diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 16829-8.txt | 17778 | ||||
| -rw-r--r-- | 16829-8.zip | bin | 0 -> 390776 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 16829-h.zip | bin | 0 -> 429903 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 16829-h/16829-h.htm | 17944 | ||||
| -rw-r--r-- | 16829.txt | 17778 | ||||
| -rw-r--r-- | 16829.zip | bin | 0 -> 388878 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
9 files changed, 53516 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/16829-8.txt b/16829-8.txt new file mode 100644 index 0000000..ba9a47e --- /dev/null +++ b/16829-8.txt @@ -0,0 +1,17778 @@ +The Project Gutenberg EBook of Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Herfsttij der Middeleeuwen + +Author: Johan Huizinga + +Release Date: October 8, 2005 [EBook #16829] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN *** + + + + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe + + + + +HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN + + +STUDIE OVER LEVENS- EN GEDACHTENVORMEN DER VEERTIENDE EN VIJFTIENDE +EEUW IN FRANKRIJK EN DE NEDERLANDEN + + +door + + +J. HUIZINGA + + +1919 + + + * * * * * + + +VOORBERICHT + + +Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het +verleden zoekt. Men wil weten, hoe de nieuwe gedachten en nieuwe +levensvormen, die in later tijden in hun volheid stralen, ontloken zijn; +men beziet elken tijd bovenal om de beloften, die hij bergt voor de +volgende. Hoe ijverig heeft men in de middeleeuwsche beschaving naar de +kiemen der moderne cultuur gespeurd; zoo ijverig, dat het soms schijnen +moest, alsof de geestesgeschiedenis der Middeleeuwen nauwelijks iets +anders was geweest dan de advent der Renaissance. Immers, overal zag men +in die tijden, die eenmaal als star en doodsch gegolden hadden, het +nieuwe reeds ontspruiten, en alles scheen te wijzen naar toekomstige +volmaking. Doch bij het zoeken naar het nieuwe leven, dat opkwam, vergat +men licht, dat in de geschiedenis als in de natuur het sterven en het +geboren worden eeuwig gelijken tred houden. Oude beschavingsvormen +sterven af terzelfdertijd en op denzelfden bodem, waarin het nieuwe +voedsel vindt om op te bloeien. + +Hier is beproefd om de veertiende en vijftiende eeuw te zien, niet als +de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen, +de middeleeuwsche beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom +met overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld. Het woekeren +van oude, dwingende denkvormen over de levende kern der gedachte, het +verdorren en verstijven van een rijke beschaving,--dat is de hoofdinhoud +van deze bladzijden. De blik is bij het schrijven van dit boek gericht +geweest als in de diepten van een avondhemel,--maar van een hemel vol +bloedig rood, zwaar en woest van dreigend loodgrijs, vol valschen +koperen schijn. + +Overzie ik het geschrevene, dan rijst de vraag, of niet, wanneer de blik +nog langer op dien avondhemel had gerust, de troebele kleuren zich toch +nog zouden hebben opgelost in louter klaarheid. Het schijnt wel, dat het +beeld, nu ik het lijn en kleur gegeven heb, toch somberder en minder +sereen is geworden, dan ik het meende te ontwaren, toen ik den arbeid +begon. Het kan licht gebeuren, dat men, de opmerkzaamheid steeds gericht +op neergaan, uitleven en verwelken, te veel van de schaduw des doods +over het werk laat vallen. + + * * * * * + +Het uitgangspunt van het werk is geweest de behoefte, om de kunst der +Van Eyck's en hun volgers beter te verstaan, ze te begrijpen in haar +samenhang met het gansche leven van den tijd. De Bourgondische +samenleving was de eenheid, die ik in het oog wilde vatten: het scheen +mogelijk, deze te zien als een even afgeronde beschavingskring als het +Italiaansche quattrocento, en de titel van het boek was eerst bestemd +te luiden: _De eeuw van Bourgondië_. Doch naarmate de strekking der +beschouwingen algemeener werd, moest die begrenzing worden opgegeven; +slechts in zeer beperkten zin viel er een eenheid van Bourgondische +cultuur te postuleeren; het niet-Bourgondische Frankrijk eischte +minstens evenveel aandacht. Zoo kwam in de plaats van Bourgondië de +tweeledigheid: Frankrijk en de Nederlanden, en dat een zeer ongelijke. +Want in een beschouwing over de afstervende middeleeuwsche cultuur in +het algemeen moest het Nederlandsche element bij het Fransche verre +achter blijven; slechts op die gebieden, waar het eigen beteekenis +heeft: dat van het godsdienstig leven en dat der kunst, komt het +uitvoeriger ter sprake. Dat in het tiende hoofdstuk de gestelde +aardrijkskundige grenzen even zijn overschreden, om naast Ruusbroec +en Dionysius den Kartuizer ook Eckhart, Suso en Tauler tot getuigen +te kunnen roepen, zal wel geen verdediging behoeven. + +Hoe gering lijkt mij het getal der doorgelezen geschriften uit de +veertiende en vijftiende eeuw, vergeleken bij alles, wat ik nog wel +had willen lezen. Hoe gaarne had ik naast de reeks van hoofdtypen der +verschillende geestesrichtingen, op welke de voorstelling veelal is +gebaseerd, nog tal van andere gesteld. Doch indien het onder de +geschiedschrijvers meer dan anderen Froissart en Chastellain zijn, die +ik aanhaal, onder de dichters Eustache Deschamps, onder de theologen +Jean Gerson en Dionysius de Kartuizer, onder de schilders Jan van +Eyck,--dan ligt dit niet enkel aan beperktheid van mijn materiaal, +maar meer nog aan het feit, dat dezen door den rijkdom en het scherp +eigenaardige van hun uitingen bij uitstek de spiegel zijn van den geest +dier tijden. + +_Vormen_ van het leven en van de gedachte zijn het, wier beschrijving +hier beproefd is. Den wezenlijken _inhoud_ te benaderen, die in die +vormen heeft gerust,--zal het ooit het werk zijn van geschiedkundig +onderzoek? + +Leiden, 31 Januari 1919. + + + + +INHOUD + + + I. 's Levens felheid + + II. De zucht naar schooner leven + + III. De heldendroom + + IV. De vormen der liefde + + V. Het beeld van den dood + + VI. De teugellooze verbeelding van het heilige + + VII. De godsdienstige persoonlijkheid + +VIII. Aandoening en verbeelding + + IX. Verbeelding en gedachte + + X. Het falen der verbeelding + + XI. De denkvormen in de praktijk + + XII. De kunst in het leven + +XIII. Het beeld en het woord + + XIV. Het komen van den nieuwen vorm + +Register + + + * * * * * + + +I + +'S LEVENS FELHEID + + +Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel +scherper uiterlijke vormen dan nu. Tusschen leed en vreugde, tusschen +rampen en geluk scheen de afstand grooter dan voor ons; al wat men +beleefde had nog dien graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, +dien de vreugd en het leed nu nog hebben in den kindergeest. Elke +levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en +uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakken, +vasten levensstijl. De groote dingen: de geboorte, het huwelijk, het +sterven, stonden door het sacrament in den glans van het mysterie. +Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren +begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen. + +Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen +geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre +koude en het bange duister van den winter waren een wezenlijker kwaad. +Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog +feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten +tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden +nog dat hooge genotsgehalte, dat misschien door de Engelsche novelle +in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het +levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende +en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel, en +hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er +hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar +aan zijn kleed. De groote heeren bewogen zich nooit zonder pralend +vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging, +venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles +luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg +het teeken van zijn dame, de genooten het embleem van hun broederschap, +de partij de kleuren en blazoenen van hun heer. + +Ook in het uiterlijk aanschijn van stad en land heerschte die +tegenstelling en die bontheid. De stad verliep niet zooals onze steden +in slordig aangelegde buitenwijken van dorre fabrieken en onnoozele +landhuisjes, maar lag in haar muur besloten, een afgerond beeld, +stekelig van tallooze torens. Zoo hoog en zwaar de steenen huizen van +edelen of koopheeren mochten zijn, de kerken bleven met hun hoogte en +ruimte den aanblik der stad beheerschen. + +Zooals de tegenstelling van zomer en winter sterker was dan in ons +leven, zoo was het die van licht en duister, van stilte en gedruisch. +De moderne stad kent nauwelijks meer het zuivere donker en de zuivere +stilte, het effekt van een enkel lichtje of een enkelen verren roep. + +Door het voortdurend contrast, door de bonte vormen, waarmee alles zich +aan den geest opdrong, ging er van het alledaagsche leven een prikkeling, +een hartstochtelijke suggestie uit, welke zich openbaart in die wankele +stemming van ruwe uitgelatenheid, hevige wreedheid, innige verteedering, +waartusschen het middeleeuwsche stadsleven zich beweegt. + +Er was één geluid, dat al het gedruisch van het drukke leven steeds weer +overstemde, en dat, hoe bont dooreen-klinkend, toch nooit verward, alles +tijdelijk ophief in een sfeer van orde: de klokken. De klokken waren in +het dagelijksch leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende +stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan +opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke +Jacqueline, klokke Roelant; men wist de beteekenis van kleppen of +luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor den +klank. Gedurende het beruchte burgerlijke tweegevecht te Valenciennes, +dat in 1455 de stad en het geheele Bourgondische hof in buitengewone +spanning heeft gehouden, luidde de groote klok, zoolang de strijd +duurde, "laquelle fait hideux à oyr", zegt Chastellain [1]. "Sonner +l'effroy", "faire l'effroy" heet het luiden der alarmklok [2]. Welk +een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als alle kerken en +kloosters van Parijs de klokken luidden van den morgen tot den avond, +en zelfs den geheelen nacht, omdat er een paus gekozen was, die een +einde aan het schisma zou maken, of om een vrede tusschen Bourguignon +en Armagnac [3]. + +Van een diep roerende werking moeten ook de processies zijn geweest. +Wanneer het bange tijden waren, en die waren het dikwijls, liepen ze +soms dag aan dag, weken achtereen. In 1412, zoodra men te Parijs wist, +dat de koning zich op vijandelijk gebied bevond, werden er dagelijksche +processies verordend, die van eind Mei tot in Juli duurden, telkens van +andere groepen, orden of gilden, langs andere wegen, met andere +relieken: "les plus piteuses (aandoenlijke) processions qui oncques +eussent été veues de aage de homme." Allen liepen barrevoets en met +nuchtere maag, de heeren van het Parlement zoogoed als de arme burgers, +elk die kon met een kaars of een toorts; er waren steeds veel kleine +kinderen bij. Ook uit de dorpen rondom Parijs kwamen de arme landlieden +blootsvoets van ver geloopen. Men ging of keek het aan "en grant pleur, +en grans lermes, en grant devocion." En bijna al die dagen regende het +hard [4]. + +Dan waren er de vorstelijke intochten. En in nooit onderbroken +veelvuldigheid de terechtstellingen. De wreede prikkeling en de grove +verteedering van het schavot waren een gewichtig element in de +geestelijke voeding van het volk. Het was kijkspel met moraal. Tegen +gruwelijke rooverijen verzon de justitie gruwelijke straffen; een jonge +brandstichter en moordenaar wordt te Brussel met een ketting, die aan +een ring om een staak kan draaien, binnen een kring van brandende +takkebossen geplaatst. Hij stelt zichzelf aan het volk in roerende +woorden ten voorbeeld, "et tellement fit attendrir les coeurs que tout +le monde fondoit en larmes de compassion." "Et fut sa fin recommandée la +plus belle que l'on avoit oncques vue" [5]. Messire Manssart du Bois geeft +niet alleen den beul gaarne de vergiffenis, die deze hem vraagt, maar +verzoekt hem, hem te kussen. "Foison de peuple y avoit, qui quasi tous +ploroient à chaudes larmes" [6]. Dikwijls waren het groote heeren; dan +genoot het volk de voldoening over het strenge recht en de ernstige +vermaning over de wisselvalligheid van aardsche grootheid levendiger, +dan eenig geschilderd exempel of doodendans het hun geven kon. De +overheid zorgde, dat aan den indruk van het schouwspel niets ontbrak: in +de teekenen van hun grootheid deden de heeren hun droevigen tocht. Jean +de Montaigu, grand maître d'hôtel van den koning, slachtoffer van den +haat van Jan zonder Vrees, rijdt naar het schavot, hoog op een kar +gezeten, twee trompetters vooruit; hij draagt zijn staatsiekleed, +kaproen, houppelande en hozen half wit half rood, en gouden sporen aan +de voeten; met die gouden sporen hangt het onthoofde lijk aan de galg. +De rijke kanunnik Nicolas d'Orgemont, le Boiteux d'Orgemont genoemd, +wordt in een vuilniskar door Parijs gevoerd, in een grooten violetten +mantel en kaproen, om de onthoofding van twee genooten aan te zien, vóór +hij zelf veroordeeld werd tot levenslange opsluiting "au pain de doleur +et à eaue d'angoisse". Het hoofd van maître Oudart de Bussy, die een +plaats in 't Parlement geweigerd had, werd op bijzonderen last van +Lodewijk XI weer opgegraven en in een scharlaken kaproen met bont +gevoerd "selon la mode des conseillers de parlement" op de markt te +Hesdin tentoongesteld, met een verklarend rijmpje. De koning zelf +schrijft over het geval met grimmige grappigheid [7]. + +Zeldzamer dan de processies en de terechtstellingen waren de preeken van +de reizende predikers, die af en toe het volk kwamen schokken met hun +woord. Wij krantenlezers kunnen ons nauwelijks meer de geweldige werking +van het woord op een onverzadigden en onwetenden geest voorstellen. De +volksprediker broer Richard, die als biechtvader Jeanne d'Arc heeft +mogen bijstaan, preekte te Parijs in 1429 tien achtereenvolgende dagen. +Hij begon des morgens om vijf uur en eindigde tusschen tien en elf uur, +meest op het kerkhof der Innocents, onder welks galerijen de beroemde +doodendans geschilderd stond, met den rug naar de open knekelhuizen, +waarin, boven de booggang rondom, de schedels voor het gezicht lagen +opgestapeld. Toen hij na zijn tiende preek meedeelde, dat het de laatste +zou zijn, daar hij geen verlof voor meer had, "les gens grans et petiz +plouroient si piteusement et si fondement, comme s'ilz veissent porter +en terre leurs meilleurs amis, et lui aussi." Als hij eindelijk Parijs +gaat verlaten, meent het volk, dat hij den Zondag nog te St. Denis zal +preeken; in groote troepen, wel zes duizend, zegt de burger van Parijs, +trekken zij Zaterdags-avonds uit de stad, om zich een goede plaats te +verzekeren, en overnachten op het veld [8]. + +Ook aan den franciscaan Antoine Fradin werd te Parijs het preeken +verboden, omdat hij hevig uitvoer tegen de slechte regeering. Maar +juist daarom was hij het volk lief. Zij bewaakten hem dag en nacht in +het klooster der Cordeliers; de vrouwen stonden er op wacht, met haar +munitie van asch en steenen gereed. Om de proclamatie, die deze wacht +verbiedt, lacht men: de koning weet er niets van! Als eindelijk Fradin, +verbannen, toch de stad verlaten moet, doet het volk hem uitgeleide, +"crians et soupirans moult fort son departement" [9]. + +Wanneer de heilige dominicaan Vincent Ferrer komt preeken, trekt uit +alle steden het volk, de magistraat, de geestelijkheid, tot bisschoppen +en prelaten toe, hem met lofzangen tegemoet, om hem in te halen. Hij +reist met een talrijke schare van volgers, die iederen avond na +zonsondergang in processie rondtrekken met geeseling en zingen. Uit +iedere stad vergezellen hem nieuwe scharen. Hij heeft de verzorging +en herberging van al die volgelingen zorgvuldig geregeld door het +aanstellen van onbesproken mannen tot kwartiermeesters. Tal van +priesters uit verschillende orden reizen mee, om hem voortdurend bij +te staan in het hooren der biecht en de bediening der mis. Een paar +notarissen vergezellen hem, om terstond acte op te maken van de +bijlegging der geschillen, die de heilige prediker overal tot stand +brengt. Waar hij preekt, moet een houten getimmerte hem en zijn gevolg +beschutten tegen den aandrang der menigte, die hem hand of kleed willen +kussen. Het handwerk staat stil, zoolang hij preekt. Zelden was het, +dat hij zijn hoorders niet tot weenen bracht, en als hij sprak van het +oordeel en de hellestraffen of van het lijden des Heeren, dan braken +zoowel hij als de hoorders altijd uit in zulk een groot geween, dat hij +geruimen tijd moest zwijgen, totdat het weenen bedaarde. Boosdoeners +kwamen zich voor alle aanwezigen ter aarde werpen, en hun groote zonden +met tranen belijden [10]. + +Het is de stemming der Engelsch-Amerikaansche revivals en van het leger +des heils, maar in het ongemetene en veel meer in het openbaar. Men +behoeft hier aan geen vrome overdrijving van den levensbeschrijver van +Vincent Ferrer te denken; de nuchtere, droge Monstrelet geeft op bijna +gelijke wijze de werking weer, die de karmeliet broeder Thomas in 1428 +met zijn preeken in Noord-Frankrijk en Vlaanderen teweegbracht. Ook hem +haalde de magistraat in, terwijl edelen den teugel van zijn muildier +hielden; ook om hem verlieten velen, waaronder heeren, die Monstrelet +met name noemt, huis en gezin, om hem overal te volgen. De aanzienlijke +burgers versierden het hooge gestoelte, dat zij voor hem oprichtten, met +de kostbaarste hangtapijten, die men betalen kon. + +Het was naast de lijdensstof en de laatste dingen vooral de bestrijding +van weelde en ijdelheid, waarmee de volkspredikers zoo diep de menschen +aangrepen. Het volk, zegt Monstrelet, was broeder Thomas vooral dankbaar +en genegen voor het neerwerpen van praal en opschik en in het bijzonder +voor den blaam, waarmee hij adel en geestelijkheid overlaadde. Hij +placht, wanneer aanzienlijke dames zich met hun hooge puntige kapsels +onder zijn gehoor waagden, de kleine jongens op haar aan te hitsen (met +belofte van aflaat, beweert Monstrelet), met den kreet: au hennin, au +hennin! zoodat de vrouwen gedurende al dien tijd geen hennins meer +durfden dragen en gehuifd gingen als begijnen, "Mais à l'exemple du +lymeçon--zegt de gemoedelijke chroniqueur--lequel quand on passe près de +luy retrait ses cornes par dedens et quand il ne ot (hoort) plus riens +les reboute dehors, ainsy firent ycelles. Car en assez brief terme après +que ledit prescheur se fust départy du pays, elles mesmes recommencèrent +comme devant et oublièrent sa doctrine, et reprinrent petit à petit leur +viel estat, tel ou plus grant qu'elles avoient accoustumé de porter [11]." + +Zoowel broer Richard als broer Thomas deden de mutserts der ijdelheden +vlammen, zooals Florence die zestig jaar later op enorme schaal en met +onherstelbaar verlies voor de kunst voor Savonarola ontsteken zou. In +Parijs en Artois in 1428 en 1429 bleef het bij kaarten, verkeerborden, +dobbelsteenen, kapsels en sieradiën, die mannen en vrouwen gewillig +aanbrachten. Deze verbrandingen waren in de 15de eeuw zoowel in +Frankrijk als Italië een zeer veelvuldig element in de groote opwinding, +die de predikers teweegbrachten [12]. De hevige uiting van den afkeer +van ijdelheden en vermaken was reeds een vorm geworden, zooals alles in +dien tijd steeds neigt, vorm te worden. + +In deze ontvankelijkheid van gemoed, deze vatbaarheid voor tranen en +geestelijken ommekeer, deze prikkelbaarheid moet men zich indenken, om +te beseffen, welke kleur en felheid het leven had. + +Een publieke rouw had toen nog het uiterlijk van een calamiteit. Bij +de begrafenis van Karel VII geraakt het volk buiten zich zelf van +aandoening, als het den stoet ziet: al de hofbeambten "vestus de dueil +angoisseux, lesquelz il faisoit moult piteux veoir; et de la grant +tristesse et courroux qu'on leur veoit porter pour la mort de leurdit +maistre, furent grant pleurs et lamentacions faictes parmy toute ladicte +ville." Er waren zes pages van den koning op geheel in zwart fluweel +gedoste paarden. "Et Dieu scet le doloreux et piteux dueil qu'ilz +faisoient pour leur dit maistre!" Een van de knapen had van verdriet in +vier dagen niets gegeten of gedronken, vertelde het volk verteederd. +[13] + +Het is niet alleen de aandoening van een grooten rouw of over een hevige +predikatie of over de mysteriën van het geloof, die een overvloed van +tranen wekt. Ook bij elke wereldlijke plechtigheid wordt een vloed van +tranen gestort. Een beleefdheidsgezant van den koning van Frankrijk aan +Philips den Goede breekt bij zijn aanspraak herhaaldelijk in tranen uit. +Bij het afscheid van den jongen Jan van Coïmbra van het Bourgondische +hof weent alles luide, evenzoo bij de verwelkoming van den dauphin, bij +de samenkomst der koningen van Engeland en Frankrijk te Ardres. Men zag +Lodewijk XI tranen storten bij zijn intocht in Atrecht; tijdens zijn +verblijf als dauphin aan het Bourgondische hof beschrijft Chastellain +hem herhaaldelijk in snikken en tranen [14]. Er is natuurlijk +overdrijving in die beschrijvingen, het "geen oog bleef droog" van een +dagbladbericht. De bisschop Jean Germain verhaalt, hoe na de treffende +aanspraken der gezanten op het vredescongres te Atrecht in 1435 de +toehoorders plat op den grond vallen, sprakeloos, met zuchten, snikken +en gehuil [15]. Doch in de overdrijving ziet men den achtergrond van +waarheid. Het is ermee als met de tranenvloeden der 18de eeuwsche +sentimenteelen. Het weenen was verheffend en schoon. Wie kent ook nu +niet de sterke ontroering, tot huivering en tranen toe, die een intocht +kan teweegbrengen, ook al is de vorst, dien de praal geldt, ons volkomen +onverschillig. Toen werd die onmiddellijke aandoening gevuld door een +half-religieuze vereering van staatsie en grootheid, en brak zich vrij +baan in echte tranen. + +Wie het verschil in prikkelbaarheid tusschen de 15de eeuw en onzen tijd +niet ziet, kan het leeren uit een klein voorbeeld op een ander gebied +dan dat der tranen, namelijk dat der heethoofdigheid. Wij kunnen ons +waarschijnlijk moeilijk een vreedzamer en rustiger spel denken dan het +schaakspel. La Marche zegt, dat het dikwijls gebeurt, dat er bij 't +schaakspel geschillen rijzen, "et que le plus saige y pert patience" +[16]. Twist van koningszonen over een spel schaak was in de 15de eeuw +nog een even gangbaar motief als in de Karelromans. + + * * * * * + +Er was in het dagelijksch leven voortdurend een onbegrensde ruimte voor +gloeienden hartstocht en kinderlijke fantazie. De hedendaagsche +wetenschappelijke historie der middeleeuwen, die wegens de +onbetrouwbaarheid der kronieken bij voorkeur zooveel mogelijk uit +officieele oorkonden put, vervalt daardoor wel eens in een gevaarlijke +fout. De oorkonden toonen ons weinig van het verschil in levenstoon, +dat ons van die tijden scheidt. Zij doen ons het felle pathos van het +middeleeuwsche leven vergeten. Van al de hartstochten, die het kleuren, +spreken de oorkonden doorgaans slechts van twee: de hebzucht en den +strijdlust, maar deze zelf zijn in hun felheid niet te begrijpen buiten +het verband met de algemeene hartstochtelijkheid. Daarom blijven de +kroniekschrijvers, zij mogen op het stuk van feitelijkheden nog zoo +oppervlakkig zijn en nog zoo dikwijls dwalen, onmisbaar om den tijd goed +te zien. + +Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje. Merk op, +hoe archaïsch de hofchronisten, geleerde, aanzienlijke mannen, de +vorsten, met wie zij verkeeren, zien, en stel u dan voor, wat het +koningschap in de volksverbeelding moet zijn geweest. Hier is de jonge +Karel de Stoute, nog graaf van Charolais, die van Sluis te Gorkum +aangekomen, daar verneemt, dat zijn vader de hertog zijn pensie en al +zijn beneficiën heeft ingetrokken. Chastellain beschrijft, hoe nu de +graaf zijn gansche hofhouding, tot de keukenjongens toe, voor zich laat +verschijnen, en hun zijn rampspoed meedeelt in een roerende toespraak, +waarin hij zijn eerbied voor den misleiden vader, zijn zorg voor het wel +der zijnen en zijn liefde voor hen allen betuigt. Die zelf middelen +hebben, spoort hij aan, met hem zijn fortuin af te wachten; die arm +zijn, laat hij vrij om heen te gaan, en als zij mochten hooren, dat 's +graven fortuin zich gekeerd heeft, "komt dan terug, en gij zult allen +uw plaats open vinden en zult mij welkom zijn, en ik zal het geduld +beloonen dat gij om mijnentwil hebt gehad."--"Lors oyt-l'on voix lever +et larmes espandre et clameur ruer par commun accord: "Nous tous, nous +tous, monseigneur, vivrons avecques vous et mourrons."--Diep geroerd +aanvaardt Karel hun trouw: "Or vivez doncques et souffrez; et moy je +souffreray pour vous, premier que vous ayez faute." Dan komen de edelen +en bieden hem aan, wat zij bezitten, "disant l'un: j'ay mille, l'autre: +dix mille, l'autre: j'ay cecy, j'ay cela pour mettre pour vous et pour +attendre tout vostre advenir." En zoo ging alles zijn gewonen gang, en +er kwam geen kip minder om in de keuken [17]. + +De uitpenseeling van het tafereel is natuurlijk van Chastellain. Wij +weten niet, in hoeverre zijn verhaal hier het werkelijk gebeurde +styleert. Doch waar het op aankomt: hij ziet den vorst in de eenvoudige +vormen van de volksballade; het geval wordt voor hem geheel beheerscht +door de meest primitieve roerselen van wederzijdsche trouw. + +Terwijl het mechanisme van het staatsbestuur en de staatshuishouding in +werkelijkheid reeds gecompliceerde vormen had aangenomen, projecteert +zich het staatsbeleid in den geest des volks in enkele vaste, eenvoudige +figuren. De politieke voorstellingen, waarin men leeft, zijn die van het +volkslied en den ridderroman. Er zijn een beperkt getal koningstypen: de +edele, rechtvaardige vorst, de door booze raden misleide vorst, de vorst +wreker van de eer van zijn geslacht, de vorst in het ongeluk door de +trouw der zijnen gesteund. Het eeuwige wantrouwen, of het geld door de +kroon wel in het algemeen welzijn wordt besteed, vindt zijn uitdrukking +in de steeds terugkeerende voorstellingen: de koning wordt omringd door +hebzuchtige, sluwe raadgevers, of de weelde en overdaad van 's konings +hofhouding is er schuld aan, dat het slecht gaat met het land. Zoo +reduceeren zich de politieke kwesties voor het volk tot de gevallen van +de sproke. Philips de Goede begreep, welke taal het volk verstond. +Tijdens zijn feesten in den Haag in 1456 heeft hij, om indruk te maken +op de Hollanders en Friezen, die zouden meenen, dat het hem aan geld +ontbrak om het bisdom Utrecht te vermeesteren, in een kamer naast de +ridderzaal dertig duizend mark zilver aan kostelijk vaatwerk laten +uitstallen. Iedereen mag er naar komen kijken. Bovendien zijn er uit +Rijssel twee geldkisten meegebracht met tweehonderdduizend gouden +leeuwen. Men mag beproeven, ze op te lichten, maar het is moeite +vergeefsch [18]. Kan er opvoedkundiger vermenging van staatscrediet en +kermisvermaak bedacht worden? + +Het vorstelijk leven en bedrijf had nog menigmaal een fantastisch +element, dat ons aan den khalief uit Duizend en één Nacht herinnert. Zij +handelen te midden van de koel berekende politieke ondernemingen soms +met een roekelooze onstuimigheid, die om een persoonlijke gril hun leven +en hun werk in gevaar brengt. Eduard III waagt er zichzelf, den prins +van Wales en de zaak van zijn land aan, om een vloot van spaansche +koopvaarders aan te vallen, ter vergelding van eenige zeerooverij +[19].--Philips de Goede heeft er zijn zinnen op gezet, een zijner +archers te huwen aan een rijke brouwersdochter uit Rijssel. Toen de +vader dit tegenwerkt en er het Parlement van Parijs inhaalt, breekt de +hertog, in woede ontstoken, de gewichtige staatsbesognes, die hem in +Holland hielden, plotseling af, en onderneemt, in den heiligen tijd vlak +voor Paschen nog wel, een gevaarlijke zeereis van Rotterdam naar Sluis, +om zijn zin door te drijven [20]. Een andermaal is hij in zinneloozen +toorn om een twist met zijn zoon als een weggeloopen schooljongen stil +uit Brussel gereden, en verdwaalt 's nachts in het bosch. Als hij weer +terecht is, valt de hachelijke taak, om hem weer in zijn gewone doen te +brengen, den ridder Philippe Pot te beurt. De handige hoveling vindt het +rechte woord: "Bonjour monseigneur, bonjour, qu'est cecy? Faites-vous du +roy Artus maintenant ou de messire Lancelot?" [21] + +Hoe khaliefachtig doet het aan, wanneer dezelfde hertog, als de +geneesheeren hem hebben voorgeschreven, zich het hoofd kaal te laten +scheren, gelast, dat alle edelen zullen doen als hij, en Peter van +Hagenbach opdraagt, om waar hij een edelman ongeschoren vond, hem van +zijn haardos te ontdoen [22]. Of wanneer de jonge koning van Frankrijk +Karel VI, met een vriend op één paard, vermomd den intocht van zijn +eigen bruid, Isabella van Beieren, gaat zien, en in 't gedrang klappen +oploopt van de dienders [23].--Een dichter uit de XVe eeuw laakt het, +dat de vorsten hun nar of speelman tot hofraad en minister verheffen, +gelijk Coquinet le fou de Bourgogne [24]. + +Een andere gewoonte herinnert aan figuren, die tot in de laatste dagen +van het tsarisme hun invloed aan het Russische hof hadden: de vorsten +der XVe eeuw zoeken herhaaldelijk raad in staatszaken bij de visionaire +asceten en de geëxalteerde volkspredikers. Dionysius de Kartuizer, +Vincent Ferrer traden als politieke raadgevers op; de luidruchtige +prediker Olivier Maillard, een Fransche Brugman, was in de heimelijkste +onderhandelingen van vorstenhoven gemengd [25]. Een element van +godsdienstige spanning werd zoodoende levend gehouden in de hooge +staatkunde. + +Het was niet door roekeloos avontuurlijke daden en woeste grillen +alleen, dat het vorstenleven voortdurend in de sfeer van het romantische +bleef. De bloedige tragiek van het koningschap heeft zelden zoo +aanhoudend het tooneel van Europa vervuld met den aanblik van +aangrijpende lotswisseling als in de XIVe en XVe eeuw. In het Duitsche +Rijk en in Engeland in één jaar tijds een koning onttroond. De wildste +verhalen liepen van Wenzel, den dronkaard, die de Duitsche landen +verwaarloosde, terwijl de Turken steeds dreigender naderden. De koningin +zou des nachts door zijn woeste losgebroken honden zijn verscheurd. De +geheimzinnige dood van Richard II van Engeland, na zijn verbazenden val, +riep dien van Eduard II, zeventig jaren eerder, in het geheugen terug. +In Frankrijk een waanzinnige op den troon, en 't land door wilde +partijtwist verscheurd. En de gansche christenheid verdeeld door het +groote schisma: twee pausen, drie welhaast, die om de macht streden. +"Le Pappe de la Lune" noemde men in Frankrijk den paus van Avignon, +Benedictus XIII, den Aragonees Peter van Luna: het moet voor het volk +een half ijlhoofdigen klank hebben gehad. De twee schreeuwende moorden +van 1407 en 1419: op Lodewijk van Orleans en op Jan zonder Vrees, +hebben met hun eindeloozen nasleep van wraakzucht en oorlog aan de +Fransche geschiedenis eener gansche eeuw een grondtoon van somberen haat +gegeven. + +Men kon de wisselvalligheid der vorstelijke fortuin, zooals ieder haar +voor oogen had in het beeld van het wiel, waar zij aftuimelen met hun +schepters en kronen, niet beter belichaamd zien dan in René van Anjou, +die altijd weer de hoogste kansen had gemist, die getracht had naar de +kronen van Hongarije, Sicilië en Jeruzalem, en niet anders vond dan +nederlagen, moeilijke ontvluchtingen, lange gevangenschappen. De +dichter-koning zonder troon, die zich vermeide in herderdicht en +miniatuurkunst, moet wel van een diep gewortelde frivoliteit zijn +geweest, of het lot zou hem hebben genezen. Bijna al zijn kinderen had +hij zien sterven, en de dochter, die hem gebleven was, had een lot, dat +in zwarte droefheid het zijne overtrof. Margareta van Anjou, vol geest, +eerzucht en hartstocht, had, zestien jaar oud, den koning van Engeland +gehuwd, Hendrik VI, een onnoozele. Het Engelsche hof was een hel van +haat. Toen eindelijk de groote familiestrijd in de phase van bloedig +geweld was gekomen, verloor Margareta kroon en rijkdom. Zij had het +ergste gevaar en den bittersten nood gekend; aan de erbarming van een +struikroover had zij zich en haar zoon moeten toevertrouwen. Zij had bij +de mis een Schotschen boogschutter om een penning moeten vragen voor een +offer, "qui demy à dur et à regret luy tira un gros d'Escosse de sa +bourse et le luy presta". Toen Chastellain het aandoenlijk verhaal van +haar rampspoed en zwerftochten uit haar mond vernam, en haar tot troost +een _Temple de Bocace_ [26] wijdde, "aucun petit traité de fortune, +prenant pied sur son inconstance et déceveuse nature", een sombere +galerij van vorstenongeluk, toen stond haar het ergste nog te wachten: +bij Tewkesbury in 1471 de Lancaster's voorgoed verslagen, haar eenige +zoon in den slag gevallen of na den slag vermoord, haar gemaal heimelijk +omgebracht, zijzelf vijf jaren in den Tower, om tenslotte door Eduard IV +aan Lodewijk XI te worden verkocht, wien zij tot dank voor haar +bevrijding afstand moest doen van de erfenis van haar vader, koning +René. + +Waar de echte koningskinderen zulk een lot beleefden, hoe zou daar een +burger van Parijs anders dan geloof schenken aan het verhaal, waarmee +in 1427 een troep Zigeuners in de stad kwam? Zij kwamen als boetelingen, +"ung duc et ung conte et dix hommes tous à cheval", de rest, een 120 +sterk, moest buiten blijven. Uit Egypte waren zij, de paus had hun als +boete voor hun afval van het christelijk geloof opgelegd om zeven jaar +te zwerven, zonder in een bed te slapen. Zij waren wel 1200 geweest, +maar hun koning en koningin en al de anderen waren onderweg gestorven. +Tot eenig solaas had de paus gelast, dat ieder bisschop en abt hun tien +pond tournoois zou geven. De Parijzenaars kwamen in groote menigte naar +het vreemde volkje kijken, en lieten zich de hand lezen door de vrouwen, +die den lieden het geld uit hun beurzen in de hare deden verhuizen "par +art magicque au autrement" [27]. + +Er lag om het vorstenleven een sfeer van avontuur en van hartstocht. Het +was niet louter de volksverbeelding, die het die kleur leende. De +moderne mensch maakt zich doorgaans geen voorstelling van de teugellooze +buitensporigheid en ontvlambaarheid van het middeleeuwsch gemoed. Men +kan uit de oorkonden een beeld ontwerpen van een stuk middeleeuwsche +geschiedenis, dat er juist zoo uitziet als achttiendeëeuwsche ministers- +en gezanten-politiek. Maar zulk een beeld mist één gewichtig element: +de felle kleur van den geweldigen hartstocht, die èn de volken èn de +vorsten heeft bezield. Zonder twijfel is dat element ook nú nog in de +staatkunde aanwezig, maar het vindt meer remmen en beletselen, het is +op honderden wijzen door het ingewikkelde mechanisme van het +gemeenschapsleven in vaste banen geleid. In de vijftiende eeuw komt +in de politieke daad nog een mate van onmiddellijk affect tot uiting, +waardoor nut en berekening telkens worden doorbroken. Gaat dat affect +gepaard met machtsgevoel, zooals bij de vorsten, dan werkt het dubbel +heftig. Chastellain drukt het in zijn deftige termen bondig uit. Het is +geen wonder, zegt hij, dat vorsten dikwijls met elkaar in vijandschap +leven, "puisque les princes sont hommes, et leurs affaires sont haulx et +agus, et leurs natures sont subgettes à passions maintes comme à haine +et envie, et sont leurs coeurs vray habitacle d'icelles (des passions) à +cause de leur gloire en régner" [28]. Dit is, wat Burckhardt "das Pathos +der Herrschaft" noemt. + +Wie de geschiedenis van Bourgondië wilde schrijven, moest steeds weer +een wraakmotief kunnen doen klinken, zoo zwart als een katafalk, dat u +bij elke daad in den raad en te velde, den bitteren smaak gaf te proeven +van hun geest vol sombere wraakgierigheid en verscheurden hoogmoed. +Zeker, het zou onnoozel zijn, om weer te willen terugkeeren tot het +gezicht, dat de vijftiende eeuw zelf op de geschiedenis had. Het gaat +niet aan, de geheele machtstegenstelling, waaruit de eeuwenlange strijd +van Frankrijk en de Habsburgers is gegroeid, te willen afleiden uit de +bloedwraak tusschen Orleans en Bourgondië, de twee takken van het huis +Valois. Wanneer men zich maar bewust blijft, dat voor den tijdgenoot die +bloedwraak het beheerschende moment van de lotgevallen hunner landen +was. Philips de Goede is voor hen in de eerste plaats de wreker, "celluy +qui pour vengier l'outraige fait sur la personne du duc Jehan soustint +la gherre seize ans" [29]. Als een heilige taak had Philips het op zich +genomen: "en toute criminelle et mortelle aigreur, il tireroit à la +vengeance du mort, si avant que Dieu luy vouldroit permettre; et y +mettroit corps et âme, substance et pays tout en l'aventure et en la +disposition de fortune, plus réputant oeuvre salutaire et agréable à +Dieu de y entendre que de le laisser". Het was den Dominicaan, die bij +den lijkdienst voor den vermoorden hertog de predikatie hield, euvel +aangerekend, dat hij op den christenplicht om niet te wreken gewezen had +[30]. Al de staten van zijn landen riepen met hem om wraak, zegt La +Marche [31]. + +Het tractaat van Atrecht, dat in 1435 den vrede tusschen Frankrijk en +Bourgondië schijnt te zullen brengen, begint met de boete voor den moord +van Montereau; een kapel te stichten in de kerk van Montereau, waar Jan +het eerst begraven was, waar ten eeuwige dage een requiem zal gezongen +worden iederen dag; desgelijks in dezelfde stad een Kartuizerklooster, +een kruis op de brug zelf, waar het feit was bedreven, een mis in de +Kartuizerkerk te Dijon, waar de Bourgondische hertogen begraven liggen +[32]. Het was maar een deel van al de openbare boete en schande, die de +kanselier Rolin namens den hertog geëischt had: kerken met kapittels +niet alleen te Montereau, maar ook te Rome, Gent, Dijon, Parijs, +Santiago de Compostella en Jeruzalem, met opschriften in steen, die het +feit verhalen moesten [33]. + +Een wraakbehoefte, die zich in zoo wijdloopige vormen kleedde, moet wel +vooraan in den geest hebben gestaan. En wat zou het volk van de +staatkunde hunner vorsten beter hebben begrepen dan deze eenvoudige, +primitieve motieven van haat en wraak? De aanhankelijkheid aan den vorst +was van een kinderlijk impulsief karakter, een onmiddellijk gevoel van +trouw en gemeenschap. Het is een uitbreiding van het oude sterke besef, +dat de eedhelpers aan den klager, de mannen aan hun heer bond, en dat in +veete en strijd tot allesvergetenden hartstocht aangloeide. Het is +partijgevoel, geen staatsgevoel. De latere middeleeuwen zijn de tijd der +groote partijstrijden. In Italië consolideeren de partijen zich reeds in +de 13e eeuw, in Frankrijk en de Nederlanden rijzen ze overal omhoog in +de 14e. Iedereen, die de geschiedenis van die tijden bestudeert, moet +wel eens getroffen zijn door de gebrekkigheid, waarmee die partijschappen +door de moderne geschiedvorsching uit economisch-politieke oorzaken worden +verklaard. De economische tegenstellingen, die men eraan ten grondslag +legt, zijn veelal louter schematische constructies, die men met den +besten wil niet uit de bronnen kan aflezen. Zonder de aanwezigheid van +economische oorzaken te loochenen, is men geneigd te vragen, of ter +verklaring van den laat-middeleeuwschen partijstrijd een politisch- +psychologisch gezichtspunt niet meer profijt oplevert dan een politisch- +economisch. Op de onmiddellijke basis van hartstochtelijke trouw, van +familietrots en wraakzucht kan men de partijen als 't ware zien +agglomereeren uit de beperkte veeten van den zuiver-feodalen tijd. Met +de versterking van de staatsmacht, met de uitbreiding van de geldmacht +nemen de primitieve gevoelens van solidariteit en gemeenschapseer +breeder, openlijker vormen aan. Wanneer een scherpziend tijdgenoot +verklaart, dat voor den haat van Hoekschen en Kabeljauwschen geen +redelijke gronden waren te bespeuren [34], moet men niet minachtend de +schouders ophalen en wijzer willen zijn dan hij. + +Hoe hevig de gemoedsbeweging van vorstentrouw werken kon, leest men op +elke bladzijde der middeleeuwsche geschiedenis. De dichter van het +mirakelspel Marieken van Nimwegen vertoont ons, hoe Marieken's kwade +moei, na zich met de buurvrouwen half razend gekeven te hebben over den +twist van Arnold en Adolf van Gelre, zich ophangt uit spijt, dat de oude +hertog uit zijn gevangenis is verlost. Blijkbaar was dit dus voor hem +een waarschijnlijk motief. Midden in den nacht laten de schepenen van +Abbeville de klokken luiden, omdat er een bode gekomen is van Karel van +Charolais met verzoek om te bidden voor de genezing zijns vaders. De +verschrikte burgers stroomen ter kerke, ontsteken honderden kaarsen, +liggen geknield of neergeworpen, in tranen, den ganschen nacht, terwijl +de klokken aldoor luiden [35]. + +Als het volk van Parijs, in 1429 nog Engelsch-Bourgondischgezind, +verneemt, dat broeder Richard, die hen nog pas zoo innig had aangegrepen +met zijn preeken, een Armagnac is, en de steden heimelijk ompraat, dan +vervloeken zij hem bij God en de heiligen; voor den tinnen penning met +den naam van Jezus, dien hij hun gegeven had, nemen zij het Andrieskruis, +het partijteeken van Bourgondië. Zelfs het hervatten van de dobbelspelen, +waartegen broer Richard geijverd had, geschiedde, meent de burger van +Parijs, "en despit de luy" [36]. + +Men zou meenen, dat het schisma tusschen Avignon en Rome, dat geen +dogmatischen grond had, geen geloofshartstocht kon hebben gewekt in de +landen, ver van de beide centra verwijderd. Toch ontwikkelt zich ook +daar het schisma onmiddellijk tot een felle en hevig bewogen partijzaak, +tot een tegenstelling als van geloovigen en ongeloovigen. Wanneer Brugge +overgaat van den paus te Rome tot dien van Avignon, verlaten tal van +lieden huis en stad, bedrijf of prebende, om in Utrecht, Luik of een +ander gebied der urbanistische obedientie naar hún partij te kunnen +leven [37]. Te Rozebeke in 1382 is de Fransche legeraanvoering in +twijfel, of men tegen de opstandige Vlamingen de oriflamme, de heilige +koningsvaan, zal ontplooien of niet. De beslissing valt: ja, want die +Vlamingen zijn urbanisten, dus ongeloovigen [38]. Pierre Salmon kon te +Utrecht geen priester vinden, die hem zijn paasch wil laten vieren, +"pour ce qu'ils disoient que je estoie scismatique et que je créoie en +Benedic l'antipape", zoodat hij alleen in een kapel gaat biechten, alsof +hij 't voor een priester deed, en de mis hoort in het Kartuizerklooster +[39]. + +Het sterk bewogen karakter van partijgevoel en vorstentrouw werd nog +verhoogd door de machtige suggestieve werking, die er uitging van al +de partijteekens, kleuren, emblemen, deviezen, kreten, die elkander +somtijds in bonte wisseling opvolgden, meestal zwanger van moord en +doodslag, een enkele maal teeken van blijder dingen. Wel twee duizend +personen trokken in 1380 den jongen Karel VI bij zijn intocht in Parijs +tegemoet, allen gelijk gekleed in half groen half wit. Tot driemaal toe +zag men in de jaren 1411 tot 1413 heel Parijs plotseling met ander +kenteeken getooid: paarse kaproenen met het Andrieskruis, witte +kaproenen, dan weer violette. Geestelijken, vrouwen en kinderen droegen +ze. Tijdens het schrikbewind der Bourguignons te Parijs in 1411 werden +iederen Zondag de Armagnacs onder klokgelui geëxcommuniceerd; men behing +de heiligenbeelden met het Andrieskruis, ja, sommige priesters wilden +bij de mis en bij den doop het kruisteeken niet recht maken, zooals de +Heer gekruist was, maar maakten het schuins [40]. + +De blinde hartstocht, waarmee men zijn partij, zijn heer of ook zijn +eigen zaak volgde, was mede een uitingsvorm van het muurvaste, +steenharde rechtsgevoel, de onwrikbare verzekerdheid, dat elke daad haar +uiterste vergelding eischt. Het middeleeuwsche gerechtigheidsgevoel was +voor drie kwart heidensch. Het was wraakbehoefte. De kerk had wel de +rechtsgewoonten getracht te verzachten door aandrang op zachtmoedigheid, +vrede, vergevensgezindheid, maar het eigenlijke rechtsgevoel had zij +daarmee niet veranderd. Integendeel, zij had het geëxaspereerd, door aan +de vergeldingsbehoefte den haat tegen de zonde toe te voegen. De zonde +nu, dat was al te vaak: wat mijn vijand doet. Er was een enorme spanning +gekomen van barbaarsch-religieus gerechtigheidsgevoel; onder invloed van +de zonde-opvatting was de afkoopbaarheid van het misdrijf meer en meer +teruggedrongen, en zoo is het einde der middeleeuwen de bedwelmende +bloeitijd van pijnlijke gerechtigheid en justitieele wreedheid geworden. +Daar was geen oogenblik van twijfel, of de boosdoener zijn recht +verdiend had. Daar was innige voldoening over treffende daden van +justitie, door den vorst zelf verricht. Daar waren vlagen van straffe +gerechtigheid, dan tegen roovers en geboefte, dan tegen heksen en +toovenaars, dan tegen sodomie. + +Wat in de justitieele wreedheid der late middeleeuwen treft, is geen +ziekelijke perversiteit maar het dierlijke, verstompte jolijt, dat +het volk erin had, de kermisvreugde ervan. Die van Mons koopen een +rooverhoofdman tegen veel te hoogen prijs, voor het genoegen van hem te +vierendeelen, "dont le peuple fust plus joyeulx que si un nouveau corps +sainct estoit ressuscité" [41]. Tijdens de gevangenschap van Maximiliaan +te Brugge in 1488 staat op de markt, waar de gevangen koning het kan +zien, de pijnbank op een hooge estrade, en het volk krijgt er niet +genoeg van, de van verraad verdachte magistraatspersonen telkens weer +te zien pijnigen, en weerhoudt de executie, waar dezen om smeeken, om +nieuwe kwellingen te genieten [42]. + +Tot welke onchristelijke uitersten juist de vermenging van geloof en +wraakzucht leidde, bewijst de gewoonte, die in Frankrijk en Engeland +heerschte, om den terdoodveroordeelde niet alleen het viaticum maar ook +de biecht te weigeren. Men wilde hun ziel niet redden, men wilde hun +doodsangst verzwaren met de zekerheid der hellestraf. Vergeefs had paus +Clemens V in 1311 gelast, althans het boetsacrament toe te staan. De +politieke idealist Philippe de Mézières drong er opnieuw op aan, eerst +bij Karel V van Frankrijk, toen bij Karel VI. Doch de kanselier Pierre +d'Orgemont, wiens "forte cervelle", zegt Mézières, moeilijker om te +keeren was dan een molensteen, verzette er zich tegen, en Karel V, de +wijze, vreedzame koning, verklaarde, dat bij zijn leven de gewoonte niet +veranderd zou worden. Eerst toen de stem van Jean Gerson zich bij die +van Mézières voegde met een vijftal consideraties tegen het misbruik, +gelastte een koninklijk edict van 12 febr. 1397 den veroordeelde de +biecht toe te staan. Pierre de Craon, aan wiens bemoeiing het besluit te +danken was, richtte een steenen kruis op bij de galg van Parijs, waar de +Minderbroeders de berouwvolle misdadigers konden bijstaan [43]. Toch +verdween ook toen de oude gewoonte nog niet uit de volkszeden; nog kort +na 1500 moet de bisschop van Parijs, Etienne Ponchier, het statuut van +Clemens V hernieuwen. In 1427 wordt een roofziek jonker te Parijs +gehangen. Bij de terechtstelling komt een aanzienlijk ambtenaar, groot +tresorier in dienst van den regent, zijn haat tegen den veroordeelde +luchten; hij belet, dat hem de confessie wordt toegestaan, die hij +vraagt; hij klimt scheldende achter hem de ladder op, slaat hem met een +stok, ranselt den beul, omdat die hem naar de redding van zijn ziel +vraagt. De beul, verschrikt, overhaast zich, de strop breekt, de arme +misdadiger valt, breekt been en ribben, en moet zoo de ladder weer op +[44]. + +In de middeleeuwen ontbreken al de gevoelens, die ons besef van justitie +schuchter en weifelend hebben gemaakt: het inzicht in halve +toerekenbaarheid, het besef van 's rechters feilbaarheid, het besef, dat +de maatschappij mee schuld heeft aan het misdrijf van den enkele, de +vraag, of men hem niet kan verbeteren in plaats van hem te doen lijden. +Of misschien beter gezegd: die gevoelens ontbraken niet, maar waren +onuitgedrukt vereenigd in een onmiddellijke aandoening van +barmhartigheid en vergiffenis, die, onafhankelijk van de schuld, telkens +weer de wreede voldoening over het gedane recht komt breken. Waar wij +een aarzelend en half schuldbewust toemeten van verzachte straffen +kennen, daar kent de middeleeuwsche justitie slechts de twee uitersten: +de volle maat van wreede straf en de genade. Bij het schenken van genade +wordt veel minder dan thans gevraagd, of de schuldige om bijzondere +redenen de gratie verdient: voor elke schuld, ook de klaarblijkelijkste, +is volle kwijtschelding te allen tijde gepast. In de praktijk gaf bij +die kwijtscheldingen niet altijd de zuivere barmhartigheid den doorslag. +Het is verbazend, met welk een gelijkmoedigheid de tijdgenooten +vertellen, hoe de tusschenkomst van aanzienlijke verwanten een +misdadiger "lettres de rémission" bezorgen. Niettemin gelden de meeste +van die brieven geen aanzienlijken overtreders maar armen lieden uit het +volk, die geen hooge voorspraak gehad hebben [45]. + +De onmiddellijke tegenstelling van hardvochtigheid en barmhartigheid +beheerscht ook buiten de rechtspleging de zeden. Aan de eene zijde de +vreeselijkste hardvochtigheid tegen misdeelden en gebrekkigen, aan de +andere die ontzaglijke verteedering, dat innig gevoel van verwantschap +voor zieken, armen en gekken, zooals wij het, samen met de wreedheid, +nog uit de Russische litteratuur kennen. Het genot in terechtstellingen +wordt althans nog begeleid en tot zekere hoogte gerechtvaardigd door een +sterk bevredigd rechtsgevoel. In de ongeloofelijke, naïeve hardheid, +onkieschheid, den wreeden spot, het leedvermaak, waarmee men het ongeluk +der ellendigen beschouwt, ontbreekt zelfs het veredelend element van het +bevredigd rechtsgevoel. De kroniekschrijver Pierre de Fenin besluit het +verhaal van het omkomen eener rooverbende met de woorden: "et faisoit-on +grant risée, pour ce que c'estoient tous gens de povre estat" [46]. + +Te Parijs wordt in 1425 een "esbatement" gehouden van vier geharnaste +blinden, die om een big vechten. Daags te voren trekken zij geharnast +door de stad, voorop een doedelzakspeler en een man met een groote vlag, +waarop de big geschilderd staat [47]. + +Velazquez heeft ons de innig droevige tronies bewaard van de +dwerginnetjes, die als zottinnen aan het Spaansche hof in zijn tijd +nog in eere waren. Zij waren een gezocht voorwerp van vermaak aan de +vorstenhoven der 15e eeuw. Bij de kunstige "entremets" der groote +hoffeesten vertoonden zij haar kunsten en haar mismaaktheid. Madame +d'Or, de goudblonde dwergin van Philips van Bourgondië, was algemeen +bekend. Men liet haar worstelen met den acrobaat Hans [48]. Bij de +huwelijksfeesten van 1468 komt Madame de Beaugrant, "la naine de +Mademoiselle de Bourgogne", gedost als herderin, binnenrijden op een +gouden leeuw, grooter dan een paard. De leeuw kan den bek open en dicht +doen en zingt een welkomstliedje; het herderinnetje wordt cadeau gedaan +aan de jonge hertogin en op tafel gezet [49]. Wij kennen geen klachten +over het lot van die vrouwtjes, wel posten uit rekeningen, die ons nog +iets meer zeggen. Zij spreken ervan, hoe een hertogin zulk een dwergje +liet halen uit haar ouderlijk huis, hoe de moeder of de vader haar +kwamen brengen, hoe ze haar ook later af en toe kwamen bezoeken, en dan +een fooi kregen. "Au pere de Belon la folle, qui estoit venu veoir sa +fille...." Ging de vader verheugd en hoogvereerd over den hofdienst van +zijn dochter naar huis? In hetzelfde jaar leverde een slotemaker te +Blois twee ijzeren halsbanden, één "pour attacher Belon la folle et +l'autre pour mettre au col de la cingesse de Madame la Duchesse" [50]. + +Hoe de krankzinnigen behandeld werden, kan men afmeten naar een bericht +omtrent de verzorging van Karel VI, die als koning toch een verpleging +genoot, die gunstig afweek van wat anderen ondervonden. Om den armen +waanzinnige te verschoonen, wist men niets beters te bedenken, dan hem +te laten verrassen door twaalf zwartgemaakte mannen, alsof de duivelen +hem kwamen halen [51]. + +Er is in de hardvochtigheid van die tijden een mate van "ingénu", die +ons de veroordeeling op de lippen doet besterven. Temidden van een +pestepidemie, die Parijs teisterde, verzoeken de hertogen van Bourgondië +en Orleans, om terwille der verstrooiing een cour d'amours in te stellen +[52]. In een pauze van de gruwelijke moordpartijen op de Armagnacs in +1418, sticht het volk van Parijs in de kerk van Sint Eustathius de +broederschap van Sint Andries; iedereen, priester of leek, draagt een +krans van roode rozen; de kerk is er vol van en geurt "comme s'il fust +lavé d'eau rose" [53]. Wanneer de heksenprocessen, die Atrecht in 1461 +als een helsche plaag hadden geteisterd, tenslotte vernietigd worden, +viert de burgerij die zege van het recht met een wedstrijd in het +opvoeren van "folies moralisées", eerste prijs een zilveren lelie, +vierde prijs een paar kapoenen; de gemartelde slachtoffers waren lang +dood [54]. + +Zoo fel en bont was het leven, zoo verdroeg het den geur van bloed en +rozen dooreen. Tusschen helsche benauwingen en de kinderlijkste pret, +tusschen gruwelijke hardvochtigheid en snikkende verteedering slingert +het als een reus met een kinderhoofd. Tusschen de volstrekte verzaking +van alle wereldsche vreugde en een waanzinnige gehechtheid aan goed en +genot, tusschen duisteren haat en de meest goedlachsche goedmoedigheid +leeft het volk in uitersten. + +Van de heldere helft van dat leven is ons maar luttel bewaard: het is, +of al de blijde zachtheid en sereniteit van de ziel der vijftiende eeuw +is verzonken in haar schilderkunst en gekristalliseerd in de ijle +reinheid van haar hooge muziek. De lach van dat geslacht is verstorven, +zijn gulle levenslust en onbekommerde vreugde leeft enkel nog in +volkslied en klucht. Er is genoeg, om bij ons heimwee naar vervlogen +schoon van andere tijden ook een verlangen naar de zonnigheid van de +eeuw der van Eyck's te voegen. Maar wie zich waarlijk in dien tijd +verdiept, heeft dikwijls moeite, om het blijde aspect vast te houden. +Want overal buiten de sfeer der kunst heerscht het donker. In het +dreigend waarschuwen der sermoenen, in de moede zuchten der hoogere +litteratuur, in het eentonig relaas der kronieken en oorkonden, overal +schreeuwen de bonte zonden en jammert de ellende. + +De tijden na de reformatie hebben de hoofdzonden van hoogmoed, toorn en +hebzucht niet meer gezien in die purperen volbloedigheid en onbeschaamde +vrijpostigheid, waarmee zij wandelden onder de menschheid der vijftiende +eeuw. De onmetelijke hoogmoed van Bourgondië! De gansche geschiedenis +van dat geslacht, van de daad van ridderlijke bravoure, waarvan het +hooggroeiende fortuin van den eersten Philips zijn oorsprong neemt, over +den fellen naijver van Jan zonder Vrees en de zwarte wraakzucht na zijn +dood, over den langen zomer van dien anderen Magnifico, Philips den +Goede, tot de waanzinnige halsstarrigheid, waarin de hoogwillende Karel +de Stoute ondergaat, is het niet een poëem van heroïeken hoogmoed? Hun +landen waren de sterkst levende van het Westen: Bourgondië, zwaar van +kracht als zijn wijn, "la colérique Picardie", het gulzige, rijke +Vlaanderen. Het zijn dezelfde landen, waar de pracht van schilderkunst, +sculptuur en muziek opbloeit, en waar het felste wraakrecht heerscht en +de gewelddadigste barbaarschheid zich botviert onder adel en burgers +[55]. + +Geen kwaad is dien tijden meer bewust geweest dan de hebzucht. Men kan +den hoogmoed en de hebzucht tegenover elkander zien als de zonde van den +ouden en van den nieuwen tijd. De hoogmoed is de zonde van het feodale +en hiërarchische tijdperk, waarin bezit en rijkdom weinig mobiel zijn. +Het machtsgevoel zit nog niet in de eerste plaats vast aan den rijkdom; +het is persoonlijker, en de macht moet, om erkend te worden, zich +manifesteeren door groot vertoon, van talrijk gevolg van getrouwen, van +kostbare versiering en indrukwekkend optreden van den machtige. Het +besef van meer te zijn dan een ander mensch wordt door de feodale en +hiërarchische gedachte voortdurend gevoed met levenden vorm; die +meerderheid wordt gevoeld als iets zeer wezenlijks en gerechtvaardigds. + +De hoogmoed is een symbolische zonde en een theologische; haar wortels +zitten diep in den grond van alle levens- en wereldbeschouwing. Superbia +was de oorsprong van alle kwaad; Lucifer's hoogmoed was het begin en de +oorzaak van alle verderf. Zoo had Augustinus het gezien, zoo bleef de +voorstelling der lateren: de hoogmoed is de bron van alle zonden, zij +groeien uit hem als wortel en stam [56]. + +Doch naast het schriftwoord, dat deze opvatting staafde: A superbia +initium sumpsit omnis perditio [57], stond een ander: Radix omnium +malorum est cupiditas [58]. In aansluiting daaraan kon men ook de +hebzucht zien als den wortel van alle kwaad. Want onder cupiditas, dat +als zoodanig in de rij der hoofdzonden geen plaats had, werd hier +avaritia verstaan, gelijk zelfs een andere lezing van den tekst inhield +[59]. En het schijnt wel, alsof vooral sedert de dertiende eeuw de +overtuiging, dat het de teugellooze hebzucht is, die de wereld verderft, +in de schatting der geesten den hoogmoed van zijn plaats als eerste en +noodlottigste der zonden verdringt. De oude theologische vooraanstelling +van Superbia wordt overstemd door het steeds aanzwellend koor van +stemmen, die al de ellende der tijden wijten aan de steeds toenemende +hebzucht. Hoe heeft niet Dante haar vervloekt: la cieca cupidigia! + +De hebzucht nu mist het symbolisch en theologisch karakter van den +hoogmoed; zij is de natuurlijke en materieele zonde, de zuiver aardsche +drift. Zij is de zonde van het tijdperk, waarin het geldverkeer de +voorwaarden van machtsontwikkeling heeft verplaatst en losgemaakt. De +schatting van menschelijke waardigheid wordt een rekensommetje. Er is +een veel onbegrensder veld geopend voor de bevrediging van toomelooze +begeerten en opeenhooping van schatten. En die schatten hebben nog niet +de spookachtige ontastbaarheid, die het moderne credietwezen aan het +kapitaal heeft gegeven; het is nog het gele goud zelf, dat vooraan in de +voorstelling staat. En de besteding van den rijkdom heeft nog niet het +automatische en mechanische van voortgezette belegging: de bevrediging +ligt nog in de felle uitersten van gierigheid en verspilling. In de +laatste vooral gaat de hebzucht het huwelijk aan met den ouden hoogmoed. +Die was nog zoo sterk en levend: de hierarchisch-feodale gedachte had +nog niets van haar bloei verloren, de lust aan pracht en praal, opschik +en staatsie was nog zoo purperrood. + +Juist de verbinding met een primitieven hoogmoed geeft aan de hebzucht +der latere middeleeuwen dat onmiddellijke, hartstochtelijke, +geëxaspereerde, wat latere tijden verloren schijnen te hebben. Het +Protestantisme en de Renaissance hebben in de hebzucht ethischen inhoud +gebracht: haar gelegaliseerd als nuttige voortbrenging van welvaart. +Haar stigma verflauwde, naarmate de loffelijkheid van de verzaking der +aardsche goederen minder overtuigd beleden werd. In de late middeleeuwen +daarentegen kon de geest nog enkel de onopgeloste tegenstelling bevatten +van hebzucht tegenover milddadigheid en vrijwillige armoede. + +Overal klinkt uit de litteratuur en de kronieken van dien tijd de +bittere haat tegen de rijken, de klacht over de hebzucht der grooten, +van het spreekwoord tot het vrome tractaat. Het is soms als een vaag +besef van klassenstrijd, uitgedrukt met de middelen van zedelijke +verontwaardiging. Op dit gebied kunnen evengoed de oorkonden als de +verhalende bronnen ons het gevoel van den levenstoon van dien tijd +geven, want in alle bescheiden van processen blinkt de meest +onbeschaamde hebzucht. + +In 1436 was het mogelijk, dat de dienst in een der drukst bezochte +kerken van Parijs 22 dagen stilstond, omdat de bisschop de kerk niet +wilde herwijden, voor hij zekere som van penningen daarvoor ontving van +twee bedelaars, wier handgemeen door een bloedige schram de kerk had +ontwijd; en de stakkers hadden het niet. De bisschop, Jacques du +Châtelier, stond dan ook bekend als "ung homme très pompeux, +convoicteux, plus mondain que son estat ne requeroit". Maar onder zijn +opvolger, Denys de Moulins, was het in 1441 al weer zoo: nu kon er vier +maanden lang op het kerkhof "des Innocents", het vermaardste en +gezochtste van Parijs, niet begraven worden noch ommegang gehouden, +omdat de bisschop een hooger recht daarvan eischte, dan de kerk kon +opbrengen. Deze bisschop heette "homme très pou piteux à quelque +personne, s'il ne recevoit argent ou aucun don qui le vaulsist, et pour +vray on disoit qu'il avait plus de cinquante procès en Parlement, car de +lui n'avoit on rien sans procès" [60]. Men moet de geschiedenis van de +"nouveaux riches" van dien tijd, een familie d'Orgemont bijvoorbeeld, in +al de laagheden van hun schraapzucht en proceszucht vervolgen, om den +geweldigen haat van het volk, den toorn van predikers en dichters te +begrijpen, die zonder ophouden over de rijken werd uitgestort [61]. + +Het volk kan zijn eigen lot en het gebeuren van den tijd niet anders +zien dan als een altijddurende opeenvolging van wanbestuur en +uitzuiging, oorlog en rooverij, duurte, gebrek en pestilentie. De +chronische vormen, die de oorlog placht aan te nemen, de voortdurende +verontrusting van stad en land door allerlei gevaarlijk geboefte, de +eeuwige bedreiging van een harde en onbetrouwbare justitie, en daarboven +nog de druk van helleangst, duivel- en heksenvrees, hielden een gevoel +van algemeene onveiligheid levend, dat wel geschikt was, den achtergrond +van het leven zwart te kleuren. Het zijn niet alleen de kleinen en +armen, wier leven verliep in die hachelijke onveiligheid, ook in dat van +edelen en magistraten zijn de sterkste lotswisselingen en voortdurende +gevaren bijna regel. Mathieu d'Escouchy, een Picardiër, is een +geschiedschrijver, zooals de vijftiende eeuw er zoo velen oplevert: zijn +kroniek, eenvoudig, nauwkeurig, onpartijdig, vervuld van de gewone +vereering voor het ridderideaal en de gewone moraliseerende strekking, +zou ons een eerzaam auteur doen vermoeden, die aan nauwgezetten +historischen arbeid zijn gaven wijdde. Maar welk een leven is het +geweest, dat de uitgever van dit geschiedwerk van den auteur uit de +oorkonden aan het licht heeft gebracht! [62] Mathieu d'Escouchy begint +zijn magistratenloopbaan als raad, schepen, gezworene, schout (prévôt) +van de stad Péronne tusschen 1440 en 1450. Van den aanvang af vindt men +hem in een soort van veete met de familie van den procureur dier stad, +Jean Froment, een veete, die met processen wordt uitgevochten. Dan is +het de procureur, die d'Escouchy vervolgt wegens valschheid en moord, +dan wegens "excès et attemptaz". De schout op zijn beurt belaagt de +weduwe van zijn vijand met een onderzoek naar tooverij, waarvan zij +verdacht stond; maar de vrouw weet een mandaat te verkrijgen, krachtens +hetwelk d'Escouchy zijn onderzoek in handen der justitie moet stellen. +De zaak komt voor het Parlement van Parijs, en d'Escouchy geraakt voor +de eerste maal in gevangenschap. Nog zesmaal daarna vinden wij hem als +beschuldigde in hechtenis, en eenmaal in krijgsgevangenschap. 't Zijn +telkens ernstige crimineele zaken en meer dan eens zit hij in zware +ijzers. De wedstrijd van wederzijdsche aanklachten tusschen de familie +Froment en d'Escouchy wordt afgewisseld door een gewelddadige +ontmoeting, waarbij de zoon Froment hem wondt. Beiden huren rabauwen, +om elkaar naar 't leven te staan. Nadat deze lange veete uit onzen +gezichtskring verdwenen is, zijn het nieuwe aanslagen; ditmaal wordt +de schout verwond door een monnik; nieuwe klachten, dan in 1461 +d'Escouchy's verhuizing naar Nesle, onder verdenking van euveldaden, +naar het schijnt. Dit belet hem niet, om carrière te maken: hij wordt +baljuw, prévôt van Ribemont, procureur du roi te Saint Quentin; hij +wordt geadeld. Na nieuwe verwondingen, opsluitingen, boeten, vindt men +hem in krijgsdienst: hij strijdt voor den koning bij Montlhéry in 1465 +tegen Karel den Stoute, en wordt er krijgsgevangen gemaakt. Uit een +volgenden veldtocht keert hij verminkt terug. Dan trouwt hij, maar het +beduidt niet de intrede in een rustig leven. Men vindt hem onder de +beschuldiging van zegelvervalsching, gevankelijk naar Parijs gevoerd +"comme larron et murdrier", in nieuwe veete met een magistraat van +Compiègne, naar wiens daden hij een onderzoek moet doen, door pijniging +tot bekentenis gebracht en van appel teruggehouden, veroordeeld, +gerehabiliteerd, weer veroordeeld, totdat het spoor van dit bestaan van +haat en vervolging uit de bescheiden verdwijnt. + +Overal waar men de lotgevallen naspeurt van de personen, in de bronnen +van dien tijd vermeld, verrijst zulk een beeld van heftig bewogen +levens. Lees bijvoorbeeld de bijzonderheden, die Pierre Champion +verzameld heeft over allen, die door Villon in zijn Testament zijn +bedacht of genoemd [63], of de aanteekeningen van Tuetey op het dagboek +van den burger van Parijs. Het zijn processen, misdrijven, twisten en +vervolgingen zonder eind, die ons treffen. En dit zijn de levens van +willekeurige lieden, uit rechterlijke, kerkelijke of andere bescheiden +opgediept. Kronieken als die van Jacques du Clercq, een verzameling van +euveldaden, kunnen een te zwart beeld van den tijd geven; zelfs de +lettres de rémission, die het dagelijksch leven in zoo levendige +nauwkeurigheid voor oogen brengen, kunnen uithoofde van hun crimineel +onderwerp te uitsluitend de booze zijden van het leven belichten. Doch +elke proef, genomen uit willekeurig materiaal, bevestigt de donkerste +voorstellingen. + +Het is een booze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het +onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere +aarde. En spoedig wacht der menschheid het eind van alle dingen. Maar de +menschheid bekeert zich niet; de kerk strijdt, predikers en dichters +klagen en vermanen vergeefs. + + + + +[1] Oeuvres de Georges Chastellain, ed. Kervyn de Lettenhove, 8 vol., +Bruxelles 1863-'66, III p. 44. + +[2] Chastellain, II p. 267; Mémoires d'Olivier de la Marche, ed. Beaune +et d'Arbaumont, (Soc. de l'hist. de France), 1883-'88, 4 vol., II p. 248. + +[3] Journal d'un bourgeois de Paris, ed. A. Tuetey, (Publ. de la Soc. de +l'histoire de Paris, Doc. no. III) 1881, p. 5, 56. + +[4] Journal d'un bourgeois, p. 20-24. Vgl. Journal de Jean de Roye, dite +Chronique scandaleuse, ed. B. de Mandrot (Soc. de l'hist. de France) +1894-'96, 2 vol., I p. 330. + +[5] Chastellain, III p. 461, vgl. V p. 403. + +[6] Jean Juvenal des Ursins, 1412, ed. Michaud et Poujoulat, Nouvelle +collect. des mémoires, II p. 474. + +[7] Journal d'un bourgeois, p. 6; 70; Jean Molinet, Chronique, ed. +Buchon, Coll. de chron. nat., 1827/28, 5 vol, II p. 23; Lettres de Louis +XI, ed. Vaesen, Charavay, de Mandrot, (Soc. de l'hist. de France) +1883-1909, 11 vol., 20 Apr. 1477, VI p. 158; Chronique scandaleuse, II +p. 47, id. Interpolations, II p. 364. + +[8] Journal d'un bourgeois, p. 234/7. + +[9] Chron. scand., II p. 70, 72. + +[10] Vita auct. Petro Ranzano O.P. (1455), Acta sanctorum Apr. t. 1 +p. 494 sq. + +[11] Enguerrand de Monstrelet, Chroniques, ed. Douët d'Arcq (Soc. de +l'hist. de France) 1857-'62, 6 vol., IV p. 302-306. + +[12] Wadding, Annales Minorum, X p. 72; K. Hefele, Der h. Bernhardin von +Siena und die franziskanische Wanderpredigt in Italien, Freiburg, 1912, +S. 47, 80. + +[13] Chron. scand., I p. 22, 1461; Jean Chartier, Hist. de Charles VII, +ed. D. Godefroy, 1661, p. 320. + +[14] Chastellain, III pp. 36, 98, 124, 125, 210, 238, 239, 247, 474; +Jacques du Clercq, Mémoires (1448-1467), ed. de Reiffenberg, Bruxelles, 1823, +4 vol., IV. p. 40, II p. 280, 355, III p. 100; Juvenal des Ursins, p. 405, +407, 420; Molinet, III p. 36, 314. + +[15] Jean Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, ed. +Kervyn de Lettenhove, Chron. rel. à l'hist. de la Belg. sous la dom. des +ducs de Bourg. (Coll. des chron. belges) 1876, II, p. 50. + +[16] La Marche, I p. 61. + +[17] Chastellain, IV p. 333 s. + +[18] Chastellain, III p. 92. + +[19] Jean Froissart, Chroniques, ed. S. Luce et G. Raynaud (Soc. de +l'hist. de France) 1869-1899,11 vol. (niet verder dan 1385), IV, p. 89-93. + +[20] Chastellain, III p. 85 ss. + +[21] Ib. III p. 279. + +[22] La Marche. II p. 421. + +[23] Juvenal des Ursins, p. 379. + +[24] Martin Le Franc, Le Champion des dames, bij G. Doutrepont, La +littérature française à la cour des ducs de Bourgogne (Bibl. du XVe +siècle t. VIII) Paris, Champion. 1909, p. 304. + +[25] Acta sanctorum Apr. t. 1 p. 496; A. Renaudet, Préréforme et +humanisme à Paris 1494-1517, Paris, Champion, 1916, p. 163. + +[26] Chastellain, IV p. 300 s., VII p. 75; vgl. Thomas Basin, De rebus +gestis Caroli VII et Lud. XI historiarum libri XII, ed. Quicherat, (Soc. +de l'hist. de France) 1855-1859, 4 vol, I p. 158. + +[27] Journal d'un bourgeois, p. 219. + +[28] Chastellain, III p. 30. + +[29] La Marche, I p. 89. + +[30] Chastellain, I p. 82, 79; Monstrelet, III p. 361. + +[31] La Marche, I p. 201. + +[32] Het tractaat o.a. bij La Marche, I p. 207. + +[33] Chastellain, I p. 196. + +[34] Basin, III p. 74. + +[35] Chastellain, IV p. 201. Vergelijk mijn studie Uit de +voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 1912, I. + +[36] Journal d'un bourgeois, p. 242; vgl. Monstrelet, IV p. 341. + +[37] Jan van Dixmude, ed. Lambin, Ypres 1839, p. 283. + +[38] Froissart, ed. Luce, XI p. 52. + +[39] Mémoires de Pierre le Fruictier dit Salmon, Buchon, 3e suppl. de +Froissart. XV p. 22. + +[40] Chronique du Religieux de Saint Denis, ed. Bellaguet (Coll. des +documents inédits) 1839-'52. 6 vol., I p. 34; Juvenal des Ursins, +p. 342, 467-471; Journal d'un bourgeois, p. 12, 31, 44. + +[41] Molinet, III p. 487. + +[42] Molinet, III p. 226, 241, 283-7; La Marche, III p. 289, 302. + +[43] Clementis V constitutiones, lib. V. tit. 9, c. I; Joannis Gersonii +Opera omnia, ed. L. Ellies Dupin, ed. II Hagae Comitis 1728, 5 vol., II +p. 427; Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 122; N. Jorga, +Philippe de Mézières et la croisade au XIVe siècle (Bibl. de l'école des +hautes études, fasc. 110) 1896, p. 438: Religieux de S. Denis, II p. 533. + +[44] Journal d'un bourgeois, p. 223, 229. + +[45] Jacques du Clercq, IV p. 265. Petit-Dutaillis, Documents nouveaux +sur les moeurs populaires et le droit de vengeance dans les Pays-Bas au +XVe siècle. (Bibl. du XVe siècle) Paris, Champion 1908, p. 7, 21. + +[46] Pierre de Fenin (Petitot, Coll. de mém. VII) p. 593; vgl. zijn +verhaal van den doodgeslagen nar, p. 619. + +[47] Journal d'un bourgeois, p. 204. + +[48] Jean Lefèvre de Saint Remy, Chronique, ed. F. Morand (Soc. de +l'hist. de France) 1876, 2 vol, II p. 168; Laborde, Les ducs de +Bourgogne. Etudes sur les lettres, les arts et l'industrie pendant le +XVe siècle. Paris, 1849-'53, 3 vol, II p. 208. + +[49] La Marche, III p. 135; Laborde. II p. 325. + +[50] Laborde, III p. 355, 398. Le Moyen-âge, XX 1907 p. 193-201. + +[51] Juvenal des Ursins, p. 438, 1405; vgl. echter Rel. de S. Denis, III +p. 349. + +[52] Piaget, Romania XX p. 417 en XXXI 1902 p. 597-603. + +[53] Journal d'un bourgeois, p. 95. + +[54] Jacques du Clercq, III p. 262. + +[55] Jacques du Clercq passim; Petit Dutaillis, Documents etc. p. 131. + +[56] Hugo van St. Victor, De fructibus carnis et spiritus, Migne CLXXVI +p. 997. + +[57] Tobias 4, 14. + +[58] I Timotheus 6, 10. + +[59] Petrus Damiani, Epist. lib. I, 15, Migne CXLIV p. 234, id. Contra +philargyriam ib. CXLV p. 533; Pseudo-Bernardus, Liber de modo bene +vivendi § 44, 45, Migne CLXXXIV p. 1266. + +[60] Journal d'un bourgeois, p. 325, 343, 357 en de gegevens uit de +registers van het Parlement aldaar in de noot. + +[61] L. Mirot, Les d'Orgemont, leur origine, leur fortune, etc. (Bibl. +du XVe siècle) Paris, Champion 1913; P. Champion, François Villon, sa +vie et son temps, id. Paris, Champion 1913, II p. 230s. + +[62] Mathieu d'Escouchy, Chronique, ed. G. du Fresne de Beaucourt (Soc. +de l'hist. de France) 1863-'64, 3 vol., I p. IV-XXIII. + +[63] P. Champion, Frangois Villon, sa vie et son temps (Bibl. du XVe +siècle) Paris, 1913, 2 vol. + + + * * * * * + + +II + +DE ZUCHT NAAR SCHOONER LEVEN + + +Iedere tijd smacht naar een schoonere wereld. Hoe dieper de wanhoop en +verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger dat smachten. +In het laatst der middeleeuwen is de grondtoon van het leven die van +bittere zwaarmoedigheid. De toon van moedige levensvreugde en van het +vertrouwen in kracht tot groote daden, zooals die klinkt door de +geschiedenis der Renaissance en door die der Verlichting, wordt in de +Fransch-Bourgondische sfeer der vijftiende eeuw nauwelijks gehoord. Is +die samenleving dan werkelijk ongelukkiger geweest dan andere? Men zou +het soms gelooven. Waar men zoekt in de overlevering van dien tijd: +de geschiedschrijvers, de dichters, de sermoenen en godsdienstige +tractaten, en evengoed de oorkonden, er is haast niet anders in bezonken +dan de herinnering aan twist, haat en boosaardigheid, hebzucht, +woestheid en ellende. Men vraagt zich af: heeft die tijd geen andere +vreugden gekend dan die uit wreedheid, hoogmoed en onmatigheid, is daar +nergens zachte blijdschap en rustig levensgeluk? Het is waar, elke tijd +laat in de overlevering meer sporen na van zijn leed dan van zijn geluk. +Het zijn de rampen, die historie worden. Een onberedeneerde overtuiging +zegt ons, dat de som van alle levensgeluk en blijde vreugde en zoete +rust, welke den menschen ooit beschoren is, in het eene tijdperk niet +veel kan verschillen van het andere. En de glans van het +laat-middeleeuwsche geluk is ook niet geheel vergaan: het herleeft nog +in het volkslied, in de muziek, in de stille verschieten van het +landschap en de ernstige aangezichten van het portret. + +Doch hier is het verschil: terwijl de achttiende eeuw en de Renaissance +de geluksstemming ook jubelend hebben uitgesproken, en het leven en de +wereld luid hebben geprezen, ziet de Bourgondische tijd, zich zelf en +de wereld beschouwend, schier enkel leed en vertwijfeling. Neem als de +uiting van het Renaissance-gevoel Ulrich von Hutten's enthousiasten +uitroep: O saeculum, o literae! juvat vivere! Of wel deze enkele regels +van Poliziano, waarin de heerlijkheid van christelijk geloof en +heidensch geluk in één jubeltoon samensmelten: + + "Vergine rilucente + Per te sola si sente + Quanto bene è nel mondo" [64]. + +Die stemming is aan het Fransche leven van de veertiende en vijftiende +eeuw nog vreemd. Het zijn niet alleen zij, die zich voorgoed van de +wereld hebben afgewend, maar de kroniekschrijvers en modedichters der +hoven, die altijd weer de afgeleefdheid der wereld beklagen en +vertwijfelen aan vrede en gerechtigheid. Niemand heeft zoo eindeloos de +klacht herhaald, dat alle goede dingen de wereld verlaten hebben, als +Eustache Deschamps. + + "Temps de doleur et de temptacion, + Aages de plour, d'envie et de tourment, + Temps de langour et de dampnacion, + Aages meneur près du definement, + + Temps plains d'orreur qui tout fait faussement, + Aages menteur, plain d'orgueil et d'envie, + Temps sanz honeur et sanz vray jugement, + Aage en tristour qui abrege la vie" [65]. + +In dien toon heeft hij zijn balladen bij tientallen gedicht, eentonige, +matte variaties op één dof thema. Er moet toch wel een sterke +zwaarmoedigheid onder de hoogere standen hebben geheerscht, dat de adel +zijn brooddichter dat geluid zoo dikwijls deed herhalen. + + "Toute léesse deffaut, + Tous cueurs ont prins par assaut + Tristesse et merencolie" [66]. + +Jean Meschinot zingt drie kwart eeuw later dan Deschamps nog in volkomen +denzelfden toon. + + "O miserable et très dolente vie!... + La guerre avons, mortalité, famine; + Le froid, le chaud, le jour, la nuit nous mine; + Puces, cirons et tant d'autre vermine + Nous guerroyent. Bref, miserere domine + Noz meschans corps, dont le vivre est très court." + +Ook deze spreekt steeds weer de bittere overtuiging uit, dat alles +slecht gaat in de wereld: gerechtigheid is zoek, de grooten plunderen de +kleinen, en de kleinen elkander. Zijn hypochondrie brengt hem zelfs, +naar zijn zeggen, tot den rand van den zelfmoord. Hij beschrijft zich +zelf: + + "Et je, le pouvre escrivain, + Au cueur triste, faible et vain, + Voyant de chascun le dueil, + Soucy me tient en sa main; + Toujours les larmes à l'oeil, + Rien fors mourir je ne vueil" [67]. + +Alle uitingen van de levensstemming der aanzienlijken bevestigen de +sentimenteele behoefte aan een zwarten dos der ziel. Bijna iedereen komt +getuigen, dat hij niets dan ellende heeft gezien, en dat nog erger te +wachten staat, dat hij den afgelegden levensweg niet zou willen +teruggaan. "Moi douloreux homme, né en eclipse de ténèbres es espesses +bruynes de lamentation", aldus dient Chastellain zich aan [68]. "Tant a +souffert La Marche" heeft de hofpoëet en kroniekschrijver van Karel den +Stoute zich tot devies gekozen; een bitteren smaak vindt hij aan 't +leven, en zijn portret vertoont ons die morose trekken, welke op zooveel +beeltenissen van dien tijd onzen blik boeien [69]. + +Schijnt er een leven zoo vervuld van aardschen hoogmoed en pralende +genotzucht, en zoo bekroond met welslagen als dat van Philips den Goede? +Toch schuilt ook daaronder de levensmoeheid van den tijd. Als hem de +dood van zijn eenjarig zoontje wordt bericht, zegt hij: "had het God +behaagd, dat ik ook zoo jong gestorven ware, ik zou mij wel gelukkig +achten" [70]. + +Is het niet opmerkelijk, dat in dezen tijd in het woord melancholie de +beteekenissen van droefgeestigheid, ernstig nadenken en fantazie ineen +vloeien? Zoozeer scheen elke ernstige bezigheid van den geest in het +sombere te moeten overzweven. Froissart zegt van Philips van Artevelde, +die nadenkt over een pas ontvangen tijding: "quant il eut merancoliet +une espasse, il s'avisa que il rescriproit aus commissaires dou roi de +France" enz. Deschamps zegt van iets, wat in leelijkheid de verbeelding +te boven gaat: geen schilder is zoo "merencolieux", dat hij het zou +kunnen schilderen [71]. + +In het pessimisme van deze verzadigden, ontgoochelden, vermoeiden is een +religieus element, doch slechts een gering. Door hun levensmoeheid +speelt zeker ook de verwachting van het naderend einde der wereld, die +door de bloeiend herleefde volksprediking der bedelorden overal met +versche dreiging en verhoogde kleur van verbeelding in het gemoed was +gestort. De duistere en verwarde tijden, de chronische oorlogsellende +waren wel geschikt, die gedachte te versterken. Er schijnt in de laatste +jaren der veertiende eeuw een volksgeloof te zijn geweest, dat sedert +het groote schisma niemand meer in het paradijs was opgenomen [72]. De +afkeer van den ijdelen schijn van het hofleven maakte van zelf rijp, om +de wereld vaarwel te zeggen. Toch is die stemming van depressie, zooals +bijna al die vorstendienaars en hovelingen haar uiten, nauwelijks van +godsdienstig gehalte. Op zijn hoogst hebben de godsdienstige +voorstellingen wat kleur afgegeven op een vlak van eenvoudige +levensmoeheid. Het is de zucht, om het leven en de wereld te smaden, die +van wezenlijk godsdienstig besef ver afstaat. De wereld, zegt Deschamps, +is als een kindsche grijsaard; eerst was hij onschuldig, toen wijs +langen tijd, rechtvaardig, deugdzaam en dapper: + + "Or est laches, chetis et molz, + Vieulx, convoiteus et mal parlant: + Je ne voy que foles et folz ... + La fin s'approche, en verité ... + Tout va mal" ... [73] + +Het is niet alleen levensmoeheid maar ook levensbangheid, het +terugschrikken voor het leven om de onvermijdelijke smarten, die het +begeleiden, de houding van den geest, die in het Boeddhisme de basis +der levensbeschouwing uitmaakt: bange afkeer van de moeiten van het +dagelijksch leven, vrees en afschuw voor zorg, ziekte en ouderdom. +Deze levensbangheid deelen de geblaseerden met hen, die nooit voor de +verlokkingen der wereld bezweken waren, omdat zij altijd het leven +geschuwd hadden. + +De gedichten van Deschamps vloeien over van dien kleinzieligen smaad +tegen het leven. Gelukkig wie geen kinderen heeft, want kleine kinderen, +'t is al geschreeuw en stank, en moeite en zorg; zij moeten gekleed, +geschoeid, gevoed worden; altijd zijn zij in gevaar van te vallen en +zich te bezeeren. Zij worden ziek en sterven, of zij worden groot en +slecht; zij komen in de gevangenis. Niets dan lasten en verdriet, geen +geluk vergoedt de zorgen, moeiten en kosten van de opvoeding. Geen +grooter ongeluk, dan mismaakte kinderen te hebben. De dichter wijdt er +geen woord van liefde aan: de mismaakte is slecht van hart, laat hij de +schrift zeggen. Gelukkig wie ongetrouwd is, want met een kwade vrouw is +het slecht leven, en een goede vreest men voortdurend te verliezen. Met +het ongeluk wordt ook het geluk geschuwd. Van den ouderdom ziet deze +dichter niet dan kwaads en weerzinwekkends, het jammerlijk lichamelijk en +geestelijk verval, de belachelijkheid en onsmakelijkheid. Vroeg is de +mensch oud, de vrouw met dertig, de man met vijftig jaren, en zestig is +hun perk [74].--Hoe ver is men hier van de serene idealiteit, waarmee +Dante in zijn Convivio de waardigheid van den edelen grijsaard +beschreven had [75]. + +Een vrome strekking, die bij Deschamps nauwelijks aanwezig is, kan deze +bespiegelingen van levensbangheid eenigszins verheffen, maar wezenlijk +veranderen niet. In tal van vermaningen tot een heilig leven proeft men +als grondstemming dit moedeloos versagen. Wanneer de onberispelijke +kanselier der Parijsche universiteit en licht der godgeleerdheid Jean +Gerson voor zijn zusters een vertoog schrijft over de voortreffelijkheid +van den maagdelijken staat, dan dient onder zijn argumenten een lange +lijst van leed en rampen, aan den huwelijken staat verbonden. Wellicht +zou een echtgenoot een dronkaard zijn, of een verkwister, of een +gierigaard. Of is hij braaf en goed, dan kan er misgewas komen, +veesterfte of schipbreuk, die hem van al zijn have berooven. Welk een +ellende is niet de zwangerschap, hoevele vrouwen sterven er in het +kraambed! Wat heeft de zoogende moeder voor rustigen slaap, wat voor +blijdschap en vreugde? Misschien zullen de kinderen mismaakt zijn of +ongehoorzaam; misschien zal de man sterven en de moeder als weduwe in +zorg en armoe achterblijven [76]. + +Diepe verslagenheid over de aardsche ellende is de stemming, waarmee de +dagelijksche werkelijkheid wordt beschouwd, zoodra de kinderlijke +levensvreugde of het blind genieten wijkt voor overpeinzing. Waar is de +schoonere wereld, waar iedere tijd naar smachten moet? + +De zucht naar een schooner leven heeft te allen tijd drie paden voor +zich naar het verre doel zien wijzen. Het eerste leidde regelrecht uit +de wereld: het pad van de verzaking der wereld. Hier schijnt het +schoonere leven enkel te bereiken aan de overzijde, kan het enkel een +verlossing zijn uit al het aardsche; alle aandacht aan de wereld +besteed, vertraagt slechts het beloofde heil. Alle hoogere beschaving +heeft dit pad bewandeld; het Christendom had dit streven èn als +individueelen levensinhoud èn als cultuurgrondslag zoo machtig in de +geesten geprent, dat het langen tijd het betreden van het tweede pad +bijna geheel heeft belet. + +Dat tweede was de weg, die wees naar verbetering en volmaking van de +wereld zelf. De middeleeuwen hebben dit streven nog nauwelijks gekend. +Voor hen was de wereld zoo goed en zoo slecht als zij zijn kon, dat wil +zeggen, al de instellingen, door God gewild immers, waren goed; het is +de zonde der menschen, die de wereld in ellende houdt. De tijd kent geen +bewust streven naar verbetering en hervorming van maatschappelijke of +staatkundige instellingen als drijfveer van denken en handelen. De deugd +te betrachten in eigen beroep is het eenige, wat de wereld baten kan, +en ook daarbij is het eigenlijke doel toch het andere leven. Ook waar +inderdaad een nieuwe maatschappelijke vorm geschapen wordt, beschouwt +men het steeds als een herstel van het goede oude recht; het recht wordt +gevonden of verduidelijkt, maar niet veranderd. + +Niets heeft zoozeer meegewerkt tot die stemming van levensbangheid en +vertwijfeling aan de komende tijden als deze afwezigheid van den vasten +wil van allen, om de wereld zelf beter en gelukkiger te maken. In de +wereld zelf was geen belofte van beter dingen. Wie naar beter smachtte, +en toch geen afscheid kon nemen van de wereld en al haar heerlijkheid, +kon enkel tot vertwijfeling vervallen; hij zag nergens hoop of +blijdschap meer; der wereld rest nog maar een korte tijd, en wat haar +daarin wacht, is ellende. + +Wanneer eenmaal ook de weg naar positieve verbetering van de wereld zelf +zal zijn ingeslagen, begint een nieuwe tijd, waarin de levensbangheid +plaats maakt voor moed en hoop. De Renaissance luidt de energische +levensaanvaarding in, de achttiende eeuw verheft de volmaakbaarheid van +mensch en samenleving tot haar grondleerstuk, en het economische en +sociale streven der volgende eeuw verliest daarvan enkel de naïveteit, +niet den moed en het optimisme. + +Het derde pad naar een schoonere wereld is dat van den droom. Het is de +gemakkelijkste weg, maar een, die het doel altijd even ver laat. Als dan +de aardsche werkelijkheid zoo hopeloos ellendig is, en de verzaking der +wereld zoo moeilijk, laat ons dan het leven kleuren met schoonen schijn, +wegleven in het droomland van heldere verbeeldingen, de werkelijkheid +temperen met de verrukking van het ideaal. Er is maar een eenvoudig +thema, een enkel akkoord noodig, om de hartvervoerende fuga te doen +klinken: een uitzicht op het gedroomd geluk van een schooner verleden is +genoeg, een blik op zijn heldendom en zijn deugd, of anders de glans van +het blijde zonlicht van het natuurlijk leven. Op die enkele thema's: het +heldenthema, het wijzenthema en het bucolische thema is van de Oudheid +af de gansche litteraire cultuur gebouwd. De Middeleeuwen, de +Renaissance, de achttiende eeuw en de negentiende, zij vinden alle +slechts nieuwe variaties op het oude lied. + +Is echter dit derde pad naar een schooner leven: het ontvlieden van de +harde werkelijkheid in een schoonen schijn, enkel een zaak van +litteraire cultuur? Stellig is het meer dan dat. Het raakt den vorm en +den inhoud van het gemeenschapsleven zelf even goed als de beide andere +strevens, en dat des te sterker, naarmate de beschaving primitiever is. + +De uitwerking van de drie genoemde geesteshoudingen op het werkelijke +leven zelf is zeer ongelijk. Natuurlijk heeft de idee, waaruit men +streeft naar de verbetering en volmaking van de wereld zelf, het nauwste +en voortdurendste contact met het dagelijksche leven. Zij stort bijna +alle kracht en allen moed in den stoffelijken arbeid zelf; zij vervult +de directe werkelijkheid met energie. Als men wil, is ook hier een +geluksdroom het bezielende motief. Tot zekere hoogte streeft iedere +cultuur naar de verwezenlijking van een droomwereld binnen de werkelijke, +door het herscheppen van de vormen der samenleving. Doch het object van +den droom is hier de werkelijkheid zelve, enkel nog wat gezuiverd en +verbeterd, met andere woorden: men acht de wereld op den goeden weg naar +het ideaal. En daarom is de spanning tusschen den idealen levensvorm +en dien van het werkende bestaan gering. Het ideaal van de hoogste +productie en de billijke verdeeling der goederen stelt aan de levenskunst +betrekkelijk geringe eischen: in den dagelijkschen arbeid nadert men het +ideaal. + +Heel anders is de invloed op het werkelijk leven bij de eerste der drie +geesteshoudingen: die van de verzaking der wereld. Het heimwee naar een +eeuwig heil maakt den gang en den vorm van het aardsch bestaan +onverschillig, mits daarin de deugd wordt gekweekt en onderhouden. Men +laat de levensvormen en maatschappijvormen voor wat zij zijn, maar +tracht ze te doordringen van transcendentale zedelijkheid. Hierdoor +werkt de afkeer van de wereld op de aardsche maatschappij niet louter +negatief door verloochening en afwending, maar straalt ook op haar terug +in zegenrijken arbeid en praktische barmhartigheid. + +Hoe werkt nu op het leven de derde houding: de zucht naar het schoonere +leven volgens een gedroomd ideaal? Zij herschept de vormen van het leven +in kunstvormen. Maar het zijn niet enkel de kunstwerken als zoodanig, +waarin zij haar schoonheidsdroom uitdrukt, zij wil het leven zelf +veredelen met schoonheid, en vult de samenleving zelf met spel en +vormen. Hier worden juist aan de persoonlijke levenskunst de hoogste +eischen gesteld, eischen, die alleen kunnen worden nagestreefd door een +élite, in een kunstig levensspel. Het naleven van den held en den wijze +is niet ieders zaak; het is een kostbaar vermaak om het leven te kleuren +met heroïsche of idyllische verven, en het slaagt bovendien doorgaans +nog heel slecht. Aan het streven naar de verwezenlijking van den +schoonheidsdroom in de vormen van de samenleving zelf is als vitium +originis een aristocratisch karakter opgedrukt. + +Hiermee zijn wij genaderd tot het aspect, waaronder de beschaving van +het einde der Middeleeuwen thans moet worden gezien: de verfraaiing van +het aristocratische leven met de vormen van het ideaal, het kunstlicht +van de ridderlijke romantiek over het leven, de wereld vermomd in den +dos der Tafelronde. De spanning tusschen levensvorm en werkelijkheid is +bijster groot; het licht is valsch en schel. + +De zucht naar het schoone leven geldt als het eigenste kenmerk van de +Renaissance. Hier ziet men de volste harmonie tusschen de bevrediging +van den schoonheidsdorst in het kunstwerk en in het leven zelf, hier +dient de kunst het leven en het leven de kunst als nooit te voren. Maar +de grens tusschen Middeleeuwen en Renaissance is ook in dezen te scherp +getrokken. De hartstochtelijke zin, om het leven zelf met schoonheid te +bekleeden, de verfijnde levenskunst, de bonte uitwerking van een +levensideaal, zij zijn alle veel ouder dan het Italiaansche quattrocento. +De motieven van levensverfraaiing zelf, waarop de Florentijnen doorgaan, +zijn niet anders dan de oude middeleeuwsche vormen: Lorenzo de' Medici +huldigt nog even goed als Karel de Stoute het oude ridderideaal als den +edelen levensvorm; hij ziet zelfs in den laatste, ondanks zijn +barbaarsche pracht, in zekere opzichten het model. Italië heeft nieuwe +horizonten van levensschoonheid ontdekt, het leven gestemd in een +nieuwen toon, doch de houding zelf van den Renaissancemensch tegenover +het leven: de opwerking ervan tot een kunstvorm, is niet nieuw. + +De groote scheiding in de opvatting der levensschoonheid valt veeleer +tusschen de Renaissance en den nieuweren tijd. Het kenteringspunt ligt +daar, waar kunst en leven beginnen uiteen te gaan, waar men begint, de +kunst niet meer te genieten _midden in_ het leven, als een edel deel +van de levensvreugde zelf, maar buiten het leven, als een hooge +vereerenswaardigheid, waarheen men zich wendt in oogenblikken van +verheffing of van verpoozing. Het oude dualisme, dat God en wereld +scheidde, is daarmede in een anderen vorm, als scheiding van kunst en +leven, teruggekeerd. Er is een streep getrokken midden door de +genietingen des levens. Zij zijn in twee helften, een lagere en een +hoogere, gescheiden. Voor den Middeleeuwer waren zij al te zamen zondig; +thans gelden zij alle als geoorloofd, maar van zeer verschillende +waardigheid, al naar hun meerdere of mindere geestelijkheid. + +De dingen, die het leven tot genieten kunnen maken, blijven dezelfde. +Nu als vroeger zijn het: lectuur, muziek, beeldende kunst, reizen, +natuurgenot, sport, mode, maatschappelijke ijdelheid (ridderorden, +eerambten, vergaderingen) en bedwelming der zinnen. De grens tusschen +het hoogere en het lagere schijnt thans nog voor de meesten te vallen +tusschen natuurgenot en sport. Maar die grens is niet vast. +Waarschijnlijk zal de sport eerlang, althans voorzoover zij de kunst +van lichaamskracht en moed is, weer algemeen tot het hoogere gerekend +worden. Voor den Middeleeuwer viel de grens hoogstens terstond achter +lectuur; zelfs het genot van het lezen kon slechts geheiligd worden door +het streven naar deugd of wijsheid, en in muziek en beeldende kunst werd +uitsluitend de dienstbaarheid aan het geloof als goed erkend; het genot +er aan op zichzelf was zondig. De Renaissance had zich ontworsteld aan +de verwerping der levensvreugde als in zich zelf zondig, en een nieuwe +scheiding tusschen hooger en lager levensgenot had zij nog niet +aangebracht; zij wilde het gansche leven onbekommerd genieten. De nieuwe +scheiding is het resultaat van het compromis tusschen Renaissance en +Puritanisme, waarop de moderne geesteshouding berust. Het was een +wederzijdsche capitulatie, waarbij de een zich de redding der schoonheid +en de ander de veroordeeling der zonde bedong. Voor het strenge +Puritanisme trof de veroordeeling als zondig en wereldsch in den grond +nog evengoed als voor den Middeleeuwer de gansche sfeer der +levensverfraaiing, tenzij deze uitgesproken godsdienstige vormen aannam +en zich heiligde door een directe toepassing op het geloof. Eerst +naarmate de Puriteinsche wereldbeschouwing afsleet, won de +Renaissancistische aanvaarding van alle levensvreugde weer veld; ja +zelfs meer dan het oude terrein, want in het natuurlijke op zich zelf +werd nu een element van het ethisch goede gezien. Een rechte +scheidingslijn zou thans niet meer de kunst van het zingenot, het +natuurgenot van de lichaamsoefening, het verhevene van het natuurlijke +scheiden, maar enkel het egoïstische, het leugenachtige en het ijdele +van het zuivere. + +In het laatst der Middeleeuwen, toen het kenterde naar een nieuwen +geest, was in beginsel nog slechts de oude keuze mogelijk tusschen God +en de wereld: een algeheele versmading van alle heerlijkheid en +schoonheid des aardschen levens of de roekelooze aanvaarding ervan op +perijkel der ziel. De schoonheid der wereld kreeg door haar erkende +zondigheid een dubbele verlokking; gaf men zich over, dan genoot men +haar ook met een bodemlooze hartstochtelijkheid. Maar die de schoonheid +niet konden ontberen, en zich toch niet aan de wereld wilden overgeven, +moesten de schoonheid adelen. De geheele groep van de kunst en +litteratuur, waar het wezen der genieting bewondering was, konden zij +heiligen, door ze in dienst te stellen van het geloof. Ook al was het +inderdaad de vreugde aan kleur en lijn, die de minnaars van schilderij +en miniatuur bezielde, het heilig onderwerp ontnam aan de kunstgenieting +het stempel der zonde. + +Maar de schoonheid met een hoog zondegehalte: de lichaamsvergoding van +ridderlijke sport en hoofsche mode, de hoogmoed en de hebzucht van ambt +en eere, de verrukkende onpeilbaarheden der liefde, hoe dit alles, dat +door het geloof veroordeeld en uitgestooten was, te veredelen en te +verheffen?--Hier diende die middenweg, die in het droomland leidde: door +ze te bekleeden met den schoonen schijn van oude, fantastische idealen. + +Dit is de trek, die de Fransch-ridderlijke cultuur van de 12de eeuw af +verbindt met de Renaissance: de sterke cultiveering van het schoone +leven in de vormen van een heldenideaal. De vereering der natuur was nog +te zwak, dan dat men met volle overtuiging de schoonheid van het +aardsche in haar naaktheid zou hebben gediend, zooals de Grieksche geest +het had gedaan; het zondebesef was daartoe te geweldig; slechts door +zich te hullen in de gewaden der deugd kon de schoonheid cultuur worden. + +Het geheele aristocratische leven van de latere Middeleeuwen, om 't even +of men denkt aan Frankrijk en Bourgondië of aan Florence, is een poging, +om een droom te spelen. Altijd denzelfden droom, dien van de oude helden +en wijzen, van den ridder en de maagd, van de eenvoudige en vergenoegde +herders. Frankrijk en Bourgondië spelen het stuk nog altijd in den ouden +trant; Florence dicht op hetzelfde thema een nieuw en mooier spel. + +Het adellijk en vorstelijk leven is opgetooid tot een maximum van +uitdrukkelijkheid; alle levensvormen zijn als 't ware verheven tot +mysteriën, versierd met kleur en praal, vermomd als deugd. De +levensgebeurtenissen en de aandoeningen daarover zijn geëncadreerd in +schoone en verheffende vormen. Ik weet wel, dit alles is niet specifiek +laat-middeleeuwsch; het is reeds gegroeid in de primitieve stadiën der +beschaving; men kan het ook chinoiserie en byzantinisme noemen, en het +sterft niet af met de Middeleeuwen, getuige de zonnekoning. + +De hofstaat is het terrein, waarop zich de aesthetiek van den levensvorm +ten volle kan ontplooien. Het is bekend, hoeveel gewicht de +Bourgondische hertogen hebben gehecht aan alles wat de praal en staatsie +van hun hof betrof. Na den oorlogsroem, zegt Chastellain, is de hofstaat +de eerste zaak, waarop men het oog richt, en welks regeling en goede +handhaving van de hoogste noodzaak is [77]. Olivier de la Marche, de +ceremoniemeester van Karel den Stoute, schreef op verzoek van den +Engelschen koning Eduard IV zijn tractaat over den hofstaat des +hertogen, ten einde den koning het model van ceremonieel en etikette ter +navolging te bieden [78]. Van Bourgondië hebben de Habsburgers het fraai +uitgewerkte hofleven geërfd en overgebracht naar Spanje en Oostenrijk, +die er tot den huidigen dag het bolwerk van waren gebleven. Het hof van +Bourgondië werd door allen genoemd als het rijkste en best geordende, +dat men vond [79]. Vooral Karel de Stoute, de man met den gewelddadigen +geest van orde en regel, die niets dan wanorde achterliet, had den +hartstocht van het hoog vormelijke leven. De oude illusie, dat de vorst +zelf de klachten der armen en kleinen aanhoort en terstond berecht, was +door hem in een fraaien vorm gekleed. Twee of driemaal per week na den +maaltijd hield hij een openlijk gehoor, waar elkeen hem met +verzoekschriften kon naderen. Al de edelen van zijn huis moesten +tegenwoordig zijn; niemand waagde er weg te blijven. Zorgvuldig +gescheiden naar hun rangen zaten zij ter weerszijden van den doorgang, +die naar 's hertogen hoogen zetel leidde. Aan zijn voeten lagen geknield +de twee maistres des requestes, de audiencier en een secretaris, die de +verzoekschriften voorlazen en afdeden, naar de vorst gebood. Achter +balustraden rondom de zaal stond de lagere hofhouding. Het was, zegt +Chastellain, in schijn "une chose magnifique et de grand los", maar de +gedwongen toeschouwers verveelden zich geducht, en aan de goede vruchten +van deze rechtspraak twijfelt hij; het was een zaak, die hij in zijn +tijd van geen anderen vorst had gezien [80]. + +Ook de ontspanning moest voor Karel den Stoute dien fraaien vorm hebben. +"Tournoit toutes ses manières et ses moeurs à sens [81] une part du +jour, et avecques jeux et ris entremeslés, se délitoit en beau parler et +en amonester ses nobles à vertu, comme un orateur. Et en cestuy regart, +plusieurs fois, s'est trouvé assis en un hautdos paré [82], et ses +nobles devant luy, là où il leur fit diverses remonstrances selon les +divers temps et causes. Et toujours, comme prince et chef sur tous, fut +richement et magnifiquement habitué [83] sur tous les autres" [84]. Deze +bewuste levenskunst is ondanks de stijve en naïeve vormen eigenlijk +volkomen Renaissance. Het is, wat Chastellain noemt zijn "haute +magnificence de coeur pour estre vu et regardé en singulières choses", +de kenmerkendste eigenschap van Burckhardt's Renaissance-mensch. + +De hiërarchische ordinanties van de hofhuishouding zijn van een +pantagrueleske sappigheid, waar zij betrekking hebben op den maaltijd en +de keuken. De hofmaaltijd van Karel den Stoute, met al de met bijkans +liturgische waardigheid geregelde diensten van panetiers en voorsnijders +en schenkers en keukenmeesters, was als de opvoering van een groot en +ernstig schouwtooneel. Het geheele hof at in groepen van tien in +afzonderlijke kamers, bediend en onthaald gelijk de heer, alles +zorgvuldig naar rang en stand geordend. Alles was zoo goed geregeld, dat +al de groepen bijtijds na hun maaltijd den hertog, die nog aan zijn +tafel zat, konden komen begroeten "pour luy donner gloire" [85]. + +In de keuken (men denke zich de heroïsche keuken, nu de eenig bewaarde +rest van het hertogenpaleis te Dijon, met haar zeven reusachtige +schoorsteenen), in de keuken zit de dienstdoende kok in een zetel +tusschen schoorsteen en buffet, vanwaar hij het geheele vertrek kan +overzien. In zijn hand moet hij een grooten houten lepel hebben, "die +hem dient tot twee doeleinden: het eene om soep en sausen te proeven, en +het andere om de keukenjongens uit de keuken te drijven, om hun plicht +te doen, en zoo noodig erop te slaan". Bij zeldzame gelegenheden komt de +kok wel eens zelf opdienen, een toorts in de hand, bij voorbeeld de +eerste truffels of den eersten nieuwen haring. + +Voor den gewichtigen hoveling, die ons dit alles beschrijft, zijn het +heilige mysteriën, waar hij met ontzag en met een soort van +scholastische wetenschappelijkheid van spreekt. Toen ik page was, zegt +La Marche, was ik nog te jong om vragen van préséance en ceremonieel te +begrijpen [86]. Hij legt zijn lezers gewichtige vragen van voorrang en +hofdienst voor, om ze met zijn rijpe kennis op te lossen. Waarom zit bij +'s heeren maaltijd de kok en niet de jonker van der keukene? Hoe moet +de kok worden aangesteld? Wie moet hem bij afwezigheid vervangen: de +gebraadmeester (hateur) of de soepmeester (potagier)? Hierop antwoord +ik, zegt de wijze man: wanneer er een kok moet zijn aan 's vorsten hof, +zullen de hofmeesters (maitres d'hôtel) de jonkers van der keukene +(escuiers de cuisine) en alle degenen, die ter keukene dienen, den een +na den ander oproepen; en bij plechtige keuze, door ieder onder eede +gedaan, zal de kok worden aangesteld. En op de tweede vraag: noch de +gebraadmeester noch de soepmeester, maar eveneens bij keuze zal de +plaatsvervanger van den kok worden aangewezen.--Waarom staan de +panetiers en schenkers als eerste en tweede rang boven de voorsnijders +en koks? Omdat hun ambt het brood en den wijn betreft, de heilige +dingen, waarop de waardigheid van het sacrament afstraalt [87]. + +Men ziet, er is hier een werkelijke verbinding tusschen de gedachtensferen +van het geloof en van de hofetikette. Het is niet teveel gezegd, dat er +in dien toestel van de schoone, edele levensvormen een liturgisch +element schuilt, dat de waardeering van die vormen als 't ware is +opgetrokken in een quasi-religieuze sfeer. Alleen dit verklaart de +buitengewone belangrijkheid, die (niet alleen in de latere Middeleeuwen) +aan alle kwesties van voorrang en beleefdheid wordt toegekend. + +In het oude Russische rijk vóór de Romanov's had zich de strijd om den +voorrang bij den troon ontwikkeld tot een vast departement van den +staatsdienst. Dien vorm kennen de Westersche staten der Middeleeuwen +niet, maar ook hier neemt toch de naijver om den voorrang een groote +plaats in. Het zou gemakkelijk zijn, daarvan de voorbeelden te +verzamelen. Hier evenwel is het er om te doen, de versiering der +levensvormen tot een schoon en verheffend spel, en de woekering dier +vormen tot een hol vertoon, te doen blijken. Daartoe eenige voorbeelden. +De fraaie vorm kan somtijds de doelmatige handeling geheel op zij +dringen. Vlak voor den slag bij Crécy hebben vier Fransche ridders de +slagorde der Engelschen verkend. De koning, die met ongeduld hun bericht +verwacht, langzaam voortrijdend over het veld, houdt stil, toen hij hen +ziet terugkomen. Zij dringen door het gedrang der krijgslieden heen tot +voor den koning. Wat nieuws, heeren? vraagt de koning. "Zij zagen +elkander aan, zonder een woord te spreken, want geen wilde spreken vóór +zijn makker. En zij zeiden den een tot den ander: "Heer, zeg gij het, +spreek gij tot den koning, ik zal niet vóór u spreken." Zoo waren zij +een tijd in strijd, dat geen "par honneur" wou beginnen te spreken." +Totdat de koning het een hunner beveelt [88].--Nog vollediger moest de +doelmatigheid voor den fraaien vorm wijken in het geval van messire +Gaultier Rallart, chevalier du guet te Parijs in 1418. Dit hoofd der +politie placht nooit de ronde te doen, of er gingen drie of vier +muzikanten voorop, die lustig bliezen, zoodat het volk zei, dat hij als +'t ware de boeven waarschuwde: vlucht, want ik kom. [89] Het geval staat +niet op zich zelf. In 1465 vindt men opnieuw, hoe de bisschop van +Evreux, Jean Balue, de nachtelijke ronde in Parijs doet met klaroenen, +trompetten en andere muziekinstrumenten, "qui n'estoit pas acoustumé de +faire à gens faisans guet" [90].--Zelfs op het schavot wordt de eer van +rang en stand streng in acht genomen: dat van den connétable de Saint +Pol is rijk getapisseerd met leliën, het bidkussen en de blinddoek zijn +van karmozijn fluweel, en de beul is iemand, die nog nooit een ander +heeft geëxecuteerd [91]. + +De wedijver in beleefdheid, die nu een kleinburgerlijk karakter heeft +gekregen, was in het hofleven der vijftiende eeuw buitengewoon sterk +ontwikkeld. Men beschouwde het als een ondragelijke schande voor zich +zelf, als men den meerdere niet de plaats liet, die hem toekwam. De +Bourgondische hertogen geven angstvallig den voorrang aan hun +koninklijke verwanten van Frankrijk. Jan zonder Vrees bewees zijn jonge +schoondochter Michelle de France altijd overdreven eer; hij noemde haar +Madame, knielde altijd voor haar tot den grond, en wilde haar altijd +bedienen, maar zij wilde het niet hebben [92]. Als Philips de Goede +hoort, dat zijn neef, de dauphin, naar Brabant is uitgeweken in den +twist met zijn vader, breekt hij het beleg van Deventer, dat de +inleiding moest zijn voor een expeditie, die Friesland onder zijn macht +zou brengen, af, en haast zich naar Brussel terug, om den hoogen gast te +verwelkomen. Naarmate de ontmoeting nadert, wordt het een wedloop, wie +den ander in eerbetoon voor zal zijn. Philips is in groote angst, dat de +dauphin hem tegemoet zal rijden; spoorslags rijdt hij door, en zendt +bode op bode om den dauphin te bewegen, hem toch te wachten waar hij is. +Kwam de koningszoon hem tegemoet, dan bezwoer hij, zelf te willen +terugkeeren, achterwaarts rijdende, zoo ver, dat deze hem nergens zou +vinden, want het zou hem, den hertog, een spot en een blaam zijn, die +hem door de gansche wereld eeuwig zouden worden nagehouden. Met nederig +afstel van de gewone staatsie rijdt Philips Brussel binnen; haastig +stijgt hij af buiten het paleis, gaat binnen en loopt snel door. Daar +ziet hij den dauphin, die met de hertogin zijn vertrek heeft verlaten, +en hem op het binnenplein met open armen tegemoetkomt. Terstond ontbloot +de oude hertog het hoofd, valt even op zijn knieën, en loopt dan haastig +weer verder. De hertogin houdt den dauphin vast, dat deze geen stap zal +doen, de dauphin houdt vergeefs den hertog vast, om hem het knielen te +beletten, en tracht vruchteloos hem te doen opstaan. Beiden weenden van +aandoening, zegt Chastellain, en alle omstanders mede. + +Gedurende het gansche gastverblijf van dezen man, die spoedig als koning +de ergste vijand van zijn huis zou worden, put de hertog zich uit in +Chineesche nederigheid. Hij noemt zich en zijn zoon "de si meschans +gens", hij laat zijn zestigjarig hoofd nat regenen, hij biedt den +dauphin al zijn landen aan [93].--"Celuy qui se humilie devant son plus +grand, celuy accroist et multiplie son honneur envers soy-mesme, et de +quoy la bonté mesme luy resplend et redonde en face". Met die woorden +besluit Chastellain het verhaal, hoe de graaf van Charolais hardnekkig +weigerde, te zamen met koningin Margareta van Engeland en haar jongen +zoon het waschbekken vóór den maaltijd te gebruiken. De edelen spraken +er den ganschen dag van; het geval werd den ouden hertog voorgelegd, die +door twee edelen het voor en tegen van Karel's houding liet bepleiten. +Het feodaal eergevoel was nog zoo levend, dat men deze dingen blijkbaar +werkelijk nog belangrijk, schoon en verheffend heeft gevonden. Hoe +anders te begrijpen, dat de tegenstribbelingen, om den voorrang te +nemen, geregeld wel een kwartier lang worden voortgezet? [94] Hoe langer +men blijft weigeren, hoe meer gesticht de omstanders zijn. Iemand, wien +de handkus toekomt, verbergt zijn hand, om die eer te ontgaan. De +koningin van Spanje verbergt zoo haar hand voor den jongen aartshertog +Philips den Schoone; deze wacht eenigen tijd, maar als hij de kans +schoon ziet, grijpt hij de hand bij verrassing en kust haar. En ditmaal +lachte het ernstige Spaansche hof, want de koningin had er niet meer aan +gedacht [95]. + +Al de spontane teederheden van den omgang zijn zorgvuldig geformaliseerd. +Het is nauwkeurig voorgeschreven, welke hofdames hand aan hand hebben +te gaan. En dit niet alleen, maar ook of de een de andere tot die +gemeenzaamheid heeft aan te moedigen of niet. Deze aanmoediging, het +elkaar wenken of roepen (hucher) om mee te gaan, is voor de oude +hofdame, die het Bourgondisch ceremonieel beschrijft, een technisch +begrip. [96] De vorm, dat men een vertrekkenden gast niet wil laten +gaan, wordt tot in de lastigste uitersten doorgevoerd. De gemalin van +Lodewijk XI is voor enkele dagen de gast van Philips van Bourgondië; de +koning heeft een bepaalden dag gesteld voor haar terugkomst, maar de +hertog weigert haar te laten gaan, ondanks de smeekbeden van haar gevolg +en hoewel zij zelve beeft voor den toorn van haar gemaal. [97]--Goethe +heeft gezegd: "es gibt kein äusseres Zeichen der Höflichkeit, das nicht +einen tiefen sittlichen Grund hätte"; [98] "virtue gone to seed" heeft +Emerson de beleefdheid genoemd. Men kan misschien niet met volle recht +zeggen, dat die zedelijke grond in de 15e eeuw nog gevoeld werd, maar +zeker werd het de aesthetische waarde, die tusschen de oprechte +betuiging van genegenheid en den dorren omgangsvorm ligt. + +Het spreekt vanzelf, dat deze wijdloopige levensversiering vooral haar +plaats heeft aan de vorstenhoven, waar men er den tijd en de ruimte voor +kon nemen. Dat zij ook de lagere sferen der samenleving vervulden, +bewijst reeds het feit, dat thans van die vormen juist bij de kleine +burgerij (afgezien van de hoven zelf) nog het meest is overgebleven. Het +herhaald noodigen, om nog wat van een gerecht te nemen, het aanmoedigen +om nog wat te blijven, het weigeren om voor te gaan, is in de laatste +halve eeuw uit de hoogere burgerlijke omgangsvormen grootendeels +verdwenen. In de 15e eeuw zijn die vormen in den volsten bloei. Evenwel, +terwijl zij angstvallig in acht worden genomen, treft niettemin de +satire ze met levendigen spot. Het is vooral de kerk, die het tooneel +van fraaie en langdurige plichtplegingen behoort te zijn. Eerst bij de +"offrande". Niemand wil het eerst zijn aalmoes op het altaar brengen. + + "Passez.--Non feray.--Or avant! + Certes si ferez, ma cousine. + --Non feray.--Huchez (roept) no voisine, + Qu'elle doit mieux devant offrir. + --Vous ne le devriez souffrir," + Dist la voisine; "n'appartient + A moy: offrez, qu'a vous ne tient + Que li prestres ne se delivre." [99] + +Wanneer eindelijk de aanzienlijkste is voorgegaan, onder de nederige +betuiging dit enkel te doen om er een eind aan te maken, volgt dezelfde +strijd opnieuw bij het kussen van het "paesberd", "la paix", dat is het +houten, zilveren of ivoren bordje, dat in de latere Middeleeuwen bij +de mis na het Agnus Dei in zwang was gekomen ter vervanging van den +vredeskus van mond tot mond. [100] Het was een vaste en langdurige +stoornis van den dienst geworden, dat de paes onder de aanzienlijken van +hand tot hand ging onder beleefde weigering, haar het eerst te kussen. + + "Respondre doit la juene fame: + --Prenez, je ne prendray pas, dame. + --Si ferez, prenez, douce amie. + --Certes, je ne le prandray mie; + L'en me tendroit pour une sote. + + --Baillez, damoiselle Marote. + --Non feray, Jhesucrist m'en gart! + Portez a ma dame Ermagart. + -- Dame, prenez.--Saincte Marie, + Portez la paix a la baillie [101] + -- Non, mais a la gouverneresse". [102] + +Deze neemt haar eindelijk.--Zelfs een heilig en van de wereld +afgestorven man als François de Paule acht het zijn plicht, aan deze +fraaiigheden mee te doen, [103] en het wordt hem door zijn vrome +vereerders als echte nederigheid aangerekend, waaruit blijkt, dat de +ethische inhoud uit deze vormen nog niet geheel en al geweken was. De +beteekenis van die vormen wordt overigens eerst recht duidelijk door het +feit, dat zij de keerzijde waren van heftige en hardnekkige twisten om +dienzelfden voorrang in de kerk, dien men elkander zoo hoffelijk wilde +opdringen. [104] Het was een schoone en loffelijke verzaking van nog +levendig gevoelden adellijken of burgerlijken hoogmoed. + +De gansche kerkgang werd zoodoende als een menuet, want bij het uitgaan +herhaalde zich de strijd; dan kwam de wedijver om den meerdere rechts te +laten, het voorgaan over een vonder of door een steeg. Bij huis gekomen +moet men, gelijk nog de Spaansche zede het eischt, het geheele +gezelschap uitnoodigen, mee binnen te gaan om te drinken, waarvan de +anderen zich beleefd hebben te verontschuldigen; dan moet men de anderen +een eindweegs wegbrengen, alles onder beleefde tegenstribbeling. [105] + +Al die schoone vormen krijgen iets roerends, wanneer men bedenkt, dat +zij opbloeien uit den ernstigen strijd van een woest en hartstochtelijk +geslacht tegen zijn eigen hoogmoed en toorn. Dikwijls faalt de +vormelijke verzaking van den trots. Telkens breekt de felle ruwheid door +de versierde vormen heen. Jan van Beieren is te gast in Parijs; de +groote heeren geven feesten, waarop de elect van Luik hun bij het spel +al hun geld afwint. Een der prinsen houdt het niet langer uit en roept: +"Wat duivel van een priester is dat hier? Hoe? zal hij ons al ons geld +afwinnen?" Waarop Jan: "Ik ben geen priester en ik heb uw geld niet van +noode". "En hij nam het en smeet het overal in 't rond. Dont y pluseurs +orent grant mervelle de sa grant liberaliteit". [106]--Hue de Lannoy +slaat een ander met een ijzeren handschoen, terwijl hij voor den hertog +geknield ligt om hem aan te klagen; de kardinaal van Bar heet voor het +aangezicht des konings een prediker liegen en noemt hem gemeene hond. +[107] + +Het formeele eergevoel is zoo sterk, dat een vergrijp tegen de etikette, +zooals nu nog bij vele Oostersche volken, wondt als een doodelijke +beleediging, want het gooit omver die schoone illusie van een eigen hoog +en zuiver leven, die voor elke onverhulde werkelijkheid bezwijkt. Het is +voor Jan zonder Vrees een onuitwischbare smaad, dat hij Capeluche, den +beul van Parijs, die hem in staatsie tegemoet reed, als een edelman +heeft begroet en zijn hand heeft aangeraakt; slechts de dood van den +beul kan dien smaad boeten. [108] Bij den staatsiemaaltijd op den +wijdingsdag van Karel VI in 1380 dringt Philips van Bourgondië zich met +geweld tusschen den koning en den hertog van Anjou op de plaats, die hem +als doyen des pairs toekomt; hun wederzijdsch gevolg dringt reeds met +roepen en dreigen op, om den twist gewelddadig te beslechten, toen de +koning hem sust, door toe te geven aan 's Bourgondiërs eisch. [109] Ook +in den ernst van het kampleven wordt geen veronachtzaming van de vormen +geduld: de koning van Engeland neemt het hoog op, dat L'Isle Adam voor +hem verschijnt in een gewaad van "blanc gris" en hem in het gelaat ziet. +[110] Een Engelsch aanvoerder zendt den parlementair uit het belegerde +Sens eerst heen, om zich te laten scheren. [111] + +De prachtige orde aan het hof van Bourgondië, die de tijdgenooten +prijzen, [112] krijgt eerst haar ware beteekenis naast de verwarring, +die aan het zooveel oudere Fransche hof placht te heerschen. Deschamps +beklaagt zich in tal van balladen over de ellende van het hofleven, en +zijn klachten zijn iets meer dan de geijkte misprijzingen van het +hovelingsbestaan, waarover later. Slechte kost en slecht logies, altijd +gedruisch en verwarring, vloeken en twisten, nijd en hoon, het is een +poel van zonden, een poort der hel. [113] Ondanks de heilige vereering +voor het koningschap en den trotschen opzet van grootsche ceremoniën +gaat zelfs bij de plechtigste gelegenheden het decorum meer dan eens +jammerlijk te loor. Bij de begrafenis van Karel VI te Saint Denis in +1422 ontstaat groote twist tusschen de monniken der abdij en het gilde +der zoutmeters (henouars) van Parijs, om het staatsiekleed en andere +bekleedingen, die het koninklijke lijk dekken; elk der partijen beweert +er recht op te hebben; zij trekken er om, en raken bijna handgemeen, +maar de hertog van Bedford geeft het geschil in handen van het gerecht, +"et fut le corps enterré". [114] Hetzelfde geval herhaalt zich in 1461 +bij de begrafenis van Karel VII. Op weg naar Saint Denis bij het Croix +aux Fiens gekomen, weigeren de henouars, na een woordenwisseling met de +monniken der abdij, het koninklijk lichaam verder te dragen, als men hun +niet tien pond parijsch betaalt, waarop zij recht beweren te hebben. Zij +laten de baar midden op den weg staan, en de stoet blijft geruimen tijd +steken. Reeds willen de burgers van Saint Denis zich met de taak +belasten, toen de grand écuyer uit eigen zak den henouars betaling +belooft, waarop de tocht kan worden voortgezet, om eerst tegen acht uur +'s avonds in de kerk aan te komen. Terstond na de teraardebestelling +volgt nog een nieuwe twist tusschen den koninklijken grand écuyer zelf +en de monniken over het staatsiekleed. [115] Dergelijke tumulten om het +bezit van de utensiliën eener plechtigheid behoorden er zelfs +eenigermate bij; de verstoring van den vorm was zelf vorm geworden. +[116] + +De algemeene openbaarheid, die, immers ook nog in de zeventiende eeuw, +bij alle belangrijke gebeurtenissen in het koninklijk leven +voorgeschreven was, maakte, dat juist bij de grootste plechtigheden +dikwijls elke orde ontbrak. Bij het kroningsmaal van 1380 is het gedrang +van toeschouwers, deelnemers en dienenden zoo groot, dat de daartoe +aangewezen dienaren der kroon, de connétable en de maarschalk de +Sancerre, te paard de gerechten opdienen. [117] Wanneer Hendrik VI van +Engeland in 1431 te Parijs als koning van Frankrijk is gekroond, dringt +het volk reeds in den vroegen morgen de groote zaal van het paleis +binnen, waar het kroningsmaal gehouden zal worden, om er te kijken, +te grissen en te schransen. De heeren van het Parlement, van de +Universiteit, de prévôt des marchands en de schepenen kunnen nauwelijks +door het gedrang de eetzaal bereiken, en eenmaal daar, vinden zij de +voor hen bestemde tafels ingenomen door allerlei handwerkslieden. Men +tracht dezen te verwijderen, "mais quant on en faisoit lever ung ou +deux, il s'en asseoit VI ou VIII d'autre costé". [118]--Bij de +koningswijding van Lodewijk XI in 1461 heeft men de voorzorg genomen, +de ingangen van de kathedraal van Reims tijdig te sluiten en te bewaken, +zoodat er niet meer menschen in de kerk zijn, dan het koor gemakkelijk +kon bevatten. Dezen evenwel dringen zoodanig op rondom het hoogaltaar, +waar de zalving plaats heeft, dat de prelaten zelf, die den +aartsbisschop ter zijde stonden, nauwelijks plaats hadden om zich te +bewegen, en de prinsen van den bloede op hun eerezetels geducht in +verdrukking komen. [119] + +De kerk van Parijs verdroeg het noode, dat zij nog altijd (tot 1622) +suffragaan was van het aartsbisdom Sens. Men laat het den metropoliet op +alle wijzen merken, dat men van zijn gezag niet gediend is, en beroept +zich op de exemptie door den paus. Op 2 Februari 1492 heeft de +aartsbisschop van Sens in de Notre Dame te Parijs de mis gecelebreerd +in tegenwoordigheid van den koning. Terwijl de koning de kerk nog niet +heeft verlaten, trekt de aartsbisschop, het volk zegenend, zich terug, +voorafgegaan door het priesterkruis. Twee der kanunniken dringen met een +groote schaar van kerkedienaren op, slaan de hand aan het kruis en +beschadigen het, verrekken 's dragers hand, en maken een tumult, waarbij +den dienaren van den aartsbisschop de haren uit het hoofd getrokken +worden. Toen de aartsbisschop den twist tracht te bedaren, "sans lui mot +dire, vinrent près de lui; Lhuillier (deken van het kapittel) lui baille +du coude dans l'estomac, les autres rompirent le chapeau pontifical et +les cordons d'icelluy." De andere kanunnik vervolgt den aartsbisschop +"disant plusieurs injures en luy mectant le doigt au visage, et prenant +son bras tant que dessira son rochet; et n'eust esté que n'eust mis sa +main au devant, l'eust frappe au visage." Het werd een proces van 13 +jaar. [120] + +De hartstochtelijke en gewelddadige geest, hard en tevens tranenrijk, +altijd wankelend tusschen de zwarte vertwijfeling aan de wereld en het +zwelgen in haar bonte schoonheid, kon niet buiten de strengste vormen +van het leven. Het was noodig, dat de aandoeningen waren gevat in een +vast raam van geijkte vormen; zoodoende kreeg het samenleven althans +in den regel orde. Zoo werden de levensgebeurtenissen van zichzelf +en anderen tot een schoon schouwspel voor den geest; men genoot de +pathetische uitmonstering van leed en geluk onder kunstlicht. Voor een +zuivere gemoedsuitdrukking ontbreken nog de middelen; het gemoed kan +slechts in aesthetische uitbeelding dien hoogen graad van +uitdrukkelijkheid bereiken, waar de tijd naar schreeuwt. + +Het is natuurlijk niet zoo gemeend, dat deze levensvormen, vooral die +rondom de groote oude heiligheden van geboorte, huwelijk en sterven, met +zulk een bedoeling zouden zijn ingesteld. Gebruiken en staatsie zijn +gegroeid uit primitief geloof en cultus. Maar de oorspronkelijke zin van +dat alles, die er het aanzijn aan gaf, is reeds lang onbewust geworden, +en in plaats daarvan hebben die vormen zich gevuld met nieuwe +aesthetische waarde. + +De rouw is het, waar de aankleeding van de aandoening in een +suggestieven vorm de hoogste ontwikkeling vond. Daar was een onbeperkt +gegeven voor die prachtige hyperboliseering van de smart, die het +wederpart is van de hyperboliseering der vreugde in de ontzaglijke +hoffeesten. Hier volge geen uitvoerige beschrijving van al den somberen +praal van zwarte gewaden, al de staatsie van lijkdiensten, die het +afsterven van iederen vorst begeleidden. Zij zijn niet in het bijzonder +aan de latere Middeleeuwen eigen; de monarchieën bewaren ze tot den +huidigen dag, en ook de burgerlijke lijkkoets is er nog de aflegger van. +De suggestie van al het zwart, waarin bij een vorstelijk sterfgeval niet +enkel de hofhouding, maar ook magistraten, gilden en volk gedost ging, +moet bij de bonte kleurigheid van het middeleeuwsche stadsleven nog veel +grooter zijn geweest door de tegenstelling. De rouwpraal over den +vermoorden Jan zonder Vrees is met den kennelijksten toeleg op een sterk +(en ten deele politiek) effekt opgezet. Het krijgsgevolg, waarmee +Philips optrekt, om de koningen van Frankrijk en Engeland te ontmoeten, +prijkt met twee duizend zwarte vaantjes, met zwarte standaarden en +vaandels van zeven ellen, de franje van zwarte zijde, alles bestikt of +beschilderd met gouden wapens. De staatsiezetels, de reiswagen van den +hertog zijn voor die gelegenheid zwart geschilderd. [121] Bij de +plechtige samenkomst te Troyes begeleidt Philips de koninginnen van +Frankrijk en Engeland in een fluweelen rouwkleed, dat over den rug van +zijn paard afhangt tot op den grond. [122] Nog geruimen tijd daarna +verschijnt niet alleen hij, maar ook zijn gevolg in 't zwart. [123] + +Soms verhoogde een afwijking van al het zwart den indruk nog; terwijl +het geheele hof, ook de koningin, zwart draagt, rouwt de koning van +Frankrijk in het rood. [124] En in 1393 zagen de Parijzenaars met +verbazing de geheel en al witte lijkstaatsie van den in ballingschap +gestorven koning van Armenië, Léon de Lusignan. [125] + +Zonder twijfel omhulde dat zwart dikwijls een hevigheid van echte, +hartstochtelijke smart. De groote afschuw van den dood, het sterke +verwantschapsgevoel, de innige aanhankelijkheid aan den heer, maakten +een vorstelijk sterfgeval tot een waarlijk schokkende gebeurtenis. En +als het, zooals in 1419 de moord op den hertog van Bourgondië deed, +daarbij nog de eer van een trotsch geslacht scheurde en de wraak opriep +als een heiligen plicht, dan kon de hyperbolische uiting van smart wel +evenredig zijn in staatsie en in gemoed. Chastellain heeft in de +aesthetiek van deze doodstijding zich wijdloopig verlustigd; hij verzint +in den zwaren, slependen stijl van zijn deftige rhetoriek de lange rede, +waarmee de bisschop van Doornik te Gent den jongen hertog langzaam op +het vreeselijke bericht voorbereidt, de statige jammerklachten van +Philips zelf, en van zijn gemalin Michelle de France. Maar de kern van +zijn verhaal: hoe de tijding bij den jongen hertog een zenuwtoeval +teweegbrengt, hoe ook zijn gemalin in onmacht valt, de wilde verwarring +van het hof, de luide rouwkreten van de stad, kortom de woeste +uitbundigheid van smart, waarmee het bericht ontvangen werd, vallen niet +te betwijfelen. [126] Ook Chastellain's verhaal van het smartbetoon van +Karel den Stoute bij het sterven van Philips in 1467 draagt de kenmerken +van waarheid. Hier was de schok veel minder hevig; de oude hertog, +vrijwel kindsch, was reeds lang achteruitgaande; de verstandhouding +tusschen hem en zijn zoon was in de laatste jaren ver van hartelijk +geweest, zoodat Chastellain zelf opmerkt, dat het verbazing wekte, toen +men Karel bij het sterfbed zag weenen, krijten, handenwringen en +nedervallen, "et ne tenoit régle, ne mesure, et tellement qu'il fit +chacun s'esmerveiller de sa démesurée douleur". Ook in de stad Brugge, +waar de hertog stierf, "estoit pitié de oyr toutes manières de gens +crier et plorer et faire leurs diverses lamentations et regrets". [127] + +Het is moeilijk uit te maken, hoever in deze en dergelijke berichten de +hofstijl gaat, die een luidruchtig leedbetoon gepast en fraai vindt, en +hoever de werkelijke hevige aandoenlijkheid, die den tijd eigen was. +Er loopt zeker een sterk element van primitieven vorm onder: het luide +weenen over den doode, dat geformaliseerd was in klaagvrouwen, en +artistiek uitgedrukt in de "plourants", die juist in dezen tijd aan de +grafsculptuur zulk een sterke bewogenheid verleenen, is een overoud +beschavingselement. + +Die vereeniging van primitivisme, hevige aandoenlijkheid en fraaien +vorm valt ook te zien in de groote vrees voor het meedeelen van een +doodsbericht. Men houdt voor de gravin van Charolais, wanneer zij +zwanger gaat van Maria van Bourgondië, den dood van haar vader langen +tijd geheim; men durft Philips den Goede, die ziek ligt, geen enkel +sterfgeval, dat hem eenigszins raakt, meedeelen, zoodat Adolf van Cleef +geen rouw mag dragen over zijn echtgenoote. Toen de hertog toch van +den dood van zijn kanselier Nicolaas Rolin de lucht gekregen had +(Chastellain gebruikt zelf die uitdrukking: "avoit esté en vent un peu +de ceste mort"), vraagt hij den bisschop van Doornik, die hem aan zijn +ziekbed komt bezoeken, of het waar is, dat de kanselier gestorven +is.--Monseigneur,--zegt de bisschop--: naar waarheid dood is hij wel, +want hij is oud en gebroken, en kan niet lang meer leven.--Déa!--zegt +de hertog,--dat vraag ik niet, ik vraag of hij is "mort de mort et +trespassé".--Ha! monseigneur,--zegt de bisschop weer--, hij is niet +gestorven, maar aan één kant verlamd, dus hij is zoo goed als dood.--De +hertog wordt boos:--Vechy merveilles! zeg mij nu duidelijk, of hij dood +is. Toen eerst zegt de bisschop: Ja, waarlijk, monseigneur, hij is +werkelijk gestorven". [128] Is er niet in deze zonderlinge wijze van een +doodsbericht mee te deelen meer van een ouden, bijgeloovigen vorm dan +van een ontzien van een zieke, dien dit aarzelen slechts kon prikkelen? +Het hoort in de sfeer der gedachte, die Lodewijk XI bewoog, om zich +nooit weer te bedienen van de kleeren, die hij droeg, of het paard, dat +hij bereed, toen hem eenig slecht bericht bereikte, en zelfs om een heel +stuk van het bosch van Loches te doen omhakken, waar hem de dood van +zijn pasgeboren zoontje werd bericht. [129] "M. le chancellier--schrijft +hij 25 Mei 1483--je vous mercye des lettres etc. mais je vous pry que ne +m'en envoyés plus par celluy qui les m'a aportées, car je luy ay trouvé +le visage terriblement changé depuis que je ne le vitz, et vous prometz +par ma foy qu'il m'a fait grant peur; et adieu". [130] + +Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag +schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij vorm geven aan het +leed, het als iets schoons en verhevens ontplooien. Zij rythmiseeren de +smart. Zij brengen het werkelijke leven over in de sfeer van het drama, +en doen het cothurnen aan. In primitiever beschaving, ik denk bij +voorbeeld aan de Iersche, zijn rouwgebruiken en dichterlijke lijkklacht +nog één geheel; ook den hofrouw van den Bourgondischen tijd kan men +slechts verstaan, door hem verwant te zien aan de elegie. De rouwpraal +vertoont in schoonen vorm de machteloosheid van smart. Hoe hooger de +rang, hoe heroïscher het smartbetoon moet prijken. De koningin van +Frankrijk moet een vol jaar in de kamer blijven, waar men haar den dood +haars gemaals heeft aangezegd. Voor prinsessen geldt zes weken. Wanneer +men Madame de Charolais, Isabelle de Bourbon, den dood van haar vader +heeft medegedeeld, woont zij eerst nog den lijkdienst bij te Couwenberg, +en blijft daarna zes weken in haar kamer, altijd te bed liggende, door +kussens gesteund, maar gekleed met barbette, kap en mantel. De kamer is +geheel met zwart behangen, op den grond ligt in de plaats van een zacht +tapijt een groot zwart laken, en een groot voorvertrek is eveneens met +zwart behangen. Edelvrouwen blijven alleen voor haar man zes weken te +bed, voor vader of moeder slechts negen dagen, terwijl zij de rest der +zes weken gezeten zijn voor het bed op het groote zwarte kleed. Voor +den oudsten broeder houdt men zes weken de kamer doch niet het bed. +[131]--Men begrijpt, hoe in een tijd, die zulk een hoog ceremonieel in +eere hield, als een der ergste omstandigheden bij den moord van 1419 +telkens weer herinnerd wordt, dat Jan zonder Vrees zoo maar in buis, +hozen en schoenen begraven was. [132] + +De aandoening, in die fraaie vormen getooid en verwerkt, gaat er licht +in te loor; de zucht naar de dramatiseering van het leven laat een +achter-de-schermen over, waarin het edel opgemaakte pathos verloochend +wordt. Er is een naïeve scheiding tusschen "staat" en werkelijk leven, +welke in het geschrift van de oude hofdame, Alienor de Poitiers, die al +dien "staat" toch als hooge mysteriën vereert, kenmerkend aan den dag +komt. Op de beschrijving van Isabella van Bourbon's prachtigen rouw laat +zij volgen: "Quand Madame estoit en son particulier, elle n'estoit point +toujours couchée, ni en une chambre". De prinses ontvangt in dien staat, +doch enkel als schoone vorm. Zoo zegt Alienor ook: voor een echtgenoot +behoort men twee jaar het rouwkleed te dragen, "indien men althans niet +hertrouwt". Juist de hoogste standen, de vorsten met name, hertrouwden +dikwijls zeer spoedig; de hertog van Bedford, regent van Frankrijk voor +den jongen Hendrik VI, reeds na vijf maanden. + +Naast den rouw biedt de kraamkamer een ruim veld voor strenge staatsie +en hiërarchisch verschil van uitmonstering. Er gelden vaste kleuren. Het +groen, dat nog in de 19e eeuw de geijkte kleur was van het burgerlijk +ledikant en de vuurmand, was in de 15e het prerogatief van koningin en +prinsessen. De kraamkamer van de koningin van Frankrijk is van groene +zijde; vroeger was zij geheel in wit. Zelfs gravinnen mogen niet "la +chambre verde" hebben. Stof, bont en kleur van dekens en spreien is +voorgeschreven. Op het dressoir branden voortdurend twee groote lichten +in zilveren kandelaars, want de blinden van de kraamkamer worden eerst +na veertien dagen geopend! Het opmerkelijkste evenwel zijn de +staatsieledikanten, ledig evenals de koetsen bij de begrafenis van den +koning van Spanje. De jonge moeder ligt op een couchette voor het vuur, +en het kind, Maria van Bourgondië, in een wieg in de kinderkamer, maar +bovendien staan er in de kraamkamer twee groote bedden in een kunstig +samenstel van groene gordijnen, opgemaakt en opgeslagen, als om erin te +gaan slapen, en in de kinderkamer opnieuw twee groote bedden, alles met +groen en violet, en nogmaals één groot bed in een voorvertrek of +"chambre de parement", geheel getapisseerd in karmozijn satijn. Zij was +vroeger door die van Utrecht aan Jan zonder Vrees vereerd, en heette +"la chambre d'Utrecht". Bij de doopplechtigheid dienen die bedden tot +ceremonieus gebruik. [133] + +Die aesthetiek der levensvormen deed zich gelden in het dagelijksch +aspect van stad en land: de strenge hiërarchie van stoffen, kleuren +en pelzen gaf aan de verschillende standen een uiterlijke omlijsting, +die het waardigheidsgevoel verhief en behoedde. De aesthetiek der +gemoedsbewegingen beperkte zich niet tot de plechtige vreugden en +smarten bij geboorte, huwelijk en sterven, waar de parade door de +noodzakelijke ceremoniën geboden was. Elk ethisch gebeuren wordt gaarne +gezien in een fraai opgemaakten vorm. Er is zulk een element in de +bewondering voor de nederigheid en de zelfkastijding van den heilige, +voor het berouw van den zondaar, zooals de "moult belle contrition de +ses péchés" van Agnes Sorel. [134] Elke levensverhouding wordt in stijl +gebracht; in de plaats van de moderne zucht tot verbergen en effaceeren +van intieme betrekkingen en sterke aandoeningen geldt het streven, om ze +tot een vorm en een schouwspel ook voor anderen te maken. Zoo heeft ook +de vriendschap in het leven der 15e eeuw haar schoon uitgewerkten vorm. +Naast de oude bloedbroederschap en wapenbroederschap, die in de kringen +zoowel van het volk als van den adel in eere was, [135] kent men een +vorm van sentimenteele vriendschap, die uitgedrukt wordt door het woord +mignon. De vorstelijke mignon is een geformaliseerd instituut, dat zich +gedurende de geheele 16e en een deel der 17e eeuw handhaaft. Het is de +verhouding van Jacobus I van Engeland tot Robert Carr en George +Villiers; ook Willem van Oranje bij den afstand van Karel V moet onder +dit aspect gezien worden. _Twelfth Night_ is slechts te begrijpen, als +men bij de verhouding van den hertog tot den gewaanden Cesario dezen +geijkten vorm van sentimenteele vriendschap voor oogen heeft. De +verhouding wordt gezien als een parallel tot de hoofsche liefde: "Sy +n'as dame ne mignon", zegt Chastellain. [136] Doch elke toespeling, die +haar op één lijn met de Grieksche vriendschap zou brengen, ontbreekt ten +eenenmale. De openlijkheid, waarmee het mignonschap behandeld wordt in +een tijd, die het crimen nefandum zoo verfoeide, moet elken argwaan doen +zwijgen. Bernardino van Siena stelt aan zijn Italiaansche landgenooten, +onder wie de sodomie zeer verbreid was, Frankrijk en Duitschland, waar +men haar niet kent, ten voorbeeld. [137] Commines vertelt zelf, hoe hij +de eer genoot, door Lodewijk XI onderscheiden te worden met 's konings +behagen, dat hij gelijk gekleed ging als deze. [138] Want dit is het +vaste teeken van de verhouding. De koning heeft steeds een mignon en +titre, in dezelfde kleederen gedost als hij, op wien hij steunt bij +ontvangsten. [139] Dikwijls zijn het ook twee vrienden van gelijken +leeftijd, doch verschillenden rang, die zich gelijk kleeden, in één +kamer, soms ook in één bed slapen. [140] Zulk een onafscheidelijke +vriendschap bestaat er tusschen den jongen Gaston de Foix en zijn +bastaardbroeder, waar zij een tragisch einde neemt, tusschen Lodewijk +van Orleans (toen nog van Touraine) en Pierre de Craon, [141] tusschen +den jongen hertog van Cleef en Jacques de Lalaing. Op dezelfde wijze +hebben vorstinnen een vertrouwde vriendin, die zich gelijk kleedt, [142] +en mignonne genoemdt wordt. + +Al deze schoon gestyleerde levensvormen, die de ruwe werkelijkheid +moesten verheffen in een sfeer van edele harmonie, waren deelen van de +groote levenskunst, zonder onmiddellijken neerslag te geven in de kunst +in engeren zin. De omgangsvormen met hun vriendelijken schijn van +ongedwongen altruïsme en heusche erkenning van anderen, de hofpraal en +hofetikette met hun hieratische statigheid en ernst, de blijde tooi van +bruiloft en kraamkamer, hun schoonheid is voorbijgegaan zonder directe +sporen na te laten in kunst en litteratuur. Het uitdrukkingsmiddel, dat +hen verbindt, is niet de kunst, maar de mode. Nu staat de mode in het +algemeen veel nader tot de kunst, dan de academische aesthetica wil +toegeven. Als kunstmatige accentueering van de lichaamsschoonheid en de +lichaamsbeweging is zij met een der kunsten, die van den dans, innig +verbonden. Maar ook daarbuiten grenst in de 15e eeuw het domein der +mode, of wil men liever der kleederdracht, veel nader aan dat der kunst +dan wij geneigd zijn ons voor te stellen. Niet enkel doordat het +veelvuldig gebruik van juweelen en de metaalbewerking van het +krijgsgewaad in het costuum een direct element van kunsthandwerk brengt. +De mode deelt met de kunst zelve essentieele eigenschappen: stijl en +rythme zijn haar even onmisbaar als voor de kunst. De late Middeleeuwen +hebben voortdurend in de kleederdracht een mate van levensstijl +uitgedrukt, waarvan tegenwoordig zelfs een kroningsplechtigheid slechts +meer een flauwe afschaduwing kan geven. In het leven van iederen dag +vertoonden de verschillen van pelzen en kleuren, kappen en huiven de +strenge ordonnantie der standen, de pronkende waardigheden, den staat +van blijdschap of smart, de teedere betrekking van vrienden en +verliefden. + +Van alle levensverhoudingen was de aesthetiek zoo uitdrukkelijk mogelijk +uitgewerkt. Hoe hooger het schoonheids- en zedelijkheidsgehalte van zulk +een verhouding was, hoe meer de uitdrukking ervan tot zuivere kunst kon +worden. Beleefdheid, etikette vinden hun schoone uiting enkel in het +leven zelf, in kleed en praal. De rouw echter heeft haar sterke +uitdrukking bovendien in een duurzamen en machtigen kunstvorm: het +grafmonument; de cultuurwaarde van den rouw was verheven door zijn +verband met den godsdienst. Maar nog rijker was de aesthetische bloei +van deze drie levenselementen: dapperheid, eer en liefde. + + +NOTEN: + +[64] Poliziano, Le stanze, l'Orfeo e le rime, ed. G. Carducci, Firenze, +1863, p. 362. + +[65] Eustache Deschamps, Oeuvres complètes, ed. De Queux de Saint +Hilaire et G. Raynaud (Soc. des anciens textes francais) 1878-1903, 11 +vol., no. 31 (I p. 113), vgl. nos. 85, 126, 152, 162, 176, 248, 366, +375, 386, 400, 933, 936, 1195, 1196, 1207, 1213, 1239, 1240 enz. enz.; +Chastellain, I p. 9, 27, IV 5, 56, VI 206, 208, 219, 295; Alain +Chartier, Oeuvres, ed. A. Duchesne, Paris 1617, p. 262; Alanus de Rupe, +Sermo II p. 313, (B. Alanus redivivus, ed. J.A. Coppenstein, Napels, +1642). + +[66] Deschamps no. 562 (IV p. 18). + +[67] A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses oeuvres, Bibl. de +l'Ecole des chartes LVI 1895, pp. 277, 280, 305, 310, 312, 622, etc. + +[68] Chastellain, I p. 10, Prologue, vgl. Complainte de fortune, VIII +p. 334. + +[69] La Marche, I p. 186, IV p. LXXXIX; H. Stein, Etude sur Olivier de +la Marche, historien, poète et diplomate, (Mém. couronnés etc. de +l'Acad. royale de Belg. t. XLIX) Bruxelles 1888, frontispice. + +[70] Monstrelet, IV p. 430. + +[71] Froissart ed. Luce, X. p. 275; Deschamps no. 810 (IV p. 327); vgl. +Les Quinze joyes demariage, (Paris, Marpon et Flammarion) p. 64 (quinte +joye); Le livre messire Geoffroi de Charny, Romania XXVI 1897, p. 399. + +[72] Joannis de Varennis responsiones ad capitula accusationum etc. § 17, +bij Gerson, Opera, I p. 920. + +[73] Deschamps no. 95 (I p. 203). + +[74] Deschamps, Le miroir de mariage, IX p. 25, 69, 81, no. 1004 (V p. +259), verder II p. 8, 183-7. III p. 39, 373, VII p. 3, IX p. 209 enz. + +[75] Convivio lib. IV. cap. 27, 28. + +[76] Discours de l'excellence de virginité, Gerson, Opera III p. 382; +vgl. Dionysius Cartusianus, De vanitate mundi, Opera omnia, cura et +labore monachorum sacr. ord. Cart., Monstrolii-Tornaci 1896-1913, 41 +vol. XXXIX p. 472. + +[77] Chastellain, V p. 364. + +[78] La Marche, IV p. cxiv.--De oude Nederl. vertaling van zijn Estat de +la maison du duc Charles de Bourgogne bij Matthaeus, Analecta I p. 357-494. + +[79] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, ed. M. Roy (Soc. des anciens +textes francais) 1886-1896, 3 vol., I p. 251 no. 38; Leo von Rozmital's +Reise, ed. Schmeller, (Bibl. des lit. Vereins zu Stuttgart t. VII) 1844, +p. 24, 149. + +[80] La Marche, IV. p. 4ss.; Chastellain, V p. 370. + +[81] Ernst. + +[82] Een staatsiezetel. + +[83] Gekleed. + +[84] Chastellain, V. p. 368. + +[85] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34ss. + +[86] La Marche, I p. 277. + +[87] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34, 51, 20, 31. + +[88] Froissart, ed. Luce, III p. 172. + +[89] Journal d'un bourgeois, § 218 p. 105. + +[90] Chronique scandaleuse, I p. 53. + +[91] Molinet, I p. 184; Basin. II p. 376. + +[92] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, ed. La Curne de +Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie, 1781, II p. 201. + +[93] Chastellain, III p. 196-212, 290, 292, 308, IV p. 412/4, 428; +Alienor de Poitiers, p. 209, 212. + +[94] Alienor de Poitiers, p. 210; Chastellain, IV p. 312; Juvenal des +Ursins, p. 405; La Marche, I p. 278, Froissart, I p. 16, 22, enz. + +[95] Molinet, V p. 194, 192. + +[96] Alienor de Poitiers, p. 190; Deschamps, IX p. 109. + +[97] Chastellain, V. p. 27-33. + +[98] Maxime u. Reflexionen V. + +[99] Alleen om u moet de priester wachten. Deschamps, IX Le miroir de +mariage, p. 109/110. + +[100] Verscheiden exemplaren van zulke "paix" bij Laborde, II nos. 43, +45, 75, 126, 140, 5293. + +[101] De baljuwsche. + +[102] Deschamps ib.; p. 300, vgl. VIII p. 156 ballade no. 1462; Molinet, +V p. 195; Les cent nouvelles nouvelles, ed. Th. Wright, II p. 123; vgl. +Les Quinze joyes de mariage p. 185. + +[103] Canonisatieproces te Tours, Acta Sanctorum Apr. t. I p. 152. + +[104] Over zulke rangtwisten onder den Hollandschen adel, waarop reeds +even gewezen is door W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de +hervorming, Utrecht 1864-'69, 2 deelen (5 stukken) II 3 p. 284(2), is +uitvoerig gehandeld door H. Obreen, Bijdr. v. Vad. Gesch. en Oudhk. X p. 308. + +[105] Deschamps, IX p. 111-114. + +[106] Jean de Stavelot, Chronique, ed. Borgnet (Coll. des chron. belges) +1861, p. 96. + +[107] Pierre de Fenin, p. 607; Journal d'un bourgeois, p. 9. + +[108] Aldus Juvenal des Ursins, p. 543, en Thomas Basin, I p. 31. Het +Journal d'un bourgeois, p. 110 geeft een andere reden voor het +doodvonnis, evenzoo Le Livre des trahisons, ed. Kervyn de Lettenhove +(Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous les ducs de Bourg.) II p. 138(1). + +[109] Rel. de S. Denis, I p. 30; Juvenal des Ursins, p. 341. + +[110] Pierre de Fenin, p. 606; Monstrelet, IV p. 9. + +[111] Pierre de Fenin, p. 604. + +[112] Christine de Pisan, I p. 251 no. 38; Chastellain, V p. 364ss; +Rozmital 's Reise, p. 24, 149. + +[113] Deschamps, I nos. 80, 114, 118, II nos. 256, 266, IV nos. 800, +803, V nos. 1018, 1024, 1029, VII no. 253, X nos. 13, 14. + +[114] Anonym bericht der 15e eeuw in Journal de l'inst. hist., IV p. +353, vgl. Juvenal des Ursins, p. 569, Religieux de S. Denis, VI p. 492. + +[115] Jean Chartier, Hist. de Charles VII, ed. D. Godefroy 1661, p. 318. + +[116] Intocht van den dauphin als hertog van Bretagne te Rennes in 1532 +bij Th. Godefroy, Le cérémonial françois, 1649, p. 619. + +[117] Rel. de S. Denis, I p. 32. + +[118] Journal d'un bourgeois, p. 277. + +[119] Thomas Bassin, II p. 9. + +[120] A. Renaudet, Préréforme et humanisme à Paris, p. 11, naar de +processtukken. + +[121] de Laborde, Les ducs de Bourgogne, I p. 172, 177. + +[122] Livre des trahisons, p. 156. + +[123] Chastellain, I p. 188. + +[124] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254. + +[125] Rel. de S. Denis, II p. 114. + +[126] Chastellain, I p. 49, V p. 240; vgl. La Marche, I p. 201; +Monstrelet, III p. 358; Lefèvre de S. Remy, I p. 380. + +[127] Chastellain. V p. 228, vgl. IV p. 210. + +[128] Chastellain, III p. 296; IV p. 213, 216. + +[129] Chronique scandaleuse. Interpol. II p. 332. + +[130] Lettres de Louis XI, X p. 110. + +[131] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254-256. + +[132] Lefèvre de S. Remy, II p. 11; Pierre de Fenin, p. 599, 605; +Monstrelet, III p. 347; Theod. Pauli, De rebus actis sub ducibus +Burgundiae compendium, ed. Kervyn de Lettenhove (Chron. rel. à l'hist. +de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. t. III) p. 267. + +[133] Alienor de Poitiers, p.217-245; Laborde, II p. 267, Inventaris van +1420. + +[134] Continuateur de Monstrelet, 1449 (Chastellain, V p. 367(1)). + +[135] Vgl. Petit Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires +etc., p. 14; La Curne de S. Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie, +I p. 272. + +[136] Chastellain, Le Pas de la mort, VI p. 61. + +[137] Hefele, Der h. Bernhardin v. Siena etc., p. 42. Vervolging van +sodomie in Frankrijk, Jacques du Clercq, II p. 272, 282, 337, 338, 350, +III 15. + +[138] Philippe de Commines, Mémoires, ed. B. de Mandrot (Coll. de textes +pour servir à l'enseignement de l'histoire) 1901-'3, 2 vol., I p. 316. + +[139] La Marche, II p. 425; Molinet, II p. 29, 280; Chastellain, IV p. 41. + +[140] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 61; Froissart, ed. Kervyn, XI +p. 93. + +[141] Froissart id., ib. XIV p. 318; Le livre des faits de Jacques de +Lalaing. p. 29, 247 (Chastellain VIII); La Marche I p. 268; L'hystoire +du petit Jehan de Saintré. ch. 47. + +[142] Chastellain, IV p. 237. + + + * * * * * + + +III + +DE HELDENDROOM + + +Toen men tegen het einde der achttiende eeuw begon middeleeuwsche +cultuurvormen als eigen nieuwe levenswaarden op te nemen, met andere +woorden bij den aanvang der romantiek, heeft men in de Middeleeuwen +allereerst het ridderwezen ontwaard. De romantiek was geneigd +Middeleeuwen en riddertijd kortweg te vereenzelvigen. Zij zag overal +slechts wuivende vederbossen. En hoe paradoxaal het thans klinkt, zij +had in zeker opzicht gelijk. Een grondiger studie heeft ons geleerd, +dat het ridderwezen slechts een onderdeel is van de cultuur van dat +tijdperk, dat de staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling +grootendeels buiten dien vorm om gaat. Het tijdperk van echte +feodaliteit en bloeiend ridderwezen loopt reeds in de dertiende eeuw +ten einde; wat daarna komt is de stedelijk-vorstelijke periode der +Middeleeuwen, waarin de beheerschende factoren van staat en maatschappij +de handelsmacht der burgerijen en de daarop berustende geldmacht der +vorsten zijn. Wij lateren hebben ons gewend, en terecht, om veel meer +naar Gent en Augsburg te zien, veel meer naar het opkomende kapitalisme +en de nieuwe staatsvormen dan naar den adel, die immers, hier meer daar +minder, overal reeds "gefnuikt" was. De geschiedvorsching zelf heeft +zich sedert de dagen der romantiek gedemocratiseerd. Het moet evenwel +hem, die gewoon is, de latere Middeleeuwen te zien in hun staatkundig- +economisch aspect, zooals wij dat begrijpen, telkens opvallen, dat de +bronnen zelf, met name de verhalende bronnen, aan den adel en zijn +bedrijf een zooveel ruimer plaats geven, dan bij onze voorstelling past. +Dit geldt zelfs niet enkel van de late Middeleeuwen, maar ook nog van de +zeventiende eeuw. + +De reden daarvan is, dat de adellijke levensvorm zijn heerschappij over +de samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke +structuur zijn overheerschende beteekenis verloren had. In den geest der +vijftiende eeuw neemt de adel als maatschappelijk element nog onbetwist +de eerste plaats in; zijn beteekenis wordt door den tijdgenoot veel te +hoog, die van de burgerij veel te laag geschat. Zij zelf zien niet, dat +de werkelijke beweegkrachten der maatschappelijke ontwikkeling elders +lagen dan in het leven en bedrijf van een oorlogvoerenden adel. Dus, zal +men zeggen: de fout zit bij de tijdgenooten zelf en bij de romantiek, +die hun voorstelling zonder kritiek volgde, terwijl de moderne +geschiedvorsching de ware verhoudingen van het laat-middeleeuwsche leven +aan het licht heeft gebracht. Van het staatkundige en economische leven, +ja. Maar voor het kennen van het cultuurleven behoudt de waan zelf, +waarin de tijdgenooten leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was +de adellijke levensvorm niet anders dan een vernis over het leven +geweest, dan nog zou het noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat +leven mèt den glans van dat vernis wist te zien. + +Het is overigens veel meer geweest dan een vernis. Het begrip van de +geleding der maatschappij in standen doordringt in de Middeleeuwen alle +theologische en politische beschouwingen tot in haar vezelen. Het +bepaalt zich volstrekt niet tot de geijkte drie: geestelijkheid, adel en +derde stand. Het begrip stand heeft niet alleen een veel sterker waarde +maar ook een veel verder strekking. In het algemeen wordt iedere +groepeering, iedere functie, ieder beroep gezien als een stand, zoodat +naast de indeeling der maatschappij in drie standen een in twaalf kan +voorkomen. [143] Want stand is staat, "estat", of "ordo"; er ligt de +gedachte in van een door God gewilde wezenlijkheid. De woorden "estat" +en "ordre" dekken in de Middeleeuwen een groot aantal van menschelijke +groepeeringen, die voor ons begrip zeer ongelijksoortig zijn: de standen +in onzen zin, de beroepen, den huwelijken staat naast den maagdelijken, +den staat van zondigheid "estat de péchié", de vier "estats de corps et +de bouche" aan het hof: panetiers, schenkers, voorsnijders en +keukenmeesters, de geestelijke wijdingen: priester, diaken, subdiaken +enz., de kloosterorden, de ridderorden. In de middeleeuwsche gedachte +wordt het begrip "staat" of "orde" in al die gevallen bijeengehouden +door het besef, dat elk dezer groepen een goddelijke inzetting +vertegenwoordigt, een orgaan is in den wereldbouw, even wezenlijk en +even hierarchisch-eerbiedwaardig als de hemelsche tronen en machten der +engelenhierarchie. + +In het schoone beeld, dat men zich maakte van staat en maatschappij, +werd aan elk der standen zijn functie aangewezen niet overeenkomstig +zijn beproefde nuttigheid, maar overeenkomstig zijn heiligheid of zijn +schitterenden glans. Men kon daarbij de ontaarding der geestelijkheid, +het verval van de ridderlijke deugden bejammeren, zonder daarom het +ideale beeld ook maar eenigszins prijs te geven; de zonden der menschen +mogen de verwezenlijking van het ideaal beletten, toch blijft het +grondslag en richtsnoer der maatschappelijke gedachte. Het +middeleeuwsche beeld der maatschappij is statisch, niet dynamisch. + +Het is een wonderlijke schijn, waarin Chastellain, de hofhistoriograaf +van Philips den Goede en Karel den Stoute, wiens rijke werk ook hier +weer de beste spiegel is van de tijdsgedachte, de maatschappij van zijn +dagen ziet. Hier is een man, in de velden van Vlaanderen getogen, die in +zijn Nederlanden de schitterendste ontplooiing van burgermacht voor +oogen had, en die niettemin, verblind door den uiterlijksten glans van +het Bourgondische prachtleven, in den staat slechts riddermoed en +ridderdeugd als de bron van kracht ziet. + +God heeft het volk doen geboren worden om te arbeiden, om den grond te +bewerken, om door den handel duurzaam levensonderhoud te verschaffen, de +geestelijkheid voor de werken des geloofs, maar den adel, om de deugd te +verheffen en de gerechtigheid te handhaven, om met de daden en de zeden +van hun schoone personen den anderen een spiegel te zijn. De hoogste +taak in den staat, de bescherming der kerk, de vermeerdering van het +geloof, de bewaring van het volk voor verdrukking, de handhaving van het +gemeen welzijn, bestrijding van geweld en tirannie, versterking van den +vrede, Chastellain wijst ze alle den adel toe. Waarheid, dapperheid, +zedelijkheid en mildheid zijn zijn eigenschappen. En de adel van +Frankrijk, zegt deze hoogdravende lofredenaar, beantwoordt aan dat +ideale beeld. [144] Door het geheele werk van Chastellain heen bemerkt +men, dat hij ook werkelijk de gebeurtenissen van zijn tijd door dat +gekleurde glaasje ziet. + +De onderschatting van de burgerij spruit hieruit voort, dat het type, +waaronder men zich den derden stand voorstelde, zich nog geenszins +gecorrigeerd had naar de werkelijkheid. Dat type was eenvoudig en +beknopt als zulk een kalenderplaatje of bas-relief, dat de werken des +jaars afbeeldde: de zwoegende veldarbeider, de vlijtige handwerker of de +bedrijvige koopman. De figuur van den machtigen patriciër, die den adel +zelf van zijn plaats drong, het feit, dat de adel zich voortdurend +aanvulde met het bloed en de kracht der burgerij, vond in dat lapidaire +type evenmin plaats als de figuur van den strijdbaren gildebroeder en +zijn vrijheidsideaal. In het begrip van den derden stand bleven, immers +zelf tot de Revolutie toe, burgerij en arbeiders ongescheiden; +afwisselend dringt in de voorstelling de figuur van den armen boer of +van den vadsigen rijken burger [145] naar voren, maar een omlijning +volgens zijn werkelijke economisch-politische functie kreeg dat begrip +derde stand niet. Een reformprogram van een Augustijner monnik in 1412 +kan in ernst verlangen, dat ieder niet-edele in Frankrijk gedwongen zou +worden, hand- of veldarbeid te doen, of uit het land gejaagd worden. [146] + +Zoo is het te begrijpen, dat iemand als Chastellain, wiens vatbaarheid +voor ethische illusie geëvenaard wordt door zijn politische naïveteit, +naast de hooge eigenschappen van den adel den derden stand slechts lage +en slaafsche deugden toekent. "Pour venir au tiers membre qui fait le +royaume entier, c'est l'estat des bonnes villes, des marchans et des +gens de labeur, desquels il ne convient faire si longue exposition que +des autres, pour cause que de soy il n'est gaires capable de hautes +attributions, parce qu'il est au degré servile". (O kerels van +Vlaanderen!) Zijn deugd is nederigheid en vlijt, gehoorzaamheid aan hun +koning en gewilligheid, om genoegen te verschaffen aan de heeren. [147] + +Werkte wellicht ook dat volslagen gemis aan het gezicht op een komenden +tijd van burgervrijheid en macht er toe mee, dat Chastellain en +gelijkgezinden, die enkel van den adel heil verwachtten, het met de +tijden duister inzagen? + +Ook de rijke stedelingen heeten bij Chastellain nog kortweg "vilains". +[148] Hij heeft niet het geringste begrip voor burgereer. Philips de +Goede had de gewoonte, zijn macht te misbruiken, om zijn "archers", +lagere edelen veelal, of andere dienaren van zijn huis te huwen aan +rijke poortersweduwen of dochters. De ouders huwelijkten hun dochters +zoo vroeg mogelijk uit, om die aanzoeken te ontgaan; een weduwe +hertrouwde erom twee dagen na haars mans begrafenis. [149] Eens stuitte +de hertog daarbij op het hardnekkig verzet van een rijken bierbrouwer te +Rijsel, die zijn dochter niet voor een dergelijke verbintenis wil geven. +De hertog laat het meisje in verzekerde bewaring stellen; de gekrenkte +vader verhuist met zijn hebben en houden naar Doornik, om daar buiten +'s hertogen gebied te zijn, en ongehinderd de zaak voor het Parlement +van Parijs te kunnen brengen. Het brengt hem niet dan zorg en moeite; +hij wordt ziek van verdriet, en het eind van het geval, dat in hooge mate +kenschetsend is voor Philips' impulsief karakter [150] en hem naar onze +begrippen niet tot eer strekt, is, dat de hertog de moeder, die als +smeekelinge tot hem komt, haar dochter teruggeeft, maar aan de +vergiffenis hoon en vernedering toevoegt. Chastellain, die anders +volstrekt niet vreest, zijn heer te misprijzen, staat met zijn sympathie +geheel aan de zijde van den hertog; voor den beleedigden vader heeft hij +geen andere woorden dan "ce rebelle brasseur rustique", "et encore si +meschant vilain." [151] + +In zijn _Temple de Bocace_, een hol galmende hal van adellijken roem en +ongeluk, laat Chastellain den grooten financier Jacques Coeur niet +zonder een woord van verontschuldiging toe, terwijl de verfoeilijke +Gilles de Rais er ondanks zijn ontzettende misdaden gereedelijk toegang +vindt van wege zijn hooge geboorte. [152] Hij acht het onnoodig, de +namen van de burgers te vermelden, die in den grooten strijd voor Gent +vielen. [153] + +Ondanks deze geringschatting van den derden stand ligt er in het +ridderideaal zelf en in de beoefening van de deugden en de taak, die den +adel werden voorgehouden, een dubbel element van een minder hoogmoedig +aristocratische volksverachting. Naast den spot over de dorpers, vol +haat en verachting, zooals die klinkt uit het Vlaamsche _Kerelslied_ en +de _Proverbes del vilain_ loopt in de Middeleeuwen een tegengestelde +uiting van medelijden met het arme volk, dat het zoo kwaad heeft. + + "Si fault de faim perir les innocens + Dont les grans loups font chacun jour ventrée, + Qui amassent a milliers et a cens + Les faulx tresors; c'est le grain, c'est la blée, + Le sang, les os qui ont la terre arée + Des povres gens, dont leur esperit crie + Vengence à Dieu, vé à la seignourie ..." [154] + +Het zijn altijd dezelfde klaagtonen: het arme volk, geteisterd door de +oorlogen, uitgezogen door de ambtenaren, leeft in gebrek en ellende; +iedereen teert op den boer. Zij lijden geduldig: "le prince n'en sçait +riens", en als zij soms murmureeren en de overheid smaden: "povres +brebis, povre fol peuple", de heer zal hen met een woord weer tot rust +en tot rede brengen. In Frankrijk komt onder den indruk van de +jammerlijke verwoesting en onveiligheid, waaraan de honderdjarige oorlog +gaandeweg het geheele land overleverde, één trek in die klacht op den +voorgrond: de boer geplunderd, gebrandschat en mishandeld door de +krijgsbenden van vriend en vijand, beroofd van zijn ploegdieren, van +huis en hof verjaagd. In dien vorm neemt de klacht geen einde meer. Men +hoort haar van de groote reform-gezinde geestelijken omstreeks 1400: +Nicolaas van Clemanges in zijn _Liber de lapsu et reparatione +justitiae,_ [155] van Gerson in zijn moedige en aangrijpende politieke +preek voor de regenten en het hof op het thema _Vivat rex,_ 7 November +1405 in het paleis der koningin te Parijs gehouden, [156] Jean Jouvenel, +de bisschop van Beauvais, houdt in bittere klachten de ellende van het +volk voor aan de Staten te Blois in 1433, te Orleans in 1439. [157] +Gepaard aan het beklag der andere standen over hun moeilijkheden, in den +vorm van een twistgesprek, vindt men het thema van de volksellende in +Alain Chartier's _Quadriloge invectif,_ [158] en in Robert Gaguin's +daarop geïnspireerd _Debat du laboureur, du prestre et du gendarme_. +[159] De kroniekschrijvers kunnen niet anders dan telkens erop +terugkomen; hun stof bracht het mee. [160] Molinet dicht een _Resource +du petit peuple_, [161] de ernstige Meschinot herhaalt de waarschuwingen +over de verwaarloozing van het volk keer op keer: + + "O Dieu, voyez du commun l'indigence, + Pourvoyez-y à toute diligence: + Las! par faim, froid, paour et misere tremble. + S'il a peché ou commis negligence + Encontre vous, il demande indulgence. + N'est-ce pitié des biens que l'on lui emble? + Il n'a plus bled pour porter au molin, + On lui oste draps de laine et de lin, + L'eaue, sans plus, lui demeure pour boire". [162] + +In een cahier, den koning aangeboden ter gelegenheid van de Staten te +Tours in 1484, neemt de klacht regelrecht het karakter aan van een +politiek vertoog. [163] Toch blijft het een volkomen stereotyp en +negatief medelijden, niets van een program. Er is nog geen spoor van +weloverlegden socialen hervormingszin in, en zoo wordt er op het thema +doorgezongen, door La Bruyère, door Fénélon, tot diep in de achttiende +eeuw, want nog de klachten van den ouden Mirabeau, "l'ami des hommes", +zijn weinig anders, al klinkt daarin het geluid van het komende verzet. + +Het is te verwachten, dat de verheerlijkers van het laat-middeleeuwsche +ridderideaal instemmen met deze betuigingen van medelijden met het volk: +immers de toepassing van den ridderplicht, om de zwakken te beschermen, +eischte het. Evenzeer inhaerent aan het wezen van het ridderideaal, en +evenzeer stereotyp en theoretisch, is ook het besef, dat de ware adeldom +slechts berust in de deugd, en dat in den grond alle menschen gelijk +zijn. Deze beide gevoelens worden wel eens in hun cultuurhistorische +beteekenis overschat. Men beschouwt de erkenning van den waren adel in +het hart als een triomf der Renaissance, erop wijzende, dat Poggio die +gedachte uitspreekt in zijn _De nobilitate_. Men hoort gewoonlijk dat +oude egalitarisme in het revolutionaire geluid van John Ball's "When +Adam delved and Eve span, where was then the gentleman?"--En men stelt +zich voor, dat de adel sidderde op dien tekst. + +Beide gedachten waren reeds lang gemeenplaatsen in de hoofsche +litteratuur zelve, evenals zij het waren in de salons van het ancien +régime. Het denkbeeld van den waren adel in het hart was voortgekomen +uit de verheffing van de hoofsche liefde in de poëzie der troubadours. +Het blijft een zedelijke bespiegeling zonder sociaal-actieve werking. + + "Dont vient a tous souveraine noblesce? + Du gentil cuer, paré de nobles mours. + ... Nulz n'est villains se du cuer ne lui muet". [164] + +De gelijkheidsgedachte was reeds door de kerkvaders ontleend aan Cicero +en Seneca. Gregorius de Groote had den komenden Middeleeuwen het "Omnes +namque homines natura aequales sumus" reeds meegegeven. Het was in +allerlei klank en nadruk steeds herhaald, zonder de werkelijke +ongelijkheid te verminderen. Want voor den Middeleeuwer keerde de +gedachte haar pointe naar de spoedige gelijkheid in den dood, niet naar +een hopeloos verre gelijkheid in het leven. Bij Eustache Deschamps +vinden wij haar in een duidelijke verbinding met de doodendans- +voorstelling, die aan de late Middeleeuwen den troost moest geven over +het onrecht van de wereld. Het is Adam zelf, die zijn kroost toespreekt: + + "Enfans, enfans, de moy, Adam, venuz, + Qui après Dieu suis peres premerain (eerste) + Créé de lui, tous estes descenduz + Naturelment de ma coste et d'Evain; + Vo mere fut. Comment est l'un villain + Et l'autre prant le nom de gentillesce + De vous, freres? dont vient tele noblesce? + Je ne le sçay, se ce n'est des vertus, + Et les villains de tout vice qui blesce: + Vous estes tous d'une pel revestus. + + Quant Dieu me fist de la boe ou je fus, + Homme mortel, faible, pesant et vain, + Eve de moy, il nous crea tous nuz, + Mais l'esperit nous inspira a plain + Perpetuel, puis eusmes soif et faim, + Labour, dolour, et enfans en tristesce; + Pour noz pechiez enfantent a destresce + Toutes femmes; vilment estes conçuz. + Dont vient ce nom, villain, qui les cuers blesce? + Vous estes tous d'une pel revestuz. + + Les roys puissans, les contes et les dus, + Li gouverneur du peuple et souverain, + Quant ilz naissent, de quoy sont ilz vestuz? + D'une orde pel. + ... Prince, pensez, sanz avoir en desdain + Les povres gens, que la mort tient le frain". [165] + +Het is in overeenstemming met deze gedachten, wanneer geestdriftige +vereerders van het ridderideaal somtijds opzettelijk de daden van +boersche helden opteekenen, om den adel te leeren, "dat bij wijlen zij, +die zij dorpers achten, van de grootste dapperheid bezield zijn". [166] + +Want dit is de grond van al deze gedachten: dat de adel geroepen is, om +door de naleving van het ridderideaal de wereld te schragen en te +zuiveren. Het rechte leven en de rechte deugd der edelen is het +heilmiddel der slechte tijden; daarvan hangt af het welzijn en de rust +van kerk en koninkrijk, de gelding der gerechtigheid. [167] De oorlog is +in de wereld gekomen met Caïn en Abel, en sedert vertakt onder goeden en +slechten. Hem te beginnen is niet goed. Daarom is de zeer edele en zeer +uitstekende stand der ridderschap ingesteld, om het volk, dat gemeenlijk +het meest geteisterd wordt door de rampen van den krijg, te bewaren, te +verdedigen en in rust te houden. [168] Twee zaken, luidt het in het +leven van een der zuiverste vertegenwoordigers van het laat-middeleeuwsche +ridderideaal, Boucicaut, zijn door God's wil in de wereld gezet als twee +pijlers om de orde der goddelijke en menschelijke wetten te onderhouden; +zonder hen zou de wereld niet dan verwarring zijn; die twee pijlers zijn +ridderschap en wetenschap, "chevalerie et science, qui moult bien +conviennent ensemble". [169] "Science, Foy et Chevalerie" zijn de drie +leliën van _Le Chapel des fleurs de lis_ van Philippe de Vitri; zij +vertegenwoordigen de drie standen; de ridderschap is geroepen, om de +beide andere te behoeden en te beschermen. [170] Die gelijkwaardigheid +van ridderschap en wetenschap, die ook spreekt uit de neiging om aan den +doctorstitel dezelfde rechten toe te kennen als aan den riddertitel +[171] getuigt van het hooge ethische gehalte van het ridderideaal. Het +is de vereering van een hooger willen en durven naast die van een hooger +weten en kunnen; men heeft de behoefte, om den mensch in een hoogere +potentie te zien, en wil die uitdrukken in den vasten vorm van twee +wijdingen tot hooger levenstaak, onderling gelijkwaardig. Maar van die +twee had het ridderideaal een veel algemeener en sterker werking, omdat +daarin met het ethische zooveel aesthetische elementen waren vereenigd, +die voor iederen geest begrijpelijk waren. + +De middeleeuwsche gedachtenwereld in het algemeen is in al haar deelen +doortrokken en doorzult met de geloofsvoorstellingen. Op soortgelijke +wijze is de gedachtenwereld van die beperkter groep, welke in de sfeer +van hof en adel leeft, gedrenkt in het ridderideaal. Zelfs +geloofsvoorstellingen worden op haar beurt in den ban der ridderidee +getrokken: Michael's wapenfeit was "la première milicie et prouesse +chevaleureuse qui oncques fut mise en exploict"; van hem neemt de +ridderlijkheid haar oorsprong; als "milicie terrienne et chevalerie +humaine" is zij een aardsche navolging van de engelenscharen om Gods +troon. [172] + +Leidt de hooge verwachting, die men bouwt op de plichtsvervulling van +den adel, tot eenige nadere omschrijving van politieke denkbeelden +omtrent hetgeen den adel te doen staat? Ja, die van een streven naar +den universeelen vrede, gegrondvest op de eendracht der koningen, de +verovering van Jeruzalem en verdrijving der Turken. De onvermoeide +plannenmaker Philippe de Mézières, die droomde van een ridderorde, welke +al de oude kracht van Tempel en Hospitaal zou overtreffen, heeft in zijn +_Songe du vieil pelerin_ een plan uitgewerkt, dat het heil der wereld +in de naaste toekomst scheen te waarborgen. De jonge koning van +Frankrijk,--het is geschreven omstreeks 1388, toen op den ongelukkigen +Karel VI nog zooveel hoop was gebouwd--, zal gemakkelijk vrede kunnen +sluiten met Richard van Engeland, even jong en onschuldig aan ouden +strijd als hij. Zij moesten persoonlijk over dien vrede met elkander +spreken, elkander verhalen van de wonderlijke openbaringen, die hem +hadden aangekondigd, afzien van al de kleine belangen, die een beletsel +zouden opleveren, als de onderhandeling aan geestelijken, +rechtsgeleerden of legerhoofden werd toevertrouwd. Laat de koning van +Frankrijk maar wat grenssteden en kasteelen afstaan. Terstond na den +vrede zou de kruistocht worden voorbereid. Overal zal alle strijd en +veete beslecht worden, het tiranniek bestuur der staten zal hervormd +worden, een algemeen concilie zal de vorsten der christenheid opwekken, +om ten oorlog te trekken, indien de prediking niet helpen mocht, om +Tartaren, Turken, Joden en Saracenen te bekeeren. [173] Niet +onwaarschijnlijk was er van zulke ver strekkende plannen nog sprake in +het vriendschappelijk verkeer van Mézières met den jongen Lodewijk van +Orleans in het klooster der Celestijnen te Parijs. Ook Orleans leefde, +zij het met meer bijmenging van praktische en baatzuchtige politiek, +in die droomen van vrede en kruistocht. [174] + +Het is een wonderlijke kleuring van de wereld, dat beeld van de +maatschappij gedragen door het ridderideaal. Het is een kleur, die niet +goed houden wil. Wien men ook neemt van de bekende fransche chronisten +der veertiende en vijftiende eeuw: de scherpe Froissart, de droge +Monstrelet en d'Escouchy, de plechtstatige Chastellain, de hoofsche +Olivier de la Marche, de bombastische Molinet, allen met uitzondering +van Commines en Thomas Basin beginnen met hoogdravende verklaringen, +dat zij schrijven ter verheerlijking van ridderdeugd en roemrijke +wapenfeiten. [175] Maar niemand kan het geheel volhouden, Chastellain +nog het best. Terwijl Froissart, zelf dichter van een hyperromantischen +aflegger der ridder-epiek: _Méliador_, met zijn geest zwelgt in ideale +"prouesse" en "grans apertises d'armes", schrijft zijn journalistenpen +voortdurend van verraad en wreedheid, sluwe baatzucht en overmacht, een +krijgsbedrijf, dat geheel een zaak van winstbejag is geworden. Molinet +vergeet doorloopend zijn chevaleresken opzet en vertelt, afgezien van +zijn taal en stijl, de gebeurtenissen helder en eenvoudig, om zich af +en toe den edelen zwier te herinneren, dien hij zich had opgelegd. Nog +uiterlijker is de ridderlijke strekking bij Monstrelet. + +Het is alsof de geest van deze schrijvers,--een ondiepe geest, moet men +zeggen--, de ridderlijke fictie aanwendt als een correctief op de +onbegrijpelijkheid, die hun tijd voor hen had. Het was de eenige vorm, +waarin zij de gebeurtenissen konden begrijpen. In de werkelijkheid waren +zoowel de oorlogen als de staatkunde van hun tijd uiterst vormloos, +schijnbaar onsamenhangend. De krijg doorgaans een chronisch proces van +geïsoleerde strooptochten over een groot gebied verspreid, de diplomatie +een zeer omslachtig en gebrekkig instrument, voor een deel beheerscht +door zeer algemeene traditioneele ideeën en voor een deel door een +onontwarbaar complex van afzonderlijke, kleine rechtskwesties. Niet +in staat om in dat alles een reëele maatschappelijke ontwikkeling te +erkennen, nam de historie de fictie van het ridderideaal te baat, en +herleidde daarmee alles tot een schoon beeld van vorsteneer en +ridderdeugd, een fraai spel van edele regels, en schiep de illusie van +orde. Vergelijkt men dezen historischen maatstaf met bijvoorbeeld het +inzicht van Thucydides, dan is het een buitengewoon laag standpunt. +De geschiedenis verdort tot een relaas van schoone of schijnschoone +wapenfeiten en solemneele staatshandelingen. Wie zijn dan ook van dit +gezichtspunt beschouwd de rechte geschiedgetuigen? De herauten en +wapenkoningen, meent Froissart; zij wonen immers die edele verrichtingen +bij, en hebben ze officieel te beoordeelen; zij zijn experts in zaken +van roem en eer, en roem en eer zijn het motief der geschiedschrijving. +[176] De statuten van het Gulden Vlies geboden het opteekenen van +ridderlijke wapenfeiten; Lefèvre de Saint Remy, genaamd Toison d'or, +of de heraut Berry kunnen als voorbeelden van den wapenkoning- +geschiedschrijver genoemd worden. + + * * * * * + +Als ideaal van schoon leven is de ridderlijke gedachte van zeer +bijzondere gedaante. Het is een in zijn wezen aesthetisch ideaal, +opgebouwd uit bonte fantazie en verheffende aandoening. Maar het wil +zijn een ethisch ideaal: het middeleeuwsche denken kon aan een +levensideaal slechts een edele plaats geven, door het in betrekking +te stellen tot vroomheid en deugd. In die ethische functie schiet het +ridder wezen steeds te kort; het wordt omlaaggetrokken door zijn +zondigen oorsprong. Want de kern van het ideaal blijft de tot schoonheid +verheven hoogmoed. Dit heeft Chastellain volkomen begrepen, wanneer hij +zegt: "La gloire des princes pend en orguel et en haut péril emprendre; +toutes principales puissances conviengnent en un point estroit qui se +dit orgueil." [177] Uit den hoogmoed, gestyleerd en verheven, is de +eer geboren, die de pool is van het adellijk leven. Terwijl in de +middelmatige of ondergeschikte maatschappelijke verhoudingen--zegt Taine +[178]--de voornaamste drijfveer het belang is, is de groote beweger bij +de aristocratie de hoogmoed: "or, parmi les sentiments profonds de +l'homme, il n'en est pas qui soit plus propre a se transformer en +probité, patriotisme et conscience, car l'homme fier a besoin de son +propre respect, et, pour l'obtenir, il est tenté de le mériter." Taine +heeft zonder twijfel de neiging, om de aristocratie te fraai te zien. +De werkelijke geschiedenis der aristocratieën geeft overal een beeld, +waarin de hoogmoed gedoubleerd is met onbeschaamd eigenbelang. Des +ondanks blijft--als omschrijving van het aristocratisch levensideaal +--Taine's woord treffend. Het is verwant aan Burckhardt's bepaling van +het Renaissance-eergevoel. "Es ist die rätselhafte Mischung aus Gewissen +und Selbstsucht, welche dem modernen Menschen noch übrig bleibt, auch +wenn er durch oder ohne seine Schuld alles übrige, Glauben, Liebe und +Hoffnung eingebüsst hat. Dieses Ehrgefühl verträgt sich mit vielem +Egoismus und grossen Lastern und ist ungeheurer Täuschungen fähig; aber +auch alles Edle, das in einer Persönlichkeit übrig geblieben, kann sich +daran anschliessen und aus diesem Quell neue Kräfte schöpfen". [179] + +De persoonlijke eerzucht en roemzucht, die dan eens uitingen van een +hoog eergevoel, dan weer veel meer uit onveredelden hoogmoed gesproten +schijnen, zijn door Burckhardt in beeld gebracht als de kenmerkende +eigenschappen van den Renaissance-mensch. [180] In tegenstelling met de +afzonderlijke standseer en standenroem, zooals zij de echt-middeleeuwsche +samenleving buiten Italië nog bezielden, beschrijft hij de algemeen- +menschelijke eer en roem, waarnaar, onder sterken invloed van antieke +voorstellingen, de Italiaansche geest sedert Dante streeft. Het schijnt +mij toe, dat dit een der punten is, waarop Burckhardt den afstand +tusschen Middeleeuwen en Renaissance, tusschen West-Europa en Italië te +groot gezien heeft. Die roemliefde en eerzucht der Renaissance is in +haar kern de ridderlijke eerzucht van vroeger tijd en Fransche herkomst, +de standseer uitgebreid tot wijder gelding, ontdaan van het feodale +sentiment en bevrucht met antieke gedachte. Het hartstochtelijk +verlangen, om door het nageslacht geprezen te worden, is den hoofschen +ridder der twaalfde eeuw, den onverfijnden Franschen of Duitschen +soudenier der veertiende eeuw even weinig vreemd als den schoonen geest +van het quattrocento. De afspraak voor het Combat des trente tusschen +messires Robert de Beaumanoir en den kapitein Brandebourch wordt door +den laatste besloten met de woorden: "en zoo zullen wij maken, dat men +ervan spreken zal in komende tijden in zaal en paleis, in pleinen en +andere plaatsen over de wereld." [181] Chastellain, in zijn waardeering +van het ridderideaal toch volkomen middeleeuwsch, drukt niettemin +volkomen den geest der Renaissance uit, als hij zegt: + + "Honneur semont toute noble nature + D'aimer tout ce qui noble est en son estre. + Noblesse aussi y adjoint sa droiture". [182] + +Elders zegt hij, dat bij joden en heidenen de eer dierbaarder was en +nauwer werd gehouden, omdat zij enkel werd betracht om haars zelfs wil +en in verwachting van aardschen lof, terwijl de christenen de eer +ontvangen hebben door het geloof en het licht, in verwachting van +hemelsch loon. [183] + +Reeds bij Froissart wordt de dapperheid aanbevolen zonder eenige +religieuze of direct moreele motiveering, om roem en eer, en--enfant +terrible als hij is--om carrière. [184] + +Het streven naar ridderlijken roem en eer is onafscheidelijk verbonden +aan een heldenvereering, waarin middeleeuwsche en renaissance-elementen +ineenvloeien. Het ridderlijke leven is een navolging. Of het de helden +van den Artur-kring zijn of de antieke helden, maakt weinig verschil. +Alexander was immers reeds in den bloeitijd van den ridderroman volkomen +in de ideeënsfeer van het ridderwezen opgenomen. De antieke +fantaziesfeer was nog niet gescheiden van die der tafelronde. Koning +René ziet bont dooreen de met hun blazoenen versierde grafteekens van +Lancelot, Caesar, David, Hercules, Paris, Troïlus. [185] Het ridderwezen +zelf gold voor Romeinsch. "Et bien entretenoit--heet het van Hendrik V +van Engeland--la discipline de chevalerie, comme jadis faisoient les +Rommains". [186] Het toenemende classicisme brengt eenige zuivering in +het historische beeld der Oudheid; de Portugeesche edelman Vasco de +Lucena, die voor Karel den Stoute Quintus Curtius vertaalt, verklaart, +gelijk Maerlant het reeds anderhalve eeuw eerder had gedaan, hem daarin +te bieden een authentieken Alexander, ontdaan van de leugens, waarmee +al de gangbare historiën diens geschiedenis ontsierden. [187] Doch de +bedoeling is sterker dan ooit, den vorst een voorbeeld ter navolging +te bieden, en bij weinig vorsten is de zucht, om door groote en +schitterende daden de Ouden te evenaren, zoo bewust als bij Karel den +Stoute. Van jongsaf had hij zich de heldendaden van Walewein en Lancelot +laten voorlezen; later wonnen het de Ouden. Voor het slapen gaan werd er +geregeld een paar uur gelezen in "les haultes histoires de Romme". [188] +Zijn hoogste behagen gold den helden der oudheid: Caesar, Hannibal en +Alexander, "lesquelz il vouloit ensuyre et contrefaire". [189] Alle +tijdgenooten hebben aan die opzettelijke navolging als drijfveer van +zijn daden groot gewicht gehecht. "Il désiroit grand gloire,--zegt +Commines--qui estoit ce qui plus le mettoit en ses guerres que nulle +autre chose; et eust bien voulu ressembler à ses anciens princes dont +il a esté tant parlé après leur mort." [190] Chastellain zag hem dien +hoogen zin voor groote daden en voor het schoone antieke gebaar de +eerste maal in praktijk brengen. Het was bij zijn eerste komst als +hertog binnen Mechelen in 1467. Hij had er een oproer te straffen; de +zaak werd in alle vormen onderzocht en berecht, een der leiders ter dood +veroordeeld, anderen voor eeuwig verbannen. Het schavot wordt op de +markt opgericht, de hertog zit er tegenover; de schuldige ligt reeds +geknield, de beul ontbloot het zwaard; toen roept Karel, die tot dusver +zijn bedoeling verborgen had: "Houd op! Doe hem den blinddoek af en laat +hem opstaan." + +"Et me pareus de lors--zegt Chastellain--que le coeur luy estoit en haut +singulier propos pour le temps à venir, et pour acquérir gloire et +renommée en singulière oeuvre." [191] + +Het voorbeeld van Karel den Stoute is geschikt, om te doen zien, hoe de +geest der Renaissance, de zucht naar het schoone antieke leven, direct +wortelt in het ridderideaal. Het is, als men hem met den Italiaanschen +virtuoso vergelijkt, slechts een verschil van belezenheid en van smaak. +Karel las zijn klassieken nog in vertaling, en zijn levensvorm is nog +flamboyant-gothiek. + +Dezelfde onscheidbaarheid van het ridderlijke en het renaissance-element +vertoont de cultus der negen dapperen, "les neuf preux". Die groep van +negen helden, drie heidenen, drie joden, drie christenen, komt op in de +ridderlijke litteratuur; zij wordt het eerst aangetroffen in de _Voeux +du paon_ van Jacques de Longuyon omstreeks 1312. [192] De keus der +helden verraadt den nauwen samenhang met de ridderlijke romantiek: +Hector, Caesar, Alexander--Jozua, David, Judas Maccabaeus--Artur, Karel +de Groote en Godfried van Bouillon. Van zijn leermeester Guillaume de +Machaut neemt Eustache Deschamps de gedachte over; hij wijdt er tal van +gedichten aan. [193] Waarschijnlijk is hij het geweest, die aan de +behoefte aan symmetrie, welke den laat-middeleeuwschen geest zoo sterk +eigen is, voldeed, door aan de 9 preux 9 preuses toe te voegen. Hij +zocht er eenige, ten deele vrij zonderlinge, klassieke figuren voor +bijeen uit Justinus en andere litteratuur: o.a. Penthesilea, Tomyris, +Semiramis, en verhaspelde de meeste namen geducht. Dit belette het +denkbeeld niet, om opgang te maken, en zoo vindt men preux en preuses +bij de lateren, zooals in _Le Jouvencel,_ terug. Zij staan afgebeeld op +tapijten, men verzint hun blazoenen; bij den intocht van Hendrik VI van +Engeland te Parijs in 1431 gaan alle achttien hem voorop. [194] + +Hoe levend de voorstelling gedurende de 15e eeuw en nog daarna gebleven +is, bewijst het feit, dat men haar parodieerde: Molinet beproeft zijn +luim aan een negental "preux de gourmandise". [195] Nog Frans I kleedde +zich af en toe "à l'antique" om een der preux voor te stellen. [196] + +Deschamps heeft evenwel nog op een andere wijze dan door de aanvulling +met vrouwelijke pendanten de voorstelling uitgebreid. Hij verbond die +vereering van oude heldendeugd aan het heden, plaatste haar in de sfeer +van het opkomende Fransche militaire nationalisme, door aan de negen een +tijd- en landgenoot als tienden preux toe te voegen: Bertrand du +Guesclin. [197] Ook dat denkbeeld had succes; Lodewijk van Orleans liet +in de groote zaal van Coucy het beeld van den dapperen connétable als +tiende der preux opnemen. [198] Het was met reden, dat Orleans de +gedachtenis van du Guesclin een bijzondere zorg wijdde; hij zelf was +door den connétable ten doop gehouden, en deze had hem daarbij een +zwaard in de hand gegeven. Van de figuur van den dapperen en +berekenenden Bretonschen krijgsman neemt een nationaal-militaire +heldenvereering haar uitgang. Het valt op te merken, dat deze in de +15e eeuw nog niet in de eerste plaats Jeanne Darc geldt. Allerlei +veldoversten, die naast of tegen haar hadden gestreden, nemen in de +verbeelding der tijdgenooten veel grooter en eervoller plaats in dan het +boerenmeisje uit Domrémy. Velen spreken van haar nog zonder aandoening +of vereering, meer als een curiositeit. Chastellain, die zijn +Bourgondische gevoelens, als het pas gaf, merkwaardig op zij wist te +zetten voor een pathetisch Fransch loyalisme, dicht een "mystère" op den +dood van Karel VII, waarin al de aanvoerders, die voor hem de Engelschen +bestreden hebben, als een eeregalerij van dapperen, een strofe zeggen, +die hun daden vermeldt: Dunois, Jean de Bueil, Xaintrailles, La Hire +zijn er bij, en tal van minder bekenden. [199] Het doet even aan als een +reeks van Napoleontische generaals. Maar la Pucelle ontbreekt. + +De Bourgondische vorsten bewaarden in hun schatkamer een aantal +heldenrelieken van romantischen aard: een zwaard van Sint Joris, met +diens wapen versierd, een zwaard, dat behoord had aan "messire Bertran +de Claiquin" (du Guesclin), een tand van het everzwijn van Garin le +Loherain, het souter, waaruit de heilige Lodewijk leerde in zijn +kindsheid. [200] Hoe loopen de fantaziesferen van het ridderlijke en het +religieuze hier ineen! Nog een schrede, en men is bij het armbeen van +Livius, dat, plechtig als gold het een reliek, in ontvangst genomen werd +door paus Leo X. [201] + +De laat-middeleeuwsche heldenvereering heeft haar litterairen vorm in de +biografie van den volmaakten ridder. Soms zijn het reeds legendaire +figuren geworden, zooals Gilles de Trazegnies. De belangrijkste evenwel +zijn die van tijdgenooten, zooals Boucicaut, Jean de Bueil, Jacques de +Lalaing. + +Jean le Meingre, gewoonlijk genoemd le maréchal Boucicaut, heeft zijn +land gediend in groote rampen. Hij was met Jan zonder Vrees in 1396 bij +Nicopolis geweest, waar het Fransche ridderleger, roekeloos uitgetrokken +om den Turk weer uit Europa te drijven, door Sultan Bajazid vernietigd +werd. Hij is opnieuw gevangen gemaakt bij Azincourt in 1415, en zes +jaren later in gevangenschap gestorven. Een bewonderaar heeft nog bij +zijn leven in 1409 zijn daden te boek gesteld, op grond van zeer goede +inlichting en documenten, [202] doch niet als een stuk tijdsgeschiedenis +maar als het beeld van den idealen ridder. De realiteit van dit +veelbewogen leven verdwijnt achter den schoonen schijn van het +ridderbeeld. De vreeselijke katastrofe van Nicopolis heeft in _Le Livre +des faicts_ maar een flauwe kleur. Boucicaut wordt geschilderd als het +type van den soberen, vromen en tegelijk hoofschen en geletterden +ridder. De afkeer van rijkdommen, die den waren ridder eigen moest zijn, +spreekt uit het woord van Boucicaut's vader, die zijn erfgoed had willen +vergrooten noch verkleinen, zeggende: als mijn kinderen rechtschapen en +dapper zijn, zullen zij genoeg hebben; en als zij niets waard zijn, zou +het jammer wezen, dat hun zooveel bleef nagelaten. [203] Boucicaut's +vroomheid is van een streng puriteinsch karakter. Hij staat vroeg op, +en blijft wel drie uren in gebeden. Hoe gehaast of bezig ook, hoort hij +iederen dag geknield twee missen. Vrijdags kleedt hij zich in het zwart, +op Zon- en feestdagen doet hij te voet een bedevaart of laat zich +voorlezen uit het leven der heiligen, of uit de geschiedenissen "des +vaillans trespassez, soit Romains ou autres", of hij spreekt met anderen +van devote dingen. Hij is matig en sober, spreekt weinig en meest over +God, de heiligen, de deugd of de ridderlijkheid. Ook al zijn dienaren +heeft hij gewend aan devotie en betamelijkheid, en hun het vloeken +afgeleerd. [204] Hij is een ijverig voorstander van den edelen, kuischen +vrouwendienst; hij eert allen om eene, en sticht de orde "de l'écu verd +à la dame blanche", ter verdediging der vrouwen, wat hem den lof schonk +van Christine de Pisan. [205] Te Genua, waar hij in 1401 het bestuur +kwam voeren voor Karel VI, beantwoordde hij eens hoffelijk de révérences +van twee dames, die hij ontmoette. "Monseigneur," zei zijn schildknaap, +"qui sont ces deux femmes à qui vous avez si grans reverences +faictes?"--"Huguenin, dit-il, je ne sçay". Lors luy dist: "Monseigneur, +elles sont filles communes".--"Filles communes, dist-il, Huguenin, +j'ayme trop mieulx faire reverence à dix filles communes que avoir +failly à une femme de bien." [206]--In zijn devies "Ce que vous +vouldrez" kan men evengoed den dolenden ridder hooren, die zijn trouw +aan zijn dame wijdt, als den renaissance-mensch, die zich overgeeft aan +het leven, zooals het tot hem komt. + +Zoo is het schoone beeld van den ridder. Weliswaar blijkt uit andere +gegevens, dat de werkelijke Boucicaut er niet in alle opzichten aan kan +hebben beantwoord: hij deelde de gewelddadigheid en de geldzucht, in +zijn stand zoo gewoon. [207] + +In een geheel andere nuance ziet men den modelridder in den +biografischen roman over Jean de Bueil, _Le Jouvencel_. Deze kapitein, +die onder het vaandel van Jeanne Darc gestreden had, later gemengd was +in den opstand der Praguerie en den oorlog "du bien public", en in 1477 +stierf, heeft, in ongenade bij den koning, omstreeks 1465 aan drie van +zijn dienaren een verhaal van zijn leven geïnspireerd, getiteld _Le +Jouvencel_. [208] In tegenstelling met het leven van Boucicaut, waarin +de historische vorm een romantischen geest bergt, draagt _Le Jouvencel_ +bij een gefingeerden vorm een sterk reëel karakter, althans in het +eerste gedeelte. Het staat misschien in verband met het veelvoudig +auteurschap, dat het werk verderop verloopt in een bloemzoete romantiek. +Daar is de gruwelijke tocht van de Fransche krijgsbenden op Zwitsersch +gebied in 1444, en de slag bij Sankt Jakob an der Birs, waar de boeren +van het Bazelsche land hun Thermopylae vonden, vermomd in den ijdelen +opschik van een afgezaagd bedenksel van herderlijke min. + +In sterk contrast daarmee geeft het eerdere gedeelte van _Le Jouvencel_ +van de werkelijkheid van den toenmaligen krijg een beeld zoo sober en +echt, als nauwelijks elders te vinden is. Ook deze auteurs spreken +overigens niet van Jeanne Darc, met wie hun meester toch in +wapenbroederschap had gestaan; het zijn zijn eigen heldendaden, die zij +verheerlijken. Doch hoe goed moet deze hun zijn krijgsbedrijf verteld +hebben. Hier kondigt zich de geest van het militaire Frankrijk aan, dat +later de figuren van den mousquetaire, den grognard en den poilu zal +opleveren. Den ridderlijken opzet verraadt alleen de aanhef, die de +jonge lieden aanspoort, uit dit geschrift het leven in de wapenen te +leeren, dat hen waarschuwt tegen hoogmoed, nijd en hebzucht. Zoowel het +vrome als het amoureuze element van Boucicaut ontbreken in het eerste +gedeelte van _Le Jouvencel_. Wat ons hier tegen komt, is de armzaligheid +van den oorlog, zijn ontberingen en de frissche moed om gebrek te lijden +en gevaren te bestaan. Een slotvoogd verzamelt zijn garnizoen en telt +maar vijftien paarden, magere beestjes, de meesten zijn onbeslagen. Hij +zet twee mannen op elk, maar ook van de mannen zijn de meesten eenoogig +of kreupel. Om de kleeren van den kapitein te kunnen verstellen, gaat +men de wasch van den vijand buitmaken. Een geroofde koe wordt den +vijandelijken kapitein op zijn verzoek hoffelijk teruggegeven. In de +beschrijving van een nachtelijken tocht over de velden ademt de +nachtlucht en de stilte u tegen. [209] In _Le Jouvencel_ ziet men het +riddertype overgaan in dat van den nationalen militair: de held van het +boek laat de arme gevangenen vrij, mits zij goed-fransch worden. Tot +hooge waardigheden gekomen, verlangt hij terug naar dat leven van +avontuur en vrijheid. + +Zulk een realistisch riddertype (overigens, gelijk gezegd, in het werk +zelf niet ten einde toe volgehouden) kon de Bourgondische litteratuur, +veel ouderwetscher, veel solemneeler en meer in de feodale vormen bekneld +dan de zuiver Fransche, nog niet opleveren. Jacques de Lalaing is naast +le Jouvencel een antieke curiositeit, naar het cliché van oudere dolende +ridders als Gillon de Trazegnies beschreven. Het boek van de daden van +dezen vereerden held der Bourgondiërs spreekt meer van romantische +tournooien dan van den echten krijg. [210] + +De psychologie van den oorlogsmoed is wellicht vroeger noch later zoo +eenvoudig en treffend uitgedrukt als in de volgende woorden van _Le +Jouvencel_: [211] "C'est joyeuse chose que la guerre.... On s'entr'ayme +tant à la guerre. Quant on voit sa querelle bonne et son sang bien +combatre, la larme en vient à l'ueil. Il vient une doulceur au cueur de +loyaulté et de pitié de veoir son amy, qui si vaillamment expose son +corps pour faire et acomplir le commandement de nostre createur. Et +puis on se dispose d'aller mourir ou vivre avec luy, et pour amour ne +l'abandonner point. En cela vient une délectation telle que, qui ne l'a +essaiié, il n'est homme qui sceust dire quel bien c'est. Pensez-vous +que homme qui face cela craingne la mort? Nennil; car il est tant +reconforté, il est si ravi, qu'il ne scet où il est. Vraiement il n'a +paour de rien." + +Dit kon evengoed gezegd zijn door den modernen soldaat als door een +ridder der vijftiende eeuw. Het heeft met het ridderlijk ideaal als +zoodanig niets te maken. Het vertoont den gevoelsgrond van den zuiveren +strijdmoed zelf: de huiverende uittreding uit het enge egoïsme in de +aandoening van het levensgevaar, de ontzaglijke verteedering over de +dapperheid van den makker, den wellust van de trouw en de +zelfopoffering. Deze primitieve ascetische aandoening is de basis, +waarop het ridderideaal is opgebouwd tot een edele verbeelding van +mannelijke volmaaktheid, nauw verwant aan de Grieksche kalokagathia, +een hevige aspiratie naar schoon leven, de energische bezieling van +een reeks van eeuwen ... en ook het masker, waarachter een wereld van +baatzucht en geweld zich hullen kon. + +Overal waar het ridderideaal het zuiverst beleden wordt, valt de nadruk +op het ascetische element ervan. In zijn eersten opbloei paarde het zich +ongedwongen, noodwendig zelfs, aan het monniksideaal: in de geestelijke +ridderorden uit den kruistochtentijd. En waar de werkelijkheid steeds +het ideaal gruwelijk logenstrafte, week het naar de sferen der +verbeelding: de dolende ridder is evenals de Tempelier vrij van aardsche +banden en arm. Dat ideaal van den edelen strijder zonder bezittingen, +zegt William James, beheerscht nog "sentimentally if not practically, +the military and aristocratic view of life. We glorify the soldier as +the man absolutely unincumbered. Owning nothing but his bare life, and +willing to toss that up at any moment when the cause commands him, he is +the representative of unhampered freedom in ideal directions." [212] + +De verbindingen van het ridderideaal met hooge elementen van het +godsdienstig bewustzijn: medelijden, rechtvaardigheid, trouw, zijn dus +geenszins kunstmatig of oppervlakkig. Toch zijn het niet deze, die de +ridderschap tot den schoonen levensvorm bij uitnemendheid maken. En ook +haar onmiddellijke wortels in den mannelijken strijdmoed hadden haar +daartoe niet kunnen verheffen, als niet vrouwenliefde de brandende gloed +was geweest, die aan dat complex van gevoel en idee de levenswarmte gaf. + +De diepe trek van askese, van moedige zelfopoffering, die het +ridderideaal eigen is, hangt met den erotischen grond van die +levenshouding ten nauwste samen, is misschien slechts de ethische +verwerking van onbevredigd verlangen. De vormgeving, de styleering van +het liefdeverlangen beperkt zich volstrekt niet tot de litteratuur. Zij +vindt evengoed een ruim veld om zich te ontplooien in de levensvormen +zelf: hoofschen omgang, gezelschapsspel, scherts en sport. Ook daar +wordt de liefde voortdurend gesublimeerd en geromantiseerd; het leven +volgt daarin de litteratuur na, maar deze leert tenslotte toch alles van +het leven. Het ridderlijke aspect der liefde is in den grond niet in de +litteratuur maar in het leven opgekomen. In de werkelijke +levensverhoudingen was het motief van den ridder en de geliefde gegeven. + +De ridder en de geliefde, de held om liefde, is het meest primaire, +onveranderlijke romantische motief, dat overal opnieuw weer ontspringt +en ontspringen zal. Het is de meest onmiddellijke omzetting van de +zinnelijke drift in een ethische of quasi-ethische zelfverloochening. +Zij ontspringt direct uit de behoefte, om ten aanschouwe van de vrouw +zijn moed te toonen, gevaar te loopen en sterk te zijn, te lijden en +te bloeden, die iedere jongen van zestien jaar kent. De uiting en de +vervulling van het verlangen, die onbereikbaar schijnen, worden +vervangen en opgeheven door de heldendaad uit liefde. Daarmee is +terstond de dood als alternatief der vervulling gesteld, de bevrediging +om zoo te zeggen naar beide zijden verzekerd. + +Maar de droom van de heldendaad uit liefde, die nu het smachtend hart +vult en bedwelmt, groeit en woekert als een welige plant. Het eerste +eenvoudige thema heeft spoedig uitgewerkt; de geest vraagt nieuwe +verbeeldingen op hetzelfde thema. En de passie zelf dringt sterker +kleuren op aan den droom van lijden en verzaking. De heldendaad moet +bestaan in de bevrijding of redding van de vrouw zelf uit het +dreigendste gevaar. Daarmee is een feller prikkel aan het +oorspronkelijke motief toegevoegd. Eerst is het het subject zelf, dat +lijden wil voor de vrouw; maar spoedig paart zich daaraan de wensch, +om de begeerde zelf uit lijden te redden. Of in den grond die redding +altijd is te herleiden tot de redding der maagdelijkheid, het weren van +den andere dus, de bewaring van de vrouw voor zich? In ieder geval is +daarmee het ridderlijk-erotische motief bij uitnemendheid gegeven: de +jonge held, die de maagd bevrijdt. De belager moge bij wijlen een +argelooze draak zijn, het sexueele moment ligt toch steeds onmiddellijk +eronder. Hoe naïef-oprecht spreekt het bij voorbeeld in de bekende +schilderij van Burne Jones, waar de moderne damesfiguur van het meisje +juist door haar kuischheid de onmiddellijkste sensualiteit verraadt. + +De bevrijding van de maagd is het meest oorspronkelijke en altijd jonge +romantische motief. Hoe is het mogelijk, dat een thans verouderde +mythenverklaring er de weergave van een natuurphenomeen in heeft gezien, +terwijl de onmiddellijkheid van de gedachte dagelijks door ieder kan +worden beproefd! In de litteratuur moge het bij wijlen wegens overmatige +herhaling een tijdlang worden vermeden, telkens komt het motief weer in +nieuwe vormen op, bij voorbeeld in de bioscoop-cowboy-romantiek. En in +het persoonlijke liefdedenken buiten de litteratuur blijft het +ongetwijfeld altijd even sterk. + +Het is moeilijk te bepalen, in hoeverre in de voorstelling van den +held-minnaar het mannelijk en in hoeverre het vrouwelijk aspect der +liefde zich openbaart. In het algemeen komt in de verbeelding der liefde +tot cultuurvorm bijna uitsluitend de mannelijke opvatting tot +uitdrukking, althans tot in zeer jongen tijd. Het gezicht der vrouw op +de liefde blijft altijd omsluierd en verborgen; het is teerder en dieper +geheim. En het behoeft niet de romantische sublimeering tot het +heldhaftige, want door zijn karakter van overgave en zijn onverbrekelijken +samenhang met het moederschap verheft het zich van zelf reeds zonder +fantazie van dapperheid en opoffering boven het zelfzuchtig-erotische. +Niet alleen omdat de mannen de litteratuur gemaakt hebben, ontbreekt de +vrouwelijke liefdesuitdrukking grootendeels, maar ook omdat voor de +vrouw in de liefde het litteraire veel minder onmisbaar is. + +De figuur van den edelen redder, die om der wille van de geliefde lijdt, +is de voorstelling van den man, zooals hij zich zelf zien wil. De +spanning van zijn bevrijdersdroom wordt verhoogd, doordat hij onbekend +optreedt, en eerst na de heldendaad wordt herkend. In deze onbekendheid +van den held ligt voorzeker ook een van de vrouwelijke liefdeverbeelding +uitgegaan romantisch motief. In de geheele apotheose van mannelijke +kracht en moed in den vorm van den strijder te paard vloeien de +vrouwelijke behoefte aan krachtvereering en de mannelijke physieke +hoogmoed samen. + +De middeleeuwsche samenleving heeft met een jongensachtige +onverzadelijkheid deze primitief-romantische motieven gecultiveerd. +Terwijl de hoogere litteratuurvormen zich hebben verfijnd tot ijler en +soberder, of geestiger en nog prikkelender uitdrukking van het +verlangen, blijft de ridderroman zich altijd weer verjongen en behoudt +met zijn eindeloos herhaalde uitwerking van het romantische geval een +bekoring, die ons schier onbegrijpelijk is. Wij wanen den tijd lang +ontgroeid aan die kinderlijke fantazieën, en noemen Froissart's +_Méliador_ of de _Perceforest_, de nabloeiers der ridderlijke +avontuurverhalen, anachronismen in hun tijd. Zij zijn het evenmin als de +sensatieroman het heden ten dage is; alleen dit alles is geen zuivere +litteratuur, maar om zoo te zeggen toegepaste kunst. Het is de behoefte +aan modellen voor de erotische verbeelding, die steeds weer die +litteratuur levend houdt en vernieuwt. Midden in de Renaissance herleven +ze immers in de Amadis-romans. Wanneer nog na het midden der zestiende +eeuw De la Noue ons kan verzekeren, dat de Amadis-romans een "esprit de +vertige" teweegbrachten onder het geslacht, dat toch de staling van +Renaissance en Humanisme had ondergaan, hoe groot moet dan de romantische +ontvankelijkheid zijn geweest in het bij uitstek ongeëquilibreerde +geslacht van 1400! + +De zinsverrukking van de liefdesromantiek was niet in de eerste plaats +om lezende ondergaan te worden, maar om gespeeld en aanschouwd te +worden. Er zijn twee vormen, waarin dat spel kan gebeuren: de +dramatische vertooning en de sport. In de Middeleeuwen is de laatste +verreweg het voornaamste. Het drama was nog grootendeels gevuld met +andere, heilige stof; bij uitzondering behandelt het nog het romantische +geval. De middeleeuwsche sport daarentegen, en dat is in de eerste +plaats het tournooi, was zelf in hooge mate dramatisch en tegelijk van +een sterk erotisch gehalte. De sport behoudt te allen tijde zulk een +dramatisch en een erotisch element: in een hedendaagschen roei- of +voetbalwedstrijd zit veel meer van de gevoelswaarden van een +middeleeuwsch tournooi, dan den athleten en toeschouwers zelf misschien +bewust is. Maar terwijl de moderne sport teruggekeerd is tot +natuurlijken, bijna Griekschen eenvoud en schoonheid, is het +middeleeuwsche, althans het laat-middeleeuwsche tournooi, een met +versiering overladen, zwaar gedrapeerde sport, waarin het dramatisch en +romantisch element zóo opzettelijk is uitgewerkt, dat het de functie van +het drama zelf regelrecht vervult. + +De latere Middeleeuwen zijn een van die eindperioden, waarin het +cultuurleven der hoogere kringen bijna geheel tot gezelschapsspel is +geworden. De werkelijkheid is hevig, hard en wreed; men herleidt haar +tot den schoonen droom van het ridderideaal en bouwt daarop het +levensspel. Men speelt met het masker van Lancelot voor; het is een +reusachtig zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen +worden, doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt. In de +geheele ridderlijke cultuur der vijftiende eeuw is een labiel evenwicht +tusschen sentimenteelen ernst en luchtigen spot, dat eerst omslaat naar +de parodie in dien blij en hoog levenden kring van Lorenzo's hof: in +Pulci's _Morgante_. + +Bij de Franschen van een halve eeuw vroeger overweegt nog de ernst. +In den edelen Boucicaut, litterair type van den modelridder, is de +romantische grond van het ridderlijke levensideaal nog zoo sterk als +bij wien ook. De liefde, zegt hij, is het, die het sterkst in de jonge +harten de begeerte naar het edele ridderlijke strijdbejag doet groeien. +Hij zelf dient zijn dame in de oude hoofsche vormen: "toutes servoit, +toutes honnoroit pour l'amour d'une. Son parler estoit gracieux, +courtois et craintif devant sa dame." [213] + +Er is voor ons een bijna onbegrijpelijk contrast tusschen de litteraire +levenshouding van een man als Boucicaut en de bittere werkelijkheid van +zijn loopbaan. Hij was als handelende en leidende figuur voortdurend +werkzaam in de hardste staatkunde van zijn tijd. In 1388 doet hij een +eerste politieke reis naar het Oosten. Op dien tocht kort hij zich den +tijd, door met twee of drie wapenbroeders: Philippe d'Artois, diens +seneschalk en een zekeren Cresecque, een dichterlijke verdediging te +geven van de edele, trouwe minne, zooals zij den volmaakten ridder +betaamt: _Le livre des Cent ballades_. [214] Goed, waarom niet? Maar +zeven jaren later, wanneer hij als mentor van den jongen hertog van +Nevers (later Jan zonder Vrees) het roekelooze ridderavontuur heeft +meegemaakt van den krijgstocht tegen sultan Bajazid: wanneer hij de +ontzettende ramp van Nicopolis heeft beleefd, waar al zijn drie vroegere +dichtgezellen het leven verloren, wanneer hij de krijgsgevangen +adellijke jeugd van Frankrijk voor zijn oogen heeft zien slachten, zou +men dan een ernstig krijgsman niet bekoeld wanen voor dat hoofsche spel +en dien ridderlijken waan? Het moest hem leeren, dunkt ons, de wereld +niet langer door dat gekleurde glaasje te zien. Doch neen, ook verder +blijft zijn zin aan het cultiveeren van de ouderwetsche ridderlijkheid +gewijd, getuige zijn stichting van de orde "de la dame blanche a l'escu +verd", ter verdediging van verdrukte vrouwen, waarmee hij partij koos in +het fraaie tijdverdrijf van den litterairen strijd tusschen het strenge +en het frivole liefdesideaal, die sedert 1400 de Fransche hofkringen +opwond. + +De gansche aankleeding van de edele liefde in litteratuur en +gezelschapsleven schijnt ons dikwijls ondragelijk fade en louter +belachelijk. Het is het lot van elken romantischen vorm, die als +instrument der passie versleten is. In het werk der velen, de +gekunstelde versjes, de kostbaar gearrangeerde tournooien, heeft de +passie uitgeklonken; zij klinkt enkel nog door de stem van de zeer +enkelen. Maar welke beteekenis al dat werk, als litteratuur of kunst +minderwaardig, gehad heeft als levenstooi, als gevoelsuitdrukking, kan +men enkel beseffen door de levende passie zelf er weer in te blazen. +Wat helpt bij het lezen der minnedichten en tournooibeschrijvingen alle +kennis en levendige voorstelling der historische détails, zonder het +zien van de oogen, licht en duister, onder de meeuwenvlucht der +wenkbrauwen en de smalle voorhoofden, die al eeuwen tot stof zijn +geworden, en die eenmaal belangrijker zijn geweest dan al de +litteratuur, die als puin blijft opgehoopt? + +Thans kan slechts meer een toevallig glimplicht ons even de +gepassioneerde beteekenis van die cultuurvormen duidelijk doen zien. +In het gedicht _Les voeux du héron_ spreekt Jan van Beaumont, tot het +afleggen van zijn ridderlijke strijdgelofte aangespoord: + + "Quant sommes ès tavernes, de ces fors vins buvant, + Et ces dames delès (naast ons) qui nous vont regardant, + A ces gorgues polies, ces coliés tirant, + Chil oeil vair resplendissent de biauté souriant. + Nature nous semont d'avoir coeur désirant, + ... Adonc conquerons-nous Yaumont et Agoulant [215] + Et li autre conquierrent Olivier et Rollant. + Mais, quant sommes as camps sus nos destriers courans, + Nos escus à no col et nos lansses bais(s)ans, + Et le froidure grande nous va tout engelant, + Li membres nous effondrent, et derrière et devant. + Et nos ennemis sont envers nous approchant, + Adonc vorrièmes estre en un chélier (kelder) si grant + Que jamais ne fussions veu tant ne quant." [216] + +"Hélas--schrijft Philippe de Croy uit Karel de Stoute's kamp voor +Neuss--, où sont dames pour nous entretenir, pour nous amonester de bien +faire, ne pour nous enchargier emprinses, devises, volets ne guimpes!" +[217] + +In het dragen van den sluier of het kleed van de geliefde vrouw, die den +geur van het haar en het lichaam overbrengt, openbaart zich het +erotische moment van het ridderlijke tournooi zoo onmiddellijk mogelijk. +In de opwinding van het gevecht schenken de vrouwen den eenen tooi na +den anderen weg: als het spel is afgeloopen, zitten zij blootshoofds, +zonder mouwen. [218] Het is tot een motief van scherpe prikkeling +uitgewerkt in een sproke uit de tweede helft der dertiende eeuw, _Van de +drie ridders en het hemd_. [219] Een dame, wier echtgenoot niet tot den +strijd geneigd maar overigens vol edele largesse is, zendt aan de drie +ridders, die haar in minne dienen, haar hemd, om in het steekspel, dat +haar man geven zal, het als wapenrok te dragen, zonder pantser of andere +bedekking dan alleen helm en beenstukken. De eerste en tweede ridder +schrikken ervoor terug. De derde, die arm is, neemt het hemd 's nachts +in zijn armen en kust het hartstochtelijk. In het steekspel verschijnt +hij met het hemd als wapenrok, zonder pantser daaronder; het wordt +verscheurd en met zijn bloed bevlekt; hij wordt zwaar gewond. Men +bemerkt zijn buitengewone dapperheid en schenkt hem den prijs; de dame +schenkt hem haar hart. Nu eischt de minnaar de tegendaad. Hij zendt haar +het bloedige hemd terug, om het zóo als het is over haar kleederen te +dragen bij het feestmaal, dat het tournooi besluit. Zij omhelst het +teeder en verschijnt in het bloedige kleedingstuk; de meesten laken +haar, de echtgenoot is verlegen, en de verteller vraagt: wie van de +beide minnenden deed het meest voor den ander? + +De sfeer van passie, waarin het tournooi enkel zijn beteekenis had, +verklaart ook de beslistheid, waarmee de kerk sedert lang het gebruik +bestreed. Dat zij inderdaad aanleiding werden tot geruchtmakend +overspel, getuigt bij voorbeeld van een tournooi van 1389 de monnik +van Saint Denis en op zijn gezag Jean Juvenal des Ursins. [220] Het +kerkelijke recht had ze sinds lang verboden: aanvankelijk ingesteld +voor oefening in den strijd, heette het, waren ze wegens misbruiken +onduldbaar geworden. [221] De moralisten misprezen ze. [222] Petrarca +vroeg pedant: waar leest men, dat Cicero en Scipio tournooien gehouden +hebben? En de burger haalde de schouders op: "prindrent par ne sçay +quelle folle entreprinse champ de bataille" zegt de burger van Parijs +[223] van een befaamd tournooi. + +De adellijke wereld daarentegen vat alles, wat tournooi en ridderlijke +wedkamp is, op met een gewichtigheid, die door geen modern sportbedrijf +wordt geëvenaard. Zooals nog kort geleden vorstelijke wansmaak +gedenksteenen oprichtte op de plek, waar de hooge jager zijn duizendste +slachtoffer had neergelegd, zoo stichtte de vijftiende eeuw +gedenkteekens aan beroemde ridderlijke tweegevechten. Bij Saint Omer +herinnerde "la Croix Pélerine" aan den kamp van Hautbourdin, den +bastaard van Saint Pol, met een Spaanschen ridder tijdens den verwaarden +Pas d'armes de la Pélerine. Nog een halve eeuw later ging Bayard vóór +een tournooi dat kruis als in bedevaart vromelijk bezoeken. [224] De +decors en de plunje, die gediend hadden bij den Pas d'armes de la +Fontaine des Pleurs werden na afloop van het feest plechtig opgedragen +aan Onze Lieve Vrouw van Boulogne en in de kerk opgehangen. [225] + +De middeleeuwsche vechtsport onderscheidt zich, gelijk zooeven reeds +aangeduid werd, van de Grieksche en de moderne athletiek door haar veel +geringer natuurlijkheid. Zij heeft tot verhooging van den prikkel van +den kamp dien van aristocratische trots en eer, dien van het +romantisch-erotische en dien van den kunstvaardigen pronk. Zij is +overladen met praal en versiering, gevuld met bonte fantazie. Het is +behalve spel en lichaamsoefening nog bovendien toegepaste litteratuur. +De wensch en de droom van het dichtende hart zoeken een dramatische +voorstelling, een gespeelde vervulling in het leven zelf. Het werkelijke +leven was niet schoon genoeg, het was hard, wreed en valsch; er was in +de hof- en militaire carrière luttel plaats voor de sentimenten van +moed-om-liefde, maar de ziel is er vol van, men wil ze beleven en schept +zich een schooner leven van kostbaar spel. Het element van echten moed +is voorzeker in het ridderlijk tournooi niet van geringer waarde dan in +het pentathlon. Juist het uitgesproken erotisch karakter eischte +bloedige felheid. In zijn motieven is het tournooi het naast verwant aan +de wedstrijden van het oud-indische epos; ook in het Mahâbhârata is de +strijd om de vrouw de centrale gedachte. + +De fantazie, waarmee het vechtspel werd aangekleed, was die van de +Artur-romans, dat wil zeggen de kinderlijke verbeeldingen van het +sprookje: het droomavontuur met zijn verschuiving der afmetingen in +reuzen en dwergen, verbonden aan het sentimentalisme der hoofsche +liefde. + +Voor een Pas d'armes der vijftiende eeuw wordt een fictief romantisch +geval kunstig opgebouwd. Het middelpunt is een romandécor met een +treffenden naam: la fontaine des pleurs, l'arbre Charlemagne. De bron +wordt opzettelijk gebouwd. [226] Gedurende een geheel jaar zal een +ongenoemde ridder ieder eersten van de maand voor de bron een tent +spannen, waarin een dame zit (het is een beeld), die een eenhoorn houdt, +welke drie schilden draagt. Elke ridder, die een der schilden aanraakt +of door zijn heraut laat aanraken, verbindt zich tot een bepaalden +tweekamp, waarvan de voorwaarden nauwkeurig worden omschreven in de +uitvoerige "chapitres", die tegelijk oproepingsbrief en reglement van +den wedstrijd zijn. [227] Het aanraken der schilden moet te paard +geschieden, waartoe de ridders steeds paarden ter beschikking zullen +vinden. + +Of wel: bij de Emprise du dragon houden vier ridders zich op een kruisweg +op; geen dame mag dien kruisweg voorbij zonder ridder, die voor haar twee +lansen breekt, of zij moet pand geven. [228] Inderdaad is het kinderlijke +pandverbeuren niet anders dan een lager vorm van hetzelfde overoude strijd- +en minnespel. Hoe duidelijk getuigt van die verwantschap niet een +voorschrift als dit artikel van de Chapitres de la Fontaine des pleurs: +wie in den kamp ter aarde wordt geworpen, moet een heel jaar een gouden +armband dragen met een slot, totdat hij de dame vindt, die er het +sleuteltje van heeft, en hem kan bevrijden, als hij haar zijn dienst +opdraagt. Elders weer is het geval gebaseerd op een reus, dien een dwerg +gevangen leidt, met een gouden boom erbij en een "dame de l'isle celée", +of op een "noble chevalier esclave et serviteur à la belle géande a la +blonde perruque, la plus grande du monde." [229] De onbekendheid van den +ridder is een vaste fictie; hij heet "le blanc chevalier", "le chevalier +mesconnu", "le chevalier à la pélerine", of wel hij treedt op als een held +uit den roman en heet zwaanridder, of draagt het wapen van Lancelot, +Tristan of Palamedes. [230] + +Meestal wordt over het geval een uiterlijk waas van melancholie +gespreid; la Fontaine des pleurs zegt het al in den naam; de schilden +zijn wit, violet en zwart, alle bezaaid met witte tranen; men raakt ze +aan uit medelijden met de "Dame de pleurs". Bij de Emprise du dragon +komt koning René in rouwend zwart (wel mocht hij), om het afscheid van +zijn dochter Margareta, die koningin van Engeland werd. Het paard is +zwart, met een rouwdekkleed, de lans is zwart, het schild is sabel met +zilveren tranen. Ook bij de Arbre Charlemagne zijn de schilden zwart +en violet met gouden en zwarte tranen. [231] Niet altijd echter is het +in den somberen toon gezet: een andermaal houdt de onverzadelijke +schoonheidsvriend koning René de Joyeuse garde bij Saumur. Veertig dagen +viert hij feest in het houten kasteel "de la joyeuse garde" met zijn +gemalin en dochter en met Jeanne de Laval, die zijn tweede echtgenoot +zou worden. Voor haar is heimelijk het feest bereid. Het kasteel is +opzettelijk gebouwd, geschilderd en getapisseerd; alles is in rood en +wit. Bij zijn Pas d'armes de la bergère is alles gestoffeerd in +herderstrant, de ridders en dames als herders en herderinnen met staf +en doedelzak, allen in grijs met goud en zilver. [232] + +Het groote spel van het schoone leven als droom van edelen moed en trouw +had niet alleen dien vorm van het kampgevecht. Er is een tweede vorm, +even belangrijk: de ridderorde. Al zou het niet gemakkelijk vallen, een +regelrecht verband te bewijzen, het kan voor niemand, die eenigszins +bekend is met de gebruiken van primitieve volken, twijfelachtig zijn, +dat evenzeer de ridderorde als het tournooi en de ridderwijding zelf hun +sterkste wortels hebben in heilige gebruiken van een verren voortijd. De +ridderslag is een ethisch en sociaal uitgewerkte puberteitsritus, het +aanleggen van de wapenen aan den jongen krijger. Het kampspel is als +zoodanig overoud, en eertijds vervuld van heilige beteekenis. De +ridderorde kan niet gescheiden worden van de mannenbonden der wilde +volken. + +Dit verband kan hier echter slechts als een onbewezen stelling +vooropgesteld worden; het is hier niet te doen om een ethnologische +hypothese te staven, maar om de ideeënwaarde van het vol-ontwikkelde +ridderwezen voor oogen te brengen; en dat in die waarde nog iets van die +primitieve elementen is overgebleven, wie zal het ontkennen? + +Weliswaar is in de ridderorde het christelijk element van de voorstelling +zoo sterk, dat ook een verklaring uit louter kerkelijke en politische, +zuiver middeleeuwsche grondslagen op zich zelf overtuigend zou kunnen +zijn, als men niet wist, dat algemeen verbreide, primitieve parallelen +als verklaringsgrond daarachter stonden. + +De eerste ridderorden, de drie groote van het Heilige land en de drie +Spaansche, waren als een zuiverste belichaming van middeleeuwschen geest +ontsproten uit de verbinding van het monniks- en het ridderideaal, in +den tijd toen de strijd tegen den islam wonderlijke werkelijkheid was +geworden. Zij waren gegroeid tot groote staatkundige en economische +instellingen, ontzaglijke vermogenscomplexen en financieele machten. +Hun politieke nuttigheid had zoowel hun geestelijk karakter als het +ridderspel-element op den achtergrond gedrongen, en hun economische +verzadiging at weer hun politieke nuttigheid op. Toen de Tempeliers en +de Johanniters bloeiden en nog in het Heilige land zelf werkten, had +het ridderwezen een reëele politische functie vervuld, en waren de +ridderorden als 't ware vakorganisaties van groote beteekenis geweest. + +Doch in de veertiende en vijftiende eeuw was het ridderwezen enkel meer +hoogere levensvorm, en daarmee was ook in de ridderorden het element van +edel spel, dat in hun kern besloten lag, weer op den voorgrond gekomen. +Niet dat zij enkel spel waren geworden. Als ideaal zijn zij nog altijd +vervuld van hoog ethisch en politiek streven. Maar het is waan en droom, +ijdele plannenmakerij. De merkwaardige idealist Philippe de Mézières +ziet het heilmiddel der tijden in een nieuwe ridderorde, die hij de +Ordre de la passion heeft genoemd. [233] Hij wil er alle standen in +opnemen. Trouwens ook de groote ridderorden der kruistochten hadden zich +reeds de deelneming van niet-edelen ten nutte gemaakt. De adel zal den +grootmeester en de ridders leveren, de geestelijkheid den patriarch en +zijn suffraganen, de poorters zullen broeders zijn en de landlieden en +handwerkers servanten. Zoo zal de orde een hechte samensmelting der +standen zijn voor het groote doel der Turkenbestrijding. Er zullen vier +geloften zijn. Twee zijn de oude, die monniken en geestelijke ridders +deelden: armoede en gehoorzaamheid. Maar voor het volstrekte celibaat +stelt Philippe de Mézières de echtelijke kuischheid in de plaats; hij +wilde het huwelijk veroorloven om de praktische redenen, dat het +Oostersche klimaat het eischte en dat de orde begeerlijker zou zijn. +De vierde gelofte, aan vroegere orden onbekend, is summa perfectio, de +hoogste individueele zedelijke volmaking. Zoo vloeiden hier in het bonte +beeld van een ridderorde al de idealen ineen, van politieke +plannenmakerij af tot het streven naar de verlossing toe. + +In het woord "Ordre" waren een menigte beteekenissen, van de hoogste +heiligheid tot het nuchterste groepsbesef, ongescheiden vereenigd. Het +beduidde zoowel maatschappelijken stand als priesterwijding, monniks- en +ridderorde. Dat inderdaad aan ordre in de beteekenis van ridderorde nog +iets van geestelijke waarde eigen was, blijkt uit het feit, dat men er +ook het woord religion voor gebruikte, dat men allicht tot de +kloosterorden beperkt zou wanen. Chastellain noemt het Gulden Vlies "une +religion", zooals hij 't ook een kloosterorde doet, en spreekt er altijd +van in den toon van een heilig mysterie. [234] Olivier de la Marche +spreekt van een Portugees als een "chevalier de la religion de Avys." +[235] En niet alleen de eerbiedige sidderingen van den pompeuzen +Polonius Chastellain getuigen van den vromen inhoud van het Gulden +Vlies; in het geheele ritueel der orde nemen kerkgang en mis een +overwegende plaats in: de ridders zitten in kanunnikstoelen, de ernstige +cultus van de afgestorven leden beweegt zich geheel in kerkelijke sfeer. + +Geen wonder dus, dat het lidmaatschap van een ridderorde gevoeld wordt +als een sterke, heilige band. De ridders van de Sterorde van koning Jan +II zijn verplicht, andere orden, waartoe zij mochten behooren, zoo +mogelijk prijs te geven. [236] De hertog van Bedford wil aan den jongen +Philips van Bourgondië de orde van den kouseband opdringen, om hem +daardoor vaster aan Engeland te binden, maar de Bourgondiër begrijpt, +dat hij dan voor altijd aan den Engelschen koning gebonden zal zijn, en +weet de eer beleefd te ontgaan. [237] Wanneer dan ook later Karel de +Stoute den kouseband wel aanneemt, en zelfs draagt, beschouwt Lodewijk +XI dit als een breuk van het verdrag van Péronne, dat den hertog +verbood, zonder 's konings toestemming een verbond met Engeland aan te +gaan. [238] Men kan de Engelsche gewoonte, om buitenlandsche orden niet +aan te nemen, beschouwen als een traditioneele rest van het besef, dat +de orde verplicht tot trouw aan den vorst, die haar schenkt. + +Ondanks die heiligheid voelt men toch den twijfel aan den ernst van al +die fraai opgezette vormen. Waartoe anders steeds weer die uitdrukkelijke +verzekeringen, dat het alles was voor hooge, wijdstrekkende doeleinden? +Philips van Bourgondië, de edele hertog, heeft zijn Toison d'or gesticht, +zegt de rijmer Michault: + + "Non point pour jeu ne pour esbatement + Mais à la fin que soit attribuée + Loenge à Dieu trestout premierement + Et aux bons gloire et haulte renommée." [239] + +Ook Guillaume Fillastre betoogt in den aanhef van zijn werk over het +Gulden Vlies, de beteekenis daarvan te zullen verklaren, opdat men +bevinde, dat de orde geen ijdelheid is of een zaak van weinig gewicht. +Uw vader, spreekt hij Karel den Stoute toe, "n'a pas, comme dit est, en +vain instituée ycelle ordre." [240] + +Het was noodig, die hooge bedoelingen te accentueeren, wilde het Gulden +Vlies die eerste plaats veroveren, die de hoogmoed van Philips begeerde. +Want het stichten van ridderorden was sedert lang een ware mode. Ieder +vorst moest zijn orde hebben, zelfs aanzienlijke edelen bleven niet +achter. Daar is Boucicaut met zijn Ordre de la Dame blanche à l'escu +verd, ter verdediging van de hoofsche minne en van verdrukte vrouwen. +Daar is koning Jan met zijn Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison +(1351), gewoonlijk naar hun insigne de orde van de Ster genoemd. In het +Edele Huis te Saint Ouen bij Saint Denis hadden zij een "table d'oneur", +waaraan bij de plechtigheden moesten plaatsnemen de drie dapperste +prinsen, de drie dapperste baanroedsen (bannerets) en de drie dapperste +ridders (bachelers). Daar is Pierre de Lusignan met de orde van het +Zwaard, die van zijn leden een zuiver leven eischte en hun het zinrijk +symbool omhing van een gouden keten, waarvan de letter S de schakels +vormde, en zij beduidde "silence". Daar was Amadeus van Savoie met de +Annonciade, Louis de Bourbon met het Gouden Schild, Coucy, die een +keizerskroon gehoopt had, met de omgekeerde Kroon, de Beiersche hertogen +van Holland-Henegouwen met hun Antonius-orde, het T-kruis met klokje, +dat op sommige portretten de aandacht trekt. [241] + +Eustache Deschamps parodieert die zucht naar ridderorden met een Ordre +des fumeux, een Ordre de la baboue, een Ordre du collier, dat is de +strop. [242] + +De oorzaak, dat het Gulden Vlies boven allen opgang heeft gemaakt, is +niet ver te zoeken. Het was de rijkdom der Bourgondiërs, die er achter +zat. Misschien droeg er ook de bijzondere praal toe bij, waarmee de orde +was uitgerust, en de gelukkige vinding van het symbool. Aanvankelijk was +bij het Gulden Vlies alleen aan dat van Colchis gedacht. De vertelling +van Jason was algemeen bekend; Froissart laat haar in een Pastourelle +door een herder verhalen. [243] Maar aan Jason als fabelheld was een +luchtje; hij had zijn trouw gebroken, en dit thema leende zich tot +onaangename toespelingen op de politiek der Bourgondiërs jegens +Frankrijk. Alain Chartier dichtte: + + "A Dieu et aux gens detestable + Est menterie et trahison, + Pour ce n'est point mis à la table + Des preux l'image de Jason, + Qui pour emporter la toison + De Colcos se veult parjurer. + Larrecin ne se peult celer." [244] + +Nu maakte Jean Germain, de geleerde bisschop van Chalons en kanselier +der orde, Philips opmerkzaam op het vlies, dat Gideon spreidde en waar +des hemels dauw op viel. [245] Het was een bijzonder gelukkige gedachte, +want dit vlies van Gideon was een der treffendste symbolen van de +bevruchting van Maria's schoot. Zoo verdrong de bijbelsche held den +heiden als patroon van het Gulden Vlies, zoodat Jacques du Clercq zelfs +kon beweren, dat Philips opzettelijk Jason niet gekozen had, omdat deze +zijn trouw brak. [246] "Gedeonis signa" noemt een lofdichter van Karel +den Stoute de orde, [247] maar anderen zooals de kroniekschrijver +Theodericus Pauli blijven spreken van Vellus Jasonis. De opvolger van +Jean Germain als kanselier der orde, bisschop Guillaume Fillastre, +overtrof zijn voorganger en vond in de heilige schrift nog vier vliezen +daarenboven: van Jacob, koning Mesa van Moab, Job en David. [248] Elk +daarvan liet hij een deugd verbeelden, en aan elk der zes zou hij een +boek wijden. Dit was ongetwijfeld "overdoing it"; Fillastre liet de +gevlekte schapen van Jacob als symbool van justitia figureeren; [249] +hij had eenvoudig alle plaatsen genomen, waar de Vulgaat het woord +"vellus" heeft, een merkwaardig staaltje van de gewilligheid der +allegorie. Men vindt niet, dat zijn denkbeeld blijvend opgang heeft +gemaakt. + +De staatsie en plechtigheden van het Gulden Vlies zijn dikwijls genoeg +beschreven; ze hier te vermelden zou enkel stof toevoegen aan wat +hierboven in hoofdstuk II over den praal van het hofleven is gezegd. Een +enkele trek uit de gebruiken der orde verdient hier vermelding, omdat +hij zoo sterk het karakter van een primitief en heilig spel suggereert. +Behalve de ridders telt de orde haar ambtenaren: den kanselier, den +tresorier, den griffier, en voorts den wapenkoning met zijn staf van +herauten en poursuivants. Deze laatste groep, meer in het bijzonder +belast met het dienen van het edele ridderspel, draagt symbolische +namen. De wapenkoning zelf heet Toison d'or, zoo Jean Lefèvre de Saint +Remy, zoo nog Nicolaas de Hames, bekend van het Verbond der edelen in +1565. De herauten dragen landnamen: Charolais, Zélande. De eerste der +poursuivants heet Fusil, naar den vuurslag in de ordeketen, het embleem +van Philips den Goede. De anderen dragen namen van romantischen klank +als Montreal, of van deugden als Persévérance, of namen ontleend aan de +allegorie van den Roman de la rose, als Humble Requeste, Doulce Pensée, +Léal Poursuite. Bij de groote feesten worden zulke poursuivants plechtig +door een besprenkeling met wijn met die namen gedoopt door den +grootmeester, of wel hij verandert hun namen bij hun verheffing tot +hoogeren rang. [250] + +De geloften, die de ridderorde oplegt, zijn slechts een vaste, +collectieve vorm van de persoonlijke ridderlijke gelofte, om een of +ander heldenstuk te volbrengen. Dit is wellicht het punt, waar men de +grondslagen van het ridder-ideaal het best in hun samenhang ziet. Wie +geneigd mocht zijn, het verband van ridderslag, tournooi en ridderorde +met primitieve gebruiken voor een inval te houden, vindt bij de +ridderlijke gelofte het barbaarsche karakter zoo aan de oppervlakte, +dat geen twijfel mogelijk is. Het zijn echte survivals, waarvoor de +parallellen te vinden zijn in het oud-indische _vratam_, in het +Nazireeërschap der Joden, en het meest onmiddellijk wellicht in de +gewoonten der Noormannen uit hun sagentijd. + +Hier evenwel is niet het ethnologische vraagstuk aan de orde, maar de +vraag, welke waarde die geloften hadden in het laat-middeleeuwsche +geestesleven zelf. Er zijn drie waarden mogelijk: een godsdienstig- +ethische, een romantisch-erotische en een hoofsch-speelsche. Alle drie +zijn ongescheiden aanwezig; het denkbeeld der gelofte schommelt tusschen +de hoogste levenswijding in dienst van het ernstigste ideaal en den +ijdelsten spot over het kostbare gezelschapsspel, dat met moed en liefde +en staatsbelang zich maar wat vermaakt. Het spel-element overweegt; de +geloften zijn goeddeels opluistering geworden van het hoffeest. Toch +worden zij nog altijd verbonden aan de ernstigste oorlogsondernemingen: +den inval van Eduard III in Frankrijk, het kruistochtplan van Philips +den Goede. + +Hier geldt hetzelfde als bij de tournooien: zoo smakeloos en versleten +als ons de opgemaakte romantiek der Pas d'armes scheen, zoo ijdel en +leugenachtig schijnen ons die "voeux du faisan". Tenzij ook hier ons de +passie zelf bewust is, die dit alles heeft vervuld. Het is de droom van +het schoone leven, zoo goed als de feesten en de vormen van het +Florentijnsche leven van Cosimo en Lorenzo die droom zijn geweest. +Daar in Italië is hij bezonken in eeuwige schoonheid, hier is zijn +betoovering vervlogen met de menschen, die hem droomden. + +De verbinding van askese en erotiek, die ten grondslag ligt aan de +fantazie van den held, die de maagd bevrijdt, of voor haar bloedt, het +kernmotief van de tournooi-romantiek, vertoont zich in anderen vorm en +bijna nog onmiddellijker gedaante bij de ridderlijke gelofte. De ridder +De la Tour Landry verhaalt in de leering aan zijn dochters van een +zonderlinge orde van minnende edelen en vrouwen, die in zijn jeugd in +Poitou en elders had bestaan. Zij noemden zich Galois et Galoises, en +hielden "une ordonnance moult sauvaige", waarvan het voornaamste was, +dat zij in den zomer zich warm moesten kleeden in pelzen en gevoerde +kaproenen, en vuur in de schouw branden, terwijl zij in den winter +niets mochten dragen dan een rok zonder bont, geen mantels of andere +beschutting, geen hoed, handschoenen of mof, hoe 't ook vroor. +'s Winters strooiden zij groene bladeren op den grond en verborgen den +schoorsteen achter groene takken, en op hun bed mocht slechts een dunne +deken zijn. Men kan in deze wonderlijke afdwaling,--zoo zonderling, dat +de schrijver haar kwalijk verzonnen kan hebben--, moeilijk iets anders +zien dan een ascetische verhooging van den prikkel der liefde, ofschoon +het niet geheel duidelijk wordt. Het primitief karakter van de Galois en +Galoises wordt nog geaccentueerd door hun regel, dat een echtgenoot den +Galois, die bij hem te gast kwam, zijn geheele huis en zijn vrouw moest +overlaten, om zelf naar zíjn Galoise te gaan; deed hij het niet, dan +strekte het hem tot groote schande. Velen van de orde waren volgens den +ridder De la Tour Landry van koude gestorven: "Si doubte moult que ces +Galois et Galoises qui moururent en cest estat et en cestes amouretes +furent martirs d'amours." [251] + +Er zijn meer voorbeelden te noemen, die het primitief karakter van de +ridderlijke gelofte verraden. Zoo het gedicht, dat de geloften +beschrijft, waartoe Robert van Artois den koning van Engeland, Eduard +III, en zijn edelen uitlokte, ten einde den oorlog tegen Frankrijk te +beginnen: _Le Voeu du Héron_. Het is een verhaal van geringe historische +waarde, maar de geest van barbaarsche woestheid, die er uit spreekt, is +wel geschikt, om het wezen der ridderlijke gelofte te leeren kennen. + +De graaf van Salisbury zit bij het feestmaal aan de voeten van zijn +dame. Als zijn beurt om een gelofte te doen gekomen is, verzoekt hij +de geliefde, om één vinger op zijn rechteroog te leggen. Wel twee, +antwoordt zij, en drukt met twee vingers het rechteroog van den ridder +toe. "Belle, est-il bien clos?" vraagt deze. "Oyl, certainement." +"Welaan dan," zegt Salisbury, "dan gelove ik aan God almachtig en zijn +zoete Moeder, dit oog niet weer te openen, om geen smart of kwelling, +eer ik in Frankrijk den brand gestoken heb in 's vijands land en de +mannen van koning Philips bestreden": + + "Or aviegne qu'aviegne, car il n'est autrement. + --Adonc osta son doit la puchelle au cors gent, + Et li iex clos demeure, si que virent la gent." [252] + +De werkelijkheid, die dit geval weerspiegelt, blijkt uit Froissart: hij +zag inderdaad Engelsche heeren, die één oog met een lap bedekt hielden +ter voldoening aan de gelofte, om slechts met één oog te zien, totdat +zij dapperheid in Frankrijk hadden verricht. [253] + +De bijzondere wildheid spreekt in _Le Voeu du Héron_ nog sterker uit de +gelofte van Jehan de Faukemont, die klooster noch altaar, zwangere vrouw +noch kind, vriend noch maag wil sparen, om koning Eduard te dienen. +Tenslotte verzoekt de koningin, Philippa van Henegouwen, haar gemaal, +ook een gelofte te mogen doen. + + "Adonc, dist la roine, je sai bien, que piecha [254] + Que sui grosse d'enfant, que mon corps senti l'a. + Encore n'a il gaires, qu'en mon corps se tourna. + Et je voue et prometh a Dieu qui me créa.... + Que ja li fruis de moi de mon corps n'istera, [255] + Si m'en arès menée ou païs par de-là + Pour avanchier le veu que vo corps voué a; + Et s'il en voelh isir, quant besoins n'en sera, + D'un grant coutel d'achier li miens corps s'ochira; + Serai m'asme perdue et li fruis perira!" + +Een huiverend stilzwijgen ontvangt de godslasterlijke gelofte. De dichter +zegt enkel: + + "Et quant li rois l'entent, moult forment l'en pensa, + Et dist: certainement, nuls plus ne vouera." + +Haar en baard, overal immers de dragers van magische potentie, hebben +nog bij de geloften der Middeleeuwen een bijzondere beteekenis. +Benedictus XIII, de paus van Avignon, en daar feitelijk opgesloten, +zweert, ten teeken van droefheid zijn baard niet te laten scheren, aleer +hij de vrijheid herkregen heeft. [256] Als Lumey dezelfde gelofte doet +met betrekking tot de wraak voor Egmond, hebben wij te doen met een +laatsten uitlooper eener zede, die in den verren voortijd heilige +beteekenis had gehad. + +De zin der gelofte is in den regel, dat men zich een onthouding oplegt +als prikkel om het volbrengen der geloofde daad te verhaasten. Veelal is +het een onthouding in verband met spijzen. De eerste, dien Philippe de +Mézières als ridder opnam in zijn Chevalerie de la Passion, was een +Pool, die in negen jaar niet zittende gegeten of gedronken had. [257] +Bertrand du Guesclin is zeer haastig met zulke geloften. De eene maal +geldt het een uitdaging van een Engelsch krijgsman: Bertrand verklaart, +slechts drie wijnsoepen te zullen gebruiken in naam der heilige +Drieëenheid, totdat hij den uitdager bestreden heeft. Een ander maal is +het, dat hij geen vleesch zal eten en zich niet zal uitkleeden, eer hij +Montcontour heeft genomen. Of zelfs, dat hij niet eten zal, eer hij met +de Engelschen tot een treffen gekomen is. [258] + +De magische bedoeling, die bij dat vasten op den achtergrond ligt, was +natuurlijk een edelman der veertiende eeuw niet meer bewust. Voor ons +spreekt zulk een ondergrond vooral zeer direct uit het veelvuldig +gebruik van kluisters als teeken van een gelofte. Op 1 Januari 1415 doet +hertog Jean de Bourbon, "désirant eschiver oisiveté, pensant y acquérir +bonne renommée et la grâce de la très-belle de qui nous sommes +serviteurs", de gelofte om met zestien andere ridders en knapen +gedurende twee jaar elken Zondag aan het linkerbeen een boei als van een +gevangene te dragen, de ridders in goud, de knapen in zilver, totdat hij +zestien ridders vindt, die het gezelschap willen bestrijden in een +gevecht te voet "à outrance". [259] Jacques de Lalaing ontmoet te +Antwerpen in 1445 een Siciliaanschen ridder Jean de Boniface, die als +"chevalier aventureux" van het hof van Arragon gekomen is. Hij draagt +aan het linkerbeen een ijzer, zooals de slaven het dragen, hangende aan +een gouden keten, een "emprise" ten teeken dat hij vechten wou. [260] In +den roman van den _Petit Jehan de Saintré_ draagt de ridder Loiselench +twee gouden ringen aan arm en been, elk aan een gouden keten, totdat hij +een ridder vindt, die hem "verlost" van zijn emprise. [261] Want zoo +heet het: "délivrer"; men raakt het teeken aan, als het gaat "pour +chevalerie"; men rukt het af, als het om 't leven gaat.--Reeds La Curne +de Sainte Palaye heeft opgemerkt, dat bij de oude Chatti volgens Tacitus +volkomen hetzelfde gebruik werd aangetroffen [262]. Ook de kluisters, +die boetelingen op hun bedevaart droegen, of die vrome asceten zich zelf +aanlegden, zijn van de emprises der laat-middeleeuwsche ridders niet te +scheiden. + +Wat de beroemde feestelijke geloften der vijftiende eeuw, met name de +Voeux du Faisan bij het hoffeest van Philips den Goede te Rijsel in +1454, ter voorbereiding van den kruistocht ons van dit alles nog te zien +geven, is niet veel meer dan een fraaie hoofsche vorm. Niet dat de +spontane gewoonte, om in nood of sterke gemoedsbeweging een gelofte te +doen, iets van haar kracht zou hebben verloren. Zij heeft zoo diepe +psychologische wortelen, dat zij aan beschaving noch geloof gebonden is. +Doch de ridderlijke gelofte als cultuurvorm, als een tot levenstooi +verheven zede, beleeft in die pralende buitensporigheid van het +Bourgondische hof haar laatste phase. + +Het thema van de handeling is nog altijd het onmiskenbaar overoude. +Men doet de geloften aan het feestmaal, en zweert bij een vogel, die +opgedragen en later gegeten wordt. Ook de Noormannen kennen de met +elkaar wedijverende geloften bij het feestmaal in dronkenschap; een der +vormen is die, waarbij men het everzwijn aanraakt, dat opgedragen wordt. +[263] De fazant van het beroemde feest te Rijsel schijnt wel een levende +te zijn geweest. [264] De geloften worden afgelegd aan God en Onze Lieve +Vrouw, aan de dames en aan den vogel. Het schijnt niet gewaagd, te +veronderstellen, dat de godheid hier niet de oorspronkelijke ontvanger +der geloften is: inderdaad geloven velen alleen aan de dames en den +vogel. [265] In de onthoudingen, die men zich oplegt, is weinig +afwisseling. De meeste hebben betrekking op eten en slapen. Deze ridder +zal Zaterdags niet in een bed slapen, eêr hij een Saraceen bevochten +heeft, noch ook vijftien dagen achtereen in dezelfde stad vertoeven. +Een ander zal Vrijdags geen dierlijk voedsel nuttigen, eêr hij den banier +van den Grooten Turk heeft aangetast. Weer een ander stapelt askese op +askese: hij zal in het geheel geen harnas dragen, Zaterdags geen wijn +drinken, niet in een bed slapen, niet aan tafel zitten, en een harige +pij dragen. Men omschrijft nauwkeurig de wijze, waarop men de geloofde +heldendaad zal uitvoeren. [266] + +Hoeveel ernst is er in? Wanneer messire Philippe Pot de gelofte doet, +op den Turkentocht zijn rechterarm onbedekt te laten door eenige +wapenrusting, laat de hertog onder de (schriftelijk geregistreerde) +gelofte aanteekenen: "Ce n'est pas le plaisir de mon très redoubté +seigneur, que messire Phelippe Pot voise en sa compaingnie ou saint +voyage qu'il a voué, le bras désarmé; mais il est content qu'il voist +aveuc lui armé bien et soufisamment, ainsy qu'il appartient." [267] +Blijkbaar werd er dus nog ernst en gevaar in gezien. Over de gelofte +van den hertog zelf heerscht algemeene aandoening. [268] + +Sommigen doen voorzichtig voorwaardelijke geloften, die tegelijk +getuigen van de ernstige bedoeling en van het voldaan zijn met den +schoonen schijn. [269] Soms naderen de geloften reeds tot de +"philippine", die er een bleeke rest van is. [270] Een spottend element +ontbreekt zelfs niet bij den grimmigen Voeu du héron; immers Robert van +Artois biedt den koning, hier voorgesteld als minder belust op den +krijg, den reiger aan, als den bangsten der vogels. Als Eduard zijn +gelofte heeft gedaan, lachen allen. Jan van Beaumont, wien de _Voeu du +héron_ de vroeger reeds vermelde woorden [271] in den mond legt, die met +fijnen spot het gepassioneerde karakter onthullen van de geloften, bij +den wijn en onder de oogen der vrouwen gedaan, doet volgens een ander +verhaal bij den reiger de cynische gelofte, dat hij dien heer zou +dienen, van wien hij 't meest aan geld en goed te wachten had. Waarop +de Engelsche heeren lachten. [272]--Hoe moet, ondanks alle pompeuze +gewichtigheid, waarmee de Voeux du faisan werden opgenomen, de +tafelstemming zijn geweest, wanneer Jennet de Rebreviettes de gelofte +kon doen, om, als hij niet vóór den krijgstocht de gunsten van zijn dame +deelachtig werd, bij den terugkeer uit het Oosten de eerste vrouw of +jonkvrouw te huwen, die twintig duizend kronen heeft ... "se elle +veult". [273] Toch trekt diezelfde Rebreviettes de wereld in, om als +"povre escuier" avontuur te zoeken, en strijdt bij Ceuta en Granada +tegen de Mooren. + +Zoo lacht de moede aristocratie om haar eigen ideaal. Wanneer zij met +alle middelen van fantazie en kunstvaardigheid en rijkdom haar +hartstochtelijken droom van het schoone leven had getooid en gekleurd en +tot plastischen vorm gebracht, dan bezon zij zich, dat het leven toch +eigenlijk niet zoo schoon was, en lachte. IJdele waan, die +ridderheerlijkheid, mode en ceremonie, een fraai en leugenachtig spel! +De werkelijke geschiedenis der laatste Middeleeuwen, zegt de historicus, +die uit de acta de ontwikkeling van staat en bedrijf naspeurt, heeft met +die valsche ridderlijke Renaissance weinig te maken; het was een oud +vernis, dat reeds afbladderde. De mannen, die die geschiedenis maakten, +waren waarlijk geen droomers, maar zeer berekenende, nuchtere staatslieden +en kooplieden, 't zij vorsten, edelen, prelaten of burgers. + +Zeker, dat waren zij ook. Maar de geschiedenis der beschaving heeft +evenveel te maken met de droomen van schoonheid en den waan des edelen +levens als met de cijfers van bevolking en belasting. Een onderzoeker, +die de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en +verkeer, uit de politieke en militaire conflicten, zou aan het eind van +zijn studiën kunnen zeggen: ik heb van de muziek heel weinig gemerkt, +die heeft blijkbaar in dezen tijd weinig voor de cultuur beteekend. + +Zoo is het eenigermate, wanneer men ons de geschiedenis der Middeleeuwen +uit de staatkundige en economische bescheiden beschrijft. Bovendien zou +het kunnen zijn, dat het ridderideaal, zoo gekunsteld en versleten als +het was, op de zuiver staatkundige geschiedenis der laatste Middeleeuwen +toch nog voortdurend machtiger invloed had uitgeoefend, dan men zich +gewoonlijk voorstelt. + +De bekoring van den adellijken levensvorm was zoo groot, dat ook de +burgers hem aannemen, waar zij kunnen. Wij stellen ons de Artevelde's +voor als echte mannen van den derden stand, fier op hun burgerlijkheid +en hun eenvoud. Integendeel: Philips van Artevelde hield vorstelijken +staat, hij liet alle dagen voor zijn hôtel de speellieden blazen, als +hij aan tafel ging, liet zich bedienen uit zilveren vaatwerk, of hij de +graaf van Vlaanderen was, ging gekleed in scharlaken en menu vair als +een hertog van Brabant of graaf van Henegouwen, reed uit als een vorst, +het ontrolde vaantje voor hem gedragen met zijn blazoen van sabel met +drie zilveren hoeden. [274] Wie schijnt ons moderner dan de geldmagnaat +der vijftiende eeuw, Jacques Coeur, de voortreffelijke financier van +Karel VII? Als men de levensbeschrijving van Jacques de Lalaing mag +gelooven, heeft de groote bankier hartelijk belang gesteld in het +ouderwetsche dolende-ridderschap van den Henegouwschen held. [275] + +Alle hoogere vormen van het burgerlijke leven van den nieuweren tijd +berusten op navolging van adellijke levensvormen. Evengoed als het brood +in het servet en het woord "serviette" zelf hun herkomst hebben uit den +middeleeuwschen hofstaat, [276] zijn de burgerlijkste bruiloftsaardigheden +afstammelingen van de grandioze "entremets" van Rijsel. Om de cultuur- +historische beteekenis van het ridderideaal ten volle te begrijpen, zou +men het moeten volgen in Shakespeare's en Molière's tijd tot aan den +modernen gentleman. + +Hier echter is het er om te doen, de werking van dat ideaal op de +werkelijkheid in de laatste Middeleeuwen zelf aan te wijzen. Lieten +staatkunde en oorlogvoering zich inderdaad eenigermate beheerschen door +ridderlijke voorstellingen? Ongetwijfeld, zoo niet in haar deugden, dan +toch in haar fouten. Zooals de tragische vergissingen van den +hedendaagschen tijd voortspruiten uit den waan van het nationalisme en +den cultuurhoogmoed, zoo sproten die van de Middeleeuwen meer dan eens +voort uit de chevalereske gedachte. Ligt niet het motief voor de +schepping van den nieuwen Bourgondischen staat, die grootste fout, die +Frankrijk kon begaan, in een ridderlijk moment? Koning Jan, het +ridderlijke warhoofd, schenkt het hertogdom in 1363 aan den jongen zoon, +die bij Poitiers naast hem stand had gehouden, toen de oudere vluchtte. +Evenzoo is de bewuste gedachte, die de latere anti-fransche politiek +voor de geesten der tijdgenooten moet rechtvaardigen: de wraak voor +Montereau, de verdediging van ridderlijke eer. Ik weet wel, men kan dat +alles ook verklaren uit berekenende, zelfs vooruitziende politiek, maar +dat neemt niet weg, dat de waarde van het feit, het beeld van het feit +van 1363 voor de tijdgenooten was en bleef: de ridderlijke moed, +vorstelijk beloond. Die Bourgondische staat in zijn snelle ontplooiing +is een gebouw van politiek overleg en geslaagde nuchtere berekening. +Maar wat men de Bourgondische idee zou kunnen noemen, kleedt zich steeds +in de vormen van het ridderideaal. De bijnamen der hertogen: het Sans +peur, le Hardi, het Qui qu'en hongne, dat voor Philips door le Bon +verdrongen werd, zijn alle opzettelijke vindingen van de hoflittérateurs, +om den vorst te plaatsen onder de stralen van het ridderlijke ideaal. [277] + +Daar was één groot politiek streven, dat onverbrekelijk verbonden was +aan het ridderideaal: de kruistocht, Jeruzalem! Want Jeruzalem, zoo +heette nog altijd de gedachte, die als hoogste politieke idee allen +vorsten van Europa voor oogen stond, en hen voor en na tot handelen +dreef. Er was hier een zonderling contrast tusschen het reëele politieke +belang en de politieke idee. Er bestond voor de Christenheid der +veertiende en vijftiende eeuw een Oostersche kwestie van de uiterste +urgentie: het afweren der Turken, die reeds Adrianopel genomen (1378) +en het Servische rijk vernietigd hadden (1389). Op den Balkan lag het +gevaar. Doch Europa's eerste en noodzakelijkste staatkunde kon zich nog +niet losmaken van de kruistochtidee. Zij kon de Turksche kwestie slechts +zien als een onderdeel van de groote heilige taak, waarin de voorvaders +waren te kort geschoten: de bevrijding van Jeruzalem. + +Bij deze gedachte nu stond het ridderlijk ideaal op den voorgrond; hier +kon en moest het een bijzonder nadrukkelijke werking uitoefenen. Immers +het godsdienstig gehalte van het ridderideaal vond hier zijn hoogste +belofte, en de bevrijding van Jeruzalem kon niet anders zijn dan heilig, +edel ridderwerk. Juist doordat nu het godsdienstig-ridderlijke ideaal +zich bij het bepalen der Oostersche staatkunde in zoo sterke mate deed +gelden, kan tot zekere hoogte het geringe succes der Turkenbestrijding +worden verklaard. De expedities, die bovenal nauwkeurige berekening en +geduldige voorbereiding eischten, werden ontworpen en opgezet onder een +hoogere spanning, die niet leidde tot een rustige overweging van het +bereikbare, maar tot een verromantiseering van het plan, die ijdel kon +zijn of noodlottig kon worden. De katastrofe van Nicopolis in 1396 had +getoond, hoe gevaarlijk het was, een nuttige expeditie tegen een zeer +strijdbaren vijand op te zetten in den ouden trant van een dier +ridderlijke reizen naar Pruisen of Litauen, om wat arme heidenen dood +te slaan. Wie zijn het, die de kruistochtplannen ontwerpen? De droomers +als Philippe de Mézières, die er zijn leven aan wijdde, de politieke +fantasten, zooals Philips de Goede het met al zijn sluwe berekening was. + +Alle koningen hadden de bevrijding van Jeruzalem nog altijd tot een +obligate levenstaak. In 1422 is Hendrik V van Engeland stervende. De +jonge veroveraar van Rouen en Parijs wordt weggerukt midden uit het +werk, waarmee hij Frankrijk in ellende had gestort. De geneesheeren +hebben hem aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de +biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen +worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona +voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem, [278] laat de koning +stilhouden en zegt luide, dat het zijn voornemen was geweest, om na het +herstellen van den vrede in Frankrijk Jeruzalem te gaan veroveren, "se +ce eust esté le plaisir de Dieu son créateur de le laisser vivre son +aage". En daarna laat hij de lezing der boetpsalmen voltooien, en sterft +weldra. [279] + +De kruistocht was sedert lang ook een voorwendsel geworden om bijzondere +opbrengsten te heffen; ook Philips de Goede heeft van die gelegenheid +ruimschoots gebruik gemaakt. Doch enkel veinzerij uit winstbejag zal bij +hem het plan toch niet zijn geweest. [280] Het schijnt een mengeling van +ernstig streven en den toeleg, om door dit bij uitstek nuttige en tevens +bij uitstek ridderlijke plan zich als den redder der Christenheid een +glorie te verzekeren boven zijn meerderen in rang, de koningen van +Frankrijk en Engeland. Le voyage de Turquie bleef een troefkaart, die +niet werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te +doen uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren +gewichtige bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke +lieden schudden het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een +gevaarlijken tocht zou ondernemen; zoowel de landen als de dynastie +zouden gevaar loopen. Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips +met eerbied ontvangen in Den Haag en in plechtige processie ontplooid, +terwijl bij het feest te Rijssel en daarna de geloften tot de reize +verzameld werden, terwijl Joffroy de Toisy de Syrische havens +onderzocht, Jean Chevrot, de bisschop van Doornik, de collecten leidde +en Guillaume Fillastre zijn gansche uitrusting reeds klaar had, en er +reeds schepen voor den tocht in beslag waren genomen, heerschte er toch +een vage verwachting, dat de tocht niet zou doorgaan. [281] Des hertogen +eigen gelofte te Rijssel klonk dan ook wel zeer voorwaardelijk: hij zou +gaan, mits de landen, die God hem had toevertrouwd om te regeeren, in +vrede en veiligheid zijn. [282] + +Uitvoerig voorbereide en luidruchtig aangekondigde krijgsexpedities, +waar niets van komt, schijnen overigens, ook afgescheiden van het +kruistochtideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn +geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in +1383, die van Philips den Stoute tegen Engeland in 1387, waartoe de +prachtige vloot zeilree lag in de haven van Sluis, die van Karel VI +tegen Italië in 1391. + +Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie met het doel van +politieke reclame was het altijd weer aangekondigde en nimmer +verwezenlijkte vorstenduel. Ik heb vroeger elders uiteengezet, hoe de +staatsgeschillen der vijftiende eeuw nog als een twist van partijen, een +persoonlijke querelle werden opgevat. [283] Men dient "la querelle des +Bourguignons". Wat was natuurlijker, dan dat de vorsten het zelf gingen +uitvechten, gelijk nu nog in het politieke spoorweggesprek wordt +verzucht?--Inderdaad was deze oplossing, die zoowel een primitief +rechtsgevoel als de ridderlijke fantazie bevredigde, telkens aan de +orde. Wanneer men leest van de uitvoerige toebereidselen tot die +vorstelijke tweegevechten, vraagt men zich twijfelend af, of dit alles +enkel een fraai spel van bewust veinzen is geweest, de zucht naar een +schoon leven alweer, of wel dat de vorstelijke kampvechters werkelijk +den strijd hebben verwacht. Zeker is het, dat de geschiedschrijvers van +dien tijd het even ernstig opnemen als de kamplustige vorsten zelf. +Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn kroniek een ruime +plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van Engeland door Lodewijk +van Orleans. [284] In het woeste en schitterende brein van dien Orleans, +waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en fantastische idealen +van ridderstrijd en hoofsche liefde naast débauche, cynisme en +tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk +voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest +van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de +middelen van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was +Humphrey van Glocester, dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de +uitdaging wordt duidelijk als motief vermeld: "pour éviter effusion de +sang chrestien et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay +compacion", "que par mon corps sans plus ceste querelle soit menée à +fin, sans y aler avant par voies de guerres, dont il convendroit mains +gentilz hommes et aultres, tant de vostre ost comme du mien, finer leurs +jours piteusement." [285] Alles werd voor den strijd in gereedheid +gebracht: het kostbare harnas en de prachtige kleederen, die de hertog +dragen zou, waren vervaardigd; er werd gewerkt aan tenten, standaarden +en vanen, wapenrokken voor de herauten en poursuivants, alles bezaaid +met de blazoenen van 's hertogen landen, met den vuurslag en het Sint +Andrieskruis. Philips was in training: "tant en abstinence de sa bouche +comme en prenant painne pour luy mettre en alainne." [286] In zijn park +te Hesdin oefende hij zich dagelijks onder leiding van ervaren +vechtmeesters. [287] De rekeningen vermelden de kosten, aan dat alles +besteed, en nog in 1460 was de kostbare tent, voor deze gelegenheid +vervaardigd, te Rijssel te zien. [288] Maar van het gevecht kwam niets. + +Dit belette niet, dat hij later in het geschil met den hertog van Saksen +over Luxemburg, dezen opnieuw kamp aanbood, en dat bij het feest van +Rijssel, toen Philips bijna zestig jaar oud was, zijn kruisgelofte +inhield, dat hij gaarne bereid was, den Grooten Turk corps à corps te +bestrijden, als deze dat verkoos. [289] Men vindt den weerklank van die +hardnekkige kampliefde van Philips den Goede nog in een verhaaltje van +Bandello, hoe hij eens met de grootste moeite weerhouden zou zijn van +een eereduel met een zijner edelen. [290] + +De vorm handhaaft zich nog in de volle Italiaansche Renaissance. +Francesco Gonzaga biedt kamp aan Cesare Borgia: met zwaard en dolk wil +hij Italië van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den +koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een +roerende verzoening besluit het geval. [291] Zelfs Karel V heeft nog in +allen vorm aangeboden, den strijd met Frans I door een persoonlijk +tweegevecht te beslechten. + +De gerechtelijke en de spontane tweekamp leefde juist in de Bourgondische +landen en in het twistzieke Noorden van Frankrijk nog bijzonder sterk in +zeden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de beslissing +bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen op zich zelf +weinig te maken. Zoodra de strijd geen edelen geldt, ziet men al de ruwe +wreedheid van den tijd, ontdaan van het masker der hooghartige chevalerie. + +Niets is in dit opzicht merkwaardiger dan de verbazende belangstelling, +door de edelen en door de geschiedschrijvers aan den dag gelegd voor een +gerechtelijken kamp van twee burgers te Valenciennes in 1455. [292] +Het was een groote zeldzaamheid; in geen honderd jaar was zoo iets +voorgekomen. Die van Valenciennes wilden het tot elken prijs laten +doorgaan, want het betrof voor hen de handhaving van een oud privilege, +maar de graaf van Charolais, die het bewind voerde tijdens Philips' +afwezigheid in Duitschland, wilde het niet, en stelde de voltrekking van +maand tot maand uit, terwijl de beide partijen, Jacotin Plouvier en +Mahuot, als kostbare vechthanen werden vastgehouden. Toen de oude hertog +van zijn reis naar den keizer terug was, werd terstond beslist, dat de +strijd doorgaan zou. Philips wilde hem met alle geweld zelf zien; +daartoe alleen koos hij van Brugge naar Leuven den weg over +Valenciennes. Terwijl nu de ridderlijke geesten als Chastellain en La +Marche bij hun beschrijvingen van de feestelijke Pas d'armes van ridders +en edelen met alle inspanning van hun verbeelding geen enkele maal een +realiteit kunnen schilderen, geven zij hier het scherpst geziene beeld. +Hier komt de ruwe, felle Vlaming, die Chastellain was, onder de +prachtige houppelande van goud en rood granaatpatroon te voorschijn. +Geen bijzonderheid ontgaat hem van de "moult belle serimonie"; hij +beschrijft nauwkeurig het krijt en de banken rondom. De arme +slachtoffers hebben elk hun vechtmeester bij zich. Jacotin als klager +treedt het eerst binnen, blootshoofds met kort geknipt haar en heel +bleek. Hij is geheel genaaid in een kleeding van corduwaanleder uit één +stuk, zonder iets daaronder. Na eenige vrome kniebuigingen en begroeting +van den hertog, die achter een traliewerk gezeten is, wachten de +kampvechters het oogenblik af, zittende in twee met zwart bekleede +stoelen tegenover elkaar. De heeren in het rond maken zacht hun +opmerkingen over de kansen: alles wordt opgemerkt: Mahuot wordt +aschbleek, toen hij het evangelie kust! Dan komen twee knechten en +wrijven de kampvechters van den hals tot de enkels in met vet. Bij +Jacotin trekt het vet terstond in het leer, bij Mahuot niet: wien zou +dat teeken gunstig zijn? De handen worden met asch gewreven; zij nemen +suiker in den mond; dan brengt men hun de knotsen en schilden, waarop +heiligenfiguren staan geschilderd, die zij kussen. Zij dragen de +schilden met de punt omhoog, en hebben in de hand "une bannerolle de +devocion", een strook met een vrome spreuk. + +Mahuot, die klein was, begint het gevecht door met de punt van zijn +schild zand te scheppen en het Jacotin in de oogen te werpen. Een +woedend knotsgevecht volgt, het eindigt met den val van Mahuot; de ander +werpt zich boven op hem, en wrijft hem het zand in mond en oogen, maar +Mahuot krijgt een vinger van zijn vijand tusschen zijn tanden. Om zich +te bevrijden drukt deze hem den duim in de oogkassen, en ondanks zijn +geroep om genade draait hij hem de armen naar achteren en springt op den +rug, om hem te breken. Stervende schreeuwt Mahuot vergeefs om te mogen +biechten; dan roept hij: "O monseigneur de Bourgongne, je vous ay si +bien servi en vostre guerre de Gand! O monseigneur, pour Dieu, je vous +prie mercy, sauvez-moy la vie!"... Hier breekt het verhaal van +Chastellain af; er zijn eenige bladen weg; van anderen weten wij, hoe de +halfdoode Mahuot door den beul gehangen werd. + +Zou Chastellain het besloten hebben met een edele ridderlijke +bespiegeling, na dezen ellendigen gruwel met zooveel verve te hebben +verteld? La Marche deed het: hij bericht ons van de schaamte, die toch +achterna den adel beving, dat men dit had aangezien. En daarom, zegt de +onverbeterlijke hofpoëet, liet God een ridderlijk tweegevecht volgen, +dat onschadelijk afliep. + +Het conflict tusschen riddergeest en werkelijkheid vertoont zich het +duidelijkst, waar het ridderideaal zich tracht te doen gelden te midden +van den ernstigen krijg. Hoezeer ook het ridderideaal vorm en kracht +moge hebben gegeven aan den oorlogsmoed, het werkte toch in den regel op +de krijgvoering meer belemmerend dan bevorderend, daar het de eischen +der strategie opofferde aan die der levensschoonheid. Herhaaldelijk +stellen zich de beste aanvoerders, ja de koningen zelf, bloot aan de +gevaren van een romantisch krijgsavontuur. Eduard III waagt zijn leven +in een hachelijken aanslag op een convooi van Spaansche schepen. [293] +De ridders van koning Jan's orde van de Ster moeten zweren, dat zij in +den slag nooit verder zullen vluchten dan vier "arpents", anders hebben +zij te sterven of zich over te geven, welke zonderlinge spelregel +volgens Froissart terstond aan wel negentig het leven kostte. [294] +Wanneer Hendrik V van Engeland in 1415 den Franschen tegemoet gaat vóór +den slag bij Azincourt, trekt hij bij vergissing op een avond het dorp, +dat zijn fouriers hem als nachtverblijf bestemd hadden, voorbij. Nu had +de koning, "comme celuy qui gardoit le plus les cérimonies d'honneur +très loable", juist te voren gelast, dat de ridders, op verkenning uit, +hun wapenrok moesten afleggen, om niet in strijdgewaad terug te behoeven +te gaan. Toen hij nu zelf in wapenrok te ver vooruit was gegaan, kon hij +niet terug; hij overnachtte dus, waar hij gekomen was, en liet de +voorhoede dienovereenkomstig opschikken. [295] + +Bij de beraadslaging over den grooten Franschen inval in Vlaanderen in +1382 verzet zich voortdurend ridderzin tegen krijgskunde: "Se nous +querons autres chemins que le droit,--voert men aan tegen de adviezen +van Clisson en Coucy, om langs onverwachte omwegen binnen te +dringen,--"nous ne monsterons pas que nous soions droites gens d'armes." +[296] Evenzoo gaat het bij een inval van Franschen aan de Engelsche kust +bij Dartmouth in 1404. De eene aanvoerder, Guillaume du Châtel, wil de +Engelschen in de flank vallen, daar dezen zich door een gracht op het +strand hebben beschut. Maar de sire de Jaille noemt de verdedigers een +troep dorpers; het zou een schande zijn, voor zulke tegenstanders uit +den weg te gaan; hij spoort den ander aan, niet te vreezen. Dat woord +treft Du Châtel in het vleesch: "Dat zij verre van het edele hart van +een Breton, dat hij vreezen zou; nu zal ik, ofschoon ik eêr den dood +voorzie dan de zege, de hachelijke fortuin beproeven." Hij voegt er de +gelofte aan toe, dat hij geen kwartier zal vragen, valt daarop aan, en +sneuvelt zelf, terwijl zijn bende deerlijk wordt verslagen. [297] Bij +den tocht naar Vlaanderen is er steeds groot gedrang, om in de voorhoede +te komen; een ridder, die met de achterhoede wordt belast, stribbelt +hardnekkig tegen. [298] + +De meest eigenlijke toepassing van het ridderideaal op den oorlog +bestond in de afgesproken aristieën, 't zij van twee strijders of van +gelijke groepen. Het befaamde Combat des Trente is er het type van. +Froissart vond het geweldig mooi, maar teekent toch tenslotte aan; +"Li aucun le tenoient à proèce, et li aucun à outrage et grant +outrecuidance." [299] Een tweegevecht van Guy de la Trémoïlle en den +Engelschen edelman Pierre de Courtenay in 1386, dat strekken zou om de +superioriteit van Engelschen of Franschen te bewijzen, wordt door de +Fransche regenten Bourgondië en Berry verboden en nog op 't laatste +oogenblik verhinderd. [300] De afkeuring van dezen nutteloozen vorm van +dapperheidsbetoon wordt ook gedeeld door Le Jouvencel, van wien wij +reeds vroeger in 't licht stelden, hoe bij hem de ridder plaats maakt +voor den kapitein. Wanneer de hertog van Bedford een gevecht aanbiedt +van twaalf tegen twaalf, laat de schrijver van _Le Jouvencel_ den +Franschen aanvoerder antwoorden: er is een algemeene spreekwijze, dat +men niets moet doen op aanstichten van zijn vijand. Wij zijn hier, om +hen uit hun stelling te verdrijven, en dat geeft ons werk genoeg. En de +uitdaging wordt geweigerd. Elders laat hij Le Jouvencel een van zijn +officieren zulk een wedkamp weigeren met de verklaring (waarop hij +overigens tenslotte terugkomt), dat hij tot zoo iets nooit verlof zou +geven. Het zijn verboden dingen. Wie zulk een tweegevecht begeert, wil +aan een ander iets ontnemen, namelijk zijn eer, om zich een ijdele +glorie toe te kennen, die van geringe waarde is, terwijl hij intusschen +den dienst van zijn koning en van de publieke zaak verwaarloost. [301] + +Dat klinkt als een stem van den nieuwen tijd. Niettemin bleef de +gewoonte van die tweegevechten tusschen de fronten tot na de +Middeleeuwen voortduren; uit den tachtigjarigen oorlog kent men den +strijd van Breauté en Lekkerbeetje op de Vughtsche heide in 1600 en van +Lodewijk van de Kethulle tegen een grooten Albaneeschen ruiter voor +Deventer in 1591. + +Het krijgsbelang en de tactiek drongen meestal de ridderlijke opvattingen +naar den achtergrond. De voorstelling, dat ook de veldslag zelf niet +anders is dan een eerlijk afgesproken kamp om het recht, komt nog telkens +naar voren, maar vindt zelden gehoor tegenover de eischen van het +krijgsbeleid. Het Engelsche leger stelt den Schotten voor, om uit hun +gunstige positie af te dalen in de vlakte, opdat men elkander kan +bestrijden. Wanneer de koning van Frankrijk geen toegang vindt om Calais +te ontzetten, stelt hij den Engelschen beleefd voor, ergens een slagveld +te bepalen. Willem van Henegouwen gaat nog verder: hij doet den +Franschen koning het voorstel, drie dagen wapenstilstand te houden, ten +einde in dien tijd een brug te bouwen, waardoor de legers elkaar kunnen +bereiken om slag te leveren. [302] In al die gevallen wordt het +ridderlijke aanbod geweigerd; het strategisch belang behield de +overhand, ook bij Philips den Goede, toen hij een zwaren strijd te +voeren had met zijn riddereer, omdat hem op één dag driemaal de veldslag +is aangeboden, en hij dien niet heeft aanvaard. [303] + +Er bleef, ook al moest voor de werkelijke belangen het ridderideaal +zwichten, nog gelegenheid genoeg, om den oorlog fraai aan te kleeden. +Welk een bedwelming van fierheid moet er niet zijn uitgegaan van het +bonte en pralende krijgsdecoratief zelf! In den nacht vóór Azincourt +sterken de beide legers, in de duisternis tegenover elkaar gelegen, hun +moed met de muziek der trompetten en bazuinen, en het wordt ernstig +beklaagd, dat de Franschen er niet genoeg hadden "pour eulx resjouyr", +en daardoor in lager stemming bleven. [304] In het laatst der vijftiende +eeuw komen de landsknechten met de groote trommels, [305] een ontleening +aan het Oosten. De trom met haar direct hypnotische, onmuzikale werking +beduidt treffend den overgang van het ridderlijke tijdperk naar het +modern-militaire; zij is een element in de mechaniseering van den krijg. +Omstreeks 1400 is al de schoone en half spelende suggestie van +persoonlijken wedijver in roem en eer nog in vollen fleur: door +helmteekens en blazoenen, vanen en wapenkreten behoudt de strijd een +individueel karakter en een element van sport. Den geheelen dag hoort +men de kreten der verschillende heeren uitroepen in een wedspel van +hoogmoed. [306] Vóór en na het gevecht bezegelen de ridderslagen en de +rangverhoogingen het spel: ridders worden tot bannerets verheven door +het afsnijden van den wimpel van hun vaantjes. [307] Het beroemde kamp +van Karel den Stoute voor Neuss is ingericht met al den feestelijken +praal van een hofstaatsie: sommigen hebben hun tent laten bouwen "par +plaisance" in den vorm van een kasteel, met galerijen en tuinen +eromheen. [308] + +De krijgsbedrijven moesten bij de opteekening worden gevat in het raam +van ridderlijke opvattingen. Men wilde op technische gronden +onderscheiden, wat een slag en wat een treffen was, want elk gevecht +moest in de annalen van den roem zijn vaste plaats en naam hebben. Zoo +zegt Monstrelet: "Si fut de ce jour en avant ceste besongne appellée la +rencontre de Mons en Vimeu. Et ne fu déclairée à estre bataille, pour ce +que les parties rencontrèrent l'un l'autre aventureusement, et qu'il n'y +avoit comme nulles bannières desploiées". [309] Hendrik V van Engeland +doopt zijn groote overwinning, "pour tant que toutes batailles doivent +porter le nom de la prochaine forteresse où elles sont faictes", +plechtig als den slag van Azincourt. [310] Het overnachten op het +slagveld gold als het erkende teeken der overwinning. [311] + +De persoonlijke dapperheid van den vorst in den slag heeft somtijds een +bedenkelijk kunstmatig karakter. Froissart beschrijft een strijd van +Eduard III tegen een Fransch edelman bij Calais in termen, die zouden +doen vermoeden, dat het geen bittere ernst was. "Là se combati li rois à +monsigneur Ustasse moult longuement et messires Ustasse à lui, et tant +que il les faisoit moult plaisant veoir". Tenslotte geeft de Franschman +zich over, en wordt het geval besloten met een souper, dat de koning +zijn gevangene aanbiedt. [312]--In het gevecht van Saint Richier laat +Philips van Bourgondië wegens het gevaar zijn prachtige wapenrusting +door een ander dragen, maar het heet, dat het is, om als een gewoon +krijgsman zichzelf beter te beproeven. [313] Wanneer de jonge hertogen +van Berry en Bretagne Karel den Stoute volgen in zijn guerre du bien +public, dragen zij, naar aan Commines werd verteld, schijnharnassen van +satijn met vergulde spijkertjes. [314] + +Overal steekt de leugen door de gaten van het ridderlijke staatsiekleed. +De werkelijkheid verloochent voortdurend het ideaal. Vandaar dat het +steeds meer zich terugtrekt in de sfeer van litteratuur, feest en spel: +daar alleen was de illusie van het schoone ridderlijke leven te +handhaven; daar is men onder elkaar in de kaste, waarbinnen al die +sentimenten enkel gelding hebben. + +Het is verbazend, zooals de ridderlijkheid onmiddellijk in gebreke +blijft, waar zij zou moeten gelden jegens niet-gelijkwaardigen. Zoodra +het lageren in stand betreft, ontbreekt elke behoefte aan ridderlijke +hoogheid. De edele Chastellain heeft niet het geringste begrip voor de +koppige burgereer van den rijken brouwer, die zijn dochter niet aan 's +hertogen soldaat wil geven, en er lijf en goed aan waagt, om den hertog +te weerstreven. [315] Froissart vertelt zonder een zweem van eerbied, +hoe Karel VI het lijk van Philips van Artevelde wilde zien. "Quand on +l'eust regardé une espasse on le osta de là et fu pendus à un arbre. +Velà le darraine fin de che Philippe d'Artevelle." [316] De koning zou +zich zelfs niet ontzien hebben, het lijk te schoppen, "en le traitant de +vilain". [317] De gruwelijkste wreedheden van de edelen tegen de burgers +van Gent in den oorlog van 1382, wanneer zij veertig graanschippers +verminkt en met uitgestoken oogen naar de stad terugzenden, bekoelen +Froissart geen oogenblik in zijn geestdrift voor de ridderij. [318] +Chastellain, die zwelgt in de heldendaden van Jacques de Lalaing en +zijns gelijken, vermeldt zonder eenige sympathie die van een onbekenden +Gentschen knaap, die alleen op Lalaing aanviel. [319] La Marche zegt +althans naïef van heldenfeiten, door een Gentenaar uit het volk +verricht, dat het van belang zou zijn geweest, als het "un homme de +bien" geweest was. [320] + +Op alle wijzen drong anders de werkelijkheid de negatie van het +ridderlijke ideaal aan de geesten op. De veldheerskunst had sedert lang +de tournooihouding opgegeven: de oorlog van de veertiende en vijftiende +eeuw was er een van besluipen en verrassen, van strooptochten en raids. +De Engelschen hadden het eerst het afstijgen van de ridders in den slag +ingevoerd, en het werd aan Fransche zijde overgenomen. [321] Eustache +Deschamps meent spottend, dat het dient om het vluchten te beletten. +[322] Op zee, zegt Froissart, is het ijselijk vechten, want daar kan +men niet wijken en vluchten. [323] Buitengewoon naïef komt de +ontoereikendheid der ridderlijke opvattingen als militair beginsel uit +in het _Debat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre,_ een +tractaat van omstreeks 1455, waarin in den vorm van een twistgesprek de +voorrang van Frankrijk boven Engeland wordt betoogd. De Engelsche heraut +heeft den Franschen gevraagd, waarom zijn koning niet een groote +scheepsmacht onderhoudt, gelijk die van Engeland. Wel, antwoordt de +Fransche heraut, dat heeft hij niet noodig, en bovendien: de Fransche +adel houdt meer van den oorlog te land dan ter zee, om verschillende +redenen: "car il y a danger et perdicion de vie, et Dieu scet quelle +pitié quant il fait une tourmente (storm), et si est la malladie de la +mer forte à endurer à plusieurs gens. Item, et la dure vie dont il fault +vivre, qui n'est pas bien consonante à noblesse." [324] Hoe gering van +uitwerking ook nog, reeds kondigde het kanon de toekomstige veranderingen +van den oorlog aan. Het was als een ironische symboliek, dat het puik der +dolende ridders "à la mode de Bourgogne," Jacques de Lalaing, gedood werd +door een kanonschot. [325] + +Er was aan de adellijk-militaire carrière een financieele kant, die +dikwijls zeer vrijmoedig wordt bekend. Elke bladzijde der +laat-middeleeuwsche krijgsgeschiedenis geeft te verstaan, hoe zeer het +daarbij aankwam op het maken van aanzienlijke gevangenen, terwille van +den losprijs. Froissart verzuimt niet te vermelden, hoeveel de bedrijver +van een geslaagde overrompeling bij de zaak verdiende. [3286 Maar +behalve de directe baten van den oorlog spelen ook de pensioenen en +renten en gouverneursposten in het leven van den ridder een groote rol. +Het vooruitkomen wordt grif als doel aanvaard. "Je sui uns povres homs +qui desire mon avancement", zegt Eustache de Ribeumont. Froissart +vertelt zijn eindelooze faits divers van den ridderkrijg onder andere +tot voorbeeld van de dapperen, "qui se désirent à avanchier par armes." +[327] Deschamps heeft een ballade, waarin de ridders, knapen en +sergianten van het hof van Bourgondië staan te hunkeren naar den +betaaldag, met het refrein: + + "Et quant venra le tresorier?" [328] + +Chastellain vindt het natuurlijk en gepast, dat iemand die naar +aardschen roem streeft, gierig en berekenend is, "fort veillant et +entendant à grand somme de deniers, soit en pensions, soit en rentes, +soit en gouvernemens ou en pratiques." [329] En inderdaad schijnt zelfs +de edele Boucicaut, die allen ridders ten voorbeeld werd gesteld, van +bijzondere geldzucht niet vrij te zijn geweest. [330] De nuchtere +Commines begroot een edelman naar zijn salaris als "ung gentilhomme de +vingt escuz." [331] + +Tusschen al de luide verheerlijking van het ridderlijke leven en den +ridderlijken krijg klinkt af en toe de bewuste negatie van het +ridderideaal: soms nuchter, soms hoonend. De edelen zelf zagen bijwijlen +de opgepoetste ellende en de valschheid van zulk een leven van krijg en +tournooien.[332] Het was niet te verwonderen, dat de twee sarcastische +geesten, die voor het ridderdom niet dan spot en minachting hadden, +elkaar gevonden hebben: Lodewijk XI en Philippe de Commines. De +beschrijving van den slag bij Montlhéry bij Commines is in haar nuchter +realisme volkomen modern. Hier geen schoone heldendaden, geen fictief +dramatisch verloop, maar slechts het relaas van een voortdurend komen en +gaan, een twijfelen en vreezen, steeds verteld met een licht sarcasme. +Hij schijnt erin te genieten, als hij van smadelijk vluchten kan +vertellen en van den moed, die terugkeert, als het gevaar geweken is. +Hij gebruikt weinig het woord "honneur", en behandelt de eer bijna als +een noodzakelijk kwaad. "Mon advis est que s'il eust voulu s'en aller +ceste nuyt, il eust bien faict.... Mais sans doubte, là où il avoit de +l'honneur, il n'eust point voulu estre reprins de couardise". Zelfs waar +hij bloedige ontmoetingen verhaalt, zoekt men vergeefs de terminologie +der ridderschap: het woord dapperheid of ridderlijkheid kent hij niet. +[333] + +Zou het zijn Zeeuwsche moeder Margaretha van Arnemuiden zijn geweest, +van wie Commines zijn nuchteren geest had? Het schijnt immers wel, dat +in Holland, ondanks den Henegouwschen Willem IV, den ijdelen avonturier, +de riddergeest vroegtijdig aan het afsterven was, terwijl juist +Henegouwen, waarmee het vereenigd was, altijd het echte land van den +ridderlijken adel is geweest. Bij het Combat des Trente was de beste aan +Engelsche zijde een zekere Crokart, een voormalige knecht van de heeren +van Arkel. Hij had in den oorlog groot fortuin gemaakt: wel 60.000 +kronen en een stal met dertig paarden; daarbij had hij grooten roep van +dapperheid verworven, zoodat de koning van Frankrijk hem ridderschap en +een aanzienlijk huwelijk beloofde, als hij Fransch wilde worden. Deze +Crokart kwam met zijn roem en zijn rijkdom in Holland terug, en hield er +grooten staat; maar de Hollandsche heeren wisten nog wel, wie hij was, +en namen geen notitie van hem, zoodat hij terugkeerde naar het land, +waar men ridderlijke faam beter waardeerde. [334] + +Wanneer Jan van Nevers zich gereedmaakt, om de reis naar Turkije te +ondernemen, waar hij Nicopolis zou vinden, laat Froissart hertog +Albrecht van Beieren, den graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, tot +zijn zoon Willem zeggen: "Guillemme, puisque tu as la voulenté de +voyagier et aler en Honguerie et en Turquie et quérir les armes sur gens +et pays qui oncques riens ne nous fourfirent, ne nul article de raison +tu n'y as d'y aler fors que pour la vayne gloire de ce monde, laisse +Jean de Bourgoigne et nos cousins de France faire leurs emprises, et fay +la tienne à par toy, et t'en va en Frise et conquiers nostre héritage." +[335] + +Van al de landen van Bourgondië was de adel van Holland bij de +kruisgeloften van het feest te Rijssel verreweg het slechtst +vertegenwoordigd. Toen na het feest nog meer geloften schriftelijk in de +verschillende landen werden ingezameld, kwamen er uit Artois nog 27, uit +Vlaanderen 54, uit Henegouwen 27, en uit Holland 4, en deze luiden nog +zeer voorwaardelijk en voorzichtig. [336] + + * * * * * + +De chevalerie zou niet het levensideaal van eeuwen zijn geweest, indien +daarin niet hooge waarden aanwezig waren geweest voor de ontwikkeling +der samenleving, indien het niet sociaal, ethisch en aesthetisch +noodzakelijk was geweest. Juist in de schoone overdrijving had eenmaal +de kracht van dit ideaal gelegen. Het is, alsof de middeleeuwsche geest +in haar bloedige hartstochtelijkheid slechts te leiden was, door het +ideaal veel te hoog te stellen: zoo deed het de kerk, zoo deed het de +ridderlijke gedachte. "Without this violence of direction, which men and +women have, without a spice of bigot and fanatic, no excitement, no +efficiency. We aim above the mark to hit the mark. Every act hath some +falsehood of exaggeration in it." [337] + +Doch naarmate een cultuurideaal meer gevuld is met de aanspraak op de +hoogste deugden, is de disharmonie tusschen levensvorm en werkelijkheid +grooter. Het ridderideaal met zijn nog half-religieuzen inhoud kon +slechts worden beleden door een tijd, die nog voor zeer sterke +realiteiten de oogen kon sluiten, die vatbaar was voor de volstrekte +illusie. De zich vernieuwende beschaving dwingt, dat uit den ouden +levensvorm de al te hooge aspiraties worden prijsgegeven. De ridder gaat +over in den virtuoso der Renaissance, in den Franschen gentilhomme der +17e eeuw, tenslotte in den modernen gentleman, en bij elke transformatie +schijnt een hulsel van leugen af te vallen. + +De ridderlijke levensvorm was al te zwaar beladen met idealen van +schoonheid, deugd en nuttigheid. Bezag men hem met nuchteren +werkelijkheidszin, zooals Commines, dan leek al die hooggeroemde +chevalerie zoo nutteloos en onecht, een opgemaakte vertooning, een +belachelijk anachronisme: de werkelijke roerselen, die de menschen deden +handelen en het lot van staten en gemeenschappen bepaalden, lagen er +buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst +zwak, nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische +zijde, die immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een +waarlijk geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter +zonde en ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt +bezweek het ideaal: zelfs de schoonheid van dien levensvorm was aan alle +kanten open voor ontkenning. Al mocht het ridderlijke leven soms burgers +begeerlijk schijnen, uit den adel zelf kwam de groote moeheid en +onvoldaanheid voort. Het schoone spel van het hoofsche leven was zoo +bont, zoo valsch, zoo druk. Weg uit die moeizaam opgezette levenskunst +naar veiligen eenvoud en rust. + +Er waren dan twee wegen van het ridderlijk ideaal af: die naar het +werkelijke, actieve leven en den modernen geest van onderzoek, en die +naar de wereldverzaking. Maar deze laatste weg splitste zich als de Y +van Pythagoras in tweeën: de hoofdlijn was die van het echte geestelijk +leven, de zijlijn hield den rand van de wereld met haar genietingen. De +zucht naar het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en +verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg +open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en +lichter droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd +als een belofte van natuurlijk geluk met al den glans, waarmee zij sinds +Theocritus geschenen had. De groote bevrediging scheen mogelijk zonder +strijd, door een vlucht, weg van den wedijver vol haat en nijd om ijdele +eer en rang, weg van de drukkende, overladen weelde en staatsie en van +den wreeden, gevaarlijken krijg. + +De lof van het eenvoudig leven was een thema, dat de middeleeuwsche +litteratuur reeds van de Oudheid had meegekregen. Het dekt zich niet +volkomen met de pastorale; men heeft te doen met een positieve en een +negatieve uiting van hetzelfde sentiment: de eerste is de pastorale, de +laatste de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van +het aristocratische levensideaal. Doch beide vloeien voortdurend ineen. +Op het thema van de misère van het hofleven hadden reeds in de twaalfde +eeuw Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten _De nugis +curialum_ geschreven. In het veertiendeëeuwsche Frankrijk had het zijn +klassieke uitdrukking gekregen in het gedicht van Philippe de Vitri, +bisschop van Meaux, musicus en poëet beide, door Petrarca geprezen: _Le +Dit de Franc Gontier_. [338] De versmelting met de pastorale is hier +volkomen. + + "Soubz feuille vert, sur herbe delitable + Lez ru bruiant et prez clere fontaine + Trouvay fichee une borde portable, + Ilec mengeoit Gontier o dame Helayne + Fromage frais, laict, burre fromaigee, + Craime, matton, pomme, nois, prune, poire, + Aulx et oignons, escaillongne froyee + Sur crouste bise, au gros sel, pour mieulx boire." [339] + +Na den maaltijd kussen zij elkander "et bouche et nez, polie et bien +barbue"; vervolgens gaat Gontier in het bosch een boom hakken, terwijl +dame Helayne aan het wasschen gaat. + + "J'oy Gontier en abatant son arbre + Dieu mercier de sa vie seüre: + "Ne sçay--dit-il--que sont pilliers de marbre, + Pommeaux luisans, murs vestus de paincture; + Je n'ay paour de traïson tissue + Soubz beau semblant, ne qu'empoisonné soye + En vaisseau d'or. Je n'ay la teste nue + Devant thirant, ne genoil qui s'i ploye. + Verge d'uissier jamais ne me deboute, + Car jusques la ne m'esprent convoitise, + Ambicion, ne lescherie gloute. + Labour me paist en joieuse franchise; + Moult j'ame Helayne et elle moy sans faille, + Et c'est assez. De tombel n'avons cure." + Lors je dy: "Las! serf de court ne vault maille, + Mais Franc Gontier vault en or jame pure." [340] + +Dat bleef voor de volgende geslachten de klassieke uitdrukking van het +ideaal des eenvoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid, +met de geneuchten van matigheid, gezondheid, arbeid en natuurlijke, +onverwikkelde liefde in het huwelijk. + +Eustache Deschamps zong den lof van het eenvoudig leven en den afkeer +van het hof in tal van balladen na. Hij geeft onder andere één trouwe +nabootsing van _Franc Gontier:_ + + "En retournant d'une court souveraine + Où j'avoie longuement sejourné, + En un bosquet, dessus une fontaine + Trouvay Robin le franc, enchapelé, + Chapeauls de flours avoit cilz afublé + Dessus son chief, et Marion sa drue...." [341] + +Hij breidt het thema uit met de bespotting van krijgsmansleven en +ridderschap. In soberen ernst beklaagt hij de ellende en wreedheid van +den oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zeven +hoofdzonden zijn zijn dagelijksch werk, hebzucht en ijdele roemzucht +zijn het wezen van den krijg. + + ... "Je vueil mener d'or en avant + Estat moien, c'est mon oppinion, + Guerre laissier et vivre en labourant: + Guerre mener n'est que dampnacion." [342] + +Of wel hij verwenscht spottend dengeen, die hem zou willen uitdagen, of +laat zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt, +uitdrukkelijk verbieden. [343] Doch meestal is het het thema der aurea +mediocritas op zich zelf. + + "Je ne requier à Dieu fors qu'il me doint + En ce monde lui servir et loer, + Vivre pour moy, cote entiere ou pourpoint, + Aucun cheval pour mon labour porter, + Et que je puisse mon estat gouverner + Moiennement, en grace, sanz envie, + Sanz trop avoir et sanz pain demander, + Car au jour d'ui est la plus seure vie." [344] + +Roemzucht en winstbejag brengen niets dan ellende, de arme is tevreden +en gelukkig, en leeft ongestoord en lang: + + ... "Un ouvrier et uns povres chartons + Va mauvestuz, deschirez et deschaulx + Mais en ouvrant prant en gré ses travaulx + Et liement fait son euvre fenir. + Par nuit dort bien; pour ce uns telz cueurs loiaulx + Voit quatre roys et leur regne fenir." [345] + +De gedachte, dat de eenvoudige werker vier koningen overleeft, beviel +den dichter zoo goed, dat hij haar herhaaldelijk te pas bracht. [346] + +De uitgever van Deschamps' poëzie, Gaston Raynaud, neemt aan, dat al de +gedichten van deze strekking, [347] veelal onder de beste, die Deschamps +maakte, zijn toe te schrijven aan zijn laatsten tijd, toen hij, ontzet +van zijn ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het +hofleven zou hebben begrepen. [348] Een inkeer zou het dus zijn. Zou het +niet veeleer een reactie, een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf, +midden in zijn leven van jagenden hartstocht en overdaad heeft, stel ik +mij voor, deze producten begeerd en genoten van zijn brooddichter, die +een andermaal zijn gaven prostitueerde, om hun grofsten lachlust te +bevredigen. + +Omstreeks 1400 is het de kring van vroegste Fransche humanisten, +tendeele samenvallend met de reformpartij der groote conciliën, die op +het thema der misprijzing van het hofleven voortwerkt. Pierre d'Ailly +zelf, de groote theoloog en kerkpoliticus, dicht een pendant bij _Franc +Gontier_, het beeld van den tiran in zijn slavenleven vol van vreezen. +[349] Zijn geestverwanten gebruiken den nieuw opgefrischten Latijnschen +briefvorm ertoe: zoo Nicolaas de Clemanges, [350] zoo zijn correspondent +Jean de Montreuil. [351] Tot dien kring behoorde de Milanees Ambrosius +de Miliis, secretaris van den hertog van Orleans, die aan Gontier Col +een litterairen brief schreef, waarin een hoveling zijn vriend +waarschuwt voor de intrede in den hofdienst. [352] Deze brief, zelf in +vergetelheid geraakt, werd vertaald door, of kwam althans in vertaling +onder den titel _Le Curial_ op naam van Alain Chartier, den befaamden +hofdichter. [353] _Le Curial_ werd weer in het latijn overgebracht door +den humanist Robert Gaguin. [354] + +In den vorm van een allegorisch gedicht, trant _Roman de la rose_, +behandelde zekere Charles de Rochefort het thema. Zijn _L'abuzé en +court_ kwam op naam van koning René. [355] Jean Meschinot dicht als al +zijn voorgangers: + + "La cour est une mer, dont sourt + Vagues d'orgueil, d'envie orages.... + Ire esmeut debats et outrages, + Qui les nefs jettent souvent bas; + Traison y fait son personnage. + Nage aultre part pour tes ebats." [356] + +Nog in de zestiende eeuw had het oude thema zijn bekoring niet verloren. +[357] + +Veiligheid, rust en onafhankelijkheid, dat zijn de goede dingen, waarom +men het hof wil ontvlieden voor het eenvoudig leven in arbeid en +matigheid, temidden der natuur. Dat is de negatieve kant van het ideaal. +Doch de positieve kant is niet zoo zeer de vreugde aan arbeid en eenvoud +zelf als wel het welbehagen aan de natuurlijke liefde. Het herdersideaal +leidt ons onmiddellijk over tot de vormen der erotische cultuur. + + + +NOTEN: + + +[143] Deschamps, II p. 226. + +[144] Chastellain, Le miroer des nobles hommes en France, VI p. 204, +Exposition sur vérité mal prise, VI p. 416, L'entrée du roy Loys en +nouveau règne, VII p. 10. + +[145] Froissart, ed. Kervyn, XIII, p. 22; Jean Germain, Liber de +virtutibus ducis Burg., p. 109; Molinet, I p. 83, III p. 100. + +[146] Monstrelet, II p. 241. + +[147] Chastellain. VII p. 13-16. + +[148] Chastellain. III p. 82, IV p. 170, V p. 279, 309. + +[149] Jacques du Clercq. II p. 245. vgl. p. 339. + +[150] Zie hierboven blz. 15**. + +[151] Chastellain, III p. 82-89. + +[152] Chastellain, VII p. 90ss. + +[153] Chastellain, II p. 345. + +[154] Deschamps no. 113, t. I p. 230. + +[155] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius. Leiden 1613, p. 48, cap. IX. + +[156] Gerson, Opera, IV p. 583-622, zie Denifle & Chatelain, +Chartularium Univ. Paris. IV no. 1819. + +[157] Bij H. Denifle, La désolation des églises etc. en France. Paris +1897-'99, 2 vol., I p. 497-513. + +[158] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 402. + +[159] Rob. Gaguini Epistole et orationes, ed. L. Thuasne (Bibl. litt. de +la Renaissance t. II) Paris 1903, 2 vol., II p. 321, 350. + +[160] Froissart. ed. Kervyn, XII p. 4; Le livre des trahisons p. 19, 26; +Chastellain, I p. XXX, III p. 325, V p. 260. 275, 325, VII p. 466-480; +Thomas Basin, passim, vooral I p. 44, 56, 59, 115; vgl. La complainte du +povre commun et des povres laboureurs de France (Monstrelet, VI p. 176-190.) + +[161] Les Faictz et Dictz de messire Jehan Molinet, Paris, Jehan Petit, +1537, f. 87vso. + +[162] Ballade 19, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses +oeuvres, Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 296; vgl. Les +Lunettes des princes ib. p. 607, 613. + +[163] Masselin, Journal des Etats Généraux de France tenus à Tours en +1484, ed. A. Bernier, (Coll. des documents inédits) p. 672. + +[164] Deschamps, VI no. 1140, p. 67. + +[165] Deschamps, VI p. 124 no. 1176. + +[166] Molinet, II p. 104-107; Jean le Maire de Belges, Les chansons de +Namur 1507. + +[167] Chastellain. Le miroir des nobles hommes de France, VI p. 203, +211, 214. + +[168] Le Jouvencel, ed. C. Favre et L. Lecestre (Soc. de l'hist. de +France) 1887-'89, 2 vol., I p. 13. + +[169] Livre des faicts du mareschal de Boucicaut, Petitot. Coll. de +mém., VI p. 375. + +[170] Philippe de Vitri, Le chapel des fleurs de lis (1335), ed. A. +Piaget, Romania XXVII 1898, p. 80ss. + +[171] Zie daarover La Curne de Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne +chevalerie, 1781, II p. 94-96. + +[172] Molinet, I p. 16/17. + +[173] N. Jorga, Philippe de Mézières, p. 469. + +[174] l.c., p. 506. + +[175] Froissart, ed. Luce, I p. 2/3; Monstrelet, I p. 2; d'Escouchy, +I p. I; Chastellain, I prologue, II p. 116. VI p. 266; La Marche, I p. +187; Molinet, I p. 17, II p. 54. + +[176] Lefèvre de S. Remy, II p. 249; Froissart. ed. Luce, I p. I; vgl. +Le debat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre, ed. L. Pannier +et P. Meyer, (Soc. des anciens textes francais) 1887, p. 1. + +[177] Chastellain, V p. 443. + +[178] Les origines de la France contemporaine. La Révolution, I p. 190. + +[179] Die Kultur der Renaissance in Italien,(10) II p. 155. + +[180] l.c., I p. 152-165. + +[181] Froissart, ed. Luce, IV p. 112. + +[182] Le Dit de Vérité, Chastellain, VI p. 221. + +[183] Le livre de la paix, Chastellain, VII p. 367. + +[184] Froissart, ed. Luce, I p. 3. + +[185] Le cuer d'amours épris, Oeuvres du roi René, ed. De Quatrebarbes, +Angers 1845, 4 vol., t. III p. 112. + +[186] Lefèvre de S. Remy, II p. 68. + +[187] Doutrepont, p. 183. + +[188] La Marche, II p. 216, 334. + +[189] Ph. Wielant, Antiquités de Flandre, ed. De Smet (Corp. chron. +Flandriae IV) p. 56. + +[190] Commines, I p. 390, vgl. de anecdote bij Doutrepont, p. 185. + +[191] Chastellain, V p. 316-319. + +[192] P. Meyer, Bull. de la soc. des anc. textes français 1883, p. +45-54. + +[193] Deschamps. nos. 12, 93, 207, 239, 362, 403, 432, 652. I p. 86, +199, II p. 29, 69, X p. xxxv. Ixxviss. + +[194] Journal d'un bourgeois, p. 274. Een gedicht van 9 strofen over de +9 dapperen in verschillende handschriften van Haarlemsche keuren uit de +XVe eeuw, zie mijn Rechtsbronnen van Haarlem, p. xlvi vg. In het midden +der 16e eeuw kent John Coke hen nog als The Nyne Worthyes, The debate +betwene the Heraldes, ed. L. Pannier et P. Meyer, Le debat des hérauts +d'armes, p. 108 § 171. + +[195] Molinet, faictz et dictz, f. 151(v). + +[196] La Curne de Sainte Palaye, II p. 88. + +[197] Deschamps, no. 206, 239, II p. 27, 69, no. 312, II p. 324, Le lay +du tres bon connestable B. du Guesclin. + +[198] S. Luce, La France pendant la guerre de cent ans, p. 231: Du +Guesclin, dixième preux. + +[199] La mort du roy Charles VII. Chastellain, VI p. 440. + +[200] Laborde, II p. 242, no. 4091; 138, no. 242, id. p. 146, no. 3343, +p. 260, no. 4220, p. 266, no. 4255. Het souter is tijdens den Spaanschen +successieoorlog verworven door Joan van den Berg, commissaris der Staten +in België, en berust thans in de Leidsche Universiteitsbibliotheek. + +[201] Burckhardt, Kultur der Ren. I(14) p. 246. + +[202] Le livre des faicts du mareschal Boucicaut, ed. Petitot, Coll. de +mémoires 1e série, t. VI, VII. + +[203] Le livre des faicts, VI p. 379. + +[204] Ib. VII. p. 214, 185. 200/1. + +[205] Chr. de Pisan, Le débat des deux amants, Oeuvres poétiques, II p. 96. + +[206] Antoine de la Sale, La salade, chap. 3, Paris, M. Le Noir, 1521, +f. 4vso. + +[207] Le livre des cent ballades, ed. G. Raynaud (Soc. des anciens +textes français), p. Iv. + +[208] Ed. C. Favre et L. Lecestre, Soc. de l'hist. de France, 1887/9. + +[209] Le Jouvencel, I p. 25. + +[210] Le livre des faits du bon chevalier Messire Jacques de Lalaing, +ed. Kervyn de Lettenhove. Chastellain, Oeuvres VIII. + +[211] II p. 20. + +[212] W. James, The varieties of religious experience, Gifford lectures +1901/2, London 1903, p. 318. + +[213] Le livre des faicts, p. 398. + +[214] ed. G. Raynaud, Société des anciens textes francais, 1905. + +[215] Twee heidenen uit den roman van Aspremont. + +[216] Les Voeux du héron vs. 354-371, ed. Soc. des bibliophiles de Mons, +no. 8, 1839. + +[217] Brief van den graaf van Chimay aan Chastellain, Oeuvres, VIII p. 266. + +[218] Perceforest, bij Quatrebarbes, Oeuvres du roi René II p. xciv. + +[219] Des trois chevaliers et del chainse, van Jakes de Baisieux, ed. +Scheler, Trouvères belges I, 1876, p. 162. + +[220] Rel. de S. Denis, I p. 594ss.; Juvenal des Ursins, p. 379. + +[221] Dionysii Cartusiani Opera t. XXXVI p. 206. + +[222] Deschamps, I p. 222, no. 108, I p. 223, no. 109. + +[223] Journal d'un bourgeois de Paris, p. 59, 56. + +[224] La Marche, II p. 119, 144; d'Escouchy, I p. 245(1), 247(8); +Molinet, III p. 460. + +[225] Chastellain, VIII p. 238. + +[226] La Marche. I p. 292. + +[227] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, bij Chastellain, VIII +p. 188 s. + +[228] Oeuvres du roi René, I p. lxxv. + +[229] La Marche, III p. 123; Molinet, V p. 18. + +[230] La Marche, II p. 118, 121, 122, 133, 341; Chastellain, I p. 256, +VIII p. 217, 246. + +[231] La Marche, II p. 173, I p. 285; Oeuvres du roi René, I p. lxxv. + +[232] Oeuvres du roi René, I p. lxxxvi, II p. 57. + +[233] N. Jorga, Phil. de Mézières. p. 348. + +[234] Chastellain, II p. 7, IV p. 233 cf. 269, VI p. 154. + +[235] La Marche, I p. 109. + +[236] Statuten der orde, bij Luc d'Achéry, Spicilegium, III p. 730. + +[237] Chastellain. II p. 10. + +[238] Chronique scandaleuse, I p. 236. + +[239] Le songe de la thoison d'or, bij Doutrepont, p. 154. + +[240] Fillastre. Le premier volume de la toison dor, Paris 1515, fol. 2. + +[241] Boucicaut, I p, 504; Jorga, Ph. de Mézières, p. 83, 463(8); +Romania, XXVI p. 395(1), 396(2); Deschamps, XI p. 28; Oeuvres du roi +René, I p. xi; Monstrelet, V p. 449. + +[242] Deschamps, no. 908/10, XI p. 232, 14, 68. + +[243] Froissart. Poésies, ed. A. Scheler, (Acad. royale de Belgique) +1870-'72, 3 vol., II p. 341. + +[244] Alain Chartier, La ballade de Fougères, p. 718. + +[245] Richteren 6. + +[246] La Marche, IV p. 164; Jacques du Clercq, II p. 6. + +[247] Liber Karoleidos vs. 88 (Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous la +dom. des ducs de Bourg. III). + +[248] Gen. 30.32; 4 Reg. (2 Kon.) 3.4; Job 31.20; Psalm 71.6. +(Statenvert. 72.6: "nagras", waar Vulg. "vellus" heeft). + +[249] Guillaume Fillastre, Le Second volume de la toison dor, Paris, +Franc. Regnault, 1516. fol. 1, 2. + +[250] La Marche, III p. 201, IV p. 67; Lefèvre de S. Remy, II p. 292; +het ceremonieel van zulk een doop bij Humphrey van Glocester's heraut +Nicolas Upton, De officio militari, ed. E. Bysshe (Bissaeus) London, +1654, lib. I, c. XI, p. 19. + +[251] Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon, +(Bibl. elzevirienne) Paris, 1854, p. 241 ss. + +[252] Voeu du héron, ed. Soc. des bibl. de Mons, p. 17. + +[253] Froissart, ed. Luce, I p. 124. + +[254] Sedert eenigen tijd. + +[255] Zal uitgaan. + +[256] Rel. de S. Denis, III p. 72. Harald Harfagri doet de gelofte, zijn +haar niet te laten afsnijden, eêr hij heel Noorwegen veroverd heeft, +Haraldarsaga Harfagra, cap. 4; vgl. Voluspa 33. + +[257] Jorga, Ph. de Mézières, p. 76. + +[258] Claude Menard, Hist. de Bertrand du Guesclin, p. 39, 55, 410, 488, +La Curne, I p. 240. + +[259] Douet d'Arcq, Choix de Pièces inédites rel. au règne de Charles +VI. (Soc. de l'hist. de France 1863) I p. 370. + +[260] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, chap. XVI ss., +Chastellain, VIII p. 70. + +[261] Le petit Jehan de Saintré, chap. 48. + +[262] Germania cap. 31; La Curne, I p. 236. + +[263] Heimskringla, Olafssaga Tryggvasonar, cap. 35; Weinhold, +Altnordisches Leben, p. 462. + +[264] La Marche, II p. 366. + +[265] La Marche. II p. 381-387. + +[266] La Marche, l.c.; d'Escouchy, II p. 166, 218. + +[267] d'Escouchy, II p. 189. + +[268] Doutrepont, p. 513. + +[269] ib. p. 110, 112. + +[270] Chastellain, III p. 376. + +[271] Hierboven blz. 123. [Zie alinea die begint met: "Quant sommes ès +..., M.D.] + +[272] Chronique de Berne (Molinier no. 3103) bij Kervyn, Froissart, II +p. 531. + +[273] d'Escouchy, II p. 220. + +[274] Froissart, ed. Luce, X p. 240, 243. + +[275] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, Chastellain, VIII p. +158-161. + +[276] La Marche, IV Estat de la maison p. 34, 47. + +[277] Zie mijn verhandeling Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal +besef, de Gids 1912, 1. + +[278] Ps. 50, 19 (51, 20). + +[279] Monstrelet, IV p. 112; Pierre de Fenin, p. 363; Lefèvre de Saint +Remy, II p. 63; Chastellain, I p. 331. + +[280] Zie J.D. Hintzen, De kruistochtplannen van Philips den Goede, +Leidsche dissertatie 1918. + +[281] Chastellain, III p. 6, 10, 34, 77, 118, 119, 178, 334; IV p. 125, +128, 171, 431, 437, 451, 470; V p. 49. + +[282] La Marche, II p. 382. + +[283] Uit de voorgeschiedenis van ons nat. besef, de Gids 1912, I. + +[284] Monstrelet, I p. 43ss. + +[285] Monstrelet, IV p. 219. + +[286] Pierre de Fenin, p. 626/7; Monstrelet, IV p. 244; Liber de +Virtutibus, p. 27. + +[287] Lefèvre de Saint Remy, II p. 107. + +[288] Laborde, I p. 201s. + +[289] La Marche, II p. 27, 382. + +[290] Bandello, I nov. 39: Filippo duca di Burgogna si mette fuor di +proposito a grandissimo periglio. + +[291] F. von Bezold, Aus dem Briefwechsel der Markgräfin Isabella von +Este-Gonzaga, Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 396. + +[292] Chastellain. III p. 38-49; La Marche, II p. 400ss.; d'Escouchy, II +p. 300ss.; Corp. chron. Flandr., III p. 525; Petit Dutaillis, Documents +nouveaux, p. 113, 137.--Over een blijkbaar ongevaarlijken vorm van +gerechtelijk tweegevecht: Deschamps IX p. 21. + +[293] Froissart, ed. Luce, IV p. 89/94. + +[294] Froissart, IV p. 127/8. + +[295] Lefèvre de S. Remy, I p. 241. + +[296] Froissart, XI p. 3. + +[297] Rel. de S. Denis, III p. 175. + +[298] Froissart, XI p. 24ss., VI p. 156. + +[299] Ib., IV p. 110, 115. Andere soortgelijke gevechten b.v. Molinier, +Sources, IV no. 3707; Molinet, IV p. 294. + +[300] Rel. de S. Denis, I p. 392. + +[301] Le Jouvencel, I p. 209, II p. 99, 103. + +[302] Froissart, I p. 65. IV p. 49, II p. 32. + +[303] Chastellain, II p. 140. + +[304] Monstrelet, III p. 101; Lefèvre de S. Remy, I p. 247. + +[305] Molinet, II p. 36, 48, III p. 98, 453. IV p. 372. + +[306] Froissart. III p. 187, XI p. 22. + +[307] Chastellain, II p. 374. + +[308] Molinet, I p. 65. + +[309] Monstrelet, IV p. 65. + +[310] ib., III p. 111, Lefèvre de S. Remy, I p. 259. + +[311] Basin, III p. 57. + +[312] Froissart, IV p. 80. + +[313] Chastellain, I p. 260; La Marche, I p. 89. + +[314] Commines, I p. 55. + +[315] Chastellain, III p. 82ss. + +[316] Froissart, XI p. 58. + +[317] Ms. Kroniek van Oudenaarde, bij Rel. de S. Denis, I p.229(1). + +[318] Froissart, IX p. 220, XI p. 202. + +[319] Chastellain, II p. 259. + +[320] La Marche, II p. 324. + +[321] Chastellain, I p. 28, Commines, I p. 31; vgl. Petit Dutaillis in +Lavisse, Histoire de France, IV(2) p. 33. + +[322] Deschamps, IX p. 80, vgl. vs. 2228, 2295, XI p. 173. + +[323] Froissart, II p. 37. + +[324] La Débat des hérauts d'armes § 86, 87, p. 33. + +[325] Livre des faits, bij Chastellain, VIII p. 252(2) en xix. + +[326] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 24. + +[327] Froissart, IV p.83, ed. Kerv., XIp. 4. + +[328] Deschamps, IV no. 785, p. 289. + +[329] Chastellain, V p. 217. + +[330] Le Songe véritable, Mém. de la soc. de l'hist. de Paris, t. XVII +p. 325, bij Raynaud, Les cent ballades, p. 1v(1). + +[331] Commines, I, p. 295. + +[332] Livre messires Geoffroi de Charny, Romania XXVI. + +[333] Commines, I p. 36-42, 86, 164. + +[334] Froissart, IV p. 70, 302; vgl. ed. Kervyn de Lettenhove, Bruxelles +1869-1877, 26 vol., V p. 513. + +[335] Froissart, ed. Kervya, XV p. 227. + +[336] Doutrepont, p. 112. + +[337] Emerson, Nature, ed. Routledge, 1881, p. 230/1. + +[338] A. Piaget, Romania, XXVII 1898, p. 63. + +[339] Lez ru = bij een beek, o = met, bij, matton = roomkaas, aulx = +knoflook, escaillongne = sjalot. + +[340] Jame = gemme. + +[341] Deschamps, no. 315, III p. 1. + +[342] Deschamps, I p. 161, no.65, vgl. I p. 78 no. 7, p. 175 no. 75. + +[343] Deschamps, no. 1287, 1288, 1289. VII p. 33, vgl. no. 178, I p. 313. + +[344] Deschamps, no. 240, II p. 71, vgl., no. 196, II p. 15. + +[345] Deschamps, no. 184, I p. 320. Chartons = voerman, ouvrant = werkende. + +[346] Deschamps no. 1124, no. 307, VI p. 41, II p. 213, Lai de +franchise. + +[347] Vgl. verder Deschamps, no. 199, 200, 201, 258, 291, 970, 973, +1017, 1018, 1021, 1201, 1258. + +[348] Deschamps, XI p. 94. + +[349] Romania XXVII 1898, p. 64. + +[350] N. de Clemanges, Opera ed. 1613, Epistolae no. 14, p. 57, no. 18, +p. 72, no. 104, p. 296. + +[351] Joh. de Monasteriolo. Epistolae, Martène & Durand, Ampl. +Collectio. II. c. 1398. + +[352] Ib. c. 1459. + +[353] Alain Chartier, Oeuvres ed. Duchesne, 1617, p. 391. + +[354] Zie Thuasne. I p. 37, II p. 202. + +[355] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, IV p. 73, vgl. Thuasne, II +p. 204. + +[356] Meschinot, ed. 1522, f. 94, bij La Borderie, Bibl. de l'Ec. des +Chartes, LVI, 1895, p. 313. + +[357] Vgl. Thuasne, 1. c., p. 205. + + + * * * * * + + +IV + +DE VORMEN DER LIEFDE + + +Sedert de Provençaalsche troubadours der twaalfde eeuw het eerst de +melodie van het onbevredigd verlangen hadden aangeheven, hadden de +violen van het liefdelied al hooger en hooger gezongen, totdat alleen +Dante het instrument meer zuiver bespelen kon. + +Het was een der gewichtigste wendingen van den middeleeuwschen geest +geweest, toen hij voor het eerst een liefdesideaal ontwikkelde met een +negatieven grondtoon. De Oudheid had voorzeker ook het smachten en de +smarten der liefde bezongen; maar was toch eigenlijk daar het smachten +niet enkel gezien als het uitstel en de prikkel der zekere vervulling? +En in het droef-eindend liefdeverhaal der Oudheid was niet de +verijdeling van het verlangen het stemmingsmoment, maar het dramatisch +door den dood afbreken der reeds vervulde min, zooals van Cephalus en +Procris, van Pyramus en Thisbe. De aandoening van droefheid lag er niet +in de erotische onbevredigdheid, maar in het treurig lotgeval. Eerst in +de hoofsche minne der troubadours is de onbevredigdheid zelf hoofdzaak +geworden. Er was een erotische gedachtenvorm geschapen, die vatbaar was +om een overvloed van ethisch gehalte in zich op te nemen, zonder daarom +ooit het verband met de natuurlijke vrouwenliefde geheel op te geven. +Uit de zinnelijke liefde zelf was de edele vrouwendienst zonder +aanspraak op vervulling voortgesproten. De liefde moest nu het veld +zijn, waarop alle aesthetische en zedelijke volmaking des menschen +bloeien moest. Zuiver vergeestelijkt "vulde zij zich met de heiligste +vroomheid: la vita nuova. + +Toen moest een nieuwe wending komen. In den dolce stil nuovo van Dante +en zijn tijdgenooten was een uiterste bereikt. Petrarca staat alweer +weifelend tusschen het ideaal der vergeestelijkte hoofsche liefde en de +nieuwe inspiratie der Oudheid. En van Petrarca naar Lorenzo de Medici +neemt in Italië het minnelied den weg terug naar de natuurlijke +zinnelijkheid, die ook de bewonderde antieke modellen doordrong. Het +kunstig uitgewerkte systeem der hoofsche min was weder prijsgegeven. + +In Frankrijk en de landen, die onder den ban van Frankrijk's geest +stonden, was de wending anders gekomen. De ontwikkeling der erotische +gedachte sedert den hoogsten bloei der hoofsche lyriek is er minder +eenvoudig. De vormen van het systeem blijven van kracht, maar vullen +zich met anderen geest. Daar had, nog voordat de _Vita nova_ de eeuwige +harmonie vond van een vergeestelijkte passie, de _Roman de la rose_ +nieuwen inhoud gegoten in de vormen der hoofsche min. Ongeveer twee +eeuwen lang heeft het werk van Guillaume de Lorris en Jean Clopinel (of +Chopinel) [358] de Meun, begonnen vóór 1240 en vóór 1280 voltooid, niet +alleen de vormen der aristocratische liefde volkomen beheerscht, maar +bovendien door zijn encyclopaedischen rijkdom aan uitweidingen op alle +mogelijke gebieden de schatkamer opgeleverd, waaruit de beschaafde +leeken het levendste van hun geestelijke ontwikkeling putten. Het kan +niet gewichtig genoeg worden geschat, dat aldus de heerschende klasse +van een gansch tijdperk haar levenskennis en haar eruditie kreeg in het +raam van een ars amandi. In geen anderen tijd heeft zich het ideaal van +wereldlijke beschaving zoodanig geamalgameerd met dat der vrouwenliefde +als in de twaalfde tot vijftiende eeuw. Alle christelijke en +maatschappelijke deugden, alle volmaking van levensvormen waren in het +systeem der min geschikt in het kader der trouwe liefde. De erotische +levensbeschouwing, 't zij in haar ouderen zuiver hoofschen vorm, 't zij +in haar belichaming in den _Roman de la rose_, kan op één lijn gesteld +worden met de gelijktijdige scholastiek. Beide vertegenwoordigen een +grootsche poging van den middeleeuwschen geest, om onder één +gezichtspunt alles wat des levens is te begrijpen. + +In de bonte uitbeelding van de vormen der liefde concentreerde zich al +het streven naar levensschoonheid. Wie die schoonheid zocht in eer en +rang, zijn leven wilde tooien met praal en staatsie, kortom wie de +schoonheid des levens in den hoogmoed zocht, zag zich altijd weer +geplaatst voor het inzicht in de ijdelheid dier dingen. Maar in de +liefde scheen, tenzij men afscheid had genomen van alle aardsch geluk, +het doel en het wezen de genieting der schoonheid zelve. Hier was geen +levensschoonheid te scheppen uit edele vormen ter begeleiding van een +hoogen staat, hier woonde de diepste schoonheid en het hoogste geluk +zelf, en wachtte slechts om versierd te worden met kleur en stijl. Elk +ding van schoonheid, elke bloem en elke klank, kon dienst doen om den +levensvorm der liefde op te bouwen. + +Het streven naar de styleering der liefde was meer dan een ijdel spel. +Het was de geweldigheid van den hartstocht zelf, die aan deze felle +samenleving der late Middeleeuwen gebood, het liefdeleven te verheffen +tot een schoon spel van edele regels. Hier bovenal was op straffe van +barbaarschheid de behoefte, om de aandoeningen te encadreeren in vaste +vormen. Onder de lagere standen was de beteugeling der ongebondenheid +aan de Kerk overgelaten, die daarin slaagde zoo goed en zoo kwaad als +een kerk dat vermag. In de aristocratie, die zich onafhankelijker voelde +van de Kerk, omdat zij een stuk cultuur had buiten het kerkelijke, +vormde zich in de veredele erotiek zelf een rem op de teugelloosheid; +litteratuur, mode en omgangsvormen oefenden er een normeerenden invloed +op het liefdeleven uit. + +Of althans, zij schiepen een schoonen schijn, waarnaar men waande te +leven. Want in den grond bleef ook onder de hoogere standen het +liefdeleven bijster ruw. De dagelijksche zeden waren daarbij nog van een +vrijmoedige onbeschaamdheid, die latere tijden verloren hebben. De +hertog van Bourgondië laat voor het Engelsche gezantschap, dat hij te +Valenciennes verwacht, de badstoven der stad in orde maken "pour eux et +pour quiconque avoient de famille, voire bains estorés de tout ce qu'il +faut au mestier de Vénus, à prendre par choix et par élection ce que on +désiroit mieux, et tout aux frais du duc." [359] De ingetogenheid van +zijn zoon Karel den Stoute wordt hem door velen euvel geduid als voor +een vorst niet passend. [360] Onder de mechanieke vermakelijkheden van +den lusthof te Hesdin vermelden de rekeningen "ung engien pour moullier +les dames en marchant par dessoubz." [361] + +Doch het is geen tekortschieten aan het ideaal alleen. Naast den stijl +der veredele liefde had ook de ongebondenheid zelf haar stijl, en wel +een zeer ouden. Men kan hem den epithalamischen stijl noemen. Op het +gebied van de verbeeldingen der liefde erft een verfijnde samenleving +als die der laatste Middeleeuwen zooveel overoude motieven, dat de +erotische stijlen met elkaar wedijveren of zich onderling vermengen. +Veel ouder wortels en een even vitale beteekenis als de stijl der +hoofsche min had die primitieve vorm der erotiek, die de +geslachtsgemeenschap zelf verheerlijkt, door de christelijke cultuur +verdrongen uit zijn waarde van heilig mysterie, maar niettemin altijd +even levend. + +De geheele epithalamische toestel, met zijn onbeschaamden lach en zijn +phallische symboliek, had eens deel uitgemaakt van de heilige riten zelf +der bruiloftsviering. Huwelijksplechtigheid en bruiloftsfeest waren +éénmaal ongescheiden geweest: één groot mysterie, dat zich concentreerde +op de copulatie. Toen was de Kerk gekomen en had de heiligheid en het +mysterie voor zich genomen, door ze te verleggen naar het sacrament der +plechtige verbintenis. De accessoires van het mysterie, de stoet en het +lied en de juichkreet, had zij overgelaten aan het bruiloftsfeest. Maar +daar leefden zij nu, ontdaan van hun sacraal karakter, in des te +wulpscher ongebondenheid voort, en de Kerk was machteloos gebleven, die +daar te keeren. Geen kerkelijke zedigheid kon den heftigen levenskreet +van het Hymen o Hymenaee! dempen. Geen puriteinsche zin heeft de +schaamtelooze publiciteit van den huwelijksnacht uit de zeden doen +verdwijnen, immers onze zeventiende eeuw kent haar nog in vollen fleur. +Eerst het moderne individueele sentiment, dat in stilte en duister +hullen wilde, wat van twee alleen was, heeft die zede gebroken. + +Wanneer men zich herinnert, dat nog in 1641 bij de bruiloft van den +jongen prins van Oranje met Maria van Engeland de practical jokes niet +ontbraken, om den bruidegom, een knaap nog, de consummatie van het +huwelijk quasi te beletten, dan verbaast men zich niet over de +onbeschaamde uitgelatenheid, waarmee vorstelijke en adellijke huwelijken +omstreeks 1400 plachten gevierd te worden. Het obsceen gegrinnik, +waarmee Froissart de bruiloft van Karel VI met Isabeau van Beieren, +oorsprong van groote tragediën, verhaalt, of het epithalamium, dat +Deschamps aan Antonie van Bourgondië wijdde, kunnen als voorbeelden +strekken. [362] De _Cent nouvelles nouvelles_ vertellen als iets heel +gewoons van een bruidspaar, dat met de vroegmis trouwt, en na een +lichten maaltijd terstond te bed gaat. [363] Al de grappen, die hetzij +bij de bruiloft of bij het liefdeleven in 't algemeen hoorden, werden +ook voor het gezelschap van dames passend geacht. De _Cent nouvelles +nouvelles_ dienen zich aan, zij het met eenige ironie, als "glorieuse et +édifiant euvre", als verhalen "moult plaisants à raconter en toute bonne +compagnie". Een adellijke rijmer maakt een lascive ballade op verzoek +van Madame de Bourgogne en al de dames en jufferen van haar hof. [364] + +Het is duidelijk, dat al deze dingen niet gevoeld zijn als tekortkomingen +aan het hooge en stijve ideaal van eer en welvoegelijkheid. Er is hier +een tegenstrijdigheid, die niet mag worden verklaard door de edele vormen +en de groote mate van preutschheid, die de Middeleeuwen op ander gebied +vertoonen, als hypocrisie te beschouwen. Evenmin is de schaamteloosheid +een saturnalisch uit den band springen. Nog onjuister is het, om de +epithalamische obsceniteiten als een teeken van décadence, van +aristocratische overbeschaving te beschouwen, zooals ten opzichte van +onze zeventiende eeuw is geschied. [365] De dubbelzinnigheden, de obscene +woordspelingen, de lascive verzwijgingen hooren in den epithalamischen +stijl thuis, ze zijn er overoud. Ze worden begrijpelijk, als men ze +beschouwt tegen hun ethnologischen achtergrond: als de tot omgangsvormen +verzwakte resten van het phallische symbolisme der primitieve cultuur. +Als ontmunt mysterie derhalve. Wat eenmaal, toen de grenzen van spel en +ernst nog niet door de cultuur heen waren getrokken, de heiligheid van +het ritueele verbond met de uitgelatenheid der levensvreugde, kon in een +christelijke samenleving slechts meer gangbaarheid hebben als prikkelende +luim en spot. Dwars tegen vroomheid en courtoisie in handhaafden zich in +de bruiloftsgebruiken de sexueele verbeeldingen met al hun levende kracht. + +Men kan, als men wil, het geheele komisch-erotische genre beschouwen als +wilde loten uit den stam van het epithalamium: de vertelling, de klucht, +het liedje. Doch het verband met dien mogelijken oorsprong is lang +verloren; het is een litteratuurgenre op zich zelf geworden; de komische +werking is het zelfstandig doel geworden. Alleen de aard der komiek is +nog altijd dezelfde als die van het epithalamium: zij berust doorgaans +op de symbolische aanduiding der sexueele dingen, of de travesti der +geslachtsliefde in de begrippen van eenig maatschappelijk bedrijf. Bijna +elk werk of ambacht leende zijn termen tot erotische allegorie, toen als +altijd. Het ligt voor de hand, dat in de veertiende en vijftiende eeuw +vooral het tournooi, de jacht en de muziek [366] er de stof toe leverden. +De behandeling van liefdegevallen in de vormen van het rechtsgeding, +zooals de _Arrestz d'amour_, hoort feitelijk niet onder de categorie der +travesti. Doch er was een ander gebied, dat voor de inkleeding van het +erotische bijzonder geliefd was, en wel het kerkelijke. De uitdrukking +van het sexueele in kerkelijke termen werd in de Middeleeuwen toegepast +met een buitengewone vrijmoedigheid. In de _Cent nouvelles nouvelles_ is +het enkel het gebruik van woorden als bénir of confesser in obscenen +zin, of de woordspeling van saints en seins, die men niet moede werd te +herhalen. Doch in gekuischter opvatting ontwikkelt zich de kerkelijk- +erotische allegorie tot een litterairen vorm op zich zelf. Het is de +dichterkring van den fijnen Charles d'Orléans, die de droeve liefde +verbeeldt onder de gedaante der kloosterlijke askese, der liturgie en +van het martelaarschap. In navolging van de strenge hervorming van het +Franciscaansche kloosterleven omstreeks 1400 noemen zij zich Les +amoureux de l'observance. Het is als een ironische pendant van den +strakken ernst van den dolce stil nuovo. De heiligschennende strekking +wordt half geboet door de innigheid van het amoureuze sentiment. + + "Ce sont ici les dix commandemens, + Vray Dieu d'amours.... + Lors m'appella, et me fist les mains mettre + Sur ung livre, en me faisant promettre + Que feroye loyaument mon devoir + Des points d'amour". [367] + +Hij zegt van een gestorven minnaar: + + "Et j'ay espoir que brief ou (au) paradis + Des amoureux sera moult hault assis, + Comme martir et très honnoré saint." + +En van de eigen doode geliefde: + + "J'ay fait l'obseque de ma dame + Dedens le moustier amoureux, + Et le service pour son ame + A chanté Penser doloreux. + Mains sierges de soupirs piteux + Ont esté en son luminaire, + Aussi j'ay fait la tombe faire + De regrets...." [368] + +In het zuivere gedicht _L'amant rendu cordelier de l'observance +d'amour_, dat de opneming van een troosteloozen minnaar in het klooster +van de martelaars der liefde in den breede beschrijft, is al het +zacht-komische effekt, dat de kerkelijke travesti beloofde, tot het +uiterste uitgewerkt. Is het niet, alsof de erotiek telkens weer, zelfs +op perverse wijze, met het heilige een aanraking moest zoeken, die zij +lang te voren verloren had? + +De erotiek moest, om cultuur te zijn, tot elken prijs een stijl zoeken, +een vorm die haar bond, een uitdrukking, die haar bedekte. En zelfs waar +zij dien vorm versmaadde en afdaalde van scabreuze allegorie tot de +regelrechte en ongesluierde behandeling van het geslachtsleven, blijft +zij haars ondanks toch nog gestyleerd. Het geheele genre, dat door een +groven geest licht voor erotisch naturalisme gehouden wordt, dat, waar +de mannen nimmer uitgeput en de vrouwen altijd willig zijn, is evengoed +als de edelste hoofsche min een romantische fictie. Wat anders dan +romantiek is de laffe verwaarloozing van alle natuurlijke en +maatschappelijke complicaties der liefde, de bemanteling van al het +leugenachtige, het zelfzuchtige en het tragische in het geslachtsleven +met den schoonen schijn van een ongestoord jolijt? Ook hier is het de +groote cultuuraandrift: de zucht naar het schoone leven, de behoefte om +het leven schooner te zien dan de werkelijkheid het bood, de forceering +van het liefdeleven in den vorm van een fantastischen wensch, maar thans +door overdrijving naar den dierlijken kant. Ook hier een levensideaal: +het ideaal der onkuischheid. + +De werkelijkheid is te allen tijde slechter en ruwer geweest dan het +verfijnd litteraire liefdesideaal haar zag, maar ook zuiverder en +ingetogener dan de platte erotiek, die veelal als naturalistisch geldt, +haar voorstelde. Eustache Deschamps, de brooddichter, pleegt in tal +van komische balladen, waarin hij sprekend optreedt, zich tot de +liederlijkste gemeenheid te verlagen. Maar hij is niet de werkelijke +held van die obscene gevallen, en te midden ervan treft een teer versje, +waarin hij zijn dochter op de voortreffelijkheid van haar gestorven +moeder wijst. [369] + +Als bron van litteratuur en cultuur moest het gansche epithalamische +genre met al zijn uitloopers en vertakkingen steeds op de tweede plaats +blijven. Het heeft tot thema de uiterste en volledige bevrediging zelve, +het is directe erotiek. Maar datgene, wat tot levensvorm en +levensversiering dienen kan, is de indirecte erotiek, die tot thema +heeft de mogelijkheid der bevrediging, de belofte, het verlangen, het +ontberen, de nadering van het geluk. Hier wordt de opperste bevrediging +verschoven in het onuitgesprokene, omhuld met al de lichte sluiers der +verwachting. De indirecte erotiek is daardoor alleen reeds van veel +langer adem, bedekt een veel wijder levensveld. En zij kent de liefde +niet alleen en majeur of met het lachende masker, maar is ook in staat, +de smarten der liefde te verwerken tot schoonheid, en heeft daardoor +een oneindig hooger levenswaarde. Zij kan in zich opnemen de ethische +elementen van de trouw, den moed, de edele zachtmoedigheid, en zich +zoodoende verbinden met andere strevingen naar het ideale dan naar dat +der liefde alleen. + +Geheel in overeenstemming met den algemeenen geest der latere +Middeleeuwen, die al het denken tot het uitvoerigste wilde verbeelden en +in systeem brengen, had nu de _Roman de la rose_ aan de gansche erotische +cultuur een vorm gegeven, zoo bont, zoo wel-sluitend en zoo rijk, dat +hij was als een schat van profane liturgie, leer en legende. En juist +het tweeslachtige van den _Roman de la rose_, werk van twee dichters van +geheel verschillenden aard en opvatting, maakte hem nog bruikbaarder als +bijbelboek der erotische cultuur: men vond er teksten in voor verschillend +gebruik. + +Guillaume de Lorris, de eerste dichter, had nog het oude hoofsche ideaal +gehuldigd. Van hem was de bekorende opzet en de blijde, zoete verbeelding +van het onderwerp. Het is het steeds gebruikte thema van een droom. De +dichter ziet zich vroeg in een meimorgen uitgegaan, om den nachtegaal en +den leeuwerik te hooren. Zijn pad brengt hem langs een rivier tot den +muur van den geheimzinnigen tuin der liefde. Op dien muur ziet hij de +beeltenissen geschilderd van Haat, Verraad, Dorperheid, Hebzucht, +Gierigheid, Nijd, Droefgeestigheid, Ouderdom, Kwezelarij (Papelardie) en +Armoede: de anti-hoofsche eigenschappen. Maar Dame Oiseuse (Ledigheid), +de vriendin van Déduit (Vermaak), opent hem de poort. Daarbinnen leidt +Liesse (Blijheid) den dans. De Liefdegod danst er met Schoonheid in de +rei, waarin Rijkdom, Mildheid, Vrijmoedigheid (Franchise), Hoofschheid +(Courtoisie) en Jeugd deelen. Terwijl de dichter bij de Narcissusfontein +verzonken is in bewondering van den rozeknop, die hij daar ontwaart, +schiet de Liefdegod hem met zijn pijlen: Beauté, Simplesse, Courtoisie, +Compagnie en Beau-Semblant. De dichter verklaart zich Liefde's dienstman +(homme lige), Amour sluit hem het hart met een sleutel, en ontvouwt hem +liefde's geboden, liefde's kwaden (maux) en haar goed (biens). +Esperance, Doux-Penser, Doux-Parler, Doux-Regard heeten de laatste. + +Bel-Accueil, de zoon van Courtoisie, noodt hem tot de rozen, maar dan +komen de bewakers van de roos: Danger, Male-Bouche, Peur en Honte, en +verdrijven hem. Nu begint de verwikkeling. Raison daalt van haar hoogen +toren, om den minnaar te belezen, Ami troost hem, Venus spant haar +kunsten tegen Chasteté, Franchise en Pitié brengen hem naar Bel-Accueil +terug, die hem toestaat, de roos te kussen. Maar Male-Bouche vertelt +het, Jalousie komt aanloopen, en nu wordt om de rozen een sterke muur +gebouwd. Bel-Accueil wordt in een toren opgesloten. Danger en zijn +gezellen bewaken de poorten. Met een klacht van den minnaar eindigde het +werk van Guillaume de Lorris. + +Toen is Jean de Meun gekomen, vrij wat later waarschijnlijk, en heeft +het voortgezet met een veel omvangrijker vervolg en slot. Het verder +verloop van de handeling, de aanval en vermeestering van het kasteel der +rozen door Amour met al zijn bondgenooten, de hoofsche deugden, maar ook +Bien Celer, Faux-Semblant, verdrinkt bijna in den vloed van uitweidingen, +beschouwingen, verhalen, waarmee de tweede dichter het werk tot een ware +encyclopaedie heeft gemaakt. Maar wat vooral van gewicht is: hier sprak +een geest, zoo onbevangen, zoo sceptisch-koel en cynisch-wreed, als de +Middeleeuwen zelden hebben opgeleverd, daarbij een hanteerder der +Fransche taal als weinigen. De naïeve, lichte idealiteit van Guillaume +de Lorris werd overschaduwd door den ontkennenden geest van Jean de +Meun, die niet aan spoken en toovenaars en ook niet aan trouwe liefde en +vrouwelijke eerbaarheid geloofde, die voor pathologische problemen oog +had, die aan Venus, Nature en Genius de stoutste verdediging van +zinnelijken levensdrang in den mond legde. + +Wanneer Amor vreest, met zijn leger de nederlaag te zullen lijden, zendt +hij Franchise en Doux-Regard naar Venus, zijn moeder, die aan den oproep +gehoor geeft, en op haar duivenwagen te hulp komt. Als Amor haar den +staat van zaken meedeelt, zweert zij, geen kuischheid ooit meer bij +eenige vrouw te zullen laten, en spoort Amor aan, denzelfden eed ten +aanzien der mannen te doen, en het gansche leger zweert mede. + +Intusschen is Nature in haar smidse bezig met haar werk, het onderhouden +der soorten, haar eeuwige worsteling tegen den Dood. Zij beklaagt zich +bitter, dat van al de schepselen alleen de mensch haar geboden +overtreedt, en zich onthoudt van de voortteling. Op haar last begeeft +zich Genius, haar priester, na de lange biecht, waarin Nature hem haar +werken ontvouwt, naar het leger der Liefde, om daar Nature's vloek te +slingeren over de versmaders van haar geboden. Amor dost Genius uit met +een kazuifel, een ring, een staf en een mijter; Venus geeft hem +schaterlachende een brandende kaars in de hand, + + "Qui ne fu pas de cire vierge". + +De excommunicatie wordt ingeleid door de verwerping der maagdelijkheid +in een drieste symboliek, die uitloopt op een wonderlijk mysticisme. +De hel voor hen, die de geboden der natuur en der liefde niet in acht +nemen, voor de anderen de bebloemde weide, waar de Zoon der Maagd zijn +blanke schaapjes hoedt, die daar in eeuwige geneuchte de bloemen en het +kruid grazen, dat daar onverderfelijk bloeit. + +Wanneer Genius in de veste de kaars geslingerd heeft, wier vlam de +gansche wereld ontsteekt, begint de eindstrijd om den toren. Ook Venus +zelf slingert haar fakkel, dan vluchten Honte en Peur, en Bel-Accueil +staat den minnaar toe, de roos te plukken. + +Hier was derhalve met volle bewustheid het sexueele motief opnieuw in +het middelpunt geplaatst, en het was omkleed met zulk een kunstig +mysterie, ja met zooveel heiligheid, dat een grooter uitdaging aan het +kerkelijk levensideaal niet mogelijk was. In zijn volkomen heidensche +strekking kan men den _Roman de la rose_ als een schrede naar de +Renaissance beschouwen. In den uiterlijken vorm is hij schijnbaar echt +middeleeuwsch. Immers wat is middeleeuwscher dan de tot het uiterste +doorgevoerde personificatie der gemoedsaandoeningen en omstandigheden +der liefde? De figuren van den _Roman de la rose_: Bel accueil, +Doux-Regard, Faux Semblant, Male Bouche, Danger, Honte, Peur, staan op +één lijn met de echt-middeleeuwsche verbeeldingen van de deugden en +zonden in menschelijke gedaante: allegorieën of iets meer dan dat, +half-geloofde mythologemen. Doch waar is de de grens tusschen deze +voorstellingen en de herleefde nimfen, saters en geesten der +Renaissance? Ze zijn aan een andere sfeer ontleend, maar hun +verbeeldingswaarde is dezelfde, en de aankleeding van de figuren der +_Rose_ doet dikwijls denken aan de fantastisch bebloemde gestalten van +Botticelli. + +Hier was dan de liefdedroom verbeeld in een vorm, tegelijk gekunsteld en +gepassioneerd. De uitvoerige allegorie bevredigde alle eischen der +middeleeuwsche verbeelding. Zonder de personificaties had de geest de +gemoedsbewegingen niet kunnen uitdrukken en navoelen. Al de bonte kleur +en elegante lijn van dat onvergelijkelijke poppenspel was noodig, om een +begrippenstelsel der liefde te vormen, waarmee men elkander begreep. Men +hanteerde de figuren van Danger, Nouvel Penser, Male Bouche als de +gangbare termen van een wetenschappelijke psychologie. Het grondthema +hield den hartstocht levend. Want voor den bleeken dienst van een +getrouwde dame, die door de troubadours als onbereikbaar voorwerp van +smachtende vereering in de wolken was geschoven, was nu weer het +natuurlijkste erotische motief in de plaats gesteld: de hevige prikkel +van het geheim der maagdelijkheid, gesymboliseerd als de roos, en die te +winnen met kunst en volharding. + +In theorie was de liefde van den _Roman de la rose_ hoofsch en edel +gebleven. De tuin der levensvreugde is slechts voor uitverkorenen, en +door liefde toegankelijk. Wie hem betreden wil, moet vrij zijn van haat, +trouweloosheid, dorperheid, hebzucht, gierigheid, nijd, ouderdom, +huichelarij. Doch de positieve deugden, die hij daartegenover moet +stellen, toonen, dat het ideaal niet meer ethisch, als in de hoofsche +minne, maar enkel aristocratisch is. Het zijn: onbezorgdheid, +vatbaarheid voor vermaak, blijde zin, liefde, schoonheid, rijkdom, +mildheid, vrije zin (franchise) en courtoisie. Het zijn niet meer +evenzooveel veredelingen van den persoon door de afstraling der +geliefde, maar deugdelijke middelen om haar te winnen. En het is niet +meer de, zij het ook valsche, vereering der vrouw, die het werk bezielt, +maar, althans bij den tweeden dichter Jean Clopinel, de wreede +verachting voor haar zwakheid, de verachting, die in het zinnelijk +karakter dezer liefde zelf haar oorsprong heeft. + +Ondanks zijn groote heerschappij over de geesten had de _Roman de la +rose_ toch de oudere opvatting der liefde niet geheel kunnen verdringen. +Naast de verheerlijking van de flirt handhaafde zich ook de voorstelling +van de zuivere, ridderlijke, trouwe en zelfverzakende liefde, want deze +was een essentieel onderdeel van het ridderlijke levensideaal. Het was +een hoofsche twistvraag geworden in dien bonten kring van weelderig- +aristocratisch leven rondom den Franschen koning en zijn ooms van Berry +en Bourgondië, welke opvatting der liefde voor den waren edelman de +voorkeur verdiende; die van de echte courtoisie met haar smachtende +trouw en eerbaren dienst aan één dame, of die van den _Roman de la +rose_, waar de trouw slechts het middel was in dienst der jacht op de +vrouw. De edele ridder Boucicaut had zich met zijn tochtgenooten op een +reis naar het Oosten in 1388 tot den pleitbezorger der ridderlijke trouw +gemaakt, en met het dichten van het _Livre des cent ballades_ zich den +tijd gekort. De beslissing tusschen flirt en trouw wordt er den +beaux-esprits van het hof voorgelegd. + +Uit een dieper ernst welde het woord, waarmee eenige jaren later +Christine de Pisan zich in den strijd waagde. Deze moedige verdedigster +van vrouweneer en vrouwenrechten wendde zich tot den liefdegod met een +dichterlijken brief, die de klacht der vrouwen behelsde tegen al het +bedrog en al den smaad der mannen. [370] Zij wees de leer van den _Roman +de la rose_ met verontwaardiging van de hand. Sommigen vielen haar bij, +maar het werk van Jean de Meun had nog altijd een schaar van +hartstochtelijke vereerders en verdedigers. Er volgde een litteraire +strijd, waarin tal van voor- en tegenstanders het woord namen. En geen +geringe voorstanders waren het, die de _Rose_ hoog hielden. Vele knappe, +wetenschappelijke, doorgeleerde mannen,--verzekerde de proost van +Rijssel, Jean de Montreuil--, stelden den _Roman de la rose_ zoo hoog, +dat zij hem bijna vereerden (paene ut colerent), en dat zij liever hun +hemd zouden missen dan dat boek. [371] + +Het is voor ons niet gemakkelijk, de geestes- en gemoedssfeer te +begrijpen, waaruit de verdediging voortkwam. Want het waren geen wufte +hofjonkers, maar ernstige hooge ambtenaren, geestelijken zelfs tendeele, +zooals de genoemde proost van Rijssel Jean de Montreuil, secretaris van +den dauphin, later van den hertog van Bourgondië, die er met zijn +vrienden Gontier en Pierre Col in dichterlijke of latijnsche brieven +over correspondeerde, en anderen aanspoorde, om toch de verdediging van +Jean de Meun op zich te nemen. Het eigenaardigste is, dat deze kring, +die zich aldus kampioen stelde voor dat bonte, wulpsche, middeleeuwsche +werk, dezelfde is, waar de eerste kiemen van het Fransche humanisme +gekweekt werden. Jean de Montreuil is de schrijver van een groot aantal +Ciceroniaansche brieven vol humanistenwendingen, humanistenrhetoriek en +humanistenijdelheid. Hij en zijn vrienden Gontier en Pierre Col staan in +briefwisseling met den ernstigen reformgezinden theoloog Nicolaas de +Clemanges. + +Het was Jean de Montreuil zeker ernst met zijn litterair standpunt. Hoe +meer ik,--schrijft hij aan een ongenoemd rechtsgeleerde, die den Roman +bestreden had,--het gewicht der mysteriën en de mysteriën van het +gewicht van dat diepe en beroemde werk van meester Jean de Meun +doorvorsch, hoe meer ik mij verbaas over uwe afkeuring. Tot zijn +laatsten snik zal hij het verdedigen, en er zijn er velen, zooals hij, +die met geschrift, met stem en hand die zaak zullen dienen. [372] + +En als om te bewijzen, dat er in dien strijd over den _Roman de la rose_ +toch meer stak dan een stuk uit het groote gezelschapsspel van het +hofleven, nam tenslotte een man het woord, die wat hij sprak, terwille +van de hoogste zedelijkheid en zuiverste leer sprak, de beroemde +theoloog en kanselier der Parijsche universiteit Jean Gerson. Uit zijn +boekvertrek, des avonds 18 Mei 1402, dateerde hij een tractaat tegen den +_Roman de la rose_. Het is een antwoord op de bestrijding van een vorig +schrijven van Gerson door Pierre Col, [373] en ook dit was niet het +eerste geschrift, dat Gerson aan den Roman wijdde; het boek scheen hem +de gevaarlijkste pest, de bron van alle onzedelijkheid; hij wilde het +bij elke gelegenheid bestrijden. Herhaaldelijk trekt hij te velde tegen +den verderfelijken invloed "du vicieux romant de la rose." [374] Als hij +er een exemplaar van had,--zegt hij--, dat het eenige was, en duizend +pond waard, dan zou hij het liever verbranden, dan het te verkoopen om +in het licht te worden gegeven. + +Gerson ontleende den vorm van zijn betoog aan den tegenstander zelf: een +allegorisch vizioen. Op een morgen ontwakende voelt hij zijn hart hem +ontvlieden, "moyennant les plumes et les eles de diverses pensees, d'un +lieu en autre jusques a la court saincte de crestienté." Daar ontmoet +het Justice, Conscience en Sapience, en hoort, hoe Chasteté den Fol +amoureux, dat is Jean de Meun, aanklaagt, die haar van de aarde met al +haar volgelingen verbannen heeft. Haar "bonnes gardes" zijn juist de +booze figuren van den roman: "Honte, Paour et Dangier le bon portier, +qui ne oseroit ne daigneroit ottroyer neïs (pas même) un vilain baisier +ou dissolu regart ou ris attraiant ou parole legiere." Een reeks van +verwijten slingert Kuischheid den Fol amoureux tegen: hij laat door de +vermaledijde oude vrouw leeren, "comment toutes jeunes filles doivent +vendre leurs corps tost et chierement sans paour et sans vergoigne, et +qu'elles ne tiengnent compte de decevoir ou parjurer." Hij hoont het +huwelijk en het kloosterleven; hij richt al de fantazie op de +vleeschelijke lusten, en wat het ergste is, hij laat door Venus, door +Nature, zelfs door Dame Raison de begrippen van het Paradijs en de +christelijke mysteriën vermengen met die van het zingenot. + +Inderdaad, daar school het gevaar. Het groote werk met zijn vereeniging +van felle zinnelijkheid, hoonend cynisme en elegant symbolisme wekte in +de geesten een sensueel mysticisme, dat den ernstigen theoloog een +afgrond van zondigheid moest schijnen. Wat had niet Gerson's +tegenstander, Pierre Col, durven beweren! [375] Alleen de fol amoureux +zelf kan over de waarde van die dolle passie oordeelen; wie haar niet +kent, ziet haar slechts in een spiegel en een raadsel. Hij leende dus +voor de aardsche liefde het heilige woord van den brief aan de +Corinthen, om van haar te spreken, zooals de mysticus het van zijn +ekstase doet! Hij waagde het, te verklaren, dat Salomo's hoogheid tot +lof van Pharao's dochter is gedicht. Zij die het boek van de _Rose_ +hebben gesmaad, hebben voor Baal hun knieën gebogen. De Natuur wil niet, +dat één man één vrouw genoeg zij, en de Genius der Natuur is God. Ja, +hij durft Lucas II 23 misbruiken, om uit het evangelie zelf te bewijzen, +dat eertijds de vrouwelijke geslachtsorganen, de roos van den roman, +heilig zijn geweest. En vol vertrouwen in al die blasphemie roept hij de +verdedigers van het werk op, een turbe van getuigen, en dreigt Gerson, +dat deze zelf vervallen zal in een zinnelooze liefde, zooals het anderen +godgeleerden vóór hem is gebeurd. + +Het gezag van den _Roman de la rose_ is door Gerson's aanval niet +getaand. In 1444 biedt een kanunnik van Lisieux, Estienne Legris, aan +Jean Lebègue, griffier van de rekenkamer te Parijs, een _Répertoire du +roman de la rose_ van zijn hand. [376] Nog in het laatst der vijftiende +eeuw kan Jean Molinet verklaren, dat de uitspraken van de _Rose_ +gangbaar waren als algemeene spreekwoorden. [377] Hij voelt zich +geroepen, om van den geheelen roman een moraliseerenden commentaar te +geven, waar de bron uit het begin van het gedicht tot symbool van den +doop wordt, de nachtegaal, die tot de liefde roept, de stem van +predikers en godgeleerden, en de roos Jezus zelf. Zelfs Clément Marot +heeft nog een moderniseering van het werk gegeven. + +Terwijl de deftige geletterden hun pennestrijd voerden, vond de +aristocratie in den strijd een welkome aanleiding tot feestelijke +conversatie en pompeus vermaak. Boucicaut, geprezen door Christine de +Pisan om zijn hooghouden van het oude ideaal van ridderlijke trouw in de +liefde, vond wellicht in haar woord weer de aanleiding tot het stichten +van zijn Ordre de l'écu verd à la dame blanche, ter verdediging van +verdrukte vrouwen. Maar hij kon niet wedijveren met den hertog van +Bourgondië, en zijn orde werd terstond in de schaduw gesteld door de +grootsch opgezette Cour d'amours, die op 14 Februari 1401 werd opgericht +in het hôtel d'Artois te Parijs. Het was een luisterrijk aangekleed +litterair salon. Philips de Stoute, hertog van Bourgondië, de oude +berekenende staatsman, had met Lodewijk van Bourbon den koning verzocht, +het liefdehof in te stellen tot afleiding tijdens de pestepidemie, die +er heerschte, "pour passer partie du tempz plus gracieusement et affin +de trouver esveil de nouvelle joye." [378] Het liefdehof was gegrond +op de deugden van nederigheid en trouw, "à l'onneur, loenge et +recommandacion et service de toutes dames et damoiselles." De talrijke +leden waren getooid met de wijdluftigste titels: de beide oprichters en +Karel VI waren Grands conservateurs, onder de Conservateurs waren Jan +zonder Vrees, zijn broeder Antonie van Brabant, zijn jonge zoon Philips. +Er is een Prince d'amour: Pierre de Hauteville, een Henegouwer; er zijn +Ministres, Auditeurs, Chevaliers d'honneur conseillers, Chevaliers +trésoriers, Grands Veneurs, Ecuyers d'amour, Maîtres des requêtes, +Secrétaires, kortom de geheele toestel van hofhouding en regeering is er +nagebootst. Men vindt er naast prinsen en prelaten ook burgers en lagere +geestelijken. Werkzaamheid en ceremonieel waren nauwkeurig geregeld: er +werden refreinen opgegeven om te behandelen, en "ballades couronnées ou +chapelées", en "amoureuses chansons de cinq couplets", en "sirventois, +distiers, complaintes, rondeaux, lais, virelais." Er zouden debatten +worden gehouden "en forme d'amoureux procès, pour différentes opinions +soustenir." De dames zouden de prijzen uitreiken, en het was verboden om +verzen te maken, die de eer van het vrouwelijk geslacht aantastten. + +Hoe geweldig Bourgondisch is die pompeuze en statige opzet, die ernstige +vormen voor een gracieus vermaak. Het is opmerkelijk, doch verklaarbaar, +dat het hof het strenge ideaal van de edele trouw beleed. Doch als men +zou verwachten, dat nu ook de 700 leden, die bekend zijn uit de ongeveer +vijftien jaren, dat men van het bestaan van het gezelschap verneemt, +allen als Boucicaut de oprechte medestanders van Christine de Pisan, de +vijanden dus van den _Roman de la rose_ zijn geweest, komt men in strijd +met de feiten. Wat men van de zeden van Antonie van Brabant en andere +hooge heeren weet, maakt hen weinig geschikt tot verdedigers van +vrouweneer. Een der leden, een zekere Regnault d'Azincourt, is de +aanlegger van een mislukte schaking in grooten stijl, met twintig +paarden en een priester, van een jonge kramersweduwe. [379] Een ander +lid, de graaf van Tonnerre, staat schuldig aan een dergelijk vergrijp. +En als om afdoende te bewijzen, dat het alles slechts een schoon +gezelschapsspel was: de bestrijders van Christine de Pisan zelf in den +letterkundigen twist over den _Roman de la rose_ vindt men onder de +leden: Jean de Montreuil, Gontier en Pierre Col. [380] + + * * * * * + +Het is uit de litteratuur, dat men de liefdevormen van den tijd moet +leeren kennen, maar het is in het leven zelf, dat men ze zich moet +voorstellen. Daar was een heel stelsel van geijkte vormen, om een jong +leven van aristocratischen omgang mee te vullen. Wat al teekens en +figuren der liefde, die de latere eeuwen gaandeweg hebben prijsgegeven. +In plaats van Amor alleen had men de gansche zonderling persoonlijke +mythologie van den _Roman de la rose_. Zonder twijfel immers hebben Bel +accueil, Doux-penser, Faux semblant en de rest ook buiten de directe +litteratuurproducten in de verbeelding geleefd. Dan was er al de teedere +beteekenis der kleuren in kleeding, bloemen en sieraad. Voor Rabelais +was het een voorwerp van spot geworden, dat men naar de symbolische +beteekenis der kleuren vroeger zijn pages kleedde, zijn handschoen +borduurde en wat niet al. [381] In de veertiende en vijftiende eeuw nam +die kleurensymboliek in het amoureuze leven een gewichtige plaats in. + +Wanneer Guillaume de Machaut voor het eerst zijn onbekende geliefde +ziet, is hij verrukt, dat zij bij een wit kleed een kaproen draagt van +hemelsblauwe stof met groene papegaaien, want groen is de kleur der +nieuwe liefde en blauw van de trouw. Later als het hooggetij van zijn +dichterliefde voorbij is, droomt hij, dat haar beeltenis, die boven zijn +bed hangt, het hoofd afwendt, en geheel in het groen gekleed is, "qui +nouvelleté signifie". Hij dicht een verwijtende ballade: + + "En lieu de bleu, dame, vous vestez vert." [382] + +De ringen, de sluiers, al de kleinooden en geschenken der liefde hadden +hun bijzondere functie, met hun geheimzinnige deviezen en emblemen, +dikwijls in de gekunsteldste rebussen ontaard. De dauphin trekt in 1414 +ten strijde met een standaard, waarop in goud een K, een zwaan (cygne) +en een L, dat beduidde den naam van een hofdame zijner moeder Isabeau, +die la Cassinelle werd genoemd. [383] Rabelais bespot nog een eeuw later +de "glorieux de court et transporteurs de noms," die in hun deviezen +"espoir" door een "sphere", "peine" door "pennes d'oiseaux", +"melancholie" door een akelei (ancholie) aanduiden. [384] Coquillart +spreekt van een + + "Mignonne de haulte entreprise, + Qui porte des devises à tas." [385] + +Dan waren er de amoureuze vernuftspelletjes, zooals Le Roi qui ne ment, +Le chastel d'amours, Ventes d'amour, Jeux à vendre. Het meisje noemt den +naam van een bloem of iets anders; de jongeling moet er op rijmen met +een compliment: + + "Je vous vensla passerose. + --Belle, dire ne vous ose + Comment Amours vers vous me tire, + Si l'apercevez tout sanz dire". [386] + +Het Chastel d'amours was zulk een vraag- en antwoordspel, gebaseerd op +de figuren van den _Roman de la rose_: + + "Du chastel d'Amours vous demant: + Dites le premier fondement! + --Amer loyaument. + + Or me nommez le mestre mur + Qui joli le font, fort et seur! + --Celer sagement. + + Dites moy qui sont li crenel, + Les fenestres et li carrel! + --Regart atraiant. + + Amis, nommez moy le portier! + --Dangier mauparlant. + + Qui est la clef qui le puet deffermer? + --Prier courtoisement." [387] + +Een groote plaats in de hoofsche conversatie werd sinds de dagen der +troubadours ingenomen door de casuïstiek der liefde. Het was als 't ware +de veredeling van de nieuwsgierigheid en kwaadsprekerij tot een +litterairen vorm. Naast "beaulx livres, dits, ballades" wordt de +maaltijd aan het hof van Lodewijk van Orleans opgeluisterd door +"demandes gracieuses". [388] Men legt ze vooral den dichter ter +beslissing voor. Een gezelschap dames en heeren komt bij Machaut met een +reeks "partures d'amours et de ses aventures." [389] Hij had in zijn +_Jugement d'amour_ de stelling verdedigd, dat de dame, die door den dood +haar minnaar verliest, minder te beklagen is dan de minnaar eener +trouwelooze geliefde. Elk liefdegeval werd op die wijze naar strenge +normen gediscuteerd--"Beau sire, wat zoudt ge liever willen: dat men +kwaad sprak van uw geliefde en gij haar goed bevondt, of dat men goed +van haar sprak en gij haar slecht vondt?"--Waarop overeenkomstig het +hooge formeele eerbegrip en de dure plicht van den minnaar om voor de +uiterlijke eer der geliefde te waken, het antwoord luiden moest: "Dame, +j'aroie plus chier que j'en oïsse bien dire et y trouvasse mal." +--Wanneer een dame door haar eersten minnaar wordt veronachtzaamd, +handelt zij dan trouweloos, door een tweeden te nemen, die oprechter is? +Mag een ridder, die elke hoop heeft opgegeven, zijn dame te zien, daar +een jaloersche echtgenoot haar opgesloten houdt, zich eindelijk tot een +nieuwe liefde wenden? Wanneer een ridder zich van zijn geliefde keert +tot een vrouw van hoog aanzien, en daarop, teruggewezen, opnieuw haar +genade inroept, laat haar eer haar dan toe, hem te vergeven? [390] Van +deze casuïstiek is het maar een schrede naar de behandeling der +liefdevragen geheel in procesvorm, zooals Martial d'Auvergne ze geeft in +de _Arrestz d'amour._ + +Al deze omgangsvormen der liefde kennen wij slechts uit hun neerslag in +de litteratuur. Zij hoorden thuis in het werkelijk leven. De code van +hoofsche begrippen, regels en vormen diende niet uitsluitend, om er +versjes mee te maken, maar om ze toe te passen in het aristocratische +leven, of althans in de conversatie. Het is evenwel heel moeilijk, om +door de sluiers der poëzie heen het leven van den tijd te zien. Want ook +waar een werkelijke liefde zoo nauwkeurig mogelijk wordt beschreven, is +het toch van uit den waan van het geijkte ideaal, met den technischen +toestel der gangbare liefdesbegrippen, in de styleering van het +litteraire geval. Zoo is het met het, al te lange, relaas van een +dichterliefde tusschen een ouden poëet en een veertiendeëeuwsche +Bettina, _Le livre du Voit-Dit_ (d.w.z. Ware geschiedenis) van Guillaume +de Machaut. [391] Hij moet ongeveer zestig jaar oud zijn geweest, toen +de ongeveer achttienjarige Peronnelle d'Armentières [392], uit een +aanzienlijk geslacht in Champagne, hem in 1362 haar eerste rondel zond, +waarin zij den onbekenden beroemden dichter haar hart aanbood, terwijl +zij hem liet verzoeken, een dichterlijke liefdescorrespondentie met haar +te beginnen. De arme dichter, ziekelijk, aan één oog blind, geplaagd +door de jicht, is onmiddellijk in vlam. Hij beantwoordt haar rondel, en +een wisseling van brieven en gedichten begint. Peronnelle is trotsch op +haar litteraire verbintenis; zij maakt er aanvankelijk geen geheim van. +Zij wil, dat hij hun gansche liefde naar waarheid zal te boek stellen, +met inlassching van hun brieven en gedichten. Hij volbrengt die taak met +vreugde; "je feray, à vostre gloire et loenge, chose dont il sera bon +memoire". [393] "Et, mon très-dous cuer,--schrijft hij haar--, vous +estes courrecié de ce que nous avons si tart commencié? (hoe had zij +eerder gekund?) par Dieu aussi suis-je (met meer reden); mais ves-cy le +remede: menons si bonne vie que nous porrons, en lieu et en temps, que +nous recompensons le temps que nous avons perdu; et qu'on parle de nos +amours jusques à cent ans cy après, en tout bien et en toute honneur; +car s'il y avoit mal, vous le celeriés à Dieu, se vous poviés". [394] + +Wat er met een eerbare liefde bestaanbaar was, leert het verhaal, +waarmee Machaut de brieven en gedichten aaneenrijgt. Hij krijgt, op zijn +verzoek, haar geschilderd portret, dat hij eer bewijst als zijn God op +aarde. Vol angst over zijn eigen gebreken gaat hij de eerste samenkomst +tegemoet, en zijn geluk is uitbundig, wanneer zijn voorkomen de jonge +geliefde niet afschrikt. Zij legt zich onder een kerseboom in zijn +schoot te slapen, of kwansuis te slapen. Zij schenkt hem grooter +gunsten. Een pelgrimage naar Saint Denis en de Foire du Lendit geeft de +gelegenheid, om eenige dagen te zamen te zijn. Op een middag is het +gezelschap doodmoe van de drukte en de zomerhitte; het was midden Juni. +Zij vinden in de overvolle stad een onderkomen bij een man, die hun een +kamer met twee bedden afstaat. Op het eene legt zich in de donker +gemaakte kamer ter middagrust Peronnelle's schoonzuster, op het andere +zij zelf met haar kamenier. Zij dringt den schuchteren dichter, om zich +tusschen haar beiden te leggen; hij ligt doodstil uit vrees van haar te +storen, en als zij ontwaakt, beveelt zij hem, haar te omhelzen. Als het +einde van het reisje nadert, en zij zijn droefheid bespeurt, staat zij +hem toe, haar tot afscheid te komen wekken. En ofschoon hij ook bij die +gelegenheid blijft spreken van "onneur" en "onnesté", is het bij zijn +vrij onomwonden verhaal niet duidelijk, wat zij hem nog geweigerd kan +hebben. Zij geeft hem het gouden sleuteltje van haar eer, haar schat, om +die zorgvuldig te behoeden, maar het moet wel opgevat worden als haar +eerbaarheid voor de menschen, wat er nog te bewaren viel. [395] + +Meer geluk was den dichter niet weggelegd, en bij gebrek aan verdere +lotgevallen, vult hij de tweede helft van zijn boek met eindelooze +verhalen uit de mythologie. Tenslotte bericht zij hem, dat hun +verhouding een einde moet nemen, blijkbaar wegens haar huwelijk. Maar +hij besluit, haar altijd te blijven liefhebben en vereeren, en na hun +beider dood zal zijn geest aan God verzoeken, om haar ziel in glorie nog +te blijven noemen: Toute-belle. [396] + +Zoowel voor de zeden als voor de sentimenten leert ons _Le Voir-Dit_ +meer dan de meeste liefdeslitteratuur van den tijd. Vooreerst de +buitengewone vrijheid, die zich dit jonge meisje veroorloven kon, zonder +aanstoot te geven. Dan de naïeve onverstoorbaarheid, waarmee alles, tot +het intiemste, zich afspeelt in tegenwoordigheid van anderen, 't zij de +schoonzuster, de kamenier of den secretaris. Bij het samenzijn onder den +kerseboom verzint deze laatste zelfs een bevallige list: terwijl zij +sluimert, legt hij een groen blad op Peronnelle's mond, en zegt tot +Machaut, dat hij dat blad moet kussen. Als deze het eindelijk waagt, +trekt de secretaris het blad weg, zoodat hij even haar mond aanraakt. +[397] Even opmerkelijk is het samengaan van liefdes- en godsdienstplichten. +Het feit, dat Machaut als kanunnik van de kerk van Reims tot den +geestelijken stand behoorde, moet niet al te zwaar worden opgevat. De +lagere wijdingen, die voor het kanunnikschap voldoende waren, brachten +in dien tijd den eisch van het coelibaat niet gebiedend mede. Ook +Petrarca was kanunnik. Dat een bedevaart gekozen wordt, om elkaar te +ontmoeten, is ook niets buitengewoons. De bedevaarten waren zeer in trek +voor liefdesavonturen. Maar de pelgrimage wordt desondanks met ernst +verricht, "très devotement." [398] Bij een vorig samenzijn hooren zij +samen de mis, hij achter haar gezeten: + + "... Quant on dist: Agnus dei, + Foy que je doy à Saint Crepais, + Doucement me donna la pais, + Entre deux pilers du moustier (kerk). + Et j'en avoie bien mestier, + Car mes cuers amoureus estoit + Troublés, quant si tost se partoit." [399] + +De paix was het bordje, dat rondging om gekust te worden ter vervanging +van den vredeskus van mond tot mond. [400] Hier is natuurlijk de +bedoeling, dat Peronnelle hem haar eigen lippen bood. Hij wacht haar in +den tuin onder het zeggen van zijn getijden. Bij het aangaan van een +novene (een negendaagsche verrichting van bepaalde gebeden) doet hij, +als hij de kerk binnentreedt, binnensmonds de gelofte, dat hij ieder van +die dagen een nieuw gedicht op de liefste zou maken, wat hem niet belet, +van de groote devotie te spreken, waarmee hij bad. [401] + +Men moet bij dit alles niet denken aan een frivole of profane bedoeling; +Guillaume de Machaut is tenslotte een ernstig en hooggestemd dichter. +Het is de ons haast onbegrijpelijke onbevangenheid, waarmee in de dagen +vóór Trente de geloofsverrichtingen door het dagelijksche leven heen +waren gevlochten. Wij zullen er spoedig meer van moeten zeggen. + +Het sentiment, dat uit de brieven en de beschrijving van dit historische +liefdegeval spreekt, is week, zoet, een weinig ziekelijk. De uitdrukking +der gevoelens blijft gewikkeld in den langen omhaal van raisonneerende +bespiegeling en de aankleeding met allegorische verbeeldingen en +droomen. Er is iets roerends in de innigheid, waardoor de grijze +dichter, de heerlijkheid van zijn geluk en de voortreffelijkheid van +Toute-belle beschrijvende, zich niet bewust wordt, dat zij toch +eigenlijk met hem en met haar eigen hart maar heeft gespeeld. + +Uit ongeveer denzelfden tijd als Machaut's _Voit-Dit_ stamt een ander +werk, dat in zeker opzicht als tegenhanger zou kunnen dienen: _Le livre +du chevalier de la Tour Landry pour l'enseignement de ses filles_. [402] +Het is een geschrift uit adellijken kring evenals de roman van Machaut +en Peronnelle d'Armentières; speelde deze in Champagne en in en om +Parijs, de ridder de la Tour Landry verplaatst ons naar Anjou en Poitou. +Doch hier geen oude dichter, die zelf bemint, maar een vrij prozaïsche +vader, die herinneringen uit zijn jonge jaren, anecdoten en verhalen ten +beste geeft "pour mes filles aprandre à roumancier". Wij zouden zeggen: +om haar de beschaafde vormen in liefdezaken te leeren. Die leering valt +echter in het geheel niet romantisch uit. De strekking der exempelen en +vermaningen, die de zorgvuldige edelman zijn dochters voorhoudt, is +veeleer, haar te waarschuwen voor de gevaren van romantische flirt. Past +op voor die welbespraakte lieden, die altijd klaar staan met "faulx +regars longs et pensifs et petis soupirs et de merveilleuses contenances +affectées (aangedane) et ont plus de paroles à main que autres gens." +[403] Weest niet te toeschietelijk. Hij was als jongeling eens door zijn +vader op een kasteel gebracht, om met het oog op een gewenschte +verloving kennis te maken met de dochter. Het meisje had hem bijzonder +vriendelijk ontvangen. Om te ervaren, wat er in haar was, sprak hij met +haar over allerlei dingen. Het gesprek kwam op gevangenen, en de jonker +maakte een deftig compliment: "Ma demoiselle, il vaudroit mieulx cheoir +à estre vostre prisonnier que à tout plain d'autres, et pense que vostre +prison ne seroit pas si dure comme celle des Angloys."--Si me respondit +qu'elle avoyt veu nagaires cel qu'elle vouldroit bien qu'il feust son +prisonnier. Et lors je luy demanday se elle luy feroit male prison, et +elle ne dit que nennil et qu'elle le tandroit ainsi chier comme son +propre corps, et je lui dis que celui estoit bien eureux d'avoir si +doulce et si noble prison. Que vous dirai-je? Elle avoit assez de +langaige et lui sambloit bien, selon ses parolles, qu'elle savoit assez, +et si avoit l'ueil bien vif et legier." Bij het afscheid vroeg zij hem +wel twee of drie maal, om spoedig weerom te komen, alsof zij hem al lang +gekend had. "Et quant nous fumes partis, monseigneur de père me dist: +'Que te samble de celle que tu as veue. Dy m'en ton avis'." Maar haar al +te gereede aanmoediging had hem elken lust tot een nadere kennismaking +benomen. "'Mon seigneur, elle me samble belle et bonne, maiz je ne luy +seray jà plus de près que je suis, si vous plaist". Van de verloving +kwam niets, en de ridder vond natuurlijk reden, daar later geen berouw +van te hebben. [404] Dergelijke stukjes zóó uit het leven opgeteekende +herinnering, die ons doen zien, hoe de zeden zich paarden aan het +ideaal, zijn ongelukkig in de eeuwen, waarvan hier sprake is, nog +uitermate zeldzaam. Had de ridder de la Tour Landry ons maar wat meer +uit zijn eigen leven verteld. Het meeste zijn ook bij hem bespiegelingen +van algemeenen aard. Hij denkt voor zijn dochters in de eerste plaats +aan een goed huwelijk. En het huwelijk had met de liefde weinig te +maken. Hij geeft een breedvoerig "debat" tusschen hemzelf en zijn vrouw +over het geoorloofde der liefde, "le fait d'amer par amours". Hij meent, +dat een meisje in zekere gevallen wel in eere kan beminnen, bij +voorbeeld "en esperance de mariage". De vrouw is daar tegen. Een meisje +moet liever in het geheel niet verliefd worden, ook niet op haar +verloofde. Het houdt haar maar af van de ware vroomheid. "Car j'ay ouy +dire à plusieurs, qui avoient esté amoureuses en leur juenesce, que, +quant elles estoient à l'eglise, que la pensée et la merencolie [405] +leur faisoit plus souvent penser à ces estrois pensiers et deliz de +leurs amours que ou (au) service de Dieu, [406] et est l'art d'amours de +telle nature que quant l'en (on) est plus au divin office, c'est tant +comme le prestre tient nostre seigneur sur l'autel, lors leur venoit +plus de menus pensiers". [407]--Deze diepe zielkundige observatie +konden Machaut en Peronnelle beamen. Doch overigens welk een verschil +in opvatting tusschen den dichter en den ridder! Hoe nu met deze +austeriteit weer te rijmen, dat de vader zijn dochters ter leering +herhaaldelijk vertelsels opdischt, die om hun scabreuzen inhoud in de +_Cent nouvelles nouvelles_ niet misplaatst zouden zijn geweest? + +Juist het gering verband van de schoone vormen van het hoofsche +liefdesideaal met de realiteit van verloving en huwelijk maakte, dat het +element van spel, van conversatie, van litterair vermaak in alles wat +het verfijnde liefdeleven betrof, zich te ongehinderder kon ontplooien. +Het ideaal der liefde, de schoone fictie van trouw en opoffering had +geen plaats in de zeer materieele overleggingen, waarmee een huwelijk, +en bovenal een adellijk huwelijk tot stand kwam. Het kon slechts worden +beleefd in de gedaante van een bekorend of hartverheffend spel. Het +tournooi gaf dat spel der romantische liefde in zijn heroïeken vorm. +De pastorale idee leverde den idyllischen vorm ertoe. + +De pastorale is in haar wezenlijkste beteekenis iets meer dan een +litterair genre. Het is niet te doen om de beschrijving van het +herdersleven met zijn eenvoudige en natuurlijke geneuchten, maar om het +naleven ervan. Het is een Imitatio. Er was een fictie, dat in het +herdersleven de ongestoorde natuurlijkheid der liefde verwezenlijkt was. +Daarheen wou men vlieden, zoo niet in werkelijkheid, dan in droom. +Telkens weer heeft het herdersideaal moeten dienen als geneesmiddel, +om de geesten te bevrijden uit de kramp van een opgeschroefde +dogmatiseering en formaliseering der liefde. Men snakte naar verlossing +uit de knellende begrippen van ridderlijke trouw en dienst, uit den +bonten toestel der allegorie. En ook uit de ruwheid, de baatzucht en +de maatschappelijke zonden van het liefdeleven der werkelijkheid. Een +gemakkelijk bevredigde, eenvoudige liefde, temidden van onschuldig +natuurgenot. Dat scheen het deel van Robin en Marion, van Gontier en +Helayne. Zij waren de gelukkigen, de benijdbaren; de veelgesmade dorper +wordt op zijn beurt het ideaal. + +De late Middeleeuwen evenwel zijn nog zoo echt aristocratisch en zoo +weerloos tegenover een schoonen waan, dat de cultuur het niet verder +brengt dan het toepassen van een zeer gekunstelde versiering op de +hoofsche zeden. Wanneer de adel der vijftiende eeuw herder en herderin +speelt, dan is het gehalte van echte natuurvereering en bewondering van +eenvoud en arbeid nog heel zwak. Wanneer Marie Antoinette drie eeuwen +later melkt en karnt in Trianon, dan is het ideaal reeds gevuld met den +ernst van de physiocraten: natuur en arbeid zijn reeds de groote +slapende godheden van den tijd geworden; toch maakt de aristocratische +cultuur er nog spel van. Wanneer omstreeks 1870 de Russische +intellectueele jeugd zich onder het volk begeeft, om zelf als boeren +voor de boeren te leven: het narodnitsjestwo, dan is het ideaal bittere +ernst geworden. En ook toen bleek de verwezenlijking een waan. + +Er was één poëtische vorm, die den overgang vertegenwoordigt tusschen de +eigenlijke pastorale en de werkelijkheid, namelijk de Pastourelle, het +korte gedicht, dat het gemakkelijk avontuur van den ridder met het +landmeisje bezingt. Daar vond de directe erotiek een frisschen, +eleganten vorm, die haar boven het platte verhief en toch al de bekoring +van het natuurlijke behield. Men moet er sommige schetsen van Guy de +Maupassant mee vergelijken. + +Werkelijk pastoraal is echter het sentiment eerst, als ook de minnaar +zelf zich als herder denkt. Daarmee verzinkt elke aanraking met de +werkelijkheid. Alle elementen der hoofsche liefdesopvatting worden +eenvoudig getransponeerd in het herderlijke; een zonnig droomland hult +het verlangen in een waas van fluitspel en vogelgeschal. Het is een blij +geluid; ook de droefheden der liefde: het smachten en klagen, het leed +van de verlatene, worden opgenomen in dien zoeten toon. In de pastorale +vindt telkens weer de erotiek de aanraking terug met het natuurgenot, +dat haar onmisbaar was. Zoo wordt de pastorale het veld, waarop zich de +litteraire uitdrukking van het natuurgevoel ontwikkelt. Aanvankelijk is +het haar nog niet te doen om het beschrijven van natuurschoonheid, maar +om het onmiddellijk welbehagen aan zon en zomer, schaduw en frisch +water, bloemen en vogels. Natuurobservatie en schildering komt eerst +in de tweede plaats; de hoofdbedoeling blijft de liefdedroom; als +bijproduct levert de herderlijke poëzie allerlei bevallig realisme. De +schildering van het landleven in een gedicht als _Le dit de la pastoure_ +van Christine de Pisan opent een genre. + +Eenmaal als hoofsch ideaal opgenomen wordt de herderij een masker. Alles +laat zich dossen in de herderlijke travesti. De fantaziesferen van de +pastorale en van de ridderlijke romantiek vermengen zich. Een tournooi +wordt opgevoerd in de aankleeding van een herdersspel. Koning René houdt +zijn Pas d'armes de la bergère. + +De tijdgenooten schijnen toch werkelijk in deze vertooning iets echts +gezien te hebben; een ongenoemde dichter geeft koning René's herdersleven +een plaats onder de Merveilles du monde: + + "J'ay un roi de Cécille + Vu devenir berger + Et sa femme gentille + De ce mesme mestier, + Portant la pannetière, + La houlette et chappeau, + Logeans sur la bruyère + Auprès de leur trouppeau." [408] + +Een andermaal moet de pastorale dienen, om de lasterlijkste politieke +satire een dichterlijk kleed te verleenen: een Bourgondisch partijganger +steekt al den haat tegen den vermoorden hertog van Orleans in het gewaad +van een aanminnig herdersdicht: _le Pastoralet._ [409] Bij de hoffeesten +ontbreekt nooit het pastorale element. Het leende zich uitstekend voor +de maskerades, die als entremets de feestmaaltijden opluisterden, en het +was bovendien bijzonder geschikt voor politieke allegorie. Het beeld van +den vorst als herder en het volk als zijn kudde was immers reeds van een +andere zijde den geest binnengekomen: uit de kerkvaderlijke voorstellingen +van den oorspronkelijken staatsvorm: als herders hadden de aartsvaders +geleefd, het rechte overheidsambt, zoo goed het wereldlijke als het +geestelijke, was geen heerschen maar een hoeden. + + "Seigneur, tu es de Dieu bergier; + Garde ses bestes loyaument, + Mets les en champ ou en vergier, + Mais ne les perds aucunement, + Pour ta peine auras bon paiement + En bien le gardant, et se non, + A male heure reçus ce nom." [410] + +In deze verzen uit Jean Meschinot's _Lunettes des princes_ is geen +sprake van eigenlijk pastorale voorstelling. Maar zoodra men dat ging +verbeelden, vloeide het daarmee van zelf ineen. Een entremets bij het +feest van Brugge in 1468 verheerlijkte de vroegere vorstinnen als de +"nobles bergieres qui par cy devant ont esté pastoures et gardes des +brebis de pardeça." [411] Een spel te Valenciennes bij de terugkomst van +Margareta van Oostenrijk uit Frankrijk in 1493 vertoonde, hoe het land +herstelt van zijn verwoesting "le tout en bergerie". [412] Wij kennen +allen de politieke pastorale in de _Leeuwendalers_. De voorstelling van +den vorst als herder klinkt ook in het _Wilhelmus_: + + "Oirlof mijn arme schapen + Die sijt in grooter noot, + Uw herder sal niet slapen, + Al sijt gij nu verstroyt." + +Zelfs in den echten oorlog speelt men met de pastorale verbeelding. De +bombardes van Karel den Stoute voor Granson heeten "le berger et la +bergère". Wanneer de Franschen hoonend zeggen, dat de Vlamingen slechts +herders zijn en onbekwaam tot het krijgshandwerk, trekt Philips van +Ravestein met vierentwintig edelen te velde, uitgedost als herders, met +herdersstaf en broodkorfje. [413] + +Evenals de trouwe ridderlijke liefde tegenover de opvattingen van den +_Roman de la rose_ de stof leverde tot een eleganten litterairen twist, +zoo werd ook het herdersideaal het onderwerp van zulk een strijd. Ook +hier proefde men de leugen te sterk op de tong, en moest men haar +bespotten. Hoe weinig geleek het hyperbolisch gekunstelde, overdadig +bonte leven van de laat-middeleeuwsche aristocratie op het ideaal van +eenvoud, vrijheid en zorgeloos trouwe liefde te midden der natuur! Op +het thema van Philippe de Vitri's Franc Gontier, type van den gouden- +eeuwschen eenvoud, had men eindeloos gevarieerd. Iedereen verklaarde te +hongeren naar Franc Gontier's maal op het gras onder 't lommer met dame +Helayne, zijn menu van kaas, boter, room, appelen, uien en bruin brood, +zijn lustig houthakkerswerk, zijn vrijheidszin en onbezorgdheid: + + "Mon pain est bon; ne faut que nulz me veste; + L'eaue est saine qu'à boire sui enclin, + Je ne doubte ne tirant ne venin." [414] + +Soms viel men wel eens even uit de rol. Dezelfde Eustache Deschamps, die +het leven van Robin en Marion en den lof van den natuurlijken eenvoud en +het werkzaam leven herhaaldelijk bezingt, betreurt het, dat het hof +danst bij de cornemuse, "cet instrument des hommes bestiaulx". [415] +Maar het vereischte de veel dieper gevoeligheid en scherpe skepsis van +François Villon, om al de onwaarheid van dien schoonen levensdroom te +zien. Er ligt een onbarmhartige bespotting in de ballade _Les contrediz +Franc Gontier_. Cynisch stelt Villon tegenover de zorgeloosheid van dien +idealen buitenman met zijn maal van uien "qui causent fort alaine" en +zijn liefde onder de rozen, het gemak van den vetten kanunnik, die de +zorgeloosheid en de liefde geniet in een wel behangen kamer met een +haardvuur, goeden wijn en een zacht bed. Het bruine brood en het water +van Franc Gontier? "Tous les oyseaulx d'ici en Babiloine" zouden Villon +geen morgen bij zulk een kost kunnen houden. [416] + +Evenals de schoone droom van het ridderideaal moesten ook de andere +vormen, waarin het liefdeleven cultuur wilde worden, als onecht en +leugenachtig worden verzaakt. Noch het dwepende ideaal van edele, +kuische riddertrouw, noch de wreed-verfijnde wellust van den _Roman de +la rose_, noch de zoete, gemakkelijke fantazie der pastorale, konden +bestaan voor den storm van het leven zelf. Die storm blies van alle +kanten. Van het geestelijk leven uit klinkt de vervloeking van alles wat +der liefde is, als de zonde, die de wereld verderft. Onder in den +schitterenden kelk van den _Roman de la rose_ ziet de moralist al den +bitteren droesem. "Vanwaar,--roept Gerson uit--vanwaar de bastaarden, +vanwaar de kindermoorden, de afdrijvingen, vanwaar de haat en de +vergiftiging van echtgenooten?" [417] + +Van den kant der vrouwen zelf klinkt een andere aanklacht. Al die +conventioneele vormen der liefde zijn mannenwerk. Ook waar zij in +geïdealiseerde vormen gegoten is, blijft die gansche erotische cultuur +door en door mannelijk-zelfzuchtig. Wat is de altijd herhaalde smaad +tegen het huwelijk en over de zwakheden van de vrouw: haar ontrouw en +haar ijdelheid, anders dan de dekmantel der mannelijke zelfzucht? Op al +dien smaad antwoord ik enkel, zegt Christine de Pisan: het zijn niet de +vrouwen, die de boeken gemaakt hebben. [418] + +Er is inderdaad noch in de erotische, noch in de vrome litteratuur der +Middeleeuwen een spoor van echt medelijden met de vrouw, met haar +zwakheid en de gevaren en smarten, die haar de liefde bereidt. Het +medelijden had zich geformaliseerd in het fictieve ridderlijke ideaal +van de bevrijding der maagd, waar het eigenlijk enkel sensueele +prikkeling en zelfvoldoening was. Nadat de schrijver van de _Quinze +joyes de mariage_ al de zwakheden der vrouwen in een mat en fijn +gekleurde satire heeft opgesomd, biedt hij wel aan, om nu ook de +verongelijking der vrouwen te beschrijven, [419] maar hij doet het niet. +Om een teere, vrouwelijke stemming uitgedrukt te vinden, moet men het +Christine zelf vragen, zooals in haar versje, dat begint: + + "Doulce chose est que mariage, + Je le puis bien par moy prouver".... [420] + +Doch hoe zwak klinkt het geluid van een enkele vrouw tegen dat koor van +hoon, waarin de platte bandeloosheid instemt met de zedepreek. Want er +is maar een geringe afstand tusschen de homiletische vrouwenverachting +en de ruwe ontkenning der ideale liefde door de prozaïsche zinnelijkheid, +door de wijsheid van de bittertafel. + +Het schoone spel van de liefde als levensvorm bleef gespeeld in den +ridderlijken trant, in den herderlijken en in den kunstigen opzet van de +rozen-allegorie, en al klonk van alle kanten de verloochening van al die +conventie, toch behielden die vormen hun levens- en cultuurwaarde tot +lang na de Middeleeuwen. Want de vormen, waarin het ideaal der liefde +zich nu eenmaal hullen moet, zijn maar enkele voor alle tijden. + + + +NOTEN: + + +[358] Aldus wil de nieuwste uitgever van den Roman de la rose, +E. Langlois, den naam herstellen. + +[359] Chastellain, IV p. 165. + +[360] Basin, II p. 224. + +[361] La Marche, II p. 350(2). + +[362] Froissart, IX p. 223-236; Deschamps, VII no. 1282. + +[363] Cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 15, vgl. I p. 277, II +p. 20, 168 etc. en Quinze joyes de mariage, passim. + +[364] Petit de Julleville, Jean Regnier, bailli d'Auxerre, Revue d'hist. +litt. de la France, 1895 p. 157, bij Doutrepont, p. 383; vgl. Deschamps, +VIII p. 43. + +[365] H.F. Wirth, Der Untergang des niederländischen Volksliedes, Haag, +1911. + +[366] Deschamps, VI p. 112, no. 1169, La leçon de musique. + +[367] Charles d'Orléans, Poésies complètes, Paris 1874, 2 vol., I p. 12. +42. + +[368] ib. p. 88. + +[369] Deschamps, VI p. 82, no 1151; zie b.v. V p. 132, no. 926, IX p. +94, c. 31, VI p. 138, no. 1184, XI 18, no. 1438, en XI p. 269, 286(1). + +[370] Christine de Pisan, l'Epistre au dieu d'amours, Oeuvres poétiques, +ed. M. Roy, II p. 1. + +[371] Martène et Durand, Amplissima Collectio, II col. 1421. + +[372] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. coll., +II p. 1409, 1421, 1422. + +[373] Piaget, Etudes romanes dédiées à Gaston Paris, p. 119. + +[374] Gerson, Opera, III p. 297; id. Considérations sur St. Joseph, III +p. 866; Sermo contra luxuriem, III p. 923, 925, 930, 968. + +[375] Volgens Gerson. De brief van Pierre Col, bewaard in een hs. der +Bibl. nationale, mss. français 1563 f. 183, was mij niet toegankelijk. + +[376] Bibl. de l'école des chartes LX 1899. p. 569. + +[377] E. Langlois, Le Roman de la rose (Société des anciens textes +français) 1914, t. I Introduction, p. 36. + +[378] A. Piaget, La cour amoureuse dite de Charles VI, Romania, XX p. +417, XXXI p. 599, Doutrepont, p. 367. + +[379] Leroux de Lincy, Tentative de rapt etc. en 1405, Bibl. de l'école +des chartes, 2e serie, III 1846, p. 316. + +[380] Piaget, Romania. XX p. 447. + +[381] Rabelais, Gargantua, 1. I. ch. 9. + +[382] Guillaume de Machaut, Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris. (Société +des bibliophiles françois 1875), p. 82, 213, 214, 240, 299, 309, 313, +347, 351. + +[383] Juvenal des Ursins, p. 496. + +[384] Rabelais, Gargantua, 1. I ch. 9. + +[385] Coquillart, Droits nouveaux, I p. 111. + +[386] Christine de Pisan, I p. 187ss. + +[387] E. Hoepffner, Frage- und Antwortspiele in der franz. Literatur des +14. Jahrh., Zeitschr. f. roman. Philologie, XXXIII 1909, p. 695, 703. + +[388] Christine de Pisan, Le dit de la rose vs. 75, Oeuvres poétiques, +II p. 31. + +[389] Machaut, Remede de fortune vs. 3879ss., Oeuvres, ed. E. Hoepffner +(Soc. des anc. textes français) 1908/11, 2 vol., II p. 142. + +[390] Christine de Pisan, Le livre des trois jugements, Oeuvres +poétiques II p. 111. + +[391] Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris, Société des bibliophiles +françois, 1875. De hypothese, dat er geen reëele liefdesgeschiedenis aan +het werk van Machaut ten grondslag zou liggen (aldus Hanf, Zeitschr. f. +Rom. Phil. XXII p. 145), mist elken grond. + +[392] Een kasteel bij Château Thierry. + +[393] Voir-Dit, lettre II p. 20. + +[394] Voir-Dit, lettre XXVII p. 203. + +[395] Voir-Dit, p. 20, 96, 146, 154, 162. + +[396] Voir-Dit, p. 371. + +[397] De kus met een blad ter isoleering komt meer voor: vgl. Le grand +garde derrière, str. 6, W.G.C. Bijvanck, Un poète inconnu de la société +de François Villon, Paris, Champion, 1891, p. 27. + +[398] Voir-Dit, p. 143, 144. + +[399] Voir-Dit, p. 110. + +[400] Zie hierboven p. 66. (zie par. die begint met: "Wanneer eindelijk +de aanzienlijkste is voorgegaan ..., M.D.) + +[401] Voir-Dit, p. 98, 70. + +[402] Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon +(Bibl. elzevirienne) 1854. + +[403] p. 245 (zie Hoofdstuk IV, noot 464) + +[404] p. 28 (tekst volgend op noot 44, hoofdstuk I.) + +[405] p.45 (zie Hoofdstuk II noot 71) + +[406] De zin is geheel onlogisch (pensée ... fait penser ... à pensiers) +en loopt niet rond; vat op: nergens zoo dikwijls, als in de kerk. + +[407] p. 249, p. 252 (zie hoofdstuk IV, noot 481) + +[408] Recollection des merveilles, bij Chastellain VII p. 200; vergelijk +de beschrijving der Joutes de Saint Ingelevert in een gedicht, vermeld +bij Froissart ed. Kervyn, XIV p. 406. + +[409] Le Pastoralet, ed. Kervyn de Lettenhove, (Chron. rel. à l'hist. de +Belg. sous la dom. des ducs de Bourg.) II p. 573. + +[410] Meschinot, Les Lunettes des princes, bij La Borderie l.c., p. 606. + +[411] La Marche, III p. 135, 137. + +[412] Molinet, IV p. 389. + +[413] Molinet, I p. 190, 194; III p. 138; vgl. Juvenal des Ursins, p. +382. + +[414] Deschamps, II p. 213. Lay de franchise; vgl. Chr. de Pisan, Le dit +de la Pastoure, Le Pastoralet, roi René, Regnault et Jehanneton, Martial +d'Auvergne, Vigilles du roi Charles VII, etc., etc. + +[415] Deschamps, no. 923, vgl. XI p. 322. + +[416] Villon, ed. Longnon, p. 83. + +[417] Gerson, Opera, III p. 302. + +[418] L'epistre au dieu d'amours, II p. 14. + +[419] Quinze joyes de mariage, p. 222. + +[420] Oeuvres poétiques, I p. 237, no. 26. + + + * * * * * + + +V + +HET BEELD VAN DEN DOOD + + +Geen tijd heeft de doodsgedachte met zooveel nadruk voortdurend aan +allen opgedrongen als de vijftiende eeuw. Zonder ophouden klinkt door +het leven de roep van het memento mori. In zijn Levensrichtsnoer voor +den edelman vermaant Dionysius de Kartuizer: "En wanneer hij zich te bed +legt, bedenke hij, dat, gelijk hij nu zichzelven neerlegt in het bed, +spoedig zoo zijn lichaam door anderen in het graf zal worden gelegd." +[421] Het geloof had ook vroeger de bestendige gedachte aan den dood met +ernst ingeprent, doch de vrome tractaten der eerdere Middeleeuwen +bereikten enkel de toch reeds van de wereld gescheidenen. Eerst sedert +door de opkomst der bedelorden de volksprediking groot was geworden, +zwol die vermaning aan tot een dreigend koor, dat met fugatische +hevigheid door de wereld klonk. Tegen het laatst der Middeleeuwen voegde +zich bij het woord van den prediker de afbeelding voor allen, de +houtsnee in het bijzonder. Deze beide massale uitdrukkingsmiddelen, de +preek en de afbeelding, konden de doodsgedachte slechts weergeven in een +zeer eenvoudige, directe en levendige voorstelling, scherp en fel. Alles +wat de kloosterling van vroeger tijden over den dood gemediteerd had, +verdichtte zich nu tot een uiterst primitief, populair en lapidair +doodsbeeld, en in die gedaante wordt in woord en figuur de gedachte aan +de menigte voorgehouden. Dat doodsbeeld heeft uit het groote +gedachtencomplex, dat zich om het sterven weeft, eigenlijk slechts één +element kunnen opnemen: het besef der vergankelijkheid. Het is, alsof de +laat-middeleeuwsche geest den dood onder geen ander aspect heeft weten +te zien dan enkel dat der vergankelijkheid. + +Drie thema's waren het, die de melodie leverden voor die nooit volzongen +klacht over het einde van alle aardsche heerlijkheid. Daar was vooreerst +het motief: waar zijn allen gebleven, die vroeger de wereld vulden met +hun heerlijkheid? Dan was er het motief van de huiverende aanschouwing +der verrotting van al wat eenmaal menschelijke schoonheid was. Tenslotte +het motief van den doodendans, de dood de menschen met zich sleurende +uit elk bedrijf, uit elken leeftijd. + +Vergeleken bij de twee laatste motieven met hun beklemmend afgrijzen was +het eerste der drie slechts een lichte, elegische verzuchting. Men vindt +het reeds aangeheven in de zware leoninische verzen van den Cluniacenser +monnik Bernard van Morlay omstreeks 1140: + + "Est ubi gloria nunc Babylonia? nunc ubi dirus + Nabugodonosor, et Darii vigor, illeque Cyrus? + Qualiter orbita viribus inscita (?) praeterierunt, + Fama relinquitur, illaque figitur, hi putruerunt. + Nunc ubi curia, pompaque Julia? Caesar abisti! + Te truculentior, orbe potentior ipse fuisti. + + Nunc ubi Marius atque Fabricius inscius auri? + Mors ubi nobilis et memorabilis actio Pauli? + Diva philippica vox ubi coelica nunc Ciceronis? + Pax ubi civibus atque rebellibus ira Catonis? + Nunc ubi Regulus? aut ubi Romulus, aut ubi Remus? + Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus." [422] + +Het klinkt opnieuw, minder schoolsch, in verzen, die ondanks hun +korteren bouw toch nog den dreun van den leoninischen hexameter behouden +hebben: in de Franciscaansche poëzie der dertiende eeuw. Jacopone van +Todi, de joculator Domini, is naar alle waarschijnlijkheid de dichter +geweest van de strofen, die onder den titel _Cur mundus militat sub vana +gloria_ de regels bevatten: + + "Dic ubi Salomon, olim tam nobilis + Vel Sampson ubi est, dux invincibilis, + Et pulcher Absalon, vultu mirabilis, + Aut dulcis Jonathas, multum amabilis? + Quo Cesar abiit, celsus imperio? + Quo Dives splendidus totus in prandio? + Die ubi Tullius, clarus eloquio, + Vel Aristoteles, summus ingenio"? [423] + +Deschamps heeft hetzelfde thema verscheiden malen berijmd; Gerson brengt +het te pas in een preek, Dionysius de Kartuizer in het tractaat over de +Vier uitersten. Chastellain spint het uit in een lang gedicht _Le Pas de +la mort,_ om van anderen te zwijgen. [426] Villon weet er een nieuw +accent in te leggen: dat van zachten weemoed, in de _Ballade des dames +du temps jadis_ met het refrein: + + "Mais où sont les neiges d'antan"? [425] + +En vervolgens sprenkelt hij het met ironie in de ballade der heeren, +waar tusschen de koningen, pausen, vorsten van zijn tijd hem invalt: + + "Helas! et le bon roy d'Espaigne + Duquel je ne sçay pas le nom"? [426] + +Dat zou de brave hoveling Olivier de la Marche zich niet veroorloofd +hebben, waar hij in zijn _Parement et triumphe des dames_ al de +gestorven vorstinnen van zijn tijd op het bekende thema beklaagt. + +Wat is er over van al die menschelijke schoonheid en heerlijkheid? +Herinnering, een naam. Maar de weemoed van die gedachte is niet genoeg, +om de behoefte aan felle huivering voor den dood te bevredigen. Dus +houdt de tijd zich den spiegel voor van een zichtbaarder verschrikking, +de vergankelijkheid op korten termijn: de verrotting van het lijk. + +De geest van den wereldverzakenden Middeleeuwer had altijd reeds gaarne +verwijld bij stof en wormen: in de kerkelijke tractaten over de +verachting der wereld waren al de verschrikkingen der ontbinding reeds +opgeroepen. Maar de uitwerking van de détails dier voorstelling komt +later. Eerst tegen het einde der veertiende eeuw maakt de beeldende +kunst zich van dit motief meester; [427] er was een zekere graad van +realistische uitdrukking noodig, om het in sculptuur of schilderij +treffend te verwerken, en dat vermogen was omstreeks 1400 bereikt. +Tegelijk verbreidt zich het motief van de kerkelijke litteratuur naar +die van het volk. Tot diep in de zestiende eeuw ziet men aan de +grafteekens de afschuwelijk gevarieerde voorstellingen van het naakte +lijk, rottend of verschrompeld, met de krampachtige handen en voeten en +den gapenden mond, met de kronkelende wormen in het ingewand. Bij die +vreeselijkheid wil de gedachte altijd weer stilstaan. Is het niet vreemd, +dat zij zich nooit één schrede verder waagt, om te zien, hoe ook die +rottenis zelve weer vergaat, en aarde en bloemen wordt? + +Is het een werkelijk vrome gedachte, die zich zoo verstrikt in den +afkeer van de aardsche zijde des doods? Of is het de reactie van een +allerfelste zinnelijkheid, die slechts zóo uit haar bedwelming van +levensdrift ontwaken kan? Is het de levensbangheid, die den tijd zoo +sterk doortrekt, de stemming van teleurgesteldheid en ontmoediging, die +neigen wil naar de ware overgave van wie volstreden en gewonnen heeft, +maar die toch nog zoo dicht staat bij al wat aardsche hartstocht is? Al +die gevoelsmomenten zijn in deze uiting van de doodsgedachte ongescheiden +vereenigd. + +Levensbangheid: het verloochenen van de schoonheid en het geluk, omdat +er rampen en smart mee verbonden zijn. Er is een buitengewone gelijkenis +tusschen de Oud-indische, met name de boeddhistische, en de +christelijk-middeleeuwsche uitdrukking van dat sentiment. Ook daar +altijd weer die afschuw van ouderdom, ziekte en dood, ook daar de dik +opgelegde kleuren der verrotting. De naïeve Indische aesthetici hadden +er zelfs een eigen poëtisch genre, _bîbhatsa-rasa_ of de stemming van +het walgelijke, van gemaakt, onderscheiden in drie onderafdeelingen, al +naar de afschuw wordt gewekt door het afzichtelijke, het gruwelijke of +het wellustige, gelijk vrouwenborsten den asceet doen walgen, [428] De +monnik meende het zoo goed te hebben gezegd, als hij de oppervlakkigheid +van het lichamelijk schoon aanwees. "Corporea pulchritudo in pelle +solummodo constat. Nam si viderent homines hoc quod subtus pellem est, +sicut lynces in Boeotia cernere interiora dicuntur, mulieres videre +nausearent. Iste decor in flegmate et sanguine et humore ac felle +consistit. Si quis enim considerat quae intra nares, et quae intra +fauces et quae intra ventrem lateant, sordes utique reperiet. Et si nec +extremis digitis flegma vel stercus tangere patimur, quomodo ipsum +stercoris saccum amplecti desideramus?" [429] + +Het moedelooze refrein van de verachting der wereld was voor de latere +Middeleeuwen vastgelegd in het tractaat van dien naam van Innocentius +III. Wonderlijk, die machtigste en voorspoedigste staatsman op den stoel +van Petrus, in zooveel aardsche zaken en belangen gemengd en opgaand, en +die in deze levensverguizing als 't ware meent zijn hoogheid te boeten. +"Concipit mulier cum immunditia et fetore, parit cum tristitia et +dolore, nutrit cum angustia et labore, custodit cum instantia et +timore." [430] O al de lachende vreugden van het moederschap!--"Quis +unquam vel unicam diem totam duxit in sua delectatione jucundam ... quem +denique visus vel auditus vel aliquis ictus non offenderit?" [431] Was +het christelijke wijsheid of het pruilen van een bedorven kind? + +Er is zonder twijfel in dat alles een geest van ontzaglijk materialisme, +die de gedachte aan het einde van schoonheid niet kon verdragen zonder +aan die schoonheid zelf te vertwijfelen. En let wel, hoe (althans in de +litteratuur, niet zoozeer in de beeldende kunst) in het bijzonder het +vrouwenschoon beklaagd wordt. Er is hier nauwelijks een grens tusschen +de godsdienstige vermaning, om aan den dood en aan de vergankelijkheid +van het aardsche te denken, en de spijt van de oude minnares over het +verval der schoonheid, die zij niet meer geven kan. + +Ziehier eerst een voorbeeld, waar de stichtelijke vermaning nog op den +voorgrond staat. In het Celestijnen-klooster te Avignon bevond zich vóór +de Revolutie een schildering, die de overlevering aan den kunstrijken +stichter koning René zelf toeschreef. Zij stelde een rechtopstaand +vrouwenlijk voor, met een sierlijk kapsel, gehuld in haar lijkwade; de +wormen verteerden het lichaam. De eerste strofen van het onderschrift +luidden: + + "Une fois sur toute femme belle + Mais par la mort suis devenue telle. + Ma chair estoit très belle, fraische et tendre, + Or, est-elle toute tournée en cendre. + Mon corps estoit très plaisant et très gent, + Je me souloye souvent vestir de soye, + Or en droict fault que toute nue je soye. + Fourrée estois de gris et de menu vair, + En grand palais me logeois à mon vueil, + Or suis logiée en ce petit cercueil. + Ma chambre estoit de beaux tapis ornée, + Or est d'aragnes ma fosse environnée." [432] + +Dat deze vermaningen hun werking niet misten, bewijst de legende, die +zich daaraan verder gesponnen had, hoe de koninklijke kunstenaar zelf, +die levens- en schoonheidsminnaar bij uitnemendheid, zijn geliefde drie +dagen na de teraardebestelling in het graf zou hebben gezien, en toen +geschilderd. + +De stemming verandert reeds een weinig in de richting van wereldsche +zinnelijkheid, wanneer de waarschuwing voor de vergankelijkheid niet aan +het gruwelijk lijk van een ander wordt gedemonstreerd, maar de levenden +gewezen worden op hun eigen lichaam, nu nog schoon, maar spoedig voor de +wormen. Olivier de la Marche besluit zijn stichtelijk allegorisch +gedicht over de vrouwenkleeding _Le parement et triumphe des dames_ met +den Dood, die aan alle schoonheid en ijdelheid den spiegel voorhoudt: + + "Ces doulx regards, ces yeulx faiz pour plaisance, + Pensez y bien, ilz perdront leur clarté, + Nez et sourcilz, la bouche d'eloquence + Se pourriront...." [433] + +Toch is dit nog een eerlijk memento mori. Maar het +gaat onmerkbaar over in een spijtig, wereldsch en zelfzuchtig +beklag over de nadeelen van den ouderdom: + + "Se vous vivez le droit cours de nature + Dont LX ans est pour ung bien grant nombre, + Vostre beaulté changera en laydure, + Vostre santé en maladie obscure, + Et ne ferez en ce monde que encombre. + Se fille avez, vous luy serez ung umbre, + Celle sera requise et demandée, + Et de chascun la mère habandonnée." [434] + +Alle vrome, stichtelijke zin is verre, als Villon de balladen dicht, +waarin "la belle heaulmière", eens een befaamde Parijsche courtisane, +haar vroeger onweerstaanbare bekoorlijkheden vergelijkt met al de +leelijkheden van haar vervallen lichaam. + + "Qu'est devenu ce front poly, + Ces cheveulx blons, sourcils voultiz, + Grant entroeil, le regart joly, + Dont prenoie les plus soubtilz; + Ce beau nez droit, grant ne petiz, + Ces petites joinctes oreilles, + Menton fourchu, cler vis traictiz + Et ces belles levres vermeilles? + * * * * * * * * * * * * + Le front ridé, les cheveux gris, + Les sourcilz cheuz [435], les yeuls estains...." [436] + +In een der poëtische boeken van de heilige schrift der zuidelijke +Boeddhisten heeft men het lied eener vrome oude non Ambapâlî, van +eenzelfde verleden als "la belle heaulmière". Ook zij vergelijkt haar +schoonheid van eertijds met haar weerzinwekkenden ouderdom, hier met +dankbaren lof voor het verdwijnen van dat nietswaardig schoon. [437] +Maar is de afstand van het sentiment wel zoo groot, als hij schijnen +wil? + +De felle afschuw van de ontbinding van het aardsche lichaam heeft haar +tegenkant in de hooge waarde, die men toekent aan het onbedorven blijven +van de lijken van sommige heiligen, zooals Sint Rosa van Viterbo. Het is +een van de kostbaarste heerlijkheden van Maria, dat haar lichaam voor de +ontbinding op aarde gespaard is gebleven door haar hemelvaart. [438] +Weer op een andere wijze spreekt de materialistische geest, die zich +niet kon losmaken van de gedachte aan het lichaam, uit de bijzondere +zorg, waarmee sommige lijken behandeld worden. Er bestond een gewoonte, +om terstond na den dood de trekken van het aangezicht van een +aanzienlijken gestorvene bij te schilderen, opdat vóór de begrafenis +geen bederf zichtbaar zou zijn. [439] Het lijk van een prediker van de +kettersche secte der Turlupins, die te Parijs in de gevangenis vóór het +vonnis gestorven was, wordt veertien dagen in een vat met kalk bewaard, +om het te zamen met een levende kettersche te kunnen verbranden. [440] +Van de Engelschen, die in Frankrijk gesneuveld of gestorven zijn, wordt +veelal het lijk in stukken gesneden, gekookt, tot het vleesch loslaat +van de beenderen, die gereinigd en in een koffer naar Engeland gezonden +worden, terwijl de rest begraven wordt. Zoo geschiedt met Hendrik V, met +de lords York en Oxford, bij Azincourt gesneuveld, met Glasdale, bekend +uit de geschiedenis van Jeanne d'Arc, met een neef van Sir John +Fastolfe. [441] + +In de veertiende eeuw komt het wonderlijke woord macabre op, als om de +geheele laat-middeleeuwsche visie van den dood te markeeren. Het woord +(tot in de 17e eeuw luidde het macabré) is onvoldoende verklaard, wat +zijn oorsprong betreft, maar de beteekenisnuance, die het uit zijn +gebruik verworven heeft, is zoo scherp en eigen, dat zij geen +omschrijving behoeft. De macabere opvatting van den dood is in onzen +tijd nog voornamelijk te vinden op dorpskerkhoven, waar men er in rijm +en figuur den nagalm van hoort. In het einde der Middeleeuwen is zij een +groote cultuurgedachte geweest. Er raakte in de voorstelling van den +dood een nieuw, aangrijpend fantastisch element gemengd, een rilling, +die opkwam uit het ijzige bewustzijnsgebied van spokenvrees en klammen +schrik. De alles-beheerschende godsdienstige gedachte zette haar +aanstonds om in moraal, herleidde haar tot memento mori, maar maakte +gaarne gebruik van al de huiveringwekkende suggestie, die het spectrale +karakter der voorstelling meebracht. + +Rondom den Doodendans groepeeren zich de verwante voorstellingen van het +sterven, die tot verschrikking en vermaning dienen moesten. De sproke +van de Drie dooden en de drie levenden gaat aan den Doodendans vooraf. +[442] Reeds in de dertiende eeuw komt zij op in de Fransche litteratuur: +drie jonge edellieden ontmoeten plotseling drie afzichtelijke dooden, +die hen wijzen op hun eigen voormalige aardsche grootheid en op het +spoedig einde, dat hun, den levenden, wacht. De aangrijpende figuren, in +het Campo santo van Pisa zijn wel de oudste voorstelling van het thema +in de groote kunst; het beeldhouwwerk aan het portaal van de kerk der +Innocents te Parijs, waar de hertog van Berry in 1408 het onderwerp liet +afbeelden, is verloren. Maar miniatuur en houtsnee maken het in de +vijftiende eeuw tot gemeen goed, en ook als muurschildering is het zeer +verbreid. + +De voorstelling van de drie dooden en de drie levenden vormt de schakel +tusschen het afzichtelijke beeld der verrotting en de gedachte door den +Doodendans verbeeld, hoe voor den dood allen gelijk zijn. De +kunsthistorische ontwikkeling van het gegeven kome hier slechts even ter +sprake. Ook van den Doodendans schijnt Frankrijk het land van herkomst. +Doch hoe is hij ontstaan? als een werkelijk gespeelde vertooning, of +als afbeelding? Het is bekend, dat de these van Emile Mâle, die de +uitwerking der motieven in de beeldende kunst der vijftiende eeuw +beschouwt als in den regel ontleend aan het zien van dramatische +vertooningen, in haar algemeenheid niet voor de kritiek bestand is +gebleken. Maar ten opzichte van den Doodendans zou het kunnen zijn, dat +men op die verwerping een uitzondering moest maken; dat hier inderdaad +de vertooning aan de afbeelding is voorafgegaan. In ieder geval, 't zij +vroeger of later, de Doodendans werd gespeeld evengoed als geschilderd +of in prent gebracht. De hertog van Bourgondië laat hem in 1449 opvoeren +in zijn hôtel te Brugge. [443] Hadden wij eenig denkbeeld van de +uitmonstering van zulk een spel: de kleuren, de bewegingen, het glijden +van licht en schaduwen over de dansenden, wij zouden nog beter de +ernstige verschrikking begrijpen, die de Doodendans over de gemoederen +bracht, dan het ons de houtsneden van Guyot Marchant en van Holbein +doen. + +De houtsneden, waarmee de Parijsche drukker Guyot Marchant in 1485 de +eerste uitgave van de _Danse macabre_ versierde, waren zoo goed als +zeker, evenals de verzen, ontleend aan den beroemdsten en oudsten aller +Doodendansen, die welke in het jaar 1424 als muurschildering in de +galerij van het kerkhof der Innocents te Parijs was aangebracht. [444] +Zij is in de zeventiende eeuw door afbraak van de galerij verdwenen. +Het is de meest populaire verbeelding van den dood geweest, die de +Middeleeuwen hebben gekend: duizenden hebben dag in dag uit op die +zonderlinge en macabere plaats van samenkomst, die het kerkhof der +Innocents was, de eenvoudige figuren aanschouwd en de bevattelijke +verzen, waarvan elk couplet met een bekend spreekwoord eindigde, +gelezen, zich getroost over de gelijkheid in den dood en gehuiverd voor +het einde. Nergens kon die aapachtige dood zoo op zijn plaats zijn, die +grinnikend, met de passen van een ouden stijven dansmeester, den paus, +den keizer, den edelman, den daglooner, den monnik, het kleine kind, den +zot en al de andere beroepen en standen uitnoodigend meetrekt. Geven de +houtsneden van 1485, die blijkens de kleederdracht geen getrouwe copie +zijn, nog eenigszins den indruk weer van de vermaarde muurschildering? +Misschien zal men daarvoor nog eêr moeten zien naar den Doodendans uit +de kerk van La Chaise-Dieu, [445] waar het spookachtige van de +voorstelling nog verhoogd wordt door den half-voltooiden staat der +schildering. + +Het lijk, dat veertig maal terugkeert, om den levende te halen, is +eigenlijk nog niet de Dood, maar de doode. De verzen noemen de figuur +Le mort (bij den doodendans der vrouwen La morte); het is een danse des +morts, niet de la Mort. Het is ook hier niet een geraamte, maar een nog +niet geheel ontvleescht lichaam met den gespleten hollen buik. Eerst +omstreeks 1500 wordt de figuur van den grooten danser een geraamte, +zooals wij het van Holbein kennen. Dan heeft zich de voorstelling van +een vagen dooden dubbelganger gecondenseerd tot die van den Dood als +actieven, persoonlijken levenseindiger. Zoo was hij in de Middeleeuwen +nog niet verbeeld. In den ouderen doodendans is de onvermoeide danser +nog de levende zelf, zooals hij zijn zal in de naaste toekomst, een +angstwekkende verdubbeling van zijn persoon, het beeld, dat hij in den +spiegel ziet; niet, zooals sommigen willen, een vroeger gestorvene van +gelijken stand of waardigheid. Juist dit: gij zijt het zelf, gaf aan den +doodendans zijn huiveringwekkendste kracht. + +Ook in het fresco, dat de gewelfde overhuiving sierde van het +grafmonument van koning René en zijn gemalin Isabella in de kathedraal +van Angers, was het feitelijk nog de koning zelf, die was voorgesteld. +Men zag er een skelet (of zal ook dit eêr een lijk zijn geweest?) in een +langen mantel, zittend op een gouden troon, dat met de voeten mijters, +kronen, wereldbol en boeken wegschopt. Het hoofd was op de dorre hand +geleund, die een wankelende kroon zocht te steunen. [446] + +De oorspronkelijke doodendans gaf enkel mannen te zien. De bedoeling, om +aan de vermaning over de vergankelijkheid en ijdelheid van het aardsche +tegelijk de les der maatschappelijke gelijkheid te verbinden, bracht uit +den aard der zaak de mannen, als de dragers der maatschappelijke +beroepen en waardigheden, op den voorgrond. De doodendans was niet +alleen een vroom vermaan, maar ook een sociale satire, en er is in de +begeleidende verzen een zwakke ironie. Nu gaf echter dezelfde Guyot +Marchant als vervolg op zijn uitgave een doodendans der vrouwen, +waarvoor Martial d'Auvergne de verzen maakte. De onbekende teekenaar der +houtsneden bleef achter bij het model, dat hem de eerdere uitgave +leverde: hij vond enkel de hideuse figuur van het rif, om welks schedel +nog schaarsche vrouwenharen zwieren. In den doodendans der vrouwen nu +treedt terstond dat sensueele element weer op, dat ook het thema +doortrok van het beklag over schoonheid, die verrotting wordt. Hoe kon +het ook anders? Er waren geen veertig beroepen en waardigheden van +vrouwen te vermelden; met de voornaamste standen, koningin, edelvrouw +enz., enkele geestelijke functies of staten, en een paar bedrijven als +koopvrouw, baker enz. was de voorraad uitgeput. De rest kon slechts +worden aangevuld, door de vrouw te beschouwen in de verschillende staten +van haar vrouwenleven zelf: als maagd, geliefde, bruid, jonggetrouwde, +zwangere. En zoo is het ook hier weer de klacht om verdwenen of nooit +genoten vreugde en schoonheid, die den toon van het memento mori +schriller doet klinken. + +Eén beeld ontbrak nog in de verschrikkende verbeelding van het sterven: +dat van het doodsuur zelf. De schrik voor die stonde kon den geest niet +levendiger worden ingeprent dan door te herinneren aan Lazarus: deze had +na zijn herrijzenis, heette het, niet anders gekend dan jammerlijk +afgrijzen voor den dood, dien hij reeds eens geleden had. En als de +rechtvaardige zoo moest vreezen, hoe dan de zondaar? [447] De +voorstelling van den doodsstrijd was de eerste der Vier uitersten, +Quattuor hominum novissima, die het den mensch goed was staâg te +overdenken: dood, jongste gericht, hel en hemel. Als zoodanig reikt zij +in het gebied van de hiernamaalsvoorstellingen. Hier komt voorloopig +alleen de voorstelling van het lichamelijke sterven zelf ter sprake. +Nauw verwant met het thema der Vier uitersten is de Ars moriendi, een +schepping der vijftiende eeuw, die evenals de Doodendans door boekdruk +en houtsnede verder werkte dan eenige vrome gedachte tevoren. Zij +behandelt de verzoekingen, vijf in getal, waarmee de duivel den +stervende belaagt: den twijfel aan het geloof, de wanhoop over zijn +zonden, de gehechtheid aan zijn aardsche goederen, vertwijfeling over +zijn eigen lijden, eindelijk den hoogmoed over eigen deugd. Telkens komt +een engel de lagen van Satan afweren met zijn troost. De beschrijving +van den doodsstrijd zelf was oude stof; men herkent er steeds weer +hetzelfde kerkelijke model in. [448] + +Chastellain heeft in een uitvoerig gedicht _Le Pas de la Mort_ [449] al +de hier besproken motieven saamgevat. Hij begint met het aangrijpende +verhaal, dat zelfs in de deftige wijdloopigheid, dezen schrijver eigen, +zijn werking niet mist, hoe zijn stervende geliefde hem bij zich riep en +met gebroken stem zeide: + + "Mon amy, regardez ma face. + Voyez que fait dolante mort + Et ne l'oubliez désormais; + C'est celle qu'aimiez si fort; + Et ce corps vostre, vil et ort, + Vous perderez pour un jamais; + Ce sera puant entremais + A la terre et à la vermine: + Dure mort, toute beauté fine." + +Daarop maakt de dichter een Spiegel des doods. Eerst werkt hij het thema +Waar zijn nu de grooten der aarde? uit: veel te lang, eenigszins +schoolmeesterachtig, zonder iets van den luchtigen weemoed van Villon. +Dan volgt iets als een eerste opzet van een doodendans, maar zonder +kracht of verbeelding. Tenslotte berijmt hij de Ars moriendi. Hier is +zijn beschrijving van den doodsstrijd: + + "Il n'a membre ne facture + Qui ne sente sa pourreture. + Avant que l'esperit soit hors, + Le coeur gui veult crevier au corps + Haulce et souliève la poitrine + Qui se veult joindre à son eschine. + --La face est tainte et apalie, + Et les yeux treilliés en la teste. + La parolle luy est faillie, + Car la langue au palais se lie. + Le poulx tressault et sy halette. + * * * * * * * * * * * * + Les os desjoindent à tous lez; + Il n'a nerf qu'au rompre ne tende." [450] + +Villon besluit dat alles in een half couplet, veel aangrijpender. [451] +Toch herkent men het gemeenschappelijk voorbeeld. + + "La mort le fait fremir, pallir, + Le nez courber, les vaines tendre, + Le col enfler, la chair mollir, + Joinctes et nerfs croistre et estendre." + +En dan weer die sensueele gedachte, die telkens door al deze +voorstellingen van verschrikking heen loopt: + + "Corps femenin, qui tant est tendre, + Poly, souef, si precieux, + Te fauldra il ces maulx attendre? + Oy, ou tout vif aller es cieulx." + +--Nergens was alles wat den dood voor oogen riep, zoo treffend bijeen +als op het kerkhof der Innocents te Parijs. Daar genoot de geest de +huivering van het macabere in haar volste maat. Alles werkte mee, om aan +deze plek de sombere heiligheid en bonte griezeligheid te geven, die de +late Middeleeuwen zoo hevig begeerden. Reeds de heiligen, aan wie de +kerk en het kerkhof gewijd waren, de Onnoozele kinderen, die in de +plaats van Christus geslacht waren, brachten door hun martelie die +wreede roering en bloedige verteedering aan, waarin de tijd zwelgde. +Juist in deze eeuw kwam hun vereering sterk op den voorgrond. Men bezat +meer dan één reliek van de knaapjes van Bethlehem: Lodewijk XI schonk +aan de hun gewijde kerk te Parijs "un Innocent entier", besloten in een +grooten kristallen schrijn. [452] Het kerkhof was de plaats, waar men +liever rustte dan ergens anders. Een bisschop van Parijs liet een weinig +aarde van het kerkhof der Innocents in zijn graf leggen, daar hij er +niet begraven kon worden. [453] Arm en rijk lag er dooreen, en niet voor +lang, want zoo druk was het gebruik der begraafplaats, waarop twintig +parochiën het recht van begraven hadden, dat na verloop van eenigen tijd +de beenderen werden opgegraven en de steenen verkocht. Het heette, dat +een lichaam er in negen dagen tot op de beenderen verging. [454] +Schedels en beenderen werden dan opgestapeld in de knekelzolders boven +de zuilengang, die het kerkhof aan drie zijden omringde: bij duizenden +lagen zij daar open en bloot voor het gezicht, en preekten de les van +gelijkheid. Onder de arcaden was in de schildering en de verzen van den +Doodendans diezelfde les te zien en te lezen. Voor het maken van de +"beaux charniers" had onder anderen de edele Boucicaut geld gegeven. +[455] Aan het portaal der kerk had de hertog van Berry, die daar rusten +wilde, de voorstelling van de drie dooden en de drie levenden laten +beeldhouwen. Later, in de zestiende eeuw, verrees op het kerkhof nog de +groote Dood, die in het Louvre eenzaam de eenige rest uitmaakt van al +wat daar bijeen was. + +Deze plek nu was voor de Parijzenaars der vijftiende eeuw als een luguber +Palais royal van 1789. Te midden van het voortdurende begraven en weer +opgraven was het er een wandelplaats en een vereenigingspunt. Men vond +er winkeltjes bij de knekelhuizen en lichte vrouwen onder de arcaden. +Een ingemetselde kluizenares aan de zijde der kerk verhoogde de +bezienswaardigheid. Soms kwam een bedelmonnik preeken op de plaats, die +zelf een preek in middeleeuwschen stijl was. Soms verzamelde er zich een +processie van kinderen: 12500, zegt de burger van Parijs, allen met +kaarsen, die een Innocent naar de Notre Dame en weer terug droegen. +Zelfs feesten werden er gegeven. [456] Zoo was het huiveringwekkende +weer alledaagsch geworden. + +In de zucht tot directe verbeelding van den dood, waarbij al het +onverbeeldbare moest worden prijsgegeven, werden alleen de grovere +aspecten van den dood in het bewustzijn gedrongen. In de macabere visie +van den dood ontbreekt zoo goed als al het teere, al het elegische. En +in den grond is het een zeer deeszijdig, zelfzuchtig gezicht op den +dood. Het is niet de rouw om het gemis van geliefden, maar de spijt om +den eigen komenden dood, enkel gezien als onheil en verschrikking. Daar +is geen gedachte in aan den dood als trooster, aan het einde van lijden, +aan de begeerde rust, de vervulde of de afgebroken taak, geen teedere +herinnering, geen berusting. Niets van de "divine depth of sorrow". +Slechts een enkele maal klinkt er een weeker accent. In den doodendans +spreekt de doode den daglooner aan: + + + "Laboureur qui en soing et painne + Avez vescu tout vostre temps, + Morir fault, c'est chose certainne, + Reculler n'y vault ne contens (tegenstribbeling). + De mort devez estre contens + Car de grant soussy vous delivre...." + +Maar de daglooner beklaagt toch het leven, waarvan hij dikwijls het eind +heeft gewenscht. + +Martial d'Auvergne laat in zijn doodendans der vrouwen het kleine meisje +tot haar moeder roepen: bewaar toch goed mijn pop, mijn bikkels en mijn +mooie jurk. De aandoenlijke accenten van het kinderleven zijn in de +litteratuur der late Middeleeuwen uitermate zeldzaam; er was geen plaats +voor in de gewichtige stijfheid van den grooten stijl. Noch de kerkelijke +noch de wereldlijke litteratuur kennen eigenlijk het kind. Wanneer +Antoine de la Salle in _Le Reconfort_ [457] een edelvrouw wil troosten +over het verlies van haar zoontje, weet hij niet anders te geven dan het +verhaal van een knaap, die nog wreeder zijn jonge leven verloor, als +gijzelaar omgebracht. Als overwinning der smart kan hij haar niet anders +bieden dan de leer, om aan niets wat aardsch is te hechten. Maar dan +laat hij volgen, wat wij kennen als het volkssprookje van het doodshemdje: +het gestorven kindje, dat zijn moeder komt vragen om niet langer te +schreien, opdat zijn doodshemdje kan drogen. En het is opeens een veel +inniger geluid dan het in duizend tonen gezongen memento mori. Zouden niet +volksverhaal en volkslied in die eeuwen allerlei sentimenten hebben +bewaard, die de litteratuur nauwelijks kent? + +De kerkelijke gedachte der late Middeleeuwen kent alleen de twee uitersten: +de klacht om de vergankelijkheid, om het einde van macht, eer en genot, +om het vergaan van schoonheid, en den jubel om de geredde ziel in haar +zaligheid. Alles wat daartusschen ligt, blijft onuitgesproken. In de +doorgevoerde verbeelding van den doodendans en het ijselijke rif versteent +de levende aandoening. + + + +NOTEN: + + +[421] Directorium vitae nobilium, Dionysii Opera, t. XXXVII, p. 550; +t. XXXVIII p. 358. + +[422] Bernardi Morlanensis De contemptu mundi, ed. Th. Wright, The +Anglo-latin satirical poets and epigrammatists of the twelfth century +(Rerum Britannicarum medii aevi scriptores), London, 1872, 2 vol., II p. +37. + +[423] Vroeger toegeschreven aan Bernard van Clairvaux, door sommigen voor +het werk van Walter Mapes gehouden; vgl. H.L. Daniel, Thesaurus +hymnologicus, Lipsiae 1841-1856, IV p. 288. + +[424] Deschamps, III no. 330, 345, 368, 399.--Gerson, Sermo III de +defunctis, Opera, III p. 1568; Dion. Cart. De quatuor hominum +novissimis, Opera, t. XLI p. 511; Chastellain, VI p. 52. + +[425] Villon, ed. Longnon, p. 33. + +[426] Ib. p. 34. + +[427] Emile Mâle, l'Art religieux à la fin du moyen âge, Paris, 1908, +p. 376. + +[428] Zie mijn De Vidûshaka in het Indisch tooneel, Groningen, 1897, +p. 77. + +[429] Odo van Cluny, Collationum lib. III, Migne t. CXXXIII, p. 556. + +[430] Innocentius III, de contemptu mundi sive de miseria conditionis +humanae libri tres, Migne t. CCXVII p. 702. Het tractaat is overigens +uit den tijd vóór zijn pausschap. + +[431] Ib. p. 713. + +[432] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes I p. cl. Na den 5en den +8en regel schijnt een vers te ontbreken; waarschijnlijk rijmde op +"menu vair" "mangé des vers" of iets dergelijks. + +[433] Olivier de la Marche, Le Parement et triumphe des dames, Paris, +Michel le Noir, 1520, aan het slot. + +[434] Ib. + +[435] Uitgevallen. + +[436] Villon, Testament, vs. 453 ss., ed. Longnon, p. 39. + +[437] H. Kern, Het lied van Ambapâlî uit de Therîgâthâ, Versl. en Meded. +der Kon. Akad. v. wetenschappen (6) III p. 153, 1917. + +[438] Molinet, Faictz et dictz, fo. 4, fo. 42v. + +[439] Proces over de zaligverklaring van Pieter van Luxemburg, 1390, +Acta sanctorum Julii, I p. 562. + +[440] Les Grandes chroniques de France, ed. Paulin Paris, Paris +1836-'38, 6 vol., VI p. 334. + +[441] Juvenal des Ursins, p. 567; Journal d'un bourgeois, p. 237, 307, +671; Lefèvre de S. Remy, I p. 260. + +[442] Zie over dit alles Emile Male, l'Art religieux à la fin du +moyen-age, II, 2 La Mort. + +[443] Laborde, II. I, 393. + +[444] Journal d'un bourgeois, p. 203. + +[445] Eenige reproducties bij Mâle t.a.p. en in Gazette des beaux arts +1918, avril-juin p. 167. + +[446] Oeuvres du roi René, I p. clii. + +[447] Chastellain, Le pas de la mort, VI p. 59. + +[448] Vgl. Innocentius III, de contemptu mundi, II c. 42; Dion. Cart. de +IV hominum novissimis, t. XLI p. 496. + +[449] Oeuvres, VI p. 49. + +[450] T.a. p. 60. + +[451] Villon, Testament, XLI, vs.321-328, ed. Longnon, p. 33. + +[452] Champion, Villon, 1 p. 303. + +[453] Mâle l.c. p. 389. + +[454] Leroux de Lincy, Livre des légendes, p. 95. + +[455] Le livre des faits etc., II p. 184. + +[456] Journal d'un bourgeois, I p. 233/4, 392, 276. Zie verder Champion, +Villon, I p. 306. + +[457] A. de la Salle, Le Reconfort de Madame du Fresne, ed. J. Nève, +Paris. 1903. + + + * * * * * + + +VI + +DE TEUGELLOOZE VERBEELDING VAN HET HEILIGE + + +De doodsvoorstelling kan gelden als voorbeeld van het laat-middeleeuwsche +denkleven in het algemeen: het is als een uitvloeien, een verzanden van +de gedachte in het beeld. De gansche inhoud van het gedachtenleven wil +uitgedrukt worden in verbeeldingen; al het goud wordt aangemunt in +kleine, dunne schijven. Door die teugellooze behoefte aan verbeelding +was het heilige voortdurend blootgesteld aan veruiterlijking en +verstarring. + +Het geheele proces van de ontwikkeling der volksvroomheid in de latere +Middeleeuwen kan niet bondiger worden uitgedrukt dan in de volgende +woorden van Jakob Burckhardt uit zijn _Weltgeschichtliche Betrachtungen_. +"Eine mächtige Religion entfaltet sich in alle Dinge des Lebens hinein +und färbt auf jede Regung des Geistes, auf jedes Element der Kultur ab. +Freilich reagieren dann diese Dinge mit der Zeit wieder auf die +Religion; ja deren eigentlicher Kern kann erstickt werden von den +Vorstellungs- und Bilderkreisen, die sie einst in ihren Bereich gezogen +hat. Das 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' had seine schicksalsvolle +Seite." En verderop: "Nun ist aber keine Religion jemals ganz unabhängig +von der Kultur der betreffenden Völker und Zeiten gewesen. Gerade, wenn +sie sehr souverän mit Hilfe buchstäblich gefasster heiliger Urkunden +herrscht und scheinbar Alles sich nach ihr richtet, wenn sie sich 'mit +dem ganzen Leben verflicht', wird dieses Leben am unfehlbarsten auch auf +sie einwirken, sich auch mit ihr verflechten. Sie hat dann später an +solchen innigen Verflechtungen mit der Kultur keinen Nutzen mehr, +sondern lauter Gefahren; aber gleichwohl wird eine Religion immer so +handeln, so lange sie wirklich lebenskräftig ist." [458] + +Het leven der middeleeuwsche christenheid is in al zijn betrekkingen +doortrokken, geheel verzadigd met godsdienstige voorstellingen. Daar is +geen ding en geen handeling, waarin niet voortdurend de betrekking tot +Christus en het geloof wordt gelegd. Maar in die oververzadigde +atmosfeer is de religieuze spanning, de daadwerkelijke transcendentie, +het uittreden uit het hier-en-dit niet steeds aanwezig. Blijft die +spanning uit, dan verdooft alles tot schrikwekkende alledaagsche +onheiligheid, een verbazende deeszijdigheid in geenzijdige vormen. Zelfs +bij een subliemen heilige als Heinrich Suso, bij wien de religieuze +spanning misschien geen oogenblik te kort schoot, blijft toch de val +naar het ridicule niet uit. Subliem, wanneer hij, gelijk de ridder +Boucicaut het om der wille van een aardsche geliefde deed, allen vrouwen +eer bewijst om Maria, en voor een arme terzijde in het slijk treedt. Hij +volgt de gebruiken der aardsche min, en viert den jaarsdag en den Meidag +zijn liefde voor de Wijsheid, zijn bruid, met een krans en een liedje. +Hoort hij een minneliedje, dan past hij het terstond toe op zijne +Wijsheid. Maar wat van het volgende? Aan tafel placht Suso, als hij een +appel at, dien in vieren te snijden: drie partjes at hij in naam der +Drieëenheid en het vierde at hij "in der minne, als diu himelsch muter +irem zarten kindlein Jesus ein epfelli gab ze essen", en daarom at hij +dat vierde partje met de schil, want kleine jongens eten appels +ongeschild. En eenige dagen na Kerstmis,--dus als het Jezuskind nog te +klein was om appels te eten, zal de bedoeling zijn,--at hij dat vierde +partje niet, maar offerde het aan Maria, om het aan haar zoon te geven. +Zijn dronk nam hij in vijf teugen, om de vijf wonden des Heeren, maar +omdat uit Christus' zijde bloed en water vloeide, nam hij den vijfden +teug dubbel. [459]--Ziedaar het 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' in +zijn uiterste doorvoering. + +Afgezien voorloopig van den graad van innigheid, en enkel beschouwd als +godsdienstige vormen, is er in de vroomheid der late Middeleeuwen zeer +veel, wat zich voordoet als woekeringen van het godsdienstig leven, mits +men dat begrip niet opvat van een protestantsch-dogmatisch standpunt. Er +was, afgezien van de qualitatieve veranderingen, die zij meebrachten, in +de Kerk een quantitatieve vermeerdering van gebruiken en begrippen +ontstaan, die de ernstige godgeleerden met schrik vervulde. Het is niet +zoozeer tegen de onvroomheid of bijgeloovigheid van al het nieuwe, dat +zich opdrong, als tegen de overlading van het geloof op zich zelf, dat +de reformgeest der vijftiende eeuw zich keert. De teekens der altijd +bereide goddelijke genade waren altijd meer geworden; naast de +sacramenten bloeiden aan alle zijden de benedicties; van de relieken +kwam men tot de amuletten, de kracht van het gebed werd geformaliseerd +in de rozenkransen, de bonte galerij der heiligen kreeg altijd meer +kleur en leven. En al ijverde de theologie voor een goede onderscheiding +van sacramenten en sacramentaliën, welk middel was er, om het volk te +weerhouden, op al dat magische en bonte hun hoop en geloof te vestigen? +Gerson had te Auxerre iemand ontmoet, die beweerde, dat het Dwazenfeest, +waarmee in kerken en kloosters de wintermaand gevierd werd, even +geheiligd was als dat van Mariae ontvangenis. [460] Nicolas de Clemanges +schreef een tractaat tegen het instellen en vieren van nieuwe feesten; +er waren er van die nieuwe, verklaarde hij, waarbij ongeveer de geheele +liturgie van apocryphen aard was, en met instemming gewaagt hij van den +bisschop van Auxerre, die de meeste feestdagen had afgeschaft. [461] +Pierre d'Ailly richt zich in zijn geschrift _De reformatione_ [462] +tegen de voortdurende vermeerdering van kerken, feesten, heiligen, +rustdagen, tegen den overvloed van beelden en schilderijen, de al te +groote uitvoerigheid van den dienst, het opnemen van apocryphe +geschriften in de liturgie der feesten, tegen de invoering van nieuwe +hymnen en gebeden of andere willekeurige nieuwigheden, tegen de al te +strenge vermeerdering van vigiliën, gebeden, vasten, onthoudingen. Er +was een neiging, om aan elk punt uit de vereering van de Moeder Gods een +specialen dienst te verbinden. Er waren bijzondere missen, later door de +Kerk afgeschaft, van Maria's vroomheid, van haar zeven smarten, van alle +Mariafeesten te zamen, van haar zusteren Maria Jacobi en Maria Salome, +van den engel Gabriel, van al de heiligen, die den geslachtsboom des +Heeren uitmaakten. [463] Verder zijn er te veel kloosterorden, zegt +d'Ailly, en dit leidt tot verscheidenheid van gebruiken, tot afzondering +en hoogmoed, tot ijdele verheffing van den éénen geestelijken staat +boven den anderen. Vooral de bedelorden wil hij beperken. Hun toestand +is schadelijk voor de leprozenhuizen en hospitalen en voor de andere +echte armen en ellendige behoeftigen, wien het recht en de ware titel +des bedelens toekomt. [464] Hij wil de preekende questierders van den +aflaat uit de kerk verbannen, die haar bezoedelen met hun leugens en +haar belachelijk maken. [465] Waar moet het heen met de voortdurende +stichting van nieuwe vrouwenconventen zonder voldoende middelen? + +Men ziet, het is meer tegen het quantitatieve euvel, dat Pierre d'Ailly +te velde trekt, dan tegen het qualitatieve. Hij trekt, met uitzondering +van zijn schimp tegen den aflaatpreek, niet uitdrukkelijk de vroomheid +en heiligheid van al die praktijken in twijfel; hem bezwaart hun +ongebreideld aangroeien als zoodanig; hij ziet de Kerk verstikken onder +dien last van bijzonderheden. Toen Alanus de Rupe zijn nieuwe broederschap +van den rozenkrans propageert, richt zich het verzet ook meer tegen de +nieuwigheid op zich zelf dan tegen den inhoud ervan. Vertrouwend op de +werking van zulk een grootsche gebedsgemeenschap, als Alanus zich +voorstelde, zou het volk de voorgeschreven penitenties, de geestelijkheid +de canonieke getijden verwaarloozen. De parochiekerken zouden leegloopen, +als de broederschap enkel in de kerken der Franciscanen en Dominicanen +vergaderde. Uit de bijeenkomsten konden licht partijzucht en samenzweringen +voortkomen. En ten slotte verwijt men hem ook: het zijn droombeelden, +phantasieën en oudewijvenpraatjes, die de broederschap voor groote en +wonderlijke openbaringen verkoopt. [466] + +De bijna mechanische wijze, waarop de heilige gebruiken zich neigden te +vermenigvuldigen, wanneer geen strenge autoriteit besnoeiend ingreep, +heeft een karakteristiek voorbeeld in de wekelijksche vereering der +Onnoozele kinderen. Aan de herdenking van den Bethlehemschen kindermoord +op 28 December verbond zich evenzeer allerlei half-heidensch midwinter- +bijgeloof als sentimenteele aandoening over den gruwel van dit +martelaarschap; de dag gold als een ongeluksdag. En nu plachten velen +gedurende het heele jaar den weekdag, waarop het laatst Onnoozele +kinderen gevallen was, als een ongeluksdag te ontzien. Men mocht dien +dag geen werk beginnen, geen tocht aanvaarden. De dag heette eenvoudig +"les Innocents" evenals het feest zelf. Lodewijk XI nam dit gebruik +nauwgezet in acht. De kroning van Eduard IV werd nog eens overgedaan, +omdat men haar eerst op den ongelukkigen dag der week had verricht. René +van Lotharingen moest van een gevecht afzien, omdat zijn landsknechten +weigerden, op grond dat het de weekdag van Onnoozele kinderen was. [467] + +Johannes Gerson neemt uit dit gebruik de aanleiding tot een tractaat +tegen het bijgeloof in het algemeen en dit in het bijzonder. [468] Hij +is een dergenen geweest, die het gevaar van die woekering der +godsdienstige denkbeelden voor het kerkelijk leven duidelijk hebben +gezien. Met zijn scherpen, ietwat nuchteren geest ziet hij ook iets van +den zielkundigen grond voor het opkomen van al die denkbeelden. Zij +spruiten voort "ex sola hominum phantasiatione et melancholica +imaginatione"; het is een bederf van de verbeeldingskracht; deze berust +op een inwendig hersenletsel, en dit weer op duivelsche begoocheling. +Zoo krijgt de duivel toch nog zijn deel. + +Het is een proces van voortdurende herleiding van het oneindige tot +eindigheden, een uiteenvalling van het wonder in atomen. Aan elk +heiligste mysterie hecht zich, als een korst van schelpen aan een schip, +een aangroeisel van uiterlijke geloofselementen, die het ontwijden. De +ontzaglijke doordrongenheid van het wonder der eucharistie plant zich +aan de oppervlakte voort in het nuchterste en materieelste bijgeloof: +bij voorbeeld dat men op den dag, waarop men mis gehoord heeft, niet +blind kan worden of een beroerte krijgen, dat men gedurende den tijd, +dat men de mis hoort, niet ouder wordt. [469] De Kerk heeft er +voortdurend tegen te waken, dat God niet al te zeer op aarde wordt +gebracht. Zij verklaart het kettersch, te beweren, dat Petrus, Johannes +en Jacobus bij Christus' transfiguratie het goddelijk wezen even klaar +hadden gezien, als zij het nu doen in den hemel. [470] Het was +godslastering, dat een der navolgsters van Jeanne d'Arc beweerde, God +gezien te hebben in een lang wit kleed met een rood overkleed. [471] +Doch kon het volk het helpen, dat het niet de fijne onderscheidingen +wist te maken, die de theologie voorschreef, waar de Kerk zooveel bonte +stof aan de verbeelding bood? + +Gerson zelf hield zich niet vrij van het euvel, dat hij bestreed. Hij +verheft zijn stem tegen de ijdele nieuwsgierigheid, [472] en bedoelt +daarmee den geest van onderzoek, die de natuur wil leeren kennen in haar +uiterste geheimen. Maar hij zelf wroet met onbescheiden nieuwsgierigheid +in de kleinste uiterlijke bijzonderheden der heilige dingen. Zijn +bijzondere vereering voor den heiligen Joseph, voor wiens feest hij op +allerlei wijzen werkt, maakt hem benieuwd, om alles van Joseph te weten. +Hij verdiept zich in al de bijzonderheden van diens huwelijk met Maria, +hun samenleven, zijn onthouding, hoe hij haar zwangerschap leerde kennen, +hoe oud hij was. Van de caricatuur, die de kunst van Joseph dreigde te +maken: den ouden slovenden man, zooals Deschamps hem beklaagde, wil +Gerson niet weten: Joseph was nog geen vijftig jaar, zegt hij. [473] +Elders veroorlooft hij zich een bespiegeling over de lichamelijke +samenstelling van Johannes den Dooper: "semen igitur materiale ex qua +corpus compaginandum erat, nec durum nimis nec rursus fluidum +abundantius fuit". [474] De beroemde volksprediker Olivier Maillard +pleegt zijn gehoor na de inleiding te onthalen op "une belle question +théologale", bij voorbeeld, of de Maagd zoo actief had meegewerkt tot de +ontvangenis van Christus, dat zij waarlijk Moeder Gods mocht heeten; of +het lichaam van Christus asch zou zijn geworden, indien de opstanding +niet tusschenbeide gekomen ware. [475] De strijdvraag over Maria's +onbevlekte ontvangenis, waarin de Dominicanen tegen de wassende +volksbehoefte in, die de Maagd van aanvang af vrij van de erfzonde wilde +zien, de ontkennende partij hielden, veroorzaakte een vermenging van +theologische en embryologische bespiegeling, die ons weinig stichtelijk +voorkomt. En zoo hardnekkig overtuigd waren de ernstigste godgeleerden +van het gewicht hunner argumenten, dat zij zich niet ontzagen, het +dispuut in preeken voor het groote publiek te brengen. [476] Als zoo de +geest van de ernstigsten was gericht, hoe kon het dan anders, of over +een groot levensgebied moest zich door die voortgezette uitwerking in +bijzonderheden al het heilige oplossen in een alledaagschheid, waaruit +men zich slechts bij vlagen tot de ontzaglijke huivering over het wonder +verhief? + +De gemeenzaamheid, waarmee men in het dagelijksch leven met God handelde, +moet van twee kanten worden bezien: het is even goed de volstrekte +vastheid en onmiddellijkheid van het geloof, die daaruit spreken, als de +schade, die dat geloof leed door zijn volkomen afvloeiing in alle dingen +van het gewone leven. Juist het innigste mysterie, de eucharistie, lijdt +voortdurend het gevaar der profanatie. Zoo ongeschokt was het geloof aan +het miswonder en de rechtgeloovige vereenzelviging der drie personen van +de Drieëenheid, dat men de gewijde hostie eenvoudig God noemde. Zoo +ontstaat een spraakgebruik, dat ons profaner schijnt dan het voor den +middeleeuwschen geest was. Een reiziger stijgt even af, en gaat een +dorpskerk binnen "pour veoir Dieu en passant". Van den priester heet +het: "quand il eut levé Dieu et calice"; gaat hij met de hostie op een +ezel zijns weegs, dan spreekt men van "un Dieu sur un asne". [477] +Wekken deze voorbeelden door de bron, waaraan zij zijn ontleend: de +_Cent nouvelles nouvelles_, wellicht de verdenking van een onvrome +bedoeling (ik zie er enkel het gemeenzame spraakgebruik in), deze is +uitgesloten bij het volgende uit _Le livre du chevalier de la Tour-Landry +pour l'enseignement de ses filles_, waar van een dame gezegd wordt: "Sy +cuidoit transir de la mort, et se fist apporter beau sire Dieux." [478] +"Veoir Dieu" was een gangbare term voor het zien heffen van de hostie. [479] +--Zoodra nu de smaak van het wonder even uitbleef, welk een ontwijding +bracht dan zulk een spraakgebruik mede! Dan was het maar een kleine val +tot gedachtenlooze gemeenzaamheden als het spreekwoord: "Laissez faire +à Dieu, qui est homme d'aage", [480] of Froissart's: "et li prie à mains +jointes, pour si hault homme que Diex est." [481] + +Hoe zulk een spraakgebruik "Dieu" voor de hostie het godsgeloof zelf +contamineeren kon, bewijst een geval als het volgende. De bisschop van +Coutances draagt een mis op in de kerk van Saint Denis. Toen hij het +lichaam des Heeren gaat heffen, vermaant men Hugues Aubriot, den prévôt +van Parijs, die de kapel rondwandelde, waar de mis gevierd werd, om te +aanbidden. Maar Hugues, een bekend esprit fort, antwoordt met een vloek, +dat hij niet geloofde in den God van zoo'n bisschop, die aan het hof +woonde. [482] + +Een treffend voorbeeld van bijna onbeschaamde gemeenzaamheid met het +heilige, waar toch aan een spottende bedoeling niet valt te denken, zijn +de Mariabeeldjes, zooals de Bourgondische hertogen er een bezaten, die +een variant opleveren van het oud-hollandsche drinkvaatwerk, dat Hansje +in den kelder genoemd werd. Het was een klein gouden beeldje, rijk met +edelsteenen versierd, waarvan de buik open kon, waarbinnen men de +Drieëenheid zag. [483] Gerson zag er een bij de Carmelieten te Parijs, +en keurt het af, maar niet wegens de onvroomheid doch om de ketterij, +die erin gelegen was, de geheele Drieëenheid als de vrucht van Maria's +schoot voor te stellen. [484] + +Het geheele leven was zoo doortrokken van godsdienst, dat de afstand +tusschen het aardsche en het geestelijke ieder oogenblik dreigt te loor +te gaan. Wordt aan den eenen kant alles van het gewone leven in de +heilige oogenblikken opgetrokken in wijding, aan den anderen kant wordt +het heilige voortdurend in de sfeer van het alledaagsche gehouden door +zijn onoplosbare vermenging met het dagelijksch leven. Hierboven werd +gesproken van het kerkhof der Innocents te Parijs, die afzichtelijke +kermis des doods met de doodsbeenderen al rondom opgetast en uitgestald. +Kan men zich iets vreeselijkers denken dan het leven van de kluizenares, +ingemetseld tegen den kerkmuur op die plaats der verschrikking? Maar +lees nu, hoe de tijdgenooten erover spreken: de recluses woonden er in +een keurig nieuw huisje, zij werden ingemetseld met een mooie preek, zij +kregen van den koning een bezoldiging van acht pond 's jaars in acht +termijnen. [485] Alles alsof het gewone hofjesjuffrouwen waren. Waar +blijft het religieuze pathos? Waar blijft het, als er een aflaat wordt +verbonden aan de gewoonste huiselijke werkzaamheden: het aanmaken van +den oven, het melken van een koe, het uitboenen van een pot. [486] Bij +een verloting te Bergen-op-Zoom in 1518 waren naast elkaar "costelijcke +prijsen" en aflaten te winnen. [487] Bij de vorstelijke intochten +prijkten op de hoeken der straten afwisselend met de zinrijke +vertooningen, dikwijls van heidensche naaktheid, de kostbare +reliekschrijnen der stad op altaren, bediend door prelaten en den vorst +om eerbiedig te kussen aangeboden. [488] + +Die oogenschijnlijke ongescheidenheid van de religieuze en de +wereldlijke sfeer wordt het levendigst uitgedrukt door het overbekende +feit, dat de wereldlijke melodie steeds onveranderd dienen kan voor den +kerkelijken zang en omgekeerd. Guillaume Dufay componeert zijn missen op +thema's van wereldlijke liederen als "Tant je me déduis, Se la face ay +pale, L'omme armé." + +Er is een voortdurend wisselverkeer tusschen de godsdienstige en +wereldlijke terminologie. Zonder aanstoot ontleent men de uitdrukking +voor aardsche dingen aan den godsdienst en omgekeerd. Boven den ingang +van de Rekenkamer te Rijssel prijkte een vers, dat aan iedereen +herinnerde, hoe hij eenmaal rekenschap zou hebben af te leggen van zijn +hemelsche gaven, voor God: + + "Lors ouvrira, au son de buysine + Sa générale et grant chambre des comptes." [489] + +Omgekeerd heette het in den plechtigen oproep tot een tournooi, alsof +het een plechtigheid met aflaat was: + + "Oez, oez, l'oneur et la louenge + Et des armes grantdisime pardon." [490] + +Het was toeval, dat in het woord "mistère" mysterium en ministerium +waren dooreengeloopen, maar deze homonymie kon niet anders dan de +verzwakking van het mysteriebesef in het dagelijksch spraakgebruik +bevorderen: alles heette mistère, bij voorbeeld de eenhoren, de schilden +en de pop, die bij den Pas d'armes de la fontaine des pleurs gebruikt +waren. [491] + +Als directe tegenkant van de godsdienstige symboliek: het duiden van +alle aardsche dingen en aardsche geschiedenis als zinnebeeld en +praefiguratie van het goddelijke, vindt men omgekeerd vorstenhulde +gebracht in godsdienstige metafoor. Zoodra het ontzag voor aardsche +majesteit den middeleeuwer aanvat, dient hem de taal der heilige +aanbidding voor de uitdrukking van zijn gevoel. De vorstendienaars der +vijftiende eeuw staan hier voor geen profanatie. In het pleidooi om den +moord van Lodewijk van Orleans laat de pleiter den geest van den +vermoorden vorst tot zijn zoon spreken: aanschouw mijn wonden, waarvan +er vijf in het bijzonder wreed en doodelijk waren. [492] Hij ziet het +slachtoffer dus als Christus. De bisschop van Chalons schroomt op zijn +beurt niet, Jan zonder Vrees, die door de wraak om Orleans viel, met het +Lam Gods te vergelijken. [493] Molinet vergelijkt keizer Frederik, die +zijn zoon Maximiliaan zendt, om met Maria van Bourgondië te trouwen, met +God Vader, die den Zoon op aarde zendt, en spaart geen vrome taal tot +uitwerking van het geval. Wanneer later Frederik en Maximiliaan met den +jongen Philips den Schoone te Brussel binnenkomen, laat Molinet de +Brusselaars weenend zeggen: "Véez-ci figure de la Trinité, le Père, le +Fils et Sainct Esprit." Of wel hij biedt zijn bloemkrans aan Maria van +Bourgondië als waardig beeld van Onze Lieve Vrouw, "behoudens de +maagdelijkheid." [494] + +"Niet dat ik de vorsten wil vergoden", zegt deze aartshoveling. [495] +Misschien is het inderdaad meer holheid en phrase dan werkelijk gevoelde +adulatie, maar het bewijst daarom niet minder de depreciatie van de +heilige voorstellingen door hun dagelijksch gebruik. Trouwens wat zal +men den hofpoëtaster verwijten, als Gerson zelf aan de vorstelijke +hoorders van zijn preeken speciale beschermengelen toekent van een +hooger hiërarchie en ambt dan die van andere menschen? [496] + +In de toepassing van godsdienstige termen op het erotische, waarvan hier +boven reeds sprake was, heeft men natuurlijk met heel iets anders te +doen. Hier is een element van werkelijke onvroomheid en spot, dat in het +zooeven behandelde spraakgebruik niet aanwezig was; beide zijn slechts +verwant, in zooverre zij voortspruiten uit de groote gemeenzaamheid met +het heilige. De vertellers der _Cent nouvelles nouvelles_ verlustigen +zich onvermoeid in woordspeling op "saints" en "seins", en het gebruik +van "dévotion, confesser, bénir" in obscenen zin. De schrijver van _Les +Quinze joyes de mariage_ kiest dien titel in navolging der vreugden van +Maria. [497] Van de voorstelling der liefde als een vrome observantie is +hierboven gesproken. Van ernstiger beteekenis nog is het, wanneer de +verdediger van den _Roman de la rose_ met heilige termen noemt "partes +corporis inhonestas et peccata immunda atque turpia." [498] Hier is wel +degelijk iets van die gevaarlijke toenadering van het godsdienstige en +het erotische voelen, die de Kerk in dezen vorm hevig vreesde. Niets +geeft wellicht die toenadering zoo levendig te zien als de Antwerpsche +Madonna, aan Fouquet toegeschreven, voorheen in het koor der Lieve +Vrouwenkerk te Melun als diptiek vereenigd met het luik, dat den +stichter Etienne Chevalier, tresorier des konings, met den heiligen +Stephanus vertoont, thans te Berlijn. Een oude traditie, in de 17e eeuw +door den oudheidkundige Denis Godefroy opgeteekend, wil, dat de Madonna +de trekken van Agnes Sorel weergeeft, de koninklijke maîtresse, voor wie +Chevalier zijn hartstocht niet verborg. Het is inderdaad, bij al de +groote hoedanigheden der schildering, een modepop, die wij voor ons +zien, met het gebombeerde kaalgeschoren voorhoofd, de wijd +uiteenstaande, kogelronde borsten, het hooge dunne middel. De bizarrerie +van de hermetische gelaatsuitdrukking, de stijve roode en blauwe +engelen, alles werkt mee, om aan het schilderij een waas van décadente +goddeloosheid te geven, waarbij de forsche, slichte voorstelling van den +stichter en zijn heilige op het andere luik wonderlijk afsteekt. +Godefroy zag op het blauw fluweel eener breede lijst de naamletter E in +parelen, telkens verbonden door liefdestrikken (lacs d'amour) uit goud- +en zilverdraad. [499] Ligt in het geheel niet een blasphemische +vrijmoedigheid met het heilige, die door geen Renaissance-geest te +overtreffen was? + +De oneerbiedigheid van het dagelijksche kerkelijk leven was schier +zonder grenzen. Men beweert, dat bij de missen, op wereldlijke thema's +gecomponeerd, in den dienst zelfs de teksten dier profane liederen: +_baisez-moi, rouges nez_, tusschen den liturgischen tekst door werden +gezongen. [500] David van Bourgondië, de bastaard van Philips den Goede, +houdt zijn intrede als bisschop van Utrecht te midden van een +krijgsgevolg van enkel edelen, waarmee zijn broeder de bastaard van +Bourgondië hem uit Amersfoort is komen afhalen. De nieuwe bisschop zelf +is geheel geharnast, alsof hij een veroverend wereldlijk vorst ware; zoo +rijdt hij naar den dom, en gaat er binnen in een processie met vanen en +kruisen, om voor het hoogaltaar te bidden. [501] Leg naast die +Bourgondische onbeschaamde hoovaardij de gemoedelijke onbeschaamdheid +van Rudolf Agricola's vader, den pastoor van Baflo, die op den dag, dat +hij tot abt van Selwert was gekozen, het bericht kreeg, dat hem uit zijn +bijzit een zoon geboren was, en zeide: "Heden ben ik tweemaal vader +geworden; moge Gods zegen er op rusten." [502] + +De tijdgenooten beschouwen de toenemende oneerbiedigheid jegens de kerk +als een achteruitgang der zeden van den jongsten tijd. + + "On souloit estre ou temps passé + En l'église benignement + A genoux en humilité + Delez l'autel moult closement, + Tout nu le chief piteusement, + Maiz au jour d'uy, si come beste, + On vient à l'autel bien souvent + Chaperon et chapel en teste." [503] + +Op de feestdagen, klaagt Nicolaas van Clemanges, gaan maar weinigen naar +de mis. Zij hooren die niet tot het einde aan, en vergenoegen zich, even +het wijwater aan te raken, door een kniebuiging Onze Lieve Vrouw te +groeten, of een heiligenbeeld te kussen. Hebben zij de hostie zien +heffen, dan beroemen zij er zich op als een groote weldaad aan Christus. +De metten en den vesper viert de priester meestal met zijn helper +alleen. [504]--De heer van het dorp en patronaatsheer der kerk laat den +priester kalm wachten met de mis, tot hij en zijn vrouw zijn opgestaan +en zich gekleed hebben. [505] + +De heiligste feesten, de Kerstnacht zelf, worden in ongebondenheid +doorgebracht, met kaartspelen, vloeken en schandelijke taal; vermaant +men het volk, dan beroept het er zich op, dat de groote heeren, de +klerken en prelaten het ongestraft doen. [506] Op de vigiliën der +feestdagen wordt in de kerken zelf met losbandige liederen gedanst; +priesters geven het voorbeeld, om die nachtwaken door te brengen met +dobbelspel en vloeken. [507] De raad van Straatsburg schonk jaarlijks +1100 liter wijn voor hen, die in het Munster den Sint Adolfsnacht +"wakend en in gebed" doorbrachten. [508] Een stedelijk magistraat +beklaagt zich bij Dionysius den Kartuizer, dat de jaarlijksche +processie, in zijn stad met een heilige reliquie verricht, de aanleiding +was tot tal van onbetamelijkheden en drinkgelagen. Hoe daar een einde +aan te maken? De magistraat zelf zou er niet gemakkelijk van te +overtuigen zijn, want de processie bracht de stad voordeel aan; zij +bracht volk in de stad, dat er moest overnachten, eten en drinken. En +het was nu eenmaal zoo gewoonte. Dionysius kende het euvel; hij wist, +hoe tuchteloos men bij processies optrad, pratende, lachende, +onbeschaamd rondkijkende, belust op drinken en ruw vermaak. [509] Het +past wonderwel bij den optocht der Gentenaren naar de kermis van Houthem +met den schrijn van Sint Lieven. Vroeger, zegt Chastellain, plachten de +notabelen het heilig lichaam te dragen "en grande et haute solempnité et +révérence", maar nu is het "une multitude de respaille et de +garçonnaille mauvaise"; zij dragen hem schreeuwend en joelend, zingend +en dansend, onder honderd potsen, en allen zijn dronken. Zij zijn +gewapend bovendien, en veroorloven zich overal waar zij langs komen de +grootste losbandigheid; alles schijnt dien dag aan hen overgeleverd +onder voorwendsel van hun heiligen last. [510] + +De kerkgang is een belangrijk element in het gezelschapsleven. Men komt +er pronken in zijn fraaisten dos, men komt er wedijveren in rang en +deftigheid, en in hoofsche vormen en beleefdheid. Vroeger is al vermeld, +[511] hoe het kussen van het "paesbord", "la paix", de vaste aanleiding +was tot den meest stotenden beleefdheidsstrijd. Als er een jonkertje +binnenkomt, staat mevrouw op en kust hem op den mond, terwijl de +priester de hostie wijdt en het volk te bidden ligt. [512] Praten en +rondwandelen onder de mis moeten zeer gewoon zijn geweest. [513] Het +gebruik van de kerk als plaats van samenkomst, waar de jongelieden naar +de meisjes komen kijken, is zoo algemeen, dat enkel de moralisten er +zich over ergeren. De jeugd komt zelden in de kerk, roept Nicolaas van +Clemanges uit, [514] dan om de vrouwen te zien, die er haar hoovaardige +kapsels en haar décolleté komen vertoonen. De eerbare Christine de Pisan +dicht zonder ergernis: + + "Se souvent vais ou moustier, + C'est tout pour veoir la belle + Fresche com rose nouvelle." [515] + +Het bleef niet bij de kleine liefdediensten, waartoe de dienst den +vrijer gelegenheid gaf: de beminde het wijwater te geven, haar de "paix" +te reiken, een kaarsje voor haar aan te steken en naast haar te knielen, +niet bij wat teekens en lonkjes. [516] In de kerk zelf komen de +lichtekooien haar afspraken zoeken. [517] In de kerken zelf en op +heiligendagen zijn ontuchtige prentjes te koop, die de jeugd bederven; +en geen preeken helpt tegen het kwaad. [518] Meer dan eens wordt de kerk +en het altaar door ontuchtige daden bezoedeld. [519] + +Evenzeer als het gewone kerkbezoek was de bedevaart de aanleiding tot +allerlei vermaak en vooral tot verliefde besognes. Zij worden in de +litteratuur dikwijls als gewone pleizierreisjes behandeld. De ridder +de la Tour-Landry, die het ernstig meent met zijn onderricht aan zijn +dochters in goede en deugdzame manieren, spreekt van vermaaklievende +dames, die gaarne naar tournooien en pelgrimages gaan, en vertelt +waarschuwende exempelen van vrouwen, die een bedevaart ondernamen als +voorwendsel tot een samenkomst met den geliefde. "Et pour ce a cy bon +exemple comment l'on ne doit pas aler aux sains voiaiges pour nulle +folie plaisance." [520] Juist zoo beschouwt ze Nicolaas van Clemanges: +men gaat op feestdagen naar verafgelegen kerken van heiligen ter +beevaart, minder om zijn gelofte te lossen dan om des te vrijer af te +dwalen. Het is een bron van velerlei misdrijven; daar bij de heilige +plaatsen zijn steeds de verfoeilijke koppelaarsters aanwezig, om de +meisjes te verlokken. [521] Het is het gewone geval in de _Quinze joyes +de mariage_: de jonge vrouw wil wel eens een verzetje en bepraat haar +man, dat het kind ziek is, omdat zij de bedevaart nog niet heeft +volbracht, waartoe zij in 't kraambed de gelofte deed. [522] De +voorbereiding tot het huwelijk van Karel VI met Isabella van Beieren +wordt ingeleid met een pelgrimage. [523] Geen wonder, dat de ernstige +mannen der moderne devotie in de bedevaarten weinig nut zien. Die vele +bedevaarten doen, worden zelden heilig, zegt Thomas a Kempis, en +Frederik van Heilo wijdt aan de zaak een afzonderlijk tractaat _Contra +peregrinantes_. [524] + +In al deze ontwijdingen van het geloof door de onbeschaamde vermenging +met het zondige leven ligt meer naïeve gemeenzaamheid met den godsdienst +dan regelrechte onvroomheid. Enkel een samenleving, die geheel +doortrokken is van het godsdienstige, en die het geloof als iets +vanzelfsprekends aanvaardt, kent al deze excessen en ontaarding. Het +waren dezelfde menschen, die de dagelijksche sleur van een half +verliederlijkte godsdienstpraktijk volgden, en die dan plotseling onder +het vlammende woord van een preekenden bedelmonnik vatbaar waren voor de +uitersten van heilige ontroering. + +Zelfs een botte zonde als het vloeken komt enkel op uit een sterk +geloof. Want in zijn oorsprong als bewuste eed is de vloek het teeken +van een tot in de nietigste dingen aanwezig besef van de +tegenwoordigheid van het goddelijke. Alleen het besef van waarlijk den +hemel te tarten geeft aan den vloek zijn zondige bekoring. Eerst waar +elk besef van te zweren en elke vrees voor de vervulling van den vloek +geweken is, verslapt het vloeken tot de eentonige ruwheid van later +tijden. In het laatst der Middeleeuwen heeft het nog dien prikkel van +driestheid en hoogmoed, die het maakt tot een adellijke sport. +"Wat,--zegt de edelman tot den boer--: je geeft je ziel aan den duivel, +en je verloochent God, terwijl je geen edelman bent?" [525] Deschamps +constateert, dat het vloeken reeds afdaalt tot de geringe lieden: + + "Si chetif n'y a qui ne die: + Je renie Dieu et sa mère." [526] + +Men wedijvert in pittige en nieuw gevonden vloeken; wie het liederlijkst +te vloeken weet, wordt als meester geëerd. [527] Eerst vloekte men, zegt +Deschamps, overal in Frankrijk op zijn Gasconsch en Engelsch, daarna op +zijn Bretonsch, en nu op zijn Bourgondisch. Hij rijmt twee balladen +aaneen van de gebruikelijke vloeken, om ze tot vromen zin te wenden. En +de Bourgondische vloek: "Je renie Dieu", is de ergste van allen; [528] +men verzacht hem tot: "Je renie de bottes". De Bourgondiërs hadden den +naam van aartsvloekers; trouwens Frankrijk in het algemeen, klaagt +Gerson, lijdt, zoo christelijk als het is, meer dan andere landen onder +die afschuwelijke zonde, die de oorzaak is van pestilentie, oorlogen en +hongersnood. [529] Zelfs de monniken doen met bastaardvloeken mee. [530] +Hij wil, dat alle autoriteiten en alle standen, door scherpe verordeningen +en lichte straffen, die dan ook werkelijk uitgevoerd kunnen worden, het +kwaad helpen uitroeien. En inderdaad verscheen in 1397 een koninklijke +ordonnantie, die de oude verordeningen tegen het vloeken van 1269 en +1347 hernieuwde; niet met lichte en uitvoerbare straffen evenwel, maar +met de oude bedreigingen van lippen kloven en tong afsnijden, waaruit de +heilige verontwaardiging over de godslastering sprak. In het register, +dat de ordonnantie bevat, staat er aan den rand bij aangeteekend: "Al +deze vloeken zijn heden ten dage, 1411, overal in het rijk zeer algemeen +in gebruik, zonder eenige straf." [531] Pierre d'Ailly dringt bij het +concilie van Constanz [532] opnieuw met nadruk aan op de bestrijding van +het kwaad. + +Gerson kent de beide uitersten, waartusschen de zonde van het vloeken +zich beweegt. Hij kende uit zijn ervaring als biechtvader de jongelieden, +die onbedorven, eenvoudig en kuisch, gekweld werden door een scherpe +verzoeking, om woorden van godverloochening en godslastering te spreken. +Hij beveelt hun aan, om zich niet geheel aan de beschouwing van God en +zijn heiligen over te geven; zij zijn er niet sterk genoeg toe. [533] +Hij kent ook de gewoontevloekers, zooals de Bourgondiërs, wier daad, hoe +verfoeilijk ook, toch niet de schuld van meineedigheid bevat, daar er in +het geheel geen bedoeling is, om te zweren. [534] + +Het punt, waar de gewoonte om de dingen van het geloof lichtvaardig te +behandelen, overgaat in bewuste ongodsdienstigheid, is niet te bepalen. +Er is zonder twijfel in het laatst der Middeleeuwen een sterke neiging, +om de vroomheid en de vromen te bespotten. Men is gaarne esprit fort, en +spreekt tegen het geloof bij wijze van scherts. [535] De novellisten +doen frivool en onverschillig, zooals in het verhaal der _Cent nouvelles +nouvelles_, waar de pastoor zijn hond in gewijde aarde begraaft, en hem +toespreekt: "mon bon chien, a qui Dieu pardoint." De hond gaat dan ook +"tout droit au paradis des chiens." [536] Men heeft een grooten afkeer +van gehuichelde of beuzelachtige vroomheid: het woord "papelard" ligt +hun in den mond bestorven. Het veelgebruikte spreekwoord: "De jeune +angelot vieux diable" of in fraai schoollatijn: "Angelicus juvenis +senibus sathanizat in annis" is Gerson een doorn in het oog. Zoo bederft +men de jeugd, zegt hij: men prijst in de kinderen een onbeschaamd +gelaat, vuile taal en vloeken, onkuischheid in blik en gebaar. Maar, +zegt hij: ik zie niet, wat er van den jongeling, die den duivel speelt, +te hopen valt in de grijsheid. [537] + +Onder de geestelijken en godgeleerden zelf onderscheidt Gerson een groep +van onwetende praters en ruziemakers, wien elk gesprek over den +godsdienst een last en een fabel is; alles wat hun wordt meegedeeld van +verschijningen en openbaringen, verwerpen zij met groot gelach en +verontwaardiging. Anderen vallen in het andere uiterste en nemen alle +inbeeldingen van ijlhoofdige menschen, droomen en wonderlijke gedachten +van zieken en krankzinnigen, als openbaringen aan. [538] Het volk weet +tusschen die uitersten het juiste midden niet te bewaren: zij gelooven +alles, wat zieners en waarzeggers voorspellen, maar, komt een ernstig +geestelijke, die dikwijls echte revelaties heeft gehad, eens bedrogen +uit, dan beschimpen de wereldsche lieden allen, die van geestelijken +wandel zijn, noemen hem een bedrieger en een "papelard", en willen +voortaan naar geen geestelijken meer luisteren, die zij voor boosaardige +huichelaars houden. [539] + +Het is steeds weer het plotseling uitblijven van de religieuze spanning +in een met godsdienstigen inhoud en vormen oververzadigd gedachtenleven. +Door de heele Middeleeuwen heen vindt men talrijke gevallen van spontaan +ongeloof, waarbij niet te denken valt aan een afwijking van de kerkleer +op grond van theologische bespiegeling, maar enkel aan een onmiddellijke +reactie. Al beteekent het niet veel, wanneer dichters of +geschiedschrijvers, de enorme zonden van hun tijd ziende, uitroepen: men +gelooft niet meer aan hemel en hel, [540] bij meer dan een was het +latente ongeloof bewust en vast geworden, zoo zelfs dat het algemeen +bekend was, en zij er zelf voor uitkwamen. "Beaux seigneurs,--zegt de +kapitein Bétisac tot zijn makkers, [541]--je ay regarde à mes besongnes +et en ma conscience je tiens grandement Dieu avoir courrouchié, car jà +de long temps j'ay erré contre la foy, et ne puis croire qu'il soit +riens de la Trinité, ne que le Fils de Dieu se daignast tant abaissier +que il venist des chieulx descendre en corps humain de femme, et croy et +dy que, quant nous morons, que il n'est riens de âme.... J'ay tenu celle +oppinion depuis que j'eus congnoissance, et la tenray jusques à la +fin."--Hugues Aubriot, prévôt van Parijs, is een allervurigst papenhater; +hij gelooft niet aan het altaarsacrament, spot ermee, houdt geen Paschen, +gaat niet te biecht, [542] Jacques du Clercq verhaalt verschillende +gevallen van edelen, die hun ongeloof toonden en geheel bij kennis de +laatste sacramenten weigerden. [543] Jean de Montreuil, proost van +Rijssel, schrijft aan een zijner geleerde vrienden, meer in den +luchtigen trant van een verlichten humanist dan als een waarlijk vrome: +"Ge kent onzen vriend Ambrosius de Miliis; ge hebt dikwijls gehoord, hoe +hij van den godsdienst, van het geloof, van de heilige schrift en van +alle kerkelijke voorschriften dacht, zóó namelijk, dat Epicurus er +katholiek bij moest heeten. Welnu, deze man is thans geheel bekeerd." +Maar hij werd dan ook tevoren toch geduld in dien kring van vroege +humanisten vol vromen zin. [544] + +Aan de eene zijde van deze spontane gevallen van ongeloof staat het +litteraire paganisme der Renaissance en het beschaafde en behoedzame +Epicurisme, dat reeds in de 13e eeuw, naar Averroës genoemd, in zoo +wijde kringen had gebloeid. Aan de andere zijde staat de +hartstochtelijke negatie bij de arme, onwetende ketters, die allen, hoe +zij ook heeten, Turlupins of Broeders van den vrijen geest, de grenzen +van de mystiek naar het pantheïsme hadden overschreden. Doch deze +verschijnselen moeten in een later verband ter sprake komen. Voorloopig +hebben wij nog te blijven in de sfeer van de uiterlijke geloofsverbeelding +en de uiterlijke vormen en gebruiken. + + * * * * * + +Voor het dagelijksch besef van den grooten hoop maakte de aanwezigheid +van een zichtbaar beeld het intellectueel bewijs van de waarheid van het +afgebeelde volkomen overbodig. Tusschen hetgeen men in kleur en vorm +afgebeeld voor zich zag: de personen der Drieëenheid, de vlammende hel, +de tallooze heiligen, en het gelooven daaraan lag geen vraag: zou het +waar zijn? Al die voorstellingen werden onmiddellijk _als_ verbeeldingen +tot geloof; zij stonden in den geest vast omlijnd en bont gekleurd, met +al de realiteit, die de Kerk in het geloof eischen kon, en nog wat +daarenboven. + +Doch waar het geloof direct berust op een beeldvoorstelling, kan het +nauwelijks qualitatieve onderscheidingen maken tusschen den aard en den +graad van heiligheid der verschillende geloofselementen. Het eene beeld +is zoo reëel en zoo ontzagbaar als het andere, en dat men God te +aanbidden heeft en de heiligen slechts te vereeren, leert de afbeelding +zelf niet, als niet de Kerk met haar leering er voortdurend toe +vermaant. Nergens dreigde de overwoekering van de vrome gedachte door de +bonte verbeelding zoo aanhoudend en zoo sterk, als op het gebied der +heiligenvereering. + +Het strenge standpunt van de Kerk was zuiver en hoog genoeg. Gegeven de +voorstelling van het persoonlijk voortbestaan, was de vereering der +heiligen natuurlijk en zonder bedenking. Het is geoorloofd, hun lof en +eer toe te kennen "per imitationem et reductionem ad Deum". Op dezelfde +wijze mag men ook vereering schenken aan beelden, relieken, heilige +plaatsen en aan God gewijde dingen, voorzoover het ten slotte leidt tot +vereering van God zelf. [545] Ook de technische onderscheiding van den +heilige en den gewonen gezaligde, en de normeering van het instituut der +heiligheid door de officieele canonisatie hadden, schoon een bedenkelijke +formaliseering, toch niets wat tegen den geest van het christendom streed. +De Kerk bleef zich bewust van de oorspronkelijke gelijkwaardigheid van +heiligheid en zaligheid, en van het ontoereikende der heiligverklaring. +"Het is te gelooven,--zegt Gerson,--dat er oneindig meer heiligen +gestorven zijn en dagelijks sterven, dan zij die gecanoniseerd zijn." +[546] De geoorloofdheid der beelden zelf tegenover de uitdrukkelijke +woorden van het tweede gebod werd betoogd met het beroep, dat vóór de +menschwording van Christus het verbod noodzakelijk was geweest, omdat +God toen enkel geest was, maar dat Christus de oude wet had opgeheven +door en wegens zijn komst op aarde. Aan de rest van het tweede gebod: +"Non adorabis ea neque coles", wenschte de Kerk onvoorwaardelijk vast te +houden. "Wij aanbidden de beelden niet, doch brengen eer en adoratie aan +den afgebeelde, dat wil zeggen aan God, of aan zijn heilige, wiens beeld +het is." [547] De beelden dienen alleen, om aan de eenvoudigen, die de +schrift niet kennen, te toonen, wat zij moeten gelooven. [548] Zij zijn +de boeken der onwetenden: [549] men kent die gedachte uit het gebed aan +Maria, dat Villon voor zijn moeder maakte: + + "Femme je suis pourette et ancienne, + Qui riens ne sçai; oncques lettre ne leuz; + Au moustier voy dont suis paroissienne + Paradis paint, où sont harpes et luz, + Et ung enfer où dampnez sont boulluz: + L'ung me fait paour, l'autre joye et liesse".... [550] + +Dat door het openleggen van het boek der bonte beelden aan den dolenden +geest evenveel stof tot afwijking van de leer werd geboden, als de +persoonlijke schriftverklaring kon meebrengen, heeft de Kerk nimmer +verontrust. Zij heeft altijd licht geoordeeld over de zonde van hen, die +uit onwetendheid en eenvoudigheid tot aanbidding der beelden vervielen. +Het is hun reeds genoeg, zegt Gerson, als zij maar de bedoeling hebben +om te doen, zooals de Kerk doet in het eeren der beelden. [551] + +De zuiver dogmenhistorische vraag, in hoeverre de Kerk haar verbod van +directe vereering of zelfs aanbidding der heiligen, niet als voor +bidders maar als bewerkers van het gevraagde, altijd zuiver heeft weten +te handhaven, kan hier blijven rusten. De cultuurhistorische vraag is, +in hoeverre zij erin slaagde, het volk daarvan af te houden, met andere +woorden welke realiteit, welke voorstellingswaarde de heiligen hadden in +het laat-middeleeuwsche volksbesef. En hier is maar één antwoord mogelijk: +de heiligen waren zoo wezenlijke, zoo materieele en zoo gemeenzame +figuren in het alledaagsche geloofsleven, dat zich aan hen al de meer +oppervlakkige en zinnelijke godsdienstige impulsen verbonden. Terwijl +de innigste gemoedsbewegingen uitstroomden naar Christus en Maria, +kristalliseerde zich in de heiligenvereering een heele schat van +gemoedelijk, naïef en alledaagsch godsdienstig leven. Alles werkte mede, +om aan de populaire heiligen een wezenlijkheid voor den geest te geven, +die hen voortdurend midden in het leven bracht. De volksverbeelding +heeft hen vast: zij hebben hun bekende gedaante en hun attributen, men +kent hun ijselijke martelie en hun verbazende wonderen. Zij gaan gekleed +en uitgerust als het volk zelf. Men kon mijnheer Sint Rochus of Sint +Jacob iederen dag in levende pestlijders of pelgrims ontmoeten. Het zou +van belang zijn, na te gaan, tot hoe lang de kleederdracht der heiligen +de mode van den dag heeft meegemaakt. Zeker die der geheele vijftiende +eeuw. Maar waar is het punt, waarop de kerkelijke kunst hen onttrekt +aan de levende volksverbeelding, door hen te hullen in rhetorische +drapeering? Het is niet alleen een kwestie van Renaissancegevoel voor +historisch costuum; het is, dat de volksverbeelding zelf hen begint los +te laten, of althans zich niet meer kan doen gelden in de kerkelijke +kunst. Tijdens de contrareformatie zijn de heiligen veel treden hooger +geklommen, naar de Kerk het wilde: weg uit de aanraking met het +volksleven. + +De lijfelijkheid, die de heiligen reeds hadden door de afbeelding, werd +nog buitengewoon verhoogd doordat de Kerk van oudsher de vereering van +hun lichamelijke overblijfselen had toegestaan en aangemoedigd. Het kon +niet anders, of van dit hechten aan de stof moest een materialiseerende +invloed op het geloof uitgaan, die somtijds tot verbazingwekkende +uitersten leidde. Waar het relieken geldt, vreest het sterke geloof der +Middeleeuwen voor geen ontnuchtering of ontwijding. Het volk in de +bergen van Umbrië omstreeks het jaar 1000 wilde den kluizenaar Sint +Romuald doodslaan, om toch zijn gebeente niet te verliezen. De monniken +van Fossanuova, waar Thomas van Aquino gestorven was, hebben, uit vrees +dat hun de kostbare reliek zou ontgaan, het lijk van den edelen meester +letterlijk ingemaakt: van het hoofd ontdaan, gekookt, geprepareerd. +[552] Toen de heilige Elisabeth van Thüringen boven aarde stond, kwam +een schaar van devoten niet alleen stukken snijden of scheuren van de +doeken, waarmee haar gelaat omwikkeld was; men sneed de haren en nagels +af, ja zelfs stukken van de ooren en de tepels van de borsten. [553] Ter +gelegenheid van een plechtig feest deelt Karel VI ribben uit van zijn +voorvader den heiligen Lodewijk: aan Pierre d'Ailly, aan zijn ooms van +Berry en Bourgondië, en aan de prelaten een been om te verdeelen, +waartoe dezen dan ook overgaan na den maaltijd. [554] + +Hoe levend en hoe lijfelijk nu ook de voorstelling der heiligen was, +niettemin treden zij betrekkelijk weinig op in de sfeer van de +bovennatuurlijke beleving. Het geheele gebied van geestenzienerij, +teekenen, verschijningen en spooksels staat grootendeels gescheiden +van de verbeeldingssfeer der heiligenvereering. Er zijn natuurlijk +uitzonderingen. Iedereen denkt terstond aan Sint Michiel, Sint Catharina +en Sint Margareta, die aan Jeanne d'Arc verschenen. Zoo zouden er uit de +visionaire litteratuur nog tal van andere voorbeelden zijn aan te halen. +Maar in den regel heeft men daar te doen met eenigszins litterair +geformeerde of geïnterpreteerde gezichten. Wanneer aan den jongen herder +te Frankenthal bij Bamberg in 1446 de veertien heilige noodhelpers +verschijnen, dan ziet hij dezen, die toch in de iconografie zulke +markante figuren waren, [555] niet met hun sprekende attributen, maar +als veertien engelkindertjes, onderling geheel gelijk; zij _zeggen_, +dat zij de veertien noodhelpers zijn. De fantasmagorie van het directe +volksgeloof is gevuld met engelen en duivelen, geesten van afgestorvenen +en witte wijven, maar niet met heiligen. Slechts bij uitzondering speelt +in het echte, niet litterair of theologisch aangekleede bijgeloof de +heilige een rol. Sint Bertulf doet het te Gent. Als er iets ernstigs +gaat gebeuren, klopt hij tegen zijn kist in de Sint Pieters abdij "moult +dru et moult fort". Het gaat soms gepaard met een lichte aardbeving, +en verschrikt de stad zoo, dat zij met groote ommegangen het onbekende +onheil zoekt te keeren. [556] In het algemeen echter hecht zich de +klamme vrees aan de slechts vaag verbeelde figuren, die niet met vaste +attributen, bekende trekken en gezellig bonte kleedij in de kerken +uitgehouwen en geschilderd stonden, maar met een ongezien schrikgelaat +in een nevelige wade rondwaarden, of in louter hemelglans zich vertoonden, +of in monsterlijk verschietende wanvormen uit de schuilhoeken van het +brein opdoken. + +Dit behoeft niet te verbazen. Juist doordat de heilige zoo exacten vorm +had aangenomen, zooveel verbeeldingsstof had aangetrokken en rondom zich +gekristalliseerd, miste hij de huiveringwekkende geheimzinnigheid. +De vrees voor het bovennatuurlijke ligt in de onbepaaldheid der +voorstelling, in de verwachting, dat iets plotseling zich in een nieuwe, +nooit ontwaarde schrikwekkendheid zou kunnen vertoonen. Zoodra de +voorstelling wordt omlijnd en bepaald, ontstaat een gevoel van +verzekerdheid en gemeenzaamheid. De heiligen met hun welbekende figuren +hadden het geruststellende van een politieagent in een groote vreemde +stad. De heiligenvereering en vooral de heiligenverbeelding schiep als +'t ware een neutrale zone van gemoedelijk rustig geloof tusschen de +verrukkingen van het God-schouwen en de zoete huiveringen van de +Christusliefde eenerzijds, en anderzijds de gruwelijke fantasmen van de +duivelvrees en den heksenwaan. Men zou de stelling kunnen wagen, dat de +heiligenvereering, door veel zaligheidsgevoel en veel angsten af te +leiden en te herleiden tot gemeenzame verbeelding, een zeer hygiënische +tempering heeft opgeleverd voor den wild uitschietenden geest der +Middeleeuwen. + +Door die volkomen ver-beelding heeft de heiligenvereering haar plaats +aan den buitenkant van het geloofsleven. Zij gaat mee op den stroom van +het alledaagsche denken, en verliest daarin soms haar waardigheid. +Karakteristiek is in dit opzicht de laat-middeleeuwsche Joseph-vereering. +Men kan haar beschouwen als een gevolg en een terugslag van de +hartstochtelijke Maria-vereering. De onbescheiden belangstelling voor +den stiefvader is als 't ware de tegenkant van al de liefde en +verheerlijking, die de maagdelijke Moeder gold. Naarmate Maria hooger +steeg, werd Joseph meer caricatuur. De beeldende kunst gaf hem reeds een +type, dat bedenkelijk dicht naderde tot dat van den lompen, bespotten +boer. Zoo ziet men hem op Melchior Broederlam's tweeluik te Dijon. Maar +in de beeldende kunst bleef het ontwijdendste onuitgedrukt. Welk een +naïeve nuchterheid vertoont de Joseph-opvatting van Eustache Deschamps, +die hierin toch volstrekt niet als een onvrome spotter te beschouwen is. +Joseph, die Gods Moeder dienen mocht en haar zoon opvoeden, men zou +meenen, dat geen sterveling hooger begenadigd is geweest. Deschamps +gelieft hem te zien als het type van den slovenden, beklagenswaardigen +huisvader: + + "Vous qui servez a femme et a enfans + Aiez Joseph toudis en remembrance; + Femmes servit toujours tristes, dolans. + Et Jhesu Crist garda en son enfance; + A piè trotoit, son fardel sur sa lance; + En plusieurs lieux est figuré ainsi, + Lez un mulet, pour leur faire plaisance, + Et si n'ot oncq feste en ce monde ci." [557] + +Was het enkel, om huisvaders in zorgen met een edel voorbeeld te +troosten, dan zou het nog gaan, wat er ook aan waardigheid der +voorstelling ontbrak. Maar Deschamps bedoelt Joseph regelrecht als +afschrikkend voorbeeld, om zich toch niet met een gezin te belasten: + + "Qu'ot Joseph de povreté + De durté, + De maleurté, + Quant Dieux nasqui? + Maintefois l'a comporté, + Et monté + Par bonté + Avec sa mère autressi, + Sur sa mule les ravi; + Je le vi + Paint ainsi; + En Egipte en est alé. + + Le bonhomme est painturé + Tout lassé, + Et troussé, + D'une cote et d'un barry: + Un baston au coul posé, + Vieil, usé + Et rusé. + Feste n'a en ce monde cy, + Mais de lui + Va le cri: + C'est Joseph le rassoté." [558] + +Hier ziet men voor oogen, hoe uit de gemeenzame afbeelding een +gemeenzame opvatting groeide, die elke heiligheid schond. Joseph bleef +in de volksverbeelding een half-komische figuur; nog dr. Johannes Eck +moest erop aandringen, dat men hem in het kerstspel of in het geheel +niet, of althans op betamelijker wijze zou voorstellen, en hem geen +pap zou laten koken, "ne ecclesia Dei irrideatur." [559] Tegen deze +onwaardige woekeringen was de beweging van Gerson voor een passende +Joseph-vereering gericht, die tot zijn opneming in de liturgie met +voorrang boven alle andere heiligen leidde. [560] Wij zagen echter boven +reeds, hoe ook Gerson's ernstig streven hem niet vrijhoudt van die +onbescheiden curiositas, die aan het onderwerp van Joseph's huwelijk +haast onvermijdelijk verbonden scheen. Voor een nuchteren geest (en +Gerson, ondanks zijn voorliefde voor de mystiek, was in veel opzichten +een nuchtere geest) mengden zich altijd weer in de beschouwing van +Maria's huwelijk overwegingen van zeer aardschen inhoud. De ridder de la +Tour-Landry, ook een type van nuchter welmeenend geloof, ziet het geval +onder dit licht. "Dieux voulst que elle espousast le saint homme Joseph, +qui estoit vieulx et preudomme; car Dieu voulst naistre soubz umbre de +mariage pour obéir à la loy qui lors couroit, _pour eschever les paroles +du monde_," [561]-- + +Een onuitgegeven werk der vijftiende eeuw verbeeldt het mystisch +huwelijk der ziel met den hemelschen bruidegom in de termen van een +burgerlijke vrijaadje. Jezus, de bruidegom, zegt tot God Vader: "S'il te +plaist, je me mariray et auray grant foueson d'enfans et de famille." De +Vader maakt bezwaren, want de keuze des Zoons is gevallen op een zwarte +Ethiopische; hier speelt het woord van het Hooglied onder: "Nigra sum +sed formosa". Het zou een mésalliance zijn en een oneer voor de familie. +De engel, die als hijlikmaker optreedt, doet een goed woord voor de +bruid. "Combien que ceste fille soit noire, neanmoins elle est +gracieuse, et a belle composicion de corps et de membres, et est bien +habile pour porter fouezon d'enfans." De Vader antwoordt: "Mon cher fils +m'a dit qu'elle est noire et brunete. Certes je vueil que son espouse +soit jeune, courtoise, jolye, gracieuse et belle et qu'elle ait beaux +membres." Nu prijst de engel haar aangezicht en al haar leden, dat zijn +de deugden der ziel. De Vader geeft zich gewonnen, en spreekt tot den +Zoon: + + "Prens la, car elle est plaisant + Pour bien amer son doulx amant; + Or prens de nos biens largement, + Et luy en donne habondamment." [562] + +Aan den ernst en de stichtelijke bedoeling van dit werk valt geen +oogenblik te twijfelen. Het is enkel een bewijs, tot welke triviale +voorstellingen de onbeteugelde uitwerking der verbeelding leiden kon. + +Iedere heiligenfiguur had door haar welbepaald, direct sprekend beeld +een individueel karakter, [563] in tegenstelling met de engelen, die met +uitzondering der drie groote aartsengelen volkomen onverbeeld bleven. +De individualiteit der heiligen werd nog versterkt door de speciale +functie, die aan verscheiden hunner toekwam: tot dezen wendde men zich +in een bepaalden nood, tot genen om genezing eener bepaalde ziekte. +Veelal had een trek uit de legende of een attribuut van het beeld de +aanleiding gegeven tot die specialiseering, zooals bij voorbeeld, als +Sinte Apollonia tegen kiespijn werd aangeroepen, wie zelve in haar +martelie de kiezen waren uitgetrokken. Was eenmaal de goedgunstige taak +der heiligen zoo verbijzonderd, dan kon het niet uitblijven, of er kwam +in hun vereering een half mechanisch element. Hoorde eenmaal de genezing +der pest tot het ambtsgebied van Sint Rochus, dan werd bijna +onvermijdelijk de actie van den heilige in dezen te direct opgevat, en +liep de gansche, door de Kerk gevorderde, gedachtenschakel, dat de +heilige door zijn voorbidding bij God de genezing wrocht, gevaar om uit +te vallen. Met name was dit het geval bij de vereering der veertien +(soms ook vijf, acht, tien of vijftien) Noodhelpers, die in het laatst +der Middeleeuwen zoo sterk op den voorgrond kwam. Sint Barbara en Sint +Christophorus, de meest afgebeelde van allen, hooren ertoe. Aan deze +veertien had God naar de voorstelling van het volksgeloof toegestaan, +dat hunne aanroeping iedereen zou vermogen te redden uit onmiddellijk +dreigend gevaar. + + "Ilz sont cinq sains, en la genealogie, + Et cinq sainctes, a qui Dieux octria + Benignement a la fin de leur vie. + Que quiconques de cuer les requerra + En tous perilz, que Dieux essaucera + Leurs prieres, pour quelconque mesaise. + Saiges est donc qui ces cinq servira, + Jorges, Denis, Christofle, Gille et Blaise." [564] + +Voor het volksbesef moest krachtens deze delegatie der almacht en +de oogenblikkelijkheid der werking elke gedachte aan de louter +voorsprekende functie der heiligen geheel wegvallen; de Noodhelpers +waren de procuratiehouders der godheid geworden. Verschillende missalen +uit het einde der Middeleeuwen, die het officie der veertien Noodhelpers +behelzen, spreken het bindend karakter van hunne tusschenkomst duidelijk +uit: "Deus qui electos sanctos tuos Georgium etc. etc. specialibus +privilegiis prae cunctis aliis decorasti, ut omnes, qui in necessitatibus +suis eorum implorant auxilium, secundum promissionem tuae gratiae +petitionis suae salutarem consequantur effectum." [565] Vandaar dat de +Kerk na Trente de mis der veertien Noodhelpers als zoodanig verboden +heeft, van wege het gevaar, dat het geloof hier zich als aan een talisman +zou hechten. [566] Inderdaad gold reeds het dagelijks aanschouwen van een +geschilderden of gebeeldhouwden Christophorus als genoegzame behoeding +voor een noodlottig einde. [567] + +Vraagt men, wat de aanleiding kan zijn geweest, dat juist deze veertien +zulk een compagnie des heils zijn gaan vormen, dan valt het op, dat +allen in hun beeltenis iets sensationeels hadden, dat de verbeelding +prikkelde. Achatius zag men met een doornenkroon, Aegidius met een +hinde, Sint Joris met den draak, Blasius in een hol met wilde dieren, +Christoffel als een reus, Cyriacus met den duivel aan een ketting, +Dionysius met zijn hoofd in den arm, Erasmus in zijn gruwelijke +marteling met de windas, die hem de darmen uittrekt, Eustachius met het +kruisdragend hert, Pantaleon als geneesheer, met een leeuw, Vitus in een +ketel, Sint Barbara met haar toren, Catharina met het rad en het zwaard, +Margareta met een draak. [568] Het zou niet onmogelijk zijn, dat de +bijzondere opmerkzaamheid voor deze veertien van het treffende in hun +beeld haar uitgangspunt had genomen. + +Tal van heiligennamen waren verbonden geraakt aan bepaalde ziekten, +zooals Sint Antonie aan verschillende vurige huidziekten, Sint Maurus +aan de jicht, Sint Sebastiaan, Sint Rochus, Sint Aegidius, Sint +Christoffel, Sint Valentijn en Sint Adriaan aan de pest. Hier school nog +een ander gevaar voor ontaarding van het volksgeloof. Het euvel heette +naar den heilige: Sint Antonies vuur, "mal de Saint Maur" en tallooze +dergelijke. De heilige stond dus bij het denken aan de ziekte van +aanvang af op den voorgrond der gedachte. Dat denken was geladen met +heftige gemoedsbeweging; vooral waar het de gevreesde pest gold. +De pestheiligen werden in de vijftiende eeuw druk vereerd: met officiën +in de kerken, met processies, met broederschappen, een geestelijke +ziekteverzekering als 't ware. Hoe licht kon nu het sterke besef van +Gods toorn, dat door iedere epidemie werd gewekt, overslaan op den +heilige, die de voorstelling in beslag nam. Niet Gods ondoorgrondelijke +rechtvaardigheid heeft de ziekte veroorzaakt, maar de toorn van den +heilige is het, die haar zendt en verzoening eischt. Wanneer hij ze +geneest, waarom zal hij haar dan ook niet veroorzaken? Zoo was een +heidensche verplaatsing van het geloof uit de religieus ethische in de +magische sfeer gegeven, waarvoor de Kerk enkel in zooverre aansprakelijk +kon worden gesteld, als zij er niet genoeg rekening mee hield, hoe haar +zuivere leer vertroebelde in een onwetenden geest. Rabelais vertelt van +volkspredikers, die der gemeente Sint Sebastiaan voorhielden als den +veroorzaker der pest, Sint Eutropius (wegens de assonantie met +ydropique?) als dien der waterzucht. [569] De werkelijke aanwezigheid +van zulk een voorstelling wordt gestaafd door meer dan één getuigenis. +Eustache Deschamps laat den door huidziekte geplaagden bedelaar zeggen: + + "Saint Anthoine me vent trop chier + Son mal, le feu ou corps me boute", [570] + +en den jichtige voegt hij toe: wel, als ge niet loopen kunt, spaart ge +weggeld uit: + + "Saint Mor ne te fera fremir." [571] + +In zijn hoongedicht _De validorum per Franciam mendicantium varia +astucia_ beschrijft Robert Gaguin de bedelaars aldus: "Deze valt ter +aarde, terwijl hij stinkend speeksel opgeeft, en bazelt, dat dit het +wonderwerk van Sint Jan is. Anderen worden door Sint Fiacrius, den +kluizenaar, met puisten gekweld; gij, o Damianus, belemmert de +waterloozing. Sint Antonie brandt hun de gewrichten met jammerlijk vuur, +Sint Pius maakt hen kreupel en lam." [572] + +"Sainct Anthoine arde le tripot! Sainct Anthoine arde la monture!" [573] +In verwenschingen als deze is de heilige geheel een booze vuur-demon +geworden. + +Zelfs de bejegening der godheid zelf kan door deze fetichistische +voorstelling aangetast worden. Te Haarlem wordt in 1492 een knaap uit de +Groningsche Ommelanden terechtgesteld, die na zijn geld bij het dobbelen +verloren te hebben, een kerk was binnengeloopen en twee dolksteken had +toegebracht aan het beeld van den Gekruisigde. [574] + +De gevoels- en gedachteninhoud van de heiligenvereering was voor zulk +een groot deel vastgelegd in de kleuren en vormen der beelden, dat de +onmiddellijk aesthetische opvatting voortdurend dreigde, de religieuze +gedachte op te heffen. Tusschen het aanschouwen van den glans van het +goud, van de pijnlijk getrouwe weergave van de stoffen der kleedij, van +den vromen blik der oogen, en de levende voorstelling van den heilige in +het bewustzijn, was nauwelijks meer plaats voor de overdenking, wat de +Kerk toestond en wat zij verbood, dien heerlijken wezens aan hulde en +innigheid te bieden. De heiligen leefden in den geest des volks als +goden. Wanneer dat gevaar voor de volksvroomheid gevreesd wordt door de +angstvallig rechtgeloovige kringen der Windesheimers, verbaast het ons +niet. Doch wel sprekend is het, wanneer die gedachte plotseling opgaat +aan een geest als Eustache Deschamps, den oppervlakkigen, banalen +hofdichter, die juist in zijn begrensdheid zulk een voortreffelijke +spiegel is van het gewone geestesleven van zijn tijd. + + "Ne faictes pas les dieux d'argent, + D'or, de fust, [575] de pierre ou d'arain, + Qui font ydolatrer la gent.... + Car l'ouvrage est forme plaisant; + Leur painture dont je me plain, + La beauté de l'or reluisant, + Font croire à maint peuple incertain + Que ce soient dieu pour certain, + Et servent par pensées foles + Telz ymages qui font caroles [576] + Es moustiers où trop en mettons; + C'est tresmal fait: a brief paroles, + Telz simulacres n'aourons. + * * * * * * * * * * * * * + Prince, un Dieu croions seulement + Et aourons parfaictement + Aux champs, partout, car c'est raisons. + Non pas faulz dieux, fer n'ayment, + Pierres qui n'ont entendement: + Telz simulacres n'aourons." [577] + +Zou het niet op te vatten zijn als een onbewuste reactie tegen de +heiligenvereering, wanneer in de late Middeleeuwen zoo sterk geijverd +wordt voor de vereering van den beschermengel? In de heiligenvereering +was het levende geloof veel te veel gekristalliseerd; men had behoefte +aan een meer liquiden staat van het vereeringsgevoel en het +beschermingsbesef. Dat kon zich hechten aan de nauwelijks verbeelde +engelfiguur, terugkeeren tot de onmiddellijkheid van het +bovennatuurlijke. Het is alweer Gerson, de nauwgezette ijveraar voor +zuiverheid in het geloof, die de vereering des beschermengels +herhaaldelijk aanbeveelt. [578] Doch ook hier dreigt alweer die zucht +tot uitwerking der bijzonderheden, die het vrome gehalte der vereering +slechts schaden kon. De "studiositas theologorum" zegt Gerson, stelt +aangaande de engelen allerlei vragen: of zij ons ooit verlaten, of zij +van te voren weten, of wij uitverkoren zijn of verdoemd zullen worden, +of Christus een beschermengel had, en Maria, of de Antichrist er een +hebben zal. Of onze goede engel tot onze ziel kan spreken zonder de +beelden van phantasmen, of zij de aanspoorders zijn tot het goede, +gelijk de duivelen tot het kwade. Of zij onze gedachten zien. Wat hun +getal is. Die studiositas, besluit Gerson, blijve den godgeleerden +overgelaten, maar elke curiositas zij verre van allen, die zich meer +moeten bevlijtigen tot devotie dan tot subtiele speculatie. [579] + +De Hervorming heeft een eeuw later de heiligenvereering bijna weerloos +gevonden, terwijl zij tegen het heksen- en duivelgeloof zelfs geen +aanval deed, ja niet doen wilde, daar het haar zelf nog bevangen hield. +Was dit niet, doordat de heiligenvereering voor een groot deel tot caput +mortuum geworden was, doordat bijna alles wat de gedachtensfeer der +heiligenvereering betrof, in het beeld, de legende, het gebed zoo +volkomen was uitgedrukt, dat er geen huiverend ontzag meer achter stond? +De heiligenvereering had haar wortels in het onverbeelde en onzegbare +verloren, die zoo vreeselijk sterk waren in de demonologische +gedachtensfeer. En wanneer de Contrareformatie een gezuiverde +heiligenvereering opnieuw gaat kweeken, moet zij den geest bewerken met +snoeimes en bemesting. + + + +NOTEN: + + +[458] J. Burckhardt, Weltgeschichtliche Betrachtungen, 1905, S. 97, 147. + +[459] Heinrich Seuse, Leben, ed. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, 1907, +p. 24, 25. + +[460] Gerson, Opera, III p. 309. + +[461] Nic. de Clemanges, De novis festivitatibus non instituendis, +Opera, ed. Lydius, Lugd. Bat. 1613, p. 151, 159. + +[462] Bij Gerson, Opera, II p. 911. + +[463] Acta sanctorum Apr. t. III p. 149. + +[464] ac aliis vere pauperibus et miserabilibus indigentibus, quibus +convenit jus et verus titulus mendicandi. + +[465] qui ecclesiam suis mendaciis maculant et eam irrisibilem reddunt. + +[466] Alanus Redivivus, ed. J. Coppenstein, 1642, p. 77. + +[467] Commines, I p. 310; Chastellain, V p. 27; Le Jouvencel, I p. 82; +Jean Lud, in Deutsche Geschichtsblätter, XV p. 248; Journal d'un +bourgeois, p. 384; Paston Letters, II p. 18; J. H. Ramsay, Lancaster and +York, II p. 275; Play of sir John Oldcastle, II p. 2 enz. + +[468] Contra superstitionem praesertim Innocentum, Gerson, Opera, I p. +203. + +[469] Gerson, Quaedam argumentatio adversus eos qui publice volunt +dogmatizare etc. Opera, II p. 521/522. + +[470] Johannis de Varennis Responsiones etc., Gerson, I p. 909. + +[471] Journal d'un bourgeois, p. 259. Voor "une hucque vermeille par +dessoubz" zal "par dessus" te lezen zijn. + +[472] Contra vanam curiositatem, Opera, I p. 86. + +[473] Considérations sur saint Joseph, III p. 842/68. Josephina IV p. +753; Sermo de natalitate beatae Mariae Virginis, III p. 1351; verder IV +p. 729, 731, 732, 735, 736. + +[474] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 50. + +[475] C. Schmidt, Der Prediger Olivier Maillard, Zeitschr. f. hist. +Theologie, 1856, p. 501. + +[476] Zie Thuasne, Rob. Gaguini Ep. et Or., I p. 72ss. + +[477] Les cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 75ss. 122ss. + +[478] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, ed. de Montaiglon, p. 56. + +[479] L.c., p. 257; "Se elles ouyssent sonner la messe ou à veoir Dieu." + +[480] Leroux de Lincy, Le livre des Proverbes français(2), Paris, 1859, +2 vol., I p. 21. + +[481] Froissart, ed. Luce, V p. 24. + +[482] "Cum juramento asseruit non credere in Deum dicti episcopi," Rel. +de S. Denis, I p. 102. + +[483] Laborde, II p. 264. no. 4238. Inventaris van 1420; ib. II p. 10 +no. 77, Inventaris van Karel den Stoute, waar wel sprake zal zijn van +hetzelfde exemplaar. + +[484] Gerson, Opera, III p. 947. + +[485] Journal d'un bourgeois, p. 366(2). + +[486] Een nederl. aflaatbrief uit de 14e eeuw, ed. J. Verdam, Ned. +Archief voor Kerkgesch. 1900, p. 117-122. + +[487] A. Eekhof, De questierders van den aflaat in de Noordelijke +Nederl., 's Grav. 1909, p. 12. + +[488] Chastellain, Ip. 187/89: intocht van Hendrik V en Philips van +Bourgondië te Parijs in 1420; II p. 16: intocht van den laatste te Gent +in 1430. + +[489] Doutrepont, p. 379. + +[490] Deschamps, III p. 89 no. 357; le roi René, Traicté de la forme et +devise d'un tournoy. Oeuvres, II p. 9. + +[491] Olivier de la Marche. II p. 202. + +[492] Monstrelet, I p. 285. cf. 306. + +[493] Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, p. 13, 16, (Chron. +rel. à l'hist. de la Belgique sous la dom. des ducs de Bourg. II). + +[494] Molinet, II p. 84-94, III p. 98, Faictz et Dictz, fo. 47, vgl. I +p. 240, en ook Chastellain, III p. 209, 260, IV p. 48, V p. 301, VII +p. 1ss. + +[495] Molinet, III p. 109. + +[496] Gerson, Oratio ad regem Franciae, Opera, IV p. 662. + +[497] Quinze joyes de Mariage, p. xiii. + +[498] Gerson, Opera, III p. 299. + +[499] Friedländer, Jahrb. d. K. Preuss. Kunstsammlungen, XVII. 1896, +p. 206. + +[500] Wetzer und Welte, Kirchenlexikon, s. v. Musik, col., 2040. + +[501] Chastellain, III p. 155. + +[502] H. van den Velden, Rod. Agricola, een Nederlandsen humanist der +vijftiende eeuw, 1e dl., Leiden 1911, p. 44. + +[503] Deschamps, X no. 33, p. xli. In den voorlaatsten regel staat +"l'ostel", wat natuurlijk geen zin geeft. + +[504] Nic. de Clemanges, De novis celebritatibus non instituendis, +Opera, ed. Lydius, 1613, p. 143. + +[505] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 66, 70. + +[506] Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 946, 947. + +[507] Nic. de Clemangiis, l.c., p. 147. + +[508] O. Winckelmann, Zur Kulturgesch. des Strassburger Münsters, +Zeitschr. f. d. Gesch. des Oberrheins NF XXII 2. + +[509] Dionysius Cartusianus, De modo agendi processiones etc., Opera, +XXXVI p. 198s. + +[510] Chastellain, V p. 253ss. + +[511] Hierboven p. 66. (zie Hoofdstuk II, noot 100) + +[512] Michel Menot, Sermones f. 144vs., bij Champion, Villon, I p. 202. + +[513] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 65; Olivier de la +Marche, II p. 89; l'Amant rendu cordelier, p. 25, huitain 68; Rel. de S. +Denis. I p. 102. + +[514] L.c., p. 144. + +[515] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 172, vgl. p. 60, +l'Epistre au dieu d'Amours, II 3; Deschamps, V p. 51 no. 871, II p. 185 +vs. 75; vgl. hierboven p. 207. (= zie Hoofdstuk IV, noot 399) + +[516] L'Amant rendu cordelier, l.c. + +[517] Menot, l.c. + +[518] Gerson, Expostulatio ... adversus corruptionem juventutis per +lascivas imagines et alia hujusmodi, Opera, III p. 291; cf. De parvulis +ad Christum trahendis, ib. p. 281; Contra tentationem blasphemiae, ib. +p. 246. + +[519] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 80, 81, vgl. Machaut, +Livre du Voir-Dit, p. 143ss. + +[520] Ib. p. 55, 63, 73, 79. + +[521] Nic. de Clemangiis, l.c. p. 145. + +[522] Quinze joyes de mariage, p. 127, vgl. p. 19, 29. 124. + +[523] Froissart, ed. Luce et Raynaud, XI p. 225ss. + +[524] Chron. Montis S. Agnetis, p. 341; J. C. Pool, Frederik v. Heilo en +zijne schriften, Amsterdam, 1866, p. 126; vgl. Hendrik Mande bij W. Moll, +Joh. Brugman en het godsd. leven onzer vaderen in de 15e eeuw, 1854, 2 dln., +I p. 264. + +[525] Gerson, Centilogium de impulsibus, Opera, III p. 154. + +[526] Deschamps, IV p. 322 no. 807; vgl. I p. 272 no. 146: "Si n'y a Si +meschant qui encor ne die Je regni Dieu...." + +[527] Gerson, Adversus lacivas imagines, Op. III p. 292; Sermo de +nativitate Domini, III p. 946. + +[528] Deschamps, I p. 271ss. no. 145, 146, p. 217 no. 105, vgl. II p. +lvi en Gerson III p. 85. + +[529] Gerson, Considérations sur le peché de blasphème, Op. III p. 889. + +[530] Regulae morales, ib. III p. 85. + +[531] Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 130, Rel. de S. Denis, +II p. 533. + +[532] P. d'Ailly, De reformatione, cap. 6; de reform, laicorum, bij +Gerson, Opera, II p. 914. + +[533] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 243. + +[534] Gerson, Regulae morales. Opera, III p. 85. + +[535] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 246: +hi qui audacter contra fidem loquuntur in forma joci etc. + +[536] Cent nouvelles nouvelles, II p. 205. + +[537] Gerson, Sermo de S. Nicolao, Op. III p. 1577; De parvulis ad +Christum trahendis ib. p. 279. Tegen hetzelfde spreekwoord ook Dionysius +Cart., Inter Jesum et puerum dialogus, art. 2, Opera t. XXXVIII p. 190. + +[538] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 45. + +[539] Ib. p. 58. + +[540] Deschamps, VI p. 109, no. 1167, id. no. 1222; Commines, I p. 449. + +[541] Froissart, ed Kervyn. XIV p. 67. + +[542] Rel. de S. Denis, I p. 102, 104; Jean Juvenal des Ursins, p. 346. + +[543] Jacques du Clercq. II p. 277, 340; IV p. 59; vgl. Molinet, IV p. +390, Rel. de S. Denis, I p. 643. + +[544] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. Coll. II +p. 1415, vgl. ep. 75, 76, p. 1456 van Ambr. de Miliis aan Gonthier Col, +waar hij zich beklaagt over Jean de Montreuil. + +[545] Gerson, Sermo III in die Sancti Ludovici, Opera, III p. 1451. + +[546] Gerson, Contra impugnantes ordinem carthusiensium, Opera. II +p. 713. + +[547] Gerson, De decem praceptis, Opera, I p. 245. + +[548] Gerson, Sermo de nativ. Domini, Opera, III p. 947. + +[549] Nic. de Clemanges, De novis celebr. etc. p. 151. + +[550] Villon, Testament, vs. 893ss., ed. Longnon, p. 57. + +[551] Gerson, Sermo de nativitaté Domini, Opera, III p. 947, Regulae +morales, ib. p. 86, Liber de vita spirituali animae, ib. p. 66. + +[552] Hist. translationis corporis sanctissimi ecclesiae doctoris divi +Thom. de Aq., 1368, auct. fr. Raymundo Hugonis O.P., Acta sanctorum +Martii, I p. 725. + +[553] Bericht van de pauselijke commissaris-bisschop Konrad van +Hildesheim en abt Hermann van Georgenthal over het getuigenverhoor +aangaande de heilige Elisabeth te Marburg in Januari 1235, uitgegeven +Historisches Jahrbuch der Görres-Gesellschaft XXVIII p. 887. + +[554] Rel. de S. Denis, II p. 37. + +[555] Zie beneden p. 280. (zie Hoofdstuk VI, noot 565) + +[556] Chastellain, III p. 407, IV p. 216. + +[557] Deschamps, I p. 277 no. 150. + +[558] Ib. II p. 348 no. 314. + +[559] Uit Johann Eck's Pfarrbuch für U.L. Frau in Ingolstadt, +aangehaald Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 103. + +[560] Joseph Seitz, Die Verehrung des hl. Joseph in ihrer geschichtl. +Entwicklung usw., Freiburg, Herder, 1908. + +[561] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 212. + +[562] B. Nat. Ms. fr. 1875, bij Ch. Oulmont, Le Verger, le Temple et la +Cellule, essai sur la sensualité dans les oeuvres de mystique +religieuse, Paris, 1912, p. 284ss. + +[563] Zie over de heiligenfiguren vooral E. Mâle, L'art religieux à la +fin du Moyen âge, chap. IV. + +[564] Deschamps, I p. 114 no. 32, VI p. 243 no. 1237. + +[565] Bambergsch missaal van 1490, bij Uhrig, Die 14 hl. Nothelfer (XIV +Auxiliatores), Theol. Quartalschrift LXX, 1888, p. 72; vgl. Utrechtsch +missaal van 1514 en Dominicaansch missaal van 1550, Acta sanctorum +Aprilis t. III p. 149. + +[566] L.l.c.c. + +[567] Erasmus, Ratio seu methodus compendio perveniendi ad veram +theologiam, ed. Bazel, 1520, p. 171. + +[568] In de zooeven aangehaalde ballade van Deschamps ook Martha, die de +Tarasque te Tarascon vernietigde. + +[569] Gargantua, l.I ch. 45. + +[570] ou = au. + +[571] Deschamps, no. 1230, VI p. 323. + +[572] Rob. Gaguini Epistole et Orationes, ed. Thuasne. II p. 176. + +[573] Oeuvres de Coquillart, ed. Ch. d'Héricault (Bibl. elzevirienne) +1857. 2 vol., II p. 281. + +[574] Molinet, IV p. 284. + +[575] Fust = hout. + +[576] font caroles = in 't rond staan. + +[577] Deschamps, VIII p. 201, no. 1489. + +[578] Gerson, de Angelis, Opera, III p. 1481, De praeceptis decalogi, I +p. 431, Oratio ad bonum angelum suum, III p. 511, Tractatus VIII super +Magnificat, IV p. 370; vgl. III p. 137, 553, 739. + +[579] Opera. IV p. 389. + + + * * * * * + + +VII + +DE GODSDIENSTIGE PERSOONLIJKHEID + + +Het volk leefde gewoonlijk in de sleur van een geheel veruiterlijkten +godsdienst bij een zeer vast geloof, dat wel angsten en verrukkingen +bracht, maar den ongeleerde geen vragen en geestelijken strijd oplegde, +zooals het Protestantisme zou doen. De gemoedelijke oneerbiedigheid en +nuchterheid van allen dag werd afgewisseld door de innigste ontroeringen +van hartstochtelijke vroomheid, die telkens spasmodisch het volk +aangrijpen. Men moet die voortdurende tegenstelling van sterke en zwakke +religieuze spanning niet willen begrijpen, door de kudde te scheiden in +vromen en wereldlingen, alsof een deel des volks blijvend hoog +godsdienstig leefde, terwijl de anderen slechts uiterlijk vroom waren. +Onze voorstelling van het laat-middeleeuwsche Noord-nederlandsche en +Neder-duitsche piëtisme zou ons licht op een dwaalspoor kunnen brengen. +In de moderne devotie der Fraterhuizen en Windesheimers hadden zich +inderdaad piëtistische kringen uit het wereldsche leven afgezonderd; bij +hen was de religieuze spanning blijvend genormaliseerd; zij vormden als +vromen bij uitstek een tegenstelling tot den grooten hoop. Doch Frankrijk +en de Zuidelijke Nederlanden hebben dat verschijnsel in den vorm van een +georganiseerde beweging nauwelijks gekend. Toch hebben daar de stemmingen, +die aan de moderne devotie ten grondslag lagen, evengoed hun werking gehad +als in het stille land van den IJsel. Doch daar in het Zuiden kwam het +niet tot zulk een afscheiding; de hooge devotie bleef er deel van het +algemeene godsdienstleven; zij openbaarde zich er bij oogenblikken, +heviger en korter. Het is het verschil, dat tot den huidigen dag +Romaansche volken van de Noordelijke scheidt: de Zuidelijken nemen een +tegenstrijdigheid minder zwaar, voelen minder den eisch, er de volle +consequentie uit te trekken, kunnen gemakkelijker de gemeenzaam spottende +houding van het dagelijksch leven verbinden met de hooge exaltatie van het +begenadigde oogenblik. + +De geringschatting voor de geestelijkheid, die als onderstrooming door +de heele middeleeuwsche cultuur heenloopt naast de hooge vereering voor +den priesterstand, is ten deele te verklaren uit de verwereldlijking der +hoogere geestelijkheid en de verregaande declasseering der lagere, en +ten deele uit oude heidensche instincten. Het onvolkomen gekerstende +volksgemoed had nooit geheel den afkeer afgelegd van den man, die niet +vechten mocht en kuisch moest leven. De ridderlijke hoogmoed, geworteld +in dapperheid en liefde, stiet evenzeer als het ruwe volksbesef het +geestelijk ideaal van zich. De ontaarding der geestelijken zelf deed de +rest, en zoo hadden hoogere en lagere standen zich reeds eeuwen +verlustigd in de figuur van den onkuischen monnik en den smullenden +vetten paap. Een latente haat tegen de geestelijkheid was altijd +aanwezig. Hoe heftiger een prediker uitvoer tegen de zonden van zijn +eigen stand, hoe liever het volk hem hoorde. [580] Zoodra de preeker, +zegt Bernardinus van Siena, tegen de geestelijken te velde trekt, +vergeten de hoorders de rest; er is geen beter middel, om de aandacht +gaande te houden, als het volk slaperig wordt of het te warm of te koud +krijgt. Dan wordt alles terstond wakker en welgemoed. [581] Terwijl +juist de hevige godsdienstige beroering door de reizende volkspredikers +in de veertiende en vijftiende eeuw uitgaat van een herleving der +bedelorden, zijn het aan den anderen kant juist de bedelmonniken, wier +verbastering hen tot het gewone voorwerp van spot en verachting maakt. +De onwaardige priester der novellenlitteratuur, die als een armzalige +loondienaar voor drie grooten de mis leest, of bij wien men als +biechtvader geabonneerd is "pour absoudre du tout", pleegt een +bedelmonnik te zijn. [582] De vrome Molinet rijmt spottend in een +nieuwjaarswensch: + + "Prions Dieu que les Jacobins + Puissent manger les Augustins, + Et les Carmes soient pendus + Des cordes des Frères Menus." [583] + +Het dogmatische armoede-begrip, zooals het in de bedelorden belichaamd +was, voldeed den geest niet meer. In plaats van de symbolisch-formeele +Armoede begon men de sociaal-reëele ellende te zien; Pierre d'Ailly +stelt tegenover de mendicanten de "vere pauperes", de echte armen, en +het is geen toeval, dat de verernstiging van het geloof bij de moderne +devoten hen in zekere tegenstelling tot de bedelorden bracht. + +De naïeve nuchterheid van den alledaagschen volksgodsdienst spreekt uit +menige bladzijde. Er is in 1437, na den terugkeer van den Franschen +koning in zijn hoofdstad, een zeer plechtige lijkdienst voor de ziel van +den graaf van Armagnac, het slachtoffer, met wiens moord de nu verleden +troebele jaren begonnen waren. Het volk stroomt erheen, maar is zeer +teleurgesteld, toen er geen uitdeeling van geld gehouden wordt. Want wel +vier duizend lieden, zegt de burger van Parijs gemoedelijk, gingen +erheen, die niet gegaan zouden zijn, als zij niet gedacht hadden, dat er +iets gegeven zou worden. "Et le maudirent qui avant prièrent pour lui." +[584] Toch is het dezelfde bevolking van Parijs, die met een vloed van +tranen de talrijke processies aanschouwt en ineenkrimpt onder het woord +van een reizenden prediker. Ghillebert de Lannoy zag te Rotterdam een +oproer stillen door een priester, die het Corpus Domini ophief. [585] + +De groote tegenstrijdigheid en de sterke spanningsovergangen vertoonen +zich in het godsdienstig leven van den beschaafden enkele zoo goed als +in dat der onwetende massa. Het is altijd weer met een slag, dat de +godsdienstige verheldering komt, altijd weer de flauwere herhaling van +wat Franciscus onderging, toen hij opeens de woorden van het evangelie +hoorde als een onmiddellijk bevel. Een ridder hoort het doopformulier +lezen, gelijk hij het misschien twintig keer had gehoord; maar +plotseling dringt nu de volle heiligheid en wonderlijke werkdadigheid +van die woorden tot hem door, en hij neemt zich voor, om voortaan alleen +door de herinnering aan den doop den duivel te verjagen, zonder het +kruisteeken te maken. [586]--Le Jouvencel zal een kampgevecht bijwonen; +de partijen staan gereed, om op de hostie hun goed recht te bezweren. +Opeens doorgrondt de ridder de peillooze noodzakelijkheid, dat een dier +beide eeden valsch moet zijn, dat een van beiden zich verdoemen gaat, en +zegt: zweert niet, vecht alleen om den inzet van 500 schilden, zonder +een eed te doen. [587] + +De vroomheid van de hoogaanzienlijken met hun zwaren levensballast van +wijdloopige praal en felle geneuchten heeft juist daardoor zeer dikwijls +het spasmodische, dat ook de volksvroomheid kenmerkt. Karel V van +Frankrijk laat dikwijls op het opwindendste oogenblik de jacht in den +steek, om naar de mis te gaan. [588] De jonge Anne de Bourgogne, +Bedford's gemalin, ergert den eenen keer de burgers van Parijs, door in +woesten rit een processie met slijk te bespatten. Maar een andermaal +verlaat zij te middernacht den bonten zwijmel van een hoffeest, om bij +de Celestijnen metten te hooren. En haar droeven jongen dood beloopt zij +door de ziekte, die zij opdeed bij het bezoeken van de arme kranken in +het Hôtel Dieu. [589] + +Tot in raadselachtige uitersten voltrekt zich de tegenstelling van +vroomheid en felle zonde in een figuur als Lodewijk van Orleans, onder +al de groote dienaren van weelde en genot de meest gedebaucheerde, de +hartstochtelijkste wereldling. Hij is zelfs overgegeven aan +tooverkunsten, en weigert er zich van te bekeeren. [590] Dezelfde +Orleans is niettemin zoo devoot, dat hij zijn cel heeft bij de +Celestijnen in het gemeene dormter; hij deelt er het kloosterlijk leven, +hoort er metten te middernacht, en soms vijf of zes missen per dag. +[591]--Gruwelijk is die verbinding van godsdienst en misdaad bij Gilles +de Rais, die temidden van zijn kindermoorden te Machecoul een dienst +sticht ter eere der Onnoozele kinderkens, voor het heil van zijn ziel, +en verbaasd is, als zijn rechters hem voorhouden, dat hij een ketter is. +Al is het met minder scharlaken zonden, dat de vroomheid bij anderen +gepaard gaat, het type van den devoten wereldling vertoonen velen: de +barbaarsche Gaston Phébus, graaf van Foix, de frivole koning René, de +verfijnde Charles d'Orléans. Jan van Beieren, de hardvochtige en +heerschzuchtige, komt vermomd Lidwina van Schiedam spreken over den +staat zijner ziel. [592] Jean Coustain, de ontrouwe dienaar van Philips +den Goede, een goddelooze, die nauwelijks mis hoorde en nimmer aalmoes +gaf, keert zich onder beulshanden tot God in zijn ruw Bourgondisch +patois met een hartstochtelijke aanroeping. [593] + +Philips de Goede zelf is een der treffendste voorbeelden van die +verbinding van vroomheid met wereldschen zin. De man van de overdadige +feesten en de talrijke bastaarden, van de sluwe politieke berekening, +den geweldigen trots en toorn, is een ernstig devote. Hij pleegt tot +lang na de mis in zijn bidvertrek te blijven. Hij vast vier dagen in de +week met water en brood, en bovendien op alle vigiliën van Onze Lieve +Vrouw en de apostelen. Somtijds heeft hij om vier uur na den middag nog +niets gegeten. Hij geeft veel aalmoezen, en in het geheim. [594] Na de +verrassing van Luxemburg blijft hij zoo lang na de mis verdiept in zijn +getijden en daarna in bijzondere dankgebeden, dat zijn gevolg, dat hem +te paard afwacht, want de strijd was nog niet afgeloopen, ongeduldig +wordt: de hertog kon het een andermaal wel inhalen, om al die +paternosters te zeggen. Men waarschuwt hem, dat er gevaar dreigt, als +hij langer toeft. Maar Philips antwoordt enkel: "Si Dieu m'a donné +victoire, il la me gardera." [595] + +Er is in dat alles geen schijnheiligheid of ijdele bigotterie te zoeken, +maar een spanning tusschen twee geestelijke polen, die in den modernen +geest nauwelijks meer bestaanbaar is. Het is het volstrekte dualisme in +de opvatting van de zondige wereld tegenover het rijk Gods, dat deze +mogelijkheid toelaat. In den middeleeuwschen geest zijn alle hoogere en +zuiverder sentimenten geabsorbeerd in religie, terwijl de natuurlijke, +zinnelijke aandriften, bewust verworpen, zinken moeten tot een niveau +van zondig geachten wereldzin. In het middeleeuwsche bewustzijn vormen +zich als 't ware twee levensopvattingen naast elkander: de vrome, +ascetische opvatting heeft alle zedelijke gevoelens tot zich getrokken: +des te bandeloozer wreekt zich de wereldzin, geheel aan den duivel +overgelaten. Overheerscht een van beide geheel, dan ziet men den heilige +of den teugelloozen zondaar; maar in den regel houden zij elkaar in +wankel evenwicht met wijden doorslag, en ziet men de felle menschen, +wier rood bloeiende zonden bij wijlen hun overstortende vroomheid des te +heviger doen uitbarsten. + +Wanneer men een middeleeuwsch dichter de vroomste lofdichten ziet maken +naast allerlei profaneering en obsceniteit, zooals het zoovelen doen: +Deschamps, Antoine de la Salle, Jean Molinet, dan is er nog minder +aanleiding dan bij een modernen dichter, om die producten over +hypothetische tijdperken van wereldzin en inkeer te verdeelen. De +tegenstrijdigheid, die ons bijna onbegrijpelijk is, moet worden +aanvaard. + +Er komen zonderlinge vermengingen voor van de bizarre prachtliefde van +den tijd met strenge devotie. Het is niet alleen in de overlading van +het geloof met schilderkunst, edelsmeedkunst en sculptuur, dat zich de +ongebreidelde behoefte uit, om alles van het leven en van de gedachte +bont te versieren en te verbeelden. In de aankleeding van het geestelijk +leven zelf dringt somtijds die honger naar kleur en schittering door. +Broeder Thomas vaart heftig uit tegen alle weelde en overdaad, maar het +eigen getimmerte, vanwaar hij spreekt, is door het volk behangen met de +rijkste tapisserieën, die men krijgen kon. [596] Philippe de Mézières is +het volkomenste type van die prachtlievende vroomheid. Hij heeft voor de +orde van de Passie, die hij stichten wilde, alles wat kleedij betreft, +haarfijn vastgesteld. Het is als een feest van kleuren, dat hij zich +droomt. De ridders zullen al naar hun rang in 't rood, in 't groen, +scharlaken of hemelsblauw gaan; de grootmeester in 't wit; wit zullen +ook de feestgewaden zijn. Het kruis zal rood zijn, de gordels van leer +of van zijde met hoornen gesp en verguld koperen versiering. De laarzen +zullen zwart zijn en de kaproen rood. Ook het ordekleed der broeders, +servanten, klerken en vrouwen wordt nauwkeurig beschreven. [597]--Van +die orde kwam niets, Philippe de Mézières bleef zijn leven lang de +groote kruistochtfantast en plannenmaker. Maar hij vond te Parijs in het +klooster der Celestijnen de plaats, die hem bevredigen kon: zoo streng +de orde was, zoo schitterend van goud en edele steenen waren kerk en +klooster, een mausoleum van vorsten en vorstinnen. [598] Christine de +Pisan achtte de kerk volmaakt van schoonheid. Mézières vertoefde er als +leek, deelde in het strenge leven der kloosterlingen en bleef toch in +het verkeer met de groote heeren en schoone geesten van zijn dagen, een +mondain-artistieke tegenhanger van Gerard Groote. Hierheen trok hij ook +zijn vorstelijken vriend Orleans, die er den inkeer van zijn woeste +leven en ook zijn vroege rustplaats vond. + +De oude koning René ontdekte op de jacht in de buurt van Angers een +kluizenaar: een priester, die zijn prebende had opgegeven en van zwart +brood en veldvruchten leefde. De koning was getroffen door zijn strenge +deugd, en liet voor hem een kluis en een kapelletje bouwen. Voor zich +zelf voegde hij daar een tuin en een bescheiden buitenhuis aan toe, dat +hij met schilderwerk en allegorieën versieren liet. Dikwijls wandelde +hij daarheen, om in "son cher ermitage de Reculée" met zijn kunstenaars +en geleerden te keuvelen. [599] Is het middeleeuwsch, is het renaissance, +of is het niet achttiende-eeuwsch? + +Een hertog van Savoie wordt kluizenaar met vergulde ceintuur, roode +muts, gouden kruis en goeden wijn. [600] + +Het is maar één stap van die pracht in devotie tot de uitingen van +hyperbolische nederigheid, die zelf ook vol vertoon zijn. Olivier de la +Marche bewaarde uit zijn jongensjaren de herinnering van den intocht van +koning Jacques de Bourbon van Napels, die op aandrang van Sainte Colette +de wereld had vaarwel gezegd. De koning, armzalig gekleed, liet zich +dragen in een mestbak, "telle sans aultre difference que les civieres en +quoy l'on porte les fiens et les ordures communement". Daar achteraan +volgde een keurige hofstoet. "Et ouys racompter et dire,--zegt La Marche +vol bewondering,--que en toutes les villes où il venoit, il faisoit +semblables entrees par humilité." [601] + +Van een niet zóo schilderachtige nederigheid zijn de door veel heilige +voorbeelden aanbevolen voorschriften voor een begrafenis, die al het +nietswaardige van den gestorvene treffend verbeelden moet. De heilige +Pierre Thomas, de boezemvriend en geestelijke meester van Philippe de +Mézières, laat, als hij den dood voelt naderen, zich hullen in een zak, +een touw om den hals binden en op den grond leggen. Hij werkt daarmee +het voorbeeld uit van Sint Franciscus, die zich immers ook in het +sterven op den grond liet leggen. Begraaft mij, zegt Pierre Thomas, in +den ingang van het koor, opdat alle menschen moeten trappen op mijn +lijk, ja zelfs de geiten en de honden, als het kan. [602]--Mézières, de +bewonderende leerling, wil weer den meester overtreffen in fantastische +nederigheid. Hem zal men in de laatste ure een zware ijzeren keten om +den hals leggen. Zoodra hij den geest heeft gegeven, zal men hem naakt +bij de voeten naar het koor sleuren; daar zal hij blijven liggen, tot +men hem in het graf legt, de armen in kruisvorm uitgestrekt, met drie +touwen aan een plank gebonden, die de plaats inneemt van de kostbaar +versierde kist, waarop men misschien zijn ijdele wereldsche wapen zou +hebben geschilderd, "se Dieu l'eust tant hay qu'il fust mors ès cours +des princes de ce monde." De plank, bedekt met twee ellen canevas of ruw +zwart linnen, zal op dezelfde wijze naar de groeve gesleept worden, +waarin "het kreng van den armen pelgrim" naakt als het is, in gestort +zal worden. Er zal een klein grafteeken worden opgericht. En men moet +niemand waarschuwen dan zijn goeden vriend in God, Martin, en de +uitvoerders van zijn laatsten wil. + +Het spreekt bijna vanzelf, dat deze geest van protocol en ceremonie, +plannenmaker en uitwerker van bijzonderheden, ook een maker van vele +testamenten is geweest. In de latere is van deze beschikking van 1392 +geen sprake meer, en toen Mézières in 1405 stierf, kreeg hij een gewone +begrafenis in het ordekleed van zijn geliefde Celestijnen, en twee +grafschriften, waarschijnlijk van hem zelf. [603] + +In het ideaal van heiligheid, men zou bijna kunnen zeggen: het +romantisme der heiligheid, heeft de vijftiende eeuw nog niets gebracht, +wat den nieuwen tijd aankondigt. De Renaissance zelf heeft het ideaal +der heiligheid niet veranderd. Terzijde van de groote stroomingen, die +de beschaving in nieuwe beddingen stortten, blijft het heiligenideaal +zoo na als vóór de groote crisis, wat het altijd geweest was. De heilige +is tijdloos als de mysticus. De heiligentypen der Contrareformatie zijn +dezelfde als die der late Middeleeuwen, en deze verschillen door geen +essentieelen trek van die der vroegere Middeleeuwen. In het eene als in +het andere tijdperk zijn het de groote heiligen van het brandende woord +en de gloeiend gesmede daad: hier Ignatius de Loyola, Franciscus +Naverius, Karel Borromeus, daar Bernardino van Siena, Vincentius Ferrer, +Johannes Capistrano. Daarnaast de stille in godsliefde verdwaasden, die +naderen tot het moslimsche en boeddhistische heiligentype, als Aloysius +Gonzaga in de zestiende eeuw, Franciscus de Paula, Colette, Pieter van +Luxemburg in de vijftiende en veertiende. Tusschen die beide typen in al +de figuren, die van beide uitersten wat hebben, ja zelfs somtijds de +eigenschappen ervan in de hoogste macht vereenigen. + +Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme +der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere +ideale verbeeldingen van een bepaalden levensvorm in menschen +verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk, +dat dit romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit +in de fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding +dan in de groote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur. Men +wordt niet heilig om zijn kerkelijk-sociale verdiensten, al zijn die nog +zoo groot, maar om zijn wonderlijke vroomheid. De groote energeten +erlangen enkel dan den roep van heiligheid, wanneer hun daden gedrenkt +zijn in den schijn van een bovennatuurlijk leven; niet Nicolaas van +Cusa, wel zijn medestander Dionysius de Kartuizer. [604] + +Het is hier nu vooral van belang, op te merken, hoe de kringen der +verfijnde pronkcultuur, dezelfde, die het ridderideaal bleven huldigen +en kweeken tot over de grens der Middeleeuwen heen, tegenover het +heiligenideaal hebben gestaan. Hun aanrakingen daarmee zijn uit den aard +niet zoo talrijk, maar zij ontbreken niet. Nog enkele malen hebben de +vorstelijke kringen zelf in dezen tijd een heilige opgeleverd. Een van +hen is Charles de Blois, oom van den ons bekenden Jan van Blois van +Gouda en Schoonhoven. Hij was door zijn moeder uit het huis van Valois +gesproten, en door zijn huwelijk met de erfgename van Bretagne, Jeanne +de Penthièvre, belast met een troonstrijd, die het beste deel van zijn +leven heeft gevuld. Hem was als huwelijksvoorwaarde gesteld, dat hij het +wapen en den kreet van het hertogdom zou aannemen. Hij vindt een anderen +pretendent, Jean de Montfort, tegenover zich, en de strijd om Bretagne +valt samen met het begin van den honderdjarigen oorlog; de verdediging +van Montfort's aanspraken is een der verwikkelingen, die Eduard III in +Frankrijk brengen. De graaf van Blois aanvaardt zijn strijd ridderlijk, +en vecht als de beste aanvoerders van zijn tijd. Gevangengenomen in +1347, kort voor het beleg van Calais, blijft hij tot 1356 in Engeland. +Eerst in 1362 kan hij den strijd om het hertogdom hervatten, om daarin +den dood te vinden bij Aurai in 1364, dapper vechtende naast Bertrand du +Guesclin en Beaumanoir. + +Deze krijgsheld, wiens uiterlijke levensloop in niets afwijkt van dien +van zoovele vorstelijke pretendenten en aanvoerders uit dien tijd, had +van der jeugd af een leven van strenge askese geleid. Zijn vader moest +hem als knaap uit de stichtelijke boekjes houden. Hij slaapt naast het +bed van zijn gemalin op den vloer op stroo. Men vindt bij zijn +krijgsmansdood het haren kleed onder zijn wapenrusting. Hij biecht +iederen avond, eêr hij te bed gaat, zeggend, dat geen christen in zonde +moest inslapen. Tijdens zijn gevangenschap te Londen pleegt hij de +kerkhoven binnen te gaan, om er geknield den psalm de profundis op te +zeggen. De Bretonsche schildknaap, dien hij verzoekt, de responsen te +zeggen, weigert het: neen, zegt hij, daar liggen zij, die mijn ouders en +vrienden gedood en hun huizen verbrand hebben. + +Na zijn bevrijding wil hij barrevoets over het besneeuwde land van La +Roche-Derrien, waar hij indertijd gevangen was gemaakt, naar den schrijn +van Sint Yves, den vereerden beschermheilige van Bretagne, wiens leven +hij in zijn gevangenschap beschreven had, te Tréguier. Het volk verneemt +het en bestrooit zijn weg met stroo en dekens, maar de graaf van Blois +kiest een anderen weg, en loopt zich de voeten stuk, zoodat hij in +vijftien weken niet gaan kon. [605] Terstond na zijn dood stellen zijn +vorstelijke verwanten, onder wie zijn schoonzoon Lodewijk van Anjou, een +poging in het werk, om hem heilig te doen verklaren. Te Angers heeft in +1371 het proces plaats, dat tot zijn zaligspreking leidt. + +Het vreemde nu is, dat deze Charles de Blois, als men Froissart mag +vertrouwen, een bastaard heeft gehad. "Là fu occis en bon couvenant li +dis messires Charles de Blois, le viaire sus ses ennemis (met het +aangezicht naar den vijand), et uns siens filz bastars qui s'appeloit +messires Jehans de Blois, et pluiseur aultre chevalier et escuier de +Bretagne". [606] Moet men het als evidente onwaarheid verwerpen? [607] +Of zal men aannemen, dat hier de bestaanbare tegenstrijdigheid, die op +te merken viel bij Louis d'Orléans, bij Philips den Goede en zooveel +anderen, haar toppunt heeft bereikt? + +Zulk een vraag stelt het leven van een anderen hoog-adellijken heilige +uit dien tijd, Pierre de Luxembourg, niet. Deze telg van het +Luxemburgsche gravengeslacht, dat in de veertiende eeuw zoowel in het +Duitsche rijk als aan de hoven van Frankrijk en Bourgondië zulk een +aanzienlijke plaats innam, is een treffend voorbeeld van wat William +James "the under-witted saint" noemt: [608] den engen geest, die slechts +in een angstvallig afgesloten wereldje van vrome gedachten kan leven. +Hij was in 1369 geboren, niet lang dus vóór zijn vader Guy in den strijd +tusschen Brabant en Gelre bij Baesweiler (1371) sneuvelde. Zijn +geestelijke geschiedenis voert al weer naar het klooster der Celestijnen +te Parijs, waar hij reeds als achtjarige knaap verkeert met Philippe de +Mézières. Hij wordt als kind reeds overladen met kerkelijke waardigheden, +verscheiden kanunnikschappen; als hij vijftien jaar is, het bisdom Metz, +daarna het kardinaalschap. Nog geen achttien jaar oud, sterft hij in +1387, en terstond wordt te Avignon moeite gedaan voor zijn canonizatie. +De gewichtigste autoriteiten worden er voor gespannen: de koning van +Frankrijk doet er het verzoek toe, het wordt gesteund door het +domkapittel van Parijs en de Universiteit. In het proces, dat in 1389 +plaats heeft, treden de grootste heeren van Frankrijk als getuigen op: +Pierre's broeder André de Luxembourg, Louis de Bourbon, Enguerrand de +Coucy. Door de nalatigheid van den Avignonschen paus bleef weliswaar de +heiligverklaring achterwege (in 1527 had de zaligverklaring plaats), +maar de vereering, die het aanzoek kon rechtvaardigen, was reeds lang +erkend, en ging ongestoord voort. Op de plek te Avignon, waar het +lichaam van Pieter van Luxemburg begraven lag, en vanwaar dagelijks de +treffendste wonderen werden gemeld, stichtte de koning een klooster +der Celestijnen, in navolging van dat te Parijs, in die dagen het +geliefkoosde heiligdom der vorstelijke kringen. De hertogen van Orleans, +Berry en Bourgondië kwamen er voor den koning den eersten steen leggen. +[609] Pierre Salmon vertelt, hoe hij eenige jaren later in de kapel van +den heilige de mis hoorde. [610] + +Het beeld, dat de getuigen in het canonizatieproces van dezen +vroeggestorven prinselijken asceet geven, heeft iets jammerlijks. Pieter +van Luxemburg is een uit zijn kracht gegroeide, teringachtige jongen, +die als kind reeds niet anders kent dan den ernst van een angstvallig +streng geloof. Hij berispt zijn broertje, als deze lacht, want men leest +wel, dat onze Heer geweend heeft, maar niet, dat hij ooit gelachen +heeft. "Douls, courtois et debonnaire--noemt Froissart hem--vierge de +son corps, moult large aumosnier. Le plus du jour et de la nuit il +estoit en oroisons. En toute sa vye il n'y ot fors humilité." [611] In +den beginne tracht zijn adellijke omgeving hem van zijn plannen van +wereldverzaking af te brengen. Wanneer hij ervan spreekt, om te gaan +zwerven en prediken, krijgt hij ten antwoord: je bent veel te lang; +iedereen zou je terstond herkennen. En je zoudt niet tegen de kou +kunnen. En preeken voor den kruistocht, hoe zou je dat kunnen?--Een +oogenblik is het, alsof wij even den ondergrond van dien kleinen starren +geest zien. "Je vois bien--zegt Pieter--qu'on me veut faire venir de +bonne voye à la malvaise: certes, certes, si je m'y mets, je feray tant +que tout le monde parlera de moy."--Heer, antwoordt meester Jean de +Marche, zijn biechtvader, er is niemand, die wil, dat ge kwaad zult +doen, enkel goed. + +Het is duidelijk, dat de hooge verwanten, toen de ascetische neigingen +van den knaap onuitroeibaar bleken, bewondering en trots over het geval +zijn gaan voelen. Een heilige, en zulk een jonge heilige, uit en in hun +midden! Denk u den armen ziekelijken jongen, onder het gewicht van zijn +kerkelijke hoogwaardigheid, te midden van de overdadige praal en het +hoogmoedig hofleven van Berry en Bourgondië, hijzelf ontoonbaar van vuil +en ongedierte, altijd bezig met zijn armzalige kleine zonden. Het +biechten zelf was bij hem als tot een slechte gewoonte geworden. Iederen +dag schreef hij zijn zonden op een lijstje, en als hij het op een reis +of tocht niet had kunnen doen, haalde hij het achterna met uren lang +schrijven in. Men zag hem er 's nachts aan schrijven, of bij de kaars +zijn lijstjes lezen. Dan stond hij midden in den nacht op, om bij een +zijner kapelaans te biechten. Soms klopte hij vergeefs aan hun +slaapvertrekken; zij hielden zich doof. Vond hij gehoor, dan las hij de +zonden van zijn papiertjes af. Van twee of driemaal per week werd het in +zijn laatste dagen tweemaal per dag; de biechtvader mocht niet meer van +zijn zijde weg. En toen hij aan de tering eindelijk gestorven was, na te +hebben verzocht om van den arme begraven te worden, vond men een heele +kist vol van de ceêltjes, waarop de zonden van dit kleine leven dag aan +dag waren neergekrabbeld. [612] + +Er is nog een geval, dat ons de verhouding van hofkringen en heiligheid +eenigermate doet kennen: het verblijf van Saint François de Paule aan +het hof van Lodewijk XI. Het zonderlinge vroomheidstype van den koning +is zoo bekend, dat het hier niet uitvoerig behoeft te worden behandeld. +Lodewijk, "qui achetoit la grace de Dieu et de la Vierge Marie à plus +grans deniers que oncques ne fist roy", [613] vertoont al de +hoedanigheden van het onmiddellijkste en nuchterste fetichisme. In zijn +reliekenvereering, zijn hartstocht voor pelgrimages en processies +schijnt elke hoogere wijding, elke zweem van eerbiedige reserve, te +ontbreken. Hij solt met de heilige voorwerpen, als waren het enkel dure +huismiddeltjes. Het kruis van Saint Laud te Angers moet expresselijk +naar Nantes komen, om er een eed op te laten doen, [614] want een eed op +het kruis van Saint Laud gold Lodewijk meer dan eenige andere eed. +Wanneer de connétable de Saint Pol, in 's konings tegenwoordigheid +geroepen, hem verzoekt, op het kruis van Saint Laud hem zijn veiligheid +te bezweren, antwoordt de koning: ieder anderen eed, maar dezen niet. +[615] Bij het naderen van het zoo buitensporig door hem gevreesde einde +worden hem van alle kanten de kostbaarste relieken toegezonden: de paus +zendt onder meer het corporale van Sint Pieter zelf; zelfs de Groote +Turk biedt een verzameling relieken, die nog te Constantinopel waren. Op +het buffet naast 's konings ziekbed staat la Sainte Ampoule zelf, uit +Reims gehaald, waar zij nimmer vandaan was geweest; sommigen zeiden, dat +de koning de wonderdadigheid van het heilige zalfvat zelfs wilde +beproeven tot een zalving van zijn gansche lichaam. [616] Het zijn +godsdienstige trekken, zooals men ze vindt bij de Merowingische +koningen. + +Er is nauwelijks een grens waar te nemen tusschen Lodewijk's +verzamelwoede, waar het vreemde dieren geldt: rendieren, elanden, en +waar het kostbare relieken geldt. Hij correspondeert met Lorenzo +de'Medici over den ring van Sint Zanobi, een plaatselijk-florentijnschen +heilige, en over een "agnus Dei", dat wil zeggen het plantaardige +groeisel, ook wel agnus scythicus genoemd, dat als een wonderdadige +rariteit werd aangezien. [617] In de wonderlijke huishouding van het +kasteel Plessis les Tours in Lodewijk's laatste dagen vond men vrome +voorbidders en muzikanten bont dooreen. "Oudit temps le roy fist venir +grant nombre et grant quantité de joueurs de bas et doulx instrumens, +qu'il fist loger à Saint-Cosme près Tours, où illec ilz se assemblerent +jusques au nombre de six vingtz, entre lesquelz y vint pluseurs bergiers +du pays de Poictou. Qui souvent jouerent devant le logis du roy, mais +ilz ne le veoyent pas, affin que ausdiz instrumens le roy y prensist +plaisir et passetemps et pour le garder de dormir. Et d'un autre costé y +fist aussy venir grant nombre de bigotz, bigottes et gens de devocion +comme hermites et sainctes créatures, pour sans cesser prier à Dieu +qu'il permist qu'il ne mourust point et qu'il le laissast encores +vivre." [618] + +Ook Saint François de Paule, de Calabrische heremiet, die de nederigheid +der Minderbroeders overtroefde door de stichting der Minimen, is in +letterlijken zin het voorwerp van Lodewijk's verzamelwoede. Het was met +de uitgesproken bedoeling, dat de heilige door zijn voorbidding 's +konings leven zal verlengen, dat deze in zijn laatste ziekte diens +tegenwoordigheid begeerde. [619] Nadat verschillende zendingen aan den +koning van Napels niet hebben gebaat, weet de koning zich door een +diplomatiek optreden bij den paus de overkomst van den wonderman, zeer +tegen diens zin, te verzekeren. Een adellijk geleide haalt hem af uit +Italië. [620] Is hij eenmaal aangekomen, dan voelt Lodewijk zich toch +nog niet zeker, "omdat hij reeds door verscheidenen onder de schaduw van +heiligheid bedrogen was", en laat op aanstoken van zijn lijfarts Frans +bespieden en op allerlei wijzen de deugd van den man Gods beproeven. +[621] De heilige bestaat al die proeven voortreffelijk. Zijn askese is +van de meest barbaarsche soort, herinnerend aan zijn tiende-eeuwsche +landgenooten Sint Nilus en Sint Romuald. Hij vlucht, als hij vrouwen +ziet. Hij had sedert zijn jongelingsjaren nooit een geldstuk aangeraakt. +Hij slaapt meest staande of leunende; hij scheert nimmer haar noch +baard. Hij eet nimmer eenig dierlijk voedsel, en laat zich enkel wortels +geven. [622] Nog in zijn laatste maanden schrijft de koning persoonlijk, +om de geschikte kost voor zijn zeldzamen heilige te bekomen: "Monsieur +de Genas, je vous prie de m'envoyer des citrons et des oranges douces et +des poires muscadelles et des pastenargues, et c'est pour le saint homme +qui ne mange ny chair ny poisson; et vous me ferés ung fort grant +plaisir." [623] Hij noemt hem nooit anders dan "le saint homme", zoodat +zelfs Commines, die den heilige herhaaldelijk zag, diens naam nooit +schijnt te hebben geweten. [624] Maar "saint homme" noemden hem ook +degenen, die spotten over de komst van dezen zonderlingen gast, of die +zijn heiligheid niet vertrouwden, zooals 's konings lijfarts Jacques +Coitier. Uit de mededeelingen van Commines spreekt een nuchter voorbehoud. +"Il est encores vif--besluit hij--par quoy se pourroit bien changer ou en +myeulx ou en pis, par quoy me tays, pour ce que plusieurs se mocquoient +de la venue de ce hermite, qu'ilz appelloient sainct homme." [625] Toch +getuigt Commines zelf, nooit iemand te hebben gezien "de si saincte vie, +ne où il semblast myeulx que le Sainct Esperit parlast par sa bouche". +En de geleerde theologen uit Parijs, Jean Standonck en Jean Quentin, +uitgezonden om met den heiligen man te spreken naar aanleiding van het +verzoek tot stichting van een convent der Minimen te Parijs, komen onder +den diepsten indruk van zijn persoon, en keeren genezen van hun +tegenkanting terug. [626] + +De belangstelling van de Bourgondische hertogen voor de heiligen van hun +dagen is van een minder zelfzuchtigen aard dan die van Lodewijk XI voor +Sint Franciscus de Paula. Het is opmerkelijk, hoe meer dan een van de +groote visionairen en buitensporige asceten geregeld optreedt als +bemiddelaar en raadgever in politieke zaken. Het is het geval met Sint +Colette en met den zaligen Dionysius van Ryckel of den Kartuizer. +Colette werd door het huis van Bourgondië met bijzondere onderscheiding +behandeld; Philips de Goede en zijn moeder Margareta van Beieren kenden +haar persoonlijk, en wonnen haar raad in. Zij geeft haar bemiddeling in +verwikkelingen tusschen de huizen van Frankrijk, Savoie en Bourgondië. +Het zijn Karel de Stoute, Maria en Maximiliaan, Margareta van +Oostenrijk, die steeds blijven aandringen op haar heiligverklaring. +[627] Veel belangrijker nog is de rol, die Dionysius de Kartuizer +gespeeld heeft in het openbare leven van zijn tijd. Ook hij is in +herhaalde relaties met het huis van Bourgondië, en treedt op als +raadgever van Philips den Goede. Samen met den kardinaal Nicolaas van +Cusa, dien hij op diens beroemde reis door het Duitsche rijk begeleidt +en ter zijde staat, wordt hij in 1451 te Brussel door den hertog +ontvangen. Dionysius, altijd beklemd door het gevoel, dat het der Kerk +en christenheid slecht gaat, en groote onheilen naderen, vraagt in een +vizioen: Heer, zullen de Turken in Rome komen? Hij maant den hertog tot +den kruistocht. [628] De "inclytus devotus ac optimus princeps et dux", +aan wien hij zijn tractaat over het vorstelijk leven en bestuur opdraagt, +kan haast niemand anders wezen dan Philips. Karel de Stoute werkte met +Dionysius samen voor de stichting van de Kartuize te 's Hertogenbosch, +ter eere van Sinte Sophia van Constantinopel, door den hertog niet +onbegrijpelijk voor een vrouwelijke heilige gehouden, terwijl het de +Eeuwige Wijsheid was. [629] Hertog Arnold van Gelre vraagt Dionysius +raad in den strijd met zijn zoon Adolf. [630] + +Niet enkel vorsten, ook tal van edelen, geestelijken en burgers +bestormen zonder ophouden zijn cel te Roermond om raad; hij geeft +voortdurend tallooze oplossingen van moeilijkheden, twijfelingen en +gewetensvragen. + +Dionysius de Kartuizer is het volledigste type van den machtigen +godsdienstigen enthousiast, dat de laatste Middeleeuwen hebben +opgeleverd. Het is een onbegrijpelijk energisch leven; hij vereenigt de +vervoeringen van de groote mystieken, de wildste askese, de voortdurende +gezichten en revelaties van den geestenziener met een schier onafzienbare +werkzaamheid als theologisch schrijver en praktisch geestelijk raadsman. +Hij staat even na aan de groote mystici als aan de praktische +Windesheimers, aan Brugman, voor wien hij zijn beroemde handleiding voor +het christelijk leven schrijft, [631] als aan Nicolaas van Cusa, aan de +heksenvervolgers [632] als aan de geestdriftigen voor een zuivering der +Kerk. Zijn arbeidskracht moet onverwoestbaar zijn geweest. Zijn +geschriften vullen 45 quarto deelen. Het is alsof de geheele +middeleeuwsche theologie nog eens uit hem terugstroomt. "Qui Dionysium +legit, nihil non legit", heette het onder de theologen der 16e eeuw. +Hij behandelt evengoed de diepste vragen van wijsgeerigen aard, als dat +hij voor een ouden leek, broer Willem, op diens verzoek schrijft over de +wederkeerige herkenning der zielen in het hiernamaals. Hij zal het zoo +eenvoudig mogelijk zeggen, belooft hij, en broer Willem kan het in het +Dietsch laten overbrengen. [633] In een eindeloozen vloed van eenvoudig +uitgedrukte gedachten geeft hij alles, wat de groote voorgangers gedacht +hadden, terug. Het is echt laat werk: samenvattend, concludeerend, niet +nieuw scheppend. De citaten van Bernard van Clairvaux of Hugo van Sint +Victor schitteren als juweelen op het slichte eenkleurige kleed van +Dionysius' proza. Al zijn werken werden door hem zelf geschreven, +nagezien, verbeterd, gerubriceerd en geïllumineerd, totdat hij in het +eind zijns levens welbedacht met schrijven ophoudt: "Ad securae +taciturnitatis portum me transferre intendo". [634] + +Rust kent hij niet. Hij zegt dagelijks bijna het geheele souter op; +minstens de helft is noodzakelijk, verklaart hij. Onder alle bezigheid, +bij het aan- en uitkleeden, bidt hij. Na de metten; als de anderen weer +ter ruste gaan, blijft hij wakker. Hij is sterk en groot, en kan alles +van zijn lichaam vergen: Ik heb een ijzeren hoofd en een koperen maag, +zegt hij. Zonder walging, ja bij voorkeur, gebruikt hij bedorven +spijzen: boter met wurmen, kersen door slakken aangevreten; dit soort +ongedierte heeft niets van doodelijk venijn, zegt hij, men kan ze gerust +eten. Te zoute haring hangt hij op, tot ze rot: ik eet liever stinkende +dan zoute dingen. [635] + +Al den denkarbeid van de diepste theologische beschouwing en uitdrukking +verricht hij, niet in een onbewogen evenwichtig geleerdenleven, maar +onder de voortdurende schokken van een geest, die vatbaar is voor elke +heftige aandoening van het bovennatuurlijke. Als jongen staat hij 's +nachts in het maanlicht op, meenend, dat het tijd is, om naar school te +gaan. [636] Hij is een stotteraar: "Taterbek" scheldt hem een duivel, +dien hij uitdrijven wil. Hij ziet de kamer van de stervende vrouwe van +Vlodrop vol duivelen; zij slaan hem den stok uit de hand. Niemand heeft +de vreeselijke benauwing der "vier utersten" zoo ondergaan als hij; de +hevige aanval der duivelen bij het sterven zijn een herhaald onderwerp +van zijn preeken. Hij verkeert voortdurend met afgestorvenen. Of hem +dikwijls geesten van afgestorvenen verschijnen, vraagt hem een broeder. +O, honderden en honderden malen, antwoordt hij. Hij herkent zijn vader +in het vagevuur en verwerft diens bevrijding. Zijn verschijningen, +openbaringen en gezichten vervullen hem zonder ophouden, maar hij +spreekt er niet dan met tegenzin van. Hij schaamt zich voor de ekstasen, +die hem door allerlei uiterlijke aanleidingen geworden: vooral door +muziek, soms te midden van een adellijk gezelschap, dat naar zijn +wijsheid en vermaningen luistert. Onder de eernamen der groote theologen +is de zijne die van Doctor ecstaticus. + +Men meene niet, dat een groote figuur als Dionysius de Kartuizer aan de +verdenking en spot ontkwam, die den zonderlingen wonderman van Lodewijk +XI troffen; ook hij heeft voortdurend te kampen met den smaad en de +verguizing der wereld. De geest der vijftiende eeuw staat in een wankel +evenwicht tegenover de opperste uitingen van het middeleeuwsch geloof. + + + +NOTEN: + + +[580] Monstrelet, IV p. 304. + +[581] Bernh. v. Siena, Opera, I p. 100 bij Hefele l.c. p. 36. + +[582] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 157; Les quinze joyes de +mariage, p. 111, 215. + +[583] Molinet, Faictz et dictz, f. 188vso. + +[584] Journal d'un bourgeois, p. 336, vgl. p. 242 no. 514. + +[585] Ghillebert de Lannoy, Oeuvres, ed. Ch. Potvin, Louvain, 1878, +p. 163. + +[586] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 101. + +[587] Le Jouvencel, II p. 107. + +[588] Songe du viel pelerin, bij Jorga, Phil. de Mézières. p. 423(6). + +[589] Journal d'un bourgeois, p. 214, 289(2). + +[590] Gerson, Opera, I p. 206. + +[591] Jorga, Phil. de Mézières, p. 506. + +[592] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 125. + +[593] Chastellain, IV p. 263/5. + +[594] Chastellain, II p. 300; VII p. 222. Jean Germain, Liber de +Virtutibus, p. 10 (de hier vermelde minder strenge vastenpraktijk kan op +een anderen tijd slaan); Jean Jouffroy, De Philippo duce oratio (Chron. +rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III) p. 118. + +[595] La Marche, II p. 40. + +[596] Monstrelet, IV p. 302. + +[597] Jorga, Phil. de Mézières, p. 350. + +[598] Vgl. Jorga, l.c. p. 444, Champion, Villon, I p. 17. + +[599] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, I p. cx. + +[600] Monstrelet, V p. 112. + +[601] La Marche, I p. 194. + +[602] Acta Sanctorum Jan., t. II p. 1018. + +[603] Jorga, l.c. p. 509, 512. + +[604] Het is in dit verband van geen belang, of de Kerk de personen in +kwestie heilig of slechts zalig heeft verklaard. + +[605] André Du Chesne, Hist. de la maison de Chastillon sur Marne, +Paris, 1621, Preuves, p. 126-131, Extraict de l'enqueste faite pour la +canonization de Charles de Blois, p. 223, 234. + +[606] Froissart, ed. Luce, VI p. 168. + +[607] De gronden, waarop Dom Plaine, Revue des questions historiques, XI +p. 41, Froissart's getuigenis wraakt, schijnen mij niet afdoende. + +[608] W. James, The varieties of religious experience, p. 370s. + +[609] Ordonnances des rois de France, t. VIII, p. 398, Nov. 1400, 426, +18 Maart 1401. + +[610] Mémoires de Pierre Salmon, ed. Buchon, Coll. de chron. nationales, +3e Supplément de Froissart, t. XV p. 49. + +[611] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 40. + +[612] Acta Sanctorum Julii, t. I p. 486-628. + +[613] La Marche, I p. 180. + +[614] Lettres de Louis XI, t. VI p. 514, cf. V p. 86, X p. 65. + +[615] Commines, I p. 291. + +[616] Commines, II p. 67, 68. + +[617] Commines, II p. 57; Lettres, X p. 16, IX p. 260. Er was indertijd +zulk een agnus scythicus in het Koloniaal Museum te Haarlem. + +[618] Chron. scand., II p. 122. + +[619] Commines, II p. 55, 77. + +[620] Acta sanctorum Apr., t. I p. 115.--Lettres de Louis XI, t. X +p. 76, 90. + +[621] Sed volens caute atque astute agere, propterea quod a pluribus +fuisset sub umbra sanctitatis deceptus, decrevit variis modis experiri +virtutem servi Dei, Acta Sanctorum, l.c. + +[622] Acta Sanctorum, l.c.p. 108; Commines, II p. 55. + +[623] Lettres, X p. 124. 29 Juni 1483. + +[624] Lettres, X p. 4 etc., Commines, II p. 54. + +[625] Commines, II p. 56, Acta Sanctorum, l.c.p. 115. + +[626] A. Renaudet, Préréforme et Humanisme à Paris, p. 172. + +[627] Doutrepont, p. 226. + +[628] Vita Dionysii auct. Theod. Loer, Dion. Opera, I. p. xlii ss., id. +De vita et regimine principum, t. XXXVII p. 497. + +[629] Opera, t. XLI p. 621; D. A. Mougel, Denys le chartreux, sa vie +etc., Montreuil, 1896, p. 63. + +[630] Opera. t. XLI, p. 617; Vita, I p. xxxi; Mougel, p. 51; Bijdr. en +mededeel. v. h. hist. genootschap te Utrecht, XVIII p. 331. + +[631] Opera, t. XXXIX p. 496, Mougel, p. 54; Moll, Johannes Brugman, I +p. 74; Kerkgesch., II 2 p. 124; K. Krogh-Tonning, Der letzte +Scholastiker Eine Apologie, Freiburg 1904, p. 175. + +[632] Mougel, p. 58. + +[633] Opera, t. XXXVI p. 178: De mutua cognitione. + +[634] Vita, Opera, t. I p. xxiv, xxxviii. + +[635] Vita, Opera, t. I p. xxvi. + +[636] De munificentia et beneficiis Dei, Opera, t. XXXIV, art. 26 p. 319. + + + * * * * * + + +VIII + +AANDOENING EN VERBEELDING + + +Van den tijd af, dat de zoet-lyrische mystiek van Bernard van Clairvaux +in de twaalfde eeuw de fuga geopend had van bloeiende verteedering over +het lijden Christi, was de geest in steeds stijgende mate vervuld van de +smeltende aandoening over de passie; hij was doortrokken en verzadigd +geworden van Christus en het kruis. In de vroegste kindsheid werd het +beeld van den gekruisigde in het teer gemoed geplant zoo groot en zoo +donker, dat het alle aandoeningen overschaduwde met zijn ernst. Toen +Jean Gerson een kind was, ging zijn vader met uitgestrekte armen tegen +den muur staan, en zeide: "'zie, mijn jongen, zoo is uw God gekruisigd +en gestorven, die u gemaakt heeft en verlost heeft'. Dit beeld bleef +den knaap tot in zijn grijsheid, groeiende met het groeien der jaren, +en hij zegende er nog dien vromen vader om, nadat deze juist op +kruisverheffingsdag gestorven was." [637]--Colette hoorde als kind van +vier jaar haar moeder iederen dag schreien en zuchten in gebed over het +lijden, mee lijdende over den smaad, de slagen en de pijnigingen. Met +zulk een hevigheid zette zich die herinnering in haar overgevoelig +gemoed, dat zij haar leven lang iederen dag op het uur der kruisiging +een allerheftigste benauwing en hartepijn voelde, en bij het lezen van +het lijden meer leed dan eenige vrouw in barensnood. [638]--Een prediker +bleef somtijds voor zijn gehoor een kwartier lang zwijgend in +kruishouding staan. [639] + +Zoo overvuld van Christus was de geest, dat bij de geringste uiterlijke +overeenkomst van eenige handeling of gedachte met 's Heeren leven of +lijden de Christustoon onmiddellijk ging klinken. Een arme non, die +brandhout aandraagt voor de keuken, verbeeldt zich, dat zij daarmee het +kruis draagt: enkel de voorstelling hout dragen is genoeg, om de +handeling te drenken in den lichtschijn van de opperste daad van liefde. +Het blinde vrouwtje, dat de wasch doet, neemt tobbe en waschhok voor +kribbe en stal. [640] Maar evengoed een uitwerking van die overvolheid +met godsdienstigen inhoud is het profaneerende overvloeien van +vorstenhulde in religieuze verbeelding: de vergelijking van Lodewijk XI +met Jezus, van Maximiliaan met zijn vader en zijn zoon met de +Drieëenheid. [641] + +De vijftiende eeuw vertoont de sterke godsdienstige aandoenlijkheid in +een dubbelen vorm. Zij openbaart zich eensdeels in de heftige +beroeringen, die van tijd tot tijd het geheele volk aangrepen, als een +reizend prediker met zijn woord alle geestelijke brandstof ontvlammen +deed als takkenbossen. Dat is de krampachtige uiting, hartstochtelijk, +geweldig, doch spoedig weer uitgesnikt. Daarnaast is door sommigen de +aandoenlijkheid blijvend in een stille bedding geleid, genormaliseerd +tot een nieuwen levensvorm, dien der innigheid. Het is de piëtistische +kring van hen, die zichzelven in het bewustzijn van vernieuwers te zijn, +moderne devoten hebben genoemd. Als gereglementeerde beweging beperkt +zich de moderne devotie tot de Noordelijke Nederlanden en het +Nederduitsche gebied, doch den geest, die haar het aanzijn gaf, vindt +men in Frankrijk even goed. + +Van de geweldige werking der predikatie is maar weinig als blijvend +element in de geestelijke cultuur overgegaan. Wij weten, welk een +ontzaglijken indruk de predikers maakten, [642] maar de ontroering, die +van hen uitging, na te voelen, is ons niet gegeven. Uit de geschreven +overlevering der preeken komt zij niet tot ons; en hoe kon het ook? +Reeds tot de tijdgenooten sprak de geschreven preek niet meer. Velen, +die Vincent Ferrer hoorden, en nu zijn preeken lezen, zegt diens +levensbeschrijver, verzekeren, dat zij nauwelijks een schaduw krijgen +van dat wat uit zijn eigen mond weerklonk. [643] Wij kennen de stof der +preeken: de aangrijpende schildering van de verschrikkingen der hel, het +dreunend dreigen met de straf der zonde, al de lyrische uitstortingen +over de passie en de godsliefde. Wij weten, met welke middelen de +predikers werkten: geen effekt was te grof, geen overgang van lachen +naar weenen te groot, geen onmatige uitzetting der stem te kras. [644] +Maar wij kunnen de schokken, die zij daarmee teweegbrachten, toch +eigenlijk alleen bevroeden uit het altijd weer gelijksoortig verhaal, +hoe stad met stad streed om de toezegging van een preekbeurt, hoe +magistraat en volk de predikers inhaalden met een staatsie, zooals men +ze een vorst gaf, hoe de prediker soms moest ophouden om het luid geween +der schare. Terwijl Vincent Ferrer preekte, werden eens twee +terdoodveroordeelden voorbij gebracht, een man en een vrouw, op weg naar +de terechtstelling. Vincent verzocht, het beulswerk op te schorten; hij +borg de slachtoffers zoolang onder zijn spreekgestoelte, en preekte over +hun zonden. Na de preek vond men hen er niet meer, doch enkel wat +beenderen, en het volk geloofde niet anders, dan dat het woord van den +heiligen man de zondaars had verbrand en tevens gered. [645] + +De krampachtige aandoening der massa onder het woord van de predikers is +telkens weer vervlogen zonder in de geschreven overlevering zich te +hebben kunnen vastleggen. Des te beter kennen wij de "innicheit" der +moderne devoten. Als in elken piëtistischen kring gaf hier de godsdienst +niet enkel den levensvorm maar ook den gezelligheidsvorm: het knusse +geestelijk verkeer in stille intimiteit van eenvoudige mannetjes en +vrouwtjes, wier groote hemel zich welfde boven een minuskuul wereldje, +waar al het sterke ruischen van den tijd aan voorbij streek. De vrienden +bewonderden in Thomas a Kempis zijn onkunde van de gewone wereldsche +dingen; een prior van Windesheim droeg als eervollen bijnaam Jan +Ik-weet-niet. Zij kunnen geen andere wereld gebruiken dan een +vereenvoudigde; zij zuiveren haar door het slechte buiten hun sfeer te +sluiten. [646] Binnen die enge sfeer leven zij in de vreugde van een +sentimenteele genegenheid voor elkander: de blik van den een is zonder +ophouden op den ander geslagen, om alle teekens van genade op te merken; +elkaar bezoeken is hun vermaak. [647] Vandaar hun bijzondere neiging tot +de levensbeschrijving, waaraan wij de nauwkeurige kennis van dezen +geestelijken staat te danken hebben. + +In haar Nederlandschen, gereglementeerden vorm had de moderne devotie +een vaste conventie van vroom leven geschapen. Men kende de devoten aan +hun afgemeten stille bewegingen, hun gebogen gang, sommigen aan de tot +een lach geplooide gezichten of de opzettelijk gelapte nieuwe kleeren. +En niet het minst aan hun overvloedige tranen. "Devotio est quaedam +cordis teneritudo, qua quis in pias faciliter resolvitur lacrimas". Men +moet God bidden om "den dagelijkschen doop der tranen", zij zijn de +vleugelen van het gebed, of naar Sint Bernard's woord de wijn der +engelen. Men moet zich aan de genade der loffelijke tranen geven, zich +er toe voorbereiden en aanzetten, het geheele jaar door, maar vooral in +de Vasten, opdat men met den psalmist zeggen moge: "Fuerunt mihi +lacrimae meae panes die ac nocte". Soms komen zij zoo gewillig, dat wij +bidden met snikken en huilen ("ita ut suspiriose ac cum rugitu oremus"), +maar wanneer zij niet vanzelve komen, moet men ze niet bovenmatig +uitpersen, en zich vergenoegen met de tranen des harten. En in +tegenwoordigheid van anderen moet men de teekenen van een buitengewone +geestelijke devotie naar vermogen vermijden. [648] + +Vincent Ferrer stortte, zoo dikwijls hij de hostie wijdde, zooveel +tranen, dat bijna allen mee weenden, en er soms een weeklagen ontstond +als van een doodenklacht. Het weenen was hem zoo zoet, dat hij noode +zijn tranen staakte. [649] + +In Frankrijk ontbreekt de bijzondere normaliseering der nieuwe vroomheid +in een bepaalden nieuwen vorm als de Nederlandsche Fraterhuizen en de +congregatie van Windesheim. De verwante geesten in Frankrijk blijven of +geheel in de wereld, of zij treden in bestaande orden, waar dan de +nieuwe devotie de doorvoering van een strenger observantie teweegbrengt. +Als algemeene houding van wijde burgerkringen is het verschijnsel er +niet bekend. Misschien droeg daartoe bij, dat de Fransche vroomheid een +hartstochtelijker, spasmodischer karakter had dan de Nederlandsche, +lichter tot geëxaspereerde vormen verviel en ook lichter weer vervaagde. +Tegen het einde der Middeleeuwen worden bezoekers der Noordelijke +Nederlanden uit Zuidelijker landen meer dan eens getroffen door de +ernstige en algemeene vroomheid, die zij er onder het volk als iets +bijzonders opmerken. [650] + +De Nederlandsche devoten hadden in het algemeen de aanrakingen laten +varen met de intensieve mystiek, uit welker voorbereidende stadiën hun +levensvorm was opgebloeid. Daarmee hadden zij ook het gevaar voor +fantastische afdwalingen tot ketterij grootendeels bezworen. De +Nederlandsche moderne devotie was gehoorzaam en rechtgeloovig, praktisch +zedelijk en soms zelfs nuchter. Het Fransche devote type daarentegen +schijnt een veel grootere slingerwijdte te hebben gehad: het raakt +telkens de extravagante geloofsverschijnselen. + +Toen de Groningsche Dominicaan Mattheus Grabow naar Constanz was +getogen, om daar op het Concilie al de grieven van de bedelorden tegen +de nieuwe broeders des gemeenen levens te luchten, en zoo mogelijk hun +veroordeeling te verwerven, is het de groote leider der algemeene +kerkelijke politiek, Johannes Gerson, zelf geweest, in wien de belaagde +volgelingen van Geert Groote hun verdediger vonden. Gerson was alleszins +bevoegd, om te beoordeelen, of men hier te doen had met een uiting van +echte vroomheid en een geoorloofden vorm van organisatie daarvan. Want +het onderscheiden van echte vroomheid van overdreven geloofsuitingen is +een der onderwerpen, die zijn geest voortdurend hebben beziggehouden. +Gerson was een voorzichtige, nauwgezette academische geest, eerlijk, +zuiver en welmeenend, met die ietwat angstvallige zorg voor den goeden +vorm, die in een fijnen geest, uit bescheiden omstandigheden tot een +werkelijk aristocratische houding gegroeid, dikwijls nog de afkomst +verraadt. Daarbij was hij een psycholoog en iemand met stijlgevoel. +Stijlgevoel en rechtzinnigheid nu zijn ten nauwste verwant. Geen wonder +dus, dat de uitingen van het geloofsleven van zijn dagen herhaaldelijk +zijn argwaan en bezorgdheid wekten. Nu is het merkwaardig, hoe de typen +van vroomheid, die hij afkeurt als overdreven en gevaarlijk, ons +levendig herinneren aan de moderne devoten, die hij verdedigd had. Toch +is dit zeer verklaarbaar. Zijn Fransche schapen misten de veilige +schaapskooi, de discipline en organisatie, die de al te vurigen van +zelve binnen de perken hield van hetgeen de Kerk dulden kon. + +Gerson ziet overal de gevaren van de populaire devotie. Hij vindt het +verkeerd, dat de mystiek op straat wordt gebracht. [651] De wereld, zegt +hij, is in dit laatste tijdperk kort voor haar einde als een ijlhoofdige +grijsaard, ten prooi aan allerlei fantazieën, droomgezichten en +illusies, die menigeen van de waarheid af brengen. [652] Velen geven +zich zonder behoorlijke leiding over aan al te strenge vasten, al te +gerekte nachtwaken, te overvloedige tranen, waarmee zij hun brein +troebel maken. Zij luisteren naar geen vermaan tot matiging. Laat hen +oppassen, want zij kunnen licht vervallen in begoochelingen des duivels. +Te Atrecht had hij nog kort geleden een vrouw en moeder bezocht, die +tegen den zin van haar echtgenoot door haar volstrekt vasten, twee tot +vier dagen achtereen, veler bewondering wekte. Hij had met haar +gesproken, haar ernstig beproefd, en bevonden, dat haar onthouding +louter hoogmoedige en ijdele halsstarrigheid was. Want na zulk een +vasten at zij met onverzadelijke vraatzucht; als reden voor haar +zelfkastijding gaf zij niet anders op, dan dat zij onwaardig was om +brood te eten. Haar uiterlijk verried hem reeds den naderenden waanzin. +[653] Een ander vrouwtje, een epileptica, wier eksteroogen staken, zoo +dikwijls er een ziel ter helle voer, die de zonden aan het voorhoofd zag +en beweerde, dagelijks drie zielen te redden, bekende onder bedreiging +met de tortuur, dat zij zich zoo gedroeg, omdat het haar broodwinning +was. [654] + +Gerson achtte de vizioenen en revelaties van den jongsten tijd, die +overal gelezen werden, niet veel waard. Zelfs die van befaamde heiligen +als Brigitta van Zweden en Catharina van Siena verloochent hij. [655] +Hij had er zooveel gehoord, die hem het vertrouwen benamen. Velen +verklaarden, dat hun geopenbaard was, dat zij paus zouden worden; een +geleerd man had het zelfs eigenhandig beschreven en met bewijzen +gestaafd. Een ander was eerst overtuigd geweest, dat hij paus zou +worden, maar daarna, dat hij de Antichrist of althans diens voorlooper +zou zijn, waarom hij had omgegaan met de gedachte, zich het leven te +benemen, om de christenheid niet zulk een onheil aan te doen. +[656]--Niets is zoo gevaarlijk, zegt Gerson, als een onkundige devotie. +Wanneer de arme vromen hooren, dat Maria's geest zich verblijdde in +haren God, dan trachten zij ook zich te verblijden, en stellen zich van +allerlei voor, nu met minnen, nu met vreezen; daarbij zien zij allerlei +beelden, die zij niet kunnen onderscheiden van de waarheid en die zij +allen voor wonder houden en voor het bewijs van hun voortreffelijke +devotie. [657] Maar dit was juist hetgeen de moderne devotie aanbeval. +"Soe wie hem in desen artikel mit herten ende mit al sinen crachten den +liden ons Heren innichlic geliken ende gheconformieren wil, die sal hem +selven pinen, druckich ende wemoedich te maken. Ende is hi in enighen +teghenwoerdighen druc, die sel hi mitter druckelicheit Christi +verenighen ende begheren mit hem te deilen". [658] + +Het schouwende leven heeft groote gevaren, zegt Gerson; velen zijn er +zwaarmoedig of gek van geworden. [659] Hij weet, hoe licht een te +aanhoudend vasten tot waanzin of hallucinaties leidt; hij weet ook, welk +een rol het vasten speelt in de praktijken der tooverij. [660] Waar +moest een man met zulk een scherpen blik voor het psychologische moment +in de uitingen van het geloof de grens trekken tusschen het heilige en +geoorloofde en het verwerpelijke? Hij voelde zelf, dat enkel zijn +rechtzinnigheid hem hier nog niet genoeg gaf; het was gemakkelijk +genoeg, om als geschoold godgeleerde overal den staf te breken, waar van +het dogma klaarblijkelijk werd afgeweken. Maar daarnaast stonden al de +gevallen, waar de ethische beoordeeling der uitingen van vroomheid hem +het richtsnoer moest zijn, waar zijn gevoel voor maat en goeden smaak +hem het vonnis moest ingeven. Er is geen deugd, zegt Gerson, die in deze +ellendige tijden van het schisma meer uit het oog wordt verloren dan de +Discretio. [661] + +Was reeds voor Jean Gerson het dogmatische criterium niet meer het +eenige, dat den doorslag gaf ter onderscheiding van ware en valsche +vroomheid, des te eêr vallen voor óns de typen van godsdienstige +aandoening niet meer samen volgens de lijnen van hun orthodoxie of +ketterij, maar volgens hun psychologischen aard. Ook het volk van den +tijd zelf zag de dogmatische lijnen niet. Het hoorde den ketterschen +broer Thomas met evenveel stichting als den heiligen Vincent Ferrer, het +schold de heilige Colette en haar volgelingen voor Begarden en +hypocriten. [662]--Colette vertoont al de eigenschappen van wat James +den theopathischen toestand noemt, [663] wortelend op een bodem van de +pijnlijkste overgevoeligheid. Zij kan geen vuur zien of den gloed ervan +verdragen, behalve kaarsen. Zij is ontzettend bang voor vliegen, +slakken, mieren, voor stank en onreinheid. Zij heeft denzelfden rabiden +afschuw van de sexualiteit, die later de heilige Aloysius Gonzaga +vertoont, zoodat zij enkel maagden in haar congregatie wil hebben, niet +houdt van getrouwde heiligen en het betreurt, dat haar moeder met haar +vader in tweede huwelijk was getrouwd. [664] Deze hartstocht voor de +zuiverste maagdelijkheid werd door de Kerk nog altijd als stichtelijk en +navolgenswaard geprezen. Hij was ongevaarlijk, zoolang hij beleden werd +in den vorm van een persoonlijk afgrijzen van al het sexueele. Doch +datzelfde sentiment werd in een anderen vorm gevaarlijk voor de Kerk en +bij gevolg voor den persoon, die het beleed: wanneer deze namelijk niet +meer als de slak de horens introk, maar de toepassing van die zucht naar +kuischheid wilde zien op het kerkelijk en maatschappelijk leven der +anderen. Steeds weer, als het streven naar die zuiverheid revolutionaire +vormen aannam, heeft de Kerk het moeten verloochenen, omdat zij wist, +dat het onuitvoerbaar was. Jean de Varennes boette die consequentie in +een ellendigen kerker, waar de aartsbisschop van Reims hem had doen +opsluiten. Deze Jean de Varennes was een geleerd theoloog en befaamd +prediker, die aan het pauselijk hof te Avignon als kapelaan van den +jeugdigen kardinaal van Luxemburg zelf beschikt scheen voor een myter of +kardinaalshoed, toen hij plotseling van al zijn beneficiën afstand deed +behalve een kanunnikschap van Notre Dame te Reims, zijn staat opgaf, en +uit Avignon naar zijn geboorteland terugging, waar hij te Saint Lié een +heilig leven begon te leiden en te preeken. "Et avoit moult grant +hantise de poeuple qui le venoient veir de tous pays pour la simple vie +très-noble et moult honneste que il menoit." Men vond, dat hij wel paus +kon worden; men noemde hem "le saint homme de S. Lié", en raakte hem aan +om de wonderdadigheid van zijn persoon; sommigen hielden hem voor een +godsgezant of een goddelijk wezen zelf. Heel Frankrijk sprak een +tijdlang van niets anders. [665] + +Maar niet iedereen geloofde aan de oprechtheid van zijn bedoelingen; er +waren er ook, die van "le fou de Saint Lié" spraken, of hem verdachten, +langs dezen opzienbarenden weg de prelatuur te willen bereiken, die hem +anders was ontgaan. Bij hem had, gelijk bij zooveel vroegeren, die als +ketters verworpen waren, de hartstocht voor geslachtelijke zuiverheid +het karakter aangenomen van een heftig revolutionaire prediking, waarin +zich al de grieven over de ontaarding der Kerk schikten onder die eene +groote verontwaardiging. "Au loup, au loup" riep hij de schare toe, en +deze riep willig terug: "Hahay, aus leus, mes bones gens, aus leus." +Maar hij zei immers niet, dat hij den aartsbisschop bedoelde, aldus zijn +verdediging uit den kerker; hij placht enkel het spreekwoord te zeggen: +"qui est tigneus, il ne doit pas oster son chaperon". [666] Hoever hij +ook gegaan moge zijn, zijn hoorders verstonden hem zoo, dat hij al het +oude verzet tegen de onkuische priesters had gepreekt: hun sacramenten +ongeldig, de hostie, die zij wijden, niet dan brood, hun doopsel en hun +absolutie waardeloos. En meer nog tegen de onkuischheid in het algemeen: +de priesters mogen zelfs niet wonen met een zuster of een oude van +dagen; aan het huwelijk zijn 22 of 23 zonden verbonden; men moest de +echtbrekers straffen naar de leer van het Oude Verbond; Christus zelf +zou, indien hij zekerheid had gehad omtrent haar schuld, bevolen hebben, +de overspelige te steenigen; er was geen goede vrouw in Frankrijk, er +kon geen bastaard iets goeds doen of zalig worden. [667] + +Tegen dien ingrijpenden vorm van afkeer der onkuischheid heeft de Kerk +zich steeds uit zelfbehoud moeten verzetten: werd eenmaal de twijfel +gewekt aan de geldigheid der sacramenten van onwaardige priesters, dan +was het geheele kerkelijk leven ontwricht. Gerson stelt Jean de Varennes +naast Johannes Hus als een, die met oorspronkelijk goede bedoelingen +door zijn ijver op het dwaalspoor is geleid. [668] + +De Kerk is aan den anderen kant in het algemeen uiterst toegefelijk +geweest op een ander gebied: in het dulden van de hoogst zinnelijke +verbeeldingen der godsliefde. De nauwgezette kanselier van de Parijsche +universiteit evenwel heeft ook daar het gevaar gevoeld en ervoor +gewaarschuwd. + +Hij kende het uit zijn groote zielkundige ervaring, hij kende het van +verschillende zijden, als dogmatisch en als zedelijk gevaar. "De dag zou +mij niet genoeg zijn, zegt hij, als ik al de tallooze waanzinnigheden +wilde opsommen van de minnenden, de zinneloozen: amantium, immo et +amentium." [669] Ja, hij wist het bij ondervinding: "Amor spiritualis +facile labitur in nudum carnalem amorem." [670] Want wie zou het anders +zijn dan Gerson zelf, die man, dien hij kende, die uit loffelijke +devotie een gemeenzame vriendschap in den Heer had gekweekt met een +geestelijke zuster: "aanvankelijk ontbrak het vuur van eenige +vleeschelijkheid, maar gaandeweg wies uit den geregelden omgang een +liefde, die niet geheel en al meer in God was, zoodat hij zich niet meer +kon weerhouden, haar te bezoeken, of in haar afwezigheid aan haar te +denken. Nog vermoedde hij niets zondigs, geen duivelsch bedrog, totdat +een langere afwezigheid hem tot het inzicht bracht van het gevaar, dat +God nog ter juister tijd van hem had gewend." [671] Hij was voortaan "un +homme averti" en trok er profijt van. Zijn geheele tractaat _De diversis +diaboli tentationibus_ [672] is als een scherpe analyse van den +geestesstaat, die ook die van de Nederlandsche moderne devoten was. Het +is vooral de "dulcedo Dei", de "zueticheit" der Windesheimers, welke +Gerson wantrouwt. De duivel, zegt hij, boezemt den menschen somtijds een +onmetelijke en wonderlijke zoetheid (dulcedo) in, op de wijze van en +gelijkende op devotie, opdat de mensch in het genieten van die zoetheid +(suavitas) zijn eenig doel zoeke, en God enkel meer wil beminnen en +volgen, om die genieting te erlangen. [673] En elders, [674] van +dezelfde dulcedo Dei: velen heeft de al te sterke kweeking van +dergelijke gevoelens bedrogen: zij hebben de razernijen van hun hart als +het voelen Gods omhelsd en jammerlijk gedwaald. Het leidt tot allerlei +ijdel streven: sommigen trachten een staat te bereiken van volkomen +gevoelloosheid of passiviteit, waarin slechts God door hen handelt, of +een mystische kennis en vereeniging met God, waarin Hij niet meer onder +eenig begrip des zijns, des waren of des goeden wordt opgevat.--Hier +liggen ook Gerson's bezwaren tegen Ruusbroec, aan wiens eenvoudigheid +hij niet gelooft, wien hij de meening van zijn _Chierheit der +gheesteliker brulocht_ verwijt, dat de volmaakte ziel, God schouwende, +Hem niet enkel ziet door de klaarheid, die de goddelijke essentie is, +maar dat zij zelve de goddelijke klaarheid is. [675] + +Het gevoel van de volstrekte vernietiging der individualiteit, dat de +mystieken van alle tijden gesmaakt hebben, kon de voorstander van een +matige, ouderwetsche, Bernardijnsche mystiek, die Gerson was, niet +gedoogen. Een zieneres had hem verteld, dat haar geest in het schouwen +Gods vernietigd was geworden met een werkelijke vernietiging en daarna +opnieuw geschapen. Hoe weet ge dat? had hij haar gevraagd. Zij had het +zelf ondervonden, was haar antwoord. De logische absurditeit dier +verklaring is voor den intellectueelen kanselier het triomfantelijk +bewijs, hoe verwerpelijk zulk een gevoelen was. [676] Het was +gevaarlijk, zulke gewaarwordingen in een gedachte uit te drukken; de +Kerk kon ze enkel dulden in den vorm van een beeld: het hart van +Catharina van Siena was veranderd in het hart van Christus. Maar +Marguerite Porete uit Henegouwen, van de Broeders van den vrijen geest, +die ook haar ziel in God vernietigd waande, was in 1310 te Parijs +verbrand. [677] + +Het groote gevaar van het zelfvernietigingsgevoel lag in de conclusie, +waartoe evenzeer de Indische als sommige christelijke mystieken kwamen, +dat de volmaakte schouwende en minnende ziel niet meer zondigen kan. +Immers, opgegaan in God, heeft zij geen wil meer; slechts het goddelijk +willen is gebleven, en waarin zij ook de vleeschelijke neigingen volgen, +daarin is geen zonde meer. [678] Tal van armen en onwetenden waren door +zulke leeringen verleid tot een leven van de vreeselijkste +ongebondenheid, zooals de secten der Begarden, de Broeders van den +vrijen geest, de Turlupijnen te zien hadden gegeven. Telkens als Gerson +van de gevaren der uitgelaten godsminne spreekt, komt hem het +waarschuwend voorbeeld van die secten in de gedachte. [679] Toch is men +hier voortdurend vlak bij de kringen der devoten. De Windesheimer +Hendrik van Herp beschuldigt zijn eigen geestverwanten van geestelijk +overspel. [680] Er lagen in deze sfeer duivelsche valstrikken tot de +meest perverse goddeloosheid. Gerson vertelt van een aanzienlijk man, +die aan een Kartuizer had bekend, dat hem een doodzonde, en hij noemde +met name die der onkuischheid, de minne Gods niet belemmerde, maar hem +integendeel ontvlamde om de goddelijke zoetheid nog inniger te prijzen +en te begeeren. [681] + +De Kerk waakte, zoodra de smeltende aandoeningen van de mystiek zich +omzetten in geformuleerde overtuigingen of in toepassing op het +maatschappelijk leven. Zoolang het bleef bij louter hartstochtelijke +verbeeldingen van symbolischen aard, liet zij ook het meest exuberante +toe. Johannes Brugman kon ongestraft al de eigenschappen van den +dronkaard, die zich zelf vergeet, geen gevaar ziet, niet toornig wordt +om bespotting, alles weggeeft, toepassen op Jezus' menschwording: "O en +was hi niet wael droncken, doe hem die mynne dwanck, dat hi quam van den +oversten hemel in dit nederste dal der eerden?" In den hemel gaat hij +rond, "schyncken ende tappen mit vollen toyten" aan de profeten, "ende +sij droncken, dat sij borsten, ende daer spranck David mit sijnre herpen +voer der tafelen, recht of hij mijns heren dwaes waer." [682] + +De groteske Brugman niet alleen, ook de zuivere Ruusbroec geniet de +godsminne onder het beeld der dronkenschap. Naast dat der dronkenschap +staat het beeld van den honger. Mogelijk lag voor beide de aanleiding in +het bijbelwoord: "qui edunt me, adhuc esurient, et qui bibunt me, adhuc +sitient," [683] dat, door Sapientia gesproken, als woord des Heeren werd +geduid. De voorstelling van des menschen geest, geteisterd door een +eeuwigen honger naar God, was dus gegeven. "Hier beghint een ewich +honger, die nemmermeer vervult en wert, dat es een inwendich ghieren +ende crighen der minnender cracht ende dies ghescapens geestes in een +ongescapen goet.... Dit sijn die armste liede die leven; want si sijn +ghierich ende gulsich ende si hebben den mengherael (verklaring: "dat is +die vraet of den ghier of den heeten onversadeliken hongher"). Wat si +eten ende drinken, si en werden nemmermeer sat in deser wijs, want dese +hongher es ewich.... Al gave God desen mensche alle die gaven die alle +heylighen hebben ... sonder hem selven, nochtan bleve die gapende ghier +des gheests hongherich ende onghesaedt."--Doch evenals het beeld der +dronkenschap is ook dat van den honger voor omkeering vatbaar: "Sijn +(Christus') hongher is sonder mate groet; hi verteert ons al uut te +gronde; want hi is een ghierich slockaert ende heeft den mengerael: hi +verteert dat merch uut onsen benen. Nochtan gonnen wijs hem wale, ende +soe wijs hem meer ghonnen, soe wij hem bat smaken. Ende wat hi op ons +teert, hi en mach niet vervult werden, want hi heeft den mengerael ende +sijn hongher is sonder mate: ende al sijn wi arm, hi en achtes niet, +want hi en wilt ons niet laten. Ierstwerf bereyt hi sine spise, ende +verbernt in minnen al onse sonden ende ghebreken. Ende alse wi dan +ghesuvert sijn ende in minnen ghebraden, soe gaept hi alse die ghier +diet al verslocken wilt.... Mochten wi sien die ghierighe ghelost (lust) +die Christus heeft tote onser salicheit, wi en mochten ons niet +onthouden wi en souden hem in die kele vlieghen. Al verteert ons Jhesus +te male in hem, daer vore gheeft hi ons hem selven, ende hi gheeft ons +gheesteliken hongher ende dorst sijns te ghesmaken met ewigher lost. Hi +gheeft ons gheesteliken hongher, ende onser herteliker liefde sijn +lichame in spisen. Ende alse wi dien in ons eten ende teren met ynnigher +devocien, soe vloyet uut sinen lichame sijn gloriose heete bloet in onse +nature ende in alle onse aderen.... Siet, aldus selen wi altoes eten +ende werden gheten, ende met minnen op ende nedergaen, ende dit is onse +leven in der ewicheit". [684] + +Een kleine schrede, en men is van deze hoogste vervoeringen der mystiek +weer bij een plat symbolisme. "Vous le mangerés,--zegt van de +eucharistie _Le livre de crainte amoureuse_ van Jean Berthelemy--, rôti +au feu, bien cuit, non point ars ou brulé. Car ainsi l'aigneau de +Pasques entre deux feux de bois ou de charbon estoit cuit convenablement +et roty, ainsi ledoulx Jésus, le jour du Vendredi sacré, fut en la +broche de la digne croix mis, attachié, et lié entre les deux feux de +tres angoisseuse mort et passion, et de tres ardentes charité et amour +qu'il avoit à nos ames et à nostre salut, il fut comme roty et +langoureusement cuit pour nous saulver." [685] + +Het beeld van de dronkenschap en den honger weerspreekt reeds de +meening, dat elk godsdienstig zaligheidsgevoel erotisch geïnterpreteerd +zou moeten worden. [686] Het instroomen van den goddelijken invloed +wordt evengoed als een drinken of een gebaad worden ondergaan. Een +Diepenveensche devote voelt zich geheel overstort met het bloed van +Christus en bezwijmt. [687] De bloedfantazie, voortdurend door het +geloof aan de transsubstantiatie levend gehouden en geprikkeld, uit zich +in de bedwelmendste uitersten van rooden gloed. De wonden van Jezus, +zegt Bonaventura, zijn de bloedroode bloemen van ons zoete en bloeiende +paradijs, waarover de ziel als een vlinder zweven moet, dan aan deze dan +aan gene drinkende. Door de zijwond moet zij binnendringen tot het hart +zelf. Tegelijk stroomt het bloed als beken in het paradijs. Al het roode +en warme bloed van alle wonden is door Suso's mond in zijn hart en ziel +gevloeid. [688] Catharina van Siena is een der heiligen, die uit de +zijwond van Christus gedronken hebben, gelijk het anderen ten deel viel, +de melk van Maria's borsten te proeven: Sint Bernard, Heinrich Suso, +Alain de la Roche. + +Alain de la Roche, in het latijn Alanus de Rupe, bij zijn Nederlandsche +vrienden Van der Klip geheeten, kan als een der meest markante typen +gelden van de Fransche, meer fantastische devotie en van de +ultra-concrete geloofsverbeelding der laatste Middeleeuwen. Omstreeks +1428 in Bretagne geboren, heeft hij als Dominicaan hoofdzakelijk in het +Noorden van Frankrijk en in de Nederlanden gewerkt. Hij is te Zwolle bij +de Fraters, met wie hij levendige betrekkingen onderhield, in 1475 +gestorven. Zijn voornaamste werk was het ijveren voor het gebruik van +den rozenkrans, waartoe hij een gebedsbroederschap over de geheele +wereld stichtte, aan welke hij het bidden voorschreef van vaste stelsels +van Ave's, door Pater's afgewisseld. In het werk van dezen visionair, +hoofdzakelijk preeken en beschrijvingen van zijn gezichten, [689] treft +het sterk sexueele van zijn verbeeldingen, doch tegelijk het ontbreken +van dien toon van gloeiende passie, die de sexueele verbeelding van het +heilige rechtvaardigen kon. De zinnelijke uitdrukking der smeltende +godsminne is hier louter procédé geworden. Er is niets van de +overstroomende innigheid, die de honger-, dorst-, bloed- en +liefde-fantazieën van de groote mystieken verheft. In de meditaties over +elk van Maria's lichaamsdeelen, die hij aanbeveelt, in de nauwkeurige +beschrijving van zijn herhaalde laving met de melk van Maria, in de +symbolische systematiek, waarbij hij elk der woorden van het Onze Vader +het bruidsbed van een der deugden noemt, spreekt een geest op zijn +laatst, het verval van de hooggekleurde vroomheid der latere +Middeleeuwen tot een uitgebloeiden vorm. + +Ook in de duivelenfantazie had het sexueele element een plaats: Alain de +la Roche ziet de beesten der zonde met afschuwelijke teeldeelen, waaruit +een vurige en zwavelige stortvloed breekt, die met zijn smook de aarde +verduistert; hij ziet de meretrix apostasiae, die de afvalligen +verslindt, weer uitbraakt en uitscheidt, weer verslindt, hen als een +moeder kust en koestert, hen telkens opnieuw baart uit haren schoot. +[690] + +Daar lag de tegenkant van de "zueticheit" der devoten. Als +onvermijdelijk complement van de zoete hemelsche fantazie borg de geest +een zwarten poel van hellevoorstellingen, die eveneens hun uitdrukking +vonden in de gloeiende taal der aardsche zinnelijkheid. Het is zoo +vreemd niet, dat er verbindingen zijn aan te wijzen tusschen de stille +kringen der Windesheimers en het duisterste wat de Middeleeuwen tegen +haar einde hebben voortgebracht: de heksenwaan, thans uitgegroeid tot +dat noodlottig sluitende systeem van theologischen ijver en rechterlijke +strengheid. Alanus de Rupe vormt zulk een schakel. Hij, de gaarne +geziene gast van de Zwolsche fraters, was ook de leermeester van zijn +ordebroeder Jakob Sprenger, die niet alleen met Heinrich Institoris den +Heksenhamer geschreven heeft, maar ook in Duitschland de ijverige +bevorderaar is geweest van Alanus' broederschap van den rozenkrans. + + + +NOTEN: + + +[637] Gerson, Tractatus VIII super Magnificat, Opera, IV p. 386. + +[638] Acta Sanctorum Martii, t. I p. 561, vgl. 540, 601. + +[639] K. Hefele, Der bl. Berhardin voor Siena und die franziskanische +Wanderpredigt in Italien während des XV. Jahrhunderts, Freiburg, 1912, +p. 79. + +[640] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 74, 86. + +[641] Zie boven blz. 255. (zie Hoofdstuk VI, noot 495) + +[642] Zie boven blz. 6 vgg. (zie Hoofdstuk I, tekst volgend op noot 7) + +[643] Acta Sanctorum Aprilis, t. I p. 195.--Noch van Vincent Ferrer, +noch van Olivier Maillard en Clement Menot heb ik de Sermones in +Nederland kunnen vinden. Het beeld, dat Hefele t.a.p. van de prediking +in Italië geeft, kan echter in veel opzichten ook op de fransch-sprekende +landen toepasselijk worden geacht. + +[644] Leven van S. Petrus Thomasius, Carmeliet, door Philippe de +Mézières, Acta sanctorum Jan., t. II p. 997; Dionysius Cartus over +Brugman's preektrant: De vita etc. christ. + +[645] Acta Sanctorum Apr., t. I p. 513. + +[646] James, l.c., p. 348: "For sensitiveness and narrowness, when they +occur together, as they often do, require above all things a simplified +world to dwell in"; cf. p. 353(1). + +[647] Moll, Brugman, I p. 52. + +[648] Dionys. Cartus. De quotidiano baptismate lacrimarum, t. XXIX, +p. 84; Deoratione. t. XLI p. 31-55; Expositio hymni Audi benigne conditor, +t. XXXV p. 34. + +[649] Acta sanctorum Apr., t. I p. 485, 494. + +[650] Chastellain, III p. 119; Antonio de Beatis (1517), L. Pastor, Die +Reise des Kardinals Luigi d'Aragona, Freiburg 1905, p. 51(3), 52; +Polydorus Vergilius, Anglicae historiae libri XXVI, Basileae, 1546, +p. 15. + +[651] Gerson, Epistola contra libellum Johannis de Schonhavia, Opera, I +p. 79. + +[652] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 44. + +[653] Ib. p. 48. + +[654] Gerson, De examinatione doctrinarum. Opera, I p. 19. + +[655] Ib. p. 16, 17. + +[656] Gerson, De distinctione etc., I p. 44. + +[657] Gerson, Tractatus II super Magnificat, Opera, IV p. 248. + +[658] 65 nutte artikelen van der passien ons Heren, Moll, Brugman, II +p. 75. + +[659] Gerson, De monte contemplationis, Opera, III p. 562. + +[660] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 49. + +[661] Ib. + +[662] Acta sanctorum Martii, t. I p. 562. + +[663] James, l.c., p. 343. + +[664] Acta sanctorum, l.c., p. 552ss. + +[665] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 132; Religieux de Saint Denis, II +p. 124; Joannis de Varennis Responsiones ad capita accusationum bij +Gerson, Opera, I p. 925, 926. + +[666] Responsiones, l.c., p. 936. + +[667] Ib. p. 910ss. + +[668] Gerson, De probatione spirituum. Opera, I p. 41. + +[669] Gerson, Epistola contra libellum Joh. de Schonhavia, Opera, I p. 82. + +[670] Gerson, Sermo contra luxuriam. Opera, III p. 924. + +[671] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 55. + +[672] Opera, III p. 589ss. + +[673] Ib. p. 593. + +[674] Gerson, De consolatione theologiae, Opera, I p. 174. + +[675] Gerson, Epistola ... super tertia parte libri Joannis Ruysbroeck +De ornatu nupt. spir., Opera, I p. 59, 67 etc. + +[676] Gerson, Epistola contra defensionem joh. de Schonhavia (polemiek +over Ruusbroec), Opera, I p. 82. + +[677] Hetzelfde gevoel bij een moderne: "I committed myself to Him in +the profoundest belief that my individuality was going to be destroyed, +that he would take all from me, and I was willing", James, l.c., p. 223. + +[678] Gerson, De distinctione etc., I p. 55; De libris caute legendis, I +p. 114. + +[679] Gerson, De examinatione doctrinarum, Opera, I p. 19; De +distinctione, I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114; Epistola +super Joh. Ruysbroeck De ornatu, I p. 62; De consolatione theologiae, I +p. 174; De susceptione humanitatis Christi, I p. 455; De nuptiis Christi +et ecclesiae, II p. 370; De triplici theologia, III p. 369. + +[680] Moll, Johannes Brugman, I p. 57. + +[681] Gerson, De distinctione etc., I p. 55. + +[682] Moll, Brugman. I p. 234, 314. + +[683] Ecclesiasticus 24, 29; vgl. Meister Eckhart, Predigten no. 43, +p. 146. 26. + +[684] Ruusbroec, Die Spieghel der ewigher salicheit, cap. 7, Die +chierheit der gheesteleker brulocht, 1. II c. 53, Werken, ed. David en +Snellaert (Maatsch. der Vlaemsche bibliophilen) 1860(2), 1868, III p. +156/9, VI p. 132. + +[685] Naar het hs. bij Oulmont, l.c., p. 277. + +[686] Vgl. de bestrijding dier meening door James, l.c., p. 10(1), +191, 276. + +[687] Moll, Brugman, II p. 84. + +[688] Oulmont, l.c., p. 204, 210. + +[689] B. Alanus redivivus, ed. J. A. Coppenstein, Napels, 1462, p. 29, +31, 105, 108, 116 etc. + +[690] Alanus redivivus, p. 209, 218. + + + * * * * * + + +IX + +VERBEELDING EN GEDACHTE + + +De aandoening wilde zich altijd onmiddellijk omzetten in bonte en +gloeiende verbeelding. De geest meende het wonder te hebben begrepen, +wanneer hij het voor oogen zag. De behoefte, om het onuitsprekelijke +onder zichtbare teekenen te aanbidden, schiep steeds nieuwe figuren. +In de veertiende eeuw zijn het kruis en het lam niet meer genoeg, om +aan de overstroomende liefde voor Jezus een zichtbaar object te geven: +de vereering van den naam Jezus voegt zich daaraan toe, en dreigt zelfs +bij sommigen de kruisvereering in de schaduw te stellen. Heinrich Suso +tatoeërt zich den naam Jezus op de hartstreek, en vergelijkt het met de +beeltenis eener geliefde, die de minnaar in zijn kleed genaaid draagt. +Hij zendt doekjes, waarop de zoete naam geborduurd staat, aan zijn +geestelijke kinderen. [691]--Als Bernardino van Siena een geweldige +preek besloten heeft, ontsteekt hij twee kaarsen en vertoont een bord +van een el groot, waarop in goud op blauw de naam Jezus te midden van +stralen; "het volk dat de kerk vult, ligt op de knieën, allen te zamen +huilend en schreiend van zoete aandoening en teedere liefde tot Jezus". +[692] Vele andere Franciscanen, en ook predikers van andere orden, +volgden het na: Dionysius de Kartuizer wordt met zulk een naambord in de +hoogopgeheven handen afgebeeld. De zonnestralen als helmteeken boven het +wapen van Genève worden uit deze vereering afgeleid. [693] Zij scheen +den kerkelijken autoriteiten bedenkelijk; men sprak van bijgeloof en +idolatrie, er ontstonden tumulten voor en tegen het gebruik. Bernardino +werd voor de curie gedaagd, en paus Martinus V verbood de gewoonte. +[694] Doch in een anderen vorm vond weldra de behoefte, om den Heer +zichtbaar te aanbidden, gewettigde bevrediging: de monstrans stelde de +gewijde hostie zelf tot aanbidding ten toon. Voor den torenvorm, dien +zij bij haar eerste opkomen in de veertiende eeuw had, kreeg de +monstrans weldra dien van de stralende zon, symbool der goddelijke +liefde. Ook hier had de Kerk aanvankelijk nog bedenkingen gekoesterd; +het gebruik der monstrans was enkel gedurende de week van het +sacramentsfeest toegestaan. + +De overmaat van verbeeldingen, waarin de uitbloeiende middeleeuwsche +gedachte bijna alles had opgelost, zou louter wilde fantasmagorie zijn +geweest, wanneer niet bijna elke figuur, elk beeld, zijn plaats had +gehad in het groote, alles omvattende denksysteem van het symbolisme. + +Er was geen groote waarheid, die de middeleeuwsche geest stelliger wist, +dan die van het woord aan de Corinthen: "Videmus nunc per speculum in +aenigmate, tunc autem facie ad faciem"; "Want wij zien nu door eenen +spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht +tot aangezicht".--Zij hebben nooit vergeten, dat elk ding absurd zou +zijn, als zijn beteekenis uitgeput was in zijn onmiddellijke functie en +verschijningsvorm, dat alle dingen met een heel stuk reiken in de wereld +aan den anderen kant. Dat weten is ook ons als ongeformuleerd gevoel nog +op ieder oogenblik gemeenzaam, wanneer het geluid van den regen op de +bladeren of het schijnsel van de lamp over de tafel even doordringt tot +een dieper perceptie dan die van den praktischen denk- en handelingszin. +Het kan zich voordoen als een ziekelijke oppressie, zoodat de dingen +zwanger schijnen van een dreigende persoonlijke bedoeling of van een +raadsel, dat men kennen moet en niet kennen kan. Het kan ook, en zal +vaker, ons vullen met de rustige en sterkende verzekerdheid, dat ook ons +eigen leven deel heeft aan dien geheimen zin der wereld. En hoe meer dat +gevoel zich verdicht tot de huivering voor het Eene, waarvan alle dingen +uitstroomen, hoe lichter het van de zekerheid van enkele klare +oogenblikken zal overgaan tot een blijvend aanwezig levensgevoel, of +zelfs een geformuleerde overtuiging. "By cultivating the continuous +sense of our connection with the power that made things as they are, we +are tempered more towardly for their reception. The outward face of +nature need not alter, but the expressions of meaning in it alter. It +was dead and is alive again. It is like the difference between looking +on a person without love, or upon the same person with love.... When we +see all things in God, and refer all things to him, we read in common +matters superior expressions of meaning." [695] + +Dit is de gevoelsgrond, waarop het symbolisme opgroeit. Bij God bestaat +niets ledigs of zonder beteekenis: "nihil vacuum neque sine signo apud +Deum". [696] Zoodra God verbeeld was, moest ook dat al, wat van hem +uitging en in hem zijn zin had, stollen of kristalliseeren tot +geformuleerde gedachten. En zoo ontstaat die grootsche en edele +verbeelding van de wereld als één groot symbolisch verband, een +kathedraal van ideeën, de allerrijkst rythmische en polyphone +uitdrukking van al het denkbare. + +De symbolische denkorde staat zelfstandig en op zich zelf gelijkwaardig +naast de genetische. De laatste: het begrijpen van de wereld als +ontwikkeling, was den Middeleeuwen niet zóo vreemd, als men het wel eens +voorstelt. Doch het voortkomen van de dingen uit elkander werd nog +alleen gezien onder de naïeve figuur van directe voortteling of van +vertakking, en nog alleen toegepast volgens logische deductie, op de +dingen van den geest. Die werden gaarne gezien in de geleding van +genealogieën of van boomen met vertakkingen: een "arbor de origine +juris et legum" rangschikte alles van het recht in het beeld van +een wijdgespreiden boom. Enkel deductief toegepast behield de +ontwikkelingsgedachte iets schematisch, willekeurigs en onvruchtbaars. + +Het symbolisme is, van het standpunt van het causale denken beschouwd, +als een geestelijke kortsluiting. Het verband der dingen wordt niet +gezocht als een band van oorzaak en gevolg, maar als een van beteekenis +en doel. De overtuiging van zulk een verband kan ontstaan, zoodra twee +dingen één essentieele eigenschap gemeen hebben, die te betrekken is op +iets van algemeene waarde. Of met andere woorden: elke associatie op +grond van eenigerlei gelijkheid kan zich onmiddellijk omzetten in het +besef van een wezenlijk en mystisch verband. Dit kan van psychologisch +gezichtspunt een zeer povere geestesfunctie schijnen. En van +ethnologisch gezichtspunt kan men het bovendien een zeer primitieve +geestesfunctie noemen. Het primitieve denken kenmerkt zich door een +zwakheid van de waarneming der identiteitsgrenzen tusschen de dingen; +het incorporeert in de voorstelling van een bepaald ding alles wat +daarmee door gelijkenis of toebehooren in eenig verband staat. De +symboliseerende functie hangt daarmede ten nauwste samen. + +Het symbolisme verliest evenwel dien schijn van willekeurigheid en +onvoldragenheid, zoodra men zich er rekenschap van geeft, dat het +onverbrekelijk verbonden is met die opvatting van het bestaande, welke +in de Middeleeuwen realisme heette, en die wij, eigenlijk minder +treffend, platonisch idealisme noemen. + +Alleen dan heeft de symbolische gelijkstelling op grond van +gemeenschappelijke kenmerken zin, wanneer die kenmerken het wezenlijke +aan de dingen zijn, wanneer de eigenschappen, die het symbool en het +gesymboliseerde gemeen hebben, waarlijk als essentiën beschouwd worden. +Rozen wit en rood bloeien tusschen doornen. De middeleeuwsche geest ziet +terstond een symbolische beteekenis: maagden en martelaars stralen in +heerlijkheid tusschen hun vervolgers. Hoe komt de gelijkstelling tot +stand? Doordat de hoedanigheden dezelfde zijn: de schoonheid, teerheid, +zuiverheid, de bloedroodheid der rozen zijn ook die der maagden en +martelaars. Doch dit verband is alleen dan waarlijk zinrijk en vol van +mystische beteekenis, wanneer in het verbindende lid, in de hoedanigheid +dus, het wezen der beide termen van het symbolisme ligt opgesloten, met +andere woorden, wanneer de roodheid en de witheid niet gelden als louter +benamingen voor physisch onderscheid op quantitatieven grondslag, maar +gezien worden als realiën, wezenlijkheden. Ook óns denken vermag nog elk +oogenblik ze zoo te zien, [697] als het maar even terugkeert tot de +wijsheid van den wilde, het kind, den dichter en den mysticus, voor wie +de natuurlijke gesteldheid der dingen ligt opgesloten in hun algemeene +hoedanigheid. De hoedanigheid is hun watheid, de kern van hun zijn. +Schoonheid, teerheid, witheid, essentiën zijnde, zijn eenheden: alles +wat schoon, teer, wit is, moet in wezen samenhangen, heeft denzelfden +bestaansgrond, dezelfde beteekenis (be-teekenis) voor God. + +Zoo is er een onverbrekelijk verband tusschen symbolisme en realisme (in +den middeleeuwschen zin). + +Men moet hier niet te veel denken aan den strijd over de universalia. +Zeker, het realisme, dat de "universalia ante res" verklaarde, dat aan +de algemeene begrippen wezen en praeëxistentie toekende, is geen +alleenheerscher geweest op het gebied van het middeleeuwsche denken. +Er zijn ook nominalisten geweest: ook het "universalia post rem" heeft +zijn voorstanders gehad. Doch de stelling is niet te gewaagd, dat het +radicale nominalisme nooit anders dan tegenstrooming, reactie, oppositie +is geweest, en dat het jongere, gematigde nominalisme enkel zekere +philosophische bezwaren tegen een extreem realisme tegemoet kwam, maar +aan de inhaerent-realistische denkrichting der gansche middeleeuwsche +geestesbeschaving niets in den weg legde. + +Inhaerent aan de gansche beschaving. Want het komt niet in de eerste +plaats op dien strijd van scherpzinnige theologen aan, maar op de +voorstellingen, die het geheele verbeeldings- en gedachtenleven, zooals +het zich uit in de kunst, de moraal, het dagelijksch leven, beheerschen. +Deze zijn extreem realist, niet omdat de hooge theologie in een lange +school van neo-platonisme was geformeerd, maar omdat het realisme, +buiten alle philosophie om, de primitieve denkwijze is. Voor den +primitieven geest neemt alles wat benoembaar is, terstond wezen aan, of +het hoedanigheden zijn, begrippen of wat ook. Zij projecteeren zich +terstond automatisch aan den hemel. Hun wezen kan bijna altijd (behoeft +niet altijd) worden opgevat als persoonlijk wezen; ieder oogenblik kan +de reidans van anthropomorphe begrippen beginnen. + +Alle realisme, in den middeleeuwschen zin, is tenslotte +anthropomorphisme. Wanneer de gedachte, die aan de idee een zelfstandig +wezen heeft toegekend, wil worden gezien, dan kan zij dat niet anders +dan door personificatie. Hier ligt de overgang van symbolisme en +realisme naar allegorie. De allegorie is het naar de oppervlakkige +verbeeldingskracht geprojecteerde symbolisme, de opzettelijke +uitwerking, daarmee ook uitputting, van een symbool, het overbrengen van +een hartstochtelijken kreet tot een grammatisch correcten zin. Goethe +beschrijft de tegenstelling aldus: "Die Allegorie verwandelt die +Erscheinung in einen Begriff, den Begriff in ein Bild, doch so, dass der +Begriff im Bilde immer noch begrenzt und vollständig zu halten und zu +haben und an demselben auszusprechen sei. Die Symbolik verwandelt die +Erscheinung in Idee, die Idee in ein Bild, und so, dass die Idee im Bild +immer unendlich wirksam und unerreichbar bleibt und selbst in allen +Sprachen ausgesprochen doch unaussprechlich bleibe." [698] + +De allegorie heeft dus inzichzelf reeds het karakter van schoolsche +normaliseering, en tegelijk van een vertering, een opgaan der gedachte +in het beeld. De wijze, waarop zij het middeleeuwsche denken was +binnengekomen: als litteraire aflegger van de late Oudheid in de +allegorische producten van Martianus Capella en Prudentius, verhoogde +het schoolsche en oudachtige karakter. En toch meene men niet, dat het +de middeleeuwsche allegorie en personificatie aan echtheid en leven +ontbrak. Trouwens, had zij die niet bezeten, hoe zou dan de middeleeuwsche +beschaving haar zoo aanhoudend en met zulk een voorliefde hebben +gecultiveerd? + +Te zamen vereenigd hebben deze drie denkwijzen: realisme, symbolisme en +personificatie, den middeleeuwschen geest doorschenen als een stroom van +licht. De psychologie zou wellicht het geheele symbolisme willen afdoen +met den term ideeënassociatie. Maar de geschiedenis der geestesbeschaving +heeft dien denkvorm eerbiediger te beschouwen. De levenswaarde van de +symbolische verklaring van het bestaande was onschatbaar. Het symbolisme +schiep een wereldbeeld van nog strenger eenheid en inniger verband, dan +het causaal-natuurwetenschappelijk denken vermag. Het omvademde met zijn +sterke armen de geheele natuur en de geheele geschiedenis. Het schept +daarin een onverbrekelijke rangorde, een architectonische geleding, een +hiërarchische subordinatie. Want in elk symbolisch verband moet een +lager en een hooger zijn; gelijkwaardige dingen kunnen elkanders symbool +niet zijn, maar enkel samen wijzen naar een derde, dat hooger is. In het +symbolisch denken is ruimte voor een onmetelijke veelvuldigheid van +betrekkingen tusschen de dingen. Want elk ding kan met zijn verschillende +hoedanigheden symbool zijn van velerlei andere, en ook met één en +dezelfde hoedanigheid verschillende dingen beteekenen; en de hoogste +dingen hebben hun duizenderlei symbolen. Geen ding is te nederig om het +hoogste te beduiden en aan te wijzen ter verheerlijking. De okkernoot +beteekent Christus: de zoete kern is de goddelijke natuur, de vleezige +buitenschil de menschelijke, en de houten schaal daartusschen is het +kruis. Alle dingen bieden stut en steun voor het opstijgen der gedachte +naar het eeuwige; alle beuren elkaar van trede tot trede omhoog. Het +symbolische denken geeft een voortdurende transfusie van het gevoel van +God's majesteit en eeuwigheid in al het waarneembare en denkbare. Het +houdt voortdurend het mystische levensgevoel brandend. Het doordringt de +voorstelling van elk ding met verhoogde aesthetische en ethische waarde. +Denk het genot, als elke edelsteen fonkelt met de glanzen van al zijn +symbolische waarden, als de vereenzelviging van rozen en maagdelijkheid +meer is dan een dichterlijk zondagskleed, als zij het wezen van beide +aangeeft. Het is een waarlijke polyphonie der gedachte. Bij een +doorgedacht symbolisme klinkt in elke voorstelling een harmonisch +accoord van symbolen. Het symbolisch denken geeft dien zwijmel der +gedachte, die prae-intellectueele vervloeiing van de identiteitsgrenzen +der dingen, die tempering van het verstandelijk denken, welke het +levensbesef op zijn hoogste heft. + +Een harmonisch verband verbindt voortdurend alle gebieden der gedachte. +De feiten van het Oude Testament beduiden, praefigureeren die van het +Nieuwe, die der profane geschiedenis weerspiegelen hetzelfde. Bij elk +denken valt, als in een kaleidoscoop, uit de ongeordende massa partikels +een schoone en symmetrische figuur samen. Elk symbool krijgt een +overwaarde, een veel sterkere graad van wezenlijkheid, doordat allen +tenslotte geschaard staan rondom het centrale wonder der eucharistie, en +daar is de gelijkheid geen symbolische meer, maar identiteit: de hostie +is Christus. En de priester, die haar tot zich neemt, wordt daarmee het +graf des Heeren; het afgeleide symbool deelt in de werkelijkheid van het +opperste mysterie, elk beduiden wordt een mystisch één-zijn. [699] + +Door het symbolisme werd het mogelijk, de wereld, die in zich zelf +verwerpelijk was, toch te waardeeren en te genieten, en ook het aardsche +bedrijf te veredelen. Want elk beroep had zijn symbolische betrekking op +het hoogste en heiligste. De arbeid van den handwerker is de eeuwige +generatie en incarnatie des Woords en de bond tusschen God en de ziel. +[700] Zelfs tusschen de aardsche liefde en de goddelijke liepen de +draden van het symbolisch contact. Het sterke religieuze individualisme, +dat wil zeggen de cultiveering van de eigen ziel tot deugd en zaligheid, +vond zijn heilzaam tegenwicht in het realisme en symbolisme, die het +eigen leed, de eigen deugd, losmaakten uit de bijzonderheid van het +persoonlijke, en ophieven in de sfeer van het universeele. + +De zedelijke waarde van de symbolische denkwijze is onafscheidelijk van +haar verbeeldingswaarde. De symbolische verbeelding is als de muziek op +den tekst der logisch uitgedrukte leerstellingen. "En ce temps où la +spéculation est encore toute scolaire, les concepts définis sont +facilement en désaccord avec les intuitions profondes." [701] Door het +symbolisme stond de geheele godsdienstige voorstellingsrijkdom open voor +de kunst, om haar uit te drukken, klank- en kleurrijk, en tegelijk vaag +en zwevend, zoodat de diepste intuïties erop konden wegvlieden naar het +besef van het onzegbare. + + * * * * * + +De eindigende Middeleeuwen vertoonen die geheele denkwereld in haar +laatsten uitbloei. De wereld lag volkomen uitgespreid in die +alomvattende verzinnebeelding, en de symbolen werden als versteende +bloemen. Van oudsher had overigens het symbolisme de neiging bezeten, om +zuiver mechanisch te worden. Eenmaal als beginsel gegeven, ontspruit het +niet alleen uit dichterlijke verbeelding en vervoering, maar hecht zich +als een woekerplant aan het denken, en ontaardt tot louter hebbelijkheid +en een ziekte der gedachte. Met name wanneer het symbolisch contact +eenvoudig voortvloeit uit gelijkheid van getal, ontstaan heele +verschieten van ideëele afhankelijkheden. Het worden rekensommetjes. De +twaalf maanden zullen de twaalf apostelen beduiden, de vier jaargetijden +de evangelisten, en het geheele jaar moet dan Christus zijn. [702] Er +conglomereeren zich gansche systemen van zeventallen. Met de zeven +hoofddeugden correspondeeren de zeven beden van het Onze Vader, de zeven +gaven van den heiligen geest, de zeven zaligsprekingen en de zeven +boetpsalmen. Zij hebben weer betrekking op de zeven momenten van de +passie en op de zeven sacramenten. Elk nummer van elk zevental +correspondeert weer als tegenstelling of geneesmiddel met de zeven +hoofdzonden, die weer door zeven dieren verbeeld en door zeven ziekten +gevolgd worden. [703] Bij een zielzorger en moralist als Gerson, aan +wien deze voorbeelden zijn ontleend, overweegt de praktisch zedelijke +waarde van het symbolisch verband. Bij een visionair als Alain de la +Roche overweegt daarin het aesthetische. [704] Hij moet een systeem +hebben, waarin vijftien en tien de getallen zijn, want de gebedencyclus +van de broederschap van den rozekrans, waarvoor hij ijverde, omvat 150 +Ave's, afgewisseld door 15 Pater's. Die vijftien Pater's zijn de +vijftien oogenblikken der passie, de 150 Ave's zijn de psalmen. Zij +zijn nog veel meer. Door de elf hemelsferen plus de vier elementen +te vermenigvuldigen met de tien categorieën: substantia, qualitas, +quantitas enz., krijgt men 150 habitudines naturales; evenzoo 150 +habitudines morales, door de tien geboden te vermenigvuldigen met +vijftien deugden: de drie theologale, de vier cardinale, de zeven +capitale deugden, maakt veertien; "restant duae: religio et +poenitentia", nu is er één te veel, maar temperantia, de cardinale, is +gelijk aan abstinentia, [705] de capitale, blijft over vijftien. Elk +dier vijftien deugden is een koningin, die haar bruidsbed heeft in een +der fracties van het Onze Vader. Elk der woorden van het Ave beduidt een +der vijftien volmaaktheden van Maria, en tegelijk een edelsteen aan de +rupis angelica, die zij zelve is; elk woord verdrijft een zonde of het +dier, dat die verbeeldt. Zij zijn bovendien de takken van een boom vol +vruchten, waarin alle gezaligden zitten, en de treden van een trap. +Zoo beduidt bij voorbeeld het woord Ave de onschuld van Maria, en den +diamant, en verdrijft den hoogmoed, die den leeuw tot dier heeft. Het +woord Maria is haar wijsheid en de karbonkel en verdrijft den nijd, +een bijster zwarten hond. Alanus ziet in zijn vizioenen de gruwelijke +gedaanten der zondedieren en de schitterende kleuren der edele steenen, +wier oud befaamde wonderkracht weer nieuwe symbolische associaties wekt. +De sardonix is zwart, rood en wit, gelijk Maria zwart was in nederigheid, +rood in haar smarten, en wit in glorie en genade. Zij trekt als zegelsteen +niets aan van de was: deugd der eerzaamheid, verdrijft onkuischheid en +maakt eerzaam en schaamachtig. De parel is het woord gratia, en ook +Maria's eigen gratie; zij ontstaat in de zeeschelp uit een dauw des hemels +"sine admixtione cuiuscunque seminis propagationis". Maria zelf is die +schelp; hier verspringt het symbolisme even, want in de reeks der overige +zou men haar als de parel verwachten. Hier komt ook het kaleidoscopische +der symboliek treffend uit: met de woorden "uit een dauw des hemels +geteeld" is meteen, onuitgedrukt, die andere trope der maagdelijke +geboorte: het vlies, waarop Gideon het hemelsch teeken afsmeekte, in het +bewustzijn geroepen. + +De symboliseerende denkvorm was zoo goed als versleten. Het vinden van +symbolen en allegorieën was een ijdel spel geworden, een oppervlakkig +fantazeeren op een enkel gedachtenverband. Het symbool behoudt zijn +gevoelswaarde alleen door de heiligheid der dingen, die het verbeeldt: +zoodra het symboliseeren van het zuiver godsdienstige gebied afvloeit +naar het enkel moreele, ziet men het in zijn hopelooze verbastering. +Froissart weet in een uitvoerig gedicht _Li orloge amoureus_ alle +eigenschappen der liefde met de onderdeelen van een uurwerk te +vergelijken. [706] Chastellain en Molinet wedijveren in politieke +symbolismen: in de drie standen zijn de eigenschappen van Maria +gefigureerd; de zeven keurvorsten, drie geestelijke en vier wereldlijke, +beteekenen de drie theologale en vier cardinale deugden; de vijf steden +Saint-Omer, Aire, Rijssel, Douai en Valenciennes, die in 1477 Bourgondië +trouw blijven, worden de vijf wijze maagden. [707] Eigenlijk heeft men +hier te doen met een omgekeerd symbolisme, waarbij niet het lagere naar +het hoogere wijst, maar het hoogere naar het lagere. Want in den geest +van den schrijver staan de aardsche dingen, die hij met wat hemelsche +versiering verheerlijken wil, vooraan. De _Donatus moralisatus seu per +allegoriam traductus_, die wel eens aan Gerson is toegeschreven, bracht +de latijnsche grammatica bij, met theologische symboliek gemengd: het +nomen is de mensch, het pronomen beduidt, dat hij een zondaar is. Op den +laagsten trap van de symboliseering staat een gedicht als _Le parement +et triumphe des dames_ van Olivier de la Marche, waarin het gansche +vrouwelijk toilet wordt vergeleken met deugden en voortreffelijkheden, +een brave zedepreek van den ouden hoveling, met een enkel schuin +knipoogje. De pantoffel beduidt de nederigheid: + + "De la pantouffle ne nous vient que santé + Et tout prouffit sans griefve maladie, + Pour luy donner tiltre d'auctorité + Je luy donne le nom d'humilité." + +Zoo worden de schoenen zorg en vlijt, de kousen volharding, de kouseband +vastberadenheid, het hemd eerbaarheid en het keurs kuischheid. [708] + +Toch is natuurlijk, zelfs in haar meest zoutelooze uitingen, de +symboliek en allegorie voor den middeleeuwschen geest van een veel +levender gevoelswaarde geweest, dan wij ons voorstellen. De functie van +het symbolisch gelijkstellen en het persoonlijk verbeelden was zoo +ontwikkeld, dat haast vanzelve elke gedachte zich kon omzetten in een +personnage, een vertooning. Elke idee werd immers als wezen gezien, elke +hoedanigheid als zelfstandigheid, en als wezen kregen zij voor het +beeldende gezicht terstond persoonlijken vorm. Dionysius de Kartuizer +ziet in zijn revelaties de Kerk juist even persoonlijk en tooneelmatig, +als zij vertoond werd op het hoffeest van Rijsel. In een zijner +openbaringen ziet hij de toekomstige reformatio, die naar welke de +vaderen van het concilie en Dionysius' geestverwant Nicolaas van Cusa +streefden: de Kerk derhalve in haar toekomstige zuiverheid. De +geestelijke schoonheid dier gezuiverde Kerk ziet hij als een overschoon +en allerkostbaarst kleed van onbeschrijfelijke fraaiheid in +allerkunstigste mengeling van kleuren en figuren. Een andermaal ziet hij +de Kerk in haar verdrukking: leelijk, ruig en bloedeloos, arm, zwak en +verschopt. De Heer zegt: hoor uwe Moeder, mijne bruid, de heilige Kerk, +en daarop hoort Dionysius de innerlijke stem als uit de figuur der Kerk +komende: "quasi ex persona Ecclesiae". [709] Zoo onmiddellijk komt hier +de gedachte in beeldvorm, dat de herleiding van het beeld tot gedachte, +de verklaring der allegorie in bijzonderheden, nauwelijks als noodig +wordt gevoeld, als het gedachtenthema maar even is aangegeven. Het bonte +kleed is volkomen adequaat aan de voorstelling van geestelijke +volmaaktheid; er is hier een oplossing van de gedachte in het beeld, +zooals ons een oplossing der gedachte in muziek gemeenzaam is. + +Men denke hier opnieuw aan de allegorische figuren uit den _Roman de la +rose._ Wij kunnen ons niet dan met inspanning iets denken bij Bel +Accueil, Doulce Mercy, Humble Requeste. Maar zij hebben voor de +tijdgenooten een met levenden vorm bekleede en met passie gekleurde +wezenlijkheid gehad, die hen volkomen op één lijn stelt met de +Romeinsche speciale godenfiguren. Wat Usener van deze zegt, is bijna +geheel toe te passen op de middeleeuwsche allegorische personnages. "Die +Vorstellung trat mit sinnlicher Kraft vor die Seele und übte eine solche +Macht aus, dass das Wort, das sie sich schuf, trotz der adjectivischen +Beweglichkeit, die ihm verblieb, dennoch ein göttliches Einzelwesen +bezeichnen konnte". [710] Anders zou immers de _Roman de la rose_ +onleesbaar zijn geweest. Doux Penser, Honte, Souvenirs en de rest hebben +in de geesten der latere Middeleeuwen een quasi-goddelijk leven gehad. +Een recrudescentie van die voorstelling beleefde één der Rose-figuren, +namelijk Danger, wat in de amoureuze taal den te bedriegen echtgenoot +ging beteekenen. + +Herhaaldelijk ziet men, om een gedachte uit te drukken, waar het +bijzonder op aankomt, naar de allegorie grijpen. Wanneer de bisschop van +Chalons aan Philips den Goede een zeer ernstige waarschuwing omtrent +zijn politiek beleid wil geven, giet hij de remonstrance, die hij in het +kasteel van Hesdin op Sint Andriesdag 1437 voor den hertog, de hertogin +en hun gevolg ten beste geeft, in den vorm van een allegorie. Hij vindt +Haultesse de Signourie troosteloos zitten, die eerst in het Keizerrijk, +daarna aan het Fransche, tenslotte aan het Bourgondische hof heeft +gewoond, en nu klaagt, ook daar te worden belaagd door Zorgeloosheid des +vorsten, Slapheid van raad, Nijd van dienaren, Afpersing van onderdanen. +Hij stelt er andere personnages tegenover, als Waakzaamheid des vorsten +enz., die het ontrouwe hofgezin moeten verdrijven. [711] Elke hoedanigheid +is hier verzelfstandigd en als persoon verbeeld. + +De Burger van Parijs is een nuchter man, die zich zelden verlustigt in +stijlversiering of gedachtenspel. Maar wanneer hij genaderd is tot het +vreeselijkste, dat hij te beschrijven heeft: de Bourguignonsche moorden, +die het Parijs van Juni 1418 den bloedgeur van September 1792 gaven, +neemt hij de allegorie te baat. [712] "Lors se leva la deesse de +Discorde, qui estoit en la tour de Mau-conseil, et esveilla Ire la +forcenée et Convoitise et Enragerie et Vengence, et prindrent armes de +toutes manières et bouterent hors d'avec eulx Raison, Justice, Memoire +de Dieu et Atrempance moult honteusement." Zoo gaat het verder, +afgewisseld door de directe beschrijving van den gruwel: "Et en mains +que on yroit cent pas de terre depuis que mors estoient, ne leur +demouroit que leurs brayes, et estoient en tas comme porcs ou millieu de +la boe...."; de stortregens wasschen hun wonden schoon.--Wat beteekent +juist hier de allegorie? Heeft zij hier niet de functie van een +uitdrukkingsmiddel voor het tragische besef, de overbrenging van de +vreeselijke gebeurtenissen op een plan boven dat van den individueelen +toeleg der menschen? + +Hoe levend de functie der personificatie en allegoriseering nog in de +laatste Middeleeuwen was, blijkt juist uit die trekken, welke ons in dat +alles het storendst schijnen. Wij kunnen een allegorie nog eenigermate +genieten in tableau-vivant, de geijkte figuren behangen met onwezenlijke +draperie, die aan iedereen zegt, dat het maar gekheid is. Maar de +vijftiende eeuw kan de allegorische figuren zoo goed als de heiligen nog +laten rondloopen in de kleeren van den dag. En zij kan ieder oogenblik +nog nieuwe verpersoonlijkingen scheppen voor elke gedachte, die zij wil +uitdrukken. Als Charles de Rochefort in _l'Abuzé en court_ de moraliteit +wil verhalen van den lichtzinnigen jongeling, die door het hofleven op +'t slechte pad wordt gebracht, schudt hij een gansche reeks nieuwe +allegorieën in den trant van de _Rose_ uit zijn mouw; en al die voor ons +zoo bleeke wezens: Fol cuidier, Folle bombance, tot het eind, wanneer +Pauvreté en Maladie den jongeling meenemen naar het hospitaal, treden in +de miniaturen, die het gedicht verluchten, op als jonkers van den tijd; +zelf le Temps heeft geen baard of zeis van noode, en komt in wambuis en +hozen. Ons maken de illustraties met hun naïeve strakheid de +voorstelling van dat alles al te primitief; al het teere en bewegelijke, +dat de tijd zelf in die concepties voelde, is voor ons vervluchtigd. +Juist in hun alledaagschheid ligt het kenmerk van hun levendheid. Het +heeft voor Olivier de la Marche niets storends, dat de twaalf deugden, +die een entremets bij het hoffeest van Rijssel in 1454 vertoonen, nadat +hun versje is voorgelezen, aan het dansen gaan "en guise de mommerie et +à faire bonne chiere, pour la feste plus joyeusement parfournir." +[713]--Aan deugden en aandoeningen verbindt zich een menschvormige +voorstelling nog eenigermate ongewild, maar ook in gevallen, waar voor +ons het begrip niets anthropomorphs zou hebben, schroomt de +middeleeuwsche geest niet, om er een persoon van te maken. Quaresme als +persoonlijke figuur is niet een schepping van Breughel's dolle brein, +die hem laat optrekken tegen het heir van Vastenavond; al veel eerder +treedt hij als zoodanig in de litteratuur op. [714] Ook het spreekwoord +kent hem zoo: "Quaresme fait ses flans la nuit de Pasques." + +Welk graadverschil is er geweest in de wezenlijkheid der voorstelling +tusschen de heiligen en de zuiver zinnebeeldige figuren? De eersten +hadden de bevestiging der Kerk, hun historisch karakter, hun beelden van +hout en steen. Maar de laatsten hadden de aanraking met het eigen +zieleleven en met de vrije fantazie. Men kan in ernst twijfelen, of niet +Fortune en Faux Semblant evenveel leven hebben gehad als Sinte Barbara +en Sint Christoffel. Vergeten wij niet, dat één figuur, buiten elke +dogmatische of traditioneele sanctie opgekomen uit de vrije fantazie, +meer realiteit heeft verworven dan eenige heilige, en hen allen heeft +overleefd: de Dood. + +Een wezenlijk contrast tusschen de allegorie der Middeleeuwen en de +mythologie der Renaissance is er eigenlijk niet. Vooreerst begeleiden de +mythologische figuren reeds gedurende een goed stuk der Middeleeuwen de +vrije allegorie: Venus speelt haar rol in het zuiverst middeleeuwsche, +wat er gedicht is. Aan den anderen kant behoudt de vrije allegorie haar +fleur nog lang in de zestiende eeuw en later. In de veertiende eeuw +begint als 't ware een wedstrijd tusschen allegorie en mythologie. In de +gedichten van Froissart treden naast Doux Semblant, Jonece, Plaisance, +Refus, Dangier, Escondit, Franchise een zonderling stel van soms +onkenbaar verminkte mythologemen op: Atropos, Cloto, Lachesis, Telephus, +Ydrophus, Neptisphoras! De goden en godinnen leggen het in volheid van +verbeelding nog af bij de personages van de _Rose_; zij blijven nog hol +en schimmig. Of zij worden, als zij 't rijk alleen hebben, uitermate +barok en onklassiek, zooals in de _Epistre d'Othéa à Hector_ van +Christine de Pisan. Het komen der Renaissance is de omkeering van die +verhouding. Gaandeweg winnen de Olympiërs en de nimfen het van de _Rose_ +en de Sinnekens. Uit de rijkdommen der Oudheid stroomt hun een volheid +toe van stijl en sentiment, een dichterlijke schoonheid, en bovenal een +eenheid met het natuurgevoel, waarbij de eens zoo levende allegorie +verbleekte en verdween. + +Het symbolisme met zijn dienares de allegorie was een speling van het +vernuft geworden; het zinrijke werd zinloos. De symbolische denkwijze +belemmerde de ontplooiing van het causaal-genetische denken. Niet dat +het door het symbolisme werd uitgesloten; het natuurlijk-genetisch +verband der dingen had zijn plaats naast het symbolisch verband, maar +het bleef onbelangrijk, zoolang de belangstelling zich niet verplaatst +had van het symbolisme naar de natuurlijke ontwikkeling. Een voorbeeld +ter verduidelijking. Voor de verhouding van het geestelijk en het +wereldlijk gezag stonden in de Middeleeuwen twee symbolische +vergelijkingen vast: het zijn de twee hemellichamen, zooals God ze bij +de schepping het een boven het ander had gesteld, en het zijn de twee +zwaarden, die de discipelen bij zich hadden, toen Christus +gevangengenomen werd. Deze symbolen nu zijn voor de middeleeuwsche +gedachte niet maar een geestige vergelijking; zij geven den grond aan +der gezagsverhouding, die zich aan dat mystisch verband niet mag +onttrekken. Zij hebben dezelfde voorstellingswaarde als dat Petrus de +rots der Kerk is. De dwang van het symbool staat het onderzoek naar de +historische ontwikkeling der beide machten in den weg. Wanneer Dante dit +laatste als noodzakelijk en beslissend onderkent, dan moet hij, in zijn +_Monarchia_, eerst de kracht van het symbool ontzenuwen, door zijn +toepasselijkheid te bestrijden, eer de weg vrij is voor het historisch +onderzoek. + +Een woord van Luther keert zich tegen de euvelen van de willekeurige, +beuzelachtige allegorie in de godgeleerdheid. Hij spreekt van +grootmeesters der middeleeuwsche theologie, van Dionysius den Kartuizer, +van Guilielmus Durandus, den schrijver van het _Rationale divinorum +officiorum_, van Bonaventura en Gerson, als hij uitroept: "die +allegorische studiën zijn het werk van lieden zonder bezigheid. Of meent +gij, dat het mij moeilijk zou vallen, over elke geschapen zaak met +allegorieën te spelen? Wie is zoo gering van vernuft, dat hij zich niet +in allegorieën zou kunnen beproeven!" [715] + +Het symbolisme was een gebrekkige uitdrukking voor vast geweten +samenhangen, zooals zij ons soms bewust worden bij het hooren van +muziek--"Videmus nunc per speculum in aenigmate". Men wist, dat men in +een raadsel zag, en toch had men getracht, de beelden in den spiegel te +onderscheiden, en beelden met beelden verklaard, en spiegel tegenover +spiegel gezet. De gansche wereld lag verbeeld in zelfstandige figuren: +het is een getijde van overrijpheid en uitbloeiing. De gedachte was al +te afhankelijk geworden van de verbeelding; de visueele aanleg, den +laatsten Middeleeuwen zoo bovenmate eigen, was oppermachtig geworden. +Alle denkbaarheden waren plastisch en picturaal geworden. De +wereldvoorstelling had de rust bereikt van een kathedraal in het +maanlicht, waarin de gedachte kon gaan slapen. + + + +NOTEN: + + +[691] Seuse, Leben, kap. 4, 45, Deutsche Schriften, p. 15, 154; Acta +Sanctorum Jan., t. II p. 656. + +[692] Hefele, l.c., p. 167; vgl. p. 259 "Over den naam van Jezus", B.'s +verdediging van het gebruik. + +[693] Eug. Demole, Le soleil comme cimier des armes de Genève, vermeld +Revue historique CXXIII p. 450. + +[694] Rod. Hospinianus, De templis etc. ed. IIa, Tiguri, 1603, p. 213. + +[695] James, Varieties of religieus experience, p. 474, 475. + +[696] Irenaeus, Adversus haereses libri V, 1. IV c. 21(3). + +[697] Over de noodwendigheid van zulk realisme James, l.c., p. 56. + +[698] Goethe, Sprüche in Prosa. + +[699] St. Bernard, Libellus ad quendam sacerdotem, bij Dion. Cart. De +vita et regimine curatorum, t. XXXVII p. 222. + +[700] Bonaventura, De reductione artium ad theologiam, Opera, ed. Paris, +1871, t. VII, p. 502. + +[701] P. Rousselot, Pour l'histoire du problème de l'amour (Bäumker & +Von Hertling, Beitr. zur Gesch. der Philosophie im Mittelalter, VI 6) +Münster, 1908. + +[702] Sicard, Mitrale sive de officiis ecclesiasticis summa, Migne, +t. CCXIII c. 232. + +[703] Gerson, Compendium Theologiae, Opera, I p. 234, 303s, 325, +Meditatio super septimo psalmo poenitentiali, IV p. 26. + +[704] Alanus redivivus, passim. + +[705] Op blz. 12 (zie Hoofdstuk I, tekst voor noot 17) wordt fortitudo +met abstinentia gelijkgesteld, maar op p. 201 (zie Hoofdstuk IV tekst +voor noot 386) is het temperantia, die in de reeks ontbreekt; dit zal de +bedoeling zijn. Er zijn ook nog andere verschillen. + +[706] Froissart, Poésies, ed. Scheler. I p. 53. + +[707] Chastellain, Traité par forme d'allégorie mystique sur l'entrée du +roy Loys en nouveau règne, Oeuvres, VII p. 1; Molinet, II p. 71, III +p. 112. + +[708] Vgl. Coquillart, Les droits nouveaux, ed. d'Héricault, I p. 72. + +[709] Opera, I p. xliv sq. + +[710] H. Usener, Götternamen, Versuch zu einer Lehre von der religiösen +Begriffsbildung, Bonn, 1896, p. 73. + +[711] J. Mangeart, Catalogue des mss. de la bibl. de Valenciennes, 1860. +p. 687. + +[712] Journal d'un bourgeois, p. 96. + +[713] La Marche, II p. 378. + +[714] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 183. Vgl Rabelais, Pantagruel, +I. IV ch. 29. + +[715] De captivitate babylonica ecclesiae praeludium. Werke ed. Weimar, +VI p. 562. + + + * * * * * + + +X + +HET FALEN DER VERBEELDING + + +Het symbolisme was als de levende adem der middeleeuwsche gedachte. +De gewoonte, om alle dingen in hun zinrijk verband en hun betrekking tot +het eeuwige te zien, hield in de denkbeeldenwereld de schittering gaande +van verschietende kleuren en de wisseling van vervloeiende grenzen. +Wanneer de symboliseerende functie òf uitblijft, òf louter mechanisch +is geworden, dan wordt het grootsche gebouw der van God gewilde +afhankelijkheden een necropool. Een systematisch idealisme, dat overal +de betrekkingen tusschen de dingen stelt krachtens hun als essentieel +beschouwde algemeene hoedanigheid, leidt licht tot starheid en +onvruchtbare classificeering. De indeeling en onderverdeeling der +begrippen, enkel deductief verricht, is zoo gemakkelijk; de ideeën laten +zich zoo gewillig rangschikken aan het gewelf van den wereldbouw. Er is +behoudens de regelen der abstracte logica geen correctief, dat ooit een +fout in de classificatie aanwijst, en daardoor wordt de geest misleid +omtrent de waarde van zijn denkarbeid, en de stelligheid van het systeem +wordt overschat. Elke notie, elk begrip staat als een ster aan het +firmament. Om van eenig ding het wezen te kennen, vraagt men niet naar +zijn inwendigen bouw, ziet men niet naar de lange schaduw der +geschiedenis achter het, maar kijkt op naar den hemel, waar het straalt +als idee. + +De gewoonte, om de dingen altijd te verlengen met een hulplijn naar den +kant der idee komt voortdurend uit in de middeleeuwsche behandeling van +elke staatkundige, maatschappelijke of zedelijke twistvraag. Men kan ook +het geringste en meest alledaagsche niet anders beschouwen dan in een +universeel verband. Er is bij voorbeeld aan de universiteit te Parijs +een geschil gaande, of er voor den graad van licentiaat eenige betaling +te eischen valt. Pierre d'Ailly zelf neemt het woord, om tegen den +kanselier der universiteit de vordering te bestrijden. Het wordt geheel +scholastiek opgezet: uitgaande van den tekst: "Radix omnium malorum +cupiditas", stelt hij een drieledig te bewijzen: dat het vorderen van +dat recht simonie is, dat het strijdt tegen het natuurlijk en goddelijk +recht, en dat het ketterij is. [716]--Om zekere ongebondenheden te +berispen, die een bepaalde processie ontsieren, haalt Dionysius de +Kartuizer alles wat processies betreft, van oorsprong af op: hoe het +toeging onder de oude wet enz., [717] zonder eigenlijk op de zaak zelf +in te gaan. Dit is wat bijna elk middeleeuwsch betoog zoo vermoeiend en +teleurstellend maakt: het wijst terstond naar den hemel en verdwaalt van +den beginne af in schriftgevallen en moreele algemeenheden. + +Het volkomen doorgewerkt idealisme openbaart zich overal. Van elken +levensvorm, elken maatschappelijken staat of beroep staat een +godsdienstig-zedelijk ideaal omschreven, waarnaar iedereen zichzelf te +reformeeren heeft al naar den eisch van zijn bijzonder beroep, om den +Heer waardig te dienen. [718] Men heeft iets van den nieuwen tijd, iets +wat de Hervorming aankondigt, willen zien in den nadruk, waarmee +Dionysius de Kartuizer de heiligheid van het aardsch "beroep" op den +voorgrond stelt. Hij heeft in zijn tractaten _De vita et regimine +nobilium_ enz., die hij voor zijn vriend Brugman tenslotte samenvatte in +twee boeken _De doctrina et regulis vitae christianorum_, aan elk beroep +het ideaal van heiligende plichtsvervulling voorgehouden: den bisschop, +prelaat, aartsdiaken, kanunnik, pastoor, scholier, den vorst, den +edelman, den ridders, den kooplieden, den gehuwden, weduwen, maagden, +kloosterlingen. [719] Maar juist in die strenge verbijzondering van +elken staat als iets zelfstandigs ligt iets echt middeleeuwsch, en de +uitwerking van die plichtenleer heeft dat abstracte en algemeene, dat +nergens in de werkelijke sfeer van het behandelde beroep zelf binnen +leidt. + +In die herleiding van alles tot het algemeene ligt de eigenschap, die +onder den naam typisme door Lamprecht als de bij uitstek kenmerkende van +den middeleeuwschen geest is gesteld. Zij is echter veeleer een gevolg +van die onderschikkende behoefte van den geest, welke voortspruit uit +het ingewortelde Idealisme. Het is-niet zoozeer een onvermogen, om het +bijzondere aan de dingen te zien, als de bewuste wil, om overal den zin +der dingen aan te duiden in hun betrekking tot het hoogste, hun +zedelijke idealiteit, hun algemeene beteekenis. Men zoekt in alles juist +het onpersoonlijke, de gelding als model, als standaardgeval. Het gebrek +aan individueele opvatting is tot zekere hoogte opzettelijk, eer een +uitvloeisel van de allesbeheerschende universalistische denkgewoonte dan +een kenmerk van een geringen geestelijken ontwikkelingsgraad. + +De werkzaamheid van den geest bij uitnemendheid was het uiteenleggen van +de gansche wereld en het gansche leven in zelfstandige ideeën, en het +rangschikken van die ideeën in groote en talrijke leenverbanden of +hierarchieën van gedachte. Vandaar die vatbaarheid van den +middeleeuwschen geest, om elke qualiteit uit het complex van een geval +af te zonderen in haar wezenlijke zelfstandigheid. Wanneer de bisschop +Fulco van Toulouse erop wordt aangezien, dat hij een Albigensische vrouw +een aalmoes geeft, antwoordt hij: "Ik geef niet aan de kettersche maar +aan de arme". En de Fransche koningin, Margareta van Schotland, die den +slapenden dichter Alain Chartier op den mond kust, verontschuldigt zich: +"Je n'ay pas baisé l'homme mais la précieuse bouche de laquelle sont +yssuz et sortis tant de bons mots et vertueuses paroles". [720] Een +spreekwijze zeide: "Haereticare potero, sed haereticus non ero". +[721]--Is dit alles niet op het gebied van het gewone denken wat in de +opperste speculatiën der theologie een onderscheiding was als die van +God's voluntas antecedens, krachtens welke hij allen zalig wil, en de +voluntas consequens, die slechts den uitverkorenen geldt? [722] + +Het wordt een slapeloos doordenken van alle dingen, zonder de beperking +van het werkelijk waargenomen oorzakelijk verband, een schier +automatische analyse, die tenslotte uitloopt op een eeuwig nummeren. +Geen gebied lokte tot die doorwerking zoozeer uit als dat der deugden en +zonden. Elke zonde heeft haar vast getal van oorzaken, haar soorten, +haar dochteren, haar schadelijke werkingen. Twaalf dwaasheden, zegt +Dionysius, misleiden den zondaar: hij verblindt zichzelven, hij +verstrikt zich aan den duivel, hij slaat de hand aan zich zelven, hij +versmijt zijn rijkdom (de deugd), hij verkoopt zich voor niets (terwijl +hij zelf gekocht is voor Christus' bloed), hij keert zich af van den +allertrouwsten minnaar, hij meent den almachtige te weerstaan, hij dient +den duivel, hij verwerft zich onvrede, hij opent zich den toegang der +hel, verspert zich den weg naar den hemel, en gaat dien ter helle op. +Elk nummer wordt met schriftplaatsen, beelden en bijzonderheden +geïllustreerd, verbeeld, vastgelegd, zoodat het de stellige zekerheid en +zelfstandigheid krijgt van een figuur aan een kerkportaal. Terstond +daarop wordt dezelfde reeks opnieuw in dieperen zin gegrond. Uit zeven +oogpunten moet de zwaarte der zonde worden overdacht: uit het oogpunt +Gods, uit dat van den zondaar, van de stof, van de omstandigheden, van +de bedoeling, van het wezen der zonde zelf, en van de gevolgen. Sommige +dier punten zijn weer onderverdeeld in acht, in veertien, bij voorbeeld +het tweede: de zonde is zwaarder naar de mate van beweldadigdheid, van +kennis, van voormalige deugd, van het ambt, de wijding, van de +gemakkelijkheid om weerstand te bieden, van de gelofte, van den +leeftijd. Er zijn zes zwakheden des geestes, die tot de zonde geschikt +maken. [723] Het is alles juist zoo als in het boeddhisme: ook daar die +moreele systematiek, om houvast te geven aan de oefeningen der deugd. + +Deze anatomie der zonde zou licht het zondigheidsbesef, dat zij +versterken moet, verzwakken door het af te leiden op het uitpluizen der +classificatie, wanneer niet tegelijk de fantazie der zonde en de +verbeelding der straf tot het uiterste waren geëxaspereerd. Niemand kan +in het tegenwoordige leven de enormiteit der zonde volkomen bevatten of +ten volle verstaan. [724] Alle moreele voorstellingen worden met een +ondragelijk overwicht beladen, door ze steeds weer in onmiddellijke +betrekking te stellen tot Gods majesteit. Bij elke zonde, ook de +geringste, is het heelal betrokken. Gelijk de boeddhistische litteratuur +het applaus der hemelingen met bloemenregens, lichtschijn en zachte +beving der aarde kent bij een groote daad van een Bodhisattva, zoo hoort +Dionysius, somberder gestemd, hoe alle gezaligden en rechtvaardigen, de +hemelsche sferen, alle elementen, ja zelfs de onredelijke wezens en +onbezielde dingen wraak roepen over de onrechtvaardigen. [725] Zijn +proeve, om door gedetailleerde beschrijving en opzettelijke +verbeeldingen ter benauwing de vrees voor zonde, dood, oordeel en hel +tot het allersmartelijkste aan te scherpen, mist haar ijzingwekkende +werking niet, misschien juist door haar ondichterlijkheid. Dante had de +duisternissen en gruwelijkheden der hel met schoonheid aangeraakt: +Farinata en Ugolino zijn in hun verworpenheid heroïsch, en de +klapwiekende Lucifer vertroost ons door zijn majesteit. Doch een bij al +zijn mystische intensiteit toch volkomen ondichterlijke monnik als +Dionysius de Kartuizer geeft de hel als pure angst- en ellendigheids- +voorstelling. De lichamelijke pijnen en smarten worden in schroeiende +kleuren geschilderd. De zondaar moet opzettelijk trachten, het zich zoo +levendig mogelijk voor te stellen. "Laten wij ons voor oogen verbeelden +--zegt Dionysius--een allerheetsten en allergloeiendsten oven, en daarin +liggende een naakten man, die nimmer uit zulk een pijniging zal worden +verlost. Zal ons niet die kwelling, ja het gezicht ervan alleen, +ondragelijk schijnen? Hoe rampzalig zou ons die man dunken! Denken wij, +hoe die man zich heen en weer zou werpen in dien oven, hoe hij zou +schreeuwen, zou huilen, zou _leven_, welk een angst hem persen zou, welk +een smart hem zou doordringen, vooral wanneer hij bemerkte, dat zulk een +ondragelijke straf nooit zou eindigen." [726] + +Men denkt onwillekeurig: hoe konden zij, die zich zulke voorstellingen +van helsche pijn voor oogen stelden, een mensch op aarde levend doen +verbranden? De heetheid van het vuur, de gruwelijke koude, de +walgelijkheid der wormen, de stank, de honger en dorst, de kluistering +en de duisternis, de onuitsprekelijke vuilheid der hel, het eindeloos +weerklinken van gehuil en geschreeuw in de ooren, het gezicht der +duivelen, het wordt alles als de verstikkende wade van een angstdroom +over ziel en zinnen van den lezer gespreid. Maar nog scherper is de +benauwing met de cerebrale smarten: de rouw, de vrees, het holle gevoel +van een oneindig gemis en verworpenheid, de onzegbare haat tegen God en +nijd over de zaligheid van al zijn uitverkorenen; in het brein niets dan +verwarring en drukking, het bewustzijn vol van dwaling en valsche +voorstelling, verblinding en wanbegrippen. En het weten, dat dit alles +zal zijn in eeuwigheid, wordt door kunstige vergelijkingen tot een +zwijmelende verschrikking opgevoerd. [727] + +Dat de vrees voor de eeuwige pijn, hetzij inslaande als een plotselinge +"goddelijke angst", hetzij knagende als een lange ziekte en druk, +telkens als motief tot inkeer en devotie wordt vermeld, behoeft bewijs +noch betoog. [728] Alles was daarop toegelegd. Een tractaat van de Vier +utersten: dood, oordeel, hel en eeuwig leven, misschien vertaald naar +dat van Dionysius, was de gewone tafellectuur voor de gasten van het +klooster Windesheim. [729] Wel een bittere kruiding van den maaltijd. +Maar met zoo scherpe middelen werd altijd weer de zedelijke volmaking +aangedrongen. De middeleeuwer is als iemand, die reeds te lang met te +sterke geneesmiddelen is bewerkt. Hij reageert slechts op de krachtigste +prikkels. Om de loffelijkheid eener deugd ten volle te doen schitteren, +kunnen voor den middeleeuwschen geest slechts die uiterste exempelen +dienen, waarbij een minder geëxaspereerd zedelijkheidsbesef de deugd +reeds in haar caricatuur zou zien verkeerd. Voor het geduld het voorbeeld +van Sint Aegidius, die door een pijl gewond, God bad, dat zijn wonde, +zoolang hij leefde, niet mocht genezen. Voor matigheid de heiligen, die +asch in hun spijzen mengden, voor kuischheid zij, die een vrouw bij zich +in bed namen, om hun vastheid te beproeven, of de jammerlijke fantazieën +van de maagden, die om den belager harer kuischheid te ontgaan, een baard +kregen of geheel ruig behaard werden. Of wel de prikkel wordt gevonden in +het exorbitante van het voorbeeld in verband met den leeftijd des +voorbeeldigen: Sint Nicolaas weigerde op hooge feestdagen de moedermelk; +voor standvastigheid beveelt Gerson het voorbeeld aan van Sint Quiricus, +een martelaartje van drie jaren of zelfs negen maanden, die zich door den +praefect niet wou laten troosten, en in den afgrond werd geworpen. [730] + +De behoefte, om de heerlijkheid der deugd in zoo sterke doseering te +genieten, staat ook alweer in verband met het allesbeheerschende +Idealisme. Het zien van de deugd als idee onttrok om zoo te zeggen aan +haar waardeering den bodem van het werkelijke leven; haar schoonheid +werd gezien in haar zelfstandig wezen als uiterste volmaking, niet in +haar moeizame betrachting van iederen dag onder vallen en opstaan. + +Het middeleeuwsche Realisme (dus gelijk hyper-idealisme) moet ondanks +allen inslag van gekerstend neoplatonisme beschouwd worden als een +primitieve geesteshouding. Het is, in de school voorzeker gesublimeerd +en verijld, in het leven de houding van den primitieven mensch, die +aan alle abstracte dingen wezen en substantie toekent. Kan men de +hyperbolische vereering der deugd in haar ideaalsten vorm als een +hoog-religieuze gedachte aanmerken, in haar tegenkant: de verachting der +wereld, ziet men duidelijk de schakel, die het middeleeuwsche denken nog +aan de gedachtenvormen van een verren voortijd verbindt. Ik bedoel het +feit, dat de tractaten "de contemptu mundi" zich niet kunnen losmaken +van een overmatig gewicht hechten aan de slechtheid van het materieele. +Niets weegt hun zoo zwaar als motief om de wereld te versmaden als de +afstootelijkheid der lichaamsverrichtingen, met name die van uitscheiding +en voortplanting. Het is het poverste gedeelte der middeleeuwsche zedeleer: +die afschuw van den mensch "formatus de spurcissimo spermate, conceptus +in pruritu carnis, sanguine menstruo nutritus, qui fertur esse tam +detestabilis et immundus, ut ex ejus contactu fruges non germinent, +arescant arbusta ... et si canes inde comederint, in rabiem efferantur." +[731] Wat is dit, naast omgeslagen zinnelijkheid, anders dan de uitlooper +van dien primitieven vorm van Realisme, die den wilde in excrementen en +in alles wat conceptie en geboorte begeleidt, magische substanties en +potenties doet vreezen? Er loopt een rechte en niet zeer lange lijn +tusschen de magische vrees, waarmee de natuurvolken zich afwenden van de +vrouw in haar vrouwelijkste verrichtingen, en den ascetischen vrouwenhaat +en -smaad, die sedert Tertullianus en Hieronymus de christelijke +litteratuur had ontsierd. + +Alles wordt substantieel gedacht. In de dertiende eeuw komt de leer op +van den schat van goede werken: thesaurus operum supererogationum, den +voorraad der overvloedige verdiensten van Christus en de heiligen, die +door de Kerk in 't klein kon worden gesleten. Al leerde de Kerk met +nadruk, dat de zonde geen essentie of geen ding was, [732] haar eigen +techniek der zondenvergeving tezamen met de bonte verbeelding en +uitgewerkte systematiek der zonde kon niet anders dan in het onwetend +gemoed de overtuiging vestigen, als ware de zonde een substantie, zooals +zij in den Atharvaveda wordt gezien. Hoe moest, ook al bedoelde +Dionysius slechts vergelijkingen, de substantieele opvatting der zonde, +als een smetstof, gevoed worden, wanneer hij haar gelijk noemt aan een +koorts, een koud, bedorven, overtollig lichaamsvocht. [733] Het recht, +dat zich niet zoo angstvallig om dogmatische zuiverheid te bekommeren +had, weerspiegelt zulk een opvatting, wanneer de Engelsche juristen +werken met de voorstelling, dat er in felonie een corruptie van het +bloed aanwezig is. [734] Ook ten opzichte van het bloed van den +Verlosser heerscht die hyper-substantieele opvatting: het is een reëele +stof; één droppel zou genoeg zijn geweest, om de wereld te verlossen, +maar er is een overvloed gegeven, zegt Sint Bernard, en Thomas van +Aquino dicht: + + "Pie Pelicane, Jesu domine, + Me immundum munda tuo sanguine, + Cuius una stilla salvum facere + Totum mundum quit ab omni scelere." [735] + +Bij Dionysius den Kartuizer zien wij een wanhopige worsteling, om de +voorstellingen van het eeuwig leven uit te drukken in termen van +ruimtelijke uitgebreidheid. Het eeuwige leven is van een onmetelijke +waardigheid; God in zich zelven te genieten, is een oneindige +volmaaktheid; in den Verlosser was noodig een oneindige waardigheid en +afdoendheid (efficacia); de zonde is van oneindige enormiteit, omdat zij +een uitspatting is tegen de onmetelijke heiligheid; daarom wordt een +genoegdoener van onmetelijke geschiktheid vereischt. [736] Het negatieve +ruimte-adjectief moet hier steeds het gewicht, de potentie van het +heilige voorstelbaar maken. Om de eeuwigheidsvoorstelling in te +boezemen, laat Dionysius een beeld dienen: denk u een zandberg zoo groot +als het heelal; om de tien- of honderdduizend jaar wordt van dien berg +een korreltje afgenomen. Die berg zal opraken. Maar na zulk een +onbeseffelijken tijdsduur zal de hellestraf nog niet verminderd zijn, en +niet dichter bij haar einde, dan toen het eerste korreltje van den berg +werd afgenomen. En toch, als de verdoemden wisten, dat zij bevrijd +zouden worden, wanneer die berg op was, zou het hun een groote troost +zijn. [737] + +Zijn het de hemelvreugden, of Gods majesteit, die men wil uitdrukken, +dan wordt het enkel een zich overschreeuwen van de gedachte. +Hemelvreugde blijft in de uitdrukking altijd uiterst primitief. Een zoo +felle visie van geluk als van vreeselijkheid kan de menschelijke taal +niet geven. Om de overmaat van het leelijke en ellendige nog te +verergeren, behoefde men slechts dieper te dalen in de spelonken der +menschelijkheid, maar om de opperste gelukzaligheid te beschrijven moest +men den nek verrekken in het opzien naar den hemel. Dionysius put zich +uit in wanhopige superlatieven, dat is een louter mathematische +versterking van de voorstelling, zonder verheldering of verdieping +ervan: "Trinitas supersubstantialis, superadoranda et superbona ... +dirige nos ad superlucidam tui ipsius contemplationem." De Heer is +"supermisericordissimus, superdignissimus, superamabilissimus, +supersplendidissimus, superomnipotens et supersapiens,supergloriosissimus." +[738] + +Maar wat hielp het opeenstapelen van al-termen, van voorstellingen van +hoogte, wijdheid, onmetelijkheid en onuitputtelijkheid? Het bleven +altijd beelden, altijd het herleiden van het oneindige tot +eindigheidsvoorstellingen, en daarmee de verzwakking en veruiterlijking +van het oneindigheidsbesef. Eeuwigheid was geen onmeetbare tijd. Elke +sensatie, die uitgedrukt was, verloor haar onmiddellijkheid; elke +eigenschap, aan God toegekend, ontnam hem iets van zijn ontzaglijkheid. + +Nu begint de geweldige worsteling, om met den geest tot de volstrekte +beeldeloosheid der Godheid op te klimmen. Aan geen cultuur of tijdperk +gebonden, is zij overal en altijd weer gelijk. "There is about mystical +utterances an eternal unanimity which ought to make a critic stop and +think, and which brings it about that the mystical classics have, as has +been said, neither birthday nor native land." [739]--Maar de steun der +verbeelding kan niet aanstonds worden prijsgegeven. Stuk voor stuk wordt +het ontoereikende der uitdrukking erkend. De concrete belichamingen der +idee, en de veelkleurige gewaden der symboliek vallen het eerst weg: +dan is er geen sprake meer van bloed en genoegdoening, niet meer van +eucharistie, niet meer van Vader, Zoon en Heiligen Geest. In Eckhart's +mystiek wordt Christus bijna niet meer genoemd, en evenmin de Kerk en de +sacramenten. Doch de uitdrukking van het mystische schouwen van het +Zijn, de Waarheid, de Godheid, blijft ook dan nog gebonden aan +natuurlijke voorstellingen: van licht, van uitgebreidheid. Dan slaan +deze om in het negatieve: stilte, ledigheid, duisternis. Dan wordt ook +van die vorm- en inhoudlooze begrippen het ontoereikende erkend, en men +tracht hun gebrekkigheid op te heffen door ze voortdurend te koppelen +aan hun tegenstelling. Tenslotte blijft niets over dan de zuivere +negatie. "Deus propter excellentiam non immerito Nihil vocatur", zegt +Scotus Erigena, en Angelus Silesius dicht: + + "Gott ist ein lauter Nichts, ihn rührt kein Nun noch Hier; + Je mehr du nach ihm greiffst, je mehr entwind er dir". [740] + +Dit voortschrijden van den schouwenden geest tot de prijsgave van elke +verbeelding is in werkelijkheid natuurlijk niet in die strikte volgorde +geschied. De meeste mystische uitingen vertoonen al die phasen +gelijktijdig en dooreen. Zij zijn aanwezig bij de Indiërs, zij zijn +volkomen ontwikkeld reeds bij den Pseudo-Dionysius Areopagita, de bron +van alle christelijke mystiek, zij zijn herleefd in de Duitsche mystiek +der veertiende eeuw. + +Ziehier een voorbeeld uit de revelaties van Dionysius den Kartuizer. +[741] Hij spreekt met God, die toornig is. "Bij dit antwoord zag de +broeder, naar binnen gekeerd, zich als in een sfeer van onmetelijk licht +geplaatst, en allerzoetst, in een ontzaglijke kalmte, riep hij met een +heimelijk niet naar buiten klinkend roepen tot den allerheimelijksten en +waarlijk verborgenen, onbegrijpelijken God: O overbeminnelijkste God, +gij zijt zelf het licht en de sfeer des lichts, waarin uw uitverkorenen +zoet ter ruste gaan, bekomen, sluimeren en inslapen. Gij zijt als een +allerwijdste, allervlakste en ondoorloopbare woestenij, waarin de +waarlijk vrome geest, geheel gezuiverd van bijzondere liefde, van boven +verlicht en krachtig ontvlamd, zwerft zonder dwalen, en dwaalt zonder +zwerven, zaliglijk bezwijkt en onbezweken geneest." Hier is eerst de +lichtverbeelding, nog positief, dan die van den slaap, daarna die van de +woestenij (de uitgebreidheidsvoorstelling in twee dimensies), eindelijk +de elkaar opheffende tegenstellingen. + +Het beeld der woestenij--dat is de horizontale ruimtevoorstelling, +wisselt af met dat van den afgrond--dat is de verticale +ruimtevoorstelling. Dit laatste was een geweldige vond der mystische +verbeelding. De uitdrukking toch van de eigenschapsloosheid der godheid +in Eckhart's woorden van "den wijzeloozen en vormeloozen afgrond der +stille, woeste godheid", gaf bij het begrip eener oneindigheid tevens +het gevoelsmoment eener duizeling. Van Pascal heet het, dat hij +voortdurend een afgrond naast zich zag: zulk een gewaarwording is hier +als 't ware tot een vasten mystischen term herleid. Met deze beelden +van den afgrond en de stilte wordt de levendigste uitdrukking van de +onbeschrijfelijke mystieke beleving bereikt. "Wol uf dar, herz und sin +und muot,--jubelt Suso--in daz grundlos abgründ aller lieplichen +dingen!" [742] Meister Eckhart in zijn ademlooze strakheid: "De vonk +der ziel (de mystische kern van het enkele wezen) heeft niet genoeg +aan Vader, noch aan Zoon, noch aan Heiligen geest, noch aan de drie +personen, zooverre als elk dezer bestaat in hun eigenschap. Ik spreek +waarlijk, dat dit licht niet genoeg heeft aan de eenbaarheid van den +vruchtbaren aard goddelijker natuur. Ik wil nog meer spreken, dat nog +wonderlijker klinkt: ik spreek met goede waarheid, dat dit licht niet +genoeg heeft aan het eenvoudige, stilstaande goddelijke wezen, dat noch +geeft noch neemt; meer: het wil weten, vanwaar dit wezen komt, het wil +in den eenvoudigen grond, in de stille woestenij, waar nimmer +onderscheid in te schouwen was, noch Vader, noch Zoon, noch Heilige +geest, in het innige, waar niemand tehuis is, daar vindt dat licht +genoeg, en daar is het eeniger dan in zich zelven, want deze grond is +een eenvoudige stilte, die in zich zelve onbewegelijk is."--De ziel +wordt alleen daardoor volkomen zalig, "dat zij zich werpt in de woeste +godheid, waar noch werk noch beeld is, dat zij zich daar verlieze en +verzinke in de woestenij." [743] + +Bij Tauler: "In dezen verzinkt de gelouterde, verklaarde geest in de +goddelijke duisternis, in een stille zwijgen en in een onbegrijpelijk en +onuitsprekelijk vereeren, en in dit inzinken wordt verloren alle gelijk +en ongelijk, en in dezen afgrond verliest de geest zichzelven en weet +van God noch van zich zelven, noch gelijk noch ongelijk, noch van niets +iets, want hij is gezonken in Gods eenigheid en heeft verloren alle +onderscheiden." [744] + +Bij Ruusbroec worden al de middelen tot uitdrukking van de mystische +beleving nog plastischer aangewend dan bij de Duitschers. + + "Roept dan alle met openre herten: + O gheweldich slont! + Al sonder mont, + Voere ons in dinen afgront; + Ende make ons dine minne cont." + +Het genieten van de zaligheid der vereeniging met God "is wilt ende +woeste, alse een verdolen; want daer en is wise, noch wech, noch pat, +noch zate, noch mate." "Daer in selen wi sijn ons selven onthoecht, +ontsonken, ontbreit ende ontlingt (opheffing van alle ruimte- +voorstellingen) in ene ewighe verlorenheit sonder wederkeer." +[745] De genieting der zaligheid is zoo groot, "dat God ende alle +heylighen ende dese hoghe menschen (die haar beleven) hierin verswolghen +sijn in onwisen, dat is in een niet weten ende in ene ewighe +verlorenheit." [746] God geeft de weelde der zaligheid aan allen gelijk, +"maer die se ontfaen die sijn onghelijc: nochtan blivet hem allen over, +na der ghebrukelicheit in der verenicheit", d.w.z. zij kunnen, wat +betreft het genieten der zaligheid in de vereeniging met God, niet alle +weelde op, die hun geschonken wordt. "Mer na der verlorenheit in der +woestinen demsterheit, daer en blivet niet over: want daer en is gheven +noch nemen, mer een simpel eenvoldich wesen. Daer is God ende alle die +verenichde in versonkenende verloren, ende nimmermeer en moghen se hem +vinden in desen wiselosen wesene." [747] + +Al de negaties zijn vereenigd in het volgende. "Hier na volcht die +sevende trappe (van minnen), dat edelste ende dat hoechste dat men leven +mach in tijt ende in ewicheit. Dat is, alse wi, boven al bekinnen ende +weten, in ons bevinden een grondeloes niet weten; alse wi boven alle +name die wi Gode gheven ofte creaturen, versterven ende overliden in ene +ewighe onghenaemtheit daer wi ons verliesen: ende alse wi, boven alle +oefeninghen van doechden, in ons aensien ende bevinden ewighe ledicheit, +daer nieman in werken en mach; ende boven alle salige gheeste, ene +grondelose salicheit, daer wi alle één sijn, ende dat selve één dat die +salicheit selve es, in haers selfsheit: ende alse wi aensien alle +salighe gheeste, weselic ontsonken, ontvloten ende verloren in haer +overwesen, in ene wiselose onbekende demsterheid." [748] In de eenvoudige, +wijzelooze zaligheid vergaat alle onderscheid der creaturen: "Dair +ontvallen si hem selven in ene verlorenheit, ende in onwetene sonder +gront; daer is alle claerheit wederboecht in deimsterheit, daer die drie +persone wiken der weseliker enicheit." [749] + +Het is altijd weer de vruchtelooze poging, om alle beelden op te geven, +om uit te drukken "onsen ledighen staet, dats bloete onghebeeltheit", +dien God alleen geven kan. "Hi maect ons bloet van alle beelden, ende +trect ons in ons begin: daer en vinden wi anders niet dan wilde, woeste, +onghebeelde bloetheit, die altoes antwoert der ewicheit." [750] + +In deze aanhalingen uit Ruusbroec zijn ook de twee laatste +beschrijvingsmiddelen reeds uitgeput: het licht, dat in duister +verkeert, en de zuivere negatie, het afzien van alle weten. Het innigst +heimelijke wezen Gods zijn duisternis te noemen, was reeds van den +Pseudo-Areopagiet. En zijn naamgenoot, bewonderaar en commentator, de +Kartuizer, werkt dien term uit. "En de alleruitmuntendste, onmetelijke, +onzichtbare volheid zelve van uw eeuwig licht wordt de goddelijke +duisternis genoemd, waarin gij gezegd wordt te wonen, die de +duisternissen tot uw schuilplaats stelt." [751] "En de goddelijke +duisternissen zelve zijn bedekt voor alle licht en verborgen voor alle +gezicht, wegens den onomschrijfelijken en ondoordringbaren glans der +eigen klaarheid." De duisternis is het niet weten, het ophouden van alle +begrip: "Hoe meer de geest uw overschitterend goddelijk licht nadert, +hoe voller hem uw onbenaderbaarheid en onbegrijpelijkheid blijken, en +als hij de duisternis is ingegaan, bezwijken spoedig alle naam en alle +kennen geheel (omne nox nomen omnisque cognitio prorsus deficient). Maar +dit zal den geest zijn, u te zien: te zien, dat gij geheel onzichtbaar +zijt; en hoe klaarder hij dat ziet, hoe helderder hij u aanschouwt. Naar +deze overlichte duisternis bidden wij te mogen worden, o gezegende +Drievuldigheid, en door onzichtbaarheid en onwetendheid u te zien en te +kennen, die boven alle gezicht en kennis zijt. Aan hen alleen verschijnt +gij, die, na al het waarneembare en begrijpbare te zijn te boven gekomen +en te hebben achtergelaten, en ook al het geschapene en desgelijks zich +zelven, intreden in de duisternis, waarin gij waarlijk zijt." [752] + +Zooals het licht in duister verkeert, zoo verkeert het hoogste leven in +den dood. Als de ziel, zegt Eckhart, begrepen heeft, dat in het rijk +Gods geen schepsel komen kan, dan gaat de ziel haar eigen weg en zoekt +God niet meer. "Und allhie so stirbet si iren hohsten tot. In disem tot +verleuset di sele alle begerung und alle bild und alle verstentnüzz und +alle form und wirt beraubt aller wesen. Und daz seit sicher als got +lebt: als wenik mak di sele, di also geistlich tot ist, einik weis oder +einik bild vorgetragen einigen menschen. Wann diser geist ist tot und +ist begraben in der gotheit." Ziel, als ge niet u zelve verdrinkt in +deze bodemlooze zee der godheid, zoo kunt gij niet bekennen dezen +goddelijken dood. [753] + +Het schouwen Gods door ontkenningen, zegt Dionysius elders, is +volkomener dan dat door bevestigingen. "Want wanneer ik zeg: God is +goedheid, zijn (essentia), leven, schijn ik aan te duiden, wát God is, +alsof dat hetgeen hij is, iets gemeen had met of eenigszins gelijk ware +aan het geschapene, terwijl het vaststaat, dat hij onbegrijpelijk en +onbekend, ondoorgrondelijk en onuitsprekelijk is, en van alles wat hij +werkt, gescheiden is door een onmetelijke en geheel onvergelijkelijke +verschillendheid en uitnemendheid." [754]--De eenigende wijsheid +(sapientia unitiva) wordt geheeten onredelijk, zinneloos en dwaas. [755] + +Hoe verwant en hoe anders toch weer klinken de klanken uit het verre +oude Indië. De leerling komt tot den meester en zegt: "Leer mij het +brahma, eerwaarde!--Gene echter zweeg stil. Toen nu de ander ten tweeden +male en ten derden male vroeg: Leer mij het brahma, eerwaarde! sprak de +meester: Ik leer het u immers, maar gij verstaat het niet: deze âtman +(het Zelf) is stil." [756] De goden willen van Prajâpati den âtman +leeren kennen. Twee en dertig jaren wonen zij bij hem als +brahma-leerlingen. Dan leert hij hun, dat het mannetje in het oog of het +spiegelbeeld in het water het Zelf is, maar hen naziende spreekt +hijzelf: Zonder het Zelf begrepen te hebben, gaan zij heen.--Na nog twee +en dertig jaren openbaart hij aan Indra op diens bedenkingen: Die daar +wandelt in den droom, dat is de âtman. En na nog eens denzelfden tijd: +Datgene wat, als de mensch is ingeslapen, weggezonken, geheel tot rust +gekomen, geen droom meer aanschouwt, dat is het Zelf. [757]--"Hij +echter, de âtman is niet zoo en niet zoo"; de gansche reeks van +tegengestelde ontkenningen wordt uitgeput, om zijn wezen te verklaren. +"Gelijk iemand, door een geliefde vrouw omstrengeld, geen bewustzijn +heeft van wat buiten of binnen is, zoo heeft ook de geest, door het +uit-erkennen-bestaande Zelf omstrengeld, geen bewustzijn van wat buiten +of binnen is. Dat is zijn wezensvorm, gestild van verlangen, zelf zijn +verlangen, zonder verlangen, gescheiden van leed. Dan is vader +niet-vader, moeder niet-moeder, wereld niet-wereld...." [758] + + * * * * * + +Was de verbeelding overwonnen?--Zonder beeld en metafoor kan geen enkele +gedachte worden uitgedrukt, en van het onkenbare wezen der dingen +gezegd, is ieder woord beeld. Van het hoogste en innigst begeerde enkel +in negaties te kunnen spreken, bevredigt het gemoed niet, en telkens als +de wijze is uitgepraat, moet de dichter weer komen. Het zoete lyrische +gemoed van Suso vond van de sneeuwtoppen van het schouwen altijd weer +den weg terug naar de bloemrijke verbeeldingen der oudere Bernardijnsche +mystiek. Midden in de ekstase der hoogste contemplatie keert al de kleur +en vorm der allegorie terug. Suso ziet de eeuwige Wijsheid, zijn +geliefde: "Si swepte hoh ob ime in einem gewülkten throne (hemel): sie +luhte als der morgensterne, und schein als diu spilndiu sunne; ire krone +waz ewikeit, ire wat waz selikeit, ire wort süzzekeit, ire umbfang alles +lustes gnuhsamkeit: si waz verr und nahe, hoh und nider; si waz +gegenwürtig und doch verborgen; si liess mit ir umbgan, und moht si doch +nieman begriffen." [759] + +Er waren nog andere wegen terug van de eenzame hoogten der individueele, +vorm- en beeldlooze mystiek. Men bereikte die hoogten slechts door het +smaken van het liturgisch-sacramenteele mysterie heen: eerst het ten +volle doorvoeld hebben van het symbolisch-aesthetische wonder der +dogma's en sacramenten stelde in staat, om alle beeldvormen af te +schudden en op te stijgen naar het begriploos schouwen van het al-eene. +Maar de geest kon die helderheid niet genieten, wanneer en zoo vaak hij +wilde; en dan wachtte beneden altijd weer de Kerk, met haar wijs en +spaarzaam systeem van mysterie. De Kerk immers had de aanraking van den +geest met het goddelijke in haar liturgie gecondenseerd en +geïntensifieerd tot de beleving van bepaalde oogenblikken, en vorm en +kleur gegeven aan het mysterie. Daarom heeft zij de teugellooze mystiek +altijd overleefd: zij spaarde energie. De Kerk liet de bloeiendste +vervoeringen van aesthetische mystiek gerustelijk toe, maar zij vreesde +de ware, woeste mystiek, waarin alles waaruit zij was opgebouwd: haar +harmonisch symbolisme, haar dogma's en sacramenten, vervlamde en +verteerde. + +"De eenigende wijsheid is onredelijk, zinneloos en dwaas." Het pad van +den mysticus leidt in de oneindigheid binnen en in de bewustzijnsloosheid. +Door het ontkennen van alle wezensgelijkheid tusschen de godheid en al het +afzonderlijke en benoembare is elke werkelijke transcendentie opgeheven; +de brug naar het leven terug is afgebroken. "Alle crêatûre sint ein +lûter niht. Ich spriche niht, daz sie kleine sîn oder iht sîn: sie sind +ein lûter niht. Swaz niht wesens hât, daz ist niht. Alle crêatûre hânt +kein wesen, wan ir wesen swebet an der gegenwertikeit gotes." [760] +De intensieve mystiek beduidt een terugkeer tot een prae-intellectueel +zieleleven. Alles van beschaving gaat er in te loor, wordt overwonnen en +overbodig. Indien de mystiek niettemin voor de cultuur rijke vruchten +draagt, dan is het, omdat zij steeds door voorbereidende staten heen +opklimt, en eerst gaandeweg alle levensvorm en cultuur afwerpt. Haar +vruchten voor de beschaving draagt zij in haar aanvangstrappen, beneden +de boomgrens. Daar bloeit de boomgaard van de zedelijke volmaking, die +als voorbereiding van elken schouwende gevorderd wordt: de vrede en +zachtmoedigheid, de demping der begeerte, de eenvoud, matigheid, +arbeidzaamheid, ernst en innigheid. Zoo is het in Indië geweest en zoo +hier: de aanvangswerking der mystiek is een moreele en praktische. Zij +is bovenal de beoefening van daadwerkelijke naastenliefde. Al de groote +mystieken hebben die praktische werkzaamheid ten zeerste geprezen: heeft +niet Meister Eckhart zelf Martha boven Maria gesteld, [761] en gezegd, +dat men zelfs de ekstase van Paulus moest laten varen, als men een arme +met een soepje kon helpen? Van hem over zijn leerling Tauler gaat de +lijn der mystiek steeds meer naar de waardeering van het praktische +element: ook Ruusbroec verheft den stillen nederigen arbeid, en +Dionysius de Kartuizer is de volkomen vereeniging in één persoon van den +praktischen zin voor het dagelijksch godsdienstleven en het heftigste +individueele mysticisme. Het is in de Nederlanden, dat de begeleidende +verschijnselen der mystiek: moralisme, piëtisme, liefdadigheid en +arbeidzaamheid, hoofdzaak worden; dat zich uit de intensieve mystiek +voor het onttrokken oogenblik van enkelen de extensieve mystiek voor +iederen dag van velen ontplooit: de duurzame gezamenlijke innigheid der +moderne devoten in plaats van de eenzame en zeldzame ekstase. De +nuchtere mystiek, als men niet valt over een woord. + +In de Fraterhuizen en de kloosters der Windesheimer congregatie is over +het stille dagelijksch werk de glans gegoten van de voortdurend +bewustgehouden religieuze innigheid. Het hevig lyrische en het +teugelloos opstreven is prijsgegeven, en daarmee ook het gevaar van +geloofsafwijking geweken; de broeders en zusters zijn volkomen +rechtgeloovig en conservatief. Het was mystiek en détail: men had maar +"een inslag gekregen", "een vonkske ontvangen", en beleefde in den +engen, stillen, nederigen kring de vervoering in vertrouwelijken +geestelijken omgang, in briefwisseling en zelfbeschouwing. Het gevoels- +en gemoedsleven werd als een kasplant gekweekt; er heerschte veel klein +puritanisme, geestelijke dressuur, verstikking van den lach en de +gezonde aandriften, veel piëtistische onnoozelheid. + +Doch uit dien kring is de _Imitatio_ voortgekomen. Hier is de man, die +geen theoloog was en geen humanist, geen wijsgeer en geen dichter, en +eigenlijk ook geen mysticus, en die het boek schreef, dat eeuwen +vertroosten zou. Thomas a Kempis, de stille, eenzelvige, vol teerheid +voor het miswonder en met de smalste opvattingen van het godsbestuur, +kende niets van de felle verontwaardiging over kerkbestuur of +wereldleven, zooals het de preekers bezielde, niets van het alzijdig +streven van Gerson, Dionysius of Nicolaas van Cusa, niets van de +breughelsche fantazie van Johannes Brugman of het bonte symbolisme van +Alain de la Roche. Hij zocht maar de rust in alle dingen, en vond haar +"in angello cum libello". "O quam salubre quam iucundum et suave est +sedere in solitudine et tacere et loqui cum Deo!" [762] En zijn boek van +eenvoudige levenswijsheid en stervenswijsheid voor het begeven gemoed +werd een boek van alle tijden. Hier was alle neoplatonistische mystiek +weer opgegeven, en enkel de stemming van den geliefden schrijver Bernard +van Clairvaux de grondslag. Er is geen philosophische ontwikkeling van +gedachten; er staan slechts een aantal hoogst eenvoudige gedachten in +spreukvorm om een centraal punt gegroepeerd; elke loopt in een kort +zinnetje af; er is geen subordinatie en nauwelijks correlatie van +gedachten. Er is niets van de lyrische siddering van Heinrich Suso of +van de strakke fonkeling van Ruusbroec. Met haar geklingel van +evenwijdig voortloopende zinnen en matte assonanties zou de _Imitatio_ +dubbel proza zijn, wanneer niet juist dat eentonige rythme haar maakte +als de zee op een zachten regenavond, of het zuchten van den wind in den +herfst. Hier is geen kracht, geen élan, geen diepte en volheid; het is +alles effen en gedrukt, alles en mineur: er is slechts vrede, rust, stil +gelaten verwachting en troost. "Taedet me vitae temporalis." [763] + +Eén ding heeft het meest boeddhistische werk van het christendom, het +boek voor de vermoeiden van alle eeuwen, gemeen met de voortbrengselen +der hevige mystiek. Ook hier was de verbeelding, zoover dat mogelijk +was, overwonnen, het kleurige gewaad van schitterende symbolen afgelegd. +En daarom zit ook de _Imitatio_ niet vast aan een cultuur-tijdperk; +evenals de ekstatische schouwingen van het al-eene leidt zij af van alle +cultuur. Zij hoort tot geen bijzonder beschavingstijdperk. Vandaar +zoowel haar twee duizend uitgaven, als de mogelijkheid van een twijfel +omtrent den auteur en den tijd van ontstaan, die twee eeuwen verschil +toeliet. Thomas had het "Ama nesciri" niet vergeefs gezegd. + + + +NOTEN: + + +[716] Petri de Alliaco Tractatus I adversus cancellarium Parisiensem, +bij Gerson, Opera, I p. 723. + +[717] Dion. Cart., Opera, t. XXXVI p. 200. + +[718] Dion. Cart. Revelatio II, Opera, I p. xlv. + +[719] Dion. Cart., Opera, t. XXXVII, XXXVIII, XXXIX p. 496. + +[720] Alain Chartier, Oeuvres, p. xi. + +[721] Gerson, Opera, I p. 17. + +[722] Dion. Cart., Opera, t. XVIII p. 433. + +[723] Dion. Cart., Opera, t. XXXIX p. 18sq. De vitiis et virtutibus, p. +363, De gravitate et enormitate peccati, ib. t. XXIX p. 50. + +[724] L.c. XXXIX p. 37. + +[725] Ib. p. 56. + +[726] Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, Opera, t. XLI p.545. + +[727] Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, t. XLI p. 489ss. + +[728] Moll, Brugman, I p. 20, 23. 28. + +[729] Ib. p. 320(1). + +[730] Het voorbeeld van Sint Aegidius, Germanus, Quiricus bij Gerson, De +via imitativa, III p. 777; vgl. Contra gulam sermo, ib. p. 909.--Olivier +Maillard, Serm. de sanctis fol. 8a. + +[731] Innocentius III, De contemptu mundi 1. I, c. I, Migne, t. CCXVII +p. 702ss. + +[732] Bonaventura, In secundum librum sententiarum, dist. 41, art. 1. +qu. 2, ib. 30, 2, 1, 34; in quart. lib. sent. d. 34, a. I, qu. 2, +Breviloquii pars II, Opera, ed. Paris, 1871, t. III p. 577a, 335, 438, +VI p. 327b, VII p. 271ab. + +[733] Dion. Cart., De vitiis et virtutibus, Opera, t. XXXIX p. 20. + +[734] M' Kechnie, Magna Carta, p. 401. + +[735] Uit den hymnus "Adoro te devote". Vergelijk Marlowe, Faustus: +"See, where Christ's blood streams in the firmament! One drop of blood +will save me." + +[736] Dion. Cart. Dialogion de fide cath., Opera, t. XVIII p. 366. + +[737] L.c., t. XLI p. 489. + +[738] Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis t. XXXV +p. 137; de laud. glor. Virg. Mariae, en passim. Het gebruik der +supertermen ontleent hij reeds aan Dionysius treopagita. + +[739] James, Varieties of rel. exp., p. 419. + +[740] Beide voorbeelden naar James, l.c., p. 417. + +[741] Opera, I p. xliv. + +[742] Seuse, Leben, cap. 3, ed. K. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, +Stuttgart, 1907, p. 14. Vgl. cap. 5, p. 21, 1.3 v. o. + +[743] Meister Eckhart, Predigten, no. 60 en 76, ed. F. Pfeiffer, +Deutsche Mystiker des XIV. Jh., Leipzig 1857, II p. 1931. 34ss.; p. 242, +1. 2ss. + +[744] Tauler, Predigten, no. 28, ed. F. Vetter, (Deutsche Texte des +Mittelalters XI) Berlin, 1910, p. 117 1. 30ss. + +[745] Ruusbroec, Dat boec van seven sloten, cap. 19, Werken ed. David, +IV p. 106-108. + +[746] Ruusbroec, Dat boec van den rike der ghelieven, cap. 43. ed. +David, IV p. 264. + +[747] Ib. cap. 35, p. 246. + +[748] Ruusbroec, Van seven trappen in den graet der gheesteliker minnen, +cap. 14, ed. David, IV p. 53. Voor "ontfonken" lees ik: "ontsonken". + +[749] Ruusbroec, Boec van der hoechster waerheit, ed. David, p. 263; +vgl. Spieghel der ewigher salicheit, cap. 25. p. 231. + +[750] Spieghel der ewigher salicheit, cap. 19, p. 144, cap. 23, p. +227;--antwoert = beantwoordt aan. + +[751] II Par. 6, I: Dominus pollicitus est, ut habitaret in caligine. +Ps. 17.13: Et posuit tenebras latibuum suum. + +[752] Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis per modum +horarum, Opera, t. XXXV p. 137/8, id. XLI p. 263 etc.; vgl. De passione +dni salvatoris dialogus, t. XXXV p. 274: "ingrediendo caliginem, hoc est +ad supersplendidissimae ac prorsus incomprehensibilis Deitatis praefatam +notitiam pertingendo per omnem negationem ab ea." + +[753] Jostes, Meister Eckhart und seine Jünger, 1895, p. 95. + +[754] Dion. Cart. De contemplatione lib. III art. 5, Opera, t. XLI p. +259. + +[755] Dion. Cart. De contemplatione, t. XLI p. 269, naar Dion. Areop. + +[756] Cankara ad Brahmasûtram, 3. 2. 17. + +[757] Chândogya-upanishad, 8. + +[758] Brhadâranyaka-upanishad, 4, 3, 21, 22. + +[759] Seuse, Leben, kap. 4, Bihlmeyer, Deutsche Schriften 1907, p. 14. + +[760] Eckhart, Predigten, no. 40, p. 136. 23. + +[761] Eckhart, Predigten, no. 9, p. 47ff. + +[762] Soliloquium animae, Thomas a Kempis, Opera omnia, ed. M.J. Pohl, +Freiburg 1902-'10, 7 vol., I p. 230. + +[763] L.c., p. 222. + + + * * * * * + + +XI + +DE DENKVORMEN IN DE PRAKTIJK + + +Men moet de hechte vormen van het denken niet enkel bestudeeren aan de +voorstellingen van het geloof en de hoogere bespiegeling, maar evengoed +aan die van de dagelijksche levenswijsheid en de nuchtere praktijk. Dan +eerst kan de middeleeuwsche geest als een eenheid en een geheel worden +gezien. Want het zijn dezelfde groote denkrichtingen, die zijn hoogere +en zijn lagere uitingen beheerschen. En terwijl op het gebied van geloof +en bespiegeling steeds de vraag aan de orde blijft, in hoeverre de +gedachtenvormen resultaat en weerklank zijn van een lange schriftelijke +traditie, die tot in Grieksche en Joodsche, ja Egyptische en +Babylonische oorsprongen reikt, ziet men ze in het gewone leven naïef en +spontaan werken, onbeladen met het gewicht van neoplatonisme en wat niet +al. + +In het dagelijksch leven denkt de middeleeuwsche mensch in dezelfde +vormen als in zijn theologie. De grondslag is zoo hier als daar dat +architecturale idealisme, dat de scholastiek realisme noemde: de +behoefte om elke notie af te zonderen en vorm te geven als een +wezenheid, en om ze samen te schikken in hiërarchische verbanden, er +altijd weer tempels en kathedralen van te bouwen, als een kind, dat met +blokken speelt. + +Alles wat zich in het leven een vaste plaats verovert, wat levensvorm +wordt, geldt als geordineerd, zoo goed als de hoogste dingen in het +goddelijke wereldplan. Zeer duidelijk openbaart zich dit bijvoorbeeld in +de opvatting van de regelen der hofetikette bij de beschrijvers van den +hofstaat, als Olivier de la Marche en Alienor de Poitiers. De oude dame +beschouwt die regelen als wijze wetten, in de hoven der koningen +oudtijds met keuze en oordeel verordineerd, in acht te nemen voor alle +komende tijden. Zij spreekt ervan als van de wijsheid der eeuwen: "et +alors j'ouy dire aux anciens qui sçavoient...." Zij ziet de tijden +ontaarden: sedert een jaar of tien zetten sommige dames in Vlaanderen +het kraambed voor het vuur, "de quoy l'on s'est bien mocqué"; vroeger +deed men dat nooit; waar moet het heen? "mais un chacun fait à cette +heure à guise: par quoy est à doubter, que tout ira mal". [764] + +La Marche stelt zich en den lezer gewichtige vragen omtrent de +redelijkheid van al die deftige dingen: waarom heeft de "fruitier" +meteen de verlichting, "le mestier de la cire", onder zijn departement? +Het antwoord luidt: omdat de was door de bijen uit de bloemen wordt +getrokken, waarvan ook de vruchten komen: "pourquoy on a ordonné très +bien ceste chose". [765] De sterke middeleeuwsche neiging, om voor +iedere functie een orgaan te scheppen, is niet anders dan een +uitvloeisel van de denkwijze, die aan elke qualiteit zelfstandigheid +toekende, haar als idee zag. De koning van Engeland had onder zijn +"magna sergenteria" een ambt, om 's konings hoofd vast te houden, als +hij het Kanaal overstak, en zeeziek werd; het werd in 1442 bekleed door +zekeren John Baker, van wien het erfde op zijn beide dochters. [766] + +Onder hetzelfde licht valt te beschouwen de gewoonte, om alle dingen, +ook de levenlooze, namen te geven. Het is, hoe verbleekt ook, een trek +van primitief anthropomorphisme, wanneer ook thans nog in het +krijgsleven, dat in vele opzichten den terugkeer tot een primitieve +levenshouding beduidt, kanonnen namen krijgen. In de Middeleeuwen is die +trek veel sterker: gelijk de zwaarden in den ridderroman hebben de +bombarden in de oorlogen der 14e en 15e eeuw hun namen: "le Chien +d'Orléans, la Gringade, la Bourgeoise, de Dulle Griete". Als een +survival dragen thans nog de beroemde diamanten hun naam, zooals de +juweelen van Karel den Stoute alle benaamd zijn: "le sancy, les trois +frères, la hote, la balle de Flandres". Wanneer in onzen tijd de schepen +hun naam behouden hebben, maar de huizen en de klokken niet, dan is het +eensdeels, omdat het schip van plaats verandert en te allen tijde moet +kunnen worden geïdentificeerd, maar toch ook wel omdat het schip iets +persoonlijkers heeft behouden dan het huis, wat ook in het "she" van het +Engelsche spraakgebruik is uitgedrukt. Die persoonlijke opvatting der +levenlooze dingen moet men zich in de Middeleeuwen als veel sterker +voorstellen: in de Middeleeuwen kreeg elk ding zijn naam: de cachotten +der kerkers zoo goed als elk huis en elke klok. + +Aan alle dingen wordt gezocht naar de "moraliteit", zooals de +middeleeuwer zeide, als het meest wezenlijke ervan. Elk historisch of +litterair geval heeft de neiging, om te kristalliseeren tot een parabel, +een moreel voorbeeld, een bewijsnummer; elke uitspraak tot een +sententie, een tekst, een spreuk. Evenals de heilige symbolische +verbanden tusschen het Nieuwe en het Oude Testament ontstaan er moreele +verbanden, waardoor aan elk levensgeval terstond de spiegel kan worden +voorgehouden van een voorbeeld, een type uit de schrift, de geschiedenis +of de litteratuur. Om iemand tot vergeving te bewegen, somt men +bijbelsche gevallen van vergiffenis op. Om voor het huwelijk te +waarschuwen, rangschikt men al de ongelukkige huwelijken, waarvan de +Oudheid spreekt. Jan zonder Vrees vergelijkt, om den moord op Orleans te +verontschuldigen, zichzelven met Joab en zijn slachtoffer met Absalom, +en prijst zich beter dan Joab, want de koning had den doodslag niet +uitdrukkelijk verboden. "Ainssy avoit le bon duc Jehan attrait ce fait à +moralité." [767]--Het is als 't ware een ruime en naïeve toepassing van +het jurisprudentiebegrip, dat immers zelf in het hedendaagsche +rechtsleven een residu van verouderde denkvormen begint te worden. + +Elk ernstig betoog grondt zich gaarne op een tekst als steun- en +uitgangspunt: de twaalf proposities voor en tegen de onttrekking van +gehoorzaamheid aan den paus van Avignon, waarmee in 1406 te Parijs op +het nationaal concilie de zaak van het schisma wordt bepleit, gaan ieder +uit van een schriftwoord. [768] Ook een wereldlijk feestredenaar kiest, +zoo goed als een prediker, zijn tekst. [769] + +Geen duidelijker voorbeeld van al de genoemde trekken dan het beruchte +pleidooi, waarmede meester Jean Petit den hertog van Bourgondië trachtte +te rechtvaardigen wegens den moord op Lodewijk van Orleans. + +Het was ruim drie maanden geleden, dat 's konings broeder des avonds +door de gehuurde sluipmoordenaars, die Jan zonder Vrees tevoren in een +huis in de Rue vieille du Temple gehuisvest had, was neergestooten. De +Bourgondiër had eerst bij de lijkplechtigheid grooten rouw gedreven, +daarna, toen hij zag, dat het onderzoek zich zou uitstrekken tot in zijn +hotel d'Artois, waar hij de moordenaars verborgen hield, had hij in den +raad zijn oom Berry ter zijde genomen en hem bekend, dat hij door +inblazing des duivels den moord had laten plegen. Hij was daarop uit +Parijs gevlucht naar Vlaanderen. Te Gent had hij reeds een eerste +rechtvaardiging van zijn euveldaad laten uitspreken; thans keerde hij +naar Parijs terug, vertrouwend op den haat, die alom Orleans gegolden +had, en zijn eigen populariteit bij het volk van Parijs, dat hem +inderdaad ook nu nog blijde inhaalde. De hertog had te Amiens raad +gepleegd met twee mannen, die op de kerkvergadering te Parijs in 1406 +zich onder de sprekers opmerkelijk hadden gemaakt: meester Jean Petit en +Pierre aux Boeufs. Aan hen was opgedragen, het Gentsche pleidooi van +Simon de Saulx uit te werken, om het als een indrukwekkende +rechtvaardiging voor te dragen voor de prinsen en hooge heeren te +Parijs. + +Daarmede verscheen nu meester Jean Petit, godgeleerde, preeker en +dichter, den 8sten Maart 1408 in het hotel de Saint Pol te Parijs +voor het luisterrijke gehoor, waarin de dauphin, de koning van Napels, +de hertogen van Berry en Bretagne de eersten waren. Hij begon met +gepaste nederigheid: hij arme was theoloog noch jurist, "une très grande +paour me fiert au cuer, voire si grande, que mon engin et ma mémoire +s'en fuit, et ce peu de sens que je cuidoie avoir, m'a jà du tout +laissé." Dan ontplooit hij het kunstwerk van de zwartste politieke +boosaardigheid, dat zijn geest in strengen stijl gebouwd had op den +tekst: Radix omnium malorum cupiditas. Op schoolsche onderscheidingen en +neventeksten is het geheel kunstig gedisponeerd; verlucht met exempelen +uit de schrift en de historie; het krijgt een duivelsche levendigheid en +een romantische spanning door de kleurige uitvoerigheid, waarmee de +pleiter de snoodheden van den verslagene beschrijft. Het begint met de +opsomming van twaalf verplichtingen, waardoor de hertog van Bourgondië +gehouden was, den koning van Frankrijk te eeren, te beminnen en te +wreken. Dan beveelt hij zich aan in de hulp van God, de Maagd en Sint +Jan den Evangelist, om het eigenlijke betoog te beginnen: verdeeld in +een major, een minor en een conclusie. Nu stelt hij zijn tekst voorop: +Radix omnium malorum cupiditas. Daaruit worden twee toepassingen +afgeleid: de begeerte maakt afvalligen, zij maakt verraders. Deze +boosheden van apostasie en verraad worden verdeeld en onderverdeeld en +daarna gedemonstreerd aan drie voorbeelden. Als de archetypen van den +verrader rijzen Lucifer, Absalom en Athalia voor de verbeelding der +hoorders op. Dan volgt de opstelling van acht waarheden, die den +tyrannenmoord rechtvaardigen: wie tegen den koning conspireert, verdient +dood en verdoemenis; hoe hooger hij staat, hoeveel te meer; ieder mag +hem dooden. "Je prouve ceste verité par douze raisons en l'honneur des +douze apostres": drie uitspraken van doctores, drie van philosophi, drie +van juristen en drie uit de schrift. Zoo gaat het voort, tot de acht +waarheden compleet zijn: een citaat uit _De casibus virorum illustrium_ +van "le philosophe moral Boccace" wordt aangehaald, om te bewijzen, dat +men den tyran mag aanvallen uit een hinderlaag. Uit de acht waarheden +volgen acht "correlaria" met een negende als toegift, waarin met +toespelingen geduid werd op al de geheimzinnige gebeurtenissen, waarin +de laster en de argwaan aan Orleans een gruwelijke rol hadden toegekend. +Al de oude verdenkingen, die den hoogstrevenden en losbandigen prins van +zijn jonge jaren af hadden vervolgd, werden tot gloeihitte weer +opgerakeld: hoe hij in 1392 de opzettelijke aanlegger was geweest van +het rampzalige "bal des ardents", toen zijn broeder de jonge koning +ternauwernood was ontkomen aan den jammerlijken vuurdood van zijn +gezellen in hun vermomming als wildemannen, door een onvoorzichtig +bijgehouden toorts geraakt. Orleans' samensprekingen in het klooster der +Celestijnen met "den toovenaar" Philippe de Mézières leverden de stof +tot allerlei zinspelingen op moordplannen en giftmengerij. Zijn algemeen +bekende gehechtheid aan tooverkunsten geeft aanleiding tot de +levendigste gruwelverhalen: hoe Orleans op een Zondagmorgen met een +afvalligen monnik, een ridder, een knape en een knecht naar la Tour +Montjay aan de Marne reed; hoe de monnik daar twee duivelen deed +verschijnen, gekleed in bruin-groen en geheeten Heremas en Estramain, +die een degen, een dolk en een ring van een helsche wijding voorzagen, +waarop het gezelschap een gehangene van de galg van Montfaucon ging +halen enz. Tot uit den zinneloozen praat van den waanzinnigen koning +wist meester Jan sinisteren zin te puren. + +Nadat aldus eerst de beoordeeling op het niveau van het algemeen- +zedelijke was verheven, door de zaak te stellen in het licht der +schriftuurlijke modellen en moreele sententiën, en vervolgens de stemming +van afgrijzen en huivering kunstig is gaande gemaakt, breekt in de minor, +die stuk voor stuk de geledingen van de major volgt, de stroom van +regelrechte beschuldigingen los. De hartstochtelijke partijhaat doet den +aanval op de nagedachtenis van den vermoorde met al de hevigheid, waartoe +de toomelooze geest in staat was. + +Vier uren lang was Jean Petit aan 't woord, en toen hij uitgesproken +had, sprak zijn lastgever, de hertog van Bourgondië: "Je vous avoue". +Er werden van de justificatie vier kostbare boekjes gemaakt, gebonden in +geperst leer, verlucht met goud en miniaturen, voor den hertog en zijn +naaste verwanten. Een daarvan wordt nog te Weenen bewaard. Ook was het +vertoog te koop. [770] + +De behoefte, om elk levensgeval uit te beelden tot een moreel voorbeeld, +elk oordeel af te zonderen tot een sententie, waardoor het iets +substantieels en onaantastbaars krijgt, kortom dat kristallisatieproces +der gedachte, vindt haar meest algemeene en natuurlijke uiting in het +spreekwoord. Het spreekwoord neemt in de middeleeuwsche gedachte een +zeer belangrijke plaats in. Het treedt als 't ware in concurrentie met +de heilige schrift. Tegenover de onbereikbare verhevenheid der +bijbelsche moraal handhaaft in het spreekwoord de nuchtere, +laag-bij-den-grondsche, baatzuchtige levenswijsheid haar gezag. +Tegenover de jammerklacht over de aardsche zondigheid en verdorvenheid +stelt de volkswijsheid in het spreekwoord haar nuchtere, goedmoedige, +ironische berusting in de slechtheid der wereld. Uit het spreekwoord +klinkt de diepe genoegzaamheid, die grenst aan de wijsheid van hen, die +de wereld tot den grond hebben gepeild, en haar aanzien met een +glimlach; de weldadige wijsheid van het spreekwoord ligt in zijn +resignatie. "Les grans poissons mangent les plus petis."--"Les mal +vestus assiet on dos au vent." Daar ligt de sociale rechtvaardigheid. +"Nul n'est chaste si ne besongne" (als het niet noodig is). "Il n'est si +ferré qui ne glice" (niemand zoo goed beslagen, dat hij niet uitglijdt). +"L'homme est bon tant qu'il craint sa peau". "Au besoing on s'aide du +diable". Daar ligt de moraal. "Moyen dueil vault mieux que trop joye". +"Chascun a chose qui le myne". "Le jeu vault tant comme on y met". "Trop +quiert (begeert) qui veult happer la lune". + +Het is verbazend, welk een aantal spreekwoorden er in de late +Middeleeuwen gangbaar zijn geweest. [771] In hun alledaagsche geldigheid +sluiten zij zoo goed aan bij den gedachteninhoud der litteratuur, dat de +dichters van dien tijd er een druk gebruik van maken. Zeer in trek is +bij voorbeeld het gedicht, waarvan elke strofe eindigt met een +spreekwoord. Een ongenoemde wijdt in zulk een vorm een schimpdicht aan +den gehaten prévôt van Parijs, Hugues Aubriot, bij diens smadelijken +val. [772] Vervolgens komt Alain Chartier met zijn _Ballade de Fougères_ +[773] Molinet met verschillende stukken uit zijn _Faictz et Dictz_, +[774] Coquillart's _Complaincte de Eco_, [775] Villon's ballade, geheel +uit spreekwoorden opgebouwd. [776] Ook _Le passé temps d'oysiveté_ van +Robert Gaguin [777] hoort ertoe; de 171 strofen eindigen op enkele na +met een passend spreekwoord. Of zijn deze spreekwoordachtige zedelijke +uitspraken (waarvan ik maar enkele weervind in de mij bekende collecties +van spreekwoorden) eigen gedachten van den dichter? In dat geval zou +het nog sterker bewijs zijn, welk een levende functie in het laat- +middeleeuwsche denken aan het spreekwoord, dat is aan het afgeronde, +geijkte, algemeen verstaanbare oordeel, toekwam, indien wij ze hier in +onmiddellijke aansluiting bij een gedicht uit den geest van een +individueelen dichter zien ontstaan. + +Zelfs de preek versmaadt naast de heilige teksten het spreekwoord niet, +en het ernstig betoog in staats- of kerkvergaderingen maakt er een ruim +gebruik van. Gerson, Jean de Varennes, Jean Petit, Guillaume Fillastre, +Olivier Maillard brengen in hun preeken en oraties de meest alledaagsche +spreekwoorden tot sterking van hun betoog te pas: "Qui de tout se tait, +de tout a paix, Chef bien peigné porte mal bacinet (helm), D'aultrui +cuir large courroye, Qui commun sert, nul ne l'en paye, Qui est tigneux, +il ne doit pas oster son chaperon." [778]--Ja, er is zelfs een schakel +tusschen het spreekwoord en de _Imitatio_, die immers naar den vorm +berust op de spreukenverzamelingen of rapiaria, waarin men wijsheid van +allerlei aard en herkomst placht te vergaren. + +Er zijn in de latere Middeleeuwen tal van schrijvers, wier kracht van +oordeel zich eigenlijk niet boven het spreekwoord verheft, dat zij dan +ook voortdurend toepassen. Een kroniekschrijver uit het begin der +veertiende eeuw, Geoffroi de Paris, doorspekt zijn berijmd +geschiedverhaal met spreekwoorden, die de moraal van het gebeurde geven, +[779] en daaraan doet hij wijzer dan Froissart en _Le Jouvencel_, wier +sententies van eigen maaksel dikwijls als halfgare spreekwoorden +uitvallen: "Enssi aviennent li fait d'armes: on piert une fois et +l'autre fois gaagn'on." "Or n'est-il riens dont on ne se tanne." "On +dit, et vray est, que il n'est chose plus certaine que la mort." [780] + +Een soortgelijke kristallisatievorm der gedachte als het spreekwoord is +het devies, dat in de laatste Middeleeuwen met bijzondere voorliefde +gecultiveerd wordt. Het is geen wijsheid van algemeene strekking, zooals +het spreekwoord, maar een persoonlijke aansporing of levensles, die door +den drager tot een teeken is verheven, dat hij met gouden letters in +zijn leven zelf aanbrengt, een les, die door de gestyleerde herhaling, +waarmee zij op al de stukken van garderobe en uitrusting wederkeert, +hem en de anderen moet suggereeren en vast houden. De stemming van de +deviezen is veelal een van berusting, evenals bij het spreekwoord, van +verwachting, soms met een onuitgesproken element, dat ze geheimzinnig +moest maken: "Quand sera ce? Tost ou tard vienne, Va oultre, Autre fois +mieulx, Plus dueil que joye." Verreweg de meeste hebben betrekking op de +liefde: "Aultre naray, Vostre plaisir, Souvienne vous, Plus que toutes." +Dat zijn ridderlijke spreuken, op dekkleed en wapenrusting aangebracht. +Op de ringen stonden zij met intiemer klank: "Mon cuer avez, Je le +desire, Pour tousjours, Tout pour vous." + +Met de emblemen, die het devies òf zichtbaar illustreeren òf ermee in +los verband van zin staan, maken de zinspreuken deel uit van de +heraldische gedachtensfeer. Het blazoen is voor den middeleeuwer meer +dan een genealogische liefhebberij. De wapenfiguur krijgt voor zijn +geest een waarde, welke nadert tot die van een totem. [781] De leeuwen, +de leliën, de kruisen worden symbolen, waarin een heel complex van trots +en streven, aanhankelijkheid en gemeenschapsgevoel in beeld is +uitgedrukt, gemarkeerd als een zelfstandig, ondeelbaar ding. + +De behoefte, om elk geval te isoleeren als een zelfstandig bestaand +iets, het te zien als idee, uit zich in de Middeleeuwen in een sterke +neiging tot casuïstiek. Deze vloeit al weer voort uit het ver strekkende +idealisme. Aan elke vraag, die zich voordoet, moet een ideale oplossing +eigen zijn; deze is gegeven, zoodra men de juiste betrekking heeft +erkend tusschen het aanwezige geval en de eeuwige waarheden, en die +betrekking wordt afgeleid uit de toepassing van formeele regels op de +feiten. Niet alleen vragen van zedelijkheid en recht vinden zoo hun +oplossing, de casuïstische beschouwing beheerscht allerlei andere +levensgebieden bovendien. Overal waar stijl en vormen hoofdzaak zijn, +waar het spel-element van een cultuurvorm op den voorgrond treedt, viert +de casuïstiek hoogtij. Dat geldt in de eerste plaats van alles wat +ceremonieel en etikette betreft. Hier is de casuïstische beschouwing op +haar plaats; hier is zij als denkvorm adequaat aan de gestelde vragen, +immers hier zijn het enkel een reeks van gevallen, bepaald door +eerbiedwaardige precedenten en formeele regels. Hetzelfde geldt van het +wapenspel en de jacht. Gelijk vroeger reeds ter sprake kwam, [782] +schept ook de opvatting der liefde als een schoon gezelschapsspel van +stijlvolle vormen en regels de behoefte aan een uitgewerkte casuïstiek. + +Tenslotte hecht zich allerlei casuïstiek aan de gebruiken van den +oorlog. De sterke invloed van de ridderidee op de opvatting van den +krijg gaf ook aan dezen een element van spel. De gevallen van buitrecht, +van aanvalsrecht, van trouw aan een parool, kwamen onder het aspect van +spelregels, zooals zij golden voor tournooi en jachtvermaak. De zucht, +om in het geweld recht en regel te brengen, sproot niet zoo zeer voort +uit volkenrechtelijk instinct als uit ridderlijk besef van eer en +levensstijl. Alleen een nauwgezette casuïstiek en het opstellen van +strenge formeele regels maakten het mogelijk, het oorlogsgebruik +eenigermate in harmonie te brengen met ridderlijke standseer. + +Zoo vinden wij de beginselen van het volkenrecht gemengd met de +spelregels van de wapenoefening. Geoffroy de Charny legt in 1352 aan +koning Jan II van Frankrijk, in diens hoedanigheid van grootmeester +der juist door hem gestichte ridderorde van de Ster, een reeks van +casuïstische vragen ter beslissing voor: twintig betreffen de "jouste", +eenentwintig het tournooi en drieënnegentig den oorlog. [783] Een +kwarteeuw later draagt Honoré Bonet, prior van Salon in Provence en +doctor in het canonieke recht, aan den jongen Karel VI zijn _Arbre des +batailles_ op, een tractaat over oorlogsrecht, dat nog in de zestiende +eeuw, blijkens nieuwe uitgaven, van praktische waarde werd geacht. [784] +Men vindt hier bijeen en dooreen vragen van het hoogste gewicht voor het +volkenrecht en beuzelachtige kwesties, die niet veel meer dan spelregels +betreffen. Mag men de ongeloovigen zonder noodzaak beoorlogen? Bonet +antwoordt nadrukkelijk: neen, zelfs niet om hen te bekeeren. Mag een +vorst den ander den doortocht over zijn gebied weigeren? Moet het (veel +geschonden) privilege, dat de ploeger en zijn os veilig zijn voor het +oorlogsgeweld, ook uitgestrekt worden tot den ezel en den knecht? [785] +Moet een geestelijke zijn vader of zijn bisschop helpen? Wanneer men een +geleende wapenrusting in den slag verliest, is men dan teruggave +verschuldigd? Mag men slag leveren, op feestdagen? Is het beter, nuchter +slag te leveren, of na den maaltijd? [786] Voor dit alles heeft de prior +raad, uit bijbelplaatsen, canoniek recht en glosse. + +Een der gewichtigste punten van het krijgsgebruik was in dezen tijd +alles wat het maken van gevangenen betrof. De losprijs voor een +aanzienlijk gevangene was voor edelman en soudenier een der +uitlokkendste beloften van den strijd. Hier was een onbeperkt veld voor +casuïstische regels gegeven. Ook hier loopen volkenrecht en ridderlijk +point d'honneur dooreen. Mogen de Franschen wegens den oorlog met +Engeland de arme kooplui, landbouwers en herders op het Engelsche gebied +gevangen nemen en hun hunne goederen ontnemen? In welke gevallen mag men +uit zijn gevangenschap ontsnappen? Wat is de waarde van een vrijgeleide? +[787]--In den biographischen roman _Le Jouvencel_ worden van die +gevallen uit de praktijk behandeld. Men brengt voor den aanvoerder een +twist van twee kapiteins over een gevangene. "Ik heb hem, zegt de een, +het eerst bij zijn arm en zijn rechterhand gegrepen en hem den +handschoen afgerukt". "Maar mij, zegt de ander, heeft hij het eerst de +rechterhand en zijn woord gegeven." Beide gaf aanspraak op het kostbare +bezit, maar de laatste aanspraak wordt als de hoogere erkend. Van wien +is een gevangene, die ontvlucht en weer gevangen is? Oplossing: in het +oorlogsgebied behoort hij aan den nieuwen vanger, maar daarbuiten aan +den oorspronkelijken vanger. Mag een gevangene, die zijn woord gegeven +heeft, wegloopen, als zijn vanger hem niettemin aan een ketting legt? +Of als men verzuimd heeft, hem zijn woord te vragen? [788] + +Naast de casuïstische denkwijze nog een ander uitvloeisel van de +middeleeuwsche neiging, om de zelfstandige waarde van een ding of een +geval te overschatten. Men kent _Le Testament_ van François Villon, het +groote satirische gedicht, waarin hij al zijn hebben en houden vermaakt +aan vrienden en vijanden. Er zijn meer van die dichterlijke Testamenten, +zooals dat van Barbeau's muilezel door Henri Baude. [789] Het is een +geijkte vorm. Deze vorm echter is slechts begrijpelijk, als men zich +herinnert, dat inderdaad de middeleeuwsche menschen gewoon waren, per +testament tot over het geringste van hun bezittingen afzonderlijk en +uitvoerig te beschikken. Een arme vrouw vermaakt aan haar parochie haar +zondagskleed en haar kap; haar bed aan haar petekind, een pels aan haar +verpleegster, haar daagsche rok aan een arme, en vier pond tournoois, +die haar vermogen uitmaakten, met nog een kleed en een kap aan de +Minderbroeders. [790] Is ook daarin niet een zeer alledaagsche uiting te +zien van dezelfde denkrichting, die ieder geval van deugdbetrachting als +een eeuwig exempel, elke gewoonte als een goddelijke ordinantie aanzag? +Het is dat kleven van den geest aan de bijzonderheid en waarde van het +enkele ding, dat als een ziekte den verzamelaar en den gierigaard +beheerscht. + +Al de opgesomde trekken laten zich vereenigen onder het begrip +formalisme. Het ingeschapen besef van de transcendentale wezenlijkheid +der dingen brengt mee, dat elke voorstelling in onwrikbare grenzen staat +omlijnd, geïsoleerd in een plastischen vorm, _en die vorm heerscht_. +Doodzonden en dagelijksche zonden zijn naar vaste regels te onderscheiden. +Het rechtsgevoel is muurvast, het behoeft geen oogenblik te twijfelen: +de daad richt den man, zei de oude rechtsspreuk. Bij de beoordeeling van +een daad is haar formeele inhoud nog altijd hoofdzaak. Eenmaal, in het +primitieve recht van den oudgermaanschen tijd, was dat formalisme zoo +sterk geweest, dat de rechtspraak geen rekening hield met opzet of +onopzettelijkheid: de daad was de daad, en bracht als zoodanig de straf +mede, terwijl een niet voltooide daad, een poging tot misdrijf, +straffeloos was. Eerst langzamerhand dringt in het middeleeuwsche recht +de uitzondering door, dat men niet door een onwillekeurige verspreking +in het eedsformulier zijn recht verliest. De sporen van dat formalisme +in rechtzaken zijn ook in de latere Middeleeuwen nog voor 't grijpen. + +De buitengewone gevoeligheid voor de formeele eer is een verschijnsel +van die denkwijze. Te Middelburg was in 1445 heer Jan van Domburg wegens +een doodslag gevlucht in een kerk, om het asylrecht te genieten. Men +blokkeerde hem in zijn toevluchtsoord, gelijk de gewoonte was. +Herhaaldelijk zag men toen zijn zuster, een non, hem komen aansporen, +om zich liever al vechtende te laten dooden, dan de schande over zijn +geslacht te brengen van in beulshanden te vallen. En als dat tenslotte +toch is geschied, verwerft de juffer van Domburg zijn lichaam. +[791]--Bij een tournooi is het dekkleed van het paard van een edelman +versierd met 's mans wapen. Dat was zeer ongepast, vindt Olivier de la +Marche, want als het paard, "une beste irraisonnable", nu eens struikelde +en het wapen sleepte in het zand, dan was de geheele familie geblameerd. +[792]--Kort na een bezoek van den hertog van Bourgondië op Chastel en +Porcien doet aldaar een edelman in waanzin een poging tot zelfmoord. +Men is er onbeschrijfelijk ontdaan over, "et n'en savoit-on comment +porter la honte après si grant joye demenée." Ofschoon het bekend was, +dat het in waanzin was geschied, wordt de ongelukkige, genezen, uit het +kasteel verbannen "et ahonty à tousjours." [793] + +Een treffend voorbeeld van de plastische wijze, waarop aan een behoefte +tot herstel van geschonden eer werd voldaan, levert het volgende geval. +Te Parijs was in 1478 een zekere Laurent Guernier bij vergissing +gehangen. Hij had namelijk nog juist remissie gekregen van zijn +misdrijf, maar deze was hem niet bijtijds aangezegd. Na een jaar was +dit gebleken, en werd het lichaam op verzoek van zijn broeder eervol +begraven. Voor de baar gingen vier stadsomroepers met hun ratels, het +wapen van den doode op hun borst; rondom de baar vier kaarsen en acht +fakkeldragers in rouwgewaad en met hetzelfde wapen. Zoo ging het door +Parijs van de Porte Saint Denis tot de Porte Saint Antoine, vanwaar het +vervoer naar 's mans geboorteplaats Provins begon. Een der omroepers nu +roept voortdurend: "Bonnes gens, dictes voz patenostres pour l'âme de +feu Laurent Guernier, en son vivant demourant à Provins, _qu'on a +nouvellement trouvé mort soubz ung chesne_." [794] + +De sterke levenskracht van het bloedwraakprincipe, dat juist in zoo +bloeiende en hoogbeschaafde streken als Noord-Frankrijk en de Zuidelijke +Nederlanden zoo welig tierde, [795] is een andere kant van dezelfde +geestesgesteldheid. Ook die wraaklust heeft iets formeels. Men overlegt +somtijds zorgvuldig, iemand niet te dooden, en steekt hem daarom +welberaamd in dijen, armen en aangezicht; het slachtoffer moet vooral +niet zonder biecht sterven: du Clercq vertelt een geval van lieden, die +hun schoonzuster gaan vermoorden en opzettelijk een priester meebrengen. +[796] + +Het formeele karakter van zoen en wraak brengt weer mee de bevrediging +van het ongelijk door symbolische straffen of boetedoeningen. In al de +groote politieke verzoeningen der vijftiende eeuw komt een groot gewicht +toe aan dat symbolisch element: het afbreken van de huizen, die aan het +misdrijf herinnerden, het stichten van gedenkkruisen, het toemetselen +van poorten, om van openbare boetceremoniën en het stichten van +zielmissen en kapellen niet te spreken. Zoo bij den eisch der Orleansen +tegen Jan zonder Vrees, zoo bij den vrede van Atrecht in 1435, bij den +zoen van het oproerige Brugge in 1437, en den zwaarderen zoen van het +opstandige Gent in 1453, waar de lange stoet, geheel in 't zwart, zonder +gordels, blootshoofds en barrevoets, de hoofdschuldigen in het hemd +vooraan, optrekt in den stortregen, om allen te zamen voor den hertog +pardon te roepen. [797]--Bij de verzoening met zijn broeder in 1469 +vraagt Lodewijk XI allereerst den ring, waarmee de bisschop van Lisieux +den prins als hertog aan Normandië heeft gehuwd, en laat dien te Rouen +in 't bijzijn van notabelen op een aambeeld breken. [798] + +Het algemeene formalisme ligt ook ten grondslag aan het geloof in de +werking van het gesproken woord, dat zich in de primitieve cultuur in +zijn volheid openbaart, en zich in de late Middeleeuwen nog handhaaft in +zegenspreuken, tooverspreuken, dingtalen. Een plechtig verzoek heeft nog +iets solemneels, iets van het dwingende van den sprookjeswensch. Wanneer +alle smeekbeden Philips den Goede niet kunnen vermurwen, om genade te +schenken aan een veroordeelde, gaat men het verzoek opdragen aan Isabella +van Bourbon, zijn geliefde schoondochter, in de hoop, dat hij het haar +niet zal kunnen weigeren,--want, zegt zij: ik heb u nog nooit iets +belangrijks gevraagd. [799] En het doel wordt bereikt.--In hetzelfde +licht is de verbazing van Gerson te beschouwen, dat ondanks alle prediking +de zeden nog niet verbeterden: ik weet niet, wat ik zeggen moet: +voortdurend worden er preeken gehouden, maar altijd tevergeefs. [800] +Onmiddellijk uit het algemeene formalisme vloeien voort die eigenschappen, +die aan den geest der latere Middeleeuwen zoo dikwijls een karakter van +holheid en oppervlakkigheid geven. Vooreerst het buitengewone simplisme in +de motiveering. Hiërarchisch geanalyseerd als het begrippenstelsel was, +gegeven de plastische zelfstandigheid van elke voorstelling en de behoefte +om elk verband te verklaren uit een algemeen geldige waarheid, werkt de +causale geestesfunctie als een telefooncentrale: er kunnen steeds allerlei +verbindingen tot stand worden gebracht, maar altijd slechts van twee +nummers tegelijk. Men ziet van elken toestand, elken samenhang slechts +enkele trekken, en deze hevig geëxaggereerd en bont gekleurd; het beeld +van een gebeurtenis heeft steeds de enkele zware lijnen van een primitieve +houtsnede. Eén motief is steeds voldoende ter verklaring, en bij voorkeur +het algemeenste, het onmiddellijkste of het ruwste. Voor de Bourgondiërs +kan het motief tot den moord op den hertog van Orleans slechts op één +grond berusten: de koning heeft den hertog van Bourgondië verzocht, den +echtbreuk der koningin met Orleans te wreken. [801] De oorzaak van den +grooten Gentschen opstand is voor het oordeel der tijdgenooten door een +vormkwestie over een briefformulier geheel voldoende aangegeven. [802] + +De middeleeuwsche geest generaliseert gereedelijk uit één geval. Olivier +de la Marche concludeert uit één geval van Engelsche onpartijdigheid uit +vroeger tijd, dat de Engelschen in die dagen deugdzaam waren, en dat dit +de oorzaak was, dat zij Frankrijk hadden kunnen veroveren. [803] De +geweldige overdrijving, die onmiddellijk voortspruit uit het te bont en +te zelfstandig zien der gevallen, wordt nog in de hand gewerkt, doordat +altijd naast het geval terstond een parallel uit de heilige geschiedenis +gereed staat, die het geval optrekt in een sfeer van hooger potentie. +Wanneer bijvoorbeeld in 1404 een processie der Parijsche studenten is +verstoord, waarbij er twee zijn gewond en van één het kleed gescheurd, +dan is voor den verontwaardigden kanselier der Universiteit de klank +van een teeder woord: "les enfans, les jolis escoliers comme agneaux +innocens", genoeg, om het geval te vergelijken met den kindermoord van +Bethlehem. [804] + +Waar voor ieder geval een verklaring zoo gemakkelijk wordt aanvaard, en, +eenmaal aanvaard, zoo vast geloofd, daar heerscht een buitengewone +gemakkelijkheid van het valsche oordeel. Indien men met Nietzsche moet +aannemen, dat "der Verzicht auf falsche Urteile das Leben unmöglich +machen würde", dan kan juist daaraan voor een deel het krachtige, felle +leven, dat ons in vroeger tijden treft, worden toegeschreven. In elken +tijd, die een buitengewone spanning van alle krachten vraagt, moet het +valsche oordeel in versterkte mate de zenuwen te hulp komen. De +middeleeuwers leefden eigenlijk doorloopend in zulk een geestelijke +crisis; zij konden geen oogenblik buiten de grofste valsche oordeelen, +die onder den invloed van partijgevoel een ongeëvenaarden graad van +boosaardigheid bereiken. De geheele houding van de Bourgondiërs +tegenover de groote veete met Orleans getuigt ervan. De verhouding van +de aantallen gesneuvelden wordt door den overwinnaar in het belachelijke +verschoven: Chastellain laat in den slag bij Gavere vijf edelen vallen +aan de zijde van den vorst tegen 20 of 30.000 der opstandige Gentenaars. +[805] Het is een der moderne trekken van Commines, dat hij aan die +overdrijvingen niet meedoet. [806] + +Hoe is tenslotte die eigenaardige lichthoofdigheid op te vatten, die +zich in oppervlakkigheid, onnauwkeurigheid en lichtgeloovigheid bij de +latere middeleeuwers voortdurend openbaart? Het is dikwijls, alsof zij +niet de geringste behoefte hebben aan werkelijke gedachten, alsof een +voorbijglijden van ijle droombeelden voedsel voor hun geest genoeg was: +uiterlijke feiten oppervlakkig beschreven, dat is de signatuur van +schrijvers als Froissart en Monstrelet. Hoe hebben de eindelooze +onbeslissende gevechten en belegeringen, waaraan Froissart zijn gaven +heeft verspild, hun aandacht kunnen boeien? Naast de felle partijmannen +staan onder de kroniekschrijvers zij, wier politieke sympathieën in het +geheel niet zijn vast te stellen, zooals Froissart en Pierre de Fenin; +zoozeer put hun geest zich uit in het verhaal der uiterlijke +gebeurtenissen. Zij onderscheiden het belangrijke niet van het +onbelangrijke. Monstrelet is bij het onderhoud van den hertog van +Bourgondië met de gevangen Jeanne d'Arc tegenwoordig geweest, maar +herinnert zich niet, wat er gesproken werd. [807] De onnauwkeurigheid, +zelfs ten opzichte van gewichtige gebeurtenissen, waarin zij zelf +betrokken waren, kent geen grenzen. Thomas Basin, die zelf het +rehabilitatie-proces van Jeanne d'Arc leidde, laat haar in zijn kroniek +geboren zijn te Vaucouleurs, laat haar door Baudricourt zelf, dien hij +heer in plaats van kapitein der stad noemt, naar Tours brengen, vergist +zich drie maanden betreffende haar eerste samenkomst met den dauphin. +[808] Olivier de la Marche, het puik der hovelingen, vergist zich +voortdurend in de afstamming en verwantschap der hertogelijke familie, +en plaatst zelfs het huwelijk van Karel den Stoute met Margareta van +York, waarvan hij de feesten in 1468 had meegemaakt en beschreven, na +het beleg van Neuss in 1475. [809] Zelfs Commines ontkomt niet aan +dergelijke verwarringen: hij vergroot een aantal jaren herhaaldelijk met +twee; hij vertelt tot driemaal toe den dood van Adolf van Gelre. [810] + +Het gebrek aan kritische onderscheiding en de lichtgeloovigheid spreken +zoo duidelijk uit elke bladzijde der middeleeuwsche litteratuur, dat het +onnoodig is voorbeelden aan te halen. Natuurlijk bestaat hier een groot +verschil in graad al naar de ontwikkeling van den persoon. Onder het +volk der Bourgondische landen heerschte ten opzichte van Karel den +Stoute nog die eigenaardige vorm van barbaarsche lichtgeloovigheid, die +aan den dood van de indrukwekkende heerschersfiguur nooit recht gelooven +deed, zoodat men tot tien jaar na den slag van Nancy elkaar nog leende +op afbetaling, als de hertog zou terugkomen. Basin, die het meedeelt, +behandelt het als louter dwaasheid. [811] Doch bij allen vat onder den +invloed van den sterken hartstocht en de gereede verbeelding het geloof +aan de realiteit van het verbeelde zeer licht post. Bij een +geestesgesteldheid, waarin zoo sterk in zelfstandige verbeeldingen wordt +gedacht, geeft de bloote aanwezigheid van een voorstelling in den geest +een groote presumptie van geloofwaardigheid. Zoodra een denkbeeld +eenmaal met naam en vorm in het brein rondwandelt, is het als 't ware +opgenomen in het systeem van moreele en godsdienstige figuren, en deelt +onwillekeurig in hun hooge geloofwaardigheid. + +Terwijl nu aan den eenen kant de begrippen door hun scherpe omlijning, +hun hiërarchisch verband en hun dikwijls anthropomorph karakter +bijzonder vast en onbewegelijk zijn, dreigt aan den anderen kant het +gevaar, dat juist in dien levendigen vorm van het begrip de inhoud zoek +raakt. Eustache Deschamps wijdt een lang, allegorisch en satirisch +leergedicht _Le Miroir de Mariage_ [812] aan de nadeelen van het +huwelijk; als hoofdpersoon treedt daarin op Franc Vouloir, door Folie +en Désir aangespoord om te trouwen, door Repertoire de science daarvan +teruggebracht. In de uiterlijke personificatie nu put zich de +voorstelling van den dichter zoozeer uit, dat zijn opvatting van wat +Franc Vouloir eigenlijk beteekent, wankelt tusschen den abstracten +vrijen wil en de vrijheid van den vroolijken jonggezel. Hetzelfde +gedicht illustreert nog in een ander opzicht, hoe in de uitgewerkte +verbeeldingen de gedachte licht bleef wankelen of zich vervluchtigde. +De toon van het gedicht is die van de bekende philisterachtige en in +den grond zinnelijke vrouwenverguizing: de bespotting van haar zwakheid, +de verdachtmaking van haar eer, waarin de gansche Middeleeuwen zich +verlustigd hebben. Voor ons gevoel dissoneert met dien toon op schrille +wijze de vrome aanprijzing van het geestelijk huwelijk en het schouwende +leven, waarop Repertoire de science zijn vriend Franc Vouloir in het +latere gedeelte van het gedicht onthaalt. [813] Even vreemd doet het +ons aan, dat de dichter door Folie en Désir soms hooge waarheden laat +bewijzen, die men van den kant der tegenpartij zou verwachten. [814] + +Hier als zoo dikwijls bij de middeleeuwsche uitingen rijst de vraag: +heeft de dichter gemeend, wat hij aanprees? Zooals men ook vragen mocht: +hebben Jean Petit en zijn Bourgondische beschermers geloofd in al de +gruwelen, waarmee zij de nagedachtenis van Orleans bekladden? Of: hebben +de vorsten en edelen ernst gezien in al de bizarre fantazie en vertooning, +waarmee zij hun ridderlijke krijgsplannen en geloften aankleedden? Het is +uiterst moeilijk, om ten opzichte van de middeleeuwsche gedachte de grenzen +tusschen overtuiging en geveinsdheid, tusschen ernst en spel zuiver te +trekken. Soms schijnt alles geveinsd, soms schijnt alles naïef gemeend. + +Vermenging van ernst en spel kenmerkt de zeden op allerlei gebied. +Vooral in den oorlog wordt gaarne een komisch element gebracht: de spot +der belegerden over hun vijand, dien zij dikwijls bloedig boeten. Die +van Meaux brengen een ezel op den muur, om Hendrik V van Engeland te +hoonen; die van Condé verklaren zich nog niet te kunnen overgeven, want +zij zijn nog bezig hun paasch-pannekoeken te bakken; te Montereau +stoffen de burgers, op den muur staande, hun kaproenen af, wanneer het +kanon der belegeraars heeft losgebrand. [815] In dezelfde lijn ligt het, +wanneer het kamp van Karel den Stoute voor Neuss wordt ingericht als een +groote kermis: de edelen laten "par plaisance" hun tenten bouwen in den +vorm van kasteelen, met galerijen en tuinen; er is allerlei vermaak. +[816] + +Er is één gebied, waar die bijmenging van spot in de ernstigste dingen +bijzonder grillig aandoet: de sombere sfeer van het duivel- en +heksengeloof. Al wortelde de duivelfantazie onmiddellijk in den grooten +diepen angst, die haar voortdurend voedt, toch kleurde ook hier de +naïeve verbeelding de figuren zoo kinderlijk bont, en maakt ze zoo +gemeenzaam, dat zij soms het angstwekkende verliezen. Het is niet alleen +in de litteratuur, dat de duivel als komische figuur optreedt: ook in +den gruwelijken ernst van de tooverijprocessen blijft het gezelschap van +Satan vaak breughelsch en rabelaisiaansch, en vermengt zich de helsche +zwavellucht met de veesten van de klucht. De duivelen, die een +nonnenklooster in onrust brengen, onder hun kapiteins Tahu en Gorgias, +dragen namen "assez consonnans aux noms des mondains habits, instruments +et jeux du temps présent, comme Pantoufle, Courtaulx et Mornifle." [817] + +De vijftiende eeuw is die der heksenvervolgingen bij uitstek geweest. In +den tijd, waarmee wij de Middeleeuwen plegen te sluiten en blijde opzien +naar het bloeiende Humanisme, wordt de stelselmatige uitwerking van den +heksenwaan, die vreeselijke uitgroei van de middeleeuwsche gedachte, +bezegeld door den _Malleus maleficarum_ en de bul _Summis desiderantes_ +(1487 en 1484). En geen Humanisme of Hervorming keeren dien waan: geeft +niet de humanist Jean Bodin nog na het midden der zestiende eeuw in zijn +_Démonomanie_ het meeste en geleerdste voedsel aan de vervolgzucht? De +nieuwe tijd en het nieuwe weten hebben niet aanstonds den gruwel der +heksenvervolging van zich gewezen. Omgekeerd zijn de meedoogender +opvattingen omtrent hekserij, die in het laatst der zestiende eeuw door +den Gelderschen geneesheer Johannes Wier verkondigd werden, reeds in de +vijftiende eeuw ruimschoots vertegenwoordigd. + +De houding toch van den laat-middeleeuwschen geest tegenover het +bijgeloof, met name tegenover heksen en tooverij, is zeer gevarieerd en +weinig vast. Zóó hulpeloos overgeleverd aan alle spooksel en waan, als +men uit de algemeene lichtgeloovigheid en het gemis aan kritiek +verwachten zou, is de tijd niet. Er zijn tal van uitingen van twijfel of +van rationeele opvatting. Telkens weer zijn het haarden van demonomanie, +waar het kwaad uitbreekt en zich soms langen tijd handhaaft. Daar waren +toover- en heksenlanden bij uitnemendheid, meest bergstreken: Savoye, +Zwitserland, Lotharingen, Schotland. Doch ook daarbuiten komen van die +epidemieën voor. Omstreeks 1400 was het Fransche hof zelf zulk een haard +van tooverij. Een prediker waarschuwde den hofadel, dat men oppassen +moest, of de spreekwijze zou in plaats van "vieilles sorcières" "nobles +sorciers" gaan luiden. [818] In het bijzonder rondom Lodewijk van +Orleans zweefde de atmosfeer van duivelskunsten; de beschuldigingen en +verdachtmakingen van Jean Petit misten in dit opzicht niet allen grond. +Orleans' vriend en raadsman, de oude Philippe de Mézières, die bij de +Bourgondiërs gold als de geheimzinnige inblazer van al diens misdaden, +vertelt zelf, hoe hij indertijd de tooverkunst geleerd had van een +Spanjaard, en hoeveel moeite 't hem had gekost, om die snoode kennis +weer te vergeten. Nog tien of twaalf jaar sedert hij uit Spanje weg was, +"à sa volenté ne povoit pas bien extirper de son cuer les dessusdits +signes et l'effect d'iceulx contre Dieu", totdat hij eindelijk, +biechtende en zich verzettende, door Gods goedheid verlost werd "de +ceste grant folie, qui est à l'âme crestienne anemie". [819] De meesters +der tooverkunst zocht men bij voorkeur in wilde streken: een persoon, +die gaarne den duivel zou spreken en niemand kan vinden, om hem die +kunst te leeren, wordt verwezen naar "Ecosse la sauvage". [820] + +Orleans had zijn eigen heksenmeesters en nigromanciens. Een hunner, +wiens kunst hem niet voldeed, liet hij verbranden. [821] Aangemaand om +over het geoorloofde van zijn bijgeloovige praktijken het gevoelen van +godgeleerden te vragen, antwoordde hij: "Waarom zou ik denzulken vragen? +ik weet immers, dat zij het mij zouden ontraden, en toch ben ik volkomen +besloten, zoo te handelen en zoo te gelooven, en ik zal het niet +nalaten." [822]--Gerson brengt met dat hardnekkig zondigen Orleans' +plotselingen dood in verband; hij keurt ook de proeven af, om den +krankzinnigen koning door tooverij te genezen, die reeds door meer dan +één bij mislukking met den vuurdood geboet waren. [823] + +Eén tooverpraktijk in het bijzonder werd aan de vorstenhoven +herhaaldelijk genoemd: die welke in het Latijn "invultare", in het +Fransch "envoûtement" heette, de toeleg, over de geheele wereld bekend, +om een vijand te verderven door een gedoopt wassen beeldje of andere +figuur, in zijn naam vervloekt, te doen smelten of te doorsteken. +Philips VI van Frankrijk zou zulk een beeldje, dat hem in handen kwam, +zelf in het vuur hebben geworpen met de woorden: "Wij zullen zien, of +de duivel machtiger is om mij te verderven, dan God om mij te redden." +[824]--Ook de Bourgondische hertogen worden ermee vervolgd. "N'ay-je +devers moy--beklaagt Charolais zich bitter--les bouts de cire baptisés +dyaboliquement et pleins d'abominables mystères contre moy et autres?" +[825]--Philips de Goede, die in zoo vele opzichten tegenover zijn +koninklijke neven de meer conservatieve levensopvatting +vertegenwoordigt: in zijn zin voor ridderschap en staatsie, in zijn +kruistochtplan, in de meer ouderwetsche litteraire vormen, die hij +beschermde,--schijnt op het stuk van bijgeloof verlichter meeningen +toegedaan te zijn geweest dan het Fransche hof, met name Lodewijk XI. +Philips hecht niet aan den ongeluksdag van Onnoozele kinderen, die zich +ieder week herhaalde; hij vorscht niet naar de toekomst bij astrologen +en waarzeggers, "car en toutes choses se monstra homme de léalle entière +foy envers Dieu, sans enquérir riens de ses secrets", zegt Chastellain, +die dat standpunt deelt. [826] Het is de hertog, wiens ingrijpen een +einde maakt aan de vreeselijke vervolgingen van heksen en toovenaars te +Atrecht in 1461, een der groote epidemieën van den heksenwaan. + +De ongeloofelijke verblinding, waarmee de heksencampagnes geleid werden, +sproot tendeele voort uit het feit, dat zich de begrippen tooverij en +ketterij vermengd hadden. In het algemeen had zich alle afschuw, vrees +en haat over ongehoorde vergrijpen, ook die buiten het directe +geloofsgebied lagen, uitgedrukt in het begrip ketterij. Monstrelet noemt +bij voorbeeld de sadistische misdaden van Gilles de Rais eenvoudig +"hérésie". [827] Het gewone woord voor tooverij was in de vijftiende +eeuw in Frankrijk "vauderie", dat zijn verband met de Waldenzen verloren +had. In de groote "Vauderie d'Arras" nu ziet men zoowel den ontzettenden +ziekelijken waan, waaruit weldra de _Malleus maleficarum_ zou worden +uitgebroeid, als den algemeenen twijfel, zoo bij het volk als bij de +hooggeplaatsten, aan de werkelijkheid van al de ontdekte misdrijven. +Een der inquisiteurs beweert, dat een derde gedeelte der christenheid +met vauderie is besmet. Zijn godsvertrouwen brengt hem tot de +huiveringwekkende consequentie, dat ieder van tooverij beschuldigde ook +schuldig moet zijn. God toch laat niet toe, dat iemand ervan wordt +beschuldigd, die geen toovenaar is. "Et quand on arguoit contre lui, +fuissent clercqs ou aultres, disoit qu'on debvroit prendre iceulx +comme suspects d'estre vauldois." Houdt iemand vol, dat sommige der +verschijnselen op inbeelding berusten, dan noemt hij hem verdacht. +Ja, deze inquisiteur meende op het zien van iemand te kunnen oordeelen, +of hij bij de vauderie betrokken was of niet. Later werd de man +krankzinnig, maar de heksen en toovenaars waren verbrand. + +De stad Atrecht geraakte door de vervolgingen zoo in opspraak, dat men +haar kooplui niet meer wilde herbergen of hun crediet verleenen, uit +vrees, dat zij wellicht morgen van tooverij aangeklaagd, hun goed door +verbeurdverklaring zouden verliezen. Niettemin, zegt Jacques du Clercq, +geloofde buiten Atrecht niet één op duizend aan de waarheid van dat +alles: "oncques on n'avoit veu es marches de par decha tels cas advenu." +Als de slachtoffers bij hun terechtstelling hun euvele daden herroepen +moeten, twijfelt het volk van Atrecht zelf. Een gedicht vol haat tegen +de vervolgers beschuldigt hen, alles uit hebzucht te hebben aangespannen; +de bisschop zelf noemt het een opgezette zaak, "une chose controuvée par +aulcunes mauvaises personnes". [828] De hertog van Bourgondië roept het +advies in der faculteit van Leuven, van welke meerderen verklaren, dat +de vauderie niet reëel is, dat het enkel illusies zijn. Toen zendt +Philips zijn wapenkoning Toison d'or naar de stad, en sedert dien tijd +werden geen nieuwe slachtoffers meer gevat, en die nog in staat van +beschuldiging waren, zachter behandeld. + +Tenslotte zijn al de Atrechtsche heksenprocessen vernietigd. En de stad +vierde dat feit met een vroolijk feest en stichtelijke zinnespelen. +[829] + +De waan der heksen zelf van haar luchtritten en sabbathorgieën is niet +dan haar eigen inbeelding, dat was het standpunt, in de vijftiende eeuw +reeds door verscheidenen ingenomen. Daarmee was evenwel nog niet de rol +van den duivel geschrapt, want hij is het, die de noodlottige illusie +teweegbrengt; het is een dwaling, maar zij komt van den duivel. Dat is +ook nog het standpunt van Johannes Wier in de zestiende eeuw. Bij Martin +Lefranc, proost van de kerk van Lausanne, den dichter van het groote +werk _Le Champion des Dames_, dat hij in 1440 aan Philips den Goede +opdroeg, vindt men de volgende verlichte voorstelling van den +heksenwaan. + + "Il n'est vieille tant estou(r)dye, + Qui fist de ces choses la mendre (de geringste) + Mais pour la faire ou ardre ou pendre, + L'ennemy de nature humaine, + Qui trop de faulx engins scet tendre, + Les sens faussement lui demaine. + Il n'est ne baston ne bastonne + Sur quoy puist personne voler, + Mais quant le diable leur estonne + La teste, elles cuident aler + En quelque place pour galer + Et accomplir leur volonté. + De Romme on les orra parler, + Et sy n'y auront jà esté. + * * * * * * * * * * * * + Les dyables sont tous en abisme, + --Dist Franc-Vouloir--enchaienniez (geketend) + Et n'auront turquoise ni lime + Dont soient jà desprisonnez. + Comment dont aux cristiennez + Viennent ilz faire tant de ruzes + Et tant de cas désordonnez? + Entendre ne sçay tes babuzes." + +En elders in hetzelfde gedicht: + + "Je ne croiray tant que je vive + Que femme corporellement + Voit par l'air comme merle ou grive, + --Dit le Champion prestement.-- + Saint Augustin dit plainement + C'est illusion et fantosme; + Et ne le croient aultrement + Gregoire, Ambroise ne Jherosme. + Quant la pourelle est en sa couche, + Pour y dormir et reposer, + L'ennemi qui point ne se couche + Se vient encoste alle poser. + Lors illusions composer + Lui scet sy tres soubtillement, + Qu'elle croit faire ou proposer + Ce qu'elle songe seulement. + Force la vielle songera + Que sur un chat ou sur un chien + A l'assemblée s'en ira; + Mais certes il n'en sera rien: + Et sy n'est baston ne mesrien (balk) + Qui le peut ung pas enlever." [830] + * * * * * * * * * * * * + +Ook Froissart houdt het geval van den Gasconschen edelman met zijn +volggeest Horton, dat hij zoo meesterlijk beschrijft, voor een "erreur". +[831] Gerson heeft een neiging, om in de beoordeeling der duivelsche +illusiën nog een schrede verder te gaan, en een natuurlijke verklaring +te zoeken voor allerlei bijgeloovige verschijnselen. Veel daarvan, zegt +hij, komt enkel voort uit de menschelijke verbeelding en melancholische +waanvoorstellingen, en deze berusten in duizenden gevallen op eenig +bederf van de verbeeldingskracht, bij voorbeeld door een inwendig letsel +der hersenen. Hierin schijnt hij zeer verlicht, evenals waar hij in het +bijgeloof een belangrijk aandeel toeschrijft aan heidensche overleefsels +en dichterlijke verzinselen. Maar hoewel Gerson toegeeft, dat veel +gewaande duivelarij aan natuurlijke oorzaken is toe te schrijven, laat +ook hij tenslotte den duivel de eer: dat inwendige hersenletsel komt +weer voort uit duivelsche illusiën. [832] + +Buiten de vreeselijke sfeer der heksenvervolging werkte de Kerk met +heilzame en gepaste middelen het bijgeloof tegen. De prediker broeder +Richard laat zich de "madagoires" (mandragora, alruin) brengen, om ze te +verbranden, "que maintes sotes gens gardoient en lieux repos, et avoient +si grant foy en celle ordure, que pour vray ilz creoient fermement, que +tant comme ilz l'avoient, mais qu'il fust bien nettement en beaux +drapeaulx de soie ou de lin enveloppé, que jamais jour de leur vie ne +seroient pouvres." [833]--De burgers, die zich door een troep Zigeuners +de hand hebben laten lezen, worden geëxcommuniceerd, en er wordt een +processie gehouden, om het onheil af te weren, dat uit die goddeloosheid +zou kunnen voortvloeien. [834] + +Een tractaat van Dionysius den Kartuizer toont helder aan, langs welke +lijnen de grenzen tusschen geloof en bijgeloof getrokken werden, op +welken grondslag de kerkleer ten deele verwierp, ten deele de +voorstellingen door waarlijk godsdienstigen inhoud trachtte te zuiveren. +Amuletten, besprekingen, zegenspreuken enz., zegt Dionysius, hebben in +zich zelf niet de kracht, om een uitwerking teweeg te brengen, gelijk +die wel zich hecht aan de sacramentswoorden, waaraan, indien zij met de +juiste bedoeling gesproken worden, ontwijfelbare uitwerking toekomt, +daar God aan die woorden als 't ware zijn macht verbonden heeft. De +benedicties evenwel zijn enkel te beschouwen als een nederige smeekbede, +alleen te verrichten met de gepaste vrome woorden en met de hoop alleen +op God gevestigd. Indien zij gemeenlijk effect hebben, dan is dit òf +doordat, bij behoorlijke verrichting, God die uitwerking verleent, òf, +worden zij anders verricht, bij voorbeeld het kruisteeken anders dan +recht gemaakt, en hebben toch niettemin uitwerking, dan is het effekt +des duivels werk. 's Duivels werken zijn geen wonderen, want de duivelen +kennen de geheime krachten der natuur; de werking is dus een natuurlijke, +evenals de voorbeduidende beteekenis van vogels enz. op natuurlijke +oorzaken berust.--Dionysius erkent, dat de volkspraktijk aan al die +zegenspreuken, amuletten enz. wel degelijk de zelfstandige waarde toekent, +die hij loochent, en meent, dat de geestelijken dan ook liever maar al +die gewoonten moesten verbieden. [835] + +In het algemeen kan men de houding tegenover alles wat bovennatuurlijk +scheen, kenschetsen als een weifelen tusschen redelijke, natuurlijke +verklaring, spontane, vrome aanvaarding en argwaan in duivelsche list en +bedrog. Het woord, dat door het gezag van Augustinus en Thomas van +Aquino was gestaafd: "Omnia quae visibiliter fiunt in hoc mundo, possunt +fieri per daemones," liet den vrome van goeden wille in groote +onzekerheid, en de gevallen, dat een arme hysterica een gansche burgerij +tijdelijk in vrome opwinding bracht en ten slotte ontmaskerd werd, zijn +niet zeldzaam. [836] + + + +NOTEN: + + +[764] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 184, 189, 242, +266. + +[765] Olivier de la Marche, l'Estat de la maison etc., t. IV p. 56, zie +dergelijke vragen hierboven blz. 60. (zie Hoofdstuk II, tekst volgend op +noot 86) + +[766] J.H. Round, The king's serjeants and officers of state with their +coronation services, London 1911, p. 41. + +[767] Le livre des trahisons, p. 27. + +[768] Rel. de S. Denis, III p. 464s, Juvenal des Ursins, p. 440; Noël +Valois, La France et le grand schisme d'occident, Paris, 1896-1902, 4 +vol., III p. 433. + +[769] Juvenal des Ursins, p. 342. + +[770] Monstrelet, I p. 177-242; Coville, Le véritable texte de la +justification du duc de Bourgogne par Jean Petit, Bibliothèque de +l'école des chartes, 1911, p. 57. + +[771] Leroux de Lincy, Le proverbe français, vgl. E. Langlois, Bibl. de +l'Ecole des chartes LX, 1899, p. 569, J. Ulrich, Zeitschr. f. franz. +Sprache & Lit. XXIV, 1902, p. 191. + +[772] Achter Les Grandes chroniques de France, ed. P. Paris, IV p. 478. + +[773] Alain Chartier, ed. Duchesne p. 717. + +[774] Jean Molinet, Faictz et Dictz, ed. Parijs 1537, f. 80, 119, 152, +161, 170, 194. + +[775] Coquillart, Oeuvres, I p. 6. + +[776] Villon, ed. Long-nom, p. 134. + +[777] Roberti Gaguini, Ep. et or., ed. Thuasne, II p. 366. + +[778] Gerson, Opera, IV p. 657; ib. I p. 936; vgl. Leroux de Lincy, Le +proverbe français, I p. lii. + +[779] Geffroi de Paris, ed. de Wailly et Delisle, Bouquet, Recueil des +Historiens des Gaules et de la France, XXII p. 87, zie index rerum et +personarum s. v. Proverbia, p. 926. + +[780] Froissart, ed. Luce, XI p. 119; ed. Kervyn, XIII p. 41, XIV p. 33, +XV p. 10; Le Jouvencel, I p. 60, 62, 63, 74, 78, 93. + +[781] Zie mijn Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, De Gids +1912, I. + +[782] Hierboven blz. 202. (zie Hoofdstuk IV, tekst volgend op noot 389) + +[783] A. Piaget, Le livre Messire Geoffroy de Charny, Romania, XXVI, +1897, p. 396. + +[784] Larbre des batailles, Paris, Michel le Noir 1515. Zie over Bonet +Molinier, Sources de l'histoire de France, no. 3694. + +[785] Chap. 35, 85 bis (de nos. 80-90 komen in de uitgave van 1515 +tweemaal voor), 124/6. + +[786] Chap. 56, 60, 84, 132. + +[787] Chap. 82, 89, 80 bis en vg. + +[788] Le Jouvencel, I p. 222, II p. 8, 93, 96, 133, 214. + +[789] Les vers de maître Henri Baude, poète du XVe siècle, ed. Quicherat +(Trésor des pièces rares ou inédites), 1856, p. 20-25. + +[790] Champion, Villon, II p. 182. + +[791] La Marche. II p. 80. + +[792] L.c., II p. 168. + +[793] Chastellain, IV p. 169. + +[794] Chron. scand., II p. 83. + +[795] Petit-Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires +etc.; vgl. Chastellain, V p. 399 en Jacques du Clercq, passim. + +[796] Du Clercq, IV p. 264; vgl. III p. 180, 184, 206, 209. + +[797] Monstrelet, I p. 342, V p. 333; Chastellain, II p. 389; La Marche, +II p. 284, 331; Le livre des trahisons, p. 34, 226. + +[798] Quicherat, Th. Basin, I p. xliv. + +[799] Chastellain, III p. 106. + +[800] Sermo de nativ. domini, Gerson, Opera, III p. 947. + +[801] Le Pastoralet, vs. 2043. + +[802] Jean Jouffroy, Oratio, I p. 188. + +[803] La Marche, I p. 63. + +[804] Gerson, Querela nomine Universitatis etc., Opera, IV p. 574; vgl. +Rel. de S. Denis, III p. 185. + +[805] Chastellain, II p. 375, vgl. 307. + +[806] Commines, I p. 111, 363. + +[807] Monstrelet, IV p. 388. + +[808] Bassin, I p. 66. + +[809] La Marche, I p. 60, 63, 83, 88, 91, 94, 134(1); III p. 101. + +[810] Commines, I p. 170, 391, 262, 413, 460. + +[811] Basin, II p. 417, 419. + +[812] Deschamps, Oeuvres, t. IX. + +[813] L.c., p. 219ss. + +[814] L.c., p. 293ss. + +[815] Monstrelet, IV p. 93; Livre des trahisons, p. 157; Molinet, II +p. 129; vgl. du Clercq, IV p. 203, 273; Th. Pauli, p. 278. + +[816] Molinet, I p. 65. + +[817] Molinet, IV p. 417; Courtaulx = een muziekinstrument, Mornifle = +een kaartspel. + +[818] Gerson, Opera, I p. 205. + +[819] Le songe du vieil pelerin, bij Jorga, Phil. de Mézières, p. 69(1). + +[820] Juvenal des Ursins, p. 425. + +[821] L.c., p. 415. + +[822] Gerson, Opera, I p. 206. + +[823] Gerson, Sermo coram rege Franciae, Opera, IV p. 620; Juvenal des +Ursins, p. 415, 423. + +[824] Gerson, Opera, I p. 216. + +[825] Chastellain, IV p. 324, 323, 314(1), vgl. du Clercq, III p. 236. + +[826] Chastellain, II p. 376, III p. 446, 447(1), 448, IV p. 213, V p. 32. + +[827] Monstrelet, V p. 425. + +[828] Chronique de Pierre le Prêtre, bij Bourquelot, La vauderie +d'Arras, Bibliothèque de l'école des chartes, 2e série, III p. 109. + +[829] Jacques du Clercq, III passim; Matthieu d'Escouchy, II p. 416ss. + +[830] Martin le Franc, Le Champion des dames, bij Bourquelot, l.c., p. 86; +bij Thuasne, Gaguin, II p. 474. + +[831] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 193. + +[832] Gerson, Contra superstitionem praesertim Innocentum, Op. I p. 205; +De erroribus circa artem magicam, I p. 211; De falsis prophetis, I p. 545; +De passionibus animae, III p. 142. + +[833] Journal d'un bourgeois, p. 236. + +[834] L.c., p. 220. + +[835] Dionysius Cartusianus, Contra vitia superstitionum quibus circa +cultum veri Dei erratur, Opera, t. XXXVI p. 211ss.; vgl. A. Franz, Die +kirchlichen Benediktionem im Mittelalter, Freiburg 1909, 2 bde. + +[836] B.v. Jacques du Clercq, III p. 104-107. + + + * * * * * + + +XII + +DE KUNST IN HET LEVEN [837] + + +De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is aan het nu +levende geslacht het best bekend uit haar beeldende kunst, en met name +haar schilderkunst. De gebroeders Van Eyck, Rogier van der Weyden en +Memlinc beheerschen voor ons het gezicht op dien tijd. Dat is niet +altijd zoo geweest. Een halve eeuw of iets meer geleden, toen men +Memlinc nog Hemlinc schreef, kende de ontwikkelde leek dien tijd in de +eerste plaats uit zijn geschiedenis, weliswaar in den regel niet uit +Monstrelet en Chastellain zelf, maar dan toch uit De Barante's _Histoire +des ducs de Bourgogne_, dat daaruit is afgeleid. En zou naast en boven +De Barante niet vooral Victor Hugo's _Notre Dame de Paris_ voor de +meesten het beeld van die tijden vertegenwoordigd hebben? + +Het beeld, dat daaruit oprees, was fel en duister. In de kroniekschrijvers +zelf en in de verwerking van hun stof door de negentiendeëeuwsche +romantiek komt bovenal het sombere en gruwelijke der late Middeleeuwen +naar voren: de bloedige wreedheid, de felle hartstocht en hebzucht, de +krijschende hoovaardij en wraakgierigheid en de jammerlijke ellende. De +lichtere kleuren werden bijgevoegd door de bonte, opgeblazen ijdelheid +der vermaarde hoffeesten met al hun geflonker van versleten allegorie en +ondragelijke weelde. + +En nu? Nu straalt voor ons over dien tijd de hooge, waardige ernst en de +diepe vrede van Van Eyck en Memlinc; die wereld van vijf eeuwen her +schijnt ons vervuld met een helderen glans van eenvoudige blijheid, een +schat van innigheid. Ons beeld ervan is van woest en donker vredig en +sereen geworden. Want wat wij naast de beeldende kunst nog weten van +andere levensuitingen dier tijden, het is alles uitdrukking van +schoonheid en stille wijsheid: de muziek van Dufay en zijn gezellen, +het woord van Ruusbroec en Thomas a Kempis. Zelfs waar de wreedheid en +ellende der tijden nog luide doorklinkt: in de geschiedenis van Jeanne +d'Arc en de poëzie van Villon, gaat er toch enkel verheffing en +verteedering van die figuren uit. + +Waarop berust dat diepgaande verschil tusschen het tijdsbeeld uit de +kunst en het tijdsbeeld uit de geschiedenis en de litteratuur? Is aan +dien tijd in het bijzonder een groote onevenredigheid eigen tusschen de +verschillende gebieden en vormen van levensuiting? Was de levenssfeer, +waaruit de zuivere en innige kunst der schilders sproot, een andere en +betere dan die der vorsten, edelen en litteraten? Hooren zij bij geval +met Ruusbroec, de Windesheimers en het volkslied in een vredigen limbus +aan den rand van die bonte hel?--Of is het een algemeen verschijnsel, +dat de beeldende kunst een helderder beeld van een tijd nalaat dan het +woord der dichters en geschiedschrijvers? + +Op de laatste vraag kan het antwoord onmiddellijk bevestigend luiden. +Inderdaad, van alle vroegere beschavingen is ons beeld serener geworden +dan voorheen, sedert wij ons meer en meer van het lezen naar het kijken +gewend hebben, en het historische zintuig steeds meer visueel is +geworden. Want de beeldende kunst, waaruit wij bovenal de aanschouwing +van het verleden putten, weeklaagt niet. Uit haar vervluchtigt zich +terstond de bittere smaak van de smart der tijden, die haar hebben +voortgebracht. Maar de klacht over al het leed der wereld, in het woord +geuit, behoudt altijd haar toon van onmiddellijke smartelijkheid en +onbevredigdheid, doordringt ons altijd weer van droefheid en medelijden, +terwijl het leed, zooals de beeldende kunst het uitdrukt, terstond +overgaat in de sfeer van het elegische en den stillen vrede. + +Meent men derhalve uit de aanschouwing der kunst het volledige beeld van +een tijd in zijn werkelijkheid te putten, dan blijft een algemeene fout +in het historisch gezicht ongecorrigeerd. Ten opzichte van den +Bourgondischen tijd in het bijzonder bestaat bovendien het gevaar van +een speciale gezichtsfout: dat men namelijk de verhouding tusschen +beeldende kunst en cultuuruitdrukking in het woord niet juist ziet. + +In deze fout vervalt de beschouwer, wanneer hij er zich geen rekenschap +van geeft, dat reeds de stand der overlevering hem tegenover kunst en +litteratuur in zeer verschillende positie plaatst. De litteratuur der +late Middeleeuwen is ons, behoudens bijzondere uitzonderingen, vrijwel +volledig bekend. Wij kennen haar in haar hoogste uitingen en haar +laagste, in al haar genres en vormen, van het meest verhevene tot het +meest alledaagsche, van het vroomste tot het uitgelatenste, van het +meest theoretische tot het meest actueele. Het gansche leven van den +tijd wordt door de litteratuur weerspiegeld en uitgedrukt. En de +schriftelijke overlevering is nog niet uitgeput met de litteratuur; er +is bovendien nog alles wat de acten en bescheiden zeggen, om onze kennis +aan te vullen. Van de beeldende kunst daarentegen, die reeds door haar +aard het leven van den tijd minder direct en volledig uitdrukt, bezitten +wij niet dan een speciaal fragment. Buiten de kerkelijke kunst immers +zijn het slechts minieme resten. Alle wereldlijke beeldende kunst, alle +toegepaste kunst ontbreken bijna geheel: juist de vormen, waarin zich +de samenhang van kunstvoortbrenging en gemeenschapsleven voortdurend +openbaarde, zijn ons gebrekkig bekend. Onze kleine schat van +altaarstukken en grafmonumenten leert ons van dien samenhang lang niet +genoeg: het beeld van de kunst blijft geïsoleerd staan buiten onze +kennis van het bonte leven van den tijd. Om de functie van de beeldende +kunst in de Fransch-Bourgondische samenleving, de verhouding van kunst +en leven te begrijpen, is de bewonderende aanschouwing van de bewaarde +meesterwerken niet genoeg; ook het verlorene vraagt onze aandacht. + +De kunst gaat in dien tijd nog op in het leven. Het leven staat in +sterke vormen bepaald. Het wordt bijeengehouden en gemeten door de +sacramenten der Kerk, de feesten van het jaar en de getijden des daags. +'s Levens werken en vreugden hebben alle hun vasten vorm: godsdienst, +ridderschap en hoofsche min leveren de gewichtigste vormen des levens. +De taak der kunst is, om die vormen zelf, waarin het leven verliep, met +schoonheid te versieren. Wat men zoekt, is niet de kunst zelf, maar het +schoone leven. Men treedt niet, zooals latere tijden, uit een min of +meer onverschillige levenssleur naar buiten, om tot troost en verheffing +kunst te genieten in eenzelvige contemplatie; men vindt de kunst +aangewend tot verhooging van den luister des levens zelf. Zij is bestemd +om mee te klinken in de vervoeringen van het leven, hetzij in de hoogste +vlucht van vroomheid of in het hoovaardigste genieten van het +wereldsche. Als een eigen ding van schoonheid wordt de kunst in de +Middeleeuwen nog niet begrepen. Zij is voor het overgroote deel +toegepaste kunst, ook in de voortbrengselen, die wij als zelfstandige +kunstwerken zouden aanmerken; dat wil zeggen: haar bestemming, haar +dienstbaarheid aan eenigen levensvorm is het motief, om haar te +begeeren; de zuivere schoonheidsbedoeling moge des ondanks den +scheppenden kunstenaar zelf besturen, het geschiedt half onbewust. De +eerste kiemen van een kunstliefde om haars zelfs wil doen zich voor als +woekeringen der kunst_productie_: bij vorsten en edelen hoopen zich de +kunstvoorwerpen op tot verzamelingen; nu worden zij nutteloos en geniet +men ze als weelderige curiositeit, als kostbare deelen van den +vorstelijken schat, en daaraan eerst kweekt men den eigenlijken +kunstzin, die in de Renaissance is volgroeid. + +In de groote kunstwerken der vijftiende eeuw, met name in de +altaarstukken en de grafkunst, ging voor den tijdgenoot de gewichtigheid +van het onderwerp en de bestemming ver vóór de waardeering van de +schoonheid. De werken moesten schoon zijn, omdat het onderwerp zoo +heilig of de bestemming zoo verheven was. Die bestemming is altijd min +of meer een praktische. Het altaarstuk heeft een tweeledige bestemming: +het dient tot plechtig vertoon bij hooge feesten, om de vrome +aanschouwing der schare te verlevendigen, en het bewaart de herinnering +aan de vrome stichters, wier gebed blijft opgaan uit hun geknielde +beeltenis. Het is bekend, dat de Aanbidding van het Lam van Hubert en +Jan van Eyck maar heel zelden geopend werd. Wanneer de Nederlandsche +stadsmagistraten ter versiering van de vierschaar in het raadhuis +tafereelen van vermaarde vonnissen of rechtsplegingen bestelden, zooals +het oordeel van Cambyses door Gerard David te Brugge, of dat van keizer +Otto door Dirk Bouts te Leuven, of de verloren Brusselsche schilderijen +van Rogier van der Weyden, dan was het, om den rechters een plechtig en +bloedig vermaan tot hun plicht voor oogen te houden.--Hoe gevoelig men +was voor het onderwerp van wat men aan de wanden prijken zag, moge +blijken uit het volgende geval. Te Lelinghem wordt in 1384 een +samenkomst gehouden, om tot een wapenstilstand tusschen Frankrijk en +Engeland te geraken. Berry, de prachtlievende, wien dit wel was +toevertrouwd, heeft de kale muren van de oude kapel, waar de vorstelijke +onderhandelaars elkaar zullen ontmoeten, laten behangen met tapijten, +waarop veldslagen der Oudheid zijn voorgesteld. Maar toen bij het eerste +binnenkomen de hertog van Lancaster, John of Gaunt, ze aanschouwt, wil +hij, dat die tafereelen van strijd weggenomen worden: zij die naar den +vrede streven, moeten geen oorlog en vernieling voor hun oogen hebben. +En er worden andere tapijten gehangen, waarop de instrumenten van het +lijden des Heeren staan afgebeeld. [838] + +De praktische beteekenis van het onderwerp is onverbrekelijk verbonden +aan het portret, dat immers tot den huidigen dag zijn moreele waarde als +familiestuk behoudt, omdat de levensgevoelens, waaraan het dienstbaar +is, die van de ouderliefde en den familietrots, veel minder zijn +afgesleten dan de vormen van het sociale leven, waarin het +justitietafereel paste. Het portret had bovendien nog dikwijls de +bestemming tot kennismaking bij verlovingen. Met het gezantschap, dat +Philips de Goede in 1428 naar Portugal zendt, om hem een bruid te +werven, gaat ook Jan van Eyck, om de beeltenis der koningsdochter te +schilderen. Er wordt soms een fictie volgehouden, alsof de vorstelijke +bruidegom door het zien van het portret de onbekende prinses heeft +liefgekregen, zoo bij het werven van Richard II van Engeland om de +zesjarige Isabella van Frankrijk. [839] Er is zelfs wel eens sprake van +een keuze bij vergelijking naar portret. Als de jonge Karel VI van +Frankrijk een vrouw moet hebben, en men weifelt tusschen een +hertogsdochter van Beieren, Oostenrijk of Lotharingen, wordt een +uitnemend schilder gezonden, om van alle drie het portret te maken. Men +legt ze den koning voor, en hij kiest de veertienjarige Isabella van +Beieren, die hij verreweg de schoonste acht. [840] + +Nergens is de praktische bestemming van het kunstwerk zoo overwegend als +bij het grafteeken, waaraan de beeldhouwkunst van dien tijd haar +werkzaamheid bij uitstek vond. En niet alleen de beeldhouwkunst: de +hevige behoefte aan een zichtbaar beeld van den gestorvene moest ook +reeds bij de begrafenis bevredigd worden. Soms werd de doode voorgesteld +door een levend mensch: bij den lijkdienst voor Bertrand du Guesclin te +Saint Denis verschenen vier geharnaste ridders te paard in de kerk, +"representans la personne du mort quand il vivoit". [841] Een rekening +uit 1375 vermeldt van een lijkplechtigheid in het huis van Polignac: +"cinq sols à Blaise pour avoir fait le chevalier mort à la sepulture." +[842] Bij de koninklijke begrafenissen is het meestal een leeren pop, +geheel gekleed in vorstelijken staat, en waarbij naar groote gelijkenis +wordt gestreefd. [843] Soms zijn er zelfs, naar 't schijnt, meer dan een +van die beeltenissen in den stoet. De aandoening van het volk +concentreert zich op het zien van die beelden. [844] Het doodenmasker, +dat in de vijftiende eeuw in Frankrijk opkomt, heeft wellicht uit de +vervaardiging van deze lijk-staatsiepoppen zijn uitgangspunt genomen. + +De opdracht van een kunstwerk geschiedt bijna altijd met een bedoeling +voor het leven, met een praktische bestemming. Hierdoor wordt de grens +tusschen de vrij beeldende kunst en het kunsthandwerk feitelijk +uitgewischt, of liever zij is nog niet getrokken. Ook wat de personen +der kunstenaars betreft, bestaat die grens nog niet. De schaar van zeer +persoonlijke meesters in den hofdienst van Vlaanderen, Berry en +Bourgondië wisselt het schilderen van zelfstandige tafereelen niet enkel +af met het verluchten van handschriften en het polychromeeren van +beeldhouwwerk; zij moeten ook hun krachten wijden aan het beschilderen +van wapenschilden en banieren, het ontwerpen van tournooicostuums en +plechtgewaden. Melchior Broederlam, eerst schilder van den Vlaamschen +graaf Lodewijk van Male, daarna van diens schoonzoon, den eersten hertog +van Bourgondië, decoreert vijf gebeeldhouwde zetels voor 's graven huis. +Hij herstelt en beschildert de mechanieke rariteiten in het kasteel van +Hesdin, waarmee de gasten besproeid of bestoven werden. Hij werkt aan +een reiswagen der hertogin. Hij leidt de buitensporige versiering van de +vloot, die de Bourgondische hertog in 1387 verzameld had in de haven van +Sluis, voor een tocht tegen Engeland, die nimmer plaats had. Bij de +vorstelijke bruiloften en begrafenissen worden steeds de hofschilders in +het werk gesteld. In de werkplaats van Jan van Eyck werden standbeelden +beschilderd, en hij zelf vervaardigde voor hertog Philips een soort van +wereldkaart, waarop steden en landen wonderbaarlijk fijn en duidelijk +geschilderd te zien waren. Van Gerard David vindt men vermeld, dat hij +de tralies of luiken van het vertrek in het broodhuis te Brugge, waar +Maximiliaan in 1488 opgesloten zat, met schilderwerk versieren moest, +om den koninklijken gevangene het verblijf wat te veraangenamen. + +Van al het werk, dat uit de handen der groote en geringere kunstenaars +gekomen is, heeft men slechts een fragment van tamelijk specialen aard +over. Het zijn in hoofdzaak grafmonumenten, altaarstukken, portretten +en miniaturen. Van de wereldlijke schilderkunst is, buiten de portretten, +slechts zeer weinig bewaard. Van de sierkunst en het kunsthandwerk +hebben wij sommige bepaalde genres: kerkgerei, kerkgewaden, eenige +meubelkunst. Hoe zou ons inzicht in het karakter der vijftiendeëeuwsche +kunst verlengd worden, indien wij de badstoof van Jan van Eyck en zijn +jachttafereelen konden plaatsen naast de vele pieta's en madonna's. +Van geheele gebieden der toegepaste kunst hebben wij nauwelijks een +voorstelling. Naast de kerkelijke paramenten moesten wij de met juweelen +en schelletjes bezette prachtgewaden van het hof kunnen leggen. Wij +moesten de pralend getooide schepen kunnen zien, waarvan ons de +miniaturen slechts een hoogst gebrekkige, schematische voorstelling +geven. Er zijn weinig dingen, wier schoonheid Froissart zoo heeft +getroffen als van de schepen. [845] De wimpels, rijk met wapens +versierd, die van den top van den mast wapperden, waren bij wijlen zoo +lang, dat zij het water raakten. Nog op de scheepsafbeeldingen van +Pieter Breughel ziet men die buitensporig lange en breede wimpels. +Het schip van Philips den Stoute, waaraan Melchior Broederlam in 1387 +te Sluis werkte, was bedekt met blauw en goud; groote wapenschilden +versierden het paviljoen op het achterkasteel; de zeilen waren bestrooid +met margrieten en de voorletters van het hertogelijk paar, met hun +devies _Il me tarde_. Het was een wedijver onder de edelen, wie zijn +schip voor die gefaalde expeditie tegen Engeland het kostbaarst zou +versieren. De schilders hadden een goeden tijd, zegt Froissart; [846] +zij verdienden wat zij maar vragen wilden, en men kon er niet genoeg +vinden. Hij beweert, dat velen de masten geheel met bladgoud lieten +vergulden. Vooral Guy de la Trémoïlle spaarde geen kosten; hij besteedde +er meer dan 2000 ponden aan. "L'on ne se povoit de chose adviser pour +luy jolyer, ne deviser, que le seigneur de la Trimouille ne le feist +faire en ses nefs. Et tout ce paioient les povres gens parmy France...." + +De trek, die ons in al de verloren wereldsche sierkunst het meest zou +hebben getroffen, zou ongetwijfeld het overdadige, schitterend +extravagante zijn geweest. Ook aan de bewaarde kunstwerken is die trek +van het extravagante wel degelijk eigen, maar daar wij die eigenschap in +deze kunst het minst waardeeren, letten wij er het minst op. Wij zoeken +er enkel de diepste schoonheid in te genieten. Alles wat louter praal +en luister is, heeft voor ons zijn prikkeling verloren. Maar voor den +tijdgenoot was juist die praal en luister van ontzaglijk gewicht. + +De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is er een, +waarin pracht schoonheid wil verdrijven. De eind-middeleeuwsche kunst +weerspiegelt getrouw den eind-middeleeuwschen geest, een geest, die zijn +pad ten einde was geloopen. Wat wij hierboven beschouwden als een der +voornaamste kenmerken van het laat-middeleeuwsche denken: de uitbeelding +van al het denkbare tot in al zijn consequentie, de overvulling van den +geest met een oneindig systeem van formeele verbeeldingen, dat is ook +het wezen der kunst van dien tijd. Ook zij streeft ernaar, niets +ongevormd, niets onverbeeld of onversierd te laten. De flamboyante +gothiek is als een eindeloos orgelnaspel: zij lost alle vormen op in +zelfontbinding, geeft aan elk détail zijn voortgezette doorwerking, aan +elke lijn haar tegenlijn. Het is een ongebonden woekeren van den vorm +over de idee; het versierende détail tast alle vlakken en lijnen aan. Er +heerscht in deze kunst die horror vacui, die misschien een kenmerk van +eindigende geestesperioden mag heeten. + +Dat alles wil zeggen, dat de grenzen tusschen praal en schoonheid +verflauwen. Tooi en versiering dienen niet meer, om het natuurlijk +schoone te verheerlijken, maar overwoekeren het en dreigen het te +verstikken. Die woekering van de formeele versieringselementen over den +inhoud is des te toomeloozer, naarmate men zich verder van de zuiver +beeldende kunst verwijdert. In de beeldhouwkunst is, zoolang zij +losstaande figuren schept, voor de vormenwoekering weinig plaats: de +beelden van den Mozesput en de "plourants" van de graftomben wedijveren +in strenge, sobere natuurlijkheid met Donatello. Maar zoodra de +beeldhouwkunst een versierende taak krijgt, of in het domein van de +schilderkunst treedt, en, zich bindend aan de verminderde dimensies van +het relief, geheele tafereelen weergeeft, gaat ook zij zich te buiten +aan woelige overlading. In den tabernakel te Dijon ziet men het naast +elkaar in het snijwerk van Jacques de Baerze en het schilderwerk van +Broederlam: in het laatste, het zuiver verbeeldende, heerscht eenvoud en +rust; in het eerste, het versierende, verdringen de vormen elkaar. Van +denzelfden aard is het verschil tusschen het schilderij en het tapijt. +De weefkunst blijft door haar onvrijer techniek, ook waar zij de taak op +zich neemt van zuiver af te beelden, nader staan bij de versieringskunst, +en kan zich niet onttrekken aan de overdreven versieringsbehoefte: de +tapijten zijn overvuld met figuren en kleur. Verwijdert men zich nog +verder van de zuiver beeldende kunst, dan komt de kleeding aan de beurt. +Ook deze is ontegenzeggelijk kunst. Maar hier is ten eerste de bedoeling +van praal en tooi reeds overwegend boven die van zuivere schoonheid, en +bovendien trekt de persoonlijke hoovaardij de kleedingkunst in de sfeer +van het hartstochtelijke en zinnelijke, waar de eigenschappen, die het +wezen der hooge kunst uitmaken: de evenmaat en harmonie, bezwijken. + +De buitensporigheid der kleederdracht van 1350 tot 1480 is in zoo +algemeenen en zoo langdurigen vorm niet weer geëvenaard. Er zijn ook +later extravagante modes geweest, zooals de landsknechtendracht +omstreeks 1520 en het Fransche adellijke costuum van omstreeks 1660, +maar die teugellooze overdrijving en overlading, die de Fransch- +bourgondische dracht een eeuw lang gekenmerkt heeft, blijft zonder +voorbeeld. Hier ziet men, wat de schoonheidszin dier tijden, aan zijn +ongestoorde drift overgelaten, wrocht. Een enkel hofcostuum wordt +overladen met honderden edele steenen. Alle afmetingen worden tot in het +zotte geoutreerd. Het vrouwenkapsel neemt den suikerbroodvorm van den +"hennin" aan: het haar wordt aan de slapen en bij de inplanting op het +voorhoofd verwijderd of verborgen, om de zonderling gebombeerde +voorhoofden te vertoonen, die als schoon golden; het décolleté is +plotseling begonnen. Doch in de mannenkleeding zijn de buitensporigheden +nog talrijker. Hier heeft men bovenal de lange schoenpunten of +"poulaines", die de ridders bij Nicopolis zich moesten afsnijden, om te +kunnen vluchten; dan de ingesnoerde middels, de ballonachtig opgepofte +mouwen, die bij de schouders omhoog staan, de houppelandes, die tot op +de voeten hangen, en de buizen zoo kort, dat zij de billen zichtbaar +laten; de hooge, puntige of cilindervormige mutsen en hoeden, de +kaproenen wonderlijk om het hoofd gedrapeerd als een hanekam of een +vlammend vuur. Hoe plechtiger, hoe buitensporiger; want al dit fraais +beduidt staatsie, "estat". [847] Het rouwkleed, waarin Philips de Goede +na den moord van zijn vader te Troyes den koning van Engeland ontvangt, +is zoo lang, dat het van het hooge ros af, dat hij berijdt, de aarde +raakt. [848] + +De overdadige pronk heeft haar toppunt in het hoffeest. Iedereen +herinnert zich de beschrijvingen van die Bourgondische hoffeesten, +zooals het banket te Rijssel in 1454, waar de gasten bij den opgedragen +fazant hun geloften aflegden, om tegen den Turk ter kruisvaart te +trekken, of het bruiloftsfeest van Karel den Stoute en Margareta van +York te Brugge in 1468. [849] Niets kan in onze voorstelling verder af +staan van de stille wijding van het Gentsche of Leuvensche altaarstuk +dan deze uitingen van barbaarsche vorstenweelde. Uit de beschrijving +van al die "entremets" met hun pasteien, waarin muzikanten spelen, hun +opgetuigde schepen en kasteelen, de apen, walvisschen, reuzen en +dwergen, met al de afgezaagde allegorie, die daarbij hoort, kunnen wij +ze ons niet anders voorstellen dan als buitengewoon wansmakelijke +vertooningen. + +Toch zien wij hier licht de kloof tusschen de beide uitersten der kunst: +de kerkelijke en die van het hoffeest, in meer dan één opzicht te groot. +Allereerst moet men zich rekenschap geven van de functie, welke het +feest in die samenleving vervulde. Het feest had nog vrij wat behouden +van de functie, die het bij primitieve volken vervult, van te zijn de +souvereine uiting der cultuur, de vorm, waarin men gezamenlijk zijn +hoogste levensvreugde uit en zijn gemeenschapsgevoel verbeeldt. In +tijden van groote vernieuwing der gemeenschap, zooals in de Fransche +revolutie, verwerft het feest soms die belangrijke sociale en +aesthetische functie opnieuw. + +De moderne mensch kan op ieder oogenblik van rust in zelfgekozen +ontspanning individueel de bevestiging van zijn levensinzicht en de +zuiverste genieting van zijn levensvreugde zoeken. Een tijd, waarin de +geestelijke genotmiddelen nog weinig verspreid en toegankelijk zijn, +behoeft daartoe een gezamenlijke daad, het feest. En hoe grooter het +contrast is van de ellendigheid des dagelijkschen levens, des te +onmisbaarder is het feest, en des te sterker middelen zijn van noode, +om die bedwelming in schoonheid en genot, die tempering der realiteit +te ondergaan, zonder welke het leven dof is. De vijftiende eeuw nu is +een tijd van ontzettende depressie en grondig pessimisme. Hierboven is +gesproken van die eeuwige beklemming van onrecht en geweld, hel en +oordeel, pest, brand en honger, duivel en heksen, waaronder die eeuw +leeft. De arme menschheid behoeft daartegen niet alleen de dagelijks +herhaalde belofte van het hemelsch heil en van Gods wakende zorg en +goedheid; van tijd tot tijd is ook nog een plechtige en gezamenlijke, +glorieuze verzekering van de schoonheid des levens zelf noodig. Het +levensgenot in zijn primaire vormen: spel, min, drank, dans en zang, is +niet genoeg; het moet veredeld worden met schoonheid, gestyleerd in een +gemeenschappelijk vreugdebedrijf. Want voor elk voor zich: in de boeken, +of in het aanhooren van muziek, in het aanschouwen van kunst, in het +genieten der natuur, was die bevrediging nog niet bereikbaar; de boeken +waren te kostbaar, de natuur te onveilig, de kunst maakte juist deel uit +van het feest. + +Het volksfeest had zijn eigen, oorspronkelijke bronnen van schoonheid +enkel in het lied en in den dans. Voor het schoon van kleur en vorm +leunde het op het kerkfeest, waarbij het zich gewoonlijk aansloot, en +dat daarvan overvloed bood. De losmaking van het burgerlijke feest uit +den kerkelijken vorm, en de opluistering ervan met eigen sier, wordt +juist in de vijftiende eeuw door de rederijkers volbracht. Tot dusver +was alleen het vorstenhof in staat geweest, een zuiver wereldlijk feest +te tooien met weelde van kunst, er een eigen pracht aan te geven. Maar +weelde en pracht zijn voor het feest niet genoeg; niets is ervoor zoo +onmisbaar als stijl. + +Het kerkfeest had dien stijl krachtens de liturgie zelf. Daar was altijd +aanwezig de indrukwekkende verbeelding van één verheven idee in een +schoon gebaar van velen samen. De heilige waardigheid en de hooge vaste +gang werden er zelfs door de uiterste woekeringen van het feestelijk +détail, tot in het burleske toe, niet verbroken. Doch waaraan ontleende +het hoffeest zijn stijl? wat was hier de idee, die het uitdrukte?--Het +kon geen andere zijn dan het ridderideaal, want daarop berustte de +geheele levensvorm van het hof. Was aan het ridderideaal een eigen +stijl, een liturgie om zoo te zeggen, verbonden?--Ja, alles wat +ridderslag, orderegels, tournooi, préséance, hulde en dienst betrof: het +gansche spel van wapenkoningen, herauten, blazoenen, maakte dien stijl +uit. Voorzoover het hoffeest uit die elementen was opgebouwd, had het +voor de tijdgenooten wel degelijk een grooten, eerbiedwaardigen stijl. +Nu nog kan zelfs iemand zonder monarchale of adellijke geestdrift bij +het aanschouwen van elke willekeurige staatsie de huivering van zulk een +zuiver wereldsche liturgie ondergaan. Hoe moet het dan geweest zijn voor +de bevangenen in den waan van dat ridderideaal, bij de pompeuze +aankleeding met lange gewaden en schitterende kleuren! + +Maar het hoffeest wilde nog meer. Het wilde den droom van het heroïsche +leven tot het uiterste verbeelden. Hier nu brak de stijl. Die gansche +toestel van ridderlijke fantazie en staatsie was niet meer van echt +leven vervuld. Het was alles teveel litteratuur geworden, een vooze +renaissance en een ijdele conventie. De overlading met staatsie en +etikette moest het innerlijk verval van den levensvorm bedekken. De +ridderlijke gedachte der vijftiende eeuw zwelgt in een romantiek, die +door en door hol en versleten is. Dat was de bron, waaruit het hoffeest +de fantazie voor zijn vertooningen en verbeeldingen putten moest. Hoe +zou het stijl scheppen uit een litteratuur, zoo stijlloos, ongebonden en +verschaald als de ridderlijke romantiek in haar ontaarding? + +In dit licht moet men de schoonheidswaarde van de "entremets" bezien: +het is toegepaste litteratuur, waarbij het eenige, wat die litteratuur +nog dragelijk kon maken: haar vluchtig, oppervlakkig voortdroomen over +al haar bonte gedaanten, plaats maakt voor de opdringendheid van het +stoffelijk voorgestelde. + +De zware, barbaarsche ernst, die uit dat alles spreekt, past juist bij +het Bourgondische hof, dat door zijn aanraking met het Noorden den +luchtiger en harmonischer Franschen geest scheen te hebben verloren. +Plechtig en gewichtig wordt al die geweldige pronk opgevat. Het groote +feest van den hertog te Rijssel vormde het besluit en de bekroning van +een reeks van banketten, die de hofadel elkander in wedijver aanbood. +Het was eenvoudig begonnen, en met geringe kosten, en dan gestegen in +aantal van gasten, weelderigheid van menu en entremets; door het +aanbieden van een krans gaf de gastheer een ander de beurt; zoo ging het +over van ridders op groote heeren en van heeren op prinsen, in steeds +stijgende mate van uithaal en vertoon, totdat het eindelijk aan den +hertog zelf kwam. Voor Philips moest het meer zijn dan een schitterend +feest; daar zouden de geloften plaats hebben voor den kruistocht tegen +de Turken ter herovering van Constantinopel, een jaar tevoren gevallen: +'s hertogen luid beleden levensideaal. Ter voorbereiding wees hij een +commissie aan onder leiding van den vliesridder Jean de Lannoy. Ook +Olivier de la Marche had er zitting in. Wanneer deze in zijn +gedenkschriften tot die zaken genaderd is, wordt het hem nog plechtig te +moede. "Pour ce que grandes et honnorables oeuvres desirent loingtaine +renommée et perpétuelle mémoire," aldus begint hij die groote dingen te +gedenken. [850] De eerste en nauwste raden van den hertog waren +herhaaldelijk tegenwoordig bij de beraadslagingen: de kanselier Nicolaas +Rolin zelf en Antoine de Croy, de eerste kamerheer werden ertoe +geroepen, eer men het eens was, hoe "les cérimonies et les mistères" +moesten worden opgezet. + +Het relaas van al dat fraais is zoo dikwijls gedaan, dat het hier niet +behoeft te worden herhaald. Men was zelfs van over zee gekomen, om het +schouwspel te zien. Er waren buiten de gasten tal van adellijke +toeschouwers, de meesten in vermomming. Men ging eerst rond, om de in +beeldwerk uitgevoerde, vaste pronkstukken te bewonderen; eerst later +volgden de vertooningen en tableaux-vivants van levende personen. +Olivier zelf speelde de hoofdrol, die van Sainte Eglise in het +voornaamste stuk, als deze binnenkomt in een toren op den rug van een +olifant, door een Turkschen reus geleid. Op de tafels prijkten de +geweldigste decoraties: een bemande en opgetuigde kraak, een weide +uitgemonsterd met boomen, een bron, rotsen en een beeld van Sint +Andries, het kasteel Lusignan met de fee Mélusine, een windmolen, +waarbij naar den vogel geschoten werd, een bosch met bewegelijke wilde +dieren en tenslotte de kerk met een orgel en zangers, die muziek ten +beste gaven, afgewisseld door het orkest van 28 personen, dat in de +pastei zat. + +Waar het hier op aan komt, is de mate van smaak of wansmaak, die in dat +alles tot uiting kwam. In de stof zelve kunnen wij niet veel anders zien +dan een poespas van mythologische, allegorische en moraliseerende +figuren. Doch hoe was de uitvoering? Zonder twijfel werd de voornaamste +werking gezocht in het extravagante. De toren van Gorkum, die bij het +bruiloftsfeest van 1468 als tafelopzet prijkte, was 46 voet hoog. [851] +Van een walvisch, die bij diezelfde gelegenheid dienst deed, zegt La +Marche: "et certes ce fut un moult bel entremectz, car il y avoit dedans +plus de quarante personnes." [852] Voorzoover het kwistig gebruik van de +wonderen der mechaniek strekt, kunnen wij er geen denkbeeld van kunst +aan verbinden: levende vogels, die uit den muil van een draak vliegen, +dien Hercules bevecht en dergelijke verbazingwekkendheden. Het komische +element erin is van zeer laag allooi: uit den Gorkumschen toren blazen +wilde zwijnen de trompet; geiten voeren een motet uit, wolven spelen +fluit, vier groote ezels treden als zangers op, dit alles voor Karel den +Stoute, die zelf een fijn muziekkenner was. + +Toch zou ik er niet aan willen twijfelen, dat bij al die feestartikelen, +bij de vaste stukken met name, naast veel matelooze, verdwaasde pronk, +menig echt kunstwerk, is geweest. Laat ons toch niet vergeten, dat de +menschen, die aan al deze gargantueske pracht hun hart ophaalden en hun +ernstigste gedachten wijdden, de opdrachtgevers van Jan van Eyck en +Rogier van der Weyden zijn geweest. Het was de hertog zelf, het was +Rolin, de stichter van het altaar van Beaune en van Autun, Jean Chevrot, +die van de Zeven sacramenten van Rogier, de Lanoy's. En wat meer zegt: +de vervaardigers van deze of soortgelijke pronkstukken waren de +schilders zelf. Al weet men het toevallig niet van Jan of Rogier, men +weet het van anderen, hoe zij bij zulke feesten meewerkten: Colard +Marmion, Simon Marmion, Jacques Daret. Voor het feest van 1468, dat +plotseling vervroegd heette, werd, om tijdig klaar te zijn, het gansche +schildersvak gemobiliseerd: haastig werden er gezellen naar Brugge +ontboden uit Gent, Brussel, Leuven, Thienen, Bergen, Quesnoy, +Valenciennes, Douai, Kamerijk, Atrecht, Rijsel, Yperen, Kortrijk en +Oudenaarde. [853] Het kan niet ten eenenmale leelijk zijn geweest, wat +uit die handen kwam. De dertig opgetuigde schepen van het banket van +1468, met de wapens van 's hertogen heerschappijen, de zestig vrouwtjes +in verschillende landsdracht, [854] met vruchtenmandjes en vogelkooien, +die windmolen met vogelschieters,--men zou er menig middelmatig +kerkelijk stuk voor willen geven. + +Er is in die dagen nog een zekere ongescheidenheid van smaak en wansmaak +in de geesten: kunstzin en lust aan pronk en rariteiten hebben zich nog +niet van elkaar afgezonderd. De naïeve fantazie kan nog ongestoord het +bizarre genieten, alsof het schoonheid was. Hooge kunst en kostbare +prullenkraam worden nog gemoedelijk dooreengemengd en gelijkelijk +bewonderd. Een verzameling als die van het Grüne Gewölbe te Dresden +vertoont het uitgescheiden caput mortuum van de vorstelijke +kunstcollectie, waarmee zij eenmaal één geheel uitmaakte. In het kasteel +van Hesdin, schatkamer van kunstwerken en lustoord tevens, vol van die +mechanieke vermakelijkheden, "engins d'esbatement", die zoo lang bij het +vorstelijke lustverblijf zijn blijven behooren, zag Caxton een kamer, +versierd met schilderijen, die de geschiedenis voorstelden van Jason, +den held van het Gulden vlies. Ter opluistering waren er bliksem-, +donder-, sneeuw- en regeninstrumenten aangebracht, om daarmee Medea's +tooverijen na te bootsen. [855] + +Ook bij de vertooningen, "personnages", die bij vorstelijke intochten op +de hoeken der straten stonden opgesteld, kon de fantazie veel verdragen. +Naast heilige tafereelen zag men te Parijs in 1389, bij den intocht van +Isabella van Beieren als gemalin van Karel VI, een wit hert met vergulde +horens en een kroon om den hals; het ligt op een "lit de justice", en +beweegt oogen, horens, pooten, om tenslotte een zwaard omhoog te houden. +Bij denzelfden intocht daalt een engel "par engins bien faits" van de +torens der Notre Dame, dringt juist als de koningin passeert, door een +spleet in de bespanning van blauw taffetas met gouden leliën, waarmee de +geheele brug is overdekt, zet haar een kroon op het hoofd, en verdwijnt +weer, zooals hij gekomen is, "comme s'il s'en fust retourné de +soy-mesmes au ciel". [856] Philips de Goede wordt bij een intocht te +Gent op een soortgelijke nederdaling van een meisje onthaald, [857] +evenzoo Karel VIII te Reims in 1484. [858] Wij kunnen ons moeilijk iets +zotters voorstellen dan een zoogenaamd tooneelpaard, waar een man in +loopt. In de vijftiende eeuw vond men het blijkbaar niet lachwekkend, +althans Le Fèvre de Saint Remy vertelt zonder een zweem van spot van een +vertooning van vier trompetters en twaalf edellieden "sur chevaulx de +artifice", "saillans et poursaillans tellement que belle chose estoit à +veoir". [859] + +De scheiding, die onze kunstzin eischt, en die de verwoestende tijd ons +heeft helpen maken tusschen al dien bizarren opschik, die spoorloos is +vergaan, en de enkele hooge kunstwerken, die ons bewaard zijn, heeft +voor den tijdgenoot nauwelijks bestaan. Het kunstleven van den +Bourgondischen tijd lag nog geheel besloten in de vormen van het +gezelschapsleven. De kunst diende. Zij had in de eerste plaats een +sociale functie, en deze is bovenal het tentoonspreiden van praal, en +het accentueeren van de persoonlijke belangrijkheid, niet van den +kunstenaar, maar van den stichter. Dit wordt niet weggenomen door het +feit, dat in de kerkelijke kunst de pralende heerlijkheid dient, om +heilige gedachten omhoog te voeren, en dat de stichter zijn persoon op +den voorgrond heeft gesteld uit vromen zin. Aan den anderen kant is de +aard van het wereldlijk schilderij volstrekt niet altijd die overdadig +hoogmoedige, die paste bij het opgeblazen hofleven. Om goed te zien, hoe +kunst en leven bij elkaar aansloten, in elkaar opgingen, missen wij veel +te veel van de omgeving, waarin de kunst geplaatst was, is onze kennis +van de kunst zelf veel te fragmentair. Hof en kerk zijn samen het leven +van den tijd nog niet. + +Daarom zijn voor ons die weinige kunstwerken van zoo bijzonder gewicht, +waarin iets van het leven buiten die twee sferen tot uiting komt. Eén +straalt daaronder in ongeëvenaarde kostbaarheid: het portret van het +echtpaar Arnolfini. Hier heeft men de kunst der vijftiende eeuw in haar +zuiversten vorm; hier nadert men het dichtst tot den raadselachtigen +persoon van den maker Jan van Eyck. Ditmaal behoefde hij noch de +schitterende majesteit van het goddelijke uit te drukken, noch de +hoovaardij van hooge heeren te dienen: het waren zijn vrienden, die hij +schilderde, ter gelegenheid van hun huwelijk. Is het werkelijk Jean +Arnoulphin, zooals hij in Vlaanderen heette, de koopman uit Lucca, +geweest? Dit gezicht, dat tweemaal door Van Eyck geschilderd is, [860] +schijnt wel het minst Italiaansche, dat ooit uit oogen keek. Doch de +aanduiding van het stuk als "Hernoul le fin avez sa femme dedens une +chambre" in den inventaris der schilderijen van Margareta van Oostenrijk +uit 1516 [861] blijft wel een sterk argument, om er Arnolfini in te +zien. In dat geval beschouwe men het eigenlijk niet als een "burgerlijk +portret". Want Arnolfini was een groot heer, herhaaldelijk raadsman der +hertogelijke regeering in gewichtige zaken. Hoe het zij, de man, die +hier is afgebeeld, was een vriend van Jan van Eyck. Dat getuigt die fijn +zinrijke wijze, waarop de schilder zijn werk heeft gewaarmerkt, het +opschrift boven den spiegel: "Johannes de Eyck fuit hic, 1434". Jan +van Eyck is hier geweest. Zooeven nog. In de suizende stilte van die +binnenkamer toeft nog de klank van zijn stem. De innige teerheid en de +stille vrede, zooals eerst Rembrandt ze opnieuw zal geven, liggen in dit +stuk besloten, alsof het Jan's eigen hart was. Hier is opeens die avond +der Middeleeuwen terug, dien wij kennen, en toch zoo dikwijls in de +litteratuur, de geschiedenis, het geloofsleven dier tijden vergeefs +zoeken: de gelukkige, edele, serene en eenvoudige Middeleeuw van het +volkslied en de kerkmuziek. Hoe ver zijn wij nu weer van dien schellen +lach en den toomeloozen hartstocht! + +Dan ziet wellicht onze verbeelding een Jan van Eyck, die buiten het +felle, bonte leven van zijn tijd stond, een eenvoudige, een droomer, die +met gebogen hoofd, den blik naar binnen gekeerd, door 't leven sloop. +Voorzichtig, of het wordt een kunsthistorische novelle: hoe 's hertogen +"varlet de chambre" met weerzin de hooge heeren diende, hoe zijn +kunstmakkers met diepe smart hun hooge kunst moesten verloochenen, om +mee te werken aan hoffeesten en vlootuitrusting. + +Er is niets, wat zulk een voorstelling rechtvaardigt. De kunst der Van +Eyck's, die wij bewonderen, stond midden in het hofleven, dat ons +afstoot. Het weinige wat wij van het leven dier schilders weten, toont +hen ons als lieden van de wereld. De hertog van Berry is met zijn +hofschilders op den besten voet. Froissart ontmoette hem in gemeenzaam +onderhoud met André Beauneveu in zijn wonderkasteel Mehun sur Yevre. +[862] De drie gebroeders van Limburg, de groote verluchters, verblijden +den hertog op nieuwjaar met een surprise: een nieuw verlucht handschrift, +dat "un livre contrefait" blijkt, "d'une pièce de bois blanc paincte en +semblance d'un livre, où il n'a nulz feuillets ne riens escript". [863] +Jan van Eyck heeft zich zonder twijfel midden in het hofleven bewogen. +Voor de geheime diplomatieke zendingen, waarmee Philips de Goede hem +belastte, was een wereldkenner noodig. Hij gold in zijn eeuw als een +geletterde, die klassieken las en meetkunde bestudeerde. Met een lichte +bizarrerie heeft hij zijn bescheiden zinspreuk "Als ik kan" in Grieksche +karakters vermomd. + +Werden wij niet door deze en dergelijke gegevens gewaarschuwd, dan +zouden wij allicht geneigd zijn, de kunst der Van Eyck's op een +verkeerde plaats in het leven der vijftiende eeuw te zien. Daar zijn in +dien tijd twee voor onzen blik scherp gescheiden levenssferen. Hier is +de cultuur van het hof, den adel en de rijke burgerij; praalziek, eer- +en hebzuchtig, kakelbont, gloeiend hartstochtelijk. Daar is de stille, +effen grijze sfeer der moderne devotie, de ernstige mannen en de gedweeë +burgervrouwtjes, die hun toeverlaat zochten in de Fraterhuizen en bij de +Windesheimers, waar de verre zachte branding der _Imitatio_ fluistert, +--de sfeer ook van Ruusbroec en de heilige Colette. Dat is de sfeer, +waarin voor ons gevoel de kunst der Van Eyck's, met haar vrome, stille +mystiek, zou passen. Toch is haar plaats eêr in de andere. De moderne +devoten stonden afwijzend tegenover de groote kunst, die zich in hun tijd +ontplooide. Zij verzetten zich tegen de veelstemmige muziek, zelfs tegen +de orgels, [864] terwijl het de prachtlievende Bourgondiërs zijn: bisschop +David van Utrecht en Karel de Stoute zelf, die in hun kapellen de eerste +meesters als leiders hebben: Obrecht te Utrecht, Busnois bij den hertog, +die hem zelfs meeneemt naar het kamp voor Neuss. De ordinarius van +Windesheim verbood elke versiering van den zang, en Thomas a Kempis zegt: +"kunt gij niet zingen als de leeuwerik en de nachtegaal, zingt dan als de +raven en de kikvorschen in den poel, die zingen zooals God het hun gegeven +heeft." [865] Over de schilderkunst hebben zij zich uit den aard der zaak +minder uitgelaten; maar zij wilden hun boeken eenvoudig hebben, en niet +terwille van de kunst ze verluchten. [866] Hoogstwaarschijnlijk zouden zij +zelfs een werk als de Aanbidding van het Lam louter hoogmoed geacht hebben. + +Is overigens de scheiding tusschen die beide levenssferen wel zóo scherp +geweest, als wij haar zien? Hierboven is het reeds gezegd. Er zijn +talrijke aanrakingen tusschen de hofkringen en die van den streng +godsdienstigen wandel. De heilige Colette en Dionysius de Kartuizer +verkeeren met de hertogen; Margareta van York, de tweede gemalin van +Karel den Stoute, stelt levendig belang in de "gereformeerde" kloosters +van België. Beatrix van Ravestein, een der eersten aan het Bourgondische +hof, draagt onder de pronkgewaden het haren kleed. "Vestue de drap d'or +et de royaux atournemens à luy duisans, et feignant estre la plus +mondaine des autres, livrant ascout à toutes paroles perdues, comme +maintes font, et monstrant de dehors de pareil usages avecques les +lascives et huiseuses, portoit journellement la haire sur sa chair nue, +jeunoit en pain et en eau mainte journée par fiction couverte, et son +mary absent couchoit en la paille de son lit mainte nuyt." [867] Den +inkeer, die voor de moderne devoten blijvende levensvorm geworden was, +kennen de groote hoovaardigen ook, doch slechts bij vlagen, als de +naweeën der overdaad. Wanneer Philips de Goede na het groote feest van +Rijsel naar Regensburg is vertrokken, om met den keizer te spreken, +begeven zich verscheiden edelen en vrouwen van het hof in de +observantie, "qui menèrent moult belle et saincte vie." [868]--De +kroniekschrijvers, die met zooveel gewichtige uitvoerigheid al dien +praal en staat beschrijven, laten niet na, herhaaldelijk hun afkeer van +"pompes et beubans" te uiten. Zelfs Olivier de la Marche bepeinst na het +feest van Rijsel "les oultraigeux excès et la grant despense qui pour la +cause de ces banquetz ont esté faictz." En hij vindt er geen +"entendement de vertu" in, behalve wat het entremets betreft, waarin de +Kerk optrad; doch een ander hofwijze legt hem uit, waarom dat alles zoo +had moeten zijn. [869] Lodewijk XI had uit zijn verblijf aan het hof van +Bourgondië een haat behouden tegen al wat weelde was. [870] + +De kringen, waarin en waarvoor de kunstenaars werkten, zijn gansch +andere geweest dan die der moderne devotie. Al heeft de opbloei der +schilderkunst evenzeer als die van het geloof zijn wortels in de +stedelijke samenleving, burgerlijk kan de kunst der Van Eyck's en die +hen volgen, niet meer heeten. Het hof en de adel hadden de kunst tot +zich getrokken. De verheffing der miniatuurkunst tot die hoogten van +artistieke verfijning, die het werk der gebroeders van Limburg en van de +_Heures de Turin_ kenmerkt, was zelfs aan het vorstelijk maecenaat bij +uitstek te danken. En ook de rijke burgerijen van de groote steden van +België streefden zelf naar een adellijken levensvorm. Het verschil +tusschen de Zuid-nederlandsche en Fransche kunst eenerzijds, en het +weinige, wat uit de vijftiende eeuw als Noord-nederlandsch is te +beschouwen, anderzijds, kan het best worden gezien als een verschil van +milieu: daar het weelderige, rijpe leven van Brugge, Gent, Brussel, in +voortdurende aanraking met het hof; hier een afgelegen landstadje als +Haarlem, in alles veel meer verwant aan de stille IJselsteden der +moderne devotie. Indien de kunst van Dirk Bouts Haarlemsch mag heeten +(wat wij van hem hebben, is gemaakt in het Zuiden, dat ook hem getrokken +had), dan kan het slichte, strakke, ingetogene, dat zijn werk eigen is, +gelden als de echt burgerlijke uitdrukking tegenover de aristocratische +allure, den pompeuzen zwier, de praal en schittering der zuidelijke +meesters. De Haarlemsche school staat inderdaad nader tot de sfeer van +den burgerlijken levensernst. + +De werkgevers van de groote schilderkunst, voorzoover wij hen kennen, +zijn bijna zonder uitzondering de vertegenwoordigers geweest van het +groote kapitaal van die dagen. Het zijn de vorsten zelf, de hooge heeren +van het hof en de groote parvenu's, waaraan het Bourgondische tijdvak +rijk is, en die evenzeer als de anderen graviteeren naar het hof. De +Bourgondische macht berust immers juist op het indiensttrekken der +geldmachten en het scheppen van nieuwe adellijke geldmachten door +schenking en begunstiging. De levensvorm van die kringen is die van het +zwierige ridderideaal, waar men zwelgt in de staatsie van het Gulden +Vlies en de praal van feesten en tournooien. Op dat innig-vrome stuk de +Zeven sacramenten in het Antwerpsche museum wijst een wapen als den +vermoedelijken stichter den bisschop van Doornik, Jean Chevrot, aan. +Deze was naast Rolin de nauwste raadsman van den hertog, [871] ijverig +dienaar in de zaken van het Gulden Vlies en van het groote +kruistochtplan. Het type van den grooten kapitalist dier dagen is Pieter +Bladelyn, wiens stemmige figuur bekend is van het drieluik, dat het +altaar van de kerk in zijn stadje Middelburg in Vlaanderen gesierd +heeft. Van ontvanger van zijn geboortestad Brugge was hij opgeklommen +tot algemeen hertogelijk tresorier. Door zuinigheid en goede controle +bracht hij verbetering in de financiën. Hij werd tresorier van het +Gulden Vlies, ridder; hij werd op de gewichtige diplomatieke zending +gebruikt, om in 1440 Charles d'Orléans uit de Engelsche gevangenschap +los te koopen; hij zou mee op den kruistocht tegen de Turken voor het +beheer der geldmiddelen. Zijn rijkdommen maakten de verbazing der +tijdgenooten gaande. Hij besteedde ze aan inpolderingen, waaraan nog de +Bladelijnspolder tusschen Sluis en Zuidzande herinnert, en aan het +stichten van een nieuwe stad, Middelburg in Vlaanderen. [872] + +Jodocus Vydt, die als stichter op het Gentsche altaarstuk prijkt, en de +kanunnik Van de Paele, behooren eveneens tot de groote rijken van dien +tijd; de Croy's en de Lannoy's zijn adellijke nouveaux riches. De +tijdgenooten zijn het meest van al getroffen geweest door de opklimming +van Nicolaas Rolin, den kanselier, "venu de petit lieu", en als jurist, +financier en diplomaat tot de hoogste diensten gebruikt. De groote +verdragen der Bourgondiërs van 1419 tot 1435 zijn zijn werk geweest. +"Soloit tout gouverner tout seul et à part luy manier et porter tout, +fust de guerre, fust de paix, fust en fait des finances." [873] Hij had +door niet onverdachte middelen ontzaglijke rijkdommen opgehoopt, die hij +besteedde aan tal van stichtingen. Toch sprak men met haat van zijn +hebzucht en zijn hoogmoed. Want men geloofde niet aan den vromen zin, +die tot die stichtingen dreef. Rolin, zoo vroom geknield op het stuk van +Jan van Eyck in het Louvre, dat hij liet schilderen voor zijn +geboortestad Autun, en nogmaals vroom geknield op dat van Rogier van der +Weyden voor zijn gasthuis te Beaune, stond bekend als een, die enkel het +aardsche telt. "Hij oogstte altijd op aarde, zegt Chastellain, alsof de +aarde hem eeuwig ware, waarin hem zijn verstand afdwaalde, toen hij geen +paal en perk wilde stellen aan dat, waarvan zijn hooge jaren hem het +nabije einde voor oogen hielden." En Jacques du Clercq zegt: "Le dit +chancellier fust reputé ung des sages hommes du royaume à parler +temporellement; car au regard de l'espirituel, je m'en tais". [874] + +Zal men nu in het gelaat van den stichter van La vierge au chancelier +Rolin een huichelachtig wezen gaan zoeken? Of is ook hier veeleer te +denken aan die wonderlijke tegenstrijdigheid, die samenbestaanbaarheid +van de schreeuwendste zonden van hoogmoed, hebzucht en onkuischheid met +diepe vroomheid en sterk geloof, welke hierboven als een der ethische +typen van den tijd werd gesteld? + +De schilderkunst der vijftiende eeuw ligt in de sfeer, waar de uitersten +van het mystische en het grof aardsche elkander raken. Het geloof, dat +hier spreekt, is zoo onmiddellijk, dat geen aardsche verbeelding er te +zinnelijk of te zwaar voor is. Van Eyck kan zijn engelen en goddelijke +figuren behangen met de zware praal van stijve gewaden, druipende van +goud en steenen; om naar omhoog te wijzen behoeft hij nog niet de +fladderende slippen en spartelende beenen der barok. + +Doch al is dat geloof zeer onmiddellijk en sterk, primitief is het +daarom niet. De benaming primitieven voor de schilders der vijftiende +eeuw behelst het gevaar van een misverstand. Primitief mag hier slechts +de beteekenis hebben van eerstkomend, in zooverre er geen oudere +schilderkunst bekend is, als een louter tijdrekenkundige term dus. +Gewoonlijk echter is men geneigd, daaraan tevens de voorstelling te +verbinden, alsof de geest dier kunstenaars primitief was. En dit is +volkomen onjuist. De geest van die kunst is die van het geloof zelve, +zooals hij hier boven werd beschreven: de uiterste doorwerking en +uitwerking van alles wat des geloofs is met de verbeelding. + +Eens had men de goddelijke figuren oneindig ver af gezien: strak en +star. Toen was het pathos der innigheid gekomen. Met een vloed van +tranen en gezang was het opgebloeid in de mystiek der twaalfde eeuw, +Sint Bernard bovenal. Men had de godheid bestormd met zijn snikkende +aandoening. Om toch maar beter mee te mogen voelen in het goddelijk +lijden, had men Christus en den heiligen al de kleuren en vormen +opgedrongen, die de fantazie uit het aardsche leven putte. Een stroom +van rijke menschelijke verbeelding was door alle hemelen gevloeid. En +steeds verder vlood die stroom in ontelbare kleine vertakkingen af. +In altijd verderschrijdende uitwerking was gaandeweg al het heilige +tot in de kleinste bijzonderheden in beeld gebracht. Men had met zijn +smachtende armen den hemel naar omlaag getrokken. + +Eerst was langen tijd het woord de plastische en picturale schepping +vóór geweest in uitbeeldend vermogen. In de dertiende eeuw, toen de +sculptuur nog veel van het schematische der oudere voorstelling +bewaarde, door haar materieele middelen en haar kader beperkt, begonnen +reeds de _Meditationes_ van Pseudo-Bonaventura al de lijfelijke +houdingen en al de aandoeningen van het kruisdrama tot in de geringste +bijzonderheden te beschrijven. Doch inmiddels schreed ook de picturale +techniek voort; de beeldende kunst haalt den voorsprong in, en meer dan +in. Met de kunst der Van Eyck's heeft de picturale uitbeelding der +heilige dingen een graad van détailleering en naturalisme bereikt, die +misschien strikt kunsthistorisch een begin kan heeten, maar +cultuurhistorisch een einde beduidt. De uiterste spanning in het aardsch +verbeelden van het goddelijke was hier bereikt; de mystische inhoud dier +verbeelding stond gereed om uit die beelden te ontvlieden en enkel den +lust aan den bonten vorm achter te laten. + +Zoo is het naturalisme der Van Eyck's, dat men in de kunstgeschiedenis +pleegt op te vatten als een element, dat de Renaissance aankondigt, +veeleer te beschouwen als de volledige ontplooiing van den laat- +middeleeuwschen geest. Het is datzelfde natuurlijk verbeelden van het +heilige, dat waar te nemen viel in alles, wat de heiligenvereering +betreft, in de sermoenen van Johannes Brugman, in de uitgewerkte +bespiegelingen van Gerson en de beschrijvingen der hellepijn van +Dionysius den Kartuizer. + +Het is altijd weer de vorm, die den inhoud dreigt te overwoekeren, en +hem belet, zich te verjongen. In de kunst der Van Eyck's is de inhoud +nog volkomen middeleeuwsch. Nieuwe gedachten spreekt zij niet uit. Zij +is een uiterste, een eindpunt. Het middeleeuwsche begrippensysteem stond +ten hemel toe volbouwd; er viel nog slechts aan te kleuren en te +versieren. + +In de bewondering der groote schilderkunst zijn aan den tijdgenoot twee +dingen bewust geworden: de treffende voorstelling van het onderwerp en +de onbegrijpelijke kunstvaardigheid, de wonderlijke perfectie der +détails, het volstrekt natuurgetrouwe. Aan den eenen kant een +waardeering, die meer in de sfeer van de vroomheid dan van de +schoonheidsontroering ligt, aan den anderen kant een naïeve verbazing, +die naar onze opvattingen aan schoonheidsontroering niet toekomt. Een +Genueesch litteraat omstreeks 1450, Bartolomeo Fazio, is de eerste van +wien kunstkritische beschouwingen over werken van Jan van Eyck, ten +deele thans verloren, bekend zijn. Hij roemt de schoonheid en +eerbaarheid van een Mariafiguur, de haren van den engel Gabriel, "die +echte haren overtreffen", de heilige strengheid der askese, die uit des +Doopers aangezicht straalt, de wijze waarop een Hieronymus "leeft". +Verder bewondert hij het perspectief in Hieronymus' studeervertrek, +den zonnestraal, die door een reet valt, het spiegelbeeld van de eene +badende vrouw, de zweetdruppels op het lichaam der andere, de brandende +lamp, het landschap met wandelaars en bergen, bosschen, dorpen en +kasteelen, de eindelooze verten van het verschiet, en nogmaals den +spiegel, [875] De termen, waarin dit geschiedt, verraden louter +curiositeit en verbazing. Hij laat zich genoegelijk meedrijven op den +stroom van ongebreidelde verbeelding; naar de schoonheid van het geheel +vraagt hij niet. Dat is de nog middeleeuwsche waardeering van het +middeleeuwsche werk. + +Wanneer een eeuw later de schoonheidsopvattingen der Renaissance zijn +doorgedrongen, wordt juist die bovenmatige uitwerking van het +zelfstandige détail de Vlaamsche kunst aangerekend als haar +fundamenteele gebrek. Indien Francesco de Holanda, de Portugeesche +schilder, die zijn kunstbespiegelingen voor gesprekken met Michel Angelo +laat doorgaan, naar waarheid de meening van den machtigen meester heeft +weergegeven, dan zou deze het volgende hebben gezegd. + +"De Vlaamsche schilderkunst bevalt allen vromen beter dan de +Italiaansche. Deze laat hen nooit tranen vergieten, gene doet hen +rijkelijk weenen, en dat is geenszins het gevolg van de kracht en de +verdienste van die kunst, het is alleen te wijten aan de groote +aandoenlijkheid der vromen. De Vlaamsche schilderkunst valt in den smaak +van de vrouwen, vooral van de oudere en de heel jonge, evenals van de +monniken, de nonnen en alle voorname lieden, die niet ontvankelijk zijn +voor de ware harmonie. In Vlaanderen schildert men hoofdzakelijk, om het +uiterlijk aanzien der dingen bedriegelijk weer te geven, en meest +onderwerpen, die in vervoering brengen of onberispelijk zijn, zooals +heiligen en profeten. In den regel schilderen zij echter wat men een +landschap pleegt te noemen en daarin veel figuren. Hoewel dit het oog +aangenaam aandoet, is daarin inderdaad noch kunst noch rede; daarin is +geen symmetrie, geen verhouding; daarin heerscht geen keuze, er is geen +grootheid in, in één woord: deze schilderkunst is zonder kracht of +heerlijkheid; zij wil vele dingen tegelijk volkomen afbeelden, waarvan +één belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten aan te besteden." + +De vromen, dat zijn hier de middeleeuwschen van geest. Voor dezen groote +is de oude schoonheid een zaak der kleinen en zwakken geworden. Niet +allen oordeelden zoo. Voor Dürer en Quinten Metsys, en voor Jan van +Scorel, die de Aanbidding van het Lam heet te hebben gekust, was de oude +kunst geenszins dood. Maar het is Michel Angelo, die hier in meer +volstrekten zin de Renaissance vertegenwoordigt. Wat hij in de Vlaamsche +kunst verwerpt, het zijn juist de essentieele trekken van den +laat-middeleeuwschen geest: de heftige sentimentaliteit, het zien van +elke bijzonderheid als een zelfstandig ding, van elke waargenomen +hoedanigheid als iets wezenlijks, het opgaan in de veelheid en de +bontheid van het geziene. Daartegen verzet zich het nieuwe kunst- en +levensinzicht der Renaissance, dat, als altijd, slechts verkregen wordt +ten koste van een tijdelijke blindheid voor de schoonheid of waarheid, +die voorafging. + +De bewustheid van een aesthetisch genieten en de uitdrukking ervan in +woorden heeft zich laat ontwikkeld. Den vijftiendeëeuwer staan voor zijn +kunstbewondering nog maar de termen ten dienste, die wij verwachten van +den verbaasden burgerman. Zelfs het begrip kunstschoon kent hij nog +niet. Wat hem aan schoonheidshuivering uit de kunst doorstraalde, werd +door hem onmiddellijk omgezet of in godsvervuldheid of in levensbehagen. + +Dionysius de Kartuizer schreef een verhandeling _De venustate mundi et +pulchritudine Dei_. [876] Terstond in den titel wordt dus de ware +schoonheid enkel aan God toegekend; de wereld kan slechts "venustus", +fraai, mooi zijn. De schoonheden van het geschapene, zegt hij, zijn niet +anders dan beekjes van de opperste schoonheid; een schepsel wordt schoon +genoemd, in zooverre het iets deelachtig is van de schoonheid der +goddelijke natuur, en daardoor aan dezelve eenigermate gelijkvormig +wordt. [877]--Op deze ruime en verheven schoonheidsleer, waarmee +Dionysius steunt op den Pseudo-Areopagiet, Augustinus, Hugo van Sint +Victor en Alexander van Hales, [878] zou een zuivere ontleding van alle +schoonheid te bouwen zijn. Doch hierin schiet de geest der vijftiende +eeuw nog verre te kort. Dionysius ontleent zelfs de voorbeelden van +aardsche schoonheid: een blad, de van kleur verwisselende zee, de +woelige zee, steeds aan zijn voorgangers, met name aan die twee fijne +geesten der twaalfde eeuw uit het klooster van Sint Victor: Richard en +Hugo. Wanneer hij zelf schoonheid ontleden wil, blijft het uiterst +oppervlakkig. De kruiden zijn schoon, omdat zij groen zijn, de steenen, +omdat zij schitteren, het menschelijk lichaam, de dromedaris en de +kameel, omdat zij doelmatig zijn. De aarde is schoon, omdat zij lang en +breed is, de hemellichamen, omdat zij rond en licht zijn. In de bergen +bewonderen wij de grootte, in de rivieren de langgestrektheid, in velden +en bosschen de uitgestrektheid, in de aarde zelf de onmetelijke massa. + +Dionysius dwaalt van de aardsche schoonheid telkens terstond weer af +naar de schoonheid der engelen en van het empyreum. Of hij zoekt haar in +de abstracte dingen: de schoonheid des levens is de levenswandel zelf +volgens de leiding en het bevel der goddelijke wet, ontdaan van de +leelijkheid der zonde. Van de schoonheid der kunst spreekt hij niet, +zelfs niet van die, welke het meest als iets zelfstandigs treffen moest: +de muziek. + +Toen deze Dionysius eens de Sint Janskerk te 's Hertogenbosch was +binnengetreden, terwijl het orgel speelde, werd hij door de zoete +melodie terstond, met smeltend hart, aan zichzelf ontrukt in een +langdurige ekstase. [879] De schoonheidsaandoening werd onmiddellijk +religie. Het zal niet in hem opgekomen zijn, dat hij in de schoonheid +van muziek of afbeelding iets anders zou kunnen bewonderen dan het +heilige zelf. + +Dionysius was een dergenen, die de invoering der moderne, meerstemmige +muziek in de kerk afkeurden. Het breken der stem (fractio vocis), +spreekt hij een oudere na, schijnt het teeken eener gebroken ziel; het +is te vergelijken met gefriseerde haren bij een man of geplisseerde +kleederen bij een vrouw, louter ijdelheid. Sommigen, die zulk +veelstemmig zingen beoefend hadden, hadden hem toevertrouwd, dat daarin +een hoogmoed en een zekere wulpschheids des gemoeds (lascivia animi) +gelegen waren. Hij erkent, dat er vromen zijn, die door melodieën ten +sterkste tot contemplatie en devotie opgewekt worden, weshalve de Kerk +orgels toelaat. Maar indien de kunstige muziek dient om het gehoor te +behagen, en vooral om de aanwezigen, de vrouwen met name, te vermaken, +dan is zij zonder twijfel verwerpelijk. [880] + +Men ziet hier, hoe de middeleeuwsche geest, wanneer hij het wezen der +muzikale aandoening wil beschrijven, nog geen andere termen vindt dan +die van zondige beroeringen: een hoogmoed en een zekere wulpschheid des +gemoeds. + +Over de muzikale aesthetiek werd voortdurend veel geschreven. Men bouwde +daarbij in den regel voort op de niet meer begrepen muziektheorieën der +Oudheid. Maar over de wijze, waarop muzikale schoonheid werkelijk +genoten werd, leeren ons de tractaten tenslotte niet veel. Wanneer het +er op aan kwam, wat men in muziek eigenlijk mooi vond, dan blijft het +bij vage uitingen, die in hun aard sterk verwant zijn aan de uitdrukking +van de bewondering der schilderkunst. Aan den eenen kant is het de +hemelsche verblijding, die men in muziek geniet, aan den anderen kant de +treffende nabootsing, die men erin bewondert. Alles werkte ertoe mee, om +den overgang van muzikale ontroering tot hemelsche genieting voor den +geest haast onmiddellijk te maken; het was hier niet een afbeelden van +heilige dingen, zooals bij de schilderkunst, maar een afschaduwing van +de hemelvreugde zelf. Wanneer de brave Molinet, die blijkbaar zelf veel +van muziek heeft gehouden, vertelt, hoe Karel de Stoute, een groot +muziekliefhebber zooals bekend is, in zijn legerkamp voor Neuss zich +onledig hield met litteratuur en vooral met muziek, dan juicht zijn +rederijkersgemoed: "Car musique est la résonnance des cieux, la voix des +anges, la joie de paradis, l'espoir de l'air, l'organe de l'Eglise, le +chant des oyselets, la récréacion de tous cueurs tristes et désolés, la +persécution et enchassement des diables." [881]--Het ekstatische element +in het muziekgenieten werd natuurlijk zeer goed gekend. "De kracht der +harmonieën, zegt Pierre d'Ailly, ontrukt de menschelijke ziel zoozeer +tot zich, dat zij die niet alleen onttrekt aan andere hartstochten en +zorgen, maar ook aan zichzelve." [882] + +Bewonderde men in de schilderkunst de treffende nabootsing van de +voorwerpen der natuur, in de muziek was het gevaar, dat men in +nabootsing de schoonheid ging zoeken, nog grooter. Want de muziek had +reeds lang van haar expressieve middelen een ijverig gebruik gemaakt. +De caccia, die oorspronkelijk een jacht voorstelde, is er het bekendste +voorbeeld van. Olivier de la Marche vertelt, hoe hij er in een de kleine +hondjes keffen en de doggen bassen hoorde en trompetgeschal, alsof men +in het bosch was. [883] Vogelgeluiden, straatroepen, het slaggewoel +werden in muzikalen vorm weergegeven. + +De theoretische analyse van het schoone is dus gebrekkig, de uitdrukking +der bewondering is oppervlakkig. In het eerste komt men niet veel +verder, dan dat ter verklaring van de schoonheid de begrippen van maat, +sierlijkheid, orde, grootte, doelmatigheid ervoor in de plaats worden +gesteld. En bovenal dat van schittering, licht. Om de schoonheid te +verklaren van de dingen des geestes, herleidt Dionysius ze tot licht: +het verstand is een licht, de wijsheid, de wetenschap, de kunstvaardigheid +zijn niet anders dan lichtvormige glanzen, die met hun klaarheid den geest +verlichten. [884] + +Wanneer men het schoonheidsgevoel dier tijden naspeurt, niet in hun +bepaling van het begrip der schoonheid, noch in hetgeen zij van hun +aandoening zeggen over schilderkunst en muziek, maar in hun spontane +uitingen van blijde schoonheidsontroering, dan treft het, hoe die +uitingen bijna altijd gewaarwordingen gelden van schittering of van +levendige beweging. + +Froissart komt zelden onder een schoonheidsindruk; hij had het er te +druk voor met zijn eindelooze verhalen; maar er is één schouwspel, dat +hem altijd weer woorden van blijde verrukking ontlokt: schepen op het +water met wapperende vlaggen en wimpels, waarvan de kleurige blazoenen +schitteren in de zon. Of het is het spel van de zonnestralen op helmen, +harnassen, lanspunten, vaantjes en banieren van een optrekkende +ruitertroep. [885] Eustache Deschamps bewondert het schoone van +draaiende molens, en van de zon in een dauwdruppel; La Marche merkt op, +hoe mooi het zonlicht op de blonde haren schijnt van een troep Duitsche +en Boheemsche ridders. [886]--Met die bewondering voor wat schittert +staat ook de versiering der kleeding in verband, die in de vijftiende +eeuw nog voornamelijk gezocht wordt in het opzetten van een overmatig +groot aantal edele steenen. Eerst later maken deze plaats voor linten +en strikken. Om die schittering nog met geklink te verhoogen, draagt +men schelletjes of geldstukken. La Hire draagt een rooden mantel geheel +beladen met groote zilveren koeklokken. De kapitein Salazar verschijnt +bij een intocht van 1465 met twintig geharnasten, wier paarden alle +bedekt zijn met groote zilveren klokken; op het dekkleed van zijn eigen +paard is aan elk der figuren, waarmee het bezaaid is, een groote schel +van verguld zilver gehecht. Bij den intocht van Lodewijk XI te Parijs in +1461 dragen de paarden van Charolais, Croy, Saint Pol en anderen op hun +dekkleeden tal van groote klokken; dat van Charolais draagt er een op +den rug, die tusschen vier pijlertjes hangt. Karel de Stoute verschijnt +op een tournooi in een feestgewaad bedekt met rinkelende rijnsguldens; +Engelsche edelen dragen hun kleed bezet met gouden nobels. [887] Op het +bruiloftsfeest van den graaf van Genève te Chambéry in 1434 voert een +groep van heeren en dames een dans uit, allen gekleed in het wit, bedekt +met "or clinquant", de heeren bovendien met breede gordels vol +schelletjes. [888] + +Hetzelfde naïeve behagen aan wat sterk de aandacht trekt, is ook op te +merken in den kleurenzin van den tijd. Om dezen volledig te bepalen, zou +een uitgebreid en statistisch onderzoek noodig zijn, dat zoowel de +kleurenschaal der beeldende kunst als die van kleeding en +versieringskunst betrof: wat de kleeding aangaat, zou zij meer uit de +talrijke beschrijvingen op te maken zijn, dan uit de schaars bewaarde +overblijfselen van stoffen. Hier volgen enkel eenige voorloopige +indrukken, gewonnen uit de beschrijving der kleedij bij tournooien en +intochten. Men heeft hier dus te doen met praal- en staatsiegewaden, +waarin natuurlijk een andere toonaard heerscht dan in de dagelijksche +kleeding. De gewone kleeding maakt reeds zeer veel gebruik van grijs, +zwart en paars. [889] Wat in de feest- en staatsiekleeding in de eerste +plaats treft, is het overheerschen van het rood. Niemand zal het +trouwens van dezen rooden tijd anders verwachten. Intochten zijn +dikwijls geheel in rood uitgemonsterd. [890] Daarnaast bekleedt het wit +als uniforme feestkleur een groote plaats. In de nevenschikking van +kleuren wordt elke combinatie geduld: rood-blauw, blauw-violet komen +voor. Op een feestvertooning, die La Marche beschrijft, verschijnt een +meisje in violette zijde op een hakkenei met een dekkleed van blauwe +zijde, geleid door drie mannen in vermiljoenroode zijde met kaproenen +van groene zijde. [891] Een voorliefde voor somber-gloeiende en +dof-bonte kleurschikkingen schijnt niet te miskennen. + +Opmerkelijk is, dat als hoofdkleur van den dos het zwart en het violet +veel grooter plaats innemen dan het groen en blauw, terwijl geel en +bruin bijna geheel ontbreken. Het zwart, vooral in fluweel gebruikt, +vertegenwoordigt ontegenzeggelijk de trotsche, sombere praal, die de +tijd bemint, den hoogmoedigen afstand van het vroolijk bonte, dat alom +schatert. Philips de Goede gaat na de jaren zijner jeugd altijd in 't +zwart, en dost er ook zijn gevolg en zijn paarden in. [892] Koning René, +die nog ijveriger naar distinctie en verfijning zocht, gebruikt als +kleuren grijs-wit-zwart. [893] + +De geringe plaats van het blauw en het groen moet overigens niet geheel +als een directe uiting van den kleurenzin worden verklaard. Onder al de +kleuren hadden vooral blauw en groen hun symbolisch gewicht, en die +beteekenis was zoo bijzonder, dat zij daardoor als kleuren van kleeding +bijna onbruikbaar werden. Beide toch waren het de kleuren der liefde: +groen verbeeldde de verliefdheid, blauw de trouw. [894] Of beter gezegd, +zij waren bij uitstek de kleuren der liefde, want ook de andere kleuren +konden dienst doen in de symboliek der minne. Deschamps zegt van de +minnaars: + + "Li uns se vest pour li de vert, + L'autre de bleu, l'autre de blanc, + L'autre s'en vest vermeil com sanc, + Et cilz qui plus la veult avoir + Pour son grant dueil s'en vest de noir." [895] + +Doch het groen was toch inzonderheid de kleur van de jonge, hoopvolle +liefde: + + "Il te fauldra de vert vestir, + C'est la livrée aux amoureulx." [896] + +Daarom behoort ook de dolende ridder in 't groen gekleed te gaan. +[897]--Met blauwe kleeding betoogt de minnaar zijn trouw; daarom laat +Christine de Pisan de dame antwoorden, als de minnaar op zijn blauwe dos +wijst: + + "Au bleu vestir ne tient mie le fait, + N'à devises porter, d'amer sa dame, + Mais au servir de loyal cuer parfait + Elle sans plus, et la garder de blasme + ... Là gist l'amour, non pas au bleu porter, + Mais puet estre que plusieurs le meffait + De faulseté cuident couvrir soubz lame + Par bleu porter...." [898] + +Daar ligt waarschijnlijk meteen de verklaring, waarom de blauwe kleur, +geveinsd gebruikt, ook de ontrouw ging beduiden, en met een overspringing +niet alleen de trouwelooze maar ook den bedrogene toekwam. De blauwe huik +beduidt in het Nederlandsch de echtbreekster, en de "cote bleue" is het +gewaad van den bedrogene: + + "Que cils qui m'a de cote bleue armé + Et fait monstrer au doy, soit occis." [899] + +Of hieruit weer de beteekenis van het blauw als kleur der dwaasheid in +het algemeen te verklaren is, immers de "blauwe scute" beduidt het +vehikel der mallen, blijve in het midden. + +Wanneer geel en bruin zoozeer op den achtergrond blijven, dan zal +daarbij de tegenzin tegen deze kleuren om hun kleurqualiteit, dus de +directe kleurenzin, wel met hun negatieve symbolische beteekenis +oorzakelijk samenhangen: met andere woorden, men hield niet van geel +en bruin, omdat men ze leelijk vond, en men kende er een ongunstige +beteekenis aan toe, omdat men ze leelijk vond. De ongelukkig gehuwde +zegt: + + "Sur toute couleur j'ayme la tennée + Pour ce que je l'ayme m'en suys habillée, + Et toutes les aultres ay mis en obly. + Hellas! mes amours ne sont pas ycy." + +Of in een ander liedje: + + "Gris et tannée puis bien porter + Car ennuyé suis d'espérance". [900] + +Het grijs komt, in tegenstelling met het bruin, overigens veel in de +feestkleedij voor; het had als kleur der treurigheid waarschijnlijk een +meer elegische nuance dan het bruin. + +Het geel had reeds de beteekenis van vijandschap. Hendrik van Wurtemberg +trekt den hertog van Bourgondië voorbij, met zijn gansche gevolg in het +geel gedost, "et fut le duc adverty que c'estoit contre luy." [901] + +Een oppervlakkige indruk, dat na het midden der vijftiende eeuw wit en +zwart afnemende zijn, terwijl blauw en geel toenemen, zou nadere +bevestiging behoeven. + + + +NOTEN: + + +[837] De Hoofdstukken XII en XIII vormen een omwerking en uitbreiding +van het essay: De kunst der Van Eyck's in het leven van hun tijd. De +Gids 1916, no. 6 en 7. + +[838] Rel. de S. Denis, II p. 78. + +[839] Rel. de S. Denis, II p. 413. + +[840] L.c., I p. 358. + +[841] Rel. de S. Denis, I p. 600; Juvenal des Ursins, p. 379. + +[842] La Curne de Ste Palaye, I p. 388; vgl. ook Journal d'un bourgeois +de Paris, p. 67. + +[843] Bourgeois de Paris, p. 179 (Karel VI); 309 (Isabella van Beieren); +Chastellain, IV p. 42, (Karel VII), I p. 332 (Henry V); Lefèvre de S. +Remy, II p. 65; M. d'Escouchy, II p. 424, 432; Chron. scand., I p. 21; +Jean Chartier, p. 319 (Karel VII); Quatrebarbes, Oeuvres du roi René, I +p. 129; Gaguini compendium super Francorum gestis, ed. Paris, 1500, +begrafenis van Karel VIII, f. 164. + +[844] Martial d'Auvergne, Vigilles de Charles VII. Les poésies de +Martial de Paris, dit d'Auvergne, Paris 1724, 2 vol., II p. 170. + +[845] B.v. Froissart, ed. Luce, VIII p. 43. + +[846] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 367. Een variant leest "proviseurs" +voor "peintres", maar het zinsverband maakt het laatste aannemelijker. + +[847] Pierre de Fenin, p. 624 van Bonne d'Artois: "et avec ce ne portoit +point d'estat sur son chief comment autres dames à elle pareilles". + +[848] La livre des trahisons, p. 156. + +[849] Chastellain, III p. 375; La Marche, II p. 340, III p. 165; +d'Escouchy, II p. 116; Laborde, II; zie Molinier, Les sources de l'hist. +de France, nos. 3645, 3661, 3663, 5030; Inv. des arch. du Nord, IV p. 195. + +[850] La Marche, II p. 340ss. + +[851] Laborde, II p. 326. + +[852] La Marche, III p. 197. + +[853] Laborde, II p. 375, no. 4880. + +[854] Laborde, II p. 322, 329. + +[855] Chastellain. V p. 26(2), Doutrepont, p. 156. + +[856] Juvenal des Ursins, p. 378. + +[857] Jacques du Clercq, II p. 280. + +[858] Foulquart, bij d'Héricault, Oeuvres de Coquillart, I p. 23(1). + +[859] Lefèvre de S. Remy, II p. 291. + +[860] Londen, National gallery; Berlijn, Kaiser Friedrich Museum. + +[861] W.H.J. Weale, Hubert and John van Eyck, Their life and work, +London-New York, 1908, p. 70(1). + +[862] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 197. + +[863] P. Durrieu, Les très richcs heures de Jean de France, duc de Berry +(Heures de Chantilly), Paris, 1904, p. 81. + +[864] Moll, Kerkgesch. II(3) p. 313 vg.; J.G.R. Acquoy, Het klooster +van Windesheim en zijn invloed, Utrecht, 1875-'80, 3 vol., II p. 249. + +[865] Th. a Kempis, Sermones ad novitios no. 28, Opera ed. Pohl. t. VI +p. 287. + +[866] Moll, l.c., II(2) p. 321, Acquoy. l.c., p. 222. + +[867] Chastellain. IV p. 218. + +[868] La Marche, II p. 398. + +[869] La Marche, II p. 369. + +[870] Chastellain, IV p. 136, 275, 359, 361, V p. 225; du Clercq, IV p. 7. + +[871] Chastellain. III p. 332; du Clercq, III p. 56. + +[872] Chastellain, V p. 44, II p. 281; La Marche, II p. 85; du Clercq, +III p. 56. + +[873] Chastellain, III p. 330. + +[874] du Clercq, III p. 203. + +[875] Facius, Liber de viris illustribus, ed. 1745, p. 46, bij Weale, +Hubert and John van Eyck, p. lxxiii. + +[876] Dion. Cartus., Opera, t. XXXIV p. 223. + +[877] L.c., p. 247, 230. + +[878] O. Zöckler, Dionys des Kartäusers Schrift De venustate mundi, +Beitrag zur Vorgeschichte der Asthetik, Theol. Studiën und Kritiken, +1881, p. 651. + +[879] Dion. Cart., Opera, t. I Vita p. xxxvi. + +[880] Dion. Cart., De vita canonicorum, art. 20, Opera, t. XXXVII, p. 197: +An discantus in divino obsequio sit commendabilis. + +[881] Molinet, I p. 73; vgl. 67. + +[882] Petri Alliaci De falsis prophetis, bij Gerson, Opera, I p. 538. + +[883] La Marche, II p. 361. + +[884] De venustate etc., t. XXXIV p. 242. + +[885] Froissart, ed. Luce, IV p. 90, VIII p. 43, 58, XI p. 53, 129; ed. +Kervyn, XI p. 340, 360, XIII p. 150, XIV p. 157, 215. + +[886] Deschamps, I p. 155; II p. 211, II no. 307, p. 208; La Marche, I +p. 274. + +[887] Livre des trahisons, p. 150, 156; La Marche, II p. 12, 347, III +p. 127, 89; Chastellain, IV p. 44; Chron. scand., I p. 26, 126. + +[888] Lefèvre de S. Remy, II p. 294, 296. + +[889] Couderc, Les comptes d'un grand couturier parisien au XVe siècle, +Bulletin de la soc. de l'hist. de Paris. XXXVIII, 1911, p. 125ss. + +[890] b.v. Monstrelet. V p. 2; du Clercq, I p. 348. + +[891] La Marche, II p. 343. + +[892] Chastellain, VII p. 223; La Marche, I p. 276, II p. 11, 68, 345; +du Clercq, II p. 197; Jean Germain, Liber de virtutibus, p. 11; +Jouffroy, Oratio, p. 173. + +[893] d'Escouchy, I p. 234. + +[894] Zie hierboven p. 201. (zie Hoofdstuk IV, noot 384) + +[895] Le miroir de mariage, XVII vs. 1650; Deschamps, Oeuvres, IX p. 57. + +[896] Chansons françaises du quinzième siècle, ed. G. Paris, (Soc. des +anciens textes français), 1875, no. XLX, p. 50; vgl. Deschamps, no. 415, +III p. 217, no. 419, ib. p. 223, no. 423, ib. p. 227, no. 481, ib. p. 302, +no. 728, IV p. 199; l'Amant rendu cordelier, h. 62, p. 23; Molinet, +Faictz et Dictz, fol. 176. + +[897] Blason des couleurs van den heraut Sicile (bij La Curne de Sainte +Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie II p. 56). Dit tractaat, dat +nog door Rabelais wordt bespot als het eertijds toonaangevende op het +stuk van de beteekenis der kleuren, was mij helaas niet toegankelijk. + +[898] Cent balades d'amant et de dame no. 92, Christine de Pisan, +Oeuvres poétiques, III p. 299. Vgl. Deschamps, X no. 52; L'histoire et +plaisante cronicque du petit Jehan de Saintré, ed. G. Hellény, Paris, +1890. p. 415. + +[899] Le Pastoralet, vs. 2054, p. 636; vgl. Les cent nouvelles +nouvelles, II p. 118: "craindroit très fort estre du rang des bleuz +vestuz, qu'on appelle communement noz amis." + +[900] Chansons du XVe siècle, no. 5, p. 5, no. 87, p. 85. + +[901] La Marche, II p. 207. + + + * * * * * + + +XIII + +HET BEELD EN HET WOORD + + +De nieuwe gedachten, die straks als Renaissance en Hervorming aan het +firmament zullen staan, vinden in de Fransch-Nederlandsche kunst en +litteratuur der vijftiende eeuw nog zoo goed als geen uitdrukking. +De beeldende kunst en de letterkunde dienen nog uitsluitend den geest, +die afstervende is: den geest der eindigende Middeleeuwen. Zij vinden +nauwelijks een andere taak dan het volkomen uitbeelden en versieren van +lang doordachte voorstellingen. De gedachte schijnt uitgeput, de geest +wacht nieuwe bevruchting. + +In perioden, waarin de schepping van schoonheid zich bepaalt tot louter +omschrijving en uitdrukking van reeds bezonken en doorwerkt gedachten- +materiaal, krijgt de beeldende kunst een dieper waarde dan de litteratuur. +Dat geldt niet voor den tijdgenoot. Voor hem heeft de gedachte, al +bloeit zij niet meer, nog zooveel treffends en belangrijks, dat hij haar +in den versierden vorm, waarin de litteratuur haar kleedt, bemint en +bewondert. Al de voor ons zoo hopeloos eentonige en oppervlakkige +gedichten, waarin de vijftiende eeuw haar lied zingt, zijn door de +tijdgenooten met veel uitbundiger lof bedacht, dan zij aan eenig +schilderstuk hebben gewijd. De diepe gevoelswaarde van de beeldende +kunst is hun nog niet bewust geworden, althans niet zoo, dat zij die +konden uitdrukken. + +Het feit, dat uit het overgroote deel dier litteratuur voor ons alle +geur en heerlijkheid geweken is, terwijl de kunst ons dieper roert dan +mogelijk ooit den tijdgenoot, valt te verklaren uit het fundamenteele +verschil van de werking van kunst en woord. Het zou te gemakkelijk en +tevens te onbegrijpelijk zijn, indien men het zocht in de hoedanigheid +der talenten: zoo, dat de dichters, met uitzondering van Villon en +Charles d'Orléans, louter conventioneele leeghoofden geweest zouden +zijn, en de schilders genieën. + +Waar twee hetzelfde doen, is het niet hetzelfde. Als de schilder zich +bepaalt tot het eenvoudig weergeven eener uiterlijke werkelijkheid in +lijn en kleur, dan legt hij toch steeds achter die louter formeele +nabootsing een overschot van het onuitgesprokene en onuitsprekelijke. +Maar de dichter, die niet hooger poogt dan een zichtbare of reeds +doordachte werkelijkheid in het woord uit te drukken, put in het woord +den schat van het onuitgesprokene uit. Het kan zijn, dat rythme en klank +daarin nieuwe onuitgesproken schoonheid brengt. Maar zijn ook deze +elementen zwak, dan behoudt het gedicht zijn werking slechts zoo lang, +als de gedachte zelf den hoorder boeit. De tijdgenoot reageert nog op +het woord van den dichter met een drom van levende associaties, want de +gedachte zit in zijn leven geweven, en hij waant haar nieuw en bloeiend +in den tooi van het nieuw gevonden woord. + +Doch als de gedachte niet meer treft om haarzelve, dan heeft het +gedicht, tenzij het onuitgesproken rijkdom heeft, zijn werking verloren. +De litteratuur der vijftiende eeuw nu heeft nauwelijks een waarlijk +nieuwe gedachte. Het is een eindeloos postludeeren op afgezaagde +thema's. Daarbij heeft zij veelal geringe qualiteiten van rythme en +klank. Waaraan zou het gedicht dan zijn duurzame werking kunnen +ontleenen? + +De tijd voor den schilder van zulk een geestestijdperk komt eerst later. +Want hij leeft van den schat van het uitgesprokene, en het is de volheid +van dien schat, welke de diepste en duurzaamste werking van alle kunst +bepaalt. Aanschouw de portretten van Jan van Eyck. Hier is het spitse, +zuinige gezicht van zijn vrouw. Daar is de strakke, morose aristocratenkop +van Baudouin de Lannoy. Daar is de huiveringwekkende gesloten tronie van +den kanunnik Van de Paele. Daar is de ziekelijke gelatenheid van den +Berlijnschen Arnolfini, de Egyptische geheimzinnigheid van "Leal souvenir". +In allen ligt het wonder van de tot den bodem gepeilde persoonlijkheid. +Het is de diepste karakterschildering, die mogelijk is: gezien, +onuitgesproken. Al ware Jan van Eyck tevens de grootste dichter van zijn +eeuw geweest, de geheimenis, die hij in het beeld openbaarde, zou hij in +het woord niet hebben kunnen benaderen. + +Dat is de diepste grond, waarom er, bij gelijkheid van houding en geest, +tusschen kunst en litteratuur der vijftiende eeuw geen evenredigheid te +verwachten is. Is eenmaal dit verschil erkend, dan blijkt bij een +vergelijking van de litteraire en de picturale uitdrukking aan bepaalde +voorbeelden, en in bijzonderheden, de gelijksoortigheid toch weer veel +grooter, dan zij aanvankelijk scheen. + +Indien men aan de eene zijde als de meest representatieve kunstuiting +het werk der Van Eyck's en hun volgers kiest, welke voortbrengselen der +letterkunde moeten dan daarnevens worden gesteld, om zuiver te kunnen +vergelijken? Niet in de eerste plaats die, welke dezelfde onderwerpen +behandelen, maar die welke ontspringen aan dezelfde bronnen, voortkomen +uit dezelfde levenssfeer. Dat is, gelijk hierboven werd aangetoond, +de sfeer van het weelderige hof en de rijke, grootdoende burgerij. +De letterkunde, die op één lijn staat met de kunst der Van Eyck's, +is de hoofsche, althans aristocratische letterkunde, in het Fransch +geschreven, gelezen en bewonderd door de kringen, die de opdrachten +gaven aan de groote schilders. + +Schijnbaar is hier een groot contrast, dat bijna elke vergelijking +doelloos maakt: de stof der schilderkunst is overwegend godsdienstig, +die der Fransch-Bourgondische letterkunde overwegend wereldsch. Doch +naar twee zijden is hier onze blik te kort: in de beeldende kunst heeft +eenmaal het wereldlijk element een veel breeder plaats ingenomen, dan +het bewaarde ons doet vermoeden, en in de litteratuur pleegt onze +aandacht te sterk bepaald te worden bij de wereldlijke genres. Het +minnedicht, de uitloopers van den _Roman de la rose_, de afleggers van +den ridderroman, de opkomende novelle, de satire, de geschiedschrijvers, +dat zijn de uitingen, waarmee de litteratuurgeschiedenis zich in de +eerste plaats bezig houdt. De schilderkunst, dat is voor ons allereerst +de diepe ernst van het altaarstuk en het portret; de litteratuur, dat is +allereerst de wulpsche glimlach der erotische satire en de eentonige +gruwelen der kroniek. Het is bijna, alsof die eeuw slechts haar deugden +geschilderd en haar zonden beschreven had. Doch ook naar den kant der +litteratuur is zulk een blik te beperkt. Niet alleen namen in de rijke +boekerij der Bourgondische hertogen de vrome boeken nog altijd de +voornaamste plaats in, maar ook in de wereldsche letterkunde zelve doet +het vrome, stichtelijke en moraliseerende element zich voortdurend +gelden, vaak te midden van de grootste frivoliteit. + +Gaan wij nog eenmaal uit van de sterke onevenredigheid van werking, die +kunst en litteratuur der vijftiende eeuw in ons teweegbrengen. Met +uitzondering van enkele dichters, werkt de litteratuur vermoeiend en +vervelend. Eindeloos uitgesponnen allegorieën, waarin geen figuur iets +nieuws of eigens vertoont, en waarvan de inhoud niet anders is dan de +lang gebottelde en vaak verschaalde zedelijke wijsheid van eeuwen her. +Altijd weer dezelfde formeele thema's: de slaper in den boomgaard, waar +hem een zinnebeeldige dame verschijnt, de ochtendwandeling in den jongen +Mei, het twistgesprek tusschen de dame en den minnaar of tusschen twee +vriendinnen of welke andere combinatie ook over een punt uit de +casuïstiek der liefde. Wanhopige oppervlakkigheid, klatergoud van +stijlversiering, bloemzoet romantisme, versleten fantazie, nuchtere +moralisatie:--steeds weer komt bij ons de verzuchting op: Zijn dit de +tijdgenooten van Jan van Eyck? Zou hij dit alles bewonderd hebben?--Zeer +waarschijnlijk wel. Het is niet vreemder, dan dat Bach zich behielp met +de kleinburgerlijkste rijmelaars van een rheumatisch kerkgeloof. + +De tijdgenoot, die de werken der kunst ziet geboren worden, neemt ze +alle gelijkelijk op in zijn levensdroom. Hij waardeert ze niet op hun +objectieve aesthetische volmaaktheid, maar op de volheid van weerklank, +dien zij wekken door de heiligheid of de hartstochtelijke levendheid van +hun stof. Wanneer met den tijd die oude levensdroom is voorbijgegaan, +en de heiligheid en de hartstocht zijn vergaan als de geur van een roos, +dan eerst begint het kunstwerk zuiver als kunst te werken, dat wil +zeggen door zijn middelen van uitdrukking, door zijn stijl, zijn bouw, +zijn harmonie. Deze kunnen ten opzichte van beeldende kunst en +litteratuur feitelijk dezelfde zijn en toch het aanzijn geven aan een +geheel verschillende kunstwaarde. + +Litteratuur en kunst der vijftiende eeuw deelen beide in die algemeene +eigenschap, die hierboven als een der meest essentieele van den +laat-middeleeuwschen geest werd aangemerkt: de volledige uitwerking van +alle bijzonderheden, de zucht om geen gedachte of voorstelling, die zich +opdrong, onontplooid te laten, om alles in zijn scherpste zichtbaarheid +en doordachtheid te verbeelden. Erasmus vertelt, dat hij eens te Parijs +een geestelijke veertig dagen lang hoorde preeken over de gelijkenis van +den verloren zoon, om daarmee den ganschen vastentijd te vullen. Hij +beschreef de heenreis en de terugreis, hoe hij nu eens in een herberg +middagmaalde met tongenpastei, dan weer een watermolen voorbijkwam, dan +dobbelde, dan in een gaarkeuken afstapte, en hij wrong de woorden van de +profeten en evangelisten, om op die verzonnen beuzelpraatjes te slaan. +"En daarmee leek hij aan de onervaren schare en aan de vette groote +heeren een god gelijk." [902] + +Die eigenschap der ongebreidelde uitwerking worde hier eenigermate +analyseerend gedemonstreerd aan twee schilderijen van Jan van Eyck. +Vooreerst de Madonna van den kanselier Rolin in het Louvre. + +De pijnlijke nauwgezetheid, waarmee de stof der gewaden, het marmer van +de vloertegels en zuilen, de glinstering der vensterruiten, het misboek +van den kanselier zijn behandeld, zou ons bij ieder ander dan Van Eyck +de qualificatie schoolmeesterachtig ontlokken. Er is zelfs één détail, +waarin de overmatige geacheveerdheid werkelijk storend werkt: de +versiering der kapiteelen, waarop in den hoek als 't ware tusschen +haakjes de verdrijving uit het Paradijs, het offer van Caïn en Abel, het +verlaten der arke Noach's en de zonde van Cham zijn verbeeld. Doch eerst +buiten de open hal, die de hoofdfiguren omhult, bereikt de lust aan de +uitwerking der détails zijn volle kracht. Daar ontrolt zich als doorkijk +door de kolonnade het wonderbaarlijkste vergezicht, dat Van Eyck ooit +heeft geschilderd. De beschrijving ervan moge ontleend worden aan +Durand-Gréville. [903] + +"Si, attiré par la curiosité, on a l'imprudence de l'approcher d'un peu +trop près, c'est fini, on est pris pour tout le temps que peut durer +l'effort d'une attention soutenue; on s'extasie devant la finesse du +détail; on regarde, fleuron à fleuron, la couronne de la Vierge, une +orfèvrerie de rêve; figure à figure, les groupes qui remplissent, sans +les alourdir les chapiteaux des piliers; fleur à fleur, feuille à +feuille, les richesses du parterre; l'oeil stupéfait découvre, entre la +tête de l'enfant divin et l'épaule de la Vierge, dans une ville pleine +de pignons et d'élégants clochers, une grande église aux nombreux +contreforts, une vaste place coupée en deux dans toute sa largeur par +un escalier où vont, viennent, courent d'innombrables petits coups de +pinceau qui sont autant de figures vivantes; il est attiré par un pont +en dos d'âne chargé de groupes qui se pressent et s'entrecroisent; il +suit les méandres d'un fleuve sillonné de barques minuscules, au milieu +duquel, dans une île plus petite que l'ongle d'un doigt d'enfant, se +dresse, entouré d'arbres, un château seigneurial aux nombreux +clochetons; il parcourt, sur la gauche, un quai planté d'arbres, peuplé +de promeneurs; il va toujours plus loin, franchit une à une les croupes +de collines verdoyantes; se repose un moment sur une ligne lointaine de +montagnes neigeuses, pour se perdre ensuite dans l'infini d'un ciel à +peine bleu, où s'estompent de flottantes nuées." + +En nu het wonder: in dit alles gaat, anders dan Michel Angelo's discipel +beweerde, de eenheid en harmonie niet te loor. "Et quand le jour tombe, +une minute avant que la voix des gardiens ne vienne mettre fin à votre +contemplation, voyez comme le chef d'oeuvre se transfigure dans la +douceur du crépuscule; comme son ciel devient encore plus profond; comme +la scène principale, dont les couleurs se sont évanouies, se plonge dans +l'infini mystère de l'Harmonie et de l'Unité...." + +Een ander stuk, dat zich voor de beschouwing van de eigenschap der +onbeperkte détailleering bijzonder leent, is de Annunciatie in de +Ermitage te Petrograd. Wanneer het drieluik, waarvan dit stuk het +rechterblind uitmaakt, in zijn geheel heeft bestaan, welk een +wonderrijke schepping moet het zijn geweest! Het is, alsof Van Eyck hier +al de voor niets terugschrikkende virtuositeit van den meester, die +alles kan en alles durft, heeft willen uitvoeren. Het is tegelijk het +meest primitieve, meest hieratische van zijn werken en het meest +geraffineerde. De boodschap van den Engel wordt niet gebracht in de +intimiteit van de binnenkamer (het tooneel, waarvan de gansche +binnenhuisschildering haar oorsprong nam), maar, zooals de vormencode +van de oudere kunst het had voorgeschreven, in een kerk. In houding en +gelaatsuitdrukking missen beide figuren de zachte gevoeligheid der +Annunciatie op den buitenkant van het Lam. Het is een staatsiebuiging, +waarmee de Engel Maria begroet, en hij komt niet met den lelietak zooals +daar, niet met het hoofd omgord door een smallen diadeem, doch met een +schepter en een rijke kroon, en op zijn aangezicht de strakke, +aeginetische lach. In gloeiende kleurenpracht en schittering van +paarlen, goud en gesteente overtreft hij alle engelfiguren, die Van Eyck +schilderde. Groen en goud het kleed, donkerrood en goud de brokaatmantel, +en de vleugelen bezet met pauweveeren. Het boek voor Maria, het kussen +op de schemel zijn weer met de doordringendste zorg afgewerkt. In het +kerkgebouw zijn de détails met een anecdotische uitvoerigheid aangebracht. +De vloersteenen vertoonen behalve de teekenen van den dierenriem, waarvan +er vijf zichtbaar zijn, drie tafereelen uit de geschiedenis van Simson en +een uit die van David. De achterwand van de kerkruimte is versierd met +beeltenissen van Isaac en Jacob in medaillons tusschen de bogen, van +Christus op den aardbol met twee Seraphs in een glasvenster geheel bovenin, +en daarnaast als muurschilderingen nog het vinden van het kind Mozes, en +het ontvangen van de tafelen der wet, alles opgehelderd door leesbare +opschriften. Eerst in de vakken van de houten zoldering wordt de decoratie, +die ook daar nog is aangeduid, onduidelijk voor het oog. + +En dan weer het wonder: bij die opeenhooping van uitgewerkte bijzonderheden +gaat evenmin als bij de Madonna van Rolin de eenheid van toon en stemming +verloren. Daar was het de vroolijkheid van een helder buitenlicht, dat den +blik over de hoofdvoorstelling heen in wijde verten trok; hier hult de +geheimzinnigste donkerte van het hooge kerkgebouw het geheel in zulk een +waas van ernst en mysterie, dat het oog schier met moeite de anecdotische +détails komt te ontwaren. + +Ziedaar het effekt der "ongebreidelde uitwerking" in de schilderkunst. +De schilder, deze schilder, kon binnen een ruimte van nog geen halven +vierkanten meter zijn ongebondensten lust tot détailleering den vrijen +loop laten, (of moet het zijn: aan de lastigste opdrachten van een +ondeskundigen vrome voldoen?), zonder ons meer te vermoeien dan een blik +op het levend gewemel der werkelijkheid het zelve doet. Want het bleef +één blik; de dwang der dimensiën legde beperking op, en het doordringen +in de schoonheid en de bijzonderheid van dat alles, wat afgebeeld staat, +geschiedt zonder denkinspanning; veel geacheveerdheden worden niet eens +opgemerkt, of verdwijnen terstond weer uit het bewustzijn, en werken +enkel coloristisch of perspectivisch. + +Wanneer men die algemeene eigenschap "oneindige uitwerking der +bijzonderheden" ook aan de litteratuur der vijftiende eeuw toekent, dan +is het in anderen zin. Niet in den zin van een ragfijn détailleerend +naturalisme, dat zich vermeit in de uitvoerige beschrijving van het +uiterlijk der dingen. Zoo kent deze letterkunde haar nog niet. De +natuur- en persoonsbeschrijving werkt nog met de eenvoudige middelen der +middeleeuwsche poëzie: de afzonderlijke objecten, die tot de stemming +van den dichter meewerken, worden vermeld, niet beschreven; het +substantief overheerscht het adjectief; enkel de hoofdqualiteiten +dier objecten, b.v. de kleuren, het geluid, worden geconstateerd. +De ongebreidelde uitwerking der bijzonderheden is in de litteraire +verbeelding meer quantitatief dan qualitatief; zij bestaat meer in het +opsommen van zeer vele objecten dan in het ontleden van de hoedanigheid +der objecten afzonderlijk. De dichter verstaat de kunst van weglaten +niet, hij kent het ledige vlak niet, hij mist het orgaan voor het effekt +van het verzwegene. Dit geldt evenzeer de gedachten, die hij uitdrukt, +als de beelden, die hij oproept. Ook de gedachten, doorgaans zeer +eenvoudig, die het onderwerp wekt, worden in de uiterste volledigheid +opgesomd. Het geheele raam van het dichtwerk is evenzeer overvuld met +détails als het schilderstuk. Hoe komt het nu, dat daar die overvuldheid +zoo veel minder harmonisch werkt? + +Dit is tot zekere hoogte zoo op te vatten, dat de verhouding van +hoofdzaak en bijzaken ten opzichte van de poëzie juist andersom is als +ten opzichte der schilderkunst. In het schilderij is het verschil +tusschen hoofdzaak (dat is: de adequate uitdrukking van het onderwerp) +en bijwerk gering. Alles is er essentieel. Een enkel détail kan voor ons +de volkomenste harmonie van het werk bepalen. + +Is het in de schilderkunst der vijftiende eeuw wel in de eerste plaats +de diepe vroomheid, dus de adequate uitdrukking van het onderwerp, welke +wij bewonderen? Neem het Gentsche altaar. Hoe weinig aandacht trekken +de groote figuren van God Vader, Maria en Johannes den Dooper. In het +hoofdtafereel gaat onze blik steeds weer van het Lam, de centrale +voorstelling, de hoofdzaak van het kunstwerk, terzijde naar de stoeten +der aanbidders, naar den achtergrond, naar de natuurschildering. En nog +meer daarbuiten wordt de blik getrokken naar Adam en Eva, naar de +portretten der stichters. Al ligt dan althans in het tafereel der +Annunciatie de innige, ernstige bekoring in de figuren van den engel en +de maagd, dus in het expressief-vrome, zelfs daar verblijdt ons haast +nog meer het koperen keteltje en de doorkijk in de zonnige straat. Het +zijn de détails, die voor den maker louter bijwerk waren, welke hier +doen bloeien in zijn stillen schijn het mysterie van het alledaagsche, +de onmiddellijke aandoening over het wonder van alle dingen, en dat +verbeeld. Er is, tenzij wij voor het Lam komen met een primair +godsdienstige waardeering, geen verschil tusschen onze kunstemotie over +de heilige voorstelling van de aanbidding der eucharistie, en over het +vischstalletje van Emanuel de Witte in het Museum Boymans. + +Nu is juist in het détail de schilder volkomen vrij. Wat de hoofdzaak +betreft, de voorstelling van het heilige onderwerp, is hem een strenge +conventie opgelegd; elk kerkelijk tafereel heeft zijn iconografischen +code, waarvan geen afwijking wordt gedoogd. Maar hij behoudt een +onbegrensd veld voor de vrije ontplooiing van zijn scheppingslust. +In de gewaden, de accessoires, den achtergrond kan hij ongehinderd en +ongedwongen doen, wat des schilders is: schilderen namelijk, door geen +conventie belemmerd, geven wat hij ziet en zooals hij 't ziet. De +hechte, strakke bouw van het heilige tafereel draagt den rijkdom der +détails als een lichten schat, als een vrouw bloemen op haar kleed. + +In de poëzie der vijftiende eeuw nu is de verhouding in zekeren zin +andersom. In de hoofdzaak is de dichter vrij; hij mag een nieuwe +gedachte vinden, als hij kan, terwijl juist het détail, de achtergrond, +in hooge mate door conventie beheerscht worden. Er bestaat voor ongeveer +alle bijzonderheden een norm van uitdrukking, een schablone, die men +ongaarne prijsgeeft. Bloemen, natuurgenot, smarten en vreugden, ze +hebben hun geijkte uitdrukkingsvormen, waaraan de dichter wat poetsen en +kleuren kan, zonder ze te vernieuwen. + +Hij poetst en kleurt in het oneindige, want hij mist de heilzame +beperking, die den schilder is opgelegd door het te vullen vlak; des +dichters vlak is altijd onbeperkt. Hij is vrij van de beperking der +materieele middelen, en juist wegens die vrijheid moet hij naar +verhouding een grooter geest zijn dan de schilder, om iets goeds te +maken. Ook de middelmatige schilders blijven een vreugde voor het +nageslacht, maar de middelmatige dichter zinkt in vergetelheid. + +Om het effekt der "ongebreidelde uitwerking" aan een dichtwerk der +vijftiende eeuw te demonstreeren, zou men er eigenlijk een in zijn +geheel (en ze zijn lang!) op den voet moeten volgen. Daar dit niet +mogelijk is, mogen enkele staaltjes volstaan. + +Alain Chartier gold in zijn tijd als een der grootste dichters; hij is +vergeleken met Petrarca; nog Clément Marot telt hem onder de eersten. +Van de vereering, die hij genoot, getuigt het verhaaltje, dat hierboven +reeds werd meegedeeld. [904] Men mag hem dus, uitgaande van zijn tijd +zelf, naast een der grootste schilders plaatsen. Het begin van zijn +gedicht _Le livre des quatre dames_, een samenspraak van vier +edelvrouwen, wier minnaars bij Azincourt gestreden hebben, geeft, zooals +de regel is, het landschap, den achtergrond van het beeld. [905] Dit +landschap zij vergeleken met het welbekende landschap van het Gentsche +altaarstuk: de wonderlijke bloemenweide met haar minutieus uitgevoerde +vegetatie, met de kerktorens achter de lommerige heuvelkruinen, een +voorbeeld van de ongebreideldste uitwerking. + +De dichter gaat den lentemorgen in, om zijn langdurige zwaarmoedigheid +te verdrijven. + + "Pour oublier melencolie, + Et pour faire chiere plus lie, + Ung doulx matin aux champs issy, + Au premier jour qu' amours ralie + Les cueurs en la saison jolie...." + +Dit is alles louter conventioneel, en geen schoonheid van rythme of +klank verheft het boven het glad-middelmatige. Nu komt de schildering +van den lentemorgen. + + "Tout autour oiseaulx voletoient, + Et si très-doulcement chantoient, + Qu'il n'est cueur qui n'en fust joyeulx. + Et en chantant en l'air montoient, + Et puis l'un l'autre surmontoient + A l'estriveé a qui mieulx mieulx. + Le temps n'estoit mie nueux, + De bleu estoient vestuz les cieux, + Et le beau soleil cler luisoit." + +De eenvoudige vermelding van de heerlijkheden van tijd en plaats zou +hier zeer goed werken, wanneer de dichter zich had weten te beperken. Er +is wel een bekoring in het heel simpele van dit natuurgedicht, maar het +mist elken sterken _vorm_. In een sukkeldraf gaat de opsomming voort; na +een nadere beschrijving van het vogelgezang volgt: + + "Les arbres regarday flourir, + Et liêvres et connins courir. + Du printemps tout s'esjouyssoit. + Là sembloit amour seignourir. + Nul n'y peult vieillir ne mourir, + Ce me semble, tant qu'il y soit. + Des erbes ung flair doulx issoit, + Que l'air sery adoulcissoit, + Et en bruiant par la valee + Ung petit ruisselet passoit, + Qui les pays amoitissoit, + Dont l'eaue n'estoit pas salee. + Là buvoient les oysillons, + Apres ce que des grisillons, + Des mouschettes et papillons + Ilz avoient pris leur pasture. + Lasniers, aoutours, esmerillons + Vy, et mouches aux aguillons, + Qui de beau miel paveillons + Firent aux arbres par mesure. + De l'autre part fut la closture + D'ung pré gracieux, où nature + Sema les fleurs sur la verdure, + Blanches, jaunes, rouges et perses. + D'arbres flouriz fut la ceinture, + Aussi blancs que se neige pure + Les couvroit, ce sembloit paincture, + Tant y eut de couleurs diverses." + +Een beekje murmelt over kiezelsteenen; visschen zwemmen erin, een +boschje spreidt zijn takken als groene gordijnen over den oever. En +opnieuw volgt een opsomming van vogels: daar nestelen eenden, duiven, +reigers, fazanten. + +Wat is het effekt van de uitgebreide uitwerking van het natuurtafereel +in het gedicht, vergeleken met het schilderstuk, de uitdrukking derhalve +van eenzelfde inspiratie met verschillende middelen?--Dat de schilder +door den aard van zijn kunst gedwongen is tot eenvoudige natuurgetrouwheid, +terwijl de dichter zich verliest in vormlooze oppervlakkigheid en het +opsommen van conventioneele motieven. + +De poëzie staat in dit opzicht niet zoo na aan de schilderkunst als het +proza. Dit laatste is minder gebonden aan bepaalde motieven. Het beoogt +soms nadrukkelijker de nauwkeurige weergave van een geziene werkelijkheid. +Het voert die uit met vrijer middelen. Daardoor vertoont het proza +misschien beter dan de poëzie de diepere verwantschap van litteratuur en +kunst. + +De grondtrek van den laat-middeleeuwschen geest is zijn overmatig +visueel karakter. Deze staat in nauw verband met de atrophieering der +gedachte. Er wordt in gezichtsvoorstellingen gedacht. Alles wat men +uitdrukken wil, wordt neergelegd in een zichtbaar beeld. De volstrekte +gedachtenleegheid van de allegorische vertooningen of gedichten kon +worden geduld, omdat de bevrediging geheel in het geziene lag. De +neiging om het uiterlijk zichtbare onmiddellijk weer te geven vond een +sterker en volkomener uiting door picturale middelen dan door +litteraire. En eveneens een sterker uiting door de middelen van het +proza dan door die der poëzie. Vandaar dat het proza der vijftiende eeuw +in vele opzichten middenevenredig staat tusschen de schilderkunst en de +poëzie. Alle drie hebben zij gemeen de onbeteugelde uitwerking der +bijzonderheden, maar deze leidt in de schilderkunst en het proza tot een +direct realisme, dat de poëzie niet kent, zonder dat zij er veel beters +voor in de plaats heeft. + +Het is met name één schrijver, in wiens werken dezelfde kristalheldere +visie op het uiterlijk der dingen ons treft, die Van Eyck heeft bezeten, +namelijk Georges Chastellain. Hij was een Vlaming uit het land van +Aalst. Al noemt hij zich "léal François", "François de naissance", het +schijnt wel, dat het Dietsch toch zijn moedertaal is geweest. La Marche +noemt hem "natif Flameng, toutesfois mettant par escript en langaige +franchois". Hij zelf stelt met nederig welgevallen zijn Vlaamsche +eigenschappen van grove landelijkheid in het licht; hij spreekt van +"sa brute langue", noemt zich "homme flandrin, homme de palus bestiaux, +ygnorant, bloisant de langue, gras de bouche et de palat et tout +enfangié d'autres povretés corporelles à la nature de la terre." [906] +Aan dien volksaard dankt hij den al te zwaren cothurnengang van zijn +opgesierd proza, die plechtstatige "grandiloquence", welke hem voor +Fransche lezers altijd min of meer ongenietbaar maakt. Zijn prachtstijl +heeft een zekere elefantische plompheid; hij heet met recht bij een +tijdgenoot "cette grosse cloche si haut sonnant." [907]--Doch aan zijn +Vlaamschen aard dankt hij wellicht ook het scherp geziene en de sappige +kleurigheid, waarmee hij herhaaldelijk aan hedendaagsche Belgische +schrijvers doet denken. + +Tusschen Chastellain en Jan van Eyck is onmiskenbare verwantschap, bij +verschil in hoogheid. Van Eyck op zijn slechtst is ongeveer Chastellain +op zijn best, en het is al wel, om in het mindere Van Eyck te evenaren. +Ik denk bij voorbeeld aan de zingende engelen op het Gentsche altaarstuk. +Die zware gewaden, vol donker rood en goud en fonkelende steenen, die al +te uitdrukkelijke grimas, die ietwat beuzelachtige versiering van den +muzieklessenaar, dat vertegenwoordigt in de schilderkunst de pronkende +grootsprakigheid van den litterairen Bourgondischen hofstijl. Doch terwijl +in de schilderkunst dit rhetorische element een ondergeschikte plaats +inneemt, is het hoofdzaak in het proza van Chastellain. Zijn scherpe +observatie en levend realisme verdrinkt veelal in den vloed van al te +fraai aangekleede frazen en ronkende woordenpraal. + +Zoodra evenwel Chastellain een gebeurtenis beschrijft, die zijn +Vlaamschen geest bijzonder boeit, komt er bij alle statigheid een +directe, beeldende forschheid in zijn verhaal, die het uiterst treffend +maakt. Van gedachte is hij niet rijker dan zijn tijdgenooten; het is de +lang rondgegane pasmunt van godsdienstige, zedelijke en ridderlijke +overtuigingen, die bij hem als gedachte fungeert. De voorstelling +verloopt geheel aan de oppervlakte. Doch de verbeelding is scherp en +levend. + +Zijn portret van Philips den Goede heeft bijna de onmiddellijkheid van +een Van Eyck. [908] Met de behagelijkheid van een chroniqueur, die in +zijn hart novellist is, heeft hij een bijzonder uitvoerig verhaal +gegeven van een twist tusschen den hertog en zijn zoon Karel uit het +begin van het jaar 1457. Nergens komt zijn sterk visueel opnemen van de +dingen zoo goed uit; al de uiterlijke omstandigheden van deze gebeurtenis +zijn met volmaakte scherpte weergegeven. Het zal noodig zijn, eenigszins +omvangrijke passages te citeeren. + +Er was een kwestie over een post in de hofhouding van den jongen graaf +van Charolais. De oude hertog wilde, tegen een vroeger gegeven belofte, +de plaats gunnen aan een der Croy's, bij hem in blakende gunst; Karel, +die deze gunst ongaarne zag, verzette zich er tegen. + +"Le duc donques par un lundy qui estoit le jour Saint-Anthoine, [909] +après sa messe, aiant bien désir que sa maison demorast paisible et sans +discention entre ses serviteurs, et que son fils aussi fist par son +conseil et plaisir, après que jà avoit dit une grant part de ses heures +et que la cappelle estoit vuide de gens, il appela son fils à venir vers +luy et lui dist doucement: "Charles, de l'estrif qui est entre les sires +de Sempy et de Hémeries pour le lieu de chambrelen, je vueil que vous y +mettez cès et que le sire de Sempy obtiengne le lieu vacant." Adont dist +le conte: "Monseigneur, vous m'avez baillié une fois vostre ordonnance +en laquelle le sire de Sempy n'est point, et monseigneur, s'il vous +plaist, je vous prie que ceste-là je la puisse garder."--"Déa, ce dit +le duc lors, ne vous chailliez des ordonnances, c'est à moy à croistre +et à diminuer, je vueil que le sire de Sempy y soit mis."--"Hahan! ce +dist le conte (car ainsi jurait tousjours), monseigneur, je vous prie, +pardonnez-moy, car je ne le pourroye faire, je me tiens à ce que vous +m'avez ordonné. Ce a fait le seigneur de Croy qui m'a brassé cecy, je le +vois bien."--"Comment, ce dist le duc, me désobéyrez-vous? ne ferez-vous +pas ce que je vueil?"--"Monseigneur, je vous obéyray volentiers, mais je +ne feray point cela." Et le duc, à ces mots, enfelly de ire, respondit: +"Hà! garsson, désobéyras-tu à ma volenté? va hors de mes yeux," et le +sang, avecques les paroles, lui tira à coeur, et devint pâle et puis à +coup enflambé et si espoentable en son vis, comme je l'oys recorder au +clerc de la chapelle qui seul estoit emprès luy, que hideur estoit à le +regarder".... + +Is dit niet krachtig? het stille begin, het in korte woordenwisseling +opvlammen van den toorn, de hortende spraak van den zoon, waarin men als +'t ware den heelen Karel den Stoute al herkent? + +De blik, dien de hertog op zijn zoon werpt, verschrikt de hertogin (wier +aanwezigheid tot dusver nog niet was vermeld) zoozeer, dat zij haastig, +haar zoon voor zich uit duwende, uit het bidvertrek, [910] door de kapel, +zwijgend, haar gemaal's toorn wil ontvlieden. Maar zij moesten verscheiden +hoeken om tot de deur, en de klerk had den sleutel. "Caron, ouvre-nous", +zegt de hertogin, maar de klerk valt haar te voet, en smeekt, dat haar +zoon vergiffenis moge vragen, eer zij de kapel verlaten. Zij wendt zich +met een smeekende vermaning tot Karel, doch deze antwoordt hooghartig en +luid: "Déa, madame, monseigneur m'a deffendu ses yeux et est indigné sur +moy, par quoy, après avoir eu celle deffense, je ne m'y retourneray point +si tost, ains m'en yray à la garde de Dieu, je ne sçay où." Toen klinkt +opeens de stem van den hertog, die, mat van woede, in zijn bidstoel is +blijven zitten ... en de hertogin, in doodelijken angst, tot den klerk: +"Mon amy, tost, tost ouvrez-nous, il nous convient partir ou nous sommes +morts." + +--Nu werkt bij Philips het felle bloed der Valois bedwelmend: in zijn +vertrekken teruggekeerd, vervalt de oude hertog in een soort van +jongensachtige verdwazing. Tegen den avond rijdt hij, alleen en +onvoldoende beschut, heimelijk uit Brussel. "Les jours pour celle heurre +d'alors estoient courts, et estoit jà basse vesprée quant ce prince +droit-cy monta à cheval, et ne demandoit riens autre fors estre emmy les +champs seul et à par luy. Sy porta ainsy l'aventure que ce propre +jour-là, après un long et âpre gel, il faisoit un releng, [911] et par +une longue épaisse bruyne, qui avoit couru tout ce jour la, vesprée +tourna en pluie bien menue, mais très-mouillant et laquelle destrempoit +les terres et rompoit glasces avecques vent qui s'y entrebouta." Is dit +geen Camille Lemonnier? + +Dan volgt de beschrijving van den nachtelijken dwaaltocht door velden en +bosschen, waarin het levendste naturalisme en een zonderling gewichtig +doende, moraliseerende rhetoriek merkwaardig zijn dooreengemengd. +Vermoeid en hongerig zwerft de hertog rond; op zijn roepen klinkt geen +antwoord. Een rivier, die hem een weg toeschijnt, lokt hem; het paard +schrikt nog te rechter tijd terug. Hij valt met het paard en verwondt +zich. Vergeefs luistert hij naar een hanengekraai of het blaffen van een +hond, dat hem naar menschenwoningen zou kunnen leiden. Eindelijk ziet +hij een lichtschijnsel, dat hij tracht te naderen; hij verliest het +weer, vindt het terug, en bereikt het tenslotte. "Mais plus l'approchoit, +plus sambloit hideuse chose et espoentable, car feu partoit d'une mote +[912] d'en plus de mille lieux, avecques grosse fumière, dont nul ne +pensast à celle heure fors que ce fust ou purgatoire d'aucune âme ou +autre illusion de l'ennemy...." Hij houdt plotseling stil. Maar opeens +herinnerde hij zich, hoe de kolenbranders diep in het woud hun kolen +plegen te branden. Het was zulk een brandheuvel, maar geen huis of hut +was in de nabijheid. Eerst na hernieuwd dwalen brengt het blaffen van +een hond hem bij de hut van een armen man, waar hij rust en spijziging +vindt. + +Dergelijke treffende gedeelten uit het werk van Chastellain zijn de +beschrijving van den burgerlijken tweekamp te Valenciennes, de +nachtelijke twist van het Friesche gezantschap in Den Haag met de +Bourgondische edelen, die zij in hun nachtrust storen, door op de +bovenkamer op klompen krijgertje te spelen, het tumult te Gent in 1467, +toen Karel's eerste bezoek als hertog samenvalt met de kermis te +Houthem, vanwaar het volk met den schrijn van Sint Lieven terugkeert. +[913] + +Telkens bemerkt men aan ongewilde kleinigheden, hoe sterk de schrijver +al de uiterlijke dingen _ziet_. De hertog, die tegenover het volksoproer +staat, heeft voor zijn gezicht "multitude de faces en bacinets [914] +enrouillés et donc les dedans estoient grignans barbes de vilain, +mordans lèvres." Het roepen gaat van omlaag naar omhoog. De kerel, die +zich naast den hertog aan het venster dringt, draagt een handschoen van +zwart gevernist ijzer, waarmee hij op de vensterbank slaat, om stilte te +gebieden. [915] + +Dit nauwkeurig en direct waargenomene te beschrijven in een kernachtig +eenvoudig woord is in het litteraire, wat de geweldige visueele scherpte +van Van Eyck tot volmaaktheid van uitdrukking in de schilderkunst +vermocht. In de letterkunde wordt dat naturalisme veelal gestoord en in +de uitdrukking belemmerd door conventioneele vormen, en het blijft +uitzondering te midden van bergen dorre rhetoriek, terwijl het in de +schilderkunst schittert als bloesems aan een appelboom. + +De schilderkunst is hier in middelen van uitdrukking de litteratuur +verre voor. Zij heeft reeds een verwonderlijke virtuositeit in het +weergeven van lichteffekten. Het zijn vooral de miniaturisten, die er +naar streven, den schijn van een oogenblik vast te leggen. In het +schilderij ziet men die gave eerst ten volle ontplooid in de Geboorte +van Geertgen tot Sint Jans. De verluchters hebben reeds lang te voren +het spel van toortslicht op harnassen beproefd in Christus' +gevangenneming. Een stralende zonsopgang is reeds gelukt aan den +meester, die koning Réné's _Coeur d'amour épris_ illustreerde. Die van +de _Heures d'Ailly_ heeft al het doorbreken van de zon na een storm +aangedurfd. [916] + +De letterkunde beschikt voor het opzettelijke weergeven van +lichteffekten nog slechts over primitieve middelen. Een groote +gevoeligheid voor lichtglans en schittering is er wel; gelijk hierboven +betoogd werd, wordt zelfs de schoonheid in de eerste plaats als glans en +schittering bewust. Alle schrijvers en dichters der vijftiende eeuw +merken gaarne den glans van het zonlicht op, den schijn van kaarsen en +toortsen, de spiegeling van glimplichten op helmen en wapens. Doch het +blijft een eenvoudig vermelden, er is nog geen litterair procédé tot +beschrijving er van. + +Het litteraire equivalent van het lichteffekt in de schilderkunst is +veeleer op een ander gebied te zoeken. Hier wordt de indruk van het +oogenblik bovenal vastgehouden door een levendig gebruik van de directe +rede. Er is nauwelijks een letterkunde, die er zoo op uit is, de +samenspraak altijd onmiddellijk weer te geven. Het ontaardt in een +vermoeiend misbruik: zelfs de uiteenzetting van een politieken toestand +wordt door Froissart en de zijnen in vraag en antwoord ingekleed. +De eeuwige beurtspraken van plechtigen val en hollen klank verhoogen +somtijds de eentonigheid, inplaats van haar te breken. Dikwijls echter +ook komt de illusie van het onmiddellijke en oogenblikkelijke er wel +treffend uit te voorschijn. Froissart vooral is in die levendige +wisselrede een meester. + +"Lors il entendi les nouvelles que leur ville estoit prise. (Het gesprek +gaat roepende.) 'Et de quel gens?', demande-il. Respondirent ceulx qui a +luy parloient: 'Ce sont Bretons!'--'Ha, dist-il, Bretons sont mal gent, +ils pilleront et ardront la ville et puis partiront.' (Vervolgens weer +roepende): 'Et quel cry crient-ils?' dist le chevalier.--'Certes, sire, +ils crient La Trimouille!" + +Om een zekeren haastigen gang in zulk een gesprek te brengen, gebruikt +Froissart den vasten truc, den aangesprokene het laatste woord van den +spreker verwonderd te laten herhalen.--"Monseigneur, Gaston est +mort.'--'Mort?' dist le conte.--'Cestes, mort est-il pour vray, +monseigneur." Elders: "Si luy demanda, en cause d'amours et de lignaige, +conseil.--'Conseil', respondi l'archevesque, 'certes, beaux nieps, c'est +trop tard. Vous voulés clore l'estable quant le cheval est perdu." [917] + +Ook de poëzie past dit stijlmiddel ruimschoots toe. In een korten +versregel wisselen soms vraag en antwoord tot tweemaal toe: + + "Mort, je me plaing.--De qui?--De toy. + --Que t'ay je fait?--Ma dame as pris. + --C'est vérité.--Dy moy pour quoy. + --Il me plaisoit.--Tu as mespris." [918] + +Hier is het telkens afgebroken beurtgesprek van middel reeds doel +geworden: een virtuositeit. De dichter Jean Meschinot heeft die +kunstvaardigheid tot het uiterste weten op te voeren. In een ballade, +waarin het arme Frankrijk haar koning (Lodewijk XI) zijn schuld +voorhoudt, wisselt de rede in elk der dertig regels van drie tot vier +keer. En het moet gezegd worden, dat de werking van het gedicht als +politieke satire onder dien vreemden vorm niet lijdt. Ziehier de eerste +strofe: + + "Sire ...--Que veux?--Entendez....--Quoy?--Mon cas. + --Or dy.--Je suys....--Qui?--La destruicte France! + --Par qui?--Par vous.--Comment?--En tous estats. + --Tu mens.--Non fais.--Qui le dit?--Ma souffrance. + --Que souffres tu?--Meschief.--Quel?--A oultrance. + --Je n'en croy rien.--Bien y pert [919]--N'en dy plus! + --Las! si feray.--Tu perds temps.--Quelz abus! + --Qu'ay-je mal fait?--Contre paix.--Et comment? + --Guerroyant....--Qui?--Vos amys et congnus. + --Parle plus beau.--Je ne puis, bonnement." [920] + +Een andere uiting van dit oppervlakkige naturalisme in de litteratuur +van dezen tijd is het volgende. Hoewel Froissart's zin gericht is op het +beschrijven van ridderlijke heldendaden, geeft hij toch, zijns ondanks +zou men zeggen, in hooge mate de prozaïsche realiteit van den oorlog. +Evengoed als Commines, die maling had aan de ridderij, beschrijft +Froissart juist bijzonder goed de vermoeienis, de vergeefsche +vervolgingen, de bewegingen zonder samenhang, het onrustige van een +nachtverblijf. Hij weet meesterlijk talmen en wachten te beschrijven. +[921] + +In het sobere en exacte verhaal van de uiterlijke omstandigheden van een +gebeurtenis bereikt hij soms zelfs een bijna tragische kracht, zooals in +dat van den dood van den jongen Gaston Phébus, door zijn vader in drift +doorstoken. [922]--Hij werkt zoo fotografisch, dat men onder zijn +woorden de qualiteit van de vertellers, die hem zijn eindelooze faits +divers meedeelden, kan herkennen. Alles bij voorbeeld, wat hij dankt aan +zijn reisgenoot den ridder Espaing du Lyon, is voortreffelijk verteld. +Overal waar de litteratuur eenvoudig observeerend werkt, zonder +belemmering door conventie, is zij met de schilderkunst vergelijkbaar, +al evenaart zij haar niet. + +Juist omdat het aankomt op de onbevangen observatie van een geval, dat +verhaald zal worden, moet men de litteraire schilderingen, die de +schilderkunst het meest nabij komen, niet zoeken in de beschrijving der +natuur. Want deze berust in de vijftiende eeuw nog niet op directe +onbevangen observatie. Men vertelt een geval, omdat het belang inboezemt, +en geeft dan de uiterlijke omstandigheden weer, zooals een gevoelige +plaat ze opneemt. Van een bewust litterair procédé is daar nog geen +sprake. Maar de natuurschildering, die in de schilderkunst als accessoire +fungeert, dus onbevangen geschiedt, is in de letterkunde een bewust +kunstmiddel. In de schilderkunst was de natuurafbeelding louter bijwerk, +en kon daardoor zuiver en sober blijven. Juist omdat de vergezichten +er voor het onderwerp niet op aan kwamen, niet deel hadden in den +hieratischen stijl, konden de schilders der vijftiende eeuw in hun +landschap een mate van harmonische natuurlijkheid geven, die de strenge +ordonnantie van hun onderwerp hun nog in de hoofdvoorstelling ontzegde. +De Egyptische kunst vertoont van dit verschijnsel een zuivere parallel: +zij geeft in het modelleeren van een slavenfiguurtje, omdat het niet ter +zake doet, den vormencode prijs, die anders de menschelijke gestalte +verwringt, zoodat dan de mensenfiguren dezelfde onvergelijkelijke sobere +natuurgetrouwheid bezitten als de dierfiguren. + +Hoe minder verband het landschap houdt met de centrale voorstelling, des +te harmonischer en natuurlijker wordt het in zich zelf afgesloten. +Achter de drukke, bizarre, pompeuze aanbidding der koningen in de _Très +riches heures de Chantilly_ [923] verrijst het gezicht op Bourges in +verdroomde teerheid, volmaakt van atmosfeer en rythme. + +In de litteratuur zit de natuurbeschrijving nog geheel gehuld in het +kleed der pastorale. Hierboven is reeds gesproken van den hoofschen +strijd voor en tegen het eenvoudig buitenleven. Het was evenals in de +dagen, dat Rousseau opgang maakte, goede toon, dat men zich de ijdelheid +van het hofleven moe bekende, en een wijze hofvlucht affecteerde, om +zich te vergenoegen met het bruine brood en de zorgelooze liefde van +Robin en Marion. Het was een sentimenteele reactie op de volbloedige +praal en het trotsche egoïsme der werkelijkheid, niet ten eenenmale +onecht, maar toch in hoofdzaak een litteraire houding. + +In die houding hoort de liefde tot de natuur. De poëtische uitdrukking +ervan is een conventie. De natuur was een gezocht element in het groote +gezelschapsspel der hoofsch-erotische cultuur. De uitdrukking der +schoonheid van bloemen en vogelgezang werd opzettelijk gecultiveerd in +de geijkte vormen, die ieder speler verstond. Zoodoende staat de +natuurbeschrijving in de letterkunde op een geheel ander niveau dan in +de schilderkunst. + +Buiten het herdersdicht en het obligate motief van den lentemorgen als +aanhef bestaat er nog nauwelijks behoefte aan natuurbeschrijving. Een +enkele maal mogen er in het verhaal eens een paar woorden van +natuurschildering invloeien, zooals toen Chastellain den invallenden +dooi beschreef (en juist de onopzettelijke natuurschildering is dan +doorgaans verreweg het meest suggestief), het blijft de pastorale +poëzie, waarin men het opkomen van het litteraire natuurgevoel moet +nagaan. Naast de bladzijden van Alain Chartier, die hierboven werden +aangehaald, om het effekt van de uitwerking der détails in het algemeen +te laten zien, kan men bij voorbeeld leggen het gedicht _Regnault et +Jehanneton_, waarin de koninklijke herder René zijn liefde voor Jeanne +de Laval verkleedt. Ook hier geen saamgehouden visie op een stuk natuur, +geen eenheid zooals de schilder door kleur en licht aan zijn landschap +kon geven, maar een gemoedelijke aaneenrijging van bijzonderheden. De +zingende vogels een voor een, de insecten, de kikvorschen, dan de +ploegende boeren: + + "Et d'autre part, les paisans au labour + Si chantent hault, voire sans nul séjour, + Resjoyssant + Leurs beufs, lesquelx vont tout-bel charruant + La terre grasse, qui le bon froment rent; + Et en ce point ilz les vont rescriant, + Selon leur nom: + A l'un Fauveau et l'autre Grison, + Brunet, Blanchet, Blondeau ou Compaignon; + Puis les touchent tel foiz de l'aiguillon + Pour avancer." [924] + +Er is wel frischheid in en een blij geluid, maar denk nu eens aan de +kalendervoorstellingen der getijboeken. Koning René geeft om zoo te +zeggen al de ingrediënten voor een goede natuurbeschrijving, een palet +met kleuren, maar meer niet. Verderop, waar het vallen van den avond +beschreven wordt, is de poging om een stemming uit te drukken +onmiskenbaar. De andere vogels zwijgen, maar de kwartel roept nog, +patrijzen snorren naar hun leger, herten en konijnen komen te +voorschijn. Nog even schijnt de zon op een torenspits, dan wordt de +lucht koel, uilen en vleermuizen beginnen rond te vliegen, en het klokje +der kapel luidt het Ave. + +De kalenderbladen van de _Très-riches heures_ geven ons gelegenheid, +eenzelfde motief in kunst en litteratuur te vergelijken. Men kent de +glorieuze kasteelen, die in het werk der gebroeders Van Limburg den +achtergrond van het maandwerk vullen. Zij hebben hun litterair pendant +in het dichtwerk van Eustache Deschamps. In een zevental korte gedichten +zingt deze den lof van verscheiden Noord-fransche kasteelen: Beauté, dat +later Agnes Sorel zou herbergen, Bièvre, Cachan, Clermont, Nieppe, Noroy +en Coucy. [925] Deschamps had een dichter van heel wat machtiger +vleugelslag moeten zijn, om hier te bereiken, wat de gebroeders Van +Limburg in deze teerste en fijnste uitingen der miniatuurkunst wisten +uit te drukken. Op het Septemberblad rijst achter den wijnoogst het +kasteel van Saumur als uit een droom omhoog: de torenspitsen met hun +hooge windvanen, de pinnakels, de lelieornamenten op de tinnen, de +twintig slanke schoorsteenen, het bloeit op als een wild perk van hooge +witte bloemen in de donkerblauwe lucht. Daarnaast de majestueuze breede +ernst van het vorstelijk Lusignan op het Maartblad, de sombere torens +van Vincennes dreigend uitstekende boven de dorre blaren van het bosch +van December. [926] + +Had de dichter, deze althans, een gelijkwaardig middel, om zulke +gezichten te evoceeren? Natuurlijk niet. De beschrijving der +bouwkunstige vormen van het kasteel, zooals in het gedicht op Bièvre, +kon geen effekt opleveren. Een optelling van de geneuchten, die het +kasteel biedt, dat is eigenlijk alles, wat hij weet te geven. Uit den +aard der zaak ziet de schilder naar het kasteel toe, en de dichter van +het kasteel uit. + + "Son filz ainsné, daulphin de Viennois, + Donna le nom à ce lieu de Beauté. + Et c'est bien drois, car moult est delectables: + L'en y oit bien le rossignol chanter; + Marne l'ensaint, les haulz bois profitables + Du noble parc puet l'en veoir branler.... + Les prez sont pres, les jardins deduisables, + Les beaus preaulx, fontenis bel et cler, + Vignes aussi et les terres arables, + Moulins tournans, beaus plains à regarder." + +Welk een verschil in werking is hier! Toch hebben de afbeelding en het +gedicht hier zoowel procédé als stof gemeen: zij sommen het zichtbare +(en voor het gedicht ook het hoorbare) op. Maar des schilders blik is +vast gericht: hij moet, opsommende, toch eenheid, beperking en samenhang +geven. Paul van Limburg kan in zijn Februari-tafereel al de dingen van +den winter opeenhoopen: de boeren zich warmend voor het vuur, het +waschgoed dat te drogen hangt, de bonte kraaien op de sneeuw, de +schaapskooi, de bijenkorven, de tonnen en de kar, en het heele +wintersche verschiet met het stille dorpje en de eenzame hofstede op den +heuvel. De rustige eenheid van het beeld blijft volmaakt. Des dichters +blik evenwel dwaalt rond, vindt geen rustpunt; hij geeft de eenheid +niet. + +De vorm is den inhoud voor. In de litteratuur zijn vorm en inhoud beide +oud, in de schilderkunst is de inhoud oud, maar de vorm nieuw. In de +schilderkunst bergt de vorm veel meer van de uitdrukking dan in de +litteratuur. De schilder kan al de onuitgesproken wijsheid in den vorm +leggen: de idee, de stemming, de psychologie, alles geeft hij zonder +zich te behoeven kwellen om er taal van te maken. Het tijdperk is +overwegend visueel. Dit verklaart de superioriteit van de picturale +boven de litteraire uitdrukking: een litteratuur, die overwegend visueel +waarneemt, schiet te kort. + +De dichtkunst der vijftiende eeuw schijnt bijna zonder nieuwe gedachten +te leven. Er is een algemeene onmacht tot nieuwe fictie; het is slechts +bewerken, moderniseeren van de oude stof. Er is een pauze in de +gedachte; de geest is klaar met het middeleeuwsch gebouw, en talmt +vermoeid. Er is leegheid en dorheid. Men vertwijfelt aan de wereld; +alles gaat achteruit; er is een sterke malaise van gemoed. Deschamps +verzucht: + + "Helas! on dit que je ne fais mès rien, + Qui jadis fis mainte chose nouvelle; + La raison est que je n'ay pas merrien (stof) + Dont je fisse chose bonne ne belle." [927] + +Niets schijnt ons meer te getuigen van stilstand en verval dan het +ontrijmen van de oude ridderromans en andere gedichten tot ellenlang +effen proza. Toch beduidt die "dérimage" der vijftiende eeuw een +overgang tot een nieuwen geest. Het is het afscheid aan de gebonden +rede als primair uitdrukkingsmiddel, het afscheid aan den stijl van den +middeleeuwschen geest. Nog in de dertiende eeuw kon men alles in rijm +brengen, tot geneeskunde en natuurlijke historie toe, evenals de +Oud-Indische letterkunde alle wetenschap in versvorm bracht. De gebonden +vorm beduidt, dat de voordracht het beoogde middel van mededeeling is. +Niet de persoonlijke, gevoelvolle, expressieve voordracht, maar het +opdreunen. De nieuwe behoefte aan proza beduidt de zucht naar expressie, +de opkomst van het moderne lezen tegenover de oude voordracht. Daartoe +dient ook de verdeeling van de stof in kleine kapittels met resumeerende +opschriften, die in de vijftiende eeuw algemeen wordt. Aan het proza +worden naar verhouding hooger eischen gesteld dan aan de poëzie; in den +ouden rijmvorm slikt men alles nog. + +Doch de hoogere qualiteit in het algemeen van het proza zit in zijn +formeele elementen; nieuwe gedachte heeft het evenmin. Froissart is het +volledige type van den geest, die in het woord niet denkt, maar enkel +verbeeldt. Hij heeft nauwelijks gedachten, enkel voorstellingen van +feiten. Hij kent slechts een paar zedelijke motieven en gevoelens: +trouw, eer, hebzucht, moed, en die alleen in hun allereenvoudigsten +vorm. Hij gebruikt geen theologie, geen allegorie, geen mythologie, +ternauwernood eenige moraal; hij vertelt maar door, correct, moeiteloos, +geheel adequaat aan het geval, maar toch inhoudloos en nooit treffend, +met de mechanische uiterlijkheid, waarmee de bioscoop de werkelijkheid +weergeeft. Zijn bespiegelingen zijn van ongeëvenaarde banaliteit: alles +verveelt, niets is zekerder dan de dood, soms verliest men en soms wint +men. Bij bepaalde voorstellingen treden met werktuigelijke zekerheid +vaste uitspraken op: bij voorbeeld zoo dikwijls hij van Duitschers +spreekt, zegt hij, dat zij hun gevangenen slecht behandelen en bijzonder +hebzuchtig zijn. [928] + +Zelfs wat men gewoonlijk van Froissart citeert als puntig gezegde, +verliest veelal die kracht in den samenhang. Het geldt als een scherpe +karakteristiek van den eersten hertog van Bourgondië, wanneer Froissart +hem noemt "sage, froid et imaginatif, et qui sur ses besognes veoit au +loin." Maar Froissart zegt het van iedereen! [929] Ook het bekende +"Ainsi ot messire Jehan de Blois femme et guerre qui trop luy cousta," +[930] heeft welbeschouwd in het verband niet de pointe, die men erin +voelt. + +Eén element mist Froissart: het rhetorische. Juist de rhetoriek was het +die den tijdgenoot het gemis aan nieuwen inhoud in de literatuur +vergoedde. Hij zwelgde in de praal van den versierden stijl; de +gedachten schijnen hem nieuw door hun statigen dos. Zij dragen alle +stijve brokaatgewaden. De begrippen van eer en plicht dragen het bonte +pak van den ridderlijken waan. De natuurzin steekt in de plunje van de +pastorale en de liefde in het knellendste van al, de allegorie van den +_Roman de la Rose_. Geen enkele gedachte is naakt en vrij. Zij kunnen +zich haast niet anders meer bewegen dan voortschrijdende in rustige +maat, in eindelooze optochten. + +Dit rhetorisch-versierende element ontbreekt overigens volstrekt niet +in de beeldende kunst. Er zijn tal van partijen, die men geschilderde +rederijkerij zou kunnen noemen. Zoo bijvoorbeeld op Van Eyck's Madonna +van den kanunnik Van de Paele de Sint Joris, die den stichter aan de +Maagd aanbeveelt. Hoe duidelijk heeft de kunstenaar willen antikiseeren +in dat gouden harnas en den pronkhelm; hoe slap rhetorisch is het +gebaar, waarmee de heilige optreedt. De aartsengel Michael op het +Dresdensche triptiekje draagt denzelfden al te fraaien tooi. Ook het +werk van Paul van Limburg vertoont dat bewust rhetorische element, in +de overrijke, bizarre praal waarmee de drie koningen optreden, in het +streven naar een exotische, theatrale uitdrukking, dat onmiskenbaar is. + + * * * * * + +De poëzie der vijftiende eeuw is op haar best, wanneer zij geen +zwaarwichtige gedachte poogt uit te drukken, en ontslagen is van de +taak, om het mooi te doen. Wanneer zij maar even een gezicht, een +stemming oproept. Haar werking berust op haar formeele elementen: het +beeld, den toon, het rythme. Vandaar dat zij weinig vermag in de werken +van hoogen opzet en langen adem, waar de rythmische en toonqualiteiten +ondergeschikt zijn, maar frisch kan zijn in de genres, waar de vorm +hoofdzaak is: het rondeau, de ballade, die doorgaans op één lichte +gedachte zijn gebouwd, en hun kracht ontleenen aan visie, toon en +rythme. Het zijn de eenvoudig en onmiddellijk beeldende eigenschappen +van het volkslied; daar waar het kunstlied zich het naast aansluit aan +het volkslied, gaat er de meeste bekoring van uit. + +In de veertiende eeuw heeft een kentering plaats in de verhouding van +lyrische dichtkunst en muziek. In de oudere periode was het gedicht +onverbrekelijk aan muzikale voordracht gebonden, zelfs niet alleen het +lyrische; immers men neemt aan, dat ook de chansons de geste gezongen +werden, elk vers van tien of twaalf syllaben op dezelfde wijs (juist als +de Indische çloka). Het normale type van den middeleeuwschen lyrischen +dichter is hij, die zoowel het gedicht als de muziek er op maakt. Dat +doet in de veertiende eeuw nog Guillaume de Machaut. Hij is het tevens, +die de meest gebruikelijke lyrische vormen voor zijn tijd fixeert: de +balladen, het rondeau enz.; hij vindt den vorm van het débat. Machaut's +rondeau's en balladen kenmerken zich door groote effenheid, weinig +kleur, nog minder gedachte; en dat mochten zij, want zij waren maar de +helft van 's dichters werk: het liedje op muziek is er te beter om, als +het niet te expressief en te bont is, zooals dit simpele rondel: + + "Au departir de vous mon cuer vous lais + Et je m'en vois dolans et esplourés. + Pour vous servir, sans retraite jamais, + Au departir de vous mon cuer vous lais. + Et par m'ame, je n'arai bien ne pais + Jusqu'au retour, einsi desconfortés. + Au departir de vous mon cuer vous lais + Et je m'en vois dolans et esplourés." [931] + +Deschamps is niet meer zelf de toondichter van zijn balladen, en hij +is dan ook veel bonter en drukker dan Machaut, daardoor dikwijls +belangwekkender, maar lager van poëtischen stijl. Natuurlijk sterft het +ijle, lichte, bijna inhoudlooze, voor muziek bestemde gedicht niet af, +wanneer de dichters er niet zelf meer de muziek op maken. Het rondel +bewaart den trant, zooals bij voorbeeld dit van Jean Meschinot: + + "M'aimerez-vous bien, + Dictes, par vostre ame? + Mais (mits) que je vous ame + Plus que nulle rien (ding), + M'aimerez-vous bien? + Dieu mit tant de bien + En vous, que c'est basme (balsem); + Pour ce je me clame + Vostre. Mais combien + M'aimerez-vcms bien?" [932] + +Het zuivere, eenvoudige talent van Christine de Pisan leende zich +bijzonder voor deze vluchtige effekten. Zij heeft even gemakkelijk +verzen gemaakt als al haar tijdgenooten, zeer weinig gevarieerd in vorm +en gedachte, effen en weinig gekleurd, stil en rustig, met een lichte, +geestige melancholie. Het zijn echt litteraire gedichten, volkomen +hoofsch van toon en gedachte. Zij doen denken aan die ivoren plaques der +veertiende eeuw, die in zuiver conventioneele afbeelding steeds weer +dezelfde motieven geven: een jachttafereel, een motief uit _Tristan et +Yseult_ of uit den _Roman de la rose_, gracieus, koel en bekoorlijk. +Waar nu Christine met haar zachte hoofschheid tegelijk den toon van het +volkslied treft, ontstaat soms iets heel zuivers. + +Een weerzien: + + "Tu soies le très bien venu, + M'amour, or m'embrace et me baise + Et comment t'es tu maintenu + Puis ton depart? Sain et bien aise + As tu esté tousjours? ça vien + Coste moy, te sié et me conte + Comment t'a esté, mal ou bien, + Car de ce vueil savoir le compte. + + --Ma dame, a qui je suis tenu + Plus que aultre, a nul n'en desplaise, + Sachés que desir m'a tenu + Si court qu'oncques n'oz tel mesaise, + Ne plaisir ne prenoie en rien + Loings de vous. Amours, qui cuers dompte. + Me disoit: "Loyauté me tien, + Car de ce vueil savoir le compte." + + --Dont m'as tu ton serment tenu, + Bon gré t'en sçay, par saint Nicaise; + Et puis que sain es revenu + Joye arons assez; or t'apaise + Et me dis se scez de combien + Le mal qu'en as eu a plus monte + Que cil qu'a souffert le cuer mien, + Car de ce vueil savoir le compte. + + --Plus mal que vous, si com retien, + Ay eu, mais dites sanz mesconte, + Quans baisiers en aray je bien? + Car de ce vueil savoir le compte." [933] + +Een gemis: + + "Il a au jour d'ui un mois + Que mon ami s'en ala. + + Mon cuer remaint morne et cois, + Il a au jour d'ui un mois. + + "A Dieu, me dit, je m'en vois"; + Ne puis a moy ne parla, + Il a au jour d'ui un mois." [934] + +Een overgave: + + "Mon ami, ne plourez plus; + Car tant me faittes pitié + Que mon cuer se rent conclus + A vostre doulce amistié. + Reprenez autre maniere; + Pour Dieu, plus ne vous doulez, + Et me faittes bonne chiere: + Je vueil quanque vous voulez." + * * * * * * * * * * * + +Het is de teere, spontane vrouwelijkheid van deze gedichtjes, ontdaan +van de mannelijk-gewichtige, fantastische bespiegeling, en van den +bonten opschik met de Rose-figuren, die ze voor ons genietbaar maakt. +'t Is maar een enkele even ontwaarde stemming, die geboden wordt. Het +thema heeft maar even in het hart geklonken, en is toen direct verbeeld, +zonder dat de gedachte er aan te pas kwam. Maar daarom ook vertoont deze +poëzie zoo bijzonder dikwijls die eigenschap, welke zoowel in muziek als +poëzie alle tijdperken kenmerkt, waarin de inspiratie uitsluitend op de +enkele visie van een oogenblik berust: het thema is zuiver en sterk, het +lied begint in een klaar en vast geluid, als een merelslag, maar reeds +na de eerste strofe heeft de dichter of toondichter zijn gegeven +uitgezegd; de stemming zakt er uit weg, en de uitwerking verloopt in +zwakke rhetoriek. Het is de eeuwige teleurstelling, die bijna alle +dichters der vijftiende eeuw u bereiden. + +Hier een voorbeeld uit de balladen van Christine: + + "Quant chacun s'en revient de l'ost + Pour quoy demeures tu derriere? + Et si scez que m'amour entiere + T'ay baillée en garde et depost." [935] + +Men zou een fijne, middeleeuwsch-Fransche Lenore-ballade verwachten. +Maar de dichteres had niets anders te zeggen dan dit begin, en in nog +twee korte onbelangrijke strofen draait zij er een eind aan. + +Hoe frisch begint _Le debat dou cheval et dou levrier_ van Froissart: + + "Froissart d'Escoce revenoit + Sus un cheval qui gris estoit, + Un blanc levrier menoit en lasse. + 'Las', dist le levrier, 'je me lasse, + Grisel, quant nous reposerons? + Il est heure que nous mengons'." [936] + +Doch deze toon wordt niet volgehouden, het gedicht zakt terstond. Het +thema is alleen gezien, niet gedacht. Ze zijn soms prachtig suggestief, +de thema's. In Pierre Michault's _Danse aux Aveugles_ ziet men de +menschheid eeuwig dansende om de tronen van Liefde, Fortuin en Dood. +[937] Maar de uitwerking blijft van het begin af beneden het middelmatige. +Een naamlooze _Exclamacion des os Sainct Innocent_ begint met den toeroep +der beenderen in de knekelgalerijen van het beroemde kerkhof: + + "Les os sommes des povres trespassez. + Cy amassez par monceaulx compassez. + Rompus, cassez, sans reigle ne compas...." [938] + +Een aanhef, om de luguberste doodsklacht op te bouwen; maar het wordt +niet anders dan een memento mori van twaalf in het dozijn. + +Het zijn alles louter beeld-thema's. Voor den schilder behelst zulk een +enkele visie in zich zelf de stof tot de verst doorgevoerde uitwerking, +maar voor den dichter is zij niet genoeg. + +Is dan de schilderkunst der vijftiende eeuw in uitdrukkingsvermogen de +litteratuur in alle opzichten de baas? Neen. Er blijven altijd gebieden, +waarop de litteratuur over rijker en meer directe uitdrukkingsmiddelen +beschikt dan de beeldende kunst. Zulk een gebied is bovenal dat van den +spot. De beeldende kunst kan, tenzij zij zich verlaagt tot caricatuur, +slechts een geringe potentie van het komische uitdrukken. Het komische, +enkel zichtbaar afgebeeld, heeft een neiging, weer in het ernstige over +te gaan. Slechts daar, waar de bijmenging van het komische element in de +levensverbeelding zeer gering is, waar het enkel kruiderij is, en niet +den eigen smaak van het gerecht overstemmen mag, kan de afbeelding +gelijken tred houden met de uitdrukking in woorden. Als zulk een komiek +in zwakste potentie kan men de genreschildering beschouwen. + +Hier is de beeldende kunst nog volkomen op haar terrein. De ongebreidelde +uitwerking der détails, die wij hierboven aan de schilderkunst der +vijftiende eeuw toekenden, gaat ongemerkt over in het behagelijke +vertellen van kleinigheden, in het genre-achtige. Bij den meester van +Flémalle is de gedétailleerdheid louter 'genre' geworden. Zijn Joseph de +timmerman zit muizenvallen te maken. Het genre-achtige steekt in al zijn +détails: tusschen de wijze, waarop Van Eyck en waarop de meester van +Flémalle een vensterblind laat openstaan, een buffetje of een haard +schildert, is de stap gedaan van de zuiver picturale visie naar het +genre. + +Doch reeds op dit gebied heeft nu het woord opeens een dimensie meer dan +de afbeelding. Het kan de gemoedsstemming expliciet weergeven. Denk nog +eens aan Deschamps' beschrijvingen van de schoonheid der kasteelen. Ze +waren eigenlijk mislukt en bleven oneindig ver achter bij wat de +miniatuurkunst daarvan wist te maken. Maar vergelijk nu de ballade, waar +Deschamps in een genretafereel beschrijft, hoe hij zelf ziek ligt in +zijn armzalig kasteeltje te Fismes. [939] De uilen, spreeuwen, kraaien, +musschen, die in zijn toren nestelen, houden hem uit den slaap: + + "C'est une estrange melodie + Qui ne semble pas grant deduit + A gens qui sont en maladie. + Premiers les corbes font sçavoir + Pour certain si tost qu'il est jour: + De fort crier font leur pouoir, + Le gros, le gresle, sanz sejour; + Mieulx vauldroit le son d'un tabour + Que telz cris de divers oyseaulx, + Puis vient la proie; [940] vaches, veaulx, + Crians, muyans, et tout ce nuit, + Quant on a le cervel trop vuit, + Joint du moustier la sonnerie, + Qui tout l'entendement destruit + A gens qui sont en maladie." + +'s Avonds komen de uilen en verschrikken door hun klagelijk roepen den +zieke met doodsgedachten: + + "C'est froit hostel et mal reduit + A gens qui sont en maladie." + +Zoodra maar een zweem van het komische, of ook maar van het genoegelijk- +vertellende, doordringt, werkt het aaneenrijgende, opsommende procédé +niet meer vermoeiend. Levendige schilderingen van burgerlijke zeden, +lange behagelijke beschrijvingen van het vrouwelijk toilet breken de +eentonigheid. In zijn lang allegorisch gedicht _L'espinette amoureuse_ +verkwikt Froissart u plotseling met een opsomming van wel zestig +kinderspelen, die hij als kleine jongen te Valenciennes te spelen +placht. [941] De litteraire dienst van den duivel der gulzigheid heeft +reeds een aanvang genomen. De savoureuze maaltijden van Zola, Huysmans, +Anatole France hebben reeds hun prototypen in de Middeleeuwen. Hoe glimt +de gulzigheid, als Deschamps en Villon lekkebaarden naar malsche boutjes. +Hoe smakelijk beschrijft Froissart de Brusselsche bonvivants, die den +vetten hertog Wencelijn omringen in den slag bij Baesweiler; zij hebben +hun knechten bij zich met groote flesschen wijn aan den zadelknop, met +brood en kaas, pasteien van zalm, forellen en paling, alles netjes in +kleine servetten gewikkeld; zoo staan zij de slagorde in den weg. [942] + +Door haar gave voor het genre-achtige is de litteratuur van dien tijd in +staat, ook het nuchterste in vers te brengen. Deschamps kan in een +gedicht om geld manen, zonder van zijn gewone dichterniveau af te dalen; +hij bedelt in een reeks van balladen om een beloofden tabbert, om +brandhout, om een paard, om achterstallig salaris. [943] + +Het is maar één schrede van het genre-achtige naar het bizarre, het +burleske, of als men wil: het breugheleske. Ook in dezen vorm van het +komische is de schilderkunst nog gelijkwaardig aan de litteratuur. Het +breughelsche element is in de kunst omstreeks 1400 reeds ten volle +aanwezig. Men vindt het in den Joseph op Broederlam's Vlucht naar Egypte +te Dijon, in de slapende krijgsknechten op de Drie Maria's bij het graf, +die aan Hubert van Eyck zijn toegeschreven. Niemand is in het opzettelijk +bizarre zoo sterk als Paul van Limburg. Een toeschouwer bij Maria's +tempelgang draagt een ellenhooge, kromme toovenaars-muts en mouwen van +een vadem lang. Burlesk is hij in de doopvont, die drie monsterachtige +maskers draagt met uitgestoken tong, en in de omlijsting van Maria en +Elisabeth, waar een held uit een toren een slak bevecht, een ander man +op een kruiwagen een varken kruit, dat den doedelzak speelt. [944] + +Bizar is de litteratuur der vijftiende eeuw haast op elke bladzijde; +haar gekunstelde stijl, de zonderling fantastische aankleeding van haar +allegorieën getuigt het. Motieven, waaraan Breughel zijn uitgelaten +fantazie zou botvieren, zooals het Débat de Carême et de Mardi Gras, +Débat de chair et de poisson, zijn in de litteratuur der vijftiende eeuw +reeds zeer in trek. Breughelsch in den hoogsten zin schijnt een felle +visie als van Deschamps, waar de wachter de troepen, die zich te Sluis +verzamelen tegen Engeland, als een heirleger van ratten en muizen ziet: + + "'Avant, avant! tirez-vous ça. + Je voy merveille, ce me semble.' + --'Et quoy, guette, que vois-tu là?' + 'Je voy dix mille rats ensemble + Et mainte souris qui s'assemble + Dessus la rive de la mer....' + +Een andermaal zit hij triest en verstrooid aan den maaltijd ten hove; +opeens ziet hij, hoe de hovelingen eten: de een kauwt als een varken, +de ander knabbelt als een muisje, een gebruikt zijn tanden als een zaag, +deze vertrekt zijn gezicht, bij genen veegt de baard op en neer, "al +etende leken het duivelen." [945] + +Zoodra de litteratuur volksleven schildert, vervalt zij van zelve in dat +sappige, met luim gekruide realisme, dat in de beeldende kunst weldra +zich zoo bloeiend zou ontwikkelen. Chastellain's beschrijving van den +armen boer, die den verdwaalden hertog van Bourgondië opneemt, valt uit +als een stuk van Breughel. [946] De Pastorale wordt met haar schildering +van etende, dansende en vrijende herders telkens van haar sentimenteele +en romantische grondthema afgeleid naar het pad van een frisch naturalisme +van licht komische werking. Hier behoort ook de belangstelling voor het +havelooze, die zich zoowel in de litteratuur als in de beeldende kunst +der vijftiende eeuw reeds begint te openbaren. De kalenderminiaturen +markeeren met welgevallen de doorgesleten knieën van de maaiertjes in +het koren, of de schilderkunst de lompen van de bedelaars, die +barmhartigheid vinden. Hier begint de lijn, die over Rembrandt's etsen +en Murillo's bedelknapen naar de straattypen van Steinlen leidt. + +Doch hier springt ook weder het groote verschil der picturale en +litteraire appreciatie in het oog. Terwijl de beeldende kunst reeds het +schilderachtige van den bedelaar ziet, de bekoring van den vorm dus, is +de litteratuur enkel nog vervuld van de beteekenis van den bedelaar, +'t zij zij hem beklaagt, of prijst, of verwenscht. De prototypen nu van +het litteraire realisme der armoede-schildering liggen juist in die +verwenschingen. De bedelaars waren in het einde der Middeleeuwen een +ontzettende plaag geworden. In de kerken krioelde hun jammerlijke +menigte, en belette den dienst met hun geschreeuw en gedruisch; onder +hen was veel kwaad volk, "validi mendicantes". Het kapittel van Notre +Dame te Parijs tracht in 1428 vergeefs hen naar de kerkdeuren te +verwijderen, en slaagt er slechts later in, hen althans uit het koor +naar het schip der kerk te verwijzen. [947] Deschamps wordt niet moede, +zijn haat tegen die ellendigen te luchten; hij scheert hen allen over +één kam als huichelaars en bedriegers: ranselt hen de kerk uit, hangt ze +op, verbrandt ze! [948] Vanhier naar de moderne litteraire schildering +der ellende schijnt de weg veel langer dan die, welke de beeldende kunst +had af te leggen; in de schilderkunst vulde zich het beeld vanzelf met +nieuw sentiment, in de literatuur moest het langzaam rijpende sociale +gevoel zich eerst geheel nieuwe vormen van uitdrukking scheppen. + +Waar het komische element, zwakker of sterker, grover of fijner, in de +uiterlijke visie van een geval zelf ligt opgesloten, zooals in het genre +en in het burleske, daar kon de beeldende kunst het woord bijhouden. +Maar daarbuiten lagen sferen van het komische, die voor picturale +uitdrukking volstrekt ontoegankelijk waren, waar kleur noch lijn iets +vermocht. Overal waar het komische positief lachwekkend moet zijn, was +de litteratuur onbeperkt meester, dus op het zoo welig begroeide gebied +van den schaterlach: de klucht, sotternie, boerde, de fabliaux, kortom +al de vormen van het grof-komische. Uit dien rijken schat van +laat-middeleeuwsche litteratuur spreekt een eigen geest. + +De litteratuur is ook meester op het gebied van den matten glimlach, +daar, waar de spot zijn hoogste tonen strijkt, zich uitgiet over het +ernstigste van het leven, de liefde, en over het eigen leed. De +gekunstelde, gepolijste, versleten vormen der erotiek ondergingen een +verfijning en zuivering door de bijmenging der ironie. + +Buiten het erotische is de ironie nog plomp en naïef. De Franschman van +1400 neemt af en toe nog de voorzichtigheid in acht, die den Hollander +van 1900 blijft aanbevolen, om het erbij te zeggen, als hij ironisch +spreekt. Deschamps prijst den goeden tijd: alles gaat best, overal +heerscht vrede en gerechtigheid: + + "L'en me demande chascun jour + Qu'il me semble du temps que voy, + Et je respons: c'est tout honour, + Loyauté, verité et foy, + Largesce, prouesce et arroy, + Charité et biens qui s'advance + Pour le commun; mais, par ma loy, + Je ne di pas quanque je pence." + +Of elders aan het eind van een ballade van dezelfde strekking: "Tous ces +poins a rebours retien"; [949] en in een derde met het refrein: "C'est +grant pechiez d'ainsy blasmer le monde": + + "Prince, s'il est par tout generalment + Comme je say, toute vertu habonde; + Mais tel m'orroit qui diroit: 'Il se ment'...." [950] + +Zelfs een bel-esprit uit de tweede helft der vijftiende eeuw betitelt +een epigram: "Soubz une meschante paincture faicte de mauvaises couleurs +et du plus meschant peinctre du monde, par maniere d'yronnie par maître +Jehan Robertet." [951] + +Hoe fijn daarentegen kan de ironie reeds zijn, zoodra zij de liefde +raakt. Zij mengt zich dan met de zachte melancholie, de matte teerheid, +die de erotiek der vijftiende eeuw in de oude vormen tot iets nieuws +maakt. Het droge hart smelt in een snik. Er klinkt een geluid, dat in de +aardsche liefde nog niet was gehoord: de profundis. + +Het is de aanbiddelijke zelfbespotting, de figuur van "l'amant remis et +renié", die Villon aanneemt, het zijn de matte liedjes der desillusie, +die Charles d'Orléans zingt. Het is de lach in tranen: "Je riz en +pleurs" is niet enkel Villon's vinding geweest. Een oude bijbelsche +gemeenplaats: "risus dolore miscebitur et extrema gaudii luctus +occupat", [952] kreeg hier een nieuwe toepassing, een nieuw sentiment, +een verfijnde bittere gevoelswaarde. Alain Chartier, de gladde +hof-poëet, heeft dit motief evengoed als Villon, de vagebond. + + "Je n'ay bouche qui puisse rire, + Que les yeulx ne la desmentissent: + Car le cueur l'en vouldroit desdire + Par les lermes qui des yeulx issent." + +Of meer uitgewerkt, van een droeven minnaar: + + "De faire chiere s'efforçoit + Et menoit une joye fainte, + Et à chanter son cueur forçoit + Non pas pour plaisir, mais pour crainte, + Car tousjours ung relaiz de plainte + S'enlassoit au ton de sa voix, + Et revenoit à son attainte + Comme l'oysel au chant du bois." [953] + +Aan het slot van een gedicht verloochent de dichter zijn leed, in den +toon van het vagantenlied, zooals hier: + + "Cest livret voult dicter et faire escripre + Pour passer temps sans courage villain + Ung simple clerc que l'en appelle Alain, + Qui parle ainsi d'amours pour oyr dire." [954] + +Of in een uitgewerkte fantazie, zooals die waarmee koning René zijn +eindeloos _Cuer d'amour espris_ besluit: de kamerdienaar komt met een +kaars kijken, of 's konings hart niet weg is; maar hij kan geen gat in +de zijde ontdekken: + + "Sy me dist tout en soubzriant + Que je dormisse seulement + Et que n'avoye nullement + Pour ce mal garde de morir." [955] + +De oude conventioneele vormen kregen door het nieuwe sentiment nieuwe +frischheid. Niemand heeft de gebruikelijke verpersoonlijking der +sentimenten zoo ver doorgevoerd als Charles d'Orléans. Hij ziet zijn +hart als een afzonderlijk wezen: + + "Je suys celluy au cueur vestu de noir...." [956] + +In de oudere lyriek, zelfs in den dolce stil nuovo, waren die +verpersoonlijkingen nog strakke ernst geweest. Maar bij Orléans zijn +de grenzen van ernst en spot niet meer te trekken; hij chargeert de +verpersoonlijking, zonder dat het fijne sentiment te loor gaat: + + "Un jour à mon cueur devisoye + Qui en secret à moy parloit, + Et en parlant lui demandoye + Se point d'espargne fait avoit + D'aucuns biens quant Amours servoit: + Il me dist que très voulentiers + La vérité m'en compteroit, + Mais qu'eust visite ses papiers. + + Quant ce m'eut dit, il print sa voye + Et d'avecques moy se partoit. + Après entrer je le véoye + En ung comptouer qu'il avoit: + Là, de ça et de là quéroit, + En cherchant plusieurs vieulx caïers + Car le vray monstrer me vouloit, + Mais qu'eust visitez ses papiers...." [957] + +Hier overweegt het komische, maar in het volgende de ernst: + + "Ne hurtez plus à l'uis de ma pensée, + Soing et Soucy, sans tant vous travailler; + Car elle dort et ne veult s'esveiller, + Toute la nuit en peine a despenseé. + + En dangier est, s'elle n'est bien panseé; + Cessez, cessez, laissez la sommeiller; + Ne hurtez plus à l'uis de ma pensée, + Soing et Soucy, sans tant vous travailler...." [958] + +De week-droeve erotiek kreeg voor den vijftiendeëeuwer een nog scherper +smaak door de bijmenging van het profane, waarmee hij haar zoo gaarne +kruidt. De travesti van het amoureuze in kerkelijke vormen dient niet +enkel tot obscene beeldspraak en grove oneerbiedigheid, zooals in de +_Cent nouvelles nouvelles_. Zij levert ook den vorm van het meest teere, +bijna elegische liefdedicht, dat de vijftiende eeuw heeft voortgebracht: +_L'amant rendu cordelier à l'observance d'amours_. + +Het motief van de minnaars als de observanten eener geestelijke orde had +reeds in den kring van Charles d'Orléans aanleiding gegeven tot een +dichterlijke confrérie, die zich "les amoureux de l'observance" noemde. +Is het werkelijk Martial d'Auvergne geweest, die het heeft uitgewerkt +tot het treffende gedicht, dat zich zoover boven het van hem bekende +verheft? + +De arme, teleurgestelde minnaar komt de wereld begeven in het wonderlijke +klooster, waar men enkel de droeve verliefden, "les amoureux martyrs", +opneemt. In stille samenspraak met den heer Prior doet hij het zachte +verhaal van zijn versmade liefde, en wordt vermaand, die te vergeten. +Het is onder het middeleeuwsch-satirieke gewaad reeds volkomen de stemming +van Watteau en den Pierrot-cultus, slechts zonder maneschijn.--Was zij +niet gewoon, vraagt de Prior, u een lieven blik toe te werpen, of in 't +voorbijgaan een "Dieu gart" te zeggen?--Zoo ver kwam ik nooit, antwoordt +de minnaar: maar 's nachts stond ik drie heele uren voor haar deur, en +keek op naar de goot: + + "Et puis, quant je oyoye les verrières + De la maison qui cliquetoient, + Lors me sembloit que mes prières + Exaussées d'elle sy estoient." + +"Waart ge zeker, dat zij u opmerkte?" vraagt de Prior. + + "Se m'aist Dieu, j'estoye tant ravis, + Que ne savoye mon sens ne estre, + Car, sans parler, m'estoit advis + Que le vent ventoit sa fenestre + Et que m'avoit bien peu congnoistre, + En disant bas: 'Doint bonne nuyt', + Et Dieu scet se j'estoye grant maistre + Après cela toute la nuyt." [959] + +In die zaligheid sliep hij heerlijk: + + "Tellement estoie restauré + Que, sans tourner ne travailler, + Je faisoie un somme doré, + Sans point la nuyt me resveiller. + Et puis, avant que m'abiller, + Pour en rendre à Amours louanges, + Baisoie troys fois mon orillier, + En riant à par moy aux anges." + +Bij zijn plechtige opneming in de orde bezwijmt de dame, die hem +versmaad had, en een gouden hartje, geëmailleerd met tranen, dat hij +haar geschonken had, valt uit haar kleed. + + "Les aultres, pour leur mal couvrir + A force leurs cueurs retenoient, + Passans temps a clorre et rouvrir + Les heures qu'en leurs mains tenoient, + Dont souvent les feuilles tournoient + En signe de devocion; + Mais les deulz et pleurs que menoient + Monstroient bien leur affection." + +Als de Prior hem ten slotte zijn nieuwe plichten opsomt, en hem +waarschuwt, om nooit te luisteren naar den nachtegaal, nooit te slapen +onder "eglantiers et aubespines", en vooral nooit in vrouwenoogen te +zien, klaagt het gedicht op het thema "Doux yeux" een eindelooze melodie +van strofen, die altijd weer varieeren: + + "Doux yeulx qui tousjours vont et viennent; + Doulx yeulx eschauffans le plisson, + De ceulx qui amoureux deviennent...." + + "Doux yeulx a cler esperlissans, + Qui dient: C'est fait quant tu vouldras, + A ceulx qu'ils sentent bien puissans...." [960] + +Die zachte, matte toon, die gelaten melancholie heeft ongemerkt in de +vijftiende eeuw alle conventioneele vormen der erotiek doordrongen. De +oude satire van cynische vrouwenverguizing krijgt er op eens een heel +andere, verfijnde stemming door: in de _Quinze joyes de mariage_ is de +botte vrouwensmaad van voorheen getemperd door een toon van stille +desillusie en gedruktheid, die er het navrante aan geeft van een moderne +huwelijksnovelle: de gedachten zijn ijl, vluchtig uitgedrukt; de +gesprekken zijn te teer voor de boosaardige bedoeling. + +In alles wat de uitdrukking der liefde betrof, had de litteratuur een +school van eeuwen achter zich, met meesters van zoo verscheiden geest +als Plato en Ovidius, de troubadours en de vaganten, Dante en Jean de +Meun.--De beeldende kunst daarentegen was hierin nog buitengewoon +primitief, en is dat nog lang gebleven. Eerst in de achttiende eeuw +haalt de afbeelding der liefde de beschrijving ervan in verfijning en +volheid van expressie in. De schilderkunst der vijftiende eeuw kon nog +niet frivool of sentimenteel zijn. Tusschen het kuische en het obscene +had zij nog geen uitdrukkingsmiddel gevonden. Van het liefdeleven zegt +zij weinig, en dat in naïeve en onschuldige vormen. Wel moet men zich +hier opnieuw herinneren, dat het meeste wat er van dien aard bestaan +heeft, verloren is. Het zou van buitengewoon belang zijn, als men het +naakt van Van Eyck in zijn Vrouwenbad, waarvan Fazio verhaalt, kon +vergelijken met zijn Adam en Eva. In de laatste ontbreekt het erotische +element volstrekt niet geheel: immers de kunstenaar heeft wel degelijk +den conventioneelen code van vrouwenschoonheid gevolgd, in de kleine, +te hoog geplaatste borsten, de lange slanke armen, den vooruitstekenden +buik. Doch hoe naïef heeft hij dat alles gedaan, zonder eenige zucht of +vermogen om te bekoren.--Bekoring moet het essentieele element zijn van +het kleine Liefdetooverijtje, wel met 'school van Jan van Eyck' +betiteld, [961] een kamer, waar een meisje, naakt, zooals dat bij +tooverij hoort, door toovermiddelen den minnaar dwingt, zich te +vertoonen. Hier is het naakt van die bescheiden wulpschheid, die zich in +Cranach's naaktfiguren voortzet. + +Het was geen preutschheid, die de rol der afbeelding in de erotiek zoo +beperkt hield. De late Middeleeuwen vertoonen een zonderlinge +tegenstrijdigheid tusschen een sterk schaamtegevoel en een verbazende +licentie. Voor het laatste is het aanhalen van voorbeelden onnoodig; +zij spreekt op iedere bladzijde. De schaamte spreekt bij voorbeeld uit +het volgende. Bij de ergste moord- en plunderpartijen laat men den +slachtoffers het hemd of de onderbroek; de Burger van Parijs is over +niets zoo verontwaardigd als over het feit, dat die regel werd +geschonden: "et ne volut pas convoitise que on leur laissast neis leurs +brayes, pour tant qu'ilz vaulsissent 4 deniers, qui estoit un des plus +grans cruaultés et inhumanité chrestienne à aultre de quoy on peut +parler." Bij het verhaal van de wreedheid van den bastaard van Vauru +tegen een arme vrouw, is hij nog meer dan van de overige kwellingen +ontzet van het schendig stuk, dat hij haar de kleeren kort onder het +middel laat afsnijden. [962]--Daarom blijft het dubbel opmerkelijk, dat +men aan het vrouwelijk naakt, in de kunst nog zoo weinig gecultiveerd, +zulk een vrije plaats gaf in het tableau vivant. Bij geen intocht +ontbraken de vertooningen, "personnages", van naakte godinnen of nimfen, +door Dürer aanschouwd bij den intocht van Karel V te Antwerpen in 1520, +[963] en door Hans Makart misverstaan, alsof de vrouwen meeliepen in den +optocht. Deze vertooningen waren op getimmerten op bepaalde plaatsen +opgesteld, soms zelfs in het water, zooals de sirenen, die bij de brug +in de Leie zwommen, "toutes nues et échevelées ainsi comme on les +peint", bij den intocht van Philips den Goede te Gent in 1457. [964] +Paris' oordeel was het meest gebruikte onderwerp dezer vertooningen. +--Men zoeke er noch Griekschen schoonheidszin noch platte +onbeschaamdheid in, maar een naïeve, populaire zinnelijkheid. Jean de +Roye beschrijft de sirenen, die bij den intocht van Lodewijk XI te +Parijs in 1461, niet ver van een gekruisigde tusschen de twee schakers, +stonden opgesteld, in deze woorden: "Et si y avoit encores trois bien +belles filles, faisans personnages de seraines toutes nues, et leur +veoit on le beau tetin droit, separé, rond et dur, qui estoit chose bien +plaisant, et disoient de petiz motetz et bergeretes; et près d'eulx +jouoient plusieurs bas instrumens qui rendoient de grandes melodies." +[965] Molinet vertelt, met hoeveel welbehagen het volk naar het oordeel +van Paris keek bij den intocht van Philips den Schoone te Antwerpen in +1494: "mais le hourd où les gens donnoient le plus affectueux regard fut +sur l'histoire des trois déesses, que l'on véoit au nud et de femmes +vives." [966] Hoe ver was zuivere schoonheidszin, als men de vertooning +van dat onderwerp in 1468 te Rijssel bij den intocht van Karel den +Stoute geparodieerd ziet door een zwaarlijvige Venus, een magere Juno en +een gebochelde Minerva, met gouden kronen op het hoofd! [967]--Tot diep +in de zestiende eeuw bleven de naakte vertooningen in gebruik: te Rennes +in 1532 bij den intocht van den hertog van Bretagne zag men een naakte +Ceres en Bacchus, [968] en nog Willem van Oranje werd bij zijn inkomst +binnen Brussel op 18 September 1578 vergast op een Andromeda, "een +ionghe maeght, met ketenen ghevetert, alsoo naeckt als sy van moeder +lyve gheboren was; men soude merckelyck geseydt hebben, dattet een +marberen beeldt hadde geweest", aldus Johan Baptista Houwaert, die de +tableaux gearrangeerd had. [969] + + * * * * * + +De achterlijkheid van het picturale uitdrukkingsvermogen vergeleken bij +de litteratuur beperkt zich overigens niet tot de gebieden, die wij tot +nu toe behandelden: het komische, het sentimenteele, het erotische. Dat +vermogen vindt zijn grenzen, zoodat het niet meer gedragen wordt aan +dien overmatig visueelen aanleg, waarin wij de toenmalige superioriteit +van de schilderkunst in het algemeen boven de litteratuur gegrond +achtten. Zoodra er iets meer noodig is dan enkel een onmiddellijke, +scherpe visie van het natuurlijke, begeeft die superioriteit de +schilderkunst van lieverlede, en ziet men opeens de gegrondheid van +Michel Angelo's verwijt: die kunst wil vele dingen tegelijk volkomen +afbeelden, waarvan één belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten +aan te besteden. + +Neem nogmaals een tafereel van Jan van Eyck. Onovertroffen blijft zijn +kunst, zoolang zij van nabij ziende, om zoo te zeggen microscopisch, +werkt: in de gelaatstrekken, de stoffen der gewaden, de juweelen. De +volstrekt scherpe observatie is daar genoeg. Doch zoodra de geziene +werkelijkheid eenigermate moet worden herleid, gelijk reeds het geval +is in de voorstelling van gebouwen en landschappen, vallen er, bij alle +innige bekoring van het vroege vergezicht, zwakheden te bespeuren: een +zekere onsamenhangendheid, een ietwat gebrekkige dispositie. En hoe meer +de voorstelling opzettelijk moet worden gecomponeerd, er een beeldvorm +voor het geval vrij moet worden geschapen, hoe sterker de daling wordt. + +Niemand zal tegenspreken, dat in de verluchte getijboeken de +kalenderbladen die, waarop de heilige geschiedenis staat afgebeeld, +overtreffen. Dáár kon men met directe waarneming en vertellend weergeven +volstaan. Maar om een gewichtige handeling, een bewogen voorstelling met +veel personen op te zetten, was bovenal dat gevoel voor rythmischen +opbouw en eenheid noodig, dat eertijds Giotto gekend had, en dat opnieuw +door Michel Angelo werd begrepen. Het wezen nu der vijftiende-eeuwsche +kunst was veelheid. Slechts daar, waar de veelheid zelf tot eenheid +werd, werd het effekt van hooge harmonie bereikt, zooals in de +Aanbidding van het Lam. Daar is inderdaad rythme, een onvergelijkelijk +sterk rythme, een triomfantelijk rythme van al die stoeten schrijdend +naar het middelpunt toe. Doch het is als 't ware door een bloot +rekenkundige nevenschikking, uit de veelheid zelf, gevonden. Van Eyck +ontloopt de moeilijkheden der compositie, door slechts voorstellingen +te geven in strenge rust; hij bereikt een statische, geen dynamische +harmonie. + +Hier bovenal ligt de groote afstand, die Rogier van der Weyden van Van +Eyck scheidt. Rogier beperkt zich, om het rythme te vinden; hij slaagt +niet altijd, maar hij streeft. + +Nu bestond er voor de voornaamste onderwerpen der heilsgeschiedenis een +strenge, oude verbeeldingstraditie. De schilder behoefde de ordonnantie +van zijn tafereel niet meer zelf te zoeken. [970] Sommige dier +onderwerpen brachten een rythmischen bouw bijna vanzelve mee. In een +beweening, een kruisafneming, een aanbidding der herders, kwam het +rythme als van zelve. Men denke aan de pieta's van Rogier van der Weyden +te Madrid, die van de Avignonsche school in het Louvre en te Brussel, +van Petrus Cristus, van Geertgen tot Sint Jans, van de Belles heures +d'Ailly. [971] + +Wordt echter het tafereel woeliger, zooals bij de bespotting, de +kruisdraging, de aanbidding der koningen, dan stijgen de moeilijkheden +der compositie, en een zekere onrustigheid, onvoldoende eenheid der +voorstelling is veelal het gevolg. En als de kerkelijke iconografische +norm den kunstenaar geheel begeeft, dan staat hij vrijwel hulpeloos. +Reeds de rechtspraaktafereelen van Dirk Bouts en Gerard David, die +nog een zekere statige ordonnantie meebrachten, zijn vrij zwak van +compositie. Linksch en onbeholpen wordt zij in de marteling van Sint +Erasmus, "het dermwinderken" van Leuven, en van Sint Hippolytus, door +paarden uiteengetrokken, te Brugge. Daar werkt de gebrekkige bouw reeds +stuitend. + +Wanneer nu nooit geziene fantazie moet worden verbeeld, dan vervalt de +vijftiende-eeuwsche kunst in het belachelijke. De groote schilderkunst +bleef daarvoor gespaard door haar strenge onderwerpen, maar de +boekverluchting kon zich niet onttrekken aan het afbeelden van al de +mythologische en allegorische fantazie, die de litteratuur aanbracht. +Een goed voorbeeld levert de illustratie van de _Epitre d'Othéa à +Hector_, [972] een uitgewerkte mythologische fantazie van Christine +de Pisan. Het is het onbeholpenste wat men zich kan voorstellen. De +Grieksche goden dragen groote vlerken achter aan hun hermelijnmantels of +bourgondische tabberts; de geheele opzet en uitdrukking mislukt: Minos, +Saturnus, die zijn kinderen verslindt, Midas, die den prijs uitdeelt, +zij vallen allen even zot uit. Doch zoodra de verluchter in den +achtergrond even zijn hart kan ophalen aan een herdertje met schaapjes +of een heuveltje met galg en rad, vertoont hij de gewone vaardigheid. +[973] Men is hier aan de grens van het beeldend vermogen dezer +kunstenaars. In vrij scheppende verbeelding zijn zij tenslotte ongeveer +even beperkt als de dichters. + + * * * * * + +De allegorische verbeelding had de fantazie in een impasse geleid. De +allegorie kluistert wederkeerig het beeld en de gedachte. Het beeld +kan niet vrij geschapen worden, omdat het de gedachte volkomen moet +omschrijven, en de gedachte wordt in haar vlucht belemmerd door het +beeld. De fantazie heeft zich gewend, de gedachte zoo nuchter mogelijk +in beeld over te brengen, zonder eenig gevoel voor stijl. Temperantia +draagt op haar hoofd een uurwerk, om haar aard aan te duiden. De +verluchter van de _Epitre d'Othéa_ nam daartoe eenvoudig het hangklokje, +dat hij ook bij Philips den Goede aan den wand plaatste. [974]--Wanneer +een scherp natuurlijk observeerende geest als Chastellain uit eigen +vinding allegorische figuren teekent, valt het bijster barok uit. Hij +ziet bij voorbeeld in het rechtvaardigingsbetoog naar aanleiding van +zijn gewaagd politiek gedicht _Le dit de vérité_ [975] vier dames, die +hem aanklagen. Zij heeten Indignation, Réprobation, Accusation, +Vindication. Ziehier, hoe hij de tweede beschrijft. [976] "Ceste dame +droit-cy se monstroit avoir les conditions seures, [977] raisons moult +aguës et mordantes; grignoit les dens et mâchoit ses lèvres; niquoit de +la teste souvent; et monstrant signe d'estre arguëresse, sauteloit sur +ses pieds et tournoit l'un costé puis çà, l'autre costé puis là; portoit +manière d'impatience et de contradiction; le droit oeil avoit clos et +l'autre ouvert; avoit un sacq plein de livres devant lui, dont les uns +mit en son escours [978] comme chéris, les autres jetta au loin par +despit; deschira papiers et feuilles; quayers jetta au feu félonnement; +rioit sur les uns et les baisoit; sur les autres cracha par vilennie et +les foula des pieds; avoit une plume en sa main, pleine d'encre, de +laquelle roioit maintes ecritures notables ...; d'une esponge aussy +noircissoit aucunes ymages, autres esgratinoit aux ongles ... et les +tierces rasoit toutes au net et les planoit comme pour les mettre hors +de mémoire; et se monstroit dure et felle ennemie à beaucoup de gens de +bien, plus volontairement que par raison." Elders ziet hij, hoe Dame +Paix haar mantel uitspreidt en hoog oplicht, en in vier nieuwe dames +uiteenvalt: Paix de coeur, Paix de bouche, Paix de semblant, Paix de +vray effet. [979] In weer een ander van zijn allegorieën komen +vrouwenfiguren voor, die heeten "Pesanteur de tes pays, Diverse +condition et qualité de tes divers peuples, L'envie et haine des +François et des voisines nations", alsof een politiek hoofdartikel zich +liet allegoriseeren. [980]--Dat al die figuren niet gezien maar bedacht +zijn, blijkt ten overvloede uit het feit, dat zij hun namen op +banderoles dragen; hij put de beelden niet direct uit zijn levende +fantazie, maar stelt ze zich voor als op een schilderij of in een +vertooning. + +In _La mort du duc Philippe, mystère par manière de lamentation_ ziet +hij zijn hertog verbeeld als een flesch vol kostbare zalf, die aan een +draad uit den hemel hangt; de aarde heeft die flesch aan haar borsten +gezoogd. [981] Molinet ziet Christus als pelikaan (een gewone trope) +niet alleen met zijn bloed de jongen voeden, maar tevens er den spiegel +des doods mee afwasschen. [982] + +Schoonheidsinspiratie is hier zoek; het is spelend en valsch vernuft, +een uitgeputte geest, die nieuwe bevruchting wacht. In het altijd weer +gebruikte droommotief als raam eener handeling zijn bijna nooit echte +droomelementen waar te nemen, zooals ze bij Dante en bij Shakespeare zoo +treffend voorkomen. De illusie, dat de dichter zijn voorstelling als +vizioen heeft gezien, wordt dikwijls niet eens volgehouden: Chastellain +noemt zich zelf "l'inventeur ou le fantasieur de ceste vision." [983] + +Op het verdorde veld der allegorische verbeelding kan alleen de spot +telkens weer frisch kruid doen bloeien. Zoodra het even in 't luimige +geworpen wordt, werkt de allegorie nog. Deschamps vraagt den dokter, hoe +de deugden en het recht het maken: + + "Phisicien, comment fait Droit? + --Sur m'ame, il est en petit point.... + --Que fait Raison?... + Perdu a son entendement, + Elle parle mais faiblement, + Et Justice est toute ydiote...." [984] + +De verschillende sferen van fantazie worden stijlloos dooreengemengd. +Geen product zoo bizar als het politieke schotschrift in het kleed der +pastorale. De onbekende dichter, die zich Bucarius noemt, heeft in _Le +Pastoralet_ al den laster van het huis Bourgondië tegen Orleans in de +kleur der herderij geschilderd: Orleans, Jan zonder Vrees en al hun +trotsch en grimmig gevolg als zoete herders, wonderlijke Leeuwendalers! +De herdersrok is beschilderd met fleurs de lis of klimmende leeuwen; er +zijn "bergiers à long jupel", dat zijn de geestelijken. [985] De herder +Tristifer, dat is Orleans, neemt den anderen hun brood en kaas, hun +appelen en noten, hun fluitjes af, en den schapen de klokjes; hij dreigt +de weerstrevenden met zijn grooten herdersstaf. Totdat hij zelf met een +herdersstaf wordt doodgeslagen. Soms vergeet de dichter bijna zijn +sinistere strekking en vermeit zich in de zoetste pastorale, dan weer +wordt de herderlijke fantazie zonderling gestoord door den boozen +politieken smaad. [986] Ook hier nog niets van de maat en smaak der +Renaissance. + +Molinet haspelt de motieven van het geloof, den krijg, de heraldiek en +de min dooreen, in den vorm van een proclamatie van den Schepper aan +alle ware minnenden: + + "Nous Dieu d'amours, créateur, roy de gloire + Salut à tous vrays amans d'humble affaire! + Comme il soit vray que depuis la victoire + De nostre filz sur le mont de Calvaire + Plusieurs souldars par peu de congnoissance + De noz armes, font au dyable allyance...." + +Daarom wordt hun het rechte wapen beschreven: schild van zilver, chef +van goud met vijf wonden, en de militante Kerk octrooi verleend, om +allen in haar dienst op te nemen, die tot dat wapen willen terugkeeren, + + "mais qu'en pleurs et en larmes, + De cueur contrict et foy sans abuser." [987] + +De kunstenmakerijen, waarmee Molinet den lof zijner tijdgenooten als +vernuftig rhétoriqueur en poëet behaalde, schijnen ons de laatste +ontaarding van een uitdrukkingsvorm vóór zijn ondergang. Hij vermeit +zich in de meest zoutelooze woordspelletjes: "Et ainsi demoura l'Escluse +en paix qui lui fut incluse, car la guerre fut d'elle excluse plus +solitaire que rencluse." [988] In de inleiding op zijn gemoraliseerde +prozabewerking van den _Roman de la rose_ speelt hij met zijn naam +Molinet. "Et affin que je ne perde le froment de mal labeur, et que la +farine que en sera molue puisse avoir fleur salutaire, j'ay intencion, +se Dieu m'en donne la grace, de tourner et convertir soubz mes rudes +meulles le vicieux au vertueux, le corporel en l'espirituel, la +mondanité en divinité, et souverainement de la moraliser. Et par ainsi +nous tirerons le miel hors de la dure pierre, et la rose vermeille hors +des poignans espines, où nous trouverons grain et graine, fruict, fleur +et feuille, très souefve odeur, odorant verdure, verdoyant floriture, +florissant nourriture, nourissant fruict et fructifiant pasture." [989] +Wat lijkt het eind-eeuwsch en versleten! Toch bewonderde de tijdgenoot +juist dit als het nieuwe; de middeleeuwsche poëzie had dat spelen met +woorden eigenlijk niet gekend, die speelde meer met beelden. Zooals bij +voorbeeld Olivier de la Marche, Molinet's geestverwant en bewonderaar: + + "Là prins fièvre de souvenance + Et catherre de desplaisir, + Une migraine de souffrance, + Colicque d'une impascience, + Mal de dens non à soustenir. + Mon cueur ne porroit plus souffrir + Les regretz de ma destinée + Par douleur non accoustumée." [990] + +Meschinot is nog even verslaafd aan de slappe allegorie als La Marche; +van zijn _Lunettes des princes_ zijn Prudence en Justice de glazen, +Force de montuur, Temperance de nagel, die alles bijeenhoudt. Raison +geeft den dichter dien bril met een gebruiksaanwijzing; door den hemel +gezonden komt Raison zijn geest binnen, en wil daar haar festijn +aanrichten, maar vindt er alles bedorven door Desespoir, zoodat er niets +is "pour disner bonnement." [991] + +'t Schijnt alles ontaarding en verval. En toch is het de tijd, waarin +de nieuwe geest der Renaissance reeds blaast, waar hij wil. Waar is de +groote, jonge bezieling en de nieuwe, zuivere vorm? + + + +NOTEN: + + +[902] Erasmus, Ratio seu Methodus compendio perveniendi ad veram +theologiam, ed. Bazel 1520, p. 146. + +[903] E. Durand Gréville, Hubert et Jean van Eyck, Bruxelles, 1910, +p. 119. + +[904] p. 361. (zie Hoofdstuk X, noot 721) + +[905] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 594. + +[906] Chastellain, I p. 11, 12. IV p. 21, 393, VII p. 160; La Marche, +I p. 14; Molinet, I p. 23. + +[907] Jean Robertet, bij Chastellain, VII p. 182. + +[908] Chastellain, VII p. 219. + +[909] Chastellain, III p. 231ss.--Sint Antoine valt op 17 Januari. + +[910] Oratoire, een door tapijten afgeschoten vertrekje in een kapel. + +[911] Dooi. + +[912] Een heuveltje, een aardhoop. + +[913] Chastellain, III p. 46, zie hierboven blz. 154 (zie Hoofdstuk III, +noot 294). vg. III 104, V 259. + +[914] Helmen. + +[915] Chastellain, V p. 273, 269, 271. + +[916] Zie de reproducties bij A. Michel, Histoire de l'art etc., Paris, +1907 etc. 7 vol. parus, IV, 2 p. 711 en P. Durrieu. Les belles heures du +duc de Berry, Gazette des beaux arts 1906, t. 35, p. 283. + +[917] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 50, XI p. 99. XIII p. 4. + +[918] Dichter onbekend, gedrukt Deschamps, Oeuvres X no. 18, vgl. Le +Debat du cuer et du corps de Villon, evenzoo Charles d'Orléans, rondel +192. + +[919] Dat blijkt. + +[920] Ed. de 1522, fol. 101, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot etc., +Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 301. Vgl. de balladen van +Henri Baude, ed. Quicherat (Trésor des pièces rares ou inédites, Paris +1856), p. 26, 37, 55, 79. + +[921] Froissart, ed. Luce. I p. 56, 66. 71, XI p. 13, ed. Kervyn. XII +p. 2, 23; vgl. ook Deschamps, III p. 42. + +[922] Froissart ed. Kervyn, XI p. 89. + +[923] P. Durrieu, Les très-riches heures de Jean de France duc de Berry, +1904, pl. 38. + +[924] Oeuvres du roi René, ed. de Quatrebarbes, II p. 105. + +[925] Deschamps, I nos. 61, 144; III nos. 454, 483, 524; IV nos. 617, 636. + +[926] Durrieu. l.c. pl. 3, 9, 12. + +[927] Deschamps, VI p. 191, no. 1204. + +[928] Froissart, ed. Luce, V p. 64, VIII p. 5, 48, XI p. 110, ed. +Kervyn, XIII p. 14, 21, 84, 102, 264. + +[929] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 54, 109, 184, XVI p. 23, 52, ed. +Luce. I p. 394. + +[930] Froissart, XIII p. 13. + +[931] G. de Machaut, Poésies lyriques, ed. V. Chichmaref (Zapiski ist. +fil. fakulteta imp. S. Peterb. universiteta XCII 1909) no. 60, I p. 74. + +[932] La Borderie, l.c., p. 618. + +[933] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 276. + +[934] Ib. p. 164, no. 30. + +[935] Ib. I p. 275, no. 5. + +[936] Froissart, Poésies, ed. Scheler, II p. 216. + +[937] P. Michault, La dance aux aveugles etc., Lille, 1748. + +[938] Recueil de poésies françoises des XVe et XVIe siècles, ed. de +Montaiglon (Bibl. elzevirienne) t. IX p. 59. + +[939] Deschamps, VI no. 1202, p. 188. + +[940] Het vee dat naar de wei gaat. + +[941] Froissart, Poésies. I p. 91. + +[942] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 22. + +[943] Deschamps, I p. 196, no. 90, p. 192, no. 87. IV p. 294, no. 788, V +no.903, 905, 919, VII p. 220, no. 1375, vgl. II p. 86, no. 250, no.247. + +[944] Durrieu, Les tres riches heures, pl. 38, 39, 60, 27, 28. + +[945] Deschamps, no. 1060, V p. 351. no. 844, V p. 15. + +[946] Chastellain, III p. 256ss. + +[947] Journal d'un bourgeois, p. 325(2). + +[948] Deschamps, nos. 1229, 1230, 1233, 1259, 1299, 1300, 1477, VI +p. 230, 232, 237, 279, VII p. 52, 54, VIII p. 182, vgl. Gaguin's +De validorum mendicantium astucia, Thuasne, II p. 169ss. + +[949] Deschamps. no. 219, II p. 44, no. 2, I p. 71. + +[950] Ib. IV, p. 291, no. 786. + +[951] Bibliothèque de l'école des chartes, 2e série III 1846, p. 70. + +[952] Proverbia, 14.13. + +[953] Alain Chartier, La belle dame sans mercy, p. 503, 505, vgl. Le +debat du reveille-matin, p. 498; Chansons du XVe siècle, p. 71, no. 73; +L'amant rendu cordelier à l'observance d'amours, vs. 371; Molinet, +Faictz et dictz, ed. 1537, f. 172. + +[954] Alain Chartier, Le debat des deux fortunes d'amours, p. 581. + +[955] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, III p. 194. + +[956] Charles d'Orléans, Poésies complètes, p. 68. + +[957] L.c., p. 88, ballade no. 19. + +[958] L.c., chanson no. 62. + +[959] Vgl. Alain Chartier, p. 559: "Ou se le vent une fenestre boute, +Dont il cuide que sa dame l'escoute, S'en va coucher joyeulx...." + +[960] Huitains 51, 53, 57, 167, 188, 192, ed. de Montaiglon, Soc. des +anc. textes francais, 1881. + +[961] Museum te Leipzig, no. 509. + +[962] Juvenal des Ursins, 1418, p. 541; Journal d'un bourgeois de Paris, +p. 92, 172. + +[963] J. Veth & S. Muller Fz., A. Dürer's Niederländische Reise, +Berlin-Utrecht, 1918, 2 bde, I p. 13. + +[964] Chastellain, III p. 414. + +[965] Chron. scand., I p. 27. + +[966] Molinet, V p. 15. + +[967] Lefebvre, Théatre de Lille, p. 54, bij Doutrepont, p. 354. + +[968] Th. Godefroy, Le ceremonial françois, 1649, p. 617. + +[969] J. B. Houwaert, Declaratie van die triumphante Incompst van den +... Prince van Oraingnien etc.; t'Antwerpen, Plantijn 1579, p. 39. + +[970] De these van Emile Male omtrent den invloed der +theatervoorstelling op de schilderkunst moge hier blijven rusten. + +[971] Zie P. Durrieu, Gazette des beaux arts, 1906, t. 35, p. 275. + +[972] Christine de Pisan, Epitre d'Othéa à Hector, Ms. 9392 de Jean +Miélot, ed. J. van den Gheyn, Bruxelles 1913. + +[973] L.c., pl. 5, 8, 26, 24, 25. + +[974] Van den Gheyn, Epitre d'Othéa, pl. I en 3; Michel, Histoire de +l'art IV, 2 p. 603, Michel Colombe, grafmonument uit de kathedraal van +Nantes, id. 616, figuur van Temperantia aan het grafmonument der +kardinalen van Amboise in de kathedraal van Rouen. + +[975] Zie daarover mijn opstel Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal +besef, De Gids 1912, I. + +[976] Exposition sur verité mal prise, Chastellain, VI p. 249. + +[977] zuur. + +[978] gordel. + +[979] Le livre de paix, Chastellain, VII p. 375. + +[980] Advertissement au duc Charles, Chastellain. VII p. 304 ss. + +[981] Chastellain, VII p. 237 ss. + +[982] Molinet, Le miroir de la mort, fragment bij Chastellain, VI +p. 460. + +[983] Chastellain. VII p. 419. + +[984] Deschamps, I p. 170. + +[985] Le Pastoralet, vs. 501, 7240, 5768. + +[986] Vgl. voor de vermenging van pastorale en politiek Deschamps, III +p. 62, no. 344, p. 93, no. 359. + +[987] Molinet, Faictz et dictz, f. 1. + +[988] Molinet, Chronique, IV p. 307. + +[989] Bij E. Langlois, Le roman de la rose (Soc. des anc. textes) 1914, +I p. 33. + +[990] Recueil de Chansons etc. (Soc. des bibliophiles belges), III p. 31. + +[991] La Borderie, l.c., p. 603, 632. + + + * * * * * + + +XIV + +HET KOMEN VAN DEN NIEUWEN VORM + + +De verhouding van het opbloeiende Humanisme en den afstervenden geest +der Middeleeuwen is veel minder eenvoudig, dan wij geneigd zijn, ons +haar voor te stellen. Ons, die die beide cultuurcomplexen scherp +gescheiden zien, schijnt het, alsof de ontvankelijkheid voor de eeuwige +jeugd der Ouden en de verloochening van den ganschen versleten toestel +der middeleeuwsche gedachtenuitdrukking gekomen moet zijn als een +openbaring. Alsof de geesten, ten doode vermoeid van allegorie en +flamboyantisme, plotseling moeten hebben begrepen: neen, niet dit, maar +dat! Alsof de gouden harmonie van het klassieke hun opeens als een +redding voor oogen moet hebben gestraald, alsof zij de Oudheid hebben +moeten omhelsd met de vervoering van wie zijn heil heeft gevonden. + +Maar zoo is het niet. Midden in den tuin der middeleeuwsche gedachte, +tusschen de welige woekering van het oude gewas, is het klassicisme van +lieverlede opgegroeid. Eerst is het enkel een formeel fantazie-element. +Een groote nieuwe bezieling wordt het eerst laat, en de geest en de +uitdrukkingsvormen, die wij als de oude, middeleeuwsche plegen te +beschouwen, sterven ook dan nog niet af. + +Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier +geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Italië, maar +in het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den +heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk +Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze +tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan begaat men +licht deze vergissing: men houdt de signatuur van het quattrocento: +de blijheid, de vrijheid, het serene en het sonore, voor die van den +nieuwen tijd, en zegt: daar waar het leven in dien toonaard klinkt, +daar is de Renaissance. Doch is het niet veeleer de signatuur van den +Italiaanschen geest, is zij niet reeds evenzeer aanwezig in het Italië +der dertiende eeuw? Men komt altijd weer terecht, of bij de absurde +consequentie, om de Renaissance steeds hoogerop in de Middeleeuwen +te verlengen, of bij de erkentenis, dat de Renaissance met haar +Italiaanschen verschijningsvorm volstrekt niet volledig is getypeerd, +en dat het begrip Renaissance slechts één aspect vertegenwoordigt van +de bonte cultuur der eindigende Middeleeuwen. + +Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de +nieuwe, klassicistische vormen op. Voor het aannemen van volkomen +ontwikkelde humanistische uitdrukkingsvormen is niet anders noodig, dan +dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigd op +zuiver latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks +1400 in Frankrijk; zij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten: +Jean de Monstreuil, kanunnik van Rijssel en koninklijk secretaris, +Nicolas de Clemanges, de beroemde woordvoerder der reformgezinde +geestelijkheid, Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke +geheimschrijvers evenals de eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en +deftige humanistenbrieven, die voor de latere producten van het genre +in niets onderdoen: de holle algemeenheid van gedachte, het gewild +gewichtige, de gewrongen zinsbouw en ondoorzichtige uitdrukking, en ook +het behagen aan geleerde beuzelingen. Jean de Monstreuil maakt zich druk +over de spelling van "orreolum" en "scedula", met of zonder h, over het +gebruik van de k in latijnsche woorden. "Als ge mij niet te hulp komt, +waarde leermeester en broeder,--schrijft hij aan Clemanges--, [992] +ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods schuldig. Daar heb ik +bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en vader, den +bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus "propior", +overhaast en slordig als de pen is, "proximior" heb gezet! Verbeter +het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken." +[993]--Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als +geleerde letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van +zijn vriend Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had, +en Ovidius boven Vergilius stelde. [994] + +In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het +klooster Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar +middeleeuwschen trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens +veel leesbaarder wordt. Hoe de musschen meeëten in het reefter, zoodat +men zou twijfelen, of de koning de prebende voor de monniken of voor de +vogels heeft ingesteld, hoe een winterkoninkje doet, alsof het de abt +was, hoe de ezel van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook hèm in +zijn epistel niet te vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar +niet specifiek humanistisch. [995] Herinneren wij ons, dat Jean de +Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige +vereerders van den _Roman de la rose_ leerden kennen, en als leden van +den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een +uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is +eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche +schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke +latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien +geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw. + +Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke +voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen, +die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote +internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil +en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de +Florentijnsche kanselier, die in het midden der veertiende eeuw de +nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staats-acten had ingevoerd, +wordt herhaaldelijk door hem genoemd. [996] Petrarca is evenwel, als men +het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen +geest. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde, [997] Machaut's +Peronne d'Armentières bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer +niet enkel door het voorbeeld van Heloïse, maar ook reeds door dat van +Laura bezeten is geweest, dan levert _Le Voir-Dit_ een opmerkelijk +getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent +van de moderne gedachte zien, toch weder een zuiver middeleeuwsche +schepping kon opleveren. + +Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Italië +zijn naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de "devotissimus, +catholicus ac celeberrimus philosophus moralis." [998] Ook als zoodanig +wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake +van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes, +de geestdrijver van Saint Lié, [999] ontleent voor een nieuw gebed, dat +hij samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij +roept diens gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van +ketterij. [1000] Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's _De Vita +solitaria_ een klacht over om het verlies van het heilige graf; "maar +omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever +den zin dan den vorm van Franciscus' woorden aanhalen." [1001] + +De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in +hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun +bewonderden Petrarca, dat buiten Italië geen redenaars en dichters te +zoeken waren, [1002] te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de +Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet. [1003] + +Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften +vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, "le +docteur de patience en adversité". Voor Chastellain [1004] is messire +Jehan Bocace een soort impresario der Fortuin geworden; _Le Temple de +Bocace_ betitelt hij een zeer barok tractaat over allerlei tragisch +lotgeval van zijn tijd, waarin de geest van den "noble historien" wordt +aangeroepen, om troost in haar rampspoed te schenken aan Margareta van +Engeland. + +Terwijl de geleerde auteurs den klassiek Latijnschen briefstijl reeds +beheerschen met volkomen vaardigheid, vertoonen de wereldlijken, bij al +hun bewondering voor de Oudheid, somtijds nog een diepe onwetendheid. +Machaut (hoewel geestelijke geen geleerde en wereldsch als dichter) +verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier. +Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en +Pirithous. De dichter van _Le Pastoralet_ spreekt van "le bon roy +Scypion d'Afrique", de schrijvers van _Le Jouvencel_ leiden "pollitique" +af van [greek: _polyt_] en een gewaand Grieksch "icos, gardien, qui est +à dire gardien de pluralité." [1005] + +Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en +toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen +herdersspel _Le Pastoralet_ geeft in een beschrijving van den god +Silvanus en een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het +quattrocento, om dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen +van zijn oude pad. [1006] Evenals Jan van Eyck soms klassicistische +architectuurvormen aanbrengt op zijn zuiver middeleeuwsch geziene +tafereelen, zoeken de schrijvers, louter formeel nog en ter versiering, +antieke trekken te verwerken. De kroniekschrijvers beproeven hun kracht +op staats- en krijgsredevoeringen, contiones, in Liviaanschen trant, of +vermelden wonderteekens, prodigia, omdat Livius het ook deed. [1007] +Daar waar de verwerking der klassieke vormen met den ouden geest het +onvolkomenst uitvalt, leeren wij het meest omtrent de wording der +Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean Germain, beproeft het +vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in den dringenden, +gemarkeerden stijl der Romeinen; het valt uit als een middeleeuwsch +kalenderblad. [1008] Het gezicht op de Oudheid is nog buitengewoon +bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy komt de +jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van zijn +vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad "à l'antique", dat wil zeggen, +hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij een +der negen "preux" voorstelt, [1009] en zijn eigen zegepraal viert. Zoo +vermomd bidt hij een kwartier lang. [1010] + +Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt +door de begrippen "rhétorique, orateur, poésie". Zij zien de +benijdenswaardige volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden +vorm. Al deze dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als +zij hun hart laten spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een +vloeiend, eenvoudig, vaak pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens +heel mooi moet, brengen zij er mythologie aan te pas, en precieuze +latiniseerende termen, en vinden zich "rhétoricien". Christine de Pisan +onderscheidt een mythologisch gedicht uitdrukkelijk van haar gewone werk +als "balade pouétique". [1011] Wanneer Eustache Deschamps aan zijn +kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn werken toezendt, vervalt hij in +de meest ongenietbare quasi-klassieke poespas. + + "O Socrates plains de philosophie, + Seneque en meurs et Anglux en pratique, + Ovides grans en ta poeterie, + Bries en parler, saiges en rethorique + Aigles tres haulz, qui par ta théorique + Enlumines le regne d'Eneas, + L'Isle aux Geans, ceuls de Bruth, et qui as + Semé les fleurs et planté le rosier, + Aux ignorans de la langue pandras, + Grant translateur, noble Geffroy Chaucier! + * * * * * * * * * * * * * * * + A toy pour ce de la fontaine Helye + Requier avoir un buvraige autentique, + Dont la doys est du tout en ta baillie, + Pour rafrener d'elle ma soif ethique, + Qui en Gaule seray paralitique + Jusques a ce que tu m'abuveras." [1012] + +Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke +latiniseering van het edele Fransch, welke den spot van Villon en van +Rabelais zou treffen. [1013] Het is steeds weer in de dichterlijke +correspondentie, in de opdrachten en oraties, met andere woorden, als +het bijzonder mooi moet, dat men dien trant aantreft. Dan spreekt +Chastellain van "vostre très-humble et obéissante serve et ancelle, la +ville de Gand", "la viscérale intime douleur et tribulation", La Marche +van "nostre francigène locution et langue vernacule", Molinet van +"abreuvé de la doulce et melliflue liqueur procedant de la fontaine +caballine", "ce vertueux duc scipionique", "gens de mulièbre courage". +[1014] + +Deze idealen van verfijnde "rhétorique" zijn geen idealen van zuivere +litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van +hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is evenzeer als de +poëzie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm +van conversatie, een streven naar een hoogeren levensvorm. Zelfs de +geleerden correspondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat +element geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich +middenevenredig tusschen Italië en de Nederlanden. In Italië, waar taal +en gedachte het minst verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid, +konden de humanistische vormen ongedwongen worden opgenomen in de +natuurlijke ontplooiing van het hoogere volksleven. De Italiaansche taal +werd door eenige meerdere latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld +aangedaan. De humanistische clubgeest sloot er zeer wel aan bij de +zeden der samenleving. De Italiaansche humanist vertegenwoordigde den +geleidelijken uitgroei der Italiaansche volksbeschaving, en daarmee +het eerste type van den modernen mensch. In de Bourgondische landen +daarentegen was de geest en de vorm der samenleving nog zoo +middeleeuwsch, dat het streven naar een vernieuwde en gezuiverde +uitdrukking er zich aanvankelijk slechts belichamen kon in volkomen +ouderwetschen vorm: de rederijkerskamers. Als genootschappen zijn zij +enkel een voortzetting van de middeleeuwsche broederschap, en de geest, +die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het zeer uiterlijk formeele +vernieuwd. Eerst het bijbelsch Humanisme van Erasmus inaugureert er de +moderne beschaving. + +Frankrijk kent niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers, +maar zijn "nobles rhétoriciens" gelijken ook nog niet op Italiaansche +humanisten. Ook zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en +vormen. Ten opzichte der Fransche letterkunde der vijftiende eeuw kan +men zonder overdrijving zeggen, dat die schrijvers en dichters, die +zich het meest vrij houden van klassicisme, nader staan tot de moderne +ontwikkeling der litteratuur dan zij, die de idealen van latiniteit en +oratorie huldigen. De modernen, dat zijn er de onbevangenen van geest, +zelfs als zij dien nog kleeden in den middeleeuwschen vorm: Villon, +Coquillart, Henri Baude, ook Charles d'Orléans en de dichter van +_L'amant rendu cordelier_. Juist het klassicistische streven doet zich +hier, althans wat dicht en proza betreft, als den remmenden invloed +gelden. De pompeuze woordvoerders van het zwaar gedrapeerde +Bourgondische ideaal: Chastellain, La Marche, Molinet, dat zijn de +ouderwetsche geesten der Fransche litteratuur. Zoodra ook zij zich nu +en dan losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en dichten of +schrijven, wat hun ter harte gaat, eenvoudigweg, worden zij leesbaar, +en doen zij tegelijk moderner aan. + +Een dichter van den tweeden rang, Jean Robertet (1420-1490), secretaris +van drie hertogen van Bourbon en drie Fransche koningen, zag in Georges +Chastellain, den Vlaming-Bourgondiër, het puik der edele dichtkunst. Uit +die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het +zooeven beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te +komen, bedient Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant, +die als gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van +Bourgondië opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven voor +Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een +hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze +niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging, +vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude +recept: "les Douze Dames de Rhétorique" waren hem verschenen, genaamd +Science, Eloquence, Gravité de Sens, Profondité enz. Voor die verlokking +bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rhétorique groepeeren +zich nu de brieven van het drietal; [1015] het duurde overigens niet +lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling +af. + +Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. "J'ay +esté en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la +brumale froidure", aldus een verkoudheid. [1016] Even zot zijn de +hyperbolische termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk +zijn dichterlijken brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen +poëzie inderdaad) beet heeft, schrijft hij aan Montferrant: + + "Frappé en l'oeil d'une clarté terrible + Attaint au coeur d'éloquence incrédible, + A humain sens difficile à produire, + Tout offusquié de lumière incendible + Outre perçant de ray presqu'impossible + Sur obscur corps qui jamais ne peut luire, + Ravi, abstrait me trouve en mon déduire, + En extase corps gisant à la terre, + Foible esperit perplex à voye enquerre + Pour trouver lieu et oportune yssue + Du pas estroit où je suis mis en serre, + Pris à la rets qu'amour vraye a tissue." + +En in proza voortgaande: "Où est l'oeil capable de tel objet visible, +l'oreille pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?" Wat zegt +Montferrant, "amy des dieux immortels et chéri des hommes, haut pis +Ulixien, plein de melliflue faconde" er wel van? "N'est-ce resplendeur +équale au curre Phoebus?" Is het niet meer dan Orpheus' lier, "la tube +d'Amphion, la Mercuriale fleute qui endormyt Argus?" enz. enz. [1017] + +Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe +schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche +voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten +huldigen nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn Mémoires zal +kunnen gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn +arbeid met het herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle "orateurs", +om zijn werk te besnoeien van het overbodige. Zelfs Commines hoopt, dat +de aartsbisschop van Vienne, wien hij zijn werk zendt, het misschien zal +kunnen opnemen in een Latijnsch geschrift. [1018] + +In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en +Montferrant ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts +opgeplakt op een echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet +is in Italië geweest, "en Ytalie, sur qui les respections du ciel +influent aorné parler, et vers qui tyrent toutes douceurs élémentaires +pour là fondre harmonie." [1019] Maar van die harmonie van het +quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee thuisgebracht. De +voortreffelijkheid van Italië bestond voor deze geesten louter in het +"aorné parler", in de uiterlijke cultiveering van een kunstvaardigen +stijl. + +Het eenige, wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even +twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde +ontboezemingen soms even onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de Dames +de Rhétorique tot Montferrant, [1020]--"il est exemple de Tullian art, +et forme de subtilité Térencienne ... qui succié a de nos seins notre +plus intériore substance par faveur; qui, outre la grâce donnée en +propre terroir, se est allé rendre en pays gourmant pour réfection +nouvelle (d.i. Italië), là où enfans parlent en aubes à leurs mères, +frians d'escole en doctrine sur permission de eage". Chastellain zegt de +correspondentie op, omdat het hem te machtig wordt: de poort heeft lang +genoeg wijd opengestaan voor "Dame Vanité"; hij gaat haar grendelen. +"Robertet m'a surfondu de sa nuée, et dont les perles, qui en celle se +congréént comme grésil, me font resplendir mes vestements; mais qu'en +est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma robe deçoit les voyans?" +Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven ongelezen in het vuur +gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder vrienden hoort, dan zal +George's genegenheid hem niet begeven. + +Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist, +komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het latijn +bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest +der Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde +nabootsen zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als +Robert Gaguin (1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds +bijna even modern aan als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid +te danken had, doordat Gaguin achter zijn Compendium der Fransche +geschiedenis, het eerste wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk +(1495), een brief van Erasmus opnam, die zich daardoor voor het eerst +gedrukt zag. [1021] Al kende Gaguin nog even slecht Grieksch als +Petrarca, [1022] een echte humanist is hij er niet minder om. Tegelijk +evenwel zien wij ook in hem den ouden geest voortleven. Hij wijdt zijn +Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude middeleeuwsche thema's, +zooals de diatribe tegen het huwelijk [1023] of de misprijzing van het +hofleven, door Alain Chartier's _Curial_ in het latijn terug te +vertalen, of de maatschappelijke waarde der standen, in den +veelgebruikten vorm van een twistgesprek, _le Debat du Laboureur, du +Prestre et du Gendarme_. In zijn Fransche gedichten doet juist Gaguin, +die den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische +fraaiigheden in het geheel niet mee; geen gelatiniseerde vormen, geen +hyperbolische wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij +geheel aan de zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de +natuurlijkheid en daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm +is nog niet veel meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed, +maar hij beweegt zich toch vrijer zonder dien tabbert. Bij den Franschen +geest der vijftiende eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op. + +Men is veelal gewend, om als een doorslaand criterium van de intrede der +Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken. +Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire +paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance. +Wanneer de humanisten God "princeps superum" en Maria "genitrix +tonantis" noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke +transponeeren van de personen van het christelijk geloof in benamingen +der heidensche mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of +niets voor den inhoud van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der +twaalfde eeuw rijmt in zijn geestige biecht onbeschroomd: + + "Vita vetus displicet, mores placent novi; + Homo videt faciem, sed cor patet lovi." + +Wanneer Deschamps van "Jupiter venu de Paradis" spreekt, [1024] bedoelt +hij geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de +roerende ballade, die hij voor zijn moeder maakte, om tot Onze Lieve +Vrouw te bidden, haar "haulte Deesse" noemt. [1025] + +Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon +men argeloos goden laten optreden. In _Le Pastoralet_ heet het +Celestijnenklooster te Parijs "temple au hault bois pour les diex +prier." [1026] Van zulk een onschuldig paganisme werd niemand de dupe. +En ten overvloede verklaart de dichter: "Se pour estrangier ma Muse je +parle des diex des païens, sy sont les pastours crestiens et moy." +[1027] Evenzoo schuift Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en +Minerva laat optreden, de verantwoordelijkheid op "Raison et Entendement", +die hem zeiden: "Tu le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et +déesses, mais pour ce que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi +qu'il lui plaist, et souventes fois par divers inspirations." [1028] + +Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt +niet ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor +het doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van +waardeering van het heidensch geloof, met name het heidensche offer, als +zoodanig aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun +gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain +deed. + + "Des dieux jadis les nations gentiles + Quirent l'amour par humbles sacrifices, + Lesquels, posé que ne fussent utiles, + Furent nientmoins rendables et fertiles + + De maint grant fruit et de haulx bénéfices, + Monstrans par fait que d'amour les offices + Et d'honneur humble, impartis où qu'ils soient + Pour percer ciel et enfer suffisoient." [1029] + +Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der +Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe +de Ternant, zonder naar de gewoonte een "bannerole de devocion" te +dragen, een lint met een vrome spreuk of figuur. "Laquelle chose je ne +prise point", zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener +is het devies, dat Ternant draagt: "Je souhaite que avoir puisse de mes +desirs assouvissance et jamais aultre bien n'eusse." [1030] Het kon de +lijfspreuk zijn van den vrijdenkendsten virtuoso der zestiende eeuw. + +Niet uit de klassieke litteratuur behoefden de geesten dit werkelijke +paganisme te putten. Zij konden het leeren uit hun eigen middeleeuwschen +schat, uit den _Roman de la rose_. In de erotische cultuurvormen, daar +lag het ware heidendom. Daar hadden van eeuwen her Venus en de Liefdegod +een schuilhoek gehad, waar zij iets meer dan een louter rhetorische +vereering vonden. Jean de Meun, dat was de groote heiden geweest. Niet +zijn vermenging van godennamen der Oudheid met die van Jezus en Maria, +maar zijn vermenging van de stoutste aanprijzing van aardschen wellust +met christelijke zaligheidsvoorstellingen was voor tallooze lezers sinds +de dertiende eeuw de school van het paganisme geweest. Er was geen +grooter blasphemie mogelijk dan de verzen, waarin hij het woord van +Genesis: toen berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde +gemaakt had, met omgekeerden zin in den mond legde van Nature, die bij +hem volkomen als demiurg optreedt: + + "Si m'aïst Diex li crucefis, + Moult me repens dont homme fis." [1031] + +Het blijft verwonderlijk, dat de Kerk, die tegen kleine dogmatische +afwijkingen van strikt bespiegelenden aard zoo angstvallig waakte en zoo +heftig optrad, de leeringen van dit brevier der aristocratie ongehinderd +in de geesten heeft laten voortwoekeren. + + * * * * * + +De nieuwe vorm en de nieuwe geest dekken elkander niet. Zoogoed als de +gedachten van den komenden tijd uiting vonden in middeleeuwsch gewaad, +zoo goed zijn de meest middeleeuwsche gedachten gezegd in sapphische +metra, met een heelen stoet van mythologische figuren. Klassicisme en +Renaissance zijn twee geheel verschillende dingen. Het litteraire +klassicisme is een oud geboren kind. De Oudheid is voor de vernieuwing +van de litteratuur nauwelijks meer geweest dan de pijlen van Philoktetes. +Niet wat de beeldende kunst, en niet wat het wetenschappelijk denken +aangaat: daar is de antieke zuiverheid van verbeelding en uitdrukking +veel meer geweest dan een dorre staf. Het overwinnen van het overdadige, +van het overdrevene, van het verdraaide, van de grimas en de flamboyante +krul, het is alles het werk der Oudheid geweest. Maar in het litteraire +is de eenvoud en de zuiverheid opgegroeid buiten, ja ondanks het +klassicisme. + +De enkelen, die in het Frankrijk der vijftiende eeuw humanistische +vormen aannemen, luiden nog geen Renaissance in. Want hun stemming, hun +oriënteering is nog middeleeuwsch. De Renaissance komt eerst, wanneer de +_levenstoon_ verandert, wanneer het getij van doodelijke levensverzaking +kentert, en er een bolle frissche wind gaat blazen; wanneer het blijde +besef rijpt, dat men al de heerlijkheid der oude menschheid, waaraan men +zich al zoo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen. + + + +NOTEN: + + +[992] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius, Lugd. Bat., 1613; Joh. de +Monasteriolo, Epistolae, Martène & Durand, Amplissima Collectio, II col. +1310. + +[993] Ep. 69 c. 1447, ep. 15 c. 1338. + +[994] Ep. 59 c. 1426, 58, c. 1423. + +[995] Ep. 40, col. 1388, 1396. + +[996] Ep. 59, 67, col. 1427, 1435. + +[997] Le livre du Voir-Dit, p. xviii. + +[998] Ep. 38, col. 1385. + +[999] Zie hierboven p. 324. (zie Hoofdstuk VIII, tekst voor noot 666) + +[1000] Gerson, Opera, I p. 922. + +[1001] Dion. Cart., t. XXXVII p. 495. + +[1002] Petrarca, Opera, ed. Bazel 1581, p. 847. + +[1003] Clemanges, Opera. Ep. 5, p. 24; J. de Monstr., Ep. 50, col. 1428. + +[1004] Chastellain, VII p. 75-143, vgl. V p. 38-40, VI p. 80; VIII p. 358, +Le livre des trahisons, p. 145. + +[1005] Machaut, Le Voir-Dit, p. 230; Chastellain, VI p, 194, La Marche, +III p. 166; Le Pastoralet vs.2806; Le Jouvencel, I p. 16. + +[1006] Le Pastoralet vs. 541, 4612. + +[1007] Chastellain, III p. 173, 117, 359 enz.; Molinet, II p. 207. + +[1008] J. Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae (Chron. +rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III). + +[1009] Zie hierboven p. 107. (zie Hoofdstuk III, tekst volgend op noot +194) + +[1010] Chronique scandaleuse, II p. 42. + +[1011] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I no. 90. p. 90. + +[1012] Deschamps, no. 285, II p. 138. + +[1013] Villon, ed. Longnon p. 15, h. 36-38; Rabelais, Pantagruel, 1. 2. +ch. 6. + +[1014] Chastellain, V p. 292ss; La Marche, Parement et triumphe des +dames, Prologue; Molinet, Faictz et dictz, Prologue, id. Chronique, +I p. 72, 10. 54. + +[1015] Uittreksels bij Kervyn de Lettenhove, Oeuvres de Chastellain, +VII p. 145-186; zie P. Durrieu, Un barbier de nom français à Bruges, +Académie des inscriptions et belles-lettres, Comptes rendus 1917, +p. 542-558. + +[1016] Chastellain, VII p. 146. + +[1017] Ib. p. 180. + +[1018] La Marche, I p. 15, 184-186; Molinet, I p. 14, III p. 99; +Chastellain, VI: Exposition sur verité mal prise, VII p. 76, 29, 142, +422; Commines, I p. 3; vgl. Doutrepont, p. 24. + +[1019] Chastellain, VII p. 159. + +[1020] Ib. + +[1021] Thuasne, R. Gaguini Ep. & Or, I p. 126. + +[1022] Thuasne, I p. 20. + +[1023] Thuasne. I p. 178, II p. 509. + +[1024] Deschamps, no. 63, I p. 158. + +[1025] Villon, Testament vs. 899, ed. Longnon, p. 58. + +[1026] Le Pastoralet vs. 2094. + +[1027] Ib. vs. 30, p. 574. + +[1028] Molinet, V p. 21. + +[1029] Chastellain, Le dit de verité, VI p. 221, vgl. Exposition sur +verité mal prise, ib. p. 297, 310. + +[1030] La Marche, II p. 68. + +[1031] Roman de la rose vs. 20141; aïst=helpe, dont=dat ik. + + + * * * * * + + +REGISTER + + +Cursief gedrukte namen verwijzen naar den volledigen titel van +afgekort aangehaalde werken. + +Abuzé en Court, L'. +Adel, Taak van den. +Adeldom in deugd. +Adellijke levensvormen nagevolgd door de burgerij. +Agricola, Rudolf. +Ailly, Pierre d'. +Alain de la Roche. +_Alain de la Roche_. +Alanus de Rupe, zie Alain de la Roche. +Alcuin. +_Alienor_. +Allegoriel. +Amadis-romans. +Amant rendu cordelier, L'. +Amoureux de l'observance. +Amuletten. +Andrieskruis. +Anjou, Isabella van. +Anjou, Lodewijk van. +Anjou, Margareta van, koningin van Engeland. +Anjou, René van; zie René, koning. +Anthropomorphisme. +Antieke helden. +Aquino, Thomas van. +Arbre des batailles, L'. +Arc, Jeanne d'. +Archipoeta. +Arkel. +Armagnacs. +Armentières, Peronnelle d'. +Arnemuyden, Margareta van. +Arnolfini, Jean. +Arrestz d'amour. +Ars moriendi. +Artevelde, Philips van. +Artois, Philippe d'. +Artois, Robert van. +Atharvaveda. +Aubriot, Hugues. +Augustinus. +Aurea mediocritas. +Auvergne, Martiald'. +Azincourt. +Azincourt, Regnault d'. + +Bach, Johann Sebastian. +Baerze, Jacques de. +Bajazid. +Ball, John. +Balue, Jean, bisschop van Evreux, kardinaal enz.. +Bandello. +Bar, Louis de, kardinaal. +Barante, De. +Basin, Thomas, bisschop van Lisieux. +_Basin, Thomas_. +Baude, Henri. +Baudricourt, Robert de, gouverneur van Vaucouleurs. +Beaugrant, Madame de. +Beaumanoir, Robert de. +Beaumont, Jan van. +Beauneveu, André. +Bedelaars. +Bedevaarten. +Bedford, John of Lancaster, hertog van. +Begarden. +Begrafenis, Vorstelijke. +Beieren, Albrecht van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland. +Beieren, Jan van, elect van Luik, later graaf van Holland en Zeeland. +Beieren, Margareta van, hertogin van Bourgondië. +Beieren, Willem VI van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland. +Beleefdheidsstrijd. +Belon la Folle. +Benedictus XIII. +Bernard van Clairvaux. +Bernardino van Siena. +Beroepsideaal. +Berry, Jan, hertog van. +Berry, Karel, hertog van. +Berry, heraut. +Berthelemy, Jean. +Bespotting van het geloof. +Bétisac, Jean. +Beurtgesprek, als stijlmiddel. +Bizarre in schilderkunst en litteratuur, Het. +Bladelyn, Pieter. +Bloed des Verlossers. +Bloedwraak. +Blois, Charles de. +Blois, Jean de, heer van Gouda en Schoonhoven. +Blois, Jean de. +Boccaccio. +Bodin, Jean. +Boeddhisme. +Boeufs, Pierre aux. +Bois, Manssart du. +Bonaventura. +Bonet, Honoré. +Boniface, Jean de. +Borgia, Cesare. +Borromeus, Karel. +Boucicaut, Jean le Meingre, maréchal de. +_Boucicaut, Livre des faicts du mareschal de_. +Bourbon, Isabella van; zie Charolais. +Bourbon, Jacques de. +Bourbon, Jean de. +Bourbon, Louis de. +Bourgeois de Paris. +_Bourgeois de Paris; zie Journal_. +Bourgogne, Mademoiselle de. +Bourgondië, Anna van, hertogin van Bedford. +Bourgondië, David van, bisschop van Utrecht. +Bourgondië, zie onder de voornamen. +Bourguignons. +Bouts, Dirk. +Brabant, Antonie van Bourgondië, hertog van. +Brabant, Wencelyn, hertog van. +Brandebourch. +Breauté, Pierre de. +Bretagne, Frans II, hertog van. +Bretagne, Jan V, hertog van. +Bretagne, Frans III, hertog van. +Breughel, Pieter. +Brigitta van Zweden. +Broederlam, Melchior. +Broeders van den Vrijen Geest. +Brugman, Johannes. +Bruiloft. +Bueil, Jean de. +Burckhardt, Jakob. +Burgerij. +Burne Jones, Edward. +Busnois, Antoine. +Bussy, Oudart de. +Bijgeloof. + +Capeluche, beul van Parijs. +Capistrano, Johannes. +Carr, Robert. +Casuïstiek. +Casuïstiek der liefde. +Catharina van Siena. +Caxton, William; 441. +Celestijnen, klooster der, te Parijs. +Cent ballades. +_Cent Ballades, Le livre des_. +Cent nouvelles nouvelles. +Chaise-Dieu, La. +Champion, P. +_Champion, P. zie Villon_. +Charny, Geoffroi de. +_Charny, Le livre messire Geoffroi de_. +Charolais, Isabella van Bourbon, gravin van. +Charolais; zie Karel de Stoute. +Chartier, Alain. +_Chartier, Alain_. +_Chartier, Jean_. +Chastellain, Georges. +_Chastellain, Georges_. +Châtel, Guillaume du. +Châtelier, Jacques du, bisschop van Parijs. +Chaucer, Geoffrey. +Chevalier, Etienne. +Chevalier du guet. +Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison; zie Orde van de Ster. +Chevrot, Jean, bisschop van Doornik. +Chopinel; zie Clopinel. +_Chroniqae scandaleuse_. +Cicero. +Cleef, Jan I, hertog van. +Cleef, Adolf van, heer van Ravestein. +Clemanges, Nicolaas van. +_Clemanges, Nicolaas van_. +Clemens V. +Clercq, Jacques du. +_Clercq, Jacques du. +Clisson, Olivier de, connétable van Frankrijk. +Clopinel, Jean. +Coeur, Jacques. +Coïmbra, Jan van. +Coitier, Jacques. +Col, Gontier. +Col, Pierre. +Colette Boellet, Sainte. +Combat des Trente. +Commines, Philippe de. +_Commines, Philippe de_. +Compositie in de schilderkunst. +Contemptus mundi; zie Verachting der wereld. +Coquillart, Guillaume. +Coquinet, le fou de Bourgogne. +Cordeliers, klooster der. +Coucy, Enguerrand de. +Cour d'amours. +Courtenay, Pierre de. +Coustain, Jean. +Cranach, Lucas. +Craon, Pierre de. +Cresecque. +Cristus, Petrus. +Crokart. +Croy, Antoine de. +Croy, Philippe de. +Curial, Le. +Curtius, Quintus. +Cusa, Nicolaas van. + +Danse aux Aveugles. +Dante. +Daret, Jacques. +David, Gerard. +Debat des hérauts d'armes. +_Debat des hérauts d'armes_. +Deschamps, Eustache. +_Deschamps, Eustache_. +Deviezen; 201, 395 vg. +Devotie, Moderne. +Dieu, Spraakgebruik, voor de hostie. +Dionysius de Kartuizer, of: van Rycke. +_Dionysius Cartusianus_. +_Dixmude, Jan van_ +Dolce stil nuovo. +Domburg, Jan van. +Donatello. +Doodendans. +Doodsstrijd. +Doornik, Jean de Thoisy, bisschop van. +Dorpers. +_Douet d'Arcq, Pièces inédites_. +_Doutrepont, G._. +Drie dooden en drie levenden, Sproke der. +Dufay, Guillaume. +Duivelfantazie. +Dunois, Jan van Orleans, graaf van. +Durand-Gréville, E. +Durandus, Guilielmus. +Dürer, Albrecht. +Dwergen. + +Eck, Johannes. +Eckhart, Meister. +Eduard II, koning van Engeland. +Eduard III, koning van Engeland. +Eduard IV, koning van Engeland. +Eergevoel. +Egmond, Lamoraal, graaf van. +Elisabeth, Sint, van Thüringen. +Emerson, R.W. +Emprise. +Engeland, Koningen van; zie onder de voornamen. +Engeland, Maria van. +Engelen. +Entremets. +Envoûtement. +Epithalamische stijl. +Erasmus, Desiderius. +Erotiek, Droeve. +Erotische allegorie. +Escouchy, Mathieu d'. +_Escouchy, Mathieu d_. +Estats; zie Standen. +Exdamacion des os Sainct Innocent. +Extravagant karakter der beeldende kunst. +Eyck, Gebroeders van. +Eyck, Hubert van. +Eyck, Jan van. + +Fantaziesferen, Dooreenmenging van. +Fastolfe, Sir John. +Faukemont, Jehan de. +Fazio, Bartolomeo. +Feesten. +Fénélon. +Fenin, Pierre de. +_Fenin, Pierre de_. +Ferrer, Vincent. +_Ferrer, Vincent, Vita_. +Fillastre, Guillaume, kardinaal enz.. +Fillastre, Guillaume, bisschop van Doornik. +_Fillastre, Guillaume, Toison dor_. +Flémalle, Meester van. +Foix, Gaston Phébus, graaf van. +Formalisme. +Fouquet, Jean. +Fradin, Antoine, volksprediker. +Franc Gontier, Le dit de. +Franc Gontier, Les contrediz. +France, Anatole. +Franciscus van Assisi. +François, zie Paule. +Frankrijk, Koningen van; zie onder de voornamen. +Frans I, koning van Frankrijk. +Fraterhuizen; zie Devotie, Moderne. +Frederik III. +Froissart, Jean. +_Froissart, Jean_. +Froment, Jean. +Fulco van Marseille, bisschop van Toulouse. + +Gaguin, Robert. +_Gaguin, Robert_. +Galois et Galoises. +Geertgen tot Sint Jans. +Geloften; zie Ridderlijke gelofte, en Voeu. +Gelre, Adolf van. +Gelre, Arnold van. +Gelijkheidsidee. +Generaliseering. +Genève, Lodewijk van Savoye, graaf van. +Genreschildering. +Geoffroi de Paris. +Gerechtigheidsgevoel. +Geringschatting der geestelijkheid. +Germain, Jean, bisschop van Chalons. +_Germain, Jean, Liber de virtutibus etc._. +Gerson, Jean. +_Gerson, Jean_. +Gevangenen. +Gezelschapsspelen. +Giotto. +Glocester, Humphrey van. +Godefroy, Denis. +_Godefroy, Théodore_. +Goethe. +Gonzaga, Aloysius. +Gonzaga, Francesco. +Grabow, Mattheus. +Grafteeken. +Gregorius de Groote. +Groote, Gerard. +Guernier, Laurent. +Guesclin, Bertrand du. +Gulden Vlies. + +Hagenbach, Peter van. +Hales, Alexander van. +Hames, Nicolaas de. +Hans, acrobaat. +Hardvochtigheid. +Hautbourdin, Jean de Saint-Pol, heer van. +Hauteville, Pierre de. +Hebzucht. +Heethoofdigheid. +_Hefele, K., Der h. Bernhardin von Siena usw._. +Heiligen en Ziekten. +Heiligenbeelden. +Heiligenvereering. +Heilo, Frederik van. +Heksenkamer; zie Malleus maleficarum. +Heksenvervolging. +Hel, Voorstelling der. +Heldenideaal. +Heloïse. +Hendrik IV, koning van Engeland. +Hendrik V, koning van Engeland. +Hendrik VI, koning van Engeland. +Henouars. +Herauten. +Herdersideaal. +Herp, Hendrik van. +Hervorming. +Heures d'Ailly. +Heures de Chantilly, Trés-riches. +Heures de Turin. +Hieronymus. +Hoekschen en Kabeljauwschen. +Hofceremonieel. +Hofleven. +Hofstaat. +Hof vlucht. +Holanda, Francesco de. +Holland. +Holbein, Hans. +Hoofsche minne. +Hoogmoed. +Houwaert, Johan Baptista. +Hugo, Victor. +Humanisme. +Humanisten. +Hus, Johannes. +Hutten, Ulrich von. +Huysmans, Joris Karl. + +Idealisme. +Imitatio Christi. +Innocentius III. +Innocents; zie Onnoozele kinderen. +Innocents, kerkhof der. +Institoris, Heinrich. +Ironie. +Isabella van Beieren, koningin van Frankrijk. +Isabella van Frankrijk, koningin van Engeland. + +Jacobus I, koning van Engeland. +Jaille, sire de. +James, William. +Jan II, koning van Frankrijk. +Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, eerder graaf van Nevers. +Jeruzalem. +Johanniters. +_Jorga, N._. +Joseph, Sint. +_Journal d'un bourgeois de Paris_. +Jouvencel, Le. +_Jouvencel, Le_. +Jouvenel, Jean, bisschop van Beauvais. +_Juvenal des Ursins_. + +Kamp van Neuss. +Karel de Groote. +Karel V, keizer. +Karel V, koning van Frankrijk. +Karel VI, koning van Frankrijk. +Karel VII, koning van Frankrijk. +Karel VIII, koning van Frankrijk. +Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, eerder graaf van Charolais. +Kempis, Thomas a. +Kerkelijk-erotische travesti. +Kerkgang. +Kethulle, Lodewijk van de. +Keuken. +Kinderen. +Klassicisme. +Kleederdracht. +Kleuren, Symbolische beteekenis der. +Kleurenzin. +Klokgelui +Kluisters bij geloften. +Kok. +Koningschap. +Kraamkamer. +Krankzinnigen. +Kroningsmaal. +Kruistochtideaal. +Krijgsmoed. +Krijgsmuziek. + +_Laborde, L. de_. +_La Borderie, A. de_. +La Bruyère. +La Curne de Sainte Palaye. +_La Curne de Sainte Palaye_. +La Hire, Etienne de Vignolles, dit1. +Lalaing, Jacques de. +_Lalaing, Le livre des faits de Jacques de_. +Lam, Aanbidding van het (Gentsch altaarstuk) +La Marche, Olivier de. +_La Marche, Olivier de_. +Lamprecht, Karl. +Lancaster, Huis. +Lancaster, John of Gaunt, hertog van. +Lannoy, Baudouin de. +Lannoy, Ghillebert de. +Lannoy, Jean de. +Lannoy, Hue de. +La Noue, François de. +La Salle, Antoine de. +_La Salle, Antoine de_. +Latiniseering. +La Tour Landry, ridder de. +La Trémoïlle, Guy de. +Laura. +Laval, Jeanne de. +Lebègue, Jean. +Lefèvre de Saint Remy, Jean. +_Lefèvre de Saint Remy, Jean_. +Le Franc, Martin. +_Le Franc, Martin_. +Legris, Estienne. +Lekkerbeetje, Gerard Abrahams, gezegd. +Lemonnier, Camille. +Leo X, Paus. +Leo van Lusignan, koning van Armenië. +Levensbangheid. +Levensgenot. +Lhuillier, Jean. +Lichteffekten, Schildering en beschrijving van. +Lichtgeloovigheid. +Lidwina van Schiedam. +Liefde en huwelijk. +Limburg, Gebroeders van. +Limburg, Paul van. +L'Isle Adam, Jean de Villiers de. +Livius. +_Livre des trahisons_. +Lodewijk IX, de Heilige, koning van Frankrijk. +Lodewijk XI, koning van Frankrijk. +Lodewijk XII, koning van Frankrijk. +Longuyon, Jacques de. +Lorris, Guiliaume de. +_Louis XI, Lettres de_. +Loyola, Ignatius de. +Lucena, Vasco de. +Lumey, Guillaume de la Marck, heer van. +Luna, Peter van; zie Benedictus XIII. +Lunettes des princes. +Lusignan, Pierre de. +Luther. +Luxemburg, Andreas van. +Luxemburg, Guy van. +Luxemburg, Pieter van. +Lijden Christi, Vervuldheid van het. +Lijkstaatsie, Beeltenissen bij de. +Lyon, Espaing du. + +Macabre. +Machaut, Guillaume de. +_Machaut, Guillaume de_. +Madame d'Or; zie Or. +Maerlant, Jacob van. +Mahuot. +Maillard, Olivier, volksprediker. +Makart, Hans +Male, Lodewijk van, graaf van Vlaanderen. +Male, Emile. +Malleus malencarum. +Mandragora. +Mapes, Walter. +Marchant, Guyot. +Marche, Jean de. +Margareta, koningin van Engeland; zie Anjou. +Margareta van Oostenrijk. +Margareta van Schotland, koningin van Frankrijk. +Margareta van York, hertogin van Bourgondië. +Maria van Bourgondië. +Mariabeeldjes met de Drieëenheid. +Marieken van Nimwegen. +Marmion, Colard. +Marmion, Simon. +Marot, Clement. +Martianus Capella. +Martinus V, Paus. +Maupassant, Guy de. +Maximiliaan van Oostenrijk. +Medelijden met het volk. +Medici, Cosimo de'. +Medici, Lorenzo de', il Magnifico. +Melancholie. +Méliador. +Memlinc, Hans. +Meschinot, Jean. +_Meschinot, Jean_. +Metaphora, Godsdienstige, voor aardsche dingen. +Metsys, Quinten. +Meun, Jean de; zie Clopinel. +Mézières, Philippe de +_Mézières, Philippe de_; zie _forga_. +Michault, Pierre. +Michel Angelo. +Michelle de France, hertogin van Bourgondië. +Mignons. +Miliis, Ambrosius de. +Militair nationalisme. +Minimen, Orde der. +Mirabeau, marquis de. +Mismaakten. +Molinet, Jean. +_Molinet, Jean_. +_Molinet, Jean--Faictz et Dictz_. +Monstrans. +Monstrelet, Enguerrand de. +_Monstrelet, Enguerrand de_. +Monstreuil, Jean de. +_Monstreuil, Jean de_--. +Montaigu, Jean de. +Montereau. +Montferrant. +Montfort, Jean de. +Morgante. +Morlay, Bernard van. +Moulins, Denys de, bisschop van Parijs. +Murillo. +Mutsert der ijdelheden. +Muziekaesthetiek. +Mystiek, Praktische. +Mystiek, Verbeeldingsvormen der. +Mystisch huwelijk. +Mythologie. + +Naakt, Het, in kunst en litteratuur. +Naam van Jezus. +Natuurbeschrijving. +Nicopolis. +Nietzsche, Friedrich. +Nilus, Sint. +Nominalisme. +Noodhelpers, Veertien. +Nugis curialium, De. + +Obrecht, Jacob. +Omgangsvormen. +Oneerbiedigheid jegens den godsdienst. +Ongeloof. +Onnoozele kinderen. +Onveiligheid. +Oppervlakkigheid. +Or, Madame d'. +Oranje, Willem van. +Oranje, Willem II, prins van. +Orde; zie ook Ordre. +Orde der Annonciade. +Orde van St. Antonius. +Orde van het Gouden schild. +Orde van het Gulden Vlies. +Orde van de Kouseband. +Orde van de Ster. +Orde van de Kroon. +Orde van het Zwaard. +Ordre. +Ordre de la Dame blanche. +Ordre de la Passion. +Orgemont, le Boiteux d' +Orgemont, geslacht. +Orgemont, Pierre d'. +_Orléans, Charles d'_. +Orleans, Karel van. +Orleans, Lodewijk van. +Oudheid. +_Oulmont, Ch_. +Overdrijving. +Ovidius. + +Paele, Joris van de. +Paesberd; zie Paix. +Paganisme. +Paix. +Panetiers. +Parement et triumphe des dames. +Paris, Paulin. +Partijgevoel. +Partijschap. +Partijteekens. +Pas d'armes. +Pas de la mort, Le. +Pascal, Blaise. +Pastorale. +Pastorale en politiek. +Pastoralet, Le. +Pastourelle. +Paule, Saint François deg. +Pauli, Theodericus. +_Pauli, Theodericus_. +Pelgrimages. +Penthièvre, Jeanne de. +Perceforest. +Personificatie. +Petit, Jean. +_Petit-Dutaillis_. +Petrarca, Francesco. +Philippa van Henegouwen, koningin van Engeland. +Philips VI, koning van Frankrijk. +Philips de Goede, hertog van Bourgondië. +Philips de Schoone, aartshertog van Oostenrijk. +Philips de Stoute, hertog van Bourgondië. +Pisan, Christine de. +_Pisan, Christine de_. +Plato. +Plourants. +Plouvier, Jacotin. +Poggio, Giov. Franc.--Bracciolini. +Poitiers. +Poitiers, Alienor de. +_Poitiers, Alienor de_. +Poliziano, Angelo. +_Poliziano_. +Ponchier, Etienne, bisschop van Parijs. +Porete, Marguerite. +Portret. +Pot, Philippe. +Poursuivants. +Predikers. +Preuses, Les neuf. +Preux, Les neuf. +Processies. +Protestantisme. +Proza en poëzie; 498 vg. +Prudentius; 343. +Pseudo-Bonaventura; 452. +Pseudo-Dionysius Areopagita. +Pulci, Luigi. +Puritanisme. + +Quentin, Jean. +Quinze joyes de mariage. +_Quinze joyes de mariage_. + +Rabelais, François. +Rais, Gilles de. +Rallart, Gaultier. +Ravestein, Beatrix van. +Ravestein, Philips van. +Raynaud, Gaston. +Realisme. +Rebreviettes, Jennet de. +_Reconfort de Madame du Fresne, Le_. +Reformpartij. +_Religieux de Saint Denis_. +Reliquieën. +Rembrandt. +Renaissance. +_Renaudet, A_. +René van Anjou, koning van Sicilië. +_René, Koning_. +René II van Lotharingen. +Rhetoriek. +Rhétorique, Les Douze Dames de. +Ribeumont, Eustache de. +Richard II, koning van Engeland. +Richard, broeder, volksprediker. +Ridderideaal. +Ridderideaal en askese. +Ridderideaal en erotiek. +Ridderideaal en ethiek. +Ridderideaal en historie. +Ridderideaal en krijgvoering. +Ridderideaal en sport. +Ridderideaal en staatkunde. +Ridderlijke gelofte. +Ridderlijkheid als kastegevoel. +Ridderlijkheid en gewin. +Ridderlijkheid en krijgstaktiek. +Ridderorden. +Ridderschap. +Ridderwezen. +Robertet, Jean. +Rochefort, Charles de. +Roemzucht. +Rolin, Nicolas. +Roman de la rose. +Romanov. +Romantiek. +Romantisme der heiligheid. +Romuald, Sint. +Rosa van Viterbo, Sint. +Rose; zie Roman. +Rousseau, Jean Jacques. +Rouw. +Roye, Jean de. +_Roye, Jean de_, zie _Chronique scandaleuse_. +Rozebeke. +Rozenkrans, Broederschap van den. +_Rozmital, Leo von_. +Ruusbroec, Jan van. + +_Sainte Palaye_; zie _La Curne_. +Saint Pol, Louis de Luxembourg, graaf van, connétable van Frankrijk. +Saintré, Petit Jehan de. +Salazar, Jean de. +Salisbury, Johannes van. +Salisbury, William Montague, graaf van. +Salmon, Pierre le Fruictier, dit. +_Salmon, Pierre_. +Salutati, Coluccio. +Sancerre, Louis de, maréchal de France. +Saulx, Simon de. +Savonarola, Girolamo. +Savoye, Amadeus VI van. +Savoye, Amadeus VIII van. +Schaamte. +Schaamteloosheid. +Schisma. +Schoonheid en zonde. +Schoonheidsgevoel. +Scorel, Jan van. +Scotus Erigena, Johannes. +Seneca. +Sens, Etienne Tristan de Salazar, aartsbisschop van. +_Seuse, Heinrich_. +Shakespeare. +Silesius, Angelus. +Simplisme. +Sint Andriesbroederschap. +Sint Victor, Hugo van. +Sint Victor, Richard van. +Sorel, Agnes. +Spel en ernst, Vermenging van. +Spreekwoorden. +Sprenger, Jakob. +Standen. +Standonck, Jean. +_Stavelot, Jean de_. +Steinlen. +Styleering der liefde. +Substantieele voorstelling van het abstracte. +Summis desiderantes, Bul. +Suso, Heinrich. +Symbolisme. +Systematiek van deugd en zonde. + +Tacitus. +Taine, Hippolyte. +Tauler, Johannes. +Tempeliers. +Terechtstellingen. +Ternant, Philippe de. +Tertullianus. +Testamenten. +Theocritus. +Thomas, broeder, volksprediker. +Thomas, Saint Pierre. +Thucydides. +Todi, Jacopone van. +Toity, Joffroy de. +Tonnerre, Louis de Chalon, graaf van. +Tooverij. +Tournooi. +Tranen. +Trazegnies, Gilles de. +Trois chevaliers et del chainse, Des. +Troubadours. +Tuetey, A.. +Turken. +Turlupins. +Tweegevecht. +Tweegevecht te Valenciennes. + +Ubi sunt..., Motief. +Uitwerking der bijzonderheden. +Upanishad's. +_Upton, Nicolas, De officio militari_. +Urbanisten. +Usener, Hermann. + +Vaganten. +Varennes, Jean de. +Vauderie. +Velazquez. +Verachting der wereld. +Vergilius. +Verlichting. +Verrotting, Motief der. +Verschijningen. +Vertooningen. +Vienne, Angelo Cato, aartsbisschop van. +Vier utersten. +Villiers, George. +Villon, François. +_Villon, François_. +Visueele aanleg. +Vita nuova. +Vitri, Philippe de. +_Vitri, Philippe de_. +Vloeken. +Voeu du héron. +Voeux du faisan. +Voir-Dit, Livre du, zie ook Machaut. +Voorrang. +Vorstenduel. +Vorstentrouw. +Vredesideaal. +Vrouwenverachting. +Vrouwenvereering. +Vrouwenverguizing. +Vydt, Jodocus. + +Wapenkoning. +Wapenkreet. +Watteau, Antoine. +Weelde. +Wenzel, Roomsch koning. +Weyden, Rogier van der. +Wier, Johannes. +Wilhelmus van Nassouwen. +Willem IV, graaf van Henegouwen en Holland. +Windesheimers, zie Devotie, Moderne-- +Witte, Emanuel de. +Woekeringen van het godsdienstleven. +Woordenspel. +Wraakzucht. +Wreedheid. +Wurtemberg, Hendrik van. + +Xaintrailles, Pothon de. +Xaverius, Franciscus. + +Zeeoorlog. +Zegenspreuken. +Zelfbespotting. +Zigeuners. +Zola, Emile. +Zueticheit. +Zwaarmoedigheid. + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN *** + +***** This file should be named 16829-8.txt or 16829-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/6/8/2/16829/ + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/16829-8.zip b/16829-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..53499cc --- /dev/null +++ b/16829-8.zip diff --git a/16829-h.zip b/16829-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1e7da30 --- /dev/null +++ b/16829-h.zip diff --git a/16829-h/16829-h.htm b/16829-h/16829-h.htm new file mode 100644 index 0000000..3e43373 --- /dev/null +++ b/16829-h/16829-h.htm @@ -0,0 +1,17944 @@ +<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"> +<html> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content= + "text/html; charset=iso-8859-1"> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Herfsttij Der Middeleeuwen, by Johan Huizinga. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- + P { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + H1,H2,H3,H4,H5,H6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + } + H1, H2 { color: maroon; + } + HR { width: 33%; + margin-top: 1em; + margin-bottom: 1em; + + } + PRE { font-family: Times, monospaced; + } + BODY{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + color: black; + background: OldLace; + link: maroon; + } + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */ + .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */ + .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */ + .sidenote {width: 20%; margin-bottom: 1em; margin-top: 1em; padding-left: 1em; font-size: smaller; float: right; clear: right;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;} + .poem .caesura {vertical-align: -200%;} + + // --> + /* XML end ]]>*/ + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Herfsttij der Middeleeuwen + +Author: Johan Huizinga + +Release Date: October 8, 2005 [EBook #16829] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN *** + + + + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe + + + + + +</pre> + + + + + +<h1>HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN</h1> +<br /> + +<h3>STUDIE OVER LEVENS- EN GEDACHTENVORMEN DER VEERTIENDE EN VIJFTIENDE +EEUW IN FRANKRIJK EN DE NEDERLANDEN</h3> +<br /> + +<h4>door</h4> +<br /> + +<h3>J. HUIZINGA</h3> +<br /> + +<h4>1919</h4> + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h3>VOORBERICHT</h3> +<br /> + +<p>Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het +verleden zoekt. Men wil weten, hoe de nieuwe gedachten en nieuwe +levensvormen, die in later tijden in hun volheid stralen, ontloken zijn; +men beziet elken tijd bovenal om de beloften, die hij bergt voor de +volgende. Hoe ijverig heeft men in de middeleeuwsche beschaving naar de +kiemen der moderne cultuur gespeurd; zoo ijverig, dat het soms schijnen +moest, alsof de geestesgeschiedenis der Middeleeuwen nauwelijks iets +anders was geweest dan de advent der Renaissance. Immers, overal zag men +in die tijden, die eenmaal als star en doodsch gegolden hadden, het +nieuwe reeds ontspruiten, en alles scheen te wijzen naar toekomstige +volmaking. Doch bij het zoeken naar het nieuwe leven, dat opkwam, vergat +men licht, dat in de geschiedenis als in de natuur het sterven en het +geboren worden eeuwig gelijken tred houden. Oude beschavingsvormen +sterven af terzelfdertijd en op denzelfden bodem, waarin het nieuwe +voedsel vindt om op te bloeien.</p> + +<p>Hier is beproefd om de veertiende en vijftiende eeuw te zien, niet als +de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen, +de middeleeuwsche beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom +met overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld. Het woekeren +van oude, dwingende denkvormen over de levende kern der gedachte, het +verdorren en verstijven van een rijke beschaving,—dat is de hoofdinhoud +van deze bladzijden. De blik is bij het schrijven van dit boek gericht +geweest als in de diepten van een avondhemel,—maar van een hemel vol +bloedig rood, zwaar en woest van dreigend loodgrijs, vol valschen +koperen schijn.</p> + +<p>Overzie ik het geschrevene, dan rijst de vraag, of niet, wanneer de blik +nog langer op dien avondhemel had gerust, de troebele kleuren zich toch +nog zouden hebben opgelost in louter klaarheid. Het schijnt wel, dat het +beeld, nu ik het lijn en kleur gegeven heb, toch somberder en minder +sereen is geworden, dan ik het meende te ontwaren, toen ik den arbeid +begon. Het kan licht gebeuren, dat men, de opmerkzaamheid steeds gericht +op neergaan, uitleven en verwelken, te veel van de schaduw des doods +over het werk laat vallen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het uitgangspunt van het werk is geweest de behoefte, om de kunst der +Van Eyck's en hun volgers beter te verstaan, ze te begrijpen in haar +samenhang met het gansche leven van den tijd. De Bourgondische +samenleving was de eenheid, die ik in het oog wilde vatten: het scheen +mogelijk, deze te zien als een even afgeronde beschavingskring als het +Italiaansche quattrocento, en de titel van het boek was eerst bestemd +te luiden: <i>De eeuw van Bourgondië</i>. Doch naarmate de strekking der +beschouwingen algemeener werd, moest die begrenzing worden opgegeven; +slechts in zeer beperkten zin viel er een eenheid van Bourgondische +cultuur te postuleeren; het niet-Bourgondische Frankrijk eischte +minstens evenveel aandacht. Zoo kwam in de plaats van Bourgondië de +tweeledigheid: Frankrijk en de Nederlanden, en dat een zeer ongelijke. +Want in een beschouwing over de afstervende middeleeuwsche cultuur in +het algemeen moest het Nederlandsche element bij het Fransche verre +achter blijven; slechts op die gebieden, waar het eigen beteekenis +heeft: dat van het godsdienstig leven en dat der kunst, komt het +uitvoeriger ter sprake. Dat in het tiende hoofdstuk de gestelde +aardrijkskundige grenzen even zijn overschreden, om naast Ruusbroec +en Dionysius den Kartuizer ook Eckhart, Suso en Tauler tot getuigen +te kunnen roepen, zal wel geen verdediging behoeven.</p> + +<p>Hoe gering lijkt mij het getal der doorgelezen geschriften uit de +veertiende en vijftiende eeuw, vergeleken bij alles, wat ik nog wel +had willen lezen. Hoe gaarne had ik naast de reeks van hoofdtypen der +verschillende geestesrichtingen, op welke de voorstelling veelal is +gebaseerd, nog tal van andere gesteld. Doch indien het onder de +geschiedschrijvers meer dan anderen Froissart en Chastellain zijn, die +ik aanhaal, onder de dichters Eustache Deschamps, onder de theologen +Jean Gerson en Dionysius de Kartuizer, onder de schilders Jan van +Eyck,—dan ligt dit niet enkel aan beperktheid van mijn materiaal, +maar meer nog aan het feit, dat dezen door den rijkdom en het scherp +eigenaardige van hun uitingen bij uitstek de spiegel zijn van den geest +dier tijden.</p> + +<p><i>Vormen</i> van het leven en van de gedachte zijn het, wier beschrijving +hier beproefd is. Den wezenlijken <i>inhoud</i> te benaderen, die in die +vormen heeft gerust,—zal het ooit het werk zijn van geschiedkundig +onderzoek?</p> + +<p>Leiden, 31 Januari 1919.</p> + + + +<hr style='width: 65%;' /> +<h3>INHOUD</h3> +<br /> + +<h4><a href='#I'>I</a>. 's Levens felheid</h4> + +<h4><a href='#II'>II</a>. De zucht naar schooner leven</h4> + +<h4><a href='#III'>III</a>. De heldendroom</h4> + +<h4><a href='#IV'>IV</a>. De vormen der liefde</h4> + +<h4><a href='#V'>V</a>. Het beeld van den dood</h4> + +<h4><a href='#VI'>VI</a>. De teugellooze verbeelding van het heilige</h4> + +<h4><a href='#VII'>VII</a>. De godsdienstige persoonlijkheid</h4> + +<h4><a href='#VIII'>VIII</a>. Aandoening en verbeelding</h4> + +<h4><a href='#IX'>IX</a>. Verbeelding en gedachte</h4> + +<h4><a href='#X'>X</a>. Het falen der verbeelding</h4> + +<h4><a href='#XI'>XI</a>. De denkvormen in de praktijk</h4> + +<h4><a href='#XII'>XII</a>. De kunst in het leven</h4> + +<h4><a href='#XIII'>XIII</a>. Het beeld en het woord</h4> + +<h4><a href='#XIV'>XIV</a>. Het komen van den nieuwen vorm</h4> + +<h4><a href='#REGISTER'>Register</a>.</h4> + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='I'></a>I</h2> + +<h3>'S LEVENS FELHEID</h3> +<br /> +<a name='1'></a> +<p>Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel +scherper uiterlijke vormen dan nu. Tusschen leed en vreugde, tusschen +rampen en geluk scheen de afstand grooter dan voor ons; al wat men +beleefde had nog dien graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, +dien de vreugd en het leed nu nog hebben in den kindergeest. Elke +levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en +uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakken, +vasten levensstijl. De groote dingen: de geboorte, het huwelijk, het +sterven, stonden door het sacrament in den glans van het mysterie. +Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren +begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.</p> + +<p>Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen +geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre +koude en het bange duister van den winter waren een wezenlijker kwaad. +Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog +feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten +tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden +nog dat hooge genotsgehalte, dat misschien door de Engelsche novelle +in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het +levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende +en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel, en +hielden <a name='2'></a> ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er +hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar +aan zijn kleed. De groote heeren bewogen zich nooit zonder pralend +vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging, +venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles +luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg +het teeken van zijn dame, de genooten het embleem van hun broederschap, +de partij de kleuren en blazoenen van hun heer.</p> + +<p>Ook in het uiterlijk aanschijn van stad en land heerschte die +tegenstelling en die bontheid. De stad verliep niet zooals onze steden +in slordig aangelegde buitenwijken van dorre fabrieken en onnoozele +landhuisjes, maar lag in haar muur besloten, een afgerond beeld, +stekelig van tallooze torens. Zoo hoog en zwaar de steenen huizen van +edelen of koopheeren mochten zijn, de kerken bleven met hun hoogte en +ruimte den aanblik der stad beheerschen.</p> + +<p>Zooals de tegenstelling van zomer en winter sterker was dan in ons +leven, zoo was het die van licht en duister, van stilte en gedruisch. +De moderne stad kent nauwelijks meer het zuivere donker en de zuivere +stilte, het effekt van een enkel lichtje of een enkelen verren roep.</p> + +<p>Door het voortdurend contrast, door de bonte vormen, waarmee alles zich +aan den geest opdrong, ging er van het alledaagsche leven een prikkeling, +een hartstochtelijke suggestie uit, welke zich openbaart in die wankele +stemming van ruwe uitgelatenheid, hevige wreedheid, innige verteedering, +waartusschen het middeleeuwsche stadsleven zich beweegt.</p> +<a name='3'></a> +<p>Er was één geluid, dat al het gedruisch van het drukke leven steeds weer +overstemde, en dat, hoe bont dooreen-klinkend, toch nooit verward, alles +tijdelijk ophief in een sfeer van orde: de klokken. De klokken waren in +het dagelijksch leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende +stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan +opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke +Jacqueline, klokke Roelant; men wist de beteekenis van kleppen of +luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor den +klank. Gedurende het beruchte burgerlijke tweegevecht te Valenciennes, +dat in 1455 de stad en het geheele Bourgondische hof in buitengewone +spanning heeft gehouden, luidde de groote klok, zoolang de strijd +duurde, "laquelle fait hideux à oyr", zegt Chastellain<a name='FNanchor_1_1'></a><a href='#Footnote_1_1'><sup>[1]</sup></a>. "Sonner +l'effroy", "faire l'effroy" heet het luiden der alarmklok<a name='FNanchor_2_2'></a><a href='#Footnote_2_2'><sup>[2]</sup></a>. Welk +een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als alle kerken en +kloosters van Parijs de klokken luidden van den morgen tot den avond, +en zelfs den geheelen nacht, omdat er een paus gekozen was, die een +einde aan het schisma zou maken, of om een vrede tusschen Bourguignon +en Armagnac<a name='FNanchor_3_3'></a><a href='#Footnote_3_3'><sup>[3]</sup></a>.</p> + +<p>Van een diep roerende werking moeten ook de processies zijn geweest. +Wanneer het bange tijden waren, en die waren het dikwijls, liepen ze +soms dag aan dag, weken achtereen.<a name='4'></a> In 1412, zoodra men te Parijs wist, +dat de koning zich op vijandelijk gebied bevond, werden er dagelijksche +processies verordend, die van eind Mei tot in Juli duurden, telkens van +andere groepen, orden of gilden, langs andere wegen, met andere +relieken: "les plus piteuses (aandoenlijke) processions qui oncques +eussent été veues de aage de homme." Allen liepen barrevoets en met +nuchtere maag, de heeren van het Parlement zoogoed als de arme burgers, +elk die kon met een kaars of een toorts; er waren steeds veel kleine +kinderen bij. Ook uit de dorpen rondom Parijs kwamen de arme landlieden +blootsvoets van ver geloopen. Men ging of keek het aan "en grant pleur, +en grans lermes, en grant devocion." En bijna al die dagen regende het +hard<a name='FNanchor_4_4'></a><a href='#Footnote_4_4'><sup>[4]</sup></a>.</p> + +<p>Dan waren er de vorstelijke intochten. En in nooit onderbroken +veelvuldigheid de terechtstellingen. De wreede prikkeling en de grove +verteedering van het schavot waren een gewichtig element in de +geestelijke voeding van het volk. Het was kijkspel met moraal. Tegen +gruwelijke rooverijen verzon de justitie gruwelijke straffen; een jonge +brandstichter en moordenaar wordt te Brussel met een ketting, die aan +een ring om een staak kan draaien, binnen een kring van brandende +takkebossen geplaatst. Hij stelt zichzelf aan het volk in roerende +woorden ten voorbeeld, "et tellement fit attendrir les coeurs que tout +le monde fondoit en larmes de compassion." "Et fut sa fin recommandée la +plus belle que l'on avoit oncques vue"<a name='FNanchor_5_5'></a><a href='#Footnote_5_5'><sup>[5]</sup></a>. Messire Manssart du Bois geeft +<a name='5'></a>niet alleen den beul gaarne de vergiffenis, die deze hem vraagt, maar +verzoekt hem, hem te kussen. "Foison de peuple y avoit, qui quasi tous +ploroient à chaudes larmes"<a name='FNanchor_6_6'></a><a href='#Footnote_6_6'><sup>[6]</sup></a>. Dikwijls waren het groote heeren; dan +genoot het volk de voldoening over het strenge recht en de ernstige +vermaning over de wisselvalligheid van aardsche grootheid levendiger, +dan eenig geschilderd exempel of doodendans het hun geven kon. De +overheid zorgde, dat aan den indruk van het schouwspel niets ontbrak: in +de teekenen van hun grootheid deden de heeren hun droevigen tocht. Jean +de Montaigu, grand maître d'hôtel van den koning, slachtoffer van den +haat van Jan zonder Vrees, rijdt naar het schavot, hoog op een kar +gezeten, twee trompetters vooruit; hij draagt zijn staatsiekleed, +kaproen, houppelande en hozen half wit half rood, en gouden sporen aan +de voeten; met die gouden sporen hangt het onthoofde lijk aan de galg. +De rijke kanunnik Nicolas d'Orgemont, le Boiteux d'Orgemont genoemd, +wordt in een vuilniskar door Parijs gevoerd, in een grooten violetten +mantel en kaproen, om de onthoofding van twee genooten aan te zien, vóór +hij zelf veroordeeld werd tot levenslange opsluiting "au pain de doleur +et à eaue d'angoisse". Het hoofd van maître Oudart de Bussy, die een +plaats in 't Parlement geweigerd had, werd op bijzonderen last van +Lodewijk XI weer opgegraven en in een scharlaken kaproen met bont +gevoerd "selon la mode des conseillers de parlement" op de markt te +Hesdin tentoongesteld, met een verklarend rijmpje. De koning zelf +schrijft over het geval met grimmige grappigheid<a name='FNanchor_7_7'></a><a href='#Footnote_7_7'><sup>[7]</sup></a>.</p> +<a name='6'></a> +<p>Zeldzamer dan de processies en de terechtstellingen waren de preeken van +de reizende predikers, die af en toe het volk kwamen schokken met hun +woord. Wij krantenlezers kunnen ons nauwelijks meer de geweldige werking +van het woord op een onverzadigden en onwetenden geest voorstellen. De +volksprediker broer Richard, die als biechtvader Jeanne d'Arc heeft +mogen bijstaan, preekte te Parijs in 1429 tien achtereenvolgende dagen. +Hij begon des morgens om vijf uur en eindigde tusschen tien en elf uur, +meest op het kerkhof der Innocents, onder welks galerijen de beroemde +doodendans geschilderd stond, met den rug naar de open knekelhuizen, +waarin, boven de booggang rondom, de schedels voor het gezicht lagen +opgestapeld. Toen hij na zijn tiende preek meedeelde, dat het de laatste +zou zijn, daar hij geen verlof voor meer had, "les gens grans et petiz +plouroient si piteusement et si fondement, comme s'ilz veissent porter +en terre leurs meilleurs amis, et lui aussi." Als hij eindelijk Parijs +gaat verlaten, meent het volk, dat hij den Zondag nog te St. Denis zal +preeken; in groote troepen, wel zes duizend, zegt de burger van Parijs, +trekken zij Zaterdags-avonds uit de stad, om zich een goede plaats te +verzekeren, en overnachten op het veld<a name='FNanchor_8_8'></a><a href='#Footnote_8_8'><sup>[8]</sup></a>.</p> +<a name='7'></a> +<p>Ook aan den franciscaan Antoine Fradin werd te Parijs het preeken +verboden, omdat hij hevig uitvoer tegen de slechte regeering. Maar +juist daarom was hij het volk lief. Zij bewaakten hem dag en nacht in +het klooster der Cordeliers; de vrouwen stonden er op wacht, met haar +munitie van asch en steenen gereed. Om de proclamatie, die deze wacht +verbiedt, lacht men: de koning weet er niets van! Als eindelijk Fradin, +verbannen, toch de stad verlaten moet, doet het volk hem uitgeleide, +"crians et soupirans moult fort son departement"<a name='FNanchor_9_9'></a><a href='#Footnote_9_9'><sup>[9]</sup></a>.</p> + +<p>Wanneer de heilige dominicaan Vincent Ferrer komt preeken, trekt uit +alle steden het volk, de magistraat, de geestelijkheid, tot bisschoppen +en prelaten toe, hem met lofzangen tegemoet, om hem in te halen. Hij +reist met een talrijke schare van volgers, die iederen avond na +zonsondergang in processie rondtrekken met geeseling en zingen. Uit +iedere stad vergezellen hem nieuwe scharen. Hij heeft de verzorging +en herberging van al die volgelingen zorgvuldig geregeld door het +aanstellen van onbesproken mannen tot kwartiermeesters. Tal van +priesters uit verschillende orden reizen mee, om hem voortdurend bij +te staan in het hooren der biecht en de bediening der mis. Een paar +notarissen vergezellen hem, om terstond acte op te maken van de +bijlegging der geschillen, die de heilige prediker overal tot stand +brengt. Waar hij preekt, moet een houten getimmerte hem en zijn gevolg +beschutten tegen den aandrang der menigte, die hem hand of kleed willen +kussen. Het handwerk staat stil, zoolang hij preekt. Zelden was het, +dat hij zijn hoorders niet tot weenen bracht, en als hij sprak van het +oordeel en de hellestraffen of van het lijden des Heeren, dan braken +zoowel hij als de hoorders altijd uit in zulk een groot geween, dat hij +geruimen tijd moest zwijgen, totdat het weenen bedaarde. Boosdoeners +kwamen zich voor alle aanwezigen ter aarde werpen, en hun groote zonden +met tranen belijden<a name='FNanchor_10_10'></a><a href='#Footnote_10_10'><sup>[10]</sup></a>.</p> +<a name='8'></a> +<p>Het is de stemming der Engelsch-Amerikaansche revivals en van het leger +des heils, maar in het ongemetene en veel meer in het openbaar. Men +behoeft hier aan geen vrome overdrijving van den levensbeschrijver van +Vincent Ferrer te denken; de nuchtere, droge Monstrelet geeft op bijna +gelijke wijze de werking weer, die de karmeliet broeder Thomas in 1428 +met zijn preeken in Noord-Frankrijk en Vlaanderen teweegbracht. Ook hem +haalde de magistraat in, terwijl edelen den teugel van zijn muildier +hielden; ook om hem verlieten velen, waaronder heeren, die Monstrelet +met name noemt, huis en gezin, om hem overal te volgen. De aanzienlijke +burgers versierden het hooge gestoelte, dat zij voor hem oprichtten, met +de kostbaarste hangtapijten, die men betalen kon.</p> + +<p>Het was naast de lijdensstof en de laatste dingen vooral de bestrijding +van weelde en ijdelheid, waarmee de volkspredikers zoo diep de menschen +aangrepen. Het volk, zegt Monstrelet, was broeder Thomas vooral dankbaar +en genegen voor het neerwerpen van praal en opschik en in het bijzonder +voor den blaam, waarmee hij adel en geestelijkheid overlaadde. Hij +placht, wanneer aanzienlijke dames zich met hun hooge puntige kapsels +onder zijn gehoor waagden, de kleine jongens op haar aan te hitsen (met +belofte van aflaat, beweert Monstrelet)<a name='9'></a>, met den kreet: au hennin, au +hennin! zoodat de vrouwen gedurende al dien tijd geen hennins meer +durfden dragen en gehuifd gingen als begijnen, "Mais à l'exemple du +lymeçon—zegt de gemoedelijke chroniqueur—lequel quand on passe près de +luy retrait ses cornes par dedens et quand il ne ot (hoort) plus riens +les reboute dehors, ainsy firent ycelles. Car en assez brief terme après +que ledit prescheur se fust départy du pays, elles mesmes recommencèrent +comme devant et oublièrent sa doctrine, et reprinrent petit à petit leur +viel estat, tel ou plus grant qu'elles avoient accoustumé de porter<a name='FNanchor_11_11'></a><a href='#Footnote_11_11'><sup>[11]</sup></a>."</p> + +<p>Zoowel broer Richard als broer Thomas deden de mutserts der ijdelheden +vlammen, zooals Florence die zestig jaar later op enorme schaal en met +onherstelbaar verlies voor de kunst voor Savonarola ontsteken zou. In +Parijs en Artois in 1428 en 1429 bleef het bij kaarten, verkeerborden, +dobbelsteenen, kapsels en sieradiën, die mannen en vrouwen gewillig +aanbrachten. Deze verbrandingen waren in de 15<sup>e</sup> eeuw zoowel in +Frankrijk als Italië een zeer veelvuldig element in de groote opwinding, +die de predikers teweegbrachten<a name='FNanchor_12_12'></a><a href='#Footnote_12_12'><sup>[12]</sup></a>. De hevige uiting van den afkeer +van ijdelheden en vermaken was reeds een vorm geworden, zooals alles in +dien tijd steeds neigt, vorm te worden.</p> +<a name='10'></a> +<p>In deze ontvankelijkheid van gemoed, deze vatbaarheid voor tranen en +geestelijken ommekeer, deze prikkelbaarheid moet men zich indenken, om +te beseffen, welke kleur en felheid het leven had.</p> + +<p>Een publieke rouw had toen nog het uiterlijk van een calamiteit. Bij +de begrafenis van Karel VII geraakt het volk buiten zich zelf van +aandoening, als het den stoet ziet: al de hofbeambten "vestus de dueil +angoisseux, lesquelz il faisoit moult piteux veoir; et de la grant +tristesse et courroux qu'on leur veoit porter pour la mort de leurdit +maistre, furent grant pleurs et lamentacions faictes parmy toute ladicte +ville." Er waren zes pages van den koning op geheel in zwart fluweel +gedoste paarden. "Et Dieu scet le doloreux et piteux dueil qu'ilz +faisoient pour leur dit maistre!" Een van de knapen had van verdriet in +vier dagen niets gegeten of gedronken, vertelde het volk verteederd. +<a name='FNanchor_13_13'></a><a href='#Footnote_13_13'><sup>[13]</sup></a></p> + +<p>Het is niet alleen de aandoening van een grooten rouw of over een hevige +predikatie of over de mysteriën van het geloof, die een overvloed van +tranen wekt. Ook bij elke wereldlijke plechtigheid wordt een vloed van +tranen gestort. Een beleefdheidsgezant van den koning van Frankrijk aan +Philips den Goede breekt bij zijn aanspraak herhaaldelijk in tranen uit. +Bij het afscheid van den jongen Jan van Coïmbra van het Bourgondische +hof weent alles luide, evenzoo bij de verwelkoming van den dauphin, bij +de samenkomst der koningen van Engeland en Frankrijk te Ardres. Men zag +Lodewijk XI tranen storten bij zijn intocht in Atrecht; tijdens zijn +verblijf als dauphin aan het<a name='11'></a> Bourgondische hof beschrijft Chastellain +hem herhaaldelijk in snikken en tranen<a name='FNanchor_14_14'></a><a href='#Footnote_14_14'><sup>[14]</sup></a>. Er is natuurlijk +overdrijving in die beschrijvingen, het "geen oog bleef droog" van een +dagbladbericht. De bisschop Jean Germain verhaalt, hoe na de treffende +aanspraken der gezanten op het vredescongres te Atrecht in 1435 de +toehoorders plat op den grond vallen, sprakeloos, met zuchten, snikken +en gehuil<a name='FNanchor_15_15'></a><a href='#Footnote_15_15'><sup>[15]</sup></a>. Doch in de overdrijving ziet men den achtergrond van +waarheid. Het is ermee als met de tranenvloeden der 18<sup>e</sup> eeuwsche +sentimenteelen. Het weenen was verheffend en schoon. Wie kent ook nu +niet de sterke ontroering, tot huivering en tranen toe, die een intocht +kan teweegbrengen, ook al is de vorst, dien de praal geldt, ons volkomen +onverschillig. Toen werd die onmiddellijke aandoening gevuld door een +half-religieuze vereering van staatsie en grootheid, en brak zich vrij +baan in echte tranen.</p> + +<p>Wie het verschil in prikkelbaarheid tusschen de 15<sup>e</sup> eeuw en onzen tijd +niet ziet, kan het leeren uit een klein voorbeeld op een ander gebied +dan dat der tranen, namelijk dat der heethoofdigheid. Wij kunnen ons +waarschijnlijk moeilijk een vreedzamer en rustiger spel denken dan het +schaakspel. La Marche zegt, dat het dikwijls gebeurt, dat er bij 't +schaakspel geschillen rijzen, "et que le plus saige y pert patience" +<a name='FNanchor_16_16'></a><a href='#Footnote_16_16'><sup>[16]</sup></a>. Twist van koningszonen over een spel schaak was in de 15<sup>e</sup> eeuw +nog een even gangbaar motief als in de Karelromans.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> +<a name='12'></a> +<p>Er was in het dagelijksch leven voortdurend een onbegrensde ruimte voor +gloeienden hartstocht en kinderlijke fantazie. De hedendaagsche +wetenschappelijke historie der middeleeuwen, die wegens de +onbetrouwbaarheid der kronieken bij voorkeur zooveel mogelijk uit +officieele oorkonden put, vervalt daardoor wel eens in een gevaarlijke +fout. De oorkonden toonen ons weinig van het verschil in levenstoon, +dat ons van die tijden scheidt. Zij doen ons het felle pathos van het +middeleeuwsche leven vergeten. Van al de hartstochten, die het kleuren, +spreken de oorkonden doorgaans slechts van twee: de hebzucht en den +strijdlust, maar deze zelf zijn in hun felheid niet te begrijpen buiten +het verband met de algemeene hartstochtelijkheid. Daarom blijven de +kroniekschrijvers, zij mogen op het stuk van feitelijkheden nog zoo +oppervlakkig zijn en nog zoo dikwijls dwalen, onmisbaar om den tijd goed +te zien.</p> + +<p>Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje. Merk op, +hoe archaïsch de hofchronisten, geleerde, aanzienlijke mannen, de +vorsten, met wie zij verkeeren, zien, en stel u dan voor, wat het +koningschap in de volksverbeelding moet zijn geweest. Hier is de jonge +Karel de Stoute, nog graaf van Charolais, die van Sluis te Gorkum +aangekomen, daar verneemt, dat zijn vader de hertog zijn pensie en al +zijn beneficiën heeft ingetrokken. Chastellain beschrijft, hoe nu de +graaf zijn gansche hofhouding, tot de keukenjongens toe, voor zich laat +verschijnen, en hun zijn rampspoed meedeelt in een roerende toespraak,<a name='13'></a> +waarin hij zijn eerbied voor den misleiden vader, zijn zorg voor het wel +der zijnen en zijn liefde voor hen allen betuigt. Die zelf middelen +hebben, spoort hij aan, met hem zijn fortuin af te wachten; die arm +zijn, laat hij vrij om heen te gaan, en als zij mochten hooren, dat 's +graven fortuin zich gekeerd heeft, "komt dan terug, en gij zult allen +uw plaats open vinden en zult mij welkom zijn, en ik zal het geduld +beloonen dat gij om mijnentwil hebt gehad."—"Lors oyt-l'on voix lever +et larmes espandre et clameur ruer par commun accord: "Nous tous, nous +tous, monseigneur, vivrons avecques vous et mourrons."—Diep geroerd +aanvaardt Karel hun trouw: "Or vivez doncques et souffrez; et moy je +souffreray pour vous, premier que vous ayez faute." Dan komen de edelen +en bieden hem aan, wat zij bezitten, "disant l'un: j'ay mille, l'autre: +dix mille, l'autre: j'ay cecy, j'ay cela pour mettre pour vous et pour +attendre tout vostre advenir." En zoo ging alles zijn gewonen gang, en +er kwam geen kip minder om in de keuken<a name='FNanchor_17_17'></a><a href='#Footnote_17_17'><sup>[17]</sup></a>.</p> + +<p>De uitpenseeling van het tafereel is natuurlijk van Chastellain. Wij +weten niet, in hoeverre zijn verhaal hier het werkelijk gebeurde +styleert. Doch waar het op aankomt: hij ziet den vorst in de eenvoudige +vormen van de volksballade; het geval wordt voor hem geheel beheerscht +door de meest primitieve roerselen van wederzijdsche trouw.</p> + +<p>Terwijl het mechanisme van het staatsbestuur en de staatshuishouding in +werkelijkheid reeds gecompliceerde vormen had aangenomen, projecteert +zich het staatsbeleid in den geest des volks in enkele vaste, eenvoudige +figuren. <a name='14'></a>De politieke voorstellingen, waarin men leeft, zijn die van het +volkslied en den ridderroman. Er zijn een beperkt getal koningstypen: de +edele, rechtvaardige vorst, de door booze raden misleide vorst, de vorst +wreker van de eer van zijn geslacht, de vorst in het ongeluk door de +trouw der zijnen gesteund. Het eeuwige wantrouwen, of het geld door de +kroon wel in het algemeen welzijn wordt besteed, vindt zijn uitdrukking +in de steeds terugkeerende voorstellingen: de koning wordt omringd door +hebzuchtige, sluwe raadgevers, of de weelde en overdaad van 's konings +hofhouding is er schuld aan, dat het slecht gaat met het land. Zoo +reduceeren zich de politieke kwesties voor het volk tot de gevallen van +de sproke. Philips de Goede begreep, welke taal het volk verstond. +Tijdens zijn feesten in den Haag in 1456 heeft hij, om indruk te maken +op de Hollanders en Friezen, die zouden meenen, dat het hem aan geld +ontbrak om het bisdom Utrecht te vermeesteren, in een kamer naast de +ridderzaal dertig duizend mark zilver aan kostelijk vaatwerk laten +uitstallen. Iedereen mag er naar komen kijken. Bovendien zijn er uit +Rijssel twee geldkisten meegebracht met tweehonderdduizend gouden +leeuwen. Men mag beproeven, ze op te lichten, maar het is moeite +vergeefsch<a name='FNanchor_18_18'></a><a href='#Footnote_18_18'><sup>[18]</sup></a>. Kan er opvoedkundiger vermenging van staatscrediet en +kermisvermaak bedacht worden?</p> + +<p>Het vorstelijk leven en bedrijf had nog menigmaal een fantastisch +element, dat ons aan den khalief uit Duizend en één Nacht herinnert. Zij +handelen te midden van de koel berekende politieke ondernemingen soms +met een roekelooze onstuimigheid, die om een persoonlijke gril hun leven +en hun werk in gevaar brengt.<a name='15'></a> Eduard III waagt er zichzelf, den prins +van Wales en de zaak van zijn land aan, om een vloot van spaansche +koopvaarders aan te vallen, ter vergelding van eenige zeerooverij +<a name='FNanchor_19_19'></a><a href='#Footnote_19_19'><sup>[19]</sup></a>.—Philips de Goede heeft er zijn zinnen op gezet, een zijner +archers te huwen aan een rijke brouwersdochter uit Rijssel. Toen de +vader dit tegenwerkt en er het Parlement van Parijs inhaalt, breekt de +hertog, in woede ontstoken, de gewichtige staatsbesognes, die hem in +Holland hielden, plotseling af, en onderneemt, in den heiligen tijd vlak +voor Paschen nog wel, een gevaarlijke zeereis van Rotterdam naar Sluis, +om zijn zin door te drijven<a name='FNanchor_20_20'></a><a href='#Footnote_20_20'><sup>[20]</sup></a>. Een andermaal is hij in zinneloozen +toorn om een twist met zijn zoon als een weggeloopen schooljongen stil +uit Brussel gereden, en verdwaalt 's nachts in het bosch. Als hij weer +terecht is, valt de hachelijke taak, om hem weer in zijn gewone doen te +brengen, den ridder Philippe Pot te beurt. De handige hoveling vindt het +rechte woord: "Bonjour monseigneur, bonjour, qu'est cecy? Faites-vous du +roy Artus maintenant ou de messire Lancelot?"<a name='FNanchor_21_21'></a><a href='#Footnote_21_21'><sup>[21]</sup></a></p> + +<p>Hoe khaliefachtig doet het aan, wanneer dezelfde hertog, als de +geneesheeren hem hebben voorgeschreven, zich het hoofd kaal te laten +scheren, gelast, dat alle edelen zullen doen als hij, en Peter van +Hagenbach opdraagt, om waar hij een edelman ongeschoren vond, hem van +zijn haardos te ontdoen<a name='FNanchor_22_22'></a><a href='#Footnote_22_22'><sup>[22]</sup></a>. Of wanneer de jonge koning van Frankrijk +Karel VI, met een vriend op één paard,<a name='16'></a> vermomd den intocht van zijn +eigen bruid, Isabella van Beieren, gaat zien, en in 't gedrang klappen +oploopt van de dienders<a name='FNanchor_23_23'></a><a href='#Footnote_23_23'><sup>[23]</sup></a>.—Een dichter uit de XV<sup>e</sup> eeuw laakt het, +dat de vorsten hun nar of speelman tot hofraad en minister verheffen, +gelijk Coquinet le fou de Bourgogne<a name='FNanchor_24_24'></a><a href='#Footnote_24_24'><sup>[24]</sup></a>.</p> + +<p>Een andere gewoonte herinnert aan figuren, die tot in de laatste dagen +van het tsarisme hun invloed aan het Russische hof hadden: de vorsten +der XV<sup>e</sup> eeuw zoeken herhaaldelijk raad in staatszaken bij de visionaire +asceten en de geëxalteerde volkspredikers. Dionysius de Kartuizer, +Vincent Ferrer traden als politieke raadgevers op; de luidruchtige +prediker Olivier Maillard, een Fransche Brugman, was in de heimelijkste +onderhandelingen van vorstenhoven gemengd<a name='FNanchor_25_25'></a><a href='#Footnote_25_25'><sup>[25]</sup></a>. Een element van +godsdienstige spanning werd zoodoende levend gehouden in de hooge +staatkunde.</p> + +<p>Het was niet door roekeloos avontuurlijke daden en woeste grillen +alleen, dat het vorstenleven voortdurend in de sfeer van het romantische +bleef. De bloedige tragiek van het koningschap heeft zelden zoo +aanhoudend het tooneel van Europa vervuld met den aanblik van +aangrijpende lotswisseling als in de XIV<sup>e</sup> en XV<sup>e</sup> eeuw. In het Duitsche +Rijk en in Engeland in één jaar tijds een koning onttroond. De wildste +verhalen liepen van Wenzel, den dronkaard, die de Duitsche landen +verwaarloosde,<a name='17'></a> terwijl de Turken steeds dreigender naderden. De koningin +zou des nachts door zijn woeste losgebroken honden zijn verscheurd. De +geheimzinnige dood van Richard II van Engeland, na zijn verbazenden val, +riep dien van Eduard II, zeventig jaren eerder, in het geheugen terug. +In Frankrijk een waanzinnige op den troon, en 't land door wilde +partijtwist verscheurd. En de gansche christenheid verdeeld door het +groote schisma: twee pausen, drie welhaast, die om de macht streden. +"Le Pappe de la Lune" noemde men in Frankrijk den paus van Avignon, +Benedictus XIII, den Aragonees Peter van Luna: het moet voor het volk +een half ijlhoofdigen klank hebben gehad. De twee schreeuwende moorden +van 1407 en 1419: op Lodewijk van Orleans en op Jan zonder Vrees, +hebben met hun eindeloozen nasleep van wraakzucht en oorlog aan de +Fransche geschiedenis eener gansche eeuw een grondtoon van somberen haat +gegeven.</p> + +<p>Men kon de wisselvalligheid der vorstelijke fortuin, zooals ieder haar +voor oogen had in het beeld van het wiel, waar zij aftuimelen met hun +schepters en kronen, niet beter belichaamd zien dan in René van Anjou, +die altijd weer de hoogste kansen had gemist, die getracht had naar de +kronen van Hongarije, Sicilië en Jeruzalem, en niet anders vond dan +nederlagen, moeilijke ontvluchtingen, lange gevangenschappen. De +dichter-koning zonder troon, die zich vermeide in herderdicht en +miniatuurkunst, moet wel van een diep gewortelde frivoliteit zijn +geweest, of het lot zou hem hebben genezen. Bijna al zijn kinderen had +hij zien sterven, en de dochter, die hem gebleven was, had een lot, dat +in zwarte droefheid het zijne overtrof. Margareta van Anjou, vol geest, +eerzucht en hartstocht, had, zestien jaar oud, den koning van Engeland +gehuwd,<a name='18'></a> Hendrik VI, een onnoozele. Het Engelsche hof was een hel van +haat. Toen eindelijk de groote familiestrijd in de phase van bloedig +geweld was gekomen, verloor Margareta kroon en rijkdom. Zij had het +ergste gevaar en den bittersten nood gekend; aan de erbarming van een +struikroover had zij zich en haar zoon moeten toevertrouwen. Zij had bij +de mis een Schotschen boogschutter om een penning moeten vragen voor een +offer, "qui demy à dur et à regret luy tira un gros d'Escosse de sa +bourse et le luy presta". Toen Chastellain het aandoenlijk verhaal van +haar rampspoed en zwerftochten uit haar mond vernam, en haar tot troost +een <i>Temple de Bocace</i><a name='FNanchor_26_26'></a><a href='#Footnote_26_26'><sup>[26]</sup></a> wijdde, "aucun petit traité de fortune, +prenant pied sur son inconstance et déceveuse nature", een sombere +galerij van vorstenongeluk, toen stond haar het ergste nog te wachten: +bij Tewkesbury in 1471 de Lancaster's voorgoed verslagen, haar eenige +zoon in den slag gevallen of na den slag vermoord, haar gemaal heimelijk +omgebracht, zijzelf vijf jaren in den Tower, om tenslotte door Eduard IV +aan Lodewijk XI te worden verkocht, wien zij tot dank voor haar +bevrijding afstand moest doen van de erfenis van haar vader, koning +René.</p> + +<p>Waar de echte koningskinderen zulk een lot beleefden, hoe zou daar een +burger van Parijs anders dan geloof schenken aan het verhaal, waarmee +in 1427 een troep Zigeuners in de stad kwam? Zij kwamen als boetelingen, +"ung duc et ung conte et dix hommes tous à cheval", de rest, een 120 +sterk, moest buiten blijven. <a name='19'></a>Uit Egypte waren zij, de paus had hun als +boete voor hun afval van het christelijk geloof opgelegd om zeven jaar +te zwerven, zonder in een bed te slapen. Zij waren wel 1200 geweest, +maar hun koning en koningin en al de anderen waren onderweg gestorven. +Tot eenig solaas had de paus gelast, dat ieder bisschop en abt hun tien +pond tournoois zou geven. De Parijzenaars kwamen in groote menigte naar +het vreemde volkje kijken, en lieten zich de hand lezen door de vrouwen, +die den lieden het geld uit hun beurzen in de hare deden verhuizen "par +art magicque au autrement"<a name='FNanchor_27_27'></a><a href='#Footnote_27_27'><sup>[27]</sup></a>.</p> + +<p>Er lag om het vorstenleven een sfeer van avontuur en van hartstocht. Het +was niet louter de volksverbeelding, die het die kleur leende. De +moderne mensch maakt zich doorgaans geen voorstelling van de teugellooze +buitensporigheid en ontvlambaarheid van het middeleeuwsch gemoed. Men +kan uit de oorkonden een beeld ontwerpen van een stuk middeleeuwsche +geschiedenis, dat er juist zoo uitziet als achttiendeëeuwsche ministers- +en gezanten-politiek. Maar zulk een beeld mist één gewichtig element: +de felle kleur van den geweldigen hartstocht, die èn de volken èn de +vorsten heeft bezield. Zonder twijfel is dat element ook nú nog in de +staatkunde aanwezig, maar het vindt meer remmen en beletselen, het is +op honderden wijzen door het ingewikkelde mechanisme van het +gemeenschapsleven in vaste banen geleid. In de vijftiende eeuw komt +in de politieke daad nog een mate van onmiddellijk affect tot uiting, +waardoor nut en berekening telkens worden doorbroken. Gaat dat affect +gepaard met machtsgevoel, zooals bij de vorsten, dan werkt het dubbel +heftig.<a name='20'></a> Chastellain drukt het in zijn deftige termen bondig uit. Het is +geen wonder, zegt hij, dat vorsten dikwijls met elkaar in vijandschap +leven, "puisque les princes sont hommes, et leurs affaires sont haulx et +agus, et leurs natures sont subgettes à passions maintes comme à haine +et envie, et sont leurs coeurs vray habitacle d'icelles (des passions) à +cause de leur gloire en régner"<a name='FNanchor_28_28'></a><a href='#Footnote_28_28'><sup>[28]</sup></a>. Dit is, wat Burckhardt "das Pathos +der Herrschaft" noemt.</p> + +<p>Wie de geschiedenis van Bourgondië wilde schrijven, moest steeds weer +een wraakmotief kunnen doen klinken, zoo zwart als een katafalk, dat u +bij elke daad in den raad en te velde, den bitteren smaak gaf te proeven +van hun geest vol sombere wraakgierigheid en verscheurden hoogmoed. +Zeker, het zou onnoozel zijn, om weer te willen terugkeeren tot het +gezicht, dat de vijftiende eeuw zelf op de geschiedenis had. Het gaat +niet aan, de geheele machtstegenstelling, waaruit de eeuwenlange strijd +van Frankrijk en de Habsburgers is gegroeid, te willen afleiden uit de +bloedwraak tusschen Orleans en Bourgondië, de twee takken van het huis +Valois. Wanneer men zich maar bewust blijft, dat voor den tijdgenoot die +bloedwraak het beheerschende moment van de lotgevallen hunner landen +was. Philips de Goede is voor hen in de eerste plaats de wreker, "celluy +qui pour vengier l'outraige fait sur la personne du duc Jehan soustint +la gherre seize ans"<a name='FNanchor_29_29'></a><a href='#Footnote_29_29'><sup>[29]</sup></a>. Als een heilige taak had Philips het op zich +genomen: "en toute criminelle et mortelle aigreur, il tireroit à la +vengeance du mort, si avant que Dieu luy vouldroit permettre; et y +mettroit corps et âme, substance et pays tout en l'aventure et en la +disposition de fortune, plus réputant oeuvre salutaire et agréable à +Dieu de y entendre que de le laisser".<a name='21'></a> Het was den Dominicaan, die bij +den lijkdienst voor den vermoorden hertog de predikatie hield, euvel +aangerekend, dat hij op den christenplicht om niet te wreken gewezen had +<a name='FNanchor_30_30'></a><a href='#Footnote_30_30'><sup>[30]</sup></a>. Al de staten van zijn landen riepen met hem om wraak, zegt La +Marche<a name='FNanchor_31_31'></a><a href='#Footnote_31_31'><sup>[31]</sup></a>.</p> + +<p>Het tractaat van Atrecht, dat in 1435 den vrede tusschen Frankrijk en +Bourgondië schijnt te zullen brengen, begint met de boete voor den moord +van Montereau; een kapel te stichten in de kerk van Montereau, waar Jan +het eerst begraven was, waar ten eeuwige dage een requiem zal gezongen +worden iederen dag; desgelijks in dezelfde stad een Kartuizerklooster, +een kruis op de brug zelf, waar het feit was bedreven, een mis in de +Kartuizerkerk te Dijon, waar de Bourgondische hertogen begraven liggen +<a name='FNanchor_32_32'></a><a href='#Footnote_32_32'><sup>[32]</sup></a>. Het was maar een deel van al de openbare boete en schande, die de +kanselier Rolin namens den hertog geëischt had: kerken met kapittels +niet alleen te Montereau, maar ook te Rome, Gent, Dijon, Parijs, +Santiago de Compostella en Jeruzalem, met opschriften in steen, die het +feit verhalen moesten<a name='FNanchor_33_33'></a><a href='#Footnote_33_33'><sup>[33]</sup></a>.</p> + +<p>Een wraakbehoefte, die zich in zoo wijdloopige vormen kleedde, moet wel +vooraan in den geest hebben gestaan. En wat zou het volk van de +staatkunde hunner vorsten beter hebben begrepen dan deze eenvoudige, +primitieve motieven van haat en wraak?<a name='22'></a> De aanhankelijkheid aan den vorst +was van een kinderlijk impulsief karakter, een onmiddellijk gevoel van +trouw en gemeenschap. Het is een uitbreiding van het oude sterke besef, +dat de eedhelpers aan den klager, de mannen aan hun heer bond, en dat in +veete en strijd tot allesvergetenden hartstocht aangloeide. Het is +partijgevoel, geen staatsgevoel. De latere middeleeuwen zijn de tijd der +groote partijstrijden. In Italië consolideeren de partijen zich reeds in +de 13<sup>e</sup> eeuw, in Frankrijk en de Nederlanden rijzen ze overal omhoog in +de 14<sup>e</sup>. Iedereen, die de geschiedenis van die tijden bestudeert, moet +wel eens getroffen zijn door de gebrekkigheid, waarmee die partijschappen +door de moderne geschiedvorsching uit economisch-politieke oorzaken worden +verklaard. De economische tegenstellingen, die men eraan ten grondslag +legt, zijn veelal louter schematische constructies, die men met den +besten wil niet uit de bronnen kan aflezen. Zonder de aanwezigheid van +economische oorzaken te loochenen, is men geneigd te vragen, of ter +verklaring van den laat-middeleeuwschen partijstrijd een politisch-psychologisch gezichtspunt niet meer profijt oplevert dan een politisch- +economisch. Op de onmiddellijke basis van hartstochtelijke trouw, van +familietrots en wraakzucht kan men de partijen als 't ware zien +agglomereeren uit de beperkte veeten van den zuiver-feodalen tijd. Met +de versterking van de staatsmacht, met de uitbreiding van de geldmacht +nemen de primitieve gevoelens van solidariteit en gemeenschapseer +breeder, openlijker vormen aan. Wanneer een scherpziend tijdgenoot +verklaart, dat voor den haat van Hoekschen en Kabeljauwschen geen +redelijke gronden waren te bespeuren<a name='FNanchor_34_34'></a><a href='#Footnote_34_34'><sup>[34]</sup></a>, moet men niet minachtend de +schouders ophalen en wijzer willen zijn dan hij.</p><a name='23'></a> + +<p>Hoe hevig de gemoedsbeweging van vorstentrouw werken kon, leest men op +elke bladzijde der middeleeuwsche geschiedenis. De dichter van het +mirakelspel Marieken van Nimwegen vertoont ons, hoe Marieken's kwade +moei, na zich met de buurvrouwen half razend gekeven te hebben over den +twist van Arnold en Adolf van Gelre, zich ophangt uit spijt, dat de oude +hertog uit zijn gevangenis is verlost. Blijkbaar was dit dus voor hem +een waarschijnlijk motief. Midden in den nacht laten de schepenen van +Abbeville de klokken luiden, omdat er een bode gekomen is van Karel van +Charolais met verzoek om te bidden voor de genezing zijns vaders. De +verschrikte burgers stroomen ter kerke, ontsteken honderden kaarsen, +liggen geknield of neergeworpen, in tranen, den ganschen nacht, terwijl +de klokken aldoor luiden<a name='FNanchor_35_35'></a><a href='#Footnote_35_35'><sup>[35]</sup></a>.</p> + +<p>Als het volk van Parijs, in 1429 nog Engelsch-Bourgondischgezind, +verneemt, dat broeder Richard, die hen nog pas zoo innig had aangegrepen +met zijn preeken, een Armagnac is, en de steden heimelijk ompraat, dan +vervloeken zij hem bij God en de heiligen; voor den tinnen penning met +den naam van Jezus, dien hij hun gegeven had, nemen zij het Andrieskruis, +het partijteeken van Bourgondië. Zelfs het hervatten van de dobbelspelen, +waartegen broer Richard geijverd had, geschiedde, meent de burger van +Parijs, "en despit de luy"<a name='FNanchor_36_36'></a><a href='#Footnote_36_36'><sup>[36]</sup></a>.</p> +<a name='24'></a> +<p>Men zou meenen, dat het schisma tusschen Avignon en Rome, dat geen +dogmatischen grond had, geen geloofshartstocht kon hebben gewekt in de +landen, ver van de beide centra verwijderd. Toch ontwikkelt zich ook +daar het schisma onmiddellijk tot een felle en hevig bewogen partijzaak, +tot een tegenstelling als van geloovigen en ongeloovigen. Wanneer Brugge +overgaat van den paus te Rome tot dien van Avignon, verlaten tal van +lieden huis en stad, bedrijf of prebende, om in Utrecht, Luik of een +ander gebied der urbanistische obedientie naar hún partij te kunnen +leven<a name='FNanchor_37_37'></a><a href='#Footnote_37_37'><sup>[37]</sup></a>. Te Rozebeke in 1382 is de Fransche legeraanvoering in +twijfel, of men tegen de opstandige Vlamingen de oriflamme, de heilige +koningsvaan, zal ontplooien of niet. De beslissing valt: ja, want die +Vlamingen zijn urbanisten, dus ongeloovigen<a name='FNanchor_38_38'></a><a href='#Footnote_38_38'><sup>[38]</sup></a>. Pierre Salmon kon te +Utrecht geen priester vinden, die hem zijn paasch wil laten vieren, +"pour ce qu'ils disoient que je estoie scismatique et que je créoie en +Benedic l'antipape", zoodat hij alleen in een kapel gaat biechten, alsof +hij 't voor een priester deed, en de mis hoort in het Kartuizerklooster +<a name='FNanchor_39_39'></a><a href='#Footnote_39_39'><sup>[39]</sup></a>.</p> + +<p>Het sterk bewogen karakter van partijgevoel en vorstentrouw werd nog +verhoogd door de machtige suggestieve werking, die er uitging van al +de partijteekens, kleuren, emblemen, deviezen, kreten, die elkander +somtijds in bonte wisseling opvolgden, meestal zwanger van moord en +doodslag, een enkele maal teeken van blijder dingen. Wel twee duizend +personen trokken in 1380 den <a name='25'></a>jongen Karel VI bij zijn intocht in Parijs +tegemoet, allen gelijk gekleed in half groen half wit. Tot driemaal toe +zag men in de jaren 1411 tot 1413 heel Parijs plotseling met ander +kenteeken getooid: paarse kaproenen met het Andrieskruis, witte +kaproenen, dan weer violette. Geestelijken, vrouwen en kinderen droegen +ze. Tijdens het schrikbewind der Bourguignons te Parijs in 1411 werden +iederen Zondag de Armagnacs onder klokgelui geëxcommuniceerd; men behing +de heiligenbeelden met het Andrieskruis, ja, sommige priesters wilden +bij de mis en bij den doop het kruisteeken niet recht maken, zooals de +Heer gekruist was, maar maakten het schuins<a name='FNanchor_40_40'></a><a href='#Footnote_40_40'><sup>[40]</sup></a>.</p> + +<p>De blinde hartstocht, waarmee men zijn partij, zijn heer of ook zijn +eigen zaak volgde, was mede een uitingsvorm van het muurvaste, +steenharde rechtsgevoel, de onwrikbare verzekerdheid, dat elke daad haar +uiterste vergelding eischt. Het middeleeuwsche gerechtigheidsgevoel was +voor drie kwart heidensch. Het was wraakbehoefte. De kerk had wel de +rechtsgewoonten getracht te verzachten door aandrang op zachtmoedigheid, +vrede, vergevensgezindheid, maar het eigenlijke rechtsgevoel had zij +daarmee niet veranderd. Integendeel, zij had het geëxaspereerd, door aan +de vergeldingsbehoefte den haat tegen de zonde toe te voegen. De zonde +nu, dat was al te vaak: wat mijn vijand doet. Er was een enorme spanning +gekomen van barbaarsch-religieus gerechtigheidsgevoel; onder invloed van +de zonde-opvatting was de afkoopbaarheid van het misdrijf meer en meer +teruggedrongen,<a name='26'></a> en zoo is het einde der middeleeuwen de bedwelmende +bloeitijd van pijnlijke gerechtigheid en justitieele wreedheid geworden. +Daar was geen oogenblik van twijfel, of de boosdoener zijn recht +verdiend had. Daar was innige voldoening over treffende daden van +justitie, door den vorst zelf verricht. Daar waren vlagen van straffe +gerechtigheid, dan tegen roovers en geboefte, dan tegen heksen en +toovenaars, dan tegen sodomie.</p> + +<p>Wat in de justitieele wreedheid der late middeleeuwen treft, is geen +ziekelijke perversiteit maar het dierlijke, verstompte jolijt, dat +het volk erin had, de kermisvreugde ervan. Die van Mons koopen een +rooverhoofdman tegen veel te hoogen prijs, voor het genoegen van hem te +vierendeelen, "dont le peuple fust plus joyeulx que si un nouveau corps +sainct estoit ressuscité"<a name='FNanchor_41_41'></a><a href='#Footnote_41_41'><sup>[41]</sup></a>. Tijdens de gevangenschap van Maximiliaan +te Brugge in 1488 staat op de markt, waar de gevangen koning het kan +zien, de pijnbank op een hooge estrade, en het volk krijgt er niet +genoeg van, de van verraad verdachte magistraatspersonen telkens weer +te zien pijnigen, en weerhoudt de executie, waar dezen om smeeken, om +nieuwe kwellingen te genieten<a name='FNanchor_42_42'></a><a href='#Footnote_42_42'><sup>[42]</sup></a>.</p> + +<p>Tot welke onchristelijke uitersten juist de vermenging van geloof en +wraakzucht leidde, bewijst de gewoonte, die in Frankrijk en Engeland +heerschte, om den terdoodveroordeelde niet alleen het viaticum maar ook +de biecht te weigeren. Men wilde hun ziel niet redden, men wilde hun +doodsangst verzwaren met de zekerheid der hellestraf. <a name='27'></a>Vergeefs had paus +Clemens V in 1311 gelast, althans het boetsacrament toe te staan. De +politieke idealist Philippe de Mézières drong er opnieuw op aan, eerst +bij Karel V van Frankrijk, toen bij Karel VI. Doch de kanselier Pierre +d'Orgemont, wiens "forte cervelle", zegt Mézières, moeilijker om te +keeren was dan een molensteen, verzette er zich tegen, en Karel V, de +wijze, vreedzame koning, verklaarde, dat bij zijn leven de gewoonte niet +veranderd zou worden. Eerst toen de stem van Jean Gerson zich bij die +van Mézières voegde met een vijftal consideraties tegen het misbruik, +gelastte een koninklijk edict van 12 febr. 1397 den veroordeelde de +biecht toe te staan. Pierre de Craon, aan wiens bemoeiing het besluit te +danken was, richtte een steenen kruis op bij de galg van Parijs, waar de +Minderbroeders de berouwvolle misdadigers konden bijstaan<a name='FNanchor_43_43'></a><a href='#Footnote_43_43'><sup>[43]</sup></a>. Toch +verdween ook toen de oude gewoonte nog niet uit de volkszeden; nog kort +na 1500 moet de bisschop van Parijs, Etienne Ponchier, het statuut van +Clemens V hernieuwen. In 1427 wordt een roofziek jonker te Parijs +gehangen. Bij de terechtstelling komt een aanzienlijk ambtenaar, groot +tresorier in dienst van den regent, zijn haat tegen den veroordeelde +luchten; hij belet, dat hem de confessie wordt toegestaan, die hij +vraagt; hij klimt scheldende achter hem de ladder op, slaat hem met een +stok, ranselt den beul, omdat die hem naar de redding van zijn ziel +vraagt. De beul, verschrikt, overhaast zich, de strop breekt, de arme +misdadiger valt, breekt been en ribben, en moet zoo de ladder weer op +<a name='FNanchor_44_44'></a><a href='#Footnote_44_44'><sup>[44]</sup></a>.</p> +<a name='28'></a> +<p>In de middeleeuwen ontbreken al de gevoelens, die ons besef van justitie +schuchter en weifelend hebben gemaakt: het inzicht in halve +toerekenbaarheid, het besef van 's rechters feilbaarheid, het besef, dat +de maatschappij mee schuld heeft aan het misdrijf van den enkele, de +vraag, of men hem niet kan verbeteren in plaats van hem te doen lijden. +Of misschien beter gezegd: die gevoelens ontbraken niet, maar waren +onuitgedrukt vereenigd in een onmiddellijke aandoening van +barmhartigheid en vergiffenis, die, onafhankelijk van de schuld, telkens +weer de wreede voldoening over het gedane recht komt breken. Waar wij +een aarzelend en half schuldbewust toemeten van verzachte straffen +kennen, daar kent de middeleeuwsche justitie slechts de twee uitersten: +de volle maat van wreede straf en de genade. Bij het schenken van genade +wordt veel minder dan thans gevraagd, of de schuldige om bijzondere +redenen de gratie verdient: voor elke schuld, ook de klaarblijkelijkste, +is volle kwijtschelding te allen tijde gepast. In de praktijk gaf bij +die kwijtscheldingen niet altijd de zuivere barmhartigheid den doorslag. +Het is verbazend, met welk een gelijkmoedigheid de tijdgenooten +vertellen, hoe de tusschenkomst van aanzienlijke verwanten een +misdadiger "lettres de rémission" bezorgen. Niettemin gelden de meeste +van die brieven geen aanzienlijken overtreders maar armen lieden uit het +volk, die geen hooge voorspraak gehad hebben<a name='FNanchor_45_45'></a><a href='#Footnote_45_45'><sup>[45]</sup></a>.</p> +<a name='29'></a> +<p>De onmiddellijke tegenstelling van hardvochtigheid en barmhartigheid +beheerscht ook buiten de rechtspleging de zeden. Aan de eene zijde de +vreeselijkste hardvochtigheid tegen misdeelden en gebrekkigen, aan de +andere die ontzaglijke verteedering, dat innig gevoel van verwantschap +voor zieken, armen en gekken, zooals wij het, samen met de wreedheid, +nog uit de Russische litteratuur kennen. Het genot in terechtstellingen +wordt althans nog begeleid en tot zekere hoogte gerechtvaardigd door een +sterk bevredigd rechtsgevoel. In de ongeloofelijke, naïeve hardheid, +onkieschheid, den wreeden spot, het leedvermaak, waarmee men het ongeluk +der ellendigen beschouwt, ontbreekt zelfs het veredelend element van het +bevredigd rechtsgevoel. De kroniekschrijver Pierre de Fenin besluit het +verhaal van het omkomen eener rooverbende met de woorden: "et faisoit-on +grant risée, pour ce que c'estoient tous gens de povre estat"<a name='FNanchor_46_46'></a><a href='#Footnote_46_46'><sup>[46]</sup></a>.</p> + +<p>Te Parijs wordt in 1425 een "esbatement" gehouden van vier geharnaste +blinden, die om een big vechten. Daags te voren trekken zij geharnast +door de stad, voorop een doedelzakspeler en een man met een groote vlag, +waarop de big geschilderd staat<a name='FNanchor_47_47'></a><a href='#Footnote_47_47'><sup>[47]</sup></a>.</p> + +<p>Velazquez heeft ons de innig droevige tronies bewaard van de +dwerginnetjes, die als zottinnen aan het Spaansche hof in zijn tijd +nog in eere waren.<a name='30'></a> Zij waren een gezocht voorwerp van vermaak aan de +vorstenhoven der 15<sup>e</sup> eeuw. Bij de kunstige "entremets" der groote +hoffeesten vertoonden zij haar kunsten en haar mismaaktheid. Madame +d'Or, de goudblonde dwergin van Philips van Bourgondië, was algemeen +bekend. Men liet haar worstelen met den acrobaat Hans<a name='FNanchor_48_48'></a><a href='#Footnote_48_48'><sup>[48]</sup></a>. Bij de +huwelijksfeesten van 1468 komt Madame de Beaugrant, "la naine de +Mademoiselle de Bourgogne", gedost als herderin, binnenrijden op een +gouden leeuw, grooter dan een paard. De leeuw kan den bek open en dicht +doen en zingt een welkomstliedje; het herderinnetje wordt cadeau gedaan +aan de jonge hertogin en op tafel gezet<a name='FNanchor_49_49'></a><a href='#Footnote_49_49'><sup>[49]</sup></a>. Wij kennen geen klachten +over het lot van die vrouwtjes, wel posten uit rekeningen, die ons nog +iets meer zeggen. Zij spreken ervan, hoe een hertogin zulk een dwergje +liet halen uit haar ouderlijk huis, hoe de moeder of de vader haar +kwamen brengen, hoe ze haar ook later af en toe kwamen bezoeken, en dan +een fooi kregen. "Au pere de Belon la folle, qui estoit venu veoir sa +fille...." Ging de vader verheugd en hoogvereerd over den hofdienst van +zijn dochter naar huis? In hetzelfde jaar leverde een slotemaker te +Blois twee ijzeren halsbanden, één "pour attacher Belon la folle et +l'autre pour mettre au col de la cingesse de Madame la Duchesse"<a name='FNanchor_50_50'></a><a href='#Footnote_50_50'><sup>[50]</sup></a>.</p> +<a name='31'></a> +<p>Hoe de krankzinnigen behandeld werden, kan men afmeten naar een bericht +omtrent de verzorging van Karel VI, die als koning toch een verpleging +genoot, die gunstig afweek van wat anderen ondervonden. Om den armen +waanzinnige te verschoonen, wist men niets beters te bedenken, dan hem +te laten verrassen door twaalf zwartgemaakte mannen, alsof de duivelen +hem kwamen halen<a name='FNanchor_51_51'></a><a href='#Footnote_51_51'><sup>[51]</sup></a>.</p> + +<p>Er is in de hardvochtigheid van die tijden een mate van "ingénu", die +ons de veroordeeling op de lippen doet besterven. Temidden van een +pestepidemie, die Parijs teisterde, verzoeken de hertogen van Bourgondië +en Orleans, om terwille der verstrooiing een cour d'amours in te stellen +<a name='FNanchor_52_52'></a><a href='#Footnote_52_52'><sup>[52]</sup></a>. In een pauze van de gruwelijke moordpartijen op de Armagnacs in +1418, sticht het volk van Parijs in de kerk van Sint Eustathius de +broederschap van Sint Andries; iedereen, priester of leek, draagt een +krans van roode rozen; de kerk is er vol van en geurt "comme s'il fust +lavé d'eau rose"<a name='FNanchor_53_53'></a><a href='#Footnote_53_53'><sup>[53]</sup></a>. Wanneer de heksenprocessen, die Atrecht in 1461 +als een helsche plaag hadden geteisterd, tenslotte vernietigd worden, +viert de burgerij die zege van het recht met een wedstrijd in het +opvoeren van "folies moralisées", eerste prijs een zilveren lelie, +vierde prijs een paar kapoenen; de gemartelde slachtoffers waren lang +dood<a name='FNanchor_54_54'></a><a href='#Footnote_54_54'><sup>[54]</sup></a>.</p> + +<p>Zoo fel en bont was het leven, zoo verdroeg het den geur van bloed en +rozen dooreen. Tusschen helsche benauwingen en de kinderlijkste pret, +tusschen gruwelijke hardvochtigheid en snikkende verteedering slingert +het als een reus met een kinderhoofd. Tusschen de volstrekte verzaking +van alle wereldsche vreugde en een waanzinnige gehechtheid aan goed en +genot, tusschen duisteren haat en de meest goedlachsche goedmoedigheid +leeft het volk in uitersten.</p> +<a name='32'></a> +<p>Van de heldere helft van dat leven is ons maar luttel bewaard: het is, +of al de blijde zachtheid en sereniteit van de ziel der vijftiende eeuw +is verzonken in haar schilderkunst en gekristalliseerd in de ijle +reinheid van haar hooge muziek. De lach van dat geslacht is verstorven, +zijn gulle levenslust en onbekommerde vreugde leeft enkel nog in +volkslied en klucht. Er is genoeg, om bij ons heimwee naar vervlogen +schoon van andere tijden ook een verlangen naar de zonnigheid van de +eeuw der van Eyck's te voegen. Maar wie zich waarlijk in dien tijd +verdiept, heeft dikwijls moeite, om het blijde aspect vast te houden. +Want overal buiten de sfeer der kunst heerscht het donker. In het +dreigend waarschuwen der sermoenen, in de moede zuchten der hoogere +litteratuur, in het eentonig relaas der kronieken en oorkonden, overal +schreeuwen de bonte zonden en jammert de ellende.</p> + +<p>De tijden na de reformatie hebben de hoofdzonden van hoogmoed, toorn en +hebzucht niet meer gezien in die purperen volbloedigheid en onbeschaamde +vrijpostigheid, waarmee zij wandelden onder de menschheid der vijftiende +eeuw. De onmetelijke hoogmoed van Bourgondië! De gansche geschiedenis +van dat geslacht, van de daad van ridderlijke bravoure, waarvan het +hooggroeiende fortuin van den eersten Philips zijn oorsprong neemt, over +den fellen naijver van Jan zonder Vrees en de zwarte wraakzucht na zijn +dood, over den langen zomer van dien anderen<a name='33'></a> Magnifico, Philips den +Goede, tot de waanzinnige halsstarrigheid, waarin de hoogwillende Karel +de Stoute ondergaat, is het niet een poëem van heroïeken hoogmoed? Hun +landen waren de sterkst levende van het Westen: Bourgondië, zwaar van +kracht als zijn wijn, "la colérique Picardie", het gulzige, rijke +Vlaanderen. Het zijn dezelfde landen, waar de pracht van schilderkunst, +sculptuur en muziek opbloeit, en waar het felste wraakrecht heerscht en +de gewelddadigste barbaarschheid zich botviert onder adel en burgers +<a name='FNanchor_55_55'></a><a href='#Footnote_55_55'><sup>[55]</sup></a>.</p> + +<p>Geen kwaad is dien tijden meer bewust geweest dan de hebzucht. Men kan +den hoogmoed en de hebzucht tegenover elkander zien als de zonde van den +ouden en van den nieuwen tijd. De hoogmoed is de zonde van het feodale +en hiërarchische tijdperk, waarin bezit en rijkdom weinig mobiel zijn. +Het machtsgevoel zit nog niet in de eerste plaats vast aan den rijkdom; +het is persoonlijker, en de macht moet, om erkend te worden, zich +manifesteeren door groot vertoon, van talrijk gevolg van getrouwen, van +kostbare versiering en indrukwekkend optreden van den machtige. Het +besef van meer te zijn dan een ander mensch wordt door de feodale en +hiërarchische gedachte voortdurend gevoed met levenden vorm; die +meerderheid wordt gevoeld als iets zeer wezenlijks en gerechtvaardigds.</p> + +<p>De hoogmoed is een symbolische zonde en een theologische; haar wortels +zitten diep in den grond van alle levens- en wereldbeschouwing. Superbia +was de oorsprong van alle kwaad;<a name='34'></a> Lucifer's hoogmoed was het begin en de +oorzaak van alle verderf. Zoo had Augustinus het gezien, zoo bleef de +voorstelling der lateren: de hoogmoed is de bron van alle zonden, zij +groeien uit hem als wortel en stam<a name='FNanchor_56_56'></a><a href='#Footnote_56_56'><sup>[56]</sup></a>.</p> + +<p>Doch naast het schriftwoord, dat deze opvatting staafde: A superbia +initium sumpsit omnis perditio<a name='FNanchor_57_57'></a><a href='#Footnote_57_57'><sup>[57]</sup></a>, stond een ander: Radix omnium +malorum est cupiditas<a name='FNanchor_58_58'></a><a href='#Footnote_58_58'><sup>[58]</sup></a>. In aansluiting daaraan kon men ook de +hebzucht zien als den wortel van alle kwaad. Want onder cupiditas, dat +als zoodanig in de rij der hoofdzonden geen plaats had, werd hier +avaritia verstaan, gelijk zelfs een andere lezing van den tekst inhield +<a name='FNanchor_59_59'></a><a href='#Footnote_59_59'><sup>[59]</sup></a>. En het schijnt wel, alsof vooral sedert de dertiende eeuw de +overtuiging, dat het de teugellooze hebzucht is, die de wereld verderft, +in de schatting der geesten den hoogmoed van zijn plaats als eerste en +noodlottigste der zonden verdringt. De oude theologische vooraanstelling +van Superbia wordt overstemd door het steeds aanzwellend koor van +stemmen, die al de ellende der tijden wijten aan de steeds toenemende +hebzucht. Hoe heeft niet Dante haar vervloekt: la cieca cupidigia!</p> + +<p>De hebzucht nu mist het symbolisch en theologisch karakter van den +hoogmoed; zij is de natuurlijke en materieele zonde, de zuiver aardsche +drift. Zij is de zonde van het tijdperk, waarin het geldverkeer de +voorwaarden van machtsontwikkeling heeft verplaatst en losgemaakt.<a name='35'></a> De +schatting van menschelijke waardigheid wordt een rekensommetje. Er is +een veel onbegrensder veld geopend voor de bevrediging van toomelooze +begeerten en opeenhooping van schatten. En die schatten hebben nog niet +de spookachtige ontastbaarheid, die het moderne credietwezen aan het +kapitaal heeft gegeven; het is nog het gele goud zelf, dat vooraan in de +voorstelling staat. En de besteding van den rijkdom heeft nog niet het +automatische en mechanische van voortgezette belegging: de bevrediging +ligt nog in de felle uitersten van gierigheid en verspilling. In de +laatste vooral gaat de hebzucht het huwelijk aan met den ouden hoogmoed. +Die was nog zoo sterk en levend: de hierarchisch-feodale gedachte had +nog niets van haar bloei verloren, de lust aan pracht en praal, opschik +en staatsie was nog zoo purperrood.</p> + +<p>Juist de verbinding met een primitieven hoogmoed geeft aan de hebzucht +der latere middeleeuwen dat onmiddellijke, hartstochtelijke, +geëxaspereerde, wat latere tijden verloren schijnen te hebben. Het +Protestantisme en de Renaissance hebben in de hebzucht ethischen inhoud +gebracht: haar gelegaliseerd als nuttige voortbrenging van welvaart. +Haar stigma verflauwde, naarmate de loffelijkheid van de verzaking der +aardsche goederen minder overtuigd beleden werd. In de late middeleeuwen +daarentegen kon de geest nog enkel de onopgeloste tegenstelling bevatten +van hebzucht tegenover milddadigheid en vrijwillige armoede.</p> + +<p>Overal klinkt uit de litteratuur en de kronieken van dien tijd de +bittere haat tegen de rijken, de klacht over de hebzucht der grooten, +van het spreekwoord tot het vrome tractaat.<a name='36'></a> Het is soms als een vaag +besef van klassenstrijd, uitgedrukt met de middelen van zedelijke +verontwaardiging. Op dit gebied kunnen evengoed de oorkonden als de +verhalende bronnen ons het gevoel van den levenstoon van dien tijd +geven, want in alle bescheiden van processen blinkt de meest +onbeschaamde hebzucht.</p> + +<p>In 1436 was het mogelijk, dat de dienst in een der drukst bezochte +kerken van Parijs 22 dagen stilstond, omdat de bisschop de kerk niet +wilde herwijden, voor hij zekere som van penningen daarvoor ontving van +twee bedelaars, wier handgemeen door een bloedige schram de kerk had +ontwijd; en de stakkers hadden het niet. De bisschop, Jacques du +Châtelier, stond dan ook bekend als "ung homme très pompeux, +convoicteux, plus mondain que son estat ne requeroit". Maar onder zijn +opvolger, Denys de Moulins, was het in 1441 al weer zoo: nu kon er vier +maanden lang op het kerkhof "des Innocents", het vermaardste en +gezochtste van Parijs, niet begraven worden noch ommegang gehouden, +omdat de bisschop een hooger recht daarvan eischte, dan de kerk kon +opbrengen. Deze bisschop heette "homme très pou piteux à quelque +personne, s'il ne recevoit argent ou aucun don qui le vaulsist, et pour +vray on disoit qu'il avait plus de cinquante procès en Parlement, car de +lui n'avoit on rien sans procès"<a name='FNanchor_60_60'></a><a href='#Footnote_60_60'><sup>[60]</sup></a>. Men moet de geschiedenis van de +"nouveaux riches" van dien tijd, een familie d'Orgemont bijvoorbeeld, in +al de laagheden van hun schraapzucht en proceszucht vervolgen, om den +geweldigen haat van het volk, den toorn van predikers en dichters te +begrijpen, die zonder ophouden over de rijken werd uitgestort<a name='FNanchor_61_61'></a><a href='#Footnote_61_61'><sup>[61]</sup></a>.</p> +<a name='37'></a> +<p>Het volk kan zijn eigen lot en het gebeuren van den tijd niet anders +zien dan als een altijddurende opeenvolging van wanbestuur en +uitzuiging, oorlog en rooverij, duurte, gebrek en pestilentie. De +chronische vormen, die de oorlog placht aan te nemen, de voortdurende +verontrusting van stad en land door allerlei gevaarlijk geboefte, de +eeuwige bedreiging van een harde en onbetrouwbare justitie, en daarboven +nog de druk van helleangst, duivel- en heksenvrees, hielden een gevoel +van algemeene onveiligheid levend, dat wel geschikt was, den achtergrond +van het leven zwart te kleuren. Het zijn niet alleen de kleinen en +armen, wier leven verliep in die hachelijke onveiligheid, ook in dat van +edelen en magistraten zijn de sterkste lotswisselingen en voortdurende +gevaren bijna regel. Mathieu d'Escouchy, een Picardiër, is een +geschiedschrijver, zooals de vijftiende eeuw er zoo velen oplevert: zijn +kroniek, eenvoudig, nauwkeurig, onpartijdig, vervuld van de gewone +vereering voor het ridderideaal en de gewone moraliseerende strekking, +zou ons een eerzaam auteur doen vermoeden, die aan nauwgezetten +historischen arbeid zijn gaven wijdde. Maar welk een leven is het +geweest, dat de uitgever van dit geschiedwerk van den auteur uit de +oorkonden aan het licht heeft gebracht!<a name='FNanchor_62_62'></a><a href='#Footnote_62_62'><sup>[62]</sup></a> Mathieu d'Escouchy begint +zijn magistratenloopbaan als raad, schepen, gezworene, schout (prévôt) +van de stad Péronne tusschen 1440 en 1450.<a name='38'></a> Van den aanvang af vindt men +hem in een soort van veete met de familie van den procureur dier stad, +Jean Froment, een veete, die met processen wordt uitgevochten. Dan is +het de procureur, die d'Escouchy vervolgt wegens valschheid en moord, +dan wegens "excès et attemptaz". De schout op zijn beurt belaagt de +weduwe van zijn vijand met een onderzoek naar tooverij, waarvan zij +verdacht stond; maar de vrouw weet een mandaat te verkrijgen, krachtens +hetwelk d'Escouchy zijn onderzoek in handen der justitie moet stellen. +De zaak komt voor het Parlement van Parijs, en d'Escouchy geraakt voor +de eerste maal in gevangenschap. Nog zesmaal daarna vinden wij hem als +beschuldigde in hechtenis, en eenmaal in krijgsgevangenschap. 't Zijn +telkens ernstige crimineele zaken en meer dan eens zit hij in zware +ijzers. De wedstrijd van wederzijdsche aanklachten tusschen de familie +Froment en d'Escouchy wordt afgewisseld door een gewelddadige +ontmoeting, waarbij de zoon Froment hem wondt. Beiden huren rabauwen, +om elkaar naar 't leven te staan. Nadat deze lange veete uit onzen +gezichtskring verdwenen is, zijn het nieuwe aanslagen; ditmaal wordt +de schout verwond door een monnik; nieuwe klachten, dan in 1461 +d'Escouchy's verhuizing naar Nesle, onder verdenking van euveldaden, +naar het schijnt. Dit belet hem niet, om carrière te maken: hij wordt +baljuw, prévôt van Ribemont, procureur du roi te Saint Quentin; hij +wordt geadeld. Na nieuwe verwondingen, opsluitingen, boeten, vindt men +hem in krijgsdienst: hij strijdt voor den koning bij Montlhéry in 1465 +tegen Karel den Stoute, en wordt er krijgsgevangen gemaakt.<a name='39'></a> Uit een +volgenden veldtocht keert hij verminkt terug. Dan trouwt hij, maar het +beduidt niet de intrede in een rustig leven. Men vindt hem onder de +beschuldiging van zegelvervalsching, gevankelijk naar Parijs gevoerd +"comme larron et murdrier", in nieuwe veete met een magistraat van +Compiègne, naar wiens daden hij een onderzoek moet doen, door pijniging +tot bekentenis gebracht en van appel teruggehouden, veroordeeld, +gerehabiliteerd, weer veroordeeld, totdat het spoor van dit bestaan van +haat en vervolging uit de bescheiden verdwijnt.</p> + +<p>Overal waar men de lotgevallen naspeurt van de personen, in de bronnen +van dien tijd vermeld, verrijst zulk een beeld van heftig bewogen +levens. Lees bijvoorbeeld de bijzonderheden, die Pierre Champion +verzameld heeft over allen, die door Villon in zijn Testament zijn +bedacht of genoemd<a name='FNanchor_63_63'></a><a href='#Footnote_63_63'><sup>[63]</sup></a>, of de aanteekeningen van Tuetey op het dagboek +van den burger van Parijs. Het zijn processen, misdrijven, twisten en +vervolgingen zonder eind, die ons treffen. En dit zijn de levens van +willekeurige lieden, uit rechterlijke, kerkelijke of andere bescheiden +opgediept. Kronieken als die van Jacques du Clercq, een verzameling van +euveldaden, kunnen een te zwart beeld van den tijd geven; zelfs de +lettres de rémission, die het dagelijksch leven in zoo levendige +nauwkeurigheid voor oogen brengen, kunnen uithoofde van hun crimineel +onderwerp te uitsluitend de booze zijden van het leven belichten. Doch +elke proef, genomen uit willekeurig materiaal, bevestigt de donkerste +voorstellingen.</p> +<a name='40'></a> +<p>Het is een booze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het +onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere +aarde. En spoedig wacht der menschheid het eind van alle dingen. Maar de +menschheid bekeert zich niet; de kerk strijdt, predikers en dichters +klagen en vermanen vergeefs.</p> + +<br /> + + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='II'></a>II</h2> + +<h3>DE ZUCHT NAAR SCHOONER LEVEN</h3> +<br /> +<a name='41'></a> +<p>Iedere tijd smacht naar een schoonere wereld. Hoe dieper de wanhoop en +verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger dat smachten. +In het laatst der middeleeuwen is de grondtoon van het leven die van +bittere zwaarmoedigheid. De toon van moedige levensvreugde en van het +vertrouwen in kracht tot groote daden, zooals die klinkt door de +geschiedenis der Renaissance en door die der Verlichting, wordt in de +Fransch-Bourgondische sfeer der vijftiende eeuw nauwelijks gehoord. Is +die samenleving dan werkelijk ongelukkiger geweest dan andere? Men zou +het soms gelooven. Waar men zoekt in de overlevering van dien tijd: +de geschiedschrijvers, de dichters, de sermoenen en godsdienstige +tractaten, en evengoed de oorkonden, er is haast niet anders in bezonken +dan de herinnering aan twist, haat en boosaardigheid, hebzucht, +woestheid en ellende. Men vraagt zich af: heeft die tijd geen andere +vreugden gekend dan die uit wreedheid, hoogmoed en onmatigheid, is daar +nergens zachte blijdschap en rustig levensgeluk? Het is waar, elke tijd +laat in de overlevering meer sporen na van zijn leed dan van zijn geluk. +Het zijn de rampen, die historie worden. Een onberedeneerde overtuiging +zegt ons, dat de som van alle levensgeluk en blijde vreugde en zoete +rust, welke den menschen ooit beschoren is, in het eene tijdperk niet +veel kan verschillen van het andere. En de glans van het +laat-middeleeuwsche geluk is ook niet geheel vergaan: het herleeft nog +in het volkslied, in de muziek, in de stille verschieten van het +landschap en de ernstige aangezichten van het portret.</p> +<a name='42'></a> +<p>Doch hier is het verschil: terwijl de achttiende eeuw en de Renaissance +de geluksstemming ook jubelend hebben uitgesproken, en het leven en de +wereld luid hebben geprezen, ziet de Bourgondische tijd, zich zelf en +de wereld beschouwend, schier enkel leed en vertwijfeling. Neem als de +uiting van het Renaissance-gevoel Ulrich von Hutten's enthousiasten +uitroep: O saeculum, o literae! juvat vivere! Of wel deze enkele regels +van Poliziano, waarin de heerlijkheid van christelijk geloof en +heidensch geluk in één jubeltoon samensmelten:</p> + +<div class='poem'> "Vergine rilucente +<span>Per te sola si sente</span> +<span>Quanto bene è nel mondo"<a name='FNanchor_64_64'></a><a href='#Footnote_64_64'><sup>[64]</sup></a>.<br /></span> +</div> +<p>Die stemming is aan het Fransche leven van de veertiende en vijftiende +eeuw nog vreemd. Het zijn niet alleen zij, die zich voorgoed van de +wereld hebben afgewend, maar de kroniekschrijvers en modedichters der +hoven, die altijd weer de afgeleefdheid der wereld beklagen en +vertwijfelen aan vrede en gerechtigheid. Niemand heeft zoo eindeloos de +klacht herhaald, dat alle goede dingen de wereld verlaten hebben, als +Eustache Deschamps.</p> +<a name='43'></a> +<div class='poem'> "Temps de doleur et de temptacion, +<span class='i1'>Aages de plour, d'envie et de tourment,<br /></span> +<span class='i1'>Temps de langour et de dampnacion,<br /></span> +<span class='i1'>Aages meneur près du definement,<br /></span> +<br /> +<span class='i1'>Temps plains d'orreur qui tout fait faussement,<br /></span> +<span class='i1'>Aages menteur, plain d'orgueil et d'envie,<br /></span> +<span class='i1'>Temps sanz honeur et sanz vray jugement,<br /></span> +<span class='i1'>Aage en tristour qui abrege la vie"<a name='FNanchor_65_65'></a><a href='#Footnote_65_65'><sup>[65]</sup></a>.<br /></span> +</div> +<p>In dien toon heeft hij zijn balladen bij tientallen gedicht, eentonige, +matte variaties op één dof thema. Er moet toch wel een sterke +zwaarmoedigheid onder de hoogere standen hebben geheerscht, dat de adel +zijn brooddichter dat geluid zoo dikwijls deed herhalen.</p> + +<div class='poem'> "Toute léesse deffaut, +<span>Tous cueurs ont prins par assaut<br /></span> +<span>Tristesse et merencolie"<a name='FNanchor_66_66'></a><a href='#Footnote_66_66'><sup>[66]</sup></a>.<br /></span> +</div> +<p>Jean Meschinot zingt drie kwart eeuw later dan Deschamps nog in volkomen +denzelfden toon.</p> + +<div class='poem'> "O miserable et très dolente vie!... +<span>La guerre avons, mortalité, famine;<br /></span> +<span>Le froid, le chaud, le jour, la nuit nous mine;<br /></span> +<span>Puces, cirons et tant d'autre vermine<br /></span> +<span>Nous guerroyent. Bref, miserere domine<br /></span> +<span>Noz meschans corps, dont le vivre est très court."<br /></span> +</div> +<p>Ook deze spreekt steeds weer de bittere overtuiging uit, dat alles +slecht gaat in de wereld: gerechtigheid is zoek, de grooten plunderen de +kleinen, en de kleinen elkander.<a name='44'></a> Zijn hypochondrie brengt hem zelfs, +naar zijn zeggen, tot den rand van den zelfmoord. Hij beschrijft zich +zelf:</p> + +<div class='poem'> "Et je, le pouvre escrivain, +<span>Au cueur triste, faible et vain,<br /></span> +<span>Voyant de chascun le dueil,<br /></span> +<span>Soucy me tient en sa main;<br /></span> +<span>Toujours les larmes à l'oeil,<br /></span> +<span>Rien fors mourir je ne vueil"<a name='FNanchor_67_67'></a><a href='#Footnote_67_67'><sup>[67]</sup></a>. <br /></span> +</div> +<p>Alle uitingen van de levensstemming der aanzienlijken bevestigen de +sentimenteele behoefte aan een zwarten dos der ziel. Bijna iedereen komt +getuigen, dat hij niets dan ellende heeft gezien, en dat nog erger te +wachten staat, dat hij den afgelegden levensweg niet zou willen +teruggaan. "Moi douloreux homme, né en eclipse de ténèbres es espesses +bruynes de lamentation", aldus dient Chastellain zich aan<a name='FNanchor_68_68'></a><a href='#Footnote_68_68'><sup>[68]</sup></a>. "Tant a +souffert La Marche" heeft de hofpoëet en kroniekschrijver van Karel den +Stoute zich tot devies gekozen; een bitteren smaak vindt hij aan 't +leven, en zijn portret vertoont ons die morose trekken, welke op zooveel +beeltenissen van dien tijd onzen blik boeien<a name='FNanchor_69_69'></a><a href='#Footnote_69_69'><sup>[69]</sup></a>.</p> +<a name='45'></a> +<p>Schijnt er een leven zoo vervuld van aardschen hoogmoed en pralende +genotzucht, en zoo bekroond met welslagen als dat van Philips den Goede? +Toch schuilt ook daaronder de levensmoeheid van den tijd. Als hem de +dood van zijn eenjarig zoontje wordt bericht, zegt hij: "had het God +behaagd, dat ik ook zoo jong gestorven ware, ik zou mij wel gelukkig +achten"<a name='FNanchor_70_70'></a><a href='#Footnote_70_70'><sup>[70]</sup></a>.</p> + +<p>Is het niet opmerkelijk, dat in dezen tijd in het woord melancholie de +beteekenissen van droefgeestigheid, ernstig nadenken en fantazie ineen +vloeien? Zoozeer scheen elke ernstige bezigheid van den geest in het +sombere te moeten overzweven. Froissart zegt van Philips van Artevelde, +die nadenkt over een pas ontvangen tijding: "quant il eut merancoliet +une espasse, il s'avisa que il rescriproit aus commissaires dou roi de +France" enz. Deschamps zegt van iets, wat in leelijkheid de verbeelding +te boven gaat: geen schilder is zoo "merencolieux", dat hij het zou +kunnen schilderen<a name='FNanchor_71_71'></a><a href='#Footnote_71_71'><sup>[71]</sup></a>.</p> + +<p>In het pessimisme van deze verzadigden, ontgoochelden, vermoeiden is een +religieus element, doch slechts een gering. Door hun levensmoeheid +speelt zeker ook de verwachting van het naderend einde der wereld, die +door de bloeiend herleefde volksprediking der bedelorden overal met +versche dreiging en verhoogde kleur van verbeelding in het gemoed was +gestort. De duistere en verwarde tijden, de chronische oorlogsellende +waren wel geschikt, die gedachte te versterken. Er schijnt in de laatste +jaren der veertiende eeuw een volksgeloof te zijn geweest,<a name='46'></a> dat sedert +het groote schisma niemand meer in het paradijs was opgenomen<a name='FNanchor_72_72'></a><a href='#Footnote_72_72'><sup>[72]</sup></a>. De +afkeer van den ijdelen schijn van het hofleven maakte van zelf rijp, om +de wereld vaarwel te zeggen. Toch is die stemming van depressie, zooals +bijna al die vorstendienaars en hovelingen haar uiten, nauwelijks van +godsdienstig gehalte. Op zijn hoogst hebben de godsdienstige +voorstellingen wat kleur afgegeven op een vlak van eenvoudige +levensmoeheid. Het is de zucht, om het leven en de wereld te smaden, die +van wezenlijk godsdienstig besef ver afstaat. De wereld, zegt Deschamps, +is als een kindsche grijsaard; eerst was hij onschuldig, toen wijs +langen tijd, rechtvaardig, deugdzaam en dapper:</p> + +<div class='poem'> "Or est laches, chetis et molz, +<span>Vieulx, convoiteus et mal parlant:<br /></span> +<span>Je ne voy que foles et folz....<br /></span> +<span>La fin s'approche, en verité....<br /></span> +<span>Tout va mal"....<a name='FNanchor_73_73'></a><a href='#Footnote_73_73'><sup>[73]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Het is niet alleen levensmoeheid maar ook levensbangheid, het +terugschrikken voor het leven om de onvermijdelijke smarten, die het +begeleiden, de houding van den geest, die in het Boeddhisme de basis +der levensbeschouwing uitmaakt: bange afkeer van de moeiten van het +dagelijksch leven, vrees en afschuw voor zorg, ziekte en ouderdom. +Deze levensbangheid deelen de geblaseerden met hen, die nooit voor de +verlokkingen der wereld bezweken waren, omdat zij altijd het leven +geschuwd hadden.</p> + +<p>De gedichten van Deschamps vloeien over van dien kleinzieligen smaad +tegen het leven.<a name='47'></a> Gelukkig wie geen kinderen heeft, want kleine kinderen, +'t is al geschreeuw en stank, en moeite en zorg; zij moeten gekleed, +geschoeid, gevoed worden; altijd zijn zij in gevaar van te vallen en +zich te bezeeren. Zij worden ziek en sterven, of zij worden groot en +slecht; zij komen in de gevangenis. Niets dan lasten en verdriet, geen +geluk vergoedt de zorgen, moeiten en kosten van de opvoeding. Geen +grooter ongeluk, dan mismaakte kinderen te hebben. De dichter wijdt er +geen woord van liefde aan: de mismaakte is slecht van hart, laat hij de +schrift zeggen. Gelukkig wie ongetrouwd is, want met een kwade vrouw is +het slecht leven, en een goede vreest men voortdurend te verliezen. Met +het ongeluk wordt ook het geluk geschuwd. Van den ouderdom ziet deze +dichter niet dan kwaads en weerzinwekkends, het jammerlijk lichamelijk en +geestelijk verval, de belachelijkheid en onsmakelijkheid. Vroeg is de +mensch oud, de vrouw met dertig, de man met vijftig jaren, en zestig is +hun perk<a name='FNanchor_74_74'></a><a href='#Footnote_74_74'><sup>[74]</sup></a>.—Hoe ver is men hier van de serene idealiteit, waarmee +Dante in zijn Convivio de waardigheid van den edelen grijsaard +beschreven had<a name='FNanchor_75_75'></a><a href='#Footnote_75_75'><sup>[75]</sup></a>.</p> + +<p>Een vrome strekking, die bij Deschamps nauwelijks aanwezig is, kan deze +bespiegelingen van levensbangheid eenigszins verheffen, maar wezenlijk +veranderen niet. In tal van vermaningen tot een heilig leven proeft men +als grondstemming dit moedeloos versagen. Wanneer de onberispelijke +kanselier der Parijsche universiteit en licht der godgeleerdheid Jean +Gerson voor zijn zusters een vertoog schrijft over de voortreffelijkheid +van den maagdelijken staat,<a name='48'></a> dan dient onder zijn argumenten een lange +lijst van leed en rampen, aan den huwelijken staat verbonden. Wellicht +zou een echtgenoot een dronkaard zijn, of een verkwister, of een +gierigaard. Of is hij braaf en goed, dan kan er misgewas komen, +veesterfte of schipbreuk, die hem van al zijn have berooven. Welk een +ellende is niet de zwangerschap, hoevele vrouwen sterven er in het +kraambed! Wat heeft de zoogende moeder voor rustigen slaap, wat voor +blijdschap en vreugde? Misschien zullen de kinderen mismaakt zijn of +ongehoorzaam; misschien zal de man sterven en de moeder als weduwe in +zorg en armoe achterblijven<a name='FNanchor_76_76'></a><a href='#Footnote_76_76'><sup>[76]</sup></a>.</p> + +<p>Diepe verslagenheid over de aardsche ellende is de stemming, waarmee de +dagelijksche werkelijkheid wordt beschouwd, zoodra de kinderlijke +levensvreugde of het blind genieten wijkt voor overpeinzing. Waar is de +schoonere wereld, waar iedere tijd naar smachten moet?</p> + +<p>De zucht naar een schooner leven heeft te allen tijd drie paden voor +zich naar het verre doel zien wijzen. Het eerste leidde regelrecht uit +de wereld: het pad van de verzaking der wereld. Hier schijnt het +schoonere leven enkel te bereiken aan de overzijde, kan het enkel een +verlossing zijn uit al het aardsche; alle aandacht aan de wereld +besteed, vertraagt slechts het beloofde heil. Alle hoogere beschaving +heeft dit pad bewandeld; het Christendom had dit streven èn als +individueelen levensinhoud èn als cultuurgrondslag zoo machtig in de +geesten geprent, dat het langen tijd het betreden van het tweede pad +bijna geheel heeft belet.</p> +<a name='49'></a> +<p>Dat tweede was de weg, die wees naar verbetering en volmaking van de +wereld zelf. De middeleeuwen hebben dit streven nog nauwelijks gekend. +Voor hen was de wereld zoo goed en zoo slecht als zij zijn kon, dat wil +zeggen, al de instellingen, door God gewild immers, waren goed; het is +de zonde der menschen, die de wereld in ellende houdt. De tijd kent geen +bewust streven naar verbetering en hervorming van maatschappelijke of +staatkundige instellingen als drijfveer van denken en handelen. De deugd +te betrachten in eigen beroep is het eenige, wat de wereld baten kan, +en ook daarbij is het eigenlijke doel toch het andere leven. Ook waar +inderdaad een nieuwe maatschappelijke vorm geschapen wordt, beschouwt +men het steeds als een herstel van het goede oude recht; het recht wordt +gevonden of verduidelijkt, maar niet veranderd.</p> + +<p>Niets heeft zoozeer meegewerkt tot die stemming van levensbangheid en +vertwijfeling aan de komende tijden als deze afwezigheid van den vasten +wil van allen, om de wereld zelf beter en gelukkiger te maken. In de +wereld zelf was geen belofte van beter dingen. Wie naar beter smachtte, +en toch geen afscheid kon nemen van de wereld en al haar heerlijkheid, +kon enkel tot vertwijfeling vervallen; hij zag nergens hoop of +blijdschap meer; der wereld rest nog maar een korte tijd, en wat haar +daarin wacht, is ellende.</p> + +<p>Wanneer eenmaal ook de weg naar positieve verbetering van de wereld zelf +zal zijn ingeslagen, begint een nieuwe tijd, waarin de levensbangheid +plaats maakt voor moed en hoop.<a name='50'></a> De Renaissance luidt de energische +levensaanvaarding in, de achttiende eeuw verheft de volmaakbaarheid van +mensch en samenleving tot haar grondleerstuk, en het economische en +sociale streven der volgende eeuw verliest daarvan enkel de naïveteit, +niet den moed en het optimisme.</p> + +<p>Het derde pad naar een schoonere wereld is dat van den droom. Het is de +gemakkelijkste weg, maar een, die het doel altijd even ver laat. Als dan +de aardsche werkelijkheid zoo hopeloos ellendig is, en de verzaking der +wereld zoo moeilijk, laat ons dan het leven kleuren met schoonen schijn, +wegleven in het droomland van heldere verbeeldingen, de werkelijkheid +temperen met de verrukking van het ideaal. Er is maar een eenvoudig +thema, een enkel akkoord noodig, om de hartvervoerende fuga te doen +klinken: een uitzicht op het gedroomd geluk van een schooner verleden is +genoeg, een blik op zijn heldendom en zijn deugd, of anders de glans van +het blijde zonlicht van het natuurlijk leven. Op die enkele thema's: het +heldenthema, het wijzenthema en het bucolische thema is van de Oudheid +af de gansche litteraire cultuur gebouwd. De Middeleeuwen, de +Renaissance, de achttiende eeuw en de negentiende, zij vinden alle +slechts nieuwe variaties op het oude lied.</p> + +<p>Is echter dit derde pad naar een schooner leven: het ontvlieden van de +harde werkelijkheid in een schoonen schijn, enkel een zaak van +litteraire cultuur? Stellig is het meer dan dat. Het raakt den vorm en +den inhoud van het gemeenschapsleven zelf even goed als de beide andere +strevens, en dat des te sterker, naarmate de beschaving primitiever is.</p> +<a name='51'></a> +<p>De uitwerking van de drie genoemde geesteshoudingen op het werkelijke +leven zelf is zeer ongelijk. Natuurlijk heeft de idee, waaruit men +streeft naar de verbetering en volmaking van de wereld zelf, het nauwste +en voortdurendste contact met het dagelijksche leven. Zij stort bijna +alle kracht en allen moed in den stoffelijken arbeid zelf; zij vervult +de directe werkelijkheid met energie. Als men wil, is ook hier een +geluksdroom het bezielende motief. Tot zekere hoogte streeft iedere +cultuur naar de verwezenlijking van een droomwereld binnen de werkelijke, +door het herscheppen van de vormen der samenleving. Doch het object van +den droom is hier de werkelijkheid zelve, enkel nog wat gezuiverd en +verbeterd, met andere woorden: men acht de wereld op den goeden weg naar +het ideaal. En daarom is de spanning tusschen den idealen levensvorm +en dien van het werkende bestaan gering. Het ideaal van de hoogste +productie en de billijke verdeeling der goederen stelt aan de levenskunst +betrekkelijk geringe eischen: in den dagelijkschen arbeid nadert men het +ideaal.</p> + +<p>Heel anders is de invloed op het werkelijk leven bij de eerste der drie +geesteshoudingen: die van de verzaking der wereld. Het heimwee naar een +eeuwig heil maakt den gang en den vorm van het aardsch bestaan +onverschillig, mits daarin de deugd wordt gekweekt en onderhouden. Men +laat de levensvormen en maatschappijvormen voor wat zij zijn, maar +tracht ze te doordringen van transcendentale zedelijkheid. Hierdoor +werkt de afkeer van de wereld op de aardsche maatschappij niet louter +negatief door verloochening en afwending, maar straalt ook op haar terug +in zegenrijken arbeid en praktische barmhartigheid.</p> +<a name='52'></a> +<p>Hoe werkt nu op het leven de derde houding: de zucht naar het schoonere +leven volgens een gedroomd ideaal? Zij herschept de vormen van het leven +in kunstvormen. Maar het zijn niet enkel de kunstwerken als zoodanig, +waarin zij haar schoonheidsdroom uitdrukt, zij wil het leven zelf +veredelen met schoonheid, en vult de samenleving zelf met spel en +vormen. Hier worden juist aan de persoonlijke levenskunst de hoogste +eischen gesteld, eischen, die alleen kunnen worden nagestreefd door een +élite, in een kunstig levensspel. Het naleven van den held en den wijze +is niet ieders zaak; het is een kostbaar vermaak om het leven te kleuren +met heroïsche of idyllische verven, en het slaagt bovendien doorgaans +nog heel slecht. Aan het streven naar de verwezenlijking van den +schoonheidsdroom in de vormen van de samenleving zelf is als vitium +originis een aristocratisch karakter opgedrukt.</p> + +<p>Hiermee zijn wij genaderd tot het aspect, waaronder de beschaving van +het einde der Middeleeuwen thans moet worden gezien: de verfraaiing van +het aristocratische leven met de vormen van het ideaal, het kunstlicht +van de ridderlijke romantiek over het leven, de wereld vermomd in den +dos der Tafelronde. De spanning tusschen levensvorm en werkelijkheid is +bijster groot; het licht is valsch en schel.</p> + +<p>De zucht naar het schoone leven geldt als het eigenste kenmerk van de +Renaissance. Hier ziet men de volste harmonie tusschen de bevrediging +van den schoonheidsdorst in het kunstwerk en in het leven zelf, hier +dient de kunst het leven en het leven de kunst als nooit te voren. Maar +de grens tusschen Middeleeuwen en Renaissance is ook in dezen te scherp +getrokken. De hartstochtelijke zin,<a name='53'></a> om het leven zelf met schoonheid te +bekleeden, de verfijnde levenskunst, de bonte uitwerking van een +levensideaal, zij zijn alle veel ouder dan het Italiaansche quattrocento. +De motieven van levensverfraaiing zelf, waarop de Florentijnen doorgaan, +zijn niet anders dan de oude middeleeuwsche vormen: Lorenzo de' Medici +huldigt nog even goed als Karel de Stoute het oude ridderideaal als den +edelen levensvorm; hij ziet zelfs in den laatste, ondanks zijn +barbaarsche pracht, in zekere opzichten het model. Italië heeft nieuwe +horizonten van levensschoonheid ontdekt, het leven gestemd in een +nieuwen toon, doch de houding zelf van den Renaissance-mensch tegenover +het leven: de opwerking ervan tot een kunstvorm, is niet nieuw.</p> + +<p>De groote scheiding in de opvatting der levensschoonheid valt veeleer +tusschen de Renaissance en den nieuweren tijd. Het kenteringspunt ligt +daar, waar kunst en leven beginnen uiteen te gaan, waar men begint, de +kunst niet meer te genieten <i>midden in</i> het leven, als een edel deel +van de levensvreugde zelf, maar buiten het leven, als een hooge +vereerenswaardigheid, waarheen men zich wendt in oogenblikken van +verheffing of van verpoozing. Het oude dualisme, dat God en wereld +scheidde, is daarmede in een anderen vorm, als scheiding van kunst en +leven, teruggekeerd. Er is een streep getrokken midden door de +genietingen des levens. Zij zijn in twee helften, een lagere en een +hoogere, gescheiden. Voor den Middeleeuwer waren zij al te zamen zondig; +thans gelden zij alle als geoorloofd, maar van zeer verschillende +waardigheid, al naar hun meerdere of mindere geestelijkheid.</p> + +<p>De dingen, die het leven tot genieten kunnen maken, blijven dezelfde. +<a name='54'></a>Nu als vroeger zijn het: lectuur, muziek, beeldende kunst, reizen, +natuurgenot, sport, mode, maatschappelijke ijdelheid (ridderorden, +eerambten, vergaderingen) en bedwelming der zinnen. De grens tusschen +het hoogere en het lagere schijnt thans nog voor de meesten te vallen +tusschen natuurgenot en sport. Maar die grens is niet vast. +Waarschijnlijk zal de sport eerlang, althans voorzoover zij de kunst +van lichaamskracht en moed is, weer algemeen tot het hoogere gerekend +worden. Voor den Middeleeuwer viel de grens hoogstens terstond achter +lectuur; zelfs het genot van het lezen kon slechts geheiligd worden door +het streven naar deugd of wijsheid, en in muziek en beeldende kunst werd +uitsluitend de dienstbaarheid aan het geloof als goed erkend; het genot +er aan op zichzelf was zondig. De Renaissance had zich ontworsteld aan +de verwerping der levensvreugde als in zich zelf zondig, en een nieuwe +scheiding tusschen hooger en lager levensgenot had zij nog niet +aangebracht; zij wilde het gansche leven onbekommerd genieten. De nieuwe +scheiding is het resultaat van het compromis tusschen Renaissance en +Puritanisme, waarop de moderne geesteshouding berust. Het was een +wederzijdsche capitulatie, waarbij de een zich de redding der schoonheid +en de ander de veroordeeling der zonde bedong. Voor het strenge +Puritanisme trof de veroordeeling als zondig en wereldsch in den grond +nog evengoed als voor den Middeleeuwer de gansche sfeer der +levensverfraaiing, tenzij deze uitgesproken godsdienstige vormen aannam +en zich heiligde door een directe toepassing op het geloof. Eerst +naarmate de Puriteinsche wereldbeschouwing afsleet, won de +<a name='55'></a>Renaissancistische aanvaarding van alle levensvreugde weer veld; ja +zelfs meer dan het oude terrein, want in het natuurlijke op zich zelf +werd nu een element van het ethisch goede gezien. Een rechte +scheidingslijn zou thans niet meer de kunst van het zingenot, het +natuurgenot van de lichaamsoefening, het verhevene van het natuurlijke +scheiden, maar enkel het egoïstische, het leugenachtige en het ijdele +van het zuivere.</p> + +<p>In het laatst der Middeleeuwen, toen het kenterde naar een nieuwen +geest, was in beginsel nog slechts de oude keuze mogelijk tusschen God +en de wereld: een algeheele versmading van alle heerlijkheid en +schoonheid des aardschen levens of de roekelooze aanvaarding ervan op +perijkel der ziel. De schoonheid der wereld kreeg door haar erkende +zondigheid een dubbele verlokking; gaf men zich over, dan genoot men +haar ook met een bodemlooze hartstochtelijkheid. Maar die de schoonheid +niet konden ontberen, en zich toch niet aan de wereld wilden overgeven, +moesten de schoonheid adelen. De geheele groep van de kunst en +litteratuur, waar het wezen der genieting bewondering was, konden zij +heiligen, door ze in dienst te stellen van het geloof. Ook al was het +inderdaad de vreugde aan kleur en lijn, die de minnaars van schilderij +en miniatuur bezielde, het heilig onderwerp ontnam aan de kunstgenieting +het stempel der zonde.</p> + +<p>Maar de schoonheid met een hoog zondegehalte: de lichaamsvergoding van +ridderlijke sport en hoofsche mode, de hoogmoed en de hebzucht van ambt +en eere, de verrukkende onpeilbaarheden der liefde, hoe dit alles, dat +door het geloof veroordeeld en uitgestooten was, te veredelen en te +verheffen?—Hier diende die middenweg, die in het droomland leidde: door +ze te bekleeden met den schoonen schijn van oude, fantastische idealen.</p> +<a name='56'></a> +<p>Dit is de trek, die de Fransch-ridderlijke cultuur van de 12<sup>e</sup> eeuw af +verbindt met de Renaissance: de sterke cultiveering van het schoone +leven in de vormen van een heldenideaal. De vereering der natuur was nog +te zwak, dan dat men met volle overtuiging de schoonheid van het +aardsche in haar naaktheid zou hebben gediend, zooals de Grieksche geest +het had gedaan; het zondebesef was daartoe te geweldig; slechts door +zich te hullen in de gewaden der deugd kon de schoonheid cultuur worden.</p> + +<p>Het geheele aristocratische leven van de latere Middeleeuwen, om 't even +of men denkt aan Frankrijk en Bourgondië of aan Florence, is een poging, +om een droom te spelen. Altijd denzelfden droom, dien van de oude helden +en wijzen, van den ridder en de maagd, van de eenvoudige en vergenoegde +herders. Frankrijk en Bourgondië spelen het stuk nog altijd in den ouden +trant; Florence dicht op hetzelfde thema een nieuw en mooier spel.</p> + +<p>Het adellijk en vorstelijk leven is opgetooid tot een maximum van +uitdrukkelijkheid; alle levensvormen zijn als 't ware verheven tot +mysteriën, versierd met kleur en praal, vermomd als deugd. De +levensgebeurtenissen en de aandoeningen daarover zijn geëncadreerd in +schoone en verheffende vormen. Ik weet wel, dit alles is niet specifiek +laat-middeleeuwsch; het is reeds gegroeid in de primitieve stadiën der +beschaving; men kan het ook chinoiserie en byzantinisme noemen, en het +sterft niet af met de Middeleeuwen, getuige de zonnekoning.</p> + +<p>De hofstaat is het terrein, waarop zich de aesthetiek van den levensvorm +ten volle kan ontplooien. Het is bekend, hoeveel gewicht de +Bourgondische hertogen<a name='57'></a> hebben gehecht aan alles wat de praal en staatsie +van hun hof betrof. Na den oorlogsroem, zegt Chastellain, is de hofstaat +de eerste zaak, waarop men het oog richt, en welks regeling en goede +handhaving van de hoogste noodzaak is<a name='FNanchor_77_77'></a><a href='#Footnote_77_77'><sup>[77]</sup></a>. Olivier de la Marche, de +ceremoniemeester van Karel den Stoute, schreef op verzoek van den +Engelschen koning Eduard IV zijn tractaat over den hofstaat des +hertogen, ten einde den koning het model van ceremonieel en etikette ter +navolging te bieden<a name='FNanchor_78_78'></a><a href='#Footnote_78_78'><sup>[78]</sup></a>. Van Bourgondië hebben de Habsburgers het fraai +uitgewerkte hofleven geërfd en overgebracht naar Spanje en Oostenrijk, +die er tot den huidigen dag het bolwerk van waren gebleven. Het hof van +Bourgondië werd door allen genoemd als het rijkste en best geordende, +dat men vond<a name='FNanchor_79_79'></a><a href='#Footnote_79_79'><sup>[79]</sup></a>. Vooral Karel de Stoute, de man met den gewelddadigen +geest van orde en regel, die niets dan wanorde achterliet, had den +hartstocht van het hoog vormelijke leven. De oude illusie, dat de vorst +zelf de klachten der armen en kleinen aanhoort en terstond berecht, was +door hem in een fraaien vorm gekleed. Twee of driemaal per week na den +maaltijd hield hij een openlijk gehoor, waar elkeen hem met +verzoekschriften kon naderen. Al de edelen van zijn huis moesten +tegenwoordig zijn; niemand waagde er weg te blijven. Zorgvuldig +gescheiden naar<a name='58'></a> hun rangen zaten zij ter weerszijden van den doorgang, +die naar 's hertogen hoogen zetel leidde. Aan zijn voeten lagen geknield +de twee maistres des requestes, de audiencier en een secretaris, die de +verzoekschriften voorlazen en afdeden, naar de vorst gebood. Achter +balustraden rondom de zaal stond de lagere hofhouding. Het was, zegt +Chastellain, in schijn "une chose magnifique et de grand los", maar de +gedwongen toeschouwers verveelden zich geducht, en aan de goede vruchten +van deze rechtspraak twijfelt hij; het was een zaak, die hij in zijn +tijd van geen anderen vorst had gezien<a name='FNanchor_80_80'></a><a href='#Footnote_80_80'><sup>[80]</sup></a>.</p> + +<p>Ook de ontspanning moest voor Karel den Stoute dien fraaien vorm hebben. +"Tournoit toutes ses manières et ses moeurs à sens<a name='FNanchor_81_81'></a><a href='#Footnote_81_81'><sup>[81]</sup></a> une part du +jour, et avecques jeux et ris entremeslés, se délitoit en beau parler et +en amonester ses nobles à vertu, comme un orateur. Et en cestuy regart, +plusieurs fois, s'est trouvé assis en un hautdos paré<a name='FNanchor_82_82'></a><a href='#Footnote_82_82'><sup>[82]</sup></a>, et ses +nobles devant luy, là où il leur fit diverses remonstrances selon les +divers temps et causes. Et toujours, comme prince et chef sur tous, fut +richement et magnifiquement habitué<a name='FNanchor_83_83'></a><a href='#Footnote_83_83'><sup>[83]</sup></a> sur tous les autres"<a name='FNanchor_84_84'></a><a href='#Footnote_84_84'><sup>[84]</sup></a>. Deze +bewuste levenskunst is ondanks de stijve en naïeve vormen eigenlijk +volkomen Renaissance. Het is, wat Chastellain noemt zijn "haute +magnificence de coeur pour estre vu et regardé en singulières choses", +de kenmerkendste eigenschap van Burckhardt's Renaissance-mensch.</p> + +<p>De hiërarchische ordinanties van de hofhuishouding zijn van een +pantagrueleske sappigheid, waar zij betrekking hebben op den maaltijd en +de keuken.<a name='59'></a> De hofmaaltijd van Karel den Stoute, met al de met bijkans +liturgische waardigheid geregelde diensten van panetiers en voorsnijders +en schenkers en keukenmeesters, was als de opvoering van een groot en +ernstig schouwtooneel. Het geheele hof at in groepen van tien in +afzonderlijke kamers, bediend en onthaald gelijk de heer, alles +zorgvuldig naar rang en stand geordend. Alles was zoo goed geregeld, dat +al de groepen bijtijds na hun maaltijd den hertog, die nog aan zijn +tafel zat, konden komen begroeten "pour luy donner gloire"<a name='FNanchor_85_85'></a><a href='#Footnote_85_85'><sup>[85]</sup></a>.</p> + +<p>In de keuken (men denke zich de heroïsche keuken, nu de eenig bewaarde +rest van het hertogenpaleis te Dijon, met haar zeven reusachtige +schoorsteenen), in de keuken zit de dienstdoende kok in een zetel +tusschen schoorsteen en buffet, vanwaar hij het geheele vertrek kan +overzien. In zijn hand moet hij een grooten houten lepel hebben, "die +hem dient tot twee doeleinden: het eene om soep en sausen te proeven, en +het andere om de keukenjongens uit de keuken te drijven, om hun plicht +te doen, en zoo noodig erop te slaan". Bij zeldzame gelegenheden komt de +kok wel eens zelf opdienen, een toorts in de hand, bij voorbeeld de +eerste truffels of den eersten nieuwen haring.</p> + +<p>Voor den gewichtigen hoveling, die ons dit alles beschrijft, zijn het +heilige mysteriën, waar hij met ontzag en met een soort van +scholastische wetenschappelijkheid van spreekt. Toen ik page was, zegt +La Marche, was ik nog te jong om vragen van préséance en ceremonieel te +begrijpen<a name='FNanchor_86_86'></a><a href='#Footnote_86_86'><sup>[86]</sup></a>. Hij legt zijn lezers gewichtige vragen van voorrang en +hofdienst voor, om ze met zijn rijpe kennis op te lossen.<a name='60'></a> Waarom zit bij +'s heeren maaltijd de kok en niet de jonker van der keukene? Hoe moet +de kok worden aangesteld? Wie moet hem bij afwezigheid vervangen: de +gebraadmeester (hateur) of de soepmeester (potagier)? Hierop antwoord +ik, zegt de wijze man: wanneer er een kok moet zijn aan 's vorsten hof, +zullen de hofmeesters (maitres d'hôtel) de jonkers van der keukene +(escuiers de cuisine) en alle degenen, die ter keukene dienen, den een +na den ander oproepen; en bij plechtige keuze, door ieder onder eede +gedaan, zal de kok worden aangesteld. En op de tweede vraag: noch de +gebraadmeester noch de soepmeester, maar eveneens bij keuze zal de +plaatsvervanger van den kok worden aangewezen.—Waarom staan de +panetiers en schenkers als eerste en tweede rang boven de voorsnijders +en koks? Omdat hun ambt het brood en den wijn betreft, de heilige +dingen, waarop de waardigheid van het sacrament afstraalt<a name='FNanchor_87_87'></a><a href='#Footnote_87_87'><sup>[87]</sup></a>.</p> + +<p>Men ziet, er is hier een werkelijke verbinding tusschen de gedachtensferen +van het geloof en van de hofetikette. Het is niet teveel gezegd, dat er +in dien toestel van de schoone, edele levensvormen een liturgisch +element schuilt, dat de waardeering van die vormen als 't ware is +opgetrokken in een quasi-religieuze sfeer. Alleen dit verklaart de +buitengewone belangrijkheid, die (niet alleen in de latere Middeleeuwen) +aan alle kwesties van voorrang en beleefdheid wordt toegekend.</p> + +<p>In het oude Russische rijk vóór de Romanov's had zich de strijd om den +voorrang bij den troon ontwikkeld tot een vast departement van den +staatsdienst.<a name='61'></a> Dien vorm kennen de Westersche staten der Middeleeuwen +niet, maar ook hier neemt toch de naijver om den voorrang een groote +plaats in. Het zou gemakkelijk zijn, daarvan de voorbeelden te +verzamelen. Hier evenwel is het er om te doen, de versiering der +levensvormen tot een schoon en verheffend spel, en de woekering dier +vormen tot een hol vertoon, te doen blijken. Daartoe eenige voorbeelden. +De fraaie vorm kan somtijds de doelmatige handeling geheel op zij +dringen. Vlak voor den slag bij Crécy hebben vier Fransche ridders de +slagorde der Engelschen verkend. De koning, die met ongeduld hun bericht +verwacht, langzaam voortrijdend over het veld, houdt stil, toen hij hen +ziet terugkomen. Zij dringen door het gedrang der krijgslieden heen tot +voor den koning. Wat nieuws, heeren? vraagt de koning. "Zij zagen +elkander aan, zonder een woord te spreken, want geen wilde spreken vóór +zijn makker. En zij zeiden den een tot den ander: "Heer, zeg gij het, +spreek gij tot den koning, ik zal niet vóór u spreken." Zoo waren zij +een tijd in strijd, dat geen "par honneur" wou beginnen te spreken." +Totdat de koning het een hunner beveelt<a name='FNanchor_88_88'></a><a href='#Footnote_88_88'><sup>[88]</sup></a>.—Nog vollediger moest de +doelmatigheid voor den fraaien vorm wijken in het geval van messire +Gaultier Rallart, chevalier du guet te Parijs in 1418. Dit hoofd der +politie placht nooit de ronde te doen, of er gingen drie of vier +muzikanten voorop, die lustig bliezen, zoodat het volk zei, dat hij als +'t ware de boeven waarschuwde: vlucht, want ik kom.<a name='FNanchor_89_89'></a><a href='#Footnote_89_89'><sup>[89]</sup></a> Het geval staat +niet op zich zelf. In 1465 vindt men opnieuw, hoe de bisschop van +Evreux,<a name='62'></a> Jean Balue, de nachtelijke ronde in Parijs doet met klaroenen, +trompetten en andere muziekinstrumenten, "qui n'estoit pas acoustumé de +faire à gens faisans guet"<a name='FNanchor_90_90'></a><a href='#Footnote_90_90'><sup>[90]</sup></a>.—Zelfs op het schavot wordt de eer van +rang en stand streng in acht genomen: dat van den connétable de Saint +Pol is rijk getapisseerd met leliën, het bidkussen en de blinddoek zijn +van karmozijn fluweel, en de beul is iemand, die nog nooit een ander +heeft geëxecuteerd<a name='FNanchor_91_91'></a><a href='#Footnote_91_91'><sup>[91]</sup></a>.</p> + +<p>De wedijver in beleefdheid, die nu een kleinburgerlijk karakter heeft +gekregen, was in het hofleven der vijftiende eeuw buitengewoon sterk +ontwikkeld. Men beschouwde het als een ondragelijke schande voor zich +zelf, als men den meerdere niet de plaats liet, die hem toekwam. De +Bourgondische hertogen geven angstvallig den voorrang aan hun +koninklijke verwanten van Frankrijk. Jan zonder Vrees bewees zijn jonge +schoondochter Michelle de France altijd overdreven eer; hij noemde haar +Madame, knielde altijd voor haar tot den grond, en wilde haar altijd +bedienen, maar zij wilde het niet hebben<a name='FNanchor_92_92'></a><a href='#Footnote_92_92'><sup>[92]</sup></a>. Als Philips de Goede +hoort, dat zijn neef, de dauphin, naar Brabant is uitgeweken in den +twist met zijn vader, breekt hij het beleg van Deventer, dat de +inleiding moest zijn voor een expeditie, die Friesland onder zijn macht +zou brengen, af, en haast zich naar Brussel terug, om den hoogen gast te +verwelkomen. Naarmate de ontmoeting nadert, wordt het een wedloop, wie +den ander in eerbetoon voor zal zijn.<a name='63'></a> Philips is in groote angst, dat de +dauphin hem tegemoet zal rijden; spoorslags rijdt hij door, en zendt +bode op bode om den dauphin te bewegen, hem toch te wachten waar hij is. +Kwam de koningszoon hem tegemoet, dan bezwoer hij, zelf te willen +terugkeeren, achterwaarts rijdende, zoo ver, dat deze hem nergens zou +vinden, want het zou hem, den hertog, een spot en een blaam zijn, die +hem door de gansche wereld eeuwig zouden worden nagehouden. Met nederig +afstel van de gewone staatsie rijdt Philips Brussel binnen; haastig +stijgt hij af buiten het paleis, gaat binnen en loopt snel door. Daar +ziet hij den dauphin, die met de hertogin zijn vertrek heeft verlaten, +en hem op het binnenplein met open armen tegemoetkomt. Terstond ontbloot +de oude hertog het hoofd, valt even op zijn knieën, en loopt dan haastig +weer verder. De hertogin houdt den dauphin vast, dat deze geen stap zal +doen, de dauphin houdt vergeefs den hertog vast, om hem het knielen te +beletten, en tracht vruchteloos hem te doen opstaan. Beiden weenden van +aandoening, zegt Chastellain, en alle omstanders mede.</p> + +<p>Gedurende het gansche gastverblijf van dezen man, die spoedig als koning +de ergste vijand van zijn huis zou worden, put de hertog zich uit in +Chineesche nederigheid. Hij noemt zich en zijn zoon "de si meschans +gens", hij laat zijn zestigjarig hoofd nat regenen, hij biedt den +dauphin al zijn landen aan<a name='FNanchor_93_93'></a><a href='#Footnote_93_93'><sup>[93]</sup></a>.—"Celuy qui se humilie devant son plus +grand, celuy accroist et multiplie son honneur envers soy-mesme, et de +quoy la bonté mesme luy resplend et redonde en face". Met die woorden +besluit Chastellain het verhaal,<a name='64'></a> hoe de graaf van Charolais hardnekkig +weigerde, te zamen met koningin Margareta van Engeland en haar jongen +zoon het waschbekken vóór den maaltijd te gebruiken. De edelen spraken +er den ganschen dag van; het geval werd den ouden hertog voorgelegd, die +door twee edelen het voor en tegen van Karel's houding liet bepleiten. +Het feodaal eergevoel was nog zoo levend, dat men deze dingen blijkbaar +werkelijk nog belangrijk, schoon en verheffend heeft gevonden. Hoe +anders te begrijpen, dat de tegenstribbelingen, om den voorrang te +nemen, geregeld wel een kwartier lang worden voortgezet?<a name='FNanchor_94_94'></a><a href='#Footnote_94_94'><sup>[94]</sup></a> Hoe langer +men blijft weigeren, hoe meer gesticht de omstanders zijn. Iemand, wien +de handkus toekomt, verbergt zijn hand, om die eer te ontgaan. De +koningin van Spanje verbergt zoo haar hand voor den jongen aartshertog +Philips den Schoone; deze wacht eenigen tijd, maar als hij de kans +schoon ziet, grijpt hij de hand bij verrassing en kust haar. En ditmaal +lachte het ernstige Spaansche hof, want de koningin had er niet meer aan +gedacht<a name='FNanchor_95_95'></a><a href='#Footnote_95_95'><sup>[95]</sup></a>.</p> + +<p>Al de spontane teederheden van den omgang zijn zorgvuldig geformaliseerd. +Het is nauwkeurig voorgeschreven, welke hofdames hand aan hand hebben +te gaan. En dit niet alleen, maar ook of de een de andere tot die +gemeenzaamheid heeft aan te moedigen of niet. Deze aanmoediging, het +elkaar wenken of roepen (hucher) om mee te gaan, is voor de oude +hofdame,<a name='65'></a> die het Bourgondisch ceremonieel beschrijft, een technisch +begrip.<a name='FNanchor_96_96'></a><a href='#Footnote_96_96'><sup>[96]</sup></a> De vorm, dat men een vertrekkenden gast niet wil laten +gaan, wordt tot in de lastigste uitersten doorgevoerd. De gemalin van +Lodewijk XI is voor enkele dagen de gast van Philips van Bourgondië; de +koning heeft een bepaalden dag gesteld voor haar terugkomst, maar de +hertog weigert haar te laten gaan, ondanks de smeekbeden van haar gevolg +en hoewel zij zelve beeft voor den toorn van haar gemaal.<a name='FNanchor_97_97'></a><a href='#Footnote_97_97'><sup>[97]</sup></a>—Goethe +heeft gezegd: "es gibt kein äusseres Zeichen der Höflichkeit, das nicht +einen tiefen sittlichen Grund hätte";<a name='FNanchor_98_98'></a><a href='#Footnote_98_98'><sup>[98]</sup></a> "virtue gone to seed" heeft +Emerson de beleefdheid genoemd. Men kan misschien niet met volle recht +zeggen, dat die zedelijke grond in de 15<sup>e</sup> eeuw nog gevoeld werd, maar +zeker werd het de aesthetische waarde, die tusschen de oprechte +betuiging van genegenheid en den dorren omgangsvorm ligt.</p> + +<p>Het spreekt vanzelf, dat deze wijdloopige levensversiering vooral haar +plaats heeft aan de vorstenhoven, waar men er den tijd en de ruimte voor +kon nemen. Dat zij ook de lagere sferen der samenleving vervulden, +bewijst reeds het feit, dat thans van die vormen juist bij de kleine +burgerij (afgezien van de hoven zelf) nog het meest is overgebleven. Het +herhaald noodigen, om nog wat van een gerecht te nemen, het aanmoedigen +om nog wat te blijven, het weigeren om voor te gaan, is in de laatste +halve eeuw uit de hoogere burgerlijke omgangsvormen grootendeels +verdwenen. In de 15<sup>e</sup> eeuw zijn die vormen in den volsten bloei. Evenwel, +terwijl zij angstvallig in acht worden genomen, treft niettemin de +satire ze met levendigen spot.<a name='66'></a> Het is vooral de kerk, die het tooneel +van fraaie en langdurige plichtplegingen behoort te zijn. Eerst bij de +"offrande". Niemand wil het eerst zijn aalmoes op het altaar brengen.</p> + +<div class='poem'> "Passez.—Non feray.—Or avant! +<span>Certes si ferez, ma cousine.<br /></span> +<span>—Non feray.—Huchez (roept) no voisine,<br /></span> +<span>Qu'elle doit mieux devant offrir.<br /></span> +<span>—Vous ne le devriez souffrir,"<br /></span> +<span>Dist la voisine; "n'appartient<br /></span> +<span>A moy: offrez, qu'a vous ne tient<br /></span> +<span>Que li prestres ne se delivre."<a name='FNanchor_99_99'></a><a href='#Footnote_99_99'><sup>[99]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Wanneer eindelijk de aanzienlijkste is voorgegaan, onder de nederige +betuiging dit enkel te doen om er een eind aan te maken, volgt dezelfde +strijd opnieuw bij het kussen van het "paesberd", "la paix", dat is het +houten, zilveren of ivoren bordje, dat in de latere Middeleeuwen bij +de mis na het Agnus Dei in zwang was gekomen ter vervanging van den +vredeskus van mond tot mond.<a name='FNanchor_100_100'></a><a href='#Footnote_100_100'><sup>[100]</sup></a> Het was een vaste en langdurige +stoornis van den dienst geworden, dat de paes onder de aanzienlijken van +hand tot hand ging onder beleefde weigering, haar het eerst te kussen.</p> + +<div class='poem'> "Respondre doit la juene fame: +<span>—Prenez, je ne prendray pas, dame.<br /></span> +<span>—Si ferez, prenez, douce amie.<br /></span> +<span>—Certes, je ne le prandray mie;<br /></span> +<span>L'en me tendroit pour une sote.<br /></span> +<span>—Baillez, damoiselle Marote.<br /></span> +<span>—Non feray, Jhesucrist m'en gart!<br /></span> +<span>Portez a ma dame Ermagart.<br /></span> +<span>— Dame, prenez.—Saincte Marie,<br /></span> +<span>Portez la paix a la baillie<a name='FNanchor_101_101'></a><a href='#Footnote_101_101'><sup>[101]</sup></a><br /></span> +<span>— Non, mais a la gouverneresse".<a name='FNanchor_102_102'></a><a href='#Footnote_102_102'><sup>[102]</sup></a><br /></span> +</div> +<a name='67'></a> +<p>Deze neemt haar eindelijk.—Zelfs een heilig en van de wereld +afgestorven man als François de Paule acht het zijn plicht, aan deze +fraaiigheden mee te doen,<a name='FNanchor_103_103'></a><a href='#Footnote_103_103'><sup>[103]</sup></a> en het wordt hem door zijn vrome +vereerders als echte nederigheid aangerekend, waaruit blijkt, dat de +ethische inhoud uit deze vormen nog niet geheel en al geweken was. De +beteekenis van die vormen wordt overigens eerst recht duidelijk door het +feit, dat zij de keerzijde waren van heftige en hardnekkige twisten om +dienzelfden voorrang in de kerk, dien men elkander zoo hoffelijk wilde +opdringen.<a name='FNanchor_104_104'></a><a href='#Footnote_104_104'><sup>[104]</sup></a> Het was een schoone en loffelijke verzaking van nog +levendig gevoelden adellijken of burgerlijken hoogmoed.</p> + +<p>De gansche kerkgang werd zoodoende als een menuet, want bij het uitgaan +herhaalde zich de strijd; dan kwam de wedijver om den meerdere rechts te +laten, het voorgaan over een vonder of door een steeg. Bij huis gekomen +moet men, gelijk nog de Spaansche zede het eischt,<a name='68'></a> het geheele +gezelschap uitnoodigen, mee binnen te gaan om te drinken, waarvan de +anderen zich beleefd hebben te verontschuldigen; dan moet men de anderen +een eindweegs wegbrengen, alles onder beleefde tegenstribbeling.<a name='FNanchor_105_105'></a><a href='#Footnote_105_105'><sup>[105]</sup></a></p> + +<p>Al die schoone vormen krijgen iets roerends, wanneer men bedenkt, dat +zij opbloeien uit den ernstigen strijd van een woest en hartstochtelijk +geslacht tegen zijn eigen hoogmoed en toorn. Dikwijls faalt de +vormelijke verzaking van den trots. Telkens breekt de felle ruwheid door +de versierde vormen heen. Jan van Beieren is te gast in Parijs; de +groote heeren geven feesten, waarop de elect van Luik hun bij het spel +al hun geld afwint. Een der prinsen houdt het niet langer uit en roept: +"Wat duivel van een priester is dat hier? Hoe? zal hij ons al ons geld +afwinnen?" Waarop Jan: "Ik ben geen priester en ik heb uw geld niet van +noode". "En hij nam het en smeet het overal in 't rond. Dont y pluseurs +orent grant mervelle de sa grant liberaliteit".<a name='FNanchor_106_106'></a><a href='#Footnote_106_106'><sup>[106]</sup></a>—Hue de Lannoy +slaat een ander met een ijzeren handschoen, terwijl hij voor den hertog +geknield ligt om hem aan te klagen; de kardinaal van Bar heet voor het +aangezicht des konings een prediker liegen en noemt hem gemeene hond. +<a name='FNanchor_107_107'></a><a href='#Footnote_107_107'><sup>[107]</sup></a></p> + +<p>Het formeele eergevoel is zoo sterk, dat een vergrijp tegen de etikette, +zooals nu nog bij vele Oostersche volken, wondt als een doodelijke +beleediging, want het gooit omver die schoone illusie van een eigen hoog +en zuiver leven, die voor elke onverhulde werkelijkheid bezwijkt.<a name='69'></a> Het is +voor Jan zonder Vrees een onuitwischbare smaad, dat hij Capeluche, den +beul van Parijs, die hem in staatsie tegemoet reed, als een edelman +heeft begroet en zijn hand heeft aangeraakt; slechts de dood van den +beul kan dien smaad boeten.<a name='FNanchor_108_108'></a><a href='#Footnote_108_108'><sup>[108]</sup></a> Bij den staatsiemaaltijd op den +wijdingsdag van Karel VI in 1380 dringt Philips van Bourgondië zich met +geweld tusschen den koning en den hertog van Anjou op de plaats, die hem +als doyen des pairs toekomt; hun wederzijdsch gevolg dringt reeds met +roepen en dreigen op, om den twist gewelddadig te beslechten, toen de +koning hem sust, door toe te geven aan 's Bourgondiërs eisch.<a name='FNanchor_109_109'></a><a href='#Footnote_109_109'><sup>[109]</sup></a> Ook +in den ernst van het kampleven wordt geen veronachtzaming van de vormen +geduld: de koning van Engeland neemt het hoog op, dat L'Isle Adam voor +hem verschijnt in een gewaad van "blanc gris" en hem in het gelaat ziet. +<a name='FNanchor_110_110'></a><a href='#Footnote_110_110'><sup>[110]</sup></a> Een Engelsch aanvoerder zendt den parlementair uit het belegerde +Sens eerst heen, om zich te laten scheren.<a name='FNanchor_111_111'></a><a href='#Footnote_111_111'><sup>[111]</sup></a></p> + +<p>De prachtige orde aan het hof van Bourgondië, die de tijdgenooten +prijzen,<a name='FNanchor_112_112'></a><a href='#Footnote_112_112'><sup>[112]</sup></a> krijgt eerst haar ware beteekenis naast de verwarring, +die aan het zooveel oudere Fransche hof placht te heerschen. Deschamps +beklaagt zich in tal van balladen over de ellende van het hofleven, en +zijn<a name='70'></a> klachten zijn iets meer dan de geijkte misprijzingen van het +hovelingsbestaan, waarover later. Slechte kost en slecht logies, altijd +gedruisch en verwarring, vloeken en twisten, nijd en hoon, het is een +poel van zonden, een poort der hel.<a name='FNanchor_113_113'></a><a href='#Footnote_113_113'><sup>[113]</sup></a> Ondanks de heilige vereering +voor het koningschap en den trotschen opzet van grootsche ceremoniën +gaat zelfs bij de plechtigste gelegenheden het decorum meer dan eens +jammerlijk te loor. Bij de begrafenis van Karel VI te Saint Denis in +1422 ontstaat groote twist tusschen de monniken der abdij en het gilde +der zoutmeters (henouars) van Parijs, om het staatsiekleed en andere +bekleedingen, die het koninklijke lijk dekken; elk der partijen beweert +er recht op te hebben; zij trekken er om, en raken bijna handgemeen, +maar de hertog van Bedford geeft het geschil in handen van het gerecht, +"et fut le corps enterré".<a name='FNanchor_114_114'></a><a href='#Footnote_114_114'><sup>[114]</sup></a> Hetzelfde geval herhaalt zich in 1461 +bij de begrafenis van Karel VII. Op weg naar Saint Denis bij het Croix +aux Fiens gekomen, weigeren de henouars, na een woordenwisseling met de +monniken der abdij, het koninklijk lichaam verder te dragen, als men hun +niet tien pond parijsch betaalt, waarop zij recht beweren te hebben. Zij +laten de baar midden op den weg staan, en de stoet blijft geruimen tijd +steken. Reeds willen de burgers van Saint Denis zich met de taak +belasten, toen de grand écuyer uit eigen zak den henouars betaling +belooft, waarop de tocht kan worden voortgezet, om eerst tegen acht uur +'s avonds in de kerk aan te komen.<a name='71'></a> Terstond na de teraardebestelling +volgt nog een nieuwe twist tusschen den koninklijken grand écuyer zelf +en de monniken over het staatsiekleed.<a name='FNanchor_115_115'></a><a href='#Footnote_115_115'><sup>[115]</sup></a> Dergelijke tumulten om het +bezit van de utensiliën eener plechtigheid behoorden er zelfs +eenigermate bij; de verstoring van den vorm was zelf vorm geworden. +<a name='FNanchor_116_116'></a><a href='#Footnote_116_116'><sup>[116]</sup></a></p> + +<p>De algemeene openbaarheid, die, immers ook nog in de zeventiende eeuw, +bij alle belangrijke gebeurtenissen in het koninklijk leven +voorgeschreven was, maakte, dat juist bij de grootste plechtigheden +dikwijls elke orde ontbrak. Bij het kroningsmaal van 1380 is het gedrang +van toeschouwers, deelnemers en dienenden zoo groot, dat de daartoe +aangewezen dienaren der kroon, de connétable en de maarschalk de +Sancerre, te paard de gerechten opdienen.<a name='FNanchor_117_117'></a><a href='#Footnote_117_117'><sup>[117]</sup></a> Wanneer Hendrik VI van +Engeland in 1431 te Parijs als koning van Frankrijk is gekroond, dringt +het volk reeds in den vroegen morgen de groote zaal van het paleis +binnen, waar het kroningsmaal gehouden zal worden, om er te kijken, +te grissen en te schransen. De heeren van het Parlement, van de +Universiteit, de prévôt des marchands en de schepenen kunnen nauwelijks +door het gedrang de eetzaal bereiken, en eenmaal daar, vinden zij de +voor hen bestemde tafels ingenomen door allerlei handwerkslieden. Men +tracht dezen te verwijderen, "mais quant on en faisoit lever ung ou +deux, il s'en asseoit VI ou VIII d'autre costé".<a name='FNanchor_118_118'></a><a href='#Footnote_118_118'><sup>[118]</sup></a>—Bij de +koningswijding van <a name='72'></a>Lodewijk XI in 1461 heeft men de voorzorg genomen, +de ingangen van de kathedraal van Reims tijdig te sluiten en te bewaken, +zoodat er niet meer menschen in de kerk zijn, dan het koor gemakkelijk +kon bevatten. Dezen evenwel dringen zoodanig op rondom het hoogaltaar, +waar de zalving plaats heeft, dat de prelaten zelf, die den +aartsbisschop ter zijde stonden, nauwelijks plaats hadden om zich te +bewegen, en de prinsen van den bloede op hun eerezetels geducht in +verdrukking komen.<a name='FNanchor_119_119'></a><a href='#Footnote_119_119'><sup>[119]</sup></a></p> + +<p>De kerk van Parijs verdroeg het noode, dat zij nog altijd (tot 1622) +suffragaan was van het aartsbisdom Sens. Men laat het den metropoliet op +alle wijzen merken, dat men van zijn gezag niet gediend is, en beroept +zich op de exemptie door den paus. Op 2 Februari 1492 heeft de +aartsbisschop van Sens in de Notre Dame te Parijs de mis gecelebreerd +in tegenwoordigheid van den koning. Terwijl de koning de kerk nog niet +heeft verlaten, trekt de aartsbisschop, het volk zegenend, zich terug, +voorafgegaan door het priesterkruis. Twee der kanunniken dringen met een +groote schaar van kerkedienaren op, slaan de hand aan het kruis en +beschadigen het, verrekken 's dragers hand, en maken een tumult, waarbij +den dienaren van den aartsbisschop de haren uit het hoofd getrokken +worden. Toen de aartsbisschop den twist tracht te bedaren, "sans lui mot +dire, vinrent près de lui; Lhuillier (deken van het kapittel) lui baille +du coude dans l'estomac, les autres rompirent le chapeau pontifical et +les cordons d'icelluy." De andere kanunnik vervolgt den aartsbisschop +"disant plusieurs injures en luy mectant le doigt au visage, et prenant +son bras tant que dessira son rochet; et n'eust esté que n'eust mis sa +main au devant, l'eust frappe au visage." Het werd een proces van 13 +jaar.<a name='FNanchor_120_120'></a><a href='#Footnote_120_120'><sup>[120]</sup></a></p> +<a name='73'></a> +<p>De hartstochtelijke en gewelddadige geest, hard en tevens tranenrijk, +altijd wankelend tusschen de zwarte vertwijfeling aan de wereld en het +zwelgen in haar bonte schoonheid, kon niet buiten de strengste vormen +van het leven. Het was noodig, dat de aandoeningen waren gevat in een +vast raam van geijkte vormen; zoodoende kreeg het samenleven althans +in den regel orde. Zoo werden de levensgebeurtenissen van zichzelf +en anderen tot een schoon schouwspel voor den geest; men genoot de +pathetische uitmonstering van leed en geluk onder kunstlicht. Voor een +zuivere gemoedsuitdrukking ontbreken nog de middelen; het gemoed kan +slechts in aesthetische uitbeelding dien hoogen graad van +uitdrukkelijkheid bereiken, waar de tijd naar schreeuwt.</p> + +<p>Het is natuurlijk niet zoo gemeend, dat deze levensvormen, vooral die +rondom de groote oude heiligheden van geboorte, huwelijk en sterven, met +zulk een bedoeling zouden zijn ingesteld. Gebruiken en staatsie zijn +gegroeid uit primitief geloof en cultus. Maar de oorspronkelijke zin van +dat alles, die er het aanzijn aan gaf, is reeds lang onbewust geworden, +en in plaats daarvan hebben die vormen zich gevuld met nieuwe +aesthetische waarde.</p> + +<p>De rouw is het, waar de aankleeding van de aandoening in een +suggestieven vorm de hoogste ontwikkeling vond. Daar was een onbeperkt +gegeven voor die prachtige hyperboliseering van de smart, die het +wederpart is van de<a name='74'></a> hyperboliseering der vreugde in de ontzaglijke +hoffeesten. Hier volge geen uitvoerige beschrijving van al den somberen +praal van zwarte gewaden, al de staatsie van lijkdiensten, die het +afsterven van iederen vorst begeleidden. Zij zijn niet in het bijzonder +aan de latere Middeleeuwen eigen; de monarchieën bewaren ze tot den +huidigen dag, en ook de burgerlijke lijkkoets is er nog de aflegger van. +De suggestie van al het zwart, waarin bij een vorstelijk sterfgeval niet +enkel de hofhouding, maar ook magistraten, gilden en volk gedost ging, +moet bij de bonte kleurigheid van het middeleeuwsche stadsleven nog veel +grooter zijn geweest door de tegenstelling. De rouwpraal over den +vermoorden Jan zonder Vrees is met den kennelijksten toeleg op een sterk +(en ten deele politiek) effekt opgezet. Het krijgsgevolg, waarmee +Philips optrekt, om de koningen van Frankrijk en Engeland te ontmoeten, +prijkt met twee duizend zwarte vaantjes, met zwarte standaarden en +vaandels van zeven ellen, de franje van zwarte zijde, alles bestikt of +beschilderd met gouden wapens. De staatsiezetels, de reiswagen van den +hertog zijn voor die gelegenheid zwart geschilderd.<a name='FNanchor_121_121'></a><a href='#Footnote_121_121'><sup>[121]</sup></a> Bij de +plechtige samenkomst te Troyes begeleidt Philips de koninginnen van +Frankrijk en Engeland in een fluweelen rouwkleed, dat over den rug van +zijn paard afhangt tot op den grond.<a name='FNanchor_122_122'></a><a href='#Footnote_122_122'><sup>[122]</sup></a> Nog geruimen tijd daarna +verschijnt niet alleen hij, maar ook zijn gevolg in 't zwart.<a name='FNanchor_123_123'></a><a href='#Footnote_123_123'><sup>[123]</sup></a></p> + +<p>Soms verhoogde een afwijking van al het zwart den indruk nog; terwijl +het geheele hof, ook de koningin, zwart draagt,<a name='75'></a> rouwt de koning van +Frankrijk in het rood.<a name='FNanchor_124_124'></a><a href='#Footnote_124_124'><sup>[124]</sup></a> En in 1393 zagen de Parijzenaars met +verbazing de geheel en al witte lijkstaatsie van den in ballingschap +gestorven koning van Armenië, Léon de Lusignan.<a name='FNanchor_125_125'></a><a href='#Footnote_125_125'><sup>[125]</sup></a></p> + +<p>Zonder twijfel omhulde dat zwart dikwijls een hevigheid van echte, +hartstochtelijke smart. De groote afschuw van den dood, het sterke +verwantschapsgevoel, de innige aanhankelijkheid aan den heer, maakten +een vorstelijk sterfgeval tot een waarlijk schokkende gebeurtenis. En +als het, zooals in 1419 de moord op den hertog van Bourgondië deed, +daarbij nog de eer van een trotsch geslacht scheurde en de wraak opriep +als een heiligen plicht, dan kon de hyperbolische uiting van smart wel +evenredig zijn in staatsie en in gemoed. Chastellain heeft in de +aesthetiek van deze doodstijding zich wijdloopig verlustigd; hij verzint +in den zwaren, slependen stijl van zijn deftige rhetoriek de lange rede, +waarmee de bisschop van Doornik te Gent den jongen hertog langzaam op +het vreeselijke bericht voorbereidt, de statige jammerklachten van +Philips zelf, en van zijn gemalin Michelle de France. Maar de kern van +zijn verhaal: hoe de tijding bij den jongen hertog een zenuwtoeval +teweegbrengt, hoe ook zijn gemalin in onmacht valt, de wilde verwarring +van het hof, de luide rouwkreten van de stad, kortom de woeste +uitbundigheid van smart, waarmee het bericht ontvangen werd, vallen niet +te betwijfelen.<a name='FNanchor_126_126'></a><a href='#Footnote_126_126'><sup>[126]</sup></a> Ook Chastellain's verhaal van het smartbetoon van +Karel den Stoute bij het sterven van Philips in 1467 draagt de kenmerken +van waarheid.<a name='76'></a> Hier was de schok veel minder hevig; de oude hertog, +vrijwel kindsch, was reeds lang achteruitgaande; de verstandhouding +tusschen hem en zijn zoon was in de laatste jaren ver van hartelijk +geweest, zoodat Chastellain zelf opmerkt, dat het verbazing wekte, toen +men Karel bij het sterfbed zag weenen, krijten, handenwringen en +nedervallen, "et ne tenoit régle, ne mesure, et tellement qu'il fit +chacun s'esmerveiller de sa démesurée douleur". Ook in de stad Brugge, +waar de hertog stierf, "estoit pitié de oyr toutes manières de gens +crier et plorer et faire leurs diverses lamentations et regrets".<a name='FNanchor_127_127'></a><a href='#Footnote_127_127'><sup>[127]</sup></a></p> + +<p>Het is moeilijk uit te maken, hoever in deze en dergelijke berichten de +hofstijl gaat, die een luidruchtig leedbetoon gepast en fraai vindt, en +hoever de werkelijke hevige aandoenlijkheid, die den tijd eigen was. +Er loopt zeker een sterk element van primitieven vorm onder: het luide +weenen over den doode, dat geformaliseerd was in klaagvrouwen, en +artistiek uitgedrukt in de "plourants", die juist in dezen tijd aan de +grafsculptuur zulk een sterke bewogenheid verleenen, is een overoud +beschavingselement.</p> + +<p>Die vereeniging van primitivisme, hevige aandoenlijkheid en fraaien +vorm valt ook te zien in de groote vrees voor het meedeelen van een +doodsbericht. Men houdt voor de gravin van Charolais, wanneer zij +zwanger gaat van Maria van Bourgondië, den dood van haar vader langen +tijd geheim; men durft Philips den Goede, die ziek ligt, geen enkel +sterfgeval, dat hem eenigszins raakt, meedeelen, zoodat Adolf van Cleef +geen rouw mag dragen over zijn echtgenoote.<a name='77'></a> Toen de hertog toch van +den dood van zijn kanselier Nicolaas Rolin de lucht gekregen had +(Chastellain gebruikt zelf die uitdrukking: "avoit esté en vent un peu +de ceste mort"), vraagt hij den bisschop van Doornik, die hem aan zijn +ziekbed komt bezoeken, of het waar is, dat de kanselier gestorven +is.—Monseigneur,—zegt de bisschop—: naar waarheid dood is hij wel, +want hij is oud en gebroken, en kan niet lang meer leven.—Déa!—zegt +de hertog,—dat vraag ik niet, ik vraag of hij is "mort de mort et +trespassé".—Ha! monseigneur,—zegt de bisschop weer—, hij is niet +gestorven, maar aan één kant verlamd, dus hij is zoo goed als dood.—De +hertog wordt boos:—Vechy merveilles! zeg mij nu duidelijk, of hij dood +is. Toen eerst zegt de bisschop: Ja, waarlijk, monseigneur, hij is +werkelijk gestorven".<a name='FNanchor_128_128'></a><a href='#Footnote_128_128'><sup>[128]</sup></a> Is er niet in deze zonderlinge wijze van een +doodsbericht mee te deelen meer van een ouden, bijgeloovigen vorm dan +van een ontzien van een zieke, dien dit aarzelen slechts kon prikkelen? +Het hoort in de sfeer der gedachte, die Lodewijk XI bewoog, om zich +nooit weer te bedienen van de kleeren, die hij droeg, of het paard, dat +hij bereed, toen hem eenig slecht bericht bereikte, en zelfs om een heel +stuk van het bosch van Loches te doen omhakken, waar hem de dood van +zijn pasgeboren zoontje werd bericht.<a name='FNanchor_129_129'></a><a href='#Footnote_129_129'><sup>[129]</sup></a> "M. le chancellier—schrijft +hij 25 Mei 1483—je vous mercye des lettres etc. mais je vous pry que ne +m'en envoyés plus par celluy qui les m'a aportées, car je luy ay trouvé +le visage terriblement changé depuis que je ne le vitz, et vous prometz +par ma foy qu'il m'a fait grant peur; et adieu".<a name='FNanchor_130_130'></a><a href='#Footnote_130_130'><sup>[130]</sup></a></p> +<a name='78'></a> +<p>Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag +schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij vorm geven aan het +leed, het als iets schoons en verhevens ontplooien. Zij rythmiseeren de +smart. Zij brengen het werkelijke leven over in de sfeer van het drama, +en doen het cothurnen aan. In primitiever beschaving, ik denk bij +voorbeeld aan de Iersche, zijn rouwgebruiken en dichterlijke lijkklacht +nog één geheel; ook den hofrouw van den Bourgondischen tijd kan men +slechts verstaan, door hem verwant te zien aan de elegie. De rouwpraal +vertoont in schoonen vorm de machteloosheid van smart. Hoe hooger de +rang, hoe heroïscher het smartbetoon moet prijken. De koningin van +Frankrijk moet een vol jaar in de kamer blijven, waar men haar den dood +haars gemaals heeft aangezegd. Voor prinsessen geldt zes weken. Wanneer +men Madame de Charolais, Isabelle de Bourbon, den dood van haar vader +heeft medegedeeld, woont zij eerst nog den lijkdienst bij te Couwenberg, +en blijft daarna zes weken in haar kamer, altijd te bed liggende, door +kussens gesteund, maar gekleed met barbette, kap en mantel. De kamer is +geheel met zwart behangen, op den grond ligt in de plaats van een zacht +tapijt een groot zwart laken, en een groot voorvertrek is eveneens met +zwart behangen. Edelvrouwen blijven alleen voor haar man zes weken te +bed, voor vader of moeder slechts negen dagen, terwijl zij de rest der +zes weken gezeten zijn voor het bed op het groote zwarte kleed. Voor +den oudsten broeder houdt men zes weken de kamer doch niet het bed. +<a name='FNanchor_131_131'></a><a href='#Footnote_131_131'><sup>[131]</sup></a>—Men begrijpt, +<a name='79'></a> hoe in een tijd, die zulk een hoog ceremonieel in +eere hield, als een der ergste omstandigheden bij den moord van 1419 +telkens weer herinnerd wordt, dat Jan zonder Vrees zoo maar in buis, +hozen en schoenen begraven was.<a name='FNanchor_132_132'></a><a href='#Footnote_132_132'><sup>[132]</sup></a></p> + +<p>De aandoening, in die fraaie vormen getooid en verwerkt, gaat er licht +in te loor; de zucht naar de dramatiseering van het leven laat een +achter-de-schermen over, waarin het edel opgemaakte pathos verloochend +wordt. Er is een naïeve scheiding tusschen "staat" en werkelijk leven, +welke in het geschrift van de oude hofdame, Alienor de Poitiers, die al +dien "staat" toch als hooge mysteriën vereert, kenmerkend aan den dag +komt. Op de beschrijving van Isabella van Bourbon's prachtigen rouw laat +zij volgen: "Quand Madame estoit en son particulier, elle n'estoit point +toujours couchée, ni en une chambre". De prinses ontvangt in dien staat, +doch enkel als schoone vorm. Zoo zegt Alienor ook: voor een echtgenoot +behoort men twee jaar het rouwkleed te dragen, "indien men althans niet +hertrouwt". Juist de hoogste standen, de vorsten met name, hertrouwden +dikwijls zeer spoedig; de hertog van Bedford, regent van Frankrijk voor +den jongen Hendrik VI, reeds na vijf maanden.</p> + +<p>Naast den rouw biedt de kraamkamer een ruim veld voor strenge staatsie +en hiërarchisch verschil van uitmonstering. Er gelden vaste kleuren. Het +groen, dat nog in de 19<sup>e</sup> eeuw de geijkte kleur was van het burgerlijk +ledikant en de vuurmand, was in de 15<sup>e</sup> het prerogatief van koningin en +prinsessen.<a name='80'></a> De kraamkamer van de koningin van Frankrijk is van groene +zijde; vroeger was zij geheel in wit. Zelfs gravinnen mogen niet "la +chambre verde" hebben. Stof, bont en kleur van dekens en spreien is +voorgeschreven. Op het dressoir branden voortdurend twee groote lichten +in zilveren kandelaars, want de blinden van de kraamkamer worden eerst +na veertien dagen geopend! Het opmerkelijkste evenwel zijn de +staatsieledikanten, ledig evenals de koetsen bij de begrafenis van den +koning van Spanje. De jonge moeder ligt op een couchette voor het vuur, +en het kind, Maria van Bourgondië, in een wieg in de kinderkamer, maar +bovendien staan er in de kraamkamer twee groote bedden in een kunstig +samenstel van groene gordijnen, opgemaakt en opgeslagen, als om erin te +gaan slapen, en in de kinderkamer opnieuw twee groote bedden, alles met +groen en violet, en nogmaals één groot bed in een voorvertrek of +"chambre de parement", geheel getapisseerd in karmozijn satijn. Zij was +vroeger door die van Utrecht aan Jan zonder Vrees vereerd, en heette +"la chambre d'Utrecht". Bij de doopplechtigheid dienen die bedden tot +ceremonieus gebruik.<a name='FNanchor_133_133'></a><a href='#Footnote_133_133'><sup>[133]</sup></a></p> + +<p>Die aesthetiek der levensvormen deed zich gelden in het dagelijksch +aspect van stad en land: de strenge hiërarchie van stoffen, kleuren +en pelzen gaf aan de verschillende standen een uiterlijke omlijsting, +die het waardigheidsgevoel verhief en behoedde. De aesthetiek der +gemoedsbewegingen beperkte zich niet tot de plechtige vreugden en +smarten bij geboorte, huwelijk en sterven,<a name='81'></a> waar de parade door de +noodzakelijke ceremoniën geboden was. Elk ethisch gebeuren wordt gaarne +gezien in een fraai opgemaakten vorm. Er is zulk een element in de +bewondering voor de nederigheid en de zelfkastijding van den heilige, +voor het berouw van den zondaar, zooals de "moult belle contrition de +ses péchés" van Agnes Sorel.<a name='FNanchor_134_134'></a><a href='#Footnote_134_134'><sup>[134]</sup></a> Elke levensverhouding wordt in stijl +gebracht; in de plaats van de moderne zucht tot verbergen en effaceeren +van intieme betrekkingen en sterke aandoeningen geldt het streven, om ze +tot een vorm en een schouwspel ook voor anderen te maken. Zoo heeft ook +de vriendschap in het leven der 15<sup>e</sup> eeuw haar schoon uitgewerkten vorm. +Naast de oude bloedbroederschap en wapenbroederschap, die in de kringen +zoowel van het volk als van den adel in eere was,<a name='FNanchor_135_135'></a><a href='#Footnote_135_135'><sup>[135]</sup></a> kent men een +vorm van sentimenteele vriendschap, die uitgedrukt wordt door het woord +mignon. De vorstelijke mignon is een geformaliseerd instituut, dat zich +gedurende de geheele 16<sup>e</sup> en een deel der 17<sup>e</sup> eeuw handhaaft. Het is de +verhouding van Jacobus I van Engeland tot Robert Carr en George +Villiers; ook Willem van Oranje bij den afstand van Karel V moet onder +dit aspect gezien worden. <i>Twelfth Night</i> is slechts te begrijpen, als +men bij de verhouding van den hertog tot den gewaanden Cesario dezen +geijkten vorm van sentimenteele vriendschap voor oogen heeft. De +verhouding wordt gezien als een parallel tot de hoofsche liefde: "Sy +n'as dame ne mignon", zegt Chastellain.<a name='FNanchor_136_136'></a><a href='#Footnote_136_136'><sup>[136]</sup></a> +<a name='82'></a> Doch elke toespeling, die +haar op één lijn met de Grieksche vriendschap zou brengen, ontbreekt ten +eenenmale. De openlijkheid, waarmee het mignonschap behandeld wordt in +een tijd, die het crimen nefandum zoo verfoeide, moet elken argwaan doen +zwijgen. Bernardino van Siena stelt aan zijn Italiaansche landgenooten, +onder wie de sodomie zeer verbreid was, Frankrijk en Duitschland, waar +men haar niet kent, ten voorbeeld.<a name='FNanchor_137_137'></a><a href='#Footnote_137_137'><sup>[137]</sup></a> Commines vertelt zelf, hoe hij +de eer genoot, door Lodewijk XI onderscheiden te worden met 's konings +behagen, dat hij gelijk gekleed ging als deze.<a name='FNanchor_138_138'></a><a href='#Footnote_138_138'><sup>[138]</sup></a> Want dit is het +vaste teeken van de verhouding. De koning heeft steeds een mignon en +titre, in dezelfde kleederen gedost als hij, op wien hij steunt bij +ontvangsten.<a name='FNanchor_139_139'></a><a href='#Footnote_139_139'><sup>[139]</sup></a> Dikwijls zijn het ook twee vrienden van gelijken +leeftijd, doch verschillenden rang, die zich gelijk kleeden, in één +kamer, soms ook in één bed slapen.<a name='FNanchor_140_140'></a><a href='#Footnote_140_140'><sup>[140]</sup></a> Zulk een onafscheidelijke +vriendschap bestaat er tusschen den jongen Gaston de Foix en zijn +bastaardbroeder, waar zij een tragisch einde neemt, tusschen Lodewijk +van Orleans (toen nog van Touraine) en Pierre de Craon,<a name='FNanchor_141_141'></a><a href='#Footnote_141_141'><sup>[141]</sup></a> tusschen +den jongen hertog van Cleef en Jacques de Lalaing.<a name='83'></a> Op dezelfde wijze +hebben vorstinnen een vertrouwde vriendin, die zich gelijk kleedt,<a name='FNanchor_142_142'></a><a href='#Footnote_142_142'><sup>[142]</sup></a> +en mignonne genoemdt wordt.</p> + +<p>Al deze schoon gestyleerde levensvormen, die de ruwe werkelijkheid +moesten verheffen in een sfeer van edele harmonie, waren deelen van de +groote levenskunst, zonder onmiddellijken neerslag te geven in de kunst +in engeren zin. De omgangsvormen met hun vriendelijken schijn van +ongedwongen altruïsme en heusche erkenning van anderen, de hofpraal en +hofetikette met hun hieratische statigheid en ernst, de blijde tooi van +bruiloft en kraamkamer, hun schoonheid is voorbijgegaan zonder directe +sporen na te laten in kunst en litteratuur. Het uitdrukkingsmiddel, dat +hen verbindt, is niet de kunst, maar de mode. Nu staat de mode in het +algemeen veel nader tot de kunst, dan de academische aesthetica wil +toegeven. Als kunstmatige accentueering van de lichaamsschoonheid en de +lichaamsbeweging is zij met een der kunsten, die van den dans, innig +verbonden. Maar ook daarbuiten grenst in de 15<sup>e</sup> eeuw het domein der +mode, of wil men liever der kleederdracht, veel nader aan dat der kunst +dan wij geneigd zijn ons voor te stellen. Niet enkel doordat het +veelvuldig gebruik van juweelen en de metaalbewerking van het +krijgsgewaad in het costuum een direct element van kunsthandwerk brengt. +De mode deelt met de kunst zelve essentieele eigenschappen: stijl en +rythme zijn haar even onmisbaar als voor de kunst. De late Middeleeuwen +hebben voortdurend in de kleederdracht een mate van levensstijl +uitgedrukt,<a name='84'></a> waarvan tegenwoordig zelfs een kroningsplechtigheid slechts +meer een flauwe afschaduwing kan geven. In het leven van iederen dag +vertoonden de verschillen van pelzen en kleuren, kappen en huiven de +strenge ordonnantie der standen, de pronkende waardigheden, den staat +van blijdschap of smart, de teedere betrekking van vrienden en +verliefden.</p> + +<p>Van alle levensverhoudingen was de aesthetiek zoo uitdrukkelijk mogelijk +uitgewerkt. Hoe hooger het schoonheids- en zedelijkheidsgehalte van zulk +een verhouding was, hoe meer de uitdrukking ervan tot zuivere kunst kon +worden. Beleefdheid, etikette vinden hun schoone uiting enkel in het +leven zelf, in kleed en praal. De rouw echter heeft haar sterke +uitdrukking bovendien in een duurzamen en machtigen kunstvorm: het +grafmonument; de cultuurwaarde van den rouw was verheven door zijn +verband met den godsdienst. Maar nog rijker was de aesthetische bloei +van deze drie levenselementen: dapperheid, eer en liefde.</p> + + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='III'></a>III</h2> + +<h3>DE HELDENDROOM</h3> +<br /> +<a name='85'></a> +<p>Toen men tegen het einde der achttiende eeuw begon middeleeuwsche +cultuurvormen als eigen nieuwe levenswaarden op te nemen, met andere +woorden bij den aanvang der romantiek, heeft men in de Middeleeuwen +allereerst het ridderwezen ontwaard. De romantiek was geneigd +Middeleeuwen en riddertijd kortweg te vereenzelvigen. Zij zag overal +slechts wuivende vederbossen. En hoe paradoxaal het thans klinkt, zij +had in zeker opzicht gelijk. Een grondiger studie heeft ons geleerd, +dat het ridderwezen slechts een onderdeel is van de cultuur van dat +tijdperk, dat de staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling +grootendeels buiten dien vorm om gaat. Het tijdperk van echte +feodaliteit en bloeiend ridderwezen loopt reeds in de dertiende eeuw +ten einde; wat daarna komt is de stedelijk-vorstelijke periode der +Middeleeuwen, waarin de beheerschende factoren van staat en maatschappij +de handelsmacht der burgerijen en de daarop berustende geldmacht der +vorsten zijn. Wij lateren hebben ons gewend, en terecht, om veel meer +naar Gent en Augsburg te zien, veel meer naar het opkomende kapitalisme +en de nieuwe staatsvormen dan naar den adel, die immers, hier meer daar +minder, overal reeds "gefnuikt" was. De geschiedvorsching zelf heeft +zich sedert de dagen der romantiek gedemocratiseerd. Het moet evenwel +hem, die gewoon is, de latere Middeleeuwen te zien in hun staatkundig- +economisch aspect, zooals wij dat begrijpen, telkens opvallen, dat de +bronnen zelf, met name de verhalende bronnen,<a name='86'></a> aan den adel en zijn +bedrijf een zooveel ruimer plaats geven, dan bij onze voorstelling past. +Dit geldt zelfs niet enkel van de late Middeleeuwen, maar ook nog van de +zeventiende eeuw.</p> + +<p>De reden daarvan is, dat de adellijke levensvorm zijn heerschappij over +de samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke +structuur zijn overheerschende beteekenis verloren had. In den geest der +vijftiende eeuw neemt de adel als maatschappelijk element nog onbetwist +de eerste plaats in; zijn beteekenis wordt door den tijdgenoot veel te +hoog, die van de burgerij veel te laag geschat. Zij zelf zien niet, dat +de werkelijke beweegkrachten der maatschappelijke ontwikkeling elders +lagen dan in het leven en bedrijf van een oorlogvoerenden adel. Dus, zal +men zeggen: de fout zit bij de tijdgenooten zelf en bij de romantiek, +die hun voorstelling zonder kritiek volgde, terwijl de moderne +geschiedvorsching de ware verhoudingen van het laat-middeleeuwsche leven +aan het licht heeft gebracht. Van het staatkundige en economische leven, +ja. Maar voor het kennen van het cultuurleven behoudt de waan zelf, +waarin de tijdgenooten leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was +de adellijke levensvorm niet anders dan een vernis over het leven +geweest, dan nog zou het noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat +leven mèt den glans van dat vernis wist te zien.</p> + +<p>Het is overigens veel meer geweest dan een vernis. Het begrip van de +geleding der maatschappij in standen doordringt in de Middeleeuwen alle +theologische en politische beschouwingen tot in haar vezelen. Het +bepaalt zich volstrekt niet tot de geijkte drie: geestelijkheid, adel en +derde stand.<a name='87'></a> Het begrip stand heeft niet alleen een veel sterker waarde +maar ook een veel verder strekking. In het algemeen wordt iedere +groepeering, iedere functie, ieder beroep gezien als een stand, zoodat +naast de indeeling der maatschappij in drie standen een in twaalf kan +voorkomen.<a name='FNanchor_143_143'></a><a href='#Footnote_143_143'><sup>[143]</sup></a> Want stand is staat, "estat", of "ordo"; er ligt de +gedachte in van een door God gewilde wezenlijkheid. De woorden "estat" +en "ordre" dekken in de Middeleeuwen een groot aantal van menschelijke +groepeeringen, die voor ons begrip zeer ongelijksoortig zijn: de standen +in onzen zin, de beroepen, den huwelijken staat naast den maagdelijken, +den staat van zondigheid "estat de péchié", de vier "estats de corps et +de bouche" aan het hof: panetiers, schenkers, voorsnijders en +keukenmeesters, de geestelijke wijdingen: priester, diaken, subdiaken +enz., de kloosterorden, de ridderorden. In de middeleeuwsche gedachte +wordt het begrip "staat" of "orde" in al die gevallen bijeengehouden +door het besef, dat elk dezer groepen een goddelijke inzetting +vertegenwoordigt, een orgaan is in den wereldbouw, even wezenlijk en +even hierarchisch-eerbiedwaardig als de hemelsche tronen en machten der +engelenhierarchie.</p> + +<p>In het schoone beeld, dat men zich maakte van staat en maatschappij, +werd aan elk der standen zijn functie aangewezen niet overeenkomstig +zijn beproefde nuttigheid, maar overeenkomstig zijn heiligheid of zijn +schitterenden glans. Men kon daarbij de ontaarding der geestelijkheid, +het verval van de ridderlijke deugden bejammeren, zonder daarom het +ideale beeld ook maar eenigszins prijs te geven;<a name='88'></a> de zonden der menschen +mogen de verwezenlijking van het ideaal beletten, toch blijft het +grondslag en richtsnoer der maatschappelijke gedachte. Het +middeleeuwsche beeld der maatschappij is statisch, niet dynamisch.</p> + +<p>Het is een wonderlijke schijn, waarin Chastellain, de hofhistoriograaf +van Philips den Goede en Karel den Stoute, wiens rijke werk ook hier +weer de beste spiegel is van de tijdsgedachte, de maatschappij van zijn +dagen ziet. Hier is een man, in de velden van Vlaanderen getogen, die in +zijn Nederlanden de schitterendste ontplooiing van burgermacht voor +oogen had, en die niettemin, verblind door den uiterlijksten glans van +het Bourgondische prachtleven, in den staat slechts riddermoed en +ridderdeugd als de bron van kracht ziet.</p> + +<p>God heeft het volk doen geboren worden om te arbeiden, om den grond te +bewerken, om door den handel duurzaam levensonderhoud te verschaffen, de +geestelijkheid voor de werken des geloofs, maar den adel, om de deugd te +verheffen en de gerechtigheid te handhaven, om met de daden en de zeden +van hun schoone personen den anderen een spiegel te zijn. De hoogste +taak in den staat, de bescherming der kerk, de vermeerdering van het +geloof, de bewaring van het volk voor verdrukking, de handhaving van het +gemeen welzijn, bestrijding van geweld en tirannie, versterking van den +vrede, Chastellain wijst ze alle den adel toe. Waarheid, dapperheid, +zedelijkheid en mildheid zijn zijn eigenschappen. En de adel van +Frankrijk, zegt deze hoogdravende lofredenaar, beantwoordt aan dat +ideale beeld.<a name='FNanchor_144_144'></a><a href='#Footnote_144_144'><sup>[144]</sup></a> +<a name='89'></a>Door het geheele werk van Chastellain heen bemerkt +men, dat hij ook werkelijk de gebeurtenissen van zijn tijd door dat +gekleurde glaasje ziet.</p> + +<p>De onderschatting van de burgerij spruit hieruit voort, dat het type, +waaronder men zich den derden stand voorstelde, zich nog geenszins +gecorrigeerd had naar de werkelijkheid. Dat type was eenvoudig en +beknopt als zulk een kalenderplaatje of bas-relief, dat de werken des +jaars afbeeldde: de zwoegende veldarbeider, de vlijtige handwerker of de +bedrijvige koopman. De figuur van den machtigen patriciër, die den adel +zelf van zijn plaats drong, het feit, dat de adel zich voortdurend +aanvulde met het bloed en de kracht der burgerij, vond in dat lapidaire +type evenmin plaats als de figuur van den strijdbaren gildebroeder en +zijn vrijheidsideaal. In het begrip van den derden stand bleven, immers +zelf tot de Revolutie toe, burgerij en arbeiders ongescheiden; +afwisselend dringt in de voorstelling de figuur van den armen boer of +van den vadsigen rijken burger<a name='FNanchor_145_145'></a><a href='#Footnote_145_145'><sup>[145]</sup></a> naar voren, maar een omlijning +volgens zijn werkelijke economisch-politische functie kreeg dat begrip +derde stand niet. Een reformprogram van een Augustijner monnik in 1412 +kan in ernst verlangen, dat ieder niet-edele in Frankrijk gedwongen zou +worden, hand- of veldarbeid te doen, of uit het land gejaagd worden.<a name='FNanchor_146_146'></a><a href='#Footnote_146_146'><sup>[146]</sup></a></p> + +<p>Zoo is het te begrijpen, dat iemand als Chastellain, wiens vatbaarheid +voor ethische illusie geëvenaard wordt door zijn politische naïveteit, +naast de hooge eigenschappen van den adel den derden stand slechts lage +en slaafsche deugden toekent.<a name='90'></a> "Pour venir au tiers membre qui fait le +royaume entier, c'est l'estat des bonnes villes, des marchans et des +gens de labeur, desquels il ne convient faire si longue exposition que +des autres, pour cause que de soy il n'est gaires capable de hautes +attributions, parce qu'il est au degré servile". (O kerels van +Vlaanderen!) Zijn deugd is nederigheid en vlijt, gehoorzaamheid aan hun +koning en gewilligheid, om genoegen te verschaffen aan de heeren.<a name='FNanchor_147_147'></a><a href='#Footnote_147_147'><sup>[147]</sup></a></p> + +<p>Werkte wellicht ook dat volslagen gemis aan het gezicht op een komenden +tijd van burgervrijheid en macht er toe mee, dat Chastellain en +gelijkgezinden, die enkel van den adel heil verwachtten, het met de +tijden duister inzagen?</p> + +<p>Ook de rijke stedelingen heeten bij Chastellain nog kortweg "vilains". +<a name='FNanchor_148_148'></a><a href='#Footnote_148_148'><sup>[148]</sup></a> Hij heeft niet het geringste begrip voor burgereer. Philips de +Goede had de gewoonte, zijn macht te misbruiken, om zijn "archers", +lagere edelen veelal, of andere dienaren van zijn huis te huwen aan +rijke poortersweduwen of dochters. De ouders huwelijkten hun dochters +zoo vroeg mogelijk uit, om die aanzoeken te ontgaan; een weduwe +hertrouwde erom twee dagen na haars mans begrafenis.<a name='FNanchor_149_149'></a><a href='#Footnote_149_149'><sup>[149]</sup></a> Eens stuitte +de hertog daarbij op het hardnekkig verzet van een rijken bierbrouwer te +Rijsel, die zijn dochter niet voor een dergelijke verbintenis wil geven. +De hertog laat het meisje in verzekerde bewaring stellen; de gekrenkte +vader verhuist met zijn hebben en houden naar Doornik, om daar buiten +'s hertogen gebied te zijn,<a name='91'></a> en ongehinderd de zaak voor het Parlement +van Parijs te kunnen brengen. Het brengt hem niet dan zorg en moeite; +hij wordt ziek van verdriet, en het eind van het geval, dat in hooge mate +kenschetsend is voor Philips' impulsief karakter<a name='FNanchor_150_150'></a><a href='#Footnote_150_150'><sup>[150]</sup></a> en hem naar onze +begrippen niet tot eer strekt, is, dat de hertog de moeder, die als +smeekelinge tot hem komt, haar dochter teruggeeft, maar aan de +vergiffenis hoon en vernedering toevoegt. Chastellain, die anders +volstrekt niet vreest, zijn heer te misprijzen, staat met zijn sympathie +geheel aan de zijde van den hertog; voor den beleedigden vader heeft hij +geen andere woorden dan "ce rebelle brasseur rustique", "et encore si +meschant vilain."<a name='FNanchor_151_151'></a><a href='#Footnote_151_151'><sup>[151]</sup></a></p> + +<p>In zijn <i>Temple de Bocace</i>, een hol galmende hal van adellijken roem en +ongeluk, laat Chastellain den grooten financier Jacques Coeur niet +zonder een woord van verontschuldiging toe, terwijl de verfoeilijke +Gilles de Rais er ondanks zijn ontzettende misdaden gereedelijk toegang +vindt van wege zijn hooge geboorte.<a name='FNanchor_152_152'></a><a href='#Footnote_152_152'><sup>[152]</sup></a> Hij acht het onnoodig, de +namen van de burgers te vermelden, die in den grooten strijd voor Gent +vielen.<a name='FNanchor_153_153'></a><a href='#Footnote_153_153'><sup>[153]</sup></a></p> + +<p>Ondanks deze geringschatting van den derden stand ligt er in het +ridderideaal zelf en in de beoefening van de deugden en de taak, die den +adel werden voorgehouden, een dubbel element van een minder hoogmoedig +aristocratische volksverachting. Naast den spot over de dorpers, vol +haat en verachting, zooals die klinkt uit het Vlaamsche <i>Kerelslied</i> en +de <i>Proverbes del vilain</i> loopt in de Middeleeuwen een tegengestelde +uiting van medelijden met het arme volk, dat het zoo kwaad heeft.</p> +<a name='92'></a> +<div class='poem'> "Si fault de faim perir les innocens +<span>Dont les grans loups font chacun jour ventrée,<br /></span> +<span>Qui amassent a milliers et a cens<br /></span> +<span>Les faulx tresors; c'est le grain, c'est la blée,<br /></span> +<span>Le sang, les os qui ont la terre arée<br /></span> +<span>Des povres gens, dont leur esperit crie<br /></span> +<span>Vengence à Dieu, vé à la seignourie...."<a name='FNanchor_154_154'></a><a href='#Footnote_154_154'><sup>[154]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Het zijn altijd dezelfde klaagtonen: het arme volk, geteisterd door de +oorlogen, uitgezogen door de ambtenaren, leeft in gebrek en ellende; +iedereen teert op den boer. Zij lijden geduldig: "le prince n'en sçait +riens", en als zij soms murmureeren en de overheid smaden: "povres +brebis, povre fol peuple", de heer zal hen met een woord weer tot rust +en tot rede brengen. In Frankrijk komt onder den indruk van de +jammerlijke verwoesting en onveiligheid, waaraan de honderdjarige oorlog +gaandeweg het geheele land overleverde, één trek in die klacht op den +voorgrond: de boer geplunderd, gebrandschat en mishandeld door de +krijgsbenden van vriend en vijand, beroofd van zijn ploegdieren, van +huis en hof verjaagd. In dien vorm neemt de klacht geen einde meer. Men +hoort haar van de groote reform-gezinde geestelijken omstreeks 1400: +Nicolaas van Clemanges in zijn <i>Liber de lapsu et reparatione +justitiae,</i><a name='FNanchor_155_155'></a><a href='#Footnote_155_155'><sup>[155]</sup></a> van Gerson in zijn moedige en aangrijpende politieke +preek voor de regenten en het hof op het thema <i>Vivat rex,</i> 7 November +1405 in het paleis der koningin te Parijs gehouden,<a name='FNanchor_156_156'></a><a href='#Footnote_156_156'><sup>[156]</sup></a> +<a name='93'></a> Jean Jouvenel, +de bisschop van Beauvais, houdt in bittere klachten de ellende van het +volk voor aan de Staten te Blois in 1433, te Orleans in 1439.<a name='FNanchor_157_157'></a><a href='#Footnote_157_157'><sup>[157]</sup></a> +Gepaard aan het beklag der andere standen over hun moeilijkheden, in den +vorm van een twistgesprek, vindt men het thema van de volksellende in +Alain Chartier's <i>Quadriloge invectif,</i><a name='FNanchor_158_158'></a><a href='#Footnote_158_158'><sup>[158]</sup></a> en in Robert Gaguin's +daarop geïnspireerd <i>Debat du laboureur, du prestre et du gendarme</i>. +<a name='FNanchor_159_159'></a><a href='#Footnote_159_159'><sup>[159]</sup></a> De kroniekschrijvers kunnen niet anders dan telkens erop +terugkomen; hun stof bracht het mee.<a name='FNanchor_160_160'></a><a href='#Footnote_160_160'><sup>[160]</sup></a> Molinet dicht een <i>Resource +du petit peuple</i>,<a name='FNanchor_161_161'></a><a href='#Footnote_161_161'><sup>[161]</sup></a> de ernstige Meschinot herhaalt de waarschuwingen +over de verwaarloozing van het volk keer op keer:</p> + +<div class='poem'> "O Dieu, voyez du commun l'indigence, +<span>Pourvoyez-y à toute diligence:<br /></span> +<span>Las! par faim, froid, paour et misere tremble.<br /></span> +<span>S'il a peché ou commis negligence<br /></span> +<span>Encontre vous, il demande indulgence.<br /></span> +<span>N'est-ce pitié des biens que l'on lui emble?<br /></span> +<span>Il n'a plus bled pour porter au molin,<br /></span> +<span>On lui oste draps de laine et de lin,<br /></span> +<span>L'eaue, sans plus, lui demeure pour boire".<a name='FNanchor_162_162'></a><a href='#Footnote_162_162'><sup>[162]</sup></a><br /></span> +</div> +<a name='94'></a> +<p>In een cahier, den koning aangeboden ter gelegenheid van de Staten te +Tours in 1484, neemt de klacht regelrecht het karakter aan van een +politiek vertoog.<a name='FNanchor_163_163'></a><a href='#Footnote_163_163'><sup>[163]</sup></a> Toch blijft het een volkomen stereotyp en +negatief medelijden, niets van een program. Er is nog geen spoor van +weloverlegden socialen hervormingszin in, en zoo wordt er op het thema +doorgezongen, door La Bruyère, door Fénélon, tot diep in de achttiende +eeuw, want nog de klachten van den ouden Mirabeau, "l'ami des hommes", +zijn weinig anders, al klinkt daarin het geluid van het komende verzet.</p> + +<p>Het is te verwachten, dat de verheerlijkers van het laat-middeleeuwsche +ridderideaal instemmen met deze betuigingen van medelijden met het volk: +immers de toepassing van den ridderplicht, om de zwakken te beschermen, +eischte het. Evenzeer inhaerent aan het wezen van het ridderideaal, en +evenzeer stereotyp en theoretisch, is ook het besef, dat de ware adeldom +slechts berust in de deugd, en dat in den grond alle menschen gelijk +zijn. Deze beide gevoelens worden wel eens in hun cultuurhistorische +beteekenis overschat. Men beschouwt de erkenning van den waren adel in +het hart als een triomf der Renaissance, erop wijzende, dat Poggio die +gedachte uitspreekt in zijn <i>De nobilitate</i>.<a name='95'></a> Men hoort gewoonlijk dat +oude egalitarisme in het revolutionaire geluid van John Ball's "When +Adam delved and Eve span, where was then the gentleman?"—En men stelt +zich voor, dat de adel sidderde op dien tekst.</p> + +<p>Beide gedachten waren reeds lang gemeenplaatsen in de hoofsche +litteratuur zelve, evenals zij het waren in de salons van het ancien +régime. Het denkbeeld van den waren adel in het hart was voortgekomen +uit de verheffing van de hoofsche liefde in de poëzie der troubadours. +Het blijft een zedelijke bespiegeling zonder sociaal-actieve werking.</p> + +<div class='poem'> "Dont vient a tous souveraine noblesce? +<span>Du gentil cuer, paré de nobles mours.<br /></span> +<span>... Nulz n'est villains se du cuer ne lui muet".<a name='FNanchor_164_164'></a><a href='#Footnote_164_164'><sup>[164]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>De gelijkheidsgedachte was reeds door de kerkvaders ontleend aan Cicero +en Seneca. Gregorius de Groote had den komenden Middeleeuwen het "Omnes +namque homines natura aequales sumus" reeds meegegeven. Het was in +allerlei klank en nadruk steeds herhaald, zonder de werkelijke +ongelijkheid te verminderen. Want voor den Middeleeuwer keerde de +gedachte haar pointe naar de spoedige gelijkheid in den dood, niet naar +een hopeloos verre gelijkheid in het leven. Bij Eustache Deschamps +vinden wij haar in een duidelijke verbinding met de doodendans- +voorstelling, die aan de late Middeleeuwen den troost moest geven over +het onrecht van de wereld. Het is Adam zelf, die zijn kroost toespreekt:</p> +<a name='96'></a> +<div class='poem'> "Enfans, enfans, de moy, Adam, venuz, +<span>Qui après Dieu suis peres premerain (eerste)<br /></span> +<span>Créé de lui, tous estes descenduz<br /></span> +<span>Naturelment de ma coste et d'Evain;<br /></span> +<span>Vo mere fut. Comment est l'un villain<br /></span> +<span>Et l'autre prant le nom de gentillesce<br /></span> +<span>De vous, freres? dont vient tele noblesce?<br /></span> +<span>Je ne le sçay, se ce n'est des vertus,<br /></span> +<span>Et les villains de tout vice qui blesce:<br /></span> +<span>Vous estes tous d'une pel revestus.<br /></span> +</div><p></p> + + +<div class='poem'> Quant Dieu me fist de la boe ou je fus, +<span>Homme mortel, faible, pesant et vain,<br /></span> +<span>Eve de moy, il nous crea tous nuz,<br /></span> +<span>Mais l'esperit nous inspira a plain<br /></span> +<span>Perpetuel, puis eusmes soif et faim,<br /></span> +<span>Labour, dolour, et enfans en tristesce;<br /></span> +<span>Pour noz pechiez enfantent a destresce<br /></span> +<span>Toutes femmes; vilment estes conçuz.<br /></span> +<span>Dont vient ce nom, villain, qui les cuers blesce?<br /></span> +<span>Vous estes tous d'une pel revestuz.<br /></span> +</div><p></p> + +<div class='poem'> Les roys puissans, les contes et les dus, +<span>Li gouverneur du peuple et souverain,<br /></span> +<span>Quant ilz naissent, de quoy sont ilz vestuz?<br /></span> +<span>D'une orde pel.<br /></span> +<span>... Prince, pensez, sanz avoir en desdain<br /></span> +<span>Les povres gens, que la mort tient le frain".<a name='FNanchor_165_165'></a><a href='#Footnote_165_165'><sup>[165]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Het is in overeenstemming met deze gedachten, wanneer geestdriftige +vereerders van het ridderideaal somtijds opzettelijk de daden van +boersche helden opteekenen, om den adel te leeren, "dat bij wijlen zij, +die zij dorpers achten, van de grootste dapperheid bezield zijn".<a name='FNanchor_166_166'></a><a href='#Footnote_166_166'><sup>[166]</sup></a></p> +<a name='97'></a> +<p>Want dit is de grond van al deze gedachten: dat de adel geroepen is, om +door de naleving van het ridderideaal de wereld te schragen en te +zuiveren. Het rechte leven en de rechte deugd der edelen is het +heilmiddel der slechte tijden; daarvan hangt af het welzijn en de rust +van kerk en koninkrijk, de gelding der gerechtigheid.<a name='FNanchor_167_167'></a><a href='#Footnote_167_167'><sup>[167]</sup></a> De oorlog is +in de wereld gekomen met Caïn en Abel, en sedert vertakt onder goeden en +slechten. Hem te beginnen is niet goed. Daarom is de zeer edele en zeer +uitstekende stand der ridderschap ingesteld, om het volk, dat gemeenlijk +het meest geteisterd wordt door de rampen van den krijg, te bewaren, te +verdedigen en in rust te houden.<a name='FNanchor_168_168'></a><a href='#Footnote_168_168'><sup>[168]</sup></a> Twee zaken, luidt het in het +leven van een der zuiverste vertegenwoordigers van het laat-middeleeuwsche +ridderideaal, Boucicaut, zijn door God's wil in de wereld gezet als twee +pijlers om de orde der goddelijke en menschelijke wetten te onderhouden; +zonder hen zou de wereld niet dan verwarring zijn; die twee pijlers zijn +ridderschap en wetenschap, "chevalerie et science, qui moult bien +conviennent ensemble".<a name='FNanchor_169_169'></a><a href='#Footnote_169_169'><sup>[169]</sup></a> "Science, Foy et Chevalerie" zijn de drie +leliën van <i>Le Chapel des fleurs de lis</i> van Philippe de Vitri; zij +vertegenwoordigen de drie standen; de ridderschap is geroepen, om de +beide andere te behoeden en te beschermen.<a name='FNanchor_170_170'></a><a href='#Footnote_170_170'><sup>[170]</sup></a> Die gelijkwaardigheid +van ridderschap en wetenschap,<a name='98'></a> die ook spreekt uit de neiging om aan den +doctorstitel dezelfde rechten toe te kennen als aan den riddertitel +<a name='FNanchor_171_171'></a><a href='#Footnote_171_171'><sup>[171]</sup></a> getuigt van het hooge ethische gehalte van het ridderideaal. Het +is de vereering van een hooger willen en durven naast die van een hooger +weten en kunnen; men heeft de behoefte, om den mensch in een hoogere +potentie te zien, en wil die uitdrukken in den vasten vorm van twee +wijdingen tot hooger levenstaak, onderling gelijkwaardig. Maar van die +twee had het ridderideaal een veel algemeener en sterker werking, omdat +daarin met het ethische zooveel aesthetische elementen waren vereenigd, +die voor iederen geest begrijpelijk waren.</p> + +<p>De middeleeuwsche gedachtenwereld in het algemeen is in al haar deelen +doortrokken en doorzult met de geloofsvoorstellingen. Op soortgelijke +wijze is de gedachtenwereld van die beperkter groep, welke in de sfeer +van hof en adel leeft, gedrenkt in het ridderideaal. Zelfs +geloofsvoorstellingen worden op haar beurt in den ban der ridderidee +getrokken: Michael's wapenfeit was "la première milicie et prouesse +chevaleureuse qui oncques fut mise en exploict"; van hem neemt de +ridderlijkheid haar oorsprong; als "milicie terrienne et chevalerie +humaine" is zij een aardsche navolging van de engelenscharen om Gods +troon.<a name='FNanchor_172_172'></a><a href='#Footnote_172_172'><sup>[172]</sup></a></p> + +<p>Leidt de hooge verwachting, die men bouwt op de plichtsvervulling van +den adel, tot eenige nadere omschrijving van politieke denkbeelden +omtrent hetgeen den adel te doen staat? Ja, die van een streven naar +den universeelen vrede,<a name='99'></a> gegrondvest op de eendracht der koningen, de +verovering van Jeruzalem en verdrijving der Turken. De onvermoeide +plannenmaker Philippe de Mézières, die droomde van een ridderorde, welke +al de oude kracht van Tempel en Hospitaal zou overtreffen, heeft in zijn +<i>Songe du vieil pelerin</i> een plan uitgewerkt, dat het heil der wereld +in de naaste toekomst scheen te waarborgen. De jonge koning van +Frankrijk,—het is geschreven omstreeks 1388, toen op den ongelukkigen +Karel VI nog zooveel hoop was gebouwd—, zal gemakkelijk vrede kunnen +sluiten met Richard van Engeland, even jong en onschuldig aan ouden +strijd als hij. Zij moesten persoonlijk over dien vrede met elkander +spreken, elkander verhalen van de wonderlijke openbaringen, die hem +hadden aangekondigd, afzien van al de kleine belangen, die een beletsel +zouden opleveren, als de onderhandeling aan geestelijken, +rechtsgeleerden of legerhoofden werd toevertrouwd. Laat de koning van +Frankrijk maar wat grenssteden en kasteelen afstaan. Terstond na den +vrede zou de kruistocht worden voorbereid. Overal zal alle strijd en +veete beslecht worden, het tiranniek bestuur der staten zal hervormd +worden, een algemeen concilie zal de vorsten der christenheid opwekken, +om ten oorlog te trekken, indien de prediking niet helpen mocht, om +Tartaren, Turken, Joden en Saracenen te bekeeren.<a name='FNanchor_173_173'></a><a href='#Footnote_173_173'><sup>[173]</sup></a> Niet +onwaarschijnlijk was er van zulke ver strekkende plannen nog sprake in +het vriendschappelijk verkeer van Mézières met den jongen Lodewijk van +Orleans in het klooster der Celestijnen te Parijs. Ook Orleans leefde, +zij het met meer <a name='100'></a>bijmenging van praktische en baatzuchtige politiek, +in die droomen van vrede en kruistocht.<a name='FNanchor_174_174'></a><a href='#Footnote_174_174'><sup>[174]</sup></a></p> + +<p>Het is een wonderlijke kleuring van de wereld, dat beeld van de +maatschappij gedragen door het ridderideaal. Het is een kleur, die niet +goed houden wil. Wien men ook neemt van de bekende fransche chronisten +der veertiende en vijftiende eeuw: de scherpe Froissart, de droge +Monstrelet en d'Escouchy, de plechtstatige Chastellain, de hoofsche +Olivier de la Marche, de bombastische Molinet, allen met uitzondering +van Commines en Thomas Basin beginnen met hoogdravende verklaringen, +dat zij schrijven ter verheerlijking van ridderdeugd en roemrijke +wapenfeiten.<a name='FNanchor_175_175'></a><a href='#Footnote_175_175'><sup>[175]</sup></a> Maar niemand kan het geheel volhouden, Chastellain +nog het best. Terwijl Froissart, zelf dichter van een hyperromantischen +aflegger der ridder-epiek: <i>Méliador</i>, met zijn geest zwelgt in ideale +"prouesse" en "grans apertises d'armes", schrijft zijn journalistenpen +voortdurend van verraad en wreedheid, sluwe baatzucht en overmacht, een +krijgsbedrijf, dat geheel een zaak van winstbejag is geworden. Molinet +vergeet doorloopend zijn chevaleresken opzet en vertelt, afgezien van +zijn taal en stijl, de gebeurtenissen helder en eenvoudig, om zich af +en toe den edelen zwier te herinneren, dien hij zich had opgelegd. Nog +uiterlijker is de ridderlijke strekking bij Monstrelet.</p> + +<p>Het is alsof de geest van deze schrijvers,—een ondiepe geest, moet men +zeggen—, de ridderlijke fictie aanwendt als een correctief op de +onbegrijpelijkheid,<a name='101'></a> die hun tijd voor hen had. Het was de eenige vorm, +waarin zij de gebeurtenissen konden begrijpen. In de werkelijkheid waren +zoowel de oorlogen als de staatkunde van hun tijd uiterst vormloos, +schijnbaar onsamenhangend. De krijg doorgaans een chronisch proces van +geïsoleerde strooptochten over een groot gebied verspreid, de diplomatie +een zeer omslachtig en gebrekkig instrument, voor een deel beheerscht +door zeer algemeene traditioneele ideeën en voor een deel door een +onontwarbaar complex van afzonderlijke, kleine rechtskwesties. Niet +in staat om in dat alles een reëele maatschappelijke ontwikkeling te +erkennen, nam de historie de fictie van het ridderideaal te baat, en +herleidde daarmee alles tot een schoon beeld van vorsteneer en +ridderdeugd, een fraai spel van edele regels, en schiep de illusie van +orde. Vergelijkt men dezen historischen maatstaf met bijvoorbeeld het +inzicht van Thucydides, dan is het een buitengewoon laag standpunt. +De geschiedenis verdort tot een relaas van schoone of schijnschoone +wapenfeiten en solemneele staatshandelingen. Wie zijn dan ook van dit +gezichtspunt beschouwd de rechte geschiedgetuigen? De herauten en +wapenkoningen, meent Froissart; zij wonen immers die edele verrichtingen +bij, en hebben ze officieel te beoordeelen; zij zijn experts in zaken +van roem en eer, en roem en eer zijn het motief der geschiedschrijving. +<a name='FNanchor_176_176'></a><a href='#Footnote_176_176'><sup>[176]</sup></a> De statuten van het Gulden Vlies geboden het opteekenen van +ridderlijke wapenfeiten; Lefèvre de Saint Remy, genaamd Toison d'or, +of de heraut Berry kunnen als voorbeelden van den wapenkoning- +geschiedschrijver genoemd worden.</p> +<a name='102'></a> +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Als ideaal van schoon leven is de ridderlijke gedachte van zeer +bijzondere gedaante. Het is een in zijn wezen aesthetisch ideaal, +opgebouwd uit bonte fantazie en verheffende aandoening. Maar het wil +zijn een ethisch ideaal: het middeleeuwsche denken kon aan een +levensideaal slechts een edele plaats geven, door het in betrekking +te stellen tot vroomheid en deugd. In die ethische functie schiet het +ridder wezen steeds te kort; het wordt omlaaggetrokken door zijn +zondigen oorsprong. Want de kern van het ideaal blijft de tot schoonheid +verheven hoogmoed. Dit heeft Chastellain volkomen begrepen, wanneer hij +zegt: "La gloire des princes pend en orguel et en haut péril emprendre; +toutes principales puissances conviengnent en un point estroit qui se +dit orgueil."<a name='FNanchor_177_177'></a><a href='#Footnote_177_177'><sup>[177]</sup></a> Uit den hoogmoed, gestyleerd en verheven, is de +eer geboren, die de pool is van het adellijk leven. Terwijl in de +middelmatige of ondergeschikte maatschappelijke verhoudingen—zegt Taine +<a name='FNanchor_178_178'></a><a href='#Footnote_178_178'><sup>[178]</sup></a>—de voornaamste drijfveer het belang is, is de groote beweger bij +de aristocratie de hoogmoed: "or, parmi les sentiments profonds de +l'homme, il n'en est pas qui soit plus propre a se transformer en +probité, patriotisme et conscience, car l'homme fier a besoin de son +propre respect, et, pour l'obtenir, il est tenté de le mériter." Taine +heeft zonder twijfel de neiging, om de aristocratie te fraai te zien. +De werkelijke geschiedenis der aristocratieën geeft overal een beeld, +waarin de hoogmoed gedoubleerd is met onbeschaamd eigenbelang.<a name='103'></a> Des +ondanks blijft—als omschrijving van het aristocratisch levensideaal +—Taine's woord treffend. Het is verwant aan Burckhardt's bepaling van +het Renaissance-eergevoel. "Es ist die rätselhafte Mischung aus Gewissen +und Selbstsucht, welche dem modernen Menschen noch übrig bleibt, auch +wenn er durch oder ohne seine Schuld alles übrige, Glauben, Liebe und +Hoffnung eingebüsst hat. Dieses Ehrgefühl verträgt sich mit vielem +Egoismus und grossen Lastern und ist ungeheurer Täuschungen fähig; aber +auch alles Edle, das in einer Persönlichkeit übrig geblieben, kann sich +daran anschliessen und aus diesem Quell neue Kräfte schöpfen".<a name='FNanchor_179_179'></a><a href='#Footnote_179_179'><sup>[179]</sup></a></p> + +<p>De persoonlijke eerzucht en roemzucht, die dan eens uitingen van een +hoog eergevoel, dan weer veel meer uit onveredelden hoogmoed gesproten +schijnen, zijn door Burckhardt in beeld gebracht als de kenmerkende +eigenschappen van den Renaissance-mensch.<a name='FNanchor_180_180'></a><a href='#Footnote_180_180'><sup>[180]</sup></a> In tegenstelling met de +afzonderlijke standseer en standenroem, zooals zij de echt-middeleeuwsche +samenleving buiten Italië nog bezielden, beschrijft hij de algemeen- +menschelijke eer en roem, waarnaar, onder sterken invloed van antieke +voorstellingen, de Italiaansche geest sedert Dante streeft. Het schijnt +mij toe, dat dit een der punten is, waarop Burckhardt den afstand +tusschen Middeleeuwen en Renaissance, tusschen West-Europa en Italië te +groot gezien heeft. Die roemliefde en eerzucht der Renaissance is in +haar kern de ridderlijke eerzucht van vroeger tijd en Fransche herkomst, +de standseer uitgebreid tot wijder gelding,<a name='104'></a> ontdaan van het feodale +sentiment en bevrucht met antieke gedachte. Het hartstochtelijk +verlangen, om door het nageslacht geprezen te worden, is den hoofschen +ridder der twaalfde eeuw, den onverfijnden Franschen of Duitschen +soudenier der veertiende eeuw even weinig vreemd als den schoonen geest +van het quattrocento. De afspraak voor het Combat des trente tusschen +messires Robert de Beaumanoir en den kapitein Brandebourch wordt door +den laatste besloten met de woorden: "en zoo zullen wij maken, dat men +ervan spreken zal in komende tijden in zaal en paleis, in pleinen en +andere plaatsen over de wereld."<a name='FNanchor_181_181'></a><a href='#Footnote_181_181'><sup>[181]</sup></a> Chastellain, in zijn waardeering +van het ridderideaal toch volkomen middeleeuwsch, drukt niettemin +volkomen den geest der Renaissance uit, als hij zegt:</p> + +<div class='poem'> "Honneur semont toute noble nature +<span>D'aimer tout ce qui noble est en son estre.<br /></span> +<span>Noblesse aussi y adjoint sa droiture".<a name='FNanchor_182_182'></a><a href='#Footnote_182_182'><sup>[182]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Elders zegt hij, dat bij joden en heidenen de eer dierbaarder was en +nauwer werd gehouden, omdat zij enkel werd betracht om haars zelfs wil +en in verwachting van aardschen lof, terwijl de christenen de eer +ontvangen hebben door het geloof en het licht, in verwachting van +hemelsch loon.<a name='FNanchor_183_183'></a><a href='#Footnote_183_183'><sup>[183]</sup></a></p> + +<p>Reeds bij Froissart wordt de dapperheid aanbevolen zonder eenige +religieuze of direct moreele motiveering, om roem en eer, en—enfant +terrible als hij is—om carrière.<a name='FNanchor_184_184'></a><a href='#Footnote_184_184'><sup>[184]</sup></a></p> +<a name='105'></a> +<p>Het streven naar ridderlijken roem en eer is onafscheidelijk verbonden +aan een heldenvereering, waarin middeleeuwsche en renaissance-elementen +ineenvloeien. Het ridderlijke leven is een navolging. Of het de helden +van den Artur-kring zijn of de antieke helden, maakt weinig verschil. +Alexander was immers reeds in den bloeitijd van den ridderroman volkomen +in de ideeënsfeer van het ridderwezen opgenomen. De antieke +fantaziesfeer was nog niet gescheiden van die der tafelronde. Koning +René ziet bont dooreen de met hun blazoenen versierde grafteekens van +Lancelot, Caesar, David, Hercules, Paris, Troïlus.<a name='FNanchor_185_185'></a><a href='#Footnote_185_185'><sup>[185]</sup></a> Het ridderwezen +zelf gold voor Romeinsch. "Et bien entretenoit—heet het van Hendrik V +van Engeland—la discipline de chevalerie, comme jadis faisoient les +Rommains".<a name='FNanchor_186_186'></a><a href='#Footnote_186_186'><sup>[186]</sup></a> Het toenemende classicisme brengt eenige zuivering in +het historische beeld der Oudheid; de Portugeesche edelman Vasco de +Lucena, die voor Karel den Stoute Quintus Curtius vertaalt, verklaart, +gelijk Maerlant het reeds anderhalve eeuw eerder had gedaan, hem daarin +te bieden een authentieken Alexander, ontdaan van de leugens, waarmee +al de gangbare historiën diens geschiedenis ontsierden.<a name='FNanchor_187_187'></a><a href='#Footnote_187_187'><sup>[187]</sup></a> Doch de +bedoeling is sterker dan ooit, den vorst een voorbeeld ter navolging +te bieden, en bij weinig vorsten is de zucht, om door groote en +schitterende daden de Ouden te evenaren, zoo bewust als bij Karel den +Stoute. Van jongsaf had hij zich de heldendaden van Walewein en Lancelot +laten voorlezen; later wonnen het de Ouden.<a name='106'></a> Voor het slapen gaan werd er +geregeld een paar uur gelezen in "les haultes histoires de Romme".<a name='FNanchor_188_188'></a><a href='#Footnote_188_188'><sup>[188]</sup></a> +Zijn hoogste behagen gold den helden der oudheid: Caesar, Hannibal en +Alexander, "lesquelz il vouloit ensuyre et contrefaire".<a name='FNanchor_189_189'></a><a href='#Footnote_189_189'><sup>[189]</sup></a> Alle +tijdgenooten hebben aan die opzettelijke navolging als drijfveer van +zijn daden groot gewicht gehecht. "Il désiroit grand gloire,—zegt +Commines—qui estoit ce qui plus le mettoit en ses guerres que nulle +autre chose; et eust bien voulu ressembler à ses anciens princes dont +il a esté tant parlé après leur mort."<a name='FNanchor_190_190'></a><a href='#Footnote_190_190'><sup>[190]</sup></a> Chastellain zag hem dien +hoogen zin voor groote daden en voor het schoone antieke gebaar de +eerste maal in praktijk brengen. Het was bij zijn eerste komst als +hertog binnen Mechelen in 1467. Hij had er een oproer te straffen; de +zaak werd in alle vormen onderzocht en berecht, een der leiders ter dood +veroordeeld, anderen voor eeuwig verbannen. Het schavot wordt op de +markt opgericht, de hertog zit er tegenover; de schuldige ligt reeds +geknield, de beul ontbloot het zwaard; toen roept Karel, die tot dusver +zijn bedoeling verborgen had: "Houd op! Doe hem den blinddoek af en laat +hem opstaan."</p> + +<p>"Et me pareus de lors—zegt Chastellain—que le coeur luy estoit en haut +singulier propos pour le temps à venir, et pour acquérir gloire et +renommée en singulière oeuvre."<a name='FNanchor_191_191'></a><a href='#Footnote_191_191'><sup>[191]</sup></a></p> + +<p>Het voorbeeld van Karel den Stoute is geschikt, om te doen zien, hoe de +geest der Renaissance, de zucht naar het schoone antieke leven, direct +wortelt in het ridderideaal.<a name='107'></a> Het is, als men hem met den Italiaanschen +virtuoso vergelijkt, slechts een verschil van belezenheid en van smaak. +Karel las zijn klassieken nog in vertaling, en zijn levensvorm is nog +flamboyant-gothiek.</p> + +<p>Dezelfde onscheidbaarheid van het ridderlijke en het renaissance-element +vertoont de cultus der negen dapperen, "les neuf preux". Die groep van +negen helden, drie heidenen, drie joden, drie christenen, komt op in de +ridderlijke litteratuur; zij wordt het eerst aangetroffen in de <i>Voeux +du paon</i> van Jacques de Longuyon omstreeks 1312.<a name='FNanchor_192_192'></a><a href='#Footnote_192_192'><sup>[192]</sup></a> De keus der +helden verraadt den nauwen samenhang met de ridderlijke romantiek: +Hector, Caesar, Alexander—Jozua, David, Judas Maccabaeus—Artur, Karel +de Groote en Godfried van Bouillon. Van zijn leermeester Guillaume de +Machaut neemt Eustache Deschamps de gedachte over; hij wijdt er tal van +gedichten aan.<a name='FNanchor_193_193'></a><a href='#Footnote_193_193'><sup>[193]</sup></a> Waarschijnlijk is hij het geweest, die aan de +behoefte aan symmetrie, welke den laat-middeleeuwschen geest zoo sterk +eigen is, voldeed, door aan de 9 preux 9 preuses toe te voegen. Hij +zocht er eenige, ten deele vrij zonderlinge, klassieke figuren voor +bijeen uit Justinus en andere litteratuur: o.a. Penthesilea, Tomyris, +Semiramis, en verhaspelde de meeste namen geducht. Dit belette het +denkbeeld niet, om opgang te maken, en zoo vindt men preux en preuses +bij de lateren, zooals in <i>Le Jouvencel,</i> terug. Zij staan afgebeeld op +tapijten, men verzint hun blazoenen; bij den intocht van Hendrik VI van +Engeland te Parijs in 1431 gaan alle achttien hem voorop.<a name='FNanchor_194_194'></a><a href='#Footnote_194_194'><sup>[194]</sup></a></p> +<a name='108'></a> +<p>Hoe levend de voorstelling gedurende de 15<sup>e</sup> eeuw en nog daarna gebleven +is, bewijst het feit, dat men haar parodieerde: Molinet beproeft zijn +luim aan een negental "preux de gourmandise".<a name='FNanchor_195_195'></a><a href='#Footnote_195_195'><sup>[195]</sup></a> Nog Frans I kleedde +zich af en toe "à l'antique" om een der preux voor te stellen.<a name='FNanchor_196_196'></a><a href='#Footnote_196_196'><sup>[196]</sup></a></p> + +<p>Deschamps heeft evenwel nog op een andere wijze dan door de aanvulling +met vrouwelijke pendanten de voorstelling uitgebreid. Hij verbond die +vereering van oude heldendeugd aan het heden, plaatste haar in de sfeer +van het opkomende Fransche militaire nationalisme, door aan de negen een +tijd- en landgenoot als tienden preux toe te voegen: Bertrand du +Guesclin.<a name='FNanchor_197_197'></a><a href='#Footnote_197_197'><sup>[197]</sup></a> Ook dat denkbeeld had succes; Lodewijk van Orleans liet +in de groote zaal van Coucy het beeld van den dapperen connétable als +tiende der preux opnemen.<a name='FNanchor_198_198'></a><a href='#Footnote_198_198'><sup>[198]</sup></a> Het was met reden, dat Orleans de +gedachtenis van du Guesclin een bijzondere zorg wijdde; hij zelf was +door den connétable ten doop gehouden, en deze had hem daarbij een +zwaard in de hand gegeven. Van de figuur van den dapperen en +berekenenden Bretonschen krijgsman neemt een nationaal-militaire +heldenvereering haar uitgang.<a name='109'></a> Het valt op te merken, dat deze in de +15<sup>e</sup> eeuw nog niet in de eerste plaats Jeanne Darc geldt. Allerlei +veldoversten, die naast of tegen haar hadden gestreden, nemen in de +verbeelding der tijdgenooten veel grooter en eervoller plaats in dan het +boerenmeisje uit Domrémy. Velen spreken van haar nog zonder aandoening +of vereering, meer als een curiositeit. Chastellain, die zijn +Bourgondische gevoelens, als het pas gaf, merkwaardig op zij wist te +zetten voor een pathetisch Fransch loyalisme, dicht een "mystère" op den +dood van Karel VII, waarin al de aanvoerders, die voor hem de Engelschen +bestreden hebben, als een eeregalerij van dapperen, een strofe zeggen, +die hun daden vermeldt: Dunois, Jean de Bueil, Xaintrailles, La Hire +zijn er bij, en tal van minder bekenden.<a name='FNanchor_199_199'></a><a href='#Footnote_199_199'><sup>[199]</sup></a> Het doet even aan als een +reeks van Napoleontische generaals. Maar la Pucelle ontbreekt.</p> + +<p>De Bourgondische vorsten bewaarden in hun schatkamer een aantal +heldenrelieken van romantischen aard: een zwaard van Sint Joris, met +diens wapen versierd, een zwaard, dat behoord had aan "messire Bertran +de Claiquin" (du Guesclin), een tand van het everzwijn van Garin le +Loherain, het souter, waaruit de heilige Lodewijk leerde in zijn +kindsheid.<a name='FNanchor_200_200'></a><a href='#Footnote_200_200'><sup>[200]</sup></a> Hoe loopen de fantaziesferen van het ridderlijke en het +religieuze hier ineen! Nog een schrede, en men is bij het armbeen van +Livius, dat, plechtig als gold het een reliek, in ontvangst genomen werd +door paus Leo X.<a name='FNanchor_201_201'></a><a href='#Footnote_201_201'><sup>[201]</sup></a></p> +<a name='110'></a> +<p>De laat-middeleeuwsche heldenvereering heeft haar litterairen vorm in de +biografie van den volmaakten ridder. Soms zijn het reeds legendaire +figuren geworden, zooals Gilles de Trazegnies. De belangrijkste evenwel +zijn die van tijdgenooten, zooals Boucicaut, Jean de Bueil, Jacques de +Lalaing.</p> + +<p>Jean le Meingre, gewoonlijk genoemd le maréchal Boucicaut, heeft zijn +land gediend in groote rampen. Hij was met Jan zonder Vrees in 1396 bij +Nicopolis geweest, waar het Fransche ridderleger, roekeloos uitgetrokken +om den Turk weer uit Europa te drijven, door Sultan Bajazid vernietigd +werd. Hij is opnieuw gevangen gemaakt bij Azincourt in 1415, en zes +jaren later in gevangenschap gestorven. Een bewonderaar heeft nog bij +zijn leven in 1409 zijn daden te boek gesteld, op grond van zeer goede +inlichting en documenten,<a name='FNanchor_202_202'></a><a href='#Footnote_202_202'><sup>[202]</sup></a> doch niet als een stuk tijdsgeschiedenis +maar als het beeld van den idealen ridder. De realiteit van dit +veelbewogen leven verdwijnt achter den schoonen schijn van het +ridderbeeld. De vreeselijke katastrofe van Nicopolis heeft in <i>Le Livre +des faicts</i> maar een flauwe kleur. Boucicaut wordt geschilderd als het +type van den soberen, vromen en tegelijk hoofschen en geletterden +ridder. De afkeer van rijkdommen, die den waren ridder eigen moest zijn, +spreekt uit het woord van Boucicaut's vader, die zijn erfgoed had willen +vergrooten noch verkleinen, zeggende: als mijn kinderen rechtschapen en +dapper zijn,<a name='111'></a> zullen zij genoeg hebben; en als zij niets waard zijn, zou +het jammer wezen, dat hun zooveel bleef nagelaten.<a name='FNanchor_203_203'></a><a href='#Footnote_203_203'><sup>[203]</sup></a> Boucicaut's +vroomheid is van een streng puriteinsch karakter. Hij staat vroeg op, +en blijft wel drie uren in gebeden. Hoe gehaast of bezig ook, hoort hij +iederen dag geknield twee missen. Vrijdags kleedt hij zich in het zwart, +op Zon- en feestdagen doet hij te voet een bedevaart of laat zich +voorlezen uit het leven der heiligen, of uit de geschiedenissen "des +vaillans trespassez, soit Romains ou autres", of hij spreekt met anderen +van devote dingen. Hij is matig en sober, spreekt weinig en meest over +God, de heiligen, de deugd of de ridderlijkheid. Ook al zijn dienaren +heeft hij gewend aan devotie en betamelijkheid, en hun het vloeken +afgeleerd.<a name='FNanchor_204_204'></a><a href='#Footnote_204_204'><sup>[204]</sup></a> Hij is een ijverig voorstander van den edelen, kuischen +vrouwendienst; hij eert allen om eene, en sticht de orde "de l'écu verd +à la dame blanche", ter verdediging der vrouwen, wat hem den lof schonk +van Christine de Pisan.<a name='FNanchor_205_205'></a><a href='#Footnote_205_205'><sup>[205]</sup></a> Te Genua, waar hij in 1401 het bestuur +kwam voeren voor Karel VI, beantwoordde hij eens hoffelijk de révérences +van twee dames, die hij ontmoette. "Monseigneur," zei zijn schildknaap, +"qui sont ces deux femmes à qui vous avez si grans reverences +faictes?"—"Huguenin, dit-il, je ne sçay". Lors luy dist: "Monseigneur, +elles sont filles communes".—"Filles communes, dist-il, Huguenin, +j'ayme trop mieulx faire reverence à dix filles communes que avoir +failly à une femme de bien."<a name='FNanchor_206_206'></a><a href='#Footnote_206_206'><sup>[206]</sup></a>—In zijn devies "Ce que vous +vouldrez"<a name='112'></a> kan men evengoed den dolenden ridder hooren, die zijn trouw +aan zijn dame wijdt, als den renaissance-mensch, die zich overgeeft aan +het leven, zooals het tot hem komt.</p> + +<p>Zoo is het schoone beeld van den ridder. Weliswaar blijkt uit andere +gegevens, dat de werkelijke Boucicaut er niet in alle opzichten aan kan +hebben beantwoord: hij deelde de gewelddadigheid en de geldzucht, in +zijn stand zoo gewoon.<a name='FNanchor_207_207'></a><a href='#Footnote_207_207'><sup>[207]</sup></a></p> + +<p>In een geheel andere nuance ziet men den modelridder in den +biografischen roman over Jean de Bueil, <i>Le Jouvencel</i>. Deze kapitein, +die onder het vaandel van Jeanne Darc gestreden had, later gemengd was +in den opstand der Praguerie en den oorlog "du bien public", en in 1477 +stierf, heeft, in ongenade bij den koning, omstreeks 1465 aan drie van +zijn dienaren een verhaal van zijn leven geïnspireerd, getiteld <i>Le +Jouvencel</i>.<a name='FNanchor_208_208'></a><a href='#Footnote_208_208'><sup>[208]</sup></a> In tegenstelling met het leven van Boucicaut, waarin +de historische vorm een romantischen geest bergt, draagt <i>Le Jouvencel</i> +bij een gefingeerden vorm een sterk reëel karakter, althans in het +eerste gedeelte. Het staat misschien in verband met het veelvoudig +auteurschap, dat het werk verderop verloopt in een bloemzoete romantiek. +Daar is de gruwelijke tocht van de Fransche krijgsbenden op Zwitsersch +gebied in 1444, en de slag bij Sankt Jakob an der Birs, waar de boeren +van het Bazelsche land hun Thermopylae vonden, vermomd in den ijdelen +opschik van een afgezaagd bedenksel van herderlijke min.</p> +<a name='113'></a> +<p>In sterk contrast daarmee geeft het eerdere gedeelte van <i>Le Jouvencel</i> +van de werkelijkheid van den toenmaligen krijg een beeld zoo sober en +echt, als nauwelijks elders te vinden is. Ook deze auteurs spreken +overigens niet van Jeanne Darc, met wie hun meester toch in +wapenbroederschap had gestaan; het zijn zijn eigen heldendaden, die zij +verheerlijken. Doch hoe goed moet deze hun zijn krijgsbedrijf verteld +hebben. Hier kondigt zich de geest van het militaire Frankrijk aan, dat +later de figuren van den mousquetaire, den grognard en den poilu zal +opleveren. Den ridderlijken opzet verraadt alleen de aanhef, die de +jonge lieden aanspoort, uit dit geschrift het leven in de wapenen te +leeren, dat hen waarschuwt tegen hoogmoed, nijd en hebzucht. Zoowel het +vrome als het amoureuze element van Boucicaut ontbreken in het eerste +gedeelte van <i>Le Jouvencel</i>. Wat ons hier tegen komt, is de armzaligheid +van den oorlog, zijn ontberingen en de frissche moed om gebrek te lijden +en gevaren te bestaan. Een slotvoogd verzamelt zijn garnizoen en telt +maar vijftien paarden, magere beestjes, de meesten zijn onbeslagen. Hij +zet twee mannen op elk, maar ook van de mannen zijn de meesten eenoogig +of kreupel. Om de kleeren van den kapitein te kunnen verstellen, gaat +men de wasch van den vijand buitmaken. Een geroofde koe wordt den +vijandelijken kapitein op zijn verzoek hoffelijk teruggegeven. In de +beschrijving van een nachtelijken tocht over de velden ademt de +nachtlucht en de stilte u tegen.<a name='FNanchor_209_209'></a><a href='#Footnote_209_209'><sup>[209]</sup></a> In <i>Le Jouvencel</i> ziet men het +riddertype overgaan in dat van den nationalen militair: de held van het +boek laat de arme gevangenen vrij,<a name='114'></a> mits zij goed-fransch worden. Tot +hooge waardigheden gekomen, verlangt hij terug naar dat leven van +avontuur en vrijheid.</p> + +<p>Zulk een realistisch riddertype (overigens, gelijk gezegd, in het werk +zelf niet ten einde toe volgehouden) kon de Bourgondische litteratuur, +veel ouderwetscher, veel solemneeler en meer in de feodale vormen bekneld +dan de zuiver Fransche, nog niet opleveren. Jacques de Lalaing is naast +le Jouvencel een antieke curiositeit, naar het cliché van oudere dolende +ridders als Gillon de Trazegnies beschreven. Het boek van de daden van +dezen vereerden held der Bourgondiërs spreekt meer van romantische +tournooien dan van den echten krijg.<a name='FNanchor_210_210'></a><a href='#Footnote_210_210'><sup>[210]</sup></a></p> + +<p>De psychologie van den oorlogsmoed is wellicht vroeger noch later zoo +eenvoudig en treffend uitgedrukt als in de volgende woorden van <i>Le +Jouvencel</i>:<a name='FNanchor_211_211'></a><a href='#Footnote_211_211'><sup>[211]</sup></a> "C'est joyeuse chose que la guerre.... On s'entr'ayme +tant à la guerre. Quant on voit sa querelle bonne et son sang bien +combatre, la larme en vient à l'ueil. Il vient une doulceur au cueur de +loyaulté et de pitié de veoir son amy, qui si vaillamment expose son +corps pour faire et acomplir le commandement de nostre createur. Et +puis on se dispose d'aller mourir ou vivre avec luy, et pour amour ne +l'abandonner point. En cela vient une délectation telle que, qui ne l'a +essaiié, il n'est homme qui sceust dire quel bien c'est. Pensez-vous +que homme qui face cela craingne la mort? Nennil; car il est tant +reconforté, il est si ravi, qu'il ne scet où il est. Vraiement il n'a +paour de rien."</p> + +<p>Dit kon evengoed gezegd zijn door den modernen soldaat als door een +ridder der vijftiende eeuw.<a name='115'></a> Het heeft met het ridderlijk ideaal als +zoodanig niets te maken. Het vertoont den gevoelsgrond van den zuiveren +strijdmoed zelf: de huiverende uittreding uit het enge egoïsme in de +aandoening van het levensgevaar, de ontzaglijke verteedering over de +dapperheid van den makker, den wellust van de trouw en de +zelfopoffering. Deze primitieve ascetische aandoening is de basis, +waarop het ridderideaal is opgebouwd tot een edele verbeelding van +mannelijke volmaaktheid, nauw verwant aan de Grieksche kalokagathia, +een hevige aspiratie naar schoon leven, de energische bezieling van +een reeks van eeuwen ... en ook het masker, waarachter een wereld van +baatzucht en geweld zich hullen kon.</p> + +<p>Overal waar het ridderideaal het zuiverst beleden wordt, valt de nadruk +op het ascetische element ervan. In zijn eersten opbloei paarde het zich +ongedwongen, noodwendig zelfs, aan het monniksideaal: in de geestelijke +ridderorden uit den kruistochtentijd. En waar de werkelijkheid steeds +het ideaal gruwelijk logenstrafte, week het naar de sferen der +verbeelding: de dolende ridder is evenals de Tempelier vrij van aardsche +banden en arm. Dat ideaal van den edelen strijder zonder bezittingen, +zegt William James, beheerscht nog "sentimentally if not practically, +the military and aristocratic view of life. We glorify the soldier as +the man absolutely unincumbered. Owning nothing but his bare life, and +willing to toss that up at any moment when the cause commands him, he is +the representative of unhampered freedom in ideal directions."<a name='FNanchor_212_212'></a><a href='#Footnote_212_212'><sup>[212]</sup></a></p> +<a name='116'></a> +<p>De verbindingen van het ridderideaal met hooge elementen van het +godsdienstig bewustzijn: medelijden, rechtvaardigheid, trouw, zijn dus +geenszins kunstmatig of oppervlakkig. Toch zijn het niet deze, die de +ridderschap tot den schoonen levensvorm bij uitnemendheid maken. En ook +haar onmiddellijke wortels in den mannelijken strijdmoed hadden haar +daartoe niet kunnen verheffen, als niet vrouwenliefde de brandende gloed +was geweest, die aan dat complex van gevoel en idee de levenswarmte gaf.</p> + +<p>De diepe trek van askese, van moedige zelfopoffering, die het +ridderideaal eigen is, hangt met den erotischen grond van die +levenshouding ten nauwste samen, is misschien slechts de ethische +verwerking van onbevredigd verlangen. De vormgeving, de styleering van +het liefdeverlangen beperkt zich volstrekt niet tot de litteratuur. Zij +vindt evengoed een ruim veld om zich te ontplooien in de levensvormen +zelf: hoofschen omgang, gezelschapsspel, scherts en sport. Ook daar +wordt de liefde voortdurend gesublimeerd en geromantiseerd; het leven +volgt daarin de litteratuur na, maar deze leert tenslotte toch alles van +het leven. Het ridderlijke aspect der liefde is in den grond niet in de +litteratuur maar in het leven opgekomen. In de werkelijke +levensverhoudingen was het motief van den ridder en de geliefde gegeven.</p> + +<p>De ridder en de geliefde, de held om liefde, is het meest primaire, +onveranderlijke romantische motief, dat overal opnieuw weer ontspringt +en ontspringen zal. Het is de meest onmiddellijke omzetting van de +zinnelijke drift in een ethische of quasi-ethische zelfverloochening. +Zij ontspringt direct uit de behoefte, om ten aanschouwe van de vrouw +zijn moed te toonen, gevaar te loopen en sterk te zijn, te lijden en +te bloeden,<a name='117'></a> die iedere jongen van zestien jaar kent. De uiting en de +vervulling van het verlangen, die onbereikbaar schijnen, worden +vervangen en opgeheven door de heldendaad uit liefde. Daarmee is +terstond de dood als alternatief der vervulling gesteld, de bevrediging +om zoo te zeggen naar beide zijden verzekerd.</p> + +<p>Maar de droom van de heldendaad uit liefde, die nu het smachtend hart +vult en bedwelmt, groeit en woekert als een welige plant. Het eerste +eenvoudige thema heeft spoedig uitgewerkt; de geest vraagt nieuwe +verbeeldingen op hetzelfde thema. En de passie zelf dringt sterker +kleuren op aan den droom van lijden en verzaking. De heldendaad moet +bestaan in de bevrijding of redding van de vrouw zelf uit het +dreigendste gevaar. Daarmee is een feller prikkel aan het +oorspronkelijke motief toegevoegd. Eerst is het het subject zelf, dat +lijden wil voor de vrouw; maar spoedig paart zich daaraan de wensch, +om de begeerde zelf uit lijden te redden. Of in den grond die redding +altijd is te herleiden tot de redding der maagdelijkheid, het weren van +den andere dus, de bewaring van de vrouw voor zich? In ieder geval is +daarmee het ridderlijk-erotische motief bij uitnemendheid gegeven: de +jonge held, die de maagd bevrijdt. De belager moge bij wijlen een +argelooze draak zijn, het sexueele moment ligt toch steeds onmiddellijk +eronder. Hoe naïef-oprecht spreekt het bij voorbeeld in de bekende +schilderij van Burne Jones, waar de moderne damesfiguur van het meisje +juist door haar kuischheid de onmiddellijkste sensualiteit verraadt.</p> + +<p>De bevrijding van de maagd is het meest oorspronkelijke en altijd jonge +romantische motief. Hoe is het mogelijk, dat een thans verouderde +mythenverklaring er de weergave van een natuurphenomeen in heeft gezien, +<a name='118'></a>terwijl de onmiddellijkheid van de gedachte dagelijks door ieder kan +worden beproefd! In de litteratuur moge het bij wijlen wegens overmatige +herhaling een tijdlang worden vermeden, telkens komt het motief weer in +nieuwe vormen op, bij voorbeeld in de bioscoop-cowboy-romantiek. En in +het persoonlijke liefdedenken buiten de litteratuur blijft het +ongetwijfeld altijd even sterk.</p> + +<p>Het is moeilijk te bepalen, in hoeverre in de voorstelling van den +held-minnaar het mannelijk en in hoeverre het vrouwelijk aspect der +liefde zich openbaart. In het algemeen komt in de verbeelding der liefde +tot cultuurvorm bijna uitsluitend de mannelijke opvatting tot +uitdrukking, althans tot in zeer jongen tijd. Het gezicht der vrouw op +de liefde blijft altijd omsluierd en verborgen; het is teerder en dieper +geheim. En het behoeft niet de romantische sublimeering tot het +heldhaftige, want door zijn karakter van overgave en zijn onverbrekelijken +samenhang met het moederschap verheft het zich van zelf reeds zonder +fantazie van dapperheid en opoffering boven het zelfzuchtig-erotische. +Niet alleen omdat de mannen de litteratuur gemaakt hebben, ontbreekt de +vrouwelijke liefdesuitdrukking grootendeels, maar ook omdat voor de +vrouw in de liefde het litteraire veel minder onmisbaar is.</p> + +<p>De figuur van den edelen redder, die om der wille van de geliefde lijdt, +is de voorstelling van den man, zooals hij zich zelf zien wil. De +spanning van zijn bevrijdersdroom wordt verhoogd, doordat hij onbekend +optreedt, en eerst na de heldendaad wordt herkend. In deze onbekendheid +van den held ligt voorzeker ook een van de vrouwelijke liefdeverbeelding +uitgegaan romantisch motief.<a name='119'></a> In de geheele apotheose van mannelijke +kracht en moed in den vorm van den strijder te paard vloeien de +vrouwelijke behoefte aan krachtvereering en de mannelijke physieke +hoogmoed samen.</p> + +<p>De middeleeuwsche samenleving heeft met een jongensachtige +onverzadelijkheid deze primitief-romantische motieven gecultiveerd. +Terwijl de hoogere litteratuurvormen zich hebben verfijnd tot ijler en +soberder, of geestiger en nog prikkelender uitdrukking van het +verlangen, blijft de ridderroman zich altijd weer verjongen en behoudt +met zijn eindeloos herhaalde uitwerking van het romantische geval een +bekoring, die ons schier onbegrijpelijk is. Wij wanen den tijd lang +ontgroeid aan die kinderlijke fantazieën, en noemen Froissart's +<i>Méliador</i> of de <i>Perceforest</i>, de nabloeiers der ridderlijke +avontuurverhalen, anachronismen in hun tijd. Zij zijn het evenmin als de +sensatieroman het heden ten dage is; alleen dit alles is geen zuivere +litteratuur, maar om zoo te zeggen toegepaste kunst. Het is de behoefte +aan modellen voor de erotische verbeelding, die steeds weer die +litteratuur levend houdt en vernieuwt. Midden in de Renaissance herleven +ze immers in de Amadis-romans. Wanneer nog na het midden der zestiende +eeuw De la Noue ons kan verzekeren, dat de Amadis-romans een "esprit de +vertige" teweegbrachten onder het geslacht, dat toch de staling van +Renaissance en Humanisme had ondergaan, hoe groot moet dan de romantische +ontvankelijkheid zijn geweest in het bij uitstek ongeëquilibreerde +geslacht van 1400!</p> + +<p>De zinsverrukking van de liefdesromantiek was niet in de eerste plaats +om lezende ondergaan te worden, maar om gespeeld en aanschouwd te +worden. Er zijn twee vormen,<a name='120'></a> waarin dat spel kan gebeuren: de +dramatische vertooning en de sport. In de Middeleeuwen is de laatste +verreweg het voornaamste. Het drama was nog grootendeels gevuld met +andere, heilige stof; bij uitzondering behandelt het nog het romantische +geval. De middeleeuwsche sport daarentegen, en dat is in de eerste +plaats het tournooi, was zelf in hooge mate dramatisch en tegelijk van +een sterk erotisch gehalte. De sport behoudt te allen tijde zulk een +dramatisch en een erotisch element: in een hedendaagschen roei- of +voetbalwedstrijd zit veel meer van de gevoelswaarden van een +middeleeuwsch tournooi, dan den athleten en toeschouwers zelf misschien +bewust is. Maar terwijl de moderne sport teruggekeerd is tot +natuurlijken, bijna Griekschen eenvoud en schoonheid, is het +middeleeuwsche, althans het laat-middeleeuwsche tournooi, een met +versiering overladen, zwaar gedrapeerde sport, waarin het dramatisch en +romantisch element zóo opzettelijk is uitgewerkt, dat het de functie van +het drama zelf regelrecht vervult.</p> + +<p>De latere Middeleeuwen zijn een van die eindperioden, waarin het +cultuurleven der hoogere kringen bijna geheel tot gezelschapsspel is +geworden. De werkelijkheid is hevig, hard en wreed; men herleidt haar +tot den schoonen droom van het ridderideaal en bouwt daarop het +levensspel. Men speelt met het masker van Lancelot voor; het is een +reusachtig zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen +worden, doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt. In de +geheele ridderlijke cultuur der vijftiende eeuw is een labiel evenwicht +tusschen sentimenteelen ernst en luchtigen spot, dat eerst omslaat naar +de parodie in dien blij en hoog levenden kring van Lorenzo's hof: in +Pulci's <i>Morgante</i>.</p> +<a name='121'></a> +<p>Bij de Franschen van een halve eeuw vroeger overweegt nog de ernst. +In den edelen Boucicaut, litterair type van den modelridder, is de +romantische grond van het ridderlijke levensideaal nog zoo sterk als +bij wien ook. De liefde, zegt hij, is het, die het sterkst in de jonge +harten de begeerte naar het edele ridderlijke strijdbejag doet groeien. +Hij zelf dient zijn dame in de oude hoofsche vormen: "toutes servoit, +toutes honnoroit pour l'amour d'une. Son parler estoit gracieux, +courtois et craintif devant sa dame."<a name='FNanchor_213_213'></a><a href='#Footnote_213_213'><sup>[213]</sup></a></p> + +<p>Er is voor ons een bijna onbegrijpelijk contrast tusschen de litteraire +levenshouding van een man als Boucicaut en de bittere werkelijkheid van +zijn loopbaan. Hij was als handelende en leidende figuur voortdurend +werkzaam in de hardste staatkunde van zijn tijd. In 1388 doet hij een +eerste politieke reis naar het Oosten. Op dien tocht kort hij zich den +tijd, door met twee of drie wapenbroeders: Philippe d'Artois, diens +seneschalk en een zekeren Cresecque, een dichterlijke verdediging te +geven van de edele, trouwe minne, zooals zij den volmaakten ridder +betaamt: <i>Le livre des Cent ballades</i>.<a name='FNanchor_214_214'></a><a href='#Footnote_214_214'><sup>[214]</sup></a> Goed, waarom niet? Maar +zeven jaren later, wanneer hij als mentor van den jongen hertog van +Nevers (later Jan zonder Vrees) het roekelooze ridderavontuur heeft +meegemaakt van den krijgstocht tegen sultan Bajazid: wanneer hij de +ontzettende ramp van Nicopolis heeft beleefd, waar al zijn drie vroegere +dichtgezellen het leven verloren,<a name='122'></a> wanneer hij de krijgsgevangen +adellijke jeugd van Frankrijk voor zijn oogen heeft zien slachten, zou +men dan een ernstig krijgsman niet bekoeld wanen voor dat hoofsche spel +en dien ridderlijken waan? Het moest hem leeren, dunkt ons, de wereld +niet langer door dat gekleurde glaasje te zien. Doch neen, ook verder +blijft zijn zin aan het cultiveeren van de ouderwetsche ridderlijkheid +gewijd, getuige zijn stichting van de orde "de la dame blanche a l'escu +verd", ter verdediging van verdrukte vrouwen, waarmee hij partij koos in +het fraaie tijdverdrijf van den litterairen strijd tusschen het strenge +en het frivole liefdesideaal, die sedert 1400 de Fransche hofkringen +opwond.</p> + +<p>De gansche aankleeding van de edele liefde in litteratuur en +gezelschapsleven schijnt ons dikwijls ondragelijk fade en louter +belachelijk. Het is het lot van elken romantischen vorm, die als +instrument der passie versleten is. In het werk der velen, de +gekunstelde versjes, de kostbaar gearrangeerde tournooien, heeft de +passie uitgeklonken; zij klinkt enkel nog door de stem van de zeer +enkelen. Maar welke beteekenis al dat werk, als litteratuur of kunst +minderwaardig, gehad heeft als levenstooi, als gevoelsuitdrukking, kan +men enkel beseffen door de levende passie zelf er weer in te blazen. +Wat helpt bij het lezen der minnedichten en tournooibeschrijvingen alle +kennis en levendige voorstelling der historische détails, zonder het +zien van de oogen, licht en duister, onder de meeuwenvlucht der +wenkbrauwen en de smalle voorhoofden, die al eeuwen tot stof zijn +geworden, en die eenmaal belangrijker zijn geweest dan al de +litteratuur, die als puin blijft opgehoopt?</p> + +<p>Thans kan slechts meer een toevallig glimplicht ons even de +gepassioneerde beteekenis van die cultuurvormen duidelijk doen zien. +<a name='123'></a>In het gedicht <i>Les voeux du héron</i> spreekt Jan van Beaumont, tot het +afleggen van zijn ridderlijke strijdgelofte aangespoord:</p> + +<div class='poem'> "Quant sommes ès tavernes, de ces fors vins buvant, +<span>Et ces dames delès (naast ons) qui nous vont regardant,<br /></span> +<span>A ces gorgues polies, ces coliés tirant,<br /></span> +<span>Chil oeil vair resplendissent de biauté souriant.<br /></span> +<span>Nature nous semont d'avoir coeur désirant,<br /></span> +<span>... Adonc conquerons-nous Yaumont et Agoulant<a name='FNanchor_215_215'></a><a href='#Footnote_215_215'><sup>[215]</sup></a><br /></span> +<span>Et li autre conquierrent Olivier et Rollant.<br /></span> +<span>Mais, quant sommes as camps sus nos destriers courans,<br /></span> +<span>Nos escus à no col et nos lansses bais(s)ans,<br /></span> +<span>Et le froidure grande nous va tout engelant,<br /></span> +<span>Li membres nous effondrent, et derrière et devant.<br /></span> +<span>Et nos ennemis sont envers nous approchant,<br /></span> +<span>Adonc vorrièmes estre en un chélier (kelder) si grant<br /></span> +<span>Que jamais ne fussions veu tant ne quant."<a name='FNanchor_216_216'></a><a href='#Footnote_216_216'><sup>[216]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>"Hélas—schrijft Philippe de Croy uit Karel de Stoute's kamp voor +Neuss—, où sont dames pour nous entretenir, pour nous amonester de bien +faire, ne pour nous enchargier emprinses, devises, volets ne guimpes!" +<a name='FNanchor_217_217'></a><a href='#Footnote_217_217'><sup>[217]</sup></a></p> + +<p>In het dragen van den sluier of het kleed van de geliefde vrouw, die den +geur van het haar en het lichaam overbrengt, openbaart zich het +erotische moment van het ridderlijke tournooi zoo onmiddellijk mogelijk. +In de opwinding van het gevecht schenken de vrouwen den eenen tooi na +den anderen weg: als het spel is afgeloopen, zitten zij blootshoofds,<a name='124'></a> +zonder mouwen.<a name='FNanchor_218_218'></a><a href='#Footnote_218_218'><sup>[218]</sup></a> Het is tot een motief van scherpe prikkeling +uitgewerkt in een sproke uit de tweede helft der dertiende eeuw, <i>Van de +drie ridders en het hemd</i>.<a name='FNanchor_219_219'></a><a href='#Footnote_219_219'><sup>[219]</sup></a> Een dame, wier echtgenoot niet tot den +strijd geneigd maar overigens vol edele largesse is, zendt aan de drie +ridders, die haar in minne dienen, haar hemd, om in het steekspel, dat +haar man geven zal, het als wapenrok te dragen, zonder pantser of andere +bedekking dan alleen helm en beenstukken. De eerste en tweede ridder +schrikken ervoor terug. De derde, die arm is, neemt het hemd 's nachts +in zijn armen en kust het hartstochtelijk. In het steekspel verschijnt +hij met het hemd als wapenrok, zonder pantser daaronder; het wordt +verscheurd en met zijn bloed bevlekt; hij wordt zwaar gewond. Men +bemerkt zijn buitengewone dapperheid en schenkt hem den prijs; de dame +schenkt hem haar hart. Nu eischt de minnaar de tegendaad. Hij zendt haar +het bloedige hemd terug, om het zóo als het is over haar kleederen te +dragen bij het feestmaal, dat het tournooi besluit. Zij omhelst het +teeder en verschijnt in het bloedige kleedingstuk; de meesten laken +haar, de echtgenoot is verlegen, en de verteller vraagt: wie van de +beide minnenden deed het meest voor den ander?</p> + +<p>De sfeer van passie, waarin het tournooi enkel zijn beteekenis had, +verklaart ook de beslistheid, waarmee de kerk sedert lang het gebruik +bestreed. Dat zij inderdaad aanleiding werden tot geruchtmakend +overspel, getuigt bij voorbeeld van een tournooi van 1389 de monnik<a name='125'></a> +van Saint Denis en op zijn gezag Jean Juvenal des Ursins.<a name='FNanchor_220_220'></a><a href='#Footnote_220_220'><sup>[220]</sup></a> Het +kerkelijke recht had ze sinds lang verboden: aanvankelijk ingesteld +voor oefening in den strijd, heette het, waren ze wegens misbruiken +onduldbaar geworden.<a name='FNanchor_221_221'></a><a href='#Footnote_221_221'><sup>[221]</sup></a> De moralisten misprezen ze.<a name='FNanchor_222_222'></a><a href='#Footnote_222_222'><sup>[222]</sup></a> Petrarca +vroeg pedant: waar leest men, dat Cicero en Scipio tournooien gehouden +hebben? En de burger haalde de schouders op: "prindrent par ne sçay +quelle folle entreprinse champ de bataille" zegt de burger van Parijs +<a name='FNanchor_223_223'></a><a href='#Footnote_223_223'><sup>[223]</sup></a> van een befaamd tournooi.</p> + +<p>De adellijke wereld daarentegen vat alles, wat tournooi en ridderlijke +wedkamp is, op met een gewichtigheid, die door geen modern sportbedrijf +wordt geëvenaard. Zooals nog kort geleden vorstelijke wansmaak +gedenksteenen oprichtte op de plek, waar de hooge jager zijn duizendste +slachtoffer had neergelegd, zoo stichtte de vijftiende eeuw +gedenkteekens aan beroemde ridderlijke tweegevechten. Bij Saint Omer +herinnerde "la Croix Pélerine" aan den kamp van Hautbourdin, den +bastaard van Saint Pol, met een Spaanschen ridder tijdens den verwaarden +Pas d'armes de la Pélerine. Nog een halve eeuw later ging Bayard vóór +een tournooi dat kruis als in bedevaart vromelijk bezoeken.<a name='FNanchor_224_224'></a><a href='#Footnote_224_224'><sup>[224]</sup></a> De +decors en de plunje, die gediend hadden bij den Pas d'armes de la +Fontaine des Pleurs werden na afloop van het feest plechtig opgedragen +aan Onze Lieve Vrouw van Boulogne en in de kerk opgehangen.<a name='FNanchor_225_225'></a><a href='#Footnote_225_225'><sup>[225]</sup></a></p> + +<p>De middeleeuwsche vechtsport onderscheidt zich, gelijk zooeven reeds +aangeduid werd,<a name='126'></a> van de Grieksche en de moderne athletiek door haar veel +geringer natuurlijkheid. Zij heeft tot verhooging van den prikkel van +den kamp dien van aristocratische trots en eer, dien van het +romantisch-erotische en dien van den kunstvaardigen pronk. Zij is +overladen met praal en versiering, gevuld met bonte fantazie. Het is +behalve spel en lichaamsoefening nog bovendien toegepaste litteratuur. +De wensch en de droom van het dichtende hart zoeken een dramatische +voorstelling, een gespeelde vervulling in het leven zelf. Het werkelijke +leven was niet schoon genoeg, het was hard, wreed en valsch; er was in +de hof- en militaire carrière luttel plaats voor de sentimenten van +moed-om-liefde, maar de ziel is er vol van, men wil ze beleven en schept +zich een schooner leven van kostbaar spel. Het element van echten moed +is voorzeker in het ridderlijk tournooi niet van geringer waarde dan in +het pentathlon. Juist het uitgesproken erotisch karakter eischte +bloedige felheid. In zijn motieven is het tournooi het naast verwant aan +de wedstrijden van het oud-indische epos; ook in het Mahâbhârata is de +strijd om de vrouw de centrale gedachte.</p> + +<p>De fantazie, waarmee het vechtspel werd aangekleed, was die van de +Artur-romans, dat wil zeggen de kinderlijke verbeeldingen van het +sprookje: het droomavontuur met zijn verschuiving der afmetingen in +reuzen en dwergen, verbonden aan het sentimentalisme der hoofsche +liefde.</p> + +<p>Voor een Pas d'armes der vijftiende eeuw wordt een fictief romantisch +geval kunstig opgebouwd. Het middelpunt is een romandécor met een +treffenden naam: la fontaine des pleurs, l'arbre Charlemagne.<a name='127'></a> De bron +wordt opzettelijk gebouwd.<a name='FNanchor_226_226'></a><a href='#Footnote_226_226'><sup>[226]</sup></a> Gedurende een geheel jaar zal een +ongenoemde ridder ieder eersten van de maand voor de bron een tent +spannen, waarin een dame zit (het is een beeld), die een eenhoorn houdt, +welke drie schilden draagt. Elke ridder, die een der schilden aanraakt +of door zijn heraut laat aanraken, verbindt zich tot een bepaalden +tweekamp, waarvan de voorwaarden nauwkeurig worden omschreven in de +uitvoerige "chapitres", die tegelijk oproepingsbrief en reglement van +den wedstrijd zijn.<a name='FNanchor_227_227'></a><a href='#Footnote_227_227'><sup>[227]</sup></a> Het aanraken der schilden moet te paard +geschieden, waartoe de ridders steeds paarden ter beschikking zullen +vinden.</p> + +<p>Of wel: bij de Emprise du dragon houden vier ridders zich op een kruisweg +op; geen dame mag dien kruisweg voorbij zonder ridder, die voor haar twee +lansen breekt, of zij moet pand geven.<a name='FNanchor_228_228'></a><a href='#Footnote_228_228'><sup>[228]</sup></a> Inderdaad is het kinderlijke +pandverbeuren niet anders dan een lager vorm van hetzelfde overoude strijd- +en minnespel. Hoe duidelijk getuigt van die verwantschap niet een +voorschrift als dit artikel van de Chapitres de la Fontaine des pleurs: +wie in den kamp ter aarde wordt geworpen, moet een heel jaar een gouden +armband dragen met een slot, totdat hij de dame vindt, die er het +sleuteltje van heeft, en hem kan bevrijden, als hij haar zijn dienst +opdraagt. Elders weer is het geval gebaseerd op een reus, dien een dwerg +gevangen leidt, met een gouden boom erbij en een "dame de l'isle celée", +of op een "noble chevalier esclave et serviteur à la belle géande a la +blonde perruque, la plus grande du monde."<a name='FNanchor_229_229'></a><a href='#Footnote_229_229'><sup>[229]</sup></a> De onbekendheid van den +ridder is een vaste fictie;<a name='128'></a> hij heet "le blanc chevalier", "le chevalier +mesconnu", "le chevalier à la pélerine", of wel hij treedt op als een held +uit den roman en heet zwaanridder, of draagt het wapen van Lancelot, +Tristan of Palamedes.<a name='FNanchor_230_230'></a><a href='#Footnote_230_230'><sup>[230]</sup></a></p> + +<p>Meestal wordt over het geval een uiterlijk waas van melancholie +gespreid; la Fontaine des pleurs zegt het al in den naam; de schilden +zijn wit, violet en zwart, alle bezaaid met witte tranen; men raakt ze +aan uit medelijden met de "Dame de pleurs". Bij de Emprise du dragon +komt koning René in rouwend zwart (wel mocht hij), om het afscheid van +zijn dochter Margareta, die koningin van Engeland werd. Het paard is +zwart, met een rouwdekkleed, de lans is zwart, het schild is sabel met +zilveren tranen. Ook bij de Arbre Charlemagne zijn de schilden zwart +en violet met gouden en zwarte tranen.<a name='FNanchor_231_231'></a><a href='#Footnote_231_231'><sup>[231]</sup></a> Niet altijd echter is het +in den somberen toon gezet: een andermaal houdt de onverzadelijke +schoonheidsvriend koning René de Joyeuse garde bij Saumur. Veertig dagen +viert hij feest in het houten kasteel "de la joyeuse garde" met zijn +gemalin en dochter en met Jeanne de Laval, die zijn tweede echtgenoot +zou worden. Voor haar is heimelijk het feest bereid. Het kasteel is +opzettelijk gebouwd, geschilderd en getapisseerd; alles is in rood en +wit. Bij zijn Pas d'armes de la bergère is alles gestoffeerd in +herderstrant, de ridders en dames als herders en herderinnen met staf +en doedelzak, allen in grijs met goud en zilver.<a name='FNanchor_232_232'></a><a href='#Footnote_232_232'><sup>[232]</sup></a></p> +<a name='129'></a> +<p>Het groote spel van het schoone leven als droom van edelen moed en trouw +had niet alleen dien vorm van het kampgevecht. Er is een tweede vorm, +even belangrijk: de ridderorde. Al zou het niet gemakkelijk vallen, een +regelrecht verband te bewijzen, het kan voor niemand, die eenigszins +bekend is met de gebruiken van primitieve volken, twijfelachtig zijn, +dat evenzeer de ridderorde als het tournooi en de ridderwijding zelf hun +sterkste wortels hebben in heilige gebruiken van een verren voortijd. De +ridderslag is een ethisch en sociaal uitgewerkte puberteitsritus, het +aanleggen van de wapenen aan den jongen krijger. Het kampspel is als +zoodanig overoud, en eertijds vervuld van heilige beteekenis. De +ridderorde kan niet gescheiden worden van de mannenbonden der wilde +volken.</p> + +<p>Dit verband kan hier echter slechts als een onbewezen stelling +vooropgesteld worden; het is hier niet te doen om een ethnologische +hypothese te staven, maar om de ideeënwaarde van het vol-ontwikkelde +ridderwezen voor oogen te brengen; en dat in die waarde nog iets van die +primitieve elementen is overgebleven, wie zal het ontkennen?</p> + +<p>Weliswaar is in de ridderorde het christelijk element van de voorstelling +zoo sterk, dat ook een verklaring uit louter kerkelijke en politische, +zuiver middeleeuwsche grondslagen op zich zelf overtuigend zou kunnen +zijn, als men niet wist, dat algemeen verbreide, primitieve parallelen +als verklaringsgrond daarachter stonden.</p> +<a name='130'></a> +<p>De eerste ridderorden, de drie groote van het Heilige land en de drie +Spaansche, waren als een zuiverste belichaming van middeleeuwschen geest +ontsproten uit de verbinding van het monniks- en het ridderideaal, in +den tijd toen de strijd tegen den islam wonderlijke werkelijkheid was +geworden. Zij waren gegroeid tot groote staatkundige en economische +instellingen, ontzaglijke vermogenscomplexen en financieele machten. +Hun politieke nuttigheid had zoowel hun geestelijk karakter als het +ridderspel-element op den achtergrond gedrongen, en hun economische +verzadiging at weer hun politieke nuttigheid op. Toen de Tempeliers en +de Johanniters bloeiden en nog in het Heilige land zelf werkten, had +het ridderwezen een reëele politische functie vervuld, en waren de +ridderorden als 't ware vakorganisaties van groote beteekenis geweest.</p> + +<p>Doch in de veertiende en vijftiende eeuw was het ridderwezen enkel meer +hoogere levensvorm, en daarmee was ook in de ridderorden het element van +edel spel, dat in hun kern besloten lag, weer op den voorgrond gekomen. +Niet dat zij enkel spel waren geworden. Als ideaal zijn zij nog altijd +vervuld van hoog ethisch en politiek streven. Maar het is waan en droom, +ijdele plannenmakerij. De merkwaardige idealist Philippe de Mézières +ziet het heilmiddel der tijden in een nieuwe ridderorde, die hij de +Ordre de la passion heeft genoemd.<a name='FNanchor_233_233'></a><a href='#Footnote_233_233'><sup>[233]</sup></a> Hij wil er alle standen in +opnemen. Trouwens ook de groote ridderorden der kruistochten hadden zich +reeds de deelneming van niet-edelen ten nutte gemaakt. De adel zal den +grootmeester en de ridders leveren,<a name='131'></a> de geestelijkheid den patriarch en +zijn suffraganen, de poorters zullen broeders zijn en de landlieden en +handwerkers servanten. Zoo zal de orde een hechte samensmelting der +standen zijn voor het groote doel der Turkenbestrijding. Er zullen vier +geloften zijn. Twee zijn de oude, die monniken en geestelijke ridders +deelden: armoede en gehoorzaamheid. Maar voor het volstrekte celibaat +stelt Philippe de Mézières de echtelijke kuischheid in de plaats; hij +wilde het huwelijk veroorloven om de praktische redenen, dat het +Oostersche klimaat het eischte en dat de orde begeerlijker zou zijn. +De vierde gelofte, aan vroegere orden onbekend, is summa perfectio, de +hoogste individueele zedelijke volmaking. Zoo vloeiden hier in het bonte +beeld van een ridderorde al de idealen ineen, van politieke +plannenmakerij af tot het streven naar de verlossing toe.</p> + +<p>In het woord "Ordre" waren een menigte beteekenissen, van de hoogste +heiligheid tot het nuchterste groepsbesef, ongescheiden vereenigd. Het +beduidde zoowel maatschappelijken stand als priesterwijding, monniks- en +ridderorde. Dat inderdaad aan ordre in de beteekenis van ridderorde nog +iets van geestelijke waarde eigen was, blijkt uit het feit, dat men er +ook het woord religion voor gebruikte, dat men allicht tot de +kloosterorden beperkt zou wanen. Chastellain noemt het Gulden Vlies "une +religion", zooals hij 't ook een kloosterorde doet, en spreekt er altijd +van in den toon van een heilig mysterie.<a name='FNanchor_234_234'></a><a href='#Footnote_234_234'><sup>[234]</sup></a> Olivier de la Marche +spreekt van een Portugees als een "chevalier de la religion de Avys." +<a name='FNanchor_235_235'></a><a href='#Footnote_235_235'><sup>[235]</sup></a> En niet alleen de eerbiedige sidderingen van den pompeuzen +<a name='132'></a>Polonius Chastellain getuigen van den vromen inhoud van het Gulden +Vlies; in het geheele ritueel der orde nemen kerkgang en mis een +overwegende plaats in: de ridders zitten in kanunnikstoelen, de ernstige +cultus van de afgestorven leden beweegt zich geheel in kerkelijke sfeer.</p> + +<p>Geen wonder dus, dat het lidmaatschap van een ridderorde gevoeld wordt +als een sterke, heilige band. De ridders van de Sterorde van koning Jan +II zijn verplicht, andere orden, waartoe zij mochten behooren, zoo +mogelijk prijs te geven.<a name='FNanchor_236_236'></a><a href='#Footnote_236_236'><sup>[236]</sup></a> De hertog van Bedford wil aan den jongen +Philips van Bourgondië de orde van den kouseband opdringen, om hem +daardoor vaster aan Engeland te binden, maar de Bourgondiër begrijpt, +dat hij dan voor altijd aan den Engelschen koning gebonden zal zijn, en +weet de eer beleefd te ontgaan.<a name='FNanchor_237_237'></a><a href='#Footnote_237_237'><sup>[237]</sup></a> Wanneer dan ook later Karel de +Stoute den kouseband wel aanneemt, en zelfs draagt, beschouwt Lodewijk +XI dit als een breuk van het verdrag van Péronne, dat den hertog +verbood, zonder 's konings toestemming een verbond met Engeland aan te +gaan.<a name='FNanchor_238_238'></a><a href='#Footnote_238_238'><sup>[238]</sup></a> Men kan de Engelsche gewoonte, om buitenlandsche orden niet +aan te nemen, beschouwen als een traditioneele rest van het besef, dat +de orde verplicht tot trouw aan den vorst, die haar schenkt.</p> + +<p>Ondanks die heiligheid voelt men toch den twijfel aan den ernst van al +die fraai opgezette vormen. Waartoe anders steeds weer die uitdrukkelijke +verzekeringen, dat het alles was voor hooge, wijdstrekkende doeleinden? +<a name='133'></a>Philips van Bourgondië, de edele hertog, heeft zijn Toison d'or gesticht, +zegt de rijmer Michault:</p> + +<div class='poem'> "Non point pour jeu ne pour esbatement +<span>Mais à la fin que soit attribuée<br /></span> +<span>Loenge à Dieu trestout premierement<br /></span> +<span>Et aux bons gloire et haulte renommée."<a name='FNanchor_239_239'></a><a href='#Footnote_239_239'><sup>[239]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Ook Guillaume Fillastre betoogt in den aanhef van zijn werk over het +Gulden Vlies, de beteekenis daarvan te zullen verklaren, opdat men +bevinde, dat de orde geen ijdelheid is of een zaak van weinig gewicht. +Uw vader, spreekt hij Karel den Stoute toe, "n'a pas, comme dit est, en +vain instituée ycelle ordre."<a name='FNanchor_240_240'></a><a href='#Footnote_240_240'><sup>[240]</sup></a></p> + +<p>Het was noodig, die hooge bedoelingen te accentueeren, wilde het Gulden +Vlies die eerste plaats veroveren, die de hoogmoed van Philips begeerde. +Want het stichten van ridderorden was sedert lang een ware mode. Ieder +vorst moest zijn orde hebben, zelfs aanzienlijke edelen bleven niet +achter. Daar is Boucicaut met zijn Ordre de la Dame blanche à l'escu +verd, ter verdediging van de hoofsche minne en van verdrukte vrouwen. +Daar is koning Jan met zijn Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison +(1351), gewoonlijk naar hun insigne de orde van de Ster genoemd. In het +Edele Huis te Saint Ouen bij Saint Denis hadden zij een "table d'oneur", +waaraan bij de plechtigheden moesten plaatsnemen de drie dapperste +prinsen, de drie dapperste baanroedsen (bannerets) en de drie dapperste +ridders (bachelers). Daar is Pierre de Lusignan met de orde van het +Zwaard, die van zijn leden een zuiver leven eischte en hun het zinrijk +symbool omhing van een gouden keten,<a name='134'></a> waarvan de letter S de schakels +vormde, en zij beduidde "silence". Daar was Amadeus van Savoie met de +Annonciade, Louis de Bourbon met het Gouden Schild, Coucy, die een +keizerskroon gehoopt had, met de omgekeerde Kroon, de Beiersche hertogen +van Holland-Henegouwen met hun Antonius-orde, het T-kruis met klokje, +dat op sommige portretten de aandacht trekt.<a name='FNanchor_241_241'></a><a href='#Footnote_241_241'><sup>[241]</sup></a></p> + +<p>Eustache Deschamps parodieert die zucht naar ridderorden met een Ordre +des fumeux, een Ordre de la baboue, een Ordre du collier, dat is de +strop.<a name='FNanchor_242_242'></a><a href='#Footnote_242_242'><sup>[242]</sup></a></p> + +<p>De oorzaak, dat het Gulden Vlies boven allen opgang heeft gemaakt, is +niet ver te zoeken. Het was de rijkdom der Bourgondiërs, die er achter +zat. Misschien droeg er ook de bijzondere praal toe bij, waarmee de orde +was uitgerust, en de gelukkige vinding van het symbool. Aanvankelijk was +bij het Gulden Vlies alleen aan dat van Colchis gedacht. De vertelling +van Jason was algemeen bekend; Froissart laat haar in een Pastourelle +door een herder verhalen.<a name='FNanchor_243_243'></a><a href='#Footnote_243_243'><sup>[243]</sup></a> Maar aan Jason als fabelheld was een +luchtje; hij had zijn trouw gebroken, en dit thema leende zich tot +onaangename toespelingen op de politiek der Bourgondiërs jegens +Frankrijk. Alain Chartier dichtte:</p> + +<div class='poem'> "A Dieu et aux gens detestable +<span>Est menterie et trahison,<br /></span> +<span>Pour ce n'est point mis à la table<br /></span> +<span>Des preux l'image de Jason,<br /></span> +<span>Qui pour emporter la toison<br /></span> +<span>De Colcos se veult parjurer.<br /></span> +<span>Larrecin ne se peult celer."<a name='FNanchor_244_244'></a><a href='#Footnote_244_244'><sup>[244]</sup></a><br /></span> +</div> +<a name='135'></a> +<p>Nu maakte Jean Germain, de geleerde bisschop van Chalons en kanselier +der orde, Philips opmerkzaam op het vlies, dat Gideon spreidde en waar +des hemels dauw op viel.<a name='FNanchor_245_245'></a><a href='#Footnote_245_245'><sup>[245]</sup></a> Het was een bijzonder gelukkige gedachte, +want dit vlies van Gideon was een der treffendste symbolen van de +bevruchting van Maria's schoot. Zoo verdrong de bijbelsche held den +heiden als patroon van het Gulden Vlies, zoodat Jacques du Clercq zelfs +kon beweren, dat Philips opzettelijk Jason niet gekozen had, omdat deze +zijn trouw brak.<a name='FNanchor_246_246'></a><a href='#Footnote_246_246'><sup>[246]</sup></a> "Gedeonis signa" noemt een lofdichter van Karel +den Stoute de orde,<a name='FNanchor_247_247'></a><a href='#Footnote_247_247'><sup>[247]</sup></a> maar anderen zooals de kroniekschrijver +Theodericus Pauli blijven spreken van Vellus Jasonis. De opvolger van +Jean Germain als kanselier der orde, bisschop Guillaume Fillastre, +overtrof zijn voorganger en vond in de heilige schrift nog vier vliezen +daarenboven: van Jacob, koning Mesa van Moab, Job en David.<a name='FNanchor_248_248'></a><a href='#Footnote_248_248'><sup>[248]</sup></a> Elk +daarvan liet hij een deugd verbeelden, en aan elk der zes zou hij een +boek wijden. Dit was ongetwijfeld "overdoing it"; Fillastre liet de +gevlekte schapen van Jacob als symbool van justitia figureeren;<a name='FNanchor_249_249'></a><a href='#Footnote_249_249'><sup>[249]</sup></a> +hij had eenvoudig alle plaatsen genomen, waar de Vulgaat het woord +"vellus" heeft, een merkwaardig staaltje van de gewilligheid der +allegorie.<a name='136'></a> Men vindt niet, dat zijn denkbeeld blijvend opgang heeft +gemaakt.</p> + +<p>De staatsie en plechtigheden van het Gulden Vlies zijn dikwijls genoeg +beschreven; ze hier te vermelden zou enkel stof toevoegen aan wat +hierboven in hoofdstuk II over den praal van het hofleven is gezegd. Een +enkele trek uit de gebruiken der orde verdient hier vermelding, omdat +hij zoo sterk het karakter van een primitief en heilig spel suggereert. +Behalve de ridders telt de orde haar ambtenaren: den kanselier, den +tresorier, den griffier, en voorts den wapenkoning met zijn staf van +herauten en poursuivants. Deze laatste groep, meer in het bijzonder +belast met het dienen van het edele ridderspel, draagt symbolische +namen. De wapenkoning zelf heet Toison d'or, zoo Jean Lefèvre de Saint +Remy, zoo nog Nicolaas de Hames, bekend van het Verbond der edelen in +1565. De herauten dragen landnamen: Charolais, Zélande. De eerste der +poursuivants heet Fusil, naar den vuurslag in de ordeketen, het embleem +van Philips den Goede. De anderen dragen namen van romantischen klank +als Montreal, of van deugden als Persévérance, of namen ontleend aan de +allegorie van den Roman de la rose, als Humble Requeste, Doulce Pensée, +Léal Poursuite. Bij de groote feesten worden zulke poursuivants plechtig +door een besprenkeling met wijn met die namen gedoopt door den +grootmeester, of wel hij verandert hun namen bij hun verheffing tot +hoogeren rang.<a name='FNanchor_250_250'></a><a href='#Footnote_250_250'><sup>[250]</sup></a></p> +<a name='137'></a> +<p>De geloften, die de ridderorde oplegt, zijn slechts een vaste, +collectieve vorm van de persoonlijke ridderlijke gelofte, om een of +ander heldenstuk te volbrengen. Dit is wellicht het punt, waar men de +grondslagen van het ridderideaal het best in hun samenhang ziet. Wie +geneigd mocht zijn, het verband van ridderslag, tournooi en ridderorde +met primitieve gebruiken voor een inval te houden, vindt bij de +ridderlijke gelofte het barbaarsche karakter zoo aan de oppervlakte, +dat geen twijfel mogelijk is. Het zijn echte survivals, waarvoor de +parallellen te vinden zijn in het oud-indische <i>vratam</i>, in het +Nazireeërschap der Joden, en het meest onmiddellijk wellicht in de +gewoonten der Noormannen uit hun sagentijd.</p> + +<p>Hier evenwel is niet het ethnologische vraagstuk aan de orde, maar de +vraag, welke waarde die geloften hadden in het laat-middeleeuwsche +geestesleven zelf. Er zijn drie waarden mogelijk: een godsdienstig- +ethische, een romantisch-erotische en een hoofsch-speelsche. Alle drie +zijn ongescheiden aanwezig; het denkbeeld der gelofte schommelt tusschen +de hoogste levenswijding in dienst van het ernstigste ideaal en den +ijdelsten spot over het kostbare gezelschapsspel, dat met moed en liefde +en staatsbelang zich maar wat vermaakt. Het spel-element overweegt; de +geloften zijn goeddeels opluistering geworden van het hoffeest. Toch +worden zij nog altijd verbonden aan de ernstigste oorlogsondernemingen: +den inval van Eduard III in Frankrijk, het kruistochtplan van Philips +den Goede.</p> + +<p>Hier geldt hetzelfde als bij de tournooien: zoo smakeloos en versleten +als ons de opgemaakte romantiek der Pas d'armes scheen, zoo ijdel en +leugenachtig schijnen ons die "voeux du faisan".<a name='138'></a> Tenzij ook hier ons de +passie zelf bewust is, die dit alles heeft vervuld. Het is de droom van +het schoone leven, zoo goed als de feesten en de vormen van het +Florentijnsche leven van Cosimo en Lorenzo die droom zijn geweest. +Daar in Italië is hij bezonken in eeuwige schoonheid, hier is zijn +betoovering vervlogen met de menschen, die hem droomden.</p> + +<p>De verbinding van askese en erotiek, die ten grondslag ligt aan de +fantazie van den held, die de maagd bevrijdt, of voor haar bloedt, het +kernmotief van de tournooi-romantiek, vertoont zich in anderen vorm en +bijna nog onmiddellijker gedaante bij de ridderlijke gelofte. De ridder +De la Tour Landry verhaalt in de leering aan zijn dochters van een +zonderlinge orde van minnende edelen en vrouwen, die in zijn jeugd in +Poitou en elders had bestaan. Zij noemden zich Galois et Galoises, en +hielden "une ordonnance moult sauvaige", waarvan het voornaamste was, +dat zij in den zomer zich warm moesten kleeden in pelzen en gevoerde +kaproenen, en vuur in de schouw branden, terwijl zij in den winter +niets mochten dragen dan een rok zonder bont, geen mantels of andere +beschutting, geen hoed, handschoenen of mof, hoe 't ook vroor. +'s Winters strooiden zij groene bladeren op den grond en verborgen den +schoorsteen achter groene takken, en op hun bed mocht slechts een dunne +deken zijn. Men kan in deze wonderlijke afdwaling,—zoo zonderling, dat +de schrijver haar kwalijk verzonnen kan hebben—, moeilijk iets anders +zien dan een ascetische verhooging van den prikkel der liefde, ofschoon +het niet geheel duidelijk wordt. Het primitief karakter van de Galois en +Galoises wordt nog geaccentueerd door hun regel, dat een echtgenoot den +Galois,<a name='139'></a> die bij hem te gast kwam, zijn geheele huis en zijn vrouw moest +overlaten, om zelf naar zíjn Galoise te gaan; deed hij het niet, dan +strekte het hem tot groote schande. Velen van de orde waren volgens den +ridder De la Tour Landry van koude gestorven: "Si doubte moult que ces +Galois et Galoises qui moururent en cest estat et en cestes amouretes +furent martirs d'amours."<a name='FNanchor_251_251'></a><a href='#Footnote_251_251'><sup>[251]</sup></a></p> + +<p>Er zijn meer voorbeelden te noemen, die het primitief karakter van de +ridderlijke gelofte verraden. Zoo het gedicht, dat de geloften +beschrijft, waartoe Robert van Artois den koning van Engeland, Eduard +III, en zijn edelen uitlokte, ten einde den oorlog tegen Frankrijk te +beginnen: <i>Le Voeu du Héron</i>. Het is een verhaal van geringe historische +waarde, maar de geest van barbaarsche woestheid, die er uit spreekt, is +wel geschikt, om het wezen der ridderlijke gelofte te leeren kennen.</p> + +<p>De graaf van Salisbury zit bij het feestmaal aan de voeten van zijn +dame. Als zijn beurt om een gelofte te doen gekomen is, verzoekt hij +de geliefde, om één vinger op zijn rechteroog te leggen. Wel twee, +antwoordt zij, en drukt met twee vingers het rechteroog van den ridder +toe. "Belle, est-il bien clos?" vraagt deze. "Oyl, certainement." +"Welaan dan," zegt Salisbury, "dan gelove ik aan God almachtig en zijn +zoete Moeder, dit oog niet weer te openen, om geen smart of kwelling, +eer ik in Frankrijk den brand gestoken heb in 's vijands land en de +mannen van koning Philips bestreden":</p> +<a name='140'></a> +<div class='poem'> "Or aviegne qu'aviegne, car il n'est autrement. +<span>—Adonc osta son doit la puchelle au cors gent,<br /></span> +<span>Et li iex clos demeure, si que virent la gent."<a name='FNanchor_252_252'></a><a href='#Footnote_252_252'><sup>[252]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>De werkelijkheid, die dit geval weerspiegelt, blijkt uit Froissart: hij +zag inderdaad Engelsche heeren, die één oog met een lap bedekt hielden +ter voldoening aan de gelofte, om slechts met één oog te zien, totdat +zij dapperheid in Frankrijk hadden verricht.<a name='FNanchor_253_253'></a><a href='#Footnote_253_253'><sup>[253]</sup></a></p> + +<p>De bijzondere wildheid spreekt in <i>Le Voeu du Héron</i> nog sterker uit de +gelofte van Jehan de Faukemont, die klooster noch altaar, zwangere vrouw +noch kind, vriend noch maag wil sparen, om koning Eduard te dienen. +Tenslotte verzoekt de koningin, Philippa van Henegouwen, haar gemaal, +ook een gelofte te mogen doen.</p> + +<div class='poem'> "Adonc, dist la roine, je sai bien, que piecha<a name='FNanchor_254_254'></a><a href='#Footnote_254_254'><sup>[254]</sup></a> +<span>Que sui grosse d'enfant, que mon corps senti l'a.<br /></span> +<span>Encore n'a il gaires, qu'en mon corps se tourna.<br /></span> +<span>Et je voue et prometh a Dieu qui me créa....<br /></span> +<span>Que ja li fruis de moi de mon corps n'istera,<a name='FNanchor_255_255'></a><a href='#Footnote_255_255'><sup>[255]</sup></a><br /></span> +<span>Si m'en arès menée ou païs par de-là<br /></span> +<span>Pour avanchier le veu que vo corps voué a;<br /></span> +<span>Et s'il en voelh isir, quant besoins n'en sera,<br /></span> +<span>D'un grant coutel d'achier li miens corps s'ochira;<br /></span> +<span>Serai m'asme perdue et li fruis perira!"<br /></span> +</div> + +<p>Een huiverend stilzwijgen ontvangt de godslasterlijke gelofte. De dichter +zegt enkel:</p> + +<div class='poem'> "Et quant li rois l'entent, moult forment l'en pensa, +<span>Et dist: certainement, nuls plus ne vouera."<br /></span> +</div> +<a name='141'></a> +<p>Haar en baard, overal immers de dragers van magische potentie, hebben +nog bij de geloften der Middeleeuwen een bijzondere beteekenis. +Benedictus XIII, de paus van Avignon, en daar feitelijk opgesloten, +zweert, ten teeken van droefheid zijn baard niet te laten scheren, aleer +hij de vrijheid herkregen heeft.<a name='FNanchor_256_256'></a><a href='#Footnote_256_256'><sup>[256]</sup></a> Als Lumey dezelfde gelofte doet +met betrekking tot de wraak voor Egmond, hebben wij te doen met een +laatsten uitlooper eener zede, die in den verren voortijd heilige +beteekenis had gehad.</p> + +<p>De zin der gelofte is in den regel, dat men zich een onthouding oplegt +als prikkel om het volbrengen der geloofde daad te verhaasten. Veelal is +het een onthouding in verband met spijzen. De eerste, dien Philippe de +Mézières als ridder opnam in zijn Chevalerie de la Passion, was een +Pool, die in negen jaar niet zittende gegeten of gedronken had.<a name='FNanchor_257_257'></a><a href='#Footnote_257_257'><sup>[257]</sup></a> +Bertrand du Guesclin is zeer haastig met zulke geloften. De eene maal +geldt het een uitdaging van een Engelsch krijgsman: Bertrand verklaart, +slechts drie wijnsoepen te zullen gebruiken in naam der heilige +Drieëenheid, totdat hij den uitdager bestreden heeft. Een ander maal is +het, dat hij geen vleesch zal eten en zich niet zal uitkleeden, eer hij +Montcontour heeft genomen. Of zelfs, dat hij niet eten zal, eer hij met +de Engelschen tot een treffen gekomen is.<a name='FNanchor_258_258'></a><a href='#Footnote_258_258'><sup>[258]</sup></a></p> + +<p>De magische bedoeling, die bij dat vasten op den achtergrond ligt, was +natuurlijk een edelman der veertiende eeuw niet meer bewust.<a name='142'></a> Voor ons +spreekt zulk een ondergrond vooral zeer direct uit het veelvuldig +gebruik van kluisters als teeken van een gelofte. Op 1 Januari 1415 doet +hertog Jean de Bourbon, "désirant eschiver oisiveté, pensant y acquérir +bonne renommée et la grâce de la très-belle de qui nous sommes +serviteurs", de gelofte om met zestien andere ridders en knapen +gedurende twee jaar elken Zondag aan het linkerbeen een boei als van een +gevangene te dragen, de ridders in goud, de knapen in zilver, totdat hij +zestien ridders vindt, die het gezelschap willen bestrijden in een +gevecht te voet "à outrance".<a name='FNanchor_259_259'></a><a href='#Footnote_259_259'><sup>[259]</sup></a> Jacques de Lalaing ontmoet te +Antwerpen in 1445 een Siciliaanschen ridder Jean de Boniface, die als +"chevalier aventureux" van het hof van Arragon gekomen is. Hij draagt +aan het linkerbeen een ijzer, zooals de slaven het dragen, hangende aan +een gouden keten, een "emprise" ten teeken dat hij vechten wou.<a name='FNanchor_260_260'></a><a href='#Footnote_260_260'><sup>[260]</sup></a> In +den roman van den <i>Petit Jehan de Saintré</i> draagt de ridder Loiselench +twee gouden ringen aan arm en been, elk aan een gouden keten, totdat hij +een ridder vindt, die hem "verlost" van zijn emprise.<a name='FNanchor_261_261'></a><a href='#Footnote_261_261'><sup>[261]</sup></a> Want zoo +heet het: "délivrer"; men raakt het teeken aan, als het gaat "pour +chevalerie"; men rukt het af, als het om 't leven gaat.—Reeds La Curne +de Sainte Palaye heeft opgemerkt, dat bij de oude Chatti volgens Tacitus +volkomen hetzelfde gebruik werd aangetroffen<a name='FNanchor_262_262'></a><a href='#Footnote_262_262'><sup>[262]</sup></a>. Ook de kluisters, +die boetelingen op hun bedevaart droegen,<a name='143'></a> of die vrome asceten zich zelf +aanlegden, zijn van de emprises der laat-middeleeuwsche ridders niet te +scheiden.</p> + +<p>Wat de beroemde feestelijke geloften der vijftiende eeuw, met name de +Voeux du Faisan bij het hoffeest van Philips den Goede te Rijsel in +1454, ter voorbereiding van den kruistocht ons van dit alles nog te zien +geven, is niet veel meer dan een fraaie hoofsche vorm. Niet dat de +spontane gewoonte, om in nood of sterke gemoedsbeweging een gelofte te +doen, iets van haar kracht zou hebben verloren. Zij heeft zoo diepe +psychologische wortelen, dat zij aan beschaving noch geloof gebonden is. +Doch de ridderlijke gelofte als cultuurvorm, als een tot levenstooi +verheven zede, beleeft in die pralende buitensporigheid van het +Bourgondische hof haar laatste phase.</p> + +<p>Het thema van de handeling is nog altijd het onmiskenbaar overoude. +Men doet de geloften aan het feestmaal, en zweert bij een vogel, die +opgedragen en later gegeten wordt. Ook de Noormannen kennen de met +elkaar wedijverende geloften bij het feestmaal in dronkenschap; een der +vormen is die, waarbij men het everzwijn aanraakt, dat opgedragen wordt. +<a name='FNanchor_263_263'></a><a href='#Footnote_263_263'><sup>[263]</sup></a> De fazant van het beroemde feest te Rijsel schijnt wel een levende +te zijn geweest.<a name='FNanchor_264_264'></a><a href='#Footnote_264_264'><sup>[264]</sup></a> De geloften worden afgelegd aan God en Onze Lieve +Vrouw, aan de dames en aan den vogel. Het schijnt niet gewaagd, te +veronderstellen, dat de godheid hier niet de oorspronkelijke ontvanger +der geloften is: inderdaad geloven velen alleen aan de dames en den +vogel.<a name='FNanchor_265_265'></a><a href='#Footnote_265_265'><sup>[265]</sup></a> In de onthoudingen, die men zich oplegt, is weinig +afwisseling.<a name='144'></a> De meeste hebben betrekking op eten en slapen. Deze ridder +zal Zaterdags niet in een bed slapen, eêr hij een Saraceen bevochten +heeft, noch ook vijftien dagen achtereen in dezelfde stad vertoeven. +Een ander zal Vrijdags geen dierlijk voedsel nuttigen, eêr hij den banier +van den Grooten Turk heeft aangetast. Weer een ander stapelt askese op +askese: hij zal in het geheel geen harnas dragen, Zaterdags geen wijn +drinken, niet in een bed slapen, niet aan tafel zitten, en een harige +pij dragen. Men omschrijft nauwkeurig de wijze, waarop men de geloofde +heldendaad zal uitvoeren.<a name='FNanchor_266_266'></a><a href='#Footnote_266_266'><sup>[266]</sup></a></p> + +<p>Hoeveel ernst is er in? Wanneer messire Philippe Pot de gelofte doet, +op den Turkentocht zijn rechterarm onbedekt te laten door eenige +wapenrusting, laat de hertog onder de (schriftelijk geregistreerde) +gelofte aanteekenen: "Ce n'est pas le plaisir de mon très redoubté +seigneur, que messire Phelippe Pot voise en sa compaingnie ou saint +voyage qu'il a voué, le bras désarmé; mais il est content qu'il voist +aveuc lui armé bien et soufisamment, ainsy qu'il appartient."<a name='FNanchor_267_267'></a><a href='#Footnote_267_267'><sup>[267]</sup></a> +Blijkbaar werd er dus nog ernst en gevaar in gezien. Over de gelofte +van den hertog zelf heerscht algemeene aandoening.<a name='FNanchor_268_268'></a><a href='#Footnote_268_268'><sup>[268]</sup></a></p> + +<p>Sommigen doen voorzichtig voorwaardelijke geloften, die tegelijk +getuigen van de ernstige bedoeling en van het voldaan zijn met den +schoonen schijn.<a name='FNanchor_269_269'></a><a href='#Footnote_269_269'><sup>[269]</sup></a> Soms naderen de geloften reeds tot de +"philippine", die er een bleeke rest van is.<a name='FNanchor_270_270'></a><a href='#Footnote_270_270'><sup>[270]</sup></a> Een spottend element +ontbreekt zelfs niet bij den grimmigen Voeu du héron; immers Robert van +Artois biedt den koning,<a name='145'></a> hier voorgesteld als minder belust op den +krijg, den reiger aan, als den bangsten der vogels. Als Eduard zijn +gelofte heeft gedaan, lachen allen. Jan van Beaumont, wien de <i>Voeu du +héron</i> de vroeger reeds vermelde woorden<a name='FNanchor_271_271'></a><a href='#Footnote_271_271'><sup>[271]</sup></a> in den mond legt, die met +fijnen spot het gepassioneerde karakter onthullen van de geloften, bij +den wijn en onder de oogen der vrouwen gedaan, doet volgens een ander +verhaal bij den reiger de cynische gelofte, dat hij dien heer zou +dienen, van wien hij 't meest aan geld en goed te wachten had. Waarop +de Engelsche heeren lachten.<a name='FNanchor_272_272'></a><a href='#Footnote_272_272'><sup>[272]</sup></a>—Hoe moet, ondanks alle pompeuze +gewichtigheid, waarmee de Voeux du faisan werden opgenomen, de +tafelstemming zijn geweest, wanneer Jennet de Rebreviettes de gelofte +kon doen, om, als hij niet vóór den krijgstocht de gunsten van zijn dame +deelachtig werd, bij den terugkeer uit het Oosten de eerste vrouw of +jonkvrouw te huwen, die twintig duizend kronen heeft ... "se elle +veult".<a name='FNanchor_273_273'></a><a href='#Footnote_273_273'><sup>[273]</sup></a> Toch trekt diezelfde Rebreviettes de wereld in, om als +"povre escuier" avontuur te zoeken, en strijdt bij Ceuta en Granada +tegen de Mooren.</p> + +<p>Zoo lacht de moede aristocratie om haar eigen ideaal. Wanneer zij met +alle middelen van fantazie en kunstvaardigheid en rijkdom haar +hartstochtelijken droom van het schoone leven had getooid en gekleurd en +tot plastischen vorm gebracht, dan bezon zij zich, dat het leven toch +eigenlijk niet zoo schoon was, en lachte. IJdele waan, die +ridderheerlijkheid, mode en ceremonie, een fraai en leugenachtig spel! +De werkelijke geschiedenis der laatste Middeleeuwen, zegt de historicus, +die uit de acta de ontwikkeling van staat en bedrijf naspeurt,<a name='146'></a> heeft met +die valsche ridderlijke Renaissance weinig te maken; het was een oud +vernis, dat reeds afbladderde. De mannen, die die geschiedenis maakten, +waren waarlijk geen droomers, maar zeer berekenende, nuchtere staatslieden +en kooplieden, 't zij vorsten, edelen, prelaten of burgers.</p> + +<p>Zeker, dat waren zij ook. Maar de geschiedenis der beschaving heeft +evenveel te maken met de droomen van schoonheid en den waan des edelen +levens als met de cijfers van bevolking en belasting. Een onderzoeker, +die de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en +verkeer, uit de politieke en militaire conflicten, zou aan het eind van +zijn studiën kunnen zeggen: ik heb van de muziek heel weinig gemerkt, +die heeft blijkbaar in dezen tijd weinig voor de cultuur beteekend.</p> + +<p>Zoo is het eenigermate, wanneer men ons de geschiedenis der Middeleeuwen +uit de staatkundige en economische bescheiden beschrijft. Bovendien zou +het kunnen zijn, dat het ridderideaal, zoo gekunsteld en versleten als +het was, op de zuiver staatkundige geschiedenis der laatste Middeleeuwen +toch nog voortdurend machtiger invloed had uitgeoefend, dan men zich +gewoonlijk voorstelt.</p> + +<p>De bekoring van den adellijken levensvorm was zoo groot, dat ook de +burgers hem aannemen, waar zij kunnen. Wij stellen ons de Artevelde's +voor als echte mannen van den derden stand, fier op hun burgerlijkheid +en hun eenvoud. Integendeel: Philips van Artevelde hield vorstelijken +staat, hij liet alle dagen voor zijn hôtel de speellieden blazen, als +hij aan tafel ging, liet zich bedienen uit zilveren vaatwerk, of hij de +graaf van Vlaanderen was, ging gekleed in scharlaken en menu vair als +een hertog van Brabant of graaf van Henegouwen,<a name='147'></a> reed uit als een vorst, +het ontrolde vaantje voor hem gedragen met zijn blazoen van sabel met +drie zilveren hoeden.<a name='FNanchor_274_274'></a><a href='#Footnote_274_274'><sup>[274]</sup></a> Wie schijnt ons moderner dan de geldmagnaat +der vijftiende eeuw, Jacques Coeur, de voortreffelijke financier van +Karel VII? Als men de levensbeschrijving van Jacques de Lalaing mag +gelooven, heeft de groote bankier hartelijk belang gesteld in het +ouderwetsche dolende-ridderschap van den Henegouwschen held.<a name='FNanchor_275_275'></a><a href='#Footnote_275_275'><sup>[275]</sup></a></p> + +<p>Alle hoogere vormen van het burgerlijke leven van den nieuweren tijd +berusten op navolging van adellijke levensvormen. Evengoed als het brood +in het servet en het woord "serviette" zelf hun herkomst hebben uit den +middeleeuwschen hofstaat,<a name='FNanchor_276_276'></a><a href='#Footnote_276_276'><sup>[276]</sup></a> zijn de burgerlijkste bruiloftsaardigheden +afstammelingen van de grandioze "entremets" van Rijsel. Om de cultuur- +historische beteekenis van het ridderideaal ten volle te begrijpen, zou +men het moeten volgen in Shakespeare's en Molière's tijd tot aan den +modernen gentleman.</p> + +<p>Hier echter is het er om te doen, de werking van dat ideaal op de +werkelijkheid in de laatste Middeleeuwen zelf aan te wijzen. Lieten +staatkunde en oorlogvoering zich inderdaad eenigermate beheerschen door +ridderlijke voorstellingen? Ongetwijfeld, zoo niet in haar deugden, dan +toch in haar fouten. Zooals de tragische vergissingen van den +hedendaagschen tijd voortspruiten uit den waan van het nationalisme en +den cultuurhoogmoed, zoo sproten die van de Middeleeuwen meer dan eens +voort uit de chevalereske gedachte.<a name='148'></a> Ligt niet het motief voor de +schepping van den nieuwen Bourgondischen staat, die grootste fout, die +Frankrijk kon begaan, in een ridderlijk moment? Koning Jan, het +ridderlijke warhoofd, schenkt het hertogdom in 1363 aan den jongen zoon, +die bij Poitiers naast hem stand had gehouden, toen de oudere vluchtte. +Evenzoo is de bewuste gedachte, die de latere anti-fransche politiek +voor de geesten der tijdgenooten moet rechtvaardigen: de wraak voor +Montereau, de verdediging van ridderlijke eer. Ik weet wel, men kan dat +alles ook verklaren uit berekenende, zelfs vooruitziende politiek, maar +dat neemt niet weg, dat de waarde van het feit, het beeld van het feit +van 1363 voor de tijdgenooten was en bleef: de ridderlijke moed, +vorstelijk beloond. Die Bourgondische staat in zijn snelle ontplooiing +is een gebouw van politiek overleg en geslaagde nuchtere berekening. +Maar wat men de Bourgondische idee zou kunnen noemen, kleedt zich steeds +in de vormen van het ridderideaal. De bijnamen der hertogen: het Sans +peur, le Hardi, het Qui qu'en hongne, dat voor Philips door le Bon +verdrongen werd, zijn alle opzettelijke vindingen van de hoflittérateurs, +om den vorst te plaatsen onder de stralen van het ridderlijke ideaal.<a name='FNanchor_277_277'></a><a href='#Footnote_277_277'><sup>[277]</sup></a></p> + +<p>Daar was één groot politiek streven, dat onverbrekelijk verbonden was +aan het ridderideaal: de kruistocht, Jeruzalem! Want Jeruzalem, zoo +heette nog altijd de gedachte, die als hoogste politieke idee allen +vorsten van Europa voor oogen stond, en hen voor en na tot handelen +dreef. Er was hier een zonderling contrast tusschen het reëele politieke +belang en de politieke idee.<a name='149'></a> Er bestond voor de Christenheid der +veertiende en vijftiende eeuw een Oostersche kwestie van de uiterste +urgentie: het afweren der Turken, die reeds Adrianopel genomen (1378) +en het Servische rijk vernietigd hadden (1389). Op den Balkan lag het +gevaar. Doch Europa's eerste en noodzakelijkste staatkunde kon zich nog +niet losmaken van de kruistochtidee. Zij kon de Turksche kwestie slechts +zien als een onderdeel van de groote heilige taak, waarin de voorvaders +waren te kort geschoten: de bevrijding van Jeruzalem.</p> + +<p>Bij deze gedachte nu stond het ridderlijk ideaal op den voorgrond; hier +kon en moest het een bijzonder nadrukkelijke werking uitoefenen. Immers +het godsdienstig gehalte van het ridderideaal vond hier zijn hoogste +belofte, en de bevrijding van Jeruzalem kon niet anders zijn dan heilig, +edel ridderwerk. Juist doordat nu het godsdienstig-ridderlijke ideaal +zich bij het bepalen der Oostersche staatkunde in zoo sterke mate deed +gelden, kan tot zekere hoogte het geringe succes der Turkenbestrijding +worden verklaard. De expedities, die bovenal nauwkeurige berekening en +geduldige voorbereiding eischten, werden ontworpen en opgezet onder een +hoogere spanning, die niet leidde tot een rustige overweging van het +bereikbare, maar tot een verromantiseering van het plan, die ijdel kon +zijn of noodlottig kon worden. De katastrofe van Nicopolis in 1396 had +getoond, hoe gevaarlijk het was, een nuttige expeditie tegen een zeer +strijdbaren vijand op te zetten in den ouden trant van een dier +ridderlijke reizen naar Pruisen of Litauen, om wat arme heidenen dood +te slaan. Wie zijn het, die de kruistochtplannen ontwerpen? De droomers +als Philippe de Mézières, die er zijn leven aan wijdde, de politieke +fantasten,<a name='150'></a> zooals Philips de Goede het met al zijn sluwe berekening was.</p> + +<p>Alle koningen hadden de bevrijding van Jeruzalem nog altijd tot een +obligate levenstaak. In 1422 is Hendrik V van Engeland stervende. De +jonge veroveraar van Rouen en Parijs wordt weggerukt midden uit het +werk, waarmee hij Frankrijk in ellende had gestort. De geneesheeren +hebben hem aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de +biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen +worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona +voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem,<a name='FNanchor_278_278'></a><a href='#Footnote_278_278'><sup>[278]</sup></a> laat de koning +stilhouden en zegt luide, dat het zijn voornemen was geweest, om na het +herstellen van den vrede in Frankrijk Jeruzalem te gaan veroveren, "se +ce eust esté le plaisir de Dieu son créateur de le laisser vivre son +aage". En daarna laat hij de lezing der boetpsalmen voltooien, en sterft +weldra.<a name='FNanchor_279_279'></a><a href='#Footnote_279_279'><sup>[279]</sup></a></p> + +<p>De kruistocht was sedert lang ook een voorwendsel geworden om bijzondere +opbrengsten te heffen; ook Philips de Goede heeft van die gelegenheid +ruimschoots gebruik gemaakt. Doch enkel veinzerij uit winstbejag zal bij +hem het plan toch niet zijn geweest.<a name='FNanchor_280_280'></a><a href='#Footnote_280_280'><sup>[280]</sup></a> Het schijnt een mengeling van +ernstig streven en den toeleg, om door dit bij uitstek nuttige en tevens +bij uitstek ridderlijke plan zich als den redder der Christenheid een +glorie te verzekeren boven zijn meerderen in rang, de koningen van +Frankrijk en Engeland.<a name='151'></a> Le voyage de Turquie bleef een troefkaart, die +niet werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te +doen uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren +gewichtige bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke +lieden schudden het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een +gevaarlijken tocht zou ondernemen; zoowel de landen als de dynastie +zouden gevaar loopen. Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips +met eerbied ontvangen in Den Haag en in plechtige processie ontplooid, +terwijl bij het feest te Rijssel en daarna de geloften tot de reize +verzameld werden, terwijl Joffroy de Toisy de Syrische havens +onderzocht, Jean Chevrot, de bisschop van Doornik, de collecten leidde +en Guillaume Fillastre zijn gansche uitrusting reeds klaar had, en er +reeds schepen voor den tocht in beslag waren genomen, heerschte er toch +een vage verwachting, dat de tocht niet zou doorgaan.<a name='FNanchor_281_281'></a><a href='#Footnote_281_281'><sup>[281]</sup></a> Des hertogen +eigen gelofte te Rijssel klonk dan ook wel zeer voorwaardelijk: hij zou +gaan, mits de landen, die God hem had toevertrouwd om te regeeren, in +vrede en veiligheid zijn.<a name='FNanchor_282_282'></a><a href='#Footnote_282_282'><sup>[282]</sup></a></p> + +<p>Uitvoerig voorbereide en luidruchtig aangekondigde krijgsexpedities, +waar niets van komt, schijnen overigens, ook afgescheiden van het +kruistochtideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn +geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in +1383, die van Philips den Stoute tegen Engeland in 1387, waartoe de +prachtige vloot zeilree lag in de haven van Sluis, die van Karel VI +tegen Italië in 1391.</p> +<a name='152'></a> +<p>Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie met het doel van +politieke reclame was het altijd weer aangekondigde en nimmer +verwezenlijkte vorstenduel. Ik heb vroeger elders uiteengezet, hoe de +staatsgeschillen der vijftiende eeuw nog als een twist van partijen, een +persoonlijke querelle werden opgevat.<a name='FNanchor_283_283'></a><a href='#Footnote_283_283'><sup>[283]</sup></a> Men dient "la querelle des +Bourguignons". Wat was natuurlijker, dan dat de vorsten het zelf gingen +uitvechten, gelijk nu nog in het politieke spoorweggesprek wordt +verzucht?—Inderdaad was deze oplossing, die zoowel een primitief +rechtsgevoel als de ridderlijke fantazie bevredigde, telkens aan de +orde. Wanneer men leest van de uitvoerige toebereidselen tot die +vorstelijke tweegevechten, vraagt men zich twijfelend af, of dit alles +enkel een fraai spel van bewust veinzen is geweest, de zucht naar een +schoon leven alweer, of wel dat de vorstelijke kampvechters werkelijk +den strijd hebben verwacht. Zeker is het, dat de geschiedschrijvers van +dien tijd het even ernstig opnemen als de kamplustige vorsten zelf. +Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn kroniek een ruime +plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van Engeland door Lodewijk +van Orleans.<a name='FNanchor_284_284'></a><a href='#Footnote_284_284'><sup>[284]</sup></a> In het woeste en schitterende brein van dien Orleans, +waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en fantastische idealen +van ridderstrijd en hoofsche liefde naast débauche, cynisme en +tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk +voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest +van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de +middelen van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was +Humphrey van Glocester,<a name='153'></a> dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de +uitdaging wordt duidelijk als motief vermeld: "pour éviter effusion de +sang chrestien et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay +compacion", "que par mon corps sans plus ceste querelle soit menée à +fin, sans y aler avant par voies de guerres, dont il convendroit mains +gentilz hommes et aultres, tant de vostre ost comme du mien, finer leurs +jours piteusement."<a name='FNanchor_285_285'></a><a href='#Footnote_285_285'><sup>[285]</sup></a> Alles werd voor den strijd in gereedheid +gebracht: het kostbare harnas en de prachtige kleederen, die de hertog +dragen zou, waren vervaardigd; er werd gewerkt aan tenten, standaarden +en vanen, wapenrokken voor de herauten en poursuivants, alles bezaaid +met de blazoenen van 's hertogen landen, met den vuurslag en het Sint +Andrieskruis. Philips was in training: "tant en abstinence de sa bouche +comme en prenant painne pour luy mettre en alainne."<a name='FNanchor_286_286'></a><a href='#Footnote_286_286'><sup>[286]</sup></a> In zijn park +te Hesdin oefende hij zich dagelijks onder leiding van ervaren +vechtmeesters.<a name='FNanchor_287_287'></a><a href='#Footnote_287_287'><sup>[287]</sup></a> De rekeningen vermelden de kosten, aan dat alles +besteed, en nog in 1460 was de kostbare tent, voor deze gelegenheid +vervaardigd, te Rijssel te zien.<a name='FNanchor_288_288'></a><a href='#Footnote_288_288'><sup>[288]</sup></a> Maar van het gevecht kwam niets.</p> + +<p>Dit belette niet, dat hij later in het geschil met den hertog van Saksen +over Luxemburg, dezen opnieuw kamp aanbood, en dat bij het feest van +Rijssel, toen Philips bijna zestig jaar oud was, zijn kruisgelofte +inhield, dat hij gaarne bereid was, den Grooten Turk corps à corps te +bestrijden, als deze dat verkoos.<a name='FNanchor_289_289'></a><a href='#Footnote_289_289'><sup>[289]</sup></a> Men vindt den weerklank van die +<a name='154'></a>hardnekkige kampliefde van Philips den Goede nog in een verhaaltje van +Bandello, hoe hij eens met de grootste moeite weerhouden zou zijn van +een eereduel met een zijner edelen.<a name='FNanchor_290_290'></a><a href='#Footnote_290_290'><sup>[290]</sup></a></p> + +<p>De vorm handhaaft zich nog in de volle Italiaansche Renaissance. +Francesco Gonzaga biedt kamp aan Cesare Borgia: met zwaard en dolk wil +hij Italië van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den +koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een +roerende verzoening besluit het geval.<a name='FNanchor_291_291'></a><a href='#Footnote_291_291'><sup>[291]</sup></a> Zelfs Karel V heeft nog in +allen vorm aangeboden, den strijd met Frans I door een persoonlijk +tweegevecht te beslechten.</p> + +<p>De gerechtelijke en de spontane tweekamp leefde juist in de Bourgondische +landen en in het twistzieke Noorden van Frankrijk nog bijzonder sterk in +zeden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de beslissing +bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen op zich zelf +weinig te maken. Zoodra de strijd geen edelen geldt, ziet men al de ruwe +wreedheid van den tijd, ontdaan van het masker der hooghartige chevalerie.</p> + +<p>Niets is in dit opzicht merkwaardiger dan de verbazende belangstelling, +door de edelen en door de geschiedschrijvers aan den dag gelegd voor een +gerechtelijken kamp van twee burgers te Valenciennes in 1455.<a name='FNanchor_292_292'></a><a href='#Footnote_292_292'><sup>[292]</sup></a> +Het was een groote zeldzaamheid;<a name='155'></a> in geen honderd jaar was zoo iets +voorgekomen. Die van Valenciennes wilden het tot elken prijs laten +doorgaan, want het betrof voor hen de handhaving van een oud privilege, +maar de graaf van Charolais, die het bewind voerde tijdens Philips' +afwezigheid in Duitschland, wilde het niet, en stelde de voltrekking van +maand tot maand uit, terwijl de beide partijen, Jacotin Plouvier en +Mahuot, als kostbare vechthanen werden vastgehouden. Toen de oude hertog +van zijn reis naar den keizer terug was, werd terstond beslist, dat de +strijd doorgaan zou. Philips wilde hem met alle geweld zelf zien; +daartoe alleen koos hij van Brugge naar Leuven den weg over +Valenciennes. Terwijl nu de ridderlijke geesten als Chastellain en La +Marche bij hun beschrijvingen van de feestelijke Pas d'armes van ridders +en edelen met alle inspanning van hun verbeelding geen enkele maal een +realiteit kunnen schilderen, geven zij hier het scherpst geziene beeld. +Hier komt de ruwe, felle Vlaming, die Chastellain was, onder de +prachtige houppelande van goud en rood granaatpatroon te voorschijn. +Geen bijzonderheid ontgaat hem van de "moult belle serimonie"; hij +beschrijft nauwkeurig het krijt en de banken rondom. De arme +slachtoffers hebben elk hun vechtmeester bij zich. Jacotin als klager +treedt het eerst binnen, blootshoofds met kort geknipt haar en heel +bleek. Hij is geheel genaaid in een kleeding van corduwaanleder uit één +stuk, zonder iets daaronder. Na eenige vrome kniebuigingen en begroeting +van den hertog, die achter een traliewerk gezeten is, wachten de +kampvechters het oogenblik af, zittende in twee met zwart bekleede +stoelen tegenover elkaar. De heeren in het rond maken zacht hun +opmerkingen over de kansen:<a name='156'></a> alles wordt opgemerkt: Mahuot wordt +aschbleek, toen hij het evangelie kust! Dan komen twee knechten en +wrijven de kampvechters van den hals tot de enkels in met vet. Bij +Jacotin trekt het vet terstond in het leer, bij Mahuot niet: wien zou +dat teeken gunstig zijn? De handen worden met asch gewreven; zij nemen +suiker in den mond; dan brengt men hun de knotsen en schilden, waarop +heiligenfiguren staan geschilderd, die zij kussen. Zij dragen de +schilden met de punt omhoog, en hebben in de hand "une bannerolle de +devocion", een strook met een vrome spreuk.</p> + +<p>Mahuot, die klein was, begint het gevecht door met de punt van zijn +schild zand te scheppen en het Jacotin in de oogen te werpen. Een +woedend knotsgevecht volgt, het eindigt met den val van Mahuot; de ander +werpt zich boven op hem, en wrijft hem het zand in mond en oogen, maar +Mahuot krijgt een vinger van zijn vijand tusschen zijn tanden. Om zich +te bevrijden drukt deze hem den duim in de oogkassen, en ondanks zijn +geroep om genade draait hij hem de armen naar achteren en springt op den +rug, om hem te breken. Stervende schreeuwt Mahuot vergeefs om te mogen +biechten; dan roept hij: "O monseigneur de Bourgongne, je vous ay si +bien servi en vostre guerre de Gand! O monseigneur, pour Dieu, je vous +prie mercy, sauvez-moy la vie!"... Hier breekt het verhaal van +Chastellain af; er zijn eenige bladen weg; van anderen weten wij, hoe de +halfdoode Mahuot door den beul gehangen werd.</p> + +<p>Zou Chastellain het besloten hebben met een edele ridderlijke +bespiegeling, na dezen ellendigen gruwel met zooveel verve te hebben +verteld? La Marche deed het: hij bericht ons van de schaamte, die toch +achterna den adel beving,<a name='157'></a> dat men dit had aangezien. En daarom, zegt de +onverbeterlijke hofpoëet, liet God een ridderlijk tweegevecht volgen, +dat onschadelijk afliep.</p> + +<p>Het conflict tusschen riddergeest en werkelijkheid vertoont zich het +duidelijkst, waar het ridderideaal zich tracht te doen gelden te midden +van den ernstigen krijg. Hoezeer ook het ridderideaal vorm en kracht +moge hebben gegeven aan den oorlogsmoed, het werkte toch in den regel op +de krijgvoering meer belemmerend dan bevorderend, daar het de eischen +der strategie opofferde aan die der levensschoonheid. Herhaaldelijk +stellen zich de beste aanvoerders, ja de koningen zelf, bloot aan de +gevaren van een romantisch krijgsavontuur. Eduard III waagt zijn leven +in een hachelijken aanslag op een convooi van Spaansche schepen.<a name='FNanchor_293_293'></a><a href='#Footnote_293_293'><sup>[293]</sup></a> +De ridders van koning Jan's orde van de Ster moeten zweren, dat zij in +den slag nooit verder zullen vluchten dan vier "arpents", anders hebben +zij te sterven of zich over te geven, welke zonderlinge spelregel +volgens Froissart terstond aan wel negentig het leven kostte.<a name='FNanchor_294_294'></a><a href='#Footnote_294_294'><sup>[294]</sup></a> +Wanneer Hendrik V van Engeland in 1415 den Franschen tegemoet gaat vóór +den slag bij Azincourt, trekt hij bij vergissing op een avond het dorp, +dat zijn fouriers hem als nachtverblijf bestemd hadden, voorbij. Nu had +de koning, "comme celuy qui gardoit le plus les cérimonies d'honneur +très loable", juist te voren gelast, dat de ridders, op verkenning uit, +hun wapenrok moesten afleggen, om niet in strijdgewaad terug te behoeven +te gaan. Toen hij nu zelf in wapenrok te ver vooruit was gegaan, kon hij +niet terug; hij overnachtte dus, waar hij gekomen was, en liet de +voorhoede dienovereenkomstig opschikken.<a name='FNanchor_295_295'></a><a href='#Footnote_295_295'><sup>[295]</sup></a></p> +<a name='158'></a> +<p>Bij de beraadslaging over den grooten Franschen inval in Vlaanderen in +1382 verzet zich voortdurend ridderzin tegen krijgskunde: "Se nous +querons autres chemins que le droit,—voert men aan tegen de adviezen +van Clisson en Coucy, om langs onverwachte omwegen binnen te +dringen,—"nous ne monsterons pas que nous soions droites gens d'armes." +<a name='FNanchor_296_296'></a><a href='#Footnote_296_296'><sup>[296]</sup></a> Evenzoo gaat het bij een inval van Franschen aan de Engelsche kust +bij Dartmouth in 1404. De eene aanvoerder, Guillaume du Châtel, wil de +Engelschen in de flank vallen, daar dezen zich door een gracht op het +strand hebben beschut. Maar de sire de Jaille noemt de verdedigers een +troep dorpers; het zou een schande zijn, voor zulke tegenstanders uit +den weg te gaan; hij spoort den ander aan, niet te vreezen. Dat woord +treft Du Châtel in het vleesch: "Dat zij verre van het edele hart van +een Breton, dat hij vreezen zou; nu zal ik, ofschoon ik eêr den dood +voorzie dan de zege, de hachelijke fortuin beproeven." Hij voegt er de +gelofte aan toe, dat hij geen kwartier zal vragen, valt daarop aan, en +sneuvelt zelf, terwijl zijn bende deerlijk wordt verslagen.<a name='FNanchor_297_297'></a><a href='#Footnote_297_297'><sup>[297]</sup></a> Bij +den tocht naar Vlaanderen is er steeds groot gedrang, om in de voorhoede +te komen; een ridder, die met de achterhoede wordt belast, stribbelt +hardnekkig tegen.<a name='FNanchor_298_298'></a><a href='#Footnote_298_298'><sup>[298]</sup></a></p> + +<p>De meest eigenlijke toepassing van het ridderideaal op den oorlog +bestond in de afgesproken aristieën, 't zij van twee strijders of van +gelijke groepen. Het befaamde Combat des Trente is er het type van. +Froissart vond het geweldig mooi, maar teekent toch tenslotte aan; +"Li aucun le tenoient à proèce,<a name='159'></a> et li aucun à outrage et grant +outrecuidance."<a name='FNanchor_299_299'></a><a href='#Footnote_299_299'><sup>[299]</sup></a> Een tweegevecht van Guy de la Trémoïlle en den +Engelschen edelman Pierre de Courtenay in 1386, dat strekken zou om de +superioriteit van Engelschen of Franschen te bewijzen, wordt door de +Fransche regenten Bourgondië en Berry verboden en nog op 't laatste +oogenblik verhinderd.<a name='FNanchor_300_300'></a><a href='#Footnote_300_300'><sup>[300]</sup></a> De afkeuring van dezen nutteloozen vorm van +dapperheidsbetoon wordt ook gedeeld door Le Jouvencel, van wien wij +reeds vroeger in 't licht stelden, hoe bij hem de ridder plaats maakt +voor den kapitein. Wanneer de hertog van Bedford een gevecht aanbiedt +van twaalf tegen twaalf, laat de schrijver van <i>Le Jouvencel</i> den +Franschen aanvoerder antwoorden: er is een algemeene spreekwijze, dat +men niets moet doen op aanstichten van zijn vijand. Wij zijn hier, om +hen uit hun stelling te verdrijven, en dat geeft ons werk genoeg. En de +uitdaging wordt geweigerd. Elders laat hij Le Jouvencel een van zijn +officieren zulk een wedkamp weigeren met de verklaring (waarop hij +overigens tenslotte terugkomt), dat hij tot zoo iets nooit verlof zou +geven. Het zijn verboden dingen. Wie zulk een tweegevecht begeert, wil +aan een ander iets ontnemen, namelijk zijn eer, om zich een ijdele +glorie toe te kennen, die van geringe waarde is, terwijl hij intusschen +den dienst van zijn koning en van de publieke zaak verwaarloost.<a name='FNanchor_301_301'></a><a href='#Footnote_301_301'><sup>[301]</sup></a></p> + +<p>Dat klinkt als een stem van den nieuwen tijd. Niettemin bleef de +gewoonte van die tweegevechten tusschen de fronten tot na de +Middeleeuwen voortduren; uit den tachtigjarigen oorlog kent men den +strijd van Breauté<a name='160'></a> en Lekkerbeetje op de Vughtsche heide in 1600 en van +Lodewijk van de Kethulle tegen een grooten Albaneeschen ruiter voor +Deventer in 1591.</p> + +<p>Het krijgsbelang en de tactiek drongen meestal de ridderlijke opvattingen +naar den achtergrond. De voorstelling, dat ook de veldslag zelf niet +anders is dan een eerlijk afgesproken kamp om het recht, komt nog telkens +naar voren, maar vindt zelden gehoor tegenover de eischen van het +krijgsbeleid. Het Engelsche leger stelt den Schotten voor, om uit hun +gunstige positie af te dalen in de vlakte, opdat men elkander kan +bestrijden. Wanneer de koning van Frankrijk geen toegang vindt om Calais +te ontzetten, stelt hij den Engelschen beleefd voor, ergens een slagveld +te bepalen. Willem van Henegouwen gaat nog verder: hij doet den +Franschen koning het voorstel, drie dagen wapenstilstand te houden, ten +einde in dien tijd een brug te bouwen, waardoor de legers elkaar kunnen +bereiken om slag te leveren.<a name='FNanchor_302_302'></a><a href='#Footnote_302_302'><sup>[302]</sup></a> In al die gevallen wordt het +ridderlijke aanbod geweigerd; het strategisch belang behield de +overhand, ook bij Philips den Goede, toen hij een zwaren strijd te +voeren had met zijn riddereer, omdat hem op één dag driemaal de veldslag +is aangeboden, en hij dien niet heeft aanvaard.<a name='FNanchor_303_303'></a><a href='#Footnote_303_303'><sup>[303]</sup></a></p> + +<p>Er bleef, ook al moest voor de werkelijke belangen het ridderideaal +zwichten, nog gelegenheid genoeg, om den oorlog fraai aan te kleeden. +Welk een bedwelming van fierheid moet er niet zijn uitgegaan van het +bonte en pralende krijgsdecoratief zelf! In den nacht vóór Azincourt +sterken de beide legers,<a name='161'></a> in de duisternis tegenover elkaar gelegen, hun +moed met de muziek der trompetten en bazuinen, en het wordt ernstig +beklaagd, dat de Franschen er niet genoeg hadden "pour eulx resjouyr", +en daardoor in lager stemming bleven.<a name='FNanchor_304_304'></a><a href='#Footnote_304_304'><sup>[304]</sup></a> In het laatst der vijftiende +eeuw komen de landsknechten met de groote trommels,<a name='FNanchor_305_305'></a><a href='#Footnote_305_305'><sup>[305]</sup></a> een ontleening +aan het Oosten. De trom met haar direct hypnotische, onmuzikale werking +beduidt treffend den overgang van het ridderlijke tijdperk naar het +modern-militaire; zij is een element in de mechaniseering van den krijg. +Omstreeks 1400 is al de schoone en half spelende suggestie van +persoonlijken wedijver in roem en eer nog in vollen fleur: door +helmteekens en blazoenen, vanen en wapenkreten behoudt de strijd een +individueel karakter en een element van sport. Den geheelen dag hoort +men de kreten der verschillende heeren uitroepen in een wedspel van +hoogmoed.<a name='FNanchor_306_306'></a><a href='#Footnote_306_306'><sup>[306]</sup></a> Vóór en na het gevecht bezegelen de ridderslagen en de +rangverhoogingen het spel: ridders worden tot bannerets verheven door +het afsnijden van den wimpel van hun vaantjes.<a name='FNanchor_307_307'></a><a href='#Footnote_307_307'><sup>[307]</sup></a> Het beroemde kamp +van Karel den Stoute voor Neuss is ingericht met al den feestelijken +praal van een hofstaatsie: sommigen hebben hun tent laten bouwen "par +plaisance" in den vorm van een kasteel, met galerijen en tuinen +eromheen.<a name='FNanchor_308_308'></a><a href='#Footnote_308_308'><sup>[308]</sup></a></p> + +<p>De krijgsbedrijven moesten bij de opteekening worden gevat in het raam +van ridderlijke opvattingen. Men wilde op technische gronden +onderscheiden, wat een slag en wat een treffen was,<a name='162'></a> want elk gevecht +moest in de annalen van den roem zijn vaste plaats en naam hebben. Zoo +zegt Monstrelet: "Si fut de ce jour en avant ceste besongne appellée la +rencontre de Mons en Vimeu. Et ne fu déclairée à estre bataille, pour ce +que les parties rencontrèrent l'un l'autre aventureusement, et qu'il n'y +avoit comme nulles bannières desploiées".<a name='FNanchor_309_309'></a><a href='#Footnote_309_309'><sup>[309]</sup></a> Hendrik V van Engeland +doopt zijn groote overwinning, "pour tant que toutes batailles doivent +porter le nom de la prochaine forteresse où elles sont faictes", +plechtig als den slag van Azincourt.<a name='FNanchor_310_310'></a><a href='#Footnote_310_310'><sup>[310]</sup></a> Het overnachten op het +slagveld gold als het erkende teeken der overwinning.<a name='FNanchor_311_311'></a><a href='#Footnote_311_311'><sup>[311]</sup></a></p> + +<p>De persoonlijke dapperheid van den vorst in den slag heeft somtijds een +bedenkelijk kunstmatig karakter. Froissart beschrijft een strijd van +Eduard III tegen een Fransch edelman bij Calais in termen, die zouden +doen vermoeden, dat het geen bittere ernst was. "Là se combati li rois à +monsigneur Ustasse moult longuement et messires Ustasse à lui, et tant +que il les faisoit moult plaisant veoir". Tenslotte geeft de Franschman +zich over, en wordt het geval besloten met een souper, dat de koning +zijn gevangene aanbiedt.<a name='FNanchor_312_312'></a><a href='#Footnote_312_312'><sup>[312]</sup></a>—In het gevecht van Saint Richier laat +Philips van Bourgondië wegens het gevaar zijn prachtige wapenrusting +door een ander dragen, maar het heet, dat het is, om als een gewoon +krijgsman zichzelf beter te beproeven.<a name='FNanchor_313_313'></a><a href='#Footnote_313_313'><sup>[313]</sup></a> Wanneer de jonge hertogen +van Berry en Bretagne Karel den Stoute volgen in zijn guerre du bien +public, dragen zij, naar aan Commines werd verteld, schijnharnassen van +satijn met vergulde spijkertjes.<a name='FNanchor_314_314'></a><a href='#Footnote_314_314'><sup>[314]</sup></a></p> +<a name='163'></a> +<p>Overal steekt de leugen door de gaten van het ridderlijke staatsiekleed. +De werkelijkheid verloochent voortdurend het ideaal. Vandaar dat het +steeds meer zich terugtrekt in de sfeer van litteratuur, feest en spel: +daar alleen was de illusie van het schoone ridderlijke leven te +handhaven; daar is men onder elkaar in de kaste, waarbinnen al die +sentimenten enkel gelding hebben.</p> + +<p>Het is verbazend, zooals de ridderlijkheid onmiddellijk in gebreke +blijft, waar zij zou moeten gelden jegens niet-gelijkwaardigen. Zoodra +het lageren in stand betreft, ontbreekt elke behoefte aan ridderlijke +hoogheid. De edele Chastellain heeft niet het geringste begrip voor de +koppige burgereer van den rijken brouwer, die zijn dochter niet aan 's +hertogen soldaat wil geven, en er lijf en goed aan waagt, om den hertog +te weerstreven.<a name='FNanchor_315_315'></a><a href='#Footnote_315_315'><sup>[315]</sup></a> Froissart vertelt zonder een zweem van eerbied, +hoe Karel VI het lijk van Philips van Artevelde wilde zien. "Quand on +l'eust regardé une espasse on le osta de là et fu pendus à un arbre. +Velà le darraine fin de che Philippe d'Artevelle."<a name='FNanchor_316_316'></a><a href='#Footnote_316_316'><sup>[316]</sup></a> De koning zou +zich zelfs niet ontzien hebben, het lijk te schoppen, "en le traitant de +vilain".<a name='FNanchor_317_317'></a><a href='#Footnote_317_317'><sup>[317]</sup></a> De gruwelijkste wreedheden van de edelen tegen de burgers +van Gent in den oorlog van 1382, wanneer zij veertig graanschippers +verminkt en met uitgestoken oogen naar de stad terugzenden, bekoelen +Froissart geen oogenblik in zijn geestdrift voor de ridderij.<a name='FNanchor_318_318'></a><a href='#Footnote_318_318'><sup>[318]</sup></a> +Chastellain, die zwelgt in de heldendaden van Jacques de Lalaing en +zijns gelijken, vermeldt zonder eenige sympathie die van een onbekenden +Gentschen knaap,<a name='164'></a> die alleen op Lalaing aanviel.<a name='FNanchor_319_319'></a><a href='#Footnote_319_319'><sup>[319]</sup></a> La Marche zegt +althans naïef van heldenfeiten, door een Gentenaar uit het volk +verricht, dat het van belang zou zijn geweest, als het "un homme de +bien" geweest was.<a name='FNanchor_320_320'></a><a href='#Footnote_320_320'><sup>[320]</sup></a></p> + +<p>Op alle wijzen drong anders de werkelijkheid de negatie van het +ridderlijke ideaal aan de geesten op. De veldheerskunst had sedert lang +de tournooihouding opgegeven: de oorlog van de veertiende en vijftiende +eeuw was er een van besluipen en verrassen, van strooptochten en raids. +De Engelschen hadden het eerst het afstijgen van de ridders in den slag +ingevoerd, en het werd aan Fransche zijde overgenomen.<a name='FNanchor_321_321'></a><a href='#Footnote_321_321'><sup>[321]</sup></a> Eustache +Deschamps meent spottend, dat het dient om het vluchten te beletten. +<a name='FNanchor_322_322'></a><a href='#Footnote_322_322'><sup>[322]</sup></a> Op zee, zegt Froissart, is het ijselijk vechten, want daar kan +men niet wijken en vluchten.<a name='FNanchor_323_323'></a><a href='#Footnote_323_323'><sup>[323]</sup></a> Buitengewoon naïef komt de +ontoereikendheid der ridderlijke opvattingen als militair beginsel uit +in het <i>Debat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre,</i> een +tractaat van omstreeks 1455, waarin in den vorm van een twistgesprek de +voorrang van Frankrijk boven Engeland wordt betoogd. De Engelsche heraut +heeft den Franschen gevraagd, waarom zijn koning niet een groote +scheepsmacht onderhoudt, gelijk die van Engeland. Wel, antwoordt de +Fransche heraut, dat heeft hij niet noodig, en bovendien: de Fransche +adel houdt meer van den oorlog te land dan ter zee, om verschillende +redenen: "car il y a danger et perdicion de vie, et Dieu scet quelle +pitié quant il fait une tourmente (storm),<a name='165'></a> et si est la malladie de la +mer forte à endurer à plusieurs gens. Item, et la dure vie dont il fault +vivre, qui n'est pas bien consonante à noblesse."<a name='FNanchor_324_324'></a><a href='#Footnote_324_324'><sup>[324]</sup></a> Hoe gering van +uitwerking ook nog, reeds kondigde het kanon de toekomstige veranderingen +van den oorlog aan. Het was als een ironische symboliek, dat het puik der +dolende ridders "à la mode de Bourgogne," Jacques de Lalaing, gedood werd +door een kanonschot.<a name='FNanchor_325_325'></a><a href='#Footnote_325_325'><sup>[325]</sup></a></p> + +<p>Er was aan de adellijk-militaire carrière een financieele kant, die +dikwijls zeer vrijmoedig wordt bekend. Elke bladzijde der +laat-middeleeuwsche krijgsgeschiedenis geeft te verstaan, hoe zeer het +daarbij aankwam op het maken van aanzienlijke gevangenen, terwille van +den losprijs. Froissart verzuimt niet te vermelden, hoeveel de bedrijver +van een geslaagde overrompeling bij de zaak verdiende.<a name='FNanchor_326_326'></a><a href='#Footnote_326_326'><sup>[326]</sup></a> Maar +behalve de directe baten van den oorlog spelen ook de pensioenen en +renten en gouverneursposten in het leven van den ridder een groote rol. +Het vooruitkomen wordt grif als doel aanvaard. "Je sui uns povres homs +qui desire mon avancement", zegt Eustache de Ribeumont. Froissart +vertelt zijn eindelooze faits divers van den ridderkrijg onder andere +tot voorbeeld van de dapperen, "qui se désirent à avanchier par armes." +<a name='FNanchor_327_327'></a><a href='#Footnote_327_327'><sup>[327]</sup></a> Deschamps heeft een ballade, waarin de ridders, knapen en +sergianten van het hof van Bourgondië staan te hunkeren naar den +betaaldag, met het refrein:</p> + +<div class='poem'> "Et quant venra le tresorier?"<a name='FNanchor_328_328'></a><a href='#Footnote_328_328'><sup>[328]</sup></a></div> +<a name='166'></a> +<p>Chastellain vindt het natuurlijk en gepast, dat iemand die naar +aardschen roem streeft, gierig en berekenend is, "fort veillant et +entendant à grand somme de deniers, soit en pensions, soit en rentes, +soit en gouvernemens ou en pratiques."<a name='FNanchor_329_329'></a><a href='#Footnote_329_329'><sup>[329]</sup></a> En inderdaad schijnt zelfs +de edele Boucicaut, die allen ridders ten voorbeeld werd gesteld, van +bijzondere geldzucht niet vrij te zijn geweest.<a name='FNanchor_330_330'></a><a href='#Footnote_330_330'><sup>[330]</sup></a> De nuchtere +Commines begroot een edelman naar zijn salaris als "ung gentilhomme de +vingt escuz."<a name='FNanchor_331_331'></a><a href='#Footnote_331_331'><sup>[331]</sup></a></p> + +<p>Tusschen al de luide verheerlijking van het ridderlijke leven en den +ridderlijken krijg klinkt af en toe de bewuste negatie van het +ridderideaal: soms nuchter, soms hoonend. De edelen zelf zagen bijwijlen +de opgepoetste ellende en de valschheid van zulk een leven van krijg en +tournooien.<a name='FNanchor_332_332'></a><a href='#Footnote_332_332'><sup>[332]</sup></a> Het was niet te verwonderen, dat de twee sarcastische +geesten, die voor het ridderdom niet dan spot en minachting hadden, +elkaar gevonden hebben: Lodewijk XI en Philippe de Commines. De +beschrijving van den slag bij Montlhéry bij Commines is in haar nuchter +realisme volkomen modern. Hier geen schoone heldendaden, geen fictief +dramatisch verloop, maar slechts het relaas van een voortdurend komen en +gaan, een twijfelen en vreezen, steeds verteld met een licht sarcasme. +Hij schijnt erin te genieten, als hij van smadelijk vluchten kan +vertellen en van den moed, die terugkeert, als het gevaar geweken is. +Hij gebruikt weinig het woord "honneur", en behandelt de eer bijna als +een noodzakelijk kwaad.<a name='167'></a> "Mon advis est que s'il eust voulu s'en aller +ceste nuyt, il eust bien faict.... Mais sans doubte, là où il avoit de +l'honneur, il n'eust point voulu estre reprins de couardise". Zelfs waar +hij bloedige ontmoetingen verhaalt, zoekt men vergeefs de terminologie +der ridderschap: het woord dapperheid of ridderlijkheid kent hij niet. +<a name='FNanchor_333_333'></a><a href='#Footnote_333_333'><sup>[333]</sup></a></p> + +<p>Zou het zijn Zeeuwsche moeder Margaretha van Arnemuiden zijn geweest, +van wie Commines zijn nuchteren geest had? Het schijnt immers wel, dat +in Holland, ondanks den Henegouwschen Willem IV, den ijdelen avonturier, +de riddergeest vroegtijdig aan het afsterven was, terwijl juist +Henegouwen, waarmee het vereenigd was, altijd het echte land van den +ridderlijken adel is geweest. Bij het Combat des Trente was de beste aan +Engelsche zijde een zekere Crokart, een voormalige knecht van de heeren +van Arkel. Hij had in den oorlog groot fortuin gemaakt: wel 60.000 +kronen en een stal met dertig paarden; daarbij had hij grooten roep van +dapperheid verworven, zoodat de koning van Frankrijk hem ridderschap en +een aanzienlijk huwelijk beloofde, als hij Fransch wilde worden. Deze +Crokart kwam met zijn roem en zijn rijkdom in Holland terug, en hield er +grooten staat; maar de Hollandsche heeren wisten nog wel, wie hij was, +en namen geen notitie van hem, zoodat hij terugkeerde naar het land, +waar men ridderlijke faam beter waardeerde.<a name='FNanchor_334_334'></a><a href='#Footnote_334_334'><sup>[334]</sup></a></p> + +<p>Wanneer Jan van Nevers zich gereedmaakt, om de reis naar Turkije te +ondernemen, waar hij Nicopolis zou vinden, laat Froissart hertog +Albrecht van Beieren, den graaf van Holland,<a name='168'></a> Zeeland en Henegouwen, tot +zijn zoon Willem zeggen: "Guillemme, puisque tu as la voulenté de +voyagier et aler en Honguerie et en Turquie et quérir les armes sur gens +et pays qui oncques riens ne nous fourfirent, ne nul article de raison +tu n'y as d'y aler fors que pour la vayne gloire de ce monde, laisse +Jean de Bourgoigne et nos cousins de France faire leurs emprises, et fay +la tienne à par toy, et t'en va en Frise et conquiers nostre héritage." +<a name='FNanchor_335_335'></a><a href='#Footnote_335_335'><sup>[335]</sup></a></p> + +<p>Van al de landen van Bourgondië was de adel van Holland bij de +kruisgeloften van het feest te Rijssel verreweg het slechtst +vertegenwoordigd. Toen na het feest nog meer geloften schriftelijk in de +verschillende landen werden ingezameld, kwamen er uit Artois nog 27, uit +Vlaanderen 54, uit Henegouwen 27, en uit Holland 4, en deze luiden nog +zeer voorwaardelijk en voorzichtig.<a name='FNanchor_336_336'></a><a href='#Footnote_336_336'><sup>[336]</sup></a></p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>De chevalerie zou niet het levensideaal van eeuwen zijn geweest, indien +daarin niet hooge waarden aanwezig waren geweest voor de ontwikkeling +der samenleving, indien het niet sociaal, ethisch en aesthetisch +noodzakelijk was geweest. Juist in de schoone overdrijving had eenmaal +de kracht van dit ideaal gelegen. Het is, alsof de middeleeuwsche geest +in haar bloedige hartstochtelijkheid slechts te leiden was, door het +ideaal veel te hoog te stellen: zoo deed het de kerk, zoo deed het de +ridderlijke gedachte. "Without this violence of direction, which men and +women have, without a spice of bigot and fanatic, no excitement, no +efficiency. We aim above the mark to hit the mark.<a name='169'></a> Every act hath some +falsehood of exaggeration in it."<a name='FNanchor_337_337'></a><a href='#Footnote_337_337'><sup>[337]</sup></a></p> + +<p>Doch naarmate een cultuurideaal meer gevuld is met de aanspraak op de +hoogste deugden, is de disharmonie tusschen levensvorm en werkelijkheid +grooter. Het ridderideaal met zijn nog half-religieuzen inhoud kon +slechts worden beleden door een tijd, die nog voor zeer sterke +realiteiten de oogen kon sluiten, die vatbaar was voor de volstrekte +illusie. De zich vernieuwende beschaving dwingt, dat uit den ouden +levensvorm de al te hooge aspiraties worden prijsgegeven. De ridder gaat +over in den virtuoso der Renaissance, in den Franschen gentilhomme der +17<sup>e</sup> eeuw, tenslotte in den modernen gentleman, en bij elke transformatie +schijnt een hulsel van leugen af te vallen.</p> + +<p>De ridderlijke levensvorm was al te zwaar beladen met idealen van +schoonheid, deugd en nuttigheid. Bezag men hem met nuchteren +werkelijkheidszin, zooals Commines, dan leek al die hooggeroemde +chevalerie zoo nutteloos en onecht, een opgemaakte vertooning, een +belachelijk anachronisme: de werkelijke roerselen, die de menschen deden +handelen en het lot van staten en gemeenschappen bepaalden, lagen er +buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst +zwak, nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische +zijde, die immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een +waarlijk geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter +zonde en ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt +bezweek het ideaal:<a name='170'></a> zelfs de schoonheid van dien levensvorm was aan alle +kanten open voor ontkenning. Al mocht het ridderlijke leven soms burgers +begeerlijk schijnen, uit den adel zelf kwam de groote moeheid en +onvoldaanheid voort. Het schoone spel van het hoofsche leven was zoo +bont, zoo valsch, zoo druk. Weg uit die moeizaam opgezette levenskunst +naar veiligen eenvoud en rust.</p> + +<p>Er waren dan twee wegen van het ridderlijk ideaal af: die naar het +werkelijke, actieve leven en den modernen geest van onderzoek, en die +naar de wereldverzaking. Maar deze laatste weg splitste zich als de Y +van Pythagoras in tweeën: de hoofdlijn was die van het echte geestelijk +leven, de zijlijn hield den rand van de wereld met haar genietingen. De +zucht naar het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en +verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg +open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en +lichter droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd +als een belofte van natuurlijk geluk met al den glans, waarmee zij sinds +Theocritus geschenen had. De groote bevrediging scheen mogelijk zonder +strijd, door een vlucht, weg van den wedijver vol haat en nijd om ijdele +eer en rang, weg van de drukkende, overladen weelde en staatsie en van +den wreeden, gevaarlijken krijg.</p> + +<p>De lof van het eenvoudig leven was een thema, dat de middeleeuwsche +litteratuur reeds van de Oudheid had meegekregen. Het dekt zich niet +volkomen met de pastorale; men heeft te doen met een positieve en een +negatieve uiting van hetzelfde sentiment: de eerste is de pastorale, de +laatste de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van +het aristocratische levensideaal.<a name='171'></a> Doch beide vloeien voortdurend ineen. +Op het thema van de misère van het hofleven hadden reeds in de twaalfde +eeuw Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten <i>De nugis +curialum</i> geschreven. In het veertiendeëeuwsche Frankrijk had het zijn +klassieke uitdrukking gekregen in het gedicht van Philippe de Vitri, +bisschop van Meaux, musicus en poëet beide, door Petrarca geprezen: <i>Le +Dit de Franc Gontier</i>.<a name='FNanchor_338_338'></a><a href='#Footnote_338_338'><sup>[338]</sup></a> De versmelting met de pastorale is hier +volkomen.</p> + +<div class='poem'> "Soubz feuille vert, sur herbe delitable +<span>Lez ru bruiant et prez clere fontaine<br /></span> +<span>Trouvay fichee une borde portable,<br /></span> +<span>Ilec mengeoit Gontier o dame Helayne<br /></span> +<span>Fromage frais, laict, burre fromaigee,<br /></span> +<span>Craime, matton, pomme, nois, prune, poire,<br /></span> +<span>Aulx et oignons, escaillongne froyee<br /></span> +<span>Sur crouste bise, au gros sel, pour mieulx boire."<a name='FNanchor_339_339'></a><a href='#Footnote_339_339'><sup>[339]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Na den maaltijd kussen zij elkander "et bouche et nez, polie et bien +barbue"; vervolgens gaat Gontier in het bosch een boom hakken, terwijl +dame Helayne aan het wasschen gaat.</p> + +<div class='poem'> "J'oy Gontier en abatant son arbre +<span>Dieu mercier de sa vie seüre:<br /></span> +<span>"Ne sçay—dit-il—que sont pilliers de marbre,<br /></span> +<span>Pommeaux luisans, murs vestus de paincture;<br /></span> +<span>Je n'ay paour de traïson tissue<br /></span> +<span>Soubz beau semblant, ne qu'empoisonné soye<br /></span> +<span>En vaisseau d'or. Je n'ay la teste nue<br /></span> +<span>Devant thirant, ne genoil qui s'i ploye.<br /></span> +<span>Verge d'uissier jamais ne me deboute,<br /></span><a name='172'></a> +<span>Car jusques la ne m'esprent convoitise,<br /></span> +<span>Ambicion, ne lescherie gloute.<br /></span> +<span>Labour me paist en joieuse franchise;<br /></span> +<span>Moult j'ame Helayne et elle moy sans faille,<br /></span> +<span>Et c'est assez. De tombel n'avons cure."<br /></span> +<span>Lors je dy: "Las! serf de court ne vault maille,<br /></span> +<span>Mais Franc Gontier vault en or jame pure."<a name='FNanchor_340_340'></a><a href='#Footnote_340_340'><sup>[340]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Dat bleef voor de volgende geslachten de klassieke uitdrukking van het +ideaal des eenvoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid, +met de geneuchten van matigheid, gezondheid, arbeid en natuurlijke, +onverwikkelde liefde in het huwelijk.</p> + +<p>Eustache Deschamps zong den lof van het eenvoudig leven en den afkeer +van het hof in tal van balladen na. Hij geeft onder andere één trouwe +nabootsing van <i>Franc Gontier:</i></p> + +<div class='poem'> "En retournant d'une court souveraine +<span>Où j'avoie longuement sejourné,<br /></span> +<span>En un bosquet, dessus une fontaine<br /></span> +<span>Trouvay Robin le franc, enchapelé,<br /></span> +<span>Chapeauls de flours avoit cilz afublé<br /></span> +<span>Dessus son chief, et Marion sa drue...."<a name='FNanchor_341_341'></a><a href='#Footnote_341_341'><sup>[341]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Hij breidt het thema uit met de bespotting van krijgsmansleven en +ridderschap. In soberen ernst beklaagt hij de ellende en wreedheid van +den oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zeven +hoofdzonden zijn zijn dagelijksch werk, hebzucht en ijdele roemzucht +zijn het wezen van den krijg.</p> + +<div class='poem'> ... "Je vueil mener d'or en avant<a name='173'></a> +<span>Estat moien, c'est mon oppinion,<br /></span> +<span>Guerre laissier et vivre en labourant:<br /></span> +<span>Guerre mener n'est que dampnacion."<a name='FNanchor_342_342'></a><a href='#Footnote_342_342'><sup>[342]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Of wel hij verwenscht spottend dengeen, die hem zou willen uitdagen, of +laat zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt, +uitdrukkelijk verbieden.<a name='FNanchor_343_343'></a><a href='#Footnote_343_343'><sup>[343]</sup></a> Doch meestal is het het thema der aurea +mediocritas op zich zelf.</p> + +<div class='poem'> "Je ne requier à Dieu fors qu'il me doint +<span>En ce monde lui servir et loer,<br /></span> +<span>Vivre pour moy, cote entiere ou pourpoint,<br /></span> +<span>Aucun cheval pour mon labour porter,<br /></span> +<span>Et que je puisse mon estat gouverner<br /></span> +<span>Moiennement, en grace, sanz envie,<br /></span> +<span>Sanz trop avoir et sanz pain demander,<br /></span> +<span>Car au jour d'ui est la plus seure vie."<a name='FNanchor_344_344'></a><a href='#Footnote_344_344'><sup>[344]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Roemzucht en winstbejag brengen niets dan ellende, de arme is tevreden +en gelukkig, en leeft ongestoord en lang:</p> + +<div class='poem'> ... "Un ouvrier et uns povres chartons +<span>Va mauvestuz, deschirez et deschaulx<br /></span> +<span>Mais en ouvrant prant en gré ses travaulx<br /></span> +<span>Et liement fait son euvre fenir.<br /></span> +<span>Par nuit dort bien; pour ce uns telz cueurs loiaulx<br /></span> +<span>Voit quatre roys et leur regne fenir."<a name='FNanchor_345_345'></a><a href='#Footnote_345_345'><sup>[345]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>De gedachte, dat de eenvoudige werker vier koningen overleeft, beviel +den dichter zoo goed,<a name='174'></a> dat hij haar herhaaldelijk te pas bracht.<a name='FNanchor_346_346'></a><a href='#Footnote_346_346'><sup>[346]</sup></a></p> + +<p>De uitgever van Deschamps' poëzie, Gaston Raynaud, neemt aan, dat al de +gedichten van deze strekking,<a name='FNanchor_347_347'></a><a href='#Footnote_347_347'><sup>[347]</sup></a> veelal onder de beste, die Deschamps +maakte, zijn toe te schrijven aan zijn laatsten tijd, toen hij, ontzet +van zijn ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het +hofleven zou hebben begrepen.<a name='FNanchor_348_348'></a><a href='#Footnote_348_348'><sup>[348]</sup></a> Een inkeer zou het dus zijn. Zou het +niet veeleer een reactie, een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf, +midden in zijn leven van jagenden hartstocht en overdaad heeft, stel ik +mij voor, deze producten begeerd en genoten van zijn brooddichter, die +een andermaal zijn gaven prostitueerde, om hun grofsten lachlust te +bevredigen.</p> + +<p>Omstreeks 1400 is het de kring van vroegste Fransche humanisten, +tendeele samenvallend met de reformpartij der groote conciliën, die op +het thema der misprijzing van het hofleven voortwerkt. Pierre d'Ailly +zelf, de groote theoloog en kerkpoliticus, dicht een pendant bij <i>Franc +Gontier</i>, het beeld van den tiran in zijn slavenleven vol van vreezen. +<a name='FNanchor_349_349'></a><a href='#Footnote_349_349'><sup>[349]</sup></a> Zijn geestverwanten gebruiken den nieuw opgefrischten Latijnschen +briefvorm ertoe: zoo Nicolaas de Clemanges,<a name='FNanchor_350_350'></a><a href='#Footnote_350_350'><sup>[350]</sup></a> zoo zijn correspondent +Jean de Montreuil.<a name='FNanchor_351_351'></a><a href='#Footnote_351_351'><sup>[351]</sup></a> Tot dien kring behoorde de Milanees Ambrosius +de Miliis,<a name='175'></a> secretaris van den hertog van Orleans, die aan Gontier Col +een litterairen brief schreef, waarin een hoveling zijn vriend +waarschuwt voor de intrede in den hofdienst.<a name='FNanchor_352_352'></a><a href='#Footnote_352_352'><sup>[352]</sup></a> Deze brief, zelf in +vergetelheid geraakt, werd vertaald door, of kwam althans in vertaling +onder den titel <i>Le Curial</i> op naam van Alain Chartier, den befaamden +hofdichter.<a name='FNanchor_353_353'></a><a href='#Footnote_353_353'><sup>[353]</sup></a> <i>Le Curial</i> werd weer in het latijn overgebracht door +den humanist Robert Gaguin.<a name='FNanchor_354_354'></a><a href='#Footnote_354_354'><sup>[354]</sup></a></p> + +<p>In den vorm van een allegorisch gedicht, trant <i>Roman de la rose</i>, +behandelde zekere Charles de Rochefort het thema. Zijn <i>L'abuzé en +court</i> kwam op naam van koning René.<a name='FNanchor_355_355'></a><a href='#Footnote_355_355'><sup>[355]</sup></a> Jean Meschinot dicht als al +zijn voorgangers:</p> + +<div class='poem'> "La cour est une mer, dont sourt +<span>Vagues d'orgueil, d'envie orages....<br /></span> +<span>Ire esmeut debats et outrages,<br /></span> +<span>Qui les nefs jettent souvent bas;<br /></span> +<span>Traison y fait son personnage.<br /></span> +<span>Nage aultre part pour tes ebats."<a name='FNanchor_356_356'></a><a href='#Footnote_356_356'><sup>[356]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Nog in de zestiende eeuw had het oude thema zijn bekoring niet verloren. +<a name='FNanchor_357_357'></a><a href='#Footnote_357_357'><sup>[357]</sup></a></p> +<a name='176'></a> +<p>Veiligheid, rust en onafhankelijkheid, dat zijn de goede dingen, waarom +men het hof wil ontvlieden voor het eenvoudig leven in arbeid en +matigheid, temidden der natuur. Dat is de negatieve kant van het ideaal. +Doch de positieve kant is niet zoo zeer de vreugde aan arbeid en eenvoud +zelf als wel het welbehagen aan de natuurlijke liefde. Het herdersideaal +leidt ons onmiddellijk over tot de vormen der erotische cultuur.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h3><a name='IV'></a>IV</h3> + +<h3>DE VORMEN DER LIEFDE</h3> +<br /> +<a name='177'></a> +<p>Sedert de Provençaalsche troubadours der twaalfde eeuw het eerst de +melodie van het onbevredigd verlangen hadden aangeheven, hadden de +violen van het liefdelied al hooger en hooger gezongen, totdat alleen +Dante het instrument meer zuiver bespelen kon.</p> + +<p>Het was een der gewichtigste wendingen van den middeleeuwschen geest +geweest, toen hij voor het eerst een liefdesideaal ontwikkelde met een +negatieven grondtoon. De Oudheid had voorzeker ook het smachten en de +smarten der liefde bezongen; maar was toch eigenlijk daar het smachten +niet enkel gezien als het uitstel en de prikkel der zekere vervulling? +En in het droef-eindend liefdeverhaal der Oudheid was niet de +verijdeling van het verlangen het stemmingsmoment, maar het dramatisch +door den dood afbreken der reeds vervulde min, zooals van Cephalus en +Procris, van Pyramus en Thisbe. De aandoening van droefheid lag er niet +in de erotische onbevredigdheid, maar in het treurig lotgeval. Eerst in +de hoofsche minne der troubadours is de onbevredigdheid zelf hoofdzaak +geworden. Er was een erotische gedachtenvorm geschapen, die vatbaar was +om een overvloed van ethisch gehalte in zich op te nemen, zonder daarom +ooit het verband met de natuurlijke vrouwenliefde geheel op te geven. +Uit de zinnelijke liefde zelf was de edele vrouwendienst zonder +aanspraak op vervulling voortgesproten. De liefde moest nu het veld +zijn, waarop alle aesthetische en zedelijke volmaking des menschen +bloeien moest. Zuiver vergeestelijkt "vulde zij zich met de heiligste +vroomheid: la vita nuova.</p> +<a name='178'></a> +<p>Toen moest een nieuwe wending komen. In den dolce stil nuovo van Dante +en zijn tijdgenooten was een uiterste bereikt. Petrarca staat alweer +weifelend tusschen het ideaal der vergeestelijkte hoofsche liefde en de +nieuwe inspiratie der Oudheid. En van Petrarca naar Lorenzo de Medici +neemt in Italië het minnelied den weg terug naar de natuurlijke +zinnelijkheid, die ook de bewonderde antieke modellen doordrong. Het +kunstig uitgewerkte systeem der hoofsche min was weder prijsgegeven.</p> + +<p>In Frankrijk en de landen, die onder den ban van Frankrijk's geest +stonden, was de wending anders gekomen. De ontwikkeling der erotische +gedachte sedert den hoogsten bloei der hoofsche lyriek is er minder +eenvoudig. De vormen van het systeem blijven van kracht, maar vullen +zich met anderen geest. Daar had, nog voordat de <i>Vita nova</i> de eeuwige +harmonie vond van een vergeestelijkte passie, de <i>Roman de la rose</i> +nieuwen inhoud gegoten in de vormen der hoofsche min. Ongeveer twee +eeuwen lang heeft het werk van Guillaume de Lorris en Jean Clopinel (of +Chopinel)<a name='FNanchor_358_358'></a><a href='#Footnote_358_358'><sup>[358]</sup></a> de Meun, begonnen vóór 1240 en vóór 1280 voltooid, niet +alleen de vormen der aristocratische liefde volkomen beheerscht, maar +bovendien door zijn encyclopaedischen rijkdom aan uitweidingen op alle +mogelijke gebieden de schatkamer opgeleverd, waaruit de beschaafde +leeken het levendste van hun geestelijke ontwikkeling putten. Het kan +niet gewichtig genoeg worden geschat, dat aldus de heerschende klasse +van een gansch tijdperk haar levenskennis en haar eruditie kreeg in het +raam van een ars amandi. In geen anderen tijd heeft zich het ideaal van +<a name='179'></a>wereldlijke beschaving zoodanig geamalgameerd met dat der vrouwenliefde +als in de twaalfde tot vijftiende eeuw. Alle christelijke en +maatschappelijke deugden, alle volmaking van levensvormen waren in het +systeem der min geschikt in het kader der trouwe liefde. De erotische +levensbeschouwing, 't zij in haar ouderen zuiver hoofschen vorm, 't zij +in haar belichaming in den <i>Roman de la rose</i>, kan op één lijn gesteld +worden met de gelijktijdige scholastiek. Beide vertegenwoordigen een +grootsche poging van den middeleeuwschen geest, om onder één +gezichtspunt alles wat des levens is te begrijpen.</p> + +<p>In de bonte uitbeelding van de vormen der liefde concentreerde zich al +het streven naar levensschoonheid. Wie die schoonheid zocht in eer en +rang, zijn leven wilde tooien met praal en staatsie, kortom wie de +schoonheid des levens in den hoogmoed zocht, zag zich altijd weer +geplaatst voor het inzicht in de ijdelheid dier dingen. Maar in de +liefde scheen, tenzij men afscheid had genomen van alle aardsch geluk, +het doel en het wezen de genieting der schoonheid zelve. Hier was geen +levensschoonheid te scheppen uit edele vormen ter begeleiding van een +hoogen staat, hier woonde de diepste schoonheid en het hoogste geluk +zelf, en wachtte slechts om versierd te worden met kleur en stijl. Elk +ding van schoonheid, elke bloem en elke klank, kon dienst doen om den +levensvorm der liefde op te bouwen.</p> + +<p>Het streven naar de styleering der liefde was meer dan een ijdel spel. +Het was de geweldigheid van den hartstocht zelf, die aan deze felle +samenleving der late Middeleeuwen gebood, het liefdeleven te verheffen +tot een schoon spel van edele regels. Hier bovenal was op straffe van +barbaarschheid de behoefte,<a name='180'></a> om de aandoeningen te encadreeren in vaste +vormen. Onder de lagere standen was de beteugeling der ongebondenheid +aan de Kerk overgelaten, die daarin slaagde zoo goed en zoo kwaad als +een kerk dat vermag. In de aristocratie, die zich onafhankelijker voelde +van de Kerk, omdat zij een stuk cultuur had buiten het kerkelijke, +vormde zich in de veredele erotiek zelf een rem op de teugelloosheid; +litteratuur, mode en omgangsvormen oefenden er een normeerenden invloed +op het liefdeleven uit.</p> + +<p>Of althans, zij schiepen een schoonen schijn, waarnaar men waande te +leven. Want in den grond bleef ook onder de hoogere standen het +liefdeleven bijster ruw. De dagelijksche zeden waren daarbij nog van een +vrijmoedige onbeschaamdheid, die latere tijden verloren hebben. De +hertog van Bourgondië laat voor het Engelsche gezantschap, dat hij te +Valenciennes verwacht, de badstoven der stad in orde maken "pour eux et +pour quiconque avoient de famille, voire bains estorés de tout ce qu'il +faut au mestier de Vénus, à prendre par choix et par élection ce que on +désiroit mieux, et tout aux frais du duc."<a name='FNanchor_359_359'></a><a href='#Footnote_359_359'><sup>[359]</sup></a> De ingetogenheid van +zijn zoon Karel den Stoute wordt hem door velen euvel geduid als voor +een vorst niet passend.<a name='FNanchor_360_360'></a><a href='#Footnote_360_360'><sup>[360]</sup></a> Onder de mechanieke vermakelijkheden van +den lusthof te Hesdin vermelden de rekeningen "ung engien pour moullier +les dames en marchant par dessoubz."<a name='FNanchor_361_361'></a><a href='#Footnote_361_361'><sup>[361]</sup></a></p> + +<p>Doch het is geen tekortschieten aan het ideaal alleen. Naast den stijl +der veredele liefde had ook de ongebondenheid zelf haar stijl, en wel +een zeer ouden.<a name='181'></a> Men kan hem den epithalamischen stijl noemen. Op het +gebied van de verbeeldingen der liefde erft een verfijnde samenleving +als die der laatste Middeleeuwen zooveel overoude motieven, dat de +erotische stijlen met elkaar wedijveren of zich onderling vermengen. +Veel ouder wortels en een even vitale beteekenis als de stijl der +hoofsche min had die primitieve vorm der erotiek, die de +geslachtsgemeenschap zelf verheerlijkt, door de christelijke cultuur +verdrongen uit zijn waarde van heilig mysterie, maar niettemin altijd +even levend.</p> + +<p>De geheele epithalamische toestel, met zijn onbeschaamden lach en zijn +phallische symboliek, had eens deel uitgemaakt van de heilige riten zelf +der bruiloftsviering. Huwelijksplechtigheid en bruiloftsfeest waren +éénmaal ongescheiden geweest: één groot mysterie, dat zich concentreerde +op de copulatie. Toen was de Kerk gekomen en had de heiligheid en het +mysterie voor zich genomen, door ze te verleggen naar het sacrament der +plechtige verbintenis. De accessoires van het mysterie, de stoet en het +lied en de juichkreet, had zij overgelaten aan het bruiloftsfeest. Maar +daar leefden zij nu, ontdaan van hun sacraal karakter, in des te +wulpscher ongebondenheid voort, en de Kerk was machteloos gebleven, die +daar te keeren. Geen kerkelijke zedigheid kon den heftigen levenskreet +van het Hymen o Hymenaee! dempen. Geen puriteinsche zin heeft de +schaamtelooze publiciteit van den huwelijksnacht uit de zeden doen +verdwijnen, immers onze zeventiende eeuw kent haar nog in vollen fleur. +Eerst het moderne individueele sentiment, dat in stilte en duister +hullen wilde, wat van twee alleen was, heeft die zede gebroken.</p> +<a name='182'></a> +<p>Wanneer men zich herinnert, dat nog in 1641 bij de bruiloft van den +jongen prins van Oranje met Maria van Engeland de practical jokes niet +ontbraken, om den bruidegom, een knaap nog, de consummatie van het +huwelijk quasi te beletten, dan verbaast men zich niet over de +onbeschaamde uitgelatenheid, waarmee vorstelijke en adellijke huwelijken +omstreeks 1400 plachten gevierd te worden. Het obsceen gegrinnik, +waarmee Froissart de bruiloft van Karel VI met Isabeau van Beieren, +oorsprong van groote tragediën, verhaalt, of het epithalamium, dat +Deschamps aan Antonie van Bourgondië wijdde, kunnen als voorbeelden +strekken.<a name='FNanchor_362_362'></a><a href='#Footnote_362_362'><sup>[362]</sup></a> De <i>Cent nouvelles nouvelles</i> vertellen als iets heel +gewoons van een bruidspaar, dat met de vroegmis trouwt, en na een +lichten maaltijd terstond te bed gaat.<a name='FNanchor_363_363'></a><a href='#Footnote_363_363'><sup>[363]</sup></a> Al de grappen, die hetzij +bij de bruiloft of bij het liefdeleven in 't algemeen hoorden, werden +ook voor het gezelschap van dames passend geacht. De <i>Cent nouvelles +nouvelles</i> dienen zich aan, zij het met eenige ironie, als "glorieuse et +édifiant euvre", als verhalen "moult plaisants à raconter en toute bonne +compagnie". Een adellijke rijmer maakt een lascive ballade op verzoek +van Madame de Bourgogne en al de dames en jufferen van haar hof.<a name='FNanchor_364_364'></a><a href='#Footnote_364_364'><sup>[364]</sup></a></p> + +<p>Het is duidelijk, dat al deze dingen niet gevoeld zijn als tekortkomingen +aan het hooge en stijve ideaal van eer en welvoegelijkheid. Er is hier +een tegenstrijdigheid,<a name='183'></a> die niet mag worden verklaard door de edele vormen +en de groote mate van preutschheid, die de Middeleeuwen op ander gebied +vertoonen, als hypocrisie te beschouwen. Evenmin is de schaamteloosheid +een saturnalisch uit den band springen. Nog onjuister is het, om de +epithalamische obsceniteiten als een teeken van décadence, van +aristocratische overbeschaving te beschouwen, zooals ten opzichte van +onze zeventiende eeuw is geschied.<a name='FNanchor_365_365'></a><a href='#Footnote_365_365'><sup>[365]</sup></a> De dubbelzinnigheden, de obscene +woordspelingen, de lascive verzwijgingen hooren in den epithalamischen +stijl thuis, ze zijn er overoud. Ze worden begrijpelijk, als men ze +beschouwt tegen hun ethnologischen achtergrond: als de tot omgangsvormen +verzwakte resten van het phallische symbolisme der primitieve cultuur. +Als ontmunt mysterie derhalve. Wat eenmaal, toen de grenzen van spel en +ernst nog niet door de cultuur heen waren getrokken, de heiligheid van +het ritueele verbond met de uitgelatenheid der levensvreugde, kon in een +christelijke samenleving slechts meer gangbaarheid hebben als prikkelende +luim en spot. Dwars tegen vroomheid en courtoisie in handhaafden zich in +de bruiloftsgebruiken de sexueele verbeeldingen met al hun levende kracht.</p> + +<p>Men kan, als men wil, het geheele komisch-erotische genre beschouwen als +wilde loten uit den stam van het epithalamium: de vertelling, de klucht, +het liedje. Doch het verband met dien mogelijken oorsprong is lang +verloren; het is een litteratuurgenre op zich zelf geworden; de komische +werking is het zelfstandig doel geworden. Alleen de aard der komiek is +nog altijd dezelfde als die van het epithalamium:<a name='184'></a> zij berust doorgaans +op de symbolische aanduiding der sexueele dingen, of de travesti der +geslachtsliefde in de begrippen van eenig maatschappelijk bedrijf. Bijna +elk werk of ambacht leende zijn termen tot erotische allegorie, toen als +altijd. Het ligt voor de hand, dat in de veertiende en vijftiende eeuw +vooral het tournooi, de jacht en de muziek<a name='FNanchor_366_366'></a><a href='#Footnote_366_366'><sup>[366]</sup></a> er de stof toe leverden. +De behandeling van liefdegevallen in de vormen van het rechtsgeding, +zooals de <i>Arrestz d'amour</i>, hoort feitelijk niet onder de categorie der +travesti. Doch er was een ander gebied, dat voor de inkleeding van het +erotische bijzonder geliefd was, en wel het kerkelijke. De uitdrukking +van het sexueele in kerkelijke termen werd in de Middeleeuwen toegepast +met een buitengewone vrijmoedigheid. In de <i>Cent nouvelles nouvelles</i> is +het enkel het gebruik van woorden als bénir of confesser in obscenen +zin, of de woordspeling van saints en seins, die men niet moede werd te +herhalen. Doch in gekuischter opvatting ontwikkelt zich de kerkelijk- +erotische allegorie tot een litterairen vorm op zich zelf. Het is de +dichterkring van den fijnen Charles d'Orléans, die de droeve liefde +verbeeldt onder de gedaante der kloosterlijke askese, der liturgie en +van het martelaarschap. In navolging van de strenge hervorming van het +Franciscaansche kloosterleven omstreeks 1400 noemen zij zich Les +amoureux de l'observance. Het is als een ironische pendant van den +strakken ernst van den dolce stil nuovo. De heiligschennende strekking +wordt half geboet door de innigheid van het amoureuze sentiment.</p> +<a name='185'></a> +<div class='poem'> "Ce sont ici les dix commandemens, +<span>Vray Dieu d'amours....<br /></span> +<span>Lors m'appella, et me fist les mains mettre<br /></span> +<span>Sur ung livre, en me faisant promettre<br /></span> +<span>Que feroye loyaument mon devoir<br /></span> +<span>Des points d'amour".<a name='FNanchor_367_367'></a><a href='#Footnote_367_367'><sup>[367]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Hij zegt van een gestorven minnaar:</p> + +<div class='poem'> "Et j'ay espoir que brief ou (au) paradis +<span>Des amoureux sera moult hault assis,<br /></span> +<span>Comme martir et très honnoré saint."<br /></span> +</div> + +<p>En van de eigen doode geliefde:</p> + +<div class='poem'> "J'ay fait l'obseque de ma dame +<span>Dedens le moustier amoureux,<br /></span> +<span>Et le service pour son ame<br /></span> +<span>A chanté Penser doloreux.<br /></span> +<span>Mains sierges de soupirs piteux<br /></span> +<span>Ont esté en son luminaire,<br /></span> +<span>Aussi j'ay fait la tombe faire<br /></span> +<span>De regrets...."<a name='FNanchor_368_368'></a><a href='#Footnote_368_368'><sup>[368]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>In het zuivere gedicht <i>L'amant rendu cordelier de l'observance +d'amour</i>, dat de opneming van een troosteloozen minnaar in het klooster +van de martelaars der liefde in den breede beschrijft, is al het +zacht-komische effekt, dat de kerkelijke travesti beloofde, tot het +uiterste uitgewerkt. Is het niet, alsof de erotiek telkens weer, zelfs +op perverse wijze,<a name='186'></a> met het heilige een aanraking moest zoeken, die zij +lang te voren verloren had?</p> + +<p>De erotiek moest, om cultuur te zijn, tot elken prijs een stijl zoeken, +een vorm die haar bond, een uitdrukking, die haar bedekte. En zelfs waar +zij dien vorm versmaadde en afdaalde van scabreuze allegorie tot de +regelrechte en ongesluierde behandeling van het geslachtsleven, blijft +zij haars ondanks toch nog gestyleerd. Het geheele genre, dat door een +groven geest licht voor erotisch naturalisme gehouden wordt, dat, waar +de mannen nimmer uitgeput en de vrouwen altijd willig zijn, is evengoed +als de edelste hoofsche min een romantische fictie. Wat anders dan +romantiek is de laffe verwaarloozing van alle natuurlijke en +maatschappelijke complicaties der liefde, de bemanteling van al het +leugenachtige, het zelfzuchtige en het tragische in het geslachtsleven +met den schoonen schijn van een ongestoord jolijt? Ook hier is het de +groote cultuuraandrift: de zucht naar het schoone leven, de behoefte om +het leven schooner te zien dan de werkelijkheid het bood, de forceering +van het liefdeleven in den vorm van een fantastischen wensch, maar thans +door overdrijving naar den dierlijken kant. Ook hier een levensideaal: +het ideaal der onkuischheid.</p> + +<p>De werkelijkheid is te allen tijde slechter en ruwer geweest dan het +verfijnd litteraire liefdesideaal haar zag, maar ook zuiverder en +ingetogener dan de platte erotiek, die veelal als naturalistisch geldt, +haar voorstelde. Eustache Deschamps, de brooddichter, pleegt in tal +van komische balladen, waarin hij sprekend optreedt, zich tot de +liederlijkste gemeenheid te verlagen. Maar hij is niet de werkelijke +held van die obscene gevallen, en te midden ervan treft een teer versje, +<a name='187'></a>waarin hij zijn dochter op de voortreffelijkheid van haar gestorven +moeder wijst.<a name='FNanchor_369_369'></a><a href='#Footnote_369_369'><sup>[369]</sup></a></p> + +<p>Als bron van litteratuur en cultuur moest het gansche epithalamische +genre met al zijn uitloopers en vertakkingen steeds op de tweede plaats +blijven. Het heeft tot thema de uiterste en volledige bevrediging zelve, +het is directe erotiek. Maar datgene, wat tot levensvorm en +levensversiering dienen kan, is de indirecte erotiek, die tot thema +heeft de mogelijkheid der bevrediging, de belofte, het verlangen, het +ontberen, de nadering van het geluk. Hier wordt de opperste bevrediging +verschoven in het onuitgesprokene, omhuld met al de lichte sluiers der +verwachting. De indirecte erotiek is daardoor alleen reeds van veel +langer adem, bedekt een veel wijder levensveld. En zij kent de liefde +niet alleen en majeur of met het lachende masker, maar is ook in staat, +de smarten der liefde te verwerken tot schoonheid, en heeft daardoor +een oneindig hooger levenswaarde. Zij kan in zich opnemen de ethische +elementen van de trouw, den moed, de edele zachtmoedigheid, en zich +zoodoende verbinden met andere strevingen naar het ideale dan naar dat +der liefde alleen.</p> + +<p>Geheel in overeenstemming met den algemeenen geest der latere +Middeleeuwen, die al het denken tot het uitvoerigste wilde verbeelden en +in systeem brengen, had nu de <i>Roman de la rose</i> aan de gansche erotische +cultuur een vorm gegeven, zoo bont, zoo wel-sluitend en zoo rijk, dat +hij was als een schat van profane liturgie, leer en legende. En juist +het tweeslachtige van den <i>Roman de la rose</i>, werk van twee dichters van +geheel verschillenden aard en opvatting,<a name='188'></a> maakte hem nog bruikbaarder als +bijbelboek der erotische cultuur: men vond er teksten in voor verschillend +gebruik.</p> + +<p>Guillaume de Lorris, de eerste dichter, had nog het oude hoofsche ideaal +gehuldigd. Van hem was de bekorende opzet en de blijde, zoete verbeelding +van het onderwerp. Het is het steeds gebruikte thema van een droom. De +dichter ziet zich vroeg in een meimorgen uitgegaan, om den nachtegaal en +den leeuwerik te hooren. Zijn pad brengt hem langs een rivier tot den +muur van den geheimzinnigen tuin der liefde. Op dien muur ziet hij de +beeltenissen geschilderd van Haat, Verraad, Dorperheid, Hebzucht, +Gierigheid, Nijd, Droefgeestigheid, Ouderdom, Kwezelarij (Papelardie) en +Armoede: de anti-hoofsche eigenschappen. Maar Dame Oiseuse (Ledigheid), +de vriendin van Déduit (Vermaak), opent hem de poort. Daarbinnen leidt +Liesse (Blijheid) den dans. De Liefdegod danst er met Schoonheid in de +rei, waarin Rijkdom, Mildheid, Vrijmoedigheid (Franchise), Hoofschheid +(Courtoisie) en Jeugd deelen. Terwijl de dichter bij de Narcissusfontein +verzonken is in bewondering van den rozeknop, die hij daar ontwaart, +schiet de Liefdegod hem met zijn pijlen: Beauté, Simplesse, Courtoisie, +Compagnie en Beau-Semblant. De dichter verklaart zich Liefde's dienstman +(homme lige), Amour sluit hem het hart met een sleutel, en ontvouwt hem +liefde's geboden, liefde's kwaden (maux) en haar goed (biens). +Esperance, Doux-Penser, Doux-Parler, Doux-Regard heeten de laatste.</p> + +<p>Bel-Accueil, de zoon van Courtoisie, noodt hem tot de rozen, maar dan +komen de bewakers van de roos:<a name='189'></a> Danger, Male-Bouche, Peur en Honte, en +verdrijven hem. Nu begint de verwikkeling. Raison daalt van haar hoogen +toren, om den minnaar te belezen, Ami troost hem, Venus spant haar +kunsten tegen Chasteté, Franchise en Pitié brengen hem naar Bel-Accueil +terug, die hem toestaat, de roos te kussen. Maar Male-Bouche vertelt +het, Jalousie komt aanloopen, en nu wordt om de rozen een sterke muur +gebouwd. Bel-Accueil wordt in een toren opgesloten. Danger en zijn +gezellen bewaken de poorten. Met een klacht van den minnaar eindigde het +werk van Guillaume de Lorris.</p> + +<p>Toen is Jean de Meun gekomen, vrij wat later waarschijnlijk, en heeft +het voortgezet met een veel omvangrijker vervolg en slot. Het verder +verloop van de handeling, de aanval en vermeestering van het kasteel der +rozen door Amour met al zijn bondgenooten, de hoofsche deugden, maar ook +Bien Celer, Faux-Semblant, verdrinkt bijna in den vloed van uitweidingen, +beschouwingen, verhalen, waarmee de tweede dichter het werk tot een ware +encyclopaedie heeft gemaakt. Maar wat vooral van gewicht is: hier sprak +een geest, zoo onbevangen, zoo sceptisch-koel en cynisch-wreed, als de +Middeleeuwen zelden hebben opgeleverd, daarbij een hanteerder der +Fransche taal als weinigen. De naïeve, lichte idealiteit van Guillaume +de Lorris werd overschaduwd door den ontkennenden geest van Jean de +Meun, die niet aan spoken en toovenaars en ook niet aan trouwe liefde en +vrouwelijke eerbaarheid geloofde, die voor pathologische problemen oog +had, die aan Venus, Nature en Genius de stoutste verdediging van +zinnelijken levensdrang in den mond legde.</p> +<a name='190'></a> +<p>Wanneer Amor vreest, met zijn leger de nederlaag te zullen lijden, zendt +hij Franchise en Doux-Regard naar Venus, zijn moeder, die aan den oproep +gehoor geeft, en op haar duivenwagen te hulp komt. Als Amor haar den +staat van zaken meedeelt, zweert zij, geen kuischheid ooit meer bij +eenige vrouw te zullen laten, en spoort Amor aan, denzelfden eed ten +aanzien der mannen te doen, en het gansche leger zweert mede.</p> + +<p>Intusschen is Nature in haar smidse bezig met haar werk, het onderhouden +der soorten, haar eeuwige worsteling tegen den Dood. Zij beklaagt zich +bitter, dat van al de schepselen alleen de mensch haar geboden +overtreedt, en zich onthoudt van de voortteling. Op haar last begeeft +zich Genius, haar priester, na de lange biecht, waarin Nature hem haar +werken ontvouwt, naar het leger der Liefde, om daar Nature's vloek te +slingeren over de versmaders van haar geboden. Amor dost Genius uit met +een kazuifel, een ring, een staf en een mijter; Venus geeft hem +schaterlachende een brandende kaars in de hand,</p> + +<div class='poem'> "Qui ne fu pas de cire vierge".</div> + +<p>De excommunicatie wordt ingeleid door de verwerping der maagdelijkheid +in een drieste symboliek, die uitloopt op een wonderlijk mysticisme. +De hel voor hen, die de geboden der natuur en der liefde niet in acht +nemen, voor de anderen de bebloemde weide, waar de Zoon der Maagd zijn +blanke schaapjes hoedt, die daar in eeuwige geneuchte de bloemen en het +kruid grazen, dat daar onverderfelijk bloeit.</p> + +<p>Wanneer Genius in de veste de kaars geslingerd heeft, wier vlam de +gansche wereld ontsteekt, begint de eindstrijd om den toren.<a name='191'></a> Ook Venus +zelf slingert haar fakkel, dan vluchten Honte en Peur, en Bel-Accueil +staat den minnaar toe, de roos te plukken.</p> + +<p>Hier was derhalve met volle bewustheid het sexueele motief opnieuw in +het middelpunt geplaatst, en het was omkleed met zulk een kunstig +mysterie, ja met zooveel heiligheid, dat een grooter uitdaging aan het +kerkelijk levensideaal niet mogelijk was. In zijn volkomen heidensche +strekking kan men den <i>Roman de la rose</i> als een schrede naar de +Renaissance beschouwen. In den uiterlijken vorm is hij schijnbaar echt +middeleeuwsch. Immers wat is middeleeuwscher dan de tot het uiterste +doorgevoerde personificatie der gemoedsaandoeningen en omstandigheden +der liefde? De figuren van den <i>Roman de la rose</i>: Bel accueil, +Doux-Regard, Faux Semblant, Male Bouche, Danger, Honte, Peur, staan op +één lijn met de echt-middeleeuwsche verbeeldingen van de deugden en +zonden in menschelijke gedaante: allegorieën of iets meer dan dat, +half-geloofde mythologemen. Doch waar is de de grens tusschen deze +voorstellingen en de herleefde nimfen, saters en geesten der +Renaissance? Ze zijn aan een andere sfeer ontleend, maar hun +verbeeldingswaarde is dezelfde, en de aankleeding van de figuren der +<i>Rose</i> doet dikwijls denken aan de fantastisch bebloemde gestalten van +Botticelli.</p> + +<p>Hier was dan de liefdedroom verbeeld in een vorm, tegelijk gekunsteld en +gepassioneerd. De uitvoerige allegorie bevredigde alle eischen der +middeleeuwsche verbeelding. Zonder de personificaties had de geest de +gemoedsbewegingen niet kunnen uitdrukken en navoelen. Al de bonte kleur +en elegante lijn van dat onvergelijkelijke poppenspel was noodig,<a name='192'></a> om een +begrippenstelsel der liefde te vormen, waarmee men elkander begreep. Men +hanteerde de figuren van Danger, Nouvel Penser, Male Bouche als de +gangbare termen van een wetenschappelijke psychologie. Het grondthema +hield den hartstocht levend. Want voor den bleeken dienst van een +getrouwde dame, die door de troubadours als onbereikbaar voorwerp van +smachtende vereering in de wolken was geschoven, was nu weer het +natuurlijkste erotische motief in de plaats gesteld: de hevige prikkel +van het geheim der maagdelijkheid, gesymboliseerd als de roos, en die te +winnen met kunst en volharding.</p> + +<p>In theorie was de liefde van den <i>Roman de la rose</i> hoofsch en edel +gebleven. De tuin der levensvreugde is slechts voor uitverkorenen, en +door liefde toegankelijk. Wie hem betreden wil, moet vrij zijn van haat, +trouweloosheid, dorperheid, hebzucht, gierigheid, nijd, ouderdom, +huichelarij. Doch de positieve deugden, die hij daartegenover moet +stellen, toonen, dat het ideaal niet meer ethisch, als in de hoofsche +minne, maar enkel aristocratisch is. Het zijn: onbezorgdheid, +vatbaarheid voor vermaak, blijde zin, liefde, schoonheid, rijkdom, +mildheid, vrije zin (franchise) en courtoisie. Het zijn niet meer +evenzooveel veredelingen van den persoon door de afstraling der +geliefde, maar deugdelijke middelen om haar te winnen. En het is niet +meer de, zij het ook valsche, vereering der vrouw, die het werk bezielt, +maar, althans bij den tweeden dichter Jean Clopinel, de wreede +verachting voor haar zwakheid, de verachting, die in het zinnelijk +karakter dezer liefde zelf haar oorsprong heeft.</p> + +<p>Ondanks zijn groote heerschappij over de geesten had de <i>Roman de la +rose</i> <a name='193'></a>toch de oudere opvatting der liefde niet geheel kunnen verdringen. +Naast de verheerlijking van de flirt handhaafde zich ook de voorstelling +van de zuivere, ridderlijke, trouwe en zelfverzakende liefde, want deze +was een essentieel onderdeel van het ridderlijke levensideaal. Het was +een hoofsche twistvraag geworden in dien bonten kring van weelderig- +aristocratisch leven rondom den Franschen koning en zijn ooms van Berry +en Bourgondië, welke opvatting der liefde voor den waren edelman de +voorkeur verdiende; die van de echte courtoisie met haar smachtende +trouw en eerbaren dienst aan één dame, of die van den <i>Roman de la +rose</i>, waar de trouw slechts het middel was in dienst der jacht op de +vrouw. De edele ridder Boucicaut had zich met zijn tochtgenooten op een +reis naar het Oosten in 1388 tot den pleitbezorger der ridderlijke trouw +gemaakt, en met het dichten van het <i>Livre des cent ballades</i> zich den +tijd gekort. De beslissing tusschen flirt en trouw wordt er den +beaux-esprits van het hof voorgelegd.</p> + +<p>Uit een dieper ernst welde het woord, waarmee eenige jaren later +Christine de Pisan zich in den strijd waagde. Deze moedige verdedigster +van vrouweneer en vrouwenrechten wendde zich tot den liefdegod met een +dichterlijken brief, die de klacht der vrouwen behelsde tegen al het +bedrog en al den smaad der mannen.<a name='FNanchor_370_370'></a><a href='#Footnote_370_370'><sup>[370]</sup></a> Zij wees de leer van den <i>Roman +de la rose</i> met verontwaardiging van de hand. Sommigen vielen haar bij, +maar het werk van Jean de Meun had nog altijd een schaar van +hartstochtelijke vereerders en verdedigers. Er volgde een litteraire +strijd,<a name='194'></a> waarin tal van voor- en tegenstanders het woord namen. En geen +geringe voorstanders waren het, die de <i>Rose</i> hoog hielden. Vele knappe, +wetenschappelijke, doorgeleerde mannen,—verzekerde de proost van +Rijssel, Jean de Montreuil—, stelden den <i>Roman de la rose</i> zoo hoog, +dat zij hem bijna vereerden (paene ut colerent), en dat zij liever hun +hemd zouden missen dan dat boek.<a name='FNanchor_371_371'></a><a href='#Footnote_371_371'><sup>[371]</sup></a></p> + +<p>Het is voor ons niet gemakkelijk, de geestes- en gemoedssfeer te +begrijpen, waaruit de verdediging voortkwam. Want het waren geen wufte +hofjonkers, maar ernstige hooge ambtenaren, geestelijken zelfs tendeele, +zooals de genoemde proost van Rijssel Jean de Montreuil, secretaris van +den dauphin, later van den hertog van Bourgondië, die er met zijn +vrienden Gontier en Pierre Col in dichterlijke of latijnsche brieven +over correspondeerde, en anderen aanspoorde, om toch de verdediging van +Jean de Meun op zich te nemen. Het eigenaardigste is, dat deze kring, +die zich aldus kampioen stelde voor dat bonte, wulpsche, middeleeuwsche +werk, dezelfde is, waar de eerste kiemen van het Fransche humanisme +gekweekt werden. Jean de Montreuil is de schrijver van een groot aantal +Ciceroniaansche brieven vol humanistenwendingen, humanistenrhetoriek en +humanistenijdelheid. Hij en zijn vrienden Gontier en Pierre Col staan in +briefwisseling met den ernstigen reformgezinden theoloog Nicolaas de +Clemanges.</p> + +<p>Het was Jean de Montreuil zeker ernst met zijn litterair standpunt. Hoe +meer ik,—schrijft hij aan een ongenoemd rechtsgeleerde, die den Roman +bestreden had,—het<a name='195'></a> gewicht der mysteriën en de mysteriën van het +gewicht van dat diepe en beroemde werk van meester Jean de Meun +doorvorsch, hoe meer ik mij verbaas over uwe afkeuring. Tot zijn +laatsten snik zal hij het verdedigen, en er zijn er velen, zooals hij, +die met geschrift, met stem en hand die zaak zullen dienen.<a name='FNanchor_372_372'></a><a href='#Footnote_372_372'><sup>[372]</sup></a></p> + +<p>En als om te bewijzen, dat er in dien strijd over den <i>Roman de la rose</i> +toch meer stak dan een stuk uit het groote gezelschapsspel van het +hofleven, nam tenslotte een man het woord, die wat hij sprak, terwille +van de hoogste zedelijkheid en zuiverste leer sprak, de beroemde +theoloog en kanselier der Parijsche universiteit Jean Gerson. Uit zijn +boekvertrek, des avonds 18 Mei 1402, dateerde hij een tractaat tegen den +<i>Roman de la rose</i>. Het is een antwoord op de bestrijding van een vorig +schrijven van Gerson door Pierre Col,<a name='FNanchor_373_373'></a><a href='#Footnote_373_373'><sup>[373]</sup></a> en ook dit was niet het +eerste geschrift, dat Gerson aan den Roman wijdde; het boek scheen hem +de gevaarlijkste pest, de bron van alle onzedelijkheid; hij wilde het +bij elke gelegenheid bestrijden. Herhaaldelijk trekt hij te velde tegen +den verderfelijken invloed "du vicieux romant de la rose."<a name='FNanchor_374_374'></a><a href='#Footnote_374_374'><sup>[374]</sup></a> Als hij +er een exemplaar van had,—zegt hij—, dat het eenige was, en duizend +pond waard, dan zou hij het liever verbranden, dan het te verkoopen om +in het licht te worden gegeven.</p> + +<p>Gerson ontleende den vorm van zijn betoog aan den tegenstander zelf: een +allegorisch vizioen. Op een morgen ontwakende voelt hij zijn hart hem +ontvlieden,<a name='196'></a> "moyennant les plumes et les eles de diverses pensees, d'un +lieu en autre jusques a la court saincte de crestienté." Daar ontmoet +het Justice, Conscience en Sapience, en hoort, hoe Chasteté den Fol +amoureux, dat is Jean de Meun, aanklaagt, die haar van de aarde met al +haar volgelingen verbannen heeft. Haar "bonnes gardes" zijn juist de +booze figuren van den roman: "Honte, Paour et Dangier le bon portier, +qui ne oseroit ne daigneroit ottroyer neïs (pas même) un vilain baisier +ou dissolu regart ou ris attraiant ou parole legiere." Een reeks van +verwijten slingert Kuischheid den Fol amoureux tegen: hij laat door de +vermaledijde oude vrouw leeren, "comment toutes jeunes filles doivent +vendre leurs corps tost et chierement sans paour et sans vergoigne, et +qu'elles ne tiengnent compte de decevoir ou parjurer." Hij hoont het +huwelijk en het kloosterleven; hij richt al de fantazie op de +vleeschelijke lusten, en wat het ergste is, hij laat door Venus, door +Nature, zelfs door Dame Raison de begrippen van het Paradijs en de +christelijke mysteriën vermengen met die van het zingenot.</p> + +<p>Inderdaad, daar school het gevaar. Het groote werk met zijn vereeniging +van felle zinnelijkheid, hoonend cynisme en elegant symbolisme wekte in +de geesten een sensueel mysticisme, dat den ernstigen theoloog een +afgrond van zondigheid moest schijnen. Wat had niet Gerson's +tegenstander, Pierre Col, durven beweren!<a name='FNanchor_375_375'></a><a href='#Footnote_375_375'><sup>[375]</sup></a> Alleen de fol amoureux +zelf kan over de waarde van die dolle passie oordeelen; wie haar niet +kent,<a name='197'></a> ziet haar slechts in een spiegel en een raadsel. Hij leende dus +voor de aardsche liefde het heilige woord van den brief aan de +Corinthen, om van haar te spreken, zooals de mysticus het van zijn +ekstase doet! Hij waagde het, te verklaren, dat Salomo's hoogheid tot +lof van Pharao's dochter is gedicht. Zij die het boek van de <i>Rose</i> +hebben gesmaad, hebben voor Baal hun knieën gebogen. De Natuur wil niet, +dat één man één vrouw genoeg zij, en de Genius der Natuur is God. Ja, +hij durft Lucas II 23 misbruiken, om uit het evangelie zelf te bewijzen, +dat eertijds de vrouwelijke geslachtsorganen, de roos van den roman, +heilig zijn geweest. En vol vertrouwen in al die blasphemie roept hij de +verdedigers van het werk op, een turbe van getuigen, en dreigt Gerson, +dat deze zelf vervallen zal in een zinnelooze liefde, zooals het anderen +godgeleerden vóór hem is gebeurd.</p> + +<p>Het gezag van den <i>Roman de la rose</i> is door Gerson's aanval niet +getaand. In 1444 biedt een kanunnik van Lisieux, Estienne Legris, aan +Jean Lebègue, griffier van de rekenkamer te Parijs, een <i>Répertoire du +roman de la rose</i> van zijn hand.<a name='FNanchor_376_376'></a><a href='#Footnote_376_376'><sup>[376]</sup></a> Nog in het laatst der vijftiende +eeuw kan Jean Molinet verklaren, dat de uitspraken van de <i>Rose</i> +gangbaar waren als algemeene spreekwoorden.<a name='FNanchor_377_377'></a><a href='#Footnote_377_377'><sup>[377]</sup></a> Hij voelt zich +geroepen, om van den geheelen roman een moraliseerenden commentaar te +geven, waar de bron uit het begin van het gedicht tot symbool van den +doop wordt, de nachtegaal, die tot de liefde roept, de stem van +predikers en godgeleerden,<a name='198'></a> en de roos Jezus zelf. Zelfs Clément Marot +heeft nog een moderniseering van het werk gegeven.</p> + +<p>Terwijl de deftige geletterden hun pennestrijd voerden, vond de +aristocratie in den strijd een welkome aanleiding tot feestelijke +conversatie en pompeus vermaak. Boucicaut, geprezen door Christine de +Pisan om zijn hooghouden van het oude ideaal van ridderlijke trouw in de +liefde, vond wellicht in haar woord weer de aanleiding tot het stichten +van zijn Ordre de l'écu verd à la dame blanche, ter verdediging van +verdrukte vrouwen. Maar hij kon niet wedijveren met den hertog van +Bourgondië, en zijn orde werd terstond in de schaduw gesteld door de +grootsch opgezette Cour d'amours, die op 14 Februari 1401 werd opgericht +in het hôtel d'Artois te Parijs. Het was een luisterrijk aangekleed +litterair salon. Philips de Stoute, hertog van Bourgondië, de oude +berekenende staatsman, had met Lodewijk van Bourbon den koning verzocht, +het liefdehof in te stellen tot afleiding tijdens de pestepidemie, die +er heerschte, "pour passer partie du tempz plus gracieusement et affin +de trouver esveil de nouvelle joye."<a name='FNanchor_378_378'></a><a href='#Footnote_378_378'><sup>[378]</sup></a> Het liefdehof was gegrond +op de deugden van nederigheid en trouw, "à l'onneur, loenge et +recommandacion et service de toutes dames et damoiselles." De talrijke +leden waren getooid met de wijdluftigste titels: de beide oprichters en +Karel VI waren Grands conservateurs, onder de Conservateurs waren Jan +zonder Vrees, zijn broeder Antonie van Brabant, zijn jonge zoon Philips. +Er is een Prince d'amour: Pierre de Hauteville, een Henegouwer; er zijn +Ministres, Auditeurs, Chevaliers d'honneur conseillers, Chevaliers +trésoriers,<a name='199'></a> Grands Veneurs, Ecuyers d'amour, Maîtres des requêtes, +Secrétaires, kortom de geheele toestel van hofhouding en regeering is er +nagebootst. Men vindt er naast prinsen en prelaten ook burgers en lagere +geestelijken. Werkzaamheid en ceremonieel waren nauwkeurig geregeld: er +werden refreinen opgegeven om te behandelen, en "ballades couronnées ou +chapelées", en "amoureuses chansons de cinq couplets", en "sirventois, +distiers, complaintes, rondeaux, lais, virelais." Er zouden debatten +worden gehouden "en forme d'amoureux procès, pour différentes opinions +soustenir." De dames zouden de prijzen uitreiken, en het was verboden om +verzen te maken, die de eer van het vrouwelijk geslacht aantastten.</p> + +<p>Hoe geweldig Bourgondisch is die pompeuze en statige opzet, die ernstige +vormen voor een gracieus vermaak. Het is opmerkelijk, doch verklaarbaar, +dat het hof het strenge ideaal van de edele trouw beleed. Doch als men +zou verwachten, dat nu ook de 700 leden, die bekend zijn uit de ongeveer +vijftien jaren, dat men van het bestaan van het gezelschap verneemt, +allen als Boucicaut de oprechte medestanders van Christine de Pisan, de +vijanden dus van den <i>Roman de la rose</i> zijn geweest, komt men in strijd +met de feiten. Wat men van de zeden van Antonie van Brabant en andere +hooge heeren weet, maakt hen weinig geschikt tot verdedigers van +vrouweneer. Een der leden, een zekere Regnault d'Azincourt, is de +aanlegger van een mislukte schaking in grooten stijl, met twintig +paarden en een priester, van een jonge kramersweduwe.<a name='FNanchor_379_379'></a><a href='#Footnote_379_379'><sup>[379]</sup></a> Een ander +lid, de graaf van Tonnerre,<a name='200'></a> staat schuldig aan een dergelijk vergrijp. +En als om afdoende te bewijzen, dat het alles slechts een schoon +gezelschapsspel was: de bestrijders van Christine de Pisan zelf in den +letterkundigen twist over den <i>Roman de la rose</i> vindt men onder de +leden: Jean de Montreuil, Gontier en Pierre Col.<a name='FNanchor_380_380'></a><a href='#Footnote_380_380'><sup>[380]</sup></a></p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het is uit de litteratuur, dat men de liefdevormen van den tijd moet +leeren kennen, maar het is in het leven zelf, dat men ze zich moet +voorstellen. Daar was een heel stelsel van geijkte vormen, om een jong +leven van aristocratischen omgang mee te vullen. Wat al teekens en +figuren der liefde, die de latere eeuwen gaandeweg hebben prijsgegeven. +In plaats van Amor alleen had men de gansche zonderling persoonlijke +mythologie van den <i>Roman de la rose</i>. Zonder twijfel immers hebben Bel +accueil, Doux-penser, Faux semblant en de rest ook buiten de directe +litteratuurproducten in de verbeelding geleefd. Dan was er al de teedere +beteekenis der kleuren in kleeding, bloemen en sieraad. Voor Rabelais +was het een voorwerp van spot geworden, dat men naar de symbolische +beteekenis der kleuren vroeger zijn pages kleedde, zijn handschoen +borduurde en wat niet al.<a name='FNanchor_381_381'></a><a href='#Footnote_381_381'><sup>[381]</sup></a> In de veertiende en vijftiende eeuw nam +die kleurensymboliek in het amoureuze leven een gewichtige plaats in.</p> + +<p>Wanneer Guillaume de Machaut voor het eerst zijn onbekende geliefde +ziet, is hij verrukt, dat zij bij een wit kleed een kaproen draagt van +hemelsblauwe stof met groene papegaaien, want groen is de kleur der +nieuwe liefde en blauw van de trouw.<a name='201'></a> Later als het hooggetij van zijn +dichterliefde voorbij is, droomt hij, dat haar beeltenis, die boven zijn +bed hangt, het hoofd afwendt, en geheel in het groen gekleed is, "qui +nouvelleté signifie". Hij dicht een verwijtende ballade:</p> + +<div class='poem'> "En lieu de bleu, dame, vous vestez vert."<a name='FNanchor_382_382'></a><a href='#Footnote_382_382'><sup>[382]</sup></a></div> + +<p>De ringen, de sluiers, al de kleinooden en geschenken der liefde hadden +hun bijzondere functie, met hun geheimzinnige deviezen en emblemen, +dikwijls in de gekunsteldste rebussen ontaard. De dauphin trekt in 1414 +ten strijde met een standaard, waarop in goud een K, een zwaan (cygne) +en een L, dat beduidde den naam van een hofdame zijner moeder Isabeau, +die la Cassinelle werd genoemd.<a name='FNanchor_383_383'></a><a href='#Footnote_383_383'><sup>[383]</sup></a> Rabelais bespot nog een eeuw later +de "glorieux de court et transporteurs de noms," die in hun deviezen +"espoir" door een "sphere", "peine" door "pennes d'oiseaux", +"melancholie" door een akelei (ancholie) aanduiden.<a name='FNanchor_384_384'></a><a href='#Footnote_384_384'><sup>[384]</sup></a> Coquillart +spreekt van een</p> + +<div class='poem'> "Mignonne de haulte entreprise, +<span>Qui porte des devises à tas."<a name='FNanchor_385_385'></a><a href='#Footnote_385_385'><sup>[385]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Dan waren er de amoureuze vernuftspelletjes, zooals Le Roi qui ne ment, +Le chastel d'amours, Ventes d'amour, Jeux à vendre. Het meisje noemt den +naam van een bloem of iets anders; de jongeling moet er op rijmen met +een compliment:</p> +<a name='202'></a> +<div class='poem'> "Je vous vensla passerose. +<span>—Belle, dire ne vous ose<br /></span> +<span>Comment Amours vers vous me tire,<br /></span> +<span>Si l'apercevez tout sanz dire".<a name='FNanchor_386_386'></a><a href='#Footnote_386_386'><sup>[386]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>Het Chastel d'amours was zulk een vraag- en antwoordspel, gebaseerd op +de figuren van den <i>Roman de la rose</i>:</p> + +<div class='poem'> "Du chastel d'Amours vous demant: +<span>Dites le premier fondement!<br /></span> +<span>—Amer loyaument.<br /></span> +</div><p></p> + +<div class='poem'> Dites moi qui sont li crenel, +<span>Les fenestres et li carrel!<br /></span> +<span>—Regart atraiant.<br /></span> +</div><p></p> + +<div class='poem'> Amis, nommez moy le portier! +<span>—Dangier mauparlant.<br /></span> +</div><p></p> + +<div class='poem'> Qui est la clef qui le puet deffermer? +<span>—Prier courtoisement."<a name='FNanchor_387_387'></a><a href='#Footnote_387_387'><sup>[387]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Een groote plaats in de hoofsche conversatie werd sinds de dagen der +troubadours ingenomen door de casuïstiek der liefde. Het was als 't ware +de veredeling van de nieuwsgierigheid en kwaadsprekerij tot een +litterairen vorm. Naast "beaulx livres, dits, ballades" wordt de +maaltijd aan het hof van Lodewijk van Orleans opgeluisterd door +"demandes gracieuses".<a name='FNanchor_388_388'></a><a href='#Footnote_388_388'><sup>[388]</sup></a> Men legt ze vooral den dichter ter +beslissing voor.<a name='203'></a> Een gezelschap dames en heeren komt bij Machaut met een +reeks "partures d'amours et de ses aventures."<a name='FNanchor_389_389'></a><a href='#Footnote_389_389'><sup>[389]</sup></a> Hij had in zijn +<i>Jugement d'amour</i> de stelling verdedigd, dat de dame, die door den dood +haar minnaar verliest, minder te beklagen is dan de minnaar eener +trouwelooze geliefde. Elk liefdegeval werd op die wijze naar strenge +normen gediscuteerd—"Beau sire, wat zoudt ge liever willen: dat men +kwaad sprak van uw geliefde en gij haar goed bevondt, of dat men goed +van haar sprak en gij haar slecht vondt?"—Waarop overeenkomstig het +hooge formeele eerbegrip en de dure plicht van den minnaar om voor de +uiterlijke eer der geliefde te waken, het antwoord luiden moest: "Dame, +j'aroie plus chier que j'en oïsse bien dire et y trouvasse mal." +—Wanneer een dame door haar eersten minnaar wordt veronachtzaamd, +handelt zij dan trouweloos, door een tweeden te nemen, die oprechter is? +Mag een ridder, die elke hoop heeft opgegeven, zijn dame te zien, daar +een jaloersche echtgenoot haar opgesloten houdt, zich eindelijk tot een +nieuwe liefde wenden? Wanneer een ridder zich van zijn geliefde keert +tot een vrouw van hoog aanzien, en daarop, teruggewezen, opnieuw haar +genade inroept, laat haar eer haar dan toe, hem te vergeven?<a name='FNanchor_390_390'></a><a href='#Footnote_390_390'><sup>[390]</sup></a> Van +deze casuïstiek is het maar een schrede naar de behandeling der +liefdevragen geheel in procesvorm, zooals Martial d'Auvergne ze geeft in +de <i>Arrestz d'amour.</i></p> +<a name='204'></a> +<p>Al deze omgangsvormen der liefde kennen wij slechts uit hun neerslag in +de litteratuur. Zij hoorden thuis in het werkelijk leven. De code van +hoofsche begrippen, regels en vormen diende niet uitsluitend, om er +versjes mee te maken, maar om ze toe te passen in het aristocratische +leven, of althans in de conversatie. Het is evenwel heel moeilijk, om +door de sluiers der poëzie heen het leven van den tijd te zien. Want ook +waar een werkelijke liefde zoo nauwkeurig mogelijk wordt beschreven, is +het toch van uit den waan van het geijkte ideaal, met den technischen +toestel der gangbare liefdesbegrippen, in de styleering van het +litteraire geval. Zoo is het met het, al te lange, relaas van een +dichterliefde tusschen een ouden poëet en een veertiendeëeuwsche +Bettina, <i>Le livre du Voit-Dit</i> (d.w.z. Ware geschiedenis) van Guillaume +de Machaut.<a name='FNanchor_391_391'></a><a href='#Footnote_391_391'><sup>[391]</sup></a> Hij moet ongeveer zestig jaar oud zijn geweest, toen +de ongeveer achttienjarige Peronnelle d'Armentières<a name='FNanchor_392_392'></a><a href='#Footnote_392_392'><sup>[392]</sup></a>, uit een +aanzienlijk geslacht in Champagne, hem in 1362 haar eerste rondel zond, +waarin zij den onbekenden beroemden dichter haar hart aanbood, terwijl +zij hem liet verzoeken, een dichterlijke liefdescorrespondentie met haar +te beginnen. De arme dichter, ziekelijk, aan één oog blind, geplaagd +door de jicht, is onmiddellijk in vlam. Hij beantwoordt haar rondel, en +een wisseling van brieven en gedichten begint. Peronnelle is trotsch op +haar litteraire verbintenis; zij maakt er aanvankelijk geen geheim van. +<a name='205'></a>Zij wil, dat hij hun gansche liefde naar waarheid zal te boek stellen, +met inlassching van hun brieven en gedichten. Hij volbrengt die taak met +vreugde; "je feray, à vostre gloire et loenge, chose dont il sera bon +memoire".<a name='FNanchor_393_393'></a><a href='#Footnote_393_393'><sup>[393]</sup></a> "Et, mon très-dous cuer,—schrijft hij haar—, vous +estes courrecié de ce que nous avons si tart commencié? (hoe had zij +eerder gekund?) par Dieu aussi suis-je (met meer reden); mais ves-cy le +remede: menons si bonne vie que nous porrons, en lieu et en temps, que +nous recompensons le temps que nous avons perdu; et qu'on parle de nos +amours jusques à cent ans cy après, en tout bien et en toute honneur; +car s'il y avoit mal, vous le celeriés à Dieu, se vous poviés".<a name='FNanchor_394_394'></a><a href='#Footnote_394_394'><sup>[394]</sup></a></p> + +<p>Wat er met een eerbare liefde bestaanbaar was, leert het verhaal, +waarmee Machaut de brieven en gedichten aaneenrijgt. Hij krijgt, op zijn +verzoek, haar geschilderd portret, dat hij eer bewijst als zijn God op +aarde. Vol angst over zijn eigen gebreken gaat hij de eerste samenkomst +tegemoet, en zijn geluk is uitbundig, wanneer zijn voorkomen de jonge +geliefde niet afschrikt. Zij legt zich onder een kerseboom in zijn +schoot te slapen, of kwansuis te slapen. Zij schenkt hem grooter +gunsten. Een pelgrimage naar Saint Denis en de Foire du Lendit geeft de +gelegenheid, om eenige dagen te zamen te zijn. Op een middag is het +gezelschap doodmoe van de drukte en de zomerhitte; het was midden Juni. +Zij vinden in de overvolle stad een onderkomen bij een man, die hun een +kamer met twee bedden afstaat. Op het eene legt zich in de donker +gemaakte kamer ter middagrust Peronnelle's schoonzuster,<a name='206'></a> op het andere +zij zelf met haar kamenier. Zij dringt den schuchteren dichter, om zich +tusschen haar beiden te leggen; hij ligt doodstil uit vrees van haar te +storen, en als zij ontwaakt, beveelt zij hem, haar te omhelzen. Als het +einde van het reisje nadert, en zij zijn droefheid bespeurt, staat zij +hem toe, haar tot afscheid te komen wekken. En ofschoon hij ook bij die +gelegenheid blijft spreken van "onneur" en "onnesté", is het bij zijn +vrij onomwonden verhaal niet duidelijk, wat zij hem nog geweigerd kan +hebben. Zij geeft hem het gouden sleuteltje van haar eer, haar schat, om +die zorgvuldig te behoeden, maar het moet wel opgevat worden als haar +eerbaarheid voor de menschen, wat er nog te bewaren viel.<a name='FNanchor_395_395'></a><a href='#Footnote_395_395'><sup>[395]</sup></a></p> + +<p>Meer geluk was den dichter niet weggelegd, en bij gebrek aan verdere +lotgevallen, vult hij de tweede helft van zijn boek met eindelooze +verhalen uit de mythologie. Tenslotte bericht zij hem, dat hun +verhouding een einde moet nemen, blijkbaar wegens haar huwelijk. Maar +hij besluit, haar altijd te blijven liefhebben en vereeren, en na hun +beider dood zal zijn geest aan God verzoeken, om haar ziel in glorie nog +te blijven noemen: Toute-belle.<a name='FNanchor_396_396'></a><a href='#Footnote_396_396'><sup>[396]</sup></a></p> + +<p>Zoowel voor de zeden als voor de sentimenten leert ons <i>Le Voir-Dit</i> +meer dan de meeste liefdeslitteratuur van den tijd. Vooreerst de +buitengewone vrijheid, die zich dit jonge meisje veroorloven kon, zonder +aanstoot te geven. Dan de naïeve onverstoorbaarheid, waarmee alles, tot +het intiemste, zich afspeelt in tegenwoordigheid van anderen, 't zij de +schoonzuster, de kamenier of den secretaris. Bij het samenzijn onder den +kerseboom verzint deze laatste zelfs een bevallige list:<a name='207'></a> terwijl zij +sluimert, legt hij een groen blad op Peronnelle's mond, en zegt tot +Machaut, dat hij dat blad moet kussen. Als deze het eindelijk waagt, +trekt de secretaris het blad weg, zoodat hij even haar mond aanraakt. +<a name='FNanchor_397_397'></a><a href='#Footnote_397_397'><sup>[397]</sup></a> Even opmerkelijk is het samengaan van liefdes- en godsdienstplichten. +Het feit, dat Machaut als kanunnik van de kerk van Reims tot den +geestelijken stand behoorde, moet niet al te zwaar worden opgevat. De +lagere wijdingen, die voor het kanunnikschap voldoende waren, brachten +in dien tijd den eisch van het coelibaat niet gebiedend mede. Ook +Petrarca was kanunnik. Dat een bedevaart gekozen wordt, om elkaar te +ontmoeten, is ook niets buitengewoons. De bedevaarten waren zeer in trek +voor liefdesavonturen. Maar de pelgrimage wordt desondanks met ernst +verricht, "très devotement."<a name='FNanchor_398_398'></a><a href='#Footnote_398_398'><sup>[398]</sup></a> Bij een vorig samenzijn hooren zij +samen de mis, hij achter haar gezeten:</p> + +<div class='poem'> "... Quant on dist: Agnus dei, +<span>Foy que je doy à Saint Crepais,<br /></span> +<span>Doucement me donna la pais,<br /></span> +<span>Entre deux pilers du moustier (kerk).<br /></span> +<span>Et j'en avoie bien mestier,<br /></span> +<span>Car mes cuers amoureus estoit<br /></span> +<span>Troublés, quant si tost se partoit."<a name='FNanchor_399_399'></a><a href='#Footnote_399_399'><sup>[399]</sup></a><br /></span> +</div> +<p>De paix was het bordje, dat rondging om gekust te worden ter vervanging<a name='208'></a> +van den vredeskus van mond tot mond.<a name='FNanchor_400_400'></a><a href='#Footnote_400_400'><sup>[400]</sup></a> Hier is natuurlijk de +bedoeling, dat Peronnelle hem haar eigen lippen bood. Hij wacht haar in +den tuin onder het zeggen van zijn getijden. Bij het aangaan van een +novene (een negendaagsche verrichting van bepaalde gebeden) doet hij, +als hij de kerk binnentreedt, binnensmonds de gelofte, dat hij ieder van +die dagen een nieuw gedicht op de liefste zou maken, wat hem niet belet, +van de groote devotie te spreken, waarmee hij bad.<a name='FNanchor_401_401'></a><a href='#Footnote_401_401'><sup>[401]</sup></a></p> + +<p>Men moet bij dit alles niet denken aan een frivole of profane bedoeling; +Guillaume de Machaut is tenslotte een ernstig en hooggestemd dichter. +Het is de ons haast onbegrijpelijke onbevangenheid, waarmee in de dagen +vóór Trente de geloofsverrichtingen door het dagelijksche leven heen +waren gevlochten. Wij zullen er spoedig meer van moeten zeggen.</p> + +<p>Het sentiment, dat uit de brieven en de beschrijving van dit historische +liefdegeval spreekt, is week, zoet, een weinig ziekelijk. De uitdrukking +der gevoelens blijft gewikkeld in den langen omhaal van raisonneerende +bespiegeling en de aankleeding met allegorische verbeeldingen en +droomen. Er is iets roerends in de innigheid, waardoor de grijze +dichter, de heerlijkheid van zijn geluk en de voortreffelijkheid van +Toute-belle beschrijvende, zich niet bewust wordt, dat zij toch +eigenlijk met hem en met haar eigen hart maar heeft gespeeld.</p> + +<p>Uit ongeveer denzelfden tijd als Machaut's <i>Voit-Dit</i> stamt een ander +werk, dat in zeker opzicht als tegenhanger zou kunnen dienen: <i>Le livre +du chevalier de la Tour Landry pour l'enseignement de ses filles</i>.<a name='FNanchor_402_402'></a><a href='#Footnote_402_402'><sup>[402]</sup></a> +<a name='209'></a>Het is een geschrift uit adellijken kring evenals de roman van Machaut +en Peronnelle d'Armentières; speelde deze in Champagne en in en om +Parijs, de ridder de la Tour Landry verplaatst ons naar Anjou en Poitou. +Doch hier geen oude dichter, die zelf bemint, maar een vrij prozaïsche +vader, die herinneringen uit zijn jonge jaren, anecdoten en verhalen ten +beste geeft "pour mes filles aprandre à roumancier". Wij zouden zeggen: +om haar de beschaafde vormen in liefdezaken te leeren. Die leering valt +echter in het geheel niet romantisch uit. De strekking der exempelen en +vermaningen, die de zorgvuldige edelman zijn dochters voorhoudt, is +veeleer, haar te waarschuwen voor de gevaren van romantische flirt. Past +op voor die welbespraakte lieden, die altijd klaar staan met "faulx +regars longs et pensifs et petis soupirs et de merveilleuses contenances +affectées (aangedane) et ont plus de paroles à main que autres gens." +<a name='FNanchor_403_403'></a><a href='#Footnote_403_403'><sup>[403]</sup></a> Weest niet te toeschietelijk. Hij was als jongeling eens door zijn +vader op een kasteel gebracht, om met het oog op een gewenschte +verloving kennis te maken met de dochter. Het meisje had hem bijzonder +vriendelijk ontvangen. Om te ervaren, wat er in haar was, sprak hij met +haar over allerlei dingen. Het gesprek kwam op gevangenen, en de jonker +maakte een deftig compliment: "Ma demoiselle, il vaudroit mieulx cheoir +à estre vostre prisonnier que à tout plain d'autres, et pense que vostre +prison ne seroit pas si dure comme celle des Angloys."—Si me respondit +qu'elle avoyt veu nagaires cel qu'elle vouldroit bien qu'il feust son +prisonnier. Et lors je luy demanday se elle luy feroit male prison, et +<a name='210'></a>elle ne dit que nennil et qu'elle le tandroit ainsi chier comme son +propre corps, et je lui dis que celui estoit bien eureux d'avoir si +doulce et si noble prison. Que vous dirai-je? Elle avoit assez de +langaige et lui sambloit bien, selon ses parolles, qu'elle savoit assez, +et si avoit l'ueil bien vif et legier." Bij het afscheid vroeg zij hem +wel twee of drie maal, om spoedig weerom te komen, alsof zij hem al lang +gekend had. "Et quant nous fumes partis, monseigneur de père me dist: +'Que te samble de celle que tu as veue. Dy m'en ton avis'." Maar haar al +te gereede aanmoediging had hem elken lust tot een nadere kennismaking +benomen. "'Mon seigneur, elle me samble belle et bonne, maiz je ne luy +seray jà plus de près que je suis, si vous plaist". Van de verloving +kwam niets, en de ridder vond natuurlijk reden, daar later geen berouw +van te hebben.<a name='FNanchor_404_404'></a><a href='#Footnote_404_404'><sup>[404]</sup></a> Dergelijke stukjes zóó uit het leven opgeteekende +herinnering, die ons doen zien, hoe de zeden zich paarden aan het +ideaal, zijn ongelukkig in de eeuwen, waarvan hier sprake is, nog +uitermate zeldzaam. Had de ridder de la Tour Landry ons maar wat meer +uit zijn eigen leven verteld. Het meeste zijn ook bij hem bespiegelingen +van algemeenen aard. Hij denkt voor zijn dochters in de eerste plaats +aan een goed huwelijk. En het huwelijk had met de liefde weinig te +maken. Hij geeft een breedvoerig "debat" tusschen hemzelf en zijn vrouw +over het geoorloofde der liefde, "le fait d'amer par amours". Hij meent, +dat een meisje in zekere gevallen wel in eere kan beminnen, bij +voorbeeld "en esperance de mariage". De vrouw is daar tegen. Een meisje +moet liever in het geheel niet verliefd worden, ook niet op haar +verloofde.<a name='211'></a> Het houdt haar maar af van de ware vroomheid. "Car j'ay ouy +dire à plusieurs, qui avoient esté amoureuses en leur juenesce, que, +quant elles estoient à l'eglise, que la pensée et la merencolie<a name='FNanchor_405_405'></a><a href='#Footnote_405_405'><sup>[405]</sup></a> +leur faisoit plus souvent penser à ces estrois pensiers et deliz de +leurs amours que ou (au) service de Dieu,<a name='FNanchor_406_406'></a><a href='#Footnote_406_406'><sup>[406]</sup></a> et est l'art d'amours de +telle nature que quant l'en (on) est plus au divin office, c'est tant +comme le prestre tient nostre seigneur sur l'autel, lors leur venoit +plus de menus pensiers".<a name='FNanchor_407_407'></a><a href='#Footnote_407_407'><sup>[407]</sup></a>—Deze diepe zielkundige observatie +konden Machaut en Peronnelle beamen. Doch overigens welk een verschil +in opvatting tusschen den dichter en den ridder! Hoe nu met deze +austeriteit weer te rijmen, dat de vader zijn dochters ter leering +herhaaldelijk vertelsels opdischt, die om hun scabreuzen inhoud in de +<i>Cent nouvelles nouvelles</i> niet misplaatst zouden zijn geweest?</p> + +<p>Juist het gering verband van de schoone vormen van het hoofsche +liefdesideaal met de realiteit van verloving en huwelijk maakte, dat het +element van spel, van conversatie, van litterair vermaak in alles wat +het verfijnde liefdeleven betrof, zich te ongehinderder kon ontplooien. +Het ideaal der liefde, de schoone fictie van trouw en opoffering had +geen plaats in de zeer materieele overleggingen, waarmee een huwelijk, +en bovenal een adellijk huwelijk tot stand kwam. Het kon slechts worden +beleefd in de gedaante van een bekorend of hartverheffend spel. Het +tournooi gaf dat spel der romantische liefde in zijn heroïeken vorm. +<a name='212'></a>De pastorale idee leverde den idyllischen vorm ertoe.</p> + +<p>De pastorale is in haar wezenlijkste beteekenis iets meer dan een +litterair genre. Het is niet te doen om de beschrijving van het +herdersleven met zijn eenvoudige en natuurlijke geneuchten, maar om het +naleven ervan. Het is een Imitatio. Er was een fictie, dat in het +herdersleven de ongestoorde natuurlijkheid der liefde verwezenlijkt was. +Daarheen wou men vlieden, zoo niet in werkelijkheid, dan in droom. +Telkens weer heeft het herdersideaal moeten dienen als geneesmiddel, +om de geesten te bevrijden uit de kramp van een opgeschroefde +dogmatiseering en formaliseering der liefde. Men snakte naar verlossing +uit de knellende begrippen van ridderlijke trouw en dienst, uit den +bonten toestel der allegorie. En ook uit de ruwheid, de baatzucht en +de maatschappelijke zonden van het liefdeleven der werkelijkheid. Een +gemakkelijk bevredigde, eenvoudige liefde, temidden van onschuldig +natuurgenot. Dat scheen het deel van Robin en Marion, van Gontier en +Helayne. Zij waren de gelukkigen, de benijdbaren; de veelgesmade dorper +wordt op zijn beurt het ideaal.</p> + +<p>De late Middeleeuwen evenwel zijn nog zoo echt aristocratisch en zoo +weerloos tegenover een schoonen waan, dat de cultuur het niet verder +brengt dan het toepassen van een zeer gekunstelde versiering op de +hoofsche zeden. Wanneer de adel der vijftiende eeuw herder en herderin +speelt, dan is het gehalte van echte natuurvereering en bewondering van +eenvoud en arbeid nog heel zwak. Wanneer Marie Antoinette drie eeuwen +later melkt en karnt in Trianon, dan is het ideaal reeds gevuld met den +ernst van de physiocraten:<a name='213'></a> natuur en arbeid zijn reeds de groote +slapende godheden van den tijd geworden; toch maakt de aristocratische +cultuur er nog spel van. Wanneer omstreeks 1870 de Russische +intellectueele jeugd zich onder het volk begeeft, om zelf als boeren +voor de boeren te leven: het narodnitsjestwo, dan is het ideaal bittere +ernst geworden. En ook toen bleek de verwezenlijking een waan.</p> + +<p>Er was één poëtische vorm, die den overgang vertegenwoordigt tusschen de +eigenlijke pastorale en de werkelijkheid, namelijk de Pastourelle, het +korte gedicht, dat het gemakkelijk avontuur van den ridder met het +landmeisje bezingt. Daar vond de directe erotiek een frisschen, +eleganten vorm, die haar boven het platte verhief en toch al de bekoring +van het natuurlijke behield. Men moet er sommige schetsen van Guy de +Maupassant mee vergelijken.</p> + +<p>Werkelijk pastoraal is echter het sentiment eerst, als ook de minnaar +zelf zich als herder denkt. Daarmee verzinkt elke aanraking met de +werkelijkheid. Alle elementen der hoofsche liefdesopvatting worden +eenvoudig getransponeerd in het herderlijke; een zonnig droomland hult +het verlangen in een waas van fluitspel en vogelgeschal. Het is een blij +geluid; ook de droefheden der liefde: het smachten en klagen, het leed +van de verlatene, worden opgenomen in dien zoeten toon. In de pastorale +vindt telkens weer de erotiek de aanraking terug met het natuurgenot, +dat haar onmisbaar was. Zoo wordt de pastorale het veld, waarop zich de +litteraire uitdrukking van het natuurgevoel ontwikkelt. Aanvankelijk is +het haar nog niet te doen om het beschrijven van natuurschoonheid, maar +om het onmiddellijk welbehagen aan zon en zomer,<a name='214'></a> schaduw en frisch +water, bloemen en vogels. Natuurobservatie en schildering komt eerst +in de tweede plaats; de hoofdbedoeling blijft de liefdedroom; als +bijproduct levert de herderlijke poëzie allerlei bevallig realisme. De +schildering van het landleven in een gedicht als <i>Le dit de la pastoure</i> +van Christine de Pisan opent een genre.</p> + +<p>Eenmaal als hoofsch ideaal opgenomen wordt de herderij een masker. Alles +laat zich dossen in de herderlijke travesti. De fantaziesferen van de +pastorale en van de ridderlijke romantiek vermengen zich. Een tournooi +wordt opgevoerd in de aankleeding van een herdersspel. Koning René houdt +zijn Pas d'armes de la bergère.</p> + +<p>De tijdgenooten schijnen toch werkelijk in deze vertooning iets echts +gezien te hebben; een ongenoemde dichter geeft koning René's herdersleven +een plaats onder de Merveilles du monde:</p> + +<div class='poem'> "J'ay un roi de Cécille +<span>Vu devenir berger<br /></span> +<span>Et sa femme gentille<br /></span> +<span>De ce mesme mestier,<br /></span> +<span>Portant la pannetière,<br /></span> +<span>La houlette et chappeau,<br /></span> +<span>Logeans sur la bruyère<br /></span> +<span>Auprès de leur trouppeau."<a name='FNanchor_408_408'></a><a href='#Footnote_408_408'><sup>[408]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Een andermaal moet de pastorale dienen, om de lasterlijkste politieke +satire een dichterlijk kleed te verleenen: een Bourgondisch partijganger +steekt al den haat tegen <a name='215'></a>den vermoorden hertog van Orleans in het gewaad +van een aanminnig herdersdicht: <i>le Pastoralet.</i><a name='FNanchor_409_409'></a><a href='#Footnote_409_409'><sup>[409]</sup></a> Bij de hoffeesten +ontbreekt nooit het pastorale element. Het leende zich uitstekend voor +de maskerades, die als entremets de feestmaaltijden opluisterden, en het +was bovendien bijzonder geschikt voor politieke allegorie. Het beeld van +den vorst als herder en het volk als zijn kudde was immers reeds van een +andere zijde den geest binnengekomen: uit de kerkvaderlijke voorstellingen +van den oorspronkelijken staatsvorm: als herders hadden de aartsvaders +geleefd, het rechte overheidsambt, zoo goed het wereldlijke als het +geestelijke, was geen heerschen maar een hoeden.</p> + +<div class='poem'> "Seigneur, tu es de Dieu bergier; +<span>Garde ses bestes loyaument,<br /></span> +<span>Mets les en champ ou en vergier,<br /></span> +<span>Mais ne les perds aucunement,<br /></span> +<span>Pour ta peine auras bon paiement<br /></span> +<span>En bien le gardant, et se non,<br /></span> +<span>A male heure reçus ce nom."<a name='FNanchor_410_410'></a><a href='#Footnote_410_410'><sup>[410]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>In deze verzen uit Jean Meschinot's <i>Lunettes des princes</i> is geen +sprake van eigenlijk pastorale voorstelling. Maar zoodra men dat ging +verbeelden, vloeide het daarmee van zelf ineen. Een entremets bij het +feest van Brugge in 1468 verheerlijkte de vroegere vorstinnen als de +"nobles bergieres qui par cy devant ont esté pastoures et gardes des +brebis de pardeça."<a name='FNanchor_411_411'></a><a href='#Footnote_411_411'><sup>[411]</sup></a> Een spel te Valenciennes bij de terugkomst van +<a name='216'></a>Margareta van Oostenrijk uit Frankrijk in 1493 vertoonde, hoe het land +herstelt van zijn verwoesting "le tout en bergerie".<a name='FNanchor_412_412'></a><a href='#Footnote_412_412'><sup>[412]</sup></a> Wij kennen +allen de politieke pastorale in de <i>Leeuwendalers</i>. De voorstelling van +den vorst als herder klinkt ook in het <i>Wilhelmus</i>:</p> + +<div class='poem'> "Oirlof mijn arme schapen +<span>Die sijt in grooter noot,<br /></span> +<span>Uw herder sal niet slapen,<br /></span> +<span>Al sijt gij nu verstroyt."<br /></span> +</div> + +<p>Zelfs in den echten oorlog speelt men met de pastorale verbeelding. De +bombardes van Karel den Stoute voor Granson heeten "le berger et la +bergère". Wanneer de Franschen hoonend zeggen, dat de Vlamingen slechts +herders zijn en onbekwaam tot het krijgshandwerk, trekt Philips van +Ravestein met vierentwintig edelen te velde, uitgedost als herders, met +herdersstaf en broodkorfje.<a name='FNanchor_413_413'></a><a href='#Footnote_413_413'><sup>[413]</sup></a></p> + +<p>Evenals de trouwe ridderlijke liefde tegenover de opvattingen van den +<i>Roman de la rose</i> de stof leverde tot een eleganten litterairen twist, +zoo werd ook het herdersideaal het onderwerp van zulk een strijd. Ook +hier proefde men de leugen te sterk op de tong, en moest men haar +bespotten. Hoe weinig geleek het hyperbolisch gekunstelde, overdadig +bonte leven van de laat-middeleeuwsche aristocratie op het ideaal van +eenvoud, vrijheid en zorgeloos trouwe liefde te midden der natuur! Op +het thema van Philippe de Vitri's Franc Gontier, type van den gouden- +eeuwschen eenvoud, had men eindeloos gevarieerd. Iedereen verklaarde te +hongeren naar Franc Gontier's maal op het gras onder 't lommer met dame +Helayne,<a name='217'></a> zijn menu van kaas, boter, room, appelen, uien en bruin brood, +zijn lustig houthakkerswerk, zijn vrijheidszin en onbezorgdheid:</p> + +<div class='poem'> "Mon pain est bon; ne faut que nulz me veste; +<span>L'eaue est saine qu'à boire sui enclin,<br /></span> +<span>Je ne doubte ne tirant ne venin."<a name='FNanchor_414_414'></a><a href='#Footnote_414_414'><sup>[414]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Soms viel men wel eens even uit de rol. Dezelfde Eustache Deschamps, die +het leven van Robin en Marion en den lof van den natuurlijken eenvoud en +het werkzaam leven herhaaldelijk bezingt, betreurt het, dat het hof +danst bij de cornemuse, "cet instrument des hommes bestiaulx".<a name='FNanchor_415_415'></a><a href='#Footnote_415_415'><sup>[415]</sup></a> +Maar het vereischte de veel dieper gevoeligheid en scherpe skepsis van +François Villon, om al de onwaarheid van dien schoonen levensdroom te +zien. Er ligt een onbarmhartige bespotting in de ballade <i>Les contrediz +Franc Gontier</i>. Cynisch stelt Villon tegenover de zorgeloosheid van dien +idealen buitenman met zijn maal van uien "qui causent fort alaine" en +zijn liefde onder de rozen, het gemak van den vetten kanunnik, die de +zorgeloosheid en de liefde geniet in een wel behangen kamer met een +haardvuur, goeden wijn en een zacht bed. Het bruine brood en het water +van Franc Gontier? "Tous les oyseaulx d'ici en Babiloine" zouden Villon +geen morgen bij zulk een kost kunnen houden.<a name='FNanchor_416_416'></a><a href='#Footnote_416_416'><sup>[416]</sup></a></p> + +<p>Evenals de schoone droom van het ridderideaal moesten ook de andere +vormen,<a name='218'></a> waarin het liefdeleven cultuur wilde worden, als onecht en +leugenachtig worden verzaakt. Noch het dwepende ideaal van edele, +kuische riddertrouw, noch de wreed-verfijnde wellust van den <i>Roman de +la rose</i>, noch de zoete, gemakkelijke fantazie der pastorale, konden +bestaan voor den storm van het leven zelf. Die storm blies van alle +kanten. Van het geestelijk leven uit klinkt de vervloeking van alles wat +der liefde is, als de zonde, die de wereld verderft. Onder in den +schitterenden kelk van den <i>Roman de la rose</i> ziet de moralist al den +bitteren droesem. "Vanwaar,—roept Gerson uit—vanwaar de bastaarden, +vanwaar de kindermoorden, de afdrijvingen, vanwaar de haat en de +vergiftiging van echtgenooten?"<a name='FNanchor_417_417'></a><a href='#Footnote_417_417'><sup>[417]</sup></a></p> + +<p>Van den kant der vrouwen zelf klinkt een andere aanklacht. Al die +conventioneele vormen der liefde zijn mannenwerk. Ook waar zij in +geïdealiseerde vormen gegoten is, blijft die gansche erotische cultuur +door en door mannelijk-zelfzuchtig. Wat is de altijd herhaalde smaad +tegen het huwelijk en over de zwakheden van de vrouw: haar ontrouw en +haar ijdelheid, anders dan de dekmantel der mannelijke zelfzucht? Op al +dien smaad antwoord ik enkel, zegt Christine de Pisan: het zijn niet de +vrouwen, die de boeken gemaakt hebben.<a name='FNanchor_418_418'></a><a href='#Footnote_418_418'><sup>[418]</sup></a></p> + +<p>Er is inderdaad noch in de erotische, noch in de vrome litteratuur der +Middeleeuwen een spoor van echt medelijden met de vrouw, met haar +zwakheid en de gevaren en smarten, die haar de liefde bereidt. Het +medelijden had zich geformaliseerd in het fictieve ridderlijke ideaal +van de bevrijding der maagd,<a name='219'></a> waar het eigenlijk enkel sensueele +prikkeling en zelfvoldoening was. Nadat de schrijver van de <i>Quinze +joyes de mariage</i> al de zwakheden der vrouwen in een mat en fijn +gekleurde satire heeft opgesomd, biedt hij wel aan, om nu ook de +verongelijking der vrouwen te beschrijven,<a name='FNanchor_419_419'></a><a href='#Footnote_419_419'><sup>[419]</sup></a> maar hij doet het niet. +Om een teere, vrouwelijke stemming uitgedrukt te vinden, moet men het +Christine zelf vragen, zooals in haar versje, dat begint:</p> + +<div class='poem'> "Doulce chose est que mariage, +<span>Je le puis bien par moy prouver"....<a name='FNanchor_420_420'></a><a href='#Footnote_420_420'><sup>[420]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Doch hoe zwak klinkt het geluid van een enkele vrouw tegen dat koor van +hoon, waarin de platte bandeloosheid instemt met de zedepreek. Want er +is maar een geringe afstand tusschen de homiletische vrouwenverachting +en de ruwe ontkenning der ideale liefde door de prozaïsche zinnelijkheid, +door de wijsheid van de bittertafel.</p> + +<p>Het schoone spel van de liefde als levensvorm bleef gespeeld in den +ridderlijken trant, in den herderlijken en in den kunstigen opzet van de +rozen-allegorie, en al klonk van alle kanten de verloochening van al die +conventie, toch behielden die vormen hun levens- en cultuurwaarde tot +lang na de Middeleeuwen. Want de vormen, waarin het ideaal der liefde +zich nu eenmaal hullen moet, zijn maar enkele voor alle tijden.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='V'></a>V</h2> +<a name='220'></a> +<h3>HET BEELD VAN DEN DOOD</h3> +<br /> + +<p>Geen tijd heeft de doodsgedachte met zooveel nadruk voortdurend aan +allen opgedrongen als de vijftiende eeuw. Zonder ophouden klinkt door +het leven de roep van het memento mori. In zijn Levensrichtsnoer voor +den edelman vermaant Dionysius de Kartuizer: "En wanneer hij zich te bed +legt, bedenke hij, dat, gelijk hij nu zichzelven neerlegt in het bed, +spoedig zoo zijn lichaam door anderen in het graf zal worden gelegd." +<a name='FNanchor_421_421'></a><a href='#Footnote_421_421'><sup>[421]</sup></a> Het geloof had ook vroeger de bestendige gedachte aan den dood met +ernst ingeprent, doch de vrome tractaten der eerdere Middeleeuwen +bereikten enkel de toch reeds van de wereld gescheidenen. Eerst sedert +door de opkomst der bedelorden de volksprediking groot was geworden, +zwol die vermaning aan tot een dreigend koor, dat met fugatische +hevigheid door de wereld klonk. Tegen het laatst der Middeleeuwen voegde +zich bij het woord van den prediker de afbeelding voor allen, de +houtsnee in het bijzonder. Deze beide massale uitdrukkingsmiddelen, de +preek en de afbeelding, konden de doodsgedachte slechts weergeven in een +zeer eenvoudige, directe en levendige voorstelling, scherp en fel. Alles +wat de kloosterling van vroeger tijden over den dood gemediteerd had, +verdichtte zich nu tot een uiterst primitief, populair en lapidair +doodsbeeld, en in die gedaante wordt in woord en figuur de gedachte aan +de menigte voorgehouden.<a name='221'></a> Dat doodsbeeld heeft uit het groote +gedachtencomplex, dat zich om het sterven weeft, eigenlijk slechts één +element kunnen opnemen: het besef der vergankelijkheid. Het is, alsof de +laat-middeleeuwsche geest den dood onder geen ander aspect heeft weten +te zien dan enkel dat der vergankelijkheid.</p> + +<p>Drie thema's waren het, die de melodie leverden voor die nooit volzongen +klacht over het einde van alle aardsche heerlijkheid. Daar was vooreerst +het motief: waar zijn allen gebleven, die vroeger de wereld vulden met +hun heerlijkheid? Dan was er het motief van de huiverende aanschouwing +der verrotting van al wat eenmaal menschelijke schoonheid was. Tenslotte +het motief van den doodendans, de dood de menschen met zich sleurende +uit elk bedrijf, uit elken leeftijd.</p> + +<p>Vergeleken bij de twee laatste motieven met hun beklemmend afgrijzen was +het eerste der drie slechts een lichte, elegische verzuchting. Men vindt +het reeds aangeheven in de zware leoninische verzen van den Cluniacenser +monnik Bernard van Morlay omstreeks 1140:</p> + +<div class='poem'> "Est ubi gloria nunc Babylonia? nunc ubi dirus +<span>Nabugodonosor, et Darii vigor, illeque Cyrus?<br /></span> +<span>Qualiter orbita viribus inscita (?) praeterierunt,<br /></span> +<span>Fama relinquitur, illaque figitur, hi putruerunt.<br /></span> +<span>Nunc ubi curia, pompaque Julia? Caesar abisti!<br /></span> +<span>Te truculentior, orbe potentior ipse fuisti.<br /></span> +<span>...........................................................................<br /></span> +<span>Nunc ubi Marius atque Fabricius inscius auri?<br /></span> +<span>Mors ubi nobilis et memorabilis actio Pauli?<br /></span> +<span>Diva philippica vox ubi coelica nunc Ciceronis?<br /></span> +<span>Pax ubi civibus atque rebellibus ira Catonis?<br /></span> +<span>Nunc ubi Regulus? aut ubi Romulus, aut ubi Remus?<br /></span><a name='222'></a> +<span>Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus."<a name='FNanchor_422_422'></a><a href='#Footnote_422_422'><sup>[422]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Het klinkt opnieuw, minder schoolsch, in verzen, die ondanks hun +korteren bouw toch nog den dreun van den leoninischen hexameter behouden +hebben: in de Franciscaansche poëzie der dertiende eeuw. Jacopone van +Todi, de joculator Domini, is naar alle waarschijnlijkheid de dichter +geweest van de strofen, die onder den titel <i>Cur mundus militat sub vana +gloria</i> de regels bevatten:</p> + +<div class='poem'> "Dic ubi Salomon, olim tam nobilis +<span>Vel Sampson ubi est, dux invincibilis,<br /></span> +<span>Et pulcher Absalon, vultu mirabilis,<br /></span> +<span>Aut dulcis Jonathas, multum amabilis?<br /></span> +<span>Quo Cesar abiit, celsus imperio?<br /></span> +<span>Quo Dives splendidus totus in prandio?<br /></span> +<span>Die ubi Tullius, clarus eloquio,<br /></span> +<span>Vel Aristoteles, summus ingenio"?<a name='FNanchor_423_423'></a><a href='#Footnote_423_423'><sup>[423]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Deschamps heeft hetzelfde thema verscheiden malen berijmd; Gerson brengt +het te pas in een preek, Dionysius de Kartuizer in het tractaat over de +Vier uitersten. Chastellain spint het uit in een lang gedicht <i>Le Pas de +la mort,</i> om van anderen te zwijgen.<a name='FNanchor_424_424'></a><a href='#Footnote_424_424'><sup>[424]</sup></a> Villon weet er een nieuw +accent in te leggen:<a name='223'></a> dat van zachten weemoed, in de <i>Ballade des dames +du temps jadis</i> met het refrein:</p> + +<div class='poem'> "Mais où sont les neiges d'antan"?<a name='FNanchor_425_425'></a><a href='#Footnote_425_425'><sup>[425]</sup></a></div> + +<p>En vervolgens sprenkelt hij het met ironie in de ballade der heeren, +waar tusschen de koningen, pausen, vorsten van zijn tijd hem invalt:</p> + +<div class='poem'> "Helas! et le bon roy d'Espaigne +<span>Duquel je ne sçay pas le nom"?<a name='FNanchor_426_426'></a><a href='#Footnote_426_426'><sup>[426]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Dat zou de brave hoveling Olivier de la Marche zich niet veroorloofd +hebben, waar hij in zijn <i>Parement et triumphe des dames</i> al de +gestorven vorstinnen van zijn tijd op het bekende thema beklaagt.</p> + +<p>Wat is er over van al die menschelijke schoonheid en heerlijkheid? +Herinnering, een naam. Maar de weemoed van die gedachte is niet genoeg, +om de behoefte aan felle huivering voor den dood te bevredigen. Dus +houdt de tijd zich den spiegel voor van een zichtbaarder verschrikking, +de vergankelijkheid op korten termijn: de verrotting van het lijk.</p> + +<p>De geest van den wereldverzakenden Middeleeuwer had altijd reeds gaarne +verwijld bij stof en wormen: in de kerkelijke tractaten over de +verachting der wereld waren al de verschrikkingen der ontbinding reeds +opgeroepen. Maar de uitwerking van de détails dier voorstelling komt +later. Eerst tegen het einde der veertiende eeuw maakt de beeldende +kunst zich van dit motief meester;<a name='FNanchor_427_427'></a><a href='#Footnote_427_427'><sup>[427]</sup></a> er was een zekere graad van +realistische uitdrukking noodig, om het in sculptuur of schilderij +treffend te verwerken,<a name='224'></a> en dat vermogen was omstreeks 1400 bereikt. +Tegelijk verbreidt zich het motief van de kerkelijke litteratuur naar +die van het volk. Tot diep in de zestiende eeuw ziet men aan de +grafteekens de afschuwelijk gevarieerde voorstellingen van het naakte +lijk, rottend of verschrompeld, met de krampachtige handen en voeten en +den gapenden mond, met de kronkelende wormen in het ingewand. Bij die +vreeselijkheid wil de gedachte altijd weer stilstaan. Is het niet vreemd, +dat zij zich nooit één schrede verder waagt, om te zien, hoe ook die +rottenis zelve weer vergaat, en aarde en bloemen wordt?</p> + +<p>Is het een werkelijk vrome gedachte, die zich zoo verstrikt in den +afkeer van de aardsche zijde des doods? Of is het de reactie van een +allerfelste zinnelijkheid, die slechts zóo uit haar bedwelming van +levensdrift ontwaken kan? Is het de levensbangheid, die den tijd zoo +sterk doortrekt, de stemming van teleurgesteldheid en ontmoediging, die +neigen wil naar de ware overgave van wie volstreden en gewonnen heeft, +maar die toch nog zoo dicht staat bij al wat aardsche hartstocht is? Al +die gevoelsmomenten zijn in deze uiting van de doodsgedachte ongescheiden +vereenigd.</p> + +<p>Levensbangheid: het verloochenen van de schoonheid en het geluk, omdat +er rampen en smart mee verbonden zijn. Er is een buitengewone gelijkenis +tusschen de Oud-indische, met name de boeddhistische, en de +christelijk-middeleeuwsche uitdrukking van dat sentiment. Ook daar +altijd weer die afschuw van ouderdom, ziekte en dood, ook daar de dik +opgelegde kleuren der verrotting. De naïeve Indische aesthetici hadden +er zelfs een eigen poëtisch genre,<a name='225'></a> <i>bîbhatsa-rasa</i> of de stemming van +het walgelijke, van gemaakt, onderscheiden in drie onderafdeelingen, al +naar de afschuw wordt gewekt door het afzichtelijke, het gruwelijke of +het wellustige, gelijk vrouwenborsten den asceet doen walgen,<a name='FNanchor_428_428'></a><a href='#Footnote_428_428'><sup>[428]</sup></a> De +monnik meende het zoo goed te hebben gezegd, als hij de oppervlakkigheid +van het lichamelijk schoon aanwees. "Corporea pulchritudo in pelle +solummodo constat. Nam si viderent homines hoc quod subtus pellem est, +sicut lynces in Boeotia cernere interiora dicuntur, mulieres videre +nausearent. Iste decor in flegmate et sanguine et humore ac felle +consistit. Si quis enim considerat quae intra nares, et quae intra +fauces et quae intra ventrem lateant, sordes utique reperiet. Et si nec +extremis digitis flegma vel stercus tangere patimur, quomodo ipsum +stercoris saccum amplecti desideramus?"<a name='FNanchor_429_429'></a><a href='#Footnote_429_429'><sup>[429]</sup></a></p> + +<p>Het moedelooze refrein van de verachting der wereld was voor de latere +Middeleeuwen vastgelegd in het tractaat van dien naam van Innocentius +III. Wonderlijk, die machtigste en voorspoedigste staatsman op den stoel +van Petrus, in zooveel aardsche zaken en belangen gemengd en opgaand, en +die in deze levensverguizing als 't ware meent zijn hoogheid te boeten. +<a name='226'></a>"Concipit mulier cum immunditia et fetore, parit cum tristitia et +dolore, nutrit cum angustia et labore, custodit cum instantia et +timore."<a name='FNanchor_430_430'></a><a href='#Footnote_430_430'><sup>[430]</sup></a> O al de lachende vreugden van het moederschap!—"Quis +unquam vel unicam diem totam duxit in sua delectatione jucundam ... quem +denique visus vel auditus vel aliquis ictus non offenderit?"<a name='FNanchor_431_431'></a><a href='#Footnote_431_431'><sup>[431]</sup></a> Was +het christelijke wijsheid of het pruilen van een bedorven kind?</p> + +<p>Er is zonder twijfel in dat alles een geest van ontzaglijk materialisme, +die de gedachte aan het einde van schoonheid niet kon verdragen zonder +aan die schoonheid zelf te vertwijfelen. En let wel, hoe (althans in de +litteratuur, niet zoozeer in de beeldende kunst) in het bijzonder het +vrouwenschoon beklaagd wordt. Er is hier nauwelijks een grens tusschen +de godsdienstige vermaning, om aan den dood en aan de vergankelijkheid +van het aardsche te denken, en de spijt van de oude minnares over het +verval der schoonheid, die zij niet meer geven kan.</p> + +<p>Ziehier eerst een voorbeeld, waar de stichtelijke vermaning nog op den +voorgrond staat. In het Celestijnen-klooster te Avignon bevond zich vóór +de Revolutie een schildering, die de overlevering aan den kunstrijken +stichter koning René zelf toeschreef. Zij stelde een rechtopstaand +vrouwenlijk voor, met een sierlijk kapsel, gehuld in haar lijkwade; de +wormen verteerden het lichaam. De eerste strofen van het onderschrift +luidden:</p> + +<div class='poem'> "Une fois sur toute femme belle +<span>Mais par la mort suis devenue telle.<br /></span> +<span>Ma chair estoit très belle, fraische et tendre,<br /></span> +<span>Or, est-elle toute tournée en cendre.<br /></span> +<span>Mon corps estoit très plaisant et très gent,<br /></span> +<span>Je me souloye souvent vestir de soye,<br /></span> +<span>Or en droict fault que toute nue je soye.<br /></span> +<span>Fourrée estois de gris et de menu vair,<br /></span> +<span>En grand palais me logeois à mon vueil,<br /></span><a name='227'></a> +<span>Or suis logiée en ce petit cercueil.<br /></span> +<span>Ma chambre estoit de beaux tapis ornée,<br /></span> +<span>Or est d'aragnes ma fosse environnée."<a name='FNanchor_432_432'></a><a href='#Footnote_432_432'><sup>[432]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Dat deze vermaningen hun werking niet misten, bewijst de legende, die +zich daaraan verder gesponnen had, hoe de koninklijke kunstenaar zelf, +die levens- en schoonheidsminnaar bij uitnemendheid, zijn geliefde drie +dagen na de teraardebestelling in het graf zou hebben gezien, en toen +geschilderd.</p> + +<p>De stemming verandert reeds een weinig in de richting van wereldsche +zinnelijkheid, wanneer de waarschuwing voor de vergankelijkheid niet aan +het gruwelijk lijk van een ander wordt gedemonstreerd, maar de levenden +gewezen worden op hun eigen lichaam, nu nog schoon, maar spoedig voor de +wormen. Olivier de la Marche besluit zijn stichtelijk allegorisch +gedicht over de vrouwenkleeding <i>Le parement et triumphe des dames</i> met +den Dood, die aan alle schoonheid en ijdelheid den spiegel voorhoudt:</p> + +<div class='poem'> "Ces doulx regards, ces yeulx faiz pour plaisance, +<span>Pensez y bien, ilz perdront leur clarté,<br /></span> +<span>Nez et sourcilz, la bouche d'eloquence<br /></span> +<span>Se pourriront...."<a name='FNanchor_433_433'></a><a href='#Footnote_433_433'><sup>[433]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Toch is dit nog een eerlijk memento mori. Maar het +gaat onmerkbaar over in een spijtig, wereldsch en zelfzuchtig +beklag over de nadeelen van den ouderdom:</p><a name='228'></a> + +<div class='poem'> "Se vous vivez le droit cours de nature +<span>Dont LX ans est pour ung bien grant nombre,<br /></span> +<span>Vostre beaulté changera en laydure,<br /></span> +<span>Vostre santé en maladie obscure,<br /></span> +<span>Et ne ferez en ce monde que encombre.<br /></span> +<span>Se fille avez, vous luy serez ung umbre,<br /></span> +<span>Celle sera requise et demandée,<br /></span> +<span>Et de chascun la mère habandonnée."<a name='FNanchor_434_434'></a><a href='#Footnote_434_434'><sup>[434]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Alle vrome, stichtelijke zin is verre, als Villon de balladen dicht, +waarin "la belle heaulmière", eens een befaamde Parijsche courtisane, +haar vroeger onweerstaanbare bekoorlijkheden vergelijkt met al de +leelijkheden van haar vervallen lichaam.</p> + +<div class='poem'> "Qu'est devenu ce front poly, +<span>Ces cheveulx blons, sourcils voultiz,<br /></span> +<span>Grant entroeil, le regart joly,<br /></span> +<span>Dont prenoie les plus soubtilz;<br /></span> +<span>Ce beau nez droit, grant ne petiz,<br /></span> +<span>Ces petites joinctes oreilles,<br /></span> +<span>Menton fourchu, cler vis traictiz<br /></span> +<span>Et ces belles levres vermeilles?<br /></span> +<span>...................................................<br /></span> +<span>Le front ridé, les cheveux gris,<br /></span> +<span>Les sourcilz cheuz<a name='FNanchor_435_435'></a><a href='#Footnote_435_435'><sup>[435]</sup></a>, les yeuls estains...."<a name='FNanchor_436_436'></a><a href='#Footnote_436_436'><sup>[436]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>In een der poëtische boeken van de heilige schrift der zuidelijke +Boeddhisten heeft men het lied eener vrome oude non Ambapâlî, van +eenzelfde verleden als "la belle heaulmière". Ook zij vergelijkt haar +schoonheid van eertijds met haar weerzinwekkenden ouderdom,<a name='229'></a> hier met +dankbaren lof voor het verdwijnen van dat nietswaardig schoon.<a name='FNanchor_437_437'></a><a href='#Footnote_437_437'><sup>[437]</sup></a> +Maar is de afstand van het sentiment wel zoo groot, als hij schijnen +wil?</p> + +<p>De felle afschuw van de ontbinding van het aardsche lichaam heeft haar +tegenkant in de hooge waarde, die men toekent aan het onbedorven blijven +van de lijken van sommige heiligen, zooals Sint Rosa van Viterbo. Het is +een van de kostbaarste heerlijkheden van Maria, dat haar lichaam voor de +ontbinding op aarde gespaard is gebleven door haar hemelvaart.<a name='FNanchor_438_438'></a><a href='#Footnote_438_438'><sup>[438]</sup></a> +Weer op een andere wijze spreekt de materialistische geest, die zich +niet kon losmaken van de gedachte aan het lichaam, uit de bijzondere +zorg, waarmee sommige lijken behandeld worden. Er bestond een gewoonte, +om terstond na den dood de trekken van het aangezicht van een +aanzienlijken gestorvene bij te schilderen, opdat vóór de begrafenis +geen bederf zichtbaar zou zijn.<a name='FNanchor_439_439'></a><a href='#Footnote_439_439'><sup>[439]</sup></a> Het lijk van een prediker van de +kettersche secte der Turlupins, die te Parijs in de gevangenis vóór het +vonnis gestorven was, wordt veertien dagen in een vat met kalk bewaard, +om het te zamen met een levende kettersche te kunnen verbranden.<a name='FNanchor_440_440'></a><a href='#Footnote_440_440'><sup>[440]</sup></a> +Van de Engelschen, die in Frankrijk gesneuveld of gestorven zijn, wordt +veelal het lijk in stukken gesneden, gekookt, tot het vleesch loslaat +van de beenderen, die gereinigd en in een koffer naar Engeland gezonden +worden,<a name='230'></a> terwijl de rest begraven wordt. Zoo geschiedt met Hendrik V, met +de lords York en Oxford, bij Azincourt gesneuveld, met Glasdale, bekend +uit de geschiedenis van Jeanne d'Arc, met een neef van Sir John +Fastolfe.<a name='FNanchor_441_441'></a><a href='#Footnote_441_441'><sup>[441]</sup></a></p> + +<p>In de veertiende eeuw komt het wonderlijke woord macabre op, als om de +geheele laat-middeleeuwsche visie van den dood te markeeren. Het woord +(tot in de 17<sup>e</sup> eeuw luidde het macabré) is onvoldoende verklaard, wat +zijn oorsprong betreft, maar de beteekenisnuance, die het uit zijn +gebruik verworven heeft, is zoo scherp en eigen, dat zij geen +omschrijving behoeft. De macabere opvatting van den dood is in onzen +tijd nog voornamelijk te vinden op dorpskerkhoven, waar men er in rijm +en figuur den nagalm van hoort. In het einde der Middeleeuwen is zij een +groote cultuurgedachte geweest. Er raakte in de voorstelling van den +dood een nieuw, aangrijpend fantastisch element gemengd, een rilling, +die opkwam uit het ijzige bewustzijnsgebied van spokenvrees en klammen +schrik. De allesbeheerschende godsdienstige gedachte zette haar +aanstonds om in moraal, herleidde haar tot memento mori, maar maakte +gaarne gebruik van al de huiveringwekkende suggestie, die het spectrale +karakter der voorstelling meebracht.</p> + +<p>Rondom den Doodendans groepeeren zich de verwante voorstellingen van het +sterven, die tot verschrikking en vermaning dienen moesten. De sproke +van de Drie dooden en de drie levenden gaat aan den Doodendans vooraf. +<a name='FNanchor_442_442'></a><a href='#Footnote_442_442'><sup>[442]</sup></a> +<a name='231'></a>Reeds in de dertiende eeuw komt zij op in de Fransche litteratuur: +drie jonge edellieden ontmoeten plotseling drie afzichtelijke dooden, +die hen wijzen op hun eigen voormalige aardsche grootheid en op het +spoedig einde, dat hun, den levenden, wacht. De aangrijpende figuren, in +het Campo santo van Pisa zijn wel de oudste voorstelling van het thema +in de groote kunst; het beeldhouwwerk aan het portaal van de kerk der +Innocents te Parijs, waar de hertog van Berry in 1408 het onderwerp liet +afbeelden, is verloren. Maar miniatuur en houtsnee maken het in de +vijftiende eeuw tot gemeen goed, en ook als muurschildering is het zeer +verbreid.</p> + +<p>De voorstelling van de drie dooden en de drie levenden vormt de schakel +tusschen het afzichtelijke beeld der verrotting en de gedachte door den +Doodendans verbeeld, hoe voor den dood allen gelijk zijn. De +kunsthistorische ontwikkeling van het gegeven kome hier slechts even ter +sprake. Ook van den Doodendans schijnt Frankrijk het land van herkomst. +Doch hoe is hij ontstaan? als een werkelijk gespeelde vertooning, of +als afbeelding? Het is bekend, dat de these van Emile Mâle, die de +uitwerking der motieven in de beeldende kunst der vijftiende eeuw +beschouwt als in den regel ontleend aan het zien van dramatische +vertooningen, in haar algemeenheid niet voor de kritiek bestand is +gebleken. Maar ten opzichte van den Doodendans zou het kunnen zijn, dat +men op die verwerping een uitzondering moest maken; dat hier inderdaad +de vertooning aan de afbeelding is voorafgegaan. In ieder geval, 't zij +vroeger of later,<a name='232'></a> de Doodendans werd gespeeld evengoed als geschilderd +of in prent gebracht. De hertog van Bourgondië laat hem in 1449 opvoeren +in zijn hôtel te Brugge.<a name='FNanchor_443_443'></a><a href='#Footnote_443_443'><sup>[443]</sup></a> Hadden wij eenig denkbeeld van de +uitmonstering van zulk een spel: de kleuren, de bewegingen, het glijden +van licht en schaduwen over de dansenden, wij zouden nog beter de +ernstige verschrikking begrijpen, die de Doodendans over de gemoederen +bracht, dan het ons de houtsneden van Guyot Marchant en van Holbein +doen.</p> + +<p>De houtsneden, waarmee de Parijsche drukker Guyot Marchant in 1485 de +eerste uitgave van de <i>Danse macabre</i> versierde, waren zoo goed als +zeker, evenals de verzen, ontleend aan den beroemdsten en oudsten aller +Doodendansen, die welke in het jaar 1424 als muurschildering in de +galerij van het kerkhof der Innocents te Parijs was aangebracht.<a name='FNanchor_444_444'></a><a href='#Footnote_444_444'><sup>[444]</sup></a> +Zij is in de zeventiende eeuw door afbraak van de galerij verdwenen. +Het is de meest populaire verbeelding van den dood geweest, die de +Middeleeuwen hebben gekend: duizenden hebben dag in dag uit op die +zonderlinge en macabere plaats van samenkomst, die het kerkhof der +Innocents was, de eenvoudige figuren aanschouwd en de bevattelijke +verzen, waarvan elk couplet met een bekend spreekwoord eindigde, +gelezen, zich getroost over de gelijkheid in den dood en gehuiverd voor +het einde. Nergens kon die aapachtige dood zoo op zijn plaats zijn, die +grinnikend, met de passen van een ouden stijven dansmeester, den paus, +den keizer, den edelman, den daglooner, den monnik, het kleine kind, den +zot en al de andere beroepen en standen uitnoodigend meetrekt. Geven de +houtsneden van 1485,<a name='233'></a> die blijkens de kleederdracht geen getrouwe copie +zijn, nog eenigszins den indruk weer van de vermaarde muurschildering? +Misschien zal men daarvoor nog eêr moeten zien naar den Doodendans uit +de kerk van La Chaise-Dieu,<a name='FNanchor_445_445'></a><a href='#Footnote_445_445'><sup>[445]</sup></a> waar het spookachtige van de +voorstelling nog verhoogd wordt door den half-voltooiden staat der +schildering.</p> + +<p>Het lijk, dat veertig maal terugkeert, om den levende te halen, is +eigenlijk nog niet de Dood, maar de doode. De verzen noemen de figuur +Le mort (bij den doodendans der vrouwen La morte); het is een danse des +morts, niet de la Mort. Het is ook hier niet een geraamte, maar een nog +niet geheel ontvleescht lichaam met den gespleten hollen buik. Eerst +omstreeks 1500 wordt de figuur van den grooten danser een geraamte, +zooals wij het van Holbein kennen. Dan heeft zich de voorstelling van +een vagen dooden dubbelganger gecondenseerd tot die van den Dood als +actieven, persoonlijken levenseindiger. Zoo was hij in de Middeleeuwen +nog niet verbeeld. In den ouderen doodendans is de onvermoeide danser +nog de levende zelf, zooals hij zijn zal in de naaste toekomst, een +angstwekkende verdubbeling van zijn persoon, het beeld, dat hij in den +spiegel ziet; niet, zooals sommigen willen, een vroeger gestorvene van +gelijken stand of waardigheid. Juist dit: gij zijt het zelf, gaf aan den +doodendans zijn huiveringwekkendste kracht.</p> + +<p>Ook in het fresco, dat de gewelfde overhuiving sierde van het +grafmonument van koning René en zijn gemalin Isabella in de kathedraal +van Angers,<a name='234'></a> was het feitelijk nog de koning zelf, die was voorgesteld. +Men zag er een skelet (of zal ook dit eêr een lijk zijn geweest?) in een +langen mantel, zittend op een gouden troon, dat met de voeten mijters, +kronen, wereldbol en boeken wegschopt. Het hoofd was op de dorre hand +geleund, die een wankelende kroon zocht te steunen.<a name='FNanchor_446_446'></a><a href='#Footnote_446_446'><sup>[446]</sup></a></p> + +<p>De oorspronkelijke doodendans gaf enkel mannen te zien. De bedoeling, om +aan de vermaning over de vergankelijkheid en ijdelheid van het aardsche +tegelijk de les der maatschappelijke gelijkheid te verbinden, bracht uit +den aard der zaak de mannen, als de dragers der maatschappelijke +beroepen en waardigheden, op den voorgrond. De doodendans was niet +alleen een vroom vermaan, maar ook een sociale satire, en er is in de +begeleidende verzen een zwakke ironie. Nu gaf echter dezelfde Guyot +Marchant als vervolg op zijn uitgave een doodendans der vrouwen, +waarvoor Martial d'Auvergne de verzen maakte. De onbekende teekenaar der +houtsneden bleef achter bij het model, dat hem de eerdere uitgave +leverde: hij vond enkel de hideuse figuur van het rif, om welks schedel +nog schaarsche vrouwenharen zwieren. In den doodendans der vrouwen nu +treedt terstond dat sensueele element weer op, dat ook het thema +doortrok van het beklag over schoonheid, die verrotting wordt. Hoe kon +het ook anders? Er waren geen veertig beroepen en waardigheden van +vrouwen te vermelden; met de voornaamste standen, koningin, edelvrouw +enz., enkele geestelijke functies of staten, en een paar bedrijven als +koopvrouw, baker enz. was de voorraad uitgeput.<a name='235'></a> De rest kon slechts +worden aangevuld, door de vrouw te beschouwen in de verschillende staten +van haar vrouwenleven zelf: als maagd, geliefde, bruid, jonggetrouwde, +zwangere. En zoo is het ook hier weer de klacht om verdwenen of nooit +genoten vreugde en schoonheid, die den toon van het memento mori +schriller doet klinken.</p> + +<p>Eén beeld ontbrak nog in de verschrikkende verbeelding van het sterven: +dat van het doodsuur zelf. De schrik voor die stonde kon den geest niet +levendiger worden ingeprent dan door te herinneren aan Lazarus: deze had +na zijn herrijzenis, heette het, niet anders gekend dan jammerlijk +afgrijzen voor den dood, dien hij reeds eens geleden had. En als de +rechtvaardige zoo moest vreezen, hoe dan de zondaar?<a name='FNanchor_447_447'></a><a href='#Footnote_447_447'><sup>[447]</sup></a> De +voorstelling van den doodsstrijd was de eerste der Vier uitersten, +Quattuor hominum novissima, die het den mensch goed was staâg te +overdenken: dood, jongste gericht, hel en hemel. Als zoodanig reikt zij +in het gebied van de hiernamaalsvoorstellingen. Hier komt voorloopig +alleen de voorstelling van het lichamelijke sterven zelf ter sprake. +Nauw verwant met het thema der Vier uitersten is de Ars moriendi, een +schepping der vijftiende eeuw, die evenals de Doodendans door boekdruk +en houtsnede verder werkte dan eenige vrome gedachte tevoren. Zij +behandelt de verzoekingen, vijf in getal, waarmee de duivel den +stervende belaagt: den twijfel aan het geloof, de wanhoop over zijn +zonden, de gehechtheid aan zijn aardsche goederen, vertwijfeling over +zijn eigen lijden, eindelijk den hoogmoed over eigen deugd.<a name='236'></a> Telkens komt +een engel de lagen van Satan afweren met zijn troost. De beschrijving +van den doodsstrijd zelf was oude stof; men herkent er steeds weer +hetzelfde kerkelijke model in.<a name='FNanchor_448_448'></a><a href='#Footnote_448_448'><sup>[448]</sup></a></p> + +<p>Chastellain heeft in een uitvoerig gedicht <i>Le Pas de la Mort</i><a name='FNanchor_449_449'></a><a href='#Footnote_449_449'><sup>[449]</sup></a> al +de hier besproken motieven saamgevat. Hij begint met het aangrijpende +verhaal, dat zelfs in de deftige wijdloopigheid, dezen schrijver eigen, +zijn werking niet mist, hoe zijn stervende geliefde hem bij zich riep en +met gebroken stem zeide:</p> + +<div class='poem'> "Mon amy, regardez ma face. +<span>Voyez que fait dolante mort<br /></span> +<span>Et ne l'oubliez désormais;<br /></span> +<span>C'est celle qu'aimiez si fort;<br /></span> +<span>Et ce corps vostre, vil et ort,<br /></span> +<span>Vous perderez pour un jamais;<br /></span> +<span>Ce sera puant entremais<br /></span> +<span>A la terre et à la vermine:<br /></span> +<span>Dure mort, toute beauté fine."<br /></span> +</div> + +<p>Daarop maakt de dichter een Spiegel des doods. Eerst werkt hij het thema +Waar zijn nu de grooten der aarde? uit: veel te lang, eenigszins +schoolmeesterachtig, zonder iets van den luchtigen weemoed van Villon. +Dan volgt iets als een eerste opzet van een doodendans, maar zonder +kracht of verbeelding. Tenslotte berijmt hij de Ars moriendi. Hier is +zijn beschrijving van den doodsstrijd:</p> + +<div class='poem'> "Il n'a membre ne facture +<span>Qui ne sente sa pourreture.<br /></span> +<span>Avant que l'esperit soit hors,<br /></span> +<span>Le coeur gui veult crevier au corps<br /></span> +<span>Haulce et souliève la poitrine<br /></span><a name='237'></a> +<span>Qui se veult joindre à son eschine.<br /></span> +<span>—La face est tainte et apalie,<br /></span> +<span>Et les yeux treilliés en la teste.<br /></span> +<span>La parolle luy est faillie,<br /></span> +<span>Car la langue au palais se lie.<br /></span> +<span>Le poulx tressault et sy halette.<br /></span> +<span>.................................................<br /></span> +<span>Les os desjoindent à tous lez;<br /></span> +<span>Il n'a nerf qu'au rompre ne tende."<a name='FNanchor_450_450'></a><a href='#Footnote_450_450'><sup>[450]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Villon besluit dat alles in een half couplet, veel aangrijpender.<a name='FNanchor_451_451'></a><a href='#Footnote_451_451'><sup>[451]</sup></a> +Toch herkent men het gemeenschappelijk voorbeeld.</p> + +<div class='poem'> "La mort le fait fremir, pallir, +<span>Le nez courber, les vaines tendre,<br /></span> +<span>Le col enfler, la chair mollir,<br /></span> +<span>Joinctes et nerfs croistre et estendre."<br /></span> +</div> + +<p>En dan weer die sensueele gedachte, die telkens door al deze +voorstellingen van verschrikking heen loopt:</p> + +<div class='poem'> "Corps femenin, qui tant est tendre, +<span>Poly, souef, si precieux,<br /></span> +<span>Te fauldra il ces maulx attendre?<br /></span> +<span>Oy, ou tout vif aller es cieulx."<br /></span> +</div> + +<p>—Nergens was alles wat den dood voor oogen riep, zoo treffend bijeen +als op het kerkhof der Innocents te Parijs. Daar genoot de geest de +huivering van het macabere in haar volste maat. Alles werkte mee, om aan +deze plek de sombere heiligheid en bonte griezeligheid te geven, die de +late Middeleeuwen zoo hevig begeerden.<a name='238'></a> Reeds de heiligen, aan wie de +kerk en het kerkhof gewijd waren, de Onnoozele kinderen, die in de +plaats van Christus geslacht waren, brachten door hun martelie die +wreede roering en bloedige verteedering aan, waarin de tijd zwelgde. +Juist in deze eeuw kwam hun vereering sterk op den voorgrond. Men bezat +meer dan één reliek van de knaapjes van Bethlehem: Lodewijk XI schonk +aan de hun gewijde kerk te Parijs "un Innocent entier", besloten in een +grooten kristallen schrijn.<a name='FNanchor_452_452'></a><a href='#Footnote_452_452'><sup>[452]</sup></a> Het kerkhof was de plaats, waar men +liever rustte dan ergens anders. Een bisschop van Parijs liet een weinig +aarde van het kerkhof der Innocents in zijn graf leggen, daar hij er +niet begraven kon worden.<a name='FNanchor_453_453'></a><a href='#Footnote_453_453'><sup>[453]</sup></a> Arm en rijk lag er dooreen, en niet voor +lang, want zoo druk was het gebruik der begraafplaats, waarop twintig +parochiën het recht van begraven hadden, dat na verloop van eenigen tijd +de beenderen werden opgegraven en de steenen verkocht. Het heette, dat +een lichaam er in negen dagen tot op de beenderen verging.<a name='FNanchor_454_454'></a><a href='#Footnote_454_454'><sup>[454]</sup></a> +Schedels en beenderen werden dan opgestapeld in de knekelzolders boven +de zuilengang, die het kerkhof aan drie zijden omringde: bij duizenden +lagen zij daar open en bloot voor het gezicht, en preekten de les van +gelijkheid. Onder de arcaden was in de schildering en de verzen van den +Doodendans diezelfde les te zien en te lezen. Voor het maken van de +"beaux charniers" had onder anderen de edele Boucicaut geld gegeven. +<a name='FNanchor_455_455'></a><a href='#Footnote_455_455'><sup>[455]</sup></a> Aan het portaal der kerk had de hertog van Berry, die daar rusten +wilde,<a name='239'></a> de voorstelling van de drie dooden en de drie levenden laten +beeldhouwen. Later, in de zestiende eeuw, verrees op het kerkhof nog de +groote Dood, die in het Louvre eenzaam de eenige rest uitmaakt van al +wat daar bijeen was.</p> + +<p>Deze plek nu was voor de Parijzenaars der vijftiende eeuw als een luguber +Palais royal van 1789. Te midden van het voortdurende begraven en weer +opgraven was het er een wandelplaats en een vereenigingspunt. Men vond +er winkeltjes bij de knekelhuizen en lichte vrouwen onder de arcaden. +Een ingemetselde kluizenares aan de zijde der kerk verhoogde de +bezienswaardigheid. Soms kwam een bedelmonnik preeken op de plaats, die +zelf een preek in middeleeuwschen stijl was. Soms verzamelde er zich een +processie van kinderen: 12500, zegt de burger van Parijs, allen met +kaarsen, die een Innocent naar de Notre Dame en weer terug droegen. +Zelfs feesten werden er gegeven.<a name='FNanchor_456_456'></a><a href='#Footnote_456_456'><sup>[456]</sup></a> Zoo was het huiveringwekkende +weer alledaagsch geworden.</p> + +<p>In de zucht tot directe verbeelding van den dood, waarbij al het +onverbeeldbare moest worden prijsgegeven, werden alleen de grovere +aspecten van den dood in het bewustzijn gedrongen. In de macabere visie +van den dood ontbreekt zoo goed als al het teere, al het elegische. En +in den grond is het een zeer deeszijdig, zelfzuchtig gezicht op den +dood. Het is niet de rouw om het gemis van geliefden, maar de spijt om +den eigen komenden dood, enkel gezien als onheil en verschrikking. Daar +is geen gedachte in aan den dood als trooster, aan het einde van lijden, +aan de begeerde rust,<a name='240'></a> de vervulde of de afgebroken taak, geen teedere +herinnering, geen berusting. Niets van de "divine depth of sorrow". +Slechts een enkele maal klinkt er een weeker accent. In den doodendans +spreekt de doode den daglooner aan:</p> + +<div class='poem'> "Laboureur qui en soing et painne +<span>Avez vescu tout vostre temps,<br /></span> +<span>Morir fault, c'est chose certainne,<br /></span> +<span>Reculler n'y vault ne contens (tegenstribbeling).<br /></span> +<span>De mort devez estre contens<br /></span> +<span>Car de grant soussy vous delivre...."<br /></span> +</div> + +<p>Maar de daglooner beklaagt toch het leven, waarvan hij dikwijls het eind +heeft gewenscht.</p> + +<p>Martial d'Auvergne laat in zijn doodendans der vrouwen het kleine meisje +tot haar moeder roepen: bewaar toch goed mijn pop, mijn bikkels en mijn +mooie jurk. De aandoenlijke accenten van het kinderleven zijn in de +litteratuur der late Middeleeuwen uitermate zeldzaam; er was geen plaats +voor in de gewichtige stijfheid van den grooten stijl. Noch de kerkelijke +noch de wereldlijke litteratuur kennen eigenlijk het kind. Wanneer +Antoine de la Salle in <i>Le Reconfort</i><a name='FNanchor_457_457'></a><a href='#Footnote_457_457'><sup>[457]</sup></a> een edelvrouw wil troosten +over het verlies van haar zoontje, weet hij niet anders te geven dan het +verhaal van een knaap, die nog wreeder zijn jonge leven verloor, als +gijzelaar omgebracht. Als overwinning der smart kan hij haar niet anders +bieden dan de leer, om aan niets wat aardsch is te hechten. Maar dan +laat hij volgen, wat wij kennen als het volkssprookje van het doodshemdje: +het gestorven kindje,<a name='241'></a> dat zijn moeder komt vragen om niet langer te +schreien, opdat zijn doodshemdje kan drogen. En het is opeens een veel +inniger geluid dan het in duizend tonen gezongen memento mori. Zouden niet +volksverhaal en volkslied in die eeuwen allerlei sentimenten hebben +bewaard, die de litteratuur nauwelijks kent?</p> + +<p>De kerkelijke gedachte der late Middeleeuwen kent alleen de twee uitersten: +de klacht om de vergankelijkheid, om het einde van macht, eer en genot, +om het vergaan van schoonheid, en den jubel om de geredde ziel in haar +zaligheid. Alles wat daartusschen ligt, blijft onuitgesproken. In de +doorgevoerde verbeelding van den doodendans en het ijselijke rif versteent +de levende aandoening.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='VI'></a>VI</h2> +<a name='242'></a> +<h3>DE TEUGELLOOZE VERBEELDING VAN HET HEILIGE</h3> +<br /> + +<p>De doodsvoorstelling kan gelden als voorbeeld van het laat-middeleeuwsche +denkleven in het algemeen: het is als een uitvloeien, een verzanden van +de gedachte in het beeld. De gansche inhoud van het gedachtenleven wil +uitgedrukt worden in verbeeldingen; al het goud wordt aangemunt in +kleine, dunne schijven. Door die teugellooze behoefte aan verbeelding +was het heilige voortdurend blootgesteld aan veruiterlijking en +verstarring.</p> + +<p>Het geheele proces van de ontwikkeling der volksvroomheid in de latere +Middeleeuwen kan niet bondiger worden uitgedrukt dan in de volgende +woorden van Jakob Burckhardt uit zijn <i>Weltgeschichtliche Betrachtungen</i>. +"Eine mächtige Religion entfaltet sich in alle Dinge des Lebens hinein +und färbt auf jede Regung des Geistes, auf jedes Element der Kultur ab. +Freilich reagieren dann diese Dinge mit der Zeit wieder auf die +Religion; ja deren eigentlicher Kern kann erstickt werden von den +Vorstellungs- und Bilderkreisen, die sie einst in ihren Bereich gezogen +hat. Das 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' had seine schicksalsvolle +Seite." En verderop: "Nun ist aber keine Religion jemals ganz unabhängig +von der Kultur der betreffenden Völker und Zeiten gewesen. Gerade, wenn +sie sehr souverän mit Hilfe buchstäblich gefasster heiliger Urkunden +herrscht und scheinbar Alles sich nach ihr richtet, wenn sie sich 'mit +dem ganzen Leben verflicht',<a name='243'></a> wird dieses Leben am unfehlbarsten auch auf +sie einwirken, sich auch mit ihr verflechten. Sie hat dann später an +solchen innigen Verflechtungen mit der Kultur keinen Nutzen mehr, +sondern lauter Gefahren; aber gleichwohl wird eine Religion immer so +handeln, so lange sie wirklich lebenskräftig ist."<a name='FNanchor_458_458'></a><a href='#Footnote_458_458'><sup>[458]</sup></a></p> + +<p>Het leven der middeleeuwsche christenheid is in al zijn betrekkingen +doortrokken, geheel verzadigd met godsdienstige voorstellingen. Daar is +geen ding en geen handeling, waarin niet voortdurend de betrekking tot +Christus en het geloof wordt gelegd. Maar in die oververzadigde +atmosfeer is de religieuze spanning, de daadwerkelijke transcendentie, +het uittreden uit het hier-en-dit niet steeds aanwezig. Blijft die +spanning uit, dan verdooft alles tot schrikwekkende alledaagsche +onheiligheid, een verbazende deeszijdigheid in geenzijdige vormen. Zelfs +bij een subliemen heilige als Heinrich Suso, bij wien de religieuze +spanning misschien geen oogenblik te kort schoot, blijft toch de val +naar het ridicule niet uit. Subliem, wanneer hij, gelijk de ridder +Boucicaut het om der wille van een aardsche geliefde deed, allen vrouwen +eer bewijst om Maria, en voor een arme terzijde in het slijk treedt. Hij +volgt de gebruiken der aardsche min, en viert den jaarsdag en den Meidag +zijn liefde voor de Wijsheid, zijn bruid, met een krans en een liedje. +Hoort hij een minneliedje, dan past hij het terstond toe op zijne +Wijsheid. Maar wat van het volgende? Aan tafel placht Suso, als hij een +appel at, dien in vieren te snijden: drie partjes at hij in naam der +Drieëenheid en het vierde at hij "in der minne, als diu himelsch muter +<a name='244'></a>irem zarten kindlein Jesus ein epfelli gab ze essen", en daarom at hij +dat vierde partje met de schil, want kleine jongens eten appels +ongeschild. En eenige dagen na Kerstmis,—dus als het Jezuskind nog te +klein was om appels te eten, zal de bedoeling zijn,—at hij dat vierde +partje niet, maar offerde het aan Maria, om het aan haar zoon te geven. +Zijn dronk nam hij in vijf teugen, om de vijf wonden des Heeren, maar +omdat uit Christus' zijde bloed en water vloeide, nam hij den vijfden +teug dubbel.<a name='FNanchor_459_459'></a><a href='#Footnote_459_459'><sup>[459]</sup></a>—Ziedaar het 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' in +zijn uiterste doorvoering.</p> + +<p>Afgezien voorloopig van den graad van innigheid, en enkel beschouwd als +godsdienstige vormen, is er in de vroomheid der late Middeleeuwen zeer +veel, wat zich voordoet als woekeringen van het godsdienstig leven, mits +men dat begrip niet opvat van een protestantsch-dogmatisch standpunt. Er +was, afgezien van de qualitatieve veranderingen, die zij meebrachten, in +de Kerk een quantitatieve vermeerdering van gebruiken en begrippen +ontstaan, die de ernstige godgeleerden met schrik vervulde. Het is niet +zoozeer tegen de onvroomheid of bijgeloovigheid van al het nieuwe, dat +zich opdrong, als tegen de overlading van het geloof op zich zelf, dat +de reformgeest der vijftiende eeuw zich keert. De teekens der altijd +bereide goddelijke genade waren altijd meer geworden; naast de +sacramenten bloeiden aan alle zijden de benedicties; van de relieken +kwam men tot de amuletten, de kracht van het gebed werd geformaliseerd +in de rozenkransen, de bonte galerij der heiligen kreeg altijd meer +kleur en leven.<a name='245'></a> En al ijverde de theologie voor een goede onderscheiding +van sacramenten en sacramentaliën, welk middel was er, om het volk te +weerhouden, op al dat magische en bonte hun hoop en geloof te vestigen? +Gerson had te Auxerre iemand ontmoet, die beweerde, dat het Dwazenfeest, +waarmee in kerken en kloosters de wintermaand gevierd werd, even +geheiligd was als dat van Mariae ontvangenis.<a name='FNanchor_460_460'></a><a href='#Footnote_460_460'><sup>[460]</sup></a> Nicolas de Clemanges +schreef een tractaat tegen het instellen en vieren van nieuwe feesten; +er waren er van die nieuwe, verklaarde hij, waarbij ongeveer de geheele +liturgie van apocryphen aard was, en met instemming gewaagt hij van den +bisschop van Auxerre, die de meeste feestdagen had afgeschaft.<a name='FNanchor_461_461'></a><a href='#Footnote_461_461'><sup>[461]</sup></a> +Pierre d'Ailly richt zich in zijn geschrift <i>De reformatione</i><a name='FNanchor_462_462'></a><a href='#Footnote_462_462'><sup>[462]</sup></a> +tegen de voortdurende vermeerdering van kerken, feesten, heiligen, +rustdagen, tegen den overvloed van beelden en schilderijen, de al te +groote uitvoerigheid van den dienst, het opnemen van apocryphe +geschriften in de liturgie der feesten, tegen de invoering van nieuwe +hymnen en gebeden of andere willekeurige nieuwigheden, tegen de al te +strenge vermeerdering van vigiliën, gebeden, vasten, onthoudingen. Er +was een neiging, om aan elk punt uit de vereering van de Moeder Gods een +specialen dienst te verbinden. Er waren bijzondere missen, later door de +Kerk afgeschaft, van Maria's vroomheid, van haar zeven smarten, van alle +Mariafeesten te zamen, van haar zusteren Maria Jacobi en Maria Salome, +van den engel Gabriel, van al de heiligen, die den geslachtsboom des +Heeren<a name='246'></a> uitmaakten.<a name='FNanchor_463_463'></a><a href='#Footnote_463_463'><sup>[463]</sup></a> Verder zijn er te veel kloosterorden, zegt +d'Ailly, en dit leidt tot verscheidenheid van gebruiken, tot afzondering +en hoogmoed, tot ijdele verheffing van den éénen geestelijken staat +boven den anderen. Vooral de bedelorden wil hij beperken. Hun toestand +is schadelijk voor de leprozenhuizen en hospitalen en voor de andere +echte armen en ellendige behoeftigen, wien het recht en de ware titel +des bedelens toekomt.<a name='FNanchor_464_464'></a><a href='#Footnote_464_464'><sup>[464]</sup></a> Hij wil de preekende questierders van den +aflaat uit de kerk verbannen, die haar bezoedelen met hun leugens en +haar belachelijk maken.<a name='FNanchor_465_465'></a><a href='#Footnote_465_465'><sup>[465]</sup></a> Waar moet het heen met de voortdurende +stichting van nieuwe vrouwenconventen zonder voldoende middelen?</p> + +<p>Men ziet, het is meer tegen het quantitatieve euvel, dat Pierre d'Ailly +te velde trekt, dan tegen het qualitatieve. Hij trekt, met uitzondering +van zijn schimp tegen den aflaatpreek, niet uitdrukkelijk de vroomheid +en heiligheid van al die praktijken in twijfel; hem bezwaart hun +ongebreideld aangroeien als zoodanig; hij ziet de Kerk verstikken onder +dien last van bijzonderheden. Toen Alanus de Rupe zijn nieuwe broederschap +van den rozenkrans propageert, richt zich het verzet ook meer tegen de +nieuwigheid op zich zelf dan tegen den inhoud ervan. Vertrouwend op de +werking van zulk een grootsche gebedsgemeenschap, als Alanus zich +voorstelde, zou het volk de voorgeschreven penitenties, de geestelijkheid +de canonieke getijden verwaarloozen. De parochiekerken zouden leegloopen, +<a name='247'></a>als de broederschap enkel in de kerken der Franciscanen en Dominicanen +vergaderde. Uit de bijeenkomsten konden licht partijzucht en samenzweringen +voortkomen. En ten slotte verwijt men hem ook: het zijn droombeelden, +phantasieën en oudewijvenpraatjes, die de broederschap voor groote en +wonderlijke openbaringen verkoopt.<a name='FNanchor_466_466'></a><a href='#Footnote_466_466'><sup>[466]</sup></a></p> + +<p>De bijna mechanische wijze, waarop de heilige gebruiken zich neigden te +vermenigvuldigen, wanneer geen strenge autoriteit besnoeiend ingreep, +heeft een karakteristiek voorbeeld in de wekelijksche vereering der +Onnoozele kinderen. Aan de herdenking van den Bethlehemschen kindermoord +op 28 December verbond zich evenzeer allerlei half-heidensch midwinter- +bijgeloof als sentimenteele aandoening over den gruwel van dit +martelaarschap; de dag gold als een ongeluksdag. En nu plachten velen +gedurende het heele jaar den weekdag, waarop het laatst Onnoozele +kinderen gevallen was, als een ongeluksdag te ontzien. Men mocht dien +dag geen werk beginnen, geen tocht aanvaarden. De dag heette eenvoudig +"les Innocents" evenals het feest zelf. Lodewijk XI nam dit gebruik +nauwgezet in acht. De kroning van Eduard IV werd nog eens overgedaan, +omdat men haar eerst op den ongelukkigen dag der week had verricht. René +van Lotharingen moest van een gevecht afzien, omdat zijn landsknechten +weigerden, op grond dat het de weekdag van Onnoozele kinderen was.<a name='FNanchor_467_467'></a><a href='#Footnote_467_467'><sup>[467]</sup></a></p> +<a name='248'></a> +<p>Johannes Gerson neemt uit dit gebruik de aanleiding tot een tractaat +tegen het bijgeloof in het algemeen en dit in het bijzonder.<a name='FNanchor_468_468'></a><a href='#Footnote_468_468'><sup>[468]</sup></a> Hij +is een dergenen geweest, die het gevaar van die woekering der +godsdienstige denkbeelden voor het kerkelijk leven duidelijk hebben +gezien. Met zijn scherpen, ietwat nuchteren geest ziet hij ook iets van +den zielkundigen grond voor het opkomen van al die denkbeelden. Zij +spruiten voort "ex sola hominum phantasiatione et melancholica +imaginatione"; het is een bederf van de verbeeldingskracht; deze berust +op een inwendig hersenletsel, en dit weer op duivelsche begoocheling. +Zoo krijgt de duivel toch nog zijn deel.</p> + +<p>Het is een proces van voortdurende herleiding van het oneindige tot +eindigheden, een uiteenvalling van het wonder in atomen. Aan elk +heiligste mysterie hecht zich, als een korst van schelpen aan een schip, +een aangroeisel van uiterlijke geloofselementen, die het ontwijden. De +ontzaglijke doordrongenheid van het wonder der eucharistie plant zich +aan de oppervlakte voort in het nuchterste en materieelste bijgeloof: +bij voorbeeld dat men op den dag, waarop men mis gehoord heeft, niet +blind kan worden of een beroerte krijgen, dat men gedurende den tijd, +dat men de mis hoort, niet ouder wordt.<a name='FNanchor_469_469'></a><a href='#Footnote_469_469'><sup>[469]</sup></a> De Kerk heeft er +voortdurend tegen te waken, dat God niet al te zeer op aarde wordt +gebracht. Zij verklaart het kettersch, te beweren, dat Petrus, Johannes +en Jacobus bij Christus' transfiguratie het goddelijk wezen even klaar +hadden gezien,<a name='249'></a> als zij het nu doen in den hemel.<a name='FNanchor_470_470'></a><a href='#Footnote_470_470'><sup>[470]</sup></a> Het was +godslastering, dat een der navolgsters van Jeanne d'Arc beweerde, God +gezien te hebben in een lang wit kleed met een rood overkleed.<a name='FNanchor_471_471'></a><a href='#Footnote_471_471'><sup>[471]</sup></a> +Doch kon het volk het helpen, dat het niet de fijne onderscheidingen +wist te maken, die de theologie voorschreef, waar de Kerk zooveel bonte +stof aan de verbeelding bood?</p> + +<p>Gerson zelf hield zich niet vrij van het euvel, dat hij bestreed. Hij +verheft zijn stem tegen de ijdele nieuwsgierigheid,<a name='FNanchor_472_472'></a><a href='#Footnote_472_472'><sup>[472]</sup></a> en bedoelt +daarmee den geest van onderzoek, die de natuur wil leeren kennen in haar +uiterste geheimen. Maar hij zelf wroet met onbescheiden nieuwsgierigheid +in de kleinste uiterlijke bijzonderheden der heilige dingen. Zijn +bijzondere vereering voor den heiligen Joseph, voor wiens feest hij op +allerlei wijzen werkt, maakt hem benieuwd, om alles van Joseph te weten. +Hij verdiept zich in al de bijzonderheden van diens huwelijk met Maria, +hun samenleven, zijn onthouding, hoe hij haar zwangerschap leerde kennen, +hoe oud hij was. Van de caricatuur, die de kunst van Joseph dreigde te +maken: den ouden slovenden man, zooals Deschamps hem beklaagde, wil +Gerson niet weten: Joseph was nog geen vijftig jaar, zegt hij.<a name='FNanchor_473_473'></a><a href='#Footnote_473_473'><sup>[473]</sup></a> +Elders veroorlooft hij zich een bespiegeling over de lichamelijke +samenstelling van Johannes den Dooper: "semen igitur materiale ex qua +corpus compaginandum erat,<a name='250'></a> nec durum nimis nec rursus fluidum +abundantius fuit".<a name='FNanchor_474_474'></a><a href='#Footnote_474_474'><sup>[474]</sup></a> De beroemde volksprediker Olivier Maillard +pleegt zijn gehoor na de inleiding te onthalen op "une belle question +théologale", bij voorbeeld, of de Maagd zoo actief had meegewerkt tot de +ontvangenis van Christus, dat zij waarlijk Moeder Gods mocht heeten; of +het lichaam van Christus asch zou zijn geworden, indien de opstanding +niet tusschenbeide gekomen ware.<a name='FNanchor_475_475'></a><a href='#Footnote_475_475'><sup>[475]</sup></a> De strijdvraag over Maria's +onbevlekte ontvangenis, waarin de Dominicanen tegen de wassende +volksbehoefte in, die de Maagd van aanvang af vrij van de erfzonde wilde +zien, de ontkennende partij hielden, veroorzaakte een vermenging van +theologische en embryologische bespiegeling, die ons weinig stichtelijk +voorkomt. En zoo hardnekkig overtuigd waren de ernstigste godgeleerden +van het gewicht hunner argumenten, dat zij zich niet ontzagen, het +dispuut in preeken voor het groote publiek te brengen.<a name='FNanchor_476_476'></a><a href='#Footnote_476_476'><sup>[476]</sup></a> Als zoo de +geest van de ernstigsten was gericht, hoe kon het dan anders, of over +een groot levensgebied moest zich door die voortgezette uitwerking in +bijzonderheden al het heilige oplossen in een alledaagschheid, waaruit +men zich slechts bij vlagen tot de ontzaglijke huivering over het wonder +verhief?</p> + +<p>De gemeenzaamheid, waarmee men in het dagelijksch leven met God handelde, +moet van twee kanten worden bezien: het is even goed de volstrekte +vastheid en onmiddellijkheid van het geloof,<a name='251'></a> die daaruit spreken, als de +schade, die dat geloof leed door zijn volkomen afvloeiing in alle dingen +van het gewone leven. Juist het innigste mysterie, de eucharistie, lijdt +voortdurend het gevaar der profanatie. Zoo ongeschokt was het geloof aan +het miswonder en de rechtgeloovige vereenzelviging der drie personen van +de Drieëenheid, dat men de gewijde hostie eenvoudig God noemde. Zoo +ontstaat een spraakgebruik, dat ons profaner schijnt dan het voor den +middeleeuwschen geest was. Een reiziger stijgt even af, en gaat een +dorpskerk binnen "pour veoir Dieu en passant". Van den priester heet +het: "quand il eut levé Dieu et calice"; gaat hij met de hostie op een +ezel zijns weegs, dan spreekt men van "un Dieu sur un asne".<a name='FNanchor_477_477'></a><a href='#Footnote_477_477'><sup>[477]</sup></a> +Wekken deze voorbeelden door de bron, waaraan zij zijn ontleend: de +<i>Cent nouvelles nouvelles</i>, wellicht de verdenking van een onvrome +bedoeling (ik zie er enkel het gemeenzame spraakgebruik in), deze is +uitgesloten bij het volgende uit <i>Le livre du chevalier de la Tour-Landry +pour l'enseignement de ses filles</i>, waar van een dame gezegd wordt: "Sy +cuidoit transir de la mort, et se fist apporter beau sire Dieux."<a name='FNanchor_478_478'></a><a href='#Footnote_478_478'><sup>[478]</sup></a> +"Veoir Dieu" was een gangbare term voor het zien heffen van de hostie.<a name='FNanchor_479_479'></a><a href='#Footnote_479_479'><sup>[479]</sup></a> +—Zoodra nu de smaak van het wonder even uitbleef, welk een ontwijding +bracht dan zulk een spraakgebruik mede! Dan was het maar een kleine val +tot gedachtenlooze gemeenzaamheden als het spreekwoord: "Laissez faire +à Dieu, qui est homme d'aage",<a name='FNanchor_480_480'></a><a href='#Footnote_480_480'><sup>[480]</sup></a> of Froissart's: "et li prie à mains +jointes,<a name='252'></a> pour si hault homme que Diex est."<a name='FNanchor_481_481'></a><a href='#Footnote_481_481'><sup>[481]</sup></a></p> + +<p>Hoe zulk een spraakgebruik "Dieu" voor de hostie het godsgeloof zelf +contamineeren kon, bewijst een geval als het volgende. De bisschop van +Coutances draagt een mis op in de kerk van Saint Denis. Toen hij het +lichaam des Heeren gaat heffen, vermaant men Hugues Aubriot, den prévôt +van Parijs, die de kapel rondwandelde, waar de mis gevierd werd, om te +aanbidden. Maar Hugues, een bekend esprit fort, antwoordt met een vloek, +dat hij niet geloofde in den God van zoo'n bisschop, die aan het hof +woonde.<a name='FNanchor_482_482'></a><a href='#Footnote_482_482'><sup>[482]</sup></a></p> + +<p>Een treffend voorbeeld van bijna onbeschaamde gemeenzaamheid met het +heilige, waar toch aan een spottende bedoeling niet valt te denken, zijn +de Mariabeeldjes, zooals de Bourgondische hertogen er een bezaten, die +een variant opleveren van het oud-hollandsche drinkvaatwerk, dat Hansje +in den kelder genoemd werd. Het was een klein gouden beeldje, rijk met +edelsteenen versierd, waarvan de buik open kon, waarbinnen men de +Drieëenheid zag.<a name='FNanchor_483_483'></a><a href='#Footnote_483_483'><sup>[483]</sup></a> Gerson zag er een bij de Carmelieten te Parijs, +en keurt het af, maar niet wegens de onvroomheid doch om de ketterij, +die erin gelegen was, de geheele Drieëenheid als de vrucht van Maria's +schoot voor te stellen.<a name='FNanchor_484_484'></a><a href='#Footnote_484_484'><sup>[484]</sup></a></p> + +<p>Het geheele leven was zoo doortrokken van godsdienst,<a name='253'></a> dat de afstand +tusschen het aardsche en het geestelijke ieder oogenblik dreigt te loor +te gaan. Wordt aan den eenen kant alles van het gewone leven in de +heilige oogenblikken opgetrokken in wijding, aan den anderen kant wordt +het heilige voortdurend in de sfeer van het alledaagsche gehouden door +zijn onoplosbare vermenging met het dagelijksch leven. Hierboven werd +gesproken van het kerkhof der Innocents te Parijs, die afzichtelijke +kermis des doods met de doodsbeenderen al rondom opgetast en uitgestald. +Kan men zich iets vreeselijkers denken dan het leven van de kluizenares, +ingemetseld tegen den kerkmuur op die plaats der verschrikking? Maar +lees nu, hoe de tijdgenooten erover spreken: de recluses woonden er in +een keurig nieuw huisje, zij werden ingemetseld met een mooie preek, zij +kregen van den koning een bezoldiging van acht pond 's jaars in acht +termijnen.<a name='FNanchor_485_485'></a><a href='#Footnote_485_485'><sup>[485]</sup></a> Alles alsof het gewone hofjesjuffrouwen waren. Waar +blijft het religieuze pathos? Waar blijft het, als er een aflaat wordt +verbonden aan de gewoonste huiselijke werkzaamheden: het aanmaken van +den oven, het melken van een koe, het uitboenen van een pot.<a name='FNanchor_486_486'></a><a href='#Footnote_486_486'><sup>[486]</sup></a> Bij +een verloting te Bergen-op-Zoom in 1518 waren naast elkaar "costelijcke +prijsen" en aflaten te winnen.<a name='FNanchor_487_487'></a><a href='#Footnote_487_487'><sup>[487]</sup></a> Bij de vorstelijke intochten +prijkten op de hoeken der straten afwisselend met de zinrijke +vertooningen, dikwijls van heidensche naaktheid, de kostbare +reliekschrijnen der stad op altaren, bediend door prelaten en den vorst +om eerbiedig te kussen aangeboden.<a name='FNanchor_488_488'></a><a href='#Footnote_488_488'><sup>[488]</sup></a></p> +<a name='254'></a> +<p>Die oogenschijnlijke ongescheidenheid van de religieuze en de +wereldlijke sfeer wordt het levendigst uitgedrukt door het overbekende +feit, dat de wereldlijke melodie steeds onveranderd dienen kan voor den +kerkelijken zang en omgekeerd. Guillaume Dufay componeert zijn missen op +thema's van wereldlijke liederen als "Tant je me déduis, Se la face ay +pale, L'omme armé."</p> + +<p>Er is een voortdurend wisselverkeer tusschen de godsdienstige en +wereldlijke terminologie. Zonder aanstoot ontleent men de uitdrukking +voor aardsche dingen aan den godsdienst en omgekeerd. Boven den ingang +van de Rekenkamer te Rijssel prijkte een vers, dat aan iedereen +herinnerde, hoe hij eenmaal rekenschap zou hebben af te leggen van zijn +hemelsche gaven, voor God:</p> + +<div class='poem'> "Lors ouvrira, au son de buysine +<span>Sa générale et grant chambre des comptes."<a name='FNanchor_489_489'></a><a href='#Footnote_489_489'><sup>[489]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Omgekeerd heette het in den plechtigen oproep tot een tournooi, alsof +het een plechtigheid met aflaat was:</p> + +<div class='poem'> "Oez, oez, l'oneur et la louenge +<span>Et des armes grantdisime pardon."<a name='FNanchor_490_490'></a><a href='#Footnote_490_490'><sup>[490]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Het was toeval, dat in het woord "mistère" mysterium en ministerium +waren dooreengeloopen, maar deze homonymie kon niet anders dan de +verzwakking van het mysteriebesef in het dagelijksch spraakgebruik +bevorderen:<a name='255'></a> alles heette mistère, bij voorbeeld de eenhoren, de schilden +en de pop, die bij den Pas d'armes de la fontaine des pleurs gebruikt +waren.<a name='FNanchor_491_491'></a><a href='#Footnote_491_491'><sup>[491]</sup></a></p> + +<p>Als directe tegenkant van de godsdienstige symboliek: het duiden van +alle aardsche dingen en aardsche geschiedenis als zinnebeeld en +praefiguratie van het goddelijke, vindt men omgekeerd vorstenhulde +gebracht in godsdienstige metafoor. Zoodra het ontzag voor aardsche +majesteit den middeleeuwer aanvat, dient hem de taal der heilige +aanbidding voor de uitdrukking van zijn gevoel. De vorstendienaars der +vijftiende eeuw staan hier voor geen profanatie. In het pleidooi om den +moord van Lodewijk van Orleans laat de pleiter den geest van den +vermoorden vorst tot zijn zoon spreken: aanschouw mijn wonden, waarvan +er vijf in het bijzonder wreed en doodelijk waren.<a name='FNanchor_492_492'></a><a href='#Footnote_492_492'><sup>[492]</sup></a> Hij ziet het +slachtoffer dus als Christus. De bisschop van Chalons schroomt op zijn +beurt niet, Jan zonder Vrees, die door de wraak om Orleans viel, met het +Lam Gods te vergelijken.<a name='FNanchor_493_493'></a><a href='#Footnote_493_493'><sup>[493]</sup></a> Molinet vergelijkt keizer Frederik, die +zijn zoon Maximiliaan zendt, om met Maria van Bourgondië te trouwen, met +God Vader, die den Zoon op aarde zendt, en spaart geen vrome taal tot +uitwerking van het geval. Wanneer later Frederik en Maximiliaan met den +jongen Philips den Schoone te Brussel binnenkomen, laat Molinet de +Brusselaars weenend zeggen: "Véez-ci figure de la Trinité, le Père, le +Fils et Sainct Esprit." Of wel hij biedt zijn bloemkrans aan Maria van +Bourgondië<a name='256'></a> als waardig beeld van Onze Lieve Vrouw, "behoudens de +maagdelijkheid."<a name='FNanchor_494_494'></a><a href='#Footnote_494_494'><sup>[494]</sup></a></p> + +<p>"Niet dat ik de vorsten wil vergoden", zegt deze aartshoveling.<a name='FNanchor_495_495'></a><a href='#Footnote_495_495'><sup>[495]</sup></a> +Misschien is het inderdaad meer holheid en phrase dan werkelijk gevoelde +adulatie, maar het bewijst daarom niet minder de depreciatie van de +heilige voorstellingen door hun dagelijksch gebruik. Trouwens wat zal +men den hofpoëtaster verwijten, als Gerson zelf aan de vorstelijke +hoorders van zijn preeken speciale beschermengelen toekent van een +hooger hiërarchie en ambt dan die van andere menschen?<a name='FNanchor_496_496'></a><a href='#Footnote_496_496'><sup>[496]</sup></a></p> + +<p>In de toepassing van godsdienstige termen op het erotische, waarvan hier +boven reeds sprake was, heeft men natuurlijk met heel iets anders te +doen. Hier is een element van werkelijke onvroomheid en spot, dat in het +zooeven behandelde spraakgebruik niet aanwezig was; beide zijn slechts +verwant, in zooverre zij voortspruiten uit de groote gemeenzaamheid met +het heilige. De vertellers der <i>Cent nouvelles nouvelles</i> verlustigen +zich onvermoeid in woordspeling op "saints" en "seins", en het gebruik +van "dévotion, confesser, bénir" in obscenen zin. De schrijver van <i>Les +Quinze joyes de mariage</i> kiest dien titel in navolging der vreugden van +Maria.<a name='FNanchor_497_497'></a><a href='#Footnote_497_497'><sup>[497]</sup></a> Van de voorstelling der liefde als een vrome observantie is +hierboven gesproken. Van ernstiger beteekenis nog is het, wanneer de +verdediger van den <i>Roman de la rose</i> met heilige termen noemt "partes +corporis inhonestas et peccata immunda atque turpia."<a name='FNanchor_498_498'></a><a href='#Footnote_498_498'><sup>[498]</sup></a> Hier is wel +<a name='257'></a>degelijk iets van die gevaarlijke toenadering van het godsdienstige en +het erotische voelen, die de Kerk in dezen vorm hevig vreesde. Niets +geeft wellicht die toenadering zoo levendig te zien als de Antwerpsche +Madonna, aan Fouquet toegeschreven, voorheen in het koor der Lieve +Vrouwenkerk te Melun als diptiek vereenigd met het luik, dat den +stichter Etienne Chevalier, tresorier des konings, met den heiligen +Stephanus vertoont, thans te Berlijn. Een oude traditie, in de 17<sup>e</sup> eeuw +door den oudheidkundige Denis Godefroy opgeteekend, wil, dat de Madonna +de trekken van Agnes Sorel weergeeft, de koninklijke maîtresse, voor wie +Chevalier zijn hartstocht niet verborg. Het is inderdaad, bij al de +groote hoedanigheden der schildering, een modepop, die wij voor ons +zien, met het gebombeerde kaalgeschoren voorhoofd, de wijd +uiteenstaande, kogelronde borsten, het hooge dunne middel. De bizarrerie +van de hermetische gelaatsuitdrukking, de stijve roode en blauwe +engelen, alles werkt mee, om aan het schilderij een waas van décadente +goddeloosheid te geven, waarbij de forsche, slichte voorstelling van den +stichter en zijn heilige op het andere luik wonderlijk afsteekt. +Godefroy zag op het blauw fluweel eener breede lijst de naamletter E in +parelen, telkens verbonden door liefdestrikken (lacs d'amour) uit goud- +en zilverdraad.<a name='FNanchor_499_499'></a><a href='#Footnote_499_499'><sup>[499]</sup></a> Ligt in het geheel niet een blasphemische +vrijmoedigheid met het heilige, die door geen Renaissance-geest te +overtreffen was?</p> + +<p>De oneerbiedigheid van het dagelijksche kerkelijk leven was schier +zonder grenzen. Men beweert, dat bij de missen,<a name='258'></a> op wereldlijke thema's +gecomponeerd, in den dienst zelfs de teksten dier profane liederen: +<i>baisez-moi, rouges nez</i>, tusschen den liturgischen tekst door werden +gezongen.<a name='FNanchor_500_500'></a><a href='#Footnote_500_500'><sup>[500]</sup></a> David van Bourgondië, de bastaard van Philips den Goede, +houdt zijn intrede als bisschop van Utrecht te midden van een +krijgsgevolg van enkel edelen, waarmee zijn broeder de bastaard van +Bourgondië hem uit Amersfoort is komen afhalen. De nieuwe bisschop zelf +is geheel geharnast, alsof hij een veroverend wereldlijk vorst ware; zoo +rijdt hij naar den dom, en gaat er binnen in een processie met vanen en +kruisen, om voor het hoogaltaar te bidden.<a name='FNanchor_501_501'></a><a href='#Footnote_501_501'><sup>[501]</sup></a> Leg naast die +Bourgondische onbeschaamde hoovaardij de gemoedelijke onbeschaamdheid +van Rudolf Agricola's vader, den pastoor van Baflo, die op den dag, dat +hij tot abt van Selwert was gekozen, het bericht kreeg, dat hem uit zijn +bijzit een zoon geboren was, en zeide: "Heden ben ik tweemaal vader +geworden; moge Gods zegen er op rusten."<a name='FNanchor_502_502'></a><a href='#Footnote_502_502'><sup>[502]</sup></a></p> + +<p>De tijdgenooten beschouwen de toenemende oneerbiedigheid jegens de kerk +als een achteruitgang der zeden van den jongsten tijd.</p> + +<div class='poem'> "On souloit estre ou temps passé +<span>En l'église benignement<br /></span> +<span>A genoux en humilité<br /></span> +<span>Delez l'autel moult closement,<br /></span> +<span>Tout nu le chief piteusement,<br /></span> +<span>Maiz au jour d'uy, si come beste,<br /></span><a name='259'></a> +<span>On vient à l'autel bien souvent<br /></span> +<span>Chaperon et chapel en teste."<a name='FNanchor_503_503'></a><a href='#Footnote_503_503'><sup>[503]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Op de feestdagen, klaagt Nicolaas van Clemanges, gaan maar weinigen naar +de mis. Zij hooren die niet tot het einde aan, en vergenoegen zich, even +het wijwater aan te raken, door een kniebuiging Onze Lieve Vrouw te +groeten, of een heiligenbeeld te kussen. Hebben zij de hostie zien +heffen, dan beroemen zij er zich op als een groote weldaad aan Christus. +De metten en den vesper viert de priester meestal met zijn helper +alleen.<a name='FNanchor_504_504'></a><a href='#Footnote_504_504'><sup>[504]</sup></a>—De heer van het dorp en patronaatsheer der kerk laat den +priester kalm wachten met de mis, tot hij en zijn vrouw zijn opgestaan +en zich gekleed hebben.<a name='FNanchor_505_505'></a><a href='#Footnote_505_505'><sup>[505]</sup></a></p> + +<p>De heiligste feesten, de Kerstnacht zelf, worden in ongebondenheid +doorgebracht, met kaartspelen, vloeken en schandelijke taal; vermaant +men het volk, dan beroept het er zich op, dat de groote heeren, de +klerken en prelaten het ongestraft doen.<a name='FNanchor_506_506'></a><a href='#Footnote_506_506'><sup>[506]</sup></a> Op de vigiliën der +feestdagen wordt in de kerken zelf met losbandige liederen gedanst; +priesters geven het voorbeeld, om die nachtwaken door te brengen met +dobbelspel en vloeken.<a name='FNanchor_507_507'></a><a href='#Footnote_507_507'><sup>[507]</sup></a> De raad van Straatsburg schonk jaarlijks +1100 liter wijn voor hen, die in het Munster den Sint Adolfsnacht +"wakend en in gebed" doorbrachten.<a name='FNanchor_508_508'></a><a href='#Footnote_508_508'><sup>[508]</sup></a> Een stedelijk magistraat +<a name='260'></a>beklaagt zich bij Dionysius den Kartuizer, dat de jaarlijksche +processie, in zijn stad met een heilige reliquie verricht, de aanleiding +was tot tal van onbetamelijkheden en drinkgelagen. Hoe daar een einde +aan te maken? De magistraat zelf zou er niet gemakkelijk van te +overtuigen zijn, want de processie bracht de stad voordeel aan; zij +bracht volk in de stad, dat er moest overnachten, eten en drinken. En +het was nu eenmaal zoo gewoonte. Dionysius kende het euvel; hij wist, +hoe tuchteloos men bij processies optrad, pratende, lachende, +onbeschaamd rondkijkende, belust op drinken en ruw vermaak.<a name='FNanchor_509_509'></a><a href='#Footnote_509_509'><sup>[509]</sup></a> Het +past wonderwel bij den optocht der Gentenaren naar de kermis van Houthem +met den schrijn van Sint Lieven. Vroeger, zegt Chastellain, plachten de +notabelen het heilig lichaam te dragen "en grande et haute solempnité et +révérence", maar nu is het "une multitude de respaille et de +garçonnaille mauvaise"; zij dragen hem schreeuwend en joelend, zingend +en dansend, onder honderd potsen, en allen zijn dronken. Zij zijn +gewapend bovendien, en veroorloven zich overal waar zij langs komen de +grootste losbandigheid; alles schijnt dien dag aan hen overgeleverd +onder voorwendsel van hun heiligen last.<a name='FNanchor_510_510'></a><a href='#Footnote_510_510'><sup>[510]</sup></a></p> + +<p>De kerkgang is een belangrijk element in het gezelschapsleven. Men komt +er pronken in zijn fraaisten dos, men komt er wedijveren in rang en +deftigheid, en in hoofsche vormen en beleefdheid. Vroeger is al vermeld, +<a name='FNanchor_511_511'></a><a href='#Footnote_511_511'><sup>[511]</sup></a> +<a name='261'></a> hoe het kussen van het "paesbord", "la paix", de vaste aanleiding +was tot den meest stotenden beleefdheidsstrijd. Als er een jonkertje +binnenkomt, staat mevrouw op en kust hem op den mond, terwijl de +priester de hostie wijdt en het volk te bidden ligt.<a name='FNanchor_512_512'></a><a href='#Footnote_512_512'><sup>[512]</sup></a> Praten en +rondwandelen onder de mis moeten zeer gewoon zijn geweest.<a name='FNanchor_513_513'></a><a href='#Footnote_513_513'><sup>[513]</sup></a> Het +gebruik van de kerk als plaats van samenkomst, waar de jongelieden naar +de meisjes komen kijken, is zoo algemeen, dat enkel de moralisten er +zich over ergeren. De jeugd komt zelden in de kerk, roept Nicolaas van +Clemanges uit,<a name='FNanchor_514_514'></a><a href='#Footnote_514_514'><sup>[514]</sup></a> dan om de vrouwen te zien, die er haar hoovaardige +kapsels en haar décolleté komen vertoonen. De eerbare Christine de Pisan +dicht zonder ergernis:</p> + +<div class='poem'> "Se souvent vais ou moustier, +<span>C'est tout pour veoir la belle<br /></span> +<span>Fresche com rose nouvelle."<a name='FNanchor_515_515'></a><a href='#Footnote_515_515'><sup>[515]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Het bleef niet bij de kleine liefdediensten, waartoe de dienst den +vrijer gelegenheid gaf: de beminde het wijwater te geven, haar de "paix" +te reiken, een kaarsje voor haar aan te steken en naast haar te knielen, +niet bij wat teekens en lonkjes.<a name='FNanchor_516_516'></a><a href='#Footnote_516_516'><sup>[516]</sup></a> In de kerk zelf komen de +lichtekooien haar afspraken zoeken.<a name='FNanchor_517_517'></a><a href='#Footnote_517_517'><sup>[517]</sup></a> In de kerken zelf en op +heiligendagen zijn ontuchtige prentjes te koop, die de jeugd bederven; +en geen preeken helpt tegen het kwaad.<a name='262'></a><a name='FNanchor_518_518'></a><a href='#Footnote_518_518'><sup>[518]</sup></a> Meer dan eens wordt de kerk +en het altaar door ontuchtige daden bezoedeld.<a name='FNanchor_519_519'></a><a href='#Footnote_519_519'><sup>[519]</sup></a></p> + +<p>Evenzeer als het gewone kerkbezoek was de bedevaart de aanleiding tot +allerlei vermaak en vooral tot verliefde besognes. Zij worden in de +litteratuur dikwijls als gewone pleizierreisjes behandeld. De ridder +de la Tour-Landry, die het ernstig meent met zijn onderricht aan zijn +dochters in goede en deugdzame manieren, spreekt van vermaaklievende +dames, die gaarne naar tournooien en pelgrimages gaan, en vertelt +waarschuwende exempelen van vrouwen, die een bedevaart ondernamen als +voorwendsel tot een samenkomst met den geliefde. "Et pour ce a cy bon +exemple comment l'on ne doit pas aler aux sains voiaiges pour nulle +folie plaisance."<a name='FNanchor_520_520'></a><a href='#Footnote_520_520'><sup>[520]</sup></a> Juist zoo beschouwt ze Nicolaas van Clemanges: +men gaat op feestdagen naar verafgelegen kerken van heiligen ter +beevaart, minder om zijn gelofte te lossen dan om des te vrijer af te +dwalen. Het is een bron van velerlei misdrijven; daar bij de heilige +plaatsen zijn steeds de verfoeilijke koppelaarsters aanwezig, om de +meisjes te verlokken.<a name='FNanchor_521_521'></a><a href='#Footnote_521_521'><sup>[521]</sup></a> Het is het gewone geval in de <i>Quinze joyes +de mariage</i>: de jonge vrouw wil wel eens een verzetje en bepraat haar +man, dat het kind ziek is, omdat zij de bedevaart nog niet heeft +volbracht, waartoe zij in 't kraambed de gelofte deed.<a name='FNanchor_522_522'></a><a href='#Footnote_522_522'><sup>[522]</sup></a> De +<a name='263'></a>voorbereiding tot het huwelijk van Karel VI met Isabella van Beieren +wordt ingeleid met een pelgrimage.<a name='FNanchor_523_523'></a><a href='#Footnote_523_523'><sup>[523]</sup></a> Geen wonder, dat de ernstige +mannen der moderne devotie in de bedevaarten weinig nut zien. Die vele +bedevaarten doen, worden zelden heilig, zegt Thomas a Kempis, en +Frederik van Heilo wijdt aan de zaak een afzonderlijk tractaat <i>Contra +peregrinantes</i>.<a name='FNanchor_524_524'></a><a href='#Footnote_524_524'><sup>[524]</sup></a></p> + +<p>In al deze ontwijdingen van het geloof door de onbeschaamde vermenging +met het zondige leven ligt meer naïeve gemeenzaamheid met den godsdienst +dan regelrechte onvroomheid. Enkel een samenleving, die geheel +doortrokken is van het godsdienstige, en die het geloof als iets +vanzelfsprekends aanvaardt, kent al deze excessen en ontaarding. Het +waren dezelfde menschen, die de dagelijksche sleur van een half +verliederlijkte godsdienstpraktijk volgden, en die dan plotseling onder +het vlammende woord van een preekenden bedelmonnik vatbaar waren voor de +uitersten van heilige ontroering.</p> + +<p>Zelfs een botte zonde als het vloeken komt enkel op uit een sterk +geloof. Want in zijn oorsprong als bewuste eed is de vloek het teeken +van een tot in de nietigste dingen aanwezig besef van de +tegenwoordigheid van het goddelijke. Alleen het besef van waarlijk den +hemel te tarten geeft aan den vloek zijn zondige bekoring. Eerst waar +elk besef van te zweren en elke vrees voor de vervulling van den vloek +geweken is, verslapt het vloeken tot de eentonige ruwheid van later +tijden.<a name='264'></a> In het laatst der Middeleeuwen heeft het nog dien prikkel van +driestheid en hoogmoed, die het maakt tot een adellijke sport. +"Wat,—zegt de edelman tot den boer—: je geeft je ziel aan den duivel, +en je verloochent God, terwijl je geen edelman bent?"<a name='FNanchor_525_525'></a><a href='#Footnote_525_525'><sup>[525]</sup></a> Deschamps +constateert, dat het vloeken reeds afdaalt tot de geringe lieden:</p> + +<div class='poem'> "Si chetif n'y a qui ne die: +<span>Je renie Dieu et sa mère."<a name='FNanchor_526_526'></a><a href='#Footnote_526_526'><sup>[526]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Men wedijvert in pittige en nieuw gevonden vloeken; wie het liederlijkst +te vloeken weet, wordt als meester geëerd.<a name='FNanchor_527_527'></a><a href='#Footnote_527_527'><sup>[527]</sup></a> Eerst vloekte men, zegt +Deschamps, overal in Frankrijk op zijn Gasconsch en Engelsch, daarna op +zijn Bretonsch, en nu op zijn Bourgondisch. Hij rijmt twee balladen +aaneen van de gebruikelijke vloeken, om ze tot vromen zin te wenden. En +de Bourgondische vloek: "Je renie Dieu", is de ergste van allen;<a name='FNanchor_528_528'></a><a href='#Footnote_528_528'><sup>[528]</sup></a> +men verzacht hem tot: "Je renie de bottes". De Bourgondiërs hadden den +naam van aartsvloekers; trouwens Frankrijk in het algemeen, klaagt +Gerson, lijdt, zoo christelijk als het is, meer dan andere landen onder +die afschuwelijke zonde, die de oorzaak is van pestilentie, oorlogen en +hongersnood.<a name='FNanchor_529_529'></a><a href='#Footnote_529_529'><sup>[529]</sup></a> Zelfs de monniken doen met bastaardvloeken mee.<a name='FNanchor_530_530'></a><a href='#Footnote_530_530'><sup>[530]</sup></a> +Hij wil, dat alle autoriteiten en alle standen, door scherpe verordeningen +en lichte straffen,<a name='265'></a> die dan ook werkelijk uitgevoerd kunnen worden, het +kwaad helpen uitroeien. En inderdaad verscheen in 1397 een koninklijke +ordonnantie, die de oude verordeningen tegen het vloeken van 1269 en +1347 hernieuwde; niet met lichte en uitvoerbare straffen evenwel, maar +met de oude bedreigingen van lippen kloven en tong afsnijden, waaruit de +heilige verontwaardiging over de godslastering sprak. In het register, +dat de ordonnantie bevat, staat er aan den rand bij aangeteekend: "Al +deze vloeken zijn heden ten dage, 1411, overal in het rijk zeer algemeen +in gebruik, zonder eenige straf."<a name='FNanchor_531_531'></a><a href='#Footnote_531_531'><sup>[531]</sup></a> Pierre d'Ailly dringt bij het +concilie van Constanz<a name='FNanchor_532_532'></a><a href='#Footnote_532_532'><sup>[532]</sup></a> opnieuw met nadruk aan op de bestrijding van +het kwaad.</p> + +<p>Gerson kent de beide uitersten, waartusschen de zonde van het vloeken +zich beweegt. Hij kende uit zijn ervaring als biechtvader de jongelieden, +die onbedorven, eenvoudig en kuisch, gekweld werden door een scherpe +verzoeking, om woorden van godverloochening en godslastering te spreken. +Hij beveelt hun aan, om zich niet geheel aan de beschouwing van God en +zijn heiligen over te geven; zij zijn er niet sterk genoeg toe.<a name='FNanchor_533_533'></a><a href='#Footnote_533_533'><sup>[533]</sup></a> +Hij kent ook de gewoontevloekers, zooals de Bourgondiërs, wier daad, hoe +verfoeilijk ook, toch niet de schuld van meineedigheid bevat, daar er in +het geheel geen bedoeling is, om te zweren.<a name='FNanchor_534_534'></a><a href='#Footnote_534_534'><sup>[534]</sup></a></p> + +<p>Het punt, waar de gewoonte om de dingen van het geloof lichtvaardig te +behandelen,<a name='266'></a> overgaat in bewuste ongodsdienstigheid, is niet te bepalen. +Er is zonder twijfel in het laatst der Middeleeuwen een sterke neiging, +om de vroomheid en de vromen te bespotten. Men is gaarne esprit fort, en +spreekt tegen het geloof bij wijze van scherts.<a name='FNanchor_535_535'></a><a href='#Footnote_535_535'><sup>[535]</sup></a> De novellisten +doen frivool en onverschillig, zooals in het verhaal der <i>Cent nouvelles +nouvelles</i>, waar de pastoor zijn hond in gewijde aarde begraaft, en hem +toespreekt: "mon bon chien, a qui Dieu pardoint." De hond gaat dan ook +"tout droit au paradis des chiens."<a name='FNanchor_536_536'></a><a href='#Footnote_536_536'><sup>[536]</sup></a> Men heeft een grooten afkeer +van gehuichelde of beuzelachtige vroomheid: het woord "papelard" ligt +hun in den mond bestorven. Het veelgebruikte spreekwoord: "De jeune +angelot vieux diable" of in fraai schoollatijn: "Angelicus juvenis +senibus sathanizat in annis" is Gerson een doorn in het oog. Zoo bederft +men de jeugd, zegt hij: men prijst in de kinderen een onbeschaamd +gelaat, vuile taal en vloeken, onkuischheid in blik en gebaar. Maar, +zegt hij: ik zie niet, wat er van den jongeling, die den duivel speelt, +te hopen valt in de grijsheid.<a name='FNanchor_537_537'></a><a href='#Footnote_537_537'><sup>[537]</sup></a></p> + +<p>Onder de geestelijken en godgeleerden zelf onderscheidt Gerson een groep +van onwetende praters en ruziemakers, wien elk gesprek over den +godsdienst een last en een fabel is; alles wat hun wordt meegedeeld van +verschijningen en openbaringen, verwerpen zij met groot gelach en +verontwaardiging.<a name='267'></a> Anderen vallen in het andere uiterste en nemen alle +inbeeldingen van ijlhoofdige menschen, droomen en wonderlijke gedachten +van zieken en krankzinnigen, als openbaringen aan.<a name='FNanchor_538_538'></a><a href='#Footnote_538_538'><sup>[538]</sup></a> Het volk weet +tusschen die uitersten het juiste midden niet te bewaren: zij gelooven +alles, wat zieners en waarzeggers voorspellen, maar, komt een ernstig +geestelijke, die dikwijls echte revelaties heeft gehad, eens bedrogen +uit, dan beschimpen de wereldsche lieden allen, die van geestelijken +wandel zijn, noemen hem een bedrieger en een "papelard", en willen +voortaan naar geen geestelijken meer luisteren, die zij voor boosaardige +huichelaars houden.<a name='FNanchor_539_539'></a><a href='#Footnote_539_539'><sup>[539]</sup></a></p> + +<p>Het is steeds weer het plotseling uitblijven van de religieuze spanning +in een met godsdienstigen inhoud en vormen oververzadigd gedachtenleven. +Door de heele Middeleeuwen heen vindt men talrijke gevallen van spontaan +ongeloof, waarbij niet te denken valt aan een afwijking van de kerkleer +op grond van theologische bespiegeling, maar enkel aan een onmiddellijke +reactie. Al beteekent het niet veel, wanneer dichters of +geschiedschrijvers, de enorme zonden van hun tijd ziende, uitroepen: men +gelooft niet meer aan hemel en hel,<a name='FNanchor_540_540'></a><a href='#Footnote_540_540'><sup>[540]</sup></a> bij meer dan een was het +latente ongeloof bewust en vast geworden, zoo zelfs dat het algemeen +bekend was, en zij er zelf voor uitkwamen. "Beaux seigneurs,—zegt de +kapitein Bétisac tot zijn makkers,<a name='FNanchor_541_541'></a><a href='#Footnote_541_541'><sup>[541]</sup></a>—je ay regarde à mes besongnes +et en ma conscience je tiens grandement Dieu avoir courrouchié, car jà +de long temps j'ay erré contre la foy, et ne puis croire qu'il soit +riens de la Trinité,<a name='268'></a> ne que le Fils de Dieu se daignast tant abaissier +que il venist des chieulx descendre en corps humain de femme, et croy et +dy que, quant nous morons, que il n'est riens de âme.... J'ay tenu celle +oppinion depuis que j'eus congnoissance, et la tenray jusques à la +fin."—Hugues Aubriot, prévôt van Parijs, is een allervurigst papenhater; +hij gelooft niet aan het altaarsacrament, spot ermee, houdt geen Paschen, +gaat niet te biecht,<a name='FNanchor_542_542'></a><a href='#Footnote_542_542'><sup>[542]</sup></a> Jacques du Clercq verhaalt verschillende +gevallen van edelen, die hun ongeloof toonden en geheel bij kennis de +laatste sacramenten weigerden.<a name='FNanchor_543_543'></a><a href='#Footnote_543_543'><sup>[543]</sup></a> Jean de Montreuil, proost van +Rijssel, schrijft aan een zijner geleerde vrienden, meer in den +luchtigen trant van een verlichten humanist dan als een waarlijk vrome: +"Ge kent onzen vriend Ambrosius de Miliis; ge hebt dikwijls gehoord, hoe +hij van den godsdienst, van het geloof, van de heilige schrift en van +alle kerkelijke voorschriften dacht, zóó namelijk, dat Epicurus er +katholiek bij moest heeten. Welnu, deze man is thans geheel bekeerd." +Maar hij werd dan ook tevoren toch geduld in dien kring van vroege +humanisten vol vromen zin.<a name='FNanchor_544_544'></a><a href='#Footnote_544_544'><sup>[544]</sup></a></p> + +<p>Aan de eene zijde van deze spontane gevallen van ongeloof staat het +litteraire paganisme der Renaissance en het beschaafde en behoedzame +Epicurisme, dat reeds in de 13<sup>e</sup> eeuw, naar Averroës genoemd, in zoo +wijde kringen had gebloeid.<a name='269'></a> Aan de andere zijde staat de +hartstochtelijke negatie bij de arme, onwetende ketters, die allen, hoe +zij ook heeten, Turlupins of Broeders van den vrijen geest, de grenzen +van de mystiek naar het pantheïsme hadden overschreden. Doch deze +verschijnselen moeten in een later verband ter sprake komen. Voorloopig +hebben wij nog te blijven in de sfeer van de uiterlijke geloofsverbeelding +en de uiterlijke vormen en gebruiken.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Voor het dagelijksch besef van den grooten hoop maakte de aanwezigheid +van een zichtbaar beeld het intellectueel bewijs van de waarheid van het +afgebeelde volkomen overbodig. Tusschen hetgeen men in kleur en vorm +afgebeeld voor zich zag: de personen der Drieëenheid, de vlammende hel, +de tallooze heiligen, en het gelooven daaraan lag geen vraag: zou het +waar zijn? Al die voorstellingen werden onmiddellijk <i>als</i> verbeeldingen +tot geloof; zij stonden in den geest vast omlijnd en bont gekleurd, met +al de realiteit, die de Kerk in het geloof eischen kon, en nog wat +daarenboven.</p> + +<p>Doch waar het geloof direct berust op een beeldvoorstelling, kan het +nauwelijks qualitatieve onderscheidingen maken tusschen den aard en den +graad van heiligheid der verschillende geloofselementen. Het eene beeld +is zoo reëel en zoo ontzagbaar als het andere, en dat men God te +aanbidden heeft en de heiligen slechts te vereeren, leert de afbeelding +zelf niet, als niet de Kerk met haar leering er voortdurend toe +vermaant. Nergens dreigde de overwoekering van de vrome gedachte door de +bonte verbeelding zoo aanhoudend en zoo sterk, als op het gebied der +heiligenvereering.</p> +<a name='270'></a> +<p>Het strenge standpunt van de Kerk was zuiver en hoog genoeg. Gegeven de +voorstelling van het persoonlijk voortbestaan, was de vereering der +heiligen natuurlijk en zonder bedenking. Het is geoorloofd, hun lof en +eer toe te kennen "per imitationem et reductionem ad Deum". Op dezelfde +wijze mag men ook vereering schenken aan beelden, relieken, heilige +plaatsen en aan God gewijde dingen, voorzoover het ten slotte leidt tot +vereering van God zelf.<a name='FNanchor_545_545'></a><a href='#Footnote_545_545'><sup>[545]</sup></a> Ook de technische onderscheiding van den +heilige en den gewonen gezaligde, en de normeering van het instituut der +heiligheid door de officieele canonisatie hadden, schoon een bedenkelijke +formaliseering, toch niets wat tegen den geest van het christendom streed. +De Kerk bleef zich bewust van de oorspronkelijke gelijkwaardigheid van +heiligheid en zaligheid, en van het ontoereikende der heiligverklaring. +"Het is te gelooven,—zegt Gerson,—dat er oneindig meer heiligen +gestorven zijn en dagelijks sterven, dan zij die gecanoniseerd zijn." +<a name='FNanchor_546_546'></a><a href='#Footnote_546_546'><sup>[546]</sup></a> De geoorloofdheid der beelden zelf tegenover de uitdrukkelijke +woorden van het tweede gebod werd betoogd met het beroep, dat vóór de +menschwording van Christus het verbod noodzakelijk was geweest, omdat +God toen enkel geest was, maar dat Christus de oude wet had opgeheven +door en wegens zijn komst op aarde. Aan de rest van het tweede gebod: +"Non adorabis ea neque coles", wenschte de Kerk onvoorwaardelijk vast te +houden. "Wij aanbidden de beelden niet, doch brengen eer en adoratie aan +den afgebeelde, dat wil zeggen aan God, of aan zijn heilige, wiens beeld +het is."<a name='FNanchor_547_547'></a><a href='#Footnote_547_547'><sup>[547]</sup></a> +<a name='271'></a> De beelden dienen alleen, om aan de eenvoudigen, die de +schrift niet kennen, te toonen, wat zij moeten gelooven.<a name='FNanchor_548_548'></a><a href='#Footnote_548_548'><sup>[548]</sup></a> Zij zijn +de boeken der onwetenden:<a name='FNanchor_549_549'></a><a href='#Footnote_549_549'><sup>[549]</sup></a> men kent die gedachte uit het gebed aan +Maria, dat Villon voor zijn moeder maakte:</p> + +<div class='poem'> "Femme je suis pourette et ancienne, +<span>Qui riens ne sçai; oncques lettre ne leuz;<br /></span> +<span>Au moustier voy dont suis paroissienne<br /></span> +<span>Paradis paint, où sont harpes et luz,<br /></span> +<span>Et ung enfer où dampnez sont boulluz:<br /></span> +<span>L'ung me fait paour, l'autre joye et liesse"....<a name='FNanchor_550_550'></a><a href='#Footnote_550_550'><sup>[550]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Dat door het openleggen van het boek der bonte beelden aan den dolenden +geest evenveel stof tot afwijking van de leer werd geboden, als de +persoonlijke schriftverklaring kon meebrengen, heeft de Kerk nimmer +verontrust. Zij heeft altijd licht geoordeeld over de zonde van hen, die +uit onwetendheid en eenvoudigheid tot aanbidding der beelden vervielen. +Het is hun reeds genoeg, zegt Gerson, als zij maar de bedoeling hebben +om te doen, zooals de Kerk doet in het eeren der beelden.<a name='FNanchor_551_551'></a><a href='#Footnote_551_551'><sup>[551]</sup></a></p> + +<p>De zuiver dogmenhistorische vraag, in hoeverre de Kerk haar verbod van +directe vereering of zelfs aanbidding der heiligen, niet als voor +bidders maar als bewerkers van het gevraagde, altijd zuiver heeft weten +te handhaven, kan hier blijven rusten. De cultuurhistorische vraag is, +in hoeverre zij erin slaagde,<a name='272'></a> het volk daarvan af te houden, met andere +woorden welke realiteit, welke voorstellingswaarde de heiligen hadden in +het laat-middeleeuwsche volksbesef. En hier is maar één antwoord mogelijk: +de heiligen waren zoo wezenlijke, zoo materieele en zoo gemeenzame +figuren in het alledaagsche geloofsleven, dat zich aan hen al de meer +oppervlakkige en zinnelijke godsdienstige impulsen verbonden. Terwijl +de innigste gemoedsbewegingen uitstroomden naar Christus en Maria, +kristalliseerde zich in de heiligenvereering een heele schat van +gemoedelijk, naïef en alledaagsch godsdienstig leven. Alles werkte mede, +om aan de populaire heiligen een wezenlijkheid voor den geest te geven, +die hen voortdurend midden in het leven bracht. De volksverbeelding +heeft hen vast: zij hebben hun bekende gedaante en hun attributen, men +kent hun ijselijke martelie en hun verbazende wonderen. Zij gaan gekleed +en uitgerust als het volk zelf. Men kon mijnheer Sint Rochus of Sint +Jacob iederen dag in levende pestlijders of pelgrims ontmoeten. Het zou +van belang zijn, na te gaan, tot hoe lang de kleederdracht der heiligen +de mode van den dag heeft meegemaakt. Zeker die der geheele vijftiende +eeuw. Maar waar is het punt, waarop de kerkelijke kunst hen onttrekt +aan de levende volksverbeelding, door hen te hullen in rhetorische +drapeering? Het is niet alleen een kwestie van Renaissance-gevoel voor +historisch costuum; het is, dat de volksverbeelding zelf hen begint los +te laten, of althans zich niet meer kan doen gelden in de kerkelijke +kunst. Tijdens de contrareformatie zijn de heiligen veel treden hooger +geklommen, naar de Kerk het wilde: weg uit de aanraking met het +volksleven.</p> +<a name='273'></a> +<p>De lijfelijkheid, die de heiligen reeds hadden door de afbeelding, werd +nog buitengewoon verhoogd doordat de Kerk van oudsher de vereering van +hun lichamelijke overblijfselen had toegestaan en aangemoedigd. Het kon +niet anders, of van dit hechten aan de stof moest een materialiseerende +invloed op het geloof uitgaan, die somtijds tot verbazingwekkende +uitersten leidde. Waar het relieken geldt, vreest het sterke geloof der +Middeleeuwen voor geen ontnuchtering of ontwijding. Het volk in de +bergen van Umbrië omstreeks het jaar 1000 wilde den kluizenaar Sint +Romuald doodslaan, om toch zijn gebeente niet te verliezen. De monniken +van Fossanuova, waar Thomas van Aquino gestorven was, hebben, uit vrees +dat hun de kostbare reliek zou ontgaan, het lijk van den edelen meester +letterlijk ingemaakt: van het hoofd ontdaan, gekookt, geprepareerd. +<a name='FNanchor_552_552'></a><a href='#Footnote_552_552'><sup>[552]</sup></a> Toen de heilige Elisabeth van Thüringen boven aarde stond, kwam +een schaar van devoten niet alleen stukken snijden of scheuren van de +doeken, waarmee haar gelaat omwikkeld was; men sneed de haren en nagels +af, ja zelfs stukken van de ooren en de tepels van de borsten.<a name='FNanchor_553_553'></a><a href='#Footnote_553_553'><sup>[553]</sup></a> Ter +gelegenheid van een plechtig feest deelt Karel VI ribben uit van zijn +voorvader den heiligen Lodewijk: aan Pierre d'Ailly, aan zijn ooms van +Berry en Bourgondië, en aan de prelaten een been om te verdeelen, +<a name='274'></a>waartoe dezen dan ook overgaan na den maaltijd.<a name='FNanchor_554_554'></a><a href='#Footnote_554_554'><sup>[554]</sup></a></p> + +<p>Hoe levend en hoe lijfelijk nu ook de voorstelling der heiligen was, +niettemin treden zij betrekkelijk weinig op in de sfeer van de +bovennatuurlijke beleving. Het geheele gebied van geestenzienerij, +teekenen, verschijningen en spooksels staat grootendeels gescheiden +van de verbeeldingssfeer der heiligenvereering. Er zijn natuurlijk +uitzonderingen. Iedereen denkt terstond aan Sint Michiel, Sint Catharina +en Sint Margareta, die aan Jeanne d'Arc verschenen. Zoo zouden er uit de +visionaire litteratuur nog tal van andere voorbeelden zijn aan te halen. +Maar in den regel heeft men daar te doen met eenigszins litterair +geformeerde of geïnterpreteerde gezichten. Wanneer aan den jongen herder +te Frankenthal bij Bamberg in 1446 de veertien heilige noodhelpers +verschijnen, dan ziet hij dezen, die toch in de iconografie zulke +markante figuren waren,<a name='FNanchor_555_555'></a><a href='#Footnote_555_555'><sup>[555]</sup></a> niet met hun sprekende attributen, maar +als veertien engelkindertjes, onderling geheel gelijk; zij <i>zeggen</i>, +dat zij de veertien noodhelpers zijn. De fantasmagorie van het directe +volksgeloof is gevuld met engelen en duivelen, geesten van afgestorvenen +en witte wijven, maar niet met heiligen. Slechts bij uitzondering speelt +in het echte, niet litterair of theologisch aangekleede bijgeloof de +heilige een rol. Sint Bertulf doet het te Gent. Als er iets ernstigs +gaat gebeuren, klopt hij tegen zijn kist in de Sint Pieters abdij "moult +dru et moult fort". Het gaat soms gepaard met een lichte aardbeving, +en verschrikt de stad zoo, dat zij met groote ommegangen het onbekende +onheil zoekt te keeren.<a name='FNanchor_556_556'></a><a href='#Footnote_556_556'><sup>[556]</sup></a> +<a name='275'></a>In het algemeen echter hecht zich de +klamme vrees aan de slechts vaag verbeelde figuren, die niet met vaste +attributen, bekende trekken en gezellig bonte kleedij in de kerken +uitgehouwen en geschilderd stonden, maar met een ongezien schrikgelaat +in een nevelige wade rondwaarden, of in louter hemelglans zich vertoonden, +of in monsterlijk verschietende wanvormen uit de schuilhoeken van het +brein opdoken.</p> + +<p>Dit behoeft niet te verbazen. Juist doordat de heilige zoo exacten vorm +had aangenomen, zooveel verbeeldingsstof had aangetrokken en rondom zich +gekristalliseerd, miste hij de huiveringwekkende geheimzinnigheid. +De vrees voor het bovennatuurlijke ligt in de onbepaaldheid der +voorstelling, in de verwachting, dat iets plotseling zich in een nieuwe, +nooit ontwaarde schrikwekkendheid zou kunnen vertoonen. Zoodra de +voorstelling wordt omlijnd en bepaald, ontstaat een gevoel van +verzekerdheid en gemeenzaamheid. De heiligen met hun welbekende figuren +hadden het geruststellende van een politieagent in een groote vreemde +stad. De heiligenvereering en vooral de heiligenverbeelding schiep als +'t ware een neutrale zone van gemoedelijk rustig geloof tusschen de +verrukkingen van het God-schouwen en de zoete huiveringen van de +Christusliefde eenerzijds, en anderzijds de gruwelijke fantasmen van de +duivelvrees en den heksenwaan. Men zou de stelling kunnen wagen, dat de +heiligenvereering, door veel zaligheidsgevoel en veel angsten af te +leiden en te herleiden tot gemeenzame verbeelding, een zeer hygiënische +tempering heeft opgeleverd<a name='276'></a> voor den wild uitschietenden geest der +Middeleeuwen.</p> + +<p>Door die volkomen ver-beelding heeft de heiligenvereering haar plaats +aan den buitenkant van het geloofsleven. Zij gaat mee op den stroom van +het alledaagsche denken, en verliest daarin soms haar waardigheid. +Karakteristiek is in dit opzicht de laat-middeleeuwsche Joseph-vereering. +Men kan haar beschouwen als een gevolg en een terugslag van de +hartstochtelijke Maria-vereering. De onbescheiden belangstelling voor +den stiefvader is als 't ware de tegenkant van al de liefde en +verheerlijking, die de maagdelijke Moeder gold. Naarmate Maria hooger +steeg, werd Joseph meer caricatuur. De beeldende kunst gaf hem reeds een +type, dat bedenkelijk dicht naderde tot dat van den lompen, bespotten +boer. Zoo ziet men hem op Melchior Broederlam's tweeluik te Dijon. Maar +in de beeldende kunst bleef het ontwijdendste onuitgedrukt. Welk een +naïeve nuchterheid vertoont de Joseph-opvatting van Eustache Deschamps, +die hierin toch volstrekt niet als een onvrome spotter te beschouwen is. +Joseph, die Gods Moeder dienen mocht en haar zoon opvoeden, men zou +meenen, dat geen sterveling hooger begenadigd is geweest. Deschamps +gelieft hem te zien als het type van den slovenden, beklagenswaardigen +huisvader:</p> + +<div class='poem'> "Vous qui servez a femme et a enfans +<span>Aiez Joseph toudis en remembrance;<br /></span> +<span>Femmes servit toujours tristes, dolans.<br /></span> +<span>Et Jhesu Crist garda en son enfance;<br /></span> +<span>A piè trotoit, son fardel sur sa lance;<br /></span> +<span>En plusieurs lieux est figuré ainsi,<br /></span> +<span>Lez un mulet, pour leur faire plaisance,<br /></span> +<span>Et si n'ot oncq feste en ce monde ci."<a name='FNanchor_557_557'></a><a href='#Footnote_557_557'><sup>[557]</sup></a><br /></span> +</div> +<a name='277'></a> +<p>Was het enkel, om huisvaders in zorgen met een edel voorbeeld te +troosten, dan zou het nog gaan, wat er ook aan waardigheid der +voorstelling ontbrak. Maar Deschamps bedoelt Joseph regelrecht als +afschrikkend voorbeeld, om zich toch niet met een gezin te belasten:</p> + +<div class='poem'> "Qu'ot Joseph de povreté +<span>De durté,<br /></span> +<span>De maleurté,<br /></span> +<span>Quant Dieux nasqui?<br /></span> +<span>Maintefois l'a comporté,<br /></span> +<span>Et monté<br /></span> +<span>Par bonté<br /></span> +<span>Avec sa mère autressi,<br /></span> +<span>Sur sa mule les ravi;<br /></span> +<span>Je le vi<br /></span> +<span>Paint ainsi;<br /></span> +<span>En Egipte en est alé.<br /></span> +</div><p></p> +<div class='poem'> Le bonhomme est painturé +<span>Tout lassé,<br /></span> +<span>Et troussé,<br /></span> +<span>D'une cote et d'un barry:<br /></span> +<span>Un baston au coul posé,<br /></span> +<span>Vieil, usé<br /></span> +<span>Et rusé.<br /></span> +<span>Feste n'a en ce monde cy,<br /></span> +<span>Mais de lui<br /></span> +<span>Va le cri:<br /></span> +<span>C'est Joseph le rassoté."<a name='FNanchor_558_558'></a><a href='#Footnote_558_558'><sup>[558]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Hier ziet men voor oogen, hoe uit de gemeenzame afbeelding een +gemeenzame opvatting groeide, die elke heiligheid schond.<a name='278'></a> Joseph bleef +in de volksverbeelding een half-komische figuur; nog dr. Johannes Eck +moest erop aandringen, dat men hem in het kerstspel of in het geheel +niet, of althans op betamelijker wijze zou voorstellen, en hem geen +pap zou laten koken, "ne ecclesia Dei irrideatur."<a name='FNanchor_559_559'></a><a href='#Footnote_559_559'><sup>[559]</sup></a> Tegen deze +onwaardige woekeringen was de beweging van Gerson voor een passende +Joseph-vereering gericht, die tot zijn opneming in de liturgie met +voorrang boven alle andere heiligen leidde.<a name='FNanchor_560_560'></a><a href='#Footnote_560_560'><sup>[560]</sup></a> Wij zagen echter boven +reeds, hoe ook Gerson's ernstig streven hem niet vrijhoudt van die +onbescheiden curiositas, die aan het onderwerp van Joseph's huwelijk +haast onvermijdelijk verbonden scheen. Voor een nuchteren geest (en +Gerson, ondanks zijn voorliefde voor de mystiek, was in veel opzichten +een nuchtere geest) mengden zich altijd weer in de beschouwing van +Maria's huwelijk overwegingen van zeer aardschen inhoud. De ridder de la +Tour-Landry, ook een type van nuchter welmeenend geloof, ziet het geval +onder dit licht. "Dieux voulst que elle espousast le saint homme Joseph, +qui estoit vieulx et preudomme; car Dieu voulst naistre soubz umbre de +mariage pour obéir à la loy qui lors couroit, <i>pour eschever les paroles +du monde</i>,"<a name='FNanchor_561_561'></a><a href='#Footnote_561_561'><sup>[561]</sup></a>—</p> + +<p>Een onuitgegeven werk der vijftiende eeuw verbeeldt het mystisch +huwelijk der ziel met den hemelschen bruidegom in de termen van een +burgerlijke vrijaadje. Jezus, de bruidegom, zegt tot God Vader: "S'il te +plaist, <a name='279'></a>je me mariray et auray grant foueson d'enfans et de famille." De +Vader maakt bezwaren, want de keuze des Zoons is gevallen op een zwarte +Ethiopische; hier speelt het woord van het Hooglied onder: "Nigra sum +sed formosa". Het zou een mésalliance zijn en een oneer voor de familie. +De engel, die als hijlikmaker optreedt, doet een goed woord voor de +bruid. "Combien que ceste fille soit noire, neanmoins elle est +gracieuse, et a belle composicion de corps et de membres, et est bien +habile pour porter fouezon d'enfans." De Vader antwoordt: "Mon cher fils +m'a dit qu'elle est noire et brunete. Certes je vueil que son espouse +soit jeune, courtoise, jolye, gracieuse et belle et qu'elle ait beaux +membres." Nu prijst de engel haar aangezicht en al haar leden, dat zijn +de deugden der ziel. De Vader geeft zich gewonnen, en spreekt tot den +Zoon:</p> + +<div class='poem'> "Prens la, car elle est plaisant +<span>Pour bien amer son doulx amant;<br /></span> +<span>Or prens de nos biens largement,<br /></span> +<span>Et luy en donne habondamment."<a name='FNanchor_562_562'></a><a href='#Footnote_562_562'><sup>[562]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Aan den ernst en de stichtelijke bedoeling van dit werk valt geen +oogenblik te twijfelen. Het is enkel een bewijs, tot welke triviale +voorstellingen de onbeteugelde uitwerking der verbeelding leiden kon.</p> + +<p>Iedere heiligenfiguur had door haar welbepaald, direct sprekend beeld +een individueel karakter,<a name='FNanchor_563_563'></a><a href='#Footnote_563_563'><sup>[563]</sup></a> in tegenstelling met de engelen, die met +uitzondering der drie groote aartsengelen volkomen onverbeeld bleven. +<a name='280'></a>De individualiteit der heiligen werd nog versterkt door de speciale +functie, die aan verscheiden hunner toekwam: tot dezen wendde men zich +in een bepaalden nood, tot genen om genezing eener bepaalde ziekte. +Veelal had een trek uit de legende of een attribuut van het beeld de +aanleiding gegeven tot die specialiseering, zooals bij voorbeeld, als +Sinte Apollonia tegen kiespijn werd aangeroepen, wie zelve in haar +martelie de kiezen waren uitgetrokken. Was eenmaal de goedgunstige taak +der heiligen zoo verbijzonderd, dan kon het niet uitblijven, of er kwam +in hun vereering een half mechanisch element. Hoorde eenmaal de genezing +der pest tot het ambtsgebied van Sint Rochus, dan werd bijna +onvermijdelijk de actie van den heilige in dezen te direct opgevat, en +liep de gansche, door de Kerk gevorderde, gedachtenschakel, dat de +heilige door zijn voorbidding bij God de genezing wrocht, gevaar om uit +te vallen. Met name was dit het geval bij de vereering der veertien +(soms ook vijf, acht, tien of vijftien) Noodhelpers, die in het laatst +der Middeleeuwen zoo sterk op den voorgrond kwam. Sint Barbara en Sint +Christophorus, de meest afgebeelde van allen, hooren ertoe. Aan deze +veertien had God naar de voorstelling van het volksgeloof toegestaan, +dat hunne aanroeping iedereen zou vermogen te redden uit onmiddellijk +dreigend gevaar.</p> + +<div class='poem'> "Ilz sont cinq sains, en la genealogie, +<span>Et cinq sainctes, a qui Dieux octria<br /></span> +<span>Benignement a la fin de leur vie.<br /></span> +<span>Que quiconques de cuer les requerra<br /></span> +<span>En tous perilz, que Dieux essaucera<br /></span> +<span>Leurs prieres, pour quelconque mesaise.<br /></span> +<span>Saiges est donc qui ces cinq servira,<br /></span><a name='281'></a> +<span>Jorges, Denis, Christofle, Gille et Blaise."<a name='FNanchor_564_564'></a><a href='#Footnote_564_564'><sup>[564]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Voor het volksbesef moest krachtens deze delegatie der almacht en +de oogenblikkelijkheid der werking elke gedachte aan de louter +voorsprekende functie der heiligen geheel wegvallen; de Noodhelpers +waren de procuratiehouders der godheid geworden. Verschillende missalen +uit het einde der Middeleeuwen, die het officie der veertien Noodhelpers +behelzen, spreken het bindend karakter van hunne tusschenkomst duidelijk +uit: "Deus qui electos sanctos tuos Georgium etc. etc. specialibus +privilegiis prae cunctis aliis decorasti, ut omnes, qui in necessitatibus +suis eorum implorant auxilium, secundum promissionem tuae gratiae +petitionis suae salutarem consequantur effectum."<a name='FNanchor_565_565'></a><a href='#Footnote_565_565'><sup>[565]</sup></a> Vandaar dat de +Kerk na Trente de mis der veertien Noodhelpers als zoodanig verboden +heeft, van wege het gevaar, dat het geloof hier zich als aan een talisman +zou hechten.<a name='FNanchor_566_566'></a><a href='#Footnote_566_566'><sup>[566]</sup></a> Inderdaad gold reeds het dagelijks aanschouwen van een +geschilderden of gebeeldhouwden Christophorus als genoegzame behoeding +voor een noodlottig einde.<a name='FNanchor_567_567'></a><a href='#Footnote_567_567'><sup>[567]</sup></a></p> + +<p>Vraagt men, wat de aanleiding kan zijn geweest, dat juist deze veertien +zulk een compagnie des heils zijn gaan vormen,<a name='282'></a> dan valt het op, dat +allen in hun beeltenis iets sensationeels hadden, dat de verbeelding +prikkelde. Achatius zag men met een doornenkroon, Aegidius met een +hinde, Sint Joris met den draak, Blasius in een hol met wilde dieren, +Christoffel als een reus, Cyriacus met den duivel aan een ketting, +Dionysius met zijn hoofd in den arm, Erasmus in zijn gruwelijke +marteling met de windas, die hem de darmen uittrekt, Eustachius met het +kruisdragend hert, Pantaleon als geneesheer, met een leeuw, Vitus in een +ketel, Sint Barbara met haar toren, Catharina met het rad en het zwaard, +Margareta met een draak.<a name='FNanchor_568_568'></a><a href='#Footnote_568_568'><sup>[568]</sup></a> Het zou niet onmogelijk zijn, dat de +bijzondere opmerkzaamheid voor deze veertien van het treffende in hun +beeld haar uitgangspunt had genomen.</p> + +<p>Tal van heiligennamen waren verbonden geraakt aan bepaalde ziekten, +zooals Sint Antonie aan verschillende vurige huidziekten, Sint Maurus +aan de jicht, Sint Sebastiaan, Sint Rochus, Sint Aegidius, Sint +Christoffel, Sint Valentijn en Sint Adriaan aan de pest. Hier school nog +een ander gevaar voor ontaarding van het volksgeloof. Het euvel heette +naar den heilige: Sint Antonies vuur, "mal de Saint Maur" en tallooze +dergelijke. De heilige stond dus bij het denken aan de ziekte van +aanvang af op den voorgrond der gedachte. Dat denken was geladen met +heftige gemoedsbeweging; vooral waar het de gevreesde pest gold. +De pestheiligen werden in de vijftiende eeuw druk vereerd: met officiën +in de kerken, met processies, met broederschappen, een geestelijke +ziekteverzekering als 't ware. Hoe licht kon nu het sterke besef van +Gods toorn,<a name='283'></a> dat door iedere epidemie werd gewekt, overslaan op den +heilige, die de voorstelling in beslag nam. Niet Gods ondoorgrondelijke +rechtvaardigheid heeft de ziekte veroorzaakt, maar de toorn van den +heilige is het, die haar zendt en verzoening eischt. Wanneer hij ze +geneest, waarom zal hij haar dan ook niet veroorzaken? Zoo was een +heidensche verplaatsing van het geloof uit de religieus ethische in de +magische sfeer gegeven, waarvoor de Kerk enkel in zooverre aansprakelijk +kon worden gesteld, als zij er niet genoeg rekening mee hield, hoe haar +zuivere leer vertroebelde in een onwetenden geest. Rabelais vertelt van +volkspredikers, die der gemeente Sint Sebastiaan voorhielden als den +veroorzaker der pest, Sint Eutropius (wegens de assonantie met +ydropique?) als dien der waterzucht.<a name='FNanchor_569_569'></a><a href='#Footnote_569_569'><sup>[569]</sup></a> De werkelijke aanwezigheid +van zulk een voorstelling wordt gestaafd door meer dan één getuigenis. +Eustache Deschamps laat den door huidziekte geplaagden bedelaar zeggen:</p> + +<div class='poem'> "Saint Anthoine me vent trop chier +<span>Son mal, le feu ou corps me boute",<a name='FNanchor_570_570'></a><a href='#Footnote_570_570'><sup>[570]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>en den jichtige voegt hij toe: wel, als ge niet loopen kunt, spaart ge +weggeld uit:</p> + +<div class='poem'> "Saint Mor ne te fera fremir."<a name='FNanchor_571_571'></a><a href='#Footnote_571_571'><sup>[571]</sup></a></div> + +<p>In zijn hoongedicht <i>De validorum per Franciam mendicantium varia +astucia</i> beschrijft Robert Gaguin de bedelaars aldus: "Deze valt ter +aarde, terwijl hij stinkend speeksel opgeeft, en bazelt, dat dit het +wonderwerk van Sint Jan is.<a name='284'></a> Anderen worden door Sint Fiacrius, den +kluizenaar, met puisten gekweld; gij, o Damianus, belemmert de +waterloozing. Sint Antonie brandt hun de gewrichten met jammerlijk vuur, +Sint Pius maakt hen kreupel en lam."<a name='FNanchor_572_572'></a><a href='#Footnote_572_572'><sup>[572]</sup></a></p> + +<p>"Sainct Anthoine arde le tripot! Sainct Anthoine arde la monture!"<a name='FNanchor_573_573'></a><a href='#Footnote_573_573'><sup>[573]</sup></a> +In verwenschingen als deze is de heilige geheel een booze vuur-demon +geworden.</p> + +<p>Zelfs de bejegening der godheid zelf kan door deze fetichistische +voorstelling aangetast worden. Te Haarlem wordt in 1492 een knaap uit de +Groningsche Ommelanden terechtgesteld, die na zijn geld bij het dobbelen +verloren te hebben, een kerk was binnengeloopen en twee dolksteken had +toegebracht aan het beeld van den Gekruisigde.<a name='FNanchor_574_574'></a><a href='#Footnote_574_574'><sup>[574]</sup></a></p> + +<p>De gevoels- en gedachteninhoud van de heiligenvereering was voor zulk +een groot deel vastgelegd in de kleuren en vormen der beelden, dat de +onmiddellijk aesthetische opvatting voortdurend dreigde, de religieuze +gedachte op te heffen. Tusschen het aanschouwen van den glans van het +goud, van de pijnlijk getrouwe weergave van de stoffen der kleedij, van +den vromen blik der oogen, en de levende voorstelling van den heilige in +het bewustzijn, was nauwelijks meer plaats voor de overdenking, wat de +Kerk toestond en wat zij verbood, dien heerlijken wezens aan hulde en +innigheid te bieden. De heiligen leefden in den geest des volks als +goden. Wanneer dat gevaar voor de volksvroomheid gevreesd wordt door de +angstvallig rechtgeloovige kringen der Windesheimers, verbaast het ons +niet.<a name='285'></a> Doch wel sprekend is het, wanneer die gedachte plotseling opgaat +aan een geest als Eustache Deschamps, den oppervlakkigen, banalen +hofdichter, die juist in zijn begrensdheid zulk een voortreffelijke +spiegel is van het gewone geestesleven van zijn tijd.</p> + +<div class='poem'> "Ne faictes pas les dieux d'argent, +<span>D'or, de fust,<a name='FNanchor_575_575'></a><a href='#Footnote_575_575'><sup>[575]</sup></a> de pierre ou d'arain,<br /></span> +<span>Qui font ydolatrer la gent....<br /></span> +<span>Car l'ouvrage est forme plaisant;<br /></span> +<span>Leur painture dont je me plain,<br /></span> +<span>La beauté de l'or reluisant,<br /></span> +<span>Font croire à maint peuple incertain<br /></span> +<span>Que ce soient dieu pour certain,<br /></span> +<span>Et servent par pensées foles<br /></span> +<span>Telz ymages qui font caroles<a name='FNanchor_576_576'></a><a href='#Footnote_576_576'><sup>[576]</sup></a><br /></span> +<span>Es moustiers où trop en mettons;<br /></span> +<span>C'est tresmal fait: a brief paroles,<br /></span> +<span>Telz simulacres n'aourons.<br /></span> +<span>............................................................<br /></span> +<span>Prince, un Dieu croions seulement<br /></span> +<span>Et aourons parfaictement<br /></span> +<span>Aux champs, partout, car c'est raisons.<br /></span> +<span>Non pas faulz dieux, fer n'ayment,<br /></span> +<span>Pierres qui n'ont entendement:<br /></span> +<span>Telz simulacres n'aourons."<a name='FNanchor_577_577'></a><a href='#Footnote_577_577'><sup>[577]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Zou het niet op te vatten zijn als een onbewuste reactie tegen de +heiligenvereering, wanneer in de late Middeleeuwen zoo sterk geijverd +wordt voor de vereering van den beschermengel? In de heiligenvereering +was het levende geloof veel te veel gekristalliseerd;<a name='286'></a> men had behoefte +aan een meer liquiden staat van het vereeringsgevoel en het +beschermingsbesef. Dat kon zich hechten aan de nauwelijks verbeelde +engelfiguur, terugkeeren tot de onmiddellijkheid van het +bovennatuurlijke. Het is alweer Gerson, de nauwgezette ijveraar voor +zuiverheid in het geloof, die de vereering des beschermengels +herhaaldelijk aanbeveelt.<a name='FNanchor_578_578'></a><a href='#Footnote_578_578'><sup>[578]</sup></a> Doch ook hier dreigt alweer die zucht +tot uitwerking der bijzonderheden, die het vrome gehalte der vereering +slechts schaden kon. De "studiositas theologorum" zegt Gerson, stelt +aangaande de engelen allerlei vragen: of zij ons ooit verlaten, of zij +van te voren weten, of wij uitverkoren zijn of verdoemd zullen worden, +of Christus een beschermengel had, en Maria, of de Antichrist er een +hebben zal. Of onze goede engel tot onze ziel kan spreken zonder de +beelden van phantasmen, of zij de aanspoorders zijn tot het goede, +gelijk de duivelen tot het kwade. Of zij onze gedachten zien. Wat hun +getal is. Die studiositas, besluit Gerson, blijve den godgeleerden +overgelaten, maar elke curiositas zij verre van allen, die zich meer +moeten bevlijtigen tot devotie dan tot subtiele speculatie.<a name='FNanchor_579_579'></a><a href='#Footnote_579_579'><sup>[579]</sup></a></p> + +<p>De Hervorming heeft een eeuw later de heiligenvereering bijna weerloos +gevonden, terwijl zij tegen het heksen- en duivelgeloof zelfs geen +aanval deed, ja niet doen wilde, daar het haar zelf nog bevangen hield. +Was dit niet, doordat de heiligenvereering voor een groot deel tot caput +mortuum geworden was, doordat bijna alles wat <a name='287'></a>de gedachtensfeer der +heiligenvereering betrof, in het beeld, de legende, het gebed zoo +volkomen was uitgedrukt, dat er geen huiverend ontzag meer achter stond? +De heiligenvereering had haar wortels in het onverbeelde en onzegbare +verloren, die zoo vreeselijk sterk waren in de demonologische +gedachtensfeer. En wanneer de Contrareformatie een gezuiverde +heiligenvereering opnieuw gaat kweeken, moet zij den geest bewerken met +snoeimes en bemesting.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='VII'></a>VII</h2> +<a name='288'></a> +<h3>DE GODSDIENSTIGE PERSOONLIJKHEID</h3> +<br /> + +<p>Het volk leefde gewoonlijk in de sleur van een geheel veruiterlijkten +godsdienst bij een zeer vast geloof, dat wel angsten en verrukkingen +bracht, maar den ongeleerde geen vragen en geestelijken strijd oplegde, +zooals het Protestantisme zou doen. De gemoedelijke oneerbiedigheid en +nuchterheid van allen dag werd afgewisseld door de innigste ontroeringen +van hartstochtelijke vroomheid, die telkens spasmodisch het volk +aangrijpen. Men moet die voortdurende tegenstelling van sterke en zwakke +religieuze spanning niet willen begrijpen, door de kudde te scheiden in +vromen en wereldlingen, alsof een deel des volks blijvend hoog +godsdienstig leefde, terwijl de anderen slechts uiterlijk vroom waren. +Onze voorstelling van het laat-middeleeuwsche Noord-nederlandsche en +Nederduitsche piëtisme zou ons licht op een dwaalspoor kunnen brengen. +In de moderne devotie der Fraterhuizen en Windesheimers hadden zich +inderdaad piëtistische kringen uit het wereldsche leven afgezonderd; bij +hen was de religieuze spanning blijvend genormaliseerd; zij vormden als +vromen bij uitstek een tegenstelling tot den grooten hoop. Doch Frankrijk +en de Zuidelijke Nederlanden hebben dat verschijnsel in den vorm van een +georganiseerde beweging nauwelijks gekend. Toch hebben daar de stemmingen, +die aan de moderne devotie ten grondslag lagen, evengoed hun werking gehad +als in het stille land van den IJsel. Doch daar in het Zuiden kwam het +niet tot zulk een afscheiding; de hooge devotie bleef er deel van het +algemeene godsdienstleven;<a name='289'></a> zij openbaarde zich er bij oogenblikken, +heviger en korter. Het is het verschil, dat tot den huidigen dag +Romaansche volken van de Noordelijke scheidt: de Zuidelijken nemen een +tegenstrijdigheid minder zwaar, voelen minder den eisch, er de volle +consequentie uit te trekken, kunnen gemakkelijker de gemeenzaam spottende +houding van het dagelijksch leven verbinden met de hooge exaltatie van het +begenadigde oogenblik.</p> + +<p>De geringschatting voor de geestelijkheid, die als onderstrooming door +de heele middeleeuwsche cultuur heenloopt naast de hooge vereering voor +den priesterstand, is ten deele te verklaren uit de verwereldlijking der +hoogere geestelijkheid en de verregaande declasseering der lagere, en +ten deele uit oude heidensche instincten. Het onvolkomen gekerstende +volksgemoed had nooit geheel den afkeer afgelegd van den man, die niet +vechten mocht en kuisch moest leven. De ridderlijke hoogmoed, geworteld +in dapperheid en liefde, stiet evenzeer als het ruwe volksbesef het +geestelijk ideaal van zich. De ontaarding der geestelijken zelf deed de +rest, en zoo hadden hoogere en lagere standen zich reeds eeuwen +verlustigd in de figuur van den onkuischen monnik en den smullenden +vetten paap. Een latente haat tegen de geestelijkheid was altijd +aanwezig. Hoe heftiger een prediker uitvoer tegen de zonden van zijn +eigen stand, hoe liever het volk hem hoorde.<a name='FNanchor_580_580'></a><a href='#Footnote_580_580'><sup>[580]</sup></a> Zoodra de preeker, +zegt Bernardinus van Siena, tegen de geestelijken te velde trekt, +vergeten de hoorders de rest; er is geen beter middel, om de aandacht +gaande te houden,<a name='290'></a> als het volk slaperig wordt of het te warm of te koud +krijgt. Dan wordt alles terstond wakker en welgemoed.<a name='FNanchor_581_581'></a><a href='#Footnote_581_581'><sup>[581]</sup></a> Terwijl +juist de hevige godsdienstige beroering door de reizende volkspredikers +in de veertiende en vijftiende eeuw uitgaat van een herleving der +bedelorden, zijn het aan den anderen kant juist de bedelmonniken, wier +verbastering hen tot het gewone voorwerp van spot en verachting maakt. +De onwaardige priester der novellenlitteratuur, die als een armzalige +loondienaar voor drie grooten de mis leest, of bij wien men als +biechtvader geabonneerd is "pour absoudre du tout", pleegt een +bedelmonnik te zijn.<a name='FNanchor_582_582'></a><a href='#Footnote_582_582'><sup>[582]</sup></a> De vrome Molinet rijmt spottend in een +nieuwjaarswensch:</p> + +<div class='poem'> "Prions Dieu que les Jacobins +<span>Puissent manger les Augustins,<br /></span> +<span>Et les Carmes soient pendus<br /></span> +<span>Des cordes des Frères Menus."<a name='FNanchor_583_583'></a><a href='#Footnote_583_583'><sup>[583]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Het dogmatische armoede-begrip, zooals het in de bedelorden belichaamd +was, voldeed den geest niet meer. In plaats van de symbolisch-formeele +Armoede begon men de sociaal-reëele ellende te zien; Pierre d'Ailly +stelt tegenover de mendicanten de "vere pauperes", de echte armen, en +het is geen toeval, dat de verernstiging van het geloof bij de moderne +devoten hen in zekere tegenstelling tot de bedelorden bracht.</p> + +<p>De naïeve nuchterheid van den alledaagschen volksgodsdienst spreekt uit +menige bladzijde. Er is in 1437,<a name='291'></a> na den terugkeer van den Franschen +koning in zijn hoofdstad, een zeer plechtige lijkdienst voor de ziel van +den graaf van Armagnac, het slachtoffer, met wiens moord de nu verleden +troebele jaren begonnen waren. Het volk stroomt erheen, maar is zeer +teleurgesteld, toen er geen uitdeeling van geld gehouden wordt. Want wel +vier duizend lieden, zegt de burger van Parijs gemoedelijk, gingen +erheen, die niet gegaan zouden zijn, als zij niet gedacht hadden, dat er +iets gegeven zou worden. "Et le maudirent qui avant prièrent pour lui." +<a name='FNanchor_584_584'></a><a href='#Footnote_584_584'><sup>[584]</sup></a> Toch is het dezelfde bevolking van Parijs, die met een vloed van +tranen de talrijke processies aanschouwt en ineenkrimpt onder het woord +van een reizenden prediker. Ghillebert de Lannoy zag te Rotterdam een +oproer stillen door een priester, die het Corpus Domini ophief.<a name='FNanchor_585_585'></a><a href='#Footnote_585_585'><sup>[585]</sup></a></p> + +<p>De groote tegenstrijdigheid en de sterke spanningsovergangen vertoonen +zich in het godsdienstig leven van den beschaafden enkele zoo goed als +in dat der onwetende massa. Het is altijd weer met een slag, dat de +godsdienstige verheldering komt, altijd weer de flauwere herhaling van +wat Franciscus onderging, toen hij opeens de woorden van het evangelie +hoorde als een onmiddellijk bevel. Een ridder hoort het doopformulier +lezen, gelijk hij het misschien twintig keer had gehoord; maar +plotseling dringt nu de volle heiligheid en wonderlijke werkdadigheid +van die woorden tot hem door, en hij neemt zich voor, om voortaan alleen +door de herinnering aan den doop den duivel te verjagen, zonder het +kruisteeken te maken.<a name='FNanchor_586_586'></a><a href='#Footnote_586_586'><sup>[586]</sup></a>— +<a name='292'></a>Le Jouvencel zal een kampgevecht bijwonen; +de partijen staan gereed, om op de hostie hun goed recht te bezweren. +Opeens doorgrondt de ridder de peillooze noodzakelijkheid, dat een dier +beide eeden valsch moet zijn, dat een van beiden zich verdoemen gaat, en +zegt: zweert niet, vecht alleen om den inzet van 500 schilden, zonder +een eed te doen.<a name='FNanchor_587_587'></a><a href='#Footnote_587_587'><sup>[587]</sup></a></p> + +<p>De vroomheid van de hoogaanzienlijken met hun zwaren levensballast van +wijdloopige praal en felle geneuchten heeft juist daardoor zeer dikwijls +het spasmodische, dat ook de volksvroomheid kenmerkt. Karel V van +Frankrijk laat dikwijls op het opwindendste oogenblik de jacht in den +steek, om naar de mis te gaan.<a name='FNanchor_588_588'></a><a href='#Footnote_588_588'><sup>[588]</sup></a> De jonge Anne de Bourgogne, +Bedford's gemalin, ergert den eenen keer de burgers van Parijs, door in +woesten rit een processie met slijk te bespatten. Maar een andermaal +verlaat zij te middernacht den bonten zwijmel van een hoffeest, om bij +de Celestijnen metten te hooren. En haar droeven jongen dood beloopt zij +door de ziekte, die zij opdeed bij het bezoeken van de arme kranken in +het Hôtel Dieu.<a name='FNanchor_589_589'></a><a href='#Footnote_589_589'><sup>[589]</sup></a></p> + +<p>Tot in raadselachtige uitersten voltrekt zich de tegenstelling van +vroomheid en felle zonde in een figuur als Lodewijk van Orleans, onder +al de groote dienaren van weelde en genot de meest gedebaucheerde, de +hartstochtelijkste wereldling. Hij is zelfs overgegeven aan +tooverkunsten, en weigert er zich van te bekeeren.<a name='FNanchor_590_590'></a><a href='#Footnote_590_590'><sup>[590]</sup></a> Dezelfde +Orleans is niettemin zoo devoot, dat hij zijn cel heeft bij de +Celestijnen in het gemeene dormter;<a name='293'></a> hij deelt er het kloosterlijk leven, +hoort er metten te middernacht, en soms vijf of zes missen per dag. +<a name='FNanchor_591_591'></a><a href='#Footnote_591_591'><sup>[591]</sup></a>—Gruwelijk is die verbinding van godsdienst en misdaad bij Gilles +de Rais, die temidden van zijn kindermoorden te Machecoul een dienst +sticht ter eere der Onnoozele kinderkens, voor het heil van zijn ziel, +en verbaasd is, als zijn rechters hem voorhouden, dat hij een ketter is. +Al is het met minder scharlaken zonden, dat de vroomheid bij anderen +gepaard gaat, het type van den devoten wereldling vertoonen velen: de +barbaarsche Gaston Phébus, graaf van Foix, de frivole koning René, de +verfijnde Charles d'Orléans. Jan van Beieren, de hardvochtige en +heerschzuchtige, komt vermomd Lidwina van Schiedam spreken over den +staat zijner ziel.<a name='FNanchor_592_592'></a><a href='#Footnote_592_592'><sup>[592]</sup></a> Jean Coustain, de ontrouwe dienaar van Philips +den Goede, een goddelooze, die nauwelijks mis hoorde en nimmer aalmoes +gaf, keert zich onder beulshanden tot God in zijn ruw Bourgondisch +patois met een hartstochtelijke aanroeping.<a name='FNanchor_593_593'></a><a href='#Footnote_593_593'><sup>[593]</sup></a></p> + +<p>Philips de Goede zelf is een der treffendste voorbeelden van die +verbinding van vroomheid met wereldschen zin. De man van de overdadige +feesten en de talrijke bastaarden, van de sluwe politieke berekening, +den geweldigen trots en toorn, is een ernstig devote. Hij pleegt tot +lang na de mis in zijn bidvertrek te blijven. Hij vast vier dagen in de +week met water en brood, en bovendien op alle vigiliën van Onze Lieve +Vrouw en de apostelen. Somtijds heeft hij om vier uur na den middag nog +niets gegeten. Hij geeft veel aalmoezen, en in het geheim.<a name='FNanchor_594_594'></a><a href='#Footnote_594_594'><sup>[594]</sup></a> +<a name='294'></a> Na de verrassing van Luxemburg blijft hij zoo lang na de mis verdiept in zijn +getijden en daarna in bijzondere dankgebeden, dat zijn gevolg, dat hem +te paard afwacht, want de strijd was nog niet afgeloopen, ongeduldig +wordt: de hertog kon het een andermaal wel inhalen, om al die +paternosters te zeggen. Men waarschuwt hem, dat er gevaar dreigt, als +hij langer toeft. Maar Philips antwoordt enkel: "Si Dieu m'a donné +victoire, il la me gardera."<a name='FNanchor_595_595'></a><a href='#Footnote_595_595'><sup>[595]</sup></a></p> + +<p>Er is in dat alles geen schijnheiligheid of ijdele bigotterie te zoeken, +maar een spanning tusschen twee geestelijke polen, die in den modernen +geest nauwelijks meer bestaanbaar is. Het is het volstrekte dualisme in +de opvatting van de zondige wereld tegenover het rijk Gods, dat deze +mogelijkheid toelaat. In den middeleeuwschen geest zijn alle hoogere en +zuiverder sentimenten geabsorbeerd in religie, terwijl de natuurlijke, +zinnelijke aandriften, bewust verworpen, zinken moeten tot een niveau +van zondig geachten wereldzin. In het middeleeuwsche bewustzijn vormen +zich als 't ware twee levensopvattingen naast elkander: de vrome, +ascetische opvatting heeft alle zedelijke gevoelens tot zich getrokken: +des te bandeloozer wreekt zich de wereldzin, geheel aan den duivel +overgelaten. Overheerscht een van beide geheel, dan ziet men den heilige +of den teugelloozen zondaar; maar in den regel houden zij elkaar in +wankel evenwicht met wijden doorslag,<a name='295'></a> en ziet men de felle menschen, +wier rood bloeiende zonden bij wijlen hun overstortende vroomheid des te +heviger doen uitbarsten.</p> + +<p>Wanneer men een middeleeuwsch dichter de vroomste lofdichten ziet maken +naast allerlei profaneering en obsceniteit, zooals het zoovelen doen: +Deschamps, Antoine de la Salle, Jean Molinet, dan is er nog minder +aanleiding dan bij een modernen dichter, om die producten over +hypothetische tijdperken van wereldzin en inkeer te verdeelen. De +tegenstrijdigheid, die ons bijna onbegrijpelijk is, moet worden +aanvaard.</p> + +<p>Er komen zonderlinge vermengingen voor van de bizarre prachtliefde van +den tijd met strenge devotie. Het is niet alleen in de overlading van +het geloof met schilderkunst, edelsmeedkunst en sculptuur, dat zich de +ongebreidelde behoefte uit, om alles van het leven en van de gedachte +bont te versieren en te verbeelden. In de aankleeding van het geestelijk +leven zelf dringt somtijds die honger naar kleur en schittering door. +Broeder Thomas vaart heftig uit tegen alle weelde en overdaad, maar het +eigen getimmerte, vanwaar hij spreekt, is door het volk behangen met de +rijkste tapisserieën, die men krijgen kon.<a name='FNanchor_596_596'></a><a href='#Footnote_596_596'><sup>[596]</sup></a> Philippe de Mézières is +het volkomenste type van die prachtlievende vroomheid. Hij heeft voor de +orde van de Passie, die hij stichten wilde, alles wat kleedij betreft, +haarfijn vastgesteld. Het is als een feest van kleuren, dat hij zich +droomt. De ridders zullen al naar hun rang in 't rood, in 't groen, +scharlaken of hemelsblauw gaan; de grootmeester in 't wit; wit zullen +ook de feestgewaden zijn. <a name='296'></a>Het kruis zal rood zijn, de gordels van leer +of van zijde met hoornen gesp en verguld koperen versiering. De laarzen +zullen zwart zijn en de kaproen rood. Ook het ordekleed der broeders, +servanten, klerken en vrouwen wordt nauwkeurig beschreven.<a name='FNanchor_597_597'></a><a href='#Footnote_597_597'><sup>[597]</sup></a>—Van +die orde kwam niets, Philippe de Mézières bleef zijn leven lang de +groote kruistochtfantast en plannenmaker. Maar hij vond te Parijs in het +klooster der Celestijnen de plaats, die hem bevredigen kon: zoo streng +de orde was, zoo schitterend van goud en edele steenen waren kerk en +klooster, een mausoleum van vorsten en vorstinnen.<a name='FNanchor_598_598'></a><a href='#Footnote_598_598'><sup>[598]</sup></a> Christine de +Pisan achtte de kerk volmaakt van schoonheid. Mézières vertoefde er als +leek, deelde in het strenge leven der kloosterlingen en bleef toch in +het verkeer met de groote heeren en schoone geesten van zijn dagen, een +mondain-artistieke tegenhanger van Gerard Groote. Hierheen trok hij ook +zijn vorstelijken vriend Orleans, die er den inkeer van zijn woeste +leven en ook zijn vroege rustplaats vond.</p> + +<p>De oude koning René ontdekte op de jacht in de buurt van Angers een +kluizenaar: een priester, die zijn prebende had opgegeven en van zwart +brood en veldvruchten leefde. De koning was getroffen door zijn strenge +deugd, en liet voor hem een kluis en een kapelletje bouwen. Voor zich +zelf voegde hij daar een tuin en een bescheiden buitenhuis aan toe, dat +hij met schilderwerk en allegorieën versieren liet. Dikwijls wandelde +hij daarheen, om in "son cher ermitage de Reculée" met zijn kunstenaars +en geleerden te keuvelen.<a name='FNanchor_599_599'></a><a href='#Footnote_599_599'><sup>[599]</sup></a> Is het middeleeuwsch, is het renaissance, +of is het niet achttiende-eeuwsch?</p><a name='297'></a> + +<p>Een hertog van Savoie wordt kluizenaar met vergulde ceintuur, roode +muts, gouden kruis en goeden wijn.<a name='FNanchor_600_600'></a><a href='#Footnote_600_600'><sup>[600]</sup></a></p> + +<p>Het is maar één stap van die pracht in devotie tot de uitingen van +hyperbolische nederigheid, die zelf ook vol vertoon zijn. Olivier de la +Marche bewaarde uit zijn jongensjaren de herinnering van den intocht van +koning Jacques de Bourbon van Napels, die op aandrang van Sainte Colette +de wereld had vaarwel gezegd. De koning, armzalig gekleed, liet zich +dragen in een mestbak, "telle sans aultre difference que les civieres en +quoy l'on porte les fiens et les ordures communement". Daar achteraan +volgde een keurige hofstoet. "Et ouys racompter et dire,—zegt La Marche +vol bewondering,—que en toutes les villes où il venoit, il faisoit +semblables entrees par humilité."<a name='FNanchor_601_601'></a><a href='#Footnote_601_601'><sup>[601]</sup></a></p> + +<p>Van een niet zóo schilderachtige nederigheid zijn de door veel heilige +voorbeelden aanbevolen voorschriften voor een begrafenis, die al het +nietswaardige van den gestorvene treffend verbeelden moet. De heilige +Pierre Thomas, de boezemvriend en geestelijke meester van Philippe de +Mézières, laat, als hij den dood voelt naderen, zich hullen in een zak, +een touw om den hals binden en op den grond leggen. Hij werkt daarmee +het voorbeeld uit van Sint Franciscus, die zich immers ook in het +sterven op den grond liet leggen. Begraaft mij, zegt Pierre Thomas, in +den ingang van het koor, opdat alle menschen moeten trappen op mijn +lijk, ja zelfs de geiten en de honden, als het kan.<a name='FNanchor_602_602'></a><a href='#Footnote_602_602'><sup>[602]</sup></a>—Mézières, de +bewonderende leerling,<a name='298'></a> wil weer den meester overtreffen in fantastische +nederigheid. Hem zal men in de laatste ure een zware ijzeren keten om +den hals leggen. Zoodra hij den geest heeft gegeven, zal men hem naakt +bij de voeten naar het koor sleuren; daar zal hij blijven liggen, tot +men hem in het graf legt, de armen in kruisvorm uitgestrekt, met drie +touwen aan een plank gebonden, die de plaats inneemt van de kostbaar +versierde kist, waarop men misschien zijn ijdele wereldsche wapen zou +hebben geschilderd, "se Dieu l'eust tant hay qu'il fust mors ès cours +des princes de ce monde." De plank, bedekt met twee ellen canevas of ruw +zwart linnen, zal op dezelfde wijze naar de groeve gesleept worden, +waarin "het kreng van den armen pelgrim" naakt als het is, in gestort +zal worden. Er zal een klein grafteeken worden opgericht. En men moet +niemand waarschuwen dan zijn goeden vriend in God, Martin, en de +uitvoerders van zijn laatsten wil.</p> + +<p>Het spreekt bijna vanzelf, dat deze geest van protocol en ceremonie, +plannenmaker en uitwerker van bijzonderheden, ook een maker van vele +testamenten is geweest. In de latere is van deze beschikking van 1392 +geen sprake meer, en toen Mézières in 1405 stierf, kreeg hij een gewone +begrafenis in het ordekleed van zijn geliefde Celestijnen, en twee +grafschriften, waarschijnlijk van hem zelf.<a name='FNanchor_603_603'></a><a href='#Footnote_603_603'><sup>[603]</sup></a></p> + +<p>In het ideaal van heiligheid, men zou bijna kunnen zeggen: het +romantisme der heiligheid, heeft de vijftiende eeuw nog niets gebracht, +wat den nieuwen tijd aankondigt. De Renaissance zelf heeft het ideaal +der heiligheid niet veranderd.<a name='299'></a> Terzijde van de groote stroomingen, die +de beschaving in nieuwe beddingen stortten, blijft het heiligenideaal +zoo na als vóór de groote crisis, wat het altijd geweest was. De heilige +is tijdloos als de mysticus. De heiligentypen der Contrareformatie zijn +dezelfde als die der late Middeleeuwen, en deze verschillen door geen +essentieelen trek van die der vroegere Middeleeuwen. In het eene als in +het andere tijdperk zijn het de groote heiligen van het brandende woord +en de gloeiend gesmede daad: hier Ignatius de Loyola, Franciscus +Naverius, Karel Borromeus, daar Bernardino van Siena, Vincentius Ferrer, +Johannes Capistrano. Daarnaast de stille in godsliefde verdwaasden, die +naderen tot het moslimsche en boeddhistische heiligentype, als Aloysius +Gonzaga in de zestiende eeuw, Franciscus de Paula, Colette, Pieter van +Luxemburg in de vijftiende en veertiende. Tusschen die beide typen in al +de figuren, die van beide uitersten wat hebben, ja zelfs somtijds de +eigenschappen ervan in de hoogste macht vereenigen.</p> + +<p>Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme +der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere +ideale verbeeldingen van een bepaalden levensvorm in menschen +verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk, +dat dit romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit +in de fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding +dan in de groote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur. Men +wordt niet heilig om zijn kerkelijk-sociale verdiensten, al zijn die nog +zoo groot, maar om zijn wonderlijke vroomheid. De groote energeten +erlangen enkel dan den roep van heiligheid, wanneer hun daden gedrenkt +zijn in den schijn van een bovennatuurlijk leven;<a name='300'></a> niet Nicolaas van +Cusa, wel zijn medestander Dionysius de Kartuizer.<a name='FNanchor_604_604'></a><a href='#Footnote_604_604'><sup>[604]</sup></a></p> + +<p>Het is hier nu vooral van belang, op te merken, hoe de kringen der +verfijnde pronkcultuur, dezelfde, die het ridderideaal bleven huldigen +en kweeken tot over de grens der Middeleeuwen heen, tegenover het +heiligenideaal hebben gestaan. Hun aanrakingen daarmee zijn uit den aard +niet zoo talrijk, maar zij ontbreken niet. Nog enkele malen hebben de +vorstelijke kringen zelf in dezen tijd een heilige opgeleverd. Een van +hen is Charles de Blois, oom van den ons bekenden Jan van Blois van +Gouda en Schoonhoven. Hij was door zijn moeder uit het huis van Valois +gesproten, en door zijn huwelijk met de erfgename van Bretagne, Jeanne +de Penthièvre, belast met een troonstrijd, die het beste deel van zijn +leven heeft gevuld. Hem was als huwelijksvoorwaarde gesteld, dat hij het +wapen en den kreet van het hertogdom zou aannemen. Hij vindt een anderen +pretendent, Jean de Montfort, tegenover zich, en de strijd om Bretagne +valt samen met het begin van den honderdjarigen oorlog; de verdediging +van Montfort's aanspraken is een der verwikkelingen, die Eduard III in +Frankrijk brengen. De graaf van Blois aanvaardt zijn strijd ridderlijk, +en vecht als de beste aanvoerders van zijn tijd. Gevangengenomen in +1347, kort voor het beleg van Calais, blijft hij tot 1356 in Engeland. +Eerst in 1362 kan hij den strijd om het hertogdom hervatten, om daarin +den dood te vinden bij Aurai in 1364, dapper vechtende naast Bertrand du +Guesclin en Beaumanoir.</p> + +<p>Deze krijgsheld, wiens uiterlijke levensloop in niets afwijkt van dien +<a name='301'></a>van zoovele vorstelijke pretendenten en aanvoerders uit dien tijd, had +van der jeugd af een leven van strenge askese geleid. Zijn vader moest +hem als knaap uit de stichtelijke boekjes houden. Hij slaapt naast het +bed van zijn gemalin op den vloer op stroo. Men vindt bij zijn +krijgsmansdood het haren kleed onder zijn wapenrusting. Hij biecht +iederen avond, eêr hij te bed gaat, zeggend, dat geen christen in zonde +moest inslapen. Tijdens zijn gevangenschap te Londen pleegt hij de +kerkhoven binnen te gaan, om er geknield den psalm de profundis op te +zeggen. De Bretonsche schildknaap, dien hij verzoekt, de responsen te +zeggen, weigert het: neen, zegt hij, daar liggen zij, die mijn ouders en +vrienden gedood en hun huizen verbrand hebben.</p> + +<p>Na zijn bevrijding wil hij barrevoets over het besneeuwde land van La +Roche-Derrien, waar hij indertijd gevangen was gemaakt, naar den schrijn +van Sint Yves, den vereerden beschermheilige van Bretagne, wiens leven +hij in zijn gevangenschap beschreven had, te Tréguier. Het volk verneemt +het en bestrooit zijn weg met stroo en dekens, maar de graaf van Blois +kiest een anderen weg, en loopt zich de voeten stuk, zoodat hij in +vijftien weken niet gaan kon.<a name='FNanchor_605_605'></a><a href='#Footnote_605_605'><sup>[605]</sup></a> Terstond na zijn dood stellen zijn +vorstelijke verwanten, onder wie zijn schoonzoon Lodewijk van Anjou, een +poging in het werk, om hem heilig te doen verklaren. Te Angers heeft in +1371 het proces plaats, dat tot zijn zaligspreking leidt.</p> + +<p>Het vreemde nu is, dat deze Charles de Blois, als men Froissart mag +vertrouwen, een bastaard heeft gehad. "Là fu occis en bon couvenant li +dis messires Charles de Blois,<a name='302'></a> le viaire sus ses ennemis (met het +aangezicht naar den vijand), et uns siens filz bastars qui s'appeloit +messires Jehans de Blois, et pluiseur aultre chevalier et escuier de +Bretagne".<a name='FNanchor_606_606'></a><a href='#Footnote_606_606'><sup>[606]</sup></a> Moet men het als evidente onwaarheid verwerpen?<a name='FNanchor_607_607'></a><a href='#Footnote_607_607'><sup>[607]</sup></a> +Of zal men aannemen, dat hier de bestaanbare tegenstrijdigheid, die op +te merken viel bij Louis d'Orléans, bij Philips den Goede en zooveel +anderen, haar toppunt heeft bereikt?</p> + +<p>Zulk een vraag stelt het leven van een anderen hoog-adellijken heilige +uit dien tijd, Pierre de Luxembourg, niet. Deze telg van het +Luxemburgsche gravengeslacht, dat in de veertiende eeuw zoowel in het +Duitsche rijk als aan de hoven van Frankrijk en Bourgondië zulk een +aanzienlijke plaats innam, is een treffend voorbeeld van wat William +James "the under-witted saint" noemt:<a name='FNanchor_608_608'></a><a href='#Footnote_608_608'><sup>[608]</sup></a> den engen geest, die slechts +in een angstvallig afgesloten wereldje van vrome gedachten kan leven. +Hij was in 1369 geboren, niet lang dus vóór zijn vader Guy in den strijd +tusschen Brabant en Gelre bij Baesweiler (1371) sneuvelde. Zijn +geestelijke geschiedenis voert al weer naar het klooster der Celestijnen +te Parijs, waar hij reeds als achtjarige knaap verkeert met Philippe de +Mézières. Hij wordt als kind reeds overladen met kerkelijke waardigheden, +verscheiden kanunnikschappen; als hij vijftien jaar is, het bisdom Metz, +daarna het kardinaalschap.<a name='303'></a> Nog geen achttien jaar oud, sterft hij in +1387, en terstond wordt te Avignon moeite gedaan voor zijn canonizatie. +De gewichtigste autoriteiten worden er voor gespannen: de koning van +Frankrijk doet er het verzoek toe, het wordt gesteund door het +domkapittel van Parijs en de Universiteit. In het proces, dat in 1389 +plaats heeft, treden de grootste heeren van Frankrijk als getuigen op: +Pierre's broeder André de Luxembourg, Louis de Bourbon, Enguerrand de +Coucy. Door de nalatigheid van den Avignonschen paus bleef weliswaar de +heiligverklaring achterwege (in 1527 had de zaligverklaring plaats), +maar de vereering, die het aanzoek kon rechtvaardigen, was reeds lang +erkend, en ging ongestoord voort. Op de plek te Avignon, waar het +lichaam van Pieter van Luxemburg begraven lag, en vanwaar dagelijks de +treffendste wonderen werden gemeld, stichtte de koning een klooster +der Celestijnen, in navolging van dat te Parijs, in die dagen het +geliefkoosde heiligdom der vorstelijke kringen. De hertogen van Orleans, +Berry en Bourgondië kwamen er voor den koning den eersten steen leggen. +<a name='FNanchor_609_609'></a><a href='#Footnote_609_609'><sup>[609]</sup></a> Pierre Salmon vertelt, hoe hij eenige jaren later in de kapel van +den heilige de mis hoorde.<a name='FNanchor_610_610'></a><a href='#Footnote_610_610'><sup>[610]</sup></a></p> + +<p>Het beeld, dat de getuigen in het canonizatieproces van dezen +vroeggestorven prinselijken asceet geven, heeft iets jammerlijks. Pieter +van Luxemburg is een uit zijn kracht gegroeide, teringachtige jongen, +die als kind reeds niet anders kent dan den ernst van een angstvallig +streng geloof. Hij berispt zijn broertje, als deze lacht, want men leest +wel,<a name='304'></a> dat onze Heer geweend heeft, maar niet, dat hij ooit gelachen +heeft. "Douls, courtois et debonnaire—noemt Froissart hem—vierge de +son corps, moult large aumosnier. Le plus du jour et de la nuit il +estoit en oroisons. En toute sa vye il n'y ot fors humilité."<a name='FNanchor_611_611'></a><a href='#Footnote_611_611'><sup>[611]</sup></a> In +den beginne tracht zijn adellijke omgeving hem van zijn plannen van +wereldverzaking af te brengen. Wanneer hij ervan spreekt, om te gaan +zwerven en prediken, krijgt hij ten antwoord: je bent veel te lang; +iedereen zou je terstond herkennen. En je zoudt niet tegen de kou +kunnen. En preeken voor den kruistocht, hoe zou je dat kunnen?—Een +oogenblik is het, alsof wij even den ondergrond van dien kleinen starren +geest zien. "Je vois bien—zegt Pieter—qu'on me veut faire venir de +bonne voye à la malvaise: certes, certes, si je m'y mets, je feray tant +que tout le monde parlera de moy."—Heer, antwoordt meester Jean de +Marche, zijn biechtvader, er is niemand, die wil, dat ge kwaad zult +doen, enkel goed.</p> + +<p>Het is duidelijk, dat de hooge verwanten, toen de ascetische neigingen +van den knaap onuitroeibaar bleken, bewondering en trots over het geval +zijn gaan voelen. Een heilige, en zulk een jonge heilige, uit en in hun +midden! Denk u den armen ziekelijken jongen, onder het gewicht van zijn +kerkelijke hoogwaardigheid, te midden van de overdadige praal en het +hoogmoedig hofleven van Berry en Bourgondië, hijzelf ontoonbaar van vuil +en ongedierte, altijd bezig met zijn armzalige kleine zonden. Het +biechten zelf was bij hem als tot een slechte gewoonte geworden. Iederen +dag schreef hij zijn zonden op een lijstje, en als hij het op een reis +of tocht niet had kunnen doen,<a name='305'></a> haalde hij het achterna met uren lang +schrijven in. Men zag hem er 's nachts aan schrijven, of bij de kaars +zijn lijstjes lezen. Dan stond hij midden in den nacht op, om bij een +zijner kapelaans te biechten. Soms klopte hij vergeefs aan hun +slaapvertrekken; zij hielden zich doof. Vond hij gehoor, dan las hij de +zonden van zijn papiertjes af. Van twee of driemaal per week werd het in +zijn laatste dagen tweemaal per dag; de biechtvader mocht niet meer van +zijn zijde weg. En toen hij aan de tering eindelijk gestorven was, na te +hebben verzocht om van den arme begraven te worden, vond men een heele +kist vol van de ceêltjes, waarop de zonden van dit kleine leven dag aan +dag waren neergekrabbeld.<a name='FNanchor_612_612'></a><a href='#Footnote_612_612'><sup>[612]</sup></a></p> + +<p>Er is nog een geval, dat ons de verhouding van hofkringen en heiligheid +eenigermate doet kennen: het verblijf van Saint François de Paule aan +het hof van Lodewijk XI. Het zonderlinge vroomheidstype van den koning +is zoo bekend, dat het hier niet uitvoerig behoeft te worden behandeld. +Lodewijk, "qui achetoit la grace de Dieu et de la Vierge Marie à plus +grans deniers que oncques ne fist roy",<a name='FNanchor_613_613'></a><a href='#Footnote_613_613'><sup>[613]</sup></a> vertoont al de +hoedanigheden van het onmiddellijkste en nuchterste fetichisme. In zijn +reliekenvereering, zijn hartstocht voor pelgrimages en processies +schijnt elke hoogere wijding, elke zweem van eerbiedige reserve, te +ontbreken. Hij solt met de heilige voorwerpen, als waren het enkel dure +huismiddeltjes. Het kruis van Saint Laud te Angers moet expresselijk +naar Nantes komen, om er een eed op te laten doen,<a name='FNanchor_614_614'></a><a href='#Footnote_614_614'><sup>[614]</sup></a> want een eed op +het kruis van Saint Laud<a name='306'></a> gold Lodewijk meer dan eenige andere eed. +Wanneer de connétable de Saint Pol, in 's konings tegenwoordigheid +geroepen, hem verzoekt, op het kruis van Saint Laud hem zijn veiligheid +te bezweren, antwoordt de koning: ieder anderen eed, maar dezen niet. +<a name='FNanchor_615_615'></a><a href='#Footnote_615_615'><sup>[615]</sup></a> Bij het naderen van het zoo buitensporig door hem gevreesde einde +worden hem van alle kanten de kostbaarste relieken toegezonden: de paus +zendt onder meer het corporale van Sint Pieter zelf; zelfs de Groote +Turk biedt een verzameling relieken, die nog te Constantinopel waren. Op +het buffet naast 's konings ziekbed staat la Sainte Ampoule zelf, uit +Reims gehaald, waar zij nimmer vandaan was geweest; sommigen zeiden, dat +de koning de wonderdadigheid van het heilige zalfvat zelfs wilde +beproeven tot een zalving van zijn gansche lichaam.<a name='FNanchor_616_616'></a><a href='#Footnote_616_616'><sup>[616]</sup></a> Het zijn +godsdienstige trekken, zooals men ze vindt bij de Merowingische +koningen.</p> + +<p>Er is nauwelijks een grens waar te nemen tusschen Lodewijk's +verzamelwoede, waar het vreemde dieren geldt: rendieren, elanden, en +waar het kostbare relieken geldt. Hij correspondeert met Lorenzo +de'Medici over den ring van Sint Zanobi, een plaatselijk-florentijnschen +heilige, en over een "agnus Dei", dat wil zeggen het plantaardige +groeisel, ook wel agnus scythicus genoemd, dat als een wonderdadige +rariteit werd aangezien.<a name='FNanchor_617_617'></a><a href='#Footnote_617_617'><sup>[617]</sup></a> In de wonderlijke huishouding van het +kasteel Plessis les Tours in Lodewijk's laatste dagen vond men vrome +voorbidders en muzikanten bont dooreen. "Oudit temps le roy fist venir +grant nombre et grant quantité de joueurs de bas et doulx instrumens, +qu'il fist loger à Saint-Cosme près Tours, où illec ilz se assemblerent +jusques au nombre de six vingtz, entre lesquelz y vint pluseurs bergiers +du pays de Poictou. Qui souvent jouerent devant le logis du roy, mais +ilz ne le veoyent pas, affin que ausdiz instrumens le roy y prensist +plaisir et passetemps et pour le garder de dormir. Et d'un autre costé y +fist aussy<a name='307'></a> venir grant nombre de bigotz, bigottes et gens de devocion +comme hermites et sainctes créatures, pour sans cesser prier à Dieu +qu'il permist qu'il ne mourust point et qu'il le laissast encores +vivre."<a name='FNanchor_618_618'></a><a href='#Footnote_618_618'><sup>[618]</sup></a></p> + +<p>Ook Saint François de Paule, de Calabrische heremiet, die de nederigheid +der Minderbroeders overtroefde door de stichting der Minimen, is in +letterlijken zin het voorwerp van Lodewijk's verzamelwoede. Het was met +de uitgesproken bedoeling, dat de heilige door zijn voorbidding 's +konings leven zal verlengen, dat deze in zijn laatste ziekte diens +tegenwoordigheid begeerde.<a name='FNanchor_619_619'></a><a href='#Footnote_619_619'><sup>[619]</sup></a> Nadat verschillende zendingen aan den +koning van Napels niet hebben gebaat, weet de koning zich door een +diplomatiek optreden bij den paus de overkomst van den wonderman, zeer +tegen diens zin, te verzekeren. Een adellijk geleide haalt hem af uit +Italië.<a name='FNanchor_620_620'></a><a href='#Footnote_620_620'><sup>[620]</sup></a> Is hij eenmaal aangekomen, dan voelt Lodewijk zich toch +nog niet zeker, "omdat hij reeds door verscheidenen onder de schaduw van +heiligheid bedrogen was", en laat op aanstoken van zijn lijfarts Frans +bespieden en op allerlei wijzen de deugd van den man Gods beproeven. +<a name='FNanchor_621_621'></a><a href='#Footnote_621_621'><sup>[621]</sup></a> +<a name='308'></a> De heilige bestaat al die proeven voortreffelijk. Zijn askese is +van de meest barbaarsche soort, herinnerend aan zijn tiende-eeuwsche +landgenooten Sint Nilus en Sint Romuald. Hij vlucht, als hij vrouwen +ziet. Hij had sedert zijn jongelingsjaren nooit een geldstuk aangeraakt. +Hij slaapt meest staande of leunende; hij scheert nimmer haar noch +baard. Hij eet nimmer eenig dierlijk voedsel, en laat zich enkel wortels +geven.<a name='FNanchor_622_622'></a><a href='#Footnote_622_622'><sup>[622]</sup></a> Nog in zijn laatste maanden schrijft de koning persoonlijk, +om de geschikte kost voor zijn zeldzamen heilige te bekomen: "Monsieur +de Genas, je vous prie de m'envoyer des citrons et des oranges douces et +des poires muscadelles et des pastenargues, et c'est pour le saint homme +qui ne mange ny chair ny poisson; et vous me ferés ung fort grant +plaisir."<a name='FNanchor_623_623'></a><a href='#Footnote_623_623'><sup>[623]</sup></a> Hij noemt hem nooit anders dan "le saint homme", zoodat +zelfs Commines, die den heilige herhaaldelijk zag, diens naam nooit +schijnt te hebben geweten.<a name='FNanchor_624_624'></a><a href='#Footnote_624_624'><sup>[624]</sup></a> Maar "saint homme" noemden hem ook +degenen, die spotten over de komst van dezen zonderlingen gast, of die +zijn heiligheid niet vertrouwden, zooals 's konings lijfarts Jacques +Coitier. Uit de mededeelingen van Commines spreekt een nuchter voorbehoud. +"Il est encores vif—besluit hij—par quoy se pourroit bien changer ou en +myeulx ou en pis, par quoy me tays, pour ce que plusieurs se mocquoient +de la venue de ce hermite, qu'ilz appelloient sainct homme."<a name='FNanchor_625_625'></a><a href='#Footnote_625_625'><sup>[625]</sup></a> Toch +getuigt Commines zelf,<a name='309'></a> nooit iemand te hebben gezien "de si saincte vie, +ne où il semblast myeulx que le Sainct Esperit parlast par sa bouche". +En de geleerde theologen uit Parijs, Jean Standonck en Jean Quentin, +uitgezonden om met den heiligen man te spreken naar aanleiding van het +verzoek tot stichting van een convent der Minimen te Parijs, komen onder +den diepsten indruk van zijn persoon, en keeren genezen van hun +tegenkanting terug.<a name='FNanchor_626_626'></a><a href='#Footnote_626_626'><sup>[626]</sup></a></p> + +<p>De belangstelling van de Bourgondische hertogen voor de heiligen van hun +dagen is van een minder zelfzuchtigen aard dan die van Lodewijk XI voor +Sint Franciscus de Paula. Het is opmerkelijk, hoe meer dan een van de +groote visionairen en buitensporige asceten geregeld optreedt als +bemiddelaar en raadgever in politieke zaken. Het is het geval met Sint +Colette en met den zaligen Dionysius van Ryckel of den Kartuizer. +Colette werd door het huis van Bourgondië met bijzondere onderscheiding +behandeld; Philips de Goede en zijn moeder Margareta van Beieren kenden +haar persoonlijk, en wonnen haar raad in. Zij geeft haar bemiddeling in +verwikkelingen tusschen de huizen van Frankrijk, Savoie en Bourgondië. +Het zijn Karel de Stoute, Maria en Maximiliaan, Margareta van +Oostenrijk, die steeds blijven aandringen op haar heiligverklaring. +<a name='FNanchor_627_627'></a><a href='#Footnote_627_627'><sup>[627]</sup></a> Veel belangrijker nog is de rol, die Dionysius de Kartuizer +gespeeld heeft in het openbare leven van zijn tijd. Ook hij is in +herhaalde relaties met het huis van Bourgondië, en treedt op als +raadgever van Philips den Goede. Samen met den kardinaal Nicolaas van +Cusa,<a name='310'></a> dien hij op diens beroemde reis door het Duitsche rijk begeleidt +en ter zijde staat, wordt hij in 1451 te Brussel door den hertog +ontvangen. Dionysius, altijd beklemd door het gevoel, dat het der Kerk +en christenheid slecht gaat, en groote onheilen naderen, vraagt in een +vizioen: Heer, zullen de Turken in Rome komen? Hij maant den hertog tot +den kruistocht.<a name='FNanchor_628_628'></a><a href='#Footnote_628_628'><sup>[628]</sup></a> De "inclytus devotus ac optimus princeps et dux", +aan wien hij zijn tractaat over het vorstelijk leven en bestuur opdraagt, +kan haast niemand anders wezen dan Philips. Karel de Stoute werkte met +Dionysius samen voor de stichting van de Kartuize te 's Hertogenbosch, +ter eere van Sinte Sophia van Constantinopel, door den hertog niet +onbegrijpelijk voor een vrouwelijke heilige gehouden, terwijl het de +Eeuwige Wijsheid was.<a name='FNanchor_629_629'></a><a href='#Footnote_629_629'><sup>[629]</sup></a> Hertog Arnold van Gelre vraagt Dionysius +raad in den strijd met zijn zoon Adolf.<a name='FNanchor_630_630'></a><a href='#Footnote_630_630'><sup>[630]</sup></a></p> + +<p>Niet enkel vorsten, ook tal van edelen, geestelijken en burgers +bestormen zonder ophouden zijn cel te Roermond om raad; hij geeft +voortdurend tallooze oplossingen van moeilijkheden, twijfelingen en +gewetensvragen.</p> + +<p>Dionysius de Kartuizer is het volledigste type van den machtigen +godsdienstigen enthousiast, dat de laatste Middeleeuwen hebben +opgeleverd. Het is een onbegrijpelijk energisch leven; hij vereenigt de +vervoeringen van de groote mystieken, de wildste askese, de voortdurende +gezichten en revelaties<a name='311'></a> van den geestenziener met een schier onafzienbare +werkzaamheid als theologisch schrijver en praktisch geestelijk raadsman. +Hij staat even na aan de groote mystici als aan de praktische +Windesheimers, aan Brugman, voor wien hij zijn beroemde handleiding voor +het christelijk leven schrijft,<a name='FNanchor_631_631'></a><a href='#Footnote_631_631'><sup>[631]</sup></a> als aan Nicolaas van Cusa, aan de +heksenvervolgers<a name='FNanchor_632_632'></a><a href='#Footnote_632_632'><sup>[632]</sup></a> als aan de geestdriftigen voor een zuivering der +Kerk. Zijn arbeidskracht moet onverwoestbaar zijn geweest. Zijn +geschriften vullen 45 quarto deelen. Het is alsof de geheele +middeleeuwsche theologie nog eens uit hem terugstroomt. "Qui Dionysium +legit, nihil non legit", heette het onder de theologen der 16<sup>e</sup> eeuw. +Hij behandelt evengoed de diepste vragen van wijsgeerigen aard, als dat +hij voor een ouden leek, broer Willem, op diens verzoek schrijft over de +wederkeerige herkenning der zielen in het hiernamaals. Hij zal het zoo +eenvoudig mogelijk zeggen, belooft hij, en broer Willem kan het in het +Dietsch laten overbrengen.<a name='FNanchor_633_633'></a><a href='#Footnote_633_633'><sup>[633]</sup></a> In een eindeloozen vloed van eenvoudig +uitgedrukte gedachten geeft hij alles, wat de groote voorgangers gedacht +hadden, terug. Het is echt laat werk: samenvattend, concludeerend, niet +nieuw scheppend. De citaten van Bernard van Clairvaux of Hugo van Sint +Victor schitteren als juweelen op het slichte eenkleurige kleed van +Dionysius' proza. Al zijn werken werden door hem zelf geschreven, +nagezien, verbeterd, gerubriceerd en geïllumineerd, totdat hij in het +eind zijns levens welbedacht met schrijven ophoudt:<a name='312'></a> "Ad securae +taciturnitatis portum me transferre intendo".<a name='FNanchor_634_634'></a><a href='#Footnote_634_634'><sup>[634]</sup></a></p> + +<p>Rust kent hij niet. Hij zegt dagelijks bijna het geheele souter op; +minstens de helft is noodzakelijk, verklaart hij. Onder alle bezigheid, +bij het aan- en uitkleeden, bidt hij. Na de metten; als de anderen weer +ter ruste gaan, blijft hij wakker. Hij is sterk en groot, en kan alles +van zijn lichaam vergen: Ik heb een ijzeren hoofd en een koperen maag, +zegt hij. Zonder walging, ja bij voorkeur, gebruikt hij bedorven +spijzen: boter met wurmen, kersen door slakken aangevreten; dit soort +ongedierte heeft niets van doodelijk venijn, zegt hij, men kan ze gerust +eten. Te zoute haring hangt hij op, tot ze rot: ik eet liever stinkende +dan zoute dingen.<a name='FNanchor_635_635'></a><a href='#Footnote_635_635'><sup>[635]</sup></a></p> + +<p>Al den denkarbeid van de diepste theologische beschouwing en uitdrukking +verricht hij, niet in een onbewogen evenwichtig geleerdenleven, maar +onder de voortdurende schokken van een geest, die vatbaar is voor elke +heftige aandoening van het bovennatuurlijke. Als jongen staat hij 's +nachts in het maanlicht op, meenend, dat het tijd is, om naar school te +gaan.<a name='FNanchor_636_636'></a><a href='#Footnote_636_636'><sup>[636]</sup></a> Hij is een stotteraar: "Taterbek" scheldt hem een duivel, +dien hij uitdrijven wil. Hij ziet de kamer van de stervende vrouwe van +Vlodrop vol duivelen; zij slaan hem den stok uit de hand. Niemand heeft +de vreeselijke benauwing der "vier utersten" zoo ondergaan als hij; de +hevige aanval der duivelen bij het sterven zijn een herhaald onderwerp +van zijn preeken. Hij verkeert voortdurend met afgestorvenen. Of hem +<a name='313'></a>dikwijls geesten van afgestorvenen verschijnen, vraagt hem een broeder. +O, honderden en honderden malen, antwoordt hij. Hij herkent zijn vader +in het vagevuur en verwerft diens bevrijding. Zijn verschijningen, +openbaringen en gezichten vervullen hem zonder ophouden, maar hij +spreekt er niet dan met tegenzin van. Hij schaamt zich voor de ekstasen, +die hem door allerlei uiterlijke aanleidingen geworden: vooral door +muziek, soms te midden van een adellijk gezelschap, dat naar zijn +wijsheid en vermaningen luistert. Onder de eernamen der groote theologen +is de zijne die van Doctor ecstaticus.</p> + +<p>Men meene niet, dat een groote figuur als Dionysius de Kartuizer aan de +verdenking en spot ontkwam, die den zonderlingen wonderman van Lodewijk +XI troffen; ook hij heeft voortdurend te kampen met den smaad en de +verguizing der wereld. De geest der vijftiende eeuw staat in een wankel +evenwicht tegenover de opperste uitingen van het middeleeuwsch geloof.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='VIII'></a>VIII</h2> +<a name='314'></a> +<h3>AANDOENING EN VERBEELDING</h3> +<br /> + +<p>Van den tijd af, dat de zoet-lyrische mystiek van Bernard van Clairvaux +in de twaalfde eeuw de fuga geopend had van bloeiende verteedering over +het lijden Christi, was de geest in steeds stijgende mate vervuld van de +smeltende aandoening over de passie; hij was doortrokken en verzadigd +geworden van Christus en het kruis. In de vroegste kindsheid werd het +beeld van den gekruisigde in het teer gemoed geplant zoo groot en zoo +donker, dat het alle aandoeningen overschaduwde met zijn ernst. Toen +Jean Gerson een kind was, ging zijn vader met uitgestrekte armen tegen +den muur staan, en zeide: "'zie, mijn jongen, zoo is uw God gekruisigd +en gestorven, die u gemaakt heeft en verlost heeft'. Dit beeld bleef +den knaap tot in zijn grijsheid, groeiende met het groeien der jaren, +en hij zegende er nog dien vromen vader om, nadat deze juist op +kruisverheffingsdag gestorven was."<a name='FNanchor_637_637'></a><a href='#Footnote_637_637'><sup>[637]</sup></a>—Colette hoorde als kind van +vier jaar haar moeder iederen dag schreien en zuchten in gebed over het +lijden, mee lijdende over den smaad, de slagen en de pijnigingen. Met +zulk een hevigheid zette zich die herinnering in haar overgevoelig +gemoed, dat zij haar leven lang iederen dag op het uur der kruisiging +een allerheftigste benauwing en hartepijn voelde, en bij het lezen van +het lijden meer leed dan eenige vrouw in barensnood.<a name='FNanchor_638_638'></a><a href='#Footnote_638_638'><sup>[638]</sup></a>—Een prediker +bleef somtijds<a name='315'></a> voor zijn gehoor een kwartier lang zwijgend in +kruishouding staan.<a name='FNanchor_639_639'></a><a href='#Footnote_639_639'><sup>[639]</sup></a></p> + +<p>Zoo overvuld van Christus was de geest, dat bij de geringste uiterlijke +overeenkomst van eenige handeling of gedachte met 's Heeren leven of +lijden de Christustoon onmiddellijk ging klinken. Een arme non, die +brandhout aandraagt voor de keuken, verbeeldt zich, dat zij daarmee het +kruis draagt: enkel de voorstelling hout dragen is genoeg, om de +handeling te drenken in den lichtschijn van de opperste daad van liefde. +Het blinde vrouwtje, dat de wasch doet, neemt tobbe en waschhok voor +kribbe en stal.<a name='FNanchor_640_640'></a><a href='#Footnote_640_640'><sup>[640]</sup></a> Maar evengoed een uitwerking van die overvolheid +met godsdienstigen inhoud is het profaneerende overvloeien van +vorstenhulde in religieuze verbeelding: de vergelijking van Lodewijk XI +met Jezus, van Maximiliaan met zijn vader en zijn zoon met de +Drieëenheid.<a name='FNanchor_641_641'></a><a href='#Footnote_641_641'><sup>[641]</sup></a></p> + +<p>De vijftiende eeuw vertoont de sterke godsdienstige aandoenlijkheid in +een dubbelen vorm. Zij openbaart zich eensdeels in de heftige +beroeringen, die van tijd tot tijd het geheele volk aangrepen, als een +reizend prediker met zijn woord alle geestelijke brandstof ontvlammen +deed als takkenbossen. Dat is de krampachtige uiting, hartstochtelijk, +geweldig, doch spoedig weer uitgesnikt. Daarnaast is door sommigen de +aandoenlijkheid blijvend in een stille bedding geleid, genormaliseerd +tot een nieuwen levensvorm, dien der innigheid. Het is de piëtistische +kring van hen, die zichzelven in het bewustzijn van vernieuwers te zijn, +moderne devoten hebben genoemd.<a name='316'></a> Als gereglementeerde beweging beperkt +zich de moderne devotie tot de Noordelijke Nederlanden en het +Nederduitsche gebied, doch den geest, die haar het aanzijn gaf, vindt +men in Frankrijk even goed.</p> + +<p>Van de geweldige werking der predikatie is maar weinig als blijvend +element in de geestelijke cultuur overgegaan. Wij weten, welk een +ontzaglijken indruk de predikers maakten,<a name='FNanchor_642_642'></a><a href='#Footnote_642_642'><sup>[642]</sup></a> maar de ontroering, die +van hen uitging, na te voelen, is ons niet gegeven. Uit de geschreven +overlevering der preeken komt zij niet tot ons; en hoe kon het ook? +Reeds tot de tijdgenooten sprak de geschreven preek niet meer. Velen, +die Vincent Ferrer hoorden, en nu zijn preeken lezen, zegt diens +levensbeschrijver, verzekeren, dat zij nauwelijks een schaduw krijgen +van dat wat uit zijn eigen mond weerklonk.<a name='FNanchor_643_643'></a><a href='#Footnote_643_643'><sup>[643]</sup></a> Wij kennen de stof der +preeken: de aangrijpende schildering van de verschrikkingen der hel, het +dreunend dreigen met de straf der zonde, al de lyrische uitstortingen +over de passie en de godsliefde. Wij weten, met welke middelen de +predikers werkten: geen effekt was te grof, geen overgang van lachen +naar weenen te groot, geen onmatige uitzetting der stem te kras.<a name='FNanchor_644_644'></a><a href='#Footnote_644_644'><sup>[644]</sup></a> +Maar wij kunnen de schokken, die zij daarmee teweegbrachten, toch +eigenlijk alleen bevroeden uit het altijd weer gelijksoortig verhaal, +<a name='317'></a>hoe stad met stad streed om de toezegging van een preekbeurt, hoe +magistraat en volk de predikers inhaalden met een staatsie, zooals men +ze een vorst gaf, hoe de prediker soms moest ophouden om het luid geween +der schare. Terwijl Vincent Ferrer preekte, werden eens twee +terdoodveroordeelden voorbij gebracht, een man en een vrouw, op weg naar +de terechtstelling. Vincent verzocht, het beulswerk op te schorten; hij +borg de slachtoffers zoolang onder zijn spreekgestoelte, en preekte over +hun zonden. Na de preek vond men hen er niet meer, doch enkel wat +beenderen, en het volk geloofde niet anders, dan dat het woord van den +heiligen man de zondaars had verbrand en tevens gered.<a name='FNanchor_645_645'></a><a href='#Footnote_645_645'><sup>[645]</sup></a></p> + +<p>De krampachtige aandoening der massa onder het woord van de predikers is +telkens weer vervlogen zonder in de geschreven overlevering zich te +hebben kunnen vastleggen. Des te beter kennen wij de "innicheit" der +moderne devoten. Als in elken piëtistischen kring gaf hier de godsdienst +niet enkel den levensvorm maar ook den gezelligheidsvorm: het knusse +geestelijk verkeer in stille intimiteit van eenvoudige mannetjes en +vrouwtjes, wier groote hemel zich welfde boven een minuskuul wereldje, +waar al het sterke ruischen van den tijd aan voorbij streek. De vrienden +bewonderden in Thomas a Kempis zijn onkunde van de gewone wereldsche +dingen; een prior van Windesheim droeg als eervollen bijnaam Jan +Ik-weet-niet. Zij kunnen geen andere wereld gebruiken dan een +vereenvoudigde; zij zuiveren haar door het slechte buiten hun sfeer te +sluiten.<a name='318'></a><a name='FNanchor_646_646'></a><a href='#Footnote_646_646'><sup>[646]</sup></a> Binnen die enge sfeer leven zij in de vreugde van een +sentimenteele genegenheid voor elkander: de blik van den een is zonder +ophouden op den ander geslagen, om alle teekens van genade op te merken; +elkaar bezoeken is hun vermaak.<a name='FNanchor_647_647'></a><a href='#Footnote_647_647'><sup>[647]</sup></a> Vandaar hun bijzondere neiging tot +de levensbeschrijving, waaraan wij de nauwkeurige kennis van dezen +geestelijken staat te danken hebben.</p> + +<p>In haar Nederlandschen, gereglementeerden vorm had de moderne devotie +een vaste conventie van vroom leven geschapen. Men kende de devoten aan +hun afgemeten stille bewegingen, hun gebogen gang, sommigen aan de tot +een lach geplooide gezichten of de opzettelijk gelapte nieuwe kleeren. +En niet het minst aan hun overvloedige tranen. "Devotio est quaedam +cordis teneritudo, qua quis in pias faciliter resolvitur lacrimas". Men +moet God bidden om "den dagelijkschen doop der tranen", zij zijn de +vleugelen van het gebed, of naar Sint Bernard's woord de wijn der +engelen. Men moet zich aan de genade der loffelijke tranen geven, zich +er toe voorbereiden en aanzetten, het geheele jaar door, maar vooral in +de Vasten, opdat men met den psalmist zeggen moge: "Fuerunt mihi +lacrimae meae panes die ac nocte". Soms komen zij zoo gewillig, dat wij +bidden met snikken en huilen ("ita ut suspiriose ac cum rugitu oremus"), +maar wanneer zij niet vanzelve komen, moet men ze niet bovenmatig +uitpersen, en zich vergenoegen met de tranen des harten. En in +tegenwoordigheid<a name='319'></a> van anderen moet men de teekenen van een buitengewone +geestelijke devotie naar vermogen vermijden.<a name='FNanchor_648_648'></a><a href='#Footnote_648_648'><sup>[648]</sup></a></p> + +<p>Vincent Ferrer stortte, zoo dikwijls hij de hostie wijdde, zooveel +tranen, dat bijna allen mee weenden, en er soms een weeklagen ontstond +als van een doodenklacht. Het weenen was hem zoo zoet, dat hij noode +zijn tranen staakte.<a name='FNanchor_649_649'></a><a href='#Footnote_649_649'><sup>[649]</sup></a></p> + +<p>In Frankrijk ontbreekt de bijzondere normaliseering der nieuwe vroomheid +in een bepaalden nieuwen vorm als de Nederlandsche Fraterhuizen en de +congregatie van Windesheim. De verwante geesten in Frankrijk blijven of +geheel in de wereld, of zij treden in bestaande orden, waar dan de +nieuwe devotie de doorvoering van een strenger observantie teweegbrengt. +Als algemeene houding van wijde burgerkringen is het verschijnsel er +niet bekend. Misschien droeg daartoe bij, dat de Fransche vroomheid een +hartstochtelijker, spasmodischer karakter had dan de Nederlandsche, +lichter tot geëxaspereerde vormen verviel en ook lichter weer vervaagde. +Tegen het einde der Middeleeuwen worden bezoekers der Noordelijke +Nederlanden uit Zuidelijker landen meer dan eens getroffen door de +ernstige en algemeene vroomheid, die zij er onder het volk als iets +bijzonders opmerken.<a name='FNanchor_650_650'></a><a href='#Footnote_650_650'><sup>[650]</sup></a></p> + +<p>De Nederlandsche devoten hadden in het algemeen de aanrakingen laten +varen met de intensieve mystiek,<a name='320'></a> uit welker voorbereidende stadiën hun +levensvorm was opgebloeid. Daarmee hadden zij ook het gevaar voor +fantastische afdwalingen tot ketterij grootendeels bezworen. De +Nederlandsche moderne devotie was gehoorzaam en rechtgeloovig, praktisch +zedelijk en soms zelfs nuchter. Het Fransche devote type daarentegen +schijnt een veel grootere slingerwijdte te hebben gehad: het raakt +telkens de extravagante geloofsverschijnselen.</p> + +<p>Toen de Groningsche Dominicaan Mattheus Grabow naar Constanz was +getogen, om daar op het Concilie al de grieven van de bedelorden tegen +de nieuwe broeders des gemeenen levens te luchten, en zoo mogelijk hun +veroordeeling te verwerven, is het de groote leider der algemeene +kerkelijke politiek, Johannes Gerson, zelf geweest, in wien de belaagde +volgelingen van Geert Groote hun verdediger vonden. Gerson was alleszins +bevoegd, om te beoordeelen, of men hier te doen had met een uiting van +echte vroomheid en een geoorloofden vorm van organisatie daarvan. Want +het onderscheiden van echte vroomheid van overdreven geloofsuitingen is +een der onderwerpen, die zijn geest voortdurend hebben beziggehouden. +Gerson was een voorzichtige, nauwgezette academische geest, eerlijk, +zuiver en welmeenend, met die ietwat angstvallige zorg voor den goeden +vorm, die in een fijnen geest, uit bescheiden omstandigheden tot een +werkelijk aristocratische houding gegroeid, dikwijls nog de afkomst +verraadt. Daarbij was hij een psycholoog en iemand met stijlgevoel. +Stijlgevoel en rechtzinnigheid nu zijn ten nauwste verwant. Geen wonder +dus, dat de uitingen van het geloofsleven van zijn dagen herhaaldelijk +zijn argwaan en bezorgdheid wekten. Nu is het merkwaardig, hoe de typen +van vroomheid,<a name='321'></a> die hij afkeurt als overdreven en gevaarlijk, ons +levendig herinneren aan de moderne devoten, die hij verdedigd had. Toch +is dit zeer verklaarbaar. Zijn Fransche schapen misten de veilige +schaapskooi, de discipline en organisatie, die de al te vurigen van +zelve binnen de perken hield van hetgeen de Kerk dulden kon.</p> + +<p>Gerson ziet overal de gevaren van de populaire devotie. Hij vindt het +verkeerd, dat de mystiek op straat wordt gebracht.<a name='FNanchor_651_651'></a><a href='#Footnote_651_651'><sup>[651]</sup></a> De wereld, zegt +hij, is in dit laatste tijdperk kort voor haar einde als een ijlhoofdige +grijsaard, ten prooi aan allerlei fantazieën, droomgezichten en +illusies, die menigeen van de waarheid af brengen.<a name='FNanchor_652_652'></a><a href='#Footnote_652_652'><sup>[652]</sup></a> Velen geven +zich zonder behoorlijke leiding over aan al te strenge vasten, al te +gerekte nachtwaken, te overvloedige tranen, waarmee zij hun brein +troebel maken. Zij luisteren naar geen vermaan tot matiging. Laat hen +oppassen, want zij kunnen licht vervallen in begoochelingen des duivels. +Te Atrecht had hij nog kort geleden een vrouw en moeder bezocht, die +tegen den zin van haar echtgenoot door haar volstrekt vasten, twee tot +vier dagen achtereen, veler bewondering wekte. Hij had met haar +gesproken, haar ernstig beproefd, en bevonden, dat haar onthouding +louter hoogmoedige en ijdele halsstarrigheid was. Want na zulk een +vasten at zij met onverzadelijke vraatzucht; als reden voor haar +zelfkastijding gaf zij niet anders op, dan dat zij onwaardig was om +brood te eten. Haar uiterlijk verried hem reeds den naderenden waanzin. +<a name='FNanchor_653_653'></a><a href='#Footnote_653_653'><sup>[653]</sup></a> Een ander vrouwtje, een epileptica, wier eksteroogen staken, zoo +dikwijls er een ziel ter helle voer,<a name='322'></a> die de zonden aan het voorhoofd zag +en beweerde, dagelijks drie zielen te redden, bekende onder bedreiging +met de tortuur, dat zij zich zoo gedroeg, omdat het haar broodwinning +was.<a name='FNanchor_654_654'></a><a href='#Footnote_654_654'><sup>[654]</sup></a></p> + +<p>Gerson achtte de vizioenen en revelaties van den jongsten tijd, die +overal gelezen werden, niet veel waard. Zelfs die van befaamde heiligen +als Brigitta van Zweden en Catharina van Siena verloochent hij.<a name='FNanchor_655_655'></a><a href='#Footnote_655_655'><sup>[655]</sup></a> +Hij had er zooveel gehoord, die hem het vertrouwen benamen. Velen +verklaarden, dat hun geopenbaard was, dat zij paus zouden worden; een +geleerd man had het zelfs eigenhandig beschreven en met bewijzen +gestaafd. Een ander was eerst overtuigd geweest, dat hij paus zou +worden, maar daarna, dat hij de Antichrist of althans diens voorlooper +zou zijn, waarom hij had omgegaan met de gedachte, zich het leven te +benemen, om de christenheid niet zulk een onheil aan te doen. +<a name='FNanchor_656_656'></a><a href='#Footnote_656_656'><sup>[656]</sup></a>—Niets is zoo gevaarlijk, zegt Gerson, als een onkundige devotie. +Wanneer de arme vromen hooren, dat Maria's geest zich verblijdde in +haren God, dan trachten zij ook zich te verblijden, en stellen zich van +allerlei voor, nu met minnen, nu met vreezen; daarbij zien zij allerlei +beelden, die zij niet kunnen onderscheiden van de waarheid en die zij +allen voor wonder houden en voor het bewijs van hun voortreffelijke +devotie.<a name='FNanchor_657_657'></a><a href='#Footnote_657_657'><sup>[657]</sup></a> Maar dit was juist hetgeen de moderne devotie aanbeval. +"Soe wie hem in desen artikel mit herten ende mit al sinen crachten den +liden ons Heren innichlic geliken ende gheconformieren wil, die sal hem +selven pinen, druckich ende wemoedich te maken.<a name='323'></a> Ende is hi in enighen +teghenwoerdighen druc, die sel hi mitter druckelicheit Christi +verenighen ende begheren mit hem te deilen".<a name='FNanchor_658_658'></a><a href='#Footnote_658_658'><sup>[658]</sup></a></p> + +<p>Het schouwende leven heeft groote gevaren, zegt Gerson; velen zijn er +zwaarmoedig of gek van geworden.<a name='FNanchor_659_659'></a><a href='#Footnote_659_659'><sup>[659]</sup></a> Hij weet, hoe licht een te +aanhoudend vasten tot waanzin of hallucinaties leidt; hij weet ook, welk +een rol het vasten speelt in de praktijken der tooverij.<a name='FNanchor_660_660'></a><a href='#Footnote_660_660'><sup>[660]</sup></a> Waar +moest een man met zulk een scherpen blik voor het psychologische moment +in de uitingen van het geloof de grens trekken tusschen het heilige en +geoorloofde en het verwerpelijke? Hij voelde zelf, dat enkel zijn +rechtzinnigheid hem hier nog niet genoeg gaf; het was gemakkelijk +genoeg, om als geschoold godgeleerde overal den staf te breken, waar van +het dogma klaarblijkelijk werd afgeweken. Maar daarnaast stonden al de +gevallen, waar de ethische beoordeeling der uitingen van vroomheid hem +het richtsnoer moest zijn, waar zijn gevoel voor maat en goeden smaak +hem het vonnis moest ingeven. Er is geen deugd, zegt Gerson, die in deze +ellendige tijden van het schisma meer uit het oog wordt verloren dan de +Discretio.<a name='FNanchor_661_661'></a><a href='#Footnote_661_661'><sup>[661]</sup></a></p> + +<p>Was reeds voor Jean Gerson het dogmatische criterium niet meer het +eenige, dat den doorslag gaf ter onderscheiding van ware en valsche +vroomheid, des te eêr vallen voor óns de typen van godsdienstige +aandoening niet meer samen volgens de lijnen van hun orthodoxie of +ketterij, maar volgens hun psychologischen aard. Ook het volk van den +tijd zelf zag de dogmatische lijnen niet.<a name='324'></a> Het hoorde den ketterschen +broer Thomas met evenveel stichting als den heiligen Vincent Ferrer, het +schold de heilige Colette en haar volgelingen voor Begarden en +hypocriten.<a name='FNanchor_662_662'></a><a href='#Footnote_662_662'><sup>[662]</sup></a>—Colette vertoont al de eigenschappen van wat James +den theopathischen toestand noemt,<a name='FNanchor_663_663'></a><a href='#Footnote_663_663'><sup>[663]</sup></a> wortelend op een bodem van de +pijnlijkste overgevoeligheid. Zij kan geen vuur zien of den gloed ervan +verdragen, behalve kaarsen. Zij is ontzettend bang voor vliegen, +slakken, mieren, voor stank en onreinheid. Zij heeft denzelfden rabiden +afschuw van de sexualiteit, die later de heilige Aloysius Gonzaga +vertoont, zoodat zij enkel maagden in haar congregatie wil hebben, niet +houdt van getrouwde heiligen en het betreurt, dat haar moeder met haar +vader in tweede huwelijk was getrouwd.<a name='FNanchor_664_664'></a><a href='#Footnote_664_664'><sup>[664]</sup></a> Deze hartstocht voor de +zuiverste maagdelijkheid werd door de Kerk nog altijd als stichtelijk en +navolgenswaard geprezen. Hij was ongevaarlijk, zoolang hij beleden werd +in den vorm van een persoonlijk afgrijzen van al het sexueele. Doch +datzelfde sentiment werd in een anderen vorm gevaarlijk voor de Kerk en +bij gevolg voor den persoon, die het beleed: wanneer deze namelijk niet +meer als de slak de horens introk, maar de toepassing van die zucht naar +kuischheid wilde zien op het kerkelijk en maatschappelijk leven der +anderen. Steeds weer, als het streven naar die zuiverheid revolutionaire +vormen aannam, heeft de Kerk het moeten verloochenen, omdat zij wist, +dat het onuitvoerbaar was. Jean de Varennes boette die consequentie in +een ellendigen kerker, waar de aartsbisschop van Reims hem had doen +opsluiten.<a name='325'></a> Deze Jean de Varennes was een geleerd theoloog en befaamd +prediker, die aan het pauselijk hof te Avignon als kapelaan van den +jeugdigen kardinaal van Luxemburg zelf beschikt scheen voor een myter of +kardinaalshoed, toen hij plotseling van al zijn beneficiën afstand deed +behalve een kanunnikschap van Notre Dame te Reims, zijn staat opgaf, en +uit Avignon naar zijn geboorteland terugging, waar hij te Saint Lié een +heilig leven begon te leiden en te preeken. "Et avoit moult grant +hantise de poeuple qui le venoient veir de tous pays pour la simple vie +très-noble et moult honneste que il menoit." Men vond, dat hij wel paus +kon worden; men noemde hem "le saint homme de S. Lié", en raakte hem aan +om de wonderdadigheid van zijn persoon; sommigen hielden hem voor een +godsgezant of een goddelijk wezen zelf. Heel Frankrijk sprak een +tijdlang van niets anders.<a name='FNanchor_665_665'></a><a href='#Footnote_665_665'><sup>[665]</sup></a></p> + +<p>Maar niet iedereen geloofde aan de oprechtheid van zijn bedoelingen; er +waren er ook, die van "le fou de Saint Lié" spraken, of hem verdachten, +langs dezen opzienbarenden weg de prelatuur te willen bereiken, die hem +anders was ontgaan. Bij hem had, gelijk bij zooveel vroegeren, die als +ketters verworpen waren, de hartstocht voor geslachtelijke zuiverheid +het karakter aangenomen van een heftig revolutionaire prediking, waarin +zich al de grieven over de ontaarding der Kerk schikten onder die eene +groote verontwaardiging. "Au loup, au loup" riep hij de schare toe, en +deze riep willig terug: "Hahay, aus leus, mes bones gens, aus leus." +Maar hij zei immers niet,<a name='326'></a> dat hij den aartsbisschop bedoelde, aldus zijn +verdediging uit den kerker; hij placht enkel het spreekwoord te zeggen: +"qui est tigneus, il ne doit pas oster son chaperon".<a name='FNanchor_666_666'></a><a href='#Footnote_666_666'><sup>[666]</sup></a> Hoever hij +ook gegaan moge zijn, zijn hoorders verstonden hem zoo, dat hij al het +oude verzet tegen de onkuische priesters had gepreekt: hun sacramenten +ongeldig, de hostie, die zij wijden, niet dan brood, hun doopsel en hun +absolutie waardeloos. En meer nog tegen de onkuischheid in het algemeen: +de priesters mogen zelfs niet wonen met een zuster of een oude van +dagen; aan het huwelijk zijn 22 of 23 zonden verbonden; men moest de +echtbrekers straffen naar de leer van het Oude Verbond; Christus zelf +zou, indien hij zekerheid had gehad omtrent haar schuld, bevolen hebben, +de overspelige te steenigen; er was geen goede vrouw in Frankrijk, er +kon geen bastaard iets goeds doen of zalig worden.<a name='FNanchor_667_667'></a><a href='#Footnote_667_667'><sup>[667]</sup></a></p> + +<p>Tegen dien ingrijpenden vorm van afkeer der onkuischheid heeft de Kerk +zich steeds uit zelfbehoud moeten verzetten: werd eenmaal de twijfel +gewekt aan de geldigheid der sacramenten van onwaardige priesters, dan +was het geheele kerkelijk leven ontwricht. Gerson stelt Jean de Varennes +naast Johannes Hus als een, die met oorspronkelijk goede bedoelingen +door zijn ijver op het dwaalspoor is geleid.<a name='FNanchor_668_668'></a><a href='#Footnote_668_668'><sup>[668]</sup></a></p> + +<p>De Kerk is aan den anderen kant in het algemeen uiterst toegefelijk +geweest op een ander gebied: in het dulden van de hoogst zinnelijke +verbeeldingen der godsliefde. De nauwgezette kanselier van de Parijsche +universiteit evenwel heeft ook daar het gevaar gevoeld en ervoor +gewaarschuwd.</p> +<a name='327'></a> +<p>Hij kende het uit zijn groote zielkundige ervaring, hij kende het van +verschillende zijden, als dogmatisch en als zedelijk gevaar. "De dag zou +mij niet genoeg zijn, zegt hij, als ik al de tallooze waanzinnigheden +wilde opsommen van de minnenden, de zinneloozen: amantium, immo et +amentium."<a name='FNanchor_669_669'></a><a href='#Footnote_669_669'><sup>[669]</sup></a> Ja, hij wist het bij ondervinding: "Amor spiritualis +facile labitur in nudum carnalem amorem."<a name='FNanchor_670_670'></a><a href='#Footnote_670_670'><sup>[670]</sup></a> Want wie zou het anders +zijn dan Gerson zelf, die man, dien hij kende, die uit loffelijke +devotie een gemeenzame vriendschap in den Heer had gekweekt met een +geestelijke zuster: "aanvankelijk ontbrak het vuur van eenige +vleeschelijkheid, maar gaandeweg wies uit den geregelden omgang een +liefde, die niet geheel en al meer in God was, zoodat hij zich niet meer +kon weerhouden, haar te bezoeken, of in haar afwezigheid aan haar te +denken. Nog vermoedde hij niets zondigs, geen duivelsch bedrog, totdat +een langere afwezigheid hem tot het inzicht bracht van het gevaar, dat +God nog ter juister tijd van hem had gewend."<a name='FNanchor_671_671'></a><a href='#Footnote_671_671'><sup>[671]</sup></a> Hij was voortaan "un +homme averti" en trok er profijt van. Zijn geheele tractaat <i>De diversis +diaboli tentationibus</i><a name='FNanchor_672_672'></a><a href='#Footnote_672_672'><sup>[672]</sup></a> is als een scherpe analyse van den +geestesstaat, die ook die van de Nederlandsche moderne devoten was. Het +is vooral de "dulcedo Dei", de "zueticheit" der Windesheimers, welke +Gerson wantrouwt. De duivel, zegt hij, boezemt den menschen somtijds een +onmetelijke en wonderlijke zoetheid (dulcedo) in, op de wijze van en +gelijkende op devotie, opdat de mensch in het genieten van die zoetheid +(suavitas)<a name='328'></a> zijn eenig doel zoeke, en God enkel meer wil beminnen en +volgen, om die genieting te erlangen.<a name='FNanchor_673_673'></a><a href='#Footnote_673_673'><sup>[673]</sup></a> En elders,<a name='FNanchor_674_674'></a><a href='#Footnote_674_674'><sup>[674]</sup></a> van +dezelfde dulcedo Dei: velen heeft de al te sterke kweeking van +dergelijke gevoelens bedrogen: zij hebben de razernijen van hun hart als +het voelen Gods omhelsd en jammerlijk gedwaald. Het leidt tot allerlei +ijdel streven: sommigen trachten een staat te bereiken van volkomen +gevoelloosheid of passiviteit, waarin slechts God door hen handelt, of +een mystische kennis en vereeniging met God, waarin Hij niet meer onder +eenig begrip des zijns, des waren of des goeden wordt opgevat.—Hier +liggen ook Gerson's bezwaren tegen Ruusbroec, aan wiens eenvoudigheid +hij niet gelooft, wien hij de meening van zijn <i>Chierheit der +gheesteliker brulocht</i> verwijt, dat de volmaakte ziel, God schouwende, +Hem niet enkel ziet door de klaarheid, die de goddelijke essentie is, +maar dat zij zelve de goddelijke klaarheid is.<a name='FNanchor_675_675'></a><a href='#Footnote_675_675'><sup>[675]</sup></a></p> + +<p>Het gevoel van de volstrekte vernietiging der individualiteit, dat de +mystieken van alle tijden gesmaakt hebben, kon de voorstander van een +matige, ouderwetsche, Bernardijnsche mystiek, die Gerson was, niet +gedoogen. Een zieneres had hem verteld, dat haar geest in het schouwen +Gods vernietigd was geworden met een werkelijke vernietiging en daarna +opnieuw geschapen. Hoe weet ge dat? had hij haar gevraagd. Zij had het +zelf ondervonden, was haar antwoord. De logische absurditeit dier +verklaring is voor den intellectueelen kanselier het triomfantelijk +bewijs,<a name='329'></a> hoe verwerpelijk zulk een gevoelen was.<a name='FNanchor_676_676'></a><a href='#Footnote_676_676'><sup>[676]</sup></a> Het was +gevaarlijk, zulke gewaarwordingen in een gedachte uit te drukken; de +Kerk kon ze enkel dulden in den vorm van een beeld: het hart van +Catharina van Siena was veranderd in het hart van Christus. Maar +Marguerite Porete uit Henegouwen, van de Broeders van den vrijen geest, +die ook haar ziel in God vernietigd waande, was in 1310 te Parijs +verbrand.<a name='FNanchor_677_677'></a><a href='#Footnote_677_677'><sup>[677]</sup></a></p> + +<p>Het groote gevaar van het zelfvernietigingsgevoel lag in de conclusie, +waartoe evenzeer de Indische als sommige christelijke mystieken kwamen, +dat de volmaakte schouwende en minnende ziel niet meer zondigen kan. +Immers, opgegaan in God, heeft zij geen wil meer; slechts het goddelijk +willen is gebleven, en waarin zij ook de vleeschelijke neigingen volgen, +daarin is geen zonde meer.<a name='FNanchor_678_678'></a><a href='#Footnote_678_678'><sup>[678]</sup></a> Tal van armen en onwetenden waren door +zulke leeringen verleid tot een leven van de vreeselijkste +ongebondenheid, zooals de secten der Begarden, de Broeders van den +vrijen geest, de Turlupijnen te zien hadden gegeven. Telkens als Gerson +van de gevaren der uitgelaten godsminne spreekt, komt hem het +waarschuwend voorbeeld van die secten in de gedachte.<a name='FNanchor_679_679'></a><a href='#Footnote_679_679'><sup>[679]</sup></a> Toch is men +hier voortdurend vlak bij de kringen der devoten.<a name='330'></a> De Windesheimer +Hendrik van Herp beschuldigt zijn eigen geestverwanten van geestelijk +overspel.<a name='FNanchor_680_680'></a><a href='#Footnote_680_680'><sup>[680]</sup></a> Er lagen in deze sfeer duivelsche valstrikken tot de +meest perverse goddeloosheid. Gerson vertelt van een aanzienlijk man, +die aan een Kartuizer had bekend, dat hem een doodzonde, en hij noemde +met name die der onkuischheid, de minne Gods niet belemmerde, maar hem +integendeel ontvlamde om de goddelijke zoetheid nog inniger te prijzen +en te begeeren.<a name='FNanchor_681_681'></a><a href='#Footnote_681_681'><sup>[681]</sup></a></p> + +<p>De Kerk waakte, zoodra de smeltende aandoeningen van de mystiek zich +omzetten in geformuleerde overtuigingen of in toepassing op het +maatschappelijk leven. Zoolang het bleef bij louter hartstochtelijke +verbeeldingen van symbolischen aard, liet zij ook het meest exuberante +toe. Johannes Brugman kon ongestraft al de eigenschappen van den +dronkaard, die zich zelf vergeet, geen gevaar ziet, niet toornig wordt +om bespotting, alles weggeeft, toepassen op Jezus' menschwording: "O en +was hi niet wael droncken, doe hem die mynne dwanck, dat hi quam van den +oversten hemel in dit nederste dal der eerden?" In den hemel gaat hij +rond, "schyncken ende tappen mit vollen toyten" aan de profeten, "ende +sij droncken, dat sij borsten, ende daer spranck David mit sijnre herpen +voer der tafelen, recht of hij mijns heren dwaes waer."<a name='FNanchor_682_682'></a><a href='#Footnote_682_682'><sup>[682]</sup></a></p> + +<p>De groteske Brugman niet alleen, ook de zuivere Ruusbroec geniet de +godsminne onder het beeld der dronkenschap. Naast dat der dronkenschap +staat het beeld van den honger.<a name='331'></a> Mogelijk lag voor beide de aanleiding in +het bijbelwoord: "qui edunt me, adhuc esurient, et qui bibunt me, adhuc +sitient,"<a name='FNanchor_683_683'></a><a href='#Footnote_683_683'><sup>[683]</sup></a> dat, door Sapientia gesproken, als woord des Heeren werd +geduid. De voorstelling van des menschen geest, geteisterd door een +eeuwigen honger naar God, was dus gegeven. "Hier beghint een ewich +honger, die nemmermeer vervult en wert, dat es een inwendich ghieren +ende crighen der minnender cracht ende dies ghescapens geestes in een +ongescapen goet.... Dit sijn die armste liede die leven; want si sijn +ghierich ende gulsich ende si hebben den mengherael (verklaring: "dat is +die vraet of den ghier of den heeten onversadeliken hongher"). Wat si +eten ende drinken, si en werden nemmermeer sat in deser wijs, want dese +hongher es ewich.... Al gave God desen mensche alle die gaven die alle +heylighen hebben ... sonder hem selven, nochtan bleve die gapende ghier +des gheests hongherich ende onghesaedt."—Doch evenals het beeld der +dronkenschap is ook dat van den honger voor omkeering vatbaar: "Sijn +(Christus') hongher is sonder mate groet; hi verteert ons al uut te +gronde; want hi is een ghierich slockaert ende heeft den mengerael: hi +verteert dat merch uut onsen benen. Nochtan gonnen wijs hem wale, ende +soe wijs hem meer ghonnen, soe wij hem bat smaken. Ende wat hi op ons +teert, hi en mach niet vervult werden, want hi heeft den mengerael ende +sijn hongher is sonder mate: ende al sijn wi arm, hi en achtes niet, +want hi en wilt ons niet laten. Ierstwerf bereyt hi sine spise, ende +verbernt in minnen al onse sonden ende ghebreken. Ende alse wi dan +ghesuvert sijn ende in minnen ghebraden,<a name='332'></a> soe gaept hi alse die ghier +diet al verslocken wilt.... Mochten wi sien die ghierighe ghelost (lust) +die Christus heeft tote onser salicheit, wi en mochten ons niet +onthouden wi en souden hem in die kele vlieghen. Al verteert ons Jhesus +te male in hem, daer vore gheeft hi ons hem selven, ende hi gheeft ons +gheesteliken hongher ende dorst sijns te ghesmaken met ewigher lost. Hi +gheeft ons gheesteliken hongher, ende onser herteliker liefde sijn +lichame in spisen. Ende alse wi dien in ons eten ende teren met ynnigher +devocien, soe vloyet uut sinen lichame sijn gloriose heete bloet in onse +nature ende in alle onse aderen.... Siet, aldus selen wi altoes eten +ende werden gheten, ende met minnen op ende nedergaen, ende dit is onse +leven in der ewicheit".<a name='FNanchor_684_684'></a><a href='#Footnote_684_684'><sup>[684]</sup></a></p> + +<p>Een kleine schrede, en men is van deze hoogste vervoeringen der mystiek +weer bij een plat symbolisme. "Vous le mangerés,—zegt van de +eucharistie <i>Le livre de crainte amoureuse</i> van Jean Berthelemy—, rôti +au feu, bien cuit, non point ars ou brulé. Car ainsi l'aigneau de +Pasques entre deux feux de bois ou de charbon estoit cuit convenablement +et roty, ainsi ledoulx Jésus, le jour du Vendredi sacré, fut en la +broche de la digne croix mis, attachié, et lié entre les deux feux de +tres angoisseuse mort et passion, et de tres ardentes charité et amour +qu'il avoit à nos ames et à nostre salut, il fut comme roty et +langoureusement cuit pour nous saulver."<a name='FNanchor_685_685'></a><a href='#Footnote_685_685'><sup>[685]</sup></a></p> + +<p>Het beeld van de dronkenschap en den honger weerspreekt reeds de +meening,<a name='333'></a> dat elk godsdienstig zaligheidsgevoel erotisch geïnterpreteerd +zou moeten worden.<a name='FNanchor_686_686'></a><a href='#Footnote_686_686'><sup>[686]</sup></a> Het instroomen van den goddelijken invloed +wordt evengoed als een drinken of een gebaad worden ondergaan. Een +Diepenveensche devote voelt zich geheel overstort met het bloed van +Christus en bezwijmt.<a name='FNanchor_687_687'></a><a href='#Footnote_687_687'><sup>[687]</sup></a> De bloedfantazie, voortdurend door het +geloof aan de transsubstantiatie levend gehouden en geprikkeld, uit zich +in de bedwelmendste uitersten van rooden gloed. De wonden van Jezus, +zegt Bonaventura, zijn de bloedroode bloemen van ons zoete en bloeiende +paradijs, waarover de ziel als een vlinder zweven moet, dan aan deze dan +aan gene drinkende. Door de zijwond moet zij binnendringen tot het hart +zelf. Tegelijk stroomt het bloed als beken in het paradijs. Al het roode +en warme bloed van alle wonden is door Suso's mond in zijn hart en ziel +gevloeid.<a name='FNanchor_688_688'></a><a href='#Footnote_688_688'><sup>[688]</sup></a> Catharina van Siena is een der heiligen, die uit de +zijwond van Christus gedronken hebben, gelijk het anderen ten deel viel, +de melk van Maria's borsten te proeven: Sint Bernard, Heinrich Suso, +Alain de la Roche.</p> + +<p>Alain de la Roche, in het latijn Alanus de Rupe, bij zijn Nederlandsche +vrienden Van der Klip geheeten, kan als een der meest markante typen +gelden van de Fransche, meer fantastische devotie en van de +ultra-concrete geloofsverbeelding der laatste Middeleeuwen. Omstreeks +1428 in Bretagne geboren, heeft hij als Dominicaan hoofdzakelijk in het +Noorden van Frankrijk en in de Nederlanden gewerkt. Hij is te Zwolle bij +de Fraters, met wie hij levendige betrekkingen onderhield, in 1475 +gestorven. <a name='334'></a>Zijn voornaamste werk was het ijveren voor het gebruik van +den rozenkrans, waartoe hij een gebedsbroederschap over de geheele +wereld stichtte, aan welke hij het bidden voorschreef van vaste stelsels +van Ave's, door Pater's afgewisseld. In het werk van dezen visionair, +hoofdzakelijk preeken en beschrijvingen van zijn gezichten,<a name='FNanchor_689_689'></a><a href='#Footnote_689_689'><sup>[689]</sup></a> treft +het sterk sexueele van zijn verbeeldingen, doch tegelijk het ontbreken +van dien toon van gloeiende passie, die de sexueele verbeelding van het +heilige rechtvaardigen kon. De zinnelijke uitdrukking der smeltende +godsminne is hier louter procédé geworden. Er is niets van de +overstroomende innigheid, die de honger-, dorst-, bloed- en +liefde-fantazieën van de groote mystieken verheft. In de meditaties over +elk van Maria's lichaamsdeelen, die hij aanbeveelt, in de nauwkeurige +beschrijving van zijn herhaalde laving met de melk van Maria, in de +symbolische systematiek, waarbij hij elk der woorden van het Onze Vader +het bruidsbed van een der deugden noemt, spreekt een geest op zijn +laatst, het verval van de hooggekleurde vroomheid der latere +Middeleeuwen tot een uitgebloeiden vorm.</p> + +<p>Ook in de duivelenfantazie had het sexueele element een plaats: Alain de +la Roche ziet de beesten der zonde met afschuwelijke teeldeelen, waaruit +een vurige en zwavelige stortvloed breekt, die met zijn smook de aarde +verduistert; hij ziet de meretrix apostasiae, die de afvalligen +verslindt, weer uitbraakt en uitscheidt, weer verslindt, hen als een +moeder kust en koestert, hen telkens opnieuw baart uit haren schoot. +<a name='FNanchor_690_690'></a><a href='#Footnote_690_690'><sup>[690]</sup></a></p> + +<p>Daar lag de tegenkant van de "zueticheit" der devoten. Als +<a name='335'></a>onvermijdelijk complement van de zoete hemelsche fantazie borg de geest +een zwarten poel van hellevoorstellingen, die eveneens hun uitdrukking +vonden in de gloeiende taal der aardsche zinnelijkheid. Het is zoo +vreemd niet, dat er verbindingen zijn aan te wijzen tusschen de stille +kringen der Windesheimers en het duisterste wat de Middeleeuwen tegen +haar einde hebben voortgebracht: de heksenwaan, thans uitgegroeid tot +dat noodlottig sluitende systeem van theologischen ijver en rechterlijke +strengheid. Alanus de Rupe vormt zulk een schakel. Hij, de gaarne +geziene gast van de Zwolsche fraters, was ook de leermeester van zijn +ordebroeder Jakob Sprenger, die niet alleen met Heinrich Institoris den +Heksenhamer geschreven heeft, maar ook in Duitschland de ijverige +bevorderaar is geweest van Alanus' broederschap van den rozenkrans.</p> + + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='IX'></a>IX</h2> +<a name='336'></a> +<h3>VERBEELDING EN GEDACHTE</h3> +<br /> + +<p>De aandoening wilde zich altijd onmiddellijk omzetten in bonte en +gloeiende verbeelding. De geest meende het wonder te hebben begrepen, +wanneer hij het voor oogen zag. De behoefte, om het onuitsprekelijke +onder zichtbare teekenen te aanbidden, schiep steeds nieuwe figuren. +In de veertiende eeuw zijn het kruis en het lam niet meer genoeg, om +aan de overstroomende liefde voor Jezus een zichtbaar object te geven: +de vereering van den naam Jezus voegt zich daaraan toe, en dreigt zelfs +bij sommigen de kruisvereering in de schaduw te stellen. Heinrich Suso +tatoeërt zich den naam Jezus op de hartstreek, en vergelijkt het met de +beeltenis eener geliefde, die de minnaar in zijn kleed genaaid draagt. +Hij zendt doekjes, waarop de zoete naam geborduurd staat, aan zijn +geestelijke kinderen.<a name='FNanchor_691_691'></a><a href='#Footnote_691_691'><sup>[691]</sup></a>—Als Bernardino van Siena een geweldige +preek besloten heeft, ontsteekt hij twee kaarsen en vertoont een bord +van een el groot, waarop in goud op blauw de naam Jezus te midden van +stralen; "het volk dat de kerk vult, ligt op de knieën, allen te zamen +huilend en schreiend van zoete aandoening en teedere liefde tot Jezus". +<a name='FNanchor_692_692'></a><a href='#Footnote_692_692'><sup>[692]</sup></a> Vele andere Franciscanen, en ook predikers van andere orden, +volgden het na: Dionysius de Kartuizer wordt met zulk een naambord in de +hoogopgeheven handen afgebeeld. De zonnestralen als helmteeken boven het +wapen van Genève<a name='337'></a> worden uit deze vereering afgeleid.<a name='FNanchor_693_693'></a><a href='#Footnote_693_693'><sup>[693]</sup></a> Zij scheen +den kerkelijken autoriteiten bedenkelijk; men sprak van bijgeloof en +idolatrie, er ontstonden tumulten voor en tegen het gebruik. Bernardino +werd voor de curie gedaagd, en paus Martinus V verbood de gewoonte. +<a name='FNanchor_694_694'></a><a href='#Footnote_694_694'><sup>[694]</sup></a> Doch in een anderen vorm vond weldra de behoefte, om den Heer +zichtbaar te aanbidden, gewettigde bevrediging: de monstrans stelde de +gewijde hostie zelf tot aanbidding ten toon. Voor den torenvorm, dien +zij bij haar eerste opkomen in de veertiende eeuw had, kreeg de +monstrans weldra dien van de stralende zon, symbool der goddelijke +liefde. Ook hier had de Kerk aanvankelijk nog bedenkingen gekoesterd; +het gebruik der monstrans was enkel gedurende de week van het +sacramentsfeest toegestaan.</p> + +<p>De overmaat van verbeeldingen, waarin de uitbloeiende middeleeuwsche +gedachte bijna alles had opgelost, zou louter wilde fantasmagorie zijn +geweest, wanneer niet bijna elke figuur, elk beeld, zijn plaats had +gehad in het groote, alles omvattende denksysteem van het symbolisme.</p> + +<p>Er was geen groote waarheid, die de middeleeuwsche geest stelliger wist, +dan die van het woord aan de Corinthen: "Videmus nunc per speculum in +aenigmate, tunc autem facie ad faciem"; "Want wij zien nu door eenen +spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht +tot aangezicht".—Zij hebben nooit vergeten, dat elk ding absurd zou +zijn, als zijn beteekenis uitgeput was in zijn onmiddellijke functie en +verschijningsvorm, dat alle dingen met een heel stuk reiken in de wereld +aan den anderen kant.<a name='338'></a> Dat weten is ook ons als ongeformuleerd gevoel nog +op ieder oogenblik gemeenzaam, wanneer het geluid van den regen op de +bladeren of het schijnsel van de lamp over de tafel even doordringt tot +een dieper perceptie dan die van den praktischen denk- en handelingszin. +Het kan zich voordoen als een ziekelijke oppressie, zoodat de dingen +zwanger schijnen van een dreigende persoonlijke bedoeling of van een +raadsel, dat men kennen moet en niet kennen kan. Het kan ook, en zal +vaker, ons vullen met de rustige en sterkende verzekerdheid, dat ook ons +eigen leven deel heeft aan dien geheimen zin der wereld. En hoe meer dat +gevoel zich verdicht tot de huivering voor het Eene, waarvan alle dingen +uitstroomen, hoe lichter het van de zekerheid van enkele klare +oogenblikken zal overgaan tot een blijvend aanwezig levensgevoel, of +zelfs een geformuleerde overtuiging. "By cultivating the continuous +sense of our connection with the power that made things as they are, we +are tempered more towardly for their reception. The outward face of +nature need not alter, but the expressions of meaning in it alter. It +was dead and is alive again. It is like the difference between looking +on a person without love, or upon the same person with love.... When we +see all things in God, and refer all things to him, we read in common +matters superior expressions of meaning."<a name='FNanchor_695_695'></a><a href='#Footnote_695_695'><sup>[695]</sup></a></p> + +<p>Dit is de gevoelsgrond, waarop het symbolisme opgroeit. Bij God bestaat +niets ledigs of zonder beteekenis: "nihil vacuum neque sine signo apud +Deum".<a name='FNanchor_696_696'></a><a href='#Footnote_696_696'><sup>[696]</sup></a> Zoodra God verbeeld was, moest ook dat al, wat van hem +uitging en in hem zijn zin had,<a name='339'></a> stollen of kristalliseeren tot +geformuleerde gedachten. En zoo ontstaat die grootsche en edele +verbeelding van de wereld als één groot symbolisch verband, een +kathedraal van ideeën, de allerrijkst rythmische en polyphone +uitdrukking van al het denkbare.</p> + +<p>De symbolische denkorde staat zelfstandig en op zich zelf gelijkwaardig +naast de genetische. De laatste: het begrijpen van de wereld als +ontwikkeling, was den Middeleeuwen niet zóo vreemd, als men het wel eens +voorstelt. Doch het voortkomen van de dingen uit elkander werd nog +alleen gezien onder de naïeve figuur van directe voortteling of van +vertakking, en nog alleen toegepast volgens logische deductie, op de +dingen van den geest. Die werden gaarne gezien in de geleding van +genealogieën of van boomen met vertakkingen: een "arbor de origine +juris et legum" rangschikte alles van het recht in het beeld van +een wijdgespreiden boom. Enkel deductief toegepast behield de +ontwikkelingsgedachte iets schematisch, willekeurigs en onvruchtbaars.</p> + +<p>Het symbolisme is, van het standpunt van het causale denken beschouwd, +als een geestelijke kortsluiting. Het verband der dingen wordt niet +gezocht als een band van oorzaak en gevolg, maar als een van beteekenis +en doel. De overtuiging van zulk een verband kan ontstaan, zoodra twee +dingen één essentieele eigenschap gemeen hebben, die te betrekken is op +iets van algemeene waarde. Of met andere woorden: elke associatie op +grond van eenigerlei gelijkheid kan zich onmiddellijk omzetten in het +besef van een wezenlijk en mystisch verband. Dit kan van psychologisch +gezichtspunt een zeer povere geestesfunctie schijnen. En van +ethnologisch gezichtspunt kan<a name='340'></a> men het bovendien een zeer primitieve +geestesfunctie noemen. Het primitieve denken kenmerkt zich door een +zwakheid van de waarneming der identiteitsgrenzen tusschen de dingen; +het incorporeert in de voorstelling van een bepaald ding alles wat +daarmee door gelijkenis of toebehooren in eenig verband staat. De +symboliseerende functie hangt daarmede ten nauwste samen.</p> + +<p>Het symbolisme verliest evenwel dien schijn van willekeurigheid en +onvoldragenheid, zoodra men zich er rekenschap van geeft, dat het +onverbrekelijk verbonden is met die opvatting van het bestaande, welke +in de Middeleeuwen realisme heette, en die wij, eigenlijk minder +treffend, platonisch idealisme noemen.</p> + +<p>Alleen dan heeft de symbolische gelijkstelling op grond van +gemeenschappelijke kenmerken zin, wanneer die kenmerken het wezenlijke +aan de dingen zijn, wanneer de eigenschappen, die het symbool en het +gesymboliseerde gemeen hebben, waarlijk als essentiën beschouwd worden. +Rozen wit en rood bloeien tusschen doornen. De middeleeuwsche geest ziet +terstond een symbolische beteekenis: maagden en martelaars stralen in +heerlijkheid tusschen hun vervolgers. Hoe komt de gelijkstelling tot +stand? Doordat de hoedanigheden dezelfde zijn: de schoonheid, teerheid, +zuiverheid, de bloedroodheid der rozen zijn ook die der maagden en +martelaars. Doch dit verband is alleen dan waarlijk zinrijk en vol van +mystische beteekenis, wanneer in het verbindende lid, in de hoedanigheid +dus, het wezen der beide termen van het symbolisme ligt opgesloten, met +andere woorden, wanneer de roodheid en de witheid niet gelden als louter +benamingen voor physisch onderscheid op quantitatieven grondslag, maar +gezien worden als realiën, wezenlijkheden.<a name='341'></a> Ook óns denken vermag nog elk +oogenblik ze zoo te zien,<a name='FNanchor_697_697'></a><a href='#Footnote_697_697'><sup>[697]</sup></a> als het maar even terugkeert tot de +wijsheid van den wilde, het kind, den dichter en den mysticus, voor wie +de natuurlijke gesteldheid der dingen ligt opgesloten in hun algemeene +hoedanigheid. De hoedanigheid is hun watheid, de kern van hun zijn. +Schoonheid, teerheid, witheid, essentiën zijnde, zijn eenheden: alles +wat schoon, teer, wit is, moet in wezen samenhangen, heeft denzelfden +bestaansgrond, dezelfde beteekenis (be-teekenis) voor God.</p> + +<p>Zoo is er een onverbrekelijk verband tusschen symbolisme en realisme (in +den middeleeuwschen zin).</p> + +<p>Men moet hier niet te veel denken aan den strijd over de universalia. +Zeker, het realisme, dat de "universalia ante res" verklaarde, dat aan +de algemeene begrippen wezen en praeëxistentie toekende, is geen +alleenheerscher geweest op het gebied van het middeleeuwsche denken. +Er zijn ook nominalisten geweest: ook het "universalia post rem" heeft +zijn voorstanders gehad. Doch de stelling is niet te gewaagd, dat het +radicale nominalisme nooit anders dan tegenstrooming, reactie, oppositie +is geweest, en dat het jongere, gematigde nominalisme enkel zekere +philosophische bezwaren tegen een extreem realisme tegemoet kwam, maar +aan de inhaerent-realistische denkrichting der gansche middeleeuwsche +geestesbeschaving niets in den weg legde.</p> + +<p>Inhaerent aan de gansche beschaving. Want het komt niet in de eerste +plaats op dien strijd van scherpzinnige theologen aan, maar op de +voorstellingen, die het geheele verbeeldings- en gedachtenleven, zooals +het zich uit in de kunst,<a name='342'></a> de moraal, het dagelijksch leven, beheerschen. +Deze zijn extreem realist, niet omdat de hooge theologie in een lange +school van neoplatonisme was geformeerd, maar omdat het realisme, +buiten alle philosophie om, de primitieve denkwijze is. Voor den +primitieven geest neemt alles wat benoembaar is, terstond wezen aan, of +het hoedanigheden zijn, begrippen of wat ook. Zij projecteeren zich +terstond automatisch aan den hemel. Hun wezen kan bijna altijd (behoeft +niet altijd) worden opgevat als persoonlijk wezen; ieder oogenblik kan +de reidans van anthropomorphe begrippen beginnen.</p> + +<p>Alle realisme, in den middeleeuwschen zin, is tenslotte +anthropomorphisme. Wanneer de gedachte, die aan de idee een zelfstandig +wezen heeft toegekend, wil worden gezien, dan kan zij dat niet anders +dan door personificatie. Hier ligt de overgang van symbolisme en +realisme naar allegorie. De allegorie is het naar de oppervlakkige +verbeeldingskracht geprojecteerde symbolisme, de opzettelijke +uitwerking, daarmee ook uitputting, van een symbool, het overbrengen van +een hartstochtelijken kreet tot een grammatisch correcten zin. Goethe +beschrijft de tegenstelling aldus: "Die Allegorie verwandelt die +Erscheinung in einen Begriff, den Begriff in ein Bild, doch so, dass der +Begriff im Bilde immer noch begrenzt und vollständig zu halten und zu +haben und an demselben auszusprechen sei. Die Symbolik verwandelt die +Erscheinung in Idee, die Idee in ein Bild, und so, dass die Idee im Bild +immer unendlich wirksam und unerreichbar bleibt und selbst in allen +Sprachen ausgesprochen doch unaussprechlich bleibe."<a name='FNanchor_698_698'></a><a href='#Footnote_698_698'><sup>[698]</sup></a></p> +<a name='343'></a> +<p>De allegorie heeft dus inzichzelf reeds het karakter van schoolsche +normaliseering, en tegelijk van een vertering, een opgaan der gedachte +in het beeld. De wijze, waarop zij het middeleeuwsche denken was +binnengekomen: als litteraire aflegger van de late Oudheid in de +allegorische producten van Martianus Capella en Prudentius, verhoogde +het schoolsche en oudachtige karakter. En toch meene men niet, dat het +de middeleeuwsche allegorie en personificatie aan echtheid en leven +ontbrak. Trouwens, had zij die niet bezeten, hoe zou dan de middeleeuwsche +beschaving haar zoo aanhoudend en met zulk een voorliefde hebben +gecultiveerd?</p> + +<p>Te zamen vereenigd hebben deze drie denkwijzen: realisme, symbolisme en +personificatie, den middeleeuwschen geest doorschenen als een stroom van +licht. De psychologie zou wellicht het geheele symbolisme willen afdoen +met den term ideeënassociatie. Maar de geschiedenis der geestesbeschaving +heeft dien denkvorm eerbiediger te beschouwen. De levenswaarde van de +symbolische verklaring van het bestaande was onschatbaar. Het symbolisme +schiep een wereldbeeld van nog strenger eenheid en inniger verband, dan +het causaal-natuurwetenschappelijk denken vermag. Het omvademde met zijn +sterke armen de geheele natuur en de geheele geschiedenis. Het schept +daarin een onverbrekelijke rangorde, een architectonische geleding, een +hiërarchische subordinatie. Want in elk symbolisch verband moet een +lager en een hooger zijn; gelijkwaardige dingen kunnen elkanders symbool +niet zijn, maar enkel samen wijzen naar een derde, dat hooger is. In het +symbolisch denken is ruimte voor een onmetelijke veelvuldigheid van +betrekkingen tusschen de dingen. Want elk ding kan met zijn verschillende +<a name='344'></a>hoedanigheden symbool zijn van velerlei andere, en ook met één en +dezelfde hoedanigheid verschillende dingen beteekenen; en de hoogste +dingen hebben hun duizenderlei symbolen. Geen ding is te nederig om het +hoogste te beduiden en aan te wijzen ter verheerlijking. De okkernoot +beteekent Christus: de zoete kern is de goddelijke natuur, de vleezige +buitenschil de menschelijke, en de houten schaal daartusschen is het +kruis. Alle dingen bieden stut en steun voor het opstijgen der gedachte +naar het eeuwige; alle beuren elkaar van trede tot trede omhoog. Het +symbolische denken geeft een voortdurende transfusie van het gevoel van +God's majesteit en eeuwigheid in al het waarneembare en denkbare. Het +houdt voortdurend het mystische levensgevoel brandend. Het doordringt de +voorstelling van elk ding met verhoogde aesthetische en ethische waarde. +Denk het genot, als elke edelsteen fonkelt met de glanzen van al zijn +symbolische waarden, als de vereenzelviging van rozen en maagdelijkheid +meer is dan een dichterlijk zondagskleed, als zij het wezen van beide +aangeeft. Het is een waarlijke polyphonie der gedachte. Bij een +doorgedacht symbolisme klinkt in elke voorstelling een harmonisch +accoord van symbolen. Het symbolisch denken geeft dien zwijmel der +gedachte, die prae-intellectueele vervloeiing van de identiteitsgrenzen +der dingen, die tempering van het verstandelijk denken, welke het +levensbesef op zijn hoogste heft.</p> + +<p>Een harmonisch verband verbindt voortdurend alle gebieden der gedachte. +De feiten van het Oude Testament beduiden, praefigureeren die van het +Nieuwe, die der profane geschiedenis weerspiegelen hetzelfde. Bij elk +denken valt, als in een kaleidoscoop, uit de ongeordende massa partikels +<a name='345'></a>een schoone en symmetrische figuur samen. Elk symbool krijgt een +overwaarde, een veel sterkere graad van wezenlijkheid, doordat allen +tenslotte geschaard staan rondom het centrale wonder der eucharistie, en +daar is de gelijkheid geen symbolische meer, maar identiteit: de hostie +is Christus. En de priester, die haar tot zich neemt, wordt daarmee het +graf des Heeren; het afgeleide symbool deelt in de werkelijkheid van het +opperste mysterie, elk beduiden wordt een mystisch één-zijn.<a name='FNanchor_699_699'></a><a href='#Footnote_699_699'><sup>[699]</sup></a></p> + +<p>Door het symbolisme werd het mogelijk, de wereld, die in zich zelf +verwerpelijk was, toch te waardeeren en te genieten, en ook het aardsche +bedrijf te veredelen. Want elk beroep had zijn symbolische betrekking op +het hoogste en heiligste. De arbeid van den handwerker is de eeuwige +generatie en incarnatie des Woords en de bond tusschen God en de ziel. +<a name='FNanchor_700_700'></a><a href='#Footnote_700_700'><sup>[700]</sup></a> Zelfs tusschen de aardsche liefde en de goddelijke liepen de +draden van het symbolisch contact. Het sterke religieuze individualisme, +dat wil zeggen de cultiveering van de eigen ziel tot deugd en zaligheid, +vond zijn heilzaam tegenwicht in het realisme en symbolisme, die het +eigen leed, de eigen deugd, losmaakten uit de bijzonderheid van het +persoonlijke, en ophieven in de sfeer van het universeele.</p> + +<p>De zedelijke waarde van de symbolische denkwijze is onafscheidelijk van +haar verbeeldingswaarde. De symbolische verbeelding is als de muziek op +den tekst der logisch uitgedrukte leerstellingen. "En ce temps où la +spéculation<a name='346'></a> est encore toute scolaire, les concepts définis sont +facilement en désaccord avec les intuitions profondes."<a name='FNanchor_701_701'></a><a href='#Footnote_701_701'><sup>[701]</sup></a> Door het +symbolisme stond de geheele godsdienstige voorstellingsrijkdom open voor +de kunst, om haar uit te drukken, klank- en kleurrijk, en tegelijk vaag +en zwevend, zoodat de diepste intuïties erop konden wegvlieden naar het +besef van het onzegbare.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>De eindigende Middeleeuwen vertoonen die geheele denkwereld in haar +laatsten uitbloei. De wereld lag volkomen uitgespreid in die +alomvattende verzinnebeelding, en de symbolen werden als versteende +bloemen. Van oudsher had overigens het symbolisme de neiging bezeten, om +zuiver mechanisch te worden. Eenmaal als beginsel gegeven, ontspruit het +niet alleen uit dichterlijke verbeelding en vervoering, maar hecht zich +als een woekerplant aan het denken, en ontaardt tot louter hebbelijkheid +en een ziekte der gedachte. Met name wanneer het symbolisch contact +eenvoudig voortvloeit uit gelijkheid van getal, ontstaan heele +verschieten van ideëele afhankelijkheden. Het worden rekensommetjes. De +twaalf maanden zullen de twaalf apostelen beduiden, de vier jaargetijden +de evangelisten, en het geheele jaar moet dan Christus zijn.<a name='FNanchor_702_702'></a><a href='#Footnote_702_702'><sup>[702]</sup></a> Er +conglomereeren zich gansche systemen van zeventallen. Met de zeven +hoofddeugden correspondeeren de zeven beden van het Onze Vader, de zeven +gaven van den heiligen geest, de zeven zaligsprekingen en de zeven +boetpsalmen.<a name='347'></a> Zij hebben weer betrekking op de zeven momenten van de +passie en op de zeven sacramenten. Elk nummer van elk zevental +correspondeert weer als tegenstelling of geneesmiddel met de zeven +hoofdzonden, die weer door zeven dieren verbeeld en door zeven ziekten +gevolgd worden.<a name='FNanchor_703_703'></a><a href='#Footnote_703_703'><sup>[703]</sup></a> Bij een zielzorger en moralist als Gerson, aan +wien deze voorbeelden zijn ontleend, overweegt de praktisch zedelijke +waarde van het symbolisch verband. Bij een visionair als Alain de la +Roche overweegt daarin het aesthetische.<a name='FNanchor_704_704'></a><a href='#Footnote_704_704'><sup>[704]</sup></a> Hij moet een systeem +hebben, waarin vijftien en tien de getallen zijn, want de gebedencyclus +van de broederschap van den rozekrans, waarvoor hij ijverde, omvat 150 +Ave's, afgewisseld door 15 Pater's. Die vijftien Pater's zijn de +vijftien oogenblikken der passie, de 150 Ave's zijn de psalmen. Zij +zijn nog veel meer. Door de elf hemelsferen plus de vier elementen +te vermenigvuldigen met de tien categorieën: substantia, qualitas, +quantitas enz., krijgt men 150 habitudines naturales; evenzoo 150 +habitudines morales, door de tien geboden te vermenigvuldigen met +vijftien deugden: de drie theologale, de vier cardinale, de zeven +capitale deugden, maakt veertien; "restant duae: religio et +poenitentia", nu is er één te veel, maar temperantia, de cardinale, is +gelijk aan abstinentia,<a name='FNanchor_705_705'></a><a href='#Footnote_705_705'><sup>[705]</sup></a> de capitale, blijft over vijftien. Elk +dier vijftien deugden is een koningin, die haar bruidsbed heeft in een +der fracties van het Onze Vader. Elk der woorden van het Ave beduidt een +der vijftien<a name='348'></a> volmaaktheden van Maria, en tegelijk een edelsteen aan de +rupis angelica, die zij zelve is; elk woord verdrijft een zonde of het +dier, dat die verbeeldt. Zij zijn bovendien de takken van een boom vol +vruchten, waarin alle gezaligden zitten, en de treden van een trap. +Zoo beduidt bij voorbeeld het woord Ave de onschuld van Maria, en den +diamant, en verdrijft den hoogmoed, die den leeuw tot dier heeft. Het +woord Maria is haar wijsheid en de karbonkel en verdrijft den nijd, +een bijster zwarten hond. Alanus ziet in zijn vizioenen de gruwelijke +gedaanten der zondedieren en de schitterende kleuren der edele steenen, +wier oud befaamde wonderkracht weer nieuwe symbolische associaties wekt. +De sardonix is zwart, rood en wit, gelijk Maria zwart was in nederigheid, +rood in haar smarten, en wit in glorie en genade. Zij trekt als zegelsteen +niets aan van de was: deugd der eerzaamheid, verdrijft onkuischheid en +maakt eerzaam en schaamachtig. De parel is het woord gratia, en ook +Maria's eigen gratie; zij ontstaat in de zeeschelp uit een dauw des hemels +"sine admixtione cuiuscunque seminis propagationis". Maria zelf is die +schelp; hier verspringt het symbolisme even, want in de reeks der overige +zou men haar als de parel verwachten. Hier komt ook het kaleidoscopische +der symboliek treffend uit: met de woorden "uit een dauw des hemels +geteeld" is meteen, onuitgedrukt, die andere trope der maagdelijke +geboorte: het vlies, waarop Gideon het hemelsch teeken afsmeekte, in het +bewustzijn geroepen.</p> + +<p>De symboliseerende denkvorm was zoo goed als versleten. Het vinden van +symbolen en allegorieën was een ijdel spel geworden, een oppervlakkig +fantazeeren op een enkel<a name='349'></a> gedachtenverband. Het symbool behoudt zijn +gevoelswaarde alleen door de heiligheid der dingen, die het verbeeldt: +zoodra het symboliseeren van het zuiver godsdienstige gebied afvloeit +naar het enkel moreele, ziet men het in zijn hopelooze verbastering. +Froissart weet in een uitvoerig gedicht <i>Li orloge amoureus</i> alle +eigenschappen der liefde met de onderdeelen van een uurwerk te +vergelijken.<a name='FNanchor_706_706'></a><a href='#Footnote_706_706'><sup>[706]</sup></a> Chastellain en Molinet wedijveren in politieke +symbolismen: in de drie standen zijn de eigenschappen van Maria +gefigureerd; de zeven keurvorsten, drie geestelijke en vier wereldlijke, +beteekenen de drie theologale en vier cardinale deugden; de vijf steden +Saint-Omer, Aire, Rijssel, Douai en Valenciennes, die in 1477 Bourgondië +trouw blijven, worden de vijf wijze maagden.<a name='FNanchor_707_707'></a><a href='#Footnote_707_707'><sup>[707]</sup></a> Eigenlijk heeft men +hier te doen met een omgekeerd symbolisme, waarbij niet het lagere naar +het hoogere wijst, maar het hoogere naar het lagere. Want in den geest +van den schrijver staan de aardsche dingen, die hij met wat hemelsche +versiering verheerlijken wil, vooraan. De <i>Donatus moralisatus seu per +allegoriam traductus</i>, die wel eens aan Gerson is toegeschreven, bracht +de latijnsche grammatica bij, met theologische symboliek gemengd: het +nomen is de mensch, het pronomen beduidt, dat hij een zondaar is. Op den +laagsten trap van de symboliseering staat een gedicht als <i>Le parement +et triumphe des dames</i> van Olivier de la Marche, waarin het gansche +vrouwelijk toilet wordt vergeleken met deugden en voortreffelijkheden, +een brave zedepreek van den ouden hoveling, met een enkel schuin +knipoogje.<a name='350'></a> De pantoffel beduidt de nederigheid:</p> + +<div class='poem'> "De la pantouffle ne nous vient que santé +<span>Et tout prouffit sans griefve maladie,<br /></span> +<span>Pour luy donner tiltre d'auctorité<br /></span> +<span>Je luy donne le nom d'humilité."<br /></span> +</div> + +<p>Zoo worden de schoenen zorg en vlijt, de kousen volharding, de kouseband +vastberadenheid, het hemd eerbaarheid en het keurs kuischheid.<a name='FNanchor_708_708'></a><a href='#Footnote_708_708'><sup>[708]</sup></a></p> + +<p>Toch is natuurlijk, zelfs in haar meest zoutelooze uitingen, de +symboliek en allegorie voor den middeleeuwschen geest van een veel +levender gevoelswaarde geweest, dan wij ons voorstellen. De functie van +het symbolisch gelijkstellen en het persoonlijk verbeelden was zoo +ontwikkeld, dat haast vanzelve elke gedachte zich kon omzetten in een +personnage, een vertooning. Elke idee werd immers als wezen gezien, elke +hoedanigheid als zelfstandigheid, en als wezen kregen zij voor het +beeldende gezicht terstond persoonlijken vorm. Dionysius de Kartuizer +ziet in zijn revelaties de Kerk juist even persoonlijk en tooneelmatig, +als zij vertoond werd op het hoffeest van Rijsel. In een zijner +openbaringen ziet hij de toekomstige reformatio, die naar welke de +vaderen van het concilie en Dionysius' geestverwant Nicolaas van Cusa +streefden: de Kerk derhalve in haar toekomstige zuiverheid. De +geestelijke schoonheid dier gezuiverde Kerk ziet hij als een overschoon +en allerkostbaarst kleed van onbeschrijfelijke fraaiheid in +allerkunstigste mengeling van kleuren en figuren.<a name='351'></a> Een andermaal ziet hij +de Kerk in haar verdrukking: leelijk, ruig en bloedeloos, arm, zwak en +verschopt. De Heer zegt: hoor uwe Moeder, mijne bruid, de heilige Kerk, +en daarop hoort Dionysius de innerlijke stem als uit de figuur der Kerk +komende: "quasi ex persona Ecclesiae".<a name='FNanchor_709_709'></a><a href='#Footnote_709_709'><sup>[709]</sup></a> Zoo onmiddellijk komt hier +de gedachte in beeldvorm, dat de herleiding van het beeld tot gedachte, +de verklaring der allegorie in bijzonderheden, nauwelijks als noodig +wordt gevoeld, als het gedachtenthema maar even is aangegeven. Het bonte +kleed is volkomen adequaat aan de voorstelling van geestelijke +volmaaktheid; er is hier een oplossing van de gedachte in het beeld, +zooals ons een oplossing der gedachte in muziek gemeenzaam is.</p> + +<p>Men denke hier opnieuw aan de allegorische figuren uit den <i>Roman de la +rose.</i> Wij kunnen ons niet dan met inspanning iets denken bij Bel +Accueil, Doulce Mercy, Humble Requeste. Maar zij hebben voor de +tijdgenooten een met levenden vorm bekleede en met passie gekleurde +wezenlijkheid gehad, die hen volkomen op één lijn stelt met de +Romeinsche speciale godenfiguren. Wat Usener van deze zegt, is bijna +geheel toe te passen op de middeleeuwsche allegorische personnages. "Die +Vorstellung trat mit sinnlicher Kraft vor die Seele und übte eine solche +Macht aus, dass das Wort, das sie sich schuf, trotz der adjectivischen +Beweglichkeit, die ihm verblieb, dennoch ein göttliches Einzelwesen +bezeichnen konnte".<a name='FNanchor_710_710'></a><a href='#Footnote_710_710'><sup>[710]</sup></a> Anders zou immers de <i>Roman de la rose</i> +onleesbaar zijn geweest. Doux Penser, Honte, Souvenirs en de rest hebben +in de geesten der latere Middeleeuwen een quasi-goddelijk leven gehad. +<a name='352'></a>Een recrudescentie van die voorstelling beleefde één der Rose-figuren, +namelijk Danger, wat in de amoureuze taal den te bedriegen echtgenoot +ging beteekenen.</p> + +<p>Herhaaldelijk ziet men, om een gedachte uit te drukken, waar het +bijzonder op aankomt, naar de allegorie grijpen. Wanneer de bisschop van +Chalons aan Philips den Goede een zeer ernstige waarschuwing omtrent +zijn politiek beleid wil geven, giet hij de remonstrance, die hij in het +kasteel van Hesdin op Sint Andriesdag 1437 voor den hertog, de hertogin +en hun gevolg ten beste geeft, in den vorm van een allegorie. Hij vindt +Haultesse de Signourie troosteloos zitten, die eerst in het Keizerrijk, +daarna aan het Fransche, tenslotte aan het Bourgondische hof heeft +gewoond, en nu klaagt, ook daar te worden belaagd door Zorgeloosheid des +vorsten, Slapheid van raad, Nijd van dienaren, Afpersing van onderdanen. +Hij stelt er andere personnages tegenover, als Waakzaamheid des vorsten +enz., die het ontrouwe hofgezin moeten verdrijven.<a name='FNanchor_711_711'></a><a href='#Footnote_711_711'><sup>[711]</sup></a> Elke hoedanigheid +is hier verzelfstandigd en als persoon verbeeld.</p> + +<p>De Burger van Parijs is een nuchter man, die zich zelden verlustigt in +stijlversiering of gedachtenspel. Maar wanneer hij genaderd is tot het +vreeselijkste, dat hij te beschrijven heeft: de Bourguignonsche moorden, +die het Parijs van Juni 1418 den bloedgeur van September 1792 gaven, +neemt hij de allegorie te baat.<a name='FNanchor_712_712'></a><a href='#Footnote_712_712'><sup>[712]</sup></a> "Lors se leva la deesse de +Discorde, qui estoit en la tour de Mau-conseil, et esveilla Ire la +forcenée et Convoitise et Enragerie et Vengence,<a name='353'></a> et prindrent armes de +toutes manières et bouterent hors d'avec eulx Raison, Justice, Memoire +de Dieu et Atrempance moult honteusement." Zoo gaat het verder, +afgewisseld door de directe beschrijving van den gruwel: "Et en mains +que on yroit cent pas de terre depuis que mors estoient, ne leur +demouroit que leurs brayes, et estoient en tas comme porcs ou millieu de +la boe...."; de stortregens wasschen hun wonden schoon.—Wat beteekent +juist hier de allegorie? Heeft zij hier niet de functie van een +uitdrukkingsmiddel voor het tragische besef, de overbrenging van de +vreeselijke gebeurtenissen op een plan boven dat van den individueelen +toeleg der menschen?</p> + +<p>Hoe levend de functie der personificatie en allegoriseering nog in de +laatste Middeleeuwen was, blijkt juist uit die trekken, welke ons in dat +alles het storendst schijnen. Wij kunnen een allegorie nog eenigermate +genieten in tableau-vivant, de geijkte figuren behangen met onwezenlijke +draperie, die aan iedereen zegt, dat het maar gekheid is. Maar de +vijftiende eeuw kan de allegorische figuren zoo goed als de heiligen nog +laten rondloopen in de kleeren van den dag. En zij kan ieder oogenblik +nog nieuwe verpersoonlijkingen scheppen voor elke gedachte, die zij wil +uitdrukken. Als Charles de Rochefort in <i>l'Abuzé en court</i> de moraliteit +wil verhalen van den lichtzinnigen jongeling, die door het hofleven op +'t slechte pad wordt gebracht, schudt hij een gansche reeks nieuwe +allegorieën in den trant van de <i>Rose</i> uit zijn mouw; en al die voor ons +zoo bleeke wezens: Fol cuidier, Folle bombance, tot het eind, wanneer +Pauvreté en Maladie den jongeling meenemen naar het hospitaal, treden in +de miniaturen, die het gedicht verluchten, op als jonkers van den tijd; +zelf le Temps heeft geen baard of zeis van noode,<a name='354'></a> en komt in wambuis en +hozen. Ons maken de illustraties met hun naïeve strakheid de +voorstelling van dat alles al te primitief; al het teere en bewegelijke, +dat de tijd zelf in die concepties voelde, is voor ons vervluchtigd. +Juist in hun alledaagschheid ligt het kenmerk van hun levendheid. Het +heeft voor Olivier de la Marche niets storends, dat de twaalf deugden, +die een entremets bij het hoffeest van Rijssel in 1454 vertoonen, nadat +hun versje is voorgelezen, aan het dansen gaan "en guise de mommerie et +à faire bonne chiere, pour la feste plus joyeusement parfournir." +<a name='FNanchor_713_713'></a><a href='#Footnote_713_713'><sup>[713]</sup></a>—Aan deugden en aandoeningen verbindt zich een menschvormige +voorstelling nog eenigermate ongewild, maar ook in gevallen, waar voor +ons het begrip niets anthropomorphs zou hebben, schroomt de +middeleeuwsche geest niet, om er een persoon van te maken. Quaresme als +persoonlijke figuur is niet een schepping van Breughel's dolle brein, +die hem laat optrekken tegen het heir van Vastenavond; al veel eerder +treedt hij als zoodanig in de litteratuur op.<a name='FNanchor_714_714'></a><a href='#Footnote_714_714'><sup>[714]</sup></a> Ook het spreekwoord +kent hem zoo: "Quaresme fait ses flans la nuit de Pasques."</p> + +<p>Welk graadverschil is er geweest in de wezenlijkheid der voorstelling +tusschen de heiligen en de zuiver zinnebeeldige figuren? De eersten +hadden de bevestiging der Kerk, hun historisch karakter, hun beelden van +hout en steen. Maar de laatsten hadden de aanraking met het eigen +zieleleven en met de vrije fantazie. Men kan in ernst twijfelen, of niet +Fortune en Faux Semblant evenveel leven hebben gehad als Sinte Barbara +en Sint Christoffel. Vergeten wij niet,<a name='355'></a> dat één figuur, buiten elke +dogmatische of traditioneele sanctie opgekomen uit de vrije fantazie, +meer realiteit heeft verworven dan eenige heilige, en hen allen heeft +overleefd: de Dood.</p> + +<p>Een wezenlijk contrast tusschen de allegorie der Middeleeuwen en de +mythologie der Renaissance is er eigenlijk niet. Vooreerst begeleiden de +mythologische figuren reeds gedurende een goed stuk der Middeleeuwen de +vrije allegorie: Venus speelt haar rol in het zuiverst middeleeuwsche, +wat er gedicht is. Aan den anderen kant behoudt de vrije allegorie haar +fleur nog lang in de zestiende eeuw en later. In de veertiende eeuw +begint als 't ware een wedstrijd tusschen allegorie en mythologie. In de +gedichten van Froissart treden naast Doux Semblant, Jonece, Plaisance, +Refus, Dangier, Escondit, Franchise een zonderling stel van soms +onkenbaar verminkte mythologemen op: Atropos, Cloto, Lachesis, Telephus, +Ydrophus, Neptisphoras! De goden en godinnen leggen het in volheid van +verbeelding nog af bij de personages van de <i>Rose</i>; zij blijven nog hol +en schimmig. Of zij worden, als zij 't rijk alleen hebben, uitermate +barok en onklassiek, zooals in de <i>Epistre d'Othéa à Hector</i> van +Christine de Pisan. Het komen der Renaissance is de omkeering van die +verhouding. Gaandeweg winnen de Olympiërs en de nimfen het van de <i>Rose</i> +en de Sinnekens. Uit de rijkdommen der Oudheid stroomt hun een volheid +toe van stijl en sentiment, een dichterlijke schoonheid, en bovenal een +eenheid met het natuurgevoel, waarbij de eens zoo levende allegorie +verbleekte en verdween.</p> + +<p>Het symbolisme met zijn dienares de allegorie was een speling van het +vernuft geworden; het zinrijke werd zinloos.<a name='356'></a> De symbolische denkwijze +belemmerde de ontplooiing van het causaal-genetische denken. Niet dat +het door het symbolisme werd uitgesloten; het natuurlijk-genetisch +verband der dingen had zijn plaats naast het symbolisch verband, maar +het bleef onbelangrijk, zoolang de belangstelling zich niet verplaatst +had van het symbolisme naar de natuurlijke ontwikkeling. Een voorbeeld +ter verduidelijking. Voor de verhouding van het geestelijk en het +wereldlijk gezag stonden in de Middeleeuwen twee symbolische +vergelijkingen vast: het zijn de twee hemellichamen, zooals God ze bij +de schepping het een boven het ander had gesteld, en het zijn de twee +zwaarden, die de discipelen bij zich hadden, toen Christus +gevangengenomen werd. Deze symbolen nu zijn voor de middeleeuwsche +gedachte niet maar een geestige vergelijking; zij geven den grond aan +der gezagsverhouding, die zich aan dat mystisch verband niet mag +onttrekken. Zij hebben dezelfde voorstellingswaarde als dat Petrus de +rots der Kerk is. De dwang van het symbool staat het onderzoek naar de +historische ontwikkeling der beide machten in den weg. Wanneer Dante dit +laatste als noodzakelijk en beslissend onderkent, dan moet hij, in zijn +<i>Monarchia</i>, eerst de kracht van het symbool ontzenuwen, door zijn +toepasselijkheid te bestrijden, eer de weg vrij is voor het historisch +onderzoek.</p> + +<p>Een woord van Luther keert zich tegen de euvelen van de willekeurige, +beuzelachtige allegorie in de godgeleerdheid. Hij spreekt van +grootmeesters der middeleeuwsche theologie, van Dionysius den Kartuizer, +van Guilielmus Durandus, den schrijver van het <i>Rationale divinorum +officiorum</i>, van Bonaventura en Gerson, als hij uitroept: "die +allegorische studiën<a name='357'></a> zijn het werk van lieden zonder bezigheid. Of meent +gij, dat het mij moeilijk zou vallen, over elke geschapen zaak met +allegorieën te spelen? Wie is zoo gering van vernuft, dat hij zich niet +in allegorieën zou kunnen beproeven!"<a name='FNanchor_715_715'></a><a href='#Footnote_715_715'><sup>[715]</sup></a></p> + +<p>Het symbolisme was een gebrekkige uitdrukking voor vast geweten +samenhangen, zooals zij ons soms bewust worden bij het hooren van +muziek—"Videmus nunc per speculum in aenigmate". Men wist, dat men in +een raadsel zag, en toch had men getracht, de beelden in den spiegel te +onderscheiden, en beelden met beelden verklaard, en spiegel tegenover +spiegel gezet. De gansche wereld lag verbeeld in zelfstandige figuren: +het is een getijde van overrijpheid en uitbloeiing. De gedachte was al +te afhankelijk geworden van de verbeelding; de visueele aanleg, den +laatsten Middeleeuwen zoo bovenmate eigen, was oppermachtig geworden. +Alle denkbaarheden waren plastisch en picturaal geworden. De +wereldvoorstelling had de rust bereikt van een kathedraal in het +maanlicht, waarin de gedachte kon gaan slapen.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='X'></a>X</h2> +<a name='358'></a> +<h3>HET FALEN DER VERBEELDING</h3> +<br /> + +<p>Het symbolisme was als de levende adem der middeleeuwsche gedachte. +De gewoonte, om alle dingen in hun zinrijk verband en hun betrekking tot +het eeuwige te zien, hield in de denkbeeldenwereld de schittering gaande +van verschietende kleuren en de wisseling van vervloeiende grenzen. +Wanneer de symboliseerende functie òf uitblijft, òf louter mechanisch +is geworden, dan wordt het grootsche gebouw der van God gewilde +afhankelijkheden een necropool. Een systematisch idealisme, dat overal +de betrekkingen tusschen de dingen stelt krachtens hun als essentieel +beschouwde algemeene hoedanigheid, leidt licht tot starheid en +onvruchtbare classificeering. De indeeling en onderverdeeling der +begrippen, enkel deductief verricht, is zoo gemakkelijk; de ideeën laten +zich zoo gewillig rangschikken aan het gewelf van den wereldbouw. Er is +behoudens de regelen der abstracte logica geen correctief, dat ooit een +fout in de classificatie aanwijst, en daardoor wordt de geest misleid +omtrent de waarde van zijn denkarbeid, en de stelligheid van het systeem +wordt overschat. Elke notie, elk begrip staat als een ster aan het +firmament. Om van eenig ding het wezen te kennen, vraagt men niet naar +zijn inwendigen bouw, ziet men niet naar de lange schaduw der +geschiedenis achter het, maar kijkt op naar den hemel, waar het straalt +als idee.</p> + +<p>De gewoonte, om de dingen altijd te verlengen met een hulplijn naar den +kant der idee komt voortdurend uit in de middeleeuwsche behandeling van +elke staatkundige,<a name='359'></a> maatschappelijke of zedelijke twistvraag. Men kan ook +het geringste en meest alledaagsche niet anders beschouwen dan in een +universeel verband. Er is bij voorbeeld aan de universiteit te Parijs +een geschil gaande, of er voor den graad van licentiaat eenige betaling +te eischen valt. Pierre d'Ailly zelf neemt het woord, om tegen den +kanselier der universiteit de vordering te bestrijden. Het wordt geheel +scholastiek opgezet: uitgaande van den tekst: "Radix omnium malorum +cupiditas", stelt hij een drieledig te bewijzen: dat het vorderen van +dat recht simonie is, dat het strijdt tegen het natuurlijk en goddelijk +recht, en dat het ketterij is.<a name='FNanchor_716_716'></a><a href='#Footnote_716_716'><sup>[716]</sup></a>—Om zekere ongebondenheden te +berispen, die een bepaalde processie ontsieren, haalt Dionysius de +Kartuizer alles wat processies betreft, van oorsprong af op: hoe het +toeging onder de oude wet enz.,<a name='FNanchor_717_717'></a><a href='#Footnote_717_717'><sup>[717]</sup></a> zonder eigenlijk op de zaak zelf +in te gaan. Dit is wat bijna elk middeleeuwsch betoog zoo vermoeiend en +teleurstellend maakt: het wijst terstond naar den hemel en verdwaalt van +den beginne af in schriftgevallen en moreele algemeenheden.</p> + +<p>Het volkomen doorgewerkt idealisme openbaart zich overal. Van elken +levensvorm, elken maatschappelijken staat of beroep staat een +godsdienstig-zedelijk ideaal omschreven, waarnaar iedereen zichzelf te +reformeeren heeft al naar den eisch van zijn bijzonder beroep, om den +Heer waardig te dienen.<a name='FNanchor_718_718'></a><a href='#Footnote_718_718'><sup>[718]</sup></a> Men heeft iets van den nieuwen tijd, iets +wat de Hervorming aankondigt, willen zien in den nadruk, waarmee +Dionysius de Kartuizer<a name='360'></a> de heiligheid van het aardsch "beroep" op den +voorgrond stelt. Hij heeft in zijn tractaten <i>De vita et regimine +nobilium</i> enz., die hij voor zijn vriend Brugman tenslotte samenvatte in +twee boeken <i>De doctrina et regulis vitae christianorum</i>, aan elk beroep +het ideaal van heiligende plichtsvervulling voorgehouden: den bisschop, +prelaat, aartsdiaken, kanunnik, pastoor, scholier, den vorst, den +edelman, den ridders, den kooplieden, den gehuwden, weduwen, maagden, +kloosterlingen.<a name='FNanchor_719_719'></a><a href='#Footnote_719_719'><sup>[719]</sup></a> Maar juist in die strenge verbijzondering van +elken staat als iets zelfstandigs ligt iets echt middeleeuwsch, en de +uitwerking van die plichtenleer heeft dat abstracte en algemeene, dat +nergens in de werkelijke sfeer van het behandelde beroep zelf binnen +leidt.</p> + +<p>In die herleiding van alles tot het algemeene ligt de eigenschap, die +onder den naam typisme door Lamprecht als de bij uitstek kenmerkende van +den middeleeuwschen geest is gesteld. Zij is echter veeleer een gevolg +van die onderschikkende behoefte van den geest, welke voortspruit uit +het ingewortelde Idealisme. Het is-niet zoozeer een onvermogen, om het +bijzondere aan de dingen te zien, als de bewuste wil, om overal den zin +der dingen aan te duiden in hun betrekking tot het hoogste, hun +zedelijke idealiteit, hun algemeene beteekenis. Men zoekt in alles juist +het onpersoonlijke, de gelding als model, als standaardgeval. Het gebrek +aan individueele opvatting is tot zekere hoogte opzettelijk, eer een +uitvloeisel van de allesbeheerschende universalistische denkgewoonte dan +een kenmerk van een geringen geestelijken ontwikkelingsgraad.</p> +<a name='361'></a> +<p>De werkzaamheid van den geest bij uitnemendheid was het uiteenleggen van +de gansche wereld en het gansche leven in zelfstandige ideeën, en het +rangschikken van die ideeën in groote en talrijke leenverbanden of +hierarchieën van gedachte. Vandaar die vatbaarheid van den +middeleeuwschen geest, om elke qualiteit uit het complex van een geval +af te zonderen in haar wezenlijke zelfstandigheid. Wanneer de bisschop +Fulco van Toulouse erop wordt aangezien, dat hij een Albigensische vrouw +een aalmoes geeft, antwoordt hij: "Ik geef niet aan de kettersche maar +aan de arme". En de Fransche koningin, Margareta van Schotland, die den +slapenden dichter Alain Chartier op den mond kust, verontschuldigt zich: +"Je n'ay pas baisé l'homme mais la précieuse bouche de laquelle sont +yssuz et sortis tant de bons mots et vertueuses paroles".<a name='FNanchor_720_720'></a><a href='#Footnote_720_720'><sup>[720]</sup></a> Een +spreekwijze zeide: "Haereticare potero, sed haereticus non ero". +<a name='FNanchor_721_721'></a><a href='#Footnote_721_721'><sup>[721]</sup></a>—Is dit alles niet op het gebied van het gewone denken wat in de +opperste speculatiën der theologie een onderscheiding was als die van +God's voluntas antecedens, krachtens welke hij allen zalig wil, en de +voluntas consequens, die slechts den uitverkorenen geldt?<a name='FNanchor_722_722'></a><a href='#Footnote_722_722'><sup>[722]</sup></a></p> + +<p>Het wordt een slapeloos doordenken van alle dingen, zonder de beperking +van het werkelijk waargenomen oorzakelijk verband, een schier +automatische analyse, die tenslotte uitloopt op een eeuwig nummeren. +Geen gebied lokte tot die doorwerking zoozeer uit als dat der deugden en +zonden. Elke zonde heeft haar vast getal van oorzaken, haar soorten, +haar dochteren, haar schadelijke werkingen.<a name='362'></a> Twaalf dwaasheden, zegt +Dionysius, misleiden den zondaar: hij verblindt zichzelven, hij +verstrikt zich aan den duivel, hij slaat de hand aan zich zelven, hij +versmijt zijn rijkdom (de deugd), hij verkoopt zich voor niets (terwijl +hij zelf gekocht is voor Christus' bloed), hij keert zich af van den +allertrouwsten minnaar, hij meent den almachtige te weerstaan, hij dient +den duivel, hij verwerft zich onvrede, hij opent zich den toegang der +hel, verspert zich den weg naar den hemel, en gaat dien ter helle op. +Elk nummer wordt met schriftplaatsen, beelden en bijzonderheden +geïllustreerd, verbeeld, vastgelegd, zoodat het de stellige zekerheid en +zelfstandigheid krijgt van een figuur aan een kerkportaal. Terstond +daarop wordt dezelfde reeks opnieuw in dieperen zin gegrond. Uit zeven +oogpunten moet de zwaarte der zonde worden overdacht: uit het oogpunt +Gods, uit dat van den zondaar, van de stof, van de omstandigheden, van +de bedoeling, van het wezen der zonde zelf, en van de gevolgen. Sommige +dier punten zijn weer onderverdeeld in acht, in veertien, bij voorbeeld +het tweede: de zonde is zwaarder naar de mate van beweldadigdheid, van +kennis, van voormalige deugd, van het ambt, de wijding, van de +gemakkelijkheid om weerstand te bieden, van de gelofte, van den +leeftijd. Er zijn zes zwakheden des geestes, die tot de zonde geschikt +maken.<a name='FNanchor_723_723'></a><a href='#Footnote_723_723'><sup>[723]</sup></a> Het is alles juist zoo als in het boeddhisme: ook daar die +moreele systematiek, om houvast te geven aan de oefeningen der deugd.</p> + +<p>Deze anatomie der zonde zou licht het zondigheidsbesef, dat zij +versterken moet, verzwakken door het af te leiden op het uitpluizen der +classificatie,<a name='363'></a> wanneer niet tegelijk de fantazie der zonde en de +verbeelding der straf tot het uiterste waren geëxaspereerd. Niemand kan +in het tegenwoordige leven de enormiteit der zonde volkomen bevatten of +ten volle verstaan.<a name='FNanchor_724_724'></a><a href='#Footnote_724_724'><sup>[724]</sup></a> Alle moreele voorstellingen worden met een +ondragelijk overwicht beladen, door ze steeds weer in onmiddellijke +betrekking te stellen tot Gods majesteit. Bij elke zonde, ook de +geringste, is het heelal betrokken. Gelijk de boeddhistische litteratuur +het applaus der hemelingen met bloemenregens, lichtschijn en zachte +beving der aarde kent bij een groote daad van een Bodhisattva, zoo hoort +Dionysius, somberder gestemd, hoe alle gezaligden en rechtvaardigen, de +hemelsche sferen, alle elementen, ja zelfs de onredelijke wezens en +onbezielde dingen wraak roepen over de onrechtvaardigen.<a name='FNanchor_725_725'></a><a href='#Footnote_725_725'><sup>[725]</sup></a> Zijn +proeve, om door gedetailleerde beschrijving en opzettelijke +verbeeldingen ter benauwing de vrees voor zonde, dood, oordeel en hel +tot het allersmartelijkste aan te scherpen, mist haar ijzingwekkende +werking niet, misschien juist door haar ondichterlijkheid. Dante had de +duisternissen en gruwelijkheden der hel met schoonheid aangeraakt: +Farinata en Ugolino zijn in hun verworpenheid heroïsch, en de +klapwiekende Lucifer vertroost ons door zijn majesteit. Doch een bij al +zijn mystische intensiteit toch volkomen ondichterlijke monnik als +Dionysius de Kartuizer geeft de hel als pure angst- en ellendigheids- +voorstelling. De lichamelijke pijnen en smarten worden in schroeiende +kleuren geschilderd. De zondaar moet opzettelijk trachten, het zich zoo +levendig mogelijk voor te stellen.<a name='364'></a> "Laten wij ons voor oogen verbeelden +—zegt Dionysius—een allerheetsten en allergloeiendsten oven, en daarin +liggende een naakten man, die nimmer uit zulk een pijniging zal worden +verlost. Zal ons niet die kwelling, ja het gezicht ervan alleen, +ondragelijk schijnen? Hoe rampzalig zou ons die man dunken! Denken wij, +hoe die man zich heen en weer zou werpen in dien oven, hoe hij zou +schreeuwen, zou huilen, zou <i>leven</i>, welk een angst hem persen zou, welk +een smart hem zou doordringen, vooral wanneer hij bemerkte, dat zulk een +ondragelijke straf nooit zou eindigen."<a name='FNanchor_726_726'></a><a href='#Footnote_726_726'><sup>[726]</sup></a></p> + +<p>Men denkt onwillekeurig: hoe konden zij, die zich zulke voorstellingen +van helsche pijn voor oogen stelden, een mensch op aarde levend doen +verbranden? De heetheid van het vuur, de gruwelijke koude, de +walgelijkheid der wormen, de stank, de honger en dorst, de kluistering +en de duisternis, de onuitsprekelijke vuilheid der hel, het eindeloos +weerklinken van gehuil en geschreeuw in de ooren, het gezicht der +duivelen, het wordt alles als de verstikkende wade van een angstdroom +over ziel en zinnen van den lezer gespreid. Maar nog scherper is de +benauwing met de cerebrale smarten: de rouw, de vrees, het holle gevoel +van een oneindig gemis en verworpenheid, de onzegbare haat tegen God en +nijd over de zaligheid van al zijn uitverkorenen; in het brein niets dan +verwarring en drukking, het bewustzijn vol van dwaling en valsche +voorstelling, verblinding en wanbegrippen. En het weten, dat dit alles +zal zijn in eeuwigheid, wordt door kunstige vergelijkingen tot een +zwijmelende verschrikking opgevoerd.<a name='FNanchor_727_727'></a><a href='#Footnote_727_727'><sup>[727]</sup></a></p> +<a name='365'></a> +<p>Dat de vrees voor de eeuwige pijn, hetzij inslaande als een plotselinge +"goddelijke angst", hetzij knagende als een lange ziekte en druk, +telkens als motief tot inkeer en devotie wordt vermeld, behoeft bewijs +noch betoog.<a name='FNanchor_728_728'></a><a href='#Footnote_728_728'><sup>[728]</sup></a> Alles was daarop toegelegd. Een tractaat van de Vier +utersten: dood, oordeel, hel en eeuwig leven, misschien vertaald naar +dat van Dionysius, was de gewone tafellectuur voor de gasten van het +klooster Windesheim.<a name='FNanchor_729_729'></a><a href='#Footnote_729_729'><sup>[729]</sup></a> Wel een bittere kruiding van den maaltijd. +Maar met zoo scherpe middelen werd altijd weer de zedelijke volmaking +aangedrongen. De middeleeuwer is als iemand, die reeds te lang met te +sterke geneesmiddelen is bewerkt. Hij reageert slechts op de krachtigste +prikkels. Om de loffelijkheid eener deugd ten volle te doen schitteren, +kunnen voor den middeleeuwschen geest slechts die uiterste exempelen +dienen, waarbij een minder geëxaspereerd zedelijkheidsbesef de deugd +reeds in haar caricatuur zou zien verkeerd. Voor het geduld het voorbeeld +van Sint Aegidius, die door een pijl gewond, God bad, dat zijn wonde, +zoolang hij leefde, niet mocht genezen. Voor matigheid de heiligen, die +asch in hun spijzen mengden, voor kuischheid zij, die een vrouw bij zich +in bed namen, om hun vastheid te beproeven, of de jammerlijke fantazieën +van de maagden, die om den belager harer kuischheid te ontgaan, een baard +kregen of geheel ruig behaard werden. Of wel de prikkel wordt gevonden in +het exorbitante van het voorbeeld in verband met den leeftijd des +voorbeeldigen: Sint Nicolaas weigerde op hooge feestdagen de moedermelk; +voor standvastigheid beveelt<a name='366'></a> Gerson het voorbeeld aan van Sint Quiricus, +een martelaartje van drie jaren of zelfs negen maanden, die zich door den +praefect niet wou laten troosten, en in den afgrond werd geworpen.<a name='FNanchor_730_730'></a><a href='#Footnote_730_730'><sup>[730]</sup></a></p> + +<p>De behoefte, om de heerlijkheid der deugd in zoo sterke doseering te +genieten, staat ook alweer in verband met het allesbeheerschende +Idealisme. Het zien van de deugd als idee onttrok om zoo te zeggen aan +haar waardeering den bodem van het werkelijke leven; haar schoonheid +werd gezien in haar zelfstandig wezen als uiterste volmaking, niet in +haar moeizame betrachting van iederen dag onder vallen en opstaan.</p> + +<p>Het middeleeuwsche Realisme (dus gelijk hyper-idealisme) moet ondanks +allen inslag van gekerstend neoplatonisme beschouwd worden als een +primitieve geesteshouding. Het is, in de school voorzeker gesublimeerd +en verijld, in het leven de houding van den primitieven mensch, die +aan alle abstracte dingen wezen en substantie toekent. Kan men de +hyperbolische vereering der deugd in haar ideaalsten vorm als een +hoog-religieuze gedachte aanmerken, in haar tegenkant: de verachting der +wereld, ziet men duidelijk de schakel, die het middeleeuwsche denken nog +aan de gedachtenvormen van een verren voortijd verbindt. Ik bedoel het +feit, dat de tractaten "de contemptu mundi" zich niet kunnen losmaken +van een overmatig gewicht hechten aan de slechtheid van het materieele. +Niets weegt hun zoo zwaar als motief om de wereld te versmaden als de +afstootelijkheid der lichaamsverrichtingen,<a name='367'></a> met name die van uitscheiding +en voortplanting. Het is het poverste gedeelte der middeleeuwsche zedeleer: +die afschuw van den mensch "formatus de spurcissimo spermate, conceptus +in pruritu carnis, sanguine menstruo nutritus, qui fertur esse tam +detestabilis et immundus, ut ex ejus contactu fruges non germinent, +arescant arbusta ... et si canes inde comederint, in rabiem efferantur." +<a name='FNanchor_731_731'></a><a href='#Footnote_731_731'><sup>[731]</sup></a> Wat is dit, naast omgeslagen zinnelijkheid, anders dan de uitlooper +van dien primitieven vorm van Realisme, die den wilde in excrementen en +in alles wat conceptie en geboorte begeleidt, magische substanties en +potenties doet vreezen? Er loopt een rechte en niet zeer lange lijn +tusschen de magische vrees, waarmee de natuurvolken zich afwenden van de +vrouw in haar vrouwelijkste verrichtingen, en den ascetischen vrouwenhaat +en -smaad, die sedert Tertullianus en Hieronymus de christelijke +litteratuur had ontsierd.</p> + +<p>Alles wordt substantieel gedacht. In de dertiende eeuw komt de leer op +van den schat van goede werken: thesaurus operum supererogationum, den +voorraad der overvloedige verdiensten van Christus en de heiligen, die +door de Kerk in 't klein kon worden gesleten. Al leerde de Kerk met +nadruk, dat de zonde geen essentie of geen ding was,<a name='FNanchor_732_732'></a><a href='#Footnote_732_732'><sup>[732]</sup></a> haar eigen +techniek der zondenvergeving tezamen met de bonte verbeelding en +uitgewerkte systematiek der zonde kon niet anders dan in het onwetend +gemoed de overtuiging vestigen,<a name='368'></a> als ware de zonde een substantie, zooals +zij in den Atharvaveda wordt gezien. Hoe moest, ook al bedoelde +Dionysius slechts vergelijkingen, de substantieele opvatting der zonde, +als een smetstof, gevoed worden, wanneer hij haar gelijk noemt aan een +koorts, een koud, bedorven, overtollig lichaamsvocht.<a name='FNanchor_733_733'></a><a href='#Footnote_733_733'><sup>[733]</sup></a> Het recht, +dat zich niet zoo angstvallig om dogmatische zuiverheid te bekommeren +had, weerspiegelt zulk een opvatting, wanneer de Engelsche juristen +werken met de voorstelling, dat er in felonie een corruptie van het +bloed aanwezig is.<a name='FNanchor_734_734'></a><a href='#Footnote_734_734'><sup>[734]</sup></a> Ook ten opzichte van het bloed van den +Verlosser heerscht die hyper-substantieele opvatting: het is een reëele +stof; één droppel zou genoeg zijn geweest, om de wereld te verlossen, +maar er is een overvloed gegeven, zegt Sint Bernard, en Thomas van +Aquino dicht:</p> + +<div class='poem'> "Pie Pelicane, Jesu domine, +<span>Me immundum munda tuo sanguine,<br /></span> +<span>Cuius una stilla salvum facere<br /></span> +<span>Totum mundum quit ab omni scelere."<a name='FNanchor_735_735'></a><a href='#Footnote_735_735'><sup>[735]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Bij Dionysius den Kartuizer zien wij een wanhopige worsteling, om de +voorstellingen van het eeuwig leven uit te drukken in termen van +ruimtelijke uitgebreidheid. Het eeuwige leven is van een onmetelijke +waardigheid; God in zich zelven te genieten, is een oneindige +volmaaktheid; in den Verlosser was noodig een oneindige waardigheid en +afdoendheid (efficacia); de zonde is van oneindige enormiteit, omdat zij +<a name='369'></a>een uitspatting is tegen de onmetelijke heiligheid; daarom wordt een +genoegdoener van onmetelijke geschiktheid vereischt.<a name='FNanchor_736_736'></a><a href='#Footnote_736_736'><sup>[736]</sup></a> Het negatieve +ruimte-adjectief moet hier steeds het gewicht, de potentie van het +heilige voorstelbaar maken. Om de eeuwigheidsvoorstelling in te +boezemen, laat Dionysius een beeld dienen: denk u een zandberg zoo groot +als het heelal; om de tien- of honderdduizend jaar wordt van dien berg +een korreltje afgenomen. Die berg zal opraken. Maar na zulk een +onbeseffelijken tijdsduur zal de hellestraf nog niet verminderd zijn, en +niet dichter bij haar einde, dan toen het eerste korreltje van den berg +werd afgenomen. En toch, als de verdoemden wisten, dat zij bevrijd +zouden worden, wanneer die berg op was, zou het hun een groote troost +zijn.<a name='FNanchor_737_737'></a><a href='#Footnote_737_737'><sup>[737]</sup></a></p> + +<p>Zijn het de hemelvreugden, of Gods majesteit, die men wil uitdrukken, +dan wordt het enkel een zich overschreeuwen van de gedachte. +Hemelvreugde blijft in de uitdrukking altijd uiterst primitief. Een zoo +felle visie van geluk als van vreeselijkheid kan de menschelijke taal +niet geven. Om de overmaat van het leelijke en ellendige nog te +verergeren, behoefde men slechts dieper te dalen in de spelonken der +menschelijkheid, maar om de opperste gelukzaligheid te beschrijven moest +men den nek verrekken in het opzien naar den hemel. Dionysius put zich +uit in wanhopige superlatieven, dat is een louter mathematische +versterking van de voorstelling, zonder verheldering of verdieping +ervan: "Trinitas supersubstantialis, superadoranda et superbona ... +dirige nos ad superlucidam tui ipsius contemplationem."<a name='370'></a> De Heer is +"supermisericordissimus, superdignissimus, superamabilissimus, +supersplendidissimus, superomnipotens et supersapiens,supergloriosissimus." +<a name='FNanchor_738_738'></a><a href='#Footnote_738_738'><sup>[738]</sup></a></p> + +<p>Maar wat hielp het opeenstapelen van al-termen, van voorstellingen van +hoogte, wijdheid, onmetelijkheid en onuitputtelijkheid? Het bleven +altijd beelden, altijd het herleiden van het oneindige tot +eindigheidsvoorstellingen, en daarmee de verzwakking en veruiterlijking +van het oneindigheidsbesef. Eeuwigheid was geen onmeetbare tijd. Elke +sensatie, die uitgedrukt was, verloor haar onmiddellijkheid; elke +eigenschap, aan God toegekend, ontnam hem iets van zijn ontzaglijkheid.</p> + +<p>Nu begint de geweldige worsteling, om met den geest tot de volstrekte +beeldeloosheid der Godheid op te klimmen. Aan geen cultuur of tijdperk +gebonden, is zij overal en altijd weer gelijk. "There is about mystical +utterances an eternal unanimity which ought to make a critic stop and +think, and which brings it about that the mystical classics have, as has +been said, neither birthday nor native land."<a name='FNanchor_739_739'></a><a href='#Footnote_739_739'><sup>[739]</sup></a>—Maar de steun der +verbeelding kan niet aanstonds worden prijsgegeven. Stuk voor stuk wordt +het ontoereikende der uitdrukking erkend. De concrete belichamingen der +idee, en de veelkleurige gewaden der symboliek vallen het eerst weg: +dan is er geen sprake meer van bloed en genoegdoening, niet meer van +eucharistie, niet meer van Vader, Zoon en Heiligen Geest. In Eckhart's +mystiek wordt Christus bijna niet meer genoemd,<a name='371'></a> en evenmin de Kerk en de +sacramenten. Doch de uitdrukking van het mystische schouwen van het +Zijn, de Waarheid, de Godheid, blijft ook dan nog gebonden aan +natuurlijke voorstellingen: van licht, van uitgebreidheid. Dan slaan +deze om in het negatieve: stilte, ledigheid, duisternis. Dan wordt ook +van die vorm- en inhoudlooze begrippen het ontoereikende erkend, en men +tracht hun gebrekkigheid op te heffen door ze voortdurend te koppelen +aan hun tegenstelling. Tenslotte blijft niets over dan de zuivere +negatie. "Deus propter excellentiam non immerito Nihil vocatur", zegt +Scotus Erigena, en Angelus Silesius dicht:</p> + +<div class='poem'> "Gott ist ein lauter Nichts, ihn rührt kein Nun noch Hier; +<span>Je mehr du nach ihm greiffst, je mehr entwind er dir".<a name='FNanchor_740_740'></a><a href='#Footnote_740_740'><sup>[740]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Dit voortschrijden van den schouwenden geest tot de prijsgave van elke +verbeelding is in werkelijkheid natuurlijk niet in die strikte volgorde +geschied. De meeste mystische uitingen vertoonen al die phasen +gelijktijdig en dooreen. Zij zijn aanwezig bij de Indiërs, zij zijn +volkomen ontwikkeld reeds bij den Pseudo-Dionysius Areopagita, de bron +van alle christelijke mystiek, zij zijn herleefd in de Duitsche mystiek +der veertiende eeuw.</p> + +<p>Ziehier een voorbeeld uit de revelaties van Dionysius den Kartuizer. +<a name='FNanchor_741_741'></a><a href='#Footnote_741_741'><sup>[741]</sup></a> Hij spreekt met God, die toornig is. "Bij dit antwoord zag de +broeder, naar binnen gekeerd, zich als in een sfeer van onmetelijk licht +geplaatst, en allerzoetst, in een ontzaglijke kalmte, riep hij met een +heimelijk niet naar buiten<a name='372'></a> klinkend roepen tot den allerheimelijksten en +waarlijk verborgenen, onbegrijpelijken God: O overbeminnelijkste God, +gij zijt zelf het licht en de sfeer des lichts, waarin uw uitverkorenen +zoet ter ruste gaan, bekomen, sluimeren en inslapen. Gij zijt als een +allerwijdste, allervlakste en ondoorloopbare woestenij, waarin de +waarlijk vrome geest, geheel gezuiverd van bijzondere liefde, van boven +verlicht en krachtig ontvlamd, zwerft zonder dwalen, en dwaalt zonder +zwerven, zaliglijk bezwijkt en onbezweken geneest." Hier is eerst de +lichtverbeelding, nog positief, dan die van den slaap, daarna die van de +woestenij (de uitgebreidheidsvoorstelling in twee dimensies), eindelijk +de elkaar opheffende tegenstellingen.</p> + +<p>Het beeld der woestenij—dat is de horizontale ruimtevoorstelling, +wisselt af met dat van den afgrond—dat is de verticale +ruimtevoorstelling. Dit laatste was een geweldige vond der mystische +verbeelding. De uitdrukking toch van de eigenschapsloosheid der godheid +in Eckhart's woorden van "den wijzeloozen en vormeloozen afgrond der +stille, woeste godheid", gaf bij het begrip eener oneindigheid tevens +het gevoelsmoment eener duizeling. Van Pascal heet het, dat hij +voortdurend een afgrond naast zich zag: zulk een gewaarwording is hier +als 't ware tot een vasten mystischen term herleid. Met deze beelden +van den afgrond en de stilte wordt de levendigste uitdrukking van de +onbeschrijfelijke mystieke beleving bereikt. "Wol uf dar, herz und sin +und muot,—jubelt Suso—in daz grundlos abgründ aller lieplichen +dingen!"<a name='FNanchor_742_742'></a><a href='#Footnote_742_742'><sup>[742]</sup></a> Meister Eckhart in zijn ademlooze strakheid: "De vonk +der ziel<a name='373'></a> (de mystische kern van het enkele wezen) heeft niet genoeg +aan Vader, noch aan Zoon, noch aan Heiligen geest, noch aan de drie +personen, zooverre als elk dezer bestaat in hun eigenschap. Ik spreek +waarlijk, dat dit licht niet genoeg heeft aan de eenbaarheid van den +vruchtbaren aard goddelijker natuur. Ik wil nog meer spreken, dat nog +wonderlijker klinkt: ik spreek met goede waarheid, dat dit licht niet +genoeg heeft aan het eenvoudige, stilstaande goddelijke wezen, dat noch +geeft noch neemt; meer: het wil weten, vanwaar dit wezen komt, het wil +in den eenvoudigen grond, in de stille woestenij, waar nimmer +onderscheid in te schouwen was, noch Vader, noch Zoon, noch Heilige +geest, in het innige, waar niemand tehuis is, daar vindt dat licht +genoeg, en daar is het eeniger dan in zich zelven, want deze grond is +een eenvoudige stilte, die in zich zelve onbewegelijk is."—De ziel +wordt alleen daardoor volkomen zalig, "dat zij zich werpt in de woeste +godheid, waar noch werk noch beeld is, dat zij zich daar verlieze en +verzinke in de woestenij."<a name='FNanchor_743_743'></a><a href='#Footnote_743_743'><sup>[743]</sup></a></p> + +<p>Bij Tauler: "In dezen verzinkt de gelouterde, verklaarde geest in de +goddelijke duisternis, in een stille zwijgen en in een onbegrijpelijk en +onuitsprekelijk vereeren, en in dit inzinken wordt verloren alle gelijk +en ongelijk, en in dezen afgrond verliest de geest zichzelven en weet +van God noch van zich zelven, noch gelijk noch ongelijk, noch van niets +iets, want hij is gezonken in Gods eenigheid en heeft verloren alle +onderscheiden."<a name='FNanchor_744_744'></a><a href='#Footnote_744_744'><sup>[744]</sup></a></p> +<a name='374'></a> +<p>Bij Ruusbroec worden al de middelen tot uitdrukking van de mystische +beleving nog plastischer aangewend dan bij de Duitschers.</p> + +<div class='poem'> "Roept dan alle met openre herten: +<span>O gheweldich slont!<br /></span> +<span>Al sonder mont,<br /></span> +<span>Voere ons in dinen afgront;<br /></span> +<span>Ende make ons dine minne cont."<br /></span> +</div> + +<p>Het genieten van de zaligheid der vereeniging met God "is wilt ende +woeste, alse een verdolen; want daer en is wise, noch wech, noch pat, +noch zate, noch mate." "Daer in selen wi sijn ons selven onthoecht, +ontsonken, ontbreit ende ontlingt (opheffing van alle ruimte- +voorstellingen) in ene ewighe verlorenheit sonder wederkeer." +<a name='FNanchor_745_745'></a><a href='#Footnote_745_745'><sup>[745]</sup></a> De genieting der zaligheid is zoo groot, "dat God ende alle +heylighen ende dese hoghe menschen (die haar beleven) hierin verswolghen +sijn in onwisen, dat is in een niet weten ende in ene ewighe +verlorenheit."<a name='FNanchor_746_746'></a><a href='#Footnote_746_746'><sup>[746]</sup></a> God geeft de weelde der zaligheid aan allen gelijk, +"maer die se ontfaen die sijn onghelijc: nochtan blivet hem allen over, +na der ghebrukelicheit in der verenicheit", d.w.z. zij kunnen, wat +betreft het genieten der zaligheid in de vereeniging met God, niet alle +weelde op, die hun geschonken wordt. "Mer na der verlorenheit in der +woestinen demsterheit, daer en blivet niet over: want daer en is gheven +noch nemen, mer een simpel eenvoldich wesen. Daer is God ende alle die +verenichde in versonkenende verloren, ende<a name='375'></a> nimmermeer en moghen se hem +vinden in desen wiselosen wesene."<a name='FNanchor_747_747'></a><a href='#Footnote_747_747'><sup>[747]</sup></a></p> + +<p>Al de negaties zijn vereenigd in het volgende. "Hier na volcht die +sevende trappe (van minnen), dat edelste ende dat hoechste dat men leven +mach in tijt ende in ewicheit. Dat is, alse wi, boven al bekinnen ende +weten, in ons bevinden een grondeloes niet weten; alse wi boven alle +name die wi Gode gheven ofte creaturen, versterven ende overliden in ene +ewighe onghenaemtheit daer wi ons verliesen: ende alse wi, boven alle +oefeninghen van doechden, in ons aensien ende bevinden ewighe ledicheit, +daer nieman in werken en mach; ende boven alle salige gheeste, ene +grondelose salicheit, daer wi alle één sijn, ende dat selve één dat die +salicheit selve es, in haers selfsheit: ende alse wi aensien alle +salighe gheeste, weselic ontsonken, ontvloten ende verloren in haer +overwesen, in ene wiselose onbekende demsterheid."<a name='FNanchor_748_748'></a><a href='#Footnote_748_748'><sup>[748]</sup></a> In de eenvoudige, +wijzelooze zaligheid vergaat alle onderscheid der creaturen: "Dair +ontvallen si hem selven in ene verlorenheit, ende in onwetene sonder +gront; daer is alle claerheit wederboecht in deimsterheit, daer die drie +persone wiken der weseliker enicheit."<a name='FNanchor_749_749'></a><a href='#Footnote_749_749'><sup>[749]</sup></a></p> + +<p>Het is altijd weer de vruchtelooze poging, om alle beelden op te geven, +om uit te drukken "onsen ledighen staet, dats bloete onghebeeltheit", +dien God alleen geven kan. "Hi maect ons bloet van alle beelden, ende +trect ons in ons begin:<a name='376'></a> daer en vinden wi anders niet dan wilde, woeste, +onghebeelde bloetheit, die altoes antwoert der ewicheit."<a name='FNanchor_750_750'></a><a href='#Footnote_750_750'><sup>[750]</sup></a></p> + +<p>In deze aanhalingen uit Ruusbroec zijn ook de twee laatste +beschrijvingsmiddelen reeds uitgeput: het licht, dat in duister +verkeert, en de zuivere negatie, het afzien van alle weten. Het innigst +heimelijke wezen Gods zijn duisternis te noemen, was reeds van den +Pseudo-Areopagiet. En zijn naamgenoot, bewonderaar en commentator, de +Kartuizer, werkt dien term uit. "En de alleruitmuntendste, onmetelijke, +onzichtbare volheid zelve van uw eeuwig licht wordt de goddelijke +duisternis genoemd, waarin gij gezegd wordt te wonen, die de +duisternissen tot uw schuilplaats stelt."<a name='FNanchor_751_751'></a><a href='#Footnote_751_751'><sup>[751]</sup></a> "En de goddelijke +duisternissen zelve zijn bedekt voor alle licht en verborgen voor alle +gezicht, wegens den onomschrijfelijken en ondoordringbaren glans der +eigen klaarheid." De duisternis is het niet weten, het ophouden van alle +begrip: "Hoe meer de geest uw overschitterend goddelijk licht nadert, +hoe voller hem uw onbenaderbaarheid en onbegrijpelijkheid blijken, en +als hij de duisternis is ingegaan, bezwijken spoedig alle naam en alle +kennen geheel (omne nox nomen omnisque cognitio prorsus deficient). Maar +dit zal den geest zijn, u te zien: te zien, dat gij geheel onzichtbaar +zijt; en hoe klaarder hij dat ziet, hoe helderder hij u aanschouwt. Naar +deze overlichte duisternis bidden wij te mogen worden, o gezegende +Drievuldigheid, en door onzichtbaarheid en onwetendheid u te zien en te +kennen,<a name='377'></a> die boven alle gezicht en kennis zijt. Aan hen alleen verschijnt +gij, die, na al het waarneembare en begrijpbare te zijn te boven gekomen +en te hebben achtergelaten, en ook al het geschapene en desgelijks zich +zelven, intreden in de duisternis, waarin gij waarlijk zijt."<a name='FNanchor_752_752'></a><a href='#Footnote_752_752'><sup>[752]</sup></a></p> + +<p>Zooals het licht in duister verkeert, zoo verkeert het hoogste leven in +den dood. Als de ziel, zegt Eckhart, begrepen heeft, dat in het rijk +Gods geen schepsel komen kan, dan gaat de ziel haar eigen weg en zoekt +God niet meer. "Und allhie so stirbet si iren hohsten tot. In disem tot +verleuset di sele alle begerung und alle bild und alle verstentnüzz und +alle form und wirt beraubt aller wesen. Und daz seit sicher als got +lebt: als wenik mak di sele, di also geistlich tot ist, einik weis oder +einik bild vorgetragen einigen menschen. Wann diser geist ist tot und +ist begraben in der gotheit." Ziel, als ge niet u zelve verdrinkt in +deze bodemlooze zee der godheid, zoo kunt gij niet bekennen dezen +goddelijken dood.<a name='FNanchor_753_753'></a><a href='#Footnote_753_753'><sup>[753]</sup></a></p> + +<p>Het schouwen Gods door ontkenningen, zegt Dionysius elders, is +volkomener dan dat door bevestigingen. "Want wanneer ik zeg: God is +goedheid, zijn (essentia), leven, schijn ik aan te duiden, wát God is, +alsof dat hetgeen hij is, iets gemeen had met of eenigszins gelijk ware +aan het geschapene, terwijl het vaststaat, dat hij onbegrijpelijk en +onbekend,<a name='378'></a> ondoorgrondelijk en onuitsprekelijk is, en van alles wat hij +werkt, gescheiden is door een onmetelijke en geheel onvergelijkelijke +verschillendheid en uitnemendheid."<a name='FNanchor_754_754'></a><a href='#Footnote_754_754'><sup>[754]</sup></a>—De eenigende wijsheid +(sapientia unitiva) wordt geheeten onredelijk, zinneloos en dwaas.<a name='FNanchor_755_755'></a><a href='#Footnote_755_755'><sup>[755]</sup></a></p> + +<p>Hoe verwant en hoe anders toch weer klinken de klanken uit het verre +oude Indië. De leerling komt tot den meester en zegt: "Leer mij het +brahma, eerwaarde!—Gene echter zweeg stil. Toen nu de ander ten tweeden +male en ten derden male vroeg: Leer mij het brahma, eerwaarde! sprak de +meester: Ik leer het u immers, maar gij verstaat het niet: deze âtman +(het Zelf) is stil."<a name='FNanchor_756_756'></a><a href='#Footnote_756_756'><sup>[756]</sup></a> De goden willen van Prajâpati den âtman +leeren kennen. Twee en dertig jaren wonen zij bij hem als +brahma-leerlingen. Dan leert hij hun, dat het mannetje in het oog of het +spiegelbeeld in het water het Zelf is, maar hen naziende spreekt +hijzelf: Zonder het Zelf begrepen te hebben, gaan zij heen.—Na nog twee +en dertig jaren openbaart hij aan Indra op diens bedenkingen: Die daar +wandelt in den droom, dat is de âtman. En na nog eens denzelfden tijd: +Datgene wat, als de mensch is ingeslapen, weggezonken, geheel tot rust +gekomen, geen droom meer aanschouwt, dat is het Zelf.<a name='FNanchor_757_757'></a><a href='#Footnote_757_757'><sup>[757]</sup></a>—"Hij +echter, de âtman is niet zoo en niet zoo"; de gansche reeks van +tegengestelde ontkenningen wordt uitgeput, om zijn wezen te verklaren. +"Gelijk iemand, door een geliefde vrouw omstrengeld, geen bewustzijn +heeft van wat buiten of binnen is<a name='379'></a>, zoo heeft ook de geest, door het +uit-erkennen-bestaande Zelf omstrengeld, geen bewustzijn van wat buiten +of binnen is. Dat is zijn wezensvorm, gestild van verlangen, zelf zijn +verlangen, zonder verlangen, gescheiden van leed. Dan is vader +niet-vader, moeder niet-moeder, wereld niet-wereld...."<a name='FNanchor_758_758'></a><a href='#Footnote_758_758'><sup>[758]</sup></a></p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Was de verbeelding overwonnen?—Zonder beeld en metafoor kan geen enkele +gedachte worden uitgedrukt, en van het onkenbare wezen der dingen +gezegd, is ieder woord beeld. Van het hoogste en innigst begeerde enkel +in negaties te kunnen spreken, bevredigt het gemoed niet, en telkens als +de wijze is uitgepraat, moet de dichter weer komen. Het zoete lyrische +gemoed van Suso vond van de sneeuwtoppen van het schouwen altijd weer +den weg terug naar de bloemrijke verbeeldingen der oudere Bernardijnsche +mystiek. Midden in de ekstase der hoogste contemplatie keert al de kleur +en vorm der allegorie terug. Suso ziet de eeuwige Wijsheid, zijn +geliefde: "Si swepte hoh ob ime in einem gewülkten throne (hemel): sie +luhte als der morgensterne, und schein als diu spilndiu sunne; ire krone +waz ewikeit, ire wat waz selikeit, ire wort süzzekeit, ire umbfang alles +lustes gnuhsamkeit: si waz verr und nahe, hoh und nider; si waz +gegenwürtig und doch verborgen; si liess mit ir umbgan, und moht si doch +nieman begriffen."<a name='FNanchor_759_759'></a><a href='#Footnote_759_759'><sup>[759]</sup></a></p> + +<p>Er waren nog andere wegen terug van de eenzame hoogten der individueele, +vorm- en beeldlooze mystiek.<a name='380'></a> Men bereikte die hoogten slechts door het +smaken van het liturgisch-sacramenteele mysterie heen: eerst het ten +volle doorvoeld hebben van het symbolisch-aesthetische wonder der +dogma's en sacramenten stelde in staat, om alle beeldvormen af te +schudden en op te stijgen naar het begriploos schouwen van het al-eene. +Maar de geest kon die helderheid niet genieten, wanneer en zoo vaak hij +wilde; en dan wachtte beneden altijd weer de Kerk, met haar wijs en +spaarzaam systeem van mysterie. De Kerk immers had de aanraking van den +geest met het goddelijke in haar liturgie gecondenseerd en +geïntensifieerd tot de beleving van bepaalde oogenblikken, en vorm en +kleur gegeven aan het mysterie. Daarom heeft zij de teugellooze mystiek +altijd overleefd: zij spaarde energie. De Kerk liet de bloeiendste +vervoeringen van aesthetische mystiek gerustelijk toe, maar zij vreesde +de ware, woeste mystiek, waarin alles waaruit zij was opgebouwd: haar +harmonisch symbolisme, haar dogma's en sacramenten, vervlamde en +verteerde.</p> + +<p>"De eenigende wijsheid is onredelijk, zinneloos en dwaas." Het pad van +den mysticus leidt in de oneindigheid binnen en in de bewustzijnsloosheid. +Door het ontkennen van alle wezensgelijkheid tusschen de godheid en al het +afzonderlijke en benoembare is elke werkelijke transcendentie opgeheven; +de brug naar het leven terug is afgebroken. "Alle crêatûre sint ein +lûter niht. Ich spriche niht, daz sie kleine sîn oder iht sîn: sie sind +ein lûter niht. Swaz niht wesens hât, daz ist niht. Alle crêatûre hânt +kein wesen, wan ir wesen swebet an der gegenwertikeit gotes."<a name='FNanchor_760_760'></a><a href='#Footnote_760_760'><sup>[760]</sup></a> +<a name='381'></a>De intensieve mystiek beduidt een terugkeer tot een prae-intellectueel +zieleleven. Alles van beschaving gaat er in te loor, wordt overwonnen en +overbodig. Indien de mystiek niettemin voor de cultuur rijke vruchten +draagt, dan is het, omdat zij steeds door voorbereidende staten heen +opklimt, en eerst gaandeweg alle levensvorm en cultuur afwerpt. Haar +vruchten voor de beschaving draagt zij in haar aanvangstrappen, beneden +de boomgrens. Daar bloeit de boomgaard van de zedelijke volmaking, die +als voorbereiding van elken schouwende gevorderd wordt: de vrede en +zachtmoedigheid, de demping der begeerte, de eenvoud, matigheid, +arbeidzaamheid, ernst en innigheid. Zoo is het in Indië geweest en zoo +hier: de aanvangswerking der mystiek is een moreele en praktische. Zij +is bovenal de beoefening van daadwerkelijke naastenliefde. Al de groote +mystieken hebben die praktische werkzaamheid ten zeerste geprezen: heeft +niet Meister Eckhart zelf Martha boven Maria gesteld,<a name='FNanchor_761_761'></a><a href='#Footnote_761_761'><sup>[761]</sup></a> en gezegd, +dat men zelfs de ekstase van Paulus moest laten varen, als men een arme +met een soepje kon helpen? Van hem over zijn leerling Tauler gaat de +lijn der mystiek steeds meer naar de waardeering van het praktische +element: ook Ruusbroec verheft den stillen nederigen arbeid, en +Dionysius de Kartuizer is de volkomen vereeniging in één persoon van den +praktischen zin voor het dagelijksch godsdienstleven en het heftigste +individueele mysticisme. Het is in de Nederlanden, dat de begeleidende +verschijnselen der mystiek: moralisme, piëtisme, liefdadigheid en +arbeidzaamheid, hoofdzaak worden; dat zich uit de intensieve mystiek +<a name='382'></a>voor het onttrokken oogenblik van enkelen de extensieve mystiek voor +iederen dag van velen ontplooit: de duurzame gezamenlijke innigheid der +moderne devoten in plaats van de eenzame en zeldzame ekstase. De +nuchtere mystiek, als men niet valt over een woord.</p> + +<p>In de Fraterhuizen en de kloosters der Windesheimer congregatie is over +het stille dagelijksch werk de glans gegoten van de voortdurend +bewustgehouden religieuze innigheid. Het hevig lyrische en het +teugelloos opstreven is prijsgegeven, en daarmee ook het gevaar van +geloofsafwijking geweken; de broeders en zusters zijn volkomen +rechtgeloovig en conservatief. Het was mystiek en détail: men had maar +"een inslag gekregen", "een vonkske ontvangen", en beleefde in den +engen, stillen, nederigen kring de vervoering in vertrouwelijken +geestelijken omgang, in briefwisseling en zelfbeschouwing. Het gevoels- +en gemoedsleven werd als een kasplant gekweekt; er heerschte veel klein +puritanisme, geestelijke dressuur, verstikking van den lach en de +gezonde aandriften, veel piëtistische onnoozelheid.</p> + +<p>Doch uit dien kring is de <i>Imitatio</i> voortgekomen. Hier is de man, die +geen theoloog was en geen humanist, geen wijsgeer en geen dichter, en +eigenlijk ook geen mysticus, en die het boek schreef, dat eeuwen +vertroosten zou. Thomas a Kempis, de stille, eenzelvige, vol teerheid +voor het miswonder en met de smalste opvattingen van het godsbestuur, +kende niets van de felle verontwaardiging over kerkbestuur of +wereldleven, zooals het de preekers bezielde, niets van het alzijdig +streven van Gerson, Dionysius of Nicolaas van Cusa, niets van de +breughelsche fantazie van Johannes Brugman of het bonte symbolisme van +Alain de la Roche.<a name='383'></a> Hij zocht maar de rust in alle dingen, en vond haar +"in angello cum libello". "O quam salubre quam iucundum et suave est +sedere in solitudine et tacere et loqui cum Deo!"<a name='FNanchor_762_762'></a><a href='#Footnote_762_762'><sup>[762]</sup></a> En zijn boek van +eenvoudige levenswijsheid en stervenswijsheid voor het begeven gemoed +werd een boek van alle tijden. Hier was alle neoplatonistische mystiek +weer opgegeven, en enkel de stemming van den geliefden schrijver Bernard +van Clairvaux de grondslag. Er is geen philosophische ontwikkeling van +gedachten; er staan slechts een aantal hoogst eenvoudige gedachten in +spreukvorm om een centraal punt gegroepeerd; elke loopt in een kort +zinnetje af; er is geen subordinatie en nauwelijks correlatie van +gedachten. Er is niets van de lyrische siddering van Heinrich Suso of +van de strakke fonkeling van Ruusbroec. Met haar geklingel van +evenwijdig voortloopende zinnen en matte assonanties zou de <i>Imitatio</i> +dubbel proza zijn, wanneer niet juist dat eentonige rythme haar maakte +als de zee op een zachten regenavond, of het zuchten van den wind in den +herfst. Hier is geen kracht, geen élan, geen diepte en volheid; het is +alles effen en gedrukt, alles en mineur: er is slechts vrede, rust, stil +gelaten verwachting en troost. "Taedet me vitae temporalis."<a name='FNanchor_763_763'></a><a href='#Footnote_763_763'><sup>[763]</sup></a></p> + +<p>Eén ding heeft het meest boeddhistische werk van het christendom, het +boek voor de vermoeiden van alle eeuwen, gemeen met de voortbrengselen +der hevige mystiek. Ook hier was de verbeelding, zoover dat mogelijk +was, overwonnen, het kleurige gewaad van schitterende symbolen afgelegd. +En daarom zit ook de <i>Imitatio</i> niet vast aan een cultuur-tijdperk; +<a name='384'></a>evenals de ekstatische schouwingen van het al-eene leidt zij af van alle +cultuur. Zij hoort tot geen bijzonder beschavingstijdperk. Vandaar +zoowel haar twee duizend uitgaven, als de mogelijkheid van een twijfel +omtrent den auteur en den tijd van ontstaan, die twee eeuwen verschil +toeliet. Thomas had het "Ama nesciri" niet vergeefs gezegd.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='XI'></a>XI</h2> +<a name='385'></a> +<h3>DE DENKVORMEN IN DE PRAKTIJK</h3> +<br /> + +<p>Men moet de hechte vormen van het denken niet enkel bestudeeren aan de +voorstellingen van het geloof en de hoogere bespiegeling, maar evengoed +aan die van de dagelijksche levenswijsheid en de nuchtere praktijk. Dan +eerst kan de middeleeuwsche geest als een eenheid en een geheel worden +gezien. Want het zijn dezelfde groote denkrichtingen, die zijn hoogere +en zijn lagere uitingen beheerschen. En terwijl op het gebied van geloof +en bespiegeling steeds de vraag aan de orde blijft, in hoeverre de +gedachtenvormen resultaat en weerklank zijn van een lange schriftelijke +traditie, die tot in Grieksche en Joodsche, ja Egyptische en +Babylonische oorsprongen reikt, ziet men ze in het gewone leven naïef en +spontaan werken, onbeladen met het gewicht van neoplatonisme en wat niet +al.</p> + +<p>In het dagelijksch leven denkt de middeleeuwsche mensch in dezelfde +vormen als in zijn theologie. De grondslag is zoo hier als daar dat +architecturale idealisme, dat de scholastiek realisme noemde: de +behoefte om elke notie af te zonderen en vorm te geven als een +wezenheid, en om ze samen te schikken in hiërarchische verbanden, er +altijd weer tempels en kathedralen van te bouwen, als een kind, dat met +blokken speelt.</p> + +<p>Alles wat zich in het leven een vaste plaats verovert, wat levensvorm +wordt, geldt als geordineerd, zoo goed als de hoogste dingen in het +goddelijke wereldplan. Zeer duidelijk openbaart zich dit bijvoorbeeld in +de opvatting van de regelen der hofetikette bij de beschrijvers van den +hofstaat,<a name='386'></a> als Olivier de la Marche en Alienor de Poitiers. De oude dame +beschouwt die regelen als wijze wetten, in de hoven der koningen +oudtijds met keuze en oordeel verordineerd, in acht te nemen voor alle +komende tijden. Zij spreekt ervan als van de wijsheid der eeuwen: "et +alors j'ouy dire aux anciens qui sçavoient...." Zij ziet de tijden +ontaarden: sedert een jaar of tien zetten sommige dames in Vlaanderen +het kraambed voor het vuur, "de quoy l'on s'est bien mocqué"; vroeger +deed men dat nooit; waar moet het heen? "mais un chacun fait à cette +heure à guise: par quoy est à doubter, que tout ira mal".<a name='FNanchor_764_764'></a><a href='#Footnote_764_764'><sup>[764]</sup></a></p> + +<p>La Marche stelt zich en den lezer gewichtige vragen omtrent de +redelijkheid van al die deftige dingen: waarom heeft de "fruitier" +meteen de verlichting, "le mestier de la cire", onder zijn departement? +Het antwoord luidt: omdat de was door de bijen uit de bloemen wordt +getrokken, waarvan ook de vruchten komen: "pourquoy on a ordonné très +bien ceste chose".<a name='FNanchor_765_765'></a><a href='#Footnote_765_765'><sup>[765]</sup></a> De sterke middeleeuwsche neiging, om voor +iedere functie een orgaan te scheppen, is niet anders dan een +uitvloeisel van de denkwijze, die aan elke qualiteit zelfstandigheid +toekende, haar als idee zag. De koning van Engeland had onder zijn +"magna sergenteria" een ambt, om 's konings hoofd vast te houden, als +hij het Kanaal overstak, en zeeziek werd; het werd in 1442 bekleed door +zekeren John Baker, van wien het erfde op zijn beide dochters.<a name='FNanchor_766_766'></a><a href='#Footnote_766_766'><sup>[766]</sup></a></p> +<a name='387'></a> +<p>Onder hetzelfde licht valt te beschouwen de gewoonte, om alle dingen, +ook de levenlooze, namen te geven. Het is, hoe verbleekt ook, een trek +van primitief anthropomorphisme, wanneer ook thans nog in het +krijgsleven, dat in vele opzichten den terugkeer tot een primitieve +levenshouding beduidt, kanonnen namen krijgen. In de Middeleeuwen is die +trek veel sterker: gelijk de zwaarden in den ridderroman hebben de +bombarden in de oorlogen der 14<sup>e</sup> en 15<sup>e </sup>eeuw hun namen: "le Chien +d'Orléans, la Gringade, la Bourgeoise, de Dulle Griete". Als een +survival dragen thans nog de beroemde diamanten hun naam, zooals de +juweelen van Karel den Stoute alle benaamd zijn: "le sancy, les trois +frères, la hote, la balle de Flandres". Wanneer in onzen tijd de schepen +hun naam behouden hebben, maar de huizen en de klokken niet, dan is het +eensdeels, omdat het schip van plaats verandert en te allen tijde moet +kunnen worden geïdentificeerd, maar toch ook wel omdat het schip iets +persoonlijkers heeft behouden dan het huis, wat ook in het "she" van het +Engelsche spraakgebruik is uitgedrukt. Die persoonlijke opvatting der +levenlooze dingen moet men zich in de Middeleeuwen als veel sterker +voorstellen: in de Middeleeuwen kreeg elk ding zijn naam: de cachotten +der kerkers zoo goed als elk huis en elke klok.</p> + +<p>Aan alle dingen wordt gezocht naar de "moraliteit", zooals de +middeleeuwer zeide, als het meest wezenlijke ervan. Elk historisch of +litterair geval heeft de neiging, om te kristalliseeren tot een parabel, +een moreel voorbeeld, een bewijsnummer; elke uitspraak tot een +sententie, een tekst, een spreuk. Evenals de heilige symbolische +verbanden tusschen het Nieuwe en het Oude Testament ontstaan er moreele +verbanden,<a name='388'></a> waardoor aan elk levensgeval terstond de spiegel kan worden +voorgehouden van een voorbeeld, een type uit de schrift, de geschiedenis +of de litteratuur. Om iemand tot vergeving te bewegen, somt men +bijbelsche gevallen van vergiffenis op. Om voor het huwelijk te +waarschuwen, rangschikt men al de ongelukkige huwelijken, waarvan de +Oudheid spreekt. Jan zonder Vrees vergelijkt, om den moord op Orleans te +verontschuldigen, zichzelven met Joab en zijn slachtoffer met Absalom, +en prijst zich beter dan Joab, want de koning had den doodslag niet +uitdrukkelijk verboden. "Ainssy avoit le bon duc Jehan attrait ce fait à +moralité."<a name='FNanchor_767_767'></a><a href='#Footnote_767_767'><sup>[767]</sup></a>—Het is als 't ware een ruime en naïeve toepassing van +het jurisprudentiebegrip, dat immers zelf in het hedendaagsche +rechtsleven een residu van verouderde denkvormen begint te worden.</p> + +<p>Elk ernstig betoog grondt zich gaarne op een tekst als steun- en +uitgangspunt: de twaalf proposities voor en tegen de onttrekking van +gehoorzaamheid aan den paus van Avignon, waarmee in 1406 te Parijs op +het nationaal concilie de zaak van het schisma wordt bepleit, gaan ieder +uit van een schriftwoord.<a name='FNanchor_768_768'></a><a href='#Footnote_768_768'><sup>[768]</sup></a> Ook een wereldlijk feestredenaar kiest, +zoo goed als een prediker, zijn tekst.<a name='FNanchor_769_769'></a><a href='#Footnote_769_769'><sup>[769]</sup></a></p> + +<p>Geen duidelijker voorbeeld van al de genoemde trekken dan het beruchte +pleidooi, waarmede meester Jean Petit den hertog van Bourgondië trachtte +te rechtvaardigen wegens den moord op Lodewijk van Orleans.</p> +<a name='389'></a> +<p>Het was ruim drie maanden geleden, dat 's konings broeder des avonds +door de gehuurde sluipmoordenaars, die Jan zonder Vrees tevoren in een +huis in de Rue vieille du Temple gehuisvest had, was neergestooten. De +Bourgondiër had eerst bij de lijkplechtigheid grooten rouw gedreven, +daarna, toen hij zag, dat het onderzoek zich zou uitstrekken tot in zijn +hotel d'Artois, waar hij de moordenaars verborgen hield, had hij in den +raad zijn oom Berry ter zijde genomen en hem bekend, dat hij door +inblazing des duivels den moord had laten plegen. Hij was daarop uit +Parijs gevlucht naar Vlaanderen. Te Gent had hij reeds een eerste +rechtvaardiging van zijn euveldaad laten uitspreken; thans keerde hij +naar Parijs terug, vertrouwend op den haat, die alom Orleans gegolden +had, en zijn eigen populariteit bij het volk van Parijs, dat hem +inderdaad ook nu nog blijde inhaalde. De hertog had te Amiens raad +gepleegd met twee mannen, die op de kerkvergadering te Parijs in 1406 +zich onder de sprekers opmerkelijk hadden gemaakt: meester Jean Petit en +Pierre aux Boeufs. Aan hen was opgedragen, het Gentsche pleidooi van +Simon de Saulx uit te werken, om het als een indrukwekkende +rechtvaardiging voor te dragen voor de prinsen en hooge heeren te +Parijs.</p> + +<p>Daarmede verscheen nu meester Jean Petit, godgeleerde, preeker en +dichter, den 8<sup>sten</sup> Maart 1408 in het hotel de Saint Pol te Parijs +voor het luisterrijke gehoor, waarin de dauphin, de koning van Napels, +de hertogen van Berry en Bretagne de eersten waren. Hij begon met +gepaste nederigheid: hij arme was theoloog noch jurist, "une très grande +paour me fiert au cuer, voire si grande, que mon engin et ma mémoire +s'en fuit, et ce peu de sens que je cuidoie avoir, m'a jà du tout +laissé."<a name='390'></a> Dan ontplooit hij het kunstwerk van de zwartste politieke +boosaardigheid, dat zijn geest in strengen stijl gebouwd had op den +tekst: Radix omnium malorum cupiditas. Op schoolsche onderscheidingen en +neventeksten is het geheel kunstig gedisponeerd; verlucht met exempelen +uit de schrift en de historie; het krijgt een duivelsche levendigheid en +een romantische spanning door de kleurige uitvoerigheid, waarmee de +pleiter de snoodheden van den verslagene beschrijft. Het begint met de +opsomming van twaalf verplichtingen, waardoor de hertog van Bourgondië +gehouden was, den koning van Frankrijk te eeren, te beminnen en te +wreken. Dan beveelt hij zich aan in de hulp van God, de Maagd en Sint +Jan den Evangelist, om het eigenlijke betoog te beginnen: verdeeld in +een major, een minor en een conclusie. Nu stelt hij zijn tekst voorop: +Radix omnium malorum cupiditas. Daaruit worden twee toepassingen +afgeleid: de begeerte maakt afvalligen, zij maakt verraders. Deze +boosheden van apostasie en verraad worden verdeeld en onderverdeeld en +daarna gedemonstreerd aan drie voorbeelden. Als de archetypen van den +verrader rijzen Lucifer, Absalom en Athalia voor de verbeelding der +hoorders op. Dan volgt de opstelling van acht waarheden, die den +tyrannenmoord rechtvaardigen: wie tegen den koning conspireert, verdient +dood en verdoemenis; hoe hooger hij staat, hoeveel te meer; ieder mag +hem dooden. "Je prouve ceste verité par douze raisons en l'honneur des +douze apostres": drie uitspraken van doctores, drie van philosophi, drie +van juristen en drie uit de schrift. Zoo gaat het voort, tot de acht +waarheden compleet zijn: een citaat uit <i>De casibus virorum illustrium</i> +van "le philosophe moral Boccace"<a name='391'></a> wordt aangehaald, om te bewijzen, dat +men den tyran mag aanvallen uit een hinderlaag. Uit de acht waarheden +volgen acht "correlaria" met een negende als toegift, waarin met +toespelingen geduid werd op al de geheimzinnige gebeurtenissen, waarin +de laster en de argwaan aan Orleans een gruwelijke rol hadden toegekend. +Al de oude verdenkingen, die den hoogstrevenden en losbandigen prins van +zijn jonge jaren af hadden vervolgd, werden tot gloeihitte weer +opgerakeld: hoe hij in 1392 de opzettelijke aanlegger was geweest van +het rampzalige "bal des ardents", toen zijn broeder de jonge koning +ternauwernood was ontkomen aan den jammerlijken vuurdood van zijn +gezellen in hun vermomming als wildemannen, door een onvoorzichtig +bijgehouden toorts geraakt. Orleans' samensprekingen in het klooster der +Celestijnen met "den toovenaar" Philippe de Mézières leverden de stof +tot allerlei zinspelingen op moordplannen en giftmengerij. Zijn algemeen +bekende gehechtheid aan tooverkunsten geeft aanleiding tot de +levendigste gruwelverhalen: hoe Orleans op een Zondagmorgen met een +afvalligen monnik, een ridder, een knape en een knecht naar la Tour +Montjay aan de Marne reed; hoe de monnik daar twee duivelen deed +verschijnen, gekleed in bruin-groen en geheeten Heremas en Estramain, +die een degen, een dolk en een ring van een helsche wijding voorzagen, +waarop het gezelschap een gehangene van de galg van Montfaucon ging +halen enz. Tot uit den zinneloozen praat van den waanzinnigen koning +wist meester Jan sinisteren zin te puren.</p> + +<p>Nadat aldus eerst de beoordeeling op het niveau van het algemeen- +zedelijke was verheven,<a name='392'></a> door de zaak te stellen in het licht der +schriftuurlijke modellen en moreele sententiën, en vervolgens de stemming +van afgrijzen en huivering kunstig is gaande gemaakt, breekt in de minor, +die stuk voor stuk de geledingen van de major volgt, de stroom van +regelrechte beschuldigingen los. De hartstochtelijke partijhaat doet den +aanval op de nagedachtenis van den vermoorde met al de hevigheid, waartoe +de toomelooze geest in staat was.</p> + +<p>Vier uren lang was Jean Petit aan 't woord, en toen hij uitgesproken +had, sprak zijn lastgever, de hertog van Bourgondië: "Je vous avoue". +Er werden van de justificatie vier kostbare boekjes gemaakt, gebonden in +geperst leer, verlucht met goud en miniaturen, voor den hertog en zijn +naaste verwanten. Een daarvan wordt nog te Weenen bewaard. Ook was het +vertoog te koop.<a name='FNanchor_770_770'></a><a href='#Footnote_770_770'><sup>[770]</sup></a></p> + +<p>De behoefte, om elk levensgeval uit te beelden tot een moreel voorbeeld, +elk oordeel af te zonderen tot een sententie, waardoor het iets +substantieels en onaantastbaars krijgt, kortom dat kristallisatieproces +der gedachte, vindt haar meest algemeene en natuurlijke uiting in het +spreekwoord. Het spreekwoord neemt in de middeleeuwsche gedachte een +zeer belangrijke plaats in. Het treedt als 't ware in concurrentie met +de heilige schrift. Tegenover de onbereikbare verhevenheid der +bijbelsche moraal handhaaft in het spreekwoord de nuchtere, +laag-bij-den-grondsche, baatzuchtige levenswijsheid haar gezag. +Tegenover de jammerklacht over de aardsche zondigheid en verdorvenheid +stelt de volkswijsheid in het spreekwoord haar nuchtere,<a name='393'></a> goedmoedige, +ironische berusting in de slechtheid der wereld. Uit het spreekwoord +klinkt de diepe genoegzaamheid, die grenst aan de wijsheid van hen, die +de wereld tot den grond hebben gepeild, en haar aanzien met een +glimlach; de weldadige wijsheid van het spreekwoord ligt in zijn +resignatie. "Les grans poissons mangent les plus petis."—"Les mal +vestus assiet on dos au vent." Daar ligt de sociale rechtvaardigheid. +"Nul n'est chaste si ne besongne" (als het niet noodig is). "Il n'est si +ferré qui ne glice" (niemand zoo goed beslagen, dat hij niet uitglijdt). +"L'homme est bon tant qu'il craint sa peau". "Au besoing on s'aide du +diable". Daar ligt de moraal. "Moyen dueil vault mieux que trop joye". +"Chascun a chose qui le myne". "Le jeu vault tant comme on y met". "Trop +quiert (begeert) qui veult happer la lune".</p> + +<p>Het is verbazend, welk een aantal spreekwoorden er in de late +Middeleeuwen gangbaar zijn geweest.<a name='FNanchor_771_771'></a><a href='#Footnote_771_771'><sup>[771]</sup></a> In hun alledaagsche geldigheid +sluiten zij zoo goed aan bij den gedachteninhoud der litteratuur, dat de +dichters van dien tijd er een druk gebruik van maken. Zeer in trek is +bij voorbeeld het gedicht, waarvan elke strofe eindigt met een +spreekwoord. Een ongenoemde wijdt in zulk een vorm een schimpdicht aan +den gehaten prévôt van Parijs, Hugues Aubriot, bij diens smadelijken +val.<a name='FNanchor_772_772'></a><a href='#Footnote_772_772'><sup>[772]</sup></a> Vervolgens komt Alain Chartier met zijn <i>Ballade de Fougères</i> +<a name='FNanchor_773_773'></a><a href='#Footnote_773_773'><sup>[773]</sup></a> Molinet met verschillende stukken uit zijn <i>Faictz et Dictz</i>, +<a name='FNanchor_774_774'></a><a href='#Footnote_774_774'><sup>[774]</sup></a> +<a name='394'></a> Coquillart's <i>Complaincte de Eco</i>,<a name='FNanchor_775_775'></a><a href='#Footnote_775_775'><sup>[775]</sup></a> Villon's ballade, geheel +uit spreekwoorden opgebouwd.<a name='FNanchor_776_776'></a><a href='#Footnote_776_776'><sup>[776]</sup></a> Ook <i>Le passé temps d'oysiveté</i> van +Robert Gaguin<a name='FNanchor_777_777'></a><a href='#Footnote_777_777'><sup>[777]</sup></a> hoort ertoe; de 171 strofen eindigen op enkele na +met een passend spreekwoord. Of zijn deze spreekwoordachtige zedelijke +uitspraken (waarvan ik maar enkele weervind in de mij bekende collecties +van spreekwoorden) eigen gedachten van den dichter? In dat geval zou +het nog sterker bewijs zijn, welk een levende functie in het laat- +middeleeuwsche denken aan het spreekwoord, dat is aan het afgeronde, +geijkte, algemeen verstaanbare oordeel, toekwam, indien wij ze hier in +onmiddellijke aansluiting bij een gedicht uit den geest van een +individueelen dichter zien ontstaan.</p> + +<p>Zelfs de preek versmaadt naast de heilige teksten het spreekwoord niet, +en het ernstig betoog in staats- of kerkvergaderingen maakt er een ruim +gebruik van. Gerson, Jean de Varennes, Jean Petit, Guillaume Fillastre, +Olivier Maillard brengen in hun preeken en oraties de meest alledaagsche +spreekwoorden tot sterking van hun betoog te pas: "Qui de tout se tait, +de tout a paix, Chef bien peigné porte mal bacinet (helm), D'aultrui +cuir large courroye, Qui commun sert, nul ne l'en paye, Qui est tigneux, +il ne doit pas oster son chaperon."<a name='FNanchor_778_778'></a><a href='#Footnote_778_778'><sup>[778]</sup></a>—Ja, er is zelfs een schakel +tusschen het spreekwoord en de <i>Imitatio</i>, die immers naar den vorm +berust op de spreukenverzamelingen of rapiaria,<a name='395'></a> waarin men wijsheid van +allerlei aard en herkomst placht te vergaren.</p> + +<p>Er zijn in de latere Middeleeuwen tal van schrijvers, wier kracht van +oordeel zich eigenlijk niet boven het spreekwoord verheft, dat zij dan +ook voortdurend toepassen. Een kroniekschrijver uit het begin der +veertiende eeuw, Geoffroi de Paris, doorspekt zijn berijmd +geschiedverhaal met spreekwoorden, die de moraal van het gebeurde geven, +<a name='FNanchor_779_779'></a><a href='#Footnote_779_779'><sup>[779]</sup></a> en daaraan doet hij wijzer dan Froissart en <i>Le Jouvencel</i>, wier +sententies van eigen maaksel dikwijls als halfgare spreekwoorden +uitvallen: "Enssi aviennent li fait d'armes: on piert une fois et +l'autre fois gaagn'on." "Or n'est-il riens dont on ne se tanne." "On +dit, et vray est, que il n'est chose plus certaine que la mort."<a name='FNanchor_780_780'></a><a href='#Footnote_780_780'><sup>[780]</sup></a></p> + +<p>Een soortgelijke kristallisatievorm der gedachte als het spreekwoord is +het devies, dat in de laatste Middeleeuwen met bijzondere voorliefde +gecultiveerd wordt. Het is geen wijsheid van algemeene strekking, zooals +het spreekwoord, maar een persoonlijke aansporing of levensles, die door +den drager tot een teeken is verheven, dat hij met gouden letters in +zijn leven zelf aanbrengt, een les, die door de gestyleerde herhaling, +waarmee zij op al de stukken van garderobe en uitrusting wederkeert, +hem en de anderen moet suggereeren en vast houden. De stemming van de +deviezen is veelal een van berusting, evenals bij het spreekwoord, van +verwachting, soms met een onuitgesproken element,<a name='396'></a> dat ze geheimzinnig +moest maken: "Quand sera ce? Tost ou tard vienne, Va oultre, Autre fois +mieulx, Plus dueil que joye." Verreweg de meeste hebben betrekking op de +liefde: "Aultre naray, Vostre plaisir, Souvienne vous, Plus que toutes." +Dat zijn ridderlijke spreuken, op dekkleed en wapenrusting aangebracht. +Op de ringen stonden zij met intiemer klank: "Mon cuer avez, Je le +desire, Pour tousjours, Tout pour vous."</p> + +<p>Met de emblemen, die het devies òf zichtbaar illustreeren òf ermee in +los verband van zin staan, maken de zinspreuken deel uit van de +heraldische gedachtensfeer. Het blazoen is voor den middeleeuwer meer +dan een genealogische liefhebberij. De wapenfiguur krijgt voor zijn +geest een waarde, welke nadert tot die van een totem.<a name='FNanchor_781_781'></a><a href='#Footnote_781_781'><sup>[781]</sup></a> De leeuwen, +de leliën, de kruisen worden symbolen, waarin een heel complex van trots +en streven, aanhankelijkheid en gemeenschapsgevoel in beeld is +uitgedrukt, gemarkeerd als een zelfstandig, ondeelbaar ding.</p> + +<p>De behoefte, om elk geval te isoleeren als een zelfstandig bestaand +iets, het te zien als idee, uit zich in de Middeleeuwen in een sterke +neiging tot casuïstiek. Deze vloeit al weer voort uit het ver strekkende +idealisme. Aan elke vraag, die zich voordoet, moet een ideale oplossing +eigen zijn; deze is gegeven, zoodra men de juiste betrekking heeft +erkend tusschen het aanwezige geval en de eeuwige waarheden, en die +betrekking wordt afgeleid uit de toepassing van formeele regels op de +feiten. Niet alleen vragen van zedelijkheid en recht vinden zoo hun +oplossing, de casuïstische beschouwing beheerscht allerlei andere +levensgebieden bovendien.<a name='397'></a> Overal waar stijl en vormen hoofdzaak zijn, +waar het spel-element van een cultuurvorm op den voorgrond treedt, viert +de casuïstiek hoogtij. Dat geldt in de eerste plaats van alles wat +ceremonieel en etikette betreft. Hier is de casuïstische beschouwing op +haar plaats; hier is zij als denkvorm adequaat aan de gestelde vragen, +immers hier zijn het enkel een reeks van gevallen, bepaald door +eerbiedwaardige precedenten en formeele regels. Hetzelfde geldt van het +wapenspel en de jacht. Gelijk vroeger reeds ter sprake kwam,<a name='FNanchor_782_782'></a><a href='#Footnote_782_782'><sup>[782]</sup></a> +schept ook de opvatting der liefde als een schoon gezelschapsspel van +stijlvolle vormen en regels de behoefte aan een uitgewerkte casuïstiek.</p> + +<p>Tenslotte hecht zich allerlei casuïstiek aan de gebruiken van den +oorlog. De sterke invloed van de ridderidee op de opvatting van den +krijg gaf ook aan dezen een element van spel. De gevallen van buitrecht, +van aanvalsrecht, van trouw aan een parool, kwamen onder het aspect van +spelregels, zooals zij golden voor tournooi en jachtvermaak. De zucht, +om in het geweld recht en regel te brengen, sproot niet zoo zeer voort +uit volkenrechtelijk instinct als uit ridderlijk besef van eer en +levensstijl. Alleen een nauwgezette casuïstiek en het opstellen van +strenge formeele regels maakten het mogelijk, het oorlogsgebruik +eenigermate in harmonie te brengen met ridderlijke standseer.</p> + +<p>Zoo vinden wij de beginselen van het volkenrecht gemengd met de +spelregels van de wapenoefening. Geoffroy de Charny legt in 1352 aan +koning Jan II van Frankrijk, in diens hoedanigheid van grootmeester +der juist door hem gestichte ridderorde van de Ster,<a name='398'></a> een reeks van +casuïstische vragen ter beslissing voor: twintig betreffen de "jouste", +eenentwintig het tournooi en drieënnegentig den oorlog.<a name='FNanchor_783_783'></a><a href='#Footnote_783_783'><sup>[783]</sup></a> Een +kwarteeuw later draagt Honoré Bonet, prior van Salon in Provence en +doctor in het canonieke recht, aan den jongen Karel VI zijn <i>Arbre des +batailles</i> op, een tractaat over oorlogsrecht, dat nog in de zestiende +eeuw, blijkens nieuwe uitgaven, van praktische waarde werd geacht.<a name='FNanchor_784_784'></a><a href='#Footnote_784_784'><sup>[784]</sup></a> +Men vindt hier bijeen en dooreen vragen van het hoogste gewicht voor het +volkenrecht en beuzelachtige kwesties, die niet veel meer dan spelregels +betreffen. Mag men de ongeloovigen zonder noodzaak beoorlogen? Bonet +antwoordt nadrukkelijk: neen, zelfs niet om hen te bekeeren. Mag een +vorst den ander den doortocht over zijn gebied weigeren? Moet het (veel +geschonden) privilege, dat de ploeger en zijn os veilig zijn voor het +oorlogsgeweld, ook uitgestrekt worden tot den ezel en den knecht?<a name='FNanchor_785_785'></a><a href='#Footnote_785_785'><sup>[785]</sup></a> +Moet een geestelijke zijn vader of zijn bisschop helpen? Wanneer men een +geleende wapenrusting in den slag verliest, is men dan teruggave +verschuldigd? Mag men slag leveren, op feestdagen? Is het beter, nuchter +slag te leveren, of na den maaltijd?<a name='FNanchor_786_786'></a><a href='#Footnote_786_786'><sup>[786]</sup></a> Voor dit alles heeft de prior +raad, uit bijbelplaatsen, canoniek recht en glosse.</p> + +<p>Een der gewichtigste punten van het krijgsgebruik was in dezen tijd +alles wat het maken van gevangenen betrof.<a name='399'></a> De losprijs voor een +aanzienlijk gevangene was voor edelman en soudenier een der +uitlokkendste beloften van den strijd. Hier was een onbeperkt veld voor +casuïstische regels gegeven. Ook hier loopen volkenrecht en ridderlijk +point d'honneur dooreen. Mogen de Franschen wegens den oorlog met +Engeland de arme kooplui, landbouwers en herders op het Engelsche gebied +gevangen nemen en hun hunne goederen ontnemen? In welke gevallen mag men +uit zijn gevangenschap ontsnappen? Wat is de waarde van een vrijgeleide? +<a name='FNanchor_787_787'></a><a href='#Footnote_787_787'><sup>[787]</sup></a>—In den biographischen roman <i>Le Jouvencel</i> worden van die +gevallen uit de praktijk behandeld. Men brengt voor den aanvoerder een +twist van twee kapiteins over een gevangene. "Ik heb hem, zegt de een, +het eerst bij zijn arm en zijn rechterhand gegrepen en hem den +handschoen afgerukt". "Maar mij, zegt de ander, heeft hij het eerst de +rechterhand en zijn woord gegeven." Beide gaf aanspraak op het kostbare +bezit, maar de laatste aanspraak wordt als de hoogere erkend. Van wien +is een gevangene, die ontvlucht en weer gevangen is? Oplossing: in het +oorlogsgebied behoort hij aan den nieuwen vanger, maar daarbuiten aan +den oorspronkelijken vanger. Mag een gevangene, die zijn woord gegeven +heeft, wegloopen, als zijn vanger hem niettemin aan een ketting legt? +Of als men verzuimd heeft, hem zijn woord te vragen?<a name='FNanchor_788_788'></a><a href='#Footnote_788_788'><sup>[788]</sup></a></p> + +<p>Naast de casuïstische denkwijze nog een ander uitvloeisel van de +middeleeuwsche neiging, om de zelfstandige waarde van een ding of een +geval te overschatten. Men kent <i>Le Testament</i> van François Villon, het +groote satirische gedicht, waarin hij al zijn hebben en houden vermaakt +aan vrienden en vijanden. <a name='400'></a>Er zijn meer van die dichterlijke Testamenten, +zooals dat van Barbeau's muilezel door Henri Baude.<a name='FNanchor_789_789'></a><a href='#Footnote_789_789'><sup>[789]</sup></a> Het is een +geijkte vorm. Deze vorm echter is slechts begrijpelijk, als men zich +herinnert, dat inderdaad de middeleeuwsche menschen gewoon waren, per +testament tot over het geringste van hun bezittingen afzonderlijk en +uitvoerig te beschikken. Een arme vrouw vermaakt aan haar parochie haar +zondagskleed en haar kap; haar bed aan haar petekind, een pels aan haar +verpleegster, haar daagsche rok aan een arme, en vier pond tournoois, +die haar vermogen uitmaakten, met nog een kleed en een kap aan de +Minderbroeders.<a name='FNanchor_790_790'></a><a href='#Footnote_790_790'><sup>[790]</sup></a> Is ook daarin niet een zeer alledaagsche uiting te +zien van dezelfde denkrichting, die ieder geval van deugdbetrachting als +een eeuwig exempel, elke gewoonte als een goddelijke ordinantie aanzag? +Het is dat kleven van den geest aan de bijzonderheid en waarde van het +enkele ding, dat als een ziekte den verzamelaar en den gierigaard +beheerscht.</p> + +<p>Al de opgesomde trekken laten zich vereenigen onder het begrip +formalisme. Het ingeschapen besef van de transcendentale wezenlijkheid +der dingen brengt mee, dat elke voorstelling in onwrikbare grenzen staat +omlijnd, geïsoleerd in een plastischen vorm, <i>en die vorm heerscht</i>. +Doodzonden en dagelijksche zonden zijn naar vaste regels te onderscheiden. +Het rechtsgevoel is muurvast, het behoeft geen oogenblik te twijfelen: +de daad richt den man, zei de oude rechtsspreuk. Bij de beoordeeling van +een daad is haar formeele inhoud nog altijd hoofdzaak. Eenmaal, in het +<a name='401'></a>primitieve recht van den oudgermaanschen tijd, was dat formalisme zoo +sterk geweest, dat de rechtspraak geen rekening hield met opzet of +onopzettelijkheid: de daad was de daad, en bracht als zoodanig de straf +mede, terwijl een niet voltooide daad, een poging tot misdrijf, +straffeloos was. Eerst langzamerhand dringt in het middeleeuwsche recht +de uitzondering door, dat men niet door een onwillekeurige verspreking +in het eedsformulier zijn recht verliest. De sporen van dat formalisme +in rechtzaken zijn ook in de latere Middeleeuwen nog voor 't grijpen.</p> + +<p>De buitengewone gevoeligheid voor de formeele eer is een verschijnsel +van die denkwijze. Te Middelburg was in 1445 heer Jan van Domburg wegens +een doodslag gevlucht in een kerk, om het asylrecht te genieten. Men +blokkeerde hem in zijn toevluchtsoord, gelijk de gewoonte was. +Herhaaldelijk zag men toen zijn zuster, een non, hem komen aansporen, +om zich liever al vechtende te laten dooden, dan de schande over zijn +geslacht te brengen van in beulshanden te vallen. En als dat tenslotte +toch is geschied, verwerft de juffer van Domburg zijn lichaam. +<a name='FNanchor_791_791'></a><a href='#Footnote_791_791'><sup>[791]</sup></a>—Bij een tournooi is het dekkleed van het paard van een edelman +versierd met 's mans wapen. Dat was zeer ongepast, vindt Olivier de la +Marche, want als het paard, "une beste irraisonnable", nu eens struikelde +en het wapen sleepte in het zand, dan was de geheele familie geblameerd. +<a name='FNanchor_792_792'></a><a href='#Footnote_792_792'><sup>[792]</sup></a>—Kort na een bezoek van den hertog van Bourgondië op Chastel en +Porcien doet aldaar een edelman in waanzin een poging tot zelfmoord. +Men is er onbeschrijfelijk ontdaan over,<a name='402'></a> "et n'en savoit-on comment +porter la honte après si grant joye demenée." Ofschoon het bekend was, +dat het in waanzin was geschied, wordt de ongelukkige, genezen, uit het +kasteel verbannen "et ahonty à tousjours."<a name='FNanchor_793_793'></a><a href='#Footnote_793_793'><sup>[793]</sup></a></p> + +<p>Een treffend voorbeeld van de plastische wijze, waarop aan een behoefte +tot herstel van geschonden eer werd voldaan, levert het volgende geval. +Te Parijs was in 1478 een zekere Laurent Guernier bij vergissing +gehangen. Hij had namelijk nog juist remissie gekregen van zijn +misdrijf, maar deze was hem niet bijtijds aangezegd. Na een jaar was +dit gebleken, en werd het lichaam op verzoek van zijn broeder eervol +begraven. Voor de baar gingen vier stadsomroepers met hun ratels, het +wapen van den doode op hun borst; rondom de baar vier kaarsen en acht +fakkeldragers in rouwgewaad en met hetzelfde wapen. Zoo ging het door +Parijs van de Porte Saint Denis tot de Porte Saint Antoine, vanwaar het +vervoer naar 's mans geboorteplaats Provins begon. Een der omroepers nu +roept voortdurend: "Bonnes gens, dictes voz patenostres pour l'âme de +feu Laurent Guernier, en son vivant demourant à Provins, <i>qu'on a +nouvellement trouvé mort soubz ung chesne</i>."<a name='FNanchor_794_794'></a><a href='#Footnote_794_794'><sup>[794]</sup></a></p> + +<p>De sterke levenskracht van het bloedwraakprincipe, dat juist in zoo +bloeiende en hoogbeschaafde streken als Noord-Frankrijk en de Zuidelijke +Nederlanden zoo welig tierde,<a name='FNanchor_795_795'></a><a href='#Footnote_795_795'><sup>[795]</sup></a> is een andere kant van dezelfde +geestesgesteldheid. Ook die wraaklust heeft iets formeels. Men overlegt +somtijds zorgvuldig,<a name='403'></a> iemand niet te dooden, en steekt hem daarom +welberaamd in dijen, armen en aangezicht; het slachtoffer moet vooral +niet zonder biecht sterven: du Clercq vertelt een geval van lieden, die +hun schoonzuster gaan vermoorden en opzettelijk een priester meebrengen. +<a name='FNanchor_796_796'></a><a href='#Footnote_796_796'><sup>[796]</sup></a></p> + +<p>Het formeele karakter van zoen en wraak brengt weer mee de bevrediging +van het ongelijk door symbolische straffen of boetedoeningen. In al de +groote politieke verzoeningen der vijftiende eeuw komt een groot gewicht +toe aan dat symbolisch element: het afbreken van de huizen, die aan het +misdrijf herinnerden, het stichten van gedenkkruisen, het toemetselen +van poorten, om van openbare boetceremoniën en het stichten van +zielmissen en kapellen niet te spreken. Zoo bij den eisch der Orleansen +tegen Jan zonder Vrees, zoo bij den vrede van Atrecht in 1435, bij den +zoen van het oproerige Brugge in 1437, en den zwaarderen zoen van het +opstandige Gent in 1453, waar de lange stoet, geheel in 't zwart, zonder +gordels, blootshoofds en barrevoets, de hoofdschuldigen in het hemd +vooraan, optrekt in den stortregen, om allen te zamen voor den hertog +pardon te roepen.<a name='FNanchor_797_797'></a><a href='#Footnote_797_797'><sup>[797]</sup></a>—Bij de verzoening met zijn broeder in 1469 +vraagt Lodewijk XI allereerst den ring, waarmee de bisschop van Lisieux +den prins als hertog aan Normandië heeft gehuwd, en laat dien te Rouen +in 't bijzijn van notabelen op een aambeeld breken.<a name='FNanchor_798_798'></a><a href='#Footnote_798_798'><sup>[798]</sup></a></p> + +<p>Het algemeene formalisme ligt ook ten grondslag aan het geloof in de +werking van het gesproken woord,<a name='404'></a> dat zich in de primitieve cultuur in +zijn volheid openbaart, en zich in de late Middeleeuwen nog handhaaft in +zegenspreuken, tooverspreuken, dingtalen. Een plechtig verzoek heeft nog +iets solemneels, iets van het dwingende van den sprookjeswensch. Wanneer +alle smeekbeden Philips den Goede niet kunnen vermurwen, om genade te +schenken aan een veroordeelde, gaat men het verzoek opdragen aan Isabella +van Bourbon, zijn geliefde schoondochter, in de hoop, dat hij het haar +niet zal kunnen weigeren,—want, zegt zij: ik heb u nog nooit iets +belangrijks gevraagd.<a name='FNanchor_799_799'></a><a href='#Footnote_799_799'><sup>[799]</sup></a> En het doel wordt bereikt.—In hetzelfde +licht is de verbazing van Gerson te beschouwen, dat ondanks alle prediking +de zeden nog niet verbeterden: ik weet niet, wat ik zeggen moet: +voortdurend worden er preeken gehouden, maar altijd tevergeefs.<a name='FNanchor_800_800'></a><a href='#Footnote_800_800'><sup>[800]</sup></a> +Onmiddellijk uit het algemeene formalisme vloeien voort die eigenschappen, +die aan den geest der latere Middeleeuwen zoo dikwijls een karakter van +holheid en oppervlakkigheid geven. Vooreerst het buitengewone simplisme in +de motiveering. Hiërarchisch geanalyseerd als het begrippenstelsel was, +gegeven de plastische zelfstandigheid van elke voorstelling en de behoefte +om elk verband te verklaren uit een algemeen geldige waarheid, werkt de +causale geestesfunctie als een telefooncentrale: er kunnen steeds allerlei +verbindingen tot stand worden gebracht, maar altijd slechts van twee +nummers tegelijk. Men ziet van elken toestand, elken samenhang slechts +enkele trekken, en deze hevig geëxaggereerd en bont gekleurd; het beeld +<a name='405'></a>van een gebeurtenis heeft steeds de enkele zware lijnen van een primitieve +houtsnede. Eén motief is steeds voldoende ter verklaring, en bij voorkeur +het algemeenste, het onmiddellijkste of het ruwste. Voor de Bourgondiërs +kan het motief tot den moord op den hertog van Orleans slechts op één +grond berusten: de koning heeft den hertog van Bourgondië verzocht, den +echtbreuk der koningin met Orleans te wreken.<a name='FNanchor_801_801'></a><a href='#Footnote_801_801'><sup>[801]</sup></a> De oorzaak van den +grooten Gentschen opstand is voor het oordeel der tijdgenooten door een +vormkwestie over een briefformulier geheel voldoende aangegeven.<a name='FNanchor_802_802'></a><a href='#Footnote_802_802'><sup>[802]</sup></a></p> + +<p>De middeleeuwsche geest generaliseert gereedelijk uit één geval. Olivier +de la Marche concludeert uit één geval van Engelsche onpartijdigheid uit +vroeger tijd, dat de Engelschen in die dagen deugdzaam waren, en dat dit +de oorzaak was, dat zij Frankrijk hadden kunnen veroveren.<a name='FNanchor_803_803'></a><a href='#Footnote_803_803'><sup>[803]</sup></a> De +geweldige overdrijving, die onmiddellijk voortspruit uit het te bont en +te zelfstandig zien der gevallen, wordt nog in de hand gewerkt, doordat +altijd naast het geval terstond een parallel uit de heilige geschiedenis +gereed staat, die het geval optrekt in een sfeer van hooger potentie. +Wanneer bijvoorbeeld in 1404 een processie der Parijsche studenten is +verstoord, waarbij er twee zijn gewond en van één het kleed gescheurd, +dan is voor den verontwaardigden kanselier der Universiteit de klank +van een teeder woord: "les enfans, les jolis escoliers comme agneaux +innocens", genoeg, om het geval te vergelijken met den kindermoord van +Bethlehem.<a name='FNanchor_804_804'></a><a href='#Footnote_804_804'><sup>[804]</sup></a></p> +<a name='406'></a> +<p>Waar voor ieder geval een verklaring zoo gemakkelijk wordt aanvaard, en, +eenmaal aanvaard, zoo vast geloofd, daar heerscht een buitengewone +gemakkelijkheid van het valsche oordeel. Indien men met Nietzsche moet +aannemen, dat "der Verzicht auf falsche Urteile das Leben unmöglich +machen würde", dan kan juist daaraan voor een deel het krachtige, felle +leven, dat ons in vroeger tijden treft, worden toegeschreven. In elken +tijd, die een buitengewone spanning van alle krachten vraagt, moet het +valsche oordeel in versterkte mate de zenuwen te hulp komen. De +middeleeuwers leefden eigenlijk doorloopend in zulk een geestelijke +crisis; zij konden geen oogenblik buiten de grofste valsche oordeelen, +die onder den invloed van partijgevoel een ongeëvenaarden graad van +boosaardigheid bereiken. De geheele houding van de Bourgondiërs +tegenover de groote veete met Orleans getuigt ervan. De verhouding van +de aantallen gesneuvelden wordt door den overwinnaar in het belachelijke +verschoven: Chastellain laat in den slag bij Gavere vijf edelen vallen +aan de zijde van den vorst tegen 20 of 30.000 der opstandige Gentenaars. +<a name='FNanchor_805_805'></a><a href='#Footnote_805_805'><sup>[805]</sup></a> Het is een der moderne trekken van Commines, dat hij aan die +overdrijvingen niet meedoet.<a name='FNanchor_806_806'></a><a href='#Footnote_806_806'><sup>[806]</sup></a></p> + +<p>Hoe is tenslotte die eigenaardige lichthoofdigheid op te vatten, die +zich in oppervlakkigheid, onnauwkeurigheid en lichtgeloovigheid bij de +latere middeleeuwers voortdurend openbaart? Het is dikwijls, alsof zij +niet de geringste behoefte hebben aan werkelijke gedachten, alsof een +voorbijglijden van ijle droombeelden voedsel voor hun geest genoeg was: +uiterlijke feiten oppervlakkig beschreven,<a name='407'></a> dat is de signatuur van +schrijvers als Froissart en Monstrelet. Hoe hebben de eindelooze +onbeslissende gevechten en belegeringen, waaraan Froissart zijn gaven +heeft verspild, hun aandacht kunnen boeien? Naast de felle partijmannen +staan onder de kroniekschrijvers zij, wier politieke sympathieën in het +geheel niet zijn vast te stellen, zooals Froissart en Pierre de Fenin; +zoozeer put hun geest zich uit in het verhaal der uiterlijke +gebeurtenissen. Zij onderscheiden het belangrijke niet van het +onbelangrijke. Monstrelet is bij het onderhoud van den hertog van +Bourgondië met de gevangen Jeanne d'Arc tegenwoordig geweest, maar +herinnert zich niet, wat er gesproken werd.<a name='FNanchor_807_807'></a><a href='#Footnote_807_807'><sup>[807]</sup></a> De onnauwkeurigheid, +zelfs ten opzichte van gewichtige gebeurtenissen, waarin zij zelf +betrokken waren, kent geen grenzen. Thomas Basin, die zelf het +rehabilitatie-proces van Jeanne d'Arc leidde, laat haar in zijn kroniek +geboren zijn te Vaucouleurs, laat haar door Baudricourt zelf, dien hij +heer in plaats van kapitein der stad noemt, naar Tours brengen, vergist +zich drie maanden betreffende haar eerste samenkomst met den dauphin. +<a name='FNanchor_808_808'></a><a href='#Footnote_808_808'><sup>[808]</sup></a> Olivier de la Marche, het puik der hovelingen, vergist zich +voortdurend in de afstamming en verwantschap der hertogelijke familie, +en plaatst zelfs het huwelijk van Karel den Stoute met Margareta van +York, waarvan hij de feesten in 1468 had meegemaakt en beschreven, na +het beleg van Neuss in 1475.<a name='FNanchor_809_809'></a><a href='#Footnote_809_809'><sup>[809]</sup></a> Zelfs Commines ontkomt niet aan +dergelijke verwarringen: hij vergroot een aantal jaren herhaaldelijk met +twee; hij vertelt tot driemaal toe den dood van Adolf van Gelre.<a name='FNanchor_810_810'></a><a href='#Footnote_810_810'><sup>[810]</sup></a></p> +<a name='408'></a> +<p>Het gebrek aan kritische onderscheiding en de lichtgeloovigheid spreken +zoo duidelijk uit elke bladzijde der middeleeuwsche litteratuur, dat het +onnoodig is voorbeelden aan te halen. Natuurlijk bestaat hier een groot +verschil in graad al naar de ontwikkeling van den persoon. Onder het +volk der Bourgondische landen heerschte ten opzichte van Karel den +Stoute nog die eigenaardige vorm van barbaarsche lichtgeloovigheid, die +aan den dood van de indrukwekkende heerschersfiguur nooit recht gelooven +deed, zoodat men tot tien jaar na den slag van Nancy elkaar nog leende +op afbetaling, als de hertog zou terugkomen. Basin, die het meedeelt, +behandelt het als louter dwaasheid.<a name='FNanchor_811_811'></a><a href='#Footnote_811_811'><sup>[811]</sup></a> Doch bij allen vat onder den +invloed van den sterken hartstocht en de gereede verbeelding het geloof +aan de realiteit van het verbeelde zeer licht post. Bij een +geestesgesteldheid, waarin zoo sterk in zelfstandige verbeeldingen wordt +gedacht, geeft de bloote aanwezigheid van een voorstelling in den geest +een groote presumptie van geloofwaardigheid. Zoodra een denkbeeld +eenmaal met naam en vorm in het brein rondwandelt, is het als 't ware +opgenomen in het systeem van moreele en godsdienstige figuren, en deelt +onwillekeurig in hun hooge geloofwaardigheid.</p> + +<p>Terwijl nu aan den eenen kant de begrippen door hun scherpe omlijning, +hun hiërarchisch verband en hun dikwijls anthropomorph karakter +bijzonder vast en onbewegelijk zijn, dreigt aan den anderen kant het +gevaar, dat juist in dien levendigen vorm van het begrip de inhoud zoek +raakt. Eustache Deschamps wijdt een lang, allegorisch en satirisch +leergedicht<a name='409'></a> <i>Le Miroir de Mariage</i><a name='FNanchor_812_812'></a><a href='#Footnote_812_812'><sup>[812]</sup></a> aan de nadeelen van het +huwelijk; als hoofdpersoon treedt daarin op Franc Vouloir, door Folie +en Désir aangespoord om te trouwen, door Repertoire de science daarvan +teruggebracht. In de uiterlijke personificatie nu put zich de +voorstelling van den dichter zoozeer uit, dat zijn opvatting van wat +Franc Vouloir eigenlijk beteekent, wankelt tusschen den abstracten +vrijen wil en de vrijheid van den vroolijken jonggezel. Hetzelfde +gedicht illustreert nog in een ander opzicht, hoe in de uitgewerkte +verbeeldingen de gedachte licht bleef wankelen of zich vervluchtigde. +De toon van het gedicht is die van de bekende philisterachtige en in +den grond zinnelijke vrouwenverguizing: de bespotting van haar zwakheid, +de verdachtmaking van haar eer, waarin de gansche Middeleeuwen zich +verlustigd hebben. Voor ons gevoel dissoneert met dien toon op schrille +wijze de vrome aanprijzing van het geestelijk huwelijk en het schouwende +leven, waarop Repertoire de science zijn vriend Franc Vouloir in het +latere gedeelte van het gedicht onthaalt.<a name='FNanchor_813_813'></a><a href='#Footnote_813_813'><sup>[813]</sup></a> Even vreemd doet het +ons aan, dat de dichter door Folie en Désir soms hooge waarheden laat +bewijzen, die men van den kant der tegenpartij zou verwachten.<a name='FNanchor_814_814'></a><a href='#Footnote_814_814'><sup>[814]</sup></a></p> + +<p>Hier als zoo dikwijls bij de middeleeuwsche uitingen rijst de vraag: +heeft de dichter gemeend, wat hij aanprees? Zooals men ook vragen mocht: +hebben Jean Petit en zijn Bourgondische beschermers geloofd in al de +gruwelen, waarmee zij de nagedachtenis van Orleans bekladden? Of: hebben +de vorsten en edelen ernst gezien in al de bizarre fantazie en vertooning, +<a name='410'></a>waarmee zij hun ridderlijke krijgsplannen en geloften aankleedden? Het is +uiterst moeilijk, om ten opzichte van de middeleeuwsche gedachte de grenzen +tusschen overtuiging en geveinsdheid, tusschen ernst en spel zuiver te +trekken. Soms schijnt alles geveinsd, soms schijnt alles naïef gemeend.</p> + +<p>Vermenging van ernst en spel kenmerkt de zeden op allerlei gebied. +Vooral in den oorlog wordt gaarne een komisch element gebracht: de spot +der belegerden over hun vijand, dien zij dikwijls bloedig boeten. Die +van Meaux brengen een ezel op den muur, om Hendrik V van Engeland te +hoonen; die van Condé verklaren zich nog niet te kunnen overgeven, want +zij zijn nog bezig hun paasch-pannekoeken te bakken; te Montereau +stoffen de burgers, op den muur staande, hun kaproenen af, wanneer het +kanon der belegeraars heeft losgebrand.<a name='FNanchor_815_815'></a><a href='#Footnote_815_815'><sup>[815]</sup></a> In dezelfde lijn ligt het, +wanneer het kamp van Karel den Stoute voor Neuss wordt ingericht als een +groote kermis: de edelen laten "par plaisance" hun tenten bouwen in den +vorm van kasteelen, met galerijen en tuinen; er is allerlei vermaak. +<a name='FNanchor_816_816'></a><a href='#Footnote_816_816'><sup>[816]</sup></a></p> + +<p>Er is één gebied, waar die bijmenging van spot in de ernstigste dingen +bijzonder grillig aandoet: de sombere sfeer van het duivel- en +heksengeloof. Al wortelde de duivelfantazie onmiddellijk in den grooten +diepen angst, die haar voortdurend voedt, toch kleurde ook hier de +naïeve verbeelding de figuren zoo kinderlijk bont, en maakt ze zoo +gemeenzaam, dat zij soms het angstwekkende verliezen. Het is niet alleen +in de litteratuur, dat de duivel als komische figuur optreedt: ook in +<a name='411'></a>den gruwelijken ernst van de tooverijprocessen blijft het gezelschap van +Satan vaak breughelsch en rabelaisiaansch, en vermengt zich de helsche +zwavellucht met de veesten van de klucht. De duivelen, die een +nonnenklooster in onrust brengen, onder hun kapiteins Tahu en Gorgias, +dragen namen "assez consonnans aux noms des mondains habits, instruments +et jeux du temps présent, comme Pantoufle, Courtaulx et Mornifle."<a name='FNanchor_817_817'></a><a href='#Footnote_817_817'><sup>[817]</sup></a></p> + +<p>De vijftiende eeuw is die der heksenvervolgingen bij uitstek geweest. In +den tijd, waarmee wij de Middeleeuwen plegen te sluiten en blijde opzien +naar het bloeiende Humanisme, wordt de stelselmatige uitwerking van den +heksenwaan, die vreeselijke uitgroei van de middeleeuwsche gedachte, +bezegeld door den <i>Malleus maleficarum</i> en de bul <i>Summis desiderantes</i> +(1487 en 1484). En geen Humanisme of Hervorming keeren dien waan: geeft +niet de humanist Jean Bodin nog na het midden der zestiende eeuw in zijn +<i>Démonomanie</i> het meeste en geleerdste voedsel aan de vervolgzucht? De +nieuwe tijd en het nieuwe weten hebben niet aanstonds den gruwel der +heksenvervolging van zich gewezen. Omgekeerd zijn de meedoogender +opvattingen omtrent hekserij, die in het laatst der zestiende eeuw door +den Gelderschen geneesheer Johannes Wier verkondigd werden, reeds in de +vijftiende eeuw ruimschoots vertegenwoordigd.</p> + +<p>De houding toch van den laat-middeleeuwschen geest tegenover het +bijgeloof, met name tegenover heksen en tooverij, is zeer gevarieerd en +weinig vast. Zóó hulpeloos overgeleverd aan alle spooksel en waan, als +<a name='412'></a>men uit de algemeene lichtgeloovigheid en het gemis aan kritiek +verwachten zou, is de tijd niet. Er zijn tal van uitingen van twijfel of +van rationeele opvatting. Telkens weer zijn het haarden van demonomanie, +waar het kwaad uitbreekt en zich soms langen tijd handhaaft. Daar waren +toover- en heksenlanden bij uitnemendheid, meest bergstreken: Savoye, +Zwitserland, Lotharingen, Schotland. Doch ook daarbuiten komen van die +epidemieën voor. Omstreeks 1400 was het Fransche hof zelf zulk een haard +van tooverij. Een prediker waarschuwde den hofadel, dat men oppassen +moest, of de spreekwijze zou in plaats van "vieilles sorcières" "nobles +sorciers" gaan luiden.<a name='FNanchor_818_818'></a><a href='#Footnote_818_818'><sup>[818]</sup></a> In het bijzonder rondom Lodewijk van +Orleans zweefde de atmosfeer van duivelskunsten; de beschuldigingen en +verdachtmakingen van Jean Petit misten in dit opzicht niet allen grond. +Orleans' vriend en raadsman, de oude Philippe de Mézières, die bij de +Bourgondiërs gold als de geheimzinnige inblazer van al diens misdaden, +vertelt zelf, hoe hij indertijd de tooverkunst geleerd had van een +Spanjaard, en hoeveel moeite 't hem had gekost, om die snoode kennis +weer te vergeten. Nog tien of twaalf jaar sedert hij uit Spanje weg was, +"à sa volenté ne povoit pas bien extirper de son cuer les dessusdits +signes et l'effect d'iceulx contre Dieu", totdat hij eindelijk, +biechtende en zich verzettende, door Gods goedheid verlost werd "de +ceste grant folie, qui est à l'âme crestienne anemie".<a name='FNanchor_819_819'></a><a href='#Footnote_819_819'><sup>[819]</sup></a> De meesters +der tooverkunst zocht men bij voorkeur in wilde streken: een persoon, +die gaarne den duivel zou spreken en niemand kan vinden, om hem die +kunst te leeren,<a name='413'></a> wordt verwezen naar "Ecosse la sauvage".<a name='FNanchor_820_820'></a><a href='#Footnote_820_820'><sup>[820]</sup></a></p> + +<p>Orleans had zijn eigen heksenmeesters en nigromanciens. Een hunner, +wiens kunst hem niet voldeed, liet hij verbranden.<a name='FNanchor_821_821'></a><a href='#Footnote_821_821'><sup>[821]</sup></a> Aangemaand om +over het geoorloofde van zijn bijgeloovige praktijken het gevoelen van +godgeleerden te vragen, antwoordde hij: "Waarom zou ik denzulken vragen? +ik weet immers, dat zij het mij zouden ontraden, en toch ben ik volkomen +besloten, zoo te handelen en zoo te gelooven, en ik zal het niet +nalaten."<a name='FNanchor_822_822'></a><a href='#Footnote_822_822'><sup>[822]</sup></a>—Gerson brengt met dat hardnekkig zondigen Orleans' +plotselingen dood in verband; hij keurt ook de proeven af, om den +krankzinnigen koning door tooverij te genezen, die reeds door meer dan +één bij mislukking met den vuurdood geboet waren.<a name='FNanchor_823_823'></a><a href='#Footnote_823_823'><sup>[823]</sup></a></p> + +<p>Eén tooverpraktijk in het bijzonder werd aan de vorstenhoven +herhaaldelijk genoemd: die welke in het Latijn "invultare", in het +Fransch "envoûtement" heette, de toeleg, over de geheele wereld bekend, +om een vijand te verderven door een gedoopt wassen beeldje of andere +figuur, in zijn naam vervloekt, te doen smelten of te doorsteken. +Philips VI van Frankrijk zou zulk een beeldje, dat hem in handen kwam, +zelf in het vuur hebben geworpen met de woorden: "Wij zullen zien, of +de duivel machtiger is om mij te verderven, dan God om mij te redden." +<a name='FNanchor_824_824'></a><a href='#Footnote_824_824'><sup>[824]</sup></a>—Ook de Bourgondische hertogen worden ermee vervolgd. "N'ay-je +devers moy—beklaagt Charolais zich bitter—les bouts de cire baptisés +dyaboliquement et pleins d'abominables mystères contre moy et autres?" +<a name='FNanchor_825_825'></a><a href='#Footnote_825_825'><sup>[825]</sup></a> +<a name='414'></a>—Philips de Goede, die in zoo vele opzichten tegenover zijn +koninklijke neven de meer conservatieve levensopvatting +vertegenwoordigt: in zijn zin voor ridderschap en staatsie, in zijn +kruistochtplan, in de meer ouderwetsche litteraire vormen, die hij +beschermde,—schijnt op het stuk van bijgeloof verlichter meeningen +toegedaan te zijn geweest dan het Fransche hof, met name Lodewijk XI. +Philips hecht niet aan den ongeluksdag van Onnoozele kinderen, die zich +ieder week herhaalde; hij vorscht niet naar de toekomst bij astrologen +en waarzeggers, "car en toutes choses se monstra homme de léalle entière +foy envers Dieu, sans enquérir riens de ses secrets", zegt Chastellain, +die dat standpunt deelt.<a name='FNanchor_826_826'></a><a href='#Footnote_826_826'><sup>[826]</sup></a> Het is de hertog, wiens ingrijpen een +einde maakt aan de vreeselijke vervolgingen van heksen en toovenaars te +Atrecht in 1461, een der groote epidemieën van den heksenwaan.</p> + +<p>De ongeloofelijke verblinding, waarmee de heksencampagnes geleid werden, +sproot tendeele voort uit het feit, dat zich de begrippen tooverij en +ketterij vermengd hadden. In het algemeen had zich alle afschuw, vrees +en haat over ongehoorde vergrijpen, ook die buiten het directe +geloofsgebied lagen, uitgedrukt in het begrip ketterij. Monstrelet noemt +bij voorbeeld de sadistische misdaden van Gilles de Rais eenvoudig +"hérésie".<a name='FNanchor_827_827'></a><a href='#Footnote_827_827'><sup>[827]</sup></a> Het gewone woord voor tooverij was in de vijftiende +eeuw in Frankrijk "vauderie", dat zijn verband met de Waldenzen verloren +had. In de groote "Vauderie d'Arras"<a name='415'></a> nu ziet men zoowel den ontzettenden +ziekelijken waan, waaruit weldra de <i>Malleus maleficarum</i> zou worden +uitgebroeid, als den algemeenen twijfel, zoo bij het volk als bij de +hooggeplaatsten, aan de werkelijkheid van al de ontdekte misdrijven. +Een der inquisiteurs beweert, dat een derde gedeelte der christenheid +met vauderie is besmet. Zijn godsvertrouwen brengt hem tot de +huiveringwekkende consequentie, dat ieder van tooverij beschuldigde ook +schuldig moet zijn. God toch laat niet toe, dat iemand ervan wordt +beschuldigd, die geen toovenaar is. "Et quand on arguoit contre lui, +fuissent clercqs ou aultres, disoit qu'on debvroit prendre iceulx +comme suspects d'estre vauldois." Houdt iemand vol, dat sommige der +verschijnselen op inbeelding berusten, dan noemt hij hem verdacht. +Ja, deze inquisiteur meende op het zien van iemand te kunnen oordeelen, +of hij bij de vauderie betrokken was of niet. Later werd de man +krankzinnig, maar de heksen en toovenaars waren verbrand.</p> + +<p>De stad Atrecht geraakte door de vervolgingen zoo in opspraak, dat men +haar kooplui niet meer wilde herbergen of hun crediet verleenen, uit +vrees, dat zij wellicht morgen van tooverij aangeklaagd, hun goed door +verbeurdverklaring zouden verliezen. Niettemin, zegt Jacques du Clercq, +geloofde buiten Atrecht niet één op duizend aan de waarheid van dat +alles: "oncques on n'avoit veu es marches de par decha tels cas advenu." +Als de slachtoffers bij hun terechtstelling hun euvele daden herroepen +moeten, twijfelt het volk van Atrecht zelf. Een gedicht vol haat tegen +de vervolgers beschuldigt hen, alles uit hebzucht te hebben aangespannen; +de bisschop zelf noemt het een opgezette zaak, "une chose controuvée par +aulcunes mauvaises personnes".<a name='FNanchor_828_828'></a><a href='#Footnote_828_828'><sup>[828]</sup></a> +<a name='416'></a> De hertog van Bourgondië roept het +advies in der faculteit van Leuven, van welke meerderen verklaren, dat +de vauderie niet reëel is, dat het enkel illusies zijn. Toen zendt +Philips zijn wapenkoning Toison d'or naar de stad, en sedert dien tijd +werden geen nieuwe slachtoffers meer gevat, en die nog in staat van +beschuldiging waren, zachter behandeld.</p> + +<p>Tenslotte zijn al de Atrechtsche heksenprocessen vernietigd. En de stad +vierde dat feit met een vroolijk feest en stichtelijke zinnespelen. +<a name='FNanchor_829_829'></a><a href='#Footnote_829_829'><sup>[829]</sup></a></p> + +<p>De waan der heksen zelf van haar luchtritten en sabbathorgieën is niet +dan haar eigen inbeelding, dat was het standpunt, in de vijftiende eeuw +reeds door verscheidenen ingenomen. Daarmee was evenwel nog niet de rol +van den duivel geschrapt, want hij is het, die de noodlottige illusie +teweegbrengt; het is een dwaling, maar zij komt van den duivel. Dat is +ook nog het standpunt van Johannes Wier in de zestiende eeuw. Bij Martin +Lefranc, proost van de kerk van Lausanne, den dichter van het groote +werk <i>Le Champion des Dames</i>, dat hij in 1440 aan Philips den Goede +opdroeg, vindt men de volgende verlichte voorstelling van den +heksenwaan.</p> + +<div class='poem'> "Il n'est vieille tant estou(r)dye, +<span>Qui fist de ces choses la mendre (de geringste)<br /></span> +<span>Mais pour la faire ou ardre ou pendre,<br /></span> +<span>L'ennemy de nature humaine,<br /></span> +<span>Qui trop de faulx engins scet tendre,<br /></span> +<span>Les sens faussement lui demaine.<br /></span> +<span>Il n'est ne baston ne bastonne<br /></span><a name='417'></a> +<span>Sur quoy puist personne voler,<br /></span> +<span>Mais quant le diable leur estonne<br /></span> +<span>La teste, elles cuident aler<br /></span> +<span>En quelque place pour galer<br /></span> +<span>Et accomplir leur volonté.<br /></span> +<span>De Romme on les orra parler,<br /></span> +<span>Et sy n'y auront jà esté.<br /></span> +<span>...................................................<br /></span> +<span>Les dyables sont tous en abisme,<br /></span> +<span>—Dist Franc-Vouloir—enchaienniez (geketend)<br /></span> +<span>Et n'auront turquoise ni lime<br /></span> +<span>Dont soient jà desprisonnez.<br /></span> +<span>Comment dont aux cristiennez<br /></span> +<span>Viennent ilz faire tant de ruzes<br /></span> +<span>Et tant de cas désordonnez?<br /></span> +<span>Entendre ne sçay tes babuzes."<br /></span> +</div> +<p>En elders in hetzelfde gedicht:</p> + +<div class='poem'> "Je ne croiray tant que je vive +<span>Que femme corporellement<br /></span> +<span>Voit par l'air comme merle ou grive,<br /></span> +<span>—Dit le Champion prestement.—<br /></span> +<span>Saint Augustin dit plainement<br /></span> +<span>C'est illusion et fantosme;<br /></span> +<span>Et ne le croient aultrement<br /></span> +<span>Gregoire, Ambroise ne Jherosme.<br /></span> +<span>Quant la pourelle est en sa couche,<br /></span> +<span>Pour y dormir et reposer,<br /></span> +<span>L'ennemi qui point ne se couche<br /></span> +<span>Se vient encoste alle poser.<br /></span> +<span>Lors illusions composer<br /></span> +<span>Lui scet sy tres soubtillement,<br /></span> +<span>Qu'elle croit faire ou proposer<br /></span> +<span>Ce qu'elle songe seulement.<br /></span> +<span>Force la vielle songera<br /></span><a name='418'></a> +<span>Que sur un chat ou sur un chien<br /></span> +<span>A l'assemblée s'en ira;<br /></span> +<span>Mais certes il n'en sera rien:<br /></span> +<span>Et sy n'est baston ne mesrien (balk)<br /></span> +<span>Qui le peut ung pas enlever."<a name='FNanchor_830_830'></a><a href='#Footnote_830_830'><sup>[830]</sup></a><br /></span> +<span>.......................................................<br /></span> +</div> +<p>Ook Froissart houdt het geval van den Gasconschen edelman met zijn +volggeest Horton, dat hij zoo meesterlijk beschrijft, voor een "erreur". +<a name='FNanchor_831_831'></a><a href='#Footnote_831_831'><sup>[831]</sup></a> Gerson heeft een neiging, om in de beoordeeling der duivelsche +illusiën nog een schrede verder te gaan, en een natuurlijke verklaring +te zoeken voor allerlei bijgeloovige verschijnselen. Veel daarvan, zegt +hij, komt enkel voort uit de menschelijke verbeelding en melancholische +waanvoorstellingen, en deze berusten in duizenden gevallen op eenig +bederf van de verbeeldingskracht, bij voorbeeld door een inwendig letsel +der hersenen. Hierin schijnt hij zeer verlicht, evenals waar hij in het +bijgeloof een belangrijk aandeel toeschrijft aan heidensche overleefsels +en dichterlijke verzinselen. Maar hoewel Gerson toegeeft, dat veel +gewaande duivelarij aan natuurlijke oorzaken is toe te schrijven, laat +ook hij tenslotte den duivel de eer: dat inwendige hersenletsel komt +weer voort uit duivelsche illusiën.<a name='FNanchor_832_832'></a><a href='#Footnote_832_832'><sup>[832]</sup></a></p> + +<p>Buiten de vreeselijke sfeer der heksenvervolging werkte de Kerk met +heilzame en gepaste middelen het bijgeloof tegen. De prediker broeder +<a name='419'></a>Richard laat zich de "madagoires" (mandragora, alruin) brengen, om ze te +verbranden, "que maintes sotes gens gardoient en lieux repos, et avoient +si grant foy en celle ordure, que pour vray ilz creoient fermement, que +tant comme ilz l'avoient, mais qu'il fust bien nettement en beaux +drapeaulx de soie ou de lin enveloppé, que jamais jour de leur vie ne +seroient pouvres."<a name='FNanchor_833_833'></a><a href='#Footnote_833_833'><sup>[833]</sup></a>—De burgers, die zich door een troep Zigeuners +de hand hebben laten lezen, worden geëxcommuniceerd, en er wordt een +processie gehouden, om het onheil af te weren, dat uit die goddeloosheid +zou kunnen voortvloeien.<a name='FNanchor_834_834'></a><a href='#Footnote_834_834'><sup>[834]</sup></a></p> + +<p>Een tractaat van Dionysius den Kartuizer toont helder aan, langs welke +lijnen de grenzen tusschen geloof en bijgeloof getrokken werden, op +welken grondslag de kerkleer ten deele verwierp, ten deele de +voorstellingen door waarlijk godsdienstigen inhoud trachtte te zuiveren. +Amuletten, besprekingen, zegenspreuken enz., zegt Dionysius, hebben in +zich zelf niet de kracht, om een uitwerking teweeg te brengen, gelijk +die wel zich hecht aan de sacramentswoorden, waaraan, indien zij met de +juiste bedoeling gesproken worden, ontwijfelbare uitwerking toekomt, +daar God aan die woorden als 't ware zijn macht verbonden heeft. De +benedicties evenwel zijn enkel te beschouwen als een nederige smeekbede, +alleen te verrichten met de gepaste vrome woorden en met de hoop alleen +op God gevestigd. Indien zij gemeenlijk effect hebben, dan is dit òf +doordat, bij behoorlijke verrichting, God die uitwerking verleent, òf, +worden zij anders verricht, bij voorbeeld het kruisteeken anders dan +recht gemaakt,<a name='420'></a> en hebben toch niettemin uitwerking, dan is het effekt +des duivels werk. 's Duivels werken zijn geen wonderen, want de duivelen +kennen de geheime krachten der natuur; de werking is dus een natuurlijke, +evenals de voorbeduidende beteekenis van vogels enz. op natuurlijke +oorzaken berust.—Dionysius erkent, dat de volkspraktijk aan al die +zegenspreuken, amuletten enz. wel degelijk de zelfstandige waarde toekent, +die hij loochent, en meent, dat de geestelijken dan ook liever maar al +die gewoonten moesten verbieden.<a name='FNanchor_835_835'></a><a href='#Footnote_835_835'><sup>[835]</sup></a></p> + +<p>In het algemeen kan men de houding tegenover alles wat bovennatuurlijk +scheen, kenschetsen als een weifelen tusschen redelijke, natuurlijke +verklaring, spontane, vrome aanvaarding en argwaan in duivelsche list en +bedrog. Het woord, dat door het gezag van Augustinus en Thomas van +Aquino was gestaafd: "Omnia quae visibiliter fiunt in hoc mundo, possunt +fieri per daemones," liet den vrome van goeden wille in groote +onzekerheid, en de gevallen, dat een arme hysterica een gansche burgerij +tijdelijk in vrome opwinding bracht en ten slotte ontmaskerd werd, zijn +niet zeldzaam.<a name='FNanchor_836_836'></a><a href='#Footnote_836_836'><sup>[836]</sup></a></p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='XII'></a>XII</h2> +<a name='421'></a> +<h3>DE KUNST IN HET LEVEN</h3><a name='FNanchor_837_837'></a><a href='#Footnote_837_837'><sup>[837]</sup></a> +<br /> + +<p>De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is aan het nu +levende geslacht het best bekend uit haar beeldende kunst, en met name +haar schilderkunst. De gebroeders Van Eyck, Rogier van der Weyden en +Memlinc beheerschen voor ons het gezicht op dien tijd. Dat is niet +altijd zoo geweest. Een halve eeuw of iets meer geleden, toen men +Memlinc nog Hemlinc schreef, kende de ontwikkelde leek dien tijd in de +eerste plaats uit zijn geschiedenis, weliswaar in den regel niet uit +Monstrelet en Chastellain zelf, maar dan toch uit De Barante's <i>Histoire +des ducs de Bourgogne</i>, dat daaruit is afgeleid. En zou naast en boven +De Barante niet vooral Victor Hugo's <i>Notre Dame de Paris</i> voor de +meesten het beeld van die tijden vertegenwoordigd hebben?</p> + +<p>Het beeld, dat daaruit oprees, was fel en duister. In de kroniekschrijvers +zelf en in de verwerking van hun stof door de negentiendeëeuwsche +romantiek komt bovenal het sombere en gruwelijke der late Middeleeuwen +naar voren: de bloedige wreedheid, de felle hartstocht en hebzucht, de +krijschende hoovaardij en wraakgierigheid en de jammerlijke ellende. De +lichtere kleuren werden bijgevoegd door de bonte, opgeblazen ijdelheid +der vermaarde hoffeesten met al hun geflonker van versleten allegorie en +ondragelijke weelde.</p> +<a name='422'></a> +<p>En nu? Nu straalt voor ons over dien tijd de hooge, waardige ernst en de +diepe vrede van Van Eyck en Memlinc; die wereld van vijf eeuwen her +schijnt ons vervuld met een helderen glans van eenvoudige blijheid, een +schat van innigheid. Ons beeld ervan is van woest en donker vredig en +sereen geworden. Want wat wij naast de beeldende kunst nog weten van +andere levensuitingen dier tijden, het is alles uitdrukking van +schoonheid en stille wijsheid: de muziek van Dufay en zijn gezellen, +het woord van Ruusbroec en Thomas a Kempis. Zelfs waar de wreedheid en +ellende der tijden nog luide doorklinkt: in de geschiedenis van Jeanne +d'Arc en de poëzie van Villon, gaat er toch enkel verheffing en +verteedering van die figuren uit.</p> + +<p>Waarop berust dat diepgaande verschil tusschen het tijdsbeeld uit de +kunst en het tijdsbeeld uit de geschiedenis en de litteratuur? Is aan +dien tijd in het bijzonder een groote onevenredigheid eigen tusschen de +verschillende gebieden en vormen van levensuiting? Was de levenssfeer, +waaruit de zuivere en innige kunst der schilders sproot, een andere en +betere dan die der vorsten, edelen en litteraten? Hooren zij bij geval +met Ruusbroec, de Windesheimers en het volkslied in een vredigen limbus +aan den rand van die bonte hel?—Of is het een algemeen verschijnsel, +dat de beeldende kunst een helderder beeld van een tijd nalaat dan het +woord der dichters en geschiedschrijvers?</p> + +<p>Op de laatste vraag kan het antwoord onmiddellijk bevestigend luiden. +Inderdaad, van alle vroegere beschavingen is ons beeld serener geworden +dan voorheen, sedert wij ons meer en meer van het lezen naar het kijken +gewend hebben, en het historische zintuig steeds meer visueel is +geworden.<a name='423'></a> Want de beeldende kunst, waaruit wij bovenal de aanschouwing +van het verleden putten, weeklaagt niet. Uit haar vervluchtigt zich +terstond de bittere smaak van de smart der tijden, die haar hebben +voortgebracht. Maar de klacht over al het leed der wereld, in het woord +geuit, behoudt altijd haar toon van onmiddellijke smartelijkheid en +onbevredigdheid, doordringt ons altijd weer van droefheid en medelijden, +terwijl het leed, zooals de beeldende kunst het uitdrukt, terstond +overgaat in de sfeer van het elegische en den stillen vrede.</p> + +<p>Meent men derhalve uit de aanschouwing der kunst het volledige beeld van +een tijd in zijn werkelijkheid te putten, dan blijft een algemeene fout +in het historisch gezicht ongecorrigeerd. Ten opzichte van den +Bourgondischen tijd in het bijzonder bestaat bovendien het gevaar van +een speciale gezichtsfout: dat men namelijk de verhouding tusschen +beeldende kunst en cultuuruitdrukking in het woord niet juist ziet.</p> + +<p>In deze fout vervalt de beschouwer, wanneer hij er zich geen rekenschap +van geeft, dat reeds de stand der overlevering hem tegenover kunst en +litteratuur in zeer verschillende positie plaatst. De litteratuur der +late Middeleeuwen is ons, behoudens bijzondere uitzonderingen, vrijwel +volledig bekend. Wij kennen haar in haar hoogste uitingen en haar +laagste, in al haar genres en vormen, van het meest verhevene tot het +meest alledaagsche, van het vroomste tot het uitgelatenste, van het +meest theoretische tot het meest actueele. Het gansche leven van den +tijd wordt door de litteratuur weerspiegeld en uitgedrukt. En de +schriftelijke overlevering is nog niet uitgeput met de litteratuur; er +is bovendien nog alles wat de acten en bescheiden zeggen, om onze kennis +aan te vullen. <a name='424'></a>Van de beeldende kunst daarentegen, die reeds door haar +aard het leven van den tijd minder direct en volledig uitdrukt, bezitten +wij niet dan een speciaal fragment. Buiten de kerkelijke kunst immers +zijn het slechts minieme resten. Alle wereldlijke beeldende kunst, alle +toegepaste kunst ontbreken bijna geheel: juist de vormen, waarin zich +de samenhang van kunstvoortbrenging en gemeenschapsleven voortdurend +openbaarde, zijn ons gebrekkig bekend. Onze kleine schat van +altaarstukken en grafmonumenten leert ons van dien samenhang lang niet +genoeg: het beeld van de kunst blijft geïsoleerd staan buiten onze +kennis van het bonte leven van den tijd. Om de functie van de beeldende +kunst in de Fransch-Bourgondische samenleving, de verhouding van kunst +en leven te begrijpen, is de bewonderende aanschouwing van de bewaarde +meesterwerken niet genoeg; ook het verlorene vraagt onze aandacht.</p> + +<p>De kunst gaat in dien tijd nog op in het leven. Het leven staat in +sterke vormen bepaald. Het wordt bijeengehouden en gemeten door de +sacramenten der Kerk, de feesten van het jaar en de getijden des daags. +'s Levens werken en vreugden hebben alle hun vasten vorm: godsdienst, +ridderschap en hoofsche min leveren de gewichtigste vormen des levens. +De taak der kunst is, om die vormen zelf, waarin het leven verliep, met +schoonheid te versieren. Wat men zoekt, is niet de kunst zelf, maar het +schoone leven. Men treedt niet, zooals latere tijden, uit een min of +meer onverschillige levenssleur naar buiten, om tot troost en verheffing +kunst te genieten in eenzelvige contemplatie; men vindt de kunst +aangewend tot verhooging van den luister des levens zelf.<a name='425'></a> Zij is bestemd +om mee te klinken in de vervoeringen van het leven, hetzij in de hoogste +vlucht van vroomheid of in het hoovaardigste genieten van het +wereldsche. Als een eigen ding van schoonheid wordt de kunst in de +Middeleeuwen nog niet begrepen. Zij is voor het overgroote deel +toegepaste kunst, ook in de voortbrengselen, die wij als zelfstandige +kunstwerken zouden aanmerken; dat wil zeggen: haar bestemming, haar +dienstbaarheid aan eenigen levensvorm is het motief, om haar te +begeeren; de zuivere schoonheidsbedoeling moge des ondanks den +scheppenden kunstenaar zelf besturen, het geschiedt half onbewust. De +eerste kiemen van een kunstliefde om haars zelfs wil doen zich voor als +woekeringen der kunst<i>productie</i>: bij vorsten en edelen hoopen zich de +kunstvoorwerpen op tot verzamelingen; nu worden zij nutteloos en geniet +men ze als weelderige curiositeit, als kostbare deelen van den +vorstelijken schat, en daaraan eerst kweekt men den eigenlijken +kunstzin, die in de Renaissance is volgroeid.</p> + +<p>In de groote kunstwerken der vijftiende eeuw, met name in de +altaarstukken en de grafkunst, ging voor den tijdgenoot de gewichtigheid +van het onderwerp en de bestemming ver vóór de waardeering van de +schoonheid. De werken moesten schoon zijn, omdat het onderwerp zoo +heilig of de bestemming zoo verheven was. Die bestemming is altijd min +of meer een praktische. Het altaarstuk heeft een tweeledige bestemming: +het dient tot plechtig vertoon bij hooge feesten, om de vrome +aanschouwing der schare te verlevendigen, en het bewaart de herinnering +aan de vrome stichters, wier gebed blijft opgaan uit hun geknielde +beeltenis. Het is bekend,<a name='426'></a> dat de Aanbidding van het Lam van Hubert en +Jan van Eyck maar heel zelden geopend werd. Wanneer de Nederlandsche +stadsmagistraten ter versiering van de vierschaar in het raadhuis +tafereelen van vermaarde vonnissen of rechtsplegingen bestelden, zooals +het oordeel van Cambyses door Gerard David te Brugge, of dat van keizer +Otto door Dirk Bouts te Leuven, of de verloren Brusselsche schilderijen +van Rogier van der Weyden, dan was het, om den rechters een plechtig en +bloedig vermaan tot hun plicht voor oogen te houden.—Hoe gevoelig men +was voor het onderwerp van wat men aan de wanden prijken zag, moge +blijken uit het volgende geval. Te Lelinghem wordt in 1384 een +samenkomst gehouden, om tot een wapenstilstand tusschen Frankrijk en +Engeland te geraken. Berry, de prachtlievende, wien dit wel was +toevertrouwd, heeft de kale muren van de oude kapel, waar de vorstelijke +onderhandelaars elkaar zullen ontmoeten, laten behangen met tapijten, +waarop veldslagen der Oudheid zijn voorgesteld. Maar toen bij het eerste +binnenkomen de hertog van Lancaster, John of Gaunt, ze aanschouwt, wil +hij, dat die tafereelen van strijd weggenomen worden: zij die naar den +vrede streven, moeten geen oorlog en vernieling voor hun oogen hebben. +En er worden andere tapijten gehangen, waarop de instrumenten van het +lijden des Heeren staan afgebeeld.<a name='FNanchor_838_838'></a><a href='#Footnote_838_838'><sup>[838]</sup></a></p> + +<p>De praktische beteekenis van het onderwerp is onverbrekelijk verbonden +aan het portret, dat immers tot den huidigen dag zijn moreele waarde als +familiestuk behoudt, omdat de levensgevoelens, waaraan het dienstbaar +is, die van de ouderliefde en den familietrots, veel minder zijn +afgesleten dan de vormen van het sociale leven,<a name='427'></a> waarin het +justitietafereel paste. Het portret had bovendien nog dikwijls de +bestemming tot kennismaking bij verlovingen. Met het gezantschap, dat +Philips de Goede in 1428 naar Portugal zendt, om hem een bruid te +werven, gaat ook Jan van Eyck, om de beeltenis der koningsdochter te +schilderen. Er wordt soms een fictie volgehouden, alsof de vorstelijke +bruidegom door het zien van het portret de onbekende prinses heeft +liefgekregen, zoo bij het werven van Richard II van Engeland om de +zesjarige Isabella van Frankrijk.<a name='FNanchor_839_839'></a><a href='#Footnote_839_839'><sup>[839]</sup></a> Er is zelfs wel eens sprake van +een keuze bij vergelijking naar portret. Als de jonge Karel VI van +Frankrijk een vrouw moet hebben, en men weifelt tusschen een +hertogsdochter van Beieren, Oostenrijk of Lotharingen, wordt een +uitnemend schilder gezonden, om van alle drie het portret te maken. Men +legt ze den koning voor, en hij kiest de veertienjarige Isabella van +Beieren, die hij verreweg de schoonste acht.<a name='FNanchor_840_840'></a><a href='#Footnote_840_840'><sup>[840]</sup></a></p> + +<p>Nergens is de praktische bestemming van het kunstwerk zoo overwegend als +bij het grafteeken, waaraan de beeldhouwkunst van dien tijd haar +werkzaamheid bij uitstek vond. En niet alleen de beeldhouwkunst: de +hevige behoefte aan een zichtbaar beeld van den gestorvene moest ook +reeds bij de begrafenis bevredigd worden. Soms werd de doode voorgesteld +door een levend mensch: bij den lijkdienst voor Bertrand du Guesclin te +Saint Denis verschenen vier geharnaste ridders te paard in de kerk, +"representans la personne du mort quand il vivoit".<a name='FNanchor_841_841'></a><a href='#Footnote_841_841'><sup>[841]</sup></a> Een rekening +uit 1375 vermeldt van een lijkplechtigheid in het huis van Polignac: +<a name='428'></a>"cinq sols à Blaise pour avoir fait le chevalier mort à la sepulture." +<a name='FNanchor_842_842'></a><a href='#Footnote_842_842'><sup>[842]</sup></a> Bij de koninklijke begrafenissen is het meestal een leeren pop, +geheel gekleed in vorstelijken staat, en waarbij naar groote gelijkenis +wordt gestreefd.<a name='FNanchor_843_843'></a><a href='#Footnote_843_843'><sup>[843]</sup></a> Soms zijn er zelfs, naar 't schijnt, meer dan een +van die beeltenissen in den stoet. De aandoening van het volk +concentreert zich op het zien van die beelden.<a name='FNanchor_844_844'></a><a href='#Footnote_844_844'><sup>[844]</sup></a> Het doodenmasker, +dat in de vijftiende eeuw in Frankrijk opkomt, heeft wellicht uit de +vervaardiging van deze lijk-staatsiepoppen zijn uitgangspunt genomen.</p> + +<p>De opdracht van een kunstwerk geschiedt bijna altijd met een bedoeling +voor het leven, met een praktische bestemming. Hierdoor wordt de grens +tusschen de vrij beeldende kunst en het kunsthandwerk feitelijk +uitgewischt, of liever zij is nog niet getrokken. Ook wat de personen +der kunstenaars betreft, bestaat die grens nog niet. De schaar van zeer +persoonlijke meesters in den hofdienst van Vlaanderen, Berry en +Bourgondië wisselt het schilderen van zelfstandige tafereelen niet enkel +af met het verluchten van handschriften en het polychromeeren van +beeldhouwwerk; zij moeten ook hun krachten wijden aan het beschilderen +van wapenschilden en banieren, het ontwerpen van tournooicostuums en +plechtgewaden.<a name='429'></a> Melchior Broederlam, eerst schilder van den Vlaamschen +graaf Lodewijk van Male, daarna van diens schoonzoon, den eersten hertog +van Bourgondië, decoreert vijf gebeeldhouwde zetels voor 's graven huis. +Hij herstelt en beschildert de mechanieke rariteiten in het kasteel van +Hesdin, waarmee de gasten besproeid of bestoven werden. Hij werkt aan +een reiswagen der hertogin. Hij leidt de buitensporige versiering van de +vloot, die de Bourgondische hertog in 1387 verzameld had in de haven van +Sluis, voor een tocht tegen Engeland, die nimmer plaats had. Bij de +vorstelijke bruiloften en begrafenissen worden steeds de hofschilders in +het werk gesteld. In de werkplaats van Jan van Eyck werden standbeelden +beschilderd, en hij zelf vervaardigde voor hertog Philips een soort van +wereldkaart, waarop steden en landen wonderbaarlijk fijn en duidelijk +geschilderd te zien waren. Van Gerard David vindt men vermeld, dat hij +de tralies of luiken van het vertrek in het broodhuis te Brugge, waar +Maximiliaan in 1488 opgesloten zat, met schilderwerk versieren moest, +om den koninklijken gevangene het verblijf wat te veraangenamen.</p> + +<p>Van al het werk, dat uit de handen der groote en geringere kunstenaars +gekomen is, heeft men slechts een fragment van tamelijk specialen aard +over. Het zijn in hoofdzaak grafmonumenten, altaarstukken, portretten +en miniaturen. Van de wereldlijke schilderkunst is, buiten de portretten, +slechts zeer weinig bewaard. Van de sierkunst en het kunsthandwerk +hebben wij sommige bepaalde genres: kerkgerei, kerkgewaden, eenige +meubelkunst. Hoe zou ons inzicht in het karakter der vijftiendeëeuwsche +kunst verlengd worden, indien wij de badstoof van Jan van Eyck en zijn +<a name='430'></a>jachttafereelen konden plaatsen naast de vele pieta's en madonna's. +Van geheele gebieden der toegepaste kunst hebben wij nauwelijks een +voorstelling. Naast de kerkelijke paramenten moesten wij de met juweelen +en schelletjes bezette prachtgewaden van het hof kunnen leggen. Wij +moesten de pralend getooide schepen kunnen zien, waarvan ons de +miniaturen slechts een hoogst gebrekkige, schematische voorstelling +geven. Er zijn weinig dingen, wier schoonheid Froissart zoo heeft +getroffen als van de schepen.<a name='FNanchor_845_845'></a><a href='#Footnote_845_845'><sup>[845]</sup></a> De wimpels, rijk met wapens +versierd, die van den top van den mast wapperden, waren bij wijlen zoo +lang, dat zij het water raakten. Nog op de scheepsafbeeldingen van +Pieter Breughel ziet men die buitensporig lange en breede wimpels. +Het schip van Philips den Stoute, waaraan Melchior Broederlam in 1387 +te Sluis werkte, was bedekt met blauw en goud; groote wapenschilden +versierden het paviljoen op het achterkasteel; de zeilen waren bestrooid +met margrieten en de voorletters van het hertogelijk paar, met hun +devies <i>Il me tarde</i>. Het was een wedijver onder de edelen, wie zijn +schip voor die gefaalde expeditie tegen Engeland het kostbaarst zou +versieren. De schilders hadden een goeden tijd, zegt Froissart;<a name='FNanchor_846_846'></a><a href='#Footnote_846_846'><sup>[846]</sup></a> +zij verdienden wat zij maar vragen wilden, en men kon er niet genoeg +vinden. Hij beweert, dat velen de masten geheel met bladgoud lieten +vergulden. Vooral Guy de la Trémoïlle spaarde geen kosten; hij besteedde +er meer dan 2000 ponden aan. "L'on ne se povoit de chose adviser pour +luy jolyer, ne deviser, que le<a name='431'></a> seigneur de la Trimouille ne le feist +faire en ses nefs. Et tout ce paioient les povres gens parmy France...."</p> + +<p>De trek, die ons in al de verloren wereldsche sierkunst het meest zou +hebben getroffen, zou ongetwijfeld het overdadige, schitterend +extravagante zijn geweest. Ook aan de bewaarde kunstwerken is die trek +van het extravagante wel degelijk eigen, maar daar wij die eigenschap in +deze kunst het minst waardeeren, letten wij er het minst op. Wij zoeken +er enkel de diepste schoonheid in te genieten. Alles wat louter praal +en luister is, heeft voor ons zijn prikkeling verloren. Maar voor den +tijdgenoot was juist die praal en luister van ontzaglijk gewicht.</p> + +<p>De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is er een, +waarin pracht schoonheid wil verdrijven. De eind-middeleeuwsche kunst +weerspiegelt getrouw den eind-middeleeuwschen geest, een geest, die zijn +pad ten einde was geloopen. Wat wij hierboven beschouwden als een der +voornaamste kenmerken van het laat-middeleeuwsche denken: de uitbeelding +van al het denkbare tot in al zijn consequentie, de overvulling van den +geest met een oneindig systeem van formeele verbeeldingen, dat is ook +het wezen der kunst van dien tijd. Ook zij streeft ernaar, niets +ongevormd, niets onverbeeld of onversierd te laten. De flamboyante +gothiek is als een eindeloos orgelnaspel: zij lost alle vormen op in +zelfontbinding, geeft aan elk détail zijn voortgezette doorwerking, aan +elke lijn haar tegenlijn. Het is een ongebonden woekeren van den vorm +over de idee; het versierende détail tast alle vlakken en lijnen aan. Er +heerscht in deze kunst die horror vacui, die misschien een kenmerk van +eindigende geestesperioden mag heeten.</p> +<a name='432'></a> +<p>Dat alles wil zeggen, dat de grenzen tusschen praal en schoonheid +verflauwen. Tooi en versiering dienen niet meer, om het natuurlijk +schoone te verheerlijken, maar overwoekeren het en dreigen het te +verstikken. Die woekering van de formeele versieringselementen over den +inhoud is des te toomeloozer, naarmate men zich verder van de zuiver +beeldende kunst verwijdert. In de beeldhouwkunst is, zoolang zij +losstaande figuren schept, voor de vormenwoekering weinig plaats: de +beelden van den Mozesput en de "plourants" van de graftomben wedijveren +in strenge, sobere natuurlijkheid met Donatello. Maar zoodra de +beeldhouwkunst een versierende taak krijgt, of in het domein van de +schilderkunst treedt, en, zich bindend aan de verminderde dimensies van +het relief, geheele tafereelen weergeeft, gaat ook zij zich te buiten +aan woelige overlading. In den tabernakel te Dijon ziet men het naast +elkaar in het snijwerk van Jacques de Baerze en het schilderwerk van +Broederlam: in het laatste, het zuiver verbeeldende, heerscht eenvoud en +rust; in het eerste, het versierende, verdringen de vormen elkaar. Van +denzelfden aard is het verschil tusschen het schilderij en het tapijt. +De weefkunst blijft door haar onvrijer techniek, ook waar zij de taak op +zich neemt van zuiver af te beelden, nader staan bij de versieringskunst, +en kan zich niet onttrekken aan de overdreven versieringsbehoefte: de +tapijten zijn overvuld met figuren en kleur. Verwijdert men zich nog +verder van de zuiver beeldende kunst, dan komt de kleeding aan de beurt. +Ook deze is ontegenzeggelijk kunst. Maar hier is ten eerste de bedoeling +van praal en tooi reeds overwegend boven die van zuivere schoonheid, en +bovendien trekt de persoonlijke hoovaardij<a name='433'></a> de kleedingkunst in de sfeer +van het hartstochtelijke en zinnelijke, waar de eigenschappen, die het +wezen der hooge kunst uitmaken: de evenmaat en harmonie, bezwijken.</p> + +<p>De buitensporigheid der kleederdracht van 1350 tot 1480 is in zoo +algemeenen en zoo langdurigen vorm niet weer geëvenaard. Er zijn ook +later extravagante modes geweest, zooals de landsknechtendracht +omstreeks 1520 en het Fransche adellijke costuum van omstreeks 1660, +maar die teugellooze overdrijving en overlading, die de Fransch- +bourgondische dracht een eeuw lang gekenmerkt heeft, blijft zonder +voorbeeld. Hier ziet men, wat de schoonheidszin dier tijden, aan zijn +ongestoorde drift overgelaten, wrocht. Een enkel hofcostuum wordt +overladen met honderden edele steenen. Alle afmetingen worden tot in het +zotte geoutreerd. Het vrouwenkapsel neemt den suikerbroodvorm van den +"hennin" aan: het haar wordt aan de slapen en bij de inplanting op het +voorhoofd verwijderd of verborgen, om de zonderling gebombeerde +voorhoofden te vertoonen, die als schoon golden; het décolleté is +plotseling begonnen. Doch in de mannenkleeding zijn de buitensporigheden +nog talrijker. Hier heeft men bovenal de lange schoenpunten of +"poulaines", die de ridders bij Nicopolis zich moesten afsnijden, om te +kunnen vluchten; dan de ingesnoerde middels, de ballonachtig opgepofte +mouwen, die bij de schouders omhoog staan, de houppelandes, die tot op +de voeten hangen, en de buizen zoo kort, dat zij de billen zichtbaar +laten; de hooge, puntige of cilindervormige mutsen en hoeden, de +kaproenen wonderlijk om het hoofd gedrapeerd als een hanekam of een +vlammend vuur. Hoe plechtiger, <a name='434'></a>hoe buitensporiger; want al dit fraais +beduidt staatsie, "estat".<a name='FNanchor_847_847'></a><a href='#Footnote_847_847'><sup>[847]</sup></a> Het rouwkleed, waarin Philips de Goede +na den moord van zijn vader te Troyes den koning van Engeland ontvangt, +is zoo lang, dat het van het hooge ros af, dat hij berijdt, de aarde +raakt.<a name='FNanchor_848_848'></a><a href='#Footnote_848_848'><sup>[848]</sup></a></p> + +<p>De overdadige pronk heeft haar toppunt in het hoffeest. Iedereen +herinnert zich de beschrijvingen van die Bourgondische hoffeesten, +zooals het banket te Rijssel in 1454, waar de gasten bij den opgedragen +fazant hun geloften aflegden, om tegen den Turk ter kruisvaart te +trekken, of het bruiloftsfeest van Karel den Stoute en Margareta van +York te Brugge in 1468.<a name='FNanchor_849_849'></a><a href='#Footnote_849_849'><sup>[849]</sup></a> Niets kan in onze voorstelling verder af +staan van de stille wijding van het Gentsche of Leuvensche altaarstuk +dan deze uitingen van barbaarsche vorstenweelde. Uit de beschrijving +van al die "entremets" met hun pasteien, waarin muzikanten spelen, hun +opgetuigde schepen en kasteelen, de apen, walvisschen, reuzen en +dwergen, met al de afgezaagde allegorie, die daarbij hoort, kunnen wij +ze ons niet anders voorstellen dan als buitengewoon wansmakelijke +vertooningen.</p> + +<p>Toch zien wij hier licht de kloof tusschen de beide uitersten der kunst: +de kerkelijke en die van het hoffeest, in meer dan één opzicht te groot. +Allereerst moet men zich rekenschap geven van de functie, welke het +feest in die samenleving vervulde.<a name='435'></a> Het feest had nog vrij wat behouden +van de functie, die het bij primitieve volken vervult, van te zijn de +souvereine uiting der cultuur, de vorm, waarin men gezamenlijk zijn +hoogste levensvreugde uit en zijn gemeenschapsgevoel verbeeldt. In +tijden van groote vernieuwing der gemeenschap, zooals in de Fransche +revolutie, verwerft het feest soms die belangrijke sociale en +aesthetische functie opnieuw.</p> + +<p>De moderne mensch kan op ieder oogenblik van rust in zelfgekozen +ontspanning individueel de bevestiging van zijn levensinzicht en de +zuiverste genieting van zijn levensvreugde zoeken. Een tijd, waarin de +geestelijke genotmiddelen nog weinig verspreid en toegankelijk zijn, +behoeft daartoe een gezamenlijke daad, het feest. En hoe grooter het +contrast is van de ellendigheid des dagelijkschen levens, des te +onmisbaarder is het feest, en des te sterker middelen zijn van noode, +om die bedwelming in schoonheid en genot, die tempering der realiteit +te ondergaan, zonder welke het leven dof is. De vijftiende eeuw nu is +een tijd van ontzettende depressie en grondig pessimisme. Hierboven is +gesproken van die eeuwige beklemming van onrecht en geweld, hel en +oordeel, pest, brand en honger, duivel en heksen, waaronder die eeuw +leeft. De arme menschheid behoeft daartegen niet alleen de dagelijks +herhaalde belofte van het hemelsch heil en van Gods wakende zorg en +goedheid; van tijd tot tijd is ook nog een plechtige en gezamenlijke, +glorieuze verzekering van de schoonheid des levens zelf noodig. Het +levensgenot in zijn primaire vormen: spel, min, drank, dans en zang, is +niet genoeg; het moet veredeld worden met schoonheid, gestyleerd in een +gemeenschappelijk vreugdebedrijf.<a name='436'></a> Want voor elk voor zich: in de boeken, +of in het aanhooren van muziek, in het aanschouwen van kunst, in het +genieten der natuur, was die bevrediging nog niet bereikbaar; de boeken +waren te kostbaar, de natuur te onveilig, de kunst maakte juist deel uit +van het feest.</p> + +<p>Het volksfeest had zijn eigen, oorspronkelijke bronnen van schoonheid +enkel in het lied en in den dans. Voor het schoon van kleur en vorm +leunde het op het kerkfeest, waarbij het zich gewoonlijk aansloot, en +dat daarvan overvloed bood. De losmaking van het burgerlijke feest uit +den kerkelijken vorm, en de opluistering ervan met eigen sier, wordt +juist in de vijftiende eeuw door de rederijkers volbracht. Tot dusver +was alleen het vorstenhof in staat geweest, een zuiver wereldlijk feest +te tooien met weelde van kunst, er een eigen pracht aan te geven. Maar +weelde en pracht zijn voor het feest niet genoeg; niets is ervoor zoo +onmisbaar als stijl.</p> + +<p>Het kerkfeest had dien stijl krachtens de liturgie zelf. Daar was altijd +aanwezig de indrukwekkende verbeelding van één verheven idee in een +schoon gebaar van velen samen. De heilige waardigheid en de hooge vaste +gang werden er zelfs door de uiterste woekeringen van het feestelijk +détail, tot in het burleske toe, niet verbroken. Doch waaraan ontleende +het hoffeest zijn stijl? wat was hier de idee, die het uitdrukte?—Het +kon geen andere zijn dan het ridderideaal, want daarop berustte de +geheele levensvorm van het hof. Was aan het ridderideaal een eigen +stijl, een liturgie om zoo te zeggen, verbonden?—Ja, alles wat +ridderslag, orderegels, tournooi, préséance, hulde en dienst betrof: het +gansche spel van wapenkoningen, herauten, blazoenen, maakte dien stijl +uit.<a name='437'></a> Voorzoover het hoffeest uit die elementen was opgebouwd, had het +voor de tijdgenooten wel degelijk een grooten, eerbiedwaardigen stijl. +Nu nog kan zelfs iemand zonder monarchale of adellijke geestdrift bij +het aanschouwen van elke willekeurige staatsie de huivering van zulk een +zuiver wereldsche liturgie ondergaan. Hoe moet het dan geweest zijn voor +de bevangenen in den waan van dat ridderideaal, bij de pompeuze +aankleeding met lange gewaden en schitterende kleuren!</p> + +<p>Maar het hoffeest wilde nog meer. Het wilde den droom van het heroïsche +leven tot het uiterste verbeelden. Hier nu brak de stijl. Die gansche +toestel van ridderlijke fantazie en staatsie was niet meer van echt +leven vervuld. Het was alles teveel litteratuur geworden, een vooze +renaissance en een ijdele conventie. De overlading met staatsie en +etikette moest het innerlijk verval van den levensvorm bedekken. De +ridderlijke gedachte der vijftiende eeuw zwelgt in een romantiek, die +door en door hol en versleten is. Dat was de bron, waaruit het hoffeest +de fantazie voor zijn vertooningen en verbeeldingen putten moest. Hoe +zou het stijl scheppen uit een litteratuur, zoo stijlloos, ongebonden en +verschaald als de ridderlijke romantiek in haar ontaarding?</p> + +<p>In dit licht moet men de schoonheidswaarde van de "entremets" bezien: +het is toegepaste litteratuur, waarbij het eenige, wat die litteratuur +nog dragelijk kon maken: haar vluchtig, oppervlakkig voortdroomen over +al haar bonte gedaanten, plaats maakt voor de opdringendheid van het +stoffelijk voorgestelde.</p> + +<p>De zware, barbaarsche ernst, die uit dat alles spreekt, past juist bij +het Bourgondische hof, dat door zijn aanraking met het Noorden den +<a name='438'></a>luchtiger en harmonischer Franschen geest scheen te hebben verloren. +Plechtig en gewichtig wordt al die geweldige pronk opgevat. Het groote +feest van den hertog te Rijssel vormde het besluit en de bekroning van +een reeks van banketten, die de hofadel elkander in wedijver aanbood. +Het was eenvoudig begonnen, en met geringe kosten, en dan gestegen in +aantal van gasten, weelderigheid van menu en entremets; door het +aanbieden van een krans gaf de gastheer een ander de beurt; zoo ging het +over van ridders op groote heeren en van heeren op prinsen, in steeds +stijgende mate van uithaal en vertoon, totdat het eindelijk aan den +hertog zelf kwam. Voor Philips moest het meer zijn dan een schitterend +feest; daar zouden de geloften plaats hebben voor den kruistocht tegen +de Turken ter herovering van Constantinopel, een jaar tevoren gevallen: +'s hertogen luid beleden levensideaal. Ter voorbereiding wees hij een +commissie aan onder leiding van den vliesridder Jean de Lannoy. Ook +Olivier de la Marche had er zitting in. Wanneer deze in zijn +gedenkschriften tot die zaken genaderd is, wordt het hem nog plechtig te +moede. "Pour ce que grandes et honnorables oeuvres desirent loingtaine +renommée et perpétuelle mémoire," aldus begint hij die groote dingen te +gedenken.<a name='FNanchor_850_850'></a><a href='#Footnote_850_850'><sup>[850]</sup></a> De eerste en nauwste raden van den hertog waren +herhaaldelijk tegenwoordig bij de beraadslagingen: de kanselier Nicolaas +Rolin zelf en Antoine de Croy, de eerste kamerheer werden ertoe +geroepen, eer men het eens was, hoe "les cérimonies et les mistères" +moesten worden opgezet.</p> +<a name='439'></a> +<p>Het relaas van al dat fraais is zoo dikwijls gedaan, dat het hier niet +behoeft te worden herhaald. Men was zelfs van over zee gekomen, om het +schouwspel te zien. Er waren buiten de gasten tal van adellijke +toeschouwers, de meesten in vermomming. Men ging eerst rond, om de in +beeldwerk uitgevoerde, vaste pronkstukken te bewonderen; eerst later +volgden de vertooningen en tableaux-vivants van levende personen. +Olivier zelf speelde de hoofdrol, die van Sainte Eglise in het +voornaamste stuk, als deze binnenkomt in een toren op den rug van een +olifant, door een Turkschen reus geleid. Op de tafels prijkten de +geweldigste decoraties: een bemande en opgetuigde kraak, een weide +uitgemonsterd met boomen, een bron, rotsen en een beeld van Sint +Andries, het kasteel Lusignan met de fee Mélusine, een windmolen, +waarbij naar den vogel geschoten werd, een bosch met bewegelijke wilde +dieren en tenslotte de kerk met een orgel en zangers, die muziek ten +beste gaven, afgewisseld door het orkest van 28 personen, dat in de +pastei zat.</p> + +<p>Waar het hier op aan komt, is de mate van smaak of wansmaak, die in dat +alles tot uiting kwam. In de stof zelve kunnen wij niet veel anders zien +dan een poespas van mythologische, allegorische en moraliseerende +figuren. Doch hoe was de uitvoering? Zonder twijfel werd de voornaamste +werking gezocht in het extravagante. De toren van Gorkum, die bij het +bruiloftsfeest van 1468 als tafelopzet prijkte, was 46 voet hoog.<a name='FNanchor_851_851'></a><a href='#Footnote_851_851'><sup>[851]</sup></a> +Van een walvisch, die bij diezelfde gelegenheid dienst deed, zegt La +Marche: "et certes ce fut un moult bel entremectz, car il y avoit dedans +plus de quarante personnes."<a name='FNanchor_852_852'></a><a href='#Footnote_852_852'><sup>[852]</sup></a> +<a name='440'></a> Voorzoover het kwistig gebruik van de +wonderen der mechaniek strekt, kunnen wij er geen denkbeeld van kunst +aan verbinden: levende vogels, die uit den muil van een draak vliegen, +dien Hercules bevecht en dergelijke verbazingwekkendheden. Het komische +element erin is van zeer laag allooi: uit den Gorkumschen toren blazen +wilde zwijnen de trompet; geiten voeren een motet uit, wolven spelen +fluit, vier groote ezels treden als zangers op, dit alles voor Karel den +Stoute, die zelf een fijn muziekkenner was.</p> + +<p>Toch zou ik er niet aan willen twijfelen, dat bij al die feestartikelen, +bij de vaste stukken met name, naast veel matelooze, verdwaasde pronk, +menig echt kunstwerk, is geweest. Laat ons toch niet vergeten, dat de +menschen, die aan al deze gargantueske pracht hun hart ophaalden en hun +ernstigste gedachten wijdden, de opdrachtgevers van Jan van Eyck en +Rogier van der Weyden zijn geweest. Het was de hertog zelf, het was +Rolin, de stichter van het altaar van Beaune en van Autun, Jean Chevrot, +die van de Zeven sacramenten van Rogier, de Lanoy's. En wat meer zegt: +de vervaardigers van deze of soortgelijke pronkstukken waren de +schilders zelf. Al weet men het toevallig niet van Jan of Rogier, men +weet het van anderen, hoe zij bij zulke feesten meewerkten: Colard +Marmion, Simon Marmion, Jacques Daret. Voor het feest van 1468, dat +plotseling vervroegd heette, werd, om tijdig klaar te zijn, het gansche +schildersvak gemobiliseerd: haastig werden er gezellen naar Brugge +ontboden uit Gent, Brussel, Leuven, Thienen, Bergen, Quesnoy, +Valenciennes, Douai, Kamerijk,<a name='441'></a> Atrecht, Rijsel, Yperen, Kortrijk en +Oudenaarde.<a name='FNanchor_853_853'></a><a href='#Footnote_853_853'><sup>[853]</sup></a> Het kan niet ten eenenmale leelijk zijn geweest, wat +uit die handen kwam. De dertig opgetuigde schepen van het banket van +1468, met de wapens van 's hertogen heerschappijen, de zestig vrouwtjes +in verschillende landsdracht,<a name='FNanchor_854_854'></a><a href='#Footnote_854_854'><sup>[854]</sup></a> met vruchtenmandjes en vogelkooien, +die windmolen met vogelschieters,—men zou er menig middelmatig +kerkelijk stuk voor willen geven.</p> + +<p>Er is in die dagen nog een zekere ongescheidenheid van smaak en wansmaak +in de geesten: kunstzin en lust aan pronk en rariteiten hebben zich nog +niet van elkaar afgezonderd. De naïeve fantazie kan nog ongestoord het +bizarre genieten, alsof het schoonheid was. Hooge kunst en kostbare +prullenkraam worden nog gemoedelijk dooreengemengd en gelijkelijk +bewonderd. Een verzameling als die van het Grüne Gewölbe te Dresden +vertoont het uitgescheiden caput mortuum van de vorstelijke +kunstcollectie, waarmee zij eenmaal één geheel uitmaakte. In het kasteel +van Hesdin, schatkamer van kunstwerken en lustoord tevens, vol van die +mechanieke vermakelijkheden, "engins d'esbatement", die zoo lang bij het +vorstelijke lustverblijf zijn blijven behooren, zag Caxton een kamer, +versierd met schilderijen, die de geschiedenis voorstelden van Jason, +den held van het Gulden vlies. Ter opluistering waren er bliksem-, +donder-, sneeuw- en regeninstrumenten aangebracht, om daarmee Medea's +tooverijen na te bootsen.<a name='FNanchor_855_855'></a><a href='#Footnote_855_855'><sup>[855]</sup></a></p> + +<p>Ook bij de vertooningen, "personnages", die bij vorstelijke intochten op +de hoeken der straten stonden opgesteld,<a name='442'></a> kon de fantazie veel verdragen. +Naast heilige tafereelen zag men te Parijs in 1389, bij den intocht van +Isabella van Beieren als gemalin van Karel VI, een wit hert met vergulde +horens en een kroon om den hals; het ligt op een "lit de justice", en +beweegt oogen, horens, pooten, om tenslotte een zwaard omhoog te houden. +Bij denzelfden intocht daalt een engel "par engins bien faits" van de +torens der Notre Dame, dringt juist als de koningin passeert, door een +spleet in de bespanning van blauw taffetas met gouden leliën, waarmee de +geheele brug is overdekt, zet haar een kroon op het hoofd, en verdwijnt +weer, zooals hij gekomen is, "comme s'il s'en fust retourné de +soy-mesmes au ciel".<a name='FNanchor_856_856'></a><a href='#Footnote_856_856'><sup>[856]</sup></a> Philips de Goede wordt bij een intocht te +Gent op een soortgelijke nederdaling van een meisje onthaald,<a name='FNanchor_857_857'></a><a href='#Footnote_857_857'><sup>[857]</sup></a> +evenzoo Karel VIII te Reims in 1484.<a name='FNanchor_858_858'></a><a href='#Footnote_858_858'><sup>[858]</sup></a> Wij kunnen ons moeilijk iets +zotters voorstellen dan een zoogenaamd tooneelpaard, waar een man in +loopt. In de vijftiende eeuw vond men het blijkbaar niet lachwekkend, +althans Le Fèvre de Saint Remy vertelt zonder een zweem van spot van een +vertooning van vier trompetters en twaalf edellieden "sur chevaulx de +artifice", "saillans et poursaillans tellement que belle chose estoit à +veoir".<a name='FNanchor_859_859'></a><a href='#Footnote_859_859'><sup>[859]</sup></a></p> + +<p>De scheiding, die onze kunstzin eischt, en die de verwoestende tijd ons +heeft helpen maken tusschen al dien bizarren opschik, die spoorloos is +vergaan, en de enkele hooge kunstwerken, die ons bewaard zijn, heeft +voor den tijdgenoot nauwelijks bestaan. Het kunstleven van den +Bourgondischen tijd lag nog geheel besloten in de vormen van het +gezelschapsleven.<a name='443'></a> De kunst diende. Zij had in de eerste plaats een +sociale functie, en deze is bovenal het tentoonspreiden van praal, en +het accentueeren van de persoonlijke belangrijkheid, niet van den +kunstenaar, maar van den stichter. Dit wordt niet weggenomen door het +feit, dat in de kerkelijke kunst de pralende heerlijkheid dient, om +heilige gedachten omhoog te voeren, en dat de stichter zijn persoon op +den voorgrond heeft gesteld uit vromen zin. Aan den anderen kant is de +aard van het wereldlijk schilderij volstrekt niet altijd die overdadig +hoogmoedige, die paste bij het opgeblazen hofleven. Om goed te zien, hoe +kunst en leven bij elkaar aansloten, in elkaar opgingen, missen wij veel +te veel van de omgeving, waarin de kunst geplaatst was, is onze kennis +van de kunst zelf veel te fragmentair. Hof en kerk zijn samen het leven +van den tijd nog niet.</p> + +<p>Daarom zijn voor ons die weinige kunstwerken van zoo bijzonder gewicht, +waarin iets van het leven buiten die twee sferen tot uiting komt. Eén +straalt daaronder in ongeëvenaarde kostbaarheid: het portret van het +echtpaar Arnolfini. Hier heeft men de kunst der vijftiende eeuw in haar +zuiversten vorm; hier nadert men het dichtst tot den raadselachtigen +persoon van den maker Jan van Eyck. Ditmaal behoefde hij noch de +schitterende majesteit van het goddelijke uit te drukken, noch de +hoovaardij van hooge heeren te dienen: het waren zijn vrienden, die hij +schilderde, ter gelegenheid van hun huwelijk. Is het werkelijk Jean +Arnoulphin, zooals hij in Vlaanderen heette, de koopman uit Lucca, +geweest? Dit gezicht, dat tweemaal door Van Eyck geschilderd is,<a name='FNanchor_860_860'></a><a href='#Footnote_860_860'><sup>[860]</sup></a> +schijnt wel het minst Italiaansche,<a name='444'></a> dat ooit uit oogen keek. Doch de +aanduiding van het stuk als "Hernoul le fin avez sa femme dedens une +chambre" in den inventaris der schilderijen van Margareta van Oostenrijk +uit 1516<a name='FNanchor_861_861'></a><a href='#Footnote_861_861'><sup>[861]</sup></a> blijft wel een sterk argument, om er Arnolfini in te +zien. In dat geval beschouwe men het eigenlijk niet als een "burgerlijk +portret". Want Arnolfini was een groot heer, herhaaldelijk raadsman der +hertogelijke regeering in gewichtige zaken. Hoe het zij, de man, die +hier is afgebeeld, was een vriend van Jan van Eyck. Dat getuigt die fijn +zinrijke wijze, waarop de schilder zijn werk heeft gewaarmerkt, het +opschrift boven den spiegel: "Johannes de Eyck fuit hic, 1434". Jan +van Eyck is hier geweest. Zooeven nog. In de suizende stilte van die +binnenkamer toeft nog de klank van zijn stem. De innige teerheid en de +stille vrede, zooals eerst Rembrandt ze opnieuw zal geven, liggen in dit +stuk besloten, alsof het Jan's eigen hart was. Hier is opeens die avond +der Middeleeuwen terug, dien wij kennen, en toch zoo dikwijls in de +litteratuur, de geschiedenis, het geloofsleven dier tijden vergeefs +zoeken: de gelukkige, edele, serene en eenvoudige Middeleeuw van het +volkslied en de kerkmuziek. Hoe ver zijn wij nu weer van dien schellen +lach en den toomeloozen hartstocht!</p> + +<p>Dan ziet wellicht onze verbeelding een Jan van Eyck, die buiten het +felle, bonte leven van zijn tijd stond, een eenvoudige, een droomer, die +met gebogen hoofd, den blik naar binnen gekeerd, door 't leven sloop. +Voorzichtig, of het wordt een kunsthistorische novelle: hoe 's hertogen +"varlet de chambre" met weerzin de hooge heeren diende, hoe zijn +<a name='445'></a>kunstmakkers met diepe smart hun hooge kunst moesten verloochenen, om +mee te werken aan hoffeesten en vlootuitrusting.</p> + +<p>Er is niets, wat zulk een voorstelling rechtvaardigt. De kunst der Van +Eyck's, die wij bewonderen, stond midden in het hofleven, dat ons +afstoot. Het weinige wat wij van het leven dier schilders weten, toont +hen ons als lieden van de wereld. De hertog van Berry is met zijn +hofschilders op den besten voet. Froissart ontmoette hem in gemeenzaam +onderhoud met André Beauneveu in zijn wonderkasteel Mehun sur Yevre. +<a name='FNanchor_862_862'></a><a href='#Footnote_862_862'><sup>[862]</sup></a> De drie gebroeders van Limburg, de groote verluchters, verblijden +den hertog op nieuwjaar met een surprise: een nieuw verlucht handschrift, +dat "un livre contrefait" blijkt, "d'une pièce de bois blanc paincte en +semblance d'un livre, où il n'a nulz feuillets ne riens escript".<a name='FNanchor_863_863'></a><a href='#Footnote_863_863'><sup>[863]</sup></a> +Jan van Eyck heeft zich zonder twijfel midden in het hofleven bewogen. +Voor de geheime diplomatieke zendingen, waarmee Philips de Goede hem +belastte, was een wereldkenner noodig. Hij gold in zijn eeuw als een +geletterde, die klassieken las en meetkunde bestudeerde. Met een lichte +bizarrerie heeft hij zijn bescheiden zinspreuk "Als ik kan" in Grieksche +karakters vermomd.</p> + +<p>Werden wij niet door deze en dergelijke gegevens gewaarschuwd, dan +zouden wij allicht geneigd zijn, de kunst der Van Eyck's op een +verkeerde plaats in het leven der vijftiende eeuw te zien. Daar zijn in +dien tijd twee voor onzen blik scherp gescheiden levenssferen. Hier is +de cultuur van het hof,<a name='446'></a> den adel en de rijke burgerij; praalziek, eer- +en hebzuchtig, kakelbont, gloeiend hartstochtelijk. Daar is de stille, +effen grijze sfeer der moderne devotie, de ernstige mannen en de gedweeë +burgervrouwtjes, die hun toeverlaat zochten in de Fraterhuizen en bij de +Windesheimers, waar de verre zachte branding der <i>Imitatio</i> fluistert, +—de sfeer ook van Ruusbroec en de heilige Colette. Dat is de sfeer, +waarin voor ons gevoel de kunst der Van Eyck's, met haar vrome, stille +mystiek, zou passen. Toch is haar plaats eêr in de andere. De moderne +devoten stonden afwijzend tegenover de groote kunst, die zich in hun tijd +ontplooide. Zij verzetten zich tegen de veelstemmige muziek, zelfs tegen +de orgels,<a name='FNanchor_864_864'></a><a href='#Footnote_864_864'><sup>[864]</sup></a> terwijl het de prachtlievende Bourgondiërs zijn: bisschop +David van Utrecht en Karel de Stoute zelf, die in hun kapellen de eerste +meesters als leiders hebben: Obrecht te Utrecht, Busnois bij den hertog, +die hem zelfs meeneemt naar het kamp voor Neuss. De ordinarius van +Windesheim verbood elke versiering van den zang, en Thomas a Kempis zegt: +"kunt gij niet zingen als de leeuwerik en de nachtegaal, zingt dan als de +raven en de kikvorschen in den poel, die zingen zooals God het hun gegeven +heeft."<a name='FNanchor_865_865'></a><a href='#Footnote_865_865'><sup>[865]</sup></a> Over de schilderkunst hebben zij zich uit den aard der zaak +minder uitgelaten; maar zij wilden hun boeken eenvoudig hebben, en niet +terwille van de kunst ze verluchten.<a name='FNanchor_866_866'></a><a href='#Footnote_866_866'><sup>[866]</sup></a> Hoogstwaarschijnlijk zouden zij +zelfs een werk als de Aanbidding van het Lam louter hoogmoed geacht hebben.</p> +<a name='447'></a> +<p>Is overigens de scheiding tusschen die beide levenssferen wel zóo scherp +geweest, als wij haar zien? Hierboven is het reeds gezegd. Er zijn +talrijke aanrakingen tusschen de hofkringen en die van den streng +godsdienstigen wandel. De heilige Colette en Dionysius de Kartuizer +verkeeren met de hertogen; Margareta van York, de tweede gemalin van +Karel den Stoute, stelt levendig belang in de "gereformeerde" kloosters +van België. Beatrix van Ravestein, een der eersten aan het Bourgondische +hof, draagt onder de pronkgewaden het haren kleed. "Vestue de drap d'or +et de royaux atournemens à luy duisans, et feignant estre la plus +mondaine des autres, livrant ascout à toutes paroles perdues, comme +maintes font, et monstrant de dehors de pareil usages avecques les +lascives et huiseuses, portoit journellement la haire sur sa chair nue, +jeunoit en pain et en eau mainte journée par fiction couverte, et son +mary absent couchoit en la paille de son lit mainte nuyt."<a name='FNanchor_867_867'></a><a href='#Footnote_867_867'><sup>[867]</sup></a> Den +inkeer, die voor de moderne devoten blijvende levensvorm geworden was, +kennen de groote hoovaardigen ook, doch slechts bij vlagen, als de +naweeën der overdaad. Wanneer Philips de Goede na het groote feest van +Rijsel naar Regensburg is vertrokken, om met den keizer te spreken, +begeven zich verscheiden edelen en vrouwen van het hof in de +observantie, "qui menèrent moult belle et saincte vie."<a name='FNanchor_868_868'></a><a href='#Footnote_868_868'><sup>[868]</sup></a>—De +kroniekschrijvers, die met zooveel gewichtige uitvoerigheid al dien +praal en staat beschrijven, laten niet na, herhaaldelijk hun afkeer van +"pompes et beubans" te uiten. Zelfs Olivier de la Marche bepeinst na het +feest van Rijsel "les oultraigeux excès et la grant despense qui pour la +cause de ces banquetz ont esté faictz."<a name='448'></a> En hij vindt er geen +"entendement de vertu" in, behalve wat het entremets betreft, waarin de +Kerk optrad; doch een ander hofwijze legt hem uit, waarom dat alles zoo +had moeten zijn.<a name='FNanchor_869_869'></a><a href='#Footnote_869_869'><sup>[869]</sup></a> Lodewijk XI had uit zijn verblijf aan het hof van +Bourgondië een haat behouden tegen al wat weelde was.<a name='FNanchor_870_870'></a><a href='#Footnote_870_870'><sup>[870]</sup></a></p> + +<p>De kringen, waarin en waarvoor de kunstenaars werkten, zijn gansch +andere geweest dan die der moderne devotie. Al heeft de opbloei der +schilderkunst evenzeer als die van het geloof zijn wortels in de +stedelijke samenleving, burgerlijk kan de kunst der Van Eyck's en die +hen volgen, niet meer heeten. Het hof en de adel hadden de kunst tot +zich getrokken. De verheffing der miniatuurkunst tot die hoogten van +artistieke verfijning, die het werk der gebroeders van Limburg en van de +<i>Heures de Turin</i> kenmerkt, was zelfs aan het vorstelijk maecenaat bij +uitstek te danken. En ook de rijke burgerijen van de groote steden van +België streefden zelf naar een adellijken levensvorm. Het verschil +tusschen de Zuid-nederlandsche en Fransche kunst eenerzijds, en het +weinige, wat uit de vijftiende eeuw als Noord-nederlandsch is te +beschouwen, anderzijds, kan het best worden gezien als een verschil van +milieu: daar het weelderige, rijpe leven van Brugge, Gent, Brussel, in +voortdurende aanraking met het hof; hier een afgelegen landstadje als +Haarlem, in alles veel meer verwant aan de stille IJselsteden der +moderne devotie. Indien de kunst van Dirk Bouts Haarlemsch mag heeten +(wat wij van hem hebben, is gemaakt in het Zuiden, dat ook hem getrokken +had), dan kan het slichte, strakke, ingetogene,<a name='449'></a> dat zijn werk eigen is, +gelden als de echt burgerlijke uitdrukking tegenover de aristocratische +allure, den pompeuzen zwier, de praal en schittering der zuidelijke +meesters. De Haarlemsche school staat inderdaad nader tot de sfeer van +den burgerlijken levensernst.</p> + +<p>De werkgevers van de groote schilderkunst, voorzoover wij hen kennen, +zijn bijna zonder uitzondering de vertegenwoordigers geweest van het +groote kapitaal van die dagen. Het zijn de vorsten zelf, de hooge heeren +van het hof en de groote parvenu's, waaraan het Bourgondische tijdvak +rijk is, en die evenzeer als de anderen graviteeren naar het hof. De +Bourgondische macht berust immers juist op het indiensttrekken der +geldmachten en het scheppen van nieuwe adellijke geldmachten door +schenking en begunstiging. De levensvorm van die kringen is die van het +zwierige ridderideaal, waar men zwelgt in de staatsie van het Gulden +Vlies en de praal van feesten en tournooien. Op dat innig-vrome stuk de +Zeven sacramenten in het Antwerpsche museum wijst een wapen als den +vermoedelijken stichter den bisschop van Doornik, Jean Chevrot, aan. +Deze was naast Rolin de nauwste raadsman van den hertog,<a name='FNanchor_871_871'></a><a href='#Footnote_871_871'><sup>[871]</sup></a> ijverig +dienaar in de zaken van het Gulden Vlies en van het groote +kruistochtplan. Het type van den grooten kapitalist dier dagen is Pieter +Bladelyn, wiens stemmige figuur bekend is van het drieluik, dat het +altaar van de kerk in zijn stadje Middelburg in Vlaanderen gesierd +heeft. Van ontvanger van zijn geboortestad Brugge was hij opgeklommen +tot algemeen hertogelijk tresorier. Door zuinigheid en goede controle +bracht hij verbetering in de financiën.<a name='450'></a> Hij werd tresorier van het +Gulden Vlies, ridder; hij werd op de gewichtige diplomatieke zending +gebruikt, om in 1440 Charles d'Orléans uit de Engelsche gevangenschap +los te koopen; hij zou mee op den kruistocht tegen de Turken voor het +beheer der geldmiddelen. Zijn rijkdommen maakten de verbazing der +tijdgenooten gaande. Hij besteedde ze aan inpolderingen, waaraan nog de +Bladelijnspolder tusschen Sluis en Zuidzande herinnert, en aan het +stichten van een nieuwe stad, Middelburg in Vlaanderen.<a name='FNanchor_872_872'></a><a href='#Footnote_872_872'><sup>[872]</sup></a></p> + +<p>Jodocus Vydt, die als stichter op het Gentsche altaarstuk prijkt, en de +kanunnik Van de Paele, behooren eveneens tot de groote rijken van dien +tijd; de Croy's en de Lannoy's zijn adellijke nouveaux riches. De +tijdgenooten zijn het meest van al getroffen geweest door de opklimming +van Nicolaas Rolin, den kanselier, "venu de petit lieu", en als jurist, +financier en diplomaat tot de hoogste diensten gebruikt. De groote +verdragen der Bourgondiërs van 1419 tot 1435 zijn zijn werk geweest. +"Soloit tout gouverner tout seul et à part luy manier et porter tout, +fust de guerre, fust de paix, fust en fait des finances."<a name='FNanchor_873_873'></a><a href='#Footnote_873_873'><sup>[873]</sup></a> Hij had +door niet onverdachte middelen ontzaglijke rijkdommen opgehoopt, die hij +besteedde aan tal van stichtingen. Toch sprak men met haat van zijn +hebzucht en zijn hoogmoed. Want men geloofde niet aan den vromen zin, +die tot die stichtingen dreef. Rolin, zoo vroom geknield op het stuk van +Jan van Eyck in het Louvre, dat hij liet schilderen voor zijn +geboortestad Autun, en nogmaals vroom geknield op dat van Rogier van der +Weyden voor zijn gasthuis te Beaune, stond bekend als een, die enkel het +aardsche telt.<a name='451'></a> "Hij oogstte altijd op aarde, zegt Chastellain, alsof de +aarde hem eeuwig ware, waarin hem zijn verstand afdwaalde, toen hij geen +paal en perk wilde stellen aan dat, waarvan zijn hooge jaren hem het +nabije einde voor oogen hielden." En Jacques du Clercq zegt: "Le dit +chancellier fust reputé ung des sages hommes du royaume à parler +temporellement; car au regard de l'espirituel, je m'en tais".<a name='FNanchor_874_874'></a><a href='#Footnote_874_874'><sup>[874]</sup></a></p> + +<p>Zal men nu in het gelaat van den stichter van La vierge au chancelier +Rolin een huichelachtig wezen gaan zoeken? Of is ook hier veeleer te +denken aan die wonderlijke tegenstrijdigheid, die samenbestaanbaarheid +van de schreeuwendste zonden van hoogmoed, hebzucht en onkuischheid met +diepe vroomheid en sterk geloof, welke hierboven als een der ethische +typen van den tijd werd gesteld?</p> + +<p>De schilderkunst der vijftiende eeuw ligt in de sfeer, waar de uitersten +van het mystische en het grof aardsche elkander raken. Het geloof, dat +hier spreekt, is zoo onmiddellijk, dat geen aardsche verbeelding er te +zinnelijk of te zwaar voor is. Van Eyck kan zijn engelen en goddelijke +figuren behangen met de zware praal van stijve gewaden, druipende van +goud en steenen; om naar omhoog te wijzen behoeft hij nog niet de +fladderende slippen en spartelende beenen der barok.</p> + +<p>Doch al is dat geloof zeer onmiddellijk en sterk, primitief is het +daarom niet. De benaming primitieven voor de schilders der vijftiende +eeuw behelst het gevaar van een misverstand. Primitief mag hier slechts +de beteekenis hebben van eerstkomend, in zooverre er geen oudere +schilderkunst bekend is,<a name='452'></a> als een louter tijdrekenkundige term dus. +Gewoonlijk echter is men geneigd, daaraan tevens de voorstelling te +verbinden, alsof de geest dier kunstenaars primitief was. En dit is +volkomen onjuist. De geest van die kunst is die van het geloof zelve, +zooals hij hier boven werd beschreven: de uiterste doorwerking en +uitwerking van alles wat des geloofs is met de verbeelding.</p> + +<p>Eens had men de goddelijke figuren oneindig ver af gezien: strak en +star. Toen was het pathos der innigheid gekomen. Met een vloed van +tranen en gezang was het opgebloeid in de mystiek der twaalfde eeuw, +Sint Bernard bovenal. Men had de godheid bestormd met zijn snikkende +aandoening. Om toch maar beter mee te mogen voelen in het goddelijk +lijden, had men Christus en den heiligen al de kleuren en vormen +opgedrongen, die de fantazie uit het aardsche leven putte. Een stroom +van rijke menschelijke verbeelding was door alle hemelen gevloeid. En +steeds verder vlood die stroom in ontelbare kleine vertakkingen af. +In altijd verderschrijdende uitwerking was gaandeweg al het heilige +tot in de kleinste bijzonderheden in beeld gebracht. Men had met zijn +smachtende armen den hemel naar omlaag getrokken.</p> + +<p>Eerst was langen tijd het woord de plastische en picturale schepping +vóór geweest in uitbeeldend vermogen. In de dertiende eeuw, toen de +sculptuur nog veel van het schematische der oudere voorstelling +bewaarde, door haar materieele middelen en haar kader beperkt, begonnen +reeds de <i>Meditationes</i> van Pseudo-Bonaventura al de lijfelijke +houdingen en al de aandoeningen van het kruisdrama tot in de geringste +bijzonderheden te beschrijven.<a name='453'></a> Doch inmiddels schreed ook de picturale +techniek voort; de beeldende kunst haalt den voorsprong in, en meer dan +in. Met de kunst der Van Eyck's heeft de picturale uitbeelding der +heilige dingen een graad van détailleering en naturalisme bereikt, die +misschien strikt kunsthistorisch een begin kan heeten, maar +cultuurhistorisch een einde beduidt. De uiterste spanning in het aardsch +verbeelden van het goddelijke was hier bereikt; de mystische inhoud dier +verbeelding stond gereed om uit die beelden te ontvlieden en enkel den +lust aan den bonten vorm achter te laten.</p> + +<p>Zoo is het naturalisme der Van Eyck's, dat men in de kunstgeschiedenis +pleegt op te vatten als een element, dat de Renaissance aankondigt, +veeleer te beschouwen als de volledige ontplooiing van den laat- +middeleeuwschen geest. Het is datzelfde natuurlijk verbeelden van het +heilige, dat waar te nemen viel in alles, wat de heiligenvereering +betreft, in de sermoenen van Johannes Brugman, in de uitgewerkte +bespiegelingen van Gerson en de beschrijvingen der hellepijn van +Dionysius den Kartuizer.</p> + +<p>Het is altijd weer de vorm, die den inhoud dreigt te overwoekeren, en +hem belet, zich te verjongen. In de kunst der Van Eyck's is de inhoud +nog volkomen middeleeuwsch. Nieuwe gedachten spreekt zij niet uit. Zij +is een uiterste, een eindpunt. Het middeleeuwsche begrippensysteem stond +ten hemel toe volbouwd; er viel nog slechts aan te kleuren en te +versieren.</p> + +<p>In de bewondering der groote schilderkunst zijn aan den tijdgenoot twee +dingen bewust geworden: de treffende voorstelling van het onderwerp en +de onbegrijpelijke kunstvaardigheid, de wonderlijke perfectie der +détails, het volstrekt natuurgetrouwe. Aan den eenen kant een +waardeering,<a name='454'></a> die meer in de sfeer van de vroomheid dan van de +schoonheidsontroering ligt, aan den anderen kant een naïeve verbazing, +die naar onze opvattingen aan schoonheidsontroering niet toekomt. Een +Genueesch litteraat omstreeks 1450, Bartolomeo Fazio, is de eerste van +wien kunstkritische beschouwingen over werken van Jan van Eyck, ten +deele thans verloren, bekend zijn. Hij roemt de schoonheid en +eerbaarheid van een Mariafiguur, de haren van den engel Gabriel, "die +echte haren overtreffen", de heilige strengheid der askese, die uit des +Doopers aangezicht straalt, de wijze waarop een Hieronymus "leeft". +Verder bewondert hij het perspectief in Hieronymus' studeervertrek, +den zonnestraal, die door een reet valt, het spiegelbeeld van de eene +badende vrouw, de zweetdruppels op het lichaam der andere, de brandende +lamp, het landschap met wandelaars en bergen, bosschen, dorpen en +kasteelen, de eindelooze verten van het verschiet, en nogmaals den +spiegel,<a name='FNanchor_875_875'></a><a href='#Footnote_875_875'><sup>[875]</sup></a> De termen, waarin dit geschiedt, verraden louter +curiositeit en verbazing. Hij laat zich genoegelijk meedrijven op den +stroom van ongebreidelde verbeelding; naar de schoonheid van het geheel +vraagt hij niet. Dat is de nog middeleeuwsche waardeering van het +middeleeuwsche werk.</p> + +<p>Wanneer een eeuw later de schoonheidsopvattingen der Renaissance zijn +doorgedrongen, wordt juist die bovenmatige uitwerking van het +zelfstandige détail de Vlaamsche kunst aangerekend als haar +fundamenteele gebrek. Indien Francesco de Holanda, de Portugeesche +schilder, die zijn kunstbespiegelingen voor gesprekken met Michel Angelo +laat doorgaan,<a name='455'></a> naar waarheid de meening van den machtigen meester heeft +weergegeven, dan zou deze het volgende hebben gezegd.</p> + +<p>"De Vlaamsche schilderkunst bevalt allen vromen beter dan de +Italiaansche. Deze laat hen nooit tranen vergieten, gene doet hen +rijkelijk weenen, en dat is geenszins het gevolg van de kracht en de +verdienste van die kunst, het is alleen te wijten aan de groote +aandoenlijkheid der vromen. De Vlaamsche schilderkunst valt in den smaak +van de vrouwen, vooral van de oudere en de heel jonge, evenals van de +monniken, de nonnen en alle voorname lieden, die niet ontvankelijk zijn +voor de ware harmonie. In Vlaanderen schildert men hoofdzakelijk, om het +uiterlijk aanzien der dingen bedriegelijk weer te geven, en meest +onderwerpen, die in vervoering brengen of onberispelijk zijn, zooals +heiligen en profeten. In den regel schilderen zij echter wat men een +landschap pleegt te noemen en daarin veel figuren. Hoewel dit het oog +aangenaam aandoet, is daarin inderdaad noch kunst noch rede; daarin is +geen symmetrie, geen verhouding; daarin heerscht geen keuze, er is geen +grootheid in, in één woord: deze schilderkunst is zonder kracht of +heerlijkheid; zij wil vele dingen tegelijk volkomen afbeelden, waarvan +één belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten aan te besteden."</p> + +<p>De vromen, dat zijn hier de middeleeuwschen van geest. Voor dezen groote +is de oude schoonheid een zaak der kleinen en zwakken geworden. Niet +allen oordeelden zoo. Voor Dürer en Quinten Metsys, en voor Jan van +Scorel, die de Aanbidding van het Lam heet te hebben gekust, was de oude +kunst geenszins dood. Maar het is Michel Angelo, die hier in meer +volstrekten zin de Renaissance vertegenwoordigt.<a name='456'></a> Wat hij in de Vlaamsche +kunst verwerpt, het zijn juist de essentieele trekken van den +laat-middeleeuwschen geest: de heftige sentimentaliteit, het zien van +elke bijzonderheid als een zelfstandig ding, van elke waargenomen +hoedanigheid als iets wezenlijks, het opgaan in de veelheid en de +bontheid van het geziene. Daartegen verzet zich het nieuwe kunst- en +levensinzicht der Renaissance, dat, als altijd, slechts verkregen wordt +ten koste van een tijdelijke blindheid voor de schoonheid of waarheid, +die voorafging.</p> + +<p>De bewustheid van een aesthetisch genieten en de uitdrukking ervan in +woorden heeft zich laat ontwikkeld. Den vijftiendeëeuwer staan voor zijn +kunstbewondering nog maar de termen ten dienste, die wij verwachten van +den verbaasden burgerman. Zelfs het begrip kunstschoon kent hij nog +niet. Wat hem aan schoonheidshuivering uit de kunst doorstraalde, werd +door hem onmiddellijk omgezet of in godsvervuldheid of in levensbehagen.</p> + +<p>Dionysius de Kartuizer schreef een verhandeling <i>De venustate mundi et +pulchritudine Dei</i>.<a name='FNanchor_876_876'></a><a href='#Footnote_876_876'><sup>[876]</sup></a> Terstond in den titel wordt dus de ware +schoonheid enkel aan God toegekend; de wereld kan slechts "venustus", +fraai, mooi zijn. De schoonheden van het geschapene, zegt hij, zijn niet +anders dan beekjes van de opperste schoonheid; een schepsel wordt schoon +genoemd, in zooverre het iets deelachtig is van de schoonheid der +goddelijke natuur, en daardoor aan dezelve eenigermate gelijkvormig +wordt.<a name='FNanchor_877_877'></a><a href='#Footnote_877_877'><sup>[877]</sup></a>—Op deze ruime en verheven schoonheidsleer, waarmee +Dionysius steunt op den Pseudo-Areopagiet, Augustinus, Hugo van Sint +<a name='457'></a>Victor en Alexander van Hales,<a name='FNanchor_878_878'></a><a href='#Footnote_878_878'><sup>[878]</sup></a> zou een zuivere ontleding van alle +schoonheid te bouwen zijn. Doch hierin schiet de geest der vijftiende +eeuw nog verre te kort. Dionysius ontleent zelfs de voorbeelden van +aardsche schoonheid: een blad, de van kleur verwisselende zee, de +woelige zee, steeds aan zijn voorgangers, met name aan die twee fijne +geesten der twaalfde eeuw uit het klooster van Sint Victor: Richard en +Hugo. Wanneer hij zelf schoonheid ontleden wil, blijft het uiterst +oppervlakkig. De kruiden zijn schoon, omdat zij groen zijn, de steenen, +omdat zij schitteren, het menschelijk lichaam, de dromedaris en de +kameel, omdat zij doelmatig zijn. De aarde is schoon, omdat zij lang en +breed is, de hemellichamen, omdat zij rond en licht zijn. In de bergen +bewonderen wij de grootte, in de rivieren de langgestrektheid, in velden +en bosschen de uitgestrektheid, in de aarde zelf de onmetelijke massa.</p> + +<p>Dionysius dwaalt van de aardsche schoonheid telkens terstond weer af +naar de schoonheid der engelen en van het empyreum. Of hij zoekt haar in +de abstracte dingen: de schoonheid des levens is de levenswandel zelf +volgens de leiding en het bevel der goddelijke wet, ontdaan van de +leelijkheid der zonde. Van de schoonheid der kunst spreekt hij niet, +zelfs niet van die, welke het meest als iets zelfstandigs treffen moest: +de muziek.</p> + +<p>Toen deze Dionysius eens de Sint Janskerk te 's Hertogenbosch was +binnengetreden, terwijl het orgel speelde, werd hij door de zoete +melodie terstond, met smeltend hart,<a name='458'></a> aan zichzelf ontrukt in een +langdurige ekstase.<a name='FNanchor_879_879'></a><a href='#Footnote_879_879'><sup>[879]</sup></a> De schoonheidsaandoening werd onmiddellijk +religie. Het zal niet in hem opgekomen zijn, dat hij in de schoonheid +van muziek of afbeelding iets anders zou kunnen bewonderen dan het +heilige zelf.</p> + +<p>Dionysius was een dergenen, die de invoering der moderne, meerstemmige +muziek in de kerk afkeurden. Het breken der stem (fractio vocis), +spreekt hij een oudere na, schijnt het teeken eener gebroken ziel; het +is te vergelijken met gefriseerde haren bij een man of geplisseerde +kleederen bij een vrouw, louter ijdelheid. Sommigen, die zulk +veelstemmig zingen beoefend hadden, hadden hem toevertrouwd, dat daarin +een hoogmoed en een zekere wulpschheids des gemoeds (lascivia animi) +gelegen waren. Hij erkent, dat er vromen zijn, die door melodieën ten +sterkste tot contemplatie en devotie opgewekt worden, weshalve de Kerk +orgels toelaat. Maar indien de kunstige muziek dient om het gehoor te +behagen, en vooral om de aanwezigen, de vrouwen met name, te vermaken, +dan is zij zonder twijfel verwerpelijk.<a name='FNanchor_880_880'></a><a href='#Footnote_880_880'><sup>[880]</sup></a></p> + +<p>Men ziet hier, hoe de middeleeuwsche geest, wanneer hij het wezen der +muzikale aandoening wil beschrijven, nog geen andere termen vindt dan +die van zondige beroeringen: een hoogmoed en een zekere wulpschheid des +gemoeds.</p> + +<p>Over de muzikale aesthetiek werd voortdurend veel geschreven. Men bouwde +daarbij in den regel voort op de niet meer begrepen muziektheorieën der +Oudheid. Maar over de wijze,<a name='459'></a> waarop muzikale schoonheid werkelijk +genoten werd, leeren ons de tractaten tenslotte niet veel. Wanneer het +er op aan kwam, wat men in muziek eigenlijk mooi vond, dan blijft het +bij vage uitingen, die in hun aard sterk verwant zijn aan de uitdrukking +van de bewondering der schilderkunst. Aan den eenen kant is het de +hemelsche verblijding, die men in muziek geniet, aan den anderen kant de +treffende nabootsing, die men erin bewondert. Alles werkte ertoe mee, om +den overgang van muzikale ontroering tot hemelsche genieting voor den +geest haast onmiddellijk te maken; het was hier niet een afbeelden van +heilige dingen, zooals bij de schilderkunst, maar een afschaduwing van +de hemelvreugde zelf. Wanneer de brave Molinet, die blijkbaar zelf veel +van muziek heeft gehouden, vertelt, hoe Karel de Stoute, een groot +muziekliefhebber zooals bekend is, in zijn legerkamp voor Neuss zich +onledig hield met litteratuur en vooral met muziek, dan juicht zijn +rederijkersgemoed: "Car musique est la résonnance des cieux, la voix des +anges, la joie de paradis, l'espoir de l'air, l'organe de l'Eglise, le +chant des oyselets, la récréacion de tous cueurs tristes et désolés, la +persécution et enchassement des diables."<a name='FNanchor_881_881'></a><a href='#Footnote_881_881'><sup>[881]</sup></a>—Het ekstatische element +in het muziekgenieten werd natuurlijk zeer goed gekend. "De kracht der +harmonieën, zegt Pierre d'Ailly, ontrukt de menschelijke ziel zoozeer +tot zich, dat zij die niet alleen onttrekt aan andere hartstochten en +zorgen, maar ook aan zichzelve."<a name='FNanchor_882_882'></a><a href='#Footnote_882_882'><sup>[882]</sup></a></p> + +<p>Bewonderde men in de schilderkunst de treffende nabootsing van de +voorwerpen der natuur, in de muziek was het gevaar,<a name='460'></a> dat men in +nabootsing de schoonheid ging zoeken, nog grooter. Want de muziek had +reeds lang van haar expressieve middelen een ijverig gebruik gemaakt. +De caccia, die oorspronkelijk een jacht voorstelde, is er het bekendste +voorbeeld van. Olivier de la Marche vertelt, hoe hij er in een de kleine +hondjes keffen en de doggen bassen hoorde en trompetgeschal, alsof men +in het bosch was.<a name='FNanchor_883_883'></a><a href='#Footnote_883_883'><sup>[883]</sup></a> Vogelgeluiden, straatroepen, het slaggewoel +werden in muzikalen vorm weergegeven.</p> + +<p>De theoretische analyse van het schoone is dus gebrekkig, de uitdrukking +der bewondering is oppervlakkig. In het eerste komt men niet veel +verder, dan dat ter verklaring van de schoonheid de begrippen van maat, +sierlijkheid, orde, grootte, doelmatigheid ervoor in de plaats worden +gesteld. En bovenal dat van schittering, licht. Om de schoonheid te +verklaren van de dingen des geestes, herleidt Dionysius ze tot licht: +het verstand is een licht, de wijsheid, de wetenschap, de kunstvaardigheid +zijn niet anders dan lichtvormige glanzen, die met hun klaarheid den geest +verlichten.<a name='FNanchor_884_884'></a><a href='#Footnote_884_884'><sup>[884]</sup></a></p> + +<p>Wanneer men het schoonheidsgevoel dier tijden naspeurt, niet in hun +bepaling van het begrip der schoonheid, noch in hetgeen zij van hun +aandoening zeggen over schilderkunst en muziek, maar in hun spontane +uitingen van blijde schoonheidsontroering, dan treft het, hoe die +uitingen bijna altijd gewaarwordingen gelden van schittering of van +levendige beweging.</p> + +<p>Froissart komt zelden onder een schoonheidsindruk; hij had het er te +druk voor met zijn eindelooze verhalen;<a name='461'></a> maar er is één schouwspel, dat +hem altijd weer woorden van blijde verrukking ontlokt: schepen op het +water met wapperende vlaggen en wimpels, waarvan de kleurige blazoenen +schitteren in de zon. Of het is het spel van de zonnestralen op helmen, +harnassen, lanspunten, vaantjes en banieren van een optrekkende +ruitertroep.<a name='FNanchor_885_885'></a><a href='#Footnote_885_885'><sup>[885]</sup></a> Eustache Deschamps bewondert het schoone van +draaiende molens, en van de zon in een dauwdruppel; La Marche merkt op, +hoe mooi het zonlicht op de blonde haren schijnt van een troep Duitsche +en Boheemsche ridders.<a name='FNanchor_886_886'></a><a href='#Footnote_886_886'><sup>[886]</sup></a>—Met die bewondering voor wat schittert +staat ook de versiering der kleeding in verband, die in de vijftiende +eeuw nog voornamelijk gezocht wordt in het opzetten van een overmatig +groot aantal edele steenen. Eerst later maken deze plaats voor linten +en strikken. Om die schittering nog met geklink te verhoogen, draagt +men schelletjes of geldstukken. La Hire draagt een rooden mantel geheel +beladen met groote zilveren koeklokken. De kapitein Salazar verschijnt +bij een intocht van 1465 met twintig geharnasten, wier paarden alle +bedekt zijn met groote zilveren klokken; op het dekkleed van zijn eigen +paard is aan elk der figuren, waarmee het bezaaid is, een groote schel +van verguld zilver gehecht. Bij den intocht van Lodewijk XI te Parijs in +1461 dragen de paarden van Charolais, Croy, Saint Pol en anderen op hun +dekkleeden tal van groote klokken; dat van Charolais draagt er een op +den rug, die tusschen vier pijlertjes hangt. Karel de Stoute verschijnt +op een tournooi in een feestgewaad <a name='462'></a>bedekt met rinkelende rijnsguldens; +Engelsche edelen dragen hun kleed bezet met gouden nobels.<a name='FNanchor_887_887'></a><a href='#Footnote_887_887'><sup>[887]</sup></a> Op het +bruiloftsfeest van den graaf van Genève te Chambéry in 1434 voert een +groep van heeren en dames een dans uit, allen gekleed in het wit, bedekt +met "or clinquant", de heeren bovendien met breede gordels vol +schelletjes.<a name='FNanchor_888_888'></a><a href='#Footnote_888_888'><sup>[888]</sup></a></p> + +<p>Hetzelfde naïeve behagen aan wat sterk de aandacht trekt, is ook op te +merken in den kleurenzin van den tijd. Om dezen volledig te bepalen, zou +een uitgebreid en statistisch onderzoek noodig zijn, dat zoowel de +kleurenschaal der beeldende kunst als die van kleeding en +versieringskunst betrof: wat de kleeding aangaat, zou zij meer uit de +talrijke beschrijvingen op te maken zijn, dan uit de schaars bewaarde +overblijfselen van stoffen. Hier volgen enkel eenige voorloopige +indrukken, gewonnen uit de beschrijving der kleedij bij tournooien en +intochten. Men heeft hier dus te doen met praal- en staatsiegewaden, +waarin natuurlijk een andere toonaard heerscht dan in de dagelijksche +kleeding. De gewone kleeding maakt reeds zeer veel gebruik van grijs, +zwart en paars.<a name='FNanchor_889_889'></a><a href='#Footnote_889_889'><sup>[889]</sup></a> Wat in de feest- en staatsiekleeding in de eerste +plaats treft, is het overheerschen van het rood. Niemand zal het +trouwens van dezen rooden tijd anders verwachten. Intochten zijn +dikwijls geheel in rood uitgemonsterd.<a name='FNanchor_890_890'></a><a href='#Footnote_890_890'><sup>[890]</sup></a> Daarnaast bekleedt het wit +als uniforme feestkleur een groote plaats.<a name='463'></a> In de nevenschikking van +kleuren wordt elke combinatie geduld: rood-blauw, blauw-violet komen +voor. Op een feestvertooning, die La Marche beschrijft, verschijnt een +meisje in violette zijde op een hakkenei met een dekkleed van blauwe +zijde, geleid door drie mannen in vermiljoenroode zijde met kaproenen +van groene zijde.<a name='FNanchor_891_891'></a><a href='#Footnote_891_891'><sup>[891]</sup></a> Een voorliefde voor somber-gloeiende en +dof-bonte kleurschikkingen schijnt niet te miskennen.</p> + +<p>Opmerkelijk is, dat als hoofdkleur van den dos het zwart en het violet +veel grooter plaats innemen dan het groen en blauw, terwijl geel en +bruin bijna geheel ontbreken. Het zwart, vooral in fluweel gebruikt, +vertegenwoordigt ontegenzeggelijk de trotsche, sombere praal, die de +tijd bemint, den hoogmoedigen afstand van het vroolijk bonte, dat alom +schatert. Philips de Goede gaat na de jaren zijner jeugd altijd in 't +zwart, en dost er ook zijn gevolg en zijn paarden in.<a name='FNanchor_892_892'></a><a href='#Footnote_892_892'><sup>[892]</sup></a> Koning René, +die nog ijveriger naar distinctie en verfijning zocht, gebruikt als +kleuren grijs-wit-zwart.<a name='FNanchor_893_893'></a><a href='#Footnote_893_893'><sup>[893]</sup></a></p> + +<p>De geringe plaats van het blauw en het groen moet overigens niet geheel +als een directe uiting van den kleurenzin worden verklaard. Onder al de +kleuren hadden vooral blauw en groen hun symbolisch gewicht, en die +beteekenis was zoo bijzonder, dat zij daardoor als kleuren van kleeding +bijna onbruikbaar werden. Beide toch waren het de kleuren der liefde: +groen verbeeldde de verliefdheid, blauw de trouw.<a name='FNanchor_894_894'></a><a href='#Footnote_894_894'><sup>[894]</sup></a> Of beter gezegd, +zij waren bij uitstek de kleuren der liefde,<a name='464'></a> want ook de andere kleuren +konden dienst doen in de symboliek der minne. Deschamps zegt van de +minnaars:</p> + +<div class='poem'> "Li uns se vest pour li de vert, +<span>L'autre de bleu, l'autre de blanc,<br /></span> +<span>L'autre s'en vest vermeil com sanc,<br /></span> +<span>Et cilz qui plus la veult avoir<br /></span> +<span>Pour son grant dueil s'en vest de noir."<a name='FNanchor_895_895'></a><a href='#Footnote_895_895'><sup>[895]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Doch het groen was toch inzonderheid de kleur van de jonge, hoopvolle +liefde:</p> + +<div class='poem'> "Il te fauldra de vert vestir, +<span>C'est la livrée aux amoureulx."<a name='FNanchor_896_896'></a><a href='#Footnote_896_896'><sup>[896]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Daarom behoort ook de dolende ridder in 't groen gekleed te gaan. +<a name='FNanchor_897_897'></a><a href='#Footnote_897_897'><sup>[897]</sup></a>—Met blauwe kleeding betoogt de minnaar zijn trouw; daarom laat +Christine de Pisan de dame antwoorden, als de minnaar op zijn blauwe dos +wijst:</p> + +<div class='poem'> "Au bleu vestir ne tient mie le fait, +<span>N'à devises porter, d'amer sa dame,<br /></span> +<span>Mais au servir de loyal cuer parfait<br /></span><a name='465'></a> +<span>Elle sans plus, et la garder de blasme<br /></span> +<span>... Là gist l'amour, non pas au bleu porter,<br /></span> +<span>Mais puet estre que plusieurs le meffait<br /></span> +<span>De faulseté cuident couvrir soubz lame<br /></span> +<span>Par bleu porter...."<a name='FNanchor_898_898'></a><a href='#Footnote_898_898'><sup>[898]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Daar ligt waarschijnlijk meteen de verklaring, waarom de blauwe kleur, +geveinsd gebruikt, ook de ontrouw ging beduiden, en met een overspringing +niet alleen de trouwelooze maar ook den bedrogene toekwam. De blauwe huik +beduidt in het Nederlandsch de echtbreekster, en de "cote bleue" is het +gewaad van den bedrogene:</p> + +<div class='poem'> "Que cils qui m'a de cote bleue armé +<span>Et fait monstrer au doy, soit occis."<a name='FNanchor_899_899'></a><a href='#Footnote_899_899'><sup>[899]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Of hieruit weer de beteekenis van het blauw als kleur der dwaasheid in +het algemeen te verklaren is, immers de "blauwe scute" beduidt het +vehikel der mallen, blijve in het midden.</p> + +<p>Wanneer geel en bruin zoozeer op den achtergrond blijven, dan zal +daarbij de tegenzin tegen deze kleuren om hun kleurqualiteit, dus de +directe kleurenzin, wel met hun negatieve symbolische beteekenis +oorzakelijk samenhangen: met andere woorden, men hield niet van geel +en bruin, omdat men ze leelijk vond, en men kende er een ongunstige +beteekenis aan toe,<a name='466'></a> omdat men ze leelijk vond. De ongelukkig gehuwde +zegt:</p> + +<div class='poem'> "Sur toute couleur j'ayme la tennée +<span>Pour ce que je l'ayme m'en suys habillée,<br /></span> +<span>Et toutes les aultres ay mis en obly.<br /></span> +<span>Hellas! mes amours ne sont pas ycy."<br /></span> +</div> + +<p>Of in een ander liedje:</p> + +<div class='poem'> "Gris et tannée puis bien porter +<span>Car ennuyé suis d'espérance".<a name='FNanchor_900_900'></a><a href='#Footnote_900_900'><sup>[900]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Het grijs komt, in tegenstelling met het bruin, overigens veel in de +feestkleedij voor; het had als kleur der treurigheid waarschijnlijk een +meer elegische nuance dan het bruin.</p> + +<p>Het geel had reeds de beteekenis van vijandschap. Hendrik van Wurtemberg +trekt den hertog van Bourgondië voorbij, met zijn gansche gevolg in het +geel gedost, "et fut le duc adverty que c'estoit contre luy."<a name='FNanchor_901_901'></a><a href='#Footnote_901_901'><sup>[901]</sup></a></p> + +<p>Een oppervlakkige indruk, dat na het midden der vijftiende eeuw wit en +zwart afnemende zijn, terwijl blauw en geel toenemen, zou nadere +bevestiging behoeven.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='XIII'></a>XIII</h2> +<a name='467'></a> +<h3>HET BEELD EN HET WOORD</h3> +<br /> + +<p>De nieuwe gedachten, die straks als Renaissance en Hervorming aan het +firmament zullen staan, vinden in de Fransch-Nederlandsche kunst en +litteratuur der vijftiende eeuw nog zoo goed als geen uitdrukking. +De beeldende kunst en de letterkunde dienen nog uitsluitend den geest, +die afstervende is: den geest der eindigende Middeleeuwen. Zij vinden +nauwelijks een andere taak dan het volkomen uitbeelden en versieren van +lang doordachte voorstellingen. De gedachte schijnt uitgeput, de geest +wacht nieuwe bevruchting.</p> + +<p>In perioden, waarin de schepping van schoonheid zich bepaalt tot louter +omschrijving en uitdrukking van reeds bezonken en doorwerkt gedachten- +materiaal, krijgt de beeldende kunst een dieper waarde dan de litteratuur. +Dat geldt niet voor den tijdgenoot. Voor hem heeft de gedachte, al +bloeit zij niet meer, nog zooveel treffends en belangrijks, dat hij haar +in den versierden vorm, waarin de litteratuur haar kleedt, bemint en +bewondert. Al de voor ons zoo hopeloos eentonige en oppervlakkige +gedichten, waarin de vijftiende eeuw haar lied zingt, zijn door de +tijdgenooten met veel uitbundiger lof bedacht, dan zij aan eenig +schilderstuk hebben gewijd. De diepe gevoelswaarde van de beeldende +kunst is hun nog niet bewust geworden, althans niet zoo, dat zij die +konden uitdrukken.</p> + +<p>Het feit, dat uit het overgroote deel dier litteratuur voor ons alle +geur en heerlijkheid geweken is, terwijl de kunst ons dieper roert dan +mogelijk ooit den tijdgenoot,<a name='468'></a> valt te verklaren uit het fundamenteele +verschil van de werking van kunst en woord. Het zou te gemakkelijk en +tevens te onbegrijpelijk zijn, indien men het zocht in de hoedanigheid +der talenten: zoo, dat de dichters, met uitzondering van Villon en +Charles d'Orléans, louter conventioneele leeghoofden geweest zouden +zijn, en de schilders genieën.</p> + +<p>Waar twee hetzelfde doen, is het niet hetzelfde. Als de schilder zich +bepaalt tot het eenvoudig weergeven eener uiterlijke werkelijkheid in +lijn en kleur, dan legt hij toch steeds achter die louter formeele +nabootsing een overschot van het onuitgesprokene en onuitsprekelijke. +Maar de dichter, die niet hooger poogt dan een zichtbare of reeds +doordachte werkelijkheid in het woord uit te drukken, put in het woord +den schat van het onuitgesprokene uit. Het kan zijn, dat rythme en klank +daarin nieuwe onuitgesproken schoonheid brengt. Maar zijn ook deze +elementen zwak, dan behoudt het gedicht zijn werking slechts zoo lang, +als de gedachte zelf den hoorder boeit. De tijdgenoot reageert nog op +het woord van den dichter met een drom van levende associaties, want de +gedachte zit in zijn leven geweven, en hij waant haar nieuw en bloeiend +in den tooi van het nieuw gevonden woord.</p> + +<p>Doch als de gedachte niet meer treft om haarzelve, dan heeft het +gedicht, tenzij het onuitgesproken rijkdom heeft, zijn werking verloren. +De litteratuur der vijftiende eeuw nu heeft nauwelijks een waarlijk +nieuwe gedachte. Het is een eindeloos postludeeren op afgezaagde +thema's. Daarbij heeft zij veelal geringe qualiteiten van rythme en +klank. Waaraan zou het gedicht dan zijn duurzame werking kunnen +ontleenen?</p> + +<p>De tijd voor den schilder van zulk een geestestijdperk komt eerst later. +<a name='469'></a>Want hij leeft van den schat van het uitgesprokene, en het is de volheid +van dien schat, welke de diepste en duurzaamste werking van alle kunst +bepaalt. Aanschouw de portretten van Jan van Eyck. Hier is het spitse, +zuinige gezicht van zijn vrouw. Daar is de strakke, morose aristocratenkop +van Baudouin de Lannoy. Daar is de huiveringwekkende gesloten tronie van +den kanunnik Van de Paele. Daar is de ziekelijke gelatenheid van den +Berlijnschen Arnolfini, de Egyptische geheimzinnigheid van "Leal souvenir". +In allen ligt het wonder van de tot den bodem gepeilde persoonlijkheid. +Het is de diepste karakterschildering, die mogelijk is: gezien, +onuitgesproken. Al ware Jan van Eyck tevens de grootste dichter van zijn +eeuw geweest, de geheimenis, die hij in het beeld openbaarde, zou hij in +het woord niet hebben kunnen benaderen.</p> + +<p>Dat is de diepste grond, waarom er, bij gelijkheid van houding en geest, +tusschen kunst en litteratuur der vijftiende eeuw geen evenredigheid te +verwachten is. Is eenmaal dit verschil erkend, dan blijkt bij een +vergelijking van de litteraire en de picturale uitdrukking aan bepaalde +voorbeelden, en in bijzonderheden, de gelijksoortigheid toch weer veel +grooter, dan zij aanvankelijk scheen.</p> + +<p>Indien men aan de eene zijde als de meest representatieve kunstuiting +het werk der Van Eyck's en hun volgers kiest, welke voortbrengselen der +letterkunde moeten dan daarnevens worden gesteld, om zuiver te kunnen +vergelijken? Niet in de eerste plaats die, welke dezelfde onderwerpen +behandelen, maar die welke ontspringen aan dezelfde bronnen, voortkomen +uit dezelfde levenssfeer. Dat is, gelijk hierboven werd aangetoond, +de sfeer van het weelderige hof en de rijke,<a name='470'></a> grootdoende burgerij. +De letterkunde, die op één lijn staat met de kunst der Van Eyck's, +is de hoofsche, althans aristocratische letterkunde, in het Fransch +geschreven, gelezen en bewonderd door de kringen, die de opdrachten +gaven aan de groote schilders.</p> + +<p>Schijnbaar is hier een groot contrast, dat bijna elke vergelijking +doelloos maakt: de stof der schilderkunst is overwegend godsdienstig, +die der Fransch-Bourgondische letterkunde overwegend wereldsch. Doch +naar twee zijden is hier onze blik te kort: in de beeldende kunst heeft +eenmaal het wereldlijk element een veel breeder plaats ingenomen, dan +het bewaarde ons doet vermoeden, en in de litteratuur pleegt onze +aandacht te sterk bepaald te worden bij de wereldlijke genres. Het +minnedicht, de uitloopers van den <i>Roman de la rose</i>, de afleggers van +den ridderroman, de opkomende novelle, de satire, de geschiedschrijvers, +dat zijn de uitingen, waarmee de litteratuurgeschiedenis zich in de +eerste plaats bezig houdt. De schilderkunst, dat is voor ons allereerst +de diepe ernst van het altaarstuk en het portret; de litteratuur, dat is +allereerst de wulpsche glimlach der erotische satire en de eentonige +gruwelen der kroniek. Het is bijna, alsof die eeuw slechts haar deugden +geschilderd en haar zonden beschreven had. Doch ook naar den kant der +litteratuur is zulk een blik te beperkt. Niet alleen namen in de rijke +boekerij der Bourgondische hertogen de vrome boeken nog altijd de +voornaamste plaats in, maar ook in de wereldsche letterkunde zelve doet +het vrome, stichtelijke en moraliseerende element zich voortdurend +gelden, vaak te midden van de grootste frivoliteit.</p> + +<p>Gaan wij nog eenmaal uit van de sterke onevenredigheid van werking, die +<a name='471'></a>kunst en litteratuur der vijftiende eeuw in ons teweegbrengen. Met +uitzondering van enkele dichters, werkt de litteratuur vermoeiend en +vervelend. Eindeloos uitgesponnen allegorieën, waarin geen figuur iets +nieuws of eigens vertoont, en waarvan de inhoud niet anders is dan de +lang gebottelde en vaak verschaalde zedelijke wijsheid van eeuwen her. +Altijd weer dezelfde formeele thema's: de slaper in den boomgaard, waar +hem een zinnebeeldige dame verschijnt, de ochtendwandeling in den jongen +Mei, het twistgesprek tusschen de dame en den minnaar of tusschen twee +vriendinnen of welke andere combinatie ook over een punt uit de +casuïstiek der liefde. Wanhopige oppervlakkigheid, klatergoud van +stijlversiering, bloemzoet romantisme, versleten fantazie, nuchtere +moralisatie:—steeds weer komt bij ons de verzuchting op: Zijn dit de +tijdgenooten van Jan van Eyck? Zou hij dit alles bewonderd hebben?—Zeer +waarschijnlijk wel. Het is niet vreemder, dan dat Bach zich behielp met +de kleinburgerlijkste rijmelaars van een rheumatisch kerkgeloof.</p> + +<p>De tijdgenoot, die de werken der kunst ziet geboren worden, neemt ze +alle gelijkelijk op in zijn levensdroom. Hij waardeert ze niet op hun +objectieve aesthetische volmaaktheid, maar op de volheid van weerklank, +dien zij wekken door de heiligheid of de hartstochtelijke levendheid van +hun stof. Wanneer met den tijd die oude levensdroom is voorbijgegaan, +en de heiligheid en de hartstocht zijn vergaan als de geur van een roos, +dan eerst begint het kunstwerk zuiver als kunst te werken, dat wil +zeggen door zijn middelen van uitdrukking, door zijn stijl, zijn bouw, +zijn harmonie. Deze kunnen ten opzichte van beeldende kunst en +<a name='472'></a>litteratuur feitelijk dezelfde zijn en toch het aanzijn geven aan een +geheel verschillende kunstwaarde.</p> + +<p>Litteratuur en kunst der vijftiende eeuw deelen beide in die algemeene +eigenschap, die hierboven als een der meest essentieele van den +laat-middeleeuwschen geest werd aangemerkt: de volledige uitwerking van +alle bijzonderheden, de zucht om geen gedachte of voorstelling, die zich +opdrong, onontplooid te laten, om alles in zijn scherpste zichtbaarheid +en doordachtheid te verbeelden. Erasmus vertelt, dat hij eens te Parijs +een geestelijke veertig dagen lang hoorde preeken over de gelijkenis van +den verloren zoon, om daarmee den ganschen vastentijd te vullen. Hij +beschreef de heenreis en de terugreis, hoe hij nu eens in een herberg +middagmaalde met tongenpastei, dan weer een watermolen voorbijkwam, dan +dobbelde, dan in een gaarkeuken afstapte, en hij wrong de woorden van de +profeten en evangelisten, om op die verzonnen beuzelpraatjes te slaan. +"En daarmee leek hij aan de onervaren schare en aan de vette groote +heeren een god gelijk."<a name='FNanchor_902_902'></a><a href='#Footnote_902_902'><sup>[902]</sup></a></p> + +<p>Die eigenschap der ongebreidelde uitwerking worde hier eenigermate +analyseerend gedemonstreerd aan twee schilderijen van Jan van Eyck. +Vooreerst de Madonna van den kanselier Rolin in het Louvre.</p> + +<p>De pijnlijke nauwgezetheid, waarmee de stof der gewaden, het marmer van +de vloertegels en zuilen, de glinstering der vensterruiten, het misboek +van den kanselier zijn behandeld, zou ons bij ieder ander dan Van Eyck +de qualificatie schoolmeesterachtig ontlokken. Er is zelfs één détail, +waarin de overmatige geacheveerdheid werkelijk storend werkt: de +<a name='473'></a>versiering der kapiteelen, waarop in den hoek als 't ware tusschen +haakjes de verdrijving uit het Paradijs, het offer van Caïn en Abel, het +verlaten der arke Noach's en de zonde van Cham zijn verbeeld. Doch eerst +buiten de open hal, die de hoofdfiguren omhult, bereikt de lust aan de +uitwerking der détails zijn volle kracht. Daar ontrolt zich als doorkijk +door de kolonnade het wonderbaarlijkste vergezicht, dat Van Eyck ooit +heeft geschilderd. De beschrijving ervan moge ontleend worden aan +Durand-Gréville.<a name='FNanchor_903_903'></a><a href='#Footnote_903_903'><sup>[903]</sup></a></p> + +<p>"Si, attiré par la curiosité, on a l'imprudence de l'approcher d'un peu +trop près, c'est fini, on est pris pour tout le temps que peut durer +l'effort d'une attention soutenue; on s'extasie devant la finesse du +détail; on regarde, fleuron à fleuron, la couronne de la Vierge, une +orfèvrerie de rêve; figure à figure, les groupes qui remplissent, sans +les alourdir les chapiteaux des piliers; fleur à fleur, feuille à +feuille, les richesses du parterre; l'oeil stupéfait découvre, entre la +tête de l'enfant divin et l'épaule de la Vierge, dans une ville pleine +de pignons et d'élégants clochers, une grande église aux nombreux +contreforts, une vaste place coupée en deux dans toute sa largeur par +un escalier où vont, viennent, courent d'innombrables petits coups de +pinceau qui sont autant de figures vivantes; il est attiré par un pont +en dos d'âne chargé de groupes qui se pressent et s'entrecroisent; il +suit les méandres d'un fleuve sillonné de barques minuscules, au milieu +duquel, dans une île plus petite que l'ongle d'un doigt d'enfant, se +dresse, entouré d'arbres, un château seigneurial aux nombreux +clochetons;<a name='474'></a> il parcourt, sur la gauche, un quai planté d'arbres, peuplé +de promeneurs; il va toujours plus loin, franchit une à une les croupes +de collines verdoyantes; se repose un moment sur une ligne lointaine de +montagnes neigeuses, pour se perdre ensuite dans l'infini d'un ciel à +peine bleu, où s'estompent de flottantes nuées."</p> + +<p>En nu het wonder: in dit alles gaat, anders dan Michel Angelo's discipel +beweerde, de eenheid en harmonie niet te loor. "Et quand le jour tombe, +une minute avant que la voix des gardiens ne vienne mettre fin à votre +contemplation, voyez comme le chef d'oeuvre se transfigure dans la +douceur du crépuscule; comme son ciel devient encore plus profond; comme +la scène principale, dont les couleurs se sont évanouies, se plonge dans +l'infini mystère de l'Harmonie et de l'Unité...."</p> + +<p>Een ander stuk, dat zich voor de beschouwing van de eigenschap der +onbeperkte détailleering bijzonder leent, is de Annunciatie in de +Ermitage te Petrograd. Wanneer het drieluik, waarvan dit stuk het +rechterblind uitmaakt, in zijn geheel heeft bestaan, welk een +wonderrijke schepping moet het zijn geweest! Het is, alsof Van Eyck hier +al de voor niets terugschrikkende virtuositeit van den meester, die +alles kan en alles durft, heeft willen uitvoeren. Het is tegelijk het +meest primitieve, meest hieratische van zijn werken en het meest +geraffineerde. De boodschap van den Engel wordt niet gebracht in de +intimiteit van de binnenkamer (het tooneel, waarvan de gansche +binnenhuisschildering haar oorsprong nam), maar, zooals de vormencode +van de oudere kunst het had voorgeschreven, in een kerk. In houding en +gelaatsuitdrukking missen beide figuren de zachte gevoeligheid der +Annunciatie op den buitenkant van het Lam.<a name='475'></a> Het is een staatsiebuiging, +waarmee de Engel Maria begroet, en hij komt niet met den lelietak zooals +daar, niet met het hoofd omgord door een smallen diadeem, doch met een +schepter en een rijke kroon, en op zijn aangezicht de strakke, +aeginetische lach. In gloeiende kleurenpracht en schittering van +paarlen, goud en gesteente overtreft hij alle engelfiguren, die Van Eyck +schilderde. Groen en goud het kleed, donkerrood en goud de brokaatmantel, +en de vleugelen bezet met pauweveeren. Het boek voor Maria, het kussen +op de schemel zijn weer met de doordringendste zorg afgewerkt. In het +kerkgebouw zijn de détails met een anecdotische uitvoerigheid aangebracht. +De vloersteenen vertoonen behalve de teekenen van den dierenriem, waarvan +er vijf zichtbaar zijn, drie tafereelen uit de geschiedenis van Simson en +een uit die van David. De achterwand van de kerkruimte is versierd met +beeltenissen van Isaac en Jacob in medaillons tusschen de bogen, van +Christus op den aardbol met twee Seraphs in een glasvenster geheel bovenin, +en daarnaast als muurschilderingen nog het vinden van het kind Mozes, en +het ontvangen van de tafelen der wet, alles opgehelderd door leesbare +opschriften. Eerst in de vakken van de houten zoldering wordt de decoratie, +die ook daar nog is aangeduid, onduidelijk voor het oog.</p> + +<p>En dan weer het wonder: bij die opeenhooping van uitgewerkte bijzonderheden +gaat evenmin als bij de Madonna van Rolin de eenheid van toon en stemming +verloren. Daar was het de vroolijkheid van een helder buitenlicht, dat den +blik over de hoofdvoorstelling heen in wijde verten trok; hier hult de +geheimzinnigste donkerte van het hooge kerkgebouw het geheel in zulk een +waas van ernst en mysterie,<a name='476'></a> dat het oog schier met moeite de anecdotische +détails komt te ontwaren.</p> + +<p>Ziedaar het effekt der "ongebreidelde uitwerking" in de schilderkunst. +De schilder, deze schilder, kon binnen een ruimte van nog geen halven +vierkanten meter zijn ongebondensten lust tot détailleering den vrijen +loop laten, (of moet het zijn: aan de lastigste opdrachten van een +ondeskundigen vrome voldoen?), zonder ons meer te vermoeien dan een blik +op het levend gewemel der werkelijkheid het zelve doet. Want het bleef +één blik; de dwang der dimensiën legde beperking op, en het doordringen +in de schoonheid en de bijzonderheid van dat alles, wat afgebeeld staat, +geschiedt zonder denkinspanning; veel geacheveerdheden worden niet eens +opgemerkt, of verdwijnen terstond weer uit het bewustzijn, en werken +enkel coloristisch of perspectivisch.</p> + +<p>Wanneer men die algemeene eigenschap "oneindige uitwerking der +bijzonderheden" ook aan de litteratuur der vijftiende eeuw toekent, dan +is het in anderen zin. Niet in den zin van een ragfijn détailleerend +naturalisme, dat zich vermeit in de uitvoerige beschrijving van het +uiterlijk der dingen. Zoo kent deze letterkunde haar nog niet. De +natuur- en persoonsbeschrijving werkt nog met de eenvoudige middelen der +middeleeuwsche poëzie: de afzonderlijke objecten, die tot de stemming +van den dichter meewerken, worden vermeld, niet beschreven; het +substantief overheerscht het adjectief; enkel de hoofdqualiteiten +dier objecten, b.v. de kleuren, het geluid, worden geconstateerd. +De ongebreidelde uitwerking der bijzonderheden is in de litteraire +verbeelding meer quantitatief dan qualitatief; zij bestaat meer in het +opsommen van zeer vele<a name='477'></a> objecten dan in het ontleden van de hoedanigheid +der objecten afzonderlijk. De dichter verstaat de kunst van weglaten +niet, hij kent het ledige vlak niet, hij mist het orgaan voor het effekt +van het verzwegene. Dit geldt evenzeer de gedachten, die hij uitdrukt, +als de beelden, die hij oproept. Ook de gedachten, doorgaans zeer +eenvoudig, die het onderwerp wekt, worden in de uiterste volledigheid +opgesomd. Het geheele raam van het dichtwerk is evenzeer overvuld met +détails als het schilderstuk. Hoe komt het nu, dat daar die overvuldheid +zoo veel minder harmonisch werkt?</p> + +<p>Dit is tot zekere hoogte zoo op te vatten, dat de verhouding van +hoofdzaak en bijzaken ten opzichte van de poëzie juist andersom is als +ten opzichte der schilderkunst. In het schilderij is het verschil +tusschen hoofdzaak (dat is: de adequate uitdrukking van het onderwerp) +en bijwerk gering. Alles is er essentieel. Een enkel détail kan voor ons +de volkomenste harmonie van het werk bepalen.</p> + +<p>Is het in de schilderkunst der vijftiende eeuw wel in de eerste plaats +de diepe vroomheid, dus de adequate uitdrukking van het onderwerp, welke +wij bewonderen? Neem het Gentsche altaar. Hoe weinig aandacht trekken +de groote figuren van God Vader, Maria en Johannes den Dooper. In het +hoofdtafereel gaat onze blik steeds weer van het Lam, de centrale +voorstelling, de hoofdzaak van het kunstwerk, terzijde naar de stoeten +der aanbidders, naar den achtergrond, naar de natuurschildering. En nog +meer daarbuiten wordt de blik getrokken naar Adam en Eva, naar de +portretten der stichters. Al ligt dan althans in het tafereel der +Annunciatie de innige, ernstige bekoring in de figuren van den engel en +de maagd, dus in het expressief-vrome,<a name='478'></a> zelfs daar verblijdt ons haast +nog meer het koperen keteltje en de doorkijk in de zonnige straat. Het +zijn de détails, die voor den maker louter bijwerk waren, welke hier +doen bloeien in zijn stillen schijn het mysterie van het alledaagsche, +de onmiddellijke aandoening over het wonder van alle dingen, en dat +verbeeld. Er is, tenzij wij voor het Lam komen met een primair +godsdienstige waardeering, geen verschil tusschen onze kunstemotie over +de heilige voorstelling van de aanbidding der eucharistie, en over het +vischstalletje van Emanuel de Witte in het Museum Boymans.</p> + +<p>Nu is juist in het détail de schilder volkomen vrij. Wat de hoofdzaak +betreft, de voorstelling van het heilige onderwerp, is hem een strenge +conventie opgelegd; elk kerkelijk tafereel heeft zijn iconografischen +code, waarvan geen afwijking wordt gedoogd. Maar hij behoudt een +onbegrensd veld voor de vrije ontplooiing van zijn scheppingslust. +In de gewaden, de accessoires, den achtergrond kan hij ongehinderd en +ongedwongen doen, wat des schilders is: schilderen namelijk, door geen +conventie belemmerd, geven wat hij ziet en zooals hij 't ziet. De +hechte, strakke bouw van het heilige tafereel draagt den rijkdom der +détails als een lichten schat, als een vrouw bloemen op haar kleed.</p> + +<p>In de poëzie der vijftiende eeuw nu is de verhouding in zekeren zin +andersom. In de hoofdzaak is de dichter vrij; hij mag een nieuwe +gedachte vinden, als hij kan, terwijl juist het détail, de achtergrond, +in hooge mate door conventie beheerscht worden. Er bestaat voor ongeveer +alle bijzonderheden een norm van uitdrukking, een schablone, die men +ongaarne prijsgeeft. Bloemen, natuurgenot,<a name='479'></a> smarten en vreugden, ze +hebben hun geijkte uitdrukkingsvormen, waaraan de dichter wat poetsen en +kleuren kan, zonder ze te vernieuwen.</p> + +<p>Hij poetst en kleurt in het oneindige, want hij mist de heilzame +beperking, die den schilder is opgelegd door het te vullen vlak; des +dichters vlak is altijd onbeperkt. Hij is vrij van de beperking der +materieele middelen, en juist wegens die vrijheid moet hij naar +verhouding een grooter geest zijn dan de schilder, om iets goeds te +maken. Ook de middelmatige schilders blijven een vreugde voor het +nageslacht, maar de middelmatige dichter zinkt in vergetelheid.</p> + +<p>Om het effekt der "ongebreidelde uitwerking" aan een dichtwerk der +vijftiende eeuw te demonstreeren, zou men er eigenlijk een in zijn +geheel (en ze zijn lang!) op den voet moeten volgen. Daar dit niet +mogelijk is, mogen enkele staaltjes volstaan.</p> + +<p>Alain Chartier gold in zijn tijd als een der grootste dichters; hij is +vergeleken met Petrarca; nog Clément Marot telt hem onder de eersten. +Van de vereering, die hij genoot, getuigt het verhaaltje, dat hierboven +reeds werd meegedeeld.<a name='FNanchor_904_904'></a><a href='#Footnote_904_904'><sup>[904]</sup></a> Men mag hem dus, uitgaande van zijn tijd +zelf, naast een der grootste schilders plaatsen. Het begin van zijn +gedicht <i>Le livre des quatre dames</i>, een samenspraak van vier +edelvrouwen, wier minnaars bij Azincourt gestreden hebben, geeft, zooals +de regel is, het landschap, den achtergrond van het beeld.<a name='FNanchor_905_905'></a><a href='#Footnote_905_905'><sup>[905]</sup></a> Dit +landschap zij vergeleken met het welbekende landschap van het Gentsche +altaarstuk: de wonderlijke bloemenweide met haar minutieus uitgevoerde +vegetatie,<a name='480'></a> met de kerktorens achter de lommerige heuvelkruinen, een +voorbeeld van de ongebreideldste uitwerking.</p> + +<p>De dichter gaat den lentemorgen in, om zijn langdurige zwaarmoedigheid +te verdrijven.</p> + +<div class='poem'> "Pour oublier melencolie, +<span>Et pour faire chiere plus lie,<br /></span> +<span>Ung doulx matin aux champs issy,<br /></span> +<span>Au premier jour qu' amours ralie<br /></span> +<span>Les cueurs en la saison jolie...."<br /></span> +</div> + +<p>Dit is alles louter conventioneel, en geen schoonheid van rythme of +klank verheft het boven het glad-middelmatige. Nu komt de schildering +van den lentemorgen.</p> + +<div class='poem'> "Tout autour oiseaulx voletoient, +<span>Et si très-doulcement chantoient,<br /></span> +<span>Qu'il n'est cueur qui n'en fust joyeulx.<br /></span> +<span>Et en chantant en l'air montoient,<br /></span> +<span>Et puis l'un l'autre surmontoient<br /></span> +<span>A l'estriveé a qui mieulx mieulx.<br /></span> +<span>Le temps n'estoit mie nueux,<br /></span> +<span>De bleu estoient vestuz les cieux,<br /></span> +<span>Et le beau soleil cler luisoit."<br /></span> +</div> + +<p>De eenvoudige vermelding van de heerlijkheden van tijd en plaats zou +hier zeer goed werken, wanneer de dichter zich had weten te beperken. Er +is wel een bekoring in het heel simpele van dit natuurgedicht, maar het +mist elken sterken <i>vorm</i>. In een sukkeldraf gaat de opsomming voort; na +een nadere beschrijving van het vogelgezang volgt:</p> +<a name='481'></a> +<div class='poem'> "Les arbres regarday flourir, +<span>Et lièvres et connins courir.<br /></span> +<span>Du printemps tout s'esjouyssoit.<br /></span> +<span>Là sembloit amour seignourir.<br /></span> +<span>Nul n'y peult vieillir ne mourir,<br /></span> +<span>Ce me semble, tant qu'il y soit.<br /></span> +<span>Des erbes ung flair doulx issoit,<br /></span> +<span>Que l'air sery adoulcissoit,<br /></span> +<span>Et en bruiant par la valee<br /></span> +<span>Ung petit ruisselet passoit,<br /></span> +<span>Qui les pays amoitissoit,<br /></span> +<span>Dont l'eaue n'estoit pas salee.<br /></span> +<span>Là buvoient les oysillons,<br /></span> +<span>Apres ce que des grisillons,<br /></span> +<span>Des mouschettes et papillons<br /></span> +<span>Ilz avoient pris leur pasture.<br /></span> +<span>Lasniers, aoutours, esmerillons<br /></span> +<span>Vy, et mouches aux aguillons,<br /></span> +<span>Qui de beau miel paveillons<br /></span> +<span>Firent aux arbres par mesure.<br /></span> +<span>De l'autre part fut la closture<br /></span> +<span>D'ung pré gracieux, où nature<br /></span> +<span>Sema les fleurs sur la verdure,<br /></span> +<span>Blanches, jaunes, rouges et perses.<br /></span> +<span>D'arbres flouriz fut la ceinture,<br /></span> +<span>Aussi blancs que se neige pure<br /></span> +<span>Les couvroit, ce sembloit paincture,<br /></span> +<span>Tant y eut de couleurs diverses."<br /></span> +</div> + +<p>Een beekje murmelt over kiezelsteenen; visschen zwemmen erin, een +boschje spreidt zijn takken als groene gordijnen over den oever. En +opnieuw volgt een opsomming van vogels: daar nestelen eenden, duiven, +reigers, fazanten.</p> + +<p>Wat is het effekt van de uitgebreide uitwerking van het natuurtafereel +in het gedicht, vergeleken met het schilderstuk,<a name='482'></a> de uitdrukking derhalve +van eenzelfde inspiratie met verschillende middelen?—Dat de schilder +door den aard van zijn kunst gedwongen is tot eenvoudige natuurgetrouwheid, +terwijl de dichter zich verliest in vormlooze oppervlakkigheid en het +opsommen van conventioneele motieven.</p> + +<p>De poëzie staat in dit opzicht niet zoo na aan de schilderkunst als het +proza. Dit laatste is minder gebonden aan bepaalde motieven. Het beoogt +soms nadrukkelijker de nauwkeurige weergave van een geziene werkelijkheid. +Het voert die uit met vrijer middelen. Daardoor vertoont het proza +misschien beter dan de poëzie de diepere verwantschap van litteratuur en +kunst.</p> + +<p>De grondtrek van den laat-middeleeuwschen geest is zijn overmatig +visueel karakter. Deze staat in nauw verband met de atrophieering der +gedachte. Er wordt in gezichtsvoorstellingen gedacht. Alles wat men +uitdrukken wil, wordt neergelegd in een zichtbaar beeld. De volstrekte +gedachtenleegheid van de allegorische vertooningen of gedichten kon +worden geduld, omdat de bevrediging geheel in het geziene lag. De +neiging om het uiterlijk zichtbare onmiddellijk weer te geven vond een +sterker en volkomener uiting door picturale middelen dan door +litteraire. En eveneens een sterker uiting door de middelen van het +proza dan door die der poëzie. Vandaar dat het proza der vijftiende eeuw +in vele opzichten middenevenredig staat tusschen de schilderkunst en de +poëzie. Alle drie hebben zij gemeen de onbeteugelde uitwerking der +bijzonderheden, maar deze leidt in de schilderkunst en het proza tot een +direct realisme, dat de poëzie niet kent, zonder dat zij er veel beters +voor in de plaats heeft.</p> +<a name='483'></a> +<p>Het is met name één schrijver, in wiens werken dezelfde kristalheldere +visie op het uiterlijk der dingen ons treft, die Van Eyck heeft bezeten, +namelijk Georges Chastellain. Hij was een Vlaming uit het land van +Aalst. Al noemt hij zich "léal François", "François de naissance", het +schijnt wel, dat het Dietsch toch zijn moedertaal is geweest. La Marche +noemt hem "natif Flameng, toutesfois mettant par escript en langaige +franchois". Hij zelf stelt met nederig welgevallen zijn Vlaamsche +eigenschappen van grove landelijkheid in het licht; hij spreekt van +"sa brute langue", noemt zich "homme flandrin, homme de palus bestiaux, +ygnorant, bloisant de langue, gras de bouche et de palat et tout +enfangié d'autres povretés corporelles à la nature de la terre."<a name='FNanchor_906_906'></a><a href='#Footnote_906_906'><sup>[906]</sup></a> +Aan dien volksaard dankt hij den al te zwaren cothurnengang van zijn +opgesierd proza, die plechtstatige "grandiloquence", welke hem voor +Fransche lezers altijd min of meer ongenietbaar maakt. Zijn prachtstijl +heeft een zekere elefantische plompheid; hij heet met recht bij een +tijdgenoot "cette grosse cloche si haut sonnant."<a name='FNanchor_907_907'></a><a href='#Footnote_907_907'><sup>[907]</sup></a>—Doch aan zijn +Vlaamschen aard dankt hij wellicht ook het scherp geziene en de sappige +kleurigheid, waarmee hij herhaaldelijk aan hedendaagsche Belgische +schrijvers doet denken.</p> + +<p>Tusschen Chastellain en Jan van Eyck is onmiskenbare verwantschap, bij +verschil in hoogheid. Van Eyck op zijn slechtst is ongeveer Chastellain +op zijn best, en het is al wel, om in het mindere Van Eyck te evenaren. +Ik denk bij voorbeeld aan de zingende engelen op het Gentsche altaarstuk. +<a name='484'></a>Die zware gewaden, vol donker rood en goud en fonkelende steenen, die al +te uitdrukkelijke grimas, die ietwat beuzelachtige versiering van den +muzieklessenaar, dat vertegenwoordigt in de schilderkunst de pronkende +grootsprakigheid van den litterairen Bourgondischen hofstijl. Doch terwijl +in de schilderkunst dit rhetorische element een ondergeschikte plaats +inneemt, is het hoofdzaak in het proza van Chastellain. Zijn scherpe +observatie en levend realisme verdrinkt veelal in den vloed van al te +fraai aangekleede frazen en ronkende woordenpraal.</p> + +<p>Zoodra evenwel Chastellain een gebeurtenis beschrijft, die zijn +Vlaamschen geest bijzonder boeit, komt er bij alle statigheid een +directe, beeldende forschheid in zijn verhaal, die het uiterst treffend +maakt. Van gedachte is hij niet rijker dan zijn tijdgenooten; het is de +lang rondgegane pasmunt van godsdienstige, zedelijke en ridderlijke +overtuigingen, die bij hem als gedachte fungeert. De voorstelling +verloopt geheel aan de oppervlakte. Doch de verbeelding is scherp en +levend.</p> + +<p>Zijn portret van Philips den Goede heeft bijna de onmiddellijkheid van +een Van Eyck.<a name='FNanchor_908_908'></a><a href='#Footnote_908_908'><sup>[908]</sup></a> Met de behagelijkheid van een chroniqueur, die in +zijn hart novellist is, heeft hij een bijzonder uitvoerig verhaal +gegeven van een twist tusschen den hertog en zijn zoon Karel uit het +begin van het jaar 1457. Nergens komt zijn sterk visueel opnemen van de +dingen zoo goed uit; al de uiterlijke omstandigheden van deze gebeurtenis +zijn met volmaakte scherpte weergegeven. Het zal noodig zijn, eenigszins +omvangrijke passages te citeeren.</p> +<a name='485'></a> +<p>Er was een kwestie over een post in de hofhouding van den jongen graaf +van Charolais. De oude hertog wilde, tegen een vroeger gegeven belofte, +de plaats gunnen aan een der Croy's, bij hem in blakende gunst; Karel, +die deze gunst ongaarne zag, verzette zich er tegen.</p> + +<p>"Le duc donques par un lundy qui estoit le jour Saint-Anthoine,<a name='FNanchor_909_909'></a><a href='#Footnote_909_909'><sup>[909]</sup></a> +après sa messe, aiant bien désir que sa maison demorast paisible et sans +discention entre ses serviteurs, et que son fils aussi fist par son +conseil et plaisir, après que jà avoit dit une grant part de ses heures +et que la cappelle estoit vuide de gens, il appela son fils à venir vers +luy et lui dist doucement: "Charles, de l'estrif qui est entre les sires +de Sempy et de Hémeries pour le lieu de chambrelen, je vueil que vous y +mettez cès et que le sire de Sempy obtiengne le lieu vacant." Adont dist +le conte: "Monseigneur, vous m'avez baillié une fois vostre ordonnance +en laquelle le sire de Sempy n'est point, et monseigneur, s'il vous +plaist, je vous prie que ceste-là je la puisse garder."—"Déa, ce dit +le duc lors, ne vous chailliez des ordonnances, c'est à moy à croistre +et à diminuer, je vueil que le sire de Sempy y soit mis."—"Hahan! ce +dist le conte (car ainsi jurait tousjours), monseigneur, je vous prie, +pardonnez-moy, car je ne le pourroye faire, je me tiens à ce que vous +m'avez ordonné. Ce a fait le seigneur de Croy qui m'a brassé cecy, je le +vois bien."—"Comment, ce dist le duc, me désobéyrez-vous? ne ferez-vous +pas ce que je vueil?"—"Monseigneur, je vous obéyray volentiers, mais je +ne feray point cela." Et le duc, à ces mots, enfelly de ire, respondit: +"Hà! garsson, désobéyras-tu à ma volenté? va hors de mes yeux," et le +sang,<a name='486'></a> avecques les paroles, lui tira à coeur, et devint pâle et puis à +coup enflambé et si espoentable en son vis, comme je l'oys recorder au +clerc de la chapelle qui seul estoit emprès luy, que hideur estoit à le +regarder"....</p> + +<p>Is dit niet krachtig? het stille begin, het in korte woordenwisseling +opvlammen van den toorn, de hortende spraak van den zoon, waarin men als +'t ware den heelen Karel den Stoute al herkent?</p> + +<p>De blik, dien de hertog op zijn zoon werpt, verschrikt de hertogin (wier +aanwezigheid tot dusver nog niet was vermeld) zoozeer, dat zij haastig, +haar zoon voor zich uit duwende, uit het bidvertrek,<a name='FNanchor_910_910'></a><a href='#Footnote_910_910'><sup>[910]</sup></a> door de kapel, +zwijgend, haar gemaal's toorn wil ontvlieden. Maar zij moesten verscheiden +hoeken om tot de deur, en de klerk had den sleutel. "Caron, ouvre-nous", +zegt de hertogin, maar de klerk valt haar te voet, en smeekt, dat haar +zoon vergiffenis moge vragen, eer zij de kapel verlaten. Zij wendt zich +met een smeekende vermaning tot Karel, doch deze antwoordt hooghartig en +luid: "Déa, madame, monseigneur m'a deffendu ses yeux et est indigné sur +moy, par quoy, après avoir eu celle deffense, je ne m'y retourneray point +si tost, ains m'en yray à la garde de Dieu, je ne sçay où." Toen klinkt +opeens de stem van den hertog, die, mat van woede, in zijn bidstoel is +blijven zitten ... en de hertogin, in doodelijken angst, tot den klerk: +"Mon amy, tost, tost ouvrez-nous, il nous convient partir ou nous sommes +morts."</p> + +<p>—Nu werkt bij Philips het felle bloed der Valois bedwelmend: in zijn +vertrekken teruggekeerd,<a name='487'></a> vervalt de oude hertog in een soort van +jongensachtige verdwazing. Tegen den avond rijdt hij, alleen en +onvoldoende beschut, heimelijk uit Brussel. "Les jours pour celle heurre +d'alors estoient courts, et estoit jà basse vesprée quant ce prince +droit-cy monta à cheval, et ne demandoit riens autre fors estre emmy les +champs seul et à par luy. Sy porta ainsy l'aventure que ce propre +jour-là, après un long et âpre gel, il faisoit un releng,<a name='FNanchor_911_911'></a><a href='#Footnote_911_911'><sup>[911]</sup></a> et par +une longue épaisse bruyne, qui avoit couru tout ce jour la, vesprée +tourna en pluie bien menue, mais très-mouillant et laquelle destrempoit +les terres et rompoit glasces avecques vent qui s'y entrebouta." Is dit +geen Camille Lemonnier?</p> + +<p>Dan volgt de beschrijving van den nachtelijken dwaaltocht door velden en +bosschen, waarin het levendste naturalisme en een zonderling gewichtig +doende, moraliseerende rhetoriek merkwaardig zijn dooreengemengd. +Vermoeid en hongerig zwerft de hertog rond; op zijn roepen klinkt geen +antwoord. Een rivier, die hem een weg toeschijnt, lokt hem; het paard +schrikt nog te rechter tijd terug. Hij valt met het paard en verwondt +zich. Vergeefs luistert hij naar een hanengekraai of het blaffen van een +hond, dat hem naar menschenwoningen zou kunnen leiden. Eindelijk ziet +hij een lichtschijnsel, dat hij tracht te naderen; hij verliest het +weer, vindt het terug, en bereikt het tenslotte. "Mais plus l'approchoit, +plus sambloit hideuse chose et espoentable, car feu partoit d'une mote +<a name='FNanchor_912_912'></a><a href='#Footnote_912_912'><sup>[912]</sup></a> d'en plus de mille lieux, avecques grosse fumière, dont nul ne +pensast à celle heure fors que ce fust ou purgatoire d'aucune âme ou +autre illusion de l'ennemy...."<a name='488'></a> Hij houdt plotseling stil. Maar opeens +herinnerde hij zich, hoe de kolenbranders diep in het woud hun kolen +plegen te branden. Het was zulk een brandheuvel, maar geen huis of hut +was in de nabijheid. Eerst na hernieuwd dwalen brengt het blaffen van +een hond hem bij de hut van een armen man, waar hij rust en spijziging +vindt.</p> + +<p>Dergelijke treffende gedeelten uit het werk van Chastellain zijn de +beschrijving van den burgerlijken tweekamp te Valenciennes, de +nachtelijke twist van het Friesche gezantschap in Den Haag met de +Bourgondische edelen, die zij in hun nachtrust storen, door op de +bovenkamer op klompen krijgertje te spelen, het tumult te Gent in 1467, +toen Karel's eerste bezoek als hertog samenvalt met de kermis te +Houthem, vanwaar het volk met den schrijn van Sint Lieven terugkeert. +<a name='FNanchor_913_913'></a><a href='#Footnote_913_913'><sup>[913]</sup></a></p> + +<p>Telkens bemerkt men aan ongewilde kleinigheden, hoe sterk de schrijver +al de uiterlijke dingen <i>ziet</i>. De hertog, die tegenover het volksoproer +staat, heeft voor zijn gezicht "multitude de faces en bacinets<a name='FNanchor_914_914'></a><a href='#Footnote_914_914'><sup>[914]</sup></a> +enrouillés et donc les dedans estoient grignans barbes de vilain, +mordans lèvres." Het roepen gaat van omlaag naar omhoog. De kerel, die +zich naast den hertog aan het venster dringt, draagt een handschoen van +zwart gevernist ijzer, waarmee hij op de vensterbank slaat, om stilte te +gebieden.<a name='FNanchor_915_915'></a><a href='#Footnote_915_915'><sup>[915]</sup></a></p> + +<p>Dit nauwkeurig en direct waargenomene te beschrijven in een kernachtig +eenvoudig woord is in het litteraire, wat de geweldige visueele scherpte +van Van Eyck tot volmaaktheid van uitdrukking in de schilderkunst +vermocht.<a name='489'></a> In de letterkunde wordt dat naturalisme veelal gestoord en in +de uitdrukking belemmerd door conventioneele vormen, en het blijft +uitzondering te midden van bergen dorre rhetoriek, terwijl het in de +schilderkunst schittert als bloesems aan een appelboom.</p> + +<p>De schilderkunst is hier in middelen van uitdrukking de litteratuur +verre voor. Zij heeft reeds een verwonderlijke virtuositeit in het +weergeven van lichteffekten. Het zijn vooral de miniaturisten, die er +naar streven, den schijn van een oogenblik vast te leggen. In het +schilderij ziet men die gave eerst ten volle ontplooid in de Geboorte +van Geertgen tot Sint Jans. De verluchters hebben reeds lang te voren +het spel van toortslicht op harnassen beproefd in Christus' +gevangenneming. Een stralende zonsopgang is reeds gelukt aan den +meester, die koning Réné's <i>Coeur d'amour épris</i> illustreerde. Die van +de <i>Heures d'Ailly</i> heeft al het doorbreken van de zon na een storm +aangedurfd.<a name='FNanchor_916_916'></a><a href='#Footnote_916_916'><sup>[916]</sup></a></p> + +<p>De letterkunde beschikt voor het opzettelijke weergeven van +lichteffekten nog slechts over primitieve middelen. Een groote +gevoeligheid voor lichtglans en schittering is er wel; gelijk hierboven +betoogd werd, wordt zelfs de schoonheid in de eerste plaats als glans en +schittering bewust. Alle schrijvers en dichters der vijftiende eeuw +merken gaarne den glans van het zonlicht op, den schijn van kaarsen en +toortsen, de spiegeling van glimplichten op helmen en wapens. Doch het +blijft een eenvoudig vermelden, er is nog geen litterair procédé tot +beschrijving er van.</p> + +<p>Het litteraire equivalent van het lichteffekt in de schilderkunst is +veeleer op een ander gebied te zoeken.<a name='490'></a> Hier wordt de indruk van het +oogenblik bovenal vastgehouden door een levendig gebruik van de directe +rede. Er is nauwelijks een letterkunde, die er zoo op uit is, de +samenspraak altijd onmiddellijk weer te geven. Het ontaardt in een +vermoeiend misbruik: zelfs de uiteenzetting van een politieken toestand +wordt door Froissart en de zijnen in vraag en antwoord ingekleed. +De eeuwige beurtspraken van plechtigen val en hollen klank verhoogen +somtijds de eentonigheid, inplaats van haar te breken. Dikwijls echter +ook komt de illusie van het onmiddellijke en oogenblikkelijke er wel +treffend uit te voorschijn. Froissart vooral is in die levendige +wisselrede een meester.</p> + +<p>"Lors il entendi les nouvelles que leur ville estoit prise. (Het gesprek +gaat roepende.) 'Et de quel gens?', demande-il. Respondirent ceulx qui a +luy parloient: 'Ce sont Bretons!'—'Ha, dist-il, Bretons sont mal gent, +ils pilleront et ardront la ville et puis partiront.' (Vervolgens weer +roepende): 'Et quel cry crient-ils?' dist le chevalier.—'Certes, sire, +ils crient La Trimouille!"</p> + +<p>Om een zekeren haastigen gang in zulk een gesprek te brengen, gebruikt +Froissart den vasten truc, den aangesprokene het laatste woord van den +spreker verwonderd te laten herhalen.—"Monseigneur, Gaston est +mort.'—'Mort?' dist le conte.—'Cestes, mort est-il pour vray, +monseigneur." Elders: "Si luy demanda, en cause d'amours et de lignaige, +conseil.—'Conseil', respondi l'archevesque, 'certes, beaux nieps, c'est +trop tard. Vous voulés clore l'estable quant le cheval est perdu."<a name='FNanchor_917_917'></a><a href='#Footnote_917_917'><sup>[917]</sup></a></p> +<a name='491'></a> +<p>Ook de poëzie past dit stijlmiddel ruimschoots toe. In een korten +versregel wisselen soms vraag en antwoord tot tweemaal toe:</p> + +<div class='poem'> "Mort, je me plaing.—De qui?—De toy. +<span>—Que t'ay je fait?—Ma dame as pris.<br /></span> +<span>—C'est vérité.—Dy moy pour quoy.<br /></span> +<span>—Il me plaisoit.—Tu as mespris."<a name='FNanchor_918_918'></a><a href='#Footnote_918_918'><sup>[918]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Hier is het telkens afgebroken beurtgesprek van middel reeds doel +geworden: een virtuositeit. De dichter Jean Meschinot heeft die +kunstvaardigheid tot het uiterste weten op te voeren. In een ballade, +waarin het arme Frankrijk haar koning (Lodewijk XI) zijn schuld +voorhoudt, wisselt de rede in elk der dertig regels van drie tot vier +keer. En het moet gezegd worden, dat de werking van het gedicht als +politieke satire onder dien vreemden vorm niet lijdt. Ziehier de eerste +strofe:</p> + +<div class='poem'> "Sire ...—Que veux?—Entendez....—Quoy?—Mon cas. +<span>—Or dy.—Je suys....—Qui?—La destruicte France!<br /></span> +<span>—Par qui?—Par vous.—Comment?—En tous estats.<br /></span> +<span>—Tu mens.—Non fais.—Qui le dit?—Ma souffrance.<br /></span> +<span>—Que souffres tu?—Meschief.—Quel?—A oultrance.<br /></span> +<span>—Je n'en croy rien.—Bien y pert<a name='FNanchor_919_919'></a><a href='#Footnote_919_919'><sup>[919]</sup></a>—N'en dy plus!<br /></span> +<span>—Las! si feray.—Tu perds temps.—Quelz abus!<br /></span> +<span>—Qu'ay-je mal fait?—Contre paix.—Et comment?<br /></span> +<span>—Guerroyant....—Qui?—Vos amys et congnus.<br /></span> +<span>—Parle plus beau.—Je ne puis, bonnement."<a name='FNanchor_920_920'></a><a href='#Footnote_920_920'><sup>[920]</sup></a><br /></span> +</div> +<a name='492'></a> +<p>Een andere uiting van dit oppervlakkige naturalisme in de litteratuur +van dezen tijd is het volgende. Hoewel Froissart's zin gericht is op het +beschrijven van ridderlijke heldendaden, geeft hij toch, zijns ondanks +zou men zeggen, in hooge mate de prozaïsche realiteit van den oorlog. +Evengoed als Commines, die maling had aan de ridderij, beschrijft +Froissart juist bijzonder goed de vermoeienis, de vergeefsche +vervolgingen, de bewegingen zonder samenhang, het onrustige van een +nachtverblijf. Hij weet meesterlijk talmen en wachten te beschrijven. +<a name='FNanchor_921_921'></a><a href='#Footnote_921_921'><sup>[921]</sup></a></p> + +<p>In het sobere en exacte verhaal van de uiterlijke omstandigheden van een +gebeurtenis bereikt hij soms zelfs een bijna tragische kracht, zooals in +dat van den dood van den jongen Gaston Phébus, door zijn vader in drift +doorstoken.<a name='FNanchor_922_922'></a><a href='#Footnote_922_922'><sup>[922]</sup></a>—Hij werkt zoo fotografisch, dat men onder zijn +woorden de qualiteit van de vertellers, die hem zijn eindelooze faits +divers meedeelden, kan herkennen. Alles bij voorbeeld, wat hij dankt aan +zijn reisgenoot den ridder Espaing du Lyon, is voortreffelijk verteld. +Overal waar de litteratuur eenvoudig observeerend werkt, zonder +belemmering door conventie, is zij met de schilderkunst vergelijkbaar, +al evenaart zij haar niet.</p> + +<p>Juist omdat het aankomt op de onbevangen observatie van een geval, dat +verhaald zal worden, moet men de litteraire schilderingen, die de +schilderkunst het meest nabij komen, niet zoeken in de beschrijving der +natuur. Want deze berust in de vijftiende eeuw nog niet op directe +onbevangen observatie.<a name='493'></a> Men vertelt een geval, omdat het belang inboezemt, +en geeft dan de uiterlijke omstandigheden weer, zooals een gevoelige +plaat ze opneemt. Van een bewust litterair procédé is daar nog geen +sprake. Maar de natuurschildering, die in de schilderkunst als accessoire +fungeert, dus onbevangen geschiedt, is in de letterkunde een bewust +kunstmiddel. In de schilderkunst was de natuurafbeelding louter bijwerk, +en kon daardoor zuiver en sober blijven. Juist omdat de vergezichten +er voor het onderwerp niet op aan kwamen, niet deel hadden in den +hieratischen stijl, konden de schilders der vijftiende eeuw in hun +landschap een mate van harmonische natuurlijkheid geven, die de strenge +ordonnantie van hun onderwerp hun nog in de hoofdvoorstelling ontzegde. +De Egyptische kunst vertoont van dit verschijnsel een zuivere parallel: +zij geeft in het modelleeren van een slavenfiguurtje, omdat het niet ter +zake doet, den vormencode prijs, die anders de menschelijke gestalte +verwringt, zoodat dan de mensenfiguren dezelfde onvergelijkelijke sobere +natuurgetrouwheid bezitten als de dierfiguren.</p> + +<p>Hoe minder verband het landschap houdt met de centrale voorstelling, des +te harmonischer en natuurlijker wordt het in zich zelf afgesloten. +Achter de drukke, bizarre, pompeuze aanbidding der koningen in de <i>Très +riches heures de Chantilly</i><a name='FNanchor_923_923'></a><a href='#Footnote_923_923'><sup>[923]</sup></a> verrijst het gezicht op Bourges in +verdroomde teerheid, volmaakt van atmosfeer en rythme.</p> + +<p>In de litteratuur zit de natuurbeschrijving nog geheel gehuld in het +kleed der pastorale. Hierboven is reeds gesproken van den hoofschen +strijd voor en tegen het eenvoudig buitenleven.<a name='494'></a> Het was evenals in de +dagen, dat Rousseau opgang maakte, goede toon, dat men zich de ijdelheid +van het hofleven moe bekende, en een wijze hofvlucht affecteerde, om +zich te vergenoegen met het bruine brood en de zorgelooze liefde van +Robin en Marion. Het was een sentimenteele reactie op de volbloedige +praal en het trotsche egoïsme der werkelijkheid, niet ten eenenmale +onecht, maar toch in hoofdzaak een litteraire houding.</p> + +<p>In die houding hoort de liefde tot de natuur. De poëtische uitdrukking +ervan is een conventie. De natuur was een gezocht element in het groote +gezelschapsspel der hoofsch-erotische cultuur. De uitdrukking der +schoonheid van bloemen en vogelgezang werd opzettelijk gecultiveerd in +de geijkte vormen, die ieder speler verstond. Zoodoende staat de +natuurbeschrijving in de letterkunde op een geheel ander niveau dan in +de schilderkunst.</p> + +<p>Buiten het herdersdicht en het obligate motief van den lentemorgen als +aanhef bestaat er nog nauwelijks behoefte aan natuurbeschrijving. Een +enkele maal mogen er in het verhaal eens een paar woorden van +natuurschildering invloeien, zooals toen Chastellain den invallenden +dooi beschreef (en juist de onopzettelijke natuurschildering is dan +doorgaans verreweg het meest suggestief), het blijft de pastorale +poëzie, waarin men het opkomen van het litteraire natuurgevoel moet +nagaan. Naast de bladzijden van Alain Chartier, die hierboven werden +aangehaald, om het effekt van de uitwerking der détails in het algemeen +te laten zien, kan men bij voorbeeld leggen het gedicht <i>Regnault et +Jehanneton</i>, waarin de koninklijke herder René zijn liefde voor Jeanne +de Laval verkleedt. Ook hier geen<a name='495'></a> saamgehouden visie op een stuk natuur, +geen eenheid zooals de schilder door kleur en licht aan zijn landschap +kon geven, maar een gemoedelijke aaneenrijging van bijzonderheden. De +zingende vogels een voor een, de insecten, de kikvorschen, dan de +ploegende boeren:</p> + +<div class='poem'> "Et d'autre part, les paisans au labour +<span>Si chantent hault, voire sans nul séjour,<br /></span> +<span class='i2'>Resjoyssant<br /></span> +<span>Leurs beufs, lesquelx vont tout-bel charruant<br /></span> +<span>La terre grasse, qui le bon froment rent;<br /></span> +<span>Et en ce point ilz les vont rescriant,<br /></span> +<span class='i2'>Selon leur nom:<br /></span> +<span>A l'un Fauveau et l'autre Grison,<br /></span> +<span>Brunet, Blanchet, Blondeau ou Compaignon;<br /></span> +<span>Puis les touchent tel foiz de l'aiguillon<br /></span> +<span class='i2'>Pour avancer."<a name='FNanchor_924_924'></a><a href='#Footnote_924_924'><sup>[924]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Er is wel frischheid in en een blij geluid, maar denk nu eens aan de +kalendervoorstellingen der getijboeken. Koning René geeft om zoo te +zeggen al de ingrediënten voor een goede natuurbeschrijving, een palet +met kleuren, maar meer niet. Verderop, waar het vallen van den avond +beschreven wordt, is de poging om een stemming uit te drukken +onmiskenbaar. De andere vogels zwijgen, maar de kwartel roept nog, +patrijzen snorren naar hun leger, herten en konijnen komen te +voorschijn. Nog even schijnt de zon op een torenspits, dan wordt de +lucht koel, uilen en vleermuizen beginnen rond te vliegen, en het klokje +der kapel luidt het Ave.</p> + +<p>De kalenderbladen van de <i>Très-riches heures</i> geven ons gelegenheid, +<a name='496'></a>eenzelfde motief in kunst en litteratuur te vergelijken. Men kent de +glorieuze kasteelen, die in het werk der gebroeders Van Limburg den +achtergrond van het maandwerk vullen. Zij hebben hun litterair pendant +in het dichtwerk van Eustache Deschamps. In een zevental korte gedichten +zingt deze den lof van verscheiden Noord-fransche kasteelen: Beauté, dat +later Agnes Sorel zou herbergen, Bièvre, Cachan, Clermont, Nieppe, Noroy +en Coucy.<a name='FNanchor_925_925'></a><a href='#Footnote_925_925'><sup>[925]</sup></a> Deschamps had een dichter van heel wat machtiger +vleugelslag moeten zijn, om hier te bereiken, wat de gebroeders Van +Limburg in deze teerste en fijnste uitingen der miniatuurkunst wisten +uit te drukken. Op het Septemberblad rijst achter den wijnoogst het +kasteel van Saumur als uit een droom omhoog: de torenspitsen met hun +hooge windvanen, de pinnakels, de lelieornamenten op de tinnen, de +twintig slanke schoorsteenen, het bloeit op als een wild perk van hooge +witte bloemen in de donkerblauwe lucht. Daarnaast de majestueuze breede +ernst van het vorstelijk Lusignan op het Maartblad, de sombere torens +van Vincennes dreigend uitstekende boven de dorre blaren van het bosch +van December.<a name='FNanchor_926_926'></a><a href='#Footnote_926_926'><sup>[926]</sup></a></p> + +<p>Had de dichter, deze althans, een gelijkwaardig middel, om zulke +gezichten te evoceeren? Natuurlijk niet. De beschrijving der +bouwkunstige vormen van het kasteel, zooals in het gedicht op Bièvre, +kon geen effekt opleveren. Een optelling van de geneuchten, die het +kasteel biedt, dat is eigenlijk alles, wat hij weet te geven. Uit den +aard der zaak ziet de schilder naar het kasteel toe, en de dichter van +het kasteel uit.</p> +<a name='497'></a> +<div class='poem'> "Son filz ainsné, daulphin de Viennois, +<span>Donna le nom à ce lieu de Beauté.<br /></span> +<span>Et c'est bien drois, car moult est delectables:<br /></span> +<span>L'en y oit bien le rossignol chanter;<br /></span> +<span>Marne l'ensaint, les haulz bois profitables<br /></span> +<span>Du noble parc puet l'en veoir branler....<br /></span> +<span>Les prez sont pres, les jardins deduisables,<br /></span> +<span>Les beaus preaulx, fontenis bel et cler,<br /></span> +<span>Vignes aussi et les terres arables,<br /></span> +<span>Moulins tournans, beaus plains à regarder."<br /></span> +</div> + +<p>Welk een verschil in werking is hier! Toch hebben de afbeelding en het +gedicht hier zoowel procédé als stof gemeen: zij sommen het zichtbare +(en voor het gedicht ook het hoorbare) op. Maar des schilders blik is +vast gericht: hij moet, opsommende, toch eenheid, beperking en samenhang +geven. Paul van Limburg kan in zijn Februari-tafereel al de dingen van +den winter opeenhoopen: de boeren zich warmend voor het vuur, het +waschgoed dat te drogen hangt, de bonte kraaien op de sneeuw, de +schaapskooi, de bijenkorven, de tonnen en de kar, en het heele +wintersche verschiet met het stille dorpje en de eenzame hofstede op den +heuvel. De rustige eenheid van het beeld blijft volmaakt. Des dichters +blik evenwel dwaalt rond, vindt geen rustpunt; hij geeft de eenheid +niet.</p> + +<p>De vorm is den inhoud voor. In de litteratuur zijn vorm en inhoud beide +oud, in de schilderkunst is de inhoud oud, maar de vorm nieuw. In de +schilderkunst bergt de vorm veel meer van de uitdrukking dan in de +litteratuur. De schilder kan al de onuitgesproken wijsheid in den vorm +leggen: de idee, de stemming, de psychologie, alles geeft hij zonder +zich te behoeven kwellen om er taal van te maken. Het tijdperk is +overwegend visueel.<a name='498'></a> Dit verklaart de superioriteit van de picturale +boven de litteraire uitdrukking: een litteratuur, die overwegend visueel +waarneemt, schiet te kort.</p> + +<p>De dichtkunst der vijftiende eeuw schijnt bijna zonder nieuwe gedachten +te leven. Er is een algemeene onmacht tot nieuwe fictie; het is slechts +bewerken, moderniseeren van de oude stof. Er is een pauze in de +gedachte; de geest is klaar met het middeleeuwsch gebouw, en talmt +vermoeid. Er is leegheid en dorheid. Men vertwijfelt aan de wereld; +alles gaat achteruit; er is een sterke malaise van gemoed. Deschamps +verzucht:</p> + +<div class='poem'> "Helas! on dit que je ne fais mès rien, +<span>Qui jadis fis mainte chose nouvelle;<br /></span> +<span>La raison est que je n'ay pas merrien (stof)<br /></span> +<span>Dont je fisse chose bonne ne belle."<a name='FNanchor_927_927'></a><a href='#Footnote_927_927'><sup>[927]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Niets schijnt ons meer te getuigen van stilstand en verval dan het +ontrijmen van de oude ridderromans en andere gedichten tot ellenlang +effen proza. Toch beduidt die "dérimage" der vijftiende eeuw een +overgang tot een nieuwen geest. Het is het afscheid aan de gebonden +rede als primair uitdrukkingsmiddel, het afscheid aan den stijl van den +middeleeuwschen geest. Nog in de dertiende eeuw kon men alles in rijm +brengen, tot geneeskunde en natuurlijke historie toe, evenals de +Oud-Indische letterkunde alle wetenschap in versvorm bracht. De gebonden +vorm beduidt, dat de voordracht het beoogde middel van mededeeling is. +Niet de persoonlijke, gevoelvolle, expressieve voordracht, maar het +opdreunen.<a name='499'></a> De nieuwe behoefte aan proza beduidt de zucht naar expressie, +de opkomst van het moderne lezen tegenover de oude voordracht. Daartoe +dient ook de verdeeling van de stof in kleine kapittels met resumeerende +opschriften, die in de vijftiende eeuw algemeen wordt. Aan het proza +worden naar verhouding hooger eischen gesteld dan aan de poëzie; in den +ouden rijmvorm slikt men alles nog.</p> + +<p>Doch de hoogere qualiteit in het algemeen van het proza zit in zijn +formeele elementen; nieuwe gedachte heeft het evenmin. Froissart is het +volledige type van den geest, die in het woord niet denkt, maar enkel +verbeeldt. Hij heeft nauwelijks gedachten, enkel voorstellingen van +feiten. Hij kent slechts een paar zedelijke motieven en gevoelens: +trouw, eer, hebzucht, moed, en die alleen in hun allereenvoudigsten +vorm. Hij gebruikt geen theologie, geen allegorie, geen mythologie, +ternauwernood eenige moraal; hij vertelt maar door, correct, moeiteloos, +geheel adequaat aan het geval, maar toch inhoudloos en nooit treffend, +met de mechanische uiterlijkheid, waarmee de bioscoop de werkelijkheid +weergeeft. Zijn bespiegelingen zijn van ongeëvenaarde banaliteit: alles +verveelt, niets is zekerder dan de dood, soms verliest men en soms wint +men. Bij bepaalde voorstellingen treden met werktuigelijke zekerheid +vaste uitspraken op: bij voorbeeld zoo dikwijls hij van Duitschers +spreekt, zegt hij, dat zij hun gevangenen slecht behandelen en bijzonder +hebzuchtig zijn.<a name='FNanchor_928_928'></a><a href='#Footnote_928_928'><sup>[928]</sup></a></p> + +<p>Zelfs wat men gewoonlijk van Froissart citeert als puntig gezegde, +verliest veelal die kracht in den samenhang. Het geldt als een scherpe +karakteristiek van den <a name='500'></a>eersten hertog van Bourgondië, wanneer Froissart +hem noemt "sage, froid et imaginatif, et qui sur ses besognes veoit au +loin." Maar Froissart zegt het van iedereen!<a name='FNanchor_929_929'></a><a href='#Footnote_929_929'><sup>[929]</sup></a> Ook het bekende +"Ainsi ot messire Jehan de Blois femme et guerre qui trop luy cousta," +<a name='FNanchor_930_930'></a><a href='#Footnote_930_930'><sup>[930]</sup></a> heeft welbeschouwd in het verband niet de pointe, die men erin +voelt.</p> + +<p>Eén element mist Froissart: het rhetorische. Juist de rhetoriek was het +die den tijdgenoot het gemis aan nieuwen inhoud in de literatuur +vergoedde. Hij zwelgde in de praal van den versierden stijl; de +gedachten schijnen hem nieuw door hun statigen dos. Zij dragen alle +stijve brokaatgewaden. De begrippen van eer en plicht dragen het bonte +pak van den ridderlijken waan. De natuurzin steekt in de plunje van de +pastorale en de liefde in het knellendste van al, de allegorie van den +<i>Roman de la Rose</i>. Geen enkele gedachte is naakt en vrij. Zij kunnen +zich haast niet anders meer bewegen dan voortschrijdende in rustige +maat, in eindelooze optochten.</p> + +<p>Dit rhetorisch-versierende element ontbreekt overigens volstrekt niet +in de beeldende kunst. Er zijn tal van partijen, die men geschilderde +rederijkerij zou kunnen noemen. Zoo bijvoorbeeld op Van Eyck's Madonna +van den kanunnik Van de Paele de Sint Joris, die den stichter aan de +Maagd aanbeveelt. Hoe duidelijk heeft de kunstenaar willen antikiseeren +in dat gouden harnas en den pronkhelm; hoe slap rhetorisch is het +gebaar, waarmee de heilige optreedt. De aartsengel Michael op het +Dresdensche triptiekje draagt denzelfden al te fraaien tooi. Ook het +werk van Paul van Limburg vertoont dat bewust rhetorische element, in +de overrijke,<a name='501'></a> bizarre praal waarmee de drie koningen optreden, in het +streven naar een exotische, theatrale uitdrukking, dat onmiskenbaar is.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>De poëzie der vijftiende eeuw is op haar best, wanneer zij geen +zwaarwichtige gedachte poogt uit te drukken, en ontslagen is van de +taak, om het mooi te doen. Wanneer zij maar even een gezicht, een +stemming oproept. Haar werking berust op haar formeele elementen: het +beeld, den toon, het rythme. Vandaar dat zij weinig vermag in de werken +van hoogen opzet en langen adem, waar de rythmische en toonqualiteiten +ondergeschikt zijn, maar frisch kan zijn in de genres, waar de vorm +hoofdzaak is: het rondeau, de ballade, die doorgaans op één lichte +gedachte zijn gebouwd, en hun kracht ontleenen aan visie, toon en +rythme. Het zijn de eenvoudig en onmiddellijk beeldende eigenschappen +van het volkslied; daar waar het kunstlied zich het naast aansluit aan +het volkslied, gaat er de meeste bekoring van uit.</p> + +<p>In de veertiende eeuw heeft een kentering plaats in de verhouding van +lyrische dichtkunst en muziek. In de oudere periode was het gedicht +onverbrekelijk aan muzikale voordracht gebonden, zelfs niet alleen het +lyrische; immers men neemt aan, dat ook de chansons de geste gezongen +werden, elk vers van tien of twaalf syllaben op dezelfde wijs (juist als +de Indische çloka). Het normale type van den middeleeuwschen lyrischen +dichter is hij, die zoowel het gedicht als de muziek er op maakt. Dat +doet in de veertiende eeuw nog Guillaume de Machaut. Hij is het tevens, +die de meest gebruikelijke lyrische vormen voor zijn tijd fixeert: de +balladen, het rondeau enz.; hij vindt den vorm van het débat. Machaut's +rondeau's<a name='502'></a> en balladen kenmerken zich door groote effenheid, weinig +kleur, nog minder gedachte; en dat mochten zij, want zij waren maar de +helft van 's dichters werk: het liedje op muziek is er te beter om, als +het niet te expressief en te bont is, zooals dit simpele rondel:</p> + +<div class='poem'> "Au departir de vous mon cuer vous lais +<span>Et je m'en vois dolans et esplourés.<br /></span> +<span>Pour vous servir, sans retraite jamais,<br /></span> +<span>Au departir de vous mon cuer vous lais.<br /></span> +<span>Et par m'ame, je n'arai bien ne pais<br /></span> +<span>Jusqu'au retour, einsi desconfortés.<br /></span> +<span>Au departir de vous mon cuer vous lais<br /></span> +<span>Et je m'en vois dolans et esplourés."<a name='FNanchor_931_931'></a><a href='#Footnote_931_931'><sup>[931]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Deschamps is niet meer zelf de toondichter van zijn balladen, en hij +is dan ook veel bonter en drukker dan Machaut, daardoor dikwijls +belangwekkender, maar lager van poëtischen stijl. Natuurlijk sterft het +ijle, lichte, bijna inhoudlooze, voor muziek bestemde gedicht niet af, +wanneer de dichters er niet zelf meer de muziek op maken. Het rondel +bewaart den trant, zooals bij voorbeeld dit van Jean Meschinot:</p> + +<div class='poem'> "M'aimerez-vous bien, +<span>Dictes, par vostre ame?<br /></span> +<span>Mais (mits) que je vous ame<br /></span> +<span>Plus que nulle rien (ding),<br /></span> +<span>M'aimerez-vous bien?<br /></span> +<span>Dieu mit tant de bien<br /></span><a name='503'></a> +<span>En vous, que c'est basme (balsem);<br /></span> +<span>Pour ce je me clame<br /></span> +<span>Vostre. Mais combien<br /></span> +<span>M'aimerez-vous bien?"<a name='FNanchor_932_932'></a><a href='#Footnote_932_932'><sup>[932]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Het zuivere, eenvoudige talent van Christine de Pisan leende zich +bijzonder voor deze vluchtige effekten. Zij heeft even gemakkelijk +verzen gemaakt als al haar tijdgenooten, zeer weinig gevarieerd in vorm +en gedachte, effen en weinig gekleurd, stil en rustig, met een lichte, +geestige melancholie. Het zijn echt litteraire gedichten, volkomen +hoofsch van toon en gedachte. Zij doen denken aan die ivoren plaques der +veertiende eeuw, die in zuiver conventioneele afbeelding steeds weer +dezelfde motieven geven: een jachttafereel, een motief uit <i>Tristan et +Yseult</i> of uit den <i>Roman de la rose</i>, gracieus, koel en bekoorlijk. +Waar nu Christine met haar zachte hoofschheid tegelijk den toon van het +volkslied treft, ontstaat soms iets heel zuivers.</p> + +<p>Een weerzien:</p> + +<div class='poem'> "Tu soies le très bien venu, +<span>M'amour, or m'embrace et me baise<br /></span> +<span>Et comment t'es tu maintenu<br /></span> +<span>Puis ton depart? Sain et bien aise<br /></span> +<span>As tu esté tousjours? ça vien<br /></span> +<span>Coste moy, te sié et me conte<br /></span> +<span>Comment t'a esté, mal ou bien,<br /></span> +<span>Car de ce vueil savoir le compte.<br /></span> +</div><p></p> +<a name='504'></a> +<div class='poem'> —Ma dame, a qui je suis tenu +<span>Plus que aultre, a nul n'en desplaise,<br /></span> +<span>Sachés que desir m'a tenu<br /></span> +<span>Si court qu'oncques n'oz tel mesaise,<br /></span> +<span>Ne plaisir ne prenoie en rien<br /></span> +<span>Loings de vous. Amours, qui cuers dompte.<br /></span> +<span>Me disoit: "Loyauté me tien,<br /></span> +<span>Car de ce vueil savoir le compte."<br /></span> +</div><p></p> +<div class='poem'> —Dont m'as tu ton serment tenu, +<span>Bon gré t'en sçay, par saint Nicaise;<br /></span> +<span>Et puis que sain es revenu<br /></span> +<span>Joye arons assez; or t'apaise<br /></span> +<span>Et me dis se scez de combien<br /></span> +<span>Le mal qu'en as eu a plus monte<br /></span> +<span>Que cil qu'a souffert le cuer mien,<br /></span> +<span>Car de ce vueil savoir le compte.<br /></span> +</div><p></p> +<div class='poem'> —Plus mal que vous, si com retien, +<span>Ay eu, mais dites sanz mesconte,<br /></span> +<span>Quans baisiers en aray je bien?<br /></span> +<span>Car de ce vueil savoir le compte."<a name='FNanchor_933_933'></a><a href='#Footnote_933_933'><sup>[933]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Een gemis:</p> + +<div class='poem'> "Il a au jour d'ui un mois +<span>Que mon ami s'en ala.<br /></span> +</div><p></p> +<div class='poem'> Mon cuer remaint morne et cois, +<span>Il a au jour d'ui un mois.<br /></span> +</div><p></p> +<div class='poem'> "A Dieu, me dit, je m'en vois"; +<span>Ne puis a moy ne parla,<br /></span> +<span>Il a au jour d'ui un mois."<a name='FNanchor_934_934'></a><a href='#Footnote_934_934'><sup>[934]</sup></a><br /></span> +</div> +<a name='505'></a> +<p>Een overgave:</p> + +<div class='poem'> "Mon ami, ne plourez plus; +<span>Car tant me faittes pitié<br /></span> +<span>Que mon cuer se rent conclus<br /></span> +<span>A vostre doulce amistié.<br /></span> +<span>Reprenez autre maniere;<br /></span> +<span>Pour Dieu, plus ne vous doulez,<br /></span> +<span>Et me faittes bonne chiere:<br /></span> +<span>Je vueil quanque vous voulez."<br /></span> +<span>............................................<br /></span> +</div> + +<p>Het is de teere, spontane vrouwelijkheid van deze gedichtjes, ontdaan +van de mannelijk-gewichtige, fantastische bespiegeling, en van den +bonten opschik met de Rose-figuren, die ze voor ons genietbaar maakt. +'t Is maar een enkele even ontwaarde stemming, die geboden wordt. Het +thema heeft maar even in het hart geklonken, en is toen direct verbeeld, +zonder dat de gedachte er aan te pas kwam. Maar daarom ook vertoont deze +poëzie zoo bijzonder dikwijls die eigenschap, welke zoowel in muziek als +poëzie alle tijdperken kenmerkt, waarin de inspiratie uitsluitend op de +enkele visie van een oogenblik berust: het thema is zuiver en sterk, het +lied begint in een klaar en vast geluid, als een merelslag, maar reeds +na de eerste strofe heeft de dichter of toondichter zijn gegeven +uitgezegd; de stemming zakt er uit weg, en de uitwerking verloopt in +zwakke rhetoriek. Het is de eeuwige teleurstelling, die bijna alle +dichters der vijftiende eeuw u bereiden.</p> + +<p>Hier een voorbeeld uit de balladen van Christine:</p> + +<div class='poem'> "Quant chacun s'en revient de l'ost +<span>Pour quoy demeures tu derriere?<br /></span> +<span>Et si scez que m'amour entiere<br /></span><a name='506'></a> +<span>T'ay baillée en garde et depost."<a name='FNanchor_935_935'></a><a href='#Footnote_935_935'><sup>[935]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Men zou een fijne, middeleeuwsch-Fransche Lenore-ballade verwachten. +Maar de dichteres had niets anders te zeggen dan dit begin, en in nog +twee korte onbelangrijke strofen draait zij er een eind aan.</p> + +<p>Hoe frisch begint <i>Le debat dou cheval et dou levrier</i> van Froissart:</p> + +<div class='poem'> "Froissart d'Escoce revenoit +<span>Sus un cheval qui gris estoit,<br /></span> +<span>Un blanc levrier menoit en lasse.<br /></span> +<span>'Las', dist le levrier, 'je me lasse,<br /></span> +<span>Grisel, quant nous reposerons?<br /></span> +<span>Il est heure que nous mengons'."<a name='FNanchor_936_936'></a><a href='#Footnote_936_936'><sup>[936]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Doch deze toon wordt niet volgehouden, het gedicht zakt terstond. Het +thema is alleen gezien, niet gedacht. Ze zijn soms prachtig suggestief, +de thema's. In Pierre Michault's <i>Danse aux Aveugles</i> ziet men de +menschheid eeuwig dansende om de tronen van Liefde, Fortuin en Dood. +<a name='FNanchor_937_937'></a><a href='#Footnote_937_937'><sup>[937]</sup></a> Maar de uitwerking blijft van het begin af beneden het middelmatige. +Een naamlooze <i>Exclamacion des os Sainct Innocent</i> begint met den toeroep +der beenderen in de knekelgalerijen van het beroemde kerkhof:</p> + +<div class='poem'> "Les os sommes des povres trespassez. +<span>Cy amassez par monceaulx compassez.<br /></span> +<span>Rompus, cassez, sans reigle ne compas...."<a name='FNanchor_938_938'></a><a href='#Footnote_938_938'><sup>[938]</sup></a><br /></span> +</div> +<a name='507'></a> +<p>Een aanhef, om de luguberste doodsklacht op te bouwen; maar het wordt +niet anders dan een memento mori van twaalf in het dozijn.</p> + +<p>Het zijn alles louter beeld-thema's. Voor den schilder behelst zulk een +enkele visie in zich zelf de stof tot de verst doorgevoerde uitwerking, +maar voor den dichter is zij niet genoeg.</p> + +<p>Is dan de schilderkunst der vijftiende eeuw in uitdrukkingsvermogen de +litteratuur in alle opzichten de baas? Neen. Er blijven altijd gebieden, +waarop de litteratuur over rijker en meer directe uitdrukkingsmiddelen +beschikt dan de beeldende kunst. Zulk een gebied is bovenal dat van den +spot. De beeldende kunst kan, tenzij zij zich verlaagt tot caricatuur, +slechts een geringe potentie van het komische uitdrukken. Het komische, +enkel zichtbaar afgebeeld, heeft een neiging, weer in het ernstige over +te gaan. Slechts daar, waar de bijmenging van het komische element in de +levensverbeelding zeer gering is, waar het enkel kruiderij is, en niet +den eigen smaak van het gerecht overstemmen mag, kan de afbeelding +gelijken tred houden met de uitdrukking in woorden. Als zulk een komiek +in zwakste potentie kan men de genreschildering beschouwen.</p> + +<p>Hier is de beeldende kunst nog volkomen op haar terrein. De ongebreidelde +uitwerking der détails, die wij hierboven aan de schilderkunst der +vijftiende eeuw toekenden, gaat ongemerkt over in het behagelijke +vertellen van kleinigheden, in het genre-achtige. Bij den meester van +Flémalle is de gedétailleerdheid louter 'genre' geworden. Zijn Joseph de +timmerman zit muizenvallen te maken. Het genre-achtige steekt in al zijn +détails: tusschen de wijze, waarop Van Eyck en waarop de meester van +Flémalle een vensterblind laat openstaan,<a name='508'></a> een buffetje of een haard +schildert, is de stap gedaan van de zuiver picturale visie naar het +genre.</p> + +<p>Doch reeds op dit gebied heeft nu het woord opeens een dimensie meer dan +de afbeelding. Het kan de gemoedsstemming expliciet weergeven. Denk nog +eens aan Deschamps' beschrijvingen van de schoonheid der kasteelen. Ze +waren eigenlijk mislukt en bleven oneindig ver achter bij wat de +miniatuurkunst daarvan wist te maken. Maar vergelijk nu de ballade, waar +Deschamps in een genretafereel beschrijft, hoe hij zelf ziek ligt in +zijn armzalig kasteeltje te Fismes.<a name='FNanchor_939_939'></a><a href='#Footnote_939_939'><sup>[939]</sup></a> De uilen, spreeuwen, kraaien, +musschen, die in zijn toren nestelen, houden hem uit den slaap:</p> + +<div class='poem'> "C'est une estrange melodie +<span>Qui ne semble pas grant deduit<br /></span> +<span>A gens qui sont en maladie.<br /></span> +<span class='i2'>Premiers les corbes font sçavoir<br /></span> +<span>Pour certain si tost qu'il est jour:<br /></span> +<span>De fort crier font leur pouoir,<br /></span> +<span>Le gros, le gresle, sanz sejour;<br /></span> +<span>Mieulx vauldroit le son d'un tabour<br /></span> +<span>Que telz cris de divers oyseaulx,<br /></span> +<span>Puis vient la proie;<a name='FNanchor_940_940'></a><a href='#Footnote_940_940'><sup>[940]</sup></a> vaches, veaulx,<br /></span> +<span>Crians, muyans, et tout ce nuit,<br /></span> +<span>Quant on a le cervel trop vuit,<br /></span> +<span>Joint du moustier la sonnerie,<br /></span> +<span>Qui tout l'entendement destruit<br /></span> +<span>A gens qui sont en maladie."<br /></span> +</div> + +<p>'s Avonds komen de uilen en verschrikken door hun klagelijk roepen den +zieke met doodsgedachten:</p> +<a name='509'></a> +<div class='poem'> "C'est froit hostel et mal reduit +<span>A gens qui sont en maladie."<br /></span> +</div> + +<p>Zoodra maar een zweem van het komische, of ook maar van het genoegelijk- +vertellende, doordringt, werkt het aaneenrijgende, opsommende procédé +niet meer vermoeiend. Levendige schilderingen van burgerlijke zeden, +lange behagelijke beschrijvingen van het vrouwelijk toilet breken de +eentonigheid. In zijn lang allegorisch gedicht <i>L'espinette amoureuse</i> +verkwikt Froissart u plotseling met een opsomming van wel zestig +kinderspelen, die hij als kleine jongen te Valenciennes te spelen +placht.<a name='FNanchor_941_941'></a><a href='#Footnote_941_941'><sup>[941]</sup></a> De litteraire dienst van den duivel der gulzigheid heeft +reeds een aanvang genomen. De savoureuze maaltijden van Zola, Huysmans, +Anatole France hebben reeds hun prototypen in de Middeleeuwen. Hoe glimt +de gulzigheid, als Deschamps en Villon lekkebaarden naar malsche boutjes. +Hoe smakelijk beschrijft Froissart de Brusselsche bonvivants, die den +vetten hertog Wencelijn omringen in den slag bij Baesweiler; zij hebben +hun knechten bij zich met groote flesschen wijn aan den zadelknop, met +brood en kaas, pasteien van zalm, forellen en paling, alles netjes in +kleine servetten gewikkeld; zoo staan zij de slagorde in den weg.<a name='FNanchor_942_942'></a><a href='#Footnote_942_942'><sup>[942]</sup></a></p> + +<p>Door haar gave voor het genre-achtige is de litteratuur van dien tijd in +staat, ook het nuchterste in vers te brengen. Deschamps kan in een +gedicht om geld manen, zonder van zijn gewone dichterniveau af te dalen; +hij bedelt in een reeks van balladen om een beloofden tabbert, om +brandhout, om een paard, om achterstallig salaris.<a name='FNanchor_943_943'></a><a href='#Footnote_943_943'><sup>[943]</sup></a></p> +<a name='510'></a> +<p>Het is maar één schrede van het genre-achtige naar het bizarre, het +burleske, of als men wil: het breugheleske. Ook in dezen vorm van het +komische is de schilderkunst nog gelijkwaardig aan de litteratuur. Het +breughelsche element is in de kunst omstreeks 1400 reeds ten volle +aanwezig. Men vindt het in den Joseph op Broederlam's Vlucht naar Egypte +te Dijon, in de slapende krijgsknechten op de Drie Maria's bij het graf, +die aan Hubert van Eyck zijn toegeschreven. Niemand is in het opzettelijk +bizarre zoo sterk als Paul van Limburg. Een toeschouwer bij Maria's +tempelgang draagt een ellenhooge, kromme toovenaarsmuts en mouwen van +een vadem lang. Burlesk is hij in de doopvont, die drie monsterachtige +maskers draagt met uitgestoken tong, en in de omlijsting van Maria en +Elisabeth, waar een held uit een toren een slak bevecht, een ander man +op een kruiwagen een varken kruit, dat den doedelzak speelt.<a name='FNanchor_944_944'></a><a href='#Footnote_944_944'><sup>[944]</sup></a></p> + +<p>Bizar is de litteratuur der vijftiende eeuw haast op elke bladzijde; +haar gekunstelde stijl, de zonderling fantastische aankleeding van haar +allegorieën getuigt het. Motieven, waaraan Breughel zijn uitgelaten +fantazie zou botvieren, zooals het Débat de Carême et de Mardi Gras, +Débat de chair et de poisson, zijn in de litteratuur der vijftiende eeuw +reeds zeer in trek. Breughelsch in den hoogsten zin schijnt een felle +visie als van Deschamps, waar de wachter de troepen, die zich te Sluis +verzamelen tegen Engeland, als een heirleger van ratten en muizen ziet:</p> + +<div class='poem'> "'Avant, avant! tirez-vous ça. +<span>Je voy merveille, ce me semble.'<br /></span> +<span>—'Et quoy, guette, que vois-tu là?'<br /></span><a name='511'></a> +<span>'Je voy dix mille rats ensemble<br /></span> +<span>Et mainte souris qui s'assemble<br /></span> +<span>Dessus la rive de la mer....'<br /></span> +</div> + +<p>Een andermaal zit hij triest en verstrooid aan den maaltijd ten hove; +opeens ziet hij, hoe de hovelingen eten: de een kauwt als een varken, +de ander knabbelt als een muisje, een gebruikt zijn tanden als een zaag, +deze vertrekt zijn gezicht, bij genen veegt de baard op en neer, "al +etende leken het duivelen."<a name='FNanchor_945_945'></a><a href='#Footnote_945_945'><sup>[945]</sup></a></p> + +<p>Zoodra de litteratuur volksleven schildert, vervalt zij van zelve in dat +sappige, met luim gekruide realisme, dat in de beeldende kunst weldra +zich zoo bloeiend zou ontwikkelen. Chastellain's beschrijving van den +armen boer, die den verdwaalden hertog van Bourgondië opneemt, valt uit +als een stuk van Breughel.<a name='FNanchor_946_946'></a><a href='#Footnote_946_946'><sup>[946]</sup></a> De Pastorale wordt met haar schildering +van etende, dansende en vrijende herders telkens van haar sentimenteele +en romantische grondthema afgeleid naar het pad van een frisch naturalisme +van licht komische werking. Hier behoort ook de belangstelling voor het +havelooze, die zich zoowel in de litteratuur als in de beeldende kunst +der vijftiende eeuw reeds begint te openbaren. De kalenderminiaturen +markeeren met welgevallen de doorgesleten knieën van de maaiertjes in +het koren, of de schilderkunst de lompen van de bedelaars, die +barmhartigheid vinden. Hier begint de lijn, die over Rembrandt's etsen +en Murillo's bedelknapen naar de straattypen van Steinlen leidt.</p> + +<p>Doch hier springt ook weder het groote verschil der picturale en +litteraire appreciatie in het oog.<a name='512'></a> Terwijl de beeldende kunst reeds het +schilderachtige van den bedelaar ziet, de bekoring van den vorm dus, is +de litteratuur enkel nog vervuld van de beteekenis van den bedelaar, +'t zij zij hem beklaagt, of prijst, of verwenscht. De prototypen nu van +het litteraire realisme der armoede-schildering liggen juist in die +verwenschingen. De bedelaars waren in het einde der Middeleeuwen een +ontzettende plaag geworden. In de kerken krioelde hun jammerlijke +menigte, en belette den dienst met hun geschreeuw en gedruisch; onder +hen was veel kwaad volk, "validi mendicantes". Het kapittel van Notre +Dame te Parijs tracht in 1428 vergeefs hen naar de kerkdeuren te +verwijderen, en slaagt er slechts later in, hen althans uit het koor +naar het schip der kerk te verwijzen.<a name='FNanchor_947_947'></a><a href='#Footnote_947_947'><sup>[947]</sup></a> Deschamps wordt niet moede, +zijn haat tegen die ellendigen te luchten; hij scheert hen allen over +één kam als huichelaars en bedriegers: ranselt hen de kerk uit, hangt ze +op, verbrandt ze!<a name='FNanchor_948_948'></a><a href='#Footnote_948_948'><sup>[948]</sup></a> Vanhier naar de moderne litteraire schildering +der ellende schijnt de weg veel langer dan die, welke de beeldende kunst +had af te leggen; in de schilderkunst vulde zich het beeld vanzelf met +nieuw sentiment, in de literatuur moest het langzaam rijpende sociale +gevoel zich eerst geheel nieuwe vormen van uitdrukking scheppen.</p> + +<p>Waar het komische element, zwakker of sterker, grover of fijner, in de +uiterlijke visie van een geval zelf ligt opgesloten, zooals in het genre +en in het burleske, daar kon de beeldende kunst het woord bijhouden. +<a name='513'></a>Maar daarbuiten lagen sferen van het komische, die voor picturale +uitdrukking volstrekt ontoegankelijk waren, waar kleur noch lijn iets +vermocht. Overal waar het komische positief lachwekkend moet zijn, was +de litteratuur onbeperkt meester, dus op het zoo welig begroeide gebied +van den schaterlach: de klucht, sotternie, boerde, de fabliaux, kortom +al de vormen van het grof-komische. Uit dien rijken schat van +laat-middeleeuwsche litteratuur spreekt een eigen geest.</p> + +<p>De litteratuur is ook meester op het gebied van den matten glimlach, +daar, waar de spot zijn hoogste tonen strijkt, zich uitgiet over het +ernstigste van het leven, de liefde, en over het eigen leed. De +gekunstelde, gepolijste, versleten vormen der erotiek ondergingen een +verfijning en zuivering door de bijmenging der ironie.</p> + +<p>Buiten het erotische is de ironie nog plomp en naïef. De Franschman van +1400 neemt af en toe nog de voorzichtigheid in acht, die den Hollander +van 1900 blijft aanbevolen, om het erbij te zeggen, als hij ironisch +spreekt. Deschamps prijst den goeden tijd: alles gaat best, overal +heerscht vrede en gerechtigheid:</p> + +<div class='poem'> "L'en me demande chascun jour +<span>Qu'il me semble du temps que voy,<br /></span> +<span>Et je respons: c'est tout honour,<br /></span> +<span>Loyauté, verité et foy,<br /></span> +<span>Largesce, prouesce et arroy,<br /></span> +<span>Charité et biens qui s'advance<br /></span> +<span>Pour le commun; mais, par ma loy,<br /></span> +<span>Je ne di pas quanque je pence."<br /></span> +</div> + +<p>Of elders aan het eind van een ballade van dezelfde strekking: "Tous ces +poins a rebours retien";<a name='FNanchor_949_949'></a><a href='#Footnote_949_949'><sup>[949]</sup></a> + en in een derde met het refrein:<a name='514'></a> "C'est +grant pechiez d'ainsy blasmer le monde":</p> + +<div class='poem'> "Prince, s'il est par tout generalment +<span>Comme je say, toute vertu habonde;<br /></span> +<span>Mais tel m'orroit qui diroit: 'Il se ment'...."<a name='FNanchor_950_950'></a><a href='#Footnote_950_950'><sup>[950]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Zelfs een bel-esprit uit de tweede helft der vijftiende eeuw betitelt +een epigram: "Soubz une meschante paincture faicte de mauvaises couleurs +et du plus meschant peinctre du monde, par maniere d'yronnie par maître +Jehan Robertet."<a name='FNanchor_951_951'></a><a href='#Footnote_951_951'><sup>[951]</sup></a></p> + +<p>Hoe fijn daarentegen kan de ironie reeds zijn, zoodra zij de liefde +raakt. Zij mengt zich dan met de zachte melancholie, de matte teerheid, +die de erotiek der vijftiende eeuw in de oude vormen tot iets nieuws +maakt. Het droge hart smelt in een snik. Er klinkt een geluid, dat in de +aardsche liefde nog niet was gehoord: de profundis.</p> + +<p>Het is de aanbiddelijke zelfbespotting, de figuur van "l'amant remis et +renié", die Villon aanneemt, het zijn de matte liedjes der desillusie, +die Charles d'Orléans zingt. Het is de lach in tranen: "Je riz en +pleurs" is niet enkel Villon's vinding geweest. Een oude bijbelsche +gemeenplaats: "risus dolore miscebitur et extrema gaudii luctus +occupat",<a name='FNanchor_952_952'></a><a href='#Footnote_952_952'><sup>[952]</sup></a> kreeg hier een nieuwe toepassing, een nieuw sentiment, +een verfijnde bittere gevoelswaarde. Alain Chartier, de gladde +hofpoëet, heeft dit motief evengoed als Villon, de vagebond.</p> + +<div class='poem'> "Je n'ay bouche qui puisse rire, +<span>Que les yeulx ne la desmentissent:<br /></span> +<span>Car le cueur l'en vouldroit desdire<br /></span><a name='515'></a> +<span>Par les lermes qui des yeulx issent."<br /></span> +</div> + +<p>Of meer uitgewerkt, van een droeven minnaar:</p> + +<div class='poem'> "De faire chiere s'efforçoit +<span>Et menoit une joye fainte,<br /></span> +<span>Et à chanter son cueur forçoit<br /></span> +<span>Non pas pour plaisir, mais pour crainte,<br /></span> +<span>Car tousjours ung relaiz de plainte<br /></span> +<span>S'enlassoit au ton de sa voix,<br /></span> +<span>Et revenoit à son attainte<br /></span> +<span>Comme l'oysel au chant du bois."<a name='FNanchor_953_953'></a><a href='#Footnote_953_953'><sup>[953]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Aan het slot van een gedicht verloochent de dichter zijn leed, in den +toon van het vagantenlied, zooals hier:</p> + +<div class='poem'> "Cest livret voult dicter et faire escripre +<span>Pour passer temps sans courage villain<br /></span> +<span>Ung simple clerc que l'en appelle Alain,<br /></span> +<span>Qui parle ainsi d'amours pour oyr dire."<a name='FNanchor_954_954'></a><a href='#Footnote_954_954'><sup>[954]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Of in een uitgewerkte fantazie, zooals die waarmee koning René zijn +eindeloos <i>Cuer d'amour espris</i> besluit: de kamerdienaar komt met een +kaars kijken, of 's konings hart niet weg is; maar hij kan geen gat in +de zijde ontdekken:</p> + +<div class='poem'> "Sy me dist tout en soubzriant +<span>Que je dormisse seulement<br /></span> +<span>Et que n'avoye nullement<br /></span> +<span>Pour ce mal garde de morir."<a name='FNanchor_955_955'></a><a href='#Footnote_955_955'><sup>[955]</sup></a><br /></span> +</div> +<a name='516'></a> +<p>De oude conventioneele vormen kregen door het nieuwe sentiment nieuwe +frischheid. Niemand heeft de gebruikelijke verpersoonlijking der +sentimenten zoo ver doorgevoerd als Charles d'Orléans. Hij ziet zijn +hart als een afzonderlijk wezen:</p> + +<div class='poem'> "Je suys celluy au cueur vestu de noir...."<a name='FNanchor_956_956'></a><a href='#Footnote_956_956'><sup>[956]</sup></a></div> + +<p>In de oudere lyriek, zelfs in den dolce stil nuovo, waren die +verpersoonlijkingen nog strakke ernst geweest. Maar bij Orléans zijn +de grenzen van ernst en spot niet meer te trekken; hij chargeert de +verpersoonlijking, zonder dat het fijne sentiment te loor gaat:</p> + +<div class='poem'> "Un jour à mon cueur devisoye +<span>Qui en secret à moy parloit,<br /></span> +<span>Et en parlant lui demandoye<br /></span> +<span>Se point d'espargne fait avoit<br /></span> +<span>D'aucuns biens quant Amours servoit:<br /></span> +<span>Il me dist que très voulentiers<br /></span> +<span>La vérité m'en compteroit,<br /></span> +<span>Mais qu'eust visite ses papiers.<br /></span> +</div><p></p> +<div class='poem'>Quant ce m'eut dit, il print sa voye +<span>Et d'avecques moy se partoit.<br /></span> +<span>Après entrer je le véoye<br /></span> +<span>En ung comptouer qu'il avoit:<br /></span> +<span>Là, de ça et de là quéroit,<br /></span> +<span>En cherchant plusieurs vieulx caïers<br /></span> +<span>Car le vray monstrer me vouloit,<br /></span> +<span>Mais qu'eust visitez ses papiers...."<a name='FNanchor_957_957'></a><a href='#Footnote_957_957'><sup>[957]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Hier overweegt het komische, maar in het volgende de ernst:</p> +<a name='517'></a> +<div class='poem'> "Ne hurtez plus à l'uis de ma pensée, +<span>Soing et Soucy, sans tant vous travailler;<br /></span> +<span>Car elle dort et ne veult s'esveiller,<br /></span> +<span>Toute la nuit en peine a despenseé.<br /></span> +</div><p></p> +<div class='poem'> +<span>En dangier est, s'elle n'est bien panseé;<br /></span> +<span>Cessez, cessez, laissez la sommeiller;<br /></span> +<span>Ne hurtez plus à l'uis de ma pensée,<br /></span> +<span>Soing et Soucy, sans tant vous travailler...."<a name='FNanchor_958_958'></a><a href='#Footnote_958_958'><sup>[958]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>De week-droeve erotiek kreeg voor den vijftiendeëeuwer een nog scherper +smaak door de bijmenging van het profane, waarmee hij haar zoo gaarne +kruidt. De travesti van het amoureuze in kerkelijke vormen dient niet +enkel tot obscene beeldspraak en grove oneerbiedigheid, zooals in de +<i>Cent nouvelles nouvelles</i>. Zij levert ook den vorm van het meest teere, +bijna elegische liefdedicht, dat de vijftiende eeuw heeft voortgebracht: +<i>L'amant rendu cordelier à l'observance d'amours</i>.</p> + +<p>Het motief van de minnaars als de observanten eener geestelijke orde had +reeds in den kring van Charles d'Orléans aanleiding gegeven tot een +dichterlijke confrérie, die zich "les amoureux de l'observance" noemde. +Is het werkelijk Martial d'Auvergne geweest, die het heeft uitgewerkt +tot het treffende gedicht, dat zich zoover boven het van hem bekende +verheft?</p> + +<p>De arme, teleurgestelde minnaar komt de wereld begeven in het wonderlijke +klooster, waar men enkel de droeve verliefden, "les amoureux martyrs", +opneemt. In stille samenspraak met den heer Prior doet hij het zachte +verhaal van zijn versmade liefde, en wordt vermaand, die te vergeten. +<a name='518'></a>Het is onder het middeleeuwsch-satirieke gewaad reeds volkomen de stemming +van Watteau en den Pierrot-cultus, slechts zonder maneschijn.—Was zij +niet gewoon, vraagt de Prior, u een lieven blik toe te werpen, of in 't +voorbijgaan een "Dieu gart" te zeggen?—Zoo ver kwam ik nooit, antwoordt +de minnaar: maar 's nachts stond ik drie heele uren voor haar deur, en +keek op naar de goot:</p> + +<div class='poem'> "Et puis, quant je oyoye les verrières +<span>De la maison qui cliquetoient,<br /></span> +<span>Lors me sembloit que mes prières<br /></span> +<span>Exaussées d'elle sy estoient."<br /></span> +</div> + +<p>"Waart ge zeker, dat zij u opmerkte?" vraagt de Prior.</p> + +<div class='poem'> "Se m'aist Dieu, j'estoye tant ravis, +<span>Que ne savoye mon sens ne estre,<br /></span> +<span>Car, sans parler, m'estoit advis<br /></span> +<span>Que le vent ventoit sa fenestre<br /></span> +<span>Et que m'avoit bien peu congnoistre,<br /></span> +<span>En disant bas: 'Doint bonne nuyt',<br /></span> +<span>Et Dieu scet se j'estoye grant maistre<br /></span> +<span>Après cela toute la nuyt."<a name='FNanchor_959_959'></a><a href='#Footnote_959_959'><sup>[959]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>In die zaligheid sliep hij heerlijk:</p> + +<div class='poem'> "Tellement estoie restauré +<span>Que, sans tourner ne travailler,<br /></span> +<span>Je faisoie un somme doré,<br /></span> +<span>Sans point la nuyt me resveiller.<br /></span> +<span>Et puis, avant que m'abiller,<br /></span> +<span>Pour en rendre à Amours louanges,<br /></span> +<span>Baisoie troys fois mon orillier,<br /></span> +<span>En riant à par moy aux anges."<br /></span> +</div> +<a name='519'></a> +<p>Bij zijn plechtige opneming in de orde bezwijmt de dame, die hem +versmaad had, en een gouden hartje, geëmailleerd met tranen, dat hij +haar geschonken had, valt uit haar kleed.</p> + +<div class='poem'> "Les aultres, pour leur mal couvrir +<span>A force leurs cueurs retenoient,<br /></span> +<span>Passans temps a clorre et rouvrir<br /></span> +<span>Les heures qu'en leurs mains tenoient,<br /></span> +<span>Dont souvent les feuilles tournoient<br /></span> +<span>En signe de devocion;<br /></span> +<span>Mais les deulz et pleurs que menoient<br /></span> +<span>Monstroient bien leur affection."<br /></span> +</div> + +<p>Als de Prior hem ten slotte zijn nieuwe plichten opsomt, en hem +waarschuwt, om nooit te luisteren naar den nachtegaal, nooit te slapen +onder "eglantiers et aubespines", en vooral nooit in vrouwenoogen te +zien, klaagt het gedicht op het thema "Doux yeux" een eindelooze melodie +van strofen, die altijd weer varieeren:</p> + +<div class='poem'> "Doux yeulx qui tousjours vont et viennent; +<span>Doulx yeulx eschauffans le plisson,<br /></span> +<span>De ceulx qui amoureux deviennent...."<br /></span> +</div><p></p> +<div class='poem'> "Doux yeulx a cler esperlissans, +<span>Qui dient: C'est fait quant tu vouldras,<br /></span> +<span>A ceulx qu'ils sentent bien puissans...."<a name='FNanchor_960_960'></a><a href='#Footnote_960_960'><sup>[960]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Die zachte, matte toon, die gelaten melancholie heeft ongemerkt in de +vijftiende eeuw alle conventioneele vormen der erotiek doordrongen. De +oude satire van cynische vrouwenverguizing krijgt er op eens een heel +andere,<a name='520'></a> verfijnde stemming door: in de <i>Quinze joyes de mariage</i> is de +botte vrouwensmaad van voorheen getemperd door een toon van stille +desillusie en gedruktheid, die er het navrante aan geeft van een moderne +huwelijksnovelle: de gedachten zijn ijl, vluchtig uitgedrukt; de +gesprekken zijn te teer voor de boosaardige bedoeling.</p> + +<p>In alles wat de uitdrukking der liefde betrof, had de litteratuur een +school van eeuwen achter zich, met meesters van zoo verscheiden geest +als Plato en Ovidius, de troubadours en de vaganten, Dante en Jean de +Meun.—De beeldende kunst daarentegen was hierin nog buitengewoon +primitief, en is dat nog lang gebleven. Eerst in de achttiende eeuw +haalt de afbeelding der liefde de beschrijving ervan in verfijning en +volheid van expressie in. De schilderkunst der vijftiende eeuw kon nog +niet frivool of sentimenteel zijn. Tusschen het kuische en het obscene +had zij nog geen uitdrukkingsmiddel gevonden. Van het liefdeleven zegt +zij weinig, en dat in naïeve en onschuldige vormen. Wel moet men zich +hier opnieuw herinneren, dat het meeste wat er van dien aard bestaan +heeft, verloren is. Het zou van buitengewoon belang zijn, als men het +naakt van Van Eyck in zijn Vrouwenbad, waarvan Fazio verhaalt, kon +vergelijken met zijn Adam en Eva. In de laatste ontbreekt het erotische +element volstrekt niet geheel: immers de kunstenaar heeft wel degelijk +den conventioneelen code van vrouwenschoonheid gevolgd, in de kleine, +te hoog geplaatste borsten, de lange slanke armen, den vooruitstekenden +buik. Doch hoe naïef heeft hij dat alles gedaan, zonder eenige zucht of +vermogen om te bekoren.—Bekoring moet het essentieele element zijn van +het kleine Liefdetooverijtje,<a name='521'></a> wel met 'school van Jan van Eyck' +betiteld,<a name='FNanchor_961_961'></a><a href='#Footnote_961_961'><sup>[961]</sup></a> een kamer, waar een meisje, naakt, zooals dat bij +tooverij hoort, door toovermiddelen den minnaar dwingt, zich te +vertoonen. Hier is het naakt van die bescheiden wulpschheid, die zich in +Cranach's naaktfiguren voortzet.</p> + +<p>Het was geen preutschheid, die de rol der afbeelding in de erotiek zoo +beperkt hield. De late Middeleeuwen vertoonen een zonderlinge +tegenstrijdigheid tusschen een sterk schaamtegevoel en een verbazende +licentie. Voor het laatste is het aanhalen van voorbeelden onnoodig; +zij spreekt op iedere bladzijde. De schaamte spreekt bij voorbeeld uit +het volgende. Bij de ergste moord- en plunderpartijen laat men den +slachtoffers het hemd of de onderbroek; de Burger van Parijs is over +niets zoo verontwaardigd als over het feit, dat die regel werd +geschonden: "et ne volut pas convoitise que on leur laissast neis leurs +brayes, pour tant qu'ilz vaulsissent 4 deniers, qui estoit un des plus +grans cruaultés et inhumanité chrestienne à aultre de quoy on peut +parler." Bij het verhaal van de wreedheid van den bastaard van Vauru +tegen een arme vrouw, is hij nog meer dan van de overige kwellingen +ontzet van het schendig stuk, dat hij haar de kleeren kort onder het +middel laat afsnijden.<a name='FNanchor_962_962'></a><a href='#Footnote_962_962'><sup>[962]</sup></a>—Daarom blijft het dubbel opmerkelijk, dat +men aan het vrouwelijk naakt, in de kunst nog zoo weinig gecultiveerd, +zulk een vrije plaats gaf in het tableau vivant. Bij geen intocht +ontbraken de vertooningen, "personnages", van naakte godinnen of nimfen, +door Dürer aanschouwd bij den intocht van<a name='522'></a> Karel V te Antwerpen in 1520, +<a name='FNanchor_963_963'></a><a href='#Footnote_963_963'><sup>[963]</sup></a> en door Hans Makart misverstaan, alsof de vrouwen meeliepen in den +optocht. Deze vertooningen waren op getimmerten op bepaalde plaatsen +opgesteld, soms zelfs in het water, zooals de sirenen, die bij de brug +in de Leie zwommen, "toutes nues et échevelées ainsi comme on les +peint", bij den intocht van Philips den Goede te Gent in 1457.<a name='FNanchor_964_964'></a><a href='#Footnote_964_964'><sup>[964]</sup></a> +Paris' oordeel was het meest gebruikte onderwerp dezer vertooningen. +—Men zoeke er noch Griekschen schoonheidszin noch platte +onbeschaamdheid in, maar een naïeve, populaire zinnelijkheid. Jean de +Roye beschrijft de sirenen, die bij den intocht van Lodewijk XI te +Parijs in 1461, niet ver van een gekruisigde tusschen de twee schakers, +stonden opgesteld, in deze woorden: "Et si y avoit encores trois bien +belles filles, faisans personnages de seraines toutes nues, et leur +veoit on le beau tetin droit, separé, rond et dur, qui estoit chose bien +plaisant, et disoient de petiz motetz et bergeretes; et près d'eulx +jouoient plusieurs bas instrumens qui rendoient de grandes melodies." +<a name='FNanchor_965_965'></a><a href='#Footnote_965_965'><sup>[965]</sup></a> Molinet vertelt, met hoeveel welbehagen het volk naar het oordeel +van Paris keek bij den intocht van Philips den Schoone te Antwerpen in +1494: "mais le hourd où les gens donnoient le plus affectueux regard fut +sur l'histoire des trois déesses, que l'on véoit au nud et de femmes +vives."<a name='FNanchor_966_966'></a><a href='#Footnote_966_966'><sup>[966]</sup></a> Hoe ver was zuivere schoonheidszin, als men de vertooning +van dat onderwerp in 1468 te Rijssel bij den intocht van Karel den +Stoute geparodieerd ziet door een zwaarlijvige Venus, een magere Juno en +een gebochelde Minerva,<a name='523'></a> met gouden kronen op het hoofd!<a name='FNanchor_967_967'></a><a href='#Footnote_967_967'><sup>[967]</sup></a>—Tot diep +in de zestiende eeuw bleven de naakte vertooningen in gebruik: te Rennes +in 1532 bij den intocht van den hertog van Bretagne zag men een naakte +Ceres en Bacchus,<a name='FNanchor_968_968'></a><a href='#Footnote_968_968'><sup>[968]</sup></a> en nog Willem van Oranje werd bij zijn inkomst +binnen Brussel op 18 September 1578 vergast op een Andromeda, "een +ionghe maeght, met ketenen ghevetert, alsoo naeckt als sy van moeder +lyve gheboren was; men soude merckelyck geseydt hebben, dattet een +marberen beeldt hadde geweest", aldus Johan Baptista Houwaert, die de +tableaux gearrangeerd had.<a name='FNanchor_969_969'></a><a href='#Footnote_969_969'><sup>[969]</sup></a></p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>De achterlijkheid van het picturale uitdrukkingsvermogen vergeleken bij +de litteratuur beperkt zich overigens niet tot de gebieden, die wij tot +nu toe behandelden: het komische, het sentimenteele, het erotische. Dat +vermogen vindt zijn grenzen, zoodat het niet meer gedragen wordt aan +dien overmatig visueelen aanleg, waarin wij de toenmalige superioriteit +van de schilderkunst in het algemeen boven de litteratuur gegrond +achtten. Zoodra er iets meer noodig is dan enkel een onmiddellijke, +scherpe visie van het natuurlijke, begeeft die superioriteit de +schilderkunst van lieverlede, en ziet men opeens de gegrondheid van +Michel Angelo's verwijt: die kunst wil vele dingen tegelijk volkomen +afbeelden, waarvan één belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten +aan te besteden.</p> + +<p>Neem nogmaals een tafereel van Jan van Eyck. Onovertroffen blijft zijn +kunst,<a name='524'></a> zoolang zij van nabij ziende, om zoo te zeggen microscopisch, +werkt: in de gelaatstrekken, de stoffen der gewaden, de juweelen. De +volstrekt scherpe observatie is daar genoeg. Doch zoodra de geziene +werkelijkheid eenigermate moet worden herleid, gelijk reeds het geval +is in de voorstelling van gebouwen en landschappen, vallen er, bij alle +innige bekoring van het vroege vergezicht, zwakheden te bespeuren: een +zekere onsamenhangendheid, een ietwat gebrekkige dispositie. En hoe meer +de voorstelling opzettelijk moet worden gecomponeerd, er een beeldvorm +voor het geval vrij moet worden geschapen, hoe sterker de daling wordt.</p> + +<p>Niemand zal tegenspreken, dat in de verluchte getijboeken de +kalenderbladen die, waarop de heilige geschiedenis staat afgebeeld, +overtreffen. Dáár kon men met directe waarneming en vertellend weergeven +volstaan. Maar om een gewichtige handeling, een bewogen voorstelling met +veel personen op te zetten, was bovenal dat gevoel voor rythmischen +opbouw en eenheid noodig, dat eertijds Giotto gekend had, en dat opnieuw +door Michel Angelo werd begrepen. Het wezen nu der vijftiende-eeuwsche +kunst was veelheid. Slechts daar, waar de veelheid zelf tot eenheid +werd, werd het effekt van hooge harmonie bereikt, zooals in de +Aanbidding van het Lam. Daar is inderdaad rythme, een onvergelijkelijk +sterk rythme, een triomfantelijk rythme van al die stoeten schrijdend +naar het middelpunt toe. Doch het is als 't ware door een bloot +rekenkundige nevenschikking, uit de veelheid zelf, gevonden. Van Eyck +ontloopt de moeilijkheden der compositie, door slechts voorstellingen +te geven in strenge rust; hij bereikt een statische, geen dynamische +harmonie.</p> +<a name='525'></a> +<p>Hier bovenal ligt de groote afstand, die Rogier van der Weyden van Van +Eyck scheidt. Rogier beperkt zich, om het rythme te vinden; hij slaagt +niet altijd, maar hij streeft.</p> + +<p>Nu bestond er voor de voornaamste onderwerpen der heilsgeschiedenis een +strenge, oude verbeeldingstraditie. De schilder behoefde de ordonnantie +van zijn tafereel niet meer zelf te zoeken.<a name='FNanchor_970_970'></a><a href='#Footnote_970_970'><sup>[970]</sup></a> Sommige dier +onderwerpen brachten een rythmischen bouw bijna vanzelve mee. In een +beweening, een kruisafneming, een aanbidding der herders, kwam het +rythme als van zelve. Men denke aan de pieta's van Rogier van der Weyden +te Madrid, die van de Avignonsche school in het Louvre en te Brussel, +van Petrus Cristus, van Geertgen tot Sint Jans, van de Belles heures +d'Ailly.<a name='FNanchor_971_971'></a><a href='#Footnote_971_971'><sup>[971]</sup></a></p> + +<p>Wordt echter het tafereel woeliger, zooals bij de bespotting, de +kruisdraging, de aanbidding der koningen, dan stijgen de moeilijkheden +der compositie, en een zekere onrustigheid, onvoldoende eenheid der +voorstelling is veelal het gevolg. En als de kerkelijke iconografische +norm den kunstenaar geheel begeeft, dan staat hij vrijwel hulpeloos. +Reeds de rechtspraaktafereelen van Dirk Bouts en Gerard David, die +nog een zekere statige ordonnantie meebrachten, zijn vrij zwak van +compositie. Linksch en onbeholpen wordt zij in de marteling van Sint +Erasmus, "het dermwinderken" van Leuven, en van Sint Hippolytus, door +paarden uiteengetrokken, te Brugge. Daar werkt de gebrekkige bouw reeds +stuitend.</p> + +<p>Wanneer nu nooit geziene fantazie moet worden verbeeld, dan vervalt de +vijftiende-eeuwsche kunst<a name='526'></a> in het belachelijke. De groote schilderkunst +bleef daarvoor gespaard door haar strenge onderwerpen, maar de +boekverluchting kon zich niet onttrekken aan het afbeelden van al de +mythologische en allegorische fantazie, die de litteratuur aanbracht. +Een goed voorbeeld levert de illustratie van de <i>Epitre d'Othéa à +Hector</i>,<a name='FNanchor_972_972'></a><a href='#Footnote_972_972'><sup>[972]</sup></a> een uitgewerkte mythologische fantazie van Christine +de Pisan. Het is het onbeholpenste wat men zich kan voorstellen. De +Grieksche goden dragen groote vlerken achter aan hun hermelijnmantels of +bourgondische tabberts; de geheele opzet en uitdrukking mislukt: Minos, +Saturnus, die zijn kinderen verslindt, Midas, die den prijs uitdeelt, +zij vallen allen even zot uit. Doch zoodra de verluchter in den +achtergrond even zijn hart kan ophalen aan een herdertje met schaapjes +of een heuveltje met galg en rad, vertoont hij de gewone vaardigheid. +<a name='FNanchor_973_973'></a><a href='#Footnote_973_973'><sup>[973]</sup></a> Men is hier aan de grens van het beeldend vermogen dezer +kunstenaars. In vrij scheppende verbeelding zijn zij tenslotte ongeveer +even beperkt als de dichters.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>De allegorische verbeelding had de fantazie in een impasse geleid. De +allegorie kluistert wederkeerig het beeld en de gedachte. Het beeld +kan niet vrij geschapen worden, omdat het de gedachte volkomen moet +omschrijven, en de gedachte wordt in haar vlucht belemmerd door het +beeld. De fantazie heeft zich gewend, de gedachte zoo nuchter mogelijk +in beeld over te brengen, zonder eenig gevoel voor stijl. Temperantia +draagt op haar hoofd een uurwerk,<a name='527'></a> om haar aard aan te duiden. De +verluchter van de <i>Epitre d'Othéa</i> nam daartoe eenvoudig het hangklokje, +dat hij ook bij Philips den Goede aan den wand plaatste.<a name='FNanchor_974_974'></a><a href='#Footnote_974_974'><sup>[974]</sup></a>—Wanneer +een scherp natuurlijk observeerende geest als Chastellain uit eigen +vinding allegorische figuren teekent, valt het bijster barok uit. Hij +ziet bij voorbeeld in het rechtvaardigingsbetoog naar aanleiding van +zijn gewaagd politiek gedicht <i>Le dit de vérité</i><a name='FNanchor_975_975'></a><a href='#Footnote_975_975'><sup>[975]</sup></a> vier dames, die +hem aanklagen. Zij heeten Indignation, Réprobation, Accusation, +Vindication. Ziehier, hoe hij de tweede beschrijft.<a name='FNanchor_976_976'></a><a href='#Footnote_976_976'><sup>[976]</sup></a> "Ceste dame +droit-cy se monstroit avoir les conditions seures,<a name='FNanchor_977_977'></a><a href='#Footnote_977_977'><sup>[977]</sup></a> raisons moult +aguës et mordantes; grignoit les dens et mâchoit ses lèvres; niquoit de +la teste souvent; et monstrant signe d'estre arguëresse, sauteloit sur +ses pieds et tournoit l'un costé puis çà, l'autre costé puis là; portoit +manière d'impatience et de contradiction; le droit oeil avoit clos et +l'autre ouvert; avoit un sacq plein de livres devant lui, dont les uns +mit en son escours<a name='FNanchor_978_978'></a><a href='#Footnote_978_978'><sup>[978]</sup></a> comme chéris, les autres jetta au loin par +despit; deschira papiers et feuilles; quayers jetta au feu félonnement; +rioit sur les uns et les baisoit; sur les autres cracha par vilennie et +les foula des pieds; avoit une plume en sa main, pleine d'encre, de +laquelle roioit maintes ecritures notables ...; d'une esponge aussy +noircissoit aucunes ymages, autres esgratinoit aux ongles ... et les +<a name='528'></a>tierces rasoit toutes au net et les planoit comme pour les mettre hors +de mémoire; et se monstroit dure et felle ennemie à beaucoup de gens de +bien, plus volontairement que par raison." Elders ziet hij, hoe Dame +Paix haar mantel uitspreidt en hoog oplicht, en in vier nieuwe dames +uiteenvalt: Paix de coeur, Paix de bouche, Paix de semblant, Paix de +vray effet.<a name='FNanchor_979_979'></a><a href='#Footnote_979_979'><sup>[979]</sup></a> In weer een ander van zijn allegorieën komen +vrouwenfiguren voor, die heeten "Pesanteur de tes pays, Diverse +condition et qualité de tes divers peuples, L'envie et haine des +François et des voisines nations", alsof een politiek hoofdartikel zich +liet allegoriseeren.<a name='FNanchor_980_980'></a><a href='#Footnote_980_980'><sup>[980]</sup></a>—Dat al die figuren niet gezien maar bedacht +zijn, blijkt ten overvloede uit het feit, dat zij hun namen op +banderoles dragen; hij put de beelden niet direct uit zijn levende +fantazie, maar stelt ze zich voor als op een schilderij of in een +vertooning.</p> + +<p>In <i>La mort du duc Philippe, mystère par manière de lamentation</i> ziet +hij zijn hertog verbeeld als een flesch vol kostbare zalf, die aan een +draad uit den hemel hangt; de aarde heeft die flesch aan haar borsten +gezoogd.<a name='FNanchor_981_981'></a><a href='#Footnote_981_981'><sup>[981]</sup></a> Molinet ziet Christus als pelikaan (een gewone trope) +niet alleen met zijn bloed de jongen voeden, maar tevens er den spiegel +des doods mee afwasschen.<a name='FNanchor_982_982'></a><a href='#Footnote_982_982'><sup>[982]</sup></a></p> + +<p>Schoonheidsinspiratie is hier zoek; het is spelend en valsch vernuft, +een uitgeputte geest, die nieuwe bevruchting wacht. In het altijd weer +gebruikte droommotief als raam eener handeling zijn bijna nooit echte +droomelementen waar te nemen,<a name='529'></a> zooals ze bij Dante en bij Shakespeare zoo +treffend voorkomen. De illusie, dat de dichter zijn voorstelling als +vizioen heeft gezien, wordt dikwijls niet eens volgehouden: Chastellain +noemt zich zelf "l'inventeur ou le fantasieur de ceste vision."<a name='FNanchor_983_983'></a><a href='#Footnote_983_983'><sup>[983]</sup></a></p> + +<p>Op het verdorde veld der allegorische verbeelding kan alleen de spot +telkens weer frisch kruid doen bloeien. Zoodra het even in 't luimige +geworpen wordt, werkt de allegorie nog. Deschamps vraagt den dokter, hoe +de deugden en het recht het maken:</p> + +<div class='poem'> "Phisicien, comment fait Droit? +<span>—Sur m'ame, il est en petit point....<br /></span> +<span>—Que fait Raison?...<br /></span> +<span>Perdu a son entendement,<br /></span> +<span>Elle parle mais faiblement,<br /></span> +<span>Et Justice est toute ydiote...."<a name='FNanchor_984_984'></a><a href='#Footnote_984_984'><sup>[984]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>De verschillende sferen van fantazie worden stijlloos dooreengemengd. +Geen product zoo bizar als het politieke schotschrift in het kleed der +pastorale. De onbekende dichter, die zich Bucarius noemt, heeft in <i>Le +Pastoralet</i> al den laster van het huis Bourgondië tegen Orleans in de +kleur der herderij geschilderd: Orleans, Jan zonder Vrees en al hun +trotsch en grimmig gevolg als zoete herders, wonderlijke Leeuwendalers! +De herdersrok is beschilderd met fleurs de lis of klimmende leeuwen; er +zijn "bergiers à long jupel", dat zijn de geestelijken.<a name='FNanchor_985_985'></a><a href='#Footnote_985_985'><sup>[985]</sup></a> De herder +Tristifer, dat is Orleans, neemt den anderen hun brood en kaas, hun +appelen en noten, hun fluitjes af, en den schapen de klokjes; hij dreigt +de weerstrevenden met zijn grooten herdersstaf.<a name='530'></a> Totdat hij zelf met een +herdersstaf wordt doodgeslagen. Soms vergeet de dichter bijna zijn +sinistere strekking en vermeit zich in de zoetste pastorale, dan weer +wordt de herderlijke fantazie zonderling gestoord door den boozen +politieken smaad.<a name='FNanchor_986_986'></a><a href='#Footnote_986_986'><sup>[986]</sup></a> Ook hier nog niets van de maat en smaak der +Renaissance.</p> + +<p>Molinet haspelt de motieven van het geloof, den krijg, de heraldiek en +de min dooreen, in den vorm van een proclamatie van den Schepper aan +alle ware minnenden:</p> + +<div class='poem'> "Nous Dieu d'amours, créateur, roy de gloire +<span>Salut à tous vrays amans d'humble affaire!<br /></span> +<span>Comme il soit vray que depuis la victoire<br /></span> +<span>De nostre filz sur le mont de Calvaire<br /></span> +<span>Plusieurs souldars par peu de congnoissance<br /></span> +<span>De noz armes, font au dyable allyance...."<br /></span> +</div> + +<p>Daarom wordt hun het rechte wapen beschreven: schild van zilver, chef +van goud met vijf wonden, en de militante Kerk octrooi verleend, om +allen in haar dienst op te nemen, die tot dat wapen willen terugkeeren,</p> + +<div class='poem'> "mais qu'en pleurs et en larmes, +<span>De cueur contrict et foy sans abuser."<a name='FNanchor_987_987'></a><a href='#Footnote_987_987'><sup>[987]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>De kunstenmakerijen, waarmee Molinet den lof zijner tijdgenooten als +vernuftig rhétoriqueur en poëet behaalde, schijnen ons de laatste +ontaarding van een uitdrukkingsvorm vóór zijn ondergang. Hij vermeit +zich in de meest zoutelooze woordspelletjes: "Et ainsi demoura l'Escluse +en paix qui lui fut incluse,<a name='531'></a> car la guerre fut d'elle excluse plus +solitaire que rencluse."<a name='FNanchor_988_988'></a><a href='#Footnote_988_988'><sup>[988]</sup></a> In de inleiding op zijn gemoraliseerde +prozabewerking van den <i>Roman de la rose</i> speelt hij met zijn naam +Molinet. "Et affin que je ne perde le froment de mal labeur, et que la +farine que en sera molue puisse avoir fleur salutaire, j'ay intencion, +se Dieu m'en donne la grace, de tourner et convertir soubz mes rudes +meulles le vicieux au vertueux, le corporel en l'espirituel, la +mondanité en divinité, et souverainement de la moraliser. Et par ainsi +nous tirerons le miel hors de la dure pierre, et la rose vermeille hors +des poignans espines, où nous trouverons grain et graine, fruict, fleur +et feuille, très souefve odeur, odorant verdure, verdoyant floriture, +florissant nourriture, nourissant fruict et fructifiant pasture."<a name='FNanchor_989_989'></a><a href='#Footnote_989_989'><sup>[989]</sup></a> +Wat lijkt het eind-eeuwsch en versleten! Toch bewonderde de tijdgenoot +juist dit als het nieuwe; de middeleeuwsche poëzie had dat spelen met +woorden eigenlijk niet gekend, die speelde meer met beelden. Zooals bij +voorbeeld Olivier de la Marche, Molinet's geestverwant en bewonderaar:</p> + +<div class='poem'> "Là prins fièvre de souvenance +<span>Et catherre de desplaisir,<br /></span> +<span>Une migraine de souffrance,<br /></span> +<span>Colicque d'une impascience,<br /></span> +<span>Mal de dens non à soustenir.<br /></span> +<span>Mon cueur ne porroit plus souffrir<br /></span> +<span>Les regretz de ma destinée<br /></span> +<span>Par douleur non accoustumée."<a name='FNanchor_990_990'></a><a href='#Footnote_990_990'><sup>[990]</sup></a><br /></span> +</div> +<a name='532'></a> +<p>Meschinot is nog even verslaafd aan de slappe allegorie als La Marche; +van zijn <i>Lunettes des princes</i> zijn Prudence en Justice de glazen, +Force de montuur, Temperance de nagel, die alles bijeenhoudt. Raison +geeft den dichter dien bril met een gebruiksaanwijzing; door den hemel +gezonden komt Raison zijn geest binnen, en wil daar haar festijn +aanrichten, maar vindt er alles bedorven door Desespoir, zoodat er niets +is "pour disner bonnement."<a name='FNanchor_991_991'></a><a href='#Footnote_991_991'><sup>[991]</sup></a></p> + +<p>'t Schijnt alles ontaarding en verval. En toch is het de tijd, waarin +de nieuwe geest der Renaissance reeds blaast, waar hij wil. Waar is de +groote, jonge bezieling en de nieuwe, zuivere vorm?</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h2><a name='XIV'></a>XIV</h2> +<a name='533'></a> +<h3>HET KOMEN VAN DEN NIEUWEN VORM</h3> +<br /> + +<p>De verhouding van het opbloeiende Humanisme en den afstervenden geest +der Middeleeuwen is veel minder eenvoudig, dan wij geneigd zijn, ons +haar voor te stellen. Ons, die die beide cultuurcomplexen scherp +gescheiden zien, schijnt het, alsof de ontvankelijkheid voor de eeuwige +jeugd der Ouden en de verloochening van den ganschen versleten toestel +der middeleeuwsche gedachtenuitdrukking gekomen moet zijn als een +openbaring. Alsof de geesten, ten doode vermoeid van allegorie en +flamboyantisme, plotseling moeten hebben begrepen: neen, niet dit, maar +dat! Alsof de gouden harmonie van het klassieke hun opeens als een +redding voor oogen moet hebben gestraald, alsof zij de Oudheid hebben +moeten omhelsd met de vervoering van wie zijn heil heeft gevonden.</p> + +<p>Maar zoo is het niet. Midden in den tuin der middeleeuwsche gedachte, +tusschen de welige woekering van het oude gewas, is het klassicisme van +lieverlede opgegroeid. Eerst is het enkel een formeel fantazie-element. +Een groote nieuwe bezieling wordt het eerst laat, en de geest en de +uitdrukkingsvormen, die wij als de oude, middeleeuwsche plegen te +beschouwen, sterven ook dan nog niet af.</p> + +<p>Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier +geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Italië, maar +in het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den +heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk +<a name='534'></a>Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze +tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan begaat men +licht deze vergissing: men houdt de signatuur van het quattrocento: +de blijheid, de vrijheid, het serene en het sonore, voor die van den +nieuwen tijd, en zegt: daar waar het leven in dien toonaard klinkt, +daar is de Renaissance. Doch is het niet veeleer de signatuur van den +Italiaanschen geest, is zij niet reeds evenzeer aanwezig in het Italië +der dertiende eeuw? Men komt altijd weer terecht, of bij de absurde +consequentie, om de Renaissance steeds hoogerop in de Middeleeuwen +te verlengen, of bij de erkentenis, dat de Renaissance met haar +Italiaanschen verschijningsvorm volstrekt niet volledig is getypeerd, +en dat het begrip Renaissance slechts één aspect vertegenwoordigt van +de bonte cultuur der eindigende Middeleeuwen.</p> + +<p>Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de +nieuwe, klassicistische vormen op. Voor het aannemen van volkomen +ontwikkelde humanistische uitdrukkingsvormen is niet anders noodig, dan +dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigd op +zuiver latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks +1400 in Frankrijk; zij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten: +Jean de Monstreuil, kanunnik van Rijssel en koninklijk secretaris, +Nicolas de Clemanges, de beroemde woordvoerder der reform-gezinde +geestelijkheid, Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke +geheimschrijvers evenals de eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en +deftige humanistenbrieven, die voor de latere producten van het genre +in niets onderdoen: de holle algemeenheid van gedachte, het gewild +gewichtige,<a name='535'></a> de gewrongen zinsbouw en ondoorzichtige uitdrukking, en ook +het behagen aan geleerde beuzelingen. Jean de Monstreuil maakt zich druk +over de spelling van "orreolum" en "scedula", met of zonder h, over het +gebruik van de k in latijnsche woorden. "Als ge mij niet te hulp komt, +waarde leermeester en broeder,—schrijft hij aan Clemanges—,<a name='FNanchor_992_992'></a><a href='#Footnote_992_992'><sup>[992]</sup></a> +ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods schuldig. Daar heb ik +bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en vader, den +bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus "propior", +overhaast en slordig als de pen is, "proximior" heb gezet! Verbeter +het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken." +<a name='FNanchor_993_993'></a><a href='#Footnote_993_993'><sup>[993]</sup></a>—Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als +geleerde letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van +zijn vriend Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had, +en Ovidius boven Vergilius stelde.<a name='FNanchor_994_994'></a><a href='#Footnote_994_994'><sup>[994]</sup></a></p> + +<p>In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het +klooster Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar +middeleeuwschen trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens +veel leesbaarder wordt. Hoe de musschen meeëten in het reefter, zoodat +men zou twijfelen, of de koning de prebende voor de monniken of voor de +vogels heeft ingesteld, hoe een winterkoninkje doet, alsof het de abt +was, hoe de ezel van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook hèm in +zijn epistel niet te vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar +niet specifiek humanistisch.<a name='FNanchor_995_995'></a><a href='#Footnote_995_995'><sup>[995]</sup></a> +<a name='536'></a> Herinneren wij ons, dat Jean de +Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige +vereerders van den <i>Roman de la rose</i> leerden kennen, en als leden van +den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een +uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is +eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche +schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke +latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien +geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw.</p> + +<p>Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke +voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen, +die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote +internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil +en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de +Florentijnsche kanselier, die in het midden der veertiende eeuw de +nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staats-acten had ingevoerd, +wordt herhaaldelijk door hem genoemd.<a name='FNanchor_996_996'></a><a href='#Footnote_996_996'><sup>[996]</sup></a> Petrarca is evenwel, als men +het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen +geest. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde,<a name='FNanchor_997_997'></a><a href='#Footnote_997_997'><sup>[997]</sup></a> Machaut's +Peronne d'Armentières bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer +niet enkel door het voorbeeld van Heloïse, maar ook reeds door dat van +Laura bezeten is geweest, dan levert <i>Le Voir-Dit</i> een opmerkelijk +getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent +van de moderne gedachte zien,<a name='537'></a> toch weder een zuiver middeleeuwsche +schepping kon opleveren.</p> + +<p>Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Italië +zijn naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de "devotissimus, +catholicus ac celeberrimus philosophus moralis."<a name='FNanchor_998_998'></a><a href='#Footnote_998_998'><sup>[998]</sup></a> Ook als zoodanig +wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake +van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes, +de geestdrijver van Saint Lié,<a name='FNanchor_999_999'></a><a href='#Footnote_999_999'><sup>[999]</sup></a> ontleent voor een nieuw gebed, dat +hij samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij +roept diens gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van +ketterij.<a name='FNanchor_1000_1000'></a><a href='#Footnote_1000_1000'><sup>[1000]</sup></a> Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's <i>De Vita +solitaria</i> een klacht over om het verlies van het heilige graf; "maar +omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever +den zin dan den vorm van Franciscus' woorden aanhalen."<a name='FNanchor_1001_1001'></a><a href='#Footnote_1001_1001'><sup>[1001]</sup></a></p> + +<p>De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in +hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun +bewonderden Petrarca, dat buiten Italië geen redenaars en dichters te +zoeken waren,<a name='FNanchor_1002_1002'></a><a href='#Footnote_1002_1002'><sup>[1002]</sup></a> te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de +Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet.<a name='FNanchor_1003_1003'></a><a href='#Footnote_1003_1003'><sup>[1003]</sup></a></p> + +<p>Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften +vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, "le +docteur de patience en adversité".<a name='538'></a> Voor Chastellain<a name='FNanchor_1004_1004'></a><a href='#Footnote_1004_1004'><sup>[1004]</sup></a> is messire +Jehan Bocace een soort impresario der Fortuin geworden; <i>Le Temple de +Bocace</i> betitelt hij een zeer barok tractaat over allerlei tragisch +lotgeval van zijn tijd, waarin de geest van den "noble historien" wordt +aangeroepen, om troost in haar rampspoed te schenken aan Margareta van +Engeland.</p> + +<p>Terwijl de geleerde auteurs den klassiek Latijnschen briefstijl reeds +beheerschen met volkomen vaardigheid, vertoonen de wereldlijken, bij al +hun bewondering voor de Oudheid, somtijds nog een diepe onwetendheid. +Machaut (hoewel geestelijke geen geleerde en wereldsch als dichter) +verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier. +Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en +Pirithous. De dichter van <i>Le Pastoralet</i> spreekt van "le bon roy +Scypion d'Afrique", de schrijvers van <i>Le Jouvencel</i> leiden "pollitique" +af van[greek: <i>polyt</i>] en een gewaand Grieksch "icos, gardien, qui est +à dire gardien de pluralité."<a name='FNanchor_1005_1005'></a><a href='#Footnote_1005_1005'><sup>[1005]</sup></a></p> + +<p>Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en +toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen +herdersspel <i>Le Pastoralet</i> geeft in een beschrijving van den god +Silvanus en een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het +quattrocento, om dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen +van zijn oude pad.<a name='FNanchor_1006_1006'></a><a href='#Footnote_1006_1006'><sup>[1006]</sup></a> Evenals Jan van Eyck soms klassicistische +architectuurvormen aanbrengt op zijn zuiver middeleeuwsch geziene +tafereelen, zoeken de schrijvers,<a name='539'></a> louter formeel nog en ter versiering, +antieke trekken te verwerken. De kroniekschrijvers beproeven hun kracht +op staats- en krijgsredevoeringen, contiones, in Liviaanschen trant, of +vermelden wonderteekens, prodigia, omdat Livius het ook deed.<a name='FNanchor_1007_1007'></a><a href='#Footnote_1007_1007'><sup>[1007]</sup></a> +Daar waar de verwerking der klassieke vormen met den ouden geest het +onvolkomenst uitvalt, leeren wij het meest omtrent de wording der +Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean Germain, beproeft het +vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in den dringenden, +gemarkeerden stijl der Romeinen; het valt uit als een middeleeuwsch +kalenderblad.<a name='FNanchor_1008_1008'></a><a href='#Footnote_1008_1008'><sup>[1008]</sup></a> Het gezicht op de Oudheid is nog buitengewoon +bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy komt de +jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van zijn +vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad "à l'antique", dat wil zeggen, +hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij een +der negen "preux" voorstelt,<a name='FNanchor_1009_1009'></a><a href='#Footnote_1009_1009'><sup>[1009]</sup></a> en zijn eigen zegepraal viert. Zoo +vermomd bidt hij een kwartier lang.<a name='FNanchor_1010_1010'></a><a href='#Footnote_1010_1010'><sup>[1010]</sup></a></p> + +<p>Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt +door de begrippen "rhétorique, orateur, poésie". Zij zien de +benijdenswaardige volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden +vorm. Al deze dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als +zij hun hart laten spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een +vloeiend, eenvoudig, vaak pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens +heel mooi moet, brengen zij er mythologie aan te pas,<a name='540'></a> en precieuze +latiniseerende termen, en vinden zich "rhétoricien". Christine de Pisan +onderscheidt een mythologisch gedicht uitdrukkelijk van haar gewone werk +als "balade pouétique".<a name='FNanchor_1011_1011'></a><a href='#Footnote_1011_1011'><sup>[1011]</sup></a> Wanneer Eustache Deschamps aan zijn +kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn werken toezendt, vervalt hij in +de meest ongenietbare quasi-klassieke poespas.</p> + +<div class='poem'> "O Socrates plains de philosophie, +<span>Seneque en meurs et Anglux en pratique,<br /></span> +<span>Ovides grans en ta poeterie,<br /></span> +<span>Bries en parler, saiges en rethorique<br /></span> +<span>Aigles tres haulz, qui par ta théorique<br /></span> +<span>Enlumines le regne d'Eneas,<br /></span> +<span>L'Isle aux Geans, ceuls de Bruth, et qui as<br /></span> +<span>Semé les fleurs et planté le rosier,<br /></span> +<span>Aux ignorans de la langue pandras,<br /></span> +<span>Grant translateur, noble Geffroy Chaucier!<br /></span> +<span>............................................................<br /></span> +<span>A toy pour ce de la fontaine Helye<br /></span> +<span>Requier avoir un buvraige autentique,<br /></span> +<span>Dont la doys est du tout en ta baillie,<br /></span> +<span>Pour rafrener d'elle ma soif ethique,<br /></span> +<span>Qui en Gaule seray paralitique<br /></span> +<span>Jusques a ce que tu m'abuveras."<a name='FNanchor_1012_1012'></a><a href='#Footnote_1012_1012'><sup>[1012]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke +latiniseering van het edele Fransch, welke den spot van Villon en van +Rabelais zou treffen.<a name='FNanchor_1013_1013'></a><a href='#Footnote_1013_1013'><sup>[1013]</sup></a> Het is steeds weer in de dichterlijke +correspondentie, in de opdrachten en oraties, met andere woorden, als +het bijzonder mooi moet, dat men dien trant aantreft.<a name='541'></a> Dan spreekt +Chastellain van "vostre très-humble et obéissante serve et ancelle, la +ville de Gand", "la viscérale intime douleur et tribulation", La Marche +van "nostre francigène locution et langue vernacule", Molinet van +"abreuvé de la doulce et melliflue liqueur procedant de la fontaine +caballine", "ce vertueux duc scipionique", "gens de mulièbre courage". +<a name='FNanchor_1014_1014'></a><a href='#Footnote_1014_1014'><sup>[1014]</sup></a></p> + +<p>Deze idealen van verfijnde "rhétorique" zijn geen idealen van zuivere +litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van +hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is evenzeer als de +poëzie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm +van conversatie, een streven naar een hoogeren levensvorm. Zelfs de +geleerden correspondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat +element geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich +middenevenredig tusschen Italië en de Nederlanden. In Italië, waar taal +en gedachte het minst verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid, +konden de humanistische vormen ongedwongen worden opgenomen in de +natuurlijke ontplooiing van het hoogere volksleven. De Italiaansche taal +werd door eenige meerdere latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld +aangedaan. De humanistische clubgeest sloot er zeer wel aan bij de +zeden der samenleving. De Italiaansche humanist vertegenwoordigde den +geleidelijken uitgroei der Italiaansche volksbeschaving, en daarmee +het eerste type van den modernen mensch. In de Bourgondische landen +daarentegen was de geest en de vorm der samenleving nog zoo +middeleeuwsch,<a name='542'></a> dat het streven naar een vernieuwde en gezuiverde +uitdrukking er zich aanvankelijk slechts belichamen kon in volkomen +ouderwetschen vorm: de rederijkerskamers. Als genootschappen zijn zij +enkel een voortzetting van de middeleeuwsche broederschap, en de geest, +die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het zeer uiterlijk formeele +vernieuwd. Eerst het bijbelsch Humanisme van Erasmus inaugureert er de +moderne beschaving.</p> + +<p>Frankrijk kent niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers, +maar zijn "nobles rhétoriciens" gelijken ook nog niet op Italiaansche +humanisten. Ook zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en +vormen. Ten opzichte der Fransche letterkunde der vijftiende eeuw kan +men zonder overdrijving zeggen, dat die schrijvers en dichters, die +zich het meest vrij houden van klassicisme, nader staan tot de moderne +ontwikkeling der litteratuur dan zij, die de idealen van latiniteit en +oratorie huldigen. De modernen, dat zijn er de onbevangenen van geest, +zelfs als zij dien nog kleeden in den middeleeuwschen vorm: Villon, +Coquillart, Henri Baude, ook Charles d'Orléans en de dichter van +<i>L'amant rendu cordelier</i>. Juist het klassicistische streven doet zich +hier, althans wat dicht en proza betreft, als den remmenden invloed +gelden. De pompeuze woordvoerders van het zwaar gedrapeerde +Bourgondische ideaal: Chastellain, La Marche, Molinet, dat zijn de +ouderwetsche geesten der Fransche litteratuur. Zoodra ook zij zich nu +en dan losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en dichten of +schrijven, wat hun ter harte gaat, eenvoudigweg, worden zij leesbaar, +en doen zij tegelijk moderner aan.</p> + +<p>Een dichter van den tweeden rang, Jean Robertet (1420-1490), secretaris +van drie hertogen van Bourbon <a name='543'></a>en drie Fransche koningen, zag in Georges +Chastellain, den Vlaming-Bourgondiër, het puik der edele dichtkunst. Uit +die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het +zooeven beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te +komen, bedient Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant, +die als gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van +Bourgondië opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven voor +Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een +hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze +niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging, +vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude +recept: "les Douze Dames de Rhétorique" waren hem verschenen, genaamd +Science, Eloquence, Gravité de Sens, Profondité enz. Voor die verlokking +bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rhétorique groepeeren +zich nu de brieven van het drietal;<a name='FNanchor_1015_1015'></a><a href='#Footnote_1015_1015'><sup>[1015]</sup></a> het duurde overigens niet +lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling +af.</p> + +<p>Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. "J'ay +esté en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la +brumale froidure", aldus een verkoudheid.<a name='FNanchor_1016_1016'></a><a href='#Footnote_1016_1016'><sup>[1016]</sup></a> Even zot zijn de +hyperbolische termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk +zijn dichterlijken brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen +poëzie inderdaad) beet heeft, schrijft hij aan Montferrant:</p> +<a name='544'></a> +<div class='poem'> "Frappé en l'oeil d'une clarté terrible +<span>Attaint au coeur d'éloquence incrédible,<br /></span> +<span>A humain sens difficile à produire,<br /></span> +<span>Tout offusquié de lumière incendible<br /></span> +<span>Outre perçant de ray presqu'impossible<br /></span> +<span>Sur obscur corps qui jamais ne peut luire,<br /></span> +<span>Ravi, abstrait me trouve en mon déduire,<br /></span> +<span>En extase corps gisant à la terre,<br /></span> +<span>Foible esperit perplex à voye enquerre<br /></span> +<span>Pour trouver lieu et oportune yssue<br /></span> +<span>Du pas estroit où je suis mis en serre,<br /></span> +<span>Pris à la rets qu'amour vraye a tissue."<br /></span> +</div> + +<p>En in proza voortgaande: "Où est l'oeil capable de tel objet visible, +l'oreille pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?" Wat zegt +Montferrant, "amy des dieux immortels et chéri des hommes, haut pis +Ulixien, plein de melliflue faconde" er wel van? "N'est-ce resplendeur +équale au curre Phoebus?" Is het niet meer dan Orpheus' lier, "la tube +d'Amphion, la Mercuriale fleute qui endormyt Argus?" enz. enz.<a name='FNanchor_1017_1017'></a><a href='#Footnote_1017_1017'><sup>[1017]</sup></a></p> + +<p>Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe +schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche +voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten +huldigen nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn Mémoires zal +kunnen gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn +arbeid met het herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle "orateurs", +om zijn werk te besnoeien van het overbodige. Zelfs Commines hoopt, dat +de aartsbisschop van Vienne, wien hij zijn werk zendt, het misschien zal +kunnen opnemen in een Latijnsch geschrift.<a name='FNanchor_1018_1018'></a><a href='#Footnote_1018_1018'><sup>[1018]</sup></a></p> +<a name='545'></a> +<p>In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en +Montferrant ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts +opgeplakt op een echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet +is in Italië geweest, "en Ytalie, sur qui les respections du ciel +influent aorné parler, et vers qui tyrent toutes douceurs élémentaires +pour là fondre harmonie."<a name='FNanchor_1019_1019'></a><a href='#Footnote_1019_1019'><sup>[1019]</sup></a> Maar van die harmonie van het +quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee thuisgebracht. De +voortreffelijkheid van Italië bestond voor deze geesten louter in het +"aorné parler", in de uiterlijke cultiveering van een kunstvaardigen +stijl.</p> + +<p>Het eenige, wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even +twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde +ontboezemingen soms even onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de Dames +de Rhétorique tot Montferrant,<a name='FNanchor_1020_1020'></a><a href='#Footnote_1020_1020'><sup>[1020]</sup></a>—"il est exemple de Tullian art, +et forme de subtilité Térencienne ... qui succié a de nos seins notre +plus intériore substance par faveur; qui, outre la grâce donnée en +propre terroir, se est allé rendre en pays gourmant pour réfection +nouvelle (d.i. Italië), là où enfans parlent en aubes à leurs mères, +frians d'escole en doctrine sur permission de eage". Chastellain zegt de +correspondentie op, omdat het hem te machtig wordt: de poort heeft lang +genoeg wijd opengestaan voor "Dame Vanité"; hij gaat haar grendelen. +"Robertet m'a surfondu de sa nuée, et dont les perles, qui en celle se +congréént comme grésil, me font resplendir mes vestements; mais qu'en +est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma robe deçoit les voyans?" +<a name='546'></a>Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven ongelezen in het vuur +gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder vrienden hoort, dan zal +George's genegenheid hem niet begeven.</p> + +<p>Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist, +komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het latijn +bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest +der Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde +nabootsen zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als +Robert Gaguin (1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds +bijna even modern aan als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid +te danken had, doordat Gaguin achter zijn Compendium der Fransche +geschiedenis, het eerste wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk +(1495), een brief van Erasmus opnam, die zich daardoor voor het eerst +gedrukt zag.<a name='FNanchor_1021_1021'></a><a href='#Footnote_1021_1021'><sup>[1021]</sup></a> Al kende Gaguin nog even slecht Grieksch als +Petrarca,<a name='FNanchor_1022_1022'></a><a href='#Footnote_1022_1022'><sup>[1022]</sup></a> een echte humanist is hij er niet minder om. Tegelijk +evenwel zien wij ook in hem den ouden geest voortleven. Hij wijdt zijn +Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude middeleeuwsche thema's, +zooals de diatribe tegen het huwelijk<a name='FNanchor_1023_1023'></a><a href='#Footnote_1023_1023'><sup>[1023]</sup></a> of de misprijzing van het +hofleven, door Alain Chartier's <i>Curial</i> in het latijn terug te +vertalen, of de maatschappelijke waarde der standen, in den +veelgebruikten vorm van een twistgesprek, <i>le Debat du Laboureur, du +Prestre et du Gendarme</i>. In zijn Fransche gedichten doet juist Gaguin, +die den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische +fraaiigheden in het geheel niet mee;<a name='547'></a> geen gelatiniseerde vormen, geen +hyperbolische wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij +geheel aan de zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de +natuurlijkheid en daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm +is nog niet veel meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed, +maar hij beweegt zich toch vrijer zonder dien tabbert. Bij den Franschen +geest der vijftiende eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op.</p> + +<p>Men is veelal gewend, om als een doorslaand criterium van de intrede der +Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken. +Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire +paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance. +Wanneer de humanisten God "princeps superum" en Maria "genitrix +tonantis" noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke +transponeeren van de personen van het christelijk geloof in benamingen +der heidensche mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of +niets voor den inhoud van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der +twaalfde eeuw rijmt in zijn geestige biecht onbeschroomd:</p> + +<div class='poem'> "Vita vetus displicet, mores placent novi; +<span>Homo videt faciem, sed cor patet lovi."<br /></span> +</div> + +<p>Wanneer Deschamps van "Jupiter venu de Paradis" spreekt,<a name='FNanchor_1024_1024'></a><a href='#Footnote_1024_1024'><sup>[1024]</sup></a> bedoelt +hij geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de +roerende ballade, die hij voor zijn moeder maakte,<a name='548'></a> om tot Onze Lieve +Vrouw te bidden, haar "haulte Deesse" noemt.<a name='FNanchor_1025_1025'></a><a href='#Footnote_1025_1025'><sup>[1025]</sup></a></p> + +<p>Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon +men argeloos goden laten optreden. In <i>Le Pastoralet</i> heet het +Celestijnen-klooster te Parijs "temple au hault bois pour les diex +prier."<a name='FNanchor_1026_1026'></a><a href='#Footnote_1026_1026'><sup>[1026]</sup></a> Van zulk een onschuldig paganisme werd niemand de dupe. +En ten overvloede verklaart de dichter: "Se pour estrangier ma Muse je +parle des diex des païens, sy sont les pastours crestiens et moy." +<a name='FNanchor_1027_1027'></a><a href='#Footnote_1027_1027'><sup>[1027]</sup></a> Evenzoo schuift Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en +Minerva laat optreden, de verantwoordelijkheid op "Raison et Entendement", +die hem zeiden: "Tu le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et +déesses, mais pour ce que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi +qu'il lui plaist, et souventes fois par divers inspirations."<a name='FNanchor_1028_1028'></a><a href='#Footnote_1028_1028'><sup>[1028]</sup></a></p> + +<p>Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt +niet ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor +het doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van +waardeering van het heidensch geloof, met name het heidensche offer, als +zoodanig aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun +gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain +deed.</p> + +<div class='poem'> "Des dieux jadis les nations gentiles +<span>Quirent l'amour par humbles sacrifices,<br /></span> +<span>Lesquels, posé que ne fussent utiles,<br /></span> +<span>Furent nientmoins rendables et fertiles<br /></span> +</div><p></p> +<a name='549'></a> +<div class='poem'> De maint grant fruit et de haulx bénéfices, +<span>Monstrans par fait que d'amour les offices<br /></span> +<span>Et d'honneur humble, impartis où qu'ils soient<br /></span> +<span>Pour percer ciel et enfer suffisoient."<a name='FNanchor_1029_1029'></a><a href='#Footnote_1029_1029'><sup>[1029]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der +Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe +de Ternant, zonder naar de gewoonte een "bannerole de devocion" te +dragen, een lint met een vrome spreuk of figuur. "Laquelle chose je ne +prise point", zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener +is het devies, dat Ternant draagt: "Je souhaite que avoir puisse de mes +desirs assouvissance et jamais aultre bien n'eusse."<a name='FNanchor_1030_1030'></a><a href='#Footnote_1030_1030'><sup>[1030]</sup></a> Het kon de +lijfspreuk zijn van den vrijdenkendsten virtuoso der zestiende eeuw.</p> + +<p>Niet uit de klassieke litteratuur behoefden de geesten dit werkelijke +paganisme te putten. Zij konden het leeren uit hun eigen middeleeuwschen +schat, uit den <i>Roman de la rose</i>. In de erotische cultuurvormen, daar +lag het ware heidendom. Daar hadden van eeuwen her Venus en de Liefdegod +een schuilhoek gehad, waar zij iets meer dan een louter rhetorische +vereering vonden. Jean de Meun, dat was de groote heiden geweest. Niet +zijn vermenging van godennamen der Oudheid met die van Jezus en Maria, +maar zijn vermenging van de stoutste aanprijzing van aardschen wellust +met christelijke zaligheidsvoorstellingen was voor tallooze lezers sinds +de dertiende eeuw de school van het paganisme geweest. Er was geen +grooter blasphemie mogelijk dan de verzen, waarin hij het woord van +Genesis: toen berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde +gemaakt had,<a name='550'></a> met omgekeerden zin in den mond legde van Nature, die bij +hem volkomen als demiurg optreedt:</p> + +<div class='poem'> "Si m'aïst Diex li crucefis, +<span>Moult me repens dont homme fis."<a name='FNanchor_1031_1031'></a><a href='#Footnote_1031_1031'><sup>[1031]</sup></a><br /></span> +</div> + +<p>Het blijft verwonderlijk, dat de Kerk, die tegen kleine dogmatische +afwijkingen van strikt bespiegelenden aard zoo angstvallig waakte en zoo +heftig optrad, de leeringen van dit brevier der aristocratie ongehinderd +in de geesten heeft laten voortwoekeren.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>De nieuwe vorm en de nieuwe geest dekken elkander niet. Zoogoed als de +gedachten van den komenden tijd uiting vonden in middeleeuwsch gewaad, +zoo goed zijn de meest middeleeuwsche gedachten gezegd in sapphische +metra, met een heelen stoet van mythologische figuren. Klassicisme en +Renaissance zijn twee geheel verschillende dingen. Het litteraire +klassicisme is een oud geboren kind. De Oudheid is voor de vernieuwing +van de litteratuur nauwelijks meer geweest dan de pijlen van Philoktetes. +Niet wat de beeldende kunst, en niet wat het wetenschappelijk denken +aangaat: daar is de antieke zuiverheid van verbeelding en uitdrukking +veel meer geweest dan een dorre staf. Het overwinnen van het overdadige, +van het overdrevene, van het verdraaide, van de grimas en de flamboyante +krul, het is alles het werk der Oudheid geweest. Maar in het litteraire +is de eenvoud en de zuiverheid opgegroeid buiten, ja ondanks het +klassicisme.</p> +<a name='551'></a> +<p>De enkelen, die in het Frankrijk der vijftiende eeuw humanistische +vormen aannemen, luiden nog geen Renaissance in. Want hun stemming, hun +oriënteering is nog middeleeuwsch. De Renaissance komt eerst, wanneer de +<i>levenstoon</i> verandert, wanneer het getij van doodelijke levensverzaking +kentert, en er een bolle frissche wind gaat blazen; wanneer het blijde +besef rijpt, dat men al de heerlijkheid der oude menschheid, waaraan men +zich al zoo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen.</p> + + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<h3>NOTEN</h3> + + +<a name='Footnote_1_1'></a><a href='#FNanchor_1_1'>[1]</a><div class='note'><p> <a name='Oeuvres'></a>Oeuvres de Georges Chastellain, ed. Kervyn de Lettenhove, 8 vol., +Bruxelles 1863-'66, III p. 44.</p></div> + +<a name='Footnote_2_2'></a><a href='#FNanchor_2_2'>[2]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 267; Mémoires d'Olivier de la <a name='Marche'></a>Marche, ed. Beaune +et d'Arbaumont, (Soc. de l'hist. de France), 1883-'88, 4 vol., II p. 248.</p></div> + +<a name='Footnote_3_3'></a><a href='#FNanchor_3_3'>[3]</a><div class='note'><p> <a name='Journal'></a>Journal d'un bourgeois de Paris, ed. A. Tuetey, (Publ. de la Soc. de +l'histoire de Paris, Doc. no. III) 1881, p. 5, 56.</p></div> + +<a name='Footnote_4_4'></a><a href='#FNanchor_4_4'>[4]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 20-24. Vgl. Journal de Jean de Roye, dite +<a name='Chronique'></a>Chronique scandaleuse, ed. B. de Mandrot (Soc. de l'hist. de France) +1894-'96, 2 vol., I p. 330.</p></div> + +<a name='Footnote_5_5'></a><a href='#FNanchor_5_5'>[5]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 461, vgl. V p. 403.</p></div> + +<a name='Footnote_6_6'></a><a href='#FNanchor_6_6'>[6]</a><div class='note'><p> Jean <a name='Juvenal'></a>Juvenal des Ursins, 1412, ed. Michaud et Poujoulat, Nouvelle +collect. des mémoires, II p. 474.</p></div> + +<a name='Footnote_7_7'></a><a href='#FNanchor_7_7'>[7]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 6; 70; Jean Molinet, Chronique, ed. +Buchon, Coll. de chron. nat., 1827/28, 5 vol, II p. 23; Lettres de <a name='Louis'></a>Louis +XI, ed. Vaesen, Charavay, de Mandrot, (Soc. de l'hist. de France) +1883-1909, 11 vol., 20 Apr. 1477, VI p. 158; Chronique scandaleuse, II +p. 47, id. Interpolations, II p. 364.</p></div> + +<a name='Footnote_8_8'></a><a href='#FNanchor_8_8'>[8]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 234/7.</p></div> + +<a name='Footnote_9_9'></a><a href='#FNanchor_9_9'>[9]</a><div class='note'><p> Chron. scand., II p. 70, 72.</p></div> + +<a name='Footnote_10_10'></a><a href='#FNanchor_10_10'>[10]</a><div class='note'><p> <a name='Vita'></a>Vita auct. Petro Ranzano O.P. (1455), Acta sanctorum Apr. t. 1 +p. 494 sq.</p></div> + +<a name='Footnote_11_11'></a><a href='#FNanchor_11_11'>[11]</a><div class='note'><p>Enguerrand de <a name='Monstrelet'></a>Monstrelet, Chroniques, ed. Douët d'Arcq (Soc. de l'hist. de France) 1857-'62, 6 vol., IV p. 302-306.</p></div> + +<a name='Footnote_12_12'></a><a href='#FNanchor_12_12'>[12]</a><div class='note'><p> Wadding, Annales Minorum, X p. 72; K. <a name='Hefele'></a>Hefele, Der h. Bernhardin von +Siena und die franziskanische Wanderpredigt in Italien, Freiburg, 1912, +S. 47, 80.</p></div> + +<a name='Footnote_13_13'></a><a href='#FNanchor_13_13'>[13]</a><div class='note'><p> Chron. scand., I p. 22, 1461; <a name='Jean'></a>Jean Chartier, Hist. de Charles VII, +ed. D. Godefroy, 1661, p. 320.</p></div> + +<a name='Footnote_14_14'></a><a href='#FNanchor_14_14'>[14]</a><div class='note'><p> Chastellain, III pp. 36, 98, 124, 125, 210, 238, 239, 247, 474; +<a name='Jacques'></a>Jacques du Clercq, Mémoires (1448-1467), ed. de Reiffenberg, Bruxelles, 1823, +4 vol., IV. p. 40, II p. 280, 355, III p. 100; Juvenal des Ursins, p. 405, +407, 420; Molinet, III p. 36, 314.</p></div> + +<a name='Footnote_15_15'></a><a href='#FNanchor_15_15'>[15]</a><div class='note'><p> Jean <a name='Germain'></a>Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, ed. +Kervyn de Lettenhove, Chron. rel. à l'hist. de la Belg. sous la dom. des +ducs de Bourg. (Coll. des chron. belges) 1876, II, p. 50.</p></div> + +<a name='Footnote_16_16'></a><a href='#FNanchor_16_16'>[16]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 61.</p></div> + +<a name='Footnote_17_17'></a><a href='#FNanchor_17_17'>[17]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 333 s.</p></div> + +<a name='Footnote_18_18'></a><a href='#FNanchor_18_18'>[18]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 92.</p></div> + +<a name='Footnote_19_19'></a><a href='#FNanchor_19_19'>[19]</a><div class='note'><p> Jean <a name='Froissart'></a>Froissart, Chroniques, ed. S. Luce et G. Raynaud (Soc. de +l'hist. de France) 1869-1899,11 vol. (niet verder dan 1385), IV, p. 89-93.</p></div> + +<a name='Footnote_20_20'></a><a href='#FNanchor_20_20'>[20]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 85 ss.</p></div> + +<a name='Footnote_21_21'></a><a href='#FNanchor_21_21'>[21]</a><div class='note'><p> Ib. III p. 279.</p></div> + +<a name='Footnote_22_22'></a><a href='#FNanchor_22_22'>[22]</a><div class='note'><p> La Marche. II p. 421.</p></div> + +<a name='Footnote_23_23'></a><a href='#FNanchor_23_23'>[23]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 379.</p></div> + +<a name='Footnote_24_24'></a><a href='#FNanchor_24_24'>[24]</a><div class='note'><p> <a name='Martin'></a>Martin Le Franc, Le Champion des dames, bij G. Doutrepont, La +littérature française à la cour des ducs de Bourgogne (Bibl. du XV<sup>e</sup> +siècle t. VIII) Paris, Champion. 1909, p. 304.</p></div> + +<a name='Footnote_25_25'></a><a href='#FNanchor_25_25'>[25]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum Apr. t. 1 p. 496; A. <a name='Renaudet'></a>Renaudet, Préréforme et +humanisme à Paris 1494-1517, Paris, Champion, 1916, p. 163.</p></div> + +<a name='Footnote_26_26'></a><a href='#FNanchor_26_26'>[26]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 300 s., VII p. 75; vgl. <a name='Thomas'></a>Thomas Basin, De rebus +gestis Caroli VII et Lud. XI historiarum libri XII, ed. Quicherat, (Soc. +de l'hist. de France) 1855-1859, 4 vol, I p. 158.</p></div> + +<a name='Footnote_27_27'></a><a href='#FNanchor_27_27'>[27]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 219.</p></div> + +<a name='Footnote_28_28'></a><a href='#FNanchor_28_28'>[28]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 30.</p></div> + +<a name='Footnote_29_29'></a><a href='#FNanchor_29_29'>[29]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 89.</p></div> + +<a name='Footnote_30_30'></a><a href='#FNanchor_30_30'>[30]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 82, 79; Monstrelet, III p. 361.</p></div> + +<a name='Footnote_31_31'></a><a href='#FNanchor_31_31'>[31]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 201.</p></div> + +<a name='Footnote_32_32'></a><a href='#FNanchor_32_32'>[32]</a><div class='note'><p> Het tractaat o.a. bij La Marche, I p. 207.</p></div> + +<a name='Footnote_33_33'></a><a href='#FNanchor_33_33'>[33]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 196.</p></div> + +<a name='Footnote_34_34'></a><a href='#FNanchor_34_34'>[34]</a><div class='note'><p> Basin, III p. 74.</p></div> + +<a name='Footnote_35_35'></a><a href='#FNanchor_35_35'>[35]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 201. Vergelijk mijn studie Uit de +voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 1912, I.</p></div> + +<a name='Footnote_36_36'></a><a href='#FNanchor_36_36'>[36]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 242; vgl. Monstrelet, IV p. 341.</p></div> + +<a name='Footnote_37_37'></a><a href='#FNanchor_37_37'>[37]</a><div class='note'><p> <a name='Jan'></a>Jan van Dixmude, ed. Lambin, Ypres 1839, p. 283.</p></div> + +<a name='Footnote_38_38'></a><a href='#FNanchor_38_38'>[38]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, XI p. 52.</p></div> + +<a name='Footnote_39_39'></a><a href='#FNanchor_39_39'>[39]</a><div class='note'><p> Mémoires de Pierre le Fruictier dit <a name='Salmon'></a>Salmon, Buchon, 3<sup>e </sup>suppl. de +Froissart. XV p. 22.</p></div> + +<a name='Footnote_40_40'></a><a href='#FNanchor_40_40'>[40]</a><div class='note'><p> Chronique du <a name='Religieux'></a>Religieux de Saint Denis, ed. Bellaguet (Coll. des +documents inédits) 1839-'52. 6 vol., I p. 34; Juvenal des Ursins, +p. 342, 467-471; Journal d'un bourgeois, p. 12, 31, 44.</p></div> + +<a name='Footnote_41_41'></a><a href='#FNanchor_41_41'>[41]</a><div class='note'><p> Molinet, III p. 487.</p></div> + +<a name='Footnote_42_42'></a><a href='#FNanchor_42_42'>[42]</a><div class='note'><p> Molinet, III p. 226, 241, 283-7; La Marche, III p. 289, 302.</p></div> + +<a name='Footnote_43_43'></a><a href='#FNanchor_43_43'>[43]</a><div class='note'><p> Clementis V constitutiones, lib. V. tit. 9, c. I; Joannis <a name='Gersonii'></a>Gersonii +Opera omnia, ed. L. Ellies Dupin, ed. II Hagae Comitis 1728, 5 vol., II +p. 427; Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 122; N. <a name='Jorga'></a>Jorga, +Philippe de Mézières et la croisade au XIV<sup>e</sup> siècle (Bibl. de l'école des +hautes études, fasc. 110) 1896, p. 438: Religieux de S. Denis, II p. 533.</p></div> + +<a name='Footnote_44_44'></a><a href='#FNanchor_44_44'>[44]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 223, 229.</p></div> + +<a name='Footnote_45_45'></a><a href='#FNanchor_45_45'>[45]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq, IV p. 265. <a name='Petit'></a>Petit-Dutaillis, Documents nouveaux +sur les moeurs populaires et le droit de vengeance dans les Pays-Bas au +XV<sup>e</sup> siècle. (Bibl. du XV<sup>e</sup> siècle) Paris, Champion 1908, p. 7, 21.</p></div> + +<a name='Footnote_46_46'></a><a href='#FNanchor_46_46'>[46]</a><div class='note'><p> Pierre de <a name='Fenin'></a>Fenin (Petitot, Coll. de mém. VII) p. 593; vgl. zijn +verhaal van den doodgeslagen nar, p. 619.</p></div> + +<a name='Footnote_47_47'></a><a href='#FNanchor_47_47'>[47]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 204.</p></div> + +<a name='Footnote_48_48'></a><a href='#FNanchor_48_48'>[48]</a><div class='note'><p> Jean Lefèvre de Saint <a name='Remy'></a>Remy, Chronique, ed. F. Morand (Soc. de +l'hist. de France) 1876, 2 vol, II p. 168; <a name='Laborde'></a>Laborde, Les ducs de +Bourgogne. Etudes sur les lettres, les arts et l'industrie pendant le +XV<sup>e</sup> siècle. Paris, 1849-'53, 3 vol, II p. 208.</p></div> + +<a name='Footnote_49_49'></a><a href='#FNanchor_49_49'>[49]</a><div class='note'><p> La Marche, III p. 135; Laborde. II p. 325.</p></div> + +<a name='Footnote_50_50'></a><a href='#FNanchor_50_50'>[50]</a><div class='note'><p> Laborde, III p. 355, 398. Le Moyen-âge, XX 1907 p. 193-201.</p></div> + +<a name='Footnote_51_51'></a><a href='#FNanchor_51_51'>[51]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 438, 1405; vgl. echter Rel. de S. Denis, III +p. 349.</p></div> + +<a name='Footnote_52_52'></a><a href='#FNanchor_52_52'>[52]</a><div class='note'><p> Piaget, Romania XX p. 417 en XXXI 1902 p. 597-603.</p></div> + +<a name='Footnote_53_53'></a><a href='#FNanchor_53_53'>[53]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 95.</p></div> + +<a name='Footnote_54_54'></a><a href='#FNanchor_54_54'>[54]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq, III p. 262.</p></div> + +<a name='Footnote_55_55'></a><a href='#FNanchor_55_55'>[55]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq passim; Petit Dutaillis, Documents etc. p. 131.</p></div> + +<a name='Footnote_56_56'></a><a href='#FNanchor_56_56'>[56]</a><div class='note'><p> Hugo van St. Victor, De fructibus carnis et spiritus, Migne CLXXVI +p. 997.</p></div> + +<a name='Footnote_57_57'></a><a href='#FNanchor_57_57'>[57]</a><div class='note'><p> Tobias 4, 14.</p></div> + +<a name='Footnote_58_58'></a><a href='#FNanchor_58_58'>[58]</a><div class='note'><p> I Timotheus 6, 10.</p></div> + +<a name='Footnote_59_59'></a><a href='#FNanchor_59_59'>[59]</a><div class='note'><p> Petrus Damiani, Epist. lib. I, 15, Migne CXLIV p. 234, id. Contra +philargyriam ib. CXLV p. 533; Pseudo-Bernardus, Liber de modo bene +vivendi § 44, 45, Migne CLXXXIV p. 1266.</p></div> + +<a name='Footnote_60_60'></a><a href='#FNanchor_60_60'>[60]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 325, 343, 357 en de gegevens uit de +registers van het Parlement aldaar in de noot.</p></div> + +<a name='Footnote_61_61'></a><a href='#FNanchor_61_61'>[61]</a><div class='note'><p> L. Mirot, Les d'Orgemont, leur origine, leur fortune, etc. (Bibl. +du XV<sup>e</sup> siècle) Paris, Champion 1913; P. Champion, François Villon, sa +vie et son temps, id. Paris, Champion 1913, II p. 230s.</p></div> + +<a name='Footnote_62_62'></a><a href='#FNanchor_62_62'>[62]</a><div class='note'><p> <a name='Mathieu'></a>Mathieu d'Escouchy, Chronique, ed. G. du Fresne de Beaucourt (Soc. +de l'hist. de France) 1863-'64, 3 vol., I p. IV-XXIII.</p></div> + +<a name='Footnote_63_63'></a><a href='#FNanchor_63_63'>[63]</a><div class='note'><p> P. Champion, François <a name='Villon'></a>Villon, sa vie et son temps (Bibl. du XV<sup>e</sup> +siècle) Paris, 1913, 2 vol.</p></div> + +<a name='Footnote_64_64'></a><a href='#FNanchor_64_64'>[64]</a><div class='note'><p> <a name='Poliziano'></a>Poliziano, Le stanze, l'Orfeo e le rime, ed. G. Carducci, Firenze, +1863, p. 362.</p></div> + +<a name='Footnote_65_65'></a><a href='#FNanchor_65_65'>[65]</a><div class='note'><p> Eustache <a name='Deschamps'></a>Deschamps, Oeuvres complètes, ed. De Queux de Saint +Hilaire et G. Raynaud (Soc. des anciens textes francais) 1878-1903, 11 +vol., no. 31 (I p. 113), vgl. nos. 85, 126, 152, 162, 176, 248, 366, +375, 386, 400, 933, 936, 1195, 1196, 1207, 1213, 1239, 1240 enz. enz.; +Chastellain, I p. 9, 27, IV 5, 56, VI 206, 208, 219, 295; Alain +<a name='Chartier'></a>Chartier, Oeuvres, ed. A. Duchesne, Paris 1617, p. 262; <a name='Alanus'></a>Alanus de Rupe, +Sermo II p. 313, (B. Alanus redivivus, ed. J.A. Coppenstein, Napels, +1642).</p></div> + +<a name='Footnote_66_66'></a><a href='#FNanchor_66_66'>[66]</a><div class='note'><p> Deschamps no. 562 (IV p. 18).</p></div> + +<a name='Footnote_67_67'></a><a href='#FNanchor_67_67'>[67]</a><div class='note'><p> A. de la <a name='Borderie'></a>Borderie, Jean <a name='Meschinot'></a>Meschinot, sa vie et ses oeuvres, Bibl. de +l'Ecole des chartes LVI 1895, pp. 277, 280, 305, 310, 312, 622, etc.</p></div> + +<a name='Footnote_68_68'></a><a href='#FNanchor_68_68'>[68]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 10, Prologue, vgl. Complainte de fortune, VIII +p. 334.</p></div> + +<a name='Footnote_69_69'></a><a href='#FNanchor_69_69'>[69]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 186, IV p. LXXXIX; H. Stein, Etude sur Olivier de +la Marche, historien, poète et diplomate, (Mém. couronnés etc. de +l'Acad. royale de Belg. t. XLIX) Bruxelles 1888, frontispice.</p></div> + +<a name='Footnote_70_70'></a><a href='#FNanchor_70_70'>[70]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 430.</p></div> + +<a name='Footnote_71_71'></a><a href='#FNanchor_71_71'>[71]</a><div class='note'><p> Froissart ed. Luce, X. p. 275; Deschamps no. 810 (IV p. 327); vgl. +Les <a name='Quinze'></a>Quinze joyes de mariage, (Paris, Marpon et Flammarion) p. 64 (quinte +joye); Le livre messire Geoffroi de Charny, Romania XXVI 1897, p. 399.</p></div> + +<a name='Footnote_72_72'></a><a href='#FNanchor_72_72'>[72]</a><div class='note'><p> Joannis de Varennis responsiones ad capitula accusationum etc. § 17, +bij Gerson, Opera, I p. 920.</p></div> + +<a name='Footnote_73_73'></a><a href='#FNanchor_73_73'>[73]</a><div class='note'><p> Deschamps no. 95 (I p. 203).</p></div> + +<a name='Footnote_74_74'></a><a href='#FNanchor_74_74'>[74]</a><div class='note'><p> Deschamps, Le miroir de mariage, IX p. 25, 69, 81, no. 1004 (V p. +259), verder II p. 8, 183-7. III p. 39, 373, VII p. 3, IX p. 209 enz.</p></div> + +<a name='Footnote_75_75'></a><a href='#FNanchor_75_75'>[75]</a><div class='note'><p> Convivio lib. IV. cap. 27, 28.</p></div> + +<a name='Footnote_76_76'></a><a href='#FNanchor_76_76'>[76]</a><div class='note'><p> Discours de l'excellence de virginité, Gerson, Opera III p. 382; +vgl. <a name='Dionysius'></a>Dionysius Cartusianus, De vanitate mundi, Opera omnia, cura et +labore monachorum sacr. ord. Cart., Monstrolii-Tornaci 1896-1913, 41 +vol. XXXIX p. 472.</p></div> + +<a name='Footnote_77_77'></a><a href='#FNanchor_77_77'>[77]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 364.</p></div> + +<a name='Footnote_78_78'></a><a href='#FNanchor_78_78'>[78]</a><div class='note'><p> La Marche, IV p. cxiv.—De oude Nederl. vertaling van zijn Estat de +la maison du duc Charles de Bourgogne bij Matthaeus, Analecta I p. 357-494.</p></div> + +<a name='Footnote_79_79'></a><a href='#FNanchor_79_79'>[79]</a><div class='note'><p> Christine de <a name='Pisan'></a>Pisan, Oeuvres poétiques, ed. M. Roy (Soc. des anciens +textes francais) 1886-1896, 3 vol., I p. 251 no. 38; <a name='Leo'></a>Leo von Rozmital's +Reise, ed. Schmeller, (Bibl. des lit. Vereins zu Stuttgart t. VII) 1844, +p. 24, 149.</p></div> + +<a name='Footnote_80_80'></a><a href='#FNanchor_80_80'>[80]</a><div class='note'><p> La Marche, IV. p. 4ss.; Chastellain, V p. 370.</p></div> + +<a name='Footnote_81_81'></a><a href='#FNanchor_81_81'>[81]</a><div class='note'><p> Ernst.</p></div> + +<a name='Footnote_82_82'></a><a href='#FNanchor_82_82'>[82]</a><div class='note'><p> Een staatsiezetel.</p></div> + +<a name='Footnote_83_83'></a><a href='#FNanchor_83_83'>[83]</a><div class='note'><p> Gekleed.</p></div> + +<a name='Footnote_84_84'></a><a href='#FNanchor_84_84'>[84]</a><div class='note'><p> Chastellain, V. p. 368.</p></div> + +<a name='Footnote_85_85'></a><a href='#FNanchor_85_85'>[85]</a><div class='note'><p> La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34ss.</p></div> + +<a name='Footnote_86_86'></a><a href='#FNanchor_86_86'>[86]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 277.</p></div> + +<a name='Footnote_87_87'></a><a href='#FNanchor_87_87'>[87]</a><div class='note'><p> La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34, 51, 20, 31.</p></div> + +<a name='Footnote_88_88'></a><a href='#FNanchor_88_88'>[88]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, III p. 172.</p></div> + +<a name='Footnote_89_89'></a><a href='#FNanchor_89_89'>[89]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, § 218 p. 105.</p></div> + +<a name='Footnote_90_90'></a><a href='#FNanchor_90_90'>[90]</a><div class='note'><p> Chronique scandaleuse, I p. 53.</p></div> + +<a name='Footnote_91_91'></a><a href='#FNanchor_91_91'>[91]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 184; Basin. II p. 376.</p></div> + +<a name='Footnote_92_92'></a><a href='#FNanchor_92_92'>[92]</a><div class='note'><p> <a name='Alienor'></a>Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, ed. La <a name='Curne'></a>Curne de +Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie, 1781, II p. 201.</p></div> + +<a name='Footnote_93_93'></a><a href='#FNanchor_93_93'>[93]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 196-212, 290, 292, 308, IV p. 412/4, 428; +Alienor de Poitiers, p. 209, 212.</p></div> + +<a name='Footnote_94_94'></a><a href='#FNanchor_94_94'>[94]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, p. 210; Chastellain, IV p. 312; Juvenal des +Ursins, p. 405; La Marche, I p. 278, Froissart, I p. 16, 22, enz.</p></div> + +<a name='Footnote_95_95'></a><a href='#FNanchor_95_95'>[95]</a><div class='note'><p> Molinet, V p. 194, 192.</p></div> + +<a name='Footnote_96_96'></a><a href='#FNanchor_96_96'>[96]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, p. 190; Deschamps, IX p. 109.</p></div> + +<a name='Footnote_97_97'></a><a href='#FNanchor_97_97'>[97]</a><div class='note'><p> Chastellain, V. p. 27-33.</p></div> + +<a name='Footnote_98_98'></a><a href='#FNanchor_98_98'>[98]</a><div class='note'><p> Maxime u. Reflexionen V.</p></div> + +<a name='Footnote_99_99'></a><a href='#FNanchor_99_99'>[99]</a><div class='note'><p> Alleen om u moet de priester wachten. Deschamps, IX Le miroir de +mariage, p. 109/110.</p></div> + +<a name='Footnote_100_100'></a><a href='#FNanchor_100_100'>[100]</a><div class='note'><p> Verscheiden exemplaren van zulke "paix" bij Laborde, II nos. 43, +45, 75, 126, 140, 5293.</p></div> + +<a name='Footnote_101_101'></a><a href='#FNanchor_101_101'>[101]</a><div class='note'><p> De baljuwsche.</p></div> + +<a name='Footnote_102_102'></a><a href='#FNanchor_102_102'>[102]</a><div class='note'><p> Deschamps ib.; p. 300, vgl. VIII p. 156 ballade no. 1462; Molinet, +V p. 195; Les cent nouvelles nouvelles, ed. Th. Wright, II p. 123; vgl. +Les Quinze joyes de mariage p. 185.</p></div> + +<a name='Footnote_103_103'></a><a href='#FNanchor_103_103'>[103]</a><div class='note'><p> Canonisatieproces te Tours, Acta Sanctorum Apr. t. I p. 152.</p></div> + +<a name='Footnote_104_104'></a><a href='#FNanchor_104_104'>[104]</a><div class='note'><p> Over zulke rangtwisten onder den Hollandschen adel, waarop reeds +even gewezen is door W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de +hervorming, Utrecht 1864-'69, 2 deelen (5 stukken) II 3 p. 284<sup>2</sup>, is +uitvoerig gehandeld door H. Obreen, Bijdr. v. Vad. Gesch. en Oudhk. X p. 308.</p></div> + +<a name='Footnote_105_105'></a><a href='#FNanchor_105_105'>[105]</a><div class='note'><p> Deschamps, IX p. 111-114.</p></div> + +<a name='Footnote_106_106'></a><a href='#FNanchor_106_106'>[106]</a><div class='note'><p> Jean de <a name='Stavelot'></a>Stavelot, Chronique, ed. Borgnet (Coll. des chron. belges) +1861, p. 96.</p></div> + +<a name='Footnote_107_107'></a><a href='#FNanchor_107_107'>[107]</a><div class='note'><p> Pierre de Fenin, p. 607; Journal d'un bourgeois, p. 9.</p></div> + +<a name='Footnote_108_108'></a><a href='#FNanchor_108_108'>[108]</a><div class='note'><p> Aldus Juvenal des Ursins, p. 543, en Thomas Basin, I p. 31. Het +Journal d'un bourgeois, p. 110 geeft een andere reden voor het +doodvonnis, evenzoo Le <a name='Livre'></a>Livre des trahisons, ed. Kervyn de Lettenhove +(Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous les ducs de Bourg.) II p. 138<sup>1</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_109_109'></a><a href='#FNanchor_109_109'>[109]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 30; Juvenal des Ursins, p. 341.</p></div> + +<a name='Footnote_110_110'></a><a href='#FNanchor_110_110'>[110]</a><div class='note'><p> Pierre de Fenin, p. 606; Monstrelet, IV p. 9.</p></div> + +<a name='Footnote_111_111'></a><a href='#FNanchor_111_111'>[111]</a><div class='note'><p> Pierre de Fenin, p. 604.</p></div> + +<a name='Footnote_112_112'></a><a href='#FNanchor_112_112'>[112]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, I p. 251 no. 38; Chastellain, V p. 364ss; +Rozmital 's Reise, p. 24, 149.</p></div> + +<a name='Footnote_113_113'></a><a href='#FNanchor_113_113'>[113]</a><div class='note'><p> Deschamps, I nos. 80, 114, 118, II nos. 256, 266, IV nos. 800, +803, V nos. 1018, 1024, 1029, VII no. 253, X nos. 13, 14.</p></div> + +<a name='Footnote_114_114'></a><a href='#FNanchor_114_114'>[114]</a><div class='note'><p> Anonym bericht der 15<sup>e</sup> eeuw in Journal de l'inst. hist., IV p. +353, vgl. Juvenal des Ursins, p. 569, Religieux de S. Denis, VI p. 492.</p></div> + +<a name='Footnote_115_115'></a><a href='#FNanchor_115_115'>[115]</a><div class='note'><p> Jean Chartier, Hist. de Charles VII, ed. D. Godefroy 1661, p. 318.</p></div> + +<a name='Footnote_116_116'></a><a href='#FNanchor_116_116'>[116]</a><div class='note'><p> Intocht van den dauphin als hertog van Bretagne te Rennes in 1532 +bij Th. <a name='Godefroy'></a>Godefroy, Le cérémonial françois, 1649, p. 619.</p></div> + +<a name='Footnote_117_117'></a><a href='#FNanchor_117_117'>[117]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 32.</p></div> + +<a name='Footnote_118_118'></a><a href='#FNanchor_118_118'>[118]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 277.</p></div> + +<a name='Footnote_119_119'></a><a href='#FNanchor_119_119'>[119]</a><div class='note'><p> Thomas Bassin, II p. 9.</p></div> + +<a name='Footnote_120_120'></a><a href='#FNanchor_120_120'>[120]</a><div class='note'><p> A. Renaudet, Préréforme et humanisme à Paris, p. 11, naar de +processtukken.</p></div> + +<a name='Footnote_121_121'></a><a href='#FNanchor_121_121'>[121]</a><div class='note'><p> de Laborde, Les ducs de Bourgogne, I p. 172, 177.</p></div> + +<a name='Footnote_122_122'></a><a href='#FNanchor_122_122'>[122]</a><div class='note'><p> Livre des trahisons, p. 156.</p></div> + +<a name='Footnote_123_123'></a><a href='#FNanchor_123_123'>[123]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 188.</p></div> + +<a name='Footnote_124_124'></a><a href='#FNanchor_124_124'>[124]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254.</p></div> + +<a name='Footnote_125_125'></a><a href='#FNanchor_125_125'>[125]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, II p. 114.</p></div> + +<a name='Footnote_126_126'></a><a href='#FNanchor_126_126'>[126]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 49, V p. 240; vgl. La Marche, I p. 201; +Monstrelet, III p. 358; Lefèvre de S. Remy, I p. 380.</p></div> + +<a name='Footnote_127_127'></a><a href='#FNanchor_127_127'>[127]</a><div class='note'><p> Chastellain. V p. 228, vgl. IV p. 210.</p></div> + +<a name='Footnote_128_128'></a><a href='#FNanchor_128_128'>[128]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 296; IV p. 213, 216.</p></div> + +<a name='Footnote_129_129'></a><a href='#FNanchor_129_129'>[129]</a><div class='note'><p> Chronique scandaleuse. Interpol. II p. 332.</p></div> + +<a name='Footnote_130_130'></a><a href='#FNanchor_130_130'>[130]</a><div class='note'><p> Lettres de Louis XI, X p. 110.</p></div> + +<a name='Footnote_131_131'></a><a href='#FNanchor_131_131'>[131]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254-256.</p></div> + +<a name='Footnote_132_132'></a><a href='#FNanchor_132_132'>[132]</a><div class='note'><p> Lefèvre de S. Remy, II p. 11; Pierre de Fenin, p. 599, 605; +Monstrelet, III p. 347; Theod. <a name='Pauli'></a>Pauli, De rebus actis sub ducibus +Burgundiae compendium, ed. Kervyn de Lettenhove (Chron. rel. à l'hist. +de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. t. III) p. 267.</p></div> + +<a name='Footnote_133_133'></a><a href='#FNanchor_133_133'>[133]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, p. 217-245; Laborde, II p. 267, Inventaris van +1420.</p></div> + +<a name='Footnote_134_134'></a><a href='#FNanchor_134_134'>[134]</a><div class='note'><p> Continuateur de Monstrelet, 1449 (Chastellain, V p. 367<sup>1</sup>).</p></div> + +<a name='Footnote_135_135'></a><a href='#FNanchor_135_135'>[135]</a><div class='note'><p> Vgl. Petit Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires +etc., p. 14; La Curne de S. Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie, +I p. 272.</p></div> + +<a name='Footnote_136_136'></a><a href='#FNanchor_136_136'>[136]</a><div class='note'><p> Chastellain, Le Pas de la mort, VI p. 61.</p></div> + +<a name='Footnote_137_137'></a><a href='#FNanchor_137_137'>[137]</a><div class='note'><p> Hefele, Der h. Bernhardin v. Siena etc., p. 42. Vervolging van +sodomie in Frankrijk, Jacques du Clercq, II p. 272, 282, 337, 338, 350, +III 15.</p></div> + +<a name='Footnote_138_138'></a><a href='#FNanchor_138_138'>[138]</a><div class='note'><p> Philippe de <a name='Commines'></a>Commines, Mémoires, ed. B. de Mandrot (Coll. de textes +pour servir à l'enseignement de l'histoire) 1901-'3, 2 vol., I p. 316.</p></div> + +<a name='Footnote_139_139'></a><a href='#FNanchor_139_139'>[139]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 425; Molinet, II p. 29, 280; Chastellain, IV p. 41.</p></div> + +<a name='Footnote_140_140'></a><a href='#FNanchor_140_140'>[140]</a><div class='note'><p> Les cent nouvelles nouvelles, II p. 61; Froissart, ed. Kervyn, XI +p. 93.</p></div> + +<a name='Footnote_141_141'></a><a href='#FNanchor_141_141'>[141]</a><div class='note'><p> Froissart id., ib. XIV p. 318; Le livre des faits de Jacques de +<a name='Lalaing'></a>Lalaing. p. 29, 247 (Chastellain VIII); La Marche I p. 268; L'hystoire +du petit Jehan de Saintré. ch. 47.</p></div> + +<a name='Footnote_142_142'></a><a href='#FNanchor_142_142'>[142]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 237.</p></div> + +<a name='Footnote_143_143'></a><a href='#FNanchor_143_143'>[143]</a><div class='note'><p> Deschamps, II p. 226.</p></div> + +<a name='Footnote_144_144'></a><a href='#FNanchor_144_144'>[144]</a><div class='note'><p> Chastellain, Le miroer des nobles hommes en France, VI p. 204, +Exposition sur vérité mal prise, VI p. 416, L'entrée du roy Loys en +nouveau règne, VII p. 10.</p></div> + +<a name='Footnote_145_145'></a><a href='#FNanchor_145_145'>[145]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XIII, p. 22; Jean Germain, Liber de +virtutibus ducis Burg., p. 109; Molinet, I p. 83, III p. 100.</p></div> + +<a name='Footnote_146_146'></a><a href='#FNanchor_146_146'>[146]</a><div class='note'><p> Monstrelet, II p. 241.</p></div> + +<a name='Footnote_147_147'></a><a href='#FNanchor_147_147'>[147]</a><div class='note'><p> Chastellain. VII p. 13-16.</p></div> + +<a name='Footnote_148_148'></a><a href='#FNanchor_148_148'>[148]</a><div class='note'><p> Chastellain. III p. 82, IV p. 170, V p. 279, 309.</p></div> + +<a name='Footnote_149_149'></a><a href='#FNanchor_149_149'>[149]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq. II p. 245. vgl. p. 339.</p></div> + +<a name='Footnote_150_150'></a><a href='#FNanchor_150_150'>[150]</a><div class='note'><p> Zie hierboven blz. <a href='#15'>15</a>.</p></div> + +<a name='Footnote_151_151'></a><a href='#FNanchor_151_151'>[151]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 82-89.</p></div> + +<a name='Footnote_152_152'></a><a href='#FNanchor_152_152'>[152]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 90ss.</p></div> + +<a name='Footnote_153_153'></a><a href='#FNanchor_153_153'>[153]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 345.</p></div> + +<a name='Footnote_154_154'></a><a href='#FNanchor_154_154'>[154]</a><div class='note'><p> Deschamps no. 113, t. I p. 230.</p></div> + +<a name='Footnote_155_155'></a><a href='#FNanchor_155_155'>[155]</a><div class='note'><p> N. de <a name='Clemanges'></a>Clemanges, Opera ed. Lydius. Leiden 1613, p. 48, cap. IX.</p></div> + +<a name='Footnote_156_156'></a><a href='#FNanchor_156_156'>[156]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, IV p. 583-622, zie Denifle & Chatelain, +Chartularium Univ. Paris. IV no. 1819.</p></div> + +<a name='Footnote_157_157'></a><a href='#FNanchor_157_157'>[157]</a><div class='note'><p> Bij H. Denifle, La désolation des églises etc. en France. Paris +1897-'99, 2 vol., I p. 497-513.</p></div> + +<a name='Footnote_158_158'></a><a href='#FNanchor_158_158'>[158]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 402.</p></div> + +<a name='Footnote_159_159'></a><a href='#FNanchor_159_159'>[159]</a><div class='note'><p> Rob. <a name='Gaguini'></a>Gaguini Epistole et orationes, ed. L. Thuasne (Bibl. litt. de +la Renaissance t. II) Paris 1903, 2 vol., II p. 321, 350.</p></div> + +<a name='Footnote_160_160'></a><a href='#FNanchor_160_160'>[160]</a><div class='note'><p> Froissart. ed. Kervyn, XII p. 4; Le livre des trahisons p. 19, 26; +Chastellain, I p. XXX, III p. 325, V p. 260. 275, 325, VII p. 466-480; +Thomas Basin, passim, vooral I p. 44, 56, 59, 115; vgl. La complainte du +povre commun et des povres laboureurs de France (Monstrelet, VI p. 176-190.)</p></div> + +<a name='Footnote_161_161'></a><a href='#FNanchor_161_161'>[161]</a><div class='note'><p> Les <a name='Faictz'></a>Faictz et Dictz de messire Jehan Molinet, Paris, Jehan Petit, +1537, f. 87vso.</p></div> + +<a name='Footnote_162_162'></a><a href='#FNanchor_162_162'>[162]</a><div class='note'><p> Ballade 19, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses +oeuvres, Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 296; vgl. Les +Lunettes des princes ib. p. 607, 613.</p></div> + +<a name='Footnote_163_163'></a><a href='#FNanchor_163_163'>[163]</a><div class='note'><p> Masselin, Journal des Etats Généraux de France tenus à Tours en +1484, ed. A. Bernier, (Coll. des documents inédits) p. 672.</p></div> + +<a name='Footnote_164_164'></a><a href='#FNanchor_164_164'>[164]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI no. 1140, p. 67.</p></div> + +<a name='Footnote_165_165'></a><a href='#FNanchor_165_165'>[165]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI p. 124 no. 1176.</p></div> + +<a name='Footnote_166_166'></a><a href='#FNanchor_166_166'>[166]</a><div class='note'><p> Molinet, II p. 104-107; Jean le Maire de Belges, Les chansons de +Namur 1507.</p></div> + +<a name='Footnote_167_167'></a><a href='#FNanchor_167_167'>[167]</a><div class='note'><p> Chastellain. Le miroir des nobles hommes de France, VI p. 203, +211, 214.</p></div> + +<a name='Footnote_168_168'></a><a href='#FNanchor_168_168'>[168]</a><div class='note'><p> Le <a name='Jouvencel'></a>Jouvencel, ed. C. Favre et L. Lecestre (Soc. de l'hist. de +France) 1887-'89, 2 vol., I p. 13.</p></div> + +<a name='Footnote_169_169'></a><a href='#FNanchor_169_169'>[169]</a><div class='note'><p> Livre des faicts du mareschal de <a name='Boucicaut'></a>Boucicaut, Petitot. Coll. de +mém., VI p. 375.</p></div> + +<a name='Footnote_170_170'></a><a href='#FNanchor_170_170'>[170]</a><div class='note'><p> Philippe de <a name='Vitri'></a>Vitri, Le chapel des fleurs de lis (1335), ed. A. +Piaget, Romania XXVII 1898, p. 80ss.</p></div> + +<a name='Footnote_171_171'></a><a href='#FNanchor_171_171'>[171]</a><div class='note'><p> Zie daarover La Curne de Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne +chevalerie, 1781, II p. 94-96.</p></div> + +<a name='Footnote_172_172'></a><a href='#FNanchor_172_172'>[172]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 16/17.</p></div> + +<a name='Footnote_173_173'></a><a href='#FNanchor_173_173'>[173]</a><div class='note'><p> N. Jorga, Philippe de Mézières, p. 469.</p></div> + +<a name='Footnote_174_174'></a><a href='#FNanchor_174_174'>[174]</a><div class='note'><p> l.c., p. 506.</p></div> + +<a name='Footnote_175_175'></a><a href='#FNanchor_175_175'>[175]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, I p. 2/3; Monstrelet, I p. 2; d'Escouchy, +I p. I; Chastellain, I prologue, II p. 116. VI p. 266; La Marche, I p. +187; Molinet, I p. 17, II p. 54.</p></div> + +<a name='Footnote_176_176'></a><a href='#FNanchor_176_176'>[176]</a><div class='note'><p> Lefèvre de S. Remy, II p. 249; Froissart. ed. Luce, I p. I; vgl. +Le débat des hérauts <a name='darmes'></a>d'armes de France et d'Angleterre, ed. L. Pannier +et P. Meyer, (Soc. des anciens textes francais) 1887, p. 1.</p></div> + +<a name='Footnote_177_177'></a><a href='#FNanchor_177_177'>[177]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 443.</p></div> + +<a name='Footnote_178_178'></a><a href='#FNanchor_178_178'>[178]</a><div class='note'><p> Les origines de la France contemporaine. La Révolution, I p. 190.</p></div> + +<a name='Footnote_179_179'></a><a href='#FNanchor_179_179'>[179]</a><div class='note'><p> Die Kultur der Renaissance in Italien, <sup>10</sup> II p. 155.</p></div> + +<a name='Footnote_180_180'></a><a href='#FNanchor_180_180'>[180]</a><div class='note'><p> l.c., I p. 152-165.</p></div> + +<a name='Footnote_181_181'></a><a href='#FNanchor_181_181'>[181]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, IV p. 112.</p></div> + +<a name='Footnote_182_182'></a><a href='#FNanchor_182_182'>[182]</a><div class='note'><p> Le Dit de Vérité, Chastellain, VI p. 221.</p></div> + +<a name='Footnote_183_183'></a><a href='#FNanchor_183_183'>[183]</a><div class='note'><p> Le livre de la paix, Chastellain, VII p. 367.</p></div> + +<a name='Footnote_184_184'></a><a href='#FNanchor_184_184'>[184]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, I p. 3.</p></div> + +<a name='Footnote_185_185'></a><a href='#FNanchor_185_185'>[185]</a><div class='note'><p> Le cuer d'amours épris, Oeuvres du roi René, ed. De Quatrebarbes, +Angers 1845, 4 vol., t. III p. 112.</p></div> + +<a name='Footnote_186_186'></a><a href='#FNanchor_186_186'>[186]</a><div class='note'><p> Lefèvre de S. Remy, II p. 68.</p></div> + +<a name='Footnote_187_187'></a><a href='#FNanchor_187_187'>[187]</a><div class='note'><p> Doutrepont, p. 183.</p></div> + +<a name='Footnote_188_188'></a><a href='#FNanchor_188_188'>[188]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 216, 334.</p></div> + +<a name='Footnote_189_189'></a><a href='#FNanchor_189_189'>[189]</a><div class='note'><p> Ph. Wielant, Antiquités de Flandre, ed. De Smet (Corp. chron. +Flandriae IV) p. 56.</p></div> + +<a name='Footnote_190_190'></a><a href='#FNanchor_190_190'>[190]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 390, vgl. de anecdote bij Doutrepont, p. 185.</p></div> + +<a name='Footnote_191_191'></a><a href='#FNanchor_191_191'>[191]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 316-319.</p></div> + +<a name='Footnote_192_192'></a><a href='#FNanchor_192_192'>[192]</a><div class='note'><p> P. Meyer, Bull. de la soc. des anc. textes français 1883, p. +45-54.</p></div> + +<a name='Footnote_193_193'></a><a href='#FNanchor_193_193'>[193]</a><div class='note'><p> Deschamps. nos. 12, 93, 207, 239, 362, 403, 432, 652. I p. 86, +199, II p. 29, 69, X p. xxxv. lxxvi ss.</p></div> + +<a name='Footnote_194_194'></a><a href='#FNanchor_194_194'>[194]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 274. Een gedicht van 9 strofen over de +9 dapperen in verschillende handschriften van Haarlemsche keuren uit de +XV<sup>e</sup> eeuw, zie mijn Rechtsbronnen van Haarlem, p. xlvi vg. In het midden +der 16<sup>e</sup> eeuw kent John Coke hen nog als The Nyne Worthyes, The debate +betwene the Heraldes, ed. L. Pannier et P. Meyer, Le debat des hérauts +d'armes, p. 108 § 171.</p></div> + +<a name='Footnote_195_195'></a><a href='#FNanchor_195_195'>[195]</a><div class='note'><p> Molinet, faictz et dictz, f. 151<sup>v</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_196_196'></a><a href='#FNanchor_196_196'>[196]</a><div class='note'><p> La Curne de Sainte Palaye, II p. 88.</p></div> + +<a name='Footnote_197_197'></a><a href='#FNanchor_197_197'>[197]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 206, 239, II p. 27, 69, no. 312, II p. 324, Le lay +du tres bon connestable B. du Guesclin.</p></div> + +<a name='Footnote_198_198'></a><a href='#FNanchor_198_198'>[198]</a><div class='note'><p> S. Luce, La France pendant la guerre de cent ans, p. 231: Du +Guesclin, dixième preux.</p></div> + +<a name='Footnote_199_199'></a><a href='#FNanchor_199_199'>[199]</a><div class='note'><p> La mort du roy Charles VII. Chastellain, VI p. 440.</p></div> + +<a name='Footnote_200_200'></a><a href='#FNanchor_200_200'>[200]</a><div class='note'><p> Laborde, II p. 242, no. 4091; 138, no. 242, id. p. 146, no. 3343, +p. 260, no. 4220, p. 266, no. 4255. Het souter is tijdens den Spaanschen +successieoorlog verworven door Joan van den Berg, commissaris der Staten +in België, en berust thans in de Leidsche Universiteitsbibliotheek.</p></div> + +<a name='Footnote_201_201'></a><a href='#FNanchor_201_201'>[201]</a><div class='note'><p> Burckhardt, Kultur der Ren. I<sup>14</sup> p. 246.</p></div> + +<a name='Footnote_202_202'></a><a href='#FNanchor_202_202'>[202]</a><div class='note'><p> Le livre des faicts du mareschal Boucicaut, ed. Petitot, Coll. de +mémoires 1<sup>e</sup> série, t. VI, VII.</p></div> + +<a name='Footnote_203_203'></a><a href='#FNanchor_203_203'>[203]</a><div class='note'><p> Le livre des faicts, VI p. 379.</p></div> + +<a name='Footnote_204_204'></a><a href='#FNanchor_204_204'>[204]</a><div class='note'><p> Ib. VII. p. 214, 185. 200/1.</p></div> + +<a name='Footnote_205_205'></a><a href='#FNanchor_205_205'>[205]</a><div class='note'><p> Chr. de Pisan, Le débat des deux amants, Oeuvres poétiques, II p. 96.</p></div> + +<a name='Footnote_206_206'></a><a href='#FNanchor_206_206'>[206]</a><div class='note'><p> Antoine de la <a name='Salle'></a>Salle, La salade, chap. 3, Paris, M. Le Noir, 1521, +f. 4vso.</p></div> + +<a name='Footnote_207_207'></a><a href='#FNanchor_207_207'>[207]</a><div class='note'><p> Le livre des <a name='cent'></a>cent ballades, ed. G. Raynaud (Soc. des anciens +textes français), p. lv.</p></div> + +<a name='Footnote_208_208'></a><a href='#FNanchor_208_208'>[208]</a><div class='note'><p> Ed. C. Favre et L. Lecestre, Soc. de l'hist. de France, 1887/9.</p></div> + +<a name='Footnote_209_209'></a><a href='#FNanchor_209_209'>[209]</a><div class='note'><p> Le Jouvencel, I p. 25.</p></div> + +<a name='Footnote_210_210'></a><a href='#FNanchor_210_210'>[210]</a><div class='note'><p> Le livre des faits du bon chevalier Messire Jacques de Lalaing, +ed. Kervyn de Lettenhove. Chastellain, Oeuvres VIII.</p></div> + +<a name='Footnote_211_211'></a><a href='#FNanchor_211_211'>[211]</a><div class='note'><p> II p. 20.</p></div> + +<a name='Footnote_212_212'></a><a href='#FNanchor_212_212'>[212]</a><div class='note'><p> W. James, The varieties of religious experience, Gifford lectures +1901/2, London 1903, p. 318.</p></div> + +<a name='Footnote_213_213'></a><a href='#FNanchor_213_213'>[213]</a><div class='note'><p> Le livre des faicts, p. 398.</p></div> + +<a name='Footnote_214_214'></a><a href='#FNanchor_214_214'>[214]</a><div class='note'><p> ed. G. Raynaud, Société des anciens textes francais, 1905.</p></div> + +<a name='Footnote_215_215'></a><a href='#FNanchor_215_215'>[215]</a><div class='note'><p> Twee heidenen uit den roman van Aspremont.</p></div> + +<a name='Footnote_216_216'></a><a href='#FNanchor_216_216'>[216]</a><div class='note'><p> Les Voeux du héron vs. 354-371, ed. Soc. des bibliophiles de Mons, +no. 8, 1839.</p></div> + +<a name='Footnote_217_217'></a><a href='#FNanchor_217_217'>[217]</a><div class='note'><p> Brief van den graaf van Chimay aan Chastellain, Oeuvres, VIII p. 266.</p></div> + +<a name='Footnote_218_218'></a><a href='#FNanchor_218_218'>[218]</a><div class='note'><p> Perceforest, bij Quatrebarbes, Oeuvres du roi René II p. xciv.</p></div> + +<a name='Footnote_219_219'></a><a href='#FNanchor_219_219'>[219]</a><div class='note'><p> Des trois chevaliers et del chainse, van Jakes de Baisieux, ed. +Scheler, Trouvères belges I, 1876, p. 162.</p></div> + +<a name='Footnote_220_220'></a><a href='#FNanchor_220_220'>[220]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 594ss.; Juvenal des Ursins, p. 379.</p></div> + +<a name='Footnote_221_221'></a><a href='#FNanchor_221_221'>[221]</a><div class='note'><p> Dionysii Cartusiani Opera t. XXXVI p. 206.</p></div> + +<a name='Footnote_222_222'></a><a href='#FNanchor_222_222'>[222]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 222, no. 108, I p. 223, no. 109.</p></div> + +<a name='Footnote_223_223'></a><a href='#FNanchor_223_223'>[223]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois de Paris, p. 59, 56.</p></div> + +<a name='Footnote_224_224'></a><a href='#FNanchor_224_224'>[224]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 119, 144; d'Escouchy, I p. 245<sup>1</sup>, 247<sup>8</sup>; +Molinet, III p. 460.</p></div> + +<a name='Footnote_225_225'></a><a href='#FNanchor_225_225'>[225]</a><div class='note'><p> Chastellain, VIII p. 238.</p></div> + +<a name='Footnote_226_226'></a><a href='#FNanchor_226_226'>[226]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 292.</p></div> + +<a name='Footnote_227_227'></a><a href='#FNanchor_227_227'>[227]</a><div class='note'><p> Le livre des faits de Jacques de Lalaing, bij Chastellain, VIII +p. 188 s.</p></div> + +<a name='Footnote_228_228'></a><a href='#FNanchor_228_228'>[228]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi René, I p. lxxv.</p></div> + +<a name='Footnote_229_229'></a><a href='#FNanchor_229_229'>[229]</a><div class='note'><p> La Marche, III p. 123; Molinet, V p. 18.</p></div> + +<a name='Footnote_230_230'></a><a href='#FNanchor_230_230'>[230]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 118, 121, 122, 133, 341; Chastellain, I p. 256, +VIII p. 217, 246.</p></div> + +<a name='Footnote_231_231'></a><a href='#FNanchor_231_231'>[231]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 173, I p. 285; Oeuvres du roi René, I p. lxxv.</p></div> + +<a name='Footnote_232_232'></a><a href='#FNanchor_232_232'>[232]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi René, I p. lxxxvi, II p. 57.</p></div> + +<a name='Footnote_233_233'></a><a href='#FNanchor_233_233'>[233]</a><div class='note'><p> N. Jorga, Phil. de Mézières. p. 348.</p></div> + +<a name='Footnote_234_234'></a><a href='#FNanchor_234_234'>[234]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 7, IV p. 233 cf. 269, VI p. 154.</p></div> + +<a name='Footnote_235_235'></a><a href='#FNanchor_235_235'>[235]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 109.</p></div> + +<a name='Footnote_236_236'></a><a href='#FNanchor_236_236'>[236]</a><div class='note'><p> Statuten der orde, bij Luc d'Achéry, Spicilegium, III p. 730.</p></div> + +<a name='Footnote_237_237'></a><a href='#FNanchor_237_237'>[237]</a><div class='note'><p> Chastellain. II p. 10.</p></div> + +<a name='Footnote_238_238'></a><a href='#FNanchor_238_238'>[238]</a><div class='note'><p> Chronique scandaleuse, I p. 236.</p></div> + +<a name='Footnote_239_239'></a><a href='#FNanchor_239_239'>[239]</a><div class='note'><p> Le songe de la <a name='thoison'></a>thoison d'or, bij Doutrepont, p. 154.</p></div> + +<a name='Footnote_240_240'></a><a href='#FNanchor_240_240'>[240]</a><div class='note'><p> Fillastre. Le premier volume de la toison dor, Paris 1515, fol. 2.</p></div> + +<a name='Footnote_241_241'></a><a href='#FNanchor_241_241'>[241]</a><div class='note'><p> Boucicaut, I p, 504; Jorga, Ph. de Mézières, p. 83, 463<sup>8</sup>; +Romania, XXVI p. 395<sup>1</sup>, 396<sup>2</sup>; Deschamps, XI p. 28; Oeuvres du roi +René, I p. xi; Monstrelet, V p. 449.</p></div> + +<a name='Footnote_242_242'></a><a href='#FNanchor_242_242'>[242]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 908/10, XI p. 232, 14, 68.</p></div> + +<a name='Footnote_243_243'></a><a href='#FNanchor_243_243'>[243]</a><div class='note'><p> Froissart. Poésies, ed. A. Scheler, (Acad. royale de Belgique) +1870-'72, 3 vol., II p. 341.</p></div> + +<a name='Footnote_244_244'></a><a href='#FNanchor_244_244'>[244]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, La ballade de Fougères, p. 718.</p></div> + +<a name='Footnote_245_245'></a><a href='#FNanchor_245_245'>[245]</a><div class='note'><p> Richteren 6.</p></div> + +<a name='Footnote_246_246'></a><a href='#FNanchor_246_246'>[246]</a><div class='note'><p> La Marche, IV p. 164; Jacques du Clercq, II p. 6.</p></div> + +<a name='Footnote_247_247'></a><a href='#FNanchor_247_247'>[247]</a><div class='note'><p> Liber Karoleidos vs. 88 (Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous la +dom. des ducs de Bourg. III).</p></div> + +<a name='Footnote_248_248'></a><a href='#FNanchor_248_248'>[248]</a><div class='note'><p> Gen. 30.32; 4 Reg. (2 Kon.) 3.4; Job 31.20; Psalm 71.6. +(Statenvert. 72.6: "nagras", waar Vulg. "vellus" heeft).</p></div> + +<a name='Footnote_249_249'></a><a href='#FNanchor_249_249'>[249]</a><div class='note'><p> Guillaume Fillastre, Le Second volume de la toison dor, Paris, +Franc. Regnault, 1516. fol. 1, 2.</p></div> + +<a name='Footnote_250_250'></a><a href='#FNanchor_250_250'>[250]</a><div class='note'><p> La Marche, III p. 201, IV p. 67; Lefèvre de S. Remy, II p. 292; +het ceremonieel van zulk een doop bij Humphrey van Glocester's heraut +Nicolas <a name='Upton'></a>Upton, De officio militari, ed. E. Bysshe (Bissaeus) London, +1654, lib. I, c. XI, p. 19.</p></div> + +<a name='Footnote_251_251'></a><a href='#FNanchor_251_251'>[251]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon, +(Bibl. elzevirienne) Paris, 1854, p. 241 ss.</p></div> + +<a name='Footnote_252_252'></a><a href='#FNanchor_252_252'>[252]</a><div class='note'><p> Voeu du héron, ed. Soc. des bibl. de Mons, p. 17.</p></div> + +<a name='Footnote_253_253'></a><a href='#FNanchor_253_253'>[253]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, I p. 124.</p></div> + +<a name='Footnote_254_254'></a><a href='#FNanchor_254_254'>[254]</a><div class='note'><p> Sedert eenigen tijd.</p></div> + +<a name='Footnote_255_255'></a><a href='#FNanchor_255_255'>[255]</a><div class='note'><p> Zal uitgaan.</p></div> + +<a name='Footnote_256_256'></a><a href='#FNanchor_256_256'>[256]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, III p. 72. Harald Harfagri doet de gelofte, zijn +haar niet te laten afsnijden, eêr hij heel Noorwegen veroverd heeft, +Haraldarsaga Harfagra, cap. 4; vgl. Voluspa 33.</p></div> + +<a name='Footnote_257_257'></a><a href='#FNanchor_257_257'>[257]</a><div class='note'><p> Jorga, Ph. de Mézières, p. 76.</p></div> + +<a name='Footnote_258_258'></a><a href='#FNanchor_258_258'>[258]</a><div class='note'><p> Claude Menard, Hist. de Bertrand du Guesclin, p. 39, 55, 410, 488, +La Curne, I p. 240.</p></div> + +<a name='Footnote_259_259'></a><a href='#FNanchor_259_259'>[259]</a><div class='note'><p> Douet d'Arcq, Choix de Pièces inédites rel. au règne de Charles +VI. (Soc. de l'hist. de France 1863) I p. 370.</p></div> + +<a name='Footnote_260_260'></a><a href='#FNanchor_260_260'>[260]</a><div class='note'><p> Le livre des faits de Jacques de Lalaing, chap. XVI ss., +Chastellain, VIII p. 70.</p></div> + +<a name='Footnote_261_261'></a><a href='#FNanchor_261_261'>[261]</a><div class='note'><p> Le petit Jehan de Saintré, chap. 48.</p></div> + +<a name='Footnote_262_262'></a><a href='#FNanchor_262_262'>[262]</a><div class='note'><p> Germania cap. 31; La Curne, I p. 236.</p></div> + +<a name='Footnote_263_263'></a><a href='#FNanchor_263_263'>[263]</a><div class='note'><p> Heimskringla, Olafssaga Tryggvasonar, cap. 35; Weinhold, +Altnordisches Leben, p. 462.</p></div> + +<a name='Footnote_264_264'></a><a href='#FNanchor_264_264'>[264]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 366.</p></div> + +<a name='Footnote_265_265'></a><a href='#FNanchor_265_265'>[265]</a><div class='note'><p> La Marche. II p. 381-387.</p></div> + +<a name='Footnote_266_266'></a><a href='#FNanchor_266_266'>[266]</a><div class='note'><p> La Marche, l.c.; d'Escouchy, II p. 166, 218.</p></div> + +<a name='Footnote_267_267'></a><a href='#FNanchor_267_267'>[267]</a><div class='note'><p> d'Escouchy, II p. 189.</p></div> + +<a name='Footnote_268_268'></a><a href='#FNanchor_268_268'>[268]</a><div class='note'><p> Doutrepont, p. 513.</p></div> + +<a name='Footnote_269_269'></a><a href='#FNanchor_269_269'>[269]</a><div class='note'><p> ib. p. 110, 112.</p></div> + +<a name='Footnote_270_270'></a><a href='#FNanchor_270_270'>[270]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 376.</p></div> + +<a name='Footnote_271_271'></a><a href='#FNanchor_271_271'>[271]</a><div class='note'><p> Hierboven blz. <a href="#123">123</a>.</p></div> + +<a name='Footnote_272_272'></a><a href='#FNanchor_272_272'>[272]</a><div class='note'><p> Chronique de Berne (Molinier no. 3103) bij Kervyn, Froissart, II +p. 531.</p></div> + +<a name='Footnote_273_273'></a><a href='#FNanchor_273_273'>[273]</a><div class='note'><p> d'Escouchy, II p. 220.</p></div> + +<a name='Footnote_274_274'></a><a href='#FNanchor_274_274'>[274]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, X p. 240, 243.</p></div> + +<a name='Footnote_275_275'></a><a href='#FNanchor_275_275'>[275]</a><div class='note'><p> Le livre des faits de Jacques de Lalaing, Chastellain, VIII p. +158-161.</p></div> + +<a name='Footnote_276_276'></a><a href='#FNanchor_276_276'>[276]</a><div class='note'><p> La Marche, IV Estat de la maison p. 34, 47.</p></div> + +<a name='Footnote_277_277'></a><a href='#FNanchor_277_277'>[277]</a><div class='note'><p> Zie mijn verhandeling Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal +besef, de Gids 1912, 1.</p></div> + +<a name='Footnote_278_278'></a><a href='#FNanchor_278_278'>[278]</a><div class='note'><p> Ps. 50, 19 (51, 20).</p></div> + +<a name='Footnote_279_279'></a><a href='#FNanchor_279_279'>[279]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 112; Pierre de Fenin, p. 363; Lefèvre de Saint +Remy, II p. 63; Chastellain, I p. 331.</p></div> + +<a name='Footnote_280_280'></a><a href='#FNanchor_280_280'>[280]</a><div class='note'><p> Zie J.D. Hintzen, De kruistochtplannen van Philips den Goede, +Leidsche dissertatie 1918.</p></div> + +<a name='Footnote_281_281'></a><a href='#FNanchor_281_281'>[281]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 6, 10, 34, 77, 118, 119, 178, 334; IV p. 125, +128, 171, 431, 437, 451, 470; V p. 49.</p></div> + +<a name='Footnote_282_282'></a><a href='#FNanchor_282_282'>[282]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 382.</p></div> + +<a name='Footnote_283_283'></a><a href='#FNanchor_283_283'>[283]</a><div class='note'><p> Uit de voorgeschiedenis van ons nat. besef, de Gids 1912, I.</p></div> + +<a name='Footnote_284_284'></a><a href='#FNanchor_284_284'>[284]</a><div class='note'><p> Monstrelet, I p. 43ss.</p></div> + +<a name='Footnote_285_285'></a><a href='#FNanchor_285_285'>[285]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 219.</p></div> + +<a name='Footnote_286_286'></a><a href='#FNanchor_286_286'>[286]</a><div class='note'><p> Pierre de Fenin, p. 626/7; Monstrelet, IV p. 244; Liber de +Virtutibus, p. 27.</p></div> + +<a name='Footnote_287_287'></a><a href='#FNanchor_287_287'>[287]</a><div class='note'><p> Lefèvre de Saint Remy, II p. 107.</p></div> + +<a name='Footnote_288_288'></a><a href='#FNanchor_288_288'>[288]</a><div class='note'><p> Laborde, I p. 201s.</p></div> + +<a name='Footnote_289_289'></a><a href='#FNanchor_289_289'>[289]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 27, 382.</p></div> + +<a name='Footnote_290_290'></a><a href='#FNanchor_290_290'>[290]</a><div class='note'><p> Bandello, I nov. 39: Filippo duca di Burgogna si mette fuor di +proposito a grandissimo periglio.</p></div> + +<a name='Footnote_291_291'></a><a href='#FNanchor_291_291'>[291]</a><div class='note'><p> F. von Bezold, Aus dem Briefwechsel der Markgräfin Isabella von +Este-Gonzaga, Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 396.</p></div> + +<a name='Footnote_292_292'></a><a href='#FNanchor_292_292'>[292]</a><div class='note'><p> Chastellain. III p. 38-49; La Marche, II p. 400ss.; d'Escouchy, II +p. 300ss.; Corp. chron. Flandr., III p. 525; Petit Dutaillis, Documents +nouveaux, p. 113, 137.—Over een blijkbaar ongevaarlijken vorm van +gerechtelijk tweegevecht: Deschamps IX p. 21.</p></div> + +<a name='Footnote_293_293'></a><a href='#FNanchor_293_293'>[293]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, IV p. 89/94.</p></div> + +<a name='Footnote_294_294'></a><a href='#FNanchor_294_294'>[294]</a><div class='note'><p> Froissart, IV p. 127/8.</p></div> + +<a name='Footnote_295_295'></a><a href='#FNanchor_295_295'>[295]</a><div class='note'><p> Lefèvre de S. Remy, I p. 241.</p></div> + +<a name='Footnote_296_296'></a><a href='#FNanchor_296_296'>[296]</a><div class='note'><p> Froissart, XI p. 3.</p></div> + +<a name='Footnote_297_297'></a><a href='#FNanchor_297_297'>[297]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, III p. 175.</p></div> + +<a name='Footnote_298_298'></a><a href='#FNanchor_298_298'>[298]</a><div class='note'><p> Froissart, XI p. 24ss., VI p. 156.</p></div> + +<a name='Footnote_299_299'></a><a href='#FNanchor_299_299'>[299]</a><div class='note'><p> Ib., IV p. 110, 115. Andere soortgelijke gevechten b.v. Molinier, +Sources, IV no. 3707; Molinet, IV p. 294.</p></div> + +<a name='Footnote_300_300'></a><a href='#FNanchor_300_300'>[300]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 392.</p></div> + +<a name='Footnote_301_301'></a><a href='#FNanchor_301_301'>[301]</a><div class='note'><p> Le Jouvencel, I p. 209, II p. 99, 103.</p></div> + +<a name='Footnote_302_302'></a><a href='#FNanchor_302_302'>[302]</a><div class='note'><p> Froissart, I p. 65. IV p. 49, II p. 32.</p></div> + +<a name='Footnote_303_303'></a><a href='#FNanchor_303_303'>[303]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 140.</p></div> + +<a name='Footnote_304_304'></a><a href='#FNanchor_304_304'>[304]</a><div class='note'><p> Monstrelet, III p. 101; Lefèvre de S. Remy, I p. 247.</p></div> + +<a name='Footnote_305_305'></a><a href='#FNanchor_305_305'>[305]</a><div class='note'><p> Molinet, II p. 36, 48, III p. 98, 453. IV p. 372.</p></div> + +<a name='Footnote_306_306'></a><a href='#FNanchor_306_306'>[306]</a><div class='note'><p> Froissart. III p. 187, XI p. 22.</p></div> + +<a name='Footnote_307_307'></a><a href='#FNanchor_307_307'>[307]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 374.</p></div> + +<a name='Footnote_308_308'></a><a href='#FNanchor_308_308'>[308]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 65.</p></div> + +<a name='Footnote_309_309'></a><a href='#FNanchor_309_309'>[309]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 65.</p></div> + +<a name='Footnote_310_310'></a><a href='#FNanchor_310_310'>[310]</a><div class='note'><p> ib., III p. 111, Lefèvre de S. Remy, I p. 259.</p></div> + +<a name='Footnote_311_311'></a><a href='#FNanchor_311_311'>[311]</a><div class='note'><p> Basin, III p. 57.</p></div> + +<a name='Footnote_312_312'></a><a href='#FNanchor_312_312'>[312]</a><div class='note'><p> Froissart, IV p. 80.</p></div> + +<a name='Footnote_313_313'></a><a href='#FNanchor_313_313'>[313]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 260; La Marche, I p. 89.</p></div> + +<a name='Footnote_314_314'></a><a href='#FNanchor_314_314'>[314]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 55.</p></div> + +<a name='Footnote_315_315'></a><a href='#FNanchor_315_315'>[315]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 82ss.</p></div> + +<a name='Footnote_316_316'></a><a href='#FNanchor_316_316'>[316]</a><div class='note'><p> Froissart, XI p. 58.</p></div> + +<a name='Footnote_317_317'></a><a href='#FNanchor_317_317'>[317]</a><div class='note'><p> Ms. Kroniek van Oudenaarde, bij Rel. de S. Denis, I p.229<sup>1</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_318_318'></a><a href='#FNanchor_318_318'>[318]</a><div class='note'><p> Froissart, IX p. 220, XI p. 202.</p></div> + +<a name='Footnote_319_319'></a><a href='#FNanchor_319_319'>[319]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 259.</p></div> + +<a name='Footnote_320_320'></a><a href='#FNanchor_320_320'>[320]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 324.</p></div> + +<a name='Footnote_321_321'></a><a href='#FNanchor_321_321'>[321]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 28, Commines, I p. 31; vgl. Petit Dutaillis in +Lavisse, Histoire de France, IV<sup>2</sup> p. 33.</p></div> + +<a name='Footnote_322_322'></a><a href='#FNanchor_322_322'>[322]</a><div class='note'><p> Deschamps, IX p. 80, vgl. vs. 2228, 2295, XI p. 173.</p></div> + +<a name='Footnote_323_323'></a><a href='#FNanchor_323_323'>[323]</a><div class='note'><p> Froissart, II p. 37.</p></div> + +<a name='Footnote_324_324'></a><a href='#FNanchor_324_324'>[324]</a><div class='note'><p> La Débat des hérauts d'armes § 86, 87, p. 33.</p></div> + +<a name='Footnote_325_325'></a><a href='#FNanchor_325_325'>[325]</a><div class='note'><p> Livre des faits, bij Chastellain, VIII p. 252<sup>2</sup> en xix.</p></div> + +<a name='Footnote_326_326'></a><a href='#FNanchor_326_326'>[326]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XI p. 24.</p></div> + +<a name='Footnote_327_327'></a><a href='#FNanchor_327_327'>[327]</a><div class='note'><p> Froissart, IV p. 83, ed. Kerv., XI p. 4.</p></div> + +<a name='Footnote_328_328'></a><a href='#FNanchor_328_328'>[328]</a><div class='note'><p> Deschamps, IV no. 785, p. 289.</p></div> + +<a name='Footnote_329_329'></a><a href='#FNanchor_329_329'>[329]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 217.</p></div> + +<a name='Footnote_330_330'></a><a href='#FNanchor_330_330'>[330]</a><div class='note'><p> Le Songe véritable, Mém. de la soc. de l'hist. de Paris, t. XVII +p. 325, bij Raynaud, Les cent ballades, p. 1v<sup>1</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_331_331'></a><a href='#FNanchor_331_331'>[331]</a><div class='note'><p> Commines, I, p. 295.</p></div> + +<a name='Footnote_332_332'></a><a href='#FNanchor_332_332'>[332]</a><div class='note'><p> Livre messires Geoffroi de Charny, Romania XXVI.</p></div> + +<a name='Footnote_333_333'></a><a href='#FNanchor_333_333'>[333]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 36-42, 86, 164.</p></div> + +<a name='Footnote_334_334'></a><a href='#FNanchor_334_334'>[334]</a><div class='note'><p> Froissart, IV p. 70, 302; vgl. ed. Kervyn de Lettenhove, Bruxelles +1869-1877, 26 vol., V p. 513.</p></div> + +<a name='Footnote_335_335'></a><a href='#FNanchor_335_335'>[335]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervya, XV p. 227.</p></div> + +<a name='Footnote_336_336'></a><a href='#FNanchor_336_336'>[336]</a><div class='note'><p> Doutrepont, p. 112.</p></div> + +<a name='Footnote_337_337'></a><a href='#FNanchor_337_337'>[337]</a><div class='note'><p> Emerson, Nature, ed. Routledge, 1881, p. 230/1.</p></div> + +<a name='Footnote_338_338'></a><a href='#FNanchor_338_338'>[338]</a><div class='note'><p> A. Piaget, Romania, XXVII 1898, p. 63.</p></div> + +<a name='Footnote_339_339'></a><a href='#FNanchor_339_339'>[339]</a><div class='note'><p> Lez ru = bij een beek, o = met, bij, matton = roomkaas, aulx = +knoflook, escaillongne = sjalot.</p></div> + +<a name='Footnote_340_340'></a><a href='#FNanchor_340_340'>[340]</a><div class='note'><p> Jame = gemme.</p></div> + +<a name='Footnote_341_341'></a><a href='#FNanchor_341_341'>[341]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 315, III p. 1.</p></div> + +<a name='Footnote_342_342'></a><a href='#FNanchor_342_342'>[342]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 161, no.65, vgl. I p. 78 no. 7, p. 175 no. 75.</p></div> + +<a name='Footnote_343_343'></a><a href='#FNanchor_343_343'>[343]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 1287, 1288, 1289. VII p. 33, vgl. no. 178, I p. 313.</p></div> + +<a name='Footnote_344_344'></a><a href='#FNanchor_344_344'>[344]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 240, II p. 71, vgl., no. 196, II p. 15.</p></div> + +<a name='Footnote_345_345'></a><a href='#FNanchor_345_345'>[345]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 184, I p. 320. Chartons = voerman, ouvrant = werkende.</p></div> + +<a name='Footnote_346_346'></a><a href='#FNanchor_346_346'>[346]</a><div class='note'><p> Deschamps no. 1124, no. 307, VI p. 41, II p. 213, Lai de +franchise.</p></div> + +<a name='Footnote_347_347'></a><a href='#FNanchor_347_347'>[347]</a><div class='note'><p> Vgl. verder Deschamps, no. 199, 200, 201, 258, 291, 970, 973, +1017, 1018, 1021, 1201, 1258.</p></div> + +<a name='Footnote_348_348'></a><a href='#FNanchor_348_348'>[348]</a><div class='note'><p> Deschamps, XI p. 94.</p></div> + +<a name='Footnote_349_349'></a><a href='#FNanchor_349_349'>[349]</a><div class='note'><p> Romania XXVII 1898, p. 64.</p></div> + +<a name='Footnote_350_350'></a><a href='#FNanchor_350_350'>[350]</a><div class='note'><p> N. de Clemanges, Opera ed. 1613, Epistolae no. 14, p. 57, no. 18, +p. 72, no. 104, p. 296.</p></div> + +<a name='Footnote_351_351'></a><a href='#FNanchor_351_351'>[351]</a><div class='note'><p> Joh. de <a name='Monasteriolo'></a>Monasteriolo. Epistolae, Martène & Durand, Ampl. +Collectio. II. c. 1398.</p></div> + +<a name='Footnote_352_352'></a><a href='#FNanchor_352_352'>[352]</a><div class='note'><p> Ib. c. 1459.</p></div> + +<a name='Footnote_353_353'></a><a href='#FNanchor_353_353'>[353]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, Oeuvres ed. Duchesne, 1617, p. 391.</p></div> + +<a name='Footnote_354_354'></a><a href='#FNanchor_354_354'>[354]</a><div class='note'><p> Zie Thuasne. I p. 37, II p. 202.</p></div> + +<a name='Footnote_355_355'></a><a href='#FNanchor_355_355'>[355]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, IV p. 73, vgl. Thuasne, II +p. 204.</p></div> + +<a name='Footnote_356_356'></a><a href='#FNanchor_356_356'>[356]</a><div class='note'><p> Meschinot, ed. 1522, f. 94, bij La Borderie, Bibl. de l'Ec. des +Chartes, LVI, 1895, p. 313.</p></div> + +<a name='Footnote_357_357'></a><a href='#FNanchor_357_357'>[357]</a><div class='note'><p> Vgl. Thuasne, l.c., p. 205.</p></div> + +<a name='Footnote_358_358'></a><a href='#FNanchor_358_358'>[358]</a><div class='note'><p> Aldus wil de nieuwste uitgever van den Roman de la rose, +E. Langlois, den naam herstellen.</p></div> + +<a name='Footnote_359_359'></a><a href='#FNanchor_359_359'>[359]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 165.</p></div> + +<a name='Footnote_360_360'></a><a href='#FNanchor_360_360'>[360]</a><div class='note'><p> Basin, II p. 224.</p></div> + +<a name='Footnote_361_361'></a><a href='#FNanchor_361_361'>[361]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 350<sup>2</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_362_362'></a><a href='#FNanchor_362_362'>[362]</a><div class='note'><p> Froissart, IX p. 223-236; Deschamps, VII no. 1282.</p></div> + +<a name='Footnote_363_363'></a><a href='#FNanchor_363_363'>[363]</a><div class='note'><p> Cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 15, vgl. I p. 277, II +p. 20, 168 etc. en Quinze joyes de mariage, passim.</p></div> + +<a name='Footnote_364_364'></a><a href='#FNanchor_364_364'>[364]</a><div class='note'><p> Petit de Julleville, Jean Regnier, bailli d'Auxerre, Revue d'hist. +litt. de la France, 1895 p. 157, bij Doutrepont, p. 383; vgl. Deschamps, +VIII p. 43.</p></div> + +<a name='Footnote_365_365'></a><a href='#FNanchor_365_365'>[365]</a><div class='note'><p> H.F. Wirth, Der Untergang des niederländischen Volksliedes, Haag, +1911.</p></div> + +<a name='Footnote_366_366'></a><a href='#FNanchor_366_366'>[366]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI p. 112, no. 1169, La leçon de musique.</p></div> + +<a name='Footnote_367_367'></a><a href='#FNanchor_367_367'>[367]</a><div class='note'><p> <a name='Charles'></a>Charles d'Orléans, Poésies complètes, Paris 1874, 2 vol., I p. 12. +42.</p></div> + +<a name='Footnote_368_368'></a><a href='#FNanchor_368_368'>[368]</a><div class='note'><p> ib. p. 88.</p></div> + +<a name='Footnote_369_369'></a><a href='#FNanchor_369_369'>[369]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI p. 82, no 1151; zie b.v. V p. 132, no. 926, IX p. +94, c. 31, VI p. 138, no. 1184, XI 18, no. 1438, en XI p. 269, 286<sup>1</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_370_370'></a><a href='#FNanchor_370_370'>[370]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, l'Epistre au dieu d'amours, Oeuvres poétiques, +ed. M. Roy, II p. 1.</p></div> + +<a name='Footnote_371_371'></a><a href='#FNanchor_371_371'>[371]</a><div class='note'><p> Martène et Durand, Amplissima Collectio, II col. 1421.</p></div> + +<a name='Footnote_372_372'></a><a href='#FNanchor_372_372'>[372]</a><div class='note'><p> Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. coll., +II p. 1409, 1421, 1422.</p></div> + +<a name='Footnote_373_373'></a><a href='#FNanchor_373_373'>[373]</a><div class='note'><p> Piaget, Etudes romanes dédiées à Gaston Paris, p. 119.</p></div> + +<a name='Footnote_374_374'></a><a href='#FNanchor_374_374'>[374]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, III p. 297; id. Considérations sur St. Joseph, III +p. 866; Sermo contra luxuriem, III p. 923, 925, 930, 968.</p></div> + +<a name='Footnote_375_375'></a><a href='#FNanchor_375_375'>[375]</a><div class='note'><p> Volgens Gerson. De brief van Pierre Col, bewaard in een hs. der +Bibl. nationale, mss. français 1563 f. 183, was mij niet toegankelijk.</p></div> + +<a name='Footnote_376_376'></a><a href='#FNanchor_376_376'>[376]</a><div class='note'><p> Bibl. de l'école des chartes LX 1899. p. 569.</p></div> + +<a name='Footnote_377_377'></a><a href='#FNanchor_377_377'>[377]</a><div class='note'><p> E. Langlois, Le Roman de la rose (Société des anciens textes +français) 1914, t. I Introduction, p. 36.</p></div> + +<a name='Footnote_378_378'></a><a href='#FNanchor_378_378'>[378]</a><div class='note'><p> A. Piaget, La cour amoureuse dite de Charles VI, Romania, XX p. +417, XXXI p. 599, Doutrepont, p. 367.</p></div> + +<a name='Footnote_379_379'></a><a href='#FNanchor_379_379'>[379]</a><div class='note'><p> Leroux de Lincy, Tentative de rapt etc. en 1405, Bibl. de l'école +des chartes, 2<sup>e</sup> serie, III 1846, p. 316.</p></div> + +<a name='Footnote_380_380'></a><a href='#FNanchor_380_380'>[380]</a><div class='note'><p> Piaget, Romania. XX p. 447.</p></div> + +<a name='Footnote_381_381'></a><a href='#FNanchor_381_381'>[381]</a><div class='note'><p> Rabelais, Gargantua, 1. I. ch. 9.</p></div> + +<a name='Footnote_382_382'></a><a href='#FNanchor_382_382'>[382]</a><div class='note'><p> Guillaume de <a name='Machaut'></a>Machaut, Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris. (Société +des bibliophiles françois 1875), p. 82, 213, 214, 240, 299, 309, 313, 347, 351.</p></div> + +<a name='Footnote_383_383'></a><a href='#FNanchor_383_383'>[383]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 496.</p></div> + +<a name='Footnote_384_384'></a><a href='#FNanchor_384_384'>[384]</a><div class='note'><p> Rabelais, Gargantua, 1. I ch. 9.</p></div> + +<a name='Footnote_385_385'></a><a href='#FNanchor_385_385'>[385]</a><div class='note'><p> Coquillart, Droits nouveaux, I p. 111.</p></div> + +<a name='Footnote_386_386'></a><a href='#FNanchor_386_386'>[386]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, I p. 187ss.</p></div> + +<a name='Footnote_387_387'></a><a href='#FNanchor_387_387'>[387]</a><div class='note'><p> E. Hoepffner, Frage- und Antwortspiele in der franz. Literatur des +14. Jahrh., Zeitschr. f. roman. Philologie, XXXIII 1909, p. 695, 703.</p></div> + +<a name='Footnote_388_388'></a><a href='#FNanchor_388_388'>[388]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Le dit de la rose vs. 75, Oeuvres poétiques, +II p. 31.</p></div> + +<a name='Footnote_389_389'></a><a href='#FNanchor_389_389'>[389]</a><div class='note'><p> Machaut, Remede de fortune vs. 3879ss., Oeuvres, ed. E. Hoepffner +(Soc. des anc. textes français) 1908/11, 2 vol., II p. 142.</p></div> + +<a name='Footnote_390_390'></a><a href='#FNanchor_390_390'>[390]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Le livre des trois jugements, Oeuvres +poétiques II p. 111.</p></div> + +<a name='Footnote_391_391'></a><a href='#FNanchor_391_391'>[391]</a><div class='note'><p> Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris, Société des bibliophiles +françois, 1875. De hypothese, dat er geen reëele liefdesgeschiedenis aan +het werk van Machaut ten grondslag zou liggen (aldus Hanf, Zeitschr. f. +Rom. Phil. XXII p. 145), mist elken grond.</p></div> + +<a name='Footnote_392_392'></a><a href='#FNanchor_392_392'>[392]</a><div class='note'><p> Een kasteel bij Château Thierry.</p></div> + +<a name='Footnote_393_393'></a><a href='#FNanchor_393_393'>[393]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, lettre II p. 20.</p></div> + +<a name='Footnote_394_394'></a><a href='#FNanchor_394_394'>[394]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, lettre XXVII p. 203.</p></div> + +<a name='Footnote_395_395'></a><a href='#FNanchor_395_395'>[395]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, p. 20, 96, 146, 154, 162.</p></div> + +<a name='Footnote_396_396'></a><a href='#FNanchor_396_396'>[396]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, p. 371.</p></div> + +<a name='Footnote_397_397'></a><a href='#FNanchor_397_397'>[397]</a><div class='note'><p> De kus met een blad ter isoleering komt meer voor: vgl. Le grand +garde derrière, str. 6, W.G.C. Bijvanck, Un poète inconnu de la société +de François Villon, Paris, Champion, 1891, p. 27.</p></div> + +<a name='Footnote_398_398'></a><a href='#FNanchor_398_398'>[398]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, p. 143, 144.</p></div> + +<a name='Footnote_399_399'></a><a href='#FNanchor_399_399'>[399]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, p. 110.</p></div> + +<a name='Footnote_400_400'></a><a href='#FNanchor_400_400'>[400]</a><div class='note'><p> Zie hierboven p. <a href="#66">66</a>.</p></div> + +<a name='Footnote_401_401'></a><a href='#FNanchor_401_401'>[401]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, p. 98, 70.</p></div> + +<a name='Footnote_402_402'></a><a href='#FNanchor_402_402'>[402]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon +(Bibl. elzevirienne) 1854.</p></div> + +<a name='Footnote_403_403'></a><a href='#FNanchor_403_403'>[403]</a><div class='note'><p> p. 245 (zie Hoofdstuk IV, noot <a href="#FNanchor_464_464">464</a>)</p></div> + +<a name='Footnote_404_404'></a><a href='#FNanchor_404_404'>[404]</a><div class='note'><p> p. <a href="#28">28</a> (tekst volgend op noot 44, hoofdstuk I. M.D.)</p></div> + +<a name='Footnote_405_405'></a><a href='#FNanchor_405_405'>[405]</a><div class='note'><p> p. 45 (zie Hoofdstuk II, noot <a href="#FNanchor_71_71">71</a>)</p></div> + +<a name='Footnote_406_406'></a><a href='#FNanchor_406_406'>[406]</a><div class='note'><p> De zin is geheel onlogisch (pensée ... fait penser ... à pensiers) +en loopt niet rond; vat op: nergens zoo dikwijls, als in de kerk.</p></div> + +<a name='Footnote_407_407'></a><a href='#FNanchor_407_407'>[407]</a><div class='note'><p> p. 249, p. 252 (zie hoofdstuk IV, noot <a href="#FNanchor_481_481">481</a>)</p></div> + +<a name='Footnote_408_408'></a><a href='#FNanchor_408_408'>[408]</a><div class='note'><p> Recollection des merveilles, bij Chastellain VII p. 200; vergelijk +de beschrijving der Joutes de Saint Ingelevert in een gedicht, vermeld +bij Froissart ed. Kervyn, XIV p. 406.</p></div> + +<a name='Footnote_409_409'></a><a href='#FNanchor_409_409'>[409]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet, ed. Kervyn de Lettenhove, (Chron. rel. à l'hist. de +Belg. sous la dom. des ducs de Bourg.) II p. 573.</p></div> + +<a name='Footnote_410_410'></a><a href='#FNanchor_410_410'>[410]</a><div class='note'><p> Meschinot, Les Lunettes des princes, bij La Borderie l.c., p. 606.</p></div> + +<a name='Footnote_411_411'></a><a href='#FNanchor_411_411'>[411]</a><div class='note'><p> La Marche, III p. 135, 137.</p></div> + +<a name='Footnote_412_412'></a><a href='#FNanchor_412_412'>[412]</a><div class='note'><p> Molinet, IV p. 389.</p></div> + +<a name='Footnote_413_413'></a><a href='#FNanchor_413_413'>[413]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 190, 194; III p. 138; vgl. Juvenal des Ursins, p. +382.</p></div> + +<a name='Footnote_414_414'></a><a href='#FNanchor_414_414'>[414]</a><div class='note'><p> Deschamps, II p. 213. Lay de franchise; vgl. Chr. de Pisan, Le dit +de la Pastoure, Le Pastoralet, roi René, Regnault et Jehanneton, Martial +d'Auvergne, Vigilles du roi Charles VII, etc., etc.</p></div> + +<a name='Footnote_415_415'></a><a href='#FNanchor_415_415'>[415]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 923, vgl. XI p. 322.</p></div> + +<a name='Footnote_416_416'></a><a href='#FNanchor_416_416'>[416]</a><div class='note'><p> Villon, ed. Longnon, p. 83.</p></div> + +<a name='Footnote_417_417'></a><a href='#FNanchor_417_417'>[417]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, III p. 302.</p></div> + +<a name='Footnote_418_418'></a><a href='#FNanchor_418_418'>[418]</a><div class='note'><p> L'epistre au dieu d'amours, II p. 14.</p></div> + +<a name='Footnote_419_419'></a><a href='#FNanchor_419_419'>[419]</a><div class='note'><p> Quinze joyes de mariage, p. 222.</p></div> + +<a name='Footnote_420_420'></a><a href='#FNanchor_420_420'>[420]</a><div class='note'><p> Oeuvres poétiques, I p. 237, no. 26.</p></div> + +<a name='Footnote_421_421'></a><a href='#FNanchor_421_421'>[421]</a><div class='note'><p> Directorium vitae nobilium, Dionysii Opera, t. XXXVII, p. 550; +t. XXXVIII p. 358.</p></div> + +<a name='Footnote_422_422'></a><a href='#FNanchor_422_422'>[422]</a><div class='note'><p> Bernardi Morlanensis, De contemptu mundi, ed. Th. Wright, The +Anglo-latin satirical poets and epigrammatists of the twelfth century +(Rerum Britannicarum medii aevi scriptores), London, 1872, 2 vol., II p. +37.</p></div> + +<a name='Footnote_423_423'></a><a href='#FNanchor_423_423'>[423]</a><div class='note'><p> Vroeger toegeschreven aan Bernard van Clairvaux, door sommigen voor +het werk van Walter Mapes gehouden; vgl. H.L. Daniel, Thesaurus +hymnologicus, Lipsiae 1841-1856, IV p. 288.</p></div> + +<a name='Footnote_424_424'></a><a href='#FNanchor_424_424'>[424]</a><div class='note'><p> Deschamps, III no. 330, 345, 368, 399.—Gerson, Sermo III de +defunctis, Opera, III p. 1568; Dion. Cart. De quatuor hominum +novissimis, Opera, t. XLI p. 511; Chastellain, VI p. 52.</p></div> + +<a name='Footnote_425_425'></a><a href='#FNanchor_425_425'>[425]</a><div class='note'><p> Villon, ed. Longnon, p. 33.</p></div> + +<a name='Footnote_426_426'></a><a href='#FNanchor_426_426'>[426]</a><div class='note'><p> Ib. p. 34.</p></div> + +<a name='Footnote_427_427'></a><a href='#FNanchor_427_427'>[427]</a><div class='note'><p> Emile Mâle, l'Art religieux à la fin du moyen âge, Paris, 1908, +p. 376.</p></div> + +<a name='Footnote_428_428'></a><a href='#FNanchor_428_428'>[428]</a><div class='note'><p> Zie mijn De Vidûshaka in het Indisch tooneel, Groningen, 1897, +p. 77.</p></div> + +<a name='Footnote_429_429'></a><a href='#FNanchor_429_429'>[429]</a><div class='note'><p> Odo van Cluny, Collationum lib. III, Migne t. CXXXIII, p. 556.</p></div> + +<a name='Footnote_430_430'></a><a href='#FNanchor_430_430'>[430]</a><div class='note'><p> Innocentius III, de contemptu mundi sive de miseria conditionis +humanae libri tres, Migne t. CCXVII p. 702. Het tractaat is overigens +uit den tijd vóór zijn pausschap.</p></div> + +<a name='Footnote_431_431'></a><a href='#FNanchor_431_431'>[431]</a><div class='note'><p> Ib. p. 713.</p></div> + +<a name='Footnote_432_432'></a><a href='#FNanchor_432_432'>[432]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes I p. cl. Na den 5<sup>en</sup> den +8<sup>en</sup> regel schijnt een vers te ontbreken; waarschijnlijk rijmde op +"menu vair" "mangé des vers" of iets dergelijks.</p></div> + +<a name='Footnote_433_433'></a><a href='#FNanchor_433_433'>[433]</a><div class='note'><p> Olivier de la Marche, Le Parement et triumphe des dames, Paris, +Michel le Noir, 1520, aan het slot.</p></div> + +<a name='Footnote_434_434'></a><a href='#FNanchor_434_434'>[434]</a><div class='note'><p> Ib.</p></div> + +<a name='Footnote_435_435'></a><a href='#FNanchor_435_435'>[435]</a><div class='note'><p> Uitgevallen.</p></div> + +<a name='Footnote_436_436'></a><a href='#FNanchor_436_436'>[436]</a><div class='note'><p> Villon, Testament, vs. 453 ss., ed. Longnon, p. 39.</p></div> + +<a name='Footnote_437_437'></a><a href='#FNanchor_437_437'>[437]</a><div class='note'><p> H. Kern, Het lied van Ambapâlî uit de Therîgâthâ, Versl. en Meded. +der Kon. Akad. v. wetenschappen<sup>6</sup> III p. 153, 1917.</p></div> + +<a name='Footnote_438_438'></a><a href='#FNanchor_438_438'>[438]</a><div class='note'><p> Molinet, Faictz et dictz, fo. 4, fo. 42v.</p></div> + +<a name='Footnote_439_439'></a><a href='#FNanchor_439_439'>[439]</a><div class='note'><p> Proces over de zaligverklaring van Pieter van Luxemburg, 1390, +Acta sanctorum Julii, I p. 562.</p></div> + +<a name='Footnote_440_440'></a><a href='#FNanchor_440_440'>[440]</a><div class='note'><p> Les Grandes chroniques de France, ed. Paulin Paris, Paris +1836-'38, 6 vol., VI p. 334.</p></div> + +<a name='Footnote_441_441'></a><a href='#FNanchor_441_441'>[441]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 567; Journal d'un bourgeois, p. 237, 307, +671; Lefèvre de S. Remy, I p. 260.</p></div> + +<a name='Footnote_442_442'></a><a href='#FNanchor_442_442'>[442]</a><div class='note'><p> Zie over dit alles Emile Male, l'Art religieux à la fin du +moyen-age, II, 2 La Mort.</p></div> + +<a name='Footnote_443_443'></a><a href='#FNanchor_443_443'>[443]</a><div class='note'><p> Laborde, II. I, 393.</p></div> + +<a name='Footnote_444_444'></a><a href='#FNanchor_444_444'>[444]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 203.</p></div> + +<a name='Footnote_445_445'></a><a href='#FNanchor_445_445'>[445]</a><div class='note'><p> Eenige reproducties bij Mâle t.a.p. en in Gazette des beaux arts +1918, avril-juin p. 167.</p></div> + +<a name='Footnote_446_446'></a><a href='#FNanchor_446_446'>[446]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi René, I p. clii.</p></div> + +<a name='Footnote_447_447'></a><a href='#FNanchor_447_447'>[447]</a><div class='note'><p> Chastellain, Le pas de la mort, VI p. 59.</p></div> + +<a name='Footnote_448_448'></a><a href='#FNanchor_448_448'>[448]</a><div class='note'><p> Vgl. Innocentius III, de contemptu mundi, II c. 42; Dion. Cart. de +IV hominum novissimis, t. XLI p. 496.</p></div> + +<a name='Footnote_449_449'></a><a href='#FNanchor_449_449'>[449]</a><div class='note'><p> Oeuvres, VI p. 49.</p></div> + +<a name='Footnote_450_450'></a><a href='#FNanchor_450_450'>[450]</a><div class='note'><p> T.a. p. 60.</p></div> + +<a name='Footnote_451_451'></a><a href='#FNanchor_451_451'>[451]</a><div class='note'><p> Villon, Testament, XLI, vs.321-328, ed. Longnon, p. 33.</p></div> + +<a name='Footnote_452_452'></a><a href='#FNanchor_452_452'>[452]</a><div class='note'><p> Champion, Villon, 1 p. 303.</p></div> + +<a name='Footnote_453_453'></a><a href='#FNanchor_453_453'>[453]</a><div class='note'><p> Mâle l.c. p. 389.</p></div> + +<a name='Footnote_454_454'></a><a href='#FNanchor_454_454'>[454]</a><div class='note'><p> Leroux de Lincy, Livre des légendes, p. 95.</p></div> + +<a name='Footnote_455_455'></a><a href='#FNanchor_455_455'>[455]</a><div class='note'><p> Le livre des faits etc., II p. 184.</p></div> + +<a name='Footnote_456_456'></a><a href='#FNanchor_456_456'>[456]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, I p. 233/4, 392, 276. Zie verder Champion, +Villon, I p. 306.</p></div> + +<a name='Footnote_457_457'></a><a href='#FNanchor_457_457'>[457]</a><div class='note'><p> A. de la Salle, Le Reconfort de Madame du <a name='Fresne'></a>Fresne, ed. J. Nève, +Paris. 1903.</p></div> + +<a name='Footnote_458_458'></a><a href='#FNanchor_458_458'>[458]</a><div class='note'><p> J. Burckhardt, Weltgeschichtliche Betrachtungen, 1905, S. 97, 147.</p></div> + +<a name='Footnote_459_459'></a><a href='#FNanchor_459_459'>[459]</a><div class='note'><p> Heinrich <a name='Seuse'></a>Seuse, Leben, ed. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, 1907, +p. 24, 25.</p></div> + +<a name='Footnote_460_460'></a><a href='#FNanchor_460_460'>[460]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, III p. 309.</p></div> + +<a name='Footnote_461_461'></a><a href='#FNanchor_461_461'>[461]</a><div class='note'><p> Nic. de Clemanges, De novis festivitatibus non instituendis, +Opera, ed. Lydius, Lugd. Bat. 1613, p. 151, 159.</p></div> + +<a name='Footnote_462_462'></a><a href='#FNanchor_462_462'>[462]</a><div class='note'><p> Bij Gerson, Opera, II p. 911.</p></div> + +<a name='Footnote_463_463'></a><a href='#FNanchor_463_463'>[463]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum Apr. t. III p. 149.</p></div> + +<a name='Footnote_464_464'></a><a href='#FNanchor_464_464'>[464]</a><div class='note'><p> ac aliis vere pauperibus et miserabilibus indigentibus, quibus +convenit jus et verus titulus mendicandi.</p></div> + +<a name='Footnote_465_465'></a><a href='#FNanchor_465_465'>[465]</a><div class='note'><p> qui ecclesiam suis mendaciis maculant et eam irrisibilem reddunt.</p></div> + +<a name='Footnote_466_466'></a><a href='#FNanchor_466_466'>[466]</a><div class='note'><p> Alanus Redivivus, ed. J. Coppenstein, 1642, p. 77.</p></div> + +<a name='Footnote_467_467'></a><a href='#FNanchor_467_467'>[467]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 310; Chastellain, V p. 27; Le Jouvencel, I p. 82; +Jean Lud, in Deutsche Geschichtsblätter, XV p. 248; Journal d'un +bourgeois, p. 384; Paston Letters, II p. 18; J. H. Ramsay, Lancaster and +York, II p. 275; Play of sir John Oldcastle, II p. 2 enz.</p></div> + +<a name='Footnote_468_468'></a><a href='#FNanchor_468_468'>[468]</a><div class='note'><p> Contra superstitionem praesertim Innocentum, Gerson, Opera, I p. +203.</p></div> + +<a name='Footnote_469_469'></a><a href='#FNanchor_469_469'>[469]</a><div class='note'><p> Gerson, Quaedam argumentatio adversus eos qui publice volunt +dogmatizare etc. Opera, II p. 521/522.</p></div> + +<a name='Footnote_470_470'></a><a href='#FNanchor_470_470'>[470]</a><div class='note'><p> Johannis de Varennis Responsiones etc., Gerson, I p. 909.</p></div> + +<a name='Footnote_471_471'></a><a href='#FNanchor_471_471'>[471]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 259. Voor "une hucque vermeille par +dessoubz" zal "par dessus" te lezen zijn.</p></div> + +<a name='Footnote_472_472'></a><a href='#FNanchor_472_472'>[472]</a><div class='note'><p> Contra vanam curiositatem, Opera, I p. 86.</p></div> + +<a name='Footnote_473_473'></a><a href='#FNanchor_473_473'>[473]</a><div class='note'><p> Considérations sur saint Joseph, III p. 842/68. Josephina IV p. +753; Sermo de natalitate beatae Mariae Virginis, III p. 1351; verder IV +p. 729, 731, 732, 735, 736.</p></div> + +<a name='Footnote_474_474'></a><a href='#FNanchor_474_474'>[474]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 50.</p></div> + +<a name='Footnote_475_475'></a><a href='#FNanchor_475_475'>[475]</a><div class='note'><p> C. Schmidt, Der Prediger Olivier Maillard, Zeitschr. f. hist. +Theologie, 1856, p. 501.</p></div> + +<a name='Footnote_476_476'></a><a href='#FNanchor_476_476'>[476]</a><div class='note'><p> Zie Thuasne, Rob. Gaguini Ep. et Or., I p. 72ss.</p></div> + +<a name='Footnote_477_477'></a><a href='#FNanchor_477_477'>[477]</a><div class='note'><p> Les cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 75ss. 122ss.</p></div> + +<a name='Footnote_478_478'></a><a href='#FNanchor_478_478'>[478]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour-Landry, ed. de Montaiglon, p. 56.</p></div> + +<a name='Footnote_479_479'></a><a href='#FNanchor_479_479'>[479]</a><div class='note'><p> L.c., p. 257; "Se elles ouyssent sonner la messe ou à veoir Dieu."</p></div> + +<a name='Footnote_480_480'></a><a href='#FNanchor_480_480'>[480]</a><div class='note'><p> Leroux de Lincy, Le livre des Proverbes français<sup>2</sup>, Paris, 1859, +2 vol., I p. 21.</p></div> + +<a name='Footnote_481_481'></a><a href='#FNanchor_481_481'>[481]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, V p. 24.</p></div> + +<a name='Footnote_482_482'></a><a href='#FNanchor_482_482'>[482]</a><div class='note'><p> "Cum juramento asseruit non credere in Deum dicti episcopi," Rel. +de S. Denis, I p. 102.</p></div> + +<a name='Footnote_483_483'></a><a href='#FNanchor_483_483'>[483]</a><div class='note'><p> Laborde, II p. 264. no. 4238. Inventaris van 1420; ib. II p. 10 +no. 77, Inventaris van Karel den Stoute, waar wel sprake zal zijn van +hetzelfde exemplaar.</p></div> + +<a name='Footnote_484_484'></a><a href='#FNanchor_484_484'>[484]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, III p. 947.</p></div> + +<a name='Footnote_485_485'></a><a href='#FNanchor_485_485'>[485]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 366<sup>2</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_486_486'></a><a href='#FNanchor_486_486'>[486]</a><div class='note'><p> Een nederl. aflaatbrief uit de 14<sup>e</sup> eeuw, ed. J. Verdam, Ned. +Archief voor Kerkgesch. 1900, p. 117-122.</p></div> + +<a name='Footnote_487_487'></a><a href='#FNanchor_487_487'>[487]</a><div class='note'><p> A. Eekhof, De questierders van den aflaat in de Noordelijke +Nederl., 's Grav. 1909, p. 12.</p></div> + +<a name='Footnote_488_488'></a><a href='#FNanchor_488_488'>[488]</a><div class='note'><p> Chastellain, Ip. 187/89: intocht van Hendrik V en Philips van +Bourgondië te Parijs in 1420; II p. 16: intocht van den laatste te Gent +in 1430.</p></div> + +<a name='Footnote_489_489'></a><a href='#FNanchor_489_489'>[489]</a><div class='note'><p> Doutrepont, p. 379.</p></div> + +<a name='Footnote_490_490'></a><a href='#FNanchor_490_490'>[490]</a><div class='note'><p> Deschamps, III p. 89 no. 357; le roi René, Traicté de la forme et +devise d'un tournoy. Oeuvres, II p. 9.</p></div> + +<a name='Footnote_491_491'></a><a href='#FNanchor_491_491'>[491]</a><div class='note'><p> Olivier de la Marche. II p. 202.</p></div> + +<a name='Footnote_492_492'></a><a href='#FNanchor_492_492'>[492]</a><div class='note'><p> Monstrelet, I p. 285. cf. 306.</p></div> + +<a name='Footnote_493_493'></a><a href='#FNanchor_493_493'>[493]</a><div class='note'><p> Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, p. 13, 16, (Chron. +rel. à l'hist. de la Belgique sous la dom. des ducs de Bourg. II).</p></div> + +<a name='Footnote_494_494'></a><a href='#FNanchor_494_494'>[494]</a><div class='note'><p> Molinet, II p. 84-94, III p. 98, Faictz et Dictz, fo. 47, vgl. I +p. 240, en ook Chastellain, III p. 209, 260, IV p. 48, V p. 301, VII +p. 1ss.</p></div> + +<a name='Footnote_495_495'></a><a href='#FNanchor_495_495'>[495]</a><div class='note'><p> Molinet, III p. 109.</p></div> + +<a name='Footnote_496_496'></a><a href='#FNanchor_496_496'>[496]</a><div class='note'><p> Gerson, Oratio ad regem Franciae, Opera, IV p. 662.</p></div> + +<a name='Footnote_497_497'></a><a href='#FNanchor_497_497'>[497]</a><div class='note'><p> Quinze joyes de Mariage, p. xiii.</p></div> + +<a name='Footnote_498_498'></a><a href='#FNanchor_498_498'>[498]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, III p. 299.</p></div> + +<a name='Footnote_499_499'></a><a href='#FNanchor_499_499'>[499]</a><div class='note'><p> Friedländer, Jahrb. d. K. Preuss. Kunstsammlungen, XVII. 1896, +p. 206.</p></div> + +<a name='Footnote_500_500'></a><a href='#FNanchor_500_500'>[500]</a><div class='note'><p> Wetzer und Welte, Kirchenlexikon, s. v. Musik, col., 2040.</p></div> + +<a name='Footnote_501_501'></a><a href='#FNanchor_501_501'>[501]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 155.</p></div> + +<a name='Footnote_502_502'></a><a href='#FNanchor_502_502'>[502]</a><div class='note'><p> H. van den Velden, Rod. Agricola, een Nederlandsen humanist der +vijftiende eeuw, 1<sup>e</sup> dl., Leiden 1911, p. 44.</p></div> + +<a name='Footnote_503_503'></a><a href='#FNanchor_503_503'>[503]</a><div class='note'><p> Deschamps, X no. 33, p. xli. In den voorlaatsten regel staat +"l'ostel", wat natuurlijk geen zin geeft.</p></div> + +<a name='Footnote_504_504'></a><a href='#FNanchor_504_504'>[504]</a><div class='note'><p> Nic. de Clemanges, De novis celebritatibus non instituendis, +Opera, ed. Lydius, 1613, p. 143.</p></div> + +<a name='Footnote_505_505'></a><a href='#FNanchor_505_505'>[505]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 66, 70.</p></div> + +<a name='Footnote_506_506'></a><a href='#FNanchor_506_506'>[506]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 946, 947.</p></div> + +<a name='Footnote_507_507'></a><a href='#FNanchor_507_507'>[507]</a><div class='note'><p> Nic. de Clemangiis, l.c., p. 147.</p></div> + +<a name='Footnote_508_508'></a><a href='#FNanchor_508_508'>[508]</a><div class='note'><p> O. Winckelmann, Zur Kulturgesch. des Strassburger Münsters, +Zeitschr. f. d. Gesch. des Oberrheins NF XXII 2.</p></div> + +<a name='Footnote_509_509'></a><a href='#FNanchor_509_509'>[509]</a><div class='note'><p> Dionysius Cartusianus, De modo agendi processiones etc., Opera, +XXXVI p. 198s.</p></div> + +<a name='Footnote_510_510'></a><a href='#FNanchor_510_510'>[510]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 253ss.</p></div> + +<a name='Footnote_511_511'></a><a href='#FNanchor_511_511'>[511]</a><div class='note'><p> Hierboven p. 66. (zie Hoofdstuk II, noot 100)</p></div> + +<a name='Footnote_512_512'></a><a href='#FNanchor_512_512'>[512]</a><div class='note'><p> Michel Menot, Sermones f. 144vs., bij Champion, Villon, I p. 202.</p></div> + +<a name='Footnote_513_513'></a><a href='#FNanchor_513_513'>[513]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 65; Olivier de la +Marche, II p. 89; l'Amant rendu cordelier, p. 25, huitain 68; Rel. de S. +Denis. I p. 102.</p></div> + +<a name='Footnote_514_514'></a><a href='#FNanchor_514_514'>[514]</a><div class='note'><p> L.c., p. 144.</p></div> + +<a name='Footnote_515_515'></a><a href='#FNanchor_515_515'>[515]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 172, vgl. p. 60, +l'Epistre au dieu d'Amours, II 3; Deschamps, V p. 51 no. 871, II p. 185 +vs. 75; vgl. hierboven p. 207. (zie Hoofdstuk IV, noot <a href="#FNanchor_399_399">399</a>)</p></div> + +<a name='Footnote_516_516'></a><a href='#FNanchor_516_516'>[516]</a><div class='note'><p> L'Amant rendu cordelier, l.c.</p></div> + +<a name='Footnote_517_517'></a><a href='#FNanchor_517_517'>[517]</a><div class='note'><p> Menot, l.c.</p></div> + +<a name='Footnote_518_518'></a><a href='#FNanchor_518_518'>[518]</a><div class='note'><p> Gerson, Expostulatio ... adversus corruptionem juventutis per +lascivas imagines et alia hujusmodi, Opera, III p. 291; cf. De parvulis +ad Christum trahendis, ib. p. 281; Contra tentationem blasphemiae, ib. +p. 246.</p></div> + +<a name='Footnote_519_519'></a><a href='#FNanchor_519_519'>[519]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 80, 81, vgl. Machaut, +Livre du Voir-Dit, p. 143ss.</p></div> + +<a name='Footnote_520_520'></a><a href='#FNanchor_520_520'>[520]</a><div class='note'><p> Ib. p. 55, 63, 73, 79.</p></div> + +<a name='Footnote_521_521'></a><a href='#FNanchor_521_521'>[521]</a><div class='note'><p> Nic. de Clemangiis, l.c. p. 145.</p></div> + +<a name='Footnote_522_522'></a><a href='#FNanchor_522_522'>[522]</a><div class='note'><p> Quinze joyes de mariage, p. 127, vgl. p. 19, 29. 124.</p></div> + +<a name='Footnote_523_523'></a><a href='#FNanchor_523_523'>[523]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce et Raynaud, XI p. 225ss.</p></div> + +<a name='Footnote_524_524'></a><a href='#FNanchor_524_524'>[524]</a><div class='note'><p> Chron. Montis S. Agnetis, p. 341; J. C. Pool, Frederik v. Heilo en +zijne schriften, Amsterdam, 1866, p. 126; vgl. Hendrik Mande bij W. Moll, +Joh. Brugman en het godsd. leven onzer vaderen in de 15<sup>e</sup> eeuw, 1854, 2 dln., +I p. 264.</p></div> + +<a name='Footnote_525_525'></a><a href='#FNanchor_525_525'>[525]</a><div class='note'><p> Gerson, Centilogium de impulsibus, Opera, III p. 154.</p></div> + +<a name='Footnote_526_526'></a><a href='#FNanchor_526_526'>[526]</a><div class='note'><p> Deschamps, IV p. 322 no. 807; vgl. I p. 272 no. 146: "Si n'y a Si +meschant qui encor ne die Je regni Dieu...."</p></div> + +<a name='Footnote_527_527'></a><a href='#FNanchor_527_527'>[527]</a><div class='note'><p> Gerson, Adversus lacivas imagines, Op. III p. 292; Sermo de +nativitate Domini, III p. 946.</p></div> + +<a name='Footnote_528_528'></a><a href='#FNanchor_528_528'>[528]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 271ss. no. 145, 146, p. 217 no. 105, vgl. II p. +lvi en Gerson III p. 85.</p></div> + +<a name='Footnote_529_529'></a><a href='#FNanchor_529_529'>[529]</a><div class='note'><p> Gerson, Considérations sur le peché de blasphème, Op. III p. 889.</p></div> + +<a name='Footnote_530_530'></a><a href='#FNanchor_530_530'>[530]</a><div class='note'><p> Regulae morales, ib. III p. 85.</p></div> + +<a name='Footnote_531_531'></a><a href='#FNanchor_531_531'>[531]</a><div class='note'><p> Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 130, Rel. de S. Denis, +II p. 533.</p></div> + +<a name='Footnote_532_532'></a><a href='#FNanchor_532_532'>[532]</a><div class='note'><p> P. d'Ailly, De reformatione, cap. 6; de reform, laicorum, bij +Gerson, Opera, II p. 914.</p></div> + +<a name='Footnote_533_533'></a><a href='#FNanchor_533_533'>[533]</a><div class='note'><p> Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 243.</p></div> + +<a name='Footnote_534_534'></a><a href='#FNanchor_534_534'>[534]</a><div class='note'><p> Gerson, Regulae morales. Opera, III p. 85.</p></div> + +<a name='Footnote_535_535'></a><a href='#FNanchor_535_535'>[535]</a><div class='note'><p> Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 246: +hi qui audacter contra fidem loquuntur in forma joci etc.</p></div> + +<a name='Footnote_536_536'></a><a href='#FNanchor_536_536'>[536]</a><div class='note'><p> Cent nouvelles nouvelles, II p. 205.</p></div> + +<a name='Footnote_537_537'></a><a href='#FNanchor_537_537'>[537]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo de S. Nicolao, Op. III p. 1577; De parvulis ad +Christum trahendis ib. p. 279. Tegen hetzelfde spreekwoord ook Dionysius +Cart., Inter Jesum et puerum dialogus, art. 2, Opera t. XXXVIII p. 190.</p></div> + +<a name='Footnote_538_538'></a><a href='#FNanchor_538_538'>[538]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 45.</p></div> + +<a name='Footnote_539_539'></a><a href='#FNanchor_539_539'>[539]</a><div class='note'><p> Ib. p. 58.</p></div> + +<a name='Footnote_540_540'></a><a href='#FNanchor_540_540'>[540]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI p. 109, no. 1167, id. no. 1222; Commines, I p. 449.</p></div> + +<a name='Footnote_541_541'></a><a href='#FNanchor_541_541'>[541]</a><div class='note'><p> Froissart, ed Kervyn. XIV p. 67.</p></div> + +<a name='Footnote_542_542'></a><a href='#FNanchor_542_542'>[542]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 102, 104; Jean Juvenal des Ursins, p. 346.</p></div> + +<a name='Footnote_543_543'></a><a href='#FNanchor_543_543'>[543]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq. II p. 277, 340; IV p. 59; vgl. Molinet, IV p. +390, Rel. de S. Denis, I p. 643.</p></div> + +<a name='Footnote_544_544'></a><a href='#FNanchor_544_544'>[544]</a><div class='note'><p> Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. Coll. II +p. 1415, vgl. ep. 75, 76, p. 1456 van Ambr. de Miliis aan Gonthier Col, +waar hij zich beklaagt over Jean de Montreuil.</p></div> + +<a name='Footnote_545_545'></a><a href='#FNanchor_545_545'>[545]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo III in die Sancti Ludovici, Opera, III p. 1451.</p></div> + +<a name='Footnote_546_546'></a><a href='#FNanchor_546_546'>[546]</a><div class='note'><p> Gerson, Contra impugnantes ordinem carthusiensium, Opera. II +p. 713.</p></div> + +<a name='Footnote_547_547'></a><a href='#FNanchor_547_547'>[547]</a><div class='note'><p> Gerson, De decem praceptis, Opera, I p. 245.</p></div> + +<a name='Footnote_548_548'></a><a href='#FNanchor_548_548'>[548]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo de nativ. Domini, Opera, III p. 947.</p></div> + +<a name='Footnote_549_549'></a><a href='#FNanchor_549_549'>[549]</a><div class='note'><p> Nic. de Clemanges, De novis celebr. etc. p. 151.</p></div> + +<a name='Footnote_550_550'></a><a href='#FNanchor_550_550'>[550]</a><div class='note'><p> Villon, Testament, vs. 893ss., ed. Longnon, p. 57.</p></div> + +<a name='Footnote_551_551'></a><a href='#FNanchor_551_551'>[551]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo de nativitaté Domini, Opera, III p. 947, Regulae +morales, ib. p. 86, Liber de vita spirituali animae, ib. p. 66.</p></div> + +<a name='Footnote_552_552'></a><a href='#FNanchor_552_552'>[552]</a><div class='note'><p> Hist. translationis corporis sanctissimi ecclesiae doctoris divi +Thom. de Aq., 1368, auct. fr. Raymundo Hugonis O.P., Acta sanctorum +Martii, I p. 725.</p></div> + +<a name='Footnote_553_553'></a><a href='#FNanchor_553_553'>[553]</a><div class='note'><p> Bericht van de pauselijke commissaris-bisschop Konrad van +Hildesheim en abt Hermann van Georgenthal over het getuigenverhoor +aangaande de heilige Elisabeth te Marburg in Januari 1235, uitgegeven +Historisches Jahrbuch der Görres-Gesellschaft XXVIII p. 887.</p></div> + +<a name='Footnote_554_554'></a><a href='#FNanchor_554_554'>[554]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, II p. 37.</p></div> + +<a name='Footnote_555_555'></a><a href='#FNanchor_555_555'>[555]</a><div class='note'><p> Zie beneden p. 280. (zie Hoofdstuk VI, noot <a href="#FNanchor_565_565">565</a>)</p></div> + +<a name='Footnote_556_556'></a><a href='#FNanchor_556_556'>[556]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 407, IV p. 216.</p></div> + +<a name='Footnote_557_557'></a><a href='#FNanchor_557_557'>[557]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 277 no. 150.</p></div> + +<a name='Footnote_558_558'></a><a href='#FNanchor_558_558'>[558]</a><div class='note'><p> Ib. II p. 348 no. 314.</p></div> + +<a name='Footnote_559_559'></a><a href='#FNanchor_559_559'>[559]</a><div class='note'><p> Uit Johann Eck's Pfarrbuch für U.L. Frau in Ingolstadt, +aangehaald Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 103.</p></div> + +<a name='Footnote_560_560'></a><a href='#FNanchor_560_560'>[560]</a><div class='note'><p> Joseph Seitz, Die Verehrung des hl. Joseph in ihrer geschichtl. +Entwicklung usw., Freiburg, Herder, 1908.</p></div> + +<a name='Footnote_561_561'></a><a href='#FNanchor_561_561'>[561]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 212.</p></div> + +<a name='Footnote_562_562'></a><a href='#FNanchor_562_562'>[562]</a><div class='note'><p> B. Nat. Ms. fr. 1875, bij Ch. <a name='Oulmont'></a>Oulmont, Le Verger, le Temple et la +Cellule, essai sur la sensualité dans les oeuvres de mystique +religieuse, Paris, 1912, p. 284ss.</p></div> + +<a name='Footnote_563_563'></a><a href='#FNanchor_563_563'>[563]</a><div class='note'><p> Zie over de heiligenfiguren vooral E. Mâle, L'art religieux à la +fin du Moyen âge, chap. IV.</p></div> + +<a name='Footnote_564_564'></a><a href='#FNanchor_564_564'>[564]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 114 no. 32, VI p. 243 no. 1237.</p></div> + +<a name='Footnote_565_565'></a><a href='#FNanchor_565_565'>[565]</a><div class='note'><p> Bambergsch missaal van 1490, bij Uhrig, Die 14 hl. Nothelfer (XIV +Auxiliatores), Theol. Quartalschrift LXX, 1888, p. 72; vgl. Utrechtsch +missaal van 1514 en Dominicaansch missaal van 1550, Acta sanctorum +Aprilis t. III p. 149.</p></div> + +<a name='Footnote_566_566'></a><a href='#FNanchor_566_566'>[566]</a><div class='note'><p> L.l.c.c.</p></div> + +<a name='Footnote_567_567'></a><a href='#FNanchor_567_567'>[567]</a><div class='note'><p> Erasmus, Ratio seu methodus compendio perveniendi ad veram +theologiam, ed. Bazel, 1520, p. 171.</p></div> + +<a name='Footnote_568_568'></a><a href='#FNanchor_568_568'>[568]</a><div class='note'><p> In de zooeven aangehaalde ballade van Deschamps ook Martha, die de +Tarasque te Tarascon vernietigde.</p></div> + +<a name='Footnote_569_569'></a><a href='#FNanchor_569_569'>[569]</a><div class='note'><p> Gargantua, l.I ch. 45.</p></div> + +<a name='Footnote_570_570'></a><a href='#FNanchor_570_570'>[570]</a><div class='note'><p> ou = au.</p></div> + +<a name='Footnote_571_571'></a><a href='#FNanchor_571_571'>[571]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 1230, VI p. 323.</p></div> + +<a name='Footnote_572_572'></a><a href='#FNanchor_572_572'>[572]</a><div class='note'><p> Rob. Gaguini Epistole et Orationes, ed. Thuasne. II p. 176.</p></div> + +<a name='Footnote_573_573'></a><a href='#FNanchor_573_573'>[573]</a><div class='note'><p> Oeuvres de Coquillart, ed. Ch. d'Héricault (Bibl. elzevirienne) +1857. 2 vol., II p. 281.</p></div> + +<a name='Footnote_574_574'></a><a href='#FNanchor_574_574'>[574]</a><div class='note'><p> Molinet, IV p. 284.</p></div> + +<a name='Footnote_575_575'></a><a href='#FNanchor_575_575'>[575]</a><div class='note'><p> Fust = hout.</p></div> + +<a name='Footnote_576_576'></a><a href='#FNanchor_576_576'>[576]</a><div class='note'><p> font caroles = in 't rond staan.</p></div> + +<a name='Footnote_577_577'></a><a href='#FNanchor_577_577'>[577]</a><div class='note'><p> Deschamps, VIII p. 201, no. 1489.</p></div> + +<a name='Footnote_578_578'></a><a href='#FNanchor_578_578'>[578]</a><div class='note'><p> Gerson, de Angelis, Opera, III p. 1481, De praeceptis decalogi, I +p. 431, Oratio ad bonum angelum suum, III p. 511, Tractatus VIII super +Magnificat, IV p. 370; vgl. III p. 137, 553, 739.</p></div> + +<a name='Footnote_579_579'></a><a href='#FNanchor_579_579'>[579]</a><div class='note'><p> Opera. IV p. 389.</p></div> + +<a name='Footnote_580_580'></a><a href='#FNanchor_580_580'>[580]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 304.</p></div> + +<a name='Footnote_581_581'></a><a href='#FNanchor_581_581'>[581]</a><div class='note'><p> Bernh. v. Siena, Opera, I p. 100 bij Hefele l.c. p. 36.</p></div> + +<a name='Footnote_582_582'></a><a href='#FNanchor_582_582'>[582]</a><div class='note'><p> Les cent nouvelles nouvelles, II p. 157; Les quinze joyes de +mariage, p. 111, 215.</p></div> + +<a name='Footnote_583_583'></a><a href='#FNanchor_583_583'>[583]</a><div class='note'><p> Molinet, Faictz et dictz, f. 188vso.</p></div> + +<a name='Footnote_584_584'></a><a href='#FNanchor_584_584'>[584]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 336, vgl. p. 242 no. 514.</p></div> + +<a name='Footnote_585_585'></a><a href='#FNanchor_585_585'>[585]</a><div class='note'><p> Ghillebert de Lannoy, Oeuvres, ed. Ch. Potvin, Louvain, 1878, +p. 163.</p></div> + +<a name='Footnote_586_586'></a><a href='#FNanchor_586_586'>[586]</a><div class='note'><p> Les cent nouvelles nouvelles, II p. 101.</p></div> + +<a name='Footnote_587_587'></a><a href='#FNanchor_587_587'>[587]</a><div class='note'><p> Le Jouvencel, II p. 107.</p></div> + +<a name='Footnote_588_588'></a><a href='#FNanchor_588_588'>[588]</a><div class='note'><p> Songe du viel pelerin, bij Jorga, Phil. de Mézières. p. 423<sup>6</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_589_589'></a><a href='#FNanchor_589_589'>[589]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 214, 289<sup>2</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_590_590'></a><a href='#FNanchor_590_590'>[590]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 206.</p></div> + +<a name='Footnote_591_591'></a><a href='#FNanchor_591_591'>[591]</a><div class='note'><p> Jorga, Phil. de Mézières, p. 506.</p></div> + +<a name='Footnote_592_592'></a><a href='#FNanchor_592_592'>[592]</a><div class='note'><p> W. Moll, Johannes Brugman, II p. 125.</p></div> + +<a name='Footnote_593_593'></a><a href='#FNanchor_593_593'>[593]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 263/5.</p></div> + +<a name='Footnote_594_594'></a><a href='#FNanchor_594_594'>[594]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 300; VII p. 222. Jean Germain, Liber de +Virtutibus, p. 10 (de hier vermelde minder strenge vastenpraktijk kan op +een anderen tijd slaan); Jean Jouffroy, De Philippo duce oratio (Chron. +rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III) p. 118.</p></div> + +<a name='Footnote_595_595'></a><a href='#FNanchor_595_595'>[595]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 40.</p></div> + +<a name='Footnote_596_596'></a><a href='#FNanchor_596_596'>[596]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 302.</p></div> + +<a name='Footnote_597_597'></a><a href='#FNanchor_597_597'>[597]</a><div class='note'><p> Jorga, Phil. de Mézières, p. 350.</p></div> + +<a name='Footnote_598_598'></a><a href='#FNanchor_598_598'>[598]</a><div class='note'><p> Vgl. Jorga, l.c. p. 444, Champion, Villon, I p. 17.</p></div> + +<a name='Footnote_599_599'></a><a href='#FNanchor_599_599'>[599]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, I p. cx.</p></div> + +<a name='Footnote_600_600'></a><a href='#FNanchor_600_600'>[600]</a><div class='note'><p> Monstrelet, V p. 112.</p></div> + +<a name='Footnote_601_601'></a><a href='#FNanchor_601_601'>[601]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 194.</p></div> + +<a name='Footnote_602_602'></a><a href='#FNanchor_602_602'>[602]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum Jan., t. II p. 1018.</p></div> + +<a name='Footnote_603_603'></a><a href='#FNanchor_603_603'>[603]</a><div class='note'><p> Jorga, l.c. p. 509, 512.</p></div> + +<a name='Footnote_604_604'></a><a href='#FNanchor_604_604'>[604]</a><div class='note'><p> Het is in dit verband van geen belang, of de Kerk de personen in +kwestie heilig of slechts zalig heeft verklaard.</p></div> + +<a name='Footnote_605_605'></a><a href='#FNanchor_605_605'>[605]</a><div class='note'><p> André Du Chesne, Hist. de la maison de Chastillon sur Marne, +Paris, 1621, Preuves, p. 126-131, Extraict de l'enqueste faite pour la +canonization de Charles de Blois, p. 223, 234.</p></div> + +<a name='Footnote_606_606'></a><a href='#FNanchor_606_606'>[606]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, VI p. 168.</p></div> + +<a name='Footnote_607_607'></a><a href='#FNanchor_607_607'>[607]</a><div class='note'><p> De gronden, waarop Dom Plaine, Revue des questions historiques, XI +p. 41, Froissart's getuigenis wraakt, schijnen mij niet afdoende.</p></div> + +<a name='Footnote_608_608'></a><a href='#FNanchor_608_608'>[608]</a><div class='note'><p> W. James, The varieties of religious experience, p. 370s.</p></div> + +<a name='Footnote_609_609'></a><a href='#FNanchor_609_609'>[609]</a><div class='note'><p> Ordonnances des rois de France, t. VIII, p. 398, Nov. 1400, 426, +18 Maart 1401.</p></div> + +<a name='Footnote_610_610'></a><a href='#FNanchor_610_610'>[610]</a><div class='note'><p> Mémoires de Pierre Salmon, ed. Buchon, Coll. de chron. nationales, +3<sup>e</sup> Supplément de Froissart, t. XV p. 49.</p></div> + +<a name='Footnote_611_611'></a><a href='#FNanchor_611_611'>[611]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 40.</p></div> + +<a name='Footnote_612_612'></a><a href='#FNanchor_612_612'>[612]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum Julii, t. I p. 486-628.</p></div> + +<a name='Footnote_613_613'></a><a href='#FNanchor_613_613'>[613]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 180.</p></div> + +<a name='Footnote_614_614'></a><a href='#FNanchor_614_614'>[614]</a><div class='note'><p> Lettres de Louis XI, t. VI p. 514, cf. V p. 86, X p. 65.</p></div> + +<a name='Footnote_615_615'></a><a href='#FNanchor_615_615'>[615]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 291.</p></div> + +<a name='Footnote_616_616'></a><a href='#FNanchor_616_616'>[616]</a><div class='note'><p> Commines, II p. 67, 68.</p></div> + +<a name='Footnote_617_617'></a><a href='#FNanchor_617_617'>[617]</a><div class='note'><p> Commines, II p. 57; Lettres, X p. 16, IX p. 260. Er was indertijd +zulk een agnus scythicus in het Koloniaal Museum te Haarlem.</p></div> + +<a name='Footnote_618_618'></a><a href='#FNanchor_618_618'>[618]</a><div class='note'><p> Chron. scand., II p. 122.</p></div> + +<a name='Footnote_619_619'></a><a href='#FNanchor_619_619'>[619]</a><div class='note'><p> Commines, II p. 55, 77.</p></div> + +<a name='Footnote_620_620'></a><a href='#FNanchor_620_620'>[620]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum Apr., t. I p. 115.—Lettres de Louis XI, t. X +p. 76, 90.</p></div> + +<a name='Footnote_621_621'></a><a href='#FNanchor_621_621'>[621]</a><div class='note'><p> Sed volens caute atque astute agere, propterea quod a pluribus +fuisset sub umbra sanctitatis deceptus, decrevit variis modis experiri +virtutem servi Dei, Acta Sanctorum, l.c.</p></div> + +<a name='Footnote_622_622'></a><a href='#FNanchor_622_622'>[622]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum, l.c.p. 108; Commines, II p. 55.</p></div> + +<a name='Footnote_623_623'></a><a href='#FNanchor_623_623'>[623]</a><div class='note'><p> Lettres, X p. 124. 29 Juni 1483.</p></div> + +<a name='Footnote_624_624'></a><a href='#FNanchor_624_624'>[624]</a><div class='note'><p> Lettres, X p. 4 etc., Commines, II p. 54.</p></div> + +<a name='Footnote_625_625'></a><a href='#FNanchor_625_625'>[625]</a><div class='note'><p> Commines, II p. 56, Acta Sanctorum, l.c.p. 115.</p></div> + +<a name='Footnote_626_626'></a><a href='#FNanchor_626_626'>[626]</a><div class='note'><p> A. Renaudet, Préréforme et Humanisme à Paris, p. 172.</p></div> + +<a name='Footnote_627_627'></a><a href='#FNanchor_627_627'>[627]</a><div class='note'><p> Doutrepont, p. 226.</p></div> + +<a name='Footnote_628_628'></a><a href='#FNanchor_628_628'>[628]</a><div class='note'><p> Vita Dionysii auct. Theod. Loer, Dion. Opera, I. p. xlii ss., id. +De vita et regimine principum, t. XXXVII p. 497.</p></div> + +<a name='Footnote_629_629'></a><a href='#FNanchor_629_629'>[629]</a><div class='note'><p> Opera, t. XLI p. 621; D. A. Mougel, Denys le chartreux, sa vie +etc., Montreuil, 1896, p. 63.</p></div> + +<a name='Footnote_630_630'></a><a href='#FNanchor_630_630'>[630]</a><div class='note'><p> Opera. t. XLI, p. 617; Vita, I p. xxxi; Mougel, p. 51; Bijdr. en +mededeel. v. h. hist. genootschap te Utrecht, XVIII p. 331.</p></div> + +<a name='Footnote_631_631'></a><a href='#FNanchor_631_631'>[631]</a><div class='note'><p> Opera, t. XXXIX p. 496, Mougel, p. 54; Moll, Johannes Brugman, I +p. 74; Kerkgesch., II 2 p. 124; K. Krogh-Tonning, Der letzte +Scholastiker Eine Apologie, Freiburg 1904, p. 175.</p></div> + +<a name='Footnote_632_632'></a><a href='#FNanchor_632_632'>[632]</a><div class='note'><p> Mougel, p. 58.</p></div> + +<a name='Footnote_633_633'></a><a href='#FNanchor_633_633'>[633]</a><div class='note'><p> Opera, t. XXXVI p. 178: De mutua cognitione.</p></div> + +<a name='Footnote_634_634'></a><a href='#FNanchor_634_634'>[634]</a><div class='note'><p> Vita, Opera, t. I p. xxiv, xxxviii.</p></div> + +<a name='Footnote_635_635'></a><a href='#FNanchor_635_635'>[635]</a><div class='note'><p> Vita, Opera, t. I p. xxvi.</p></div> + +<a name='Footnote_636_636'></a><a href='#FNanchor_636_636'>[636]</a><div class='note'><p> De munificentia et beneficiis Dei, Opera, t. XXXIV, art. 26 p. 319.</p></div> + +<a name='Footnote_637_637'></a><a href='#FNanchor_637_637'>[637]</a><div class='note'><p> Gerson, Tractatus VIII super Magnificat, Opera, IV p. 386.</p></div> + +<a name='Footnote_638_638'></a><a href='#FNanchor_638_638'>[638]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum Martii, t. I p. 561, vgl. 540, 601.</p></div> + +<a name='Footnote_639_639'></a><a href='#FNanchor_639_639'>[639]</a><div class='note'><p> K. Hefele, Der bl. Berhardin voor Siena und die franziskanische +Wanderpredigt in Italien während des XV. Jahrhunderts, Freiburg, 1912, +p. 79.</p></div> + +<a name='Footnote_640_640'></a><a href='#FNanchor_640_640'>[640]</a><div class='note'><p> W. Moll, Johannes Brugman, II p. 74, 86.</p></div> + +<a name='Footnote_641_641'></a><a href='#FNanchor_641_641'>[641]</a><div class='note'><p> Zie boven blz. 255. (zie Hoofdstuk VI, noot <a href="#FNanchor_495_495">495</a>)</p></div> + +<a name='Footnote_642_642'></a><a href='#FNanchor_642_642'>[642]</a><div class='note'><p> Zie boven blz. <a href="#6">6</a> vgg. (zie Hoofdstuk I, tekst volgend op noot 7)</p></div> + +<a name='Footnote_643_643'></a><a href='#FNanchor_643_643'>[643]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum Aprilis, t. I p. 195.—Noch van Vincent Ferrer, +noch van Olivier Maillard en Clement Menot heb ik de Sermones in +Nederland kunnen vinden. Het beeld, dat Hefele t.a.p. van de prediking +in Italië geeft, kan echter in veel opzichten ook op de fransch-sprekende +landen toepasselijk worden geacht.</p></div> + +<a name='Footnote_644_644'></a><a href='#FNanchor_644_644'>[644]</a><div class='note'><p> Leven van S. Petrus Thomasius, Carmeliet, door Philippe de +Mézières, Acta sanctorum Jan., t. II p. 997; Dionysius Cartus over +Brugman's preektrant: De vita etc. christ.</p></div> + +<a name='Footnote_645_645'></a><a href='#FNanchor_645_645'>[645]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum Apr., t. I p. 513.</p></div> + +<a name='Footnote_646_646'></a><a href='#FNanchor_646_646'>[646]</a><div class='note'><p> James, l.c., p. 348: "For sensitiveness and narrowness, when they +occur together, as they often do, require above all things a simplified +world to dwell in"; cf. p. 353<sup>1</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_647_647'></a><a href='#FNanchor_647_647'>[647]</a><div class='note'><p> Moll, Brugman, I p. 52.</p></div> + +<a name='Footnote_648_648'></a><a href='#FNanchor_648_648'>[648]</a><div class='note'><p> Dionys. Cartus. De quotidiano baptismate lacrimarum, t. XXIX, +p. 84; Deoratione. t. XLI p. 31-55; Expositio hymni Audi benigne conditor, +t. XXXV p. 34.</p></div> + +<a name='Footnote_649_649'></a><a href='#FNanchor_649_649'>[649]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum Apr., t. I p. 485, 494.</p></div> + +<a name='Footnote_650_650'></a><a href='#FNanchor_650_650'>[650]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 119; Antonio de Beatis (1517), L. Pastor, Die +Reise des Kardinals Luigi d'Aragona, Freiburg 1905, p. 51<sup>3</sup>, 52; +Polydorus Vergilius, Anglicae historiae libri XXVI, Basileae, 1546, +p. 15.</p></div> + +<a name='Footnote_651_651'></a><a href='#FNanchor_651_651'>[651]</a><div class='note'><p> Gerson, Epistola contra libellum Johannis de Schonhavia, Opera, I +p. 79.</p></div> + +<a name='Footnote_652_652'></a><a href='#FNanchor_652_652'>[652]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 44.</p></div> + +<a name='Footnote_653_653'></a><a href='#FNanchor_653_653'>[653]</a><div class='note'><p> Ib. p. 48.</p></div> + +<a name='Footnote_654_654'></a><a href='#FNanchor_654_654'>[654]</a><div class='note'><p> Gerson, De examinatione doctrinarum. Opera, I p. 19.</p></div> + +<a name='Footnote_655_655'></a><a href='#FNanchor_655_655'>[655]</a><div class='note'><p> Ib. p. 16, 17.</p></div> + +<a name='Footnote_656_656'></a><a href='#FNanchor_656_656'>[656]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione etc., I p. 44.</p></div> + +<a name='Footnote_657_657'></a><a href='#FNanchor_657_657'>[657]</a><div class='note'><p> Gerson, Tractatus II super Magnificat, Opera, IV p. 248.</p></div> + +<a name='Footnote_658_658'></a><a href='#FNanchor_658_658'>[658]</a><div class='note'><p> 65 nutte artikelen van der passien ons Heren, Moll, Brugman, II +p. 75.</p></div> + +<a name='Footnote_659_659'></a><a href='#FNanchor_659_659'>[659]</a><div class='note'><p> Gerson, De monte contemplationis, Opera, III p. 562.</p></div> + +<a name='Footnote_660_660'></a><a href='#FNanchor_660_660'>[660]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 49.</p></div> + +<a name='Footnote_661_661'></a><a href='#FNanchor_661_661'>[661]</a><div class='note'><p> Ib.</p></div> + +<a name='Footnote_662_662'></a><a href='#FNanchor_662_662'>[662]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum Martii, t. I p. 562.</p></div> + +<a name='Footnote_663_663'></a><a href='#FNanchor_663_663'>[663]</a><div class='note'><p> James, l.c., p. 343.</p></div> + +<a name='Footnote_664_664'></a><a href='#FNanchor_664_664'>[664]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum, l.c., p. 552ss.</p></div> + +<a name='Footnote_665_665'></a><a href='#FNanchor_665_665'>[665]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XV p. 132; Religieux de Saint Denis, II +p. 124; Joannis de Varennis Responsiones ad capita accusationum bij +Gerson, Opera, I p. 925, 926.</p></div> + +<a name='Footnote_666_666'></a><a href='#FNanchor_666_666'>[666]</a><div class='note'><p> Responsiones, l.c., p. 936.</p></div> + +<a name='Footnote_667_667'></a><a href='#FNanchor_667_667'>[667]</a><div class='note'><p> Ib. p. 910ss.</p></div> + +<a name='Footnote_668_668'></a><a href='#FNanchor_668_668'>[668]</a><div class='note'><p> Gerson, De probatione spirituum. Opera, I p. 41.</p></div> + +<a name='Footnote_669_669'></a><a href='#FNanchor_669_669'>[669]</a><div class='note'><p> Gerson, Epistola contra libellum Joh. de Schonhavia, Opera, I p. 82.</p></div> + +<a name='Footnote_670_670'></a><a href='#FNanchor_670_670'>[670]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo contra luxuriam. Opera, III p. 924.</p></div> + +<a name='Footnote_671_671'></a><a href='#FNanchor_671_671'>[671]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 55.</p></div> + +<a name='Footnote_672_672'></a><a href='#FNanchor_672_672'>[672]</a><div class='note'><p> Opera, III p. 589ss.</p></div> + +<a name='Footnote_673_673'></a><a href='#FNanchor_673_673'>[673]</a><div class='note'><p> Ib. p. 593.</p></div> + +<a name='Footnote_674_674'></a><a href='#FNanchor_674_674'>[674]</a><div class='note'><p> Gerson, De consolatione theologiae, Opera, I p. 174.</p></div> + +<a name='Footnote_675_675'></a><a href='#FNanchor_675_675'>[675]</a><div class='note'><p> Gerson, Epistola ... super tertia parte libri Joannis Ruysbroeck +De ornatu nupt. spir., Opera, I p. 59, 67 etc.</p></div> + +<a name='Footnote_676_676'></a><a href='#FNanchor_676_676'>[676]</a><div class='note'><p> Gerson, Epistola contra defensionem joh. de Schonhavia (polemiek +over Ruusbroec), Opera, I p. 82.</p></div> + +<a name='Footnote_677_677'></a><a href='#FNanchor_677_677'>[677]</a><div class='note'><p> Hetzelfde gevoel bij een moderne: "I committed myself to Him in +the profoundest belief that my individuality was going to be destroyed, +that he would take all from me, and I was willing", James, l.c., p. 223.</p></div> + +<a name='Footnote_678_678'></a><a href='#FNanchor_678_678'>[678]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione etc., I p. 55; De libris caute legendis, I +p. 114.</p></div> + +<a name='Footnote_679_679'></a><a href='#FNanchor_679_679'>[679]</a><div class='note'><p> Gerson, De examinatione doctrinarum, Opera, I p. 19; De +distinctione, I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114; Epistola +super Joh. Ruysbroeck De ornatu, I p. 62; De consolatione theologiae, I +p. 174; De susceptione humanitatis Christi, I p. 455; De nuptiis Christi +et ecclesiae, II p. 370; De triplici theologia, III p. 369.</p></div> + +<a name='Footnote_680_680'></a><a href='#FNanchor_680_680'>[680]</a><div class='note'><p> Moll, Johannes Brugman, I p. 57.</p></div> + +<a name='Footnote_681_681'></a><a href='#FNanchor_681_681'>[681]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione etc., I p. 55.</p></div> + +<a name='Footnote_682_682'></a><a href='#FNanchor_682_682'>[682]</a><div class='note'><p> Moll, Brugman. I p. 234, 314.</p></div> + +<a name='Footnote_683_683'></a><a href='#FNanchor_683_683'>[683]</a><div class='note'><p> Ecclesiasticus 24, 29; vgl. Meister Eckhart, Predigten no. 43, +p. 146. 26.</p></div> + +<a name='Footnote_684_684'></a><a href='#FNanchor_684_684'>[684]</a><div class='note'><p> Ruusbroec, Die Spieghel der ewigher salicheit, cap. 7, Die +chierheit der gheesteleker brulocht, 1. II c. 53, Werken, ed. David en +Snellaert (Maatsch. der Vlaemsche bibliophilen) 1860<sup>2</sup>, 1868, III p. +156/9, VI p. 132.</p></div> + +<a name='Footnote_685_685'></a><a href='#FNanchor_685_685'>[685]</a><div class='note'><p>Naar het hs. bij Oulmont, l.c., p. 277.</p></div> + +<a name='Footnote_686_686'></a><a href='#FNanchor_686_686'>[686]</a><div class='note'><p> Vgl. de bestrijding dier meening door James, l.c., p. 10<sup>1</sup>, +191, 276.</p></div> + +<a name='Footnote_687_687'></a><a href='#FNanchor_687_687'>[687]</a><div class='note'><p> Moll, Brugman, II p. 84.</p></div> + +<a name='Footnote_688_688'></a><a href='#FNanchor_688_688'>[688]</a><div class='note'><p> Oulmont, l.c., p. 204, 210.</p></div> + +<a name='Footnote_689_689'></a><a href='#FNanchor_689_689'>[689]</a><div class='note'><p> B. Alanus redivivus, ed. J. A. Coppenstein, Napels, 1462, p. 29, +31, 105, 108, 116 etc.</p></div> + +<a name='Footnote_690_690'></a><a href='#FNanchor_690_690'>[690]</a><div class='note'><p> Alanus redivivus, p. 209, 218.</p></div> + +<a name='Footnote_691_691'></a><a href='#FNanchor_691_691'>[691]</a><div class='note'><p> Seuse, Leben, kap. 4, 45, Deutsche Schriften, p. 15, 154; Acta +Sanctorum Jan., t. II p. 656.</p></div> + +<a name='Footnote_692_692'></a><a href='#FNanchor_692_692'>[692]</a><div class='note'><p> Hefele, l.c., p. 167; vgl. p. 259 "Over den naam van Jezus", B.'s +verdediging van het gebruik.</p></div> + +<a name='Footnote_693_693'></a><a href='#FNanchor_693_693'>[693]</a><div class='note'><p> Eug. Demole, Le soleil comme cimier des armes de Genève, vermeld +Revue historique CXXIII p. 450.</p></div> + +<a name='Footnote_694_694'></a><a href='#FNanchor_694_694'>[694]</a><div class='note'><p> Rod. Hospinianus, De templis etc. ed. IIa, Tiguri, 1603, p. 213.</p></div> + +<a name='Footnote_695_695'></a><a href='#FNanchor_695_695'>[695]</a><div class='note'><p> James, Varieties of religieus experience, p. 474, 475.</p></div> + +<a name='Footnote_696_696'></a><a href='#FNanchor_696_696'>[696]</a><div class='note'><p> Irenaeus, Adversus haereses libri V, 1. IV c. 21<sup>3</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_697_697'></a><a href='#FNanchor_697_697'>[697]</a><div class='note'><p> Over de noodwendigheid van zulk realisme James, l.c., p. 56.</p></div> + +<a name='Footnote_698_698'></a><a href='#FNanchor_698_698'>[698]</a><div class='note'><p> Goethe, Sprüche in Prosa.</p></div> + +<a name='Footnote_699_699'></a><a href='#FNanchor_699_699'>[699]</a><div class='note'><p> St. Bernard, Libellus ad quendam sacerdotem, bij Dion. Cart. De +vita et regimine curatorum, t. XXXVII p. 222.</p></div> + +<a name='Footnote_700_700'></a><a href='#FNanchor_700_700'>[700]</a><div class='note'><p> Bonaventura, De reductione artium ad theologiam, Opera, ed. Paris, +1871, t. VII, p. 502.</p></div> + +<a name='Footnote_701_701'></a><a href='#FNanchor_701_701'>[701]</a><div class='note'><p> P. Rousselot, Pour l'histoire du problème de l'amour (Bäumker & +Von Hertling, Beitr. zur Gesch. der Philosophie im Mittelalter, VI 6) +Münster, 1908.</p></div> + +<a name='Footnote_702_702'></a><a href='#FNanchor_702_702'>[702]</a><div class='note'><p> Sicard, Mitrale sive de officiis ecclesiasticis summa, Migne, +t. CCXIII c. 232.</p></div> + +<a name='Footnote_703_703'></a><a href='#FNanchor_703_703'>[703]</a><div class='note'><p> Gerson, Compendium Theologiae, Opera, I p. 234, 303s, 325, +Meditatio super septimo psalmo poenitentiali, IV p. 26.</p></div> + +<a name='Footnote_704_704'></a><a href='#FNanchor_704_704'>[704]</a><div class='note'><p> Alanus redivivus, passim.</p></div> + +<a name='Footnote_705_705'></a><a href='#FNanchor_705_705'>[705]</a><div class='note'><p> Op blz. <a href="#12">12</a> (zie Hoofdstuk I, tekst voor noot 17) wordt fortitudo +met abstinentia gelijkgesteld, maar op p. 201 (zie Hoofdstuk IV tekst +voor noot 386) is het temperantia, die in de reeks ontbreekt; dit zal de +bedoeling zijn. Er zijn ook nog andere verschillen.</p></div> + +<a name='Footnote_706_706'></a><a href='#FNanchor_706_706'>[706]</a><div class='note'><p> Froissart, Poésies, ed. Scheler. I p. 53.</p></div> + +<a name='Footnote_707_707'></a><a href='#FNanchor_707_707'>[707]</a><div class='note'><p> Chastellain, Traité par forme d'allégorie mystique sur l'entrée du +roy Loys en nouveau règne, Oeuvres, VII p. 1; Molinet, II p. 71, III +p. 112.</p></div> + +<a name='Footnote_708_708'></a><a href='#FNanchor_708_708'>[708]</a><div class='note'><p> Vgl. Coquillart, Les droits nouveaux, ed. d'Héricault, I p. 72.</p></div> + +<a name='Footnote_709_709'></a><a href='#FNanchor_709_709'>[709]</a><div class='note'><p> Opera, I p. xliv sq.</p></div> + +<a name='Footnote_710_710'></a><a href='#FNanchor_710_710'>[710]</a><div class='note'><p> H. Usener, Götternamen, Versuch zu einer Lehre von der religiösen +Begriffsbildung, Bonn, 1896, p. 73.</p></div> + +<a name='Footnote_711_711'></a><a href='#FNanchor_711_711'>[711]</a><div class='note'><p>J. Mangeart, +Catalogue des mss. de la bibl. de Valenciennes, 1860. p. 687.</p></div> + +<a name='Footnote_712_712'></a><a href='#FNanchor_712_712'>[712]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 96.</p></div> + +<a name='Footnote_713_713'></a><a href='#FNanchor_713_713'>[713]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 378.</p></div> + +<a name='Footnote_714_714'></a><a href='#FNanchor_714_714'>[714]</a><div class='note'><p> Les cent nouvelles nouvelles, II p. 183. Vgl Rabelais, Pantagruel, +I. IV ch. 29.</p></div> + +<a name='Footnote_715_715'></a><a href='#FNanchor_715_715'>[715]</a><div class='note'><p> De captivitate babylonica ecclesiae praeludium. Werke ed. Weimar, +VI p. 562.</p></div> + +<a name='Footnote_716_716'></a><a href='#FNanchor_716_716'>[716]</a><div class='note'><p> Petri de Alliaco Tractatus I adversus cancellarium Parisiensem, +bij Gerson, Opera, I p. 723.</p></div> + +<a name='Footnote_717_717'></a><a href='#FNanchor_717_717'>[717]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., Opera, t. XXXVI p. 200.</p></div> + +<a name='Footnote_718_718'></a><a href='#FNanchor_718_718'>[718]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. Revelatio II, Opera, I p. xlv.</p></div> + +<a name='Footnote_719_719'></a><a href='#FNanchor_719_719'>[719]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., Opera, t. XXXVII, XXXVIII, XXXIX p. 496.</p></div> + +<a name='Footnote_720_720'></a><a href='#FNanchor_720_720'>[720]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, Oeuvres, p. xi.</p></div> + +<a name='Footnote_721_721'></a><a href='#FNanchor_721_721'>[721]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 17.</p></div> + +<a name='Footnote_722_722'></a><a href='#FNanchor_722_722'>[722]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., Opera, t. XVIII p. 433.</p></div> + +<a name='Footnote_723_723'></a><a href='#FNanchor_723_723'>[723]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., Opera, t. XXXIX p. 18sq. De vitiis et virtutibus, p. +363, De gravitate et enormitate peccati, ib. t. XXIX p. 50.</p></div> + +<a name='Footnote_724_724'></a><a href='#FNanchor_724_724'>[724]</a><div class='note'><p> L.c. XXXIX p. 37.</p></div> + +<a name='Footnote_725_725'></a><a href='#FNanchor_725_725'>[725]</a><div class='note'><p> Ib. p. 56.</p></div> + +<a name='Footnote_726_726'></a><a href='#FNanchor_726_726'>[726]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, Opera, t. XLI p. 545.</p></div> + +<a name='Footnote_727_727'></a><a href='#FNanchor_727_727'>[727]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, t. XLI p. 489ss.</p></div> + +<a name='Footnote_728_728'></a><a href='#FNanchor_728_728'>[728]</a><div class='note'><p> Moll, Brugman, I p. 20, 23. 28.</p></div> + +<a name='Footnote_729_729'></a><a href='#FNanchor_729_729'>[729]</a><div class='note'><p> Ib. p. 320<sup>1</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_730_730'></a><a href='#FNanchor_730_730'>[730]</a><div class='note'><p> Het voorbeeld van Sint Aegidius, Germanus, Quiricus bij Gerson, De +via imitativa, III p. 777; vgl. Contra gulam sermo, ib. p. 909.—Olivier +Maillard, Serm. de sanctis fol. 8a.</p></div> + +<a name='Footnote_731_731'></a><a href='#FNanchor_731_731'>[731]</a><div class='note'><p> Innocentius III, De contemptu mundi 1. I, c. I, Migne, t. CCXVII +p. 702ss.</p></div> + +<a name='Footnote_732_732'></a><a href='#FNanchor_732_732'>[732]</a><div class='note'><p> Bonaventura, In secundum librum sententiarum, dist. 41, art. 1. +qu. 2, ib. 30, 2, 1, 34; in quart. lib. sent. d. 34, a. I, qu. 2, +Breviloquii pars II, Opera, ed. Paris, 1871, t. III p. 577a, 335, 438, +VI p. 327b, VII p. 271ab.</p></div> + +<a name='Footnote_733_733'></a><a href='#FNanchor_733_733'>[733]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., De vitiis et virtutibus, Opera, t. XXXIX p. 20.</p></div> + +<a name='Footnote_734_734'></a><a href='#FNanchor_734_734'>[734]</a><div class='note'><p> M' Kechnie, Magna Carta, p. 401.</p></div> + +<a name='Footnote_735_735'></a><a href='#FNanchor_735_735'>[735]</a><div class='note'><p> Uit den hymnus "Adoro te devote". Vergelijk Marlowe, Faustus: +"See, where Christ's blood streams in the firmament! One drop of blood +will save me."</p></div> + +<a name='Footnote_736_736'></a><a href='#FNanchor_736_736'>[736]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. Dialogion de fide cath., Opera, t. XVIII p. 366.</p></div> + +<a name='Footnote_737_737'></a><a href='#FNanchor_737_737'>[737]</a><div class='note'><p> L.c., t. XLI p. 489.</p></div> + +<a name='Footnote_738_738'></a><a href='#FNanchor_738_738'>[738]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis t. XXXV +p. 137; de laud. glor. Virg. Mariae, en passim. Het gebruik der +supertermen ontleent hij reeds aan Dionysius treopagita.</p></div> + +<a name='Footnote_739_739'></a><a href='#FNanchor_739_739'>[739]</a><div class='note'><p> James, Varieties of rel. exp., p. 419.</p></div> + +<a name='Footnote_740_740'></a><a href='#FNanchor_740_740'>[740]</a><div class='note'><p> Beide voorbeelden naar James, l.c., p. 417.</p></div> + +<a name='Footnote_741_741'></a><a href='#FNanchor_741_741'>[741]</a><div class='note'><p> Opera, I p. xliv.</p></div> + +<a name='Footnote_742_742'></a><a href='#FNanchor_742_742'>[742]</a><div class='note'><p> Seuse, Leben, cap. 3, ed. K. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, +Stuttgart, 1907, p. 14. Vgl. cap. 5, p. 21, 1.3 v.o.</p></div> + +<a name='Footnote_743_743'></a><a href='#FNanchor_743_743'>[743]</a><div class='note'><p> Meister Eckhart, Predigten, no. 60 en 76, ed. F. Pfeiffer, +Deutsche Mystiker des XIV. Jh., Leipzig 1857, II p. 1931. 34ss.; p. 242, +1. 2ss.</p></div> + +<a name='Footnote_744_744'></a><a href='#FNanchor_744_744'>[744]</a><div class='note'><p> Tauler, Predigten, no. 28, ed. F. Vetter, (Deutsche Texte des +Mittelalters XI) Berlin, 1910, p. 117 1. 30ss.</p></div> + +<a name='Footnote_745_745'></a><a href='#FNanchor_745_745'>[745]</a><div class='note'><p> Ruusbroec, Dat boec van seven sloten, cap. 19, Werken ed. David, +IV p. 106-108.</p></div> + +<a name='Footnote_746_746'></a><a href='#FNanchor_746_746'>[746]</a><div class='note'><p> Ruusbroec, Dat boec van den rike der ghelieven, cap. 43. ed. +David, IV p. 264.</p></div> + +<a name='Footnote_747_747'></a><a href='#FNanchor_747_747'>[747]</a><div class='note'><p> Ib. cap. 35, p. 246.</p></div> + +<a name='Footnote_748_748'></a><a href='#FNanchor_748_748'>[748]</a><div class='note'><p> Ruusbroec, Van seven trappen in den graet der gheesteliker minnen, +cap. 14, ed. David, IV p. 53. Voor "ontfonken" lees ik: "ontsonken".</p></div> + +<a name='Footnote_749_749'></a><a href='#FNanchor_749_749'>[749]</a><div class='note'><p> Ruusbroec, Boec van der hoechster waerheit, ed. David, p. 263; +vgl. Spieghel der ewigher salicheit, cap. 25. p. 231.</p></div> + +<a name='Footnote_750_750'></a><a href='#FNanchor_750_750'>[750]</a><div class='note'><p> Spieghel der ewigher salicheit, cap. 19, p. 144, cap. 23, p. +227;—antwoert = beantwoordt aan.</p></div> + +<a name='Footnote_751_751'></a><a href='#FNanchor_751_751'>[751]</a><div class='note'><p> II Par. 6, I: Dominus pollicitus est, ut habitaret in caligine. +Ps. 17.13: Et posuit tenebras latibuum suum.</p></div> + +<a name='Footnote_752_752'></a><a href='#FNanchor_752_752'>[752]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis per modum +horarum, Opera, t. XXXV p. 137/8, id. XLI p. 263 etc.; vgl. De passione +dni salvatoris dialogus, t. XXXV p. 274: "ingrediendo caliginem, hoc est +ad supersplendidissimae ac prorsus incomprehensibilis Deitatis praefatam +notitiam pertingendo per omnem negationem ab ea."</p></div> + +<a name='Footnote_753_753'></a><a href='#FNanchor_753_753'>[753]</a><div class='note'><p> Jostes, Meister Eckhart und seine Jünger, 1895, p. 95.</p></div> + +<a name='Footnote_754_754'></a><a href='#FNanchor_754_754'>[754]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. De contemplatione lib. III art. 5, Opera, t. XLI p. +259.</p></div> + +<a name='Footnote_755_755'></a><a href='#FNanchor_755_755'>[755]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. De contemplatione, t. XLI p. 269, naar Dion. Areop.</p></div> + +<a name='Footnote_756_756'></a><a href='#FNanchor_756_756'>[756]</a><div class='note'><p> Cankara ad Brahmasûtram, 3. 2. 17.</p></div> + +<a name='Footnote_757_757'></a><a href='#FNanchor_757_757'>[757]</a><div class='note'><p> Chândogya-upanishad, 8.</p></div> + +<a name='Footnote_758_758'></a><a href='#FNanchor_758_758'>[758]</a><div class='note'><p> Brhadâranyaka-upanishad, 4, 3, 21, 22.</p></div> + +<a name='Footnote_759_759'></a><a href='#FNanchor_759_759'>[759]</a><div class='note'><p> Seuse, Leben, kap. 4, Bihlmeyer, Deutsche Schriften 1907, p. 14.</p></div> + +<a name='Footnote_760_760'></a><a href='#FNanchor_760_760'>[760]</a><div class='note'><p> Eckhart, Predigten, no. 40, p. 136. 23.</p></div> + +<a name='Footnote_761_761'></a><a href='#FNanchor_761_761'>[761]</a><div class='note'><p> Eckhart, Predigten, no. 9, p. 47ff.</p></div> + +<a name='Footnote_762_762'></a><a href='#FNanchor_762_762'>[762]</a><div class='note'><p> Soliloquium animae, Thomas a Kempis, Opera omnia, ed. M.J. Pohl, +Freiburg 1902-'10, 7 vol., I p. 230.</p></div> + +<a name='Footnote_763_763'></a><a href='#FNanchor_763_763'>[763]</a><div class='note'><p> L.c., p. 222.</p></div> + +<a name='Footnote_764_764'></a><a href='#FNanchor_764_764'>[764]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 184, 189, 242, +266.</p></div> + +<a name='Footnote_765_765'></a><a href='#FNanchor_765_765'>[765]</a><div class='note'><p> Olivier de la Marche, l'Estat de la maison etc., t. IV p. 56, zie +dergelijke vragen hierboven blz. 60. (zie Hoofdstuk II, tekst volgend op +noot 86)</p></div> + +<a name='Footnote_766_766'></a><a href='#FNanchor_766_766'>[766]</a><div class='note'><p> J.H. Round, The king's serjeants and officers of state with their +coronation services, London 1911, p. 41.</p></div> + +<a name='Footnote_767_767'></a><a href='#FNanchor_767_767'>[767]</a><div class='note'><p> Le livre des trahisons, p. 27.</p></div> + +<a name='Footnote_768_768'></a><a href='#FNanchor_768_768'>[768]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, III p. 464s, Juvenal des Ursins, p. 440; Noël +Valois, La France et le grand schisme d'occident, Paris, 1896-1902, 4 +vol., III p. 433.</p></div> + +<a name='Footnote_769_769'></a><a href='#FNanchor_769_769'>[769]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 342.</p></div> + +<a name='Footnote_770_770'></a><a href='#FNanchor_770_770'>[770]</a><div class='note'><p> Monstrelet, I p. 177-242; Coville, Le véritable texte de la +justification du duc de Bourgogne par Jean Petit, Bibliothèque de +l'école des chartes, 1911, p. 57.</p></div> + +<a name='Footnote_771_771'></a><a href='#FNanchor_771_771'>[771]</a><div class='note'><p> Leroux de Lincy, Le proverbe français, vgl. E. Langlois, Bibl. de +l'Ecole des chartes LX, 1899, p. 569, J. Ulrich, Zeitschr. f. franz. +Sprache & Lit. XXIV, 1902, p. 191.</p></div> + +<a name='Footnote_772_772'></a><a href='#FNanchor_772_772'>[772]</a><div class='note'><p> Achter Les Grandes chroniques de France, ed. P. Paris, IV p. 478.</p></div> + +<a name='Footnote_773_773'></a><a href='#FNanchor_773_773'>[773]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, ed. Duchesne p. 717.</p></div> + +<a name='Footnote_774_774'></a><a href='#FNanchor_774_774'>[774]</a><div class='note'><p> Jean Molinet, Faictz et Dictz, ed. Parijs 1537, f. 80, 119, 152, +161, 170, 194.</p></div> + +<a name='Footnote_775_775'></a><a href='#FNanchor_775_775'>[775]</a><div class='note'><p> Coquillart, Oeuvres, I p. 6.</p></div> + +<a name='Footnote_776_776'></a><a href='#FNanchor_776_776'>[776]</a><div class='note'><p> Villon, ed. Long-nom, p. 134.</p></div> + +<a name='Footnote_777_777'></a><a href='#FNanchor_777_777'>[777]</a><div class='note'><p> Roberti Gaguini, Ep. et or., ed. Thuasne, II p. 366.</p></div> + +<a name='Footnote_778_778'></a><a href='#FNanchor_778_778'>[778]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, IV p. 657; ib. I p. 936; vgl. Leroux de Lincy, Le +proverbe français, I p. lii.</p></div> + +<a name='Footnote_779_779'></a><a href='#FNanchor_779_779'>[779]</a><div class='note'><p> Geffroi de Paris, ed. de Wailly et Delisle, Bouquet, Recueil des +Historiens des Gaules et de la France, XXII p. 87, zie index rerum et +personarum s. v. Proverbia, p. 926.</p></div> + +<a name='Footnote_780_780'></a><a href='#FNanchor_780_780'>[780]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, XI p. 119; ed. Kervyn, XIII p. 41, XIV p. 33, +XV p. 10; Le Jouvencel, I p. 60, 62, 63, 74, 78, 93.</p></div> + +<a name='Footnote_781_781'></a><a href='#FNanchor_781_781'>[781]</a><div class='note'><p> Zie mijn Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, De Gids +1912, I.</p></div> + +<a name='Footnote_782_782'></a><a href='#FNanchor_782_782'>[782]</a><div class='note'><p> Hierboven blz. <a href="#202">202</a>. (zie Hoofdstuk IV, tekst volgend op noot 389)</p></div> + +<a name='Footnote_783_783'></a><a href='#FNanchor_783_783'>[783]</a><div class='note'><p> A. Piaget, Le livre Messire Geoffroy de Charny, Romania, XXVI, +1897, p. 396.</p></div> + +<a name='Footnote_784_784'></a><a href='#FNanchor_784_784'>[784]</a><div class='note'><p> Larbre des batailles, Paris, Michel le Noir 1515. Zie over Bonet +Molinier, Sources de l'histoire de France, no. 3694.</p></div> + +<a name='Footnote_785_785'></a><a href='#FNanchor_785_785'>[785]</a><div class='note'><p> Chap. 35, 85 bis (de nos. 80-90 komen in de uitgave van 1515 +tweemaal voor), 124/6.</p></div> + +<a name='Footnote_786_786'></a><a href='#FNanchor_786_786'>[786]</a><div class='note'><p> Chap. 56, 60, 84, 132.</p></div> + +<a name='Footnote_787_787'></a><a href='#FNanchor_787_787'>[787]</a><div class='note'><p> Chap. 82, 89, 80 bis en vg.</p></div> + +<a name='Footnote_788_788'></a><a href='#FNanchor_788_788'>[788]</a><div class='note'><p> Le Jouvencel, I p. 222, II p. 8, 93, 96, 133, 214.</p></div> + +<a name='Footnote_789_789'></a><a href='#FNanchor_789_789'>[789]</a><div class='note'><p> Les vers de maître Henri Baude, poète du XV<sup>e</sup> siècle, ed. Quicherat +(Trésor des pièces rares ou inédites), 1856, p. 20-25.</p></div> + +<a name='Footnote_790_790'></a><a href='#FNanchor_790_790'>[790]</a><div class='note'><p> Champion, Villon, II p. 182.</p></div> + +<a name='Footnote_791_791'></a><a href='#FNanchor_791_791'>[791]</a><div class='note'><p> La Marche. II p. 80.</p></div> + +<a name='Footnote_792_792'></a><a href='#FNanchor_792_792'>[792]</a><div class='note'><p> L.c., II p. 168.</p></div> + +<a name='Footnote_793_793'></a><a href='#FNanchor_793_793'>[793]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 169.</p></div> + +<a name='Footnote_794_794'></a><a href='#FNanchor_794_794'>[794]</a><div class='note'><p> Chron. scand., II p. 83.</p></div> + +<a name='Footnote_795_795'></a><a href='#FNanchor_795_795'>[795]</a><div class='note'><p> Petit-Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires +etc.; vgl. Chastellain, V p. 399 en Jacques du Clercq, passim.</p></div> + +<a name='Footnote_796_796'></a><a href='#FNanchor_796_796'>[796]</a><div class='note'><p> Du Clercq, IV p. 264; vgl. III p. 180, 184, 206, 209.</p></div> + +<a name='Footnote_797_797'></a><a href='#FNanchor_797_797'>[797]</a><div class='note'><p> Monstrelet, I p. 342, V p. 333; Chastellain, II p. 389; La Marche, +II p. 284, 331; Le livre des trahisons, p. 34, 226.</p></div> + +<a name='Footnote_798_798'></a><a href='#FNanchor_798_798'>[798]</a><div class='note'><p> Quicherat, Th. Basin, I p. xliv.</p></div> + +<a name='Footnote_799_799'></a><a href='#FNanchor_799_799'>[799]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 106.</p></div> + +<a name='Footnote_800_800'></a><a href='#FNanchor_800_800'>[800]</a><div class='note'><p> Sermo de nativ. domini, Gerson, Opera, III p. 947.</p></div> + +<a name='Footnote_801_801'></a><a href='#FNanchor_801_801'>[801]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet, vs. 2043.</p></div> + +<a name='Footnote_802_802'></a><a href='#FNanchor_802_802'>[802]</a><div class='note'><p> Jean Jouffroy, Oratio, I p. 188.</p></div> + +<a name='Footnote_803_803'></a><a href='#FNanchor_803_803'>[803]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 63.</p></div> + +<a name='Footnote_804_804'></a><a href='#FNanchor_804_804'>[804]</a><div class='note'><p> Gerson, Querela nomine Universitatis etc., Opera, IV p. 574; vgl. +Rel. de S. Denis, III p. 185.</p></div> + +<a name='Footnote_805_805'></a><a href='#FNanchor_805_805'>[805]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 375, vgl. 307.</p></div> + +<a name='Footnote_806_806'></a><a href='#FNanchor_806_806'>[806]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 111, 363.</p></div> + +<a name='Footnote_807_807'></a><a href='#FNanchor_807_807'>[807]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 388.</p></div> + +<a name='Footnote_808_808'></a><a href='#FNanchor_808_808'>[808]</a><div class='note'><p> Bassin, I p. 66.</p></div> + +<a name='Footnote_809_809'></a><a href='#FNanchor_809_809'>[809]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 60, 63, 83, 88, 91, 94, 134<sup>1</sup>; III p. 101.</p></div> + +<a name='Footnote_810_810'></a><a href='#FNanchor_810_810'>[810]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 170, 391, 262, 413, 460.</p></div> + +<a name='Footnote_811_811'></a><a href='#FNanchor_811_811'>[811]</a><div class='note'><p> Basin, II p. 417, 419.</p></div> + +<a name='Footnote_812_812'></a><a href='#FNanchor_812_812'>[812]</a><div class='note'><p> Deschamps, Oeuvres, t. IX.</p></div> + +<a name='Footnote_813_813'></a><a href='#FNanchor_813_813'>[813]</a><div class='note'><p> L.c., p. 219ss.</p></div> + +<a name='Footnote_814_814'></a><a href='#FNanchor_814_814'>[814]</a><div class='note'><p> L.c., p. 293ss.</p></div> + +<a name='Footnote_815_815'></a><a href='#FNanchor_815_815'>[815]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 93; Livre des trahisons, p. 157; Molinet, II +p. 129; vgl. du Clercq, IV p. 203, 273; Th. Pauli, p. 278.</p></div> + +<a name='Footnote_816_816'></a><a href='#FNanchor_816_816'>[816]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 65.</p></div> + +<a name='Footnote_817_817'></a><a href='#FNanchor_817_817'>[817]</a><div class='note'><p> Molinet, IV p. 417; Courtaulx = een muziekinstrument, Mornifle = +een kaartspel.</p></div> + +<a name='Footnote_818_818'></a><a href='#FNanchor_818_818'>[818]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 205.</p></div> + +<a name='Footnote_819_819'></a><a href='#FNanchor_819_819'>[819]</a><div class='note'><p> Le songe du vieil pelerin, bij Jorga, Phil. de Mézières, p. 69<sup>1</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_820_820'></a><a href='#FNanchor_820_820'>[820]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 425.</p></div> + +<a name='Footnote_821_821'></a><a href='#FNanchor_821_821'>[821]</a><div class='note'><p> L.c., p. 415.</p></div> + +<a name='Footnote_822_822'></a><a href='#FNanchor_822_822'>[822]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 206.</p></div> + +<a name='Footnote_823_823'></a><a href='#FNanchor_823_823'>[823]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo coram rege Franciae, Opera, IV p. 620; Juvenal des +Ursins, p. 415, 423.</p></div> + +<a name='Footnote_824_824'></a><a href='#FNanchor_824_824'>[824]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 216.</p></div> + +<a name='Footnote_825_825'></a><a href='#FNanchor_825_825'>[825]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 324, 323, 314<sup>1</sup>, vgl. du Clercq, III p. 236.</p></div> + +<a name='Footnote_826_826'></a><a href='#FNanchor_826_826'>[826]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 376, III p. 446, 447<sup>1</sup>, 448, IV p. 213, V p. 32.</p></div> + +<a name='Footnote_827_827'></a><a href='#FNanchor_827_827'>[827]</a><div class='note'><p> Monstrelet, V p. 425.</p></div> + +<a name='Footnote_828_828'></a><a href='#FNanchor_828_828'>[828]</a><div class='note'><p> Chronique de Pierre le Prêtre, bij Bourquelot, La vauderie +d'Arras, Bibliothèque de l'école des chartes, 2<sup>e</sup> série, III p. 109.</p></div> + +<a name='Footnote_829_829'></a><a href='#FNanchor_829_829'>[829]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq, III passim; Matthieu d'Escouchy, II p. 416ss.</p></div> + +<a name='Footnote_830_830'></a><a href='#FNanchor_830_830'>[830]</a><div class='note'><p> Martin le Franc, Le Champion des dames, bij Bourquelot, l.c., p. 86; +bij Thuasne, Gaguin, II p. 474.</p></div> + +<a name='Footnote_831_831'></a><a href='#FNanchor_831_831'>[831]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XI p. 193.</p></div> + +<a name='Footnote_832_832'></a><a href='#FNanchor_832_832'>[832]</a><div class='note'><p> Gerson, Contra superstitionem praesertim Innocentum, Op. I p. 205; +De erroribus circa artem magicam, I p. 211; De falsis prophetis, I p. 545; +De passionibus animae, III p. 142.</p></div> + +<a name='Footnote_833_833'></a><a href='#FNanchor_833_833'>[833]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 236.</p></div> + +<a name='Footnote_834_834'></a><a href='#FNanchor_834_834'>[834]</a><div class='note'><p> L.c., p. 220.</p></div> + +<a name='Footnote_835_835'></a><a href='#FNanchor_835_835'>[835]</a><div class='note'><p> Dionysius Cartusianus, Contra vitia superstitionum quibus circa +cultum veri Dei erratur, Opera, t. XXXVI p. 211ss.; vgl. A. Franz, Die +kirchlichen Benediktionem im Mittelalter, Freiburg 1909, 2 bde.</p></div> + +<a name='Footnote_836_836'></a><a href='#FNanchor_836_836'>[836]</a><div class='note'><p> B.v. Jacques du Clercq, III p. 104-107.</p></div> + +<a name='Footnote_837_837'></a><a href='#FNanchor_837_837'>[837]</a><div class='note'><p> De Hoofdstukken XII en XIII vormen een omwerking en uitbreiding +van het essay: De kunst der Van Eyck's in het leven van hun tijd. De +Gids 1916, no. 6 en 7.</p></div> + +<a name='Footnote_838_838'></a><a href='#FNanchor_838_838'>[838]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, II p. 78.</p></div> + +<a name='Footnote_839_839'></a><a href='#FNanchor_839_839'>[839]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, II p. 413.</p></div> + +<a name='Footnote_840_840'></a><a href='#FNanchor_840_840'>[840]</a><div class='note'><p> L.c., I p. 358.</p></div> + +<a name='Footnote_841_841'></a><a href='#FNanchor_841_841'>[841]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 600; Juvenal des Ursins, p. 379.</p></div> + +<a name='Footnote_842_842'></a><a href='#FNanchor_842_842'>[842]</a><div class='note'><p> La Curne de Ste Palaye, I p. 388; vgl. ook Journal d'un bourgeois +de Paris, p. 67.</p></div> + +<a name='Footnote_843_843'></a><a href='#FNanchor_843_843'>[843]</a><div class='note'><p> Bourgeois de Paris, p. 179 (Karel VI); 309 (Isabella van Beieren); +Chastellain, IV p. 42, (Karel VII), I p. 332 (Henry V); Lefèvre de S. +Remy, II p. 65; M. d'Escouchy, II p. 424, 432; Chron. scand., I p. 21; +Jean Chartier, p. 319 (Karel VII); Quatrebarbes, Oeuvres du roi René, I +p. 129; Gaguini compendium super Francorum gestis, ed. Paris, 1500, +begrafenis van Karel VIII, f. 164.</p></div> + +<a name='Footnote_844_844'></a><a href='#FNanchor_844_844'>[844]</a><div class='note'><p> Martial d'Auvergne, Vigilles de Charles VII. Les poésies de +Martial de Paris, dit d'Auvergne, Paris 1724, 2 vol., II p. 170.</p></div> + +<a name='Footnote_845_845'></a><a href='#FNanchor_845_845'>[845]</a><div class='note'><p> B.v. Froissart, ed. Luce, VIII p. 43.</p></div> + +<a name='Footnote_846_846'></a><a href='#FNanchor_846_846'>[846]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XI p. 367. Een variant leest "proviseurs" +voor "peintres", maar het zinsverband maakt het laatste aannemelijker.</p></div> + +<a name='Footnote_847_847'></a><a href='#FNanchor_847_847'>[847]</a><div class='note'><p> Pierre de Fenin, p. 624 van Bonne d'Artois: "et avec ce ne portoit +point d'estat sur son chief comment autres dames à elle pareilles".</p></div> + +<a name='Footnote_848_848'></a><a href='#FNanchor_848_848'>[848]</a><div class='note'><p> La livre des trahisons, p. 156.</p></div> + +<a name='Footnote_849_849'></a><a href='#FNanchor_849_849'>[849]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 375; La Marche, II p. 340, III p. 165; +d'Escouchy, II p. 116; Laborde, II; zie Molinier, Les sources de l'hist. +de France, nos. 3645, 3661, 3663, 5030; Inv. des arch. du Nord, IV p. 195.</p></div> + +<a name='Footnote_850_850'></a><a href='#FNanchor_850_850'>[850]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 340ss.</p></div> + +<a name='Footnote_851_851'></a><a href='#FNanchor_851_851'>[851]</a><div class='note'><p> Laborde, II p. 326.</p></div> + +<a name='Footnote_852_852'></a><a href='#FNanchor_852_852'>[852]</a><div class='note'><p> La Marche, III p. 197.</p></div> + +<a name='Footnote_853_853'></a><a href='#FNanchor_853_853'>[853]</a><div class='note'><p> Laborde, II p. 375, no. 4880.</p></div> + +<a name='Footnote_854_854'></a><a href='#FNanchor_854_854'>[854]</a><div class='note'><p> Laborde, II p. 322, 329.</p></div> + +<a name='Footnote_855_855'></a><a href='#FNanchor_855_855'>[855]</a><div class='note'><p> Chastellain. V p. 26<sup>2</sup>, Doutrepont, p. 156.</p></div> + +<a name='Footnote_856_856'></a><a href='#FNanchor_856_856'>[856]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 378.</p></div> + +<a name='Footnote_857_857'></a><a href='#FNanchor_857_857'>[857]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq, II p. 280.</p></div> + +<a name='Footnote_858_858'></a><a href='#FNanchor_858_858'>[858]</a><div class='note'><p> Foulquart, bij d'Héricault, Oeuvres de Coquillart, I p. 23<sup>1</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_859_859'></a><a href='#FNanchor_859_859'>[859]</a><div class='note'><p> Lefèvre de S. Remy, II p. 291.</p></div> + +<a name='Footnote_860_860'></a><a href='#FNanchor_860_860'>[860]</a><div class='note'><p> Londen, National gallery; Berlijn, Kaiser Friedrich Museum.</p></div> + +<a name='Footnote_861_861'></a><a href='#FNanchor_861_861'>[861]</a><div class='note'><p> W.H.J. Weale, Hubert and John van Eyck, Their life and work, +London-New York, 1908, p. 70<sup>1</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_862_862'></a><a href='#FNanchor_862_862'>[862]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XI p. 197.</p></div> + +<a name='Footnote_863_863'></a><a href='#FNanchor_863_863'>[863]</a><div class='note'><p> P. Durrieu, Les très richcs heures de Jean de France, duc de Berry +(Heures de Chantilly), Paris, 1904, p. 81.</p></div> + +<a name='Footnote_864_864'></a><a href='#FNanchor_864_864'>[864]</a><div class='note'><p> Moll, Kerkgesch. II<sup>3</sup> p. 313 vg.; J.G.R. Acquoy, Het klooster +van Windesheim en zijn invloed, Utrecht, 1875-'80, 3 vol., II p. 249.</p></div> + +<a name='Footnote_865_865'></a><a href='#FNanchor_865_865'>[865]</a><div class='note'><p> Th. a Kempis, Sermones ad novitios no. 28, Opera ed. Pohl. t. VI +p. 287.</p></div> + +<a name='Footnote_866_866'></a><a href='#FNanchor_866_866'>[866]</a><div class='note'><p> Moll, l.c., II<sup>2</sup> p. 321, Acquoy. l.c., p. 222.</p></div> + +<a name='Footnote_867_867'></a><a href='#FNanchor_867_867'>[867]</a><div class='note'><p> Chastellain. IV p. 218.</p></div> + +<a name='Footnote_868_868'></a><a href='#FNanchor_868_868'>[868]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 398.</p></div> + +<a name='Footnote_869_869'></a><a href='#FNanchor_869_869'>[869]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 369.</p></div> + +<a name='Footnote_870_870'></a><a href='#FNanchor_870_870'>[870]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 136, 275, 359, 361, V p. 225; du Clercq, IV p. 7.</p></div> + +<a name='Footnote_871_871'></a><a href='#FNanchor_871_871'>[871]</a><div class='note'><p> Chastellain. III p. 332; du Clercq, III p. 56.</p></div> + +<a name='Footnote_872_872'></a><a href='#FNanchor_872_872'>[872]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 44, II p. 281; La Marche, II p. 85; du Clercq, +III p. 56.</p></div> + +<a name='Footnote_873_873'></a><a href='#FNanchor_873_873'>[873]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 330.</p></div> + +<a name='Footnote_874_874'></a><a href='#FNanchor_874_874'>[874]</a><div class='note'><p> du Clercq, III p. 203.</p></div> + +<a name='Footnote_875_875'></a><a href='#FNanchor_875_875'>[875]</a><div class='note'><p> Facius, Liber de viris illustribus, ed. 1745, p. 46, bij Weale, +Hubert and John van Eyck, p. lxxiii.</p></div> + +<a name='Footnote_876_876'></a><a href='#FNanchor_876_876'>[876]</a><div class='note'><p> Dion. Cartus., Opera, t. XXXIV p. 223.</p></div> + +<a name='Footnote_877_877'></a><a href='#FNanchor_877_877'>[877]</a><div class='note'><p> L.c., p. 247, 230.</p></div> + +<a name='Footnote_878_878'></a><a href='#FNanchor_878_878'>[878]</a><div class='note'><p> O. Zöckler, Dionys des Kartäusers Schrift De venustate mundi, +Beitrag zur Vorgeschichte der Asthetik, Theol. Studiën und Kritiken, +1881, p. 651.</p></div> + +<a name='Footnote_879_879'></a><a href='#FNanchor_879_879'>[879]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., Opera, t. I Vita p. xxxvi.</p></div> + +<a name='Footnote_880_880'></a><a href='#FNanchor_880_880'>[880]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., De vita canonicorum, art. 20, Opera, t. XXXVII, p. 197: +An discantus in divino obsequio sit commendabilis.</p></div> + +<a name='Footnote_881_881'></a><a href='#FNanchor_881_881'>[881]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 73; vgl. 67.</p></div> + +<a name='Footnote_882_882'></a><a href='#FNanchor_882_882'>[882]</a><div class='note'><p> Petri Alliaci De falsis prophetis, bij Gerson, Opera, I p. 538.</p></div> + +<a name='Footnote_883_883'></a><a href='#FNanchor_883_883'>[883]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 361.</p></div> + +<a name='Footnote_884_884'></a><a href='#FNanchor_884_884'>[884]</a><div class='note'><p> De venustate etc., t. XXXIV p. 242.</p></div> + +<a name='Footnote_885_885'></a><a href='#FNanchor_885_885'>[885]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, IV p. 90, VIII p. 43, 58, XI p. 53, 129; ed. +Kervyn, XI p. 340, 360, XIII p. 150, XIV p. 157, 215.</p></div> + +<a name='Footnote_886_886'></a><a href='#FNanchor_886_886'>[886]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 155; II p. 211, II no. 307, p. 208; La Marche, I +p. 274.</p></div> + +<a name='Footnote_887_887'></a><a href='#FNanchor_887_887'>[887]</a><div class='note'><p> Livre des trahisons, p. 150, 156; La Marche, II p. 12, 347, III +p. 127, 89; Chastellain, IV p. 44; Chron. scand., I p. 26, 126.</p></div> + +<a name='Footnote_888_888'></a><a href='#FNanchor_888_888'>[888]</a><div class='note'><p> Lefèvre de S. Remy, II p. 294, 296.</p></div> + +<a name='Footnote_889_889'></a><a href='#FNanchor_889_889'>[889]</a><div class='note'><p> Couderc, Les comptes d'un grand couturier parisien au XV<sup>e</sup> siècle, +Bulletin de la soc. de l'hist. de Paris. XXXVIII, 1911, p. 125ss.</p></div> + +<a name='Footnote_890_890'></a><a href='#FNanchor_890_890'>[890]</a><div class='note'><p> b.v. Monstrelet. V p. 2; du Clercq, I p. 348.</p></div> + +<a name='Footnote_891_891'></a><a href='#FNanchor_891_891'>[891]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 343.</p></div> + +<a name='Footnote_892_892'></a><a href='#FNanchor_892_892'>[892]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 223; La Marche, I p. 276, II p. 11, 68, 345; +du Clercq, II p. 197; Jean Germain, Liber de virtutibus, p. 11; +Jouffroy, Oratio, p. 173.</p></div> + +<a name='Footnote_893_893'></a><a href='#FNanchor_893_893'>[893]</a><div class='note'><p> d'Escouchy, I p. 234.</p></div> + +<a name='Footnote_894_894'></a><a href='#FNanchor_894_894'>[894]</a><div class='note'><p> Zie hierboven p. 201. (zie Hoofdstuk IV, noot <a href="#FNanchor_384_384">384</a>)</p></div> + +<a name='Footnote_895_895'></a><a href='#FNanchor_895_895'>[895]</a><div class='note'><p> Le miroir de mariage, XVII vs. 1650; Deschamps, Oeuvres, IX p. 57.</p></div> + +<a name='Footnote_896_896'></a><a href='#FNanchor_896_896'>[896]</a><div class='note'><p> Chansons françaises du quinzième siècle, ed. G. Paris, (Soc. des +anciens textes français), 1875, no. XLX, p. 50; vgl. Deschamps, no. 415, +III p. 217, no. 419, ib. p. 223, no. 423, ib. p. 227, no. 481, ib. p. 302, +no. 728, IV p. 199; l'Amant rendu cordelier, h. 62, p. 23; Molinet, +Faictz et Dictz, fol. 176.</p></div> + +<a name='Footnote_897_897'></a><a href='#FNanchor_897_897'>[897]</a><div class='note'><p> Blason des couleurs van den heraut Sicile (bij La Curne de Sainte +Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie II p. 56). Dit tractaat, dat +nog door Rabelais wordt bespot als het eertijds toonaangevende op het +stuk van de beteekenis der kleuren, was mij helaas niet toegankelijk.</p></div> + +<a name='Footnote_898_898'></a><a href='#FNanchor_898_898'>[898]</a><div class='note'><p> Cent balades d'amant et de dame no. 92, Christine de Pisan, +Oeuvres poétiques, III p. 299. Vgl. Deschamps, X no. 52; L'histoire et +plaisante cronicque du petit Jehan de Saintré, ed. G. Hellény, Paris, +1890. p. 415.</p></div> + +<a name='Footnote_899_899'></a><a href='#FNanchor_899_899'>[899]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet, vs. 2054, p. 636; vgl. Les cent nouvelles +nouvelles, II p. 118: "craindroit très fort estre du rang des bleuz +vestuz, qu'on appelle communement noz amis."</p></div> + +<a name='Footnote_900_900'></a><a href='#FNanchor_900_900'>[900]</a><div class='note'><p> Chansons du XV<sup>e</sup> siècle, no. 5, p. 5, no. 87, p. 85.</p></div> + +<a name='Footnote_901_901'></a><a href='#FNanchor_901_901'>[901]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 207.</p></div> + +<a name='Footnote_902_902'></a><a href='#FNanchor_902_902'>[902]</a><div class='note'><p> Erasmus, Ratio seu Methodus compendio perveniendi ad veram +theologiam, ed. Bazel 1520, p. 146.</p></div> + +<a name='Footnote_903_903'></a><a href='#FNanchor_903_903'>[903]</a><div class='note'><p> E. Durand Gréville, Hubert et Jean van Eyck, Bruxelles, 1910, +p. 119.</p></div> + +<a name='Footnote_904_904'></a><a href='#FNanchor_904_904'>[904]</a><div class='note'><p> p. <a href="#361">361</a>. (zie Hoofdstuk X, noot <a href="#FNanchor_721_721">720</a>)</p></div> + +<a name='Footnote_905_905'></a><a href='#FNanchor_905_905'>[905]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 594.</p></div> + +<a name='Footnote_906_906'></a><a href='#FNanchor_906_906'>[906]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 11, 12. IV p. 21, 393, VII p. 160; La Marche, +I p. 14; Molinet, I p. 23.</p></div> + +<a name='Footnote_907_907'></a><a href='#FNanchor_907_907'>[907]</a><div class='note'><p> Jean Robertet, bij Chastellain, VII p. 182.</p></div> + +<a name='Footnote_908_908'></a><a href='#FNanchor_908_908'>[908]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 219.</p></div> + +<a name='Footnote_909_909'></a><a href='#FNanchor_909_909'>[909]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 231ss.—Sint Antoine valt op 17 Januari.</p></div> + +<a name='Footnote_910_910'></a><a href='#FNanchor_910_910'>[910]</a><div class='note'><p> Oratoire, een door tapijten afgeschoten vertrekje in een kapel.</p></div> + +<a name='Footnote_911_911'></a><a href='#FNanchor_911_911'>[911]</a><div class='note'><p> Dooi.</p></div> + +<a name='Footnote_912_912'></a><a href='#FNanchor_912_912'>[912]</a><div class='note'><p> Een heuveltje, een aardhoop.</p></div> + +<a name='Footnote_913_913'></a><a href='#FNanchor_913_913'>[913]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 46, zie hierboven blz. 154 (zie Hoofdstuk III, +noot <a href="#FNanchor_294_294">294</a>). vg. III 104, V 259.</p></div> + +<a name='Footnote_914_914'></a><a href='#FNanchor_914_914'>[914]</a><div class='note'><p> Helmen.</p></div> + +<a name='Footnote_915_915'></a><a href='#FNanchor_915_915'>[915]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 273, 269, 271.</p></div> + +<a name='Footnote_916_916'></a><a href='#FNanchor_916_916'>[916]</a><div class='note'><p> Zie de reproducties bij A. Michel, Histoire de l'art etc., Paris, +1907 etc. 7 vol. parus, IV, 2 p. 711 en P. Durrieu. Les belles heures du +duc de Berry, Gazette des beaux arts 1906, t. 35, p. 283.</p></div> + +<a name='Footnote_917_917'></a><a href='#FNanchor_917_917'>[917]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 50, XI p. 99. XIII p. 4.</p></div> + +<a name='Footnote_918_918'></a><a href='#FNanchor_918_918'>[918]</a><div class='note'><p> Dichter onbekend, gedrukt Deschamps, Oeuvres X no. 18, vgl. Le +Debat du cuer et du corps de Villon, evenzoo Charles d'Orléans, rondel +192.</p></div> + +<a name='Footnote_919_919'></a><a href='#FNanchor_919_919'>[919]</a><div class='note'><p> Dat blijkt.</p></div> + +<a name='Footnote_920_920'></a><a href='#FNanchor_920_920'>[920]</a><div class='note'><p> Ed. de 1522, fol. 101, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot etc., +Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 301. Vgl. de balladen van +Henri Baude, ed. Quicherat (Trésor des pièces rares ou inédites, Paris +1856), p. 26, 37, 55, 79.</p></div> + +<a name='Footnote_921_921'></a><a href='#FNanchor_921_921'>[921]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce. I p. 56, 66. 71, XI p. 13, ed. Kervyn. XII +p. 2, 23; vgl. ook Deschamps, III p. 42.</p></div> + +<a name='Footnote_922_922'></a><a href='#FNanchor_922_922'>[922]</a><div class='note'><p> Froissart ed. Kervyn, XI p. 89.</p></div> + +<a name='Footnote_923_923'></a><a href='#FNanchor_923_923'>[923]</a><div class='note'><p> P. Durrieu, Les très-riches heures de Jean de France duc de Berry, +1904, pl. 38.</p></div> + +<a name='Footnote_924_924'></a><a href='#FNanchor_924_924'>[924]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi René, ed. de Quatrebarbes, II p. 105.</p></div> + +<a name='Footnote_925_925'></a><a href='#FNanchor_925_925'>[925]</a><div class='note'><p> Deschamps, I nos. 61, 144; III nos. 454, 483, 524; IV nos. 617, 636.</p></div> + +<a name='Footnote_926_926'></a><a href='#FNanchor_926_926'>[926]</a><div class='note'><p> Durrieu. l.c. pl. 3, 9, 12.</p></div> + +<a name='Footnote_927_927'></a><a href='#FNanchor_927_927'>[927]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI p. 191, no. 1204.</p></div> + +<a name='Footnote_928_928'></a><a href='#FNanchor_928_928'>[928]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, V p. 64, VIII p. 5, 48, XI p. 110, ed. +Kervyn, XIII p. 14, 21, 84, 102, 264.</p></div> + +<a name='Footnote_929_929'></a><a href='#FNanchor_929_929'>[929]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XV p. 54, 109, 184, XVI p. 23, 52, ed. +Luce. I p. 394.</p></div> + +<a name='Footnote_930_930'></a><a href='#FNanchor_930_930'>[930]</a><div class='note'><p> Froissart, XIII p. 13.</p></div> + +<a name='Footnote_931_931'></a><a href='#FNanchor_931_931'>[931]</a><div class='note'><p> G. de Machaut, Poésies lyriques, ed. V. Chichmaref (Zapiski ist. +fil. fakulteta imp. S. Peterb. universiteta XCII 1909) no. 60, I p. 74.</p></div> + +<a name='Footnote_932_932'></a><a href='#FNanchor_932_932'>[932]</a><div class='note'><p> La Borderie, l.c., p. 618.</p></div> + +<a name='Footnote_933_933'></a><a href='#FNanchor_933_933'>[933]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 276.</p></div> + +<a name='Footnote_934_934'></a><a href='#FNanchor_934_934'>[934]</a><div class='note'><p> Ib. p. 164, no. 30.</p></div> + +<a name='Footnote_935_935'></a><a href='#FNanchor_935_935'>[935]</a><div class='note'><p> Ib. I p. 275, no. 5.</p></div> + +<a name='Footnote_936_936'></a><a href='#FNanchor_936_936'>[936]</a><div class='note'><p> Froissart, Poésies, ed. Scheler, II p. 216.</p></div> + +<a name='Footnote_937_937'></a><a href='#FNanchor_937_937'>[937]</a><div class='note'><p> P. Michault, La dance aux aveugles etc., Lille, 1748.</p></div> + +<a name='Footnote_938_938'></a><a href='#FNanchor_938_938'>[938]</a><div class='note'><p> Recueil de poésies françoises des XV<sup>e</sup> et XVI<sup>e</sup> siècles, ed. de +Montaiglon (Bibl. elzevirienne) t. IX p. 59.</p></div> + +<a name='Footnote_939_939'></a><a href='#FNanchor_939_939'>[939]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI no. 1202, p. 188.</p></div> + +<a name='Footnote_940_940'></a><a href='#FNanchor_940_940'>[940]</a><div class='note'><p> Het vee dat naar de wei gaat.</p></div> + +<a name='Footnote_941_941'></a><a href='#FNanchor_941_941'>[941]</a><div class='note'><p> Froissart, Poésies. I p. 91.</p></div> + +<a name='Footnote_942_942'></a><a href='#FNanchor_942_942'>[942]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 22.</p></div> + +<a name='Footnote_943_943'></a><a href='#FNanchor_943_943'>[943]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 196, no. 90, p. 192, no. 87. IV p. 294, no. 788, V +no.903, 905, 919, VII p. 220, no. 1375, vgl. II p. 86, no. 250, no.247.</p></div> + +<a name='Footnote_944_944'></a><a href='#FNanchor_944_944'>[944]</a><div class='note'><p> Durrieu, Les tres riches heures, pl. 38, 39, 60, 27, 28.</p></div> + +<a name='Footnote_945_945'></a><a href='#FNanchor_945_945'>[945]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 1060, V p. 351. no. 844, V p. 15.</p></div> + +<a name='Footnote_946_946'></a><a href='#FNanchor_946_946'>[946]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 256ss.</p></div> + +<a name='Footnote_947_947'></a><a href='#FNanchor_947_947'>[947]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 325<sup>2</sup>.</p></div> + +<a name='Footnote_948_948'></a><a href='#FNanchor_948_948'>[948]</a><div class='note'><p> Deschamps, nos. 1229, 1230, 1233, 1259, 1299, 1300, 1477, VI +p. 230, 232, 237, 279, VII p. 52, 54, VIII p. 182, vgl. Gaguin's +De validorum mendicantium astucia, Thuasne, II p. 169ss.</p></div> + +<a name='Footnote_949_949'></a><a href='#FNanchor_949_949'>[949]</a><div class='note'><p> Deschamps. no. 219, II p. 44, no. 2, I p. 71.</p></div> + +<a name='Footnote_950_950'></a><a href='#FNanchor_950_950'>[950]</a><div class='note'><p> Ib. IV, p. 291, no. 786.</p></div> + +<a name='Footnote_951_951'></a><a href='#FNanchor_951_951'>[951]</a><div class='note'><p> Bibliothèque de l'école des chartes, 2<sup>e</sup> série III 1846, p. 70.</p></div> + +<a name='Footnote_952_952'></a><a href='#FNanchor_952_952'>[952]</a><div class='note'><p> Proverbia, 14.13.</p></div> + +<a name='Footnote_953_953'></a><a href='#FNanchor_953_953'>[953]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, La belle dame sans mercy, p. 503, 505, vgl. Le +debat du reveille-matin, p. 498; Chansons du XV<sup>e</sup> siècle, p. 71, no. 73; +L'amant rendu cordelier à l'observance d'amours, vs. 371; Molinet, +Faictz et dictz, ed. 1537, f. 172.</p></div> + +<a name='Footnote_954_954'></a><a href='#FNanchor_954_954'>[954]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, Le debat des deux fortunes d'amours, p. 581.</p></div> + +<a name='Footnote_955_955'></a><a href='#FNanchor_955_955'>[955]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, III p. 194.</p></div> + +<a name='Footnote_956_956'></a><a href='#FNanchor_956_956'>[956]</a><div class='note'><p> Charles d'Orléans, Poésies complètes, p. 68.</p></div> + +<a name='Footnote_957_957'></a><a href='#FNanchor_957_957'>[957]</a><div class='note'><p> L.c., p. 88, ballade no. 19.</p></div> + +<a name='Footnote_958_958'></a><a href='#FNanchor_958_958'>[958]</a><div class='note'><p> L.c., chanson no. 62.</p></div> + +<a name='Footnote_959_959'></a><a href='#FNanchor_959_959'>[959]</a><div class='note'><p> Vgl. Alain Chartier, p. 559: "Ou se le vent une fenestre boute, +Dont il cuide que sa dame l'escoute, S'en va coucher joyeulx...."</p></div> + +<a name='Footnote_960_960'></a><a href='#FNanchor_960_960'>[960]</a><div class='note'><p> Huitains 51, 53, 57, 167, 188, 192, ed. de Montaiglon, Soc. des +anc. textes francais, 1881.</p></div> + +<a name='Footnote_961_961'></a><a href='#FNanchor_961_961'>[961]</a><div class='note'><p> Museum te Leipzig, no. 509.</p></div> + +<a name='Footnote_962_962'></a><a href='#FNanchor_962_962'>[962]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, 1418, p. 541; Journal d'un bourgeois de Paris, +p. 92, 172.</p></div> + +<a name='Footnote_963_963'></a><a href='#FNanchor_963_963'>[963]</a><div class='note'><p> J. Veth & S. Muller Fz., A. Dürer's Niederländische Reise, +Berlin-Utrecht, 1918, 2 bde, I p. 13.</p></div> + +<a name='Footnote_964_964'></a><a href='#FNanchor_964_964'>[964]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 414.</p></div> + +<a name='Footnote_965_965'></a><a href='#FNanchor_965_965'>[965]</a><div class='note'><p> Chron. scand., I p. 27.</p></div> + +<a name='Footnote_966_966'></a><a href='#FNanchor_966_966'>[966]</a><div class='note'><p> Molinet, V p. 15.</p></div> + +<a name='Footnote_967_967'></a><a href='#FNanchor_967_967'>[967]</a><div class='note'><p> Lefebvre, Théatre de Lille, p. 54, bij Doutrepont, p. 354.</p></div> + +<a name='Footnote_968_968'></a><a href='#FNanchor_968_968'>[968]</a><div class='note'><p> Th. Godefroy, Le ceremonial françois, 1649, p. 617.</p></div> + +<a name='Footnote_969_969'></a><a href='#FNanchor_969_969'>[969]</a><div class='note'><p> J. B. Houwaert, Declaratie van die triumphante Incompst van den +... Prince van Oraingnien etc.; t'Antwerpen, Plantijn 1579, p. 39.</p></div> + +<a name='Footnote_970_970'></a><a href='#FNanchor_970_970'>[970]</a><div class='note'><p> De these van Emile Male omtrent den invloed der +theatervoorstelling op de schilderkunst moge hier blijven rusten.</p></div> + +<a name='Footnote_971_971'></a><a href='#FNanchor_971_971'>[971]</a><div class='note'><p> Zie P. Durrieu, Gazette des beaux arts, 1906, t. 35, p. 275.</p></div> + +<a name='Footnote_972_972'></a><a href='#FNanchor_972_972'>[972]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Epitre d'Othéa à Hector, Ms. 9392 de Jean +Miélot, ed. J. van den Gheyn, Bruxelles 1913.</p></div> + +<a name='Footnote_973_973'></a><a href='#FNanchor_973_973'>[973]</a><div class='note'><p> L.c., pl. 5, 8, 26, 24, 25.</p></div> + +<a name='Footnote_974_974'></a><a href='#FNanchor_974_974'>[974]</a><div class='note'><p> Van den Gheyn, Epitre d'Othéa, pl. I en 3; Michel, Histoire de +l'art IV, 2 p. 603, Michel Colombe, grafmonument uit de kathedraal van +Nantes, id. 616, figuur van Temperantia aan het grafmonument der +kardinalen van Amboise in de kathedraal van Rouen.</p></div> + +<a name='Footnote_975_975'></a><a href='#FNanchor_975_975'>[975]</a><div class='note'><p> Zie daarover mijn opstel Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal +besef, De Gids 1912, I.</p></div> + +<a name='Footnote_976_976'></a><a href='#FNanchor_976_976'>[976]</a><div class='note'><p> Exposition sur verité mal prise, Chastellain, VI p. 249.</p></div> + +<a name='Footnote_977_977'></a><a href='#FNanchor_977_977'>[977]</a><div class='note'><p> zuur.</p></div> + +<a name='Footnote_978_978'></a><a href='#FNanchor_978_978'>[978]</a><div class='note'><p> gordel.</p></div> + +<a name='Footnote_979_979'></a><a href='#FNanchor_979_979'>[979]</a><div class='note'><p> Le livre de paix, Chastellain, VII p. 375.</p></div> + +<a name='Footnote_980_980'></a><a href='#FNanchor_980_980'>[980]</a><div class='note'><p> Advertissement au duc Charles, Chastellain. VII p. 304 ss.</p></div> + +<a name='Footnote_981_981'></a><a href='#FNanchor_981_981'>[981]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 237 ss.</p></div> + +<a name='Footnote_982_982'></a><a href='#FNanchor_982_982'>[982]</a><div class='note'><p> Molinet, Le miroir de la mort, fragment bij Chastellain, VI +p. 460.</p></div> + +<a name='Footnote_983_983'></a><a href='#FNanchor_983_983'>[983]</a><div class='note'><p> Chastellain. VII p. 419.</p></div> + +<a name='Footnote_984_984'></a><a href='#FNanchor_984_984'>[984]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 170.</p></div> + +<a name='Footnote_985_985'></a><a href='#FNanchor_985_985'>[985]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet, vs. 501, 7240, 5768.</p></div> + +<a name='Footnote_986_986'></a><a href='#FNanchor_986_986'>[986]</a><div class='note'><p> Vgl. voor de vermenging van pastorale en politiek Deschamps, III +p. 62, no. 344, p. 93, no. 359.</p></div> + +<a name='Footnote_987_987'></a><a href='#FNanchor_987_987'>[987]</a><div class='note'><p> Molinet, Faictz et dictz, f. 1.</p></div> + +<a name='Footnote_988_988'></a><a href='#FNanchor_988_988'>[988]</a><div class='note'><p> Molinet, Chronique, IV p. 307.</p></div> + +<a name='Footnote_989_989'></a><a href='#FNanchor_989_989'>[989]</a><div class='note'><p> Bij E. Langlois, Le roman de la rose (Soc. des anc. textes) 1914, +I p. 33.</p></div> + +<a name='Footnote_990_990'></a><a href='#FNanchor_990_990'>[990]</a><div class='note'><p> Recueil de Chansons etc. (Soc. des bibliophiles belges), III p. 31.</p></div> + +<a name='Footnote_991_991'></a><a href='#FNanchor_991_991'>[991]</a><div class='note'><p> La Borderie, l.c., p. 603, 632.</p></div> + +<a name='Footnote_992_992'></a><a href='#FNanchor_992_992'>[992]</a><div class='note'><p> N. de Clemanges, Opera ed. Lydius, Lugd. Bat., 1613; Joh. de +Monasteriolo, Epistolae, Martène & Durand, Amplissima Collectio, II col. +1310.</p></div> + +<a name='Footnote_993_993'></a><a href='#FNanchor_993_993'>[993]</a><div class='note'><p> Ep. 69 c. 1447, ep. 15 c. 1338.</p></div> + +<a name='Footnote_994_994'></a><a href='#FNanchor_994_994'>[994]</a><div class='note'><p> Ep. 59 c. 1426, 58, c. 1423.</p></div> + +<a name='Footnote_995_995'></a><a href='#FNanchor_995_995'>[995]</a><div class='note'><p> Ep. 40, col. 1388, 1396.</p></div> + +<a name='Footnote_996_996'></a><a href='#FNanchor_996_996'>[996]</a><div class='note'><p> Ep. 59, 67, col. 1427, 1435.</p></div> + +<a name='Footnote_997_997'></a><a href='#FNanchor_997_997'>[997]</a><div class='note'><p> Le livre du Voir-Dit, p. xviii.</p></div> + +<a name='Footnote_998_998'></a><a href='#FNanchor_998_998'>[998]</a><div class='note'><p> Ep. 38, col. 1385.</p></div> + +<a name='Footnote_999_999'></a><a href='#FNanchor_999_999'>[999]</a><div class='note'><p> Zie hierboven p. <a href="#324">324</a>. (zie Hoofdstuk VIII, tekst voor noot 665)</p></div> + +<a name='Footnote_1000_1000'></a><a href='#FNanchor_1000_1000'>[1000]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 922.</p></div> + +<a name='Footnote_1001_1001'></a><a href='#FNanchor_1001_1001'>[1001]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., t. XXXVII p. 495.</p></div> + +<a name='Footnote_1002_1002'></a><a href='#FNanchor_1002_1002'>[1002]</a><div class='note'><p> Petrarca, Opera, ed. Bazel 1581, p. 847.</p></div> + +<a name='Footnote_1003_1003'></a><a href='#FNanchor_1003_1003'>[1003]</a><div class='note'><p> Clemanges, Opera. Ep. 5, p. 24; J. de Monstr., Ep. 50, col. 1428.</p></div> + +<a name='Footnote_1004_1004'></a><a href='#FNanchor_1004_1004'>[1004]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 75-143, vgl. V p. 38-40, VI p. 80; VIII p. 358, +Le livre des trahisons, p. 145.</p></div> + +<a name='Footnote_1005_1005'></a><a href='#FNanchor_1005_1005'>[1005]</a><div class='note'><p> Machaut, Le Voir-Dit, p. 230; Chastellain, VI p, 194, La Marche, +III p. 166; Le Pastoralet vs.2806; Le Jouvencel, I p. 16.</p></div> + +<a name='Footnote_1006_1006'></a><a href='#FNanchor_1006_1006'>[1006]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet vs. 541, 4612.</p></div> + +<a name='Footnote_1007_1007'></a><a href='#FNanchor_1007_1007'>[1007]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 173, 117, 359 enz.; Molinet, II p. 207.</p></div> + +<a name='Footnote_1008_1008'></a><a href='#FNanchor_1008_1008'>[1008]</a><div class='note'><p> J. Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae (Chron. +rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III).</p></div> + +<a name='Footnote_1009_1009'></a><a href='#FNanchor_1009_1009'>[1009]</a><div class='note'><p> Zie hierboven p. <a href="#107">107</a>. (zie Hoofdstuk III, tekst volgend op noot +194)</p></div> + +<a name='Footnote_1010_1010'></a><a href='#FNanchor_1010_1010'>[1010]</a><div class='note'><p> Chronique scandaleuse, II p. 42.</p></div> + +<a name='Footnote_1011_1011'></a><a href='#FNanchor_1011_1011'>[1011]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I no. 90. p. 90.</p></div> + +<a name='Footnote_1012_1012'></a><a href='#FNanchor_1012_1012'>[1012]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 285, II p. 138.</p></div> + +<a name='Footnote_1013_1013'></a><a href='#FNanchor_1013_1013'>[1013]</a><div class='note'><p> Villon, ed. Longnon p. 15, h. 36-38; Rabelais, Pantagruel, 1. 2. +ch. 6.</p></div> + +<a name='Footnote_1014_1014'></a><a href='#FNanchor_1014_1014'>[1014]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 292ss; La Marche, Parement et triumphe des +dames, Prologue; Molinet, Faictz et dictz, Prologue, id. Chronique, +I p. 72, 10. 54.</p></div> + +<a name='Footnote_1015_1015'></a><a href='#FNanchor_1015_1015'>[1015]</a><div class='note'><p> Uittreksels bij Kervyn de Lettenhove, Oeuvres de Chastellain, +VII p. 145-186; zie P. Durrieu, Un barbier de nom français à Bruges, +Académie des inscriptions et belles-lettres, Comptes rendus 1917, +p. 542-558.</p></div> + +<a name='Footnote_1016_1016'></a><a href='#FNanchor_1016_1016'>[1016]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 146.</p></div> + +<a name='Footnote_1017_1017'></a><a href='#FNanchor_1017_1017'>[1017]</a><div class='note'><p> Ib. p. 180.</p></div> + +<a name='Footnote_1018_1018'></a><a href='#FNanchor_1018_1018'>[1018]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 15, 184-186; Molinet, I p. 14, III p. 99; +Chastellain, VI: Exposition sur verité mal prise, VII p. 76, 29, 142, +422; Commines, I p. 3; vgl. Doutrepont, p. 24.</p></div> + +<a name='Footnote_1019_1019'></a><a href='#FNanchor_1019_1019'>[1019]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 159.</p></div> + +<a name='Footnote_1020_1020'></a><a href='#FNanchor_1020_1020'>[1020]</a><div class='note'><p> Ib.</p></div> + +<a name='Footnote_1021_1021'></a><a href='#FNanchor_1021_1021'>[1021]</a><div class='note'><p> Thuasne, R. Gaguini Ep. & Or, I p. 126.</p></div> + +<a name='Footnote_1022_1022'></a><a href='#FNanchor_1022_1022'>[1022]</a><div class='note'><p> Thuasne, I p. 20.</p></div> + +<a name='Footnote_1023_1023'></a><a href='#FNanchor_1023_1023'>[1023]</a><div class='note'><p> Thuasne. I p. 178, II p. 509.</p></div> + +<a name='Footnote_1024_1024'></a><a href='#FNanchor_1024_1024'>[1024]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 63, I p. 158.</p></div> + +<a name='Footnote_1025_1025'></a><a href='#FNanchor_1025_1025'>[1025]</a><div class='note'><p> Villon, Testament vs. 899, ed. Longnon, p. 58.</p></div> + +<a name='Footnote_1026_1026'></a><a href='#FNanchor_1026_1026'>[1026]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet vs. 2094.</p></div> + +<a name='Footnote_1027_1027'></a><a href='#FNanchor_1027_1027'>[1027]</a><div class='note'><p> Ib. vs. 30, p. 574.</p></div> + +<a name='Footnote_1028_1028'></a><a href='#FNanchor_1028_1028'>[1028]</a><div class='note'><p> Molinet, V p. 21.</p></div> + +<a name='Footnote_1029_1029'></a><a href='#FNanchor_1029_1029'>[1029]</a><div class='note'><p> Chastellain, Le dit de verité, VI p. 221, vgl. Exposition sur +verité mal prise, ib. p. 297, 310.</p></div> + +<a name='Footnote_1030_1030'></a><a href='#FNanchor_1030_1030'>[1030]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 68.</p></div> + +<a name='Footnote_1031_1031'></a><a href='#FNanchor_1031_1031'>[1031]</a><div class='note'><p> Roman de la rose vs. 20141; aïst=helpe, dont=dat ik.</p></div> + + +<hr style='width: 45%;' /> +<br /> + +<p><b><a name='REGISTER'></a>REGISTER</b></p> +<br /> + +<p>Cursief gedrukte namen verwijzen naar den volledigen titel van +afgekort aangehaalde werken.</p> +<br /> + +<pre> +Abuzé en Court, L'; <a href='#175'>175</a> +Adel, Taak van den; <a href='#97'>97</a>. +Adeldom in deugd; <a href='#94'>94</a>. +Adellijke levensvormen nagevolgd door de burgerij; <a href='#146'>146</a>. +Agricola, Rudolf; <a href='#258'>258</a>. +Ailly, Pierre d'; <a href='#174'>174</a>, <a href='#245'>245</a>, <a href='#246'>246</a>, <a href='#265'>265</a>, <a href='#273'>273</a>, <a href='#290'>290</a>, <a href='#359'>359</a>, <a href='#459'>459</a>. +Alain de la Roche; <a href='#246'>246</a>, <a href='#333'>333</a> vg., <a href='#347'>347</a>, <a href='#382'>382</a>. +<i>Alain de la Roche</i>; noot <a href='#Alanus'>65</a>. +Alanus de Rupe, zie Alain de la Roche. +Alcuin; <a href='#536'>536</a>. +<i>Alienor</i>, zie <i>Poitiers</i>. +Allegoriel; <a href='#188'>188</a>-<a href='#192'>192</a>, <a href='#342'>342</a> vg., <a href='#526'>526</a>, <a href='#529'>529</a>. +Amadis-romans; <a href='#119'>119</a>. +Amant rendu cordelier, L'; <a href='#185'>185</a>, <a href='#517'>517</a> vg., <a href='#542'>542</a>. +Amoureux de l'observance; <a href='#184'>184</a>. +Amuletten; <a href='#419'>419</a>. +Andrieskruis; <a href='#23'>23</a>, <a href='#25'>25</a>, <a href='#153'>153</a>. +Anjou, Isabella van; <a href='#234'>234</a>. +Anjou, Lodewijk van; <a href='#69'>69</a>, <a href='#301'>301</a>. +Anjou, Margareta van, koningin van Engeland; <a href='#17'>17</a>, <a href='#64'>64</a>, <a href='#128'>128</a>, <a href='#538'>538</a>. +Anjou, René van; zie René, koning. +Anthropomorphisme; <a href='#342'>342</a>. +Antieke helden; <a href='#105'>105</a>. +Aquino, Thomas van; <a href='#273'>273</a>, <a href='#368'>368</a>, <a href='#420'>420</a>. +Arbre des batailles, L'; <a href='#398'>398</a>. +Arc, Jeanne d'; <a href='#6'>6</a>, <a href='#109'>109</a>, <a href='#113'>113</a>, <a href='#230'>230</a>, <a href='#249'>249</a>, <a href='#274'>274</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#422'>422</a>. +Archipoeta; <a href='#547'>547</a>. +Arkel; <a href='#167'>167</a>. +Armagnacs; <a href='#3'>3</a>, <a href='#23'>23</a>, <a href='#25'>25</a>, <a href='#31'>31</a>. +Armentières, Peronnelle d'; <a href='#204'>204</a> vg., <a href='#209'>209</a>, <a href='#211'>211</a>, <a href='#536'>536</a>. +Arnemuyden, Margareta van; <a href='#167'>167</a>. +Arnolfini, Jean; <a href='#443'>443</a> vg., <a href='#469'>469</a>. +Arrestz d'amour; <a href='#184'>184</a>, <a href='#203'>203</a>. +Ars moriendi; <a href='#235'>235</a>, <a href='#236'>236</a>. +Artevelde, Philips van; <a href='#45'>45</a>, <a href='#146'>146</a>, <a href='#163'>163</a>. +Artois, Philippe d'; <a href='#121'>121</a>. +Artois, Robert van; <a href='#139'>139</a>, <a href='#144'>144</a>. +Atharvaveda; <a href='#368'>368</a>. +Aubriot, Hugues; <a href='#252'>252</a>, <a href='#268'>268</a>, <a href='#393'>393</a>. +Augustinus; <a href='#34'>34</a>, <a href='#420'>420</a>, <a href='#456'>456</a>. +Aurea mediocritas; <a href='#170'>170</a>. +Auvergne, Martial d'; <a href='#203'>203</a>, <a href='#234'>234</a>, <a href='#240'>240</a>, <a href='#517'>517</a>. +Azincourt <a href='#110'>110</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#160'>160</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#230'>230</a>. +Azincourt, Regnault d'; <a href='#199'>199</a>. + +Bach, Johann Sebastian; <a href='#471'>471</a>. +Baerze, Jacques de; <a href='#432'>432</a>. +Bajazid; <a href='#110'>110</a>, <a href='#121'>121</a>, <a href='#125'>125</a>. +Ball, John; <a href='#95'>95</a>. +Balue, Jean, bisschop van Evreux, kardinaal enz.; <a href='#62'>62</a>. +Bandello; <a href='#154'>154</a>. +Bar, Louis de, kardinaal; <a href='#68'>68</a>. +Barante, De; <a href='#421'>421</a>. +Basin, Thomas, bisschop van Lisieux; <a href='#100'>100</a>, <a href='#403'>403</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#408'>408</a>. +<i>Basin, Thomas</i>; noot <a href='#Thomas'>26</a>. +Baude, Henri; <a href='#400'>400</a>, <a href='#542'>542</a>. +Baudricourt, Robert de, gouverneur van Vaucouleurs; <a href='#407'>407</a>. +Beaugrant, Madame de; <a href='#30'>30</a>. +Beaumanoir, Robert de; <a href='#104'>104</a>, <a href='#300'>300</a>. +Beaumont, Jan van; <a href='#123'>123</a>, <a href='#145'>145</a>. +Beauneveu, André; <a href='#445'>445</a>. +Bedelaars; <a href='#512'>512</a>. +Bedevaarten; <a href='#207'>207</a>. +Bedford, John of Lancaster, hertog van; <a href='#70'>70</a>, <a href='#79'>79</a>, <a href='#132'>132</a>, <a href='#159'>159</a>, <a href='#292'>292</a>. +Begarden; <a href='#329'>329</a>. +Begrafenis, Vorstelijke; <a href='#70'>70</a>. +Beieren, Albrecht van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland; <a href='#134'>134</a>, <a href='#167'>167</a>. +Beieren, Jan van, elect van Luik, later graaf van Holland en Zeeland; <a href='#68'>68</a>, <a href='#293'>293</a>. +Beieren, Margareta van, hertogin van Bourgondië; <a href='#309'>309</a>. +Beieren, Willem VI van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland; <a href='#168'>168</a>. +Beleefdheidsstrijd; <a href='#62'>62</a>-<a href='#68'>68</a>. +Belon la Folle; <a href='#30'>30</a>. +Benedictus XIII; <a href='#17'>17</a>, <a href='#24'>24</a>, <a href='#141'>141</a>. +Bernard van Clairvaux; <a href='#311'>311</a>, <a href='#314'>314</a>, <a href='#318'>318</a>, <a href='#333'>333</a>, <a href='#368'>368</a>, <a href='#383'>383</a>, <a href='#425'>425</a>. +Bernardino van Siena; <a href='#82'>82</a>, <a href='#289'>289</a>, <a href='#299'>299</a>, <a href='#336'>336</a>. +Beroepsideaal; <a href='#360'>360</a>. +Berry, Jan, hertog van; <a href='#159'>159</a>, <a href='#193'>193</a>, <a href='#231'>231</a>, <a href='#238'>238</a>, <a href='#273'>273</a>, <a href='#303'>303</a>, <a href='#390'>390</a>, <a href='#426'>426</a>, <a href='#445'>445</a>. +Berry, Karel, hertog van; <a href='#162'>162</a>. +Berry, heraut; <a href='#102'>102</a>. +Berthelemy, Jean; <a href='#332'>332</a>. +Bespotting van het geloof; <a href='#266'>266</a>. +Bétisac, Jean; <a href='#267'>267</a>. +Beurtgesprek, als stijlmiddel; <a href='#490'>490</a> vg. +Bizarre in schilderkunst en litteratuur, Het; <a href='#510'>510</a>. +Bladelyn, Pieter; <a href='#449'>449</a> vg. +Bloed des Verlossers; <a href='#333'>333</a>, <a href='#368'>368</a>. +Bloedwraak; <a href='#20'>20</a>. +Blois, Charles de; <a href='#300'>300</a> vg. +Blois, Jean de, heer van Gouda en Schoonhoven; <a href='#300'>300</a>, <a href='#500'>500</a>. +Blois, Jean de; <a href='#302'>302</a>. +Boccaccio; <a href='#391'>391</a>, <a href='#537'>537</a> vg. +Bodin, Jean; <a href='#411'>411</a>. +Boeddhisme; <a href='#46'>46</a>, <a href='#363'>363</a>, <a href='#383'>383</a>. +Boeufs, Pierre aux; <a href='#389'>389</a>. +Bois, Manssart du; <a href='#5'>5</a>. +Bonaventura; <a href='#333'>333</a>, <a href='#356'>356</a>. +Bonet, Honoré; <a href='#398'>398</a>. +Boniface, Jean de; <a href='#142'>142</a>. +Borgia, Cesare; <a href='#154'>154</a>. +Borromeus, Karel; <a href='#299'>299</a>. +Boucicaut, Jean le Meingre, maréchal de; <a href='#97'>97</a>, <a href='#110'>110</a> vg., <a href='#113'>113</a>, <a href='#121'>121</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#166'>166</a>, <a href='#193'>193</a>, +<a href='#198'>198</a>, <a href='#199'>199</a>, <a href='#238'>238</a>, <a href='#243'>243</a>. +<i>Boucicaut, Livre des faicts du mareschal de</i>; noot <a href='#Boucicaut'>169</a>. +Bourbon, Isabella van; zie Charolais. +Bourbon, Jacques de; <a href='#297'>297</a>. +Bourbon, Jean de; <a href='#142'>142</a>. +Bourbon, Louis de; <a href='#134'>134</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#303'>303</a>. +Bourgeois de Paris; <a href='#352'>352</a>, <a href='#521'>521</a>. +<i>Bourgeois de Paris; zie Journal</i>. +Bourgogne, Mademoiselle de; <a href='#30'>30</a>. +Bourgondië, Anna van, hertogin van Bedford; <a href='#292'>292</a>. +Bourgondië, David van, bisschop van Utrecht; <a href='#258'>258</a>, <a href='#446'>446</a>. +Bourgondië, zie onder de voornamen. +Bourguignons; <a href='#3'>3</a>, <a href='#23'>23</a>, <a href='#25'>25</a>, <a href='#152'>152</a>. +Bouts, Dirk; <a href='#426'>426</a>, <a href='#448'>448</a>, <a href='#525'>525</a>. +Brabant, Antonie van Bourgondië, hertog van; <a href='#182'>182</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#199'>199</a>. +Brabant, Wencelyn, hertog van; <a href='#509'>509</a>. +Brandebourch; <a href='#104'>104</a>. +Breauté, Pierre de; <a href='#160'>160</a>. +Bretagne, Frans II, hertog van; <a href='#162'>162</a>. +Bretagne, Jan V, hertog van; <a href='#389'>389</a>. +Bretagne, Frans III, hertog van; <a href='#523'>523</a>. +Breughel, Pieter; <a href='#354'>354</a>, <a href='#430'>430</a>, <a href='#510'>510</a>, <a href='#511'>511</a>. +Brigitta van Zweden; <a href='#322'>322</a>. +Broederlam, Melchior; <a href='#276'>276</a>, <a href='#429'>429</a>, <a href='#430'>430</a>, <a href='#432'>432</a>, <a href='#510'>510</a>. +Broeders van den Vrijen Geest; <a href='#329'>329</a>. +Brugman, Johannes; <a href='#16'>16</a>, <a href='#311'>311</a>, <a href='#330'>330</a>, <a href='#360'>360</a>, <a href='#382'>382</a>, <a href='#453'>453</a>. +Bruiloft; <a href='#181'>181</a>. +Bueil, Jean de; <a href='#109'>109</a>, <a href='#110'>110</a>, <a href='#112'>112</a>. +Burckhardt, Jakob; <a href='#20'>20</a>, <a href='#58'>58</a>, <a href='#103'>103</a>, <a href='#242'>242</a>. +Burgerij; <a href='#90'>90</a>. +Burne Jones, Edward; <a href='#117'>117</a>. +Busnois, Antoine; <a href='#446'>446</a>. +Bussy, Oudart de; <a href='#5'>5</a>. +Bijgeloof; <a href='#411'>411</a> vg. + +Capeluche, beul van Parijs; <a href='#69'>69</a>. +Capistrano, Johannes; <a href='#299'>299</a>. +Carr, Robert; <a href='#81'>81</a>. +Casuïstiek; <a href='#396'>396</a>. +Casuïstiek der liefde; <a href='#202'>202</a>. +Catharina van Siena; <a href='#322'>322</a>, <a href='#329'>329</a>, <a href='#333'>333</a>. +Caxton, William; <a href='#441'>441</a>. +Celestijnen, klooster der, te Parijs; <a href='#292'>292</a>, <a href='#293'>293</a>, <a href='#296'>296</a>, <a href='#298'>298</a>, <a href='#302'>302</a>, <a href='#548'>548</a>. +Cent ballades; <a href='#121'>121</a>, <a href='#193'>193</a>. +<i>Cent Ballades, Le livre des</i>; noot <a href='#cent'>207</a>. +Cent nouvelles nouvelles; <a href='#182'>182</a>, <a href='#184'>184</a>, <a href='#211'>211</a>, <a href='#251'>251</a>, <a href='#256'>256</a>, <a href='#266'>266</a>, <a href='#517'>517</a>. +Chaise-Dieu, La; <a href='#233'>233</a>. +Champion, P.; <a href='#39'>39</a>. +<i>Champion, P. zie Villon</i>. +Charny, Geoffroi de; <a href='#397'>397</a>. +<i>Charny, Le livre messire Geoffroi de</i>; <a href='#45'>45</a>. +Charolais, Isabella van Bourbon, gravin van; <a href='#76'>76</a>, <a href='#78'>78</a>, <a href='#79'>79</a>, <a href='#404'>404</a>. +Charolais; zie Karel de Stoute. +Chartier, Alain; <a href='#93'>93</a>, <a href='#134'>134</a>, <a href='#175'>175</a>, <a href='#361'>361</a>, <a href='#393'>393</a>, <a href='#479'>479</a>, <a href='#494'>494</a>, <a href='#514'>514</a> vg., <a href='#546'>546</a>. +<i>Chartier, Alain</i>; noot <a href='#Chartier'>65</a>. +<i>Chartier, Jean</i>; noot <a href='#Jean'>13</a>. +Chastellain, Georges; <a href='#3'>3</a>, <a href='#11'>11</a>, <a href='#12'>12</a>, <a href='#13'>13</a>, <a href='#18'>18</a>, <a href='#20'>20</a>, <a href='#44'>44</a>, <a href='#57'>57</a>, <a href='#58'>58</a>, <a href='#63'>63</a>, <a href='#75'>75</a>, <a href='#76'>76</a>, <a href='#77'>77</a>, <a href='#82'>82</a>, <a href='#88'>88</a>, +<a href='#89'>89</a>, <a href='#90'>90</a>, <a href='#91'>91</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#102'>102</a>, <a href='#104'>104</a>, <a href='#106'>106</a>, <a href='#109'>109</a>, <a href='#132'>132</a>, <a href='#155'>155</a>, <a href='#156'>156</a>, <a href='#163'>163</a>, <a href='#166'>166</a>, <a href='#222'>222</a>, <a href='#236'>236</a>, <a href='#260'>260</a>, <a href='#349'>349</a>, +<a href='#406'>406</a>, <a href='#414'>414</a>, <a href='#421'>421</a>, <a href='#451'>451</a>, <a href='#483'>483</a> vg., <a href='#494'>494</a>, <a href='#511'>511</a>, <a href='#527'>527</a>, <a href='#529'>529</a>, <a href='#538'>538</a>, <a href='#541'>541</a> vg., <a href='#548'>548</a>. +<i>Chastellain, Georges</i>; noot <a href='#Oeuvres'>1</a>. +Châtel, Guillaume du; <a href='#158'>158</a>. +Châtelier, Jacques du, bisschop van Parijs; <a href='#36'>36</a>. +Chaucer, Geoffrey; <a href='#540'>540</a>. +Chevalier, Etienne; <a href='#257'>257</a>. +Chevalier du guet; <a href='#61'>61</a>. +Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison; zie Orde van de Ster. +Chevrot, Jean, bisschop van Doornik; <a href='#151'>151</a>, <a href='#440'>440</a>, <a href='#449'>449</a>. +Chopinel; zie Clopinel. +<i>Chronique scandaleuse</i>; noot <a href='#Chronique'>4</a>. +Cicero <a href='#95'>95</a>, <a href='#535'>535</a>. +Cleef, Jan I, hertog van; <a href='#83'>83</a>. +Cleef, Adolf van, heer van Ravestein; <a href='#76'>76</a>. +Clemanges, Nicolaas van; <a href='#92'>92</a>, <a href='#174'>174</a>, <a href='#194'>194</a>, <a href='#245'>245</a>, <a href='#259'>259</a>, <a href='#261'>261</a>, <a href='#262'>262</a>, <a href='#534'>534</a> vg. +<i>Clemanges, Nicolaas van</i>; noot <a href='#Clemanges'>155</a>. +Clemens V; <a href='#27'>27</a>. +Clercq, Jacques du; <a href='#39'>39</a>, <a href='#135'>135</a>, <a href='#268'>268</a>, <a href='#403'>403</a>, <a href='#415'>415</a>, <a href='#451'>451</a>. +<i>Clercq, Jacques du</i>; noot <a href='#Jacques'>14</a>. +Clisson, Olivier de, connétable van Frankrijk; <a href='#158'>158</a>. +Clopinel, Jean; <a href='#178'>178</a>, <a href='#189'>189</a>, <a href='#192'>192</a>, <a href='#193'>193</a>, <a href='#194'>194</a>, <a href='#195'>195</a>, <a href='#520'>520</a>, <a href='#549'>549</a>. +Coeur, Jacques; <a href='#91'>91</a>, <a href='#147'>147</a>. +Coïmbra, Jan van; <a href='#10'>10</a>. +Coitier, Jacques; <a href='#308'>308</a>. +Col, Gontier; <a href='#175'>175</a>, <a href='#194'>194</a>, <a href='#200'>200</a>, <a href='#534'>534</a> vg. +Col, Pierre; <a href='#194'>194</a>, <a href='#195'>195</a>, <a href='#196'>196</a>, <a href='#200'>200</a>. +Colette Boellet, Sainte; <a href='#297'>297</a>, <a href='#299'>299</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#314'>314</a>, <a href='#324'>324</a>, <a href='#446'>446</a>, <a href='#447'>447</a>. +Combat des Trente; <a href='#104'>104</a>, <a href='#158'>158</a>, <a href='#167'>167</a>. +Commines, Philippe de; <a href='#82'>82</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#106'>106</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#166'>166</a>, <a href='#167'>167</a>, <a href='#169'>169</a>, <a href='#308'>308</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#406'>406</a>, +<a href='#407'>407</a>, <a href='#544'>544</a>. +<i>Commines, Philippe de</i>; noot <a href='#Commines'>138</a>. +Compositie in de schilderkunst; <a href='#523'>523</a> vg. +Contemptus mundi; zie Verachting der wereld. +Coquillart, Guillaume; <a href='#201'>201</a>, <a href='#394'>394</a>, <a href='#542'>542</a>. +Coquinet,le fou de Bourgogne; <a href='#16'>16</a>. +Cordeliers, klooster der; <a href='#7'>7</a>. +Coucy, Enguerrand de; <a href='#134'>134</a>, <a href='#158'>158</a>, <a href='#303'>303</a>. +Cour d'amours <a href='#31'>31</a>, <a href='#82'>82</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#536'>536</a>. +Courtenay, Pierre de; <a href='#159'>159</a>. +Coustain, Jean; <a href='#293'>293</a>. +Cranach, Lucas; <a href='#521'>521</a>. +Craon, Pierre de; <a href='#27'>27</a>. +Cresecque; <a href='#121'>121</a>. +Cristus, Petrus; <a href='#525'>525</a>. +Crokart; <a href='#167'>167</a>. +Croy, Antoine de; <a href='#438'>438</a>. +Croy, Philippe de; <a href='#123'>123</a>, <a href='#461'>461</a>. +Curial, Le; <a href='#175'>175</a>, <a href='#546'>546</a>. +Curtius, Quintus; <a href='#105'>105</a>. +Cusa, Nicolaas van; <a href='#300'>300</a>, <a href='#310'>310</a>, <a href='#311'>311</a>, <a href='#350'>350</a>, <a href='#382'>382</a>. + +Danse aux Aveugles; <a href='#506'>506</a>. +Dante; <a href='#34'>34</a>, <a href='#47'>47</a>, <a href='#103'>103</a>, <a href='#177'>177</a>, <a href='#178'>178</a>, <a href='#356'>356</a>, <a href='#363'>363</a>, <a href='#520'>520</a>, <a href='#529'>529</a>. +Daret, Jacques; <a href='#440'>440</a>. +David, Gerard; <a href='#426'>426</a>, <a href='#429'>429</a>, <a href='#525'>525</a>. +Débat des hérauts d'armes; <a href='#164'>164</a>. +<i>Débat des hérauts d'armes</i>; noot <a href='#darmes'>176</a>. +Deschamps, Eustache; <a href='#42'>42</a>, <a href='#43'>43</a>, <a href='#45'>45</a>, <a href='#46'>46</a>, <a href='#47'>47</a>, <a href='#69'>69</a>, <a href='#95'>95</a>, <a href='#107'>107</a>, <a href='#108'>108</a>, <a href='#134'>134</a>, <a href='#164'>164</a>, +<a href='#165'>165</a>, <a href='#172'>172</a>, <a href='#174'>174</a>, <a href='#182'>182</a>, <a href='#186'>186</a>, <a href='#217'>217</a>, <a href='#222'>222</a>, <a href='#249'>249</a>, <a href='#264'>264</a>, <a href='#276'>276</a>, <a href='#277'>277</a>, <a href='#283'>283</a>, <a href='#295'>295</a>, <a href='#408'>408</a>, +<a href='#461'>461</a>, <a href='#496'>496</a>, <a href='#498'>498</a>, <a href='#502'>502</a>, <a href='#508'>508</a> vg., <a href='#512'>512</a>, <a href='#513'>513</a>, <a href='#529'>529</a>, <a href='#540'>540</a>, <a href='#547'>547</a>. +<i>Deschamps, Eustache</i> noot <a href='#Deschamps'>65</a>. +Deviezen; <a href='#201'>201</a>, <a href='#395'>395</a> vg. +Devotie, Moderne; <a href='#288'>288</a>, <a href='#311'>311</a>, <a href='#315'>315</a>, <a href='#317'>317</a> vg., <a href='#365'>365</a>, <a href='#381'>381</a> vg., <a href='#422'>422</a>, <a href='#446'>446</a>. +Dichtkunst en muziek; <a href='#501'>501</a> vg. +Dieu, Spraakgebruik, voor de hostie; <a href='#251'>251</a>. +Dionysius de Kartuizer, of: van Ryckel; <a href='#16'>16</a>, <a href='#220'>220</a>, <a href='#222'>222</a>, <a href='#260'>260</a>, <a href='#300'>300</a>, <a href='#309'>309</a>, +<a href='#310'>310</a> vg., <a href='#336'>336</a>, <a href='#350'>350</a> vg., <a href='#356'>356</a>, <a href='#359'>359</a>, <a href='#360'>360</a>, <a href='#362'>362</a> vg., <a href='#368'>368</a>, <a href='#371'>371</a>, <a href='#376'>376</a> vg., <a href='#381'>381</a>, +<a href='#382'>382</a>, <a href='#419'>419</a>, <a href='#447'>447</a>, <a href='#453'>453</a>, <a href='#456'>456</a> vg., <a href='#537'>537</a>. +<i>Dionysius Cartusianus</i>; noot <a href='#Dionysius'>76</a>. +<i>Dixmude, Jan van</i>; noot <a href='#Jan'>37</a>. +Dolce stil nuovo; <a href='#178'>178</a>. +Domburg, Jan van; <a href='#401'>401</a>. +Donatello; <a href='#432'>432</a>. +Doodendans; <a href='#230'>230</a> vg. +Doodsstrijd; <a href='#235'>235</a>. +Doornik, Jean de Thoisy, bisschop van; <a href='#75'>75</a>. +Dorpers; <a href='#91'>91</a>. +<i>Douet d'Arcq, Pièces inédites</i>; <a href='#142'>142</a>. +<i>Doutrepont, G.</i>; noot <a href='#Martin'>24</a>. +Drie dooden en drie levenden, Sproke der; <a href='#230'>230</a> vg. +Dufay, Guillaume; <a href='#254'>254</a>, <a href='#422'>422</a>. +Duivelfantazie; <a href='#411'>411</a>. +Dunois, Jan van Orleans, graaf van; <a href='#109'>109</a>. +Durand-Gréville, E.; <a href='#473'>473</a>. +Durandus, Guilielmus; <a href='#356'>356</a>. +Dürer, Albrecht; <a href='#455'>455</a>, <a href='#521'>521</a>. +Dwergen; <a href='#29'>29</a>. + +Eck, Johannes; <a href='#278'>278</a>. +Eckhart, Meister; <a href='#372'>372</a> vg., <a href='#377'>377</a>, <a href='#380'>380</a>, <a href='#381'>381</a>. +Eduard II, koning van Engeland; <a href='#17'>17</a>. +Eduard III, koning van Engeland; <a href='#15'>15</a>, <a href='#137'>137</a>, <a href='#139'>139</a>, <a href='#140'>140</a>, <a href='#145'>145</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#300'>300</a>. +Eduard IV, koning van Engeland; <a href='#18'>18</a>, <a href='#57'>57</a>, <a href='#247'>247</a>. +Eergevoel; <a href='#68'>68</a>. +Egmond, Lamoraal, graaf van; <a href='#141'>141</a>. +Elisabeth, Sint, van Thüringen; <a href='#273'>273</a>. +Emerson, R.W.; <a href='#65'>65</a>. +Emprise; <a href='#142'>142</a>. +Engeland, Koningen van; zie onder de voornamen. +Engeland, Maria van; <a href='#182'>182</a>. +Engelen; <a href='#279'>279</a>, <a href='#285'>285</a> vg. +Entremets; <a href='#30'>30</a>, <a href='#434'>434</a> vg. +Envoûtement; <a href='#413'>413</a>. +Epithalamische stijl; <a href='#181'>181</a>. +Erasmus, Desiderius; <a href='#472'>472</a>, <a href='#542'>542</a>, <a href='#546'>546</a>. +Erotiek, Droeve; <a href='#514'>514</a> vg. +Erotische allegorie; <a href='#184'>184</a>. +Escouchy, Mathieu d'; <a href='#37'>37</a>, <a href='#38'>38</a>, <a href='#100'>100</a>. +<i>Escouchy, Mathieu d'</i>; noot <a href='#Mathieu'>62</a>. +Estats; zie Standen. +Exdamacion des os Sainct Innocent; <a href='#506'>506</a>. +Extravagant karakter der beeldende kunst; <a href='#431'>431</a>. +Eyck, Gebroeders van; <a href='#32'>32</a>, <a href='#421'>421</a>, <a href='#422'>422</a>, <a href='#426'>426</a>. +Eyck, Hubert van; <a href='#510'>510</a>. +Eyck, Jan van; <a href='#427'>427</a>, <a href='#429'>429</a>, <a href='#440'>440</a>, <a href='#443'>443</a> vg., <a href='#450'>450</a>, <a href='#454'>454</a>, <a href='#469'>469</a>, <a href='#471'>471</a> vg., <a href='#483'>483</a>, <a href='#484'>484</a>, +<a href='#488'>488</a>, <a href='#500'>500</a>, <a href='#507'>507</a>, <a href='#520'>520</a>, <a href='#521'>521</a>, <a href='#523'>523</a> vg., <a href='#538'>538</a>. + +Fantaziesferen, Dooreenmenging van; <a href='#530'>530</a>. +Fastolfe, Sir John; <a href='#230'>230</a>. +Faukemont, Jehan de; <a href='#140'>140</a>. +Fazio, Bartolomeo; <a href='#454'>454</a>, <a href='#520'>520</a>. +Feesten; <a href='#434'>434</a> vg. +Fénélon; <a href='#94'>94</a>. +Fenin, Pierre de; <a href='#29'>29</a>, <a href='#407'>407</a>. +<i>Fenin, Pierre de</i>; noot <a href='#Fenin'>46</a>. +Ferrer, Vincent; <a href='#7'>7</a>, <a href='#8'>8</a>, <a href='#16'>16</a>, <a href='#299'>299</a>, <a href='#316'>316</a> vg., <a href='#319'>319</a>, <a href='#324'>324</a>. +<i>Ferrer, Vincent, Vita</i>; noot <a href='#Vita'>10</a>. +Fillastre, Guillaume, kardinaal enz.; <a href='#394'>394</a>. +Fillastre, Guillaume, bisschop van Doornik; <a href='#77'>77</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#135'>135</a>, <a href='#151'>151</a>. +<i>Fillastre, Guillaume, Toison dor</i>; noot <a href='#thoison'>239</a>. +Flémalle, Meester van; <a href='#507'>507</a> vg. +Foix, Gaston Phébus, graaf van; <a href='#82'>82</a>, <a href='#293'>293</a>, <a href='#492'>492</a>. +Formalisme; <a href='#400'>400</a> vg. +Fouquet, Jean; <a href='#257'>257</a>. +Fradin, Antoine, volksprediker; <a href='#7'>7</a>. +Franc Gontier, Le dit de; <a href='#171'>171</a>, <a href='#172'>172</a>, <a href='#174'>174</a>, <a href='#212'>212</a>, <a href='#216'>216</a>. +Franc Gontier, Les contrediz; <a href='#217'>217</a>. +France, Anatole; <a href='#509'>509</a>. +Franciscus van Assisi; <a href='#291'>291</a>, <a href='#297'>297</a>. +François, zie Paule; <a href='#67'>67</a>. +Frankrijk, Koningen van; zie onder de voornamen. +Frans I, koning van Frankrijk; <a href='#108'>108</a>. +Fraterhuizen; zie Devotie, Moderne. +Frederik III; <a href='#255'>255</a>. +Froissart, Jean; <a href='#45'>45</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#104'>104</a>, <a href='#119'>119</a>, <a href='#134'>134</a>, <a href='#140'>140</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#158'>158</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#163'>163</a>, <a href='#164'>164</a>, +<a href='#165'>165</a>, <a href='#167'>167</a>, <a href='#182'>182</a>, <a href='#252'>252</a>, <a href='#301'>301</a>, <a href='#304'>304</a>, <a href='#349'>349</a>, <a href='#355'>355</a>, <a href='#395'>395</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#418'>418</a>, <a href='#430'>430</a>, <a href='#460'>460</a>, <a href='#490'>490</a>, +<a href='#492'>492</a>, <a href='#499'>499</a> vg., <a href='#506'>506</a>, <a href='#509'>509</a>. +<i>Froissart, Jean</i>; noot <a href='#Froissart'>19</a>. +Froment, Jean; <a href='#38'>38</a>. +Fulco van Marseille, bisschop van Toulouse; <a href='#361'>361</a>. + +Gaguin, Robert; <a href='#93'>93</a>, <a href='#175'>175</a>, <a href='#283'>283</a>, <a href='#394'>394</a>, <a href='#546'>546</a>. +<i>Gaguin, Robert</i>; noot <a href='#Gaguini'>159</a>. +Galois et Galoises; <a href='#138'>138</a>. +Geertgen tot Sint Jans; <a href='#489'>489</a>, <a href='#525'>525</a>. +Geloften; zie Ridderlijke gelofte, en Voeu. +Gelre, Adolf van; <a href='#23'>23</a>, <a href='#310'>310</a>, <a href='#407'>407</a>. +Gelre, Arnold van; <a href='#23'>23</a>, <a href='#310'>310</a>. +Gelijkheidsidee; <a href='#94'>94</a>. +Generaliseering; <a href='#405'>405</a>. +Genève, Lodewijk van Savoye, graaf van; <a href='#462'>462</a>. +Genreschildering; <a href='#507'>507</a> vg. +Geoffroi de Paris; <a href='#395'>395</a>. +Gerechtigheidsgevoel; <a href='#25'>25</a>. +Geringschatting der geestelijkheid; <a href='#289'>289</a>. +Germain, Jean, bisschop van Chalons; <a href='#11'>11</a>, <a href='#135'>135</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#352'>352</a>, <a href='#539'>539</a>. +<i>Germain, Jean, Liber de virtutibus etc.</i>; noot <a href='#Germain'>15</a>. +Gerson, Jean; <a href='#27'>27</a>, <a href='#47'>47</a>, <a href='#92'>92</a>, <a href='#195'>195</a>, <a href='#218'>218</a>, <a href='#222'>222</a>, <a href='#245'>245</a>, <a href='#248'>248</a> vg., <a href='#252'>252</a>, <a href='#256'>256</a>, <a href='#264'>264</a>, +<a href='#265'>265</a>, <a href='#266'>266</a>, <a href='#270'>270</a>, <a href='#271'>271</a>, <a href='#278'>278</a>, <a href='#286'>286</a>, <a href='#314'>314</a>, <a href='#320'>320</a>, <a href='#321'>321</a> vg., <a href='#326'>326</a> vg., <a href='#330'>330</a>, <a href='#347'>347</a>, +<a href='#349'>349</a>, <a href='#356'>356</a>, <a href='#366'>366</a>, <a href='#382'>382</a>, <a href='#394'>394</a>, <a href='#404'>404</a>, <a href='#405'>405</a>, <a href='#413'>413</a>, <a href='#418'>418</a>, <a href='#453'>453</a>. +<i>Gerson, Jean</i>; noot <a href='#Gersonii'>43</a>. +Gevangenen; <a href='#398'>398</a>. +Gezelschapsspelen; <a href='#201'>201</a>. +Giotto; <a href='#524'>524</a>. +Glocester, Humphrey van; <a href='#153'>153</a>. +Godefroy, Denis; <a href='#257'>257</a>. +<i>Godefroy, Théodore</i>; noot <a href='#Godefroy'>116</a>. +Goethe; <a href='#65'>65</a>, <a href='#342'>342</a>. +Gonzaga, Aloysius; <a href='#299'>299</a>, <a href='#324'>324</a>. +Gonzaga, Francesco; <a href='#154'>154</a>. +Grabow, Mattheus; <a href='#320'>320</a>. +Grafteeken; <a href='#427'>427</a>. +Gregorius de Groote; <a href='#95'>95</a>. +Groote, Gerard; <a href='#296'>296</a>, <a href='#320'>320</a>, <a href='#537'>537</a>. +Guernier, Laurent; <a href='#402'>402</a> +Guesclin, Bertrand du; <a href='#108'>108</a>, <a href='#109'>109</a>, <a href='#141'>141</a>, <a href='#300'>300</a>, <a href='#427'>427</a>. +Gulden Vlies; <a href='#101'>101</a>. + +Hagenbach, Peter van; <a href='#15'>15</a>. +Hales, Alexander van; <a href='#457'>457</a>. +Hames, Nicolaas de; <a href='#136'>136</a>. +Hans, acrobaat; <a href='#30'>30</a>. +Hardvochtigheid; <a href='#29'>29</a>. +Hautbourdin, Jean de Saint-Pol, heer van; <a href='#125'>125</a>. +Hauteville, Pierre de; <a href='#198'>198</a>. +Hebzucht; <a href='#33'>33</a>. +Heethoofdigheid; <a href='#11'>11</a>. +<i>Hefele, K., Der h. Bernhardin von Siena usw.</i>; noot <a href='#Hefele'>12</a>. +Heiligen en Ziekten; <a href='#280'>280</a>, <a href='#282'>282</a>. +Heiligenbeelden; <a href='#270'>270</a> vg., <a href='#285'>285</a>. +Heiligenvereering; <a href='#269'>269</a>-<a href='#287'>287</a>. +Heilo, Frederik van; <a href='#263'>263</a>. +Heksenkamer; zie Malleus maleficarum. +Heksenvervolging; <a href='#31'>31</a>, <a href='#411'>411</a> vg. +Hel, Voorstelling der; <a href='#363'>363</a> vg. +Heldenideaal; <a href='#56'>56</a>. +Heloïse; <a href='#536'>536</a>. +Hendrik IV, koning van Engeland; <a href='#152'>152</a>. +Hendrik V, koning van Engeland; <a href='#69'>69</a>, <a href='#105'>105</a>, <a href='#150'>150</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#230'>230</a>, <a href='#410'>410</a>, <a href='#434'>434</a>. +Hendrik VI, koning van Engeland; <a href='#18'>18</a>, <a href='#71'>71</a>, <a href='#79'>79</a>, <a href='#107'>107</a>. +Henouars; <a href='#70'>70</a>. +Herauten; <a href='#101'>101</a>, <a href='#136'>136</a>. +Herdersideaal; <a href='#170'>170</a>. +Herp, Hendrik van; <a href='#330'>330</a>. +Hervorming; <a href='#359'>359</a>, <a href='#411'>411</a>, <a href='#467'>467</a>. +Heures d'Ailly; <a href='#489'>489</a>, <a href='#525'>525</a>. +Heures de Chantilly, Trés-riches; <a href='#493'>493</a>, <a href='#495'>495</a> vg. +Heures de Turin; <a href='#448'>448</a>. +Hieronymus; <a href='#367'>367</a>. +Hoekschen en Kabeljauwschen; <a href='#22'>22</a>. +Hofceremonieel; <a href='#57'>57</a>. +Hofleven; <a href='#69'>69</a>. +Hofstaat; <a href='#56'>56</a>. +Hof vlucht; <a href='#170'>170</a>, <a href='#171'>171</a>. +Holanda, Francesco de; <a href='#454'>454</a>. +Holland; <a href='#167'>167,</a> <a href='#168'>168</a>. +Holbein, Hans; <a href='#232'>232</a> vg. +Hoofsche minne; <a href='#177'>177</a>, <a href='#178'>178</a> vg., <a href='#192'>192</a>. +Hoogmoed; <a href='#32'>32</a>, <a href='#102'>102</a>. +Houwaert, Johan Baptista; <a href='#523'>523</a>. +Hugo, Victor; <a href='#421'>421</a>. +Humanisme; <a href='#119'>119</a>, <a href='#411'>411</a>, <a href='#533'>533</a>-<a href='#551'>551</a>. +Humanisten; <a href='#174'>174</a>. +Hus, Johannes; <a href='#326'>326</a>. +Hutten, Ulrich von; <a href='#42'>42</a>. +Huysmans, Joris Karl; <a href='#509'>509</a>. + +Idealisme; <a href='#359'>359</a> vg., <a href='#365'>365</a>, <a href='#366'>366</a>, <a href='#396'>396</a>. +Imitatio Christi; <a href='#382'>382</a> vg., <a href='#394'>394</a>. +Innocentius III; <a href='#225'>225</a>. +Innocents; zie Onnoozele kinderen. +Innocents, kerkhof der; <a href='#6'>6</a>, <a href='#36'>36</a>, <a href='#231'>231</a> vg., <a href='#237'>237</a> vg., <a href='#253'>253</a>. +Institoris, Heinrich; <a href='#335'>335</a>. +Ironie; <a href='#513'>513</a>. +Isabella van Beieren, koningin van Frankrijk; <a href='#16'>16</a>, <a href='#182'>182</a>, <a href='#263'>263</a>, <a href='#405'>405</a>, <a href='#427'>427</a>, +<a href='#442'>442</a>. +Isabella van Frankrijk, koningin van Engeland; <a href='#427'>427</a>. + +Jacobus I, koning van Engeland; <a href='#81'>81</a>. +Jaille, sire de; <a href='#158'>158</a>. +James, William; <a href='#302'>302</a>, <a href='#324'>324</a>. +Jan II, koning van Frankrijk; <a href='#132'>132</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#148'>148</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#379'>379</a>. +Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, eerder graaf van Nevers; <a href='#5'>5</a>, +<a href='#17'>17</a>, <a href='#20'>20</a>, <a href='#21'>21</a>, <a href='#32'>32</a>, <a href='#69'>69</a>, <a href='#74'>74</a>, <a href='#79'>79</a>, <a href='#80'>80</a>, <a href='#110'>110</a>, <a href='#121'>121</a>, <a href='#167'>167</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#388'>388</a> vg., <a href='#403'>403</a>, +<a href='#405'>405</a>, <a href='#529'>529</a>. +Jeruzalem; <a href='#148'>148</a>. +Johanniters; <a href='#130'>130</a>. +<i>Jorga, N.</i>; noot <a href='#Jorga'>43</a>. +Joseph, Sint; <a href='#249'>249</a>, <a href='#276'>276</a> vg., <a href='#507'>507</a>. +<i>Journal d'un bourgeois de Paris</i>; noot <a href='#Journal'>3</a>. +Jouvencel, Le; <a href='#107'>107</a>, <a href='#112'>112</a>, <a href='#113'>113</a>, <a href='#114'>114</a>, <a href='#159'>159</a>, <a href='#292'>292</a>, <a href='#395'>395</a>, <a href='#399'>399</a>, <a href='#538'>538</a>. +<i>Jouvencel, Le</i>; noot <a href='#Jouvencel'>168</a>. +Jouvenel, Jean, bisschop van Beauvais; <a href='#93'>93</a>. +<i>Juvenal des Ursins</i>; noot <a href='#Juvenal'>6</a>. + +Kamp van Neuss; <a href='#161'>161</a>. +Karel de Groote; <a href='#536'>536</a>. +Karel V, keizer; <a href='#81'>81</a>, <a href='#154'>154</a>, <a href='#522'>522</a>. +Karel V, koning van Frankrijk; <a href='#27'>27</a>, <a href='#292'>292</a>. +Karel VI, koning van Frankrijk; <a href='#15'>15</a>, <a href='#25'>25</a>, <a href='#27'>27</a>, <a href='#31'>31</a>, <a href='#69'>69</a>, <a href='#70'>70</a>, <a href='#88'>88</a>, <a href='#99'>99</a>, <a href='#151'>151</a>, +<a href='#163'>163</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#263'>263</a>, <a href='#273'>273</a>, <a href='#391'>391</a>, <a href='#398'>398</a>, <a href='#427'>427</a>, <a href='#442'>442</a>. +Karel VII, koning van Frankrijk; <a href='#10'>10</a>, <a href='#70'>70</a>, <a href='#109'>109</a>, <a href='#147'>147</a>, <a href='#182'>182</a>. +Karel VIII, koning van Frankrijk; <a href='#442'>442</a>. +Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, eerder graaf van Charolais; <a href='#12'>12</a>, +<a href='#23'>23</a>, <a href='#33'>33</a>, <a href='#38'>38</a>, <a href='#53'>53</a>, <a href='#57'>57</a>, <a href='#58'>58</a>, <a href='#59'>59</a>, <a href='#64'>64</a>, <a href='#75'>75</a>, <a href='#76'>76</a>, <a href='#105'>105</a>, <a href='#106'>106</a>, <a href='#123'>123</a>, <a href='#132'>132</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#135'>135</a>, +<a href='#155'>155</a>, <a href='#161'>161</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#180'>180</a>, <a href='#216'>216</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#310'>310</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#408'>408</a>, <a href='#410'>410</a>, <a href='#413'>413</a>, <a href='#434'>434</a>, <a href='#440'>440</a>, <a href='#446'>446</a>, +<a href='#447'>447</a>, <a href='#459'>459</a>, <a href='#461'>461</a>, <a href='#484'>484</a> vg., <a href='#522'>522</a>, <a href='#539'>539</a>. +Kempis, Thomas a; <a href='#263'>263</a>, <a href='#317'>317</a>, <a href='#382'>382</a> vg., <a href='#422'>422</a>. +Kerkelijk-erotische travesti; <a href='#184'>184</a>, <a href='#185'>185</a>. +Kerkgang; <a href='#66'>66</a>, <a href='#67'>67</a>. +Kethulle, Lodewijk van de; <a href='#160'>160</a>. +Keuken; <a href='#59'>59</a>. +Kinderen; <a href='#240'>240</a>. +Klassicisme; <a href='#538'>538</a> vg., <a href='#550'>550</a>. +Kleederdracht; <a href='#83'>83</a>, <a href='#433'>433</a>, <a href='#462'>462</a> vg. +Kleuren, Symbolische beteekenis der; <a href='#200'>200</a>, <a href='#463'>463</a> vg. +Kleurenzin; <a href='#462'>462</a>. +Klokgelui; <a href='#3'>3</a>. +Kluisters bij geloften; <a href='#142'>142</a>. +Kok; <a href='#60'>60</a>. +Koningschap; <a href='#12'>12</a>. +Kraamkamer; <a href='#79'>79</a>. +Krankzinnigen; <a href='#31'>31</a>. +Kroningsmaal; <a href='#71'>71</a>. +Kruistochtideaal; <a href='#148'>148</a>. +Krijgsmoed; <a href='#114'>114</a>. +Krijgsmuziek; <a href='#161'>161</a>. + +<i>Laborde, L. de</i>; noot <a href='#Laborde'>48</a>. +<i>La Borderie, A. de</i>; noot <a href='#Borderie'>67</a>. +La Bruyère; <a href='#94'>94</a>. +La Curne de Sainte Palaye; <a href='#142'>142</a>. +<i>La Curne de Sainte Palaye</i>; noot <a href='#Curne'>92</a>. +La Hire, Etienne de Vignolles, dit; <a href='#109'>109</a>, <a href='#461'>461</a>. +Lalaing, Jacques de; <a href='#83'>83</a>, <a href='#110'>110</a>, <a href='#114'>114</a>, <a href='#142'>142</a>, <a href='#147'>147</a>, <a href='#163'>163</a>, <a href='#164'>164</a>, <a href='#165'>165</a>. +<i>Lalaing, Le livre des faits de Jacques de</i>; noot <a href='#Lalaing'>141</a>. +Lam, Aanbidding van het (Gentsch altaarstuk); <a href='#425'>425</a>, <a href='#446'>446</a>, <a href='#455'>455</a>, <a href='#477'>477</a>, <a href='#479'>479</a>, +<a href='#524'>524</a>. +La Marche, Olivier de; <a href='#21'>21</a>, <a href='#57'>57</a>, <a href='#59'>59</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#155'>155</a>, <a href='#164'>164</a>, <a href='#223'>223</a>, <a href='#227'>227</a>, <a href='#297'>297</a>, <a href='#349'>349</a>, +<a href='#354'>354</a>, <a href='#386'>386</a>, <a href='#401'>401</a>, <a href='#405'>405</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#438'>438</a> vg., <a href='#447'>447</a>, <a href='#460'>460</a>, <a href='#461'>461</a>, <a href='#463'>463</a>, <a href='#483'>483</a>, <a href='#531'>531</a> vg., +<a href='#538'>538</a>, <a href='#541'>541</a>, <a href='#542'>542</a>, <a href='#544'>544</a>, <a href='#549'>549</a>. +<i>La Marche, Olivier de</i>; noot <a href='#Marche'>2</a>. +Lamprecht, Karl; <a href='#360'>360</a>. +Lancaster, Huis; <a href='#18'>18</a>. +Lancaster, John of Gaunt, hertog van; <a href='#426'>426</a>. +Lannoy, Baudouin de; <a href='#469'>469</a>. +Lannoy, Ghillebert de; <a href='#291'>291</a>. +Lannoy, Jean de; <a href='#438'>438</a>. +Lannoy, Hue de; <a href='#68'>68</a>. +La Noue, François de; <a href='#119'>119</a>. +La Salle, Antoine de; <a href='#240'>240</a>, <a href='#295'>295</a>. +<i>La Salle, Antoine de</i>; noot <a href='#Salle'>206</a>. +Latiniseering; <a href='#540'>540</a>. +La Tour Landry, ridder de; <a href='#138'>138</a>, <a href='#139'>139</a>, <a href='#208'>208</a>, <a href='#209'>209</a>, <a href='#210'>210</a>, <a href='#251'>251</a>, <a href='#262'>262</a>, <a href='#278'>278</a>. +La Trémoïlle, Guy de; <a href='#159'>159</a>, <a href='#430'>430</a>. +Laura; <a href='#536'>536</a>. +Laval, Jeanne de; <a href='#128'>128</a>, <a href='#494'>494</a>. +Lebègue, Jean; <a href='#197'>197</a>. +Lefèvre de Saint Remy, Jean; <a href='#101'>101</a>, <a href='#136'>136</a>, <a href='#442'>442</a>. +<i>Lefèvre de Saint Remy, Jean</i>; noot <a href='#Remy'>48</a>. +Le Franc, Martin; <a href='#416'>416</a>. +<i>Le Franc, Martin</i>; noot <a href='#Martin'>24</a>. +Legris, Estienne; <a href='#197'>197</a>. +Lekkerbeetje, Gerard Abrahams, gezegd; <a href='#160'>160</a>. +Lemonnier, Camille; <a href='#487'>487</a>. +Leo X, Paus; <a href='#110'>110</a>. +Leo van Lusignan, koning van Armenië; <a href='#75'>75</a>. +Levensbangheid; <a href='#46'>46</a>, <a href='#224'>224</a>. +Levensgenot; <a href='#53'>53</a>. +Lhuillier, Jean; <a href='#72'>72</a>. +Lichteffekten, Schildering en beschrijving van; <a href='#489'>489</a>. +Lichtgeloovigheid; <a href='#408'>408</a>. +Lidwina van Schiedam; <a href='#293'>293</a>. +Liefde en huwelijk; <a href='#209'>209</a>-<a href='#211'>211</a>. +Limburg, Gebroeders van; <a href='#445'>445</a>, <a href='#448'>448</a>, <a href='#496'>496</a>. +Limburg, Paul van; <a href='#497'>497</a>, <a href='#500'>500</a>, <a href='#510'>510</a>. +L'Isle Adam, Jean de Villiers de; <a href='#69'>69</a>. +Livius; <a href='#109'>109</a>, <a href='#539'>539</a>. +<i>Livre des trahisons</i>; noot <a href='#Livre'>108</a>. +Lodewijk IX, de Heilige, koning van Frankrijk; <a href='#109'>109</a>, <a href='#273'>273</a>. +Lodewijk XI, koning van Frankrijk; <a href='#5'>5</a>, <a href='#10'>10</a>, <a href='#18'>18</a>, <a href='#62'>62</a>, <a href='#63'>63</a>, <a href='#65'>65</a>, <a href='#72'>72</a>, <a href='#77'>77</a>, <a href='#82'>82</a>, +<a href='#132'>132</a>, <a href='#166'>166</a>, <a href='#238'>238</a>, <a href='#247'>247</a>, <a href='#305'>305</a> vg., <a href='#313'>313</a>, <a href='#315'>315</a>, <a href='#403'>403</a>, <a href='#414'>414</a>, <a href='#448'>448</a>, <a href='#461'>461</a>, <a href='#491'>491</a>, <a href='#522'>522</a>. +Lodewijk XII, koning van Frankrijk; <a href='#154'>154</a>. +Longuyon, Jacques de; <a href='#107'>107</a>. +Lorris, Guillaume de; <a href='#178'>178</a>, <a href='#188'>188</a>, <a href='#189'>189</a>. +<i>Louis XI, Lettres de</i>; noot <a href='#Louis'>7</a>. +Loyola, Ignatius de; <a href='#299'>299</a>. +Lucena, Vasco de; <a href='#105'>105</a>. +Lumey, Guillaume de la Marck, heer van; <a href='#141'>141</a>. +Luna, Peter van; zie Benedictus XIII. +Lunettes des princes; <a href='#215'>215</a>, <a href='#532'>532</a>. +Lusignan, Pierre de; <a href='#133'>133</a>. +Luther; <a href='#356'>356</a>. +Luxemburg, Andreas van; <a href='#304'>304</a>. +Luxemburg, Guy van; <a href='#302'>302</a>. +Luxemburg, Pieter van; <a href='#299'>299</a>, <a href='#302'>302</a> vg., <a href='#325'>325</a>. +Lijden Christi, Vervuldheid van het; <a href='#314'>314</a> vg. +Lijkstaatsie, Beeltenissen bij de; <a href='#427'>427</a>. +Lyon, Espaing du; <a href='#492'>492</a>. + +Macabre; <a href='#230'>230</a>. +Machaut, Guillaume de; <a href='#107'>107</a>, <a href='#200'>200</a>, <a href='#204'>204</a>, <a href='#205'>205</a> vg., <a href='#209'>209</a>, <a href='#211'>211</a>, <a href='#501'>501</a> vg., <a href='#536'>536</a>. +<i>Machaut, Guillaume de</i>; noot <a href='#Machaut'>382</a>. +Madame d'Or; zie Or. +Maerlant, Jacob van; <a href='#105'>105</a>. +Mahuot; <a href='#155'>155</a>, <a href='#156'>156</a>. +Maillard, Olivier, volksprediker; <a href='#16'>16</a>, <a href='#250'>250</a>, <a href='#394'>394</a>. +Makart, Hans; <a href='#522'>522</a>. +Male, Lodewijk van, graaf van Vlaanderen; <a href='#429'>429</a>. +Male, Emile; <a href='#231'>231</a>. +Malleus malencarum; <a href='#335'>335</a>, <a href='#411'>411</a>, <a href='#415'>415</a>. +Mandragora; <a href='#419'>419</a>. +Mapes, Walter; <a href='#171'>171</a>. +Marchant, Guyot; <a href='#232'>232</a>. +Marche, Jean de; <a href='#304'>304</a>. +Margareta, koningin van Engeland; zie Anjou. +Margareta van Oostenrijk; <a href='#216'>216</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#444'>444</a>. +Margareta van Schotland, koningin van Frankrijk; <a href='#361'>361</a>. +Margareta van York, hertogin van Bourgondië; <a href='#407'>407</a>, <a href='#434'>434</a>, <a href='#447'>447</a>. +Maria van Bourgondië; <a href='#76'>76</a>, <a href='#80'>80</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#309'>309</a>. +Mariabeeldjes met de Drieëenheid; <a href='#252'>252</a>. +Marieken van Nimwegen; <a href='#23'>23</a>. +Marmion, Colard; <a href='#440'>440</a>. +Marmion, Simon; <a href='#440'>440</a>. +Marot, Clement; <a href='#198'>198</a>, <a href='#479'>479</a>. +Martianus Capella; <a href='#343'>343</a>. +Martinus V, Paus; <a href='#337'>337</a>. +Maupassant, Guy de; <a href='#213'>213</a>. +Maximiliaan van Oostenrijk; <a href='#26'>26</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#315'>315</a>, <a href='#429'>429</a>. +Medelijden met het volk; <a href='#92'>92</a>. +Medici, Cosimo de'; <a href='#138'>138</a>. +Medici, Lorenzo de', il Magnifico; <a href='#33'>33</a>, <a href='#53'>53</a>, <a href='#121'>121</a>, <a href='#138'>138</a>, <a href='#178'>178</a>, <a href='#306'>306</a>. +Melancholie; <a href='#45'>45</a>. +Méliador; <a href='#119'>119</a>. +Memlinc, Hans; <a href='#421'>421</a>, <a href='#422'>422</a>. +Meschinot, Jean; <a href='#43'>43</a>, <a href='#93'>93</a>, <a href='#175'>175</a>, <a href='#215'>215</a>, <a href='#491'>491</a>, <a href='#502'>502</a>, <a href='#532'>532</a>. +<i>Meschinot, Jean</i>; noot <a href='#Meschinot'>67</a>. +Metaphora, Godsdienstige, voor aardsche dingen; <a href='#255'>255</a>. +Metsys, Quinten; <a href='#455'>455</a>. +Meun, Jean de; zie Clopinel. +Mézières, Philippe de; <a href='#27'>27</a>, <a href='#99'>99</a>, <a href='#130'>130</a>, <a href='#131'>131</a>, <a href='#141'>141</a>, <a href='#149'>149</a>, <a href='#295'>295</a> vg., <a href='#297'>297</a> vg., +<a href='#302'>302</a>, <a href='#391'>391</a>, <a href='#412'>412</a>. +<i>Mézières, Philippe de</i>; zie <i>forga</i>. +Michault, Pierre; <a href='#133'>133</a>, <a href='#506'>506</a>. +Michel Angelo; <a href='#455'>455</a>, <a href='#474'>474</a>, <a href='#523'>523</a>, <a href='#524'>524</a>. +Michelle de France, hertogin van Bourgondië; <a href='#62'>62</a>, <a href='#75'>75</a>. +Mignons; <a href='#81'>81</a>. +Miliis, Ambrosius de; <a href='#174'>174</a>, <a href='#268'>268</a>, <a href='#534'>534</a> vg. +Militair nationalisme; <a href='#108'>108</a>, <a href='#113'>113</a>. +Minimen, Orde der; <a href='#307'>307</a>, <a href='#309'>309</a>. +Mirabeau, marquis de; <a href='#94'>94</a>. +Mismaakten; <a href='#29'>29</a>. +Molinet, Jean; <a href='#93'>93</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#108'>108</a>, <a href='#197'>197</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#290'>290</a>, +<a href='#295'>295</a>, <a href='#349'>349</a>, <a href='#393'>393</a>, <a href='#459'>459</a>, <a href='#522'>522</a>, +<a href='#528'>528</a>, <a href='#530'>530</a> vg., <a href='#541'>541</a>, <a href='#542'>542</a>, <a href='#544'>544</a>, <a href='#548'>548</a>. +<i>Molinet, Jean</i>; noot <a href='#Louis'>7</a>. +<i>Molinet, Jean—Faictz et Dictz</i>; noot <a href='#Faictz'>161</a>. +Monstrans; <a href='#337'>337</a>. +Monstrelet, Enguerrand de; <a href='#8'>8</a>, <a href='#9'>9</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#152'>152</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#414'>414</a>, <a href='#421'>421</a>. +<i>Monstrelet, Enguerrand de</i>; noot <a href='#Monstrelet'>11</a>. +Monstreuil, Jean de; <a href='#174'>174</a>, <a href='#194'>194</a>, <a href='#200'>200</a>, <a href='#268'>268</a>, <a href='#534'>534</a> vg. +<i>Monstreuil, Jean de</i>; noot <a href='#Monasteriolo'>351</a>. +Montaigu, Jean de; <a href='#5'>5</a>. +Montereau; <a href='#148'>148</a>. +Montferrant; <a href='#543'>543</a> vg. +Montfort, Jean de; <a href='#300'>300</a>. +Morgante; <a href='#121'>121</a>. +Morlay, Bernard van; <a href='#221'>221</a>. +Moulins, Denys de, bisschop van Parijs; <a href='#36'>36</a>. +Murillo; <a href='#511'>511</a>. +Mutsert der ijdelheden; <a href='#9'>9</a>. +Muziekaesthetiek; <a href='#458'>458</a> vg. +Mystiek, Praktische; <a href='#381'>381</a>. +Mystiek, Verbeeldingsvormen der; <a href='#370'>370</a> vg. +Mystisch huwelijk; <a href='#278'>278</a>. +Mythologie; <a href='#355'>355</a>, <a href='#526'>526</a>, <a href='#538'>538</a>. + +Naakt, Het, in kunst en litteratuur; <a href='#520'>520</a> vg. +Naam van Jezus; <a href='#336'>336</a>. +Natuurbeschrijving; <a href='#494'>494</a>. +Nicopolis; <a href='#110'>110</a>, <a href='#121'>121</a>, <a href='#149'>149</a>, <a href='#167'>167</a>, <a href='#433'>433</a>. +Nietzsche, Friedrich; <a href='#406'>406</a>. +Nilus, Sint; <a href='#308'>308</a>. +Nominalisme; <a href='#341'>341</a>. +Noodhelpers, Veertien; <a href='#274'>274</a>, <a href='#280'>280</a> vg. +Nugis curialium, De; <a href='#171'>171</a>. + +Obrecht, Jacob; <a href='#446'>446</a>. +Omgangsvormen; <a href='#64'>64</a>. +Oneerbiedigheid jegens den godsdienst; <a href='#257'>257</a> vg. +Ongeloof; <a href='#267'>267</a>. +Onnoozele kinderen; <a href='#247'>247</a>, <a href='#414'>414</a>. +Onveiligheid; <a href='#37'>37</a>. +Oppervlakkigheid; <a href='#406'>406</a>. +Or, Madame d'; <a href='#30'>30</a>. +Oranje, Willem van; <a href='#81'>81</a>, <a href='#523'>523</a>. +Oranje, Willem II, prins van; <a href='#182'>182</a>. +Orde; zie ook Ordre. +Orde der Annonciade; <a href='#134'>134</a>. +Orde van St. Antonius; <a href='#134'>134</a>. +Orde van het Gouden schild; <a href='#134'>134</a>. +Orde van het Gulden Vlies; <a href='#131'>131</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#134'>134</a>, <a href='#135'>135</a>, <a href='#136'>136</a>. +Orde van de Kouseband; <a href='#132'>132</a>. +Orde van de Ster; <a href='#132'>132</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#398'>398</a>. +Orde van de Kroon; <a href='#134'>134</a>. +Orde van het Zwaard; <a href='#133'>133</a>. +Ordre; <a href='#131'>131</a>. +Ordre de la Dame blanche; <a href='#133'>133</a>, <a href='#198'>198</a>. +Ordre de la Passion; <a href='#130'>130</a>, <a href='#141'>141</a>, <a href='#295'>295</a>. +Orgemont, le Boiteux d'; <a href='#5'>5</a>. +Orgemont, geslacht; <a href='#36'>36</a>. +Orgemont, Pierre d'; <a href='#27'>27</a>. +<i>Orléans, Charles d'</i>; noot <a href='#Charles'>367</a>. +Orleans, Karel van; <a href='#184'>184</a>, <a href='#293'>293</a>, <a href='#450'>450</a>, <a href='#468'>468</a>, <a href='#514'>514</a>, <a href='#516'>516</a>, <a href='#517'>517</a>, <a href='#542'>542</a>. +Orleans, Lodewijk van; <a href='#17'>17</a>, <a href='#31'>31</a>, <a href='#82'>82</a>, <a href='#99'>99</a>, <a href='#108'>108</a>, <a href='#152'>152</a>, <a href='#175'>175</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#292'>292</a>, <a href='#302'>302</a>, +<a href='#303'>303</a>, <a href='#388'>388</a> vg., <a href='#405'>405</a>, <a href='#409'>409</a>, <a href='#412'>412</a>, <a href='#413'>413</a>, <a href='#529'>529</a>. +Oudheid; <a href='#533'>533</a> vg. +<i>Oulmont, Ch</i>.; noot <a href='#Oulmont'>562</a>. +Overdrijving; <a href='#405'>405</a>. +Ovidius; <a href='#520'>520</a>, <a href='#535'>535</a>. + +Paele, Joris van de; <a href='#450'>450</a>, <a href='#469'>469</a>, <a href='#500'>500</a>. +Paesberd; zie Paix. +Paganisme; <a href='#547'>547</a> vg. +Paix; <a href='#66'>66</a>, <a href='#207'>207</a>, <a href='#261'>261</a>. +Panetiers; <a href='#60'>60</a>. +Parement et triumphe des dames; <a href='#223'>223</a>, <a href='#227'>227</a>. +Paris, Paulin; <a href='#536'>536</a>. +Partijgevoel; <a href='#22'>22</a>. +Partijschap; <a href='#152'>152</a>. +Partijteekens; <a href='#24'>24</a>. +Pas d'armes; <a href='#125'>125</a> vg., <a href='#255'>255</a>. +Pas de la mort, Le; <a href='#236'>236</a>. +Pascal, Blaise; <a href='#372'>372</a>. +Pastorale; <a href='#170'>170</a>, <a href='#212'>212</a> vg., <a href='#493'>493</a> vg., <a href='#511'>511</a>, <a href='#529'>529</a>. +Pastorale en politiek; <a href='#215'>215</a>. +Pastoralet, Le; <a href='#215'>215</a>, <a href='#529'>529</a>, <a href='#538'>538</a>, <a href='#548'>548</a>. +Pastourelle; <a href='#213'>213</a>. +Paule, Saint François de; <a href='#67'>67</a>, <a href='#299'>299</a>, <a href='#305'>305</a> vg. +Pauli, Theodericus; <a href='#135'>135</a>. +<i>Pauli, Theodericus</i>; noot <a href='#Pauli'>132</a>. +Pelgrimages; <a href='#262'>262</a>. +Penthièvre, Jeanne de; <a href='#300'>300</a>. +Perceforest; <a href='#119'>119</a>. +Personificatie; <a href='#191'>191</a>, <a href='#342'>342</a> vg., <a href='#516'>516</a>. +Petit, Jean; <a href='#388'>388</a> vg., <a href='#394'>394</a>, <a href='#409'>409</a>, <a href='#412'>412</a>. +<i>Petit-Dutaillis</i>; noot <a href='#Petit'>45</a>. +Petrarca, Francesco; <a href='#125'>125</a>, <a href='#171'>171</a>, <a href='#178'>178</a>, <a href='#207'>207</a>, <a href='#479'>479</a>, <a href='#536'>536</a> vg., <a href='#546'>546</a>. +Philippa van Henegouwen, koningin van Engeland; <a href='#140'>140</a>. +Philips VI, koning van Frankrijk; <a href='#61'>61</a>, <a href='#139'>139</a>, <a href='#160'>160</a>, <a href='#413'>413</a>. +Philips de Goede, hertog van Bourgondië; <a href='#10'>10</a>, <a href='#14'>14</a>, <a href='#15'>15</a>, <a href='#20'>20</a>, <a href='#30'>30</a>, <a href='#33'>33</a>, <a href='#45'>45</a>, <a href='#62'>62</a>, +<a href='#63'>63</a>, <a href='#65'>65</a>, <a href='#74'>74</a>, <a href='#76'>76</a>, <a href='#88'>88</a>, <a href='#132'>132</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#135'>135</a>, <a href='#136'>136</a>, <a href='#137'>137</a>, <a href='#148'>148</a>, <a href='#150'>150</a>, <a href='#152'>152</a>, <a href='#153'>153</a>, <a href='#154'>154</a>, +<a href='#155'>155</a>, <a href='#160'>160</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#180'>180</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#232'>232</a>, <a href='#258'>258</a>, <a href='#293'>293</a> vg., <a href='#302'>302</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#352'>352</a>, <a href='#401'>401</a>, <a href='#404'>404</a>, +<a href='#407'>407</a>, <a href='#414'>414</a>, <a href='#416'>416</a>, <a href='#427'>427</a>, <a href='#429'>429</a>, <a href='#434'>434</a>, <a href='#438'>438</a>, <a href='#442'>442</a>, <a href='#445'>445</a>, <a href='#447'>447</a>, <a href='#463'>463</a>, <a href='#466'>466</a>, <a href='#484'>484</a> vg., +<a href='#511'>511</a>, <a href='#522'>522</a>, <a href='#527'>527</a>. +Philips de Schoone, aartshertog van Oostenrijk; <a href='#64'>64</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#522'>522</a>. +Philips de Stoute, hertog van Bourgondië; <a href='#31'>31</a>, <a href='#32'>32</a>, <a href='#69'>69</a>, <a href='#148'>148</a>, <a href='#151'>151</a>, <a href='#159'>159</a>, +<a href='#193'>193</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#273'>273</a>, <a href='#303'>303</a>, <a href='#429'>429</a>, <a href='#430'>430</a>, <a href='#500'>500</a>. +Pisan, Christine de; <a href='#111'>111</a>, <a href='#193'>193</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#199'>199</a>, <a href='#200'>200</a>, <a href='#214'>214</a>, <a href='#218'>218</a>, <a href='#219'>219</a>, <a href='#261'>261</a>, <a href='#296'>296</a>, +<a href='#355'>355</a>, <a href='#464'>464</a>, <a href='#503'>503</a> vg., <a href='#526'>526</a>, <a href='#540'>540</a>. +<i>Pisan, Christine de</i>; noot <a href='#Pisan'>79</a>. +Plato; <a href='#520'>520</a>. +Plourants; <a href='#76'>76</a>. +Plouvier, Jacotin; <a href='#155'>155</a>, <a href='#156'>156</a>. +Poggio, Giov. Franc.—Bracciolini; <a href='#94'>94</a>. +Poitiers; <a href='#148'>148</a>. +Poitiers, Alienor de; <a href='#79'>79</a>, <a href='#386'>386</a>. +<i>Poitiers, Alienor de</i>; noot <a href='#Alienor'>92</a>. +Poliziano, Angelo; <a href='#42'>42</a>. +<i>Poliziano</i>; noot <a href='#Poliziano'>64</a>. +Ponchier, Etienne, bisschop van Parijs; <a href='#27'>27</a>. +Porete, Marguerite; <a href='#329'>329</a>. +Portret; <a href='#426'>426</a>. +Pot, Philippe; <a href='#15'>15</a>, <a href='#144'>144</a>. +Poursuivants; <a href='#136'>136</a>. +Predikers; <a href='#6'>6</a>, 315 vg. +Preuses, Les neuf; <a href='#107'>107</a>. +Preux, Les neuf; <a href='#107'>107</a>, <a href='#539'>539</a>. +Processies; <a href='#4'>4</a>, <a href='#239'>239</a>, <a href='#260'>260</a>, <a href='#359'>359</a>. +Protestantisme; <a href='#35'>35</a>. +Proza en poëzie; <a href='#498'>498</a> vg. +Prudentius; <a href='#343'>343</a>. +Pseudo-Bonaventura; <a href='#452'>452</a>. +Pseudo-Dionysius Areopagita; <a href='#371'>371</a>, <a href='#376'>376</a>, <a href='#456'>456</a>. +Pulci, Luigi; <a href='#121'>121</a>. +Puritanisme; <a href='#54'>54</a>. + +Quentin, Jean; <a href='#309'>309</a>. +Quinze joyes de mariage; <a href='#219'>219</a>, <a href='#256'>256</a>, <a href='#262'>262</a>, <a href='#520'>520</a>. +<i>Quinze joyes de mariage</i>; noot <a href='#Quinze'>71</a>. + +Rabelais, François; <a href='#200'>200</a>, <a href='#201'>201</a>, <a href='#540'>540</a>. +Rais, Gilles de; <a href='#91'>91</a>, <a href='#293'>293</a>, <a href='#414'>414</a>. +Rallart, Gaultier; <a href='#61'>61</a>. +Ravestein, Beatrix van; <a href='#447'>447</a>. +Ravestein, Philips van; <a href='#216'>216</a>. +Raynaud, Gaston; <a href='#174'>174</a>. +Realisme; <a href='#340'>340</a> vg., <a href='#366'>366</a> vg. +Rebreviettes, Jennet de; <a href='#145'>145</a>. +<i>Reconfort de Madame du Fresne, Le</i>; noot <a href='#Fresne'>457</a>. +Reformpartij; <a href='#174'>174</a>. +<i>Religieux de Saint Denis</i>; noot <a href='#Religieux'>40</a>. +Reliquieën; <a href='#273'>273</a>. +Rembrandt; <a href='#444'>444</a>, <a href='#511'>511</a>. +Renaissance; <a href='#35'>35</a>, <a href='#41'>41</a>, <a href='#42'>42</a>, <a href='#50'>50</a>, <a href='#52'>52</a>, <a href='#53'>53</a>, <a href='#54'>54</a>, <a href='#56'>56</a>, <a href='#58'>58</a>, <a href='#94'>94</a>, <a href='#103'>103</a>, <a href='#104'>104</a>, <a href='#119'>119</a>, <a href='#146'>146</a>, +<a href='#154'>154</a>, <a href='#169'>169</a>, <a href='#191'>191</a>, <a href='#355'>355</a>, <a href='#425'>425</a>, <a href='#453'>453</a>, <a href='#454'>454</a>, <a href='#455'>455</a>, <a href='#456'>456</a>, <a href='#467'>467</a>, <a href='#530'>530</a>, <a href='#532'>532</a>, <a href='#533'>533</a>-<a href='#551'>551</a>. +<i>Renaudet, A</i>.; noot <a href='#Renaudet'>25</a>. +René van Anjou, koning van Sicilië; <a href='#17'>17</a>, <a href='#18'>18</a>, <a href='#128'>128</a>, <a href='#175'>175</a>, <a href='#214'>214</a>, +<a href='#226'>226</a>, <a href='#233'>233</a>, <a href='#293'>293</a>, <a href='#296'>296</a>, <a href='#463'>463</a>, <a href='#489'>489</a>, <a href='#494'>494</a> vg., <a href='#515'>515</a>. +<i>René, Koning</i>; <a href='#105'>105</a>. +René II van Lotharingen; <a href='#247'>247</a>, <a href='#539'>539</a>. +Rhetoriek; <a href='#500'>500</a>, <a href='#539'>539</a> vg. +Rhétorique, Les Douze Dames de; <a href='#543'>543</a> vg. +Ribeumont, Eustache de; <a href='#162'>162</a>, <a href='#165'>165</a>. +Richard II, koning van Engeland; <a href='#17'>17</a>, <a href='#99'>99</a>, <a href='#427'>427</a>. +Richard, broeder, volksprediker; <a href='#6'>6</a>, <a href='#9'>9</a>, <a href='#23'>23</a>, <a href='#419'>419</a>. +Ridderideaal; <a href='#98'>98</a>. +Ridderideaal en askese; <a href='#115'>115</a>. +Ridderideaal en erotiek; <a href='#116'>116</a> vg. +Ridderideaal en ethiek; <a href='#102'>102</a>. +Ridderideaal en historie; <a href='#101'>101</a>. +Ridderideaal en krijgvoering; <a href='#157'>157</a>. +Ridderideaal en sport; <a href='#119'>119</a>. +Ridderideaal en staatkunde; <a href='#147'>147</a> vg. +Ridderlijke gelofte; <a href='#137'>137</a>-<a href='#145'>145</a>. +Ridderlijkheid als kastegevoel; <a href='#163'>163</a>. +Ridderlijkheid en gewin; <a href='#165'>165</a>. +Ridderlijkheid en krijgstaktiek; <a href='#164'>164</a>. +Ridderorden; <a href='#111'>111</a>, <a href='#129'>129</a> vg. +Ridderschap; <a href='#97'>97</a>. +Ridderwezen; <a href='#85'>85</a>. +Robertet, Jean; <a href='#514'>514</a>, <a href='#542'>542</a> vg. +Rochefort, Charles de; <a href='#175'>175</a>, <a href='#353'>353</a>. +Roemzucht; <a href='#103'>103</a>. +Rolin, Nicolas; <a href='#21'>21</a>, <a href='#77'>77</a>, <a href='#438'>438</a>, <a href='#440'>440</a>, <a href='#449'>449</a> vg., <a href='#472'>472</a>, <a href='#475'>475</a>. +Roman de la rose; <a href='#175'>175</a>, <a href='#178'>178</a>, <a href='#179'>179</a>, <a href='#187'>187</a> vg., <a href='#193'>193</a>, <a href='#194'>194</a>, <a href='#195'>195</a>, <a href='#197'>197</a>, <a href='#200'>200</a>, <a href='#202'>202</a>, +<a href='#216'>216</a>, <a href='#218'>218</a>, <a href='#256'>256</a>, <a href='#351'>351</a>, <a href='#353'>353</a>, <a href='#355'>355</a>, <a href='#470'>470</a>, <a href='#500'>500</a>, <a href='#503'>503</a>, <a href='#531'>531</a>, <a href='#549'>549</a>. +Romanov; <a href='#60'>60</a>. +Romantiek; <a href='#85'>85</a>. +Romantisme der heiligheid; <a href='#298'>298</a>, <a href='#299'>299</a>. +Romuald, Sint; <a href='#273'>273</a>, <a href='#308'>308</a>. +Rosa van Viterbo, Sint; <a href='#229'>229</a>. +Rose; zie Roman. +Rousseau, Jean Jacques; <a href='#494'>494</a>. +Rouw; <a href='#10'>10</a>, <a href='#73'>73</a>-<a href='#76'>76</a>. +Roye, Jean de; <a href='#522'>522</a>. +<i>Roye, Jean de</i>, zie <i>Chronique scandaleuse</i>; noot <a href='#Chronique'>4</a>. +Rozebeke; <a href='#24'>24</a>. +Rozenkrans, Broederschap van den; <a href='#246'>246</a>, <a href='#334'>334</a>. +<i>Rozmital, Leo von</i>; noot <a href='#Leo'>79</a>. +Ruusbroec, Jan van; <a href='#330'>330</a>, <a href='#374'>374</a> vg., <a href='#381'>381</a>, <a href='#383'>383</a>, <a href="#422">422</a>, <a href="#446">446</a>. + +<i>Sainte Palaye</i>; zie <i>La Curne</i>. +Saint Pol, Louis de Luxembourg, graaf van, connétable van Frankrijk; <a href='#62'>62</a>, +<a href='#306'>306</a>, <a href='#461'>461</a>. +Saintré, Petit Jehan de; <a href='#142'>142</a>. +Salazar, Jean de; <a href='#461'>461</a>. +Salisbury, Johannes van; <a href='#171'>171</a>. +Salisbury, William Montague, graaf van; <a href='#139'>139</a>. +Salmon, Pierre le Fruictier, dit; <a href='#303'>303</a>. +<i>Salmon, Pierre</i>; noot <a href='#Salmon'>39</a>. +Salutati, Coluccio; <a href='#536'>536</a>. +Sancerre, Louis de, maréchal de France; <a href='#71'>71</a>. +Saulx, Simon de; <a href='#389'>389</a>. +Savonarola, Girolamo; <a href='#9'>9</a>. +Savoye, Amadeus VI van; <a href='#134'>134</a>. +Savoye, Amadeus VIII van; <a href='#297'>297</a>. +Schaamte; <a href='#521'>521</a>. +Schaamteloosheid; <a href='#180'>180</a>, <a href='#182'>182</a>. +Schisma; <a href='#3'>3</a>, <a href='#17'>17</a>, <a href='#24'>24</a>, <a href='#388'>388</a>. +Schoonheid en zonde; <a href='#53'>53</a>-<a href='#56'>56</a>. +Schoonheidsgevoel; <a href='#453'>453</a> vg. +Scorel, Jan van; <a href='#455'>455</a>. +Scotus Erigena, Johannes; <a href='#371'>371</a>. +Seneca; <a href='#95'>95</a>. +Sens, Etienne Tristan de Salazar, aartsbisschop van; <a href='#72'>72</a>. +<i>Seuse, Heinrich</i>; noot <a href='#Seuse'>459</a>. +Shakespeare; <a href='#529'>529</a>. +Silesius, Angelus; <a href='#371'>371</a>. +Simplisme; <a href='#404'>404</a> vg. +Sint Andriesbroederschap; <a href='#31'>31</a>. +Sint Victor, Hugo van; <a href='#311'>311</a>, <a href='#457'>457</a>. +Sint Victor, Richard van; <a href='#457'>457</a>. +Sorel, Agnes; <a href='#81'>81</a>, <a href='#257'>257</a>. +Spel en ernst, Vermenging van; <a href='#410'>410</a>. +Spreekwoorden; <a href='#392'>392</a> vg. +Sprenger, Jakob; <a href='#335'>335</a>. +Standen; <a href='#86'>86</a>-<a href='#91'>91</a>. +Standonck, Jean; <a href='#309'>309</a>. +<i>Stavelot, Jean de</i>; noot <a href='#Stavelot'>106</a>. +Steinlen; <a href='#511'>511</a>. +Styleering der liefde; <a href='#179'>179</a>. +Substantieele voorstelling van het abstracte; <a href='#367'>367</a> vg., <a href='#386'>386</a> vg. +Summis desiderantes, Bul; <a href='#411'>411</a>. +Suso, Heinrich; <a href='#243'>243</a>, <a href='#333'>333</a>, <a href='#336'>336</a>, <a href='#372'>372</a> vg., <a href='#379'>379</a>, <a href='#383'>383</a>. +Symbolisme; <a href='#337'>337</a> vg. +Systematiek van deugd en zonde; <a href='#361'>361</a> vg. + +Tacitus; <a href='#142'>142</a>. +Taine, Hippolyte; <a href='#102'>102</a>. +Tauler, Johannes; <a href='#373'>373</a>, <a href='#381'>381</a>. +Tempeliers; <a href='#130'>130</a>. +Terechtstellingen; <a href='#4'>4</a>. +Ternant, Philippe de; <a href='#549'>549</a>. +Tertullianus; <a href='#367'>367</a>. +Testamenten; <a href='#399'>399</a>. +Theocritus; <a href='#170'>170</a>. +Thomas, broeder, volksprediker; <a href='#8'>8</a>, <a href='#9'>9</a>, <a href='#295'>295</a>, <a href='#324'>324</a>. +Thomas, Saint Pierre; <a href='#297'>297</a>. +Thucydides; <a href='#101'>101</a>. +Todi, Jacopone van; <a href='#222'>222</a>. +Toity, Joffroy de; <a href='#151'>151</a>. +Tonnerre, Louis de Chalon, graaf van; <a href='#200'>200</a>. +Tooverij; <a href='#412'>412</a>. +Tournooi; <a href='#124'>124</a>. +Tranen; <a href='#10'>10</a>, <a href='#11'>11</a>, <a href='#318'>318</a>. +Trazegnies, Gilles de; <a href='#110'>110</a>, <a href='#114'>114</a>. +Trois chevaliers et del chainse, Des; <a href='#124'>124</a>. +Troubadours; <a href='#177'>177</a>, <a href='#192'>192</a>, <a href='#520'>520</a>, <a href='#541'>541</a>. +Tuetey, A.; <a href='#39'>39</a>. +Turken; <a href='#149'>149</a>. +Turlupins; <a href='#229'>229</a>, <a href='#269'>269</a>, <a href='#329'>329</a>. +Tweegevecht; <a href='#159'>159</a>. +Tweegevecht te Valenciennes; <a href='#154'>154</a>, <a href='#488'>488</a>. + +Ubi sunt..., Motief; <a href='#221'>221</a> vg. +Uitwerking der bijzonderheden; <a href='#472'>472</a> vg. +Upanishad's; <a href='#378'>378</a>. +<i>Upton, Nicolas, De officio militari</i>; noot <a href='#Upton'>250</a>. +Urbanisten; <a href='#24'>24</a>. +Usener, Hermann; <a href='#351'>351</a>. + +Vaganten; <a href='#520'>520</a>. +Varennes, Jean de; <a href='#324'>324</a> vg., <a href='#537'>537</a>. +Vauderie; <a href='#414'>414</a>. +Velazquez; <a href='#29'>29</a>. +Verachting der wereld; <a href='#225'>225</a>, <a href='#366'>366</a> vg. +Vergilius; <a href='#535'>535</a>. +Verlichting; <a href='#41'>41</a>. +Verrotting, Motief der; <a href='#223'>223</a> vg. +Verschijningen; <a href='#274'>274</a>. +Vertooningen; <a href='#441'>441</a>. +Vienne, Angelo Cato, aartsbisschop van; <a href='#544'>544</a>. +Vier utersten; <a href='#235'>235</a>, <a href='#365'>365</a>. +Villiers, George; <a href='#81'>81</a>. +Villon, François; <a href='#39'>39</a>, <a href='#217'>217</a>, <a href='#222'>222</a>, <a href='#228'>228</a>, <a href='#236'>236</a>, <a href='#237'>237</a>, <a href='#394'>394</a>, <a href='#399'>399</a>, <a href='#422'>422</a>, <a href='#468'>468</a>, +<a href='#509'>509</a>, <a href='#514'>514</a>, <a href='#540'>540</a>, <a href='#542'>542</a>. +<i>Villon, François</i>; noot <a href='#Villon'>63</a>. +Visueele aanleg; <a href='#482'>482</a>. +Vita nuova; <a href='#177'>177</a>, <a href='#178'>178</a>. +Vitri, Philippe de; <a href='#97'>97</a>, <a href='#171'>171</a>, <a href='#216'>216</a>. +<i>Vitri, Philippe de</i>; noot <a href='#Vitri'>170</a>. +Vloeken; <a href='#263'>263</a> vg. +Voeu du héron; <a href='#123'>123</a>, <a href='#139'>139</a>, <a href='#140'>140</a>, <a href='#145'>145</a>. +Voeux du faisan; <a href='#143'>143</a> vg., <a href='#145'>145</a>, <a href='#168'>168</a>. +Voir-Dit, Livre du; <a href='#204'>204</a> vg., zie ook Machaut. +Voorrang; <a href='#62'>62</a>. +Vorstenduel; <a href='#152'>152</a>. +Vorstentrouw; <a href='#13'>13</a>. +Vredesideaal; <a href='#99'>99</a>. +Vrouwenverachting; <a href='#192'>192</a>. +Vrouwenvereering; <a href='#192'>192</a>. +Vrouwenverguizing; <a href='#218'>218</a>. +Vydt, Jodocus; <a href='#450'>450</a>. + +Wapenkoning; <a href='#136'>136</a>. +Wapenkreet; <a href='#161'>161</a>. +Watteau, Antoine; <a href='#518'>518</a>. +Weelde; <a href='#8'>8</a>. +Wenzel, Roomsch koning; <a href='#16'>16</a>. +Weyden, Rogier van der; <a href='#421'>421</a>, <a href='#426'>426</a>, <a href='#440'>440</a>, <a href='#450'>450</a>, <a href='#525'>525</a>. +Wier, Johannes; <a href='#411'>411</a>, <a href='#416'>416</a>. +Wilhelmus van Nassouwen; <a href='#216'>216</a>. +Willem IV, graaf van Henegouwen en Holland; <a href='#160'>160</a>, <a href='#167'>167</a>. +Windesheimers, zie Devotie, Moderne; +Witte, Emanuel de; <a href='#478'>478</a>. +Woekeringen van het godsdienstleven; <a href='#244'>244</a> vg. +Woordenspel; <a href='#530'>530</a> vg. +Wraakzucht; <a href='#402'>402</a>. +Wreedheid; <a href='#26'>26</a>. +Wurtemberg, Hendrik van; <a href='#466'>466</a>. + +Xaintrailles, Pothon de; <a href='#109'>109</a>. +Xaverius, Franciscus; <a href='#299'>299</a>. + +Zeeoorlog; <a href='#164'>164</a>. +Zegenspreuken; <a href='#419'>419</a>. +Zelfbespotting; <a href='#514'>514</a>. +Zigeuners; <a href='#18'>18</a>, <a href='#419'>419</a>. +Zola, Emile; <a href='#509'>509</a>. +Zueticheit; <a href='#327'>327</a>. +Zwaarmoedigheid; <a href='#41'>41</a>. +</pre> + + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN *** + +***** This file should be named 16829-h.htm or 16829-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/6/8/2/16829/ + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> + + diff --git a/16829.txt b/16829.txt new file mode 100644 index 0000000..1c14131 --- /dev/null +++ b/16829.txt @@ -0,0 +1,17778 @@ +The Project Gutenberg EBook of Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Herfsttij der Middeleeuwen + +Author: Johan Huizinga + +Release Date: October 8, 2005 [EBook #16829] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN *** + + + + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe + + + + +HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN + + +STUDIE OVER LEVENS- EN GEDACHTENVORMEN DER VEERTIENDE EN VIJFTIENDE +EEUW IN FRANKRIJK EN DE NEDERLANDEN + + +door + + +J. HUIZINGA + + +1919 + + + * * * * * + + +VOORBERICHT + + +Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het +verleden zoekt. Men wil weten, hoe de nieuwe gedachten en nieuwe +levensvormen, die in later tijden in hun volheid stralen, ontloken zijn; +men beziet elken tijd bovenal om de beloften, die hij bergt voor de +volgende. Hoe ijverig heeft men in de middeleeuwsche beschaving naar de +kiemen der moderne cultuur gespeurd; zoo ijverig, dat het soms schijnen +moest, alsof de geestesgeschiedenis der Middeleeuwen nauwelijks iets +anders was geweest dan de advent der Renaissance. Immers, overal zag men +in die tijden, die eenmaal als star en doodsch gegolden hadden, het +nieuwe reeds ontspruiten, en alles scheen te wijzen naar toekomstige +volmaking. Doch bij het zoeken naar het nieuwe leven, dat opkwam, vergat +men licht, dat in de geschiedenis als in de natuur het sterven en het +geboren worden eeuwig gelijken tred houden. Oude beschavingsvormen +sterven af terzelfdertijd en op denzelfden bodem, waarin het nieuwe +voedsel vindt om op te bloeien. + +Hier is beproefd om de veertiende en vijftiende eeuw te zien, niet als +de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen, +de middeleeuwsche beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom +met overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld. Het woekeren +van oude, dwingende denkvormen over de levende kern der gedachte, het +verdorren en verstijven van een rijke beschaving,--dat is de hoofdinhoud +van deze bladzijden. De blik is bij het schrijven van dit boek gericht +geweest als in de diepten van een avondhemel,--maar van een hemel vol +bloedig rood, zwaar en woest van dreigend loodgrijs, vol valschen +koperen schijn. + +Overzie ik het geschrevene, dan rijst de vraag, of niet, wanneer de blik +nog langer op dien avondhemel had gerust, de troebele kleuren zich toch +nog zouden hebben opgelost in louter klaarheid. Het schijnt wel, dat het +beeld, nu ik het lijn en kleur gegeven heb, toch somberder en minder +sereen is geworden, dan ik het meende te ontwaren, toen ik den arbeid +begon. Het kan licht gebeuren, dat men, de opmerkzaamheid steeds gericht +op neergaan, uitleven en verwelken, te veel van de schaduw des doods +over het werk laat vallen. + + * * * * * + +Het uitgangspunt van het werk is geweest de behoefte, om de kunst der +Van Eyck's en hun volgers beter te verstaan, ze te begrijpen in haar +samenhang met het gansche leven van den tijd. De Bourgondische +samenleving was de eenheid, die ik in het oog wilde vatten: het scheen +mogelijk, deze te zien als een even afgeronde beschavingskring als het +Italiaansche quattrocento, en de titel van het boek was eerst bestemd +te luiden: _De eeuw van Bourgondie_. Doch naarmate de strekking der +beschouwingen algemeener werd, moest die begrenzing worden opgegeven; +slechts in zeer beperkten zin viel er een eenheid van Bourgondische +cultuur te postuleeren; het niet-Bourgondische Frankrijk eischte +minstens evenveel aandacht. Zoo kwam in de plaats van Bourgondie de +tweeledigheid: Frankrijk en de Nederlanden, en dat een zeer ongelijke. +Want in een beschouwing over de afstervende middeleeuwsche cultuur in +het algemeen moest het Nederlandsche element bij het Fransche verre +achter blijven; slechts op die gebieden, waar het eigen beteekenis +heeft: dat van het godsdienstig leven en dat der kunst, komt het +uitvoeriger ter sprake. Dat in het tiende hoofdstuk de gestelde +aardrijkskundige grenzen even zijn overschreden, om naast Ruusbroec +en Dionysius den Kartuizer ook Eckhart, Suso en Tauler tot getuigen +te kunnen roepen, zal wel geen verdediging behoeven. + +Hoe gering lijkt mij het getal der doorgelezen geschriften uit de +veertiende en vijftiende eeuw, vergeleken bij alles, wat ik nog wel +had willen lezen. Hoe gaarne had ik naast de reeks van hoofdtypen der +verschillende geestesrichtingen, op welke de voorstelling veelal is +gebaseerd, nog tal van andere gesteld. Doch indien het onder de +geschiedschrijvers meer dan anderen Froissart en Chastellain zijn, die +ik aanhaal, onder de dichters Eustache Deschamps, onder de theologen +Jean Gerson en Dionysius de Kartuizer, onder de schilders Jan van +Eyck,--dan ligt dit niet enkel aan beperktheid van mijn materiaal, +maar meer nog aan het feit, dat dezen door den rijkdom en het scherp +eigenaardige van hun uitingen bij uitstek de spiegel zijn van den geest +dier tijden. + +_Vormen_ van het leven en van de gedachte zijn het, wier beschrijving +hier beproefd is. Den wezenlijken _inhoud_ te benaderen, die in die +vormen heeft gerust,--zal het ooit het werk zijn van geschiedkundig +onderzoek? + +Leiden, 31 Januari 1919. + + + + +INHOUD + + + I. 's Levens felheid + + II. De zucht naar schooner leven + + III. De heldendroom + + IV. De vormen der liefde + + V. Het beeld van den dood + + VI. De teugellooze verbeelding van het heilige + + VII. De godsdienstige persoonlijkheid + +VIII. Aandoening en verbeelding + + IX. Verbeelding en gedachte + + X. Het falen der verbeelding + + XI. De denkvormen in de praktijk + + XII. De kunst in het leven + +XIII. Het beeld en het woord + + XIV. Het komen van den nieuwen vorm + +Register + + + * * * * * + + +I + +'S LEVENS FELHEID + + +Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel +scherper uiterlijke vormen dan nu. Tusschen leed en vreugde, tusschen +rampen en geluk scheen de afstand grooter dan voor ons; al wat men +beleefde had nog dien graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, +dien de vreugd en het leed nu nog hebben in den kindergeest. Elke +levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en +uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakken, +vasten levensstijl. De groote dingen: de geboorte, het huwelijk, het +sterven, stonden door het sacrament in den glans van het mysterie. +Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren +begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen. + +Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen +geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre +koude en het bange duister van den winter waren een wezenlijker kwaad. +Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog +feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten +tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden +nog dat hooge genotsgehalte, dat misschien door de Engelsche novelle +in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het +levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende +en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel, en +hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er +hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar +aan zijn kleed. De groote heeren bewogen zich nooit zonder pralend +vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging, +venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles +luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg +het teeken van zijn dame, de genooten het embleem van hun broederschap, +de partij de kleuren en blazoenen van hun heer. + +Ook in het uiterlijk aanschijn van stad en land heerschte die +tegenstelling en die bontheid. De stad verliep niet zooals onze steden +in slordig aangelegde buitenwijken van dorre fabrieken en onnoozele +landhuisjes, maar lag in haar muur besloten, een afgerond beeld, +stekelig van tallooze torens. Zoo hoog en zwaar de steenen huizen van +edelen of koopheeren mochten zijn, de kerken bleven met hun hoogte en +ruimte den aanblik der stad beheerschen. + +Zooals de tegenstelling van zomer en winter sterker was dan in ons +leven, zoo was het die van licht en duister, van stilte en gedruisch. +De moderne stad kent nauwelijks meer het zuivere donker en de zuivere +stilte, het effekt van een enkel lichtje of een enkelen verren roep. + +Door het voortdurend contrast, door de bonte vormen, waarmee alles zich +aan den geest opdrong, ging er van het alledaagsche leven een prikkeling, +een hartstochtelijke suggestie uit, welke zich openbaart in die wankele +stemming van ruwe uitgelatenheid, hevige wreedheid, innige verteedering, +waartusschen het middeleeuwsche stadsleven zich beweegt. + +Er was een geluid, dat al het gedruisch van het drukke leven steeds weer +overstemde, en dat, hoe bont dooreen-klinkend, toch nooit verward, alles +tijdelijk ophief in een sfeer van orde: de klokken. De klokken waren in +het dagelijksch leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende +stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan +opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke +Jacqueline, klokke Roelant; men wist de beteekenis van kleppen of +luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor den +klank. Gedurende het beruchte burgerlijke tweegevecht te Valenciennes, +dat in 1455 de stad en het geheele Bourgondische hof in buitengewone +spanning heeft gehouden, luidde de groote klok, zoolang de strijd +duurde, "laquelle fait hideux a oyr", zegt Chastellain [1]. "Sonner +l'effroy", "faire l'effroy" heet het luiden der alarmklok [2]. Welk +een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als alle kerken en +kloosters van Parijs de klokken luidden van den morgen tot den avond, +en zelfs den geheelen nacht, omdat er een paus gekozen was, die een +einde aan het schisma zou maken, of om een vrede tusschen Bourguignon +en Armagnac [3]. + +Van een diep roerende werking moeten ook de processies zijn geweest. +Wanneer het bange tijden waren, en die waren het dikwijls, liepen ze +soms dag aan dag, weken achtereen. In 1412, zoodra men te Parijs wist, +dat de koning zich op vijandelijk gebied bevond, werden er dagelijksche +processies verordend, die van eind Mei tot in Juli duurden, telkens van +andere groepen, orden of gilden, langs andere wegen, met andere +relieken: "les plus piteuses (aandoenlijke) processions qui oncques +eussent ete veues de aage de homme." Allen liepen barrevoets en met +nuchtere maag, de heeren van het Parlement zoogoed als de arme burgers, +elk die kon met een kaars of een toorts; er waren steeds veel kleine +kinderen bij. Ook uit de dorpen rondom Parijs kwamen de arme landlieden +blootsvoets van ver geloopen. Men ging of keek het aan "en grant pleur, +en grans lermes, en grant devocion." En bijna al die dagen regende het +hard [4]. + +Dan waren er de vorstelijke intochten. En in nooit onderbroken +veelvuldigheid de terechtstellingen. De wreede prikkeling en de grove +verteedering van het schavot waren een gewichtig element in de +geestelijke voeding van het volk. Het was kijkspel met moraal. Tegen +gruwelijke rooverijen verzon de justitie gruwelijke straffen; een jonge +brandstichter en moordenaar wordt te Brussel met een ketting, die aan +een ring om een staak kan draaien, binnen een kring van brandende +takkebossen geplaatst. Hij stelt zichzelf aan het volk in roerende +woorden ten voorbeeld, "et tellement fit attendrir les coeurs que tout +le monde fondoit en larmes de compassion." "Et fut sa fin recommandee la +plus belle que l'on avoit oncques vue" [5]. Messire Manssart du Bois geeft +niet alleen den beul gaarne de vergiffenis, die deze hem vraagt, maar +verzoekt hem, hem te kussen. "Foison de peuple y avoit, qui quasi tous +ploroient a chaudes larmes" [6]. Dikwijls waren het groote heeren; dan +genoot het volk de voldoening over het strenge recht en de ernstige +vermaning over de wisselvalligheid van aardsche grootheid levendiger, +dan eenig geschilderd exempel of doodendans het hun geven kon. De +overheid zorgde, dat aan den indruk van het schouwspel niets ontbrak: in +de teekenen van hun grootheid deden de heeren hun droevigen tocht. Jean +de Montaigu, grand maitre d'hotel van den koning, slachtoffer van den +haat van Jan zonder Vrees, rijdt naar het schavot, hoog op een kar +gezeten, twee trompetters vooruit; hij draagt zijn staatsiekleed, +kaproen, houppelande en hozen half wit half rood, en gouden sporen aan +de voeten; met die gouden sporen hangt het onthoofde lijk aan de galg. +De rijke kanunnik Nicolas d'Orgemont, le Boiteux d'Orgemont genoemd, +wordt in een vuilniskar door Parijs gevoerd, in een grooten violetten +mantel en kaproen, om de onthoofding van twee genooten aan te zien, voor +hij zelf veroordeeld werd tot levenslange opsluiting "au pain de doleur +et a eaue d'angoisse". Het hoofd van maitre Oudart de Bussy, die een +plaats in 't Parlement geweigerd had, werd op bijzonderen last van +Lodewijk XI weer opgegraven en in een scharlaken kaproen met bont +gevoerd "selon la mode des conseillers de parlement" op de markt te +Hesdin tentoongesteld, met een verklarend rijmpje. De koning zelf +schrijft over het geval met grimmige grappigheid [7]. + +Zeldzamer dan de processies en de terechtstellingen waren de preeken van +de reizende predikers, die af en toe het volk kwamen schokken met hun +woord. Wij krantenlezers kunnen ons nauwelijks meer de geweldige werking +van het woord op een onverzadigden en onwetenden geest voorstellen. De +volksprediker broer Richard, die als biechtvader Jeanne d'Arc heeft +mogen bijstaan, preekte te Parijs in 1429 tien achtereenvolgende dagen. +Hij begon des morgens om vijf uur en eindigde tusschen tien en elf uur, +meest op het kerkhof der Innocents, onder welks galerijen de beroemde +doodendans geschilderd stond, met den rug naar de open knekelhuizen, +waarin, boven de booggang rondom, de schedels voor het gezicht lagen +opgestapeld. Toen hij na zijn tiende preek meedeelde, dat het de laatste +zou zijn, daar hij geen verlof voor meer had, "les gens grans et petiz +plouroient si piteusement et si fondement, comme s'ilz veissent porter +en terre leurs meilleurs amis, et lui aussi." Als hij eindelijk Parijs +gaat verlaten, meent het volk, dat hij den Zondag nog te St. Denis zal +preeken; in groote troepen, wel zes duizend, zegt de burger van Parijs, +trekken zij Zaterdags-avonds uit de stad, om zich een goede plaats te +verzekeren, en overnachten op het veld [8]. + +Ook aan den franciscaan Antoine Fradin werd te Parijs het preeken +verboden, omdat hij hevig uitvoer tegen de slechte regeering. Maar +juist daarom was hij het volk lief. Zij bewaakten hem dag en nacht in +het klooster der Cordeliers; de vrouwen stonden er op wacht, met haar +munitie van asch en steenen gereed. Om de proclamatie, die deze wacht +verbiedt, lacht men: de koning weet er niets van! Als eindelijk Fradin, +verbannen, toch de stad verlaten moet, doet het volk hem uitgeleide, +"crians et soupirans moult fort son departement" [9]. + +Wanneer de heilige dominicaan Vincent Ferrer komt preeken, trekt uit +alle steden het volk, de magistraat, de geestelijkheid, tot bisschoppen +en prelaten toe, hem met lofzangen tegemoet, om hem in te halen. Hij +reist met een talrijke schare van volgers, die iederen avond na +zonsondergang in processie rondtrekken met geeseling en zingen. Uit +iedere stad vergezellen hem nieuwe scharen. Hij heeft de verzorging +en herberging van al die volgelingen zorgvuldig geregeld door het +aanstellen van onbesproken mannen tot kwartiermeesters. Tal van +priesters uit verschillende orden reizen mee, om hem voortdurend bij +te staan in het hooren der biecht en de bediening der mis. Een paar +notarissen vergezellen hem, om terstond acte op te maken van de +bijlegging der geschillen, die de heilige prediker overal tot stand +brengt. Waar hij preekt, moet een houten getimmerte hem en zijn gevolg +beschutten tegen den aandrang der menigte, die hem hand of kleed willen +kussen. Het handwerk staat stil, zoolang hij preekt. Zelden was het, +dat hij zijn hoorders niet tot weenen bracht, en als hij sprak van het +oordeel en de hellestraffen of van het lijden des Heeren, dan braken +zoowel hij als de hoorders altijd uit in zulk een groot geween, dat hij +geruimen tijd moest zwijgen, totdat het weenen bedaarde. Boosdoeners +kwamen zich voor alle aanwezigen ter aarde werpen, en hun groote zonden +met tranen belijden [10]. + +Het is de stemming der Engelsch-Amerikaansche revivals en van het leger +des heils, maar in het ongemetene en veel meer in het openbaar. Men +behoeft hier aan geen vrome overdrijving van den levensbeschrijver van +Vincent Ferrer te denken; de nuchtere, droge Monstrelet geeft op bijna +gelijke wijze de werking weer, die de karmeliet broeder Thomas in 1428 +met zijn preeken in Noord-Frankrijk en Vlaanderen teweegbracht. Ook hem +haalde de magistraat in, terwijl edelen den teugel van zijn muildier +hielden; ook om hem verlieten velen, waaronder heeren, die Monstrelet +met name noemt, huis en gezin, om hem overal te volgen. De aanzienlijke +burgers versierden het hooge gestoelte, dat zij voor hem oprichtten, met +de kostbaarste hangtapijten, die men betalen kon. + +Het was naast de lijdensstof en de laatste dingen vooral de bestrijding +van weelde en ijdelheid, waarmee de volkspredikers zoo diep de menschen +aangrepen. Het volk, zegt Monstrelet, was broeder Thomas vooral dankbaar +en genegen voor het neerwerpen van praal en opschik en in het bijzonder +voor den blaam, waarmee hij adel en geestelijkheid overlaadde. Hij +placht, wanneer aanzienlijke dames zich met hun hooge puntige kapsels +onder zijn gehoor waagden, de kleine jongens op haar aan te hitsen (met +belofte van aflaat, beweert Monstrelet), met den kreet: au hennin, au +hennin! zoodat de vrouwen gedurende al dien tijd geen hennins meer +durfden dragen en gehuifd gingen als begijnen, "Mais a l'exemple du +lymecon--zegt de gemoedelijke chroniqueur--lequel quand on passe pres de +luy retrait ses cornes par dedens et quand il ne ot (hoort) plus riens +les reboute dehors, ainsy firent ycelles. Car en assez brief terme apres +que ledit prescheur se fust departy du pays, elles mesmes recommencerent +comme devant et oublierent sa doctrine, et reprinrent petit a petit leur +viel estat, tel ou plus grant qu'elles avoient accoustume de porter [11]." + +Zoowel broer Richard als broer Thomas deden de mutserts der ijdelheden +vlammen, zooals Florence die zestig jaar later op enorme schaal en met +onherstelbaar verlies voor de kunst voor Savonarola ontsteken zou. In +Parijs en Artois in 1428 en 1429 bleef het bij kaarten, verkeerborden, +dobbelsteenen, kapsels en sieradien, die mannen en vrouwen gewillig +aanbrachten. Deze verbrandingen waren in de 15de eeuw zoowel in +Frankrijk als Italie een zeer veelvuldig element in de groote opwinding, +die de predikers teweegbrachten [12]. De hevige uiting van den afkeer +van ijdelheden en vermaken was reeds een vorm geworden, zooals alles in +dien tijd steeds neigt, vorm te worden. + +In deze ontvankelijkheid van gemoed, deze vatbaarheid voor tranen en +geestelijken ommekeer, deze prikkelbaarheid moet men zich indenken, om +te beseffen, welke kleur en felheid het leven had. + +Een publieke rouw had toen nog het uiterlijk van een calamiteit. Bij +de begrafenis van Karel VII geraakt het volk buiten zich zelf van +aandoening, als het den stoet ziet: al de hofbeambten "vestus de dueil +angoisseux, lesquelz il faisoit moult piteux veoir; et de la grant +tristesse et courroux qu'on leur veoit porter pour la mort de leurdit +maistre, furent grant pleurs et lamentacions faictes parmy toute ladicte +ville." Er waren zes pages van den koning op geheel in zwart fluweel +gedoste paarden. "Et Dieu scet le doloreux et piteux dueil qu'ilz +faisoient pour leur dit maistre!" Een van de knapen had van verdriet in +vier dagen niets gegeten of gedronken, vertelde het volk verteederd. +[13] + +Het is niet alleen de aandoening van een grooten rouw of over een hevige +predikatie of over de mysterien van het geloof, die een overvloed van +tranen wekt. Ook bij elke wereldlijke plechtigheid wordt een vloed van +tranen gestort. Een beleefdheidsgezant van den koning van Frankrijk aan +Philips den Goede breekt bij zijn aanspraak herhaaldelijk in tranen uit. +Bij het afscheid van den jongen Jan van Coimbra van het Bourgondische +hof weent alles luide, evenzoo bij de verwelkoming van den dauphin, bij +de samenkomst der koningen van Engeland en Frankrijk te Ardres. Men zag +Lodewijk XI tranen storten bij zijn intocht in Atrecht; tijdens zijn +verblijf als dauphin aan het Bourgondische hof beschrijft Chastellain +hem herhaaldelijk in snikken en tranen [14]. Er is natuurlijk +overdrijving in die beschrijvingen, het "geen oog bleef droog" van een +dagbladbericht. De bisschop Jean Germain verhaalt, hoe na de treffende +aanspraken der gezanten op het vredescongres te Atrecht in 1435 de +toehoorders plat op den grond vallen, sprakeloos, met zuchten, snikken +en gehuil [15]. Doch in de overdrijving ziet men den achtergrond van +waarheid. Het is ermee als met de tranenvloeden der 18de eeuwsche +sentimenteelen. Het weenen was verheffend en schoon. Wie kent ook nu +niet de sterke ontroering, tot huivering en tranen toe, die een intocht +kan teweegbrengen, ook al is de vorst, dien de praal geldt, ons volkomen +onverschillig. Toen werd die onmiddellijke aandoening gevuld door een +half-religieuze vereering van staatsie en grootheid, en brak zich vrij +baan in echte tranen. + +Wie het verschil in prikkelbaarheid tusschen de 15de eeuw en onzen tijd +niet ziet, kan het leeren uit een klein voorbeeld op een ander gebied +dan dat der tranen, namelijk dat der heethoofdigheid. Wij kunnen ons +waarschijnlijk moeilijk een vreedzamer en rustiger spel denken dan het +schaakspel. La Marche zegt, dat het dikwijls gebeurt, dat er bij 't +schaakspel geschillen rijzen, "et que le plus saige y pert patience" +[16]. Twist van koningszonen over een spel schaak was in de 15de eeuw +nog een even gangbaar motief als in de Karelromans. + + * * * * * + +Er was in het dagelijksch leven voortdurend een onbegrensde ruimte voor +gloeienden hartstocht en kinderlijke fantazie. De hedendaagsche +wetenschappelijke historie der middeleeuwen, die wegens de +onbetrouwbaarheid der kronieken bij voorkeur zooveel mogelijk uit +officieele oorkonden put, vervalt daardoor wel eens in een gevaarlijke +fout. De oorkonden toonen ons weinig van het verschil in levenstoon, +dat ons van die tijden scheidt. Zij doen ons het felle pathos van het +middeleeuwsche leven vergeten. Van al de hartstochten, die het kleuren, +spreken de oorkonden doorgaans slechts van twee: de hebzucht en den +strijdlust, maar deze zelf zijn in hun felheid niet te begrijpen buiten +het verband met de algemeene hartstochtelijkheid. Daarom blijven de +kroniekschrijvers, zij mogen op het stuk van feitelijkheden nog zoo +oppervlakkig zijn en nog zoo dikwijls dwalen, onmisbaar om den tijd goed +te zien. + +Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje. Merk op, +hoe archaisch de hofchronisten, geleerde, aanzienlijke mannen, de +vorsten, met wie zij verkeeren, zien, en stel u dan voor, wat het +koningschap in de volksverbeelding moet zijn geweest. Hier is de jonge +Karel de Stoute, nog graaf van Charolais, die van Sluis te Gorkum +aangekomen, daar verneemt, dat zijn vader de hertog zijn pensie en al +zijn beneficien heeft ingetrokken. Chastellain beschrijft, hoe nu de +graaf zijn gansche hofhouding, tot de keukenjongens toe, voor zich laat +verschijnen, en hun zijn rampspoed meedeelt in een roerende toespraak, +waarin hij zijn eerbied voor den misleiden vader, zijn zorg voor het wel +der zijnen en zijn liefde voor hen allen betuigt. Die zelf middelen +hebben, spoort hij aan, met hem zijn fortuin af te wachten; die arm +zijn, laat hij vrij om heen te gaan, en als zij mochten hooren, dat 's +graven fortuin zich gekeerd heeft, "komt dan terug, en gij zult allen +uw plaats open vinden en zult mij welkom zijn, en ik zal het geduld +beloonen dat gij om mijnentwil hebt gehad."--"Lors oyt-l'on voix lever +et larmes espandre et clameur ruer par commun accord: "Nous tous, nous +tous, monseigneur, vivrons avecques vous et mourrons."--Diep geroerd +aanvaardt Karel hun trouw: "Or vivez doncques et souffrez; et moy je +souffreray pour vous, premier que vous ayez faute." Dan komen de edelen +en bieden hem aan, wat zij bezitten, "disant l'un: j'ay mille, l'autre: +dix mille, l'autre: j'ay cecy, j'ay cela pour mettre pour vous et pour +attendre tout vostre advenir." En zoo ging alles zijn gewonen gang, en +er kwam geen kip minder om in de keuken [17]. + +De uitpenseeling van het tafereel is natuurlijk van Chastellain. Wij +weten niet, in hoeverre zijn verhaal hier het werkelijk gebeurde +styleert. Doch waar het op aankomt: hij ziet den vorst in de eenvoudige +vormen van de volksballade; het geval wordt voor hem geheel beheerscht +door de meest primitieve roerselen van wederzijdsche trouw. + +Terwijl het mechanisme van het staatsbestuur en de staatshuishouding in +werkelijkheid reeds gecompliceerde vormen had aangenomen, projecteert +zich het staatsbeleid in den geest des volks in enkele vaste, eenvoudige +figuren. De politieke voorstellingen, waarin men leeft, zijn die van het +volkslied en den ridderroman. Er zijn een beperkt getal koningstypen: de +edele, rechtvaardige vorst, de door booze raden misleide vorst, de vorst +wreker van de eer van zijn geslacht, de vorst in het ongeluk door de +trouw der zijnen gesteund. Het eeuwige wantrouwen, of het geld door de +kroon wel in het algemeen welzijn wordt besteed, vindt zijn uitdrukking +in de steeds terugkeerende voorstellingen: de koning wordt omringd door +hebzuchtige, sluwe raadgevers, of de weelde en overdaad van 's konings +hofhouding is er schuld aan, dat het slecht gaat met het land. Zoo +reduceeren zich de politieke kwesties voor het volk tot de gevallen van +de sproke. Philips de Goede begreep, welke taal het volk verstond. +Tijdens zijn feesten in den Haag in 1456 heeft hij, om indruk te maken +op de Hollanders en Friezen, die zouden meenen, dat het hem aan geld +ontbrak om het bisdom Utrecht te vermeesteren, in een kamer naast de +ridderzaal dertig duizend mark zilver aan kostelijk vaatwerk laten +uitstallen. Iedereen mag er naar komen kijken. Bovendien zijn er uit +Rijssel twee geldkisten meegebracht met tweehonderdduizend gouden +leeuwen. Men mag beproeven, ze op te lichten, maar het is moeite +vergeefsch [18]. Kan er opvoedkundiger vermenging van staatscrediet en +kermisvermaak bedacht worden? + +Het vorstelijk leven en bedrijf had nog menigmaal een fantastisch +element, dat ons aan den khalief uit Duizend en een Nacht herinnert. Zij +handelen te midden van de koel berekende politieke ondernemingen soms +met een roekelooze onstuimigheid, die om een persoonlijke gril hun leven +en hun werk in gevaar brengt. Eduard III waagt er zichzelf, den prins +van Wales en de zaak van zijn land aan, om een vloot van spaansche +koopvaarders aan te vallen, ter vergelding van eenige zeerooverij +[19].--Philips de Goede heeft er zijn zinnen op gezet, een zijner +archers te huwen aan een rijke brouwersdochter uit Rijssel. Toen de +vader dit tegenwerkt en er het Parlement van Parijs inhaalt, breekt de +hertog, in woede ontstoken, de gewichtige staatsbesognes, die hem in +Holland hielden, plotseling af, en onderneemt, in den heiligen tijd vlak +voor Paschen nog wel, een gevaarlijke zeereis van Rotterdam naar Sluis, +om zijn zin door te drijven [20]. Een andermaal is hij in zinneloozen +toorn om een twist met zijn zoon als een weggeloopen schooljongen stil +uit Brussel gereden, en verdwaalt 's nachts in het bosch. Als hij weer +terecht is, valt de hachelijke taak, om hem weer in zijn gewone doen te +brengen, den ridder Philippe Pot te beurt. De handige hoveling vindt het +rechte woord: "Bonjour monseigneur, bonjour, qu'est cecy? Faites-vous du +roy Artus maintenant ou de messire Lancelot?" [21] + +Hoe khaliefachtig doet het aan, wanneer dezelfde hertog, als de +geneesheeren hem hebben voorgeschreven, zich het hoofd kaal te laten +scheren, gelast, dat alle edelen zullen doen als hij, en Peter van +Hagenbach opdraagt, om waar hij een edelman ongeschoren vond, hem van +zijn haardos te ontdoen [22]. Of wanneer de jonge koning van Frankrijk +Karel VI, met een vriend op een paard, vermomd den intocht van zijn +eigen bruid, Isabella van Beieren, gaat zien, en in 't gedrang klappen +oploopt van de dienders [23].--Een dichter uit de XVe eeuw laakt het, +dat de vorsten hun nar of speelman tot hofraad en minister verheffen, +gelijk Coquinet le fou de Bourgogne [24]. + +Een andere gewoonte herinnert aan figuren, die tot in de laatste dagen +van het tsarisme hun invloed aan het Russische hof hadden: de vorsten +der XVe eeuw zoeken herhaaldelijk raad in staatszaken bij de visionaire +asceten en de geexalteerde volkspredikers. Dionysius de Kartuizer, +Vincent Ferrer traden als politieke raadgevers op; de luidruchtige +prediker Olivier Maillard, een Fransche Brugman, was in de heimelijkste +onderhandelingen van vorstenhoven gemengd [25]. Een element van +godsdienstige spanning werd zoodoende levend gehouden in de hooge +staatkunde. + +Het was niet door roekeloos avontuurlijke daden en woeste grillen +alleen, dat het vorstenleven voortdurend in de sfeer van het romantische +bleef. De bloedige tragiek van het koningschap heeft zelden zoo +aanhoudend het tooneel van Europa vervuld met den aanblik van +aangrijpende lotswisseling als in de XIVe en XVe eeuw. In het Duitsche +Rijk en in Engeland in een jaar tijds een koning onttroond. De wildste +verhalen liepen van Wenzel, den dronkaard, die de Duitsche landen +verwaarloosde, terwijl de Turken steeds dreigender naderden. De koningin +zou des nachts door zijn woeste losgebroken honden zijn verscheurd. De +geheimzinnige dood van Richard II van Engeland, na zijn verbazenden val, +riep dien van Eduard II, zeventig jaren eerder, in het geheugen terug. +In Frankrijk een waanzinnige op den troon, en 't land door wilde +partijtwist verscheurd. En de gansche christenheid verdeeld door het +groote schisma: twee pausen, drie welhaast, die om de macht streden. +"Le Pappe de la Lune" noemde men in Frankrijk den paus van Avignon, +Benedictus XIII, den Aragonees Peter van Luna: het moet voor het volk +een half ijlhoofdigen klank hebben gehad. De twee schreeuwende moorden +van 1407 en 1419: op Lodewijk van Orleans en op Jan zonder Vrees, +hebben met hun eindeloozen nasleep van wraakzucht en oorlog aan de +Fransche geschiedenis eener gansche eeuw een grondtoon van somberen haat +gegeven. + +Men kon de wisselvalligheid der vorstelijke fortuin, zooals ieder haar +voor oogen had in het beeld van het wiel, waar zij aftuimelen met hun +schepters en kronen, niet beter belichaamd zien dan in Rene van Anjou, +die altijd weer de hoogste kansen had gemist, die getracht had naar de +kronen van Hongarije, Sicilie en Jeruzalem, en niet anders vond dan +nederlagen, moeilijke ontvluchtingen, lange gevangenschappen. De +dichter-koning zonder troon, die zich vermeide in herderdicht en +miniatuurkunst, moet wel van een diep gewortelde frivoliteit zijn +geweest, of het lot zou hem hebben genezen. Bijna al zijn kinderen had +hij zien sterven, en de dochter, die hem gebleven was, had een lot, dat +in zwarte droefheid het zijne overtrof. Margareta van Anjou, vol geest, +eerzucht en hartstocht, had, zestien jaar oud, den koning van Engeland +gehuwd, Hendrik VI, een onnoozele. Het Engelsche hof was een hel van +haat. Toen eindelijk de groote familiestrijd in de phase van bloedig +geweld was gekomen, verloor Margareta kroon en rijkdom. Zij had het +ergste gevaar en den bittersten nood gekend; aan de erbarming van een +struikroover had zij zich en haar zoon moeten toevertrouwen. Zij had bij +de mis een Schotschen boogschutter om een penning moeten vragen voor een +offer, "qui demy a dur et a regret luy tira un gros d'Escosse de sa +bourse et le luy presta". Toen Chastellain het aandoenlijk verhaal van +haar rampspoed en zwerftochten uit haar mond vernam, en haar tot troost +een _Temple de Bocace_ [26] wijdde, "aucun petit traite de fortune, +prenant pied sur son inconstance et deceveuse nature", een sombere +galerij van vorstenongeluk, toen stond haar het ergste nog te wachten: +bij Tewkesbury in 1471 de Lancaster's voorgoed verslagen, haar eenige +zoon in den slag gevallen of na den slag vermoord, haar gemaal heimelijk +omgebracht, zijzelf vijf jaren in den Tower, om tenslotte door Eduard IV +aan Lodewijk XI te worden verkocht, wien zij tot dank voor haar +bevrijding afstand moest doen van de erfenis van haar vader, koning +Rene. + +Waar de echte koningskinderen zulk een lot beleefden, hoe zou daar een +burger van Parijs anders dan geloof schenken aan het verhaal, waarmee +in 1427 een troep Zigeuners in de stad kwam? Zij kwamen als boetelingen, +"ung duc et ung conte et dix hommes tous a cheval", de rest, een 120 +sterk, moest buiten blijven. Uit Egypte waren zij, de paus had hun als +boete voor hun afval van het christelijk geloof opgelegd om zeven jaar +te zwerven, zonder in een bed te slapen. Zij waren wel 1200 geweest, +maar hun koning en koningin en al de anderen waren onderweg gestorven. +Tot eenig solaas had de paus gelast, dat ieder bisschop en abt hun tien +pond tournoois zou geven. De Parijzenaars kwamen in groote menigte naar +het vreemde volkje kijken, en lieten zich de hand lezen door de vrouwen, +die den lieden het geld uit hun beurzen in de hare deden verhuizen "par +art magicque au autrement" [27]. + +Er lag om het vorstenleven een sfeer van avontuur en van hartstocht. Het +was niet louter de volksverbeelding, die het die kleur leende. De +moderne mensch maakt zich doorgaans geen voorstelling van de teugellooze +buitensporigheid en ontvlambaarheid van het middeleeuwsch gemoed. Men +kan uit de oorkonden een beeld ontwerpen van een stuk middeleeuwsche +geschiedenis, dat er juist zoo uitziet als achttiendeeeuwsche ministers- +en gezanten-politiek. Maar zulk een beeld mist een gewichtig element: +de felle kleur van den geweldigen hartstocht, die en de volken en de +vorsten heeft bezield. Zonder twijfel is dat element ook nu nog in de +staatkunde aanwezig, maar het vindt meer remmen en beletselen, het is +op honderden wijzen door het ingewikkelde mechanisme van het +gemeenschapsleven in vaste banen geleid. In de vijftiende eeuw komt +in de politieke daad nog een mate van onmiddellijk affect tot uiting, +waardoor nut en berekening telkens worden doorbroken. Gaat dat affect +gepaard met machtsgevoel, zooals bij de vorsten, dan werkt het dubbel +heftig. Chastellain drukt het in zijn deftige termen bondig uit. Het is +geen wonder, zegt hij, dat vorsten dikwijls met elkaar in vijandschap +leven, "puisque les princes sont hommes, et leurs affaires sont haulx et +agus, et leurs natures sont subgettes a passions maintes comme a haine +et envie, et sont leurs coeurs vray habitacle d'icelles (des passions) a +cause de leur gloire en regner" [28]. Dit is, wat Burckhardt "das Pathos +der Herrschaft" noemt. + +Wie de geschiedenis van Bourgondie wilde schrijven, moest steeds weer +een wraakmotief kunnen doen klinken, zoo zwart als een katafalk, dat u +bij elke daad in den raad en te velde, den bitteren smaak gaf te proeven +van hun geest vol sombere wraakgierigheid en verscheurden hoogmoed. +Zeker, het zou onnoozel zijn, om weer te willen terugkeeren tot het +gezicht, dat de vijftiende eeuw zelf op de geschiedenis had. Het gaat +niet aan, de geheele machtstegenstelling, waaruit de eeuwenlange strijd +van Frankrijk en de Habsburgers is gegroeid, te willen afleiden uit de +bloedwraak tusschen Orleans en Bourgondie, de twee takken van het huis +Valois. Wanneer men zich maar bewust blijft, dat voor den tijdgenoot die +bloedwraak het beheerschende moment van de lotgevallen hunner landen +was. Philips de Goede is voor hen in de eerste plaats de wreker, "celluy +qui pour vengier l'outraige fait sur la personne du duc Jehan soustint +la gherre seize ans" [29]. Als een heilige taak had Philips het op zich +genomen: "en toute criminelle et mortelle aigreur, il tireroit a la +vengeance du mort, si avant que Dieu luy vouldroit permettre; et y +mettroit corps et ame, substance et pays tout en l'aventure et en la +disposition de fortune, plus reputant oeuvre salutaire et agreable a +Dieu de y entendre que de le laisser". Het was den Dominicaan, die bij +den lijkdienst voor den vermoorden hertog de predikatie hield, euvel +aangerekend, dat hij op den christenplicht om niet te wreken gewezen had +[30]. Al de staten van zijn landen riepen met hem om wraak, zegt La +Marche [31]. + +Het tractaat van Atrecht, dat in 1435 den vrede tusschen Frankrijk en +Bourgondie schijnt te zullen brengen, begint met de boete voor den moord +van Montereau; een kapel te stichten in de kerk van Montereau, waar Jan +het eerst begraven was, waar ten eeuwige dage een requiem zal gezongen +worden iederen dag; desgelijks in dezelfde stad een Kartuizerklooster, +een kruis op de brug zelf, waar het feit was bedreven, een mis in de +Kartuizerkerk te Dijon, waar de Bourgondische hertogen begraven liggen +[32]. Het was maar een deel van al de openbare boete en schande, die de +kanselier Rolin namens den hertog geeischt had: kerken met kapittels +niet alleen te Montereau, maar ook te Rome, Gent, Dijon, Parijs, +Santiago de Compostella en Jeruzalem, met opschriften in steen, die het +feit verhalen moesten [33]. + +Een wraakbehoefte, die zich in zoo wijdloopige vormen kleedde, moet wel +vooraan in den geest hebben gestaan. En wat zou het volk van de +staatkunde hunner vorsten beter hebben begrepen dan deze eenvoudige, +primitieve motieven van haat en wraak? De aanhankelijkheid aan den vorst +was van een kinderlijk impulsief karakter, een onmiddellijk gevoel van +trouw en gemeenschap. Het is een uitbreiding van het oude sterke besef, +dat de eedhelpers aan den klager, de mannen aan hun heer bond, en dat in +veete en strijd tot allesvergetenden hartstocht aangloeide. Het is +partijgevoel, geen staatsgevoel. De latere middeleeuwen zijn de tijd der +groote partijstrijden. In Italie consolideeren de partijen zich reeds in +de 13e eeuw, in Frankrijk en de Nederlanden rijzen ze overal omhoog in +de 14e. Iedereen, die de geschiedenis van die tijden bestudeert, moet +wel eens getroffen zijn door de gebrekkigheid, waarmee die partijschappen +door de moderne geschiedvorsching uit economisch-politieke oorzaken worden +verklaard. De economische tegenstellingen, die men eraan ten grondslag +legt, zijn veelal louter schematische constructies, die men met den +besten wil niet uit de bronnen kan aflezen. Zonder de aanwezigheid van +economische oorzaken te loochenen, is men geneigd te vragen, of ter +verklaring van den laat-middeleeuwschen partijstrijd een politisch- +psychologisch gezichtspunt niet meer profijt oplevert dan een politisch- +economisch. Op de onmiddellijke basis van hartstochtelijke trouw, van +familietrots en wraakzucht kan men de partijen als 't ware zien +agglomereeren uit de beperkte veeten van den zuiver-feodalen tijd. Met +de versterking van de staatsmacht, met de uitbreiding van de geldmacht +nemen de primitieve gevoelens van solidariteit en gemeenschapseer +breeder, openlijker vormen aan. Wanneer een scherpziend tijdgenoot +verklaart, dat voor den haat van Hoekschen en Kabeljauwschen geen +redelijke gronden waren te bespeuren [34], moet men niet minachtend de +schouders ophalen en wijzer willen zijn dan hij. + +Hoe hevig de gemoedsbeweging van vorstentrouw werken kon, leest men op +elke bladzijde der middeleeuwsche geschiedenis. De dichter van het +mirakelspel Marieken van Nimwegen vertoont ons, hoe Marieken's kwade +moei, na zich met de buurvrouwen half razend gekeven te hebben over den +twist van Arnold en Adolf van Gelre, zich ophangt uit spijt, dat de oude +hertog uit zijn gevangenis is verlost. Blijkbaar was dit dus voor hem +een waarschijnlijk motief. Midden in den nacht laten de schepenen van +Abbeville de klokken luiden, omdat er een bode gekomen is van Karel van +Charolais met verzoek om te bidden voor de genezing zijns vaders. De +verschrikte burgers stroomen ter kerke, ontsteken honderden kaarsen, +liggen geknield of neergeworpen, in tranen, den ganschen nacht, terwijl +de klokken aldoor luiden [35]. + +Als het volk van Parijs, in 1429 nog Engelsch-Bourgondischgezind, +verneemt, dat broeder Richard, die hen nog pas zoo innig had aangegrepen +met zijn preeken, een Armagnac is, en de steden heimelijk ompraat, dan +vervloeken zij hem bij God en de heiligen; voor den tinnen penning met +den naam van Jezus, dien hij hun gegeven had, nemen zij het Andrieskruis, +het partijteeken van Bourgondie. Zelfs het hervatten van de dobbelspelen, +waartegen broer Richard geijverd had, geschiedde, meent de burger van +Parijs, "en despit de luy" [36]. + +Men zou meenen, dat het schisma tusschen Avignon en Rome, dat geen +dogmatischen grond had, geen geloofshartstocht kon hebben gewekt in de +landen, ver van de beide centra verwijderd. Toch ontwikkelt zich ook +daar het schisma onmiddellijk tot een felle en hevig bewogen partijzaak, +tot een tegenstelling als van geloovigen en ongeloovigen. Wanneer Brugge +overgaat van den paus te Rome tot dien van Avignon, verlaten tal van +lieden huis en stad, bedrijf of prebende, om in Utrecht, Luik of een +ander gebied der urbanistische obedientie naar hun partij te kunnen +leven [37]. Te Rozebeke in 1382 is de Fransche legeraanvoering in +twijfel, of men tegen de opstandige Vlamingen de oriflamme, de heilige +koningsvaan, zal ontplooien of niet. De beslissing valt: ja, want die +Vlamingen zijn urbanisten, dus ongeloovigen [38]. Pierre Salmon kon te +Utrecht geen priester vinden, die hem zijn paasch wil laten vieren, +"pour ce qu'ils disoient que je estoie scismatique et que je creoie en +Benedic l'antipape", zoodat hij alleen in een kapel gaat biechten, alsof +hij 't voor een priester deed, en de mis hoort in het Kartuizerklooster +[39]. + +Het sterk bewogen karakter van partijgevoel en vorstentrouw werd nog +verhoogd door de machtige suggestieve werking, die er uitging van al +de partijteekens, kleuren, emblemen, deviezen, kreten, die elkander +somtijds in bonte wisseling opvolgden, meestal zwanger van moord en +doodslag, een enkele maal teeken van blijder dingen. Wel twee duizend +personen trokken in 1380 den jongen Karel VI bij zijn intocht in Parijs +tegemoet, allen gelijk gekleed in half groen half wit. Tot driemaal toe +zag men in de jaren 1411 tot 1413 heel Parijs plotseling met ander +kenteeken getooid: paarse kaproenen met het Andrieskruis, witte +kaproenen, dan weer violette. Geestelijken, vrouwen en kinderen droegen +ze. Tijdens het schrikbewind der Bourguignons te Parijs in 1411 werden +iederen Zondag de Armagnacs onder klokgelui geexcommuniceerd; men behing +de heiligenbeelden met het Andrieskruis, ja, sommige priesters wilden +bij de mis en bij den doop het kruisteeken niet recht maken, zooals de +Heer gekruist was, maar maakten het schuins [40]. + +De blinde hartstocht, waarmee men zijn partij, zijn heer of ook zijn +eigen zaak volgde, was mede een uitingsvorm van het muurvaste, +steenharde rechtsgevoel, de onwrikbare verzekerdheid, dat elke daad haar +uiterste vergelding eischt. Het middeleeuwsche gerechtigheidsgevoel was +voor drie kwart heidensch. Het was wraakbehoefte. De kerk had wel de +rechtsgewoonten getracht te verzachten door aandrang op zachtmoedigheid, +vrede, vergevensgezindheid, maar het eigenlijke rechtsgevoel had zij +daarmee niet veranderd. Integendeel, zij had het geexaspereerd, door aan +de vergeldingsbehoefte den haat tegen de zonde toe te voegen. De zonde +nu, dat was al te vaak: wat mijn vijand doet. Er was een enorme spanning +gekomen van barbaarsch-religieus gerechtigheidsgevoel; onder invloed van +de zonde-opvatting was de afkoopbaarheid van het misdrijf meer en meer +teruggedrongen, en zoo is het einde der middeleeuwen de bedwelmende +bloeitijd van pijnlijke gerechtigheid en justitieele wreedheid geworden. +Daar was geen oogenblik van twijfel, of de boosdoener zijn recht +verdiend had. Daar was innige voldoening over treffende daden van +justitie, door den vorst zelf verricht. Daar waren vlagen van straffe +gerechtigheid, dan tegen roovers en geboefte, dan tegen heksen en +toovenaars, dan tegen sodomie. + +Wat in de justitieele wreedheid der late middeleeuwen treft, is geen +ziekelijke perversiteit maar het dierlijke, verstompte jolijt, dat +het volk erin had, de kermisvreugde ervan. Die van Mons koopen een +rooverhoofdman tegen veel te hoogen prijs, voor het genoegen van hem te +vierendeelen, "dont le peuple fust plus joyeulx que si un nouveau corps +sainct estoit ressuscite" [41]. Tijdens de gevangenschap van Maximiliaan +te Brugge in 1488 staat op de markt, waar de gevangen koning het kan +zien, de pijnbank op een hooge estrade, en het volk krijgt er niet +genoeg van, de van verraad verdachte magistraatspersonen telkens weer +te zien pijnigen, en weerhoudt de executie, waar dezen om smeeken, om +nieuwe kwellingen te genieten [42]. + +Tot welke onchristelijke uitersten juist de vermenging van geloof en +wraakzucht leidde, bewijst de gewoonte, die in Frankrijk en Engeland +heerschte, om den terdoodveroordeelde niet alleen het viaticum maar ook +de biecht te weigeren. Men wilde hun ziel niet redden, men wilde hun +doodsangst verzwaren met de zekerheid der hellestraf. Vergeefs had paus +Clemens V in 1311 gelast, althans het boetsacrament toe te staan. De +politieke idealist Philippe de Mezieres drong er opnieuw op aan, eerst +bij Karel V van Frankrijk, toen bij Karel VI. Doch de kanselier Pierre +d'Orgemont, wiens "forte cervelle", zegt Mezieres, moeilijker om te +keeren was dan een molensteen, verzette er zich tegen, en Karel V, de +wijze, vreedzame koning, verklaarde, dat bij zijn leven de gewoonte niet +veranderd zou worden. Eerst toen de stem van Jean Gerson zich bij die +van Mezieres voegde met een vijftal consideraties tegen het misbruik, +gelastte een koninklijk edict van 12 febr. 1397 den veroordeelde de +biecht toe te staan. Pierre de Craon, aan wiens bemoeiing het besluit te +danken was, richtte een steenen kruis op bij de galg van Parijs, waar de +Minderbroeders de berouwvolle misdadigers konden bijstaan [43]. Toch +verdween ook toen de oude gewoonte nog niet uit de volkszeden; nog kort +na 1500 moet de bisschop van Parijs, Etienne Ponchier, het statuut van +Clemens V hernieuwen. In 1427 wordt een roofziek jonker te Parijs +gehangen. Bij de terechtstelling komt een aanzienlijk ambtenaar, groot +tresorier in dienst van den regent, zijn haat tegen den veroordeelde +luchten; hij belet, dat hem de confessie wordt toegestaan, die hij +vraagt; hij klimt scheldende achter hem de ladder op, slaat hem met een +stok, ranselt den beul, omdat die hem naar de redding van zijn ziel +vraagt. De beul, verschrikt, overhaast zich, de strop breekt, de arme +misdadiger valt, breekt been en ribben, en moet zoo de ladder weer op +[44]. + +In de middeleeuwen ontbreken al de gevoelens, die ons besef van justitie +schuchter en weifelend hebben gemaakt: het inzicht in halve +toerekenbaarheid, het besef van 's rechters feilbaarheid, het besef, dat +de maatschappij mee schuld heeft aan het misdrijf van den enkele, de +vraag, of men hem niet kan verbeteren in plaats van hem te doen lijden. +Of misschien beter gezegd: die gevoelens ontbraken niet, maar waren +onuitgedrukt vereenigd in een onmiddellijke aandoening van +barmhartigheid en vergiffenis, die, onafhankelijk van de schuld, telkens +weer de wreede voldoening over het gedane recht komt breken. Waar wij +een aarzelend en half schuldbewust toemeten van verzachte straffen +kennen, daar kent de middeleeuwsche justitie slechts de twee uitersten: +de volle maat van wreede straf en de genade. Bij het schenken van genade +wordt veel minder dan thans gevraagd, of de schuldige om bijzondere +redenen de gratie verdient: voor elke schuld, ook de klaarblijkelijkste, +is volle kwijtschelding te allen tijde gepast. In de praktijk gaf bij +die kwijtscheldingen niet altijd de zuivere barmhartigheid den doorslag. +Het is verbazend, met welk een gelijkmoedigheid de tijdgenooten +vertellen, hoe de tusschenkomst van aanzienlijke verwanten een +misdadiger "lettres de remission" bezorgen. Niettemin gelden de meeste +van die brieven geen aanzienlijken overtreders maar armen lieden uit het +volk, die geen hooge voorspraak gehad hebben [45]. + +De onmiddellijke tegenstelling van hardvochtigheid en barmhartigheid +beheerscht ook buiten de rechtspleging de zeden. Aan de eene zijde de +vreeselijkste hardvochtigheid tegen misdeelden en gebrekkigen, aan de +andere die ontzaglijke verteedering, dat innig gevoel van verwantschap +voor zieken, armen en gekken, zooals wij het, samen met de wreedheid, +nog uit de Russische litteratuur kennen. Het genot in terechtstellingen +wordt althans nog begeleid en tot zekere hoogte gerechtvaardigd door een +sterk bevredigd rechtsgevoel. In de ongeloofelijke, naieve hardheid, +onkieschheid, den wreeden spot, het leedvermaak, waarmee men het ongeluk +der ellendigen beschouwt, ontbreekt zelfs het veredelend element van het +bevredigd rechtsgevoel. De kroniekschrijver Pierre de Fenin besluit het +verhaal van het omkomen eener rooverbende met de woorden: "et faisoit-on +grant risee, pour ce que c'estoient tous gens de povre estat" [46]. + +Te Parijs wordt in 1425 een "esbatement" gehouden van vier geharnaste +blinden, die om een big vechten. Daags te voren trekken zij geharnast +door de stad, voorop een doedelzakspeler en een man met een groote vlag, +waarop de big geschilderd staat [47]. + +Velazquez heeft ons de innig droevige tronies bewaard van de +dwerginnetjes, die als zottinnen aan het Spaansche hof in zijn tijd +nog in eere waren. Zij waren een gezocht voorwerp van vermaak aan de +vorstenhoven der 15e eeuw. Bij de kunstige "entremets" der groote +hoffeesten vertoonden zij haar kunsten en haar mismaaktheid. Madame +d'Or, de goudblonde dwergin van Philips van Bourgondie, was algemeen +bekend. Men liet haar worstelen met den acrobaat Hans [48]. Bij de +huwelijksfeesten van 1468 komt Madame de Beaugrant, "la naine de +Mademoiselle de Bourgogne", gedost als herderin, binnenrijden op een +gouden leeuw, grooter dan een paard. De leeuw kan den bek open en dicht +doen en zingt een welkomstliedje; het herderinnetje wordt cadeau gedaan +aan de jonge hertogin en op tafel gezet [49]. Wij kennen geen klachten +over het lot van die vrouwtjes, wel posten uit rekeningen, die ons nog +iets meer zeggen. Zij spreken ervan, hoe een hertogin zulk een dwergje +liet halen uit haar ouderlijk huis, hoe de moeder of de vader haar +kwamen brengen, hoe ze haar ook later af en toe kwamen bezoeken, en dan +een fooi kregen. "Au pere de Belon la folle, qui estoit venu veoir sa +fille...." Ging de vader verheugd en hoogvereerd over den hofdienst van +zijn dochter naar huis? In hetzelfde jaar leverde een slotemaker te +Blois twee ijzeren halsbanden, een "pour attacher Belon la folle et +l'autre pour mettre au col de la cingesse de Madame la Duchesse" [50]. + +Hoe de krankzinnigen behandeld werden, kan men afmeten naar een bericht +omtrent de verzorging van Karel VI, die als koning toch een verpleging +genoot, die gunstig afweek van wat anderen ondervonden. Om den armen +waanzinnige te verschoonen, wist men niets beters te bedenken, dan hem +te laten verrassen door twaalf zwartgemaakte mannen, alsof de duivelen +hem kwamen halen [51]. + +Er is in de hardvochtigheid van die tijden een mate van "ingenu", die +ons de veroordeeling op de lippen doet besterven. Temidden van een +pestepidemie, die Parijs teisterde, verzoeken de hertogen van Bourgondie +en Orleans, om terwille der verstrooiing een cour d'amours in te stellen +[52]. In een pauze van de gruwelijke moordpartijen op de Armagnacs in +1418, sticht het volk van Parijs in de kerk van Sint Eustathius de +broederschap van Sint Andries; iedereen, priester of leek, draagt een +krans van roode rozen; de kerk is er vol van en geurt "comme s'il fust +lave d'eau rose" [53]. Wanneer de heksenprocessen, die Atrecht in 1461 +als een helsche plaag hadden geteisterd, tenslotte vernietigd worden, +viert de burgerij die zege van het recht met een wedstrijd in het +opvoeren van "folies moralisees", eerste prijs een zilveren lelie, +vierde prijs een paar kapoenen; de gemartelde slachtoffers waren lang +dood [54]. + +Zoo fel en bont was het leven, zoo verdroeg het den geur van bloed en +rozen dooreen. Tusschen helsche benauwingen en de kinderlijkste pret, +tusschen gruwelijke hardvochtigheid en snikkende verteedering slingert +het als een reus met een kinderhoofd. Tusschen de volstrekte verzaking +van alle wereldsche vreugde en een waanzinnige gehechtheid aan goed en +genot, tusschen duisteren haat en de meest goedlachsche goedmoedigheid +leeft het volk in uitersten. + +Van de heldere helft van dat leven is ons maar luttel bewaard: het is, +of al de blijde zachtheid en sereniteit van de ziel der vijftiende eeuw +is verzonken in haar schilderkunst en gekristalliseerd in de ijle +reinheid van haar hooge muziek. De lach van dat geslacht is verstorven, +zijn gulle levenslust en onbekommerde vreugde leeft enkel nog in +volkslied en klucht. Er is genoeg, om bij ons heimwee naar vervlogen +schoon van andere tijden ook een verlangen naar de zonnigheid van de +eeuw der van Eyck's te voegen. Maar wie zich waarlijk in dien tijd +verdiept, heeft dikwijls moeite, om het blijde aspect vast te houden. +Want overal buiten de sfeer der kunst heerscht het donker. In het +dreigend waarschuwen der sermoenen, in de moede zuchten der hoogere +litteratuur, in het eentonig relaas der kronieken en oorkonden, overal +schreeuwen de bonte zonden en jammert de ellende. + +De tijden na de reformatie hebben de hoofdzonden van hoogmoed, toorn en +hebzucht niet meer gezien in die purperen volbloedigheid en onbeschaamde +vrijpostigheid, waarmee zij wandelden onder de menschheid der vijftiende +eeuw. De onmetelijke hoogmoed van Bourgondie! De gansche geschiedenis +van dat geslacht, van de daad van ridderlijke bravoure, waarvan het +hooggroeiende fortuin van den eersten Philips zijn oorsprong neemt, over +den fellen naijver van Jan zonder Vrees en de zwarte wraakzucht na zijn +dood, over den langen zomer van dien anderen Magnifico, Philips den +Goede, tot de waanzinnige halsstarrigheid, waarin de hoogwillende Karel +de Stoute ondergaat, is het niet een poeem van heroieken hoogmoed? Hun +landen waren de sterkst levende van het Westen: Bourgondie, zwaar van +kracht als zijn wijn, "la colerique Picardie", het gulzige, rijke +Vlaanderen. Het zijn dezelfde landen, waar de pracht van schilderkunst, +sculptuur en muziek opbloeit, en waar het felste wraakrecht heerscht en +de gewelddadigste barbaarschheid zich botviert onder adel en burgers +[55]. + +Geen kwaad is dien tijden meer bewust geweest dan de hebzucht. Men kan +den hoogmoed en de hebzucht tegenover elkander zien als de zonde van den +ouden en van den nieuwen tijd. De hoogmoed is de zonde van het feodale +en hierarchische tijdperk, waarin bezit en rijkdom weinig mobiel zijn. +Het machtsgevoel zit nog niet in de eerste plaats vast aan den rijkdom; +het is persoonlijker, en de macht moet, om erkend te worden, zich +manifesteeren door groot vertoon, van talrijk gevolg van getrouwen, van +kostbare versiering en indrukwekkend optreden van den machtige. Het +besef van meer te zijn dan een ander mensch wordt door de feodale en +hierarchische gedachte voortdurend gevoed met levenden vorm; die +meerderheid wordt gevoeld als iets zeer wezenlijks en gerechtvaardigds. + +De hoogmoed is een symbolische zonde en een theologische; haar wortels +zitten diep in den grond van alle levens- en wereldbeschouwing. Superbia +was de oorsprong van alle kwaad; Lucifer's hoogmoed was het begin en de +oorzaak van alle verderf. Zoo had Augustinus het gezien, zoo bleef de +voorstelling der lateren: de hoogmoed is de bron van alle zonden, zij +groeien uit hem als wortel en stam [56]. + +Doch naast het schriftwoord, dat deze opvatting staafde: A superbia +initium sumpsit omnis perditio [57], stond een ander: Radix omnium +malorum est cupiditas [58]. In aansluiting daaraan kon men ook de +hebzucht zien als den wortel van alle kwaad. Want onder cupiditas, dat +als zoodanig in de rij der hoofdzonden geen plaats had, werd hier +avaritia verstaan, gelijk zelfs een andere lezing van den tekst inhield +[59]. En het schijnt wel, alsof vooral sedert de dertiende eeuw de +overtuiging, dat het de teugellooze hebzucht is, die de wereld verderft, +in de schatting der geesten den hoogmoed van zijn plaats als eerste en +noodlottigste der zonden verdringt. De oude theologische vooraanstelling +van Superbia wordt overstemd door het steeds aanzwellend koor van +stemmen, die al de ellende der tijden wijten aan de steeds toenemende +hebzucht. Hoe heeft niet Dante haar vervloekt: la cieca cupidigia! + +De hebzucht nu mist het symbolisch en theologisch karakter van den +hoogmoed; zij is de natuurlijke en materieele zonde, de zuiver aardsche +drift. Zij is de zonde van het tijdperk, waarin het geldverkeer de +voorwaarden van machtsontwikkeling heeft verplaatst en losgemaakt. De +schatting van menschelijke waardigheid wordt een rekensommetje. Er is +een veel onbegrensder veld geopend voor de bevrediging van toomelooze +begeerten en opeenhooping van schatten. En die schatten hebben nog niet +de spookachtige ontastbaarheid, die het moderne credietwezen aan het +kapitaal heeft gegeven; het is nog het gele goud zelf, dat vooraan in de +voorstelling staat. En de besteding van den rijkdom heeft nog niet het +automatische en mechanische van voortgezette belegging: de bevrediging +ligt nog in de felle uitersten van gierigheid en verspilling. In de +laatste vooral gaat de hebzucht het huwelijk aan met den ouden hoogmoed. +Die was nog zoo sterk en levend: de hierarchisch-feodale gedachte had +nog niets van haar bloei verloren, de lust aan pracht en praal, opschik +en staatsie was nog zoo purperrood. + +Juist de verbinding met een primitieven hoogmoed geeft aan de hebzucht +der latere middeleeuwen dat onmiddellijke, hartstochtelijke, +geexaspereerde, wat latere tijden verloren schijnen te hebben. Het +Protestantisme en de Renaissance hebben in de hebzucht ethischen inhoud +gebracht: haar gelegaliseerd als nuttige voortbrenging van welvaart. +Haar stigma verflauwde, naarmate de loffelijkheid van de verzaking der +aardsche goederen minder overtuigd beleden werd. In de late middeleeuwen +daarentegen kon de geest nog enkel de onopgeloste tegenstelling bevatten +van hebzucht tegenover milddadigheid en vrijwillige armoede. + +Overal klinkt uit de litteratuur en de kronieken van dien tijd de +bittere haat tegen de rijken, de klacht over de hebzucht der grooten, +van het spreekwoord tot het vrome tractaat. Het is soms als een vaag +besef van klassenstrijd, uitgedrukt met de middelen van zedelijke +verontwaardiging. Op dit gebied kunnen evengoed de oorkonden als de +verhalende bronnen ons het gevoel van den levenstoon van dien tijd +geven, want in alle bescheiden van processen blinkt de meest +onbeschaamde hebzucht. + +In 1436 was het mogelijk, dat de dienst in een der drukst bezochte +kerken van Parijs 22 dagen stilstond, omdat de bisschop de kerk niet +wilde herwijden, voor hij zekere som van penningen daarvoor ontving van +twee bedelaars, wier handgemeen door een bloedige schram de kerk had +ontwijd; en de stakkers hadden het niet. De bisschop, Jacques du +Chatelier, stond dan ook bekend als "ung homme tres pompeux, +convoicteux, plus mondain que son estat ne requeroit". Maar onder zijn +opvolger, Denys de Moulins, was het in 1441 al weer zoo: nu kon er vier +maanden lang op het kerkhof "des Innocents", het vermaardste en +gezochtste van Parijs, niet begraven worden noch ommegang gehouden, +omdat de bisschop een hooger recht daarvan eischte, dan de kerk kon +opbrengen. Deze bisschop heette "homme tres pou piteux a quelque +personne, s'il ne recevoit argent ou aucun don qui le vaulsist, et pour +vray on disoit qu'il avait plus de cinquante proces en Parlement, car de +lui n'avoit on rien sans proces" [60]. Men moet de geschiedenis van de +"nouveaux riches" van dien tijd, een familie d'Orgemont bijvoorbeeld, in +al de laagheden van hun schraapzucht en proceszucht vervolgen, om den +geweldigen haat van het volk, den toorn van predikers en dichters te +begrijpen, die zonder ophouden over de rijken werd uitgestort [61]. + +Het volk kan zijn eigen lot en het gebeuren van den tijd niet anders +zien dan als een altijddurende opeenvolging van wanbestuur en +uitzuiging, oorlog en rooverij, duurte, gebrek en pestilentie. De +chronische vormen, die de oorlog placht aan te nemen, de voortdurende +verontrusting van stad en land door allerlei gevaarlijk geboefte, de +eeuwige bedreiging van een harde en onbetrouwbare justitie, en daarboven +nog de druk van helleangst, duivel- en heksenvrees, hielden een gevoel +van algemeene onveiligheid levend, dat wel geschikt was, den achtergrond +van het leven zwart te kleuren. Het zijn niet alleen de kleinen en +armen, wier leven verliep in die hachelijke onveiligheid, ook in dat van +edelen en magistraten zijn de sterkste lotswisselingen en voortdurende +gevaren bijna regel. Mathieu d'Escouchy, een Picardier, is een +geschiedschrijver, zooals de vijftiende eeuw er zoo velen oplevert: zijn +kroniek, eenvoudig, nauwkeurig, onpartijdig, vervuld van de gewone +vereering voor het ridderideaal en de gewone moraliseerende strekking, +zou ons een eerzaam auteur doen vermoeden, die aan nauwgezetten +historischen arbeid zijn gaven wijdde. Maar welk een leven is het +geweest, dat de uitgever van dit geschiedwerk van den auteur uit de +oorkonden aan het licht heeft gebracht! [62] Mathieu d'Escouchy begint +zijn magistratenloopbaan als raad, schepen, gezworene, schout (prevot) +van de stad Peronne tusschen 1440 en 1450. Van den aanvang af vindt men +hem in een soort van veete met de familie van den procureur dier stad, +Jean Froment, een veete, die met processen wordt uitgevochten. Dan is +het de procureur, die d'Escouchy vervolgt wegens valschheid en moord, +dan wegens "exces et attemptaz". De schout op zijn beurt belaagt de +weduwe van zijn vijand met een onderzoek naar tooverij, waarvan zij +verdacht stond; maar de vrouw weet een mandaat te verkrijgen, krachtens +hetwelk d'Escouchy zijn onderzoek in handen der justitie moet stellen. +De zaak komt voor het Parlement van Parijs, en d'Escouchy geraakt voor +de eerste maal in gevangenschap. Nog zesmaal daarna vinden wij hem als +beschuldigde in hechtenis, en eenmaal in krijgsgevangenschap. 't Zijn +telkens ernstige crimineele zaken en meer dan eens zit hij in zware +ijzers. De wedstrijd van wederzijdsche aanklachten tusschen de familie +Froment en d'Escouchy wordt afgewisseld door een gewelddadige +ontmoeting, waarbij de zoon Froment hem wondt. Beiden huren rabauwen, +om elkaar naar 't leven te staan. Nadat deze lange veete uit onzen +gezichtskring verdwenen is, zijn het nieuwe aanslagen; ditmaal wordt +de schout verwond door een monnik; nieuwe klachten, dan in 1461 +d'Escouchy's verhuizing naar Nesle, onder verdenking van euveldaden, +naar het schijnt. Dit belet hem niet, om carriere te maken: hij wordt +baljuw, prevot van Ribemont, procureur du roi te Saint Quentin; hij +wordt geadeld. Na nieuwe verwondingen, opsluitingen, boeten, vindt men +hem in krijgsdienst: hij strijdt voor den koning bij Montlhery in 1465 +tegen Karel den Stoute, en wordt er krijgsgevangen gemaakt. Uit een +volgenden veldtocht keert hij verminkt terug. Dan trouwt hij, maar het +beduidt niet de intrede in een rustig leven. Men vindt hem onder de +beschuldiging van zegelvervalsching, gevankelijk naar Parijs gevoerd +"comme larron et murdrier", in nieuwe veete met een magistraat van +Compiegne, naar wiens daden hij een onderzoek moet doen, door pijniging +tot bekentenis gebracht en van appel teruggehouden, veroordeeld, +gerehabiliteerd, weer veroordeeld, totdat het spoor van dit bestaan van +haat en vervolging uit de bescheiden verdwijnt. + +Overal waar men de lotgevallen naspeurt van de personen, in de bronnen +van dien tijd vermeld, verrijst zulk een beeld van heftig bewogen +levens. Lees bijvoorbeeld de bijzonderheden, die Pierre Champion +verzameld heeft over allen, die door Villon in zijn Testament zijn +bedacht of genoemd [63], of de aanteekeningen van Tuetey op het dagboek +van den burger van Parijs. Het zijn processen, misdrijven, twisten en +vervolgingen zonder eind, die ons treffen. En dit zijn de levens van +willekeurige lieden, uit rechterlijke, kerkelijke of andere bescheiden +opgediept. Kronieken als die van Jacques du Clercq, een verzameling van +euveldaden, kunnen een te zwart beeld van den tijd geven; zelfs de +lettres de remission, die het dagelijksch leven in zoo levendige +nauwkeurigheid voor oogen brengen, kunnen uithoofde van hun crimineel +onderwerp te uitsluitend de booze zijden van het leven belichten. Doch +elke proef, genomen uit willekeurig materiaal, bevestigt de donkerste +voorstellingen. + +Het is een booze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het +onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere +aarde. En spoedig wacht der menschheid het eind van alle dingen. Maar de +menschheid bekeert zich niet; de kerk strijdt, predikers en dichters +klagen en vermanen vergeefs. + + + + +[1] Oeuvres de Georges Chastellain, ed. Kervyn de Lettenhove, 8 vol., +Bruxelles 1863-'66, III p. 44. + +[2] Chastellain, II p. 267; Memoires d'Olivier de la Marche, ed. Beaune +et d'Arbaumont, (Soc. de l'hist. de France), 1883-'88, 4 vol., II p. 248. + +[3] Journal d'un bourgeois de Paris, ed. A. Tuetey, (Publ. de la Soc. de +l'histoire de Paris, Doc. no. III) 1881, p. 5, 56. + +[4] Journal d'un bourgeois, p. 20-24. Vgl. Journal de Jean de Roye, dite +Chronique scandaleuse, ed. B. de Mandrot (Soc. de l'hist. de France) +1894-'96, 2 vol., I p. 330. + +[5] Chastellain, III p. 461, vgl. V p. 403. + +[6] Jean Juvenal des Ursins, 1412, ed. Michaud et Poujoulat, Nouvelle +collect. des memoires, II p. 474. + +[7] Journal d'un bourgeois, p. 6; 70; Jean Molinet, Chronique, ed. +Buchon, Coll. de chron. nat., 1827/28, 5 vol, II p. 23; Lettres de Louis +XI, ed. Vaesen, Charavay, de Mandrot, (Soc. de l'hist. de France) +1883-1909, 11 vol., 20 Apr. 1477, VI p. 158; Chronique scandaleuse, II +p. 47, id. Interpolations, II p. 364. + +[8] Journal d'un bourgeois, p. 234/7. + +[9] Chron. scand., II p. 70, 72. + +[10] Vita auct. Petro Ranzano O.P. (1455), Acta sanctorum Apr. t. 1 +p. 494 sq. + +[11] Enguerrand de Monstrelet, Chroniques, ed. Douet d'Arcq (Soc. de +l'hist. de France) 1857-'62, 6 vol., IV p. 302-306. + +[12] Wadding, Annales Minorum, X p. 72; K. Hefele, Der h. Bernhardin von +Siena und die franziskanische Wanderpredigt in Italien, Freiburg, 1912, +S. 47, 80. + +[13] Chron. scand., I p. 22, 1461; Jean Chartier, Hist. de Charles VII, +ed. D. Godefroy, 1661, p. 320. + +[14] Chastellain, III pp. 36, 98, 124, 125, 210, 238, 239, 247, 474; +Jacques du Clercq, Memoires (1448-1467), ed. de Reiffenberg, Bruxelles, 1823, +4 vol., IV. p. 40, II p. 280, 355, III p. 100; Juvenal des Ursins, p. 405, +407, 420; Molinet, III p. 36, 314. + +[15] Jean Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, ed. +Kervyn de Lettenhove, Chron. rel. a l'hist. de la Belg. sous la dom. des +ducs de Bourg. (Coll. des chron. belges) 1876, II, p. 50. + +[16] La Marche, I p. 61. + +[17] Chastellain, IV p. 333 s. + +[18] Chastellain, III p. 92. + +[19] Jean Froissart, Chroniques, ed. S. Luce et G. Raynaud (Soc. de +l'hist. de France) 1869-1899,11 vol. (niet verder dan 1385), IV, p. 89-93. + +[20] Chastellain, III p. 85 ss. + +[21] Ib. III p. 279. + +[22] La Marche. II p. 421. + +[23] Juvenal des Ursins, p. 379. + +[24] Martin Le Franc, Le Champion des dames, bij G. Doutrepont, La +litterature francaise a la cour des ducs de Bourgogne (Bibl. du XVe +siecle t. VIII) Paris, Champion. 1909, p. 304. + +[25] Acta sanctorum Apr. t. 1 p. 496; A. Renaudet, Prereforme et +humanisme a Paris 1494-1517, Paris, Champion, 1916, p. 163. + +[26] Chastellain, IV p. 300 s., VII p. 75; vgl. Thomas Basin, De rebus +gestis Caroli VII et Lud. XI historiarum libri XII, ed. Quicherat, (Soc. +de l'hist. de France) 1855-1859, 4 vol, I p. 158. + +[27] Journal d'un bourgeois, p. 219. + +[28] Chastellain, III p. 30. + +[29] La Marche, I p. 89. + +[30] Chastellain, I p. 82, 79; Monstrelet, III p. 361. + +[31] La Marche, I p. 201. + +[32] Het tractaat o.a. bij La Marche, I p. 207. + +[33] Chastellain, I p. 196. + +[34] Basin, III p. 74. + +[35] Chastellain, IV p. 201. Vergelijk mijn studie Uit de +voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 1912, I. + +[36] Journal d'un bourgeois, p. 242; vgl. Monstrelet, IV p. 341. + +[37] Jan van Dixmude, ed. Lambin, Ypres 1839, p. 283. + +[38] Froissart, ed. Luce, XI p. 52. + +[39] Memoires de Pierre le Fruictier dit Salmon, Buchon, 3e suppl. de +Froissart. XV p. 22. + +[40] Chronique du Religieux de Saint Denis, ed. Bellaguet (Coll. des +documents inedits) 1839-'52. 6 vol., I p. 34; Juvenal des Ursins, +p. 342, 467-471; Journal d'un bourgeois, p. 12, 31, 44. + +[41] Molinet, III p. 487. + +[42] Molinet, III p. 226, 241, 283-7; La Marche, III p. 289, 302. + +[43] Clementis V constitutiones, lib. V. tit. 9, c. I; Joannis Gersonii +Opera omnia, ed. L. Ellies Dupin, ed. II Hagae Comitis 1728, 5 vol., II +p. 427; Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 122; N. Jorga, +Philippe de Mezieres et la croisade au XIVe siecle (Bibl. de l'ecole des +hautes etudes, fasc. 110) 1896, p. 438: Religieux de S. Denis, II p. 533. + +[44] Journal d'un bourgeois, p. 223, 229. + +[45] Jacques du Clercq, IV p. 265. Petit-Dutaillis, Documents nouveaux +sur les moeurs populaires et le droit de vengeance dans les Pays-Bas au +XVe siecle. (Bibl. du XVe siecle) Paris, Champion 1908, p. 7, 21. + +[46] Pierre de Fenin (Petitot, Coll. de mem. VII) p. 593; vgl. zijn +verhaal van den doodgeslagen nar, p. 619. + +[47] Journal d'un bourgeois, p. 204. + +[48] Jean Lefevre de Saint Remy, Chronique, ed. F. Morand (Soc. de +l'hist. de France) 1876, 2 vol, II p. 168; Laborde, Les ducs de +Bourgogne. Etudes sur les lettres, les arts et l'industrie pendant le +XVe siecle. Paris, 1849-'53, 3 vol, II p. 208. + +[49] La Marche, III p. 135; Laborde. II p. 325. + +[50] Laborde, III p. 355, 398. Le Moyen-age, XX 1907 p. 193-201. + +[51] Juvenal des Ursins, p. 438, 1405; vgl. echter Rel. de S. Denis, III +p. 349. + +[52] Piaget, Romania XX p. 417 en XXXI 1902 p. 597-603. + +[53] Journal d'un bourgeois, p. 95. + +[54] Jacques du Clercq, III p. 262. + +[55] Jacques du Clercq passim; Petit Dutaillis, Documents etc. p. 131. + +[56] Hugo van St. Victor, De fructibus carnis et spiritus, Migne CLXXVI +p. 997. + +[57] Tobias 4, 14. + +[58] I Timotheus 6, 10. + +[59] Petrus Damiani, Epist. lib. I, 15, Migne CXLIV p. 234, id. Contra +philargyriam ib. CXLV p. 533; Pseudo-Bernardus, Liber de modo bene +vivendi Sec. 44, 45, Migne CLXXXIV p. 1266. + +[60] Journal d'un bourgeois, p. 325, 343, 357 en de gegevens uit de +registers van het Parlement aldaar in de noot. + +[61] L. Mirot, Les d'Orgemont, leur origine, leur fortune, etc. (Bibl. +du XVe siecle) Paris, Champion 1913; P. Champion, Francois Villon, sa +vie et son temps, id. Paris, Champion 1913, II p. 230s. + +[62] Mathieu d'Escouchy, Chronique, ed. G. du Fresne de Beaucourt (Soc. +de l'hist. de France) 1863-'64, 3 vol., I p. IV-XXIII. + +[63] P. Champion, Frangois Villon, sa vie et son temps (Bibl. du XVe +siecle) Paris, 1913, 2 vol. + + + * * * * * + + +II + +DE ZUCHT NAAR SCHOONER LEVEN + + +Iedere tijd smacht naar een schoonere wereld. Hoe dieper de wanhoop en +verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger dat smachten. +In het laatst der middeleeuwen is de grondtoon van het leven die van +bittere zwaarmoedigheid. De toon van moedige levensvreugde en van het +vertrouwen in kracht tot groote daden, zooals die klinkt door de +geschiedenis der Renaissance en door die der Verlichting, wordt in de +Fransch-Bourgondische sfeer der vijftiende eeuw nauwelijks gehoord. Is +die samenleving dan werkelijk ongelukkiger geweest dan andere? Men zou +het soms gelooven. Waar men zoekt in de overlevering van dien tijd: +de geschiedschrijvers, de dichters, de sermoenen en godsdienstige +tractaten, en evengoed de oorkonden, er is haast niet anders in bezonken +dan de herinnering aan twist, haat en boosaardigheid, hebzucht, +woestheid en ellende. Men vraagt zich af: heeft die tijd geen andere +vreugden gekend dan die uit wreedheid, hoogmoed en onmatigheid, is daar +nergens zachte blijdschap en rustig levensgeluk? Het is waar, elke tijd +laat in de overlevering meer sporen na van zijn leed dan van zijn geluk. +Het zijn de rampen, die historie worden. Een onberedeneerde overtuiging +zegt ons, dat de som van alle levensgeluk en blijde vreugde en zoete +rust, welke den menschen ooit beschoren is, in het eene tijdperk niet +veel kan verschillen van het andere. En de glans van het +laat-middeleeuwsche geluk is ook niet geheel vergaan: het herleeft nog +in het volkslied, in de muziek, in de stille verschieten van het +landschap en de ernstige aangezichten van het portret. + +Doch hier is het verschil: terwijl de achttiende eeuw en de Renaissance +de geluksstemming ook jubelend hebben uitgesproken, en het leven en de +wereld luid hebben geprezen, ziet de Bourgondische tijd, zich zelf en +de wereld beschouwend, schier enkel leed en vertwijfeling. Neem als de +uiting van het Renaissance-gevoel Ulrich von Hutten's enthousiasten +uitroep: O saeculum, o literae! juvat vivere! Of wel deze enkele regels +van Poliziano, waarin de heerlijkheid van christelijk geloof en +heidensch geluk in een jubeltoon samensmelten: + + "Vergine rilucente + Per te sola si sente + Quanto bene e nel mondo" [64]. + +Die stemming is aan het Fransche leven van de veertiende en vijftiende +eeuw nog vreemd. Het zijn niet alleen zij, die zich voorgoed van de +wereld hebben afgewend, maar de kroniekschrijvers en modedichters der +hoven, die altijd weer de afgeleefdheid der wereld beklagen en +vertwijfelen aan vrede en gerechtigheid. Niemand heeft zoo eindeloos de +klacht herhaald, dat alle goede dingen de wereld verlaten hebben, als +Eustache Deschamps. + + "Temps de doleur et de temptacion, + Aages de plour, d'envie et de tourment, + Temps de langour et de dampnacion, + Aages meneur pres du definement, + + Temps plains d'orreur qui tout fait faussement, + Aages menteur, plain d'orgueil et d'envie, + Temps sanz honeur et sanz vray jugement, + Aage en tristour qui abrege la vie" [65]. + +In dien toon heeft hij zijn balladen bij tientallen gedicht, eentonige, +matte variaties op een dof thema. Er moet toch wel een sterke +zwaarmoedigheid onder de hoogere standen hebben geheerscht, dat de adel +zijn brooddichter dat geluid zoo dikwijls deed herhalen. + + "Toute leesse deffaut, + Tous cueurs ont prins par assaut + Tristesse et merencolie" [66]. + +Jean Meschinot zingt drie kwart eeuw later dan Deschamps nog in volkomen +denzelfden toon. + + "O miserable et tres dolente vie!... + La guerre avons, mortalite, famine; + Le froid, le chaud, le jour, la nuit nous mine; + Puces, cirons et tant d'autre vermine + Nous guerroyent. Bref, miserere domine + Noz meschans corps, dont le vivre est tres court." + +Ook deze spreekt steeds weer de bittere overtuiging uit, dat alles +slecht gaat in de wereld: gerechtigheid is zoek, de grooten plunderen de +kleinen, en de kleinen elkander. Zijn hypochondrie brengt hem zelfs, +naar zijn zeggen, tot den rand van den zelfmoord. Hij beschrijft zich +zelf: + + "Et je, le pouvre escrivain, + Au cueur triste, faible et vain, + Voyant de chascun le dueil, + Soucy me tient en sa main; + Toujours les larmes a l'oeil, + Rien fors mourir je ne vueil" [67]. + +Alle uitingen van de levensstemming der aanzienlijken bevestigen de +sentimenteele behoefte aan een zwarten dos der ziel. Bijna iedereen komt +getuigen, dat hij niets dan ellende heeft gezien, en dat nog erger te +wachten staat, dat hij den afgelegden levensweg niet zou willen +teruggaan. "Moi douloreux homme, ne en eclipse de tenebres es espesses +bruynes de lamentation", aldus dient Chastellain zich aan [68]. "Tant a +souffert La Marche" heeft de hofpoeet en kroniekschrijver van Karel den +Stoute zich tot devies gekozen; een bitteren smaak vindt hij aan 't +leven, en zijn portret vertoont ons die morose trekken, welke op zooveel +beeltenissen van dien tijd onzen blik boeien [69]. + +Schijnt er een leven zoo vervuld van aardschen hoogmoed en pralende +genotzucht, en zoo bekroond met welslagen als dat van Philips den Goede? +Toch schuilt ook daaronder de levensmoeheid van den tijd. Als hem de +dood van zijn eenjarig zoontje wordt bericht, zegt hij: "had het God +behaagd, dat ik ook zoo jong gestorven ware, ik zou mij wel gelukkig +achten" [70]. + +Is het niet opmerkelijk, dat in dezen tijd in het woord melancholie de +beteekenissen van droefgeestigheid, ernstig nadenken en fantazie ineen +vloeien? Zoozeer scheen elke ernstige bezigheid van den geest in het +sombere te moeten overzweven. Froissart zegt van Philips van Artevelde, +die nadenkt over een pas ontvangen tijding: "quant il eut merancoliet +une espasse, il s'avisa que il rescriproit aus commissaires dou roi de +France" enz. Deschamps zegt van iets, wat in leelijkheid de verbeelding +te boven gaat: geen schilder is zoo "merencolieux", dat hij het zou +kunnen schilderen [71]. + +In het pessimisme van deze verzadigden, ontgoochelden, vermoeiden is een +religieus element, doch slechts een gering. Door hun levensmoeheid +speelt zeker ook de verwachting van het naderend einde der wereld, die +door de bloeiend herleefde volksprediking der bedelorden overal met +versche dreiging en verhoogde kleur van verbeelding in het gemoed was +gestort. De duistere en verwarde tijden, de chronische oorlogsellende +waren wel geschikt, die gedachte te versterken. Er schijnt in de laatste +jaren der veertiende eeuw een volksgeloof te zijn geweest, dat sedert +het groote schisma niemand meer in het paradijs was opgenomen [72]. De +afkeer van den ijdelen schijn van het hofleven maakte van zelf rijp, om +de wereld vaarwel te zeggen. Toch is die stemming van depressie, zooals +bijna al die vorstendienaars en hovelingen haar uiten, nauwelijks van +godsdienstig gehalte. Op zijn hoogst hebben de godsdienstige +voorstellingen wat kleur afgegeven op een vlak van eenvoudige +levensmoeheid. Het is de zucht, om het leven en de wereld te smaden, die +van wezenlijk godsdienstig besef ver afstaat. De wereld, zegt Deschamps, +is als een kindsche grijsaard; eerst was hij onschuldig, toen wijs +langen tijd, rechtvaardig, deugdzaam en dapper: + + "Or est laches, chetis et molz, + Vieulx, convoiteus et mal parlant: + Je ne voy que foles et folz ... + La fin s'approche, en verite ... + Tout va mal" ... [73] + +Het is niet alleen levensmoeheid maar ook levensbangheid, het +terugschrikken voor het leven om de onvermijdelijke smarten, die het +begeleiden, de houding van den geest, die in het Boeddhisme de basis +der levensbeschouwing uitmaakt: bange afkeer van de moeiten van het +dagelijksch leven, vrees en afschuw voor zorg, ziekte en ouderdom. +Deze levensbangheid deelen de geblaseerden met hen, die nooit voor de +verlokkingen der wereld bezweken waren, omdat zij altijd het leven +geschuwd hadden. + +De gedichten van Deschamps vloeien over van dien kleinzieligen smaad +tegen het leven. Gelukkig wie geen kinderen heeft, want kleine kinderen, +'t is al geschreeuw en stank, en moeite en zorg; zij moeten gekleed, +geschoeid, gevoed worden; altijd zijn zij in gevaar van te vallen en +zich te bezeeren. Zij worden ziek en sterven, of zij worden groot en +slecht; zij komen in de gevangenis. Niets dan lasten en verdriet, geen +geluk vergoedt de zorgen, moeiten en kosten van de opvoeding. Geen +grooter ongeluk, dan mismaakte kinderen te hebben. De dichter wijdt er +geen woord van liefde aan: de mismaakte is slecht van hart, laat hij de +schrift zeggen. Gelukkig wie ongetrouwd is, want met een kwade vrouw is +het slecht leven, en een goede vreest men voortdurend te verliezen. Met +het ongeluk wordt ook het geluk geschuwd. Van den ouderdom ziet deze +dichter niet dan kwaads en weerzinwekkends, het jammerlijk lichamelijk en +geestelijk verval, de belachelijkheid en onsmakelijkheid. Vroeg is de +mensch oud, de vrouw met dertig, de man met vijftig jaren, en zestig is +hun perk [74].--Hoe ver is men hier van de serene idealiteit, waarmee +Dante in zijn Convivio de waardigheid van den edelen grijsaard +beschreven had [75]. + +Een vrome strekking, die bij Deschamps nauwelijks aanwezig is, kan deze +bespiegelingen van levensbangheid eenigszins verheffen, maar wezenlijk +veranderen niet. In tal van vermaningen tot een heilig leven proeft men +als grondstemming dit moedeloos versagen. Wanneer de onberispelijke +kanselier der Parijsche universiteit en licht der godgeleerdheid Jean +Gerson voor zijn zusters een vertoog schrijft over de voortreffelijkheid +van den maagdelijken staat, dan dient onder zijn argumenten een lange +lijst van leed en rampen, aan den huwelijken staat verbonden. Wellicht +zou een echtgenoot een dronkaard zijn, of een verkwister, of een +gierigaard. Of is hij braaf en goed, dan kan er misgewas komen, +veesterfte of schipbreuk, die hem van al zijn have berooven. Welk een +ellende is niet de zwangerschap, hoevele vrouwen sterven er in het +kraambed! Wat heeft de zoogende moeder voor rustigen slaap, wat voor +blijdschap en vreugde? Misschien zullen de kinderen mismaakt zijn of +ongehoorzaam; misschien zal de man sterven en de moeder als weduwe in +zorg en armoe achterblijven [76]. + +Diepe verslagenheid over de aardsche ellende is de stemming, waarmee de +dagelijksche werkelijkheid wordt beschouwd, zoodra de kinderlijke +levensvreugde of het blind genieten wijkt voor overpeinzing. Waar is de +schoonere wereld, waar iedere tijd naar smachten moet? + +De zucht naar een schooner leven heeft te allen tijd drie paden voor +zich naar het verre doel zien wijzen. Het eerste leidde regelrecht uit +de wereld: het pad van de verzaking der wereld. Hier schijnt het +schoonere leven enkel te bereiken aan de overzijde, kan het enkel een +verlossing zijn uit al het aardsche; alle aandacht aan de wereld +besteed, vertraagt slechts het beloofde heil. Alle hoogere beschaving +heeft dit pad bewandeld; het Christendom had dit streven en als +individueelen levensinhoud en als cultuurgrondslag zoo machtig in de +geesten geprent, dat het langen tijd het betreden van het tweede pad +bijna geheel heeft belet. + +Dat tweede was de weg, die wees naar verbetering en volmaking van de +wereld zelf. De middeleeuwen hebben dit streven nog nauwelijks gekend. +Voor hen was de wereld zoo goed en zoo slecht als zij zijn kon, dat wil +zeggen, al de instellingen, door God gewild immers, waren goed; het is +de zonde der menschen, die de wereld in ellende houdt. De tijd kent geen +bewust streven naar verbetering en hervorming van maatschappelijke of +staatkundige instellingen als drijfveer van denken en handelen. De deugd +te betrachten in eigen beroep is het eenige, wat de wereld baten kan, +en ook daarbij is het eigenlijke doel toch het andere leven. Ook waar +inderdaad een nieuwe maatschappelijke vorm geschapen wordt, beschouwt +men het steeds als een herstel van het goede oude recht; het recht wordt +gevonden of verduidelijkt, maar niet veranderd. + +Niets heeft zoozeer meegewerkt tot die stemming van levensbangheid en +vertwijfeling aan de komende tijden als deze afwezigheid van den vasten +wil van allen, om de wereld zelf beter en gelukkiger te maken. In de +wereld zelf was geen belofte van beter dingen. Wie naar beter smachtte, +en toch geen afscheid kon nemen van de wereld en al haar heerlijkheid, +kon enkel tot vertwijfeling vervallen; hij zag nergens hoop of +blijdschap meer; der wereld rest nog maar een korte tijd, en wat haar +daarin wacht, is ellende. + +Wanneer eenmaal ook de weg naar positieve verbetering van de wereld zelf +zal zijn ingeslagen, begint een nieuwe tijd, waarin de levensbangheid +plaats maakt voor moed en hoop. De Renaissance luidt de energische +levensaanvaarding in, de achttiende eeuw verheft de volmaakbaarheid van +mensch en samenleving tot haar grondleerstuk, en het economische en +sociale streven der volgende eeuw verliest daarvan enkel de naiveteit, +niet den moed en het optimisme. + +Het derde pad naar een schoonere wereld is dat van den droom. Het is de +gemakkelijkste weg, maar een, die het doel altijd even ver laat. Als dan +de aardsche werkelijkheid zoo hopeloos ellendig is, en de verzaking der +wereld zoo moeilijk, laat ons dan het leven kleuren met schoonen schijn, +wegleven in het droomland van heldere verbeeldingen, de werkelijkheid +temperen met de verrukking van het ideaal. Er is maar een eenvoudig +thema, een enkel akkoord noodig, om de hartvervoerende fuga te doen +klinken: een uitzicht op het gedroomd geluk van een schooner verleden is +genoeg, een blik op zijn heldendom en zijn deugd, of anders de glans van +het blijde zonlicht van het natuurlijk leven. Op die enkele thema's: het +heldenthema, het wijzenthema en het bucolische thema is van de Oudheid +af de gansche litteraire cultuur gebouwd. De Middeleeuwen, de +Renaissance, de achttiende eeuw en de negentiende, zij vinden alle +slechts nieuwe variaties op het oude lied. + +Is echter dit derde pad naar een schooner leven: het ontvlieden van de +harde werkelijkheid in een schoonen schijn, enkel een zaak van +litteraire cultuur? Stellig is het meer dan dat. Het raakt den vorm en +den inhoud van het gemeenschapsleven zelf even goed als de beide andere +strevens, en dat des te sterker, naarmate de beschaving primitiever is. + +De uitwerking van de drie genoemde geesteshoudingen op het werkelijke +leven zelf is zeer ongelijk. Natuurlijk heeft de idee, waaruit men +streeft naar de verbetering en volmaking van de wereld zelf, het nauwste +en voortdurendste contact met het dagelijksche leven. Zij stort bijna +alle kracht en allen moed in den stoffelijken arbeid zelf; zij vervult +de directe werkelijkheid met energie. Als men wil, is ook hier een +geluksdroom het bezielende motief. Tot zekere hoogte streeft iedere +cultuur naar de verwezenlijking van een droomwereld binnen de werkelijke, +door het herscheppen van de vormen der samenleving. Doch het object van +den droom is hier de werkelijkheid zelve, enkel nog wat gezuiverd en +verbeterd, met andere woorden: men acht de wereld op den goeden weg naar +het ideaal. En daarom is de spanning tusschen den idealen levensvorm +en dien van het werkende bestaan gering. Het ideaal van de hoogste +productie en de billijke verdeeling der goederen stelt aan de levenskunst +betrekkelijk geringe eischen: in den dagelijkschen arbeid nadert men het +ideaal. + +Heel anders is de invloed op het werkelijk leven bij de eerste der drie +geesteshoudingen: die van de verzaking der wereld. Het heimwee naar een +eeuwig heil maakt den gang en den vorm van het aardsch bestaan +onverschillig, mits daarin de deugd wordt gekweekt en onderhouden. Men +laat de levensvormen en maatschappijvormen voor wat zij zijn, maar +tracht ze te doordringen van transcendentale zedelijkheid. Hierdoor +werkt de afkeer van de wereld op de aardsche maatschappij niet louter +negatief door verloochening en afwending, maar straalt ook op haar terug +in zegenrijken arbeid en praktische barmhartigheid. + +Hoe werkt nu op het leven de derde houding: de zucht naar het schoonere +leven volgens een gedroomd ideaal? Zij herschept de vormen van het leven +in kunstvormen. Maar het zijn niet enkel de kunstwerken als zoodanig, +waarin zij haar schoonheidsdroom uitdrukt, zij wil het leven zelf +veredelen met schoonheid, en vult de samenleving zelf met spel en +vormen. Hier worden juist aan de persoonlijke levenskunst de hoogste +eischen gesteld, eischen, die alleen kunnen worden nagestreefd door een +elite, in een kunstig levensspel. Het naleven van den held en den wijze +is niet ieders zaak; het is een kostbaar vermaak om het leven te kleuren +met heroische of idyllische verven, en het slaagt bovendien doorgaans +nog heel slecht. Aan het streven naar de verwezenlijking van den +schoonheidsdroom in de vormen van de samenleving zelf is als vitium +originis een aristocratisch karakter opgedrukt. + +Hiermee zijn wij genaderd tot het aspect, waaronder de beschaving van +het einde der Middeleeuwen thans moet worden gezien: de verfraaiing van +het aristocratische leven met de vormen van het ideaal, het kunstlicht +van de ridderlijke romantiek over het leven, de wereld vermomd in den +dos der Tafelronde. De spanning tusschen levensvorm en werkelijkheid is +bijster groot; het licht is valsch en schel. + +De zucht naar het schoone leven geldt als het eigenste kenmerk van de +Renaissance. Hier ziet men de volste harmonie tusschen de bevrediging +van den schoonheidsdorst in het kunstwerk en in het leven zelf, hier +dient de kunst het leven en het leven de kunst als nooit te voren. Maar +de grens tusschen Middeleeuwen en Renaissance is ook in dezen te scherp +getrokken. De hartstochtelijke zin, om het leven zelf met schoonheid te +bekleeden, de verfijnde levenskunst, de bonte uitwerking van een +levensideaal, zij zijn alle veel ouder dan het Italiaansche quattrocento. +De motieven van levensverfraaiing zelf, waarop de Florentijnen doorgaan, +zijn niet anders dan de oude middeleeuwsche vormen: Lorenzo de' Medici +huldigt nog even goed als Karel de Stoute het oude ridderideaal als den +edelen levensvorm; hij ziet zelfs in den laatste, ondanks zijn +barbaarsche pracht, in zekere opzichten het model. Italie heeft nieuwe +horizonten van levensschoonheid ontdekt, het leven gestemd in een +nieuwen toon, doch de houding zelf van den Renaissancemensch tegenover +het leven: de opwerking ervan tot een kunstvorm, is niet nieuw. + +De groote scheiding in de opvatting der levensschoonheid valt veeleer +tusschen de Renaissance en den nieuweren tijd. Het kenteringspunt ligt +daar, waar kunst en leven beginnen uiteen te gaan, waar men begint, de +kunst niet meer te genieten _midden in_ het leven, als een edel deel +van de levensvreugde zelf, maar buiten het leven, als een hooge +vereerenswaardigheid, waarheen men zich wendt in oogenblikken van +verheffing of van verpoozing. Het oude dualisme, dat God en wereld +scheidde, is daarmede in een anderen vorm, als scheiding van kunst en +leven, teruggekeerd. Er is een streep getrokken midden door de +genietingen des levens. Zij zijn in twee helften, een lagere en een +hoogere, gescheiden. Voor den Middeleeuwer waren zij al te zamen zondig; +thans gelden zij alle als geoorloofd, maar van zeer verschillende +waardigheid, al naar hun meerdere of mindere geestelijkheid. + +De dingen, die het leven tot genieten kunnen maken, blijven dezelfde. +Nu als vroeger zijn het: lectuur, muziek, beeldende kunst, reizen, +natuurgenot, sport, mode, maatschappelijke ijdelheid (ridderorden, +eerambten, vergaderingen) en bedwelming der zinnen. De grens tusschen +het hoogere en het lagere schijnt thans nog voor de meesten te vallen +tusschen natuurgenot en sport. Maar die grens is niet vast. +Waarschijnlijk zal de sport eerlang, althans voorzoover zij de kunst +van lichaamskracht en moed is, weer algemeen tot het hoogere gerekend +worden. Voor den Middeleeuwer viel de grens hoogstens terstond achter +lectuur; zelfs het genot van het lezen kon slechts geheiligd worden door +het streven naar deugd of wijsheid, en in muziek en beeldende kunst werd +uitsluitend de dienstbaarheid aan het geloof als goed erkend; het genot +er aan op zichzelf was zondig. De Renaissance had zich ontworsteld aan +de verwerping der levensvreugde als in zich zelf zondig, en een nieuwe +scheiding tusschen hooger en lager levensgenot had zij nog niet +aangebracht; zij wilde het gansche leven onbekommerd genieten. De nieuwe +scheiding is het resultaat van het compromis tusschen Renaissance en +Puritanisme, waarop de moderne geesteshouding berust. Het was een +wederzijdsche capitulatie, waarbij de een zich de redding der schoonheid +en de ander de veroordeeling der zonde bedong. Voor het strenge +Puritanisme trof de veroordeeling als zondig en wereldsch in den grond +nog evengoed als voor den Middeleeuwer de gansche sfeer der +levensverfraaiing, tenzij deze uitgesproken godsdienstige vormen aannam +en zich heiligde door een directe toepassing op het geloof. Eerst +naarmate de Puriteinsche wereldbeschouwing afsleet, won de +Renaissancistische aanvaarding van alle levensvreugde weer veld; ja +zelfs meer dan het oude terrein, want in het natuurlijke op zich zelf +werd nu een element van het ethisch goede gezien. Een rechte +scheidingslijn zou thans niet meer de kunst van het zingenot, het +natuurgenot van de lichaamsoefening, het verhevene van het natuurlijke +scheiden, maar enkel het egoistische, het leugenachtige en het ijdele +van het zuivere. + +In het laatst der Middeleeuwen, toen het kenterde naar een nieuwen +geest, was in beginsel nog slechts de oude keuze mogelijk tusschen God +en de wereld: een algeheele versmading van alle heerlijkheid en +schoonheid des aardschen levens of de roekelooze aanvaarding ervan op +perijkel der ziel. De schoonheid der wereld kreeg door haar erkende +zondigheid een dubbele verlokking; gaf men zich over, dan genoot men +haar ook met een bodemlooze hartstochtelijkheid. Maar die de schoonheid +niet konden ontberen, en zich toch niet aan de wereld wilden overgeven, +moesten de schoonheid adelen. De geheele groep van de kunst en +litteratuur, waar het wezen der genieting bewondering was, konden zij +heiligen, door ze in dienst te stellen van het geloof. Ook al was het +inderdaad de vreugde aan kleur en lijn, die de minnaars van schilderij +en miniatuur bezielde, het heilig onderwerp ontnam aan de kunstgenieting +het stempel der zonde. + +Maar de schoonheid met een hoog zondegehalte: de lichaamsvergoding van +ridderlijke sport en hoofsche mode, de hoogmoed en de hebzucht van ambt +en eere, de verrukkende onpeilbaarheden der liefde, hoe dit alles, dat +door het geloof veroordeeld en uitgestooten was, te veredelen en te +verheffen?--Hier diende die middenweg, die in het droomland leidde: door +ze te bekleeden met den schoonen schijn van oude, fantastische idealen. + +Dit is de trek, die de Fransch-ridderlijke cultuur van de 12de eeuw af +verbindt met de Renaissance: de sterke cultiveering van het schoone +leven in de vormen van een heldenideaal. De vereering der natuur was nog +te zwak, dan dat men met volle overtuiging de schoonheid van het +aardsche in haar naaktheid zou hebben gediend, zooals de Grieksche geest +het had gedaan; het zondebesef was daartoe te geweldig; slechts door +zich te hullen in de gewaden der deugd kon de schoonheid cultuur worden. + +Het geheele aristocratische leven van de latere Middeleeuwen, om 't even +of men denkt aan Frankrijk en Bourgondie of aan Florence, is een poging, +om een droom te spelen. Altijd denzelfden droom, dien van de oude helden +en wijzen, van den ridder en de maagd, van de eenvoudige en vergenoegde +herders. Frankrijk en Bourgondie spelen het stuk nog altijd in den ouden +trant; Florence dicht op hetzelfde thema een nieuw en mooier spel. + +Het adellijk en vorstelijk leven is opgetooid tot een maximum van +uitdrukkelijkheid; alle levensvormen zijn als 't ware verheven tot +mysterien, versierd met kleur en praal, vermomd als deugd. De +levensgebeurtenissen en de aandoeningen daarover zijn geencadreerd in +schoone en verheffende vormen. Ik weet wel, dit alles is niet specifiek +laat-middeleeuwsch; het is reeds gegroeid in de primitieve stadien der +beschaving; men kan het ook chinoiserie en byzantinisme noemen, en het +sterft niet af met de Middeleeuwen, getuige de zonnekoning. + +De hofstaat is het terrein, waarop zich de aesthetiek van den levensvorm +ten volle kan ontplooien. Het is bekend, hoeveel gewicht de +Bourgondische hertogen hebben gehecht aan alles wat de praal en staatsie +van hun hof betrof. Na den oorlogsroem, zegt Chastellain, is de hofstaat +de eerste zaak, waarop men het oog richt, en welks regeling en goede +handhaving van de hoogste noodzaak is [77]. Olivier de la Marche, de +ceremoniemeester van Karel den Stoute, schreef op verzoek van den +Engelschen koning Eduard IV zijn tractaat over den hofstaat des +hertogen, ten einde den koning het model van ceremonieel en etikette ter +navolging te bieden [78]. Van Bourgondie hebben de Habsburgers het fraai +uitgewerkte hofleven geerfd en overgebracht naar Spanje en Oostenrijk, +die er tot den huidigen dag het bolwerk van waren gebleven. Het hof van +Bourgondie werd door allen genoemd als het rijkste en best geordende, +dat men vond [79]. Vooral Karel de Stoute, de man met den gewelddadigen +geest van orde en regel, die niets dan wanorde achterliet, had den +hartstocht van het hoog vormelijke leven. De oude illusie, dat de vorst +zelf de klachten der armen en kleinen aanhoort en terstond berecht, was +door hem in een fraaien vorm gekleed. Twee of driemaal per week na den +maaltijd hield hij een openlijk gehoor, waar elkeen hem met +verzoekschriften kon naderen. Al de edelen van zijn huis moesten +tegenwoordig zijn; niemand waagde er weg te blijven. Zorgvuldig +gescheiden naar hun rangen zaten zij ter weerszijden van den doorgang, +die naar 's hertogen hoogen zetel leidde. Aan zijn voeten lagen geknield +de twee maistres des requestes, de audiencier en een secretaris, die de +verzoekschriften voorlazen en afdeden, naar de vorst gebood. Achter +balustraden rondom de zaal stond de lagere hofhouding. Het was, zegt +Chastellain, in schijn "une chose magnifique et de grand los", maar de +gedwongen toeschouwers verveelden zich geducht, en aan de goede vruchten +van deze rechtspraak twijfelt hij; het was een zaak, die hij in zijn +tijd van geen anderen vorst had gezien [80]. + +Ook de ontspanning moest voor Karel den Stoute dien fraaien vorm hebben. +"Tournoit toutes ses manieres et ses moeurs a sens [81] une part du +jour, et avecques jeux et ris entremesles, se delitoit en beau parler et +en amonester ses nobles a vertu, comme un orateur. Et en cestuy regart, +plusieurs fois, s'est trouve assis en un hautdos pare [82], et ses +nobles devant luy, la ou il leur fit diverses remonstrances selon les +divers temps et causes. Et toujours, comme prince et chef sur tous, fut +richement et magnifiquement habitue [83] sur tous les autres" [84]. Deze +bewuste levenskunst is ondanks de stijve en naieve vormen eigenlijk +volkomen Renaissance. Het is, wat Chastellain noemt zijn "haute +magnificence de coeur pour estre vu et regarde en singulieres choses", +de kenmerkendste eigenschap van Burckhardt's Renaissance-mensch. + +De hierarchische ordinanties van de hofhuishouding zijn van een +pantagrueleske sappigheid, waar zij betrekking hebben op den maaltijd en +de keuken. De hofmaaltijd van Karel den Stoute, met al de met bijkans +liturgische waardigheid geregelde diensten van panetiers en voorsnijders +en schenkers en keukenmeesters, was als de opvoering van een groot en +ernstig schouwtooneel. Het geheele hof at in groepen van tien in +afzonderlijke kamers, bediend en onthaald gelijk de heer, alles +zorgvuldig naar rang en stand geordend. Alles was zoo goed geregeld, dat +al de groepen bijtijds na hun maaltijd den hertog, die nog aan zijn +tafel zat, konden komen begroeten "pour luy donner gloire" [85]. + +In de keuken (men denke zich de heroische keuken, nu de eenig bewaarde +rest van het hertogenpaleis te Dijon, met haar zeven reusachtige +schoorsteenen), in de keuken zit de dienstdoende kok in een zetel +tusschen schoorsteen en buffet, vanwaar hij het geheele vertrek kan +overzien. In zijn hand moet hij een grooten houten lepel hebben, "die +hem dient tot twee doeleinden: het eene om soep en sausen te proeven, en +het andere om de keukenjongens uit de keuken te drijven, om hun plicht +te doen, en zoo noodig erop te slaan". Bij zeldzame gelegenheden komt de +kok wel eens zelf opdienen, een toorts in de hand, bij voorbeeld de +eerste truffels of den eersten nieuwen haring. + +Voor den gewichtigen hoveling, die ons dit alles beschrijft, zijn het +heilige mysterien, waar hij met ontzag en met een soort van +scholastische wetenschappelijkheid van spreekt. Toen ik page was, zegt +La Marche, was ik nog te jong om vragen van preseance en ceremonieel te +begrijpen [86]. Hij legt zijn lezers gewichtige vragen van voorrang en +hofdienst voor, om ze met zijn rijpe kennis op te lossen. Waarom zit bij +'s heeren maaltijd de kok en niet de jonker van der keukene? Hoe moet +de kok worden aangesteld? Wie moet hem bij afwezigheid vervangen: de +gebraadmeester (hateur) of de soepmeester (potagier)? Hierop antwoord +ik, zegt de wijze man: wanneer er een kok moet zijn aan 's vorsten hof, +zullen de hofmeesters (maitres d'hotel) de jonkers van der keukene +(escuiers de cuisine) en alle degenen, die ter keukene dienen, den een +na den ander oproepen; en bij plechtige keuze, door ieder onder eede +gedaan, zal de kok worden aangesteld. En op de tweede vraag: noch de +gebraadmeester noch de soepmeester, maar eveneens bij keuze zal de +plaatsvervanger van den kok worden aangewezen.--Waarom staan de +panetiers en schenkers als eerste en tweede rang boven de voorsnijders +en koks? Omdat hun ambt het brood en den wijn betreft, de heilige +dingen, waarop de waardigheid van het sacrament afstraalt [87]. + +Men ziet, er is hier een werkelijke verbinding tusschen de gedachtensferen +van het geloof en van de hofetikette. Het is niet teveel gezegd, dat er +in dien toestel van de schoone, edele levensvormen een liturgisch +element schuilt, dat de waardeering van die vormen als 't ware is +opgetrokken in een quasi-religieuze sfeer. Alleen dit verklaart de +buitengewone belangrijkheid, die (niet alleen in de latere Middeleeuwen) +aan alle kwesties van voorrang en beleefdheid wordt toegekend. + +In het oude Russische rijk voor de Romanov's had zich de strijd om den +voorrang bij den troon ontwikkeld tot een vast departement van den +staatsdienst. Dien vorm kennen de Westersche staten der Middeleeuwen +niet, maar ook hier neemt toch de naijver om den voorrang een groote +plaats in. Het zou gemakkelijk zijn, daarvan de voorbeelden te +verzamelen. Hier evenwel is het er om te doen, de versiering der +levensvormen tot een schoon en verheffend spel, en de woekering dier +vormen tot een hol vertoon, te doen blijken. Daartoe eenige voorbeelden. +De fraaie vorm kan somtijds de doelmatige handeling geheel op zij +dringen. Vlak voor den slag bij Crecy hebben vier Fransche ridders de +slagorde der Engelschen verkend. De koning, die met ongeduld hun bericht +verwacht, langzaam voortrijdend over het veld, houdt stil, toen hij hen +ziet terugkomen. Zij dringen door het gedrang der krijgslieden heen tot +voor den koning. Wat nieuws, heeren? vraagt de koning. "Zij zagen +elkander aan, zonder een woord te spreken, want geen wilde spreken voor +zijn makker. En zij zeiden den een tot den ander: "Heer, zeg gij het, +spreek gij tot den koning, ik zal niet voor u spreken." Zoo waren zij +een tijd in strijd, dat geen "par honneur" wou beginnen te spreken." +Totdat de koning het een hunner beveelt [88].--Nog vollediger moest de +doelmatigheid voor den fraaien vorm wijken in het geval van messire +Gaultier Rallart, chevalier du guet te Parijs in 1418. Dit hoofd der +politie placht nooit de ronde te doen, of er gingen drie of vier +muzikanten voorop, die lustig bliezen, zoodat het volk zei, dat hij als +'t ware de boeven waarschuwde: vlucht, want ik kom. [89] Het geval staat +niet op zich zelf. In 1465 vindt men opnieuw, hoe de bisschop van +Evreux, Jean Balue, de nachtelijke ronde in Parijs doet met klaroenen, +trompetten en andere muziekinstrumenten, "qui n'estoit pas acoustume de +faire a gens faisans guet" [90].--Zelfs op het schavot wordt de eer van +rang en stand streng in acht genomen: dat van den connetable de Saint +Pol is rijk getapisseerd met lelien, het bidkussen en de blinddoek zijn +van karmozijn fluweel, en de beul is iemand, die nog nooit een ander +heeft geexecuteerd [91]. + +De wedijver in beleefdheid, die nu een kleinburgerlijk karakter heeft +gekregen, was in het hofleven der vijftiende eeuw buitengewoon sterk +ontwikkeld. Men beschouwde het als een ondragelijke schande voor zich +zelf, als men den meerdere niet de plaats liet, die hem toekwam. De +Bourgondische hertogen geven angstvallig den voorrang aan hun +koninklijke verwanten van Frankrijk. Jan zonder Vrees bewees zijn jonge +schoondochter Michelle de France altijd overdreven eer; hij noemde haar +Madame, knielde altijd voor haar tot den grond, en wilde haar altijd +bedienen, maar zij wilde het niet hebben [92]. Als Philips de Goede +hoort, dat zijn neef, de dauphin, naar Brabant is uitgeweken in den +twist met zijn vader, breekt hij het beleg van Deventer, dat de +inleiding moest zijn voor een expeditie, die Friesland onder zijn macht +zou brengen, af, en haast zich naar Brussel terug, om den hoogen gast te +verwelkomen. Naarmate de ontmoeting nadert, wordt het een wedloop, wie +den ander in eerbetoon voor zal zijn. Philips is in groote angst, dat de +dauphin hem tegemoet zal rijden; spoorslags rijdt hij door, en zendt +bode op bode om den dauphin te bewegen, hem toch te wachten waar hij is. +Kwam de koningszoon hem tegemoet, dan bezwoer hij, zelf te willen +terugkeeren, achterwaarts rijdende, zoo ver, dat deze hem nergens zou +vinden, want het zou hem, den hertog, een spot en een blaam zijn, die +hem door de gansche wereld eeuwig zouden worden nagehouden. Met nederig +afstel van de gewone staatsie rijdt Philips Brussel binnen; haastig +stijgt hij af buiten het paleis, gaat binnen en loopt snel door. Daar +ziet hij den dauphin, die met de hertogin zijn vertrek heeft verlaten, +en hem op het binnenplein met open armen tegemoetkomt. Terstond ontbloot +de oude hertog het hoofd, valt even op zijn knieen, en loopt dan haastig +weer verder. De hertogin houdt den dauphin vast, dat deze geen stap zal +doen, de dauphin houdt vergeefs den hertog vast, om hem het knielen te +beletten, en tracht vruchteloos hem te doen opstaan. Beiden weenden van +aandoening, zegt Chastellain, en alle omstanders mede. + +Gedurende het gansche gastverblijf van dezen man, die spoedig als koning +de ergste vijand van zijn huis zou worden, put de hertog zich uit in +Chineesche nederigheid. Hij noemt zich en zijn zoon "de si meschans +gens", hij laat zijn zestigjarig hoofd nat regenen, hij biedt den +dauphin al zijn landen aan [93].--"Celuy qui se humilie devant son plus +grand, celuy accroist et multiplie son honneur envers soy-mesme, et de +quoy la bonte mesme luy resplend et redonde en face". Met die woorden +besluit Chastellain het verhaal, hoe de graaf van Charolais hardnekkig +weigerde, te zamen met koningin Margareta van Engeland en haar jongen +zoon het waschbekken voor den maaltijd te gebruiken. De edelen spraken +er den ganschen dag van; het geval werd den ouden hertog voorgelegd, die +door twee edelen het voor en tegen van Karel's houding liet bepleiten. +Het feodaal eergevoel was nog zoo levend, dat men deze dingen blijkbaar +werkelijk nog belangrijk, schoon en verheffend heeft gevonden. Hoe +anders te begrijpen, dat de tegenstribbelingen, om den voorrang te +nemen, geregeld wel een kwartier lang worden voortgezet? [94] Hoe langer +men blijft weigeren, hoe meer gesticht de omstanders zijn. Iemand, wien +de handkus toekomt, verbergt zijn hand, om die eer te ontgaan. De +koningin van Spanje verbergt zoo haar hand voor den jongen aartshertog +Philips den Schoone; deze wacht eenigen tijd, maar als hij de kans +schoon ziet, grijpt hij de hand bij verrassing en kust haar. En ditmaal +lachte het ernstige Spaansche hof, want de koningin had er niet meer aan +gedacht [95]. + +Al de spontane teederheden van den omgang zijn zorgvuldig geformaliseerd. +Het is nauwkeurig voorgeschreven, welke hofdames hand aan hand hebben +te gaan. En dit niet alleen, maar ook of de een de andere tot die +gemeenzaamheid heeft aan te moedigen of niet. Deze aanmoediging, het +elkaar wenken of roepen (hucher) om mee te gaan, is voor de oude +hofdame, die het Bourgondisch ceremonieel beschrijft, een technisch +begrip. [96] De vorm, dat men een vertrekkenden gast niet wil laten +gaan, wordt tot in de lastigste uitersten doorgevoerd. De gemalin van +Lodewijk XI is voor enkele dagen de gast van Philips van Bourgondie; de +koning heeft een bepaalden dag gesteld voor haar terugkomst, maar de +hertog weigert haar te laten gaan, ondanks de smeekbeden van haar gevolg +en hoewel zij zelve beeft voor den toorn van haar gemaal. [97]--Goethe +heeft gezegd: "es gibt kein aeusseres Zeichen der Hoeflichkeit, das nicht +einen tiefen sittlichen Grund haette"; [98] "virtue gone to seed" heeft +Emerson de beleefdheid genoemd. Men kan misschien niet met volle recht +zeggen, dat die zedelijke grond in de 15e eeuw nog gevoeld werd, maar +zeker werd het de aesthetische waarde, die tusschen de oprechte +betuiging van genegenheid en den dorren omgangsvorm ligt. + +Het spreekt vanzelf, dat deze wijdloopige levensversiering vooral haar +plaats heeft aan de vorstenhoven, waar men er den tijd en de ruimte voor +kon nemen. Dat zij ook de lagere sferen der samenleving vervulden, +bewijst reeds het feit, dat thans van die vormen juist bij de kleine +burgerij (afgezien van de hoven zelf) nog het meest is overgebleven. Het +herhaald noodigen, om nog wat van een gerecht te nemen, het aanmoedigen +om nog wat te blijven, het weigeren om voor te gaan, is in de laatste +halve eeuw uit de hoogere burgerlijke omgangsvormen grootendeels +verdwenen. In de 15e eeuw zijn die vormen in den volsten bloei. Evenwel, +terwijl zij angstvallig in acht worden genomen, treft niettemin de +satire ze met levendigen spot. Het is vooral de kerk, die het tooneel +van fraaie en langdurige plichtplegingen behoort te zijn. Eerst bij de +"offrande". Niemand wil het eerst zijn aalmoes op het altaar brengen. + + "Passez.--Non feray.--Or avant! + Certes si ferez, ma cousine. + --Non feray.--Huchez (roept) no voisine, + Qu'elle doit mieux devant offrir. + --Vous ne le devriez souffrir," + Dist la voisine; "n'appartient + A moy: offrez, qu'a vous ne tient + Que li prestres ne se delivre." [99] + +Wanneer eindelijk de aanzienlijkste is voorgegaan, onder de nederige +betuiging dit enkel te doen om er een eind aan te maken, volgt dezelfde +strijd opnieuw bij het kussen van het "paesberd", "la paix", dat is het +houten, zilveren of ivoren bordje, dat in de latere Middeleeuwen bij +de mis na het Agnus Dei in zwang was gekomen ter vervanging van den +vredeskus van mond tot mond. [100] Het was een vaste en langdurige +stoornis van den dienst geworden, dat de paes onder de aanzienlijken van +hand tot hand ging onder beleefde weigering, haar het eerst te kussen. + + "Respondre doit la juene fame: + --Prenez, je ne prendray pas, dame. + --Si ferez, prenez, douce amie. + --Certes, je ne le prandray mie; + L'en me tendroit pour une sote. + + --Baillez, damoiselle Marote. + --Non feray, Jhesucrist m'en gart! + Portez a ma dame Ermagart. + -- Dame, prenez.--Saincte Marie, + Portez la paix a la baillie [101] + -- Non, mais a la gouverneresse". [102] + +Deze neemt haar eindelijk.--Zelfs een heilig en van de wereld +afgestorven man als Francois de Paule acht het zijn plicht, aan deze +fraaiigheden mee te doen, [103] en het wordt hem door zijn vrome +vereerders als echte nederigheid aangerekend, waaruit blijkt, dat de +ethische inhoud uit deze vormen nog niet geheel en al geweken was. De +beteekenis van die vormen wordt overigens eerst recht duidelijk door het +feit, dat zij de keerzijde waren van heftige en hardnekkige twisten om +dienzelfden voorrang in de kerk, dien men elkander zoo hoffelijk wilde +opdringen. [104] Het was een schoone en loffelijke verzaking van nog +levendig gevoelden adellijken of burgerlijken hoogmoed. + +De gansche kerkgang werd zoodoende als een menuet, want bij het uitgaan +herhaalde zich de strijd; dan kwam de wedijver om den meerdere rechts te +laten, het voorgaan over een vonder of door een steeg. Bij huis gekomen +moet men, gelijk nog de Spaansche zede het eischt, het geheele +gezelschap uitnoodigen, mee binnen te gaan om te drinken, waarvan de +anderen zich beleefd hebben te verontschuldigen; dan moet men de anderen +een eindweegs wegbrengen, alles onder beleefde tegenstribbeling. [105] + +Al die schoone vormen krijgen iets roerends, wanneer men bedenkt, dat +zij opbloeien uit den ernstigen strijd van een woest en hartstochtelijk +geslacht tegen zijn eigen hoogmoed en toorn. Dikwijls faalt de +vormelijke verzaking van den trots. Telkens breekt de felle ruwheid door +de versierde vormen heen. Jan van Beieren is te gast in Parijs; de +groote heeren geven feesten, waarop de elect van Luik hun bij het spel +al hun geld afwint. Een der prinsen houdt het niet langer uit en roept: +"Wat duivel van een priester is dat hier? Hoe? zal hij ons al ons geld +afwinnen?" Waarop Jan: "Ik ben geen priester en ik heb uw geld niet van +noode". "En hij nam het en smeet het overal in 't rond. Dont y pluseurs +orent grant mervelle de sa grant liberaliteit". [106]--Hue de Lannoy +slaat een ander met een ijzeren handschoen, terwijl hij voor den hertog +geknield ligt om hem aan te klagen; de kardinaal van Bar heet voor het +aangezicht des konings een prediker liegen en noemt hem gemeene hond. +[107] + +Het formeele eergevoel is zoo sterk, dat een vergrijp tegen de etikette, +zooals nu nog bij vele Oostersche volken, wondt als een doodelijke +beleediging, want het gooit omver die schoone illusie van een eigen hoog +en zuiver leven, die voor elke onverhulde werkelijkheid bezwijkt. Het is +voor Jan zonder Vrees een onuitwischbare smaad, dat hij Capeluche, den +beul van Parijs, die hem in staatsie tegemoet reed, als een edelman +heeft begroet en zijn hand heeft aangeraakt; slechts de dood van den +beul kan dien smaad boeten. [108] Bij den staatsiemaaltijd op den +wijdingsdag van Karel VI in 1380 dringt Philips van Bourgondie zich met +geweld tusschen den koning en den hertog van Anjou op de plaats, die hem +als doyen des pairs toekomt; hun wederzijdsch gevolg dringt reeds met +roepen en dreigen op, om den twist gewelddadig te beslechten, toen de +koning hem sust, door toe te geven aan 's Bourgondiers eisch. [109] Ook +in den ernst van het kampleven wordt geen veronachtzaming van de vormen +geduld: de koning van Engeland neemt het hoog op, dat L'Isle Adam voor +hem verschijnt in een gewaad van "blanc gris" en hem in het gelaat ziet. +[110] Een Engelsch aanvoerder zendt den parlementair uit het belegerde +Sens eerst heen, om zich te laten scheren. [111] + +De prachtige orde aan het hof van Bourgondie, die de tijdgenooten +prijzen, [112] krijgt eerst haar ware beteekenis naast de verwarring, +die aan het zooveel oudere Fransche hof placht te heerschen. Deschamps +beklaagt zich in tal van balladen over de ellende van het hofleven, en +zijn klachten zijn iets meer dan de geijkte misprijzingen van het +hovelingsbestaan, waarover later. Slechte kost en slecht logies, altijd +gedruisch en verwarring, vloeken en twisten, nijd en hoon, het is een +poel van zonden, een poort der hel. [113] Ondanks de heilige vereering +voor het koningschap en den trotschen opzet van grootsche ceremonien +gaat zelfs bij de plechtigste gelegenheden het decorum meer dan eens +jammerlijk te loor. Bij de begrafenis van Karel VI te Saint Denis in +1422 ontstaat groote twist tusschen de monniken der abdij en het gilde +der zoutmeters (henouars) van Parijs, om het staatsiekleed en andere +bekleedingen, die het koninklijke lijk dekken; elk der partijen beweert +er recht op te hebben; zij trekken er om, en raken bijna handgemeen, +maar de hertog van Bedford geeft het geschil in handen van het gerecht, +"et fut le corps enterre". [114] Hetzelfde geval herhaalt zich in 1461 +bij de begrafenis van Karel VII. Op weg naar Saint Denis bij het Croix +aux Fiens gekomen, weigeren de henouars, na een woordenwisseling met de +monniken der abdij, het koninklijk lichaam verder te dragen, als men hun +niet tien pond parijsch betaalt, waarop zij recht beweren te hebben. Zij +laten de baar midden op den weg staan, en de stoet blijft geruimen tijd +steken. Reeds willen de burgers van Saint Denis zich met de taak +belasten, toen de grand ecuyer uit eigen zak den henouars betaling +belooft, waarop de tocht kan worden voortgezet, om eerst tegen acht uur +'s avonds in de kerk aan te komen. Terstond na de teraardebestelling +volgt nog een nieuwe twist tusschen den koninklijken grand ecuyer zelf +en de monniken over het staatsiekleed. [115] Dergelijke tumulten om het +bezit van de utensilien eener plechtigheid behoorden er zelfs +eenigermate bij; de verstoring van den vorm was zelf vorm geworden. +[116] + +De algemeene openbaarheid, die, immers ook nog in de zeventiende eeuw, +bij alle belangrijke gebeurtenissen in het koninklijk leven +voorgeschreven was, maakte, dat juist bij de grootste plechtigheden +dikwijls elke orde ontbrak. Bij het kroningsmaal van 1380 is het gedrang +van toeschouwers, deelnemers en dienenden zoo groot, dat de daartoe +aangewezen dienaren der kroon, de connetable en de maarschalk de +Sancerre, te paard de gerechten opdienen. [117] Wanneer Hendrik VI van +Engeland in 1431 te Parijs als koning van Frankrijk is gekroond, dringt +het volk reeds in den vroegen morgen de groote zaal van het paleis +binnen, waar het kroningsmaal gehouden zal worden, om er te kijken, +te grissen en te schransen. De heeren van het Parlement, van de +Universiteit, de prevot des marchands en de schepenen kunnen nauwelijks +door het gedrang de eetzaal bereiken, en eenmaal daar, vinden zij de +voor hen bestemde tafels ingenomen door allerlei handwerkslieden. Men +tracht dezen te verwijderen, "mais quant on en faisoit lever ung ou +deux, il s'en asseoit VI ou VIII d'autre coste". [118]--Bij de +koningswijding van Lodewijk XI in 1461 heeft men de voorzorg genomen, +de ingangen van de kathedraal van Reims tijdig te sluiten en te bewaken, +zoodat er niet meer menschen in de kerk zijn, dan het koor gemakkelijk +kon bevatten. Dezen evenwel dringen zoodanig op rondom het hoogaltaar, +waar de zalving plaats heeft, dat de prelaten zelf, die den +aartsbisschop ter zijde stonden, nauwelijks plaats hadden om zich te +bewegen, en de prinsen van den bloede op hun eerezetels geducht in +verdrukking komen. [119] + +De kerk van Parijs verdroeg het noode, dat zij nog altijd (tot 1622) +suffragaan was van het aartsbisdom Sens. Men laat het den metropoliet op +alle wijzen merken, dat men van zijn gezag niet gediend is, en beroept +zich op de exemptie door den paus. Op 2 Februari 1492 heeft de +aartsbisschop van Sens in de Notre Dame te Parijs de mis gecelebreerd +in tegenwoordigheid van den koning. Terwijl de koning de kerk nog niet +heeft verlaten, trekt de aartsbisschop, het volk zegenend, zich terug, +voorafgegaan door het priesterkruis. Twee der kanunniken dringen met een +groote schaar van kerkedienaren op, slaan de hand aan het kruis en +beschadigen het, verrekken 's dragers hand, en maken een tumult, waarbij +den dienaren van den aartsbisschop de haren uit het hoofd getrokken +worden. Toen de aartsbisschop den twist tracht te bedaren, "sans lui mot +dire, vinrent pres de lui; Lhuillier (deken van het kapittel) lui baille +du coude dans l'estomac, les autres rompirent le chapeau pontifical et +les cordons d'icelluy." De andere kanunnik vervolgt den aartsbisschop +"disant plusieurs injures en luy mectant le doigt au visage, et prenant +son bras tant que dessira son rochet; et n'eust este que n'eust mis sa +main au devant, l'eust frappe au visage." Het werd een proces van 13 +jaar. [120] + +De hartstochtelijke en gewelddadige geest, hard en tevens tranenrijk, +altijd wankelend tusschen de zwarte vertwijfeling aan de wereld en het +zwelgen in haar bonte schoonheid, kon niet buiten de strengste vormen +van het leven. Het was noodig, dat de aandoeningen waren gevat in een +vast raam van geijkte vormen; zoodoende kreeg het samenleven althans +in den regel orde. Zoo werden de levensgebeurtenissen van zichzelf +en anderen tot een schoon schouwspel voor den geest; men genoot de +pathetische uitmonstering van leed en geluk onder kunstlicht. Voor een +zuivere gemoedsuitdrukking ontbreken nog de middelen; het gemoed kan +slechts in aesthetische uitbeelding dien hoogen graad van +uitdrukkelijkheid bereiken, waar de tijd naar schreeuwt. + +Het is natuurlijk niet zoo gemeend, dat deze levensvormen, vooral die +rondom de groote oude heiligheden van geboorte, huwelijk en sterven, met +zulk een bedoeling zouden zijn ingesteld. Gebruiken en staatsie zijn +gegroeid uit primitief geloof en cultus. Maar de oorspronkelijke zin van +dat alles, die er het aanzijn aan gaf, is reeds lang onbewust geworden, +en in plaats daarvan hebben die vormen zich gevuld met nieuwe +aesthetische waarde. + +De rouw is het, waar de aankleeding van de aandoening in een +suggestieven vorm de hoogste ontwikkeling vond. Daar was een onbeperkt +gegeven voor die prachtige hyperboliseering van de smart, die het +wederpart is van de hyperboliseering der vreugde in de ontzaglijke +hoffeesten. Hier volge geen uitvoerige beschrijving van al den somberen +praal van zwarte gewaden, al de staatsie van lijkdiensten, die het +afsterven van iederen vorst begeleidden. Zij zijn niet in het bijzonder +aan de latere Middeleeuwen eigen; de monarchieen bewaren ze tot den +huidigen dag, en ook de burgerlijke lijkkoets is er nog de aflegger van. +De suggestie van al het zwart, waarin bij een vorstelijk sterfgeval niet +enkel de hofhouding, maar ook magistraten, gilden en volk gedost ging, +moet bij de bonte kleurigheid van het middeleeuwsche stadsleven nog veel +grooter zijn geweest door de tegenstelling. De rouwpraal over den +vermoorden Jan zonder Vrees is met den kennelijksten toeleg op een sterk +(en ten deele politiek) effekt opgezet. Het krijgsgevolg, waarmee +Philips optrekt, om de koningen van Frankrijk en Engeland te ontmoeten, +prijkt met twee duizend zwarte vaantjes, met zwarte standaarden en +vaandels van zeven ellen, de franje van zwarte zijde, alles bestikt of +beschilderd met gouden wapens. De staatsiezetels, de reiswagen van den +hertog zijn voor die gelegenheid zwart geschilderd. [121] Bij de +plechtige samenkomst te Troyes begeleidt Philips de koninginnen van +Frankrijk en Engeland in een fluweelen rouwkleed, dat over den rug van +zijn paard afhangt tot op den grond. [122] Nog geruimen tijd daarna +verschijnt niet alleen hij, maar ook zijn gevolg in 't zwart. [123] + +Soms verhoogde een afwijking van al het zwart den indruk nog; terwijl +het geheele hof, ook de koningin, zwart draagt, rouwt de koning van +Frankrijk in het rood. [124] En in 1393 zagen de Parijzenaars met +verbazing de geheel en al witte lijkstaatsie van den in ballingschap +gestorven koning van Armenie, Leon de Lusignan. [125] + +Zonder twijfel omhulde dat zwart dikwijls een hevigheid van echte, +hartstochtelijke smart. De groote afschuw van den dood, het sterke +verwantschapsgevoel, de innige aanhankelijkheid aan den heer, maakten +een vorstelijk sterfgeval tot een waarlijk schokkende gebeurtenis. En +als het, zooals in 1419 de moord op den hertog van Bourgondie deed, +daarbij nog de eer van een trotsch geslacht scheurde en de wraak opriep +als een heiligen plicht, dan kon de hyperbolische uiting van smart wel +evenredig zijn in staatsie en in gemoed. Chastellain heeft in de +aesthetiek van deze doodstijding zich wijdloopig verlustigd; hij verzint +in den zwaren, slependen stijl van zijn deftige rhetoriek de lange rede, +waarmee de bisschop van Doornik te Gent den jongen hertog langzaam op +het vreeselijke bericht voorbereidt, de statige jammerklachten van +Philips zelf, en van zijn gemalin Michelle de France. Maar de kern van +zijn verhaal: hoe de tijding bij den jongen hertog een zenuwtoeval +teweegbrengt, hoe ook zijn gemalin in onmacht valt, de wilde verwarring +van het hof, de luide rouwkreten van de stad, kortom de woeste +uitbundigheid van smart, waarmee het bericht ontvangen werd, vallen niet +te betwijfelen. [126] Ook Chastellain's verhaal van het smartbetoon van +Karel den Stoute bij het sterven van Philips in 1467 draagt de kenmerken +van waarheid. Hier was de schok veel minder hevig; de oude hertog, +vrijwel kindsch, was reeds lang achteruitgaande; de verstandhouding +tusschen hem en zijn zoon was in de laatste jaren ver van hartelijk +geweest, zoodat Chastellain zelf opmerkt, dat het verbazing wekte, toen +men Karel bij het sterfbed zag weenen, krijten, handenwringen en +nedervallen, "et ne tenoit regle, ne mesure, et tellement qu'il fit +chacun s'esmerveiller de sa demesuree douleur". Ook in de stad Brugge, +waar de hertog stierf, "estoit pitie de oyr toutes manieres de gens +crier et plorer et faire leurs diverses lamentations et regrets". [127] + +Het is moeilijk uit te maken, hoever in deze en dergelijke berichten de +hofstijl gaat, die een luidruchtig leedbetoon gepast en fraai vindt, en +hoever de werkelijke hevige aandoenlijkheid, die den tijd eigen was. +Er loopt zeker een sterk element van primitieven vorm onder: het luide +weenen over den doode, dat geformaliseerd was in klaagvrouwen, en +artistiek uitgedrukt in de "plourants", die juist in dezen tijd aan de +grafsculptuur zulk een sterke bewogenheid verleenen, is een overoud +beschavingselement. + +Die vereeniging van primitivisme, hevige aandoenlijkheid en fraaien +vorm valt ook te zien in de groote vrees voor het meedeelen van een +doodsbericht. Men houdt voor de gravin van Charolais, wanneer zij +zwanger gaat van Maria van Bourgondie, den dood van haar vader langen +tijd geheim; men durft Philips den Goede, die ziek ligt, geen enkel +sterfgeval, dat hem eenigszins raakt, meedeelen, zoodat Adolf van Cleef +geen rouw mag dragen over zijn echtgenoote. Toen de hertog toch van +den dood van zijn kanselier Nicolaas Rolin de lucht gekregen had +(Chastellain gebruikt zelf die uitdrukking: "avoit este en vent un peu +de ceste mort"), vraagt hij den bisschop van Doornik, die hem aan zijn +ziekbed komt bezoeken, of het waar is, dat de kanselier gestorven +is.--Monseigneur,--zegt de bisschop--: naar waarheid dood is hij wel, +want hij is oud en gebroken, en kan niet lang meer leven.--Dea!--zegt +de hertog,--dat vraag ik niet, ik vraag of hij is "mort de mort et +trespasse".--Ha! monseigneur,--zegt de bisschop weer--, hij is niet +gestorven, maar aan een kant verlamd, dus hij is zoo goed als dood.--De +hertog wordt boos:--Vechy merveilles! zeg mij nu duidelijk, of hij dood +is. Toen eerst zegt de bisschop: Ja, waarlijk, monseigneur, hij is +werkelijk gestorven". [128] Is er niet in deze zonderlinge wijze van een +doodsbericht mee te deelen meer van een ouden, bijgeloovigen vorm dan +van een ontzien van een zieke, dien dit aarzelen slechts kon prikkelen? +Het hoort in de sfeer der gedachte, die Lodewijk XI bewoog, om zich +nooit weer te bedienen van de kleeren, die hij droeg, of het paard, dat +hij bereed, toen hem eenig slecht bericht bereikte, en zelfs om een heel +stuk van het bosch van Loches te doen omhakken, waar hem de dood van +zijn pasgeboren zoontje werd bericht. [129] "M. le chancellier--schrijft +hij 25 Mei 1483--je vous mercye des lettres etc. mais je vous pry que ne +m'en envoyes plus par celluy qui les m'a aportees, car je luy ay trouve +le visage terriblement change depuis que je ne le vitz, et vous prometz +par ma foy qu'il m'a fait grant peur; et adieu". [130] + +Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag +schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij vorm geven aan het +leed, het als iets schoons en verhevens ontplooien. Zij rythmiseeren de +smart. Zij brengen het werkelijke leven over in de sfeer van het drama, +en doen het cothurnen aan. In primitiever beschaving, ik denk bij +voorbeeld aan de Iersche, zijn rouwgebruiken en dichterlijke lijkklacht +nog een geheel; ook den hofrouw van den Bourgondischen tijd kan men +slechts verstaan, door hem verwant te zien aan de elegie. De rouwpraal +vertoont in schoonen vorm de machteloosheid van smart. Hoe hooger de +rang, hoe heroischer het smartbetoon moet prijken. De koningin van +Frankrijk moet een vol jaar in de kamer blijven, waar men haar den dood +haars gemaals heeft aangezegd. Voor prinsessen geldt zes weken. Wanneer +men Madame de Charolais, Isabelle de Bourbon, den dood van haar vader +heeft medegedeeld, woont zij eerst nog den lijkdienst bij te Couwenberg, +en blijft daarna zes weken in haar kamer, altijd te bed liggende, door +kussens gesteund, maar gekleed met barbette, kap en mantel. De kamer is +geheel met zwart behangen, op den grond ligt in de plaats van een zacht +tapijt een groot zwart laken, en een groot voorvertrek is eveneens met +zwart behangen. Edelvrouwen blijven alleen voor haar man zes weken te +bed, voor vader of moeder slechts negen dagen, terwijl zij de rest der +zes weken gezeten zijn voor het bed op het groote zwarte kleed. Voor +den oudsten broeder houdt men zes weken de kamer doch niet het bed. +[131]--Men begrijpt, hoe in een tijd, die zulk een hoog ceremonieel in +eere hield, als een der ergste omstandigheden bij den moord van 1419 +telkens weer herinnerd wordt, dat Jan zonder Vrees zoo maar in buis, +hozen en schoenen begraven was. [132] + +De aandoening, in die fraaie vormen getooid en verwerkt, gaat er licht +in te loor; de zucht naar de dramatiseering van het leven laat een +achter-de-schermen over, waarin het edel opgemaakte pathos verloochend +wordt. Er is een naieve scheiding tusschen "staat" en werkelijk leven, +welke in het geschrift van de oude hofdame, Alienor de Poitiers, die al +dien "staat" toch als hooge mysterien vereert, kenmerkend aan den dag +komt. Op de beschrijving van Isabella van Bourbon's prachtigen rouw laat +zij volgen: "Quand Madame estoit en son particulier, elle n'estoit point +toujours couchee, ni en une chambre". De prinses ontvangt in dien staat, +doch enkel als schoone vorm. Zoo zegt Alienor ook: voor een echtgenoot +behoort men twee jaar het rouwkleed te dragen, "indien men althans niet +hertrouwt". Juist de hoogste standen, de vorsten met name, hertrouwden +dikwijls zeer spoedig; de hertog van Bedford, regent van Frankrijk voor +den jongen Hendrik VI, reeds na vijf maanden. + +Naast den rouw biedt de kraamkamer een ruim veld voor strenge staatsie +en hierarchisch verschil van uitmonstering. Er gelden vaste kleuren. Het +groen, dat nog in de 19e eeuw de geijkte kleur was van het burgerlijk +ledikant en de vuurmand, was in de 15e het prerogatief van koningin en +prinsessen. De kraamkamer van de koningin van Frankrijk is van groene +zijde; vroeger was zij geheel in wit. Zelfs gravinnen mogen niet "la +chambre verde" hebben. Stof, bont en kleur van dekens en spreien is +voorgeschreven. Op het dressoir branden voortdurend twee groote lichten +in zilveren kandelaars, want de blinden van de kraamkamer worden eerst +na veertien dagen geopend! Het opmerkelijkste evenwel zijn de +staatsieledikanten, ledig evenals de koetsen bij de begrafenis van den +koning van Spanje. De jonge moeder ligt op een couchette voor het vuur, +en het kind, Maria van Bourgondie, in een wieg in de kinderkamer, maar +bovendien staan er in de kraamkamer twee groote bedden in een kunstig +samenstel van groene gordijnen, opgemaakt en opgeslagen, als om erin te +gaan slapen, en in de kinderkamer opnieuw twee groote bedden, alles met +groen en violet, en nogmaals een groot bed in een voorvertrek of +"chambre de parement", geheel getapisseerd in karmozijn satijn. Zij was +vroeger door die van Utrecht aan Jan zonder Vrees vereerd, en heette +"la chambre d'Utrecht". Bij de doopplechtigheid dienen die bedden tot +ceremonieus gebruik. [133] + +Die aesthetiek der levensvormen deed zich gelden in het dagelijksch +aspect van stad en land: de strenge hierarchie van stoffen, kleuren +en pelzen gaf aan de verschillende standen een uiterlijke omlijsting, +die het waardigheidsgevoel verhief en behoedde. De aesthetiek der +gemoedsbewegingen beperkte zich niet tot de plechtige vreugden en +smarten bij geboorte, huwelijk en sterven, waar de parade door de +noodzakelijke ceremonien geboden was. Elk ethisch gebeuren wordt gaarne +gezien in een fraai opgemaakten vorm. Er is zulk een element in de +bewondering voor de nederigheid en de zelfkastijding van den heilige, +voor het berouw van den zondaar, zooals de "moult belle contrition de +ses peches" van Agnes Sorel. [134] Elke levensverhouding wordt in stijl +gebracht; in de plaats van de moderne zucht tot verbergen en effaceeren +van intieme betrekkingen en sterke aandoeningen geldt het streven, om ze +tot een vorm en een schouwspel ook voor anderen te maken. Zoo heeft ook +de vriendschap in het leven der 15e eeuw haar schoon uitgewerkten vorm. +Naast de oude bloedbroederschap en wapenbroederschap, die in de kringen +zoowel van het volk als van den adel in eere was, [135] kent men een +vorm van sentimenteele vriendschap, die uitgedrukt wordt door het woord +mignon. De vorstelijke mignon is een geformaliseerd instituut, dat zich +gedurende de geheele 16e en een deel der 17e eeuw handhaaft. Het is de +verhouding van Jacobus I van Engeland tot Robert Carr en George +Villiers; ook Willem van Oranje bij den afstand van Karel V moet onder +dit aspect gezien worden. _Twelfth Night_ is slechts te begrijpen, als +men bij de verhouding van den hertog tot den gewaanden Cesario dezen +geijkten vorm van sentimenteele vriendschap voor oogen heeft. De +verhouding wordt gezien als een parallel tot de hoofsche liefde: "Sy +n'as dame ne mignon", zegt Chastellain. [136] Doch elke toespeling, die +haar op een lijn met de Grieksche vriendschap zou brengen, ontbreekt ten +eenenmale. De openlijkheid, waarmee het mignonschap behandeld wordt in +een tijd, die het crimen nefandum zoo verfoeide, moet elken argwaan doen +zwijgen. Bernardino van Siena stelt aan zijn Italiaansche landgenooten, +onder wie de sodomie zeer verbreid was, Frankrijk en Duitschland, waar +men haar niet kent, ten voorbeeld. [137] Commines vertelt zelf, hoe hij +de eer genoot, door Lodewijk XI onderscheiden te worden met 's konings +behagen, dat hij gelijk gekleed ging als deze. [138] Want dit is het +vaste teeken van de verhouding. De koning heeft steeds een mignon en +titre, in dezelfde kleederen gedost als hij, op wien hij steunt bij +ontvangsten. [139] Dikwijls zijn het ook twee vrienden van gelijken +leeftijd, doch verschillenden rang, die zich gelijk kleeden, in een +kamer, soms ook in een bed slapen. [140] Zulk een onafscheidelijke +vriendschap bestaat er tusschen den jongen Gaston de Foix en zijn +bastaardbroeder, waar zij een tragisch einde neemt, tusschen Lodewijk +van Orleans (toen nog van Touraine) en Pierre de Craon, [141] tusschen +den jongen hertog van Cleef en Jacques de Lalaing. Op dezelfde wijze +hebben vorstinnen een vertrouwde vriendin, die zich gelijk kleedt, [142] +en mignonne genoemdt wordt. + +Al deze schoon gestyleerde levensvormen, die de ruwe werkelijkheid +moesten verheffen in een sfeer van edele harmonie, waren deelen van de +groote levenskunst, zonder onmiddellijken neerslag te geven in de kunst +in engeren zin. De omgangsvormen met hun vriendelijken schijn van +ongedwongen altruisme en heusche erkenning van anderen, de hofpraal en +hofetikette met hun hieratische statigheid en ernst, de blijde tooi van +bruiloft en kraamkamer, hun schoonheid is voorbijgegaan zonder directe +sporen na te laten in kunst en litteratuur. Het uitdrukkingsmiddel, dat +hen verbindt, is niet de kunst, maar de mode. Nu staat de mode in het +algemeen veel nader tot de kunst, dan de academische aesthetica wil +toegeven. Als kunstmatige accentueering van de lichaamsschoonheid en de +lichaamsbeweging is zij met een der kunsten, die van den dans, innig +verbonden. Maar ook daarbuiten grenst in de 15e eeuw het domein der +mode, of wil men liever der kleederdracht, veel nader aan dat der kunst +dan wij geneigd zijn ons voor te stellen. Niet enkel doordat het +veelvuldig gebruik van juweelen en de metaalbewerking van het +krijgsgewaad in het costuum een direct element van kunsthandwerk brengt. +De mode deelt met de kunst zelve essentieele eigenschappen: stijl en +rythme zijn haar even onmisbaar als voor de kunst. De late Middeleeuwen +hebben voortdurend in de kleederdracht een mate van levensstijl +uitgedrukt, waarvan tegenwoordig zelfs een kroningsplechtigheid slechts +meer een flauwe afschaduwing kan geven. In het leven van iederen dag +vertoonden de verschillen van pelzen en kleuren, kappen en huiven de +strenge ordonnantie der standen, de pronkende waardigheden, den staat +van blijdschap of smart, de teedere betrekking van vrienden en +verliefden. + +Van alle levensverhoudingen was de aesthetiek zoo uitdrukkelijk mogelijk +uitgewerkt. Hoe hooger het schoonheids- en zedelijkheidsgehalte van zulk +een verhouding was, hoe meer de uitdrukking ervan tot zuivere kunst kon +worden. Beleefdheid, etikette vinden hun schoone uiting enkel in het +leven zelf, in kleed en praal. De rouw echter heeft haar sterke +uitdrukking bovendien in een duurzamen en machtigen kunstvorm: het +grafmonument; de cultuurwaarde van den rouw was verheven door zijn +verband met den godsdienst. Maar nog rijker was de aesthetische bloei +van deze drie levenselementen: dapperheid, eer en liefde. + + +NOTEN: + +[64] Poliziano, Le stanze, l'Orfeo e le rime, ed. G. Carducci, Firenze, +1863, p. 362. + +[65] Eustache Deschamps, Oeuvres completes, ed. De Queux de Saint +Hilaire et G. Raynaud (Soc. des anciens textes francais) 1878-1903, 11 +vol., no. 31 (I p. 113), vgl. nos. 85, 126, 152, 162, 176, 248, 366, +375, 386, 400, 933, 936, 1195, 1196, 1207, 1213, 1239, 1240 enz. enz.; +Chastellain, I p. 9, 27, IV 5, 56, VI 206, 208, 219, 295; Alain +Chartier, Oeuvres, ed. A. Duchesne, Paris 1617, p. 262; Alanus de Rupe, +Sermo II p. 313, (B. Alanus redivivus, ed. J.A. Coppenstein, Napels, +1642). + +[66] Deschamps no. 562 (IV p. 18). + +[67] A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses oeuvres, Bibl. de +l'Ecole des chartes LVI 1895, pp. 277, 280, 305, 310, 312, 622, etc. + +[68] Chastellain, I p. 10, Prologue, vgl. Complainte de fortune, VIII +p. 334. + +[69] La Marche, I p. 186, IV p. LXXXIX; H. Stein, Etude sur Olivier de +la Marche, historien, poete et diplomate, (Mem. couronnes etc. de +l'Acad. royale de Belg. t. XLIX) Bruxelles 1888, frontispice. + +[70] Monstrelet, IV p. 430. + +[71] Froissart ed. Luce, X. p. 275; Deschamps no. 810 (IV p. 327); vgl. +Les Quinze joyes demariage, (Paris, Marpon et Flammarion) p. 64 (quinte +joye); Le livre messire Geoffroi de Charny, Romania XXVI 1897, p. 399. + +[72] Joannis de Varennis responsiones ad capitula accusationum etc. Sec. 17, +bij Gerson, Opera, I p. 920. + +[73] Deschamps no. 95 (I p. 203). + +[74] Deschamps, Le miroir de mariage, IX p. 25, 69, 81, no. 1004 (V p. +259), verder II p. 8, 183-7. III p. 39, 373, VII p. 3, IX p. 209 enz. + +[75] Convivio lib. IV. cap. 27, 28. + +[76] Discours de l'excellence de virginite, Gerson, Opera III p. 382; +vgl. Dionysius Cartusianus, De vanitate mundi, Opera omnia, cura et +labore monachorum sacr. ord. Cart., Monstrolii-Tornaci 1896-1913, 41 +vol. XXXIX p. 472. + +[77] Chastellain, V p. 364. + +[78] La Marche, IV p. cxiv.--De oude Nederl. vertaling van zijn Estat de +la maison du duc Charles de Bourgogne bij Matthaeus, Analecta I p. 357-494. + +[79] Christine de Pisan, Oeuvres poetiques, ed. M. Roy (Soc. des anciens +textes francais) 1886-1896, 3 vol., I p. 251 no. 38; Leo von Rozmital's +Reise, ed. Schmeller, (Bibl. des lit. Vereins zu Stuttgart t. VII) 1844, +p. 24, 149. + +[80] La Marche, IV. p. 4ss.; Chastellain, V p. 370. + +[81] Ernst. + +[82] Een staatsiezetel. + +[83] Gekleed. + +[84] Chastellain, V. p. 368. + +[85] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34ss. + +[86] La Marche, I p. 277. + +[87] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34, 51, 20, 31. + +[88] Froissart, ed. Luce, III p. 172. + +[89] Journal d'un bourgeois, Sec. 218 p. 105. + +[90] Chronique scandaleuse, I p. 53. + +[91] Molinet, I p. 184; Basin. II p. 376. + +[92] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, ed. La Curne de +Sainte Palaye, Memoires sur l'ancienne chevalerie, 1781, II p. 201. + +[93] Chastellain, III p. 196-212, 290, 292, 308, IV p. 412/4, 428; +Alienor de Poitiers, p. 209, 212. + +[94] Alienor de Poitiers, p. 210; Chastellain, IV p. 312; Juvenal des +Ursins, p. 405; La Marche, I p. 278, Froissart, I p. 16, 22, enz. + +[95] Molinet, V p. 194, 192. + +[96] Alienor de Poitiers, p. 190; Deschamps, IX p. 109. + +[97] Chastellain, V. p. 27-33. + +[98] Maxime u. Reflexionen V. + +[99] Alleen om u moet de priester wachten. Deschamps, IX Le miroir de +mariage, p. 109/110. + +[100] Verscheiden exemplaren van zulke "paix" bij Laborde, II nos. 43, +45, 75, 126, 140, 5293. + +[101] De baljuwsche. + +[102] Deschamps ib.; p. 300, vgl. VIII p. 156 ballade no. 1462; Molinet, +V p. 195; Les cent nouvelles nouvelles, ed. Th. Wright, II p. 123; vgl. +Les Quinze joyes de mariage p. 185. + +[103] Canonisatieproces te Tours, Acta Sanctorum Apr. t. I p. 152. + +[104] Over zulke rangtwisten onder den Hollandschen adel, waarop reeds +even gewezen is door W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland voor de +hervorming, Utrecht 1864-'69, 2 deelen (5 stukken) II 3 p. 284(2), is +uitvoerig gehandeld door H. Obreen, Bijdr. v. Vad. Gesch. en Oudhk. X p. 308. + +[105] Deschamps, IX p. 111-114. + +[106] Jean de Stavelot, Chronique, ed. Borgnet (Coll. des chron. belges) +1861, p. 96. + +[107] Pierre de Fenin, p. 607; Journal d'un bourgeois, p. 9. + +[108] Aldus Juvenal des Ursins, p. 543, en Thomas Basin, I p. 31. Het +Journal d'un bourgeois, p. 110 geeft een andere reden voor het +doodvonnis, evenzoo Le Livre des trahisons, ed. Kervyn de Lettenhove +(Chron. rel. a l'hist. de Belg. sous les ducs de Bourg.) II p. 138(1). + +[109] Rel. de S. Denis, I p. 30; Juvenal des Ursins, p. 341. + +[110] Pierre de Fenin, p. 606; Monstrelet, IV p. 9. + +[111] Pierre de Fenin, p. 604. + +[112] Christine de Pisan, I p. 251 no. 38; Chastellain, V p. 364ss; +Rozmital 's Reise, p. 24, 149. + +[113] Deschamps, I nos. 80, 114, 118, II nos. 256, 266, IV nos. 800, +803, V nos. 1018, 1024, 1029, VII no. 253, X nos. 13, 14. + +[114] Anonym bericht der 15e eeuw in Journal de l'inst. hist., IV p. +353, vgl. Juvenal des Ursins, p. 569, Religieux de S. Denis, VI p. 492. + +[115] Jean Chartier, Hist. de Charles VII, ed. D. Godefroy 1661, p. 318. + +[116] Intocht van den dauphin als hertog van Bretagne te Rennes in 1532 +bij Th. Godefroy, Le ceremonial francois, 1649, p. 619. + +[117] Rel. de S. Denis, I p. 32. + +[118] Journal d'un bourgeois, p. 277. + +[119] Thomas Bassin, II p. 9. + +[120] A. Renaudet, Prereforme et humanisme a Paris, p. 11, naar de +processtukken. + +[121] de Laborde, Les ducs de Bourgogne, I p. 172, 177. + +[122] Livre des trahisons, p. 156. + +[123] Chastellain, I p. 188. + +[124] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254. + +[125] Rel. de S. Denis, II p. 114. + +[126] Chastellain, I p. 49, V p. 240; vgl. La Marche, I p. 201; +Monstrelet, III p. 358; Lefevre de S. Remy, I p. 380. + +[127] Chastellain. V p. 228, vgl. IV p. 210. + +[128] Chastellain, III p. 296; IV p. 213, 216. + +[129] Chronique scandaleuse. Interpol. II p. 332. + +[130] Lettres de Louis XI, X p. 110. + +[131] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254-256. + +[132] Lefevre de S. Remy, II p. 11; Pierre de Fenin, p. 599, 605; +Monstrelet, III p. 347; Theod. Pauli, De rebus actis sub ducibus +Burgundiae compendium, ed. Kervyn de Lettenhove (Chron. rel. a l'hist. +de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. t. III) p. 267. + +[133] Alienor de Poitiers, p.217-245; Laborde, II p. 267, Inventaris van +1420. + +[134] Continuateur de Monstrelet, 1449 (Chastellain, V p. 367(1)). + +[135] Vgl. Petit Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires +etc., p. 14; La Curne de S. Palaye, Memoires sur l'ancienne chevalerie, +I p. 272. + +[136] Chastellain, Le Pas de la mort, VI p. 61. + +[137] Hefele, Der h. Bernhardin v. Siena etc., p. 42. Vervolging van +sodomie in Frankrijk, Jacques du Clercq, II p. 272, 282, 337, 338, 350, +III 15. + +[138] Philippe de Commines, Memoires, ed. B. de Mandrot (Coll. de textes +pour servir a l'enseignement de l'histoire) 1901-'3, 2 vol., I p. 316. + +[139] La Marche, II p. 425; Molinet, II p. 29, 280; Chastellain, IV p. 41. + +[140] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 61; Froissart, ed. Kervyn, XI +p. 93. + +[141] Froissart id., ib. XIV p. 318; Le livre des faits de Jacques de +Lalaing. p. 29, 247 (Chastellain VIII); La Marche I p. 268; L'hystoire +du petit Jehan de Saintre. ch. 47. + +[142] Chastellain, IV p. 237. + + + * * * * * + + +III + +DE HELDENDROOM + + +Toen men tegen het einde der achttiende eeuw begon middeleeuwsche +cultuurvormen als eigen nieuwe levenswaarden op te nemen, met andere +woorden bij den aanvang der romantiek, heeft men in de Middeleeuwen +allereerst het ridderwezen ontwaard. De romantiek was geneigd +Middeleeuwen en riddertijd kortweg te vereenzelvigen. Zij zag overal +slechts wuivende vederbossen. En hoe paradoxaal het thans klinkt, zij +had in zeker opzicht gelijk. Een grondiger studie heeft ons geleerd, +dat het ridderwezen slechts een onderdeel is van de cultuur van dat +tijdperk, dat de staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling +grootendeels buiten dien vorm om gaat. Het tijdperk van echte +feodaliteit en bloeiend ridderwezen loopt reeds in de dertiende eeuw +ten einde; wat daarna komt is de stedelijk-vorstelijke periode der +Middeleeuwen, waarin de beheerschende factoren van staat en maatschappij +de handelsmacht der burgerijen en de daarop berustende geldmacht der +vorsten zijn. Wij lateren hebben ons gewend, en terecht, om veel meer +naar Gent en Augsburg te zien, veel meer naar het opkomende kapitalisme +en de nieuwe staatsvormen dan naar den adel, die immers, hier meer daar +minder, overal reeds "gefnuikt" was. De geschiedvorsching zelf heeft +zich sedert de dagen der romantiek gedemocratiseerd. Het moet evenwel +hem, die gewoon is, de latere Middeleeuwen te zien in hun staatkundig- +economisch aspect, zooals wij dat begrijpen, telkens opvallen, dat de +bronnen zelf, met name de verhalende bronnen, aan den adel en zijn +bedrijf een zooveel ruimer plaats geven, dan bij onze voorstelling past. +Dit geldt zelfs niet enkel van de late Middeleeuwen, maar ook nog van de +zeventiende eeuw. + +De reden daarvan is, dat de adellijke levensvorm zijn heerschappij over +de samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke +structuur zijn overheerschende beteekenis verloren had. In den geest der +vijftiende eeuw neemt de adel als maatschappelijk element nog onbetwist +de eerste plaats in; zijn beteekenis wordt door den tijdgenoot veel te +hoog, die van de burgerij veel te laag geschat. Zij zelf zien niet, dat +de werkelijke beweegkrachten der maatschappelijke ontwikkeling elders +lagen dan in het leven en bedrijf van een oorlogvoerenden adel. Dus, zal +men zeggen: de fout zit bij de tijdgenooten zelf en bij de romantiek, +die hun voorstelling zonder kritiek volgde, terwijl de moderne +geschiedvorsching de ware verhoudingen van het laat-middeleeuwsche leven +aan het licht heeft gebracht. Van het staatkundige en economische leven, +ja. Maar voor het kennen van het cultuurleven behoudt de waan zelf, +waarin de tijdgenooten leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was +de adellijke levensvorm niet anders dan een vernis over het leven +geweest, dan nog zou het noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat +leven met den glans van dat vernis wist te zien. + +Het is overigens veel meer geweest dan een vernis. Het begrip van de +geleding der maatschappij in standen doordringt in de Middeleeuwen alle +theologische en politische beschouwingen tot in haar vezelen. Het +bepaalt zich volstrekt niet tot de geijkte drie: geestelijkheid, adel en +derde stand. Het begrip stand heeft niet alleen een veel sterker waarde +maar ook een veel verder strekking. In het algemeen wordt iedere +groepeering, iedere functie, ieder beroep gezien als een stand, zoodat +naast de indeeling der maatschappij in drie standen een in twaalf kan +voorkomen. [143] Want stand is staat, "estat", of "ordo"; er ligt de +gedachte in van een door God gewilde wezenlijkheid. De woorden "estat" +en "ordre" dekken in de Middeleeuwen een groot aantal van menschelijke +groepeeringen, die voor ons begrip zeer ongelijksoortig zijn: de standen +in onzen zin, de beroepen, den huwelijken staat naast den maagdelijken, +den staat van zondigheid "estat de pechie", de vier "estats de corps et +de bouche" aan het hof: panetiers, schenkers, voorsnijders en +keukenmeesters, de geestelijke wijdingen: priester, diaken, subdiaken +enz., de kloosterorden, de ridderorden. In de middeleeuwsche gedachte +wordt het begrip "staat" of "orde" in al die gevallen bijeengehouden +door het besef, dat elk dezer groepen een goddelijke inzetting +vertegenwoordigt, een orgaan is in den wereldbouw, even wezenlijk en +even hierarchisch-eerbiedwaardig als de hemelsche tronen en machten der +engelenhierarchie. + +In het schoone beeld, dat men zich maakte van staat en maatschappij, +werd aan elk der standen zijn functie aangewezen niet overeenkomstig +zijn beproefde nuttigheid, maar overeenkomstig zijn heiligheid of zijn +schitterenden glans. Men kon daarbij de ontaarding der geestelijkheid, +het verval van de ridderlijke deugden bejammeren, zonder daarom het +ideale beeld ook maar eenigszins prijs te geven; de zonden der menschen +mogen de verwezenlijking van het ideaal beletten, toch blijft het +grondslag en richtsnoer der maatschappelijke gedachte. Het +middeleeuwsche beeld der maatschappij is statisch, niet dynamisch. + +Het is een wonderlijke schijn, waarin Chastellain, de hofhistoriograaf +van Philips den Goede en Karel den Stoute, wiens rijke werk ook hier +weer de beste spiegel is van de tijdsgedachte, de maatschappij van zijn +dagen ziet. Hier is een man, in de velden van Vlaanderen getogen, die in +zijn Nederlanden de schitterendste ontplooiing van burgermacht voor +oogen had, en die niettemin, verblind door den uiterlijksten glans van +het Bourgondische prachtleven, in den staat slechts riddermoed en +ridderdeugd als de bron van kracht ziet. + +God heeft het volk doen geboren worden om te arbeiden, om den grond te +bewerken, om door den handel duurzaam levensonderhoud te verschaffen, de +geestelijkheid voor de werken des geloofs, maar den adel, om de deugd te +verheffen en de gerechtigheid te handhaven, om met de daden en de zeden +van hun schoone personen den anderen een spiegel te zijn. De hoogste +taak in den staat, de bescherming der kerk, de vermeerdering van het +geloof, de bewaring van het volk voor verdrukking, de handhaving van het +gemeen welzijn, bestrijding van geweld en tirannie, versterking van den +vrede, Chastellain wijst ze alle den adel toe. Waarheid, dapperheid, +zedelijkheid en mildheid zijn zijn eigenschappen. En de adel van +Frankrijk, zegt deze hoogdravende lofredenaar, beantwoordt aan dat +ideale beeld. [144] Door het geheele werk van Chastellain heen bemerkt +men, dat hij ook werkelijk de gebeurtenissen van zijn tijd door dat +gekleurde glaasje ziet. + +De onderschatting van de burgerij spruit hieruit voort, dat het type, +waaronder men zich den derden stand voorstelde, zich nog geenszins +gecorrigeerd had naar de werkelijkheid. Dat type was eenvoudig en +beknopt als zulk een kalenderplaatje of bas-relief, dat de werken des +jaars afbeeldde: de zwoegende veldarbeider, de vlijtige handwerker of de +bedrijvige koopman. De figuur van den machtigen patricier, die den adel +zelf van zijn plaats drong, het feit, dat de adel zich voortdurend +aanvulde met het bloed en de kracht der burgerij, vond in dat lapidaire +type evenmin plaats als de figuur van den strijdbaren gildebroeder en +zijn vrijheidsideaal. In het begrip van den derden stand bleven, immers +zelf tot de Revolutie toe, burgerij en arbeiders ongescheiden; +afwisselend dringt in de voorstelling de figuur van den armen boer of +van den vadsigen rijken burger [145] naar voren, maar een omlijning +volgens zijn werkelijke economisch-politische functie kreeg dat begrip +derde stand niet. Een reformprogram van een Augustijner monnik in 1412 +kan in ernst verlangen, dat ieder niet-edele in Frankrijk gedwongen zou +worden, hand- of veldarbeid te doen, of uit het land gejaagd worden. [146] + +Zoo is het te begrijpen, dat iemand als Chastellain, wiens vatbaarheid +voor ethische illusie geevenaard wordt door zijn politische naiveteit, +naast de hooge eigenschappen van den adel den derden stand slechts lage +en slaafsche deugden toekent. "Pour venir au tiers membre qui fait le +royaume entier, c'est l'estat des bonnes villes, des marchans et des +gens de labeur, desquels il ne convient faire si longue exposition que +des autres, pour cause que de soy il n'est gaires capable de hautes +attributions, parce qu'il est au degre servile". (O kerels van +Vlaanderen!) Zijn deugd is nederigheid en vlijt, gehoorzaamheid aan hun +koning en gewilligheid, om genoegen te verschaffen aan de heeren. [147] + +Werkte wellicht ook dat volslagen gemis aan het gezicht op een komenden +tijd van burgervrijheid en macht er toe mee, dat Chastellain en +gelijkgezinden, die enkel van den adel heil verwachtten, het met de +tijden duister inzagen? + +Ook de rijke stedelingen heeten bij Chastellain nog kortweg "vilains". +[148] Hij heeft niet het geringste begrip voor burgereer. Philips de +Goede had de gewoonte, zijn macht te misbruiken, om zijn "archers", +lagere edelen veelal, of andere dienaren van zijn huis te huwen aan +rijke poortersweduwen of dochters. De ouders huwelijkten hun dochters +zoo vroeg mogelijk uit, om die aanzoeken te ontgaan; een weduwe +hertrouwde erom twee dagen na haars mans begrafenis. [149] Eens stuitte +de hertog daarbij op het hardnekkig verzet van een rijken bierbrouwer te +Rijsel, die zijn dochter niet voor een dergelijke verbintenis wil geven. +De hertog laat het meisje in verzekerde bewaring stellen; de gekrenkte +vader verhuist met zijn hebben en houden naar Doornik, om daar buiten +'s hertogen gebied te zijn, en ongehinderd de zaak voor het Parlement +van Parijs te kunnen brengen. Het brengt hem niet dan zorg en moeite; +hij wordt ziek van verdriet, en het eind van het geval, dat in hooge mate +kenschetsend is voor Philips' impulsief karakter [150] en hem naar onze +begrippen niet tot eer strekt, is, dat de hertog de moeder, die als +smeekelinge tot hem komt, haar dochter teruggeeft, maar aan de +vergiffenis hoon en vernedering toevoegt. Chastellain, die anders +volstrekt niet vreest, zijn heer te misprijzen, staat met zijn sympathie +geheel aan de zijde van den hertog; voor den beleedigden vader heeft hij +geen andere woorden dan "ce rebelle brasseur rustique", "et encore si +meschant vilain." [151] + +In zijn _Temple de Bocace_, een hol galmende hal van adellijken roem en +ongeluk, laat Chastellain den grooten financier Jacques Coeur niet +zonder een woord van verontschuldiging toe, terwijl de verfoeilijke +Gilles de Rais er ondanks zijn ontzettende misdaden gereedelijk toegang +vindt van wege zijn hooge geboorte. [152] Hij acht het onnoodig, de +namen van de burgers te vermelden, die in den grooten strijd voor Gent +vielen. [153] + +Ondanks deze geringschatting van den derden stand ligt er in het +ridderideaal zelf en in de beoefening van de deugden en de taak, die den +adel werden voorgehouden, een dubbel element van een minder hoogmoedig +aristocratische volksverachting. Naast den spot over de dorpers, vol +haat en verachting, zooals die klinkt uit het Vlaamsche _Kerelslied_ en +de _Proverbes del vilain_ loopt in de Middeleeuwen een tegengestelde +uiting van medelijden met het arme volk, dat het zoo kwaad heeft. + + "Si fault de faim perir les innocens + Dont les grans loups font chacun jour ventree, + Qui amassent a milliers et a cens + Les faulx tresors; c'est le grain, c'est la blee, + Le sang, les os qui ont la terre aree + Des povres gens, dont leur esperit crie + Vengence a Dieu, ve a la seignourie ..." [154] + +Het zijn altijd dezelfde klaagtonen: het arme volk, geteisterd door de +oorlogen, uitgezogen door de ambtenaren, leeft in gebrek en ellende; +iedereen teert op den boer. Zij lijden geduldig: "le prince n'en scait +riens", en als zij soms murmureeren en de overheid smaden: "povres +brebis, povre fol peuple", de heer zal hen met een woord weer tot rust +en tot rede brengen. In Frankrijk komt onder den indruk van de +jammerlijke verwoesting en onveiligheid, waaraan de honderdjarige oorlog +gaandeweg het geheele land overleverde, een trek in die klacht op den +voorgrond: de boer geplunderd, gebrandschat en mishandeld door de +krijgsbenden van vriend en vijand, beroofd van zijn ploegdieren, van +huis en hof verjaagd. In dien vorm neemt de klacht geen einde meer. Men +hoort haar van de groote reform-gezinde geestelijken omstreeks 1400: +Nicolaas van Clemanges in zijn _Liber de lapsu et reparatione +justitiae,_ [155] van Gerson in zijn moedige en aangrijpende politieke +preek voor de regenten en het hof op het thema _Vivat rex,_ 7 November +1405 in het paleis der koningin te Parijs gehouden, [156] Jean Jouvenel, +de bisschop van Beauvais, houdt in bittere klachten de ellende van het +volk voor aan de Staten te Blois in 1433, te Orleans in 1439. [157] +Gepaard aan het beklag der andere standen over hun moeilijkheden, in den +vorm van een twistgesprek, vindt men het thema van de volksellende in +Alain Chartier's _Quadriloge invectif,_ [158] en in Robert Gaguin's +daarop geinspireerd _Debat du laboureur, du prestre et du gendarme_. +[159] De kroniekschrijvers kunnen niet anders dan telkens erop +terugkomen; hun stof bracht het mee. [160] Molinet dicht een _Resource +du petit peuple_, [161] de ernstige Meschinot herhaalt de waarschuwingen +over de verwaarloozing van het volk keer op keer: + + "O Dieu, voyez du commun l'indigence, + Pourvoyez-y a toute diligence: + Las! par faim, froid, paour et misere tremble. + S'il a peche ou commis negligence + Encontre vous, il demande indulgence. + N'est-ce pitie des biens que l'on lui emble? + Il n'a plus bled pour porter au molin, + On lui oste draps de laine et de lin, + L'eaue, sans plus, lui demeure pour boire". [162] + +In een cahier, den koning aangeboden ter gelegenheid van de Staten te +Tours in 1484, neemt de klacht regelrecht het karakter aan van een +politiek vertoog. [163] Toch blijft het een volkomen stereotyp en +negatief medelijden, niets van een program. Er is nog geen spoor van +weloverlegden socialen hervormingszin in, en zoo wordt er op het thema +doorgezongen, door La Bruyere, door Fenelon, tot diep in de achttiende +eeuw, want nog de klachten van den ouden Mirabeau, "l'ami des hommes", +zijn weinig anders, al klinkt daarin het geluid van het komende verzet. + +Het is te verwachten, dat de verheerlijkers van het laat-middeleeuwsche +ridderideaal instemmen met deze betuigingen van medelijden met het volk: +immers de toepassing van den ridderplicht, om de zwakken te beschermen, +eischte het. Evenzeer inhaerent aan het wezen van het ridderideaal, en +evenzeer stereotyp en theoretisch, is ook het besef, dat de ware adeldom +slechts berust in de deugd, en dat in den grond alle menschen gelijk +zijn. Deze beide gevoelens worden wel eens in hun cultuurhistorische +beteekenis overschat. Men beschouwt de erkenning van den waren adel in +het hart als een triomf der Renaissance, erop wijzende, dat Poggio die +gedachte uitspreekt in zijn _De nobilitate_. Men hoort gewoonlijk dat +oude egalitarisme in het revolutionaire geluid van John Ball's "When +Adam delved and Eve span, where was then the gentleman?"--En men stelt +zich voor, dat de adel sidderde op dien tekst. + +Beide gedachten waren reeds lang gemeenplaatsen in de hoofsche +litteratuur zelve, evenals zij het waren in de salons van het ancien +regime. Het denkbeeld van den waren adel in het hart was voortgekomen +uit de verheffing van de hoofsche liefde in de poezie der troubadours. +Het blijft een zedelijke bespiegeling zonder sociaal-actieve werking. + + "Dont vient a tous souveraine noblesce? + Du gentil cuer, pare de nobles mours. + ... Nulz n'est villains se du cuer ne lui muet". [164] + +De gelijkheidsgedachte was reeds door de kerkvaders ontleend aan Cicero +en Seneca. Gregorius de Groote had den komenden Middeleeuwen het "Omnes +namque homines natura aequales sumus" reeds meegegeven. Het was in +allerlei klank en nadruk steeds herhaald, zonder de werkelijke +ongelijkheid te verminderen. Want voor den Middeleeuwer keerde de +gedachte haar pointe naar de spoedige gelijkheid in den dood, niet naar +een hopeloos verre gelijkheid in het leven. Bij Eustache Deschamps +vinden wij haar in een duidelijke verbinding met de doodendans- +voorstelling, die aan de late Middeleeuwen den troost moest geven over +het onrecht van de wereld. Het is Adam zelf, die zijn kroost toespreekt: + + "Enfans, enfans, de moy, Adam, venuz, + Qui apres Dieu suis peres premerain (eerste) + Cree de lui, tous estes descenduz + Naturelment de ma coste et d'Evain; + Vo mere fut. Comment est l'un villain + Et l'autre prant le nom de gentillesce + De vous, freres? dont vient tele noblesce? + Je ne le scay, se ce n'est des vertus, + Et les villains de tout vice qui blesce: + Vous estes tous d'une pel revestus. + + Quant Dieu me fist de la boe ou je fus, + Homme mortel, faible, pesant et vain, + Eve de moy, il nous crea tous nuz, + Mais l'esperit nous inspira a plain + Perpetuel, puis eusmes soif et faim, + Labour, dolour, et enfans en tristesce; + Pour noz pechiez enfantent a destresce + Toutes femmes; vilment estes concuz. + Dont vient ce nom, villain, qui les cuers blesce? + Vous estes tous d'une pel revestuz. + + Les roys puissans, les contes et les dus, + Li gouverneur du peuple et souverain, + Quant ilz naissent, de quoy sont ilz vestuz? + D'une orde pel. + ... Prince, pensez, sanz avoir en desdain + Les povres gens, que la mort tient le frain". [165] + +Het is in overeenstemming met deze gedachten, wanneer geestdriftige +vereerders van het ridderideaal somtijds opzettelijk de daden van +boersche helden opteekenen, om den adel te leeren, "dat bij wijlen zij, +die zij dorpers achten, van de grootste dapperheid bezield zijn". [166] + +Want dit is de grond van al deze gedachten: dat de adel geroepen is, om +door de naleving van het ridderideaal de wereld te schragen en te +zuiveren. Het rechte leven en de rechte deugd der edelen is het +heilmiddel der slechte tijden; daarvan hangt af het welzijn en de rust +van kerk en koninkrijk, de gelding der gerechtigheid. [167] De oorlog is +in de wereld gekomen met Cain en Abel, en sedert vertakt onder goeden en +slechten. Hem te beginnen is niet goed. Daarom is de zeer edele en zeer +uitstekende stand der ridderschap ingesteld, om het volk, dat gemeenlijk +het meest geteisterd wordt door de rampen van den krijg, te bewaren, te +verdedigen en in rust te houden. [168] Twee zaken, luidt het in het +leven van een der zuiverste vertegenwoordigers van het laat-middeleeuwsche +ridderideaal, Boucicaut, zijn door God's wil in de wereld gezet als twee +pijlers om de orde der goddelijke en menschelijke wetten te onderhouden; +zonder hen zou de wereld niet dan verwarring zijn; die twee pijlers zijn +ridderschap en wetenschap, "chevalerie et science, qui moult bien +conviennent ensemble". [169] "Science, Foy et Chevalerie" zijn de drie +lelien van _Le Chapel des fleurs de lis_ van Philippe de Vitri; zij +vertegenwoordigen de drie standen; de ridderschap is geroepen, om de +beide andere te behoeden en te beschermen. [170] Die gelijkwaardigheid +van ridderschap en wetenschap, die ook spreekt uit de neiging om aan den +doctorstitel dezelfde rechten toe te kennen als aan den riddertitel +[171] getuigt van het hooge ethische gehalte van het ridderideaal. Het +is de vereering van een hooger willen en durven naast die van een hooger +weten en kunnen; men heeft de behoefte, om den mensch in een hoogere +potentie te zien, en wil die uitdrukken in den vasten vorm van twee +wijdingen tot hooger levenstaak, onderling gelijkwaardig. Maar van die +twee had het ridderideaal een veel algemeener en sterker werking, omdat +daarin met het ethische zooveel aesthetische elementen waren vereenigd, +die voor iederen geest begrijpelijk waren. + +De middeleeuwsche gedachtenwereld in het algemeen is in al haar deelen +doortrokken en doorzult met de geloofsvoorstellingen. Op soortgelijke +wijze is de gedachtenwereld van die beperkter groep, welke in de sfeer +van hof en adel leeft, gedrenkt in het ridderideaal. Zelfs +geloofsvoorstellingen worden op haar beurt in den ban der ridderidee +getrokken: Michael's wapenfeit was "la premiere milicie et prouesse +chevaleureuse qui oncques fut mise en exploict"; van hem neemt de +ridderlijkheid haar oorsprong; als "milicie terrienne et chevalerie +humaine" is zij een aardsche navolging van de engelenscharen om Gods +troon. [172] + +Leidt de hooge verwachting, die men bouwt op de plichtsvervulling van +den adel, tot eenige nadere omschrijving van politieke denkbeelden +omtrent hetgeen den adel te doen staat? Ja, die van een streven naar +den universeelen vrede, gegrondvest op de eendracht der koningen, de +verovering van Jeruzalem en verdrijving der Turken. De onvermoeide +plannenmaker Philippe de Mezieres, die droomde van een ridderorde, welke +al de oude kracht van Tempel en Hospitaal zou overtreffen, heeft in zijn +_Songe du vieil pelerin_ een plan uitgewerkt, dat het heil der wereld +in de naaste toekomst scheen te waarborgen. De jonge koning van +Frankrijk,--het is geschreven omstreeks 1388, toen op den ongelukkigen +Karel VI nog zooveel hoop was gebouwd--, zal gemakkelijk vrede kunnen +sluiten met Richard van Engeland, even jong en onschuldig aan ouden +strijd als hij. Zij moesten persoonlijk over dien vrede met elkander +spreken, elkander verhalen van de wonderlijke openbaringen, die hem +hadden aangekondigd, afzien van al de kleine belangen, die een beletsel +zouden opleveren, als de onderhandeling aan geestelijken, +rechtsgeleerden of legerhoofden werd toevertrouwd. Laat de koning van +Frankrijk maar wat grenssteden en kasteelen afstaan. Terstond na den +vrede zou de kruistocht worden voorbereid. Overal zal alle strijd en +veete beslecht worden, het tiranniek bestuur der staten zal hervormd +worden, een algemeen concilie zal de vorsten der christenheid opwekken, +om ten oorlog te trekken, indien de prediking niet helpen mocht, om +Tartaren, Turken, Joden en Saracenen te bekeeren. [173] Niet +onwaarschijnlijk was er van zulke ver strekkende plannen nog sprake in +het vriendschappelijk verkeer van Mezieres met den jongen Lodewijk van +Orleans in het klooster der Celestijnen te Parijs. Ook Orleans leefde, +zij het met meer bijmenging van praktische en baatzuchtige politiek, +in die droomen van vrede en kruistocht. [174] + +Het is een wonderlijke kleuring van de wereld, dat beeld van de +maatschappij gedragen door het ridderideaal. Het is een kleur, die niet +goed houden wil. Wien men ook neemt van de bekende fransche chronisten +der veertiende en vijftiende eeuw: de scherpe Froissart, de droge +Monstrelet en d'Escouchy, de plechtstatige Chastellain, de hoofsche +Olivier de la Marche, de bombastische Molinet, allen met uitzondering +van Commines en Thomas Basin beginnen met hoogdravende verklaringen, +dat zij schrijven ter verheerlijking van ridderdeugd en roemrijke +wapenfeiten. [175] Maar niemand kan het geheel volhouden, Chastellain +nog het best. Terwijl Froissart, zelf dichter van een hyperromantischen +aflegger der ridder-epiek: _Meliador_, met zijn geest zwelgt in ideale +"prouesse" en "grans apertises d'armes", schrijft zijn journalistenpen +voortdurend van verraad en wreedheid, sluwe baatzucht en overmacht, een +krijgsbedrijf, dat geheel een zaak van winstbejag is geworden. Molinet +vergeet doorloopend zijn chevaleresken opzet en vertelt, afgezien van +zijn taal en stijl, de gebeurtenissen helder en eenvoudig, om zich af +en toe den edelen zwier te herinneren, dien hij zich had opgelegd. Nog +uiterlijker is de ridderlijke strekking bij Monstrelet. + +Het is alsof de geest van deze schrijvers,--een ondiepe geest, moet men +zeggen--, de ridderlijke fictie aanwendt als een correctief op de +onbegrijpelijkheid, die hun tijd voor hen had. Het was de eenige vorm, +waarin zij de gebeurtenissen konden begrijpen. In de werkelijkheid waren +zoowel de oorlogen als de staatkunde van hun tijd uiterst vormloos, +schijnbaar onsamenhangend. De krijg doorgaans een chronisch proces van +geisoleerde strooptochten over een groot gebied verspreid, de diplomatie +een zeer omslachtig en gebrekkig instrument, voor een deel beheerscht +door zeer algemeene traditioneele ideeen en voor een deel door een +onontwarbaar complex van afzonderlijke, kleine rechtskwesties. Niet +in staat om in dat alles een reeele maatschappelijke ontwikkeling te +erkennen, nam de historie de fictie van het ridderideaal te baat, en +herleidde daarmee alles tot een schoon beeld van vorsteneer en +ridderdeugd, een fraai spel van edele regels, en schiep de illusie van +orde. Vergelijkt men dezen historischen maatstaf met bijvoorbeeld het +inzicht van Thucydides, dan is het een buitengewoon laag standpunt. +De geschiedenis verdort tot een relaas van schoone of schijnschoone +wapenfeiten en solemneele staatshandelingen. Wie zijn dan ook van dit +gezichtspunt beschouwd de rechte geschiedgetuigen? De herauten en +wapenkoningen, meent Froissart; zij wonen immers die edele verrichtingen +bij, en hebben ze officieel te beoordeelen; zij zijn experts in zaken +van roem en eer, en roem en eer zijn het motief der geschiedschrijving. +[176] De statuten van het Gulden Vlies geboden het opteekenen van +ridderlijke wapenfeiten; Lefevre de Saint Remy, genaamd Toison d'or, +of de heraut Berry kunnen als voorbeelden van den wapenkoning- +geschiedschrijver genoemd worden. + + * * * * * + +Als ideaal van schoon leven is de ridderlijke gedachte van zeer +bijzondere gedaante. Het is een in zijn wezen aesthetisch ideaal, +opgebouwd uit bonte fantazie en verheffende aandoening. Maar het wil +zijn een ethisch ideaal: het middeleeuwsche denken kon aan een +levensideaal slechts een edele plaats geven, door het in betrekking +te stellen tot vroomheid en deugd. In die ethische functie schiet het +ridder wezen steeds te kort; het wordt omlaaggetrokken door zijn +zondigen oorsprong. Want de kern van het ideaal blijft de tot schoonheid +verheven hoogmoed. Dit heeft Chastellain volkomen begrepen, wanneer hij +zegt: "La gloire des princes pend en orguel et en haut peril emprendre; +toutes principales puissances conviengnent en un point estroit qui se +dit orgueil." [177] Uit den hoogmoed, gestyleerd en verheven, is de +eer geboren, die de pool is van het adellijk leven. Terwijl in de +middelmatige of ondergeschikte maatschappelijke verhoudingen--zegt Taine +[178]--de voornaamste drijfveer het belang is, is de groote beweger bij +de aristocratie de hoogmoed: "or, parmi les sentiments profonds de +l'homme, il n'en est pas qui soit plus propre a se transformer en +probite, patriotisme et conscience, car l'homme fier a besoin de son +propre respect, et, pour l'obtenir, il est tente de le meriter." Taine +heeft zonder twijfel de neiging, om de aristocratie te fraai te zien. +De werkelijke geschiedenis der aristocratieen geeft overal een beeld, +waarin de hoogmoed gedoubleerd is met onbeschaamd eigenbelang. Des +ondanks blijft--als omschrijving van het aristocratisch levensideaal +--Taine's woord treffend. Het is verwant aan Burckhardt's bepaling van +het Renaissance-eergevoel. "Es ist die raetselhafte Mischung aus Gewissen +und Selbstsucht, welche dem modernen Menschen noch uebrig bleibt, auch +wenn er durch oder ohne seine Schuld alles uebrige, Glauben, Liebe und +Hoffnung eingebuesst hat. Dieses Ehrgefuehl vertraegt sich mit vielem +Egoismus und grossen Lastern und ist ungeheurer Taeuschungen faehig; aber +auch alles Edle, das in einer Persoenlichkeit uebrig geblieben, kann sich +daran anschliessen und aus diesem Quell neue Kraefte schoepfen". [179] + +De persoonlijke eerzucht en roemzucht, die dan eens uitingen van een +hoog eergevoel, dan weer veel meer uit onveredelden hoogmoed gesproten +schijnen, zijn door Burckhardt in beeld gebracht als de kenmerkende +eigenschappen van den Renaissance-mensch. [180] In tegenstelling met de +afzonderlijke standseer en standenroem, zooals zij de echt-middeleeuwsche +samenleving buiten Italie nog bezielden, beschrijft hij de algemeen- +menschelijke eer en roem, waarnaar, onder sterken invloed van antieke +voorstellingen, de Italiaansche geest sedert Dante streeft. Het schijnt +mij toe, dat dit een der punten is, waarop Burckhardt den afstand +tusschen Middeleeuwen en Renaissance, tusschen West-Europa en Italie te +groot gezien heeft. Die roemliefde en eerzucht der Renaissance is in +haar kern de ridderlijke eerzucht van vroeger tijd en Fransche herkomst, +de standseer uitgebreid tot wijder gelding, ontdaan van het feodale +sentiment en bevrucht met antieke gedachte. Het hartstochtelijk +verlangen, om door het nageslacht geprezen te worden, is den hoofschen +ridder der twaalfde eeuw, den onverfijnden Franschen of Duitschen +soudenier der veertiende eeuw even weinig vreemd als den schoonen geest +van het quattrocento. De afspraak voor het Combat des trente tusschen +messires Robert de Beaumanoir en den kapitein Brandebourch wordt door +den laatste besloten met de woorden: "en zoo zullen wij maken, dat men +ervan spreken zal in komende tijden in zaal en paleis, in pleinen en +andere plaatsen over de wereld." [181] Chastellain, in zijn waardeering +van het ridderideaal toch volkomen middeleeuwsch, drukt niettemin +volkomen den geest der Renaissance uit, als hij zegt: + + "Honneur semont toute noble nature + D'aimer tout ce qui noble est en son estre. + Noblesse aussi y adjoint sa droiture". [182] + +Elders zegt hij, dat bij joden en heidenen de eer dierbaarder was en +nauwer werd gehouden, omdat zij enkel werd betracht om haars zelfs wil +en in verwachting van aardschen lof, terwijl de christenen de eer +ontvangen hebben door het geloof en het licht, in verwachting van +hemelsch loon. [183] + +Reeds bij Froissart wordt de dapperheid aanbevolen zonder eenige +religieuze of direct moreele motiveering, om roem en eer, en--enfant +terrible als hij is--om carriere. [184] + +Het streven naar ridderlijken roem en eer is onafscheidelijk verbonden +aan een heldenvereering, waarin middeleeuwsche en renaissance-elementen +ineenvloeien. Het ridderlijke leven is een navolging. Of het de helden +van den Artur-kring zijn of de antieke helden, maakt weinig verschil. +Alexander was immers reeds in den bloeitijd van den ridderroman volkomen +in de ideeensfeer van het ridderwezen opgenomen. De antieke +fantaziesfeer was nog niet gescheiden van die der tafelronde. Koning +Rene ziet bont dooreen de met hun blazoenen versierde grafteekens van +Lancelot, Caesar, David, Hercules, Paris, Troilus. [185] Het ridderwezen +zelf gold voor Romeinsch. "Et bien entretenoit--heet het van Hendrik V +van Engeland--la discipline de chevalerie, comme jadis faisoient les +Rommains". [186] Het toenemende classicisme brengt eenige zuivering in +het historische beeld der Oudheid; de Portugeesche edelman Vasco de +Lucena, die voor Karel den Stoute Quintus Curtius vertaalt, verklaart, +gelijk Maerlant het reeds anderhalve eeuw eerder had gedaan, hem daarin +te bieden een authentieken Alexander, ontdaan van de leugens, waarmee +al de gangbare historien diens geschiedenis ontsierden. [187] Doch de +bedoeling is sterker dan ooit, den vorst een voorbeeld ter navolging +te bieden, en bij weinig vorsten is de zucht, om door groote en +schitterende daden de Ouden te evenaren, zoo bewust als bij Karel den +Stoute. Van jongsaf had hij zich de heldendaden van Walewein en Lancelot +laten voorlezen; later wonnen het de Ouden. Voor het slapen gaan werd er +geregeld een paar uur gelezen in "les haultes histoires de Romme". [188] +Zijn hoogste behagen gold den helden der oudheid: Caesar, Hannibal en +Alexander, "lesquelz il vouloit ensuyre et contrefaire". [189] Alle +tijdgenooten hebben aan die opzettelijke navolging als drijfveer van +zijn daden groot gewicht gehecht. "Il desiroit grand gloire,--zegt +Commines--qui estoit ce qui plus le mettoit en ses guerres que nulle +autre chose; et eust bien voulu ressembler a ses anciens princes dont +il a este tant parle apres leur mort." [190] Chastellain zag hem dien +hoogen zin voor groote daden en voor het schoone antieke gebaar de +eerste maal in praktijk brengen. Het was bij zijn eerste komst als +hertog binnen Mechelen in 1467. Hij had er een oproer te straffen; de +zaak werd in alle vormen onderzocht en berecht, een der leiders ter dood +veroordeeld, anderen voor eeuwig verbannen. Het schavot wordt op de +markt opgericht, de hertog zit er tegenover; de schuldige ligt reeds +geknield, de beul ontbloot het zwaard; toen roept Karel, die tot dusver +zijn bedoeling verborgen had: "Houd op! Doe hem den blinddoek af en laat +hem opstaan." + +"Et me pareus de lors--zegt Chastellain--que le coeur luy estoit en haut +singulier propos pour le temps a venir, et pour acquerir gloire et +renommee en singuliere oeuvre." [191] + +Het voorbeeld van Karel den Stoute is geschikt, om te doen zien, hoe de +geest der Renaissance, de zucht naar het schoone antieke leven, direct +wortelt in het ridderideaal. Het is, als men hem met den Italiaanschen +virtuoso vergelijkt, slechts een verschil van belezenheid en van smaak. +Karel las zijn klassieken nog in vertaling, en zijn levensvorm is nog +flamboyant-gothiek. + +Dezelfde onscheidbaarheid van het ridderlijke en het renaissance-element +vertoont de cultus der negen dapperen, "les neuf preux". Die groep van +negen helden, drie heidenen, drie joden, drie christenen, komt op in de +ridderlijke litteratuur; zij wordt het eerst aangetroffen in de _Voeux +du paon_ van Jacques de Longuyon omstreeks 1312. [192] De keus der +helden verraadt den nauwen samenhang met de ridderlijke romantiek: +Hector, Caesar, Alexander--Jozua, David, Judas Maccabaeus--Artur, Karel +de Groote en Godfried van Bouillon. Van zijn leermeester Guillaume de +Machaut neemt Eustache Deschamps de gedachte over; hij wijdt er tal van +gedichten aan. [193] Waarschijnlijk is hij het geweest, die aan de +behoefte aan symmetrie, welke den laat-middeleeuwschen geest zoo sterk +eigen is, voldeed, door aan de 9 preux 9 preuses toe te voegen. Hij +zocht er eenige, ten deele vrij zonderlinge, klassieke figuren voor +bijeen uit Justinus en andere litteratuur: o.a. Penthesilea, Tomyris, +Semiramis, en verhaspelde de meeste namen geducht. Dit belette het +denkbeeld niet, om opgang te maken, en zoo vindt men preux en preuses +bij de lateren, zooals in _Le Jouvencel,_ terug. Zij staan afgebeeld op +tapijten, men verzint hun blazoenen; bij den intocht van Hendrik VI van +Engeland te Parijs in 1431 gaan alle achttien hem voorop. [194] + +Hoe levend de voorstelling gedurende de 15e eeuw en nog daarna gebleven +is, bewijst het feit, dat men haar parodieerde: Molinet beproeft zijn +luim aan een negental "preux de gourmandise". [195] Nog Frans I kleedde +zich af en toe "a l'antique" om een der preux voor te stellen. [196] + +Deschamps heeft evenwel nog op een andere wijze dan door de aanvulling +met vrouwelijke pendanten de voorstelling uitgebreid. Hij verbond die +vereering van oude heldendeugd aan het heden, plaatste haar in de sfeer +van het opkomende Fransche militaire nationalisme, door aan de negen een +tijd- en landgenoot als tienden preux toe te voegen: Bertrand du +Guesclin. [197] Ook dat denkbeeld had succes; Lodewijk van Orleans liet +in de groote zaal van Coucy het beeld van den dapperen connetable als +tiende der preux opnemen. [198] Het was met reden, dat Orleans de +gedachtenis van du Guesclin een bijzondere zorg wijdde; hij zelf was +door den connetable ten doop gehouden, en deze had hem daarbij een +zwaard in de hand gegeven. Van de figuur van den dapperen en +berekenenden Bretonschen krijgsman neemt een nationaal-militaire +heldenvereering haar uitgang. Het valt op te merken, dat deze in de +15e eeuw nog niet in de eerste plaats Jeanne Darc geldt. Allerlei +veldoversten, die naast of tegen haar hadden gestreden, nemen in de +verbeelding der tijdgenooten veel grooter en eervoller plaats in dan het +boerenmeisje uit Domremy. Velen spreken van haar nog zonder aandoening +of vereering, meer als een curiositeit. Chastellain, die zijn +Bourgondische gevoelens, als het pas gaf, merkwaardig op zij wist te +zetten voor een pathetisch Fransch loyalisme, dicht een "mystere" op den +dood van Karel VII, waarin al de aanvoerders, die voor hem de Engelschen +bestreden hebben, als een eeregalerij van dapperen, een strofe zeggen, +die hun daden vermeldt: Dunois, Jean de Bueil, Xaintrailles, La Hire +zijn er bij, en tal van minder bekenden. [199] Het doet even aan als een +reeks van Napoleontische generaals. Maar la Pucelle ontbreekt. + +De Bourgondische vorsten bewaarden in hun schatkamer een aantal +heldenrelieken van romantischen aard: een zwaard van Sint Joris, met +diens wapen versierd, een zwaard, dat behoord had aan "messire Bertran +de Claiquin" (du Guesclin), een tand van het everzwijn van Garin le +Loherain, het souter, waaruit de heilige Lodewijk leerde in zijn +kindsheid. [200] Hoe loopen de fantaziesferen van het ridderlijke en het +religieuze hier ineen! Nog een schrede, en men is bij het armbeen van +Livius, dat, plechtig als gold het een reliek, in ontvangst genomen werd +door paus Leo X. [201] + +De laat-middeleeuwsche heldenvereering heeft haar litterairen vorm in de +biografie van den volmaakten ridder. Soms zijn het reeds legendaire +figuren geworden, zooals Gilles de Trazegnies. De belangrijkste evenwel +zijn die van tijdgenooten, zooals Boucicaut, Jean de Bueil, Jacques de +Lalaing. + +Jean le Meingre, gewoonlijk genoemd le marechal Boucicaut, heeft zijn +land gediend in groote rampen. Hij was met Jan zonder Vrees in 1396 bij +Nicopolis geweest, waar het Fransche ridderleger, roekeloos uitgetrokken +om den Turk weer uit Europa te drijven, door Sultan Bajazid vernietigd +werd. Hij is opnieuw gevangen gemaakt bij Azincourt in 1415, en zes +jaren later in gevangenschap gestorven. Een bewonderaar heeft nog bij +zijn leven in 1409 zijn daden te boek gesteld, op grond van zeer goede +inlichting en documenten, [202] doch niet als een stuk tijdsgeschiedenis +maar als het beeld van den idealen ridder. De realiteit van dit +veelbewogen leven verdwijnt achter den schoonen schijn van het +ridderbeeld. De vreeselijke katastrofe van Nicopolis heeft in _Le Livre +des faicts_ maar een flauwe kleur. Boucicaut wordt geschilderd als het +type van den soberen, vromen en tegelijk hoofschen en geletterden +ridder. De afkeer van rijkdommen, die den waren ridder eigen moest zijn, +spreekt uit het woord van Boucicaut's vader, die zijn erfgoed had willen +vergrooten noch verkleinen, zeggende: als mijn kinderen rechtschapen en +dapper zijn, zullen zij genoeg hebben; en als zij niets waard zijn, zou +het jammer wezen, dat hun zooveel bleef nagelaten. [203] Boucicaut's +vroomheid is van een streng puriteinsch karakter. Hij staat vroeg op, +en blijft wel drie uren in gebeden. Hoe gehaast of bezig ook, hoort hij +iederen dag geknield twee missen. Vrijdags kleedt hij zich in het zwart, +op Zon- en feestdagen doet hij te voet een bedevaart of laat zich +voorlezen uit het leven der heiligen, of uit de geschiedenissen "des +vaillans trespassez, soit Romains ou autres", of hij spreekt met anderen +van devote dingen. Hij is matig en sober, spreekt weinig en meest over +God, de heiligen, de deugd of de ridderlijkheid. Ook al zijn dienaren +heeft hij gewend aan devotie en betamelijkheid, en hun het vloeken +afgeleerd. [204] Hij is een ijverig voorstander van den edelen, kuischen +vrouwendienst; hij eert allen om eene, en sticht de orde "de l'ecu verd +a la dame blanche", ter verdediging der vrouwen, wat hem den lof schonk +van Christine de Pisan. [205] Te Genua, waar hij in 1401 het bestuur +kwam voeren voor Karel VI, beantwoordde hij eens hoffelijk de reverences +van twee dames, die hij ontmoette. "Monseigneur," zei zijn schildknaap, +"qui sont ces deux femmes a qui vous avez si grans reverences +faictes?"--"Huguenin, dit-il, je ne scay". Lors luy dist: "Monseigneur, +elles sont filles communes".--"Filles communes, dist-il, Huguenin, +j'ayme trop mieulx faire reverence a dix filles communes que avoir +failly a une femme de bien." [206]--In zijn devies "Ce que vous +vouldrez" kan men evengoed den dolenden ridder hooren, die zijn trouw +aan zijn dame wijdt, als den renaissance-mensch, die zich overgeeft aan +het leven, zooals het tot hem komt. + +Zoo is het schoone beeld van den ridder. Weliswaar blijkt uit andere +gegevens, dat de werkelijke Boucicaut er niet in alle opzichten aan kan +hebben beantwoord: hij deelde de gewelddadigheid en de geldzucht, in +zijn stand zoo gewoon. [207] + +In een geheel andere nuance ziet men den modelridder in den +biografischen roman over Jean de Bueil, _Le Jouvencel_. Deze kapitein, +die onder het vaandel van Jeanne Darc gestreden had, later gemengd was +in den opstand der Praguerie en den oorlog "du bien public", en in 1477 +stierf, heeft, in ongenade bij den koning, omstreeks 1465 aan drie van +zijn dienaren een verhaal van zijn leven geinspireerd, getiteld _Le +Jouvencel_. [208] In tegenstelling met het leven van Boucicaut, waarin +de historische vorm een romantischen geest bergt, draagt _Le Jouvencel_ +bij een gefingeerden vorm een sterk reeel karakter, althans in het +eerste gedeelte. Het staat misschien in verband met het veelvoudig +auteurschap, dat het werk verderop verloopt in een bloemzoete romantiek. +Daar is de gruwelijke tocht van de Fransche krijgsbenden op Zwitsersch +gebied in 1444, en de slag bij Sankt Jakob an der Birs, waar de boeren +van het Bazelsche land hun Thermopylae vonden, vermomd in den ijdelen +opschik van een afgezaagd bedenksel van herderlijke min. + +In sterk contrast daarmee geeft het eerdere gedeelte van _Le Jouvencel_ +van de werkelijkheid van den toenmaligen krijg een beeld zoo sober en +echt, als nauwelijks elders te vinden is. Ook deze auteurs spreken +overigens niet van Jeanne Darc, met wie hun meester toch in +wapenbroederschap had gestaan; het zijn zijn eigen heldendaden, die zij +verheerlijken. Doch hoe goed moet deze hun zijn krijgsbedrijf verteld +hebben. Hier kondigt zich de geest van het militaire Frankrijk aan, dat +later de figuren van den mousquetaire, den grognard en den poilu zal +opleveren. Den ridderlijken opzet verraadt alleen de aanhef, die de +jonge lieden aanspoort, uit dit geschrift het leven in de wapenen te +leeren, dat hen waarschuwt tegen hoogmoed, nijd en hebzucht. Zoowel het +vrome als het amoureuze element van Boucicaut ontbreken in het eerste +gedeelte van _Le Jouvencel_. Wat ons hier tegen komt, is de armzaligheid +van den oorlog, zijn ontberingen en de frissche moed om gebrek te lijden +en gevaren te bestaan. Een slotvoogd verzamelt zijn garnizoen en telt +maar vijftien paarden, magere beestjes, de meesten zijn onbeslagen. Hij +zet twee mannen op elk, maar ook van de mannen zijn de meesten eenoogig +of kreupel. Om de kleeren van den kapitein te kunnen verstellen, gaat +men de wasch van den vijand buitmaken. Een geroofde koe wordt den +vijandelijken kapitein op zijn verzoek hoffelijk teruggegeven. In de +beschrijving van een nachtelijken tocht over de velden ademt de +nachtlucht en de stilte u tegen. [209] In _Le Jouvencel_ ziet men het +riddertype overgaan in dat van den nationalen militair: de held van het +boek laat de arme gevangenen vrij, mits zij goed-fransch worden. Tot +hooge waardigheden gekomen, verlangt hij terug naar dat leven van +avontuur en vrijheid. + +Zulk een realistisch riddertype (overigens, gelijk gezegd, in het werk +zelf niet ten einde toe volgehouden) kon de Bourgondische litteratuur, +veel ouderwetscher, veel solemneeler en meer in de feodale vormen bekneld +dan de zuiver Fransche, nog niet opleveren. Jacques de Lalaing is naast +le Jouvencel een antieke curiositeit, naar het cliche van oudere dolende +ridders als Gillon de Trazegnies beschreven. Het boek van de daden van +dezen vereerden held der Bourgondiers spreekt meer van romantische +tournooien dan van den echten krijg. [210] + +De psychologie van den oorlogsmoed is wellicht vroeger noch later zoo +eenvoudig en treffend uitgedrukt als in de volgende woorden van _Le +Jouvencel_: [211] "C'est joyeuse chose que la guerre.... On s'entr'ayme +tant a la guerre. Quant on voit sa querelle bonne et son sang bien +combatre, la larme en vient a l'ueil. Il vient une doulceur au cueur de +loyaulte et de pitie de veoir son amy, qui si vaillamment expose son +corps pour faire et acomplir le commandement de nostre createur. Et +puis on se dispose d'aller mourir ou vivre avec luy, et pour amour ne +l'abandonner point. En cela vient une delectation telle que, qui ne l'a +essaiie, il n'est homme qui sceust dire quel bien c'est. Pensez-vous +que homme qui face cela craingne la mort? Nennil; car il est tant +reconforte, il est si ravi, qu'il ne scet ou il est. Vraiement il n'a +paour de rien." + +Dit kon evengoed gezegd zijn door den modernen soldaat als door een +ridder der vijftiende eeuw. Het heeft met het ridderlijk ideaal als +zoodanig niets te maken. Het vertoont den gevoelsgrond van den zuiveren +strijdmoed zelf: de huiverende uittreding uit het enge egoisme in de +aandoening van het levensgevaar, de ontzaglijke verteedering over de +dapperheid van den makker, den wellust van de trouw en de +zelfopoffering. Deze primitieve ascetische aandoening is de basis, +waarop het ridderideaal is opgebouwd tot een edele verbeelding van +mannelijke volmaaktheid, nauw verwant aan de Grieksche kalokagathia, +een hevige aspiratie naar schoon leven, de energische bezieling van +een reeks van eeuwen ... en ook het masker, waarachter een wereld van +baatzucht en geweld zich hullen kon. + +Overal waar het ridderideaal het zuiverst beleden wordt, valt de nadruk +op het ascetische element ervan. In zijn eersten opbloei paarde het zich +ongedwongen, noodwendig zelfs, aan het monniksideaal: in de geestelijke +ridderorden uit den kruistochtentijd. En waar de werkelijkheid steeds +het ideaal gruwelijk logenstrafte, week het naar de sferen der +verbeelding: de dolende ridder is evenals de Tempelier vrij van aardsche +banden en arm. Dat ideaal van den edelen strijder zonder bezittingen, +zegt William James, beheerscht nog "sentimentally if not practically, +the military and aristocratic view of life. We glorify the soldier as +the man absolutely unincumbered. Owning nothing but his bare life, and +willing to toss that up at any moment when the cause commands him, he is +the representative of unhampered freedom in ideal directions." [212] + +De verbindingen van het ridderideaal met hooge elementen van het +godsdienstig bewustzijn: medelijden, rechtvaardigheid, trouw, zijn dus +geenszins kunstmatig of oppervlakkig. Toch zijn het niet deze, die de +ridderschap tot den schoonen levensvorm bij uitnemendheid maken. En ook +haar onmiddellijke wortels in den mannelijken strijdmoed hadden haar +daartoe niet kunnen verheffen, als niet vrouwenliefde de brandende gloed +was geweest, die aan dat complex van gevoel en idee de levenswarmte gaf. + +De diepe trek van askese, van moedige zelfopoffering, die het +ridderideaal eigen is, hangt met den erotischen grond van die +levenshouding ten nauwste samen, is misschien slechts de ethische +verwerking van onbevredigd verlangen. De vormgeving, de styleering van +het liefdeverlangen beperkt zich volstrekt niet tot de litteratuur. Zij +vindt evengoed een ruim veld om zich te ontplooien in de levensvormen +zelf: hoofschen omgang, gezelschapsspel, scherts en sport. Ook daar +wordt de liefde voortdurend gesublimeerd en geromantiseerd; het leven +volgt daarin de litteratuur na, maar deze leert tenslotte toch alles van +het leven. Het ridderlijke aspect der liefde is in den grond niet in de +litteratuur maar in het leven opgekomen. In de werkelijke +levensverhoudingen was het motief van den ridder en de geliefde gegeven. + +De ridder en de geliefde, de held om liefde, is het meest primaire, +onveranderlijke romantische motief, dat overal opnieuw weer ontspringt +en ontspringen zal. Het is de meest onmiddellijke omzetting van de +zinnelijke drift in een ethische of quasi-ethische zelfverloochening. +Zij ontspringt direct uit de behoefte, om ten aanschouwe van de vrouw +zijn moed te toonen, gevaar te loopen en sterk te zijn, te lijden en +te bloeden, die iedere jongen van zestien jaar kent. De uiting en de +vervulling van het verlangen, die onbereikbaar schijnen, worden +vervangen en opgeheven door de heldendaad uit liefde. Daarmee is +terstond de dood als alternatief der vervulling gesteld, de bevrediging +om zoo te zeggen naar beide zijden verzekerd. + +Maar de droom van de heldendaad uit liefde, die nu het smachtend hart +vult en bedwelmt, groeit en woekert als een welige plant. Het eerste +eenvoudige thema heeft spoedig uitgewerkt; de geest vraagt nieuwe +verbeeldingen op hetzelfde thema. En de passie zelf dringt sterker +kleuren op aan den droom van lijden en verzaking. De heldendaad moet +bestaan in de bevrijding of redding van de vrouw zelf uit het +dreigendste gevaar. Daarmee is een feller prikkel aan het +oorspronkelijke motief toegevoegd. Eerst is het het subject zelf, dat +lijden wil voor de vrouw; maar spoedig paart zich daaraan de wensch, +om de begeerde zelf uit lijden te redden. Of in den grond die redding +altijd is te herleiden tot de redding der maagdelijkheid, het weren van +den andere dus, de bewaring van de vrouw voor zich? In ieder geval is +daarmee het ridderlijk-erotische motief bij uitnemendheid gegeven: de +jonge held, die de maagd bevrijdt. De belager moge bij wijlen een +argelooze draak zijn, het sexueele moment ligt toch steeds onmiddellijk +eronder. Hoe naief-oprecht spreekt het bij voorbeeld in de bekende +schilderij van Burne Jones, waar de moderne damesfiguur van het meisje +juist door haar kuischheid de onmiddellijkste sensualiteit verraadt. + +De bevrijding van de maagd is het meest oorspronkelijke en altijd jonge +romantische motief. Hoe is het mogelijk, dat een thans verouderde +mythenverklaring er de weergave van een natuurphenomeen in heeft gezien, +terwijl de onmiddellijkheid van de gedachte dagelijks door ieder kan +worden beproefd! In de litteratuur moge het bij wijlen wegens overmatige +herhaling een tijdlang worden vermeden, telkens komt het motief weer in +nieuwe vormen op, bij voorbeeld in de bioscoop-cowboy-romantiek. En in +het persoonlijke liefdedenken buiten de litteratuur blijft het +ongetwijfeld altijd even sterk. + +Het is moeilijk te bepalen, in hoeverre in de voorstelling van den +held-minnaar het mannelijk en in hoeverre het vrouwelijk aspect der +liefde zich openbaart. In het algemeen komt in de verbeelding der liefde +tot cultuurvorm bijna uitsluitend de mannelijke opvatting tot +uitdrukking, althans tot in zeer jongen tijd. Het gezicht der vrouw op +de liefde blijft altijd omsluierd en verborgen; het is teerder en dieper +geheim. En het behoeft niet de romantische sublimeering tot het +heldhaftige, want door zijn karakter van overgave en zijn onverbrekelijken +samenhang met het moederschap verheft het zich van zelf reeds zonder +fantazie van dapperheid en opoffering boven het zelfzuchtig-erotische. +Niet alleen omdat de mannen de litteratuur gemaakt hebben, ontbreekt de +vrouwelijke liefdesuitdrukking grootendeels, maar ook omdat voor de +vrouw in de liefde het litteraire veel minder onmisbaar is. + +De figuur van den edelen redder, die om der wille van de geliefde lijdt, +is de voorstelling van den man, zooals hij zich zelf zien wil. De +spanning van zijn bevrijdersdroom wordt verhoogd, doordat hij onbekend +optreedt, en eerst na de heldendaad wordt herkend. In deze onbekendheid +van den held ligt voorzeker ook een van de vrouwelijke liefdeverbeelding +uitgegaan romantisch motief. In de geheele apotheose van mannelijke +kracht en moed in den vorm van den strijder te paard vloeien de +vrouwelijke behoefte aan krachtvereering en de mannelijke physieke +hoogmoed samen. + +De middeleeuwsche samenleving heeft met een jongensachtige +onverzadelijkheid deze primitief-romantische motieven gecultiveerd. +Terwijl de hoogere litteratuurvormen zich hebben verfijnd tot ijler en +soberder, of geestiger en nog prikkelender uitdrukking van het +verlangen, blijft de ridderroman zich altijd weer verjongen en behoudt +met zijn eindeloos herhaalde uitwerking van het romantische geval een +bekoring, die ons schier onbegrijpelijk is. Wij wanen den tijd lang +ontgroeid aan die kinderlijke fantazieen, en noemen Froissart's +_Meliador_ of de _Perceforest_, de nabloeiers der ridderlijke +avontuurverhalen, anachronismen in hun tijd. Zij zijn het evenmin als de +sensatieroman het heden ten dage is; alleen dit alles is geen zuivere +litteratuur, maar om zoo te zeggen toegepaste kunst. Het is de behoefte +aan modellen voor de erotische verbeelding, die steeds weer die +litteratuur levend houdt en vernieuwt. Midden in de Renaissance herleven +ze immers in de Amadis-romans. Wanneer nog na het midden der zestiende +eeuw De la Noue ons kan verzekeren, dat de Amadis-romans een "esprit de +vertige" teweegbrachten onder het geslacht, dat toch de staling van +Renaissance en Humanisme had ondergaan, hoe groot moet dan de romantische +ontvankelijkheid zijn geweest in het bij uitstek ongeequilibreerde +geslacht van 1400! + +De zinsverrukking van de liefdesromantiek was niet in de eerste plaats +om lezende ondergaan te worden, maar om gespeeld en aanschouwd te +worden. Er zijn twee vormen, waarin dat spel kan gebeuren: de +dramatische vertooning en de sport. In de Middeleeuwen is de laatste +verreweg het voornaamste. Het drama was nog grootendeels gevuld met +andere, heilige stof; bij uitzondering behandelt het nog het romantische +geval. De middeleeuwsche sport daarentegen, en dat is in de eerste +plaats het tournooi, was zelf in hooge mate dramatisch en tegelijk van +een sterk erotisch gehalte. De sport behoudt te allen tijde zulk een +dramatisch en een erotisch element: in een hedendaagschen roei- of +voetbalwedstrijd zit veel meer van de gevoelswaarden van een +middeleeuwsch tournooi, dan den athleten en toeschouwers zelf misschien +bewust is. Maar terwijl de moderne sport teruggekeerd is tot +natuurlijken, bijna Griekschen eenvoud en schoonheid, is het +middeleeuwsche, althans het laat-middeleeuwsche tournooi, een met +versiering overladen, zwaar gedrapeerde sport, waarin het dramatisch en +romantisch element zoo opzettelijk is uitgewerkt, dat het de functie van +het drama zelf regelrecht vervult. + +De latere Middeleeuwen zijn een van die eindperioden, waarin het +cultuurleven der hoogere kringen bijna geheel tot gezelschapsspel is +geworden. De werkelijkheid is hevig, hard en wreed; men herleidt haar +tot den schoonen droom van het ridderideaal en bouwt daarop het +levensspel. Men speelt met het masker van Lancelot voor; het is een +reusachtig zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen +worden, doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt. In de +geheele ridderlijke cultuur der vijftiende eeuw is een labiel evenwicht +tusschen sentimenteelen ernst en luchtigen spot, dat eerst omslaat naar +de parodie in dien blij en hoog levenden kring van Lorenzo's hof: in +Pulci's _Morgante_. + +Bij de Franschen van een halve eeuw vroeger overweegt nog de ernst. +In den edelen Boucicaut, litterair type van den modelridder, is de +romantische grond van het ridderlijke levensideaal nog zoo sterk als +bij wien ook. De liefde, zegt hij, is het, die het sterkst in de jonge +harten de begeerte naar het edele ridderlijke strijdbejag doet groeien. +Hij zelf dient zijn dame in de oude hoofsche vormen: "toutes servoit, +toutes honnoroit pour l'amour d'une. Son parler estoit gracieux, +courtois et craintif devant sa dame." [213] + +Er is voor ons een bijna onbegrijpelijk contrast tusschen de litteraire +levenshouding van een man als Boucicaut en de bittere werkelijkheid van +zijn loopbaan. Hij was als handelende en leidende figuur voortdurend +werkzaam in de hardste staatkunde van zijn tijd. In 1388 doet hij een +eerste politieke reis naar het Oosten. Op dien tocht kort hij zich den +tijd, door met twee of drie wapenbroeders: Philippe d'Artois, diens +seneschalk en een zekeren Cresecque, een dichterlijke verdediging te +geven van de edele, trouwe minne, zooals zij den volmaakten ridder +betaamt: _Le livre des Cent ballades_. [214] Goed, waarom niet? Maar +zeven jaren later, wanneer hij als mentor van den jongen hertog van +Nevers (later Jan zonder Vrees) het roekelooze ridderavontuur heeft +meegemaakt van den krijgstocht tegen sultan Bajazid: wanneer hij de +ontzettende ramp van Nicopolis heeft beleefd, waar al zijn drie vroegere +dichtgezellen het leven verloren, wanneer hij de krijgsgevangen +adellijke jeugd van Frankrijk voor zijn oogen heeft zien slachten, zou +men dan een ernstig krijgsman niet bekoeld wanen voor dat hoofsche spel +en dien ridderlijken waan? Het moest hem leeren, dunkt ons, de wereld +niet langer door dat gekleurde glaasje te zien. Doch neen, ook verder +blijft zijn zin aan het cultiveeren van de ouderwetsche ridderlijkheid +gewijd, getuige zijn stichting van de orde "de la dame blanche a l'escu +verd", ter verdediging van verdrukte vrouwen, waarmee hij partij koos in +het fraaie tijdverdrijf van den litterairen strijd tusschen het strenge +en het frivole liefdesideaal, die sedert 1400 de Fransche hofkringen +opwond. + +De gansche aankleeding van de edele liefde in litteratuur en +gezelschapsleven schijnt ons dikwijls ondragelijk fade en louter +belachelijk. Het is het lot van elken romantischen vorm, die als +instrument der passie versleten is. In het werk der velen, de +gekunstelde versjes, de kostbaar gearrangeerde tournooien, heeft de +passie uitgeklonken; zij klinkt enkel nog door de stem van de zeer +enkelen. Maar welke beteekenis al dat werk, als litteratuur of kunst +minderwaardig, gehad heeft als levenstooi, als gevoelsuitdrukking, kan +men enkel beseffen door de levende passie zelf er weer in te blazen. +Wat helpt bij het lezen der minnedichten en tournooibeschrijvingen alle +kennis en levendige voorstelling der historische details, zonder het +zien van de oogen, licht en duister, onder de meeuwenvlucht der +wenkbrauwen en de smalle voorhoofden, die al eeuwen tot stof zijn +geworden, en die eenmaal belangrijker zijn geweest dan al de +litteratuur, die als puin blijft opgehoopt? + +Thans kan slechts meer een toevallig glimplicht ons even de +gepassioneerde beteekenis van die cultuurvormen duidelijk doen zien. +In het gedicht _Les voeux du heron_ spreekt Jan van Beaumont, tot het +afleggen van zijn ridderlijke strijdgelofte aangespoord: + + "Quant sommes es tavernes, de ces fors vins buvant, + Et ces dames deles (naast ons) qui nous vont regardant, + A ces gorgues polies, ces colies tirant, + Chil oeil vair resplendissent de biaute souriant. + Nature nous semont d'avoir coeur desirant, + ... Adonc conquerons-nous Yaumont et Agoulant [215] + Et li autre conquierrent Olivier et Rollant. + Mais, quant sommes as camps sus nos destriers courans, + Nos escus a no col et nos lansses bais(s)ans, + Et le froidure grande nous va tout engelant, + Li membres nous effondrent, et derriere et devant. + Et nos ennemis sont envers nous approchant, + Adonc vorriemes estre en un chelier (kelder) si grant + Que jamais ne fussions veu tant ne quant." [216] + +"Helas--schrijft Philippe de Croy uit Karel de Stoute's kamp voor +Neuss--, ou sont dames pour nous entretenir, pour nous amonester de bien +faire, ne pour nous enchargier emprinses, devises, volets ne guimpes!" +[217] + +In het dragen van den sluier of het kleed van de geliefde vrouw, die den +geur van het haar en het lichaam overbrengt, openbaart zich het +erotische moment van het ridderlijke tournooi zoo onmiddellijk mogelijk. +In de opwinding van het gevecht schenken de vrouwen den eenen tooi na +den anderen weg: als het spel is afgeloopen, zitten zij blootshoofds, +zonder mouwen. [218] Het is tot een motief van scherpe prikkeling +uitgewerkt in een sproke uit de tweede helft der dertiende eeuw, _Van de +drie ridders en het hemd_. [219] Een dame, wier echtgenoot niet tot den +strijd geneigd maar overigens vol edele largesse is, zendt aan de drie +ridders, die haar in minne dienen, haar hemd, om in het steekspel, dat +haar man geven zal, het als wapenrok te dragen, zonder pantser of andere +bedekking dan alleen helm en beenstukken. De eerste en tweede ridder +schrikken ervoor terug. De derde, die arm is, neemt het hemd 's nachts +in zijn armen en kust het hartstochtelijk. In het steekspel verschijnt +hij met het hemd als wapenrok, zonder pantser daaronder; het wordt +verscheurd en met zijn bloed bevlekt; hij wordt zwaar gewond. Men +bemerkt zijn buitengewone dapperheid en schenkt hem den prijs; de dame +schenkt hem haar hart. Nu eischt de minnaar de tegendaad. Hij zendt haar +het bloedige hemd terug, om het zoo als het is over haar kleederen te +dragen bij het feestmaal, dat het tournooi besluit. Zij omhelst het +teeder en verschijnt in het bloedige kleedingstuk; de meesten laken +haar, de echtgenoot is verlegen, en de verteller vraagt: wie van de +beide minnenden deed het meest voor den ander? + +De sfeer van passie, waarin het tournooi enkel zijn beteekenis had, +verklaart ook de beslistheid, waarmee de kerk sedert lang het gebruik +bestreed. Dat zij inderdaad aanleiding werden tot geruchtmakend +overspel, getuigt bij voorbeeld van een tournooi van 1389 de monnik +van Saint Denis en op zijn gezag Jean Juvenal des Ursins. [220] Het +kerkelijke recht had ze sinds lang verboden: aanvankelijk ingesteld +voor oefening in den strijd, heette het, waren ze wegens misbruiken +onduldbaar geworden. [221] De moralisten misprezen ze. [222] Petrarca +vroeg pedant: waar leest men, dat Cicero en Scipio tournooien gehouden +hebben? En de burger haalde de schouders op: "prindrent par ne scay +quelle folle entreprinse champ de bataille" zegt de burger van Parijs +[223] van een befaamd tournooi. + +De adellijke wereld daarentegen vat alles, wat tournooi en ridderlijke +wedkamp is, op met een gewichtigheid, die door geen modern sportbedrijf +wordt geevenaard. Zooals nog kort geleden vorstelijke wansmaak +gedenksteenen oprichtte op de plek, waar de hooge jager zijn duizendste +slachtoffer had neergelegd, zoo stichtte de vijftiende eeuw +gedenkteekens aan beroemde ridderlijke tweegevechten. Bij Saint Omer +herinnerde "la Croix Pelerine" aan den kamp van Hautbourdin, den +bastaard van Saint Pol, met een Spaanschen ridder tijdens den verwaarden +Pas d'armes de la Pelerine. Nog een halve eeuw later ging Bayard voor +een tournooi dat kruis als in bedevaart vromelijk bezoeken. [224] De +decors en de plunje, die gediend hadden bij den Pas d'armes de la +Fontaine des Pleurs werden na afloop van het feest plechtig opgedragen +aan Onze Lieve Vrouw van Boulogne en in de kerk opgehangen. [225] + +De middeleeuwsche vechtsport onderscheidt zich, gelijk zooeven reeds +aangeduid werd, van de Grieksche en de moderne athletiek door haar veel +geringer natuurlijkheid. Zij heeft tot verhooging van den prikkel van +den kamp dien van aristocratische trots en eer, dien van het +romantisch-erotische en dien van den kunstvaardigen pronk. Zij is +overladen met praal en versiering, gevuld met bonte fantazie. Het is +behalve spel en lichaamsoefening nog bovendien toegepaste litteratuur. +De wensch en de droom van het dichtende hart zoeken een dramatische +voorstelling, een gespeelde vervulling in het leven zelf. Het werkelijke +leven was niet schoon genoeg, het was hard, wreed en valsch; er was in +de hof- en militaire carriere luttel plaats voor de sentimenten van +moed-om-liefde, maar de ziel is er vol van, men wil ze beleven en schept +zich een schooner leven van kostbaar spel. Het element van echten moed +is voorzeker in het ridderlijk tournooi niet van geringer waarde dan in +het pentathlon. Juist het uitgesproken erotisch karakter eischte +bloedige felheid. In zijn motieven is het tournooi het naast verwant aan +de wedstrijden van het oud-indische epos; ook in het Mahabharata is de +strijd om de vrouw de centrale gedachte. + +De fantazie, waarmee het vechtspel werd aangekleed, was die van de +Artur-romans, dat wil zeggen de kinderlijke verbeeldingen van het +sprookje: het droomavontuur met zijn verschuiving der afmetingen in +reuzen en dwergen, verbonden aan het sentimentalisme der hoofsche +liefde. + +Voor een Pas d'armes der vijftiende eeuw wordt een fictief romantisch +geval kunstig opgebouwd. Het middelpunt is een romandecor met een +treffenden naam: la fontaine des pleurs, l'arbre Charlemagne. De bron +wordt opzettelijk gebouwd. [226] Gedurende een geheel jaar zal een +ongenoemde ridder ieder eersten van de maand voor de bron een tent +spannen, waarin een dame zit (het is een beeld), die een eenhoorn houdt, +welke drie schilden draagt. Elke ridder, die een der schilden aanraakt +of door zijn heraut laat aanraken, verbindt zich tot een bepaalden +tweekamp, waarvan de voorwaarden nauwkeurig worden omschreven in de +uitvoerige "chapitres", die tegelijk oproepingsbrief en reglement van +den wedstrijd zijn. [227] Het aanraken der schilden moet te paard +geschieden, waartoe de ridders steeds paarden ter beschikking zullen +vinden. + +Of wel: bij de Emprise du dragon houden vier ridders zich op een kruisweg +op; geen dame mag dien kruisweg voorbij zonder ridder, die voor haar twee +lansen breekt, of zij moet pand geven. [228] Inderdaad is het kinderlijke +pandverbeuren niet anders dan een lager vorm van hetzelfde overoude strijd- +en minnespel. Hoe duidelijk getuigt van die verwantschap niet een +voorschrift als dit artikel van de Chapitres de la Fontaine des pleurs: +wie in den kamp ter aarde wordt geworpen, moet een heel jaar een gouden +armband dragen met een slot, totdat hij de dame vindt, die er het +sleuteltje van heeft, en hem kan bevrijden, als hij haar zijn dienst +opdraagt. Elders weer is het geval gebaseerd op een reus, dien een dwerg +gevangen leidt, met een gouden boom erbij en een "dame de l'isle celee", +of op een "noble chevalier esclave et serviteur a la belle geande a la +blonde perruque, la plus grande du monde." [229] De onbekendheid van den +ridder is een vaste fictie; hij heet "le blanc chevalier", "le chevalier +mesconnu", "le chevalier a la pelerine", of wel hij treedt op als een held +uit den roman en heet zwaanridder, of draagt het wapen van Lancelot, +Tristan of Palamedes. [230] + +Meestal wordt over het geval een uiterlijk waas van melancholie +gespreid; la Fontaine des pleurs zegt het al in den naam; de schilden +zijn wit, violet en zwart, alle bezaaid met witte tranen; men raakt ze +aan uit medelijden met de "Dame de pleurs". Bij de Emprise du dragon +komt koning Rene in rouwend zwart (wel mocht hij), om het afscheid van +zijn dochter Margareta, die koningin van Engeland werd. Het paard is +zwart, met een rouwdekkleed, de lans is zwart, het schild is sabel met +zilveren tranen. Ook bij de Arbre Charlemagne zijn de schilden zwart +en violet met gouden en zwarte tranen. [231] Niet altijd echter is het +in den somberen toon gezet: een andermaal houdt de onverzadelijke +schoonheidsvriend koning Rene de Joyeuse garde bij Saumur. Veertig dagen +viert hij feest in het houten kasteel "de la joyeuse garde" met zijn +gemalin en dochter en met Jeanne de Laval, die zijn tweede echtgenoot +zou worden. Voor haar is heimelijk het feest bereid. Het kasteel is +opzettelijk gebouwd, geschilderd en getapisseerd; alles is in rood en +wit. Bij zijn Pas d'armes de la bergere is alles gestoffeerd in +herderstrant, de ridders en dames als herders en herderinnen met staf +en doedelzak, allen in grijs met goud en zilver. [232] + +Het groote spel van het schoone leven als droom van edelen moed en trouw +had niet alleen dien vorm van het kampgevecht. Er is een tweede vorm, +even belangrijk: de ridderorde. Al zou het niet gemakkelijk vallen, een +regelrecht verband te bewijzen, het kan voor niemand, die eenigszins +bekend is met de gebruiken van primitieve volken, twijfelachtig zijn, +dat evenzeer de ridderorde als het tournooi en de ridderwijding zelf hun +sterkste wortels hebben in heilige gebruiken van een verren voortijd. De +ridderslag is een ethisch en sociaal uitgewerkte puberteitsritus, het +aanleggen van de wapenen aan den jongen krijger. Het kampspel is als +zoodanig overoud, en eertijds vervuld van heilige beteekenis. De +ridderorde kan niet gescheiden worden van de mannenbonden der wilde +volken. + +Dit verband kan hier echter slechts als een onbewezen stelling +vooropgesteld worden; het is hier niet te doen om een ethnologische +hypothese te staven, maar om de ideeenwaarde van het vol-ontwikkelde +ridderwezen voor oogen te brengen; en dat in die waarde nog iets van die +primitieve elementen is overgebleven, wie zal het ontkennen? + +Weliswaar is in de ridderorde het christelijk element van de voorstelling +zoo sterk, dat ook een verklaring uit louter kerkelijke en politische, +zuiver middeleeuwsche grondslagen op zich zelf overtuigend zou kunnen +zijn, als men niet wist, dat algemeen verbreide, primitieve parallelen +als verklaringsgrond daarachter stonden. + +De eerste ridderorden, de drie groote van het Heilige land en de drie +Spaansche, waren als een zuiverste belichaming van middeleeuwschen geest +ontsproten uit de verbinding van het monniks- en het ridderideaal, in +den tijd toen de strijd tegen den islam wonderlijke werkelijkheid was +geworden. Zij waren gegroeid tot groote staatkundige en economische +instellingen, ontzaglijke vermogenscomplexen en financieele machten. +Hun politieke nuttigheid had zoowel hun geestelijk karakter als het +ridderspel-element op den achtergrond gedrongen, en hun economische +verzadiging at weer hun politieke nuttigheid op. Toen de Tempeliers en +de Johanniters bloeiden en nog in het Heilige land zelf werkten, had +het ridderwezen een reeele politische functie vervuld, en waren de +ridderorden als 't ware vakorganisaties van groote beteekenis geweest. + +Doch in de veertiende en vijftiende eeuw was het ridderwezen enkel meer +hoogere levensvorm, en daarmee was ook in de ridderorden het element van +edel spel, dat in hun kern besloten lag, weer op den voorgrond gekomen. +Niet dat zij enkel spel waren geworden. Als ideaal zijn zij nog altijd +vervuld van hoog ethisch en politiek streven. Maar het is waan en droom, +ijdele plannenmakerij. De merkwaardige idealist Philippe de Mezieres +ziet het heilmiddel der tijden in een nieuwe ridderorde, die hij de +Ordre de la passion heeft genoemd. [233] Hij wil er alle standen in +opnemen. Trouwens ook de groote ridderorden der kruistochten hadden zich +reeds de deelneming van niet-edelen ten nutte gemaakt. De adel zal den +grootmeester en de ridders leveren, de geestelijkheid den patriarch en +zijn suffraganen, de poorters zullen broeders zijn en de landlieden en +handwerkers servanten. Zoo zal de orde een hechte samensmelting der +standen zijn voor het groote doel der Turkenbestrijding. Er zullen vier +geloften zijn. Twee zijn de oude, die monniken en geestelijke ridders +deelden: armoede en gehoorzaamheid. Maar voor het volstrekte celibaat +stelt Philippe de Mezieres de echtelijke kuischheid in de plaats; hij +wilde het huwelijk veroorloven om de praktische redenen, dat het +Oostersche klimaat het eischte en dat de orde begeerlijker zou zijn. +De vierde gelofte, aan vroegere orden onbekend, is summa perfectio, de +hoogste individueele zedelijke volmaking. Zoo vloeiden hier in het bonte +beeld van een ridderorde al de idealen ineen, van politieke +plannenmakerij af tot het streven naar de verlossing toe. + +In het woord "Ordre" waren een menigte beteekenissen, van de hoogste +heiligheid tot het nuchterste groepsbesef, ongescheiden vereenigd. Het +beduidde zoowel maatschappelijken stand als priesterwijding, monniks- en +ridderorde. Dat inderdaad aan ordre in de beteekenis van ridderorde nog +iets van geestelijke waarde eigen was, blijkt uit het feit, dat men er +ook het woord religion voor gebruikte, dat men allicht tot de +kloosterorden beperkt zou wanen. Chastellain noemt het Gulden Vlies "une +religion", zooals hij 't ook een kloosterorde doet, en spreekt er altijd +van in den toon van een heilig mysterie. [234] Olivier de la Marche +spreekt van een Portugees als een "chevalier de la religion de Avys." +[235] En niet alleen de eerbiedige sidderingen van den pompeuzen +Polonius Chastellain getuigen van den vromen inhoud van het Gulden +Vlies; in het geheele ritueel der orde nemen kerkgang en mis een +overwegende plaats in: de ridders zitten in kanunnikstoelen, de ernstige +cultus van de afgestorven leden beweegt zich geheel in kerkelijke sfeer. + +Geen wonder dus, dat het lidmaatschap van een ridderorde gevoeld wordt +als een sterke, heilige band. De ridders van de Sterorde van koning Jan +II zijn verplicht, andere orden, waartoe zij mochten behooren, zoo +mogelijk prijs te geven. [236] De hertog van Bedford wil aan den jongen +Philips van Bourgondie de orde van den kouseband opdringen, om hem +daardoor vaster aan Engeland te binden, maar de Bourgondier begrijpt, +dat hij dan voor altijd aan den Engelschen koning gebonden zal zijn, en +weet de eer beleefd te ontgaan. [237] Wanneer dan ook later Karel de +Stoute den kouseband wel aanneemt, en zelfs draagt, beschouwt Lodewijk +XI dit als een breuk van het verdrag van Peronne, dat den hertog +verbood, zonder 's konings toestemming een verbond met Engeland aan te +gaan. [238] Men kan de Engelsche gewoonte, om buitenlandsche orden niet +aan te nemen, beschouwen als een traditioneele rest van het besef, dat +de orde verplicht tot trouw aan den vorst, die haar schenkt. + +Ondanks die heiligheid voelt men toch den twijfel aan den ernst van al +die fraai opgezette vormen. Waartoe anders steeds weer die uitdrukkelijke +verzekeringen, dat het alles was voor hooge, wijdstrekkende doeleinden? +Philips van Bourgondie, de edele hertog, heeft zijn Toison d'or gesticht, +zegt de rijmer Michault: + + "Non point pour jeu ne pour esbatement + Mais a la fin que soit attribuee + Loenge a Dieu trestout premierement + Et aux bons gloire et haulte renommee." [239] + +Ook Guillaume Fillastre betoogt in den aanhef van zijn werk over het +Gulden Vlies, de beteekenis daarvan te zullen verklaren, opdat men +bevinde, dat de orde geen ijdelheid is of een zaak van weinig gewicht. +Uw vader, spreekt hij Karel den Stoute toe, "n'a pas, comme dit est, en +vain instituee ycelle ordre." [240] + +Het was noodig, die hooge bedoelingen te accentueeren, wilde het Gulden +Vlies die eerste plaats veroveren, die de hoogmoed van Philips begeerde. +Want het stichten van ridderorden was sedert lang een ware mode. Ieder +vorst moest zijn orde hebben, zelfs aanzienlijke edelen bleven niet +achter. Daar is Boucicaut met zijn Ordre de la Dame blanche a l'escu +verd, ter verdediging van de hoofsche minne en van verdrukte vrouwen. +Daar is koning Jan met zijn Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison +(1351), gewoonlijk naar hun insigne de orde van de Ster genoemd. In het +Edele Huis te Saint Ouen bij Saint Denis hadden zij een "table d'oneur", +waaraan bij de plechtigheden moesten plaatsnemen de drie dapperste +prinsen, de drie dapperste baanroedsen (bannerets) en de drie dapperste +ridders (bachelers). Daar is Pierre de Lusignan met de orde van het +Zwaard, die van zijn leden een zuiver leven eischte en hun het zinrijk +symbool omhing van een gouden keten, waarvan de letter S de schakels +vormde, en zij beduidde "silence". Daar was Amadeus van Savoie met de +Annonciade, Louis de Bourbon met het Gouden Schild, Coucy, die een +keizerskroon gehoopt had, met de omgekeerde Kroon, de Beiersche hertogen +van Holland-Henegouwen met hun Antonius-orde, het T-kruis met klokje, +dat op sommige portretten de aandacht trekt. [241] + +Eustache Deschamps parodieert die zucht naar ridderorden met een Ordre +des fumeux, een Ordre de la baboue, een Ordre du collier, dat is de +strop. [242] + +De oorzaak, dat het Gulden Vlies boven allen opgang heeft gemaakt, is +niet ver te zoeken. Het was de rijkdom der Bourgondiers, die er achter +zat. Misschien droeg er ook de bijzondere praal toe bij, waarmee de orde +was uitgerust, en de gelukkige vinding van het symbool. Aanvankelijk was +bij het Gulden Vlies alleen aan dat van Colchis gedacht. De vertelling +van Jason was algemeen bekend; Froissart laat haar in een Pastourelle +door een herder verhalen. [243] Maar aan Jason als fabelheld was een +luchtje; hij had zijn trouw gebroken, en dit thema leende zich tot +onaangename toespelingen op de politiek der Bourgondiers jegens +Frankrijk. Alain Chartier dichtte: + + "A Dieu et aux gens detestable + Est menterie et trahison, + Pour ce n'est point mis a la table + Des preux l'image de Jason, + Qui pour emporter la toison + De Colcos se veult parjurer. + Larrecin ne se peult celer." [244] + +Nu maakte Jean Germain, de geleerde bisschop van Chalons en kanselier +der orde, Philips opmerkzaam op het vlies, dat Gideon spreidde en waar +des hemels dauw op viel. [245] Het was een bijzonder gelukkige gedachte, +want dit vlies van Gideon was een der treffendste symbolen van de +bevruchting van Maria's schoot. Zoo verdrong de bijbelsche held den +heiden als patroon van het Gulden Vlies, zoodat Jacques du Clercq zelfs +kon beweren, dat Philips opzettelijk Jason niet gekozen had, omdat deze +zijn trouw brak. [246] "Gedeonis signa" noemt een lofdichter van Karel +den Stoute de orde, [247] maar anderen zooals de kroniekschrijver +Theodericus Pauli blijven spreken van Vellus Jasonis. De opvolger van +Jean Germain als kanselier der orde, bisschop Guillaume Fillastre, +overtrof zijn voorganger en vond in de heilige schrift nog vier vliezen +daarenboven: van Jacob, koning Mesa van Moab, Job en David. [248] Elk +daarvan liet hij een deugd verbeelden, en aan elk der zes zou hij een +boek wijden. Dit was ongetwijfeld "overdoing it"; Fillastre liet de +gevlekte schapen van Jacob als symbool van justitia figureeren; [249] +hij had eenvoudig alle plaatsen genomen, waar de Vulgaat het woord +"vellus" heeft, een merkwaardig staaltje van de gewilligheid der +allegorie. Men vindt niet, dat zijn denkbeeld blijvend opgang heeft +gemaakt. + +De staatsie en plechtigheden van het Gulden Vlies zijn dikwijls genoeg +beschreven; ze hier te vermelden zou enkel stof toevoegen aan wat +hierboven in hoofdstuk II over den praal van het hofleven is gezegd. Een +enkele trek uit de gebruiken der orde verdient hier vermelding, omdat +hij zoo sterk het karakter van een primitief en heilig spel suggereert. +Behalve de ridders telt de orde haar ambtenaren: den kanselier, den +tresorier, den griffier, en voorts den wapenkoning met zijn staf van +herauten en poursuivants. Deze laatste groep, meer in het bijzonder +belast met het dienen van het edele ridderspel, draagt symbolische +namen. De wapenkoning zelf heet Toison d'or, zoo Jean Lefevre de Saint +Remy, zoo nog Nicolaas de Hames, bekend van het Verbond der edelen in +1565. De herauten dragen landnamen: Charolais, Zelande. De eerste der +poursuivants heet Fusil, naar den vuurslag in de ordeketen, het embleem +van Philips den Goede. De anderen dragen namen van romantischen klank +als Montreal, of van deugden als Perseverance, of namen ontleend aan de +allegorie van den Roman de la rose, als Humble Requeste, Doulce Pensee, +Leal Poursuite. Bij de groote feesten worden zulke poursuivants plechtig +door een besprenkeling met wijn met die namen gedoopt door den +grootmeester, of wel hij verandert hun namen bij hun verheffing tot +hoogeren rang. [250] + +De geloften, die de ridderorde oplegt, zijn slechts een vaste, +collectieve vorm van de persoonlijke ridderlijke gelofte, om een of +ander heldenstuk te volbrengen. Dit is wellicht het punt, waar men de +grondslagen van het ridder-ideaal het best in hun samenhang ziet. Wie +geneigd mocht zijn, het verband van ridderslag, tournooi en ridderorde +met primitieve gebruiken voor een inval te houden, vindt bij de +ridderlijke gelofte het barbaarsche karakter zoo aan de oppervlakte, +dat geen twijfel mogelijk is. Het zijn echte survivals, waarvoor de +parallellen te vinden zijn in het oud-indische _vratam_, in het +Nazireeerschap der Joden, en het meest onmiddellijk wellicht in de +gewoonten der Noormannen uit hun sagentijd. + +Hier evenwel is niet het ethnologische vraagstuk aan de orde, maar de +vraag, welke waarde die geloften hadden in het laat-middeleeuwsche +geestesleven zelf. Er zijn drie waarden mogelijk: een godsdienstig- +ethische, een romantisch-erotische en een hoofsch-speelsche. Alle drie +zijn ongescheiden aanwezig; het denkbeeld der gelofte schommelt tusschen +de hoogste levenswijding in dienst van het ernstigste ideaal en den +ijdelsten spot over het kostbare gezelschapsspel, dat met moed en liefde +en staatsbelang zich maar wat vermaakt. Het spel-element overweegt; de +geloften zijn goeddeels opluistering geworden van het hoffeest. Toch +worden zij nog altijd verbonden aan de ernstigste oorlogsondernemingen: +den inval van Eduard III in Frankrijk, het kruistochtplan van Philips +den Goede. + +Hier geldt hetzelfde als bij de tournooien: zoo smakeloos en versleten +als ons de opgemaakte romantiek der Pas d'armes scheen, zoo ijdel en +leugenachtig schijnen ons die "voeux du faisan". Tenzij ook hier ons de +passie zelf bewust is, die dit alles heeft vervuld. Het is de droom van +het schoone leven, zoo goed als de feesten en de vormen van het +Florentijnsche leven van Cosimo en Lorenzo die droom zijn geweest. +Daar in Italie is hij bezonken in eeuwige schoonheid, hier is zijn +betoovering vervlogen met de menschen, die hem droomden. + +De verbinding van askese en erotiek, die ten grondslag ligt aan de +fantazie van den held, die de maagd bevrijdt, of voor haar bloedt, het +kernmotief van de tournooi-romantiek, vertoont zich in anderen vorm en +bijna nog onmiddellijker gedaante bij de ridderlijke gelofte. De ridder +De la Tour Landry verhaalt in de leering aan zijn dochters van een +zonderlinge orde van minnende edelen en vrouwen, die in zijn jeugd in +Poitou en elders had bestaan. Zij noemden zich Galois et Galoises, en +hielden "une ordonnance moult sauvaige", waarvan het voornaamste was, +dat zij in den zomer zich warm moesten kleeden in pelzen en gevoerde +kaproenen, en vuur in de schouw branden, terwijl zij in den winter +niets mochten dragen dan een rok zonder bont, geen mantels of andere +beschutting, geen hoed, handschoenen of mof, hoe 't ook vroor. +'s Winters strooiden zij groene bladeren op den grond en verborgen den +schoorsteen achter groene takken, en op hun bed mocht slechts een dunne +deken zijn. Men kan in deze wonderlijke afdwaling,--zoo zonderling, dat +de schrijver haar kwalijk verzonnen kan hebben--, moeilijk iets anders +zien dan een ascetische verhooging van den prikkel der liefde, ofschoon +het niet geheel duidelijk wordt. Het primitief karakter van de Galois en +Galoises wordt nog geaccentueerd door hun regel, dat een echtgenoot den +Galois, die bij hem te gast kwam, zijn geheele huis en zijn vrouw moest +overlaten, om zelf naar zijn Galoise te gaan; deed hij het niet, dan +strekte het hem tot groote schande. Velen van de orde waren volgens den +ridder De la Tour Landry van koude gestorven: "Si doubte moult que ces +Galois et Galoises qui moururent en cest estat et en cestes amouretes +furent martirs d'amours." [251] + +Er zijn meer voorbeelden te noemen, die het primitief karakter van de +ridderlijke gelofte verraden. Zoo het gedicht, dat de geloften +beschrijft, waartoe Robert van Artois den koning van Engeland, Eduard +III, en zijn edelen uitlokte, ten einde den oorlog tegen Frankrijk te +beginnen: _Le Voeu du Heron_. Het is een verhaal van geringe historische +waarde, maar de geest van barbaarsche woestheid, die er uit spreekt, is +wel geschikt, om het wezen der ridderlijke gelofte te leeren kennen. + +De graaf van Salisbury zit bij het feestmaal aan de voeten van zijn +dame. Als zijn beurt om een gelofte te doen gekomen is, verzoekt hij +de geliefde, om een vinger op zijn rechteroog te leggen. Wel twee, +antwoordt zij, en drukt met twee vingers het rechteroog van den ridder +toe. "Belle, est-il bien clos?" vraagt deze. "Oyl, certainement." +"Welaan dan," zegt Salisbury, "dan gelove ik aan God almachtig en zijn +zoete Moeder, dit oog niet weer te openen, om geen smart of kwelling, +eer ik in Frankrijk den brand gestoken heb in 's vijands land en de +mannen van koning Philips bestreden": + + "Or aviegne qu'aviegne, car il n'est autrement. + --Adonc osta son doit la puchelle au cors gent, + Et li iex clos demeure, si que virent la gent." [252] + +De werkelijkheid, die dit geval weerspiegelt, blijkt uit Froissart: hij +zag inderdaad Engelsche heeren, die een oog met een lap bedekt hielden +ter voldoening aan de gelofte, om slechts met een oog te zien, totdat +zij dapperheid in Frankrijk hadden verricht. [253] + +De bijzondere wildheid spreekt in _Le Voeu du Heron_ nog sterker uit de +gelofte van Jehan de Faukemont, die klooster noch altaar, zwangere vrouw +noch kind, vriend noch maag wil sparen, om koning Eduard te dienen. +Tenslotte verzoekt de koningin, Philippa van Henegouwen, haar gemaal, +ook een gelofte te mogen doen. + + "Adonc, dist la roine, je sai bien, que piecha [254] + Que sui grosse d'enfant, que mon corps senti l'a. + Encore n'a il gaires, qu'en mon corps se tourna. + Et je voue et prometh a Dieu qui me crea.... + Que ja li fruis de moi de mon corps n'istera, [255] + Si m'en ares menee ou pais par de-la + Pour avanchier le veu que vo corps voue a; + Et s'il en voelh isir, quant besoins n'en sera, + D'un grant coutel d'achier li miens corps s'ochira; + Serai m'asme perdue et li fruis perira!" + +Een huiverend stilzwijgen ontvangt de godslasterlijke gelofte. De dichter +zegt enkel: + + "Et quant li rois l'entent, moult forment l'en pensa, + Et dist: certainement, nuls plus ne vouera." + +Haar en baard, overal immers de dragers van magische potentie, hebben +nog bij de geloften der Middeleeuwen een bijzondere beteekenis. +Benedictus XIII, de paus van Avignon, en daar feitelijk opgesloten, +zweert, ten teeken van droefheid zijn baard niet te laten scheren, aleer +hij de vrijheid herkregen heeft. [256] Als Lumey dezelfde gelofte doet +met betrekking tot de wraak voor Egmond, hebben wij te doen met een +laatsten uitlooper eener zede, die in den verren voortijd heilige +beteekenis had gehad. + +De zin der gelofte is in den regel, dat men zich een onthouding oplegt +als prikkel om het volbrengen der geloofde daad te verhaasten. Veelal is +het een onthouding in verband met spijzen. De eerste, dien Philippe de +Mezieres als ridder opnam in zijn Chevalerie de la Passion, was een +Pool, die in negen jaar niet zittende gegeten of gedronken had. [257] +Bertrand du Guesclin is zeer haastig met zulke geloften. De eene maal +geldt het een uitdaging van een Engelsch krijgsman: Bertrand verklaart, +slechts drie wijnsoepen te zullen gebruiken in naam der heilige +Drieeenheid, totdat hij den uitdager bestreden heeft. Een ander maal is +het, dat hij geen vleesch zal eten en zich niet zal uitkleeden, eer hij +Montcontour heeft genomen. Of zelfs, dat hij niet eten zal, eer hij met +de Engelschen tot een treffen gekomen is. [258] + +De magische bedoeling, die bij dat vasten op den achtergrond ligt, was +natuurlijk een edelman der veertiende eeuw niet meer bewust. Voor ons +spreekt zulk een ondergrond vooral zeer direct uit het veelvuldig +gebruik van kluisters als teeken van een gelofte. Op 1 Januari 1415 doet +hertog Jean de Bourbon, "desirant eschiver oisivete, pensant y acquerir +bonne renommee et la grace de la tres-belle de qui nous sommes +serviteurs", de gelofte om met zestien andere ridders en knapen +gedurende twee jaar elken Zondag aan het linkerbeen een boei als van een +gevangene te dragen, de ridders in goud, de knapen in zilver, totdat hij +zestien ridders vindt, die het gezelschap willen bestrijden in een +gevecht te voet "a outrance". [259] Jacques de Lalaing ontmoet te +Antwerpen in 1445 een Siciliaanschen ridder Jean de Boniface, die als +"chevalier aventureux" van het hof van Arragon gekomen is. Hij draagt +aan het linkerbeen een ijzer, zooals de slaven het dragen, hangende aan +een gouden keten, een "emprise" ten teeken dat hij vechten wou. [260] In +den roman van den _Petit Jehan de Saintre_ draagt de ridder Loiselench +twee gouden ringen aan arm en been, elk aan een gouden keten, totdat hij +een ridder vindt, die hem "verlost" van zijn emprise. [261] Want zoo +heet het: "delivrer"; men raakt het teeken aan, als het gaat "pour +chevalerie"; men rukt het af, als het om 't leven gaat.--Reeds La Curne +de Sainte Palaye heeft opgemerkt, dat bij de oude Chatti volgens Tacitus +volkomen hetzelfde gebruik werd aangetroffen [262]. Ook de kluisters, +die boetelingen op hun bedevaart droegen, of die vrome asceten zich zelf +aanlegden, zijn van de emprises der laat-middeleeuwsche ridders niet te +scheiden. + +Wat de beroemde feestelijke geloften der vijftiende eeuw, met name de +Voeux du Faisan bij het hoffeest van Philips den Goede te Rijsel in +1454, ter voorbereiding van den kruistocht ons van dit alles nog te zien +geven, is niet veel meer dan een fraaie hoofsche vorm. Niet dat de +spontane gewoonte, om in nood of sterke gemoedsbeweging een gelofte te +doen, iets van haar kracht zou hebben verloren. Zij heeft zoo diepe +psychologische wortelen, dat zij aan beschaving noch geloof gebonden is. +Doch de ridderlijke gelofte als cultuurvorm, als een tot levenstooi +verheven zede, beleeft in die pralende buitensporigheid van het +Bourgondische hof haar laatste phase. + +Het thema van de handeling is nog altijd het onmiskenbaar overoude. +Men doet de geloften aan het feestmaal, en zweert bij een vogel, die +opgedragen en later gegeten wordt. Ook de Noormannen kennen de met +elkaar wedijverende geloften bij het feestmaal in dronkenschap; een der +vormen is die, waarbij men het everzwijn aanraakt, dat opgedragen wordt. +[263] De fazant van het beroemde feest te Rijsel schijnt wel een levende +te zijn geweest. [264] De geloften worden afgelegd aan God en Onze Lieve +Vrouw, aan de dames en aan den vogel. Het schijnt niet gewaagd, te +veronderstellen, dat de godheid hier niet de oorspronkelijke ontvanger +der geloften is: inderdaad geloven velen alleen aan de dames en den +vogel. [265] In de onthoudingen, die men zich oplegt, is weinig +afwisseling. De meeste hebben betrekking op eten en slapen. Deze ridder +zal Zaterdags niet in een bed slapen, eer hij een Saraceen bevochten +heeft, noch ook vijftien dagen achtereen in dezelfde stad vertoeven. +Een ander zal Vrijdags geen dierlijk voedsel nuttigen, eer hij den banier +van den Grooten Turk heeft aangetast. Weer een ander stapelt askese op +askese: hij zal in het geheel geen harnas dragen, Zaterdags geen wijn +drinken, niet in een bed slapen, niet aan tafel zitten, en een harige +pij dragen. Men omschrijft nauwkeurig de wijze, waarop men de geloofde +heldendaad zal uitvoeren. [266] + +Hoeveel ernst is er in? Wanneer messire Philippe Pot de gelofte doet, +op den Turkentocht zijn rechterarm onbedekt te laten door eenige +wapenrusting, laat de hertog onder de (schriftelijk geregistreerde) +gelofte aanteekenen: "Ce n'est pas le plaisir de mon tres redoubte +seigneur, que messire Phelippe Pot voise en sa compaingnie ou saint +voyage qu'il a voue, le bras desarme; mais il est content qu'il voist +aveuc lui arme bien et soufisamment, ainsy qu'il appartient." [267] +Blijkbaar werd er dus nog ernst en gevaar in gezien. Over de gelofte +van den hertog zelf heerscht algemeene aandoening. [268] + +Sommigen doen voorzichtig voorwaardelijke geloften, die tegelijk +getuigen van de ernstige bedoeling en van het voldaan zijn met den +schoonen schijn. [269] Soms naderen de geloften reeds tot de +"philippine", die er een bleeke rest van is. [270] Een spottend element +ontbreekt zelfs niet bij den grimmigen Voeu du heron; immers Robert van +Artois biedt den koning, hier voorgesteld als minder belust op den +krijg, den reiger aan, als den bangsten der vogels. Als Eduard zijn +gelofte heeft gedaan, lachen allen. Jan van Beaumont, wien de _Voeu du +heron_ de vroeger reeds vermelde woorden [271] in den mond legt, die met +fijnen spot het gepassioneerde karakter onthullen van de geloften, bij +den wijn en onder de oogen der vrouwen gedaan, doet volgens een ander +verhaal bij den reiger de cynische gelofte, dat hij dien heer zou +dienen, van wien hij 't meest aan geld en goed te wachten had. Waarop +de Engelsche heeren lachten. [272]--Hoe moet, ondanks alle pompeuze +gewichtigheid, waarmee de Voeux du faisan werden opgenomen, de +tafelstemming zijn geweest, wanneer Jennet de Rebreviettes de gelofte +kon doen, om, als hij niet voor den krijgstocht de gunsten van zijn dame +deelachtig werd, bij den terugkeer uit het Oosten de eerste vrouw of +jonkvrouw te huwen, die twintig duizend kronen heeft ... "se elle +veult". [273] Toch trekt diezelfde Rebreviettes de wereld in, om als +"povre escuier" avontuur te zoeken, en strijdt bij Ceuta en Granada +tegen de Mooren. + +Zoo lacht de moede aristocratie om haar eigen ideaal. Wanneer zij met +alle middelen van fantazie en kunstvaardigheid en rijkdom haar +hartstochtelijken droom van het schoone leven had getooid en gekleurd en +tot plastischen vorm gebracht, dan bezon zij zich, dat het leven toch +eigenlijk niet zoo schoon was, en lachte. IJdele waan, die +ridderheerlijkheid, mode en ceremonie, een fraai en leugenachtig spel! +De werkelijke geschiedenis der laatste Middeleeuwen, zegt de historicus, +die uit de acta de ontwikkeling van staat en bedrijf naspeurt, heeft met +die valsche ridderlijke Renaissance weinig te maken; het was een oud +vernis, dat reeds afbladderde. De mannen, die die geschiedenis maakten, +waren waarlijk geen droomers, maar zeer berekenende, nuchtere staatslieden +en kooplieden, 't zij vorsten, edelen, prelaten of burgers. + +Zeker, dat waren zij ook. Maar de geschiedenis der beschaving heeft +evenveel te maken met de droomen van schoonheid en den waan des edelen +levens als met de cijfers van bevolking en belasting. Een onderzoeker, +die de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en +verkeer, uit de politieke en militaire conflicten, zou aan het eind van +zijn studien kunnen zeggen: ik heb van de muziek heel weinig gemerkt, +die heeft blijkbaar in dezen tijd weinig voor de cultuur beteekend. + +Zoo is het eenigermate, wanneer men ons de geschiedenis der Middeleeuwen +uit de staatkundige en economische bescheiden beschrijft. Bovendien zou +het kunnen zijn, dat het ridderideaal, zoo gekunsteld en versleten als +het was, op de zuiver staatkundige geschiedenis der laatste Middeleeuwen +toch nog voortdurend machtiger invloed had uitgeoefend, dan men zich +gewoonlijk voorstelt. + +De bekoring van den adellijken levensvorm was zoo groot, dat ook de +burgers hem aannemen, waar zij kunnen. Wij stellen ons de Artevelde's +voor als echte mannen van den derden stand, fier op hun burgerlijkheid +en hun eenvoud. Integendeel: Philips van Artevelde hield vorstelijken +staat, hij liet alle dagen voor zijn hotel de speellieden blazen, als +hij aan tafel ging, liet zich bedienen uit zilveren vaatwerk, of hij de +graaf van Vlaanderen was, ging gekleed in scharlaken en menu vair als +een hertog van Brabant of graaf van Henegouwen, reed uit als een vorst, +het ontrolde vaantje voor hem gedragen met zijn blazoen van sabel met +drie zilveren hoeden. [274] Wie schijnt ons moderner dan de geldmagnaat +der vijftiende eeuw, Jacques Coeur, de voortreffelijke financier van +Karel VII? Als men de levensbeschrijving van Jacques de Lalaing mag +gelooven, heeft de groote bankier hartelijk belang gesteld in het +ouderwetsche dolende-ridderschap van den Henegouwschen held. [275] + +Alle hoogere vormen van het burgerlijke leven van den nieuweren tijd +berusten op navolging van adellijke levensvormen. Evengoed als het brood +in het servet en het woord "serviette" zelf hun herkomst hebben uit den +middeleeuwschen hofstaat, [276] zijn de burgerlijkste bruiloftsaardigheden +afstammelingen van de grandioze "entremets" van Rijsel. Om de cultuur- +historische beteekenis van het ridderideaal ten volle te begrijpen, zou +men het moeten volgen in Shakespeare's en Moliere's tijd tot aan den +modernen gentleman. + +Hier echter is het er om te doen, de werking van dat ideaal op de +werkelijkheid in de laatste Middeleeuwen zelf aan te wijzen. Lieten +staatkunde en oorlogvoering zich inderdaad eenigermate beheerschen door +ridderlijke voorstellingen? Ongetwijfeld, zoo niet in haar deugden, dan +toch in haar fouten. Zooals de tragische vergissingen van den +hedendaagschen tijd voortspruiten uit den waan van het nationalisme en +den cultuurhoogmoed, zoo sproten die van de Middeleeuwen meer dan eens +voort uit de chevalereske gedachte. Ligt niet het motief voor de +schepping van den nieuwen Bourgondischen staat, die grootste fout, die +Frankrijk kon begaan, in een ridderlijk moment? Koning Jan, het +ridderlijke warhoofd, schenkt het hertogdom in 1363 aan den jongen zoon, +die bij Poitiers naast hem stand had gehouden, toen de oudere vluchtte. +Evenzoo is de bewuste gedachte, die de latere anti-fransche politiek +voor de geesten der tijdgenooten moet rechtvaardigen: de wraak voor +Montereau, de verdediging van ridderlijke eer. Ik weet wel, men kan dat +alles ook verklaren uit berekenende, zelfs vooruitziende politiek, maar +dat neemt niet weg, dat de waarde van het feit, het beeld van het feit +van 1363 voor de tijdgenooten was en bleef: de ridderlijke moed, +vorstelijk beloond. Die Bourgondische staat in zijn snelle ontplooiing +is een gebouw van politiek overleg en geslaagde nuchtere berekening. +Maar wat men de Bourgondische idee zou kunnen noemen, kleedt zich steeds +in de vormen van het ridderideaal. De bijnamen der hertogen: het Sans +peur, le Hardi, het Qui qu'en hongne, dat voor Philips door le Bon +verdrongen werd, zijn alle opzettelijke vindingen van de hoflitterateurs, +om den vorst te plaatsen onder de stralen van het ridderlijke ideaal. [277] + +Daar was een groot politiek streven, dat onverbrekelijk verbonden was +aan het ridderideaal: de kruistocht, Jeruzalem! Want Jeruzalem, zoo +heette nog altijd de gedachte, die als hoogste politieke idee allen +vorsten van Europa voor oogen stond, en hen voor en na tot handelen +dreef. Er was hier een zonderling contrast tusschen het reeele politieke +belang en de politieke idee. Er bestond voor de Christenheid der +veertiende en vijftiende eeuw een Oostersche kwestie van de uiterste +urgentie: het afweren der Turken, die reeds Adrianopel genomen (1378) +en het Servische rijk vernietigd hadden (1389). Op den Balkan lag het +gevaar. Doch Europa's eerste en noodzakelijkste staatkunde kon zich nog +niet losmaken van de kruistochtidee. Zij kon de Turksche kwestie slechts +zien als een onderdeel van de groote heilige taak, waarin de voorvaders +waren te kort geschoten: de bevrijding van Jeruzalem. + +Bij deze gedachte nu stond het ridderlijk ideaal op den voorgrond; hier +kon en moest het een bijzonder nadrukkelijke werking uitoefenen. Immers +het godsdienstig gehalte van het ridderideaal vond hier zijn hoogste +belofte, en de bevrijding van Jeruzalem kon niet anders zijn dan heilig, +edel ridderwerk. Juist doordat nu het godsdienstig-ridderlijke ideaal +zich bij het bepalen der Oostersche staatkunde in zoo sterke mate deed +gelden, kan tot zekere hoogte het geringe succes der Turkenbestrijding +worden verklaard. De expedities, die bovenal nauwkeurige berekening en +geduldige voorbereiding eischten, werden ontworpen en opgezet onder een +hoogere spanning, die niet leidde tot een rustige overweging van het +bereikbare, maar tot een verromantiseering van het plan, die ijdel kon +zijn of noodlottig kon worden. De katastrofe van Nicopolis in 1396 had +getoond, hoe gevaarlijk het was, een nuttige expeditie tegen een zeer +strijdbaren vijand op te zetten in den ouden trant van een dier +ridderlijke reizen naar Pruisen of Litauen, om wat arme heidenen dood +te slaan. Wie zijn het, die de kruistochtplannen ontwerpen? De droomers +als Philippe de Mezieres, die er zijn leven aan wijdde, de politieke +fantasten, zooals Philips de Goede het met al zijn sluwe berekening was. + +Alle koningen hadden de bevrijding van Jeruzalem nog altijd tot een +obligate levenstaak. In 1422 is Hendrik V van Engeland stervende. De +jonge veroveraar van Rouen en Parijs wordt weggerukt midden uit het +werk, waarmee hij Frankrijk in ellende had gestort. De geneesheeren +hebben hem aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de +biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen +worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona +voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem, [278] laat de koning +stilhouden en zegt luide, dat het zijn voornemen was geweest, om na het +herstellen van den vrede in Frankrijk Jeruzalem te gaan veroveren, "se +ce eust este le plaisir de Dieu son createur de le laisser vivre son +aage". En daarna laat hij de lezing der boetpsalmen voltooien, en sterft +weldra. [279] + +De kruistocht was sedert lang ook een voorwendsel geworden om bijzondere +opbrengsten te heffen; ook Philips de Goede heeft van die gelegenheid +ruimschoots gebruik gemaakt. Doch enkel veinzerij uit winstbejag zal bij +hem het plan toch niet zijn geweest. [280] Het schijnt een mengeling van +ernstig streven en den toeleg, om door dit bij uitstek nuttige en tevens +bij uitstek ridderlijke plan zich als den redder der Christenheid een +glorie te verzekeren boven zijn meerderen in rang, de koningen van +Frankrijk en Engeland. Le voyage de Turquie bleef een troefkaart, die +niet werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te +doen uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren +gewichtige bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke +lieden schudden het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een +gevaarlijken tocht zou ondernemen; zoowel de landen als de dynastie +zouden gevaar loopen. Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips +met eerbied ontvangen in Den Haag en in plechtige processie ontplooid, +terwijl bij het feest te Rijssel en daarna de geloften tot de reize +verzameld werden, terwijl Joffroy de Toisy de Syrische havens +onderzocht, Jean Chevrot, de bisschop van Doornik, de collecten leidde +en Guillaume Fillastre zijn gansche uitrusting reeds klaar had, en er +reeds schepen voor den tocht in beslag waren genomen, heerschte er toch +een vage verwachting, dat de tocht niet zou doorgaan. [281] Des hertogen +eigen gelofte te Rijssel klonk dan ook wel zeer voorwaardelijk: hij zou +gaan, mits de landen, die God hem had toevertrouwd om te regeeren, in +vrede en veiligheid zijn. [282] + +Uitvoerig voorbereide en luidruchtig aangekondigde krijgsexpedities, +waar niets van komt, schijnen overigens, ook afgescheiden van het +kruistochtideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn +geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in +1383, die van Philips den Stoute tegen Engeland in 1387, waartoe de +prachtige vloot zeilree lag in de haven van Sluis, die van Karel VI +tegen Italie in 1391. + +Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie met het doel van +politieke reclame was het altijd weer aangekondigde en nimmer +verwezenlijkte vorstenduel. Ik heb vroeger elders uiteengezet, hoe de +staatsgeschillen der vijftiende eeuw nog als een twist van partijen, een +persoonlijke querelle werden opgevat. [283] Men dient "la querelle des +Bourguignons". Wat was natuurlijker, dan dat de vorsten het zelf gingen +uitvechten, gelijk nu nog in het politieke spoorweggesprek wordt +verzucht?--Inderdaad was deze oplossing, die zoowel een primitief +rechtsgevoel als de ridderlijke fantazie bevredigde, telkens aan de +orde. Wanneer men leest van de uitvoerige toebereidselen tot die +vorstelijke tweegevechten, vraagt men zich twijfelend af, of dit alles +enkel een fraai spel van bewust veinzen is geweest, de zucht naar een +schoon leven alweer, of wel dat de vorstelijke kampvechters werkelijk +den strijd hebben verwacht. Zeker is het, dat de geschiedschrijvers van +dien tijd het even ernstig opnemen als de kamplustige vorsten zelf. +Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn kroniek een ruime +plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van Engeland door Lodewijk +van Orleans. [284] In het woeste en schitterende brein van dien Orleans, +waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en fantastische idealen +van ridderstrijd en hoofsche liefde naast debauche, cynisme en +tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk +voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest +van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de +middelen van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was +Humphrey van Glocester, dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de +uitdaging wordt duidelijk als motief vermeld: "pour eviter effusion de +sang chrestien et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay +compacion", "que par mon corps sans plus ceste querelle soit menee a +fin, sans y aler avant par voies de guerres, dont il convendroit mains +gentilz hommes et aultres, tant de vostre ost comme du mien, finer leurs +jours piteusement." [285] Alles werd voor den strijd in gereedheid +gebracht: het kostbare harnas en de prachtige kleederen, die de hertog +dragen zou, waren vervaardigd; er werd gewerkt aan tenten, standaarden +en vanen, wapenrokken voor de herauten en poursuivants, alles bezaaid +met de blazoenen van 's hertogen landen, met den vuurslag en het Sint +Andrieskruis. Philips was in training: "tant en abstinence de sa bouche +comme en prenant painne pour luy mettre en alainne." [286] In zijn park +te Hesdin oefende hij zich dagelijks onder leiding van ervaren +vechtmeesters. [287] De rekeningen vermelden de kosten, aan dat alles +besteed, en nog in 1460 was de kostbare tent, voor deze gelegenheid +vervaardigd, te Rijssel te zien. [288] Maar van het gevecht kwam niets. + +Dit belette niet, dat hij later in het geschil met den hertog van Saksen +over Luxemburg, dezen opnieuw kamp aanbood, en dat bij het feest van +Rijssel, toen Philips bijna zestig jaar oud was, zijn kruisgelofte +inhield, dat hij gaarne bereid was, den Grooten Turk corps a corps te +bestrijden, als deze dat verkoos. [289] Men vindt den weerklank van die +hardnekkige kampliefde van Philips den Goede nog in een verhaaltje van +Bandello, hoe hij eens met de grootste moeite weerhouden zou zijn van +een eereduel met een zijner edelen. [290] + +De vorm handhaaft zich nog in de volle Italiaansche Renaissance. +Francesco Gonzaga biedt kamp aan Cesare Borgia: met zwaard en dolk wil +hij Italie van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den +koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een +roerende verzoening besluit het geval. [291] Zelfs Karel V heeft nog in +allen vorm aangeboden, den strijd met Frans I door een persoonlijk +tweegevecht te beslechten. + +De gerechtelijke en de spontane tweekamp leefde juist in de Bourgondische +landen en in het twistzieke Noorden van Frankrijk nog bijzonder sterk in +zeden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de beslissing +bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen op zich zelf +weinig te maken. Zoodra de strijd geen edelen geldt, ziet men al de ruwe +wreedheid van den tijd, ontdaan van het masker der hooghartige chevalerie. + +Niets is in dit opzicht merkwaardiger dan de verbazende belangstelling, +door de edelen en door de geschiedschrijvers aan den dag gelegd voor een +gerechtelijken kamp van twee burgers te Valenciennes in 1455. [292] +Het was een groote zeldzaamheid; in geen honderd jaar was zoo iets +voorgekomen. Die van Valenciennes wilden het tot elken prijs laten +doorgaan, want het betrof voor hen de handhaving van een oud privilege, +maar de graaf van Charolais, die het bewind voerde tijdens Philips' +afwezigheid in Duitschland, wilde het niet, en stelde de voltrekking van +maand tot maand uit, terwijl de beide partijen, Jacotin Plouvier en +Mahuot, als kostbare vechthanen werden vastgehouden. Toen de oude hertog +van zijn reis naar den keizer terug was, werd terstond beslist, dat de +strijd doorgaan zou. Philips wilde hem met alle geweld zelf zien; +daartoe alleen koos hij van Brugge naar Leuven den weg over +Valenciennes. Terwijl nu de ridderlijke geesten als Chastellain en La +Marche bij hun beschrijvingen van de feestelijke Pas d'armes van ridders +en edelen met alle inspanning van hun verbeelding geen enkele maal een +realiteit kunnen schilderen, geven zij hier het scherpst geziene beeld. +Hier komt de ruwe, felle Vlaming, die Chastellain was, onder de +prachtige houppelande van goud en rood granaatpatroon te voorschijn. +Geen bijzonderheid ontgaat hem van de "moult belle serimonie"; hij +beschrijft nauwkeurig het krijt en de banken rondom. De arme +slachtoffers hebben elk hun vechtmeester bij zich. Jacotin als klager +treedt het eerst binnen, blootshoofds met kort geknipt haar en heel +bleek. Hij is geheel genaaid in een kleeding van corduwaanleder uit een +stuk, zonder iets daaronder. Na eenige vrome kniebuigingen en begroeting +van den hertog, die achter een traliewerk gezeten is, wachten de +kampvechters het oogenblik af, zittende in twee met zwart bekleede +stoelen tegenover elkaar. De heeren in het rond maken zacht hun +opmerkingen over de kansen: alles wordt opgemerkt: Mahuot wordt +aschbleek, toen hij het evangelie kust! Dan komen twee knechten en +wrijven de kampvechters van den hals tot de enkels in met vet. Bij +Jacotin trekt het vet terstond in het leer, bij Mahuot niet: wien zou +dat teeken gunstig zijn? De handen worden met asch gewreven; zij nemen +suiker in den mond; dan brengt men hun de knotsen en schilden, waarop +heiligenfiguren staan geschilderd, die zij kussen. Zij dragen de +schilden met de punt omhoog, en hebben in de hand "une bannerolle de +devocion", een strook met een vrome spreuk. + +Mahuot, die klein was, begint het gevecht door met de punt van zijn +schild zand te scheppen en het Jacotin in de oogen te werpen. Een +woedend knotsgevecht volgt, het eindigt met den val van Mahuot; de ander +werpt zich boven op hem, en wrijft hem het zand in mond en oogen, maar +Mahuot krijgt een vinger van zijn vijand tusschen zijn tanden. Om zich +te bevrijden drukt deze hem den duim in de oogkassen, en ondanks zijn +geroep om genade draait hij hem de armen naar achteren en springt op den +rug, om hem te breken. Stervende schreeuwt Mahuot vergeefs om te mogen +biechten; dan roept hij: "O monseigneur de Bourgongne, je vous ay si +bien servi en vostre guerre de Gand! O monseigneur, pour Dieu, je vous +prie mercy, sauvez-moy la vie!"... Hier breekt het verhaal van +Chastellain af; er zijn eenige bladen weg; van anderen weten wij, hoe de +halfdoode Mahuot door den beul gehangen werd. + +Zou Chastellain het besloten hebben met een edele ridderlijke +bespiegeling, na dezen ellendigen gruwel met zooveel verve te hebben +verteld? La Marche deed het: hij bericht ons van de schaamte, die toch +achterna den adel beving, dat men dit had aangezien. En daarom, zegt de +onverbeterlijke hofpoeet, liet God een ridderlijk tweegevecht volgen, +dat onschadelijk afliep. + +Het conflict tusschen riddergeest en werkelijkheid vertoont zich het +duidelijkst, waar het ridderideaal zich tracht te doen gelden te midden +van den ernstigen krijg. Hoezeer ook het ridderideaal vorm en kracht +moge hebben gegeven aan den oorlogsmoed, het werkte toch in den regel op +de krijgvoering meer belemmerend dan bevorderend, daar het de eischen +der strategie opofferde aan die der levensschoonheid. Herhaaldelijk +stellen zich de beste aanvoerders, ja de koningen zelf, bloot aan de +gevaren van een romantisch krijgsavontuur. Eduard III waagt zijn leven +in een hachelijken aanslag op een convooi van Spaansche schepen. [293] +De ridders van koning Jan's orde van de Ster moeten zweren, dat zij in +den slag nooit verder zullen vluchten dan vier "arpents", anders hebben +zij te sterven of zich over te geven, welke zonderlinge spelregel +volgens Froissart terstond aan wel negentig het leven kostte. [294] +Wanneer Hendrik V van Engeland in 1415 den Franschen tegemoet gaat voor +den slag bij Azincourt, trekt hij bij vergissing op een avond het dorp, +dat zijn fouriers hem als nachtverblijf bestemd hadden, voorbij. Nu had +de koning, "comme celuy qui gardoit le plus les cerimonies d'honneur +tres loable", juist te voren gelast, dat de ridders, op verkenning uit, +hun wapenrok moesten afleggen, om niet in strijdgewaad terug te behoeven +te gaan. Toen hij nu zelf in wapenrok te ver vooruit was gegaan, kon hij +niet terug; hij overnachtte dus, waar hij gekomen was, en liet de +voorhoede dienovereenkomstig opschikken. [295] + +Bij de beraadslaging over den grooten Franschen inval in Vlaanderen in +1382 verzet zich voortdurend ridderzin tegen krijgskunde: "Se nous +querons autres chemins que le droit,--voert men aan tegen de adviezen +van Clisson en Coucy, om langs onverwachte omwegen binnen te +dringen,--"nous ne monsterons pas que nous soions droites gens d'armes." +[296] Evenzoo gaat het bij een inval van Franschen aan de Engelsche kust +bij Dartmouth in 1404. De eene aanvoerder, Guillaume du Chatel, wil de +Engelschen in de flank vallen, daar dezen zich door een gracht op het +strand hebben beschut. Maar de sire de Jaille noemt de verdedigers een +troep dorpers; het zou een schande zijn, voor zulke tegenstanders uit +den weg te gaan; hij spoort den ander aan, niet te vreezen. Dat woord +treft Du Chatel in het vleesch: "Dat zij verre van het edele hart van +een Breton, dat hij vreezen zou; nu zal ik, ofschoon ik eer den dood +voorzie dan de zege, de hachelijke fortuin beproeven." Hij voegt er de +gelofte aan toe, dat hij geen kwartier zal vragen, valt daarop aan, en +sneuvelt zelf, terwijl zijn bende deerlijk wordt verslagen. [297] Bij +den tocht naar Vlaanderen is er steeds groot gedrang, om in de voorhoede +te komen; een ridder, die met de achterhoede wordt belast, stribbelt +hardnekkig tegen. [298] + +De meest eigenlijke toepassing van het ridderideaal op den oorlog +bestond in de afgesproken aristieen, 't zij van twee strijders of van +gelijke groepen. Het befaamde Combat des Trente is er het type van. +Froissart vond het geweldig mooi, maar teekent toch tenslotte aan; +"Li aucun le tenoient a proece, et li aucun a outrage et grant +outrecuidance." [299] Een tweegevecht van Guy de la Tremoille en den +Engelschen edelman Pierre de Courtenay in 1386, dat strekken zou om de +superioriteit van Engelschen of Franschen te bewijzen, wordt door de +Fransche regenten Bourgondie en Berry verboden en nog op 't laatste +oogenblik verhinderd. [300] De afkeuring van dezen nutteloozen vorm van +dapperheidsbetoon wordt ook gedeeld door Le Jouvencel, van wien wij +reeds vroeger in 't licht stelden, hoe bij hem de ridder plaats maakt +voor den kapitein. Wanneer de hertog van Bedford een gevecht aanbiedt +van twaalf tegen twaalf, laat de schrijver van _Le Jouvencel_ den +Franschen aanvoerder antwoorden: er is een algemeene spreekwijze, dat +men niets moet doen op aanstichten van zijn vijand. Wij zijn hier, om +hen uit hun stelling te verdrijven, en dat geeft ons werk genoeg. En de +uitdaging wordt geweigerd. Elders laat hij Le Jouvencel een van zijn +officieren zulk een wedkamp weigeren met de verklaring (waarop hij +overigens tenslotte terugkomt), dat hij tot zoo iets nooit verlof zou +geven. Het zijn verboden dingen. Wie zulk een tweegevecht begeert, wil +aan een ander iets ontnemen, namelijk zijn eer, om zich een ijdele +glorie toe te kennen, die van geringe waarde is, terwijl hij intusschen +den dienst van zijn koning en van de publieke zaak verwaarloost. [301] + +Dat klinkt als een stem van den nieuwen tijd. Niettemin bleef de +gewoonte van die tweegevechten tusschen de fronten tot na de +Middeleeuwen voortduren; uit den tachtigjarigen oorlog kent men den +strijd van Breaute en Lekkerbeetje op de Vughtsche heide in 1600 en van +Lodewijk van de Kethulle tegen een grooten Albaneeschen ruiter voor +Deventer in 1591. + +Het krijgsbelang en de tactiek drongen meestal de ridderlijke opvattingen +naar den achtergrond. De voorstelling, dat ook de veldslag zelf niet +anders is dan een eerlijk afgesproken kamp om het recht, komt nog telkens +naar voren, maar vindt zelden gehoor tegenover de eischen van het +krijgsbeleid. Het Engelsche leger stelt den Schotten voor, om uit hun +gunstige positie af te dalen in de vlakte, opdat men elkander kan +bestrijden. Wanneer de koning van Frankrijk geen toegang vindt om Calais +te ontzetten, stelt hij den Engelschen beleefd voor, ergens een slagveld +te bepalen. Willem van Henegouwen gaat nog verder: hij doet den +Franschen koning het voorstel, drie dagen wapenstilstand te houden, ten +einde in dien tijd een brug te bouwen, waardoor de legers elkaar kunnen +bereiken om slag te leveren. [302] In al die gevallen wordt het +ridderlijke aanbod geweigerd; het strategisch belang behield de +overhand, ook bij Philips den Goede, toen hij een zwaren strijd te +voeren had met zijn riddereer, omdat hem op een dag driemaal de veldslag +is aangeboden, en hij dien niet heeft aanvaard. [303] + +Er bleef, ook al moest voor de werkelijke belangen het ridderideaal +zwichten, nog gelegenheid genoeg, om den oorlog fraai aan te kleeden. +Welk een bedwelming van fierheid moet er niet zijn uitgegaan van het +bonte en pralende krijgsdecoratief zelf! In den nacht voor Azincourt +sterken de beide legers, in de duisternis tegenover elkaar gelegen, hun +moed met de muziek der trompetten en bazuinen, en het wordt ernstig +beklaagd, dat de Franschen er niet genoeg hadden "pour eulx resjouyr", +en daardoor in lager stemming bleven. [304] In het laatst der vijftiende +eeuw komen de landsknechten met de groote trommels, [305] een ontleening +aan het Oosten. De trom met haar direct hypnotische, onmuzikale werking +beduidt treffend den overgang van het ridderlijke tijdperk naar het +modern-militaire; zij is een element in de mechaniseering van den krijg. +Omstreeks 1400 is al de schoone en half spelende suggestie van +persoonlijken wedijver in roem en eer nog in vollen fleur: door +helmteekens en blazoenen, vanen en wapenkreten behoudt de strijd een +individueel karakter en een element van sport. Den geheelen dag hoort +men de kreten der verschillende heeren uitroepen in een wedspel van +hoogmoed. [306] Voor en na het gevecht bezegelen de ridderslagen en de +rangverhoogingen het spel: ridders worden tot bannerets verheven door +het afsnijden van den wimpel van hun vaantjes. [307] Het beroemde kamp +van Karel den Stoute voor Neuss is ingericht met al den feestelijken +praal van een hofstaatsie: sommigen hebben hun tent laten bouwen "par +plaisance" in den vorm van een kasteel, met galerijen en tuinen +eromheen. [308] + +De krijgsbedrijven moesten bij de opteekening worden gevat in het raam +van ridderlijke opvattingen. Men wilde op technische gronden +onderscheiden, wat een slag en wat een treffen was, want elk gevecht +moest in de annalen van den roem zijn vaste plaats en naam hebben. Zoo +zegt Monstrelet: "Si fut de ce jour en avant ceste besongne appellee la +rencontre de Mons en Vimeu. Et ne fu declairee a estre bataille, pour ce +que les parties rencontrerent l'un l'autre aventureusement, et qu'il n'y +avoit comme nulles bannieres desploiees". [309] Hendrik V van Engeland +doopt zijn groote overwinning, "pour tant que toutes batailles doivent +porter le nom de la prochaine forteresse ou elles sont faictes", +plechtig als den slag van Azincourt. [310] Het overnachten op het +slagveld gold als het erkende teeken der overwinning. [311] + +De persoonlijke dapperheid van den vorst in den slag heeft somtijds een +bedenkelijk kunstmatig karakter. Froissart beschrijft een strijd van +Eduard III tegen een Fransch edelman bij Calais in termen, die zouden +doen vermoeden, dat het geen bittere ernst was. "La se combati li rois a +monsigneur Ustasse moult longuement et messires Ustasse a lui, et tant +que il les faisoit moult plaisant veoir". Tenslotte geeft de Franschman +zich over, en wordt het geval besloten met een souper, dat de koning +zijn gevangene aanbiedt. [312]--In het gevecht van Saint Richier laat +Philips van Bourgondie wegens het gevaar zijn prachtige wapenrusting +door een ander dragen, maar het heet, dat het is, om als een gewoon +krijgsman zichzelf beter te beproeven. [313] Wanneer de jonge hertogen +van Berry en Bretagne Karel den Stoute volgen in zijn guerre du bien +public, dragen zij, naar aan Commines werd verteld, schijnharnassen van +satijn met vergulde spijkertjes. [314] + +Overal steekt de leugen door de gaten van het ridderlijke staatsiekleed. +De werkelijkheid verloochent voortdurend het ideaal. Vandaar dat het +steeds meer zich terugtrekt in de sfeer van litteratuur, feest en spel: +daar alleen was de illusie van het schoone ridderlijke leven te +handhaven; daar is men onder elkaar in de kaste, waarbinnen al die +sentimenten enkel gelding hebben. + +Het is verbazend, zooals de ridderlijkheid onmiddellijk in gebreke +blijft, waar zij zou moeten gelden jegens niet-gelijkwaardigen. Zoodra +het lageren in stand betreft, ontbreekt elke behoefte aan ridderlijke +hoogheid. De edele Chastellain heeft niet het geringste begrip voor de +koppige burgereer van den rijken brouwer, die zijn dochter niet aan 's +hertogen soldaat wil geven, en er lijf en goed aan waagt, om den hertog +te weerstreven. [315] Froissart vertelt zonder een zweem van eerbied, +hoe Karel VI het lijk van Philips van Artevelde wilde zien. "Quand on +l'eust regarde une espasse on le osta de la et fu pendus a un arbre. +Vela le darraine fin de che Philippe d'Artevelle." [316] De koning zou +zich zelfs niet ontzien hebben, het lijk te schoppen, "en le traitant de +vilain". [317] De gruwelijkste wreedheden van de edelen tegen de burgers +van Gent in den oorlog van 1382, wanneer zij veertig graanschippers +verminkt en met uitgestoken oogen naar de stad terugzenden, bekoelen +Froissart geen oogenblik in zijn geestdrift voor de ridderij. [318] +Chastellain, die zwelgt in de heldendaden van Jacques de Lalaing en +zijns gelijken, vermeldt zonder eenige sympathie die van een onbekenden +Gentschen knaap, die alleen op Lalaing aanviel. [319] La Marche zegt +althans naief van heldenfeiten, door een Gentenaar uit het volk +verricht, dat het van belang zou zijn geweest, als het "un homme de +bien" geweest was. [320] + +Op alle wijzen drong anders de werkelijkheid de negatie van het +ridderlijke ideaal aan de geesten op. De veldheerskunst had sedert lang +de tournooihouding opgegeven: de oorlog van de veertiende en vijftiende +eeuw was er een van besluipen en verrassen, van strooptochten en raids. +De Engelschen hadden het eerst het afstijgen van de ridders in den slag +ingevoerd, en het werd aan Fransche zijde overgenomen. [321] Eustache +Deschamps meent spottend, dat het dient om het vluchten te beletten. +[322] Op zee, zegt Froissart, is het ijselijk vechten, want daar kan +men niet wijken en vluchten. [323] Buitengewoon naief komt de +ontoereikendheid der ridderlijke opvattingen als militair beginsel uit +in het _Debat des herauts d'armes de France et d'Angleterre,_ een +tractaat van omstreeks 1455, waarin in den vorm van een twistgesprek de +voorrang van Frankrijk boven Engeland wordt betoogd. De Engelsche heraut +heeft den Franschen gevraagd, waarom zijn koning niet een groote +scheepsmacht onderhoudt, gelijk die van Engeland. Wel, antwoordt de +Fransche heraut, dat heeft hij niet noodig, en bovendien: de Fransche +adel houdt meer van den oorlog te land dan ter zee, om verschillende +redenen: "car il y a danger et perdicion de vie, et Dieu scet quelle +pitie quant il fait une tourmente (storm), et si est la malladie de la +mer forte a endurer a plusieurs gens. Item, et la dure vie dont il fault +vivre, qui n'est pas bien consonante a noblesse." [324] Hoe gering van +uitwerking ook nog, reeds kondigde het kanon de toekomstige veranderingen +van den oorlog aan. Het was als een ironische symboliek, dat het puik der +dolende ridders "a la mode de Bourgogne," Jacques de Lalaing, gedood werd +door een kanonschot. [325] + +Er was aan de adellijk-militaire carriere een financieele kant, die +dikwijls zeer vrijmoedig wordt bekend. Elke bladzijde der +laat-middeleeuwsche krijgsgeschiedenis geeft te verstaan, hoe zeer het +daarbij aankwam op het maken van aanzienlijke gevangenen, terwille van +den losprijs. Froissart verzuimt niet te vermelden, hoeveel de bedrijver +van een geslaagde overrompeling bij de zaak verdiende. [3286 Maar +behalve de directe baten van den oorlog spelen ook de pensioenen en +renten en gouverneursposten in het leven van den ridder een groote rol. +Het vooruitkomen wordt grif als doel aanvaard. "Je sui uns povres homs +qui desire mon avancement", zegt Eustache de Ribeumont. Froissart +vertelt zijn eindelooze faits divers van den ridderkrijg onder andere +tot voorbeeld van de dapperen, "qui se desirent a avanchier par armes." +[327] Deschamps heeft een ballade, waarin de ridders, knapen en +sergianten van het hof van Bourgondie staan te hunkeren naar den +betaaldag, met het refrein: + + "Et quant venra le tresorier?" [328] + +Chastellain vindt het natuurlijk en gepast, dat iemand die naar +aardschen roem streeft, gierig en berekenend is, "fort veillant et +entendant a grand somme de deniers, soit en pensions, soit en rentes, +soit en gouvernemens ou en pratiques." [329] En inderdaad schijnt zelfs +de edele Boucicaut, die allen ridders ten voorbeeld werd gesteld, van +bijzondere geldzucht niet vrij te zijn geweest. [330] De nuchtere +Commines begroot een edelman naar zijn salaris als "ung gentilhomme de +vingt escuz." [331] + +Tusschen al de luide verheerlijking van het ridderlijke leven en den +ridderlijken krijg klinkt af en toe de bewuste negatie van het +ridderideaal: soms nuchter, soms hoonend. De edelen zelf zagen bijwijlen +de opgepoetste ellende en de valschheid van zulk een leven van krijg en +tournooien.[332] Het was niet te verwonderen, dat de twee sarcastische +geesten, die voor het ridderdom niet dan spot en minachting hadden, +elkaar gevonden hebben: Lodewijk XI en Philippe de Commines. De +beschrijving van den slag bij Montlhery bij Commines is in haar nuchter +realisme volkomen modern. Hier geen schoone heldendaden, geen fictief +dramatisch verloop, maar slechts het relaas van een voortdurend komen en +gaan, een twijfelen en vreezen, steeds verteld met een licht sarcasme. +Hij schijnt erin te genieten, als hij van smadelijk vluchten kan +vertellen en van den moed, die terugkeert, als het gevaar geweken is. +Hij gebruikt weinig het woord "honneur", en behandelt de eer bijna als +een noodzakelijk kwaad. "Mon advis est que s'il eust voulu s'en aller +ceste nuyt, il eust bien faict.... Mais sans doubte, la ou il avoit de +l'honneur, il n'eust point voulu estre reprins de couardise". Zelfs waar +hij bloedige ontmoetingen verhaalt, zoekt men vergeefs de terminologie +der ridderschap: het woord dapperheid of ridderlijkheid kent hij niet. +[333] + +Zou het zijn Zeeuwsche moeder Margaretha van Arnemuiden zijn geweest, +van wie Commines zijn nuchteren geest had? Het schijnt immers wel, dat +in Holland, ondanks den Henegouwschen Willem IV, den ijdelen avonturier, +de riddergeest vroegtijdig aan het afsterven was, terwijl juist +Henegouwen, waarmee het vereenigd was, altijd het echte land van den +ridderlijken adel is geweest. Bij het Combat des Trente was de beste aan +Engelsche zijde een zekere Crokart, een voormalige knecht van de heeren +van Arkel. Hij had in den oorlog groot fortuin gemaakt: wel 60.000 +kronen en een stal met dertig paarden; daarbij had hij grooten roep van +dapperheid verworven, zoodat de koning van Frankrijk hem ridderschap en +een aanzienlijk huwelijk beloofde, als hij Fransch wilde worden. Deze +Crokart kwam met zijn roem en zijn rijkdom in Holland terug, en hield er +grooten staat; maar de Hollandsche heeren wisten nog wel, wie hij was, +en namen geen notitie van hem, zoodat hij terugkeerde naar het land, +waar men ridderlijke faam beter waardeerde. [334] + +Wanneer Jan van Nevers zich gereedmaakt, om de reis naar Turkije te +ondernemen, waar hij Nicopolis zou vinden, laat Froissart hertog +Albrecht van Beieren, den graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, tot +zijn zoon Willem zeggen: "Guillemme, puisque tu as la voulente de +voyagier et aler en Honguerie et en Turquie et querir les armes sur gens +et pays qui oncques riens ne nous fourfirent, ne nul article de raison +tu n'y as d'y aler fors que pour la vayne gloire de ce monde, laisse +Jean de Bourgoigne et nos cousins de France faire leurs emprises, et fay +la tienne a par toy, et t'en va en Frise et conquiers nostre heritage." +[335] + +Van al de landen van Bourgondie was de adel van Holland bij de +kruisgeloften van het feest te Rijssel verreweg het slechtst +vertegenwoordigd. Toen na het feest nog meer geloften schriftelijk in de +verschillende landen werden ingezameld, kwamen er uit Artois nog 27, uit +Vlaanderen 54, uit Henegouwen 27, en uit Holland 4, en deze luiden nog +zeer voorwaardelijk en voorzichtig. [336] + + * * * * * + +De chevalerie zou niet het levensideaal van eeuwen zijn geweest, indien +daarin niet hooge waarden aanwezig waren geweest voor de ontwikkeling +der samenleving, indien het niet sociaal, ethisch en aesthetisch +noodzakelijk was geweest. Juist in de schoone overdrijving had eenmaal +de kracht van dit ideaal gelegen. Het is, alsof de middeleeuwsche geest +in haar bloedige hartstochtelijkheid slechts te leiden was, door het +ideaal veel te hoog te stellen: zoo deed het de kerk, zoo deed het de +ridderlijke gedachte. "Without this violence of direction, which men and +women have, without a spice of bigot and fanatic, no excitement, no +efficiency. We aim above the mark to hit the mark. Every act hath some +falsehood of exaggeration in it." [337] + +Doch naarmate een cultuurideaal meer gevuld is met de aanspraak op de +hoogste deugden, is de disharmonie tusschen levensvorm en werkelijkheid +grooter. Het ridderideaal met zijn nog half-religieuzen inhoud kon +slechts worden beleden door een tijd, die nog voor zeer sterke +realiteiten de oogen kon sluiten, die vatbaar was voor de volstrekte +illusie. De zich vernieuwende beschaving dwingt, dat uit den ouden +levensvorm de al te hooge aspiraties worden prijsgegeven. De ridder gaat +over in den virtuoso der Renaissance, in den Franschen gentilhomme der +17e eeuw, tenslotte in den modernen gentleman, en bij elke transformatie +schijnt een hulsel van leugen af te vallen. + +De ridderlijke levensvorm was al te zwaar beladen met idealen van +schoonheid, deugd en nuttigheid. Bezag men hem met nuchteren +werkelijkheidszin, zooals Commines, dan leek al die hooggeroemde +chevalerie zoo nutteloos en onecht, een opgemaakte vertooning, een +belachelijk anachronisme: de werkelijke roerselen, die de menschen deden +handelen en het lot van staten en gemeenschappen bepaalden, lagen er +buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst +zwak, nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische +zijde, die immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een +waarlijk geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter +zonde en ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt +bezweek het ideaal: zelfs de schoonheid van dien levensvorm was aan alle +kanten open voor ontkenning. Al mocht het ridderlijke leven soms burgers +begeerlijk schijnen, uit den adel zelf kwam de groote moeheid en +onvoldaanheid voort. Het schoone spel van het hoofsche leven was zoo +bont, zoo valsch, zoo druk. Weg uit die moeizaam opgezette levenskunst +naar veiligen eenvoud en rust. + +Er waren dan twee wegen van het ridderlijk ideaal af: die naar het +werkelijke, actieve leven en den modernen geest van onderzoek, en die +naar de wereldverzaking. Maar deze laatste weg splitste zich als de Y +van Pythagoras in tweeen: de hoofdlijn was die van het echte geestelijk +leven, de zijlijn hield den rand van de wereld met haar genietingen. De +zucht naar het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en +verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg +open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en +lichter droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd +als een belofte van natuurlijk geluk met al den glans, waarmee zij sinds +Theocritus geschenen had. De groote bevrediging scheen mogelijk zonder +strijd, door een vlucht, weg van den wedijver vol haat en nijd om ijdele +eer en rang, weg van de drukkende, overladen weelde en staatsie en van +den wreeden, gevaarlijken krijg. + +De lof van het eenvoudig leven was een thema, dat de middeleeuwsche +litteratuur reeds van de Oudheid had meegekregen. Het dekt zich niet +volkomen met de pastorale; men heeft te doen met een positieve en een +negatieve uiting van hetzelfde sentiment: de eerste is de pastorale, de +laatste de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van +het aristocratische levensideaal. Doch beide vloeien voortdurend ineen. +Op het thema van de misere van het hofleven hadden reeds in de twaalfde +eeuw Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten _De nugis +curialum_ geschreven. In het veertiendeeeuwsche Frankrijk had het zijn +klassieke uitdrukking gekregen in het gedicht van Philippe de Vitri, +bisschop van Meaux, musicus en poeet beide, door Petrarca geprezen: _Le +Dit de Franc Gontier_. [338] De versmelting met de pastorale is hier +volkomen. + + "Soubz feuille vert, sur herbe delitable + Lez ru bruiant et prez clere fontaine + Trouvay fichee une borde portable, + Ilec mengeoit Gontier o dame Helayne + Fromage frais, laict, burre fromaigee, + Craime, matton, pomme, nois, prune, poire, + Aulx et oignons, escaillongne froyee + Sur crouste bise, au gros sel, pour mieulx boire." [339] + +Na den maaltijd kussen zij elkander "et bouche et nez, polie et bien +barbue"; vervolgens gaat Gontier in het bosch een boom hakken, terwijl +dame Helayne aan het wasschen gaat. + + "J'oy Gontier en abatant son arbre + Dieu mercier de sa vie seuere: + "Ne scay--dit-il--que sont pilliers de marbre, + Pommeaux luisans, murs vestus de paincture; + Je n'ay paour de traison tissue + Soubz beau semblant, ne qu'empoisonne soye + En vaisseau d'or. Je n'ay la teste nue + Devant thirant, ne genoil qui s'i ploye. + Verge d'uissier jamais ne me deboute, + Car jusques la ne m'esprent convoitise, + Ambicion, ne lescherie gloute. + Labour me paist en joieuse franchise; + Moult j'ame Helayne et elle moy sans faille, + Et c'est assez. De tombel n'avons cure." + Lors je dy: "Las! serf de court ne vault maille, + Mais Franc Gontier vault en or jame pure." [340] + +Dat bleef voor de volgende geslachten de klassieke uitdrukking van het +ideaal des eenvoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid, +met de geneuchten van matigheid, gezondheid, arbeid en natuurlijke, +onverwikkelde liefde in het huwelijk. + +Eustache Deschamps zong den lof van het eenvoudig leven en den afkeer +van het hof in tal van balladen na. Hij geeft onder andere een trouwe +nabootsing van _Franc Gontier:_ + + "En retournant d'une court souveraine + Ou j'avoie longuement sejourne, + En un bosquet, dessus une fontaine + Trouvay Robin le franc, enchapele, + Chapeauls de flours avoit cilz afuble + Dessus son chief, et Marion sa drue...." [341] + +Hij breidt het thema uit met de bespotting van krijgsmansleven en +ridderschap. In soberen ernst beklaagt hij de ellende en wreedheid van +den oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zeven +hoofdzonden zijn zijn dagelijksch werk, hebzucht en ijdele roemzucht +zijn het wezen van den krijg. + + ... "Je vueil mener d'or en avant + Estat moien, c'est mon oppinion, + Guerre laissier et vivre en labourant: + Guerre mener n'est que dampnacion." [342] + +Of wel hij verwenscht spottend dengeen, die hem zou willen uitdagen, of +laat zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt, +uitdrukkelijk verbieden. [343] Doch meestal is het het thema der aurea +mediocritas op zich zelf. + + "Je ne requier a Dieu fors qu'il me doint + En ce monde lui servir et loer, + Vivre pour moy, cote entiere ou pourpoint, + Aucun cheval pour mon labour porter, + Et que je puisse mon estat gouverner + Moiennement, en grace, sanz envie, + Sanz trop avoir et sanz pain demander, + Car au jour d'ui est la plus seure vie." [344] + +Roemzucht en winstbejag brengen niets dan ellende, de arme is tevreden +en gelukkig, en leeft ongestoord en lang: + + ... "Un ouvrier et uns povres chartons + Va mauvestuz, deschirez et deschaulx + Mais en ouvrant prant en gre ses travaulx + Et liement fait son euvre fenir. + Par nuit dort bien; pour ce uns telz cueurs loiaulx + Voit quatre roys et leur regne fenir." [345] + +De gedachte, dat de eenvoudige werker vier koningen overleeft, beviel +den dichter zoo goed, dat hij haar herhaaldelijk te pas bracht. [346] + +De uitgever van Deschamps' poezie, Gaston Raynaud, neemt aan, dat al de +gedichten van deze strekking, [347] veelal onder de beste, die Deschamps +maakte, zijn toe te schrijven aan zijn laatsten tijd, toen hij, ontzet +van zijn ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het +hofleven zou hebben begrepen. [348] Een inkeer zou het dus zijn. Zou het +niet veeleer een reactie, een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf, +midden in zijn leven van jagenden hartstocht en overdaad heeft, stel ik +mij voor, deze producten begeerd en genoten van zijn brooddichter, die +een andermaal zijn gaven prostitueerde, om hun grofsten lachlust te +bevredigen. + +Omstreeks 1400 is het de kring van vroegste Fransche humanisten, +tendeele samenvallend met de reformpartij der groote concilien, die op +het thema der misprijzing van het hofleven voortwerkt. Pierre d'Ailly +zelf, de groote theoloog en kerkpoliticus, dicht een pendant bij _Franc +Gontier_, het beeld van den tiran in zijn slavenleven vol van vreezen. +[349] Zijn geestverwanten gebruiken den nieuw opgefrischten Latijnschen +briefvorm ertoe: zoo Nicolaas de Clemanges, [350] zoo zijn correspondent +Jean de Montreuil. [351] Tot dien kring behoorde de Milanees Ambrosius +de Miliis, secretaris van den hertog van Orleans, die aan Gontier Col +een litterairen brief schreef, waarin een hoveling zijn vriend +waarschuwt voor de intrede in den hofdienst. [352] Deze brief, zelf in +vergetelheid geraakt, werd vertaald door, of kwam althans in vertaling +onder den titel _Le Curial_ op naam van Alain Chartier, den befaamden +hofdichter. [353] _Le Curial_ werd weer in het latijn overgebracht door +den humanist Robert Gaguin. [354] + +In den vorm van een allegorisch gedicht, trant _Roman de la rose_, +behandelde zekere Charles de Rochefort het thema. Zijn _L'abuze en +court_ kwam op naam van koning Rene. [355] Jean Meschinot dicht als al +zijn voorgangers: + + "La cour est une mer, dont sourt + Vagues d'orgueil, d'envie orages.... + Ire esmeut debats et outrages, + Qui les nefs jettent souvent bas; + Traison y fait son personnage. + Nage aultre part pour tes ebats." [356] + +Nog in de zestiende eeuw had het oude thema zijn bekoring niet verloren. +[357] + +Veiligheid, rust en onafhankelijkheid, dat zijn de goede dingen, waarom +men het hof wil ontvlieden voor het eenvoudig leven in arbeid en +matigheid, temidden der natuur. Dat is de negatieve kant van het ideaal. +Doch de positieve kant is niet zoo zeer de vreugde aan arbeid en eenvoud +zelf als wel het welbehagen aan de natuurlijke liefde. Het herdersideaal +leidt ons onmiddellijk over tot de vormen der erotische cultuur. + + + +NOTEN: + + +[143] Deschamps, II p. 226. + +[144] Chastellain, Le miroer des nobles hommes en France, VI p. 204, +Exposition sur verite mal prise, VI p. 416, L'entree du roy Loys en +nouveau regne, VII p. 10. + +[145] Froissart, ed. Kervyn, XIII, p. 22; Jean Germain, Liber de +virtutibus ducis Burg., p. 109; Molinet, I p. 83, III p. 100. + +[146] Monstrelet, II p. 241. + +[147] Chastellain. VII p. 13-16. + +[148] Chastellain. III p. 82, IV p. 170, V p. 279, 309. + +[149] Jacques du Clercq. II p. 245. vgl. p. 339. + +[150] Zie hierboven blz. 15**. + +[151] Chastellain, III p. 82-89. + +[152] Chastellain, VII p. 90ss. + +[153] Chastellain, II p. 345. + +[154] Deschamps no. 113, t. I p. 230. + +[155] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius. Leiden 1613, p. 48, cap. IX. + +[156] Gerson, Opera, IV p. 583-622, zie Denifle & Chatelain, +Chartularium Univ. Paris. IV no. 1819. + +[157] Bij H. Denifle, La desolation des eglises etc. en France. Paris +1897-'99, 2 vol., I p. 497-513. + +[158] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 402. + +[159] Rob. Gaguini Epistole et orationes, ed. L. Thuasne (Bibl. litt. de +la Renaissance t. II) Paris 1903, 2 vol., II p. 321, 350. + +[160] Froissart. ed. Kervyn, XII p. 4; Le livre des trahisons p. 19, 26; +Chastellain, I p. XXX, III p. 325, V p. 260. 275, 325, VII p. 466-480; +Thomas Basin, passim, vooral I p. 44, 56, 59, 115; vgl. La complainte du +povre commun et des povres laboureurs de France (Monstrelet, VI p. 176-190.) + +[161] Les Faictz et Dictz de messire Jehan Molinet, Paris, Jehan Petit, +1537, f. 87vso. + +[162] Ballade 19, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses +oeuvres, Bibl. de l'ecole des chartes LVI, 1895, p. 296; vgl. Les +Lunettes des princes ib. p. 607, 613. + +[163] Masselin, Journal des Etats Generaux de France tenus a Tours en +1484, ed. A. Bernier, (Coll. des documents inedits) p. 672. + +[164] Deschamps, VI no. 1140, p. 67. + +[165] Deschamps, VI p. 124 no. 1176. + +[166] Molinet, II p. 104-107; Jean le Maire de Belges, Les chansons de +Namur 1507. + +[167] Chastellain. Le miroir des nobles hommes de France, VI p. 203, +211, 214. + +[168] Le Jouvencel, ed. C. Favre et L. Lecestre (Soc. de l'hist. de +France) 1887-'89, 2 vol., I p. 13. + +[169] Livre des faicts du mareschal de Boucicaut, Petitot. Coll. de +mem., VI p. 375. + +[170] Philippe de Vitri, Le chapel des fleurs de lis (1335), ed. A. +Piaget, Romania XXVII 1898, p. 80ss. + +[171] Zie daarover La Curne de Sainte Palaye, Memoires sur l'ancienne +chevalerie, 1781, II p. 94-96. + +[172] Molinet, I p. 16/17. + +[173] N. Jorga, Philippe de Mezieres, p. 469. + +[174] l.c., p. 506. + +[175] Froissart, ed. Luce, I p. 2/3; Monstrelet, I p. 2; d'Escouchy, +I p. I; Chastellain, I prologue, II p. 116. VI p. 266; La Marche, I p. +187; Molinet, I p. 17, II p. 54. + +[176] Lefevre de S. Remy, II p. 249; Froissart. ed. Luce, I p. I; vgl. +Le debat des herauts d'armes de France et d'Angleterre, ed. L. Pannier +et P. Meyer, (Soc. des anciens textes francais) 1887, p. 1. + +[177] Chastellain, V p. 443. + +[178] Les origines de la France contemporaine. La Revolution, I p. 190. + +[179] Die Kultur der Renaissance in Italien,(10) II p. 155. + +[180] l.c., I p. 152-165. + +[181] Froissart, ed. Luce, IV p. 112. + +[182] Le Dit de Verite, Chastellain, VI p. 221. + +[183] Le livre de la paix, Chastellain, VII p. 367. + +[184] Froissart, ed. Luce, I p. 3. + +[185] Le cuer d'amours epris, Oeuvres du roi Rene, ed. De Quatrebarbes, +Angers 1845, 4 vol., t. III p. 112. + +[186] Lefevre de S. Remy, II p. 68. + +[187] Doutrepont, p. 183. + +[188] La Marche, II p. 216, 334. + +[189] Ph. Wielant, Antiquites de Flandre, ed. De Smet (Corp. chron. +Flandriae IV) p. 56. + +[190] Commines, I p. 390, vgl. de anecdote bij Doutrepont, p. 185. + +[191] Chastellain, V p. 316-319. + +[192] P. Meyer, Bull. de la soc. des anc. textes francais 1883, p. +45-54. + +[193] Deschamps. nos. 12, 93, 207, 239, 362, 403, 432, 652. I p. 86, +199, II p. 29, 69, X p. xxxv. Ixxviss. + +[194] Journal d'un bourgeois, p. 274. Een gedicht van 9 strofen over de +9 dapperen in verschillende handschriften van Haarlemsche keuren uit de +XVe eeuw, zie mijn Rechtsbronnen van Haarlem, p. xlvi vg. In het midden +der 16e eeuw kent John Coke hen nog als The Nyne Worthyes, The debate +betwene the Heraldes, ed. L. Pannier et P. Meyer, Le debat des herauts +d'armes, p. 108 Sec. 171. + +[195] Molinet, faictz et dictz, f. 151(v). + +[196] La Curne de Sainte Palaye, II p. 88. + +[197] Deschamps, no. 206, 239, II p. 27, 69, no. 312, II p. 324, Le lay +du tres bon connestable B. du Guesclin. + +[198] S. Luce, La France pendant la guerre de cent ans, p. 231: Du +Guesclin, dixieme preux. + +[199] La mort du roy Charles VII. Chastellain, VI p. 440. + +[200] Laborde, II p. 242, no. 4091; 138, no. 242, id. p. 146, no. 3343, +p. 260, no. 4220, p. 266, no. 4255. Het souter is tijdens den Spaanschen +successieoorlog verworven door Joan van den Berg, commissaris der Staten +in Belgie, en berust thans in de Leidsche Universiteitsbibliotheek. + +[201] Burckhardt, Kultur der Ren. I(14) p. 246. + +[202] Le livre des faicts du mareschal Boucicaut, ed. Petitot, Coll. de +memoires 1e serie, t. VI, VII. + +[203] Le livre des faicts, VI p. 379. + +[204] Ib. VII. p. 214, 185. 200/1. + +[205] Chr. de Pisan, Le debat des deux amants, Oeuvres poetiques, II p. 96. + +[206] Antoine de la Sale, La salade, chap. 3, Paris, M. Le Noir, 1521, +f. 4vso. + +[207] Le livre des cent ballades, ed. G. Raynaud (Soc. des anciens +textes francais), p. Iv. + +[208] Ed. C. Favre et L. Lecestre, Soc. de l'hist. de France, 1887/9. + +[209] Le Jouvencel, I p. 25. + +[210] Le livre des faits du bon chevalier Messire Jacques de Lalaing, +ed. Kervyn de Lettenhove. Chastellain, Oeuvres VIII. + +[211] II p. 20. + +[212] W. James, The varieties of religious experience, Gifford lectures +1901/2, London 1903, p. 318. + +[213] Le livre des faicts, p. 398. + +[214] ed. G. Raynaud, Societe des anciens textes francais, 1905. + +[215] Twee heidenen uit den roman van Aspremont. + +[216] Les Voeux du heron vs. 354-371, ed. Soc. des bibliophiles de Mons, +no. 8, 1839. + +[217] Brief van den graaf van Chimay aan Chastellain, Oeuvres, VIII p. 266. + +[218] Perceforest, bij Quatrebarbes, Oeuvres du roi Rene II p. xciv. + +[219] Des trois chevaliers et del chainse, van Jakes de Baisieux, ed. +Scheler, Trouveres belges I, 1876, p. 162. + +[220] Rel. de S. Denis, I p. 594ss.; Juvenal des Ursins, p. 379. + +[221] Dionysii Cartusiani Opera t. XXXVI p. 206. + +[222] Deschamps, I p. 222, no. 108, I p. 223, no. 109. + +[223] Journal d'un bourgeois de Paris, p. 59, 56. + +[224] La Marche, II p. 119, 144; d'Escouchy, I p. 245(1), 247(8); +Molinet, III p. 460. + +[225] Chastellain, VIII p. 238. + +[226] La Marche. I p. 292. + +[227] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, bij Chastellain, VIII +p. 188 s. + +[228] Oeuvres du roi Rene, I p. lxxv. + +[229] La Marche, III p. 123; Molinet, V p. 18. + +[230] La Marche, II p. 118, 121, 122, 133, 341; Chastellain, I p. 256, +VIII p. 217, 246. + +[231] La Marche, II p. 173, I p. 285; Oeuvres du roi Rene, I p. lxxv. + +[232] Oeuvres du roi Rene, I p. lxxxvi, II p. 57. + +[233] N. Jorga, Phil. de Mezieres. p. 348. + +[234] Chastellain, II p. 7, IV p. 233 cf. 269, VI p. 154. + +[235] La Marche, I p. 109. + +[236] Statuten der orde, bij Luc d'Achery, Spicilegium, III p. 730. + +[237] Chastellain. II p. 10. + +[238] Chronique scandaleuse, I p. 236. + +[239] Le songe de la thoison d'or, bij Doutrepont, p. 154. + +[240] Fillastre. Le premier volume de la toison dor, Paris 1515, fol. 2. + +[241] Boucicaut, I p, 504; Jorga, Ph. de Mezieres, p. 83, 463(8); +Romania, XXVI p. 395(1), 396(2); Deschamps, XI p. 28; Oeuvres du roi +Rene, I p. xi; Monstrelet, V p. 449. + +[242] Deschamps, no. 908/10, XI p. 232, 14, 68. + +[243] Froissart. Poesies, ed. A. Scheler, (Acad. royale de Belgique) +1870-'72, 3 vol., II p. 341. + +[244] Alain Chartier, La ballade de Fougeres, p. 718. + +[245] Richteren 6. + +[246] La Marche, IV p. 164; Jacques du Clercq, II p. 6. + +[247] Liber Karoleidos vs. 88 (Chron. rel. a l'hist. de Belg. sous la +dom. des ducs de Bourg. III). + +[248] Gen. 30.32; 4 Reg. (2 Kon.) 3.4; Job 31.20; Psalm 71.6. +(Statenvert. 72.6: "nagras", waar Vulg. "vellus" heeft). + +[249] Guillaume Fillastre, Le Second volume de la toison dor, Paris, +Franc. Regnault, 1516. fol. 1, 2. + +[250] La Marche, III p. 201, IV p. 67; Lefevre de S. Remy, II p. 292; +het ceremonieel van zulk een doop bij Humphrey van Glocester's heraut +Nicolas Upton, De officio militari, ed. E. Bysshe (Bissaeus) London, +1654, lib. I, c. XI, p. 19. + +[251] Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon, +(Bibl. elzevirienne) Paris, 1854, p. 241 ss. + +[252] Voeu du heron, ed. Soc. des bibl. de Mons, p. 17. + +[253] Froissart, ed. Luce, I p. 124. + +[254] Sedert eenigen tijd. + +[255] Zal uitgaan. + +[256] Rel. de S. Denis, III p. 72. Harald Harfagri doet de gelofte, zijn +haar niet te laten afsnijden, eer hij heel Noorwegen veroverd heeft, +Haraldarsaga Harfagra, cap. 4; vgl. Voluspa 33. + +[257] Jorga, Ph. de Mezieres, p. 76. + +[258] Claude Menard, Hist. de Bertrand du Guesclin, p. 39, 55, 410, 488, +La Curne, I p. 240. + +[259] Douet d'Arcq, Choix de Pieces inedites rel. au regne de Charles +VI. (Soc. de l'hist. de France 1863) I p. 370. + +[260] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, chap. XVI ss., +Chastellain, VIII p. 70. + +[261] Le petit Jehan de Saintre, chap. 48. + +[262] Germania cap. 31; La Curne, I p. 236. + +[263] Heimskringla, Olafssaga Tryggvasonar, cap. 35; Weinhold, +Altnordisches Leben, p. 462. + +[264] La Marche, II p. 366. + +[265] La Marche. II p. 381-387. + +[266] La Marche, l.c.; d'Escouchy, II p. 166, 218. + +[267] d'Escouchy, II p. 189. + +[268] Doutrepont, p. 513. + +[269] ib. p. 110, 112. + +[270] Chastellain, III p. 376. + +[271] Hierboven blz. 123. [Zie alinea die begint met: "Quant sommes es +..., M.D.] + +[272] Chronique de Berne (Molinier no. 3103) bij Kervyn, Froissart, II +p. 531. + +[273] d'Escouchy, II p. 220. + +[274] Froissart, ed. Luce, X p. 240, 243. + +[275] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, Chastellain, VIII p. +158-161. + +[276] La Marche, IV Estat de la maison p. 34, 47. + +[277] Zie mijn verhandeling Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal +besef, de Gids 1912, 1. + +[278] Ps. 50, 19 (51, 20). + +[279] Monstrelet, IV p. 112; Pierre de Fenin, p. 363; Lefevre de Saint +Remy, II p. 63; Chastellain, I p. 331. + +[280] Zie J.D. Hintzen, De kruistochtplannen van Philips den Goede, +Leidsche dissertatie 1918. + +[281] Chastellain, III p. 6, 10, 34, 77, 118, 119, 178, 334; IV p. 125, +128, 171, 431, 437, 451, 470; V p. 49. + +[282] La Marche, II p. 382. + +[283] Uit de voorgeschiedenis van ons nat. besef, de Gids 1912, I. + +[284] Monstrelet, I p. 43ss. + +[285] Monstrelet, IV p. 219. + +[286] Pierre de Fenin, p. 626/7; Monstrelet, IV p. 244; Liber de +Virtutibus, p. 27. + +[287] Lefevre de Saint Remy, II p. 107. + +[288] Laborde, I p. 201s. + +[289] La Marche, II p. 27, 382. + +[290] Bandello, I nov. 39: Filippo duca di Burgogna si mette fuor di +proposito a grandissimo periglio. + +[291] F. von Bezold, Aus dem Briefwechsel der Markgraefin Isabella von +Este-Gonzaga, Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 396. + +[292] Chastellain. III p. 38-49; La Marche, II p. 400ss.; d'Escouchy, II +p. 300ss.; Corp. chron. Flandr., III p. 525; Petit Dutaillis, Documents +nouveaux, p. 113, 137.--Over een blijkbaar ongevaarlijken vorm van +gerechtelijk tweegevecht: Deschamps IX p. 21. + +[293] Froissart, ed. Luce, IV p. 89/94. + +[294] Froissart, IV p. 127/8. + +[295] Lefevre de S. Remy, I p. 241. + +[296] Froissart, XI p. 3. + +[297] Rel. de S. Denis, III p. 175. + +[298] Froissart, XI p. 24ss., VI p. 156. + +[299] Ib., IV p. 110, 115. Andere soortgelijke gevechten b.v. Molinier, +Sources, IV no. 3707; Molinet, IV p. 294. + +[300] Rel. de S. Denis, I p. 392. + +[301] Le Jouvencel, I p. 209, II p. 99, 103. + +[302] Froissart, I p. 65. IV p. 49, II p. 32. + +[303] Chastellain, II p. 140. + +[304] Monstrelet, III p. 101; Lefevre de S. Remy, I p. 247. + +[305] Molinet, II p. 36, 48, III p. 98, 453. IV p. 372. + +[306] Froissart. III p. 187, XI p. 22. + +[307] Chastellain, II p. 374. + +[308] Molinet, I p. 65. + +[309] Monstrelet, IV p. 65. + +[310] ib., III p. 111, Lefevre de S. Remy, I p. 259. + +[311] Basin, III p. 57. + +[312] Froissart, IV p. 80. + +[313] Chastellain, I p. 260; La Marche, I p. 89. + +[314] Commines, I p. 55. + +[315] Chastellain, III p. 82ss. + +[316] Froissart, XI p. 58. + +[317] Ms. Kroniek van Oudenaarde, bij Rel. de S. Denis, I p.229(1). + +[318] Froissart, IX p. 220, XI p. 202. + +[319] Chastellain, II p. 259. + +[320] La Marche, II p. 324. + +[321] Chastellain, I p. 28, Commines, I p. 31; vgl. Petit Dutaillis in +Lavisse, Histoire de France, IV(2) p. 33. + +[322] Deschamps, IX p. 80, vgl. vs. 2228, 2295, XI p. 173. + +[323] Froissart, II p. 37. + +[324] La Debat des herauts d'armes Sec. 86, 87, p. 33. + +[325] Livre des faits, bij Chastellain, VIII p. 252(2) en xix. + +[326] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 24. + +[327] Froissart, IV p.83, ed. Kerv., XIp. 4. + +[328] Deschamps, IV no. 785, p. 289. + +[329] Chastellain, V p. 217. + +[330] Le Songe veritable, Mem. de la soc. de l'hist. de Paris, t. XVII +p. 325, bij Raynaud, Les cent ballades, p. 1v(1). + +[331] Commines, I, p. 295. + +[332] Livre messires Geoffroi de Charny, Romania XXVI. + +[333] Commines, I p. 36-42, 86, 164. + +[334] Froissart, IV p. 70, 302; vgl. ed. Kervyn de Lettenhove, Bruxelles +1869-1877, 26 vol., V p. 513. + +[335] Froissart, ed. Kervya, XV p. 227. + +[336] Doutrepont, p. 112. + +[337] Emerson, Nature, ed. Routledge, 1881, p. 230/1. + +[338] A. Piaget, Romania, XXVII 1898, p. 63. + +[339] Lez ru = bij een beek, o = met, bij, matton = roomkaas, aulx = +knoflook, escaillongne = sjalot. + +[340] Jame = gemme. + +[341] Deschamps, no. 315, III p. 1. + +[342] Deschamps, I p. 161, no.65, vgl. I p. 78 no. 7, p. 175 no. 75. + +[343] Deschamps, no. 1287, 1288, 1289. VII p. 33, vgl. no. 178, I p. 313. + +[344] Deschamps, no. 240, II p. 71, vgl., no. 196, II p. 15. + +[345] Deschamps, no. 184, I p. 320. Chartons = voerman, ouvrant = werkende. + +[346] Deschamps no. 1124, no. 307, VI p. 41, II p. 213, Lai de +franchise. + +[347] Vgl. verder Deschamps, no. 199, 200, 201, 258, 291, 970, 973, +1017, 1018, 1021, 1201, 1258. + +[348] Deschamps, XI p. 94. + +[349] Romania XXVII 1898, p. 64. + +[350] N. de Clemanges, Opera ed. 1613, Epistolae no. 14, p. 57, no. 18, +p. 72, no. 104, p. 296. + +[351] Joh. de Monasteriolo. Epistolae, Martene & Durand, Ampl. +Collectio. II. c. 1398. + +[352] Ib. c. 1459. + +[353] Alain Chartier, Oeuvres ed. Duchesne, 1617, p. 391. + +[354] Zie Thuasne. I p. 37, II p. 202. + +[355] Oeuvres du roi Rene, ed. Quatrebarbes, IV p. 73, vgl. Thuasne, II +p. 204. + +[356] Meschinot, ed. 1522, f. 94, bij La Borderie, Bibl. de l'Ec. des +Chartes, LVI, 1895, p. 313. + +[357] Vgl. Thuasne, 1. c., p. 205. + + + * * * * * + + +IV + +DE VORMEN DER LIEFDE + + +Sedert de Provencaalsche troubadours der twaalfde eeuw het eerst de +melodie van het onbevredigd verlangen hadden aangeheven, hadden de +violen van het liefdelied al hooger en hooger gezongen, totdat alleen +Dante het instrument meer zuiver bespelen kon. + +Het was een der gewichtigste wendingen van den middeleeuwschen geest +geweest, toen hij voor het eerst een liefdesideaal ontwikkelde met een +negatieven grondtoon. De Oudheid had voorzeker ook het smachten en de +smarten der liefde bezongen; maar was toch eigenlijk daar het smachten +niet enkel gezien als het uitstel en de prikkel der zekere vervulling? +En in het droef-eindend liefdeverhaal der Oudheid was niet de +verijdeling van het verlangen het stemmingsmoment, maar het dramatisch +door den dood afbreken der reeds vervulde min, zooals van Cephalus en +Procris, van Pyramus en Thisbe. De aandoening van droefheid lag er niet +in de erotische onbevredigdheid, maar in het treurig lotgeval. Eerst in +de hoofsche minne der troubadours is de onbevredigdheid zelf hoofdzaak +geworden. Er was een erotische gedachtenvorm geschapen, die vatbaar was +om een overvloed van ethisch gehalte in zich op te nemen, zonder daarom +ooit het verband met de natuurlijke vrouwenliefde geheel op te geven. +Uit de zinnelijke liefde zelf was de edele vrouwendienst zonder +aanspraak op vervulling voortgesproten. De liefde moest nu het veld +zijn, waarop alle aesthetische en zedelijke volmaking des menschen +bloeien moest. Zuiver vergeestelijkt "vulde zij zich met de heiligste +vroomheid: la vita nuova. + +Toen moest een nieuwe wending komen. In den dolce stil nuovo van Dante +en zijn tijdgenooten was een uiterste bereikt. Petrarca staat alweer +weifelend tusschen het ideaal der vergeestelijkte hoofsche liefde en de +nieuwe inspiratie der Oudheid. En van Petrarca naar Lorenzo de Medici +neemt in Italie het minnelied den weg terug naar de natuurlijke +zinnelijkheid, die ook de bewonderde antieke modellen doordrong. Het +kunstig uitgewerkte systeem der hoofsche min was weder prijsgegeven. + +In Frankrijk en de landen, die onder den ban van Frankrijk's geest +stonden, was de wending anders gekomen. De ontwikkeling der erotische +gedachte sedert den hoogsten bloei der hoofsche lyriek is er minder +eenvoudig. De vormen van het systeem blijven van kracht, maar vullen +zich met anderen geest. Daar had, nog voordat de _Vita nova_ de eeuwige +harmonie vond van een vergeestelijkte passie, de _Roman de la rose_ +nieuwen inhoud gegoten in de vormen der hoofsche min. Ongeveer twee +eeuwen lang heeft het werk van Guillaume de Lorris en Jean Clopinel (of +Chopinel) [358] de Meun, begonnen voor 1240 en voor 1280 voltooid, niet +alleen de vormen der aristocratische liefde volkomen beheerscht, maar +bovendien door zijn encyclopaedischen rijkdom aan uitweidingen op alle +mogelijke gebieden de schatkamer opgeleverd, waaruit de beschaafde +leeken het levendste van hun geestelijke ontwikkeling putten. Het kan +niet gewichtig genoeg worden geschat, dat aldus de heerschende klasse +van een gansch tijdperk haar levenskennis en haar eruditie kreeg in het +raam van een ars amandi. In geen anderen tijd heeft zich het ideaal van +wereldlijke beschaving zoodanig geamalgameerd met dat der vrouwenliefde +als in de twaalfde tot vijftiende eeuw. Alle christelijke en +maatschappelijke deugden, alle volmaking van levensvormen waren in het +systeem der min geschikt in het kader der trouwe liefde. De erotische +levensbeschouwing, 't zij in haar ouderen zuiver hoofschen vorm, 't zij +in haar belichaming in den _Roman de la rose_, kan op een lijn gesteld +worden met de gelijktijdige scholastiek. Beide vertegenwoordigen een +grootsche poging van den middeleeuwschen geest, om onder een +gezichtspunt alles wat des levens is te begrijpen. + +In de bonte uitbeelding van de vormen der liefde concentreerde zich al +het streven naar levensschoonheid. Wie die schoonheid zocht in eer en +rang, zijn leven wilde tooien met praal en staatsie, kortom wie de +schoonheid des levens in den hoogmoed zocht, zag zich altijd weer +geplaatst voor het inzicht in de ijdelheid dier dingen. Maar in de +liefde scheen, tenzij men afscheid had genomen van alle aardsch geluk, +het doel en het wezen de genieting der schoonheid zelve. Hier was geen +levensschoonheid te scheppen uit edele vormen ter begeleiding van een +hoogen staat, hier woonde de diepste schoonheid en het hoogste geluk +zelf, en wachtte slechts om versierd te worden met kleur en stijl. Elk +ding van schoonheid, elke bloem en elke klank, kon dienst doen om den +levensvorm der liefde op te bouwen. + +Het streven naar de styleering der liefde was meer dan een ijdel spel. +Het was de geweldigheid van den hartstocht zelf, die aan deze felle +samenleving der late Middeleeuwen gebood, het liefdeleven te verheffen +tot een schoon spel van edele regels. Hier bovenal was op straffe van +barbaarschheid de behoefte, om de aandoeningen te encadreeren in vaste +vormen. Onder de lagere standen was de beteugeling der ongebondenheid +aan de Kerk overgelaten, die daarin slaagde zoo goed en zoo kwaad als +een kerk dat vermag. In de aristocratie, die zich onafhankelijker voelde +van de Kerk, omdat zij een stuk cultuur had buiten het kerkelijke, +vormde zich in de veredele erotiek zelf een rem op de teugelloosheid; +litteratuur, mode en omgangsvormen oefenden er een normeerenden invloed +op het liefdeleven uit. + +Of althans, zij schiepen een schoonen schijn, waarnaar men waande te +leven. Want in den grond bleef ook onder de hoogere standen het +liefdeleven bijster ruw. De dagelijksche zeden waren daarbij nog van een +vrijmoedige onbeschaamdheid, die latere tijden verloren hebben. De +hertog van Bourgondie laat voor het Engelsche gezantschap, dat hij te +Valenciennes verwacht, de badstoven der stad in orde maken "pour eux et +pour quiconque avoient de famille, voire bains estores de tout ce qu'il +faut au mestier de Venus, a prendre par choix et par election ce que on +desiroit mieux, et tout aux frais du duc." [359] De ingetogenheid van +zijn zoon Karel den Stoute wordt hem door velen euvel geduid als voor +een vorst niet passend. [360] Onder de mechanieke vermakelijkheden van +den lusthof te Hesdin vermelden de rekeningen "ung engien pour moullier +les dames en marchant par dessoubz." [361] + +Doch het is geen tekortschieten aan het ideaal alleen. Naast den stijl +der veredele liefde had ook de ongebondenheid zelf haar stijl, en wel +een zeer ouden. Men kan hem den epithalamischen stijl noemen. Op het +gebied van de verbeeldingen der liefde erft een verfijnde samenleving +als die der laatste Middeleeuwen zooveel overoude motieven, dat de +erotische stijlen met elkaar wedijveren of zich onderling vermengen. +Veel ouder wortels en een even vitale beteekenis als de stijl der +hoofsche min had die primitieve vorm der erotiek, die de +geslachtsgemeenschap zelf verheerlijkt, door de christelijke cultuur +verdrongen uit zijn waarde van heilig mysterie, maar niettemin altijd +even levend. + +De geheele epithalamische toestel, met zijn onbeschaamden lach en zijn +phallische symboliek, had eens deel uitgemaakt van de heilige riten zelf +der bruiloftsviering. Huwelijksplechtigheid en bruiloftsfeest waren +eenmaal ongescheiden geweest: een groot mysterie, dat zich concentreerde +op de copulatie. Toen was de Kerk gekomen en had de heiligheid en het +mysterie voor zich genomen, door ze te verleggen naar het sacrament der +plechtige verbintenis. De accessoires van het mysterie, de stoet en het +lied en de juichkreet, had zij overgelaten aan het bruiloftsfeest. Maar +daar leefden zij nu, ontdaan van hun sacraal karakter, in des te +wulpscher ongebondenheid voort, en de Kerk was machteloos gebleven, die +daar te keeren. Geen kerkelijke zedigheid kon den heftigen levenskreet +van het Hymen o Hymenaee! dempen. Geen puriteinsche zin heeft de +schaamtelooze publiciteit van den huwelijksnacht uit de zeden doen +verdwijnen, immers onze zeventiende eeuw kent haar nog in vollen fleur. +Eerst het moderne individueele sentiment, dat in stilte en duister +hullen wilde, wat van twee alleen was, heeft die zede gebroken. + +Wanneer men zich herinnert, dat nog in 1641 bij de bruiloft van den +jongen prins van Oranje met Maria van Engeland de practical jokes niet +ontbraken, om den bruidegom, een knaap nog, de consummatie van het +huwelijk quasi te beletten, dan verbaast men zich niet over de +onbeschaamde uitgelatenheid, waarmee vorstelijke en adellijke huwelijken +omstreeks 1400 plachten gevierd te worden. Het obsceen gegrinnik, +waarmee Froissart de bruiloft van Karel VI met Isabeau van Beieren, +oorsprong van groote tragedien, verhaalt, of het epithalamium, dat +Deschamps aan Antonie van Bourgondie wijdde, kunnen als voorbeelden +strekken. [362] De _Cent nouvelles nouvelles_ vertellen als iets heel +gewoons van een bruidspaar, dat met de vroegmis trouwt, en na een +lichten maaltijd terstond te bed gaat. [363] Al de grappen, die hetzij +bij de bruiloft of bij het liefdeleven in 't algemeen hoorden, werden +ook voor het gezelschap van dames passend geacht. De _Cent nouvelles +nouvelles_ dienen zich aan, zij het met eenige ironie, als "glorieuse et +edifiant euvre", als verhalen "moult plaisants a raconter en toute bonne +compagnie". Een adellijke rijmer maakt een lascive ballade op verzoek +van Madame de Bourgogne en al de dames en jufferen van haar hof. [364] + +Het is duidelijk, dat al deze dingen niet gevoeld zijn als tekortkomingen +aan het hooge en stijve ideaal van eer en welvoegelijkheid. Er is hier +een tegenstrijdigheid, die niet mag worden verklaard door de edele vormen +en de groote mate van preutschheid, die de Middeleeuwen op ander gebied +vertoonen, als hypocrisie te beschouwen. Evenmin is de schaamteloosheid +een saturnalisch uit den band springen. Nog onjuister is het, om de +epithalamische obsceniteiten als een teeken van decadence, van +aristocratische overbeschaving te beschouwen, zooals ten opzichte van +onze zeventiende eeuw is geschied. [365] De dubbelzinnigheden, de obscene +woordspelingen, de lascive verzwijgingen hooren in den epithalamischen +stijl thuis, ze zijn er overoud. Ze worden begrijpelijk, als men ze +beschouwt tegen hun ethnologischen achtergrond: als de tot omgangsvormen +verzwakte resten van het phallische symbolisme der primitieve cultuur. +Als ontmunt mysterie derhalve. Wat eenmaal, toen de grenzen van spel en +ernst nog niet door de cultuur heen waren getrokken, de heiligheid van +het ritueele verbond met de uitgelatenheid der levensvreugde, kon in een +christelijke samenleving slechts meer gangbaarheid hebben als prikkelende +luim en spot. Dwars tegen vroomheid en courtoisie in handhaafden zich in +de bruiloftsgebruiken de sexueele verbeeldingen met al hun levende kracht. + +Men kan, als men wil, het geheele komisch-erotische genre beschouwen als +wilde loten uit den stam van het epithalamium: de vertelling, de klucht, +het liedje. Doch het verband met dien mogelijken oorsprong is lang +verloren; het is een litteratuurgenre op zich zelf geworden; de komische +werking is het zelfstandig doel geworden. Alleen de aard der komiek is +nog altijd dezelfde als die van het epithalamium: zij berust doorgaans +op de symbolische aanduiding der sexueele dingen, of de travesti der +geslachtsliefde in de begrippen van eenig maatschappelijk bedrijf. Bijna +elk werk of ambacht leende zijn termen tot erotische allegorie, toen als +altijd. Het ligt voor de hand, dat in de veertiende en vijftiende eeuw +vooral het tournooi, de jacht en de muziek [366] er de stof toe leverden. +De behandeling van liefdegevallen in de vormen van het rechtsgeding, +zooals de _Arrestz d'amour_, hoort feitelijk niet onder de categorie der +travesti. Doch er was een ander gebied, dat voor de inkleeding van het +erotische bijzonder geliefd was, en wel het kerkelijke. De uitdrukking +van het sexueele in kerkelijke termen werd in de Middeleeuwen toegepast +met een buitengewone vrijmoedigheid. In de _Cent nouvelles nouvelles_ is +het enkel het gebruik van woorden als benir of confesser in obscenen +zin, of de woordspeling van saints en seins, die men niet moede werd te +herhalen. Doch in gekuischter opvatting ontwikkelt zich de kerkelijk- +erotische allegorie tot een litterairen vorm op zich zelf. Het is de +dichterkring van den fijnen Charles d'Orleans, die de droeve liefde +verbeeldt onder de gedaante der kloosterlijke askese, der liturgie en +van het martelaarschap. In navolging van de strenge hervorming van het +Franciscaansche kloosterleven omstreeks 1400 noemen zij zich Les +amoureux de l'observance. Het is als een ironische pendant van den +strakken ernst van den dolce stil nuovo. De heiligschennende strekking +wordt half geboet door de innigheid van het amoureuze sentiment. + + "Ce sont ici les dix commandemens, + Vray Dieu d'amours.... + Lors m'appella, et me fist les mains mettre + Sur ung livre, en me faisant promettre + Que feroye loyaument mon devoir + Des points d'amour". [367] + +Hij zegt van een gestorven minnaar: + + "Et j'ay espoir que brief ou (au) paradis + Des amoureux sera moult hault assis, + Comme martir et tres honnore saint." + +En van de eigen doode geliefde: + + "J'ay fait l'obseque de ma dame + Dedens le moustier amoureux, + Et le service pour son ame + A chante Penser doloreux. + Mains sierges de soupirs piteux + Ont este en son luminaire, + Aussi j'ay fait la tombe faire + De regrets...." [368] + +In het zuivere gedicht _L'amant rendu cordelier de l'observance +d'amour_, dat de opneming van een troosteloozen minnaar in het klooster +van de martelaars der liefde in den breede beschrijft, is al het +zacht-komische effekt, dat de kerkelijke travesti beloofde, tot het +uiterste uitgewerkt. Is het niet, alsof de erotiek telkens weer, zelfs +op perverse wijze, met het heilige een aanraking moest zoeken, die zij +lang te voren verloren had? + +De erotiek moest, om cultuur te zijn, tot elken prijs een stijl zoeken, +een vorm die haar bond, een uitdrukking, die haar bedekte. En zelfs waar +zij dien vorm versmaadde en afdaalde van scabreuze allegorie tot de +regelrechte en ongesluierde behandeling van het geslachtsleven, blijft +zij haars ondanks toch nog gestyleerd. Het geheele genre, dat door een +groven geest licht voor erotisch naturalisme gehouden wordt, dat, waar +de mannen nimmer uitgeput en de vrouwen altijd willig zijn, is evengoed +als de edelste hoofsche min een romantische fictie. Wat anders dan +romantiek is de laffe verwaarloozing van alle natuurlijke en +maatschappelijke complicaties der liefde, de bemanteling van al het +leugenachtige, het zelfzuchtige en het tragische in het geslachtsleven +met den schoonen schijn van een ongestoord jolijt? Ook hier is het de +groote cultuuraandrift: de zucht naar het schoone leven, de behoefte om +het leven schooner te zien dan de werkelijkheid het bood, de forceering +van het liefdeleven in den vorm van een fantastischen wensch, maar thans +door overdrijving naar den dierlijken kant. Ook hier een levensideaal: +het ideaal der onkuischheid. + +De werkelijkheid is te allen tijde slechter en ruwer geweest dan het +verfijnd litteraire liefdesideaal haar zag, maar ook zuiverder en +ingetogener dan de platte erotiek, die veelal als naturalistisch geldt, +haar voorstelde. Eustache Deschamps, de brooddichter, pleegt in tal +van komische balladen, waarin hij sprekend optreedt, zich tot de +liederlijkste gemeenheid te verlagen. Maar hij is niet de werkelijke +held van die obscene gevallen, en te midden ervan treft een teer versje, +waarin hij zijn dochter op de voortreffelijkheid van haar gestorven +moeder wijst. [369] + +Als bron van litteratuur en cultuur moest het gansche epithalamische +genre met al zijn uitloopers en vertakkingen steeds op de tweede plaats +blijven. Het heeft tot thema de uiterste en volledige bevrediging zelve, +het is directe erotiek. Maar datgene, wat tot levensvorm en +levensversiering dienen kan, is de indirecte erotiek, die tot thema +heeft de mogelijkheid der bevrediging, de belofte, het verlangen, het +ontberen, de nadering van het geluk. Hier wordt de opperste bevrediging +verschoven in het onuitgesprokene, omhuld met al de lichte sluiers der +verwachting. De indirecte erotiek is daardoor alleen reeds van veel +langer adem, bedekt een veel wijder levensveld. En zij kent de liefde +niet alleen en majeur of met het lachende masker, maar is ook in staat, +de smarten der liefde te verwerken tot schoonheid, en heeft daardoor +een oneindig hooger levenswaarde. Zij kan in zich opnemen de ethische +elementen van de trouw, den moed, de edele zachtmoedigheid, en zich +zoodoende verbinden met andere strevingen naar het ideale dan naar dat +der liefde alleen. + +Geheel in overeenstemming met den algemeenen geest der latere +Middeleeuwen, die al het denken tot het uitvoerigste wilde verbeelden en +in systeem brengen, had nu de _Roman de la rose_ aan de gansche erotische +cultuur een vorm gegeven, zoo bont, zoo wel-sluitend en zoo rijk, dat +hij was als een schat van profane liturgie, leer en legende. En juist +het tweeslachtige van den _Roman de la rose_, werk van twee dichters van +geheel verschillenden aard en opvatting, maakte hem nog bruikbaarder als +bijbelboek der erotische cultuur: men vond er teksten in voor verschillend +gebruik. + +Guillaume de Lorris, de eerste dichter, had nog het oude hoofsche ideaal +gehuldigd. Van hem was de bekorende opzet en de blijde, zoete verbeelding +van het onderwerp. Het is het steeds gebruikte thema van een droom. De +dichter ziet zich vroeg in een meimorgen uitgegaan, om den nachtegaal en +den leeuwerik te hooren. Zijn pad brengt hem langs een rivier tot den +muur van den geheimzinnigen tuin der liefde. Op dien muur ziet hij de +beeltenissen geschilderd van Haat, Verraad, Dorperheid, Hebzucht, +Gierigheid, Nijd, Droefgeestigheid, Ouderdom, Kwezelarij (Papelardie) en +Armoede: de anti-hoofsche eigenschappen. Maar Dame Oiseuse (Ledigheid), +de vriendin van Deduit (Vermaak), opent hem de poort. Daarbinnen leidt +Liesse (Blijheid) den dans. De Liefdegod danst er met Schoonheid in de +rei, waarin Rijkdom, Mildheid, Vrijmoedigheid (Franchise), Hoofschheid +(Courtoisie) en Jeugd deelen. Terwijl de dichter bij de Narcissusfontein +verzonken is in bewondering van den rozeknop, die hij daar ontwaart, +schiet de Liefdegod hem met zijn pijlen: Beaute, Simplesse, Courtoisie, +Compagnie en Beau-Semblant. De dichter verklaart zich Liefde's dienstman +(homme lige), Amour sluit hem het hart met een sleutel, en ontvouwt hem +liefde's geboden, liefde's kwaden (maux) en haar goed (biens). +Esperance, Doux-Penser, Doux-Parler, Doux-Regard heeten de laatste. + +Bel-Accueil, de zoon van Courtoisie, noodt hem tot de rozen, maar dan +komen de bewakers van de roos: Danger, Male-Bouche, Peur en Honte, en +verdrijven hem. Nu begint de verwikkeling. Raison daalt van haar hoogen +toren, om den minnaar te belezen, Ami troost hem, Venus spant haar +kunsten tegen Chastete, Franchise en Pitie brengen hem naar Bel-Accueil +terug, die hem toestaat, de roos te kussen. Maar Male-Bouche vertelt +het, Jalousie komt aanloopen, en nu wordt om de rozen een sterke muur +gebouwd. Bel-Accueil wordt in een toren opgesloten. Danger en zijn +gezellen bewaken de poorten. Met een klacht van den minnaar eindigde het +werk van Guillaume de Lorris. + +Toen is Jean de Meun gekomen, vrij wat later waarschijnlijk, en heeft +het voortgezet met een veel omvangrijker vervolg en slot. Het verder +verloop van de handeling, de aanval en vermeestering van het kasteel der +rozen door Amour met al zijn bondgenooten, de hoofsche deugden, maar ook +Bien Celer, Faux-Semblant, verdrinkt bijna in den vloed van uitweidingen, +beschouwingen, verhalen, waarmee de tweede dichter het werk tot een ware +encyclopaedie heeft gemaakt. Maar wat vooral van gewicht is: hier sprak +een geest, zoo onbevangen, zoo sceptisch-koel en cynisch-wreed, als de +Middeleeuwen zelden hebben opgeleverd, daarbij een hanteerder der +Fransche taal als weinigen. De naieve, lichte idealiteit van Guillaume +de Lorris werd overschaduwd door den ontkennenden geest van Jean de +Meun, die niet aan spoken en toovenaars en ook niet aan trouwe liefde en +vrouwelijke eerbaarheid geloofde, die voor pathologische problemen oog +had, die aan Venus, Nature en Genius de stoutste verdediging van +zinnelijken levensdrang in den mond legde. + +Wanneer Amor vreest, met zijn leger de nederlaag te zullen lijden, zendt +hij Franchise en Doux-Regard naar Venus, zijn moeder, die aan den oproep +gehoor geeft, en op haar duivenwagen te hulp komt. Als Amor haar den +staat van zaken meedeelt, zweert zij, geen kuischheid ooit meer bij +eenige vrouw te zullen laten, en spoort Amor aan, denzelfden eed ten +aanzien der mannen te doen, en het gansche leger zweert mede. + +Intusschen is Nature in haar smidse bezig met haar werk, het onderhouden +der soorten, haar eeuwige worsteling tegen den Dood. Zij beklaagt zich +bitter, dat van al de schepselen alleen de mensch haar geboden +overtreedt, en zich onthoudt van de voortteling. Op haar last begeeft +zich Genius, haar priester, na de lange biecht, waarin Nature hem haar +werken ontvouwt, naar het leger der Liefde, om daar Nature's vloek te +slingeren over de versmaders van haar geboden. Amor dost Genius uit met +een kazuifel, een ring, een staf en een mijter; Venus geeft hem +schaterlachende een brandende kaars in de hand, + + "Qui ne fu pas de cire vierge". + +De excommunicatie wordt ingeleid door de verwerping der maagdelijkheid +in een drieste symboliek, die uitloopt op een wonderlijk mysticisme. +De hel voor hen, die de geboden der natuur en der liefde niet in acht +nemen, voor de anderen de bebloemde weide, waar de Zoon der Maagd zijn +blanke schaapjes hoedt, die daar in eeuwige geneuchte de bloemen en het +kruid grazen, dat daar onverderfelijk bloeit. + +Wanneer Genius in de veste de kaars geslingerd heeft, wier vlam de +gansche wereld ontsteekt, begint de eindstrijd om den toren. Ook Venus +zelf slingert haar fakkel, dan vluchten Honte en Peur, en Bel-Accueil +staat den minnaar toe, de roos te plukken. + +Hier was derhalve met volle bewustheid het sexueele motief opnieuw in +het middelpunt geplaatst, en het was omkleed met zulk een kunstig +mysterie, ja met zooveel heiligheid, dat een grooter uitdaging aan het +kerkelijk levensideaal niet mogelijk was. In zijn volkomen heidensche +strekking kan men den _Roman de la rose_ als een schrede naar de +Renaissance beschouwen. In den uiterlijken vorm is hij schijnbaar echt +middeleeuwsch. Immers wat is middeleeuwscher dan de tot het uiterste +doorgevoerde personificatie der gemoedsaandoeningen en omstandigheden +der liefde? De figuren van den _Roman de la rose_: Bel accueil, +Doux-Regard, Faux Semblant, Male Bouche, Danger, Honte, Peur, staan op +een lijn met de echt-middeleeuwsche verbeeldingen van de deugden en +zonden in menschelijke gedaante: allegorieen of iets meer dan dat, +half-geloofde mythologemen. Doch waar is de de grens tusschen deze +voorstellingen en de herleefde nimfen, saters en geesten der +Renaissance? Ze zijn aan een andere sfeer ontleend, maar hun +verbeeldingswaarde is dezelfde, en de aankleeding van de figuren der +_Rose_ doet dikwijls denken aan de fantastisch bebloemde gestalten van +Botticelli. + +Hier was dan de liefdedroom verbeeld in een vorm, tegelijk gekunsteld en +gepassioneerd. De uitvoerige allegorie bevredigde alle eischen der +middeleeuwsche verbeelding. Zonder de personificaties had de geest de +gemoedsbewegingen niet kunnen uitdrukken en navoelen. Al de bonte kleur +en elegante lijn van dat onvergelijkelijke poppenspel was noodig, om een +begrippenstelsel der liefde te vormen, waarmee men elkander begreep. Men +hanteerde de figuren van Danger, Nouvel Penser, Male Bouche als de +gangbare termen van een wetenschappelijke psychologie. Het grondthema +hield den hartstocht levend. Want voor den bleeken dienst van een +getrouwde dame, die door de troubadours als onbereikbaar voorwerp van +smachtende vereering in de wolken was geschoven, was nu weer het +natuurlijkste erotische motief in de plaats gesteld: de hevige prikkel +van het geheim der maagdelijkheid, gesymboliseerd als de roos, en die te +winnen met kunst en volharding. + +In theorie was de liefde van den _Roman de la rose_ hoofsch en edel +gebleven. De tuin der levensvreugde is slechts voor uitverkorenen, en +door liefde toegankelijk. Wie hem betreden wil, moet vrij zijn van haat, +trouweloosheid, dorperheid, hebzucht, gierigheid, nijd, ouderdom, +huichelarij. Doch de positieve deugden, die hij daartegenover moet +stellen, toonen, dat het ideaal niet meer ethisch, als in de hoofsche +minne, maar enkel aristocratisch is. Het zijn: onbezorgdheid, +vatbaarheid voor vermaak, blijde zin, liefde, schoonheid, rijkdom, +mildheid, vrije zin (franchise) en courtoisie. Het zijn niet meer +evenzooveel veredelingen van den persoon door de afstraling der +geliefde, maar deugdelijke middelen om haar te winnen. En het is niet +meer de, zij het ook valsche, vereering der vrouw, die het werk bezielt, +maar, althans bij den tweeden dichter Jean Clopinel, de wreede +verachting voor haar zwakheid, de verachting, die in het zinnelijk +karakter dezer liefde zelf haar oorsprong heeft. + +Ondanks zijn groote heerschappij over de geesten had de _Roman de la +rose_ toch de oudere opvatting der liefde niet geheel kunnen verdringen. +Naast de verheerlijking van de flirt handhaafde zich ook de voorstelling +van de zuivere, ridderlijke, trouwe en zelfverzakende liefde, want deze +was een essentieel onderdeel van het ridderlijke levensideaal. Het was +een hoofsche twistvraag geworden in dien bonten kring van weelderig- +aristocratisch leven rondom den Franschen koning en zijn ooms van Berry +en Bourgondie, welke opvatting der liefde voor den waren edelman de +voorkeur verdiende; die van de echte courtoisie met haar smachtende +trouw en eerbaren dienst aan een dame, of die van den _Roman de la +rose_, waar de trouw slechts het middel was in dienst der jacht op de +vrouw. De edele ridder Boucicaut had zich met zijn tochtgenooten op een +reis naar het Oosten in 1388 tot den pleitbezorger der ridderlijke trouw +gemaakt, en met het dichten van het _Livre des cent ballades_ zich den +tijd gekort. De beslissing tusschen flirt en trouw wordt er den +beaux-esprits van het hof voorgelegd. + +Uit een dieper ernst welde het woord, waarmee eenige jaren later +Christine de Pisan zich in den strijd waagde. Deze moedige verdedigster +van vrouweneer en vrouwenrechten wendde zich tot den liefdegod met een +dichterlijken brief, die de klacht der vrouwen behelsde tegen al het +bedrog en al den smaad der mannen. [370] Zij wees de leer van den _Roman +de la rose_ met verontwaardiging van de hand. Sommigen vielen haar bij, +maar het werk van Jean de Meun had nog altijd een schaar van +hartstochtelijke vereerders en verdedigers. Er volgde een litteraire +strijd, waarin tal van voor- en tegenstanders het woord namen. En geen +geringe voorstanders waren het, die de _Rose_ hoog hielden. Vele knappe, +wetenschappelijke, doorgeleerde mannen,--verzekerde de proost van +Rijssel, Jean de Montreuil--, stelden den _Roman de la rose_ zoo hoog, +dat zij hem bijna vereerden (paene ut colerent), en dat zij liever hun +hemd zouden missen dan dat boek. [371] + +Het is voor ons niet gemakkelijk, de geestes- en gemoedssfeer te +begrijpen, waaruit de verdediging voortkwam. Want het waren geen wufte +hofjonkers, maar ernstige hooge ambtenaren, geestelijken zelfs tendeele, +zooals de genoemde proost van Rijssel Jean de Montreuil, secretaris van +den dauphin, later van den hertog van Bourgondie, die er met zijn +vrienden Gontier en Pierre Col in dichterlijke of latijnsche brieven +over correspondeerde, en anderen aanspoorde, om toch de verdediging van +Jean de Meun op zich te nemen. Het eigenaardigste is, dat deze kring, +die zich aldus kampioen stelde voor dat bonte, wulpsche, middeleeuwsche +werk, dezelfde is, waar de eerste kiemen van het Fransche humanisme +gekweekt werden. Jean de Montreuil is de schrijver van een groot aantal +Ciceroniaansche brieven vol humanistenwendingen, humanistenrhetoriek en +humanistenijdelheid. Hij en zijn vrienden Gontier en Pierre Col staan in +briefwisseling met den ernstigen reformgezinden theoloog Nicolaas de +Clemanges. + +Het was Jean de Montreuil zeker ernst met zijn litterair standpunt. Hoe +meer ik,--schrijft hij aan een ongenoemd rechtsgeleerde, die den Roman +bestreden had,--het gewicht der mysterien en de mysterien van het +gewicht van dat diepe en beroemde werk van meester Jean de Meun +doorvorsch, hoe meer ik mij verbaas over uwe afkeuring. Tot zijn +laatsten snik zal hij het verdedigen, en er zijn er velen, zooals hij, +die met geschrift, met stem en hand die zaak zullen dienen. [372] + +En als om te bewijzen, dat er in dien strijd over den _Roman de la rose_ +toch meer stak dan een stuk uit het groote gezelschapsspel van het +hofleven, nam tenslotte een man het woord, die wat hij sprak, terwille +van de hoogste zedelijkheid en zuiverste leer sprak, de beroemde +theoloog en kanselier der Parijsche universiteit Jean Gerson. Uit zijn +boekvertrek, des avonds 18 Mei 1402, dateerde hij een tractaat tegen den +_Roman de la rose_. Het is een antwoord op de bestrijding van een vorig +schrijven van Gerson door Pierre Col, [373] en ook dit was niet het +eerste geschrift, dat Gerson aan den Roman wijdde; het boek scheen hem +de gevaarlijkste pest, de bron van alle onzedelijkheid; hij wilde het +bij elke gelegenheid bestrijden. Herhaaldelijk trekt hij te velde tegen +den verderfelijken invloed "du vicieux romant de la rose." [374] Als hij +er een exemplaar van had,--zegt hij--, dat het eenige was, en duizend +pond waard, dan zou hij het liever verbranden, dan het te verkoopen om +in het licht te worden gegeven. + +Gerson ontleende den vorm van zijn betoog aan den tegenstander zelf: een +allegorisch vizioen. Op een morgen ontwakende voelt hij zijn hart hem +ontvlieden, "moyennant les plumes et les eles de diverses pensees, d'un +lieu en autre jusques a la court saincte de crestiente." Daar ontmoet +het Justice, Conscience en Sapience, en hoort, hoe Chastete den Fol +amoureux, dat is Jean de Meun, aanklaagt, die haar van de aarde met al +haar volgelingen verbannen heeft. Haar "bonnes gardes" zijn juist de +booze figuren van den roman: "Honte, Paour et Dangier le bon portier, +qui ne oseroit ne daigneroit ottroyer neis (pas meme) un vilain baisier +ou dissolu regart ou ris attraiant ou parole legiere." Een reeks van +verwijten slingert Kuischheid den Fol amoureux tegen: hij laat door de +vermaledijde oude vrouw leeren, "comment toutes jeunes filles doivent +vendre leurs corps tost et chierement sans paour et sans vergoigne, et +qu'elles ne tiengnent compte de decevoir ou parjurer." Hij hoont het +huwelijk en het kloosterleven; hij richt al de fantazie op de +vleeschelijke lusten, en wat het ergste is, hij laat door Venus, door +Nature, zelfs door Dame Raison de begrippen van het Paradijs en de +christelijke mysterien vermengen met die van het zingenot. + +Inderdaad, daar school het gevaar. Het groote werk met zijn vereeniging +van felle zinnelijkheid, hoonend cynisme en elegant symbolisme wekte in +de geesten een sensueel mysticisme, dat den ernstigen theoloog een +afgrond van zondigheid moest schijnen. Wat had niet Gerson's +tegenstander, Pierre Col, durven beweren! [375] Alleen de fol amoureux +zelf kan over de waarde van die dolle passie oordeelen; wie haar niet +kent, ziet haar slechts in een spiegel en een raadsel. Hij leende dus +voor de aardsche liefde het heilige woord van den brief aan de +Corinthen, om van haar te spreken, zooals de mysticus het van zijn +ekstase doet! Hij waagde het, te verklaren, dat Salomo's hoogheid tot +lof van Pharao's dochter is gedicht. Zij die het boek van de _Rose_ +hebben gesmaad, hebben voor Baal hun knieen gebogen. De Natuur wil niet, +dat een man een vrouw genoeg zij, en de Genius der Natuur is God. Ja, +hij durft Lucas II 23 misbruiken, om uit het evangelie zelf te bewijzen, +dat eertijds de vrouwelijke geslachtsorganen, de roos van den roman, +heilig zijn geweest. En vol vertrouwen in al die blasphemie roept hij de +verdedigers van het werk op, een turbe van getuigen, en dreigt Gerson, +dat deze zelf vervallen zal in een zinnelooze liefde, zooals het anderen +godgeleerden voor hem is gebeurd. + +Het gezag van den _Roman de la rose_ is door Gerson's aanval niet +getaand. In 1444 biedt een kanunnik van Lisieux, Estienne Legris, aan +Jean Lebegue, griffier van de rekenkamer te Parijs, een _Repertoire du +roman de la rose_ van zijn hand. [376] Nog in het laatst der vijftiende +eeuw kan Jean Molinet verklaren, dat de uitspraken van de _Rose_ +gangbaar waren als algemeene spreekwoorden. [377] Hij voelt zich +geroepen, om van den geheelen roman een moraliseerenden commentaar te +geven, waar de bron uit het begin van het gedicht tot symbool van den +doop wordt, de nachtegaal, die tot de liefde roept, de stem van +predikers en godgeleerden, en de roos Jezus zelf. Zelfs Clement Marot +heeft nog een moderniseering van het werk gegeven. + +Terwijl de deftige geletterden hun pennestrijd voerden, vond de +aristocratie in den strijd een welkome aanleiding tot feestelijke +conversatie en pompeus vermaak. Boucicaut, geprezen door Christine de +Pisan om zijn hooghouden van het oude ideaal van ridderlijke trouw in de +liefde, vond wellicht in haar woord weer de aanleiding tot het stichten +van zijn Ordre de l'ecu verd a la dame blanche, ter verdediging van +verdrukte vrouwen. Maar hij kon niet wedijveren met den hertog van +Bourgondie, en zijn orde werd terstond in de schaduw gesteld door de +grootsch opgezette Cour d'amours, die op 14 Februari 1401 werd opgericht +in het hotel d'Artois te Parijs. Het was een luisterrijk aangekleed +litterair salon. Philips de Stoute, hertog van Bourgondie, de oude +berekenende staatsman, had met Lodewijk van Bourbon den koning verzocht, +het liefdehof in te stellen tot afleiding tijdens de pestepidemie, die +er heerschte, "pour passer partie du tempz plus gracieusement et affin +de trouver esveil de nouvelle joye." [378] Het liefdehof was gegrond +op de deugden van nederigheid en trouw, "a l'onneur, loenge et +recommandacion et service de toutes dames et damoiselles." De talrijke +leden waren getooid met de wijdluftigste titels: de beide oprichters en +Karel VI waren Grands conservateurs, onder de Conservateurs waren Jan +zonder Vrees, zijn broeder Antonie van Brabant, zijn jonge zoon Philips. +Er is een Prince d'amour: Pierre de Hauteville, een Henegouwer; er zijn +Ministres, Auditeurs, Chevaliers d'honneur conseillers, Chevaliers +tresoriers, Grands Veneurs, Ecuyers d'amour, Maitres des requetes, +Secretaires, kortom de geheele toestel van hofhouding en regeering is er +nagebootst. Men vindt er naast prinsen en prelaten ook burgers en lagere +geestelijken. Werkzaamheid en ceremonieel waren nauwkeurig geregeld: er +werden refreinen opgegeven om te behandelen, en "ballades couronnees ou +chapelees", en "amoureuses chansons de cinq couplets", en "sirventois, +distiers, complaintes, rondeaux, lais, virelais." Er zouden debatten +worden gehouden "en forme d'amoureux proces, pour differentes opinions +soustenir." De dames zouden de prijzen uitreiken, en het was verboden om +verzen te maken, die de eer van het vrouwelijk geslacht aantastten. + +Hoe geweldig Bourgondisch is die pompeuze en statige opzet, die ernstige +vormen voor een gracieus vermaak. Het is opmerkelijk, doch verklaarbaar, +dat het hof het strenge ideaal van de edele trouw beleed. Doch als men +zou verwachten, dat nu ook de 700 leden, die bekend zijn uit de ongeveer +vijftien jaren, dat men van het bestaan van het gezelschap verneemt, +allen als Boucicaut de oprechte medestanders van Christine de Pisan, de +vijanden dus van den _Roman de la rose_ zijn geweest, komt men in strijd +met de feiten. Wat men van de zeden van Antonie van Brabant en andere +hooge heeren weet, maakt hen weinig geschikt tot verdedigers van +vrouweneer. Een der leden, een zekere Regnault d'Azincourt, is de +aanlegger van een mislukte schaking in grooten stijl, met twintig +paarden en een priester, van een jonge kramersweduwe. [379] Een ander +lid, de graaf van Tonnerre, staat schuldig aan een dergelijk vergrijp. +En als om afdoende te bewijzen, dat het alles slechts een schoon +gezelschapsspel was: de bestrijders van Christine de Pisan zelf in den +letterkundigen twist over den _Roman de la rose_ vindt men onder de +leden: Jean de Montreuil, Gontier en Pierre Col. [380] + + * * * * * + +Het is uit de litteratuur, dat men de liefdevormen van den tijd moet +leeren kennen, maar het is in het leven zelf, dat men ze zich moet +voorstellen. Daar was een heel stelsel van geijkte vormen, om een jong +leven van aristocratischen omgang mee te vullen. Wat al teekens en +figuren der liefde, die de latere eeuwen gaandeweg hebben prijsgegeven. +In plaats van Amor alleen had men de gansche zonderling persoonlijke +mythologie van den _Roman de la rose_. Zonder twijfel immers hebben Bel +accueil, Doux-penser, Faux semblant en de rest ook buiten de directe +litteratuurproducten in de verbeelding geleefd. Dan was er al de teedere +beteekenis der kleuren in kleeding, bloemen en sieraad. Voor Rabelais +was het een voorwerp van spot geworden, dat men naar de symbolische +beteekenis der kleuren vroeger zijn pages kleedde, zijn handschoen +borduurde en wat niet al. [381] In de veertiende en vijftiende eeuw nam +die kleurensymboliek in het amoureuze leven een gewichtige plaats in. + +Wanneer Guillaume de Machaut voor het eerst zijn onbekende geliefde +ziet, is hij verrukt, dat zij bij een wit kleed een kaproen draagt van +hemelsblauwe stof met groene papegaaien, want groen is de kleur der +nieuwe liefde en blauw van de trouw. Later als het hooggetij van zijn +dichterliefde voorbij is, droomt hij, dat haar beeltenis, die boven zijn +bed hangt, het hoofd afwendt, en geheel in het groen gekleed is, "qui +nouvellete signifie". Hij dicht een verwijtende ballade: + + "En lieu de bleu, dame, vous vestez vert." [382] + +De ringen, de sluiers, al de kleinooden en geschenken der liefde hadden +hun bijzondere functie, met hun geheimzinnige deviezen en emblemen, +dikwijls in de gekunsteldste rebussen ontaard. De dauphin trekt in 1414 +ten strijde met een standaard, waarop in goud een K, een zwaan (cygne) +en een L, dat beduidde den naam van een hofdame zijner moeder Isabeau, +die la Cassinelle werd genoemd. [383] Rabelais bespot nog een eeuw later +de "glorieux de court et transporteurs de noms," die in hun deviezen +"espoir" door een "sphere", "peine" door "pennes d'oiseaux", +"melancholie" door een akelei (ancholie) aanduiden. [384] Coquillart +spreekt van een + + "Mignonne de haulte entreprise, + Qui porte des devises a tas." [385] + +Dan waren er de amoureuze vernuftspelletjes, zooals Le Roi qui ne ment, +Le chastel d'amours, Ventes d'amour, Jeux a vendre. Het meisje noemt den +naam van een bloem of iets anders; de jongeling moet er op rijmen met +een compliment: + + "Je vous vensla passerose. + --Belle, dire ne vous ose + Comment Amours vers vous me tire, + Si l'apercevez tout sanz dire". [386] + +Het Chastel d'amours was zulk een vraag- en antwoordspel, gebaseerd op +de figuren van den _Roman de la rose_: + + "Du chastel d'Amours vous demant: + Dites le premier fondement! + --Amer loyaument. + + Or me nommez le mestre mur + Qui joli le font, fort et seur! + --Celer sagement. + + Dites moy qui sont li crenel, + Les fenestres et li carrel! + --Regart atraiant. + + Amis, nommez moy le portier! + --Dangier mauparlant. + + Qui est la clef qui le puet deffermer? + --Prier courtoisement." [387] + +Een groote plaats in de hoofsche conversatie werd sinds de dagen der +troubadours ingenomen door de casuistiek der liefde. Het was als 't ware +de veredeling van de nieuwsgierigheid en kwaadsprekerij tot een +litterairen vorm. Naast "beaulx livres, dits, ballades" wordt de +maaltijd aan het hof van Lodewijk van Orleans opgeluisterd door +"demandes gracieuses". [388] Men legt ze vooral den dichter ter +beslissing voor. Een gezelschap dames en heeren komt bij Machaut met een +reeks "partures d'amours et de ses aventures." [389] Hij had in zijn +_Jugement d'amour_ de stelling verdedigd, dat de dame, die door den dood +haar minnaar verliest, minder te beklagen is dan de minnaar eener +trouwelooze geliefde. Elk liefdegeval werd op die wijze naar strenge +normen gediscuteerd--"Beau sire, wat zoudt ge liever willen: dat men +kwaad sprak van uw geliefde en gij haar goed bevondt, of dat men goed +van haar sprak en gij haar slecht vondt?"--Waarop overeenkomstig het +hooge formeele eerbegrip en de dure plicht van den minnaar om voor de +uiterlijke eer der geliefde te waken, het antwoord luiden moest: "Dame, +j'aroie plus chier que j'en oisse bien dire et y trouvasse mal." +--Wanneer een dame door haar eersten minnaar wordt veronachtzaamd, +handelt zij dan trouweloos, door een tweeden te nemen, die oprechter is? +Mag een ridder, die elke hoop heeft opgegeven, zijn dame te zien, daar +een jaloersche echtgenoot haar opgesloten houdt, zich eindelijk tot een +nieuwe liefde wenden? Wanneer een ridder zich van zijn geliefde keert +tot een vrouw van hoog aanzien, en daarop, teruggewezen, opnieuw haar +genade inroept, laat haar eer haar dan toe, hem te vergeven? [390] Van +deze casuistiek is het maar een schrede naar de behandeling der +liefdevragen geheel in procesvorm, zooals Martial d'Auvergne ze geeft in +de _Arrestz d'amour._ + +Al deze omgangsvormen der liefde kennen wij slechts uit hun neerslag in +de litteratuur. Zij hoorden thuis in het werkelijk leven. De code van +hoofsche begrippen, regels en vormen diende niet uitsluitend, om er +versjes mee te maken, maar om ze toe te passen in het aristocratische +leven, of althans in de conversatie. Het is evenwel heel moeilijk, om +door de sluiers der poezie heen het leven van den tijd te zien. Want ook +waar een werkelijke liefde zoo nauwkeurig mogelijk wordt beschreven, is +het toch van uit den waan van het geijkte ideaal, met den technischen +toestel der gangbare liefdesbegrippen, in de styleering van het +litteraire geval. Zoo is het met het, al te lange, relaas van een +dichterliefde tusschen een ouden poeet en een veertiendeeeuwsche +Bettina, _Le livre du Voit-Dit_ (d.w.z. Ware geschiedenis) van Guillaume +de Machaut. [391] Hij moet ongeveer zestig jaar oud zijn geweest, toen +de ongeveer achttienjarige Peronnelle d'Armentieres [392], uit een +aanzienlijk geslacht in Champagne, hem in 1362 haar eerste rondel zond, +waarin zij den onbekenden beroemden dichter haar hart aanbood, terwijl +zij hem liet verzoeken, een dichterlijke liefdescorrespondentie met haar +te beginnen. De arme dichter, ziekelijk, aan een oog blind, geplaagd +door de jicht, is onmiddellijk in vlam. Hij beantwoordt haar rondel, en +een wisseling van brieven en gedichten begint. Peronnelle is trotsch op +haar litteraire verbintenis; zij maakt er aanvankelijk geen geheim van. +Zij wil, dat hij hun gansche liefde naar waarheid zal te boek stellen, +met inlassching van hun brieven en gedichten. Hij volbrengt die taak met +vreugde; "je feray, a vostre gloire et loenge, chose dont il sera bon +memoire". [393] "Et, mon tres-dous cuer,--schrijft hij haar--, vous +estes courrecie de ce que nous avons si tart commencie? (hoe had zij +eerder gekund?) par Dieu aussi suis-je (met meer reden); mais ves-cy le +remede: menons si bonne vie que nous porrons, en lieu et en temps, que +nous recompensons le temps que nous avons perdu; et qu'on parle de nos +amours jusques a cent ans cy apres, en tout bien et en toute honneur; +car s'il y avoit mal, vous le celeries a Dieu, se vous povies". [394] + +Wat er met een eerbare liefde bestaanbaar was, leert het verhaal, +waarmee Machaut de brieven en gedichten aaneenrijgt. Hij krijgt, op zijn +verzoek, haar geschilderd portret, dat hij eer bewijst als zijn God op +aarde. Vol angst over zijn eigen gebreken gaat hij de eerste samenkomst +tegemoet, en zijn geluk is uitbundig, wanneer zijn voorkomen de jonge +geliefde niet afschrikt. Zij legt zich onder een kerseboom in zijn +schoot te slapen, of kwansuis te slapen. Zij schenkt hem grooter +gunsten. Een pelgrimage naar Saint Denis en de Foire du Lendit geeft de +gelegenheid, om eenige dagen te zamen te zijn. Op een middag is het +gezelschap doodmoe van de drukte en de zomerhitte; het was midden Juni. +Zij vinden in de overvolle stad een onderkomen bij een man, die hun een +kamer met twee bedden afstaat. Op het eene legt zich in de donker +gemaakte kamer ter middagrust Peronnelle's schoonzuster, op het andere +zij zelf met haar kamenier. Zij dringt den schuchteren dichter, om zich +tusschen haar beiden te leggen; hij ligt doodstil uit vrees van haar te +storen, en als zij ontwaakt, beveelt zij hem, haar te omhelzen. Als het +einde van het reisje nadert, en zij zijn droefheid bespeurt, staat zij +hem toe, haar tot afscheid te komen wekken. En ofschoon hij ook bij die +gelegenheid blijft spreken van "onneur" en "onneste", is het bij zijn +vrij onomwonden verhaal niet duidelijk, wat zij hem nog geweigerd kan +hebben. Zij geeft hem het gouden sleuteltje van haar eer, haar schat, om +die zorgvuldig te behoeden, maar het moet wel opgevat worden als haar +eerbaarheid voor de menschen, wat er nog te bewaren viel. [395] + +Meer geluk was den dichter niet weggelegd, en bij gebrek aan verdere +lotgevallen, vult hij de tweede helft van zijn boek met eindelooze +verhalen uit de mythologie. Tenslotte bericht zij hem, dat hun +verhouding een einde moet nemen, blijkbaar wegens haar huwelijk. Maar +hij besluit, haar altijd te blijven liefhebben en vereeren, en na hun +beider dood zal zijn geest aan God verzoeken, om haar ziel in glorie nog +te blijven noemen: Toute-belle. [396] + +Zoowel voor de zeden als voor de sentimenten leert ons _Le Voir-Dit_ +meer dan de meeste liefdeslitteratuur van den tijd. Vooreerst de +buitengewone vrijheid, die zich dit jonge meisje veroorloven kon, zonder +aanstoot te geven. Dan de naieve onverstoorbaarheid, waarmee alles, tot +het intiemste, zich afspeelt in tegenwoordigheid van anderen, 't zij de +schoonzuster, de kamenier of den secretaris. Bij het samenzijn onder den +kerseboom verzint deze laatste zelfs een bevallige list: terwijl zij +sluimert, legt hij een groen blad op Peronnelle's mond, en zegt tot +Machaut, dat hij dat blad moet kussen. Als deze het eindelijk waagt, +trekt de secretaris het blad weg, zoodat hij even haar mond aanraakt. +[397] Even opmerkelijk is het samengaan van liefdes- en godsdienstplichten. +Het feit, dat Machaut als kanunnik van de kerk van Reims tot den +geestelijken stand behoorde, moet niet al te zwaar worden opgevat. De +lagere wijdingen, die voor het kanunnikschap voldoende waren, brachten +in dien tijd den eisch van het coelibaat niet gebiedend mede. Ook +Petrarca was kanunnik. Dat een bedevaart gekozen wordt, om elkaar te +ontmoeten, is ook niets buitengewoons. De bedevaarten waren zeer in trek +voor liefdesavonturen. Maar de pelgrimage wordt desondanks met ernst +verricht, "tres devotement." [398] Bij een vorig samenzijn hooren zij +samen de mis, hij achter haar gezeten: + + "... Quant on dist: Agnus dei, + Foy que je doy a Saint Crepais, + Doucement me donna la pais, + Entre deux pilers du moustier (kerk). + Et j'en avoie bien mestier, + Car mes cuers amoureus estoit + Troubles, quant si tost se partoit." [399] + +De paix was het bordje, dat rondging om gekust te worden ter vervanging +van den vredeskus van mond tot mond. [400] Hier is natuurlijk de +bedoeling, dat Peronnelle hem haar eigen lippen bood. Hij wacht haar in +den tuin onder het zeggen van zijn getijden. Bij het aangaan van een +novene (een negendaagsche verrichting van bepaalde gebeden) doet hij, +als hij de kerk binnentreedt, binnensmonds de gelofte, dat hij ieder van +die dagen een nieuw gedicht op de liefste zou maken, wat hem niet belet, +van de groote devotie te spreken, waarmee hij bad. [401] + +Men moet bij dit alles niet denken aan een frivole of profane bedoeling; +Guillaume de Machaut is tenslotte een ernstig en hooggestemd dichter. +Het is de ons haast onbegrijpelijke onbevangenheid, waarmee in de dagen +voor Trente de geloofsverrichtingen door het dagelijksche leven heen +waren gevlochten. Wij zullen er spoedig meer van moeten zeggen. + +Het sentiment, dat uit de brieven en de beschrijving van dit historische +liefdegeval spreekt, is week, zoet, een weinig ziekelijk. De uitdrukking +der gevoelens blijft gewikkeld in den langen omhaal van raisonneerende +bespiegeling en de aankleeding met allegorische verbeeldingen en +droomen. Er is iets roerends in de innigheid, waardoor de grijze +dichter, de heerlijkheid van zijn geluk en de voortreffelijkheid van +Toute-belle beschrijvende, zich niet bewust wordt, dat zij toch +eigenlijk met hem en met haar eigen hart maar heeft gespeeld. + +Uit ongeveer denzelfden tijd als Machaut's _Voit-Dit_ stamt een ander +werk, dat in zeker opzicht als tegenhanger zou kunnen dienen: _Le livre +du chevalier de la Tour Landry pour l'enseignement de ses filles_. [402] +Het is een geschrift uit adellijken kring evenals de roman van Machaut +en Peronnelle d'Armentieres; speelde deze in Champagne en in en om +Parijs, de ridder de la Tour Landry verplaatst ons naar Anjou en Poitou. +Doch hier geen oude dichter, die zelf bemint, maar een vrij prozaische +vader, die herinneringen uit zijn jonge jaren, anecdoten en verhalen ten +beste geeft "pour mes filles aprandre a roumancier". Wij zouden zeggen: +om haar de beschaafde vormen in liefdezaken te leeren. Die leering valt +echter in het geheel niet romantisch uit. De strekking der exempelen en +vermaningen, die de zorgvuldige edelman zijn dochters voorhoudt, is +veeleer, haar te waarschuwen voor de gevaren van romantische flirt. Past +op voor die welbespraakte lieden, die altijd klaar staan met "faulx +regars longs et pensifs et petis soupirs et de merveilleuses contenances +affectees (aangedane) et ont plus de paroles a main que autres gens." +[403] Weest niet te toeschietelijk. Hij was als jongeling eens door zijn +vader op een kasteel gebracht, om met het oog op een gewenschte +verloving kennis te maken met de dochter. Het meisje had hem bijzonder +vriendelijk ontvangen. Om te ervaren, wat er in haar was, sprak hij met +haar over allerlei dingen. Het gesprek kwam op gevangenen, en de jonker +maakte een deftig compliment: "Ma demoiselle, il vaudroit mieulx cheoir +a estre vostre prisonnier que a tout plain d'autres, et pense que vostre +prison ne seroit pas si dure comme celle des Angloys."--Si me respondit +qu'elle avoyt veu nagaires cel qu'elle vouldroit bien qu'il feust son +prisonnier. Et lors je luy demanday se elle luy feroit male prison, et +elle ne dit que nennil et qu'elle le tandroit ainsi chier comme son +propre corps, et je lui dis que celui estoit bien eureux d'avoir si +doulce et si noble prison. Que vous dirai-je? Elle avoit assez de +langaige et lui sambloit bien, selon ses parolles, qu'elle savoit assez, +et si avoit l'ueil bien vif et legier." Bij het afscheid vroeg zij hem +wel twee of drie maal, om spoedig weerom te komen, alsof zij hem al lang +gekend had. "Et quant nous fumes partis, monseigneur de pere me dist: +'Que te samble de celle que tu as veue. Dy m'en ton avis'." Maar haar al +te gereede aanmoediging had hem elken lust tot een nadere kennismaking +benomen. "'Mon seigneur, elle me samble belle et bonne, maiz je ne luy +seray ja plus de pres que je suis, si vous plaist". Van de verloving +kwam niets, en de ridder vond natuurlijk reden, daar later geen berouw +van te hebben. [404] Dergelijke stukjes zoo uit het leven opgeteekende +herinnering, die ons doen zien, hoe de zeden zich paarden aan het +ideaal, zijn ongelukkig in de eeuwen, waarvan hier sprake is, nog +uitermate zeldzaam. Had de ridder de la Tour Landry ons maar wat meer +uit zijn eigen leven verteld. Het meeste zijn ook bij hem bespiegelingen +van algemeenen aard. Hij denkt voor zijn dochters in de eerste plaats +aan een goed huwelijk. En het huwelijk had met de liefde weinig te +maken. Hij geeft een breedvoerig "debat" tusschen hemzelf en zijn vrouw +over het geoorloofde der liefde, "le fait d'amer par amours". Hij meent, +dat een meisje in zekere gevallen wel in eere kan beminnen, bij +voorbeeld "en esperance de mariage". De vrouw is daar tegen. Een meisje +moet liever in het geheel niet verliefd worden, ook niet op haar +verloofde. Het houdt haar maar af van de ware vroomheid. "Car j'ay ouy +dire a plusieurs, qui avoient este amoureuses en leur juenesce, que, +quant elles estoient a l'eglise, que la pensee et la merencolie [405] +leur faisoit plus souvent penser a ces estrois pensiers et deliz de +leurs amours que ou (au) service de Dieu, [406] et est l'art d'amours de +telle nature que quant l'en (on) est plus au divin office, c'est tant +comme le prestre tient nostre seigneur sur l'autel, lors leur venoit +plus de menus pensiers". [407]--Deze diepe zielkundige observatie +konden Machaut en Peronnelle beamen. Doch overigens welk een verschil +in opvatting tusschen den dichter en den ridder! Hoe nu met deze +austeriteit weer te rijmen, dat de vader zijn dochters ter leering +herhaaldelijk vertelsels opdischt, die om hun scabreuzen inhoud in de +_Cent nouvelles nouvelles_ niet misplaatst zouden zijn geweest? + +Juist het gering verband van de schoone vormen van het hoofsche +liefdesideaal met de realiteit van verloving en huwelijk maakte, dat het +element van spel, van conversatie, van litterair vermaak in alles wat +het verfijnde liefdeleven betrof, zich te ongehinderder kon ontplooien. +Het ideaal der liefde, de schoone fictie van trouw en opoffering had +geen plaats in de zeer materieele overleggingen, waarmee een huwelijk, +en bovenal een adellijk huwelijk tot stand kwam. Het kon slechts worden +beleefd in de gedaante van een bekorend of hartverheffend spel. Het +tournooi gaf dat spel der romantische liefde in zijn heroieken vorm. +De pastorale idee leverde den idyllischen vorm ertoe. + +De pastorale is in haar wezenlijkste beteekenis iets meer dan een +litterair genre. Het is niet te doen om de beschrijving van het +herdersleven met zijn eenvoudige en natuurlijke geneuchten, maar om het +naleven ervan. Het is een Imitatio. Er was een fictie, dat in het +herdersleven de ongestoorde natuurlijkheid der liefde verwezenlijkt was. +Daarheen wou men vlieden, zoo niet in werkelijkheid, dan in droom. +Telkens weer heeft het herdersideaal moeten dienen als geneesmiddel, +om de geesten te bevrijden uit de kramp van een opgeschroefde +dogmatiseering en formaliseering der liefde. Men snakte naar verlossing +uit de knellende begrippen van ridderlijke trouw en dienst, uit den +bonten toestel der allegorie. En ook uit de ruwheid, de baatzucht en +de maatschappelijke zonden van het liefdeleven der werkelijkheid. Een +gemakkelijk bevredigde, eenvoudige liefde, temidden van onschuldig +natuurgenot. Dat scheen het deel van Robin en Marion, van Gontier en +Helayne. Zij waren de gelukkigen, de benijdbaren; de veelgesmade dorper +wordt op zijn beurt het ideaal. + +De late Middeleeuwen evenwel zijn nog zoo echt aristocratisch en zoo +weerloos tegenover een schoonen waan, dat de cultuur het niet verder +brengt dan het toepassen van een zeer gekunstelde versiering op de +hoofsche zeden. Wanneer de adel der vijftiende eeuw herder en herderin +speelt, dan is het gehalte van echte natuurvereering en bewondering van +eenvoud en arbeid nog heel zwak. Wanneer Marie Antoinette drie eeuwen +later melkt en karnt in Trianon, dan is het ideaal reeds gevuld met den +ernst van de physiocraten: natuur en arbeid zijn reeds de groote +slapende godheden van den tijd geworden; toch maakt de aristocratische +cultuur er nog spel van. Wanneer omstreeks 1870 de Russische +intellectueele jeugd zich onder het volk begeeft, om zelf als boeren +voor de boeren te leven: het narodnitsjestwo, dan is het ideaal bittere +ernst geworden. En ook toen bleek de verwezenlijking een waan. + +Er was een poetische vorm, die den overgang vertegenwoordigt tusschen de +eigenlijke pastorale en de werkelijkheid, namelijk de Pastourelle, het +korte gedicht, dat het gemakkelijk avontuur van den ridder met het +landmeisje bezingt. Daar vond de directe erotiek een frisschen, +eleganten vorm, die haar boven het platte verhief en toch al de bekoring +van het natuurlijke behield. Men moet er sommige schetsen van Guy de +Maupassant mee vergelijken. + +Werkelijk pastoraal is echter het sentiment eerst, als ook de minnaar +zelf zich als herder denkt. Daarmee verzinkt elke aanraking met de +werkelijkheid. Alle elementen der hoofsche liefdesopvatting worden +eenvoudig getransponeerd in het herderlijke; een zonnig droomland hult +het verlangen in een waas van fluitspel en vogelgeschal. Het is een blij +geluid; ook de droefheden der liefde: het smachten en klagen, het leed +van de verlatene, worden opgenomen in dien zoeten toon. In de pastorale +vindt telkens weer de erotiek de aanraking terug met het natuurgenot, +dat haar onmisbaar was. Zoo wordt de pastorale het veld, waarop zich de +litteraire uitdrukking van het natuurgevoel ontwikkelt. Aanvankelijk is +het haar nog niet te doen om het beschrijven van natuurschoonheid, maar +om het onmiddellijk welbehagen aan zon en zomer, schaduw en frisch +water, bloemen en vogels. Natuurobservatie en schildering komt eerst +in de tweede plaats; de hoofdbedoeling blijft de liefdedroom; als +bijproduct levert de herderlijke poezie allerlei bevallig realisme. De +schildering van het landleven in een gedicht als _Le dit de la pastoure_ +van Christine de Pisan opent een genre. + +Eenmaal als hoofsch ideaal opgenomen wordt de herderij een masker. Alles +laat zich dossen in de herderlijke travesti. De fantaziesferen van de +pastorale en van de ridderlijke romantiek vermengen zich. Een tournooi +wordt opgevoerd in de aankleeding van een herdersspel. Koning Rene houdt +zijn Pas d'armes de la bergere. + +De tijdgenooten schijnen toch werkelijk in deze vertooning iets echts +gezien te hebben; een ongenoemde dichter geeft koning Rene's herdersleven +een plaats onder de Merveilles du monde: + + "J'ay un roi de Cecille + Vu devenir berger + Et sa femme gentille + De ce mesme mestier, + Portant la pannetiere, + La houlette et chappeau, + Logeans sur la bruyere + Aupres de leur trouppeau." [408] + +Een andermaal moet de pastorale dienen, om de lasterlijkste politieke +satire een dichterlijk kleed te verleenen: een Bourgondisch partijganger +steekt al den haat tegen den vermoorden hertog van Orleans in het gewaad +van een aanminnig herdersdicht: _le Pastoralet._ [409] Bij de hoffeesten +ontbreekt nooit het pastorale element. Het leende zich uitstekend voor +de maskerades, die als entremets de feestmaaltijden opluisterden, en het +was bovendien bijzonder geschikt voor politieke allegorie. Het beeld van +den vorst als herder en het volk als zijn kudde was immers reeds van een +andere zijde den geest binnengekomen: uit de kerkvaderlijke voorstellingen +van den oorspronkelijken staatsvorm: als herders hadden de aartsvaders +geleefd, het rechte overheidsambt, zoo goed het wereldlijke als het +geestelijke, was geen heerschen maar een hoeden. + + "Seigneur, tu es de Dieu bergier; + Garde ses bestes loyaument, + Mets les en champ ou en vergier, + Mais ne les perds aucunement, + Pour ta peine auras bon paiement + En bien le gardant, et se non, + A male heure recus ce nom." [410] + +In deze verzen uit Jean Meschinot's _Lunettes des princes_ is geen +sprake van eigenlijk pastorale voorstelling. Maar zoodra men dat ging +verbeelden, vloeide het daarmee van zelf ineen. Een entremets bij het +feest van Brugge in 1468 verheerlijkte de vroegere vorstinnen als de +"nobles bergieres qui par cy devant ont este pastoures et gardes des +brebis de pardeca." [411] Een spel te Valenciennes bij de terugkomst van +Margareta van Oostenrijk uit Frankrijk in 1493 vertoonde, hoe het land +herstelt van zijn verwoesting "le tout en bergerie". [412] Wij kennen +allen de politieke pastorale in de _Leeuwendalers_. De voorstelling van +den vorst als herder klinkt ook in het _Wilhelmus_: + + "Oirlof mijn arme schapen + Die sijt in grooter noot, + Uw herder sal niet slapen, + Al sijt gij nu verstroyt." + +Zelfs in den echten oorlog speelt men met de pastorale verbeelding. De +bombardes van Karel den Stoute voor Granson heeten "le berger et la +bergere". Wanneer de Franschen hoonend zeggen, dat de Vlamingen slechts +herders zijn en onbekwaam tot het krijgshandwerk, trekt Philips van +Ravestein met vierentwintig edelen te velde, uitgedost als herders, met +herdersstaf en broodkorfje. [413] + +Evenals de trouwe ridderlijke liefde tegenover de opvattingen van den +_Roman de la rose_ de stof leverde tot een eleganten litterairen twist, +zoo werd ook het herdersideaal het onderwerp van zulk een strijd. Ook +hier proefde men de leugen te sterk op de tong, en moest men haar +bespotten. Hoe weinig geleek het hyperbolisch gekunstelde, overdadig +bonte leven van de laat-middeleeuwsche aristocratie op het ideaal van +eenvoud, vrijheid en zorgeloos trouwe liefde te midden der natuur! Op +het thema van Philippe de Vitri's Franc Gontier, type van den gouden- +eeuwschen eenvoud, had men eindeloos gevarieerd. Iedereen verklaarde te +hongeren naar Franc Gontier's maal op het gras onder 't lommer met dame +Helayne, zijn menu van kaas, boter, room, appelen, uien en bruin brood, +zijn lustig houthakkerswerk, zijn vrijheidszin en onbezorgdheid: + + "Mon pain est bon; ne faut que nulz me veste; + L'eaue est saine qu'a boire sui enclin, + Je ne doubte ne tirant ne venin." [414] + +Soms viel men wel eens even uit de rol. Dezelfde Eustache Deschamps, die +het leven van Robin en Marion en den lof van den natuurlijken eenvoud en +het werkzaam leven herhaaldelijk bezingt, betreurt het, dat het hof +danst bij de cornemuse, "cet instrument des hommes bestiaulx". [415] +Maar het vereischte de veel dieper gevoeligheid en scherpe skepsis van +Francois Villon, om al de onwaarheid van dien schoonen levensdroom te +zien. Er ligt een onbarmhartige bespotting in de ballade _Les contrediz +Franc Gontier_. Cynisch stelt Villon tegenover de zorgeloosheid van dien +idealen buitenman met zijn maal van uien "qui causent fort alaine" en +zijn liefde onder de rozen, het gemak van den vetten kanunnik, die de +zorgeloosheid en de liefde geniet in een wel behangen kamer met een +haardvuur, goeden wijn en een zacht bed. Het bruine brood en het water +van Franc Gontier? "Tous les oyseaulx d'ici en Babiloine" zouden Villon +geen morgen bij zulk een kost kunnen houden. [416] + +Evenals de schoone droom van het ridderideaal moesten ook de andere +vormen, waarin het liefdeleven cultuur wilde worden, als onecht en +leugenachtig worden verzaakt. Noch het dwepende ideaal van edele, +kuische riddertrouw, noch de wreed-verfijnde wellust van den _Roman de +la rose_, noch de zoete, gemakkelijke fantazie der pastorale, konden +bestaan voor den storm van het leven zelf. Die storm blies van alle +kanten. Van het geestelijk leven uit klinkt de vervloeking van alles wat +der liefde is, als de zonde, die de wereld verderft. Onder in den +schitterenden kelk van den _Roman de la rose_ ziet de moralist al den +bitteren droesem. "Vanwaar,--roept Gerson uit--vanwaar de bastaarden, +vanwaar de kindermoorden, de afdrijvingen, vanwaar de haat en de +vergiftiging van echtgenooten?" [417] + +Van den kant der vrouwen zelf klinkt een andere aanklacht. Al die +conventioneele vormen der liefde zijn mannenwerk. Ook waar zij in +geidealiseerde vormen gegoten is, blijft die gansche erotische cultuur +door en door mannelijk-zelfzuchtig. Wat is de altijd herhaalde smaad +tegen het huwelijk en over de zwakheden van de vrouw: haar ontrouw en +haar ijdelheid, anders dan de dekmantel der mannelijke zelfzucht? Op al +dien smaad antwoord ik enkel, zegt Christine de Pisan: het zijn niet de +vrouwen, die de boeken gemaakt hebben. [418] + +Er is inderdaad noch in de erotische, noch in de vrome litteratuur der +Middeleeuwen een spoor van echt medelijden met de vrouw, met haar +zwakheid en de gevaren en smarten, die haar de liefde bereidt. Het +medelijden had zich geformaliseerd in het fictieve ridderlijke ideaal +van de bevrijding der maagd, waar het eigenlijk enkel sensueele +prikkeling en zelfvoldoening was. Nadat de schrijver van de _Quinze +joyes de mariage_ al de zwakheden der vrouwen in een mat en fijn +gekleurde satire heeft opgesomd, biedt hij wel aan, om nu ook de +verongelijking der vrouwen te beschrijven, [419] maar hij doet het niet. +Om een teere, vrouwelijke stemming uitgedrukt te vinden, moet men het +Christine zelf vragen, zooals in haar versje, dat begint: + + "Doulce chose est que mariage, + Je le puis bien par moy prouver".... [420] + +Doch hoe zwak klinkt het geluid van een enkele vrouw tegen dat koor van +hoon, waarin de platte bandeloosheid instemt met de zedepreek. Want er +is maar een geringe afstand tusschen de homiletische vrouwenverachting +en de ruwe ontkenning der ideale liefde door de prozaische zinnelijkheid, +door de wijsheid van de bittertafel. + +Het schoone spel van de liefde als levensvorm bleef gespeeld in den +ridderlijken trant, in den herderlijken en in den kunstigen opzet van de +rozen-allegorie, en al klonk van alle kanten de verloochening van al die +conventie, toch behielden die vormen hun levens- en cultuurwaarde tot +lang na de Middeleeuwen. Want de vormen, waarin het ideaal der liefde +zich nu eenmaal hullen moet, zijn maar enkele voor alle tijden. + + + +NOTEN: + + +[358] Aldus wil de nieuwste uitgever van den Roman de la rose, +E. Langlois, den naam herstellen. + +[359] Chastellain, IV p. 165. + +[360] Basin, II p. 224. + +[361] La Marche, II p. 350(2). + +[362] Froissart, IX p. 223-236; Deschamps, VII no. 1282. + +[363] Cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 15, vgl. I p. 277, II +p. 20, 168 etc. en Quinze joyes de mariage, passim. + +[364] Petit de Julleville, Jean Regnier, bailli d'Auxerre, Revue d'hist. +litt. de la France, 1895 p. 157, bij Doutrepont, p. 383; vgl. Deschamps, +VIII p. 43. + +[365] H.F. Wirth, Der Untergang des niederlaendischen Volksliedes, Haag, +1911. + +[366] Deschamps, VI p. 112, no. 1169, La lecon de musique. + +[367] Charles d'Orleans, Poesies completes, Paris 1874, 2 vol., I p. 12. +42. + +[368] ib. p. 88. + +[369] Deschamps, VI p. 82, no 1151; zie b.v. V p. 132, no. 926, IX p. +94, c. 31, VI p. 138, no. 1184, XI 18, no. 1438, en XI p. 269, 286(1). + +[370] Christine de Pisan, l'Epistre au dieu d'amours, Oeuvres poetiques, +ed. M. Roy, II p. 1. + +[371] Martene et Durand, Amplissima Collectio, II col. 1421. + +[372] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martene et Durand, Ampl. coll., +II p. 1409, 1421, 1422. + +[373] Piaget, Etudes romanes dediees a Gaston Paris, p. 119. + +[374] Gerson, Opera, III p. 297; id. Considerations sur St. Joseph, III +p. 866; Sermo contra luxuriem, III p. 923, 925, 930, 968. + +[375] Volgens Gerson. De brief van Pierre Col, bewaard in een hs. der +Bibl. nationale, mss. francais 1563 f. 183, was mij niet toegankelijk. + +[376] Bibl. de l'ecole des chartes LX 1899. p. 569. + +[377] E. Langlois, Le Roman de la rose (Societe des anciens textes +francais) 1914, t. I Introduction, p. 36. + +[378] A. Piaget, La cour amoureuse dite de Charles VI, Romania, XX p. +417, XXXI p. 599, Doutrepont, p. 367. + +[379] Leroux de Lincy, Tentative de rapt etc. en 1405, Bibl. de l'ecole +des chartes, 2e serie, III 1846, p. 316. + +[380] Piaget, Romania. XX p. 447. + +[381] Rabelais, Gargantua, 1. I. ch. 9. + +[382] Guillaume de Machaut, Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris. (Societe +des bibliophiles francois 1875), p. 82, 213, 214, 240, 299, 309, 313, +347, 351. + +[383] Juvenal des Ursins, p. 496. + +[384] Rabelais, Gargantua, 1. I ch. 9. + +[385] Coquillart, Droits nouveaux, I p. 111. + +[386] Christine de Pisan, I p. 187ss. + +[387] E. Hoepffner, Frage- und Antwortspiele in der franz. Literatur des +14. Jahrh., Zeitschr. f. roman. Philologie, XXXIII 1909, p. 695, 703. + +[388] Christine de Pisan, Le dit de la rose vs. 75, Oeuvres poetiques, +II p. 31. + +[389] Machaut, Remede de fortune vs. 3879ss., Oeuvres, ed. E. Hoepffner +(Soc. des anc. textes francais) 1908/11, 2 vol., II p. 142. + +[390] Christine de Pisan, Le livre des trois jugements, Oeuvres +poetiques II p. 111. + +[391] Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris, Societe des bibliophiles +francois, 1875. De hypothese, dat er geen reeele liefdesgeschiedenis aan +het werk van Machaut ten grondslag zou liggen (aldus Hanf, Zeitschr. f. +Rom. Phil. XXII p. 145), mist elken grond. + +[392] Een kasteel bij Chateau Thierry. + +[393] Voir-Dit, lettre II p. 20. + +[394] Voir-Dit, lettre XXVII p. 203. + +[395] Voir-Dit, p. 20, 96, 146, 154, 162. + +[396] Voir-Dit, p. 371. + +[397] De kus met een blad ter isoleering komt meer voor: vgl. Le grand +garde derriere, str. 6, W.G.C. Bijvanck, Un poete inconnu de la societe +de Francois Villon, Paris, Champion, 1891, p. 27. + +[398] Voir-Dit, p. 143, 144. + +[399] Voir-Dit, p. 110. + +[400] Zie hierboven p. 66. (zie par. die begint met: "Wanneer eindelijk +de aanzienlijkste is voorgegaan ..., M.D.) + +[401] Voir-Dit, p. 98, 70. + +[402] Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon +(Bibl. elzevirienne) 1854. + +[403] p. 245 (zie Hoofdstuk IV, noot 464) + +[404] p. 28 (tekst volgend op noot 44, hoofdstuk I.) + +[405] p.45 (zie Hoofdstuk II noot 71) + +[406] De zin is geheel onlogisch (pensee ... fait penser ... a pensiers) +en loopt niet rond; vat op: nergens zoo dikwijls, als in de kerk. + +[407] p. 249, p. 252 (zie hoofdstuk IV, noot 481) + +[408] Recollection des merveilles, bij Chastellain VII p. 200; vergelijk +de beschrijving der Joutes de Saint Ingelevert in een gedicht, vermeld +bij Froissart ed. Kervyn, XIV p. 406. + +[409] Le Pastoralet, ed. Kervyn de Lettenhove, (Chron. rel. a l'hist. de +Belg. sous la dom. des ducs de Bourg.) II p. 573. + +[410] Meschinot, Les Lunettes des princes, bij La Borderie l.c., p. 606. + +[411] La Marche, III p. 135, 137. + +[412] Molinet, IV p. 389. + +[413] Molinet, I p. 190, 194; III p. 138; vgl. Juvenal des Ursins, p. +382. + +[414] Deschamps, II p. 213. Lay de franchise; vgl. Chr. de Pisan, Le dit +de la Pastoure, Le Pastoralet, roi Rene, Regnault et Jehanneton, Martial +d'Auvergne, Vigilles du roi Charles VII, etc., etc. + +[415] Deschamps, no. 923, vgl. XI p. 322. + +[416] Villon, ed. Longnon, p. 83. + +[417] Gerson, Opera, III p. 302. + +[418] L'epistre au dieu d'amours, II p. 14. + +[419] Quinze joyes de mariage, p. 222. + +[420] Oeuvres poetiques, I p. 237, no. 26. + + + * * * * * + + +V + +HET BEELD VAN DEN DOOD + + +Geen tijd heeft de doodsgedachte met zooveel nadruk voortdurend aan +allen opgedrongen als de vijftiende eeuw. Zonder ophouden klinkt door +het leven de roep van het memento mori. In zijn Levensrichtsnoer voor +den edelman vermaant Dionysius de Kartuizer: "En wanneer hij zich te bed +legt, bedenke hij, dat, gelijk hij nu zichzelven neerlegt in het bed, +spoedig zoo zijn lichaam door anderen in het graf zal worden gelegd." +[421] Het geloof had ook vroeger de bestendige gedachte aan den dood met +ernst ingeprent, doch de vrome tractaten der eerdere Middeleeuwen +bereikten enkel de toch reeds van de wereld gescheidenen. Eerst sedert +door de opkomst der bedelorden de volksprediking groot was geworden, +zwol die vermaning aan tot een dreigend koor, dat met fugatische +hevigheid door de wereld klonk. Tegen het laatst der Middeleeuwen voegde +zich bij het woord van den prediker de afbeelding voor allen, de +houtsnee in het bijzonder. Deze beide massale uitdrukkingsmiddelen, de +preek en de afbeelding, konden de doodsgedachte slechts weergeven in een +zeer eenvoudige, directe en levendige voorstelling, scherp en fel. Alles +wat de kloosterling van vroeger tijden over den dood gemediteerd had, +verdichtte zich nu tot een uiterst primitief, populair en lapidair +doodsbeeld, en in die gedaante wordt in woord en figuur de gedachte aan +de menigte voorgehouden. Dat doodsbeeld heeft uit het groote +gedachtencomplex, dat zich om het sterven weeft, eigenlijk slechts een +element kunnen opnemen: het besef der vergankelijkheid. Het is, alsof de +laat-middeleeuwsche geest den dood onder geen ander aspect heeft weten +te zien dan enkel dat der vergankelijkheid. + +Drie thema's waren het, die de melodie leverden voor die nooit volzongen +klacht over het einde van alle aardsche heerlijkheid. Daar was vooreerst +het motief: waar zijn allen gebleven, die vroeger de wereld vulden met +hun heerlijkheid? Dan was er het motief van de huiverende aanschouwing +der verrotting van al wat eenmaal menschelijke schoonheid was. Tenslotte +het motief van den doodendans, de dood de menschen met zich sleurende +uit elk bedrijf, uit elken leeftijd. + +Vergeleken bij de twee laatste motieven met hun beklemmend afgrijzen was +het eerste der drie slechts een lichte, elegische verzuchting. Men vindt +het reeds aangeheven in de zware leoninische verzen van den Cluniacenser +monnik Bernard van Morlay omstreeks 1140: + + "Est ubi gloria nunc Babylonia? nunc ubi dirus + Nabugodonosor, et Darii vigor, illeque Cyrus? + Qualiter orbita viribus inscita (?) praeterierunt, + Fama relinquitur, illaque figitur, hi putruerunt. + Nunc ubi curia, pompaque Julia? Caesar abisti! + Te truculentior, orbe potentior ipse fuisti. + + Nunc ubi Marius atque Fabricius inscius auri? + Mors ubi nobilis et memorabilis actio Pauli? + Diva philippica vox ubi coelica nunc Ciceronis? + Pax ubi civibus atque rebellibus ira Catonis? + Nunc ubi Regulus? aut ubi Romulus, aut ubi Remus? + Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus." [422] + +Het klinkt opnieuw, minder schoolsch, in verzen, die ondanks hun +korteren bouw toch nog den dreun van den leoninischen hexameter behouden +hebben: in de Franciscaansche poezie der dertiende eeuw. Jacopone van +Todi, de joculator Domini, is naar alle waarschijnlijkheid de dichter +geweest van de strofen, die onder den titel _Cur mundus militat sub vana +gloria_ de regels bevatten: + + "Dic ubi Salomon, olim tam nobilis + Vel Sampson ubi est, dux invincibilis, + Et pulcher Absalon, vultu mirabilis, + Aut dulcis Jonathas, multum amabilis? + Quo Cesar abiit, celsus imperio? + Quo Dives splendidus totus in prandio? + Die ubi Tullius, clarus eloquio, + Vel Aristoteles, summus ingenio"? [423] + +Deschamps heeft hetzelfde thema verscheiden malen berijmd; Gerson brengt +het te pas in een preek, Dionysius de Kartuizer in het tractaat over de +Vier uitersten. Chastellain spint het uit in een lang gedicht _Le Pas de +la mort,_ om van anderen te zwijgen. [426] Villon weet er een nieuw +accent in te leggen: dat van zachten weemoed, in de _Ballade des dames +du temps jadis_ met het refrein: + + "Mais ou sont les neiges d'antan"? [425] + +En vervolgens sprenkelt hij het met ironie in de ballade der heeren, +waar tusschen de koningen, pausen, vorsten van zijn tijd hem invalt: + + "Helas! et le bon roy d'Espaigne + Duquel je ne scay pas le nom"? [426] + +Dat zou de brave hoveling Olivier de la Marche zich niet veroorloofd +hebben, waar hij in zijn _Parement et triumphe des dames_ al de +gestorven vorstinnen van zijn tijd op het bekende thema beklaagt. + +Wat is er over van al die menschelijke schoonheid en heerlijkheid? +Herinnering, een naam. Maar de weemoed van die gedachte is niet genoeg, +om de behoefte aan felle huivering voor den dood te bevredigen. Dus +houdt de tijd zich den spiegel voor van een zichtbaarder verschrikking, +de vergankelijkheid op korten termijn: de verrotting van het lijk. + +De geest van den wereldverzakenden Middeleeuwer had altijd reeds gaarne +verwijld bij stof en wormen: in de kerkelijke tractaten over de +verachting der wereld waren al de verschrikkingen der ontbinding reeds +opgeroepen. Maar de uitwerking van de details dier voorstelling komt +later. Eerst tegen het einde der veertiende eeuw maakt de beeldende +kunst zich van dit motief meester; [427] er was een zekere graad van +realistische uitdrukking noodig, om het in sculptuur of schilderij +treffend te verwerken, en dat vermogen was omstreeks 1400 bereikt. +Tegelijk verbreidt zich het motief van de kerkelijke litteratuur naar +die van het volk. Tot diep in de zestiende eeuw ziet men aan de +grafteekens de afschuwelijk gevarieerde voorstellingen van het naakte +lijk, rottend of verschrompeld, met de krampachtige handen en voeten en +den gapenden mond, met de kronkelende wormen in het ingewand. Bij die +vreeselijkheid wil de gedachte altijd weer stilstaan. Is het niet vreemd, +dat zij zich nooit een schrede verder waagt, om te zien, hoe ook die +rottenis zelve weer vergaat, en aarde en bloemen wordt? + +Is het een werkelijk vrome gedachte, die zich zoo verstrikt in den +afkeer van de aardsche zijde des doods? Of is het de reactie van een +allerfelste zinnelijkheid, die slechts zoo uit haar bedwelming van +levensdrift ontwaken kan? Is het de levensbangheid, die den tijd zoo +sterk doortrekt, de stemming van teleurgesteldheid en ontmoediging, die +neigen wil naar de ware overgave van wie volstreden en gewonnen heeft, +maar die toch nog zoo dicht staat bij al wat aardsche hartstocht is? Al +die gevoelsmomenten zijn in deze uiting van de doodsgedachte ongescheiden +vereenigd. + +Levensbangheid: het verloochenen van de schoonheid en het geluk, omdat +er rampen en smart mee verbonden zijn. Er is een buitengewone gelijkenis +tusschen de Oud-indische, met name de boeddhistische, en de +christelijk-middeleeuwsche uitdrukking van dat sentiment. Ook daar +altijd weer die afschuw van ouderdom, ziekte en dood, ook daar de dik +opgelegde kleuren der verrotting. De naieve Indische aesthetici hadden +er zelfs een eigen poetisch genre, _bibhatsa-rasa_ of de stemming van +het walgelijke, van gemaakt, onderscheiden in drie onderafdeelingen, al +naar de afschuw wordt gewekt door het afzichtelijke, het gruwelijke of +het wellustige, gelijk vrouwenborsten den asceet doen walgen, [428] De +monnik meende het zoo goed te hebben gezegd, als hij de oppervlakkigheid +van het lichamelijk schoon aanwees. "Corporea pulchritudo in pelle +solummodo constat. Nam si viderent homines hoc quod subtus pellem est, +sicut lynces in Boeotia cernere interiora dicuntur, mulieres videre +nausearent. Iste decor in flegmate et sanguine et humore ac felle +consistit. Si quis enim considerat quae intra nares, et quae intra +fauces et quae intra ventrem lateant, sordes utique reperiet. Et si nec +extremis digitis flegma vel stercus tangere patimur, quomodo ipsum +stercoris saccum amplecti desideramus?" [429] + +Het moedelooze refrein van de verachting der wereld was voor de latere +Middeleeuwen vastgelegd in het tractaat van dien naam van Innocentius +III. Wonderlijk, die machtigste en voorspoedigste staatsman op den stoel +van Petrus, in zooveel aardsche zaken en belangen gemengd en opgaand, en +die in deze levensverguizing als 't ware meent zijn hoogheid te boeten. +"Concipit mulier cum immunditia et fetore, parit cum tristitia et +dolore, nutrit cum angustia et labore, custodit cum instantia et +timore." [430] O al de lachende vreugden van het moederschap!--"Quis +unquam vel unicam diem totam duxit in sua delectatione jucundam ... quem +denique visus vel auditus vel aliquis ictus non offenderit?" [431] Was +het christelijke wijsheid of het pruilen van een bedorven kind? + +Er is zonder twijfel in dat alles een geest van ontzaglijk materialisme, +die de gedachte aan het einde van schoonheid niet kon verdragen zonder +aan die schoonheid zelf te vertwijfelen. En let wel, hoe (althans in de +litteratuur, niet zoozeer in de beeldende kunst) in het bijzonder het +vrouwenschoon beklaagd wordt. Er is hier nauwelijks een grens tusschen +de godsdienstige vermaning, om aan den dood en aan de vergankelijkheid +van het aardsche te denken, en de spijt van de oude minnares over het +verval der schoonheid, die zij niet meer geven kan. + +Ziehier eerst een voorbeeld, waar de stichtelijke vermaning nog op den +voorgrond staat. In het Celestijnen-klooster te Avignon bevond zich voor +de Revolutie een schildering, die de overlevering aan den kunstrijken +stichter koning Rene zelf toeschreef. Zij stelde een rechtopstaand +vrouwenlijk voor, met een sierlijk kapsel, gehuld in haar lijkwade; de +wormen verteerden het lichaam. De eerste strofen van het onderschrift +luidden: + + "Une fois sur toute femme belle + Mais par la mort suis devenue telle. + Ma chair estoit tres belle, fraische et tendre, + Or, est-elle toute tournee en cendre. + Mon corps estoit tres plaisant et tres gent, + Je me souloye souvent vestir de soye, + Or en droict fault que toute nue je soye. + Fourree estois de gris et de menu vair, + En grand palais me logeois a mon vueil, + Or suis logiee en ce petit cercueil. + Ma chambre estoit de beaux tapis ornee, + Or est d'aragnes ma fosse environnee." [432] + +Dat deze vermaningen hun werking niet misten, bewijst de legende, die +zich daaraan verder gesponnen had, hoe de koninklijke kunstenaar zelf, +die levens- en schoonheidsminnaar bij uitnemendheid, zijn geliefde drie +dagen na de teraardebestelling in het graf zou hebben gezien, en toen +geschilderd. + +De stemming verandert reeds een weinig in de richting van wereldsche +zinnelijkheid, wanneer de waarschuwing voor de vergankelijkheid niet aan +het gruwelijk lijk van een ander wordt gedemonstreerd, maar de levenden +gewezen worden op hun eigen lichaam, nu nog schoon, maar spoedig voor de +wormen. Olivier de la Marche besluit zijn stichtelijk allegorisch +gedicht over de vrouwenkleeding _Le parement et triumphe des dames_ met +den Dood, die aan alle schoonheid en ijdelheid den spiegel voorhoudt: + + "Ces doulx regards, ces yeulx faiz pour plaisance, + Pensez y bien, ilz perdront leur clarte, + Nez et sourcilz, la bouche d'eloquence + Se pourriront...." [433] + +Toch is dit nog een eerlijk memento mori. Maar het +gaat onmerkbaar over in een spijtig, wereldsch en zelfzuchtig +beklag over de nadeelen van den ouderdom: + + "Se vous vivez le droit cours de nature + Dont LX ans est pour ung bien grant nombre, + Vostre beaulte changera en laydure, + Vostre sante en maladie obscure, + Et ne ferez en ce monde que encombre. + Se fille avez, vous luy serez ung umbre, + Celle sera requise et demandee, + Et de chascun la mere habandonnee." [434] + +Alle vrome, stichtelijke zin is verre, als Villon de balladen dicht, +waarin "la belle heaulmiere", eens een befaamde Parijsche courtisane, +haar vroeger onweerstaanbare bekoorlijkheden vergelijkt met al de +leelijkheden van haar vervallen lichaam. + + "Qu'est devenu ce front poly, + Ces cheveulx blons, sourcils voultiz, + Grant entroeil, le regart joly, + Dont prenoie les plus soubtilz; + Ce beau nez droit, grant ne petiz, + Ces petites joinctes oreilles, + Menton fourchu, cler vis traictiz + Et ces belles levres vermeilles? + * * * * * * * * * * * * + Le front ride, les cheveux gris, + Les sourcilz cheuz [435], les yeuls estains...." [436] + +In een der poetische boeken van de heilige schrift der zuidelijke +Boeddhisten heeft men het lied eener vrome oude non Ambapali, van +eenzelfde verleden als "la belle heaulmiere". Ook zij vergelijkt haar +schoonheid van eertijds met haar weerzinwekkenden ouderdom, hier met +dankbaren lof voor het verdwijnen van dat nietswaardig schoon. [437] +Maar is de afstand van het sentiment wel zoo groot, als hij schijnen +wil? + +De felle afschuw van de ontbinding van het aardsche lichaam heeft haar +tegenkant in de hooge waarde, die men toekent aan het onbedorven blijven +van de lijken van sommige heiligen, zooals Sint Rosa van Viterbo. Het is +een van de kostbaarste heerlijkheden van Maria, dat haar lichaam voor de +ontbinding op aarde gespaard is gebleven door haar hemelvaart. [438] +Weer op een andere wijze spreekt de materialistische geest, die zich +niet kon losmaken van de gedachte aan het lichaam, uit de bijzondere +zorg, waarmee sommige lijken behandeld worden. Er bestond een gewoonte, +om terstond na den dood de trekken van het aangezicht van een +aanzienlijken gestorvene bij te schilderen, opdat voor de begrafenis +geen bederf zichtbaar zou zijn. [439] Het lijk van een prediker van de +kettersche secte der Turlupins, die te Parijs in de gevangenis voor het +vonnis gestorven was, wordt veertien dagen in een vat met kalk bewaard, +om het te zamen met een levende kettersche te kunnen verbranden. [440] +Van de Engelschen, die in Frankrijk gesneuveld of gestorven zijn, wordt +veelal het lijk in stukken gesneden, gekookt, tot het vleesch loslaat +van de beenderen, die gereinigd en in een koffer naar Engeland gezonden +worden, terwijl de rest begraven wordt. Zoo geschiedt met Hendrik V, met +de lords York en Oxford, bij Azincourt gesneuveld, met Glasdale, bekend +uit de geschiedenis van Jeanne d'Arc, met een neef van Sir John +Fastolfe. [441] + +In de veertiende eeuw komt het wonderlijke woord macabre op, als om de +geheele laat-middeleeuwsche visie van den dood te markeeren. Het woord +(tot in de 17e eeuw luidde het macabre) is onvoldoende verklaard, wat +zijn oorsprong betreft, maar de beteekenisnuance, die het uit zijn +gebruik verworven heeft, is zoo scherp en eigen, dat zij geen +omschrijving behoeft. De macabere opvatting van den dood is in onzen +tijd nog voornamelijk te vinden op dorpskerkhoven, waar men er in rijm +en figuur den nagalm van hoort. In het einde der Middeleeuwen is zij een +groote cultuurgedachte geweest. Er raakte in de voorstelling van den +dood een nieuw, aangrijpend fantastisch element gemengd, een rilling, +die opkwam uit het ijzige bewustzijnsgebied van spokenvrees en klammen +schrik. De alles-beheerschende godsdienstige gedachte zette haar +aanstonds om in moraal, herleidde haar tot memento mori, maar maakte +gaarne gebruik van al de huiveringwekkende suggestie, die het spectrale +karakter der voorstelling meebracht. + +Rondom den Doodendans groepeeren zich de verwante voorstellingen van het +sterven, die tot verschrikking en vermaning dienen moesten. De sproke +van de Drie dooden en de drie levenden gaat aan den Doodendans vooraf. +[442] Reeds in de dertiende eeuw komt zij op in de Fransche litteratuur: +drie jonge edellieden ontmoeten plotseling drie afzichtelijke dooden, +die hen wijzen op hun eigen voormalige aardsche grootheid en op het +spoedig einde, dat hun, den levenden, wacht. De aangrijpende figuren, in +het Campo santo van Pisa zijn wel de oudste voorstelling van het thema +in de groote kunst; het beeldhouwwerk aan het portaal van de kerk der +Innocents te Parijs, waar de hertog van Berry in 1408 het onderwerp liet +afbeelden, is verloren. Maar miniatuur en houtsnee maken het in de +vijftiende eeuw tot gemeen goed, en ook als muurschildering is het zeer +verbreid. + +De voorstelling van de drie dooden en de drie levenden vormt de schakel +tusschen het afzichtelijke beeld der verrotting en de gedachte door den +Doodendans verbeeld, hoe voor den dood allen gelijk zijn. De +kunsthistorische ontwikkeling van het gegeven kome hier slechts even ter +sprake. Ook van den Doodendans schijnt Frankrijk het land van herkomst. +Doch hoe is hij ontstaan? als een werkelijk gespeelde vertooning, of +als afbeelding? Het is bekend, dat de these van Emile Male, die de +uitwerking der motieven in de beeldende kunst der vijftiende eeuw +beschouwt als in den regel ontleend aan het zien van dramatische +vertooningen, in haar algemeenheid niet voor de kritiek bestand is +gebleken. Maar ten opzichte van den Doodendans zou het kunnen zijn, dat +men op die verwerping een uitzondering moest maken; dat hier inderdaad +de vertooning aan de afbeelding is voorafgegaan. In ieder geval, 't zij +vroeger of later, de Doodendans werd gespeeld evengoed als geschilderd +of in prent gebracht. De hertog van Bourgondie laat hem in 1449 opvoeren +in zijn hotel te Brugge. [443] Hadden wij eenig denkbeeld van de +uitmonstering van zulk een spel: de kleuren, de bewegingen, het glijden +van licht en schaduwen over de dansenden, wij zouden nog beter de +ernstige verschrikking begrijpen, die de Doodendans over de gemoederen +bracht, dan het ons de houtsneden van Guyot Marchant en van Holbein +doen. + +De houtsneden, waarmee de Parijsche drukker Guyot Marchant in 1485 de +eerste uitgave van de _Danse macabre_ versierde, waren zoo goed als +zeker, evenals de verzen, ontleend aan den beroemdsten en oudsten aller +Doodendansen, die welke in het jaar 1424 als muurschildering in de +galerij van het kerkhof der Innocents te Parijs was aangebracht. [444] +Zij is in de zeventiende eeuw door afbraak van de galerij verdwenen. +Het is de meest populaire verbeelding van den dood geweest, die de +Middeleeuwen hebben gekend: duizenden hebben dag in dag uit op die +zonderlinge en macabere plaats van samenkomst, die het kerkhof der +Innocents was, de eenvoudige figuren aanschouwd en de bevattelijke +verzen, waarvan elk couplet met een bekend spreekwoord eindigde, +gelezen, zich getroost over de gelijkheid in den dood en gehuiverd voor +het einde. Nergens kon die aapachtige dood zoo op zijn plaats zijn, die +grinnikend, met de passen van een ouden stijven dansmeester, den paus, +den keizer, den edelman, den daglooner, den monnik, het kleine kind, den +zot en al de andere beroepen en standen uitnoodigend meetrekt. Geven de +houtsneden van 1485, die blijkens de kleederdracht geen getrouwe copie +zijn, nog eenigszins den indruk weer van de vermaarde muurschildering? +Misschien zal men daarvoor nog eer moeten zien naar den Doodendans uit +de kerk van La Chaise-Dieu, [445] waar het spookachtige van de +voorstelling nog verhoogd wordt door den half-voltooiden staat der +schildering. + +Het lijk, dat veertig maal terugkeert, om den levende te halen, is +eigenlijk nog niet de Dood, maar de doode. De verzen noemen de figuur +Le mort (bij den doodendans der vrouwen La morte); het is een danse des +morts, niet de la Mort. Het is ook hier niet een geraamte, maar een nog +niet geheel ontvleescht lichaam met den gespleten hollen buik. Eerst +omstreeks 1500 wordt de figuur van den grooten danser een geraamte, +zooals wij het van Holbein kennen. Dan heeft zich de voorstelling van +een vagen dooden dubbelganger gecondenseerd tot die van den Dood als +actieven, persoonlijken levenseindiger. Zoo was hij in de Middeleeuwen +nog niet verbeeld. In den ouderen doodendans is de onvermoeide danser +nog de levende zelf, zooals hij zijn zal in de naaste toekomst, een +angstwekkende verdubbeling van zijn persoon, het beeld, dat hij in den +spiegel ziet; niet, zooals sommigen willen, een vroeger gestorvene van +gelijken stand of waardigheid. Juist dit: gij zijt het zelf, gaf aan den +doodendans zijn huiveringwekkendste kracht. + +Ook in het fresco, dat de gewelfde overhuiving sierde van het +grafmonument van koning Rene en zijn gemalin Isabella in de kathedraal +van Angers, was het feitelijk nog de koning zelf, die was voorgesteld. +Men zag er een skelet (of zal ook dit eer een lijk zijn geweest?) in een +langen mantel, zittend op een gouden troon, dat met de voeten mijters, +kronen, wereldbol en boeken wegschopt. Het hoofd was op de dorre hand +geleund, die een wankelende kroon zocht te steunen. [446] + +De oorspronkelijke doodendans gaf enkel mannen te zien. De bedoeling, om +aan de vermaning over de vergankelijkheid en ijdelheid van het aardsche +tegelijk de les der maatschappelijke gelijkheid te verbinden, bracht uit +den aard der zaak de mannen, als de dragers der maatschappelijke +beroepen en waardigheden, op den voorgrond. De doodendans was niet +alleen een vroom vermaan, maar ook een sociale satire, en er is in de +begeleidende verzen een zwakke ironie. Nu gaf echter dezelfde Guyot +Marchant als vervolg op zijn uitgave een doodendans der vrouwen, +waarvoor Martial d'Auvergne de verzen maakte. De onbekende teekenaar der +houtsneden bleef achter bij het model, dat hem de eerdere uitgave +leverde: hij vond enkel de hideuse figuur van het rif, om welks schedel +nog schaarsche vrouwenharen zwieren. In den doodendans der vrouwen nu +treedt terstond dat sensueele element weer op, dat ook het thema +doortrok van het beklag over schoonheid, die verrotting wordt. Hoe kon +het ook anders? Er waren geen veertig beroepen en waardigheden van +vrouwen te vermelden; met de voornaamste standen, koningin, edelvrouw +enz., enkele geestelijke functies of staten, en een paar bedrijven als +koopvrouw, baker enz. was de voorraad uitgeput. De rest kon slechts +worden aangevuld, door de vrouw te beschouwen in de verschillende staten +van haar vrouwenleven zelf: als maagd, geliefde, bruid, jonggetrouwde, +zwangere. En zoo is het ook hier weer de klacht om verdwenen of nooit +genoten vreugde en schoonheid, die den toon van het memento mori +schriller doet klinken. + +Een beeld ontbrak nog in de verschrikkende verbeelding van het sterven: +dat van het doodsuur zelf. De schrik voor die stonde kon den geest niet +levendiger worden ingeprent dan door te herinneren aan Lazarus: deze had +na zijn herrijzenis, heette het, niet anders gekend dan jammerlijk +afgrijzen voor den dood, dien hij reeds eens geleden had. En als de +rechtvaardige zoo moest vreezen, hoe dan de zondaar? [447] De +voorstelling van den doodsstrijd was de eerste der Vier uitersten, +Quattuor hominum novissima, die het den mensch goed was staag te +overdenken: dood, jongste gericht, hel en hemel. Als zoodanig reikt zij +in het gebied van de hiernamaalsvoorstellingen. Hier komt voorloopig +alleen de voorstelling van het lichamelijke sterven zelf ter sprake. +Nauw verwant met het thema der Vier uitersten is de Ars moriendi, een +schepping der vijftiende eeuw, die evenals de Doodendans door boekdruk +en houtsnede verder werkte dan eenige vrome gedachte tevoren. Zij +behandelt de verzoekingen, vijf in getal, waarmee de duivel den +stervende belaagt: den twijfel aan het geloof, de wanhoop over zijn +zonden, de gehechtheid aan zijn aardsche goederen, vertwijfeling over +zijn eigen lijden, eindelijk den hoogmoed over eigen deugd. Telkens komt +een engel de lagen van Satan afweren met zijn troost. De beschrijving +van den doodsstrijd zelf was oude stof; men herkent er steeds weer +hetzelfde kerkelijke model in. [448] + +Chastellain heeft in een uitvoerig gedicht _Le Pas de la Mort_ [449] al +de hier besproken motieven saamgevat. Hij begint met het aangrijpende +verhaal, dat zelfs in de deftige wijdloopigheid, dezen schrijver eigen, +zijn werking niet mist, hoe zijn stervende geliefde hem bij zich riep en +met gebroken stem zeide: + + "Mon amy, regardez ma face. + Voyez que fait dolante mort + Et ne l'oubliez desormais; + C'est celle qu'aimiez si fort; + Et ce corps vostre, vil et ort, + Vous perderez pour un jamais; + Ce sera puant entremais + A la terre et a la vermine: + Dure mort, toute beaute fine." + +Daarop maakt de dichter een Spiegel des doods. Eerst werkt hij het thema +Waar zijn nu de grooten der aarde? uit: veel te lang, eenigszins +schoolmeesterachtig, zonder iets van den luchtigen weemoed van Villon. +Dan volgt iets als een eerste opzet van een doodendans, maar zonder +kracht of verbeelding. Tenslotte berijmt hij de Ars moriendi. Hier is +zijn beschrijving van den doodsstrijd: + + "Il n'a membre ne facture + Qui ne sente sa pourreture. + Avant que l'esperit soit hors, + Le coeur gui veult crevier au corps + Haulce et soulieve la poitrine + Qui se veult joindre a son eschine. + --La face est tainte et apalie, + Et les yeux treillies en la teste. + La parolle luy est faillie, + Car la langue au palais se lie. + Le poulx tressault et sy halette. + * * * * * * * * * * * * + Les os desjoindent a tous lez; + Il n'a nerf qu'au rompre ne tende." [450] + +Villon besluit dat alles in een half couplet, veel aangrijpender. [451] +Toch herkent men het gemeenschappelijk voorbeeld. + + "La mort le fait fremir, pallir, + Le nez courber, les vaines tendre, + Le col enfler, la chair mollir, + Joinctes et nerfs croistre et estendre." + +En dan weer die sensueele gedachte, die telkens door al deze +voorstellingen van verschrikking heen loopt: + + "Corps femenin, qui tant est tendre, + Poly, souef, si precieux, + Te fauldra il ces maulx attendre? + Oy, ou tout vif aller es cieulx." + +--Nergens was alles wat den dood voor oogen riep, zoo treffend bijeen +als op het kerkhof der Innocents te Parijs. Daar genoot de geest de +huivering van het macabere in haar volste maat. Alles werkte mee, om aan +deze plek de sombere heiligheid en bonte griezeligheid te geven, die de +late Middeleeuwen zoo hevig begeerden. Reeds de heiligen, aan wie de +kerk en het kerkhof gewijd waren, de Onnoozele kinderen, die in de +plaats van Christus geslacht waren, brachten door hun martelie die +wreede roering en bloedige verteedering aan, waarin de tijd zwelgde. +Juist in deze eeuw kwam hun vereering sterk op den voorgrond. Men bezat +meer dan een reliek van de knaapjes van Bethlehem: Lodewijk XI schonk +aan de hun gewijde kerk te Parijs "un Innocent entier", besloten in een +grooten kristallen schrijn. [452] Het kerkhof was de plaats, waar men +liever rustte dan ergens anders. Een bisschop van Parijs liet een weinig +aarde van het kerkhof der Innocents in zijn graf leggen, daar hij er +niet begraven kon worden. [453] Arm en rijk lag er dooreen, en niet voor +lang, want zoo druk was het gebruik der begraafplaats, waarop twintig +parochien het recht van begraven hadden, dat na verloop van eenigen tijd +de beenderen werden opgegraven en de steenen verkocht. Het heette, dat +een lichaam er in negen dagen tot op de beenderen verging. [454] +Schedels en beenderen werden dan opgestapeld in de knekelzolders boven +de zuilengang, die het kerkhof aan drie zijden omringde: bij duizenden +lagen zij daar open en bloot voor het gezicht, en preekten de les van +gelijkheid. Onder de arcaden was in de schildering en de verzen van den +Doodendans diezelfde les te zien en te lezen. Voor het maken van de +"beaux charniers" had onder anderen de edele Boucicaut geld gegeven. +[455] Aan het portaal der kerk had de hertog van Berry, die daar rusten +wilde, de voorstelling van de drie dooden en de drie levenden laten +beeldhouwen. Later, in de zestiende eeuw, verrees op het kerkhof nog de +groote Dood, die in het Louvre eenzaam de eenige rest uitmaakt van al +wat daar bijeen was. + +Deze plek nu was voor de Parijzenaars der vijftiende eeuw als een luguber +Palais royal van 1789. Te midden van het voortdurende begraven en weer +opgraven was het er een wandelplaats en een vereenigingspunt. Men vond +er winkeltjes bij de knekelhuizen en lichte vrouwen onder de arcaden. +Een ingemetselde kluizenares aan de zijde der kerk verhoogde de +bezienswaardigheid. Soms kwam een bedelmonnik preeken op de plaats, die +zelf een preek in middeleeuwschen stijl was. Soms verzamelde er zich een +processie van kinderen: 12500, zegt de burger van Parijs, allen met +kaarsen, die een Innocent naar de Notre Dame en weer terug droegen. +Zelfs feesten werden er gegeven. [456] Zoo was het huiveringwekkende +weer alledaagsch geworden. + +In de zucht tot directe verbeelding van den dood, waarbij al het +onverbeeldbare moest worden prijsgegeven, werden alleen de grovere +aspecten van den dood in het bewustzijn gedrongen. In de macabere visie +van den dood ontbreekt zoo goed als al het teere, al het elegische. En +in den grond is het een zeer deeszijdig, zelfzuchtig gezicht op den +dood. Het is niet de rouw om het gemis van geliefden, maar de spijt om +den eigen komenden dood, enkel gezien als onheil en verschrikking. Daar +is geen gedachte in aan den dood als trooster, aan het einde van lijden, +aan de begeerde rust, de vervulde of de afgebroken taak, geen teedere +herinnering, geen berusting. Niets van de "divine depth of sorrow". +Slechts een enkele maal klinkt er een weeker accent. In den doodendans +spreekt de doode den daglooner aan: + + + "Laboureur qui en soing et painne + Avez vescu tout vostre temps, + Morir fault, c'est chose certainne, + Reculler n'y vault ne contens (tegenstribbeling). + De mort devez estre contens + Car de grant soussy vous delivre...." + +Maar de daglooner beklaagt toch het leven, waarvan hij dikwijls het eind +heeft gewenscht. + +Martial d'Auvergne laat in zijn doodendans der vrouwen het kleine meisje +tot haar moeder roepen: bewaar toch goed mijn pop, mijn bikkels en mijn +mooie jurk. De aandoenlijke accenten van het kinderleven zijn in de +litteratuur der late Middeleeuwen uitermate zeldzaam; er was geen plaats +voor in de gewichtige stijfheid van den grooten stijl. Noch de kerkelijke +noch de wereldlijke litteratuur kennen eigenlijk het kind. Wanneer +Antoine de la Salle in _Le Reconfort_ [457] een edelvrouw wil troosten +over het verlies van haar zoontje, weet hij niet anders te geven dan het +verhaal van een knaap, die nog wreeder zijn jonge leven verloor, als +gijzelaar omgebracht. Als overwinning der smart kan hij haar niet anders +bieden dan de leer, om aan niets wat aardsch is te hechten. Maar dan +laat hij volgen, wat wij kennen als het volkssprookje van het doodshemdje: +het gestorven kindje, dat zijn moeder komt vragen om niet langer te +schreien, opdat zijn doodshemdje kan drogen. En het is opeens een veel +inniger geluid dan het in duizend tonen gezongen memento mori. Zouden niet +volksverhaal en volkslied in die eeuwen allerlei sentimenten hebben +bewaard, die de litteratuur nauwelijks kent? + +De kerkelijke gedachte der late Middeleeuwen kent alleen de twee uitersten: +de klacht om de vergankelijkheid, om het einde van macht, eer en genot, +om het vergaan van schoonheid, en den jubel om de geredde ziel in haar +zaligheid. Alles wat daartusschen ligt, blijft onuitgesproken. In de +doorgevoerde verbeelding van den doodendans en het ijselijke rif versteent +de levende aandoening. + + + +NOTEN: + + +[421] Directorium vitae nobilium, Dionysii Opera, t. XXXVII, p. 550; +t. XXXVIII p. 358. + +[422] Bernardi Morlanensis De contemptu mundi, ed. Th. Wright, The +Anglo-latin satirical poets and epigrammatists of the twelfth century +(Rerum Britannicarum medii aevi scriptores), London, 1872, 2 vol., II p. +37. + +[423] Vroeger toegeschreven aan Bernard van Clairvaux, door sommigen voor +het werk van Walter Mapes gehouden; vgl. H.L. Daniel, Thesaurus +hymnologicus, Lipsiae 1841-1856, IV p. 288. + +[424] Deschamps, III no. 330, 345, 368, 399.--Gerson, Sermo III de +defunctis, Opera, III p. 1568; Dion. Cart. De quatuor hominum +novissimis, Opera, t. XLI p. 511; Chastellain, VI p. 52. + +[425] Villon, ed. Longnon, p. 33. + +[426] Ib. p. 34. + +[427] Emile Male, l'Art religieux a la fin du moyen age, Paris, 1908, +p. 376. + +[428] Zie mijn De Vidushaka in het Indisch tooneel, Groningen, 1897, +p. 77. + +[429] Odo van Cluny, Collationum lib. III, Migne t. CXXXIII, p. 556. + +[430] Innocentius III, de contemptu mundi sive de miseria conditionis +humanae libri tres, Migne t. CCXVII p. 702. Het tractaat is overigens +uit den tijd voor zijn pausschap. + +[431] Ib. p. 713. + +[432] Oeuvres du roi Rene, ed. Quatrebarbes I p. cl. Na den 5en den +8en regel schijnt een vers te ontbreken; waarschijnlijk rijmde op +"menu vair" "mange des vers" of iets dergelijks. + +[433] Olivier de la Marche, Le Parement et triumphe des dames, Paris, +Michel le Noir, 1520, aan het slot. + +[434] Ib. + +[435] Uitgevallen. + +[436] Villon, Testament, vs. 453 ss., ed. Longnon, p. 39. + +[437] H. Kern, Het lied van Ambapali uit de Therigatha, Versl. en Meded. +der Kon. Akad. v. wetenschappen (6) III p. 153, 1917. + +[438] Molinet, Faictz et dictz, fo. 4, fo. 42v. + +[439] Proces over de zaligverklaring van Pieter van Luxemburg, 1390, +Acta sanctorum Julii, I p. 562. + +[440] Les Grandes chroniques de France, ed. Paulin Paris, Paris +1836-'38, 6 vol., VI p. 334. + +[441] Juvenal des Ursins, p. 567; Journal d'un bourgeois, p. 237, 307, +671; Lefevre de S. Remy, I p. 260. + +[442] Zie over dit alles Emile Male, l'Art religieux a la fin du +moyen-age, II, 2 La Mort. + +[443] Laborde, II. I, 393. + +[444] Journal d'un bourgeois, p. 203. + +[445] Eenige reproducties bij Male t.a.p. en in Gazette des beaux arts +1918, avril-juin p. 167. + +[446] Oeuvres du roi Rene, I p. clii. + +[447] Chastellain, Le pas de la mort, VI p. 59. + +[448] Vgl. Innocentius III, de contemptu mundi, II c. 42; Dion. Cart. de +IV hominum novissimis, t. XLI p. 496. + +[449] Oeuvres, VI p. 49. + +[450] T.a. p. 60. + +[451] Villon, Testament, XLI, vs.321-328, ed. Longnon, p. 33. + +[452] Champion, Villon, 1 p. 303. + +[453] Male l.c. p. 389. + +[454] Leroux de Lincy, Livre des legendes, p. 95. + +[455] Le livre des faits etc., II p. 184. + +[456] Journal d'un bourgeois, I p. 233/4, 392, 276. Zie verder Champion, +Villon, I p. 306. + +[457] A. de la Salle, Le Reconfort de Madame du Fresne, ed. J. Neve, +Paris. 1903. + + + * * * * * + + +VI + +DE TEUGELLOOZE VERBEELDING VAN HET HEILIGE + + +De doodsvoorstelling kan gelden als voorbeeld van het laat-middeleeuwsche +denkleven in het algemeen: het is als een uitvloeien, een verzanden van +de gedachte in het beeld. De gansche inhoud van het gedachtenleven wil +uitgedrukt worden in verbeeldingen; al het goud wordt aangemunt in +kleine, dunne schijven. Door die teugellooze behoefte aan verbeelding +was het heilige voortdurend blootgesteld aan veruiterlijking en +verstarring. + +Het geheele proces van de ontwikkeling der volksvroomheid in de latere +Middeleeuwen kan niet bondiger worden uitgedrukt dan in de volgende +woorden van Jakob Burckhardt uit zijn _Weltgeschichtliche Betrachtungen_. +"Eine maechtige Religion entfaltet sich in alle Dinge des Lebens hinein +und faerbt auf jede Regung des Geistes, auf jedes Element der Kultur ab. +Freilich reagieren dann diese Dinge mit der Zeit wieder auf die +Religion; ja deren eigentlicher Kern kann erstickt werden von den +Vorstellungs- und Bilderkreisen, die sie einst in ihren Bereich gezogen +hat. Das 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' had seine schicksalsvolle +Seite." En verderop: "Nun ist aber keine Religion jemals ganz unabhaengig +von der Kultur der betreffenden Voelker und Zeiten gewesen. Gerade, wenn +sie sehr souveraen mit Hilfe buchstaeblich gefasster heiliger Urkunden +herrscht und scheinbar Alles sich nach ihr richtet, wenn sie sich 'mit +dem ganzen Leben verflicht', wird dieses Leben am unfehlbarsten auch auf +sie einwirken, sich auch mit ihr verflechten. Sie hat dann spaeter an +solchen innigen Verflechtungen mit der Kultur keinen Nutzen mehr, +sondern lauter Gefahren; aber gleichwohl wird eine Religion immer so +handeln, so lange sie wirklich lebenskraeftig ist." [458] + +Het leven der middeleeuwsche christenheid is in al zijn betrekkingen +doortrokken, geheel verzadigd met godsdienstige voorstellingen. Daar is +geen ding en geen handeling, waarin niet voortdurend de betrekking tot +Christus en het geloof wordt gelegd. Maar in die oververzadigde +atmosfeer is de religieuze spanning, de daadwerkelijke transcendentie, +het uittreden uit het hier-en-dit niet steeds aanwezig. Blijft die +spanning uit, dan verdooft alles tot schrikwekkende alledaagsche +onheiligheid, een verbazende deeszijdigheid in geenzijdige vormen. Zelfs +bij een subliemen heilige als Heinrich Suso, bij wien de religieuze +spanning misschien geen oogenblik te kort schoot, blijft toch de val +naar het ridicule niet uit. Subliem, wanneer hij, gelijk de ridder +Boucicaut het om der wille van een aardsche geliefde deed, allen vrouwen +eer bewijst om Maria, en voor een arme terzijde in het slijk treedt. Hij +volgt de gebruiken der aardsche min, en viert den jaarsdag en den Meidag +zijn liefde voor de Wijsheid, zijn bruid, met een krans en een liedje. +Hoort hij een minneliedje, dan past hij het terstond toe op zijne +Wijsheid. Maar wat van het volgende? Aan tafel placht Suso, als hij een +appel at, dien in vieren te snijden: drie partjes at hij in naam der +Drieeenheid en het vierde at hij "in der minne, als diu himelsch muter +irem zarten kindlein Jesus ein epfelli gab ze essen", en daarom at hij +dat vierde partje met de schil, want kleine jongens eten appels +ongeschild. En eenige dagen na Kerstmis,--dus als het Jezuskind nog te +klein was om appels te eten, zal de bedoeling zijn,--at hij dat vierde +partje niet, maar offerde het aan Maria, om het aan haar zoon te geven. +Zijn dronk nam hij in vijf teugen, om de vijf wonden des Heeren, maar +omdat uit Christus' zijde bloed en water vloeide, nam hij den vijfden +teug dubbel. [459]--Ziedaar het 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' in +zijn uiterste doorvoering. + +Afgezien voorloopig van den graad van innigheid, en enkel beschouwd als +godsdienstige vormen, is er in de vroomheid der late Middeleeuwen zeer +veel, wat zich voordoet als woekeringen van het godsdienstig leven, mits +men dat begrip niet opvat van een protestantsch-dogmatisch standpunt. Er +was, afgezien van de qualitatieve veranderingen, die zij meebrachten, in +de Kerk een quantitatieve vermeerdering van gebruiken en begrippen +ontstaan, die de ernstige godgeleerden met schrik vervulde. Het is niet +zoozeer tegen de onvroomheid of bijgeloovigheid van al het nieuwe, dat +zich opdrong, als tegen de overlading van het geloof op zich zelf, dat +de reformgeest der vijftiende eeuw zich keert. De teekens der altijd +bereide goddelijke genade waren altijd meer geworden; naast de +sacramenten bloeiden aan alle zijden de benedicties; van de relieken +kwam men tot de amuletten, de kracht van het gebed werd geformaliseerd +in de rozenkransen, de bonte galerij der heiligen kreeg altijd meer +kleur en leven. En al ijverde de theologie voor een goede onderscheiding +van sacramenten en sacramentalien, welk middel was er, om het volk te +weerhouden, op al dat magische en bonte hun hoop en geloof te vestigen? +Gerson had te Auxerre iemand ontmoet, die beweerde, dat het Dwazenfeest, +waarmee in kerken en kloosters de wintermaand gevierd werd, even +geheiligd was als dat van Mariae ontvangenis. [460] Nicolas de Clemanges +schreef een tractaat tegen het instellen en vieren van nieuwe feesten; +er waren er van die nieuwe, verklaarde hij, waarbij ongeveer de geheele +liturgie van apocryphen aard was, en met instemming gewaagt hij van den +bisschop van Auxerre, die de meeste feestdagen had afgeschaft. [461] +Pierre d'Ailly richt zich in zijn geschrift _De reformatione_ [462] +tegen de voortdurende vermeerdering van kerken, feesten, heiligen, +rustdagen, tegen den overvloed van beelden en schilderijen, de al te +groote uitvoerigheid van den dienst, het opnemen van apocryphe +geschriften in de liturgie der feesten, tegen de invoering van nieuwe +hymnen en gebeden of andere willekeurige nieuwigheden, tegen de al te +strenge vermeerdering van vigilien, gebeden, vasten, onthoudingen. Er +was een neiging, om aan elk punt uit de vereering van de Moeder Gods een +specialen dienst te verbinden. Er waren bijzondere missen, later door de +Kerk afgeschaft, van Maria's vroomheid, van haar zeven smarten, van alle +Mariafeesten te zamen, van haar zusteren Maria Jacobi en Maria Salome, +van den engel Gabriel, van al de heiligen, die den geslachtsboom des +Heeren uitmaakten. [463] Verder zijn er te veel kloosterorden, zegt +d'Ailly, en dit leidt tot verscheidenheid van gebruiken, tot afzondering +en hoogmoed, tot ijdele verheffing van den eenen geestelijken staat +boven den anderen. Vooral de bedelorden wil hij beperken. Hun toestand +is schadelijk voor de leprozenhuizen en hospitalen en voor de andere +echte armen en ellendige behoeftigen, wien het recht en de ware titel +des bedelens toekomt. [464] Hij wil de preekende questierders van den +aflaat uit de kerk verbannen, die haar bezoedelen met hun leugens en +haar belachelijk maken. [465] Waar moet het heen met de voortdurende +stichting van nieuwe vrouwenconventen zonder voldoende middelen? + +Men ziet, het is meer tegen het quantitatieve euvel, dat Pierre d'Ailly +te velde trekt, dan tegen het qualitatieve. Hij trekt, met uitzondering +van zijn schimp tegen den aflaatpreek, niet uitdrukkelijk de vroomheid +en heiligheid van al die praktijken in twijfel; hem bezwaart hun +ongebreideld aangroeien als zoodanig; hij ziet de Kerk verstikken onder +dien last van bijzonderheden. Toen Alanus de Rupe zijn nieuwe broederschap +van den rozenkrans propageert, richt zich het verzet ook meer tegen de +nieuwigheid op zich zelf dan tegen den inhoud ervan. Vertrouwend op de +werking van zulk een grootsche gebedsgemeenschap, als Alanus zich +voorstelde, zou het volk de voorgeschreven penitenties, de geestelijkheid +de canonieke getijden verwaarloozen. De parochiekerken zouden leegloopen, +als de broederschap enkel in de kerken der Franciscanen en Dominicanen +vergaderde. Uit de bijeenkomsten konden licht partijzucht en samenzweringen +voortkomen. En ten slotte verwijt men hem ook: het zijn droombeelden, +phantasieen en oudewijvenpraatjes, die de broederschap voor groote en +wonderlijke openbaringen verkoopt. [466] + +De bijna mechanische wijze, waarop de heilige gebruiken zich neigden te +vermenigvuldigen, wanneer geen strenge autoriteit besnoeiend ingreep, +heeft een karakteristiek voorbeeld in de wekelijksche vereering der +Onnoozele kinderen. Aan de herdenking van den Bethlehemschen kindermoord +op 28 December verbond zich evenzeer allerlei half-heidensch midwinter- +bijgeloof als sentimenteele aandoening over den gruwel van dit +martelaarschap; de dag gold als een ongeluksdag. En nu plachten velen +gedurende het heele jaar den weekdag, waarop het laatst Onnoozele +kinderen gevallen was, als een ongeluksdag te ontzien. Men mocht dien +dag geen werk beginnen, geen tocht aanvaarden. De dag heette eenvoudig +"les Innocents" evenals het feest zelf. Lodewijk XI nam dit gebruik +nauwgezet in acht. De kroning van Eduard IV werd nog eens overgedaan, +omdat men haar eerst op den ongelukkigen dag der week had verricht. Rene +van Lotharingen moest van een gevecht afzien, omdat zijn landsknechten +weigerden, op grond dat het de weekdag van Onnoozele kinderen was. [467] + +Johannes Gerson neemt uit dit gebruik de aanleiding tot een tractaat +tegen het bijgeloof in het algemeen en dit in het bijzonder. [468] Hij +is een dergenen geweest, die het gevaar van die woekering der +godsdienstige denkbeelden voor het kerkelijk leven duidelijk hebben +gezien. Met zijn scherpen, ietwat nuchteren geest ziet hij ook iets van +den zielkundigen grond voor het opkomen van al die denkbeelden. Zij +spruiten voort "ex sola hominum phantasiatione et melancholica +imaginatione"; het is een bederf van de verbeeldingskracht; deze berust +op een inwendig hersenletsel, en dit weer op duivelsche begoocheling. +Zoo krijgt de duivel toch nog zijn deel. + +Het is een proces van voortdurende herleiding van het oneindige tot +eindigheden, een uiteenvalling van het wonder in atomen. Aan elk +heiligste mysterie hecht zich, als een korst van schelpen aan een schip, +een aangroeisel van uiterlijke geloofselementen, die het ontwijden. De +ontzaglijke doordrongenheid van het wonder der eucharistie plant zich +aan de oppervlakte voort in het nuchterste en materieelste bijgeloof: +bij voorbeeld dat men op den dag, waarop men mis gehoord heeft, niet +blind kan worden of een beroerte krijgen, dat men gedurende den tijd, +dat men de mis hoort, niet ouder wordt. [469] De Kerk heeft er +voortdurend tegen te waken, dat God niet al te zeer op aarde wordt +gebracht. Zij verklaart het kettersch, te beweren, dat Petrus, Johannes +en Jacobus bij Christus' transfiguratie het goddelijk wezen even klaar +hadden gezien, als zij het nu doen in den hemel. [470] Het was +godslastering, dat een der navolgsters van Jeanne d'Arc beweerde, God +gezien te hebben in een lang wit kleed met een rood overkleed. [471] +Doch kon het volk het helpen, dat het niet de fijne onderscheidingen +wist te maken, die de theologie voorschreef, waar de Kerk zooveel bonte +stof aan de verbeelding bood? + +Gerson zelf hield zich niet vrij van het euvel, dat hij bestreed. Hij +verheft zijn stem tegen de ijdele nieuwsgierigheid, [472] en bedoelt +daarmee den geest van onderzoek, die de natuur wil leeren kennen in haar +uiterste geheimen. Maar hij zelf wroet met onbescheiden nieuwsgierigheid +in de kleinste uiterlijke bijzonderheden der heilige dingen. Zijn +bijzondere vereering voor den heiligen Joseph, voor wiens feest hij op +allerlei wijzen werkt, maakt hem benieuwd, om alles van Joseph te weten. +Hij verdiept zich in al de bijzonderheden van diens huwelijk met Maria, +hun samenleven, zijn onthouding, hoe hij haar zwangerschap leerde kennen, +hoe oud hij was. Van de caricatuur, die de kunst van Joseph dreigde te +maken: den ouden slovenden man, zooals Deschamps hem beklaagde, wil +Gerson niet weten: Joseph was nog geen vijftig jaar, zegt hij. [473] +Elders veroorlooft hij zich een bespiegeling over de lichamelijke +samenstelling van Johannes den Dooper: "semen igitur materiale ex qua +corpus compaginandum erat, nec durum nimis nec rursus fluidum +abundantius fuit". [474] De beroemde volksprediker Olivier Maillard +pleegt zijn gehoor na de inleiding te onthalen op "une belle question +theologale", bij voorbeeld, of de Maagd zoo actief had meegewerkt tot de +ontvangenis van Christus, dat zij waarlijk Moeder Gods mocht heeten; of +het lichaam van Christus asch zou zijn geworden, indien de opstanding +niet tusschenbeide gekomen ware. [475] De strijdvraag over Maria's +onbevlekte ontvangenis, waarin de Dominicanen tegen de wassende +volksbehoefte in, die de Maagd van aanvang af vrij van de erfzonde wilde +zien, de ontkennende partij hielden, veroorzaakte een vermenging van +theologische en embryologische bespiegeling, die ons weinig stichtelijk +voorkomt. En zoo hardnekkig overtuigd waren de ernstigste godgeleerden +van het gewicht hunner argumenten, dat zij zich niet ontzagen, het +dispuut in preeken voor het groote publiek te brengen. [476] Als zoo de +geest van de ernstigsten was gericht, hoe kon het dan anders, of over +een groot levensgebied moest zich door die voortgezette uitwerking in +bijzonderheden al het heilige oplossen in een alledaagschheid, waaruit +men zich slechts bij vlagen tot de ontzaglijke huivering over het wonder +verhief? + +De gemeenzaamheid, waarmee men in het dagelijksch leven met God handelde, +moet van twee kanten worden bezien: het is even goed de volstrekte +vastheid en onmiddellijkheid van het geloof, die daaruit spreken, als de +schade, die dat geloof leed door zijn volkomen afvloeiing in alle dingen +van het gewone leven. Juist het innigste mysterie, de eucharistie, lijdt +voortdurend het gevaar der profanatie. Zoo ongeschokt was het geloof aan +het miswonder en de rechtgeloovige vereenzelviging der drie personen van +de Drieeenheid, dat men de gewijde hostie eenvoudig God noemde. Zoo +ontstaat een spraakgebruik, dat ons profaner schijnt dan het voor den +middeleeuwschen geest was. Een reiziger stijgt even af, en gaat een +dorpskerk binnen "pour veoir Dieu en passant". Van den priester heet +het: "quand il eut leve Dieu et calice"; gaat hij met de hostie op een +ezel zijns weegs, dan spreekt men van "un Dieu sur un asne". [477] +Wekken deze voorbeelden door de bron, waaraan zij zijn ontleend: de +_Cent nouvelles nouvelles_, wellicht de verdenking van een onvrome +bedoeling (ik zie er enkel het gemeenzame spraakgebruik in), deze is +uitgesloten bij het volgende uit _Le livre du chevalier de la Tour-Landry +pour l'enseignement de ses filles_, waar van een dame gezegd wordt: "Sy +cuidoit transir de la mort, et se fist apporter beau sire Dieux." [478] +"Veoir Dieu" was een gangbare term voor het zien heffen van de hostie. [479] +--Zoodra nu de smaak van het wonder even uitbleef, welk een ontwijding +bracht dan zulk een spraakgebruik mede! Dan was het maar een kleine val +tot gedachtenlooze gemeenzaamheden als het spreekwoord: "Laissez faire +a Dieu, qui est homme d'aage", [480] of Froissart's: "et li prie a mains +jointes, pour si hault homme que Diex est." [481] + +Hoe zulk een spraakgebruik "Dieu" voor de hostie het godsgeloof zelf +contamineeren kon, bewijst een geval als het volgende. De bisschop van +Coutances draagt een mis op in de kerk van Saint Denis. Toen hij het +lichaam des Heeren gaat heffen, vermaant men Hugues Aubriot, den prevot +van Parijs, die de kapel rondwandelde, waar de mis gevierd werd, om te +aanbidden. Maar Hugues, een bekend esprit fort, antwoordt met een vloek, +dat hij niet geloofde in den God van zoo'n bisschop, die aan het hof +woonde. [482] + +Een treffend voorbeeld van bijna onbeschaamde gemeenzaamheid met het +heilige, waar toch aan een spottende bedoeling niet valt te denken, zijn +de Mariabeeldjes, zooals de Bourgondische hertogen er een bezaten, die +een variant opleveren van het oud-hollandsche drinkvaatwerk, dat Hansje +in den kelder genoemd werd. Het was een klein gouden beeldje, rijk met +edelsteenen versierd, waarvan de buik open kon, waarbinnen men de +Drieeenheid zag. [483] Gerson zag er een bij de Carmelieten te Parijs, +en keurt het af, maar niet wegens de onvroomheid doch om de ketterij, +die erin gelegen was, de geheele Drieeenheid als de vrucht van Maria's +schoot voor te stellen. [484] + +Het geheele leven was zoo doortrokken van godsdienst, dat de afstand +tusschen het aardsche en het geestelijke ieder oogenblik dreigt te loor +te gaan. Wordt aan den eenen kant alles van het gewone leven in de +heilige oogenblikken opgetrokken in wijding, aan den anderen kant wordt +het heilige voortdurend in de sfeer van het alledaagsche gehouden door +zijn onoplosbare vermenging met het dagelijksch leven. Hierboven werd +gesproken van het kerkhof der Innocents te Parijs, die afzichtelijke +kermis des doods met de doodsbeenderen al rondom opgetast en uitgestald. +Kan men zich iets vreeselijkers denken dan het leven van de kluizenares, +ingemetseld tegen den kerkmuur op die plaats der verschrikking? Maar +lees nu, hoe de tijdgenooten erover spreken: de recluses woonden er in +een keurig nieuw huisje, zij werden ingemetseld met een mooie preek, zij +kregen van den koning een bezoldiging van acht pond 's jaars in acht +termijnen. [485] Alles alsof het gewone hofjesjuffrouwen waren. Waar +blijft het religieuze pathos? Waar blijft het, als er een aflaat wordt +verbonden aan de gewoonste huiselijke werkzaamheden: het aanmaken van +den oven, het melken van een koe, het uitboenen van een pot. [486] Bij +een verloting te Bergen-op-Zoom in 1518 waren naast elkaar "costelijcke +prijsen" en aflaten te winnen. [487] Bij de vorstelijke intochten +prijkten op de hoeken der straten afwisselend met de zinrijke +vertooningen, dikwijls van heidensche naaktheid, de kostbare +reliekschrijnen der stad op altaren, bediend door prelaten en den vorst +om eerbiedig te kussen aangeboden. [488] + +Die oogenschijnlijke ongescheidenheid van de religieuze en de +wereldlijke sfeer wordt het levendigst uitgedrukt door het overbekende +feit, dat de wereldlijke melodie steeds onveranderd dienen kan voor den +kerkelijken zang en omgekeerd. Guillaume Dufay componeert zijn missen op +thema's van wereldlijke liederen als "Tant je me deduis, Se la face ay +pale, L'omme arme." + +Er is een voortdurend wisselverkeer tusschen de godsdienstige en +wereldlijke terminologie. Zonder aanstoot ontleent men de uitdrukking +voor aardsche dingen aan den godsdienst en omgekeerd. Boven den ingang +van de Rekenkamer te Rijssel prijkte een vers, dat aan iedereen +herinnerde, hoe hij eenmaal rekenschap zou hebben af te leggen van zijn +hemelsche gaven, voor God: + + "Lors ouvrira, au son de buysine + Sa generale et grant chambre des comptes." [489] + +Omgekeerd heette het in den plechtigen oproep tot een tournooi, alsof +het een plechtigheid met aflaat was: + + "Oez, oez, l'oneur et la louenge + Et des armes grantdisime pardon." [490] + +Het was toeval, dat in het woord "mistere" mysterium en ministerium +waren dooreengeloopen, maar deze homonymie kon niet anders dan de +verzwakking van het mysteriebesef in het dagelijksch spraakgebruik +bevorderen: alles heette mistere, bij voorbeeld de eenhoren, de schilden +en de pop, die bij den Pas d'armes de la fontaine des pleurs gebruikt +waren. [491] + +Als directe tegenkant van de godsdienstige symboliek: het duiden van +alle aardsche dingen en aardsche geschiedenis als zinnebeeld en +praefiguratie van het goddelijke, vindt men omgekeerd vorstenhulde +gebracht in godsdienstige metafoor. Zoodra het ontzag voor aardsche +majesteit den middeleeuwer aanvat, dient hem de taal der heilige +aanbidding voor de uitdrukking van zijn gevoel. De vorstendienaars der +vijftiende eeuw staan hier voor geen profanatie. In het pleidooi om den +moord van Lodewijk van Orleans laat de pleiter den geest van den +vermoorden vorst tot zijn zoon spreken: aanschouw mijn wonden, waarvan +er vijf in het bijzonder wreed en doodelijk waren. [492] Hij ziet het +slachtoffer dus als Christus. De bisschop van Chalons schroomt op zijn +beurt niet, Jan zonder Vrees, die door de wraak om Orleans viel, met het +Lam Gods te vergelijken. [493] Molinet vergelijkt keizer Frederik, die +zijn zoon Maximiliaan zendt, om met Maria van Bourgondie te trouwen, met +God Vader, die den Zoon op aarde zendt, en spaart geen vrome taal tot +uitwerking van het geval. Wanneer later Frederik en Maximiliaan met den +jongen Philips den Schoone te Brussel binnenkomen, laat Molinet de +Brusselaars weenend zeggen: "Veez-ci figure de la Trinite, le Pere, le +Fils et Sainct Esprit." Of wel hij biedt zijn bloemkrans aan Maria van +Bourgondie als waardig beeld van Onze Lieve Vrouw, "behoudens de +maagdelijkheid." [494] + +"Niet dat ik de vorsten wil vergoden", zegt deze aartshoveling. [495] +Misschien is het inderdaad meer holheid en phrase dan werkelijk gevoelde +adulatie, maar het bewijst daarom niet minder de depreciatie van de +heilige voorstellingen door hun dagelijksch gebruik. Trouwens wat zal +men den hofpoetaster verwijten, als Gerson zelf aan de vorstelijke +hoorders van zijn preeken speciale beschermengelen toekent van een +hooger hierarchie en ambt dan die van andere menschen? [496] + +In de toepassing van godsdienstige termen op het erotische, waarvan hier +boven reeds sprake was, heeft men natuurlijk met heel iets anders te +doen. Hier is een element van werkelijke onvroomheid en spot, dat in het +zooeven behandelde spraakgebruik niet aanwezig was; beide zijn slechts +verwant, in zooverre zij voortspruiten uit de groote gemeenzaamheid met +het heilige. De vertellers der _Cent nouvelles nouvelles_ verlustigen +zich onvermoeid in woordspeling op "saints" en "seins", en het gebruik +van "devotion, confesser, benir" in obscenen zin. De schrijver van _Les +Quinze joyes de mariage_ kiest dien titel in navolging der vreugden van +Maria. [497] Van de voorstelling der liefde als een vrome observantie is +hierboven gesproken. Van ernstiger beteekenis nog is het, wanneer de +verdediger van den _Roman de la rose_ met heilige termen noemt "partes +corporis inhonestas et peccata immunda atque turpia." [498] Hier is wel +degelijk iets van die gevaarlijke toenadering van het godsdienstige en +het erotische voelen, die de Kerk in dezen vorm hevig vreesde. Niets +geeft wellicht die toenadering zoo levendig te zien als de Antwerpsche +Madonna, aan Fouquet toegeschreven, voorheen in het koor der Lieve +Vrouwenkerk te Melun als diptiek vereenigd met het luik, dat den +stichter Etienne Chevalier, tresorier des konings, met den heiligen +Stephanus vertoont, thans te Berlijn. Een oude traditie, in de 17e eeuw +door den oudheidkundige Denis Godefroy opgeteekend, wil, dat de Madonna +de trekken van Agnes Sorel weergeeft, de koninklijke maitresse, voor wie +Chevalier zijn hartstocht niet verborg. Het is inderdaad, bij al de +groote hoedanigheden der schildering, een modepop, die wij voor ons +zien, met het gebombeerde kaalgeschoren voorhoofd, de wijd +uiteenstaande, kogelronde borsten, het hooge dunne middel. De bizarrerie +van de hermetische gelaatsuitdrukking, de stijve roode en blauwe +engelen, alles werkt mee, om aan het schilderij een waas van decadente +goddeloosheid te geven, waarbij de forsche, slichte voorstelling van den +stichter en zijn heilige op het andere luik wonderlijk afsteekt. +Godefroy zag op het blauw fluweel eener breede lijst de naamletter E in +parelen, telkens verbonden door liefdestrikken (lacs d'amour) uit goud- +en zilverdraad. [499] Ligt in het geheel niet een blasphemische +vrijmoedigheid met het heilige, die door geen Renaissance-geest te +overtreffen was? + +De oneerbiedigheid van het dagelijksche kerkelijk leven was schier +zonder grenzen. Men beweert, dat bij de missen, op wereldlijke thema's +gecomponeerd, in den dienst zelfs de teksten dier profane liederen: +_baisez-moi, rouges nez_, tusschen den liturgischen tekst door werden +gezongen. [500] David van Bourgondie, de bastaard van Philips den Goede, +houdt zijn intrede als bisschop van Utrecht te midden van een +krijgsgevolg van enkel edelen, waarmee zijn broeder de bastaard van +Bourgondie hem uit Amersfoort is komen afhalen. De nieuwe bisschop zelf +is geheel geharnast, alsof hij een veroverend wereldlijk vorst ware; zoo +rijdt hij naar den dom, en gaat er binnen in een processie met vanen en +kruisen, om voor het hoogaltaar te bidden. [501] Leg naast die +Bourgondische onbeschaamde hoovaardij de gemoedelijke onbeschaamdheid +van Rudolf Agricola's vader, den pastoor van Baflo, die op den dag, dat +hij tot abt van Selwert was gekozen, het bericht kreeg, dat hem uit zijn +bijzit een zoon geboren was, en zeide: "Heden ben ik tweemaal vader +geworden; moge Gods zegen er op rusten." [502] + +De tijdgenooten beschouwen de toenemende oneerbiedigheid jegens de kerk +als een achteruitgang der zeden van den jongsten tijd. + + "On souloit estre ou temps passe + En l'eglise benignement + A genoux en humilite + Delez l'autel moult closement, + Tout nu le chief piteusement, + Maiz au jour d'uy, si come beste, + On vient a l'autel bien souvent + Chaperon et chapel en teste." [503] + +Op de feestdagen, klaagt Nicolaas van Clemanges, gaan maar weinigen naar +de mis. Zij hooren die niet tot het einde aan, en vergenoegen zich, even +het wijwater aan te raken, door een kniebuiging Onze Lieve Vrouw te +groeten, of een heiligenbeeld te kussen. Hebben zij de hostie zien +heffen, dan beroemen zij er zich op als een groote weldaad aan Christus. +De metten en den vesper viert de priester meestal met zijn helper +alleen. [504]--De heer van het dorp en patronaatsheer der kerk laat den +priester kalm wachten met de mis, tot hij en zijn vrouw zijn opgestaan +en zich gekleed hebben. [505] + +De heiligste feesten, de Kerstnacht zelf, worden in ongebondenheid +doorgebracht, met kaartspelen, vloeken en schandelijke taal; vermaant +men het volk, dan beroept het er zich op, dat de groote heeren, de +klerken en prelaten het ongestraft doen. [506] Op de vigilien der +feestdagen wordt in de kerken zelf met losbandige liederen gedanst; +priesters geven het voorbeeld, om die nachtwaken door te brengen met +dobbelspel en vloeken. [507] De raad van Straatsburg schonk jaarlijks +1100 liter wijn voor hen, die in het Munster den Sint Adolfsnacht +"wakend en in gebed" doorbrachten. [508] Een stedelijk magistraat +beklaagt zich bij Dionysius den Kartuizer, dat de jaarlijksche +processie, in zijn stad met een heilige reliquie verricht, de aanleiding +was tot tal van onbetamelijkheden en drinkgelagen. Hoe daar een einde +aan te maken? De magistraat zelf zou er niet gemakkelijk van te +overtuigen zijn, want de processie bracht de stad voordeel aan; zij +bracht volk in de stad, dat er moest overnachten, eten en drinken. En +het was nu eenmaal zoo gewoonte. Dionysius kende het euvel; hij wist, +hoe tuchteloos men bij processies optrad, pratende, lachende, +onbeschaamd rondkijkende, belust op drinken en ruw vermaak. [509] Het +past wonderwel bij den optocht der Gentenaren naar de kermis van Houthem +met den schrijn van Sint Lieven. Vroeger, zegt Chastellain, plachten de +notabelen het heilig lichaam te dragen "en grande et haute solempnite et +reverence", maar nu is het "une multitude de respaille et de +garconnaille mauvaise"; zij dragen hem schreeuwend en joelend, zingend +en dansend, onder honderd potsen, en allen zijn dronken. Zij zijn +gewapend bovendien, en veroorloven zich overal waar zij langs komen de +grootste losbandigheid; alles schijnt dien dag aan hen overgeleverd +onder voorwendsel van hun heiligen last. [510] + +De kerkgang is een belangrijk element in het gezelschapsleven. Men komt +er pronken in zijn fraaisten dos, men komt er wedijveren in rang en +deftigheid, en in hoofsche vormen en beleefdheid. Vroeger is al vermeld, +[511] hoe het kussen van het "paesbord", "la paix", de vaste aanleiding +was tot den meest stotenden beleefdheidsstrijd. Als er een jonkertje +binnenkomt, staat mevrouw op en kust hem op den mond, terwijl de +priester de hostie wijdt en het volk te bidden ligt. [512] Praten en +rondwandelen onder de mis moeten zeer gewoon zijn geweest. [513] Het +gebruik van de kerk als plaats van samenkomst, waar de jongelieden naar +de meisjes komen kijken, is zoo algemeen, dat enkel de moralisten er +zich over ergeren. De jeugd komt zelden in de kerk, roept Nicolaas van +Clemanges uit, [514] dan om de vrouwen te zien, die er haar hoovaardige +kapsels en haar decollete komen vertoonen. De eerbare Christine de Pisan +dicht zonder ergernis: + + "Se souvent vais ou moustier, + C'est tout pour veoir la belle + Fresche com rose nouvelle." [515] + +Het bleef niet bij de kleine liefdediensten, waartoe de dienst den +vrijer gelegenheid gaf: de beminde het wijwater te geven, haar de "paix" +te reiken, een kaarsje voor haar aan te steken en naast haar te knielen, +niet bij wat teekens en lonkjes. [516] In de kerk zelf komen de +lichtekooien haar afspraken zoeken. [517] In de kerken zelf en op +heiligendagen zijn ontuchtige prentjes te koop, die de jeugd bederven; +en geen preeken helpt tegen het kwaad. [518] Meer dan eens wordt de kerk +en het altaar door ontuchtige daden bezoedeld. [519] + +Evenzeer als het gewone kerkbezoek was de bedevaart de aanleiding tot +allerlei vermaak en vooral tot verliefde besognes. Zij worden in de +litteratuur dikwijls als gewone pleizierreisjes behandeld. De ridder +de la Tour-Landry, die het ernstig meent met zijn onderricht aan zijn +dochters in goede en deugdzame manieren, spreekt van vermaaklievende +dames, die gaarne naar tournooien en pelgrimages gaan, en vertelt +waarschuwende exempelen van vrouwen, die een bedevaart ondernamen als +voorwendsel tot een samenkomst met den geliefde. "Et pour ce a cy bon +exemple comment l'on ne doit pas aler aux sains voiaiges pour nulle +folie plaisance." [520] Juist zoo beschouwt ze Nicolaas van Clemanges: +men gaat op feestdagen naar verafgelegen kerken van heiligen ter +beevaart, minder om zijn gelofte te lossen dan om des te vrijer af te +dwalen. Het is een bron van velerlei misdrijven; daar bij de heilige +plaatsen zijn steeds de verfoeilijke koppelaarsters aanwezig, om de +meisjes te verlokken. [521] Het is het gewone geval in de _Quinze joyes +de mariage_: de jonge vrouw wil wel eens een verzetje en bepraat haar +man, dat het kind ziek is, omdat zij de bedevaart nog niet heeft +volbracht, waartoe zij in 't kraambed de gelofte deed. [522] De +voorbereiding tot het huwelijk van Karel VI met Isabella van Beieren +wordt ingeleid met een pelgrimage. [523] Geen wonder, dat de ernstige +mannen der moderne devotie in de bedevaarten weinig nut zien. Die vele +bedevaarten doen, worden zelden heilig, zegt Thomas a Kempis, en +Frederik van Heilo wijdt aan de zaak een afzonderlijk tractaat _Contra +peregrinantes_. [524] + +In al deze ontwijdingen van het geloof door de onbeschaamde vermenging +met het zondige leven ligt meer naieve gemeenzaamheid met den godsdienst +dan regelrechte onvroomheid. Enkel een samenleving, die geheel +doortrokken is van het godsdienstige, en die het geloof als iets +vanzelfsprekends aanvaardt, kent al deze excessen en ontaarding. Het +waren dezelfde menschen, die de dagelijksche sleur van een half +verliederlijkte godsdienstpraktijk volgden, en die dan plotseling onder +het vlammende woord van een preekenden bedelmonnik vatbaar waren voor de +uitersten van heilige ontroering. + +Zelfs een botte zonde als het vloeken komt enkel op uit een sterk +geloof. Want in zijn oorsprong als bewuste eed is de vloek het teeken +van een tot in de nietigste dingen aanwezig besef van de +tegenwoordigheid van het goddelijke. Alleen het besef van waarlijk den +hemel te tarten geeft aan den vloek zijn zondige bekoring. Eerst waar +elk besef van te zweren en elke vrees voor de vervulling van den vloek +geweken is, verslapt het vloeken tot de eentonige ruwheid van later +tijden. In het laatst der Middeleeuwen heeft het nog dien prikkel van +driestheid en hoogmoed, die het maakt tot een adellijke sport. +"Wat,--zegt de edelman tot den boer--: je geeft je ziel aan den duivel, +en je verloochent God, terwijl je geen edelman bent?" [525] Deschamps +constateert, dat het vloeken reeds afdaalt tot de geringe lieden: + + "Si chetif n'y a qui ne die: + Je renie Dieu et sa mere." [526] + +Men wedijvert in pittige en nieuw gevonden vloeken; wie het liederlijkst +te vloeken weet, wordt als meester geeerd. [527] Eerst vloekte men, zegt +Deschamps, overal in Frankrijk op zijn Gasconsch en Engelsch, daarna op +zijn Bretonsch, en nu op zijn Bourgondisch. Hij rijmt twee balladen +aaneen van de gebruikelijke vloeken, om ze tot vromen zin te wenden. En +de Bourgondische vloek: "Je renie Dieu", is de ergste van allen; [528] +men verzacht hem tot: "Je renie de bottes". De Bourgondiers hadden den +naam van aartsvloekers; trouwens Frankrijk in het algemeen, klaagt +Gerson, lijdt, zoo christelijk als het is, meer dan andere landen onder +die afschuwelijke zonde, die de oorzaak is van pestilentie, oorlogen en +hongersnood. [529] Zelfs de monniken doen met bastaardvloeken mee. [530] +Hij wil, dat alle autoriteiten en alle standen, door scherpe verordeningen +en lichte straffen, die dan ook werkelijk uitgevoerd kunnen worden, het +kwaad helpen uitroeien. En inderdaad verscheen in 1397 een koninklijke +ordonnantie, die de oude verordeningen tegen het vloeken van 1269 en +1347 hernieuwde; niet met lichte en uitvoerbare straffen evenwel, maar +met de oude bedreigingen van lippen kloven en tong afsnijden, waaruit de +heilige verontwaardiging over de godslastering sprak. In het register, +dat de ordonnantie bevat, staat er aan den rand bij aangeteekend: "Al +deze vloeken zijn heden ten dage, 1411, overal in het rijk zeer algemeen +in gebruik, zonder eenige straf." [531] Pierre d'Ailly dringt bij het +concilie van Constanz [532] opnieuw met nadruk aan op de bestrijding van +het kwaad. + +Gerson kent de beide uitersten, waartusschen de zonde van het vloeken +zich beweegt. Hij kende uit zijn ervaring als biechtvader de jongelieden, +die onbedorven, eenvoudig en kuisch, gekweld werden door een scherpe +verzoeking, om woorden van godverloochening en godslastering te spreken. +Hij beveelt hun aan, om zich niet geheel aan de beschouwing van God en +zijn heiligen over te geven; zij zijn er niet sterk genoeg toe. [533] +Hij kent ook de gewoontevloekers, zooals de Bourgondiers, wier daad, hoe +verfoeilijk ook, toch niet de schuld van meineedigheid bevat, daar er in +het geheel geen bedoeling is, om te zweren. [534] + +Het punt, waar de gewoonte om de dingen van het geloof lichtvaardig te +behandelen, overgaat in bewuste ongodsdienstigheid, is niet te bepalen. +Er is zonder twijfel in het laatst der Middeleeuwen een sterke neiging, +om de vroomheid en de vromen te bespotten. Men is gaarne esprit fort, en +spreekt tegen het geloof bij wijze van scherts. [535] De novellisten +doen frivool en onverschillig, zooals in het verhaal der _Cent nouvelles +nouvelles_, waar de pastoor zijn hond in gewijde aarde begraaft, en hem +toespreekt: "mon bon chien, a qui Dieu pardoint." De hond gaat dan ook +"tout droit au paradis des chiens." [536] Men heeft een grooten afkeer +van gehuichelde of beuzelachtige vroomheid: het woord "papelard" ligt +hun in den mond bestorven. Het veelgebruikte spreekwoord: "De jeune +angelot vieux diable" of in fraai schoollatijn: "Angelicus juvenis +senibus sathanizat in annis" is Gerson een doorn in het oog. Zoo bederft +men de jeugd, zegt hij: men prijst in de kinderen een onbeschaamd +gelaat, vuile taal en vloeken, onkuischheid in blik en gebaar. Maar, +zegt hij: ik zie niet, wat er van den jongeling, die den duivel speelt, +te hopen valt in de grijsheid. [537] + +Onder de geestelijken en godgeleerden zelf onderscheidt Gerson een groep +van onwetende praters en ruziemakers, wien elk gesprek over den +godsdienst een last en een fabel is; alles wat hun wordt meegedeeld van +verschijningen en openbaringen, verwerpen zij met groot gelach en +verontwaardiging. Anderen vallen in het andere uiterste en nemen alle +inbeeldingen van ijlhoofdige menschen, droomen en wonderlijke gedachten +van zieken en krankzinnigen, als openbaringen aan. [538] Het volk weet +tusschen die uitersten het juiste midden niet te bewaren: zij gelooven +alles, wat zieners en waarzeggers voorspellen, maar, komt een ernstig +geestelijke, die dikwijls echte revelaties heeft gehad, eens bedrogen +uit, dan beschimpen de wereldsche lieden allen, die van geestelijken +wandel zijn, noemen hem een bedrieger en een "papelard", en willen +voortaan naar geen geestelijken meer luisteren, die zij voor boosaardige +huichelaars houden. [539] + +Het is steeds weer het plotseling uitblijven van de religieuze spanning +in een met godsdienstigen inhoud en vormen oververzadigd gedachtenleven. +Door de heele Middeleeuwen heen vindt men talrijke gevallen van spontaan +ongeloof, waarbij niet te denken valt aan een afwijking van de kerkleer +op grond van theologische bespiegeling, maar enkel aan een onmiddellijke +reactie. Al beteekent het niet veel, wanneer dichters of +geschiedschrijvers, de enorme zonden van hun tijd ziende, uitroepen: men +gelooft niet meer aan hemel en hel, [540] bij meer dan een was het +latente ongeloof bewust en vast geworden, zoo zelfs dat het algemeen +bekend was, en zij er zelf voor uitkwamen. "Beaux seigneurs,--zegt de +kapitein Betisac tot zijn makkers, [541]--je ay regarde a mes besongnes +et en ma conscience je tiens grandement Dieu avoir courrouchie, car ja +de long temps j'ay erre contre la foy, et ne puis croire qu'il soit +riens de la Trinite, ne que le Fils de Dieu se daignast tant abaissier +que il venist des chieulx descendre en corps humain de femme, et croy et +dy que, quant nous morons, que il n'est riens de ame.... J'ay tenu celle +oppinion depuis que j'eus congnoissance, et la tenray jusques a la +fin."--Hugues Aubriot, prevot van Parijs, is een allervurigst papenhater; +hij gelooft niet aan het altaarsacrament, spot ermee, houdt geen Paschen, +gaat niet te biecht, [542] Jacques du Clercq verhaalt verschillende +gevallen van edelen, die hun ongeloof toonden en geheel bij kennis de +laatste sacramenten weigerden. [543] Jean de Montreuil, proost van +Rijssel, schrijft aan een zijner geleerde vrienden, meer in den +luchtigen trant van een verlichten humanist dan als een waarlijk vrome: +"Ge kent onzen vriend Ambrosius de Miliis; ge hebt dikwijls gehoord, hoe +hij van den godsdienst, van het geloof, van de heilige schrift en van +alle kerkelijke voorschriften dacht, zoo namelijk, dat Epicurus er +katholiek bij moest heeten. Welnu, deze man is thans geheel bekeerd." +Maar hij werd dan ook tevoren toch geduld in dien kring van vroege +humanisten vol vromen zin. [544] + +Aan de eene zijde van deze spontane gevallen van ongeloof staat het +litteraire paganisme der Renaissance en het beschaafde en behoedzame +Epicurisme, dat reeds in de 13e eeuw, naar Averroes genoemd, in zoo +wijde kringen had gebloeid. Aan de andere zijde staat de +hartstochtelijke negatie bij de arme, onwetende ketters, die allen, hoe +zij ook heeten, Turlupins of Broeders van den vrijen geest, de grenzen +van de mystiek naar het pantheisme hadden overschreden. Doch deze +verschijnselen moeten in een later verband ter sprake komen. Voorloopig +hebben wij nog te blijven in de sfeer van de uiterlijke geloofsverbeelding +en de uiterlijke vormen en gebruiken. + + * * * * * + +Voor het dagelijksch besef van den grooten hoop maakte de aanwezigheid +van een zichtbaar beeld het intellectueel bewijs van de waarheid van het +afgebeelde volkomen overbodig. Tusschen hetgeen men in kleur en vorm +afgebeeld voor zich zag: de personen der Drieeenheid, de vlammende hel, +de tallooze heiligen, en het gelooven daaraan lag geen vraag: zou het +waar zijn? Al die voorstellingen werden onmiddellijk _als_ verbeeldingen +tot geloof; zij stonden in den geest vast omlijnd en bont gekleurd, met +al de realiteit, die de Kerk in het geloof eischen kon, en nog wat +daarenboven. + +Doch waar het geloof direct berust op een beeldvoorstelling, kan het +nauwelijks qualitatieve onderscheidingen maken tusschen den aard en den +graad van heiligheid der verschillende geloofselementen. Het eene beeld +is zoo reeel en zoo ontzagbaar als het andere, en dat men God te +aanbidden heeft en de heiligen slechts te vereeren, leert de afbeelding +zelf niet, als niet de Kerk met haar leering er voortdurend toe +vermaant. Nergens dreigde de overwoekering van de vrome gedachte door de +bonte verbeelding zoo aanhoudend en zoo sterk, als op het gebied der +heiligenvereering. + +Het strenge standpunt van de Kerk was zuiver en hoog genoeg. Gegeven de +voorstelling van het persoonlijk voortbestaan, was de vereering der +heiligen natuurlijk en zonder bedenking. Het is geoorloofd, hun lof en +eer toe te kennen "per imitationem et reductionem ad Deum". Op dezelfde +wijze mag men ook vereering schenken aan beelden, relieken, heilige +plaatsen en aan God gewijde dingen, voorzoover het ten slotte leidt tot +vereering van God zelf. [545] Ook de technische onderscheiding van den +heilige en den gewonen gezaligde, en de normeering van het instituut der +heiligheid door de officieele canonisatie hadden, schoon een bedenkelijke +formaliseering, toch niets wat tegen den geest van het christendom streed. +De Kerk bleef zich bewust van de oorspronkelijke gelijkwaardigheid van +heiligheid en zaligheid, en van het ontoereikende der heiligverklaring. +"Het is te gelooven,--zegt Gerson,--dat er oneindig meer heiligen +gestorven zijn en dagelijks sterven, dan zij die gecanoniseerd zijn." +[546] De geoorloofdheid der beelden zelf tegenover de uitdrukkelijke +woorden van het tweede gebod werd betoogd met het beroep, dat voor de +menschwording van Christus het verbod noodzakelijk was geweest, omdat +God toen enkel geest was, maar dat Christus de oude wet had opgeheven +door en wegens zijn komst op aarde. Aan de rest van het tweede gebod: +"Non adorabis ea neque coles", wenschte de Kerk onvoorwaardelijk vast te +houden. "Wij aanbidden de beelden niet, doch brengen eer en adoratie aan +den afgebeelde, dat wil zeggen aan God, of aan zijn heilige, wiens beeld +het is." [547] De beelden dienen alleen, om aan de eenvoudigen, die de +schrift niet kennen, te toonen, wat zij moeten gelooven. [548] Zij zijn +de boeken der onwetenden: [549] men kent die gedachte uit het gebed aan +Maria, dat Villon voor zijn moeder maakte: + + "Femme je suis pourette et ancienne, + Qui riens ne scai; oncques lettre ne leuz; + Au moustier voy dont suis paroissienne + Paradis paint, ou sont harpes et luz, + Et ung enfer ou dampnez sont boulluz: + L'ung me fait paour, l'autre joye et liesse".... [550] + +Dat door het openleggen van het boek der bonte beelden aan den dolenden +geest evenveel stof tot afwijking van de leer werd geboden, als de +persoonlijke schriftverklaring kon meebrengen, heeft de Kerk nimmer +verontrust. Zij heeft altijd licht geoordeeld over de zonde van hen, die +uit onwetendheid en eenvoudigheid tot aanbidding der beelden vervielen. +Het is hun reeds genoeg, zegt Gerson, als zij maar de bedoeling hebben +om te doen, zooals de Kerk doet in het eeren der beelden. [551] + +De zuiver dogmenhistorische vraag, in hoeverre de Kerk haar verbod van +directe vereering of zelfs aanbidding der heiligen, niet als voor +bidders maar als bewerkers van het gevraagde, altijd zuiver heeft weten +te handhaven, kan hier blijven rusten. De cultuurhistorische vraag is, +in hoeverre zij erin slaagde, het volk daarvan af te houden, met andere +woorden welke realiteit, welke voorstellingswaarde de heiligen hadden in +het laat-middeleeuwsche volksbesef. En hier is maar een antwoord mogelijk: +de heiligen waren zoo wezenlijke, zoo materieele en zoo gemeenzame +figuren in het alledaagsche geloofsleven, dat zich aan hen al de meer +oppervlakkige en zinnelijke godsdienstige impulsen verbonden. Terwijl +de innigste gemoedsbewegingen uitstroomden naar Christus en Maria, +kristalliseerde zich in de heiligenvereering een heele schat van +gemoedelijk, naief en alledaagsch godsdienstig leven. Alles werkte mede, +om aan de populaire heiligen een wezenlijkheid voor den geest te geven, +die hen voortdurend midden in het leven bracht. De volksverbeelding +heeft hen vast: zij hebben hun bekende gedaante en hun attributen, men +kent hun ijselijke martelie en hun verbazende wonderen. Zij gaan gekleed +en uitgerust als het volk zelf. Men kon mijnheer Sint Rochus of Sint +Jacob iederen dag in levende pestlijders of pelgrims ontmoeten. Het zou +van belang zijn, na te gaan, tot hoe lang de kleederdracht der heiligen +de mode van den dag heeft meegemaakt. Zeker die der geheele vijftiende +eeuw. Maar waar is het punt, waarop de kerkelijke kunst hen onttrekt +aan de levende volksverbeelding, door hen te hullen in rhetorische +drapeering? Het is niet alleen een kwestie van Renaissancegevoel voor +historisch costuum; het is, dat de volksverbeelding zelf hen begint los +te laten, of althans zich niet meer kan doen gelden in de kerkelijke +kunst. Tijdens de contrareformatie zijn de heiligen veel treden hooger +geklommen, naar de Kerk het wilde: weg uit de aanraking met het +volksleven. + +De lijfelijkheid, die de heiligen reeds hadden door de afbeelding, werd +nog buitengewoon verhoogd doordat de Kerk van oudsher de vereering van +hun lichamelijke overblijfselen had toegestaan en aangemoedigd. Het kon +niet anders, of van dit hechten aan de stof moest een materialiseerende +invloed op het geloof uitgaan, die somtijds tot verbazingwekkende +uitersten leidde. Waar het relieken geldt, vreest het sterke geloof der +Middeleeuwen voor geen ontnuchtering of ontwijding. Het volk in de +bergen van Umbrie omstreeks het jaar 1000 wilde den kluizenaar Sint +Romuald doodslaan, om toch zijn gebeente niet te verliezen. De monniken +van Fossanuova, waar Thomas van Aquino gestorven was, hebben, uit vrees +dat hun de kostbare reliek zou ontgaan, het lijk van den edelen meester +letterlijk ingemaakt: van het hoofd ontdaan, gekookt, geprepareerd. +[552] Toen de heilige Elisabeth van Thueringen boven aarde stond, kwam +een schaar van devoten niet alleen stukken snijden of scheuren van de +doeken, waarmee haar gelaat omwikkeld was; men sneed de haren en nagels +af, ja zelfs stukken van de ooren en de tepels van de borsten. [553] Ter +gelegenheid van een plechtig feest deelt Karel VI ribben uit van zijn +voorvader den heiligen Lodewijk: aan Pierre d'Ailly, aan zijn ooms van +Berry en Bourgondie, en aan de prelaten een been om te verdeelen, +waartoe dezen dan ook overgaan na den maaltijd. [554] + +Hoe levend en hoe lijfelijk nu ook de voorstelling der heiligen was, +niettemin treden zij betrekkelijk weinig op in de sfeer van de +bovennatuurlijke beleving. Het geheele gebied van geestenzienerij, +teekenen, verschijningen en spooksels staat grootendeels gescheiden +van de verbeeldingssfeer der heiligenvereering. Er zijn natuurlijk +uitzonderingen. Iedereen denkt terstond aan Sint Michiel, Sint Catharina +en Sint Margareta, die aan Jeanne d'Arc verschenen. Zoo zouden er uit de +visionaire litteratuur nog tal van andere voorbeelden zijn aan te halen. +Maar in den regel heeft men daar te doen met eenigszins litterair +geformeerde of geinterpreteerde gezichten. Wanneer aan den jongen herder +te Frankenthal bij Bamberg in 1446 de veertien heilige noodhelpers +verschijnen, dan ziet hij dezen, die toch in de iconografie zulke +markante figuren waren, [555] niet met hun sprekende attributen, maar +als veertien engelkindertjes, onderling geheel gelijk; zij _zeggen_, +dat zij de veertien noodhelpers zijn. De fantasmagorie van het directe +volksgeloof is gevuld met engelen en duivelen, geesten van afgestorvenen +en witte wijven, maar niet met heiligen. Slechts bij uitzondering speelt +in het echte, niet litterair of theologisch aangekleede bijgeloof de +heilige een rol. Sint Bertulf doet het te Gent. Als er iets ernstigs +gaat gebeuren, klopt hij tegen zijn kist in de Sint Pieters abdij "moult +dru et moult fort". Het gaat soms gepaard met een lichte aardbeving, +en verschrikt de stad zoo, dat zij met groote ommegangen het onbekende +onheil zoekt te keeren. [556] In het algemeen echter hecht zich de +klamme vrees aan de slechts vaag verbeelde figuren, die niet met vaste +attributen, bekende trekken en gezellig bonte kleedij in de kerken +uitgehouwen en geschilderd stonden, maar met een ongezien schrikgelaat +in een nevelige wade rondwaarden, of in louter hemelglans zich vertoonden, +of in monsterlijk verschietende wanvormen uit de schuilhoeken van het +brein opdoken. + +Dit behoeft niet te verbazen. Juist doordat de heilige zoo exacten vorm +had aangenomen, zooveel verbeeldingsstof had aangetrokken en rondom zich +gekristalliseerd, miste hij de huiveringwekkende geheimzinnigheid. +De vrees voor het bovennatuurlijke ligt in de onbepaaldheid der +voorstelling, in de verwachting, dat iets plotseling zich in een nieuwe, +nooit ontwaarde schrikwekkendheid zou kunnen vertoonen. Zoodra de +voorstelling wordt omlijnd en bepaald, ontstaat een gevoel van +verzekerdheid en gemeenzaamheid. De heiligen met hun welbekende figuren +hadden het geruststellende van een politieagent in een groote vreemde +stad. De heiligenvereering en vooral de heiligenverbeelding schiep als +'t ware een neutrale zone van gemoedelijk rustig geloof tusschen de +verrukkingen van het God-schouwen en de zoete huiveringen van de +Christusliefde eenerzijds, en anderzijds de gruwelijke fantasmen van de +duivelvrees en den heksenwaan. Men zou de stelling kunnen wagen, dat de +heiligenvereering, door veel zaligheidsgevoel en veel angsten af te +leiden en te herleiden tot gemeenzame verbeelding, een zeer hygienische +tempering heeft opgeleverd voor den wild uitschietenden geest der +Middeleeuwen. + +Door die volkomen ver-beelding heeft de heiligenvereering haar plaats +aan den buitenkant van het geloofsleven. Zij gaat mee op den stroom van +het alledaagsche denken, en verliest daarin soms haar waardigheid. +Karakteristiek is in dit opzicht de laat-middeleeuwsche Joseph-vereering. +Men kan haar beschouwen als een gevolg en een terugslag van de +hartstochtelijke Maria-vereering. De onbescheiden belangstelling voor +den stiefvader is als 't ware de tegenkant van al de liefde en +verheerlijking, die de maagdelijke Moeder gold. Naarmate Maria hooger +steeg, werd Joseph meer caricatuur. De beeldende kunst gaf hem reeds een +type, dat bedenkelijk dicht naderde tot dat van den lompen, bespotten +boer. Zoo ziet men hem op Melchior Broederlam's tweeluik te Dijon. Maar +in de beeldende kunst bleef het ontwijdendste onuitgedrukt. Welk een +naieve nuchterheid vertoont de Joseph-opvatting van Eustache Deschamps, +die hierin toch volstrekt niet als een onvrome spotter te beschouwen is. +Joseph, die Gods Moeder dienen mocht en haar zoon opvoeden, men zou +meenen, dat geen sterveling hooger begenadigd is geweest. Deschamps +gelieft hem te zien als het type van den slovenden, beklagenswaardigen +huisvader: + + "Vous qui servez a femme et a enfans + Aiez Joseph toudis en remembrance; + Femmes servit toujours tristes, dolans. + Et Jhesu Crist garda en son enfance; + A pie trotoit, son fardel sur sa lance; + En plusieurs lieux est figure ainsi, + Lez un mulet, pour leur faire plaisance, + Et si n'ot oncq feste en ce monde ci." [557] + +Was het enkel, om huisvaders in zorgen met een edel voorbeeld te +troosten, dan zou het nog gaan, wat er ook aan waardigheid der +voorstelling ontbrak. Maar Deschamps bedoelt Joseph regelrecht als +afschrikkend voorbeeld, om zich toch niet met een gezin te belasten: + + "Qu'ot Joseph de povrete + De durte, + De maleurte, + Quant Dieux nasqui? + Maintefois l'a comporte, + Et monte + Par bonte + Avec sa mere autressi, + Sur sa mule les ravi; + Je le vi + Paint ainsi; + En Egipte en est ale. + + Le bonhomme est painture + Tout lasse, + Et trousse, + D'une cote et d'un barry: + Un baston au coul pose, + Vieil, use + Et ruse. + Feste n'a en ce monde cy, + Mais de lui + Va le cri: + C'est Joseph le rassote." [558] + +Hier ziet men voor oogen, hoe uit de gemeenzame afbeelding een +gemeenzame opvatting groeide, die elke heiligheid schond. Joseph bleef +in de volksverbeelding een half-komische figuur; nog dr. Johannes Eck +moest erop aandringen, dat men hem in het kerstspel of in het geheel +niet, of althans op betamelijker wijze zou voorstellen, en hem geen +pap zou laten koken, "ne ecclesia Dei irrideatur." [559] Tegen deze +onwaardige woekeringen was de beweging van Gerson voor een passende +Joseph-vereering gericht, die tot zijn opneming in de liturgie met +voorrang boven alle andere heiligen leidde. [560] Wij zagen echter boven +reeds, hoe ook Gerson's ernstig streven hem niet vrijhoudt van die +onbescheiden curiositas, die aan het onderwerp van Joseph's huwelijk +haast onvermijdelijk verbonden scheen. Voor een nuchteren geest (en +Gerson, ondanks zijn voorliefde voor de mystiek, was in veel opzichten +een nuchtere geest) mengden zich altijd weer in de beschouwing van +Maria's huwelijk overwegingen van zeer aardschen inhoud. De ridder de la +Tour-Landry, ook een type van nuchter welmeenend geloof, ziet het geval +onder dit licht. "Dieux voulst que elle espousast le saint homme Joseph, +qui estoit vieulx et preudomme; car Dieu voulst naistre soubz umbre de +mariage pour obeir a la loy qui lors couroit, _pour eschever les paroles +du monde_," [561]-- + +Een onuitgegeven werk der vijftiende eeuw verbeeldt het mystisch +huwelijk der ziel met den hemelschen bruidegom in de termen van een +burgerlijke vrijaadje. Jezus, de bruidegom, zegt tot God Vader: "S'il te +plaist, je me mariray et auray grant foueson d'enfans et de famille." De +Vader maakt bezwaren, want de keuze des Zoons is gevallen op een zwarte +Ethiopische; hier speelt het woord van het Hooglied onder: "Nigra sum +sed formosa". Het zou een mesalliance zijn en een oneer voor de familie. +De engel, die als hijlikmaker optreedt, doet een goed woord voor de +bruid. "Combien que ceste fille soit noire, neanmoins elle est +gracieuse, et a belle composicion de corps et de membres, et est bien +habile pour porter fouezon d'enfans." De Vader antwoordt: "Mon cher fils +m'a dit qu'elle est noire et brunete. Certes je vueil que son espouse +soit jeune, courtoise, jolye, gracieuse et belle et qu'elle ait beaux +membres." Nu prijst de engel haar aangezicht en al haar leden, dat zijn +de deugden der ziel. De Vader geeft zich gewonnen, en spreekt tot den +Zoon: + + "Prens la, car elle est plaisant + Pour bien amer son doulx amant; + Or prens de nos biens largement, + Et luy en donne habondamment." [562] + +Aan den ernst en de stichtelijke bedoeling van dit werk valt geen +oogenblik te twijfelen. Het is enkel een bewijs, tot welke triviale +voorstellingen de onbeteugelde uitwerking der verbeelding leiden kon. + +Iedere heiligenfiguur had door haar welbepaald, direct sprekend beeld +een individueel karakter, [563] in tegenstelling met de engelen, die met +uitzondering der drie groote aartsengelen volkomen onverbeeld bleven. +De individualiteit der heiligen werd nog versterkt door de speciale +functie, die aan verscheiden hunner toekwam: tot dezen wendde men zich +in een bepaalden nood, tot genen om genezing eener bepaalde ziekte. +Veelal had een trek uit de legende of een attribuut van het beeld de +aanleiding gegeven tot die specialiseering, zooals bij voorbeeld, als +Sinte Apollonia tegen kiespijn werd aangeroepen, wie zelve in haar +martelie de kiezen waren uitgetrokken. Was eenmaal de goedgunstige taak +der heiligen zoo verbijzonderd, dan kon het niet uitblijven, of er kwam +in hun vereering een half mechanisch element. Hoorde eenmaal de genezing +der pest tot het ambtsgebied van Sint Rochus, dan werd bijna +onvermijdelijk de actie van den heilige in dezen te direct opgevat, en +liep de gansche, door de Kerk gevorderde, gedachtenschakel, dat de +heilige door zijn voorbidding bij God de genezing wrocht, gevaar om uit +te vallen. Met name was dit het geval bij de vereering der veertien +(soms ook vijf, acht, tien of vijftien) Noodhelpers, die in het laatst +der Middeleeuwen zoo sterk op den voorgrond kwam. Sint Barbara en Sint +Christophorus, de meest afgebeelde van allen, hooren ertoe. Aan deze +veertien had God naar de voorstelling van het volksgeloof toegestaan, +dat hunne aanroeping iedereen zou vermogen te redden uit onmiddellijk +dreigend gevaar. + + "Ilz sont cinq sains, en la genealogie, + Et cinq sainctes, a qui Dieux octria + Benignement a la fin de leur vie. + Que quiconques de cuer les requerra + En tous perilz, que Dieux essaucera + Leurs prieres, pour quelconque mesaise. + Saiges est donc qui ces cinq servira, + Jorges, Denis, Christofle, Gille et Blaise." [564] + +Voor het volksbesef moest krachtens deze delegatie der almacht en +de oogenblikkelijkheid der werking elke gedachte aan de louter +voorsprekende functie der heiligen geheel wegvallen; de Noodhelpers +waren de procuratiehouders der godheid geworden. Verschillende missalen +uit het einde der Middeleeuwen, die het officie der veertien Noodhelpers +behelzen, spreken het bindend karakter van hunne tusschenkomst duidelijk +uit: "Deus qui electos sanctos tuos Georgium etc. etc. specialibus +privilegiis prae cunctis aliis decorasti, ut omnes, qui in necessitatibus +suis eorum implorant auxilium, secundum promissionem tuae gratiae +petitionis suae salutarem consequantur effectum." [565] Vandaar dat de +Kerk na Trente de mis der veertien Noodhelpers als zoodanig verboden +heeft, van wege het gevaar, dat het geloof hier zich als aan een talisman +zou hechten. [566] Inderdaad gold reeds het dagelijks aanschouwen van een +geschilderden of gebeeldhouwden Christophorus als genoegzame behoeding +voor een noodlottig einde. [567] + +Vraagt men, wat de aanleiding kan zijn geweest, dat juist deze veertien +zulk een compagnie des heils zijn gaan vormen, dan valt het op, dat +allen in hun beeltenis iets sensationeels hadden, dat de verbeelding +prikkelde. Achatius zag men met een doornenkroon, Aegidius met een +hinde, Sint Joris met den draak, Blasius in een hol met wilde dieren, +Christoffel als een reus, Cyriacus met den duivel aan een ketting, +Dionysius met zijn hoofd in den arm, Erasmus in zijn gruwelijke +marteling met de windas, die hem de darmen uittrekt, Eustachius met het +kruisdragend hert, Pantaleon als geneesheer, met een leeuw, Vitus in een +ketel, Sint Barbara met haar toren, Catharina met het rad en het zwaard, +Margareta met een draak. [568] Het zou niet onmogelijk zijn, dat de +bijzondere opmerkzaamheid voor deze veertien van het treffende in hun +beeld haar uitgangspunt had genomen. + +Tal van heiligennamen waren verbonden geraakt aan bepaalde ziekten, +zooals Sint Antonie aan verschillende vurige huidziekten, Sint Maurus +aan de jicht, Sint Sebastiaan, Sint Rochus, Sint Aegidius, Sint +Christoffel, Sint Valentijn en Sint Adriaan aan de pest. Hier school nog +een ander gevaar voor ontaarding van het volksgeloof. Het euvel heette +naar den heilige: Sint Antonies vuur, "mal de Saint Maur" en tallooze +dergelijke. De heilige stond dus bij het denken aan de ziekte van +aanvang af op den voorgrond der gedachte. Dat denken was geladen met +heftige gemoedsbeweging; vooral waar het de gevreesde pest gold. +De pestheiligen werden in de vijftiende eeuw druk vereerd: met officien +in de kerken, met processies, met broederschappen, een geestelijke +ziekteverzekering als 't ware. Hoe licht kon nu het sterke besef van +Gods toorn, dat door iedere epidemie werd gewekt, overslaan op den +heilige, die de voorstelling in beslag nam. Niet Gods ondoorgrondelijke +rechtvaardigheid heeft de ziekte veroorzaakt, maar de toorn van den +heilige is het, die haar zendt en verzoening eischt. Wanneer hij ze +geneest, waarom zal hij haar dan ook niet veroorzaken? Zoo was een +heidensche verplaatsing van het geloof uit de religieus ethische in de +magische sfeer gegeven, waarvoor de Kerk enkel in zooverre aansprakelijk +kon worden gesteld, als zij er niet genoeg rekening mee hield, hoe haar +zuivere leer vertroebelde in een onwetenden geest. Rabelais vertelt van +volkspredikers, die der gemeente Sint Sebastiaan voorhielden als den +veroorzaker der pest, Sint Eutropius (wegens de assonantie met +ydropique?) als dien der waterzucht. [569] De werkelijke aanwezigheid +van zulk een voorstelling wordt gestaafd door meer dan een getuigenis. +Eustache Deschamps laat den door huidziekte geplaagden bedelaar zeggen: + + "Saint Anthoine me vent trop chier + Son mal, le feu ou corps me boute", [570] + +en den jichtige voegt hij toe: wel, als ge niet loopen kunt, spaart ge +weggeld uit: + + "Saint Mor ne te fera fremir." [571] + +In zijn hoongedicht _De validorum per Franciam mendicantium varia +astucia_ beschrijft Robert Gaguin de bedelaars aldus: "Deze valt ter +aarde, terwijl hij stinkend speeksel opgeeft, en bazelt, dat dit het +wonderwerk van Sint Jan is. Anderen worden door Sint Fiacrius, den +kluizenaar, met puisten gekweld; gij, o Damianus, belemmert de +waterloozing. Sint Antonie brandt hun de gewrichten met jammerlijk vuur, +Sint Pius maakt hen kreupel en lam." [572] + +"Sainct Anthoine arde le tripot! Sainct Anthoine arde la monture!" [573] +In verwenschingen als deze is de heilige geheel een booze vuur-demon +geworden. + +Zelfs de bejegening der godheid zelf kan door deze fetichistische +voorstelling aangetast worden. Te Haarlem wordt in 1492 een knaap uit de +Groningsche Ommelanden terechtgesteld, die na zijn geld bij het dobbelen +verloren te hebben, een kerk was binnengeloopen en twee dolksteken had +toegebracht aan het beeld van den Gekruisigde. [574] + +De gevoels- en gedachteninhoud van de heiligenvereering was voor zulk +een groot deel vastgelegd in de kleuren en vormen der beelden, dat de +onmiddellijk aesthetische opvatting voortdurend dreigde, de religieuze +gedachte op te heffen. Tusschen het aanschouwen van den glans van het +goud, van de pijnlijk getrouwe weergave van de stoffen der kleedij, van +den vromen blik der oogen, en de levende voorstelling van den heilige in +het bewustzijn, was nauwelijks meer plaats voor de overdenking, wat de +Kerk toestond en wat zij verbood, dien heerlijken wezens aan hulde en +innigheid te bieden. De heiligen leefden in den geest des volks als +goden. Wanneer dat gevaar voor de volksvroomheid gevreesd wordt door de +angstvallig rechtgeloovige kringen der Windesheimers, verbaast het ons +niet. Doch wel sprekend is het, wanneer die gedachte plotseling opgaat +aan een geest als Eustache Deschamps, den oppervlakkigen, banalen +hofdichter, die juist in zijn begrensdheid zulk een voortreffelijke +spiegel is van het gewone geestesleven van zijn tijd. + + "Ne faictes pas les dieux d'argent, + D'or, de fust, [575] de pierre ou d'arain, + Qui font ydolatrer la gent.... + Car l'ouvrage est forme plaisant; + Leur painture dont je me plain, + La beaute de l'or reluisant, + Font croire a maint peuple incertain + Que ce soient dieu pour certain, + Et servent par pensees foles + Telz ymages qui font caroles [576] + Es moustiers ou trop en mettons; + C'est tresmal fait: a brief paroles, + Telz simulacres n'aourons. + * * * * * * * * * * * * * + Prince, un Dieu croions seulement + Et aourons parfaictement + Aux champs, partout, car c'est raisons. + Non pas faulz dieux, fer n'ayment, + Pierres qui n'ont entendement: + Telz simulacres n'aourons." [577] + +Zou het niet op te vatten zijn als een onbewuste reactie tegen de +heiligenvereering, wanneer in de late Middeleeuwen zoo sterk geijverd +wordt voor de vereering van den beschermengel? In de heiligenvereering +was het levende geloof veel te veel gekristalliseerd; men had behoefte +aan een meer liquiden staat van het vereeringsgevoel en het +beschermingsbesef. Dat kon zich hechten aan de nauwelijks verbeelde +engelfiguur, terugkeeren tot de onmiddellijkheid van het +bovennatuurlijke. Het is alweer Gerson, de nauwgezette ijveraar voor +zuiverheid in het geloof, die de vereering des beschermengels +herhaaldelijk aanbeveelt. [578] Doch ook hier dreigt alweer die zucht +tot uitwerking der bijzonderheden, die het vrome gehalte der vereering +slechts schaden kon. De "studiositas theologorum" zegt Gerson, stelt +aangaande de engelen allerlei vragen: of zij ons ooit verlaten, of zij +van te voren weten, of wij uitverkoren zijn of verdoemd zullen worden, +of Christus een beschermengel had, en Maria, of de Antichrist er een +hebben zal. Of onze goede engel tot onze ziel kan spreken zonder de +beelden van phantasmen, of zij de aanspoorders zijn tot het goede, +gelijk de duivelen tot het kwade. Of zij onze gedachten zien. Wat hun +getal is. Die studiositas, besluit Gerson, blijve den godgeleerden +overgelaten, maar elke curiositas zij verre van allen, die zich meer +moeten bevlijtigen tot devotie dan tot subtiele speculatie. [579] + +De Hervorming heeft een eeuw later de heiligenvereering bijna weerloos +gevonden, terwijl zij tegen het heksen- en duivelgeloof zelfs geen +aanval deed, ja niet doen wilde, daar het haar zelf nog bevangen hield. +Was dit niet, doordat de heiligenvereering voor een groot deel tot caput +mortuum geworden was, doordat bijna alles wat de gedachtensfeer der +heiligenvereering betrof, in het beeld, de legende, het gebed zoo +volkomen was uitgedrukt, dat er geen huiverend ontzag meer achter stond? +De heiligenvereering had haar wortels in het onverbeelde en onzegbare +verloren, die zoo vreeselijk sterk waren in de demonologische +gedachtensfeer. En wanneer de Contrareformatie een gezuiverde +heiligenvereering opnieuw gaat kweeken, moet zij den geest bewerken met +snoeimes en bemesting. + + + +NOTEN: + + +[458] J. Burckhardt, Weltgeschichtliche Betrachtungen, 1905, S. 97, 147. + +[459] Heinrich Seuse, Leben, ed. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, 1907, +p. 24, 25. + +[460] Gerson, Opera, III p. 309. + +[461] Nic. de Clemanges, De novis festivitatibus non instituendis, +Opera, ed. Lydius, Lugd. Bat. 1613, p. 151, 159. + +[462] Bij Gerson, Opera, II p. 911. + +[463] Acta sanctorum Apr. t. III p. 149. + +[464] ac aliis vere pauperibus et miserabilibus indigentibus, quibus +convenit jus et verus titulus mendicandi. + +[465] qui ecclesiam suis mendaciis maculant et eam irrisibilem reddunt. + +[466] Alanus Redivivus, ed. J. Coppenstein, 1642, p. 77. + +[467] Commines, I p. 310; Chastellain, V p. 27; Le Jouvencel, I p. 82; +Jean Lud, in Deutsche Geschichtsblaetter, XV p. 248; Journal d'un +bourgeois, p. 384; Paston Letters, II p. 18; J. H. Ramsay, Lancaster and +York, II p. 275; Play of sir John Oldcastle, II p. 2 enz. + +[468] Contra superstitionem praesertim Innocentum, Gerson, Opera, I p. +203. + +[469] Gerson, Quaedam argumentatio adversus eos qui publice volunt +dogmatizare etc. Opera, II p. 521/522. + +[470] Johannis de Varennis Responsiones etc., Gerson, I p. 909. + +[471] Journal d'un bourgeois, p. 259. Voor "une hucque vermeille par +dessoubz" zal "par dessus" te lezen zijn. + +[472] Contra vanam curiositatem, Opera, I p. 86. + +[473] Considerations sur saint Joseph, III p. 842/68. Josephina IV p. +753; Sermo de natalitate beatae Mariae Virginis, III p. 1351; verder IV +p. 729, 731, 732, 735, 736. + +[474] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 50. + +[475] C. Schmidt, Der Prediger Olivier Maillard, Zeitschr. f. hist. +Theologie, 1856, p. 501. + +[476] Zie Thuasne, Rob. Gaguini Ep. et Or., I p. 72ss. + +[477] Les cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 75ss. 122ss. + +[478] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, ed. de Montaiglon, p. 56. + +[479] L.c., p. 257; "Se elles ouyssent sonner la messe ou a veoir Dieu." + +[480] Leroux de Lincy, Le livre des Proverbes francais(2), Paris, 1859, +2 vol., I p. 21. + +[481] Froissart, ed. Luce, V p. 24. + +[482] "Cum juramento asseruit non credere in Deum dicti episcopi," Rel. +de S. Denis, I p. 102. + +[483] Laborde, II p. 264. no. 4238. Inventaris van 1420; ib. II p. 10 +no. 77, Inventaris van Karel den Stoute, waar wel sprake zal zijn van +hetzelfde exemplaar. + +[484] Gerson, Opera, III p. 947. + +[485] Journal d'un bourgeois, p. 366(2). + +[486] Een nederl. aflaatbrief uit de 14e eeuw, ed. J. Verdam, Ned. +Archief voor Kerkgesch. 1900, p. 117-122. + +[487] A. Eekhof, De questierders van den aflaat in de Noordelijke +Nederl., 's Grav. 1909, p. 12. + +[488] Chastellain, Ip. 187/89: intocht van Hendrik V en Philips van +Bourgondie te Parijs in 1420; II p. 16: intocht van den laatste te Gent +in 1430. + +[489] Doutrepont, p. 379. + +[490] Deschamps, III p. 89 no. 357; le roi Rene, Traicte de la forme et +devise d'un tournoy. Oeuvres, II p. 9. + +[491] Olivier de la Marche. II p. 202. + +[492] Monstrelet, I p. 285. cf. 306. + +[493] Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, p. 13, 16, (Chron. +rel. a l'hist. de la Belgique sous la dom. des ducs de Bourg. II). + +[494] Molinet, II p. 84-94, III p. 98, Faictz et Dictz, fo. 47, vgl. I +p. 240, en ook Chastellain, III p. 209, 260, IV p. 48, V p. 301, VII +p. 1ss. + +[495] Molinet, III p. 109. + +[496] Gerson, Oratio ad regem Franciae, Opera, IV p. 662. + +[497] Quinze joyes de Mariage, p. xiii. + +[498] Gerson, Opera, III p. 299. + +[499] Friedlaender, Jahrb. d. K. Preuss. Kunstsammlungen, XVII. 1896, +p. 206. + +[500] Wetzer und Welte, Kirchenlexikon, s. v. Musik, col., 2040. + +[501] Chastellain, III p. 155. + +[502] H. van den Velden, Rod. Agricola, een Nederlandsen humanist der +vijftiende eeuw, 1e dl., Leiden 1911, p. 44. + +[503] Deschamps, X no. 33, p. xli. In den voorlaatsten regel staat +"l'ostel", wat natuurlijk geen zin geeft. + +[504] Nic. de Clemanges, De novis celebritatibus non instituendis, +Opera, ed. Lydius, 1613, p. 143. + +[505] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 66, 70. + +[506] Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 946, 947. + +[507] Nic. de Clemangiis, l.c., p. 147. + +[508] O. Winckelmann, Zur Kulturgesch. des Strassburger Muensters, +Zeitschr. f. d. Gesch. des Oberrheins NF XXII 2. + +[509] Dionysius Cartusianus, De modo agendi processiones etc., Opera, +XXXVI p. 198s. + +[510] Chastellain, V p. 253ss. + +[511] Hierboven p. 66. (zie Hoofdstuk II, noot 100) + +[512] Michel Menot, Sermones f. 144vs., bij Champion, Villon, I p. 202. + +[513] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 65; Olivier de la +Marche, II p. 89; l'Amant rendu cordelier, p. 25, huitain 68; Rel. de S. +Denis. I p. 102. + +[514] L.c., p. 144. + +[515] Christine de Pisan, Oeuvres poetiques, I p. 172, vgl. p. 60, +l'Epistre au dieu d'Amours, II 3; Deschamps, V p. 51 no. 871, II p. 185 +vs. 75; vgl. hierboven p. 207. (= zie Hoofdstuk IV, noot 399) + +[516] L'Amant rendu cordelier, l.c. + +[517] Menot, l.c. + +[518] Gerson, Expostulatio ... adversus corruptionem juventutis per +lascivas imagines et alia hujusmodi, Opera, III p. 291; cf. De parvulis +ad Christum trahendis, ib. p. 281; Contra tentationem blasphemiae, ib. +p. 246. + +[519] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 80, 81, vgl. Machaut, +Livre du Voir-Dit, p. 143ss. + +[520] Ib. p. 55, 63, 73, 79. + +[521] Nic. de Clemangiis, l.c. p. 145. + +[522] Quinze joyes de mariage, p. 127, vgl. p. 19, 29. 124. + +[523] Froissart, ed. Luce et Raynaud, XI p. 225ss. + +[524] Chron. Montis S. Agnetis, p. 341; J. C. Pool, Frederik v. Heilo en +zijne schriften, Amsterdam, 1866, p. 126; vgl. Hendrik Mande bij W. Moll, +Joh. Brugman en het godsd. leven onzer vaderen in de 15e eeuw, 1854, 2 dln., +I p. 264. + +[525] Gerson, Centilogium de impulsibus, Opera, III p. 154. + +[526] Deschamps, IV p. 322 no. 807; vgl. I p. 272 no. 146: "Si n'y a Si +meschant qui encor ne die Je regni Dieu...." + +[527] Gerson, Adversus lacivas imagines, Op. III p. 292; Sermo de +nativitate Domini, III p. 946. + +[528] Deschamps, I p. 271ss. no. 145, 146, p. 217 no. 105, vgl. II p. +lvi en Gerson III p. 85. + +[529] Gerson, Considerations sur le peche de blaspheme, Op. III p. 889. + +[530] Regulae morales, ib. III p. 85. + +[531] Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 130, Rel. de S. Denis, +II p. 533. + +[532] P. d'Ailly, De reformatione, cap. 6; de reform, laicorum, bij +Gerson, Opera, II p. 914. + +[533] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 243. + +[534] Gerson, Regulae morales. Opera, III p. 85. + +[535] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 246: +hi qui audacter contra fidem loquuntur in forma joci etc. + +[536] Cent nouvelles nouvelles, II p. 205. + +[537] Gerson, Sermo de S. Nicolao, Op. III p. 1577; De parvulis ad +Christum trahendis ib. p. 279. Tegen hetzelfde spreekwoord ook Dionysius +Cart., Inter Jesum et puerum dialogus, art. 2, Opera t. XXXVIII p. 190. + +[538] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 45. + +[539] Ib. p. 58. + +[540] Deschamps, VI p. 109, no. 1167, id. no. 1222; Commines, I p. 449. + +[541] Froissart, ed Kervyn. XIV p. 67. + +[542] Rel. de S. Denis, I p. 102, 104; Jean Juvenal des Ursins, p. 346. + +[543] Jacques du Clercq. II p. 277, 340; IV p. 59; vgl. Molinet, IV p. +390, Rel. de S. Denis, I p. 643. + +[544] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martene et Durand, Ampl. Coll. II +p. 1415, vgl. ep. 75, 76, p. 1456 van Ambr. de Miliis aan Gonthier Col, +waar hij zich beklaagt over Jean de Montreuil. + +[545] Gerson, Sermo III in die Sancti Ludovici, Opera, III p. 1451. + +[546] Gerson, Contra impugnantes ordinem carthusiensium, Opera. II +p. 713. + +[547] Gerson, De decem praceptis, Opera, I p. 245. + +[548] Gerson, Sermo de nativ. Domini, Opera, III p. 947. + +[549] Nic. de Clemanges, De novis celebr. etc. p. 151. + +[550] Villon, Testament, vs. 893ss., ed. Longnon, p. 57. + +[551] Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 947, Regulae +morales, ib. p. 86, Liber de vita spirituali animae, ib. p. 66. + +[552] Hist. translationis corporis sanctissimi ecclesiae doctoris divi +Thom. de Aq., 1368, auct. fr. Raymundo Hugonis O.P., Acta sanctorum +Martii, I p. 725. + +[553] Bericht van de pauselijke commissaris-bisschop Konrad van +Hildesheim en abt Hermann van Georgenthal over het getuigenverhoor +aangaande de heilige Elisabeth te Marburg in Januari 1235, uitgegeven +Historisches Jahrbuch der Goerres-Gesellschaft XXVIII p. 887. + +[554] Rel. de S. Denis, II p. 37. + +[555] Zie beneden p. 280. (zie Hoofdstuk VI, noot 565) + +[556] Chastellain, III p. 407, IV p. 216. + +[557] Deschamps, I p. 277 no. 150. + +[558] Ib. II p. 348 no. 314. + +[559] Uit Johann Eck's Pfarrbuch fuer U.L. Frau in Ingolstadt, +aangehaald Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 103. + +[560] Joseph Seitz, Die Verehrung des hl. Joseph in ihrer geschichtl. +Entwicklung usw., Freiburg, Herder, 1908. + +[561] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 212. + +[562] B. Nat. Ms. fr. 1875, bij Ch. Oulmont, Le Verger, le Temple et la +Cellule, essai sur la sensualite dans les oeuvres de mystique +religieuse, Paris, 1912, p. 284ss. + +[563] Zie over de heiligenfiguren vooral E. Male, L'art religieux a la +fin du Moyen age, chap. IV. + +[564] Deschamps, I p. 114 no. 32, VI p. 243 no. 1237. + +[565] Bambergsch missaal van 1490, bij Uhrig, Die 14 hl. Nothelfer (XIV +Auxiliatores), Theol. Quartalschrift LXX, 1888, p. 72; vgl. Utrechtsch +missaal van 1514 en Dominicaansch missaal van 1550, Acta sanctorum +Aprilis t. III p. 149. + +[566] L.l.c.c. + +[567] Erasmus, Ratio seu methodus compendio perveniendi ad veram +theologiam, ed. Bazel, 1520, p. 171. + +[568] In de zooeven aangehaalde ballade van Deschamps ook Martha, die de +Tarasque te Tarascon vernietigde. + +[569] Gargantua, l.I ch. 45. + +[570] ou = au. + +[571] Deschamps, no. 1230, VI p. 323. + +[572] Rob. Gaguini Epistole et Orationes, ed. Thuasne. II p. 176. + +[573] Oeuvres de Coquillart, ed. Ch. d'Hericault (Bibl. elzevirienne) +1857. 2 vol., II p. 281. + +[574] Molinet, IV p. 284. + +[575] Fust = hout. + +[576] font caroles = in 't rond staan. + +[577] Deschamps, VIII p. 201, no. 1489. + +[578] Gerson, de Angelis, Opera, III p. 1481, De praeceptis decalogi, I +p. 431, Oratio ad bonum angelum suum, III p. 511, Tractatus VIII super +Magnificat, IV p. 370; vgl. III p. 137, 553, 739. + +[579] Opera. IV p. 389. + + + * * * * * + + +VII + +DE GODSDIENSTIGE PERSOONLIJKHEID + + +Het volk leefde gewoonlijk in de sleur van een geheel veruiterlijkten +godsdienst bij een zeer vast geloof, dat wel angsten en verrukkingen +bracht, maar den ongeleerde geen vragen en geestelijken strijd oplegde, +zooals het Protestantisme zou doen. De gemoedelijke oneerbiedigheid en +nuchterheid van allen dag werd afgewisseld door de innigste ontroeringen +van hartstochtelijke vroomheid, die telkens spasmodisch het volk +aangrijpen. Men moet die voortdurende tegenstelling van sterke en zwakke +religieuze spanning niet willen begrijpen, door de kudde te scheiden in +vromen en wereldlingen, alsof een deel des volks blijvend hoog +godsdienstig leefde, terwijl de anderen slechts uiterlijk vroom waren. +Onze voorstelling van het laat-middeleeuwsche Noord-nederlandsche en +Neder-duitsche pietisme zou ons licht op een dwaalspoor kunnen brengen. +In de moderne devotie der Fraterhuizen en Windesheimers hadden zich +inderdaad pietistische kringen uit het wereldsche leven afgezonderd; bij +hen was de religieuze spanning blijvend genormaliseerd; zij vormden als +vromen bij uitstek een tegenstelling tot den grooten hoop. Doch Frankrijk +en de Zuidelijke Nederlanden hebben dat verschijnsel in den vorm van een +georganiseerde beweging nauwelijks gekend. Toch hebben daar de stemmingen, +die aan de moderne devotie ten grondslag lagen, evengoed hun werking gehad +als in het stille land van den IJsel. Doch daar in het Zuiden kwam het +niet tot zulk een afscheiding; de hooge devotie bleef er deel van het +algemeene godsdienstleven; zij openbaarde zich er bij oogenblikken, +heviger en korter. Het is het verschil, dat tot den huidigen dag +Romaansche volken van de Noordelijke scheidt: de Zuidelijken nemen een +tegenstrijdigheid minder zwaar, voelen minder den eisch, er de volle +consequentie uit te trekken, kunnen gemakkelijker de gemeenzaam spottende +houding van het dagelijksch leven verbinden met de hooge exaltatie van het +begenadigde oogenblik. + +De geringschatting voor de geestelijkheid, die als onderstrooming door +de heele middeleeuwsche cultuur heenloopt naast de hooge vereering voor +den priesterstand, is ten deele te verklaren uit de verwereldlijking der +hoogere geestelijkheid en de verregaande declasseering der lagere, en +ten deele uit oude heidensche instincten. Het onvolkomen gekerstende +volksgemoed had nooit geheel den afkeer afgelegd van den man, die niet +vechten mocht en kuisch moest leven. De ridderlijke hoogmoed, geworteld +in dapperheid en liefde, stiet evenzeer als het ruwe volksbesef het +geestelijk ideaal van zich. De ontaarding der geestelijken zelf deed de +rest, en zoo hadden hoogere en lagere standen zich reeds eeuwen +verlustigd in de figuur van den onkuischen monnik en den smullenden +vetten paap. Een latente haat tegen de geestelijkheid was altijd +aanwezig. Hoe heftiger een prediker uitvoer tegen de zonden van zijn +eigen stand, hoe liever het volk hem hoorde. [580] Zoodra de preeker, +zegt Bernardinus van Siena, tegen de geestelijken te velde trekt, +vergeten de hoorders de rest; er is geen beter middel, om de aandacht +gaande te houden, als het volk slaperig wordt of het te warm of te koud +krijgt. Dan wordt alles terstond wakker en welgemoed. [581] Terwijl +juist de hevige godsdienstige beroering door de reizende volkspredikers +in de veertiende en vijftiende eeuw uitgaat van een herleving der +bedelorden, zijn het aan den anderen kant juist de bedelmonniken, wier +verbastering hen tot het gewone voorwerp van spot en verachting maakt. +De onwaardige priester der novellenlitteratuur, die als een armzalige +loondienaar voor drie grooten de mis leest, of bij wien men als +biechtvader geabonneerd is "pour absoudre du tout", pleegt een +bedelmonnik te zijn. [582] De vrome Molinet rijmt spottend in een +nieuwjaarswensch: + + "Prions Dieu que les Jacobins + Puissent manger les Augustins, + Et les Carmes soient pendus + Des cordes des Freres Menus." [583] + +Het dogmatische armoede-begrip, zooals het in de bedelorden belichaamd +was, voldeed den geest niet meer. In plaats van de symbolisch-formeele +Armoede begon men de sociaal-reeele ellende te zien; Pierre d'Ailly +stelt tegenover de mendicanten de "vere pauperes", de echte armen, en +het is geen toeval, dat de verernstiging van het geloof bij de moderne +devoten hen in zekere tegenstelling tot de bedelorden bracht. + +De naieve nuchterheid van den alledaagschen volksgodsdienst spreekt uit +menige bladzijde. Er is in 1437, na den terugkeer van den Franschen +koning in zijn hoofdstad, een zeer plechtige lijkdienst voor de ziel van +den graaf van Armagnac, het slachtoffer, met wiens moord de nu verleden +troebele jaren begonnen waren. Het volk stroomt erheen, maar is zeer +teleurgesteld, toen er geen uitdeeling van geld gehouden wordt. Want wel +vier duizend lieden, zegt de burger van Parijs gemoedelijk, gingen +erheen, die niet gegaan zouden zijn, als zij niet gedacht hadden, dat er +iets gegeven zou worden. "Et le maudirent qui avant prierent pour lui." +[584] Toch is het dezelfde bevolking van Parijs, die met een vloed van +tranen de talrijke processies aanschouwt en ineenkrimpt onder het woord +van een reizenden prediker. Ghillebert de Lannoy zag te Rotterdam een +oproer stillen door een priester, die het Corpus Domini ophief. [585] + +De groote tegenstrijdigheid en de sterke spanningsovergangen vertoonen +zich in het godsdienstig leven van den beschaafden enkele zoo goed als +in dat der onwetende massa. Het is altijd weer met een slag, dat de +godsdienstige verheldering komt, altijd weer de flauwere herhaling van +wat Franciscus onderging, toen hij opeens de woorden van het evangelie +hoorde als een onmiddellijk bevel. Een ridder hoort het doopformulier +lezen, gelijk hij het misschien twintig keer had gehoord; maar +plotseling dringt nu de volle heiligheid en wonderlijke werkdadigheid +van die woorden tot hem door, en hij neemt zich voor, om voortaan alleen +door de herinnering aan den doop den duivel te verjagen, zonder het +kruisteeken te maken. [586]--Le Jouvencel zal een kampgevecht bijwonen; +de partijen staan gereed, om op de hostie hun goed recht te bezweren. +Opeens doorgrondt de ridder de peillooze noodzakelijkheid, dat een dier +beide eeden valsch moet zijn, dat een van beiden zich verdoemen gaat, en +zegt: zweert niet, vecht alleen om den inzet van 500 schilden, zonder +een eed te doen. [587] + +De vroomheid van de hoogaanzienlijken met hun zwaren levensballast van +wijdloopige praal en felle geneuchten heeft juist daardoor zeer dikwijls +het spasmodische, dat ook de volksvroomheid kenmerkt. Karel V van +Frankrijk laat dikwijls op het opwindendste oogenblik de jacht in den +steek, om naar de mis te gaan. [588] De jonge Anne de Bourgogne, +Bedford's gemalin, ergert den eenen keer de burgers van Parijs, door in +woesten rit een processie met slijk te bespatten. Maar een andermaal +verlaat zij te middernacht den bonten zwijmel van een hoffeest, om bij +de Celestijnen metten te hooren. En haar droeven jongen dood beloopt zij +door de ziekte, die zij opdeed bij het bezoeken van de arme kranken in +het Hotel Dieu. [589] + +Tot in raadselachtige uitersten voltrekt zich de tegenstelling van +vroomheid en felle zonde in een figuur als Lodewijk van Orleans, onder +al de groote dienaren van weelde en genot de meest gedebaucheerde, de +hartstochtelijkste wereldling. Hij is zelfs overgegeven aan +tooverkunsten, en weigert er zich van te bekeeren. [590] Dezelfde +Orleans is niettemin zoo devoot, dat hij zijn cel heeft bij de +Celestijnen in het gemeene dormter; hij deelt er het kloosterlijk leven, +hoort er metten te middernacht, en soms vijf of zes missen per dag. +[591]--Gruwelijk is die verbinding van godsdienst en misdaad bij Gilles +de Rais, die temidden van zijn kindermoorden te Machecoul een dienst +sticht ter eere der Onnoozele kinderkens, voor het heil van zijn ziel, +en verbaasd is, als zijn rechters hem voorhouden, dat hij een ketter is. +Al is het met minder scharlaken zonden, dat de vroomheid bij anderen +gepaard gaat, het type van den devoten wereldling vertoonen velen: de +barbaarsche Gaston Phebus, graaf van Foix, de frivole koning Rene, de +verfijnde Charles d'Orleans. Jan van Beieren, de hardvochtige en +heerschzuchtige, komt vermomd Lidwina van Schiedam spreken over den +staat zijner ziel. [592] Jean Coustain, de ontrouwe dienaar van Philips +den Goede, een goddelooze, die nauwelijks mis hoorde en nimmer aalmoes +gaf, keert zich onder beulshanden tot God in zijn ruw Bourgondisch +patois met een hartstochtelijke aanroeping. [593] + +Philips de Goede zelf is een der treffendste voorbeelden van die +verbinding van vroomheid met wereldschen zin. De man van de overdadige +feesten en de talrijke bastaarden, van de sluwe politieke berekening, +den geweldigen trots en toorn, is een ernstig devote. Hij pleegt tot +lang na de mis in zijn bidvertrek te blijven. Hij vast vier dagen in de +week met water en brood, en bovendien op alle vigilien van Onze Lieve +Vrouw en de apostelen. Somtijds heeft hij om vier uur na den middag nog +niets gegeten. Hij geeft veel aalmoezen, en in het geheim. [594] Na de +verrassing van Luxemburg blijft hij zoo lang na de mis verdiept in zijn +getijden en daarna in bijzondere dankgebeden, dat zijn gevolg, dat hem +te paard afwacht, want de strijd was nog niet afgeloopen, ongeduldig +wordt: de hertog kon het een andermaal wel inhalen, om al die +paternosters te zeggen. Men waarschuwt hem, dat er gevaar dreigt, als +hij langer toeft. Maar Philips antwoordt enkel: "Si Dieu m'a donne +victoire, il la me gardera." [595] + +Er is in dat alles geen schijnheiligheid of ijdele bigotterie te zoeken, +maar een spanning tusschen twee geestelijke polen, die in den modernen +geest nauwelijks meer bestaanbaar is. Het is het volstrekte dualisme in +de opvatting van de zondige wereld tegenover het rijk Gods, dat deze +mogelijkheid toelaat. In den middeleeuwschen geest zijn alle hoogere en +zuiverder sentimenten geabsorbeerd in religie, terwijl de natuurlijke, +zinnelijke aandriften, bewust verworpen, zinken moeten tot een niveau +van zondig geachten wereldzin. In het middeleeuwsche bewustzijn vormen +zich als 't ware twee levensopvattingen naast elkander: de vrome, +ascetische opvatting heeft alle zedelijke gevoelens tot zich getrokken: +des te bandeloozer wreekt zich de wereldzin, geheel aan den duivel +overgelaten. Overheerscht een van beide geheel, dan ziet men den heilige +of den teugelloozen zondaar; maar in den regel houden zij elkaar in +wankel evenwicht met wijden doorslag, en ziet men de felle menschen, +wier rood bloeiende zonden bij wijlen hun overstortende vroomheid des te +heviger doen uitbarsten. + +Wanneer men een middeleeuwsch dichter de vroomste lofdichten ziet maken +naast allerlei profaneering en obsceniteit, zooals het zoovelen doen: +Deschamps, Antoine de la Salle, Jean Molinet, dan is er nog minder +aanleiding dan bij een modernen dichter, om die producten over +hypothetische tijdperken van wereldzin en inkeer te verdeelen. De +tegenstrijdigheid, die ons bijna onbegrijpelijk is, moet worden +aanvaard. + +Er komen zonderlinge vermengingen voor van de bizarre prachtliefde van +den tijd met strenge devotie. Het is niet alleen in de overlading van +het geloof met schilderkunst, edelsmeedkunst en sculptuur, dat zich de +ongebreidelde behoefte uit, om alles van het leven en van de gedachte +bont te versieren en te verbeelden. In de aankleeding van het geestelijk +leven zelf dringt somtijds die honger naar kleur en schittering door. +Broeder Thomas vaart heftig uit tegen alle weelde en overdaad, maar het +eigen getimmerte, vanwaar hij spreekt, is door het volk behangen met de +rijkste tapisserieen, die men krijgen kon. [596] Philippe de Mezieres is +het volkomenste type van die prachtlievende vroomheid. Hij heeft voor de +orde van de Passie, die hij stichten wilde, alles wat kleedij betreft, +haarfijn vastgesteld. Het is als een feest van kleuren, dat hij zich +droomt. De ridders zullen al naar hun rang in 't rood, in 't groen, +scharlaken of hemelsblauw gaan; de grootmeester in 't wit; wit zullen +ook de feestgewaden zijn. Het kruis zal rood zijn, de gordels van leer +of van zijde met hoornen gesp en verguld koperen versiering. De laarzen +zullen zwart zijn en de kaproen rood. Ook het ordekleed der broeders, +servanten, klerken en vrouwen wordt nauwkeurig beschreven. [597]--Van +die orde kwam niets, Philippe de Mezieres bleef zijn leven lang de +groote kruistochtfantast en plannenmaker. Maar hij vond te Parijs in het +klooster der Celestijnen de plaats, die hem bevredigen kon: zoo streng +de orde was, zoo schitterend van goud en edele steenen waren kerk en +klooster, een mausoleum van vorsten en vorstinnen. [598] Christine de +Pisan achtte de kerk volmaakt van schoonheid. Mezieres vertoefde er als +leek, deelde in het strenge leven der kloosterlingen en bleef toch in +het verkeer met de groote heeren en schoone geesten van zijn dagen, een +mondain-artistieke tegenhanger van Gerard Groote. Hierheen trok hij ook +zijn vorstelijken vriend Orleans, die er den inkeer van zijn woeste +leven en ook zijn vroege rustplaats vond. + +De oude koning Rene ontdekte op de jacht in de buurt van Angers een +kluizenaar: een priester, die zijn prebende had opgegeven en van zwart +brood en veldvruchten leefde. De koning was getroffen door zijn strenge +deugd, en liet voor hem een kluis en een kapelletje bouwen. Voor zich +zelf voegde hij daar een tuin en een bescheiden buitenhuis aan toe, dat +hij met schilderwerk en allegorieen versieren liet. Dikwijls wandelde +hij daarheen, om in "son cher ermitage de Reculee" met zijn kunstenaars +en geleerden te keuvelen. [599] Is het middeleeuwsch, is het renaissance, +of is het niet achttiende-eeuwsch? + +Een hertog van Savoie wordt kluizenaar met vergulde ceintuur, roode +muts, gouden kruis en goeden wijn. [600] + +Het is maar een stap van die pracht in devotie tot de uitingen van +hyperbolische nederigheid, die zelf ook vol vertoon zijn. Olivier de la +Marche bewaarde uit zijn jongensjaren de herinnering van den intocht van +koning Jacques de Bourbon van Napels, die op aandrang van Sainte Colette +de wereld had vaarwel gezegd. De koning, armzalig gekleed, liet zich +dragen in een mestbak, "telle sans aultre difference que les civieres en +quoy l'on porte les fiens et les ordures communement". Daar achteraan +volgde een keurige hofstoet. "Et ouys racompter et dire,--zegt La Marche +vol bewondering,--que en toutes les villes ou il venoit, il faisoit +semblables entrees par humilite." [601] + +Van een niet zoo schilderachtige nederigheid zijn de door veel heilige +voorbeelden aanbevolen voorschriften voor een begrafenis, die al het +nietswaardige van den gestorvene treffend verbeelden moet. De heilige +Pierre Thomas, de boezemvriend en geestelijke meester van Philippe de +Mezieres, laat, als hij den dood voelt naderen, zich hullen in een zak, +een touw om den hals binden en op den grond leggen. Hij werkt daarmee +het voorbeeld uit van Sint Franciscus, die zich immers ook in het +sterven op den grond liet leggen. Begraaft mij, zegt Pierre Thomas, in +den ingang van het koor, opdat alle menschen moeten trappen op mijn +lijk, ja zelfs de geiten en de honden, als het kan. [602]--Mezieres, de +bewonderende leerling, wil weer den meester overtreffen in fantastische +nederigheid. Hem zal men in de laatste ure een zware ijzeren keten om +den hals leggen. Zoodra hij den geest heeft gegeven, zal men hem naakt +bij de voeten naar het koor sleuren; daar zal hij blijven liggen, tot +men hem in het graf legt, de armen in kruisvorm uitgestrekt, met drie +touwen aan een plank gebonden, die de plaats inneemt van de kostbaar +versierde kist, waarop men misschien zijn ijdele wereldsche wapen zou +hebben geschilderd, "se Dieu l'eust tant hay qu'il fust mors es cours +des princes de ce monde." De plank, bedekt met twee ellen canevas of ruw +zwart linnen, zal op dezelfde wijze naar de groeve gesleept worden, +waarin "het kreng van den armen pelgrim" naakt als het is, in gestort +zal worden. Er zal een klein grafteeken worden opgericht. En men moet +niemand waarschuwen dan zijn goeden vriend in God, Martin, en de +uitvoerders van zijn laatsten wil. + +Het spreekt bijna vanzelf, dat deze geest van protocol en ceremonie, +plannenmaker en uitwerker van bijzonderheden, ook een maker van vele +testamenten is geweest. In de latere is van deze beschikking van 1392 +geen sprake meer, en toen Mezieres in 1405 stierf, kreeg hij een gewone +begrafenis in het ordekleed van zijn geliefde Celestijnen, en twee +grafschriften, waarschijnlijk van hem zelf. [603] + +In het ideaal van heiligheid, men zou bijna kunnen zeggen: het +romantisme der heiligheid, heeft de vijftiende eeuw nog niets gebracht, +wat den nieuwen tijd aankondigt. De Renaissance zelf heeft het ideaal +der heiligheid niet veranderd. Terzijde van de groote stroomingen, die +de beschaving in nieuwe beddingen stortten, blijft het heiligenideaal +zoo na als voor de groote crisis, wat het altijd geweest was. De heilige +is tijdloos als de mysticus. De heiligentypen der Contrareformatie zijn +dezelfde als die der late Middeleeuwen, en deze verschillen door geen +essentieelen trek van die der vroegere Middeleeuwen. In het eene als in +het andere tijdperk zijn het de groote heiligen van het brandende woord +en de gloeiend gesmede daad: hier Ignatius de Loyola, Franciscus +Naverius, Karel Borromeus, daar Bernardino van Siena, Vincentius Ferrer, +Johannes Capistrano. Daarnaast de stille in godsliefde verdwaasden, die +naderen tot het moslimsche en boeddhistische heiligentype, als Aloysius +Gonzaga in de zestiende eeuw, Franciscus de Paula, Colette, Pieter van +Luxemburg in de vijftiende en veertiende. Tusschen die beide typen in al +de figuren, die van beide uitersten wat hebben, ja zelfs somtijds de +eigenschappen ervan in de hoogste macht vereenigen. + +Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme +der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere +ideale verbeeldingen van een bepaalden levensvorm in menschen +verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk, +dat dit romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit +in de fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding +dan in de groote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur. Men +wordt niet heilig om zijn kerkelijk-sociale verdiensten, al zijn die nog +zoo groot, maar om zijn wonderlijke vroomheid. De groote energeten +erlangen enkel dan den roep van heiligheid, wanneer hun daden gedrenkt +zijn in den schijn van een bovennatuurlijk leven; niet Nicolaas van +Cusa, wel zijn medestander Dionysius de Kartuizer. [604] + +Het is hier nu vooral van belang, op te merken, hoe de kringen der +verfijnde pronkcultuur, dezelfde, die het ridderideaal bleven huldigen +en kweeken tot over de grens der Middeleeuwen heen, tegenover het +heiligenideaal hebben gestaan. Hun aanrakingen daarmee zijn uit den aard +niet zoo talrijk, maar zij ontbreken niet. Nog enkele malen hebben de +vorstelijke kringen zelf in dezen tijd een heilige opgeleverd. Een van +hen is Charles de Blois, oom van den ons bekenden Jan van Blois van +Gouda en Schoonhoven. Hij was door zijn moeder uit het huis van Valois +gesproten, en door zijn huwelijk met de erfgename van Bretagne, Jeanne +de Penthievre, belast met een troonstrijd, die het beste deel van zijn +leven heeft gevuld. Hem was als huwelijksvoorwaarde gesteld, dat hij het +wapen en den kreet van het hertogdom zou aannemen. Hij vindt een anderen +pretendent, Jean de Montfort, tegenover zich, en de strijd om Bretagne +valt samen met het begin van den honderdjarigen oorlog; de verdediging +van Montfort's aanspraken is een der verwikkelingen, die Eduard III in +Frankrijk brengen. De graaf van Blois aanvaardt zijn strijd ridderlijk, +en vecht als de beste aanvoerders van zijn tijd. Gevangengenomen in +1347, kort voor het beleg van Calais, blijft hij tot 1356 in Engeland. +Eerst in 1362 kan hij den strijd om het hertogdom hervatten, om daarin +den dood te vinden bij Aurai in 1364, dapper vechtende naast Bertrand du +Guesclin en Beaumanoir. + +Deze krijgsheld, wiens uiterlijke levensloop in niets afwijkt van dien +van zoovele vorstelijke pretendenten en aanvoerders uit dien tijd, had +van der jeugd af een leven van strenge askese geleid. Zijn vader moest +hem als knaap uit de stichtelijke boekjes houden. Hij slaapt naast het +bed van zijn gemalin op den vloer op stroo. Men vindt bij zijn +krijgsmansdood het haren kleed onder zijn wapenrusting. Hij biecht +iederen avond, eer hij te bed gaat, zeggend, dat geen christen in zonde +moest inslapen. Tijdens zijn gevangenschap te Londen pleegt hij de +kerkhoven binnen te gaan, om er geknield den psalm de profundis op te +zeggen. De Bretonsche schildknaap, dien hij verzoekt, de responsen te +zeggen, weigert het: neen, zegt hij, daar liggen zij, die mijn ouders en +vrienden gedood en hun huizen verbrand hebben. + +Na zijn bevrijding wil hij barrevoets over het besneeuwde land van La +Roche-Derrien, waar hij indertijd gevangen was gemaakt, naar den schrijn +van Sint Yves, den vereerden beschermheilige van Bretagne, wiens leven +hij in zijn gevangenschap beschreven had, te Treguier. Het volk verneemt +het en bestrooit zijn weg met stroo en dekens, maar de graaf van Blois +kiest een anderen weg, en loopt zich de voeten stuk, zoodat hij in +vijftien weken niet gaan kon. [605] Terstond na zijn dood stellen zijn +vorstelijke verwanten, onder wie zijn schoonzoon Lodewijk van Anjou, een +poging in het werk, om hem heilig te doen verklaren. Te Angers heeft in +1371 het proces plaats, dat tot zijn zaligspreking leidt. + +Het vreemde nu is, dat deze Charles de Blois, als men Froissart mag +vertrouwen, een bastaard heeft gehad. "La fu occis en bon couvenant li +dis messires Charles de Blois, le viaire sus ses ennemis (met het +aangezicht naar den vijand), et uns siens filz bastars qui s'appeloit +messires Jehans de Blois, et pluiseur aultre chevalier et escuier de +Bretagne". [606] Moet men het als evidente onwaarheid verwerpen? [607] +Of zal men aannemen, dat hier de bestaanbare tegenstrijdigheid, die op +te merken viel bij Louis d'Orleans, bij Philips den Goede en zooveel +anderen, haar toppunt heeft bereikt? + +Zulk een vraag stelt het leven van een anderen hoog-adellijken heilige +uit dien tijd, Pierre de Luxembourg, niet. Deze telg van het +Luxemburgsche gravengeslacht, dat in de veertiende eeuw zoowel in het +Duitsche rijk als aan de hoven van Frankrijk en Bourgondie zulk een +aanzienlijke plaats innam, is een treffend voorbeeld van wat William +James "the under-witted saint" noemt: [608] den engen geest, die slechts +in een angstvallig afgesloten wereldje van vrome gedachten kan leven. +Hij was in 1369 geboren, niet lang dus voor zijn vader Guy in den strijd +tusschen Brabant en Gelre bij Baesweiler (1371) sneuvelde. Zijn +geestelijke geschiedenis voert al weer naar het klooster der Celestijnen +te Parijs, waar hij reeds als achtjarige knaap verkeert met Philippe de +Mezieres. Hij wordt als kind reeds overladen met kerkelijke waardigheden, +verscheiden kanunnikschappen; als hij vijftien jaar is, het bisdom Metz, +daarna het kardinaalschap. Nog geen achttien jaar oud, sterft hij in +1387, en terstond wordt te Avignon moeite gedaan voor zijn canonizatie. +De gewichtigste autoriteiten worden er voor gespannen: de koning van +Frankrijk doet er het verzoek toe, het wordt gesteund door het +domkapittel van Parijs en de Universiteit. In het proces, dat in 1389 +plaats heeft, treden de grootste heeren van Frankrijk als getuigen op: +Pierre's broeder Andre de Luxembourg, Louis de Bourbon, Enguerrand de +Coucy. Door de nalatigheid van den Avignonschen paus bleef weliswaar de +heiligverklaring achterwege (in 1527 had de zaligverklaring plaats), +maar de vereering, die het aanzoek kon rechtvaardigen, was reeds lang +erkend, en ging ongestoord voort. Op de plek te Avignon, waar het +lichaam van Pieter van Luxemburg begraven lag, en vanwaar dagelijks de +treffendste wonderen werden gemeld, stichtte de koning een klooster +der Celestijnen, in navolging van dat te Parijs, in die dagen het +geliefkoosde heiligdom der vorstelijke kringen. De hertogen van Orleans, +Berry en Bourgondie kwamen er voor den koning den eersten steen leggen. +[609] Pierre Salmon vertelt, hoe hij eenige jaren later in de kapel van +den heilige de mis hoorde. [610] + +Het beeld, dat de getuigen in het canonizatieproces van dezen +vroeggestorven prinselijken asceet geven, heeft iets jammerlijks. Pieter +van Luxemburg is een uit zijn kracht gegroeide, teringachtige jongen, +die als kind reeds niet anders kent dan den ernst van een angstvallig +streng geloof. Hij berispt zijn broertje, als deze lacht, want men leest +wel, dat onze Heer geweend heeft, maar niet, dat hij ooit gelachen +heeft. "Douls, courtois et debonnaire--noemt Froissart hem--vierge de +son corps, moult large aumosnier. Le plus du jour et de la nuit il +estoit en oroisons. En toute sa vye il n'y ot fors humilite." [611] In +den beginne tracht zijn adellijke omgeving hem van zijn plannen van +wereldverzaking af te brengen. Wanneer hij ervan spreekt, om te gaan +zwerven en prediken, krijgt hij ten antwoord: je bent veel te lang; +iedereen zou je terstond herkennen. En je zoudt niet tegen de kou +kunnen. En preeken voor den kruistocht, hoe zou je dat kunnen?--Een +oogenblik is het, alsof wij even den ondergrond van dien kleinen starren +geest zien. "Je vois bien--zegt Pieter--qu'on me veut faire venir de +bonne voye a la malvaise: certes, certes, si je m'y mets, je feray tant +que tout le monde parlera de moy."--Heer, antwoordt meester Jean de +Marche, zijn biechtvader, er is niemand, die wil, dat ge kwaad zult +doen, enkel goed. + +Het is duidelijk, dat de hooge verwanten, toen de ascetische neigingen +van den knaap onuitroeibaar bleken, bewondering en trots over het geval +zijn gaan voelen. Een heilige, en zulk een jonge heilige, uit en in hun +midden! Denk u den armen ziekelijken jongen, onder het gewicht van zijn +kerkelijke hoogwaardigheid, te midden van de overdadige praal en het +hoogmoedig hofleven van Berry en Bourgondie, hijzelf ontoonbaar van vuil +en ongedierte, altijd bezig met zijn armzalige kleine zonden. Het +biechten zelf was bij hem als tot een slechte gewoonte geworden. Iederen +dag schreef hij zijn zonden op een lijstje, en als hij het op een reis +of tocht niet had kunnen doen, haalde hij het achterna met uren lang +schrijven in. Men zag hem er 's nachts aan schrijven, of bij de kaars +zijn lijstjes lezen. Dan stond hij midden in den nacht op, om bij een +zijner kapelaans te biechten. Soms klopte hij vergeefs aan hun +slaapvertrekken; zij hielden zich doof. Vond hij gehoor, dan las hij de +zonden van zijn papiertjes af. Van twee of driemaal per week werd het in +zijn laatste dagen tweemaal per dag; de biechtvader mocht niet meer van +zijn zijde weg. En toen hij aan de tering eindelijk gestorven was, na te +hebben verzocht om van den arme begraven te worden, vond men een heele +kist vol van de ceeltjes, waarop de zonden van dit kleine leven dag aan +dag waren neergekrabbeld. [612] + +Er is nog een geval, dat ons de verhouding van hofkringen en heiligheid +eenigermate doet kennen: het verblijf van Saint Francois de Paule aan +het hof van Lodewijk XI. Het zonderlinge vroomheidstype van den koning +is zoo bekend, dat het hier niet uitvoerig behoeft te worden behandeld. +Lodewijk, "qui achetoit la grace de Dieu et de la Vierge Marie a plus +grans deniers que oncques ne fist roy", [613] vertoont al de +hoedanigheden van het onmiddellijkste en nuchterste fetichisme. In zijn +reliekenvereering, zijn hartstocht voor pelgrimages en processies +schijnt elke hoogere wijding, elke zweem van eerbiedige reserve, te +ontbreken. Hij solt met de heilige voorwerpen, als waren het enkel dure +huismiddeltjes. Het kruis van Saint Laud te Angers moet expresselijk +naar Nantes komen, om er een eed op te laten doen, [614] want een eed op +het kruis van Saint Laud gold Lodewijk meer dan eenige andere eed. +Wanneer de connetable de Saint Pol, in 's konings tegenwoordigheid +geroepen, hem verzoekt, op het kruis van Saint Laud hem zijn veiligheid +te bezweren, antwoordt de koning: ieder anderen eed, maar dezen niet. +[615] Bij het naderen van het zoo buitensporig door hem gevreesde einde +worden hem van alle kanten de kostbaarste relieken toegezonden: de paus +zendt onder meer het corporale van Sint Pieter zelf; zelfs de Groote +Turk biedt een verzameling relieken, die nog te Constantinopel waren. Op +het buffet naast 's konings ziekbed staat la Sainte Ampoule zelf, uit +Reims gehaald, waar zij nimmer vandaan was geweest; sommigen zeiden, dat +de koning de wonderdadigheid van het heilige zalfvat zelfs wilde +beproeven tot een zalving van zijn gansche lichaam. [616] Het zijn +godsdienstige trekken, zooals men ze vindt bij de Merowingische +koningen. + +Er is nauwelijks een grens waar te nemen tusschen Lodewijk's +verzamelwoede, waar het vreemde dieren geldt: rendieren, elanden, en +waar het kostbare relieken geldt. Hij correspondeert met Lorenzo +de'Medici over den ring van Sint Zanobi, een plaatselijk-florentijnschen +heilige, en over een "agnus Dei", dat wil zeggen het plantaardige +groeisel, ook wel agnus scythicus genoemd, dat als een wonderdadige +rariteit werd aangezien. [617] In de wonderlijke huishouding van het +kasteel Plessis les Tours in Lodewijk's laatste dagen vond men vrome +voorbidders en muzikanten bont dooreen. "Oudit temps le roy fist venir +grant nombre et grant quantite de joueurs de bas et doulx instrumens, +qu'il fist loger a Saint-Cosme pres Tours, ou illec ilz se assemblerent +jusques au nombre de six vingtz, entre lesquelz y vint pluseurs bergiers +du pays de Poictou. Qui souvent jouerent devant le logis du roy, mais +ilz ne le veoyent pas, affin que ausdiz instrumens le roy y prensist +plaisir et passetemps et pour le garder de dormir. Et d'un autre coste y +fist aussy venir grant nombre de bigotz, bigottes et gens de devocion +comme hermites et sainctes creatures, pour sans cesser prier a Dieu +qu'il permist qu'il ne mourust point et qu'il le laissast encores +vivre." [618] + +Ook Saint Francois de Paule, de Calabrische heremiet, die de nederigheid +der Minderbroeders overtroefde door de stichting der Minimen, is in +letterlijken zin het voorwerp van Lodewijk's verzamelwoede. Het was met +de uitgesproken bedoeling, dat de heilige door zijn voorbidding 's +konings leven zal verlengen, dat deze in zijn laatste ziekte diens +tegenwoordigheid begeerde. [619] Nadat verschillende zendingen aan den +koning van Napels niet hebben gebaat, weet de koning zich door een +diplomatiek optreden bij den paus de overkomst van den wonderman, zeer +tegen diens zin, te verzekeren. Een adellijk geleide haalt hem af uit +Italie. [620] Is hij eenmaal aangekomen, dan voelt Lodewijk zich toch +nog niet zeker, "omdat hij reeds door verscheidenen onder de schaduw van +heiligheid bedrogen was", en laat op aanstoken van zijn lijfarts Frans +bespieden en op allerlei wijzen de deugd van den man Gods beproeven. +[621] De heilige bestaat al die proeven voortreffelijk. Zijn askese is +van de meest barbaarsche soort, herinnerend aan zijn tiende-eeuwsche +landgenooten Sint Nilus en Sint Romuald. Hij vlucht, als hij vrouwen +ziet. Hij had sedert zijn jongelingsjaren nooit een geldstuk aangeraakt. +Hij slaapt meest staande of leunende; hij scheert nimmer haar noch +baard. Hij eet nimmer eenig dierlijk voedsel, en laat zich enkel wortels +geven. [622] Nog in zijn laatste maanden schrijft de koning persoonlijk, +om de geschikte kost voor zijn zeldzamen heilige te bekomen: "Monsieur +de Genas, je vous prie de m'envoyer des citrons et des oranges douces et +des poires muscadelles et des pastenargues, et c'est pour le saint homme +qui ne mange ny chair ny poisson; et vous me feres ung fort grant +plaisir." [623] Hij noemt hem nooit anders dan "le saint homme", zoodat +zelfs Commines, die den heilige herhaaldelijk zag, diens naam nooit +schijnt te hebben geweten. [624] Maar "saint homme" noemden hem ook +degenen, die spotten over de komst van dezen zonderlingen gast, of die +zijn heiligheid niet vertrouwden, zooals 's konings lijfarts Jacques +Coitier. Uit de mededeelingen van Commines spreekt een nuchter voorbehoud. +"Il est encores vif--besluit hij--par quoy se pourroit bien changer ou en +myeulx ou en pis, par quoy me tays, pour ce que plusieurs se mocquoient +de la venue de ce hermite, qu'ilz appelloient sainct homme." [625] Toch +getuigt Commines zelf, nooit iemand te hebben gezien "de si saincte vie, +ne ou il semblast myeulx que le Sainct Esperit parlast par sa bouche". +En de geleerde theologen uit Parijs, Jean Standonck en Jean Quentin, +uitgezonden om met den heiligen man te spreken naar aanleiding van het +verzoek tot stichting van een convent der Minimen te Parijs, komen onder +den diepsten indruk van zijn persoon, en keeren genezen van hun +tegenkanting terug. [626] + +De belangstelling van de Bourgondische hertogen voor de heiligen van hun +dagen is van een minder zelfzuchtigen aard dan die van Lodewijk XI voor +Sint Franciscus de Paula. Het is opmerkelijk, hoe meer dan een van de +groote visionairen en buitensporige asceten geregeld optreedt als +bemiddelaar en raadgever in politieke zaken. Het is het geval met Sint +Colette en met den zaligen Dionysius van Ryckel of den Kartuizer. +Colette werd door het huis van Bourgondie met bijzondere onderscheiding +behandeld; Philips de Goede en zijn moeder Margareta van Beieren kenden +haar persoonlijk, en wonnen haar raad in. Zij geeft haar bemiddeling in +verwikkelingen tusschen de huizen van Frankrijk, Savoie en Bourgondie. +Het zijn Karel de Stoute, Maria en Maximiliaan, Margareta van +Oostenrijk, die steeds blijven aandringen op haar heiligverklaring. +[627] Veel belangrijker nog is de rol, die Dionysius de Kartuizer +gespeeld heeft in het openbare leven van zijn tijd. Ook hij is in +herhaalde relaties met het huis van Bourgondie, en treedt op als +raadgever van Philips den Goede. Samen met den kardinaal Nicolaas van +Cusa, dien hij op diens beroemde reis door het Duitsche rijk begeleidt +en ter zijde staat, wordt hij in 1451 te Brussel door den hertog +ontvangen. Dionysius, altijd beklemd door het gevoel, dat het der Kerk +en christenheid slecht gaat, en groote onheilen naderen, vraagt in een +vizioen: Heer, zullen de Turken in Rome komen? Hij maant den hertog tot +den kruistocht. [628] De "inclytus devotus ac optimus princeps et dux", +aan wien hij zijn tractaat over het vorstelijk leven en bestuur opdraagt, +kan haast niemand anders wezen dan Philips. Karel de Stoute werkte met +Dionysius samen voor de stichting van de Kartuize te 's Hertogenbosch, +ter eere van Sinte Sophia van Constantinopel, door den hertog niet +onbegrijpelijk voor een vrouwelijke heilige gehouden, terwijl het de +Eeuwige Wijsheid was. [629] Hertog Arnold van Gelre vraagt Dionysius +raad in den strijd met zijn zoon Adolf. [630] + +Niet enkel vorsten, ook tal van edelen, geestelijken en burgers +bestormen zonder ophouden zijn cel te Roermond om raad; hij geeft +voortdurend tallooze oplossingen van moeilijkheden, twijfelingen en +gewetensvragen. + +Dionysius de Kartuizer is het volledigste type van den machtigen +godsdienstigen enthousiast, dat de laatste Middeleeuwen hebben +opgeleverd. Het is een onbegrijpelijk energisch leven; hij vereenigt de +vervoeringen van de groote mystieken, de wildste askese, de voortdurende +gezichten en revelaties van den geestenziener met een schier onafzienbare +werkzaamheid als theologisch schrijver en praktisch geestelijk raadsman. +Hij staat even na aan de groote mystici als aan de praktische +Windesheimers, aan Brugman, voor wien hij zijn beroemde handleiding voor +het christelijk leven schrijft, [631] als aan Nicolaas van Cusa, aan de +heksenvervolgers [632] als aan de geestdriftigen voor een zuivering der +Kerk. Zijn arbeidskracht moet onverwoestbaar zijn geweest. Zijn +geschriften vullen 45 quarto deelen. Het is alsof de geheele +middeleeuwsche theologie nog eens uit hem terugstroomt. "Qui Dionysium +legit, nihil non legit", heette het onder de theologen der 16e eeuw. +Hij behandelt evengoed de diepste vragen van wijsgeerigen aard, als dat +hij voor een ouden leek, broer Willem, op diens verzoek schrijft over de +wederkeerige herkenning der zielen in het hiernamaals. Hij zal het zoo +eenvoudig mogelijk zeggen, belooft hij, en broer Willem kan het in het +Dietsch laten overbrengen. [633] In een eindeloozen vloed van eenvoudig +uitgedrukte gedachten geeft hij alles, wat de groote voorgangers gedacht +hadden, terug. Het is echt laat werk: samenvattend, concludeerend, niet +nieuw scheppend. De citaten van Bernard van Clairvaux of Hugo van Sint +Victor schitteren als juweelen op het slichte eenkleurige kleed van +Dionysius' proza. Al zijn werken werden door hem zelf geschreven, +nagezien, verbeterd, gerubriceerd en geillumineerd, totdat hij in het +eind zijns levens welbedacht met schrijven ophoudt: "Ad securae +taciturnitatis portum me transferre intendo". [634] + +Rust kent hij niet. Hij zegt dagelijks bijna het geheele souter op; +minstens de helft is noodzakelijk, verklaart hij. Onder alle bezigheid, +bij het aan- en uitkleeden, bidt hij. Na de metten; als de anderen weer +ter ruste gaan, blijft hij wakker. Hij is sterk en groot, en kan alles +van zijn lichaam vergen: Ik heb een ijzeren hoofd en een koperen maag, +zegt hij. Zonder walging, ja bij voorkeur, gebruikt hij bedorven +spijzen: boter met wurmen, kersen door slakken aangevreten; dit soort +ongedierte heeft niets van doodelijk venijn, zegt hij, men kan ze gerust +eten. Te zoute haring hangt hij op, tot ze rot: ik eet liever stinkende +dan zoute dingen. [635] + +Al den denkarbeid van de diepste theologische beschouwing en uitdrukking +verricht hij, niet in een onbewogen evenwichtig geleerdenleven, maar +onder de voortdurende schokken van een geest, die vatbaar is voor elke +heftige aandoening van het bovennatuurlijke. Als jongen staat hij 's +nachts in het maanlicht op, meenend, dat het tijd is, om naar school te +gaan. [636] Hij is een stotteraar: "Taterbek" scheldt hem een duivel, +dien hij uitdrijven wil. Hij ziet de kamer van de stervende vrouwe van +Vlodrop vol duivelen; zij slaan hem den stok uit de hand. Niemand heeft +de vreeselijke benauwing der "vier utersten" zoo ondergaan als hij; de +hevige aanval der duivelen bij het sterven zijn een herhaald onderwerp +van zijn preeken. Hij verkeert voortdurend met afgestorvenen. Of hem +dikwijls geesten van afgestorvenen verschijnen, vraagt hem een broeder. +O, honderden en honderden malen, antwoordt hij. Hij herkent zijn vader +in het vagevuur en verwerft diens bevrijding. Zijn verschijningen, +openbaringen en gezichten vervullen hem zonder ophouden, maar hij +spreekt er niet dan met tegenzin van. Hij schaamt zich voor de ekstasen, +die hem door allerlei uiterlijke aanleidingen geworden: vooral door +muziek, soms te midden van een adellijk gezelschap, dat naar zijn +wijsheid en vermaningen luistert. Onder de eernamen der groote theologen +is de zijne die van Doctor ecstaticus. + +Men meene niet, dat een groote figuur als Dionysius de Kartuizer aan de +verdenking en spot ontkwam, die den zonderlingen wonderman van Lodewijk +XI troffen; ook hij heeft voortdurend te kampen met den smaad en de +verguizing der wereld. De geest der vijftiende eeuw staat in een wankel +evenwicht tegenover de opperste uitingen van het middeleeuwsch geloof. + + + +NOTEN: + + +[580] Monstrelet, IV p. 304. + +[581] Bernh. v. Siena, Opera, I p. 100 bij Hefele l.c. p. 36. + +[582] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 157; Les quinze joyes de +mariage, p. 111, 215. + +[583] Molinet, Faictz et dictz, f. 188vso. + +[584] Journal d'un bourgeois, p. 336, vgl. p. 242 no. 514. + +[585] Ghillebert de Lannoy, Oeuvres, ed. Ch. Potvin, Louvain, 1878, +p. 163. + +[586] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 101. + +[587] Le Jouvencel, II p. 107. + +[588] Songe du viel pelerin, bij Jorga, Phil. de Mezieres. p. 423(6). + +[589] Journal d'un bourgeois, p. 214, 289(2). + +[590] Gerson, Opera, I p. 206. + +[591] Jorga, Phil. de Mezieres, p. 506. + +[592] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 125. + +[593] Chastellain, IV p. 263/5. + +[594] Chastellain, II p. 300; VII p. 222. Jean Germain, Liber de +Virtutibus, p. 10 (de hier vermelde minder strenge vastenpraktijk kan op +een anderen tijd slaan); Jean Jouffroy, De Philippo duce oratio (Chron. +rel. a l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III) p. 118. + +[595] La Marche, II p. 40. + +[596] Monstrelet, IV p. 302. + +[597] Jorga, Phil. de Mezieres, p. 350. + +[598] Vgl. Jorga, l.c. p. 444, Champion, Villon, I p. 17. + +[599] Oeuvres du roi Rene, ed. Quatrebarbes, I p. cx. + +[600] Monstrelet, V p. 112. + +[601] La Marche, I p. 194. + +[602] Acta Sanctorum Jan., t. II p. 1018. + +[603] Jorga, l.c. p. 509, 512. + +[604] Het is in dit verband van geen belang, of de Kerk de personen in +kwestie heilig of slechts zalig heeft verklaard. + +[605] Andre Du Chesne, Hist. de la maison de Chastillon sur Marne, +Paris, 1621, Preuves, p. 126-131, Extraict de l'enqueste faite pour la +canonization de Charles de Blois, p. 223, 234. + +[606] Froissart, ed. Luce, VI p. 168. + +[607] De gronden, waarop Dom Plaine, Revue des questions historiques, XI +p. 41, Froissart's getuigenis wraakt, schijnen mij niet afdoende. + +[608] W. James, The varieties of religious experience, p. 370s. + +[609] Ordonnances des rois de France, t. VIII, p. 398, Nov. 1400, 426, +18 Maart 1401. + +[610] Memoires de Pierre Salmon, ed. Buchon, Coll. de chron. nationales, +3e Supplement de Froissart, t. XV p. 49. + +[611] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 40. + +[612] Acta Sanctorum Julii, t. I p. 486-628. + +[613] La Marche, I p. 180. + +[614] Lettres de Louis XI, t. VI p. 514, cf. V p. 86, X p. 65. + +[615] Commines, I p. 291. + +[616] Commines, II p. 67, 68. + +[617] Commines, II p. 57; Lettres, X p. 16, IX p. 260. Er was indertijd +zulk een agnus scythicus in het Koloniaal Museum te Haarlem. + +[618] Chron. scand., II p. 122. + +[619] Commines, II p. 55, 77. + +[620] Acta sanctorum Apr., t. I p. 115.--Lettres de Louis XI, t. X +p. 76, 90. + +[621] Sed volens caute atque astute agere, propterea quod a pluribus +fuisset sub umbra sanctitatis deceptus, decrevit variis modis experiri +virtutem servi Dei, Acta Sanctorum, l.c. + +[622] Acta Sanctorum, l.c.p. 108; Commines, II p. 55. + +[623] Lettres, X p. 124. 29 Juni 1483. + +[624] Lettres, X p. 4 etc., Commines, II p. 54. + +[625] Commines, II p. 56, Acta Sanctorum, l.c.p. 115. + +[626] A. Renaudet, Prereforme et Humanisme a Paris, p. 172. + +[627] Doutrepont, p. 226. + +[628] Vita Dionysii auct. Theod. Loer, Dion. Opera, I. p. xlii ss., id. +De vita et regimine principum, t. XXXVII p. 497. + +[629] Opera, t. XLI p. 621; D. A. Mougel, Denys le chartreux, sa vie +etc., Montreuil, 1896, p. 63. + +[630] Opera. t. XLI, p. 617; Vita, I p. xxxi; Mougel, p. 51; Bijdr. en +mededeel. v. h. hist. genootschap te Utrecht, XVIII p. 331. + +[631] Opera, t. XXXIX p. 496, Mougel, p. 54; Moll, Johannes Brugman, I +p. 74; Kerkgesch., II 2 p. 124; K. Krogh-Tonning, Der letzte +Scholastiker Eine Apologie, Freiburg 1904, p. 175. + +[632] Mougel, p. 58. + +[633] Opera, t. XXXVI p. 178: De mutua cognitione. + +[634] Vita, Opera, t. I p. xxiv, xxxviii. + +[635] Vita, Opera, t. I p. xxvi. + +[636] De munificentia et beneficiis Dei, Opera, t. XXXIV, art. 26 p. 319. + + + * * * * * + + +VIII + +AANDOENING EN VERBEELDING + + +Van den tijd af, dat de zoet-lyrische mystiek van Bernard van Clairvaux +in de twaalfde eeuw de fuga geopend had van bloeiende verteedering over +het lijden Christi, was de geest in steeds stijgende mate vervuld van de +smeltende aandoening over de passie; hij was doortrokken en verzadigd +geworden van Christus en het kruis. In de vroegste kindsheid werd het +beeld van den gekruisigde in het teer gemoed geplant zoo groot en zoo +donker, dat het alle aandoeningen overschaduwde met zijn ernst. Toen +Jean Gerson een kind was, ging zijn vader met uitgestrekte armen tegen +den muur staan, en zeide: "'zie, mijn jongen, zoo is uw God gekruisigd +en gestorven, die u gemaakt heeft en verlost heeft'. Dit beeld bleef +den knaap tot in zijn grijsheid, groeiende met het groeien der jaren, +en hij zegende er nog dien vromen vader om, nadat deze juist op +kruisverheffingsdag gestorven was." [637]--Colette hoorde als kind van +vier jaar haar moeder iederen dag schreien en zuchten in gebed over het +lijden, mee lijdende over den smaad, de slagen en de pijnigingen. Met +zulk een hevigheid zette zich die herinnering in haar overgevoelig +gemoed, dat zij haar leven lang iederen dag op het uur der kruisiging +een allerheftigste benauwing en hartepijn voelde, en bij het lezen van +het lijden meer leed dan eenige vrouw in barensnood. [638]--Een prediker +bleef somtijds voor zijn gehoor een kwartier lang zwijgend in +kruishouding staan. [639] + +Zoo overvuld van Christus was de geest, dat bij de geringste uiterlijke +overeenkomst van eenige handeling of gedachte met 's Heeren leven of +lijden de Christustoon onmiddellijk ging klinken. Een arme non, die +brandhout aandraagt voor de keuken, verbeeldt zich, dat zij daarmee het +kruis draagt: enkel de voorstelling hout dragen is genoeg, om de +handeling te drenken in den lichtschijn van de opperste daad van liefde. +Het blinde vrouwtje, dat de wasch doet, neemt tobbe en waschhok voor +kribbe en stal. [640] Maar evengoed een uitwerking van die overvolheid +met godsdienstigen inhoud is het profaneerende overvloeien van +vorstenhulde in religieuze verbeelding: de vergelijking van Lodewijk XI +met Jezus, van Maximiliaan met zijn vader en zijn zoon met de +Drieeenheid. [641] + +De vijftiende eeuw vertoont de sterke godsdienstige aandoenlijkheid in +een dubbelen vorm. Zij openbaart zich eensdeels in de heftige +beroeringen, die van tijd tot tijd het geheele volk aangrepen, als een +reizend prediker met zijn woord alle geestelijke brandstof ontvlammen +deed als takkenbossen. Dat is de krampachtige uiting, hartstochtelijk, +geweldig, doch spoedig weer uitgesnikt. Daarnaast is door sommigen de +aandoenlijkheid blijvend in een stille bedding geleid, genormaliseerd +tot een nieuwen levensvorm, dien der innigheid. Het is de pietistische +kring van hen, die zichzelven in het bewustzijn van vernieuwers te zijn, +moderne devoten hebben genoemd. Als gereglementeerde beweging beperkt +zich de moderne devotie tot de Noordelijke Nederlanden en het +Nederduitsche gebied, doch den geest, die haar het aanzijn gaf, vindt +men in Frankrijk even goed. + +Van de geweldige werking der predikatie is maar weinig als blijvend +element in de geestelijke cultuur overgegaan. Wij weten, welk een +ontzaglijken indruk de predikers maakten, [642] maar de ontroering, die +van hen uitging, na te voelen, is ons niet gegeven. Uit de geschreven +overlevering der preeken komt zij niet tot ons; en hoe kon het ook? +Reeds tot de tijdgenooten sprak de geschreven preek niet meer. Velen, +die Vincent Ferrer hoorden, en nu zijn preeken lezen, zegt diens +levensbeschrijver, verzekeren, dat zij nauwelijks een schaduw krijgen +van dat wat uit zijn eigen mond weerklonk. [643] Wij kennen de stof der +preeken: de aangrijpende schildering van de verschrikkingen der hel, het +dreunend dreigen met de straf der zonde, al de lyrische uitstortingen +over de passie en de godsliefde. Wij weten, met welke middelen de +predikers werkten: geen effekt was te grof, geen overgang van lachen +naar weenen te groot, geen onmatige uitzetting der stem te kras. [644] +Maar wij kunnen de schokken, die zij daarmee teweegbrachten, toch +eigenlijk alleen bevroeden uit het altijd weer gelijksoortig verhaal, +hoe stad met stad streed om de toezegging van een preekbeurt, hoe +magistraat en volk de predikers inhaalden met een staatsie, zooals men +ze een vorst gaf, hoe de prediker soms moest ophouden om het luid geween +der schare. Terwijl Vincent Ferrer preekte, werden eens twee +terdoodveroordeelden voorbij gebracht, een man en een vrouw, op weg naar +de terechtstelling. Vincent verzocht, het beulswerk op te schorten; hij +borg de slachtoffers zoolang onder zijn spreekgestoelte, en preekte over +hun zonden. Na de preek vond men hen er niet meer, doch enkel wat +beenderen, en het volk geloofde niet anders, dan dat het woord van den +heiligen man de zondaars had verbrand en tevens gered. [645] + +De krampachtige aandoening der massa onder het woord van de predikers is +telkens weer vervlogen zonder in de geschreven overlevering zich te +hebben kunnen vastleggen. Des te beter kennen wij de "innicheit" der +moderne devoten. Als in elken pietistischen kring gaf hier de godsdienst +niet enkel den levensvorm maar ook den gezelligheidsvorm: het knusse +geestelijk verkeer in stille intimiteit van eenvoudige mannetjes en +vrouwtjes, wier groote hemel zich welfde boven een minuskuul wereldje, +waar al het sterke ruischen van den tijd aan voorbij streek. De vrienden +bewonderden in Thomas a Kempis zijn onkunde van de gewone wereldsche +dingen; een prior van Windesheim droeg als eervollen bijnaam Jan +Ik-weet-niet. Zij kunnen geen andere wereld gebruiken dan een +vereenvoudigde; zij zuiveren haar door het slechte buiten hun sfeer te +sluiten. [646] Binnen die enge sfeer leven zij in de vreugde van een +sentimenteele genegenheid voor elkander: de blik van den een is zonder +ophouden op den ander geslagen, om alle teekens van genade op te merken; +elkaar bezoeken is hun vermaak. [647] Vandaar hun bijzondere neiging tot +de levensbeschrijving, waaraan wij de nauwkeurige kennis van dezen +geestelijken staat te danken hebben. + +In haar Nederlandschen, gereglementeerden vorm had de moderne devotie +een vaste conventie van vroom leven geschapen. Men kende de devoten aan +hun afgemeten stille bewegingen, hun gebogen gang, sommigen aan de tot +een lach geplooide gezichten of de opzettelijk gelapte nieuwe kleeren. +En niet het minst aan hun overvloedige tranen. "Devotio est quaedam +cordis teneritudo, qua quis in pias faciliter resolvitur lacrimas". Men +moet God bidden om "den dagelijkschen doop der tranen", zij zijn de +vleugelen van het gebed, of naar Sint Bernard's woord de wijn der +engelen. Men moet zich aan de genade der loffelijke tranen geven, zich +er toe voorbereiden en aanzetten, het geheele jaar door, maar vooral in +de Vasten, opdat men met den psalmist zeggen moge: "Fuerunt mihi +lacrimae meae panes die ac nocte". Soms komen zij zoo gewillig, dat wij +bidden met snikken en huilen ("ita ut suspiriose ac cum rugitu oremus"), +maar wanneer zij niet vanzelve komen, moet men ze niet bovenmatig +uitpersen, en zich vergenoegen met de tranen des harten. En in +tegenwoordigheid van anderen moet men de teekenen van een buitengewone +geestelijke devotie naar vermogen vermijden. [648] + +Vincent Ferrer stortte, zoo dikwijls hij de hostie wijdde, zooveel +tranen, dat bijna allen mee weenden, en er soms een weeklagen ontstond +als van een doodenklacht. Het weenen was hem zoo zoet, dat hij noode +zijn tranen staakte. [649] + +In Frankrijk ontbreekt de bijzondere normaliseering der nieuwe vroomheid +in een bepaalden nieuwen vorm als de Nederlandsche Fraterhuizen en de +congregatie van Windesheim. De verwante geesten in Frankrijk blijven of +geheel in de wereld, of zij treden in bestaande orden, waar dan de +nieuwe devotie de doorvoering van een strenger observantie teweegbrengt. +Als algemeene houding van wijde burgerkringen is het verschijnsel er +niet bekend. Misschien droeg daartoe bij, dat de Fransche vroomheid een +hartstochtelijker, spasmodischer karakter had dan de Nederlandsche, +lichter tot geexaspereerde vormen verviel en ook lichter weer vervaagde. +Tegen het einde der Middeleeuwen worden bezoekers der Noordelijke +Nederlanden uit Zuidelijker landen meer dan eens getroffen door de +ernstige en algemeene vroomheid, die zij er onder het volk als iets +bijzonders opmerken. [650] + +De Nederlandsche devoten hadden in het algemeen de aanrakingen laten +varen met de intensieve mystiek, uit welker voorbereidende stadien hun +levensvorm was opgebloeid. Daarmee hadden zij ook het gevaar voor +fantastische afdwalingen tot ketterij grootendeels bezworen. De +Nederlandsche moderne devotie was gehoorzaam en rechtgeloovig, praktisch +zedelijk en soms zelfs nuchter. Het Fransche devote type daarentegen +schijnt een veel grootere slingerwijdte te hebben gehad: het raakt +telkens de extravagante geloofsverschijnselen. + +Toen de Groningsche Dominicaan Mattheus Grabow naar Constanz was +getogen, om daar op het Concilie al de grieven van de bedelorden tegen +de nieuwe broeders des gemeenen levens te luchten, en zoo mogelijk hun +veroordeeling te verwerven, is het de groote leider der algemeene +kerkelijke politiek, Johannes Gerson, zelf geweest, in wien de belaagde +volgelingen van Geert Groote hun verdediger vonden. Gerson was alleszins +bevoegd, om te beoordeelen, of men hier te doen had met een uiting van +echte vroomheid en een geoorloofden vorm van organisatie daarvan. Want +het onderscheiden van echte vroomheid van overdreven geloofsuitingen is +een der onderwerpen, die zijn geest voortdurend hebben beziggehouden. +Gerson was een voorzichtige, nauwgezette academische geest, eerlijk, +zuiver en welmeenend, met die ietwat angstvallige zorg voor den goeden +vorm, die in een fijnen geest, uit bescheiden omstandigheden tot een +werkelijk aristocratische houding gegroeid, dikwijls nog de afkomst +verraadt. Daarbij was hij een psycholoog en iemand met stijlgevoel. +Stijlgevoel en rechtzinnigheid nu zijn ten nauwste verwant. Geen wonder +dus, dat de uitingen van het geloofsleven van zijn dagen herhaaldelijk +zijn argwaan en bezorgdheid wekten. Nu is het merkwaardig, hoe de typen +van vroomheid, die hij afkeurt als overdreven en gevaarlijk, ons +levendig herinneren aan de moderne devoten, die hij verdedigd had. Toch +is dit zeer verklaarbaar. Zijn Fransche schapen misten de veilige +schaapskooi, de discipline en organisatie, die de al te vurigen van +zelve binnen de perken hield van hetgeen de Kerk dulden kon. + +Gerson ziet overal de gevaren van de populaire devotie. Hij vindt het +verkeerd, dat de mystiek op straat wordt gebracht. [651] De wereld, zegt +hij, is in dit laatste tijdperk kort voor haar einde als een ijlhoofdige +grijsaard, ten prooi aan allerlei fantazieen, droomgezichten en +illusies, die menigeen van de waarheid af brengen. [652] Velen geven +zich zonder behoorlijke leiding over aan al te strenge vasten, al te +gerekte nachtwaken, te overvloedige tranen, waarmee zij hun brein +troebel maken. Zij luisteren naar geen vermaan tot matiging. Laat hen +oppassen, want zij kunnen licht vervallen in begoochelingen des duivels. +Te Atrecht had hij nog kort geleden een vrouw en moeder bezocht, die +tegen den zin van haar echtgenoot door haar volstrekt vasten, twee tot +vier dagen achtereen, veler bewondering wekte. Hij had met haar +gesproken, haar ernstig beproefd, en bevonden, dat haar onthouding +louter hoogmoedige en ijdele halsstarrigheid was. Want na zulk een +vasten at zij met onverzadelijke vraatzucht; als reden voor haar +zelfkastijding gaf zij niet anders op, dan dat zij onwaardig was om +brood te eten. Haar uiterlijk verried hem reeds den naderenden waanzin. +[653] Een ander vrouwtje, een epileptica, wier eksteroogen staken, zoo +dikwijls er een ziel ter helle voer, die de zonden aan het voorhoofd zag +en beweerde, dagelijks drie zielen te redden, bekende onder bedreiging +met de tortuur, dat zij zich zoo gedroeg, omdat het haar broodwinning +was. [654] + +Gerson achtte de vizioenen en revelaties van den jongsten tijd, die +overal gelezen werden, niet veel waard. Zelfs die van befaamde heiligen +als Brigitta van Zweden en Catharina van Siena verloochent hij. [655] +Hij had er zooveel gehoord, die hem het vertrouwen benamen. Velen +verklaarden, dat hun geopenbaard was, dat zij paus zouden worden; een +geleerd man had het zelfs eigenhandig beschreven en met bewijzen +gestaafd. Een ander was eerst overtuigd geweest, dat hij paus zou +worden, maar daarna, dat hij de Antichrist of althans diens voorlooper +zou zijn, waarom hij had omgegaan met de gedachte, zich het leven te +benemen, om de christenheid niet zulk een onheil aan te doen. +[656]--Niets is zoo gevaarlijk, zegt Gerson, als een onkundige devotie. +Wanneer de arme vromen hooren, dat Maria's geest zich verblijdde in +haren God, dan trachten zij ook zich te verblijden, en stellen zich van +allerlei voor, nu met minnen, nu met vreezen; daarbij zien zij allerlei +beelden, die zij niet kunnen onderscheiden van de waarheid en die zij +allen voor wonder houden en voor het bewijs van hun voortreffelijke +devotie. [657] Maar dit was juist hetgeen de moderne devotie aanbeval. +"Soe wie hem in desen artikel mit herten ende mit al sinen crachten den +liden ons Heren innichlic geliken ende gheconformieren wil, die sal hem +selven pinen, druckich ende wemoedich te maken. Ende is hi in enighen +teghenwoerdighen druc, die sel hi mitter druckelicheit Christi +verenighen ende begheren mit hem te deilen". [658] + +Het schouwende leven heeft groote gevaren, zegt Gerson; velen zijn er +zwaarmoedig of gek van geworden. [659] Hij weet, hoe licht een te +aanhoudend vasten tot waanzin of hallucinaties leidt; hij weet ook, welk +een rol het vasten speelt in de praktijken der tooverij. [660] Waar +moest een man met zulk een scherpen blik voor het psychologische moment +in de uitingen van het geloof de grens trekken tusschen het heilige en +geoorloofde en het verwerpelijke? Hij voelde zelf, dat enkel zijn +rechtzinnigheid hem hier nog niet genoeg gaf; het was gemakkelijk +genoeg, om als geschoold godgeleerde overal den staf te breken, waar van +het dogma klaarblijkelijk werd afgeweken. Maar daarnaast stonden al de +gevallen, waar de ethische beoordeeling der uitingen van vroomheid hem +het richtsnoer moest zijn, waar zijn gevoel voor maat en goeden smaak +hem het vonnis moest ingeven. Er is geen deugd, zegt Gerson, die in deze +ellendige tijden van het schisma meer uit het oog wordt verloren dan de +Discretio. [661] + +Was reeds voor Jean Gerson het dogmatische criterium niet meer het +eenige, dat den doorslag gaf ter onderscheiding van ware en valsche +vroomheid, des te eer vallen voor ons de typen van godsdienstige +aandoening niet meer samen volgens de lijnen van hun orthodoxie of +ketterij, maar volgens hun psychologischen aard. Ook het volk van den +tijd zelf zag de dogmatische lijnen niet. Het hoorde den ketterschen +broer Thomas met evenveel stichting als den heiligen Vincent Ferrer, het +schold de heilige Colette en haar volgelingen voor Begarden en +hypocriten. [662]--Colette vertoont al de eigenschappen van wat James +den theopathischen toestand noemt, [663] wortelend op een bodem van de +pijnlijkste overgevoeligheid. Zij kan geen vuur zien of den gloed ervan +verdragen, behalve kaarsen. Zij is ontzettend bang voor vliegen, +slakken, mieren, voor stank en onreinheid. Zij heeft denzelfden rabiden +afschuw van de sexualiteit, die later de heilige Aloysius Gonzaga +vertoont, zoodat zij enkel maagden in haar congregatie wil hebben, niet +houdt van getrouwde heiligen en het betreurt, dat haar moeder met haar +vader in tweede huwelijk was getrouwd. [664] Deze hartstocht voor de +zuiverste maagdelijkheid werd door de Kerk nog altijd als stichtelijk en +navolgenswaard geprezen. Hij was ongevaarlijk, zoolang hij beleden werd +in den vorm van een persoonlijk afgrijzen van al het sexueele. Doch +datzelfde sentiment werd in een anderen vorm gevaarlijk voor de Kerk en +bij gevolg voor den persoon, die het beleed: wanneer deze namelijk niet +meer als de slak de horens introk, maar de toepassing van die zucht naar +kuischheid wilde zien op het kerkelijk en maatschappelijk leven der +anderen. Steeds weer, als het streven naar die zuiverheid revolutionaire +vormen aannam, heeft de Kerk het moeten verloochenen, omdat zij wist, +dat het onuitvoerbaar was. Jean de Varennes boette die consequentie in +een ellendigen kerker, waar de aartsbisschop van Reims hem had doen +opsluiten. Deze Jean de Varennes was een geleerd theoloog en befaamd +prediker, die aan het pauselijk hof te Avignon als kapelaan van den +jeugdigen kardinaal van Luxemburg zelf beschikt scheen voor een myter of +kardinaalshoed, toen hij plotseling van al zijn beneficien afstand deed +behalve een kanunnikschap van Notre Dame te Reims, zijn staat opgaf, en +uit Avignon naar zijn geboorteland terugging, waar hij te Saint Lie een +heilig leven begon te leiden en te preeken. "Et avoit moult grant +hantise de poeuple qui le venoient veir de tous pays pour la simple vie +tres-noble et moult honneste que il menoit." Men vond, dat hij wel paus +kon worden; men noemde hem "le saint homme de S. Lie", en raakte hem aan +om de wonderdadigheid van zijn persoon; sommigen hielden hem voor een +godsgezant of een goddelijk wezen zelf. Heel Frankrijk sprak een +tijdlang van niets anders. [665] + +Maar niet iedereen geloofde aan de oprechtheid van zijn bedoelingen; er +waren er ook, die van "le fou de Saint Lie" spraken, of hem verdachten, +langs dezen opzienbarenden weg de prelatuur te willen bereiken, die hem +anders was ontgaan. Bij hem had, gelijk bij zooveel vroegeren, die als +ketters verworpen waren, de hartstocht voor geslachtelijke zuiverheid +het karakter aangenomen van een heftig revolutionaire prediking, waarin +zich al de grieven over de ontaarding der Kerk schikten onder die eene +groote verontwaardiging. "Au loup, au loup" riep hij de schare toe, en +deze riep willig terug: "Hahay, aus leus, mes bones gens, aus leus." +Maar hij zei immers niet, dat hij den aartsbisschop bedoelde, aldus zijn +verdediging uit den kerker; hij placht enkel het spreekwoord te zeggen: +"qui est tigneus, il ne doit pas oster son chaperon". [666] Hoever hij +ook gegaan moge zijn, zijn hoorders verstonden hem zoo, dat hij al het +oude verzet tegen de onkuische priesters had gepreekt: hun sacramenten +ongeldig, de hostie, die zij wijden, niet dan brood, hun doopsel en hun +absolutie waardeloos. En meer nog tegen de onkuischheid in het algemeen: +de priesters mogen zelfs niet wonen met een zuster of een oude van +dagen; aan het huwelijk zijn 22 of 23 zonden verbonden; men moest de +echtbrekers straffen naar de leer van het Oude Verbond; Christus zelf +zou, indien hij zekerheid had gehad omtrent haar schuld, bevolen hebben, +de overspelige te steenigen; er was geen goede vrouw in Frankrijk, er +kon geen bastaard iets goeds doen of zalig worden. [667] + +Tegen dien ingrijpenden vorm van afkeer der onkuischheid heeft de Kerk +zich steeds uit zelfbehoud moeten verzetten: werd eenmaal de twijfel +gewekt aan de geldigheid der sacramenten van onwaardige priesters, dan +was het geheele kerkelijk leven ontwricht. Gerson stelt Jean de Varennes +naast Johannes Hus als een, die met oorspronkelijk goede bedoelingen +door zijn ijver op het dwaalspoor is geleid. [668] + +De Kerk is aan den anderen kant in het algemeen uiterst toegefelijk +geweest op een ander gebied: in het dulden van de hoogst zinnelijke +verbeeldingen der godsliefde. De nauwgezette kanselier van de Parijsche +universiteit evenwel heeft ook daar het gevaar gevoeld en ervoor +gewaarschuwd. + +Hij kende het uit zijn groote zielkundige ervaring, hij kende het van +verschillende zijden, als dogmatisch en als zedelijk gevaar. "De dag zou +mij niet genoeg zijn, zegt hij, als ik al de tallooze waanzinnigheden +wilde opsommen van de minnenden, de zinneloozen: amantium, immo et +amentium." [669] Ja, hij wist het bij ondervinding: "Amor spiritualis +facile labitur in nudum carnalem amorem." [670] Want wie zou het anders +zijn dan Gerson zelf, die man, dien hij kende, die uit loffelijke +devotie een gemeenzame vriendschap in den Heer had gekweekt met een +geestelijke zuster: "aanvankelijk ontbrak het vuur van eenige +vleeschelijkheid, maar gaandeweg wies uit den geregelden omgang een +liefde, die niet geheel en al meer in God was, zoodat hij zich niet meer +kon weerhouden, haar te bezoeken, of in haar afwezigheid aan haar te +denken. Nog vermoedde hij niets zondigs, geen duivelsch bedrog, totdat +een langere afwezigheid hem tot het inzicht bracht van het gevaar, dat +God nog ter juister tijd van hem had gewend." [671] Hij was voortaan "un +homme averti" en trok er profijt van. Zijn geheele tractaat _De diversis +diaboli tentationibus_ [672] is als een scherpe analyse van den +geestesstaat, die ook die van de Nederlandsche moderne devoten was. Het +is vooral de "dulcedo Dei", de "zueticheit" der Windesheimers, welke +Gerson wantrouwt. De duivel, zegt hij, boezemt den menschen somtijds een +onmetelijke en wonderlijke zoetheid (dulcedo) in, op de wijze van en +gelijkende op devotie, opdat de mensch in het genieten van die zoetheid +(suavitas) zijn eenig doel zoeke, en God enkel meer wil beminnen en +volgen, om die genieting te erlangen. [673] En elders, [674] van +dezelfde dulcedo Dei: velen heeft de al te sterke kweeking van +dergelijke gevoelens bedrogen: zij hebben de razernijen van hun hart als +het voelen Gods omhelsd en jammerlijk gedwaald. Het leidt tot allerlei +ijdel streven: sommigen trachten een staat te bereiken van volkomen +gevoelloosheid of passiviteit, waarin slechts God door hen handelt, of +een mystische kennis en vereeniging met God, waarin Hij niet meer onder +eenig begrip des zijns, des waren of des goeden wordt opgevat.--Hier +liggen ook Gerson's bezwaren tegen Ruusbroec, aan wiens eenvoudigheid +hij niet gelooft, wien hij de meening van zijn _Chierheit der +gheesteliker brulocht_ verwijt, dat de volmaakte ziel, God schouwende, +Hem niet enkel ziet door de klaarheid, die de goddelijke essentie is, +maar dat zij zelve de goddelijke klaarheid is. [675] + +Het gevoel van de volstrekte vernietiging der individualiteit, dat de +mystieken van alle tijden gesmaakt hebben, kon de voorstander van een +matige, ouderwetsche, Bernardijnsche mystiek, die Gerson was, niet +gedoogen. Een zieneres had hem verteld, dat haar geest in het schouwen +Gods vernietigd was geworden met een werkelijke vernietiging en daarna +opnieuw geschapen. Hoe weet ge dat? had hij haar gevraagd. Zij had het +zelf ondervonden, was haar antwoord. De logische absurditeit dier +verklaring is voor den intellectueelen kanselier het triomfantelijk +bewijs, hoe verwerpelijk zulk een gevoelen was. [676] Het was +gevaarlijk, zulke gewaarwordingen in een gedachte uit te drukken; de +Kerk kon ze enkel dulden in den vorm van een beeld: het hart van +Catharina van Siena was veranderd in het hart van Christus. Maar +Marguerite Porete uit Henegouwen, van de Broeders van den vrijen geest, +die ook haar ziel in God vernietigd waande, was in 1310 te Parijs +verbrand. [677] + +Het groote gevaar van het zelfvernietigingsgevoel lag in de conclusie, +waartoe evenzeer de Indische als sommige christelijke mystieken kwamen, +dat de volmaakte schouwende en minnende ziel niet meer zondigen kan. +Immers, opgegaan in God, heeft zij geen wil meer; slechts het goddelijk +willen is gebleven, en waarin zij ook de vleeschelijke neigingen volgen, +daarin is geen zonde meer. [678] Tal van armen en onwetenden waren door +zulke leeringen verleid tot een leven van de vreeselijkste +ongebondenheid, zooals de secten der Begarden, de Broeders van den +vrijen geest, de Turlupijnen te zien hadden gegeven. Telkens als Gerson +van de gevaren der uitgelaten godsminne spreekt, komt hem het +waarschuwend voorbeeld van die secten in de gedachte. [679] Toch is men +hier voortdurend vlak bij de kringen der devoten. De Windesheimer +Hendrik van Herp beschuldigt zijn eigen geestverwanten van geestelijk +overspel. [680] Er lagen in deze sfeer duivelsche valstrikken tot de +meest perverse goddeloosheid. Gerson vertelt van een aanzienlijk man, +die aan een Kartuizer had bekend, dat hem een doodzonde, en hij noemde +met name die der onkuischheid, de minne Gods niet belemmerde, maar hem +integendeel ontvlamde om de goddelijke zoetheid nog inniger te prijzen +en te begeeren. [681] + +De Kerk waakte, zoodra de smeltende aandoeningen van de mystiek zich +omzetten in geformuleerde overtuigingen of in toepassing op het +maatschappelijk leven. Zoolang het bleef bij louter hartstochtelijke +verbeeldingen van symbolischen aard, liet zij ook het meest exuberante +toe. Johannes Brugman kon ongestraft al de eigenschappen van den +dronkaard, die zich zelf vergeet, geen gevaar ziet, niet toornig wordt +om bespotting, alles weggeeft, toepassen op Jezus' menschwording: "O en +was hi niet wael droncken, doe hem die mynne dwanck, dat hi quam van den +oversten hemel in dit nederste dal der eerden?" In den hemel gaat hij +rond, "schyncken ende tappen mit vollen toyten" aan de profeten, "ende +sij droncken, dat sij borsten, ende daer spranck David mit sijnre herpen +voer der tafelen, recht of hij mijns heren dwaes waer." [682] + +De groteske Brugman niet alleen, ook de zuivere Ruusbroec geniet de +godsminne onder het beeld der dronkenschap. Naast dat der dronkenschap +staat het beeld van den honger. Mogelijk lag voor beide de aanleiding in +het bijbelwoord: "qui edunt me, adhuc esurient, et qui bibunt me, adhuc +sitient," [683] dat, door Sapientia gesproken, als woord des Heeren werd +geduid. De voorstelling van des menschen geest, geteisterd door een +eeuwigen honger naar God, was dus gegeven. "Hier beghint een ewich +honger, die nemmermeer vervult en wert, dat es een inwendich ghieren +ende crighen der minnender cracht ende dies ghescapens geestes in een +ongescapen goet.... Dit sijn die armste liede die leven; want si sijn +ghierich ende gulsich ende si hebben den mengherael (verklaring: "dat is +die vraet of den ghier of den heeten onversadeliken hongher"). Wat si +eten ende drinken, si en werden nemmermeer sat in deser wijs, want dese +hongher es ewich.... Al gave God desen mensche alle die gaven die alle +heylighen hebben ... sonder hem selven, nochtan bleve die gapende ghier +des gheests hongherich ende onghesaedt."--Doch evenals het beeld der +dronkenschap is ook dat van den honger voor omkeering vatbaar: "Sijn +(Christus') hongher is sonder mate groet; hi verteert ons al uut te +gronde; want hi is een ghierich slockaert ende heeft den mengerael: hi +verteert dat merch uut onsen benen. Nochtan gonnen wijs hem wale, ende +soe wijs hem meer ghonnen, soe wij hem bat smaken. Ende wat hi op ons +teert, hi en mach niet vervult werden, want hi heeft den mengerael ende +sijn hongher is sonder mate: ende al sijn wi arm, hi en achtes niet, +want hi en wilt ons niet laten. Ierstwerf bereyt hi sine spise, ende +verbernt in minnen al onse sonden ende ghebreken. Ende alse wi dan +ghesuvert sijn ende in minnen ghebraden, soe gaept hi alse die ghier +diet al verslocken wilt.... Mochten wi sien die ghierighe ghelost (lust) +die Christus heeft tote onser salicheit, wi en mochten ons niet +onthouden wi en souden hem in die kele vlieghen. Al verteert ons Jhesus +te male in hem, daer vore gheeft hi ons hem selven, ende hi gheeft ons +gheesteliken hongher ende dorst sijns te ghesmaken met ewigher lost. Hi +gheeft ons gheesteliken hongher, ende onser herteliker liefde sijn +lichame in spisen. Ende alse wi dien in ons eten ende teren met ynnigher +devocien, soe vloyet uut sinen lichame sijn gloriose heete bloet in onse +nature ende in alle onse aderen.... Siet, aldus selen wi altoes eten +ende werden gheten, ende met minnen op ende nedergaen, ende dit is onse +leven in der ewicheit". [684] + +Een kleine schrede, en men is van deze hoogste vervoeringen der mystiek +weer bij een plat symbolisme. "Vous le mangeres,--zegt van de +eucharistie _Le livre de crainte amoureuse_ van Jean Berthelemy--, roti +au feu, bien cuit, non point ars ou brule. Car ainsi l'aigneau de +Pasques entre deux feux de bois ou de charbon estoit cuit convenablement +et roty, ainsi ledoulx Jesus, le jour du Vendredi sacre, fut en la +broche de la digne croix mis, attachie, et lie entre les deux feux de +tres angoisseuse mort et passion, et de tres ardentes charite et amour +qu'il avoit a nos ames et a nostre salut, il fut comme roty et +langoureusement cuit pour nous saulver." [685] + +Het beeld van de dronkenschap en den honger weerspreekt reeds de +meening, dat elk godsdienstig zaligheidsgevoel erotisch geinterpreteerd +zou moeten worden. [686] Het instroomen van den goddelijken invloed +wordt evengoed als een drinken of een gebaad worden ondergaan. Een +Diepenveensche devote voelt zich geheel overstort met het bloed van +Christus en bezwijmt. [687] De bloedfantazie, voortdurend door het +geloof aan de transsubstantiatie levend gehouden en geprikkeld, uit zich +in de bedwelmendste uitersten van rooden gloed. De wonden van Jezus, +zegt Bonaventura, zijn de bloedroode bloemen van ons zoete en bloeiende +paradijs, waarover de ziel als een vlinder zweven moet, dan aan deze dan +aan gene drinkende. Door de zijwond moet zij binnendringen tot het hart +zelf. Tegelijk stroomt het bloed als beken in het paradijs. Al het roode +en warme bloed van alle wonden is door Suso's mond in zijn hart en ziel +gevloeid. [688] Catharina van Siena is een der heiligen, die uit de +zijwond van Christus gedronken hebben, gelijk het anderen ten deel viel, +de melk van Maria's borsten te proeven: Sint Bernard, Heinrich Suso, +Alain de la Roche. + +Alain de la Roche, in het latijn Alanus de Rupe, bij zijn Nederlandsche +vrienden Van der Klip geheeten, kan als een der meest markante typen +gelden van de Fransche, meer fantastische devotie en van de +ultra-concrete geloofsverbeelding der laatste Middeleeuwen. Omstreeks +1428 in Bretagne geboren, heeft hij als Dominicaan hoofdzakelijk in het +Noorden van Frankrijk en in de Nederlanden gewerkt. Hij is te Zwolle bij +de Fraters, met wie hij levendige betrekkingen onderhield, in 1475 +gestorven. Zijn voornaamste werk was het ijveren voor het gebruik van +den rozenkrans, waartoe hij een gebedsbroederschap over de geheele +wereld stichtte, aan welke hij het bidden voorschreef van vaste stelsels +van Ave's, door Pater's afgewisseld. In het werk van dezen visionair, +hoofdzakelijk preeken en beschrijvingen van zijn gezichten, [689] treft +het sterk sexueele van zijn verbeeldingen, doch tegelijk het ontbreken +van dien toon van gloeiende passie, die de sexueele verbeelding van het +heilige rechtvaardigen kon. De zinnelijke uitdrukking der smeltende +godsminne is hier louter procede geworden. Er is niets van de +overstroomende innigheid, die de honger-, dorst-, bloed- en +liefde-fantazieen van de groote mystieken verheft. In de meditaties over +elk van Maria's lichaamsdeelen, die hij aanbeveelt, in de nauwkeurige +beschrijving van zijn herhaalde laving met de melk van Maria, in de +symbolische systematiek, waarbij hij elk der woorden van het Onze Vader +het bruidsbed van een der deugden noemt, spreekt een geest op zijn +laatst, het verval van de hooggekleurde vroomheid der latere +Middeleeuwen tot een uitgebloeiden vorm. + +Ook in de duivelenfantazie had het sexueele element een plaats: Alain de +la Roche ziet de beesten der zonde met afschuwelijke teeldeelen, waaruit +een vurige en zwavelige stortvloed breekt, die met zijn smook de aarde +verduistert; hij ziet de meretrix apostasiae, die de afvalligen +verslindt, weer uitbraakt en uitscheidt, weer verslindt, hen als een +moeder kust en koestert, hen telkens opnieuw baart uit haren schoot. +[690] + +Daar lag de tegenkant van de "zueticheit" der devoten. Als +onvermijdelijk complement van de zoete hemelsche fantazie borg de geest +een zwarten poel van hellevoorstellingen, die eveneens hun uitdrukking +vonden in de gloeiende taal der aardsche zinnelijkheid. Het is zoo +vreemd niet, dat er verbindingen zijn aan te wijzen tusschen de stille +kringen der Windesheimers en het duisterste wat de Middeleeuwen tegen +haar einde hebben voortgebracht: de heksenwaan, thans uitgegroeid tot +dat noodlottig sluitende systeem van theologischen ijver en rechterlijke +strengheid. Alanus de Rupe vormt zulk een schakel. Hij, de gaarne +geziene gast van de Zwolsche fraters, was ook de leermeester van zijn +ordebroeder Jakob Sprenger, die niet alleen met Heinrich Institoris den +Heksenhamer geschreven heeft, maar ook in Duitschland de ijverige +bevorderaar is geweest van Alanus' broederschap van den rozenkrans. + + + +NOTEN: + + +[637] Gerson, Tractatus VIII super Magnificat, Opera, IV p. 386. + +[638] Acta Sanctorum Martii, t. I p. 561, vgl. 540, 601. + +[639] K. Hefele, Der bl. Berhardin voor Siena und die franziskanische +Wanderpredigt in Italien waehrend des XV. Jahrhunderts, Freiburg, 1912, +p. 79. + +[640] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 74, 86. + +[641] Zie boven blz. 255. (zie Hoofdstuk VI, noot 495) + +[642] Zie boven blz. 6 vgg. (zie Hoofdstuk I, tekst volgend op noot 7) + +[643] Acta Sanctorum Aprilis, t. I p. 195.--Noch van Vincent Ferrer, +noch van Olivier Maillard en Clement Menot heb ik de Sermones in +Nederland kunnen vinden. Het beeld, dat Hefele t.a.p. van de prediking +in Italie geeft, kan echter in veel opzichten ook op de fransch-sprekende +landen toepasselijk worden geacht. + +[644] Leven van S. Petrus Thomasius, Carmeliet, door Philippe de +Mezieres, Acta sanctorum Jan., t. II p. 997; Dionysius Cartus over +Brugman's preektrant: De vita etc. christ. + +[645] Acta Sanctorum Apr., t. I p. 513. + +[646] James, l.c., p. 348: "For sensitiveness and narrowness, when they +occur together, as they often do, require above all things a simplified +world to dwell in"; cf. p. 353(1). + +[647] Moll, Brugman, I p. 52. + +[648] Dionys. Cartus. De quotidiano baptismate lacrimarum, t. XXIX, +p. 84; Deoratione. t. XLI p. 31-55; Expositio hymni Audi benigne conditor, +t. XXXV p. 34. + +[649] Acta sanctorum Apr., t. I p. 485, 494. + +[650] Chastellain, III p. 119; Antonio de Beatis (1517), L. Pastor, Die +Reise des Kardinals Luigi d'Aragona, Freiburg 1905, p. 51(3), 52; +Polydorus Vergilius, Anglicae historiae libri XXVI, Basileae, 1546, +p. 15. + +[651] Gerson, Epistola contra libellum Johannis de Schonhavia, Opera, I +p. 79. + +[652] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 44. + +[653] Ib. p. 48. + +[654] Gerson, De examinatione doctrinarum. Opera, I p. 19. + +[655] Ib. p. 16, 17. + +[656] Gerson, De distinctione etc., I p. 44. + +[657] Gerson, Tractatus II super Magnificat, Opera, IV p. 248. + +[658] 65 nutte artikelen van der passien ons Heren, Moll, Brugman, II +p. 75. + +[659] Gerson, De monte contemplationis, Opera, III p. 562. + +[660] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 49. + +[661] Ib. + +[662] Acta sanctorum Martii, t. I p. 562. + +[663] James, l.c., p. 343. + +[664] Acta sanctorum, l.c., p. 552ss. + +[665] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 132; Religieux de Saint Denis, II +p. 124; Joannis de Varennis Responsiones ad capita accusationum bij +Gerson, Opera, I p. 925, 926. + +[666] Responsiones, l.c., p. 936. + +[667] Ib. p. 910ss. + +[668] Gerson, De probatione spirituum. Opera, I p. 41. + +[669] Gerson, Epistola contra libellum Joh. de Schonhavia, Opera, I p. 82. + +[670] Gerson, Sermo contra luxuriam. Opera, III p. 924. + +[671] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 55. + +[672] Opera, III p. 589ss. + +[673] Ib. p. 593. + +[674] Gerson, De consolatione theologiae, Opera, I p. 174. + +[675] Gerson, Epistola ... super tertia parte libri Joannis Ruysbroeck +De ornatu nupt. spir., Opera, I p. 59, 67 etc. + +[676] Gerson, Epistola contra defensionem joh. de Schonhavia (polemiek +over Ruusbroec), Opera, I p. 82. + +[677] Hetzelfde gevoel bij een moderne: "I committed myself to Him in +the profoundest belief that my individuality was going to be destroyed, +that he would take all from me, and I was willing", James, l.c., p. 223. + +[678] Gerson, De distinctione etc., I p. 55; De libris caute legendis, I +p. 114. + +[679] Gerson, De examinatione doctrinarum, Opera, I p. 19; De +distinctione, I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114; Epistola +super Joh. Ruysbroeck De ornatu, I p. 62; De consolatione theologiae, I +p. 174; De susceptione humanitatis Christi, I p. 455; De nuptiis Christi +et ecclesiae, II p. 370; De triplici theologia, III p. 369. + +[680] Moll, Johannes Brugman, I p. 57. + +[681] Gerson, De distinctione etc., I p. 55. + +[682] Moll, Brugman. I p. 234, 314. + +[683] Ecclesiasticus 24, 29; vgl. Meister Eckhart, Predigten no. 43, +p. 146. 26. + +[684] Ruusbroec, Die Spieghel der ewigher salicheit, cap. 7, Die +chierheit der gheesteleker brulocht, 1. II c. 53, Werken, ed. David en +Snellaert (Maatsch. der Vlaemsche bibliophilen) 1860(2), 1868, III p. +156/9, VI p. 132. + +[685] Naar het hs. bij Oulmont, l.c., p. 277. + +[686] Vgl. de bestrijding dier meening door James, l.c., p. 10(1), +191, 276. + +[687] Moll, Brugman, II p. 84. + +[688] Oulmont, l.c., p. 204, 210. + +[689] B. Alanus redivivus, ed. J. A. Coppenstein, Napels, 1462, p. 29, +31, 105, 108, 116 etc. + +[690] Alanus redivivus, p. 209, 218. + + + * * * * * + + +IX + +VERBEELDING EN GEDACHTE + + +De aandoening wilde zich altijd onmiddellijk omzetten in bonte en +gloeiende verbeelding. De geest meende het wonder te hebben begrepen, +wanneer hij het voor oogen zag. De behoefte, om het onuitsprekelijke +onder zichtbare teekenen te aanbidden, schiep steeds nieuwe figuren. +In de veertiende eeuw zijn het kruis en het lam niet meer genoeg, om +aan de overstroomende liefde voor Jezus een zichtbaar object te geven: +de vereering van den naam Jezus voegt zich daaraan toe, en dreigt zelfs +bij sommigen de kruisvereering in de schaduw te stellen. Heinrich Suso +tatoeert zich den naam Jezus op de hartstreek, en vergelijkt het met de +beeltenis eener geliefde, die de minnaar in zijn kleed genaaid draagt. +Hij zendt doekjes, waarop de zoete naam geborduurd staat, aan zijn +geestelijke kinderen. [691]--Als Bernardino van Siena een geweldige +preek besloten heeft, ontsteekt hij twee kaarsen en vertoont een bord +van een el groot, waarop in goud op blauw de naam Jezus te midden van +stralen; "het volk dat de kerk vult, ligt op de knieen, allen te zamen +huilend en schreiend van zoete aandoening en teedere liefde tot Jezus". +[692] Vele andere Franciscanen, en ook predikers van andere orden, +volgden het na: Dionysius de Kartuizer wordt met zulk een naambord in de +hoogopgeheven handen afgebeeld. De zonnestralen als helmteeken boven het +wapen van Geneve worden uit deze vereering afgeleid. [693] Zij scheen +den kerkelijken autoriteiten bedenkelijk; men sprak van bijgeloof en +idolatrie, er ontstonden tumulten voor en tegen het gebruik. Bernardino +werd voor de curie gedaagd, en paus Martinus V verbood de gewoonte. +[694] Doch in een anderen vorm vond weldra de behoefte, om den Heer +zichtbaar te aanbidden, gewettigde bevrediging: de monstrans stelde de +gewijde hostie zelf tot aanbidding ten toon. Voor den torenvorm, dien +zij bij haar eerste opkomen in de veertiende eeuw had, kreeg de +monstrans weldra dien van de stralende zon, symbool der goddelijke +liefde. Ook hier had de Kerk aanvankelijk nog bedenkingen gekoesterd; +het gebruik der monstrans was enkel gedurende de week van het +sacramentsfeest toegestaan. + +De overmaat van verbeeldingen, waarin de uitbloeiende middeleeuwsche +gedachte bijna alles had opgelost, zou louter wilde fantasmagorie zijn +geweest, wanneer niet bijna elke figuur, elk beeld, zijn plaats had +gehad in het groote, alles omvattende denksysteem van het symbolisme. + +Er was geen groote waarheid, die de middeleeuwsche geest stelliger wist, +dan die van het woord aan de Corinthen: "Videmus nunc per speculum in +aenigmate, tunc autem facie ad faciem"; "Want wij zien nu door eenen +spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht +tot aangezicht".--Zij hebben nooit vergeten, dat elk ding absurd zou +zijn, als zijn beteekenis uitgeput was in zijn onmiddellijke functie en +verschijningsvorm, dat alle dingen met een heel stuk reiken in de wereld +aan den anderen kant. Dat weten is ook ons als ongeformuleerd gevoel nog +op ieder oogenblik gemeenzaam, wanneer het geluid van den regen op de +bladeren of het schijnsel van de lamp over de tafel even doordringt tot +een dieper perceptie dan die van den praktischen denk- en handelingszin. +Het kan zich voordoen als een ziekelijke oppressie, zoodat de dingen +zwanger schijnen van een dreigende persoonlijke bedoeling of van een +raadsel, dat men kennen moet en niet kennen kan. Het kan ook, en zal +vaker, ons vullen met de rustige en sterkende verzekerdheid, dat ook ons +eigen leven deel heeft aan dien geheimen zin der wereld. En hoe meer dat +gevoel zich verdicht tot de huivering voor het Eene, waarvan alle dingen +uitstroomen, hoe lichter het van de zekerheid van enkele klare +oogenblikken zal overgaan tot een blijvend aanwezig levensgevoel, of +zelfs een geformuleerde overtuiging. "By cultivating the continuous +sense of our connection with the power that made things as they are, we +are tempered more towardly for their reception. The outward face of +nature need not alter, but the expressions of meaning in it alter. It +was dead and is alive again. It is like the difference between looking +on a person without love, or upon the same person with love.... When we +see all things in God, and refer all things to him, we read in common +matters superior expressions of meaning." [695] + +Dit is de gevoelsgrond, waarop het symbolisme opgroeit. Bij God bestaat +niets ledigs of zonder beteekenis: "nihil vacuum neque sine signo apud +Deum". [696] Zoodra God verbeeld was, moest ook dat al, wat van hem +uitging en in hem zijn zin had, stollen of kristalliseeren tot +geformuleerde gedachten. En zoo ontstaat die grootsche en edele +verbeelding van de wereld als een groot symbolisch verband, een +kathedraal van ideeen, de allerrijkst rythmische en polyphone +uitdrukking van al het denkbare. + +De symbolische denkorde staat zelfstandig en op zich zelf gelijkwaardig +naast de genetische. De laatste: het begrijpen van de wereld als +ontwikkeling, was den Middeleeuwen niet zoo vreemd, als men het wel eens +voorstelt. Doch het voortkomen van de dingen uit elkander werd nog +alleen gezien onder de naieve figuur van directe voortteling of van +vertakking, en nog alleen toegepast volgens logische deductie, op de +dingen van den geest. Die werden gaarne gezien in de geleding van +genealogieen of van boomen met vertakkingen: een "arbor de origine +juris et legum" rangschikte alles van het recht in het beeld van +een wijdgespreiden boom. Enkel deductief toegepast behield de +ontwikkelingsgedachte iets schematisch, willekeurigs en onvruchtbaars. + +Het symbolisme is, van het standpunt van het causale denken beschouwd, +als een geestelijke kortsluiting. Het verband der dingen wordt niet +gezocht als een band van oorzaak en gevolg, maar als een van beteekenis +en doel. De overtuiging van zulk een verband kan ontstaan, zoodra twee +dingen een essentieele eigenschap gemeen hebben, die te betrekken is op +iets van algemeene waarde. Of met andere woorden: elke associatie op +grond van eenigerlei gelijkheid kan zich onmiddellijk omzetten in het +besef van een wezenlijk en mystisch verband. Dit kan van psychologisch +gezichtspunt een zeer povere geestesfunctie schijnen. En van +ethnologisch gezichtspunt kan men het bovendien een zeer primitieve +geestesfunctie noemen. Het primitieve denken kenmerkt zich door een +zwakheid van de waarneming der identiteitsgrenzen tusschen de dingen; +het incorporeert in de voorstelling van een bepaald ding alles wat +daarmee door gelijkenis of toebehooren in eenig verband staat. De +symboliseerende functie hangt daarmede ten nauwste samen. + +Het symbolisme verliest evenwel dien schijn van willekeurigheid en +onvoldragenheid, zoodra men zich er rekenschap van geeft, dat het +onverbrekelijk verbonden is met die opvatting van het bestaande, welke +in de Middeleeuwen realisme heette, en die wij, eigenlijk minder +treffend, platonisch idealisme noemen. + +Alleen dan heeft de symbolische gelijkstelling op grond van +gemeenschappelijke kenmerken zin, wanneer die kenmerken het wezenlijke +aan de dingen zijn, wanneer de eigenschappen, die het symbool en het +gesymboliseerde gemeen hebben, waarlijk als essentien beschouwd worden. +Rozen wit en rood bloeien tusschen doornen. De middeleeuwsche geest ziet +terstond een symbolische beteekenis: maagden en martelaars stralen in +heerlijkheid tusschen hun vervolgers. Hoe komt de gelijkstelling tot +stand? Doordat de hoedanigheden dezelfde zijn: de schoonheid, teerheid, +zuiverheid, de bloedroodheid der rozen zijn ook die der maagden en +martelaars. Doch dit verband is alleen dan waarlijk zinrijk en vol van +mystische beteekenis, wanneer in het verbindende lid, in de hoedanigheid +dus, het wezen der beide termen van het symbolisme ligt opgesloten, met +andere woorden, wanneer de roodheid en de witheid niet gelden als louter +benamingen voor physisch onderscheid op quantitatieven grondslag, maar +gezien worden als realien, wezenlijkheden. Ook ons denken vermag nog elk +oogenblik ze zoo te zien, [697] als het maar even terugkeert tot de +wijsheid van den wilde, het kind, den dichter en den mysticus, voor wie +de natuurlijke gesteldheid der dingen ligt opgesloten in hun algemeene +hoedanigheid. De hoedanigheid is hun watheid, de kern van hun zijn. +Schoonheid, teerheid, witheid, essentien zijnde, zijn eenheden: alles +wat schoon, teer, wit is, moet in wezen samenhangen, heeft denzelfden +bestaansgrond, dezelfde beteekenis (be-teekenis) voor God. + +Zoo is er een onverbrekelijk verband tusschen symbolisme en realisme (in +den middeleeuwschen zin). + +Men moet hier niet te veel denken aan den strijd over de universalia. +Zeker, het realisme, dat de "universalia ante res" verklaarde, dat aan +de algemeene begrippen wezen en praeexistentie toekende, is geen +alleenheerscher geweest op het gebied van het middeleeuwsche denken. +Er zijn ook nominalisten geweest: ook het "universalia post rem" heeft +zijn voorstanders gehad. Doch de stelling is niet te gewaagd, dat het +radicale nominalisme nooit anders dan tegenstrooming, reactie, oppositie +is geweest, en dat het jongere, gematigde nominalisme enkel zekere +philosophische bezwaren tegen een extreem realisme tegemoet kwam, maar +aan de inhaerent-realistische denkrichting der gansche middeleeuwsche +geestesbeschaving niets in den weg legde. + +Inhaerent aan de gansche beschaving. Want het komt niet in de eerste +plaats op dien strijd van scherpzinnige theologen aan, maar op de +voorstellingen, die het geheele verbeeldings- en gedachtenleven, zooals +het zich uit in de kunst, de moraal, het dagelijksch leven, beheerschen. +Deze zijn extreem realist, niet omdat de hooge theologie in een lange +school van neo-platonisme was geformeerd, maar omdat het realisme, +buiten alle philosophie om, de primitieve denkwijze is. Voor den +primitieven geest neemt alles wat benoembaar is, terstond wezen aan, of +het hoedanigheden zijn, begrippen of wat ook. Zij projecteeren zich +terstond automatisch aan den hemel. Hun wezen kan bijna altijd (behoeft +niet altijd) worden opgevat als persoonlijk wezen; ieder oogenblik kan +de reidans van anthropomorphe begrippen beginnen. + +Alle realisme, in den middeleeuwschen zin, is tenslotte +anthropomorphisme. Wanneer de gedachte, die aan de idee een zelfstandig +wezen heeft toegekend, wil worden gezien, dan kan zij dat niet anders +dan door personificatie. Hier ligt de overgang van symbolisme en +realisme naar allegorie. De allegorie is het naar de oppervlakkige +verbeeldingskracht geprojecteerde symbolisme, de opzettelijke +uitwerking, daarmee ook uitputting, van een symbool, het overbrengen van +een hartstochtelijken kreet tot een grammatisch correcten zin. Goethe +beschrijft de tegenstelling aldus: "Die Allegorie verwandelt die +Erscheinung in einen Begriff, den Begriff in ein Bild, doch so, dass der +Begriff im Bilde immer noch begrenzt und vollstaendig zu halten und zu +haben und an demselben auszusprechen sei. Die Symbolik verwandelt die +Erscheinung in Idee, die Idee in ein Bild, und so, dass die Idee im Bild +immer unendlich wirksam und unerreichbar bleibt und selbst in allen +Sprachen ausgesprochen doch unaussprechlich bleibe." [698] + +De allegorie heeft dus inzichzelf reeds het karakter van schoolsche +normaliseering, en tegelijk van een vertering, een opgaan der gedachte +in het beeld. De wijze, waarop zij het middeleeuwsche denken was +binnengekomen: als litteraire aflegger van de late Oudheid in de +allegorische producten van Martianus Capella en Prudentius, verhoogde +het schoolsche en oudachtige karakter. En toch meene men niet, dat het +de middeleeuwsche allegorie en personificatie aan echtheid en leven +ontbrak. Trouwens, had zij die niet bezeten, hoe zou dan de middeleeuwsche +beschaving haar zoo aanhoudend en met zulk een voorliefde hebben +gecultiveerd? + +Te zamen vereenigd hebben deze drie denkwijzen: realisme, symbolisme en +personificatie, den middeleeuwschen geest doorschenen als een stroom van +licht. De psychologie zou wellicht het geheele symbolisme willen afdoen +met den term ideeenassociatie. Maar de geschiedenis der geestesbeschaving +heeft dien denkvorm eerbiediger te beschouwen. De levenswaarde van de +symbolische verklaring van het bestaande was onschatbaar. Het symbolisme +schiep een wereldbeeld van nog strenger eenheid en inniger verband, dan +het causaal-natuurwetenschappelijk denken vermag. Het omvademde met zijn +sterke armen de geheele natuur en de geheele geschiedenis. Het schept +daarin een onverbrekelijke rangorde, een architectonische geleding, een +hierarchische subordinatie. Want in elk symbolisch verband moet een +lager en een hooger zijn; gelijkwaardige dingen kunnen elkanders symbool +niet zijn, maar enkel samen wijzen naar een derde, dat hooger is. In het +symbolisch denken is ruimte voor een onmetelijke veelvuldigheid van +betrekkingen tusschen de dingen. Want elk ding kan met zijn verschillende +hoedanigheden symbool zijn van velerlei andere, en ook met een en +dezelfde hoedanigheid verschillende dingen beteekenen; en de hoogste +dingen hebben hun duizenderlei symbolen. Geen ding is te nederig om het +hoogste te beduiden en aan te wijzen ter verheerlijking. De okkernoot +beteekent Christus: de zoete kern is de goddelijke natuur, de vleezige +buitenschil de menschelijke, en de houten schaal daartusschen is het +kruis. Alle dingen bieden stut en steun voor het opstijgen der gedachte +naar het eeuwige; alle beuren elkaar van trede tot trede omhoog. Het +symbolische denken geeft een voortdurende transfusie van het gevoel van +God's majesteit en eeuwigheid in al het waarneembare en denkbare. Het +houdt voortdurend het mystische levensgevoel brandend. Het doordringt de +voorstelling van elk ding met verhoogde aesthetische en ethische waarde. +Denk het genot, als elke edelsteen fonkelt met de glanzen van al zijn +symbolische waarden, als de vereenzelviging van rozen en maagdelijkheid +meer is dan een dichterlijk zondagskleed, als zij het wezen van beide +aangeeft. Het is een waarlijke polyphonie der gedachte. Bij een +doorgedacht symbolisme klinkt in elke voorstelling een harmonisch +accoord van symbolen. Het symbolisch denken geeft dien zwijmel der +gedachte, die prae-intellectueele vervloeiing van de identiteitsgrenzen +der dingen, die tempering van het verstandelijk denken, welke het +levensbesef op zijn hoogste heft. + +Een harmonisch verband verbindt voortdurend alle gebieden der gedachte. +De feiten van het Oude Testament beduiden, praefigureeren die van het +Nieuwe, die der profane geschiedenis weerspiegelen hetzelfde. Bij elk +denken valt, als in een kaleidoscoop, uit de ongeordende massa partikels +een schoone en symmetrische figuur samen. Elk symbool krijgt een +overwaarde, een veel sterkere graad van wezenlijkheid, doordat allen +tenslotte geschaard staan rondom het centrale wonder der eucharistie, en +daar is de gelijkheid geen symbolische meer, maar identiteit: de hostie +is Christus. En de priester, die haar tot zich neemt, wordt daarmee het +graf des Heeren; het afgeleide symbool deelt in de werkelijkheid van het +opperste mysterie, elk beduiden wordt een mystisch een-zijn. [699] + +Door het symbolisme werd het mogelijk, de wereld, die in zich zelf +verwerpelijk was, toch te waardeeren en te genieten, en ook het aardsche +bedrijf te veredelen. Want elk beroep had zijn symbolische betrekking op +het hoogste en heiligste. De arbeid van den handwerker is de eeuwige +generatie en incarnatie des Woords en de bond tusschen God en de ziel. +[700] Zelfs tusschen de aardsche liefde en de goddelijke liepen de +draden van het symbolisch contact. Het sterke religieuze individualisme, +dat wil zeggen de cultiveering van de eigen ziel tot deugd en zaligheid, +vond zijn heilzaam tegenwicht in het realisme en symbolisme, die het +eigen leed, de eigen deugd, losmaakten uit de bijzonderheid van het +persoonlijke, en ophieven in de sfeer van het universeele. + +De zedelijke waarde van de symbolische denkwijze is onafscheidelijk van +haar verbeeldingswaarde. De symbolische verbeelding is als de muziek op +den tekst der logisch uitgedrukte leerstellingen. "En ce temps ou la +speculation est encore toute scolaire, les concepts definis sont +facilement en desaccord avec les intuitions profondes." [701] Door het +symbolisme stond de geheele godsdienstige voorstellingsrijkdom open voor +de kunst, om haar uit te drukken, klank- en kleurrijk, en tegelijk vaag +en zwevend, zoodat de diepste intuities erop konden wegvlieden naar het +besef van het onzegbare. + + * * * * * + +De eindigende Middeleeuwen vertoonen die geheele denkwereld in haar +laatsten uitbloei. De wereld lag volkomen uitgespreid in die +alomvattende verzinnebeelding, en de symbolen werden als versteende +bloemen. Van oudsher had overigens het symbolisme de neiging bezeten, om +zuiver mechanisch te worden. Eenmaal als beginsel gegeven, ontspruit het +niet alleen uit dichterlijke verbeelding en vervoering, maar hecht zich +als een woekerplant aan het denken, en ontaardt tot louter hebbelijkheid +en een ziekte der gedachte. Met name wanneer het symbolisch contact +eenvoudig voortvloeit uit gelijkheid van getal, ontstaan heele +verschieten van ideeele afhankelijkheden. Het worden rekensommetjes. De +twaalf maanden zullen de twaalf apostelen beduiden, de vier jaargetijden +de evangelisten, en het geheele jaar moet dan Christus zijn. [702] Er +conglomereeren zich gansche systemen van zeventallen. Met de zeven +hoofddeugden correspondeeren de zeven beden van het Onze Vader, de zeven +gaven van den heiligen geest, de zeven zaligsprekingen en de zeven +boetpsalmen. Zij hebben weer betrekking op de zeven momenten van de +passie en op de zeven sacramenten. Elk nummer van elk zevental +correspondeert weer als tegenstelling of geneesmiddel met de zeven +hoofdzonden, die weer door zeven dieren verbeeld en door zeven ziekten +gevolgd worden. [703] Bij een zielzorger en moralist als Gerson, aan +wien deze voorbeelden zijn ontleend, overweegt de praktisch zedelijke +waarde van het symbolisch verband. Bij een visionair als Alain de la +Roche overweegt daarin het aesthetische. [704] Hij moet een systeem +hebben, waarin vijftien en tien de getallen zijn, want de gebedencyclus +van de broederschap van den rozekrans, waarvoor hij ijverde, omvat 150 +Ave's, afgewisseld door 15 Pater's. Die vijftien Pater's zijn de +vijftien oogenblikken der passie, de 150 Ave's zijn de psalmen. Zij +zijn nog veel meer. Door de elf hemelsferen plus de vier elementen +te vermenigvuldigen met de tien categorieen: substantia, qualitas, +quantitas enz., krijgt men 150 habitudines naturales; evenzoo 150 +habitudines morales, door de tien geboden te vermenigvuldigen met +vijftien deugden: de drie theologale, de vier cardinale, de zeven +capitale deugden, maakt veertien; "restant duae: religio et +poenitentia", nu is er een te veel, maar temperantia, de cardinale, is +gelijk aan abstinentia, [705] de capitale, blijft over vijftien. Elk +dier vijftien deugden is een koningin, die haar bruidsbed heeft in een +der fracties van het Onze Vader. Elk der woorden van het Ave beduidt een +der vijftien volmaaktheden van Maria, en tegelijk een edelsteen aan de +rupis angelica, die zij zelve is; elk woord verdrijft een zonde of het +dier, dat die verbeeldt. Zij zijn bovendien de takken van een boom vol +vruchten, waarin alle gezaligden zitten, en de treden van een trap. +Zoo beduidt bij voorbeeld het woord Ave de onschuld van Maria, en den +diamant, en verdrijft den hoogmoed, die den leeuw tot dier heeft. Het +woord Maria is haar wijsheid en de karbonkel en verdrijft den nijd, +een bijster zwarten hond. Alanus ziet in zijn vizioenen de gruwelijke +gedaanten der zondedieren en de schitterende kleuren der edele steenen, +wier oud befaamde wonderkracht weer nieuwe symbolische associaties wekt. +De sardonix is zwart, rood en wit, gelijk Maria zwart was in nederigheid, +rood in haar smarten, en wit in glorie en genade. Zij trekt als zegelsteen +niets aan van de was: deugd der eerzaamheid, verdrijft onkuischheid en +maakt eerzaam en schaamachtig. De parel is het woord gratia, en ook +Maria's eigen gratie; zij ontstaat in de zeeschelp uit een dauw des hemels +"sine admixtione cuiuscunque seminis propagationis". Maria zelf is die +schelp; hier verspringt het symbolisme even, want in de reeks der overige +zou men haar als de parel verwachten. Hier komt ook het kaleidoscopische +der symboliek treffend uit: met de woorden "uit een dauw des hemels +geteeld" is meteen, onuitgedrukt, die andere trope der maagdelijke +geboorte: het vlies, waarop Gideon het hemelsch teeken afsmeekte, in het +bewustzijn geroepen. + +De symboliseerende denkvorm was zoo goed als versleten. Het vinden van +symbolen en allegorieen was een ijdel spel geworden, een oppervlakkig +fantazeeren op een enkel gedachtenverband. Het symbool behoudt zijn +gevoelswaarde alleen door de heiligheid der dingen, die het verbeeldt: +zoodra het symboliseeren van het zuiver godsdienstige gebied afvloeit +naar het enkel moreele, ziet men het in zijn hopelooze verbastering. +Froissart weet in een uitvoerig gedicht _Li orloge amoureus_ alle +eigenschappen der liefde met de onderdeelen van een uurwerk te +vergelijken. [706] Chastellain en Molinet wedijveren in politieke +symbolismen: in de drie standen zijn de eigenschappen van Maria +gefigureerd; de zeven keurvorsten, drie geestelijke en vier wereldlijke, +beteekenen de drie theologale en vier cardinale deugden; de vijf steden +Saint-Omer, Aire, Rijssel, Douai en Valenciennes, die in 1477 Bourgondie +trouw blijven, worden de vijf wijze maagden. [707] Eigenlijk heeft men +hier te doen met een omgekeerd symbolisme, waarbij niet het lagere naar +het hoogere wijst, maar het hoogere naar het lagere. Want in den geest +van den schrijver staan de aardsche dingen, die hij met wat hemelsche +versiering verheerlijken wil, vooraan. De _Donatus moralisatus seu per +allegoriam traductus_, die wel eens aan Gerson is toegeschreven, bracht +de latijnsche grammatica bij, met theologische symboliek gemengd: het +nomen is de mensch, het pronomen beduidt, dat hij een zondaar is. Op den +laagsten trap van de symboliseering staat een gedicht als _Le parement +et triumphe des dames_ van Olivier de la Marche, waarin het gansche +vrouwelijk toilet wordt vergeleken met deugden en voortreffelijkheden, +een brave zedepreek van den ouden hoveling, met een enkel schuin +knipoogje. De pantoffel beduidt de nederigheid: + + "De la pantouffle ne nous vient que sante + Et tout prouffit sans griefve maladie, + Pour luy donner tiltre d'auctorite + Je luy donne le nom d'humilite." + +Zoo worden de schoenen zorg en vlijt, de kousen volharding, de kouseband +vastberadenheid, het hemd eerbaarheid en het keurs kuischheid. [708] + +Toch is natuurlijk, zelfs in haar meest zoutelooze uitingen, de +symboliek en allegorie voor den middeleeuwschen geest van een veel +levender gevoelswaarde geweest, dan wij ons voorstellen. De functie van +het symbolisch gelijkstellen en het persoonlijk verbeelden was zoo +ontwikkeld, dat haast vanzelve elke gedachte zich kon omzetten in een +personnage, een vertooning. Elke idee werd immers als wezen gezien, elke +hoedanigheid als zelfstandigheid, en als wezen kregen zij voor het +beeldende gezicht terstond persoonlijken vorm. Dionysius de Kartuizer +ziet in zijn revelaties de Kerk juist even persoonlijk en tooneelmatig, +als zij vertoond werd op het hoffeest van Rijsel. In een zijner +openbaringen ziet hij de toekomstige reformatio, die naar welke de +vaderen van het concilie en Dionysius' geestverwant Nicolaas van Cusa +streefden: de Kerk derhalve in haar toekomstige zuiverheid. De +geestelijke schoonheid dier gezuiverde Kerk ziet hij als een overschoon +en allerkostbaarst kleed van onbeschrijfelijke fraaiheid in +allerkunstigste mengeling van kleuren en figuren. Een andermaal ziet hij +de Kerk in haar verdrukking: leelijk, ruig en bloedeloos, arm, zwak en +verschopt. De Heer zegt: hoor uwe Moeder, mijne bruid, de heilige Kerk, +en daarop hoort Dionysius de innerlijke stem als uit de figuur der Kerk +komende: "quasi ex persona Ecclesiae". [709] Zoo onmiddellijk komt hier +de gedachte in beeldvorm, dat de herleiding van het beeld tot gedachte, +de verklaring der allegorie in bijzonderheden, nauwelijks als noodig +wordt gevoeld, als het gedachtenthema maar even is aangegeven. Het bonte +kleed is volkomen adequaat aan de voorstelling van geestelijke +volmaaktheid; er is hier een oplossing van de gedachte in het beeld, +zooals ons een oplossing der gedachte in muziek gemeenzaam is. + +Men denke hier opnieuw aan de allegorische figuren uit den _Roman de la +rose._ Wij kunnen ons niet dan met inspanning iets denken bij Bel +Accueil, Doulce Mercy, Humble Requeste. Maar zij hebben voor de +tijdgenooten een met levenden vorm bekleede en met passie gekleurde +wezenlijkheid gehad, die hen volkomen op een lijn stelt met de +Romeinsche speciale godenfiguren. Wat Usener van deze zegt, is bijna +geheel toe te passen op de middeleeuwsche allegorische personnages. "Die +Vorstellung trat mit sinnlicher Kraft vor die Seele und uebte eine solche +Macht aus, dass das Wort, das sie sich schuf, trotz der adjectivischen +Beweglichkeit, die ihm verblieb, dennoch ein goettliches Einzelwesen +bezeichnen konnte". [710] Anders zou immers de _Roman de la rose_ +onleesbaar zijn geweest. Doux Penser, Honte, Souvenirs en de rest hebben +in de geesten der latere Middeleeuwen een quasi-goddelijk leven gehad. +Een recrudescentie van die voorstelling beleefde een der Rose-figuren, +namelijk Danger, wat in de amoureuze taal den te bedriegen echtgenoot +ging beteekenen. + +Herhaaldelijk ziet men, om een gedachte uit te drukken, waar het +bijzonder op aankomt, naar de allegorie grijpen. Wanneer de bisschop van +Chalons aan Philips den Goede een zeer ernstige waarschuwing omtrent +zijn politiek beleid wil geven, giet hij de remonstrance, die hij in het +kasteel van Hesdin op Sint Andriesdag 1437 voor den hertog, de hertogin +en hun gevolg ten beste geeft, in den vorm van een allegorie. Hij vindt +Haultesse de Signourie troosteloos zitten, die eerst in het Keizerrijk, +daarna aan het Fransche, tenslotte aan het Bourgondische hof heeft +gewoond, en nu klaagt, ook daar te worden belaagd door Zorgeloosheid des +vorsten, Slapheid van raad, Nijd van dienaren, Afpersing van onderdanen. +Hij stelt er andere personnages tegenover, als Waakzaamheid des vorsten +enz., die het ontrouwe hofgezin moeten verdrijven. [711] Elke hoedanigheid +is hier verzelfstandigd en als persoon verbeeld. + +De Burger van Parijs is een nuchter man, die zich zelden verlustigt in +stijlversiering of gedachtenspel. Maar wanneer hij genaderd is tot het +vreeselijkste, dat hij te beschrijven heeft: de Bourguignonsche moorden, +die het Parijs van Juni 1418 den bloedgeur van September 1792 gaven, +neemt hij de allegorie te baat. [712] "Lors se leva la deesse de +Discorde, qui estoit en la tour de Mau-conseil, et esveilla Ire la +forcenee et Convoitise et Enragerie et Vengence, et prindrent armes de +toutes manieres et bouterent hors d'avec eulx Raison, Justice, Memoire +de Dieu et Atrempance moult honteusement." Zoo gaat het verder, +afgewisseld door de directe beschrijving van den gruwel: "Et en mains +que on yroit cent pas de terre depuis que mors estoient, ne leur +demouroit que leurs brayes, et estoient en tas comme porcs ou millieu de +la boe...."; de stortregens wasschen hun wonden schoon.--Wat beteekent +juist hier de allegorie? Heeft zij hier niet de functie van een +uitdrukkingsmiddel voor het tragische besef, de overbrenging van de +vreeselijke gebeurtenissen op een plan boven dat van den individueelen +toeleg der menschen? + +Hoe levend de functie der personificatie en allegoriseering nog in de +laatste Middeleeuwen was, blijkt juist uit die trekken, welke ons in dat +alles het storendst schijnen. Wij kunnen een allegorie nog eenigermate +genieten in tableau-vivant, de geijkte figuren behangen met onwezenlijke +draperie, die aan iedereen zegt, dat het maar gekheid is. Maar de +vijftiende eeuw kan de allegorische figuren zoo goed als de heiligen nog +laten rondloopen in de kleeren van den dag. En zij kan ieder oogenblik +nog nieuwe verpersoonlijkingen scheppen voor elke gedachte, die zij wil +uitdrukken. Als Charles de Rochefort in _l'Abuze en court_ de moraliteit +wil verhalen van den lichtzinnigen jongeling, die door het hofleven op +'t slechte pad wordt gebracht, schudt hij een gansche reeks nieuwe +allegorieen in den trant van de _Rose_ uit zijn mouw; en al die voor ons +zoo bleeke wezens: Fol cuidier, Folle bombance, tot het eind, wanneer +Pauvrete en Maladie den jongeling meenemen naar het hospitaal, treden in +de miniaturen, die het gedicht verluchten, op als jonkers van den tijd; +zelf le Temps heeft geen baard of zeis van noode, en komt in wambuis en +hozen. Ons maken de illustraties met hun naieve strakheid de +voorstelling van dat alles al te primitief; al het teere en bewegelijke, +dat de tijd zelf in die concepties voelde, is voor ons vervluchtigd. +Juist in hun alledaagschheid ligt het kenmerk van hun levendheid. Het +heeft voor Olivier de la Marche niets storends, dat de twaalf deugden, +die een entremets bij het hoffeest van Rijssel in 1454 vertoonen, nadat +hun versje is voorgelezen, aan het dansen gaan "en guise de mommerie et +a faire bonne chiere, pour la feste plus joyeusement parfournir." +[713]--Aan deugden en aandoeningen verbindt zich een menschvormige +voorstelling nog eenigermate ongewild, maar ook in gevallen, waar voor +ons het begrip niets anthropomorphs zou hebben, schroomt de +middeleeuwsche geest niet, om er een persoon van te maken. Quaresme als +persoonlijke figuur is niet een schepping van Breughel's dolle brein, +die hem laat optrekken tegen het heir van Vastenavond; al veel eerder +treedt hij als zoodanig in de litteratuur op. [714] Ook het spreekwoord +kent hem zoo: "Quaresme fait ses flans la nuit de Pasques." + +Welk graadverschil is er geweest in de wezenlijkheid der voorstelling +tusschen de heiligen en de zuiver zinnebeeldige figuren? De eersten +hadden de bevestiging der Kerk, hun historisch karakter, hun beelden van +hout en steen. Maar de laatsten hadden de aanraking met het eigen +zieleleven en met de vrije fantazie. Men kan in ernst twijfelen, of niet +Fortune en Faux Semblant evenveel leven hebben gehad als Sinte Barbara +en Sint Christoffel. Vergeten wij niet, dat een figuur, buiten elke +dogmatische of traditioneele sanctie opgekomen uit de vrije fantazie, +meer realiteit heeft verworven dan eenige heilige, en hen allen heeft +overleefd: de Dood. + +Een wezenlijk contrast tusschen de allegorie der Middeleeuwen en de +mythologie der Renaissance is er eigenlijk niet. Vooreerst begeleiden de +mythologische figuren reeds gedurende een goed stuk der Middeleeuwen de +vrije allegorie: Venus speelt haar rol in het zuiverst middeleeuwsche, +wat er gedicht is. Aan den anderen kant behoudt de vrije allegorie haar +fleur nog lang in de zestiende eeuw en later. In de veertiende eeuw +begint als 't ware een wedstrijd tusschen allegorie en mythologie. In de +gedichten van Froissart treden naast Doux Semblant, Jonece, Plaisance, +Refus, Dangier, Escondit, Franchise een zonderling stel van soms +onkenbaar verminkte mythologemen op: Atropos, Cloto, Lachesis, Telephus, +Ydrophus, Neptisphoras! De goden en godinnen leggen het in volheid van +verbeelding nog af bij de personages van de _Rose_; zij blijven nog hol +en schimmig. Of zij worden, als zij 't rijk alleen hebben, uitermate +barok en onklassiek, zooals in de _Epistre d'Othea a Hector_ van +Christine de Pisan. Het komen der Renaissance is de omkeering van die +verhouding. Gaandeweg winnen de Olympiers en de nimfen het van de _Rose_ +en de Sinnekens. Uit de rijkdommen der Oudheid stroomt hun een volheid +toe van stijl en sentiment, een dichterlijke schoonheid, en bovenal een +eenheid met het natuurgevoel, waarbij de eens zoo levende allegorie +verbleekte en verdween. + +Het symbolisme met zijn dienares de allegorie was een speling van het +vernuft geworden; het zinrijke werd zinloos. De symbolische denkwijze +belemmerde de ontplooiing van het causaal-genetische denken. Niet dat +het door het symbolisme werd uitgesloten; het natuurlijk-genetisch +verband der dingen had zijn plaats naast het symbolisch verband, maar +het bleef onbelangrijk, zoolang de belangstelling zich niet verplaatst +had van het symbolisme naar de natuurlijke ontwikkeling. Een voorbeeld +ter verduidelijking. Voor de verhouding van het geestelijk en het +wereldlijk gezag stonden in de Middeleeuwen twee symbolische +vergelijkingen vast: het zijn de twee hemellichamen, zooals God ze bij +de schepping het een boven het ander had gesteld, en het zijn de twee +zwaarden, die de discipelen bij zich hadden, toen Christus +gevangengenomen werd. Deze symbolen nu zijn voor de middeleeuwsche +gedachte niet maar een geestige vergelijking; zij geven den grond aan +der gezagsverhouding, die zich aan dat mystisch verband niet mag +onttrekken. Zij hebben dezelfde voorstellingswaarde als dat Petrus de +rots der Kerk is. De dwang van het symbool staat het onderzoek naar de +historische ontwikkeling der beide machten in den weg. Wanneer Dante dit +laatste als noodzakelijk en beslissend onderkent, dan moet hij, in zijn +_Monarchia_, eerst de kracht van het symbool ontzenuwen, door zijn +toepasselijkheid te bestrijden, eer de weg vrij is voor het historisch +onderzoek. + +Een woord van Luther keert zich tegen de euvelen van de willekeurige, +beuzelachtige allegorie in de godgeleerdheid. Hij spreekt van +grootmeesters der middeleeuwsche theologie, van Dionysius den Kartuizer, +van Guilielmus Durandus, den schrijver van het _Rationale divinorum +officiorum_, van Bonaventura en Gerson, als hij uitroept: "die +allegorische studien zijn het werk van lieden zonder bezigheid. Of meent +gij, dat het mij moeilijk zou vallen, over elke geschapen zaak met +allegorieen te spelen? Wie is zoo gering van vernuft, dat hij zich niet +in allegorieen zou kunnen beproeven!" [715] + +Het symbolisme was een gebrekkige uitdrukking voor vast geweten +samenhangen, zooals zij ons soms bewust worden bij het hooren van +muziek--"Videmus nunc per speculum in aenigmate". Men wist, dat men in +een raadsel zag, en toch had men getracht, de beelden in den spiegel te +onderscheiden, en beelden met beelden verklaard, en spiegel tegenover +spiegel gezet. De gansche wereld lag verbeeld in zelfstandige figuren: +het is een getijde van overrijpheid en uitbloeiing. De gedachte was al +te afhankelijk geworden van de verbeelding; de visueele aanleg, den +laatsten Middeleeuwen zoo bovenmate eigen, was oppermachtig geworden. +Alle denkbaarheden waren plastisch en picturaal geworden. De +wereldvoorstelling had de rust bereikt van een kathedraal in het +maanlicht, waarin de gedachte kon gaan slapen. + + + +NOTEN: + + +[691] Seuse, Leben, kap. 4, 45, Deutsche Schriften, p. 15, 154; Acta +Sanctorum Jan., t. II p. 656. + +[692] Hefele, l.c., p. 167; vgl. p. 259 "Over den naam van Jezus", B.'s +verdediging van het gebruik. + +[693] Eug. Demole, Le soleil comme cimier des armes de Geneve, vermeld +Revue historique CXXIII p. 450. + +[694] Rod. Hospinianus, De templis etc. ed. IIa, Tiguri, 1603, p. 213. + +[695] James, Varieties of religieus experience, p. 474, 475. + +[696] Irenaeus, Adversus haereses libri V, 1. IV c. 21(3). + +[697] Over de noodwendigheid van zulk realisme James, l.c., p. 56. + +[698] Goethe, Sprueche in Prosa. + +[699] St. Bernard, Libellus ad quendam sacerdotem, bij Dion. Cart. De +vita et regimine curatorum, t. XXXVII p. 222. + +[700] Bonaventura, De reductione artium ad theologiam, Opera, ed. Paris, +1871, t. VII, p. 502. + +[701] P. Rousselot, Pour l'histoire du probleme de l'amour (Baeumker & +Von Hertling, Beitr. zur Gesch. der Philosophie im Mittelalter, VI 6) +Muenster, 1908. + +[702] Sicard, Mitrale sive de officiis ecclesiasticis summa, Migne, +t. CCXIII c. 232. + +[703] Gerson, Compendium Theologiae, Opera, I p. 234, 303s, 325, +Meditatio super septimo psalmo poenitentiali, IV p. 26. + +[704] Alanus redivivus, passim. + +[705] Op blz. 12 (zie Hoofdstuk I, tekst voor noot 17) wordt fortitudo +met abstinentia gelijkgesteld, maar op p. 201 (zie Hoofdstuk IV tekst +voor noot 386) is het temperantia, die in de reeks ontbreekt; dit zal de +bedoeling zijn. Er zijn ook nog andere verschillen. + +[706] Froissart, Poesies, ed. Scheler. I p. 53. + +[707] Chastellain, Traite par forme d'allegorie mystique sur l'entree du +roy Loys en nouveau regne, Oeuvres, VII p. 1; Molinet, II p. 71, III +p. 112. + +[708] Vgl. Coquillart, Les droits nouveaux, ed. d'Hericault, I p. 72. + +[709] Opera, I p. xliv sq. + +[710] H. Usener, Goetternamen, Versuch zu einer Lehre von der religioesen +Begriffsbildung, Bonn, 1896, p. 73. + +[711] J. Mangeart, Catalogue des mss. de la bibl. de Valenciennes, 1860. +p. 687. + +[712] Journal d'un bourgeois, p. 96. + +[713] La Marche, II p. 378. + +[714] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 183. Vgl Rabelais, Pantagruel, +I. IV ch. 29. + +[715] De captivitate babylonica ecclesiae praeludium. Werke ed. Weimar, +VI p. 562. + + + * * * * * + + +X + +HET FALEN DER VERBEELDING + + +Het symbolisme was als de levende adem der middeleeuwsche gedachte. +De gewoonte, om alle dingen in hun zinrijk verband en hun betrekking tot +het eeuwige te zien, hield in de denkbeeldenwereld de schittering gaande +van verschietende kleuren en de wisseling van vervloeiende grenzen. +Wanneer de symboliseerende functie of uitblijft, of louter mechanisch +is geworden, dan wordt het grootsche gebouw der van God gewilde +afhankelijkheden een necropool. Een systematisch idealisme, dat overal +de betrekkingen tusschen de dingen stelt krachtens hun als essentieel +beschouwde algemeene hoedanigheid, leidt licht tot starheid en +onvruchtbare classificeering. De indeeling en onderverdeeling der +begrippen, enkel deductief verricht, is zoo gemakkelijk; de ideeen laten +zich zoo gewillig rangschikken aan het gewelf van den wereldbouw. Er is +behoudens de regelen der abstracte logica geen correctief, dat ooit een +fout in de classificatie aanwijst, en daardoor wordt de geest misleid +omtrent de waarde van zijn denkarbeid, en de stelligheid van het systeem +wordt overschat. Elke notie, elk begrip staat als een ster aan het +firmament. Om van eenig ding het wezen te kennen, vraagt men niet naar +zijn inwendigen bouw, ziet men niet naar de lange schaduw der +geschiedenis achter het, maar kijkt op naar den hemel, waar het straalt +als idee. + +De gewoonte, om de dingen altijd te verlengen met een hulplijn naar den +kant der idee komt voortdurend uit in de middeleeuwsche behandeling van +elke staatkundige, maatschappelijke of zedelijke twistvraag. Men kan ook +het geringste en meest alledaagsche niet anders beschouwen dan in een +universeel verband. Er is bij voorbeeld aan de universiteit te Parijs +een geschil gaande, of er voor den graad van licentiaat eenige betaling +te eischen valt. Pierre d'Ailly zelf neemt het woord, om tegen den +kanselier der universiteit de vordering te bestrijden. Het wordt geheel +scholastiek opgezet: uitgaande van den tekst: "Radix omnium malorum +cupiditas", stelt hij een drieledig te bewijzen: dat het vorderen van +dat recht simonie is, dat het strijdt tegen het natuurlijk en goddelijk +recht, en dat het ketterij is. [716]--Om zekere ongebondenheden te +berispen, die een bepaalde processie ontsieren, haalt Dionysius de +Kartuizer alles wat processies betreft, van oorsprong af op: hoe het +toeging onder de oude wet enz., [717] zonder eigenlijk op de zaak zelf +in te gaan. Dit is wat bijna elk middeleeuwsch betoog zoo vermoeiend en +teleurstellend maakt: het wijst terstond naar den hemel en verdwaalt van +den beginne af in schriftgevallen en moreele algemeenheden. + +Het volkomen doorgewerkt idealisme openbaart zich overal. Van elken +levensvorm, elken maatschappelijken staat of beroep staat een +godsdienstig-zedelijk ideaal omschreven, waarnaar iedereen zichzelf te +reformeeren heeft al naar den eisch van zijn bijzonder beroep, om den +Heer waardig te dienen. [718] Men heeft iets van den nieuwen tijd, iets +wat de Hervorming aankondigt, willen zien in den nadruk, waarmee +Dionysius de Kartuizer de heiligheid van het aardsch "beroep" op den +voorgrond stelt. Hij heeft in zijn tractaten _De vita et regimine +nobilium_ enz., die hij voor zijn vriend Brugman tenslotte samenvatte in +twee boeken _De doctrina et regulis vitae christianorum_, aan elk beroep +het ideaal van heiligende plichtsvervulling voorgehouden: den bisschop, +prelaat, aartsdiaken, kanunnik, pastoor, scholier, den vorst, den +edelman, den ridders, den kooplieden, den gehuwden, weduwen, maagden, +kloosterlingen. [719] Maar juist in die strenge verbijzondering van +elken staat als iets zelfstandigs ligt iets echt middeleeuwsch, en de +uitwerking van die plichtenleer heeft dat abstracte en algemeene, dat +nergens in de werkelijke sfeer van het behandelde beroep zelf binnen +leidt. + +In die herleiding van alles tot het algemeene ligt de eigenschap, die +onder den naam typisme door Lamprecht als de bij uitstek kenmerkende van +den middeleeuwschen geest is gesteld. Zij is echter veeleer een gevolg +van die onderschikkende behoefte van den geest, welke voortspruit uit +het ingewortelde Idealisme. Het is-niet zoozeer een onvermogen, om het +bijzondere aan de dingen te zien, als de bewuste wil, om overal den zin +der dingen aan te duiden in hun betrekking tot het hoogste, hun +zedelijke idealiteit, hun algemeene beteekenis. Men zoekt in alles juist +het onpersoonlijke, de gelding als model, als standaardgeval. Het gebrek +aan individueele opvatting is tot zekere hoogte opzettelijk, eer een +uitvloeisel van de allesbeheerschende universalistische denkgewoonte dan +een kenmerk van een geringen geestelijken ontwikkelingsgraad. + +De werkzaamheid van den geest bij uitnemendheid was het uiteenleggen van +de gansche wereld en het gansche leven in zelfstandige ideeen, en het +rangschikken van die ideeen in groote en talrijke leenverbanden of +hierarchieen van gedachte. Vandaar die vatbaarheid van den +middeleeuwschen geest, om elke qualiteit uit het complex van een geval +af te zonderen in haar wezenlijke zelfstandigheid. Wanneer de bisschop +Fulco van Toulouse erop wordt aangezien, dat hij een Albigensische vrouw +een aalmoes geeft, antwoordt hij: "Ik geef niet aan de kettersche maar +aan de arme". En de Fransche koningin, Margareta van Schotland, die den +slapenden dichter Alain Chartier op den mond kust, verontschuldigt zich: +"Je n'ay pas baise l'homme mais la precieuse bouche de laquelle sont +yssuz et sortis tant de bons mots et vertueuses paroles". [720] Een +spreekwijze zeide: "Haereticare potero, sed haereticus non ero". +[721]--Is dit alles niet op het gebied van het gewone denken wat in de +opperste speculatien der theologie een onderscheiding was als die van +God's voluntas antecedens, krachtens welke hij allen zalig wil, en de +voluntas consequens, die slechts den uitverkorenen geldt? [722] + +Het wordt een slapeloos doordenken van alle dingen, zonder de beperking +van het werkelijk waargenomen oorzakelijk verband, een schier +automatische analyse, die tenslotte uitloopt op een eeuwig nummeren. +Geen gebied lokte tot die doorwerking zoozeer uit als dat der deugden en +zonden. Elke zonde heeft haar vast getal van oorzaken, haar soorten, +haar dochteren, haar schadelijke werkingen. Twaalf dwaasheden, zegt +Dionysius, misleiden den zondaar: hij verblindt zichzelven, hij +verstrikt zich aan den duivel, hij slaat de hand aan zich zelven, hij +versmijt zijn rijkdom (de deugd), hij verkoopt zich voor niets (terwijl +hij zelf gekocht is voor Christus' bloed), hij keert zich af van den +allertrouwsten minnaar, hij meent den almachtige te weerstaan, hij dient +den duivel, hij verwerft zich onvrede, hij opent zich den toegang der +hel, verspert zich den weg naar den hemel, en gaat dien ter helle op. +Elk nummer wordt met schriftplaatsen, beelden en bijzonderheden +geillustreerd, verbeeld, vastgelegd, zoodat het de stellige zekerheid en +zelfstandigheid krijgt van een figuur aan een kerkportaal. Terstond +daarop wordt dezelfde reeks opnieuw in dieperen zin gegrond. Uit zeven +oogpunten moet de zwaarte der zonde worden overdacht: uit het oogpunt +Gods, uit dat van den zondaar, van de stof, van de omstandigheden, van +de bedoeling, van het wezen der zonde zelf, en van de gevolgen. Sommige +dier punten zijn weer onderverdeeld in acht, in veertien, bij voorbeeld +het tweede: de zonde is zwaarder naar de mate van beweldadigdheid, van +kennis, van voormalige deugd, van het ambt, de wijding, van de +gemakkelijkheid om weerstand te bieden, van de gelofte, van den +leeftijd. Er zijn zes zwakheden des geestes, die tot de zonde geschikt +maken. [723] Het is alles juist zoo als in het boeddhisme: ook daar die +moreele systematiek, om houvast te geven aan de oefeningen der deugd. + +Deze anatomie der zonde zou licht het zondigheidsbesef, dat zij +versterken moet, verzwakken door het af te leiden op het uitpluizen der +classificatie, wanneer niet tegelijk de fantazie der zonde en de +verbeelding der straf tot het uiterste waren geexaspereerd. Niemand kan +in het tegenwoordige leven de enormiteit der zonde volkomen bevatten of +ten volle verstaan. [724] Alle moreele voorstellingen worden met een +ondragelijk overwicht beladen, door ze steeds weer in onmiddellijke +betrekking te stellen tot Gods majesteit. Bij elke zonde, ook de +geringste, is het heelal betrokken. Gelijk de boeddhistische litteratuur +het applaus der hemelingen met bloemenregens, lichtschijn en zachte +beving der aarde kent bij een groote daad van een Bodhisattva, zoo hoort +Dionysius, somberder gestemd, hoe alle gezaligden en rechtvaardigen, de +hemelsche sferen, alle elementen, ja zelfs de onredelijke wezens en +onbezielde dingen wraak roepen over de onrechtvaardigen. [725] Zijn +proeve, om door gedetailleerde beschrijving en opzettelijke +verbeeldingen ter benauwing de vrees voor zonde, dood, oordeel en hel +tot het allersmartelijkste aan te scherpen, mist haar ijzingwekkende +werking niet, misschien juist door haar ondichterlijkheid. Dante had de +duisternissen en gruwelijkheden der hel met schoonheid aangeraakt: +Farinata en Ugolino zijn in hun verworpenheid heroisch, en de +klapwiekende Lucifer vertroost ons door zijn majesteit. Doch een bij al +zijn mystische intensiteit toch volkomen ondichterlijke monnik als +Dionysius de Kartuizer geeft de hel als pure angst- en ellendigheids- +voorstelling. De lichamelijke pijnen en smarten worden in schroeiende +kleuren geschilderd. De zondaar moet opzettelijk trachten, het zich zoo +levendig mogelijk voor te stellen. "Laten wij ons voor oogen verbeelden +--zegt Dionysius--een allerheetsten en allergloeiendsten oven, en daarin +liggende een naakten man, die nimmer uit zulk een pijniging zal worden +verlost. Zal ons niet die kwelling, ja het gezicht ervan alleen, +ondragelijk schijnen? Hoe rampzalig zou ons die man dunken! Denken wij, +hoe die man zich heen en weer zou werpen in dien oven, hoe hij zou +schreeuwen, zou huilen, zou _leven_, welk een angst hem persen zou, welk +een smart hem zou doordringen, vooral wanneer hij bemerkte, dat zulk een +ondragelijke straf nooit zou eindigen." [726] + +Men denkt onwillekeurig: hoe konden zij, die zich zulke voorstellingen +van helsche pijn voor oogen stelden, een mensch op aarde levend doen +verbranden? De heetheid van het vuur, de gruwelijke koude, de +walgelijkheid der wormen, de stank, de honger en dorst, de kluistering +en de duisternis, de onuitsprekelijke vuilheid der hel, het eindeloos +weerklinken van gehuil en geschreeuw in de ooren, het gezicht der +duivelen, het wordt alles als de verstikkende wade van een angstdroom +over ziel en zinnen van den lezer gespreid. Maar nog scherper is de +benauwing met de cerebrale smarten: de rouw, de vrees, het holle gevoel +van een oneindig gemis en verworpenheid, de onzegbare haat tegen God en +nijd over de zaligheid van al zijn uitverkorenen; in het brein niets dan +verwarring en drukking, het bewustzijn vol van dwaling en valsche +voorstelling, verblinding en wanbegrippen. En het weten, dat dit alles +zal zijn in eeuwigheid, wordt door kunstige vergelijkingen tot een +zwijmelende verschrikking opgevoerd. [727] + +Dat de vrees voor de eeuwige pijn, hetzij inslaande als een plotselinge +"goddelijke angst", hetzij knagende als een lange ziekte en druk, +telkens als motief tot inkeer en devotie wordt vermeld, behoeft bewijs +noch betoog. [728] Alles was daarop toegelegd. Een tractaat van de Vier +utersten: dood, oordeel, hel en eeuwig leven, misschien vertaald naar +dat van Dionysius, was de gewone tafellectuur voor de gasten van het +klooster Windesheim. [729] Wel een bittere kruiding van den maaltijd. +Maar met zoo scherpe middelen werd altijd weer de zedelijke volmaking +aangedrongen. De middeleeuwer is als iemand, die reeds te lang met te +sterke geneesmiddelen is bewerkt. Hij reageert slechts op de krachtigste +prikkels. Om de loffelijkheid eener deugd ten volle te doen schitteren, +kunnen voor den middeleeuwschen geest slechts die uiterste exempelen +dienen, waarbij een minder geexaspereerd zedelijkheidsbesef de deugd +reeds in haar caricatuur zou zien verkeerd. Voor het geduld het voorbeeld +van Sint Aegidius, die door een pijl gewond, God bad, dat zijn wonde, +zoolang hij leefde, niet mocht genezen. Voor matigheid de heiligen, die +asch in hun spijzen mengden, voor kuischheid zij, die een vrouw bij zich +in bed namen, om hun vastheid te beproeven, of de jammerlijke fantazieen +van de maagden, die om den belager harer kuischheid te ontgaan, een baard +kregen of geheel ruig behaard werden. Of wel de prikkel wordt gevonden in +het exorbitante van het voorbeeld in verband met den leeftijd des +voorbeeldigen: Sint Nicolaas weigerde op hooge feestdagen de moedermelk; +voor standvastigheid beveelt Gerson het voorbeeld aan van Sint Quiricus, +een martelaartje van drie jaren of zelfs negen maanden, die zich door den +praefect niet wou laten troosten, en in den afgrond werd geworpen. [730] + +De behoefte, om de heerlijkheid der deugd in zoo sterke doseering te +genieten, staat ook alweer in verband met het allesbeheerschende +Idealisme. Het zien van de deugd als idee onttrok om zoo te zeggen aan +haar waardeering den bodem van het werkelijke leven; haar schoonheid +werd gezien in haar zelfstandig wezen als uiterste volmaking, niet in +haar moeizame betrachting van iederen dag onder vallen en opstaan. + +Het middeleeuwsche Realisme (dus gelijk hyper-idealisme) moet ondanks +allen inslag van gekerstend neoplatonisme beschouwd worden als een +primitieve geesteshouding. Het is, in de school voorzeker gesublimeerd +en verijld, in het leven de houding van den primitieven mensch, die +aan alle abstracte dingen wezen en substantie toekent. Kan men de +hyperbolische vereering der deugd in haar ideaalsten vorm als een +hoog-religieuze gedachte aanmerken, in haar tegenkant: de verachting der +wereld, ziet men duidelijk de schakel, die het middeleeuwsche denken nog +aan de gedachtenvormen van een verren voortijd verbindt. Ik bedoel het +feit, dat de tractaten "de contemptu mundi" zich niet kunnen losmaken +van een overmatig gewicht hechten aan de slechtheid van het materieele. +Niets weegt hun zoo zwaar als motief om de wereld te versmaden als de +afstootelijkheid der lichaamsverrichtingen, met name die van uitscheiding +en voortplanting. Het is het poverste gedeelte der middeleeuwsche zedeleer: +die afschuw van den mensch "formatus de spurcissimo spermate, conceptus +in pruritu carnis, sanguine menstruo nutritus, qui fertur esse tam +detestabilis et immundus, ut ex ejus contactu fruges non germinent, +arescant arbusta ... et si canes inde comederint, in rabiem efferantur." +[731] Wat is dit, naast omgeslagen zinnelijkheid, anders dan de uitlooper +van dien primitieven vorm van Realisme, die den wilde in excrementen en +in alles wat conceptie en geboorte begeleidt, magische substanties en +potenties doet vreezen? Er loopt een rechte en niet zeer lange lijn +tusschen de magische vrees, waarmee de natuurvolken zich afwenden van de +vrouw in haar vrouwelijkste verrichtingen, en den ascetischen vrouwenhaat +en -smaad, die sedert Tertullianus en Hieronymus de christelijke +litteratuur had ontsierd. + +Alles wordt substantieel gedacht. In de dertiende eeuw komt de leer op +van den schat van goede werken: thesaurus operum supererogationum, den +voorraad der overvloedige verdiensten van Christus en de heiligen, die +door de Kerk in 't klein kon worden gesleten. Al leerde de Kerk met +nadruk, dat de zonde geen essentie of geen ding was, [732] haar eigen +techniek der zondenvergeving tezamen met de bonte verbeelding en +uitgewerkte systematiek der zonde kon niet anders dan in het onwetend +gemoed de overtuiging vestigen, als ware de zonde een substantie, zooals +zij in den Atharvaveda wordt gezien. Hoe moest, ook al bedoelde +Dionysius slechts vergelijkingen, de substantieele opvatting der zonde, +als een smetstof, gevoed worden, wanneer hij haar gelijk noemt aan een +koorts, een koud, bedorven, overtollig lichaamsvocht. [733] Het recht, +dat zich niet zoo angstvallig om dogmatische zuiverheid te bekommeren +had, weerspiegelt zulk een opvatting, wanneer de Engelsche juristen +werken met de voorstelling, dat er in felonie een corruptie van het +bloed aanwezig is. [734] Ook ten opzichte van het bloed van den +Verlosser heerscht die hyper-substantieele opvatting: het is een reeele +stof; een droppel zou genoeg zijn geweest, om de wereld te verlossen, +maar er is een overvloed gegeven, zegt Sint Bernard, en Thomas van +Aquino dicht: + + "Pie Pelicane, Jesu domine, + Me immundum munda tuo sanguine, + Cuius una stilla salvum facere + Totum mundum quit ab omni scelere." [735] + +Bij Dionysius den Kartuizer zien wij een wanhopige worsteling, om de +voorstellingen van het eeuwig leven uit te drukken in termen van +ruimtelijke uitgebreidheid. Het eeuwige leven is van een onmetelijke +waardigheid; God in zich zelven te genieten, is een oneindige +volmaaktheid; in den Verlosser was noodig een oneindige waardigheid en +afdoendheid (efficacia); de zonde is van oneindige enormiteit, omdat zij +een uitspatting is tegen de onmetelijke heiligheid; daarom wordt een +genoegdoener van onmetelijke geschiktheid vereischt. [736] Het negatieve +ruimte-adjectief moet hier steeds het gewicht, de potentie van het +heilige voorstelbaar maken. Om de eeuwigheidsvoorstelling in te +boezemen, laat Dionysius een beeld dienen: denk u een zandberg zoo groot +als het heelal; om de tien- of honderdduizend jaar wordt van dien berg +een korreltje afgenomen. Die berg zal opraken. Maar na zulk een +onbeseffelijken tijdsduur zal de hellestraf nog niet verminderd zijn, en +niet dichter bij haar einde, dan toen het eerste korreltje van den berg +werd afgenomen. En toch, als de verdoemden wisten, dat zij bevrijd +zouden worden, wanneer die berg op was, zou het hun een groote troost +zijn. [737] + +Zijn het de hemelvreugden, of Gods majesteit, die men wil uitdrukken, +dan wordt het enkel een zich overschreeuwen van de gedachte. +Hemelvreugde blijft in de uitdrukking altijd uiterst primitief. Een zoo +felle visie van geluk als van vreeselijkheid kan de menschelijke taal +niet geven. Om de overmaat van het leelijke en ellendige nog te +verergeren, behoefde men slechts dieper te dalen in de spelonken der +menschelijkheid, maar om de opperste gelukzaligheid te beschrijven moest +men den nek verrekken in het opzien naar den hemel. Dionysius put zich +uit in wanhopige superlatieven, dat is een louter mathematische +versterking van de voorstelling, zonder verheldering of verdieping +ervan: "Trinitas supersubstantialis, superadoranda et superbona ... +dirige nos ad superlucidam tui ipsius contemplationem." De Heer is +"supermisericordissimus, superdignissimus, superamabilissimus, +supersplendidissimus, superomnipotens et supersapiens,supergloriosissimus." +[738] + +Maar wat hielp het opeenstapelen van al-termen, van voorstellingen van +hoogte, wijdheid, onmetelijkheid en onuitputtelijkheid? Het bleven +altijd beelden, altijd het herleiden van het oneindige tot +eindigheidsvoorstellingen, en daarmee de verzwakking en veruiterlijking +van het oneindigheidsbesef. Eeuwigheid was geen onmeetbare tijd. Elke +sensatie, die uitgedrukt was, verloor haar onmiddellijkheid; elke +eigenschap, aan God toegekend, ontnam hem iets van zijn ontzaglijkheid. + +Nu begint de geweldige worsteling, om met den geest tot de volstrekte +beeldeloosheid der Godheid op te klimmen. Aan geen cultuur of tijdperk +gebonden, is zij overal en altijd weer gelijk. "There is about mystical +utterances an eternal unanimity which ought to make a critic stop and +think, and which brings it about that the mystical classics have, as has +been said, neither birthday nor native land." [739]--Maar de steun der +verbeelding kan niet aanstonds worden prijsgegeven. Stuk voor stuk wordt +het ontoereikende der uitdrukking erkend. De concrete belichamingen der +idee, en de veelkleurige gewaden der symboliek vallen het eerst weg: +dan is er geen sprake meer van bloed en genoegdoening, niet meer van +eucharistie, niet meer van Vader, Zoon en Heiligen Geest. In Eckhart's +mystiek wordt Christus bijna niet meer genoemd, en evenmin de Kerk en de +sacramenten. Doch de uitdrukking van het mystische schouwen van het +Zijn, de Waarheid, de Godheid, blijft ook dan nog gebonden aan +natuurlijke voorstellingen: van licht, van uitgebreidheid. Dan slaan +deze om in het negatieve: stilte, ledigheid, duisternis. Dan wordt ook +van die vorm- en inhoudlooze begrippen het ontoereikende erkend, en men +tracht hun gebrekkigheid op te heffen door ze voortdurend te koppelen +aan hun tegenstelling. Tenslotte blijft niets over dan de zuivere +negatie. "Deus propter excellentiam non immerito Nihil vocatur", zegt +Scotus Erigena, en Angelus Silesius dicht: + + "Gott ist ein lauter Nichts, ihn ruehrt kein Nun noch Hier; + Je mehr du nach ihm greiffst, je mehr entwind er dir". [740] + +Dit voortschrijden van den schouwenden geest tot de prijsgave van elke +verbeelding is in werkelijkheid natuurlijk niet in die strikte volgorde +geschied. De meeste mystische uitingen vertoonen al die phasen +gelijktijdig en dooreen. Zij zijn aanwezig bij de Indiers, zij zijn +volkomen ontwikkeld reeds bij den Pseudo-Dionysius Areopagita, de bron +van alle christelijke mystiek, zij zijn herleefd in de Duitsche mystiek +der veertiende eeuw. + +Ziehier een voorbeeld uit de revelaties van Dionysius den Kartuizer. +[741] Hij spreekt met God, die toornig is. "Bij dit antwoord zag de +broeder, naar binnen gekeerd, zich als in een sfeer van onmetelijk licht +geplaatst, en allerzoetst, in een ontzaglijke kalmte, riep hij met een +heimelijk niet naar buiten klinkend roepen tot den allerheimelijksten en +waarlijk verborgenen, onbegrijpelijken God: O overbeminnelijkste God, +gij zijt zelf het licht en de sfeer des lichts, waarin uw uitverkorenen +zoet ter ruste gaan, bekomen, sluimeren en inslapen. Gij zijt als een +allerwijdste, allervlakste en ondoorloopbare woestenij, waarin de +waarlijk vrome geest, geheel gezuiverd van bijzondere liefde, van boven +verlicht en krachtig ontvlamd, zwerft zonder dwalen, en dwaalt zonder +zwerven, zaliglijk bezwijkt en onbezweken geneest." Hier is eerst de +lichtverbeelding, nog positief, dan die van den slaap, daarna die van de +woestenij (de uitgebreidheidsvoorstelling in twee dimensies), eindelijk +de elkaar opheffende tegenstellingen. + +Het beeld der woestenij--dat is de horizontale ruimtevoorstelling, +wisselt af met dat van den afgrond--dat is de verticale +ruimtevoorstelling. Dit laatste was een geweldige vond der mystische +verbeelding. De uitdrukking toch van de eigenschapsloosheid der godheid +in Eckhart's woorden van "den wijzeloozen en vormeloozen afgrond der +stille, woeste godheid", gaf bij het begrip eener oneindigheid tevens +het gevoelsmoment eener duizeling. Van Pascal heet het, dat hij +voortdurend een afgrond naast zich zag: zulk een gewaarwording is hier +als 't ware tot een vasten mystischen term herleid. Met deze beelden +van den afgrond en de stilte wordt de levendigste uitdrukking van de +onbeschrijfelijke mystieke beleving bereikt. "Wol uf dar, herz und sin +und muot,--jubelt Suso--in daz grundlos abgruend aller lieplichen +dingen!" [742] Meister Eckhart in zijn ademlooze strakheid: "De vonk +der ziel (de mystische kern van het enkele wezen) heeft niet genoeg +aan Vader, noch aan Zoon, noch aan Heiligen geest, noch aan de drie +personen, zooverre als elk dezer bestaat in hun eigenschap. Ik spreek +waarlijk, dat dit licht niet genoeg heeft aan de eenbaarheid van den +vruchtbaren aard goddelijker natuur. Ik wil nog meer spreken, dat nog +wonderlijker klinkt: ik spreek met goede waarheid, dat dit licht niet +genoeg heeft aan het eenvoudige, stilstaande goddelijke wezen, dat noch +geeft noch neemt; meer: het wil weten, vanwaar dit wezen komt, het wil +in den eenvoudigen grond, in de stille woestenij, waar nimmer +onderscheid in te schouwen was, noch Vader, noch Zoon, noch Heilige +geest, in het innige, waar niemand tehuis is, daar vindt dat licht +genoeg, en daar is het eeniger dan in zich zelven, want deze grond is +een eenvoudige stilte, die in zich zelve onbewegelijk is."--De ziel +wordt alleen daardoor volkomen zalig, "dat zij zich werpt in de woeste +godheid, waar noch werk noch beeld is, dat zij zich daar verlieze en +verzinke in de woestenij." [743] + +Bij Tauler: "In dezen verzinkt de gelouterde, verklaarde geest in de +goddelijke duisternis, in een stille zwijgen en in een onbegrijpelijk en +onuitsprekelijk vereeren, en in dit inzinken wordt verloren alle gelijk +en ongelijk, en in dezen afgrond verliest de geest zichzelven en weet +van God noch van zich zelven, noch gelijk noch ongelijk, noch van niets +iets, want hij is gezonken in Gods eenigheid en heeft verloren alle +onderscheiden." [744] + +Bij Ruusbroec worden al de middelen tot uitdrukking van de mystische +beleving nog plastischer aangewend dan bij de Duitschers. + + "Roept dan alle met openre herten: + O gheweldich slont! + Al sonder mont, + Voere ons in dinen afgront; + Ende make ons dine minne cont." + +Het genieten van de zaligheid der vereeniging met God "is wilt ende +woeste, alse een verdolen; want daer en is wise, noch wech, noch pat, +noch zate, noch mate." "Daer in selen wi sijn ons selven onthoecht, +ontsonken, ontbreit ende ontlingt (opheffing van alle ruimte- +voorstellingen) in ene ewighe verlorenheit sonder wederkeer." +[745] De genieting der zaligheid is zoo groot, "dat God ende alle +heylighen ende dese hoghe menschen (die haar beleven) hierin verswolghen +sijn in onwisen, dat is in een niet weten ende in ene ewighe +verlorenheit." [746] God geeft de weelde der zaligheid aan allen gelijk, +"maer die se ontfaen die sijn onghelijc: nochtan blivet hem allen over, +na der ghebrukelicheit in der verenicheit", d.w.z. zij kunnen, wat +betreft het genieten der zaligheid in de vereeniging met God, niet alle +weelde op, die hun geschonken wordt. "Mer na der verlorenheit in der +woestinen demsterheit, daer en blivet niet over: want daer en is gheven +noch nemen, mer een simpel eenvoldich wesen. Daer is God ende alle die +verenichde in versonkenende verloren, ende nimmermeer en moghen se hem +vinden in desen wiselosen wesene." [747] + +Al de negaties zijn vereenigd in het volgende. "Hier na volcht die +sevende trappe (van minnen), dat edelste ende dat hoechste dat men leven +mach in tijt ende in ewicheit. Dat is, alse wi, boven al bekinnen ende +weten, in ons bevinden een grondeloes niet weten; alse wi boven alle +name die wi Gode gheven ofte creaturen, versterven ende overliden in ene +ewighe onghenaemtheit daer wi ons verliesen: ende alse wi, boven alle +oefeninghen van doechden, in ons aensien ende bevinden ewighe ledicheit, +daer nieman in werken en mach; ende boven alle salige gheeste, ene +grondelose salicheit, daer wi alle een sijn, ende dat selve een dat die +salicheit selve es, in haers selfsheit: ende alse wi aensien alle +salighe gheeste, weselic ontsonken, ontvloten ende verloren in haer +overwesen, in ene wiselose onbekende demsterheid." [748] In de eenvoudige, +wijzelooze zaligheid vergaat alle onderscheid der creaturen: "Dair +ontvallen si hem selven in ene verlorenheit, ende in onwetene sonder +gront; daer is alle claerheit wederboecht in deimsterheit, daer die drie +persone wiken der weseliker enicheit." [749] + +Het is altijd weer de vruchtelooze poging, om alle beelden op te geven, +om uit te drukken "onsen ledighen staet, dats bloete onghebeeltheit", +dien God alleen geven kan. "Hi maect ons bloet van alle beelden, ende +trect ons in ons begin: daer en vinden wi anders niet dan wilde, woeste, +onghebeelde bloetheit, die altoes antwoert der ewicheit." [750] + +In deze aanhalingen uit Ruusbroec zijn ook de twee laatste +beschrijvingsmiddelen reeds uitgeput: het licht, dat in duister +verkeert, en de zuivere negatie, het afzien van alle weten. Het innigst +heimelijke wezen Gods zijn duisternis te noemen, was reeds van den +Pseudo-Areopagiet. En zijn naamgenoot, bewonderaar en commentator, de +Kartuizer, werkt dien term uit. "En de alleruitmuntendste, onmetelijke, +onzichtbare volheid zelve van uw eeuwig licht wordt de goddelijke +duisternis genoemd, waarin gij gezegd wordt te wonen, die de +duisternissen tot uw schuilplaats stelt." [751] "En de goddelijke +duisternissen zelve zijn bedekt voor alle licht en verborgen voor alle +gezicht, wegens den onomschrijfelijken en ondoordringbaren glans der +eigen klaarheid." De duisternis is het niet weten, het ophouden van alle +begrip: "Hoe meer de geest uw overschitterend goddelijk licht nadert, +hoe voller hem uw onbenaderbaarheid en onbegrijpelijkheid blijken, en +als hij de duisternis is ingegaan, bezwijken spoedig alle naam en alle +kennen geheel (omne nox nomen omnisque cognitio prorsus deficient). Maar +dit zal den geest zijn, u te zien: te zien, dat gij geheel onzichtbaar +zijt; en hoe klaarder hij dat ziet, hoe helderder hij u aanschouwt. Naar +deze overlichte duisternis bidden wij te mogen worden, o gezegende +Drievuldigheid, en door onzichtbaarheid en onwetendheid u te zien en te +kennen, die boven alle gezicht en kennis zijt. Aan hen alleen verschijnt +gij, die, na al het waarneembare en begrijpbare te zijn te boven gekomen +en te hebben achtergelaten, en ook al het geschapene en desgelijks zich +zelven, intreden in de duisternis, waarin gij waarlijk zijt." [752] + +Zooals het licht in duister verkeert, zoo verkeert het hoogste leven in +den dood. Als de ziel, zegt Eckhart, begrepen heeft, dat in het rijk +Gods geen schepsel komen kan, dan gaat de ziel haar eigen weg en zoekt +God niet meer. "Und allhie so stirbet si iren hohsten tot. In disem tot +verleuset di sele alle begerung und alle bild und alle verstentnuezz und +alle form und wirt beraubt aller wesen. Und daz seit sicher als got +lebt: als wenik mak di sele, di also geistlich tot ist, einik weis oder +einik bild vorgetragen einigen menschen. Wann diser geist ist tot und +ist begraben in der gotheit." Ziel, als ge niet u zelve verdrinkt in +deze bodemlooze zee der godheid, zoo kunt gij niet bekennen dezen +goddelijken dood. [753] + +Het schouwen Gods door ontkenningen, zegt Dionysius elders, is +volkomener dan dat door bevestigingen. "Want wanneer ik zeg: God is +goedheid, zijn (essentia), leven, schijn ik aan te duiden, wat God is, +alsof dat hetgeen hij is, iets gemeen had met of eenigszins gelijk ware +aan het geschapene, terwijl het vaststaat, dat hij onbegrijpelijk en +onbekend, ondoorgrondelijk en onuitsprekelijk is, en van alles wat hij +werkt, gescheiden is door een onmetelijke en geheel onvergelijkelijke +verschillendheid en uitnemendheid." [754]--De eenigende wijsheid +(sapientia unitiva) wordt geheeten onredelijk, zinneloos en dwaas. [755] + +Hoe verwant en hoe anders toch weer klinken de klanken uit het verre +oude Indie. De leerling komt tot den meester en zegt: "Leer mij het +brahma, eerwaarde!--Gene echter zweeg stil. Toen nu de ander ten tweeden +male en ten derden male vroeg: Leer mij het brahma, eerwaarde! sprak de +meester: Ik leer het u immers, maar gij verstaat het niet: deze atman +(het Zelf) is stil." [756] De goden willen van Prajapati den atman +leeren kennen. Twee en dertig jaren wonen zij bij hem als +brahma-leerlingen. Dan leert hij hun, dat het mannetje in het oog of het +spiegelbeeld in het water het Zelf is, maar hen naziende spreekt +hijzelf: Zonder het Zelf begrepen te hebben, gaan zij heen.--Na nog twee +en dertig jaren openbaart hij aan Indra op diens bedenkingen: Die daar +wandelt in den droom, dat is de atman. En na nog eens denzelfden tijd: +Datgene wat, als de mensch is ingeslapen, weggezonken, geheel tot rust +gekomen, geen droom meer aanschouwt, dat is het Zelf. [757]--"Hij +echter, de atman is niet zoo en niet zoo"; de gansche reeks van +tegengestelde ontkenningen wordt uitgeput, om zijn wezen te verklaren. +"Gelijk iemand, door een geliefde vrouw omstrengeld, geen bewustzijn +heeft van wat buiten of binnen is, zoo heeft ook de geest, door het +uit-erkennen-bestaande Zelf omstrengeld, geen bewustzijn van wat buiten +of binnen is. Dat is zijn wezensvorm, gestild van verlangen, zelf zijn +verlangen, zonder verlangen, gescheiden van leed. Dan is vader +niet-vader, moeder niet-moeder, wereld niet-wereld...." [758] + + * * * * * + +Was de verbeelding overwonnen?--Zonder beeld en metafoor kan geen enkele +gedachte worden uitgedrukt, en van het onkenbare wezen der dingen +gezegd, is ieder woord beeld. Van het hoogste en innigst begeerde enkel +in negaties te kunnen spreken, bevredigt het gemoed niet, en telkens als +de wijze is uitgepraat, moet de dichter weer komen. Het zoete lyrische +gemoed van Suso vond van de sneeuwtoppen van het schouwen altijd weer +den weg terug naar de bloemrijke verbeeldingen der oudere Bernardijnsche +mystiek. Midden in de ekstase der hoogste contemplatie keert al de kleur +en vorm der allegorie terug. Suso ziet de eeuwige Wijsheid, zijn +geliefde: "Si swepte hoh ob ime in einem gewuelkten throne (hemel): sie +luhte als der morgensterne, und schein als diu spilndiu sunne; ire krone +waz ewikeit, ire wat waz selikeit, ire wort suezzekeit, ire umbfang alles +lustes gnuhsamkeit: si waz verr und nahe, hoh und nider; si waz +gegenwuertig und doch verborgen; si liess mit ir umbgan, und moht si doch +nieman begriffen." [759] + +Er waren nog andere wegen terug van de eenzame hoogten der individueele, +vorm- en beeldlooze mystiek. Men bereikte die hoogten slechts door het +smaken van het liturgisch-sacramenteele mysterie heen: eerst het ten +volle doorvoeld hebben van het symbolisch-aesthetische wonder der +dogma's en sacramenten stelde in staat, om alle beeldvormen af te +schudden en op te stijgen naar het begriploos schouwen van het al-eene. +Maar de geest kon die helderheid niet genieten, wanneer en zoo vaak hij +wilde; en dan wachtte beneden altijd weer de Kerk, met haar wijs en +spaarzaam systeem van mysterie. De Kerk immers had de aanraking van den +geest met het goddelijke in haar liturgie gecondenseerd en +geintensifieerd tot de beleving van bepaalde oogenblikken, en vorm en +kleur gegeven aan het mysterie. Daarom heeft zij de teugellooze mystiek +altijd overleefd: zij spaarde energie. De Kerk liet de bloeiendste +vervoeringen van aesthetische mystiek gerustelijk toe, maar zij vreesde +de ware, woeste mystiek, waarin alles waaruit zij was opgebouwd: haar +harmonisch symbolisme, haar dogma's en sacramenten, vervlamde en +verteerde. + +"De eenigende wijsheid is onredelijk, zinneloos en dwaas." Het pad van +den mysticus leidt in de oneindigheid binnen en in de bewustzijnsloosheid. +Door het ontkennen van alle wezensgelijkheid tusschen de godheid en al het +afzonderlijke en benoembare is elke werkelijke transcendentie opgeheven; +de brug naar het leven terug is afgebroken. "Alle creature sint ein +luter niht. Ich spriche niht, daz sie kleine sin oder iht sin: sie sind +ein luter niht. Swaz niht wesens hat, daz ist niht. Alle creature hant +kein wesen, wan ir wesen swebet an der gegenwertikeit gotes." [760] +De intensieve mystiek beduidt een terugkeer tot een prae-intellectueel +zieleleven. Alles van beschaving gaat er in te loor, wordt overwonnen en +overbodig. Indien de mystiek niettemin voor de cultuur rijke vruchten +draagt, dan is het, omdat zij steeds door voorbereidende staten heen +opklimt, en eerst gaandeweg alle levensvorm en cultuur afwerpt. Haar +vruchten voor de beschaving draagt zij in haar aanvangstrappen, beneden +de boomgrens. Daar bloeit de boomgaard van de zedelijke volmaking, die +als voorbereiding van elken schouwende gevorderd wordt: de vrede en +zachtmoedigheid, de demping der begeerte, de eenvoud, matigheid, +arbeidzaamheid, ernst en innigheid. Zoo is het in Indie geweest en zoo +hier: de aanvangswerking der mystiek is een moreele en praktische. Zij +is bovenal de beoefening van daadwerkelijke naastenliefde. Al de groote +mystieken hebben die praktische werkzaamheid ten zeerste geprezen: heeft +niet Meister Eckhart zelf Martha boven Maria gesteld, [761] en gezegd, +dat men zelfs de ekstase van Paulus moest laten varen, als men een arme +met een soepje kon helpen? Van hem over zijn leerling Tauler gaat de +lijn der mystiek steeds meer naar de waardeering van het praktische +element: ook Ruusbroec verheft den stillen nederigen arbeid, en +Dionysius de Kartuizer is de volkomen vereeniging in een persoon van den +praktischen zin voor het dagelijksch godsdienstleven en het heftigste +individueele mysticisme. Het is in de Nederlanden, dat de begeleidende +verschijnselen der mystiek: moralisme, pietisme, liefdadigheid en +arbeidzaamheid, hoofdzaak worden; dat zich uit de intensieve mystiek +voor het onttrokken oogenblik van enkelen de extensieve mystiek voor +iederen dag van velen ontplooit: de duurzame gezamenlijke innigheid der +moderne devoten in plaats van de eenzame en zeldzame ekstase. De +nuchtere mystiek, als men niet valt over een woord. + +In de Fraterhuizen en de kloosters der Windesheimer congregatie is over +het stille dagelijksch werk de glans gegoten van de voortdurend +bewustgehouden religieuze innigheid. Het hevig lyrische en het +teugelloos opstreven is prijsgegeven, en daarmee ook het gevaar van +geloofsafwijking geweken; de broeders en zusters zijn volkomen +rechtgeloovig en conservatief. Het was mystiek en detail: men had maar +"een inslag gekregen", "een vonkske ontvangen", en beleefde in den +engen, stillen, nederigen kring de vervoering in vertrouwelijken +geestelijken omgang, in briefwisseling en zelfbeschouwing. Het gevoels- +en gemoedsleven werd als een kasplant gekweekt; er heerschte veel klein +puritanisme, geestelijke dressuur, verstikking van den lach en de +gezonde aandriften, veel pietistische onnoozelheid. + +Doch uit dien kring is de _Imitatio_ voortgekomen. Hier is de man, die +geen theoloog was en geen humanist, geen wijsgeer en geen dichter, en +eigenlijk ook geen mysticus, en die het boek schreef, dat eeuwen +vertroosten zou. Thomas a Kempis, de stille, eenzelvige, vol teerheid +voor het miswonder en met de smalste opvattingen van het godsbestuur, +kende niets van de felle verontwaardiging over kerkbestuur of +wereldleven, zooals het de preekers bezielde, niets van het alzijdig +streven van Gerson, Dionysius of Nicolaas van Cusa, niets van de +breughelsche fantazie van Johannes Brugman of het bonte symbolisme van +Alain de la Roche. Hij zocht maar de rust in alle dingen, en vond haar +"in angello cum libello". "O quam salubre quam iucundum et suave est +sedere in solitudine et tacere et loqui cum Deo!" [762] En zijn boek van +eenvoudige levenswijsheid en stervenswijsheid voor het begeven gemoed +werd een boek van alle tijden. Hier was alle neoplatonistische mystiek +weer opgegeven, en enkel de stemming van den geliefden schrijver Bernard +van Clairvaux de grondslag. Er is geen philosophische ontwikkeling van +gedachten; er staan slechts een aantal hoogst eenvoudige gedachten in +spreukvorm om een centraal punt gegroepeerd; elke loopt in een kort +zinnetje af; er is geen subordinatie en nauwelijks correlatie van +gedachten. Er is niets van de lyrische siddering van Heinrich Suso of +van de strakke fonkeling van Ruusbroec. Met haar geklingel van +evenwijdig voortloopende zinnen en matte assonanties zou de _Imitatio_ +dubbel proza zijn, wanneer niet juist dat eentonige rythme haar maakte +als de zee op een zachten regenavond, of het zuchten van den wind in den +herfst. Hier is geen kracht, geen elan, geen diepte en volheid; het is +alles effen en gedrukt, alles en mineur: er is slechts vrede, rust, stil +gelaten verwachting en troost. "Taedet me vitae temporalis." [763] + +Een ding heeft het meest boeddhistische werk van het christendom, het +boek voor de vermoeiden van alle eeuwen, gemeen met de voortbrengselen +der hevige mystiek. Ook hier was de verbeelding, zoover dat mogelijk +was, overwonnen, het kleurige gewaad van schitterende symbolen afgelegd. +En daarom zit ook de _Imitatio_ niet vast aan een cultuur-tijdperk; +evenals de ekstatische schouwingen van het al-eene leidt zij af van alle +cultuur. Zij hoort tot geen bijzonder beschavingstijdperk. Vandaar +zoowel haar twee duizend uitgaven, als de mogelijkheid van een twijfel +omtrent den auteur en den tijd van ontstaan, die twee eeuwen verschil +toeliet. Thomas had het "Ama nesciri" niet vergeefs gezegd. + + + +NOTEN: + + +[716] Petri de Alliaco Tractatus I adversus cancellarium Parisiensem, +bij Gerson, Opera, I p. 723. + +[717] Dion. Cart., Opera, t. XXXVI p. 200. + +[718] Dion. Cart. Revelatio II, Opera, I p. xlv. + +[719] Dion. Cart., Opera, t. XXXVII, XXXVIII, XXXIX p. 496. + +[720] Alain Chartier, Oeuvres, p. xi. + +[721] Gerson, Opera, I p. 17. + +[722] Dion. Cart., Opera, t. XVIII p. 433. + +[723] Dion. Cart., Opera, t. XXXIX p. 18sq. De vitiis et virtutibus, p. +363, De gravitate et enormitate peccati, ib. t. XXIX p. 50. + +[724] L.c. XXXIX p. 37. + +[725] Ib. p. 56. + +[726] Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, Opera, t. XLI p.545. + +[727] Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, t. XLI p. 489ss. + +[728] Moll, Brugman, I p. 20, 23. 28. + +[729] Ib. p. 320(1). + +[730] Het voorbeeld van Sint Aegidius, Germanus, Quiricus bij Gerson, De +via imitativa, III p. 777; vgl. Contra gulam sermo, ib. p. 909.--Olivier +Maillard, Serm. de sanctis fol. 8a. + +[731] Innocentius III, De contemptu mundi 1. I, c. I, Migne, t. CCXVII +p. 702ss. + +[732] Bonaventura, In secundum librum sententiarum, dist. 41, art. 1. +qu. 2, ib. 30, 2, 1, 34; in quart. lib. sent. d. 34, a. I, qu. 2, +Breviloquii pars II, Opera, ed. Paris, 1871, t. III p. 577a, 335, 438, +VI p. 327b, VII p. 271ab. + +[733] Dion. Cart., De vitiis et virtutibus, Opera, t. XXXIX p. 20. + +[734] M' Kechnie, Magna Carta, p. 401. + +[735] Uit den hymnus "Adoro te devote". Vergelijk Marlowe, Faustus: +"See, where Christ's blood streams in the firmament! One drop of blood +will save me." + +[736] Dion. Cart. Dialogion de fide cath., Opera, t. XVIII p. 366. + +[737] L.c., t. XLI p. 489. + +[738] Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis t. XXXV +p. 137; de laud. glor. Virg. Mariae, en passim. Het gebruik der +supertermen ontleent hij reeds aan Dionysius treopagita. + +[739] James, Varieties of rel. exp., p. 419. + +[740] Beide voorbeelden naar James, l.c., p. 417. + +[741] Opera, I p. xliv. + +[742] Seuse, Leben, cap. 3, ed. K. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, +Stuttgart, 1907, p. 14. Vgl. cap. 5, p. 21, 1.3 v. o. + +[743] Meister Eckhart, Predigten, no. 60 en 76, ed. F. Pfeiffer, +Deutsche Mystiker des XIV. Jh., Leipzig 1857, II p. 1931. 34ss.; p. 242, +1. 2ss. + +[744] Tauler, Predigten, no. 28, ed. F. Vetter, (Deutsche Texte des +Mittelalters XI) Berlin, 1910, p. 117 1. 30ss. + +[745] Ruusbroec, Dat boec van seven sloten, cap. 19, Werken ed. David, +IV p. 106-108. + +[746] Ruusbroec, Dat boec van den rike der ghelieven, cap. 43. ed. +David, IV p. 264. + +[747] Ib. cap. 35, p. 246. + +[748] Ruusbroec, Van seven trappen in den graet der gheesteliker minnen, +cap. 14, ed. David, IV p. 53. Voor "ontfonken" lees ik: "ontsonken". + +[749] Ruusbroec, Boec van der hoechster waerheit, ed. David, p. 263; +vgl. Spieghel der ewigher salicheit, cap. 25. p. 231. + +[750] Spieghel der ewigher salicheit, cap. 19, p. 144, cap. 23, p. +227;--antwoert = beantwoordt aan. + +[751] II Par. 6, I: Dominus pollicitus est, ut habitaret in caligine. +Ps. 17.13: Et posuit tenebras latibuum suum. + +[752] Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis per modum +horarum, Opera, t. XXXV p. 137/8, id. XLI p. 263 etc.; vgl. De passione +dni salvatoris dialogus, t. XXXV p. 274: "ingrediendo caliginem, hoc est +ad supersplendidissimae ac prorsus incomprehensibilis Deitatis praefatam +notitiam pertingendo per omnem negationem ab ea." + +[753] Jostes, Meister Eckhart und seine Juenger, 1895, p. 95. + +[754] Dion. Cart. De contemplatione lib. III art. 5, Opera, t. XLI p. +259. + +[755] Dion. Cart. De contemplatione, t. XLI p. 269, naar Dion. Areop. + +[756] Cankara ad Brahmasutram, 3. 2. 17. + +[757] Chandogya-upanishad, 8. + +[758] Brhadaranyaka-upanishad, 4, 3, 21, 22. + +[759] Seuse, Leben, kap. 4, Bihlmeyer, Deutsche Schriften 1907, p. 14. + +[760] Eckhart, Predigten, no. 40, p. 136. 23. + +[761] Eckhart, Predigten, no. 9, p. 47ff. + +[762] Soliloquium animae, Thomas a Kempis, Opera omnia, ed. M.J. Pohl, +Freiburg 1902-'10, 7 vol., I p. 230. + +[763] L.c., p. 222. + + + * * * * * + + +XI + +DE DENKVORMEN IN DE PRAKTIJK + + +Men moet de hechte vormen van het denken niet enkel bestudeeren aan de +voorstellingen van het geloof en de hoogere bespiegeling, maar evengoed +aan die van de dagelijksche levenswijsheid en de nuchtere praktijk. Dan +eerst kan de middeleeuwsche geest als een eenheid en een geheel worden +gezien. Want het zijn dezelfde groote denkrichtingen, die zijn hoogere +en zijn lagere uitingen beheerschen. En terwijl op het gebied van geloof +en bespiegeling steeds de vraag aan de orde blijft, in hoeverre de +gedachtenvormen resultaat en weerklank zijn van een lange schriftelijke +traditie, die tot in Grieksche en Joodsche, ja Egyptische en +Babylonische oorsprongen reikt, ziet men ze in het gewone leven naief en +spontaan werken, onbeladen met het gewicht van neoplatonisme en wat niet +al. + +In het dagelijksch leven denkt de middeleeuwsche mensch in dezelfde +vormen als in zijn theologie. De grondslag is zoo hier als daar dat +architecturale idealisme, dat de scholastiek realisme noemde: de +behoefte om elke notie af te zonderen en vorm te geven als een +wezenheid, en om ze samen te schikken in hierarchische verbanden, er +altijd weer tempels en kathedralen van te bouwen, als een kind, dat met +blokken speelt. + +Alles wat zich in het leven een vaste plaats verovert, wat levensvorm +wordt, geldt als geordineerd, zoo goed als de hoogste dingen in het +goddelijke wereldplan. Zeer duidelijk openbaart zich dit bijvoorbeeld in +de opvatting van de regelen der hofetikette bij de beschrijvers van den +hofstaat, als Olivier de la Marche en Alienor de Poitiers. De oude dame +beschouwt die regelen als wijze wetten, in de hoven der koningen +oudtijds met keuze en oordeel verordineerd, in acht te nemen voor alle +komende tijden. Zij spreekt ervan als van de wijsheid der eeuwen: "et +alors j'ouy dire aux anciens qui scavoient...." Zij ziet de tijden +ontaarden: sedert een jaar of tien zetten sommige dames in Vlaanderen +het kraambed voor het vuur, "de quoy l'on s'est bien mocque"; vroeger +deed men dat nooit; waar moet het heen? "mais un chacun fait a cette +heure a guise: par quoy est a doubter, que tout ira mal". [764] + +La Marche stelt zich en den lezer gewichtige vragen omtrent de +redelijkheid van al die deftige dingen: waarom heeft de "fruitier" +meteen de verlichting, "le mestier de la cire", onder zijn departement? +Het antwoord luidt: omdat de was door de bijen uit de bloemen wordt +getrokken, waarvan ook de vruchten komen: "pourquoy on a ordonne tres +bien ceste chose". [765] De sterke middeleeuwsche neiging, om voor +iedere functie een orgaan te scheppen, is niet anders dan een +uitvloeisel van de denkwijze, die aan elke qualiteit zelfstandigheid +toekende, haar als idee zag. De koning van Engeland had onder zijn +"magna sergenteria" een ambt, om 's konings hoofd vast te houden, als +hij het Kanaal overstak, en zeeziek werd; het werd in 1442 bekleed door +zekeren John Baker, van wien het erfde op zijn beide dochters. [766] + +Onder hetzelfde licht valt te beschouwen de gewoonte, om alle dingen, +ook de levenlooze, namen te geven. Het is, hoe verbleekt ook, een trek +van primitief anthropomorphisme, wanneer ook thans nog in het +krijgsleven, dat in vele opzichten den terugkeer tot een primitieve +levenshouding beduidt, kanonnen namen krijgen. In de Middeleeuwen is die +trek veel sterker: gelijk de zwaarden in den ridderroman hebben de +bombarden in de oorlogen der 14e en 15e eeuw hun namen: "le Chien +d'Orleans, la Gringade, la Bourgeoise, de Dulle Griete". Als een +survival dragen thans nog de beroemde diamanten hun naam, zooals de +juweelen van Karel den Stoute alle benaamd zijn: "le sancy, les trois +freres, la hote, la balle de Flandres". Wanneer in onzen tijd de schepen +hun naam behouden hebben, maar de huizen en de klokken niet, dan is het +eensdeels, omdat het schip van plaats verandert en te allen tijde moet +kunnen worden geidentificeerd, maar toch ook wel omdat het schip iets +persoonlijkers heeft behouden dan het huis, wat ook in het "she" van het +Engelsche spraakgebruik is uitgedrukt. Die persoonlijke opvatting der +levenlooze dingen moet men zich in de Middeleeuwen als veel sterker +voorstellen: in de Middeleeuwen kreeg elk ding zijn naam: de cachotten +der kerkers zoo goed als elk huis en elke klok. + +Aan alle dingen wordt gezocht naar de "moraliteit", zooals de +middeleeuwer zeide, als het meest wezenlijke ervan. Elk historisch of +litterair geval heeft de neiging, om te kristalliseeren tot een parabel, +een moreel voorbeeld, een bewijsnummer; elke uitspraak tot een +sententie, een tekst, een spreuk. Evenals de heilige symbolische +verbanden tusschen het Nieuwe en het Oude Testament ontstaan er moreele +verbanden, waardoor aan elk levensgeval terstond de spiegel kan worden +voorgehouden van een voorbeeld, een type uit de schrift, de geschiedenis +of de litteratuur. Om iemand tot vergeving te bewegen, somt men +bijbelsche gevallen van vergiffenis op. Om voor het huwelijk te +waarschuwen, rangschikt men al de ongelukkige huwelijken, waarvan de +Oudheid spreekt. Jan zonder Vrees vergelijkt, om den moord op Orleans te +verontschuldigen, zichzelven met Joab en zijn slachtoffer met Absalom, +en prijst zich beter dan Joab, want de koning had den doodslag niet +uitdrukkelijk verboden. "Ainssy avoit le bon duc Jehan attrait ce fait a +moralite." [767]--Het is als 't ware een ruime en naieve toepassing van +het jurisprudentiebegrip, dat immers zelf in het hedendaagsche +rechtsleven een residu van verouderde denkvormen begint te worden. + +Elk ernstig betoog grondt zich gaarne op een tekst als steun- en +uitgangspunt: de twaalf proposities voor en tegen de onttrekking van +gehoorzaamheid aan den paus van Avignon, waarmee in 1406 te Parijs op +het nationaal concilie de zaak van het schisma wordt bepleit, gaan ieder +uit van een schriftwoord. [768] Ook een wereldlijk feestredenaar kiest, +zoo goed als een prediker, zijn tekst. [769] + +Geen duidelijker voorbeeld van al de genoemde trekken dan het beruchte +pleidooi, waarmede meester Jean Petit den hertog van Bourgondie trachtte +te rechtvaardigen wegens den moord op Lodewijk van Orleans. + +Het was ruim drie maanden geleden, dat 's konings broeder des avonds +door de gehuurde sluipmoordenaars, die Jan zonder Vrees tevoren in een +huis in de Rue vieille du Temple gehuisvest had, was neergestooten. De +Bourgondier had eerst bij de lijkplechtigheid grooten rouw gedreven, +daarna, toen hij zag, dat het onderzoek zich zou uitstrekken tot in zijn +hotel d'Artois, waar hij de moordenaars verborgen hield, had hij in den +raad zijn oom Berry ter zijde genomen en hem bekend, dat hij door +inblazing des duivels den moord had laten plegen. Hij was daarop uit +Parijs gevlucht naar Vlaanderen. Te Gent had hij reeds een eerste +rechtvaardiging van zijn euveldaad laten uitspreken; thans keerde hij +naar Parijs terug, vertrouwend op den haat, die alom Orleans gegolden +had, en zijn eigen populariteit bij het volk van Parijs, dat hem +inderdaad ook nu nog blijde inhaalde. De hertog had te Amiens raad +gepleegd met twee mannen, die op de kerkvergadering te Parijs in 1406 +zich onder de sprekers opmerkelijk hadden gemaakt: meester Jean Petit en +Pierre aux Boeufs. Aan hen was opgedragen, het Gentsche pleidooi van +Simon de Saulx uit te werken, om het als een indrukwekkende +rechtvaardiging voor te dragen voor de prinsen en hooge heeren te +Parijs. + +Daarmede verscheen nu meester Jean Petit, godgeleerde, preeker en +dichter, den 8sten Maart 1408 in het hotel de Saint Pol te Parijs +voor het luisterrijke gehoor, waarin de dauphin, de koning van Napels, +de hertogen van Berry en Bretagne de eersten waren. Hij begon met +gepaste nederigheid: hij arme was theoloog noch jurist, "une tres grande +paour me fiert au cuer, voire si grande, que mon engin et ma memoire +s'en fuit, et ce peu de sens que je cuidoie avoir, m'a ja du tout +laisse." Dan ontplooit hij het kunstwerk van de zwartste politieke +boosaardigheid, dat zijn geest in strengen stijl gebouwd had op den +tekst: Radix omnium malorum cupiditas. Op schoolsche onderscheidingen en +neventeksten is het geheel kunstig gedisponeerd; verlucht met exempelen +uit de schrift en de historie; het krijgt een duivelsche levendigheid en +een romantische spanning door de kleurige uitvoerigheid, waarmee de +pleiter de snoodheden van den verslagene beschrijft. Het begint met de +opsomming van twaalf verplichtingen, waardoor de hertog van Bourgondie +gehouden was, den koning van Frankrijk te eeren, te beminnen en te +wreken. Dan beveelt hij zich aan in de hulp van God, de Maagd en Sint +Jan den Evangelist, om het eigenlijke betoog te beginnen: verdeeld in +een major, een minor en een conclusie. Nu stelt hij zijn tekst voorop: +Radix omnium malorum cupiditas. Daaruit worden twee toepassingen +afgeleid: de begeerte maakt afvalligen, zij maakt verraders. Deze +boosheden van apostasie en verraad worden verdeeld en onderverdeeld en +daarna gedemonstreerd aan drie voorbeelden. Als de archetypen van den +verrader rijzen Lucifer, Absalom en Athalia voor de verbeelding der +hoorders op. Dan volgt de opstelling van acht waarheden, die den +tyrannenmoord rechtvaardigen: wie tegen den koning conspireert, verdient +dood en verdoemenis; hoe hooger hij staat, hoeveel te meer; ieder mag +hem dooden. "Je prouve ceste verite par douze raisons en l'honneur des +douze apostres": drie uitspraken van doctores, drie van philosophi, drie +van juristen en drie uit de schrift. Zoo gaat het voort, tot de acht +waarheden compleet zijn: een citaat uit _De casibus virorum illustrium_ +van "le philosophe moral Boccace" wordt aangehaald, om te bewijzen, dat +men den tyran mag aanvallen uit een hinderlaag. Uit de acht waarheden +volgen acht "correlaria" met een negende als toegift, waarin met +toespelingen geduid werd op al de geheimzinnige gebeurtenissen, waarin +de laster en de argwaan aan Orleans een gruwelijke rol hadden toegekend. +Al de oude verdenkingen, die den hoogstrevenden en losbandigen prins van +zijn jonge jaren af hadden vervolgd, werden tot gloeihitte weer +opgerakeld: hoe hij in 1392 de opzettelijke aanlegger was geweest van +het rampzalige "bal des ardents", toen zijn broeder de jonge koning +ternauwernood was ontkomen aan den jammerlijken vuurdood van zijn +gezellen in hun vermomming als wildemannen, door een onvoorzichtig +bijgehouden toorts geraakt. Orleans' samensprekingen in het klooster der +Celestijnen met "den toovenaar" Philippe de Mezieres leverden de stof +tot allerlei zinspelingen op moordplannen en giftmengerij. Zijn algemeen +bekende gehechtheid aan tooverkunsten geeft aanleiding tot de +levendigste gruwelverhalen: hoe Orleans op een Zondagmorgen met een +afvalligen monnik, een ridder, een knape en een knecht naar la Tour +Montjay aan de Marne reed; hoe de monnik daar twee duivelen deed +verschijnen, gekleed in bruin-groen en geheeten Heremas en Estramain, +die een degen, een dolk en een ring van een helsche wijding voorzagen, +waarop het gezelschap een gehangene van de galg van Montfaucon ging +halen enz. Tot uit den zinneloozen praat van den waanzinnigen koning +wist meester Jan sinisteren zin te puren. + +Nadat aldus eerst de beoordeeling op het niveau van het algemeen- +zedelijke was verheven, door de zaak te stellen in het licht der +schriftuurlijke modellen en moreele sententien, en vervolgens de stemming +van afgrijzen en huivering kunstig is gaande gemaakt, breekt in de minor, +die stuk voor stuk de geledingen van de major volgt, de stroom van +regelrechte beschuldigingen los. De hartstochtelijke partijhaat doet den +aanval op de nagedachtenis van den vermoorde met al de hevigheid, waartoe +de toomelooze geest in staat was. + +Vier uren lang was Jean Petit aan 't woord, en toen hij uitgesproken +had, sprak zijn lastgever, de hertog van Bourgondie: "Je vous avoue". +Er werden van de justificatie vier kostbare boekjes gemaakt, gebonden in +geperst leer, verlucht met goud en miniaturen, voor den hertog en zijn +naaste verwanten. Een daarvan wordt nog te Weenen bewaard. Ook was het +vertoog te koop. [770] + +De behoefte, om elk levensgeval uit te beelden tot een moreel voorbeeld, +elk oordeel af te zonderen tot een sententie, waardoor het iets +substantieels en onaantastbaars krijgt, kortom dat kristallisatieproces +der gedachte, vindt haar meest algemeene en natuurlijke uiting in het +spreekwoord. Het spreekwoord neemt in de middeleeuwsche gedachte een +zeer belangrijke plaats in. Het treedt als 't ware in concurrentie met +de heilige schrift. Tegenover de onbereikbare verhevenheid der +bijbelsche moraal handhaaft in het spreekwoord de nuchtere, +laag-bij-den-grondsche, baatzuchtige levenswijsheid haar gezag. +Tegenover de jammerklacht over de aardsche zondigheid en verdorvenheid +stelt de volkswijsheid in het spreekwoord haar nuchtere, goedmoedige, +ironische berusting in de slechtheid der wereld. Uit het spreekwoord +klinkt de diepe genoegzaamheid, die grenst aan de wijsheid van hen, die +de wereld tot den grond hebben gepeild, en haar aanzien met een +glimlach; de weldadige wijsheid van het spreekwoord ligt in zijn +resignatie. "Les grans poissons mangent les plus petis."--"Les mal +vestus assiet on dos au vent." Daar ligt de sociale rechtvaardigheid. +"Nul n'est chaste si ne besongne" (als het niet noodig is). "Il n'est si +ferre qui ne glice" (niemand zoo goed beslagen, dat hij niet uitglijdt). +"L'homme est bon tant qu'il craint sa peau". "Au besoing on s'aide du +diable". Daar ligt de moraal. "Moyen dueil vault mieux que trop joye". +"Chascun a chose qui le myne". "Le jeu vault tant comme on y met". "Trop +quiert (begeert) qui veult happer la lune". + +Het is verbazend, welk een aantal spreekwoorden er in de late +Middeleeuwen gangbaar zijn geweest. [771] In hun alledaagsche geldigheid +sluiten zij zoo goed aan bij den gedachteninhoud der litteratuur, dat de +dichters van dien tijd er een druk gebruik van maken. Zeer in trek is +bij voorbeeld het gedicht, waarvan elke strofe eindigt met een +spreekwoord. Een ongenoemde wijdt in zulk een vorm een schimpdicht aan +den gehaten prevot van Parijs, Hugues Aubriot, bij diens smadelijken +val. [772] Vervolgens komt Alain Chartier met zijn _Ballade de Fougeres_ +[773] Molinet met verschillende stukken uit zijn _Faictz et Dictz_, +[774] Coquillart's _Complaincte de Eco_, [775] Villon's ballade, geheel +uit spreekwoorden opgebouwd. [776] Ook _Le passe temps d'oysivete_ van +Robert Gaguin [777] hoort ertoe; de 171 strofen eindigen op enkele na +met een passend spreekwoord. Of zijn deze spreekwoordachtige zedelijke +uitspraken (waarvan ik maar enkele weervind in de mij bekende collecties +van spreekwoorden) eigen gedachten van den dichter? In dat geval zou +het nog sterker bewijs zijn, welk een levende functie in het laat- +middeleeuwsche denken aan het spreekwoord, dat is aan het afgeronde, +geijkte, algemeen verstaanbare oordeel, toekwam, indien wij ze hier in +onmiddellijke aansluiting bij een gedicht uit den geest van een +individueelen dichter zien ontstaan. + +Zelfs de preek versmaadt naast de heilige teksten het spreekwoord niet, +en het ernstig betoog in staats- of kerkvergaderingen maakt er een ruim +gebruik van. Gerson, Jean de Varennes, Jean Petit, Guillaume Fillastre, +Olivier Maillard brengen in hun preeken en oraties de meest alledaagsche +spreekwoorden tot sterking van hun betoog te pas: "Qui de tout se tait, +de tout a paix, Chef bien peigne porte mal bacinet (helm), D'aultrui +cuir large courroye, Qui commun sert, nul ne l'en paye, Qui est tigneux, +il ne doit pas oster son chaperon." [778]--Ja, er is zelfs een schakel +tusschen het spreekwoord en de _Imitatio_, die immers naar den vorm +berust op de spreukenverzamelingen of rapiaria, waarin men wijsheid van +allerlei aard en herkomst placht te vergaren. + +Er zijn in de latere Middeleeuwen tal van schrijvers, wier kracht van +oordeel zich eigenlijk niet boven het spreekwoord verheft, dat zij dan +ook voortdurend toepassen. Een kroniekschrijver uit het begin der +veertiende eeuw, Geoffroi de Paris, doorspekt zijn berijmd +geschiedverhaal met spreekwoorden, die de moraal van het gebeurde geven, +[779] en daaraan doet hij wijzer dan Froissart en _Le Jouvencel_, wier +sententies van eigen maaksel dikwijls als halfgare spreekwoorden +uitvallen: "Enssi aviennent li fait d'armes: on piert une fois et +l'autre fois gaagn'on." "Or n'est-il riens dont on ne se tanne." "On +dit, et vray est, que il n'est chose plus certaine que la mort." [780] + +Een soortgelijke kristallisatievorm der gedachte als het spreekwoord is +het devies, dat in de laatste Middeleeuwen met bijzondere voorliefde +gecultiveerd wordt. Het is geen wijsheid van algemeene strekking, zooals +het spreekwoord, maar een persoonlijke aansporing of levensles, die door +den drager tot een teeken is verheven, dat hij met gouden letters in +zijn leven zelf aanbrengt, een les, die door de gestyleerde herhaling, +waarmee zij op al de stukken van garderobe en uitrusting wederkeert, +hem en de anderen moet suggereeren en vast houden. De stemming van de +deviezen is veelal een van berusting, evenals bij het spreekwoord, van +verwachting, soms met een onuitgesproken element, dat ze geheimzinnig +moest maken: "Quand sera ce? Tost ou tard vienne, Va oultre, Autre fois +mieulx, Plus dueil que joye." Verreweg de meeste hebben betrekking op de +liefde: "Aultre naray, Vostre plaisir, Souvienne vous, Plus que toutes." +Dat zijn ridderlijke spreuken, op dekkleed en wapenrusting aangebracht. +Op de ringen stonden zij met intiemer klank: "Mon cuer avez, Je le +desire, Pour tousjours, Tout pour vous." + +Met de emblemen, die het devies of zichtbaar illustreeren of ermee in +los verband van zin staan, maken de zinspreuken deel uit van de +heraldische gedachtensfeer. Het blazoen is voor den middeleeuwer meer +dan een genealogische liefhebberij. De wapenfiguur krijgt voor zijn +geest een waarde, welke nadert tot die van een totem. [781] De leeuwen, +de lelien, de kruisen worden symbolen, waarin een heel complex van trots +en streven, aanhankelijkheid en gemeenschapsgevoel in beeld is +uitgedrukt, gemarkeerd als een zelfstandig, ondeelbaar ding. + +De behoefte, om elk geval te isoleeren als een zelfstandig bestaand +iets, het te zien als idee, uit zich in de Middeleeuwen in een sterke +neiging tot casuistiek. Deze vloeit al weer voort uit het ver strekkende +idealisme. Aan elke vraag, die zich voordoet, moet een ideale oplossing +eigen zijn; deze is gegeven, zoodra men de juiste betrekking heeft +erkend tusschen het aanwezige geval en de eeuwige waarheden, en die +betrekking wordt afgeleid uit de toepassing van formeele regels op de +feiten. Niet alleen vragen van zedelijkheid en recht vinden zoo hun +oplossing, de casuistische beschouwing beheerscht allerlei andere +levensgebieden bovendien. Overal waar stijl en vormen hoofdzaak zijn, +waar het spel-element van een cultuurvorm op den voorgrond treedt, viert +de casuistiek hoogtij. Dat geldt in de eerste plaats van alles wat +ceremonieel en etikette betreft. Hier is de casuistische beschouwing op +haar plaats; hier is zij als denkvorm adequaat aan de gestelde vragen, +immers hier zijn het enkel een reeks van gevallen, bepaald door +eerbiedwaardige precedenten en formeele regels. Hetzelfde geldt van het +wapenspel en de jacht. Gelijk vroeger reeds ter sprake kwam, [782] +schept ook de opvatting der liefde als een schoon gezelschapsspel van +stijlvolle vormen en regels de behoefte aan een uitgewerkte casuistiek. + +Tenslotte hecht zich allerlei casuistiek aan de gebruiken van den +oorlog. De sterke invloed van de ridderidee op de opvatting van den +krijg gaf ook aan dezen een element van spel. De gevallen van buitrecht, +van aanvalsrecht, van trouw aan een parool, kwamen onder het aspect van +spelregels, zooals zij golden voor tournooi en jachtvermaak. De zucht, +om in het geweld recht en regel te brengen, sproot niet zoo zeer voort +uit volkenrechtelijk instinct als uit ridderlijk besef van eer en +levensstijl. Alleen een nauwgezette casuistiek en het opstellen van +strenge formeele regels maakten het mogelijk, het oorlogsgebruik +eenigermate in harmonie te brengen met ridderlijke standseer. + +Zoo vinden wij de beginselen van het volkenrecht gemengd met de +spelregels van de wapenoefening. Geoffroy de Charny legt in 1352 aan +koning Jan II van Frankrijk, in diens hoedanigheid van grootmeester +der juist door hem gestichte ridderorde van de Ster, een reeks van +casuistische vragen ter beslissing voor: twintig betreffen de "jouste", +eenentwintig het tournooi en drieennegentig den oorlog. [783] Een +kwarteeuw later draagt Honore Bonet, prior van Salon in Provence en +doctor in het canonieke recht, aan den jongen Karel VI zijn _Arbre des +batailles_ op, een tractaat over oorlogsrecht, dat nog in de zestiende +eeuw, blijkens nieuwe uitgaven, van praktische waarde werd geacht. [784] +Men vindt hier bijeen en dooreen vragen van het hoogste gewicht voor het +volkenrecht en beuzelachtige kwesties, die niet veel meer dan spelregels +betreffen. Mag men de ongeloovigen zonder noodzaak beoorlogen? Bonet +antwoordt nadrukkelijk: neen, zelfs niet om hen te bekeeren. Mag een +vorst den ander den doortocht over zijn gebied weigeren? Moet het (veel +geschonden) privilege, dat de ploeger en zijn os veilig zijn voor het +oorlogsgeweld, ook uitgestrekt worden tot den ezel en den knecht? [785] +Moet een geestelijke zijn vader of zijn bisschop helpen? Wanneer men een +geleende wapenrusting in den slag verliest, is men dan teruggave +verschuldigd? Mag men slag leveren, op feestdagen? Is het beter, nuchter +slag te leveren, of na den maaltijd? [786] Voor dit alles heeft de prior +raad, uit bijbelplaatsen, canoniek recht en glosse. + +Een der gewichtigste punten van het krijgsgebruik was in dezen tijd +alles wat het maken van gevangenen betrof. De losprijs voor een +aanzienlijk gevangene was voor edelman en soudenier een der +uitlokkendste beloften van den strijd. Hier was een onbeperkt veld voor +casuistische regels gegeven. Ook hier loopen volkenrecht en ridderlijk +point d'honneur dooreen. Mogen de Franschen wegens den oorlog met +Engeland de arme kooplui, landbouwers en herders op het Engelsche gebied +gevangen nemen en hun hunne goederen ontnemen? In welke gevallen mag men +uit zijn gevangenschap ontsnappen? Wat is de waarde van een vrijgeleide? +[787]--In den biographischen roman _Le Jouvencel_ worden van die +gevallen uit de praktijk behandeld. Men brengt voor den aanvoerder een +twist van twee kapiteins over een gevangene. "Ik heb hem, zegt de een, +het eerst bij zijn arm en zijn rechterhand gegrepen en hem den +handschoen afgerukt". "Maar mij, zegt de ander, heeft hij het eerst de +rechterhand en zijn woord gegeven." Beide gaf aanspraak op het kostbare +bezit, maar de laatste aanspraak wordt als de hoogere erkend. Van wien +is een gevangene, die ontvlucht en weer gevangen is? Oplossing: in het +oorlogsgebied behoort hij aan den nieuwen vanger, maar daarbuiten aan +den oorspronkelijken vanger. Mag een gevangene, die zijn woord gegeven +heeft, wegloopen, als zijn vanger hem niettemin aan een ketting legt? +Of als men verzuimd heeft, hem zijn woord te vragen? [788] + +Naast de casuistische denkwijze nog een ander uitvloeisel van de +middeleeuwsche neiging, om de zelfstandige waarde van een ding of een +geval te overschatten. Men kent _Le Testament_ van Francois Villon, het +groote satirische gedicht, waarin hij al zijn hebben en houden vermaakt +aan vrienden en vijanden. Er zijn meer van die dichterlijke Testamenten, +zooals dat van Barbeau's muilezel door Henri Baude. [789] Het is een +geijkte vorm. Deze vorm echter is slechts begrijpelijk, als men zich +herinnert, dat inderdaad de middeleeuwsche menschen gewoon waren, per +testament tot over het geringste van hun bezittingen afzonderlijk en +uitvoerig te beschikken. Een arme vrouw vermaakt aan haar parochie haar +zondagskleed en haar kap; haar bed aan haar petekind, een pels aan haar +verpleegster, haar daagsche rok aan een arme, en vier pond tournoois, +die haar vermogen uitmaakten, met nog een kleed en een kap aan de +Minderbroeders. [790] Is ook daarin niet een zeer alledaagsche uiting te +zien van dezelfde denkrichting, die ieder geval van deugdbetrachting als +een eeuwig exempel, elke gewoonte als een goddelijke ordinantie aanzag? +Het is dat kleven van den geest aan de bijzonderheid en waarde van het +enkele ding, dat als een ziekte den verzamelaar en den gierigaard +beheerscht. + +Al de opgesomde trekken laten zich vereenigen onder het begrip +formalisme. Het ingeschapen besef van de transcendentale wezenlijkheid +der dingen brengt mee, dat elke voorstelling in onwrikbare grenzen staat +omlijnd, geisoleerd in een plastischen vorm, _en die vorm heerscht_. +Doodzonden en dagelijksche zonden zijn naar vaste regels te onderscheiden. +Het rechtsgevoel is muurvast, het behoeft geen oogenblik te twijfelen: +de daad richt den man, zei de oude rechtsspreuk. Bij de beoordeeling van +een daad is haar formeele inhoud nog altijd hoofdzaak. Eenmaal, in het +primitieve recht van den oudgermaanschen tijd, was dat formalisme zoo +sterk geweest, dat de rechtspraak geen rekening hield met opzet of +onopzettelijkheid: de daad was de daad, en bracht als zoodanig de straf +mede, terwijl een niet voltooide daad, een poging tot misdrijf, +straffeloos was. Eerst langzamerhand dringt in het middeleeuwsche recht +de uitzondering door, dat men niet door een onwillekeurige verspreking +in het eedsformulier zijn recht verliest. De sporen van dat formalisme +in rechtzaken zijn ook in de latere Middeleeuwen nog voor 't grijpen. + +De buitengewone gevoeligheid voor de formeele eer is een verschijnsel +van die denkwijze. Te Middelburg was in 1445 heer Jan van Domburg wegens +een doodslag gevlucht in een kerk, om het asylrecht te genieten. Men +blokkeerde hem in zijn toevluchtsoord, gelijk de gewoonte was. +Herhaaldelijk zag men toen zijn zuster, een non, hem komen aansporen, +om zich liever al vechtende te laten dooden, dan de schande over zijn +geslacht te brengen van in beulshanden te vallen. En als dat tenslotte +toch is geschied, verwerft de juffer van Domburg zijn lichaam. +[791]--Bij een tournooi is het dekkleed van het paard van een edelman +versierd met 's mans wapen. Dat was zeer ongepast, vindt Olivier de la +Marche, want als het paard, "une beste irraisonnable", nu eens struikelde +en het wapen sleepte in het zand, dan was de geheele familie geblameerd. +[792]--Kort na een bezoek van den hertog van Bourgondie op Chastel en +Porcien doet aldaar een edelman in waanzin een poging tot zelfmoord. +Men is er onbeschrijfelijk ontdaan over, "et n'en savoit-on comment +porter la honte apres si grant joye demenee." Ofschoon het bekend was, +dat het in waanzin was geschied, wordt de ongelukkige, genezen, uit het +kasteel verbannen "et ahonty a tousjours." [793] + +Een treffend voorbeeld van de plastische wijze, waarop aan een behoefte +tot herstel van geschonden eer werd voldaan, levert het volgende geval. +Te Parijs was in 1478 een zekere Laurent Guernier bij vergissing +gehangen. Hij had namelijk nog juist remissie gekregen van zijn +misdrijf, maar deze was hem niet bijtijds aangezegd. Na een jaar was +dit gebleken, en werd het lichaam op verzoek van zijn broeder eervol +begraven. Voor de baar gingen vier stadsomroepers met hun ratels, het +wapen van den doode op hun borst; rondom de baar vier kaarsen en acht +fakkeldragers in rouwgewaad en met hetzelfde wapen. Zoo ging het door +Parijs van de Porte Saint Denis tot de Porte Saint Antoine, vanwaar het +vervoer naar 's mans geboorteplaats Provins begon. Een der omroepers nu +roept voortdurend: "Bonnes gens, dictes voz patenostres pour l'ame de +feu Laurent Guernier, en son vivant demourant a Provins, _qu'on a +nouvellement trouve mort soubz ung chesne_." [794] + +De sterke levenskracht van het bloedwraakprincipe, dat juist in zoo +bloeiende en hoogbeschaafde streken als Noord-Frankrijk en de Zuidelijke +Nederlanden zoo welig tierde, [795] is een andere kant van dezelfde +geestesgesteldheid. Ook die wraaklust heeft iets formeels. Men overlegt +somtijds zorgvuldig, iemand niet te dooden, en steekt hem daarom +welberaamd in dijen, armen en aangezicht; het slachtoffer moet vooral +niet zonder biecht sterven: du Clercq vertelt een geval van lieden, die +hun schoonzuster gaan vermoorden en opzettelijk een priester meebrengen. +[796] + +Het formeele karakter van zoen en wraak brengt weer mee de bevrediging +van het ongelijk door symbolische straffen of boetedoeningen. In al de +groote politieke verzoeningen der vijftiende eeuw komt een groot gewicht +toe aan dat symbolisch element: het afbreken van de huizen, die aan het +misdrijf herinnerden, het stichten van gedenkkruisen, het toemetselen +van poorten, om van openbare boetceremonien en het stichten van +zielmissen en kapellen niet te spreken. Zoo bij den eisch der Orleansen +tegen Jan zonder Vrees, zoo bij den vrede van Atrecht in 1435, bij den +zoen van het oproerige Brugge in 1437, en den zwaarderen zoen van het +opstandige Gent in 1453, waar de lange stoet, geheel in 't zwart, zonder +gordels, blootshoofds en barrevoets, de hoofdschuldigen in het hemd +vooraan, optrekt in den stortregen, om allen te zamen voor den hertog +pardon te roepen. [797]--Bij de verzoening met zijn broeder in 1469 +vraagt Lodewijk XI allereerst den ring, waarmee de bisschop van Lisieux +den prins als hertog aan Normandie heeft gehuwd, en laat dien te Rouen +in 't bijzijn van notabelen op een aambeeld breken. [798] + +Het algemeene formalisme ligt ook ten grondslag aan het geloof in de +werking van het gesproken woord, dat zich in de primitieve cultuur in +zijn volheid openbaart, en zich in de late Middeleeuwen nog handhaaft in +zegenspreuken, tooverspreuken, dingtalen. Een plechtig verzoek heeft nog +iets solemneels, iets van het dwingende van den sprookjeswensch. Wanneer +alle smeekbeden Philips den Goede niet kunnen vermurwen, om genade te +schenken aan een veroordeelde, gaat men het verzoek opdragen aan Isabella +van Bourbon, zijn geliefde schoondochter, in de hoop, dat hij het haar +niet zal kunnen weigeren,--want, zegt zij: ik heb u nog nooit iets +belangrijks gevraagd. [799] En het doel wordt bereikt.--In hetzelfde +licht is de verbazing van Gerson te beschouwen, dat ondanks alle prediking +de zeden nog niet verbeterden: ik weet niet, wat ik zeggen moet: +voortdurend worden er preeken gehouden, maar altijd tevergeefs. [800] +Onmiddellijk uit het algemeene formalisme vloeien voort die eigenschappen, +die aan den geest der latere Middeleeuwen zoo dikwijls een karakter van +holheid en oppervlakkigheid geven. Vooreerst het buitengewone simplisme in +de motiveering. Hierarchisch geanalyseerd als het begrippenstelsel was, +gegeven de plastische zelfstandigheid van elke voorstelling en de behoefte +om elk verband te verklaren uit een algemeen geldige waarheid, werkt de +causale geestesfunctie als een telefooncentrale: er kunnen steeds allerlei +verbindingen tot stand worden gebracht, maar altijd slechts van twee +nummers tegelijk. Men ziet van elken toestand, elken samenhang slechts +enkele trekken, en deze hevig geexaggereerd en bont gekleurd; het beeld +van een gebeurtenis heeft steeds de enkele zware lijnen van een primitieve +houtsnede. Een motief is steeds voldoende ter verklaring, en bij voorkeur +het algemeenste, het onmiddellijkste of het ruwste. Voor de Bourgondiers +kan het motief tot den moord op den hertog van Orleans slechts op een +grond berusten: de koning heeft den hertog van Bourgondie verzocht, den +echtbreuk der koningin met Orleans te wreken. [801] De oorzaak van den +grooten Gentschen opstand is voor het oordeel der tijdgenooten door een +vormkwestie over een briefformulier geheel voldoende aangegeven. [802] + +De middeleeuwsche geest generaliseert gereedelijk uit een geval. Olivier +de la Marche concludeert uit een geval van Engelsche onpartijdigheid uit +vroeger tijd, dat de Engelschen in die dagen deugdzaam waren, en dat dit +de oorzaak was, dat zij Frankrijk hadden kunnen veroveren. [803] De +geweldige overdrijving, die onmiddellijk voortspruit uit het te bont en +te zelfstandig zien der gevallen, wordt nog in de hand gewerkt, doordat +altijd naast het geval terstond een parallel uit de heilige geschiedenis +gereed staat, die het geval optrekt in een sfeer van hooger potentie. +Wanneer bijvoorbeeld in 1404 een processie der Parijsche studenten is +verstoord, waarbij er twee zijn gewond en van een het kleed gescheurd, +dan is voor den verontwaardigden kanselier der Universiteit de klank +van een teeder woord: "les enfans, les jolis escoliers comme agneaux +innocens", genoeg, om het geval te vergelijken met den kindermoord van +Bethlehem. [804] + +Waar voor ieder geval een verklaring zoo gemakkelijk wordt aanvaard, en, +eenmaal aanvaard, zoo vast geloofd, daar heerscht een buitengewone +gemakkelijkheid van het valsche oordeel. Indien men met Nietzsche moet +aannemen, dat "der Verzicht auf falsche Urteile das Leben unmoeglich +machen wuerde", dan kan juist daaraan voor een deel het krachtige, felle +leven, dat ons in vroeger tijden treft, worden toegeschreven. In elken +tijd, die een buitengewone spanning van alle krachten vraagt, moet het +valsche oordeel in versterkte mate de zenuwen te hulp komen. De +middeleeuwers leefden eigenlijk doorloopend in zulk een geestelijke +crisis; zij konden geen oogenblik buiten de grofste valsche oordeelen, +die onder den invloed van partijgevoel een ongeevenaarden graad van +boosaardigheid bereiken. De geheele houding van de Bourgondiers +tegenover de groote veete met Orleans getuigt ervan. De verhouding van +de aantallen gesneuvelden wordt door den overwinnaar in het belachelijke +verschoven: Chastellain laat in den slag bij Gavere vijf edelen vallen +aan de zijde van den vorst tegen 20 of 30.000 der opstandige Gentenaars. +[805] Het is een der moderne trekken van Commines, dat hij aan die +overdrijvingen niet meedoet. [806] + +Hoe is tenslotte die eigenaardige lichthoofdigheid op te vatten, die +zich in oppervlakkigheid, onnauwkeurigheid en lichtgeloovigheid bij de +latere middeleeuwers voortdurend openbaart? Het is dikwijls, alsof zij +niet de geringste behoefte hebben aan werkelijke gedachten, alsof een +voorbijglijden van ijle droombeelden voedsel voor hun geest genoeg was: +uiterlijke feiten oppervlakkig beschreven, dat is de signatuur van +schrijvers als Froissart en Monstrelet. Hoe hebben de eindelooze +onbeslissende gevechten en belegeringen, waaraan Froissart zijn gaven +heeft verspild, hun aandacht kunnen boeien? Naast de felle partijmannen +staan onder de kroniekschrijvers zij, wier politieke sympathieen in het +geheel niet zijn vast te stellen, zooals Froissart en Pierre de Fenin; +zoozeer put hun geest zich uit in het verhaal der uiterlijke +gebeurtenissen. Zij onderscheiden het belangrijke niet van het +onbelangrijke. Monstrelet is bij het onderhoud van den hertog van +Bourgondie met de gevangen Jeanne d'Arc tegenwoordig geweest, maar +herinnert zich niet, wat er gesproken werd. [807] De onnauwkeurigheid, +zelfs ten opzichte van gewichtige gebeurtenissen, waarin zij zelf +betrokken waren, kent geen grenzen. Thomas Basin, die zelf het +rehabilitatie-proces van Jeanne d'Arc leidde, laat haar in zijn kroniek +geboren zijn te Vaucouleurs, laat haar door Baudricourt zelf, dien hij +heer in plaats van kapitein der stad noemt, naar Tours brengen, vergist +zich drie maanden betreffende haar eerste samenkomst met den dauphin. +[808] Olivier de la Marche, het puik der hovelingen, vergist zich +voortdurend in de afstamming en verwantschap der hertogelijke familie, +en plaatst zelfs het huwelijk van Karel den Stoute met Margareta van +York, waarvan hij de feesten in 1468 had meegemaakt en beschreven, na +het beleg van Neuss in 1475. [809] Zelfs Commines ontkomt niet aan +dergelijke verwarringen: hij vergroot een aantal jaren herhaaldelijk met +twee; hij vertelt tot driemaal toe den dood van Adolf van Gelre. [810] + +Het gebrek aan kritische onderscheiding en de lichtgeloovigheid spreken +zoo duidelijk uit elke bladzijde der middeleeuwsche litteratuur, dat het +onnoodig is voorbeelden aan te halen. Natuurlijk bestaat hier een groot +verschil in graad al naar de ontwikkeling van den persoon. Onder het +volk der Bourgondische landen heerschte ten opzichte van Karel den +Stoute nog die eigenaardige vorm van barbaarsche lichtgeloovigheid, die +aan den dood van de indrukwekkende heerschersfiguur nooit recht gelooven +deed, zoodat men tot tien jaar na den slag van Nancy elkaar nog leende +op afbetaling, als de hertog zou terugkomen. Basin, die het meedeelt, +behandelt het als louter dwaasheid. [811] Doch bij allen vat onder den +invloed van den sterken hartstocht en de gereede verbeelding het geloof +aan de realiteit van het verbeelde zeer licht post. Bij een +geestesgesteldheid, waarin zoo sterk in zelfstandige verbeeldingen wordt +gedacht, geeft de bloote aanwezigheid van een voorstelling in den geest +een groote presumptie van geloofwaardigheid. Zoodra een denkbeeld +eenmaal met naam en vorm in het brein rondwandelt, is het als 't ware +opgenomen in het systeem van moreele en godsdienstige figuren, en deelt +onwillekeurig in hun hooge geloofwaardigheid. + +Terwijl nu aan den eenen kant de begrippen door hun scherpe omlijning, +hun hierarchisch verband en hun dikwijls anthropomorph karakter +bijzonder vast en onbewegelijk zijn, dreigt aan den anderen kant het +gevaar, dat juist in dien levendigen vorm van het begrip de inhoud zoek +raakt. Eustache Deschamps wijdt een lang, allegorisch en satirisch +leergedicht _Le Miroir de Mariage_ [812] aan de nadeelen van het +huwelijk; als hoofdpersoon treedt daarin op Franc Vouloir, door Folie +en Desir aangespoord om te trouwen, door Repertoire de science daarvan +teruggebracht. In de uiterlijke personificatie nu put zich de +voorstelling van den dichter zoozeer uit, dat zijn opvatting van wat +Franc Vouloir eigenlijk beteekent, wankelt tusschen den abstracten +vrijen wil en de vrijheid van den vroolijken jonggezel. Hetzelfde +gedicht illustreert nog in een ander opzicht, hoe in de uitgewerkte +verbeeldingen de gedachte licht bleef wankelen of zich vervluchtigde. +De toon van het gedicht is die van de bekende philisterachtige en in +den grond zinnelijke vrouwenverguizing: de bespotting van haar zwakheid, +de verdachtmaking van haar eer, waarin de gansche Middeleeuwen zich +verlustigd hebben. Voor ons gevoel dissoneert met dien toon op schrille +wijze de vrome aanprijzing van het geestelijk huwelijk en het schouwende +leven, waarop Repertoire de science zijn vriend Franc Vouloir in het +latere gedeelte van het gedicht onthaalt. [813] Even vreemd doet het +ons aan, dat de dichter door Folie en Desir soms hooge waarheden laat +bewijzen, die men van den kant der tegenpartij zou verwachten. [814] + +Hier als zoo dikwijls bij de middeleeuwsche uitingen rijst de vraag: +heeft de dichter gemeend, wat hij aanprees? Zooals men ook vragen mocht: +hebben Jean Petit en zijn Bourgondische beschermers geloofd in al de +gruwelen, waarmee zij de nagedachtenis van Orleans bekladden? Of: hebben +de vorsten en edelen ernst gezien in al de bizarre fantazie en vertooning, +waarmee zij hun ridderlijke krijgsplannen en geloften aankleedden? Het is +uiterst moeilijk, om ten opzichte van de middeleeuwsche gedachte de grenzen +tusschen overtuiging en geveinsdheid, tusschen ernst en spel zuiver te +trekken. Soms schijnt alles geveinsd, soms schijnt alles naief gemeend. + +Vermenging van ernst en spel kenmerkt de zeden op allerlei gebied. +Vooral in den oorlog wordt gaarne een komisch element gebracht: de spot +der belegerden over hun vijand, dien zij dikwijls bloedig boeten. Die +van Meaux brengen een ezel op den muur, om Hendrik V van Engeland te +hoonen; die van Conde verklaren zich nog niet te kunnen overgeven, want +zij zijn nog bezig hun paasch-pannekoeken te bakken; te Montereau +stoffen de burgers, op den muur staande, hun kaproenen af, wanneer het +kanon der belegeraars heeft losgebrand. [815] In dezelfde lijn ligt het, +wanneer het kamp van Karel den Stoute voor Neuss wordt ingericht als een +groote kermis: de edelen laten "par plaisance" hun tenten bouwen in den +vorm van kasteelen, met galerijen en tuinen; er is allerlei vermaak. +[816] + +Er is een gebied, waar die bijmenging van spot in de ernstigste dingen +bijzonder grillig aandoet: de sombere sfeer van het duivel- en +heksengeloof. Al wortelde de duivelfantazie onmiddellijk in den grooten +diepen angst, die haar voortdurend voedt, toch kleurde ook hier de +naieve verbeelding de figuren zoo kinderlijk bont, en maakt ze zoo +gemeenzaam, dat zij soms het angstwekkende verliezen. Het is niet alleen +in de litteratuur, dat de duivel als komische figuur optreedt: ook in +den gruwelijken ernst van de tooverijprocessen blijft het gezelschap van +Satan vaak breughelsch en rabelaisiaansch, en vermengt zich de helsche +zwavellucht met de veesten van de klucht. De duivelen, die een +nonnenklooster in onrust brengen, onder hun kapiteins Tahu en Gorgias, +dragen namen "assez consonnans aux noms des mondains habits, instruments +et jeux du temps present, comme Pantoufle, Courtaulx et Mornifle." [817] + +De vijftiende eeuw is die der heksenvervolgingen bij uitstek geweest. In +den tijd, waarmee wij de Middeleeuwen plegen te sluiten en blijde opzien +naar het bloeiende Humanisme, wordt de stelselmatige uitwerking van den +heksenwaan, die vreeselijke uitgroei van de middeleeuwsche gedachte, +bezegeld door den _Malleus maleficarum_ en de bul _Summis desiderantes_ +(1487 en 1484). En geen Humanisme of Hervorming keeren dien waan: geeft +niet de humanist Jean Bodin nog na het midden der zestiende eeuw in zijn +_Demonomanie_ het meeste en geleerdste voedsel aan de vervolgzucht? De +nieuwe tijd en het nieuwe weten hebben niet aanstonds den gruwel der +heksenvervolging van zich gewezen. Omgekeerd zijn de meedoogender +opvattingen omtrent hekserij, die in het laatst der zestiende eeuw door +den Gelderschen geneesheer Johannes Wier verkondigd werden, reeds in de +vijftiende eeuw ruimschoots vertegenwoordigd. + +De houding toch van den laat-middeleeuwschen geest tegenover het +bijgeloof, met name tegenover heksen en tooverij, is zeer gevarieerd en +weinig vast. Zoo hulpeloos overgeleverd aan alle spooksel en waan, als +men uit de algemeene lichtgeloovigheid en het gemis aan kritiek +verwachten zou, is de tijd niet. Er zijn tal van uitingen van twijfel of +van rationeele opvatting. Telkens weer zijn het haarden van demonomanie, +waar het kwaad uitbreekt en zich soms langen tijd handhaaft. Daar waren +toover- en heksenlanden bij uitnemendheid, meest bergstreken: Savoye, +Zwitserland, Lotharingen, Schotland. Doch ook daarbuiten komen van die +epidemieen voor. Omstreeks 1400 was het Fransche hof zelf zulk een haard +van tooverij. Een prediker waarschuwde den hofadel, dat men oppassen +moest, of de spreekwijze zou in plaats van "vieilles sorcieres" "nobles +sorciers" gaan luiden. [818] In het bijzonder rondom Lodewijk van +Orleans zweefde de atmosfeer van duivelskunsten; de beschuldigingen en +verdachtmakingen van Jean Petit misten in dit opzicht niet allen grond. +Orleans' vriend en raadsman, de oude Philippe de Mezieres, die bij de +Bourgondiers gold als de geheimzinnige inblazer van al diens misdaden, +vertelt zelf, hoe hij indertijd de tooverkunst geleerd had van een +Spanjaard, en hoeveel moeite 't hem had gekost, om die snoode kennis +weer te vergeten. Nog tien of twaalf jaar sedert hij uit Spanje weg was, +"a sa volente ne povoit pas bien extirper de son cuer les dessusdits +signes et l'effect d'iceulx contre Dieu", totdat hij eindelijk, +biechtende en zich verzettende, door Gods goedheid verlost werd "de +ceste grant folie, qui est a l'ame crestienne anemie". [819] De meesters +der tooverkunst zocht men bij voorkeur in wilde streken: een persoon, +die gaarne den duivel zou spreken en niemand kan vinden, om hem die +kunst te leeren, wordt verwezen naar "Ecosse la sauvage". [820] + +Orleans had zijn eigen heksenmeesters en nigromanciens. Een hunner, +wiens kunst hem niet voldeed, liet hij verbranden. [821] Aangemaand om +over het geoorloofde van zijn bijgeloovige praktijken het gevoelen van +godgeleerden te vragen, antwoordde hij: "Waarom zou ik denzulken vragen? +ik weet immers, dat zij het mij zouden ontraden, en toch ben ik volkomen +besloten, zoo te handelen en zoo te gelooven, en ik zal het niet +nalaten." [822]--Gerson brengt met dat hardnekkig zondigen Orleans' +plotselingen dood in verband; hij keurt ook de proeven af, om den +krankzinnigen koning door tooverij te genezen, die reeds door meer dan +een bij mislukking met den vuurdood geboet waren. [823] + +Een tooverpraktijk in het bijzonder werd aan de vorstenhoven +herhaaldelijk genoemd: die welke in het Latijn "invultare", in het +Fransch "envoutement" heette, de toeleg, over de geheele wereld bekend, +om een vijand te verderven door een gedoopt wassen beeldje of andere +figuur, in zijn naam vervloekt, te doen smelten of te doorsteken. +Philips VI van Frankrijk zou zulk een beeldje, dat hem in handen kwam, +zelf in het vuur hebben geworpen met de woorden: "Wij zullen zien, of +de duivel machtiger is om mij te verderven, dan God om mij te redden." +[824]--Ook de Bourgondische hertogen worden ermee vervolgd. "N'ay-je +devers moy--beklaagt Charolais zich bitter--les bouts de cire baptises +dyaboliquement et pleins d'abominables mysteres contre moy et autres?" +[825]--Philips de Goede, die in zoo vele opzichten tegenover zijn +koninklijke neven de meer conservatieve levensopvatting +vertegenwoordigt: in zijn zin voor ridderschap en staatsie, in zijn +kruistochtplan, in de meer ouderwetsche litteraire vormen, die hij +beschermde,--schijnt op het stuk van bijgeloof verlichter meeningen +toegedaan te zijn geweest dan het Fransche hof, met name Lodewijk XI. +Philips hecht niet aan den ongeluksdag van Onnoozele kinderen, die zich +ieder week herhaalde; hij vorscht niet naar de toekomst bij astrologen +en waarzeggers, "car en toutes choses se monstra homme de lealle entiere +foy envers Dieu, sans enquerir riens de ses secrets", zegt Chastellain, +die dat standpunt deelt. [826] Het is de hertog, wiens ingrijpen een +einde maakt aan de vreeselijke vervolgingen van heksen en toovenaars te +Atrecht in 1461, een der groote epidemieen van den heksenwaan. + +De ongeloofelijke verblinding, waarmee de heksencampagnes geleid werden, +sproot tendeele voort uit het feit, dat zich de begrippen tooverij en +ketterij vermengd hadden. In het algemeen had zich alle afschuw, vrees +en haat over ongehoorde vergrijpen, ook die buiten het directe +geloofsgebied lagen, uitgedrukt in het begrip ketterij. Monstrelet noemt +bij voorbeeld de sadistische misdaden van Gilles de Rais eenvoudig +"heresie". [827] Het gewone woord voor tooverij was in de vijftiende +eeuw in Frankrijk "vauderie", dat zijn verband met de Waldenzen verloren +had. In de groote "Vauderie d'Arras" nu ziet men zoowel den ontzettenden +ziekelijken waan, waaruit weldra de _Malleus maleficarum_ zou worden +uitgebroeid, als den algemeenen twijfel, zoo bij het volk als bij de +hooggeplaatsten, aan de werkelijkheid van al de ontdekte misdrijven. +Een der inquisiteurs beweert, dat een derde gedeelte der christenheid +met vauderie is besmet. Zijn godsvertrouwen brengt hem tot de +huiveringwekkende consequentie, dat ieder van tooverij beschuldigde ook +schuldig moet zijn. God toch laat niet toe, dat iemand ervan wordt +beschuldigd, die geen toovenaar is. "Et quand on arguoit contre lui, +fuissent clercqs ou aultres, disoit qu'on debvroit prendre iceulx +comme suspects d'estre vauldois." Houdt iemand vol, dat sommige der +verschijnselen op inbeelding berusten, dan noemt hij hem verdacht. +Ja, deze inquisiteur meende op het zien van iemand te kunnen oordeelen, +of hij bij de vauderie betrokken was of niet. Later werd de man +krankzinnig, maar de heksen en toovenaars waren verbrand. + +De stad Atrecht geraakte door de vervolgingen zoo in opspraak, dat men +haar kooplui niet meer wilde herbergen of hun crediet verleenen, uit +vrees, dat zij wellicht morgen van tooverij aangeklaagd, hun goed door +verbeurdverklaring zouden verliezen. Niettemin, zegt Jacques du Clercq, +geloofde buiten Atrecht niet een op duizend aan de waarheid van dat +alles: "oncques on n'avoit veu es marches de par decha tels cas advenu." +Als de slachtoffers bij hun terechtstelling hun euvele daden herroepen +moeten, twijfelt het volk van Atrecht zelf. Een gedicht vol haat tegen +de vervolgers beschuldigt hen, alles uit hebzucht te hebben aangespannen; +de bisschop zelf noemt het een opgezette zaak, "une chose controuvee par +aulcunes mauvaises personnes". [828] De hertog van Bourgondie roept het +advies in der faculteit van Leuven, van welke meerderen verklaren, dat +de vauderie niet reeel is, dat het enkel illusies zijn. Toen zendt +Philips zijn wapenkoning Toison d'or naar de stad, en sedert dien tijd +werden geen nieuwe slachtoffers meer gevat, en die nog in staat van +beschuldiging waren, zachter behandeld. + +Tenslotte zijn al de Atrechtsche heksenprocessen vernietigd. En de stad +vierde dat feit met een vroolijk feest en stichtelijke zinnespelen. +[829] + +De waan der heksen zelf van haar luchtritten en sabbathorgieen is niet +dan haar eigen inbeelding, dat was het standpunt, in de vijftiende eeuw +reeds door verscheidenen ingenomen. Daarmee was evenwel nog niet de rol +van den duivel geschrapt, want hij is het, die de noodlottige illusie +teweegbrengt; het is een dwaling, maar zij komt van den duivel. Dat is +ook nog het standpunt van Johannes Wier in de zestiende eeuw. Bij Martin +Lefranc, proost van de kerk van Lausanne, den dichter van het groote +werk _Le Champion des Dames_, dat hij in 1440 aan Philips den Goede +opdroeg, vindt men de volgende verlichte voorstelling van den +heksenwaan. + + "Il n'est vieille tant estou(r)dye, + Qui fist de ces choses la mendre (de geringste) + Mais pour la faire ou ardre ou pendre, + L'ennemy de nature humaine, + Qui trop de faulx engins scet tendre, + Les sens faussement lui demaine. + Il n'est ne baston ne bastonne + Sur quoy puist personne voler, + Mais quant le diable leur estonne + La teste, elles cuident aler + En quelque place pour galer + Et accomplir leur volonte. + De Romme on les orra parler, + Et sy n'y auront ja este. + * * * * * * * * * * * * + Les dyables sont tous en abisme, + --Dist Franc-Vouloir--enchaienniez (geketend) + Et n'auront turquoise ni lime + Dont soient ja desprisonnez. + Comment dont aux cristiennez + Viennent ilz faire tant de ruzes + Et tant de cas desordonnez? + Entendre ne scay tes babuzes." + +En elders in hetzelfde gedicht: + + "Je ne croiray tant que je vive + Que femme corporellement + Voit par l'air comme merle ou grive, + --Dit le Champion prestement.-- + Saint Augustin dit plainement + C'est illusion et fantosme; + Et ne le croient aultrement + Gregoire, Ambroise ne Jherosme. + Quant la pourelle est en sa couche, + Pour y dormir et reposer, + L'ennemi qui point ne se couche + Se vient encoste alle poser. + Lors illusions composer + Lui scet sy tres soubtillement, + Qu'elle croit faire ou proposer + Ce qu'elle songe seulement. + Force la vielle songera + Que sur un chat ou sur un chien + A l'assemblee s'en ira; + Mais certes il n'en sera rien: + Et sy n'est baston ne mesrien (balk) + Qui le peut ung pas enlever." [830] + * * * * * * * * * * * * + +Ook Froissart houdt het geval van den Gasconschen edelman met zijn +volggeest Horton, dat hij zoo meesterlijk beschrijft, voor een "erreur". +[831] Gerson heeft een neiging, om in de beoordeeling der duivelsche +illusien nog een schrede verder te gaan, en een natuurlijke verklaring +te zoeken voor allerlei bijgeloovige verschijnselen. Veel daarvan, zegt +hij, komt enkel voort uit de menschelijke verbeelding en melancholische +waanvoorstellingen, en deze berusten in duizenden gevallen op eenig +bederf van de verbeeldingskracht, bij voorbeeld door een inwendig letsel +der hersenen. Hierin schijnt hij zeer verlicht, evenals waar hij in het +bijgeloof een belangrijk aandeel toeschrijft aan heidensche overleefsels +en dichterlijke verzinselen. Maar hoewel Gerson toegeeft, dat veel +gewaande duivelarij aan natuurlijke oorzaken is toe te schrijven, laat +ook hij tenslotte den duivel de eer: dat inwendige hersenletsel komt +weer voort uit duivelsche illusien. [832] + +Buiten de vreeselijke sfeer der heksenvervolging werkte de Kerk met +heilzame en gepaste middelen het bijgeloof tegen. De prediker broeder +Richard laat zich de "madagoires" (mandragora, alruin) brengen, om ze te +verbranden, "que maintes sotes gens gardoient en lieux repos, et avoient +si grant foy en celle ordure, que pour vray ilz creoient fermement, que +tant comme ilz l'avoient, mais qu'il fust bien nettement en beaux +drapeaulx de soie ou de lin enveloppe, que jamais jour de leur vie ne +seroient pouvres." [833]--De burgers, die zich door een troep Zigeuners +de hand hebben laten lezen, worden geexcommuniceerd, en er wordt een +processie gehouden, om het onheil af te weren, dat uit die goddeloosheid +zou kunnen voortvloeien. [834] + +Een tractaat van Dionysius den Kartuizer toont helder aan, langs welke +lijnen de grenzen tusschen geloof en bijgeloof getrokken werden, op +welken grondslag de kerkleer ten deele verwierp, ten deele de +voorstellingen door waarlijk godsdienstigen inhoud trachtte te zuiveren. +Amuletten, besprekingen, zegenspreuken enz., zegt Dionysius, hebben in +zich zelf niet de kracht, om een uitwerking teweeg te brengen, gelijk +die wel zich hecht aan de sacramentswoorden, waaraan, indien zij met de +juiste bedoeling gesproken worden, ontwijfelbare uitwerking toekomt, +daar God aan die woorden als 't ware zijn macht verbonden heeft. De +benedicties evenwel zijn enkel te beschouwen als een nederige smeekbede, +alleen te verrichten met de gepaste vrome woorden en met de hoop alleen +op God gevestigd. Indien zij gemeenlijk effect hebben, dan is dit of +doordat, bij behoorlijke verrichting, God die uitwerking verleent, of, +worden zij anders verricht, bij voorbeeld het kruisteeken anders dan +recht gemaakt, en hebben toch niettemin uitwerking, dan is het effekt +des duivels werk. 's Duivels werken zijn geen wonderen, want de duivelen +kennen de geheime krachten der natuur; de werking is dus een natuurlijke, +evenals de voorbeduidende beteekenis van vogels enz. op natuurlijke +oorzaken berust.--Dionysius erkent, dat de volkspraktijk aan al die +zegenspreuken, amuletten enz. wel degelijk de zelfstandige waarde toekent, +die hij loochent, en meent, dat de geestelijken dan ook liever maar al +die gewoonten moesten verbieden. [835] + +In het algemeen kan men de houding tegenover alles wat bovennatuurlijk +scheen, kenschetsen als een weifelen tusschen redelijke, natuurlijke +verklaring, spontane, vrome aanvaarding en argwaan in duivelsche list en +bedrog. Het woord, dat door het gezag van Augustinus en Thomas van +Aquino was gestaafd: "Omnia quae visibiliter fiunt in hoc mundo, possunt +fieri per daemones," liet den vrome van goeden wille in groote +onzekerheid, en de gevallen, dat een arme hysterica een gansche burgerij +tijdelijk in vrome opwinding bracht en ten slotte ontmaskerd werd, zijn +niet zeldzaam. [836] + + + +NOTEN: + + +[764] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 184, 189, 242, +266. + +[765] Olivier de la Marche, l'Estat de la maison etc., t. IV p. 56, zie +dergelijke vragen hierboven blz. 60. (zie Hoofdstuk II, tekst volgend op +noot 86) + +[766] J.H. Round, The king's serjeants and officers of state with their +coronation services, London 1911, p. 41. + +[767] Le livre des trahisons, p. 27. + +[768] Rel. de S. Denis, III p. 464s, Juvenal des Ursins, p. 440; Noel +Valois, La France et le grand schisme d'occident, Paris, 1896-1902, 4 +vol., III p. 433. + +[769] Juvenal des Ursins, p. 342. + +[770] Monstrelet, I p. 177-242; Coville, Le veritable texte de la +justification du duc de Bourgogne par Jean Petit, Bibliotheque de +l'ecole des chartes, 1911, p. 57. + +[771] Leroux de Lincy, Le proverbe francais, vgl. E. Langlois, Bibl. de +l'Ecole des chartes LX, 1899, p. 569, J. Ulrich, Zeitschr. f. franz. +Sprache & Lit. XXIV, 1902, p. 191. + +[772] Achter Les Grandes chroniques de France, ed. P. Paris, IV p. 478. + +[773] Alain Chartier, ed. Duchesne p. 717. + +[774] Jean Molinet, Faictz et Dictz, ed. Parijs 1537, f. 80, 119, 152, +161, 170, 194. + +[775] Coquillart, Oeuvres, I p. 6. + +[776] Villon, ed. Long-nom, p. 134. + +[777] Roberti Gaguini, Ep. et or., ed. Thuasne, II p. 366. + +[778] Gerson, Opera, IV p. 657; ib. I p. 936; vgl. Leroux de Lincy, Le +proverbe francais, I p. lii. + +[779] Geffroi de Paris, ed. de Wailly et Delisle, Bouquet, Recueil des +Historiens des Gaules et de la France, XXII p. 87, zie index rerum et +personarum s. v. Proverbia, p. 926. + +[780] Froissart, ed. Luce, XI p. 119; ed. Kervyn, XIII p. 41, XIV p. 33, +XV p. 10; Le Jouvencel, I p. 60, 62, 63, 74, 78, 93. + +[781] Zie mijn Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, De Gids +1912, I. + +[782] Hierboven blz. 202. (zie Hoofdstuk IV, tekst volgend op noot 389) + +[783] A. Piaget, Le livre Messire Geoffroy de Charny, Romania, XXVI, +1897, p. 396. + +[784] Larbre des batailles, Paris, Michel le Noir 1515. Zie over Bonet +Molinier, Sources de l'histoire de France, no. 3694. + +[785] Chap. 35, 85 bis (de nos. 80-90 komen in de uitgave van 1515 +tweemaal voor), 124/6. + +[786] Chap. 56, 60, 84, 132. + +[787] Chap. 82, 89, 80 bis en vg. + +[788] Le Jouvencel, I p. 222, II p. 8, 93, 96, 133, 214. + +[789] Les vers de maitre Henri Baude, poete du XVe siecle, ed. Quicherat +(Tresor des pieces rares ou inedites), 1856, p. 20-25. + +[790] Champion, Villon, II p. 182. + +[791] La Marche. II p. 80. + +[792] L.c., II p. 168. + +[793] Chastellain, IV p. 169. + +[794] Chron. scand., II p. 83. + +[795] Petit-Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires +etc.; vgl. Chastellain, V p. 399 en Jacques du Clercq, passim. + +[796] Du Clercq, IV p. 264; vgl. III p. 180, 184, 206, 209. + +[797] Monstrelet, I p. 342, V p. 333; Chastellain, II p. 389; La Marche, +II p. 284, 331; Le livre des trahisons, p. 34, 226. + +[798] Quicherat, Th. Basin, I p. xliv. + +[799] Chastellain, III p. 106. + +[800] Sermo de nativ. domini, Gerson, Opera, III p. 947. + +[801] Le Pastoralet, vs. 2043. + +[802] Jean Jouffroy, Oratio, I p. 188. + +[803] La Marche, I p. 63. + +[804] Gerson, Querela nomine Universitatis etc., Opera, IV p. 574; vgl. +Rel. de S. Denis, III p. 185. + +[805] Chastellain, II p. 375, vgl. 307. + +[806] Commines, I p. 111, 363. + +[807] Monstrelet, IV p. 388. + +[808] Bassin, I p. 66. + +[809] La Marche, I p. 60, 63, 83, 88, 91, 94, 134(1); III p. 101. + +[810] Commines, I p. 170, 391, 262, 413, 460. + +[811] Basin, II p. 417, 419. + +[812] Deschamps, Oeuvres, t. IX. + +[813] L.c., p. 219ss. + +[814] L.c., p. 293ss. + +[815] Monstrelet, IV p. 93; Livre des trahisons, p. 157; Molinet, II +p. 129; vgl. du Clercq, IV p. 203, 273; Th. Pauli, p. 278. + +[816] Molinet, I p. 65. + +[817] Molinet, IV p. 417; Courtaulx = een muziekinstrument, Mornifle = +een kaartspel. + +[818] Gerson, Opera, I p. 205. + +[819] Le songe du vieil pelerin, bij Jorga, Phil. de Mezieres, p. 69(1). + +[820] Juvenal des Ursins, p. 425. + +[821] L.c., p. 415. + +[822] Gerson, Opera, I p. 206. + +[823] Gerson, Sermo coram rege Franciae, Opera, IV p. 620; Juvenal des +Ursins, p. 415, 423. + +[824] Gerson, Opera, I p. 216. + +[825] Chastellain, IV p. 324, 323, 314(1), vgl. du Clercq, III p. 236. + +[826] Chastellain, II p. 376, III p. 446, 447(1), 448, IV p. 213, V p. 32. + +[827] Monstrelet, V p. 425. + +[828] Chronique de Pierre le Pretre, bij Bourquelot, La vauderie +d'Arras, Bibliotheque de l'ecole des chartes, 2e serie, III p. 109. + +[829] Jacques du Clercq, III passim; Matthieu d'Escouchy, II p. 416ss. + +[830] Martin le Franc, Le Champion des dames, bij Bourquelot, l.c., p. 86; +bij Thuasne, Gaguin, II p. 474. + +[831] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 193. + +[832] Gerson, Contra superstitionem praesertim Innocentum, Op. I p. 205; +De erroribus circa artem magicam, I p. 211; De falsis prophetis, I p. 545; +De passionibus animae, III p. 142. + +[833] Journal d'un bourgeois, p. 236. + +[834] L.c., p. 220. + +[835] Dionysius Cartusianus, Contra vitia superstitionum quibus circa +cultum veri Dei erratur, Opera, t. XXXVI p. 211ss.; vgl. A. Franz, Die +kirchlichen Benediktionem im Mittelalter, Freiburg 1909, 2 bde. + +[836] B.v. Jacques du Clercq, III p. 104-107. + + + * * * * * + + +XII + +DE KUNST IN HET LEVEN [837] + + +De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is aan het nu +levende geslacht het best bekend uit haar beeldende kunst, en met name +haar schilderkunst. De gebroeders Van Eyck, Rogier van der Weyden en +Memlinc beheerschen voor ons het gezicht op dien tijd. Dat is niet +altijd zoo geweest. Een halve eeuw of iets meer geleden, toen men +Memlinc nog Hemlinc schreef, kende de ontwikkelde leek dien tijd in de +eerste plaats uit zijn geschiedenis, weliswaar in den regel niet uit +Monstrelet en Chastellain zelf, maar dan toch uit De Barante's _Histoire +des ducs de Bourgogne_, dat daaruit is afgeleid. En zou naast en boven +De Barante niet vooral Victor Hugo's _Notre Dame de Paris_ voor de +meesten het beeld van die tijden vertegenwoordigd hebben? + +Het beeld, dat daaruit oprees, was fel en duister. In de kroniekschrijvers +zelf en in de verwerking van hun stof door de negentiendeeeuwsche +romantiek komt bovenal het sombere en gruwelijke der late Middeleeuwen +naar voren: de bloedige wreedheid, de felle hartstocht en hebzucht, de +krijschende hoovaardij en wraakgierigheid en de jammerlijke ellende. De +lichtere kleuren werden bijgevoegd door de bonte, opgeblazen ijdelheid +der vermaarde hoffeesten met al hun geflonker van versleten allegorie en +ondragelijke weelde. + +En nu? Nu straalt voor ons over dien tijd de hooge, waardige ernst en de +diepe vrede van Van Eyck en Memlinc; die wereld van vijf eeuwen her +schijnt ons vervuld met een helderen glans van eenvoudige blijheid, een +schat van innigheid. Ons beeld ervan is van woest en donker vredig en +sereen geworden. Want wat wij naast de beeldende kunst nog weten van +andere levensuitingen dier tijden, het is alles uitdrukking van +schoonheid en stille wijsheid: de muziek van Dufay en zijn gezellen, +het woord van Ruusbroec en Thomas a Kempis. Zelfs waar de wreedheid en +ellende der tijden nog luide doorklinkt: in de geschiedenis van Jeanne +d'Arc en de poezie van Villon, gaat er toch enkel verheffing en +verteedering van die figuren uit. + +Waarop berust dat diepgaande verschil tusschen het tijdsbeeld uit de +kunst en het tijdsbeeld uit de geschiedenis en de litteratuur? Is aan +dien tijd in het bijzonder een groote onevenredigheid eigen tusschen de +verschillende gebieden en vormen van levensuiting? Was de levenssfeer, +waaruit de zuivere en innige kunst der schilders sproot, een andere en +betere dan die der vorsten, edelen en litteraten? Hooren zij bij geval +met Ruusbroec, de Windesheimers en het volkslied in een vredigen limbus +aan den rand van die bonte hel?--Of is het een algemeen verschijnsel, +dat de beeldende kunst een helderder beeld van een tijd nalaat dan het +woord der dichters en geschiedschrijvers? + +Op de laatste vraag kan het antwoord onmiddellijk bevestigend luiden. +Inderdaad, van alle vroegere beschavingen is ons beeld serener geworden +dan voorheen, sedert wij ons meer en meer van het lezen naar het kijken +gewend hebben, en het historische zintuig steeds meer visueel is +geworden. Want de beeldende kunst, waaruit wij bovenal de aanschouwing +van het verleden putten, weeklaagt niet. Uit haar vervluchtigt zich +terstond de bittere smaak van de smart der tijden, die haar hebben +voortgebracht. Maar de klacht over al het leed der wereld, in het woord +geuit, behoudt altijd haar toon van onmiddellijke smartelijkheid en +onbevredigdheid, doordringt ons altijd weer van droefheid en medelijden, +terwijl het leed, zooals de beeldende kunst het uitdrukt, terstond +overgaat in de sfeer van het elegische en den stillen vrede. + +Meent men derhalve uit de aanschouwing der kunst het volledige beeld van +een tijd in zijn werkelijkheid te putten, dan blijft een algemeene fout +in het historisch gezicht ongecorrigeerd. Ten opzichte van den +Bourgondischen tijd in het bijzonder bestaat bovendien het gevaar van +een speciale gezichtsfout: dat men namelijk de verhouding tusschen +beeldende kunst en cultuuruitdrukking in het woord niet juist ziet. + +In deze fout vervalt de beschouwer, wanneer hij er zich geen rekenschap +van geeft, dat reeds de stand der overlevering hem tegenover kunst en +litteratuur in zeer verschillende positie plaatst. De litteratuur der +late Middeleeuwen is ons, behoudens bijzondere uitzonderingen, vrijwel +volledig bekend. Wij kennen haar in haar hoogste uitingen en haar +laagste, in al haar genres en vormen, van het meest verhevene tot het +meest alledaagsche, van het vroomste tot het uitgelatenste, van het +meest theoretische tot het meest actueele. Het gansche leven van den +tijd wordt door de litteratuur weerspiegeld en uitgedrukt. En de +schriftelijke overlevering is nog niet uitgeput met de litteratuur; er +is bovendien nog alles wat de acten en bescheiden zeggen, om onze kennis +aan te vullen. Van de beeldende kunst daarentegen, die reeds door haar +aard het leven van den tijd minder direct en volledig uitdrukt, bezitten +wij niet dan een speciaal fragment. Buiten de kerkelijke kunst immers +zijn het slechts minieme resten. Alle wereldlijke beeldende kunst, alle +toegepaste kunst ontbreken bijna geheel: juist de vormen, waarin zich +de samenhang van kunstvoortbrenging en gemeenschapsleven voortdurend +openbaarde, zijn ons gebrekkig bekend. Onze kleine schat van +altaarstukken en grafmonumenten leert ons van dien samenhang lang niet +genoeg: het beeld van de kunst blijft geisoleerd staan buiten onze +kennis van het bonte leven van den tijd. Om de functie van de beeldende +kunst in de Fransch-Bourgondische samenleving, de verhouding van kunst +en leven te begrijpen, is de bewonderende aanschouwing van de bewaarde +meesterwerken niet genoeg; ook het verlorene vraagt onze aandacht. + +De kunst gaat in dien tijd nog op in het leven. Het leven staat in +sterke vormen bepaald. Het wordt bijeengehouden en gemeten door de +sacramenten der Kerk, de feesten van het jaar en de getijden des daags. +'s Levens werken en vreugden hebben alle hun vasten vorm: godsdienst, +ridderschap en hoofsche min leveren de gewichtigste vormen des levens. +De taak der kunst is, om die vormen zelf, waarin het leven verliep, met +schoonheid te versieren. Wat men zoekt, is niet de kunst zelf, maar het +schoone leven. Men treedt niet, zooals latere tijden, uit een min of +meer onverschillige levenssleur naar buiten, om tot troost en verheffing +kunst te genieten in eenzelvige contemplatie; men vindt de kunst +aangewend tot verhooging van den luister des levens zelf. Zij is bestemd +om mee te klinken in de vervoeringen van het leven, hetzij in de hoogste +vlucht van vroomheid of in het hoovaardigste genieten van het +wereldsche. Als een eigen ding van schoonheid wordt de kunst in de +Middeleeuwen nog niet begrepen. Zij is voor het overgroote deel +toegepaste kunst, ook in de voortbrengselen, die wij als zelfstandige +kunstwerken zouden aanmerken; dat wil zeggen: haar bestemming, haar +dienstbaarheid aan eenigen levensvorm is het motief, om haar te +begeeren; de zuivere schoonheidsbedoeling moge des ondanks den +scheppenden kunstenaar zelf besturen, het geschiedt half onbewust. De +eerste kiemen van een kunstliefde om haars zelfs wil doen zich voor als +woekeringen der kunst_productie_: bij vorsten en edelen hoopen zich de +kunstvoorwerpen op tot verzamelingen; nu worden zij nutteloos en geniet +men ze als weelderige curiositeit, als kostbare deelen van den +vorstelijken schat, en daaraan eerst kweekt men den eigenlijken +kunstzin, die in de Renaissance is volgroeid. + +In de groote kunstwerken der vijftiende eeuw, met name in de +altaarstukken en de grafkunst, ging voor den tijdgenoot de gewichtigheid +van het onderwerp en de bestemming ver voor de waardeering van de +schoonheid. De werken moesten schoon zijn, omdat het onderwerp zoo +heilig of de bestemming zoo verheven was. Die bestemming is altijd min +of meer een praktische. Het altaarstuk heeft een tweeledige bestemming: +het dient tot plechtig vertoon bij hooge feesten, om de vrome +aanschouwing der schare te verlevendigen, en het bewaart de herinnering +aan de vrome stichters, wier gebed blijft opgaan uit hun geknielde +beeltenis. Het is bekend, dat de Aanbidding van het Lam van Hubert en +Jan van Eyck maar heel zelden geopend werd. Wanneer de Nederlandsche +stadsmagistraten ter versiering van de vierschaar in het raadhuis +tafereelen van vermaarde vonnissen of rechtsplegingen bestelden, zooals +het oordeel van Cambyses door Gerard David te Brugge, of dat van keizer +Otto door Dirk Bouts te Leuven, of de verloren Brusselsche schilderijen +van Rogier van der Weyden, dan was het, om den rechters een plechtig en +bloedig vermaan tot hun plicht voor oogen te houden.--Hoe gevoelig men +was voor het onderwerp van wat men aan de wanden prijken zag, moge +blijken uit het volgende geval. Te Lelinghem wordt in 1384 een +samenkomst gehouden, om tot een wapenstilstand tusschen Frankrijk en +Engeland te geraken. Berry, de prachtlievende, wien dit wel was +toevertrouwd, heeft de kale muren van de oude kapel, waar de vorstelijke +onderhandelaars elkaar zullen ontmoeten, laten behangen met tapijten, +waarop veldslagen der Oudheid zijn voorgesteld. Maar toen bij het eerste +binnenkomen de hertog van Lancaster, John of Gaunt, ze aanschouwt, wil +hij, dat die tafereelen van strijd weggenomen worden: zij die naar den +vrede streven, moeten geen oorlog en vernieling voor hun oogen hebben. +En er worden andere tapijten gehangen, waarop de instrumenten van het +lijden des Heeren staan afgebeeld. [838] + +De praktische beteekenis van het onderwerp is onverbrekelijk verbonden +aan het portret, dat immers tot den huidigen dag zijn moreele waarde als +familiestuk behoudt, omdat de levensgevoelens, waaraan het dienstbaar +is, die van de ouderliefde en den familietrots, veel minder zijn +afgesleten dan de vormen van het sociale leven, waarin het +justitietafereel paste. Het portret had bovendien nog dikwijls de +bestemming tot kennismaking bij verlovingen. Met het gezantschap, dat +Philips de Goede in 1428 naar Portugal zendt, om hem een bruid te +werven, gaat ook Jan van Eyck, om de beeltenis der koningsdochter te +schilderen. Er wordt soms een fictie volgehouden, alsof de vorstelijke +bruidegom door het zien van het portret de onbekende prinses heeft +liefgekregen, zoo bij het werven van Richard II van Engeland om de +zesjarige Isabella van Frankrijk. [839] Er is zelfs wel eens sprake van +een keuze bij vergelijking naar portret. Als de jonge Karel VI van +Frankrijk een vrouw moet hebben, en men weifelt tusschen een +hertogsdochter van Beieren, Oostenrijk of Lotharingen, wordt een +uitnemend schilder gezonden, om van alle drie het portret te maken. Men +legt ze den koning voor, en hij kiest de veertienjarige Isabella van +Beieren, die hij verreweg de schoonste acht. [840] + +Nergens is de praktische bestemming van het kunstwerk zoo overwegend als +bij het grafteeken, waaraan de beeldhouwkunst van dien tijd haar +werkzaamheid bij uitstek vond. En niet alleen de beeldhouwkunst: de +hevige behoefte aan een zichtbaar beeld van den gestorvene moest ook +reeds bij de begrafenis bevredigd worden. Soms werd de doode voorgesteld +door een levend mensch: bij den lijkdienst voor Bertrand du Guesclin te +Saint Denis verschenen vier geharnaste ridders te paard in de kerk, +"representans la personne du mort quand il vivoit". [841] Een rekening +uit 1375 vermeldt van een lijkplechtigheid in het huis van Polignac: +"cinq sols a Blaise pour avoir fait le chevalier mort a la sepulture." +[842] Bij de koninklijke begrafenissen is het meestal een leeren pop, +geheel gekleed in vorstelijken staat, en waarbij naar groote gelijkenis +wordt gestreefd. [843] Soms zijn er zelfs, naar 't schijnt, meer dan een +van die beeltenissen in den stoet. De aandoening van het volk +concentreert zich op het zien van die beelden. [844] Het doodenmasker, +dat in de vijftiende eeuw in Frankrijk opkomt, heeft wellicht uit de +vervaardiging van deze lijk-staatsiepoppen zijn uitgangspunt genomen. + +De opdracht van een kunstwerk geschiedt bijna altijd met een bedoeling +voor het leven, met een praktische bestemming. Hierdoor wordt de grens +tusschen de vrij beeldende kunst en het kunsthandwerk feitelijk +uitgewischt, of liever zij is nog niet getrokken. Ook wat de personen +der kunstenaars betreft, bestaat die grens nog niet. De schaar van zeer +persoonlijke meesters in den hofdienst van Vlaanderen, Berry en +Bourgondie wisselt het schilderen van zelfstandige tafereelen niet enkel +af met het verluchten van handschriften en het polychromeeren van +beeldhouwwerk; zij moeten ook hun krachten wijden aan het beschilderen +van wapenschilden en banieren, het ontwerpen van tournooicostuums en +plechtgewaden. Melchior Broederlam, eerst schilder van den Vlaamschen +graaf Lodewijk van Male, daarna van diens schoonzoon, den eersten hertog +van Bourgondie, decoreert vijf gebeeldhouwde zetels voor 's graven huis. +Hij herstelt en beschildert de mechanieke rariteiten in het kasteel van +Hesdin, waarmee de gasten besproeid of bestoven werden. Hij werkt aan +een reiswagen der hertogin. Hij leidt de buitensporige versiering van de +vloot, die de Bourgondische hertog in 1387 verzameld had in de haven van +Sluis, voor een tocht tegen Engeland, die nimmer plaats had. Bij de +vorstelijke bruiloften en begrafenissen worden steeds de hofschilders in +het werk gesteld. In de werkplaats van Jan van Eyck werden standbeelden +beschilderd, en hij zelf vervaardigde voor hertog Philips een soort van +wereldkaart, waarop steden en landen wonderbaarlijk fijn en duidelijk +geschilderd te zien waren. Van Gerard David vindt men vermeld, dat hij +de tralies of luiken van het vertrek in het broodhuis te Brugge, waar +Maximiliaan in 1488 opgesloten zat, met schilderwerk versieren moest, +om den koninklijken gevangene het verblijf wat te veraangenamen. + +Van al het werk, dat uit de handen der groote en geringere kunstenaars +gekomen is, heeft men slechts een fragment van tamelijk specialen aard +over. Het zijn in hoofdzaak grafmonumenten, altaarstukken, portretten +en miniaturen. Van de wereldlijke schilderkunst is, buiten de portretten, +slechts zeer weinig bewaard. Van de sierkunst en het kunsthandwerk +hebben wij sommige bepaalde genres: kerkgerei, kerkgewaden, eenige +meubelkunst. Hoe zou ons inzicht in het karakter der vijftiendeeeuwsche +kunst verlengd worden, indien wij de badstoof van Jan van Eyck en zijn +jachttafereelen konden plaatsen naast de vele pieta's en madonna's. +Van geheele gebieden der toegepaste kunst hebben wij nauwelijks een +voorstelling. Naast de kerkelijke paramenten moesten wij de met juweelen +en schelletjes bezette prachtgewaden van het hof kunnen leggen. Wij +moesten de pralend getooide schepen kunnen zien, waarvan ons de +miniaturen slechts een hoogst gebrekkige, schematische voorstelling +geven. Er zijn weinig dingen, wier schoonheid Froissart zoo heeft +getroffen als van de schepen. [845] De wimpels, rijk met wapens +versierd, die van den top van den mast wapperden, waren bij wijlen zoo +lang, dat zij het water raakten. Nog op de scheepsafbeeldingen van +Pieter Breughel ziet men die buitensporig lange en breede wimpels. +Het schip van Philips den Stoute, waaraan Melchior Broederlam in 1387 +te Sluis werkte, was bedekt met blauw en goud; groote wapenschilden +versierden het paviljoen op het achterkasteel; de zeilen waren bestrooid +met margrieten en de voorletters van het hertogelijk paar, met hun +devies _Il me tarde_. Het was een wedijver onder de edelen, wie zijn +schip voor die gefaalde expeditie tegen Engeland het kostbaarst zou +versieren. De schilders hadden een goeden tijd, zegt Froissart; [846] +zij verdienden wat zij maar vragen wilden, en men kon er niet genoeg +vinden. Hij beweert, dat velen de masten geheel met bladgoud lieten +vergulden. Vooral Guy de la Tremoille spaarde geen kosten; hij besteedde +er meer dan 2000 ponden aan. "L'on ne se povoit de chose adviser pour +luy jolyer, ne deviser, que le seigneur de la Trimouille ne le feist +faire en ses nefs. Et tout ce paioient les povres gens parmy France...." + +De trek, die ons in al de verloren wereldsche sierkunst het meest zou +hebben getroffen, zou ongetwijfeld het overdadige, schitterend +extravagante zijn geweest. Ook aan de bewaarde kunstwerken is die trek +van het extravagante wel degelijk eigen, maar daar wij die eigenschap in +deze kunst het minst waardeeren, letten wij er het minst op. Wij zoeken +er enkel de diepste schoonheid in te genieten. Alles wat louter praal +en luister is, heeft voor ons zijn prikkeling verloren. Maar voor den +tijdgenoot was juist die praal en luister van ontzaglijk gewicht. + +De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is er een, +waarin pracht schoonheid wil verdrijven. De eind-middeleeuwsche kunst +weerspiegelt getrouw den eind-middeleeuwschen geest, een geest, die zijn +pad ten einde was geloopen. Wat wij hierboven beschouwden als een der +voornaamste kenmerken van het laat-middeleeuwsche denken: de uitbeelding +van al het denkbare tot in al zijn consequentie, de overvulling van den +geest met een oneindig systeem van formeele verbeeldingen, dat is ook +het wezen der kunst van dien tijd. Ook zij streeft ernaar, niets +ongevormd, niets onverbeeld of onversierd te laten. De flamboyante +gothiek is als een eindeloos orgelnaspel: zij lost alle vormen op in +zelfontbinding, geeft aan elk detail zijn voortgezette doorwerking, aan +elke lijn haar tegenlijn. Het is een ongebonden woekeren van den vorm +over de idee; het versierende detail tast alle vlakken en lijnen aan. Er +heerscht in deze kunst die horror vacui, die misschien een kenmerk van +eindigende geestesperioden mag heeten. + +Dat alles wil zeggen, dat de grenzen tusschen praal en schoonheid +verflauwen. Tooi en versiering dienen niet meer, om het natuurlijk +schoone te verheerlijken, maar overwoekeren het en dreigen het te +verstikken. Die woekering van de formeele versieringselementen over den +inhoud is des te toomeloozer, naarmate men zich verder van de zuiver +beeldende kunst verwijdert. In de beeldhouwkunst is, zoolang zij +losstaande figuren schept, voor de vormenwoekering weinig plaats: de +beelden van den Mozesput en de "plourants" van de graftomben wedijveren +in strenge, sobere natuurlijkheid met Donatello. Maar zoodra de +beeldhouwkunst een versierende taak krijgt, of in het domein van de +schilderkunst treedt, en, zich bindend aan de verminderde dimensies van +het relief, geheele tafereelen weergeeft, gaat ook zij zich te buiten +aan woelige overlading. In den tabernakel te Dijon ziet men het naast +elkaar in het snijwerk van Jacques de Baerze en het schilderwerk van +Broederlam: in het laatste, het zuiver verbeeldende, heerscht eenvoud en +rust; in het eerste, het versierende, verdringen de vormen elkaar. Van +denzelfden aard is het verschil tusschen het schilderij en het tapijt. +De weefkunst blijft door haar onvrijer techniek, ook waar zij de taak op +zich neemt van zuiver af te beelden, nader staan bij de versieringskunst, +en kan zich niet onttrekken aan de overdreven versieringsbehoefte: de +tapijten zijn overvuld met figuren en kleur. Verwijdert men zich nog +verder van de zuiver beeldende kunst, dan komt de kleeding aan de beurt. +Ook deze is ontegenzeggelijk kunst. Maar hier is ten eerste de bedoeling +van praal en tooi reeds overwegend boven die van zuivere schoonheid, en +bovendien trekt de persoonlijke hoovaardij de kleedingkunst in de sfeer +van het hartstochtelijke en zinnelijke, waar de eigenschappen, die het +wezen der hooge kunst uitmaken: de evenmaat en harmonie, bezwijken. + +De buitensporigheid der kleederdracht van 1350 tot 1480 is in zoo +algemeenen en zoo langdurigen vorm niet weer geevenaard. Er zijn ook +later extravagante modes geweest, zooals de landsknechtendracht +omstreeks 1520 en het Fransche adellijke costuum van omstreeks 1660, +maar die teugellooze overdrijving en overlading, die de Fransch- +bourgondische dracht een eeuw lang gekenmerkt heeft, blijft zonder +voorbeeld. Hier ziet men, wat de schoonheidszin dier tijden, aan zijn +ongestoorde drift overgelaten, wrocht. Een enkel hofcostuum wordt +overladen met honderden edele steenen. Alle afmetingen worden tot in het +zotte geoutreerd. Het vrouwenkapsel neemt den suikerbroodvorm van den +"hennin" aan: het haar wordt aan de slapen en bij de inplanting op het +voorhoofd verwijderd of verborgen, om de zonderling gebombeerde +voorhoofden te vertoonen, die als schoon golden; het decollete is +plotseling begonnen. Doch in de mannenkleeding zijn de buitensporigheden +nog talrijker. Hier heeft men bovenal de lange schoenpunten of +"poulaines", die de ridders bij Nicopolis zich moesten afsnijden, om te +kunnen vluchten; dan de ingesnoerde middels, de ballonachtig opgepofte +mouwen, die bij de schouders omhoog staan, de houppelandes, die tot op +de voeten hangen, en de buizen zoo kort, dat zij de billen zichtbaar +laten; de hooge, puntige of cilindervormige mutsen en hoeden, de +kaproenen wonderlijk om het hoofd gedrapeerd als een hanekam of een +vlammend vuur. Hoe plechtiger, hoe buitensporiger; want al dit fraais +beduidt staatsie, "estat". [847] Het rouwkleed, waarin Philips de Goede +na den moord van zijn vader te Troyes den koning van Engeland ontvangt, +is zoo lang, dat het van het hooge ros af, dat hij berijdt, de aarde +raakt. [848] + +De overdadige pronk heeft haar toppunt in het hoffeest. Iedereen +herinnert zich de beschrijvingen van die Bourgondische hoffeesten, +zooals het banket te Rijssel in 1454, waar de gasten bij den opgedragen +fazant hun geloften aflegden, om tegen den Turk ter kruisvaart te +trekken, of het bruiloftsfeest van Karel den Stoute en Margareta van +York te Brugge in 1468. [849] Niets kan in onze voorstelling verder af +staan van de stille wijding van het Gentsche of Leuvensche altaarstuk +dan deze uitingen van barbaarsche vorstenweelde. Uit de beschrijving +van al die "entremets" met hun pasteien, waarin muzikanten spelen, hun +opgetuigde schepen en kasteelen, de apen, walvisschen, reuzen en +dwergen, met al de afgezaagde allegorie, die daarbij hoort, kunnen wij +ze ons niet anders voorstellen dan als buitengewoon wansmakelijke +vertooningen. + +Toch zien wij hier licht de kloof tusschen de beide uitersten der kunst: +de kerkelijke en die van het hoffeest, in meer dan een opzicht te groot. +Allereerst moet men zich rekenschap geven van de functie, welke het +feest in die samenleving vervulde. Het feest had nog vrij wat behouden +van de functie, die het bij primitieve volken vervult, van te zijn de +souvereine uiting der cultuur, de vorm, waarin men gezamenlijk zijn +hoogste levensvreugde uit en zijn gemeenschapsgevoel verbeeldt. In +tijden van groote vernieuwing der gemeenschap, zooals in de Fransche +revolutie, verwerft het feest soms die belangrijke sociale en +aesthetische functie opnieuw. + +De moderne mensch kan op ieder oogenblik van rust in zelfgekozen +ontspanning individueel de bevestiging van zijn levensinzicht en de +zuiverste genieting van zijn levensvreugde zoeken. Een tijd, waarin de +geestelijke genotmiddelen nog weinig verspreid en toegankelijk zijn, +behoeft daartoe een gezamenlijke daad, het feest. En hoe grooter het +contrast is van de ellendigheid des dagelijkschen levens, des te +onmisbaarder is het feest, en des te sterker middelen zijn van noode, +om die bedwelming in schoonheid en genot, die tempering der realiteit +te ondergaan, zonder welke het leven dof is. De vijftiende eeuw nu is +een tijd van ontzettende depressie en grondig pessimisme. Hierboven is +gesproken van die eeuwige beklemming van onrecht en geweld, hel en +oordeel, pest, brand en honger, duivel en heksen, waaronder die eeuw +leeft. De arme menschheid behoeft daartegen niet alleen de dagelijks +herhaalde belofte van het hemelsch heil en van Gods wakende zorg en +goedheid; van tijd tot tijd is ook nog een plechtige en gezamenlijke, +glorieuze verzekering van de schoonheid des levens zelf noodig. Het +levensgenot in zijn primaire vormen: spel, min, drank, dans en zang, is +niet genoeg; het moet veredeld worden met schoonheid, gestyleerd in een +gemeenschappelijk vreugdebedrijf. Want voor elk voor zich: in de boeken, +of in het aanhooren van muziek, in het aanschouwen van kunst, in het +genieten der natuur, was die bevrediging nog niet bereikbaar; de boeken +waren te kostbaar, de natuur te onveilig, de kunst maakte juist deel uit +van het feest. + +Het volksfeest had zijn eigen, oorspronkelijke bronnen van schoonheid +enkel in het lied en in den dans. Voor het schoon van kleur en vorm +leunde het op het kerkfeest, waarbij het zich gewoonlijk aansloot, en +dat daarvan overvloed bood. De losmaking van het burgerlijke feest uit +den kerkelijken vorm, en de opluistering ervan met eigen sier, wordt +juist in de vijftiende eeuw door de rederijkers volbracht. Tot dusver +was alleen het vorstenhof in staat geweest, een zuiver wereldlijk feest +te tooien met weelde van kunst, er een eigen pracht aan te geven. Maar +weelde en pracht zijn voor het feest niet genoeg; niets is ervoor zoo +onmisbaar als stijl. + +Het kerkfeest had dien stijl krachtens de liturgie zelf. Daar was altijd +aanwezig de indrukwekkende verbeelding van een verheven idee in een +schoon gebaar van velen samen. De heilige waardigheid en de hooge vaste +gang werden er zelfs door de uiterste woekeringen van het feestelijk +detail, tot in het burleske toe, niet verbroken. Doch waaraan ontleende +het hoffeest zijn stijl? wat was hier de idee, die het uitdrukte?--Het +kon geen andere zijn dan het ridderideaal, want daarop berustte de +geheele levensvorm van het hof. Was aan het ridderideaal een eigen +stijl, een liturgie om zoo te zeggen, verbonden?--Ja, alles wat +ridderslag, orderegels, tournooi, preseance, hulde en dienst betrof: het +gansche spel van wapenkoningen, herauten, blazoenen, maakte dien stijl +uit. Voorzoover het hoffeest uit die elementen was opgebouwd, had het +voor de tijdgenooten wel degelijk een grooten, eerbiedwaardigen stijl. +Nu nog kan zelfs iemand zonder monarchale of adellijke geestdrift bij +het aanschouwen van elke willekeurige staatsie de huivering van zulk een +zuiver wereldsche liturgie ondergaan. Hoe moet het dan geweest zijn voor +de bevangenen in den waan van dat ridderideaal, bij de pompeuze +aankleeding met lange gewaden en schitterende kleuren! + +Maar het hoffeest wilde nog meer. Het wilde den droom van het heroische +leven tot het uiterste verbeelden. Hier nu brak de stijl. Die gansche +toestel van ridderlijke fantazie en staatsie was niet meer van echt +leven vervuld. Het was alles teveel litteratuur geworden, een vooze +renaissance en een ijdele conventie. De overlading met staatsie en +etikette moest het innerlijk verval van den levensvorm bedekken. De +ridderlijke gedachte der vijftiende eeuw zwelgt in een romantiek, die +door en door hol en versleten is. Dat was de bron, waaruit het hoffeest +de fantazie voor zijn vertooningen en verbeeldingen putten moest. Hoe +zou het stijl scheppen uit een litteratuur, zoo stijlloos, ongebonden en +verschaald als de ridderlijke romantiek in haar ontaarding? + +In dit licht moet men de schoonheidswaarde van de "entremets" bezien: +het is toegepaste litteratuur, waarbij het eenige, wat die litteratuur +nog dragelijk kon maken: haar vluchtig, oppervlakkig voortdroomen over +al haar bonte gedaanten, plaats maakt voor de opdringendheid van het +stoffelijk voorgestelde. + +De zware, barbaarsche ernst, die uit dat alles spreekt, past juist bij +het Bourgondische hof, dat door zijn aanraking met het Noorden den +luchtiger en harmonischer Franschen geest scheen te hebben verloren. +Plechtig en gewichtig wordt al die geweldige pronk opgevat. Het groote +feest van den hertog te Rijssel vormde het besluit en de bekroning van +een reeks van banketten, die de hofadel elkander in wedijver aanbood. +Het was eenvoudig begonnen, en met geringe kosten, en dan gestegen in +aantal van gasten, weelderigheid van menu en entremets; door het +aanbieden van een krans gaf de gastheer een ander de beurt; zoo ging het +over van ridders op groote heeren en van heeren op prinsen, in steeds +stijgende mate van uithaal en vertoon, totdat het eindelijk aan den +hertog zelf kwam. Voor Philips moest het meer zijn dan een schitterend +feest; daar zouden de geloften plaats hebben voor den kruistocht tegen +de Turken ter herovering van Constantinopel, een jaar tevoren gevallen: +'s hertogen luid beleden levensideaal. Ter voorbereiding wees hij een +commissie aan onder leiding van den vliesridder Jean de Lannoy. Ook +Olivier de la Marche had er zitting in. Wanneer deze in zijn +gedenkschriften tot die zaken genaderd is, wordt het hem nog plechtig te +moede. "Pour ce que grandes et honnorables oeuvres desirent loingtaine +renommee et perpetuelle memoire," aldus begint hij die groote dingen te +gedenken. [850] De eerste en nauwste raden van den hertog waren +herhaaldelijk tegenwoordig bij de beraadslagingen: de kanselier Nicolaas +Rolin zelf en Antoine de Croy, de eerste kamerheer werden ertoe +geroepen, eer men het eens was, hoe "les cerimonies et les misteres" +moesten worden opgezet. + +Het relaas van al dat fraais is zoo dikwijls gedaan, dat het hier niet +behoeft te worden herhaald. Men was zelfs van over zee gekomen, om het +schouwspel te zien. Er waren buiten de gasten tal van adellijke +toeschouwers, de meesten in vermomming. Men ging eerst rond, om de in +beeldwerk uitgevoerde, vaste pronkstukken te bewonderen; eerst later +volgden de vertooningen en tableaux-vivants van levende personen. +Olivier zelf speelde de hoofdrol, die van Sainte Eglise in het +voornaamste stuk, als deze binnenkomt in een toren op den rug van een +olifant, door een Turkschen reus geleid. Op de tafels prijkten de +geweldigste decoraties: een bemande en opgetuigde kraak, een weide +uitgemonsterd met boomen, een bron, rotsen en een beeld van Sint +Andries, het kasteel Lusignan met de fee Melusine, een windmolen, +waarbij naar den vogel geschoten werd, een bosch met bewegelijke wilde +dieren en tenslotte de kerk met een orgel en zangers, die muziek ten +beste gaven, afgewisseld door het orkest van 28 personen, dat in de +pastei zat. + +Waar het hier op aan komt, is de mate van smaak of wansmaak, die in dat +alles tot uiting kwam. In de stof zelve kunnen wij niet veel anders zien +dan een poespas van mythologische, allegorische en moraliseerende +figuren. Doch hoe was de uitvoering? Zonder twijfel werd de voornaamste +werking gezocht in het extravagante. De toren van Gorkum, die bij het +bruiloftsfeest van 1468 als tafelopzet prijkte, was 46 voet hoog. [851] +Van een walvisch, die bij diezelfde gelegenheid dienst deed, zegt La +Marche: "et certes ce fut un moult bel entremectz, car il y avoit dedans +plus de quarante personnes." [852] Voorzoover het kwistig gebruik van de +wonderen der mechaniek strekt, kunnen wij er geen denkbeeld van kunst +aan verbinden: levende vogels, die uit den muil van een draak vliegen, +dien Hercules bevecht en dergelijke verbazingwekkendheden. Het komische +element erin is van zeer laag allooi: uit den Gorkumschen toren blazen +wilde zwijnen de trompet; geiten voeren een motet uit, wolven spelen +fluit, vier groote ezels treden als zangers op, dit alles voor Karel den +Stoute, die zelf een fijn muziekkenner was. + +Toch zou ik er niet aan willen twijfelen, dat bij al die feestartikelen, +bij de vaste stukken met name, naast veel matelooze, verdwaasde pronk, +menig echt kunstwerk, is geweest. Laat ons toch niet vergeten, dat de +menschen, die aan al deze gargantueske pracht hun hart ophaalden en hun +ernstigste gedachten wijdden, de opdrachtgevers van Jan van Eyck en +Rogier van der Weyden zijn geweest. Het was de hertog zelf, het was +Rolin, de stichter van het altaar van Beaune en van Autun, Jean Chevrot, +die van de Zeven sacramenten van Rogier, de Lanoy's. En wat meer zegt: +de vervaardigers van deze of soortgelijke pronkstukken waren de +schilders zelf. Al weet men het toevallig niet van Jan of Rogier, men +weet het van anderen, hoe zij bij zulke feesten meewerkten: Colard +Marmion, Simon Marmion, Jacques Daret. Voor het feest van 1468, dat +plotseling vervroegd heette, werd, om tijdig klaar te zijn, het gansche +schildersvak gemobiliseerd: haastig werden er gezellen naar Brugge +ontboden uit Gent, Brussel, Leuven, Thienen, Bergen, Quesnoy, +Valenciennes, Douai, Kamerijk, Atrecht, Rijsel, Yperen, Kortrijk en +Oudenaarde. [853] Het kan niet ten eenenmale leelijk zijn geweest, wat +uit die handen kwam. De dertig opgetuigde schepen van het banket van +1468, met de wapens van 's hertogen heerschappijen, de zestig vrouwtjes +in verschillende landsdracht, [854] met vruchtenmandjes en vogelkooien, +die windmolen met vogelschieters,--men zou er menig middelmatig +kerkelijk stuk voor willen geven. + +Er is in die dagen nog een zekere ongescheidenheid van smaak en wansmaak +in de geesten: kunstzin en lust aan pronk en rariteiten hebben zich nog +niet van elkaar afgezonderd. De naieve fantazie kan nog ongestoord het +bizarre genieten, alsof het schoonheid was. Hooge kunst en kostbare +prullenkraam worden nog gemoedelijk dooreengemengd en gelijkelijk +bewonderd. Een verzameling als die van het Gruene Gewoelbe te Dresden +vertoont het uitgescheiden caput mortuum van de vorstelijke +kunstcollectie, waarmee zij eenmaal een geheel uitmaakte. In het kasteel +van Hesdin, schatkamer van kunstwerken en lustoord tevens, vol van die +mechanieke vermakelijkheden, "engins d'esbatement", die zoo lang bij het +vorstelijke lustverblijf zijn blijven behooren, zag Caxton een kamer, +versierd met schilderijen, die de geschiedenis voorstelden van Jason, +den held van het Gulden vlies. Ter opluistering waren er bliksem-, +donder-, sneeuw- en regeninstrumenten aangebracht, om daarmee Medea's +tooverijen na te bootsen. [855] + +Ook bij de vertooningen, "personnages", die bij vorstelijke intochten op +de hoeken der straten stonden opgesteld, kon de fantazie veel verdragen. +Naast heilige tafereelen zag men te Parijs in 1389, bij den intocht van +Isabella van Beieren als gemalin van Karel VI, een wit hert met vergulde +horens en een kroon om den hals; het ligt op een "lit de justice", en +beweegt oogen, horens, pooten, om tenslotte een zwaard omhoog te houden. +Bij denzelfden intocht daalt een engel "par engins bien faits" van de +torens der Notre Dame, dringt juist als de koningin passeert, door een +spleet in de bespanning van blauw taffetas met gouden lelien, waarmee de +geheele brug is overdekt, zet haar een kroon op het hoofd, en verdwijnt +weer, zooals hij gekomen is, "comme s'il s'en fust retourne de +soy-mesmes au ciel". [856] Philips de Goede wordt bij een intocht te +Gent op een soortgelijke nederdaling van een meisje onthaald, [857] +evenzoo Karel VIII te Reims in 1484. [858] Wij kunnen ons moeilijk iets +zotters voorstellen dan een zoogenaamd tooneelpaard, waar een man in +loopt. In de vijftiende eeuw vond men het blijkbaar niet lachwekkend, +althans Le Fevre de Saint Remy vertelt zonder een zweem van spot van een +vertooning van vier trompetters en twaalf edellieden "sur chevaulx de +artifice", "saillans et poursaillans tellement que belle chose estoit a +veoir". [859] + +De scheiding, die onze kunstzin eischt, en die de verwoestende tijd ons +heeft helpen maken tusschen al dien bizarren opschik, die spoorloos is +vergaan, en de enkele hooge kunstwerken, die ons bewaard zijn, heeft +voor den tijdgenoot nauwelijks bestaan. Het kunstleven van den +Bourgondischen tijd lag nog geheel besloten in de vormen van het +gezelschapsleven. De kunst diende. Zij had in de eerste plaats een +sociale functie, en deze is bovenal het tentoonspreiden van praal, en +het accentueeren van de persoonlijke belangrijkheid, niet van den +kunstenaar, maar van den stichter. Dit wordt niet weggenomen door het +feit, dat in de kerkelijke kunst de pralende heerlijkheid dient, om +heilige gedachten omhoog te voeren, en dat de stichter zijn persoon op +den voorgrond heeft gesteld uit vromen zin. Aan den anderen kant is de +aard van het wereldlijk schilderij volstrekt niet altijd die overdadig +hoogmoedige, die paste bij het opgeblazen hofleven. Om goed te zien, hoe +kunst en leven bij elkaar aansloten, in elkaar opgingen, missen wij veel +te veel van de omgeving, waarin de kunst geplaatst was, is onze kennis +van de kunst zelf veel te fragmentair. Hof en kerk zijn samen het leven +van den tijd nog niet. + +Daarom zijn voor ons die weinige kunstwerken van zoo bijzonder gewicht, +waarin iets van het leven buiten die twee sferen tot uiting komt. Een +straalt daaronder in ongeevenaarde kostbaarheid: het portret van het +echtpaar Arnolfini. Hier heeft men de kunst der vijftiende eeuw in haar +zuiversten vorm; hier nadert men het dichtst tot den raadselachtigen +persoon van den maker Jan van Eyck. Ditmaal behoefde hij noch de +schitterende majesteit van het goddelijke uit te drukken, noch de +hoovaardij van hooge heeren te dienen: het waren zijn vrienden, die hij +schilderde, ter gelegenheid van hun huwelijk. Is het werkelijk Jean +Arnoulphin, zooals hij in Vlaanderen heette, de koopman uit Lucca, +geweest? Dit gezicht, dat tweemaal door Van Eyck geschilderd is, [860] +schijnt wel het minst Italiaansche, dat ooit uit oogen keek. Doch de +aanduiding van het stuk als "Hernoul le fin avez sa femme dedens une +chambre" in den inventaris der schilderijen van Margareta van Oostenrijk +uit 1516 [861] blijft wel een sterk argument, om er Arnolfini in te +zien. In dat geval beschouwe men het eigenlijk niet als een "burgerlijk +portret". Want Arnolfini was een groot heer, herhaaldelijk raadsman der +hertogelijke regeering in gewichtige zaken. Hoe het zij, de man, die +hier is afgebeeld, was een vriend van Jan van Eyck. Dat getuigt die fijn +zinrijke wijze, waarop de schilder zijn werk heeft gewaarmerkt, het +opschrift boven den spiegel: "Johannes de Eyck fuit hic, 1434". Jan +van Eyck is hier geweest. Zooeven nog. In de suizende stilte van die +binnenkamer toeft nog de klank van zijn stem. De innige teerheid en de +stille vrede, zooals eerst Rembrandt ze opnieuw zal geven, liggen in dit +stuk besloten, alsof het Jan's eigen hart was. Hier is opeens die avond +der Middeleeuwen terug, dien wij kennen, en toch zoo dikwijls in de +litteratuur, de geschiedenis, het geloofsleven dier tijden vergeefs +zoeken: de gelukkige, edele, serene en eenvoudige Middeleeuw van het +volkslied en de kerkmuziek. Hoe ver zijn wij nu weer van dien schellen +lach en den toomeloozen hartstocht! + +Dan ziet wellicht onze verbeelding een Jan van Eyck, die buiten het +felle, bonte leven van zijn tijd stond, een eenvoudige, een droomer, die +met gebogen hoofd, den blik naar binnen gekeerd, door 't leven sloop. +Voorzichtig, of het wordt een kunsthistorische novelle: hoe 's hertogen +"varlet de chambre" met weerzin de hooge heeren diende, hoe zijn +kunstmakkers met diepe smart hun hooge kunst moesten verloochenen, om +mee te werken aan hoffeesten en vlootuitrusting. + +Er is niets, wat zulk een voorstelling rechtvaardigt. De kunst der Van +Eyck's, die wij bewonderen, stond midden in het hofleven, dat ons +afstoot. Het weinige wat wij van het leven dier schilders weten, toont +hen ons als lieden van de wereld. De hertog van Berry is met zijn +hofschilders op den besten voet. Froissart ontmoette hem in gemeenzaam +onderhoud met Andre Beauneveu in zijn wonderkasteel Mehun sur Yevre. +[862] De drie gebroeders van Limburg, de groote verluchters, verblijden +den hertog op nieuwjaar met een surprise: een nieuw verlucht handschrift, +dat "un livre contrefait" blijkt, "d'une piece de bois blanc paincte en +semblance d'un livre, ou il n'a nulz feuillets ne riens escript". [863] +Jan van Eyck heeft zich zonder twijfel midden in het hofleven bewogen. +Voor de geheime diplomatieke zendingen, waarmee Philips de Goede hem +belastte, was een wereldkenner noodig. Hij gold in zijn eeuw als een +geletterde, die klassieken las en meetkunde bestudeerde. Met een lichte +bizarrerie heeft hij zijn bescheiden zinspreuk "Als ik kan" in Grieksche +karakters vermomd. + +Werden wij niet door deze en dergelijke gegevens gewaarschuwd, dan +zouden wij allicht geneigd zijn, de kunst der Van Eyck's op een +verkeerde plaats in het leven der vijftiende eeuw te zien. Daar zijn in +dien tijd twee voor onzen blik scherp gescheiden levenssferen. Hier is +de cultuur van het hof, den adel en de rijke burgerij; praalziek, eer- +en hebzuchtig, kakelbont, gloeiend hartstochtelijk. Daar is de stille, +effen grijze sfeer der moderne devotie, de ernstige mannen en de gedweee +burgervrouwtjes, die hun toeverlaat zochten in de Fraterhuizen en bij de +Windesheimers, waar de verre zachte branding der _Imitatio_ fluistert, +--de sfeer ook van Ruusbroec en de heilige Colette. Dat is de sfeer, +waarin voor ons gevoel de kunst der Van Eyck's, met haar vrome, stille +mystiek, zou passen. Toch is haar plaats eer in de andere. De moderne +devoten stonden afwijzend tegenover de groote kunst, die zich in hun tijd +ontplooide. Zij verzetten zich tegen de veelstemmige muziek, zelfs tegen +de orgels, [864] terwijl het de prachtlievende Bourgondiers zijn: bisschop +David van Utrecht en Karel de Stoute zelf, die in hun kapellen de eerste +meesters als leiders hebben: Obrecht te Utrecht, Busnois bij den hertog, +die hem zelfs meeneemt naar het kamp voor Neuss. De ordinarius van +Windesheim verbood elke versiering van den zang, en Thomas a Kempis zegt: +"kunt gij niet zingen als de leeuwerik en de nachtegaal, zingt dan als de +raven en de kikvorschen in den poel, die zingen zooals God het hun gegeven +heeft." [865] Over de schilderkunst hebben zij zich uit den aard der zaak +minder uitgelaten; maar zij wilden hun boeken eenvoudig hebben, en niet +terwille van de kunst ze verluchten. [866] Hoogstwaarschijnlijk zouden zij +zelfs een werk als de Aanbidding van het Lam louter hoogmoed geacht hebben. + +Is overigens de scheiding tusschen die beide levenssferen wel zoo scherp +geweest, als wij haar zien? Hierboven is het reeds gezegd. Er zijn +talrijke aanrakingen tusschen de hofkringen en die van den streng +godsdienstigen wandel. De heilige Colette en Dionysius de Kartuizer +verkeeren met de hertogen; Margareta van York, de tweede gemalin van +Karel den Stoute, stelt levendig belang in de "gereformeerde" kloosters +van Belgie. Beatrix van Ravestein, een der eersten aan het Bourgondische +hof, draagt onder de pronkgewaden het haren kleed. "Vestue de drap d'or +et de royaux atournemens a luy duisans, et feignant estre la plus +mondaine des autres, livrant ascout a toutes paroles perdues, comme +maintes font, et monstrant de dehors de pareil usages avecques les +lascives et huiseuses, portoit journellement la haire sur sa chair nue, +jeunoit en pain et en eau mainte journee par fiction couverte, et son +mary absent couchoit en la paille de son lit mainte nuyt." [867] Den +inkeer, die voor de moderne devoten blijvende levensvorm geworden was, +kennen de groote hoovaardigen ook, doch slechts bij vlagen, als de +naweeen der overdaad. Wanneer Philips de Goede na het groote feest van +Rijsel naar Regensburg is vertrokken, om met den keizer te spreken, +begeven zich verscheiden edelen en vrouwen van het hof in de +observantie, "qui menerent moult belle et saincte vie." [868]--De +kroniekschrijvers, die met zooveel gewichtige uitvoerigheid al dien +praal en staat beschrijven, laten niet na, herhaaldelijk hun afkeer van +"pompes et beubans" te uiten. Zelfs Olivier de la Marche bepeinst na het +feest van Rijsel "les oultraigeux exces et la grant despense qui pour la +cause de ces banquetz ont este faictz." En hij vindt er geen +"entendement de vertu" in, behalve wat het entremets betreft, waarin de +Kerk optrad; doch een ander hofwijze legt hem uit, waarom dat alles zoo +had moeten zijn. [869] Lodewijk XI had uit zijn verblijf aan het hof van +Bourgondie een haat behouden tegen al wat weelde was. [870] + +De kringen, waarin en waarvoor de kunstenaars werkten, zijn gansch +andere geweest dan die der moderne devotie. Al heeft de opbloei der +schilderkunst evenzeer als die van het geloof zijn wortels in de +stedelijke samenleving, burgerlijk kan de kunst der Van Eyck's en die +hen volgen, niet meer heeten. Het hof en de adel hadden de kunst tot +zich getrokken. De verheffing der miniatuurkunst tot die hoogten van +artistieke verfijning, die het werk der gebroeders van Limburg en van de +_Heures de Turin_ kenmerkt, was zelfs aan het vorstelijk maecenaat bij +uitstek te danken. En ook de rijke burgerijen van de groote steden van +Belgie streefden zelf naar een adellijken levensvorm. Het verschil +tusschen de Zuid-nederlandsche en Fransche kunst eenerzijds, en het +weinige, wat uit de vijftiende eeuw als Noord-nederlandsch is te +beschouwen, anderzijds, kan het best worden gezien als een verschil van +milieu: daar het weelderige, rijpe leven van Brugge, Gent, Brussel, in +voortdurende aanraking met het hof; hier een afgelegen landstadje als +Haarlem, in alles veel meer verwant aan de stille IJselsteden der +moderne devotie. Indien de kunst van Dirk Bouts Haarlemsch mag heeten +(wat wij van hem hebben, is gemaakt in het Zuiden, dat ook hem getrokken +had), dan kan het slichte, strakke, ingetogene, dat zijn werk eigen is, +gelden als de echt burgerlijke uitdrukking tegenover de aristocratische +allure, den pompeuzen zwier, de praal en schittering der zuidelijke +meesters. De Haarlemsche school staat inderdaad nader tot de sfeer van +den burgerlijken levensernst. + +De werkgevers van de groote schilderkunst, voorzoover wij hen kennen, +zijn bijna zonder uitzondering de vertegenwoordigers geweest van het +groote kapitaal van die dagen. Het zijn de vorsten zelf, de hooge heeren +van het hof en de groote parvenu's, waaraan het Bourgondische tijdvak +rijk is, en die evenzeer als de anderen graviteeren naar het hof. De +Bourgondische macht berust immers juist op het indiensttrekken der +geldmachten en het scheppen van nieuwe adellijke geldmachten door +schenking en begunstiging. De levensvorm van die kringen is die van het +zwierige ridderideaal, waar men zwelgt in de staatsie van het Gulden +Vlies en de praal van feesten en tournooien. Op dat innig-vrome stuk de +Zeven sacramenten in het Antwerpsche museum wijst een wapen als den +vermoedelijken stichter den bisschop van Doornik, Jean Chevrot, aan. +Deze was naast Rolin de nauwste raadsman van den hertog, [871] ijverig +dienaar in de zaken van het Gulden Vlies en van het groote +kruistochtplan. Het type van den grooten kapitalist dier dagen is Pieter +Bladelyn, wiens stemmige figuur bekend is van het drieluik, dat het +altaar van de kerk in zijn stadje Middelburg in Vlaanderen gesierd +heeft. Van ontvanger van zijn geboortestad Brugge was hij opgeklommen +tot algemeen hertogelijk tresorier. Door zuinigheid en goede controle +bracht hij verbetering in de financien. Hij werd tresorier van het +Gulden Vlies, ridder; hij werd op de gewichtige diplomatieke zending +gebruikt, om in 1440 Charles d'Orleans uit de Engelsche gevangenschap +los te koopen; hij zou mee op den kruistocht tegen de Turken voor het +beheer der geldmiddelen. Zijn rijkdommen maakten de verbazing der +tijdgenooten gaande. Hij besteedde ze aan inpolderingen, waaraan nog de +Bladelijnspolder tusschen Sluis en Zuidzande herinnert, en aan het +stichten van een nieuwe stad, Middelburg in Vlaanderen. [872] + +Jodocus Vydt, die als stichter op het Gentsche altaarstuk prijkt, en de +kanunnik Van de Paele, behooren eveneens tot de groote rijken van dien +tijd; de Croy's en de Lannoy's zijn adellijke nouveaux riches. De +tijdgenooten zijn het meest van al getroffen geweest door de opklimming +van Nicolaas Rolin, den kanselier, "venu de petit lieu", en als jurist, +financier en diplomaat tot de hoogste diensten gebruikt. De groote +verdragen der Bourgondiers van 1419 tot 1435 zijn zijn werk geweest. +"Soloit tout gouverner tout seul et a part luy manier et porter tout, +fust de guerre, fust de paix, fust en fait des finances." [873] Hij had +door niet onverdachte middelen ontzaglijke rijkdommen opgehoopt, die hij +besteedde aan tal van stichtingen. Toch sprak men met haat van zijn +hebzucht en zijn hoogmoed. Want men geloofde niet aan den vromen zin, +die tot die stichtingen dreef. Rolin, zoo vroom geknield op het stuk van +Jan van Eyck in het Louvre, dat hij liet schilderen voor zijn +geboortestad Autun, en nogmaals vroom geknield op dat van Rogier van der +Weyden voor zijn gasthuis te Beaune, stond bekend als een, die enkel het +aardsche telt. "Hij oogstte altijd op aarde, zegt Chastellain, alsof de +aarde hem eeuwig ware, waarin hem zijn verstand afdwaalde, toen hij geen +paal en perk wilde stellen aan dat, waarvan zijn hooge jaren hem het +nabije einde voor oogen hielden." En Jacques du Clercq zegt: "Le dit +chancellier fust repute ung des sages hommes du royaume a parler +temporellement; car au regard de l'espirituel, je m'en tais". [874] + +Zal men nu in het gelaat van den stichter van La vierge au chancelier +Rolin een huichelachtig wezen gaan zoeken? Of is ook hier veeleer te +denken aan die wonderlijke tegenstrijdigheid, die samenbestaanbaarheid +van de schreeuwendste zonden van hoogmoed, hebzucht en onkuischheid met +diepe vroomheid en sterk geloof, welke hierboven als een der ethische +typen van den tijd werd gesteld? + +De schilderkunst der vijftiende eeuw ligt in de sfeer, waar de uitersten +van het mystische en het grof aardsche elkander raken. Het geloof, dat +hier spreekt, is zoo onmiddellijk, dat geen aardsche verbeelding er te +zinnelijk of te zwaar voor is. Van Eyck kan zijn engelen en goddelijke +figuren behangen met de zware praal van stijve gewaden, druipende van +goud en steenen; om naar omhoog te wijzen behoeft hij nog niet de +fladderende slippen en spartelende beenen der barok. + +Doch al is dat geloof zeer onmiddellijk en sterk, primitief is het +daarom niet. De benaming primitieven voor de schilders der vijftiende +eeuw behelst het gevaar van een misverstand. Primitief mag hier slechts +de beteekenis hebben van eerstkomend, in zooverre er geen oudere +schilderkunst bekend is, als een louter tijdrekenkundige term dus. +Gewoonlijk echter is men geneigd, daaraan tevens de voorstelling te +verbinden, alsof de geest dier kunstenaars primitief was. En dit is +volkomen onjuist. De geest van die kunst is die van het geloof zelve, +zooals hij hier boven werd beschreven: de uiterste doorwerking en +uitwerking van alles wat des geloofs is met de verbeelding. + +Eens had men de goddelijke figuren oneindig ver af gezien: strak en +star. Toen was het pathos der innigheid gekomen. Met een vloed van +tranen en gezang was het opgebloeid in de mystiek der twaalfde eeuw, +Sint Bernard bovenal. Men had de godheid bestormd met zijn snikkende +aandoening. Om toch maar beter mee te mogen voelen in het goddelijk +lijden, had men Christus en den heiligen al de kleuren en vormen +opgedrongen, die de fantazie uit het aardsche leven putte. Een stroom +van rijke menschelijke verbeelding was door alle hemelen gevloeid. En +steeds verder vlood die stroom in ontelbare kleine vertakkingen af. +In altijd verderschrijdende uitwerking was gaandeweg al het heilige +tot in de kleinste bijzonderheden in beeld gebracht. Men had met zijn +smachtende armen den hemel naar omlaag getrokken. + +Eerst was langen tijd het woord de plastische en picturale schepping +voor geweest in uitbeeldend vermogen. In de dertiende eeuw, toen de +sculptuur nog veel van het schematische der oudere voorstelling +bewaarde, door haar materieele middelen en haar kader beperkt, begonnen +reeds de _Meditationes_ van Pseudo-Bonaventura al de lijfelijke +houdingen en al de aandoeningen van het kruisdrama tot in de geringste +bijzonderheden te beschrijven. Doch inmiddels schreed ook de picturale +techniek voort; de beeldende kunst haalt den voorsprong in, en meer dan +in. Met de kunst der Van Eyck's heeft de picturale uitbeelding der +heilige dingen een graad van detailleering en naturalisme bereikt, die +misschien strikt kunsthistorisch een begin kan heeten, maar +cultuurhistorisch een einde beduidt. De uiterste spanning in het aardsch +verbeelden van het goddelijke was hier bereikt; de mystische inhoud dier +verbeelding stond gereed om uit die beelden te ontvlieden en enkel den +lust aan den bonten vorm achter te laten. + +Zoo is het naturalisme der Van Eyck's, dat men in de kunstgeschiedenis +pleegt op te vatten als een element, dat de Renaissance aankondigt, +veeleer te beschouwen als de volledige ontplooiing van den laat- +middeleeuwschen geest. Het is datzelfde natuurlijk verbeelden van het +heilige, dat waar te nemen viel in alles, wat de heiligenvereering +betreft, in de sermoenen van Johannes Brugman, in de uitgewerkte +bespiegelingen van Gerson en de beschrijvingen der hellepijn van +Dionysius den Kartuizer. + +Het is altijd weer de vorm, die den inhoud dreigt te overwoekeren, en +hem belet, zich te verjongen. In de kunst der Van Eyck's is de inhoud +nog volkomen middeleeuwsch. Nieuwe gedachten spreekt zij niet uit. Zij +is een uiterste, een eindpunt. Het middeleeuwsche begrippensysteem stond +ten hemel toe volbouwd; er viel nog slechts aan te kleuren en te +versieren. + +In de bewondering der groote schilderkunst zijn aan den tijdgenoot twee +dingen bewust geworden: de treffende voorstelling van het onderwerp en +de onbegrijpelijke kunstvaardigheid, de wonderlijke perfectie der +details, het volstrekt natuurgetrouwe. Aan den eenen kant een +waardeering, die meer in de sfeer van de vroomheid dan van de +schoonheidsontroering ligt, aan den anderen kant een naieve verbazing, +die naar onze opvattingen aan schoonheidsontroering niet toekomt. Een +Genueesch litteraat omstreeks 1450, Bartolomeo Fazio, is de eerste van +wien kunstkritische beschouwingen over werken van Jan van Eyck, ten +deele thans verloren, bekend zijn. Hij roemt de schoonheid en +eerbaarheid van een Mariafiguur, de haren van den engel Gabriel, "die +echte haren overtreffen", de heilige strengheid der askese, die uit des +Doopers aangezicht straalt, de wijze waarop een Hieronymus "leeft". +Verder bewondert hij het perspectief in Hieronymus' studeervertrek, +den zonnestraal, die door een reet valt, het spiegelbeeld van de eene +badende vrouw, de zweetdruppels op het lichaam der andere, de brandende +lamp, het landschap met wandelaars en bergen, bosschen, dorpen en +kasteelen, de eindelooze verten van het verschiet, en nogmaals den +spiegel, [875] De termen, waarin dit geschiedt, verraden louter +curiositeit en verbazing. Hij laat zich genoegelijk meedrijven op den +stroom van ongebreidelde verbeelding; naar de schoonheid van het geheel +vraagt hij niet. Dat is de nog middeleeuwsche waardeering van het +middeleeuwsche werk. + +Wanneer een eeuw later de schoonheidsopvattingen der Renaissance zijn +doorgedrongen, wordt juist die bovenmatige uitwerking van het +zelfstandige detail de Vlaamsche kunst aangerekend als haar +fundamenteele gebrek. Indien Francesco de Holanda, de Portugeesche +schilder, die zijn kunstbespiegelingen voor gesprekken met Michel Angelo +laat doorgaan, naar waarheid de meening van den machtigen meester heeft +weergegeven, dan zou deze het volgende hebben gezegd. + +"De Vlaamsche schilderkunst bevalt allen vromen beter dan de +Italiaansche. Deze laat hen nooit tranen vergieten, gene doet hen +rijkelijk weenen, en dat is geenszins het gevolg van de kracht en de +verdienste van die kunst, het is alleen te wijten aan de groote +aandoenlijkheid der vromen. De Vlaamsche schilderkunst valt in den smaak +van de vrouwen, vooral van de oudere en de heel jonge, evenals van de +monniken, de nonnen en alle voorname lieden, die niet ontvankelijk zijn +voor de ware harmonie. In Vlaanderen schildert men hoofdzakelijk, om het +uiterlijk aanzien der dingen bedriegelijk weer te geven, en meest +onderwerpen, die in vervoering brengen of onberispelijk zijn, zooals +heiligen en profeten. In den regel schilderen zij echter wat men een +landschap pleegt te noemen en daarin veel figuren. Hoewel dit het oog +aangenaam aandoet, is daarin inderdaad noch kunst noch rede; daarin is +geen symmetrie, geen verhouding; daarin heerscht geen keuze, er is geen +grootheid in, in een woord: deze schilderkunst is zonder kracht of +heerlijkheid; zij wil vele dingen tegelijk volkomen afbeelden, waarvan +een belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten aan te besteden." + +De vromen, dat zijn hier de middeleeuwschen van geest. Voor dezen groote +is de oude schoonheid een zaak der kleinen en zwakken geworden. Niet +allen oordeelden zoo. Voor Duerer en Quinten Metsys, en voor Jan van +Scorel, die de Aanbidding van het Lam heet te hebben gekust, was de oude +kunst geenszins dood. Maar het is Michel Angelo, die hier in meer +volstrekten zin de Renaissance vertegenwoordigt. Wat hij in de Vlaamsche +kunst verwerpt, het zijn juist de essentieele trekken van den +laat-middeleeuwschen geest: de heftige sentimentaliteit, het zien van +elke bijzonderheid als een zelfstandig ding, van elke waargenomen +hoedanigheid als iets wezenlijks, het opgaan in de veelheid en de +bontheid van het geziene. Daartegen verzet zich het nieuwe kunst- en +levensinzicht der Renaissance, dat, als altijd, slechts verkregen wordt +ten koste van een tijdelijke blindheid voor de schoonheid of waarheid, +die voorafging. + +De bewustheid van een aesthetisch genieten en de uitdrukking ervan in +woorden heeft zich laat ontwikkeld. Den vijftiendeeeuwer staan voor zijn +kunstbewondering nog maar de termen ten dienste, die wij verwachten van +den verbaasden burgerman. Zelfs het begrip kunstschoon kent hij nog +niet. Wat hem aan schoonheidshuivering uit de kunst doorstraalde, werd +door hem onmiddellijk omgezet of in godsvervuldheid of in levensbehagen. + +Dionysius de Kartuizer schreef een verhandeling _De venustate mundi et +pulchritudine Dei_. [876] Terstond in den titel wordt dus de ware +schoonheid enkel aan God toegekend; de wereld kan slechts "venustus", +fraai, mooi zijn. De schoonheden van het geschapene, zegt hij, zijn niet +anders dan beekjes van de opperste schoonheid; een schepsel wordt schoon +genoemd, in zooverre het iets deelachtig is van de schoonheid der +goddelijke natuur, en daardoor aan dezelve eenigermate gelijkvormig +wordt. [877]--Op deze ruime en verheven schoonheidsleer, waarmee +Dionysius steunt op den Pseudo-Areopagiet, Augustinus, Hugo van Sint +Victor en Alexander van Hales, [878] zou een zuivere ontleding van alle +schoonheid te bouwen zijn. Doch hierin schiet de geest der vijftiende +eeuw nog verre te kort. Dionysius ontleent zelfs de voorbeelden van +aardsche schoonheid: een blad, de van kleur verwisselende zee, de +woelige zee, steeds aan zijn voorgangers, met name aan die twee fijne +geesten der twaalfde eeuw uit het klooster van Sint Victor: Richard en +Hugo. Wanneer hij zelf schoonheid ontleden wil, blijft het uiterst +oppervlakkig. De kruiden zijn schoon, omdat zij groen zijn, de steenen, +omdat zij schitteren, het menschelijk lichaam, de dromedaris en de +kameel, omdat zij doelmatig zijn. De aarde is schoon, omdat zij lang en +breed is, de hemellichamen, omdat zij rond en licht zijn. In de bergen +bewonderen wij de grootte, in de rivieren de langgestrektheid, in velden +en bosschen de uitgestrektheid, in de aarde zelf de onmetelijke massa. + +Dionysius dwaalt van de aardsche schoonheid telkens terstond weer af +naar de schoonheid der engelen en van het empyreum. Of hij zoekt haar in +de abstracte dingen: de schoonheid des levens is de levenswandel zelf +volgens de leiding en het bevel der goddelijke wet, ontdaan van de +leelijkheid der zonde. Van de schoonheid der kunst spreekt hij niet, +zelfs niet van die, welke het meest als iets zelfstandigs treffen moest: +de muziek. + +Toen deze Dionysius eens de Sint Janskerk te 's Hertogenbosch was +binnengetreden, terwijl het orgel speelde, werd hij door de zoete +melodie terstond, met smeltend hart, aan zichzelf ontrukt in een +langdurige ekstase. [879] De schoonheidsaandoening werd onmiddellijk +religie. Het zal niet in hem opgekomen zijn, dat hij in de schoonheid +van muziek of afbeelding iets anders zou kunnen bewonderen dan het +heilige zelf. + +Dionysius was een dergenen, die de invoering der moderne, meerstemmige +muziek in de kerk afkeurden. Het breken der stem (fractio vocis), +spreekt hij een oudere na, schijnt het teeken eener gebroken ziel; het +is te vergelijken met gefriseerde haren bij een man of geplisseerde +kleederen bij een vrouw, louter ijdelheid. Sommigen, die zulk +veelstemmig zingen beoefend hadden, hadden hem toevertrouwd, dat daarin +een hoogmoed en een zekere wulpschheids des gemoeds (lascivia animi) +gelegen waren. Hij erkent, dat er vromen zijn, die door melodieen ten +sterkste tot contemplatie en devotie opgewekt worden, weshalve de Kerk +orgels toelaat. Maar indien de kunstige muziek dient om het gehoor te +behagen, en vooral om de aanwezigen, de vrouwen met name, te vermaken, +dan is zij zonder twijfel verwerpelijk. [880] + +Men ziet hier, hoe de middeleeuwsche geest, wanneer hij het wezen der +muzikale aandoening wil beschrijven, nog geen andere termen vindt dan +die van zondige beroeringen: een hoogmoed en een zekere wulpschheid des +gemoeds. + +Over de muzikale aesthetiek werd voortdurend veel geschreven. Men bouwde +daarbij in den regel voort op de niet meer begrepen muziektheorieen der +Oudheid. Maar over de wijze, waarop muzikale schoonheid werkelijk +genoten werd, leeren ons de tractaten tenslotte niet veel. Wanneer het +er op aan kwam, wat men in muziek eigenlijk mooi vond, dan blijft het +bij vage uitingen, die in hun aard sterk verwant zijn aan de uitdrukking +van de bewondering der schilderkunst. Aan den eenen kant is het de +hemelsche verblijding, die men in muziek geniet, aan den anderen kant de +treffende nabootsing, die men erin bewondert. Alles werkte ertoe mee, om +den overgang van muzikale ontroering tot hemelsche genieting voor den +geest haast onmiddellijk te maken; het was hier niet een afbeelden van +heilige dingen, zooals bij de schilderkunst, maar een afschaduwing van +de hemelvreugde zelf. Wanneer de brave Molinet, die blijkbaar zelf veel +van muziek heeft gehouden, vertelt, hoe Karel de Stoute, een groot +muziekliefhebber zooals bekend is, in zijn legerkamp voor Neuss zich +onledig hield met litteratuur en vooral met muziek, dan juicht zijn +rederijkersgemoed: "Car musique est la resonnance des cieux, la voix des +anges, la joie de paradis, l'espoir de l'air, l'organe de l'Eglise, le +chant des oyselets, la recreacion de tous cueurs tristes et desoles, la +persecution et enchassement des diables." [881]--Het ekstatische element +in het muziekgenieten werd natuurlijk zeer goed gekend. "De kracht der +harmonieen, zegt Pierre d'Ailly, ontrukt de menschelijke ziel zoozeer +tot zich, dat zij die niet alleen onttrekt aan andere hartstochten en +zorgen, maar ook aan zichzelve." [882] + +Bewonderde men in de schilderkunst de treffende nabootsing van de +voorwerpen der natuur, in de muziek was het gevaar, dat men in +nabootsing de schoonheid ging zoeken, nog grooter. Want de muziek had +reeds lang van haar expressieve middelen een ijverig gebruik gemaakt. +De caccia, die oorspronkelijk een jacht voorstelde, is er het bekendste +voorbeeld van. Olivier de la Marche vertelt, hoe hij er in een de kleine +hondjes keffen en de doggen bassen hoorde en trompetgeschal, alsof men +in het bosch was. [883] Vogelgeluiden, straatroepen, het slaggewoel +werden in muzikalen vorm weergegeven. + +De theoretische analyse van het schoone is dus gebrekkig, de uitdrukking +der bewondering is oppervlakkig. In het eerste komt men niet veel +verder, dan dat ter verklaring van de schoonheid de begrippen van maat, +sierlijkheid, orde, grootte, doelmatigheid ervoor in de plaats worden +gesteld. En bovenal dat van schittering, licht. Om de schoonheid te +verklaren van de dingen des geestes, herleidt Dionysius ze tot licht: +het verstand is een licht, de wijsheid, de wetenschap, de kunstvaardigheid +zijn niet anders dan lichtvormige glanzen, die met hun klaarheid den geest +verlichten. [884] + +Wanneer men het schoonheidsgevoel dier tijden naspeurt, niet in hun +bepaling van het begrip der schoonheid, noch in hetgeen zij van hun +aandoening zeggen over schilderkunst en muziek, maar in hun spontane +uitingen van blijde schoonheidsontroering, dan treft het, hoe die +uitingen bijna altijd gewaarwordingen gelden van schittering of van +levendige beweging. + +Froissart komt zelden onder een schoonheidsindruk; hij had het er te +druk voor met zijn eindelooze verhalen; maar er is een schouwspel, dat +hem altijd weer woorden van blijde verrukking ontlokt: schepen op het +water met wapperende vlaggen en wimpels, waarvan de kleurige blazoenen +schitteren in de zon. Of het is het spel van de zonnestralen op helmen, +harnassen, lanspunten, vaantjes en banieren van een optrekkende +ruitertroep. [885] Eustache Deschamps bewondert het schoone van +draaiende molens, en van de zon in een dauwdruppel; La Marche merkt op, +hoe mooi het zonlicht op de blonde haren schijnt van een troep Duitsche +en Boheemsche ridders. [886]--Met die bewondering voor wat schittert +staat ook de versiering der kleeding in verband, die in de vijftiende +eeuw nog voornamelijk gezocht wordt in het opzetten van een overmatig +groot aantal edele steenen. Eerst later maken deze plaats voor linten +en strikken. Om die schittering nog met geklink te verhoogen, draagt +men schelletjes of geldstukken. La Hire draagt een rooden mantel geheel +beladen met groote zilveren koeklokken. De kapitein Salazar verschijnt +bij een intocht van 1465 met twintig geharnasten, wier paarden alle +bedekt zijn met groote zilveren klokken; op het dekkleed van zijn eigen +paard is aan elk der figuren, waarmee het bezaaid is, een groote schel +van verguld zilver gehecht. Bij den intocht van Lodewijk XI te Parijs in +1461 dragen de paarden van Charolais, Croy, Saint Pol en anderen op hun +dekkleeden tal van groote klokken; dat van Charolais draagt er een op +den rug, die tusschen vier pijlertjes hangt. Karel de Stoute verschijnt +op een tournooi in een feestgewaad bedekt met rinkelende rijnsguldens; +Engelsche edelen dragen hun kleed bezet met gouden nobels. [887] Op het +bruiloftsfeest van den graaf van Geneve te Chambery in 1434 voert een +groep van heeren en dames een dans uit, allen gekleed in het wit, bedekt +met "or clinquant", de heeren bovendien met breede gordels vol +schelletjes. [888] + +Hetzelfde naieve behagen aan wat sterk de aandacht trekt, is ook op te +merken in den kleurenzin van den tijd. Om dezen volledig te bepalen, zou +een uitgebreid en statistisch onderzoek noodig zijn, dat zoowel de +kleurenschaal der beeldende kunst als die van kleeding en +versieringskunst betrof: wat de kleeding aangaat, zou zij meer uit de +talrijke beschrijvingen op te maken zijn, dan uit de schaars bewaarde +overblijfselen van stoffen. Hier volgen enkel eenige voorloopige +indrukken, gewonnen uit de beschrijving der kleedij bij tournooien en +intochten. Men heeft hier dus te doen met praal- en staatsiegewaden, +waarin natuurlijk een andere toonaard heerscht dan in de dagelijksche +kleeding. De gewone kleeding maakt reeds zeer veel gebruik van grijs, +zwart en paars. [889] Wat in de feest- en staatsiekleeding in de eerste +plaats treft, is het overheerschen van het rood. Niemand zal het +trouwens van dezen rooden tijd anders verwachten. Intochten zijn +dikwijls geheel in rood uitgemonsterd. [890] Daarnaast bekleedt het wit +als uniforme feestkleur een groote plaats. In de nevenschikking van +kleuren wordt elke combinatie geduld: rood-blauw, blauw-violet komen +voor. Op een feestvertooning, die La Marche beschrijft, verschijnt een +meisje in violette zijde op een hakkenei met een dekkleed van blauwe +zijde, geleid door drie mannen in vermiljoenroode zijde met kaproenen +van groene zijde. [891] Een voorliefde voor somber-gloeiende en +dof-bonte kleurschikkingen schijnt niet te miskennen. + +Opmerkelijk is, dat als hoofdkleur van den dos het zwart en het violet +veel grooter plaats innemen dan het groen en blauw, terwijl geel en +bruin bijna geheel ontbreken. Het zwart, vooral in fluweel gebruikt, +vertegenwoordigt ontegenzeggelijk de trotsche, sombere praal, die de +tijd bemint, den hoogmoedigen afstand van het vroolijk bonte, dat alom +schatert. Philips de Goede gaat na de jaren zijner jeugd altijd in 't +zwart, en dost er ook zijn gevolg en zijn paarden in. [892] Koning Rene, +die nog ijveriger naar distinctie en verfijning zocht, gebruikt als +kleuren grijs-wit-zwart. [893] + +De geringe plaats van het blauw en het groen moet overigens niet geheel +als een directe uiting van den kleurenzin worden verklaard. Onder al de +kleuren hadden vooral blauw en groen hun symbolisch gewicht, en die +beteekenis was zoo bijzonder, dat zij daardoor als kleuren van kleeding +bijna onbruikbaar werden. Beide toch waren het de kleuren der liefde: +groen verbeeldde de verliefdheid, blauw de trouw. [894] Of beter gezegd, +zij waren bij uitstek de kleuren der liefde, want ook de andere kleuren +konden dienst doen in de symboliek der minne. Deschamps zegt van de +minnaars: + + "Li uns se vest pour li de vert, + L'autre de bleu, l'autre de blanc, + L'autre s'en vest vermeil com sanc, + Et cilz qui plus la veult avoir + Pour son grant dueil s'en vest de noir." [895] + +Doch het groen was toch inzonderheid de kleur van de jonge, hoopvolle +liefde: + + "Il te fauldra de vert vestir, + C'est la livree aux amoureulx." [896] + +Daarom behoort ook de dolende ridder in 't groen gekleed te gaan. +[897]--Met blauwe kleeding betoogt de minnaar zijn trouw; daarom laat +Christine de Pisan de dame antwoorden, als de minnaar op zijn blauwe dos +wijst: + + "Au bleu vestir ne tient mie le fait, + N'a devises porter, d'amer sa dame, + Mais au servir de loyal cuer parfait + Elle sans plus, et la garder de blasme + ... La gist l'amour, non pas au bleu porter, + Mais puet estre que plusieurs le meffait + De faulsete cuident couvrir soubz lame + Par bleu porter...." [898] + +Daar ligt waarschijnlijk meteen de verklaring, waarom de blauwe kleur, +geveinsd gebruikt, ook de ontrouw ging beduiden, en met een overspringing +niet alleen de trouwelooze maar ook den bedrogene toekwam. De blauwe huik +beduidt in het Nederlandsch de echtbreekster, en de "cote bleue" is het +gewaad van den bedrogene: + + "Que cils qui m'a de cote bleue arme + Et fait monstrer au doy, soit occis." [899] + +Of hieruit weer de beteekenis van het blauw als kleur der dwaasheid in +het algemeen te verklaren is, immers de "blauwe scute" beduidt het +vehikel der mallen, blijve in het midden. + +Wanneer geel en bruin zoozeer op den achtergrond blijven, dan zal +daarbij de tegenzin tegen deze kleuren om hun kleurqualiteit, dus de +directe kleurenzin, wel met hun negatieve symbolische beteekenis +oorzakelijk samenhangen: met andere woorden, men hield niet van geel +en bruin, omdat men ze leelijk vond, en men kende er een ongunstige +beteekenis aan toe, omdat men ze leelijk vond. De ongelukkig gehuwde +zegt: + + "Sur toute couleur j'ayme la tennee + Pour ce que je l'ayme m'en suys habillee, + Et toutes les aultres ay mis en obly. + Hellas! mes amours ne sont pas ycy." + +Of in een ander liedje: + + "Gris et tannee puis bien porter + Car ennuye suis d'esperance". [900] + +Het grijs komt, in tegenstelling met het bruin, overigens veel in de +feestkleedij voor; het had als kleur der treurigheid waarschijnlijk een +meer elegische nuance dan het bruin. + +Het geel had reeds de beteekenis van vijandschap. Hendrik van Wurtemberg +trekt den hertog van Bourgondie voorbij, met zijn gansche gevolg in het +geel gedost, "et fut le duc adverty que c'estoit contre luy." [901] + +Een oppervlakkige indruk, dat na het midden der vijftiende eeuw wit en +zwart afnemende zijn, terwijl blauw en geel toenemen, zou nadere +bevestiging behoeven. + + + +NOTEN: + + +[837] De Hoofdstukken XII en XIII vormen een omwerking en uitbreiding +van het essay: De kunst der Van Eyck's in het leven van hun tijd. De +Gids 1916, no. 6 en 7. + +[838] Rel. de S. Denis, II p. 78. + +[839] Rel. de S. Denis, II p. 413. + +[840] L.c., I p. 358. + +[841] Rel. de S. Denis, I p. 600; Juvenal des Ursins, p. 379. + +[842] La Curne de Ste Palaye, I p. 388; vgl. ook Journal d'un bourgeois +de Paris, p. 67. + +[843] Bourgeois de Paris, p. 179 (Karel VI); 309 (Isabella van Beieren); +Chastellain, IV p. 42, (Karel VII), I p. 332 (Henry V); Lefevre de S. +Remy, II p. 65; M. d'Escouchy, II p. 424, 432; Chron. scand., I p. 21; +Jean Chartier, p. 319 (Karel VII); Quatrebarbes, Oeuvres du roi Rene, I +p. 129; Gaguini compendium super Francorum gestis, ed. Paris, 1500, +begrafenis van Karel VIII, f. 164. + +[844] Martial d'Auvergne, Vigilles de Charles VII. Les poesies de +Martial de Paris, dit d'Auvergne, Paris 1724, 2 vol., II p. 170. + +[845] B.v. Froissart, ed. Luce, VIII p. 43. + +[846] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 367. Een variant leest "proviseurs" +voor "peintres", maar het zinsverband maakt het laatste aannemelijker. + +[847] Pierre de Fenin, p. 624 van Bonne d'Artois: "et avec ce ne portoit +point d'estat sur son chief comment autres dames a elle pareilles". + +[848] La livre des trahisons, p. 156. + +[849] Chastellain, III p. 375; La Marche, II p. 340, III p. 165; +d'Escouchy, II p. 116; Laborde, II; zie Molinier, Les sources de l'hist. +de France, nos. 3645, 3661, 3663, 5030; Inv. des arch. du Nord, IV p. 195. + +[850] La Marche, II p. 340ss. + +[851] Laborde, II p. 326. + +[852] La Marche, III p. 197. + +[853] Laborde, II p. 375, no. 4880. + +[854] Laborde, II p. 322, 329. + +[855] Chastellain. V p. 26(2), Doutrepont, p. 156. + +[856] Juvenal des Ursins, p. 378. + +[857] Jacques du Clercq, II p. 280. + +[858] Foulquart, bij d'Hericault, Oeuvres de Coquillart, I p. 23(1). + +[859] Lefevre de S. Remy, II p. 291. + +[860] Londen, National gallery; Berlijn, Kaiser Friedrich Museum. + +[861] W.H.J. Weale, Hubert and John van Eyck, Their life and work, +London-New York, 1908, p. 70(1). + +[862] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 197. + +[863] P. Durrieu, Les tres richcs heures de Jean de France, duc de Berry +(Heures de Chantilly), Paris, 1904, p. 81. + +[864] Moll, Kerkgesch. II(3) p. 313 vg.; J.G.R. Acquoy, Het klooster +van Windesheim en zijn invloed, Utrecht, 1875-'80, 3 vol., II p. 249. + +[865] Th. a Kempis, Sermones ad novitios no. 28, Opera ed. Pohl. t. VI +p. 287. + +[866] Moll, l.c., II(2) p. 321, Acquoy. l.c., p. 222. + +[867] Chastellain. IV p. 218. + +[868] La Marche, II p. 398. + +[869] La Marche, II p. 369. + +[870] Chastellain, IV p. 136, 275, 359, 361, V p. 225; du Clercq, IV p. 7. + +[871] Chastellain. III p. 332; du Clercq, III p. 56. + +[872] Chastellain, V p. 44, II p. 281; La Marche, II p. 85; du Clercq, +III p. 56. + +[873] Chastellain, III p. 330. + +[874] du Clercq, III p. 203. + +[875] Facius, Liber de viris illustribus, ed. 1745, p. 46, bij Weale, +Hubert and John van Eyck, p. lxxiii. + +[876] Dion. Cartus., Opera, t. XXXIV p. 223. + +[877] L.c., p. 247, 230. + +[878] O. Zoeckler, Dionys des Kartaeusers Schrift De venustate mundi, +Beitrag zur Vorgeschichte der Asthetik, Theol. Studien und Kritiken, +1881, p. 651. + +[879] Dion. Cart., Opera, t. I Vita p. xxxvi. + +[880] Dion. Cart., De vita canonicorum, art. 20, Opera, t. XXXVII, p. 197: +An discantus in divino obsequio sit commendabilis. + +[881] Molinet, I p. 73; vgl. 67. + +[882] Petri Alliaci De falsis prophetis, bij Gerson, Opera, I p. 538. + +[883] La Marche, II p. 361. + +[884] De venustate etc., t. XXXIV p. 242. + +[885] Froissart, ed. Luce, IV p. 90, VIII p. 43, 58, XI p. 53, 129; ed. +Kervyn, XI p. 340, 360, XIII p. 150, XIV p. 157, 215. + +[886] Deschamps, I p. 155; II p. 211, II no. 307, p. 208; La Marche, I +p. 274. + +[887] Livre des trahisons, p. 150, 156; La Marche, II p. 12, 347, III +p. 127, 89; Chastellain, IV p. 44; Chron. scand., I p. 26, 126. + +[888] Lefevre de S. Remy, II p. 294, 296. + +[889] Couderc, Les comptes d'un grand couturier parisien au XVe siecle, +Bulletin de la soc. de l'hist. de Paris. XXXVIII, 1911, p. 125ss. + +[890] b.v. Monstrelet. V p. 2; du Clercq, I p. 348. + +[891] La Marche, II p. 343. + +[892] Chastellain, VII p. 223; La Marche, I p. 276, II p. 11, 68, 345; +du Clercq, II p. 197; Jean Germain, Liber de virtutibus, p. 11; +Jouffroy, Oratio, p. 173. + +[893] d'Escouchy, I p. 234. + +[894] Zie hierboven p. 201. (zie Hoofdstuk IV, noot 384) + +[895] Le miroir de mariage, XVII vs. 1650; Deschamps, Oeuvres, IX p. 57. + +[896] Chansons francaises du quinzieme siecle, ed. G. Paris, (Soc. des +anciens textes francais), 1875, no. XLX, p. 50; vgl. Deschamps, no. 415, +III p. 217, no. 419, ib. p. 223, no. 423, ib. p. 227, no. 481, ib. p. 302, +no. 728, IV p. 199; l'Amant rendu cordelier, h. 62, p. 23; Molinet, +Faictz et Dictz, fol. 176. + +[897] Blason des couleurs van den heraut Sicile (bij La Curne de Sainte +Palaye, Memoires sur l'ancienne chevalerie II p. 56). Dit tractaat, dat +nog door Rabelais wordt bespot als het eertijds toonaangevende op het +stuk van de beteekenis der kleuren, was mij helaas niet toegankelijk. + +[898] Cent balades d'amant et de dame no. 92, Christine de Pisan, +Oeuvres poetiques, III p. 299. Vgl. Deschamps, X no. 52; L'histoire et +plaisante cronicque du petit Jehan de Saintre, ed. G. Helleny, Paris, +1890. p. 415. + +[899] Le Pastoralet, vs. 2054, p. 636; vgl. Les cent nouvelles +nouvelles, II p. 118: "craindroit tres fort estre du rang des bleuz +vestuz, qu'on appelle communement noz amis." + +[900] Chansons du XVe siecle, no. 5, p. 5, no. 87, p. 85. + +[901] La Marche, II p. 207. + + + * * * * * + + +XIII + +HET BEELD EN HET WOORD + + +De nieuwe gedachten, die straks als Renaissance en Hervorming aan het +firmament zullen staan, vinden in de Fransch-Nederlandsche kunst en +litteratuur der vijftiende eeuw nog zoo goed als geen uitdrukking. +De beeldende kunst en de letterkunde dienen nog uitsluitend den geest, +die afstervende is: den geest der eindigende Middeleeuwen. Zij vinden +nauwelijks een andere taak dan het volkomen uitbeelden en versieren van +lang doordachte voorstellingen. De gedachte schijnt uitgeput, de geest +wacht nieuwe bevruchting. + +In perioden, waarin de schepping van schoonheid zich bepaalt tot louter +omschrijving en uitdrukking van reeds bezonken en doorwerkt gedachten- +materiaal, krijgt de beeldende kunst een dieper waarde dan de litteratuur. +Dat geldt niet voor den tijdgenoot. Voor hem heeft de gedachte, al +bloeit zij niet meer, nog zooveel treffends en belangrijks, dat hij haar +in den versierden vorm, waarin de litteratuur haar kleedt, bemint en +bewondert. Al de voor ons zoo hopeloos eentonige en oppervlakkige +gedichten, waarin de vijftiende eeuw haar lied zingt, zijn door de +tijdgenooten met veel uitbundiger lof bedacht, dan zij aan eenig +schilderstuk hebben gewijd. De diepe gevoelswaarde van de beeldende +kunst is hun nog niet bewust geworden, althans niet zoo, dat zij die +konden uitdrukken. + +Het feit, dat uit het overgroote deel dier litteratuur voor ons alle +geur en heerlijkheid geweken is, terwijl de kunst ons dieper roert dan +mogelijk ooit den tijdgenoot, valt te verklaren uit het fundamenteele +verschil van de werking van kunst en woord. Het zou te gemakkelijk en +tevens te onbegrijpelijk zijn, indien men het zocht in de hoedanigheid +der talenten: zoo, dat de dichters, met uitzondering van Villon en +Charles d'Orleans, louter conventioneele leeghoofden geweest zouden +zijn, en de schilders genieen. + +Waar twee hetzelfde doen, is het niet hetzelfde. Als de schilder zich +bepaalt tot het eenvoudig weergeven eener uiterlijke werkelijkheid in +lijn en kleur, dan legt hij toch steeds achter die louter formeele +nabootsing een overschot van het onuitgesprokene en onuitsprekelijke. +Maar de dichter, die niet hooger poogt dan een zichtbare of reeds +doordachte werkelijkheid in het woord uit te drukken, put in het woord +den schat van het onuitgesprokene uit. Het kan zijn, dat rythme en klank +daarin nieuwe onuitgesproken schoonheid brengt. Maar zijn ook deze +elementen zwak, dan behoudt het gedicht zijn werking slechts zoo lang, +als de gedachte zelf den hoorder boeit. De tijdgenoot reageert nog op +het woord van den dichter met een drom van levende associaties, want de +gedachte zit in zijn leven geweven, en hij waant haar nieuw en bloeiend +in den tooi van het nieuw gevonden woord. + +Doch als de gedachte niet meer treft om haarzelve, dan heeft het +gedicht, tenzij het onuitgesproken rijkdom heeft, zijn werking verloren. +De litteratuur der vijftiende eeuw nu heeft nauwelijks een waarlijk +nieuwe gedachte. Het is een eindeloos postludeeren op afgezaagde +thema's. Daarbij heeft zij veelal geringe qualiteiten van rythme en +klank. Waaraan zou het gedicht dan zijn duurzame werking kunnen +ontleenen? + +De tijd voor den schilder van zulk een geestestijdperk komt eerst later. +Want hij leeft van den schat van het uitgesprokene, en het is de volheid +van dien schat, welke de diepste en duurzaamste werking van alle kunst +bepaalt. Aanschouw de portretten van Jan van Eyck. Hier is het spitse, +zuinige gezicht van zijn vrouw. Daar is de strakke, morose aristocratenkop +van Baudouin de Lannoy. Daar is de huiveringwekkende gesloten tronie van +den kanunnik Van de Paele. Daar is de ziekelijke gelatenheid van den +Berlijnschen Arnolfini, de Egyptische geheimzinnigheid van "Leal souvenir". +In allen ligt het wonder van de tot den bodem gepeilde persoonlijkheid. +Het is de diepste karakterschildering, die mogelijk is: gezien, +onuitgesproken. Al ware Jan van Eyck tevens de grootste dichter van zijn +eeuw geweest, de geheimenis, die hij in het beeld openbaarde, zou hij in +het woord niet hebben kunnen benaderen. + +Dat is de diepste grond, waarom er, bij gelijkheid van houding en geest, +tusschen kunst en litteratuur der vijftiende eeuw geen evenredigheid te +verwachten is. Is eenmaal dit verschil erkend, dan blijkt bij een +vergelijking van de litteraire en de picturale uitdrukking aan bepaalde +voorbeelden, en in bijzonderheden, de gelijksoortigheid toch weer veel +grooter, dan zij aanvankelijk scheen. + +Indien men aan de eene zijde als de meest representatieve kunstuiting +het werk der Van Eyck's en hun volgers kiest, welke voortbrengselen der +letterkunde moeten dan daarnevens worden gesteld, om zuiver te kunnen +vergelijken? Niet in de eerste plaats die, welke dezelfde onderwerpen +behandelen, maar die welke ontspringen aan dezelfde bronnen, voortkomen +uit dezelfde levenssfeer. Dat is, gelijk hierboven werd aangetoond, +de sfeer van het weelderige hof en de rijke, grootdoende burgerij. +De letterkunde, die op een lijn staat met de kunst der Van Eyck's, +is de hoofsche, althans aristocratische letterkunde, in het Fransch +geschreven, gelezen en bewonderd door de kringen, die de opdrachten +gaven aan de groote schilders. + +Schijnbaar is hier een groot contrast, dat bijna elke vergelijking +doelloos maakt: de stof der schilderkunst is overwegend godsdienstig, +die der Fransch-Bourgondische letterkunde overwegend wereldsch. Doch +naar twee zijden is hier onze blik te kort: in de beeldende kunst heeft +eenmaal het wereldlijk element een veel breeder plaats ingenomen, dan +het bewaarde ons doet vermoeden, en in de litteratuur pleegt onze +aandacht te sterk bepaald te worden bij de wereldlijke genres. Het +minnedicht, de uitloopers van den _Roman de la rose_, de afleggers van +den ridderroman, de opkomende novelle, de satire, de geschiedschrijvers, +dat zijn de uitingen, waarmee de litteratuurgeschiedenis zich in de +eerste plaats bezig houdt. De schilderkunst, dat is voor ons allereerst +de diepe ernst van het altaarstuk en het portret; de litteratuur, dat is +allereerst de wulpsche glimlach der erotische satire en de eentonige +gruwelen der kroniek. Het is bijna, alsof die eeuw slechts haar deugden +geschilderd en haar zonden beschreven had. Doch ook naar den kant der +litteratuur is zulk een blik te beperkt. Niet alleen namen in de rijke +boekerij der Bourgondische hertogen de vrome boeken nog altijd de +voornaamste plaats in, maar ook in de wereldsche letterkunde zelve doet +het vrome, stichtelijke en moraliseerende element zich voortdurend +gelden, vaak te midden van de grootste frivoliteit. + +Gaan wij nog eenmaal uit van de sterke onevenredigheid van werking, die +kunst en litteratuur der vijftiende eeuw in ons teweegbrengen. Met +uitzondering van enkele dichters, werkt de litteratuur vermoeiend en +vervelend. Eindeloos uitgesponnen allegorieen, waarin geen figuur iets +nieuws of eigens vertoont, en waarvan de inhoud niet anders is dan de +lang gebottelde en vaak verschaalde zedelijke wijsheid van eeuwen her. +Altijd weer dezelfde formeele thema's: de slaper in den boomgaard, waar +hem een zinnebeeldige dame verschijnt, de ochtendwandeling in den jongen +Mei, het twistgesprek tusschen de dame en den minnaar of tusschen twee +vriendinnen of welke andere combinatie ook over een punt uit de +casuistiek der liefde. Wanhopige oppervlakkigheid, klatergoud van +stijlversiering, bloemzoet romantisme, versleten fantazie, nuchtere +moralisatie:--steeds weer komt bij ons de verzuchting op: Zijn dit de +tijdgenooten van Jan van Eyck? Zou hij dit alles bewonderd hebben?--Zeer +waarschijnlijk wel. Het is niet vreemder, dan dat Bach zich behielp met +de kleinburgerlijkste rijmelaars van een rheumatisch kerkgeloof. + +De tijdgenoot, die de werken der kunst ziet geboren worden, neemt ze +alle gelijkelijk op in zijn levensdroom. Hij waardeert ze niet op hun +objectieve aesthetische volmaaktheid, maar op de volheid van weerklank, +dien zij wekken door de heiligheid of de hartstochtelijke levendheid van +hun stof. Wanneer met den tijd die oude levensdroom is voorbijgegaan, +en de heiligheid en de hartstocht zijn vergaan als de geur van een roos, +dan eerst begint het kunstwerk zuiver als kunst te werken, dat wil +zeggen door zijn middelen van uitdrukking, door zijn stijl, zijn bouw, +zijn harmonie. Deze kunnen ten opzichte van beeldende kunst en +litteratuur feitelijk dezelfde zijn en toch het aanzijn geven aan een +geheel verschillende kunstwaarde. + +Litteratuur en kunst der vijftiende eeuw deelen beide in die algemeene +eigenschap, die hierboven als een der meest essentieele van den +laat-middeleeuwschen geest werd aangemerkt: de volledige uitwerking van +alle bijzonderheden, de zucht om geen gedachte of voorstelling, die zich +opdrong, onontplooid te laten, om alles in zijn scherpste zichtbaarheid +en doordachtheid te verbeelden. Erasmus vertelt, dat hij eens te Parijs +een geestelijke veertig dagen lang hoorde preeken over de gelijkenis van +den verloren zoon, om daarmee den ganschen vastentijd te vullen. Hij +beschreef de heenreis en de terugreis, hoe hij nu eens in een herberg +middagmaalde met tongenpastei, dan weer een watermolen voorbijkwam, dan +dobbelde, dan in een gaarkeuken afstapte, en hij wrong de woorden van de +profeten en evangelisten, om op die verzonnen beuzelpraatjes te slaan. +"En daarmee leek hij aan de onervaren schare en aan de vette groote +heeren een god gelijk." [902] + +Die eigenschap der ongebreidelde uitwerking worde hier eenigermate +analyseerend gedemonstreerd aan twee schilderijen van Jan van Eyck. +Vooreerst de Madonna van den kanselier Rolin in het Louvre. + +De pijnlijke nauwgezetheid, waarmee de stof der gewaden, het marmer van +de vloertegels en zuilen, de glinstering der vensterruiten, het misboek +van den kanselier zijn behandeld, zou ons bij ieder ander dan Van Eyck +de qualificatie schoolmeesterachtig ontlokken. Er is zelfs een detail, +waarin de overmatige geacheveerdheid werkelijk storend werkt: de +versiering der kapiteelen, waarop in den hoek als 't ware tusschen +haakjes de verdrijving uit het Paradijs, het offer van Cain en Abel, het +verlaten der arke Noach's en de zonde van Cham zijn verbeeld. Doch eerst +buiten de open hal, die de hoofdfiguren omhult, bereikt de lust aan de +uitwerking der details zijn volle kracht. Daar ontrolt zich als doorkijk +door de kolonnade het wonderbaarlijkste vergezicht, dat Van Eyck ooit +heeft geschilderd. De beschrijving ervan moge ontleend worden aan +Durand-Greville. [903] + +"Si, attire par la curiosite, on a l'imprudence de l'approcher d'un peu +trop pres, c'est fini, on est pris pour tout le temps que peut durer +l'effort d'une attention soutenue; on s'extasie devant la finesse du +detail; on regarde, fleuron a fleuron, la couronne de la Vierge, une +orfevrerie de reve; figure a figure, les groupes qui remplissent, sans +les alourdir les chapiteaux des piliers; fleur a fleur, feuille a +feuille, les richesses du parterre; l'oeil stupefait decouvre, entre la +tete de l'enfant divin et l'epaule de la Vierge, dans une ville pleine +de pignons et d'elegants clochers, une grande eglise aux nombreux +contreforts, une vaste place coupee en deux dans toute sa largeur par +un escalier ou vont, viennent, courent d'innombrables petits coups de +pinceau qui sont autant de figures vivantes; il est attire par un pont +en dos d'ane charge de groupes qui se pressent et s'entrecroisent; il +suit les meandres d'un fleuve sillonne de barques minuscules, au milieu +duquel, dans une ile plus petite que l'ongle d'un doigt d'enfant, se +dresse, entoure d'arbres, un chateau seigneurial aux nombreux +clochetons; il parcourt, sur la gauche, un quai plante d'arbres, peuple +de promeneurs; il va toujours plus loin, franchit une a une les croupes +de collines verdoyantes; se repose un moment sur une ligne lointaine de +montagnes neigeuses, pour se perdre ensuite dans l'infini d'un ciel a +peine bleu, ou s'estompent de flottantes nuees." + +En nu het wonder: in dit alles gaat, anders dan Michel Angelo's discipel +beweerde, de eenheid en harmonie niet te loor. "Et quand le jour tombe, +une minute avant que la voix des gardiens ne vienne mettre fin a votre +contemplation, voyez comme le chef d'oeuvre se transfigure dans la +douceur du crepuscule; comme son ciel devient encore plus profond; comme +la scene principale, dont les couleurs se sont evanouies, se plonge dans +l'infini mystere de l'Harmonie et de l'Unite...." + +Een ander stuk, dat zich voor de beschouwing van de eigenschap der +onbeperkte detailleering bijzonder leent, is de Annunciatie in de +Ermitage te Petrograd. Wanneer het drieluik, waarvan dit stuk het +rechterblind uitmaakt, in zijn geheel heeft bestaan, welk een +wonderrijke schepping moet het zijn geweest! Het is, alsof Van Eyck hier +al de voor niets terugschrikkende virtuositeit van den meester, die +alles kan en alles durft, heeft willen uitvoeren. Het is tegelijk het +meest primitieve, meest hieratische van zijn werken en het meest +geraffineerde. De boodschap van den Engel wordt niet gebracht in de +intimiteit van de binnenkamer (het tooneel, waarvan de gansche +binnenhuisschildering haar oorsprong nam), maar, zooals de vormencode +van de oudere kunst het had voorgeschreven, in een kerk. In houding en +gelaatsuitdrukking missen beide figuren de zachte gevoeligheid der +Annunciatie op den buitenkant van het Lam. Het is een staatsiebuiging, +waarmee de Engel Maria begroet, en hij komt niet met den lelietak zooals +daar, niet met het hoofd omgord door een smallen diadeem, doch met een +schepter en een rijke kroon, en op zijn aangezicht de strakke, +aeginetische lach. In gloeiende kleurenpracht en schittering van +paarlen, goud en gesteente overtreft hij alle engelfiguren, die Van Eyck +schilderde. Groen en goud het kleed, donkerrood en goud de brokaatmantel, +en de vleugelen bezet met pauweveeren. Het boek voor Maria, het kussen +op de schemel zijn weer met de doordringendste zorg afgewerkt. In het +kerkgebouw zijn de details met een anecdotische uitvoerigheid aangebracht. +De vloersteenen vertoonen behalve de teekenen van den dierenriem, waarvan +er vijf zichtbaar zijn, drie tafereelen uit de geschiedenis van Simson en +een uit die van David. De achterwand van de kerkruimte is versierd met +beeltenissen van Isaac en Jacob in medaillons tusschen de bogen, van +Christus op den aardbol met twee Seraphs in een glasvenster geheel bovenin, +en daarnaast als muurschilderingen nog het vinden van het kind Mozes, en +het ontvangen van de tafelen der wet, alles opgehelderd door leesbare +opschriften. Eerst in de vakken van de houten zoldering wordt de decoratie, +die ook daar nog is aangeduid, onduidelijk voor het oog. + +En dan weer het wonder: bij die opeenhooping van uitgewerkte bijzonderheden +gaat evenmin als bij de Madonna van Rolin de eenheid van toon en stemming +verloren. Daar was het de vroolijkheid van een helder buitenlicht, dat den +blik over de hoofdvoorstelling heen in wijde verten trok; hier hult de +geheimzinnigste donkerte van het hooge kerkgebouw het geheel in zulk een +waas van ernst en mysterie, dat het oog schier met moeite de anecdotische +details komt te ontwaren. + +Ziedaar het effekt der "ongebreidelde uitwerking" in de schilderkunst. +De schilder, deze schilder, kon binnen een ruimte van nog geen halven +vierkanten meter zijn ongebondensten lust tot detailleering den vrijen +loop laten, (of moet het zijn: aan de lastigste opdrachten van een +ondeskundigen vrome voldoen?), zonder ons meer te vermoeien dan een blik +op het levend gewemel der werkelijkheid het zelve doet. Want het bleef +een blik; de dwang der dimensien legde beperking op, en het doordringen +in de schoonheid en de bijzonderheid van dat alles, wat afgebeeld staat, +geschiedt zonder denkinspanning; veel geacheveerdheden worden niet eens +opgemerkt, of verdwijnen terstond weer uit het bewustzijn, en werken +enkel coloristisch of perspectivisch. + +Wanneer men die algemeene eigenschap "oneindige uitwerking der +bijzonderheden" ook aan de litteratuur der vijftiende eeuw toekent, dan +is het in anderen zin. Niet in den zin van een ragfijn detailleerend +naturalisme, dat zich vermeit in de uitvoerige beschrijving van het +uiterlijk der dingen. Zoo kent deze letterkunde haar nog niet. De +natuur- en persoonsbeschrijving werkt nog met de eenvoudige middelen der +middeleeuwsche poezie: de afzonderlijke objecten, die tot de stemming +van den dichter meewerken, worden vermeld, niet beschreven; het +substantief overheerscht het adjectief; enkel de hoofdqualiteiten +dier objecten, b.v. de kleuren, het geluid, worden geconstateerd. +De ongebreidelde uitwerking der bijzonderheden is in de litteraire +verbeelding meer quantitatief dan qualitatief; zij bestaat meer in het +opsommen van zeer vele objecten dan in het ontleden van de hoedanigheid +der objecten afzonderlijk. De dichter verstaat de kunst van weglaten +niet, hij kent het ledige vlak niet, hij mist het orgaan voor het effekt +van het verzwegene. Dit geldt evenzeer de gedachten, die hij uitdrukt, +als de beelden, die hij oproept. Ook de gedachten, doorgaans zeer +eenvoudig, die het onderwerp wekt, worden in de uiterste volledigheid +opgesomd. Het geheele raam van het dichtwerk is evenzeer overvuld met +details als het schilderstuk. Hoe komt het nu, dat daar die overvuldheid +zoo veel minder harmonisch werkt? + +Dit is tot zekere hoogte zoo op te vatten, dat de verhouding van +hoofdzaak en bijzaken ten opzichte van de poezie juist andersom is als +ten opzichte der schilderkunst. In het schilderij is het verschil +tusschen hoofdzaak (dat is: de adequate uitdrukking van het onderwerp) +en bijwerk gering. Alles is er essentieel. Een enkel detail kan voor ons +de volkomenste harmonie van het werk bepalen. + +Is het in de schilderkunst der vijftiende eeuw wel in de eerste plaats +de diepe vroomheid, dus de adequate uitdrukking van het onderwerp, welke +wij bewonderen? Neem het Gentsche altaar. Hoe weinig aandacht trekken +de groote figuren van God Vader, Maria en Johannes den Dooper. In het +hoofdtafereel gaat onze blik steeds weer van het Lam, de centrale +voorstelling, de hoofdzaak van het kunstwerk, terzijde naar de stoeten +der aanbidders, naar den achtergrond, naar de natuurschildering. En nog +meer daarbuiten wordt de blik getrokken naar Adam en Eva, naar de +portretten der stichters. Al ligt dan althans in het tafereel der +Annunciatie de innige, ernstige bekoring in de figuren van den engel en +de maagd, dus in het expressief-vrome, zelfs daar verblijdt ons haast +nog meer het koperen keteltje en de doorkijk in de zonnige straat. Het +zijn de details, die voor den maker louter bijwerk waren, welke hier +doen bloeien in zijn stillen schijn het mysterie van het alledaagsche, +de onmiddellijke aandoening over het wonder van alle dingen, en dat +verbeeld. Er is, tenzij wij voor het Lam komen met een primair +godsdienstige waardeering, geen verschil tusschen onze kunstemotie over +de heilige voorstelling van de aanbidding der eucharistie, en over het +vischstalletje van Emanuel de Witte in het Museum Boymans. + +Nu is juist in het detail de schilder volkomen vrij. Wat de hoofdzaak +betreft, de voorstelling van het heilige onderwerp, is hem een strenge +conventie opgelegd; elk kerkelijk tafereel heeft zijn iconografischen +code, waarvan geen afwijking wordt gedoogd. Maar hij behoudt een +onbegrensd veld voor de vrije ontplooiing van zijn scheppingslust. +In de gewaden, de accessoires, den achtergrond kan hij ongehinderd en +ongedwongen doen, wat des schilders is: schilderen namelijk, door geen +conventie belemmerd, geven wat hij ziet en zooals hij 't ziet. De +hechte, strakke bouw van het heilige tafereel draagt den rijkdom der +details als een lichten schat, als een vrouw bloemen op haar kleed. + +In de poezie der vijftiende eeuw nu is de verhouding in zekeren zin +andersom. In de hoofdzaak is de dichter vrij; hij mag een nieuwe +gedachte vinden, als hij kan, terwijl juist het detail, de achtergrond, +in hooge mate door conventie beheerscht worden. Er bestaat voor ongeveer +alle bijzonderheden een norm van uitdrukking, een schablone, die men +ongaarne prijsgeeft. Bloemen, natuurgenot, smarten en vreugden, ze +hebben hun geijkte uitdrukkingsvormen, waaraan de dichter wat poetsen en +kleuren kan, zonder ze te vernieuwen. + +Hij poetst en kleurt in het oneindige, want hij mist de heilzame +beperking, die den schilder is opgelegd door het te vullen vlak; des +dichters vlak is altijd onbeperkt. Hij is vrij van de beperking der +materieele middelen, en juist wegens die vrijheid moet hij naar +verhouding een grooter geest zijn dan de schilder, om iets goeds te +maken. Ook de middelmatige schilders blijven een vreugde voor het +nageslacht, maar de middelmatige dichter zinkt in vergetelheid. + +Om het effekt der "ongebreidelde uitwerking" aan een dichtwerk der +vijftiende eeuw te demonstreeren, zou men er eigenlijk een in zijn +geheel (en ze zijn lang!) op den voet moeten volgen. Daar dit niet +mogelijk is, mogen enkele staaltjes volstaan. + +Alain Chartier gold in zijn tijd als een der grootste dichters; hij is +vergeleken met Petrarca; nog Clement Marot telt hem onder de eersten. +Van de vereering, die hij genoot, getuigt het verhaaltje, dat hierboven +reeds werd meegedeeld. [904] Men mag hem dus, uitgaande van zijn tijd +zelf, naast een der grootste schilders plaatsen. Het begin van zijn +gedicht _Le livre des quatre dames_, een samenspraak van vier +edelvrouwen, wier minnaars bij Azincourt gestreden hebben, geeft, zooals +de regel is, het landschap, den achtergrond van het beeld. [905] Dit +landschap zij vergeleken met het welbekende landschap van het Gentsche +altaarstuk: de wonderlijke bloemenweide met haar minutieus uitgevoerde +vegetatie, met de kerktorens achter de lommerige heuvelkruinen, een +voorbeeld van de ongebreideldste uitwerking. + +De dichter gaat den lentemorgen in, om zijn langdurige zwaarmoedigheid +te verdrijven. + + "Pour oublier melencolie, + Et pour faire chiere plus lie, + Ung doulx matin aux champs issy, + Au premier jour qu' amours ralie + Les cueurs en la saison jolie...." + +Dit is alles louter conventioneel, en geen schoonheid van rythme of +klank verheft het boven het glad-middelmatige. Nu komt de schildering +van den lentemorgen. + + "Tout autour oiseaulx voletoient, + Et si tres-doulcement chantoient, + Qu'il n'est cueur qui n'en fust joyeulx. + Et en chantant en l'air montoient, + Et puis l'un l'autre surmontoient + A l'estrivee a qui mieulx mieulx. + Le temps n'estoit mie nueux, + De bleu estoient vestuz les cieux, + Et le beau soleil cler luisoit." + +De eenvoudige vermelding van de heerlijkheden van tijd en plaats zou +hier zeer goed werken, wanneer de dichter zich had weten te beperken. Er +is wel een bekoring in het heel simpele van dit natuurgedicht, maar het +mist elken sterken _vorm_. In een sukkeldraf gaat de opsomming voort; na +een nadere beschrijving van het vogelgezang volgt: + + "Les arbres regarday flourir, + Et lievres et connins courir. + Du printemps tout s'esjouyssoit. + La sembloit amour seignourir. + Nul n'y peult vieillir ne mourir, + Ce me semble, tant qu'il y soit. + Des erbes ung flair doulx issoit, + Que l'air sery adoulcissoit, + Et en bruiant par la valee + Ung petit ruisselet passoit, + Qui les pays amoitissoit, + Dont l'eaue n'estoit pas salee. + La buvoient les oysillons, + Apres ce que des grisillons, + Des mouschettes et papillons + Ilz avoient pris leur pasture. + Lasniers, aoutours, esmerillons + Vy, et mouches aux aguillons, + Qui de beau miel paveillons + Firent aux arbres par mesure. + De l'autre part fut la closture + D'ung pre gracieux, ou nature + Sema les fleurs sur la verdure, + Blanches, jaunes, rouges et perses. + D'arbres flouriz fut la ceinture, + Aussi blancs que se neige pure + Les couvroit, ce sembloit paincture, + Tant y eut de couleurs diverses." + +Een beekje murmelt over kiezelsteenen; visschen zwemmen erin, een +boschje spreidt zijn takken als groene gordijnen over den oever. En +opnieuw volgt een opsomming van vogels: daar nestelen eenden, duiven, +reigers, fazanten. + +Wat is het effekt van de uitgebreide uitwerking van het natuurtafereel +in het gedicht, vergeleken met het schilderstuk, de uitdrukking derhalve +van eenzelfde inspiratie met verschillende middelen?--Dat de schilder +door den aard van zijn kunst gedwongen is tot eenvoudige natuurgetrouwheid, +terwijl de dichter zich verliest in vormlooze oppervlakkigheid en het +opsommen van conventioneele motieven. + +De poezie staat in dit opzicht niet zoo na aan de schilderkunst als het +proza. Dit laatste is minder gebonden aan bepaalde motieven. Het beoogt +soms nadrukkelijker de nauwkeurige weergave van een geziene werkelijkheid. +Het voert die uit met vrijer middelen. Daardoor vertoont het proza +misschien beter dan de poezie de diepere verwantschap van litteratuur en +kunst. + +De grondtrek van den laat-middeleeuwschen geest is zijn overmatig +visueel karakter. Deze staat in nauw verband met de atrophieering der +gedachte. Er wordt in gezichtsvoorstellingen gedacht. Alles wat men +uitdrukken wil, wordt neergelegd in een zichtbaar beeld. De volstrekte +gedachtenleegheid van de allegorische vertooningen of gedichten kon +worden geduld, omdat de bevrediging geheel in het geziene lag. De +neiging om het uiterlijk zichtbare onmiddellijk weer te geven vond een +sterker en volkomener uiting door picturale middelen dan door +litteraire. En eveneens een sterker uiting door de middelen van het +proza dan door die der poezie. Vandaar dat het proza der vijftiende eeuw +in vele opzichten middenevenredig staat tusschen de schilderkunst en de +poezie. Alle drie hebben zij gemeen de onbeteugelde uitwerking der +bijzonderheden, maar deze leidt in de schilderkunst en het proza tot een +direct realisme, dat de poezie niet kent, zonder dat zij er veel beters +voor in de plaats heeft. + +Het is met name een schrijver, in wiens werken dezelfde kristalheldere +visie op het uiterlijk der dingen ons treft, die Van Eyck heeft bezeten, +namelijk Georges Chastellain. Hij was een Vlaming uit het land van +Aalst. Al noemt hij zich "leal Francois", "Francois de naissance", het +schijnt wel, dat het Dietsch toch zijn moedertaal is geweest. La Marche +noemt hem "natif Flameng, toutesfois mettant par escript en langaige +franchois". Hij zelf stelt met nederig welgevallen zijn Vlaamsche +eigenschappen van grove landelijkheid in het licht; hij spreekt van +"sa brute langue", noemt zich "homme flandrin, homme de palus bestiaux, +ygnorant, bloisant de langue, gras de bouche et de palat et tout +enfangie d'autres povretes corporelles a la nature de la terre." [906] +Aan dien volksaard dankt hij den al te zwaren cothurnengang van zijn +opgesierd proza, die plechtstatige "grandiloquence", welke hem voor +Fransche lezers altijd min of meer ongenietbaar maakt. Zijn prachtstijl +heeft een zekere elefantische plompheid; hij heet met recht bij een +tijdgenoot "cette grosse cloche si haut sonnant." [907]--Doch aan zijn +Vlaamschen aard dankt hij wellicht ook het scherp geziene en de sappige +kleurigheid, waarmee hij herhaaldelijk aan hedendaagsche Belgische +schrijvers doet denken. + +Tusschen Chastellain en Jan van Eyck is onmiskenbare verwantschap, bij +verschil in hoogheid. Van Eyck op zijn slechtst is ongeveer Chastellain +op zijn best, en het is al wel, om in het mindere Van Eyck te evenaren. +Ik denk bij voorbeeld aan de zingende engelen op het Gentsche altaarstuk. +Die zware gewaden, vol donker rood en goud en fonkelende steenen, die al +te uitdrukkelijke grimas, die ietwat beuzelachtige versiering van den +muzieklessenaar, dat vertegenwoordigt in de schilderkunst de pronkende +grootsprakigheid van den litterairen Bourgondischen hofstijl. Doch terwijl +in de schilderkunst dit rhetorische element een ondergeschikte plaats +inneemt, is het hoofdzaak in het proza van Chastellain. Zijn scherpe +observatie en levend realisme verdrinkt veelal in den vloed van al te +fraai aangekleede frazen en ronkende woordenpraal. + +Zoodra evenwel Chastellain een gebeurtenis beschrijft, die zijn +Vlaamschen geest bijzonder boeit, komt er bij alle statigheid een +directe, beeldende forschheid in zijn verhaal, die het uiterst treffend +maakt. Van gedachte is hij niet rijker dan zijn tijdgenooten; het is de +lang rondgegane pasmunt van godsdienstige, zedelijke en ridderlijke +overtuigingen, die bij hem als gedachte fungeert. De voorstelling +verloopt geheel aan de oppervlakte. Doch de verbeelding is scherp en +levend. + +Zijn portret van Philips den Goede heeft bijna de onmiddellijkheid van +een Van Eyck. [908] Met de behagelijkheid van een chroniqueur, die in +zijn hart novellist is, heeft hij een bijzonder uitvoerig verhaal +gegeven van een twist tusschen den hertog en zijn zoon Karel uit het +begin van het jaar 1457. Nergens komt zijn sterk visueel opnemen van de +dingen zoo goed uit; al de uiterlijke omstandigheden van deze gebeurtenis +zijn met volmaakte scherpte weergegeven. Het zal noodig zijn, eenigszins +omvangrijke passages te citeeren. + +Er was een kwestie over een post in de hofhouding van den jongen graaf +van Charolais. De oude hertog wilde, tegen een vroeger gegeven belofte, +de plaats gunnen aan een der Croy's, bij hem in blakende gunst; Karel, +die deze gunst ongaarne zag, verzette zich er tegen. + +"Le duc donques par un lundy qui estoit le jour Saint-Anthoine, [909] +apres sa messe, aiant bien desir que sa maison demorast paisible et sans +discention entre ses serviteurs, et que son fils aussi fist par son +conseil et plaisir, apres que ja avoit dit une grant part de ses heures +et que la cappelle estoit vuide de gens, il appela son fils a venir vers +luy et lui dist doucement: "Charles, de l'estrif qui est entre les sires +de Sempy et de Hemeries pour le lieu de chambrelen, je vueil que vous y +mettez ces et que le sire de Sempy obtiengne le lieu vacant." Adont dist +le conte: "Monseigneur, vous m'avez baillie une fois vostre ordonnance +en laquelle le sire de Sempy n'est point, et monseigneur, s'il vous +plaist, je vous prie que ceste-la je la puisse garder."--"Dea, ce dit +le duc lors, ne vous chailliez des ordonnances, c'est a moy a croistre +et a diminuer, je vueil que le sire de Sempy y soit mis."--"Hahan! ce +dist le conte (car ainsi jurait tousjours), monseigneur, je vous prie, +pardonnez-moy, car je ne le pourroye faire, je me tiens a ce que vous +m'avez ordonne. Ce a fait le seigneur de Croy qui m'a brasse cecy, je le +vois bien."--"Comment, ce dist le duc, me desobeyrez-vous? ne ferez-vous +pas ce que je vueil?"--"Monseigneur, je vous obeyray volentiers, mais je +ne feray point cela." Et le duc, a ces mots, enfelly de ire, respondit: +"Ha! garsson, desobeyras-tu a ma volente? va hors de mes yeux," et le +sang, avecques les paroles, lui tira a coeur, et devint pale et puis a +coup enflambe et si espoentable en son vis, comme je l'oys recorder au +clerc de la chapelle qui seul estoit empres luy, que hideur estoit a le +regarder".... + +Is dit niet krachtig? het stille begin, het in korte woordenwisseling +opvlammen van den toorn, de hortende spraak van den zoon, waarin men als +'t ware den heelen Karel den Stoute al herkent? + +De blik, dien de hertog op zijn zoon werpt, verschrikt de hertogin (wier +aanwezigheid tot dusver nog niet was vermeld) zoozeer, dat zij haastig, +haar zoon voor zich uit duwende, uit het bidvertrek, [910] door de kapel, +zwijgend, haar gemaal's toorn wil ontvlieden. Maar zij moesten verscheiden +hoeken om tot de deur, en de klerk had den sleutel. "Caron, ouvre-nous", +zegt de hertogin, maar de klerk valt haar te voet, en smeekt, dat haar +zoon vergiffenis moge vragen, eer zij de kapel verlaten. Zij wendt zich +met een smeekende vermaning tot Karel, doch deze antwoordt hooghartig en +luid: "Dea, madame, monseigneur m'a deffendu ses yeux et est indigne sur +moy, par quoy, apres avoir eu celle deffense, je ne m'y retourneray point +si tost, ains m'en yray a la garde de Dieu, je ne scay ou." Toen klinkt +opeens de stem van den hertog, die, mat van woede, in zijn bidstoel is +blijven zitten ... en de hertogin, in doodelijken angst, tot den klerk: +"Mon amy, tost, tost ouvrez-nous, il nous convient partir ou nous sommes +morts." + +--Nu werkt bij Philips het felle bloed der Valois bedwelmend: in zijn +vertrekken teruggekeerd, vervalt de oude hertog in een soort van +jongensachtige verdwazing. Tegen den avond rijdt hij, alleen en +onvoldoende beschut, heimelijk uit Brussel. "Les jours pour celle heurre +d'alors estoient courts, et estoit ja basse vespree quant ce prince +droit-cy monta a cheval, et ne demandoit riens autre fors estre emmy les +champs seul et a par luy. Sy porta ainsy l'aventure que ce propre +jour-la, apres un long et apre gel, il faisoit un releng, [911] et par +une longue epaisse bruyne, qui avoit couru tout ce jour la, vespree +tourna en pluie bien menue, mais tres-mouillant et laquelle destrempoit +les terres et rompoit glasces avecques vent qui s'y entrebouta." Is dit +geen Camille Lemonnier? + +Dan volgt de beschrijving van den nachtelijken dwaaltocht door velden en +bosschen, waarin het levendste naturalisme en een zonderling gewichtig +doende, moraliseerende rhetoriek merkwaardig zijn dooreengemengd. +Vermoeid en hongerig zwerft de hertog rond; op zijn roepen klinkt geen +antwoord. Een rivier, die hem een weg toeschijnt, lokt hem; het paard +schrikt nog te rechter tijd terug. Hij valt met het paard en verwondt +zich. Vergeefs luistert hij naar een hanengekraai of het blaffen van een +hond, dat hem naar menschenwoningen zou kunnen leiden. Eindelijk ziet +hij een lichtschijnsel, dat hij tracht te naderen; hij verliest het +weer, vindt het terug, en bereikt het tenslotte. "Mais plus l'approchoit, +plus sambloit hideuse chose et espoentable, car feu partoit d'une mote +[912] d'en plus de mille lieux, avecques grosse fumiere, dont nul ne +pensast a celle heure fors que ce fust ou purgatoire d'aucune ame ou +autre illusion de l'ennemy...." Hij houdt plotseling stil. Maar opeens +herinnerde hij zich, hoe de kolenbranders diep in het woud hun kolen +plegen te branden. Het was zulk een brandheuvel, maar geen huis of hut +was in de nabijheid. Eerst na hernieuwd dwalen brengt het blaffen van +een hond hem bij de hut van een armen man, waar hij rust en spijziging +vindt. + +Dergelijke treffende gedeelten uit het werk van Chastellain zijn de +beschrijving van den burgerlijken tweekamp te Valenciennes, de +nachtelijke twist van het Friesche gezantschap in Den Haag met de +Bourgondische edelen, die zij in hun nachtrust storen, door op de +bovenkamer op klompen krijgertje te spelen, het tumult te Gent in 1467, +toen Karel's eerste bezoek als hertog samenvalt met de kermis te +Houthem, vanwaar het volk met den schrijn van Sint Lieven terugkeert. +[913] + +Telkens bemerkt men aan ongewilde kleinigheden, hoe sterk de schrijver +al de uiterlijke dingen _ziet_. De hertog, die tegenover het volksoproer +staat, heeft voor zijn gezicht "multitude de faces en bacinets [914] +enrouilles et donc les dedans estoient grignans barbes de vilain, +mordans levres." Het roepen gaat van omlaag naar omhoog. De kerel, die +zich naast den hertog aan het venster dringt, draagt een handschoen van +zwart gevernist ijzer, waarmee hij op de vensterbank slaat, om stilte te +gebieden. [915] + +Dit nauwkeurig en direct waargenomene te beschrijven in een kernachtig +eenvoudig woord is in het litteraire, wat de geweldige visueele scherpte +van Van Eyck tot volmaaktheid van uitdrukking in de schilderkunst +vermocht. In de letterkunde wordt dat naturalisme veelal gestoord en in +de uitdrukking belemmerd door conventioneele vormen, en het blijft +uitzondering te midden van bergen dorre rhetoriek, terwijl het in de +schilderkunst schittert als bloesems aan een appelboom. + +De schilderkunst is hier in middelen van uitdrukking de litteratuur +verre voor. Zij heeft reeds een verwonderlijke virtuositeit in het +weergeven van lichteffekten. Het zijn vooral de miniaturisten, die er +naar streven, den schijn van een oogenblik vast te leggen. In het +schilderij ziet men die gave eerst ten volle ontplooid in de Geboorte +van Geertgen tot Sint Jans. De verluchters hebben reeds lang te voren +het spel van toortslicht op harnassen beproefd in Christus' +gevangenneming. Een stralende zonsopgang is reeds gelukt aan den +meester, die koning Rene's _Coeur d'amour epris_ illustreerde. Die van +de _Heures d'Ailly_ heeft al het doorbreken van de zon na een storm +aangedurfd. [916] + +De letterkunde beschikt voor het opzettelijke weergeven van +lichteffekten nog slechts over primitieve middelen. Een groote +gevoeligheid voor lichtglans en schittering is er wel; gelijk hierboven +betoogd werd, wordt zelfs de schoonheid in de eerste plaats als glans en +schittering bewust. Alle schrijvers en dichters der vijftiende eeuw +merken gaarne den glans van het zonlicht op, den schijn van kaarsen en +toortsen, de spiegeling van glimplichten op helmen en wapens. Doch het +blijft een eenvoudig vermelden, er is nog geen litterair procede tot +beschrijving er van. + +Het litteraire equivalent van het lichteffekt in de schilderkunst is +veeleer op een ander gebied te zoeken. Hier wordt de indruk van het +oogenblik bovenal vastgehouden door een levendig gebruik van de directe +rede. Er is nauwelijks een letterkunde, die er zoo op uit is, de +samenspraak altijd onmiddellijk weer te geven. Het ontaardt in een +vermoeiend misbruik: zelfs de uiteenzetting van een politieken toestand +wordt door Froissart en de zijnen in vraag en antwoord ingekleed. +De eeuwige beurtspraken van plechtigen val en hollen klank verhoogen +somtijds de eentonigheid, inplaats van haar te breken. Dikwijls echter +ook komt de illusie van het onmiddellijke en oogenblikkelijke er wel +treffend uit te voorschijn. Froissart vooral is in die levendige +wisselrede een meester. + +"Lors il entendi les nouvelles que leur ville estoit prise. (Het gesprek +gaat roepende.) 'Et de quel gens?', demande-il. Respondirent ceulx qui a +luy parloient: 'Ce sont Bretons!'--'Ha, dist-il, Bretons sont mal gent, +ils pilleront et ardront la ville et puis partiront.' (Vervolgens weer +roepende): 'Et quel cry crient-ils?' dist le chevalier.--'Certes, sire, +ils crient La Trimouille!" + +Om een zekeren haastigen gang in zulk een gesprek te brengen, gebruikt +Froissart den vasten truc, den aangesprokene het laatste woord van den +spreker verwonderd te laten herhalen.--"Monseigneur, Gaston est +mort.'--'Mort?' dist le conte.--'Cestes, mort est-il pour vray, +monseigneur." Elders: "Si luy demanda, en cause d'amours et de lignaige, +conseil.--'Conseil', respondi l'archevesque, 'certes, beaux nieps, c'est +trop tard. Vous voules clore l'estable quant le cheval est perdu." [917] + +Ook de poezie past dit stijlmiddel ruimschoots toe. In een korten +versregel wisselen soms vraag en antwoord tot tweemaal toe: + + "Mort, je me plaing.--De qui?--De toy. + --Que t'ay je fait?--Ma dame as pris. + --C'est verite.--Dy moy pour quoy. + --Il me plaisoit.--Tu as mespris." [918] + +Hier is het telkens afgebroken beurtgesprek van middel reeds doel +geworden: een virtuositeit. De dichter Jean Meschinot heeft die +kunstvaardigheid tot het uiterste weten op te voeren. In een ballade, +waarin het arme Frankrijk haar koning (Lodewijk XI) zijn schuld +voorhoudt, wisselt de rede in elk der dertig regels van drie tot vier +keer. En het moet gezegd worden, dat de werking van het gedicht als +politieke satire onder dien vreemden vorm niet lijdt. Ziehier de eerste +strofe: + + "Sire ...--Que veux?--Entendez....--Quoy?--Mon cas. + --Or dy.--Je suys....--Qui?--La destruicte France! + --Par qui?--Par vous.--Comment?--En tous estats. + --Tu mens.--Non fais.--Qui le dit?--Ma souffrance. + --Que souffres tu?--Meschief.--Quel?--A oultrance. + --Je n'en croy rien.--Bien y pert [919]--N'en dy plus! + --Las! si feray.--Tu perds temps.--Quelz abus! + --Qu'ay-je mal fait?--Contre paix.--Et comment? + --Guerroyant....--Qui?--Vos amys et congnus. + --Parle plus beau.--Je ne puis, bonnement." [920] + +Een andere uiting van dit oppervlakkige naturalisme in de litteratuur +van dezen tijd is het volgende. Hoewel Froissart's zin gericht is op het +beschrijven van ridderlijke heldendaden, geeft hij toch, zijns ondanks +zou men zeggen, in hooge mate de prozaische realiteit van den oorlog. +Evengoed als Commines, die maling had aan de ridderij, beschrijft +Froissart juist bijzonder goed de vermoeienis, de vergeefsche +vervolgingen, de bewegingen zonder samenhang, het onrustige van een +nachtverblijf. Hij weet meesterlijk talmen en wachten te beschrijven. +[921] + +In het sobere en exacte verhaal van de uiterlijke omstandigheden van een +gebeurtenis bereikt hij soms zelfs een bijna tragische kracht, zooals in +dat van den dood van den jongen Gaston Phebus, door zijn vader in drift +doorstoken. [922]--Hij werkt zoo fotografisch, dat men onder zijn +woorden de qualiteit van de vertellers, die hem zijn eindelooze faits +divers meedeelden, kan herkennen. Alles bij voorbeeld, wat hij dankt aan +zijn reisgenoot den ridder Espaing du Lyon, is voortreffelijk verteld. +Overal waar de litteratuur eenvoudig observeerend werkt, zonder +belemmering door conventie, is zij met de schilderkunst vergelijkbaar, +al evenaart zij haar niet. + +Juist omdat het aankomt op de onbevangen observatie van een geval, dat +verhaald zal worden, moet men de litteraire schilderingen, die de +schilderkunst het meest nabij komen, niet zoeken in de beschrijving der +natuur. Want deze berust in de vijftiende eeuw nog niet op directe +onbevangen observatie. Men vertelt een geval, omdat het belang inboezemt, +en geeft dan de uiterlijke omstandigheden weer, zooals een gevoelige +plaat ze opneemt. Van een bewust litterair procede is daar nog geen +sprake. Maar de natuurschildering, die in de schilderkunst als accessoire +fungeert, dus onbevangen geschiedt, is in de letterkunde een bewust +kunstmiddel. In de schilderkunst was de natuurafbeelding louter bijwerk, +en kon daardoor zuiver en sober blijven. Juist omdat de vergezichten +er voor het onderwerp niet op aan kwamen, niet deel hadden in den +hieratischen stijl, konden de schilders der vijftiende eeuw in hun +landschap een mate van harmonische natuurlijkheid geven, die de strenge +ordonnantie van hun onderwerp hun nog in de hoofdvoorstelling ontzegde. +De Egyptische kunst vertoont van dit verschijnsel een zuivere parallel: +zij geeft in het modelleeren van een slavenfiguurtje, omdat het niet ter +zake doet, den vormencode prijs, die anders de menschelijke gestalte +verwringt, zoodat dan de mensenfiguren dezelfde onvergelijkelijke sobere +natuurgetrouwheid bezitten als de dierfiguren. + +Hoe minder verband het landschap houdt met de centrale voorstelling, des +te harmonischer en natuurlijker wordt het in zich zelf afgesloten. +Achter de drukke, bizarre, pompeuze aanbidding der koningen in de _Tres +riches heures de Chantilly_ [923] verrijst het gezicht op Bourges in +verdroomde teerheid, volmaakt van atmosfeer en rythme. + +In de litteratuur zit de natuurbeschrijving nog geheel gehuld in het +kleed der pastorale. Hierboven is reeds gesproken van den hoofschen +strijd voor en tegen het eenvoudig buitenleven. Het was evenals in de +dagen, dat Rousseau opgang maakte, goede toon, dat men zich de ijdelheid +van het hofleven moe bekende, en een wijze hofvlucht affecteerde, om +zich te vergenoegen met het bruine brood en de zorgelooze liefde van +Robin en Marion. Het was een sentimenteele reactie op de volbloedige +praal en het trotsche egoisme der werkelijkheid, niet ten eenenmale +onecht, maar toch in hoofdzaak een litteraire houding. + +In die houding hoort de liefde tot de natuur. De poetische uitdrukking +ervan is een conventie. De natuur was een gezocht element in het groote +gezelschapsspel der hoofsch-erotische cultuur. De uitdrukking der +schoonheid van bloemen en vogelgezang werd opzettelijk gecultiveerd in +de geijkte vormen, die ieder speler verstond. Zoodoende staat de +natuurbeschrijving in de letterkunde op een geheel ander niveau dan in +de schilderkunst. + +Buiten het herdersdicht en het obligate motief van den lentemorgen als +aanhef bestaat er nog nauwelijks behoefte aan natuurbeschrijving. Een +enkele maal mogen er in het verhaal eens een paar woorden van +natuurschildering invloeien, zooals toen Chastellain den invallenden +dooi beschreef (en juist de onopzettelijke natuurschildering is dan +doorgaans verreweg het meest suggestief), het blijft de pastorale +poezie, waarin men het opkomen van het litteraire natuurgevoel moet +nagaan. Naast de bladzijden van Alain Chartier, die hierboven werden +aangehaald, om het effekt van de uitwerking der details in het algemeen +te laten zien, kan men bij voorbeeld leggen het gedicht _Regnault et +Jehanneton_, waarin de koninklijke herder Rene zijn liefde voor Jeanne +de Laval verkleedt. Ook hier geen saamgehouden visie op een stuk natuur, +geen eenheid zooals de schilder door kleur en licht aan zijn landschap +kon geven, maar een gemoedelijke aaneenrijging van bijzonderheden. De +zingende vogels een voor een, de insecten, de kikvorschen, dan de +ploegende boeren: + + "Et d'autre part, les paisans au labour + Si chantent hault, voire sans nul sejour, + Resjoyssant + Leurs beufs, lesquelx vont tout-bel charruant + La terre grasse, qui le bon froment rent; + Et en ce point ilz les vont rescriant, + Selon leur nom: + A l'un Fauveau et l'autre Grison, + Brunet, Blanchet, Blondeau ou Compaignon; + Puis les touchent tel foiz de l'aiguillon + Pour avancer." [924] + +Er is wel frischheid in en een blij geluid, maar denk nu eens aan de +kalendervoorstellingen der getijboeken. Koning Rene geeft om zoo te +zeggen al de ingredienten voor een goede natuurbeschrijving, een palet +met kleuren, maar meer niet. Verderop, waar het vallen van den avond +beschreven wordt, is de poging om een stemming uit te drukken +onmiskenbaar. De andere vogels zwijgen, maar de kwartel roept nog, +patrijzen snorren naar hun leger, herten en konijnen komen te +voorschijn. Nog even schijnt de zon op een torenspits, dan wordt de +lucht koel, uilen en vleermuizen beginnen rond te vliegen, en het klokje +der kapel luidt het Ave. + +De kalenderbladen van de _Tres-riches heures_ geven ons gelegenheid, +eenzelfde motief in kunst en litteratuur te vergelijken. Men kent de +glorieuze kasteelen, die in het werk der gebroeders Van Limburg den +achtergrond van het maandwerk vullen. Zij hebben hun litterair pendant +in het dichtwerk van Eustache Deschamps. In een zevental korte gedichten +zingt deze den lof van verscheiden Noord-fransche kasteelen: Beaute, dat +later Agnes Sorel zou herbergen, Bievre, Cachan, Clermont, Nieppe, Noroy +en Coucy. [925] Deschamps had een dichter van heel wat machtiger +vleugelslag moeten zijn, om hier te bereiken, wat de gebroeders Van +Limburg in deze teerste en fijnste uitingen der miniatuurkunst wisten +uit te drukken. Op het Septemberblad rijst achter den wijnoogst het +kasteel van Saumur als uit een droom omhoog: de torenspitsen met hun +hooge windvanen, de pinnakels, de lelieornamenten op de tinnen, de +twintig slanke schoorsteenen, het bloeit op als een wild perk van hooge +witte bloemen in de donkerblauwe lucht. Daarnaast de majestueuze breede +ernst van het vorstelijk Lusignan op het Maartblad, de sombere torens +van Vincennes dreigend uitstekende boven de dorre blaren van het bosch +van December. [926] + +Had de dichter, deze althans, een gelijkwaardig middel, om zulke +gezichten te evoceeren? Natuurlijk niet. De beschrijving der +bouwkunstige vormen van het kasteel, zooals in het gedicht op Bievre, +kon geen effekt opleveren. Een optelling van de geneuchten, die het +kasteel biedt, dat is eigenlijk alles, wat hij weet te geven. Uit den +aard der zaak ziet de schilder naar het kasteel toe, en de dichter van +het kasteel uit. + + "Son filz ainsne, daulphin de Viennois, + Donna le nom a ce lieu de Beaute. + Et c'est bien drois, car moult est delectables: + L'en y oit bien le rossignol chanter; + Marne l'ensaint, les haulz bois profitables + Du noble parc puet l'en veoir branler.... + Les prez sont pres, les jardins deduisables, + Les beaus preaulx, fontenis bel et cler, + Vignes aussi et les terres arables, + Moulins tournans, beaus plains a regarder." + +Welk een verschil in werking is hier! Toch hebben de afbeelding en het +gedicht hier zoowel procede als stof gemeen: zij sommen het zichtbare +(en voor het gedicht ook het hoorbare) op. Maar des schilders blik is +vast gericht: hij moet, opsommende, toch eenheid, beperking en samenhang +geven. Paul van Limburg kan in zijn Februari-tafereel al de dingen van +den winter opeenhoopen: de boeren zich warmend voor het vuur, het +waschgoed dat te drogen hangt, de bonte kraaien op de sneeuw, de +schaapskooi, de bijenkorven, de tonnen en de kar, en het heele +wintersche verschiet met het stille dorpje en de eenzame hofstede op den +heuvel. De rustige eenheid van het beeld blijft volmaakt. Des dichters +blik evenwel dwaalt rond, vindt geen rustpunt; hij geeft de eenheid +niet. + +De vorm is den inhoud voor. In de litteratuur zijn vorm en inhoud beide +oud, in de schilderkunst is de inhoud oud, maar de vorm nieuw. In de +schilderkunst bergt de vorm veel meer van de uitdrukking dan in de +litteratuur. De schilder kan al de onuitgesproken wijsheid in den vorm +leggen: de idee, de stemming, de psychologie, alles geeft hij zonder +zich te behoeven kwellen om er taal van te maken. Het tijdperk is +overwegend visueel. Dit verklaart de superioriteit van de picturale +boven de litteraire uitdrukking: een litteratuur, die overwegend visueel +waarneemt, schiet te kort. + +De dichtkunst der vijftiende eeuw schijnt bijna zonder nieuwe gedachten +te leven. Er is een algemeene onmacht tot nieuwe fictie; het is slechts +bewerken, moderniseeren van de oude stof. Er is een pauze in de +gedachte; de geest is klaar met het middeleeuwsch gebouw, en talmt +vermoeid. Er is leegheid en dorheid. Men vertwijfelt aan de wereld; +alles gaat achteruit; er is een sterke malaise van gemoed. Deschamps +verzucht: + + "Helas! on dit que je ne fais mes rien, + Qui jadis fis mainte chose nouvelle; + La raison est que je n'ay pas merrien (stof) + Dont je fisse chose bonne ne belle." [927] + +Niets schijnt ons meer te getuigen van stilstand en verval dan het +ontrijmen van de oude ridderromans en andere gedichten tot ellenlang +effen proza. Toch beduidt die "derimage" der vijftiende eeuw een +overgang tot een nieuwen geest. Het is het afscheid aan de gebonden +rede als primair uitdrukkingsmiddel, het afscheid aan den stijl van den +middeleeuwschen geest. Nog in de dertiende eeuw kon men alles in rijm +brengen, tot geneeskunde en natuurlijke historie toe, evenals de +Oud-Indische letterkunde alle wetenschap in versvorm bracht. De gebonden +vorm beduidt, dat de voordracht het beoogde middel van mededeeling is. +Niet de persoonlijke, gevoelvolle, expressieve voordracht, maar het +opdreunen. De nieuwe behoefte aan proza beduidt de zucht naar expressie, +de opkomst van het moderne lezen tegenover de oude voordracht. Daartoe +dient ook de verdeeling van de stof in kleine kapittels met resumeerende +opschriften, die in de vijftiende eeuw algemeen wordt. Aan het proza +worden naar verhouding hooger eischen gesteld dan aan de poezie; in den +ouden rijmvorm slikt men alles nog. + +Doch de hoogere qualiteit in het algemeen van het proza zit in zijn +formeele elementen; nieuwe gedachte heeft het evenmin. Froissart is het +volledige type van den geest, die in het woord niet denkt, maar enkel +verbeeldt. Hij heeft nauwelijks gedachten, enkel voorstellingen van +feiten. Hij kent slechts een paar zedelijke motieven en gevoelens: +trouw, eer, hebzucht, moed, en die alleen in hun allereenvoudigsten +vorm. Hij gebruikt geen theologie, geen allegorie, geen mythologie, +ternauwernood eenige moraal; hij vertelt maar door, correct, moeiteloos, +geheel adequaat aan het geval, maar toch inhoudloos en nooit treffend, +met de mechanische uiterlijkheid, waarmee de bioscoop de werkelijkheid +weergeeft. Zijn bespiegelingen zijn van ongeevenaarde banaliteit: alles +verveelt, niets is zekerder dan de dood, soms verliest men en soms wint +men. Bij bepaalde voorstellingen treden met werktuigelijke zekerheid +vaste uitspraken op: bij voorbeeld zoo dikwijls hij van Duitschers +spreekt, zegt hij, dat zij hun gevangenen slecht behandelen en bijzonder +hebzuchtig zijn. [928] + +Zelfs wat men gewoonlijk van Froissart citeert als puntig gezegde, +verliest veelal die kracht in den samenhang. Het geldt als een scherpe +karakteristiek van den eersten hertog van Bourgondie, wanneer Froissart +hem noemt "sage, froid et imaginatif, et qui sur ses besognes veoit au +loin." Maar Froissart zegt het van iedereen! [929] Ook het bekende +"Ainsi ot messire Jehan de Blois femme et guerre qui trop luy cousta," +[930] heeft welbeschouwd in het verband niet de pointe, die men erin +voelt. + +Een element mist Froissart: het rhetorische. Juist de rhetoriek was het +die den tijdgenoot het gemis aan nieuwen inhoud in de literatuur +vergoedde. Hij zwelgde in de praal van den versierden stijl; de +gedachten schijnen hem nieuw door hun statigen dos. Zij dragen alle +stijve brokaatgewaden. De begrippen van eer en plicht dragen het bonte +pak van den ridderlijken waan. De natuurzin steekt in de plunje van de +pastorale en de liefde in het knellendste van al, de allegorie van den +_Roman de la Rose_. Geen enkele gedachte is naakt en vrij. Zij kunnen +zich haast niet anders meer bewegen dan voortschrijdende in rustige +maat, in eindelooze optochten. + +Dit rhetorisch-versierende element ontbreekt overigens volstrekt niet +in de beeldende kunst. Er zijn tal van partijen, die men geschilderde +rederijkerij zou kunnen noemen. Zoo bijvoorbeeld op Van Eyck's Madonna +van den kanunnik Van de Paele de Sint Joris, die den stichter aan de +Maagd aanbeveelt. Hoe duidelijk heeft de kunstenaar willen antikiseeren +in dat gouden harnas en den pronkhelm; hoe slap rhetorisch is het +gebaar, waarmee de heilige optreedt. De aartsengel Michael op het +Dresdensche triptiekje draagt denzelfden al te fraaien tooi. Ook het +werk van Paul van Limburg vertoont dat bewust rhetorische element, in +de overrijke, bizarre praal waarmee de drie koningen optreden, in het +streven naar een exotische, theatrale uitdrukking, dat onmiskenbaar is. + + * * * * * + +De poezie der vijftiende eeuw is op haar best, wanneer zij geen +zwaarwichtige gedachte poogt uit te drukken, en ontslagen is van de +taak, om het mooi te doen. Wanneer zij maar even een gezicht, een +stemming oproept. Haar werking berust op haar formeele elementen: het +beeld, den toon, het rythme. Vandaar dat zij weinig vermag in de werken +van hoogen opzet en langen adem, waar de rythmische en toonqualiteiten +ondergeschikt zijn, maar frisch kan zijn in de genres, waar de vorm +hoofdzaak is: het rondeau, de ballade, die doorgaans op een lichte +gedachte zijn gebouwd, en hun kracht ontleenen aan visie, toon en +rythme. Het zijn de eenvoudig en onmiddellijk beeldende eigenschappen +van het volkslied; daar waar het kunstlied zich het naast aansluit aan +het volkslied, gaat er de meeste bekoring van uit. + +In de veertiende eeuw heeft een kentering plaats in de verhouding van +lyrische dichtkunst en muziek. In de oudere periode was het gedicht +onverbrekelijk aan muzikale voordracht gebonden, zelfs niet alleen het +lyrische; immers men neemt aan, dat ook de chansons de geste gezongen +werden, elk vers van tien of twaalf syllaben op dezelfde wijs (juist als +de Indische cloka). Het normale type van den middeleeuwschen lyrischen +dichter is hij, die zoowel het gedicht als de muziek er op maakt. Dat +doet in de veertiende eeuw nog Guillaume de Machaut. Hij is het tevens, +die de meest gebruikelijke lyrische vormen voor zijn tijd fixeert: de +balladen, het rondeau enz.; hij vindt den vorm van het debat. Machaut's +rondeau's en balladen kenmerken zich door groote effenheid, weinig +kleur, nog minder gedachte; en dat mochten zij, want zij waren maar de +helft van 's dichters werk: het liedje op muziek is er te beter om, als +het niet te expressief en te bont is, zooals dit simpele rondel: + + "Au departir de vous mon cuer vous lais + Et je m'en vois dolans et esploures. + Pour vous servir, sans retraite jamais, + Au departir de vous mon cuer vous lais. + Et par m'ame, je n'arai bien ne pais + Jusqu'au retour, einsi desconfortes. + Au departir de vous mon cuer vous lais + Et je m'en vois dolans et esploures." [931] + +Deschamps is niet meer zelf de toondichter van zijn balladen, en hij +is dan ook veel bonter en drukker dan Machaut, daardoor dikwijls +belangwekkender, maar lager van poetischen stijl. Natuurlijk sterft het +ijle, lichte, bijna inhoudlooze, voor muziek bestemde gedicht niet af, +wanneer de dichters er niet zelf meer de muziek op maken. Het rondel +bewaart den trant, zooals bij voorbeeld dit van Jean Meschinot: + + "M'aimerez-vous bien, + Dictes, par vostre ame? + Mais (mits) que je vous ame + Plus que nulle rien (ding), + M'aimerez-vous bien? + Dieu mit tant de bien + En vous, que c'est basme (balsem); + Pour ce je me clame + Vostre. Mais combien + M'aimerez-vcms bien?" [932] + +Het zuivere, eenvoudige talent van Christine de Pisan leende zich +bijzonder voor deze vluchtige effekten. Zij heeft even gemakkelijk +verzen gemaakt als al haar tijdgenooten, zeer weinig gevarieerd in vorm +en gedachte, effen en weinig gekleurd, stil en rustig, met een lichte, +geestige melancholie. Het zijn echt litteraire gedichten, volkomen +hoofsch van toon en gedachte. Zij doen denken aan die ivoren plaques der +veertiende eeuw, die in zuiver conventioneele afbeelding steeds weer +dezelfde motieven geven: een jachttafereel, een motief uit _Tristan et +Yseult_ of uit den _Roman de la rose_, gracieus, koel en bekoorlijk. +Waar nu Christine met haar zachte hoofschheid tegelijk den toon van het +volkslied treft, ontstaat soms iets heel zuivers. + +Een weerzien: + + "Tu soies le tres bien venu, + M'amour, or m'embrace et me baise + Et comment t'es tu maintenu + Puis ton depart? Sain et bien aise + As tu este tousjours? ca vien + Coste moy, te sie et me conte + Comment t'a este, mal ou bien, + Car de ce vueil savoir le compte. + + --Ma dame, a qui je suis tenu + Plus que aultre, a nul n'en desplaise, + Saches que desir m'a tenu + Si court qu'oncques n'oz tel mesaise, + Ne plaisir ne prenoie en rien + Loings de vous. Amours, qui cuers dompte. + Me disoit: "Loyaute me tien, + Car de ce vueil savoir le compte." + + --Dont m'as tu ton serment tenu, + Bon gre t'en scay, par saint Nicaise; + Et puis que sain es revenu + Joye arons assez; or t'apaise + Et me dis se scez de combien + Le mal qu'en as eu a plus monte + Que cil qu'a souffert le cuer mien, + Car de ce vueil savoir le compte. + + --Plus mal que vous, si com retien, + Ay eu, mais dites sanz mesconte, + Quans baisiers en aray je bien? + Car de ce vueil savoir le compte." [933] + +Een gemis: + + "Il a au jour d'ui un mois + Que mon ami s'en ala. + + Mon cuer remaint morne et cois, + Il a au jour d'ui un mois. + + "A Dieu, me dit, je m'en vois"; + Ne puis a moy ne parla, + Il a au jour d'ui un mois." [934] + +Een overgave: + + "Mon ami, ne plourez plus; + Car tant me faittes pitie + Que mon cuer se rent conclus + A vostre doulce amistie. + Reprenez autre maniere; + Pour Dieu, plus ne vous doulez, + Et me faittes bonne chiere: + Je vueil quanque vous voulez." + * * * * * * * * * * * + +Het is de teere, spontane vrouwelijkheid van deze gedichtjes, ontdaan +van de mannelijk-gewichtige, fantastische bespiegeling, en van den +bonten opschik met de Rose-figuren, die ze voor ons genietbaar maakt. +'t Is maar een enkele even ontwaarde stemming, die geboden wordt. Het +thema heeft maar even in het hart geklonken, en is toen direct verbeeld, +zonder dat de gedachte er aan te pas kwam. Maar daarom ook vertoont deze +poezie zoo bijzonder dikwijls die eigenschap, welke zoowel in muziek als +poezie alle tijdperken kenmerkt, waarin de inspiratie uitsluitend op de +enkele visie van een oogenblik berust: het thema is zuiver en sterk, het +lied begint in een klaar en vast geluid, als een merelslag, maar reeds +na de eerste strofe heeft de dichter of toondichter zijn gegeven +uitgezegd; de stemming zakt er uit weg, en de uitwerking verloopt in +zwakke rhetoriek. Het is de eeuwige teleurstelling, die bijna alle +dichters der vijftiende eeuw u bereiden. + +Hier een voorbeeld uit de balladen van Christine: + + "Quant chacun s'en revient de l'ost + Pour quoy demeures tu derriere? + Et si scez que m'amour entiere + T'ay baillee en garde et depost." [935] + +Men zou een fijne, middeleeuwsch-Fransche Lenore-ballade verwachten. +Maar de dichteres had niets anders te zeggen dan dit begin, en in nog +twee korte onbelangrijke strofen draait zij er een eind aan. + +Hoe frisch begint _Le debat dou cheval et dou levrier_ van Froissart: + + "Froissart d'Escoce revenoit + Sus un cheval qui gris estoit, + Un blanc levrier menoit en lasse. + 'Las', dist le levrier, 'je me lasse, + Grisel, quant nous reposerons? + Il est heure que nous mengons'." [936] + +Doch deze toon wordt niet volgehouden, het gedicht zakt terstond. Het +thema is alleen gezien, niet gedacht. Ze zijn soms prachtig suggestief, +de thema's. In Pierre Michault's _Danse aux Aveugles_ ziet men de +menschheid eeuwig dansende om de tronen van Liefde, Fortuin en Dood. +[937] Maar de uitwerking blijft van het begin af beneden het middelmatige. +Een naamlooze _Exclamacion des os Sainct Innocent_ begint met den toeroep +der beenderen in de knekelgalerijen van het beroemde kerkhof: + + "Les os sommes des povres trespassez. + Cy amassez par monceaulx compassez. + Rompus, cassez, sans reigle ne compas...." [938] + +Een aanhef, om de luguberste doodsklacht op te bouwen; maar het wordt +niet anders dan een memento mori van twaalf in het dozijn. + +Het zijn alles louter beeld-thema's. Voor den schilder behelst zulk een +enkele visie in zich zelf de stof tot de verst doorgevoerde uitwerking, +maar voor den dichter is zij niet genoeg. + +Is dan de schilderkunst der vijftiende eeuw in uitdrukkingsvermogen de +litteratuur in alle opzichten de baas? Neen. Er blijven altijd gebieden, +waarop de litteratuur over rijker en meer directe uitdrukkingsmiddelen +beschikt dan de beeldende kunst. Zulk een gebied is bovenal dat van den +spot. De beeldende kunst kan, tenzij zij zich verlaagt tot caricatuur, +slechts een geringe potentie van het komische uitdrukken. Het komische, +enkel zichtbaar afgebeeld, heeft een neiging, weer in het ernstige over +te gaan. Slechts daar, waar de bijmenging van het komische element in de +levensverbeelding zeer gering is, waar het enkel kruiderij is, en niet +den eigen smaak van het gerecht overstemmen mag, kan de afbeelding +gelijken tred houden met de uitdrukking in woorden. Als zulk een komiek +in zwakste potentie kan men de genreschildering beschouwen. + +Hier is de beeldende kunst nog volkomen op haar terrein. De ongebreidelde +uitwerking der details, die wij hierboven aan de schilderkunst der +vijftiende eeuw toekenden, gaat ongemerkt over in het behagelijke +vertellen van kleinigheden, in het genre-achtige. Bij den meester van +Flemalle is de gedetailleerdheid louter 'genre' geworden. Zijn Joseph de +timmerman zit muizenvallen te maken. Het genre-achtige steekt in al zijn +details: tusschen de wijze, waarop Van Eyck en waarop de meester van +Flemalle een vensterblind laat openstaan, een buffetje of een haard +schildert, is de stap gedaan van de zuiver picturale visie naar het +genre. + +Doch reeds op dit gebied heeft nu het woord opeens een dimensie meer dan +de afbeelding. Het kan de gemoedsstemming expliciet weergeven. Denk nog +eens aan Deschamps' beschrijvingen van de schoonheid der kasteelen. Ze +waren eigenlijk mislukt en bleven oneindig ver achter bij wat de +miniatuurkunst daarvan wist te maken. Maar vergelijk nu de ballade, waar +Deschamps in een genretafereel beschrijft, hoe hij zelf ziek ligt in +zijn armzalig kasteeltje te Fismes. [939] De uilen, spreeuwen, kraaien, +musschen, die in zijn toren nestelen, houden hem uit den slaap: + + "C'est une estrange melodie + Qui ne semble pas grant deduit + A gens qui sont en maladie. + Premiers les corbes font scavoir + Pour certain si tost qu'il est jour: + De fort crier font leur pouoir, + Le gros, le gresle, sanz sejour; + Mieulx vauldroit le son d'un tabour + Que telz cris de divers oyseaulx, + Puis vient la proie; [940] vaches, veaulx, + Crians, muyans, et tout ce nuit, + Quant on a le cervel trop vuit, + Joint du moustier la sonnerie, + Qui tout l'entendement destruit + A gens qui sont en maladie." + +'s Avonds komen de uilen en verschrikken door hun klagelijk roepen den +zieke met doodsgedachten: + + "C'est froit hostel et mal reduit + A gens qui sont en maladie." + +Zoodra maar een zweem van het komische, of ook maar van het genoegelijk- +vertellende, doordringt, werkt het aaneenrijgende, opsommende procede +niet meer vermoeiend. Levendige schilderingen van burgerlijke zeden, +lange behagelijke beschrijvingen van het vrouwelijk toilet breken de +eentonigheid. In zijn lang allegorisch gedicht _L'espinette amoureuse_ +verkwikt Froissart u plotseling met een opsomming van wel zestig +kinderspelen, die hij als kleine jongen te Valenciennes te spelen +placht. [941] De litteraire dienst van den duivel der gulzigheid heeft +reeds een aanvang genomen. De savoureuze maaltijden van Zola, Huysmans, +Anatole France hebben reeds hun prototypen in de Middeleeuwen. Hoe glimt +de gulzigheid, als Deschamps en Villon lekkebaarden naar malsche boutjes. +Hoe smakelijk beschrijft Froissart de Brusselsche bonvivants, die den +vetten hertog Wencelijn omringen in den slag bij Baesweiler; zij hebben +hun knechten bij zich met groote flesschen wijn aan den zadelknop, met +brood en kaas, pasteien van zalm, forellen en paling, alles netjes in +kleine servetten gewikkeld; zoo staan zij de slagorde in den weg. [942] + +Door haar gave voor het genre-achtige is de litteratuur van dien tijd in +staat, ook het nuchterste in vers te brengen. Deschamps kan in een +gedicht om geld manen, zonder van zijn gewone dichterniveau af te dalen; +hij bedelt in een reeks van balladen om een beloofden tabbert, om +brandhout, om een paard, om achterstallig salaris. [943] + +Het is maar een schrede van het genre-achtige naar het bizarre, het +burleske, of als men wil: het breugheleske. Ook in dezen vorm van het +komische is de schilderkunst nog gelijkwaardig aan de litteratuur. Het +breughelsche element is in de kunst omstreeks 1400 reeds ten volle +aanwezig. Men vindt het in den Joseph op Broederlam's Vlucht naar Egypte +te Dijon, in de slapende krijgsknechten op de Drie Maria's bij het graf, +die aan Hubert van Eyck zijn toegeschreven. Niemand is in het opzettelijk +bizarre zoo sterk als Paul van Limburg. Een toeschouwer bij Maria's +tempelgang draagt een ellenhooge, kromme toovenaars-muts en mouwen van +een vadem lang. Burlesk is hij in de doopvont, die drie monsterachtige +maskers draagt met uitgestoken tong, en in de omlijsting van Maria en +Elisabeth, waar een held uit een toren een slak bevecht, een ander man +op een kruiwagen een varken kruit, dat den doedelzak speelt. [944] + +Bizar is de litteratuur der vijftiende eeuw haast op elke bladzijde; +haar gekunstelde stijl, de zonderling fantastische aankleeding van haar +allegorieen getuigt het. Motieven, waaraan Breughel zijn uitgelaten +fantazie zou botvieren, zooals het Debat de Careme et de Mardi Gras, +Debat de chair et de poisson, zijn in de litteratuur der vijftiende eeuw +reeds zeer in trek. Breughelsch in den hoogsten zin schijnt een felle +visie als van Deschamps, waar de wachter de troepen, die zich te Sluis +verzamelen tegen Engeland, als een heirleger van ratten en muizen ziet: + + "'Avant, avant! tirez-vous ca. + Je voy merveille, ce me semble.' + --'Et quoy, guette, que vois-tu la?' + 'Je voy dix mille rats ensemble + Et mainte souris qui s'assemble + Dessus la rive de la mer....' + +Een andermaal zit hij triest en verstrooid aan den maaltijd ten hove; +opeens ziet hij, hoe de hovelingen eten: de een kauwt als een varken, +de ander knabbelt als een muisje, een gebruikt zijn tanden als een zaag, +deze vertrekt zijn gezicht, bij genen veegt de baard op en neer, "al +etende leken het duivelen." [945] + +Zoodra de litteratuur volksleven schildert, vervalt zij van zelve in dat +sappige, met luim gekruide realisme, dat in de beeldende kunst weldra +zich zoo bloeiend zou ontwikkelen. Chastellain's beschrijving van den +armen boer, die den verdwaalden hertog van Bourgondie opneemt, valt uit +als een stuk van Breughel. [946] De Pastorale wordt met haar schildering +van etende, dansende en vrijende herders telkens van haar sentimenteele +en romantische grondthema afgeleid naar het pad van een frisch naturalisme +van licht komische werking. Hier behoort ook de belangstelling voor het +havelooze, die zich zoowel in de litteratuur als in de beeldende kunst +der vijftiende eeuw reeds begint te openbaren. De kalenderminiaturen +markeeren met welgevallen de doorgesleten knieen van de maaiertjes in +het koren, of de schilderkunst de lompen van de bedelaars, die +barmhartigheid vinden. Hier begint de lijn, die over Rembrandt's etsen +en Murillo's bedelknapen naar de straattypen van Steinlen leidt. + +Doch hier springt ook weder het groote verschil der picturale en +litteraire appreciatie in het oog. Terwijl de beeldende kunst reeds het +schilderachtige van den bedelaar ziet, de bekoring van den vorm dus, is +de litteratuur enkel nog vervuld van de beteekenis van den bedelaar, +'t zij zij hem beklaagt, of prijst, of verwenscht. De prototypen nu van +het litteraire realisme der armoede-schildering liggen juist in die +verwenschingen. De bedelaars waren in het einde der Middeleeuwen een +ontzettende plaag geworden. In de kerken krioelde hun jammerlijke +menigte, en belette den dienst met hun geschreeuw en gedruisch; onder +hen was veel kwaad volk, "validi mendicantes". Het kapittel van Notre +Dame te Parijs tracht in 1428 vergeefs hen naar de kerkdeuren te +verwijderen, en slaagt er slechts later in, hen althans uit het koor +naar het schip der kerk te verwijzen. [947] Deschamps wordt niet moede, +zijn haat tegen die ellendigen te luchten; hij scheert hen allen over +een kam als huichelaars en bedriegers: ranselt hen de kerk uit, hangt ze +op, verbrandt ze! [948] Vanhier naar de moderne litteraire schildering +der ellende schijnt de weg veel langer dan die, welke de beeldende kunst +had af te leggen; in de schilderkunst vulde zich het beeld vanzelf met +nieuw sentiment, in de literatuur moest het langzaam rijpende sociale +gevoel zich eerst geheel nieuwe vormen van uitdrukking scheppen. + +Waar het komische element, zwakker of sterker, grover of fijner, in de +uiterlijke visie van een geval zelf ligt opgesloten, zooals in het genre +en in het burleske, daar kon de beeldende kunst het woord bijhouden. +Maar daarbuiten lagen sferen van het komische, die voor picturale +uitdrukking volstrekt ontoegankelijk waren, waar kleur noch lijn iets +vermocht. Overal waar het komische positief lachwekkend moet zijn, was +de litteratuur onbeperkt meester, dus op het zoo welig begroeide gebied +van den schaterlach: de klucht, sotternie, boerde, de fabliaux, kortom +al de vormen van het grof-komische. Uit dien rijken schat van +laat-middeleeuwsche litteratuur spreekt een eigen geest. + +De litteratuur is ook meester op het gebied van den matten glimlach, +daar, waar de spot zijn hoogste tonen strijkt, zich uitgiet over het +ernstigste van het leven, de liefde, en over het eigen leed. De +gekunstelde, gepolijste, versleten vormen der erotiek ondergingen een +verfijning en zuivering door de bijmenging der ironie. + +Buiten het erotische is de ironie nog plomp en naief. De Franschman van +1400 neemt af en toe nog de voorzichtigheid in acht, die den Hollander +van 1900 blijft aanbevolen, om het erbij te zeggen, als hij ironisch +spreekt. Deschamps prijst den goeden tijd: alles gaat best, overal +heerscht vrede en gerechtigheid: + + "L'en me demande chascun jour + Qu'il me semble du temps que voy, + Et je respons: c'est tout honour, + Loyaute, verite et foy, + Largesce, prouesce et arroy, + Charite et biens qui s'advance + Pour le commun; mais, par ma loy, + Je ne di pas quanque je pence." + +Of elders aan het eind van een ballade van dezelfde strekking: "Tous ces +poins a rebours retien"; [949] en in een derde met het refrein: "C'est +grant pechiez d'ainsy blasmer le monde": + + "Prince, s'il est par tout generalment + Comme je say, toute vertu habonde; + Mais tel m'orroit qui diroit: 'Il se ment'...." [950] + +Zelfs een bel-esprit uit de tweede helft der vijftiende eeuw betitelt +een epigram: "Soubz une meschante paincture faicte de mauvaises couleurs +et du plus meschant peinctre du monde, par maniere d'yronnie par maitre +Jehan Robertet." [951] + +Hoe fijn daarentegen kan de ironie reeds zijn, zoodra zij de liefde +raakt. Zij mengt zich dan met de zachte melancholie, de matte teerheid, +die de erotiek der vijftiende eeuw in de oude vormen tot iets nieuws +maakt. Het droge hart smelt in een snik. Er klinkt een geluid, dat in de +aardsche liefde nog niet was gehoord: de profundis. + +Het is de aanbiddelijke zelfbespotting, de figuur van "l'amant remis et +renie", die Villon aanneemt, het zijn de matte liedjes der desillusie, +die Charles d'Orleans zingt. Het is de lach in tranen: "Je riz en +pleurs" is niet enkel Villon's vinding geweest. Een oude bijbelsche +gemeenplaats: "risus dolore miscebitur et extrema gaudii luctus +occupat", [952] kreeg hier een nieuwe toepassing, een nieuw sentiment, +een verfijnde bittere gevoelswaarde. Alain Chartier, de gladde +hof-poeet, heeft dit motief evengoed als Villon, de vagebond. + + "Je n'ay bouche qui puisse rire, + Que les yeulx ne la desmentissent: + Car le cueur l'en vouldroit desdire + Par les lermes qui des yeulx issent." + +Of meer uitgewerkt, van een droeven minnaar: + + "De faire chiere s'efforcoit + Et menoit une joye fainte, + Et a chanter son cueur forcoit + Non pas pour plaisir, mais pour crainte, + Car tousjours ung relaiz de plainte + S'enlassoit au ton de sa voix, + Et revenoit a son attainte + Comme l'oysel au chant du bois." [953] + +Aan het slot van een gedicht verloochent de dichter zijn leed, in den +toon van het vagantenlied, zooals hier: + + "Cest livret voult dicter et faire escripre + Pour passer temps sans courage villain + Ung simple clerc que l'en appelle Alain, + Qui parle ainsi d'amours pour oyr dire." [954] + +Of in een uitgewerkte fantazie, zooals die waarmee koning Rene zijn +eindeloos _Cuer d'amour espris_ besluit: de kamerdienaar komt met een +kaars kijken, of 's konings hart niet weg is; maar hij kan geen gat in +de zijde ontdekken: + + "Sy me dist tout en soubzriant + Que je dormisse seulement + Et que n'avoye nullement + Pour ce mal garde de morir." [955] + +De oude conventioneele vormen kregen door het nieuwe sentiment nieuwe +frischheid. Niemand heeft de gebruikelijke verpersoonlijking der +sentimenten zoo ver doorgevoerd als Charles d'Orleans. Hij ziet zijn +hart als een afzonderlijk wezen: + + "Je suys celluy au cueur vestu de noir...." [956] + +In de oudere lyriek, zelfs in den dolce stil nuovo, waren die +verpersoonlijkingen nog strakke ernst geweest. Maar bij Orleans zijn +de grenzen van ernst en spot niet meer te trekken; hij chargeert de +verpersoonlijking, zonder dat het fijne sentiment te loor gaat: + + "Un jour a mon cueur devisoye + Qui en secret a moy parloit, + Et en parlant lui demandoye + Se point d'espargne fait avoit + D'aucuns biens quant Amours servoit: + Il me dist que tres voulentiers + La verite m'en compteroit, + Mais qu'eust visite ses papiers. + + Quant ce m'eut dit, il print sa voye + Et d'avecques moy se partoit. + Apres entrer je le veoye + En ung comptouer qu'il avoit: + La, de ca et de la queroit, + En cherchant plusieurs vieulx caiers + Car le vray monstrer me vouloit, + Mais qu'eust visitez ses papiers...." [957] + +Hier overweegt het komische, maar in het volgende de ernst: + + "Ne hurtez plus a l'uis de ma pensee, + Soing et Soucy, sans tant vous travailler; + Car elle dort et ne veult s'esveiller, + Toute la nuit en peine a despensee. + + En dangier est, s'elle n'est bien pansee; + Cessez, cessez, laissez la sommeiller; + Ne hurtez plus a l'uis de ma pensee, + Soing et Soucy, sans tant vous travailler...." [958] + +De week-droeve erotiek kreeg voor den vijftiendeeeuwer een nog scherper +smaak door de bijmenging van het profane, waarmee hij haar zoo gaarne +kruidt. De travesti van het amoureuze in kerkelijke vormen dient niet +enkel tot obscene beeldspraak en grove oneerbiedigheid, zooals in de +_Cent nouvelles nouvelles_. Zij levert ook den vorm van het meest teere, +bijna elegische liefdedicht, dat de vijftiende eeuw heeft voortgebracht: +_L'amant rendu cordelier a l'observance d'amours_. + +Het motief van de minnaars als de observanten eener geestelijke orde had +reeds in den kring van Charles d'Orleans aanleiding gegeven tot een +dichterlijke confrerie, die zich "les amoureux de l'observance" noemde. +Is het werkelijk Martial d'Auvergne geweest, die het heeft uitgewerkt +tot het treffende gedicht, dat zich zoover boven het van hem bekende +verheft? + +De arme, teleurgestelde minnaar komt de wereld begeven in het wonderlijke +klooster, waar men enkel de droeve verliefden, "les amoureux martyrs", +opneemt. In stille samenspraak met den heer Prior doet hij het zachte +verhaal van zijn versmade liefde, en wordt vermaand, die te vergeten. +Het is onder het middeleeuwsch-satirieke gewaad reeds volkomen de stemming +van Watteau en den Pierrot-cultus, slechts zonder maneschijn.--Was zij +niet gewoon, vraagt de Prior, u een lieven blik toe te werpen, of in 't +voorbijgaan een "Dieu gart" te zeggen?--Zoo ver kwam ik nooit, antwoordt +de minnaar: maar 's nachts stond ik drie heele uren voor haar deur, en +keek op naar de goot: + + "Et puis, quant je oyoye les verrieres + De la maison qui cliquetoient, + Lors me sembloit que mes prieres + Exaussees d'elle sy estoient." + +"Waart ge zeker, dat zij u opmerkte?" vraagt de Prior. + + "Se m'aist Dieu, j'estoye tant ravis, + Que ne savoye mon sens ne estre, + Car, sans parler, m'estoit advis + Que le vent ventoit sa fenestre + Et que m'avoit bien peu congnoistre, + En disant bas: 'Doint bonne nuyt', + Et Dieu scet se j'estoye grant maistre + Apres cela toute la nuyt." [959] + +In die zaligheid sliep hij heerlijk: + + "Tellement estoie restaure + Que, sans tourner ne travailler, + Je faisoie un somme dore, + Sans point la nuyt me resveiller. + Et puis, avant que m'abiller, + Pour en rendre a Amours louanges, + Baisoie troys fois mon orillier, + En riant a par moy aux anges." + +Bij zijn plechtige opneming in de orde bezwijmt de dame, die hem +versmaad had, en een gouden hartje, geemailleerd met tranen, dat hij +haar geschonken had, valt uit haar kleed. + + "Les aultres, pour leur mal couvrir + A force leurs cueurs retenoient, + Passans temps a clorre et rouvrir + Les heures qu'en leurs mains tenoient, + Dont souvent les feuilles tournoient + En signe de devocion; + Mais les deulz et pleurs que menoient + Monstroient bien leur affection." + +Als de Prior hem ten slotte zijn nieuwe plichten opsomt, en hem +waarschuwt, om nooit te luisteren naar den nachtegaal, nooit te slapen +onder "eglantiers et aubespines", en vooral nooit in vrouwenoogen te +zien, klaagt het gedicht op het thema "Doux yeux" een eindelooze melodie +van strofen, die altijd weer varieeren: + + "Doux yeulx qui tousjours vont et viennent; + Doulx yeulx eschauffans le plisson, + De ceulx qui amoureux deviennent...." + + "Doux yeulx a cler esperlissans, + Qui dient: C'est fait quant tu vouldras, + A ceulx qu'ils sentent bien puissans...." [960] + +Die zachte, matte toon, die gelaten melancholie heeft ongemerkt in de +vijftiende eeuw alle conventioneele vormen der erotiek doordrongen. De +oude satire van cynische vrouwenverguizing krijgt er op eens een heel +andere, verfijnde stemming door: in de _Quinze joyes de mariage_ is de +botte vrouwensmaad van voorheen getemperd door een toon van stille +desillusie en gedruktheid, die er het navrante aan geeft van een moderne +huwelijksnovelle: de gedachten zijn ijl, vluchtig uitgedrukt; de +gesprekken zijn te teer voor de boosaardige bedoeling. + +In alles wat de uitdrukking der liefde betrof, had de litteratuur een +school van eeuwen achter zich, met meesters van zoo verscheiden geest +als Plato en Ovidius, de troubadours en de vaganten, Dante en Jean de +Meun.--De beeldende kunst daarentegen was hierin nog buitengewoon +primitief, en is dat nog lang gebleven. Eerst in de achttiende eeuw +haalt de afbeelding der liefde de beschrijving ervan in verfijning en +volheid van expressie in. De schilderkunst der vijftiende eeuw kon nog +niet frivool of sentimenteel zijn. Tusschen het kuische en het obscene +had zij nog geen uitdrukkingsmiddel gevonden. Van het liefdeleven zegt +zij weinig, en dat in naieve en onschuldige vormen. Wel moet men zich +hier opnieuw herinneren, dat het meeste wat er van dien aard bestaan +heeft, verloren is. Het zou van buitengewoon belang zijn, als men het +naakt van Van Eyck in zijn Vrouwenbad, waarvan Fazio verhaalt, kon +vergelijken met zijn Adam en Eva. In de laatste ontbreekt het erotische +element volstrekt niet geheel: immers de kunstenaar heeft wel degelijk +den conventioneelen code van vrouwenschoonheid gevolgd, in de kleine, +te hoog geplaatste borsten, de lange slanke armen, den vooruitstekenden +buik. Doch hoe naief heeft hij dat alles gedaan, zonder eenige zucht of +vermogen om te bekoren.--Bekoring moet het essentieele element zijn van +het kleine Liefdetooverijtje, wel met 'school van Jan van Eyck' +betiteld, [961] een kamer, waar een meisje, naakt, zooals dat bij +tooverij hoort, door toovermiddelen den minnaar dwingt, zich te +vertoonen. Hier is het naakt van die bescheiden wulpschheid, die zich in +Cranach's naaktfiguren voortzet. + +Het was geen preutschheid, die de rol der afbeelding in de erotiek zoo +beperkt hield. De late Middeleeuwen vertoonen een zonderlinge +tegenstrijdigheid tusschen een sterk schaamtegevoel en een verbazende +licentie. Voor het laatste is het aanhalen van voorbeelden onnoodig; +zij spreekt op iedere bladzijde. De schaamte spreekt bij voorbeeld uit +het volgende. Bij de ergste moord- en plunderpartijen laat men den +slachtoffers het hemd of de onderbroek; de Burger van Parijs is over +niets zoo verontwaardigd als over het feit, dat die regel werd +geschonden: "et ne volut pas convoitise que on leur laissast neis leurs +brayes, pour tant qu'ilz vaulsissent 4 deniers, qui estoit un des plus +grans cruaultes et inhumanite chrestienne a aultre de quoy on peut +parler." Bij het verhaal van de wreedheid van den bastaard van Vauru +tegen een arme vrouw, is hij nog meer dan van de overige kwellingen +ontzet van het schendig stuk, dat hij haar de kleeren kort onder het +middel laat afsnijden. [962]--Daarom blijft het dubbel opmerkelijk, dat +men aan het vrouwelijk naakt, in de kunst nog zoo weinig gecultiveerd, +zulk een vrije plaats gaf in het tableau vivant. Bij geen intocht +ontbraken de vertooningen, "personnages", van naakte godinnen of nimfen, +door Duerer aanschouwd bij den intocht van Karel V te Antwerpen in 1520, +[963] en door Hans Makart misverstaan, alsof de vrouwen meeliepen in den +optocht. Deze vertooningen waren op getimmerten op bepaalde plaatsen +opgesteld, soms zelfs in het water, zooals de sirenen, die bij de brug +in de Leie zwommen, "toutes nues et echevelees ainsi comme on les +peint", bij den intocht van Philips den Goede te Gent in 1457. [964] +Paris' oordeel was het meest gebruikte onderwerp dezer vertooningen. +--Men zoeke er noch Griekschen schoonheidszin noch platte +onbeschaamdheid in, maar een naieve, populaire zinnelijkheid. Jean de +Roye beschrijft de sirenen, die bij den intocht van Lodewijk XI te +Parijs in 1461, niet ver van een gekruisigde tusschen de twee schakers, +stonden opgesteld, in deze woorden: "Et si y avoit encores trois bien +belles filles, faisans personnages de seraines toutes nues, et leur +veoit on le beau tetin droit, separe, rond et dur, qui estoit chose bien +plaisant, et disoient de petiz motetz et bergeretes; et pres d'eulx +jouoient plusieurs bas instrumens qui rendoient de grandes melodies." +[965] Molinet vertelt, met hoeveel welbehagen het volk naar het oordeel +van Paris keek bij den intocht van Philips den Schoone te Antwerpen in +1494: "mais le hourd ou les gens donnoient le plus affectueux regard fut +sur l'histoire des trois deesses, que l'on veoit au nud et de femmes +vives." [966] Hoe ver was zuivere schoonheidszin, als men de vertooning +van dat onderwerp in 1468 te Rijssel bij den intocht van Karel den +Stoute geparodieerd ziet door een zwaarlijvige Venus, een magere Juno en +een gebochelde Minerva, met gouden kronen op het hoofd! [967]--Tot diep +in de zestiende eeuw bleven de naakte vertooningen in gebruik: te Rennes +in 1532 bij den intocht van den hertog van Bretagne zag men een naakte +Ceres en Bacchus, [968] en nog Willem van Oranje werd bij zijn inkomst +binnen Brussel op 18 September 1578 vergast op een Andromeda, "een +ionghe maeght, met ketenen ghevetert, alsoo naeckt als sy van moeder +lyve gheboren was; men soude merckelyck geseydt hebben, dattet een +marberen beeldt hadde geweest", aldus Johan Baptista Houwaert, die de +tableaux gearrangeerd had. [969] + + * * * * * + +De achterlijkheid van het picturale uitdrukkingsvermogen vergeleken bij +de litteratuur beperkt zich overigens niet tot de gebieden, die wij tot +nu toe behandelden: het komische, het sentimenteele, het erotische. Dat +vermogen vindt zijn grenzen, zoodat het niet meer gedragen wordt aan +dien overmatig visueelen aanleg, waarin wij de toenmalige superioriteit +van de schilderkunst in het algemeen boven de litteratuur gegrond +achtten. Zoodra er iets meer noodig is dan enkel een onmiddellijke, +scherpe visie van het natuurlijke, begeeft die superioriteit de +schilderkunst van lieverlede, en ziet men opeens de gegrondheid van +Michel Angelo's verwijt: die kunst wil vele dingen tegelijk volkomen +afbeelden, waarvan een belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten +aan te besteden. + +Neem nogmaals een tafereel van Jan van Eyck. Onovertroffen blijft zijn +kunst, zoolang zij van nabij ziende, om zoo te zeggen microscopisch, +werkt: in de gelaatstrekken, de stoffen der gewaden, de juweelen. De +volstrekt scherpe observatie is daar genoeg. Doch zoodra de geziene +werkelijkheid eenigermate moet worden herleid, gelijk reeds het geval +is in de voorstelling van gebouwen en landschappen, vallen er, bij alle +innige bekoring van het vroege vergezicht, zwakheden te bespeuren: een +zekere onsamenhangendheid, een ietwat gebrekkige dispositie. En hoe meer +de voorstelling opzettelijk moet worden gecomponeerd, er een beeldvorm +voor het geval vrij moet worden geschapen, hoe sterker de daling wordt. + +Niemand zal tegenspreken, dat in de verluchte getijboeken de +kalenderbladen die, waarop de heilige geschiedenis staat afgebeeld, +overtreffen. Daar kon men met directe waarneming en vertellend weergeven +volstaan. Maar om een gewichtige handeling, een bewogen voorstelling met +veel personen op te zetten, was bovenal dat gevoel voor rythmischen +opbouw en eenheid noodig, dat eertijds Giotto gekend had, en dat opnieuw +door Michel Angelo werd begrepen. Het wezen nu der vijftiende-eeuwsche +kunst was veelheid. Slechts daar, waar de veelheid zelf tot eenheid +werd, werd het effekt van hooge harmonie bereikt, zooals in de +Aanbidding van het Lam. Daar is inderdaad rythme, een onvergelijkelijk +sterk rythme, een triomfantelijk rythme van al die stoeten schrijdend +naar het middelpunt toe. Doch het is als 't ware door een bloot +rekenkundige nevenschikking, uit de veelheid zelf, gevonden. Van Eyck +ontloopt de moeilijkheden der compositie, door slechts voorstellingen +te geven in strenge rust; hij bereikt een statische, geen dynamische +harmonie. + +Hier bovenal ligt de groote afstand, die Rogier van der Weyden van Van +Eyck scheidt. Rogier beperkt zich, om het rythme te vinden; hij slaagt +niet altijd, maar hij streeft. + +Nu bestond er voor de voornaamste onderwerpen der heilsgeschiedenis een +strenge, oude verbeeldingstraditie. De schilder behoefde de ordonnantie +van zijn tafereel niet meer zelf te zoeken. [970] Sommige dier +onderwerpen brachten een rythmischen bouw bijna vanzelve mee. In een +beweening, een kruisafneming, een aanbidding der herders, kwam het +rythme als van zelve. Men denke aan de pieta's van Rogier van der Weyden +te Madrid, die van de Avignonsche school in het Louvre en te Brussel, +van Petrus Cristus, van Geertgen tot Sint Jans, van de Belles heures +d'Ailly. [971] + +Wordt echter het tafereel woeliger, zooals bij de bespotting, de +kruisdraging, de aanbidding der koningen, dan stijgen de moeilijkheden +der compositie, en een zekere onrustigheid, onvoldoende eenheid der +voorstelling is veelal het gevolg. En als de kerkelijke iconografische +norm den kunstenaar geheel begeeft, dan staat hij vrijwel hulpeloos. +Reeds de rechtspraaktafereelen van Dirk Bouts en Gerard David, die +nog een zekere statige ordonnantie meebrachten, zijn vrij zwak van +compositie. Linksch en onbeholpen wordt zij in de marteling van Sint +Erasmus, "het dermwinderken" van Leuven, en van Sint Hippolytus, door +paarden uiteengetrokken, te Brugge. Daar werkt de gebrekkige bouw reeds +stuitend. + +Wanneer nu nooit geziene fantazie moet worden verbeeld, dan vervalt de +vijftiende-eeuwsche kunst in het belachelijke. De groote schilderkunst +bleef daarvoor gespaard door haar strenge onderwerpen, maar de +boekverluchting kon zich niet onttrekken aan het afbeelden van al de +mythologische en allegorische fantazie, die de litteratuur aanbracht. +Een goed voorbeeld levert de illustratie van de _Epitre d'Othea a +Hector_, [972] een uitgewerkte mythologische fantazie van Christine +de Pisan. Het is het onbeholpenste wat men zich kan voorstellen. De +Grieksche goden dragen groote vlerken achter aan hun hermelijnmantels of +bourgondische tabberts; de geheele opzet en uitdrukking mislukt: Minos, +Saturnus, die zijn kinderen verslindt, Midas, die den prijs uitdeelt, +zij vallen allen even zot uit. Doch zoodra de verluchter in den +achtergrond even zijn hart kan ophalen aan een herdertje met schaapjes +of een heuveltje met galg en rad, vertoont hij de gewone vaardigheid. +[973] Men is hier aan de grens van het beeldend vermogen dezer +kunstenaars. In vrij scheppende verbeelding zijn zij tenslotte ongeveer +even beperkt als de dichters. + + * * * * * + +De allegorische verbeelding had de fantazie in een impasse geleid. De +allegorie kluistert wederkeerig het beeld en de gedachte. Het beeld +kan niet vrij geschapen worden, omdat het de gedachte volkomen moet +omschrijven, en de gedachte wordt in haar vlucht belemmerd door het +beeld. De fantazie heeft zich gewend, de gedachte zoo nuchter mogelijk +in beeld over te brengen, zonder eenig gevoel voor stijl. Temperantia +draagt op haar hoofd een uurwerk, om haar aard aan te duiden. De +verluchter van de _Epitre d'Othea_ nam daartoe eenvoudig het hangklokje, +dat hij ook bij Philips den Goede aan den wand plaatste. [974]--Wanneer +een scherp natuurlijk observeerende geest als Chastellain uit eigen +vinding allegorische figuren teekent, valt het bijster barok uit. Hij +ziet bij voorbeeld in het rechtvaardigingsbetoog naar aanleiding van +zijn gewaagd politiek gedicht _Le dit de verite_ [975] vier dames, die +hem aanklagen. Zij heeten Indignation, Reprobation, Accusation, +Vindication. Ziehier, hoe hij de tweede beschrijft. [976] "Ceste dame +droit-cy se monstroit avoir les conditions seures, [977] raisons moult +agues et mordantes; grignoit les dens et machoit ses levres; niquoit de +la teste souvent; et monstrant signe d'estre argueresse, sauteloit sur +ses pieds et tournoit l'un coste puis ca, l'autre coste puis la; portoit +maniere d'impatience et de contradiction; le droit oeil avoit clos et +l'autre ouvert; avoit un sacq plein de livres devant lui, dont les uns +mit en son escours [978] comme cheris, les autres jetta au loin par +despit; deschira papiers et feuilles; quayers jetta au feu felonnement; +rioit sur les uns et les baisoit; sur les autres cracha par vilennie et +les foula des pieds; avoit une plume en sa main, pleine d'encre, de +laquelle roioit maintes ecritures notables ...; d'une esponge aussy +noircissoit aucunes ymages, autres esgratinoit aux ongles ... et les +tierces rasoit toutes au net et les planoit comme pour les mettre hors +de memoire; et se monstroit dure et felle ennemie a beaucoup de gens de +bien, plus volontairement que par raison." Elders ziet hij, hoe Dame +Paix haar mantel uitspreidt en hoog oplicht, en in vier nieuwe dames +uiteenvalt: Paix de coeur, Paix de bouche, Paix de semblant, Paix de +vray effet. [979] In weer een ander van zijn allegorieen komen +vrouwenfiguren voor, die heeten "Pesanteur de tes pays, Diverse +condition et qualite de tes divers peuples, L'envie et haine des +Francois et des voisines nations", alsof een politiek hoofdartikel zich +liet allegoriseeren. [980]--Dat al die figuren niet gezien maar bedacht +zijn, blijkt ten overvloede uit het feit, dat zij hun namen op +banderoles dragen; hij put de beelden niet direct uit zijn levende +fantazie, maar stelt ze zich voor als op een schilderij of in een +vertooning. + +In _La mort du duc Philippe, mystere par maniere de lamentation_ ziet +hij zijn hertog verbeeld als een flesch vol kostbare zalf, die aan een +draad uit den hemel hangt; de aarde heeft die flesch aan haar borsten +gezoogd. [981] Molinet ziet Christus als pelikaan (een gewone trope) +niet alleen met zijn bloed de jongen voeden, maar tevens er den spiegel +des doods mee afwasschen. [982] + +Schoonheidsinspiratie is hier zoek; het is spelend en valsch vernuft, +een uitgeputte geest, die nieuwe bevruchting wacht. In het altijd weer +gebruikte droommotief als raam eener handeling zijn bijna nooit echte +droomelementen waar te nemen, zooals ze bij Dante en bij Shakespeare zoo +treffend voorkomen. De illusie, dat de dichter zijn voorstelling als +vizioen heeft gezien, wordt dikwijls niet eens volgehouden: Chastellain +noemt zich zelf "l'inventeur ou le fantasieur de ceste vision." [983] + +Op het verdorde veld der allegorische verbeelding kan alleen de spot +telkens weer frisch kruid doen bloeien. Zoodra het even in 't luimige +geworpen wordt, werkt de allegorie nog. Deschamps vraagt den dokter, hoe +de deugden en het recht het maken: + + "Phisicien, comment fait Droit? + --Sur m'ame, il est en petit point.... + --Que fait Raison?... + Perdu a son entendement, + Elle parle mais faiblement, + Et Justice est toute ydiote...." [984] + +De verschillende sferen van fantazie worden stijlloos dooreengemengd. +Geen product zoo bizar als het politieke schotschrift in het kleed der +pastorale. De onbekende dichter, die zich Bucarius noemt, heeft in _Le +Pastoralet_ al den laster van het huis Bourgondie tegen Orleans in de +kleur der herderij geschilderd: Orleans, Jan zonder Vrees en al hun +trotsch en grimmig gevolg als zoete herders, wonderlijke Leeuwendalers! +De herdersrok is beschilderd met fleurs de lis of klimmende leeuwen; er +zijn "bergiers a long jupel", dat zijn de geestelijken. [985] De herder +Tristifer, dat is Orleans, neemt den anderen hun brood en kaas, hun +appelen en noten, hun fluitjes af, en den schapen de klokjes; hij dreigt +de weerstrevenden met zijn grooten herdersstaf. Totdat hij zelf met een +herdersstaf wordt doodgeslagen. Soms vergeet de dichter bijna zijn +sinistere strekking en vermeit zich in de zoetste pastorale, dan weer +wordt de herderlijke fantazie zonderling gestoord door den boozen +politieken smaad. [986] Ook hier nog niets van de maat en smaak der +Renaissance. + +Molinet haspelt de motieven van het geloof, den krijg, de heraldiek en +de min dooreen, in den vorm van een proclamatie van den Schepper aan +alle ware minnenden: + + "Nous Dieu d'amours, createur, roy de gloire + Salut a tous vrays amans d'humble affaire! + Comme il soit vray que depuis la victoire + De nostre filz sur le mont de Calvaire + Plusieurs souldars par peu de congnoissance + De noz armes, font au dyable allyance...." + +Daarom wordt hun het rechte wapen beschreven: schild van zilver, chef +van goud met vijf wonden, en de militante Kerk octrooi verleend, om +allen in haar dienst op te nemen, die tot dat wapen willen terugkeeren, + + "mais qu'en pleurs et en larmes, + De cueur contrict et foy sans abuser." [987] + +De kunstenmakerijen, waarmee Molinet den lof zijner tijdgenooten als +vernuftig rhetoriqueur en poeet behaalde, schijnen ons de laatste +ontaarding van een uitdrukkingsvorm voor zijn ondergang. Hij vermeit +zich in de meest zoutelooze woordspelletjes: "Et ainsi demoura l'Escluse +en paix qui lui fut incluse, car la guerre fut d'elle excluse plus +solitaire que rencluse." [988] In de inleiding op zijn gemoraliseerde +prozabewerking van den _Roman de la rose_ speelt hij met zijn naam +Molinet. "Et affin que je ne perde le froment de mal labeur, et que la +farine que en sera molue puisse avoir fleur salutaire, j'ay intencion, +se Dieu m'en donne la grace, de tourner et convertir soubz mes rudes +meulles le vicieux au vertueux, le corporel en l'espirituel, la +mondanite en divinite, et souverainement de la moraliser. Et par ainsi +nous tirerons le miel hors de la dure pierre, et la rose vermeille hors +des poignans espines, ou nous trouverons grain et graine, fruict, fleur +et feuille, tres souefve odeur, odorant verdure, verdoyant floriture, +florissant nourriture, nourissant fruict et fructifiant pasture." [989] +Wat lijkt het eind-eeuwsch en versleten! Toch bewonderde de tijdgenoot +juist dit als het nieuwe; de middeleeuwsche poezie had dat spelen met +woorden eigenlijk niet gekend, die speelde meer met beelden. Zooals bij +voorbeeld Olivier de la Marche, Molinet's geestverwant en bewonderaar: + + "La prins fievre de souvenance + Et catherre de desplaisir, + Une migraine de souffrance, + Colicque d'une impascience, + Mal de dens non a soustenir. + Mon cueur ne porroit plus souffrir + Les regretz de ma destinee + Par douleur non accoustumee." [990] + +Meschinot is nog even verslaafd aan de slappe allegorie als La Marche; +van zijn _Lunettes des princes_ zijn Prudence en Justice de glazen, +Force de montuur, Temperance de nagel, die alles bijeenhoudt. Raison +geeft den dichter dien bril met een gebruiksaanwijzing; door den hemel +gezonden komt Raison zijn geest binnen, en wil daar haar festijn +aanrichten, maar vindt er alles bedorven door Desespoir, zoodat er niets +is "pour disner bonnement." [991] + +'t Schijnt alles ontaarding en verval. En toch is het de tijd, waarin +de nieuwe geest der Renaissance reeds blaast, waar hij wil. Waar is de +groote, jonge bezieling en de nieuwe, zuivere vorm? + + + +NOTEN: + + +[902] Erasmus, Ratio seu Methodus compendio perveniendi ad veram +theologiam, ed. Bazel 1520, p. 146. + +[903] E. Durand Greville, Hubert et Jean van Eyck, Bruxelles, 1910, +p. 119. + +[904] p. 361. (zie Hoofdstuk X, noot 721) + +[905] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 594. + +[906] Chastellain, I p. 11, 12. IV p. 21, 393, VII p. 160; La Marche, +I p. 14; Molinet, I p. 23. + +[907] Jean Robertet, bij Chastellain, VII p. 182. + +[908] Chastellain, VII p. 219. + +[909] Chastellain, III p. 231ss.--Sint Antoine valt op 17 Januari. + +[910] Oratoire, een door tapijten afgeschoten vertrekje in een kapel. + +[911] Dooi. + +[912] Een heuveltje, een aardhoop. + +[913] Chastellain, III p. 46, zie hierboven blz. 154 (zie Hoofdstuk III, +noot 294). vg. III 104, V 259. + +[914] Helmen. + +[915] Chastellain, V p. 273, 269, 271. + +[916] Zie de reproducties bij A. Michel, Histoire de l'art etc., Paris, +1907 etc. 7 vol. parus, IV, 2 p. 711 en P. Durrieu. Les belles heures du +duc de Berry, Gazette des beaux arts 1906, t. 35, p. 283. + +[917] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 50, XI p. 99. XIII p. 4. + +[918] Dichter onbekend, gedrukt Deschamps, Oeuvres X no. 18, vgl. Le +Debat du cuer et du corps de Villon, evenzoo Charles d'Orleans, rondel +192. + +[919] Dat blijkt. + +[920] Ed. de 1522, fol. 101, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot etc., +Bibl. de l'ecole des chartes LVI, 1895, p. 301. Vgl. de balladen van +Henri Baude, ed. Quicherat (Tresor des pieces rares ou inedites, Paris +1856), p. 26, 37, 55, 79. + +[921] Froissart, ed. Luce. I p. 56, 66. 71, XI p. 13, ed. Kervyn. XII +p. 2, 23; vgl. ook Deschamps, III p. 42. + +[922] Froissart ed. Kervyn, XI p. 89. + +[923] P. Durrieu, Les tres-riches heures de Jean de France duc de Berry, +1904, pl. 38. + +[924] Oeuvres du roi Rene, ed. de Quatrebarbes, II p. 105. + +[925] Deschamps, I nos. 61, 144; III nos. 454, 483, 524; IV nos. 617, 636. + +[926] Durrieu. l.c. pl. 3, 9, 12. + +[927] Deschamps, VI p. 191, no. 1204. + +[928] Froissart, ed. Luce, V p. 64, VIII p. 5, 48, XI p. 110, ed. +Kervyn, XIII p. 14, 21, 84, 102, 264. + +[929] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 54, 109, 184, XVI p. 23, 52, ed. +Luce. I p. 394. + +[930] Froissart, XIII p. 13. + +[931] G. de Machaut, Poesies lyriques, ed. V. Chichmaref (Zapiski ist. +fil. fakulteta imp. S. Peterb. universiteta XCII 1909) no. 60, I p. 74. + +[932] La Borderie, l.c., p. 618. + +[933] Christine de Pisan, Oeuvres poetiques, I p. 276. + +[934] Ib. p. 164, no. 30. + +[935] Ib. I p. 275, no. 5. + +[936] Froissart, Poesies, ed. Scheler, II p. 216. + +[937] P. Michault, La dance aux aveugles etc., Lille, 1748. + +[938] Recueil de poesies francoises des XVe et XVIe siecles, ed. de +Montaiglon (Bibl. elzevirienne) t. IX p. 59. + +[939] Deschamps, VI no. 1202, p. 188. + +[940] Het vee dat naar de wei gaat. + +[941] Froissart, Poesies. I p. 91. + +[942] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 22. + +[943] Deschamps, I p. 196, no. 90, p. 192, no. 87. IV p. 294, no. 788, V +no.903, 905, 919, VII p. 220, no. 1375, vgl. II p. 86, no. 250, no.247. + +[944] Durrieu, Les tres riches heures, pl. 38, 39, 60, 27, 28. + +[945] Deschamps, no. 1060, V p. 351. no. 844, V p. 15. + +[946] Chastellain, III p. 256ss. + +[947] Journal d'un bourgeois, p. 325(2). + +[948] Deschamps, nos. 1229, 1230, 1233, 1259, 1299, 1300, 1477, VI +p. 230, 232, 237, 279, VII p. 52, 54, VIII p. 182, vgl. Gaguin's +De validorum mendicantium astucia, Thuasne, II p. 169ss. + +[949] Deschamps. no. 219, II p. 44, no. 2, I p. 71. + +[950] Ib. IV, p. 291, no. 786. + +[951] Bibliotheque de l'ecole des chartes, 2e serie III 1846, p. 70. + +[952] Proverbia, 14.13. + +[953] Alain Chartier, La belle dame sans mercy, p. 503, 505, vgl. Le +debat du reveille-matin, p. 498; Chansons du XVe siecle, p. 71, no. 73; +L'amant rendu cordelier a l'observance d'amours, vs. 371; Molinet, +Faictz et dictz, ed. 1537, f. 172. + +[954] Alain Chartier, Le debat des deux fortunes d'amours, p. 581. + +[955] Oeuvres du roi Rene, ed. Quatrebarbes, III p. 194. + +[956] Charles d'Orleans, Poesies completes, p. 68. + +[957] L.c., p. 88, ballade no. 19. + +[958] L.c., chanson no. 62. + +[959] Vgl. Alain Chartier, p. 559: "Ou se le vent une fenestre boute, +Dont il cuide que sa dame l'escoute, S'en va coucher joyeulx...." + +[960] Huitains 51, 53, 57, 167, 188, 192, ed. de Montaiglon, Soc. des +anc. textes francais, 1881. + +[961] Museum te Leipzig, no. 509. + +[962] Juvenal des Ursins, 1418, p. 541; Journal d'un bourgeois de Paris, +p. 92, 172. + +[963] J. Veth & S. Muller Fz., A. Duerer's Niederlaendische Reise, +Berlin-Utrecht, 1918, 2 bde, I p. 13. + +[964] Chastellain, III p. 414. + +[965] Chron. scand., I p. 27. + +[966] Molinet, V p. 15. + +[967] Lefebvre, Theatre de Lille, p. 54, bij Doutrepont, p. 354. + +[968] Th. Godefroy, Le ceremonial francois, 1649, p. 617. + +[969] J. B. Houwaert, Declaratie van die triumphante Incompst van den +... Prince van Oraingnien etc.; t'Antwerpen, Plantijn 1579, p. 39. + +[970] De these van Emile Male omtrent den invloed der +theatervoorstelling op de schilderkunst moge hier blijven rusten. + +[971] Zie P. Durrieu, Gazette des beaux arts, 1906, t. 35, p. 275. + +[972] Christine de Pisan, Epitre d'Othea a Hector, Ms. 9392 de Jean +Mielot, ed. J. van den Gheyn, Bruxelles 1913. + +[973] L.c., pl. 5, 8, 26, 24, 25. + +[974] Van den Gheyn, Epitre d'Othea, pl. I en 3; Michel, Histoire de +l'art IV, 2 p. 603, Michel Colombe, grafmonument uit de kathedraal van +Nantes, id. 616, figuur van Temperantia aan het grafmonument der +kardinalen van Amboise in de kathedraal van Rouen. + +[975] Zie daarover mijn opstel Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal +besef, De Gids 1912, I. + +[976] Exposition sur verite mal prise, Chastellain, VI p. 249. + +[977] zuur. + +[978] gordel. + +[979] Le livre de paix, Chastellain, VII p. 375. + +[980] Advertissement au duc Charles, Chastellain. VII p. 304 ss. + +[981] Chastellain, VII p. 237 ss. + +[982] Molinet, Le miroir de la mort, fragment bij Chastellain, VI +p. 460. + +[983] Chastellain. VII p. 419. + +[984] Deschamps, I p. 170. + +[985] Le Pastoralet, vs. 501, 7240, 5768. + +[986] Vgl. voor de vermenging van pastorale en politiek Deschamps, III +p. 62, no. 344, p. 93, no. 359. + +[987] Molinet, Faictz et dictz, f. 1. + +[988] Molinet, Chronique, IV p. 307. + +[989] Bij E. Langlois, Le roman de la rose (Soc. des anc. textes) 1914, +I p. 33. + +[990] Recueil de Chansons etc. (Soc. des bibliophiles belges), III p. 31. + +[991] La Borderie, l.c., p. 603, 632. + + + * * * * * + + +XIV + +HET KOMEN VAN DEN NIEUWEN VORM + + +De verhouding van het opbloeiende Humanisme en den afstervenden geest +der Middeleeuwen is veel minder eenvoudig, dan wij geneigd zijn, ons +haar voor te stellen. Ons, die die beide cultuurcomplexen scherp +gescheiden zien, schijnt het, alsof de ontvankelijkheid voor de eeuwige +jeugd der Ouden en de verloochening van den ganschen versleten toestel +der middeleeuwsche gedachtenuitdrukking gekomen moet zijn als een +openbaring. Alsof de geesten, ten doode vermoeid van allegorie en +flamboyantisme, plotseling moeten hebben begrepen: neen, niet dit, maar +dat! Alsof de gouden harmonie van het klassieke hun opeens als een +redding voor oogen moet hebben gestraald, alsof zij de Oudheid hebben +moeten omhelsd met de vervoering van wie zijn heil heeft gevonden. + +Maar zoo is het niet. Midden in den tuin der middeleeuwsche gedachte, +tusschen de welige woekering van het oude gewas, is het klassicisme van +lieverlede opgegroeid. Eerst is het enkel een formeel fantazie-element. +Een groote nieuwe bezieling wordt het eerst laat, en de geest en de +uitdrukkingsvormen, die wij als de oude, middeleeuwsche plegen te +beschouwen, sterven ook dan nog niet af. + +Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier +geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Italie, maar +in het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den +heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk +Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze +tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan begaat men +licht deze vergissing: men houdt de signatuur van het quattrocento: +de blijheid, de vrijheid, het serene en het sonore, voor die van den +nieuwen tijd, en zegt: daar waar het leven in dien toonaard klinkt, +daar is de Renaissance. Doch is het niet veeleer de signatuur van den +Italiaanschen geest, is zij niet reeds evenzeer aanwezig in het Italie +der dertiende eeuw? Men komt altijd weer terecht, of bij de absurde +consequentie, om de Renaissance steeds hoogerop in de Middeleeuwen +te verlengen, of bij de erkentenis, dat de Renaissance met haar +Italiaanschen verschijningsvorm volstrekt niet volledig is getypeerd, +en dat het begrip Renaissance slechts een aspect vertegenwoordigt van +de bonte cultuur der eindigende Middeleeuwen. + +Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de +nieuwe, klassicistische vormen op. Voor het aannemen van volkomen +ontwikkelde humanistische uitdrukkingsvormen is niet anders noodig, dan +dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigd op +zuiver latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks +1400 in Frankrijk; zij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten: +Jean de Monstreuil, kanunnik van Rijssel en koninklijk secretaris, +Nicolas de Clemanges, de beroemde woordvoerder der reformgezinde +geestelijkheid, Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke +geheimschrijvers evenals de eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en +deftige humanistenbrieven, die voor de latere producten van het genre +in niets onderdoen: de holle algemeenheid van gedachte, het gewild +gewichtige, de gewrongen zinsbouw en ondoorzichtige uitdrukking, en ook +het behagen aan geleerde beuzelingen. Jean de Monstreuil maakt zich druk +over de spelling van "orreolum" en "scedula", met of zonder h, over het +gebruik van de k in latijnsche woorden. "Als ge mij niet te hulp komt, +waarde leermeester en broeder,--schrijft hij aan Clemanges--, [992] +ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods schuldig. Daar heb ik +bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en vader, den +bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus "propior", +overhaast en slordig als de pen is, "proximior" heb gezet! Verbeter +het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken." +[993]--Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als +geleerde letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van +zijn vriend Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had, +en Ovidius boven Vergilius stelde. [994] + +In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het +klooster Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar +middeleeuwschen trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens +veel leesbaarder wordt. Hoe de musschen meeeten in het reefter, zoodat +men zou twijfelen, of de koning de prebende voor de monniken of voor de +vogels heeft ingesteld, hoe een winterkoninkje doet, alsof het de abt +was, hoe de ezel van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook hem in +zijn epistel niet te vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar +niet specifiek humanistisch. [995] Herinneren wij ons, dat Jean de +Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige +vereerders van den _Roman de la rose_ leerden kennen, en als leden van +den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een +uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is +eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche +schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke +latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien +geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw. + +Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke +voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen, +die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote +internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil +en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de +Florentijnsche kanselier, die in het midden der veertiende eeuw de +nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staats-acten had ingevoerd, +wordt herhaaldelijk door hem genoemd. [996] Petrarca is evenwel, als men +het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen +geest. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde, [997] Machaut's +Peronne d'Armentieres bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer +niet enkel door het voorbeeld van Heloise, maar ook reeds door dat van +Laura bezeten is geweest, dan levert _Le Voir-Dit_ een opmerkelijk +getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent +van de moderne gedachte zien, toch weder een zuiver middeleeuwsche +schepping kon opleveren. + +Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Italie +zijn naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de "devotissimus, +catholicus ac celeberrimus philosophus moralis." [998] Ook als zoodanig +wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake +van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes, +de geestdrijver van Saint Lie, [999] ontleent voor een nieuw gebed, dat +hij samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij +roept diens gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van +ketterij. [1000] Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's _De Vita +solitaria_ een klacht over om het verlies van het heilige graf; "maar +omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever +den zin dan den vorm van Franciscus' woorden aanhalen." [1001] + +De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in +hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun +bewonderden Petrarca, dat buiten Italie geen redenaars en dichters te +zoeken waren, [1002] te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de +Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet. [1003] + +Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften +vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, "le +docteur de patience en adversite". Voor Chastellain [1004] is messire +Jehan Bocace een soort impresario der Fortuin geworden; _Le Temple de +Bocace_ betitelt hij een zeer barok tractaat over allerlei tragisch +lotgeval van zijn tijd, waarin de geest van den "noble historien" wordt +aangeroepen, om troost in haar rampspoed te schenken aan Margareta van +Engeland. + +Terwijl de geleerde auteurs den klassiek Latijnschen briefstijl reeds +beheerschen met volkomen vaardigheid, vertoonen de wereldlijken, bij al +hun bewondering voor de Oudheid, somtijds nog een diepe onwetendheid. +Machaut (hoewel geestelijke geen geleerde en wereldsch als dichter) +verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier. +Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en +Pirithous. De dichter van _Le Pastoralet_ spreekt van "le bon roy +Scypion d'Afrique", de schrijvers van _Le Jouvencel_ leiden "pollitique" +af van [greek: _polyt_] en een gewaand Grieksch "icos, gardien, qui est +a dire gardien de pluralite." [1005] + +Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en +toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen +herdersspel _Le Pastoralet_ geeft in een beschrijving van den god +Silvanus en een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het +quattrocento, om dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen +van zijn oude pad. [1006] Evenals Jan van Eyck soms klassicistische +architectuurvormen aanbrengt op zijn zuiver middeleeuwsch geziene +tafereelen, zoeken de schrijvers, louter formeel nog en ter versiering, +antieke trekken te verwerken. De kroniekschrijvers beproeven hun kracht +op staats- en krijgsredevoeringen, contiones, in Liviaanschen trant, of +vermelden wonderteekens, prodigia, omdat Livius het ook deed. [1007] +Daar waar de verwerking der klassieke vormen met den ouden geest het +onvolkomenst uitvalt, leeren wij het meest omtrent de wording der +Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean Germain, beproeft het +vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in den dringenden, +gemarkeerden stijl der Romeinen; het valt uit als een middeleeuwsch +kalenderblad. [1008] Het gezicht op de Oudheid is nog buitengewoon +bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy komt de +jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van zijn +vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad "a l'antique", dat wil zeggen, +hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij een +der negen "preux" voorstelt, [1009] en zijn eigen zegepraal viert. Zoo +vermomd bidt hij een kwartier lang. [1010] + +Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt +door de begrippen "rhetorique, orateur, poesie". Zij zien de +benijdenswaardige volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden +vorm. Al deze dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als +zij hun hart laten spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een +vloeiend, eenvoudig, vaak pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens +heel mooi moet, brengen zij er mythologie aan te pas, en precieuze +latiniseerende termen, en vinden zich "rhetoricien". Christine de Pisan +onderscheidt een mythologisch gedicht uitdrukkelijk van haar gewone werk +als "balade pouetique". [1011] Wanneer Eustache Deschamps aan zijn +kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn werken toezendt, vervalt hij in +de meest ongenietbare quasi-klassieke poespas. + + "O Socrates plains de philosophie, + Seneque en meurs et Anglux en pratique, + Ovides grans en ta poeterie, + Bries en parler, saiges en rethorique + Aigles tres haulz, qui par ta theorique + Enlumines le regne d'Eneas, + L'Isle aux Geans, ceuls de Bruth, et qui as + Seme les fleurs et plante le rosier, + Aux ignorans de la langue pandras, + Grant translateur, noble Geffroy Chaucier! + * * * * * * * * * * * * * * * + A toy pour ce de la fontaine Helye + Requier avoir un buvraige autentique, + Dont la doys est du tout en ta baillie, + Pour rafrener d'elle ma soif ethique, + Qui en Gaule seray paralitique + Jusques a ce que tu m'abuveras." [1012] + +Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke +latiniseering van het edele Fransch, welke den spot van Villon en van +Rabelais zou treffen. [1013] Het is steeds weer in de dichterlijke +correspondentie, in de opdrachten en oraties, met andere woorden, als +het bijzonder mooi moet, dat men dien trant aantreft. Dan spreekt +Chastellain van "vostre tres-humble et obeissante serve et ancelle, la +ville de Gand", "la viscerale intime douleur et tribulation", La Marche +van "nostre francigene locution et langue vernacule", Molinet van +"abreuve de la doulce et melliflue liqueur procedant de la fontaine +caballine", "ce vertueux duc scipionique", "gens de muliebre courage". +[1014] + +Deze idealen van verfijnde "rhetorique" zijn geen idealen van zuivere +litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van +hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is evenzeer als de +poezie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm +van conversatie, een streven naar een hoogeren levensvorm. Zelfs de +geleerden correspondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat +element geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich +middenevenredig tusschen Italie en de Nederlanden. In Italie, waar taal +en gedachte het minst verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid, +konden de humanistische vormen ongedwongen worden opgenomen in de +natuurlijke ontplooiing van het hoogere volksleven. De Italiaansche taal +werd door eenige meerdere latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld +aangedaan. De humanistische clubgeest sloot er zeer wel aan bij de +zeden der samenleving. De Italiaansche humanist vertegenwoordigde den +geleidelijken uitgroei der Italiaansche volksbeschaving, en daarmee +het eerste type van den modernen mensch. In de Bourgondische landen +daarentegen was de geest en de vorm der samenleving nog zoo +middeleeuwsch, dat het streven naar een vernieuwde en gezuiverde +uitdrukking er zich aanvankelijk slechts belichamen kon in volkomen +ouderwetschen vorm: de rederijkerskamers. Als genootschappen zijn zij +enkel een voortzetting van de middeleeuwsche broederschap, en de geest, +die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het zeer uiterlijk formeele +vernieuwd. Eerst het bijbelsch Humanisme van Erasmus inaugureert er de +moderne beschaving. + +Frankrijk kent niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers, +maar zijn "nobles rhetoriciens" gelijken ook nog niet op Italiaansche +humanisten. Ook zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en +vormen. Ten opzichte der Fransche letterkunde der vijftiende eeuw kan +men zonder overdrijving zeggen, dat die schrijvers en dichters, die +zich het meest vrij houden van klassicisme, nader staan tot de moderne +ontwikkeling der litteratuur dan zij, die de idealen van latiniteit en +oratorie huldigen. De modernen, dat zijn er de onbevangenen van geest, +zelfs als zij dien nog kleeden in den middeleeuwschen vorm: Villon, +Coquillart, Henri Baude, ook Charles d'Orleans en de dichter van +_L'amant rendu cordelier_. Juist het klassicistische streven doet zich +hier, althans wat dicht en proza betreft, als den remmenden invloed +gelden. De pompeuze woordvoerders van het zwaar gedrapeerde +Bourgondische ideaal: Chastellain, La Marche, Molinet, dat zijn de +ouderwetsche geesten der Fransche litteratuur. Zoodra ook zij zich nu +en dan losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en dichten of +schrijven, wat hun ter harte gaat, eenvoudigweg, worden zij leesbaar, +en doen zij tegelijk moderner aan. + +Een dichter van den tweeden rang, Jean Robertet (1420-1490), secretaris +van drie hertogen van Bourbon en drie Fransche koningen, zag in Georges +Chastellain, den Vlaming-Bourgondier, het puik der edele dichtkunst. Uit +die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het +zooeven beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te +komen, bedient Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant, +die als gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van +Bourgondie opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven voor +Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een +hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze +niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging, +vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude +recept: "les Douze Dames de Rhetorique" waren hem verschenen, genaamd +Science, Eloquence, Gravite de Sens, Profondite enz. Voor die verlokking +bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rhetorique groepeeren +zich nu de brieven van het drietal; [1015] het duurde overigens niet +lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling +af. + +Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. "J'ay +este en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la +brumale froidure", aldus een verkoudheid. [1016] Even zot zijn de +hyperbolische termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk +zijn dichterlijken brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen +poezie inderdaad) beet heeft, schrijft hij aan Montferrant: + + "Frappe en l'oeil d'une clarte terrible + Attaint au coeur d'eloquence incredible, + A humain sens difficile a produire, + Tout offusquie de lumiere incendible + Outre percant de ray presqu'impossible + Sur obscur corps qui jamais ne peut luire, + Ravi, abstrait me trouve en mon deduire, + En extase corps gisant a la terre, + Foible esperit perplex a voye enquerre + Pour trouver lieu et oportune yssue + Du pas estroit ou je suis mis en serre, + Pris a la rets qu'amour vraye a tissue." + +En in proza voortgaande: "Ou est l'oeil capable de tel objet visible, +l'oreille pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?" Wat zegt +Montferrant, "amy des dieux immortels et cheri des hommes, haut pis +Ulixien, plein de melliflue faconde" er wel van? "N'est-ce resplendeur +equale au curre Phoebus?" Is het niet meer dan Orpheus' lier, "la tube +d'Amphion, la Mercuriale fleute qui endormyt Argus?" enz. enz. [1017] + +Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe +schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche +voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten +huldigen nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn Memoires zal +kunnen gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn +arbeid met het herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle "orateurs", +om zijn werk te besnoeien van het overbodige. Zelfs Commines hoopt, dat +de aartsbisschop van Vienne, wien hij zijn werk zendt, het misschien zal +kunnen opnemen in een Latijnsch geschrift. [1018] + +In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en +Montferrant ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts +opgeplakt op een echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet +is in Italie geweest, "en Ytalie, sur qui les respections du ciel +influent aorne parler, et vers qui tyrent toutes douceurs elementaires +pour la fondre harmonie." [1019] Maar van die harmonie van het +quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee thuisgebracht. De +voortreffelijkheid van Italie bestond voor deze geesten louter in het +"aorne parler", in de uiterlijke cultiveering van een kunstvaardigen +stijl. + +Het eenige, wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even +twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde +ontboezemingen soms even onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de Dames +de Rhetorique tot Montferrant, [1020]--"il est exemple de Tullian art, +et forme de subtilite Terencienne ... qui succie a de nos seins notre +plus interiore substance par faveur; qui, outre la grace donnee en +propre terroir, se est alle rendre en pays gourmant pour refection +nouvelle (d.i. Italie), la ou enfans parlent en aubes a leurs meres, +frians d'escole en doctrine sur permission de eage". Chastellain zegt de +correspondentie op, omdat het hem te machtig wordt: de poort heeft lang +genoeg wijd opengestaan voor "Dame Vanite"; hij gaat haar grendelen. +"Robertet m'a surfondu de sa nuee, et dont les perles, qui en celle se +congreent comme gresil, me font resplendir mes vestements; mais qu'en +est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma robe decoit les voyans?" +Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven ongelezen in het vuur +gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder vrienden hoort, dan zal +George's genegenheid hem niet begeven. + +Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist, +komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het latijn +bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest +der Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde +nabootsen zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als +Robert Gaguin (1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds +bijna even modern aan als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid +te danken had, doordat Gaguin achter zijn Compendium der Fransche +geschiedenis, het eerste wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk +(1495), een brief van Erasmus opnam, die zich daardoor voor het eerst +gedrukt zag. [1021] Al kende Gaguin nog even slecht Grieksch als +Petrarca, [1022] een echte humanist is hij er niet minder om. Tegelijk +evenwel zien wij ook in hem den ouden geest voortleven. Hij wijdt zijn +Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude middeleeuwsche thema's, +zooals de diatribe tegen het huwelijk [1023] of de misprijzing van het +hofleven, door Alain Chartier's _Curial_ in het latijn terug te +vertalen, of de maatschappelijke waarde der standen, in den +veelgebruikten vorm van een twistgesprek, _le Debat du Laboureur, du +Prestre et du Gendarme_. In zijn Fransche gedichten doet juist Gaguin, +die den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische +fraaiigheden in het geheel niet mee; geen gelatiniseerde vormen, geen +hyperbolische wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij +geheel aan de zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de +natuurlijkheid en daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm +is nog niet veel meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed, +maar hij beweegt zich toch vrijer zonder dien tabbert. Bij den Franschen +geest der vijftiende eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op. + +Men is veelal gewend, om als een doorslaand criterium van de intrede der +Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken. +Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire +paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance. +Wanneer de humanisten God "princeps superum" en Maria "genitrix +tonantis" noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke +transponeeren van de personen van het christelijk geloof in benamingen +der heidensche mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of +niets voor den inhoud van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der +twaalfde eeuw rijmt in zijn geestige biecht onbeschroomd: + + "Vita vetus displicet, mores placent novi; + Homo videt faciem, sed cor patet lovi." + +Wanneer Deschamps van "Jupiter venu de Paradis" spreekt, [1024] bedoelt +hij geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de +roerende ballade, die hij voor zijn moeder maakte, om tot Onze Lieve +Vrouw te bidden, haar "haulte Deesse" noemt. [1025] + +Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon +men argeloos goden laten optreden. In _Le Pastoralet_ heet het +Celestijnenklooster te Parijs "temple au hault bois pour les diex +prier." [1026] Van zulk een onschuldig paganisme werd niemand de dupe. +En ten overvloede verklaart de dichter: "Se pour estrangier ma Muse je +parle des diex des paiens, sy sont les pastours crestiens et moy." +[1027] Evenzoo schuift Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en +Minerva laat optreden, de verantwoordelijkheid op "Raison et Entendement", +die hem zeiden: "Tu le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et +deesses, mais pour ce que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi +qu'il lui plaist, et souventes fois par divers inspirations." [1028] + +Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt +niet ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor +het doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van +waardeering van het heidensch geloof, met name het heidensche offer, als +zoodanig aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun +gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain +deed. + + "Des dieux jadis les nations gentiles + Quirent l'amour par humbles sacrifices, + Lesquels, pose que ne fussent utiles, + Furent nientmoins rendables et fertiles + + De maint grant fruit et de haulx benefices, + Monstrans par fait que d'amour les offices + Et d'honneur humble, impartis ou qu'ils soient + Pour percer ciel et enfer suffisoient." [1029] + +Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der +Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe +de Ternant, zonder naar de gewoonte een "bannerole de devocion" te +dragen, een lint met een vrome spreuk of figuur. "Laquelle chose je ne +prise point", zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener +is het devies, dat Ternant draagt: "Je souhaite que avoir puisse de mes +desirs assouvissance et jamais aultre bien n'eusse." [1030] Het kon de +lijfspreuk zijn van den vrijdenkendsten virtuoso der zestiende eeuw. + +Niet uit de klassieke litteratuur behoefden de geesten dit werkelijke +paganisme te putten. Zij konden het leeren uit hun eigen middeleeuwschen +schat, uit den _Roman de la rose_. In de erotische cultuurvormen, daar +lag het ware heidendom. Daar hadden van eeuwen her Venus en de Liefdegod +een schuilhoek gehad, waar zij iets meer dan een louter rhetorische +vereering vonden. Jean de Meun, dat was de groote heiden geweest. Niet +zijn vermenging van godennamen der Oudheid met die van Jezus en Maria, +maar zijn vermenging van de stoutste aanprijzing van aardschen wellust +met christelijke zaligheidsvoorstellingen was voor tallooze lezers sinds +de dertiende eeuw de school van het paganisme geweest. Er was geen +grooter blasphemie mogelijk dan de verzen, waarin hij het woord van +Genesis: toen berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde +gemaakt had, met omgekeerden zin in den mond legde van Nature, die bij +hem volkomen als demiurg optreedt: + + "Si m'aist Diex li crucefis, + Moult me repens dont homme fis." [1031] + +Het blijft verwonderlijk, dat de Kerk, die tegen kleine dogmatische +afwijkingen van strikt bespiegelenden aard zoo angstvallig waakte en zoo +heftig optrad, de leeringen van dit brevier der aristocratie ongehinderd +in de geesten heeft laten voortwoekeren. + + * * * * * + +De nieuwe vorm en de nieuwe geest dekken elkander niet. Zoogoed als de +gedachten van den komenden tijd uiting vonden in middeleeuwsch gewaad, +zoo goed zijn de meest middeleeuwsche gedachten gezegd in sapphische +metra, met een heelen stoet van mythologische figuren. Klassicisme en +Renaissance zijn twee geheel verschillende dingen. Het litteraire +klassicisme is een oud geboren kind. De Oudheid is voor de vernieuwing +van de litteratuur nauwelijks meer geweest dan de pijlen van Philoktetes. +Niet wat de beeldende kunst, en niet wat het wetenschappelijk denken +aangaat: daar is de antieke zuiverheid van verbeelding en uitdrukking +veel meer geweest dan een dorre staf. Het overwinnen van het overdadige, +van het overdrevene, van het verdraaide, van de grimas en de flamboyante +krul, het is alles het werk der Oudheid geweest. Maar in het litteraire +is de eenvoud en de zuiverheid opgegroeid buiten, ja ondanks het +klassicisme. + +De enkelen, die in het Frankrijk der vijftiende eeuw humanistische +vormen aannemen, luiden nog geen Renaissance in. Want hun stemming, hun +orienteering is nog middeleeuwsch. De Renaissance komt eerst, wanneer de +_levenstoon_ verandert, wanneer het getij van doodelijke levensverzaking +kentert, en er een bolle frissche wind gaat blazen; wanneer het blijde +besef rijpt, dat men al de heerlijkheid der oude menschheid, waaraan men +zich al zoo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen. + + + +NOTEN: + + +[992] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius, Lugd. Bat., 1613; Joh. de +Monasteriolo, Epistolae, Martene & Durand, Amplissima Collectio, II col. +1310. + +[993] Ep. 69 c. 1447, ep. 15 c. 1338. + +[994] Ep. 59 c. 1426, 58, c. 1423. + +[995] Ep. 40, col. 1388, 1396. + +[996] Ep. 59, 67, col. 1427, 1435. + +[997] Le livre du Voir-Dit, p. xviii. + +[998] Ep. 38, col. 1385. + +[999] Zie hierboven p. 324. (zie Hoofdstuk VIII, tekst voor noot 666) + +[1000] Gerson, Opera, I p. 922. + +[1001] Dion. Cart., t. XXXVII p. 495. + +[1002] Petrarca, Opera, ed. Bazel 1581, p. 847. + +[1003] Clemanges, Opera. Ep. 5, p. 24; J. de Monstr., Ep. 50, col. 1428. + +[1004] Chastellain, VII p. 75-143, vgl. V p. 38-40, VI p. 80; VIII p. 358, +Le livre des trahisons, p. 145. + +[1005] Machaut, Le Voir-Dit, p. 230; Chastellain, VI p, 194, La Marche, +III p. 166; Le Pastoralet vs.2806; Le Jouvencel, I p. 16. + +[1006] Le Pastoralet vs. 541, 4612. + +[1007] Chastellain, III p. 173, 117, 359 enz.; Molinet, II p. 207. + +[1008] J. Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae (Chron. +rel. a l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III). + +[1009] Zie hierboven p. 107. (zie Hoofdstuk III, tekst volgend op noot +194) + +[1010] Chronique scandaleuse, II p. 42. + +[1011] Christine de Pisan, Oeuvres poetiques, I no. 90. p. 90. + +[1012] Deschamps, no. 285, II p. 138. + +[1013] Villon, ed. Longnon p. 15, h. 36-38; Rabelais, Pantagruel, 1. 2. +ch. 6. + +[1014] Chastellain, V p. 292ss; La Marche, Parement et triumphe des +dames, Prologue; Molinet, Faictz et dictz, Prologue, id. Chronique, +I p. 72, 10. 54. + +[1015] Uittreksels bij Kervyn de Lettenhove, Oeuvres de Chastellain, +VII p. 145-186; zie P. Durrieu, Un barbier de nom francais a Bruges, +Academie des inscriptions et belles-lettres, Comptes rendus 1917, +p. 542-558. + +[1016] Chastellain, VII p. 146. + +[1017] Ib. p. 180. + +[1018] La Marche, I p. 15, 184-186; Molinet, I p. 14, III p. 99; +Chastellain, VI: Exposition sur verite mal prise, VII p. 76, 29, 142, +422; Commines, I p. 3; vgl. Doutrepont, p. 24. + +[1019] Chastellain, VII p. 159. + +[1020] Ib. + +[1021] Thuasne, R. Gaguini Ep. & Or, I p. 126. + +[1022] Thuasne, I p. 20. + +[1023] Thuasne. I p. 178, II p. 509. + +[1024] Deschamps, no. 63, I p. 158. + +[1025] Villon, Testament vs. 899, ed. Longnon, p. 58. + +[1026] Le Pastoralet vs. 2094. + +[1027] Ib. vs. 30, p. 574. + +[1028] Molinet, V p. 21. + +[1029] Chastellain, Le dit de verite, VI p. 221, vgl. Exposition sur +verite mal prise, ib. p. 297, 310. + +[1030] La Marche, II p. 68. + +[1031] Roman de la rose vs. 20141; aist=helpe, dont=dat ik. + + + * * * * * + + +REGISTER + + +Cursief gedrukte namen verwijzen naar den volledigen titel van +afgekort aangehaalde werken. + +Abuze en Court, L'. +Adel, Taak van den. +Adeldom in deugd. +Adellijke levensvormen nagevolgd door de burgerij. +Agricola, Rudolf. +Ailly, Pierre d'. +Alain de la Roche. +_Alain de la Roche_. +Alanus de Rupe, zie Alain de la Roche. +Alcuin. +_Alienor_. +Allegoriel. +Amadis-romans. +Amant rendu cordelier, L'. +Amoureux de l'observance. +Amuletten. +Andrieskruis. +Anjou, Isabella van. +Anjou, Lodewijk van. +Anjou, Margareta van, koningin van Engeland. +Anjou, Rene van; zie Rene, koning. +Anthropomorphisme. +Antieke helden. +Aquino, Thomas van. +Arbre des batailles, L'. +Arc, Jeanne d'. +Archipoeta. +Arkel. +Armagnacs. +Armentieres, Peronnelle d'. +Arnemuyden, Margareta van. +Arnolfini, Jean. +Arrestz d'amour. +Ars moriendi. +Artevelde, Philips van. +Artois, Philippe d'. +Artois, Robert van. +Atharvaveda. +Aubriot, Hugues. +Augustinus. +Aurea mediocritas. +Auvergne, Martiald'. +Azincourt. +Azincourt, Regnault d'. + +Bach, Johann Sebastian. +Baerze, Jacques de. +Bajazid. +Ball, John. +Balue, Jean, bisschop van Evreux, kardinaal enz.. +Bandello. +Bar, Louis de, kardinaal. +Barante, De. +Basin, Thomas, bisschop van Lisieux. +_Basin, Thomas_. +Baude, Henri. +Baudricourt, Robert de, gouverneur van Vaucouleurs. +Beaugrant, Madame de. +Beaumanoir, Robert de. +Beaumont, Jan van. +Beauneveu, Andre. +Bedelaars. +Bedevaarten. +Bedford, John of Lancaster, hertog van. +Begarden. +Begrafenis, Vorstelijke. +Beieren, Albrecht van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland. +Beieren, Jan van, elect van Luik, later graaf van Holland en Zeeland. +Beieren, Margareta van, hertogin van Bourgondie. +Beieren, Willem VI van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland. +Beleefdheidsstrijd. +Belon la Folle. +Benedictus XIII. +Bernard van Clairvaux. +Bernardino van Siena. +Beroepsideaal. +Berry, Jan, hertog van. +Berry, Karel, hertog van. +Berry, heraut. +Berthelemy, Jean. +Bespotting van het geloof. +Betisac, Jean. +Beurtgesprek, als stijlmiddel. +Bizarre in schilderkunst en litteratuur, Het. +Bladelyn, Pieter. +Bloed des Verlossers. +Bloedwraak. +Blois, Charles de. +Blois, Jean de, heer van Gouda en Schoonhoven. +Blois, Jean de. +Boccaccio. +Bodin, Jean. +Boeddhisme. +Boeufs, Pierre aux. +Bois, Manssart du. +Bonaventura. +Bonet, Honore. +Boniface, Jean de. +Borgia, Cesare. +Borromeus, Karel. +Boucicaut, Jean le Meingre, marechal de. +_Boucicaut, Livre des faicts du mareschal de_. +Bourbon, Isabella van; zie Charolais. +Bourbon, Jacques de. +Bourbon, Jean de. +Bourbon, Louis de. +Bourgeois de Paris. +_Bourgeois de Paris; zie Journal_. +Bourgogne, Mademoiselle de. +Bourgondie, Anna van, hertogin van Bedford. +Bourgondie, David van, bisschop van Utrecht. +Bourgondie, zie onder de voornamen. +Bourguignons. +Bouts, Dirk. +Brabant, Antonie van Bourgondie, hertog van. +Brabant, Wencelyn, hertog van. +Brandebourch. +Breaute, Pierre de. +Bretagne, Frans II, hertog van. +Bretagne, Jan V, hertog van. +Bretagne, Frans III, hertog van. +Breughel, Pieter. +Brigitta van Zweden. +Broederlam, Melchior. +Broeders van den Vrijen Geest. +Brugman, Johannes. +Bruiloft. +Bueil, Jean de. +Burckhardt, Jakob. +Burgerij. +Burne Jones, Edward. +Busnois, Antoine. +Bussy, Oudart de. +Bijgeloof. + +Capeluche, beul van Parijs. +Capistrano, Johannes. +Carr, Robert. +Casuistiek. +Casuistiek der liefde. +Catharina van Siena. +Caxton, William; 441. +Celestijnen, klooster der, te Parijs. +Cent ballades. +_Cent Ballades, Le livre des_. +Cent nouvelles nouvelles. +Chaise-Dieu, La. +Champion, P. +_Champion, P. zie Villon_. +Charny, Geoffroi de. +_Charny, Le livre messire Geoffroi de_. +Charolais, Isabella van Bourbon, gravin van. +Charolais; zie Karel de Stoute. +Chartier, Alain. +_Chartier, Alain_. +_Chartier, Jean_. +Chastellain, Georges. +_Chastellain, Georges_. +Chatel, Guillaume du. +Chatelier, Jacques du, bisschop van Parijs. +Chaucer, Geoffrey. +Chevalier, Etienne. +Chevalier du guet. +Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison; zie Orde van de Ster. +Chevrot, Jean, bisschop van Doornik. +Chopinel; zie Clopinel. +_Chroniqae scandaleuse_. +Cicero. +Cleef, Jan I, hertog van. +Cleef, Adolf van, heer van Ravestein. +Clemanges, Nicolaas van. +_Clemanges, Nicolaas van_. +Clemens V. +Clercq, Jacques du. +_Clercq, Jacques du. +Clisson, Olivier de, connetable van Frankrijk. +Clopinel, Jean. +Coeur, Jacques. +Coimbra, Jan van. +Coitier, Jacques. +Col, Gontier. +Col, Pierre. +Colette Boellet, Sainte. +Combat des Trente. +Commines, Philippe de. +_Commines, Philippe de_. +Compositie in de schilderkunst. +Contemptus mundi; zie Verachting der wereld. +Coquillart, Guillaume. +Coquinet, le fou de Bourgogne. +Cordeliers, klooster der. +Coucy, Enguerrand de. +Cour d'amours. +Courtenay, Pierre de. +Coustain, Jean. +Cranach, Lucas. +Craon, Pierre de. +Cresecque. +Cristus, Petrus. +Crokart. +Croy, Antoine de. +Croy, Philippe de. +Curial, Le. +Curtius, Quintus. +Cusa, Nicolaas van. + +Danse aux Aveugles. +Dante. +Daret, Jacques. +David, Gerard. +Debat des herauts d'armes. +_Debat des herauts d'armes_. +Deschamps, Eustache. +_Deschamps, Eustache_. +Deviezen; 201, 395 vg. +Devotie, Moderne. +Dieu, Spraakgebruik, voor de hostie. +Dionysius de Kartuizer, of: van Rycke. +_Dionysius Cartusianus_. +_Dixmude, Jan van_ +Dolce stil nuovo. +Domburg, Jan van. +Donatello. +Doodendans. +Doodsstrijd. +Doornik, Jean de Thoisy, bisschop van. +Dorpers. +_Douet d'Arcq, Pieces inedites_. +_Doutrepont, G._. +Drie dooden en drie levenden, Sproke der. +Dufay, Guillaume. +Duivelfantazie. +Dunois, Jan van Orleans, graaf van. +Durand-Greville, E. +Durandus, Guilielmus. +Duerer, Albrecht. +Dwergen. + +Eck, Johannes. +Eckhart, Meister. +Eduard II, koning van Engeland. +Eduard III, koning van Engeland. +Eduard IV, koning van Engeland. +Eergevoel. +Egmond, Lamoraal, graaf van. +Elisabeth, Sint, van Thueringen. +Emerson, R.W. +Emprise. +Engeland, Koningen van; zie onder de voornamen. +Engeland, Maria van. +Engelen. +Entremets. +Envoutement. +Epithalamische stijl. +Erasmus, Desiderius. +Erotiek, Droeve. +Erotische allegorie. +Escouchy, Mathieu d'. +_Escouchy, Mathieu d_. +Estats; zie Standen. +Exdamacion des os Sainct Innocent. +Extravagant karakter der beeldende kunst. +Eyck, Gebroeders van. +Eyck, Hubert van. +Eyck, Jan van. + +Fantaziesferen, Dooreenmenging van. +Fastolfe, Sir John. +Faukemont, Jehan de. +Fazio, Bartolomeo. +Feesten. +Fenelon. +Fenin, Pierre de. +_Fenin, Pierre de_. +Ferrer, Vincent. +_Ferrer, Vincent, Vita_. +Fillastre, Guillaume, kardinaal enz.. +Fillastre, Guillaume, bisschop van Doornik. +_Fillastre, Guillaume, Toison dor_. +Flemalle, Meester van. +Foix, Gaston Phebus, graaf van. +Formalisme. +Fouquet, Jean. +Fradin, Antoine, volksprediker. +Franc Gontier, Le dit de. +Franc Gontier, Les contrediz. +France, Anatole. +Franciscus van Assisi. +Francois, zie Paule. +Frankrijk, Koningen van; zie onder de voornamen. +Frans I, koning van Frankrijk. +Fraterhuizen; zie Devotie, Moderne. +Frederik III. +Froissart, Jean. +_Froissart, Jean_. +Froment, Jean. +Fulco van Marseille, bisschop van Toulouse. + +Gaguin, Robert. +_Gaguin, Robert_. +Galois et Galoises. +Geertgen tot Sint Jans. +Geloften; zie Ridderlijke gelofte, en Voeu. +Gelre, Adolf van. +Gelre, Arnold van. +Gelijkheidsidee. +Generaliseering. +Geneve, Lodewijk van Savoye, graaf van. +Genreschildering. +Geoffroi de Paris. +Gerechtigheidsgevoel. +Geringschatting der geestelijkheid. +Germain, Jean, bisschop van Chalons. +_Germain, Jean, Liber de virtutibus etc._. +Gerson, Jean. +_Gerson, Jean_. +Gevangenen. +Gezelschapsspelen. +Giotto. +Glocester, Humphrey van. +Godefroy, Denis. +_Godefroy, Theodore_. +Goethe. +Gonzaga, Aloysius. +Gonzaga, Francesco. +Grabow, Mattheus. +Grafteeken. +Gregorius de Groote. +Groote, Gerard. +Guernier, Laurent. +Guesclin, Bertrand du. +Gulden Vlies. + +Hagenbach, Peter van. +Hales, Alexander van. +Hames, Nicolaas de. +Hans, acrobaat. +Hardvochtigheid. +Hautbourdin, Jean de Saint-Pol, heer van. +Hauteville, Pierre de. +Hebzucht. +Heethoofdigheid. +_Hefele, K., Der h. Bernhardin von Siena usw._. +Heiligen en Ziekten. +Heiligenbeelden. +Heiligenvereering. +Heilo, Frederik van. +Heksenkamer; zie Malleus maleficarum. +Heksenvervolging. +Hel, Voorstelling der. +Heldenideaal. +Heloise. +Hendrik IV, koning van Engeland. +Hendrik V, koning van Engeland. +Hendrik VI, koning van Engeland. +Henouars. +Herauten. +Herdersideaal. +Herp, Hendrik van. +Hervorming. +Heures d'Ailly. +Heures de Chantilly, Tres-riches. +Heures de Turin. +Hieronymus. +Hoekschen en Kabeljauwschen. +Hofceremonieel. +Hofleven. +Hofstaat. +Hof vlucht. +Holanda, Francesco de. +Holland. +Holbein, Hans. +Hoofsche minne. +Hoogmoed. +Houwaert, Johan Baptista. +Hugo, Victor. +Humanisme. +Humanisten. +Hus, Johannes. +Hutten, Ulrich von. +Huysmans, Joris Karl. + +Idealisme. +Imitatio Christi. +Innocentius III. +Innocents; zie Onnoozele kinderen. +Innocents, kerkhof der. +Institoris, Heinrich. +Ironie. +Isabella van Beieren, koningin van Frankrijk. +Isabella van Frankrijk, koningin van Engeland. + +Jacobus I, koning van Engeland. +Jaille, sire de. +James, William. +Jan II, koning van Frankrijk. +Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondie, eerder graaf van Nevers. +Jeruzalem. +Johanniters. +_Jorga, N._. +Joseph, Sint. +_Journal d'un bourgeois de Paris_. +Jouvencel, Le. +_Jouvencel, Le_. +Jouvenel, Jean, bisschop van Beauvais. +_Juvenal des Ursins_. + +Kamp van Neuss. +Karel de Groote. +Karel V, keizer. +Karel V, koning van Frankrijk. +Karel VI, koning van Frankrijk. +Karel VII, koning van Frankrijk. +Karel VIII, koning van Frankrijk. +Karel de Stoute, hertog van Bourgondie, eerder graaf van Charolais. +Kempis, Thomas a. +Kerkelijk-erotische travesti. +Kerkgang. +Kethulle, Lodewijk van de. +Keuken. +Kinderen. +Klassicisme. +Kleederdracht. +Kleuren, Symbolische beteekenis der. +Kleurenzin. +Klokgelui +Kluisters bij geloften. +Kok. +Koningschap. +Kraamkamer. +Krankzinnigen. +Kroningsmaal. +Kruistochtideaal. +Krijgsmoed. +Krijgsmuziek. + +_Laborde, L. de_. +_La Borderie, A. de_. +La Bruyere. +La Curne de Sainte Palaye. +_La Curne de Sainte Palaye_. +La Hire, Etienne de Vignolles, dit1. +Lalaing, Jacques de. +_Lalaing, Le livre des faits de Jacques de_. +Lam, Aanbidding van het (Gentsch altaarstuk) +La Marche, Olivier de. +_La Marche, Olivier de_. +Lamprecht, Karl. +Lancaster, Huis. +Lancaster, John of Gaunt, hertog van. +Lannoy, Baudouin de. +Lannoy, Ghillebert de. +Lannoy, Jean de. +Lannoy, Hue de. +La Noue, Francois de. +La Salle, Antoine de. +_La Salle, Antoine de_. +Latiniseering. +La Tour Landry, ridder de. +La Tremoille, Guy de. +Laura. +Laval, Jeanne de. +Lebegue, Jean. +Lefevre de Saint Remy, Jean. +_Lefevre de Saint Remy, Jean_. +Le Franc, Martin. +_Le Franc, Martin_. +Legris, Estienne. +Lekkerbeetje, Gerard Abrahams, gezegd. +Lemonnier, Camille. +Leo X, Paus. +Leo van Lusignan, koning van Armenie. +Levensbangheid. +Levensgenot. +Lhuillier, Jean. +Lichteffekten, Schildering en beschrijving van. +Lichtgeloovigheid. +Lidwina van Schiedam. +Liefde en huwelijk. +Limburg, Gebroeders van. +Limburg, Paul van. +L'Isle Adam, Jean de Villiers de. +Livius. +_Livre des trahisons_. +Lodewijk IX, de Heilige, koning van Frankrijk. +Lodewijk XI, koning van Frankrijk. +Lodewijk XII, koning van Frankrijk. +Longuyon, Jacques de. +Lorris, Guiliaume de. +_Louis XI, Lettres de_. +Loyola, Ignatius de. +Lucena, Vasco de. +Lumey, Guillaume de la Marck, heer van. +Luna, Peter van; zie Benedictus XIII. +Lunettes des princes. +Lusignan, Pierre de. +Luther. +Luxemburg, Andreas van. +Luxemburg, Guy van. +Luxemburg, Pieter van. +Lijden Christi, Vervuldheid van het. +Lijkstaatsie, Beeltenissen bij de. +Lyon, Espaing du. + +Macabre. +Machaut, Guillaume de. +_Machaut, Guillaume de_. +Madame d'Or; zie Or. +Maerlant, Jacob van. +Mahuot. +Maillard, Olivier, volksprediker. +Makart, Hans +Male, Lodewijk van, graaf van Vlaanderen. +Male, Emile. +Malleus malencarum. +Mandragora. +Mapes, Walter. +Marchant, Guyot. +Marche, Jean de. +Margareta, koningin van Engeland; zie Anjou. +Margareta van Oostenrijk. +Margareta van Schotland, koningin van Frankrijk. +Margareta van York, hertogin van Bourgondie. +Maria van Bourgondie. +Mariabeeldjes met de Drieeenheid. +Marieken van Nimwegen. +Marmion, Colard. +Marmion, Simon. +Marot, Clement. +Martianus Capella. +Martinus V, Paus. +Maupassant, Guy de. +Maximiliaan van Oostenrijk. +Medelijden met het volk. +Medici, Cosimo de'. +Medici, Lorenzo de', il Magnifico. +Melancholie. +Meliador. +Memlinc, Hans. +Meschinot, Jean. +_Meschinot, Jean_. +Metaphora, Godsdienstige, voor aardsche dingen. +Metsys, Quinten. +Meun, Jean de; zie Clopinel. +Mezieres, Philippe de +_Mezieres, Philippe de_; zie _forga_. +Michault, Pierre. +Michel Angelo. +Michelle de France, hertogin van Bourgondie. +Mignons. +Miliis, Ambrosius de. +Militair nationalisme. +Minimen, Orde der. +Mirabeau, marquis de. +Mismaakten. +Molinet, Jean. +_Molinet, Jean_. +_Molinet, Jean--Faictz et Dictz_. +Monstrans. +Monstrelet, Enguerrand de. +_Monstrelet, Enguerrand de_. +Monstreuil, Jean de. +_Monstreuil, Jean de_--. +Montaigu, Jean de. +Montereau. +Montferrant. +Montfort, Jean de. +Morgante. +Morlay, Bernard van. +Moulins, Denys de, bisschop van Parijs. +Murillo. +Mutsert der ijdelheden. +Muziekaesthetiek. +Mystiek, Praktische. +Mystiek, Verbeeldingsvormen der. +Mystisch huwelijk. +Mythologie. + +Naakt, Het, in kunst en litteratuur. +Naam van Jezus. +Natuurbeschrijving. +Nicopolis. +Nietzsche, Friedrich. +Nilus, Sint. +Nominalisme. +Noodhelpers, Veertien. +Nugis curialium, De. + +Obrecht, Jacob. +Omgangsvormen. +Oneerbiedigheid jegens den godsdienst. +Ongeloof. +Onnoozele kinderen. +Onveiligheid. +Oppervlakkigheid. +Or, Madame d'. +Oranje, Willem van. +Oranje, Willem II, prins van. +Orde; zie ook Ordre. +Orde der Annonciade. +Orde van St. Antonius. +Orde van het Gouden schild. +Orde van het Gulden Vlies. +Orde van de Kouseband. +Orde van de Ster. +Orde van de Kroon. +Orde van het Zwaard. +Ordre. +Ordre de la Dame blanche. +Ordre de la Passion. +Orgemont, le Boiteux d' +Orgemont, geslacht. +Orgemont, Pierre d'. +_Orleans, Charles d'_. +Orleans, Karel van. +Orleans, Lodewijk van. +Oudheid. +_Oulmont, Ch_. +Overdrijving. +Ovidius. + +Paele, Joris van de. +Paesberd; zie Paix. +Paganisme. +Paix. +Panetiers. +Parement et triumphe des dames. +Paris, Paulin. +Partijgevoel. +Partijschap. +Partijteekens. +Pas d'armes. +Pas de la mort, Le. +Pascal, Blaise. +Pastorale. +Pastorale en politiek. +Pastoralet, Le. +Pastourelle. +Paule, Saint Francois deg. +Pauli, Theodericus. +_Pauli, Theodericus_. +Pelgrimages. +Penthievre, Jeanne de. +Perceforest. +Personificatie. +Petit, Jean. +_Petit-Dutaillis_. +Petrarca, Francesco. +Philippa van Henegouwen, koningin van Engeland. +Philips VI, koning van Frankrijk. +Philips de Goede, hertog van Bourgondie. +Philips de Schoone, aartshertog van Oostenrijk. +Philips de Stoute, hertog van Bourgondie. +Pisan, Christine de. +_Pisan, Christine de_. +Plato. +Plourants. +Plouvier, Jacotin. +Poggio, Giov. Franc.--Bracciolini. +Poitiers. +Poitiers, Alienor de. +_Poitiers, Alienor de_. +Poliziano, Angelo. +_Poliziano_. +Ponchier, Etienne, bisschop van Parijs. +Porete, Marguerite. +Portret. +Pot, Philippe. +Poursuivants. +Predikers. +Preuses, Les neuf. +Preux, Les neuf. +Processies. +Protestantisme. +Proza en poezie; 498 vg. +Prudentius; 343. +Pseudo-Bonaventura; 452. +Pseudo-Dionysius Areopagita. +Pulci, Luigi. +Puritanisme. + +Quentin, Jean. +Quinze joyes de mariage. +_Quinze joyes de mariage_. + +Rabelais, Francois. +Rais, Gilles de. +Rallart, Gaultier. +Ravestein, Beatrix van. +Ravestein, Philips van. +Raynaud, Gaston. +Realisme. +Rebreviettes, Jennet de. +_Reconfort de Madame du Fresne, Le_. +Reformpartij. +_Religieux de Saint Denis_. +Reliquieen. +Rembrandt. +Renaissance. +_Renaudet, A_. +Rene van Anjou, koning van Sicilie. +_Rene, Koning_. +Rene II van Lotharingen. +Rhetoriek. +Rhetorique, Les Douze Dames de. +Ribeumont, Eustache de. +Richard II, koning van Engeland. +Richard, broeder, volksprediker. +Ridderideaal. +Ridderideaal en askese. +Ridderideaal en erotiek. +Ridderideaal en ethiek. +Ridderideaal en historie. +Ridderideaal en krijgvoering. +Ridderideaal en sport. +Ridderideaal en staatkunde. +Ridderlijke gelofte. +Ridderlijkheid als kastegevoel. +Ridderlijkheid en gewin. +Ridderlijkheid en krijgstaktiek. +Ridderorden. +Ridderschap. +Ridderwezen. +Robertet, Jean. +Rochefort, Charles de. +Roemzucht. +Rolin, Nicolas. +Roman de la rose. +Romanov. +Romantiek. +Romantisme der heiligheid. +Romuald, Sint. +Rosa van Viterbo, Sint. +Rose; zie Roman. +Rousseau, Jean Jacques. +Rouw. +Roye, Jean de. +_Roye, Jean de_, zie _Chronique scandaleuse_. +Rozebeke. +Rozenkrans, Broederschap van den. +_Rozmital, Leo von_. +Ruusbroec, Jan van. + +_Sainte Palaye_; zie _La Curne_. +Saint Pol, Louis de Luxembourg, graaf van, connetable van Frankrijk. +Saintre, Petit Jehan de. +Salazar, Jean de. +Salisbury, Johannes van. +Salisbury, William Montague, graaf van. +Salmon, Pierre le Fruictier, dit. +_Salmon, Pierre_. +Salutati, Coluccio. +Sancerre, Louis de, marechal de France. +Saulx, Simon de. +Savonarola, Girolamo. +Savoye, Amadeus VI van. +Savoye, Amadeus VIII van. +Schaamte. +Schaamteloosheid. +Schisma. +Schoonheid en zonde. +Schoonheidsgevoel. +Scorel, Jan van. +Scotus Erigena, Johannes. +Seneca. +Sens, Etienne Tristan de Salazar, aartsbisschop van. +_Seuse, Heinrich_. +Shakespeare. +Silesius, Angelus. +Simplisme. +Sint Andriesbroederschap. +Sint Victor, Hugo van. +Sint Victor, Richard van. +Sorel, Agnes. +Spel en ernst, Vermenging van. +Spreekwoorden. +Sprenger, Jakob. +Standen. +Standonck, Jean. +_Stavelot, Jean de_. +Steinlen. +Styleering der liefde. +Substantieele voorstelling van het abstracte. +Summis desiderantes, Bul. +Suso, Heinrich. +Symbolisme. +Systematiek van deugd en zonde. + +Tacitus. +Taine, Hippolyte. +Tauler, Johannes. +Tempeliers. +Terechtstellingen. +Ternant, Philippe de. +Tertullianus. +Testamenten. +Theocritus. +Thomas, broeder, volksprediker. +Thomas, Saint Pierre. +Thucydides. +Todi, Jacopone van. +Toity, Joffroy de. +Tonnerre, Louis de Chalon, graaf van. +Tooverij. +Tournooi. +Tranen. +Trazegnies, Gilles de. +Trois chevaliers et del chainse, Des. +Troubadours. +Tuetey, A.. +Turken. +Turlupins. +Tweegevecht. +Tweegevecht te Valenciennes. + +Ubi sunt..., Motief. +Uitwerking der bijzonderheden. +Upanishad's. +_Upton, Nicolas, De officio militari_. +Urbanisten. +Usener, Hermann. + +Vaganten. +Varennes, Jean de. +Vauderie. +Velazquez. +Verachting der wereld. +Vergilius. +Verlichting. +Verrotting, Motief der. +Verschijningen. +Vertooningen. +Vienne, Angelo Cato, aartsbisschop van. +Vier utersten. +Villiers, George. +Villon, Francois. +_Villon, Francois_. +Visueele aanleg. +Vita nuova. +Vitri, Philippe de. +_Vitri, Philippe de_. +Vloeken. +Voeu du heron. +Voeux du faisan. +Voir-Dit, Livre du, zie ook Machaut. +Voorrang. +Vorstenduel. +Vorstentrouw. +Vredesideaal. +Vrouwenverachting. +Vrouwenvereering. +Vrouwenverguizing. +Vydt, Jodocus. + +Wapenkoning. +Wapenkreet. +Watteau, Antoine. +Weelde. +Wenzel, Roomsch koning. +Weyden, Rogier van der. +Wier, Johannes. +Wilhelmus van Nassouwen. +Willem IV, graaf van Henegouwen en Holland. +Windesheimers, zie Devotie, Moderne-- +Witte, Emanuel de. +Woekeringen van het godsdienstleven. +Woordenspel. +Wraakzucht. +Wreedheid. +Wurtemberg, Hendrik van. + +Xaintrailles, Pothon de. +Xaverius, Franciscus. + +Zeeoorlog. +Zegenspreuken. +Zelfbespotting. +Zigeuners. +Zola, Emile. +Zueticheit. +Zwaarmoedigheid. + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN *** + +***** This file should be named 16829.txt or 16829.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/6/8/2/16829/ + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/16829.zip b/16829.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2f57f94 --- /dev/null +++ b/16829.zip diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..38d926c --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #16829 (https://www.gutenberg.org/ebooks/16829) |
