summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:49:47 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:49:47 -0700
commiteffb9954159fd23565238ac15c33ddbd5fdb1fc8 (patch)
treedf5b9dc4aa037a9ecc926b8aed05845de72a82c9
initial commit of ebook 16829HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--16829-8.txt17778
-rw-r--r--16829-8.zipbin0 -> 390776 bytes
-rw-r--r--16829-h.zipbin0 -> 429903 bytes
-rw-r--r--16829-h/16829-h.htm17944
-rw-r--r--16829.txt17778
-rw-r--r--16829.zipbin0 -> 388878 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
9 files changed, 53516 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/16829-8.txt b/16829-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ba9a47e
--- /dev/null
+++ b/16829-8.txt
@@ -0,0 +1,17778 @@
+The Project Gutenberg EBook of Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Herfsttij der Middeleeuwen
+
+Author: Johan Huizinga
+
+Release Date: October 8, 2005 [EBook #16829]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN ***
+
+
+
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN
+
+
+STUDIE OVER LEVENS- EN GEDACHTENVORMEN DER VEERTIENDE EN VIJFTIENDE
+EEUW IN FRANKRIJK EN DE NEDERLANDEN
+
+
+door
+
+
+J. HUIZINGA
+
+
+1919
+
+
+ * * * * *
+
+
+VOORBERICHT
+
+
+Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het
+verleden zoekt. Men wil weten, hoe de nieuwe gedachten en nieuwe
+levensvormen, die in later tijden in hun volheid stralen, ontloken zijn;
+men beziet elken tijd bovenal om de beloften, die hij bergt voor de
+volgende. Hoe ijverig heeft men in de middeleeuwsche beschaving naar de
+kiemen der moderne cultuur gespeurd; zoo ijverig, dat het soms schijnen
+moest, alsof de geestesgeschiedenis der Middeleeuwen nauwelijks iets
+anders was geweest dan de advent der Renaissance. Immers, overal zag men
+in die tijden, die eenmaal als star en doodsch gegolden hadden, het
+nieuwe reeds ontspruiten, en alles scheen te wijzen naar toekomstige
+volmaking. Doch bij het zoeken naar het nieuwe leven, dat opkwam, vergat
+men licht, dat in de geschiedenis als in de natuur het sterven en het
+geboren worden eeuwig gelijken tred houden. Oude beschavingsvormen
+sterven af terzelfdertijd en op denzelfden bodem, waarin het nieuwe
+voedsel vindt om op te bloeien.
+
+Hier is beproefd om de veertiende en vijftiende eeuw te zien, niet als
+de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen,
+de middeleeuwsche beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom
+met overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld. Het woekeren
+van oude, dwingende denkvormen over de levende kern der gedachte, het
+verdorren en verstijven van een rijke beschaving,--dat is de hoofdinhoud
+van deze bladzijden. De blik is bij het schrijven van dit boek gericht
+geweest als in de diepten van een avondhemel,--maar van een hemel vol
+bloedig rood, zwaar en woest van dreigend loodgrijs, vol valschen
+koperen schijn.
+
+Overzie ik het geschrevene, dan rijst de vraag, of niet, wanneer de blik
+nog langer op dien avondhemel had gerust, de troebele kleuren zich toch
+nog zouden hebben opgelost in louter klaarheid. Het schijnt wel, dat het
+beeld, nu ik het lijn en kleur gegeven heb, toch somberder en minder
+sereen is geworden, dan ik het meende te ontwaren, toen ik den arbeid
+begon. Het kan licht gebeuren, dat men, de opmerkzaamheid steeds gericht
+op neergaan, uitleven en verwelken, te veel van de schaduw des doods
+over het werk laat vallen.
+
+ * * * * *
+
+Het uitgangspunt van het werk is geweest de behoefte, om de kunst der
+Van Eyck's en hun volgers beter te verstaan, ze te begrijpen in haar
+samenhang met het gansche leven van den tijd. De Bourgondische
+samenleving was de eenheid, die ik in het oog wilde vatten: het scheen
+mogelijk, deze te zien als een even afgeronde beschavingskring als het
+Italiaansche quattrocento, en de titel van het boek was eerst bestemd
+te luiden: _De eeuw van Bourgondië_. Doch naarmate de strekking der
+beschouwingen algemeener werd, moest die begrenzing worden opgegeven;
+slechts in zeer beperkten zin viel er een eenheid van Bourgondische
+cultuur te postuleeren; het niet-Bourgondische Frankrijk eischte
+minstens evenveel aandacht. Zoo kwam in de plaats van Bourgondië de
+tweeledigheid: Frankrijk en de Nederlanden, en dat een zeer ongelijke.
+Want in een beschouwing over de afstervende middeleeuwsche cultuur in
+het algemeen moest het Nederlandsche element bij het Fransche verre
+achter blijven; slechts op die gebieden, waar het eigen beteekenis
+heeft: dat van het godsdienstig leven en dat der kunst, komt het
+uitvoeriger ter sprake. Dat in het tiende hoofdstuk de gestelde
+aardrijkskundige grenzen even zijn overschreden, om naast Ruusbroec
+en Dionysius den Kartuizer ook Eckhart, Suso en Tauler tot getuigen
+te kunnen roepen, zal wel geen verdediging behoeven.
+
+Hoe gering lijkt mij het getal der doorgelezen geschriften uit de
+veertiende en vijftiende eeuw, vergeleken bij alles, wat ik nog wel
+had willen lezen. Hoe gaarne had ik naast de reeks van hoofdtypen der
+verschillende geestesrichtingen, op welke de voorstelling veelal is
+gebaseerd, nog tal van andere gesteld. Doch indien het onder de
+geschiedschrijvers meer dan anderen Froissart en Chastellain zijn, die
+ik aanhaal, onder de dichters Eustache Deschamps, onder de theologen
+Jean Gerson en Dionysius de Kartuizer, onder de schilders Jan van
+Eyck,--dan ligt dit niet enkel aan beperktheid van mijn materiaal,
+maar meer nog aan het feit, dat dezen door den rijkdom en het scherp
+eigenaardige van hun uitingen bij uitstek de spiegel zijn van den geest
+dier tijden.
+
+_Vormen_ van het leven en van de gedachte zijn het, wier beschrijving
+hier beproefd is. Den wezenlijken _inhoud_ te benaderen, die in die
+vormen heeft gerust,--zal het ooit het werk zijn van geschiedkundig
+onderzoek?
+
+Leiden, 31 Januari 1919.
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ I. 's Levens felheid
+
+ II. De zucht naar schooner leven
+
+ III. De heldendroom
+
+ IV. De vormen der liefde
+
+ V. Het beeld van den dood
+
+ VI. De teugellooze verbeelding van het heilige
+
+ VII. De godsdienstige persoonlijkheid
+
+VIII. Aandoening en verbeelding
+
+ IX. Verbeelding en gedachte
+
+ X. Het falen der verbeelding
+
+ XI. De denkvormen in de praktijk
+
+ XII. De kunst in het leven
+
+XIII. Het beeld en het woord
+
+ XIV. Het komen van den nieuwen vorm
+
+Register
+
+
+ * * * * *
+
+
+I
+
+'S LEVENS FELHEID
+
+
+Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel
+scherper uiterlijke vormen dan nu. Tusschen leed en vreugde, tusschen
+rampen en geluk scheen de afstand grooter dan voor ons; al wat men
+beleefde had nog dien graad van onmiddellijkheid en absoluutheid,
+dien de vreugd en het leed nu nog hebben in den kindergeest. Elke
+levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en
+uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakken,
+vasten levensstijl. De groote dingen: de geboorte, het huwelijk, het
+sterven, stonden door het sacrament in den glans van het mysterie.
+Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren
+begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.
+
+Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen
+geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre
+koude en het bange duister van den winter waren een wezenlijker kwaad.
+Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog
+feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten
+tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden
+nog dat hooge genotsgehalte, dat misschien door de Engelsche novelle
+in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het
+levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende
+en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel, en
+hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er
+hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar
+aan zijn kleed. De groote heeren bewogen zich nooit zonder pralend
+vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging,
+venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles
+luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg
+het teeken van zijn dame, de genooten het embleem van hun broederschap,
+de partij de kleuren en blazoenen van hun heer.
+
+Ook in het uiterlijk aanschijn van stad en land heerschte die
+tegenstelling en die bontheid. De stad verliep niet zooals onze steden
+in slordig aangelegde buitenwijken van dorre fabrieken en onnoozele
+landhuisjes, maar lag in haar muur besloten, een afgerond beeld,
+stekelig van tallooze torens. Zoo hoog en zwaar de steenen huizen van
+edelen of koopheeren mochten zijn, de kerken bleven met hun hoogte en
+ruimte den aanblik der stad beheerschen.
+
+Zooals de tegenstelling van zomer en winter sterker was dan in ons
+leven, zoo was het die van licht en duister, van stilte en gedruisch.
+De moderne stad kent nauwelijks meer het zuivere donker en de zuivere
+stilte, het effekt van een enkel lichtje of een enkelen verren roep.
+
+Door het voortdurend contrast, door de bonte vormen, waarmee alles zich
+aan den geest opdrong, ging er van het alledaagsche leven een prikkeling,
+een hartstochtelijke suggestie uit, welke zich openbaart in die wankele
+stemming van ruwe uitgelatenheid, hevige wreedheid, innige verteedering,
+waartusschen het middeleeuwsche stadsleven zich beweegt.
+
+Er was één geluid, dat al het gedruisch van het drukke leven steeds weer
+overstemde, en dat, hoe bont dooreen-klinkend, toch nooit verward, alles
+tijdelijk ophief in een sfeer van orde: de klokken. De klokken waren in
+het dagelijksch leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende
+stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan
+opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke
+Jacqueline, klokke Roelant; men wist de beteekenis van kleppen of
+luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor den
+klank. Gedurende het beruchte burgerlijke tweegevecht te Valenciennes,
+dat in 1455 de stad en het geheele Bourgondische hof in buitengewone
+spanning heeft gehouden, luidde de groote klok, zoolang de strijd
+duurde, "laquelle fait hideux à oyr", zegt Chastellain [1]. "Sonner
+l'effroy", "faire l'effroy" heet het luiden der alarmklok [2]. Welk
+een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als alle kerken en
+kloosters van Parijs de klokken luidden van den morgen tot den avond,
+en zelfs den geheelen nacht, omdat er een paus gekozen was, die een
+einde aan het schisma zou maken, of om een vrede tusschen Bourguignon
+en Armagnac [3].
+
+Van een diep roerende werking moeten ook de processies zijn geweest.
+Wanneer het bange tijden waren, en die waren het dikwijls, liepen ze
+soms dag aan dag, weken achtereen. In 1412, zoodra men te Parijs wist,
+dat de koning zich op vijandelijk gebied bevond, werden er dagelijksche
+processies verordend, die van eind Mei tot in Juli duurden, telkens van
+andere groepen, orden of gilden, langs andere wegen, met andere
+relieken: "les plus piteuses (aandoenlijke) processions qui oncques
+eussent été veues de aage de homme." Allen liepen barrevoets en met
+nuchtere maag, de heeren van het Parlement zoogoed als de arme burgers,
+elk die kon met een kaars of een toorts; er waren steeds veel kleine
+kinderen bij. Ook uit de dorpen rondom Parijs kwamen de arme landlieden
+blootsvoets van ver geloopen. Men ging of keek het aan "en grant pleur,
+en grans lermes, en grant devocion." En bijna al die dagen regende het
+hard [4].
+
+Dan waren er de vorstelijke intochten. En in nooit onderbroken
+veelvuldigheid de terechtstellingen. De wreede prikkeling en de grove
+verteedering van het schavot waren een gewichtig element in de
+geestelijke voeding van het volk. Het was kijkspel met moraal. Tegen
+gruwelijke rooverijen verzon de justitie gruwelijke straffen; een jonge
+brandstichter en moordenaar wordt te Brussel met een ketting, die aan
+een ring om een staak kan draaien, binnen een kring van brandende
+takkebossen geplaatst. Hij stelt zichzelf aan het volk in roerende
+woorden ten voorbeeld, "et tellement fit attendrir les coeurs que tout
+le monde fondoit en larmes de compassion." "Et fut sa fin recommandée la
+plus belle que l'on avoit oncques vue" [5]. Messire Manssart du Bois geeft
+niet alleen den beul gaarne de vergiffenis, die deze hem vraagt, maar
+verzoekt hem, hem te kussen. "Foison de peuple y avoit, qui quasi tous
+ploroient à chaudes larmes" [6]. Dikwijls waren het groote heeren; dan
+genoot het volk de voldoening over het strenge recht en de ernstige
+vermaning over de wisselvalligheid van aardsche grootheid levendiger,
+dan eenig geschilderd exempel of doodendans het hun geven kon. De
+overheid zorgde, dat aan den indruk van het schouwspel niets ontbrak: in
+de teekenen van hun grootheid deden de heeren hun droevigen tocht. Jean
+de Montaigu, grand maître d'hôtel van den koning, slachtoffer van den
+haat van Jan zonder Vrees, rijdt naar het schavot, hoog op een kar
+gezeten, twee trompetters vooruit; hij draagt zijn staatsiekleed,
+kaproen, houppelande en hozen half wit half rood, en gouden sporen aan
+de voeten; met die gouden sporen hangt het onthoofde lijk aan de galg.
+De rijke kanunnik Nicolas d'Orgemont, le Boiteux d'Orgemont genoemd,
+wordt in een vuilniskar door Parijs gevoerd, in een grooten violetten
+mantel en kaproen, om de onthoofding van twee genooten aan te zien, vóór
+hij zelf veroordeeld werd tot levenslange opsluiting "au pain de doleur
+et à eaue d'angoisse". Het hoofd van maître Oudart de Bussy, die een
+plaats in 't Parlement geweigerd had, werd op bijzonderen last van
+Lodewijk XI weer opgegraven en in een scharlaken kaproen met bont
+gevoerd "selon la mode des conseillers de parlement" op de markt te
+Hesdin tentoongesteld, met een verklarend rijmpje. De koning zelf
+schrijft over het geval met grimmige grappigheid [7].
+
+Zeldzamer dan de processies en de terechtstellingen waren de preeken van
+de reizende predikers, die af en toe het volk kwamen schokken met hun
+woord. Wij krantenlezers kunnen ons nauwelijks meer de geweldige werking
+van het woord op een onverzadigden en onwetenden geest voorstellen. De
+volksprediker broer Richard, die als biechtvader Jeanne d'Arc heeft
+mogen bijstaan, preekte te Parijs in 1429 tien achtereenvolgende dagen.
+Hij begon des morgens om vijf uur en eindigde tusschen tien en elf uur,
+meest op het kerkhof der Innocents, onder welks galerijen de beroemde
+doodendans geschilderd stond, met den rug naar de open knekelhuizen,
+waarin, boven de booggang rondom, de schedels voor het gezicht lagen
+opgestapeld. Toen hij na zijn tiende preek meedeelde, dat het de laatste
+zou zijn, daar hij geen verlof voor meer had, "les gens grans et petiz
+plouroient si piteusement et si fondement, comme s'ilz veissent porter
+en terre leurs meilleurs amis, et lui aussi." Als hij eindelijk Parijs
+gaat verlaten, meent het volk, dat hij den Zondag nog te St. Denis zal
+preeken; in groote troepen, wel zes duizend, zegt de burger van Parijs,
+trekken zij Zaterdags-avonds uit de stad, om zich een goede plaats te
+verzekeren, en overnachten op het veld [8].
+
+Ook aan den franciscaan Antoine Fradin werd te Parijs het preeken
+verboden, omdat hij hevig uitvoer tegen de slechte regeering. Maar
+juist daarom was hij het volk lief. Zij bewaakten hem dag en nacht in
+het klooster der Cordeliers; de vrouwen stonden er op wacht, met haar
+munitie van asch en steenen gereed. Om de proclamatie, die deze wacht
+verbiedt, lacht men: de koning weet er niets van! Als eindelijk Fradin,
+verbannen, toch de stad verlaten moet, doet het volk hem uitgeleide,
+"crians et soupirans moult fort son departement" [9].
+
+Wanneer de heilige dominicaan Vincent Ferrer komt preeken, trekt uit
+alle steden het volk, de magistraat, de geestelijkheid, tot bisschoppen
+en prelaten toe, hem met lofzangen tegemoet, om hem in te halen. Hij
+reist met een talrijke schare van volgers, die iederen avond na
+zonsondergang in processie rondtrekken met geeseling en zingen. Uit
+iedere stad vergezellen hem nieuwe scharen. Hij heeft de verzorging
+en herberging van al die volgelingen zorgvuldig geregeld door het
+aanstellen van onbesproken mannen tot kwartiermeesters. Tal van
+priesters uit verschillende orden reizen mee, om hem voortdurend bij
+te staan in het hooren der biecht en de bediening der mis. Een paar
+notarissen vergezellen hem, om terstond acte op te maken van de
+bijlegging der geschillen, die de heilige prediker overal tot stand
+brengt. Waar hij preekt, moet een houten getimmerte hem en zijn gevolg
+beschutten tegen den aandrang der menigte, die hem hand of kleed willen
+kussen. Het handwerk staat stil, zoolang hij preekt. Zelden was het,
+dat hij zijn hoorders niet tot weenen bracht, en als hij sprak van het
+oordeel en de hellestraffen of van het lijden des Heeren, dan braken
+zoowel hij als de hoorders altijd uit in zulk een groot geween, dat hij
+geruimen tijd moest zwijgen, totdat het weenen bedaarde. Boosdoeners
+kwamen zich voor alle aanwezigen ter aarde werpen, en hun groote zonden
+met tranen belijden [10].
+
+Het is de stemming der Engelsch-Amerikaansche revivals en van het leger
+des heils, maar in het ongemetene en veel meer in het openbaar. Men
+behoeft hier aan geen vrome overdrijving van den levensbeschrijver van
+Vincent Ferrer te denken; de nuchtere, droge Monstrelet geeft op bijna
+gelijke wijze de werking weer, die de karmeliet broeder Thomas in 1428
+met zijn preeken in Noord-Frankrijk en Vlaanderen teweegbracht. Ook hem
+haalde de magistraat in, terwijl edelen den teugel van zijn muildier
+hielden; ook om hem verlieten velen, waaronder heeren, die Monstrelet
+met name noemt, huis en gezin, om hem overal te volgen. De aanzienlijke
+burgers versierden het hooge gestoelte, dat zij voor hem oprichtten, met
+de kostbaarste hangtapijten, die men betalen kon.
+
+Het was naast de lijdensstof en de laatste dingen vooral de bestrijding
+van weelde en ijdelheid, waarmee de volkspredikers zoo diep de menschen
+aangrepen. Het volk, zegt Monstrelet, was broeder Thomas vooral dankbaar
+en genegen voor het neerwerpen van praal en opschik en in het bijzonder
+voor den blaam, waarmee hij adel en geestelijkheid overlaadde. Hij
+placht, wanneer aanzienlijke dames zich met hun hooge puntige kapsels
+onder zijn gehoor waagden, de kleine jongens op haar aan te hitsen (met
+belofte van aflaat, beweert Monstrelet), met den kreet: au hennin, au
+hennin! zoodat de vrouwen gedurende al dien tijd geen hennins meer
+durfden dragen en gehuifd gingen als begijnen, "Mais à l'exemple du
+lymeçon--zegt de gemoedelijke chroniqueur--lequel quand on passe près de
+luy retrait ses cornes par dedens et quand il ne ot (hoort) plus riens
+les reboute dehors, ainsy firent ycelles. Car en assez brief terme après
+que ledit prescheur se fust départy du pays, elles mesmes recommencèrent
+comme devant et oublièrent sa doctrine, et reprinrent petit à petit leur
+viel estat, tel ou plus grant qu'elles avoient accoustumé de porter [11]."
+
+Zoowel broer Richard als broer Thomas deden de mutserts der ijdelheden
+vlammen, zooals Florence die zestig jaar later op enorme schaal en met
+onherstelbaar verlies voor de kunst voor Savonarola ontsteken zou. In
+Parijs en Artois in 1428 en 1429 bleef het bij kaarten, verkeerborden,
+dobbelsteenen, kapsels en sieradiën, die mannen en vrouwen gewillig
+aanbrachten. Deze verbrandingen waren in de 15de eeuw zoowel in
+Frankrijk als Italië een zeer veelvuldig element in de groote opwinding,
+die de predikers teweegbrachten [12]. De hevige uiting van den afkeer
+van ijdelheden en vermaken was reeds een vorm geworden, zooals alles in
+dien tijd steeds neigt, vorm te worden.
+
+In deze ontvankelijkheid van gemoed, deze vatbaarheid voor tranen en
+geestelijken ommekeer, deze prikkelbaarheid moet men zich indenken, om
+te beseffen, welke kleur en felheid het leven had.
+
+Een publieke rouw had toen nog het uiterlijk van een calamiteit. Bij
+de begrafenis van Karel VII geraakt het volk buiten zich zelf van
+aandoening, als het den stoet ziet: al de hofbeambten "vestus de dueil
+angoisseux, lesquelz il faisoit moult piteux veoir; et de la grant
+tristesse et courroux qu'on leur veoit porter pour la mort de leurdit
+maistre, furent grant pleurs et lamentacions faictes parmy toute ladicte
+ville." Er waren zes pages van den koning op geheel in zwart fluweel
+gedoste paarden. "Et Dieu scet le doloreux et piteux dueil qu'ilz
+faisoient pour leur dit maistre!" Een van de knapen had van verdriet in
+vier dagen niets gegeten of gedronken, vertelde het volk verteederd.
+[13]
+
+Het is niet alleen de aandoening van een grooten rouw of over een hevige
+predikatie of over de mysteriën van het geloof, die een overvloed van
+tranen wekt. Ook bij elke wereldlijke plechtigheid wordt een vloed van
+tranen gestort. Een beleefdheidsgezant van den koning van Frankrijk aan
+Philips den Goede breekt bij zijn aanspraak herhaaldelijk in tranen uit.
+Bij het afscheid van den jongen Jan van Coïmbra van het Bourgondische
+hof weent alles luide, evenzoo bij de verwelkoming van den dauphin, bij
+de samenkomst der koningen van Engeland en Frankrijk te Ardres. Men zag
+Lodewijk XI tranen storten bij zijn intocht in Atrecht; tijdens zijn
+verblijf als dauphin aan het Bourgondische hof beschrijft Chastellain
+hem herhaaldelijk in snikken en tranen [14]. Er is natuurlijk
+overdrijving in die beschrijvingen, het "geen oog bleef droog" van een
+dagbladbericht. De bisschop Jean Germain verhaalt, hoe na de treffende
+aanspraken der gezanten op het vredescongres te Atrecht in 1435 de
+toehoorders plat op den grond vallen, sprakeloos, met zuchten, snikken
+en gehuil [15]. Doch in de overdrijving ziet men den achtergrond van
+waarheid. Het is ermee als met de tranenvloeden der 18de eeuwsche
+sentimenteelen. Het weenen was verheffend en schoon. Wie kent ook nu
+niet de sterke ontroering, tot huivering en tranen toe, die een intocht
+kan teweegbrengen, ook al is de vorst, dien de praal geldt, ons volkomen
+onverschillig. Toen werd die onmiddellijke aandoening gevuld door een
+half-religieuze vereering van staatsie en grootheid, en brak zich vrij
+baan in echte tranen.
+
+Wie het verschil in prikkelbaarheid tusschen de 15de eeuw en onzen tijd
+niet ziet, kan het leeren uit een klein voorbeeld op een ander gebied
+dan dat der tranen, namelijk dat der heethoofdigheid. Wij kunnen ons
+waarschijnlijk moeilijk een vreedzamer en rustiger spel denken dan het
+schaakspel. La Marche zegt, dat het dikwijls gebeurt, dat er bij 't
+schaakspel geschillen rijzen, "et que le plus saige y pert patience"
+[16]. Twist van koningszonen over een spel schaak was in de 15de eeuw
+nog een even gangbaar motief als in de Karelromans.
+
+ * * * * *
+
+Er was in het dagelijksch leven voortdurend een onbegrensde ruimte voor
+gloeienden hartstocht en kinderlijke fantazie. De hedendaagsche
+wetenschappelijke historie der middeleeuwen, die wegens de
+onbetrouwbaarheid der kronieken bij voorkeur zooveel mogelijk uit
+officieele oorkonden put, vervalt daardoor wel eens in een gevaarlijke
+fout. De oorkonden toonen ons weinig van het verschil in levenstoon,
+dat ons van die tijden scheidt. Zij doen ons het felle pathos van het
+middeleeuwsche leven vergeten. Van al de hartstochten, die het kleuren,
+spreken de oorkonden doorgaans slechts van twee: de hebzucht en den
+strijdlust, maar deze zelf zijn in hun felheid niet te begrijpen buiten
+het verband met de algemeene hartstochtelijkheid. Daarom blijven de
+kroniekschrijvers, zij mogen op het stuk van feitelijkheden nog zoo
+oppervlakkig zijn en nog zoo dikwijls dwalen, onmisbaar om den tijd goed
+te zien.
+
+Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje. Merk op,
+hoe archaïsch de hofchronisten, geleerde, aanzienlijke mannen, de
+vorsten, met wie zij verkeeren, zien, en stel u dan voor, wat het
+koningschap in de volksverbeelding moet zijn geweest. Hier is de jonge
+Karel de Stoute, nog graaf van Charolais, die van Sluis te Gorkum
+aangekomen, daar verneemt, dat zijn vader de hertog zijn pensie en al
+zijn beneficiën heeft ingetrokken. Chastellain beschrijft, hoe nu de
+graaf zijn gansche hofhouding, tot de keukenjongens toe, voor zich laat
+verschijnen, en hun zijn rampspoed meedeelt in een roerende toespraak,
+waarin hij zijn eerbied voor den misleiden vader, zijn zorg voor het wel
+der zijnen en zijn liefde voor hen allen betuigt. Die zelf middelen
+hebben, spoort hij aan, met hem zijn fortuin af te wachten; die arm
+zijn, laat hij vrij om heen te gaan, en als zij mochten hooren, dat 's
+graven fortuin zich gekeerd heeft, "komt dan terug, en gij zult allen
+uw plaats open vinden en zult mij welkom zijn, en ik zal het geduld
+beloonen dat gij om mijnentwil hebt gehad."--"Lors oyt-l'on voix lever
+et larmes espandre et clameur ruer par commun accord: "Nous tous, nous
+tous, monseigneur, vivrons avecques vous et mourrons."--Diep geroerd
+aanvaardt Karel hun trouw: "Or vivez doncques et souffrez; et moy je
+souffreray pour vous, premier que vous ayez faute." Dan komen de edelen
+en bieden hem aan, wat zij bezitten, "disant l'un: j'ay mille, l'autre:
+dix mille, l'autre: j'ay cecy, j'ay cela pour mettre pour vous et pour
+attendre tout vostre advenir." En zoo ging alles zijn gewonen gang, en
+er kwam geen kip minder om in de keuken [17].
+
+De uitpenseeling van het tafereel is natuurlijk van Chastellain. Wij
+weten niet, in hoeverre zijn verhaal hier het werkelijk gebeurde
+styleert. Doch waar het op aankomt: hij ziet den vorst in de eenvoudige
+vormen van de volksballade; het geval wordt voor hem geheel beheerscht
+door de meest primitieve roerselen van wederzijdsche trouw.
+
+Terwijl het mechanisme van het staatsbestuur en de staatshuishouding in
+werkelijkheid reeds gecompliceerde vormen had aangenomen, projecteert
+zich het staatsbeleid in den geest des volks in enkele vaste, eenvoudige
+figuren. De politieke voorstellingen, waarin men leeft, zijn die van het
+volkslied en den ridderroman. Er zijn een beperkt getal koningstypen: de
+edele, rechtvaardige vorst, de door booze raden misleide vorst, de vorst
+wreker van de eer van zijn geslacht, de vorst in het ongeluk door de
+trouw der zijnen gesteund. Het eeuwige wantrouwen, of het geld door de
+kroon wel in het algemeen welzijn wordt besteed, vindt zijn uitdrukking
+in de steeds terugkeerende voorstellingen: de koning wordt omringd door
+hebzuchtige, sluwe raadgevers, of de weelde en overdaad van 's konings
+hofhouding is er schuld aan, dat het slecht gaat met het land. Zoo
+reduceeren zich de politieke kwesties voor het volk tot de gevallen van
+de sproke. Philips de Goede begreep, welke taal het volk verstond.
+Tijdens zijn feesten in den Haag in 1456 heeft hij, om indruk te maken
+op de Hollanders en Friezen, die zouden meenen, dat het hem aan geld
+ontbrak om het bisdom Utrecht te vermeesteren, in een kamer naast de
+ridderzaal dertig duizend mark zilver aan kostelijk vaatwerk laten
+uitstallen. Iedereen mag er naar komen kijken. Bovendien zijn er uit
+Rijssel twee geldkisten meegebracht met tweehonderdduizend gouden
+leeuwen. Men mag beproeven, ze op te lichten, maar het is moeite
+vergeefsch [18]. Kan er opvoedkundiger vermenging van staatscrediet en
+kermisvermaak bedacht worden?
+
+Het vorstelijk leven en bedrijf had nog menigmaal een fantastisch
+element, dat ons aan den khalief uit Duizend en één Nacht herinnert. Zij
+handelen te midden van de koel berekende politieke ondernemingen soms
+met een roekelooze onstuimigheid, die om een persoonlijke gril hun leven
+en hun werk in gevaar brengt. Eduard III waagt er zichzelf, den prins
+van Wales en de zaak van zijn land aan, om een vloot van spaansche
+koopvaarders aan te vallen, ter vergelding van eenige zeerooverij
+[19].--Philips de Goede heeft er zijn zinnen op gezet, een zijner
+archers te huwen aan een rijke brouwersdochter uit Rijssel. Toen de
+vader dit tegenwerkt en er het Parlement van Parijs inhaalt, breekt de
+hertog, in woede ontstoken, de gewichtige staatsbesognes, die hem in
+Holland hielden, plotseling af, en onderneemt, in den heiligen tijd vlak
+voor Paschen nog wel, een gevaarlijke zeereis van Rotterdam naar Sluis,
+om zijn zin door te drijven [20]. Een andermaal is hij in zinneloozen
+toorn om een twist met zijn zoon als een weggeloopen schooljongen stil
+uit Brussel gereden, en verdwaalt 's nachts in het bosch. Als hij weer
+terecht is, valt de hachelijke taak, om hem weer in zijn gewone doen te
+brengen, den ridder Philippe Pot te beurt. De handige hoveling vindt het
+rechte woord: "Bonjour monseigneur, bonjour, qu'est cecy? Faites-vous du
+roy Artus maintenant ou de messire Lancelot?" [21]
+
+Hoe khaliefachtig doet het aan, wanneer dezelfde hertog, als de
+geneesheeren hem hebben voorgeschreven, zich het hoofd kaal te laten
+scheren, gelast, dat alle edelen zullen doen als hij, en Peter van
+Hagenbach opdraagt, om waar hij een edelman ongeschoren vond, hem van
+zijn haardos te ontdoen [22]. Of wanneer de jonge koning van Frankrijk
+Karel VI, met een vriend op één paard, vermomd den intocht van zijn
+eigen bruid, Isabella van Beieren, gaat zien, en in 't gedrang klappen
+oploopt van de dienders [23].--Een dichter uit de XVe eeuw laakt het,
+dat de vorsten hun nar of speelman tot hofraad en minister verheffen,
+gelijk Coquinet le fou de Bourgogne [24].
+
+Een andere gewoonte herinnert aan figuren, die tot in de laatste dagen
+van het tsarisme hun invloed aan het Russische hof hadden: de vorsten
+der XVe eeuw zoeken herhaaldelijk raad in staatszaken bij de visionaire
+asceten en de geëxalteerde volkspredikers. Dionysius de Kartuizer,
+Vincent Ferrer traden als politieke raadgevers op; de luidruchtige
+prediker Olivier Maillard, een Fransche Brugman, was in de heimelijkste
+onderhandelingen van vorstenhoven gemengd [25]. Een element van
+godsdienstige spanning werd zoodoende levend gehouden in de hooge
+staatkunde.
+
+Het was niet door roekeloos avontuurlijke daden en woeste grillen
+alleen, dat het vorstenleven voortdurend in de sfeer van het romantische
+bleef. De bloedige tragiek van het koningschap heeft zelden zoo
+aanhoudend het tooneel van Europa vervuld met den aanblik van
+aangrijpende lotswisseling als in de XIVe en XVe eeuw. In het Duitsche
+Rijk en in Engeland in één jaar tijds een koning onttroond. De wildste
+verhalen liepen van Wenzel, den dronkaard, die de Duitsche landen
+verwaarloosde, terwijl de Turken steeds dreigender naderden. De koningin
+zou des nachts door zijn woeste losgebroken honden zijn verscheurd. De
+geheimzinnige dood van Richard II van Engeland, na zijn verbazenden val,
+riep dien van Eduard II, zeventig jaren eerder, in het geheugen terug.
+In Frankrijk een waanzinnige op den troon, en 't land door wilde
+partijtwist verscheurd. En de gansche christenheid verdeeld door het
+groote schisma: twee pausen, drie welhaast, die om de macht streden.
+"Le Pappe de la Lune" noemde men in Frankrijk den paus van Avignon,
+Benedictus XIII, den Aragonees Peter van Luna: het moet voor het volk
+een half ijlhoofdigen klank hebben gehad. De twee schreeuwende moorden
+van 1407 en 1419: op Lodewijk van Orleans en op Jan zonder Vrees,
+hebben met hun eindeloozen nasleep van wraakzucht en oorlog aan de
+Fransche geschiedenis eener gansche eeuw een grondtoon van somberen haat
+gegeven.
+
+Men kon de wisselvalligheid der vorstelijke fortuin, zooals ieder haar
+voor oogen had in het beeld van het wiel, waar zij aftuimelen met hun
+schepters en kronen, niet beter belichaamd zien dan in René van Anjou,
+die altijd weer de hoogste kansen had gemist, die getracht had naar de
+kronen van Hongarije, Sicilië en Jeruzalem, en niet anders vond dan
+nederlagen, moeilijke ontvluchtingen, lange gevangenschappen. De
+dichter-koning zonder troon, die zich vermeide in herderdicht en
+miniatuurkunst, moet wel van een diep gewortelde frivoliteit zijn
+geweest, of het lot zou hem hebben genezen. Bijna al zijn kinderen had
+hij zien sterven, en de dochter, die hem gebleven was, had een lot, dat
+in zwarte droefheid het zijne overtrof. Margareta van Anjou, vol geest,
+eerzucht en hartstocht, had, zestien jaar oud, den koning van Engeland
+gehuwd, Hendrik VI, een onnoozele. Het Engelsche hof was een hel van
+haat. Toen eindelijk de groote familiestrijd in de phase van bloedig
+geweld was gekomen, verloor Margareta kroon en rijkdom. Zij had het
+ergste gevaar en den bittersten nood gekend; aan de erbarming van een
+struikroover had zij zich en haar zoon moeten toevertrouwen. Zij had bij
+de mis een Schotschen boogschutter om een penning moeten vragen voor een
+offer, "qui demy à dur et à regret luy tira un gros d'Escosse de sa
+bourse et le luy presta". Toen Chastellain het aandoenlijk verhaal van
+haar rampspoed en zwerftochten uit haar mond vernam, en haar tot troost
+een _Temple de Bocace_ [26] wijdde, "aucun petit traité de fortune,
+prenant pied sur son inconstance et déceveuse nature", een sombere
+galerij van vorstenongeluk, toen stond haar het ergste nog te wachten:
+bij Tewkesbury in 1471 de Lancaster's voorgoed verslagen, haar eenige
+zoon in den slag gevallen of na den slag vermoord, haar gemaal heimelijk
+omgebracht, zijzelf vijf jaren in den Tower, om tenslotte door Eduard IV
+aan Lodewijk XI te worden verkocht, wien zij tot dank voor haar
+bevrijding afstand moest doen van de erfenis van haar vader, koning
+René.
+
+Waar de echte koningskinderen zulk een lot beleefden, hoe zou daar een
+burger van Parijs anders dan geloof schenken aan het verhaal, waarmee
+in 1427 een troep Zigeuners in de stad kwam? Zij kwamen als boetelingen,
+"ung duc et ung conte et dix hommes tous à cheval", de rest, een 120
+sterk, moest buiten blijven. Uit Egypte waren zij, de paus had hun als
+boete voor hun afval van het christelijk geloof opgelegd om zeven jaar
+te zwerven, zonder in een bed te slapen. Zij waren wel 1200 geweest,
+maar hun koning en koningin en al de anderen waren onderweg gestorven.
+Tot eenig solaas had de paus gelast, dat ieder bisschop en abt hun tien
+pond tournoois zou geven. De Parijzenaars kwamen in groote menigte naar
+het vreemde volkje kijken, en lieten zich de hand lezen door de vrouwen,
+die den lieden het geld uit hun beurzen in de hare deden verhuizen "par
+art magicque au autrement" [27].
+
+Er lag om het vorstenleven een sfeer van avontuur en van hartstocht. Het
+was niet louter de volksverbeelding, die het die kleur leende. De
+moderne mensch maakt zich doorgaans geen voorstelling van de teugellooze
+buitensporigheid en ontvlambaarheid van het middeleeuwsch gemoed. Men
+kan uit de oorkonden een beeld ontwerpen van een stuk middeleeuwsche
+geschiedenis, dat er juist zoo uitziet als achttiendeëeuwsche ministers-
+en gezanten-politiek. Maar zulk een beeld mist één gewichtig element:
+de felle kleur van den geweldigen hartstocht, die èn de volken èn de
+vorsten heeft bezield. Zonder twijfel is dat element ook nú nog in de
+staatkunde aanwezig, maar het vindt meer remmen en beletselen, het is
+op honderden wijzen door het ingewikkelde mechanisme van het
+gemeenschapsleven in vaste banen geleid. In de vijftiende eeuw komt
+in de politieke daad nog een mate van onmiddellijk affect tot uiting,
+waardoor nut en berekening telkens worden doorbroken. Gaat dat affect
+gepaard met machtsgevoel, zooals bij de vorsten, dan werkt het dubbel
+heftig. Chastellain drukt het in zijn deftige termen bondig uit. Het is
+geen wonder, zegt hij, dat vorsten dikwijls met elkaar in vijandschap
+leven, "puisque les princes sont hommes, et leurs affaires sont haulx et
+agus, et leurs natures sont subgettes à passions maintes comme à haine
+et envie, et sont leurs coeurs vray habitacle d'icelles (des passions) à
+cause de leur gloire en régner" [28]. Dit is, wat Burckhardt "das Pathos
+der Herrschaft" noemt.
+
+Wie de geschiedenis van Bourgondië wilde schrijven, moest steeds weer
+een wraakmotief kunnen doen klinken, zoo zwart als een katafalk, dat u
+bij elke daad in den raad en te velde, den bitteren smaak gaf te proeven
+van hun geest vol sombere wraakgierigheid en verscheurden hoogmoed.
+Zeker, het zou onnoozel zijn, om weer te willen terugkeeren tot het
+gezicht, dat de vijftiende eeuw zelf op de geschiedenis had. Het gaat
+niet aan, de geheele machtstegenstelling, waaruit de eeuwenlange strijd
+van Frankrijk en de Habsburgers is gegroeid, te willen afleiden uit de
+bloedwraak tusschen Orleans en Bourgondië, de twee takken van het huis
+Valois. Wanneer men zich maar bewust blijft, dat voor den tijdgenoot die
+bloedwraak het beheerschende moment van de lotgevallen hunner landen
+was. Philips de Goede is voor hen in de eerste plaats de wreker, "celluy
+qui pour vengier l'outraige fait sur la personne du duc Jehan soustint
+la gherre seize ans" [29]. Als een heilige taak had Philips het op zich
+genomen: "en toute criminelle et mortelle aigreur, il tireroit à la
+vengeance du mort, si avant que Dieu luy vouldroit permettre; et y
+mettroit corps et âme, substance et pays tout en l'aventure et en la
+disposition de fortune, plus réputant oeuvre salutaire et agréable à
+Dieu de y entendre que de le laisser". Het was den Dominicaan, die bij
+den lijkdienst voor den vermoorden hertog de predikatie hield, euvel
+aangerekend, dat hij op den christenplicht om niet te wreken gewezen had
+[30]. Al de staten van zijn landen riepen met hem om wraak, zegt La
+Marche [31].
+
+Het tractaat van Atrecht, dat in 1435 den vrede tusschen Frankrijk en
+Bourgondië schijnt te zullen brengen, begint met de boete voor den moord
+van Montereau; een kapel te stichten in de kerk van Montereau, waar Jan
+het eerst begraven was, waar ten eeuwige dage een requiem zal gezongen
+worden iederen dag; desgelijks in dezelfde stad een Kartuizerklooster,
+een kruis op de brug zelf, waar het feit was bedreven, een mis in de
+Kartuizerkerk te Dijon, waar de Bourgondische hertogen begraven liggen
+[32]. Het was maar een deel van al de openbare boete en schande, die de
+kanselier Rolin namens den hertog geëischt had: kerken met kapittels
+niet alleen te Montereau, maar ook te Rome, Gent, Dijon, Parijs,
+Santiago de Compostella en Jeruzalem, met opschriften in steen, die het
+feit verhalen moesten [33].
+
+Een wraakbehoefte, die zich in zoo wijdloopige vormen kleedde, moet wel
+vooraan in den geest hebben gestaan. En wat zou het volk van de
+staatkunde hunner vorsten beter hebben begrepen dan deze eenvoudige,
+primitieve motieven van haat en wraak? De aanhankelijkheid aan den vorst
+was van een kinderlijk impulsief karakter, een onmiddellijk gevoel van
+trouw en gemeenschap. Het is een uitbreiding van het oude sterke besef,
+dat de eedhelpers aan den klager, de mannen aan hun heer bond, en dat in
+veete en strijd tot allesvergetenden hartstocht aangloeide. Het is
+partijgevoel, geen staatsgevoel. De latere middeleeuwen zijn de tijd der
+groote partijstrijden. In Italië consolideeren de partijen zich reeds in
+de 13e eeuw, in Frankrijk en de Nederlanden rijzen ze overal omhoog in
+de 14e. Iedereen, die de geschiedenis van die tijden bestudeert, moet
+wel eens getroffen zijn door de gebrekkigheid, waarmee die partijschappen
+door de moderne geschiedvorsching uit economisch-politieke oorzaken worden
+verklaard. De economische tegenstellingen, die men eraan ten grondslag
+legt, zijn veelal louter schematische constructies, die men met den
+besten wil niet uit de bronnen kan aflezen. Zonder de aanwezigheid van
+economische oorzaken te loochenen, is men geneigd te vragen, of ter
+verklaring van den laat-middeleeuwschen partijstrijd een politisch-
+psychologisch gezichtspunt niet meer profijt oplevert dan een politisch-
+economisch. Op de onmiddellijke basis van hartstochtelijke trouw, van
+familietrots en wraakzucht kan men de partijen als 't ware zien
+agglomereeren uit de beperkte veeten van den zuiver-feodalen tijd. Met
+de versterking van de staatsmacht, met de uitbreiding van de geldmacht
+nemen de primitieve gevoelens van solidariteit en gemeenschapseer
+breeder, openlijker vormen aan. Wanneer een scherpziend tijdgenoot
+verklaart, dat voor den haat van Hoekschen en Kabeljauwschen geen
+redelijke gronden waren te bespeuren [34], moet men niet minachtend de
+schouders ophalen en wijzer willen zijn dan hij.
+
+Hoe hevig de gemoedsbeweging van vorstentrouw werken kon, leest men op
+elke bladzijde der middeleeuwsche geschiedenis. De dichter van het
+mirakelspel Marieken van Nimwegen vertoont ons, hoe Marieken's kwade
+moei, na zich met de buurvrouwen half razend gekeven te hebben over den
+twist van Arnold en Adolf van Gelre, zich ophangt uit spijt, dat de oude
+hertog uit zijn gevangenis is verlost. Blijkbaar was dit dus voor hem
+een waarschijnlijk motief. Midden in den nacht laten de schepenen van
+Abbeville de klokken luiden, omdat er een bode gekomen is van Karel van
+Charolais met verzoek om te bidden voor de genezing zijns vaders. De
+verschrikte burgers stroomen ter kerke, ontsteken honderden kaarsen,
+liggen geknield of neergeworpen, in tranen, den ganschen nacht, terwijl
+de klokken aldoor luiden [35].
+
+Als het volk van Parijs, in 1429 nog Engelsch-Bourgondischgezind,
+verneemt, dat broeder Richard, die hen nog pas zoo innig had aangegrepen
+met zijn preeken, een Armagnac is, en de steden heimelijk ompraat, dan
+vervloeken zij hem bij God en de heiligen; voor den tinnen penning met
+den naam van Jezus, dien hij hun gegeven had, nemen zij het Andrieskruis,
+het partijteeken van Bourgondië. Zelfs het hervatten van de dobbelspelen,
+waartegen broer Richard geijverd had, geschiedde, meent de burger van
+Parijs, "en despit de luy" [36].
+
+Men zou meenen, dat het schisma tusschen Avignon en Rome, dat geen
+dogmatischen grond had, geen geloofshartstocht kon hebben gewekt in de
+landen, ver van de beide centra verwijderd. Toch ontwikkelt zich ook
+daar het schisma onmiddellijk tot een felle en hevig bewogen partijzaak,
+tot een tegenstelling als van geloovigen en ongeloovigen. Wanneer Brugge
+overgaat van den paus te Rome tot dien van Avignon, verlaten tal van
+lieden huis en stad, bedrijf of prebende, om in Utrecht, Luik of een
+ander gebied der urbanistische obedientie naar hún partij te kunnen
+leven [37]. Te Rozebeke in 1382 is de Fransche legeraanvoering in
+twijfel, of men tegen de opstandige Vlamingen de oriflamme, de heilige
+koningsvaan, zal ontplooien of niet. De beslissing valt: ja, want die
+Vlamingen zijn urbanisten, dus ongeloovigen [38]. Pierre Salmon kon te
+Utrecht geen priester vinden, die hem zijn paasch wil laten vieren,
+"pour ce qu'ils disoient que je estoie scismatique et que je créoie en
+Benedic l'antipape", zoodat hij alleen in een kapel gaat biechten, alsof
+hij 't voor een priester deed, en de mis hoort in het Kartuizerklooster
+[39].
+
+Het sterk bewogen karakter van partijgevoel en vorstentrouw werd nog
+verhoogd door de machtige suggestieve werking, die er uitging van al
+de partijteekens, kleuren, emblemen, deviezen, kreten, die elkander
+somtijds in bonte wisseling opvolgden, meestal zwanger van moord en
+doodslag, een enkele maal teeken van blijder dingen. Wel twee duizend
+personen trokken in 1380 den jongen Karel VI bij zijn intocht in Parijs
+tegemoet, allen gelijk gekleed in half groen half wit. Tot driemaal toe
+zag men in de jaren 1411 tot 1413 heel Parijs plotseling met ander
+kenteeken getooid: paarse kaproenen met het Andrieskruis, witte
+kaproenen, dan weer violette. Geestelijken, vrouwen en kinderen droegen
+ze. Tijdens het schrikbewind der Bourguignons te Parijs in 1411 werden
+iederen Zondag de Armagnacs onder klokgelui geëxcommuniceerd; men behing
+de heiligenbeelden met het Andrieskruis, ja, sommige priesters wilden
+bij de mis en bij den doop het kruisteeken niet recht maken, zooals de
+Heer gekruist was, maar maakten het schuins [40].
+
+De blinde hartstocht, waarmee men zijn partij, zijn heer of ook zijn
+eigen zaak volgde, was mede een uitingsvorm van het muurvaste,
+steenharde rechtsgevoel, de onwrikbare verzekerdheid, dat elke daad haar
+uiterste vergelding eischt. Het middeleeuwsche gerechtigheidsgevoel was
+voor drie kwart heidensch. Het was wraakbehoefte. De kerk had wel de
+rechtsgewoonten getracht te verzachten door aandrang op zachtmoedigheid,
+vrede, vergevensgezindheid, maar het eigenlijke rechtsgevoel had zij
+daarmee niet veranderd. Integendeel, zij had het geëxaspereerd, door aan
+de vergeldingsbehoefte den haat tegen de zonde toe te voegen. De zonde
+nu, dat was al te vaak: wat mijn vijand doet. Er was een enorme spanning
+gekomen van barbaarsch-religieus gerechtigheidsgevoel; onder invloed van
+de zonde-opvatting was de afkoopbaarheid van het misdrijf meer en meer
+teruggedrongen, en zoo is het einde der middeleeuwen de bedwelmende
+bloeitijd van pijnlijke gerechtigheid en justitieele wreedheid geworden.
+Daar was geen oogenblik van twijfel, of de boosdoener zijn recht
+verdiend had. Daar was innige voldoening over treffende daden van
+justitie, door den vorst zelf verricht. Daar waren vlagen van straffe
+gerechtigheid, dan tegen roovers en geboefte, dan tegen heksen en
+toovenaars, dan tegen sodomie.
+
+Wat in de justitieele wreedheid der late middeleeuwen treft, is geen
+ziekelijke perversiteit maar het dierlijke, verstompte jolijt, dat
+het volk erin had, de kermisvreugde ervan. Die van Mons koopen een
+rooverhoofdman tegen veel te hoogen prijs, voor het genoegen van hem te
+vierendeelen, "dont le peuple fust plus joyeulx que si un nouveau corps
+sainct estoit ressuscité" [41]. Tijdens de gevangenschap van Maximiliaan
+te Brugge in 1488 staat op de markt, waar de gevangen koning het kan
+zien, de pijnbank op een hooge estrade, en het volk krijgt er niet
+genoeg van, de van verraad verdachte magistraatspersonen telkens weer
+te zien pijnigen, en weerhoudt de executie, waar dezen om smeeken, om
+nieuwe kwellingen te genieten [42].
+
+Tot welke onchristelijke uitersten juist de vermenging van geloof en
+wraakzucht leidde, bewijst de gewoonte, die in Frankrijk en Engeland
+heerschte, om den terdoodveroordeelde niet alleen het viaticum maar ook
+de biecht te weigeren. Men wilde hun ziel niet redden, men wilde hun
+doodsangst verzwaren met de zekerheid der hellestraf. Vergeefs had paus
+Clemens V in 1311 gelast, althans het boetsacrament toe te staan. De
+politieke idealist Philippe de Mézières drong er opnieuw op aan, eerst
+bij Karel V van Frankrijk, toen bij Karel VI. Doch de kanselier Pierre
+d'Orgemont, wiens "forte cervelle", zegt Mézières, moeilijker om te
+keeren was dan een molensteen, verzette er zich tegen, en Karel V, de
+wijze, vreedzame koning, verklaarde, dat bij zijn leven de gewoonte niet
+veranderd zou worden. Eerst toen de stem van Jean Gerson zich bij die
+van Mézières voegde met een vijftal consideraties tegen het misbruik,
+gelastte een koninklijk edict van 12 febr. 1397 den veroordeelde de
+biecht toe te staan. Pierre de Craon, aan wiens bemoeiing het besluit te
+danken was, richtte een steenen kruis op bij de galg van Parijs, waar de
+Minderbroeders de berouwvolle misdadigers konden bijstaan [43]. Toch
+verdween ook toen de oude gewoonte nog niet uit de volkszeden; nog kort
+na 1500 moet de bisschop van Parijs, Etienne Ponchier, het statuut van
+Clemens V hernieuwen. In 1427 wordt een roofziek jonker te Parijs
+gehangen. Bij de terechtstelling komt een aanzienlijk ambtenaar, groot
+tresorier in dienst van den regent, zijn haat tegen den veroordeelde
+luchten; hij belet, dat hem de confessie wordt toegestaan, die hij
+vraagt; hij klimt scheldende achter hem de ladder op, slaat hem met een
+stok, ranselt den beul, omdat die hem naar de redding van zijn ziel
+vraagt. De beul, verschrikt, overhaast zich, de strop breekt, de arme
+misdadiger valt, breekt been en ribben, en moet zoo de ladder weer op
+[44].
+
+In de middeleeuwen ontbreken al de gevoelens, die ons besef van justitie
+schuchter en weifelend hebben gemaakt: het inzicht in halve
+toerekenbaarheid, het besef van 's rechters feilbaarheid, het besef, dat
+de maatschappij mee schuld heeft aan het misdrijf van den enkele, de
+vraag, of men hem niet kan verbeteren in plaats van hem te doen lijden.
+Of misschien beter gezegd: die gevoelens ontbraken niet, maar waren
+onuitgedrukt vereenigd in een onmiddellijke aandoening van
+barmhartigheid en vergiffenis, die, onafhankelijk van de schuld, telkens
+weer de wreede voldoening over het gedane recht komt breken. Waar wij
+een aarzelend en half schuldbewust toemeten van verzachte straffen
+kennen, daar kent de middeleeuwsche justitie slechts de twee uitersten:
+de volle maat van wreede straf en de genade. Bij het schenken van genade
+wordt veel minder dan thans gevraagd, of de schuldige om bijzondere
+redenen de gratie verdient: voor elke schuld, ook de klaarblijkelijkste,
+is volle kwijtschelding te allen tijde gepast. In de praktijk gaf bij
+die kwijtscheldingen niet altijd de zuivere barmhartigheid den doorslag.
+Het is verbazend, met welk een gelijkmoedigheid de tijdgenooten
+vertellen, hoe de tusschenkomst van aanzienlijke verwanten een
+misdadiger "lettres de rémission" bezorgen. Niettemin gelden de meeste
+van die brieven geen aanzienlijken overtreders maar armen lieden uit het
+volk, die geen hooge voorspraak gehad hebben [45].
+
+De onmiddellijke tegenstelling van hardvochtigheid en barmhartigheid
+beheerscht ook buiten de rechtspleging de zeden. Aan de eene zijde de
+vreeselijkste hardvochtigheid tegen misdeelden en gebrekkigen, aan de
+andere die ontzaglijke verteedering, dat innig gevoel van verwantschap
+voor zieken, armen en gekken, zooals wij het, samen met de wreedheid,
+nog uit de Russische litteratuur kennen. Het genot in terechtstellingen
+wordt althans nog begeleid en tot zekere hoogte gerechtvaardigd door een
+sterk bevredigd rechtsgevoel. In de ongeloofelijke, naïeve hardheid,
+onkieschheid, den wreeden spot, het leedvermaak, waarmee men het ongeluk
+der ellendigen beschouwt, ontbreekt zelfs het veredelend element van het
+bevredigd rechtsgevoel. De kroniekschrijver Pierre de Fenin besluit het
+verhaal van het omkomen eener rooverbende met de woorden: "et faisoit-on
+grant risée, pour ce que c'estoient tous gens de povre estat" [46].
+
+Te Parijs wordt in 1425 een "esbatement" gehouden van vier geharnaste
+blinden, die om een big vechten. Daags te voren trekken zij geharnast
+door de stad, voorop een doedelzakspeler en een man met een groote vlag,
+waarop de big geschilderd staat [47].
+
+Velazquez heeft ons de innig droevige tronies bewaard van de
+dwerginnetjes, die als zottinnen aan het Spaansche hof in zijn tijd
+nog in eere waren. Zij waren een gezocht voorwerp van vermaak aan de
+vorstenhoven der 15e eeuw. Bij de kunstige "entremets" der groote
+hoffeesten vertoonden zij haar kunsten en haar mismaaktheid. Madame
+d'Or, de goudblonde dwergin van Philips van Bourgondië, was algemeen
+bekend. Men liet haar worstelen met den acrobaat Hans [48]. Bij de
+huwelijksfeesten van 1468 komt Madame de Beaugrant, "la naine de
+Mademoiselle de Bourgogne", gedost als herderin, binnenrijden op een
+gouden leeuw, grooter dan een paard. De leeuw kan den bek open en dicht
+doen en zingt een welkomstliedje; het herderinnetje wordt cadeau gedaan
+aan de jonge hertogin en op tafel gezet [49]. Wij kennen geen klachten
+over het lot van die vrouwtjes, wel posten uit rekeningen, die ons nog
+iets meer zeggen. Zij spreken ervan, hoe een hertogin zulk een dwergje
+liet halen uit haar ouderlijk huis, hoe de moeder of de vader haar
+kwamen brengen, hoe ze haar ook later af en toe kwamen bezoeken, en dan
+een fooi kregen. "Au pere de Belon la folle, qui estoit venu veoir sa
+fille...." Ging de vader verheugd en hoogvereerd over den hofdienst van
+zijn dochter naar huis? In hetzelfde jaar leverde een slotemaker te
+Blois twee ijzeren halsbanden, één "pour attacher Belon la folle et
+l'autre pour mettre au col de la cingesse de Madame la Duchesse" [50].
+
+Hoe de krankzinnigen behandeld werden, kan men afmeten naar een bericht
+omtrent de verzorging van Karel VI, die als koning toch een verpleging
+genoot, die gunstig afweek van wat anderen ondervonden. Om den armen
+waanzinnige te verschoonen, wist men niets beters te bedenken, dan hem
+te laten verrassen door twaalf zwartgemaakte mannen, alsof de duivelen
+hem kwamen halen [51].
+
+Er is in de hardvochtigheid van die tijden een mate van "ingénu", die
+ons de veroordeeling op de lippen doet besterven. Temidden van een
+pestepidemie, die Parijs teisterde, verzoeken de hertogen van Bourgondië
+en Orleans, om terwille der verstrooiing een cour d'amours in te stellen
+[52]. In een pauze van de gruwelijke moordpartijen op de Armagnacs in
+1418, sticht het volk van Parijs in de kerk van Sint Eustathius de
+broederschap van Sint Andries; iedereen, priester of leek, draagt een
+krans van roode rozen; de kerk is er vol van en geurt "comme s'il fust
+lavé d'eau rose" [53]. Wanneer de heksenprocessen, die Atrecht in 1461
+als een helsche plaag hadden geteisterd, tenslotte vernietigd worden,
+viert de burgerij die zege van het recht met een wedstrijd in het
+opvoeren van "folies moralisées", eerste prijs een zilveren lelie,
+vierde prijs een paar kapoenen; de gemartelde slachtoffers waren lang
+dood [54].
+
+Zoo fel en bont was het leven, zoo verdroeg het den geur van bloed en
+rozen dooreen. Tusschen helsche benauwingen en de kinderlijkste pret,
+tusschen gruwelijke hardvochtigheid en snikkende verteedering slingert
+het als een reus met een kinderhoofd. Tusschen de volstrekte verzaking
+van alle wereldsche vreugde en een waanzinnige gehechtheid aan goed en
+genot, tusschen duisteren haat en de meest goedlachsche goedmoedigheid
+leeft het volk in uitersten.
+
+Van de heldere helft van dat leven is ons maar luttel bewaard: het is,
+of al de blijde zachtheid en sereniteit van de ziel der vijftiende eeuw
+is verzonken in haar schilderkunst en gekristalliseerd in de ijle
+reinheid van haar hooge muziek. De lach van dat geslacht is verstorven,
+zijn gulle levenslust en onbekommerde vreugde leeft enkel nog in
+volkslied en klucht. Er is genoeg, om bij ons heimwee naar vervlogen
+schoon van andere tijden ook een verlangen naar de zonnigheid van de
+eeuw der van Eyck's te voegen. Maar wie zich waarlijk in dien tijd
+verdiept, heeft dikwijls moeite, om het blijde aspect vast te houden.
+Want overal buiten de sfeer der kunst heerscht het donker. In het
+dreigend waarschuwen der sermoenen, in de moede zuchten der hoogere
+litteratuur, in het eentonig relaas der kronieken en oorkonden, overal
+schreeuwen de bonte zonden en jammert de ellende.
+
+De tijden na de reformatie hebben de hoofdzonden van hoogmoed, toorn en
+hebzucht niet meer gezien in die purperen volbloedigheid en onbeschaamde
+vrijpostigheid, waarmee zij wandelden onder de menschheid der vijftiende
+eeuw. De onmetelijke hoogmoed van Bourgondië! De gansche geschiedenis
+van dat geslacht, van de daad van ridderlijke bravoure, waarvan het
+hooggroeiende fortuin van den eersten Philips zijn oorsprong neemt, over
+den fellen naijver van Jan zonder Vrees en de zwarte wraakzucht na zijn
+dood, over den langen zomer van dien anderen Magnifico, Philips den
+Goede, tot de waanzinnige halsstarrigheid, waarin de hoogwillende Karel
+de Stoute ondergaat, is het niet een poëem van heroïeken hoogmoed? Hun
+landen waren de sterkst levende van het Westen: Bourgondië, zwaar van
+kracht als zijn wijn, "la colérique Picardie", het gulzige, rijke
+Vlaanderen. Het zijn dezelfde landen, waar de pracht van schilderkunst,
+sculptuur en muziek opbloeit, en waar het felste wraakrecht heerscht en
+de gewelddadigste barbaarschheid zich botviert onder adel en burgers
+[55].
+
+Geen kwaad is dien tijden meer bewust geweest dan de hebzucht. Men kan
+den hoogmoed en de hebzucht tegenover elkander zien als de zonde van den
+ouden en van den nieuwen tijd. De hoogmoed is de zonde van het feodale
+en hiërarchische tijdperk, waarin bezit en rijkdom weinig mobiel zijn.
+Het machtsgevoel zit nog niet in de eerste plaats vast aan den rijkdom;
+het is persoonlijker, en de macht moet, om erkend te worden, zich
+manifesteeren door groot vertoon, van talrijk gevolg van getrouwen, van
+kostbare versiering en indrukwekkend optreden van den machtige. Het
+besef van meer te zijn dan een ander mensch wordt door de feodale en
+hiërarchische gedachte voortdurend gevoed met levenden vorm; die
+meerderheid wordt gevoeld als iets zeer wezenlijks en gerechtvaardigds.
+
+De hoogmoed is een symbolische zonde en een theologische; haar wortels
+zitten diep in den grond van alle levens- en wereldbeschouwing. Superbia
+was de oorsprong van alle kwaad; Lucifer's hoogmoed was het begin en de
+oorzaak van alle verderf. Zoo had Augustinus het gezien, zoo bleef de
+voorstelling der lateren: de hoogmoed is de bron van alle zonden, zij
+groeien uit hem als wortel en stam [56].
+
+Doch naast het schriftwoord, dat deze opvatting staafde: A superbia
+initium sumpsit omnis perditio [57], stond een ander: Radix omnium
+malorum est cupiditas [58]. In aansluiting daaraan kon men ook de
+hebzucht zien als den wortel van alle kwaad. Want onder cupiditas, dat
+als zoodanig in de rij der hoofdzonden geen plaats had, werd hier
+avaritia verstaan, gelijk zelfs een andere lezing van den tekst inhield
+[59]. En het schijnt wel, alsof vooral sedert de dertiende eeuw de
+overtuiging, dat het de teugellooze hebzucht is, die de wereld verderft,
+in de schatting der geesten den hoogmoed van zijn plaats als eerste en
+noodlottigste der zonden verdringt. De oude theologische vooraanstelling
+van Superbia wordt overstemd door het steeds aanzwellend koor van
+stemmen, die al de ellende der tijden wijten aan de steeds toenemende
+hebzucht. Hoe heeft niet Dante haar vervloekt: la cieca cupidigia!
+
+De hebzucht nu mist het symbolisch en theologisch karakter van den
+hoogmoed; zij is de natuurlijke en materieele zonde, de zuiver aardsche
+drift. Zij is de zonde van het tijdperk, waarin het geldverkeer de
+voorwaarden van machtsontwikkeling heeft verplaatst en losgemaakt. De
+schatting van menschelijke waardigheid wordt een rekensommetje. Er is
+een veel onbegrensder veld geopend voor de bevrediging van toomelooze
+begeerten en opeenhooping van schatten. En die schatten hebben nog niet
+de spookachtige ontastbaarheid, die het moderne credietwezen aan het
+kapitaal heeft gegeven; het is nog het gele goud zelf, dat vooraan in de
+voorstelling staat. En de besteding van den rijkdom heeft nog niet het
+automatische en mechanische van voortgezette belegging: de bevrediging
+ligt nog in de felle uitersten van gierigheid en verspilling. In de
+laatste vooral gaat de hebzucht het huwelijk aan met den ouden hoogmoed.
+Die was nog zoo sterk en levend: de hierarchisch-feodale gedachte had
+nog niets van haar bloei verloren, de lust aan pracht en praal, opschik
+en staatsie was nog zoo purperrood.
+
+Juist de verbinding met een primitieven hoogmoed geeft aan de hebzucht
+der latere middeleeuwen dat onmiddellijke, hartstochtelijke,
+geëxaspereerde, wat latere tijden verloren schijnen te hebben. Het
+Protestantisme en de Renaissance hebben in de hebzucht ethischen inhoud
+gebracht: haar gelegaliseerd als nuttige voortbrenging van welvaart.
+Haar stigma verflauwde, naarmate de loffelijkheid van de verzaking der
+aardsche goederen minder overtuigd beleden werd. In de late middeleeuwen
+daarentegen kon de geest nog enkel de onopgeloste tegenstelling bevatten
+van hebzucht tegenover milddadigheid en vrijwillige armoede.
+
+Overal klinkt uit de litteratuur en de kronieken van dien tijd de
+bittere haat tegen de rijken, de klacht over de hebzucht der grooten,
+van het spreekwoord tot het vrome tractaat. Het is soms als een vaag
+besef van klassenstrijd, uitgedrukt met de middelen van zedelijke
+verontwaardiging. Op dit gebied kunnen evengoed de oorkonden als de
+verhalende bronnen ons het gevoel van den levenstoon van dien tijd
+geven, want in alle bescheiden van processen blinkt de meest
+onbeschaamde hebzucht.
+
+In 1436 was het mogelijk, dat de dienst in een der drukst bezochte
+kerken van Parijs 22 dagen stilstond, omdat de bisschop de kerk niet
+wilde herwijden, voor hij zekere som van penningen daarvoor ontving van
+twee bedelaars, wier handgemeen door een bloedige schram de kerk had
+ontwijd; en de stakkers hadden het niet. De bisschop, Jacques du
+Châtelier, stond dan ook bekend als "ung homme très pompeux,
+convoicteux, plus mondain que son estat ne requeroit". Maar onder zijn
+opvolger, Denys de Moulins, was het in 1441 al weer zoo: nu kon er vier
+maanden lang op het kerkhof "des Innocents", het vermaardste en
+gezochtste van Parijs, niet begraven worden noch ommegang gehouden,
+omdat de bisschop een hooger recht daarvan eischte, dan de kerk kon
+opbrengen. Deze bisschop heette "homme très pou piteux à quelque
+personne, s'il ne recevoit argent ou aucun don qui le vaulsist, et pour
+vray on disoit qu'il avait plus de cinquante procès en Parlement, car de
+lui n'avoit on rien sans procès" [60]. Men moet de geschiedenis van de
+"nouveaux riches" van dien tijd, een familie d'Orgemont bijvoorbeeld, in
+al de laagheden van hun schraapzucht en proceszucht vervolgen, om den
+geweldigen haat van het volk, den toorn van predikers en dichters te
+begrijpen, die zonder ophouden over de rijken werd uitgestort [61].
+
+Het volk kan zijn eigen lot en het gebeuren van den tijd niet anders
+zien dan als een altijddurende opeenvolging van wanbestuur en
+uitzuiging, oorlog en rooverij, duurte, gebrek en pestilentie. De
+chronische vormen, die de oorlog placht aan te nemen, de voortdurende
+verontrusting van stad en land door allerlei gevaarlijk geboefte, de
+eeuwige bedreiging van een harde en onbetrouwbare justitie, en daarboven
+nog de druk van helleangst, duivel- en heksenvrees, hielden een gevoel
+van algemeene onveiligheid levend, dat wel geschikt was, den achtergrond
+van het leven zwart te kleuren. Het zijn niet alleen de kleinen en
+armen, wier leven verliep in die hachelijke onveiligheid, ook in dat van
+edelen en magistraten zijn de sterkste lotswisselingen en voortdurende
+gevaren bijna regel. Mathieu d'Escouchy, een Picardiër, is een
+geschiedschrijver, zooals de vijftiende eeuw er zoo velen oplevert: zijn
+kroniek, eenvoudig, nauwkeurig, onpartijdig, vervuld van de gewone
+vereering voor het ridderideaal en de gewone moraliseerende strekking,
+zou ons een eerzaam auteur doen vermoeden, die aan nauwgezetten
+historischen arbeid zijn gaven wijdde. Maar welk een leven is het
+geweest, dat de uitgever van dit geschiedwerk van den auteur uit de
+oorkonden aan het licht heeft gebracht! [62] Mathieu d'Escouchy begint
+zijn magistratenloopbaan als raad, schepen, gezworene, schout (prévôt)
+van de stad Péronne tusschen 1440 en 1450. Van den aanvang af vindt men
+hem in een soort van veete met de familie van den procureur dier stad,
+Jean Froment, een veete, die met processen wordt uitgevochten. Dan is
+het de procureur, die d'Escouchy vervolgt wegens valschheid en moord,
+dan wegens "excès et attemptaz". De schout op zijn beurt belaagt de
+weduwe van zijn vijand met een onderzoek naar tooverij, waarvan zij
+verdacht stond; maar de vrouw weet een mandaat te verkrijgen, krachtens
+hetwelk d'Escouchy zijn onderzoek in handen der justitie moet stellen.
+De zaak komt voor het Parlement van Parijs, en d'Escouchy geraakt voor
+de eerste maal in gevangenschap. Nog zesmaal daarna vinden wij hem als
+beschuldigde in hechtenis, en eenmaal in krijgsgevangenschap. 't Zijn
+telkens ernstige crimineele zaken en meer dan eens zit hij in zware
+ijzers. De wedstrijd van wederzijdsche aanklachten tusschen de familie
+Froment en d'Escouchy wordt afgewisseld door een gewelddadige
+ontmoeting, waarbij de zoon Froment hem wondt. Beiden huren rabauwen,
+om elkaar naar 't leven te staan. Nadat deze lange veete uit onzen
+gezichtskring verdwenen is, zijn het nieuwe aanslagen; ditmaal wordt
+de schout verwond door een monnik; nieuwe klachten, dan in 1461
+d'Escouchy's verhuizing naar Nesle, onder verdenking van euveldaden,
+naar het schijnt. Dit belet hem niet, om carrière te maken: hij wordt
+baljuw, prévôt van Ribemont, procureur du roi te Saint Quentin; hij
+wordt geadeld. Na nieuwe verwondingen, opsluitingen, boeten, vindt men
+hem in krijgsdienst: hij strijdt voor den koning bij Montlhéry in 1465
+tegen Karel den Stoute, en wordt er krijgsgevangen gemaakt. Uit een
+volgenden veldtocht keert hij verminkt terug. Dan trouwt hij, maar het
+beduidt niet de intrede in een rustig leven. Men vindt hem onder de
+beschuldiging van zegelvervalsching, gevankelijk naar Parijs gevoerd
+"comme larron et murdrier", in nieuwe veete met een magistraat van
+Compiègne, naar wiens daden hij een onderzoek moet doen, door pijniging
+tot bekentenis gebracht en van appel teruggehouden, veroordeeld,
+gerehabiliteerd, weer veroordeeld, totdat het spoor van dit bestaan van
+haat en vervolging uit de bescheiden verdwijnt.
+
+Overal waar men de lotgevallen naspeurt van de personen, in de bronnen
+van dien tijd vermeld, verrijst zulk een beeld van heftig bewogen
+levens. Lees bijvoorbeeld de bijzonderheden, die Pierre Champion
+verzameld heeft over allen, die door Villon in zijn Testament zijn
+bedacht of genoemd [63], of de aanteekeningen van Tuetey op het dagboek
+van den burger van Parijs. Het zijn processen, misdrijven, twisten en
+vervolgingen zonder eind, die ons treffen. En dit zijn de levens van
+willekeurige lieden, uit rechterlijke, kerkelijke of andere bescheiden
+opgediept. Kronieken als die van Jacques du Clercq, een verzameling van
+euveldaden, kunnen een te zwart beeld van den tijd geven; zelfs de
+lettres de rémission, die het dagelijksch leven in zoo levendige
+nauwkeurigheid voor oogen brengen, kunnen uithoofde van hun crimineel
+onderwerp te uitsluitend de booze zijden van het leven belichten. Doch
+elke proef, genomen uit willekeurig materiaal, bevestigt de donkerste
+voorstellingen.
+
+Het is een booze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het
+onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere
+aarde. En spoedig wacht der menschheid het eind van alle dingen. Maar de
+menschheid bekeert zich niet; de kerk strijdt, predikers en dichters
+klagen en vermanen vergeefs.
+
+
+
+
+[1] Oeuvres de Georges Chastellain, ed. Kervyn de Lettenhove, 8 vol.,
+Bruxelles 1863-'66, III p. 44.
+
+[2] Chastellain, II p. 267; Mémoires d'Olivier de la Marche, ed. Beaune
+et d'Arbaumont, (Soc. de l'hist. de France), 1883-'88, 4 vol., II p. 248.
+
+[3] Journal d'un bourgeois de Paris, ed. A. Tuetey, (Publ. de la Soc. de
+l'histoire de Paris, Doc. no. III) 1881, p. 5, 56.
+
+[4] Journal d'un bourgeois, p. 20-24. Vgl. Journal de Jean de Roye, dite
+Chronique scandaleuse, ed. B. de Mandrot (Soc. de l'hist. de France)
+1894-'96, 2 vol., I p. 330.
+
+[5] Chastellain, III p. 461, vgl. V p. 403.
+
+[6] Jean Juvenal des Ursins, 1412, ed. Michaud et Poujoulat, Nouvelle
+collect. des mémoires, II p. 474.
+
+[7] Journal d'un bourgeois, p. 6; 70; Jean Molinet, Chronique, ed.
+Buchon, Coll. de chron. nat., 1827/28, 5 vol, II p. 23; Lettres de Louis
+XI, ed. Vaesen, Charavay, de Mandrot, (Soc. de l'hist. de France)
+1883-1909, 11 vol., 20 Apr. 1477, VI p. 158; Chronique scandaleuse, II
+p. 47, id. Interpolations, II p. 364.
+
+[8] Journal d'un bourgeois, p. 234/7.
+
+[9] Chron. scand., II p. 70, 72.
+
+[10] Vita auct. Petro Ranzano O.P. (1455), Acta sanctorum Apr. t. 1
+p. 494 sq.
+
+[11] Enguerrand de Monstrelet, Chroniques, ed. Douët d'Arcq (Soc. de
+l'hist. de France) 1857-'62, 6 vol., IV p. 302-306.
+
+[12] Wadding, Annales Minorum, X p. 72; K. Hefele, Der h. Bernhardin von
+Siena und die franziskanische Wanderpredigt in Italien, Freiburg, 1912,
+S. 47, 80.
+
+[13] Chron. scand., I p. 22, 1461; Jean Chartier, Hist. de Charles VII,
+ed. D. Godefroy, 1661, p. 320.
+
+[14] Chastellain, III pp. 36, 98, 124, 125, 210, 238, 239, 247, 474;
+Jacques du Clercq, Mémoires (1448-1467), ed. de Reiffenberg, Bruxelles, 1823,
+4 vol., IV. p. 40, II p. 280, 355, III p. 100; Juvenal des Ursins, p. 405,
+407, 420; Molinet, III p. 36, 314.
+
+[15] Jean Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, ed.
+Kervyn de Lettenhove, Chron. rel. à l'hist. de la Belg. sous la dom. des
+ducs de Bourg. (Coll. des chron. belges) 1876, II, p. 50.
+
+[16] La Marche, I p. 61.
+
+[17] Chastellain, IV p. 333 s.
+
+[18] Chastellain, III p. 92.
+
+[19] Jean Froissart, Chroniques, ed. S. Luce et G. Raynaud (Soc. de
+l'hist. de France) 1869-1899,11 vol. (niet verder dan 1385), IV, p. 89-93.
+
+[20] Chastellain, III p. 85 ss.
+
+[21] Ib. III p. 279.
+
+[22] La Marche. II p. 421.
+
+[23] Juvenal des Ursins, p. 379.
+
+[24] Martin Le Franc, Le Champion des dames, bij G. Doutrepont, La
+littérature française à la cour des ducs de Bourgogne (Bibl. du XVe
+siècle t. VIII) Paris, Champion. 1909, p. 304.
+
+[25] Acta sanctorum Apr. t. 1 p. 496; A. Renaudet, Préréforme et
+humanisme à Paris 1494-1517, Paris, Champion, 1916, p. 163.
+
+[26] Chastellain, IV p. 300 s., VII p. 75; vgl. Thomas Basin, De rebus
+gestis Caroli VII et Lud. XI historiarum libri XII, ed. Quicherat, (Soc.
+de l'hist. de France) 1855-1859, 4 vol, I p. 158.
+
+[27] Journal d'un bourgeois, p. 219.
+
+[28] Chastellain, III p. 30.
+
+[29] La Marche, I p. 89.
+
+[30] Chastellain, I p. 82, 79; Monstrelet, III p. 361.
+
+[31] La Marche, I p. 201.
+
+[32] Het tractaat o.a. bij La Marche, I p. 207.
+
+[33] Chastellain, I p. 196.
+
+[34] Basin, III p. 74.
+
+[35] Chastellain, IV p. 201. Vergelijk mijn studie Uit de
+voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 1912, I.
+
+[36] Journal d'un bourgeois, p. 242; vgl. Monstrelet, IV p. 341.
+
+[37] Jan van Dixmude, ed. Lambin, Ypres 1839, p. 283.
+
+[38] Froissart, ed. Luce, XI p. 52.
+
+[39] Mémoires de Pierre le Fruictier dit Salmon, Buchon, 3e suppl. de
+Froissart. XV p. 22.
+
+[40] Chronique du Religieux de Saint Denis, ed. Bellaguet (Coll. des
+documents inédits) 1839-'52. 6 vol., I p. 34; Juvenal des Ursins,
+p. 342, 467-471; Journal d'un bourgeois, p. 12, 31, 44.
+
+[41] Molinet, III p. 487.
+
+[42] Molinet, III p. 226, 241, 283-7; La Marche, III p. 289, 302.
+
+[43] Clementis V constitutiones, lib. V. tit. 9, c. I; Joannis Gersonii
+Opera omnia, ed. L. Ellies Dupin, ed. II Hagae Comitis 1728, 5 vol., II
+p. 427; Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 122; N. Jorga,
+Philippe de Mézières et la croisade au XIVe siècle (Bibl. de l'école des
+hautes études, fasc. 110) 1896, p. 438: Religieux de S. Denis, II p. 533.
+
+[44] Journal d'un bourgeois, p. 223, 229.
+
+[45] Jacques du Clercq, IV p. 265. Petit-Dutaillis, Documents nouveaux
+sur les moeurs populaires et le droit de vengeance dans les Pays-Bas au
+XVe siècle. (Bibl. du XVe siècle) Paris, Champion 1908, p. 7, 21.
+
+[46] Pierre de Fenin (Petitot, Coll. de mém. VII) p. 593; vgl. zijn
+verhaal van den doodgeslagen nar, p. 619.
+
+[47] Journal d'un bourgeois, p. 204.
+
+[48] Jean Lefèvre de Saint Remy, Chronique, ed. F. Morand (Soc. de
+l'hist. de France) 1876, 2 vol, II p. 168; Laborde, Les ducs de
+Bourgogne. Etudes sur les lettres, les arts et l'industrie pendant le
+XVe siècle. Paris, 1849-'53, 3 vol, II p. 208.
+
+[49] La Marche, III p. 135; Laborde. II p. 325.
+
+[50] Laborde, III p. 355, 398. Le Moyen-âge, XX 1907 p. 193-201.
+
+[51] Juvenal des Ursins, p. 438, 1405; vgl. echter Rel. de S. Denis, III
+p. 349.
+
+[52] Piaget, Romania XX p. 417 en XXXI 1902 p. 597-603.
+
+[53] Journal d'un bourgeois, p. 95.
+
+[54] Jacques du Clercq, III p. 262.
+
+[55] Jacques du Clercq passim; Petit Dutaillis, Documents etc. p. 131.
+
+[56] Hugo van St. Victor, De fructibus carnis et spiritus, Migne CLXXVI
+p. 997.
+
+[57] Tobias 4, 14.
+
+[58] I Timotheus 6, 10.
+
+[59] Petrus Damiani, Epist. lib. I, 15, Migne CXLIV p. 234, id. Contra
+philargyriam ib. CXLV p. 533; Pseudo-Bernardus, Liber de modo bene
+vivendi § 44, 45, Migne CLXXXIV p. 1266.
+
+[60] Journal d'un bourgeois, p. 325, 343, 357 en de gegevens uit de
+registers van het Parlement aldaar in de noot.
+
+[61] L. Mirot, Les d'Orgemont, leur origine, leur fortune, etc. (Bibl.
+du XVe siècle) Paris, Champion 1913; P. Champion, François Villon, sa
+vie et son temps, id. Paris, Champion 1913, II p. 230s.
+
+[62] Mathieu d'Escouchy, Chronique, ed. G. du Fresne de Beaucourt (Soc.
+de l'hist. de France) 1863-'64, 3 vol., I p. IV-XXIII.
+
+[63] P. Champion, Frangois Villon, sa vie et son temps (Bibl. du XVe
+siècle) Paris, 1913, 2 vol.
+
+
+ * * * * *
+
+
+II
+
+DE ZUCHT NAAR SCHOONER LEVEN
+
+
+Iedere tijd smacht naar een schoonere wereld. Hoe dieper de wanhoop en
+verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger dat smachten.
+In het laatst der middeleeuwen is de grondtoon van het leven die van
+bittere zwaarmoedigheid. De toon van moedige levensvreugde en van het
+vertrouwen in kracht tot groote daden, zooals die klinkt door de
+geschiedenis der Renaissance en door die der Verlichting, wordt in de
+Fransch-Bourgondische sfeer der vijftiende eeuw nauwelijks gehoord. Is
+die samenleving dan werkelijk ongelukkiger geweest dan andere? Men zou
+het soms gelooven. Waar men zoekt in de overlevering van dien tijd:
+de geschiedschrijvers, de dichters, de sermoenen en godsdienstige
+tractaten, en evengoed de oorkonden, er is haast niet anders in bezonken
+dan de herinnering aan twist, haat en boosaardigheid, hebzucht,
+woestheid en ellende. Men vraagt zich af: heeft die tijd geen andere
+vreugden gekend dan die uit wreedheid, hoogmoed en onmatigheid, is daar
+nergens zachte blijdschap en rustig levensgeluk? Het is waar, elke tijd
+laat in de overlevering meer sporen na van zijn leed dan van zijn geluk.
+Het zijn de rampen, die historie worden. Een onberedeneerde overtuiging
+zegt ons, dat de som van alle levensgeluk en blijde vreugde en zoete
+rust, welke den menschen ooit beschoren is, in het eene tijdperk niet
+veel kan verschillen van het andere. En de glans van het
+laat-middeleeuwsche geluk is ook niet geheel vergaan: het herleeft nog
+in het volkslied, in de muziek, in de stille verschieten van het
+landschap en de ernstige aangezichten van het portret.
+
+Doch hier is het verschil: terwijl de achttiende eeuw en de Renaissance
+de geluksstemming ook jubelend hebben uitgesproken, en het leven en de
+wereld luid hebben geprezen, ziet de Bourgondische tijd, zich zelf en
+de wereld beschouwend, schier enkel leed en vertwijfeling. Neem als de
+uiting van het Renaissance-gevoel Ulrich von Hutten's enthousiasten
+uitroep: O saeculum, o literae! juvat vivere! Of wel deze enkele regels
+van Poliziano, waarin de heerlijkheid van christelijk geloof en
+heidensch geluk in één jubeltoon samensmelten:
+
+ "Vergine rilucente
+ Per te sola si sente
+ Quanto bene è nel mondo" [64].
+
+Die stemming is aan het Fransche leven van de veertiende en vijftiende
+eeuw nog vreemd. Het zijn niet alleen zij, die zich voorgoed van de
+wereld hebben afgewend, maar de kroniekschrijvers en modedichters der
+hoven, die altijd weer de afgeleefdheid der wereld beklagen en
+vertwijfelen aan vrede en gerechtigheid. Niemand heeft zoo eindeloos de
+klacht herhaald, dat alle goede dingen de wereld verlaten hebben, als
+Eustache Deschamps.
+
+ "Temps de doleur et de temptacion,
+ Aages de plour, d'envie et de tourment,
+ Temps de langour et de dampnacion,
+ Aages meneur près du definement,
+
+ Temps plains d'orreur qui tout fait faussement,
+ Aages menteur, plain d'orgueil et d'envie,
+ Temps sanz honeur et sanz vray jugement,
+ Aage en tristour qui abrege la vie" [65].
+
+In dien toon heeft hij zijn balladen bij tientallen gedicht, eentonige,
+matte variaties op één dof thema. Er moet toch wel een sterke
+zwaarmoedigheid onder de hoogere standen hebben geheerscht, dat de adel
+zijn brooddichter dat geluid zoo dikwijls deed herhalen.
+
+ "Toute léesse deffaut,
+ Tous cueurs ont prins par assaut
+ Tristesse et merencolie" [66].
+
+Jean Meschinot zingt drie kwart eeuw later dan Deschamps nog in volkomen
+denzelfden toon.
+
+ "O miserable et très dolente vie!...
+ La guerre avons, mortalité, famine;
+ Le froid, le chaud, le jour, la nuit nous mine;
+ Puces, cirons et tant d'autre vermine
+ Nous guerroyent. Bref, miserere domine
+ Noz meschans corps, dont le vivre est très court."
+
+Ook deze spreekt steeds weer de bittere overtuiging uit, dat alles
+slecht gaat in de wereld: gerechtigheid is zoek, de grooten plunderen de
+kleinen, en de kleinen elkander. Zijn hypochondrie brengt hem zelfs,
+naar zijn zeggen, tot den rand van den zelfmoord. Hij beschrijft zich
+zelf:
+
+ "Et je, le pouvre escrivain,
+ Au cueur triste, faible et vain,
+ Voyant de chascun le dueil,
+ Soucy me tient en sa main;
+ Toujours les larmes à l'oeil,
+ Rien fors mourir je ne vueil" [67].
+
+Alle uitingen van de levensstemming der aanzienlijken bevestigen de
+sentimenteele behoefte aan een zwarten dos der ziel. Bijna iedereen komt
+getuigen, dat hij niets dan ellende heeft gezien, en dat nog erger te
+wachten staat, dat hij den afgelegden levensweg niet zou willen
+teruggaan. "Moi douloreux homme, né en eclipse de ténèbres es espesses
+bruynes de lamentation", aldus dient Chastellain zich aan [68]. "Tant a
+souffert La Marche" heeft de hofpoëet en kroniekschrijver van Karel den
+Stoute zich tot devies gekozen; een bitteren smaak vindt hij aan 't
+leven, en zijn portret vertoont ons die morose trekken, welke op zooveel
+beeltenissen van dien tijd onzen blik boeien [69].
+
+Schijnt er een leven zoo vervuld van aardschen hoogmoed en pralende
+genotzucht, en zoo bekroond met welslagen als dat van Philips den Goede?
+Toch schuilt ook daaronder de levensmoeheid van den tijd. Als hem de
+dood van zijn eenjarig zoontje wordt bericht, zegt hij: "had het God
+behaagd, dat ik ook zoo jong gestorven ware, ik zou mij wel gelukkig
+achten" [70].
+
+Is het niet opmerkelijk, dat in dezen tijd in het woord melancholie de
+beteekenissen van droefgeestigheid, ernstig nadenken en fantazie ineen
+vloeien? Zoozeer scheen elke ernstige bezigheid van den geest in het
+sombere te moeten overzweven. Froissart zegt van Philips van Artevelde,
+die nadenkt over een pas ontvangen tijding: "quant il eut merancoliet
+une espasse, il s'avisa que il rescriproit aus commissaires dou roi de
+France" enz. Deschamps zegt van iets, wat in leelijkheid de verbeelding
+te boven gaat: geen schilder is zoo "merencolieux", dat hij het zou
+kunnen schilderen [71].
+
+In het pessimisme van deze verzadigden, ontgoochelden, vermoeiden is een
+religieus element, doch slechts een gering. Door hun levensmoeheid
+speelt zeker ook de verwachting van het naderend einde der wereld, die
+door de bloeiend herleefde volksprediking der bedelorden overal met
+versche dreiging en verhoogde kleur van verbeelding in het gemoed was
+gestort. De duistere en verwarde tijden, de chronische oorlogsellende
+waren wel geschikt, die gedachte te versterken. Er schijnt in de laatste
+jaren der veertiende eeuw een volksgeloof te zijn geweest, dat sedert
+het groote schisma niemand meer in het paradijs was opgenomen [72]. De
+afkeer van den ijdelen schijn van het hofleven maakte van zelf rijp, om
+de wereld vaarwel te zeggen. Toch is die stemming van depressie, zooals
+bijna al die vorstendienaars en hovelingen haar uiten, nauwelijks van
+godsdienstig gehalte. Op zijn hoogst hebben de godsdienstige
+voorstellingen wat kleur afgegeven op een vlak van eenvoudige
+levensmoeheid. Het is de zucht, om het leven en de wereld te smaden, die
+van wezenlijk godsdienstig besef ver afstaat. De wereld, zegt Deschamps,
+is als een kindsche grijsaard; eerst was hij onschuldig, toen wijs
+langen tijd, rechtvaardig, deugdzaam en dapper:
+
+ "Or est laches, chetis et molz,
+ Vieulx, convoiteus et mal parlant:
+ Je ne voy que foles et folz ...
+ La fin s'approche, en verité ...
+ Tout va mal" ... [73]
+
+Het is niet alleen levensmoeheid maar ook levensbangheid, het
+terugschrikken voor het leven om de onvermijdelijke smarten, die het
+begeleiden, de houding van den geest, die in het Boeddhisme de basis
+der levensbeschouwing uitmaakt: bange afkeer van de moeiten van het
+dagelijksch leven, vrees en afschuw voor zorg, ziekte en ouderdom.
+Deze levensbangheid deelen de geblaseerden met hen, die nooit voor de
+verlokkingen der wereld bezweken waren, omdat zij altijd het leven
+geschuwd hadden.
+
+De gedichten van Deschamps vloeien over van dien kleinzieligen smaad
+tegen het leven. Gelukkig wie geen kinderen heeft, want kleine kinderen,
+'t is al geschreeuw en stank, en moeite en zorg; zij moeten gekleed,
+geschoeid, gevoed worden; altijd zijn zij in gevaar van te vallen en
+zich te bezeeren. Zij worden ziek en sterven, of zij worden groot en
+slecht; zij komen in de gevangenis. Niets dan lasten en verdriet, geen
+geluk vergoedt de zorgen, moeiten en kosten van de opvoeding. Geen
+grooter ongeluk, dan mismaakte kinderen te hebben. De dichter wijdt er
+geen woord van liefde aan: de mismaakte is slecht van hart, laat hij de
+schrift zeggen. Gelukkig wie ongetrouwd is, want met een kwade vrouw is
+het slecht leven, en een goede vreest men voortdurend te verliezen. Met
+het ongeluk wordt ook het geluk geschuwd. Van den ouderdom ziet deze
+dichter niet dan kwaads en weerzinwekkends, het jammerlijk lichamelijk en
+geestelijk verval, de belachelijkheid en onsmakelijkheid. Vroeg is de
+mensch oud, de vrouw met dertig, de man met vijftig jaren, en zestig is
+hun perk [74].--Hoe ver is men hier van de serene idealiteit, waarmee
+Dante in zijn Convivio de waardigheid van den edelen grijsaard
+beschreven had [75].
+
+Een vrome strekking, die bij Deschamps nauwelijks aanwezig is, kan deze
+bespiegelingen van levensbangheid eenigszins verheffen, maar wezenlijk
+veranderen niet. In tal van vermaningen tot een heilig leven proeft men
+als grondstemming dit moedeloos versagen. Wanneer de onberispelijke
+kanselier der Parijsche universiteit en licht der godgeleerdheid Jean
+Gerson voor zijn zusters een vertoog schrijft over de voortreffelijkheid
+van den maagdelijken staat, dan dient onder zijn argumenten een lange
+lijst van leed en rampen, aan den huwelijken staat verbonden. Wellicht
+zou een echtgenoot een dronkaard zijn, of een verkwister, of een
+gierigaard. Of is hij braaf en goed, dan kan er misgewas komen,
+veesterfte of schipbreuk, die hem van al zijn have berooven. Welk een
+ellende is niet de zwangerschap, hoevele vrouwen sterven er in het
+kraambed! Wat heeft de zoogende moeder voor rustigen slaap, wat voor
+blijdschap en vreugde? Misschien zullen de kinderen mismaakt zijn of
+ongehoorzaam; misschien zal de man sterven en de moeder als weduwe in
+zorg en armoe achterblijven [76].
+
+Diepe verslagenheid over de aardsche ellende is de stemming, waarmee de
+dagelijksche werkelijkheid wordt beschouwd, zoodra de kinderlijke
+levensvreugde of het blind genieten wijkt voor overpeinzing. Waar is de
+schoonere wereld, waar iedere tijd naar smachten moet?
+
+De zucht naar een schooner leven heeft te allen tijd drie paden voor
+zich naar het verre doel zien wijzen. Het eerste leidde regelrecht uit
+de wereld: het pad van de verzaking der wereld. Hier schijnt het
+schoonere leven enkel te bereiken aan de overzijde, kan het enkel een
+verlossing zijn uit al het aardsche; alle aandacht aan de wereld
+besteed, vertraagt slechts het beloofde heil. Alle hoogere beschaving
+heeft dit pad bewandeld; het Christendom had dit streven èn als
+individueelen levensinhoud èn als cultuurgrondslag zoo machtig in de
+geesten geprent, dat het langen tijd het betreden van het tweede pad
+bijna geheel heeft belet.
+
+Dat tweede was de weg, die wees naar verbetering en volmaking van de
+wereld zelf. De middeleeuwen hebben dit streven nog nauwelijks gekend.
+Voor hen was de wereld zoo goed en zoo slecht als zij zijn kon, dat wil
+zeggen, al de instellingen, door God gewild immers, waren goed; het is
+de zonde der menschen, die de wereld in ellende houdt. De tijd kent geen
+bewust streven naar verbetering en hervorming van maatschappelijke of
+staatkundige instellingen als drijfveer van denken en handelen. De deugd
+te betrachten in eigen beroep is het eenige, wat de wereld baten kan,
+en ook daarbij is het eigenlijke doel toch het andere leven. Ook waar
+inderdaad een nieuwe maatschappelijke vorm geschapen wordt, beschouwt
+men het steeds als een herstel van het goede oude recht; het recht wordt
+gevonden of verduidelijkt, maar niet veranderd.
+
+Niets heeft zoozeer meegewerkt tot die stemming van levensbangheid en
+vertwijfeling aan de komende tijden als deze afwezigheid van den vasten
+wil van allen, om de wereld zelf beter en gelukkiger te maken. In de
+wereld zelf was geen belofte van beter dingen. Wie naar beter smachtte,
+en toch geen afscheid kon nemen van de wereld en al haar heerlijkheid,
+kon enkel tot vertwijfeling vervallen; hij zag nergens hoop of
+blijdschap meer; der wereld rest nog maar een korte tijd, en wat haar
+daarin wacht, is ellende.
+
+Wanneer eenmaal ook de weg naar positieve verbetering van de wereld zelf
+zal zijn ingeslagen, begint een nieuwe tijd, waarin de levensbangheid
+plaats maakt voor moed en hoop. De Renaissance luidt de energische
+levensaanvaarding in, de achttiende eeuw verheft de volmaakbaarheid van
+mensch en samenleving tot haar grondleerstuk, en het economische en
+sociale streven der volgende eeuw verliest daarvan enkel de naïveteit,
+niet den moed en het optimisme.
+
+Het derde pad naar een schoonere wereld is dat van den droom. Het is de
+gemakkelijkste weg, maar een, die het doel altijd even ver laat. Als dan
+de aardsche werkelijkheid zoo hopeloos ellendig is, en de verzaking der
+wereld zoo moeilijk, laat ons dan het leven kleuren met schoonen schijn,
+wegleven in het droomland van heldere verbeeldingen, de werkelijkheid
+temperen met de verrukking van het ideaal. Er is maar een eenvoudig
+thema, een enkel akkoord noodig, om de hartvervoerende fuga te doen
+klinken: een uitzicht op het gedroomd geluk van een schooner verleden is
+genoeg, een blik op zijn heldendom en zijn deugd, of anders de glans van
+het blijde zonlicht van het natuurlijk leven. Op die enkele thema's: het
+heldenthema, het wijzenthema en het bucolische thema is van de Oudheid
+af de gansche litteraire cultuur gebouwd. De Middeleeuwen, de
+Renaissance, de achttiende eeuw en de negentiende, zij vinden alle
+slechts nieuwe variaties op het oude lied.
+
+Is echter dit derde pad naar een schooner leven: het ontvlieden van de
+harde werkelijkheid in een schoonen schijn, enkel een zaak van
+litteraire cultuur? Stellig is het meer dan dat. Het raakt den vorm en
+den inhoud van het gemeenschapsleven zelf even goed als de beide andere
+strevens, en dat des te sterker, naarmate de beschaving primitiever is.
+
+De uitwerking van de drie genoemde geesteshoudingen op het werkelijke
+leven zelf is zeer ongelijk. Natuurlijk heeft de idee, waaruit men
+streeft naar de verbetering en volmaking van de wereld zelf, het nauwste
+en voortdurendste contact met het dagelijksche leven. Zij stort bijna
+alle kracht en allen moed in den stoffelijken arbeid zelf; zij vervult
+de directe werkelijkheid met energie. Als men wil, is ook hier een
+geluksdroom het bezielende motief. Tot zekere hoogte streeft iedere
+cultuur naar de verwezenlijking van een droomwereld binnen de werkelijke,
+door het herscheppen van de vormen der samenleving. Doch het object van
+den droom is hier de werkelijkheid zelve, enkel nog wat gezuiverd en
+verbeterd, met andere woorden: men acht de wereld op den goeden weg naar
+het ideaal. En daarom is de spanning tusschen den idealen levensvorm
+en dien van het werkende bestaan gering. Het ideaal van de hoogste
+productie en de billijke verdeeling der goederen stelt aan de levenskunst
+betrekkelijk geringe eischen: in den dagelijkschen arbeid nadert men het
+ideaal.
+
+Heel anders is de invloed op het werkelijk leven bij de eerste der drie
+geesteshoudingen: die van de verzaking der wereld. Het heimwee naar een
+eeuwig heil maakt den gang en den vorm van het aardsch bestaan
+onverschillig, mits daarin de deugd wordt gekweekt en onderhouden. Men
+laat de levensvormen en maatschappijvormen voor wat zij zijn, maar
+tracht ze te doordringen van transcendentale zedelijkheid. Hierdoor
+werkt de afkeer van de wereld op de aardsche maatschappij niet louter
+negatief door verloochening en afwending, maar straalt ook op haar terug
+in zegenrijken arbeid en praktische barmhartigheid.
+
+Hoe werkt nu op het leven de derde houding: de zucht naar het schoonere
+leven volgens een gedroomd ideaal? Zij herschept de vormen van het leven
+in kunstvormen. Maar het zijn niet enkel de kunstwerken als zoodanig,
+waarin zij haar schoonheidsdroom uitdrukt, zij wil het leven zelf
+veredelen met schoonheid, en vult de samenleving zelf met spel en
+vormen. Hier worden juist aan de persoonlijke levenskunst de hoogste
+eischen gesteld, eischen, die alleen kunnen worden nagestreefd door een
+élite, in een kunstig levensspel. Het naleven van den held en den wijze
+is niet ieders zaak; het is een kostbaar vermaak om het leven te kleuren
+met heroïsche of idyllische verven, en het slaagt bovendien doorgaans
+nog heel slecht. Aan het streven naar de verwezenlijking van den
+schoonheidsdroom in de vormen van de samenleving zelf is als vitium
+originis een aristocratisch karakter opgedrukt.
+
+Hiermee zijn wij genaderd tot het aspect, waaronder de beschaving van
+het einde der Middeleeuwen thans moet worden gezien: de verfraaiing van
+het aristocratische leven met de vormen van het ideaal, het kunstlicht
+van de ridderlijke romantiek over het leven, de wereld vermomd in den
+dos der Tafelronde. De spanning tusschen levensvorm en werkelijkheid is
+bijster groot; het licht is valsch en schel.
+
+De zucht naar het schoone leven geldt als het eigenste kenmerk van de
+Renaissance. Hier ziet men de volste harmonie tusschen de bevrediging
+van den schoonheidsdorst in het kunstwerk en in het leven zelf, hier
+dient de kunst het leven en het leven de kunst als nooit te voren. Maar
+de grens tusschen Middeleeuwen en Renaissance is ook in dezen te scherp
+getrokken. De hartstochtelijke zin, om het leven zelf met schoonheid te
+bekleeden, de verfijnde levenskunst, de bonte uitwerking van een
+levensideaal, zij zijn alle veel ouder dan het Italiaansche quattrocento.
+De motieven van levensverfraaiing zelf, waarop de Florentijnen doorgaan,
+zijn niet anders dan de oude middeleeuwsche vormen: Lorenzo de' Medici
+huldigt nog even goed als Karel de Stoute het oude ridderideaal als den
+edelen levensvorm; hij ziet zelfs in den laatste, ondanks zijn
+barbaarsche pracht, in zekere opzichten het model. Italië heeft nieuwe
+horizonten van levensschoonheid ontdekt, het leven gestemd in een
+nieuwen toon, doch de houding zelf van den Renaissancemensch tegenover
+het leven: de opwerking ervan tot een kunstvorm, is niet nieuw.
+
+De groote scheiding in de opvatting der levensschoonheid valt veeleer
+tusschen de Renaissance en den nieuweren tijd. Het kenteringspunt ligt
+daar, waar kunst en leven beginnen uiteen te gaan, waar men begint, de
+kunst niet meer te genieten _midden in_ het leven, als een edel deel
+van de levensvreugde zelf, maar buiten het leven, als een hooge
+vereerenswaardigheid, waarheen men zich wendt in oogenblikken van
+verheffing of van verpoozing. Het oude dualisme, dat God en wereld
+scheidde, is daarmede in een anderen vorm, als scheiding van kunst en
+leven, teruggekeerd. Er is een streep getrokken midden door de
+genietingen des levens. Zij zijn in twee helften, een lagere en een
+hoogere, gescheiden. Voor den Middeleeuwer waren zij al te zamen zondig;
+thans gelden zij alle als geoorloofd, maar van zeer verschillende
+waardigheid, al naar hun meerdere of mindere geestelijkheid.
+
+De dingen, die het leven tot genieten kunnen maken, blijven dezelfde.
+Nu als vroeger zijn het: lectuur, muziek, beeldende kunst, reizen,
+natuurgenot, sport, mode, maatschappelijke ijdelheid (ridderorden,
+eerambten, vergaderingen) en bedwelming der zinnen. De grens tusschen
+het hoogere en het lagere schijnt thans nog voor de meesten te vallen
+tusschen natuurgenot en sport. Maar die grens is niet vast.
+Waarschijnlijk zal de sport eerlang, althans voorzoover zij de kunst
+van lichaamskracht en moed is, weer algemeen tot het hoogere gerekend
+worden. Voor den Middeleeuwer viel de grens hoogstens terstond achter
+lectuur; zelfs het genot van het lezen kon slechts geheiligd worden door
+het streven naar deugd of wijsheid, en in muziek en beeldende kunst werd
+uitsluitend de dienstbaarheid aan het geloof als goed erkend; het genot
+er aan op zichzelf was zondig. De Renaissance had zich ontworsteld aan
+de verwerping der levensvreugde als in zich zelf zondig, en een nieuwe
+scheiding tusschen hooger en lager levensgenot had zij nog niet
+aangebracht; zij wilde het gansche leven onbekommerd genieten. De nieuwe
+scheiding is het resultaat van het compromis tusschen Renaissance en
+Puritanisme, waarop de moderne geesteshouding berust. Het was een
+wederzijdsche capitulatie, waarbij de een zich de redding der schoonheid
+en de ander de veroordeeling der zonde bedong. Voor het strenge
+Puritanisme trof de veroordeeling als zondig en wereldsch in den grond
+nog evengoed als voor den Middeleeuwer de gansche sfeer der
+levensverfraaiing, tenzij deze uitgesproken godsdienstige vormen aannam
+en zich heiligde door een directe toepassing op het geloof. Eerst
+naarmate de Puriteinsche wereldbeschouwing afsleet, won de
+Renaissancistische aanvaarding van alle levensvreugde weer veld; ja
+zelfs meer dan het oude terrein, want in het natuurlijke op zich zelf
+werd nu een element van het ethisch goede gezien. Een rechte
+scheidingslijn zou thans niet meer de kunst van het zingenot, het
+natuurgenot van de lichaamsoefening, het verhevene van het natuurlijke
+scheiden, maar enkel het egoïstische, het leugenachtige en het ijdele
+van het zuivere.
+
+In het laatst der Middeleeuwen, toen het kenterde naar een nieuwen
+geest, was in beginsel nog slechts de oude keuze mogelijk tusschen God
+en de wereld: een algeheele versmading van alle heerlijkheid en
+schoonheid des aardschen levens of de roekelooze aanvaarding ervan op
+perijkel der ziel. De schoonheid der wereld kreeg door haar erkende
+zondigheid een dubbele verlokking; gaf men zich over, dan genoot men
+haar ook met een bodemlooze hartstochtelijkheid. Maar die de schoonheid
+niet konden ontberen, en zich toch niet aan de wereld wilden overgeven,
+moesten de schoonheid adelen. De geheele groep van de kunst en
+litteratuur, waar het wezen der genieting bewondering was, konden zij
+heiligen, door ze in dienst te stellen van het geloof. Ook al was het
+inderdaad de vreugde aan kleur en lijn, die de minnaars van schilderij
+en miniatuur bezielde, het heilig onderwerp ontnam aan de kunstgenieting
+het stempel der zonde.
+
+Maar de schoonheid met een hoog zondegehalte: de lichaamsvergoding van
+ridderlijke sport en hoofsche mode, de hoogmoed en de hebzucht van ambt
+en eere, de verrukkende onpeilbaarheden der liefde, hoe dit alles, dat
+door het geloof veroordeeld en uitgestooten was, te veredelen en te
+verheffen?--Hier diende die middenweg, die in het droomland leidde: door
+ze te bekleeden met den schoonen schijn van oude, fantastische idealen.
+
+Dit is de trek, die de Fransch-ridderlijke cultuur van de 12de eeuw af
+verbindt met de Renaissance: de sterke cultiveering van het schoone
+leven in de vormen van een heldenideaal. De vereering der natuur was nog
+te zwak, dan dat men met volle overtuiging de schoonheid van het
+aardsche in haar naaktheid zou hebben gediend, zooals de Grieksche geest
+het had gedaan; het zondebesef was daartoe te geweldig; slechts door
+zich te hullen in de gewaden der deugd kon de schoonheid cultuur worden.
+
+Het geheele aristocratische leven van de latere Middeleeuwen, om 't even
+of men denkt aan Frankrijk en Bourgondië of aan Florence, is een poging,
+om een droom te spelen. Altijd denzelfden droom, dien van de oude helden
+en wijzen, van den ridder en de maagd, van de eenvoudige en vergenoegde
+herders. Frankrijk en Bourgondië spelen het stuk nog altijd in den ouden
+trant; Florence dicht op hetzelfde thema een nieuw en mooier spel.
+
+Het adellijk en vorstelijk leven is opgetooid tot een maximum van
+uitdrukkelijkheid; alle levensvormen zijn als 't ware verheven tot
+mysteriën, versierd met kleur en praal, vermomd als deugd. De
+levensgebeurtenissen en de aandoeningen daarover zijn geëncadreerd in
+schoone en verheffende vormen. Ik weet wel, dit alles is niet specifiek
+laat-middeleeuwsch; het is reeds gegroeid in de primitieve stadiën der
+beschaving; men kan het ook chinoiserie en byzantinisme noemen, en het
+sterft niet af met de Middeleeuwen, getuige de zonnekoning.
+
+De hofstaat is het terrein, waarop zich de aesthetiek van den levensvorm
+ten volle kan ontplooien. Het is bekend, hoeveel gewicht de
+Bourgondische hertogen hebben gehecht aan alles wat de praal en staatsie
+van hun hof betrof. Na den oorlogsroem, zegt Chastellain, is de hofstaat
+de eerste zaak, waarop men het oog richt, en welks regeling en goede
+handhaving van de hoogste noodzaak is [77]. Olivier de la Marche, de
+ceremoniemeester van Karel den Stoute, schreef op verzoek van den
+Engelschen koning Eduard IV zijn tractaat over den hofstaat des
+hertogen, ten einde den koning het model van ceremonieel en etikette ter
+navolging te bieden [78]. Van Bourgondië hebben de Habsburgers het fraai
+uitgewerkte hofleven geërfd en overgebracht naar Spanje en Oostenrijk,
+die er tot den huidigen dag het bolwerk van waren gebleven. Het hof van
+Bourgondië werd door allen genoemd als het rijkste en best geordende,
+dat men vond [79]. Vooral Karel de Stoute, de man met den gewelddadigen
+geest van orde en regel, die niets dan wanorde achterliet, had den
+hartstocht van het hoog vormelijke leven. De oude illusie, dat de vorst
+zelf de klachten der armen en kleinen aanhoort en terstond berecht, was
+door hem in een fraaien vorm gekleed. Twee of driemaal per week na den
+maaltijd hield hij een openlijk gehoor, waar elkeen hem met
+verzoekschriften kon naderen. Al de edelen van zijn huis moesten
+tegenwoordig zijn; niemand waagde er weg te blijven. Zorgvuldig
+gescheiden naar hun rangen zaten zij ter weerszijden van den doorgang,
+die naar 's hertogen hoogen zetel leidde. Aan zijn voeten lagen geknield
+de twee maistres des requestes, de audiencier en een secretaris, die de
+verzoekschriften voorlazen en afdeden, naar de vorst gebood. Achter
+balustraden rondom de zaal stond de lagere hofhouding. Het was, zegt
+Chastellain, in schijn "une chose magnifique et de grand los", maar de
+gedwongen toeschouwers verveelden zich geducht, en aan de goede vruchten
+van deze rechtspraak twijfelt hij; het was een zaak, die hij in zijn
+tijd van geen anderen vorst had gezien [80].
+
+Ook de ontspanning moest voor Karel den Stoute dien fraaien vorm hebben.
+"Tournoit toutes ses manières et ses moeurs à sens [81] une part du
+jour, et avecques jeux et ris entremeslés, se délitoit en beau parler et
+en amonester ses nobles à vertu, comme un orateur. Et en cestuy regart,
+plusieurs fois, s'est trouvé assis en un hautdos paré [82], et ses
+nobles devant luy, là où il leur fit diverses remonstrances selon les
+divers temps et causes. Et toujours, comme prince et chef sur tous, fut
+richement et magnifiquement habitué [83] sur tous les autres" [84]. Deze
+bewuste levenskunst is ondanks de stijve en naïeve vormen eigenlijk
+volkomen Renaissance. Het is, wat Chastellain noemt zijn "haute
+magnificence de coeur pour estre vu et regardé en singulières choses",
+de kenmerkendste eigenschap van Burckhardt's Renaissance-mensch.
+
+De hiërarchische ordinanties van de hofhuishouding zijn van een
+pantagrueleske sappigheid, waar zij betrekking hebben op den maaltijd en
+de keuken. De hofmaaltijd van Karel den Stoute, met al de met bijkans
+liturgische waardigheid geregelde diensten van panetiers en voorsnijders
+en schenkers en keukenmeesters, was als de opvoering van een groot en
+ernstig schouwtooneel. Het geheele hof at in groepen van tien in
+afzonderlijke kamers, bediend en onthaald gelijk de heer, alles
+zorgvuldig naar rang en stand geordend. Alles was zoo goed geregeld, dat
+al de groepen bijtijds na hun maaltijd den hertog, die nog aan zijn
+tafel zat, konden komen begroeten "pour luy donner gloire" [85].
+
+In de keuken (men denke zich de heroïsche keuken, nu de eenig bewaarde
+rest van het hertogenpaleis te Dijon, met haar zeven reusachtige
+schoorsteenen), in de keuken zit de dienstdoende kok in een zetel
+tusschen schoorsteen en buffet, vanwaar hij het geheele vertrek kan
+overzien. In zijn hand moet hij een grooten houten lepel hebben, "die
+hem dient tot twee doeleinden: het eene om soep en sausen te proeven, en
+het andere om de keukenjongens uit de keuken te drijven, om hun plicht
+te doen, en zoo noodig erop te slaan". Bij zeldzame gelegenheden komt de
+kok wel eens zelf opdienen, een toorts in de hand, bij voorbeeld de
+eerste truffels of den eersten nieuwen haring.
+
+Voor den gewichtigen hoveling, die ons dit alles beschrijft, zijn het
+heilige mysteriën, waar hij met ontzag en met een soort van
+scholastische wetenschappelijkheid van spreekt. Toen ik page was, zegt
+La Marche, was ik nog te jong om vragen van préséance en ceremonieel te
+begrijpen [86]. Hij legt zijn lezers gewichtige vragen van voorrang en
+hofdienst voor, om ze met zijn rijpe kennis op te lossen. Waarom zit bij
+'s heeren maaltijd de kok en niet de jonker van der keukene? Hoe moet
+de kok worden aangesteld? Wie moet hem bij afwezigheid vervangen: de
+gebraadmeester (hateur) of de soepmeester (potagier)? Hierop antwoord
+ik, zegt de wijze man: wanneer er een kok moet zijn aan 's vorsten hof,
+zullen de hofmeesters (maitres d'hôtel) de jonkers van der keukene
+(escuiers de cuisine) en alle degenen, die ter keukene dienen, den een
+na den ander oproepen; en bij plechtige keuze, door ieder onder eede
+gedaan, zal de kok worden aangesteld. En op de tweede vraag: noch de
+gebraadmeester noch de soepmeester, maar eveneens bij keuze zal de
+plaatsvervanger van den kok worden aangewezen.--Waarom staan de
+panetiers en schenkers als eerste en tweede rang boven de voorsnijders
+en koks? Omdat hun ambt het brood en den wijn betreft, de heilige
+dingen, waarop de waardigheid van het sacrament afstraalt [87].
+
+Men ziet, er is hier een werkelijke verbinding tusschen de gedachtensferen
+van het geloof en van de hofetikette. Het is niet teveel gezegd, dat er
+in dien toestel van de schoone, edele levensvormen een liturgisch
+element schuilt, dat de waardeering van die vormen als 't ware is
+opgetrokken in een quasi-religieuze sfeer. Alleen dit verklaart de
+buitengewone belangrijkheid, die (niet alleen in de latere Middeleeuwen)
+aan alle kwesties van voorrang en beleefdheid wordt toegekend.
+
+In het oude Russische rijk vóór de Romanov's had zich de strijd om den
+voorrang bij den troon ontwikkeld tot een vast departement van den
+staatsdienst. Dien vorm kennen de Westersche staten der Middeleeuwen
+niet, maar ook hier neemt toch de naijver om den voorrang een groote
+plaats in. Het zou gemakkelijk zijn, daarvan de voorbeelden te
+verzamelen. Hier evenwel is het er om te doen, de versiering der
+levensvormen tot een schoon en verheffend spel, en de woekering dier
+vormen tot een hol vertoon, te doen blijken. Daartoe eenige voorbeelden.
+De fraaie vorm kan somtijds de doelmatige handeling geheel op zij
+dringen. Vlak voor den slag bij Crécy hebben vier Fransche ridders de
+slagorde der Engelschen verkend. De koning, die met ongeduld hun bericht
+verwacht, langzaam voortrijdend over het veld, houdt stil, toen hij hen
+ziet terugkomen. Zij dringen door het gedrang der krijgslieden heen tot
+voor den koning. Wat nieuws, heeren? vraagt de koning. "Zij zagen
+elkander aan, zonder een woord te spreken, want geen wilde spreken vóór
+zijn makker. En zij zeiden den een tot den ander: "Heer, zeg gij het,
+spreek gij tot den koning, ik zal niet vóór u spreken." Zoo waren zij
+een tijd in strijd, dat geen "par honneur" wou beginnen te spreken."
+Totdat de koning het een hunner beveelt [88].--Nog vollediger moest de
+doelmatigheid voor den fraaien vorm wijken in het geval van messire
+Gaultier Rallart, chevalier du guet te Parijs in 1418. Dit hoofd der
+politie placht nooit de ronde te doen, of er gingen drie of vier
+muzikanten voorop, die lustig bliezen, zoodat het volk zei, dat hij als
+'t ware de boeven waarschuwde: vlucht, want ik kom. [89] Het geval staat
+niet op zich zelf. In 1465 vindt men opnieuw, hoe de bisschop van
+Evreux, Jean Balue, de nachtelijke ronde in Parijs doet met klaroenen,
+trompetten en andere muziekinstrumenten, "qui n'estoit pas acoustumé de
+faire à gens faisans guet" [90].--Zelfs op het schavot wordt de eer van
+rang en stand streng in acht genomen: dat van den connétable de Saint
+Pol is rijk getapisseerd met leliën, het bidkussen en de blinddoek zijn
+van karmozijn fluweel, en de beul is iemand, die nog nooit een ander
+heeft geëxecuteerd [91].
+
+De wedijver in beleefdheid, die nu een kleinburgerlijk karakter heeft
+gekregen, was in het hofleven der vijftiende eeuw buitengewoon sterk
+ontwikkeld. Men beschouwde het als een ondragelijke schande voor zich
+zelf, als men den meerdere niet de plaats liet, die hem toekwam. De
+Bourgondische hertogen geven angstvallig den voorrang aan hun
+koninklijke verwanten van Frankrijk. Jan zonder Vrees bewees zijn jonge
+schoondochter Michelle de France altijd overdreven eer; hij noemde haar
+Madame, knielde altijd voor haar tot den grond, en wilde haar altijd
+bedienen, maar zij wilde het niet hebben [92]. Als Philips de Goede
+hoort, dat zijn neef, de dauphin, naar Brabant is uitgeweken in den
+twist met zijn vader, breekt hij het beleg van Deventer, dat de
+inleiding moest zijn voor een expeditie, die Friesland onder zijn macht
+zou brengen, af, en haast zich naar Brussel terug, om den hoogen gast te
+verwelkomen. Naarmate de ontmoeting nadert, wordt het een wedloop, wie
+den ander in eerbetoon voor zal zijn. Philips is in groote angst, dat de
+dauphin hem tegemoet zal rijden; spoorslags rijdt hij door, en zendt
+bode op bode om den dauphin te bewegen, hem toch te wachten waar hij is.
+Kwam de koningszoon hem tegemoet, dan bezwoer hij, zelf te willen
+terugkeeren, achterwaarts rijdende, zoo ver, dat deze hem nergens zou
+vinden, want het zou hem, den hertog, een spot en een blaam zijn, die
+hem door de gansche wereld eeuwig zouden worden nagehouden. Met nederig
+afstel van de gewone staatsie rijdt Philips Brussel binnen; haastig
+stijgt hij af buiten het paleis, gaat binnen en loopt snel door. Daar
+ziet hij den dauphin, die met de hertogin zijn vertrek heeft verlaten,
+en hem op het binnenplein met open armen tegemoetkomt. Terstond ontbloot
+de oude hertog het hoofd, valt even op zijn knieën, en loopt dan haastig
+weer verder. De hertogin houdt den dauphin vast, dat deze geen stap zal
+doen, de dauphin houdt vergeefs den hertog vast, om hem het knielen te
+beletten, en tracht vruchteloos hem te doen opstaan. Beiden weenden van
+aandoening, zegt Chastellain, en alle omstanders mede.
+
+Gedurende het gansche gastverblijf van dezen man, die spoedig als koning
+de ergste vijand van zijn huis zou worden, put de hertog zich uit in
+Chineesche nederigheid. Hij noemt zich en zijn zoon "de si meschans
+gens", hij laat zijn zestigjarig hoofd nat regenen, hij biedt den
+dauphin al zijn landen aan [93].--"Celuy qui se humilie devant son plus
+grand, celuy accroist et multiplie son honneur envers soy-mesme, et de
+quoy la bonté mesme luy resplend et redonde en face". Met die woorden
+besluit Chastellain het verhaal, hoe de graaf van Charolais hardnekkig
+weigerde, te zamen met koningin Margareta van Engeland en haar jongen
+zoon het waschbekken vóór den maaltijd te gebruiken. De edelen spraken
+er den ganschen dag van; het geval werd den ouden hertog voorgelegd, die
+door twee edelen het voor en tegen van Karel's houding liet bepleiten.
+Het feodaal eergevoel was nog zoo levend, dat men deze dingen blijkbaar
+werkelijk nog belangrijk, schoon en verheffend heeft gevonden. Hoe
+anders te begrijpen, dat de tegenstribbelingen, om den voorrang te
+nemen, geregeld wel een kwartier lang worden voortgezet? [94] Hoe langer
+men blijft weigeren, hoe meer gesticht de omstanders zijn. Iemand, wien
+de handkus toekomt, verbergt zijn hand, om die eer te ontgaan. De
+koningin van Spanje verbergt zoo haar hand voor den jongen aartshertog
+Philips den Schoone; deze wacht eenigen tijd, maar als hij de kans
+schoon ziet, grijpt hij de hand bij verrassing en kust haar. En ditmaal
+lachte het ernstige Spaansche hof, want de koningin had er niet meer aan
+gedacht [95].
+
+Al de spontane teederheden van den omgang zijn zorgvuldig geformaliseerd.
+Het is nauwkeurig voorgeschreven, welke hofdames hand aan hand hebben
+te gaan. En dit niet alleen, maar ook of de een de andere tot die
+gemeenzaamheid heeft aan te moedigen of niet. Deze aanmoediging, het
+elkaar wenken of roepen (hucher) om mee te gaan, is voor de oude
+hofdame, die het Bourgondisch ceremonieel beschrijft, een technisch
+begrip. [96] De vorm, dat men een vertrekkenden gast niet wil laten
+gaan, wordt tot in de lastigste uitersten doorgevoerd. De gemalin van
+Lodewijk XI is voor enkele dagen de gast van Philips van Bourgondië; de
+koning heeft een bepaalden dag gesteld voor haar terugkomst, maar de
+hertog weigert haar te laten gaan, ondanks de smeekbeden van haar gevolg
+en hoewel zij zelve beeft voor den toorn van haar gemaal. [97]--Goethe
+heeft gezegd: "es gibt kein äusseres Zeichen der Höflichkeit, das nicht
+einen tiefen sittlichen Grund hätte"; [98] "virtue gone to seed" heeft
+Emerson de beleefdheid genoemd. Men kan misschien niet met volle recht
+zeggen, dat die zedelijke grond in de 15e eeuw nog gevoeld werd, maar
+zeker werd het de aesthetische waarde, die tusschen de oprechte
+betuiging van genegenheid en den dorren omgangsvorm ligt.
+
+Het spreekt vanzelf, dat deze wijdloopige levensversiering vooral haar
+plaats heeft aan de vorstenhoven, waar men er den tijd en de ruimte voor
+kon nemen. Dat zij ook de lagere sferen der samenleving vervulden,
+bewijst reeds het feit, dat thans van die vormen juist bij de kleine
+burgerij (afgezien van de hoven zelf) nog het meest is overgebleven. Het
+herhaald noodigen, om nog wat van een gerecht te nemen, het aanmoedigen
+om nog wat te blijven, het weigeren om voor te gaan, is in de laatste
+halve eeuw uit de hoogere burgerlijke omgangsvormen grootendeels
+verdwenen. In de 15e eeuw zijn die vormen in den volsten bloei. Evenwel,
+terwijl zij angstvallig in acht worden genomen, treft niettemin de
+satire ze met levendigen spot. Het is vooral de kerk, die het tooneel
+van fraaie en langdurige plichtplegingen behoort te zijn. Eerst bij de
+"offrande". Niemand wil het eerst zijn aalmoes op het altaar brengen.
+
+ "Passez.--Non feray.--Or avant!
+ Certes si ferez, ma cousine.
+ --Non feray.--Huchez (roept) no voisine,
+ Qu'elle doit mieux devant offrir.
+ --Vous ne le devriez souffrir,"
+ Dist la voisine; "n'appartient
+ A moy: offrez, qu'a vous ne tient
+ Que li prestres ne se delivre." [99]
+
+Wanneer eindelijk de aanzienlijkste is voorgegaan, onder de nederige
+betuiging dit enkel te doen om er een eind aan te maken, volgt dezelfde
+strijd opnieuw bij het kussen van het "paesberd", "la paix", dat is het
+houten, zilveren of ivoren bordje, dat in de latere Middeleeuwen bij
+de mis na het Agnus Dei in zwang was gekomen ter vervanging van den
+vredeskus van mond tot mond. [100] Het was een vaste en langdurige
+stoornis van den dienst geworden, dat de paes onder de aanzienlijken van
+hand tot hand ging onder beleefde weigering, haar het eerst te kussen.
+
+ "Respondre doit la juene fame:
+ --Prenez, je ne prendray pas, dame.
+ --Si ferez, prenez, douce amie.
+ --Certes, je ne le prandray mie;
+ L'en me tendroit pour une sote.
+
+ --Baillez, damoiselle Marote.
+ --Non feray, Jhesucrist m'en gart!
+ Portez a ma dame Ermagart.
+ -- Dame, prenez.--Saincte Marie,
+ Portez la paix a la baillie [101]
+ -- Non, mais a la gouverneresse". [102]
+
+Deze neemt haar eindelijk.--Zelfs een heilig en van de wereld
+afgestorven man als François de Paule acht het zijn plicht, aan deze
+fraaiigheden mee te doen, [103] en het wordt hem door zijn vrome
+vereerders als echte nederigheid aangerekend, waaruit blijkt, dat de
+ethische inhoud uit deze vormen nog niet geheel en al geweken was. De
+beteekenis van die vormen wordt overigens eerst recht duidelijk door het
+feit, dat zij de keerzijde waren van heftige en hardnekkige twisten om
+dienzelfden voorrang in de kerk, dien men elkander zoo hoffelijk wilde
+opdringen. [104] Het was een schoone en loffelijke verzaking van nog
+levendig gevoelden adellijken of burgerlijken hoogmoed.
+
+De gansche kerkgang werd zoodoende als een menuet, want bij het uitgaan
+herhaalde zich de strijd; dan kwam de wedijver om den meerdere rechts te
+laten, het voorgaan over een vonder of door een steeg. Bij huis gekomen
+moet men, gelijk nog de Spaansche zede het eischt, het geheele
+gezelschap uitnoodigen, mee binnen te gaan om te drinken, waarvan de
+anderen zich beleefd hebben te verontschuldigen; dan moet men de anderen
+een eindweegs wegbrengen, alles onder beleefde tegenstribbeling. [105]
+
+Al die schoone vormen krijgen iets roerends, wanneer men bedenkt, dat
+zij opbloeien uit den ernstigen strijd van een woest en hartstochtelijk
+geslacht tegen zijn eigen hoogmoed en toorn. Dikwijls faalt de
+vormelijke verzaking van den trots. Telkens breekt de felle ruwheid door
+de versierde vormen heen. Jan van Beieren is te gast in Parijs; de
+groote heeren geven feesten, waarop de elect van Luik hun bij het spel
+al hun geld afwint. Een der prinsen houdt het niet langer uit en roept:
+"Wat duivel van een priester is dat hier? Hoe? zal hij ons al ons geld
+afwinnen?" Waarop Jan: "Ik ben geen priester en ik heb uw geld niet van
+noode". "En hij nam het en smeet het overal in 't rond. Dont y pluseurs
+orent grant mervelle de sa grant liberaliteit". [106]--Hue de Lannoy
+slaat een ander met een ijzeren handschoen, terwijl hij voor den hertog
+geknield ligt om hem aan te klagen; de kardinaal van Bar heet voor het
+aangezicht des konings een prediker liegen en noemt hem gemeene hond.
+[107]
+
+Het formeele eergevoel is zoo sterk, dat een vergrijp tegen de etikette,
+zooals nu nog bij vele Oostersche volken, wondt als een doodelijke
+beleediging, want het gooit omver die schoone illusie van een eigen hoog
+en zuiver leven, die voor elke onverhulde werkelijkheid bezwijkt. Het is
+voor Jan zonder Vrees een onuitwischbare smaad, dat hij Capeluche, den
+beul van Parijs, die hem in staatsie tegemoet reed, als een edelman
+heeft begroet en zijn hand heeft aangeraakt; slechts de dood van den
+beul kan dien smaad boeten. [108] Bij den staatsiemaaltijd op den
+wijdingsdag van Karel VI in 1380 dringt Philips van Bourgondië zich met
+geweld tusschen den koning en den hertog van Anjou op de plaats, die hem
+als doyen des pairs toekomt; hun wederzijdsch gevolg dringt reeds met
+roepen en dreigen op, om den twist gewelddadig te beslechten, toen de
+koning hem sust, door toe te geven aan 's Bourgondiërs eisch. [109] Ook
+in den ernst van het kampleven wordt geen veronachtzaming van de vormen
+geduld: de koning van Engeland neemt het hoog op, dat L'Isle Adam voor
+hem verschijnt in een gewaad van "blanc gris" en hem in het gelaat ziet.
+[110] Een Engelsch aanvoerder zendt den parlementair uit het belegerde
+Sens eerst heen, om zich te laten scheren. [111]
+
+De prachtige orde aan het hof van Bourgondië, die de tijdgenooten
+prijzen, [112] krijgt eerst haar ware beteekenis naast de verwarring,
+die aan het zooveel oudere Fransche hof placht te heerschen. Deschamps
+beklaagt zich in tal van balladen over de ellende van het hofleven, en
+zijn klachten zijn iets meer dan de geijkte misprijzingen van het
+hovelingsbestaan, waarover later. Slechte kost en slecht logies, altijd
+gedruisch en verwarring, vloeken en twisten, nijd en hoon, het is een
+poel van zonden, een poort der hel. [113] Ondanks de heilige vereering
+voor het koningschap en den trotschen opzet van grootsche ceremoniën
+gaat zelfs bij de plechtigste gelegenheden het decorum meer dan eens
+jammerlijk te loor. Bij de begrafenis van Karel VI te Saint Denis in
+1422 ontstaat groote twist tusschen de monniken der abdij en het gilde
+der zoutmeters (henouars) van Parijs, om het staatsiekleed en andere
+bekleedingen, die het koninklijke lijk dekken; elk der partijen beweert
+er recht op te hebben; zij trekken er om, en raken bijna handgemeen,
+maar de hertog van Bedford geeft het geschil in handen van het gerecht,
+"et fut le corps enterré". [114] Hetzelfde geval herhaalt zich in 1461
+bij de begrafenis van Karel VII. Op weg naar Saint Denis bij het Croix
+aux Fiens gekomen, weigeren de henouars, na een woordenwisseling met de
+monniken der abdij, het koninklijk lichaam verder te dragen, als men hun
+niet tien pond parijsch betaalt, waarop zij recht beweren te hebben. Zij
+laten de baar midden op den weg staan, en de stoet blijft geruimen tijd
+steken. Reeds willen de burgers van Saint Denis zich met de taak
+belasten, toen de grand écuyer uit eigen zak den henouars betaling
+belooft, waarop de tocht kan worden voortgezet, om eerst tegen acht uur
+'s avonds in de kerk aan te komen. Terstond na de teraardebestelling
+volgt nog een nieuwe twist tusschen den koninklijken grand écuyer zelf
+en de monniken over het staatsiekleed. [115] Dergelijke tumulten om het
+bezit van de utensiliën eener plechtigheid behoorden er zelfs
+eenigermate bij; de verstoring van den vorm was zelf vorm geworden.
+[116]
+
+De algemeene openbaarheid, die, immers ook nog in de zeventiende eeuw,
+bij alle belangrijke gebeurtenissen in het koninklijk leven
+voorgeschreven was, maakte, dat juist bij de grootste plechtigheden
+dikwijls elke orde ontbrak. Bij het kroningsmaal van 1380 is het gedrang
+van toeschouwers, deelnemers en dienenden zoo groot, dat de daartoe
+aangewezen dienaren der kroon, de connétable en de maarschalk de
+Sancerre, te paard de gerechten opdienen. [117] Wanneer Hendrik VI van
+Engeland in 1431 te Parijs als koning van Frankrijk is gekroond, dringt
+het volk reeds in den vroegen morgen de groote zaal van het paleis
+binnen, waar het kroningsmaal gehouden zal worden, om er te kijken,
+te grissen en te schransen. De heeren van het Parlement, van de
+Universiteit, de prévôt des marchands en de schepenen kunnen nauwelijks
+door het gedrang de eetzaal bereiken, en eenmaal daar, vinden zij de
+voor hen bestemde tafels ingenomen door allerlei handwerkslieden. Men
+tracht dezen te verwijderen, "mais quant on en faisoit lever ung ou
+deux, il s'en asseoit VI ou VIII d'autre costé". [118]--Bij de
+koningswijding van Lodewijk XI in 1461 heeft men de voorzorg genomen,
+de ingangen van de kathedraal van Reims tijdig te sluiten en te bewaken,
+zoodat er niet meer menschen in de kerk zijn, dan het koor gemakkelijk
+kon bevatten. Dezen evenwel dringen zoodanig op rondom het hoogaltaar,
+waar de zalving plaats heeft, dat de prelaten zelf, die den
+aartsbisschop ter zijde stonden, nauwelijks plaats hadden om zich te
+bewegen, en de prinsen van den bloede op hun eerezetels geducht in
+verdrukking komen. [119]
+
+De kerk van Parijs verdroeg het noode, dat zij nog altijd (tot 1622)
+suffragaan was van het aartsbisdom Sens. Men laat het den metropoliet op
+alle wijzen merken, dat men van zijn gezag niet gediend is, en beroept
+zich op de exemptie door den paus. Op 2 Februari 1492 heeft de
+aartsbisschop van Sens in de Notre Dame te Parijs de mis gecelebreerd
+in tegenwoordigheid van den koning. Terwijl de koning de kerk nog niet
+heeft verlaten, trekt de aartsbisschop, het volk zegenend, zich terug,
+voorafgegaan door het priesterkruis. Twee der kanunniken dringen met een
+groote schaar van kerkedienaren op, slaan de hand aan het kruis en
+beschadigen het, verrekken 's dragers hand, en maken een tumult, waarbij
+den dienaren van den aartsbisschop de haren uit het hoofd getrokken
+worden. Toen de aartsbisschop den twist tracht te bedaren, "sans lui mot
+dire, vinrent près de lui; Lhuillier (deken van het kapittel) lui baille
+du coude dans l'estomac, les autres rompirent le chapeau pontifical et
+les cordons d'icelluy." De andere kanunnik vervolgt den aartsbisschop
+"disant plusieurs injures en luy mectant le doigt au visage, et prenant
+son bras tant que dessira son rochet; et n'eust esté que n'eust mis sa
+main au devant, l'eust frappe au visage." Het werd een proces van 13
+jaar. [120]
+
+De hartstochtelijke en gewelddadige geest, hard en tevens tranenrijk,
+altijd wankelend tusschen de zwarte vertwijfeling aan de wereld en het
+zwelgen in haar bonte schoonheid, kon niet buiten de strengste vormen
+van het leven. Het was noodig, dat de aandoeningen waren gevat in een
+vast raam van geijkte vormen; zoodoende kreeg het samenleven althans
+in den regel orde. Zoo werden de levensgebeurtenissen van zichzelf
+en anderen tot een schoon schouwspel voor den geest; men genoot de
+pathetische uitmonstering van leed en geluk onder kunstlicht. Voor een
+zuivere gemoedsuitdrukking ontbreken nog de middelen; het gemoed kan
+slechts in aesthetische uitbeelding dien hoogen graad van
+uitdrukkelijkheid bereiken, waar de tijd naar schreeuwt.
+
+Het is natuurlijk niet zoo gemeend, dat deze levensvormen, vooral die
+rondom de groote oude heiligheden van geboorte, huwelijk en sterven, met
+zulk een bedoeling zouden zijn ingesteld. Gebruiken en staatsie zijn
+gegroeid uit primitief geloof en cultus. Maar de oorspronkelijke zin van
+dat alles, die er het aanzijn aan gaf, is reeds lang onbewust geworden,
+en in plaats daarvan hebben die vormen zich gevuld met nieuwe
+aesthetische waarde.
+
+De rouw is het, waar de aankleeding van de aandoening in een
+suggestieven vorm de hoogste ontwikkeling vond. Daar was een onbeperkt
+gegeven voor die prachtige hyperboliseering van de smart, die het
+wederpart is van de hyperboliseering der vreugde in de ontzaglijke
+hoffeesten. Hier volge geen uitvoerige beschrijving van al den somberen
+praal van zwarte gewaden, al de staatsie van lijkdiensten, die het
+afsterven van iederen vorst begeleidden. Zij zijn niet in het bijzonder
+aan de latere Middeleeuwen eigen; de monarchieën bewaren ze tot den
+huidigen dag, en ook de burgerlijke lijkkoets is er nog de aflegger van.
+De suggestie van al het zwart, waarin bij een vorstelijk sterfgeval niet
+enkel de hofhouding, maar ook magistraten, gilden en volk gedost ging,
+moet bij de bonte kleurigheid van het middeleeuwsche stadsleven nog veel
+grooter zijn geweest door de tegenstelling. De rouwpraal over den
+vermoorden Jan zonder Vrees is met den kennelijksten toeleg op een sterk
+(en ten deele politiek) effekt opgezet. Het krijgsgevolg, waarmee
+Philips optrekt, om de koningen van Frankrijk en Engeland te ontmoeten,
+prijkt met twee duizend zwarte vaantjes, met zwarte standaarden en
+vaandels van zeven ellen, de franje van zwarte zijde, alles bestikt of
+beschilderd met gouden wapens. De staatsiezetels, de reiswagen van den
+hertog zijn voor die gelegenheid zwart geschilderd. [121] Bij de
+plechtige samenkomst te Troyes begeleidt Philips de koninginnen van
+Frankrijk en Engeland in een fluweelen rouwkleed, dat over den rug van
+zijn paard afhangt tot op den grond. [122] Nog geruimen tijd daarna
+verschijnt niet alleen hij, maar ook zijn gevolg in 't zwart. [123]
+
+Soms verhoogde een afwijking van al het zwart den indruk nog; terwijl
+het geheele hof, ook de koningin, zwart draagt, rouwt de koning van
+Frankrijk in het rood. [124] En in 1393 zagen de Parijzenaars met
+verbazing de geheel en al witte lijkstaatsie van den in ballingschap
+gestorven koning van Armenië, Léon de Lusignan. [125]
+
+Zonder twijfel omhulde dat zwart dikwijls een hevigheid van echte,
+hartstochtelijke smart. De groote afschuw van den dood, het sterke
+verwantschapsgevoel, de innige aanhankelijkheid aan den heer, maakten
+een vorstelijk sterfgeval tot een waarlijk schokkende gebeurtenis. En
+als het, zooals in 1419 de moord op den hertog van Bourgondië deed,
+daarbij nog de eer van een trotsch geslacht scheurde en de wraak opriep
+als een heiligen plicht, dan kon de hyperbolische uiting van smart wel
+evenredig zijn in staatsie en in gemoed. Chastellain heeft in de
+aesthetiek van deze doodstijding zich wijdloopig verlustigd; hij verzint
+in den zwaren, slependen stijl van zijn deftige rhetoriek de lange rede,
+waarmee de bisschop van Doornik te Gent den jongen hertog langzaam op
+het vreeselijke bericht voorbereidt, de statige jammerklachten van
+Philips zelf, en van zijn gemalin Michelle de France. Maar de kern van
+zijn verhaal: hoe de tijding bij den jongen hertog een zenuwtoeval
+teweegbrengt, hoe ook zijn gemalin in onmacht valt, de wilde verwarring
+van het hof, de luide rouwkreten van de stad, kortom de woeste
+uitbundigheid van smart, waarmee het bericht ontvangen werd, vallen niet
+te betwijfelen. [126] Ook Chastellain's verhaal van het smartbetoon van
+Karel den Stoute bij het sterven van Philips in 1467 draagt de kenmerken
+van waarheid. Hier was de schok veel minder hevig; de oude hertog,
+vrijwel kindsch, was reeds lang achteruitgaande; de verstandhouding
+tusschen hem en zijn zoon was in de laatste jaren ver van hartelijk
+geweest, zoodat Chastellain zelf opmerkt, dat het verbazing wekte, toen
+men Karel bij het sterfbed zag weenen, krijten, handenwringen en
+nedervallen, "et ne tenoit régle, ne mesure, et tellement qu'il fit
+chacun s'esmerveiller de sa démesurée douleur". Ook in de stad Brugge,
+waar de hertog stierf, "estoit pitié de oyr toutes manières de gens
+crier et plorer et faire leurs diverses lamentations et regrets". [127]
+
+Het is moeilijk uit te maken, hoever in deze en dergelijke berichten de
+hofstijl gaat, die een luidruchtig leedbetoon gepast en fraai vindt, en
+hoever de werkelijke hevige aandoenlijkheid, die den tijd eigen was.
+Er loopt zeker een sterk element van primitieven vorm onder: het luide
+weenen over den doode, dat geformaliseerd was in klaagvrouwen, en
+artistiek uitgedrukt in de "plourants", die juist in dezen tijd aan de
+grafsculptuur zulk een sterke bewogenheid verleenen, is een overoud
+beschavingselement.
+
+Die vereeniging van primitivisme, hevige aandoenlijkheid en fraaien
+vorm valt ook te zien in de groote vrees voor het meedeelen van een
+doodsbericht. Men houdt voor de gravin van Charolais, wanneer zij
+zwanger gaat van Maria van Bourgondië, den dood van haar vader langen
+tijd geheim; men durft Philips den Goede, die ziek ligt, geen enkel
+sterfgeval, dat hem eenigszins raakt, meedeelen, zoodat Adolf van Cleef
+geen rouw mag dragen over zijn echtgenoote. Toen de hertog toch van
+den dood van zijn kanselier Nicolaas Rolin de lucht gekregen had
+(Chastellain gebruikt zelf die uitdrukking: "avoit esté en vent un peu
+de ceste mort"), vraagt hij den bisschop van Doornik, die hem aan zijn
+ziekbed komt bezoeken, of het waar is, dat de kanselier gestorven
+is.--Monseigneur,--zegt de bisschop--: naar waarheid dood is hij wel,
+want hij is oud en gebroken, en kan niet lang meer leven.--Déa!--zegt
+de hertog,--dat vraag ik niet, ik vraag of hij is "mort de mort et
+trespassé".--Ha! monseigneur,--zegt de bisschop weer--, hij is niet
+gestorven, maar aan één kant verlamd, dus hij is zoo goed als dood.--De
+hertog wordt boos:--Vechy merveilles! zeg mij nu duidelijk, of hij dood
+is. Toen eerst zegt de bisschop: Ja, waarlijk, monseigneur, hij is
+werkelijk gestorven". [128] Is er niet in deze zonderlinge wijze van een
+doodsbericht mee te deelen meer van een ouden, bijgeloovigen vorm dan
+van een ontzien van een zieke, dien dit aarzelen slechts kon prikkelen?
+Het hoort in de sfeer der gedachte, die Lodewijk XI bewoog, om zich
+nooit weer te bedienen van de kleeren, die hij droeg, of het paard, dat
+hij bereed, toen hem eenig slecht bericht bereikte, en zelfs om een heel
+stuk van het bosch van Loches te doen omhakken, waar hem de dood van
+zijn pasgeboren zoontje werd bericht. [129] "M. le chancellier--schrijft
+hij 25 Mei 1483--je vous mercye des lettres etc. mais je vous pry que ne
+m'en envoyés plus par celluy qui les m'a aportées, car je luy ay trouvé
+le visage terriblement changé depuis que je ne le vitz, et vous prometz
+par ma foy qu'il m'a fait grant peur; et adieu". [130]
+
+Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag
+schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij vorm geven aan het
+leed, het als iets schoons en verhevens ontplooien. Zij rythmiseeren de
+smart. Zij brengen het werkelijke leven over in de sfeer van het drama,
+en doen het cothurnen aan. In primitiever beschaving, ik denk bij
+voorbeeld aan de Iersche, zijn rouwgebruiken en dichterlijke lijkklacht
+nog één geheel; ook den hofrouw van den Bourgondischen tijd kan men
+slechts verstaan, door hem verwant te zien aan de elegie. De rouwpraal
+vertoont in schoonen vorm de machteloosheid van smart. Hoe hooger de
+rang, hoe heroïscher het smartbetoon moet prijken. De koningin van
+Frankrijk moet een vol jaar in de kamer blijven, waar men haar den dood
+haars gemaals heeft aangezegd. Voor prinsessen geldt zes weken. Wanneer
+men Madame de Charolais, Isabelle de Bourbon, den dood van haar vader
+heeft medegedeeld, woont zij eerst nog den lijkdienst bij te Couwenberg,
+en blijft daarna zes weken in haar kamer, altijd te bed liggende, door
+kussens gesteund, maar gekleed met barbette, kap en mantel. De kamer is
+geheel met zwart behangen, op den grond ligt in de plaats van een zacht
+tapijt een groot zwart laken, en een groot voorvertrek is eveneens met
+zwart behangen. Edelvrouwen blijven alleen voor haar man zes weken te
+bed, voor vader of moeder slechts negen dagen, terwijl zij de rest der
+zes weken gezeten zijn voor het bed op het groote zwarte kleed. Voor
+den oudsten broeder houdt men zes weken de kamer doch niet het bed.
+[131]--Men begrijpt, hoe in een tijd, die zulk een hoog ceremonieel in
+eere hield, als een der ergste omstandigheden bij den moord van 1419
+telkens weer herinnerd wordt, dat Jan zonder Vrees zoo maar in buis,
+hozen en schoenen begraven was. [132]
+
+De aandoening, in die fraaie vormen getooid en verwerkt, gaat er licht
+in te loor; de zucht naar de dramatiseering van het leven laat een
+achter-de-schermen over, waarin het edel opgemaakte pathos verloochend
+wordt. Er is een naïeve scheiding tusschen "staat" en werkelijk leven,
+welke in het geschrift van de oude hofdame, Alienor de Poitiers, die al
+dien "staat" toch als hooge mysteriën vereert, kenmerkend aan den dag
+komt. Op de beschrijving van Isabella van Bourbon's prachtigen rouw laat
+zij volgen: "Quand Madame estoit en son particulier, elle n'estoit point
+toujours couchée, ni en une chambre". De prinses ontvangt in dien staat,
+doch enkel als schoone vorm. Zoo zegt Alienor ook: voor een echtgenoot
+behoort men twee jaar het rouwkleed te dragen, "indien men althans niet
+hertrouwt". Juist de hoogste standen, de vorsten met name, hertrouwden
+dikwijls zeer spoedig; de hertog van Bedford, regent van Frankrijk voor
+den jongen Hendrik VI, reeds na vijf maanden.
+
+Naast den rouw biedt de kraamkamer een ruim veld voor strenge staatsie
+en hiërarchisch verschil van uitmonstering. Er gelden vaste kleuren. Het
+groen, dat nog in de 19e eeuw de geijkte kleur was van het burgerlijk
+ledikant en de vuurmand, was in de 15e het prerogatief van koningin en
+prinsessen. De kraamkamer van de koningin van Frankrijk is van groene
+zijde; vroeger was zij geheel in wit. Zelfs gravinnen mogen niet "la
+chambre verde" hebben. Stof, bont en kleur van dekens en spreien is
+voorgeschreven. Op het dressoir branden voortdurend twee groote lichten
+in zilveren kandelaars, want de blinden van de kraamkamer worden eerst
+na veertien dagen geopend! Het opmerkelijkste evenwel zijn de
+staatsieledikanten, ledig evenals de koetsen bij de begrafenis van den
+koning van Spanje. De jonge moeder ligt op een couchette voor het vuur,
+en het kind, Maria van Bourgondië, in een wieg in de kinderkamer, maar
+bovendien staan er in de kraamkamer twee groote bedden in een kunstig
+samenstel van groene gordijnen, opgemaakt en opgeslagen, als om erin te
+gaan slapen, en in de kinderkamer opnieuw twee groote bedden, alles met
+groen en violet, en nogmaals één groot bed in een voorvertrek of
+"chambre de parement", geheel getapisseerd in karmozijn satijn. Zij was
+vroeger door die van Utrecht aan Jan zonder Vrees vereerd, en heette
+"la chambre d'Utrecht". Bij de doopplechtigheid dienen die bedden tot
+ceremonieus gebruik. [133]
+
+Die aesthetiek der levensvormen deed zich gelden in het dagelijksch
+aspect van stad en land: de strenge hiërarchie van stoffen, kleuren
+en pelzen gaf aan de verschillende standen een uiterlijke omlijsting,
+die het waardigheidsgevoel verhief en behoedde. De aesthetiek der
+gemoedsbewegingen beperkte zich niet tot de plechtige vreugden en
+smarten bij geboorte, huwelijk en sterven, waar de parade door de
+noodzakelijke ceremoniën geboden was. Elk ethisch gebeuren wordt gaarne
+gezien in een fraai opgemaakten vorm. Er is zulk een element in de
+bewondering voor de nederigheid en de zelfkastijding van den heilige,
+voor het berouw van den zondaar, zooals de "moult belle contrition de
+ses péchés" van Agnes Sorel. [134] Elke levensverhouding wordt in stijl
+gebracht; in de plaats van de moderne zucht tot verbergen en effaceeren
+van intieme betrekkingen en sterke aandoeningen geldt het streven, om ze
+tot een vorm en een schouwspel ook voor anderen te maken. Zoo heeft ook
+de vriendschap in het leven der 15e eeuw haar schoon uitgewerkten vorm.
+Naast de oude bloedbroederschap en wapenbroederschap, die in de kringen
+zoowel van het volk als van den adel in eere was, [135] kent men een
+vorm van sentimenteele vriendschap, die uitgedrukt wordt door het woord
+mignon. De vorstelijke mignon is een geformaliseerd instituut, dat zich
+gedurende de geheele 16e en een deel der 17e eeuw handhaaft. Het is de
+verhouding van Jacobus I van Engeland tot Robert Carr en George
+Villiers; ook Willem van Oranje bij den afstand van Karel V moet onder
+dit aspect gezien worden. _Twelfth Night_ is slechts te begrijpen, als
+men bij de verhouding van den hertog tot den gewaanden Cesario dezen
+geijkten vorm van sentimenteele vriendschap voor oogen heeft. De
+verhouding wordt gezien als een parallel tot de hoofsche liefde: "Sy
+n'as dame ne mignon", zegt Chastellain. [136] Doch elke toespeling, die
+haar op één lijn met de Grieksche vriendschap zou brengen, ontbreekt ten
+eenenmale. De openlijkheid, waarmee het mignonschap behandeld wordt in
+een tijd, die het crimen nefandum zoo verfoeide, moet elken argwaan doen
+zwijgen. Bernardino van Siena stelt aan zijn Italiaansche landgenooten,
+onder wie de sodomie zeer verbreid was, Frankrijk en Duitschland, waar
+men haar niet kent, ten voorbeeld. [137] Commines vertelt zelf, hoe hij
+de eer genoot, door Lodewijk XI onderscheiden te worden met 's konings
+behagen, dat hij gelijk gekleed ging als deze. [138] Want dit is het
+vaste teeken van de verhouding. De koning heeft steeds een mignon en
+titre, in dezelfde kleederen gedost als hij, op wien hij steunt bij
+ontvangsten. [139] Dikwijls zijn het ook twee vrienden van gelijken
+leeftijd, doch verschillenden rang, die zich gelijk kleeden, in één
+kamer, soms ook in één bed slapen. [140] Zulk een onafscheidelijke
+vriendschap bestaat er tusschen den jongen Gaston de Foix en zijn
+bastaardbroeder, waar zij een tragisch einde neemt, tusschen Lodewijk
+van Orleans (toen nog van Touraine) en Pierre de Craon, [141] tusschen
+den jongen hertog van Cleef en Jacques de Lalaing. Op dezelfde wijze
+hebben vorstinnen een vertrouwde vriendin, die zich gelijk kleedt, [142]
+en mignonne genoemdt wordt.
+
+Al deze schoon gestyleerde levensvormen, die de ruwe werkelijkheid
+moesten verheffen in een sfeer van edele harmonie, waren deelen van de
+groote levenskunst, zonder onmiddellijken neerslag te geven in de kunst
+in engeren zin. De omgangsvormen met hun vriendelijken schijn van
+ongedwongen altruïsme en heusche erkenning van anderen, de hofpraal en
+hofetikette met hun hieratische statigheid en ernst, de blijde tooi van
+bruiloft en kraamkamer, hun schoonheid is voorbijgegaan zonder directe
+sporen na te laten in kunst en litteratuur. Het uitdrukkingsmiddel, dat
+hen verbindt, is niet de kunst, maar de mode. Nu staat de mode in het
+algemeen veel nader tot de kunst, dan de academische aesthetica wil
+toegeven. Als kunstmatige accentueering van de lichaamsschoonheid en de
+lichaamsbeweging is zij met een der kunsten, die van den dans, innig
+verbonden. Maar ook daarbuiten grenst in de 15e eeuw het domein der
+mode, of wil men liever der kleederdracht, veel nader aan dat der kunst
+dan wij geneigd zijn ons voor te stellen. Niet enkel doordat het
+veelvuldig gebruik van juweelen en de metaalbewerking van het
+krijgsgewaad in het costuum een direct element van kunsthandwerk brengt.
+De mode deelt met de kunst zelve essentieele eigenschappen: stijl en
+rythme zijn haar even onmisbaar als voor de kunst. De late Middeleeuwen
+hebben voortdurend in de kleederdracht een mate van levensstijl
+uitgedrukt, waarvan tegenwoordig zelfs een kroningsplechtigheid slechts
+meer een flauwe afschaduwing kan geven. In het leven van iederen dag
+vertoonden de verschillen van pelzen en kleuren, kappen en huiven de
+strenge ordonnantie der standen, de pronkende waardigheden, den staat
+van blijdschap of smart, de teedere betrekking van vrienden en
+verliefden.
+
+Van alle levensverhoudingen was de aesthetiek zoo uitdrukkelijk mogelijk
+uitgewerkt. Hoe hooger het schoonheids- en zedelijkheidsgehalte van zulk
+een verhouding was, hoe meer de uitdrukking ervan tot zuivere kunst kon
+worden. Beleefdheid, etikette vinden hun schoone uiting enkel in het
+leven zelf, in kleed en praal. De rouw echter heeft haar sterke
+uitdrukking bovendien in een duurzamen en machtigen kunstvorm: het
+grafmonument; de cultuurwaarde van den rouw was verheven door zijn
+verband met den godsdienst. Maar nog rijker was de aesthetische bloei
+van deze drie levenselementen: dapperheid, eer en liefde.
+
+
+NOTEN:
+
+[64] Poliziano, Le stanze, l'Orfeo e le rime, ed. G. Carducci, Firenze,
+1863, p. 362.
+
+[65] Eustache Deschamps, Oeuvres complètes, ed. De Queux de Saint
+Hilaire et G. Raynaud (Soc. des anciens textes francais) 1878-1903, 11
+vol., no. 31 (I p. 113), vgl. nos. 85, 126, 152, 162, 176, 248, 366,
+375, 386, 400, 933, 936, 1195, 1196, 1207, 1213, 1239, 1240 enz. enz.;
+Chastellain, I p. 9, 27, IV 5, 56, VI 206, 208, 219, 295; Alain
+Chartier, Oeuvres, ed. A. Duchesne, Paris 1617, p. 262; Alanus de Rupe,
+Sermo II p. 313, (B. Alanus redivivus, ed. J.A. Coppenstein, Napels,
+1642).
+
+[66] Deschamps no. 562 (IV p. 18).
+
+[67] A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses oeuvres, Bibl. de
+l'Ecole des chartes LVI 1895, pp. 277, 280, 305, 310, 312, 622, etc.
+
+[68] Chastellain, I p. 10, Prologue, vgl. Complainte de fortune, VIII
+p. 334.
+
+[69] La Marche, I p. 186, IV p. LXXXIX; H. Stein, Etude sur Olivier de
+la Marche, historien, poète et diplomate, (Mém. couronnés etc. de
+l'Acad. royale de Belg. t. XLIX) Bruxelles 1888, frontispice.
+
+[70] Monstrelet, IV p. 430.
+
+[71] Froissart ed. Luce, X. p. 275; Deschamps no. 810 (IV p. 327); vgl.
+Les Quinze joyes demariage, (Paris, Marpon et Flammarion) p. 64 (quinte
+joye); Le livre messire Geoffroi de Charny, Romania XXVI 1897, p. 399.
+
+[72] Joannis de Varennis responsiones ad capitula accusationum etc. § 17,
+bij Gerson, Opera, I p. 920.
+
+[73] Deschamps no. 95 (I p. 203).
+
+[74] Deschamps, Le miroir de mariage, IX p. 25, 69, 81, no. 1004 (V p.
+259), verder II p. 8, 183-7. III p. 39, 373, VII p. 3, IX p. 209 enz.
+
+[75] Convivio lib. IV. cap. 27, 28.
+
+[76] Discours de l'excellence de virginité, Gerson, Opera III p. 382;
+vgl. Dionysius Cartusianus, De vanitate mundi, Opera omnia, cura et
+labore monachorum sacr. ord. Cart., Monstrolii-Tornaci 1896-1913, 41
+vol. XXXIX p. 472.
+
+[77] Chastellain, V p. 364.
+
+[78] La Marche, IV p. cxiv.--De oude Nederl. vertaling van zijn Estat de
+la maison du duc Charles de Bourgogne bij Matthaeus, Analecta I p. 357-494.
+
+[79] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, ed. M. Roy (Soc. des anciens
+textes francais) 1886-1896, 3 vol., I p. 251 no. 38; Leo von Rozmital's
+Reise, ed. Schmeller, (Bibl. des lit. Vereins zu Stuttgart t. VII) 1844,
+p. 24, 149.
+
+[80] La Marche, IV. p. 4ss.; Chastellain, V p. 370.
+
+[81] Ernst.
+
+[82] Een staatsiezetel.
+
+[83] Gekleed.
+
+[84] Chastellain, V. p. 368.
+
+[85] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34ss.
+
+[86] La Marche, I p. 277.
+
+[87] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34, 51, 20, 31.
+
+[88] Froissart, ed. Luce, III p. 172.
+
+[89] Journal d'un bourgeois, § 218 p. 105.
+
+[90] Chronique scandaleuse, I p. 53.
+
+[91] Molinet, I p. 184; Basin. II p. 376.
+
+[92] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, ed. La Curne de
+Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie, 1781, II p. 201.
+
+[93] Chastellain, III p. 196-212, 290, 292, 308, IV p. 412/4, 428;
+Alienor de Poitiers, p. 209, 212.
+
+[94] Alienor de Poitiers, p. 210; Chastellain, IV p. 312; Juvenal des
+Ursins, p. 405; La Marche, I p. 278, Froissart, I p. 16, 22, enz.
+
+[95] Molinet, V p. 194, 192.
+
+[96] Alienor de Poitiers, p. 190; Deschamps, IX p. 109.
+
+[97] Chastellain, V. p. 27-33.
+
+[98] Maxime u. Reflexionen V.
+
+[99] Alleen om u moet de priester wachten. Deschamps, IX Le miroir de
+mariage, p. 109/110.
+
+[100] Verscheiden exemplaren van zulke "paix" bij Laborde, II nos. 43,
+45, 75, 126, 140, 5293.
+
+[101] De baljuwsche.
+
+[102] Deschamps ib.; p. 300, vgl. VIII p. 156 ballade no. 1462; Molinet,
+V p. 195; Les cent nouvelles nouvelles, ed. Th. Wright, II p. 123; vgl.
+Les Quinze joyes de mariage p. 185.
+
+[103] Canonisatieproces te Tours, Acta Sanctorum Apr. t. I p. 152.
+
+[104] Over zulke rangtwisten onder den Hollandschen adel, waarop reeds
+even gewezen is door W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de
+hervorming, Utrecht 1864-'69, 2 deelen (5 stukken) II 3 p. 284(2), is
+uitvoerig gehandeld door H. Obreen, Bijdr. v. Vad. Gesch. en Oudhk. X p. 308.
+
+[105] Deschamps, IX p. 111-114.
+
+[106] Jean de Stavelot, Chronique, ed. Borgnet (Coll. des chron. belges)
+1861, p. 96.
+
+[107] Pierre de Fenin, p. 607; Journal d'un bourgeois, p. 9.
+
+[108] Aldus Juvenal des Ursins, p. 543, en Thomas Basin, I p. 31. Het
+Journal d'un bourgeois, p. 110 geeft een andere reden voor het
+doodvonnis, evenzoo Le Livre des trahisons, ed. Kervyn de Lettenhove
+(Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous les ducs de Bourg.) II p. 138(1).
+
+[109] Rel. de S. Denis, I p. 30; Juvenal des Ursins, p. 341.
+
+[110] Pierre de Fenin, p. 606; Monstrelet, IV p. 9.
+
+[111] Pierre de Fenin, p. 604.
+
+[112] Christine de Pisan, I p. 251 no. 38; Chastellain, V p. 364ss;
+Rozmital 's Reise, p. 24, 149.
+
+[113] Deschamps, I nos. 80, 114, 118, II nos. 256, 266, IV nos. 800,
+803, V nos. 1018, 1024, 1029, VII no. 253, X nos. 13, 14.
+
+[114] Anonym bericht der 15e eeuw in Journal de l'inst. hist., IV p.
+353, vgl. Juvenal des Ursins, p. 569, Religieux de S. Denis, VI p. 492.
+
+[115] Jean Chartier, Hist. de Charles VII, ed. D. Godefroy 1661, p. 318.
+
+[116] Intocht van den dauphin als hertog van Bretagne te Rennes in 1532
+bij Th. Godefroy, Le cérémonial françois, 1649, p. 619.
+
+[117] Rel. de S. Denis, I p. 32.
+
+[118] Journal d'un bourgeois, p. 277.
+
+[119] Thomas Bassin, II p. 9.
+
+[120] A. Renaudet, Préréforme et humanisme à Paris, p. 11, naar de
+processtukken.
+
+[121] de Laborde, Les ducs de Bourgogne, I p. 172, 177.
+
+[122] Livre des trahisons, p. 156.
+
+[123] Chastellain, I p. 188.
+
+[124] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254.
+
+[125] Rel. de S. Denis, II p. 114.
+
+[126] Chastellain, I p. 49, V p. 240; vgl. La Marche, I p. 201;
+Monstrelet, III p. 358; Lefèvre de S. Remy, I p. 380.
+
+[127] Chastellain. V p. 228, vgl. IV p. 210.
+
+[128] Chastellain, III p. 296; IV p. 213, 216.
+
+[129] Chronique scandaleuse. Interpol. II p. 332.
+
+[130] Lettres de Louis XI, X p. 110.
+
+[131] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254-256.
+
+[132] Lefèvre de S. Remy, II p. 11; Pierre de Fenin, p. 599, 605;
+Monstrelet, III p. 347; Theod. Pauli, De rebus actis sub ducibus
+Burgundiae compendium, ed. Kervyn de Lettenhove (Chron. rel. à l'hist.
+de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. t. III) p. 267.
+
+[133] Alienor de Poitiers, p.217-245; Laborde, II p. 267, Inventaris van
+1420.
+
+[134] Continuateur de Monstrelet, 1449 (Chastellain, V p. 367(1)).
+
+[135] Vgl. Petit Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires
+etc., p. 14; La Curne de S. Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie,
+I p. 272.
+
+[136] Chastellain, Le Pas de la mort, VI p. 61.
+
+[137] Hefele, Der h. Bernhardin v. Siena etc., p. 42. Vervolging van
+sodomie in Frankrijk, Jacques du Clercq, II p. 272, 282, 337, 338, 350,
+III 15.
+
+[138] Philippe de Commines, Mémoires, ed. B. de Mandrot (Coll. de textes
+pour servir à l'enseignement de l'histoire) 1901-'3, 2 vol., I p. 316.
+
+[139] La Marche, II p. 425; Molinet, II p. 29, 280; Chastellain, IV p. 41.
+
+[140] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 61; Froissart, ed. Kervyn, XI
+p. 93.
+
+[141] Froissart id., ib. XIV p. 318; Le livre des faits de Jacques de
+Lalaing. p. 29, 247 (Chastellain VIII); La Marche I p. 268; L'hystoire
+du petit Jehan de Saintré. ch. 47.
+
+[142] Chastellain, IV p. 237.
+
+
+ * * * * *
+
+
+III
+
+DE HELDENDROOM
+
+
+Toen men tegen het einde der achttiende eeuw begon middeleeuwsche
+cultuurvormen als eigen nieuwe levenswaarden op te nemen, met andere
+woorden bij den aanvang der romantiek, heeft men in de Middeleeuwen
+allereerst het ridderwezen ontwaard. De romantiek was geneigd
+Middeleeuwen en riddertijd kortweg te vereenzelvigen. Zij zag overal
+slechts wuivende vederbossen. En hoe paradoxaal het thans klinkt, zij
+had in zeker opzicht gelijk. Een grondiger studie heeft ons geleerd,
+dat het ridderwezen slechts een onderdeel is van de cultuur van dat
+tijdperk, dat de staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling
+grootendeels buiten dien vorm om gaat. Het tijdperk van echte
+feodaliteit en bloeiend ridderwezen loopt reeds in de dertiende eeuw
+ten einde; wat daarna komt is de stedelijk-vorstelijke periode der
+Middeleeuwen, waarin de beheerschende factoren van staat en maatschappij
+de handelsmacht der burgerijen en de daarop berustende geldmacht der
+vorsten zijn. Wij lateren hebben ons gewend, en terecht, om veel meer
+naar Gent en Augsburg te zien, veel meer naar het opkomende kapitalisme
+en de nieuwe staatsvormen dan naar den adel, die immers, hier meer daar
+minder, overal reeds "gefnuikt" was. De geschiedvorsching zelf heeft
+zich sedert de dagen der romantiek gedemocratiseerd. Het moet evenwel
+hem, die gewoon is, de latere Middeleeuwen te zien in hun staatkundig-
+economisch aspect, zooals wij dat begrijpen, telkens opvallen, dat de
+bronnen zelf, met name de verhalende bronnen, aan den adel en zijn
+bedrijf een zooveel ruimer plaats geven, dan bij onze voorstelling past.
+Dit geldt zelfs niet enkel van de late Middeleeuwen, maar ook nog van de
+zeventiende eeuw.
+
+De reden daarvan is, dat de adellijke levensvorm zijn heerschappij over
+de samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke
+structuur zijn overheerschende beteekenis verloren had. In den geest der
+vijftiende eeuw neemt de adel als maatschappelijk element nog onbetwist
+de eerste plaats in; zijn beteekenis wordt door den tijdgenoot veel te
+hoog, die van de burgerij veel te laag geschat. Zij zelf zien niet, dat
+de werkelijke beweegkrachten der maatschappelijke ontwikkeling elders
+lagen dan in het leven en bedrijf van een oorlogvoerenden adel. Dus, zal
+men zeggen: de fout zit bij de tijdgenooten zelf en bij de romantiek,
+die hun voorstelling zonder kritiek volgde, terwijl de moderne
+geschiedvorsching de ware verhoudingen van het laat-middeleeuwsche leven
+aan het licht heeft gebracht. Van het staatkundige en economische leven,
+ja. Maar voor het kennen van het cultuurleven behoudt de waan zelf,
+waarin de tijdgenooten leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was
+de adellijke levensvorm niet anders dan een vernis over het leven
+geweest, dan nog zou het noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat
+leven mèt den glans van dat vernis wist te zien.
+
+Het is overigens veel meer geweest dan een vernis. Het begrip van de
+geleding der maatschappij in standen doordringt in de Middeleeuwen alle
+theologische en politische beschouwingen tot in haar vezelen. Het
+bepaalt zich volstrekt niet tot de geijkte drie: geestelijkheid, adel en
+derde stand. Het begrip stand heeft niet alleen een veel sterker waarde
+maar ook een veel verder strekking. In het algemeen wordt iedere
+groepeering, iedere functie, ieder beroep gezien als een stand, zoodat
+naast de indeeling der maatschappij in drie standen een in twaalf kan
+voorkomen. [143] Want stand is staat, "estat", of "ordo"; er ligt de
+gedachte in van een door God gewilde wezenlijkheid. De woorden "estat"
+en "ordre" dekken in de Middeleeuwen een groot aantal van menschelijke
+groepeeringen, die voor ons begrip zeer ongelijksoortig zijn: de standen
+in onzen zin, de beroepen, den huwelijken staat naast den maagdelijken,
+den staat van zondigheid "estat de péchié", de vier "estats de corps et
+de bouche" aan het hof: panetiers, schenkers, voorsnijders en
+keukenmeesters, de geestelijke wijdingen: priester, diaken, subdiaken
+enz., de kloosterorden, de ridderorden. In de middeleeuwsche gedachte
+wordt het begrip "staat" of "orde" in al die gevallen bijeengehouden
+door het besef, dat elk dezer groepen een goddelijke inzetting
+vertegenwoordigt, een orgaan is in den wereldbouw, even wezenlijk en
+even hierarchisch-eerbiedwaardig als de hemelsche tronen en machten der
+engelenhierarchie.
+
+In het schoone beeld, dat men zich maakte van staat en maatschappij,
+werd aan elk der standen zijn functie aangewezen niet overeenkomstig
+zijn beproefde nuttigheid, maar overeenkomstig zijn heiligheid of zijn
+schitterenden glans. Men kon daarbij de ontaarding der geestelijkheid,
+het verval van de ridderlijke deugden bejammeren, zonder daarom het
+ideale beeld ook maar eenigszins prijs te geven; de zonden der menschen
+mogen de verwezenlijking van het ideaal beletten, toch blijft het
+grondslag en richtsnoer der maatschappelijke gedachte. Het
+middeleeuwsche beeld der maatschappij is statisch, niet dynamisch.
+
+Het is een wonderlijke schijn, waarin Chastellain, de hofhistoriograaf
+van Philips den Goede en Karel den Stoute, wiens rijke werk ook hier
+weer de beste spiegel is van de tijdsgedachte, de maatschappij van zijn
+dagen ziet. Hier is een man, in de velden van Vlaanderen getogen, die in
+zijn Nederlanden de schitterendste ontplooiing van burgermacht voor
+oogen had, en die niettemin, verblind door den uiterlijksten glans van
+het Bourgondische prachtleven, in den staat slechts riddermoed en
+ridderdeugd als de bron van kracht ziet.
+
+God heeft het volk doen geboren worden om te arbeiden, om den grond te
+bewerken, om door den handel duurzaam levensonderhoud te verschaffen, de
+geestelijkheid voor de werken des geloofs, maar den adel, om de deugd te
+verheffen en de gerechtigheid te handhaven, om met de daden en de zeden
+van hun schoone personen den anderen een spiegel te zijn. De hoogste
+taak in den staat, de bescherming der kerk, de vermeerdering van het
+geloof, de bewaring van het volk voor verdrukking, de handhaving van het
+gemeen welzijn, bestrijding van geweld en tirannie, versterking van den
+vrede, Chastellain wijst ze alle den adel toe. Waarheid, dapperheid,
+zedelijkheid en mildheid zijn zijn eigenschappen. En de adel van
+Frankrijk, zegt deze hoogdravende lofredenaar, beantwoordt aan dat
+ideale beeld. [144] Door het geheele werk van Chastellain heen bemerkt
+men, dat hij ook werkelijk de gebeurtenissen van zijn tijd door dat
+gekleurde glaasje ziet.
+
+De onderschatting van de burgerij spruit hieruit voort, dat het type,
+waaronder men zich den derden stand voorstelde, zich nog geenszins
+gecorrigeerd had naar de werkelijkheid. Dat type was eenvoudig en
+beknopt als zulk een kalenderplaatje of bas-relief, dat de werken des
+jaars afbeeldde: de zwoegende veldarbeider, de vlijtige handwerker of de
+bedrijvige koopman. De figuur van den machtigen patriciër, die den adel
+zelf van zijn plaats drong, het feit, dat de adel zich voortdurend
+aanvulde met het bloed en de kracht der burgerij, vond in dat lapidaire
+type evenmin plaats als de figuur van den strijdbaren gildebroeder en
+zijn vrijheidsideaal. In het begrip van den derden stand bleven, immers
+zelf tot de Revolutie toe, burgerij en arbeiders ongescheiden;
+afwisselend dringt in de voorstelling de figuur van den armen boer of
+van den vadsigen rijken burger [145] naar voren, maar een omlijning
+volgens zijn werkelijke economisch-politische functie kreeg dat begrip
+derde stand niet. Een reformprogram van een Augustijner monnik in 1412
+kan in ernst verlangen, dat ieder niet-edele in Frankrijk gedwongen zou
+worden, hand- of veldarbeid te doen, of uit het land gejaagd worden. [146]
+
+Zoo is het te begrijpen, dat iemand als Chastellain, wiens vatbaarheid
+voor ethische illusie geëvenaard wordt door zijn politische naïveteit,
+naast de hooge eigenschappen van den adel den derden stand slechts lage
+en slaafsche deugden toekent. "Pour venir au tiers membre qui fait le
+royaume entier, c'est l'estat des bonnes villes, des marchans et des
+gens de labeur, desquels il ne convient faire si longue exposition que
+des autres, pour cause que de soy il n'est gaires capable de hautes
+attributions, parce qu'il est au degré servile". (O kerels van
+Vlaanderen!) Zijn deugd is nederigheid en vlijt, gehoorzaamheid aan hun
+koning en gewilligheid, om genoegen te verschaffen aan de heeren. [147]
+
+Werkte wellicht ook dat volslagen gemis aan het gezicht op een komenden
+tijd van burgervrijheid en macht er toe mee, dat Chastellain en
+gelijkgezinden, die enkel van den adel heil verwachtten, het met de
+tijden duister inzagen?
+
+Ook de rijke stedelingen heeten bij Chastellain nog kortweg "vilains".
+[148] Hij heeft niet het geringste begrip voor burgereer. Philips de
+Goede had de gewoonte, zijn macht te misbruiken, om zijn "archers",
+lagere edelen veelal, of andere dienaren van zijn huis te huwen aan
+rijke poortersweduwen of dochters. De ouders huwelijkten hun dochters
+zoo vroeg mogelijk uit, om die aanzoeken te ontgaan; een weduwe
+hertrouwde erom twee dagen na haars mans begrafenis. [149] Eens stuitte
+de hertog daarbij op het hardnekkig verzet van een rijken bierbrouwer te
+Rijsel, die zijn dochter niet voor een dergelijke verbintenis wil geven.
+De hertog laat het meisje in verzekerde bewaring stellen; de gekrenkte
+vader verhuist met zijn hebben en houden naar Doornik, om daar buiten
+'s hertogen gebied te zijn, en ongehinderd de zaak voor het Parlement
+van Parijs te kunnen brengen. Het brengt hem niet dan zorg en moeite;
+hij wordt ziek van verdriet, en het eind van het geval, dat in hooge mate
+kenschetsend is voor Philips' impulsief karakter [150] en hem naar onze
+begrippen niet tot eer strekt, is, dat de hertog de moeder, die als
+smeekelinge tot hem komt, haar dochter teruggeeft, maar aan de
+vergiffenis hoon en vernedering toevoegt. Chastellain, die anders
+volstrekt niet vreest, zijn heer te misprijzen, staat met zijn sympathie
+geheel aan de zijde van den hertog; voor den beleedigden vader heeft hij
+geen andere woorden dan "ce rebelle brasseur rustique", "et encore si
+meschant vilain." [151]
+
+In zijn _Temple de Bocace_, een hol galmende hal van adellijken roem en
+ongeluk, laat Chastellain den grooten financier Jacques Coeur niet
+zonder een woord van verontschuldiging toe, terwijl de verfoeilijke
+Gilles de Rais er ondanks zijn ontzettende misdaden gereedelijk toegang
+vindt van wege zijn hooge geboorte. [152] Hij acht het onnoodig, de
+namen van de burgers te vermelden, die in den grooten strijd voor Gent
+vielen. [153]
+
+Ondanks deze geringschatting van den derden stand ligt er in het
+ridderideaal zelf en in de beoefening van de deugden en de taak, die den
+adel werden voorgehouden, een dubbel element van een minder hoogmoedig
+aristocratische volksverachting. Naast den spot over de dorpers, vol
+haat en verachting, zooals die klinkt uit het Vlaamsche _Kerelslied_ en
+de _Proverbes del vilain_ loopt in de Middeleeuwen een tegengestelde
+uiting van medelijden met het arme volk, dat het zoo kwaad heeft.
+
+ "Si fault de faim perir les innocens
+ Dont les grans loups font chacun jour ventrée,
+ Qui amassent a milliers et a cens
+ Les faulx tresors; c'est le grain, c'est la blée,
+ Le sang, les os qui ont la terre arée
+ Des povres gens, dont leur esperit crie
+ Vengence à Dieu, vé à la seignourie ..." [154]
+
+Het zijn altijd dezelfde klaagtonen: het arme volk, geteisterd door de
+oorlogen, uitgezogen door de ambtenaren, leeft in gebrek en ellende;
+iedereen teert op den boer. Zij lijden geduldig: "le prince n'en sçait
+riens", en als zij soms murmureeren en de overheid smaden: "povres
+brebis, povre fol peuple", de heer zal hen met een woord weer tot rust
+en tot rede brengen. In Frankrijk komt onder den indruk van de
+jammerlijke verwoesting en onveiligheid, waaraan de honderdjarige oorlog
+gaandeweg het geheele land overleverde, één trek in die klacht op den
+voorgrond: de boer geplunderd, gebrandschat en mishandeld door de
+krijgsbenden van vriend en vijand, beroofd van zijn ploegdieren, van
+huis en hof verjaagd. In dien vorm neemt de klacht geen einde meer. Men
+hoort haar van de groote reform-gezinde geestelijken omstreeks 1400:
+Nicolaas van Clemanges in zijn _Liber de lapsu et reparatione
+justitiae,_ [155] van Gerson in zijn moedige en aangrijpende politieke
+preek voor de regenten en het hof op het thema _Vivat rex,_ 7 November
+1405 in het paleis der koningin te Parijs gehouden, [156] Jean Jouvenel,
+de bisschop van Beauvais, houdt in bittere klachten de ellende van het
+volk voor aan de Staten te Blois in 1433, te Orleans in 1439. [157]
+Gepaard aan het beklag der andere standen over hun moeilijkheden, in den
+vorm van een twistgesprek, vindt men het thema van de volksellende in
+Alain Chartier's _Quadriloge invectif,_ [158] en in Robert Gaguin's
+daarop geïnspireerd _Debat du laboureur, du prestre et du gendarme_.
+[159] De kroniekschrijvers kunnen niet anders dan telkens erop
+terugkomen; hun stof bracht het mee. [160] Molinet dicht een _Resource
+du petit peuple_, [161] de ernstige Meschinot herhaalt de waarschuwingen
+over de verwaarloozing van het volk keer op keer:
+
+ "O Dieu, voyez du commun l'indigence,
+ Pourvoyez-y à toute diligence:
+ Las! par faim, froid, paour et misere tremble.
+ S'il a peché ou commis negligence
+ Encontre vous, il demande indulgence.
+ N'est-ce pitié des biens que l'on lui emble?
+ Il n'a plus bled pour porter au molin,
+ On lui oste draps de laine et de lin,
+ L'eaue, sans plus, lui demeure pour boire". [162]
+
+In een cahier, den koning aangeboden ter gelegenheid van de Staten te
+Tours in 1484, neemt de klacht regelrecht het karakter aan van een
+politiek vertoog. [163] Toch blijft het een volkomen stereotyp en
+negatief medelijden, niets van een program. Er is nog geen spoor van
+weloverlegden socialen hervormingszin in, en zoo wordt er op het thema
+doorgezongen, door La Bruyère, door Fénélon, tot diep in de achttiende
+eeuw, want nog de klachten van den ouden Mirabeau, "l'ami des hommes",
+zijn weinig anders, al klinkt daarin het geluid van het komende verzet.
+
+Het is te verwachten, dat de verheerlijkers van het laat-middeleeuwsche
+ridderideaal instemmen met deze betuigingen van medelijden met het volk:
+immers de toepassing van den ridderplicht, om de zwakken te beschermen,
+eischte het. Evenzeer inhaerent aan het wezen van het ridderideaal, en
+evenzeer stereotyp en theoretisch, is ook het besef, dat de ware adeldom
+slechts berust in de deugd, en dat in den grond alle menschen gelijk
+zijn. Deze beide gevoelens worden wel eens in hun cultuurhistorische
+beteekenis overschat. Men beschouwt de erkenning van den waren adel in
+het hart als een triomf der Renaissance, erop wijzende, dat Poggio die
+gedachte uitspreekt in zijn _De nobilitate_. Men hoort gewoonlijk dat
+oude egalitarisme in het revolutionaire geluid van John Ball's "When
+Adam delved and Eve span, where was then the gentleman?"--En men stelt
+zich voor, dat de adel sidderde op dien tekst.
+
+Beide gedachten waren reeds lang gemeenplaatsen in de hoofsche
+litteratuur zelve, evenals zij het waren in de salons van het ancien
+régime. Het denkbeeld van den waren adel in het hart was voortgekomen
+uit de verheffing van de hoofsche liefde in de poëzie der troubadours.
+Het blijft een zedelijke bespiegeling zonder sociaal-actieve werking.
+
+ "Dont vient a tous souveraine noblesce?
+ Du gentil cuer, paré de nobles mours.
+ ... Nulz n'est villains se du cuer ne lui muet". [164]
+
+De gelijkheidsgedachte was reeds door de kerkvaders ontleend aan Cicero
+en Seneca. Gregorius de Groote had den komenden Middeleeuwen het "Omnes
+namque homines natura aequales sumus" reeds meegegeven. Het was in
+allerlei klank en nadruk steeds herhaald, zonder de werkelijke
+ongelijkheid te verminderen. Want voor den Middeleeuwer keerde de
+gedachte haar pointe naar de spoedige gelijkheid in den dood, niet naar
+een hopeloos verre gelijkheid in het leven. Bij Eustache Deschamps
+vinden wij haar in een duidelijke verbinding met de doodendans-
+voorstelling, die aan de late Middeleeuwen den troost moest geven over
+het onrecht van de wereld. Het is Adam zelf, die zijn kroost toespreekt:
+
+ "Enfans, enfans, de moy, Adam, venuz,
+ Qui après Dieu suis peres premerain (eerste)
+ Créé de lui, tous estes descenduz
+ Naturelment de ma coste et d'Evain;
+ Vo mere fut. Comment est l'un villain
+ Et l'autre prant le nom de gentillesce
+ De vous, freres? dont vient tele noblesce?
+ Je ne le sçay, se ce n'est des vertus,
+ Et les villains de tout vice qui blesce:
+ Vous estes tous d'une pel revestus.
+
+ Quant Dieu me fist de la boe ou je fus,
+ Homme mortel, faible, pesant et vain,
+ Eve de moy, il nous crea tous nuz,
+ Mais l'esperit nous inspira a plain
+ Perpetuel, puis eusmes soif et faim,
+ Labour, dolour, et enfans en tristesce;
+ Pour noz pechiez enfantent a destresce
+ Toutes femmes; vilment estes conçuz.
+ Dont vient ce nom, villain, qui les cuers blesce?
+ Vous estes tous d'une pel revestuz.
+
+ Les roys puissans, les contes et les dus,
+ Li gouverneur du peuple et souverain,
+ Quant ilz naissent, de quoy sont ilz vestuz?
+ D'une orde pel.
+ ... Prince, pensez, sanz avoir en desdain
+ Les povres gens, que la mort tient le frain". [165]
+
+Het is in overeenstemming met deze gedachten, wanneer geestdriftige
+vereerders van het ridderideaal somtijds opzettelijk de daden van
+boersche helden opteekenen, om den adel te leeren, "dat bij wijlen zij,
+die zij dorpers achten, van de grootste dapperheid bezield zijn". [166]
+
+Want dit is de grond van al deze gedachten: dat de adel geroepen is, om
+door de naleving van het ridderideaal de wereld te schragen en te
+zuiveren. Het rechte leven en de rechte deugd der edelen is het
+heilmiddel der slechte tijden; daarvan hangt af het welzijn en de rust
+van kerk en koninkrijk, de gelding der gerechtigheid. [167] De oorlog is
+in de wereld gekomen met Caïn en Abel, en sedert vertakt onder goeden en
+slechten. Hem te beginnen is niet goed. Daarom is de zeer edele en zeer
+uitstekende stand der ridderschap ingesteld, om het volk, dat gemeenlijk
+het meest geteisterd wordt door de rampen van den krijg, te bewaren, te
+verdedigen en in rust te houden. [168] Twee zaken, luidt het in het
+leven van een der zuiverste vertegenwoordigers van het laat-middeleeuwsche
+ridderideaal, Boucicaut, zijn door God's wil in de wereld gezet als twee
+pijlers om de orde der goddelijke en menschelijke wetten te onderhouden;
+zonder hen zou de wereld niet dan verwarring zijn; die twee pijlers zijn
+ridderschap en wetenschap, "chevalerie et science, qui moult bien
+conviennent ensemble". [169] "Science, Foy et Chevalerie" zijn de drie
+leliën van _Le Chapel des fleurs de lis_ van Philippe de Vitri; zij
+vertegenwoordigen de drie standen; de ridderschap is geroepen, om de
+beide andere te behoeden en te beschermen. [170] Die gelijkwaardigheid
+van ridderschap en wetenschap, die ook spreekt uit de neiging om aan den
+doctorstitel dezelfde rechten toe te kennen als aan den riddertitel
+[171] getuigt van het hooge ethische gehalte van het ridderideaal. Het
+is de vereering van een hooger willen en durven naast die van een hooger
+weten en kunnen; men heeft de behoefte, om den mensch in een hoogere
+potentie te zien, en wil die uitdrukken in den vasten vorm van twee
+wijdingen tot hooger levenstaak, onderling gelijkwaardig. Maar van die
+twee had het ridderideaal een veel algemeener en sterker werking, omdat
+daarin met het ethische zooveel aesthetische elementen waren vereenigd,
+die voor iederen geest begrijpelijk waren.
+
+De middeleeuwsche gedachtenwereld in het algemeen is in al haar deelen
+doortrokken en doorzult met de geloofsvoorstellingen. Op soortgelijke
+wijze is de gedachtenwereld van die beperkter groep, welke in de sfeer
+van hof en adel leeft, gedrenkt in het ridderideaal. Zelfs
+geloofsvoorstellingen worden op haar beurt in den ban der ridderidee
+getrokken: Michael's wapenfeit was "la première milicie et prouesse
+chevaleureuse qui oncques fut mise en exploict"; van hem neemt de
+ridderlijkheid haar oorsprong; als "milicie terrienne et chevalerie
+humaine" is zij een aardsche navolging van de engelenscharen om Gods
+troon. [172]
+
+Leidt de hooge verwachting, die men bouwt op de plichtsvervulling van
+den adel, tot eenige nadere omschrijving van politieke denkbeelden
+omtrent hetgeen den adel te doen staat? Ja, die van een streven naar
+den universeelen vrede, gegrondvest op de eendracht der koningen, de
+verovering van Jeruzalem en verdrijving der Turken. De onvermoeide
+plannenmaker Philippe de Mézières, die droomde van een ridderorde, welke
+al de oude kracht van Tempel en Hospitaal zou overtreffen, heeft in zijn
+_Songe du vieil pelerin_ een plan uitgewerkt, dat het heil der wereld
+in de naaste toekomst scheen te waarborgen. De jonge koning van
+Frankrijk,--het is geschreven omstreeks 1388, toen op den ongelukkigen
+Karel VI nog zooveel hoop was gebouwd--, zal gemakkelijk vrede kunnen
+sluiten met Richard van Engeland, even jong en onschuldig aan ouden
+strijd als hij. Zij moesten persoonlijk over dien vrede met elkander
+spreken, elkander verhalen van de wonderlijke openbaringen, die hem
+hadden aangekondigd, afzien van al de kleine belangen, die een beletsel
+zouden opleveren, als de onderhandeling aan geestelijken,
+rechtsgeleerden of legerhoofden werd toevertrouwd. Laat de koning van
+Frankrijk maar wat grenssteden en kasteelen afstaan. Terstond na den
+vrede zou de kruistocht worden voorbereid. Overal zal alle strijd en
+veete beslecht worden, het tiranniek bestuur der staten zal hervormd
+worden, een algemeen concilie zal de vorsten der christenheid opwekken,
+om ten oorlog te trekken, indien de prediking niet helpen mocht, om
+Tartaren, Turken, Joden en Saracenen te bekeeren. [173] Niet
+onwaarschijnlijk was er van zulke ver strekkende plannen nog sprake in
+het vriendschappelijk verkeer van Mézières met den jongen Lodewijk van
+Orleans in het klooster der Celestijnen te Parijs. Ook Orleans leefde,
+zij het met meer bijmenging van praktische en baatzuchtige politiek,
+in die droomen van vrede en kruistocht. [174]
+
+Het is een wonderlijke kleuring van de wereld, dat beeld van de
+maatschappij gedragen door het ridderideaal. Het is een kleur, die niet
+goed houden wil. Wien men ook neemt van de bekende fransche chronisten
+der veertiende en vijftiende eeuw: de scherpe Froissart, de droge
+Monstrelet en d'Escouchy, de plechtstatige Chastellain, de hoofsche
+Olivier de la Marche, de bombastische Molinet, allen met uitzondering
+van Commines en Thomas Basin beginnen met hoogdravende verklaringen,
+dat zij schrijven ter verheerlijking van ridderdeugd en roemrijke
+wapenfeiten. [175] Maar niemand kan het geheel volhouden, Chastellain
+nog het best. Terwijl Froissart, zelf dichter van een hyperromantischen
+aflegger der ridder-epiek: _Méliador_, met zijn geest zwelgt in ideale
+"prouesse" en "grans apertises d'armes", schrijft zijn journalistenpen
+voortdurend van verraad en wreedheid, sluwe baatzucht en overmacht, een
+krijgsbedrijf, dat geheel een zaak van winstbejag is geworden. Molinet
+vergeet doorloopend zijn chevaleresken opzet en vertelt, afgezien van
+zijn taal en stijl, de gebeurtenissen helder en eenvoudig, om zich af
+en toe den edelen zwier te herinneren, dien hij zich had opgelegd. Nog
+uiterlijker is de ridderlijke strekking bij Monstrelet.
+
+Het is alsof de geest van deze schrijvers,--een ondiepe geest, moet men
+zeggen--, de ridderlijke fictie aanwendt als een correctief op de
+onbegrijpelijkheid, die hun tijd voor hen had. Het was de eenige vorm,
+waarin zij de gebeurtenissen konden begrijpen. In de werkelijkheid waren
+zoowel de oorlogen als de staatkunde van hun tijd uiterst vormloos,
+schijnbaar onsamenhangend. De krijg doorgaans een chronisch proces van
+geïsoleerde strooptochten over een groot gebied verspreid, de diplomatie
+een zeer omslachtig en gebrekkig instrument, voor een deel beheerscht
+door zeer algemeene traditioneele ideeën en voor een deel door een
+onontwarbaar complex van afzonderlijke, kleine rechtskwesties. Niet
+in staat om in dat alles een reëele maatschappelijke ontwikkeling te
+erkennen, nam de historie de fictie van het ridderideaal te baat, en
+herleidde daarmee alles tot een schoon beeld van vorsteneer en
+ridderdeugd, een fraai spel van edele regels, en schiep de illusie van
+orde. Vergelijkt men dezen historischen maatstaf met bijvoorbeeld het
+inzicht van Thucydides, dan is het een buitengewoon laag standpunt.
+De geschiedenis verdort tot een relaas van schoone of schijnschoone
+wapenfeiten en solemneele staatshandelingen. Wie zijn dan ook van dit
+gezichtspunt beschouwd de rechte geschiedgetuigen? De herauten en
+wapenkoningen, meent Froissart; zij wonen immers die edele verrichtingen
+bij, en hebben ze officieel te beoordeelen; zij zijn experts in zaken
+van roem en eer, en roem en eer zijn het motief der geschiedschrijving.
+[176] De statuten van het Gulden Vlies geboden het opteekenen van
+ridderlijke wapenfeiten; Lefèvre de Saint Remy, genaamd Toison d'or,
+of de heraut Berry kunnen als voorbeelden van den wapenkoning-
+geschiedschrijver genoemd worden.
+
+ * * * * *
+
+Als ideaal van schoon leven is de ridderlijke gedachte van zeer
+bijzondere gedaante. Het is een in zijn wezen aesthetisch ideaal,
+opgebouwd uit bonte fantazie en verheffende aandoening. Maar het wil
+zijn een ethisch ideaal: het middeleeuwsche denken kon aan een
+levensideaal slechts een edele plaats geven, door het in betrekking
+te stellen tot vroomheid en deugd. In die ethische functie schiet het
+ridder wezen steeds te kort; het wordt omlaaggetrokken door zijn
+zondigen oorsprong. Want de kern van het ideaal blijft de tot schoonheid
+verheven hoogmoed. Dit heeft Chastellain volkomen begrepen, wanneer hij
+zegt: "La gloire des princes pend en orguel et en haut péril emprendre;
+toutes principales puissances conviengnent en un point estroit qui se
+dit orgueil." [177] Uit den hoogmoed, gestyleerd en verheven, is de
+eer geboren, die de pool is van het adellijk leven. Terwijl in de
+middelmatige of ondergeschikte maatschappelijke verhoudingen--zegt Taine
+[178]--de voornaamste drijfveer het belang is, is de groote beweger bij
+de aristocratie de hoogmoed: "or, parmi les sentiments profonds de
+l'homme, il n'en est pas qui soit plus propre a se transformer en
+probité, patriotisme et conscience, car l'homme fier a besoin de son
+propre respect, et, pour l'obtenir, il est tenté de le mériter." Taine
+heeft zonder twijfel de neiging, om de aristocratie te fraai te zien.
+De werkelijke geschiedenis der aristocratieën geeft overal een beeld,
+waarin de hoogmoed gedoubleerd is met onbeschaamd eigenbelang. Des
+ondanks blijft--als omschrijving van het aristocratisch levensideaal
+--Taine's woord treffend. Het is verwant aan Burckhardt's bepaling van
+het Renaissance-eergevoel. "Es ist die rätselhafte Mischung aus Gewissen
+und Selbstsucht, welche dem modernen Menschen noch übrig bleibt, auch
+wenn er durch oder ohne seine Schuld alles übrige, Glauben, Liebe und
+Hoffnung eingebüsst hat. Dieses Ehrgefühl verträgt sich mit vielem
+Egoismus und grossen Lastern und ist ungeheurer Täuschungen fähig; aber
+auch alles Edle, das in einer Persönlichkeit übrig geblieben, kann sich
+daran anschliessen und aus diesem Quell neue Kräfte schöpfen". [179]
+
+De persoonlijke eerzucht en roemzucht, die dan eens uitingen van een
+hoog eergevoel, dan weer veel meer uit onveredelden hoogmoed gesproten
+schijnen, zijn door Burckhardt in beeld gebracht als de kenmerkende
+eigenschappen van den Renaissance-mensch. [180] In tegenstelling met de
+afzonderlijke standseer en standenroem, zooals zij de echt-middeleeuwsche
+samenleving buiten Italië nog bezielden, beschrijft hij de algemeen-
+menschelijke eer en roem, waarnaar, onder sterken invloed van antieke
+voorstellingen, de Italiaansche geest sedert Dante streeft. Het schijnt
+mij toe, dat dit een der punten is, waarop Burckhardt den afstand
+tusschen Middeleeuwen en Renaissance, tusschen West-Europa en Italië te
+groot gezien heeft. Die roemliefde en eerzucht der Renaissance is in
+haar kern de ridderlijke eerzucht van vroeger tijd en Fransche herkomst,
+de standseer uitgebreid tot wijder gelding, ontdaan van het feodale
+sentiment en bevrucht met antieke gedachte. Het hartstochtelijk
+verlangen, om door het nageslacht geprezen te worden, is den hoofschen
+ridder der twaalfde eeuw, den onverfijnden Franschen of Duitschen
+soudenier der veertiende eeuw even weinig vreemd als den schoonen geest
+van het quattrocento. De afspraak voor het Combat des trente tusschen
+messires Robert de Beaumanoir en den kapitein Brandebourch wordt door
+den laatste besloten met de woorden: "en zoo zullen wij maken, dat men
+ervan spreken zal in komende tijden in zaal en paleis, in pleinen en
+andere plaatsen over de wereld." [181] Chastellain, in zijn waardeering
+van het ridderideaal toch volkomen middeleeuwsch, drukt niettemin
+volkomen den geest der Renaissance uit, als hij zegt:
+
+ "Honneur semont toute noble nature
+ D'aimer tout ce qui noble est en son estre.
+ Noblesse aussi y adjoint sa droiture". [182]
+
+Elders zegt hij, dat bij joden en heidenen de eer dierbaarder was en
+nauwer werd gehouden, omdat zij enkel werd betracht om haars zelfs wil
+en in verwachting van aardschen lof, terwijl de christenen de eer
+ontvangen hebben door het geloof en het licht, in verwachting van
+hemelsch loon. [183]
+
+Reeds bij Froissart wordt de dapperheid aanbevolen zonder eenige
+religieuze of direct moreele motiveering, om roem en eer, en--enfant
+terrible als hij is--om carrière. [184]
+
+Het streven naar ridderlijken roem en eer is onafscheidelijk verbonden
+aan een heldenvereering, waarin middeleeuwsche en renaissance-elementen
+ineenvloeien. Het ridderlijke leven is een navolging. Of het de helden
+van den Artur-kring zijn of de antieke helden, maakt weinig verschil.
+Alexander was immers reeds in den bloeitijd van den ridderroman volkomen
+in de ideeënsfeer van het ridderwezen opgenomen. De antieke
+fantaziesfeer was nog niet gescheiden van die der tafelronde. Koning
+René ziet bont dooreen de met hun blazoenen versierde grafteekens van
+Lancelot, Caesar, David, Hercules, Paris, Troïlus. [185] Het ridderwezen
+zelf gold voor Romeinsch. "Et bien entretenoit--heet het van Hendrik V
+van Engeland--la discipline de chevalerie, comme jadis faisoient les
+Rommains". [186] Het toenemende classicisme brengt eenige zuivering in
+het historische beeld der Oudheid; de Portugeesche edelman Vasco de
+Lucena, die voor Karel den Stoute Quintus Curtius vertaalt, verklaart,
+gelijk Maerlant het reeds anderhalve eeuw eerder had gedaan, hem daarin
+te bieden een authentieken Alexander, ontdaan van de leugens, waarmee
+al de gangbare historiën diens geschiedenis ontsierden. [187] Doch de
+bedoeling is sterker dan ooit, den vorst een voorbeeld ter navolging
+te bieden, en bij weinig vorsten is de zucht, om door groote en
+schitterende daden de Ouden te evenaren, zoo bewust als bij Karel den
+Stoute. Van jongsaf had hij zich de heldendaden van Walewein en Lancelot
+laten voorlezen; later wonnen het de Ouden. Voor het slapen gaan werd er
+geregeld een paar uur gelezen in "les haultes histoires de Romme". [188]
+Zijn hoogste behagen gold den helden der oudheid: Caesar, Hannibal en
+Alexander, "lesquelz il vouloit ensuyre et contrefaire". [189] Alle
+tijdgenooten hebben aan die opzettelijke navolging als drijfveer van
+zijn daden groot gewicht gehecht. "Il désiroit grand gloire,--zegt
+Commines--qui estoit ce qui plus le mettoit en ses guerres que nulle
+autre chose; et eust bien voulu ressembler à ses anciens princes dont
+il a esté tant parlé après leur mort." [190] Chastellain zag hem dien
+hoogen zin voor groote daden en voor het schoone antieke gebaar de
+eerste maal in praktijk brengen. Het was bij zijn eerste komst als
+hertog binnen Mechelen in 1467. Hij had er een oproer te straffen; de
+zaak werd in alle vormen onderzocht en berecht, een der leiders ter dood
+veroordeeld, anderen voor eeuwig verbannen. Het schavot wordt op de
+markt opgericht, de hertog zit er tegenover; de schuldige ligt reeds
+geknield, de beul ontbloot het zwaard; toen roept Karel, die tot dusver
+zijn bedoeling verborgen had: "Houd op! Doe hem den blinddoek af en laat
+hem opstaan."
+
+"Et me pareus de lors--zegt Chastellain--que le coeur luy estoit en haut
+singulier propos pour le temps à venir, et pour acquérir gloire et
+renommée en singulière oeuvre." [191]
+
+Het voorbeeld van Karel den Stoute is geschikt, om te doen zien, hoe de
+geest der Renaissance, de zucht naar het schoone antieke leven, direct
+wortelt in het ridderideaal. Het is, als men hem met den Italiaanschen
+virtuoso vergelijkt, slechts een verschil van belezenheid en van smaak.
+Karel las zijn klassieken nog in vertaling, en zijn levensvorm is nog
+flamboyant-gothiek.
+
+Dezelfde onscheidbaarheid van het ridderlijke en het renaissance-element
+vertoont de cultus der negen dapperen, "les neuf preux". Die groep van
+negen helden, drie heidenen, drie joden, drie christenen, komt op in de
+ridderlijke litteratuur; zij wordt het eerst aangetroffen in de _Voeux
+du paon_ van Jacques de Longuyon omstreeks 1312. [192] De keus der
+helden verraadt den nauwen samenhang met de ridderlijke romantiek:
+Hector, Caesar, Alexander--Jozua, David, Judas Maccabaeus--Artur, Karel
+de Groote en Godfried van Bouillon. Van zijn leermeester Guillaume de
+Machaut neemt Eustache Deschamps de gedachte over; hij wijdt er tal van
+gedichten aan. [193] Waarschijnlijk is hij het geweest, die aan de
+behoefte aan symmetrie, welke den laat-middeleeuwschen geest zoo sterk
+eigen is, voldeed, door aan de 9 preux 9 preuses toe te voegen. Hij
+zocht er eenige, ten deele vrij zonderlinge, klassieke figuren voor
+bijeen uit Justinus en andere litteratuur: o.a. Penthesilea, Tomyris,
+Semiramis, en verhaspelde de meeste namen geducht. Dit belette het
+denkbeeld niet, om opgang te maken, en zoo vindt men preux en preuses
+bij de lateren, zooals in _Le Jouvencel,_ terug. Zij staan afgebeeld op
+tapijten, men verzint hun blazoenen; bij den intocht van Hendrik VI van
+Engeland te Parijs in 1431 gaan alle achttien hem voorop. [194]
+
+Hoe levend de voorstelling gedurende de 15e eeuw en nog daarna gebleven
+is, bewijst het feit, dat men haar parodieerde: Molinet beproeft zijn
+luim aan een negental "preux de gourmandise". [195] Nog Frans I kleedde
+zich af en toe "à l'antique" om een der preux voor te stellen. [196]
+
+Deschamps heeft evenwel nog op een andere wijze dan door de aanvulling
+met vrouwelijke pendanten de voorstelling uitgebreid. Hij verbond die
+vereering van oude heldendeugd aan het heden, plaatste haar in de sfeer
+van het opkomende Fransche militaire nationalisme, door aan de negen een
+tijd- en landgenoot als tienden preux toe te voegen: Bertrand du
+Guesclin. [197] Ook dat denkbeeld had succes; Lodewijk van Orleans liet
+in de groote zaal van Coucy het beeld van den dapperen connétable als
+tiende der preux opnemen. [198] Het was met reden, dat Orleans de
+gedachtenis van du Guesclin een bijzondere zorg wijdde; hij zelf was
+door den connétable ten doop gehouden, en deze had hem daarbij een
+zwaard in de hand gegeven. Van de figuur van den dapperen en
+berekenenden Bretonschen krijgsman neemt een nationaal-militaire
+heldenvereering haar uitgang. Het valt op te merken, dat deze in de
+15e eeuw nog niet in de eerste plaats Jeanne Darc geldt. Allerlei
+veldoversten, die naast of tegen haar hadden gestreden, nemen in de
+verbeelding der tijdgenooten veel grooter en eervoller plaats in dan het
+boerenmeisje uit Domrémy. Velen spreken van haar nog zonder aandoening
+of vereering, meer als een curiositeit. Chastellain, die zijn
+Bourgondische gevoelens, als het pas gaf, merkwaardig op zij wist te
+zetten voor een pathetisch Fransch loyalisme, dicht een "mystère" op den
+dood van Karel VII, waarin al de aanvoerders, die voor hem de Engelschen
+bestreden hebben, als een eeregalerij van dapperen, een strofe zeggen,
+die hun daden vermeldt: Dunois, Jean de Bueil, Xaintrailles, La Hire
+zijn er bij, en tal van minder bekenden. [199] Het doet even aan als een
+reeks van Napoleontische generaals. Maar la Pucelle ontbreekt.
+
+De Bourgondische vorsten bewaarden in hun schatkamer een aantal
+heldenrelieken van romantischen aard: een zwaard van Sint Joris, met
+diens wapen versierd, een zwaard, dat behoord had aan "messire Bertran
+de Claiquin" (du Guesclin), een tand van het everzwijn van Garin le
+Loherain, het souter, waaruit de heilige Lodewijk leerde in zijn
+kindsheid. [200] Hoe loopen de fantaziesferen van het ridderlijke en het
+religieuze hier ineen! Nog een schrede, en men is bij het armbeen van
+Livius, dat, plechtig als gold het een reliek, in ontvangst genomen werd
+door paus Leo X. [201]
+
+De laat-middeleeuwsche heldenvereering heeft haar litterairen vorm in de
+biografie van den volmaakten ridder. Soms zijn het reeds legendaire
+figuren geworden, zooals Gilles de Trazegnies. De belangrijkste evenwel
+zijn die van tijdgenooten, zooals Boucicaut, Jean de Bueil, Jacques de
+Lalaing.
+
+Jean le Meingre, gewoonlijk genoemd le maréchal Boucicaut, heeft zijn
+land gediend in groote rampen. Hij was met Jan zonder Vrees in 1396 bij
+Nicopolis geweest, waar het Fransche ridderleger, roekeloos uitgetrokken
+om den Turk weer uit Europa te drijven, door Sultan Bajazid vernietigd
+werd. Hij is opnieuw gevangen gemaakt bij Azincourt in 1415, en zes
+jaren later in gevangenschap gestorven. Een bewonderaar heeft nog bij
+zijn leven in 1409 zijn daden te boek gesteld, op grond van zeer goede
+inlichting en documenten, [202] doch niet als een stuk tijdsgeschiedenis
+maar als het beeld van den idealen ridder. De realiteit van dit
+veelbewogen leven verdwijnt achter den schoonen schijn van het
+ridderbeeld. De vreeselijke katastrofe van Nicopolis heeft in _Le Livre
+des faicts_ maar een flauwe kleur. Boucicaut wordt geschilderd als het
+type van den soberen, vromen en tegelijk hoofschen en geletterden
+ridder. De afkeer van rijkdommen, die den waren ridder eigen moest zijn,
+spreekt uit het woord van Boucicaut's vader, die zijn erfgoed had willen
+vergrooten noch verkleinen, zeggende: als mijn kinderen rechtschapen en
+dapper zijn, zullen zij genoeg hebben; en als zij niets waard zijn, zou
+het jammer wezen, dat hun zooveel bleef nagelaten. [203] Boucicaut's
+vroomheid is van een streng puriteinsch karakter. Hij staat vroeg op,
+en blijft wel drie uren in gebeden. Hoe gehaast of bezig ook, hoort hij
+iederen dag geknield twee missen. Vrijdags kleedt hij zich in het zwart,
+op Zon- en feestdagen doet hij te voet een bedevaart of laat zich
+voorlezen uit het leven der heiligen, of uit de geschiedenissen "des
+vaillans trespassez, soit Romains ou autres", of hij spreekt met anderen
+van devote dingen. Hij is matig en sober, spreekt weinig en meest over
+God, de heiligen, de deugd of de ridderlijkheid. Ook al zijn dienaren
+heeft hij gewend aan devotie en betamelijkheid, en hun het vloeken
+afgeleerd. [204] Hij is een ijverig voorstander van den edelen, kuischen
+vrouwendienst; hij eert allen om eene, en sticht de orde "de l'écu verd
+à la dame blanche", ter verdediging der vrouwen, wat hem den lof schonk
+van Christine de Pisan. [205] Te Genua, waar hij in 1401 het bestuur
+kwam voeren voor Karel VI, beantwoordde hij eens hoffelijk de révérences
+van twee dames, die hij ontmoette. "Monseigneur," zei zijn schildknaap,
+"qui sont ces deux femmes à qui vous avez si grans reverences
+faictes?"--"Huguenin, dit-il, je ne sçay". Lors luy dist: "Monseigneur,
+elles sont filles communes".--"Filles communes, dist-il, Huguenin,
+j'ayme trop mieulx faire reverence à dix filles communes que avoir
+failly à une femme de bien." [206]--In zijn devies "Ce que vous
+vouldrez" kan men evengoed den dolenden ridder hooren, die zijn trouw
+aan zijn dame wijdt, als den renaissance-mensch, die zich overgeeft aan
+het leven, zooals het tot hem komt.
+
+Zoo is het schoone beeld van den ridder. Weliswaar blijkt uit andere
+gegevens, dat de werkelijke Boucicaut er niet in alle opzichten aan kan
+hebben beantwoord: hij deelde de gewelddadigheid en de geldzucht, in
+zijn stand zoo gewoon. [207]
+
+In een geheel andere nuance ziet men den modelridder in den
+biografischen roman over Jean de Bueil, _Le Jouvencel_. Deze kapitein,
+die onder het vaandel van Jeanne Darc gestreden had, later gemengd was
+in den opstand der Praguerie en den oorlog "du bien public", en in 1477
+stierf, heeft, in ongenade bij den koning, omstreeks 1465 aan drie van
+zijn dienaren een verhaal van zijn leven geïnspireerd, getiteld _Le
+Jouvencel_. [208] In tegenstelling met het leven van Boucicaut, waarin
+de historische vorm een romantischen geest bergt, draagt _Le Jouvencel_
+bij een gefingeerden vorm een sterk reëel karakter, althans in het
+eerste gedeelte. Het staat misschien in verband met het veelvoudig
+auteurschap, dat het werk verderop verloopt in een bloemzoete romantiek.
+Daar is de gruwelijke tocht van de Fransche krijgsbenden op Zwitsersch
+gebied in 1444, en de slag bij Sankt Jakob an der Birs, waar de boeren
+van het Bazelsche land hun Thermopylae vonden, vermomd in den ijdelen
+opschik van een afgezaagd bedenksel van herderlijke min.
+
+In sterk contrast daarmee geeft het eerdere gedeelte van _Le Jouvencel_
+van de werkelijkheid van den toenmaligen krijg een beeld zoo sober en
+echt, als nauwelijks elders te vinden is. Ook deze auteurs spreken
+overigens niet van Jeanne Darc, met wie hun meester toch in
+wapenbroederschap had gestaan; het zijn zijn eigen heldendaden, die zij
+verheerlijken. Doch hoe goed moet deze hun zijn krijgsbedrijf verteld
+hebben. Hier kondigt zich de geest van het militaire Frankrijk aan, dat
+later de figuren van den mousquetaire, den grognard en den poilu zal
+opleveren. Den ridderlijken opzet verraadt alleen de aanhef, die de
+jonge lieden aanspoort, uit dit geschrift het leven in de wapenen te
+leeren, dat hen waarschuwt tegen hoogmoed, nijd en hebzucht. Zoowel het
+vrome als het amoureuze element van Boucicaut ontbreken in het eerste
+gedeelte van _Le Jouvencel_. Wat ons hier tegen komt, is de armzaligheid
+van den oorlog, zijn ontberingen en de frissche moed om gebrek te lijden
+en gevaren te bestaan. Een slotvoogd verzamelt zijn garnizoen en telt
+maar vijftien paarden, magere beestjes, de meesten zijn onbeslagen. Hij
+zet twee mannen op elk, maar ook van de mannen zijn de meesten eenoogig
+of kreupel. Om de kleeren van den kapitein te kunnen verstellen, gaat
+men de wasch van den vijand buitmaken. Een geroofde koe wordt den
+vijandelijken kapitein op zijn verzoek hoffelijk teruggegeven. In de
+beschrijving van een nachtelijken tocht over de velden ademt de
+nachtlucht en de stilte u tegen. [209] In _Le Jouvencel_ ziet men het
+riddertype overgaan in dat van den nationalen militair: de held van het
+boek laat de arme gevangenen vrij, mits zij goed-fransch worden. Tot
+hooge waardigheden gekomen, verlangt hij terug naar dat leven van
+avontuur en vrijheid.
+
+Zulk een realistisch riddertype (overigens, gelijk gezegd, in het werk
+zelf niet ten einde toe volgehouden) kon de Bourgondische litteratuur,
+veel ouderwetscher, veel solemneeler en meer in de feodale vormen bekneld
+dan de zuiver Fransche, nog niet opleveren. Jacques de Lalaing is naast
+le Jouvencel een antieke curiositeit, naar het cliché van oudere dolende
+ridders als Gillon de Trazegnies beschreven. Het boek van de daden van
+dezen vereerden held der Bourgondiërs spreekt meer van romantische
+tournooien dan van den echten krijg. [210]
+
+De psychologie van den oorlogsmoed is wellicht vroeger noch later zoo
+eenvoudig en treffend uitgedrukt als in de volgende woorden van _Le
+Jouvencel_: [211] "C'est joyeuse chose que la guerre.... On s'entr'ayme
+tant à la guerre. Quant on voit sa querelle bonne et son sang bien
+combatre, la larme en vient à l'ueil. Il vient une doulceur au cueur de
+loyaulté et de pitié de veoir son amy, qui si vaillamment expose son
+corps pour faire et acomplir le commandement de nostre createur. Et
+puis on se dispose d'aller mourir ou vivre avec luy, et pour amour ne
+l'abandonner point. En cela vient une délectation telle que, qui ne l'a
+essaiié, il n'est homme qui sceust dire quel bien c'est. Pensez-vous
+que homme qui face cela craingne la mort? Nennil; car il est tant
+reconforté, il est si ravi, qu'il ne scet où il est. Vraiement il n'a
+paour de rien."
+
+Dit kon evengoed gezegd zijn door den modernen soldaat als door een
+ridder der vijftiende eeuw. Het heeft met het ridderlijk ideaal als
+zoodanig niets te maken. Het vertoont den gevoelsgrond van den zuiveren
+strijdmoed zelf: de huiverende uittreding uit het enge egoïsme in de
+aandoening van het levensgevaar, de ontzaglijke verteedering over de
+dapperheid van den makker, den wellust van de trouw en de
+zelfopoffering. Deze primitieve ascetische aandoening is de basis,
+waarop het ridderideaal is opgebouwd tot een edele verbeelding van
+mannelijke volmaaktheid, nauw verwant aan de Grieksche kalokagathia,
+een hevige aspiratie naar schoon leven, de energische bezieling van
+een reeks van eeuwen ... en ook het masker, waarachter een wereld van
+baatzucht en geweld zich hullen kon.
+
+Overal waar het ridderideaal het zuiverst beleden wordt, valt de nadruk
+op het ascetische element ervan. In zijn eersten opbloei paarde het zich
+ongedwongen, noodwendig zelfs, aan het monniksideaal: in de geestelijke
+ridderorden uit den kruistochtentijd. En waar de werkelijkheid steeds
+het ideaal gruwelijk logenstrafte, week het naar de sferen der
+verbeelding: de dolende ridder is evenals de Tempelier vrij van aardsche
+banden en arm. Dat ideaal van den edelen strijder zonder bezittingen,
+zegt William James, beheerscht nog "sentimentally if not practically,
+the military and aristocratic view of life. We glorify the soldier as
+the man absolutely unincumbered. Owning nothing but his bare life, and
+willing to toss that up at any moment when the cause commands him, he is
+the representative of unhampered freedom in ideal directions." [212]
+
+De verbindingen van het ridderideaal met hooge elementen van het
+godsdienstig bewustzijn: medelijden, rechtvaardigheid, trouw, zijn dus
+geenszins kunstmatig of oppervlakkig. Toch zijn het niet deze, die de
+ridderschap tot den schoonen levensvorm bij uitnemendheid maken. En ook
+haar onmiddellijke wortels in den mannelijken strijdmoed hadden haar
+daartoe niet kunnen verheffen, als niet vrouwenliefde de brandende gloed
+was geweest, die aan dat complex van gevoel en idee de levenswarmte gaf.
+
+De diepe trek van askese, van moedige zelfopoffering, die het
+ridderideaal eigen is, hangt met den erotischen grond van die
+levenshouding ten nauwste samen, is misschien slechts de ethische
+verwerking van onbevredigd verlangen. De vormgeving, de styleering van
+het liefdeverlangen beperkt zich volstrekt niet tot de litteratuur. Zij
+vindt evengoed een ruim veld om zich te ontplooien in de levensvormen
+zelf: hoofschen omgang, gezelschapsspel, scherts en sport. Ook daar
+wordt de liefde voortdurend gesublimeerd en geromantiseerd; het leven
+volgt daarin de litteratuur na, maar deze leert tenslotte toch alles van
+het leven. Het ridderlijke aspect der liefde is in den grond niet in de
+litteratuur maar in het leven opgekomen. In de werkelijke
+levensverhoudingen was het motief van den ridder en de geliefde gegeven.
+
+De ridder en de geliefde, de held om liefde, is het meest primaire,
+onveranderlijke romantische motief, dat overal opnieuw weer ontspringt
+en ontspringen zal. Het is de meest onmiddellijke omzetting van de
+zinnelijke drift in een ethische of quasi-ethische zelfverloochening.
+Zij ontspringt direct uit de behoefte, om ten aanschouwe van de vrouw
+zijn moed te toonen, gevaar te loopen en sterk te zijn, te lijden en
+te bloeden, die iedere jongen van zestien jaar kent. De uiting en de
+vervulling van het verlangen, die onbereikbaar schijnen, worden
+vervangen en opgeheven door de heldendaad uit liefde. Daarmee is
+terstond de dood als alternatief der vervulling gesteld, de bevrediging
+om zoo te zeggen naar beide zijden verzekerd.
+
+Maar de droom van de heldendaad uit liefde, die nu het smachtend hart
+vult en bedwelmt, groeit en woekert als een welige plant. Het eerste
+eenvoudige thema heeft spoedig uitgewerkt; de geest vraagt nieuwe
+verbeeldingen op hetzelfde thema. En de passie zelf dringt sterker
+kleuren op aan den droom van lijden en verzaking. De heldendaad moet
+bestaan in de bevrijding of redding van de vrouw zelf uit het
+dreigendste gevaar. Daarmee is een feller prikkel aan het
+oorspronkelijke motief toegevoegd. Eerst is het het subject zelf, dat
+lijden wil voor de vrouw; maar spoedig paart zich daaraan de wensch,
+om de begeerde zelf uit lijden te redden. Of in den grond die redding
+altijd is te herleiden tot de redding der maagdelijkheid, het weren van
+den andere dus, de bewaring van de vrouw voor zich? In ieder geval is
+daarmee het ridderlijk-erotische motief bij uitnemendheid gegeven: de
+jonge held, die de maagd bevrijdt. De belager moge bij wijlen een
+argelooze draak zijn, het sexueele moment ligt toch steeds onmiddellijk
+eronder. Hoe naïef-oprecht spreekt het bij voorbeeld in de bekende
+schilderij van Burne Jones, waar de moderne damesfiguur van het meisje
+juist door haar kuischheid de onmiddellijkste sensualiteit verraadt.
+
+De bevrijding van de maagd is het meest oorspronkelijke en altijd jonge
+romantische motief. Hoe is het mogelijk, dat een thans verouderde
+mythenverklaring er de weergave van een natuurphenomeen in heeft gezien,
+terwijl de onmiddellijkheid van de gedachte dagelijks door ieder kan
+worden beproefd! In de litteratuur moge het bij wijlen wegens overmatige
+herhaling een tijdlang worden vermeden, telkens komt het motief weer in
+nieuwe vormen op, bij voorbeeld in de bioscoop-cowboy-romantiek. En in
+het persoonlijke liefdedenken buiten de litteratuur blijft het
+ongetwijfeld altijd even sterk.
+
+Het is moeilijk te bepalen, in hoeverre in de voorstelling van den
+held-minnaar het mannelijk en in hoeverre het vrouwelijk aspect der
+liefde zich openbaart. In het algemeen komt in de verbeelding der liefde
+tot cultuurvorm bijna uitsluitend de mannelijke opvatting tot
+uitdrukking, althans tot in zeer jongen tijd. Het gezicht der vrouw op
+de liefde blijft altijd omsluierd en verborgen; het is teerder en dieper
+geheim. En het behoeft niet de romantische sublimeering tot het
+heldhaftige, want door zijn karakter van overgave en zijn onverbrekelijken
+samenhang met het moederschap verheft het zich van zelf reeds zonder
+fantazie van dapperheid en opoffering boven het zelfzuchtig-erotische.
+Niet alleen omdat de mannen de litteratuur gemaakt hebben, ontbreekt de
+vrouwelijke liefdesuitdrukking grootendeels, maar ook omdat voor de
+vrouw in de liefde het litteraire veel minder onmisbaar is.
+
+De figuur van den edelen redder, die om der wille van de geliefde lijdt,
+is de voorstelling van den man, zooals hij zich zelf zien wil. De
+spanning van zijn bevrijdersdroom wordt verhoogd, doordat hij onbekend
+optreedt, en eerst na de heldendaad wordt herkend. In deze onbekendheid
+van den held ligt voorzeker ook een van de vrouwelijke liefdeverbeelding
+uitgegaan romantisch motief. In de geheele apotheose van mannelijke
+kracht en moed in den vorm van den strijder te paard vloeien de
+vrouwelijke behoefte aan krachtvereering en de mannelijke physieke
+hoogmoed samen.
+
+De middeleeuwsche samenleving heeft met een jongensachtige
+onverzadelijkheid deze primitief-romantische motieven gecultiveerd.
+Terwijl de hoogere litteratuurvormen zich hebben verfijnd tot ijler en
+soberder, of geestiger en nog prikkelender uitdrukking van het
+verlangen, blijft de ridderroman zich altijd weer verjongen en behoudt
+met zijn eindeloos herhaalde uitwerking van het romantische geval een
+bekoring, die ons schier onbegrijpelijk is. Wij wanen den tijd lang
+ontgroeid aan die kinderlijke fantazieën, en noemen Froissart's
+_Méliador_ of de _Perceforest_, de nabloeiers der ridderlijke
+avontuurverhalen, anachronismen in hun tijd. Zij zijn het evenmin als de
+sensatieroman het heden ten dage is; alleen dit alles is geen zuivere
+litteratuur, maar om zoo te zeggen toegepaste kunst. Het is de behoefte
+aan modellen voor de erotische verbeelding, die steeds weer die
+litteratuur levend houdt en vernieuwt. Midden in de Renaissance herleven
+ze immers in de Amadis-romans. Wanneer nog na het midden der zestiende
+eeuw De la Noue ons kan verzekeren, dat de Amadis-romans een "esprit de
+vertige" teweegbrachten onder het geslacht, dat toch de staling van
+Renaissance en Humanisme had ondergaan, hoe groot moet dan de romantische
+ontvankelijkheid zijn geweest in het bij uitstek ongeëquilibreerde
+geslacht van 1400!
+
+De zinsverrukking van de liefdesromantiek was niet in de eerste plaats
+om lezende ondergaan te worden, maar om gespeeld en aanschouwd te
+worden. Er zijn twee vormen, waarin dat spel kan gebeuren: de
+dramatische vertooning en de sport. In de Middeleeuwen is de laatste
+verreweg het voornaamste. Het drama was nog grootendeels gevuld met
+andere, heilige stof; bij uitzondering behandelt het nog het romantische
+geval. De middeleeuwsche sport daarentegen, en dat is in de eerste
+plaats het tournooi, was zelf in hooge mate dramatisch en tegelijk van
+een sterk erotisch gehalte. De sport behoudt te allen tijde zulk een
+dramatisch en een erotisch element: in een hedendaagschen roei- of
+voetbalwedstrijd zit veel meer van de gevoelswaarden van een
+middeleeuwsch tournooi, dan den athleten en toeschouwers zelf misschien
+bewust is. Maar terwijl de moderne sport teruggekeerd is tot
+natuurlijken, bijna Griekschen eenvoud en schoonheid, is het
+middeleeuwsche, althans het laat-middeleeuwsche tournooi, een met
+versiering overladen, zwaar gedrapeerde sport, waarin het dramatisch en
+romantisch element zóo opzettelijk is uitgewerkt, dat het de functie van
+het drama zelf regelrecht vervult.
+
+De latere Middeleeuwen zijn een van die eindperioden, waarin het
+cultuurleven der hoogere kringen bijna geheel tot gezelschapsspel is
+geworden. De werkelijkheid is hevig, hard en wreed; men herleidt haar
+tot den schoonen droom van het ridderideaal en bouwt daarop het
+levensspel. Men speelt met het masker van Lancelot voor; het is een
+reusachtig zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen
+worden, doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt. In de
+geheele ridderlijke cultuur der vijftiende eeuw is een labiel evenwicht
+tusschen sentimenteelen ernst en luchtigen spot, dat eerst omslaat naar
+de parodie in dien blij en hoog levenden kring van Lorenzo's hof: in
+Pulci's _Morgante_.
+
+Bij de Franschen van een halve eeuw vroeger overweegt nog de ernst.
+In den edelen Boucicaut, litterair type van den modelridder, is de
+romantische grond van het ridderlijke levensideaal nog zoo sterk als
+bij wien ook. De liefde, zegt hij, is het, die het sterkst in de jonge
+harten de begeerte naar het edele ridderlijke strijdbejag doet groeien.
+Hij zelf dient zijn dame in de oude hoofsche vormen: "toutes servoit,
+toutes honnoroit pour l'amour d'une. Son parler estoit gracieux,
+courtois et craintif devant sa dame." [213]
+
+Er is voor ons een bijna onbegrijpelijk contrast tusschen de litteraire
+levenshouding van een man als Boucicaut en de bittere werkelijkheid van
+zijn loopbaan. Hij was als handelende en leidende figuur voortdurend
+werkzaam in de hardste staatkunde van zijn tijd. In 1388 doet hij een
+eerste politieke reis naar het Oosten. Op dien tocht kort hij zich den
+tijd, door met twee of drie wapenbroeders: Philippe d'Artois, diens
+seneschalk en een zekeren Cresecque, een dichterlijke verdediging te
+geven van de edele, trouwe minne, zooals zij den volmaakten ridder
+betaamt: _Le livre des Cent ballades_. [214] Goed, waarom niet? Maar
+zeven jaren later, wanneer hij als mentor van den jongen hertog van
+Nevers (later Jan zonder Vrees) het roekelooze ridderavontuur heeft
+meegemaakt van den krijgstocht tegen sultan Bajazid: wanneer hij de
+ontzettende ramp van Nicopolis heeft beleefd, waar al zijn drie vroegere
+dichtgezellen het leven verloren, wanneer hij de krijgsgevangen
+adellijke jeugd van Frankrijk voor zijn oogen heeft zien slachten, zou
+men dan een ernstig krijgsman niet bekoeld wanen voor dat hoofsche spel
+en dien ridderlijken waan? Het moest hem leeren, dunkt ons, de wereld
+niet langer door dat gekleurde glaasje te zien. Doch neen, ook verder
+blijft zijn zin aan het cultiveeren van de ouderwetsche ridderlijkheid
+gewijd, getuige zijn stichting van de orde "de la dame blanche a l'escu
+verd", ter verdediging van verdrukte vrouwen, waarmee hij partij koos in
+het fraaie tijdverdrijf van den litterairen strijd tusschen het strenge
+en het frivole liefdesideaal, die sedert 1400 de Fransche hofkringen
+opwond.
+
+De gansche aankleeding van de edele liefde in litteratuur en
+gezelschapsleven schijnt ons dikwijls ondragelijk fade en louter
+belachelijk. Het is het lot van elken romantischen vorm, die als
+instrument der passie versleten is. In het werk der velen, de
+gekunstelde versjes, de kostbaar gearrangeerde tournooien, heeft de
+passie uitgeklonken; zij klinkt enkel nog door de stem van de zeer
+enkelen. Maar welke beteekenis al dat werk, als litteratuur of kunst
+minderwaardig, gehad heeft als levenstooi, als gevoelsuitdrukking, kan
+men enkel beseffen door de levende passie zelf er weer in te blazen.
+Wat helpt bij het lezen der minnedichten en tournooibeschrijvingen alle
+kennis en levendige voorstelling der historische détails, zonder het
+zien van de oogen, licht en duister, onder de meeuwenvlucht der
+wenkbrauwen en de smalle voorhoofden, die al eeuwen tot stof zijn
+geworden, en die eenmaal belangrijker zijn geweest dan al de
+litteratuur, die als puin blijft opgehoopt?
+
+Thans kan slechts meer een toevallig glimplicht ons even de
+gepassioneerde beteekenis van die cultuurvormen duidelijk doen zien.
+In het gedicht _Les voeux du héron_ spreekt Jan van Beaumont, tot het
+afleggen van zijn ridderlijke strijdgelofte aangespoord:
+
+ "Quant sommes ès tavernes, de ces fors vins buvant,
+ Et ces dames delès (naast ons) qui nous vont regardant,
+ A ces gorgues polies, ces coliés tirant,
+ Chil oeil vair resplendissent de biauté souriant.
+ Nature nous semont d'avoir coeur désirant,
+ ... Adonc conquerons-nous Yaumont et Agoulant [215]
+ Et li autre conquierrent Olivier et Rollant.
+ Mais, quant sommes as camps sus nos destriers courans,
+ Nos escus à no col et nos lansses bais(s)ans,
+ Et le froidure grande nous va tout engelant,
+ Li membres nous effondrent, et derrière et devant.
+ Et nos ennemis sont envers nous approchant,
+ Adonc vorrièmes estre en un chélier (kelder) si grant
+ Que jamais ne fussions veu tant ne quant." [216]
+
+"Hélas--schrijft Philippe de Croy uit Karel de Stoute's kamp voor
+Neuss--, où sont dames pour nous entretenir, pour nous amonester de bien
+faire, ne pour nous enchargier emprinses, devises, volets ne guimpes!"
+[217]
+
+In het dragen van den sluier of het kleed van de geliefde vrouw, die den
+geur van het haar en het lichaam overbrengt, openbaart zich het
+erotische moment van het ridderlijke tournooi zoo onmiddellijk mogelijk.
+In de opwinding van het gevecht schenken de vrouwen den eenen tooi na
+den anderen weg: als het spel is afgeloopen, zitten zij blootshoofds,
+zonder mouwen. [218] Het is tot een motief van scherpe prikkeling
+uitgewerkt in een sproke uit de tweede helft der dertiende eeuw, _Van de
+drie ridders en het hemd_. [219] Een dame, wier echtgenoot niet tot den
+strijd geneigd maar overigens vol edele largesse is, zendt aan de drie
+ridders, die haar in minne dienen, haar hemd, om in het steekspel, dat
+haar man geven zal, het als wapenrok te dragen, zonder pantser of andere
+bedekking dan alleen helm en beenstukken. De eerste en tweede ridder
+schrikken ervoor terug. De derde, die arm is, neemt het hemd 's nachts
+in zijn armen en kust het hartstochtelijk. In het steekspel verschijnt
+hij met het hemd als wapenrok, zonder pantser daaronder; het wordt
+verscheurd en met zijn bloed bevlekt; hij wordt zwaar gewond. Men
+bemerkt zijn buitengewone dapperheid en schenkt hem den prijs; de dame
+schenkt hem haar hart. Nu eischt de minnaar de tegendaad. Hij zendt haar
+het bloedige hemd terug, om het zóo als het is over haar kleederen te
+dragen bij het feestmaal, dat het tournooi besluit. Zij omhelst het
+teeder en verschijnt in het bloedige kleedingstuk; de meesten laken
+haar, de echtgenoot is verlegen, en de verteller vraagt: wie van de
+beide minnenden deed het meest voor den ander?
+
+De sfeer van passie, waarin het tournooi enkel zijn beteekenis had,
+verklaart ook de beslistheid, waarmee de kerk sedert lang het gebruik
+bestreed. Dat zij inderdaad aanleiding werden tot geruchtmakend
+overspel, getuigt bij voorbeeld van een tournooi van 1389 de monnik
+van Saint Denis en op zijn gezag Jean Juvenal des Ursins. [220] Het
+kerkelijke recht had ze sinds lang verboden: aanvankelijk ingesteld
+voor oefening in den strijd, heette het, waren ze wegens misbruiken
+onduldbaar geworden. [221] De moralisten misprezen ze. [222] Petrarca
+vroeg pedant: waar leest men, dat Cicero en Scipio tournooien gehouden
+hebben? En de burger haalde de schouders op: "prindrent par ne sçay
+quelle folle entreprinse champ de bataille" zegt de burger van Parijs
+[223] van een befaamd tournooi.
+
+De adellijke wereld daarentegen vat alles, wat tournooi en ridderlijke
+wedkamp is, op met een gewichtigheid, die door geen modern sportbedrijf
+wordt geëvenaard. Zooals nog kort geleden vorstelijke wansmaak
+gedenksteenen oprichtte op de plek, waar de hooge jager zijn duizendste
+slachtoffer had neergelegd, zoo stichtte de vijftiende eeuw
+gedenkteekens aan beroemde ridderlijke tweegevechten. Bij Saint Omer
+herinnerde "la Croix Pélerine" aan den kamp van Hautbourdin, den
+bastaard van Saint Pol, met een Spaanschen ridder tijdens den verwaarden
+Pas d'armes de la Pélerine. Nog een halve eeuw later ging Bayard vóór
+een tournooi dat kruis als in bedevaart vromelijk bezoeken. [224] De
+decors en de plunje, die gediend hadden bij den Pas d'armes de la
+Fontaine des Pleurs werden na afloop van het feest plechtig opgedragen
+aan Onze Lieve Vrouw van Boulogne en in de kerk opgehangen. [225]
+
+De middeleeuwsche vechtsport onderscheidt zich, gelijk zooeven reeds
+aangeduid werd, van de Grieksche en de moderne athletiek door haar veel
+geringer natuurlijkheid. Zij heeft tot verhooging van den prikkel van
+den kamp dien van aristocratische trots en eer, dien van het
+romantisch-erotische en dien van den kunstvaardigen pronk. Zij is
+overladen met praal en versiering, gevuld met bonte fantazie. Het is
+behalve spel en lichaamsoefening nog bovendien toegepaste litteratuur.
+De wensch en de droom van het dichtende hart zoeken een dramatische
+voorstelling, een gespeelde vervulling in het leven zelf. Het werkelijke
+leven was niet schoon genoeg, het was hard, wreed en valsch; er was in
+de hof- en militaire carrière luttel plaats voor de sentimenten van
+moed-om-liefde, maar de ziel is er vol van, men wil ze beleven en schept
+zich een schooner leven van kostbaar spel. Het element van echten moed
+is voorzeker in het ridderlijk tournooi niet van geringer waarde dan in
+het pentathlon. Juist het uitgesproken erotisch karakter eischte
+bloedige felheid. In zijn motieven is het tournooi het naast verwant aan
+de wedstrijden van het oud-indische epos; ook in het Mahâbhârata is de
+strijd om de vrouw de centrale gedachte.
+
+De fantazie, waarmee het vechtspel werd aangekleed, was die van de
+Artur-romans, dat wil zeggen de kinderlijke verbeeldingen van het
+sprookje: het droomavontuur met zijn verschuiving der afmetingen in
+reuzen en dwergen, verbonden aan het sentimentalisme der hoofsche
+liefde.
+
+Voor een Pas d'armes der vijftiende eeuw wordt een fictief romantisch
+geval kunstig opgebouwd. Het middelpunt is een romandécor met een
+treffenden naam: la fontaine des pleurs, l'arbre Charlemagne. De bron
+wordt opzettelijk gebouwd. [226] Gedurende een geheel jaar zal een
+ongenoemde ridder ieder eersten van de maand voor de bron een tent
+spannen, waarin een dame zit (het is een beeld), die een eenhoorn houdt,
+welke drie schilden draagt. Elke ridder, die een der schilden aanraakt
+of door zijn heraut laat aanraken, verbindt zich tot een bepaalden
+tweekamp, waarvan de voorwaarden nauwkeurig worden omschreven in de
+uitvoerige "chapitres", die tegelijk oproepingsbrief en reglement van
+den wedstrijd zijn. [227] Het aanraken der schilden moet te paard
+geschieden, waartoe de ridders steeds paarden ter beschikking zullen
+vinden.
+
+Of wel: bij de Emprise du dragon houden vier ridders zich op een kruisweg
+op; geen dame mag dien kruisweg voorbij zonder ridder, die voor haar twee
+lansen breekt, of zij moet pand geven. [228] Inderdaad is het kinderlijke
+pandverbeuren niet anders dan een lager vorm van hetzelfde overoude strijd-
+en minnespel. Hoe duidelijk getuigt van die verwantschap niet een
+voorschrift als dit artikel van de Chapitres de la Fontaine des pleurs:
+wie in den kamp ter aarde wordt geworpen, moet een heel jaar een gouden
+armband dragen met een slot, totdat hij de dame vindt, die er het
+sleuteltje van heeft, en hem kan bevrijden, als hij haar zijn dienst
+opdraagt. Elders weer is het geval gebaseerd op een reus, dien een dwerg
+gevangen leidt, met een gouden boom erbij en een "dame de l'isle celée",
+of op een "noble chevalier esclave et serviteur à la belle géande a la
+blonde perruque, la plus grande du monde." [229] De onbekendheid van den
+ridder is een vaste fictie; hij heet "le blanc chevalier", "le chevalier
+mesconnu", "le chevalier à la pélerine", of wel hij treedt op als een held
+uit den roman en heet zwaanridder, of draagt het wapen van Lancelot,
+Tristan of Palamedes. [230]
+
+Meestal wordt over het geval een uiterlijk waas van melancholie
+gespreid; la Fontaine des pleurs zegt het al in den naam; de schilden
+zijn wit, violet en zwart, alle bezaaid met witte tranen; men raakt ze
+aan uit medelijden met de "Dame de pleurs". Bij de Emprise du dragon
+komt koning René in rouwend zwart (wel mocht hij), om het afscheid van
+zijn dochter Margareta, die koningin van Engeland werd. Het paard is
+zwart, met een rouwdekkleed, de lans is zwart, het schild is sabel met
+zilveren tranen. Ook bij de Arbre Charlemagne zijn de schilden zwart
+en violet met gouden en zwarte tranen. [231] Niet altijd echter is het
+in den somberen toon gezet: een andermaal houdt de onverzadelijke
+schoonheidsvriend koning René de Joyeuse garde bij Saumur. Veertig dagen
+viert hij feest in het houten kasteel "de la joyeuse garde" met zijn
+gemalin en dochter en met Jeanne de Laval, die zijn tweede echtgenoot
+zou worden. Voor haar is heimelijk het feest bereid. Het kasteel is
+opzettelijk gebouwd, geschilderd en getapisseerd; alles is in rood en
+wit. Bij zijn Pas d'armes de la bergère is alles gestoffeerd in
+herderstrant, de ridders en dames als herders en herderinnen met staf
+en doedelzak, allen in grijs met goud en zilver. [232]
+
+Het groote spel van het schoone leven als droom van edelen moed en trouw
+had niet alleen dien vorm van het kampgevecht. Er is een tweede vorm,
+even belangrijk: de ridderorde. Al zou het niet gemakkelijk vallen, een
+regelrecht verband te bewijzen, het kan voor niemand, die eenigszins
+bekend is met de gebruiken van primitieve volken, twijfelachtig zijn,
+dat evenzeer de ridderorde als het tournooi en de ridderwijding zelf hun
+sterkste wortels hebben in heilige gebruiken van een verren voortijd. De
+ridderslag is een ethisch en sociaal uitgewerkte puberteitsritus, het
+aanleggen van de wapenen aan den jongen krijger. Het kampspel is als
+zoodanig overoud, en eertijds vervuld van heilige beteekenis. De
+ridderorde kan niet gescheiden worden van de mannenbonden der wilde
+volken.
+
+Dit verband kan hier echter slechts als een onbewezen stelling
+vooropgesteld worden; het is hier niet te doen om een ethnologische
+hypothese te staven, maar om de ideeënwaarde van het vol-ontwikkelde
+ridderwezen voor oogen te brengen; en dat in die waarde nog iets van die
+primitieve elementen is overgebleven, wie zal het ontkennen?
+
+Weliswaar is in de ridderorde het christelijk element van de voorstelling
+zoo sterk, dat ook een verklaring uit louter kerkelijke en politische,
+zuiver middeleeuwsche grondslagen op zich zelf overtuigend zou kunnen
+zijn, als men niet wist, dat algemeen verbreide, primitieve parallelen
+als verklaringsgrond daarachter stonden.
+
+De eerste ridderorden, de drie groote van het Heilige land en de drie
+Spaansche, waren als een zuiverste belichaming van middeleeuwschen geest
+ontsproten uit de verbinding van het monniks- en het ridderideaal, in
+den tijd toen de strijd tegen den islam wonderlijke werkelijkheid was
+geworden. Zij waren gegroeid tot groote staatkundige en economische
+instellingen, ontzaglijke vermogenscomplexen en financieele machten.
+Hun politieke nuttigheid had zoowel hun geestelijk karakter als het
+ridderspel-element op den achtergrond gedrongen, en hun economische
+verzadiging at weer hun politieke nuttigheid op. Toen de Tempeliers en
+de Johanniters bloeiden en nog in het Heilige land zelf werkten, had
+het ridderwezen een reëele politische functie vervuld, en waren de
+ridderorden als 't ware vakorganisaties van groote beteekenis geweest.
+
+Doch in de veertiende en vijftiende eeuw was het ridderwezen enkel meer
+hoogere levensvorm, en daarmee was ook in de ridderorden het element van
+edel spel, dat in hun kern besloten lag, weer op den voorgrond gekomen.
+Niet dat zij enkel spel waren geworden. Als ideaal zijn zij nog altijd
+vervuld van hoog ethisch en politiek streven. Maar het is waan en droom,
+ijdele plannenmakerij. De merkwaardige idealist Philippe de Mézières
+ziet het heilmiddel der tijden in een nieuwe ridderorde, die hij de
+Ordre de la passion heeft genoemd. [233] Hij wil er alle standen in
+opnemen. Trouwens ook de groote ridderorden der kruistochten hadden zich
+reeds de deelneming van niet-edelen ten nutte gemaakt. De adel zal den
+grootmeester en de ridders leveren, de geestelijkheid den patriarch en
+zijn suffraganen, de poorters zullen broeders zijn en de landlieden en
+handwerkers servanten. Zoo zal de orde een hechte samensmelting der
+standen zijn voor het groote doel der Turkenbestrijding. Er zullen vier
+geloften zijn. Twee zijn de oude, die monniken en geestelijke ridders
+deelden: armoede en gehoorzaamheid. Maar voor het volstrekte celibaat
+stelt Philippe de Mézières de echtelijke kuischheid in de plaats; hij
+wilde het huwelijk veroorloven om de praktische redenen, dat het
+Oostersche klimaat het eischte en dat de orde begeerlijker zou zijn.
+De vierde gelofte, aan vroegere orden onbekend, is summa perfectio, de
+hoogste individueele zedelijke volmaking. Zoo vloeiden hier in het bonte
+beeld van een ridderorde al de idealen ineen, van politieke
+plannenmakerij af tot het streven naar de verlossing toe.
+
+In het woord "Ordre" waren een menigte beteekenissen, van de hoogste
+heiligheid tot het nuchterste groepsbesef, ongescheiden vereenigd. Het
+beduidde zoowel maatschappelijken stand als priesterwijding, monniks- en
+ridderorde. Dat inderdaad aan ordre in de beteekenis van ridderorde nog
+iets van geestelijke waarde eigen was, blijkt uit het feit, dat men er
+ook het woord religion voor gebruikte, dat men allicht tot de
+kloosterorden beperkt zou wanen. Chastellain noemt het Gulden Vlies "une
+religion", zooals hij 't ook een kloosterorde doet, en spreekt er altijd
+van in den toon van een heilig mysterie. [234] Olivier de la Marche
+spreekt van een Portugees als een "chevalier de la religion de Avys."
+[235] En niet alleen de eerbiedige sidderingen van den pompeuzen
+Polonius Chastellain getuigen van den vromen inhoud van het Gulden
+Vlies; in het geheele ritueel der orde nemen kerkgang en mis een
+overwegende plaats in: de ridders zitten in kanunnikstoelen, de ernstige
+cultus van de afgestorven leden beweegt zich geheel in kerkelijke sfeer.
+
+Geen wonder dus, dat het lidmaatschap van een ridderorde gevoeld wordt
+als een sterke, heilige band. De ridders van de Sterorde van koning Jan
+II zijn verplicht, andere orden, waartoe zij mochten behooren, zoo
+mogelijk prijs te geven. [236] De hertog van Bedford wil aan den jongen
+Philips van Bourgondië de orde van den kouseband opdringen, om hem
+daardoor vaster aan Engeland te binden, maar de Bourgondiër begrijpt,
+dat hij dan voor altijd aan den Engelschen koning gebonden zal zijn, en
+weet de eer beleefd te ontgaan. [237] Wanneer dan ook later Karel de
+Stoute den kouseband wel aanneemt, en zelfs draagt, beschouwt Lodewijk
+XI dit als een breuk van het verdrag van Péronne, dat den hertog
+verbood, zonder 's konings toestemming een verbond met Engeland aan te
+gaan. [238] Men kan de Engelsche gewoonte, om buitenlandsche orden niet
+aan te nemen, beschouwen als een traditioneele rest van het besef, dat
+de orde verplicht tot trouw aan den vorst, die haar schenkt.
+
+Ondanks die heiligheid voelt men toch den twijfel aan den ernst van al
+die fraai opgezette vormen. Waartoe anders steeds weer die uitdrukkelijke
+verzekeringen, dat het alles was voor hooge, wijdstrekkende doeleinden?
+Philips van Bourgondië, de edele hertog, heeft zijn Toison d'or gesticht,
+zegt de rijmer Michault:
+
+ "Non point pour jeu ne pour esbatement
+ Mais à la fin que soit attribuée
+ Loenge à Dieu trestout premierement
+ Et aux bons gloire et haulte renommée." [239]
+
+Ook Guillaume Fillastre betoogt in den aanhef van zijn werk over het
+Gulden Vlies, de beteekenis daarvan te zullen verklaren, opdat men
+bevinde, dat de orde geen ijdelheid is of een zaak van weinig gewicht.
+Uw vader, spreekt hij Karel den Stoute toe, "n'a pas, comme dit est, en
+vain instituée ycelle ordre." [240]
+
+Het was noodig, die hooge bedoelingen te accentueeren, wilde het Gulden
+Vlies die eerste plaats veroveren, die de hoogmoed van Philips begeerde.
+Want het stichten van ridderorden was sedert lang een ware mode. Ieder
+vorst moest zijn orde hebben, zelfs aanzienlijke edelen bleven niet
+achter. Daar is Boucicaut met zijn Ordre de la Dame blanche à l'escu
+verd, ter verdediging van de hoofsche minne en van verdrukte vrouwen.
+Daar is koning Jan met zijn Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison
+(1351), gewoonlijk naar hun insigne de orde van de Ster genoemd. In het
+Edele Huis te Saint Ouen bij Saint Denis hadden zij een "table d'oneur",
+waaraan bij de plechtigheden moesten plaatsnemen de drie dapperste
+prinsen, de drie dapperste baanroedsen (bannerets) en de drie dapperste
+ridders (bachelers). Daar is Pierre de Lusignan met de orde van het
+Zwaard, die van zijn leden een zuiver leven eischte en hun het zinrijk
+symbool omhing van een gouden keten, waarvan de letter S de schakels
+vormde, en zij beduidde "silence". Daar was Amadeus van Savoie met de
+Annonciade, Louis de Bourbon met het Gouden Schild, Coucy, die een
+keizerskroon gehoopt had, met de omgekeerde Kroon, de Beiersche hertogen
+van Holland-Henegouwen met hun Antonius-orde, het T-kruis met klokje,
+dat op sommige portretten de aandacht trekt. [241]
+
+Eustache Deschamps parodieert die zucht naar ridderorden met een Ordre
+des fumeux, een Ordre de la baboue, een Ordre du collier, dat is de
+strop. [242]
+
+De oorzaak, dat het Gulden Vlies boven allen opgang heeft gemaakt, is
+niet ver te zoeken. Het was de rijkdom der Bourgondiërs, die er achter
+zat. Misschien droeg er ook de bijzondere praal toe bij, waarmee de orde
+was uitgerust, en de gelukkige vinding van het symbool. Aanvankelijk was
+bij het Gulden Vlies alleen aan dat van Colchis gedacht. De vertelling
+van Jason was algemeen bekend; Froissart laat haar in een Pastourelle
+door een herder verhalen. [243] Maar aan Jason als fabelheld was een
+luchtje; hij had zijn trouw gebroken, en dit thema leende zich tot
+onaangename toespelingen op de politiek der Bourgondiërs jegens
+Frankrijk. Alain Chartier dichtte:
+
+ "A Dieu et aux gens detestable
+ Est menterie et trahison,
+ Pour ce n'est point mis à la table
+ Des preux l'image de Jason,
+ Qui pour emporter la toison
+ De Colcos se veult parjurer.
+ Larrecin ne se peult celer." [244]
+
+Nu maakte Jean Germain, de geleerde bisschop van Chalons en kanselier
+der orde, Philips opmerkzaam op het vlies, dat Gideon spreidde en waar
+des hemels dauw op viel. [245] Het was een bijzonder gelukkige gedachte,
+want dit vlies van Gideon was een der treffendste symbolen van de
+bevruchting van Maria's schoot. Zoo verdrong de bijbelsche held den
+heiden als patroon van het Gulden Vlies, zoodat Jacques du Clercq zelfs
+kon beweren, dat Philips opzettelijk Jason niet gekozen had, omdat deze
+zijn trouw brak. [246] "Gedeonis signa" noemt een lofdichter van Karel
+den Stoute de orde, [247] maar anderen zooals de kroniekschrijver
+Theodericus Pauli blijven spreken van Vellus Jasonis. De opvolger van
+Jean Germain als kanselier der orde, bisschop Guillaume Fillastre,
+overtrof zijn voorganger en vond in de heilige schrift nog vier vliezen
+daarenboven: van Jacob, koning Mesa van Moab, Job en David. [248] Elk
+daarvan liet hij een deugd verbeelden, en aan elk der zes zou hij een
+boek wijden. Dit was ongetwijfeld "overdoing it"; Fillastre liet de
+gevlekte schapen van Jacob als symbool van justitia figureeren; [249]
+hij had eenvoudig alle plaatsen genomen, waar de Vulgaat het woord
+"vellus" heeft, een merkwaardig staaltje van de gewilligheid der
+allegorie. Men vindt niet, dat zijn denkbeeld blijvend opgang heeft
+gemaakt.
+
+De staatsie en plechtigheden van het Gulden Vlies zijn dikwijls genoeg
+beschreven; ze hier te vermelden zou enkel stof toevoegen aan wat
+hierboven in hoofdstuk II over den praal van het hofleven is gezegd. Een
+enkele trek uit de gebruiken der orde verdient hier vermelding, omdat
+hij zoo sterk het karakter van een primitief en heilig spel suggereert.
+Behalve de ridders telt de orde haar ambtenaren: den kanselier, den
+tresorier, den griffier, en voorts den wapenkoning met zijn staf van
+herauten en poursuivants. Deze laatste groep, meer in het bijzonder
+belast met het dienen van het edele ridderspel, draagt symbolische
+namen. De wapenkoning zelf heet Toison d'or, zoo Jean Lefèvre de Saint
+Remy, zoo nog Nicolaas de Hames, bekend van het Verbond der edelen in
+1565. De herauten dragen landnamen: Charolais, Zélande. De eerste der
+poursuivants heet Fusil, naar den vuurslag in de ordeketen, het embleem
+van Philips den Goede. De anderen dragen namen van romantischen klank
+als Montreal, of van deugden als Persévérance, of namen ontleend aan de
+allegorie van den Roman de la rose, als Humble Requeste, Doulce Pensée,
+Léal Poursuite. Bij de groote feesten worden zulke poursuivants plechtig
+door een besprenkeling met wijn met die namen gedoopt door den
+grootmeester, of wel hij verandert hun namen bij hun verheffing tot
+hoogeren rang. [250]
+
+De geloften, die de ridderorde oplegt, zijn slechts een vaste,
+collectieve vorm van de persoonlijke ridderlijke gelofte, om een of
+ander heldenstuk te volbrengen. Dit is wellicht het punt, waar men de
+grondslagen van het ridder-ideaal het best in hun samenhang ziet. Wie
+geneigd mocht zijn, het verband van ridderslag, tournooi en ridderorde
+met primitieve gebruiken voor een inval te houden, vindt bij de
+ridderlijke gelofte het barbaarsche karakter zoo aan de oppervlakte,
+dat geen twijfel mogelijk is. Het zijn echte survivals, waarvoor de
+parallellen te vinden zijn in het oud-indische _vratam_, in het
+Nazireeërschap der Joden, en het meest onmiddellijk wellicht in de
+gewoonten der Noormannen uit hun sagentijd.
+
+Hier evenwel is niet het ethnologische vraagstuk aan de orde, maar de
+vraag, welke waarde die geloften hadden in het laat-middeleeuwsche
+geestesleven zelf. Er zijn drie waarden mogelijk: een godsdienstig-
+ethische, een romantisch-erotische en een hoofsch-speelsche. Alle drie
+zijn ongescheiden aanwezig; het denkbeeld der gelofte schommelt tusschen
+de hoogste levenswijding in dienst van het ernstigste ideaal en den
+ijdelsten spot over het kostbare gezelschapsspel, dat met moed en liefde
+en staatsbelang zich maar wat vermaakt. Het spel-element overweegt; de
+geloften zijn goeddeels opluistering geworden van het hoffeest. Toch
+worden zij nog altijd verbonden aan de ernstigste oorlogsondernemingen:
+den inval van Eduard III in Frankrijk, het kruistochtplan van Philips
+den Goede.
+
+Hier geldt hetzelfde als bij de tournooien: zoo smakeloos en versleten
+als ons de opgemaakte romantiek der Pas d'armes scheen, zoo ijdel en
+leugenachtig schijnen ons die "voeux du faisan". Tenzij ook hier ons de
+passie zelf bewust is, die dit alles heeft vervuld. Het is de droom van
+het schoone leven, zoo goed als de feesten en de vormen van het
+Florentijnsche leven van Cosimo en Lorenzo die droom zijn geweest.
+Daar in Italië is hij bezonken in eeuwige schoonheid, hier is zijn
+betoovering vervlogen met de menschen, die hem droomden.
+
+De verbinding van askese en erotiek, die ten grondslag ligt aan de
+fantazie van den held, die de maagd bevrijdt, of voor haar bloedt, het
+kernmotief van de tournooi-romantiek, vertoont zich in anderen vorm en
+bijna nog onmiddellijker gedaante bij de ridderlijke gelofte. De ridder
+De la Tour Landry verhaalt in de leering aan zijn dochters van een
+zonderlinge orde van minnende edelen en vrouwen, die in zijn jeugd in
+Poitou en elders had bestaan. Zij noemden zich Galois et Galoises, en
+hielden "une ordonnance moult sauvaige", waarvan het voornaamste was,
+dat zij in den zomer zich warm moesten kleeden in pelzen en gevoerde
+kaproenen, en vuur in de schouw branden, terwijl zij in den winter
+niets mochten dragen dan een rok zonder bont, geen mantels of andere
+beschutting, geen hoed, handschoenen of mof, hoe 't ook vroor.
+'s Winters strooiden zij groene bladeren op den grond en verborgen den
+schoorsteen achter groene takken, en op hun bed mocht slechts een dunne
+deken zijn. Men kan in deze wonderlijke afdwaling,--zoo zonderling, dat
+de schrijver haar kwalijk verzonnen kan hebben--, moeilijk iets anders
+zien dan een ascetische verhooging van den prikkel der liefde, ofschoon
+het niet geheel duidelijk wordt. Het primitief karakter van de Galois en
+Galoises wordt nog geaccentueerd door hun regel, dat een echtgenoot den
+Galois, die bij hem te gast kwam, zijn geheele huis en zijn vrouw moest
+overlaten, om zelf naar zíjn Galoise te gaan; deed hij het niet, dan
+strekte het hem tot groote schande. Velen van de orde waren volgens den
+ridder De la Tour Landry van koude gestorven: "Si doubte moult que ces
+Galois et Galoises qui moururent en cest estat et en cestes amouretes
+furent martirs d'amours." [251]
+
+Er zijn meer voorbeelden te noemen, die het primitief karakter van de
+ridderlijke gelofte verraden. Zoo het gedicht, dat de geloften
+beschrijft, waartoe Robert van Artois den koning van Engeland, Eduard
+III, en zijn edelen uitlokte, ten einde den oorlog tegen Frankrijk te
+beginnen: _Le Voeu du Héron_. Het is een verhaal van geringe historische
+waarde, maar de geest van barbaarsche woestheid, die er uit spreekt, is
+wel geschikt, om het wezen der ridderlijke gelofte te leeren kennen.
+
+De graaf van Salisbury zit bij het feestmaal aan de voeten van zijn
+dame. Als zijn beurt om een gelofte te doen gekomen is, verzoekt hij
+de geliefde, om één vinger op zijn rechteroog te leggen. Wel twee,
+antwoordt zij, en drukt met twee vingers het rechteroog van den ridder
+toe. "Belle, est-il bien clos?" vraagt deze. "Oyl, certainement."
+"Welaan dan," zegt Salisbury, "dan gelove ik aan God almachtig en zijn
+zoete Moeder, dit oog niet weer te openen, om geen smart of kwelling,
+eer ik in Frankrijk den brand gestoken heb in 's vijands land en de
+mannen van koning Philips bestreden":
+
+ "Or aviegne qu'aviegne, car il n'est autrement.
+ --Adonc osta son doit la puchelle au cors gent,
+ Et li iex clos demeure, si que virent la gent." [252]
+
+De werkelijkheid, die dit geval weerspiegelt, blijkt uit Froissart: hij
+zag inderdaad Engelsche heeren, die één oog met een lap bedekt hielden
+ter voldoening aan de gelofte, om slechts met één oog te zien, totdat
+zij dapperheid in Frankrijk hadden verricht. [253]
+
+De bijzondere wildheid spreekt in _Le Voeu du Héron_ nog sterker uit de
+gelofte van Jehan de Faukemont, die klooster noch altaar, zwangere vrouw
+noch kind, vriend noch maag wil sparen, om koning Eduard te dienen.
+Tenslotte verzoekt de koningin, Philippa van Henegouwen, haar gemaal,
+ook een gelofte te mogen doen.
+
+ "Adonc, dist la roine, je sai bien, que piecha [254]
+ Que sui grosse d'enfant, que mon corps senti l'a.
+ Encore n'a il gaires, qu'en mon corps se tourna.
+ Et je voue et prometh a Dieu qui me créa....
+ Que ja li fruis de moi de mon corps n'istera, [255]
+ Si m'en arès menée ou païs par de-là
+ Pour avanchier le veu que vo corps voué a;
+ Et s'il en voelh isir, quant besoins n'en sera,
+ D'un grant coutel d'achier li miens corps s'ochira;
+ Serai m'asme perdue et li fruis perira!"
+
+Een huiverend stilzwijgen ontvangt de godslasterlijke gelofte. De dichter
+zegt enkel:
+
+ "Et quant li rois l'entent, moult forment l'en pensa,
+ Et dist: certainement, nuls plus ne vouera."
+
+Haar en baard, overal immers de dragers van magische potentie, hebben
+nog bij de geloften der Middeleeuwen een bijzondere beteekenis.
+Benedictus XIII, de paus van Avignon, en daar feitelijk opgesloten,
+zweert, ten teeken van droefheid zijn baard niet te laten scheren, aleer
+hij de vrijheid herkregen heeft. [256] Als Lumey dezelfde gelofte doet
+met betrekking tot de wraak voor Egmond, hebben wij te doen met een
+laatsten uitlooper eener zede, die in den verren voortijd heilige
+beteekenis had gehad.
+
+De zin der gelofte is in den regel, dat men zich een onthouding oplegt
+als prikkel om het volbrengen der geloofde daad te verhaasten. Veelal is
+het een onthouding in verband met spijzen. De eerste, dien Philippe de
+Mézières als ridder opnam in zijn Chevalerie de la Passion, was een
+Pool, die in negen jaar niet zittende gegeten of gedronken had. [257]
+Bertrand du Guesclin is zeer haastig met zulke geloften. De eene maal
+geldt het een uitdaging van een Engelsch krijgsman: Bertrand verklaart,
+slechts drie wijnsoepen te zullen gebruiken in naam der heilige
+Drieëenheid, totdat hij den uitdager bestreden heeft. Een ander maal is
+het, dat hij geen vleesch zal eten en zich niet zal uitkleeden, eer hij
+Montcontour heeft genomen. Of zelfs, dat hij niet eten zal, eer hij met
+de Engelschen tot een treffen gekomen is. [258]
+
+De magische bedoeling, die bij dat vasten op den achtergrond ligt, was
+natuurlijk een edelman der veertiende eeuw niet meer bewust. Voor ons
+spreekt zulk een ondergrond vooral zeer direct uit het veelvuldig
+gebruik van kluisters als teeken van een gelofte. Op 1 Januari 1415 doet
+hertog Jean de Bourbon, "désirant eschiver oisiveté, pensant y acquérir
+bonne renommée et la grâce de la très-belle de qui nous sommes
+serviteurs", de gelofte om met zestien andere ridders en knapen
+gedurende twee jaar elken Zondag aan het linkerbeen een boei als van een
+gevangene te dragen, de ridders in goud, de knapen in zilver, totdat hij
+zestien ridders vindt, die het gezelschap willen bestrijden in een
+gevecht te voet "à outrance". [259] Jacques de Lalaing ontmoet te
+Antwerpen in 1445 een Siciliaanschen ridder Jean de Boniface, die als
+"chevalier aventureux" van het hof van Arragon gekomen is. Hij draagt
+aan het linkerbeen een ijzer, zooals de slaven het dragen, hangende aan
+een gouden keten, een "emprise" ten teeken dat hij vechten wou. [260] In
+den roman van den _Petit Jehan de Saintré_ draagt de ridder Loiselench
+twee gouden ringen aan arm en been, elk aan een gouden keten, totdat hij
+een ridder vindt, die hem "verlost" van zijn emprise. [261] Want zoo
+heet het: "délivrer"; men raakt het teeken aan, als het gaat "pour
+chevalerie"; men rukt het af, als het om 't leven gaat.--Reeds La Curne
+de Sainte Palaye heeft opgemerkt, dat bij de oude Chatti volgens Tacitus
+volkomen hetzelfde gebruik werd aangetroffen [262]. Ook de kluisters,
+die boetelingen op hun bedevaart droegen, of die vrome asceten zich zelf
+aanlegden, zijn van de emprises der laat-middeleeuwsche ridders niet te
+scheiden.
+
+Wat de beroemde feestelijke geloften der vijftiende eeuw, met name de
+Voeux du Faisan bij het hoffeest van Philips den Goede te Rijsel in
+1454, ter voorbereiding van den kruistocht ons van dit alles nog te zien
+geven, is niet veel meer dan een fraaie hoofsche vorm. Niet dat de
+spontane gewoonte, om in nood of sterke gemoedsbeweging een gelofte te
+doen, iets van haar kracht zou hebben verloren. Zij heeft zoo diepe
+psychologische wortelen, dat zij aan beschaving noch geloof gebonden is.
+Doch de ridderlijke gelofte als cultuurvorm, als een tot levenstooi
+verheven zede, beleeft in die pralende buitensporigheid van het
+Bourgondische hof haar laatste phase.
+
+Het thema van de handeling is nog altijd het onmiskenbaar overoude.
+Men doet de geloften aan het feestmaal, en zweert bij een vogel, die
+opgedragen en later gegeten wordt. Ook de Noormannen kennen de met
+elkaar wedijverende geloften bij het feestmaal in dronkenschap; een der
+vormen is die, waarbij men het everzwijn aanraakt, dat opgedragen wordt.
+[263] De fazant van het beroemde feest te Rijsel schijnt wel een levende
+te zijn geweest. [264] De geloften worden afgelegd aan God en Onze Lieve
+Vrouw, aan de dames en aan den vogel. Het schijnt niet gewaagd, te
+veronderstellen, dat de godheid hier niet de oorspronkelijke ontvanger
+der geloften is: inderdaad geloven velen alleen aan de dames en den
+vogel. [265] In de onthoudingen, die men zich oplegt, is weinig
+afwisseling. De meeste hebben betrekking op eten en slapen. Deze ridder
+zal Zaterdags niet in een bed slapen, eêr hij een Saraceen bevochten
+heeft, noch ook vijftien dagen achtereen in dezelfde stad vertoeven.
+Een ander zal Vrijdags geen dierlijk voedsel nuttigen, eêr hij den banier
+van den Grooten Turk heeft aangetast. Weer een ander stapelt askese op
+askese: hij zal in het geheel geen harnas dragen, Zaterdags geen wijn
+drinken, niet in een bed slapen, niet aan tafel zitten, en een harige
+pij dragen. Men omschrijft nauwkeurig de wijze, waarop men de geloofde
+heldendaad zal uitvoeren. [266]
+
+Hoeveel ernst is er in? Wanneer messire Philippe Pot de gelofte doet,
+op den Turkentocht zijn rechterarm onbedekt te laten door eenige
+wapenrusting, laat de hertog onder de (schriftelijk geregistreerde)
+gelofte aanteekenen: "Ce n'est pas le plaisir de mon très redoubté
+seigneur, que messire Phelippe Pot voise en sa compaingnie ou saint
+voyage qu'il a voué, le bras désarmé; mais il est content qu'il voist
+aveuc lui armé bien et soufisamment, ainsy qu'il appartient." [267]
+Blijkbaar werd er dus nog ernst en gevaar in gezien. Over de gelofte
+van den hertog zelf heerscht algemeene aandoening. [268]
+
+Sommigen doen voorzichtig voorwaardelijke geloften, die tegelijk
+getuigen van de ernstige bedoeling en van het voldaan zijn met den
+schoonen schijn. [269] Soms naderen de geloften reeds tot de
+"philippine", die er een bleeke rest van is. [270] Een spottend element
+ontbreekt zelfs niet bij den grimmigen Voeu du héron; immers Robert van
+Artois biedt den koning, hier voorgesteld als minder belust op den
+krijg, den reiger aan, als den bangsten der vogels. Als Eduard zijn
+gelofte heeft gedaan, lachen allen. Jan van Beaumont, wien de _Voeu du
+héron_ de vroeger reeds vermelde woorden [271] in den mond legt, die met
+fijnen spot het gepassioneerde karakter onthullen van de geloften, bij
+den wijn en onder de oogen der vrouwen gedaan, doet volgens een ander
+verhaal bij den reiger de cynische gelofte, dat hij dien heer zou
+dienen, van wien hij 't meest aan geld en goed te wachten had. Waarop
+de Engelsche heeren lachten. [272]--Hoe moet, ondanks alle pompeuze
+gewichtigheid, waarmee de Voeux du faisan werden opgenomen, de
+tafelstemming zijn geweest, wanneer Jennet de Rebreviettes de gelofte
+kon doen, om, als hij niet vóór den krijgstocht de gunsten van zijn dame
+deelachtig werd, bij den terugkeer uit het Oosten de eerste vrouw of
+jonkvrouw te huwen, die twintig duizend kronen heeft ... "se elle
+veult". [273] Toch trekt diezelfde Rebreviettes de wereld in, om als
+"povre escuier" avontuur te zoeken, en strijdt bij Ceuta en Granada
+tegen de Mooren.
+
+Zoo lacht de moede aristocratie om haar eigen ideaal. Wanneer zij met
+alle middelen van fantazie en kunstvaardigheid en rijkdom haar
+hartstochtelijken droom van het schoone leven had getooid en gekleurd en
+tot plastischen vorm gebracht, dan bezon zij zich, dat het leven toch
+eigenlijk niet zoo schoon was, en lachte. IJdele waan, die
+ridderheerlijkheid, mode en ceremonie, een fraai en leugenachtig spel!
+De werkelijke geschiedenis der laatste Middeleeuwen, zegt de historicus,
+die uit de acta de ontwikkeling van staat en bedrijf naspeurt, heeft met
+die valsche ridderlijke Renaissance weinig te maken; het was een oud
+vernis, dat reeds afbladderde. De mannen, die die geschiedenis maakten,
+waren waarlijk geen droomers, maar zeer berekenende, nuchtere staatslieden
+en kooplieden, 't zij vorsten, edelen, prelaten of burgers.
+
+Zeker, dat waren zij ook. Maar de geschiedenis der beschaving heeft
+evenveel te maken met de droomen van schoonheid en den waan des edelen
+levens als met de cijfers van bevolking en belasting. Een onderzoeker,
+die de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en
+verkeer, uit de politieke en militaire conflicten, zou aan het eind van
+zijn studiën kunnen zeggen: ik heb van de muziek heel weinig gemerkt,
+die heeft blijkbaar in dezen tijd weinig voor de cultuur beteekend.
+
+Zoo is het eenigermate, wanneer men ons de geschiedenis der Middeleeuwen
+uit de staatkundige en economische bescheiden beschrijft. Bovendien zou
+het kunnen zijn, dat het ridderideaal, zoo gekunsteld en versleten als
+het was, op de zuiver staatkundige geschiedenis der laatste Middeleeuwen
+toch nog voortdurend machtiger invloed had uitgeoefend, dan men zich
+gewoonlijk voorstelt.
+
+De bekoring van den adellijken levensvorm was zoo groot, dat ook de
+burgers hem aannemen, waar zij kunnen. Wij stellen ons de Artevelde's
+voor als echte mannen van den derden stand, fier op hun burgerlijkheid
+en hun eenvoud. Integendeel: Philips van Artevelde hield vorstelijken
+staat, hij liet alle dagen voor zijn hôtel de speellieden blazen, als
+hij aan tafel ging, liet zich bedienen uit zilveren vaatwerk, of hij de
+graaf van Vlaanderen was, ging gekleed in scharlaken en menu vair als
+een hertog van Brabant of graaf van Henegouwen, reed uit als een vorst,
+het ontrolde vaantje voor hem gedragen met zijn blazoen van sabel met
+drie zilveren hoeden. [274] Wie schijnt ons moderner dan de geldmagnaat
+der vijftiende eeuw, Jacques Coeur, de voortreffelijke financier van
+Karel VII? Als men de levensbeschrijving van Jacques de Lalaing mag
+gelooven, heeft de groote bankier hartelijk belang gesteld in het
+ouderwetsche dolende-ridderschap van den Henegouwschen held. [275]
+
+Alle hoogere vormen van het burgerlijke leven van den nieuweren tijd
+berusten op navolging van adellijke levensvormen. Evengoed als het brood
+in het servet en het woord "serviette" zelf hun herkomst hebben uit den
+middeleeuwschen hofstaat, [276] zijn de burgerlijkste bruiloftsaardigheden
+afstammelingen van de grandioze "entremets" van Rijsel. Om de cultuur-
+historische beteekenis van het ridderideaal ten volle te begrijpen, zou
+men het moeten volgen in Shakespeare's en Molière's tijd tot aan den
+modernen gentleman.
+
+Hier echter is het er om te doen, de werking van dat ideaal op de
+werkelijkheid in de laatste Middeleeuwen zelf aan te wijzen. Lieten
+staatkunde en oorlogvoering zich inderdaad eenigermate beheerschen door
+ridderlijke voorstellingen? Ongetwijfeld, zoo niet in haar deugden, dan
+toch in haar fouten. Zooals de tragische vergissingen van den
+hedendaagschen tijd voortspruiten uit den waan van het nationalisme en
+den cultuurhoogmoed, zoo sproten die van de Middeleeuwen meer dan eens
+voort uit de chevalereske gedachte. Ligt niet het motief voor de
+schepping van den nieuwen Bourgondischen staat, die grootste fout, die
+Frankrijk kon begaan, in een ridderlijk moment? Koning Jan, het
+ridderlijke warhoofd, schenkt het hertogdom in 1363 aan den jongen zoon,
+die bij Poitiers naast hem stand had gehouden, toen de oudere vluchtte.
+Evenzoo is de bewuste gedachte, die de latere anti-fransche politiek
+voor de geesten der tijdgenooten moet rechtvaardigen: de wraak voor
+Montereau, de verdediging van ridderlijke eer. Ik weet wel, men kan dat
+alles ook verklaren uit berekenende, zelfs vooruitziende politiek, maar
+dat neemt niet weg, dat de waarde van het feit, het beeld van het feit
+van 1363 voor de tijdgenooten was en bleef: de ridderlijke moed,
+vorstelijk beloond. Die Bourgondische staat in zijn snelle ontplooiing
+is een gebouw van politiek overleg en geslaagde nuchtere berekening.
+Maar wat men de Bourgondische idee zou kunnen noemen, kleedt zich steeds
+in de vormen van het ridderideaal. De bijnamen der hertogen: het Sans
+peur, le Hardi, het Qui qu'en hongne, dat voor Philips door le Bon
+verdrongen werd, zijn alle opzettelijke vindingen van de hoflittérateurs,
+om den vorst te plaatsen onder de stralen van het ridderlijke ideaal. [277]
+
+Daar was één groot politiek streven, dat onverbrekelijk verbonden was
+aan het ridderideaal: de kruistocht, Jeruzalem! Want Jeruzalem, zoo
+heette nog altijd de gedachte, die als hoogste politieke idee allen
+vorsten van Europa voor oogen stond, en hen voor en na tot handelen
+dreef. Er was hier een zonderling contrast tusschen het reëele politieke
+belang en de politieke idee. Er bestond voor de Christenheid der
+veertiende en vijftiende eeuw een Oostersche kwestie van de uiterste
+urgentie: het afweren der Turken, die reeds Adrianopel genomen (1378)
+en het Servische rijk vernietigd hadden (1389). Op den Balkan lag het
+gevaar. Doch Europa's eerste en noodzakelijkste staatkunde kon zich nog
+niet losmaken van de kruistochtidee. Zij kon de Turksche kwestie slechts
+zien als een onderdeel van de groote heilige taak, waarin de voorvaders
+waren te kort geschoten: de bevrijding van Jeruzalem.
+
+Bij deze gedachte nu stond het ridderlijk ideaal op den voorgrond; hier
+kon en moest het een bijzonder nadrukkelijke werking uitoefenen. Immers
+het godsdienstig gehalte van het ridderideaal vond hier zijn hoogste
+belofte, en de bevrijding van Jeruzalem kon niet anders zijn dan heilig,
+edel ridderwerk. Juist doordat nu het godsdienstig-ridderlijke ideaal
+zich bij het bepalen der Oostersche staatkunde in zoo sterke mate deed
+gelden, kan tot zekere hoogte het geringe succes der Turkenbestrijding
+worden verklaard. De expedities, die bovenal nauwkeurige berekening en
+geduldige voorbereiding eischten, werden ontworpen en opgezet onder een
+hoogere spanning, die niet leidde tot een rustige overweging van het
+bereikbare, maar tot een verromantiseering van het plan, die ijdel kon
+zijn of noodlottig kon worden. De katastrofe van Nicopolis in 1396 had
+getoond, hoe gevaarlijk het was, een nuttige expeditie tegen een zeer
+strijdbaren vijand op te zetten in den ouden trant van een dier
+ridderlijke reizen naar Pruisen of Litauen, om wat arme heidenen dood
+te slaan. Wie zijn het, die de kruistochtplannen ontwerpen? De droomers
+als Philippe de Mézières, die er zijn leven aan wijdde, de politieke
+fantasten, zooals Philips de Goede het met al zijn sluwe berekening was.
+
+Alle koningen hadden de bevrijding van Jeruzalem nog altijd tot een
+obligate levenstaak. In 1422 is Hendrik V van Engeland stervende. De
+jonge veroveraar van Rouen en Parijs wordt weggerukt midden uit het
+werk, waarmee hij Frankrijk in ellende had gestort. De geneesheeren
+hebben hem aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de
+biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen
+worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona
+voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem, [278] laat de koning
+stilhouden en zegt luide, dat het zijn voornemen was geweest, om na het
+herstellen van den vrede in Frankrijk Jeruzalem te gaan veroveren, "se
+ce eust esté le plaisir de Dieu son créateur de le laisser vivre son
+aage". En daarna laat hij de lezing der boetpsalmen voltooien, en sterft
+weldra. [279]
+
+De kruistocht was sedert lang ook een voorwendsel geworden om bijzondere
+opbrengsten te heffen; ook Philips de Goede heeft van die gelegenheid
+ruimschoots gebruik gemaakt. Doch enkel veinzerij uit winstbejag zal bij
+hem het plan toch niet zijn geweest. [280] Het schijnt een mengeling van
+ernstig streven en den toeleg, om door dit bij uitstek nuttige en tevens
+bij uitstek ridderlijke plan zich als den redder der Christenheid een
+glorie te verzekeren boven zijn meerderen in rang, de koningen van
+Frankrijk en Engeland. Le voyage de Turquie bleef een troefkaart, die
+niet werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te
+doen uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren
+gewichtige bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke
+lieden schudden het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een
+gevaarlijken tocht zou ondernemen; zoowel de landen als de dynastie
+zouden gevaar loopen. Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips
+met eerbied ontvangen in Den Haag en in plechtige processie ontplooid,
+terwijl bij het feest te Rijssel en daarna de geloften tot de reize
+verzameld werden, terwijl Joffroy de Toisy de Syrische havens
+onderzocht, Jean Chevrot, de bisschop van Doornik, de collecten leidde
+en Guillaume Fillastre zijn gansche uitrusting reeds klaar had, en er
+reeds schepen voor den tocht in beslag waren genomen, heerschte er toch
+een vage verwachting, dat de tocht niet zou doorgaan. [281] Des hertogen
+eigen gelofte te Rijssel klonk dan ook wel zeer voorwaardelijk: hij zou
+gaan, mits de landen, die God hem had toevertrouwd om te regeeren, in
+vrede en veiligheid zijn. [282]
+
+Uitvoerig voorbereide en luidruchtig aangekondigde krijgsexpedities,
+waar niets van komt, schijnen overigens, ook afgescheiden van het
+kruistochtideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn
+geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in
+1383, die van Philips den Stoute tegen Engeland in 1387, waartoe de
+prachtige vloot zeilree lag in de haven van Sluis, die van Karel VI
+tegen Italië in 1391.
+
+Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie met het doel van
+politieke reclame was het altijd weer aangekondigde en nimmer
+verwezenlijkte vorstenduel. Ik heb vroeger elders uiteengezet, hoe de
+staatsgeschillen der vijftiende eeuw nog als een twist van partijen, een
+persoonlijke querelle werden opgevat. [283] Men dient "la querelle des
+Bourguignons". Wat was natuurlijker, dan dat de vorsten het zelf gingen
+uitvechten, gelijk nu nog in het politieke spoorweggesprek wordt
+verzucht?--Inderdaad was deze oplossing, die zoowel een primitief
+rechtsgevoel als de ridderlijke fantazie bevredigde, telkens aan de
+orde. Wanneer men leest van de uitvoerige toebereidselen tot die
+vorstelijke tweegevechten, vraagt men zich twijfelend af, of dit alles
+enkel een fraai spel van bewust veinzen is geweest, de zucht naar een
+schoon leven alweer, of wel dat de vorstelijke kampvechters werkelijk
+den strijd hebben verwacht. Zeker is het, dat de geschiedschrijvers van
+dien tijd het even ernstig opnemen als de kamplustige vorsten zelf.
+Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn kroniek een ruime
+plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van Engeland door Lodewijk
+van Orleans. [284] In het woeste en schitterende brein van dien Orleans,
+waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en fantastische idealen
+van ridderstrijd en hoofsche liefde naast débauche, cynisme en
+tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk
+voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest
+van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de
+middelen van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was
+Humphrey van Glocester, dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de
+uitdaging wordt duidelijk als motief vermeld: "pour éviter effusion de
+sang chrestien et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay
+compacion", "que par mon corps sans plus ceste querelle soit menée à
+fin, sans y aler avant par voies de guerres, dont il convendroit mains
+gentilz hommes et aultres, tant de vostre ost comme du mien, finer leurs
+jours piteusement." [285] Alles werd voor den strijd in gereedheid
+gebracht: het kostbare harnas en de prachtige kleederen, die de hertog
+dragen zou, waren vervaardigd; er werd gewerkt aan tenten, standaarden
+en vanen, wapenrokken voor de herauten en poursuivants, alles bezaaid
+met de blazoenen van 's hertogen landen, met den vuurslag en het Sint
+Andrieskruis. Philips was in training: "tant en abstinence de sa bouche
+comme en prenant painne pour luy mettre en alainne." [286] In zijn park
+te Hesdin oefende hij zich dagelijks onder leiding van ervaren
+vechtmeesters. [287] De rekeningen vermelden de kosten, aan dat alles
+besteed, en nog in 1460 was de kostbare tent, voor deze gelegenheid
+vervaardigd, te Rijssel te zien. [288] Maar van het gevecht kwam niets.
+
+Dit belette niet, dat hij later in het geschil met den hertog van Saksen
+over Luxemburg, dezen opnieuw kamp aanbood, en dat bij het feest van
+Rijssel, toen Philips bijna zestig jaar oud was, zijn kruisgelofte
+inhield, dat hij gaarne bereid was, den Grooten Turk corps à corps te
+bestrijden, als deze dat verkoos. [289] Men vindt den weerklank van die
+hardnekkige kampliefde van Philips den Goede nog in een verhaaltje van
+Bandello, hoe hij eens met de grootste moeite weerhouden zou zijn van
+een eereduel met een zijner edelen. [290]
+
+De vorm handhaaft zich nog in de volle Italiaansche Renaissance.
+Francesco Gonzaga biedt kamp aan Cesare Borgia: met zwaard en dolk wil
+hij Italië van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den
+koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een
+roerende verzoening besluit het geval. [291] Zelfs Karel V heeft nog in
+allen vorm aangeboden, den strijd met Frans I door een persoonlijk
+tweegevecht te beslechten.
+
+De gerechtelijke en de spontane tweekamp leefde juist in de Bourgondische
+landen en in het twistzieke Noorden van Frankrijk nog bijzonder sterk in
+zeden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de beslissing
+bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen op zich zelf
+weinig te maken. Zoodra de strijd geen edelen geldt, ziet men al de ruwe
+wreedheid van den tijd, ontdaan van het masker der hooghartige chevalerie.
+
+Niets is in dit opzicht merkwaardiger dan de verbazende belangstelling,
+door de edelen en door de geschiedschrijvers aan den dag gelegd voor een
+gerechtelijken kamp van twee burgers te Valenciennes in 1455. [292]
+Het was een groote zeldzaamheid; in geen honderd jaar was zoo iets
+voorgekomen. Die van Valenciennes wilden het tot elken prijs laten
+doorgaan, want het betrof voor hen de handhaving van een oud privilege,
+maar de graaf van Charolais, die het bewind voerde tijdens Philips'
+afwezigheid in Duitschland, wilde het niet, en stelde de voltrekking van
+maand tot maand uit, terwijl de beide partijen, Jacotin Plouvier en
+Mahuot, als kostbare vechthanen werden vastgehouden. Toen de oude hertog
+van zijn reis naar den keizer terug was, werd terstond beslist, dat de
+strijd doorgaan zou. Philips wilde hem met alle geweld zelf zien;
+daartoe alleen koos hij van Brugge naar Leuven den weg over
+Valenciennes. Terwijl nu de ridderlijke geesten als Chastellain en La
+Marche bij hun beschrijvingen van de feestelijke Pas d'armes van ridders
+en edelen met alle inspanning van hun verbeelding geen enkele maal een
+realiteit kunnen schilderen, geven zij hier het scherpst geziene beeld.
+Hier komt de ruwe, felle Vlaming, die Chastellain was, onder de
+prachtige houppelande van goud en rood granaatpatroon te voorschijn.
+Geen bijzonderheid ontgaat hem van de "moult belle serimonie"; hij
+beschrijft nauwkeurig het krijt en de banken rondom. De arme
+slachtoffers hebben elk hun vechtmeester bij zich. Jacotin als klager
+treedt het eerst binnen, blootshoofds met kort geknipt haar en heel
+bleek. Hij is geheel genaaid in een kleeding van corduwaanleder uit één
+stuk, zonder iets daaronder. Na eenige vrome kniebuigingen en begroeting
+van den hertog, die achter een traliewerk gezeten is, wachten de
+kampvechters het oogenblik af, zittende in twee met zwart bekleede
+stoelen tegenover elkaar. De heeren in het rond maken zacht hun
+opmerkingen over de kansen: alles wordt opgemerkt: Mahuot wordt
+aschbleek, toen hij het evangelie kust! Dan komen twee knechten en
+wrijven de kampvechters van den hals tot de enkels in met vet. Bij
+Jacotin trekt het vet terstond in het leer, bij Mahuot niet: wien zou
+dat teeken gunstig zijn? De handen worden met asch gewreven; zij nemen
+suiker in den mond; dan brengt men hun de knotsen en schilden, waarop
+heiligenfiguren staan geschilderd, die zij kussen. Zij dragen de
+schilden met de punt omhoog, en hebben in de hand "une bannerolle de
+devocion", een strook met een vrome spreuk.
+
+Mahuot, die klein was, begint het gevecht door met de punt van zijn
+schild zand te scheppen en het Jacotin in de oogen te werpen. Een
+woedend knotsgevecht volgt, het eindigt met den val van Mahuot; de ander
+werpt zich boven op hem, en wrijft hem het zand in mond en oogen, maar
+Mahuot krijgt een vinger van zijn vijand tusschen zijn tanden. Om zich
+te bevrijden drukt deze hem den duim in de oogkassen, en ondanks zijn
+geroep om genade draait hij hem de armen naar achteren en springt op den
+rug, om hem te breken. Stervende schreeuwt Mahuot vergeefs om te mogen
+biechten; dan roept hij: "O monseigneur de Bourgongne, je vous ay si
+bien servi en vostre guerre de Gand! O monseigneur, pour Dieu, je vous
+prie mercy, sauvez-moy la vie!"... Hier breekt het verhaal van
+Chastellain af; er zijn eenige bladen weg; van anderen weten wij, hoe de
+halfdoode Mahuot door den beul gehangen werd.
+
+Zou Chastellain het besloten hebben met een edele ridderlijke
+bespiegeling, na dezen ellendigen gruwel met zooveel verve te hebben
+verteld? La Marche deed het: hij bericht ons van de schaamte, die toch
+achterna den adel beving, dat men dit had aangezien. En daarom, zegt de
+onverbeterlijke hofpoëet, liet God een ridderlijk tweegevecht volgen,
+dat onschadelijk afliep.
+
+Het conflict tusschen riddergeest en werkelijkheid vertoont zich het
+duidelijkst, waar het ridderideaal zich tracht te doen gelden te midden
+van den ernstigen krijg. Hoezeer ook het ridderideaal vorm en kracht
+moge hebben gegeven aan den oorlogsmoed, het werkte toch in den regel op
+de krijgvoering meer belemmerend dan bevorderend, daar het de eischen
+der strategie opofferde aan die der levensschoonheid. Herhaaldelijk
+stellen zich de beste aanvoerders, ja de koningen zelf, bloot aan de
+gevaren van een romantisch krijgsavontuur. Eduard III waagt zijn leven
+in een hachelijken aanslag op een convooi van Spaansche schepen. [293]
+De ridders van koning Jan's orde van de Ster moeten zweren, dat zij in
+den slag nooit verder zullen vluchten dan vier "arpents", anders hebben
+zij te sterven of zich over te geven, welke zonderlinge spelregel
+volgens Froissart terstond aan wel negentig het leven kostte. [294]
+Wanneer Hendrik V van Engeland in 1415 den Franschen tegemoet gaat vóór
+den slag bij Azincourt, trekt hij bij vergissing op een avond het dorp,
+dat zijn fouriers hem als nachtverblijf bestemd hadden, voorbij. Nu had
+de koning, "comme celuy qui gardoit le plus les cérimonies d'honneur
+très loable", juist te voren gelast, dat de ridders, op verkenning uit,
+hun wapenrok moesten afleggen, om niet in strijdgewaad terug te behoeven
+te gaan. Toen hij nu zelf in wapenrok te ver vooruit was gegaan, kon hij
+niet terug; hij overnachtte dus, waar hij gekomen was, en liet de
+voorhoede dienovereenkomstig opschikken. [295]
+
+Bij de beraadslaging over den grooten Franschen inval in Vlaanderen in
+1382 verzet zich voortdurend ridderzin tegen krijgskunde: "Se nous
+querons autres chemins que le droit,--voert men aan tegen de adviezen
+van Clisson en Coucy, om langs onverwachte omwegen binnen te
+dringen,--"nous ne monsterons pas que nous soions droites gens d'armes."
+[296] Evenzoo gaat het bij een inval van Franschen aan de Engelsche kust
+bij Dartmouth in 1404. De eene aanvoerder, Guillaume du Châtel, wil de
+Engelschen in de flank vallen, daar dezen zich door een gracht op het
+strand hebben beschut. Maar de sire de Jaille noemt de verdedigers een
+troep dorpers; het zou een schande zijn, voor zulke tegenstanders uit
+den weg te gaan; hij spoort den ander aan, niet te vreezen. Dat woord
+treft Du Châtel in het vleesch: "Dat zij verre van het edele hart van
+een Breton, dat hij vreezen zou; nu zal ik, ofschoon ik eêr den dood
+voorzie dan de zege, de hachelijke fortuin beproeven." Hij voegt er de
+gelofte aan toe, dat hij geen kwartier zal vragen, valt daarop aan, en
+sneuvelt zelf, terwijl zijn bende deerlijk wordt verslagen. [297] Bij
+den tocht naar Vlaanderen is er steeds groot gedrang, om in de voorhoede
+te komen; een ridder, die met de achterhoede wordt belast, stribbelt
+hardnekkig tegen. [298]
+
+De meest eigenlijke toepassing van het ridderideaal op den oorlog
+bestond in de afgesproken aristieën, 't zij van twee strijders of van
+gelijke groepen. Het befaamde Combat des Trente is er het type van.
+Froissart vond het geweldig mooi, maar teekent toch tenslotte aan;
+"Li aucun le tenoient à proèce, et li aucun à outrage et grant
+outrecuidance." [299] Een tweegevecht van Guy de la Trémoïlle en den
+Engelschen edelman Pierre de Courtenay in 1386, dat strekken zou om de
+superioriteit van Engelschen of Franschen te bewijzen, wordt door de
+Fransche regenten Bourgondië en Berry verboden en nog op 't laatste
+oogenblik verhinderd. [300] De afkeuring van dezen nutteloozen vorm van
+dapperheidsbetoon wordt ook gedeeld door Le Jouvencel, van wien wij
+reeds vroeger in 't licht stelden, hoe bij hem de ridder plaats maakt
+voor den kapitein. Wanneer de hertog van Bedford een gevecht aanbiedt
+van twaalf tegen twaalf, laat de schrijver van _Le Jouvencel_ den
+Franschen aanvoerder antwoorden: er is een algemeene spreekwijze, dat
+men niets moet doen op aanstichten van zijn vijand. Wij zijn hier, om
+hen uit hun stelling te verdrijven, en dat geeft ons werk genoeg. En de
+uitdaging wordt geweigerd. Elders laat hij Le Jouvencel een van zijn
+officieren zulk een wedkamp weigeren met de verklaring (waarop hij
+overigens tenslotte terugkomt), dat hij tot zoo iets nooit verlof zou
+geven. Het zijn verboden dingen. Wie zulk een tweegevecht begeert, wil
+aan een ander iets ontnemen, namelijk zijn eer, om zich een ijdele
+glorie toe te kennen, die van geringe waarde is, terwijl hij intusschen
+den dienst van zijn koning en van de publieke zaak verwaarloost. [301]
+
+Dat klinkt als een stem van den nieuwen tijd. Niettemin bleef de
+gewoonte van die tweegevechten tusschen de fronten tot na de
+Middeleeuwen voortduren; uit den tachtigjarigen oorlog kent men den
+strijd van Breauté en Lekkerbeetje op de Vughtsche heide in 1600 en van
+Lodewijk van de Kethulle tegen een grooten Albaneeschen ruiter voor
+Deventer in 1591.
+
+Het krijgsbelang en de tactiek drongen meestal de ridderlijke opvattingen
+naar den achtergrond. De voorstelling, dat ook de veldslag zelf niet
+anders is dan een eerlijk afgesproken kamp om het recht, komt nog telkens
+naar voren, maar vindt zelden gehoor tegenover de eischen van het
+krijgsbeleid. Het Engelsche leger stelt den Schotten voor, om uit hun
+gunstige positie af te dalen in de vlakte, opdat men elkander kan
+bestrijden. Wanneer de koning van Frankrijk geen toegang vindt om Calais
+te ontzetten, stelt hij den Engelschen beleefd voor, ergens een slagveld
+te bepalen. Willem van Henegouwen gaat nog verder: hij doet den
+Franschen koning het voorstel, drie dagen wapenstilstand te houden, ten
+einde in dien tijd een brug te bouwen, waardoor de legers elkaar kunnen
+bereiken om slag te leveren. [302] In al die gevallen wordt het
+ridderlijke aanbod geweigerd; het strategisch belang behield de
+overhand, ook bij Philips den Goede, toen hij een zwaren strijd te
+voeren had met zijn riddereer, omdat hem op één dag driemaal de veldslag
+is aangeboden, en hij dien niet heeft aanvaard. [303]
+
+Er bleef, ook al moest voor de werkelijke belangen het ridderideaal
+zwichten, nog gelegenheid genoeg, om den oorlog fraai aan te kleeden.
+Welk een bedwelming van fierheid moet er niet zijn uitgegaan van het
+bonte en pralende krijgsdecoratief zelf! In den nacht vóór Azincourt
+sterken de beide legers, in de duisternis tegenover elkaar gelegen, hun
+moed met de muziek der trompetten en bazuinen, en het wordt ernstig
+beklaagd, dat de Franschen er niet genoeg hadden "pour eulx resjouyr",
+en daardoor in lager stemming bleven. [304] In het laatst der vijftiende
+eeuw komen de landsknechten met de groote trommels, [305] een ontleening
+aan het Oosten. De trom met haar direct hypnotische, onmuzikale werking
+beduidt treffend den overgang van het ridderlijke tijdperk naar het
+modern-militaire; zij is een element in de mechaniseering van den krijg.
+Omstreeks 1400 is al de schoone en half spelende suggestie van
+persoonlijken wedijver in roem en eer nog in vollen fleur: door
+helmteekens en blazoenen, vanen en wapenkreten behoudt de strijd een
+individueel karakter en een element van sport. Den geheelen dag hoort
+men de kreten der verschillende heeren uitroepen in een wedspel van
+hoogmoed. [306] Vóór en na het gevecht bezegelen de ridderslagen en de
+rangverhoogingen het spel: ridders worden tot bannerets verheven door
+het afsnijden van den wimpel van hun vaantjes. [307] Het beroemde kamp
+van Karel den Stoute voor Neuss is ingericht met al den feestelijken
+praal van een hofstaatsie: sommigen hebben hun tent laten bouwen "par
+plaisance" in den vorm van een kasteel, met galerijen en tuinen
+eromheen. [308]
+
+De krijgsbedrijven moesten bij de opteekening worden gevat in het raam
+van ridderlijke opvattingen. Men wilde op technische gronden
+onderscheiden, wat een slag en wat een treffen was, want elk gevecht
+moest in de annalen van den roem zijn vaste plaats en naam hebben. Zoo
+zegt Monstrelet: "Si fut de ce jour en avant ceste besongne appellée la
+rencontre de Mons en Vimeu. Et ne fu déclairée à estre bataille, pour ce
+que les parties rencontrèrent l'un l'autre aventureusement, et qu'il n'y
+avoit comme nulles bannières desploiées". [309] Hendrik V van Engeland
+doopt zijn groote overwinning, "pour tant que toutes batailles doivent
+porter le nom de la prochaine forteresse où elles sont faictes",
+plechtig als den slag van Azincourt. [310] Het overnachten op het
+slagveld gold als het erkende teeken der overwinning. [311]
+
+De persoonlijke dapperheid van den vorst in den slag heeft somtijds een
+bedenkelijk kunstmatig karakter. Froissart beschrijft een strijd van
+Eduard III tegen een Fransch edelman bij Calais in termen, die zouden
+doen vermoeden, dat het geen bittere ernst was. "Là se combati li rois à
+monsigneur Ustasse moult longuement et messires Ustasse à lui, et tant
+que il les faisoit moult plaisant veoir". Tenslotte geeft de Franschman
+zich over, en wordt het geval besloten met een souper, dat de koning
+zijn gevangene aanbiedt. [312]--In het gevecht van Saint Richier laat
+Philips van Bourgondië wegens het gevaar zijn prachtige wapenrusting
+door een ander dragen, maar het heet, dat het is, om als een gewoon
+krijgsman zichzelf beter te beproeven. [313] Wanneer de jonge hertogen
+van Berry en Bretagne Karel den Stoute volgen in zijn guerre du bien
+public, dragen zij, naar aan Commines werd verteld, schijnharnassen van
+satijn met vergulde spijkertjes. [314]
+
+Overal steekt de leugen door de gaten van het ridderlijke staatsiekleed.
+De werkelijkheid verloochent voortdurend het ideaal. Vandaar dat het
+steeds meer zich terugtrekt in de sfeer van litteratuur, feest en spel:
+daar alleen was de illusie van het schoone ridderlijke leven te
+handhaven; daar is men onder elkaar in de kaste, waarbinnen al die
+sentimenten enkel gelding hebben.
+
+Het is verbazend, zooals de ridderlijkheid onmiddellijk in gebreke
+blijft, waar zij zou moeten gelden jegens niet-gelijkwaardigen. Zoodra
+het lageren in stand betreft, ontbreekt elke behoefte aan ridderlijke
+hoogheid. De edele Chastellain heeft niet het geringste begrip voor de
+koppige burgereer van den rijken brouwer, die zijn dochter niet aan 's
+hertogen soldaat wil geven, en er lijf en goed aan waagt, om den hertog
+te weerstreven. [315] Froissart vertelt zonder een zweem van eerbied,
+hoe Karel VI het lijk van Philips van Artevelde wilde zien. "Quand on
+l'eust regardé une espasse on le osta de là et fu pendus à un arbre.
+Velà le darraine fin de che Philippe d'Artevelle." [316] De koning zou
+zich zelfs niet ontzien hebben, het lijk te schoppen, "en le traitant de
+vilain". [317] De gruwelijkste wreedheden van de edelen tegen de burgers
+van Gent in den oorlog van 1382, wanneer zij veertig graanschippers
+verminkt en met uitgestoken oogen naar de stad terugzenden, bekoelen
+Froissart geen oogenblik in zijn geestdrift voor de ridderij. [318]
+Chastellain, die zwelgt in de heldendaden van Jacques de Lalaing en
+zijns gelijken, vermeldt zonder eenige sympathie die van een onbekenden
+Gentschen knaap, die alleen op Lalaing aanviel. [319] La Marche zegt
+althans naïef van heldenfeiten, door een Gentenaar uit het volk
+verricht, dat het van belang zou zijn geweest, als het "un homme de
+bien" geweest was. [320]
+
+Op alle wijzen drong anders de werkelijkheid de negatie van het
+ridderlijke ideaal aan de geesten op. De veldheerskunst had sedert lang
+de tournooihouding opgegeven: de oorlog van de veertiende en vijftiende
+eeuw was er een van besluipen en verrassen, van strooptochten en raids.
+De Engelschen hadden het eerst het afstijgen van de ridders in den slag
+ingevoerd, en het werd aan Fransche zijde overgenomen. [321] Eustache
+Deschamps meent spottend, dat het dient om het vluchten te beletten.
+[322] Op zee, zegt Froissart, is het ijselijk vechten, want daar kan
+men niet wijken en vluchten. [323] Buitengewoon naïef komt de
+ontoereikendheid der ridderlijke opvattingen als militair beginsel uit
+in het _Debat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre,_ een
+tractaat van omstreeks 1455, waarin in den vorm van een twistgesprek de
+voorrang van Frankrijk boven Engeland wordt betoogd. De Engelsche heraut
+heeft den Franschen gevraagd, waarom zijn koning niet een groote
+scheepsmacht onderhoudt, gelijk die van Engeland. Wel, antwoordt de
+Fransche heraut, dat heeft hij niet noodig, en bovendien: de Fransche
+adel houdt meer van den oorlog te land dan ter zee, om verschillende
+redenen: "car il y a danger et perdicion de vie, et Dieu scet quelle
+pitié quant il fait une tourmente (storm), et si est la malladie de la
+mer forte à endurer à plusieurs gens. Item, et la dure vie dont il fault
+vivre, qui n'est pas bien consonante à noblesse." [324] Hoe gering van
+uitwerking ook nog, reeds kondigde het kanon de toekomstige veranderingen
+van den oorlog aan. Het was als een ironische symboliek, dat het puik der
+dolende ridders "à la mode de Bourgogne," Jacques de Lalaing, gedood werd
+door een kanonschot. [325]
+
+Er was aan de adellijk-militaire carrière een financieele kant, die
+dikwijls zeer vrijmoedig wordt bekend. Elke bladzijde der
+laat-middeleeuwsche krijgsgeschiedenis geeft te verstaan, hoe zeer het
+daarbij aankwam op het maken van aanzienlijke gevangenen, terwille van
+den losprijs. Froissart verzuimt niet te vermelden, hoeveel de bedrijver
+van een geslaagde overrompeling bij de zaak verdiende. [3286 Maar
+behalve de directe baten van den oorlog spelen ook de pensioenen en
+renten en gouverneursposten in het leven van den ridder een groote rol.
+Het vooruitkomen wordt grif als doel aanvaard. "Je sui uns povres homs
+qui desire mon avancement", zegt Eustache de Ribeumont. Froissart
+vertelt zijn eindelooze faits divers van den ridderkrijg onder andere
+tot voorbeeld van de dapperen, "qui se désirent à avanchier par armes."
+[327] Deschamps heeft een ballade, waarin de ridders, knapen en
+sergianten van het hof van Bourgondië staan te hunkeren naar den
+betaaldag, met het refrein:
+
+ "Et quant venra le tresorier?" [328]
+
+Chastellain vindt het natuurlijk en gepast, dat iemand die naar
+aardschen roem streeft, gierig en berekenend is, "fort veillant et
+entendant à grand somme de deniers, soit en pensions, soit en rentes,
+soit en gouvernemens ou en pratiques." [329] En inderdaad schijnt zelfs
+de edele Boucicaut, die allen ridders ten voorbeeld werd gesteld, van
+bijzondere geldzucht niet vrij te zijn geweest. [330] De nuchtere
+Commines begroot een edelman naar zijn salaris als "ung gentilhomme de
+vingt escuz." [331]
+
+Tusschen al de luide verheerlijking van het ridderlijke leven en den
+ridderlijken krijg klinkt af en toe de bewuste negatie van het
+ridderideaal: soms nuchter, soms hoonend. De edelen zelf zagen bijwijlen
+de opgepoetste ellende en de valschheid van zulk een leven van krijg en
+tournooien.[332] Het was niet te verwonderen, dat de twee sarcastische
+geesten, die voor het ridderdom niet dan spot en minachting hadden,
+elkaar gevonden hebben: Lodewijk XI en Philippe de Commines. De
+beschrijving van den slag bij Montlhéry bij Commines is in haar nuchter
+realisme volkomen modern. Hier geen schoone heldendaden, geen fictief
+dramatisch verloop, maar slechts het relaas van een voortdurend komen en
+gaan, een twijfelen en vreezen, steeds verteld met een licht sarcasme.
+Hij schijnt erin te genieten, als hij van smadelijk vluchten kan
+vertellen en van den moed, die terugkeert, als het gevaar geweken is.
+Hij gebruikt weinig het woord "honneur", en behandelt de eer bijna als
+een noodzakelijk kwaad. "Mon advis est que s'il eust voulu s'en aller
+ceste nuyt, il eust bien faict.... Mais sans doubte, là où il avoit de
+l'honneur, il n'eust point voulu estre reprins de couardise". Zelfs waar
+hij bloedige ontmoetingen verhaalt, zoekt men vergeefs de terminologie
+der ridderschap: het woord dapperheid of ridderlijkheid kent hij niet.
+[333]
+
+Zou het zijn Zeeuwsche moeder Margaretha van Arnemuiden zijn geweest,
+van wie Commines zijn nuchteren geest had? Het schijnt immers wel, dat
+in Holland, ondanks den Henegouwschen Willem IV, den ijdelen avonturier,
+de riddergeest vroegtijdig aan het afsterven was, terwijl juist
+Henegouwen, waarmee het vereenigd was, altijd het echte land van den
+ridderlijken adel is geweest. Bij het Combat des Trente was de beste aan
+Engelsche zijde een zekere Crokart, een voormalige knecht van de heeren
+van Arkel. Hij had in den oorlog groot fortuin gemaakt: wel 60.000
+kronen en een stal met dertig paarden; daarbij had hij grooten roep van
+dapperheid verworven, zoodat de koning van Frankrijk hem ridderschap en
+een aanzienlijk huwelijk beloofde, als hij Fransch wilde worden. Deze
+Crokart kwam met zijn roem en zijn rijkdom in Holland terug, en hield er
+grooten staat; maar de Hollandsche heeren wisten nog wel, wie hij was,
+en namen geen notitie van hem, zoodat hij terugkeerde naar het land,
+waar men ridderlijke faam beter waardeerde. [334]
+
+Wanneer Jan van Nevers zich gereedmaakt, om de reis naar Turkije te
+ondernemen, waar hij Nicopolis zou vinden, laat Froissart hertog
+Albrecht van Beieren, den graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, tot
+zijn zoon Willem zeggen: "Guillemme, puisque tu as la voulenté de
+voyagier et aler en Honguerie et en Turquie et quérir les armes sur gens
+et pays qui oncques riens ne nous fourfirent, ne nul article de raison
+tu n'y as d'y aler fors que pour la vayne gloire de ce monde, laisse
+Jean de Bourgoigne et nos cousins de France faire leurs emprises, et fay
+la tienne à par toy, et t'en va en Frise et conquiers nostre héritage."
+[335]
+
+Van al de landen van Bourgondië was de adel van Holland bij de
+kruisgeloften van het feest te Rijssel verreweg het slechtst
+vertegenwoordigd. Toen na het feest nog meer geloften schriftelijk in de
+verschillende landen werden ingezameld, kwamen er uit Artois nog 27, uit
+Vlaanderen 54, uit Henegouwen 27, en uit Holland 4, en deze luiden nog
+zeer voorwaardelijk en voorzichtig. [336]
+
+ * * * * *
+
+De chevalerie zou niet het levensideaal van eeuwen zijn geweest, indien
+daarin niet hooge waarden aanwezig waren geweest voor de ontwikkeling
+der samenleving, indien het niet sociaal, ethisch en aesthetisch
+noodzakelijk was geweest. Juist in de schoone overdrijving had eenmaal
+de kracht van dit ideaal gelegen. Het is, alsof de middeleeuwsche geest
+in haar bloedige hartstochtelijkheid slechts te leiden was, door het
+ideaal veel te hoog te stellen: zoo deed het de kerk, zoo deed het de
+ridderlijke gedachte. "Without this violence of direction, which men and
+women have, without a spice of bigot and fanatic, no excitement, no
+efficiency. We aim above the mark to hit the mark. Every act hath some
+falsehood of exaggeration in it." [337]
+
+Doch naarmate een cultuurideaal meer gevuld is met de aanspraak op de
+hoogste deugden, is de disharmonie tusschen levensvorm en werkelijkheid
+grooter. Het ridderideaal met zijn nog half-religieuzen inhoud kon
+slechts worden beleden door een tijd, die nog voor zeer sterke
+realiteiten de oogen kon sluiten, die vatbaar was voor de volstrekte
+illusie. De zich vernieuwende beschaving dwingt, dat uit den ouden
+levensvorm de al te hooge aspiraties worden prijsgegeven. De ridder gaat
+over in den virtuoso der Renaissance, in den Franschen gentilhomme der
+17e eeuw, tenslotte in den modernen gentleman, en bij elke transformatie
+schijnt een hulsel van leugen af te vallen.
+
+De ridderlijke levensvorm was al te zwaar beladen met idealen van
+schoonheid, deugd en nuttigheid. Bezag men hem met nuchteren
+werkelijkheidszin, zooals Commines, dan leek al die hooggeroemde
+chevalerie zoo nutteloos en onecht, een opgemaakte vertooning, een
+belachelijk anachronisme: de werkelijke roerselen, die de menschen deden
+handelen en het lot van staten en gemeenschappen bepaalden, lagen er
+buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst
+zwak, nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische
+zijde, die immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een
+waarlijk geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter
+zonde en ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt
+bezweek het ideaal: zelfs de schoonheid van dien levensvorm was aan alle
+kanten open voor ontkenning. Al mocht het ridderlijke leven soms burgers
+begeerlijk schijnen, uit den adel zelf kwam de groote moeheid en
+onvoldaanheid voort. Het schoone spel van het hoofsche leven was zoo
+bont, zoo valsch, zoo druk. Weg uit die moeizaam opgezette levenskunst
+naar veiligen eenvoud en rust.
+
+Er waren dan twee wegen van het ridderlijk ideaal af: die naar het
+werkelijke, actieve leven en den modernen geest van onderzoek, en die
+naar de wereldverzaking. Maar deze laatste weg splitste zich als de Y
+van Pythagoras in tweeën: de hoofdlijn was die van het echte geestelijk
+leven, de zijlijn hield den rand van de wereld met haar genietingen. De
+zucht naar het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en
+verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg
+open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en
+lichter droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd
+als een belofte van natuurlijk geluk met al den glans, waarmee zij sinds
+Theocritus geschenen had. De groote bevrediging scheen mogelijk zonder
+strijd, door een vlucht, weg van den wedijver vol haat en nijd om ijdele
+eer en rang, weg van de drukkende, overladen weelde en staatsie en van
+den wreeden, gevaarlijken krijg.
+
+De lof van het eenvoudig leven was een thema, dat de middeleeuwsche
+litteratuur reeds van de Oudheid had meegekregen. Het dekt zich niet
+volkomen met de pastorale; men heeft te doen met een positieve en een
+negatieve uiting van hetzelfde sentiment: de eerste is de pastorale, de
+laatste de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van
+het aristocratische levensideaal. Doch beide vloeien voortdurend ineen.
+Op het thema van de misère van het hofleven hadden reeds in de twaalfde
+eeuw Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten _De nugis
+curialum_ geschreven. In het veertiendeëeuwsche Frankrijk had het zijn
+klassieke uitdrukking gekregen in het gedicht van Philippe de Vitri,
+bisschop van Meaux, musicus en poëet beide, door Petrarca geprezen: _Le
+Dit de Franc Gontier_. [338] De versmelting met de pastorale is hier
+volkomen.
+
+ "Soubz feuille vert, sur herbe delitable
+ Lez ru bruiant et prez clere fontaine
+ Trouvay fichee une borde portable,
+ Ilec mengeoit Gontier o dame Helayne
+ Fromage frais, laict, burre fromaigee,
+ Craime, matton, pomme, nois, prune, poire,
+ Aulx et oignons, escaillongne froyee
+ Sur crouste bise, au gros sel, pour mieulx boire." [339]
+
+Na den maaltijd kussen zij elkander "et bouche et nez, polie et bien
+barbue"; vervolgens gaat Gontier in het bosch een boom hakken, terwijl
+dame Helayne aan het wasschen gaat.
+
+ "J'oy Gontier en abatant son arbre
+ Dieu mercier de sa vie seüre:
+ "Ne sçay--dit-il--que sont pilliers de marbre,
+ Pommeaux luisans, murs vestus de paincture;
+ Je n'ay paour de traïson tissue
+ Soubz beau semblant, ne qu'empoisonné soye
+ En vaisseau d'or. Je n'ay la teste nue
+ Devant thirant, ne genoil qui s'i ploye.
+ Verge d'uissier jamais ne me deboute,
+ Car jusques la ne m'esprent convoitise,
+ Ambicion, ne lescherie gloute.
+ Labour me paist en joieuse franchise;
+ Moult j'ame Helayne et elle moy sans faille,
+ Et c'est assez. De tombel n'avons cure."
+ Lors je dy: "Las! serf de court ne vault maille,
+ Mais Franc Gontier vault en or jame pure." [340]
+
+Dat bleef voor de volgende geslachten de klassieke uitdrukking van het
+ideaal des eenvoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid,
+met de geneuchten van matigheid, gezondheid, arbeid en natuurlijke,
+onverwikkelde liefde in het huwelijk.
+
+Eustache Deschamps zong den lof van het eenvoudig leven en den afkeer
+van het hof in tal van balladen na. Hij geeft onder andere één trouwe
+nabootsing van _Franc Gontier:_
+
+ "En retournant d'une court souveraine
+ Où j'avoie longuement sejourné,
+ En un bosquet, dessus une fontaine
+ Trouvay Robin le franc, enchapelé,
+ Chapeauls de flours avoit cilz afublé
+ Dessus son chief, et Marion sa drue...." [341]
+
+Hij breidt het thema uit met de bespotting van krijgsmansleven en
+ridderschap. In soberen ernst beklaagt hij de ellende en wreedheid van
+den oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zeven
+hoofdzonden zijn zijn dagelijksch werk, hebzucht en ijdele roemzucht
+zijn het wezen van den krijg.
+
+ ... "Je vueil mener d'or en avant
+ Estat moien, c'est mon oppinion,
+ Guerre laissier et vivre en labourant:
+ Guerre mener n'est que dampnacion." [342]
+
+Of wel hij verwenscht spottend dengeen, die hem zou willen uitdagen, of
+laat zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt,
+uitdrukkelijk verbieden. [343] Doch meestal is het het thema der aurea
+mediocritas op zich zelf.
+
+ "Je ne requier à Dieu fors qu'il me doint
+ En ce monde lui servir et loer,
+ Vivre pour moy, cote entiere ou pourpoint,
+ Aucun cheval pour mon labour porter,
+ Et que je puisse mon estat gouverner
+ Moiennement, en grace, sanz envie,
+ Sanz trop avoir et sanz pain demander,
+ Car au jour d'ui est la plus seure vie." [344]
+
+Roemzucht en winstbejag brengen niets dan ellende, de arme is tevreden
+en gelukkig, en leeft ongestoord en lang:
+
+ ... "Un ouvrier et uns povres chartons
+ Va mauvestuz, deschirez et deschaulx
+ Mais en ouvrant prant en gré ses travaulx
+ Et liement fait son euvre fenir.
+ Par nuit dort bien; pour ce uns telz cueurs loiaulx
+ Voit quatre roys et leur regne fenir." [345]
+
+De gedachte, dat de eenvoudige werker vier koningen overleeft, beviel
+den dichter zoo goed, dat hij haar herhaaldelijk te pas bracht. [346]
+
+De uitgever van Deschamps' poëzie, Gaston Raynaud, neemt aan, dat al de
+gedichten van deze strekking, [347] veelal onder de beste, die Deschamps
+maakte, zijn toe te schrijven aan zijn laatsten tijd, toen hij, ontzet
+van zijn ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het
+hofleven zou hebben begrepen. [348] Een inkeer zou het dus zijn. Zou het
+niet veeleer een reactie, een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf,
+midden in zijn leven van jagenden hartstocht en overdaad heeft, stel ik
+mij voor, deze producten begeerd en genoten van zijn brooddichter, die
+een andermaal zijn gaven prostitueerde, om hun grofsten lachlust te
+bevredigen.
+
+Omstreeks 1400 is het de kring van vroegste Fransche humanisten,
+tendeele samenvallend met de reformpartij der groote conciliën, die op
+het thema der misprijzing van het hofleven voortwerkt. Pierre d'Ailly
+zelf, de groote theoloog en kerkpoliticus, dicht een pendant bij _Franc
+Gontier_, het beeld van den tiran in zijn slavenleven vol van vreezen.
+[349] Zijn geestverwanten gebruiken den nieuw opgefrischten Latijnschen
+briefvorm ertoe: zoo Nicolaas de Clemanges, [350] zoo zijn correspondent
+Jean de Montreuil. [351] Tot dien kring behoorde de Milanees Ambrosius
+de Miliis, secretaris van den hertog van Orleans, die aan Gontier Col
+een litterairen brief schreef, waarin een hoveling zijn vriend
+waarschuwt voor de intrede in den hofdienst. [352] Deze brief, zelf in
+vergetelheid geraakt, werd vertaald door, of kwam althans in vertaling
+onder den titel _Le Curial_ op naam van Alain Chartier, den befaamden
+hofdichter. [353] _Le Curial_ werd weer in het latijn overgebracht door
+den humanist Robert Gaguin. [354]
+
+In den vorm van een allegorisch gedicht, trant _Roman de la rose_,
+behandelde zekere Charles de Rochefort het thema. Zijn _L'abuzé en
+court_ kwam op naam van koning René. [355] Jean Meschinot dicht als al
+zijn voorgangers:
+
+ "La cour est une mer, dont sourt
+ Vagues d'orgueil, d'envie orages....
+ Ire esmeut debats et outrages,
+ Qui les nefs jettent souvent bas;
+ Traison y fait son personnage.
+ Nage aultre part pour tes ebats." [356]
+
+Nog in de zestiende eeuw had het oude thema zijn bekoring niet verloren.
+[357]
+
+Veiligheid, rust en onafhankelijkheid, dat zijn de goede dingen, waarom
+men het hof wil ontvlieden voor het eenvoudig leven in arbeid en
+matigheid, temidden der natuur. Dat is de negatieve kant van het ideaal.
+Doch de positieve kant is niet zoo zeer de vreugde aan arbeid en eenvoud
+zelf als wel het welbehagen aan de natuurlijke liefde. Het herdersideaal
+leidt ons onmiddellijk over tot de vormen der erotische cultuur.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[143] Deschamps, II p. 226.
+
+[144] Chastellain, Le miroer des nobles hommes en France, VI p. 204,
+Exposition sur vérité mal prise, VI p. 416, L'entrée du roy Loys en
+nouveau règne, VII p. 10.
+
+[145] Froissart, ed. Kervyn, XIII, p. 22; Jean Germain, Liber de
+virtutibus ducis Burg., p. 109; Molinet, I p. 83, III p. 100.
+
+[146] Monstrelet, II p. 241.
+
+[147] Chastellain. VII p. 13-16.
+
+[148] Chastellain. III p. 82, IV p. 170, V p. 279, 309.
+
+[149] Jacques du Clercq. II p. 245. vgl. p. 339.
+
+[150] Zie hierboven blz. 15**.
+
+[151] Chastellain, III p. 82-89.
+
+[152] Chastellain, VII p. 90ss.
+
+[153] Chastellain, II p. 345.
+
+[154] Deschamps no. 113, t. I p. 230.
+
+[155] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius. Leiden 1613, p. 48, cap. IX.
+
+[156] Gerson, Opera, IV p. 583-622, zie Denifle & Chatelain,
+Chartularium Univ. Paris. IV no. 1819.
+
+[157] Bij H. Denifle, La désolation des églises etc. en France. Paris
+1897-'99, 2 vol., I p. 497-513.
+
+[158] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 402.
+
+[159] Rob. Gaguini Epistole et orationes, ed. L. Thuasne (Bibl. litt. de
+la Renaissance t. II) Paris 1903, 2 vol., II p. 321, 350.
+
+[160] Froissart. ed. Kervyn, XII p. 4; Le livre des trahisons p. 19, 26;
+Chastellain, I p. XXX, III p. 325, V p. 260. 275, 325, VII p. 466-480;
+Thomas Basin, passim, vooral I p. 44, 56, 59, 115; vgl. La complainte du
+povre commun et des povres laboureurs de France (Monstrelet, VI p. 176-190.)
+
+[161] Les Faictz et Dictz de messire Jehan Molinet, Paris, Jehan Petit,
+1537, f. 87vso.
+
+[162] Ballade 19, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses
+oeuvres, Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 296; vgl. Les
+Lunettes des princes ib. p. 607, 613.
+
+[163] Masselin, Journal des Etats Généraux de France tenus à Tours en
+1484, ed. A. Bernier, (Coll. des documents inédits) p. 672.
+
+[164] Deschamps, VI no. 1140, p. 67.
+
+[165] Deschamps, VI p. 124 no. 1176.
+
+[166] Molinet, II p. 104-107; Jean le Maire de Belges, Les chansons de
+Namur 1507.
+
+[167] Chastellain. Le miroir des nobles hommes de France, VI p. 203,
+211, 214.
+
+[168] Le Jouvencel, ed. C. Favre et L. Lecestre (Soc. de l'hist. de
+France) 1887-'89, 2 vol., I p. 13.
+
+[169] Livre des faicts du mareschal de Boucicaut, Petitot. Coll. de
+mém., VI p. 375.
+
+[170] Philippe de Vitri, Le chapel des fleurs de lis (1335), ed. A.
+Piaget, Romania XXVII 1898, p. 80ss.
+
+[171] Zie daarover La Curne de Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne
+chevalerie, 1781, II p. 94-96.
+
+[172] Molinet, I p. 16/17.
+
+[173] N. Jorga, Philippe de Mézières, p. 469.
+
+[174] l.c., p. 506.
+
+[175] Froissart, ed. Luce, I p. 2/3; Monstrelet, I p. 2; d'Escouchy,
+I p. I; Chastellain, I prologue, II p. 116. VI p. 266; La Marche, I p.
+187; Molinet, I p. 17, II p. 54.
+
+[176] Lefèvre de S. Remy, II p. 249; Froissart. ed. Luce, I p. I; vgl.
+Le debat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre, ed. L. Pannier
+et P. Meyer, (Soc. des anciens textes francais) 1887, p. 1.
+
+[177] Chastellain, V p. 443.
+
+[178] Les origines de la France contemporaine. La Révolution, I p. 190.
+
+[179] Die Kultur der Renaissance in Italien,(10) II p. 155.
+
+[180] l.c., I p. 152-165.
+
+[181] Froissart, ed. Luce, IV p. 112.
+
+[182] Le Dit de Vérité, Chastellain, VI p. 221.
+
+[183] Le livre de la paix, Chastellain, VII p. 367.
+
+[184] Froissart, ed. Luce, I p. 3.
+
+[185] Le cuer d'amours épris, Oeuvres du roi René, ed. De Quatrebarbes,
+Angers 1845, 4 vol., t. III p. 112.
+
+[186] Lefèvre de S. Remy, II p. 68.
+
+[187] Doutrepont, p. 183.
+
+[188] La Marche, II p. 216, 334.
+
+[189] Ph. Wielant, Antiquités de Flandre, ed. De Smet (Corp. chron.
+Flandriae IV) p. 56.
+
+[190] Commines, I p. 390, vgl. de anecdote bij Doutrepont, p. 185.
+
+[191] Chastellain, V p. 316-319.
+
+[192] P. Meyer, Bull. de la soc. des anc. textes français 1883, p.
+45-54.
+
+[193] Deschamps. nos. 12, 93, 207, 239, 362, 403, 432, 652. I p. 86,
+199, II p. 29, 69, X p. xxxv. Ixxviss.
+
+[194] Journal d'un bourgeois, p. 274. Een gedicht van 9 strofen over de
+9 dapperen in verschillende handschriften van Haarlemsche keuren uit de
+XVe eeuw, zie mijn Rechtsbronnen van Haarlem, p. xlvi vg. In het midden
+der 16e eeuw kent John Coke hen nog als The Nyne Worthyes, The debate
+betwene the Heraldes, ed. L. Pannier et P. Meyer, Le debat des hérauts
+d'armes, p. 108 § 171.
+
+[195] Molinet, faictz et dictz, f. 151(v).
+
+[196] La Curne de Sainte Palaye, II p. 88.
+
+[197] Deschamps, no. 206, 239, II p. 27, 69, no. 312, II p. 324, Le lay
+du tres bon connestable B. du Guesclin.
+
+[198] S. Luce, La France pendant la guerre de cent ans, p. 231: Du
+Guesclin, dixième preux.
+
+[199] La mort du roy Charles VII. Chastellain, VI p. 440.
+
+[200] Laborde, II p. 242, no. 4091; 138, no. 242, id. p. 146, no. 3343,
+p. 260, no. 4220, p. 266, no. 4255. Het souter is tijdens den Spaanschen
+successieoorlog verworven door Joan van den Berg, commissaris der Staten
+in België, en berust thans in de Leidsche Universiteitsbibliotheek.
+
+[201] Burckhardt, Kultur der Ren. I(14) p. 246.
+
+[202] Le livre des faicts du mareschal Boucicaut, ed. Petitot, Coll. de
+mémoires 1e série, t. VI, VII.
+
+[203] Le livre des faicts, VI p. 379.
+
+[204] Ib. VII. p. 214, 185. 200/1.
+
+[205] Chr. de Pisan, Le débat des deux amants, Oeuvres poétiques, II p. 96.
+
+[206] Antoine de la Sale, La salade, chap. 3, Paris, M. Le Noir, 1521,
+f. 4vso.
+
+[207] Le livre des cent ballades, ed. G. Raynaud (Soc. des anciens
+textes français), p. Iv.
+
+[208] Ed. C. Favre et L. Lecestre, Soc. de l'hist. de France, 1887/9.
+
+[209] Le Jouvencel, I p. 25.
+
+[210] Le livre des faits du bon chevalier Messire Jacques de Lalaing,
+ed. Kervyn de Lettenhove. Chastellain, Oeuvres VIII.
+
+[211] II p. 20.
+
+[212] W. James, The varieties of religious experience, Gifford lectures
+1901/2, London 1903, p. 318.
+
+[213] Le livre des faicts, p. 398.
+
+[214] ed. G. Raynaud, Société des anciens textes francais, 1905.
+
+[215] Twee heidenen uit den roman van Aspremont.
+
+[216] Les Voeux du héron vs. 354-371, ed. Soc. des bibliophiles de Mons,
+no. 8, 1839.
+
+[217] Brief van den graaf van Chimay aan Chastellain, Oeuvres, VIII p. 266.
+
+[218] Perceforest, bij Quatrebarbes, Oeuvres du roi René II p. xciv.
+
+[219] Des trois chevaliers et del chainse, van Jakes de Baisieux, ed.
+Scheler, Trouvères belges I, 1876, p. 162.
+
+[220] Rel. de S. Denis, I p. 594ss.; Juvenal des Ursins, p. 379.
+
+[221] Dionysii Cartusiani Opera t. XXXVI p. 206.
+
+[222] Deschamps, I p. 222, no. 108, I p. 223, no. 109.
+
+[223] Journal d'un bourgeois de Paris, p. 59, 56.
+
+[224] La Marche, II p. 119, 144; d'Escouchy, I p. 245(1), 247(8);
+Molinet, III p. 460.
+
+[225] Chastellain, VIII p. 238.
+
+[226] La Marche. I p. 292.
+
+[227] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, bij Chastellain, VIII
+p. 188 s.
+
+[228] Oeuvres du roi René, I p. lxxv.
+
+[229] La Marche, III p. 123; Molinet, V p. 18.
+
+[230] La Marche, II p. 118, 121, 122, 133, 341; Chastellain, I p. 256,
+VIII p. 217, 246.
+
+[231] La Marche, II p. 173, I p. 285; Oeuvres du roi René, I p. lxxv.
+
+[232] Oeuvres du roi René, I p. lxxxvi, II p. 57.
+
+[233] N. Jorga, Phil. de Mézières. p. 348.
+
+[234] Chastellain, II p. 7, IV p. 233 cf. 269, VI p. 154.
+
+[235] La Marche, I p. 109.
+
+[236] Statuten der orde, bij Luc d'Achéry, Spicilegium, III p. 730.
+
+[237] Chastellain. II p. 10.
+
+[238] Chronique scandaleuse, I p. 236.
+
+[239] Le songe de la thoison d'or, bij Doutrepont, p. 154.
+
+[240] Fillastre. Le premier volume de la toison dor, Paris 1515, fol. 2.
+
+[241] Boucicaut, I p, 504; Jorga, Ph. de Mézières, p. 83, 463(8);
+Romania, XXVI p. 395(1), 396(2); Deschamps, XI p. 28; Oeuvres du roi
+René, I p. xi; Monstrelet, V p. 449.
+
+[242] Deschamps, no. 908/10, XI p. 232, 14, 68.
+
+[243] Froissart. Poésies, ed. A. Scheler, (Acad. royale de Belgique)
+1870-'72, 3 vol., II p. 341.
+
+[244] Alain Chartier, La ballade de Fougères, p. 718.
+
+[245] Richteren 6.
+
+[246] La Marche, IV p. 164; Jacques du Clercq, II p. 6.
+
+[247] Liber Karoleidos vs. 88 (Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous la
+dom. des ducs de Bourg. III).
+
+[248] Gen. 30.32; 4 Reg. (2 Kon.) 3.4; Job 31.20; Psalm 71.6.
+(Statenvert. 72.6: "nagras", waar Vulg. "vellus" heeft).
+
+[249] Guillaume Fillastre, Le Second volume de la toison dor, Paris,
+Franc. Regnault, 1516. fol. 1, 2.
+
+[250] La Marche, III p. 201, IV p. 67; Lefèvre de S. Remy, II p. 292;
+het ceremonieel van zulk een doop bij Humphrey van Glocester's heraut
+Nicolas Upton, De officio militari, ed. E. Bysshe (Bissaeus) London,
+1654, lib. I, c. XI, p. 19.
+
+[251] Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon,
+(Bibl. elzevirienne) Paris, 1854, p. 241 ss.
+
+[252] Voeu du héron, ed. Soc. des bibl. de Mons, p. 17.
+
+[253] Froissart, ed. Luce, I p. 124.
+
+[254] Sedert eenigen tijd.
+
+[255] Zal uitgaan.
+
+[256] Rel. de S. Denis, III p. 72. Harald Harfagri doet de gelofte, zijn
+haar niet te laten afsnijden, eêr hij heel Noorwegen veroverd heeft,
+Haraldarsaga Harfagra, cap. 4; vgl. Voluspa 33.
+
+[257] Jorga, Ph. de Mézières, p. 76.
+
+[258] Claude Menard, Hist. de Bertrand du Guesclin, p. 39, 55, 410, 488,
+La Curne, I p. 240.
+
+[259] Douet d'Arcq, Choix de Pièces inédites rel. au règne de Charles
+VI. (Soc. de l'hist. de France 1863) I p. 370.
+
+[260] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, chap. XVI ss.,
+Chastellain, VIII p. 70.
+
+[261] Le petit Jehan de Saintré, chap. 48.
+
+[262] Germania cap. 31; La Curne, I p. 236.
+
+[263] Heimskringla, Olafssaga Tryggvasonar, cap. 35; Weinhold,
+Altnordisches Leben, p. 462.
+
+[264] La Marche, II p. 366.
+
+[265] La Marche. II p. 381-387.
+
+[266] La Marche, l.c.; d'Escouchy, II p. 166, 218.
+
+[267] d'Escouchy, II p. 189.
+
+[268] Doutrepont, p. 513.
+
+[269] ib. p. 110, 112.
+
+[270] Chastellain, III p. 376.
+
+[271] Hierboven blz. 123. [Zie alinea die begint met: "Quant sommes ès
+..., M.D.]
+
+[272] Chronique de Berne (Molinier no. 3103) bij Kervyn, Froissart, II
+p. 531.
+
+[273] d'Escouchy, II p. 220.
+
+[274] Froissart, ed. Luce, X p. 240, 243.
+
+[275] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, Chastellain, VIII p.
+158-161.
+
+[276] La Marche, IV Estat de la maison p. 34, 47.
+
+[277] Zie mijn verhandeling Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal
+besef, de Gids 1912, 1.
+
+[278] Ps. 50, 19 (51, 20).
+
+[279] Monstrelet, IV p. 112; Pierre de Fenin, p. 363; Lefèvre de Saint
+Remy, II p. 63; Chastellain, I p. 331.
+
+[280] Zie J.D. Hintzen, De kruistochtplannen van Philips den Goede,
+Leidsche dissertatie 1918.
+
+[281] Chastellain, III p. 6, 10, 34, 77, 118, 119, 178, 334; IV p. 125,
+128, 171, 431, 437, 451, 470; V p. 49.
+
+[282] La Marche, II p. 382.
+
+[283] Uit de voorgeschiedenis van ons nat. besef, de Gids 1912, I.
+
+[284] Monstrelet, I p. 43ss.
+
+[285] Monstrelet, IV p. 219.
+
+[286] Pierre de Fenin, p. 626/7; Monstrelet, IV p. 244; Liber de
+Virtutibus, p. 27.
+
+[287] Lefèvre de Saint Remy, II p. 107.
+
+[288] Laborde, I p. 201s.
+
+[289] La Marche, II p. 27, 382.
+
+[290] Bandello, I nov. 39: Filippo duca di Burgogna si mette fuor di
+proposito a grandissimo periglio.
+
+[291] F. von Bezold, Aus dem Briefwechsel der Markgräfin Isabella von
+Este-Gonzaga, Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 396.
+
+[292] Chastellain. III p. 38-49; La Marche, II p. 400ss.; d'Escouchy, II
+p. 300ss.; Corp. chron. Flandr., III p. 525; Petit Dutaillis, Documents
+nouveaux, p. 113, 137.--Over een blijkbaar ongevaarlijken vorm van
+gerechtelijk tweegevecht: Deschamps IX p. 21.
+
+[293] Froissart, ed. Luce, IV p. 89/94.
+
+[294] Froissart, IV p. 127/8.
+
+[295] Lefèvre de S. Remy, I p. 241.
+
+[296] Froissart, XI p. 3.
+
+[297] Rel. de S. Denis, III p. 175.
+
+[298] Froissart, XI p. 24ss., VI p. 156.
+
+[299] Ib., IV p. 110, 115. Andere soortgelijke gevechten b.v. Molinier,
+Sources, IV no. 3707; Molinet, IV p. 294.
+
+[300] Rel. de S. Denis, I p. 392.
+
+[301] Le Jouvencel, I p. 209, II p. 99, 103.
+
+[302] Froissart, I p. 65. IV p. 49, II p. 32.
+
+[303] Chastellain, II p. 140.
+
+[304] Monstrelet, III p. 101; Lefèvre de S. Remy, I p. 247.
+
+[305] Molinet, II p. 36, 48, III p. 98, 453. IV p. 372.
+
+[306] Froissart. III p. 187, XI p. 22.
+
+[307] Chastellain, II p. 374.
+
+[308] Molinet, I p. 65.
+
+[309] Monstrelet, IV p. 65.
+
+[310] ib., III p. 111, Lefèvre de S. Remy, I p. 259.
+
+[311] Basin, III p. 57.
+
+[312] Froissart, IV p. 80.
+
+[313] Chastellain, I p. 260; La Marche, I p. 89.
+
+[314] Commines, I p. 55.
+
+[315] Chastellain, III p. 82ss.
+
+[316] Froissart, XI p. 58.
+
+[317] Ms. Kroniek van Oudenaarde, bij Rel. de S. Denis, I p.229(1).
+
+[318] Froissart, IX p. 220, XI p. 202.
+
+[319] Chastellain, II p. 259.
+
+[320] La Marche, II p. 324.
+
+[321] Chastellain, I p. 28, Commines, I p. 31; vgl. Petit Dutaillis in
+Lavisse, Histoire de France, IV(2) p. 33.
+
+[322] Deschamps, IX p. 80, vgl. vs. 2228, 2295, XI p. 173.
+
+[323] Froissart, II p. 37.
+
+[324] La Débat des hérauts d'armes § 86, 87, p. 33.
+
+[325] Livre des faits, bij Chastellain, VIII p. 252(2) en xix.
+
+[326] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 24.
+
+[327] Froissart, IV p.83, ed. Kerv., XIp. 4.
+
+[328] Deschamps, IV no. 785, p. 289.
+
+[329] Chastellain, V p. 217.
+
+[330] Le Songe véritable, Mém. de la soc. de l'hist. de Paris, t. XVII
+p. 325, bij Raynaud, Les cent ballades, p. 1v(1).
+
+[331] Commines, I, p. 295.
+
+[332] Livre messires Geoffroi de Charny, Romania XXVI.
+
+[333] Commines, I p. 36-42, 86, 164.
+
+[334] Froissart, IV p. 70, 302; vgl. ed. Kervyn de Lettenhove, Bruxelles
+1869-1877, 26 vol., V p. 513.
+
+[335] Froissart, ed. Kervya, XV p. 227.
+
+[336] Doutrepont, p. 112.
+
+[337] Emerson, Nature, ed. Routledge, 1881, p. 230/1.
+
+[338] A. Piaget, Romania, XXVII 1898, p. 63.
+
+[339] Lez ru = bij een beek, o = met, bij, matton = roomkaas, aulx =
+knoflook, escaillongne = sjalot.
+
+[340] Jame = gemme.
+
+[341] Deschamps, no. 315, III p. 1.
+
+[342] Deschamps, I p. 161, no.65, vgl. I p. 78 no. 7, p. 175 no. 75.
+
+[343] Deschamps, no. 1287, 1288, 1289. VII p. 33, vgl. no. 178, I p. 313.
+
+[344] Deschamps, no. 240, II p. 71, vgl., no. 196, II p. 15.
+
+[345] Deschamps, no. 184, I p. 320. Chartons = voerman, ouvrant = werkende.
+
+[346] Deschamps no. 1124, no. 307, VI p. 41, II p. 213, Lai de
+franchise.
+
+[347] Vgl. verder Deschamps, no. 199, 200, 201, 258, 291, 970, 973,
+1017, 1018, 1021, 1201, 1258.
+
+[348] Deschamps, XI p. 94.
+
+[349] Romania XXVII 1898, p. 64.
+
+[350] N. de Clemanges, Opera ed. 1613, Epistolae no. 14, p. 57, no. 18,
+p. 72, no. 104, p. 296.
+
+[351] Joh. de Monasteriolo. Epistolae, Martène & Durand, Ampl.
+Collectio. II. c. 1398.
+
+[352] Ib. c. 1459.
+
+[353] Alain Chartier, Oeuvres ed. Duchesne, 1617, p. 391.
+
+[354] Zie Thuasne. I p. 37, II p. 202.
+
+[355] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, IV p. 73, vgl. Thuasne, II
+p. 204.
+
+[356] Meschinot, ed. 1522, f. 94, bij La Borderie, Bibl. de l'Ec. des
+Chartes, LVI, 1895, p. 313.
+
+[357] Vgl. Thuasne, 1. c., p. 205.
+
+
+ * * * * *
+
+
+IV
+
+DE VORMEN DER LIEFDE
+
+
+Sedert de Provençaalsche troubadours der twaalfde eeuw het eerst de
+melodie van het onbevredigd verlangen hadden aangeheven, hadden de
+violen van het liefdelied al hooger en hooger gezongen, totdat alleen
+Dante het instrument meer zuiver bespelen kon.
+
+Het was een der gewichtigste wendingen van den middeleeuwschen geest
+geweest, toen hij voor het eerst een liefdesideaal ontwikkelde met een
+negatieven grondtoon. De Oudheid had voorzeker ook het smachten en de
+smarten der liefde bezongen; maar was toch eigenlijk daar het smachten
+niet enkel gezien als het uitstel en de prikkel der zekere vervulling?
+En in het droef-eindend liefdeverhaal der Oudheid was niet de
+verijdeling van het verlangen het stemmingsmoment, maar het dramatisch
+door den dood afbreken der reeds vervulde min, zooals van Cephalus en
+Procris, van Pyramus en Thisbe. De aandoening van droefheid lag er niet
+in de erotische onbevredigdheid, maar in het treurig lotgeval. Eerst in
+de hoofsche minne der troubadours is de onbevredigdheid zelf hoofdzaak
+geworden. Er was een erotische gedachtenvorm geschapen, die vatbaar was
+om een overvloed van ethisch gehalte in zich op te nemen, zonder daarom
+ooit het verband met de natuurlijke vrouwenliefde geheel op te geven.
+Uit de zinnelijke liefde zelf was de edele vrouwendienst zonder
+aanspraak op vervulling voortgesproten. De liefde moest nu het veld
+zijn, waarop alle aesthetische en zedelijke volmaking des menschen
+bloeien moest. Zuiver vergeestelijkt "vulde zij zich met de heiligste
+vroomheid: la vita nuova.
+
+Toen moest een nieuwe wending komen. In den dolce stil nuovo van Dante
+en zijn tijdgenooten was een uiterste bereikt. Petrarca staat alweer
+weifelend tusschen het ideaal der vergeestelijkte hoofsche liefde en de
+nieuwe inspiratie der Oudheid. En van Petrarca naar Lorenzo de Medici
+neemt in Italië het minnelied den weg terug naar de natuurlijke
+zinnelijkheid, die ook de bewonderde antieke modellen doordrong. Het
+kunstig uitgewerkte systeem der hoofsche min was weder prijsgegeven.
+
+In Frankrijk en de landen, die onder den ban van Frankrijk's geest
+stonden, was de wending anders gekomen. De ontwikkeling der erotische
+gedachte sedert den hoogsten bloei der hoofsche lyriek is er minder
+eenvoudig. De vormen van het systeem blijven van kracht, maar vullen
+zich met anderen geest. Daar had, nog voordat de _Vita nova_ de eeuwige
+harmonie vond van een vergeestelijkte passie, de _Roman de la rose_
+nieuwen inhoud gegoten in de vormen der hoofsche min. Ongeveer twee
+eeuwen lang heeft het werk van Guillaume de Lorris en Jean Clopinel (of
+Chopinel) [358] de Meun, begonnen vóór 1240 en vóór 1280 voltooid, niet
+alleen de vormen der aristocratische liefde volkomen beheerscht, maar
+bovendien door zijn encyclopaedischen rijkdom aan uitweidingen op alle
+mogelijke gebieden de schatkamer opgeleverd, waaruit de beschaafde
+leeken het levendste van hun geestelijke ontwikkeling putten. Het kan
+niet gewichtig genoeg worden geschat, dat aldus de heerschende klasse
+van een gansch tijdperk haar levenskennis en haar eruditie kreeg in het
+raam van een ars amandi. In geen anderen tijd heeft zich het ideaal van
+wereldlijke beschaving zoodanig geamalgameerd met dat der vrouwenliefde
+als in de twaalfde tot vijftiende eeuw. Alle christelijke en
+maatschappelijke deugden, alle volmaking van levensvormen waren in het
+systeem der min geschikt in het kader der trouwe liefde. De erotische
+levensbeschouwing, 't zij in haar ouderen zuiver hoofschen vorm, 't zij
+in haar belichaming in den _Roman de la rose_, kan op één lijn gesteld
+worden met de gelijktijdige scholastiek. Beide vertegenwoordigen een
+grootsche poging van den middeleeuwschen geest, om onder één
+gezichtspunt alles wat des levens is te begrijpen.
+
+In de bonte uitbeelding van de vormen der liefde concentreerde zich al
+het streven naar levensschoonheid. Wie die schoonheid zocht in eer en
+rang, zijn leven wilde tooien met praal en staatsie, kortom wie de
+schoonheid des levens in den hoogmoed zocht, zag zich altijd weer
+geplaatst voor het inzicht in de ijdelheid dier dingen. Maar in de
+liefde scheen, tenzij men afscheid had genomen van alle aardsch geluk,
+het doel en het wezen de genieting der schoonheid zelve. Hier was geen
+levensschoonheid te scheppen uit edele vormen ter begeleiding van een
+hoogen staat, hier woonde de diepste schoonheid en het hoogste geluk
+zelf, en wachtte slechts om versierd te worden met kleur en stijl. Elk
+ding van schoonheid, elke bloem en elke klank, kon dienst doen om den
+levensvorm der liefde op te bouwen.
+
+Het streven naar de styleering der liefde was meer dan een ijdel spel.
+Het was de geweldigheid van den hartstocht zelf, die aan deze felle
+samenleving der late Middeleeuwen gebood, het liefdeleven te verheffen
+tot een schoon spel van edele regels. Hier bovenal was op straffe van
+barbaarschheid de behoefte, om de aandoeningen te encadreeren in vaste
+vormen. Onder de lagere standen was de beteugeling der ongebondenheid
+aan de Kerk overgelaten, die daarin slaagde zoo goed en zoo kwaad als
+een kerk dat vermag. In de aristocratie, die zich onafhankelijker voelde
+van de Kerk, omdat zij een stuk cultuur had buiten het kerkelijke,
+vormde zich in de veredele erotiek zelf een rem op de teugelloosheid;
+litteratuur, mode en omgangsvormen oefenden er een normeerenden invloed
+op het liefdeleven uit.
+
+Of althans, zij schiepen een schoonen schijn, waarnaar men waande te
+leven. Want in den grond bleef ook onder de hoogere standen het
+liefdeleven bijster ruw. De dagelijksche zeden waren daarbij nog van een
+vrijmoedige onbeschaamdheid, die latere tijden verloren hebben. De
+hertog van Bourgondië laat voor het Engelsche gezantschap, dat hij te
+Valenciennes verwacht, de badstoven der stad in orde maken "pour eux et
+pour quiconque avoient de famille, voire bains estorés de tout ce qu'il
+faut au mestier de Vénus, à prendre par choix et par élection ce que on
+désiroit mieux, et tout aux frais du duc." [359] De ingetogenheid van
+zijn zoon Karel den Stoute wordt hem door velen euvel geduid als voor
+een vorst niet passend. [360] Onder de mechanieke vermakelijkheden van
+den lusthof te Hesdin vermelden de rekeningen "ung engien pour moullier
+les dames en marchant par dessoubz." [361]
+
+Doch het is geen tekortschieten aan het ideaal alleen. Naast den stijl
+der veredele liefde had ook de ongebondenheid zelf haar stijl, en wel
+een zeer ouden. Men kan hem den epithalamischen stijl noemen. Op het
+gebied van de verbeeldingen der liefde erft een verfijnde samenleving
+als die der laatste Middeleeuwen zooveel overoude motieven, dat de
+erotische stijlen met elkaar wedijveren of zich onderling vermengen.
+Veel ouder wortels en een even vitale beteekenis als de stijl der
+hoofsche min had die primitieve vorm der erotiek, die de
+geslachtsgemeenschap zelf verheerlijkt, door de christelijke cultuur
+verdrongen uit zijn waarde van heilig mysterie, maar niettemin altijd
+even levend.
+
+De geheele epithalamische toestel, met zijn onbeschaamden lach en zijn
+phallische symboliek, had eens deel uitgemaakt van de heilige riten zelf
+der bruiloftsviering. Huwelijksplechtigheid en bruiloftsfeest waren
+éénmaal ongescheiden geweest: één groot mysterie, dat zich concentreerde
+op de copulatie. Toen was de Kerk gekomen en had de heiligheid en het
+mysterie voor zich genomen, door ze te verleggen naar het sacrament der
+plechtige verbintenis. De accessoires van het mysterie, de stoet en het
+lied en de juichkreet, had zij overgelaten aan het bruiloftsfeest. Maar
+daar leefden zij nu, ontdaan van hun sacraal karakter, in des te
+wulpscher ongebondenheid voort, en de Kerk was machteloos gebleven, die
+daar te keeren. Geen kerkelijke zedigheid kon den heftigen levenskreet
+van het Hymen o Hymenaee! dempen. Geen puriteinsche zin heeft de
+schaamtelooze publiciteit van den huwelijksnacht uit de zeden doen
+verdwijnen, immers onze zeventiende eeuw kent haar nog in vollen fleur.
+Eerst het moderne individueele sentiment, dat in stilte en duister
+hullen wilde, wat van twee alleen was, heeft die zede gebroken.
+
+Wanneer men zich herinnert, dat nog in 1641 bij de bruiloft van den
+jongen prins van Oranje met Maria van Engeland de practical jokes niet
+ontbraken, om den bruidegom, een knaap nog, de consummatie van het
+huwelijk quasi te beletten, dan verbaast men zich niet over de
+onbeschaamde uitgelatenheid, waarmee vorstelijke en adellijke huwelijken
+omstreeks 1400 plachten gevierd te worden. Het obsceen gegrinnik,
+waarmee Froissart de bruiloft van Karel VI met Isabeau van Beieren,
+oorsprong van groote tragediën, verhaalt, of het epithalamium, dat
+Deschamps aan Antonie van Bourgondië wijdde, kunnen als voorbeelden
+strekken. [362] De _Cent nouvelles nouvelles_ vertellen als iets heel
+gewoons van een bruidspaar, dat met de vroegmis trouwt, en na een
+lichten maaltijd terstond te bed gaat. [363] Al de grappen, die hetzij
+bij de bruiloft of bij het liefdeleven in 't algemeen hoorden, werden
+ook voor het gezelschap van dames passend geacht. De _Cent nouvelles
+nouvelles_ dienen zich aan, zij het met eenige ironie, als "glorieuse et
+édifiant euvre", als verhalen "moult plaisants à raconter en toute bonne
+compagnie". Een adellijke rijmer maakt een lascive ballade op verzoek
+van Madame de Bourgogne en al de dames en jufferen van haar hof. [364]
+
+Het is duidelijk, dat al deze dingen niet gevoeld zijn als tekortkomingen
+aan het hooge en stijve ideaal van eer en welvoegelijkheid. Er is hier
+een tegenstrijdigheid, die niet mag worden verklaard door de edele vormen
+en de groote mate van preutschheid, die de Middeleeuwen op ander gebied
+vertoonen, als hypocrisie te beschouwen. Evenmin is de schaamteloosheid
+een saturnalisch uit den band springen. Nog onjuister is het, om de
+epithalamische obsceniteiten als een teeken van décadence, van
+aristocratische overbeschaving te beschouwen, zooals ten opzichte van
+onze zeventiende eeuw is geschied. [365] De dubbelzinnigheden, de obscene
+woordspelingen, de lascive verzwijgingen hooren in den epithalamischen
+stijl thuis, ze zijn er overoud. Ze worden begrijpelijk, als men ze
+beschouwt tegen hun ethnologischen achtergrond: als de tot omgangsvormen
+verzwakte resten van het phallische symbolisme der primitieve cultuur.
+Als ontmunt mysterie derhalve. Wat eenmaal, toen de grenzen van spel en
+ernst nog niet door de cultuur heen waren getrokken, de heiligheid van
+het ritueele verbond met de uitgelatenheid der levensvreugde, kon in een
+christelijke samenleving slechts meer gangbaarheid hebben als prikkelende
+luim en spot. Dwars tegen vroomheid en courtoisie in handhaafden zich in
+de bruiloftsgebruiken de sexueele verbeeldingen met al hun levende kracht.
+
+Men kan, als men wil, het geheele komisch-erotische genre beschouwen als
+wilde loten uit den stam van het epithalamium: de vertelling, de klucht,
+het liedje. Doch het verband met dien mogelijken oorsprong is lang
+verloren; het is een litteratuurgenre op zich zelf geworden; de komische
+werking is het zelfstandig doel geworden. Alleen de aard der komiek is
+nog altijd dezelfde als die van het epithalamium: zij berust doorgaans
+op de symbolische aanduiding der sexueele dingen, of de travesti der
+geslachtsliefde in de begrippen van eenig maatschappelijk bedrijf. Bijna
+elk werk of ambacht leende zijn termen tot erotische allegorie, toen als
+altijd. Het ligt voor de hand, dat in de veertiende en vijftiende eeuw
+vooral het tournooi, de jacht en de muziek [366] er de stof toe leverden.
+De behandeling van liefdegevallen in de vormen van het rechtsgeding,
+zooals de _Arrestz d'amour_, hoort feitelijk niet onder de categorie der
+travesti. Doch er was een ander gebied, dat voor de inkleeding van het
+erotische bijzonder geliefd was, en wel het kerkelijke. De uitdrukking
+van het sexueele in kerkelijke termen werd in de Middeleeuwen toegepast
+met een buitengewone vrijmoedigheid. In de _Cent nouvelles nouvelles_ is
+het enkel het gebruik van woorden als bénir of confesser in obscenen
+zin, of de woordspeling van saints en seins, die men niet moede werd te
+herhalen. Doch in gekuischter opvatting ontwikkelt zich de kerkelijk-
+erotische allegorie tot een litterairen vorm op zich zelf. Het is de
+dichterkring van den fijnen Charles d'Orléans, die de droeve liefde
+verbeeldt onder de gedaante der kloosterlijke askese, der liturgie en
+van het martelaarschap. In navolging van de strenge hervorming van het
+Franciscaansche kloosterleven omstreeks 1400 noemen zij zich Les
+amoureux de l'observance. Het is als een ironische pendant van den
+strakken ernst van den dolce stil nuovo. De heiligschennende strekking
+wordt half geboet door de innigheid van het amoureuze sentiment.
+
+ "Ce sont ici les dix commandemens,
+ Vray Dieu d'amours....
+ Lors m'appella, et me fist les mains mettre
+ Sur ung livre, en me faisant promettre
+ Que feroye loyaument mon devoir
+ Des points d'amour". [367]
+
+Hij zegt van een gestorven minnaar:
+
+ "Et j'ay espoir que brief ou (au) paradis
+ Des amoureux sera moult hault assis,
+ Comme martir et très honnoré saint."
+
+En van de eigen doode geliefde:
+
+ "J'ay fait l'obseque de ma dame
+ Dedens le moustier amoureux,
+ Et le service pour son ame
+ A chanté Penser doloreux.
+ Mains sierges de soupirs piteux
+ Ont esté en son luminaire,
+ Aussi j'ay fait la tombe faire
+ De regrets...." [368]
+
+In het zuivere gedicht _L'amant rendu cordelier de l'observance
+d'amour_, dat de opneming van een troosteloozen minnaar in het klooster
+van de martelaars der liefde in den breede beschrijft, is al het
+zacht-komische effekt, dat de kerkelijke travesti beloofde, tot het
+uiterste uitgewerkt. Is het niet, alsof de erotiek telkens weer, zelfs
+op perverse wijze, met het heilige een aanraking moest zoeken, die zij
+lang te voren verloren had?
+
+De erotiek moest, om cultuur te zijn, tot elken prijs een stijl zoeken,
+een vorm die haar bond, een uitdrukking, die haar bedekte. En zelfs waar
+zij dien vorm versmaadde en afdaalde van scabreuze allegorie tot de
+regelrechte en ongesluierde behandeling van het geslachtsleven, blijft
+zij haars ondanks toch nog gestyleerd. Het geheele genre, dat door een
+groven geest licht voor erotisch naturalisme gehouden wordt, dat, waar
+de mannen nimmer uitgeput en de vrouwen altijd willig zijn, is evengoed
+als de edelste hoofsche min een romantische fictie. Wat anders dan
+romantiek is de laffe verwaarloozing van alle natuurlijke en
+maatschappelijke complicaties der liefde, de bemanteling van al het
+leugenachtige, het zelfzuchtige en het tragische in het geslachtsleven
+met den schoonen schijn van een ongestoord jolijt? Ook hier is het de
+groote cultuuraandrift: de zucht naar het schoone leven, de behoefte om
+het leven schooner te zien dan de werkelijkheid het bood, de forceering
+van het liefdeleven in den vorm van een fantastischen wensch, maar thans
+door overdrijving naar den dierlijken kant. Ook hier een levensideaal:
+het ideaal der onkuischheid.
+
+De werkelijkheid is te allen tijde slechter en ruwer geweest dan het
+verfijnd litteraire liefdesideaal haar zag, maar ook zuiverder en
+ingetogener dan de platte erotiek, die veelal als naturalistisch geldt,
+haar voorstelde. Eustache Deschamps, de brooddichter, pleegt in tal
+van komische balladen, waarin hij sprekend optreedt, zich tot de
+liederlijkste gemeenheid te verlagen. Maar hij is niet de werkelijke
+held van die obscene gevallen, en te midden ervan treft een teer versje,
+waarin hij zijn dochter op de voortreffelijkheid van haar gestorven
+moeder wijst. [369]
+
+Als bron van litteratuur en cultuur moest het gansche epithalamische
+genre met al zijn uitloopers en vertakkingen steeds op de tweede plaats
+blijven. Het heeft tot thema de uiterste en volledige bevrediging zelve,
+het is directe erotiek. Maar datgene, wat tot levensvorm en
+levensversiering dienen kan, is de indirecte erotiek, die tot thema
+heeft de mogelijkheid der bevrediging, de belofte, het verlangen, het
+ontberen, de nadering van het geluk. Hier wordt de opperste bevrediging
+verschoven in het onuitgesprokene, omhuld met al de lichte sluiers der
+verwachting. De indirecte erotiek is daardoor alleen reeds van veel
+langer adem, bedekt een veel wijder levensveld. En zij kent de liefde
+niet alleen en majeur of met het lachende masker, maar is ook in staat,
+de smarten der liefde te verwerken tot schoonheid, en heeft daardoor
+een oneindig hooger levenswaarde. Zij kan in zich opnemen de ethische
+elementen van de trouw, den moed, de edele zachtmoedigheid, en zich
+zoodoende verbinden met andere strevingen naar het ideale dan naar dat
+der liefde alleen.
+
+Geheel in overeenstemming met den algemeenen geest der latere
+Middeleeuwen, die al het denken tot het uitvoerigste wilde verbeelden en
+in systeem brengen, had nu de _Roman de la rose_ aan de gansche erotische
+cultuur een vorm gegeven, zoo bont, zoo wel-sluitend en zoo rijk, dat
+hij was als een schat van profane liturgie, leer en legende. En juist
+het tweeslachtige van den _Roman de la rose_, werk van twee dichters van
+geheel verschillenden aard en opvatting, maakte hem nog bruikbaarder als
+bijbelboek der erotische cultuur: men vond er teksten in voor verschillend
+gebruik.
+
+Guillaume de Lorris, de eerste dichter, had nog het oude hoofsche ideaal
+gehuldigd. Van hem was de bekorende opzet en de blijde, zoete verbeelding
+van het onderwerp. Het is het steeds gebruikte thema van een droom. De
+dichter ziet zich vroeg in een meimorgen uitgegaan, om den nachtegaal en
+den leeuwerik te hooren. Zijn pad brengt hem langs een rivier tot den
+muur van den geheimzinnigen tuin der liefde. Op dien muur ziet hij de
+beeltenissen geschilderd van Haat, Verraad, Dorperheid, Hebzucht,
+Gierigheid, Nijd, Droefgeestigheid, Ouderdom, Kwezelarij (Papelardie) en
+Armoede: de anti-hoofsche eigenschappen. Maar Dame Oiseuse (Ledigheid),
+de vriendin van Déduit (Vermaak), opent hem de poort. Daarbinnen leidt
+Liesse (Blijheid) den dans. De Liefdegod danst er met Schoonheid in de
+rei, waarin Rijkdom, Mildheid, Vrijmoedigheid (Franchise), Hoofschheid
+(Courtoisie) en Jeugd deelen. Terwijl de dichter bij de Narcissusfontein
+verzonken is in bewondering van den rozeknop, die hij daar ontwaart,
+schiet de Liefdegod hem met zijn pijlen: Beauté, Simplesse, Courtoisie,
+Compagnie en Beau-Semblant. De dichter verklaart zich Liefde's dienstman
+(homme lige), Amour sluit hem het hart met een sleutel, en ontvouwt hem
+liefde's geboden, liefde's kwaden (maux) en haar goed (biens).
+Esperance, Doux-Penser, Doux-Parler, Doux-Regard heeten de laatste.
+
+Bel-Accueil, de zoon van Courtoisie, noodt hem tot de rozen, maar dan
+komen de bewakers van de roos: Danger, Male-Bouche, Peur en Honte, en
+verdrijven hem. Nu begint de verwikkeling. Raison daalt van haar hoogen
+toren, om den minnaar te belezen, Ami troost hem, Venus spant haar
+kunsten tegen Chasteté, Franchise en Pitié brengen hem naar Bel-Accueil
+terug, die hem toestaat, de roos te kussen. Maar Male-Bouche vertelt
+het, Jalousie komt aanloopen, en nu wordt om de rozen een sterke muur
+gebouwd. Bel-Accueil wordt in een toren opgesloten. Danger en zijn
+gezellen bewaken de poorten. Met een klacht van den minnaar eindigde het
+werk van Guillaume de Lorris.
+
+Toen is Jean de Meun gekomen, vrij wat later waarschijnlijk, en heeft
+het voortgezet met een veel omvangrijker vervolg en slot. Het verder
+verloop van de handeling, de aanval en vermeestering van het kasteel der
+rozen door Amour met al zijn bondgenooten, de hoofsche deugden, maar ook
+Bien Celer, Faux-Semblant, verdrinkt bijna in den vloed van uitweidingen,
+beschouwingen, verhalen, waarmee de tweede dichter het werk tot een ware
+encyclopaedie heeft gemaakt. Maar wat vooral van gewicht is: hier sprak
+een geest, zoo onbevangen, zoo sceptisch-koel en cynisch-wreed, als de
+Middeleeuwen zelden hebben opgeleverd, daarbij een hanteerder der
+Fransche taal als weinigen. De naïeve, lichte idealiteit van Guillaume
+de Lorris werd overschaduwd door den ontkennenden geest van Jean de
+Meun, die niet aan spoken en toovenaars en ook niet aan trouwe liefde en
+vrouwelijke eerbaarheid geloofde, die voor pathologische problemen oog
+had, die aan Venus, Nature en Genius de stoutste verdediging van
+zinnelijken levensdrang in den mond legde.
+
+Wanneer Amor vreest, met zijn leger de nederlaag te zullen lijden, zendt
+hij Franchise en Doux-Regard naar Venus, zijn moeder, die aan den oproep
+gehoor geeft, en op haar duivenwagen te hulp komt. Als Amor haar den
+staat van zaken meedeelt, zweert zij, geen kuischheid ooit meer bij
+eenige vrouw te zullen laten, en spoort Amor aan, denzelfden eed ten
+aanzien der mannen te doen, en het gansche leger zweert mede.
+
+Intusschen is Nature in haar smidse bezig met haar werk, het onderhouden
+der soorten, haar eeuwige worsteling tegen den Dood. Zij beklaagt zich
+bitter, dat van al de schepselen alleen de mensch haar geboden
+overtreedt, en zich onthoudt van de voortteling. Op haar last begeeft
+zich Genius, haar priester, na de lange biecht, waarin Nature hem haar
+werken ontvouwt, naar het leger der Liefde, om daar Nature's vloek te
+slingeren over de versmaders van haar geboden. Amor dost Genius uit met
+een kazuifel, een ring, een staf en een mijter; Venus geeft hem
+schaterlachende een brandende kaars in de hand,
+
+ "Qui ne fu pas de cire vierge".
+
+De excommunicatie wordt ingeleid door de verwerping der maagdelijkheid
+in een drieste symboliek, die uitloopt op een wonderlijk mysticisme.
+De hel voor hen, die de geboden der natuur en der liefde niet in acht
+nemen, voor de anderen de bebloemde weide, waar de Zoon der Maagd zijn
+blanke schaapjes hoedt, die daar in eeuwige geneuchte de bloemen en het
+kruid grazen, dat daar onverderfelijk bloeit.
+
+Wanneer Genius in de veste de kaars geslingerd heeft, wier vlam de
+gansche wereld ontsteekt, begint de eindstrijd om den toren. Ook Venus
+zelf slingert haar fakkel, dan vluchten Honte en Peur, en Bel-Accueil
+staat den minnaar toe, de roos te plukken.
+
+Hier was derhalve met volle bewustheid het sexueele motief opnieuw in
+het middelpunt geplaatst, en het was omkleed met zulk een kunstig
+mysterie, ja met zooveel heiligheid, dat een grooter uitdaging aan het
+kerkelijk levensideaal niet mogelijk was. In zijn volkomen heidensche
+strekking kan men den _Roman de la rose_ als een schrede naar de
+Renaissance beschouwen. In den uiterlijken vorm is hij schijnbaar echt
+middeleeuwsch. Immers wat is middeleeuwscher dan de tot het uiterste
+doorgevoerde personificatie der gemoedsaandoeningen en omstandigheden
+der liefde? De figuren van den _Roman de la rose_: Bel accueil,
+Doux-Regard, Faux Semblant, Male Bouche, Danger, Honte, Peur, staan op
+één lijn met de echt-middeleeuwsche verbeeldingen van de deugden en
+zonden in menschelijke gedaante: allegorieën of iets meer dan dat,
+half-geloofde mythologemen. Doch waar is de de grens tusschen deze
+voorstellingen en de herleefde nimfen, saters en geesten der
+Renaissance? Ze zijn aan een andere sfeer ontleend, maar hun
+verbeeldingswaarde is dezelfde, en de aankleeding van de figuren der
+_Rose_ doet dikwijls denken aan de fantastisch bebloemde gestalten van
+Botticelli.
+
+Hier was dan de liefdedroom verbeeld in een vorm, tegelijk gekunsteld en
+gepassioneerd. De uitvoerige allegorie bevredigde alle eischen der
+middeleeuwsche verbeelding. Zonder de personificaties had de geest de
+gemoedsbewegingen niet kunnen uitdrukken en navoelen. Al de bonte kleur
+en elegante lijn van dat onvergelijkelijke poppenspel was noodig, om een
+begrippenstelsel der liefde te vormen, waarmee men elkander begreep. Men
+hanteerde de figuren van Danger, Nouvel Penser, Male Bouche als de
+gangbare termen van een wetenschappelijke psychologie. Het grondthema
+hield den hartstocht levend. Want voor den bleeken dienst van een
+getrouwde dame, die door de troubadours als onbereikbaar voorwerp van
+smachtende vereering in de wolken was geschoven, was nu weer het
+natuurlijkste erotische motief in de plaats gesteld: de hevige prikkel
+van het geheim der maagdelijkheid, gesymboliseerd als de roos, en die te
+winnen met kunst en volharding.
+
+In theorie was de liefde van den _Roman de la rose_ hoofsch en edel
+gebleven. De tuin der levensvreugde is slechts voor uitverkorenen, en
+door liefde toegankelijk. Wie hem betreden wil, moet vrij zijn van haat,
+trouweloosheid, dorperheid, hebzucht, gierigheid, nijd, ouderdom,
+huichelarij. Doch de positieve deugden, die hij daartegenover moet
+stellen, toonen, dat het ideaal niet meer ethisch, als in de hoofsche
+minne, maar enkel aristocratisch is. Het zijn: onbezorgdheid,
+vatbaarheid voor vermaak, blijde zin, liefde, schoonheid, rijkdom,
+mildheid, vrije zin (franchise) en courtoisie. Het zijn niet meer
+evenzooveel veredelingen van den persoon door de afstraling der
+geliefde, maar deugdelijke middelen om haar te winnen. En het is niet
+meer de, zij het ook valsche, vereering der vrouw, die het werk bezielt,
+maar, althans bij den tweeden dichter Jean Clopinel, de wreede
+verachting voor haar zwakheid, de verachting, die in het zinnelijk
+karakter dezer liefde zelf haar oorsprong heeft.
+
+Ondanks zijn groote heerschappij over de geesten had de _Roman de la
+rose_ toch de oudere opvatting der liefde niet geheel kunnen verdringen.
+Naast de verheerlijking van de flirt handhaafde zich ook de voorstelling
+van de zuivere, ridderlijke, trouwe en zelfverzakende liefde, want deze
+was een essentieel onderdeel van het ridderlijke levensideaal. Het was
+een hoofsche twistvraag geworden in dien bonten kring van weelderig-
+aristocratisch leven rondom den Franschen koning en zijn ooms van Berry
+en Bourgondië, welke opvatting der liefde voor den waren edelman de
+voorkeur verdiende; die van de echte courtoisie met haar smachtende
+trouw en eerbaren dienst aan één dame, of die van den _Roman de la
+rose_, waar de trouw slechts het middel was in dienst der jacht op de
+vrouw. De edele ridder Boucicaut had zich met zijn tochtgenooten op een
+reis naar het Oosten in 1388 tot den pleitbezorger der ridderlijke trouw
+gemaakt, en met het dichten van het _Livre des cent ballades_ zich den
+tijd gekort. De beslissing tusschen flirt en trouw wordt er den
+beaux-esprits van het hof voorgelegd.
+
+Uit een dieper ernst welde het woord, waarmee eenige jaren later
+Christine de Pisan zich in den strijd waagde. Deze moedige verdedigster
+van vrouweneer en vrouwenrechten wendde zich tot den liefdegod met een
+dichterlijken brief, die de klacht der vrouwen behelsde tegen al het
+bedrog en al den smaad der mannen. [370] Zij wees de leer van den _Roman
+de la rose_ met verontwaardiging van de hand. Sommigen vielen haar bij,
+maar het werk van Jean de Meun had nog altijd een schaar van
+hartstochtelijke vereerders en verdedigers. Er volgde een litteraire
+strijd, waarin tal van voor- en tegenstanders het woord namen. En geen
+geringe voorstanders waren het, die de _Rose_ hoog hielden. Vele knappe,
+wetenschappelijke, doorgeleerde mannen,--verzekerde de proost van
+Rijssel, Jean de Montreuil--, stelden den _Roman de la rose_ zoo hoog,
+dat zij hem bijna vereerden (paene ut colerent), en dat zij liever hun
+hemd zouden missen dan dat boek. [371]
+
+Het is voor ons niet gemakkelijk, de geestes- en gemoedssfeer te
+begrijpen, waaruit de verdediging voortkwam. Want het waren geen wufte
+hofjonkers, maar ernstige hooge ambtenaren, geestelijken zelfs tendeele,
+zooals de genoemde proost van Rijssel Jean de Montreuil, secretaris van
+den dauphin, later van den hertog van Bourgondië, die er met zijn
+vrienden Gontier en Pierre Col in dichterlijke of latijnsche brieven
+over correspondeerde, en anderen aanspoorde, om toch de verdediging van
+Jean de Meun op zich te nemen. Het eigenaardigste is, dat deze kring,
+die zich aldus kampioen stelde voor dat bonte, wulpsche, middeleeuwsche
+werk, dezelfde is, waar de eerste kiemen van het Fransche humanisme
+gekweekt werden. Jean de Montreuil is de schrijver van een groot aantal
+Ciceroniaansche brieven vol humanistenwendingen, humanistenrhetoriek en
+humanistenijdelheid. Hij en zijn vrienden Gontier en Pierre Col staan in
+briefwisseling met den ernstigen reformgezinden theoloog Nicolaas de
+Clemanges.
+
+Het was Jean de Montreuil zeker ernst met zijn litterair standpunt. Hoe
+meer ik,--schrijft hij aan een ongenoemd rechtsgeleerde, die den Roman
+bestreden had,--het gewicht der mysteriën en de mysteriën van het
+gewicht van dat diepe en beroemde werk van meester Jean de Meun
+doorvorsch, hoe meer ik mij verbaas over uwe afkeuring. Tot zijn
+laatsten snik zal hij het verdedigen, en er zijn er velen, zooals hij,
+die met geschrift, met stem en hand die zaak zullen dienen. [372]
+
+En als om te bewijzen, dat er in dien strijd over den _Roman de la rose_
+toch meer stak dan een stuk uit het groote gezelschapsspel van het
+hofleven, nam tenslotte een man het woord, die wat hij sprak, terwille
+van de hoogste zedelijkheid en zuiverste leer sprak, de beroemde
+theoloog en kanselier der Parijsche universiteit Jean Gerson. Uit zijn
+boekvertrek, des avonds 18 Mei 1402, dateerde hij een tractaat tegen den
+_Roman de la rose_. Het is een antwoord op de bestrijding van een vorig
+schrijven van Gerson door Pierre Col, [373] en ook dit was niet het
+eerste geschrift, dat Gerson aan den Roman wijdde; het boek scheen hem
+de gevaarlijkste pest, de bron van alle onzedelijkheid; hij wilde het
+bij elke gelegenheid bestrijden. Herhaaldelijk trekt hij te velde tegen
+den verderfelijken invloed "du vicieux romant de la rose." [374] Als hij
+er een exemplaar van had,--zegt hij--, dat het eenige was, en duizend
+pond waard, dan zou hij het liever verbranden, dan het te verkoopen om
+in het licht te worden gegeven.
+
+Gerson ontleende den vorm van zijn betoog aan den tegenstander zelf: een
+allegorisch vizioen. Op een morgen ontwakende voelt hij zijn hart hem
+ontvlieden, "moyennant les plumes et les eles de diverses pensees, d'un
+lieu en autre jusques a la court saincte de crestienté." Daar ontmoet
+het Justice, Conscience en Sapience, en hoort, hoe Chasteté den Fol
+amoureux, dat is Jean de Meun, aanklaagt, die haar van de aarde met al
+haar volgelingen verbannen heeft. Haar "bonnes gardes" zijn juist de
+booze figuren van den roman: "Honte, Paour et Dangier le bon portier,
+qui ne oseroit ne daigneroit ottroyer neïs (pas même) un vilain baisier
+ou dissolu regart ou ris attraiant ou parole legiere." Een reeks van
+verwijten slingert Kuischheid den Fol amoureux tegen: hij laat door de
+vermaledijde oude vrouw leeren, "comment toutes jeunes filles doivent
+vendre leurs corps tost et chierement sans paour et sans vergoigne, et
+qu'elles ne tiengnent compte de decevoir ou parjurer." Hij hoont het
+huwelijk en het kloosterleven; hij richt al de fantazie op de
+vleeschelijke lusten, en wat het ergste is, hij laat door Venus, door
+Nature, zelfs door Dame Raison de begrippen van het Paradijs en de
+christelijke mysteriën vermengen met die van het zingenot.
+
+Inderdaad, daar school het gevaar. Het groote werk met zijn vereeniging
+van felle zinnelijkheid, hoonend cynisme en elegant symbolisme wekte in
+de geesten een sensueel mysticisme, dat den ernstigen theoloog een
+afgrond van zondigheid moest schijnen. Wat had niet Gerson's
+tegenstander, Pierre Col, durven beweren! [375] Alleen de fol amoureux
+zelf kan over de waarde van die dolle passie oordeelen; wie haar niet
+kent, ziet haar slechts in een spiegel en een raadsel. Hij leende dus
+voor de aardsche liefde het heilige woord van den brief aan de
+Corinthen, om van haar te spreken, zooals de mysticus het van zijn
+ekstase doet! Hij waagde het, te verklaren, dat Salomo's hoogheid tot
+lof van Pharao's dochter is gedicht. Zij die het boek van de _Rose_
+hebben gesmaad, hebben voor Baal hun knieën gebogen. De Natuur wil niet,
+dat één man één vrouw genoeg zij, en de Genius der Natuur is God. Ja,
+hij durft Lucas II 23 misbruiken, om uit het evangelie zelf te bewijzen,
+dat eertijds de vrouwelijke geslachtsorganen, de roos van den roman,
+heilig zijn geweest. En vol vertrouwen in al die blasphemie roept hij de
+verdedigers van het werk op, een turbe van getuigen, en dreigt Gerson,
+dat deze zelf vervallen zal in een zinnelooze liefde, zooals het anderen
+godgeleerden vóór hem is gebeurd.
+
+Het gezag van den _Roman de la rose_ is door Gerson's aanval niet
+getaand. In 1444 biedt een kanunnik van Lisieux, Estienne Legris, aan
+Jean Lebègue, griffier van de rekenkamer te Parijs, een _Répertoire du
+roman de la rose_ van zijn hand. [376] Nog in het laatst der vijftiende
+eeuw kan Jean Molinet verklaren, dat de uitspraken van de _Rose_
+gangbaar waren als algemeene spreekwoorden. [377] Hij voelt zich
+geroepen, om van den geheelen roman een moraliseerenden commentaar te
+geven, waar de bron uit het begin van het gedicht tot symbool van den
+doop wordt, de nachtegaal, die tot de liefde roept, de stem van
+predikers en godgeleerden, en de roos Jezus zelf. Zelfs Clément Marot
+heeft nog een moderniseering van het werk gegeven.
+
+Terwijl de deftige geletterden hun pennestrijd voerden, vond de
+aristocratie in den strijd een welkome aanleiding tot feestelijke
+conversatie en pompeus vermaak. Boucicaut, geprezen door Christine de
+Pisan om zijn hooghouden van het oude ideaal van ridderlijke trouw in de
+liefde, vond wellicht in haar woord weer de aanleiding tot het stichten
+van zijn Ordre de l'écu verd à la dame blanche, ter verdediging van
+verdrukte vrouwen. Maar hij kon niet wedijveren met den hertog van
+Bourgondië, en zijn orde werd terstond in de schaduw gesteld door de
+grootsch opgezette Cour d'amours, die op 14 Februari 1401 werd opgericht
+in het hôtel d'Artois te Parijs. Het was een luisterrijk aangekleed
+litterair salon. Philips de Stoute, hertog van Bourgondië, de oude
+berekenende staatsman, had met Lodewijk van Bourbon den koning verzocht,
+het liefdehof in te stellen tot afleiding tijdens de pestepidemie, die
+er heerschte, "pour passer partie du tempz plus gracieusement et affin
+de trouver esveil de nouvelle joye." [378] Het liefdehof was gegrond
+op de deugden van nederigheid en trouw, "à l'onneur, loenge et
+recommandacion et service de toutes dames et damoiselles." De talrijke
+leden waren getooid met de wijdluftigste titels: de beide oprichters en
+Karel VI waren Grands conservateurs, onder de Conservateurs waren Jan
+zonder Vrees, zijn broeder Antonie van Brabant, zijn jonge zoon Philips.
+Er is een Prince d'amour: Pierre de Hauteville, een Henegouwer; er zijn
+Ministres, Auditeurs, Chevaliers d'honneur conseillers, Chevaliers
+trésoriers, Grands Veneurs, Ecuyers d'amour, Maîtres des requêtes,
+Secrétaires, kortom de geheele toestel van hofhouding en regeering is er
+nagebootst. Men vindt er naast prinsen en prelaten ook burgers en lagere
+geestelijken. Werkzaamheid en ceremonieel waren nauwkeurig geregeld: er
+werden refreinen opgegeven om te behandelen, en "ballades couronnées ou
+chapelées", en "amoureuses chansons de cinq couplets", en "sirventois,
+distiers, complaintes, rondeaux, lais, virelais." Er zouden debatten
+worden gehouden "en forme d'amoureux procès, pour différentes opinions
+soustenir." De dames zouden de prijzen uitreiken, en het was verboden om
+verzen te maken, die de eer van het vrouwelijk geslacht aantastten.
+
+Hoe geweldig Bourgondisch is die pompeuze en statige opzet, die ernstige
+vormen voor een gracieus vermaak. Het is opmerkelijk, doch verklaarbaar,
+dat het hof het strenge ideaal van de edele trouw beleed. Doch als men
+zou verwachten, dat nu ook de 700 leden, die bekend zijn uit de ongeveer
+vijftien jaren, dat men van het bestaan van het gezelschap verneemt,
+allen als Boucicaut de oprechte medestanders van Christine de Pisan, de
+vijanden dus van den _Roman de la rose_ zijn geweest, komt men in strijd
+met de feiten. Wat men van de zeden van Antonie van Brabant en andere
+hooge heeren weet, maakt hen weinig geschikt tot verdedigers van
+vrouweneer. Een der leden, een zekere Regnault d'Azincourt, is de
+aanlegger van een mislukte schaking in grooten stijl, met twintig
+paarden en een priester, van een jonge kramersweduwe. [379] Een ander
+lid, de graaf van Tonnerre, staat schuldig aan een dergelijk vergrijp.
+En als om afdoende te bewijzen, dat het alles slechts een schoon
+gezelschapsspel was: de bestrijders van Christine de Pisan zelf in den
+letterkundigen twist over den _Roman de la rose_ vindt men onder de
+leden: Jean de Montreuil, Gontier en Pierre Col. [380]
+
+ * * * * *
+
+Het is uit de litteratuur, dat men de liefdevormen van den tijd moet
+leeren kennen, maar het is in het leven zelf, dat men ze zich moet
+voorstellen. Daar was een heel stelsel van geijkte vormen, om een jong
+leven van aristocratischen omgang mee te vullen. Wat al teekens en
+figuren der liefde, die de latere eeuwen gaandeweg hebben prijsgegeven.
+In plaats van Amor alleen had men de gansche zonderling persoonlijke
+mythologie van den _Roman de la rose_. Zonder twijfel immers hebben Bel
+accueil, Doux-penser, Faux semblant en de rest ook buiten de directe
+litteratuurproducten in de verbeelding geleefd. Dan was er al de teedere
+beteekenis der kleuren in kleeding, bloemen en sieraad. Voor Rabelais
+was het een voorwerp van spot geworden, dat men naar de symbolische
+beteekenis der kleuren vroeger zijn pages kleedde, zijn handschoen
+borduurde en wat niet al. [381] In de veertiende en vijftiende eeuw nam
+die kleurensymboliek in het amoureuze leven een gewichtige plaats in.
+
+Wanneer Guillaume de Machaut voor het eerst zijn onbekende geliefde
+ziet, is hij verrukt, dat zij bij een wit kleed een kaproen draagt van
+hemelsblauwe stof met groene papegaaien, want groen is de kleur der
+nieuwe liefde en blauw van de trouw. Later als het hooggetij van zijn
+dichterliefde voorbij is, droomt hij, dat haar beeltenis, die boven zijn
+bed hangt, het hoofd afwendt, en geheel in het groen gekleed is, "qui
+nouvelleté signifie". Hij dicht een verwijtende ballade:
+
+ "En lieu de bleu, dame, vous vestez vert." [382]
+
+De ringen, de sluiers, al de kleinooden en geschenken der liefde hadden
+hun bijzondere functie, met hun geheimzinnige deviezen en emblemen,
+dikwijls in de gekunsteldste rebussen ontaard. De dauphin trekt in 1414
+ten strijde met een standaard, waarop in goud een K, een zwaan (cygne)
+en een L, dat beduidde den naam van een hofdame zijner moeder Isabeau,
+die la Cassinelle werd genoemd. [383] Rabelais bespot nog een eeuw later
+de "glorieux de court et transporteurs de noms," die in hun deviezen
+"espoir" door een "sphere", "peine" door "pennes d'oiseaux",
+"melancholie" door een akelei (ancholie) aanduiden. [384] Coquillart
+spreekt van een
+
+ "Mignonne de haulte entreprise,
+ Qui porte des devises à tas." [385]
+
+Dan waren er de amoureuze vernuftspelletjes, zooals Le Roi qui ne ment,
+Le chastel d'amours, Ventes d'amour, Jeux à vendre. Het meisje noemt den
+naam van een bloem of iets anders; de jongeling moet er op rijmen met
+een compliment:
+
+ "Je vous vensla passerose.
+ --Belle, dire ne vous ose
+ Comment Amours vers vous me tire,
+ Si l'apercevez tout sanz dire". [386]
+
+Het Chastel d'amours was zulk een vraag- en antwoordspel, gebaseerd op
+de figuren van den _Roman de la rose_:
+
+ "Du chastel d'Amours vous demant:
+ Dites le premier fondement!
+ --Amer loyaument.
+
+ Or me nommez le mestre mur
+ Qui joli le font, fort et seur!
+ --Celer sagement.
+
+ Dites moy qui sont li crenel,
+ Les fenestres et li carrel!
+ --Regart atraiant.
+
+ Amis, nommez moy le portier!
+ --Dangier mauparlant.
+
+ Qui est la clef qui le puet deffermer?
+ --Prier courtoisement." [387]
+
+Een groote plaats in de hoofsche conversatie werd sinds de dagen der
+troubadours ingenomen door de casuïstiek der liefde. Het was als 't ware
+de veredeling van de nieuwsgierigheid en kwaadsprekerij tot een
+litterairen vorm. Naast "beaulx livres, dits, ballades" wordt de
+maaltijd aan het hof van Lodewijk van Orleans opgeluisterd door
+"demandes gracieuses". [388] Men legt ze vooral den dichter ter
+beslissing voor. Een gezelschap dames en heeren komt bij Machaut met een
+reeks "partures d'amours et de ses aventures." [389] Hij had in zijn
+_Jugement d'amour_ de stelling verdedigd, dat de dame, die door den dood
+haar minnaar verliest, minder te beklagen is dan de minnaar eener
+trouwelooze geliefde. Elk liefdegeval werd op die wijze naar strenge
+normen gediscuteerd--"Beau sire, wat zoudt ge liever willen: dat men
+kwaad sprak van uw geliefde en gij haar goed bevondt, of dat men goed
+van haar sprak en gij haar slecht vondt?"--Waarop overeenkomstig het
+hooge formeele eerbegrip en de dure plicht van den minnaar om voor de
+uiterlijke eer der geliefde te waken, het antwoord luiden moest: "Dame,
+j'aroie plus chier que j'en oïsse bien dire et y trouvasse mal."
+--Wanneer een dame door haar eersten minnaar wordt veronachtzaamd,
+handelt zij dan trouweloos, door een tweeden te nemen, die oprechter is?
+Mag een ridder, die elke hoop heeft opgegeven, zijn dame te zien, daar
+een jaloersche echtgenoot haar opgesloten houdt, zich eindelijk tot een
+nieuwe liefde wenden? Wanneer een ridder zich van zijn geliefde keert
+tot een vrouw van hoog aanzien, en daarop, teruggewezen, opnieuw haar
+genade inroept, laat haar eer haar dan toe, hem te vergeven? [390] Van
+deze casuïstiek is het maar een schrede naar de behandeling der
+liefdevragen geheel in procesvorm, zooals Martial d'Auvergne ze geeft in
+de _Arrestz d'amour._
+
+Al deze omgangsvormen der liefde kennen wij slechts uit hun neerslag in
+de litteratuur. Zij hoorden thuis in het werkelijk leven. De code van
+hoofsche begrippen, regels en vormen diende niet uitsluitend, om er
+versjes mee te maken, maar om ze toe te passen in het aristocratische
+leven, of althans in de conversatie. Het is evenwel heel moeilijk, om
+door de sluiers der poëzie heen het leven van den tijd te zien. Want ook
+waar een werkelijke liefde zoo nauwkeurig mogelijk wordt beschreven, is
+het toch van uit den waan van het geijkte ideaal, met den technischen
+toestel der gangbare liefdesbegrippen, in de styleering van het
+litteraire geval. Zoo is het met het, al te lange, relaas van een
+dichterliefde tusschen een ouden poëet en een veertiendeëeuwsche
+Bettina, _Le livre du Voit-Dit_ (d.w.z. Ware geschiedenis) van Guillaume
+de Machaut. [391] Hij moet ongeveer zestig jaar oud zijn geweest, toen
+de ongeveer achttienjarige Peronnelle d'Armentières [392], uit een
+aanzienlijk geslacht in Champagne, hem in 1362 haar eerste rondel zond,
+waarin zij den onbekenden beroemden dichter haar hart aanbood, terwijl
+zij hem liet verzoeken, een dichterlijke liefdescorrespondentie met haar
+te beginnen. De arme dichter, ziekelijk, aan één oog blind, geplaagd
+door de jicht, is onmiddellijk in vlam. Hij beantwoordt haar rondel, en
+een wisseling van brieven en gedichten begint. Peronnelle is trotsch op
+haar litteraire verbintenis; zij maakt er aanvankelijk geen geheim van.
+Zij wil, dat hij hun gansche liefde naar waarheid zal te boek stellen,
+met inlassching van hun brieven en gedichten. Hij volbrengt die taak met
+vreugde; "je feray, à vostre gloire et loenge, chose dont il sera bon
+memoire". [393] "Et, mon très-dous cuer,--schrijft hij haar--, vous
+estes courrecié de ce que nous avons si tart commencié? (hoe had zij
+eerder gekund?) par Dieu aussi suis-je (met meer reden); mais ves-cy le
+remede: menons si bonne vie que nous porrons, en lieu et en temps, que
+nous recompensons le temps que nous avons perdu; et qu'on parle de nos
+amours jusques à cent ans cy après, en tout bien et en toute honneur;
+car s'il y avoit mal, vous le celeriés à Dieu, se vous poviés". [394]
+
+Wat er met een eerbare liefde bestaanbaar was, leert het verhaal,
+waarmee Machaut de brieven en gedichten aaneenrijgt. Hij krijgt, op zijn
+verzoek, haar geschilderd portret, dat hij eer bewijst als zijn God op
+aarde. Vol angst over zijn eigen gebreken gaat hij de eerste samenkomst
+tegemoet, en zijn geluk is uitbundig, wanneer zijn voorkomen de jonge
+geliefde niet afschrikt. Zij legt zich onder een kerseboom in zijn
+schoot te slapen, of kwansuis te slapen. Zij schenkt hem grooter
+gunsten. Een pelgrimage naar Saint Denis en de Foire du Lendit geeft de
+gelegenheid, om eenige dagen te zamen te zijn. Op een middag is het
+gezelschap doodmoe van de drukte en de zomerhitte; het was midden Juni.
+Zij vinden in de overvolle stad een onderkomen bij een man, die hun een
+kamer met twee bedden afstaat. Op het eene legt zich in de donker
+gemaakte kamer ter middagrust Peronnelle's schoonzuster, op het andere
+zij zelf met haar kamenier. Zij dringt den schuchteren dichter, om zich
+tusschen haar beiden te leggen; hij ligt doodstil uit vrees van haar te
+storen, en als zij ontwaakt, beveelt zij hem, haar te omhelzen. Als het
+einde van het reisje nadert, en zij zijn droefheid bespeurt, staat zij
+hem toe, haar tot afscheid te komen wekken. En ofschoon hij ook bij die
+gelegenheid blijft spreken van "onneur" en "onnesté", is het bij zijn
+vrij onomwonden verhaal niet duidelijk, wat zij hem nog geweigerd kan
+hebben. Zij geeft hem het gouden sleuteltje van haar eer, haar schat, om
+die zorgvuldig te behoeden, maar het moet wel opgevat worden als haar
+eerbaarheid voor de menschen, wat er nog te bewaren viel. [395]
+
+Meer geluk was den dichter niet weggelegd, en bij gebrek aan verdere
+lotgevallen, vult hij de tweede helft van zijn boek met eindelooze
+verhalen uit de mythologie. Tenslotte bericht zij hem, dat hun
+verhouding een einde moet nemen, blijkbaar wegens haar huwelijk. Maar
+hij besluit, haar altijd te blijven liefhebben en vereeren, en na hun
+beider dood zal zijn geest aan God verzoeken, om haar ziel in glorie nog
+te blijven noemen: Toute-belle. [396]
+
+Zoowel voor de zeden als voor de sentimenten leert ons _Le Voir-Dit_
+meer dan de meeste liefdeslitteratuur van den tijd. Vooreerst de
+buitengewone vrijheid, die zich dit jonge meisje veroorloven kon, zonder
+aanstoot te geven. Dan de naïeve onverstoorbaarheid, waarmee alles, tot
+het intiemste, zich afspeelt in tegenwoordigheid van anderen, 't zij de
+schoonzuster, de kamenier of den secretaris. Bij het samenzijn onder den
+kerseboom verzint deze laatste zelfs een bevallige list: terwijl zij
+sluimert, legt hij een groen blad op Peronnelle's mond, en zegt tot
+Machaut, dat hij dat blad moet kussen. Als deze het eindelijk waagt,
+trekt de secretaris het blad weg, zoodat hij even haar mond aanraakt.
+[397] Even opmerkelijk is het samengaan van liefdes- en godsdienstplichten.
+Het feit, dat Machaut als kanunnik van de kerk van Reims tot den
+geestelijken stand behoorde, moet niet al te zwaar worden opgevat. De
+lagere wijdingen, die voor het kanunnikschap voldoende waren, brachten
+in dien tijd den eisch van het coelibaat niet gebiedend mede. Ook
+Petrarca was kanunnik. Dat een bedevaart gekozen wordt, om elkaar te
+ontmoeten, is ook niets buitengewoons. De bedevaarten waren zeer in trek
+voor liefdesavonturen. Maar de pelgrimage wordt desondanks met ernst
+verricht, "très devotement." [398] Bij een vorig samenzijn hooren zij
+samen de mis, hij achter haar gezeten:
+
+ "... Quant on dist: Agnus dei,
+ Foy que je doy à Saint Crepais,
+ Doucement me donna la pais,
+ Entre deux pilers du moustier (kerk).
+ Et j'en avoie bien mestier,
+ Car mes cuers amoureus estoit
+ Troublés, quant si tost se partoit." [399]
+
+De paix was het bordje, dat rondging om gekust te worden ter vervanging
+van den vredeskus van mond tot mond. [400] Hier is natuurlijk de
+bedoeling, dat Peronnelle hem haar eigen lippen bood. Hij wacht haar in
+den tuin onder het zeggen van zijn getijden. Bij het aangaan van een
+novene (een negendaagsche verrichting van bepaalde gebeden) doet hij,
+als hij de kerk binnentreedt, binnensmonds de gelofte, dat hij ieder van
+die dagen een nieuw gedicht op de liefste zou maken, wat hem niet belet,
+van de groote devotie te spreken, waarmee hij bad. [401]
+
+Men moet bij dit alles niet denken aan een frivole of profane bedoeling;
+Guillaume de Machaut is tenslotte een ernstig en hooggestemd dichter.
+Het is de ons haast onbegrijpelijke onbevangenheid, waarmee in de dagen
+vóór Trente de geloofsverrichtingen door het dagelijksche leven heen
+waren gevlochten. Wij zullen er spoedig meer van moeten zeggen.
+
+Het sentiment, dat uit de brieven en de beschrijving van dit historische
+liefdegeval spreekt, is week, zoet, een weinig ziekelijk. De uitdrukking
+der gevoelens blijft gewikkeld in den langen omhaal van raisonneerende
+bespiegeling en de aankleeding met allegorische verbeeldingen en
+droomen. Er is iets roerends in de innigheid, waardoor de grijze
+dichter, de heerlijkheid van zijn geluk en de voortreffelijkheid van
+Toute-belle beschrijvende, zich niet bewust wordt, dat zij toch
+eigenlijk met hem en met haar eigen hart maar heeft gespeeld.
+
+Uit ongeveer denzelfden tijd als Machaut's _Voit-Dit_ stamt een ander
+werk, dat in zeker opzicht als tegenhanger zou kunnen dienen: _Le livre
+du chevalier de la Tour Landry pour l'enseignement de ses filles_. [402]
+Het is een geschrift uit adellijken kring evenals de roman van Machaut
+en Peronnelle d'Armentières; speelde deze in Champagne en in en om
+Parijs, de ridder de la Tour Landry verplaatst ons naar Anjou en Poitou.
+Doch hier geen oude dichter, die zelf bemint, maar een vrij prozaïsche
+vader, die herinneringen uit zijn jonge jaren, anecdoten en verhalen ten
+beste geeft "pour mes filles aprandre à roumancier". Wij zouden zeggen:
+om haar de beschaafde vormen in liefdezaken te leeren. Die leering valt
+echter in het geheel niet romantisch uit. De strekking der exempelen en
+vermaningen, die de zorgvuldige edelman zijn dochters voorhoudt, is
+veeleer, haar te waarschuwen voor de gevaren van romantische flirt. Past
+op voor die welbespraakte lieden, die altijd klaar staan met "faulx
+regars longs et pensifs et petis soupirs et de merveilleuses contenances
+affectées (aangedane) et ont plus de paroles à main que autres gens."
+[403] Weest niet te toeschietelijk. Hij was als jongeling eens door zijn
+vader op een kasteel gebracht, om met het oog op een gewenschte
+verloving kennis te maken met de dochter. Het meisje had hem bijzonder
+vriendelijk ontvangen. Om te ervaren, wat er in haar was, sprak hij met
+haar over allerlei dingen. Het gesprek kwam op gevangenen, en de jonker
+maakte een deftig compliment: "Ma demoiselle, il vaudroit mieulx cheoir
+à estre vostre prisonnier que à tout plain d'autres, et pense que vostre
+prison ne seroit pas si dure comme celle des Angloys."--Si me respondit
+qu'elle avoyt veu nagaires cel qu'elle vouldroit bien qu'il feust son
+prisonnier. Et lors je luy demanday se elle luy feroit male prison, et
+elle ne dit que nennil et qu'elle le tandroit ainsi chier comme son
+propre corps, et je lui dis que celui estoit bien eureux d'avoir si
+doulce et si noble prison. Que vous dirai-je? Elle avoit assez de
+langaige et lui sambloit bien, selon ses parolles, qu'elle savoit assez,
+et si avoit l'ueil bien vif et legier." Bij het afscheid vroeg zij hem
+wel twee of drie maal, om spoedig weerom te komen, alsof zij hem al lang
+gekend had. "Et quant nous fumes partis, monseigneur de père me dist:
+'Que te samble de celle que tu as veue. Dy m'en ton avis'." Maar haar al
+te gereede aanmoediging had hem elken lust tot een nadere kennismaking
+benomen. "'Mon seigneur, elle me samble belle et bonne, maiz je ne luy
+seray jà plus de près que je suis, si vous plaist". Van de verloving
+kwam niets, en de ridder vond natuurlijk reden, daar later geen berouw
+van te hebben. [404] Dergelijke stukjes zóó uit het leven opgeteekende
+herinnering, die ons doen zien, hoe de zeden zich paarden aan het
+ideaal, zijn ongelukkig in de eeuwen, waarvan hier sprake is, nog
+uitermate zeldzaam. Had de ridder de la Tour Landry ons maar wat meer
+uit zijn eigen leven verteld. Het meeste zijn ook bij hem bespiegelingen
+van algemeenen aard. Hij denkt voor zijn dochters in de eerste plaats
+aan een goed huwelijk. En het huwelijk had met de liefde weinig te
+maken. Hij geeft een breedvoerig "debat" tusschen hemzelf en zijn vrouw
+over het geoorloofde der liefde, "le fait d'amer par amours". Hij meent,
+dat een meisje in zekere gevallen wel in eere kan beminnen, bij
+voorbeeld "en esperance de mariage". De vrouw is daar tegen. Een meisje
+moet liever in het geheel niet verliefd worden, ook niet op haar
+verloofde. Het houdt haar maar af van de ware vroomheid. "Car j'ay ouy
+dire à plusieurs, qui avoient esté amoureuses en leur juenesce, que,
+quant elles estoient à l'eglise, que la pensée et la merencolie [405]
+leur faisoit plus souvent penser à ces estrois pensiers et deliz de
+leurs amours que ou (au) service de Dieu, [406] et est l'art d'amours de
+telle nature que quant l'en (on) est plus au divin office, c'est tant
+comme le prestre tient nostre seigneur sur l'autel, lors leur venoit
+plus de menus pensiers". [407]--Deze diepe zielkundige observatie
+konden Machaut en Peronnelle beamen. Doch overigens welk een verschil
+in opvatting tusschen den dichter en den ridder! Hoe nu met deze
+austeriteit weer te rijmen, dat de vader zijn dochters ter leering
+herhaaldelijk vertelsels opdischt, die om hun scabreuzen inhoud in de
+_Cent nouvelles nouvelles_ niet misplaatst zouden zijn geweest?
+
+Juist het gering verband van de schoone vormen van het hoofsche
+liefdesideaal met de realiteit van verloving en huwelijk maakte, dat het
+element van spel, van conversatie, van litterair vermaak in alles wat
+het verfijnde liefdeleven betrof, zich te ongehinderder kon ontplooien.
+Het ideaal der liefde, de schoone fictie van trouw en opoffering had
+geen plaats in de zeer materieele overleggingen, waarmee een huwelijk,
+en bovenal een adellijk huwelijk tot stand kwam. Het kon slechts worden
+beleefd in de gedaante van een bekorend of hartverheffend spel. Het
+tournooi gaf dat spel der romantische liefde in zijn heroïeken vorm.
+De pastorale idee leverde den idyllischen vorm ertoe.
+
+De pastorale is in haar wezenlijkste beteekenis iets meer dan een
+litterair genre. Het is niet te doen om de beschrijving van het
+herdersleven met zijn eenvoudige en natuurlijke geneuchten, maar om het
+naleven ervan. Het is een Imitatio. Er was een fictie, dat in het
+herdersleven de ongestoorde natuurlijkheid der liefde verwezenlijkt was.
+Daarheen wou men vlieden, zoo niet in werkelijkheid, dan in droom.
+Telkens weer heeft het herdersideaal moeten dienen als geneesmiddel,
+om de geesten te bevrijden uit de kramp van een opgeschroefde
+dogmatiseering en formaliseering der liefde. Men snakte naar verlossing
+uit de knellende begrippen van ridderlijke trouw en dienst, uit den
+bonten toestel der allegorie. En ook uit de ruwheid, de baatzucht en
+de maatschappelijke zonden van het liefdeleven der werkelijkheid. Een
+gemakkelijk bevredigde, eenvoudige liefde, temidden van onschuldig
+natuurgenot. Dat scheen het deel van Robin en Marion, van Gontier en
+Helayne. Zij waren de gelukkigen, de benijdbaren; de veelgesmade dorper
+wordt op zijn beurt het ideaal.
+
+De late Middeleeuwen evenwel zijn nog zoo echt aristocratisch en zoo
+weerloos tegenover een schoonen waan, dat de cultuur het niet verder
+brengt dan het toepassen van een zeer gekunstelde versiering op de
+hoofsche zeden. Wanneer de adel der vijftiende eeuw herder en herderin
+speelt, dan is het gehalte van echte natuurvereering en bewondering van
+eenvoud en arbeid nog heel zwak. Wanneer Marie Antoinette drie eeuwen
+later melkt en karnt in Trianon, dan is het ideaal reeds gevuld met den
+ernst van de physiocraten: natuur en arbeid zijn reeds de groote
+slapende godheden van den tijd geworden; toch maakt de aristocratische
+cultuur er nog spel van. Wanneer omstreeks 1870 de Russische
+intellectueele jeugd zich onder het volk begeeft, om zelf als boeren
+voor de boeren te leven: het narodnitsjestwo, dan is het ideaal bittere
+ernst geworden. En ook toen bleek de verwezenlijking een waan.
+
+Er was één poëtische vorm, die den overgang vertegenwoordigt tusschen de
+eigenlijke pastorale en de werkelijkheid, namelijk de Pastourelle, het
+korte gedicht, dat het gemakkelijk avontuur van den ridder met het
+landmeisje bezingt. Daar vond de directe erotiek een frisschen,
+eleganten vorm, die haar boven het platte verhief en toch al de bekoring
+van het natuurlijke behield. Men moet er sommige schetsen van Guy de
+Maupassant mee vergelijken.
+
+Werkelijk pastoraal is echter het sentiment eerst, als ook de minnaar
+zelf zich als herder denkt. Daarmee verzinkt elke aanraking met de
+werkelijkheid. Alle elementen der hoofsche liefdesopvatting worden
+eenvoudig getransponeerd in het herderlijke; een zonnig droomland hult
+het verlangen in een waas van fluitspel en vogelgeschal. Het is een blij
+geluid; ook de droefheden der liefde: het smachten en klagen, het leed
+van de verlatene, worden opgenomen in dien zoeten toon. In de pastorale
+vindt telkens weer de erotiek de aanraking terug met het natuurgenot,
+dat haar onmisbaar was. Zoo wordt de pastorale het veld, waarop zich de
+litteraire uitdrukking van het natuurgevoel ontwikkelt. Aanvankelijk is
+het haar nog niet te doen om het beschrijven van natuurschoonheid, maar
+om het onmiddellijk welbehagen aan zon en zomer, schaduw en frisch
+water, bloemen en vogels. Natuurobservatie en schildering komt eerst
+in de tweede plaats; de hoofdbedoeling blijft de liefdedroom; als
+bijproduct levert de herderlijke poëzie allerlei bevallig realisme. De
+schildering van het landleven in een gedicht als _Le dit de la pastoure_
+van Christine de Pisan opent een genre.
+
+Eenmaal als hoofsch ideaal opgenomen wordt de herderij een masker. Alles
+laat zich dossen in de herderlijke travesti. De fantaziesferen van de
+pastorale en van de ridderlijke romantiek vermengen zich. Een tournooi
+wordt opgevoerd in de aankleeding van een herdersspel. Koning René houdt
+zijn Pas d'armes de la bergère.
+
+De tijdgenooten schijnen toch werkelijk in deze vertooning iets echts
+gezien te hebben; een ongenoemde dichter geeft koning René's herdersleven
+een plaats onder de Merveilles du monde:
+
+ "J'ay un roi de Cécille
+ Vu devenir berger
+ Et sa femme gentille
+ De ce mesme mestier,
+ Portant la pannetière,
+ La houlette et chappeau,
+ Logeans sur la bruyère
+ Auprès de leur trouppeau." [408]
+
+Een andermaal moet de pastorale dienen, om de lasterlijkste politieke
+satire een dichterlijk kleed te verleenen: een Bourgondisch partijganger
+steekt al den haat tegen den vermoorden hertog van Orleans in het gewaad
+van een aanminnig herdersdicht: _le Pastoralet._ [409] Bij de hoffeesten
+ontbreekt nooit het pastorale element. Het leende zich uitstekend voor
+de maskerades, die als entremets de feestmaaltijden opluisterden, en het
+was bovendien bijzonder geschikt voor politieke allegorie. Het beeld van
+den vorst als herder en het volk als zijn kudde was immers reeds van een
+andere zijde den geest binnengekomen: uit de kerkvaderlijke voorstellingen
+van den oorspronkelijken staatsvorm: als herders hadden de aartsvaders
+geleefd, het rechte overheidsambt, zoo goed het wereldlijke als het
+geestelijke, was geen heerschen maar een hoeden.
+
+ "Seigneur, tu es de Dieu bergier;
+ Garde ses bestes loyaument,
+ Mets les en champ ou en vergier,
+ Mais ne les perds aucunement,
+ Pour ta peine auras bon paiement
+ En bien le gardant, et se non,
+ A male heure reçus ce nom." [410]
+
+In deze verzen uit Jean Meschinot's _Lunettes des princes_ is geen
+sprake van eigenlijk pastorale voorstelling. Maar zoodra men dat ging
+verbeelden, vloeide het daarmee van zelf ineen. Een entremets bij het
+feest van Brugge in 1468 verheerlijkte de vroegere vorstinnen als de
+"nobles bergieres qui par cy devant ont esté pastoures et gardes des
+brebis de pardeça." [411] Een spel te Valenciennes bij de terugkomst van
+Margareta van Oostenrijk uit Frankrijk in 1493 vertoonde, hoe het land
+herstelt van zijn verwoesting "le tout en bergerie". [412] Wij kennen
+allen de politieke pastorale in de _Leeuwendalers_. De voorstelling van
+den vorst als herder klinkt ook in het _Wilhelmus_:
+
+ "Oirlof mijn arme schapen
+ Die sijt in grooter noot,
+ Uw herder sal niet slapen,
+ Al sijt gij nu verstroyt."
+
+Zelfs in den echten oorlog speelt men met de pastorale verbeelding. De
+bombardes van Karel den Stoute voor Granson heeten "le berger et la
+bergère". Wanneer de Franschen hoonend zeggen, dat de Vlamingen slechts
+herders zijn en onbekwaam tot het krijgshandwerk, trekt Philips van
+Ravestein met vierentwintig edelen te velde, uitgedost als herders, met
+herdersstaf en broodkorfje. [413]
+
+Evenals de trouwe ridderlijke liefde tegenover de opvattingen van den
+_Roman de la rose_ de stof leverde tot een eleganten litterairen twist,
+zoo werd ook het herdersideaal het onderwerp van zulk een strijd. Ook
+hier proefde men de leugen te sterk op de tong, en moest men haar
+bespotten. Hoe weinig geleek het hyperbolisch gekunstelde, overdadig
+bonte leven van de laat-middeleeuwsche aristocratie op het ideaal van
+eenvoud, vrijheid en zorgeloos trouwe liefde te midden der natuur! Op
+het thema van Philippe de Vitri's Franc Gontier, type van den gouden-
+eeuwschen eenvoud, had men eindeloos gevarieerd. Iedereen verklaarde te
+hongeren naar Franc Gontier's maal op het gras onder 't lommer met dame
+Helayne, zijn menu van kaas, boter, room, appelen, uien en bruin brood,
+zijn lustig houthakkerswerk, zijn vrijheidszin en onbezorgdheid:
+
+ "Mon pain est bon; ne faut que nulz me veste;
+ L'eaue est saine qu'à boire sui enclin,
+ Je ne doubte ne tirant ne venin." [414]
+
+Soms viel men wel eens even uit de rol. Dezelfde Eustache Deschamps, die
+het leven van Robin en Marion en den lof van den natuurlijken eenvoud en
+het werkzaam leven herhaaldelijk bezingt, betreurt het, dat het hof
+danst bij de cornemuse, "cet instrument des hommes bestiaulx". [415]
+Maar het vereischte de veel dieper gevoeligheid en scherpe skepsis van
+François Villon, om al de onwaarheid van dien schoonen levensdroom te
+zien. Er ligt een onbarmhartige bespotting in de ballade _Les contrediz
+Franc Gontier_. Cynisch stelt Villon tegenover de zorgeloosheid van dien
+idealen buitenman met zijn maal van uien "qui causent fort alaine" en
+zijn liefde onder de rozen, het gemak van den vetten kanunnik, die de
+zorgeloosheid en de liefde geniet in een wel behangen kamer met een
+haardvuur, goeden wijn en een zacht bed. Het bruine brood en het water
+van Franc Gontier? "Tous les oyseaulx d'ici en Babiloine" zouden Villon
+geen morgen bij zulk een kost kunnen houden. [416]
+
+Evenals de schoone droom van het ridderideaal moesten ook de andere
+vormen, waarin het liefdeleven cultuur wilde worden, als onecht en
+leugenachtig worden verzaakt. Noch het dwepende ideaal van edele,
+kuische riddertrouw, noch de wreed-verfijnde wellust van den _Roman de
+la rose_, noch de zoete, gemakkelijke fantazie der pastorale, konden
+bestaan voor den storm van het leven zelf. Die storm blies van alle
+kanten. Van het geestelijk leven uit klinkt de vervloeking van alles wat
+der liefde is, als de zonde, die de wereld verderft. Onder in den
+schitterenden kelk van den _Roman de la rose_ ziet de moralist al den
+bitteren droesem. "Vanwaar,--roept Gerson uit--vanwaar de bastaarden,
+vanwaar de kindermoorden, de afdrijvingen, vanwaar de haat en de
+vergiftiging van echtgenooten?" [417]
+
+Van den kant der vrouwen zelf klinkt een andere aanklacht. Al die
+conventioneele vormen der liefde zijn mannenwerk. Ook waar zij in
+geïdealiseerde vormen gegoten is, blijft die gansche erotische cultuur
+door en door mannelijk-zelfzuchtig. Wat is de altijd herhaalde smaad
+tegen het huwelijk en over de zwakheden van de vrouw: haar ontrouw en
+haar ijdelheid, anders dan de dekmantel der mannelijke zelfzucht? Op al
+dien smaad antwoord ik enkel, zegt Christine de Pisan: het zijn niet de
+vrouwen, die de boeken gemaakt hebben. [418]
+
+Er is inderdaad noch in de erotische, noch in de vrome litteratuur der
+Middeleeuwen een spoor van echt medelijden met de vrouw, met haar
+zwakheid en de gevaren en smarten, die haar de liefde bereidt. Het
+medelijden had zich geformaliseerd in het fictieve ridderlijke ideaal
+van de bevrijding der maagd, waar het eigenlijk enkel sensueele
+prikkeling en zelfvoldoening was. Nadat de schrijver van de _Quinze
+joyes de mariage_ al de zwakheden der vrouwen in een mat en fijn
+gekleurde satire heeft opgesomd, biedt hij wel aan, om nu ook de
+verongelijking der vrouwen te beschrijven, [419] maar hij doet het niet.
+Om een teere, vrouwelijke stemming uitgedrukt te vinden, moet men het
+Christine zelf vragen, zooals in haar versje, dat begint:
+
+ "Doulce chose est que mariage,
+ Je le puis bien par moy prouver".... [420]
+
+Doch hoe zwak klinkt het geluid van een enkele vrouw tegen dat koor van
+hoon, waarin de platte bandeloosheid instemt met de zedepreek. Want er
+is maar een geringe afstand tusschen de homiletische vrouwenverachting
+en de ruwe ontkenning der ideale liefde door de prozaïsche zinnelijkheid,
+door de wijsheid van de bittertafel.
+
+Het schoone spel van de liefde als levensvorm bleef gespeeld in den
+ridderlijken trant, in den herderlijken en in den kunstigen opzet van de
+rozen-allegorie, en al klonk van alle kanten de verloochening van al die
+conventie, toch behielden die vormen hun levens- en cultuurwaarde tot
+lang na de Middeleeuwen. Want de vormen, waarin het ideaal der liefde
+zich nu eenmaal hullen moet, zijn maar enkele voor alle tijden.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[358] Aldus wil de nieuwste uitgever van den Roman de la rose,
+E. Langlois, den naam herstellen.
+
+[359] Chastellain, IV p. 165.
+
+[360] Basin, II p. 224.
+
+[361] La Marche, II p. 350(2).
+
+[362] Froissart, IX p. 223-236; Deschamps, VII no. 1282.
+
+[363] Cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 15, vgl. I p. 277, II
+p. 20, 168 etc. en Quinze joyes de mariage, passim.
+
+[364] Petit de Julleville, Jean Regnier, bailli d'Auxerre, Revue d'hist.
+litt. de la France, 1895 p. 157, bij Doutrepont, p. 383; vgl. Deschamps,
+VIII p. 43.
+
+[365] H.F. Wirth, Der Untergang des niederländischen Volksliedes, Haag,
+1911.
+
+[366] Deschamps, VI p. 112, no. 1169, La leçon de musique.
+
+[367] Charles d'Orléans, Poésies complètes, Paris 1874, 2 vol., I p. 12.
+42.
+
+[368] ib. p. 88.
+
+[369] Deschamps, VI p. 82, no 1151; zie b.v. V p. 132, no. 926, IX p.
+94, c. 31, VI p. 138, no. 1184, XI 18, no. 1438, en XI p. 269, 286(1).
+
+[370] Christine de Pisan, l'Epistre au dieu d'amours, Oeuvres poétiques,
+ed. M. Roy, II p. 1.
+
+[371] Martène et Durand, Amplissima Collectio, II col. 1421.
+
+[372] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. coll.,
+II p. 1409, 1421, 1422.
+
+[373] Piaget, Etudes romanes dédiées à Gaston Paris, p. 119.
+
+[374] Gerson, Opera, III p. 297; id. Considérations sur St. Joseph, III
+p. 866; Sermo contra luxuriem, III p. 923, 925, 930, 968.
+
+[375] Volgens Gerson. De brief van Pierre Col, bewaard in een hs. der
+Bibl. nationale, mss. français 1563 f. 183, was mij niet toegankelijk.
+
+[376] Bibl. de l'école des chartes LX 1899. p. 569.
+
+[377] E. Langlois, Le Roman de la rose (Société des anciens textes
+français) 1914, t. I Introduction, p. 36.
+
+[378] A. Piaget, La cour amoureuse dite de Charles VI, Romania, XX p.
+417, XXXI p. 599, Doutrepont, p. 367.
+
+[379] Leroux de Lincy, Tentative de rapt etc. en 1405, Bibl. de l'école
+des chartes, 2e serie, III 1846, p. 316.
+
+[380] Piaget, Romania. XX p. 447.
+
+[381] Rabelais, Gargantua, 1. I. ch. 9.
+
+[382] Guillaume de Machaut, Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris. (Société
+des bibliophiles françois 1875), p. 82, 213, 214, 240, 299, 309, 313,
+347, 351.
+
+[383] Juvenal des Ursins, p. 496.
+
+[384] Rabelais, Gargantua, 1. I ch. 9.
+
+[385] Coquillart, Droits nouveaux, I p. 111.
+
+[386] Christine de Pisan, I p. 187ss.
+
+[387] E. Hoepffner, Frage- und Antwortspiele in der franz. Literatur des
+14. Jahrh., Zeitschr. f. roman. Philologie, XXXIII 1909, p. 695, 703.
+
+[388] Christine de Pisan, Le dit de la rose vs. 75, Oeuvres poétiques,
+II p. 31.
+
+[389] Machaut, Remede de fortune vs. 3879ss., Oeuvres, ed. E. Hoepffner
+(Soc. des anc. textes français) 1908/11, 2 vol., II p. 142.
+
+[390] Christine de Pisan, Le livre des trois jugements, Oeuvres
+poétiques II p. 111.
+
+[391] Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris, Société des bibliophiles
+françois, 1875. De hypothese, dat er geen reëele liefdesgeschiedenis aan
+het werk van Machaut ten grondslag zou liggen (aldus Hanf, Zeitschr. f.
+Rom. Phil. XXII p. 145), mist elken grond.
+
+[392] Een kasteel bij Château Thierry.
+
+[393] Voir-Dit, lettre II p. 20.
+
+[394] Voir-Dit, lettre XXVII p. 203.
+
+[395] Voir-Dit, p. 20, 96, 146, 154, 162.
+
+[396] Voir-Dit, p. 371.
+
+[397] De kus met een blad ter isoleering komt meer voor: vgl. Le grand
+garde derrière, str. 6, W.G.C. Bijvanck, Un poète inconnu de la société
+de François Villon, Paris, Champion, 1891, p. 27.
+
+[398] Voir-Dit, p. 143, 144.
+
+[399] Voir-Dit, p. 110.
+
+[400] Zie hierboven p. 66. (zie par. die begint met: "Wanneer eindelijk
+de aanzienlijkste is voorgegaan ..., M.D.)
+
+[401] Voir-Dit, p. 98, 70.
+
+[402] Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon
+(Bibl. elzevirienne) 1854.
+
+[403] p. 245 (zie Hoofdstuk IV, noot 464)
+
+[404] p. 28 (tekst volgend op noot 44, hoofdstuk I.)
+
+[405] p.45 (zie Hoofdstuk II noot 71)
+
+[406] De zin is geheel onlogisch (pensée ... fait penser ... à pensiers)
+en loopt niet rond; vat op: nergens zoo dikwijls, als in de kerk.
+
+[407] p. 249, p. 252 (zie hoofdstuk IV, noot 481)
+
+[408] Recollection des merveilles, bij Chastellain VII p. 200; vergelijk
+de beschrijving der Joutes de Saint Ingelevert in een gedicht, vermeld
+bij Froissart ed. Kervyn, XIV p. 406.
+
+[409] Le Pastoralet, ed. Kervyn de Lettenhove, (Chron. rel. à l'hist. de
+Belg. sous la dom. des ducs de Bourg.) II p. 573.
+
+[410] Meschinot, Les Lunettes des princes, bij La Borderie l.c., p. 606.
+
+[411] La Marche, III p. 135, 137.
+
+[412] Molinet, IV p. 389.
+
+[413] Molinet, I p. 190, 194; III p. 138; vgl. Juvenal des Ursins, p.
+382.
+
+[414] Deschamps, II p. 213. Lay de franchise; vgl. Chr. de Pisan, Le dit
+de la Pastoure, Le Pastoralet, roi René, Regnault et Jehanneton, Martial
+d'Auvergne, Vigilles du roi Charles VII, etc., etc.
+
+[415] Deschamps, no. 923, vgl. XI p. 322.
+
+[416] Villon, ed. Longnon, p. 83.
+
+[417] Gerson, Opera, III p. 302.
+
+[418] L'epistre au dieu d'amours, II p. 14.
+
+[419] Quinze joyes de mariage, p. 222.
+
+[420] Oeuvres poétiques, I p. 237, no. 26.
+
+
+ * * * * *
+
+
+V
+
+HET BEELD VAN DEN DOOD
+
+
+Geen tijd heeft de doodsgedachte met zooveel nadruk voortdurend aan
+allen opgedrongen als de vijftiende eeuw. Zonder ophouden klinkt door
+het leven de roep van het memento mori. In zijn Levensrichtsnoer voor
+den edelman vermaant Dionysius de Kartuizer: "En wanneer hij zich te bed
+legt, bedenke hij, dat, gelijk hij nu zichzelven neerlegt in het bed,
+spoedig zoo zijn lichaam door anderen in het graf zal worden gelegd."
+[421] Het geloof had ook vroeger de bestendige gedachte aan den dood met
+ernst ingeprent, doch de vrome tractaten der eerdere Middeleeuwen
+bereikten enkel de toch reeds van de wereld gescheidenen. Eerst sedert
+door de opkomst der bedelorden de volksprediking groot was geworden,
+zwol die vermaning aan tot een dreigend koor, dat met fugatische
+hevigheid door de wereld klonk. Tegen het laatst der Middeleeuwen voegde
+zich bij het woord van den prediker de afbeelding voor allen, de
+houtsnee in het bijzonder. Deze beide massale uitdrukkingsmiddelen, de
+preek en de afbeelding, konden de doodsgedachte slechts weergeven in een
+zeer eenvoudige, directe en levendige voorstelling, scherp en fel. Alles
+wat de kloosterling van vroeger tijden over den dood gemediteerd had,
+verdichtte zich nu tot een uiterst primitief, populair en lapidair
+doodsbeeld, en in die gedaante wordt in woord en figuur de gedachte aan
+de menigte voorgehouden. Dat doodsbeeld heeft uit het groote
+gedachtencomplex, dat zich om het sterven weeft, eigenlijk slechts één
+element kunnen opnemen: het besef der vergankelijkheid. Het is, alsof de
+laat-middeleeuwsche geest den dood onder geen ander aspect heeft weten
+te zien dan enkel dat der vergankelijkheid.
+
+Drie thema's waren het, die de melodie leverden voor die nooit volzongen
+klacht over het einde van alle aardsche heerlijkheid. Daar was vooreerst
+het motief: waar zijn allen gebleven, die vroeger de wereld vulden met
+hun heerlijkheid? Dan was er het motief van de huiverende aanschouwing
+der verrotting van al wat eenmaal menschelijke schoonheid was. Tenslotte
+het motief van den doodendans, de dood de menschen met zich sleurende
+uit elk bedrijf, uit elken leeftijd.
+
+Vergeleken bij de twee laatste motieven met hun beklemmend afgrijzen was
+het eerste der drie slechts een lichte, elegische verzuchting. Men vindt
+het reeds aangeheven in de zware leoninische verzen van den Cluniacenser
+monnik Bernard van Morlay omstreeks 1140:
+
+ "Est ubi gloria nunc Babylonia? nunc ubi dirus
+ Nabugodonosor, et Darii vigor, illeque Cyrus?
+ Qualiter orbita viribus inscita (?) praeterierunt,
+ Fama relinquitur, illaque figitur, hi putruerunt.
+ Nunc ubi curia, pompaque Julia? Caesar abisti!
+ Te truculentior, orbe potentior ipse fuisti.
+
+ Nunc ubi Marius atque Fabricius inscius auri?
+ Mors ubi nobilis et memorabilis actio Pauli?
+ Diva philippica vox ubi coelica nunc Ciceronis?
+ Pax ubi civibus atque rebellibus ira Catonis?
+ Nunc ubi Regulus? aut ubi Romulus, aut ubi Remus?
+ Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus." [422]
+
+Het klinkt opnieuw, minder schoolsch, in verzen, die ondanks hun
+korteren bouw toch nog den dreun van den leoninischen hexameter behouden
+hebben: in de Franciscaansche poëzie der dertiende eeuw. Jacopone van
+Todi, de joculator Domini, is naar alle waarschijnlijkheid de dichter
+geweest van de strofen, die onder den titel _Cur mundus militat sub vana
+gloria_ de regels bevatten:
+
+ "Dic ubi Salomon, olim tam nobilis
+ Vel Sampson ubi est, dux invincibilis,
+ Et pulcher Absalon, vultu mirabilis,
+ Aut dulcis Jonathas, multum amabilis?
+ Quo Cesar abiit, celsus imperio?
+ Quo Dives splendidus totus in prandio?
+ Die ubi Tullius, clarus eloquio,
+ Vel Aristoteles, summus ingenio"? [423]
+
+Deschamps heeft hetzelfde thema verscheiden malen berijmd; Gerson brengt
+het te pas in een preek, Dionysius de Kartuizer in het tractaat over de
+Vier uitersten. Chastellain spint het uit in een lang gedicht _Le Pas de
+la mort,_ om van anderen te zwijgen. [426] Villon weet er een nieuw
+accent in te leggen: dat van zachten weemoed, in de _Ballade des dames
+du temps jadis_ met het refrein:
+
+ "Mais où sont les neiges d'antan"? [425]
+
+En vervolgens sprenkelt hij het met ironie in de ballade der heeren,
+waar tusschen de koningen, pausen, vorsten van zijn tijd hem invalt:
+
+ "Helas! et le bon roy d'Espaigne
+ Duquel je ne sçay pas le nom"? [426]
+
+Dat zou de brave hoveling Olivier de la Marche zich niet veroorloofd
+hebben, waar hij in zijn _Parement et triumphe des dames_ al de
+gestorven vorstinnen van zijn tijd op het bekende thema beklaagt.
+
+Wat is er over van al die menschelijke schoonheid en heerlijkheid?
+Herinnering, een naam. Maar de weemoed van die gedachte is niet genoeg,
+om de behoefte aan felle huivering voor den dood te bevredigen. Dus
+houdt de tijd zich den spiegel voor van een zichtbaarder verschrikking,
+de vergankelijkheid op korten termijn: de verrotting van het lijk.
+
+De geest van den wereldverzakenden Middeleeuwer had altijd reeds gaarne
+verwijld bij stof en wormen: in de kerkelijke tractaten over de
+verachting der wereld waren al de verschrikkingen der ontbinding reeds
+opgeroepen. Maar de uitwerking van de détails dier voorstelling komt
+later. Eerst tegen het einde der veertiende eeuw maakt de beeldende
+kunst zich van dit motief meester; [427] er was een zekere graad van
+realistische uitdrukking noodig, om het in sculptuur of schilderij
+treffend te verwerken, en dat vermogen was omstreeks 1400 bereikt.
+Tegelijk verbreidt zich het motief van de kerkelijke litteratuur naar
+die van het volk. Tot diep in de zestiende eeuw ziet men aan de
+grafteekens de afschuwelijk gevarieerde voorstellingen van het naakte
+lijk, rottend of verschrompeld, met de krampachtige handen en voeten en
+den gapenden mond, met de kronkelende wormen in het ingewand. Bij die
+vreeselijkheid wil de gedachte altijd weer stilstaan. Is het niet vreemd,
+dat zij zich nooit één schrede verder waagt, om te zien, hoe ook die
+rottenis zelve weer vergaat, en aarde en bloemen wordt?
+
+Is het een werkelijk vrome gedachte, die zich zoo verstrikt in den
+afkeer van de aardsche zijde des doods? Of is het de reactie van een
+allerfelste zinnelijkheid, die slechts zóo uit haar bedwelming van
+levensdrift ontwaken kan? Is het de levensbangheid, die den tijd zoo
+sterk doortrekt, de stemming van teleurgesteldheid en ontmoediging, die
+neigen wil naar de ware overgave van wie volstreden en gewonnen heeft,
+maar die toch nog zoo dicht staat bij al wat aardsche hartstocht is? Al
+die gevoelsmomenten zijn in deze uiting van de doodsgedachte ongescheiden
+vereenigd.
+
+Levensbangheid: het verloochenen van de schoonheid en het geluk, omdat
+er rampen en smart mee verbonden zijn. Er is een buitengewone gelijkenis
+tusschen de Oud-indische, met name de boeddhistische, en de
+christelijk-middeleeuwsche uitdrukking van dat sentiment. Ook daar
+altijd weer die afschuw van ouderdom, ziekte en dood, ook daar de dik
+opgelegde kleuren der verrotting. De naïeve Indische aesthetici hadden
+er zelfs een eigen poëtisch genre, _bîbhatsa-rasa_ of de stemming van
+het walgelijke, van gemaakt, onderscheiden in drie onderafdeelingen, al
+naar de afschuw wordt gewekt door het afzichtelijke, het gruwelijke of
+het wellustige, gelijk vrouwenborsten den asceet doen walgen, [428] De
+monnik meende het zoo goed te hebben gezegd, als hij de oppervlakkigheid
+van het lichamelijk schoon aanwees. "Corporea pulchritudo in pelle
+solummodo constat. Nam si viderent homines hoc quod subtus pellem est,
+sicut lynces in Boeotia cernere interiora dicuntur, mulieres videre
+nausearent. Iste decor in flegmate et sanguine et humore ac felle
+consistit. Si quis enim considerat quae intra nares, et quae intra
+fauces et quae intra ventrem lateant, sordes utique reperiet. Et si nec
+extremis digitis flegma vel stercus tangere patimur, quomodo ipsum
+stercoris saccum amplecti desideramus?" [429]
+
+Het moedelooze refrein van de verachting der wereld was voor de latere
+Middeleeuwen vastgelegd in het tractaat van dien naam van Innocentius
+III. Wonderlijk, die machtigste en voorspoedigste staatsman op den stoel
+van Petrus, in zooveel aardsche zaken en belangen gemengd en opgaand, en
+die in deze levensverguizing als 't ware meent zijn hoogheid te boeten.
+"Concipit mulier cum immunditia et fetore, parit cum tristitia et
+dolore, nutrit cum angustia et labore, custodit cum instantia et
+timore." [430] O al de lachende vreugden van het moederschap!--"Quis
+unquam vel unicam diem totam duxit in sua delectatione jucundam ... quem
+denique visus vel auditus vel aliquis ictus non offenderit?" [431] Was
+het christelijke wijsheid of het pruilen van een bedorven kind?
+
+Er is zonder twijfel in dat alles een geest van ontzaglijk materialisme,
+die de gedachte aan het einde van schoonheid niet kon verdragen zonder
+aan die schoonheid zelf te vertwijfelen. En let wel, hoe (althans in de
+litteratuur, niet zoozeer in de beeldende kunst) in het bijzonder het
+vrouwenschoon beklaagd wordt. Er is hier nauwelijks een grens tusschen
+de godsdienstige vermaning, om aan den dood en aan de vergankelijkheid
+van het aardsche te denken, en de spijt van de oude minnares over het
+verval der schoonheid, die zij niet meer geven kan.
+
+Ziehier eerst een voorbeeld, waar de stichtelijke vermaning nog op den
+voorgrond staat. In het Celestijnen-klooster te Avignon bevond zich vóór
+de Revolutie een schildering, die de overlevering aan den kunstrijken
+stichter koning René zelf toeschreef. Zij stelde een rechtopstaand
+vrouwenlijk voor, met een sierlijk kapsel, gehuld in haar lijkwade; de
+wormen verteerden het lichaam. De eerste strofen van het onderschrift
+luidden:
+
+ "Une fois sur toute femme belle
+ Mais par la mort suis devenue telle.
+ Ma chair estoit très belle, fraische et tendre,
+ Or, est-elle toute tournée en cendre.
+ Mon corps estoit très plaisant et très gent,
+ Je me souloye souvent vestir de soye,
+ Or en droict fault que toute nue je soye.
+ Fourrée estois de gris et de menu vair,
+ En grand palais me logeois à mon vueil,
+ Or suis logiée en ce petit cercueil.
+ Ma chambre estoit de beaux tapis ornée,
+ Or est d'aragnes ma fosse environnée." [432]
+
+Dat deze vermaningen hun werking niet misten, bewijst de legende, die
+zich daaraan verder gesponnen had, hoe de koninklijke kunstenaar zelf,
+die levens- en schoonheidsminnaar bij uitnemendheid, zijn geliefde drie
+dagen na de teraardebestelling in het graf zou hebben gezien, en toen
+geschilderd.
+
+De stemming verandert reeds een weinig in de richting van wereldsche
+zinnelijkheid, wanneer de waarschuwing voor de vergankelijkheid niet aan
+het gruwelijk lijk van een ander wordt gedemonstreerd, maar de levenden
+gewezen worden op hun eigen lichaam, nu nog schoon, maar spoedig voor de
+wormen. Olivier de la Marche besluit zijn stichtelijk allegorisch
+gedicht over de vrouwenkleeding _Le parement et triumphe des dames_ met
+den Dood, die aan alle schoonheid en ijdelheid den spiegel voorhoudt:
+
+ "Ces doulx regards, ces yeulx faiz pour plaisance,
+ Pensez y bien, ilz perdront leur clarté,
+ Nez et sourcilz, la bouche d'eloquence
+ Se pourriront...." [433]
+
+Toch is dit nog een eerlijk memento mori. Maar het
+gaat onmerkbaar over in een spijtig, wereldsch en zelfzuchtig
+beklag over de nadeelen van den ouderdom:
+
+ "Se vous vivez le droit cours de nature
+ Dont LX ans est pour ung bien grant nombre,
+ Vostre beaulté changera en laydure,
+ Vostre santé en maladie obscure,
+ Et ne ferez en ce monde que encombre.
+ Se fille avez, vous luy serez ung umbre,
+ Celle sera requise et demandée,
+ Et de chascun la mère habandonnée." [434]
+
+Alle vrome, stichtelijke zin is verre, als Villon de balladen dicht,
+waarin "la belle heaulmière", eens een befaamde Parijsche courtisane,
+haar vroeger onweerstaanbare bekoorlijkheden vergelijkt met al de
+leelijkheden van haar vervallen lichaam.
+
+ "Qu'est devenu ce front poly,
+ Ces cheveulx blons, sourcils voultiz,
+ Grant entroeil, le regart joly,
+ Dont prenoie les plus soubtilz;
+ Ce beau nez droit, grant ne petiz,
+ Ces petites joinctes oreilles,
+ Menton fourchu, cler vis traictiz
+ Et ces belles levres vermeilles?
+ * * * * * * * * * * * *
+ Le front ridé, les cheveux gris,
+ Les sourcilz cheuz [435], les yeuls estains...." [436]
+
+In een der poëtische boeken van de heilige schrift der zuidelijke
+Boeddhisten heeft men het lied eener vrome oude non Ambapâlî, van
+eenzelfde verleden als "la belle heaulmière". Ook zij vergelijkt haar
+schoonheid van eertijds met haar weerzinwekkenden ouderdom, hier met
+dankbaren lof voor het verdwijnen van dat nietswaardig schoon. [437]
+Maar is de afstand van het sentiment wel zoo groot, als hij schijnen
+wil?
+
+De felle afschuw van de ontbinding van het aardsche lichaam heeft haar
+tegenkant in de hooge waarde, die men toekent aan het onbedorven blijven
+van de lijken van sommige heiligen, zooals Sint Rosa van Viterbo. Het is
+een van de kostbaarste heerlijkheden van Maria, dat haar lichaam voor de
+ontbinding op aarde gespaard is gebleven door haar hemelvaart. [438]
+Weer op een andere wijze spreekt de materialistische geest, die zich
+niet kon losmaken van de gedachte aan het lichaam, uit de bijzondere
+zorg, waarmee sommige lijken behandeld worden. Er bestond een gewoonte,
+om terstond na den dood de trekken van het aangezicht van een
+aanzienlijken gestorvene bij te schilderen, opdat vóór de begrafenis
+geen bederf zichtbaar zou zijn. [439] Het lijk van een prediker van de
+kettersche secte der Turlupins, die te Parijs in de gevangenis vóór het
+vonnis gestorven was, wordt veertien dagen in een vat met kalk bewaard,
+om het te zamen met een levende kettersche te kunnen verbranden. [440]
+Van de Engelschen, die in Frankrijk gesneuveld of gestorven zijn, wordt
+veelal het lijk in stukken gesneden, gekookt, tot het vleesch loslaat
+van de beenderen, die gereinigd en in een koffer naar Engeland gezonden
+worden, terwijl de rest begraven wordt. Zoo geschiedt met Hendrik V, met
+de lords York en Oxford, bij Azincourt gesneuveld, met Glasdale, bekend
+uit de geschiedenis van Jeanne d'Arc, met een neef van Sir John
+Fastolfe. [441]
+
+In de veertiende eeuw komt het wonderlijke woord macabre op, als om de
+geheele laat-middeleeuwsche visie van den dood te markeeren. Het woord
+(tot in de 17e eeuw luidde het macabré) is onvoldoende verklaard, wat
+zijn oorsprong betreft, maar de beteekenisnuance, die het uit zijn
+gebruik verworven heeft, is zoo scherp en eigen, dat zij geen
+omschrijving behoeft. De macabere opvatting van den dood is in onzen
+tijd nog voornamelijk te vinden op dorpskerkhoven, waar men er in rijm
+en figuur den nagalm van hoort. In het einde der Middeleeuwen is zij een
+groote cultuurgedachte geweest. Er raakte in de voorstelling van den
+dood een nieuw, aangrijpend fantastisch element gemengd, een rilling,
+die opkwam uit het ijzige bewustzijnsgebied van spokenvrees en klammen
+schrik. De alles-beheerschende godsdienstige gedachte zette haar
+aanstonds om in moraal, herleidde haar tot memento mori, maar maakte
+gaarne gebruik van al de huiveringwekkende suggestie, die het spectrale
+karakter der voorstelling meebracht.
+
+Rondom den Doodendans groepeeren zich de verwante voorstellingen van het
+sterven, die tot verschrikking en vermaning dienen moesten. De sproke
+van de Drie dooden en de drie levenden gaat aan den Doodendans vooraf.
+[442] Reeds in de dertiende eeuw komt zij op in de Fransche litteratuur:
+drie jonge edellieden ontmoeten plotseling drie afzichtelijke dooden,
+die hen wijzen op hun eigen voormalige aardsche grootheid en op het
+spoedig einde, dat hun, den levenden, wacht. De aangrijpende figuren, in
+het Campo santo van Pisa zijn wel de oudste voorstelling van het thema
+in de groote kunst; het beeldhouwwerk aan het portaal van de kerk der
+Innocents te Parijs, waar de hertog van Berry in 1408 het onderwerp liet
+afbeelden, is verloren. Maar miniatuur en houtsnee maken het in de
+vijftiende eeuw tot gemeen goed, en ook als muurschildering is het zeer
+verbreid.
+
+De voorstelling van de drie dooden en de drie levenden vormt de schakel
+tusschen het afzichtelijke beeld der verrotting en de gedachte door den
+Doodendans verbeeld, hoe voor den dood allen gelijk zijn. De
+kunsthistorische ontwikkeling van het gegeven kome hier slechts even ter
+sprake. Ook van den Doodendans schijnt Frankrijk het land van herkomst.
+Doch hoe is hij ontstaan? als een werkelijk gespeelde vertooning, of
+als afbeelding? Het is bekend, dat de these van Emile Mâle, die de
+uitwerking der motieven in de beeldende kunst der vijftiende eeuw
+beschouwt als in den regel ontleend aan het zien van dramatische
+vertooningen, in haar algemeenheid niet voor de kritiek bestand is
+gebleken. Maar ten opzichte van den Doodendans zou het kunnen zijn, dat
+men op die verwerping een uitzondering moest maken; dat hier inderdaad
+de vertooning aan de afbeelding is voorafgegaan. In ieder geval, 't zij
+vroeger of later, de Doodendans werd gespeeld evengoed als geschilderd
+of in prent gebracht. De hertog van Bourgondië laat hem in 1449 opvoeren
+in zijn hôtel te Brugge. [443] Hadden wij eenig denkbeeld van de
+uitmonstering van zulk een spel: de kleuren, de bewegingen, het glijden
+van licht en schaduwen over de dansenden, wij zouden nog beter de
+ernstige verschrikking begrijpen, die de Doodendans over de gemoederen
+bracht, dan het ons de houtsneden van Guyot Marchant en van Holbein
+doen.
+
+De houtsneden, waarmee de Parijsche drukker Guyot Marchant in 1485 de
+eerste uitgave van de _Danse macabre_ versierde, waren zoo goed als
+zeker, evenals de verzen, ontleend aan den beroemdsten en oudsten aller
+Doodendansen, die welke in het jaar 1424 als muurschildering in de
+galerij van het kerkhof der Innocents te Parijs was aangebracht. [444]
+Zij is in de zeventiende eeuw door afbraak van de galerij verdwenen.
+Het is de meest populaire verbeelding van den dood geweest, die de
+Middeleeuwen hebben gekend: duizenden hebben dag in dag uit op die
+zonderlinge en macabere plaats van samenkomst, die het kerkhof der
+Innocents was, de eenvoudige figuren aanschouwd en de bevattelijke
+verzen, waarvan elk couplet met een bekend spreekwoord eindigde,
+gelezen, zich getroost over de gelijkheid in den dood en gehuiverd voor
+het einde. Nergens kon die aapachtige dood zoo op zijn plaats zijn, die
+grinnikend, met de passen van een ouden stijven dansmeester, den paus,
+den keizer, den edelman, den daglooner, den monnik, het kleine kind, den
+zot en al de andere beroepen en standen uitnoodigend meetrekt. Geven de
+houtsneden van 1485, die blijkens de kleederdracht geen getrouwe copie
+zijn, nog eenigszins den indruk weer van de vermaarde muurschildering?
+Misschien zal men daarvoor nog eêr moeten zien naar den Doodendans uit
+de kerk van La Chaise-Dieu, [445] waar het spookachtige van de
+voorstelling nog verhoogd wordt door den half-voltooiden staat der
+schildering.
+
+Het lijk, dat veertig maal terugkeert, om den levende te halen, is
+eigenlijk nog niet de Dood, maar de doode. De verzen noemen de figuur
+Le mort (bij den doodendans der vrouwen La morte); het is een danse des
+morts, niet de la Mort. Het is ook hier niet een geraamte, maar een nog
+niet geheel ontvleescht lichaam met den gespleten hollen buik. Eerst
+omstreeks 1500 wordt de figuur van den grooten danser een geraamte,
+zooals wij het van Holbein kennen. Dan heeft zich de voorstelling van
+een vagen dooden dubbelganger gecondenseerd tot die van den Dood als
+actieven, persoonlijken levenseindiger. Zoo was hij in de Middeleeuwen
+nog niet verbeeld. In den ouderen doodendans is de onvermoeide danser
+nog de levende zelf, zooals hij zijn zal in de naaste toekomst, een
+angstwekkende verdubbeling van zijn persoon, het beeld, dat hij in den
+spiegel ziet; niet, zooals sommigen willen, een vroeger gestorvene van
+gelijken stand of waardigheid. Juist dit: gij zijt het zelf, gaf aan den
+doodendans zijn huiveringwekkendste kracht.
+
+Ook in het fresco, dat de gewelfde overhuiving sierde van het
+grafmonument van koning René en zijn gemalin Isabella in de kathedraal
+van Angers, was het feitelijk nog de koning zelf, die was voorgesteld.
+Men zag er een skelet (of zal ook dit eêr een lijk zijn geweest?) in een
+langen mantel, zittend op een gouden troon, dat met de voeten mijters,
+kronen, wereldbol en boeken wegschopt. Het hoofd was op de dorre hand
+geleund, die een wankelende kroon zocht te steunen. [446]
+
+De oorspronkelijke doodendans gaf enkel mannen te zien. De bedoeling, om
+aan de vermaning over de vergankelijkheid en ijdelheid van het aardsche
+tegelijk de les der maatschappelijke gelijkheid te verbinden, bracht uit
+den aard der zaak de mannen, als de dragers der maatschappelijke
+beroepen en waardigheden, op den voorgrond. De doodendans was niet
+alleen een vroom vermaan, maar ook een sociale satire, en er is in de
+begeleidende verzen een zwakke ironie. Nu gaf echter dezelfde Guyot
+Marchant als vervolg op zijn uitgave een doodendans der vrouwen,
+waarvoor Martial d'Auvergne de verzen maakte. De onbekende teekenaar der
+houtsneden bleef achter bij het model, dat hem de eerdere uitgave
+leverde: hij vond enkel de hideuse figuur van het rif, om welks schedel
+nog schaarsche vrouwenharen zwieren. In den doodendans der vrouwen nu
+treedt terstond dat sensueele element weer op, dat ook het thema
+doortrok van het beklag over schoonheid, die verrotting wordt. Hoe kon
+het ook anders? Er waren geen veertig beroepen en waardigheden van
+vrouwen te vermelden; met de voornaamste standen, koningin, edelvrouw
+enz., enkele geestelijke functies of staten, en een paar bedrijven als
+koopvrouw, baker enz. was de voorraad uitgeput. De rest kon slechts
+worden aangevuld, door de vrouw te beschouwen in de verschillende staten
+van haar vrouwenleven zelf: als maagd, geliefde, bruid, jonggetrouwde,
+zwangere. En zoo is het ook hier weer de klacht om verdwenen of nooit
+genoten vreugde en schoonheid, die den toon van het memento mori
+schriller doet klinken.
+
+Eén beeld ontbrak nog in de verschrikkende verbeelding van het sterven:
+dat van het doodsuur zelf. De schrik voor die stonde kon den geest niet
+levendiger worden ingeprent dan door te herinneren aan Lazarus: deze had
+na zijn herrijzenis, heette het, niet anders gekend dan jammerlijk
+afgrijzen voor den dood, dien hij reeds eens geleden had. En als de
+rechtvaardige zoo moest vreezen, hoe dan de zondaar? [447] De
+voorstelling van den doodsstrijd was de eerste der Vier uitersten,
+Quattuor hominum novissima, die het den mensch goed was staâg te
+overdenken: dood, jongste gericht, hel en hemel. Als zoodanig reikt zij
+in het gebied van de hiernamaalsvoorstellingen. Hier komt voorloopig
+alleen de voorstelling van het lichamelijke sterven zelf ter sprake.
+Nauw verwant met het thema der Vier uitersten is de Ars moriendi, een
+schepping der vijftiende eeuw, die evenals de Doodendans door boekdruk
+en houtsnede verder werkte dan eenige vrome gedachte tevoren. Zij
+behandelt de verzoekingen, vijf in getal, waarmee de duivel den
+stervende belaagt: den twijfel aan het geloof, de wanhoop over zijn
+zonden, de gehechtheid aan zijn aardsche goederen, vertwijfeling over
+zijn eigen lijden, eindelijk den hoogmoed over eigen deugd. Telkens komt
+een engel de lagen van Satan afweren met zijn troost. De beschrijving
+van den doodsstrijd zelf was oude stof; men herkent er steeds weer
+hetzelfde kerkelijke model in. [448]
+
+Chastellain heeft in een uitvoerig gedicht _Le Pas de la Mort_ [449] al
+de hier besproken motieven saamgevat. Hij begint met het aangrijpende
+verhaal, dat zelfs in de deftige wijdloopigheid, dezen schrijver eigen,
+zijn werking niet mist, hoe zijn stervende geliefde hem bij zich riep en
+met gebroken stem zeide:
+
+ "Mon amy, regardez ma face.
+ Voyez que fait dolante mort
+ Et ne l'oubliez désormais;
+ C'est celle qu'aimiez si fort;
+ Et ce corps vostre, vil et ort,
+ Vous perderez pour un jamais;
+ Ce sera puant entremais
+ A la terre et à la vermine:
+ Dure mort, toute beauté fine."
+
+Daarop maakt de dichter een Spiegel des doods. Eerst werkt hij het thema
+Waar zijn nu de grooten der aarde? uit: veel te lang, eenigszins
+schoolmeesterachtig, zonder iets van den luchtigen weemoed van Villon.
+Dan volgt iets als een eerste opzet van een doodendans, maar zonder
+kracht of verbeelding. Tenslotte berijmt hij de Ars moriendi. Hier is
+zijn beschrijving van den doodsstrijd:
+
+ "Il n'a membre ne facture
+ Qui ne sente sa pourreture.
+ Avant que l'esperit soit hors,
+ Le coeur gui veult crevier au corps
+ Haulce et souliève la poitrine
+ Qui se veult joindre à son eschine.
+ --La face est tainte et apalie,
+ Et les yeux treilliés en la teste.
+ La parolle luy est faillie,
+ Car la langue au palais se lie.
+ Le poulx tressault et sy halette.
+ * * * * * * * * * * * *
+ Les os desjoindent à tous lez;
+ Il n'a nerf qu'au rompre ne tende." [450]
+
+Villon besluit dat alles in een half couplet, veel aangrijpender. [451]
+Toch herkent men het gemeenschappelijk voorbeeld.
+
+ "La mort le fait fremir, pallir,
+ Le nez courber, les vaines tendre,
+ Le col enfler, la chair mollir,
+ Joinctes et nerfs croistre et estendre."
+
+En dan weer die sensueele gedachte, die telkens door al deze
+voorstellingen van verschrikking heen loopt:
+
+ "Corps femenin, qui tant est tendre,
+ Poly, souef, si precieux,
+ Te fauldra il ces maulx attendre?
+ Oy, ou tout vif aller es cieulx."
+
+--Nergens was alles wat den dood voor oogen riep, zoo treffend bijeen
+als op het kerkhof der Innocents te Parijs. Daar genoot de geest de
+huivering van het macabere in haar volste maat. Alles werkte mee, om aan
+deze plek de sombere heiligheid en bonte griezeligheid te geven, die de
+late Middeleeuwen zoo hevig begeerden. Reeds de heiligen, aan wie de
+kerk en het kerkhof gewijd waren, de Onnoozele kinderen, die in de
+plaats van Christus geslacht waren, brachten door hun martelie die
+wreede roering en bloedige verteedering aan, waarin de tijd zwelgde.
+Juist in deze eeuw kwam hun vereering sterk op den voorgrond. Men bezat
+meer dan één reliek van de knaapjes van Bethlehem: Lodewijk XI schonk
+aan de hun gewijde kerk te Parijs "un Innocent entier", besloten in een
+grooten kristallen schrijn. [452] Het kerkhof was de plaats, waar men
+liever rustte dan ergens anders. Een bisschop van Parijs liet een weinig
+aarde van het kerkhof der Innocents in zijn graf leggen, daar hij er
+niet begraven kon worden. [453] Arm en rijk lag er dooreen, en niet voor
+lang, want zoo druk was het gebruik der begraafplaats, waarop twintig
+parochiën het recht van begraven hadden, dat na verloop van eenigen tijd
+de beenderen werden opgegraven en de steenen verkocht. Het heette, dat
+een lichaam er in negen dagen tot op de beenderen verging. [454]
+Schedels en beenderen werden dan opgestapeld in de knekelzolders boven
+de zuilengang, die het kerkhof aan drie zijden omringde: bij duizenden
+lagen zij daar open en bloot voor het gezicht, en preekten de les van
+gelijkheid. Onder de arcaden was in de schildering en de verzen van den
+Doodendans diezelfde les te zien en te lezen. Voor het maken van de
+"beaux charniers" had onder anderen de edele Boucicaut geld gegeven.
+[455] Aan het portaal der kerk had de hertog van Berry, die daar rusten
+wilde, de voorstelling van de drie dooden en de drie levenden laten
+beeldhouwen. Later, in de zestiende eeuw, verrees op het kerkhof nog de
+groote Dood, die in het Louvre eenzaam de eenige rest uitmaakt van al
+wat daar bijeen was.
+
+Deze plek nu was voor de Parijzenaars der vijftiende eeuw als een luguber
+Palais royal van 1789. Te midden van het voortdurende begraven en weer
+opgraven was het er een wandelplaats en een vereenigingspunt. Men vond
+er winkeltjes bij de knekelhuizen en lichte vrouwen onder de arcaden.
+Een ingemetselde kluizenares aan de zijde der kerk verhoogde de
+bezienswaardigheid. Soms kwam een bedelmonnik preeken op de plaats, die
+zelf een preek in middeleeuwschen stijl was. Soms verzamelde er zich een
+processie van kinderen: 12500, zegt de burger van Parijs, allen met
+kaarsen, die een Innocent naar de Notre Dame en weer terug droegen.
+Zelfs feesten werden er gegeven. [456] Zoo was het huiveringwekkende
+weer alledaagsch geworden.
+
+In de zucht tot directe verbeelding van den dood, waarbij al het
+onverbeeldbare moest worden prijsgegeven, werden alleen de grovere
+aspecten van den dood in het bewustzijn gedrongen. In de macabere visie
+van den dood ontbreekt zoo goed als al het teere, al het elegische. En
+in den grond is het een zeer deeszijdig, zelfzuchtig gezicht op den
+dood. Het is niet de rouw om het gemis van geliefden, maar de spijt om
+den eigen komenden dood, enkel gezien als onheil en verschrikking. Daar
+is geen gedachte in aan den dood als trooster, aan het einde van lijden,
+aan de begeerde rust, de vervulde of de afgebroken taak, geen teedere
+herinnering, geen berusting. Niets van de "divine depth of sorrow".
+Slechts een enkele maal klinkt er een weeker accent. In den doodendans
+spreekt de doode den daglooner aan:
+
+
+ "Laboureur qui en soing et painne
+ Avez vescu tout vostre temps,
+ Morir fault, c'est chose certainne,
+ Reculler n'y vault ne contens (tegenstribbeling).
+ De mort devez estre contens
+ Car de grant soussy vous delivre...."
+
+Maar de daglooner beklaagt toch het leven, waarvan hij dikwijls het eind
+heeft gewenscht.
+
+Martial d'Auvergne laat in zijn doodendans der vrouwen het kleine meisje
+tot haar moeder roepen: bewaar toch goed mijn pop, mijn bikkels en mijn
+mooie jurk. De aandoenlijke accenten van het kinderleven zijn in de
+litteratuur der late Middeleeuwen uitermate zeldzaam; er was geen plaats
+voor in de gewichtige stijfheid van den grooten stijl. Noch de kerkelijke
+noch de wereldlijke litteratuur kennen eigenlijk het kind. Wanneer
+Antoine de la Salle in _Le Reconfort_ [457] een edelvrouw wil troosten
+over het verlies van haar zoontje, weet hij niet anders te geven dan het
+verhaal van een knaap, die nog wreeder zijn jonge leven verloor, als
+gijzelaar omgebracht. Als overwinning der smart kan hij haar niet anders
+bieden dan de leer, om aan niets wat aardsch is te hechten. Maar dan
+laat hij volgen, wat wij kennen als het volkssprookje van het doodshemdje:
+het gestorven kindje, dat zijn moeder komt vragen om niet langer te
+schreien, opdat zijn doodshemdje kan drogen. En het is opeens een veel
+inniger geluid dan het in duizend tonen gezongen memento mori. Zouden niet
+volksverhaal en volkslied in die eeuwen allerlei sentimenten hebben
+bewaard, die de litteratuur nauwelijks kent?
+
+De kerkelijke gedachte der late Middeleeuwen kent alleen de twee uitersten:
+de klacht om de vergankelijkheid, om het einde van macht, eer en genot,
+om het vergaan van schoonheid, en den jubel om de geredde ziel in haar
+zaligheid. Alles wat daartusschen ligt, blijft onuitgesproken. In de
+doorgevoerde verbeelding van den doodendans en het ijselijke rif versteent
+de levende aandoening.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[421] Directorium vitae nobilium, Dionysii Opera, t. XXXVII, p. 550;
+t. XXXVIII p. 358.
+
+[422] Bernardi Morlanensis De contemptu mundi, ed. Th. Wright, The
+Anglo-latin satirical poets and epigrammatists of the twelfth century
+(Rerum Britannicarum medii aevi scriptores), London, 1872, 2 vol., II p.
+37.
+
+[423] Vroeger toegeschreven aan Bernard van Clairvaux, door sommigen voor
+het werk van Walter Mapes gehouden; vgl. H.L. Daniel, Thesaurus
+hymnologicus, Lipsiae 1841-1856, IV p. 288.
+
+[424] Deschamps, III no. 330, 345, 368, 399.--Gerson, Sermo III de
+defunctis, Opera, III p. 1568; Dion. Cart. De quatuor hominum
+novissimis, Opera, t. XLI p. 511; Chastellain, VI p. 52.
+
+[425] Villon, ed. Longnon, p. 33.
+
+[426] Ib. p. 34.
+
+[427] Emile Mâle, l'Art religieux à la fin du moyen âge, Paris, 1908,
+p. 376.
+
+[428] Zie mijn De Vidûshaka in het Indisch tooneel, Groningen, 1897,
+p. 77.
+
+[429] Odo van Cluny, Collationum lib. III, Migne t. CXXXIII, p. 556.
+
+[430] Innocentius III, de contemptu mundi sive de miseria conditionis
+humanae libri tres, Migne t. CCXVII p. 702. Het tractaat is overigens
+uit den tijd vóór zijn pausschap.
+
+[431] Ib. p. 713.
+
+[432] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes I p. cl. Na den 5en den
+8en regel schijnt een vers te ontbreken; waarschijnlijk rijmde op
+"menu vair" "mangé des vers" of iets dergelijks.
+
+[433] Olivier de la Marche, Le Parement et triumphe des dames, Paris,
+Michel le Noir, 1520, aan het slot.
+
+[434] Ib.
+
+[435] Uitgevallen.
+
+[436] Villon, Testament, vs. 453 ss., ed. Longnon, p. 39.
+
+[437] H. Kern, Het lied van Ambapâlî uit de Therîgâthâ, Versl. en Meded.
+der Kon. Akad. v. wetenschappen (6) III p. 153, 1917.
+
+[438] Molinet, Faictz et dictz, fo. 4, fo. 42v.
+
+[439] Proces over de zaligverklaring van Pieter van Luxemburg, 1390,
+Acta sanctorum Julii, I p. 562.
+
+[440] Les Grandes chroniques de France, ed. Paulin Paris, Paris
+1836-'38, 6 vol., VI p. 334.
+
+[441] Juvenal des Ursins, p. 567; Journal d'un bourgeois, p. 237, 307,
+671; Lefèvre de S. Remy, I p. 260.
+
+[442] Zie over dit alles Emile Male, l'Art religieux à la fin du
+moyen-age, II, 2 La Mort.
+
+[443] Laborde, II. I, 393.
+
+[444] Journal d'un bourgeois, p. 203.
+
+[445] Eenige reproducties bij Mâle t.a.p. en in Gazette des beaux arts
+1918, avril-juin p. 167.
+
+[446] Oeuvres du roi René, I p. clii.
+
+[447] Chastellain, Le pas de la mort, VI p. 59.
+
+[448] Vgl. Innocentius III, de contemptu mundi, II c. 42; Dion. Cart. de
+IV hominum novissimis, t. XLI p. 496.
+
+[449] Oeuvres, VI p. 49.
+
+[450] T.a. p. 60.
+
+[451] Villon, Testament, XLI, vs.321-328, ed. Longnon, p. 33.
+
+[452] Champion, Villon, 1 p. 303.
+
+[453] Mâle l.c. p. 389.
+
+[454] Leroux de Lincy, Livre des légendes, p. 95.
+
+[455] Le livre des faits etc., II p. 184.
+
+[456] Journal d'un bourgeois, I p. 233/4, 392, 276. Zie verder Champion,
+Villon, I p. 306.
+
+[457] A. de la Salle, Le Reconfort de Madame du Fresne, ed. J. Nève,
+Paris. 1903.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VI
+
+DE TEUGELLOOZE VERBEELDING VAN HET HEILIGE
+
+
+De doodsvoorstelling kan gelden als voorbeeld van het laat-middeleeuwsche
+denkleven in het algemeen: het is als een uitvloeien, een verzanden van
+de gedachte in het beeld. De gansche inhoud van het gedachtenleven wil
+uitgedrukt worden in verbeeldingen; al het goud wordt aangemunt in
+kleine, dunne schijven. Door die teugellooze behoefte aan verbeelding
+was het heilige voortdurend blootgesteld aan veruiterlijking en
+verstarring.
+
+Het geheele proces van de ontwikkeling der volksvroomheid in de latere
+Middeleeuwen kan niet bondiger worden uitgedrukt dan in de volgende
+woorden van Jakob Burckhardt uit zijn _Weltgeschichtliche Betrachtungen_.
+"Eine mächtige Religion entfaltet sich in alle Dinge des Lebens hinein
+und färbt auf jede Regung des Geistes, auf jedes Element der Kultur ab.
+Freilich reagieren dann diese Dinge mit der Zeit wieder auf die
+Religion; ja deren eigentlicher Kern kann erstickt werden von den
+Vorstellungs- und Bilderkreisen, die sie einst in ihren Bereich gezogen
+hat. Das 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' had seine schicksalsvolle
+Seite." En verderop: "Nun ist aber keine Religion jemals ganz unabhängig
+von der Kultur der betreffenden Völker und Zeiten gewesen. Gerade, wenn
+sie sehr souverän mit Hilfe buchstäblich gefasster heiliger Urkunden
+herrscht und scheinbar Alles sich nach ihr richtet, wenn sie sich 'mit
+dem ganzen Leben verflicht', wird dieses Leben am unfehlbarsten auch auf
+sie einwirken, sich auch mit ihr verflechten. Sie hat dann später an
+solchen innigen Verflechtungen mit der Kultur keinen Nutzen mehr,
+sondern lauter Gefahren; aber gleichwohl wird eine Religion immer so
+handeln, so lange sie wirklich lebenskräftig ist." [458]
+
+Het leven der middeleeuwsche christenheid is in al zijn betrekkingen
+doortrokken, geheel verzadigd met godsdienstige voorstellingen. Daar is
+geen ding en geen handeling, waarin niet voortdurend de betrekking tot
+Christus en het geloof wordt gelegd. Maar in die oververzadigde
+atmosfeer is de religieuze spanning, de daadwerkelijke transcendentie,
+het uittreden uit het hier-en-dit niet steeds aanwezig. Blijft die
+spanning uit, dan verdooft alles tot schrikwekkende alledaagsche
+onheiligheid, een verbazende deeszijdigheid in geenzijdige vormen. Zelfs
+bij een subliemen heilige als Heinrich Suso, bij wien de religieuze
+spanning misschien geen oogenblik te kort schoot, blijft toch de val
+naar het ridicule niet uit. Subliem, wanneer hij, gelijk de ridder
+Boucicaut het om der wille van een aardsche geliefde deed, allen vrouwen
+eer bewijst om Maria, en voor een arme terzijde in het slijk treedt. Hij
+volgt de gebruiken der aardsche min, en viert den jaarsdag en den Meidag
+zijn liefde voor de Wijsheid, zijn bruid, met een krans en een liedje.
+Hoort hij een minneliedje, dan past hij het terstond toe op zijne
+Wijsheid. Maar wat van het volgende? Aan tafel placht Suso, als hij een
+appel at, dien in vieren te snijden: drie partjes at hij in naam der
+Drieëenheid en het vierde at hij "in der minne, als diu himelsch muter
+irem zarten kindlein Jesus ein epfelli gab ze essen", en daarom at hij
+dat vierde partje met de schil, want kleine jongens eten appels
+ongeschild. En eenige dagen na Kerstmis,--dus als het Jezuskind nog te
+klein was om appels te eten, zal de bedoeling zijn,--at hij dat vierde
+partje niet, maar offerde het aan Maria, om het aan haar zoon te geven.
+Zijn dronk nam hij in vijf teugen, om de vijf wonden des Heeren, maar
+omdat uit Christus' zijde bloed en water vloeide, nam hij den vijfden
+teug dubbel. [459]--Ziedaar het 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' in
+zijn uiterste doorvoering.
+
+Afgezien voorloopig van den graad van innigheid, en enkel beschouwd als
+godsdienstige vormen, is er in de vroomheid der late Middeleeuwen zeer
+veel, wat zich voordoet als woekeringen van het godsdienstig leven, mits
+men dat begrip niet opvat van een protestantsch-dogmatisch standpunt. Er
+was, afgezien van de qualitatieve veranderingen, die zij meebrachten, in
+de Kerk een quantitatieve vermeerdering van gebruiken en begrippen
+ontstaan, die de ernstige godgeleerden met schrik vervulde. Het is niet
+zoozeer tegen de onvroomheid of bijgeloovigheid van al het nieuwe, dat
+zich opdrong, als tegen de overlading van het geloof op zich zelf, dat
+de reformgeest der vijftiende eeuw zich keert. De teekens der altijd
+bereide goddelijke genade waren altijd meer geworden; naast de
+sacramenten bloeiden aan alle zijden de benedicties; van de relieken
+kwam men tot de amuletten, de kracht van het gebed werd geformaliseerd
+in de rozenkransen, de bonte galerij der heiligen kreeg altijd meer
+kleur en leven. En al ijverde de theologie voor een goede onderscheiding
+van sacramenten en sacramentaliën, welk middel was er, om het volk te
+weerhouden, op al dat magische en bonte hun hoop en geloof te vestigen?
+Gerson had te Auxerre iemand ontmoet, die beweerde, dat het Dwazenfeest,
+waarmee in kerken en kloosters de wintermaand gevierd werd, even
+geheiligd was als dat van Mariae ontvangenis. [460] Nicolas de Clemanges
+schreef een tractaat tegen het instellen en vieren van nieuwe feesten;
+er waren er van die nieuwe, verklaarde hij, waarbij ongeveer de geheele
+liturgie van apocryphen aard was, en met instemming gewaagt hij van den
+bisschop van Auxerre, die de meeste feestdagen had afgeschaft. [461]
+Pierre d'Ailly richt zich in zijn geschrift _De reformatione_ [462]
+tegen de voortdurende vermeerdering van kerken, feesten, heiligen,
+rustdagen, tegen den overvloed van beelden en schilderijen, de al te
+groote uitvoerigheid van den dienst, het opnemen van apocryphe
+geschriften in de liturgie der feesten, tegen de invoering van nieuwe
+hymnen en gebeden of andere willekeurige nieuwigheden, tegen de al te
+strenge vermeerdering van vigiliën, gebeden, vasten, onthoudingen. Er
+was een neiging, om aan elk punt uit de vereering van de Moeder Gods een
+specialen dienst te verbinden. Er waren bijzondere missen, later door de
+Kerk afgeschaft, van Maria's vroomheid, van haar zeven smarten, van alle
+Mariafeesten te zamen, van haar zusteren Maria Jacobi en Maria Salome,
+van den engel Gabriel, van al de heiligen, die den geslachtsboom des
+Heeren uitmaakten. [463] Verder zijn er te veel kloosterorden, zegt
+d'Ailly, en dit leidt tot verscheidenheid van gebruiken, tot afzondering
+en hoogmoed, tot ijdele verheffing van den éénen geestelijken staat
+boven den anderen. Vooral de bedelorden wil hij beperken. Hun toestand
+is schadelijk voor de leprozenhuizen en hospitalen en voor de andere
+echte armen en ellendige behoeftigen, wien het recht en de ware titel
+des bedelens toekomt. [464] Hij wil de preekende questierders van den
+aflaat uit de kerk verbannen, die haar bezoedelen met hun leugens en
+haar belachelijk maken. [465] Waar moet het heen met de voortdurende
+stichting van nieuwe vrouwenconventen zonder voldoende middelen?
+
+Men ziet, het is meer tegen het quantitatieve euvel, dat Pierre d'Ailly
+te velde trekt, dan tegen het qualitatieve. Hij trekt, met uitzondering
+van zijn schimp tegen den aflaatpreek, niet uitdrukkelijk de vroomheid
+en heiligheid van al die praktijken in twijfel; hem bezwaart hun
+ongebreideld aangroeien als zoodanig; hij ziet de Kerk verstikken onder
+dien last van bijzonderheden. Toen Alanus de Rupe zijn nieuwe broederschap
+van den rozenkrans propageert, richt zich het verzet ook meer tegen de
+nieuwigheid op zich zelf dan tegen den inhoud ervan. Vertrouwend op de
+werking van zulk een grootsche gebedsgemeenschap, als Alanus zich
+voorstelde, zou het volk de voorgeschreven penitenties, de geestelijkheid
+de canonieke getijden verwaarloozen. De parochiekerken zouden leegloopen,
+als de broederschap enkel in de kerken der Franciscanen en Dominicanen
+vergaderde. Uit de bijeenkomsten konden licht partijzucht en samenzweringen
+voortkomen. En ten slotte verwijt men hem ook: het zijn droombeelden,
+phantasieën en oudewijvenpraatjes, die de broederschap voor groote en
+wonderlijke openbaringen verkoopt. [466]
+
+De bijna mechanische wijze, waarop de heilige gebruiken zich neigden te
+vermenigvuldigen, wanneer geen strenge autoriteit besnoeiend ingreep,
+heeft een karakteristiek voorbeeld in de wekelijksche vereering der
+Onnoozele kinderen. Aan de herdenking van den Bethlehemschen kindermoord
+op 28 December verbond zich evenzeer allerlei half-heidensch midwinter-
+bijgeloof als sentimenteele aandoening over den gruwel van dit
+martelaarschap; de dag gold als een ongeluksdag. En nu plachten velen
+gedurende het heele jaar den weekdag, waarop het laatst Onnoozele
+kinderen gevallen was, als een ongeluksdag te ontzien. Men mocht dien
+dag geen werk beginnen, geen tocht aanvaarden. De dag heette eenvoudig
+"les Innocents" evenals het feest zelf. Lodewijk XI nam dit gebruik
+nauwgezet in acht. De kroning van Eduard IV werd nog eens overgedaan,
+omdat men haar eerst op den ongelukkigen dag der week had verricht. René
+van Lotharingen moest van een gevecht afzien, omdat zijn landsknechten
+weigerden, op grond dat het de weekdag van Onnoozele kinderen was. [467]
+
+Johannes Gerson neemt uit dit gebruik de aanleiding tot een tractaat
+tegen het bijgeloof in het algemeen en dit in het bijzonder. [468] Hij
+is een dergenen geweest, die het gevaar van die woekering der
+godsdienstige denkbeelden voor het kerkelijk leven duidelijk hebben
+gezien. Met zijn scherpen, ietwat nuchteren geest ziet hij ook iets van
+den zielkundigen grond voor het opkomen van al die denkbeelden. Zij
+spruiten voort "ex sola hominum phantasiatione et melancholica
+imaginatione"; het is een bederf van de verbeeldingskracht; deze berust
+op een inwendig hersenletsel, en dit weer op duivelsche begoocheling.
+Zoo krijgt de duivel toch nog zijn deel.
+
+Het is een proces van voortdurende herleiding van het oneindige tot
+eindigheden, een uiteenvalling van het wonder in atomen. Aan elk
+heiligste mysterie hecht zich, als een korst van schelpen aan een schip,
+een aangroeisel van uiterlijke geloofselementen, die het ontwijden. De
+ontzaglijke doordrongenheid van het wonder der eucharistie plant zich
+aan de oppervlakte voort in het nuchterste en materieelste bijgeloof:
+bij voorbeeld dat men op den dag, waarop men mis gehoord heeft, niet
+blind kan worden of een beroerte krijgen, dat men gedurende den tijd,
+dat men de mis hoort, niet ouder wordt. [469] De Kerk heeft er
+voortdurend tegen te waken, dat God niet al te zeer op aarde wordt
+gebracht. Zij verklaart het kettersch, te beweren, dat Petrus, Johannes
+en Jacobus bij Christus' transfiguratie het goddelijk wezen even klaar
+hadden gezien, als zij het nu doen in den hemel. [470] Het was
+godslastering, dat een der navolgsters van Jeanne d'Arc beweerde, God
+gezien te hebben in een lang wit kleed met een rood overkleed. [471]
+Doch kon het volk het helpen, dat het niet de fijne onderscheidingen
+wist te maken, die de theologie voorschreef, waar de Kerk zooveel bonte
+stof aan de verbeelding bood?
+
+Gerson zelf hield zich niet vrij van het euvel, dat hij bestreed. Hij
+verheft zijn stem tegen de ijdele nieuwsgierigheid, [472] en bedoelt
+daarmee den geest van onderzoek, die de natuur wil leeren kennen in haar
+uiterste geheimen. Maar hij zelf wroet met onbescheiden nieuwsgierigheid
+in de kleinste uiterlijke bijzonderheden der heilige dingen. Zijn
+bijzondere vereering voor den heiligen Joseph, voor wiens feest hij op
+allerlei wijzen werkt, maakt hem benieuwd, om alles van Joseph te weten.
+Hij verdiept zich in al de bijzonderheden van diens huwelijk met Maria,
+hun samenleven, zijn onthouding, hoe hij haar zwangerschap leerde kennen,
+hoe oud hij was. Van de caricatuur, die de kunst van Joseph dreigde te
+maken: den ouden slovenden man, zooals Deschamps hem beklaagde, wil
+Gerson niet weten: Joseph was nog geen vijftig jaar, zegt hij. [473]
+Elders veroorlooft hij zich een bespiegeling over de lichamelijke
+samenstelling van Johannes den Dooper: "semen igitur materiale ex qua
+corpus compaginandum erat, nec durum nimis nec rursus fluidum
+abundantius fuit". [474] De beroemde volksprediker Olivier Maillard
+pleegt zijn gehoor na de inleiding te onthalen op "une belle question
+théologale", bij voorbeeld, of de Maagd zoo actief had meegewerkt tot de
+ontvangenis van Christus, dat zij waarlijk Moeder Gods mocht heeten; of
+het lichaam van Christus asch zou zijn geworden, indien de opstanding
+niet tusschenbeide gekomen ware. [475] De strijdvraag over Maria's
+onbevlekte ontvangenis, waarin de Dominicanen tegen de wassende
+volksbehoefte in, die de Maagd van aanvang af vrij van de erfzonde wilde
+zien, de ontkennende partij hielden, veroorzaakte een vermenging van
+theologische en embryologische bespiegeling, die ons weinig stichtelijk
+voorkomt. En zoo hardnekkig overtuigd waren de ernstigste godgeleerden
+van het gewicht hunner argumenten, dat zij zich niet ontzagen, het
+dispuut in preeken voor het groote publiek te brengen. [476] Als zoo de
+geest van de ernstigsten was gericht, hoe kon het dan anders, of over
+een groot levensgebied moest zich door die voortgezette uitwerking in
+bijzonderheden al het heilige oplossen in een alledaagschheid, waaruit
+men zich slechts bij vlagen tot de ontzaglijke huivering over het wonder
+verhief?
+
+De gemeenzaamheid, waarmee men in het dagelijksch leven met God handelde,
+moet van twee kanten worden bezien: het is even goed de volstrekte
+vastheid en onmiddellijkheid van het geloof, die daaruit spreken, als de
+schade, die dat geloof leed door zijn volkomen afvloeiing in alle dingen
+van het gewone leven. Juist het innigste mysterie, de eucharistie, lijdt
+voortdurend het gevaar der profanatie. Zoo ongeschokt was het geloof aan
+het miswonder en de rechtgeloovige vereenzelviging der drie personen van
+de Drieëenheid, dat men de gewijde hostie eenvoudig God noemde. Zoo
+ontstaat een spraakgebruik, dat ons profaner schijnt dan het voor den
+middeleeuwschen geest was. Een reiziger stijgt even af, en gaat een
+dorpskerk binnen "pour veoir Dieu en passant". Van den priester heet
+het: "quand il eut levé Dieu et calice"; gaat hij met de hostie op een
+ezel zijns weegs, dan spreekt men van "un Dieu sur un asne". [477]
+Wekken deze voorbeelden door de bron, waaraan zij zijn ontleend: de
+_Cent nouvelles nouvelles_, wellicht de verdenking van een onvrome
+bedoeling (ik zie er enkel het gemeenzame spraakgebruik in), deze is
+uitgesloten bij het volgende uit _Le livre du chevalier de la Tour-Landry
+pour l'enseignement de ses filles_, waar van een dame gezegd wordt: "Sy
+cuidoit transir de la mort, et se fist apporter beau sire Dieux." [478]
+"Veoir Dieu" was een gangbare term voor het zien heffen van de hostie. [479]
+--Zoodra nu de smaak van het wonder even uitbleef, welk een ontwijding
+bracht dan zulk een spraakgebruik mede! Dan was het maar een kleine val
+tot gedachtenlooze gemeenzaamheden als het spreekwoord: "Laissez faire
+à Dieu, qui est homme d'aage", [480] of Froissart's: "et li prie à mains
+jointes, pour si hault homme que Diex est." [481]
+
+Hoe zulk een spraakgebruik "Dieu" voor de hostie het godsgeloof zelf
+contamineeren kon, bewijst een geval als het volgende. De bisschop van
+Coutances draagt een mis op in de kerk van Saint Denis. Toen hij het
+lichaam des Heeren gaat heffen, vermaant men Hugues Aubriot, den prévôt
+van Parijs, die de kapel rondwandelde, waar de mis gevierd werd, om te
+aanbidden. Maar Hugues, een bekend esprit fort, antwoordt met een vloek,
+dat hij niet geloofde in den God van zoo'n bisschop, die aan het hof
+woonde. [482]
+
+Een treffend voorbeeld van bijna onbeschaamde gemeenzaamheid met het
+heilige, waar toch aan een spottende bedoeling niet valt te denken, zijn
+de Mariabeeldjes, zooals de Bourgondische hertogen er een bezaten, die
+een variant opleveren van het oud-hollandsche drinkvaatwerk, dat Hansje
+in den kelder genoemd werd. Het was een klein gouden beeldje, rijk met
+edelsteenen versierd, waarvan de buik open kon, waarbinnen men de
+Drieëenheid zag. [483] Gerson zag er een bij de Carmelieten te Parijs,
+en keurt het af, maar niet wegens de onvroomheid doch om de ketterij,
+die erin gelegen was, de geheele Drieëenheid als de vrucht van Maria's
+schoot voor te stellen. [484]
+
+Het geheele leven was zoo doortrokken van godsdienst, dat de afstand
+tusschen het aardsche en het geestelijke ieder oogenblik dreigt te loor
+te gaan. Wordt aan den eenen kant alles van het gewone leven in de
+heilige oogenblikken opgetrokken in wijding, aan den anderen kant wordt
+het heilige voortdurend in de sfeer van het alledaagsche gehouden door
+zijn onoplosbare vermenging met het dagelijksch leven. Hierboven werd
+gesproken van het kerkhof der Innocents te Parijs, die afzichtelijke
+kermis des doods met de doodsbeenderen al rondom opgetast en uitgestald.
+Kan men zich iets vreeselijkers denken dan het leven van de kluizenares,
+ingemetseld tegen den kerkmuur op die plaats der verschrikking? Maar
+lees nu, hoe de tijdgenooten erover spreken: de recluses woonden er in
+een keurig nieuw huisje, zij werden ingemetseld met een mooie preek, zij
+kregen van den koning een bezoldiging van acht pond 's jaars in acht
+termijnen. [485] Alles alsof het gewone hofjesjuffrouwen waren. Waar
+blijft het religieuze pathos? Waar blijft het, als er een aflaat wordt
+verbonden aan de gewoonste huiselijke werkzaamheden: het aanmaken van
+den oven, het melken van een koe, het uitboenen van een pot. [486] Bij
+een verloting te Bergen-op-Zoom in 1518 waren naast elkaar "costelijcke
+prijsen" en aflaten te winnen. [487] Bij de vorstelijke intochten
+prijkten op de hoeken der straten afwisselend met de zinrijke
+vertooningen, dikwijls van heidensche naaktheid, de kostbare
+reliekschrijnen der stad op altaren, bediend door prelaten en den vorst
+om eerbiedig te kussen aangeboden. [488]
+
+Die oogenschijnlijke ongescheidenheid van de religieuze en de
+wereldlijke sfeer wordt het levendigst uitgedrukt door het overbekende
+feit, dat de wereldlijke melodie steeds onveranderd dienen kan voor den
+kerkelijken zang en omgekeerd. Guillaume Dufay componeert zijn missen op
+thema's van wereldlijke liederen als "Tant je me déduis, Se la face ay
+pale, L'omme armé."
+
+Er is een voortdurend wisselverkeer tusschen de godsdienstige en
+wereldlijke terminologie. Zonder aanstoot ontleent men de uitdrukking
+voor aardsche dingen aan den godsdienst en omgekeerd. Boven den ingang
+van de Rekenkamer te Rijssel prijkte een vers, dat aan iedereen
+herinnerde, hoe hij eenmaal rekenschap zou hebben af te leggen van zijn
+hemelsche gaven, voor God:
+
+ "Lors ouvrira, au son de buysine
+ Sa générale et grant chambre des comptes." [489]
+
+Omgekeerd heette het in den plechtigen oproep tot een tournooi, alsof
+het een plechtigheid met aflaat was:
+
+ "Oez, oez, l'oneur et la louenge
+ Et des armes grantdisime pardon." [490]
+
+Het was toeval, dat in het woord "mistère" mysterium en ministerium
+waren dooreengeloopen, maar deze homonymie kon niet anders dan de
+verzwakking van het mysteriebesef in het dagelijksch spraakgebruik
+bevorderen: alles heette mistère, bij voorbeeld de eenhoren, de schilden
+en de pop, die bij den Pas d'armes de la fontaine des pleurs gebruikt
+waren. [491]
+
+Als directe tegenkant van de godsdienstige symboliek: het duiden van
+alle aardsche dingen en aardsche geschiedenis als zinnebeeld en
+praefiguratie van het goddelijke, vindt men omgekeerd vorstenhulde
+gebracht in godsdienstige metafoor. Zoodra het ontzag voor aardsche
+majesteit den middeleeuwer aanvat, dient hem de taal der heilige
+aanbidding voor de uitdrukking van zijn gevoel. De vorstendienaars der
+vijftiende eeuw staan hier voor geen profanatie. In het pleidooi om den
+moord van Lodewijk van Orleans laat de pleiter den geest van den
+vermoorden vorst tot zijn zoon spreken: aanschouw mijn wonden, waarvan
+er vijf in het bijzonder wreed en doodelijk waren. [492] Hij ziet het
+slachtoffer dus als Christus. De bisschop van Chalons schroomt op zijn
+beurt niet, Jan zonder Vrees, die door de wraak om Orleans viel, met het
+Lam Gods te vergelijken. [493] Molinet vergelijkt keizer Frederik, die
+zijn zoon Maximiliaan zendt, om met Maria van Bourgondië te trouwen, met
+God Vader, die den Zoon op aarde zendt, en spaart geen vrome taal tot
+uitwerking van het geval. Wanneer later Frederik en Maximiliaan met den
+jongen Philips den Schoone te Brussel binnenkomen, laat Molinet de
+Brusselaars weenend zeggen: "Véez-ci figure de la Trinité, le Père, le
+Fils et Sainct Esprit." Of wel hij biedt zijn bloemkrans aan Maria van
+Bourgondië als waardig beeld van Onze Lieve Vrouw, "behoudens de
+maagdelijkheid." [494]
+
+"Niet dat ik de vorsten wil vergoden", zegt deze aartshoveling. [495]
+Misschien is het inderdaad meer holheid en phrase dan werkelijk gevoelde
+adulatie, maar het bewijst daarom niet minder de depreciatie van de
+heilige voorstellingen door hun dagelijksch gebruik. Trouwens wat zal
+men den hofpoëtaster verwijten, als Gerson zelf aan de vorstelijke
+hoorders van zijn preeken speciale beschermengelen toekent van een
+hooger hiërarchie en ambt dan die van andere menschen? [496]
+
+In de toepassing van godsdienstige termen op het erotische, waarvan hier
+boven reeds sprake was, heeft men natuurlijk met heel iets anders te
+doen. Hier is een element van werkelijke onvroomheid en spot, dat in het
+zooeven behandelde spraakgebruik niet aanwezig was; beide zijn slechts
+verwant, in zooverre zij voortspruiten uit de groote gemeenzaamheid met
+het heilige. De vertellers der _Cent nouvelles nouvelles_ verlustigen
+zich onvermoeid in woordspeling op "saints" en "seins", en het gebruik
+van "dévotion, confesser, bénir" in obscenen zin. De schrijver van _Les
+Quinze joyes de mariage_ kiest dien titel in navolging der vreugden van
+Maria. [497] Van de voorstelling der liefde als een vrome observantie is
+hierboven gesproken. Van ernstiger beteekenis nog is het, wanneer de
+verdediger van den _Roman de la rose_ met heilige termen noemt "partes
+corporis inhonestas et peccata immunda atque turpia." [498] Hier is wel
+degelijk iets van die gevaarlijke toenadering van het godsdienstige en
+het erotische voelen, die de Kerk in dezen vorm hevig vreesde. Niets
+geeft wellicht die toenadering zoo levendig te zien als de Antwerpsche
+Madonna, aan Fouquet toegeschreven, voorheen in het koor der Lieve
+Vrouwenkerk te Melun als diptiek vereenigd met het luik, dat den
+stichter Etienne Chevalier, tresorier des konings, met den heiligen
+Stephanus vertoont, thans te Berlijn. Een oude traditie, in de 17e eeuw
+door den oudheidkundige Denis Godefroy opgeteekend, wil, dat de Madonna
+de trekken van Agnes Sorel weergeeft, de koninklijke maîtresse, voor wie
+Chevalier zijn hartstocht niet verborg. Het is inderdaad, bij al de
+groote hoedanigheden der schildering, een modepop, die wij voor ons
+zien, met het gebombeerde kaalgeschoren voorhoofd, de wijd
+uiteenstaande, kogelronde borsten, het hooge dunne middel. De bizarrerie
+van de hermetische gelaatsuitdrukking, de stijve roode en blauwe
+engelen, alles werkt mee, om aan het schilderij een waas van décadente
+goddeloosheid te geven, waarbij de forsche, slichte voorstelling van den
+stichter en zijn heilige op het andere luik wonderlijk afsteekt.
+Godefroy zag op het blauw fluweel eener breede lijst de naamletter E in
+parelen, telkens verbonden door liefdestrikken (lacs d'amour) uit goud-
+en zilverdraad. [499] Ligt in het geheel niet een blasphemische
+vrijmoedigheid met het heilige, die door geen Renaissance-geest te
+overtreffen was?
+
+De oneerbiedigheid van het dagelijksche kerkelijk leven was schier
+zonder grenzen. Men beweert, dat bij de missen, op wereldlijke thema's
+gecomponeerd, in den dienst zelfs de teksten dier profane liederen:
+_baisez-moi, rouges nez_, tusschen den liturgischen tekst door werden
+gezongen. [500] David van Bourgondië, de bastaard van Philips den Goede,
+houdt zijn intrede als bisschop van Utrecht te midden van een
+krijgsgevolg van enkel edelen, waarmee zijn broeder de bastaard van
+Bourgondië hem uit Amersfoort is komen afhalen. De nieuwe bisschop zelf
+is geheel geharnast, alsof hij een veroverend wereldlijk vorst ware; zoo
+rijdt hij naar den dom, en gaat er binnen in een processie met vanen en
+kruisen, om voor het hoogaltaar te bidden. [501] Leg naast die
+Bourgondische onbeschaamde hoovaardij de gemoedelijke onbeschaamdheid
+van Rudolf Agricola's vader, den pastoor van Baflo, die op den dag, dat
+hij tot abt van Selwert was gekozen, het bericht kreeg, dat hem uit zijn
+bijzit een zoon geboren was, en zeide: "Heden ben ik tweemaal vader
+geworden; moge Gods zegen er op rusten." [502]
+
+De tijdgenooten beschouwen de toenemende oneerbiedigheid jegens de kerk
+als een achteruitgang der zeden van den jongsten tijd.
+
+ "On souloit estre ou temps passé
+ En l'église benignement
+ A genoux en humilité
+ Delez l'autel moult closement,
+ Tout nu le chief piteusement,
+ Maiz au jour d'uy, si come beste,
+ On vient à l'autel bien souvent
+ Chaperon et chapel en teste." [503]
+
+Op de feestdagen, klaagt Nicolaas van Clemanges, gaan maar weinigen naar
+de mis. Zij hooren die niet tot het einde aan, en vergenoegen zich, even
+het wijwater aan te raken, door een kniebuiging Onze Lieve Vrouw te
+groeten, of een heiligenbeeld te kussen. Hebben zij de hostie zien
+heffen, dan beroemen zij er zich op als een groote weldaad aan Christus.
+De metten en den vesper viert de priester meestal met zijn helper
+alleen. [504]--De heer van het dorp en patronaatsheer der kerk laat den
+priester kalm wachten met de mis, tot hij en zijn vrouw zijn opgestaan
+en zich gekleed hebben. [505]
+
+De heiligste feesten, de Kerstnacht zelf, worden in ongebondenheid
+doorgebracht, met kaartspelen, vloeken en schandelijke taal; vermaant
+men het volk, dan beroept het er zich op, dat de groote heeren, de
+klerken en prelaten het ongestraft doen. [506] Op de vigiliën der
+feestdagen wordt in de kerken zelf met losbandige liederen gedanst;
+priesters geven het voorbeeld, om die nachtwaken door te brengen met
+dobbelspel en vloeken. [507] De raad van Straatsburg schonk jaarlijks
+1100 liter wijn voor hen, die in het Munster den Sint Adolfsnacht
+"wakend en in gebed" doorbrachten. [508] Een stedelijk magistraat
+beklaagt zich bij Dionysius den Kartuizer, dat de jaarlijksche
+processie, in zijn stad met een heilige reliquie verricht, de aanleiding
+was tot tal van onbetamelijkheden en drinkgelagen. Hoe daar een einde
+aan te maken? De magistraat zelf zou er niet gemakkelijk van te
+overtuigen zijn, want de processie bracht de stad voordeel aan; zij
+bracht volk in de stad, dat er moest overnachten, eten en drinken. En
+het was nu eenmaal zoo gewoonte. Dionysius kende het euvel; hij wist,
+hoe tuchteloos men bij processies optrad, pratende, lachende,
+onbeschaamd rondkijkende, belust op drinken en ruw vermaak. [509] Het
+past wonderwel bij den optocht der Gentenaren naar de kermis van Houthem
+met den schrijn van Sint Lieven. Vroeger, zegt Chastellain, plachten de
+notabelen het heilig lichaam te dragen "en grande et haute solempnité et
+révérence", maar nu is het "une multitude de respaille et de
+garçonnaille mauvaise"; zij dragen hem schreeuwend en joelend, zingend
+en dansend, onder honderd potsen, en allen zijn dronken. Zij zijn
+gewapend bovendien, en veroorloven zich overal waar zij langs komen de
+grootste losbandigheid; alles schijnt dien dag aan hen overgeleverd
+onder voorwendsel van hun heiligen last. [510]
+
+De kerkgang is een belangrijk element in het gezelschapsleven. Men komt
+er pronken in zijn fraaisten dos, men komt er wedijveren in rang en
+deftigheid, en in hoofsche vormen en beleefdheid. Vroeger is al vermeld,
+[511] hoe het kussen van het "paesbord", "la paix", de vaste aanleiding
+was tot den meest stotenden beleefdheidsstrijd. Als er een jonkertje
+binnenkomt, staat mevrouw op en kust hem op den mond, terwijl de
+priester de hostie wijdt en het volk te bidden ligt. [512] Praten en
+rondwandelen onder de mis moeten zeer gewoon zijn geweest. [513] Het
+gebruik van de kerk als plaats van samenkomst, waar de jongelieden naar
+de meisjes komen kijken, is zoo algemeen, dat enkel de moralisten er
+zich over ergeren. De jeugd komt zelden in de kerk, roept Nicolaas van
+Clemanges uit, [514] dan om de vrouwen te zien, die er haar hoovaardige
+kapsels en haar décolleté komen vertoonen. De eerbare Christine de Pisan
+dicht zonder ergernis:
+
+ "Se souvent vais ou moustier,
+ C'est tout pour veoir la belle
+ Fresche com rose nouvelle." [515]
+
+Het bleef niet bij de kleine liefdediensten, waartoe de dienst den
+vrijer gelegenheid gaf: de beminde het wijwater te geven, haar de "paix"
+te reiken, een kaarsje voor haar aan te steken en naast haar te knielen,
+niet bij wat teekens en lonkjes. [516] In de kerk zelf komen de
+lichtekooien haar afspraken zoeken. [517] In de kerken zelf en op
+heiligendagen zijn ontuchtige prentjes te koop, die de jeugd bederven;
+en geen preeken helpt tegen het kwaad. [518] Meer dan eens wordt de kerk
+en het altaar door ontuchtige daden bezoedeld. [519]
+
+Evenzeer als het gewone kerkbezoek was de bedevaart de aanleiding tot
+allerlei vermaak en vooral tot verliefde besognes. Zij worden in de
+litteratuur dikwijls als gewone pleizierreisjes behandeld. De ridder
+de la Tour-Landry, die het ernstig meent met zijn onderricht aan zijn
+dochters in goede en deugdzame manieren, spreekt van vermaaklievende
+dames, die gaarne naar tournooien en pelgrimages gaan, en vertelt
+waarschuwende exempelen van vrouwen, die een bedevaart ondernamen als
+voorwendsel tot een samenkomst met den geliefde. "Et pour ce a cy bon
+exemple comment l'on ne doit pas aler aux sains voiaiges pour nulle
+folie plaisance." [520] Juist zoo beschouwt ze Nicolaas van Clemanges:
+men gaat op feestdagen naar verafgelegen kerken van heiligen ter
+beevaart, minder om zijn gelofte te lossen dan om des te vrijer af te
+dwalen. Het is een bron van velerlei misdrijven; daar bij de heilige
+plaatsen zijn steeds de verfoeilijke koppelaarsters aanwezig, om de
+meisjes te verlokken. [521] Het is het gewone geval in de _Quinze joyes
+de mariage_: de jonge vrouw wil wel eens een verzetje en bepraat haar
+man, dat het kind ziek is, omdat zij de bedevaart nog niet heeft
+volbracht, waartoe zij in 't kraambed de gelofte deed. [522] De
+voorbereiding tot het huwelijk van Karel VI met Isabella van Beieren
+wordt ingeleid met een pelgrimage. [523] Geen wonder, dat de ernstige
+mannen der moderne devotie in de bedevaarten weinig nut zien. Die vele
+bedevaarten doen, worden zelden heilig, zegt Thomas a Kempis, en
+Frederik van Heilo wijdt aan de zaak een afzonderlijk tractaat _Contra
+peregrinantes_. [524]
+
+In al deze ontwijdingen van het geloof door de onbeschaamde vermenging
+met het zondige leven ligt meer naïeve gemeenzaamheid met den godsdienst
+dan regelrechte onvroomheid. Enkel een samenleving, die geheel
+doortrokken is van het godsdienstige, en die het geloof als iets
+vanzelfsprekends aanvaardt, kent al deze excessen en ontaarding. Het
+waren dezelfde menschen, die de dagelijksche sleur van een half
+verliederlijkte godsdienstpraktijk volgden, en die dan plotseling onder
+het vlammende woord van een preekenden bedelmonnik vatbaar waren voor de
+uitersten van heilige ontroering.
+
+Zelfs een botte zonde als het vloeken komt enkel op uit een sterk
+geloof. Want in zijn oorsprong als bewuste eed is de vloek het teeken
+van een tot in de nietigste dingen aanwezig besef van de
+tegenwoordigheid van het goddelijke. Alleen het besef van waarlijk den
+hemel te tarten geeft aan den vloek zijn zondige bekoring. Eerst waar
+elk besef van te zweren en elke vrees voor de vervulling van den vloek
+geweken is, verslapt het vloeken tot de eentonige ruwheid van later
+tijden. In het laatst der Middeleeuwen heeft het nog dien prikkel van
+driestheid en hoogmoed, die het maakt tot een adellijke sport.
+"Wat,--zegt de edelman tot den boer--: je geeft je ziel aan den duivel,
+en je verloochent God, terwijl je geen edelman bent?" [525] Deschamps
+constateert, dat het vloeken reeds afdaalt tot de geringe lieden:
+
+ "Si chetif n'y a qui ne die:
+ Je renie Dieu et sa mère." [526]
+
+Men wedijvert in pittige en nieuw gevonden vloeken; wie het liederlijkst
+te vloeken weet, wordt als meester geëerd. [527] Eerst vloekte men, zegt
+Deschamps, overal in Frankrijk op zijn Gasconsch en Engelsch, daarna op
+zijn Bretonsch, en nu op zijn Bourgondisch. Hij rijmt twee balladen
+aaneen van de gebruikelijke vloeken, om ze tot vromen zin te wenden. En
+de Bourgondische vloek: "Je renie Dieu", is de ergste van allen; [528]
+men verzacht hem tot: "Je renie de bottes". De Bourgondiërs hadden den
+naam van aartsvloekers; trouwens Frankrijk in het algemeen, klaagt
+Gerson, lijdt, zoo christelijk als het is, meer dan andere landen onder
+die afschuwelijke zonde, die de oorzaak is van pestilentie, oorlogen en
+hongersnood. [529] Zelfs de monniken doen met bastaardvloeken mee. [530]
+Hij wil, dat alle autoriteiten en alle standen, door scherpe verordeningen
+en lichte straffen, die dan ook werkelijk uitgevoerd kunnen worden, het
+kwaad helpen uitroeien. En inderdaad verscheen in 1397 een koninklijke
+ordonnantie, die de oude verordeningen tegen het vloeken van 1269 en
+1347 hernieuwde; niet met lichte en uitvoerbare straffen evenwel, maar
+met de oude bedreigingen van lippen kloven en tong afsnijden, waaruit de
+heilige verontwaardiging over de godslastering sprak. In het register,
+dat de ordonnantie bevat, staat er aan den rand bij aangeteekend: "Al
+deze vloeken zijn heden ten dage, 1411, overal in het rijk zeer algemeen
+in gebruik, zonder eenige straf." [531] Pierre d'Ailly dringt bij het
+concilie van Constanz [532] opnieuw met nadruk aan op de bestrijding van
+het kwaad.
+
+Gerson kent de beide uitersten, waartusschen de zonde van het vloeken
+zich beweegt. Hij kende uit zijn ervaring als biechtvader de jongelieden,
+die onbedorven, eenvoudig en kuisch, gekweld werden door een scherpe
+verzoeking, om woorden van godverloochening en godslastering te spreken.
+Hij beveelt hun aan, om zich niet geheel aan de beschouwing van God en
+zijn heiligen over te geven; zij zijn er niet sterk genoeg toe. [533]
+Hij kent ook de gewoontevloekers, zooals de Bourgondiërs, wier daad, hoe
+verfoeilijk ook, toch niet de schuld van meineedigheid bevat, daar er in
+het geheel geen bedoeling is, om te zweren. [534]
+
+Het punt, waar de gewoonte om de dingen van het geloof lichtvaardig te
+behandelen, overgaat in bewuste ongodsdienstigheid, is niet te bepalen.
+Er is zonder twijfel in het laatst der Middeleeuwen een sterke neiging,
+om de vroomheid en de vromen te bespotten. Men is gaarne esprit fort, en
+spreekt tegen het geloof bij wijze van scherts. [535] De novellisten
+doen frivool en onverschillig, zooals in het verhaal der _Cent nouvelles
+nouvelles_, waar de pastoor zijn hond in gewijde aarde begraaft, en hem
+toespreekt: "mon bon chien, a qui Dieu pardoint." De hond gaat dan ook
+"tout droit au paradis des chiens." [536] Men heeft een grooten afkeer
+van gehuichelde of beuzelachtige vroomheid: het woord "papelard" ligt
+hun in den mond bestorven. Het veelgebruikte spreekwoord: "De jeune
+angelot vieux diable" of in fraai schoollatijn: "Angelicus juvenis
+senibus sathanizat in annis" is Gerson een doorn in het oog. Zoo bederft
+men de jeugd, zegt hij: men prijst in de kinderen een onbeschaamd
+gelaat, vuile taal en vloeken, onkuischheid in blik en gebaar. Maar,
+zegt hij: ik zie niet, wat er van den jongeling, die den duivel speelt,
+te hopen valt in de grijsheid. [537]
+
+Onder de geestelijken en godgeleerden zelf onderscheidt Gerson een groep
+van onwetende praters en ruziemakers, wien elk gesprek over den
+godsdienst een last en een fabel is; alles wat hun wordt meegedeeld van
+verschijningen en openbaringen, verwerpen zij met groot gelach en
+verontwaardiging. Anderen vallen in het andere uiterste en nemen alle
+inbeeldingen van ijlhoofdige menschen, droomen en wonderlijke gedachten
+van zieken en krankzinnigen, als openbaringen aan. [538] Het volk weet
+tusschen die uitersten het juiste midden niet te bewaren: zij gelooven
+alles, wat zieners en waarzeggers voorspellen, maar, komt een ernstig
+geestelijke, die dikwijls echte revelaties heeft gehad, eens bedrogen
+uit, dan beschimpen de wereldsche lieden allen, die van geestelijken
+wandel zijn, noemen hem een bedrieger en een "papelard", en willen
+voortaan naar geen geestelijken meer luisteren, die zij voor boosaardige
+huichelaars houden. [539]
+
+Het is steeds weer het plotseling uitblijven van de religieuze spanning
+in een met godsdienstigen inhoud en vormen oververzadigd gedachtenleven.
+Door de heele Middeleeuwen heen vindt men talrijke gevallen van spontaan
+ongeloof, waarbij niet te denken valt aan een afwijking van de kerkleer
+op grond van theologische bespiegeling, maar enkel aan een onmiddellijke
+reactie. Al beteekent het niet veel, wanneer dichters of
+geschiedschrijvers, de enorme zonden van hun tijd ziende, uitroepen: men
+gelooft niet meer aan hemel en hel, [540] bij meer dan een was het
+latente ongeloof bewust en vast geworden, zoo zelfs dat het algemeen
+bekend was, en zij er zelf voor uitkwamen. "Beaux seigneurs,--zegt de
+kapitein Bétisac tot zijn makkers, [541]--je ay regarde à mes besongnes
+et en ma conscience je tiens grandement Dieu avoir courrouchié, car jà
+de long temps j'ay erré contre la foy, et ne puis croire qu'il soit
+riens de la Trinité, ne que le Fils de Dieu se daignast tant abaissier
+que il venist des chieulx descendre en corps humain de femme, et croy et
+dy que, quant nous morons, que il n'est riens de âme.... J'ay tenu celle
+oppinion depuis que j'eus congnoissance, et la tenray jusques à la
+fin."--Hugues Aubriot, prévôt van Parijs, is een allervurigst papenhater;
+hij gelooft niet aan het altaarsacrament, spot ermee, houdt geen Paschen,
+gaat niet te biecht, [542] Jacques du Clercq verhaalt verschillende
+gevallen van edelen, die hun ongeloof toonden en geheel bij kennis de
+laatste sacramenten weigerden. [543] Jean de Montreuil, proost van
+Rijssel, schrijft aan een zijner geleerde vrienden, meer in den
+luchtigen trant van een verlichten humanist dan als een waarlijk vrome:
+"Ge kent onzen vriend Ambrosius de Miliis; ge hebt dikwijls gehoord, hoe
+hij van den godsdienst, van het geloof, van de heilige schrift en van
+alle kerkelijke voorschriften dacht, zóó namelijk, dat Epicurus er
+katholiek bij moest heeten. Welnu, deze man is thans geheel bekeerd."
+Maar hij werd dan ook tevoren toch geduld in dien kring van vroege
+humanisten vol vromen zin. [544]
+
+Aan de eene zijde van deze spontane gevallen van ongeloof staat het
+litteraire paganisme der Renaissance en het beschaafde en behoedzame
+Epicurisme, dat reeds in de 13e eeuw, naar Averroës genoemd, in zoo
+wijde kringen had gebloeid. Aan de andere zijde staat de
+hartstochtelijke negatie bij de arme, onwetende ketters, die allen, hoe
+zij ook heeten, Turlupins of Broeders van den vrijen geest, de grenzen
+van de mystiek naar het pantheïsme hadden overschreden. Doch deze
+verschijnselen moeten in een later verband ter sprake komen. Voorloopig
+hebben wij nog te blijven in de sfeer van de uiterlijke geloofsverbeelding
+en de uiterlijke vormen en gebruiken.
+
+ * * * * *
+
+Voor het dagelijksch besef van den grooten hoop maakte de aanwezigheid
+van een zichtbaar beeld het intellectueel bewijs van de waarheid van het
+afgebeelde volkomen overbodig. Tusschen hetgeen men in kleur en vorm
+afgebeeld voor zich zag: de personen der Drieëenheid, de vlammende hel,
+de tallooze heiligen, en het gelooven daaraan lag geen vraag: zou het
+waar zijn? Al die voorstellingen werden onmiddellijk _als_ verbeeldingen
+tot geloof; zij stonden in den geest vast omlijnd en bont gekleurd, met
+al de realiteit, die de Kerk in het geloof eischen kon, en nog wat
+daarenboven.
+
+Doch waar het geloof direct berust op een beeldvoorstelling, kan het
+nauwelijks qualitatieve onderscheidingen maken tusschen den aard en den
+graad van heiligheid der verschillende geloofselementen. Het eene beeld
+is zoo reëel en zoo ontzagbaar als het andere, en dat men God te
+aanbidden heeft en de heiligen slechts te vereeren, leert de afbeelding
+zelf niet, als niet de Kerk met haar leering er voortdurend toe
+vermaant. Nergens dreigde de overwoekering van de vrome gedachte door de
+bonte verbeelding zoo aanhoudend en zoo sterk, als op het gebied der
+heiligenvereering.
+
+Het strenge standpunt van de Kerk was zuiver en hoog genoeg. Gegeven de
+voorstelling van het persoonlijk voortbestaan, was de vereering der
+heiligen natuurlijk en zonder bedenking. Het is geoorloofd, hun lof en
+eer toe te kennen "per imitationem et reductionem ad Deum". Op dezelfde
+wijze mag men ook vereering schenken aan beelden, relieken, heilige
+plaatsen en aan God gewijde dingen, voorzoover het ten slotte leidt tot
+vereering van God zelf. [545] Ook de technische onderscheiding van den
+heilige en den gewonen gezaligde, en de normeering van het instituut der
+heiligheid door de officieele canonisatie hadden, schoon een bedenkelijke
+formaliseering, toch niets wat tegen den geest van het christendom streed.
+De Kerk bleef zich bewust van de oorspronkelijke gelijkwaardigheid van
+heiligheid en zaligheid, en van het ontoereikende der heiligverklaring.
+"Het is te gelooven,--zegt Gerson,--dat er oneindig meer heiligen
+gestorven zijn en dagelijks sterven, dan zij die gecanoniseerd zijn."
+[546] De geoorloofdheid der beelden zelf tegenover de uitdrukkelijke
+woorden van het tweede gebod werd betoogd met het beroep, dat vóór de
+menschwording van Christus het verbod noodzakelijk was geweest, omdat
+God toen enkel geest was, maar dat Christus de oude wet had opgeheven
+door en wegens zijn komst op aarde. Aan de rest van het tweede gebod:
+"Non adorabis ea neque coles", wenschte de Kerk onvoorwaardelijk vast te
+houden. "Wij aanbidden de beelden niet, doch brengen eer en adoratie aan
+den afgebeelde, dat wil zeggen aan God, of aan zijn heilige, wiens beeld
+het is." [547] De beelden dienen alleen, om aan de eenvoudigen, die de
+schrift niet kennen, te toonen, wat zij moeten gelooven. [548] Zij zijn
+de boeken der onwetenden: [549] men kent die gedachte uit het gebed aan
+Maria, dat Villon voor zijn moeder maakte:
+
+ "Femme je suis pourette et ancienne,
+ Qui riens ne sçai; oncques lettre ne leuz;
+ Au moustier voy dont suis paroissienne
+ Paradis paint, où sont harpes et luz,
+ Et ung enfer où dampnez sont boulluz:
+ L'ung me fait paour, l'autre joye et liesse".... [550]
+
+Dat door het openleggen van het boek der bonte beelden aan den dolenden
+geest evenveel stof tot afwijking van de leer werd geboden, als de
+persoonlijke schriftverklaring kon meebrengen, heeft de Kerk nimmer
+verontrust. Zij heeft altijd licht geoordeeld over de zonde van hen, die
+uit onwetendheid en eenvoudigheid tot aanbidding der beelden vervielen.
+Het is hun reeds genoeg, zegt Gerson, als zij maar de bedoeling hebben
+om te doen, zooals de Kerk doet in het eeren der beelden. [551]
+
+De zuiver dogmenhistorische vraag, in hoeverre de Kerk haar verbod van
+directe vereering of zelfs aanbidding der heiligen, niet als voor
+bidders maar als bewerkers van het gevraagde, altijd zuiver heeft weten
+te handhaven, kan hier blijven rusten. De cultuurhistorische vraag is,
+in hoeverre zij erin slaagde, het volk daarvan af te houden, met andere
+woorden welke realiteit, welke voorstellingswaarde de heiligen hadden in
+het laat-middeleeuwsche volksbesef. En hier is maar één antwoord mogelijk:
+de heiligen waren zoo wezenlijke, zoo materieele en zoo gemeenzame
+figuren in het alledaagsche geloofsleven, dat zich aan hen al de meer
+oppervlakkige en zinnelijke godsdienstige impulsen verbonden. Terwijl
+de innigste gemoedsbewegingen uitstroomden naar Christus en Maria,
+kristalliseerde zich in de heiligenvereering een heele schat van
+gemoedelijk, naïef en alledaagsch godsdienstig leven. Alles werkte mede,
+om aan de populaire heiligen een wezenlijkheid voor den geest te geven,
+die hen voortdurend midden in het leven bracht. De volksverbeelding
+heeft hen vast: zij hebben hun bekende gedaante en hun attributen, men
+kent hun ijselijke martelie en hun verbazende wonderen. Zij gaan gekleed
+en uitgerust als het volk zelf. Men kon mijnheer Sint Rochus of Sint
+Jacob iederen dag in levende pestlijders of pelgrims ontmoeten. Het zou
+van belang zijn, na te gaan, tot hoe lang de kleederdracht der heiligen
+de mode van den dag heeft meegemaakt. Zeker die der geheele vijftiende
+eeuw. Maar waar is het punt, waarop de kerkelijke kunst hen onttrekt
+aan de levende volksverbeelding, door hen te hullen in rhetorische
+drapeering? Het is niet alleen een kwestie van Renaissancegevoel voor
+historisch costuum; het is, dat de volksverbeelding zelf hen begint los
+te laten, of althans zich niet meer kan doen gelden in de kerkelijke
+kunst. Tijdens de contrareformatie zijn de heiligen veel treden hooger
+geklommen, naar de Kerk het wilde: weg uit de aanraking met het
+volksleven.
+
+De lijfelijkheid, die de heiligen reeds hadden door de afbeelding, werd
+nog buitengewoon verhoogd doordat de Kerk van oudsher de vereering van
+hun lichamelijke overblijfselen had toegestaan en aangemoedigd. Het kon
+niet anders, of van dit hechten aan de stof moest een materialiseerende
+invloed op het geloof uitgaan, die somtijds tot verbazingwekkende
+uitersten leidde. Waar het relieken geldt, vreest het sterke geloof der
+Middeleeuwen voor geen ontnuchtering of ontwijding. Het volk in de
+bergen van Umbrië omstreeks het jaar 1000 wilde den kluizenaar Sint
+Romuald doodslaan, om toch zijn gebeente niet te verliezen. De monniken
+van Fossanuova, waar Thomas van Aquino gestorven was, hebben, uit vrees
+dat hun de kostbare reliek zou ontgaan, het lijk van den edelen meester
+letterlijk ingemaakt: van het hoofd ontdaan, gekookt, geprepareerd.
+[552] Toen de heilige Elisabeth van Thüringen boven aarde stond, kwam
+een schaar van devoten niet alleen stukken snijden of scheuren van de
+doeken, waarmee haar gelaat omwikkeld was; men sneed de haren en nagels
+af, ja zelfs stukken van de ooren en de tepels van de borsten. [553] Ter
+gelegenheid van een plechtig feest deelt Karel VI ribben uit van zijn
+voorvader den heiligen Lodewijk: aan Pierre d'Ailly, aan zijn ooms van
+Berry en Bourgondië, en aan de prelaten een been om te verdeelen,
+waartoe dezen dan ook overgaan na den maaltijd. [554]
+
+Hoe levend en hoe lijfelijk nu ook de voorstelling der heiligen was,
+niettemin treden zij betrekkelijk weinig op in de sfeer van de
+bovennatuurlijke beleving. Het geheele gebied van geestenzienerij,
+teekenen, verschijningen en spooksels staat grootendeels gescheiden
+van de verbeeldingssfeer der heiligenvereering. Er zijn natuurlijk
+uitzonderingen. Iedereen denkt terstond aan Sint Michiel, Sint Catharina
+en Sint Margareta, die aan Jeanne d'Arc verschenen. Zoo zouden er uit de
+visionaire litteratuur nog tal van andere voorbeelden zijn aan te halen.
+Maar in den regel heeft men daar te doen met eenigszins litterair
+geformeerde of geïnterpreteerde gezichten. Wanneer aan den jongen herder
+te Frankenthal bij Bamberg in 1446 de veertien heilige noodhelpers
+verschijnen, dan ziet hij dezen, die toch in de iconografie zulke
+markante figuren waren, [555] niet met hun sprekende attributen, maar
+als veertien engelkindertjes, onderling geheel gelijk; zij _zeggen_,
+dat zij de veertien noodhelpers zijn. De fantasmagorie van het directe
+volksgeloof is gevuld met engelen en duivelen, geesten van afgestorvenen
+en witte wijven, maar niet met heiligen. Slechts bij uitzondering speelt
+in het echte, niet litterair of theologisch aangekleede bijgeloof de
+heilige een rol. Sint Bertulf doet het te Gent. Als er iets ernstigs
+gaat gebeuren, klopt hij tegen zijn kist in de Sint Pieters abdij "moult
+dru et moult fort". Het gaat soms gepaard met een lichte aardbeving,
+en verschrikt de stad zoo, dat zij met groote ommegangen het onbekende
+onheil zoekt te keeren. [556] In het algemeen echter hecht zich de
+klamme vrees aan de slechts vaag verbeelde figuren, die niet met vaste
+attributen, bekende trekken en gezellig bonte kleedij in de kerken
+uitgehouwen en geschilderd stonden, maar met een ongezien schrikgelaat
+in een nevelige wade rondwaarden, of in louter hemelglans zich vertoonden,
+of in monsterlijk verschietende wanvormen uit de schuilhoeken van het
+brein opdoken.
+
+Dit behoeft niet te verbazen. Juist doordat de heilige zoo exacten vorm
+had aangenomen, zooveel verbeeldingsstof had aangetrokken en rondom zich
+gekristalliseerd, miste hij de huiveringwekkende geheimzinnigheid.
+De vrees voor het bovennatuurlijke ligt in de onbepaaldheid der
+voorstelling, in de verwachting, dat iets plotseling zich in een nieuwe,
+nooit ontwaarde schrikwekkendheid zou kunnen vertoonen. Zoodra de
+voorstelling wordt omlijnd en bepaald, ontstaat een gevoel van
+verzekerdheid en gemeenzaamheid. De heiligen met hun welbekende figuren
+hadden het geruststellende van een politieagent in een groote vreemde
+stad. De heiligenvereering en vooral de heiligenverbeelding schiep als
+'t ware een neutrale zone van gemoedelijk rustig geloof tusschen de
+verrukkingen van het God-schouwen en de zoete huiveringen van de
+Christusliefde eenerzijds, en anderzijds de gruwelijke fantasmen van de
+duivelvrees en den heksenwaan. Men zou de stelling kunnen wagen, dat de
+heiligenvereering, door veel zaligheidsgevoel en veel angsten af te
+leiden en te herleiden tot gemeenzame verbeelding, een zeer hygiënische
+tempering heeft opgeleverd voor den wild uitschietenden geest der
+Middeleeuwen.
+
+Door die volkomen ver-beelding heeft de heiligenvereering haar plaats
+aan den buitenkant van het geloofsleven. Zij gaat mee op den stroom van
+het alledaagsche denken, en verliest daarin soms haar waardigheid.
+Karakteristiek is in dit opzicht de laat-middeleeuwsche Joseph-vereering.
+Men kan haar beschouwen als een gevolg en een terugslag van de
+hartstochtelijke Maria-vereering. De onbescheiden belangstelling voor
+den stiefvader is als 't ware de tegenkant van al de liefde en
+verheerlijking, die de maagdelijke Moeder gold. Naarmate Maria hooger
+steeg, werd Joseph meer caricatuur. De beeldende kunst gaf hem reeds een
+type, dat bedenkelijk dicht naderde tot dat van den lompen, bespotten
+boer. Zoo ziet men hem op Melchior Broederlam's tweeluik te Dijon. Maar
+in de beeldende kunst bleef het ontwijdendste onuitgedrukt. Welk een
+naïeve nuchterheid vertoont de Joseph-opvatting van Eustache Deschamps,
+die hierin toch volstrekt niet als een onvrome spotter te beschouwen is.
+Joseph, die Gods Moeder dienen mocht en haar zoon opvoeden, men zou
+meenen, dat geen sterveling hooger begenadigd is geweest. Deschamps
+gelieft hem te zien als het type van den slovenden, beklagenswaardigen
+huisvader:
+
+ "Vous qui servez a femme et a enfans
+ Aiez Joseph toudis en remembrance;
+ Femmes servit toujours tristes, dolans.
+ Et Jhesu Crist garda en son enfance;
+ A piè trotoit, son fardel sur sa lance;
+ En plusieurs lieux est figuré ainsi,
+ Lez un mulet, pour leur faire plaisance,
+ Et si n'ot oncq feste en ce monde ci." [557]
+
+Was het enkel, om huisvaders in zorgen met een edel voorbeeld te
+troosten, dan zou het nog gaan, wat er ook aan waardigheid der
+voorstelling ontbrak. Maar Deschamps bedoelt Joseph regelrecht als
+afschrikkend voorbeeld, om zich toch niet met een gezin te belasten:
+
+ "Qu'ot Joseph de povreté
+ De durté,
+ De maleurté,
+ Quant Dieux nasqui?
+ Maintefois l'a comporté,
+ Et monté
+ Par bonté
+ Avec sa mère autressi,
+ Sur sa mule les ravi;
+ Je le vi
+ Paint ainsi;
+ En Egipte en est alé.
+
+ Le bonhomme est painturé
+ Tout lassé,
+ Et troussé,
+ D'une cote et d'un barry:
+ Un baston au coul posé,
+ Vieil, usé
+ Et rusé.
+ Feste n'a en ce monde cy,
+ Mais de lui
+ Va le cri:
+ C'est Joseph le rassoté." [558]
+
+Hier ziet men voor oogen, hoe uit de gemeenzame afbeelding een
+gemeenzame opvatting groeide, die elke heiligheid schond. Joseph bleef
+in de volksverbeelding een half-komische figuur; nog dr. Johannes Eck
+moest erop aandringen, dat men hem in het kerstspel of in het geheel
+niet, of althans op betamelijker wijze zou voorstellen, en hem geen
+pap zou laten koken, "ne ecclesia Dei irrideatur." [559] Tegen deze
+onwaardige woekeringen was de beweging van Gerson voor een passende
+Joseph-vereering gericht, die tot zijn opneming in de liturgie met
+voorrang boven alle andere heiligen leidde. [560] Wij zagen echter boven
+reeds, hoe ook Gerson's ernstig streven hem niet vrijhoudt van die
+onbescheiden curiositas, die aan het onderwerp van Joseph's huwelijk
+haast onvermijdelijk verbonden scheen. Voor een nuchteren geest (en
+Gerson, ondanks zijn voorliefde voor de mystiek, was in veel opzichten
+een nuchtere geest) mengden zich altijd weer in de beschouwing van
+Maria's huwelijk overwegingen van zeer aardschen inhoud. De ridder de la
+Tour-Landry, ook een type van nuchter welmeenend geloof, ziet het geval
+onder dit licht. "Dieux voulst que elle espousast le saint homme Joseph,
+qui estoit vieulx et preudomme; car Dieu voulst naistre soubz umbre de
+mariage pour obéir à la loy qui lors couroit, _pour eschever les paroles
+du monde_," [561]--
+
+Een onuitgegeven werk der vijftiende eeuw verbeeldt het mystisch
+huwelijk der ziel met den hemelschen bruidegom in de termen van een
+burgerlijke vrijaadje. Jezus, de bruidegom, zegt tot God Vader: "S'il te
+plaist, je me mariray et auray grant foueson d'enfans et de famille." De
+Vader maakt bezwaren, want de keuze des Zoons is gevallen op een zwarte
+Ethiopische; hier speelt het woord van het Hooglied onder: "Nigra sum
+sed formosa". Het zou een mésalliance zijn en een oneer voor de familie.
+De engel, die als hijlikmaker optreedt, doet een goed woord voor de
+bruid. "Combien que ceste fille soit noire, neanmoins elle est
+gracieuse, et a belle composicion de corps et de membres, et est bien
+habile pour porter fouezon d'enfans." De Vader antwoordt: "Mon cher fils
+m'a dit qu'elle est noire et brunete. Certes je vueil que son espouse
+soit jeune, courtoise, jolye, gracieuse et belle et qu'elle ait beaux
+membres." Nu prijst de engel haar aangezicht en al haar leden, dat zijn
+de deugden der ziel. De Vader geeft zich gewonnen, en spreekt tot den
+Zoon:
+
+ "Prens la, car elle est plaisant
+ Pour bien amer son doulx amant;
+ Or prens de nos biens largement,
+ Et luy en donne habondamment." [562]
+
+Aan den ernst en de stichtelijke bedoeling van dit werk valt geen
+oogenblik te twijfelen. Het is enkel een bewijs, tot welke triviale
+voorstellingen de onbeteugelde uitwerking der verbeelding leiden kon.
+
+Iedere heiligenfiguur had door haar welbepaald, direct sprekend beeld
+een individueel karakter, [563] in tegenstelling met de engelen, die met
+uitzondering der drie groote aartsengelen volkomen onverbeeld bleven.
+De individualiteit der heiligen werd nog versterkt door de speciale
+functie, die aan verscheiden hunner toekwam: tot dezen wendde men zich
+in een bepaalden nood, tot genen om genezing eener bepaalde ziekte.
+Veelal had een trek uit de legende of een attribuut van het beeld de
+aanleiding gegeven tot die specialiseering, zooals bij voorbeeld, als
+Sinte Apollonia tegen kiespijn werd aangeroepen, wie zelve in haar
+martelie de kiezen waren uitgetrokken. Was eenmaal de goedgunstige taak
+der heiligen zoo verbijzonderd, dan kon het niet uitblijven, of er kwam
+in hun vereering een half mechanisch element. Hoorde eenmaal de genezing
+der pest tot het ambtsgebied van Sint Rochus, dan werd bijna
+onvermijdelijk de actie van den heilige in dezen te direct opgevat, en
+liep de gansche, door de Kerk gevorderde, gedachtenschakel, dat de
+heilige door zijn voorbidding bij God de genezing wrocht, gevaar om uit
+te vallen. Met name was dit het geval bij de vereering der veertien
+(soms ook vijf, acht, tien of vijftien) Noodhelpers, die in het laatst
+der Middeleeuwen zoo sterk op den voorgrond kwam. Sint Barbara en Sint
+Christophorus, de meest afgebeelde van allen, hooren ertoe. Aan deze
+veertien had God naar de voorstelling van het volksgeloof toegestaan,
+dat hunne aanroeping iedereen zou vermogen te redden uit onmiddellijk
+dreigend gevaar.
+
+ "Ilz sont cinq sains, en la genealogie,
+ Et cinq sainctes, a qui Dieux octria
+ Benignement a la fin de leur vie.
+ Que quiconques de cuer les requerra
+ En tous perilz, que Dieux essaucera
+ Leurs prieres, pour quelconque mesaise.
+ Saiges est donc qui ces cinq servira,
+ Jorges, Denis, Christofle, Gille et Blaise." [564]
+
+Voor het volksbesef moest krachtens deze delegatie der almacht en
+de oogenblikkelijkheid der werking elke gedachte aan de louter
+voorsprekende functie der heiligen geheel wegvallen; de Noodhelpers
+waren de procuratiehouders der godheid geworden. Verschillende missalen
+uit het einde der Middeleeuwen, die het officie der veertien Noodhelpers
+behelzen, spreken het bindend karakter van hunne tusschenkomst duidelijk
+uit: "Deus qui electos sanctos tuos Georgium etc. etc. specialibus
+privilegiis prae cunctis aliis decorasti, ut omnes, qui in necessitatibus
+suis eorum implorant auxilium, secundum promissionem tuae gratiae
+petitionis suae salutarem consequantur effectum." [565] Vandaar dat de
+Kerk na Trente de mis der veertien Noodhelpers als zoodanig verboden
+heeft, van wege het gevaar, dat het geloof hier zich als aan een talisman
+zou hechten. [566] Inderdaad gold reeds het dagelijks aanschouwen van een
+geschilderden of gebeeldhouwden Christophorus als genoegzame behoeding
+voor een noodlottig einde. [567]
+
+Vraagt men, wat de aanleiding kan zijn geweest, dat juist deze veertien
+zulk een compagnie des heils zijn gaan vormen, dan valt het op, dat
+allen in hun beeltenis iets sensationeels hadden, dat de verbeelding
+prikkelde. Achatius zag men met een doornenkroon, Aegidius met een
+hinde, Sint Joris met den draak, Blasius in een hol met wilde dieren,
+Christoffel als een reus, Cyriacus met den duivel aan een ketting,
+Dionysius met zijn hoofd in den arm, Erasmus in zijn gruwelijke
+marteling met de windas, die hem de darmen uittrekt, Eustachius met het
+kruisdragend hert, Pantaleon als geneesheer, met een leeuw, Vitus in een
+ketel, Sint Barbara met haar toren, Catharina met het rad en het zwaard,
+Margareta met een draak. [568] Het zou niet onmogelijk zijn, dat de
+bijzondere opmerkzaamheid voor deze veertien van het treffende in hun
+beeld haar uitgangspunt had genomen.
+
+Tal van heiligennamen waren verbonden geraakt aan bepaalde ziekten,
+zooals Sint Antonie aan verschillende vurige huidziekten, Sint Maurus
+aan de jicht, Sint Sebastiaan, Sint Rochus, Sint Aegidius, Sint
+Christoffel, Sint Valentijn en Sint Adriaan aan de pest. Hier school nog
+een ander gevaar voor ontaarding van het volksgeloof. Het euvel heette
+naar den heilige: Sint Antonies vuur, "mal de Saint Maur" en tallooze
+dergelijke. De heilige stond dus bij het denken aan de ziekte van
+aanvang af op den voorgrond der gedachte. Dat denken was geladen met
+heftige gemoedsbeweging; vooral waar het de gevreesde pest gold.
+De pestheiligen werden in de vijftiende eeuw druk vereerd: met officiën
+in de kerken, met processies, met broederschappen, een geestelijke
+ziekteverzekering als 't ware. Hoe licht kon nu het sterke besef van
+Gods toorn, dat door iedere epidemie werd gewekt, overslaan op den
+heilige, die de voorstelling in beslag nam. Niet Gods ondoorgrondelijke
+rechtvaardigheid heeft de ziekte veroorzaakt, maar de toorn van den
+heilige is het, die haar zendt en verzoening eischt. Wanneer hij ze
+geneest, waarom zal hij haar dan ook niet veroorzaken? Zoo was een
+heidensche verplaatsing van het geloof uit de religieus ethische in de
+magische sfeer gegeven, waarvoor de Kerk enkel in zooverre aansprakelijk
+kon worden gesteld, als zij er niet genoeg rekening mee hield, hoe haar
+zuivere leer vertroebelde in een onwetenden geest. Rabelais vertelt van
+volkspredikers, die der gemeente Sint Sebastiaan voorhielden als den
+veroorzaker der pest, Sint Eutropius (wegens de assonantie met
+ydropique?) als dien der waterzucht. [569] De werkelijke aanwezigheid
+van zulk een voorstelling wordt gestaafd door meer dan één getuigenis.
+Eustache Deschamps laat den door huidziekte geplaagden bedelaar zeggen:
+
+ "Saint Anthoine me vent trop chier
+ Son mal, le feu ou corps me boute", [570]
+
+en den jichtige voegt hij toe: wel, als ge niet loopen kunt, spaart ge
+weggeld uit:
+
+ "Saint Mor ne te fera fremir." [571]
+
+In zijn hoongedicht _De validorum per Franciam mendicantium varia
+astucia_ beschrijft Robert Gaguin de bedelaars aldus: "Deze valt ter
+aarde, terwijl hij stinkend speeksel opgeeft, en bazelt, dat dit het
+wonderwerk van Sint Jan is. Anderen worden door Sint Fiacrius, den
+kluizenaar, met puisten gekweld; gij, o Damianus, belemmert de
+waterloozing. Sint Antonie brandt hun de gewrichten met jammerlijk vuur,
+Sint Pius maakt hen kreupel en lam." [572]
+
+"Sainct Anthoine arde le tripot! Sainct Anthoine arde la monture!" [573]
+In verwenschingen als deze is de heilige geheel een booze vuur-demon
+geworden.
+
+Zelfs de bejegening der godheid zelf kan door deze fetichistische
+voorstelling aangetast worden. Te Haarlem wordt in 1492 een knaap uit de
+Groningsche Ommelanden terechtgesteld, die na zijn geld bij het dobbelen
+verloren te hebben, een kerk was binnengeloopen en twee dolksteken had
+toegebracht aan het beeld van den Gekruisigde. [574]
+
+De gevoels- en gedachteninhoud van de heiligenvereering was voor zulk
+een groot deel vastgelegd in de kleuren en vormen der beelden, dat de
+onmiddellijk aesthetische opvatting voortdurend dreigde, de religieuze
+gedachte op te heffen. Tusschen het aanschouwen van den glans van het
+goud, van de pijnlijk getrouwe weergave van de stoffen der kleedij, van
+den vromen blik der oogen, en de levende voorstelling van den heilige in
+het bewustzijn, was nauwelijks meer plaats voor de overdenking, wat de
+Kerk toestond en wat zij verbood, dien heerlijken wezens aan hulde en
+innigheid te bieden. De heiligen leefden in den geest des volks als
+goden. Wanneer dat gevaar voor de volksvroomheid gevreesd wordt door de
+angstvallig rechtgeloovige kringen der Windesheimers, verbaast het ons
+niet. Doch wel sprekend is het, wanneer die gedachte plotseling opgaat
+aan een geest als Eustache Deschamps, den oppervlakkigen, banalen
+hofdichter, die juist in zijn begrensdheid zulk een voortreffelijke
+spiegel is van het gewone geestesleven van zijn tijd.
+
+ "Ne faictes pas les dieux d'argent,
+ D'or, de fust, [575] de pierre ou d'arain,
+ Qui font ydolatrer la gent....
+ Car l'ouvrage est forme plaisant;
+ Leur painture dont je me plain,
+ La beauté de l'or reluisant,
+ Font croire à maint peuple incertain
+ Que ce soient dieu pour certain,
+ Et servent par pensées foles
+ Telz ymages qui font caroles [576]
+ Es moustiers où trop en mettons;
+ C'est tresmal fait: a brief paroles,
+ Telz simulacres n'aourons.
+ * * * * * * * * * * * * *
+ Prince, un Dieu croions seulement
+ Et aourons parfaictement
+ Aux champs, partout, car c'est raisons.
+ Non pas faulz dieux, fer n'ayment,
+ Pierres qui n'ont entendement:
+ Telz simulacres n'aourons." [577]
+
+Zou het niet op te vatten zijn als een onbewuste reactie tegen de
+heiligenvereering, wanneer in de late Middeleeuwen zoo sterk geijverd
+wordt voor de vereering van den beschermengel? In de heiligenvereering
+was het levende geloof veel te veel gekristalliseerd; men had behoefte
+aan een meer liquiden staat van het vereeringsgevoel en het
+beschermingsbesef. Dat kon zich hechten aan de nauwelijks verbeelde
+engelfiguur, terugkeeren tot de onmiddellijkheid van het
+bovennatuurlijke. Het is alweer Gerson, de nauwgezette ijveraar voor
+zuiverheid in het geloof, die de vereering des beschermengels
+herhaaldelijk aanbeveelt. [578] Doch ook hier dreigt alweer die zucht
+tot uitwerking der bijzonderheden, die het vrome gehalte der vereering
+slechts schaden kon. De "studiositas theologorum" zegt Gerson, stelt
+aangaande de engelen allerlei vragen: of zij ons ooit verlaten, of zij
+van te voren weten, of wij uitverkoren zijn of verdoemd zullen worden,
+of Christus een beschermengel had, en Maria, of de Antichrist er een
+hebben zal. Of onze goede engel tot onze ziel kan spreken zonder de
+beelden van phantasmen, of zij de aanspoorders zijn tot het goede,
+gelijk de duivelen tot het kwade. Of zij onze gedachten zien. Wat hun
+getal is. Die studiositas, besluit Gerson, blijve den godgeleerden
+overgelaten, maar elke curiositas zij verre van allen, die zich meer
+moeten bevlijtigen tot devotie dan tot subtiele speculatie. [579]
+
+De Hervorming heeft een eeuw later de heiligenvereering bijna weerloos
+gevonden, terwijl zij tegen het heksen- en duivelgeloof zelfs geen
+aanval deed, ja niet doen wilde, daar het haar zelf nog bevangen hield.
+Was dit niet, doordat de heiligenvereering voor een groot deel tot caput
+mortuum geworden was, doordat bijna alles wat de gedachtensfeer der
+heiligenvereering betrof, in het beeld, de legende, het gebed zoo
+volkomen was uitgedrukt, dat er geen huiverend ontzag meer achter stond?
+De heiligenvereering had haar wortels in het onverbeelde en onzegbare
+verloren, die zoo vreeselijk sterk waren in de demonologische
+gedachtensfeer. En wanneer de Contrareformatie een gezuiverde
+heiligenvereering opnieuw gaat kweeken, moet zij den geest bewerken met
+snoeimes en bemesting.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[458] J. Burckhardt, Weltgeschichtliche Betrachtungen, 1905, S. 97, 147.
+
+[459] Heinrich Seuse, Leben, ed. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, 1907,
+p. 24, 25.
+
+[460] Gerson, Opera, III p. 309.
+
+[461] Nic. de Clemanges, De novis festivitatibus non instituendis,
+Opera, ed. Lydius, Lugd. Bat. 1613, p. 151, 159.
+
+[462] Bij Gerson, Opera, II p. 911.
+
+[463] Acta sanctorum Apr. t. III p. 149.
+
+[464] ac aliis vere pauperibus et miserabilibus indigentibus, quibus
+convenit jus et verus titulus mendicandi.
+
+[465] qui ecclesiam suis mendaciis maculant et eam irrisibilem reddunt.
+
+[466] Alanus Redivivus, ed. J. Coppenstein, 1642, p. 77.
+
+[467] Commines, I p. 310; Chastellain, V p. 27; Le Jouvencel, I p. 82;
+Jean Lud, in Deutsche Geschichtsblätter, XV p. 248; Journal d'un
+bourgeois, p. 384; Paston Letters, II p. 18; J. H. Ramsay, Lancaster and
+York, II p. 275; Play of sir John Oldcastle, II p. 2 enz.
+
+[468] Contra superstitionem praesertim Innocentum, Gerson, Opera, I p.
+203.
+
+[469] Gerson, Quaedam argumentatio adversus eos qui publice volunt
+dogmatizare etc. Opera, II p. 521/522.
+
+[470] Johannis de Varennis Responsiones etc., Gerson, I p. 909.
+
+[471] Journal d'un bourgeois, p. 259. Voor "une hucque vermeille par
+dessoubz" zal "par dessus" te lezen zijn.
+
+[472] Contra vanam curiositatem, Opera, I p. 86.
+
+[473] Considérations sur saint Joseph, III p. 842/68. Josephina IV p.
+753; Sermo de natalitate beatae Mariae Virginis, III p. 1351; verder IV
+p. 729, 731, 732, 735, 736.
+
+[474] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 50.
+
+[475] C. Schmidt, Der Prediger Olivier Maillard, Zeitschr. f. hist.
+Theologie, 1856, p. 501.
+
+[476] Zie Thuasne, Rob. Gaguini Ep. et Or., I p. 72ss.
+
+[477] Les cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 75ss. 122ss.
+
+[478] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, ed. de Montaiglon, p. 56.
+
+[479] L.c., p. 257; "Se elles ouyssent sonner la messe ou à veoir Dieu."
+
+[480] Leroux de Lincy, Le livre des Proverbes français(2), Paris, 1859,
+2 vol., I p. 21.
+
+[481] Froissart, ed. Luce, V p. 24.
+
+[482] "Cum juramento asseruit non credere in Deum dicti episcopi," Rel.
+de S. Denis, I p. 102.
+
+[483] Laborde, II p. 264. no. 4238. Inventaris van 1420; ib. II p. 10
+no. 77, Inventaris van Karel den Stoute, waar wel sprake zal zijn van
+hetzelfde exemplaar.
+
+[484] Gerson, Opera, III p. 947.
+
+[485] Journal d'un bourgeois, p. 366(2).
+
+[486] Een nederl. aflaatbrief uit de 14e eeuw, ed. J. Verdam, Ned.
+Archief voor Kerkgesch. 1900, p. 117-122.
+
+[487] A. Eekhof, De questierders van den aflaat in de Noordelijke
+Nederl., 's Grav. 1909, p. 12.
+
+[488] Chastellain, Ip. 187/89: intocht van Hendrik V en Philips van
+Bourgondië te Parijs in 1420; II p. 16: intocht van den laatste te Gent
+in 1430.
+
+[489] Doutrepont, p. 379.
+
+[490] Deschamps, III p. 89 no. 357; le roi René, Traicté de la forme et
+devise d'un tournoy. Oeuvres, II p. 9.
+
+[491] Olivier de la Marche. II p. 202.
+
+[492] Monstrelet, I p. 285. cf. 306.
+
+[493] Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, p. 13, 16, (Chron.
+rel. à l'hist. de la Belgique sous la dom. des ducs de Bourg. II).
+
+[494] Molinet, II p. 84-94, III p. 98, Faictz et Dictz, fo. 47, vgl. I
+p. 240, en ook Chastellain, III p. 209, 260, IV p. 48, V p. 301, VII
+p. 1ss.
+
+[495] Molinet, III p. 109.
+
+[496] Gerson, Oratio ad regem Franciae, Opera, IV p. 662.
+
+[497] Quinze joyes de Mariage, p. xiii.
+
+[498] Gerson, Opera, III p. 299.
+
+[499] Friedländer, Jahrb. d. K. Preuss. Kunstsammlungen, XVII. 1896,
+p. 206.
+
+[500] Wetzer und Welte, Kirchenlexikon, s. v. Musik, col., 2040.
+
+[501] Chastellain, III p. 155.
+
+[502] H. van den Velden, Rod. Agricola, een Nederlandsen humanist der
+vijftiende eeuw, 1e dl., Leiden 1911, p. 44.
+
+[503] Deschamps, X no. 33, p. xli. In den voorlaatsten regel staat
+"l'ostel", wat natuurlijk geen zin geeft.
+
+[504] Nic. de Clemanges, De novis celebritatibus non instituendis,
+Opera, ed. Lydius, 1613, p. 143.
+
+[505] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 66, 70.
+
+[506] Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 946, 947.
+
+[507] Nic. de Clemangiis, l.c., p. 147.
+
+[508] O. Winckelmann, Zur Kulturgesch. des Strassburger Münsters,
+Zeitschr. f. d. Gesch. des Oberrheins NF XXII 2.
+
+[509] Dionysius Cartusianus, De modo agendi processiones etc., Opera,
+XXXVI p. 198s.
+
+[510] Chastellain, V p. 253ss.
+
+[511] Hierboven p. 66. (zie Hoofdstuk II, noot 100)
+
+[512] Michel Menot, Sermones f. 144vs., bij Champion, Villon, I p. 202.
+
+[513] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 65; Olivier de la
+Marche, II p. 89; l'Amant rendu cordelier, p. 25, huitain 68; Rel. de S.
+Denis. I p. 102.
+
+[514] L.c., p. 144.
+
+[515] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 172, vgl. p. 60,
+l'Epistre au dieu d'Amours, II 3; Deschamps, V p. 51 no. 871, II p. 185
+vs. 75; vgl. hierboven p. 207. (= zie Hoofdstuk IV, noot 399)
+
+[516] L'Amant rendu cordelier, l.c.
+
+[517] Menot, l.c.
+
+[518] Gerson, Expostulatio ... adversus corruptionem juventutis per
+lascivas imagines et alia hujusmodi, Opera, III p. 291; cf. De parvulis
+ad Christum trahendis, ib. p. 281; Contra tentationem blasphemiae, ib.
+p. 246.
+
+[519] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 80, 81, vgl. Machaut,
+Livre du Voir-Dit, p. 143ss.
+
+[520] Ib. p. 55, 63, 73, 79.
+
+[521] Nic. de Clemangiis, l.c. p. 145.
+
+[522] Quinze joyes de mariage, p. 127, vgl. p. 19, 29. 124.
+
+[523] Froissart, ed. Luce et Raynaud, XI p. 225ss.
+
+[524] Chron. Montis S. Agnetis, p. 341; J. C. Pool, Frederik v. Heilo en
+zijne schriften, Amsterdam, 1866, p. 126; vgl. Hendrik Mande bij W. Moll,
+Joh. Brugman en het godsd. leven onzer vaderen in de 15e eeuw, 1854, 2 dln.,
+I p. 264.
+
+[525] Gerson, Centilogium de impulsibus, Opera, III p. 154.
+
+[526] Deschamps, IV p. 322 no. 807; vgl. I p. 272 no. 146: "Si n'y a Si
+meschant qui encor ne die Je regni Dieu...."
+
+[527] Gerson, Adversus lacivas imagines, Op. III p. 292; Sermo de
+nativitate Domini, III p. 946.
+
+[528] Deschamps, I p. 271ss. no. 145, 146, p. 217 no. 105, vgl. II p.
+lvi en Gerson III p. 85.
+
+[529] Gerson, Considérations sur le peché de blasphème, Op. III p. 889.
+
+[530] Regulae morales, ib. III p. 85.
+
+[531] Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 130, Rel. de S. Denis,
+II p. 533.
+
+[532] P. d'Ailly, De reformatione, cap. 6; de reform, laicorum, bij
+Gerson, Opera, II p. 914.
+
+[533] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 243.
+
+[534] Gerson, Regulae morales. Opera, III p. 85.
+
+[535] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 246:
+hi qui audacter contra fidem loquuntur in forma joci etc.
+
+[536] Cent nouvelles nouvelles, II p. 205.
+
+[537] Gerson, Sermo de S. Nicolao, Op. III p. 1577; De parvulis ad
+Christum trahendis ib. p. 279. Tegen hetzelfde spreekwoord ook Dionysius
+Cart., Inter Jesum et puerum dialogus, art. 2, Opera t. XXXVIII p. 190.
+
+[538] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 45.
+
+[539] Ib. p. 58.
+
+[540] Deschamps, VI p. 109, no. 1167, id. no. 1222; Commines, I p. 449.
+
+[541] Froissart, ed Kervyn. XIV p. 67.
+
+[542] Rel. de S. Denis, I p. 102, 104; Jean Juvenal des Ursins, p. 346.
+
+[543] Jacques du Clercq. II p. 277, 340; IV p. 59; vgl. Molinet, IV p.
+390, Rel. de S. Denis, I p. 643.
+
+[544] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. Coll. II
+p. 1415, vgl. ep. 75, 76, p. 1456 van Ambr. de Miliis aan Gonthier Col,
+waar hij zich beklaagt over Jean de Montreuil.
+
+[545] Gerson, Sermo III in die Sancti Ludovici, Opera, III p. 1451.
+
+[546] Gerson, Contra impugnantes ordinem carthusiensium, Opera. II
+p. 713.
+
+[547] Gerson, De decem praceptis, Opera, I p. 245.
+
+[548] Gerson, Sermo de nativ. Domini, Opera, III p. 947.
+
+[549] Nic. de Clemanges, De novis celebr. etc. p. 151.
+
+[550] Villon, Testament, vs. 893ss., ed. Longnon, p. 57.
+
+[551] Gerson, Sermo de nativitaté Domini, Opera, III p. 947, Regulae
+morales, ib. p. 86, Liber de vita spirituali animae, ib. p. 66.
+
+[552] Hist. translationis corporis sanctissimi ecclesiae doctoris divi
+Thom. de Aq., 1368, auct. fr. Raymundo Hugonis O.P., Acta sanctorum
+Martii, I p. 725.
+
+[553] Bericht van de pauselijke commissaris-bisschop Konrad van
+Hildesheim en abt Hermann van Georgenthal over het getuigenverhoor
+aangaande de heilige Elisabeth te Marburg in Januari 1235, uitgegeven
+Historisches Jahrbuch der Görres-Gesellschaft XXVIII p. 887.
+
+[554] Rel. de S. Denis, II p. 37.
+
+[555] Zie beneden p. 280. (zie Hoofdstuk VI, noot 565)
+
+[556] Chastellain, III p. 407, IV p. 216.
+
+[557] Deschamps, I p. 277 no. 150.
+
+[558] Ib. II p. 348 no. 314.
+
+[559] Uit Johann Eck's Pfarrbuch für U.L. Frau in Ingolstadt,
+aangehaald Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 103.
+
+[560] Joseph Seitz, Die Verehrung des hl. Joseph in ihrer geschichtl.
+Entwicklung usw., Freiburg, Herder, 1908.
+
+[561] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 212.
+
+[562] B. Nat. Ms. fr. 1875, bij Ch. Oulmont, Le Verger, le Temple et la
+Cellule, essai sur la sensualité dans les oeuvres de mystique
+religieuse, Paris, 1912, p. 284ss.
+
+[563] Zie over de heiligenfiguren vooral E. Mâle, L'art religieux à la
+fin du Moyen âge, chap. IV.
+
+[564] Deschamps, I p. 114 no. 32, VI p. 243 no. 1237.
+
+[565] Bambergsch missaal van 1490, bij Uhrig, Die 14 hl. Nothelfer (XIV
+Auxiliatores), Theol. Quartalschrift LXX, 1888, p. 72; vgl. Utrechtsch
+missaal van 1514 en Dominicaansch missaal van 1550, Acta sanctorum
+Aprilis t. III p. 149.
+
+[566] L.l.c.c.
+
+[567] Erasmus, Ratio seu methodus compendio perveniendi ad veram
+theologiam, ed. Bazel, 1520, p. 171.
+
+[568] In de zooeven aangehaalde ballade van Deschamps ook Martha, die de
+Tarasque te Tarascon vernietigde.
+
+[569] Gargantua, l.I ch. 45.
+
+[570] ou = au.
+
+[571] Deschamps, no. 1230, VI p. 323.
+
+[572] Rob. Gaguini Epistole et Orationes, ed. Thuasne. II p. 176.
+
+[573] Oeuvres de Coquillart, ed. Ch. d'Héricault (Bibl. elzevirienne)
+1857. 2 vol., II p. 281.
+
+[574] Molinet, IV p. 284.
+
+[575] Fust = hout.
+
+[576] font caroles = in 't rond staan.
+
+[577] Deschamps, VIII p. 201, no. 1489.
+
+[578] Gerson, de Angelis, Opera, III p. 1481, De praeceptis decalogi, I
+p. 431, Oratio ad bonum angelum suum, III p. 511, Tractatus VIII super
+Magnificat, IV p. 370; vgl. III p. 137, 553, 739.
+
+[579] Opera. IV p. 389.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VII
+
+DE GODSDIENSTIGE PERSOONLIJKHEID
+
+
+Het volk leefde gewoonlijk in de sleur van een geheel veruiterlijkten
+godsdienst bij een zeer vast geloof, dat wel angsten en verrukkingen
+bracht, maar den ongeleerde geen vragen en geestelijken strijd oplegde,
+zooals het Protestantisme zou doen. De gemoedelijke oneerbiedigheid en
+nuchterheid van allen dag werd afgewisseld door de innigste ontroeringen
+van hartstochtelijke vroomheid, die telkens spasmodisch het volk
+aangrijpen. Men moet die voortdurende tegenstelling van sterke en zwakke
+religieuze spanning niet willen begrijpen, door de kudde te scheiden in
+vromen en wereldlingen, alsof een deel des volks blijvend hoog
+godsdienstig leefde, terwijl de anderen slechts uiterlijk vroom waren.
+Onze voorstelling van het laat-middeleeuwsche Noord-nederlandsche en
+Neder-duitsche piëtisme zou ons licht op een dwaalspoor kunnen brengen.
+In de moderne devotie der Fraterhuizen en Windesheimers hadden zich
+inderdaad piëtistische kringen uit het wereldsche leven afgezonderd; bij
+hen was de religieuze spanning blijvend genormaliseerd; zij vormden als
+vromen bij uitstek een tegenstelling tot den grooten hoop. Doch Frankrijk
+en de Zuidelijke Nederlanden hebben dat verschijnsel in den vorm van een
+georganiseerde beweging nauwelijks gekend. Toch hebben daar de stemmingen,
+die aan de moderne devotie ten grondslag lagen, evengoed hun werking gehad
+als in het stille land van den IJsel. Doch daar in het Zuiden kwam het
+niet tot zulk een afscheiding; de hooge devotie bleef er deel van het
+algemeene godsdienstleven; zij openbaarde zich er bij oogenblikken,
+heviger en korter. Het is het verschil, dat tot den huidigen dag
+Romaansche volken van de Noordelijke scheidt: de Zuidelijken nemen een
+tegenstrijdigheid minder zwaar, voelen minder den eisch, er de volle
+consequentie uit te trekken, kunnen gemakkelijker de gemeenzaam spottende
+houding van het dagelijksch leven verbinden met de hooge exaltatie van het
+begenadigde oogenblik.
+
+De geringschatting voor de geestelijkheid, die als onderstrooming door
+de heele middeleeuwsche cultuur heenloopt naast de hooge vereering voor
+den priesterstand, is ten deele te verklaren uit de verwereldlijking der
+hoogere geestelijkheid en de verregaande declasseering der lagere, en
+ten deele uit oude heidensche instincten. Het onvolkomen gekerstende
+volksgemoed had nooit geheel den afkeer afgelegd van den man, die niet
+vechten mocht en kuisch moest leven. De ridderlijke hoogmoed, geworteld
+in dapperheid en liefde, stiet evenzeer als het ruwe volksbesef het
+geestelijk ideaal van zich. De ontaarding der geestelijken zelf deed de
+rest, en zoo hadden hoogere en lagere standen zich reeds eeuwen
+verlustigd in de figuur van den onkuischen monnik en den smullenden
+vetten paap. Een latente haat tegen de geestelijkheid was altijd
+aanwezig. Hoe heftiger een prediker uitvoer tegen de zonden van zijn
+eigen stand, hoe liever het volk hem hoorde. [580] Zoodra de preeker,
+zegt Bernardinus van Siena, tegen de geestelijken te velde trekt,
+vergeten de hoorders de rest; er is geen beter middel, om de aandacht
+gaande te houden, als het volk slaperig wordt of het te warm of te koud
+krijgt. Dan wordt alles terstond wakker en welgemoed. [581] Terwijl
+juist de hevige godsdienstige beroering door de reizende volkspredikers
+in de veertiende en vijftiende eeuw uitgaat van een herleving der
+bedelorden, zijn het aan den anderen kant juist de bedelmonniken, wier
+verbastering hen tot het gewone voorwerp van spot en verachting maakt.
+De onwaardige priester der novellenlitteratuur, die als een armzalige
+loondienaar voor drie grooten de mis leest, of bij wien men als
+biechtvader geabonneerd is "pour absoudre du tout", pleegt een
+bedelmonnik te zijn. [582] De vrome Molinet rijmt spottend in een
+nieuwjaarswensch:
+
+ "Prions Dieu que les Jacobins
+ Puissent manger les Augustins,
+ Et les Carmes soient pendus
+ Des cordes des Frères Menus." [583]
+
+Het dogmatische armoede-begrip, zooals het in de bedelorden belichaamd
+was, voldeed den geest niet meer. In plaats van de symbolisch-formeele
+Armoede begon men de sociaal-reëele ellende te zien; Pierre d'Ailly
+stelt tegenover de mendicanten de "vere pauperes", de echte armen, en
+het is geen toeval, dat de verernstiging van het geloof bij de moderne
+devoten hen in zekere tegenstelling tot de bedelorden bracht.
+
+De naïeve nuchterheid van den alledaagschen volksgodsdienst spreekt uit
+menige bladzijde. Er is in 1437, na den terugkeer van den Franschen
+koning in zijn hoofdstad, een zeer plechtige lijkdienst voor de ziel van
+den graaf van Armagnac, het slachtoffer, met wiens moord de nu verleden
+troebele jaren begonnen waren. Het volk stroomt erheen, maar is zeer
+teleurgesteld, toen er geen uitdeeling van geld gehouden wordt. Want wel
+vier duizend lieden, zegt de burger van Parijs gemoedelijk, gingen
+erheen, die niet gegaan zouden zijn, als zij niet gedacht hadden, dat er
+iets gegeven zou worden. "Et le maudirent qui avant prièrent pour lui."
+[584] Toch is het dezelfde bevolking van Parijs, die met een vloed van
+tranen de talrijke processies aanschouwt en ineenkrimpt onder het woord
+van een reizenden prediker. Ghillebert de Lannoy zag te Rotterdam een
+oproer stillen door een priester, die het Corpus Domini ophief. [585]
+
+De groote tegenstrijdigheid en de sterke spanningsovergangen vertoonen
+zich in het godsdienstig leven van den beschaafden enkele zoo goed als
+in dat der onwetende massa. Het is altijd weer met een slag, dat de
+godsdienstige verheldering komt, altijd weer de flauwere herhaling van
+wat Franciscus onderging, toen hij opeens de woorden van het evangelie
+hoorde als een onmiddellijk bevel. Een ridder hoort het doopformulier
+lezen, gelijk hij het misschien twintig keer had gehoord; maar
+plotseling dringt nu de volle heiligheid en wonderlijke werkdadigheid
+van die woorden tot hem door, en hij neemt zich voor, om voortaan alleen
+door de herinnering aan den doop den duivel te verjagen, zonder het
+kruisteeken te maken. [586]--Le Jouvencel zal een kampgevecht bijwonen;
+de partijen staan gereed, om op de hostie hun goed recht te bezweren.
+Opeens doorgrondt de ridder de peillooze noodzakelijkheid, dat een dier
+beide eeden valsch moet zijn, dat een van beiden zich verdoemen gaat, en
+zegt: zweert niet, vecht alleen om den inzet van 500 schilden, zonder
+een eed te doen. [587]
+
+De vroomheid van de hoogaanzienlijken met hun zwaren levensballast van
+wijdloopige praal en felle geneuchten heeft juist daardoor zeer dikwijls
+het spasmodische, dat ook de volksvroomheid kenmerkt. Karel V van
+Frankrijk laat dikwijls op het opwindendste oogenblik de jacht in den
+steek, om naar de mis te gaan. [588] De jonge Anne de Bourgogne,
+Bedford's gemalin, ergert den eenen keer de burgers van Parijs, door in
+woesten rit een processie met slijk te bespatten. Maar een andermaal
+verlaat zij te middernacht den bonten zwijmel van een hoffeest, om bij
+de Celestijnen metten te hooren. En haar droeven jongen dood beloopt zij
+door de ziekte, die zij opdeed bij het bezoeken van de arme kranken in
+het Hôtel Dieu. [589]
+
+Tot in raadselachtige uitersten voltrekt zich de tegenstelling van
+vroomheid en felle zonde in een figuur als Lodewijk van Orleans, onder
+al de groote dienaren van weelde en genot de meest gedebaucheerde, de
+hartstochtelijkste wereldling. Hij is zelfs overgegeven aan
+tooverkunsten, en weigert er zich van te bekeeren. [590] Dezelfde
+Orleans is niettemin zoo devoot, dat hij zijn cel heeft bij de
+Celestijnen in het gemeene dormter; hij deelt er het kloosterlijk leven,
+hoort er metten te middernacht, en soms vijf of zes missen per dag.
+[591]--Gruwelijk is die verbinding van godsdienst en misdaad bij Gilles
+de Rais, die temidden van zijn kindermoorden te Machecoul een dienst
+sticht ter eere der Onnoozele kinderkens, voor het heil van zijn ziel,
+en verbaasd is, als zijn rechters hem voorhouden, dat hij een ketter is.
+Al is het met minder scharlaken zonden, dat de vroomheid bij anderen
+gepaard gaat, het type van den devoten wereldling vertoonen velen: de
+barbaarsche Gaston Phébus, graaf van Foix, de frivole koning René, de
+verfijnde Charles d'Orléans. Jan van Beieren, de hardvochtige en
+heerschzuchtige, komt vermomd Lidwina van Schiedam spreken over den
+staat zijner ziel. [592] Jean Coustain, de ontrouwe dienaar van Philips
+den Goede, een goddelooze, die nauwelijks mis hoorde en nimmer aalmoes
+gaf, keert zich onder beulshanden tot God in zijn ruw Bourgondisch
+patois met een hartstochtelijke aanroeping. [593]
+
+Philips de Goede zelf is een der treffendste voorbeelden van die
+verbinding van vroomheid met wereldschen zin. De man van de overdadige
+feesten en de talrijke bastaarden, van de sluwe politieke berekening,
+den geweldigen trots en toorn, is een ernstig devote. Hij pleegt tot
+lang na de mis in zijn bidvertrek te blijven. Hij vast vier dagen in de
+week met water en brood, en bovendien op alle vigiliën van Onze Lieve
+Vrouw en de apostelen. Somtijds heeft hij om vier uur na den middag nog
+niets gegeten. Hij geeft veel aalmoezen, en in het geheim. [594] Na de
+verrassing van Luxemburg blijft hij zoo lang na de mis verdiept in zijn
+getijden en daarna in bijzondere dankgebeden, dat zijn gevolg, dat hem
+te paard afwacht, want de strijd was nog niet afgeloopen, ongeduldig
+wordt: de hertog kon het een andermaal wel inhalen, om al die
+paternosters te zeggen. Men waarschuwt hem, dat er gevaar dreigt, als
+hij langer toeft. Maar Philips antwoordt enkel: "Si Dieu m'a donné
+victoire, il la me gardera." [595]
+
+Er is in dat alles geen schijnheiligheid of ijdele bigotterie te zoeken,
+maar een spanning tusschen twee geestelijke polen, die in den modernen
+geest nauwelijks meer bestaanbaar is. Het is het volstrekte dualisme in
+de opvatting van de zondige wereld tegenover het rijk Gods, dat deze
+mogelijkheid toelaat. In den middeleeuwschen geest zijn alle hoogere en
+zuiverder sentimenten geabsorbeerd in religie, terwijl de natuurlijke,
+zinnelijke aandriften, bewust verworpen, zinken moeten tot een niveau
+van zondig geachten wereldzin. In het middeleeuwsche bewustzijn vormen
+zich als 't ware twee levensopvattingen naast elkander: de vrome,
+ascetische opvatting heeft alle zedelijke gevoelens tot zich getrokken:
+des te bandeloozer wreekt zich de wereldzin, geheel aan den duivel
+overgelaten. Overheerscht een van beide geheel, dan ziet men den heilige
+of den teugelloozen zondaar; maar in den regel houden zij elkaar in
+wankel evenwicht met wijden doorslag, en ziet men de felle menschen,
+wier rood bloeiende zonden bij wijlen hun overstortende vroomheid des te
+heviger doen uitbarsten.
+
+Wanneer men een middeleeuwsch dichter de vroomste lofdichten ziet maken
+naast allerlei profaneering en obsceniteit, zooals het zoovelen doen:
+Deschamps, Antoine de la Salle, Jean Molinet, dan is er nog minder
+aanleiding dan bij een modernen dichter, om die producten over
+hypothetische tijdperken van wereldzin en inkeer te verdeelen. De
+tegenstrijdigheid, die ons bijna onbegrijpelijk is, moet worden
+aanvaard.
+
+Er komen zonderlinge vermengingen voor van de bizarre prachtliefde van
+den tijd met strenge devotie. Het is niet alleen in de overlading van
+het geloof met schilderkunst, edelsmeedkunst en sculptuur, dat zich de
+ongebreidelde behoefte uit, om alles van het leven en van de gedachte
+bont te versieren en te verbeelden. In de aankleeding van het geestelijk
+leven zelf dringt somtijds die honger naar kleur en schittering door.
+Broeder Thomas vaart heftig uit tegen alle weelde en overdaad, maar het
+eigen getimmerte, vanwaar hij spreekt, is door het volk behangen met de
+rijkste tapisserieën, die men krijgen kon. [596] Philippe de Mézières is
+het volkomenste type van die prachtlievende vroomheid. Hij heeft voor de
+orde van de Passie, die hij stichten wilde, alles wat kleedij betreft,
+haarfijn vastgesteld. Het is als een feest van kleuren, dat hij zich
+droomt. De ridders zullen al naar hun rang in 't rood, in 't groen,
+scharlaken of hemelsblauw gaan; de grootmeester in 't wit; wit zullen
+ook de feestgewaden zijn. Het kruis zal rood zijn, de gordels van leer
+of van zijde met hoornen gesp en verguld koperen versiering. De laarzen
+zullen zwart zijn en de kaproen rood. Ook het ordekleed der broeders,
+servanten, klerken en vrouwen wordt nauwkeurig beschreven. [597]--Van
+die orde kwam niets, Philippe de Mézières bleef zijn leven lang de
+groote kruistochtfantast en plannenmaker. Maar hij vond te Parijs in het
+klooster der Celestijnen de plaats, die hem bevredigen kon: zoo streng
+de orde was, zoo schitterend van goud en edele steenen waren kerk en
+klooster, een mausoleum van vorsten en vorstinnen. [598] Christine de
+Pisan achtte de kerk volmaakt van schoonheid. Mézières vertoefde er als
+leek, deelde in het strenge leven der kloosterlingen en bleef toch in
+het verkeer met de groote heeren en schoone geesten van zijn dagen, een
+mondain-artistieke tegenhanger van Gerard Groote. Hierheen trok hij ook
+zijn vorstelijken vriend Orleans, die er den inkeer van zijn woeste
+leven en ook zijn vroege rustplaats vond.
+
+De oude koning René ontdekte op de jacht in de buurt van Angers een
+kluizenaar: een priester, die zijn prebende had opgegeven en van zwart
+brood en veldvruchten leefde. De koning was getroffen door zijn strenge
+deugd, en liet voor hem een kluis en een kapelletje bouwen. Voor zich
+zelf voegde hij daar een tuin en een bescheiden buitenhuis aan toe, dat
+hij met schilderwerk en allegorieën versieren liet. Dikwijls wandelde
+hij daarheen, om in "son cher ermitage de Reculée" met zijn kunstenaars
+en geleerden te keuvelen. [599] Is het middeleeuwsch, is het renaissance,
+of is het niet achttiende-eeuwsch?
+
+Een hertog van Savoie wordt kluizenaar met vergulde ceintuur, roode
+muts, gouden kruis en goeden wijn. [600]
+
+Het is maar één stap van die pracht in devotie tot de uitingen van
+hyperbolische nederigheid, die zelf ook vol vertoon zijn. Olivier de la
+Marche bewaarde uit zijn jongensjaren de herinnering van den intocht van
+koning Jacques de Bourbon van Napels, die op aandrang van Sainte Colette
+de wereld had vaarwel gezegd. De koning, armzalig gekleed, liet zich
+dragen in een mestbak, "telle sans aultre difference que les civieres en
+quoy l'on porte les fiens et les ordures communement". Daar achteraan
+volgde een keurige hofstoet. "Et ouys racompter et dire,--zegt La Marche
+vol bewondering,--que en toutes les villes où il venoit, il faisoit
+semblables entrees par humilité." [601]
+
+Van een niet zóo schilderachtige nederigheid zijn de door veel heilige
+voorbeelden aanbevolen voorschriften voor een begrafenis, die al het
+nietswaardige van den gestorvene treffend verbeelden moet. De heilige
+Pierre Thomas, de boezemvriend en geestelijke meester van Philippe de
+Mézières, laat, als hij den dood voelt naderen, zich hullen in een zak,
+een touw om den hals binden en op den grond leggen. Hij werkt daarmee
+het voorbeeld uit van Sint Franciscus, die zich immers ook in het
+sterven op den grond liet leggen. Begraaft mij, zegt Pierre Thomas, in
+den ingang van het koor, opdat alle menschen moeten trappen op mijn
+lijk, ja zelfs de geiten en de honden, als het kan. [602]--Mézières, de
+bewonderende leerling, wil weer den meester overtreffen in fantastische
+nederigheid. Hem zal men in de laatste ure een zware ijzeren keten om
+den hals leggen. Zoodra hij den geest heeft gegeven, zal men hem naakt
+bij de voeten naar het koor sleuren; daar zal hij blijven liggen, tot
+men hem in het graf legt, de armen in kruisvorm uitgestrekt, met drie
+touwen aan een plank gebonden, die de plaats inneemt van de kostbaar
+versierde kist, waarop men misschien zijn ijdele wereldsche wapen zou
+hebben geschilderd, "se Dieu l'eust tant hay qu'il fust mors ès cours
+des princes de ce monde." De plank, bedekt met twee ellen canevas of ruw
+zwart linnen, zal op dezelfde wijze naar de groeve gesleept worden,
+waarin "het kreng van den armen pelgrim" naakt als het is, in gestort
+zal worden. Er zal een klein grafteeken worden opgericht. En men moet
+niemand waarschuwen dan zijn goeden vriend in God, Martin, en de
+uitvoerders van zijn laatsten wil.
+
+Het spreekt bijna vanzelf, dat deze geest van protocol en ceremonie,
+plannenmaker en uitwerker van bijzonderheden, ook een maker van vele
+testamenten is geweest. In de latere is van deze beschikking van 1392
+geen sprake meer, en toen Mézières in 1405 stierf, kreeg hij een gewone
+begrafenis in het ordekleed van zijn geliefde Celestijnen, en twee
+grafschriften, waarschijnlijk van hem zelf. [603]
+
+In het ideaal van heiligheid, men zou bijna kunnen zeggen: het
+romantisme der heiligheid, heeft de vijftiende eeuw nog niets gebracht,
+wat den nieuwen tijd aankondigt. De Renaissance zelf heeft het ideaal
+der heiligheid niet veranderd. Terzijde van de groote stroomingen, die
+de beschaving in nieuwe beddingen stortten, blijft het heiligenideaal
+zoo na als vóór de groote crisis, wat het altijd geweest was. De heilige
+is tijdloos als de mysticus. De heiligentypen der Contrareformatie zijn
+dezelfde als die der late Middeleeuwen, en deze verschillen door geen
+essentieelen trek van die der vroegere Middeleeuwen. In het eene als in
+het andere tijdperk zijn het de groote heiligen van het brandende woord
+en de gloeiend gesmede daad: hier Ignatius de Loyola, Franciscus
+Naverius, Karel Borromeus, daar Bernardino van Siena, Vincentius Ferrer,
+Johannes Capistrano. Daarnaast de stille in godsliefde verdwaasden, die
+naderen tot het moslimsche en boeddhistische heiligentype, als Aloysius
+Gonzaga in de zestiende eeuw, Franciscus de Paula, Colette, Pieter van
+Luxemburg in de vijftiende en veertiende. Tusschen die beide typen in al
+de figuren, die van beide uitersten wat hebben, ja zelfs somtijds de
+eigenschappen ervan in de hoogste macht vereenigen.
+
+Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme
+der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere
+ideale verbeeldingen van een bepaalden levensvorm in menschen
+verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk,
+dat dit romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit
+in de fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding
+dan in de groote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur. Men
+wordt niet heilig om zijn kerkelijk-sociale verdiensten, al zijn die nog
+zoo groot, maar om zijn wonderlijke vroomheid. De groote energeten
+erlangen enkel dan den roep van heiligheid, wanneer hun daden gedrenkt
+zijn in den schijn van een bovennatuurlijk leven; niet Nicolaas van
+Cusa, wel zijn medestander Dionysius de Kartuizer. [604]
+
+Het is hier nu vooral van belang, op te merken, hoe de kringen der
+verfijnde pronkcultuur, dezelfde, die het ridderideaal bleven huldigen
+en kweeken tot over de grens der Middeleeuwen heen, tegenover het
+heiligenideaal hebben gestaan. Hun aanrakingen daarmee zijn uit den aard
+niet zoo talrijk, maar zij ontbreken niet. Nog enkele malen hebben de
+vorstelijke kringen zelf in dezen tijd een heilige opgeleverd. Een van
+hen is Charles de Blois, oom van den ons bekenden Jan van Blois van
+Gouda en Schoonhoven. Hij was door zijn moeder uit het huis van Valois
+gesproten, en door zijn huwelijk met de erfgename van Bretagne, Jeanne
+de Penthièvre, belast met een troonstrijd, die het beste deel van zijn
+leven heeft gevuld. Hem was als huwelijksvoorwaarde gesteld, dat hij het
+wapen en den kreet van het hertogdom zou aannemen. Hij vindt een anderen
+pretendent, Jean de Montfort, tegenover zich, en de strijd om Bretagne
+valt samen met het begin van den honderdjarigen oorlog; de verdediging
+van Montfort's aanspraken is een der verwikkelingen, die Eduard III in
+Frankrijk brengen. De graaf van Blois aanvaardt zijn strijd ridderlijk,
+en vecht als de beste aanvoerders van zijn tijd. Gevangengenomen in
+1347, kort voor het beleg van Calais, blijft hij tot 1356 in Engeland.
+Eerst in 1362 kan hij den strijd om het hertogdom hervatten, om daarin
+den dood te vinden bij Aurai in 1364, dapper vechtende naast Bertrand du
+Guesclin en Beaumanoir.
+
+Deze krijgsheld, wiens uiterlijke levensloop in niets afwijkt van dien
+van zoovele vorstelijke pretendenten en aanvoerders uit dien tijd, had
+van der jeugd af een leven van strenge askese geleid. Zijn vader moest
+hem als knaap uit de stichtelijke boekjes houden. Hij slaapt naast het
+bed van zijn gemalin op den vloer op stroo. Men vindt bij zijn
+krijgsmansdood het haren kleed onder zijn wapenrusting. Hij biecht
+iederen avond, eêr hij te bed gaat, zeggend, dat geen christen in zonde
+moest inslapen. Tijdens zijn gevangenschap te Londen pleegt hij de
+kerkhoven binnen te gaan, om er geknield den psalm de profundis op te
+zeggen. De Bretonsche schildknaap, dien hij verzoekt, de responsen te
+zeggen, weigert het: neen, zegt hij, daar liggen zij, die mijn ouders en
+vrienden gedood en hun huizen verbrand hebben.
+
+Na zijn bevrijding wil hij barrevoets over het besneeuwde land van La
+Roche-Derrien, waar hij indertijd gevangen was gemaakt, naar den schrijn
+van Sint Yves, den vereerden beschermheilige van Bretagne, wiens leven
+hij in zijn gevangenschap beschreven had, te Tréguier. Het volk verneemt
+het en bestrooit zijn weg met stroo en dekens, maar de graaf van Blois
+kiest een anderen weg, en loopt zich de voeten stuk, zoodat hij in
+vijftien weken niet gaan kon. [605] Terstond na zijn dood stellen zijn
+vorstelijke verwanten, onder wie zijn schoonzoon Lodewijk van Anjou, een
+poging in het werk, om hem heilig te doen verklaren. Te Angers heeft in
+1371 het proces plaats, dat tot zijn zaligspreking leidt.
+
+Het vreemde nu is, dat deze Charles de Blois, als men Froissart mag
+vertrouwen, een bastaard heeft gehad. "Là fu occis en bon couvenant li
+dis messires Charles de Blois, le viaire sus ses ennemis (met het
+aangezicht naar den vijand), et uns siens filz bastars qui s'appeloit
+messires Jehans de Blois, et pluiseur aultre chevalier et escuier de
+Bretagne". [606] Moet men het als evidente onwaarheid verwerpen? [607]
+Of zal men aannemen, dat hier de bestaanbare tegenstrijdigheid, die op
+te merken viel bij Louis d'Orléans, bij Philips den Goede en zooveel
+anderen, haar toppunt heeft bereikt?
+
+Zulk een vraag stelt het leven van een anderen hoog-adellijken heilige
+uit dien tijd, Pierre de Luxembourg, niet. Deze telg van het
+Luxemburgsche gravengeslacht, dat in de veertiende eeuw zoowel in het
+Duitsche rijk als aan de hoven van Frankrijk en Bourgondië zulk een
+aanzienlijke plaats innam, is een treffend voorbeeld van wat William
+James "the under-witted saint" noemt: [608] den engen geest, die slechts
+in een angstvallig afgesloten wereldje van vrome gedachten kan leven.
+Hij was in 1369 geboren, niet lang dus vóór zijn vader Guy in den strijd
+tusschen Brabant en Gelre bij Baesweiler (1371) sneuvelde. Zijn
+geestelijke geschiedenis voert al weer naar het klooster der Celestijnen
+te Parijs, waar hij reeds als achtjarige knaap verkeert met Philippe de
+Mézières. Hij wordt als kind reeds overladen met kerkelijke waardigheden,
+verscheiden kanunnikschappen; als hij vijftien jaar is, het bisdom Metz,
+daarna het kardinaalschap. Nog geen achttien jaar oud, sterft hij in
+1387, en terstond wordt te Avignon moeite gedaan voor zijn canonizatie.
+De gewichtigste autoriteiten worden er voor gespannen: de koning van
+Frankrijk doet er het verzoek toe, het wordt gesteund door het
+domkapittel van Parijs en de Universiteit. In het proces, dat in 1389
+plaats heeft, treden de grootste heeren van Frankrijk als getuigen op:
+Pierre's broeder André de Luxembourg, Louis de Bourbon, Enguerrand de
+Coucy. Door de nalatigheid van den Avignonschen paus bleef weliswaar de
+heiligverklaring achterwege (in 1527 had de zaligverklaring plaats),
+maar de vereering, die het aanzoek kon rechtvaardigen, was reeds lang
+erkend, en ging ongestoord voort. Op de plek te Avignon, waar het
+lichaam van Pieter van Luxemburg begraven lag, en vanwaar dagelijks de
+treffendste wonderen werden gemeld, stichtte de koning een klooster
+der Celestijnen, in navolging van dat te Parijs, in die dagen het
+geliefkoosde heiligdom der vorstelijke kringen. De hertogen van Orleans,
+Berry en Bourgondië kwamen er voor den koning den eersten steen leggen.
+[609] Pierre Salmon vertelt, hoe hij eenige jaren later in de kapel van
+den heilige de mis hoorde. [610]
+
+Het beeld, dat de getuigen in het canonizatieproces van dezen
+vroeggestorven prinselijken asceet geven, heeft iets jammerlijks. Pieter
+van Luxemburg is een uit zijn kracht gegroeide, teringachtige jongen,
+die als kind reeds niet anders kent dan den ernst van een angstvallig
+streng geloof. Hij berispt zijn broertje, als deze lacht, want men leest
+wel, dat onze Heer geweend heeft, maar niet, dat hij ooit gelachen
+heeft. "Douls, courtois et debonnaire--noemt Froissart hem--vierge de
+son corps, moult large aumosnier. Le plus du jour et de la nuit il
+estoit en oroisons. En toute sa vye il n'y ot fors humilité." [611] In
+den beginne tracht zijn adellijke omgeving hem van zijn plannen van
+wereldverzaking af te brengen. Wanneer hij ervan spreekt, om te gaan
+zwerven en prediken, krijgt hij ten antwoord: je bent veel te lang;
+iedereen zou je terstond herkennen. En je zoudt niet tegen de kou
+kunnen. En preeken voor den kruistocht, hoe zou je dat kunnen?--Een
+oogenblik is het, alsof wij even den ondergrond van dien kleinen starren
+geest zien. "Je vois bien--zegt Pieter--qu'on me veut faire venir de
+bonne voye à la malvaise: certes, certes, si je m'y mets, je feray tant
+que tout le monde parlera de moy."--Heer, antwoordt meester Jean de
+Marche, zijn biechtvader, er is niemand, die wil, dat ge kwaad zult
+doen, enkel goed.
+
+Het is duidelijk, dat de hooge verwanten, toen de ascetische neigingen
+van den knaap onuitroeibaar bleken, bewondering en trots over het geval
+zijn gaan voelen. Een heilige, en zulk een jonge heilige, uit en in hun
+midden! Denk u den armen ziekelijken jongen, onder het gewicht van zijn
+kerkelijke hoogwaardigheid, te midden van de overdadige praal en het
+hoogmoedig hofleven van Berry en Bourgondië, hijzelf ontoonbaar van vuil
+en ongedierte, altijd bezig met zijn armzalige kleine zonden. Het
+biechten zelf was bij hem als tot een slechte gewoonte geworden. Iederen
+dag schreef hij zijn zonden op een lijstje, en als hij het op een reis
+of tocht niet had kunnen doen, haalde hij het achterna met uren lang
+schrijven in. Men zag hem er 's nachts aan schrijven, of bij de kaars
+zijn lijstjes lezen. Dan stond hij midden in den nacht op, om bij een
+zijner kapelaans te biechten. Soms klopte hij vergeefs aan hun
+slaapvertrekken; zij hielden zich doof. Vond hij gehoor, dan las hij de
+zonden van zijn papiertjes af. Van twee of driemaal per week werd het in
+zijn laatste dagen tweemaal per dag; de biechtvader mocht niet meer van
+zijn zijde weg. En toen hij aan de tering eindelijk gestorven was, na te
+hebben verzocht om van den arme begraven te worden, vond men een heele
+kist vol van de ceêltjes, waarop de zonden van dit kleine leven dag aan
+dag waren neergekrabbeld. [612]
+
+Er is nog een geval, dat ons de verhouding van hofkringen en heiligheid
+eenigermate doet kennen: het verblijf van Saint François de Paule aan
+het hof van Lodewijk XI. Het zonderlinge vroomheidstype van den koning
+is zoo bekend, dat het hier niet uitvoerig behoeft te worden behandeld.
+Lodewijk, "qui achetoit la grace de Dieu et de la Vierge Marie à plus
+grans deniers que oncques ne fist roy", [613] vertoont al de
+hoedanigheden van het onmiddellijkste en nuchterste fetichisme. In zijn
+reliekenvereering, zijn hartstocht voor pelgrimages en processies
+schijnt elke hoogere wijding, elke zweem van eerbiedige reserve, te
+ontbreken. Hij solt met de heilige voorwerpen, als waren het enkel dure
+huismiddeltjes. Het kruis van Saint Laud te Angers moet expresselijk
+naar Nantes komen, om er een eed op te laten doen, [614] want een eed op
+het kruis van Saint Laud gold Lodewijk meer dan eenige andere eed.
+Wanneer de connétable de Saint Pol, in 's konings tegenwoordigheid
+geroepen, hem verzoekt, op het kruis van Saint Laud hem zijn veiligheid
+te bezweren, antwoordt de koning: ieder anderen eed, maar dezen niet.
+[615] Bij het naderen van het zoo buitensporig door hem gevreesde einde
+worden hem van alle kanten de kostbaarste relieken toegezonden: de paus
+zendt onder meer het corporale van Sint Pieter zelf; zelfs de Groote
+Turk biedt een verzameling relieken, die nog te Constantinopel waren. Op
+het buffet naast 's konings ziekbed staat la Sainte Ampoule zelf, uit
+Reims gehaald, waar zij nimmer vandaan was geweest; sommigen zeiden, dat
+de koning de wonderdadigheid van het heilige zalfvat zelfs wilde
+beproeven tot een zalving van zijn gansche lichaam. [616] Het zijn
+godsdienstige trekken, zooals men ze vindt bij de Merowingische
+koningen.
+
+Er is nauwelijks een grens waar te nemen tusschen Lodewijk's
+verzamelwoede, waar het vreemde dieren geldt: rendieren, elanden, en
+waar het kostbare relieken geldt. Hij correspondeert met Lorenzo
+de'Medici over den ring van Sint Zanobi, een plaatselijk-florentijnschen
+heilige, en over een "agnus Dei", dat wil zeggen het plantaardige
+groeisel, ook wel agnus scythicus genoemd, dat als een wonderdadige
+rariteit werd aangezien. [617] In de wonderlijke huishouding van het
+kasteel Plessis les Tours in Lodewijk's laatste dagen vond men vrome
+voorbidders en muzikanten bont dooreen. "Oudit temps le roy fist venir
+grant nombre et grant quantité de joueurs de bas et doulx instrumens,
+qu'il fist loger à Saint-Cosme près Tours, où illec ilz se assemblerent
+jusques au nombre de six vingtz, entre lesquelz y vint pluseurs bergiers
+du pays de Poictou. Qui souvent jouerent devant le logis du roy, mais
+ilz ne le veoyent pas, affin que ausdiz instrumens le roy y prensist
+plaisir et passetemps et pour le garder de dormir. Et d'un autre costé y
+fist aussy venir grant nombre de bigotz, bigottes et gens de devocion
+comme hermites et sainctes créatures, pour sans cesser prier à Dieu
+qu'il permist qu'il ne mourust point et qu'il le laissast encores
+vivre." [618]
+
+Ook Saint François de Paule, de Calabrische heremiet, die de nederigheid
+der Minderbroeders overtroefde door de stichting der Minimen, is in
+letterlijken zin het voorwerp van Lodewijk's verzamelwoede. Het was met
+de uitgesproken bedoeling, dat de heilige door zijn voorbidding 's
+konings leven zal verlengen, dat deze in zijn laatste ziekte diens
+tegenwoordigheid begeerde. [619] Nadat verschillende zendingen aan den
+koning van Napels niet hebben gebaat, weet de koning zich door een
+diplomatiek optreden bij den paus de overkomst van den wonderman, zeer
+tegen diens zin, te verzekeren. Een adellijk geleide haalt hem af uit
+Italië. [620] Is hij eenmaal aangekomen, dan voelt Lodewijk zich toch
+nog niet zeker, "omdat hij reeds door verscheidenen onder de schaduw van
+heiligheid bedrogen was", en laat op aanstoken van zijn lijfarts Frans
+bespieden en op allerlei wijzen de deugd van den man Gods beproeven.
+[621] De heilige bestaat al die proeven voortreffelijk. Zijn askese is
+van de meest barbaarsche soort, herinnerend aan zijn tiende-eeuwsche
+landgenooten Sint Nilus en Sint Romuald. Hij vlucht, als hij vrouwen
+ziet. Hij had sedert zijn jongelingsjaren nooit een geldstuk aangeraakt.
+Hij slaapt meest staande of leunende; hij scheert nimmer haar noch
+baard. Hij eet nimmer eenig dierlijk voedsel, en laat zich enkel wortels
+geven. [622] Nog in zijn laatste maanden schrijft de koning persoonlijk,
+om de geschikte kost voor zijn zeldzamen heilige te bekomen: "Monsieur
+de Genas, je vous prie de m'envoyer des citrons et des oranges douces et
+des poires muscadelles et des pastenargues, et c'est pour le saint homme
+qui ne mange ny chair ny poisson; et vous me ferés ung fort grant
+plaisir." [623] Hij noemt hem nooit anders dan "le saint homme", zoodat
+zelfs Commines, die den heilige herhaaldelijk zag, diens naam nooit
+schijnt te hebben geweten. [624] Maar "saint homme" noemden hem ook
+degenen, die spotten over de komst van dezen zonderlingen gast, of die
+zijn heiligheid niet vertrouwden, zooals 's konings lijfarts Jacques
+Coitier. Uit de mededeelingen van Commines spreekt een nuchter voorbehoud.
+"Il est encores vif--besluit hij--par quoy se pourroit bien changer ou en
+myeulx ou en pis, par quoy me tays, pour ce que plusieurs se mocquoient
+de la venue de ce hermite, qu'ilz appelloient sainct homme." [625] Toch
+getuigt Commines zelf, nooit iemand te hebben gezien "de si saincte vie,
+ne où il semblast myeulx que le Sainct Esperit parlast par sa bouche".
+En de geleerde theologen uit Parijs, Jean Standonck en Jean Quentin,
+uitgezonden om met den heiligen man te spreken naar aanleiding van het
+verzoek tot stichting van een convent der Minimen te Parijs, komen onder
+den diepsten indruk van zijn persoon, en keeren genezen van hun
+tegenkanting terug. [626]
+
+De belangstelling van de Bourgondische hertogen voor de heiligen van hun
+dagen is van een minder zelfzuchtigen aard dan die van Lodewijk XI voor
+Sint Franciscus de Paula. Het is opmerkelijk, hoe meer dan een van de
+groote visionairen en buitensporige asceten geregeld optreedt als
+bemiddelaar en raadgever in politieke zaken. Het is het geval met Sint
+Colette en met den zaligen Dionysius van Ryckel of den Kartuizer.
+Colette werd door het huis van Bourgondië met bijzondere onderscheiding
+behandeld; Philips de Goede en zijn moeder Margareta van Beieren kenden
+haar persoonlijk, en wonnen haar raad in. Zij geeft haar bemiddeling in
+verwikkelingen tusschen de huizen van Frankrijk, Savoie en Bourgondië.
+Het zijn Karel de Stoute, Maria en Maximiliaan, Margareta van
+Oostenrijk, die steeds blijven aandringen op haar heiligverklaring.
+[627] Veel belangrijker nog is de rol, die Dionysius de Kartuizer
+gespeeld heeft in het openbare leven van zijn tijd. Ook hij is in
+herhaalde relaties met het huis van Bourgondië, en treedt op als
+raadgever van Philips den Goede. Samen met den kardinaal Nicolaas van
+Cusa, dien hij op diens beroemde reis door het Duitsche rijk begeleidt
+en ter zijde staat, wordt hij in 1451 te Brussel door den hertog
+ontvangen. Dionysius, altijd beklemd door het gevoel, dat het der Kerk
+en christenheid slecht gaat, en groote onheilen naderen, vraagt in een
+vizioen: Heer, zullen de Turken in Rome komen? Hij maant den hertog tot
+den kruistocht. [628] De "inclytus devotus ac optimus princeps et dux",
+aan wien hij zijn tractaat over het vorstelijk leven en bestuur opdraagt,
+kan haast niemand anders wezen dan Philips. Karel de Stoute werkte met
+Dionysius samen voor de stichting van de Kartuize te 's Hertogenbosch,
+ter eere van Sinte Sophia van Constantinopel, door den hertog niet
+onbegrijpelijk voor een vrouwelijke heilige gehouden, terwijl het de
+Eeuwige Wijsheid was. [629] Hertog Arnold van Gelre vraagt Dionysius
+raad in den strijd met zijn zoon Adolf. [630]
+
+Niet enkel vorsten, ook tal van edelen, geestelijken en burgers
+bestormen zonder ophouden zijn cel te Roermond om raad; hij geeft
+voortdurend tallooze oplossingen van moeilijkheden, twijfelingen en
+gewetensvragen.
+
+Dionysius de Kartuizer is het volledigste type van den machtigen
+godsdienstigen enthousiast, dat de laatste Middeleeuwen hebben
+opgeleverd. Het is een onbegrijpelijk energisch leven; hij vereenigt de
+vervoeringen van de groote mystieken, de wildste askese, de voortdurende
+gezichten en revelaties van den geestenziener met een schier onafzienbare
+werkzaamheid als theologisch schrijver en praktisch geestelijk raadsman.
+Hij staat even na aan de groote mystici als aan de praktische
+Windesheimers, aan Brugman, voor wien hij zijn beroemde handleiding voor
+het christelijk leven schrijft, [631] als aan Nicolaas van Cusa, aan de
+heksenvervolgers [632] als aan de geestdriftigen voor een zuivering der
+Kerk. Zijn arbeidskracht moet onverwoestbaar zijn geweest. Zijn
+geschriften vullen 45 quarto deelen. Het is alsof de geheele
+middeleeuwsche theologie nog eens uit hem terugstroomt. "Qui Dionysium
+legit, nihil non legit", heette het onder de theologen der 16e eeuw.
+Hij behandelt evengoed de diepste vragen van wijsgeerigen aard, als dat
+hij voor een ouden leek, broer Willem, op diens verzoek schrijft over de
+wederkeerige herkenning der zielen in het hiernamaals. Hij zal het zoo
+eenvoudig mogelijk zeggen, belooft hij, en broer Willem kan het in het
+Dietsch laten overbrengen. [633] In een eindeloozen vloed van eenvoudig
+uitgedrukte gedachten geeft hij alles, wat de groote voorgangers gedacht
+hadden, terug. Het is echt laat werk: samenvattend, concludeerend, niet
+nieuw scheppend. De citaten van Bernard van Clairvaux of Hugo van Sint
+Victor schitteren als juweelen op het slichte eenkleurige kleed van
+Dionysius' proza. Al zijn werken werden door hem zelf geschreven,
+nagezien, verbeterd, gerubriceerd en geïllumineerd, totdat hij in het
+eind zijns levens welbedacht met schrijven ophoudt: "Ad securae
+taciturnitatis portum me transferre intendo". [634]
+
+Rust kent hij niet. Hij zegt dagelijks bijna het geheele souter op;
+minstens de helft is noodzakelijk, verklaart hij. Onder alle bezigheid,
+bij het aan- en uitkleeden, bidt hij. Na de metten; als de anderen weer
+ter ruste gaan, blijft hij wakker. Hij is sterk en groot, en kan alles
+van zijn lichaam vergen: Ik heb een ijzeren hoofd en een koperen maag,
+zegt hij. Zonder walging, ja bij voorkeur, gebruikt hij bedorven
+spijzen: boter met wurmen, kersen door slakken aangevreten; dit soort
+ongedierte heeft niets van doodelijk venijn, zegt hij, men kan ze gerust
+eten. Te zoute haring hangt hij op, tot ze rot: ik eet liever stinkende
+dan zoute dingen. [635]
+
+Al den denkarbeid van de diepste theologische beschouwing en uitdrukking
+verricht hij, niet in een onbewogen evenwichtig geleerdenleven, maar
+onder de voortdurende schokken van een geest, die vatbaar is voor elke
+heftige aandoening van het bovennatuurlijke. Als jongen staat hij 's
+nachts in het maanlicht op, meenend, dat het tijd is, om naar school te
+gaan. [636] Hij is een stotteraar: "Taterbek" scheldt hem een duivel,
+dien hij uitdrijven wil. Hij ziet de kamer van de stervende vrouwe van
+Vlodrop vol duivelen; zij slaan hem den stok uit de hand. Niemand heeft
+de vreeselijke benauwing der "vier utersten" zoo ondergaan als hij; de
+hevige aanval der duivelen bij het sterven zijn een herhaald onderwerp
+van zijn preeken. Hij verkeert voortdurend met afgestorvenen. Of hem
+dikwijls geesten van afgestorvenen verschijnen, vraagt hem een broeder.
+O, honderden en honderden malen, antwoordt hij. Hij herkent zijn vader
+in het vagevuur en verwerft diens bevrijding. Zijn verschijningen,
+openbaringen en gezichten vervullen hem zonder ophouden, maar hij
+spreekt er niet dan met tegenzin van. Hij schaamt zich voor de ekstasen,
+die hem door allerlei uiterlijke aanleidingen geworden: vooral door
+muziek, soms te midden van een adellijk gezelschap, dat naar zijn
+wijsheid en vermaningen luistert. Onder de eernamen der groote theologen
+is de zijne die van Doctor ecstaticus.
+
+Men meene niet, dat een groote figuur als Dionysius de Kartuizer aan de
+verdenking en spot ontkwam, die den zonderlingen wonderman van Lodewijk
+XI troffen; ook hij heeft voortdurend te kampen met den smaad en de
+verguizing der wereld. De geest der vijftiende eeuw staat in een wankel
+evenwicht tegenover de opperste uitingen van het middeleeuwsch geloof.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[580] Monstrelet, IV p. 304.
+
+[581] Bernh. v. Siena, Opera, I p. 100 bij Hefele l.c. p. 36.
+
+[582] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 157; Les quinze joyes de
+mariage, p. 111, 215.
+
+[583] Molinet, Faictz et dictz, f. 188vso.
+
+[584] Journal d'un bourgeois, p. 336, vgl. p. 242 no. 514.
+
+[585] Ghillebert de Lannoy, Oeuvres, ed. Ch. Potvin, Louvain, 1878,
+p. 163.
+
+[586] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 101.
+
+[587] Le Jouvencel, II p. 107.
+
+[588] Songe du viel pelerin, bij Jorga, Phil. de Mézières. p. 423(6).
+
+[589] Journal d'un bourgeois, p. 214, 289(2).
+
+[590] Gerson, Opera, I p. 206.
+
+[591] Jorga, Phil. de Mézières, p. 506.
+
+[592] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 125.
+
+[593] Chastellain, IV p. 263/5.
+
+[594] Chastellain, II p. 300; VII p. 222. Jean Germain, Liber de
+Virtutibus, p. 10 (de hier vermelde minder strenge vastenpraktijk kan op
+een anderen tijd slaan); Jean Jouffroy, De Philippo duce oratio (Chron.
+rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III) p. 118.
+
+[595] La Marche, II p. 40.
+
+[596] Monstrelet, IV p. 302.
+
+[597] Jorga, Phil. de Mézières, p. 350.
+
+[598] Vgl. Jorga, l.c. p. 444, Champion, Villon, I p. 17.
+
+[599] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, I p. cx.
+
+[600] Monstrelet, V p. 112.
+
+[601] La Marche, I p. 194.
+
+[602] Acta Sanctorum Jan., t. II p. 1018.
+
+[603] Jorga, l.c. p. 509, 512.
+
+[604] Het is in dit verband van geen belang, of de Kerk de personen in
+kwestie heilig of slechts zalig heeft verklaard.
+
+[605] André Du Chesne, Hist. de la maison de Chastillon sur Marne,
+Paris, 1621, Preuves, p. 126-131, Extraict de l'enqueste faite pour la
+canonization de Charles de Blois, p. 223, 234.
+
+[606] Froissart, ed. Luce, VI p. 168.
+
+[607] De gronden, waarop Dom Plaine, Revue des questions historiques, XI
+p. 41, Froissart's getuigenis wraakt, schijnen mij niet afdoende.
+
+[608] W. James, The varieties of religious experience, p. 370s.
+
+[609] Ordonnances des rois de France, t. VIII, p. 398, Nov. 1400, 426,
+18 Maart 1401.
+
+[610] Mémoires de Pierre Salmon, ed. Buchon, Coll. de chron. nationales,
+3e Supplément de Froissart, t. XV p. 49.
+
+[611] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 40.
+
+[612] Acta Sanctorum Julii, t. I p. 486-628.
+
+[613] La Marche, I p. 180.
+
+[614] Lettres de Louis XI, t. VI p. 514, cf. V p. 86, X p. 65.
+
+[615] Commines, I p. 291.
+
+[616] Commines, II p. 67, 68.
+
+[617] Commines, II p. 57; Lettres, X p. 16, IX p. 260. Er was indertijd
+zulk een agnus scythicus in het Koloniaal Museum te Haarlem.
+
+[618] Chron. scand., II p. 122.
+
+[619] Commines, II p. 55, 77.
+
+[620] Acta sanctorum Apr., t. I p. 115.--Lettres de Louis XI, t. X
+p. 76, 90.
+
+[621] Sed volens caute atque astute agere, propterea quod a pluribus
+fuisset sub umbra sanctitatis deceptus, decrevit variis modis experiri
+virtutem servi Dei, Acta Sanctorum, l.c.
+
+[622] Acta Sanctorum, l.c.p. 108; Commines, II p. 55.
+
+[623] Lettres, X p. 124. 29 Juni 1483.
+
+[624] Lettres, X p. 4 etc., Commines, II p. 54.
+
+[625] Commines, II p. 56, Acta Sanctorum, l.c.p. 115.
+
+[626] A. Renaudet, Préréforme et Humanisme à Paris, p. 172.
+
+[627] Doutrepont, p. 226.
+
+[628] Vita Dionysii auct. Theod. Loer, Dion. Opera, I. p. xlii ss., id.
+De vita et regimine principum, t. XXXVII p. 497.
+
+[629] Opera, t. XLI p. 621; D. A. Mougel, Denys le chartreux, sa vie
+etc., Montreuil, 1896, p. 63.
+
+[630] Opera. t. XLI, p. 617; Vita, I p. xxxi; Mougel, p. 51; Bijdr. en
+mededeel. v. h. hist. genootschap te Utrecht, XVIII p. 331.
+
+[631] Opera, t. XXXIX p. 496, Mougel, p. 54; Moll, Johannes Brugman, I
+p. 74; Kerkgesch., II 2 p. 124; K. Krogh-Tonning, Der letzte
+Scholastiker Eine Apologie, Freiburg 1904, p. 175.
+
+[632] Mougel, p. 58.
+
+[633] Opera, t. XXXVI p. 178: De mutua cognitione.
+
+[634] Vita, Opera, t. I p. xxiv, xxxviii.
+
+[635] Vita, Opera, t. I p. xxvi.
+
+[636] De munificentia et beneficiis Dei, Opera, t. XXXIV, art. 26 p. 319.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIII
+
+AANDOENING EN VERBEELDING
+
+
+Van den tijd af, dat de zoet-lyrische mystiek van Bernard van Clairvaux
+in de twaalfde eeuw de fuga geopend had van bloeiende verteedering over
+het lijden Christi, was de geest in steeds stijgende mate vervuld van de
+smeltende aandoening over de passie; hij was doortrokken en verzadigd
+geworden van Christus en het kruis. In de vroegste kindsheid werd het
+beeld van den gekruisigde in het teer gemoed geplant zoo groot en zoo
+donker, dat het alle aandoeningen overschaduwde met zijn ernst. Toen
+Jean Gerson een kind was, ging zijn vader met uitgestrekte armen tegen
+den muur staan, en zeide: "'zie, mijn jongen, zoo is uw God gekruisigd
+en gestorven, die u gemaakt heeft en verlost heeft'. Dit beeld bleef
+den knaap tot in zijn grijsheid, groeiende met het groeien der jaren,
+en hij zegende er nog dien vromen vader om, nadat deze juist op
+kruisverheffingsdag gestorven was." [637]--Colette hoorde als kind van
+vier jaar haar moeder iederen dag schreien en zuchten in gebed over het
+lijden, mee lijdende over den smaad, de slagen en de pijnigingen. Met
+zulk een hevigheid zette zich die herinnering in haar overgevoelig
+gemoed, dat zij haar leven lang iederen dag op het uur der kruisiging
+een allerheftigste benauwing en hartepijn voelde, en bij het lezen van
+het lijden meer leed dan eenige vrouw in barensnood. [638]--Een prediker
+bleef somtijds voor zijn gehoor een kwartier lang zwijgend in
+kruishouding staan. [639]
+
+Zoo overvuld van Christus was de geest, dat bij de geringste uiterlijke
+overeenkomst van eenige handeling of gedachte met 's Heeren leven of
+lijden de Christustoon onmiddellijk ging klinken. Een arme non, die
+brandhout aandraagt voor de keuken, verbeeldt zich, dat zij daarmee het
+kruis draagt: enkel de voorstelling hout dragen is genoeg, om de
+handeling te drenken in den lichtschijn van de opperste daad van liefde.
+Het blinde vrouwtje, dat de wasch doet, neemt tobbe en waschhok voor
+kribbe en stal. [640] Maar evengoed een uitwerking van die overvolheid
+met godsdienstigen inhoud is het profaneerende overvloeien van
+vorstenhulde in religieuze verbeelding: de vergelijking van Lodewijk XI
+met Jezus, van Maximiliaan met zijn vader en zijn zoon met de
+Drieëenheid. [641]
+
+De vijftiende eeuw vertoont de sterke godsdienstige aandoenlijkheid in
+een dubbelen vorm. Zij openbaart zich eensdeels in de heftige
+beroeringen, die van tijd tot tijd het geheele volk aangrepen, als een
+reizend prediker met zijn woord alle geestelijke brandstof ontvlammen
+deed als takkenbossen. Dat is de krampachtige uiting, hartstochtelijk,
+geweldig, doch spoedig weer uitgesnikt. Daarnaast is door sommigen de
+aandoenlijkheid blijvend in een stille bedding geleid, genormaliseerd
+tot een nieuwen levensvorm, dien der innigheid. Het is de piëtistische
+kring van hen, die zichzelven in het bewustzijn van vernieuwers te zijn,
+moderne devoten hebben genoemd. Als gereglementeerde beweging beperkt
+zich de moderne devotie tot de Noordelijke Nederlanden en het
+Nederduitsche gebied, doch den geest, die haar het aanzijn gaf, vindt
+men in Frankrijk even goed.
+
+Van de geweldige werking der predikatie is maar weinig als blijvend
+element in de geestelijke cultuur overgegaan. Wij weten, welk een
+ontzaglijken indruk de predikers maakten, [642] maar de ontroering, die
+van hen uitging, na te voelen, is ons niet gegeven. Uit de geschreven
+overlevering der preeken komt zij niet tot ons; en hoe kon het ook?
+Reeds tot de tijdgenooten sprak de geschreven preek niet meer. Velen,
+die Vincent Ferrer hoorden, en nu zijn preeken lezen, zegt diens
+levensbeschrijver, verzekeren, dat zij nauwelijks een schaduw krijgen
+van dat wat uit zijn eigen mond weerklonk. [643] Wij kennen de stof der
+preeken: de aangrijpende schildering van de verschrikkingen der hel, het
+dreunend dreigen met de straf der zonde, al de lyrische uitstortingen
+over de passie en de godsliefde. Wij weten, met welke middelen de
+predikers werkten: geen effekt was te grof, geen overgang van lachen
+naar weenen te groot, geen onmatige uitzetting der stem te kras. [644]
+Maar wij kunnen de schokken, die zij daarmee teweegbrachten, toch
+eigenlijk alleen bevroeden uit het altijd weer gelijksoortig verhaal,
+hoe stad met stad streed om de toezegging van een preekbeurt, hoe
+magistraat en volk de predikers inhaalden met een staatsie, zooals men
+ze een vorst gaf, hoe de prediker soms moest ophouden om het luid geween
+der schare. Terwijl Vincent Ferrer preekte, werden eens twee
+terdoodveroordeelden voorbij gebracht, een man en een vrouw, op weg naar
+de terechtstelling. Vincent verzocht, het beulswerk op te schorten; hij
+borg de slachtoffers zoolang onder zijn spreekgestoelte, en preekte over
+hun zonden. Na de preek vond men hen er niet meer, doch enkel wat
+beenderen, en het volk geloofde niet anders, dan dat het woord van den
+heiligen man de zondaars had verbrand en tevens gered. [645]
+
+De krampachtige aandoening der massa onder het woord van de predikers is
+telkens weer vervlogen zonder in de geschreven overlevering zich te
+hebben kunnen vastleggen. Des te beter kennen wij de "innicheit" der
+moderne devoten. Als in elken piëtistischen kring gaf hier de godsdienst
+niet enkel den levensvorm maar ook den gezelligheidsvorm: het knusse
+geestelijk verkeer in stille intimiteit van eenvoudige mannetjes en
+vrouwtjes, wier groote hemel zich welfde boven een minuskuul wereldje,
+waar al het sterke ruischen van den tijd aan voorbij streek. De vrienden
+bewonderden in Thomas a Kempis zijn onkunde van de gewone wereldsche
+dingen; een prior van Windesheim droeg als eervollen bijnaam Jan
+Ik-weet-niet. Zij kunnen geen andere wereld gebruiken dan een
+vereenvoudigde; zij zuiveren haar door het slechte buiten hun sfeer te
+sluiten. [646] Binnen die enge sfeer leven zij in de vreugde van een
+sentimenteele genegenheid voor elkander: de blik van den een is zonder
+ophouden op den ander geslagen, om alle teekens van genade op te merken;
+elkaar bezoeken is hun vermaak. [647] Vandaar hun bijzondere neiging tot
+de levensbeschrijving, waaraan wij de nauwkeurige kennis van dezen
+geestelijken staat te danken hebben.
+
+In haar Nederlandschen, gereglementeerden vorm had de moderne devotie
+een vaste conventie van vroom leven geschapen. Men kende de devoten aan
+hun afgemeten stille bewegingen, hun gebogen gang, sommigen aan de tot
+een lach geplooide gezichten of de opzettelijk gelapte nieuwe kleeren.
+En niet het minst aan hun overvloedige tranen. "Devotio est quaedam
+cordis teneritudo, qua quis in pias faciliter resolvitur lacrimas". Men
+moet God bidden om "den dagelijkschen doop der tranen", zij zijn de
+vleugelen van het gebed, of naar Sint Bernard's woord de wijn der
+engelen. Men moet zich aan de genade der loffelijke tranen geven, zich
+er toe voorbereiden en aanzetten, het geheele jaar door, maar vooral in
+de Vasten, opdat men met den psalmist zeggen moge: "Fuerunt mihi
+lacrimae meae panes die ac nocte". Soms komen zij zoo gewillig, dat wij
+bidden met snikken en huilen ("ita ut suspiriose ac cum rugitu oremus"),
+maar wanneer zij niet vanzelve komen, moet men ze niet bovenmatig
+uitpersen, en zich vergenoegen met de tranen des harten. En in
+tegenwoordigheid van anderen moet men de teekenen van een buitengewone
+geestelijke devotie naar vermogen vermijden. [648]
+
+Vincent Ferrer stortte, zoo dikwijls hij de hostie wijdde, zooveel
+tranen, dat bijna allen mee weenden, en er soms een weeklagen ontstond
+als van een doodenklacht. Het weenen was hem zoo zoet, dat hij noode
+zijn tranen staakte. [649]
+
+In Frankrijk ontbreekt de bijzondere normaliseering der nieuwe vroomheid
+in een bepaalden nieuwen vorm als de Nederlandsche Fraterhuizen en de
+congregatie van Windesheim. De verwante geesten in Frankrijk blijven of
+geheel in de wereld, of zij treden in bestaande orden, waar dan de
+nieuwe devotie de doorvoering van een strenger observantie teweegbrengt.
+Als algemeene houding van wijde burgerkringen is het verschijnsel er
+niet bekend. Misschien droeg daartoe bij, dat de Fransche vroomheid een
+hartstochtelijker, spasmodischer karakter had dan de Nederlandsche,
+lichter tot geëxaspereerde vormen verviel en ook lichter weer vervaagde.
+Tegen het einde der Middeleeuwen worden bezoekers der Noordelijke
+Nederlanden uit Zuidelijker landen meer dan eens getroffen door de
+ernstige en algemeene vroomheid, die zij er onder het volk als iets
+bijzonders opmerken. [650]
+
+De Nederlandsche devoten hadden in het algemeen de aanrakingen laten
+varen met de intensieve mystiek, uit welker voorbereidende stadiën hun
+levensvorm was opgebloeid. Daarmee hadden zij ook het gevaar voor
+fantastische afdwalingen tot ketterij grootendeels bezworen. De
+Nederlandsche moderne devotie was gehoorzaam en rechtgeloovig, praktisch
+zedelijk en soms zelfs nuchter. Het Fransche devote type daarentegen
+schijnt een veel grootere slingerwijdte te hebben gehad: het raakt
+telkens de extravagante geloofsverschijnselen.
+
+Toen de Groningsche Dominicaan Mattheus Grabow naar Constanz was
+getogen, om daar op het Concilie al de grieven van de bedelorden tegen
+de nieuwe broeders des gemeenen levens te luchten, en zoo mogelijk hun
+veroordeeling te verwerven, is het de groote leider der algemeene
+kerkelijke politiek, Johannes Gerson, zelf geweest, in wien de belaagde
+volgelingen van Geert Groote hun verdediger vonden. Gerson was alleszins
+bevoegd, om te beoordeelen, of men hier te doen had met een uiting van
+echte vroomheid en een geoorloofden vorm van organisatie daarvan. Want
+het onderscheiden van echte vroomheid van overdreven geloofsuitingen is
+een der onderwerpen, die zijn geest voortdurend hebben beziggehouden.
+Gerson was een voorzichtige, nauwgezette academische geest, eerlijk,
+zuiver en welmeenend, met die ietwat angstvallige zorg voor den goeden
+vorm, die in een fijnen geest, uit bescheiden omstandigheden tot een
+werkelijk aristocratische houding gegroeid, dikwijls nog de afkomst
+verraadt. Daarbij was hij een psycholoog en iemand met stijlgevoel.
+Stijlgevoel en rechtzinnigheid nu zijn ten nauwste verwant. Geen wonder
+dus, dat de uitingen van het geloofsleven van zijn dagen herhaaldelijk
+zijn argwaan en bezorgdheid wekten. Nu is het merkwaardig, hoe de typen
+van vroomheid, die hij afkeurt als overdreven en gevaarlijk, ons
+levendig herinneren aan de moderne devoten, die hij verdedigd had. Toch
+is dit zeer verklaarbaar. Zijn Fransche schapen misten de veilige
+schaapskooi, de discipline en organisatie, die de al te vurigen van
+zelve binnen de perken hield van hetgeen de Kerk dulden kon.
+
+Gerson ziet overal de gevaren van de populaire devotie. Hij vindt het
+verkeerd, dat de mystiek op straat wordt gebracht. [651] De wereld, zegt
+hij, is in dit laatste tijdperk kort voor haar einde als een ijlhoofdige
+grijsaard, ten prooi aan allerlei fantazieën, droomgezichten en
+illusies, die menigeen van de waarheid af brengen. [652] Velen geven
+zich zonder behoorlijke leiding over aan al te strenge vasten, al te
+gerekte nachtwaken, te overvloedige tranen, waarmee zij hun brein
+troebel maken. Zij luisteren naar geen vermaan tot matiging. Laat hen
+oppassen, want zij kunnen licht vervallen in begoochelingen des duivels.
+Te Atrecht had hij nog kort geleden een vrouw en moeder bezocht, die
+tegen den zin van haar echtgenoot door haar volstrekt vasten, twee tot
+vier dagen achtereen, veler bewondering wekte. Hij had met haar
+gesproken, haar ernstig beproefd, en bevonden, dat haar onthouding
+louter hoogmoedige en ijdele halsstarrigheid was. Want na zulk een
+vasten at zij met onverzadelijke vraatzucht; als reden voor haar
+zelfkastijding gaf zij niet anders op, dan dat zij onwaardig was om
+brood te eten. Haar uiterlijk verried hem reeds den naderenden waanzin.
+[653] Een ander vrouwtje, een epileptica, wier eksteroogen staken, zoo
+dikwijls er een ziel ter helle voer, die de zonden aan het voorhoofd zag
+en beweerde, dagelijks drie zielen te redden, bekende onder bedreiging
+met de tortuur, dat zij zich zoo gedroeg, omdat het haar broodwinning
+was. [654]
+
+Gerson achtte de vizioenen en revelaties van den jongsten tijd, die
+overal gelezen werden, niet veel waard. Zelfs die van befaamde heiligen
+als Brigitta van Zweden en Catharina van Siena verloochent hij. [655]
+Hij had er zooveel gehoord, die hem het vertrouwen benamen. Velen
+verklaarden, dat hun geopenbaard was, dat zij paus zouden worden; een
+geleerd man had het zelfs eigenhandig beschreven en met bewijzen
+gestaafd. Een ander was eerst overtuigd geweest, dat hij paus zou
+worden, maar daarna, dat hij de Antichrist of althans diens voorlooper
+zou zijn, waarom hij had omgegaan met de gedachte, zich het leven te
+benemen, om de christenheid niet zulk een onheil aan te doen.
+[656]--Niets is zoo gevaarlijk, zegt Gerson, als een onkundige devotie.
+Wanneer de arme vromen hooren, dat Maria's geest zich verblijdde in
+haren God, dan trachten zij ook zich te verblijden, en stellen zich van
+allerlei voor, nu met minnen, nu met vreezen; daarbij zien zij allerlei
+beelden, die zij niet kunnen onderscheiden van de waarheid en die zij
+allen voor wonder houden en voor het bewijs van hun voortreffelijke
+devotie. [657] Maar dit was juist hetgeen de moderne devotie aanbeval.
+"Soe wie hem in desen artikel mit herten ende mit al sinen crachten den
+liden ons Heren innichlic geliken ende gheconformieren wil, die sal hem
+selven pinen, druckich ende wemoedich te maken. Ende is hi in enighen
+teghenwoerdighen druc, die sel hi mitter druckelicheit Christi
+verenighen ende begheren mit hem te deilen". [658]
+
+Het schouwende leven heeft groote gevaren, zegt Gerson; velen zijn er
+zwaarmoedig of gek van geworden. [659] Hij weet, hoe licht een te
+aanhoudend vasten tot waanzin of hallucinaties leidt; hij weet ook, welk
+een rol het vasten speelt in de praktijken der tooverij. [660] Waar
+moest een man met zulk een scherpen blik voor het psychologische moment
+in de uitingen van het geloof de grens trekken tusschen het heilige en
+geoorloofde en het verwerpelijke? Hij voelde zelf, dat enkel zijn
+rechtzinnigheid hem hier nog niet genoeg gaf; het was gemakkelijk
+genoeg, om als geschoold godgeleerde overal den staf te breken, waar van
+het dogma klaarblijkelijk werd afgeweken. Maar daarnaast stonden al de
+gevallen, waar de ethische beoordeeling der uitingen van vroomheid hem
+het richtsnoer moest zijn, waar zijn gevoel voor maat en goeden smaak
+hem het vonnis moest ingeven. Er is geen deugd, zegt Gerson, die in deze
+ellendige tijden van het schisma meer uit het oog wordt verloren dan de
+Discretio. [661]
+
+Was reeds voor Jean Gerson het dogmatische criterium niet meer het
+eenige, dat den doorslag gaf ter onderscheiding van ware en valsche
+vroomheid, des te eêr vallen voor óns de typen van godsdienstige
+aandoening niet meer samen volgens de lijnen van hun orthodoxie of
+ketterij, maar volgens hun psychologischen aard. Ook het volk van den
+tijd zelf zag de dogmatische lijnen niet. Het hoorde den ketterschen
+broer Thomas met evenveel stichting als den heiligen Vincent Ferrer, het
+schold de heilige Colette en haar volgelingen voor Begarden en
+hypocriten. [662]--Colette vertoont al de eigenschappen van wat James
+den theopathischen toestand noemt, [663] wortelend op een bodem van de
+pijnlijkste overgevoeligheid. Zij kan geen vuur zien of den gloed ervan
+verdragen, behalve kaarsen. Zij is ontzettend bang voor vliegen,
+slakken, mieren, voor stank en onreinheid. Zij heeft denzelfden rabiden
+afschuw van de sexualiteit, die later de heilige Aloysius Gonzaga
+vertoont, zoodat zij enkel maagden in haar congregatie wil hebben, niet
+houdt van getrouwde heiligen en het betreurt, dat haar moeder met haar
+vader in tweede huwelijk was getrouwd. [664] Deze hartstocht voor de
+zuiverste maagdelijkheid werd door de Kerk nog altijd als stichtelijk en
+navolgenswaard geprezen. Hij was ongevaarlijk, zoolang hij beleden werd
+in den vorm van een persoonlijk afgrijzen van al het sexueele. Doch
+datzelfde sentiment werd in een anderen vorm gevaarlijk voor de Kerk en
+bij gevolg voor den persoon, die het beleed: wanneer deze namelijk niet
+meer als de slak de horens introk, maar de toepassing van die zucht naar
+kuischheid wilde zien op het kerkelijk en maatschappelijk leven der
+anderen. Steeds weer, als het streven naar die zuiverheid revolutionaire
+vormen aannam, heeft de Kerk het moeten verloochenen, omdat zij wist,
+dat het onuitvoerbaar was. Jean de Varennes boette die consequentie in
+een ellendigen kerker, waar de aartsbisschop van Reims hem had doen
+opsluiten. Deze Jean de Varennes was een geleerd theoloog en befaamd
+prediker, die aan het pauselijk hof te Avignon als kapelaan van den
+jeugdigen kardinaal van Luxemburg zelf beschikt scheen voor een myter of
+kardinaalshoed, toen hij plotseling van al zijn beneficiën afstand deed
+behalve een kanunnikschap van Notre Dame te Reims, zijn staat opgaf, en
+uit Avignon naar zijn geboorteland terugging, waar hij te Saint Lié een
+heilig leven begon te leiden en te preeken. "Et avoit moult grant
+hantise de poeuple qui le venoient veir de tous pays pour la simple vie
+très-noble et moult honneste que il menoit." Men vond, dat hij wel paus
+kon worden; men noemde hem "le saint homme de S. Lié", en raakte hem aan
+om de wonderdadigheid van zijn persoon; sommigen hielden hem voor een
+godsgezant of een goddelijk wezen zelf. Heel Frankrijk sprak een
+tijdlang van niets anders. [665]
+
+Maar niet iedereen geloofde aan de oprechtheid van zijn bedoelingen; er
+waren er ook, die van "le fou de Saint Lié" spraken, of hem verdachten,
+langs dezen opzienbarenden weg de prelatuur te willen bereiken, die hem
+anders was ontgaan. Bij hem had, gelijk bij zooveel vroegeren, die als
+ketters verworpen waren, de hartstocht voor geslachtelijke zuiverheid
+het karakter aangenomen van een heftig revolutionaire prediking, waarin
+zich al de grieven over de ontaarding der Kerk schikten onder die eene
+groote verontwaardiging. "Au loup, au loup" riep hij de schare toe, en
+deze riep willig terug: "Hahay, aus leus, mes bones gens, aus leus."
+Maar hij zei immers niet, dat hij den aartsbisschop bedoelde, aldus zijn
+verdediging uit den kerker; hij placht enkel het spreekwoord te zeggen:
+"qui est tigneus, il ne doit pas oster son chaperon". [666] Hoever hij
+ook gegaan moge zijn, zijn hoorders verstonden hem zoo, dat hij al het
+oude verzet tegen de onkuische priesters had gepreekt: hun sacramenten
+ongeldig, de hostie, die zij wijden, niet dan brood, hun doopsel en hun
+absolutie waardeloos. En meer nog tegen de onkuischheid in het algemeen:
+de priesters mogen zelfs niet wonen met een zuster of een oude van
+dagen; aan het huwelijk zijn 22 of 23 zonden verbonden; men moest de
+echtbrekers straffen naar de leer van het Oude Verbond; Christus zelf
+zou, indien hij zekerheid had gehad omtrent haar schuld, bevolen hebben,
+de overspelige te steenigen; er was geen goede vrouw in Frankrijk, er
+kon geen bastaard iets goeds doen of zalig worden. [667]
+
+Tegen dien ingrijpenden vorm van afkeer der onkuischheid heeft de Kerk
+zich steeds uit zelfbehoud moeten verzetten: werd eenmaal de twijfel
+gewekt aan de geldigheid der sacramenten van onwaardige priesters, dan
+was het geheele kerkelijk leven ontwricht. Gerson stelt Jean de Varennes
+naast Johannes Hus als een, die met oorspronkelijk goede bedoelingen
+door zijn ijver op het dwaalspoor is geleid. [668]
+
+De Kerk is aan den anderen kant in het algemeen uiterst toegefelijk
+geweest op een ander gebied: in het dulden van de hoogst zinnelijke
+verbeeldingen der godsliefde. De nauwgezette kanselier van de Parijsche
+universiteit evenwel heeft ook daar het gevaar gevoeld en ervoor
+gewaarschuwd.
+
+Hij kende het uit zijn groote zielkundige ervaring, hij kende het van
+verschillende zijden, als dogmatisch en als zedelijk gevaar. "De dag zou
+mij niet genoeg zijn, zegt hij, als ik al de tallooze waanzinnigheden
+wilde opsommen van de minnenden, de zinneloozen: amantium, immo et
+amentium." [669] Ja, hij wist het bij ondervinding: "Amor spiritualis
+facile labitur in nudum carnalem amorem." [670] Want wie zou het anders
+zijn dan Gerson zelf, die man, dien hij kende, die uit loffelijke
+devotie een gemeenzame vriendschap in den Heer had gekweekt met een
+geestelijke zuster: "aanvankelijk ontbrak het vuur van eenige
+vleeschelijkheid, maar gaandeweg wies uit den geregelden omgang een
+liefde, die niet geheel en al meer in God was, zoodat hij zich niet meer
+kon weerhouden, haar te bezoeken, of in haar afwezigheid aan haar te
+denken. Nog vermoedde hij niets zondigs, geen duivelsch bedrog, totdat
+een langere afwezigheid hem tot het inzicht bracht van het gevaar, dat
+God nog ter juister tijd van hem had gewend." [671] Hij was voortaan "un
+homme averti" en trok er profijt van. Zijn geheele tractaat _De diversis
+diaboli tentationibus_ [672] is als een scherpe analyse van den
+geestesstaat, die ook die van de Nederlandsche moderne devoten was. Het
+is vooral de "dulcedo Dei", de "zueticheit" der Windesheimers, welke
+Gerson wantrouwt. De duivel, zegt hij, boezemt den menschen somtijds een
+onmetelijke en wonderlijke zoetheid (dulcedo) in, op de wijze van en
+gelijkende op devotie, opdat de mensch in het genieten van die zoetheid
+(suavitas) zijn eenig doel zoeke, en God enkel meer wil beminnen en
+volgen, om die genieting te erlangen. [673] En elders, [674] van
+dezelfde dulcedo Dei: velen heeft de al te sterke kweeking van
+dergelijke gevoelens bedrogen: zij hebben de razernijen van hun hart als
+het voelen Gods omhelsd en jammerlijk gedwaald. Het leidt tot allerlei
+ijdel streven: sommigen trachten een staat te bereiken van volkomen
+gevoelloosheid of passiviteit, waarin slechts God door hen handelt, of
+een mystische kennis en vereeniging met God, waarin Hij niet meer onder
+eenig begrip des zijns, des waren of des goeden wordt opgevat.--Hier
+liggen ook Gerson's bezwaren tegen Ruusbroec, aan wiens eenvoudigheid
+hij niet gelooft, wien hij de meening van zijn _Chierheit der
+gheesteliker brulocht_ verwijt, dat de volmaakte ziel, God schouwende,
+Hem niet enkel ziet door de klaarheid, die de goddelijke essentie is,
+maar dat zij zelve de goddelijke klaarheid is. [675]
+
+Het gevoel van de volstrekte vernietiging der individualiteit, dat de
+mystieken van alle tijden gesmaakt hebben, kon de voorstander van een
+matige, ouderwetsche, Bernardijnsche mystiek, die Gerson was, niet
+gedoogen. Een zieneres had hem verteld, dat haar geest in het schouwen
+Gods vernietigd was geworden met een werkelijke vernietiging en daarna
+opnieuw geschapen. Hoe weet ge dat? had hij haar gevraagd. Zij had het
+zelf ondervonden, was haar antwoord. De logische absurditeit dier
+verklaring is voor den intellectueelen kanselier het triomfantelijk
+bewijs, hoe verwerpelijk zulk een gevoelen was. [676] Het was
+gevaarlijk, zulke gewaarwordingen in een gedachte uit te drukken; de
+Kerk kon ze enkel dulden in den vorm van een beeld: het hart van
+Catharina van Siena was veranderd in het hart van Christus. Maar
+Marguerite Porete uit Henegouwen, van de Broeders van den vrijen geest,
+die ook haar ziel in God vernietigd waande, was in 1310 te Parijs
+verbrand. [677]
+
+Het groote gevaar van het zelfvernietigingsgevoel lag in de conclusie,
+waartoe evenzeer de Indische als sommige christelijke mystieken kwamen,
+dat de volmaakte schouwende en minnende ziel niet meer zondigen kan.
+Immers, opgegaan in God, heeft zij geen wil meer; slechts het goddelijk
+willen is gebleven, en waarin zij ook de vleeschelijke neigingen volgen,
+daarin is geen zonde meer. [678] Tal van armen en onwetenden waren door
+zulke leeringen verleid tot een leven van de vreeselijkste
+ongebondenheid, zooals de secten der Begarden, de Broeders van den
+vrijen geest, de Turlupijnen te zien hadden gegeven. Telkens als Gerson
+van de gevaren der uitgelaten godsminne spreekt, komt hem het
+waarschuwend voorbeeld van die secten in de gedachte. [679] Toch is men
+hier voortdurend vlak bij de kringen der devoten. De Windesheimer
+Hendrik van Herp beschuldigt zijn eigen geestverwanten van geestelijk
+overspel. [680] Er lagen in deze sfeer duivelsche valstrikken tot de
+meest perverse goddeloosheid. Gerson vertelt van een aanzienlijk man,
+die aan een Kartuizer had bekend, dat hem een doodzonde, en hij noemde
+met name die der onkuischheid, de minne Gods niet belemmerde, maar hem
+integendeel ontvlamde om de goddelijke zoetheid nog inniger te prijzen
+en te begeeren. [681]
+
+De Kerk waakte, zoodra de smeltende aandoeningen van de mystiek zich
+omzetten in geformuleerde overtuigingen of in toepassing op het
+maatschappelijk leven. Zoolang het bleef bij louter hartstochtelijke
+verbeeldingen van symbolischen aard, liet zij ook het meest exuberante
+toe. Johannes Brugman kon ongestraft al de eigenschappen van den
+dronkaard, die zich zelf vergeet, geen gevaar ziet, niet toornig wordt
+om bespotting, alles weggeeft, toepassen op Jezus' menschwording: "O en
+was hi niet wael droncken, doe hem die mynne dwanck, dat hi quam van den
+oversten hemel in dit nederste dal der eerden?" In den hemel gaat hij
+rond, "schyncken ende tappen mit vollen toyten" aan de profeten, "ende
+sij droncken, dat sij borsten, ende daer spranck David mit sijnre herpen
+voer der tafelen, recht of hij mijns heren dwaes waer." [682]
+
+De groteske Brugman niet alleen, ook de zuivere Ruusbroec geniet de
+godsminne onder het beeld der dronkenschap. Naast dat der dronkenschap
+staat het beeld van den honger. Mogelijk lag voor beide de aanleiding in
+het bijbelwoord: "qui edunt me, adhuc esurient, et qui bibunt me, adhuc
+sitient," [683] dat, door Sapientia gesproken, als woord des Heeren werd
+geduid. De voorstelling van des menschen geest, geteisterd door een
+eeuwigen honger naar God, was dus gegeven. "Hier beghint een ewich
+honger, die nemmermeer vervult en wert, dat es een inwendich ghieren
+ende crighen der minnender cracht ende dies ghescapens geestes in een
+ongescapen goet.... Dit sijn die armste liede die leven; want si sijn
+ghierich ende gulsich ende si hebben den mengherael (verklaring: "dat is
+die vraet of den ghier of den heeten onversadeliken hongher"). Wat si
+eten ende drinken, si en werden nemmermeer sat in deser wijs, want dese
+hongher es ewich.... Al gave God desen mensche alle die gaven die alle
+heylighen hebben ... sonder hem selven, nochtan bleve die gapende ghier
+des gheests hongherich ende onghesaedt."--Doch evenals het beeld der
+dronkenschap is ook dat van den honger voor omkeering vatbaar: "Sijn
+(Christus') hongher is sonder mate groet; hi verteert ons al uut te
+gronde; want hi is een ghierich slockaert ende heeft den mengerael: hi
+verteert dat merch uut onsen benen. Nochtan gonnen wijs hem wale, ende
+soe wijs hem meer ghonnen, soe wij hem bat smaken. Ende wat hi op ons
+teert, hi en mach niet vervult werden, want hi heeft den mengerael ende
+sijn hongher is sonder mate: ende al sijn wi arm, hi en achtes niet,
+want hi en wilt ons niet laten. Ierstwerf bereyt hi sine spise, ende
+verbernt in minnen al onse sonden ende ghebreken. Ende alse wi dan
+ghesuvert sijn ende in minnen ghebraden, soe gaept hi alse die ghier
+diet al verslocken wilt.... Mochten wi sien die ghierighe ghelost (lust)
+die Christus heeft tote onser salicheit, wi en mochten ons niet
+onthouden wi en souden hem in die kele vlieghen. Al verteert ons Jhesus
+te male in hem, daer vore gheeft hi ons hem selven, ende hi gheeft ons
+gheesteliken hongher ende dorst sijns te ghesmaken met ewigher lost. Hi
+gheeft ons gheesteliken hongher, ende onser herteliker liefde sijn
+lichame in spisen. Ende alse wi dien in ons eten ende teren met ynnigher
+devocien, soe vloyet uut sinen lichame sijn gloriose heete bloet in onse
+nature ende in alle onse aderen.... Siet, aldus selen wi altoes eten
+ende werden gheten, ende met minnen op ende nedergaen, ende dit is onse
+leven in der ewicheit". [684]
+
+Een kleine schrede, en men is van deze hoogste vervoeringen der mystiek
+weer bij een plat symbolisme. "Vous le mangerés,--zegt van de
+eucharistie _Le livre de crainte amoureuse_ van Jean Berthelemy--, rôti
+au feu, bien cuit, non point ars ou brulé. Car ainsi l'aigneau de
+Pasques entre deux feux de bois ou de charbon estoit cuit convenablement
+et roty, ainsi ledoulx Jésus, le jour du Vendredi sacré, fut en la
+broche de la digne croix mis, attachié, et lié entre les deux feux de
+tres angoisseuse mort et passion, et de tres ardentes charité et amour
+qu'il avoit à nos ames et à nostre salut, il fut comme roty et
+langoureusement cuit pour nous saulver." [685]
+
+Het beeld van de dronkenschap en den honger weerspreekt reeds de
+meening, dat elk godsdienstig zaligheidsgevoel erotisch geïnterpreteerd
+zou moeten worden. [686] Het instroomen van den goddelijken invloed
+wordt evengoed als een drinken of een gebaad worden ondergaan. Een
+Diepenveensche devote voelt zich geheel overstort met het bloed van
+Christus en bezwijmt. [687] De bloedfantazie, voortdurend door het
+geloof aan de transsubstantiatie levend gehouden en geprikkeld, uit zich
+in de bedwelmendste uitersten van rooden gloed. De wonden van Jezus,
+zegt Bonaventura, zijn de bloedroode bloemen van ons zoete en bloeiende
+paradijs, waarover de ziel als een vlinder zweven moet, dan aan deze dan
+aan gene drinkende. Door de zijwond moet zij binnendringen tot het hart
+zelf. Tegelijk stroomt het bloed als beken in het paradijs. Al het roode
+en warme bloed van alle wonden is door Suso's mond in zijn hart en ziel
+gevloeid. [688] Catharina van Siena is een der heiligen, die uit de
+zijwond van Christus gedronken hebben, gelijk het anderen ten deel viel,
+de melk van Maria's borsten te proeven: Sint Bernard, Heinrich Suso,
+Alain de la Roche.
+
+Alain de la Roche, in het latijn Alanus de Rupe, bij zijn Nederlandsche
+vrienden Van der Klip geheeten, kan als een der meest markante typen
+gelden van de Fransche, meer fantastische devotie en van de
+ultra-concrete geloofsverbeelding der laatste Middeleeuwen. Omstreeks
+1428 in Bretagne geboren, heeft hij als Dominicaan hoofdzakelijk in het
+Noorden van Frankrijk en in de Nederlanden gewerkt. Hij is te Zwolle bij
+de Fraters, met wie hij levendige betrekkingen onderhield, in 1475
+gestorven. Zijn voornaamste werk was het ijveren voor het gebruik van
+den rozenkrans, waartoe hij een gebedsbroederschap over de geheele
+wereld stichtte, aan welke hij het bidden voorschreef van vaste stelsels
+van Ave's, door Pater's afgewisseld. In het werk van dezen visionair,
+hoofdzakelijk preeken en beschrijvingen van zijn gezichten, [689] treft
+het sterk sexueele van zijn verbeeldingen, doch tegelijk het ontbreken
+van dien toon van gloeiende passie, die de sexueele verbeelding van het
+heilige rechtvaardigen kon. De zinnelijke uitdrukking der smeltende
+godsminne is hier louter procédé geworden. Er is niets van de
+overstroomende innigheid, die de honger-, dorst-, bloed- en
+liefde-fantazieën van de groote mystieken verheft. In de meditaties over
+elk van Maria's lichaamsdeelen, die hij aanbeveelt, in de nauwkeurige
+beschrijving van zijn herhaalde laving met de melk van Maria, in de
+symbolische systematiek, waarbij hij elk der woorden van het Onze Vader
+het bruidsbed van een der deugden noemt, spreekt een geest op zijn
+laatst, het verval van de hooggekleurde vroomheid der latere
+Middeleeuwen tot een uitgebloeiden vorm.
+
+Ook in de duivelenfantazie had het sexueele element een plaats: Alain de
+la Roche ziet de beesten der zonde met afschuwelijke teeldeelen, waaruit
+een vurige en zwavelige stortvloed breekt, die met zijn smook de aarde
+verduistert; hij ziet de meretrix apostasiae, die de afvalligen
+verslindt, weer uitbraakt en uitscheidt, weer verslindt, hen als een
+moeder kust en koestert, hen telkens opnieuw baart uit haren schoot.
+[690]
+
+Daar lag de tegenkant van de "zueticheit" der devoten. Als
+onvermijdelijk complement van de zoete hemelsche fantazie borg de geest
+een zwarten poel van hellevoorstellingen, die eveneens hun uitdrukking
+vonden in de gloeiende taal der aardsche zinnelijkheid. Het is zoo
+vreemd niet, dat er verbindingen zijn aan te wijzen tusschen de stille
+kringen der Windesheimers en het duisterste wat de Middeleeuwen tegen
+haar einde hebben voortgebracht: de heksenwaan, thans uitgegroeid tot
+dat noodlottig sluitende systeem van theologischen ijver en rechterlijke
+strengheid. Alanus de Rupe vormt zulk een schakel. Hij, de gaarne
+geziene gast van de Zwolsche fraters, was ook de leermeester van zijn
+ordebroeder Jakob Sprenger, die niet alleen met Heinrich Institoris den
+Heksenhamer geschreven heeft, maar ook in Duitschland de ijverige
+bevorderaar is geweest van Alanus' broederschap van den rozenkrans.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[637] Gerson, Tractatus VIII super Magnificat, Opera, IV p. 386.
+
+[638] Acta Sanctorum Martii, t. I p. 561, vgl. 540, 601.
+
+[639] K. Hefele, Der bl. Berhardin voor Siena und die franziskanische
+Wanderpredigt in Italien während des XV. Jahrhunderts, Freiburg, 1912,
+p. 79.
+
+[640] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 74, 86.
+
+[641] Zie boven blz. 255. (zie Hoofdstuk VI, noot 495)
+
+[642] Zie boven blz. 6 vgg. (zie Hoofdstuk I, tekst volgend op noot 7)
+
+[643] Acta Sanctorum Aprilis, t. I p. 195.--Noch van Vincent Ferrer,
+noch van Olivier Maillard en Clement Menot heb ik de Sermones in
+Nederland kunnen vinden. Het beeld, dat Hefele t.a.p. van de prediking
+in Italië geeft, kan echter in veel opzichten ook op de fransch-sprekende
+landen toepasselijk worden geacht.
+
+[644] Leven van S. Petrus Thomasius, Carmeliet, door Philippe de
+Mézières, Acta sanctorum Jan., t. II p. 997; Dionysius Cartus over
+Brugman's preektrant: De vita etc. christ.
+
+[645] Acta Sanctorum Apr., t. I p. 513.
+
+[646] James, l.c., p. 348: "For sensitiveness and narrowness, when they
+occur together, as they often do, require above all things a simplified
+world to dwell in"; cf. p. 353(1).
+
+[647] Moll, Brugman, I p. 52.
+
+[648] Dionys. Cartus. De quotidiano baptismate lacrimarum, t. XXIX,
+p. 84; Deoratione. t. XLI p. 31-55; Expositio hymni Audi benigne conditor,
+t. XXXV p. 34.
+
+[649] Acta sanctorum Apr., t. I p. 485, 494.
+
+[650] Chastellain, III p. 119; Antonio de Beatis (1517), L. Pastor, Die
+Reise des Kardinals Luigi d'Aragona, Freiburg 1905, p. 51(3), 52;
+Polydorus Vergilius, Anglicae historiae libri XXVI, Basileae, 1546,
+p. 15.
+
+[651] Gerson, Epistola contra libellum Johannis de Schonhavia, Opera, I
+p. 79.
+
+[652] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 44.
+
+[653] Ib. p. 48.
+
+[654] Gerson, De examinatione doctrinarum. Opera, I p. 19.
+
+[655] Ib. p. 16, 17.
+
+[656] Gerson, De distinctione etc., I p. 44.
+
+[657] Gerson, Tractatus II super Magnificat, Opera, IV p. 248.
+
+[658] 65 nutte artikelen van der passien ons Heren, Moll, Brugman, II
+p. 75.
+
+[659] Gerson, De monte contemplationis, Opera, III p. 562.
+
+[660] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 49.
+
+[661] Ib.
+
+[662] Acta sanctorum Martii, t. I p. 562.
+
+[663] James, l.c., p. 343.
+
+[664] Acta sanctorum, l.c., p. 552ss.
+
+[665] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 132; Religieux de Saint Denis, II
+p. 124; Joannis de Varennis Responsiones ad capita accusationum bij
+Gerson, Opera, I p. 925, 926.
+
+[666] Responsiones, l.c., p. 936.
+
+[667] Ib. p. 910ss.
+
+[668] Gerson, De probatione spirituum. Opera, I p. 41.
+
+[669] Gerson, Epistola contra libellum Joh. de Schonhavia, Opera, I p. 82.
+
+[670] Gerson, Sermo contra luxuriam. Opera, III p. 924.
+
+[671] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 55.
+
+[672] Opera, III p. 589ss.
+
+[673] Ib. p. 593.
+
+[674] Gerson, De consolatione theologiae, Opera, I p. 174.
+
+[675] Gerson, Epistola ... super tertia parte libri Joannis Ruysbroeck
+De ornatu nupt. spir., Opera, I p. 59, 67 etc.
+
+[676] Gerson, Epistola contra defensionem joh. de Schonhavia (polemiek
+over Ruusbroec), Opera, I p. 82.
+
+[677] Hetzelfde gevoel bij een moderne: "I committed myself to Him in
+the profoundest belief that my individuality was going to be destroyed,
+that he would take all from me, and I was willing", James, l.c., p. 223.
+
+[678] Gerson, De distinctione etc., I p. 55; De libris caute legendis, I
+p. 114.
+
+[679] Gerson, De examinatione doctrinarum, Opera, I p. 19; De
+distinctione, I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114; Epistola
+super Joh. Ruysbroeck De ornatu, I p. 62; De consolatione theologiae, I
+p. 174; De susceptione humanitatis Christi, I p. 455; De nuptiis Christi
+et ecclesiae, II p. 370; De triplici theologia, III p. 369.
+
+[680] Moll, Johannes Brugman, I p. 57.
+
+[681] Gerson, De distinctione etc., I p. 55.
+
+[682] Moll, Brugman. I p. 234, 314.
+
+[683] Ecclesiasticus 24, 29; vgl. Meister Eckhart, Predigten no. 43,
+p. 146. 26.
+
+[684] Ruusbroec, Die Spieghel der ewigher salicheit, cap. 7, Die
+chierheit der gheesteleker brulocht, 1. II c. 53, Werken, ed. David en
+Snellaert (Maatsch. der Vlaemsche bibliophilen) 1860(2), 1868, III p.
+156/9, VI p. 132.
+
+[685] Naar het hs. bij Oulmont, l.c., p. 277.
+
+[686] Vgl. de bestrijding dier meening door James, l.c., p. 10(1),
+191, 276.
+
+[687] Moll, Brugman, II p. 84.
+
+[688] Oulmont, l.c., p. 204, 210.
+
+[689] B. Alanus redivivus, ed. J. A. Coppenstein, Napels, 1462, p. 29,
+31, 105, 108, 116 etc.
+
+[690] Alanus redivivus, p. 209, 218.
+
+
+ * * * * *
+
+
+IX
+
+VERBEELDING EN GEDACHTE
+
+
+De aandoening wilde zich altijd onmiddellijk omzetten in bonte en
+gloeiende verbeelding. De geest meende het wonder te hebben begrepen,
+wanneer hij het voor oogen zag. De behoefte, om het onuitsprekelijke
+onder zichtbare teekenen te aanbidden, schiep steeds nieuwe figuren.
+In de veertiende eeuw zijn het kruis en het lam niet meer genoeg, om
+aan de overstroomende liefde voor Jezus een zichtbaar object te geven:
+de vereering van den naam Jezus voegt zich daaraan toe, en dreigt zelfs
+bij sommigen de kruisvereering in de schaduw te stellen. Heinrich Suso
+tatoeërt zich den naam Jezus op de hartstreek, en vergelijkt het met de
+beeltenis eener geliefde, die de minnaar in zijn kleed genaaid draagt.
+Hij zendt doekjes, waarop de zoete naam geborduurd staat, aan zijn
+geestelijke kinderen. [691]--Als Bernardino van Siena een geweldige
+preek besloten heeft, ontsteekt hij twee kaarsen en vertoont een bord
+van een el groot, waarop in goud op blauw de naam Jezus te midden van
+stralen; "het volk dat de kerk vult, ligt op de knieën, allen te zamen
+huilend en schreiend van zoete aandoening en teedere liefde tot Jezus".
+[692] Vele andere Franciscanen, en ook predikers van andere orden,
+volgden het na: Dionysius de Kartuizer wordt met zulk een naambord in de
+hoogopgeheven handen afgebeeld. De zonnestralen als helmteeken boven het
+wapen van Genève worden uit deze vereering afgeleid. [693] Zij scheen
+den kerkelijken autoriteiten bedenkelijk; men sprak van bijgeloof en
+idolatrie, er ontstonden tumulten voor en tegen het gebruik. Bernardino
+werd voor de curie gedaagd, en paus Martinus V verbood de gewoonte.
+[694] Doch in een anderen vorm vond weldra de behoefte, om den Heer
+zichtbaar te aanbidden, gewettigde bevrediging: de monstrans stelde de
+gewijde hostie zelf tot aanbidding ten toon. Voor den torenvorm, dien
+zij bij haar eerste opkomen in de veertiende eeuw had, kreeg de
+monstrans weldra dien van de stralende zon, symbool der goddelijke
+liefde. Ook hier had de Kerk aanvankelijk nog bedenkingen gekoesterd;
+het gebruik der monstrans was enkel gedurende de week van het
+sacramentsfeest toegestaan.
+
+De overmaat van verbeeldingen, waarin de uitbloeiende middeleeuwsche
+gedachte bijna alles had opgelost, zou louter wilde fantasmagorie zijn
+geweest, wanneer niet bijna elke figuur, elk beeld, zijn plaats had
+gehad in het groote, alles omvattende denksysteem van het symbolisme.
+
+Er was geen groote waarheid, die de middeleeuwsche geest stelliger wist,
+dan die van het woord aan de Corinthen: "Videmus nunc per speculum in
+aenigmate, tunc autem facie ad faciem"; "Want wij zien nu door eenen
+spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht
+tot aangezicht".--Zij hebben nooit vergeten, dat elk ding absurd zou
+zijn, als zijn beteekenis uitgeput was in zijn onmiddellijke functie en
+verschijningsvorm, dat alle dingen met een heel stuk reiken in de wereld
+aan den anderen kant. Dat weten is ook ons als ongeformuleerd gevoel nog
+op ieder oogenblik gemeenzaam, wanneer het geluid van den regen op de
+bladeren of het schijnsel van de lamp over de tafel even doordringt tot
+een dieper perceptie dan die van den praktischen denk- en handelingszin.
+Het kan zich voordoen als een ziekelijke oppressie, zoodat de dingen
+zwanger schijnen van een dreigende persoonlijke bedoeling of van een
+raadsel, dat men kennen moet en niet kennen kan. Het kan ook, en zal
+vaker, ons vullen met de rustige en sterkende verzekerdheid, dat ook ons
+eigen leven deel heeft aan dien geheimen zin der wereld. En hoe meer dat
+gevoel zich verdicht tot de huivering voor het Eene, waarvan alle dingen
+uitstroomen, hoe lichter het van de zekerheid van enkele klare
+oogenblikken zal overgaan tot een blijvend aanwezig levensgevoel, of
+zelfs een geformuleerde overtuiging. "By cultivating the continuous
+sense of our connection with the power that made things as they are, we
+are tempered more towardly for their reception. The outward face of
+nature need not alter, but the expressions of meaning in it alter. It
+was dead and is alive again. It is like the difference between looking
+on a person without love, or upon the same person with love.... When we
+see all things in God, and refer all things to him, we read in common
+matters superior expressions of meaning." [695]
+
+Dit is de gevoelsgrond, waarop het symbolisme opgroeit. Bij God bestaat
+niets ledigs of zonder beteekenis: "nihil vacuum neque sine signo apud
+Deum". [696] Zoodra God verbeeld was, moest ook dat al, wat van hem
+uitging en in hem zijn zin had, stollen of kristalliseeren tot
+geformuleerde gedachten. En zoo ontstaat die grootsche en edele
+verbeelding van de wereld als één groot symbolisch verband, een
+kathedraal van ideeën, de allerrijkst rythmische en polyphone
+uitdrukking van al het denkbare.
+
+De symbolische denkorde staat zelfstandig en op zich zelf gelijkwaardig
+naast de genetische. De laatste: het begrijpen van de wereld als
+ontwikkeling, was den Middeleeuwen niet zóo vreemd, als men het wel eens
+voorstelt. Doch het voortkomen van de dingen uit elkander werd nog
+alleen gezien onder de naïeve figuur van directe voortteling of van
+vertakking, en nog alleen toegepast volgens logische deductie, op de
+dingen van den geest. Die werden gaarne gezien in de geleding van
+genealogieën of van boomen met vertakkingen: een "arbor de origine
+juris et legum" rangschikte alles van het recht in het beeld van
+een wijdgespreiden boom. Enkel deductief toegepast behield de
+ontwikkelingsgedachte iets schematisch, willekeurigs en onvruchtbaars.
+
+Het symbolisme is, van het standpunt van het causale denken beschouwd,
+als een geestelijke kortsluiting. Het verband der dingen wordt niet
+gezocht als een band van oorzaak en gevolg, maar als een van beteekenis
+en doel. De overtuiging van zulk een verband kan ontstaan, zoodra twee
+dingen één essentieele eigenschap gemeen hebben, die te betrekken is op
+iets van algemeene waarde. Of met andere woorden: elke associatie op
+grond van eenigerlei gelijkheid kan zich onmiddellijk omzetten in het
+besef van een wezenlijk en mystisch verband. Dit kan van psychologisch
+gezichtspunt een zeer povere geestesfunctie schijnen. En van
+ethnologisch gezichtspunt kan men het bovendien een zeer primitieve
+geestesfunctie noemen. Het primitieve denken kenmerkt zich door een
+zwakheid van de waarneming der identiteitsgrenzen tusschen de dingen;
+het incorporeert in de voorstelling van een bepaald ding alles wat
+daarmee door gelijkenis of toebehooren in eenig verband staat. De
+symboliseerende functie hangt daarmede ten nauwste samen.
+
+Het symbolisme verliest evenwel dien schijn van willekeurigheid en
+onvoldragenheid, zoodra men zich er rekenschap van geeft, dat het
+onverbrekelijk verbonden is met die opvatting van het bestaande, welke
+in de Middeleeuwen realisme heette, en die wij, eigenlijk minder
+treffend, platonisch idealisme noemen.
+
+Alleen dan heeft de symbolische gelijkstelling op grond van
+gemeenschappelijke kenmerken zin, wanneer die kenmerken het wezenlijke
+aan de dingen zijn, wanneer de eigenschappen, die het symbool en het
+gesymboliseerde gemeen hebben, waarlijk als essentiën beschouwd worden.
+Rozen wit en rood bloeien tusschen doornen. De middeleeuwsche geest ziet
+terstond een symbolische beteekenis: maagden en martelaars stralen in
+heerlijkheid tusschen hun vervolgers. Hoe komt de gelijkstelling tot
+stand? Doordat de hoedanigheden dezelfde zijn: de schoonheid, teerheid,
+zuiverheid, de bloedroodheid der rozen zijn ook die der maagden en
+martelaars. Doch dit verband is alleen dan waarlijk zinrijk en vol van
+mystische beteekenis, wanneer in het verbindende lid, in de hoedanigheid
+dus, het wezen der beide termen van het symbolisme ligt opgesloten, met
+andere woorden, wanneer de roodheid en de witheid niet gelden als louter
+benamingen voor physisch onderscheid op quantitatieven grondslag, maar
+gezien worden als realiën, wezenlijkheden. Ook óns denken vermag nog elk
+oogenblik ze zoo te zien, [697] als het maar even terugkeert tot de
+wijsheid van den wilde, het kind, den dichter en den mysticus, voor wie
+de natuurlijke gesteldheid der dingen ligt opgesloten in hun algemeene
+hoedanigheid. De hoedanigheid is hun watheid, de kern van hun zijn.
+Schoonheid, teerheid, witheid, essentiën zijnde, zijn eenheden: alles
+wat schoon, teer, wit is, moet in wezen samenhangen, heeft denzelfden
+bestaansgrond, dezelfde beteekenis (be-teekenis) voor God.
+
+Zoo is er een onverbrekelijk verband tusschen symbolisme en realisme (in
+den middeleeuwschen zin).
+
+Men moet hier niet te veel denken aan den strijd over de universalia.
+Zeker, het realisme, dat de "universalia ante res" verklaarde, dat aan
+de algemeene begrippen wezen en praeëxistentie toekende, is geen
+alleenheerscher geweest op het gebied van het middeleeuwsche denken.
+Er zijn ook nominalisten geweest: ook het "universalia post rem" heeft
+zijn voorstanders gehad. Doch de stelling is niet te gewaagd, dat het
+radicale nominalisme nooit anders dan tegenstrooming, reactie, oppositie
+is geweest, en dat het jongere, gematigde nominalisme enkel zekere
+philosophische bezwaren tegen een extreem realisme tegemoet kwam, maar
+aan de inhaerent-realistische denkrichting der gansche middeleeuwsche
+geestesbeschaving niets in den weg legde.
+
+Inhaerent aan de gansche beschaving. Want het komt niet in de eerste
+plaats op dien strijd van scherpzinnige theologen aan, maar op de
+voorstellingen, die het geheele verbeeldings- en gedachtenleven, zooals
+het zich uit in de kunst, de moraal, het dagelijksch leven, beheerschen.
+Deze zijn extreem realist, niet omdat de hooge theologie in een lange
+school van neo-platonisme was geformeerd, maar omdat het realisme,
+buiten alle philosophie om, de primitieve denkwijze is. Voor den
+primitieven geest neemt alles wat benoembaar is, terstond wezen aan, of
+het hoedanigheden zijn, begrippen of wat ook. Zij projecteeren zich
+terstond automatisch aan den hemel. Hun wezen kan bijna altijd (behoeft
+niet altijd) worden opgevat als persoonlijk wezen; ieder oogenblik kan
+de reidans van anthropomorphe begrippen beginnen.
+
+Alle realisme, in den middeleeuwschen zin, is tenslotte
+anthropomorphisme. Wanneer de gedachte, die aan de idee een zelfstandig
+wezen heeft toegekend, wil worden gezien, dan kan zij dat niet anders
+dan door personificatie. Hier ligt de overgang van symbolisme en
+realisme naar allegorie. De allegorie is het naar de oppervlakkige
+verbeeldingskracht geprojecteerde symbolisme, de opzettelijke
+uitwerking, daarmee ook uitputting, van een symbool, het overbrengen van
+een hartstochtelijken kreet tot een grammatisch correcten zin. Goethe
+beschrijft de tegenstelling aldus: "Die Allegorie verwandelt die
+Erscheinung in einen Begriff, den Begriff in ein Bild, doch so, dass der
+Begriff im Bilde immer noch begrenzt und vollständig zu halten und zu
+haben und an demselben auszusprechen sei. Die Symbolik verwandelt die
+Erscheinung in Idee, die Idee in ein Bild, und so, dass die Idee im Bild
+immer unendlich wirksam und unerreichbar bleibt und selbst in allen
+Sprachen ausgesprochen doch unaussprechlich bleibe." [698]
+
+De allegorie heeft dus inzichzelf reeds het karakter van schoolsche
+normaliseering, en tegelijk van een vertering, een opgaan der gedachte
+in het beeld. De wijze, waarop zij het middeleeuwsche denken was
+binnengekomen: als litteraire aflegger van de late Oudheid in de
+allegorische producten van Martianus Capella en Prudentius, verhoogde
+het schoolsche en oudachtige karakter. En toch meene men niet, dat het
+de middeleeuwsche allegorie en personificatie aan echtheid en leven
+ontbrak. Trouwens, had zij die niet bezeten, hoe zou dan de middeleeuwsche
+beschaving haar zoo aanhoudend en met zulk een voorliefde hebben
+gecultiveerd?
+
+Te zamen vereenigd hebben deze drie denkwijzen: realisme, symbolisme en
+personificatie, den middeleeuwschen geest doorschenen als een stroom van
+licht. De psychologie zou wellicht het geheele symbolisme willen afdoen
+met den term ideeënassociatie. Maar de geschiedenis der geestesbeschaving
+heeft dien denkvorm eerbiediger te beschouwen. De levenswaarde van de
+symbolische verklaring van het bestaande was onschatbaar. Het symbolisme
+schiep een wereldbeeld van nog strenger eenheid en inniger verband, dan
+het causaal-natuurwetenschappelijk denken vermag. Het omvademde met zijn
+sterke armen de geheele natuur en de geheele geschiedenis. Het schept
+daarin een onverbrekelijke rangorde, een architectonische geleding, een
+hiërarchische subordinatie. Want in elk symbolisch verband moet een
+lager en een hooger zijn; gelijkwaardige dingen kunnen elkanders symbool
+niet zijn, maar enkel samen wijzen naar een derde, dat hooger is. In het
+symbolisch denken is ruimte voor een onmetelijke veelvuldigheid van
+betrekkingen tusschen de dingen. Want elk ding kan met zijn verschillende
+hoedanigheden symbool zijn van velerlei andere, en ook met één en
+dezelfde hoedanigheid verschillende dingen beteekenen; en de hoogste
+dingen hebben hun duizenderlei symbolen. Geen ding is te nederig om het
+hoogste te beduiden en aan te wijzen ter verheerlijking. De okkernoot
+beteekent Christus: de zoete kern is de goddelijke natuur, de vleezige
+buitenschil de menschelijke, en de houten schaal daartusschen is het
+kruis. Alle dingen bieden stut en steun voor het opstijgen der gedachte
+naar het eeuwige; alle beuren elkaar van trede tot trede omhoog. Het
+symbolische denken geeft een voortdurende transfusie van het gevoel van
+God's majesteit en eeuwigheid in al het waarneembare en denkbare. Het
+houdt voortdurend het mystische levensgevoel brandend. Het doordringt de
+voorstelling van elk ding met verhoogde aesthetische en ethische waarde.
+Denk het genot, als elke edelsteen fonkelt met de glanzen van al zijn
+symbolische waarden, als de vereenzelviging van rozen en maagdelijkheid
+meer is dan een dichterlijk zondagskleed, als zij het wezen van beide
+aangeeft. Het is een waarlijke polyphonie der gedachte. Bij een
+doorgedacht symbolisme klinkt in elke voorstelling een harmonisch
+accoord van symbolen. Het symbolisch denken geeft dien zwijmel der
+gedachte, die prae-intellectueele vervloeiing van de identiteitsgrenzen
+der dingen, die tempering van het verstandelijk denken, welke het
+levensbesef op zijn hoogste heft.
+
+Een harmonisch verband verbindt voortdurend alle gebieden der gedachte.
+De feiten van het Oude Testament beduiden, praefigureeren die van het
+Nieuwe, die der profane geschiedenis weerspiegelen hetzelfde. Bij elk
+denken valt, als in een kaleidoscoop, uit de ongeordende massa partikels
+een schoone en symmetrische figuur samen. Elk symbool krijgt een
+overwaarde, een veel sterkere graad van wezenlijkheid, doordat allen
+tenslotte geschaard staan rondom het centrale wonder der eucharistie, en
+daar is de gelijkheid geen symbolische meer, maar identiteit: de hostie
+is Christus. En de priester, die haar tot zich neemt, wordt daarmee het
+graf des Heeren; het afgeleide symbool deelt in de werkelijkheid van het
+opperste mysterie, elk beduiden wordt een mystisch één-zijn. [699]
+
+Door het symbolisme werd het mogelijk, de wereld, die in zich zelf
+verwerpelijk was, toch te waardeeren en te genieten, en ook het aardsche
+bedrijf te veredelen. Want elk beroep had zijn symbolische betrekking op
+het hoogste en heiligste. De arbeid van den handwerker is de eeuwige
+generatie en incarnatie des Woords en de bond tusschen God en de ziel.
+[700] Zelfs tusschen de aardsche liefde en de goddelijke liepen de
+draden van het symbolisch contact. Het sterke religieuze individualisme,
+dat wil zeggen de cultiveering van de eigen ziel tot deugd en zaligheid,
+vond zijn heilzaam tegenwicht in het realisme en symbolisme, die het
+eigen leed, de eigen deugd, losmaakten uit de bijzonderheid van het
+persoonlijke, en ophieven in de sfeer van het universeele.
+
+De zedelijke waarde van de symbolische denkwijze is onafscheidelijk van
+haar verbeeldingswaarde. De symbolische verbeelding is als de muziek op
+den tekst der logisch uitgedrukte leerstellingen. "En ce temps où la
+spéculation est encore toute scolaire, les concepts définis sont
+facilement en désaccord avec les intuitions profondes." [701] Door het
+symbolisme stond de geheele godsdienstige voorstellingsrijkdom open voor
+de kunst, om haar uit te drukken, klank- en kleurrijk, en tegelijk vaag
+en zwevend, zoodat de diepste intuïties erop konden wegvlieden naar het
+besef van het onzegbare.
+
+ * * * * *
+
+De eindigende Middeleeuwen vertoonen die geheele denkwereld in haar
+laatsten uitbloei. De wereld lag volkomen uitgespreid in die
+alomvattende verzinnebeelding, en de symbolen werden als versteende
+bloemen. Van oudsher had overigens het symbolisme de neiging bezeten, om
+zuiver mechanisch te worden. Eenmaal als beginsel gegeven, ontspruit het
+niet alleen uit dichterlijke verbeelding en vervoering, maar hecht zich
+als een woekerplant aan het denken, en ontaardt tot louter hebbelijkheid
+en een ziekte der gedachte. Met name wanneer het symbolisch contact
+eenvoudig voortvloeit uit gelijkheid van getal, ontstaan heele
+verschieten van ideëele afhankelijkheden. Het worden rekensommetjes. De
+twaalf maanden zullen de twaalf apostelen beduiden, de vier jaargetijden
+de evangelisten, en het geheele jaar moet dan Christus zijn. [702] Er
+conglomereeren zich gansche systemen van zeventallen. Met de zeven
+hoofddeugden correspondeeren de zeven beden van het Onze Vader, de zeven
+gaven van den heiligen geest, de zeven zaligsprekingen en de zeven
+boetpsalmen. Zij hebben weer betrekking op de zeven momenten van de
+passie en op de zeven sacramenten. Elk nummer van elk zevental
+correspondeert weer als tegenstelling of geneesmiddel met de zeven
+hoofdzonden, die weer door zeven dieren verbeeld en door zeven ziekten
+gevolgd worden. [703] Bij een zielzorger en moralist als Gerson, aan
+wien deze voorbeelden zijn ontleend, overweegt de praktisch zedelijke
+waarde van het symbolisch verband. Bij een visionair als Alain de la
+Roche overweegt daarin het aesthetische. [704] Hij moet een systeem
+hebben, waarin vijftien en tien de getallen zijn, want de gebedencyclus
+van de broederschap van den rozekrans, waarvoor hij ijverde, omvat 150
+Ave's, afgewisseld door 15 Pater's. Die vijftien Pater's zijn de
+vijftien oogenblikken der passie, de 150 Ave's zijn de psalmen. Zij
+zijn nog veel meer. Door de elf hemelsferen plus de vier elementen
+te vermenigvuldigen met de tien categorieën: substantia, qualitas,
+quantitas enz., krijgt men 150 habitudines naturales; evenzoo 150
+habitudines morales, door de tien geboden te vermenigvuldigen met
+vijftien deugden: de drie theologale, de vier cardinale, de zeven
+capitale deugden, maakt veertien; "restant duae: religio et
+poenitentia", nu is er één te veel, maar temperantia, de cardinale, is
+gelijk aan abstinentia, [705] de capitale, blijft over vijftien. Elk
+dier vijftien deugden is een koningin, die haar bruidsbed heeft in een
+der fracties van het Onze Vader. Elk der woorden van het Ave beduidt een
+der vijftien volmaaktheden van Maria, en tegelijk een edelsteen aan de
+rupis angelica, die zij zelve is; elk woord verdrijft een zonde of het
+dier, dat die verbeeldt. Zij zijn bovendien de takken van een boom vol
+vruchten, waarin alle gezaligden zitten, en de treden van een trap.
+Zoo beduidt bij voorbeeld het woord Ave de onschuld van Maria, en den
+diamant, en verdrijft den hoogmoed, die den leeuw tot dier heeft. Het
+woord Maria is haar wijsheid en de karbonkel en verdrijft den nijd,
+een bijster zwarten hond. Alanus ziet in zijn vizioenen de gruwelijke
+gedaanten der zondedieren en de schitterende kleuren der edele steenen,
+wier oud befaamde wonderkracht weer nieuwe symbolische associaties wekt.
+De sardonix is zwart, rood en wit, gelijk Maria zwart was in nederigheid,
+rood in haar smarten, en wit in glorie en genade. Zij trekt als zegelsteen
+niets aan van de was: deugd der eerzaamheid, verdrijft onkuischheid en
+maakt eerzaam en schaamachtig. De parel is het woord gratia, en ook
+Maria's eigen gratie; zij ontstaat in de zeeschelp uit een dauw des hemels
+"sine admixtione cuiuscunque seminis propagationis". Maria zelf is die
+schelp; hier verspringt het symbolisme even, want in de reeks der overige
+zou men haar als de parel verwachten. Hier komt ook het kaleidoscopische
+der symboliek treffend uit: met de woorden "uit een dauw des hemels
+geteeld" is meteen, onuitgedrukt, die andere trope der maagdelijke
+geboorte: het vlies, waarop Gideon het hemelsch teeken afsmeekte, in het
+bewustzijn geroepen.
+
+De symboliseerende denkvorm was zoo goed als versleten. Het vinden van
+symbolen en allegorieën was een ijdel spel geworden, een oppervlakkig
+fantazeeren op een enkel gedachtenverband. Het symbool behoudt zijn
+gevoelswaarde alleen door de heiligheid der dingen, die het verbeeldt:
+zoodra het symboliseeren van het zuiver godsdienstige gebied afvloeit
+naar het enkel moreele, ziet men het in zijn hopelooze verbastering.
+Froissart weet in een uitvoerig gedicht _Li orloge amoureus_ alle
+eigenschappen der liefde met de onderdeelen van een uurwerk te
+vergelijken. [706] Chastellain en Molinet wedijveren in politieke
+symbolismen: in de drie standen zijn de eigenschappen van Maria
+gefigureerd; de zeven keurvorsten, drie geestelijke en vier wereldlijke,
+beteekenen de drie theologale en vier cardinale deugden; de vijf steden
+Saint-Omer, Aire, Rijssel, Douai en Valenciennes, die in 1477 Bourgondië
+trouw blijven, worden de vijf wijze maagden. [707] Eigenlijk heeft men
+hier te doen met een omgekeerd symbolisme, waarbij niet het lagere naar
+het hoogere wijst, maar het hoogere naar het lagere. Want in den geest
+van den schrijver staan de aardsche dingen, die hij met wat hemelsche
+versiering verheerlijken wil, vooraan. De _Donatus moralisatus seu per
+allegoriam traductus_, die wel eens aan Gerson is toegeschreven, bracht
+de latijnsche grammatica bij, met theologische symboliek gemengd: het
+nomen is de mensch, het pronomen beduidt, dat hij een zondaar is. Op den
+laagsten trap van de symboliseering staat een gedicht als _Le parement
+et triumphe des dames_ van Olivier de la Marche, waarin het gansche
+vrouwelijk toilet wordt vergeleken met deugden en voortreffelijkheden,
+een brave zedepreek van den ouden hoveling, met een enkel schuin
+knipoogje. De pantoffel beduidt de nederigheid:
+
+ "De la pantouffle ne nous vient que santé
+ Et tout prouffit sans griefve maladie,
+ Pour luy donner tiltre d'auctorité
+ Je luy donne le nom d'humilité."
+
+Zoo worden de schoenen zorg en vlijt, de kousen volharding, de kouseband
+vastberadenheid, het hemd eerbaarheid en het keurs kuischheid. [708]
+
+Toch is natuurlijk, zelfs in haar meest zoutelooze uitingen, de
+symboliek en allegorie voor den middeleeuwschen geest van een veel
+levender gevoelswaarde geweest, dan wij ons voorstellen. De functie van
+het symbolisch gelijkstellen en het persoonlijk verbeelden was zoo
+ontwikkeld, dat haast vanzelve elke gedachte zich kon omzetten in een
+personnage, een vertooning. Elke idee werd immers als wezen gezien, elke
+hoedanigheid als zelfstandigheid, en als wezen kregen zij voor het
+beeldende gezicht terstond persoonlijken vorm. Dionysius de Kartuizer
+ziet in zijn revelaties de Kerk juist even persoonlijk en tooneelmatig,
+als zij vertoond werd op het hoffeest van Rijsel. In een zijner
+openbaringen ziet hij de toekomstige reformatio, die naar welke de
+vaderen van het concilie en Dionysius' geestverwant Nicolaas van Cusa
+streefden: de Kerk derhalve in haar toekomstige zuiverheid. De
+geestelijke schoonheid dier gezuiverde Kerk ziet hij als een overschoon
+en allerkostbaarst kleed van onbeschrijfelijke fraaiheid in
+allerkunstigste mengeling van kleuren en figuren. Een andermaal ziet hij
+de Kerk in haar verdrukking: leelijk, ruig en bloedeloos, arm, zwak en
+verschopt. De Heer zegt: hoor uwe Moeder, mijne bruid, de heilige Kerk,
+en daarop hoort Dionysius de innerlijke stem als uit de figuur der Kerk
+komende: "quasi ex persona Ecclesiae". [709] Zoo onmiddellijk komt hier
+de gedachte in beeldvorm, dat de herleiding van het beeld tot gedachte,
+de verklaring der allegorie in bijzonderheden, nauwelijks als noodig
+wordt gevoeld, als het gedachtenthema maar even is aangegeven. Het bonte
+kleed is volkomen adequaat aan de voorstelling van geestelijke
+volmaaktheid; er is hier een oplossing van de gedachte in het beeld,
+zooals ons een oplossing der gedachte in muziek gemeenzaam is.
+
+Men denke hier opnieuw aan de allegorische figuren uit den _Roman de la
+rose._ Wij kunnen ons niet dan met inspanning iets denken bij Bel
+Accueil, Doulce Mercy, Humble Requeste. Maar zij hebben voor de
+tijdgenooten een met levenden vorm bekleede en met passie gekleurde
+wezenlijkheid gehad, die hen volkomen op één lijn stelt met de
+Romeinsche speciale godenfiguren. Wat Usener van deze zegt, is bijna
+geheel toe te passen op de middeleeuwsche allegorische personnages. "Die
+Vorstellung trat mit sinnlicher Kraft vor die Seele und übte eine solche
+Macht aus, dass das Wort, das sie sich schuf, trotz der adjectivischen
+Beweglichkeit, die ihm verblieb, dennoch ein göttliches Einzelwesen
+bezeichnen konnte". [710] Anders zou immers de _Roman de la rose_
+onleesbaar zijn geweest. Doux Penser, Honte, Souvenirs en de rest hebben
+in de geesten der latere Middeleeuwen een quasi-goddelijk leven gehad.
+Een recrudescentie van die voorstelling beleefde één der Rose-figuren,
+namelijk Danger, wat in de amoureuze taal den te bedriegen echtgenoot
+ging beteekenen.
+
+Herhaaldelijk ziet men, om een gedachte uit te drukken, waar het
+bijzonder op aankomt, naar de allegorie grijpen. Wanneer de bisschop van
+Chalons aan Philips den Goede een zeer ernstige waarschuwing omtrent
+zijn politiek beleid wil geven, giet hij de remonstrance, die hij in het
+kasteel van Hesdin op Sint Andriesdag 1437 voor den hertog, de hertogin
+en hun gevolg ten beste geeft, in den vorm van een allegorie. Hij vindt
+Haultesse de Signourie troosteloos zitten, die eerst in het Keizerrijk,
+daarna aan het Fransche, tenslotte aan het Bourgondische hof heeft
+gewoond, en nu klaagt, ook daar te worden belaagd door Zorgeloosheid des
+vorsten, Slapheid van raad, Nijd van dienaren, Afpersing van onderdanen.
+Hij stelt er andere personnages tegenover, als Waakzaamheid des vorsten
+enz., die het ontrouwe hofgezin moeten verdrijven. [711] Elke hoedanigheid
+is hier verzelfstandigd en als persoon verbeeld.
+
+De Burger van Parijs is een nuchter man, die zich zelden verlustigt in
+stijlversiering of gedachtenspel. Maar wanneer hij genaderd is tot het
+vreeselijkste, dat hij te beschrijven heeft: de Bourguignonsche moorden,
+die het Parijs van Juni 1418 den bloedgeur van September 1792 gaven,
+neemt hij de allegorie te baat. [712] "Lors se leva la deesse de
+Discorde, qui estoit en la tour de Mau-conseil, et esveilla Ire la
+forcenée et Convoitise et Enragerie et Vengence, et prindrent armes de
+toutes manières et bouterent hors d'avec eulx Raison, Justice, Memoire
+de Dieu et Atrempance moult honteusement." Zoo gaat het verder,
+afgewisseld door de directe beschrijving van den gruwel: "Et en mains
+que on yroit cent pas de terre depuis que mors estoient, ne leur
+demouroit que leurs brayes, et estoient en tas comme porcs ou millieu de
+la boe...."; de stortregens wasschen hun wonden schoon.--Wat beteekent
+juist hier de allegorie? Heeft zij hier niet de functie van een
+uitdrukkingsmiddel voor het tragische besef, de overbrenging van de
+vreeselijke gebeurtenissen op een plan boven dat van den individueelen
+toeleg der menschen?
+
+Hoe levend de functie der personificatie en allegoriseering nog in de
+laatste Middeleeuwen was, blijkt juist uit die trekken, welke ons in dat
+alles het storendst schijnen. Wij kunnen een allegorie nog eenigermate
+genieten in tableau-vivant, de geijkte figuren behangen met onwezenlijke
+draperie, die aan iedereen zegt, dat het maar gekheid is. Maar de
+vijftiende eeuw kan de allegorische figuren zoo goed als de heiligen nog
+laten rondloopen in de kleeren van den dag. En zij kan ieder oogenblik
+nog nieuwe verpersoonlijkingen scheppen voor elke gedachte, die zij wil
+uitdrukken. Als Charles de Rochefort in _l'Abuzé en court_ de moraliteit
+wil verhalen van den lichtzinnigen jongeling, die door het hofleven op
+'t slechte pad wordt gebracht, schudt hij een gansche reeks nieuwe
+allegorieën in den trant van de _Rose_ uit zijn mouw; en al die voor ons
+zoo bleeke wezens: Fol cuidier, Folle bombance, tot het eind, wanneer
+Pauvreté en Maladie den jongeling meenemen naar het hospitaal, treden in
+de miniaturen, die het gedicht verluchten, op als jonkers van den tijd;
+zelf le Temps heeft geen baard of zeis van noode, en komt in wambuis en
+hozen. Ons maken de illustraties met hun naïeve strakheid de
+voorstelling van dat alles al te primitief; al het teere en bewegelijke,
+dat de tijd zelf in die concepties voelde, is voor ons vervluchtigd.
+Juist in hun alledaagschheid ligt het kenmerk van hun levendheid. Het
+heeft voor Olivier de la Marche niets storends, dat de twaalf deugden,
+die een entremets bij het hoffeest van Rijssel in 1454 vertoonen, nadat
+hun versje is voorgelezen, aan het dansen gaan "en guise de mommerie et
+à faire bonne chiere, pour la feste plus joyeusement parfournir."
+[713]--Aan deugden en aandoeningen verbindt zich een menschvormige
+voorstelling nog eenigermate ongewild, maar ook in gevallen, waar voor
+ons het begrip niets anthropomorphs zou hebben, schroomt de
+middeleeuwsche geest niet, om er een persoon van te maken. Quaresme als
+persoonlijke figuur is niet een schepping van Breughel's dolle brein,
+die hem laat optrekken tegen het heir van Vastenavond; al veel eerder
+treedt hij als zoodanig in de litteratuur op. [714] Ook het spreekwoord
+kent hem zoo: "Quaresme fait ses flans la nuit de Pasques."
+
+Welk graadverschil is er geweest in de wezenlijkheid der voorstelling
+tusschen de heiligen en de zuiver zinnebeeldige figuren? De eersten
+hadden de bevestiging der Kerk, hun historisch karakter, hun beelden van
+hout en steen. Maar de laatsten hadden de aanraking met het eigen
+zieleleven en met de vrije fantazie. Men kan in ernst twijfelen, of niet
+Fortune en Faux Semblant evenveel leven hebben gehad als Sinte Barbara
+en Sint Christoffel. Vergeten wij niet, dat één figuur, buiten elke
+dogmatische of traditioneele sanctie opgekomen uit de vrije fantazie,
+meer realiteit heeft verworven dan eenige heilige, en hen allen heeft
+overleefd: de Dood.
+
+Een wezenlijk contrast tusschen de allegorie der Middeleeuwen en de
+mythologie der Renaissance is er eigenlijk niet. Vooreerst begeleiden de
+mythologische figuren reeds gedurende een goed stuk der Middeleeuwen de
+vrije allegorie: Venus speelt haar rol in het zuiverst middeleeuwsche,
+wat er gedicht is. Aan den anderen kant behoudt de vrije allegorie haar
+fleur nog lang in de zestiende eeuw en later. In de veertiende eeuw
+begint als 't ware een wedstrijd tusschen allegorie en mythologie. In de
+gedichten van Froissart treden naast Doux Semblant, Jonece, Plaisance,
+Refus, Dangier, Escondit, Franchise een zonderling stel van soms
+onkenbaar verminkte mythologemen op: Atropos, Cloto, Lachesis, Telephus,
+Ydrophus, Neptisphoras! De goden en godinnen leggen het in volheid van
+verbeelding nog af bij de personages van de _Rose_; zij blijven nog hol
+en schimmig. Of zij worden, als zij 't rijk alleen hebben, uitermate
+barok en onklassiek, zooals in de _Epistre d'Othéa à Hector_ van
+Christine de Pisan. Het komen der Renaissance is de omkeering van die
+verhouding. Gaandeweg winnen de Olympiërs en de nimfen het van de _Rose_
+en de Sinnekens. Uit de rijkdommen der Oudheid stroomt hun een volheid
+toe van stijl en sentiment, een dichterlijke schoonheid, en bovenal een
+eenheid met het natuurgevoel, waarbij de eens zoo levende allegorie
+verbleekte en verdween.
+
+Het symbolisme met zijn dienares de allegorie was een speling van het
+vernuft geworden; het zinrijke werd zinloos. De symbolische denkwijze
+belemmerde de ontplooiing van het causaal-genetische denken. Niet dat
+het door het symbolisme werd uitgesloten; het natuurlijk-genetisch
+verband der dingen had zijn plaats naast het symbolisch verband, maar
+het bleef onbelangrijk, zoolang de belangstelling zich niet verplaatst
+had van het symbolisme naar de natuurlijke ontwikkeling. Een voorbeeld
+ter verduidelijking. Voor de verhouding van het geestelijk en het
+wereldlijk gezag stonden in de Middeleeuwen twee symbolische
+vergelijkingen vast: het zijn de twee hemellichamen, zooals God ze bij
+de schepping het een boven het ander had gesteld, en het zijn de twee
+zwaarden, die de discipelen bij zich hadden, toen Christus
+gevangengenomen werd. Deze symbolen nu zijn voor de middeleeuwsche
+gedachte niet maar een geestige vergelijking; zij geven den grond aan
+der gezagsverhouding, die zich aan dat mystisch verband niet mag
+onttrekken. Zij hebben dezelfde voorstellingswaarde als dat Petrus de
+rots der Kerk is. De dwang van het symbool staat het onderzoek naar de
+historische ontwikkeling der beide machten in den weg. Wanneer Dante dit
+laatste als noodzakelijk en beslissend onderkent, dan moet hij, in zijn
+_Monarchia_, eerst de kracht van het symbool ontzenuwen, door zijn
+toepasselijkheid te bestrijden, eer de weg vrij is voor het historisch
+onderzoek.
+
+Een woord van Luther keert zich tegen de euvelen van de willekeurige,
+beuzelachtige allegorie in de godgeleerdheid. Hij spreekt van
+grootmeesters der middeleeuwsche theologie, van Dionysius den Kartuizer,
+van Guilielmus Durandus, den schrijver van het _Rationale divinorum
+officiorum_, van Bonaventura en Gerson, als hij uitroept: "die
+allegorische studiën zijn het werk van lieden zonder bezigheid. Of meent
+gij, dat het mij moeilijk zou vallen, over elke geschapen zaak met
+allegorieën te spelen? Wie is zoo gering van vernuft, dat hij zich niet
+in allegorieën zou kunnen beproeven!" [715]
+
+Het symbolisme was een gebrekkige uitdrukking voor vast geweten
+samenhangen, zooals zij ons soms bewust worden bij het hooren van
+muziek--"Videmus nunc per speculum in aenigmate". Men wist, dat men in
+een raadsel zag, en toch had men getracht, de beelden in den spiegel te
+onderscheiden, en beelden met beelden verklaard, en spiegel tegenover
+spiegel gezet. De gansche wereld lag verbeeld in zelfstandige figuren:
+het is een getijde van overrijpheid en uitbloeiing. De gedachte was al
+te afhankelijk geworden van de verbeelding; de visueele aanleg, den
+laatsten Middeleeuwen zoo bovenmate eigen, was oppermachtig geworden.
+Alle denkbaarheden waren plastisch en picturaal geworden. De
+wereldvoorstelling had de rust bereikt van een kathedraal in het
+maanlicht, waarin de gedachte kon gaan slapen.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[691] Seuse, Leben, kap. 4, 45, Deutsche Schriften, p. 15, 154; Acta
+Sanctorum Jan., t. II p. 656.
+
+[692] Hefele, l.c., p. 167; vgl. p. 259 "Over den naam van Jezus", B.'s
+verdediging van het gebruik.
+
+[693] Eug. Demole, Le soleil comme cimier des armes de Genève, vermeld
+Revue historique CXXIII p. 450.
+
+[694] Rod. Hospinianus, De templis etc. ed. IIa, Tiguri, 1603, p. 213.
+
+[695] James, Varieties of religieus experience, p. 474, 475.
+
+[696] Irenaeus, Adversus haereses libri V, 1. IV c. 21(3).
+
+[697] Over de noodwendigheid van zulk realisme James, l.c., p. 56.
+
+[698] Goethe, Sprüche in Prosa.
+
+[699] St. Bernard, Libellus ad quendam sacerdotem, bij Dion. Cart. De
+vita et regimine curatorum, t. XXXVII p. 222.
+
+[700] Bonaventura, De reductione artium ad theologiam, Opera, ed. Paris,
+1871, t. VII, p. 502.
+
+[701] P. Rousselot, Pour l'histoire du problème de l'amour (Bäumker &
+Von Hertling, Beitr. zur Gesch. der Philosophie im Mittelalter, VI 6)
+Münster, 1908.
+
+[702] Sicard, Mitrale sive de officiis ecclesiasticis summa, Migne,
+t. CCXIII c. 232.
+
+[703] Gerson, Compendium Theologiae, Opera, I p. 234, 303s, 325,
+Meditatio super septimo psalmo poenitentiali, IV p. 26.
+
+[704] Alanus redivivus, passim.
+
+[705] Op blz. 12 (zie Hoofdstuk I, tekst voor noot 17) wordt fortitudo
+met abstinentia gelijkgesteld, maar op p. 201 (zie Hoofdstuk IV tekst
+voor noot 386) is het temperantia, die in de reeks ontbreekt; dit zal de
+bedoeling zijn. Er zijn ook nog andere verschillen.
+
+[706] Froissart, Poésies, ed. Scheler. I p. 53.
+
+[707] Chastellain, Traité par forme d'allégorie mystique sur l'entrée du
+roy Loys en nouveau règne, Oeuvres, VII p. 1; Molinet, II p. 71, III
+p. 112.
+
+[708] Vgl. Coquillart, Les droits nouveaux, ed. d'Héricault, I p. 72.
+
+[709] Opera, I p. xliv sq.
+
+[710] H. Usener, Götternamen, Versuch zu einer Lehre von der religiösen
+Begriffsbildung, Bonn, 1896, p. 73.
+
+[711] J. Mangeart, Catalogue des mss. de la bibl. de Valenciennes, 1860.
+p. 687.
+
+[712] Journal d'un bourgeois, p. 96.
+
+[713] La Marche, II p. 378.
+
+[714] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 183. Vgl Rabelais, Pantagruel,
+I. IV ch. 29.
+
+[715] De captivitate babylonica ecclesiae praeludium. Werke ed. Weimar,
+VI p. 562.
+
+
+ * * * * *
+
+
+X
+
+HET FALEN DER VERBEELDING
+
+
+Het symbolisme was als de levende adem der middeleeuwsche gedachte.
+De gewoonte, om alle dingen in hun zinrijk verband en hun betrekking tot
+het eeuwige te zien, hield in de denkbeeldenwereld de schittering gaande
+van verschietende kleuren en de wisseling van vervloeiende grenzen.
+Wanneer de symboliseerende functie òf uitblijft, òf louter mechanisch
+is geworden, dan wordt het grootsche gebouw der van God gewilde
+afhankelijkheden een necropool. Een systematisch idealisme, dat overal
+de betrekkingen tusschen de dingen stelt krachtens hun als essentieel
+beschouwde algemeene hoedanigheid, leidt licht tot starheid en
+onvruchtbare classificeering. De indeeling en onderverdeeling der
+begrippen, enkel deductief verricht, is zoo gemakkelijk; de ideeën laten
+zich zoo gewillig rangschikken aan het gewelf van den wereldbouw. Er is
+behoudens de regelen der abstracte logica geen correctief, dat ooit een
+fout in de classificatie aanwijst, en daardoor wordt de geest misleid
+omtrent de waarde van zijn denkarbeid, en de stelligheid van het systeem
+wordt overschat. Elke notie, elk begrip staat als een ster aan het
+firmament. Om van eenig ding het wezen te kennen, vraagt men niet naar
+zijn inwendigen bouw, ziet men niet naar de lange schaduw der
+geschiedenis achter het, maar kijkt op naar den hemel, waar het straalt
+als idee.
+
+De gewoonte, om de dingen altijd te verlengen met een hulplijn naar den
+kant der idee komt voortdurend uit in de middeleeuwsche behandeling van
+elke staatkundige, maatschappelijke of zedelijke twistvraag. Men kan ook
+het geringste en meest alledaagsche niet anders beschouwen dan in een
+universeel verband. Er is bij voorbeeld aan de universiteit te Parijs
+een geschil gaande, of er voor den graad van licentiaat eenige betaling
+te eischen valt. Pierre d'Ailly zelf neemt het woord, om tegen den
+kanselier der universiteit de vordering te bestrijden. Het wordt geheel
+scholastiek opgezet: uitgaande van den tekst: "Radix omnium malorum
+cupiditas", stelt hij een drieledig te bewijzen: dat het vorderen van
+dat recht simonie is, dat het strijdt tegen het natuurlijk en goddelijk
+recht, en dat het ketterij is. [716]--Om zekere ongebondenheden te
+berispen, die een bepaalde processie ontsieren, haalt Dionysius de
+Kartuizer alles wat processies betreft, van oorsprong af op: hoe het
+toeging onder de oude wet enz., [717] zonder eigenlijk op de zaak zelf
+in te gaan. Dit is wat bijna elk middeleeuwsch betoog zoo vermoeiend en
+teleurstellend maakt: het wijst terstond naar den hemel en verdwaalt van
+den beginne af in schriftgevallen en moreele algemeenheden.
+
+Het volkomen doorgewerkt idealisme openbaart zich overal. Van elken
+levensvorm, elken maatschappelijken staat of beroep staat een
+godsdienstig-zedelijk ideaal omschreven, waarnaar iedereen zichzelf te
+reformeeren heeft al naar den eisch van zijn bijzonder beroep, om den
+Heer waardig te dienen. [718] Men heeft iets van den nieuwen tijd, iets
+wat de Hervorming aankondigt, willen zien in den nadruk, waarmee
+Dionysius de Kartuizer de heiligheid van het aardsch "beroep" op den
+voorgrond stelt. Hij heeft in zijn tractaten _De vita et regimine
+nobilium_ enz., die hij voor zijn vriend Brugman tenslotte samenvatte in
+twee boeken _De doctrina et regulis vitae christianorum_, aan elk beroep
+het ideaal van heiligende plichtsvervulling voorgehouden: den bisschop,
+prelaat, aartsdiaken, kanunnik, pastoor, scholier, den vorst, den
+edelman, den ridders, den kooplieden, den gehuwden, weduwen, maagden,
+kloosterlingen. [719] Maar juist in die strenge verbijzondering van
+elken staat als iets zelfstandigs ligt iets echt middeleeuwsch, en de
+uitwerking van die plichtenleer heeft dat abstracte en algemeene, dat
+nergens in de werkelijke sfeer van het behandelde beroep zelf binnen
+leidt.
+
+In die herleiding van alles tot het algemeene ligt de eigenschap, die
+onder den naam typisme door Lamprecht als de bij uitstek kenmerkende van
+den middeleeuwschen geest is gesteld. Zij is echter veeleer een gevolg
+van die onderschikkende behoefte van den geest, welke voortspruit uit
+het ingewortelde Idealisme. Het is-niet zoozeer een onvermogen, om het
+bijzondere aan de dingen te zien, als de bewuste wil, om overal den zin
+der dingen aan te duiden in hun betrekking tot het hoogste, hun
+zedelijke idealiteit, hun algemeene beteekenis. Men zoekt in alles juist
+het onpersoonlijke, de gelding als model, als standaardgeval. Het gebrek
+aan individueele opvatting is tot zekere hoogte opzettelijk, eer een
+uitvloeisel van de allesbeheerschende universalistische denkgewoonte dan
+een kenmerk van een geringen geestelijken ontwikkelingsgraad.
+
+De werkzaamheid van den geest bij uitnemendheid was het uiteenleggen van
+de gansche wereld en het gansche leven in zelfstandige ideeën, en het
+rangschikken van die ideeën in groote en talrijke leenverbanden of
+hierarchieën van gedachte. Vandaar die vatbaarheid van den
+middeleeuwschen geest, om elke qualiteit uit het complex van een geval
+af te zonderen in haar wezenlijke zelfstandigheid. Wanneer de bisschop
+Fulco van Toulouse erop wordt aangezien, dat hij een Albigensische vrouw
+een aalmoes geeft, antwoordt hij: "Ik geef niet aan de kettersche maar
+aan de arme". En de Fransche koningin, Margareta van Schotland, die den
+slapenden dichter Alain Chartier op den mond kust, verontschuldigt zich:
+"Je n'ay pas baisé l'homme mais la précieuse bouche de laquelle sont
+yssuz et sortis tant de bons mots et vertueuses paroles". [720] Een
+spreekwijze zeide: "Haereticare potero, sed haereticus non ero".
+[721]--Is dit alles niet op het gebied van het gewone denken wat in de
+opperste speculatiën der theologie een onderscheiding was als die van
+God's voluntas antecedens, krachtens welke hij allen zalig wil, en de
+voluntas consequens, die slechts den uitverkorenen geldt? [722]
+
+Het wordt een slapeloos doordenken van alle dingen, zonder de beperking
+van het werkelijk waargenomen oorzakelijk verband, een schier
+automatische analyse, die tenslotte uitloopt op een eeuwig nummeren.
+Geen gebied lokte tot die doorwerking zoozeer uit als dat der deugden en
+zonden. Elke zonde heeft haar vast getal van oorzaken, haar soorten,
+haar dochteren, haar schadelijke werkingen. Twaalf dwaasheden, zegt
+Dionysius, misleiden den zondaar: hij verblindt zichzelven, hij
+verstrikt zich aan den duivel, hij slaat de hand aan zich zelven, hij
+versmijt zijn rijkdom (de deugd), hij verkoopt zich voor niets (terwijl
+hij zelf gekocht is voor Christus' bloed), hij keert zich af van den
+allertrouwsten minnaar, hij meent den almachtige te weerstaan, hij dient
+den duivel, hij verwerft zich onvrede, hij opent zich den toegang der
+hel, verspert zich den weg naar den hemel, en gaat dien ter helle op.
+Elk nummer wordt met schriftplaatsen, beelden en bijzonderheden
+geïllustreerd, verbeeld, vastgelegd, zoodat het de stellige zekerheid en
+zelfstandigheid krijgt van een figuur aan een kerkportaal. Terstond
+daarop wordt dezelfde reeks opnieuw in dieperen zin gegrond. Uit zeven
+oogpunten moet de zwaarte der zonde worden overdacht: uit het oogpunt
+Gods, uit dat van den zondaar, van de stof, van de omstandigheden, van
+de bedoeling, van het wezen der zonde zelf, en van de gevolgen. Sommige
+dier punten zijn weer onderverdeeld in acht, in veertien, bij voorbeeld
+het tweede: de zonde is zwaarder naar de mate van beweldadigdheid, van
+kennis, van voormalige deugd, van het ambt, de wijding, van de
+gemakkelijkheid om weerstand te bieden, van de gelofte, van den
+leeftijd. Er zijn zes zwakheden des geestes, die tot de zonde geschikt
+maken. [723] Het is alles juist zoo als in het boeddhisme: ook daar die
+moreele systematiek, om houvast te geven aan de oefeningen der deugd.
+
+Deze anatomie der zonde zou licht het zondigheidsbesef, dat zij
+versterken moet, verzwakken door het af te leiden op het uitpluizen der
+classificatie, wanneer niet tegelijk de fantazie der zonde en de
+verbeelding der straf tot het uiterste waren geëxaspereerd. Niemand kan
+in het tegenwoordige leven de enormiteit der zonde volkomen bevatten of
+ten volle verstaan. [724] Alle moreele voorstellingen worden met een
+ondragelijk overwicht beladen, door ze steeds weer in onmiddellijke
+betrekking te stellen tot Gods majesteit. Bij elke zonde, ook de
+geringste, is het heelal betrokken. Gelijk de boeddhistische litteratuur
+het applaus der hemelingen met bloemenregens, lichtschijn en zachte
+beving der aarde kent bij een groote daad van een Bodhisattva, zoo hoort
+Dionysius, somberder gestemd, hoe alle gezaligden en rechtvaardigen, de
+hemelsche sferen, alle elementen, ja zelfs de onredelijke wezens en
+onbezielde dingen wraak roepen over de onrechtvaardigen. [725] Zijn
+proeve, om door gedetailleerde beschrijving en opzettelijke
+verbeeldingen ter benauwing de vrees voor zonde, dood, oordeel en hel
+tot het allersmartelijkste aan te scherpen, mist haar ijzingwekkende
+werking niet, misschien juist door haar ondichterlijkheid. Dante had de
+duisternissen en gruwelijkheden der hel met schoonheid aangeraakt:
+Farinata en Ugolino zijn in hun verworpenheid heroïsch, en de
+klapwiekende Lucifer vertroost ons door zijn majesteit. Doch een bij al
+zijn mystische intensiteit toch volkomen ondichterlijke monnik als
+Dionysius de Kartuizer geeft de hel als pure angst- en ellendigheids-
+voorstelling. De lichamelijke pijnen en smarten worden in schroeiende
+kleuren geschilderd. De zondaar moet opzettelijk trachten, het zich zoo
+levendig mogelijk voor te stellen. "Laten wij ons voor oogen verbeelden
+--zegt Dionysius--een allerheetsten en allergloeiendsten oven, en daarin
+liggende een naakten man, die nimmer uit zulk een pijniging zal worden
+verlost. Zal ons niet die kwelling, ja het gezicht ervan alleen,
+ondragelijk schijnen? Hoe rampzalig zou ons die man dunken! Denken wij,
+hoe die man zich heen en weer zou werpen in dien oven, hoe hij zou
+schreeuwen, zou huilen, zou _leven_, welk een angst hem persen zou, welk
+een smart hem zou doordringen, vooral wanneer hij bemerkte, dat zulk een
+ondragelijke straf nooit zou eindigen." [726]
+
+Men denkt onwillekeurig: hoe konden zij, die zich zulke voorstellingen
+van helsche pijn voor oogen stelden, een mensch op aarde levend doen
+verbranden? De heetheid van het vuur, de gruwelijke koude, de
+walgelijkheid der wormen, de stank, de honger en dorst, de kluistering
+en de duisternis, de onuitsprekelijke vuilheid der hel, het eindeloos
+weerklinken van gehuil en geschreeuw in de ooren, het gezicht der
+duivelen, het wordt alles als de verstikkende wade van een angstdroom
+over ziel en zinnen van den lezer gespreid. Maar nog scherper is de
+benauwing met de cerebrale smarten: de rouw, de vrees, het holle gevoel
+van een oneindig gemis en verworpenheid, de onzegbare haat tegen God en
+nijd over de zaligheid van al zijn uitverkorenen; in het brein niets dan
+verwarring en drukking, het bewustzijn vol van dwaling en valsche
+voorstelling, verblinding en wanbegrippen. En het weten, dat dit alles
+zal zijn in eeuwigheid, wordt door kunstige vergelijkingen tot een
+zwijmelende verschrikking opgevoerd. [727]
+
+Dat de vrees voor de eeuwige pijn, hetzij inslaande als een plotselinge
+"goddelijke angst", hetzij knagende als een lange ziekte en druk,
+telkens als motief tot inkeer en devotie wordt vermeld, behoeft bewijs
+noch betoog. [728] Alles was daarop toegelegd. Een tractaat van de Vier
+utersten: dood, oordeel, hel en eeuwig leven, misschien vertaald naar
+dat van Dionysius, was de gewone tafellectuur voor de gasten van het
+klooster Windesheim. [729] Wel een bittere kruiding van den maaltijd.
+Maar met zoo scherpe middelen werd altijd weer de zedelijke volmaking
+aangedrongen. De middeleeuwer is als iemand, die reeds te lang met te
+sterke geneesmiddelen is bewerkt. Hij reageert slechts op de krachtigste
+prikkels. Om de loffelijkheid eener deugd ten volle te doen schitteren,
+kunnen voor den middeleeuwschen geest slechts die uiterste exempelen
+dienen, waarbij een minder geëxaspereerd zedelijkheidsbesef de deugd
+reeds in haar caricatuur zou zien verkeerd. Voor het geduld het voorbeeld
+van Sint Aegidius, die door een pijl gewond, God bad, dat zijn wonde,
+zoolang hij leefde, niet mocht genezen. Voor matigheid de heiligen, die
+asch in hun spijzen mengden, voor kuischheid zij, die een vrouw bij zich
+in bed namen, om hun vastheid te beproeven, of de jammerlijke fantazieën
+van de maagden, die om den belager harer kuischheid te ontgaan, een baard
+kregen of geheel ruig behaard werden. Of wel de prikkel wordt gevonden in
+het exorbitante van het voorbeeld in verband met den leeftijd des
+voorbeeldigen: Sint Nicolaas weigerde op hooge feestdagen de moedermelk;
+voor standvastigheid beveelt Gerson het voorbeeld aan van Sint Quiricus,
+een martelaartje van drie jaren of zelfs negen maanden, die zich door den
+praefect niet wou laten troosten, en in den afgrond werd geworpen. [730]
+
+De behoefte, om de heerlijkheid der deugd in zoo sterke doseering te
+genieten, staat ook alweer in verband met het allesbeheerschende
+Idealisme. Het zien van de deugd als idee onttrok om zoo te zeggen aan
+haar waardeering den bodem van het werkelijke leven; haar schoonheid
+werd gezien in haar zelfstandig wezen als uiterste volmaking, niet in
+haar moeizame betrachting van iederen dag onder vallen en opstaan.
+
+Het middeleeuwsche Realisme (dus gelijk hyper-idealisme) moet ondanks
+allen inslag van gekerstend neoplatonisme beschouwd worden als een
+primitieve geesteshouding. Het is, in de school voorzeker gesublimeerd
+en verijld, in het leven de houding van den primitieven mensch, die
+aan alle abstracte dingen wezen en substantie toekent. Kan men de
+hyperbolische vereering der deugd in haar ideaalsten vorm als een
+hoog-religieuze gedachte aanmerken, in haar tegenkant: de verachting der
+wereld, ziet men duidelijk de schakel, die het middeleeuwsche denken nog
+aan de gedachtenvormen van een verren voortijd verbindt. Ik bedoel het
+feit, dat de tractaten "de contemptu mundi" zich niet kunnen losmaken
+van een overmatig gewicht hechten aan de slechtheid van het materieele.
+Niets weegt hun zoo zwaar als motief om de wereld te versmaden als de
+afstootelijkheid der lichaamsverrichtingen, met name die van uitscheiding
+en voortplanting. Het is het poverste gedeelte der middeleeuwsche zedeleer:
+die afschuw van den mensch "formatus de spurcissimo spermate, conceptus
+in pruritu carnis, sanguine menstruo nutritus, qui fertur esse tam
+detestabilis et immundus, ut ex ejus contactu fruges non germinent,
+arescant arbusta ... et si canes inde comederint, in rabiem efferantur."
+[731] Wat is dit, naast omgeslagen zinnelijkheid, anders dan de uitlooper
+van dien primitieven vorm van Realisme, die den wilde in excrementen en
+in alles wat conceptie en geboorte begeleidt, magische substanties en
+potenties doet vreezen? Er loopt een rechte en niet zeer lange lijn
+tusschen de magische vrees, waarmee de natuurvolken zich afwenden van de
+vrouw in haar vrouwelijkste verrichtingen, en den ascetischen vrouwenhaat
+en -smaad, die sedert Tertullianus en Hieronymus de christelijke
+litteratuur had ontsierd.
+
+Alles wordt substantieel gedacht. In de dertiende eeuw komt de leer op
+van den schat van goede werken: thesaurus operum supererogationum, den
+voorraad der overvloedige verdiensten van Christus en de heiligen, die
+door de Kerk in 't klein kon worden gesleten. Al leerde de Kerk met
+nadruk, dat de zonde geen essentie of geen ding was, [732] haar eigen
+techniek der zondenvergeving tezamen met de bonte verbeelding en
+uitgewerkte systematiek der zonde kon niet anders dan in het onwetend
+gemoed de overtuiging vestigen, als ware de zonde een substantie, zooals
+zij in den Atharvaveda wordt gezien. Hoe moest, ook al bedoelde
+Dionysius slechts vergelijkingen, de substantieele opvatting der zonde,
+als een smetstof, gevoed worden, wanneer hij haar gelijk noemt aan een
+koorts, een koud, bedorven, overtollig lichaamsvocht. [733] Het recht,
+dat zich niet zoo angstvallig om dogmatische zuiverheid te bekommeren
+had, weerspiegelt zulk een opvatting, wanneer de Engelsche juristen
+werken met de voorstelling, dat er in felonie een corruptie van het
+bloed aanwezig is. [734] Ook ten opzichte van het bloed van den
+Verlosser heerscht die hyper-substantieele opvatting: het is een reëele
+stof; één droppel zou genoeg zijn geweest, om de wereld te verlossen,
+maar er is een overvloed gegeven, zegt Sint Bernard, en Thomas van
+Aquino dicht:
+
+ "Pie Pelicane, Jesu domine,
+ Me immundum munda tuo sanguine,
+ Cuius una stilla salvum facere
+ Totum mundum quit ab omni scelere." [735]
+
+Bij Dionysius den Kartuizer zien wij een wanhopige worsteling, om de
+voorstellingen van het eeuwig leven uit te drukken in termen van
+ruimtelijke uitgebreidheid. Het eeuwige leven is van een onmetelijke
+waardigheid; God in zich zelven te genieten, is een oneindige
+volmaaktheid; in den Verlosser was noodig een oneindige waardigheid en
+afdoendheid (efficacia); de zonde is van oneindige enormiteit, omdat zij
+een uitspatting is tegen de onmetelijke heiligheid; daarom wordt een
+genoegdoener van onmetelijke geschiktheid vereischt. [736] Het negatieve
+ruimte-adjectief moet hier steeds het gewicht, de potentie van het
+heilige voorstelbaar maken. Om de eeuwigheidsvoorstelling in te
+boezemen, laat Dionysius een beeld dienen: denk u een zandberg zoo groot
+als het heelal; om de tien- of honderdduizend jaar wordt van dien berg
+een korreltje afgenomen. Die berg zal opraken. Maar na zulk een
+onbeseffelijken tijdsduur zal de hellestraf nog niet verminderd zijn, en
+niet dichter bij haar einde, dan toen het eerste korreltje van den berg
+werd afgenomen. En toch, als de verdoemden wisten, dat zij bevrijd
+zouden worden, wanneer die berg op was, zou het hun een groote troost
+zijn. [737]
+
+Zijn het de hemelvreugden, of Gods majesteit, die men wil uitdrukken,
+dan wordt het enkel een zich overschreeuwen van de gedachte.
+Hemelvreugde blijft in de uitdrukking altijd uiterst primitief. Een zoo
+felle visie van geluk als van vreeselijkheid kan de menschelijke taal
+niet geven. Om de overmaat van het leelijke en ellendige nog te
+verergeren, behoefde men slechts dieper te dalen in de spelonken der
+menschelijkheid, maar om de opperste gelukzaligheid te beschrijven moest
+men den nek verrekken in het opzien naar den hemel. Dionysius put zich
+uit in wanhopige superlatieven, dat is een louter mathematische
+versterking van de voorstelling, zonder verheldering of verdieping
+ervan: "Trinitas supersubstantialis, superadoranda et superbona ...
+dirige nos ad superlucidam tui ipsius contemplationem." De Heer is
+"supermisericordissimus, superdignissimus, superamabilissimus,
+supersplendidissimus, superomnipotens et supersapiens,supergloriosissimus."
+[738]
+
+Maar wat hielp het opeenstapelen van al-termen, van voorstellingen van
+hoogte, wijdheid, onmetelijkheid en onuitputtelijkheid? Het bleven
+altijd beelden, altijd het herleiden van het oneindige tot
+eindigheidsvoorstellingen, en daarmee de verzwakking en veruiterlijking
+van het oneindigheidsbesef. Eeuwigheid was geen onmeetbare tijd. Elke
+sensatie, die uitgedrukt was, verloor haar onmiddellijkheid; elke
+eigenschap, aan God toegekend, ontnam hem iets van zijn ontzaglijkheid.
+
+Nu begint de geweldige worsteling, om met den geest tot de volstrekte
+beeldeloosheid der Godheid op te klimmen. Aan geen cultuur of tijdperk
+gebonden, is zij overal en altijd weer gelijk. "There is about mystical
+utterances an eternal unanimity which ought to make a critic stop and
+think, and which brings it about that the mystical classics have, as has
+been said, neither birthday nor native land." [739]--Maar de steun der
+verbeelding kan niet aanstonds worden prijsgegeven. Stuk voor stuk wordt
+het ontoereikende der uitdrukking erkend. De concrete belichamingen der
+idee, en de veelkleurige gewaden der symboliek vallen het eerst weg:
+dan is er geen sprake meer van bloed en genoegdoening, niet meer van
+eucharistie, niet meer van Vader, Zoon en Heiligen Geest. In Eckhart's
+mystiek wordt Christus bijna niet meer genoemd, en evenmin de Kerk en de
+sacramenten. Doch de uitdrukking van het mystische schouwen van het
+Zijn, de Waarheid, de Godheid, blijft ook dan nog gebonden aan
+natuurlijke voorstellingen: van licht, van uitgebreidheid. Dan slaan
+deze om in het negatieve: stilte, ledigheid, duisternis. Dan wordt ook
+van die vorm- en inhoudlooze begrippen het ontoereikende erkend, en men
+tracht hun gebrekkigheid op te heffen door ze voortdurend te koppelen
+aan hun tegenstelling. Tenslotte blijft niets over dan de zuivere
+negatie. "Deus propter excellentiam non immerito Nihil vocatur", zegt
+Scotus Erigena, en Angelus Silesius dicht:
+
+ "Gott ist ein lauter Nichts, ihn rührt kein Nun noch Hier;
+ Je mehr du nach ihm greiffst, je mehr entwind er dir". [740]
+
+Dit voortschrijden van den schouwenden geest tot de prijsgave van elke
+verbeelding is in werkelijkheid natuurlijk niet in die strikte volgorde
+geschied. De meeste mystische uitingen vertoonen al die phasen
+gelijktijdig en dooreen. Zij zijn aanwezig bij de Indiërs, zij zijn
+volkomen ontwikkeld reeds bij den Pseudo-Dionysius Areopagita, de bron
+van alle christelijke mystiek, zij zijn herleefd in de Duitsche mystiek
+der veertiende eeuw.
+
+Ziehier een voorbeeld uit de revelaties van Dionysius den Kartuizer.
+[741] Hij spreekt met God, die toornig is. "Bij dit antwoord zag de
+broeder, naar binnen gekeerd, zich als in een sfeer van onmetelijk licht
+geplaatst, en allerzoetst, in een ontzaglijke kalmte, riep hij met een
+heimelijk niet naar buiten klinkend roepen tot den allerheimelijksten en
+waarlijk verborgenen, onbegrijpelijken God: O overbeminnelijkste God,
+gij zijt zelf het licht en de sfeer des lichts, waarin uw uitverkorenen
+zoet ter ruste gaan, bekomen, sluimeren en inslapen. Gij zijt als een
+allerwijdste, allervlakste en ondoorloopbare woestenij, waarin de
+waarlijk vrome geest, geheel gezuiverd van bijzondere liefde, van boven
+verlicht en krachtig ontvlamd, zwerft zonder dwalen, en dwaalt zonder
+zwerven, zaliglijk bezwijkt en onbezweken geneest." Hier is eerst de
+lichtverbeelding, nog positief, dan die van den slaap, daarna die van de
+woestenij (de uitgebreidheidsvoorstelling in twee dimensies), eindelijk
+de elkaar opheffende tegenstellingen.
+
+Het beeld der woestenij--dat is de horizontale ruimtevoorstelling,
+wisselt af met dat van den afgrond--dat is de verticale
+ruimtevoorstelling. Dit laatste was een geweldige vond der mystische
+verbeelding. De uitdrukking toch van de eigenschapsloosheid der godheid
+in Eckhart's woorden van "den wijzeloozen en vormeloozen afgrond der
+stille, woeste godheid", gaf bij het begrip eener oneindigheid tevens
+het gevoelsmoment eener duizeling. Van Pascal heet het, dat hij
+voortdurend een afgrond naast zich zag: zulk een gewaarwording is hier
+als 't ware tot een vasten mystischen term herleid. Met deze beelden
+van den afgrond en de stilte wordt de levendigste uitdrukking van de
+onbeschrijfelijke mystieke beleving bereikt. "Wol uf dar, herz und sin
+und muot,--jubelt Suso--in daz grundlos abgründ aller lieplichen
+dingen!" [742] Meister Eckhart in zijn ademlooze strakheid: "De vonk
+der ziel (de mystische kern van het enkele wezen) heeft niet genoeg
+aan Vader, noch aan Zoon, noch aan Heiligen geest, noch aan de drie
+personen, zooverre als elk dezer bestaat in hun eigenschap. Ik spreek
+waarlijk, dat dit licht niet genoeg heeft aan de eenbaarheid van den
+vruchtbaren aard goddelijker natuur. Ik wil nog meer spreken, dat nog
+wonderlijker klinkt: ik spreek met goede waarheid, dat dit licht niet
+genoeg heeft aan het eenvoudige, stilstaande goddelijke wezen, dat noch
+geeft noch neemt; meer: het wil weten, vanwaar dit wezen komt, het wil
+in den eenvoudigen grond, in de stille woestenij, waar nimmer
+onderscheid in te schouwen was, noch Vader, noch Zoon, noch Heilige
+geest, in het innige, waar niemand tehuis is, daar vindt dat licht
+genoeg, en daar is het eeniger dan in zich zelven, want deze grond is
+een eenvoudige stilte, die in zich zelve onbewegelijk is."--De ziel
+wordt alleen daardoor volkomen zalig, "dat zij zich werpt in de woeste
+godheid, waar noch werk noch beeld is, dat zij zich daar verlieze en
+verzinke in de woestenij." [743]
+
+Bij Tauler: "In dezen verzinkt de gelouterde, verklaarde geest in de
+goddelijke duisternis, in een stille zwijgen en in een onbegrijpelijk en
+onuitsprekelijk vereeren, en in dit inzinken wordt verloren alle gelijk
+en ongelijk, en in dezen afgrond verliest de geest zichzelven en weet
+van God noch van zich zelven, noch gelijk noch ongelijk, noch van niets
+iets, want hij is gezonken in Gods eenigheid en heeft verloren alle
+onderscheiden." [744]
+
+Bij Ruusbroec worden al de middelen tot uitdrukking van de mystische
+beleving nog plastischer aangewend dan bij de Duitschers.
+
+ "Roept dan alle met openre herten:
+ O gheweldich slont!
+ Al sonder mont,
+ Voere ons in dinen afgront;
+ Ende make ons dine minne cont."
+
+Het genieten van de zaligheid der vereeniging met God "is wilt ende
+woeste, alse een verdolen; want daer en is wise, noch wech, noch pat,
+noch zate, noch mate." "Daer in selen wi sijn ons selven onthoecht,
+ontsonken, ontbreit ende ontlingt (opheffing van alle ruimte-
+voorstellingen) in ene ewighe verlorenheit sonder wederkeer."
+[745] De genieting der zaligheid is zoo groot, "dat God ende alle
+heylighen ende dese hoghe menschen (die haar beleven) hierin verswolghen
+sijn in onwisen, dat is in een niet weten ende in ene ewighe
+verlorenheit." [746] God geeft de weelde der zaligheid aan allen gelijk,
+"maer die se ontfaen die sijn onghelijc: nochtan blivet hem allen over,
+na der ghebrukelicheit in der verenicheit", d.w.z. zij kunnen, wat
+betreft het genieten der zaligheid in de vereeniging met God, niet alle
+weelde op, die hun geschonken wordt. "Mer na der verlorenheit in der
+woestinen demsterheit, daer en blivet niet over: want daer en is gheven
+noch nemen, mer een simpel eenvoldich wesen. Daer is God ende alle die
+verenichde in versonkenende verloren, ende nimmermeer en moghen se hem
+vinden in desen wiselosen wesene." [747]
+
+Al de negaties zijn vereenigd in het volgende. "Hier na volcht die
+sevende trappe (van minnen), dat edelste ende dat hoechste dat men leven
+mach in tijt ende in ewicheit. Dat is, alse wi, boven al bekinnen ende
+weten, in ons bevinden een grondeloes niet weten; alse wi boven alle
+name die wi Gode gheven ofte creaturen, versterven ende overliden in ene
+ewighe onghenaemtheit daer wi ons verliesen: ende alse wi, boven alle
+oefeninghen van doechden, in ons aensien ende bevinden ewighe ledicheit,
+daer nieman in werken en mach; ende boven alle salige gheeste, ene
+grondelose salicheit, daer wi alle één sijn, ende dat selve één dat die
+salicheit selve es, in haers selfsheit: ende alse wi aensien alle
+salighe gheeste, weselic ontsonken, ontvloten ende verloren in haer
+overwesen, in ene wiselose onbekende demsterheid." [748] In de eenvoudige,
+wijzelooze zaligheid vergaat alle onderscheid der creaturen: "Dair
+ontvallen si hem selven in ene verlorenheit, ende in onwetene sonder
+gront; daer is alle claerheit wederboecht in deimsterheit, daer die drie
+persone wiken der weseliker enicheit." [749]
+
+Het is altijd weer de vruchtelooze poging, om alle beelden op te geven,
+om uit te drukken "onsen ledighen staet, dats bloete onghebeeltheit",
+dien God alleen geven kan. "Hi maect ons bloet van alle beelden, ende
+trect ons in ons begin: daer en vinden wi anders niet dan wilde, woeste,
+onghebeelde bloetheit, die altoes antwoert der ewicheit." [750]
+
+In deze aanhalingen uit Ruusbroec zijn ook de twee laatste
+beschrijvingsmiddelen reeds uitgeput: het licht, dat in duister
+verkeert, en de zuivere negatie, het afzien van alle weten. Het innigst
+heimelijke wezen Gods zijn duisternis te noemen, was reeds van den
+Pseudo-Areopagiet. En zijn naamgenoot, bewonderaar en commentator, de
+Kartuizer, werkt dien term uit. "En de alleruitmuntendste, onmetelijke,
+onzichtbare volheid zelve van uw eeuwig licht wordt de goddelijke
+duisternis genoemd, waarin gij gezegd wordt te wonen, die de
+duisternissen tot uw schuilplaats stelt." [751] "En de goddelijke
+duisternissen zelve zijn bedekt voor alle licht en verborgen voor alle
+gezicht, wegens den onomschrijfelijken en ondoordringbaren glans der
+eigen klaarheid." De duisternis is het niet weten, het ophouden van alle
+begrip: "Hoe meer de geest uw overschitterend goddelijk licht nadert,
+hoe voller hem uw onbenaderbaarheid en onbegrijpelijkheid blijken, en
+als hij de duisternis is ingegaan, bezwijken spoedig alle naam en alle
+kennen geheel (omne nox nomen omnisque cognitio prorsus deficient). Maar
+dit zal den geest zijn, u te zien: te zien, dat gij geheel onzichtbaar
+zijt; en hoe klaarder hij dat ziet, hoe helderder hij u aanschouwt. Naar
+deze overlichte duisternis bidden wij te mogen worden, o gezegende
+Drievuldigheid, en door onzichtbaarheid en onwetendheid u te zien en te
+kennen, die boven alle gezicht en kennis zijt. Aan hen alleen verschijnt
+gij, die, na al het waarneembare en begrijpbare te zijn te boven gekomen
+en te hebben achtergelaten, en ook al het geschapene en desgelijks zich
+zelven, intreden in de duisternis, waarin gij waarlijk zijt." [752]
+
+Zooals het licht in duister verkeert, zoo verkeert het hoogste leven in
+den dood. Als de ziel, zegt Eckhart, begrepen heeft, dat in het rijk
+Gods geen schepsel komen kan, dan gaat de ziel haar eigen weg en zoekt
+God niet meer. "Und allhie so stirbet si iren hohsten tot. In disem tot
+verleuset di sele alle begerung und alle bild und alle verstentnüzz und
+alle form und wirt beraubt aller wesen. Und daz seit sicher als got
+lebt: als wenik mak di sele, di also geistlich tot ist, einik weis oder
+einik bild vorgetragen einigen menschen. Wann diser geist ist tot und
+ist begraben in der gotheit." Ziel, als ge niet u zelve verdrinkt in
+deze bodemlooze zee der godheid, zoo kunt gij niet bekennen dezen
+goddelijken dood. [753]
+
+Het schouwen Gods door ontkenningen, zegt Dionysius elders, is
+volkomener dan dat door bevestigingen. "Want wanneer ik zeg: God is
+goedheid, zijn (essentia), leven, schijn ik aan te duiden, wát God is,
+alsof dat hetgeen hij is, iets gemeen had met of eenigszins gelijk ware
+aan het geschapene, terwijl het vaststaat, dat hij onbegrijpelijk en
+onbekend, ondoorgrondelijk en onuitsprekelijk is, en van alles wat hij
+werkt, gescheiden is door een onmetelijke en geheel onvergelijkelijke
+verschillendheid en uitnemendheid." [754]--De eenigende wijsheid
+(sapientia unitiva) wordt geheeten onredelijk, zinneloos en dwaas. [755]
+
+Hoe verwant en hoe anders toch weer klinken de klanken uit het verre
+oude Indië. De leerling komt tot den meester en zegt: "Leer mij het
+brahma, eerwaarde!--Gene echter zweeg stil. Toen nu de ander ten tweeden
+male en ten derden male vroeg: Leer mij het brahma, eerwaarde! sprak de
+meester: Ik leer het u immers, maar gij verstaat het niet: deze âtman
+(het Zelf) is stil." [756] De goden willen van Prajâpati den âtman
+leeren kennen. Twee en dertig jaren wonen zij bij hem als
+brahma-leerlingen. Dan leert hij hun, dat het mannetje in het oog of het
+spiegelbeeld in het water het Zelf is, maar hen naziende spreekt
+hijzelf: Zonder het Zelf begrepen te hebben, gaan zij heen.--Na nog twee
+en dertig jaren openbaart hij aan Indra op diens bedenkingen: Die daar
+wandelt in den droom, dat is de âtman. En na nog eens denzelfden tijd:
+Datgene wat, als de mensch is ingeslapen, weggezonken, geheel tot rust
+gekomen, geen droom meer aanschouwt, dat is het Zelf. [757]--"Hij
+echter, de âtman is niet zoo en niet zoo"; de gansche reeks van
+tegengestelde ontkenningen wordt uitgeput, om zijn wezen te verklaren.
+"Gelijk iemand, door een geliefde vrouw omstrengeld, geen bewustzijn
+heeft van wat buiten of binnen is, zoo heeft ook de geest, door het
+uit-erkennen-bestaande Zelf omstrengeld, geen bewustzijn van wat buiten
+of binnen is. Dat is zijn wezensvorm, gestild van verlangen, zelf zijn
+verlangen, zonder verlangen, gescheiden van leed. Dan is vader
+niet-vader, moeder niet-moeder, wereld niet-wereld...." [758]
+
+ * * * * *
+
+Was de verbeelding overwonnen?--Zonder beeld en metafoor kan geen enkele
+gedachte worden uitgedrukt, en van het onkenbare wezen der dingen
+gezegd, is ieder woord beeld. Van het hoogste en innigst begeerde enkel
+in negaties te kunnen spreken, bevredigt het gemoed niet, en telkens als
+de wijze is uitgepraat, moet de dichter weer komen. Het zoete lyrische
+gemoed van Suso vond van de sneeuwtoppen van het schouwen altijd weer
+den weg terug naar de bloemrijke verbeeldingen der oudere Bernardijnsche
+mystiek. Midden in de ekstase der hoogste contemplatie keert al de kleur
+en vorm der allegorie terug. Suso ziet de eeuwige Wijsheid, zijn
+geliefde: "Si swepte hoh ob ime in einem gewülkten throne (hemel): sie
+luhte als der morgensterne, und schein als diu spilndiu sunne; ire krone
+waz ewikeit, ire wat waz selikeit, ire wort süzzekeit, ire umbfang alles
+lustes gnuhsamkeit: si waz verr und nahe, hoh und nider; si waz
+gegenwürtig und doch verborgen; si liess mit ir umbgan, und moht si doch
+nieman begriffen." [759]
+
+Er waren nog andere wegen terug van de eenzame hoogten der individueele,
+vorm- en beeldlooze mystiek. Men bereikte die hoogten slechts door het
+smaken van het liturgisch-sacramenteele mysterie heen: eerst het ten
+volle doorvoeld hebben van het symbolisch-aesthetische wonder der
+dogma's en sacramenten stelde in staat, om alle beeldvormen af te
+schudden en op te stijgen naar het begriploos schouwen van het al-eene.
+Maar de geest kon die helderheid niet genieten, wanneer en zoo vaak hij
+wilde; en dan wachtte beneden altijd weer de Kerk, met haar wijs en
+spaarzaam systeem van mysterie. De Kerk immers had de aanraking van den
+geest met het goddelijke in haar liturgie gecondenseerd en
+geïntensifieerd tot de beleving van bepaalde oogenblikken, en vorm en
+kleur gegeven aan het mysterie. Daarom heeft zij de teugellooze mystiek
+altijd overleefd: zij spaarde energie. De Kerk liet de bloeiendste
+vervoeringen van aesthetische mystiek gerustelijk toe, maar zij vreesde
+de ware, woeste mystiek, waarin alles waaruit zij was opgebouwd: haar
+harmonisch symbolisme, haar dogma's en sacramenten, vervlamde en
+verteerde.
+
+"De eenigende wijsheid is onredelijk, zinneloos en dwaas." Het pad van
+den mysticus leidt in de oneindigheid binnen en in de bewustzijnsloosheid.
+Door het ontkennen van alle wezensgelijkheid tusschen de godheid en al het
+afzonderlijke en benoembare is elke werkelijke transcendentie opgeheven;
+de brug naar het leven terug is afgebroken. "Alle crêatûre sint ein
+lûter niht. Ich spriche niht, daz sie kleine sîn oder iht sîn: sie sind
+ein lûter niht. Swaz niht wesens hât, daz ist niht. Alle crêatûre hânt
+kein wesen, wan ir wesen swebet an der gegenwertikeit gotes." [760]
+De intensieve mystiek beduidt een terugkeer tot een prae-intellectueel
+zieleleven. Alles van beschaving gaat er in te loor, wordt overwonnen en
+overbodig. Indien de mystiek niettemin voor de cultuur rijke vruchten
+draagt, dan is het, omdat zij steeds door voorbereidende staten heen
+opklimt, en eerst gaandeweg alle levensvorm en cultuur afwerpt. Haar
+vruchten voor de beschaving draagt zij in haar aanvangstrappen, beneden
+de boomgrens. Daar bloeit de boomgaard van de zedelijke volmaking, die
+als voorbereiding van elken schouwende gevorderd wordt: de vrede en
+zachtmoedigheid, de demping der begeerte, de eenvoud, matigheid,
+arbeidzaamheid, ernst en innigheid. Zoo is het in Indië geweest en zoo
+hier: de aanvangswerking der mystiek is een moreele en praktische. Zij
+is bovenal de beoefening van daadwerkelijke naastenliefde. Al de groote
+mystieken hebben die praktische werkzaamheid ten zeerste geprezen: heeft
+niet Meister Eckhart zelf Martha boven Maria gesteld, [761] en gezegd,
+dat men zelfs de ekstase van Paulus moest laten varen, als men een arme
+met een soepje kon helpen? Van hem over zijn leerling Tauler gaat de
+lijn der mystiek steeds meer naar de waardeering van het praktische
+element: ook Ruusbroec verheft den stillen nederigen arbeid, en
+Dionysius de Kartuizer is de volkomen vereeniging in één persoon van den
+praktischen zin voor het dagelijksch godsdienstleven en het heftigste
+individueele mysticisme. Het is in de Nederlanden, dat de begeleidende
+verschijnselen der mystiek: moralisme, piëtisme, liefdadigheid en
+arbeidzaamheid, hoofdzaak worden; dat zich uit de intensieve mystiek
+voor het onttrokken oogenblik van enkelen de extensieve mystiek voor
+iederen dag van velen ontplooit: de duurzame gezamenlijke innigheid der
+moderne devoten in plaats van de eenzame en zeldzame ekstase. De
+nuchtere mystiek, als men niet valt over een woord.
+
+In de Fraterhuizen en de kloosters der Windesheimer congregatie is over
+het stille dagelijksch werk de glans gegoten van de voortdurend
+bewustgehouden religieuze innigheid. Het hevig lyrische en het
+teugelloos opstreven is prijsgegeven, en daarmee ook het gevaar van
+geloofsafwijking geweken; de broeders en zusters zijn volkomen
+rechtgeloovig en conservatief. Het was mystiek en détail: men had maar
+"een inslag gekregen", "een vonkske ontvangen", en beleefde in den
+engen, stillen, nederigen kring de vervoering in vertrouwelijken
+geestelijken omgang, in briefwisseling en zelfbeschouwing. Het gevoels-
+en gemoedsleven werd als een kasplant gekweekt; er heerschte veel klein
+puritanisme, geestelijke dressuur, verstikking van den lach en de
+gezonde aandriften, veel piëtistische onnoozelheid.
+
+Doch uit dien kring is de _Imitatio_ voortgekomen. Hier is de man, die
+geen theoloog was en geen humanist, geen wijsgeer en geen dichter, en
+eigenlijk ook geen mysticus, en die het boek schreef, dat eeuwen
+vertroosten zou. Thomas a Kempis, de stille, eenzelvige, vol teerheid
+voor het miswonder en met de smalste opvattingen van het godsbestuur,
+kende niets van de felle verontwaardiging over kerkbestuur of
+wereldleven, zooals het de preekers bezielde, niets van het alzijdig
+streven van Gerson, Dionysius of Nicolaas van Cusa, niets van de
+breughelsche fantazie van Johannes Brugman of het bonte symbolisme van
+Alain de la Roche. Hij zocht maar de rust in alle dingen, en vond haar
+"in angello cum libello". "O quam salubre quam iucundum et suave est
+sedere in solitudine et tacere et loqui cum Deo!" [762] En zijn boek van
+eenvoudige levenswijsheid en stervenswijsheid voor het begeven gemoed
+werd een boek van alle tijden. Hier was alle neoplatonistische mystiek
+weer opgegeven, en enkel de stemming van den geliefden schrijver Bernard
+van Clairvaux de grondslag. Er is geen philosophische ontwikkeling van
+gedachten; er staan slechts een aantal hoogst eenvoudige gedachten in
+spreukvorm om een centraal punt gegroepeerd; elke loopt in een kort
+zinnetje af; er is geen subordinatie en nauwelijks correlatie van
+gedachten. Er is niets van de lyrische siddering van Heinrich Suso of
+van de strakke fonkeling van Ruusbroec. Met haar geklingel van
+evenwijdig voortloopende zinnen en matte assonanties zou de _Imitatio_
+dubbel proza zijn, wanneer niet juist dat eentonige rythme haar maakte
+als de zee op een zachten regenavond, of het zuchten van den wind in den
+herfst. Hier is geen kracht, geen élan, geen diepte en volheid; het is
+alles effen en gedrukt, alles en mineur: er is slechts vrede, rust, stil
+gelaten verwachting en troost. "Taedet me vitae temporalis." [763]
+
+Eén ding heeft het meest boeddhistische werk van het christendom, het
+boek voor de vermoeiden van alle eeuwen, gemeen met de voortbrengselen
+der hevige mystiek. Ook hier was de verbeelding, zoover dat mogelijk
+was, overwonnen, het kleurige gewaad van schitterende symbolen afgelegd.
+En daarom zit ook de _Imitatio_ niet vast aan een cultuur-tijdperk;
+evenals de ekstatische schouwingen van het al-eene leidt zij af van alle
+cultuur. Zij hoort tot geen bijzonder beschavingstijdperk. Vandaar
+zoowel haar twee duizend uitgaven, als de mogelijkheid van een twijfel
+omtrent den auteur en den tijd van ontstaan, die twee eeuwen verschil
+toeliet. Thomas had het "Ama nesciri" niet vergeefs gezegd.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[716] Petri de Alliaco Tractatus I adversus cancellarium Parisiensem,
+bij Gerson, Opera, I p. 723.
+
+[717] Dion. Cart., Opera, t. XXXVI p. 200.
+
+[718] Dion. Cart. Revelatio II, Opera, I p. xlv.
+
+[719] Dion. Cart., Opera, t. XXXVII, XXXVIII, XXXIX p. 496.
+
+[720] Alain Chartier, Oeuvres, p. xi.
+
+[721] Gerson, Opera, I p. 17.
+
+[722] Dion. Cart., Opera, t. XVIII p. 433.
+
+[723] Dion. Cart., Opera, t. XXXIX p. 18sq. De vitiis et virtutibus, p.
+363, De gravitate et enormitate peccati, ib. t. XXIX p. 50.
+
+[724] L.c. XXXIX p. 37.
+
+[725] Ib. p. 56.
+
+[726] Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, Opera, t. XLI p.545.
+
+[727] Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, t. XLI p. 489ss.
+
+[728] Moll, Brugman, I p. 20, 23. 28.
+
+[729] Ib. p. 320(1).
+
+[730] Het voorbeeld van Sint Aegidius, Germanus, Quiricus bij Gerson, De
+via imitativa, III p. 777; vgl. Contra gulam sermo, ib. p. 909.--Olivier
+Maillard, Serm. de sanctis fol. 8a.
+
+[731] Innocentius III, De contemptu mundi 1. I, c. I, Migne, t. CCXVII
+p. 702ss.
+
+[732] Bonaventura, In secundum librum sententiarum, dist. 41, art. 1.
+qu. 2, ib. 30, 2, 1, 34; in quart. lib. sent. d. 34, a. I, qu. 2,
+Breviloquii pars II, Opera, ed. Paris, 1871, t. III p. 577a, 335, 438,
+VI p. 327b, VII p. 271ab.
+
+[733] Dion. Cart., De vitiis et virtutibus, Opera, t. XXXIX p. 20.
+
+[734] M' Kechnie, Magna Carta, p. 401.
+
+[735] Uit den hymnus "Adoro te devote". Vergelijk Marlowe, Faustus:
+"See, where Christ's blood streams in the firmament! One drop of blood
+will save me."
+
+[736] Dion. Cart. Dialogion de fide cath., Opera, t. XVIII p. 366.
+
+[737] L.c., t. XLI p. 489.
+
+[738] Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis t. XXXV
+p. 137; de laud. glor. Virg. Mariae, en passim. Het gebruik der
+supertermen ontleent hij reeds aan Dionysius treopagita.
+
+[739] James, Varieties of rel. exp., p. 419.
+
+[740] Beide voorbeelden naar James, l.c., p. 417.
+
+[741] Opera, I p. xliv.
+
+[742] Seuse, Leben, cap. 3, ed. K. Bihlmeyer, Deutsche Schriften,
+Stuttgart, 1907, p. 14. Vgl. cap. 5, p. 21, 1.3 v. o.
+
+[743] Meister Eckhart, Predigten, no. 60 en 76, ed. F. Pfeiffer,
+Deutsche Mystiker des XIV. Jh., Leipzig 1857, II p. 1931. 34ss.; p. 242,
+1. 2ss.
+
+[744] Tauler, Predigten, no. 28, ed. F. Vetter, (Deutsche Texte des
+Mittelalters XI) Berlin, 1910, p. 117 1. 30ss.
+
+[745] Ruusbroec, Dat boec van seven sloten, cap. 19, Werken ed. David,
+IV p. 106-108.
+
+[746] Ruusbroec, Dat boec van den rike der ghelieven, cap. 43. ed.
+David, IV p. 264.
+
+[747] Ib. cap. 35, p. 246.
+
+[748] Ruusbroec, Van seven trappen in den graet der gheesteliker minnen,
+cap. 14, ed. David, IV p. 53. Voor "ontfonken" lees ik: "ontsonken".
+
+[749] Ruusbroec, Boec van der hoechster waerheit, ed. David, p. 263;
+vgl. Spieghel der ewigher salicheit, cap. 25. p. 231.
+
+[750] Spieghel der ewigher salicheit, cap. 19, p. 144, cap. 23, p.
+227;--antwoert = beantwoordt aan.
+
+[751] II Par. 6, I: Dominus pollicitus est, ut habitaret in caligine.
+Ps. 17.13: Et posuit tenebras latibuum suum.
+
+[752] Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis per modum
+horarum, Opera, t. XXXV p. 137/8, id. XLI p. 263 etc.; vgl. De passione
+dni salvatoris dialogus, t. XXXV p. 274: "ingrediendo caliginem, hoc est
+ad supersplendidissimae ac prorsus incomprehensibilis Deitatis praefatam
+notitiam pertingendo per omnem negationem ab ea."
+
+[753] Jostes, Meister Eckhart und seine Jünger, 1895, p. 95.
+
+[754] Dion. Cart. De contemplatione lib. III art. 5, Opera, t. XLI p.
+259.
+
+[755] Dion. Cart. De contemplatione, t. XLI p. 269, naar Dion. Areop.
+
+[756] Cankara ad Brahmasûtram, 3. 2. 17.
+
+[757] Chândogya-upanishad, 8.
+
+[758] Brhadâranyaka-upanishad, 4, 3, 21, 22.
+
+[759] Seuse, Leben, kap. 4, Bihlmeyer, Deutsche Schriften 1907, p. 14.
+
+[760] Eckhart, Predigten, no. 40, p. 136. 23.
+
+[761] Eckhart, Predigten, no. 9, p. 47ff.
+
+[762] Soliloquium animae, Thomas a Kempis, Opera omnia, ed. M.J. Pohl,
+Freiburg 1902-'10, 7 vol., I p. 230.
+
+[763] L.c., p. 222.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XI
+
+DE DENKVORMEN IN DE PRAKTIJK
+
+
+Men moet de hechte vormen van het denken niet enkel bestudeeren aan de
+voorstellingen van het geloof en de hoogere bespiegeling, maar evengoed
+aan die van de dagelijksche levenswijsheid en de nuchtere praktijk. Dan
+eerst kan de middeleeuwsche geest als een eenheid en een geheel worden
+gezien. Want het zijn dezelfde groote denkrichtingen, die zijn hoogere
+en zijn lagere uitingen beheerschen. En terwijl op het gebied van geloof
+en bespiegeling steeds de vraag aan de orde blijft, in hoeverre de
+gedachtenvormen resultaat en weerklank zijn van een lange schriftelijke
+traditie, die tot in Grieksche en Joodsche, ja Egyptische en
+Babylonische oorsprongen reikt, ziet men ze in het gewone leven naïef en
+spontaan werken, onbeladen met het gewicht van neoplatonisme en wat niet
+al.
+
+In het dagelijksch leven denkt de middeleeuwsche mensch in dezelfde
+vormen als in zijn theologie. De grondslag is zoo hier als daar dat
+architecturale idealisme, dat de scholastiek realisme noemde: de
+behoefte om elke notie af te zonderen en vorm te geven als een
+wezenheid, en om ze samen te schikken in hiërarchische verbanden, er
+altijd weer tempels en kathedralen van te bouwen, als een kind, dat met
+blokken speelt.
+
+Alles wat zich in het leven een vaste plaats verovert, wat levensvorm
+wordt, geldt als geordineerd, zoo goed als de hoogste dingen in het
+goddelijke wereldplan. Zeer duidelijk openbaart zich dit bijvoorbeeld in
+de opvatting van de regelen der hofetikette bij de beschrijvers van den
+hofstaat, als Olivier de la Marche en Alienor de Poitiers. De oude dame
+beschouwt die regelen als wijze wetten, in de hoven der koningen
+oudtijds met keuze en oordeel verordineerd, in acht te nemen voor alle
+komende tijden. Zij spreekt ervan als van de wijsheid der eeuwen: "et
+alors j'ouy dire aux anciens qui sçavoient...." Zij ziet de tijden
+ontaarden: sedert een jaar of tien zetten sommige dames in Vlaanderen
+het kraambed voor het vuur, "de quoy l'on s'est bien mocqué"; vroeger
+deed men dat nooit; waar moet het heen? "mais un chacun fait à cette
+heure à guise: par quoy est à doubter, que tout ira mal". [764]
+
+La Marche stelt zich en den lezer gewichtige vragen omtrent de
+redelijkheid van al die deftige dingen: waarom heeft de "fruitier"
+meteen de verlichting, "le mestier de la cire", onder zijn departement?
+Het antwoord luidt: omdat de was door de bijen uit de bloemen wordt
+getrokken, waarvan ook de vruchten komen: "pourquoy on a ordonné très
+bien ceste chose". [765] De sterke middeleeuwsche neiging, om voor
+iedere functie een orgaan te scheppen, is niet anders dan een
+uitvloeisel van de denkwijze, die aan elke qualiteit zelfstandigheid
+toekende, haar als idee zag. De koning van Engeland had onder zijn
+"magna sergenteria" een ambt, om 's konings hoofd vast te houden, als
+hij het Kanaal overstak, en zeeziek werd; het werd in 1442 bekleed door
+zekeren John Baker, van wien het erfde op zijn beide dochters. [766]
+
+Onder hetzelfde licht valt te beschouwen de gewoonte, om alle dingen,
+ook de levenlooze, namen te geven. Het is, hoe verbleekt ook, een trek
+van primitief anthropomorphisme, wanneer ook thans nog in het
+krijgsleven, dat in vele opzichten den terugkeer tot een primitieve
+levenshouding beduidt, kanonnen namen krijgen. In de Middeleeuwen is die
+trek veel sterker: gelijk de zwaarden in den ridderroman hebben de
+bombarden in de oorlogen der 14e en 15e eeuw hun namen: "le Chien
+d'Orléans, la Gringade, la Bourgeoise, de Dulle Griete". Als een
+survival dragen thans nog de beroemde diamanten hun naam, zooals de
+juweelen van Karel den Stoute alle benaamd zijn: "le sancy, les trois
+frères, la hote, la balle de Flandres". Wanneer in onzen tijd de schepen
+hun naam behouden hebben, maar de huizen en de klokken niet, dan is het
+eensdeels, omdat het schip van plaats verandert en te allen tijde moet
+kunnen worden geïdentificeerd, maar toch ook wel omdat het schip iets
+persoonlijkers heeft behouden dan het huis, wat ook in het "she" van het
+Engelsche spraakgebruik is uitgedrukt. Die persoonlijke opvatting der
+levenlooze dingen moet men zich in de Middeleeuwen als veel sterker
+voorstellen: in de Middeleeuwen kreeg elk ding zijn naam: de cachotten
+der kerkers zoo goed als elk huis en elke klok.
+
+Aan alle dingen wordt gezocht naar de "moraliteit", zooals de
+middeleeuwer zeide, als het meest wezenlijke ervan. Elk historisch of
+litterair geval heeft de neiging, om te kristalliseeren tot een parabel,
+een moreel voorbeeld, een bewijsnummer; elke uitspraak tot een
+sententie, een tekst, een spreuk. Evenals de heilige symbolische
+verbanden tusschen het Nieuwe en het Oude Testament ontstaan er moreele
+verbanden, waardoor aan elk levensgeval terstond de spiegel kan worden
+voorgehouden van een voorbeeld, een type uit de schrift, de geschiedenis
+of de litteratuur. Om iemand tot vergeving te bewegen, somt men
+bijbelsche gevallen van vergiffenis op. Om voor het huwelijk te
+waarschuwen, rangschikt men al de ongelukkige huwelijken, waarvan de
+Oudheid spreekt. Jan zonder Vrees vergelijkt, om den moord op Orleans te
+verontschuldigen, zichzelven met Joab en zijn slachtoffer met Absalom,
+en prijst zich beter dan Joab, want de koning had den doodslag niet
+uitdrukkelijk verboden. "Ainssy avoit le bon duc Jehan attrait ce fait à
+moralité." [767]--Het is als 't ware een ruime en naïeve toepassing van
+het jurisprudentiebegrip, dat immers zelf in het hedendaagsche
+rechtsleven een residu van verouderde denkvormen begint te worden.
+
+Elk ernstig betoog grondt zich gaarne op een tekst als steun- en
+uitgangspunt: de twaalf proposities voor en tegen de onttrekking van
+gehoorzaamheid aan den paus van Avignon, waarmee in 1406 te Parijs op
+het nationaal concilie de zaak van het schisma wordt bepleit, gaan ieder
+uit van een schriftwoord. [768] Ook een wereldlijk feestredenaar kiest,
+zoo goed als een prediker, zijn tekst. [769]
+
+Geen duidelijker voorbeeld van al de genoemde trekken dan het beruchte
+pleidooi, waarmede meester Jean Petit den hertog van Bourgondië trachtte
+te rechtvaardigen wegens den moord op Lodewijk van Orleans.
+
+Het was ruim drie maanden geleden, dat 's konings broeder des avonds
+door de gehuurde sluipmoordenaars, die Jan zonder Vrees tevoren in een
+huis in de Rue vieille du Temple gehuisvest had, was neergestooten. De
+Bourgondiër had eerst bij de lijkplechtigheid grooten rouw gedreven,
+daarna, toen hij zag, dat het onderzoek zich zou uitstrekken tot in zijn
+hotel d'Artois, waar hij de moordenaars verborgen hield, had hij in den
+raad zijn oom Berry ter zijde genomen en hem bekend, dat hij door
+inblazing des duivels den moord had laten plegen. Hij was daarop uit
+Parijs gevlucht naar Vlaanderen. Te Gent had hij reeds een eerste
+rechtvaardiging van zijn euveldaad laten uitspreken; thans keerde hij
+naar Parijs terug, vertrouwend op den haat, die alom Orleans gegolden
+had, en zijn eigen populariteit bij het volk van Parijs, dat hem
+inderdaad ook nu nog blijde inhaalde. De hertog had te Amiens raad
+gepleegd met twee mannen, die op de kerkvergadering te Parijs in 1406
+zich onder de sprekers opmerkelijk hadden gemaakt: meester Jean Petit en
+Pierre aux Boeufs. Aan hen was opgedragen, het Gentsche pleidooi van
+Simon de Saulx uit te werken, om het als een indrukwekkende
+rechtvaardiging voor te dragen voor de prinsen en hooge heeren te
+Parijs.
+
+Daarmede verscheen nu meester Jean Petit, godgeleerde, preeker en
+dichter, den 8sten Maart 1408 in het hotel de Saint Pol te Parijs
+voor het luisterrijke gehoor, waarin de dauphin, de koning van Napels,
+de hertogen van Berry en Bretagne de eersten waren. Hij begon met
+gepaste nederigheid: hij arme was theoloog noch jurist, "une très grande
+paour me fiert au cuer, voire si grande, que mon engin et ma mémoire
+s'en fuit, et ce peu de sens que je cuidoie avoir, m'a jà du tout
+laissé." Dan ontplooit hij het kunstwerk van de zwartste politieke
+boosaardigheid, dat zijn geest in strengen stijl gebouwd had op den
+tekst: Radix omnium malorum cupiditas. Op schoolsche onderscheidingen en
+neventeksten is het geheel kunstig gedisponeerd; verlucht met exempelen
+uit de schrift en de historie; het krijgt een duivelsche levendigheid en
+een romantische spanning door de kleurige uitvoerigheid, waarmee de
+pleiter de snoodheden van den verslagene beschrijft. Het begint met de
+opsomming van twaalf verplichtingen, waardoor de hertog van Bourgondië
+gehouden was, den koning van Frankrijk te eeren, te beminnen en te
+wreken. Dan beveelt hij zich aan in de hulp van God, de Maagd en Sint
+Jan den Evangelist, om het eigenlijke betoog te beginnen: verdeeld in
+een major, een minor en een conclusie. Nu stelt hij zijn tekst voorop:
+Radix omnium malorum cupiditas. Daaruit worden twee toepassingen
+afgeleid: de begeerte maakt afvalligen, zij maakt verraders. Deze
+boosheden van apostasie en verraad worden verdeeld en onderverdeeld en
+daarna gedemonstreerd aan drie voorbeelden. Als de archetypen van den
+verrader rijzen Lucifer, Absalom en Athalia voor de verbeelding der
+hoorders op. Dan volgt de opstelling van acht waarheden, die den
+tyrannenmoord rechtvaardigen: wie tegen den koning conspireert, verdient
+dood en verdoemenis; hoe hooger hij staat, hoeveel te meer; ieder mag
+hem dooden. "Je prouve ceste verité par douze raisons en l'honneur des
+douze apostres": drie uitspraken van doctores, drie van philosophi, drie
+van juristen en drie uit de schrift. Zoo gaat het voort, tot de acht
+waarheden compleet zijn: een citaat uit _De casibus virorum illustrium_
+van "le philosophe moral Boccace" wordt aangehaald, om te bewijzen, dat
+men den tyran mag aanvallen uit een hinderlaag. Uit de acht waarheden
+volgen acht "correlaria" met een negende als toegift, waarin met
+toespelingen geduid werd op al de geheimzinnige gebeurtenissen, waarin
+de laster en de argwaan aan Orleans een gruwelijke rol hadden toegekend.
+Al de oude verdenkingen, die den hoogstrevenden en losbandigen prins van
+zijn jonge jaren af hadden vervolgd, werden tot gloeihitte weer
+opgerakeld: hoe hij in 1392 de opzettelijke aanlegger was geweest van
+het rampzalige "bal des ardents", toen zijn broeder de jonge koning
+ternauwernood was ontkomen aan den jammerlijken vuurdood van zijn
+gezellen in hun vermomming als wildemannen, door een onvoorzichtig
+bijgehouden toorts geraakt. Orleans' samensprekingen in het klooster der
+Celestijnen met "den toovenaar" Philippe de Mézières leverden de stof
+tot allerlei zinspelingen op moordplannen en giftmengerij. Zijn algemeen
+bekende gehechtheid aan tooverkunsten geeft aanleiding tot de
+levendigste gruwelverhalen: hoe Orleans op een Zondagmorgen met een
+afvalligen monnik, een ridder, een knape en een knecht naar la Tour
+Montjay aan de Marne reed; hoe de monnik daar twee duivelen deed
+verschijnen, gekleed in bruin-groen en geheeten Heremas en Estramain,
+die een degen, een dolk en een ring van een helsche wijding voorzagen,
+waarop het gezelschap een gehangene van de galg van Montfaucon ging
+halen enz. Tot uit den zinneloozen praat van den waanzinnigen koning
+wist meester Jan sinisteren zin te puren.
+
+Nadat aldus eerst de beoordeeling op het niveau van het algemeen-
+zedelijke was verheven, door de zaak te stellen in het licht der
+schriftuurlijke modellen en moreele sententiën, en vervolgens de stemming
+van afgrijzen en huivering kunstig is gaande gemaakt, breekt in de minor,
+die stuk voor stuk de geledingen van de major volgt, de stroom van
+regelrechte beschuldigingen los. De hartstochtelijke partijhaat doet den
+aanval op de nagedachtenis van den vermoorde met al de hevigheid, waartoe
+de toomelooze geest in staat was.
+
+Vier uren lang was Jean Petit aan 't woord, en toen hij uitgesproken
+had, sprak zijn lastgever, de hertog van Bourgondië: "Je vous avoue".
+Er werden van de justificatie vier kostbare boekjes gemaakt, gebonden in
+geperst leer, verlucht met goud en miniaturen, voor den hertog en zijn
+naaste verwanten. Een daarvan wordt nog te Weenen bewaard. Ook was het
+vertoog te koop. [770]
+
+De behoefte, om elk levensgeval uit te beelden tot een moreel voorbeeld,
+elk oordeel af te zonderen tot een sententie, waardoor het iets
+substantieels en onaantastbaars krijgt, kortom dat kristallisatieproces
+der gedachte, vindt haar meest algemeene en natuurlijke uiting in het
+spreekwoord. Het spreekwoord neemt in de middeleeuwsche gedachte een
+zeer belangrijke plaats in. Het treedt als 't ware in concurrentie met
+de heilige schrift. Tegenover de onbereikbare verhevenheid der
+bijbelsche moraal handhaaft in het spreekwoord de nuchtere,
+laag-bij-den-grondsche, baatzuchtige levenswijsheid haar gezag.
+Tegenover de jammerklacht over de aardsche zondigheid en verdorvenheid
+stelt de volkswijsheid in het spreekwoord haar nuchtere, goedmoedige,
+ironische berusting in de slechtheid der wereld. Uit het spreekwoord
+klinkt de diepe genoegzaamheid, die grenst aan de wijsheid van hen, die
+de wereld tot den grond hebben gepeild, en haar aanzien met een
+glimlach; de weldadige wijsheid van het spreekwoord ligt in zijn
+resignatie. "Les grans poissons mangent les plus petis."--"Les mal
+vestus assiet on dos au vent." Daar ligt de sociale rechtvaardigheid.
+"Nul n'est chaste si ne besongne" (als het niet noodig is). "Il n'est si
+ferré qui ne glice" (niemand zoo goed beslagen, dat hij niet uitglijdt).
+"L'homme est bon tant qu'il craint sa peau". "Au besoing on s'aide du
+diable". Daar ligt de moraal. "Moyen dueil vault mieux que trop joye".
+"Chascun a chose qui le myne". "Le jeu vault tant comme on y met". "Trop
+quiert (begeert) qui veult happer la lune".
+
+Het is verbazend, welk een aantal spreekwoorden er in de late
+Middeleeuwen gangbaar zijn geweest. [771] In hun alledaagsche geldigheid
+sluiten zij zoo goed aan bij den gedachteninhoud der litteratuur, dat de
+dichters van dien tijd er een druk gebruik van maken. Zeer in trek is
+bij voorbeeld het gedicht, waarvan elke strofe eindigt met een
+spreekwoord. Een ongenoemde wijdt in zulk een vorm een schimpdicht aan
+den gehaten prévôt van Parijs, Hugues Aubriot, bij diens smadelijken
+val. [772] Vervolgens komt Alain Chartier met zijn _Ballade de Fougères_
+[773] Molinet met verschillende stukken uit zijn _Faictz et Dictz_,
+[774] Coquillart's _Complaincte de Eco_, [775] Villon's ballade, geheel
+uit spreekwoorden opgebouwd. [776] Ook _Le passé temps d'oysiveté_ van
+Robert Gaguin [777] hoort ertoe; de 171 strofen eindigen op enkele na
+met een passend spreekwoord. Of zijn deze spreekwoordachtige zedelijke
+uitspraken (waarvan ik maar enkele weervind in de mij bekende collecties
+van spreekwoorden) eigen gedachten van den dichter? In dat geval zou
+het nog sterker bewijs zijn, welk een levende functie in het laat-
+middeleeuwsche denken aan het spreekwoord, dat is aan het afgeronde,
+geijkte, algemeen verstaanbare oordeel, toekwam, indien wij ze hier in
+onmiddellijke aansluiting bij een gedicht uit den geest van een
+individueelen dichter zien ontstaan.
+
+Zelfs de preek versmaadt naast de heilige teksten het spreekwoord niet,
+en het ernstig betoog in staats- of kerkvergaderingen maakt er een ruim
+gebruik van. Gerson, Jean de Varennes, Jean Petit, Guillaume Fillastre,
+Olivier Maillard brengen in hun preeken en oraties de meest alledaagsche
+spreekwoorden tot sterking van hun betoog te pas: "Qui de tout se tait,
+de tout a paix, Chef bien peigné porte mal bacinet (helm), D'aultrui
+cuir large courroye, Qui commun sert, nul ne l'en paye, Qui est tigneux,
+il ne doit pas oster son chaperon." [778]--Ja, er is zelfs een schakel
+tusschen het spreekwoord en de _Imitatio_, die immers naar den vorm
+berust op de spreukenverzamelingen of rapiaria, waarin men wijsheid van
+allerlei aard en herkomst placht te vergaren.
+
+Er zijn in de latere Middeleeuwen tal van schrijvers, wier kracht van
+oordeel zich eigenlijk niet boven het spreekwoord verheft, dat zij dan
+ook voortdurend toepassen. Een kroniekschrijver uit het begin der
+veertiende eeuw, Geoffroi de Paris, doorspekt zijn berijmd
+geschiedverhaal met spreekwoorden, die de moraal van het gebeurde geven,
+[779] en daaraan doet hij wijzer dan Froissart en _Le Jouvencel_, wier
+sententies van eigen maaksel dikwijls als halfgare spreekwoorden
+uitvallen: "Enssi aviennent li fait d'armes: on piert une fois et
+l'autre fois gaagn'on." "Or n'est-il riens dont on ne se tanne." "On
+dit, et vray est, que il n'est chose plus certaine que la mort." [780]
+
+Een soortgelijke kristallisatievorm der gedachte als het spreekwoord is
+het devies, dat in de laatste Middeleeuwen met bijzondere voorliefde
+gecultiveerd wordt. Het is geen wijsheid van algemeene strekking, zooals
+het spreekwoord, maar een persoonlijke aansporing of levensles, die door
+den drager tot een teeken is verheven, dat hij met gouden letters in
+zijn leven zelf aanbrengt, een les, die door de gestyleerde herhaling,
+waarmee zij op al de stukken van garderobe en uitrusting wederkeert,
+hem en de anderen moet suggereeren en vast houden. De stemming van de
+deviezen is veelal een van berusting, evenals bij het spreekwoord, van
+verwachting, soms met een onuitgesproken element, dat ze geheimzinnig
+moest maken: "Quand sera ce? Tost ou tard vienne, Va oultre, Autre fois
+mieulx, Plus dueil que joye." Verreweg de meeste hebben betrekking op de
+liefde: "Aultre naray, Vostre plaisir, Souvienne vous, Plus que toutes."
+Dat zijn ridderlijke spreuken, op dekkleed en wapenrusting aangebracht.
+Op de ringen stonden zij met intiemer klank: "Mon cuer avez, Je le
+desire, Pour tousjours, Tout pour vous."
+
+Met de emblemen, die het devies òf zichtbaar illustreeren òf ermee in
+los verband van zin staan, maken de zinspreuken deel uit van de
+heraldische gedachtensfeer. Het blazoen is voor den middeleeuwer meer
+dan een genealogische liefhebberij. De wapenfiguur krijgt voor zijn
+geest een waarde, welke nadert tot die van een totem. [781] De leeuwen,
+de leliën, de kruisen worden symbolen, waarin een heel complex van trots
+en streven, aanhankelijkheid en gemeenschapsgevoel in beeld is
+uitgedrukt, gemarkeerd als een zelfstandig, ondeelbaar ding.
+
+De behoefte, om elk geval te isoleeren als een zelfstandig bestaand
+iets, het te zien als idee, uit zich in de Middeleeuwen in een sterke
+neiging tot casuïstiek. Deze vloeit al weer voort uit het ver strekkende
+idealisme. Aan elke vraag, die zich voordoet, moet een ideale oplossing
+eigen zijn; deze is gegeven, zoodra men de juiste betrekking heeft
+erkend tusschen het aanwezige geval en de eeuwige waarheden, en die
+betrekking wordt afgeleid uit de toepassing van formeele regels op de
+feiten. Niet alleen vragen van zedelijkheid en recht vinden zoo hun
+oplossing, de casuïstische beschouwing beheerscht allerlei andere
+levensgebieden bovendien. Overal waar stijl en vormen hoofdzaak zijn,
+waar het spel-element van een cultuurvorm op den voorgrond treedt, viert
+de casuïstiek hoogtij. Dat geldt in de eerste plaats van alles wat
+ceremonieel en etikette betreft. Hier is de casuïstische beschouwing op
+haar plaats; hier is zij als denkvorm adequaat aan de gestelde vragen,
+immers hier zijn het enkel een reeks van gevallen, bepaald door
+eerbiedwaardige precedenten en formeele regels. Hetzelfde geldt van het
+wapenspel en de jacht. Gelijk vroeger reeds ter sprake kwam, [782]
+schept ook de opvatting der liefde als een schoon gezelschapsspel van
+stijlvolle vormen en regels de behoefte aan een uitgewerkte casuïstiek.
+
+Tenslotte hecht zich allerlei casuïstiek aan de gebruiken van den
+oorlog. De sterke invloed van de ridderidee op de opvatting van den
+krijg gaf ook aan dezen een element van spel. De gevallen van buitrecht,
+van aanvalsrecht, van trouw aan een parool, kwamen onder het aspect van
+spelregels, zooals zij golden voor tournooi en jachtvermaak. De zucht,
+om in het geweld recht en regel te brengen, sproot niet zoo zeer voort
+uit volkenrechtelijk instinct als uit ridderlijk besef van eer en
+levensstijl. Alleen een nauwgezette casuïstiek en het opstellen van
+strenge formeele regels maakten het mogelijk, het oorlogsgebruik
+eenigermate in harmonie te brengen met ridderlijke standseer.
+
+Zoo vinden wij de beginselen van het volkenrecht gemengd met de
+spelregels van de wapenoefening. Geoffroy de Charny legt in 1352 aan
+koning Jan II van Frankrijk, in diens hoedanigheid van grootmeester
+der juist door hem gestichte ridderorde van de Ster, een reeks van
+casuïstische vragen ter beslissing voor: twintig betreffen de "jouste",
+eenentwintig het tournooi en drieënnegentig den oorlog. [783] Een
+kwarteeuw later draagt Honoré Bonet, prior van Salon in Provence en
+doctor in het canonieke recht, aan den jongen Karel VI zijn _Arbre des
+batailles_ op, een tractaat over oorlogsrecht, dat nog in de zestiende
+eeuw, blijkens nieuwe uitgaven, van praktische waarde werd geacht. [784]
+Men vindt hier bijeen en dooreen vragen van het hoogste gewicht voor het
+volkenrecht en beuzelachtige kwesties, die niet veel meer dan spelregels
+betreffen. Mag men de ongeloovigen zonder noodzaak beoorlogen? Bonet
+antwoordt nadrukkelijk: neen, zelfs niet om hen te bekeeren. Mag een
+vorst den ander den doortocht over zijn gebied weigeren? Moet het (veel
+geschonden) privilege, dat de ploeger en zijn os veilig zijn voor het
+oorlogsgeweld, ook uitgestrekt worden tot den ezel en den knecht? [785]
+Moet een geestelijke zijn vader of zijn bisschop helpen? Wanneer men een
+geleende wapenrusting in den slag verliest, is men dan teruggave
+verschuldigd? Mag men slag leveren, op feestdagen? Is het beter, nuchter
+slag te leveren, of na den maaltijd? [786] Voor dit alles heeft de prior
+raad, uit bijbelplaatsen, canoniek recht en glosse.
+
+Een der gewichtigste punten van het krijgsgebruik was in dezen tijd
+alles wat het maken van gevangenen betrof. De losprijs voor een
+aanzienlijk gevangene was voor edelman en soudenier een der
+uitlokkendste beloften van den strijd. Hier was een onbeperkt veld voor
+casuïstische regels gegeven. Ook hier loopen volkenrecht en ridderlijk
+point d'honneur dooreen. Mogen de Franschen wegens den oorlog met
+Engeland de arme kooplui, landbouwers en herders op het Engelsche gebied
+gevangen nemen en hun hunne goederen ontnemen? In welke gevallen mag men
+uit zijn gevangenschap ontsnappen? Wat is de waarde van een vrijgeleide?
+[787]--In den biographischen roman _Le Jouvencel_ worden van die
+gevallen uit de praktijk behandeld. Men brengt voor den aanvoerder een
+twist van twee kapiteins over een gevangene. "Ik heb hem, zegt de een,
+het eerst bij zijn arm en zijn rechterhand gegrepen en hem den
+handschoen afgerukt". "Maar mij, zegt de ander, heeft hij het eerst de
+rechterhand en zijn woord gegeven." Beide gaf aanspraak op het kostbare
+bezit, maar de laatste aanspraak wordt als de hoogere erkend. Van wien
+is een gevangene, die ontvlucht en weer gevangen is? Oplossing: in het
+oorlogsgebied behoort hij aan den nieuwen vanger, maar daarbuiten aan
+den oorspronkelijken vanger. Mag een gevangene, die zijn woord gegeven
+heeft, wegloopen, als zijn vanger hem niettemin aan een ketting legt?
+Of als men verzuimd heeft, hem zijn woord te vragen? [788]
+
+Naast de casuïstische denkwijze nog een ander uitvloeisel van de
+middeleeuwsche neiging, om de zelfstandige waarde van een ding of een
+geval te overschatten. Men kent _Le Testament_ van François Villon, het
+groote satirische gedicht, waarin hij al zijn hebben en houden vermaakt
+aan vrienden en vijanden. Er zijn meer van die dichterlijke Testamenten,
+zooals dat van Barbeau's muilezel door Henri Baude. [789] Het is een
+geijkte vorm. Deze vorm echter is slechts begrijpelijk, als men zich
+herinnert, dat inderdaad de middeleeuwsche menschen gewoon waren, per
+testament tot over het geringste van hun bezittingen afzonderlijk en
+uitvoerig te beschikken. Een arme vrouw vermaakt aan haar parochie haar
+zondagskleed en haar kap; haar bed aan haar petekind, een pels aan haar
+verpleegster, haar daagsche rok aan een arme, en vier pond tournoois,
+die haar vermogen uitmaakten, met nog een kleed en een kap aan de
+Minderbroeders. [790] Is ook daarin niet een zeer alledaagsche uiting te
+zien van dezelfde denkrichting, die ieder geval van deugdbetrachting als
+een eeuwig exempel, elke gewoonte als een goddelijke ordinantie aanzag?
+Het is dat kleven van den geest aan de bijzonderheid en waarde van het
+enkele ding, dat als een ziekte den verzamelaar en den gierigaard
+beheerscht.
+
+Al de opgesomde trekken laten zich vereenigen onder het begrip
+formalisme. Het ingeschapen besef van de transcendentale wezenlijkheid
+der dingen brengt mee, dat elke voorstelling in onwrikbare grenzen staat
+omlijnd, geïsoleerd in een plastischen vorm, _en die vorm heerscht_.
+Doodzonden en dagelijksche zonden zijn naar vaste regels te onderscheiden.
+Het rechtsgevoel is muurvast, het behoeft geen oogenblik te twijfelen:
+de daad richt den man, zei de oude rechtsspreuk. Bij de beoordeeling van
+een daad is haar formeele inhoud nog altijd hoofdzaak. Eenmaal, in het
+primitieve recht van den oudgermaanschen tijd, was dat formalisme zoo
+sterk geweest, dat de rechtspraak geen rekening hield met opzet of
+onopzettelijkheid: de daad was de daad, en bracht als zoodanig de straf
+mede, terwijl een niet voltooide daad, een poging tot misdrijf,
+straffeloos was. Eerst langzamerhand dringt in het middeleeuwsche recht
+de uitzondering door, dat men niet door een onwillekeurige verspreking
+in het eedsformulier zijn recht verliest. De sporen van dat formalisme
+in rechtzaken zijn ook in de latere Middeleeuwen nog voor 't grijpen.
+
+De buitengewone gevoeligheid voor de formeele eer is een verschijnsel
+van die denkwijze. Te Middelburg was in 1445 heer Jan van Domburg wegens
+een doodslag gevlucht in een kerk, om het asylrecht te genieten. Men
+blokkeerde hem in zijn toevluchtsoord, gelijk de gewoonte was.
+Herhaaldelijk zag men toen zijn zuster, een non, hem komen aansporen,
+om zich liever al vechtende te laten dooden, dan de schande over zijn
+geslacht te brengen van in beulshanden te vallen. En als dat tenslotte
+toch is geschied, verwerft de juffer van Domburg zijn lichaam.
+[791]--Bij een tournooi is het dekkleed van het paard van een edelman
+versierd met 's mans wapen. Dat was zeer ongepast, vindt Olivier de la
+Marche, want als het paard, "une beste irraisonnable", nu eens struikelde
+en het wapen sleepte in het zand, dan was de geheele familie geblameerd.
+[792]--Kort na een bezoek van den hertog van Bourgondië op Chastel en
+Porcien doet aldaar een edelman in waanzin een poging tot zelfmoord.
+Men is er onbeschrijfelijk ontdaan over, "et n'en savoit-on comment
+porter la honte après si grant joye demenée." Ofschoon het bekend was,
+dat het in waanzin was geschied, wordt de ongelukkige, genezen, uit het
+kasteel verbannen "et ahonty à tousjours." [793]
+
+Een treffend voorbeeld van de plastische wijze, waarop aan een behoefte
+tot herstel van geschonden eer werd voldaan, levert het volgende geval.
+Te Parijs was in 1478 een zekere Laurent Guernier bij vergissing
+gehangen. Hij had namelijk nog juist remissie gekregen van zijn
+misdrijf, maar deze was hem niet bijtijds aangezegd. Na een jaar was
+dit gebleken, en werd het lichaam op verzoek van zijn broeder eervol
+begraven. Voor de baar gingen vier stadsomroepers met hun ratels, het
+wapen van den doode op hun borst; rondom de baar vier kaarsen en acht
+fakkeldragers in rouwgewaad en met hetzelfde wapen. Zoo ging het door
+Parijs van de Porte Saint Denis tot de Porte Saint Antoine, vanwaar het
+vervoer naar 's mans geboorteplaats Provins begon. Een der omroepers nu
+roept voortdurend: "Bonnes gens, dictes voz patenostres pour l'âme de
+feu Laurent Guernier, en son vivant demourant à Provins, _qu'on a
+nouvellement trouvé mort soubz ung chesne_." [794]
+
+De sterke levenskracht van het bloedwraakprincipe, dat juist in zoo
+bloeiende en hoogbeschaafde streken als Noord-Frankrijk en de Zuidelijke
+Nederlanden zoo welig tierde, [795] is een andere kant van dezelfde
+geestesgesteldheid. Ook die wraaklust heeft iets formeels. Men overlegt
+somtijds zorgvuldig, iemand niet te dooden, en steekt hem daarom
+welberaamd in dijen, armen en aangezicht; het slachtoffer moet vooral
+niet zonder biecht sterven: du Clercq vertelt een geval van lieden, die
+hun schoonzuster gaan vermoorden en opzettelijk een priester meebrengen.
+[796]
+
+Het formeele karakter van zoen en wraak brengt weer mee de bevrediging
+van het ongelijk door symbolische straffen of boetedoeningen. In al de
+groote politieke verzoeningen der vijftiende eeuw komt een groot gewicht
+toe aan dat symbolisch element: het afbreken van de huizen, die aan het
+misdrijf herinnerden, het stichten van gedenkkruisen, het toemetselen
+van poorten, om van openbare boetceremoniën en het stichten van
+zielmissen en kapellen niet te spreken. Zoo bij den eisch der Orleansen
+tegen Jan zonder Vrees, zoo bij den vrede van Atrecht in 1435, bij den
+zoen van het oproerige Brugge in 1437, en den zwaarderen zoen van het
+opstandige Gent in 1453, waar de lange stoet, geheel in 't zwart, zonder
+gordels, blootshoofds en barrevoets, de hoofdschuldigen in het hemd
+vooraan, optrekt in den stortregen, om allen te zamen voor den hertog
+pardon te roepen. [797]--Bij de verzoening met zijn broeder in 1469
+vraagt Lodewijk XI allereerst den ring, waarmee de bisschop van Lisieux
+den prins als hertog aan Normandië heeft gehuwd, en laat dien te Rouen
+in 't bijzijn van notabelen op een aambeeld breken. [798]
+
+Het algemeene formalisme ligt ook ten grondslag aan het geloof in de
+werking van het gesproken woord, dat zich in de primitieve cultuur in
+zijn volheid openbaart, en zich in de late Middeleeuwen nog handhaaft in
+zegenspreuken, tooverspreuken, dingtalen. Een plechtig verzoek heeft nog
+iets solemneels, iets van het dwingende van den sprookjeswensch. Wanneer
+alle smeekbeden Philips den Goede niet kunnen vermurwen, om genade te
+schenken aan een veroordeelde, gaat men het verzoek opdragen aan Isabella
+van Bourbon, zijn geliefde schoondochter, in de hoop, dat hij het haar
+niet zal kunnen weigeren,--want, zegt zij: ik heb u nog nooit iets
+belangrijks gevraagd. [799] En het doel wordt bereikt.--In hetzelfde
+licht is de verbazing van Gerson te beschouwen, dat ondanks alle prediking
+de zeden nog niet verbeterden: ik weet niet, wat ik zeggen moet:
+voortdurend worden er preeken gehouden, maar altijd tevergeefs. [800]
+Onmiddellijk uit het algemeene formalisme vloeien voort die eigenschappen,
+die aan den geest der latere Middeleeuwen zoo dikwijls een karakter van
+holheid en oppervlakkigheid geven. Vooreerst het buitengewone simplisme in
+de motiveering. Hiërarchisch geanalyseerd als het begrippenstelsel was,
+gegeven de plastische zelfstandigheid van elke voorstelling en de behoefte
+om elk verband te verklaren uit een algemeen geldige waarheid, werkt de
+causale geestesfunctie als een telefooncentrale: er kunnen steeds allerlei
+verbindingen tot stand worden gebracht, maar altijd slechts van twee
+nummers tegelijk. Men ziet van elken toestand, elken samenhang slechts
+enkele trekken, en deze hevig geëxaggereerd en bont gekleurd; het beeld
+van een gebeurtenis heeft steeds de enkele zware lijnen van een primitieve
+houtsnede. Eén motief is steeds voldoende ter verklaring, en bij voorkeur
+het algemeenste, het onmiddellijkste of het ruwste. Voor de Bourgondiërs
+kan het motief tot den moord op den hertog van Orleans slechts op één
+grond berusten: de koning heeft den hertog van Bourgondië verzocht, den
+echtbreuk der koningin met Orleans te wreken. [801] De oorzaak van den
+grooten Gentschen opstand is voor het oordeel der tijdgenooten door een
+vormkwestie over een briefformulier geheel voldoende aangegeven. [802]
+
+De middeleeuwsche geest generaliseert gereedelijk uit één geval. Olivier
+de la Marche concludeert uit één geval van Engelsche onpartijdigheid uit
+vroeger tijd, dat de Engelschen in die dagen deugdzaam waren, en dat dit
+de oorzaak was, dat zij Frankrijk hadden kunnen veroveren. [803] De
+geweldige overdrijving, die onmiddellijk voortspruit uit het te bont en
+te zelfstandig zien der gevallen, wordt nog in de hand gewerkt, doordat
+altijd naast het geval terstond een parallel uit de heilige geschiedenis
+gereed staat, die het geval optrekt in een sfeer van hooger potentie.
+Wanneer bijvoorbeeld in 1404 een processie der Parijsche studenten is
+verstoord, waarbij er twee zijn gewond en van één het kleed gescheurd,
+dan is voor den verontwaardigden kanselier der Universiteit de klank
+van een teeder woord: "les enfans, les jolis escoliers comme agneaux
+innocens", genoeg, om het geval te vergelijken met den kindermoord van
+Bethlehem. [804]
+
+Waar voor ieder geval een verklaring zoo gemakkelijk wordt aanvaard, en,
+eenmaal aanvaard, zoo vast geloofd, daar heerscht een buitengewone
+gemakkelijkheid van het valsche oordeel. Indien men met Nietzsche moet
+aannemen, dat "der Verzicht auf falsche Urteile das Leben unmöglich
+machen würde", dan kan juist daaraan voor een deel het krachtige, felle
+leven, dat ons in vroeger tijden treft, worden toegeschreven. In elken
+tijd, die een buitengewone spanning van alle krachten vraagt, moet het
+valsche oordeel in versterkte mate de zenuwen te hulp komen. De
+middeleeuwers leefden eigenlijk doorloopend in zulk een geestelijke
+crisis; zij konden geen oogenblik buiten de grofste valsche oordeelen,
+die onder den invloed van partijgevoel een ongeëvenaarden graad van
+boosaardigheid bereiken. De geheele houding van de Bourgondiërs
+tegenover de groote veete met Orleans getuigt ervan. De verhouding van
+de aantallen gesneuvelden wordt door den overwinnaar in het belachelijke
+verschoven: Chastellain laat in den slag bij Gavere vijf edelen vallen
+aan de zijde van den vorst tegen 20 of 30.000 der opstandige Gentenaars.
+[805] Het is een der moderne trekken van Commines, dat hij aan die
+overdrijvingen niet meedoet. [806]
+
+Hoe is tenslotte die eigenaardige lichthoofdigheid op te vatten, die
+zich in oppervlakkigheid, onnauwkeurigheid en lichtgeloovigheid bij de
+latere middeleeuwers voortdurend openbaart? Het is dikwijls, alsof zij
+niet de geringste behoefte hebben aan werkelijke gedachten, alsof een
+voorbijglijden van ijle droombeelden voedsel voor hun geest genoeg was:
+uiterlijke feiten oppervlakkig beschreven, dat is de signatuur van
+schrijvers als Froissart en Monstrelet. Hoe hebben de eindelooze
+onbeslissende gevechten en belegeringen, waaraan Froissart zijn gaven
+heeft verspild, hun aandacht kunnen boeien? Naast de felle partijmannen
+staan onder de kroniekschrijvers zij, wier politieke sympathieën in het
+geheel niet zijn vast te stellen, zooals Froissart en Pierre de Fenin;
+zoozeer put hun geest zich uit in het verhaal der uiterlijke
+gebeurtenissen. Zij onderscheiden het belangrijke niet van het
+onbelangrijke. Monstrelet is bij het onderhoud van den hertog van
+Bourgondië met de gevangen Jeanne d'Arc tegenwoordig geweest, maar
+herinnert zich niet, wat er gesproken werd. [807] De onnauwkeurigheid,
+zelfs ten opzichte van gewichtige gebeurtenissen, waarin zij zelf
+betrokken waren, kent geen grenzen. Thomas Basin, die zelf het
+rehabilitatie-proces van Jeanne d'Arc leidde, laat haar in zijn kroniek
+geboren zijn te Vaucouleurs, laat haar door Baudricourt zelf, dien hij
+heer in plaats van kapitein der stad noemt, naar Tours brengen, vergist
+zich drie maanden betreffende haar eerste samenkomst met den dauphin.
+[808] Olivier de la Marche, het puik der hovelingen, vergist zich
+voortdurend in de afstamming en verwantschap der hertogelijke familie,
+en plaatst zelfs het huwelijk van Karel den Stoute met Margareta van
+York, waarvan hij de feesten in 1468 had meegemaakt en beschreven, na
+het beleg van Neuss in 1475. [809] Zelfs Commines ontkomt niet aan
+dergelijke verwarringen: hij vergroot een aantal jaren herhaaldelijk met
+twee; hij vertelt tot driemaal toe den dood van Adolf van Gelre. [810]
+
+Het gebrek aan kritische onderscheiding en de lichtgeloovigheid spreken
+zoo duidelijk uit elke bladzijde der middeleeuwsche litteratuur, dat het
+onnoodig is voorbeelden aan te halen. Natuurlijk bestaat hier een groot
+verschil in graad al naar de ontwikkeling van den persoon. Onder het
+volk der Bourgondische landen heerschte ten opzichte van Karel den
+Stoute nog die eigenaardige vorm van barbaarsche lichtgeloovigheid, die
+aan den dood van de indrukwekkende heerschersfiguur nooit recht gelooven
+deed, zoodat men tot tien jaar na den slag van Nancy elkaar nog leende
+op afbetaling, als de hertog zou terugkomen. Basin, die het meedeelt,
+behandelt het als louter dwaasheid. [811] Doch bij allen vat onder den
+invloed van den sterken hartstocht en de gereede verbeelding het geloof
+aan de realiteit van het verbeelde zeer licht post. Bij een
+geestesgesteldheid, waarin zoo sterk in zelfstandige verbeeldingen wordt
+gedacht, geeft de bloote aanwezigheid van een voorstelling in den geest
+een groote presumptie van geloofwaardigheid. Zoodra een denkbeeld
+eenmaal met naam en vorm in het brein rondwandelt, is het als 't ware
+opgenomen in het systeem van moreele en godsdienstige figuren, en deelt
+onwillekeurig in hun hooge geloofwaardigheid.
+
+Terwijl nu aan den eenen kant de begrippen door hun scherpe omlijning,
+hun hiërarchisch verband en hun dikwijls anthropomorph karakter
+bijzonder vast en onbewegelijk zijn, dreigt aan den anderen kant het
+gevaar, dat juist in dien levendigen vorm van het begrip de inhoud zoek
+raakt. Eustache Deschamps wijdt een lang, allegorisch en satirisch
+leergedicht _Le Miroir de Mariage_ [812] aan de nadeelen van het
+huwelijk; als hoofdpersoon treedt daarin op Franc Vouloir, door Folie
+en Désir aangespoord om te trouwen, door Repertoire de science daarvan
+teruggebracht. In de uiterlijke personificatie nu put zich de
+voorstelling van den dichter zoozeer uit, dat zijn opvatting van wat
+Franc Vouloir eigenlijk beteekent, wankelt tusschen den abstracten
+vrijen wil en de vrijheid van den vroolijken jonggezel. Hetzelfde
+gedicht illustreert nog in een ander opzicht, hoe in de uitgewerkte
+verbeeldingen de gedachte licht bleef wankelen of zich vervluchtigde.
+De toon van het gedicht is die van de bekende philisterachtige en in
+den grond zinnelijke vrouwenverguizing: de bespotting van haar zwakheid,
+de verdachtmaking van haar eer, waarin de gansche Middeleeuwen zich
+verlustigd hebben. Voor ons gevoel dissoneert met dien toon op schrille
+wijze de vrome aanprijzing van het geestelijk huwelijk en het schouwende
+leven, waarop Repertoire de science zijn vriend Franc Vouloir in het
+latere gedeelte van het gedicht onthaalt. [813] Even vreemd doet het
+ons aan, dat de dichter door Folie en Désir soms hooge waarheden laat
+bewijzen, die men van den kant der tegenpartij zou verwachten. [814]
+
+Hier als zoo dikwijls bij de middeleeuwsche uitingen rijst de vraag:
+heeft de dichter gemeend, wat hij aanprees? Zooals men ook vragen mocht:
+hebben Jean Petit en zijn Bourgondische beschermers geloofd in al de
+gruwelen, waarmee zij de nagedachtenis van Orleans bekladden? Of: hebben
+de vorsten en edelen ernst gezien in al de bizarre fantazie en vertooning,
+waarmee zij hun ridderlijke krijgsplannen en geloften aankleedden? Het is
+uiterst moeilijk, om ten opzichte van de middeleeuwsche gedachte de grenzen
+tusschen overtuiging en geveinsdheid, tusschen ernst en spel zuiver te
+trekken. Soms schijnt alles geveinsd, soms schijnt alles naïef gemeend.
+
+Vermenging van ernst en spel kenmerkt de zeden op allerlei gebied.
+Vooral in den oorlog wordt gaarne een komisch element gebracht: de spot
+der belegerden over hun vijand, dien zij dikwijls bloedig boeten. Die
+van Meaux brengen een ezel op den muur, om Hendrik V van Engeland te
+hoonen; die van Condé verklaren zich nog niet te kunnen overgeven, want
+zij zijn nog bezig hun paasch-pannekoeken te bakken; te Montereau
+stoffen de burgers, op den muur staande, hun kaproenen af, wanneer het
+kanon der belegeraars heeft losgebrand. [815] In dezelfde lijn ligt het,
+wanneer het kamp van Karel den Stoute voor Neuss wordt ingericht als een
+groote kermis: de edelen laten "par plaisance" hun tenten bouwen in den
+vorm van kasteelen, met galerijen en tuinen; er is allerlei vermaak.
+[816]
+
+Er is één gebied, waar die bijmenging van spot in de ernstigste dingen
+bijzonder grillig aandoet: de sombere sfeer van het duivel- en
+heksengeloof. Al wortelde de duivelfantazie onmiddellijk in den grooten
+diepen angst, die haar voortdurend voedt, toch kleurde ook hier de
+naïeve verbeelding de figuren zoo kinderlijk bont, en maakt ze zoo
+gemeenzaam, dat zij soms het angstwekkende verliezen. Het is niet alleen
+in de litteratuur, dat de duivel als komische figuur optreedt: ook in
+den gruwelijken ernst van de tooverijprocessen blijft het gezelschap van
+Satan vaak breughelsch en rabelaisiaansch, en vermengt zich de helsche
+zwavellucht met de veesten van de klucht. De duivelen, die een
+nonnenklooster in onrust brengen, onder hun kapiteins Tahu en Gorgias,
+dragen namen "assez consonnans aux noms des mondains habits, instruments
+et jeux du temps présent, comme Pantoufle, Courtaulx et Mornifle." [817]
+
+De vijftiende eeuw is die der heksenvervolgingen bij uitstek geweest. In
+den tijd, waarmee wij de Middeleeuwen plegen te sluiten en blijde opzien
+naar het bloeiende Humanisme, wordt de stelselmatige uitwerking van den
+heksenwaan, die vreeselijke uitgroei van de middeleeuwsche gedachte,
+bezegeld door den _Malleus maleficarum_ en de bul _Summis desiderantes_
+(1487 en 1484). En geen Humanisme of Hervorming keeren dien waan: geeft
+niet de humanist Jean Bodin nog na het midden der zestiende eeuw in zijn
+_Démonomanie_ het meeste en geleerdste voedsel aan de vervolgzucht? De
+nieuwe tijd en het nieuwe weten hebben niet aanstonds den gruwel der
+heksenvervolging van zich gewezen. Omgekeerd zijn de meedoogender
+opvattingen omtrent hekserij, die in het laatst der zestiende eeuw door
+den Gelderschen geneesheer Johannes Wier verkondigd werden, reeds in de
+vijftiende eeuw ruimschoots vertegenwoordigd.
+
+De houding toch van den laat-middeleeuwschen geest tegenover het
+bijgeloof, met name tegenover heksen en tooverij, is zeer gevarieerd en
+weinig vast. Zóó hulpeloos overgeleverd aan alle spooksel en waan, als
+men uit de algemeene lichtgeloovigheid en het gemis aan kritiek
+verwachten zou, is de tijd niet. Er zijn tal van uitingen van twijfel of
+van rationeele opvatting. Telkens weer zijn het haarden van demonomanie,
+waar het kwaad uitbreekt en zich soms langen tijd handhaaft. Daar waren
+toover- en heksenlanden bij uitnemendheid, meest bergstreken: Savoye,
+Zwitserland, Lotharingen, Schotland. Doch ook daarbuiten komen van die
+epidemieën voor. Omstreeks 1400 was het Fransche hof zelf zulk een haard
+van tooverij. Een prediker waarschuwde den hofadel, dat men oppassen
+moest, of de spreekwijze zou in plaats van "vieilles sorcières" "nobles
+sorciers" gaan luiden. [818] In het bijzonder rondom Lodewijk van
+Orleans zweefde de atmosfeer van duivelskunsten; de beschuldigingen en
+verdachtmakingen van Jean Petit misten in dit opzicht niet allen grond.
+Orleans' vriend en raadsman, de oude Philippe de Mézières, die bij de
+Bourgondiërs gold als de geheimzinnige inblazer van al diens misdaden,
+vertelt zelf, hoe hij indertijd de tooverkunst geleerd had van een
+Spanjaard, en hoeveel moeite 't hem had gekost, om die snoode kennis
+weer te vergeten. Nog tien of twaalf jaar sedert hij uit Spanje weg was,
+"à sa volenté ne povoit pas bien extirper de son cuer les dessusdits
+signes et l'effect d'iceulx contre Dieu", totdat hij eindelijk,
+biechtende en zich verzettende, door Gods goedheid verlost werd "de
+ceste grant folie, qui est à l'âme crestienne anemie". [819] De meesters
+der tooverkunst zocht men bij voorkeur in wilde streken: een persoon,
+die gaarne den duivel zou spreken en niemand kan vinden, om hem die
+kunst te leeren, wordt verwezen naar "Ecosse la sauvage". [820]
+
+Orleans had zijn eigen heksenmeesters en nigromanciens. Een hunner,
+wiens kunst hem niet voldeed, liet hij verbranden. [821] Aangemaand om
+over het geoorloofde van zijn bijgeloovige praktijken het gevoelen van
+godgeleerden te vragen, antwoordde hij: "Waarom zou ik denzulken vragen?
+ik weet immers, dat zij het mij zouden ontraden, en toch ben ik volkomen
+besloten, zoo te handelen en zoo te gelooven, en ik zal het niet
+nalaten." [822]--Gerson brengt met dat hardnekkig zondigen Orleans'
+plotselingen dood in verband; hij keurt ook de proeven af, om den
+krankzinnigen koning door tooverij te genezen, die reeds door meer dan
+één bij mislukking met den vuurdood geboet waren. [823]
+
+Eén tooverpraktijk in het bijzonder werd aan de vorstenhoven
+herhaaldelijk genoemd: die welke in het Latijn "invultare", in het
+Fransch "envoûtement" heette, de toeleg, over de geheele wereld bekend,
+om een vijand te verderven door een gedoopt wassen beeldje of andere
+figuur, in zijn naam vervloekt, te doen smelten of te doorsteken.
+Philips VI van Frankrijk zou zulk een beeldje, dat hem in handen kwam,
+zelf in het vuur hebben geworpen met de woorden: "Wij zullen zien, of
+de duivel machtiger is om mij te verderven, dan God om mij te redden."
+[824]--Ook de Bourgondische hertogen worden ermee vervolgd. "N'ay-je
+devers moy--beklaagt Charolais zich bitter--les bouts de cire baptisés
+dyaboliquement et pleins d'abominables mystères contre moy et autres?"
+[825]--Philips de Goede, die in zoo vele opzichten tegenover zijn
+koninklijke neven de meer conservatieve levensopvatting
+vertegenwoordigt: in zijn zin voor ridderschap en staatsie, in zijn
+kruistochtplan, in de meer ouderwetsche litteraire vormen, die hij
+beschermde,--schijnt op het stuk van bijgeloof verlichter meeningen
+toegedaan te zijn geweest dan het Fransche hof, met name Lodewijk XI.
+Philips hecht niet aan den ongeluksdag van Onnoozele kinderen, die zich
+ieder week herhaalde; hij vorscht niet naar de toekomst bij astrologen
+en waarzeggers, "car en toutes choses se monstra homme de léalle entière
+foy envers Dieu, sans enquérir riens de ses secrets", zegt Chastellain,
+die dat standpunt deelt. [826] Het is de hertog, wiens ingrijpen een
+einde maakt aan de vreeselijke vervolgingen van heksen en toovenaars te
+Atrecht in 1461, een der groote epidemieën van den heksenwaan.
+
+De ongeloofelijke verblinding, waarmee de heksencampagnes geleid werden,
+sproot tendeele voort uit het feit, dat zich de begrippen tooverij en
+ketterij vermengd hadden. In het algemeen had zich alle afschuw, vrees
+en haat over ongehoorde vergrijpen, ook die buiten het directe
+geloofsgebied lagen, uitgedrukt in het begrip ketterij. Monstrelet noemt
+bij voorbeeld de sadistische misdaden van Gilles de Rais eenvoudig
+"hérésie". [827] Het gewone woord voor tooverij was in de vijftiende
+eeuw in Frankrijk "vauderie", dat zijn verband met de Waldenzen verloren
+had. In de groote "Vauderie d'Arras" nu ziet men zoowel den ontzettenden
+ziekelijken waan, waaruit weldra de _Malleus maleficarum_ zou worden
+uitgebroeid, als den algemeenen twijfel, zoo bij het volk als bij de
+hooggeplaatsten, aan de werkelijkheid van al de ontdekte misdrijven.
+Een der inquisiteurs beweert, dat een derde gedeelte der christenheid
+met vauderie is besmet. Zijn godsvertrouwen brengt hem tot de
+huiveringwekkende consequentie, dat ieder van tooverij beschuldigde ook
+schuldig moet zijn. God toch laat niet toe, dat iemand ervan wordt
+beschuldigd, die geen toovenaar is. "Et quand on arguoit contre lui,
+fuissent clercqs ou aultres, disoit qu'on debvroit prendre iceulx
+comme suspects d'estre vauldois." Houdt iemand vol, dat sommige der
+verschijnselen op inbeelding berusten, dan noemt hij hem verdacht.
+Ja, deze inquisiteur meende op het zien van iemand te kunnen oordeelen,
+of hij bij de vauderie betrokken was of niet. Later werd de man
+krankzinnig, maar de heksen en toovenaars waren verbrand.
+
+De stad Atrecht geraakte door de vervolgingen zoo in opspraak, dat men
+haar kooplui niet meer wilde herbergen of hun crediet verleenen, uit
+vrees, dat zij wellicht morgen van tooverij aangeklaagd, hun goed door
+verbeurdverklaring zouden verliezen. Niettemin, zegt Jacques du Clercq,
+geloofde buiten Atrecht niet één op duizend aan de waarheid van dat
+alles: "oncques on n'avoit veu es marches de par decha tels cas advenu."
+Als de slachtoffers bij hun terechtstelling hun euvele daden herroepen
+moeten, twijfelt het volk van Atrecht zelf. Een gedicht vol haat tegen
+de vervolgers beschuldigt hen, alles uit hebzucht te hebben aangespannen;
+de bisschop zelf noemt het een opgezette zaak, "une chose controuvée par
+aulcunes mauvaises personnes". [828] De hertog van Bourgondië roept het
+advies in der faculteit van Leuven, van welke meerderen verklaren, dat
+de vauderie niet reëel is, dat het enkel illusies zijn. Toen zendt
+Philips zijn wapenkoning Toison d'or naar de stad, en sedert dien tijd
+werden geen nieuwe slachtoffers meer gevat, en die nog in staat van
+beschuldiging waren, zachter behandeld.
+
+Tenslotte zijn al de Atrechtsche heksenprocessen vernietigd. En de stad
+vierde dat feit met een vroolijk feest en stichtelijke zinnespelen.
+[829]
+
+De waan der heksen zelf van haar luchtritten en sabbathorgieën is niet
+dan haar eigen inbeelding, dat was het standpunt, in de vijftiende eeuw
+reeds door verscheidenen ingenomen. Daarmee was evenwel nog niet de rol
+van den duivel geschrapt, want hij is het, die de noodlottige illusie
+teweegbrengt; het is een dwaling, maar zij komt van den duivel. Dat is
+ook nog het standpunt van Johannes Wier in de zestiende eeuw. Bij Martin
+Lefranc, proost van de kerk van Lausanne, den dichter van het groote
+werk _Le Champion des Dames_, dat hij in 1440 aan Philips den Goede
+opdroeg, vindt men de volgende verlichte voorstelling van den
+heksenwaan.
+
+ "Il n'est vieille tant estou(r)dye,
+ Qui fist de ces choses la mendre (de geringste)
+ Mais pour la faire ou ardre ou pendre,
+ L'ennemy de nature humaine,
+ Qui trop de faulx engins scet tendre,
+ Les sens faussement lui demaine.
+ Il n'est ne baston ne bastonne
+ Sur quoy puist personne voler,
+ Mais quant le diable leur estonne
+ La teste, elles cuident aler
+ En quelque place pour galer
+ Et accomplir leur volonté.
+ De Romme on les orra parler,
+ Et sy n'y auront jà esté.
+ * * * * * * * * * * * *
+ Les dyables sont tous en abisme,
+ --Dist Franc-Vouloir--enchaienniez (geketend)
+ Et n'auront turquoise ni lime
+ Dont soient jà desprisonnez.
+ Comment dont aux cristiennez
+ Viennent ilz faire tant de ruzes
+ Et tant de cas désordonnez?
+ Entendre ne sçay tes babuzes."
+
+En elders in hetzelfde gedicht:
+
+ "Je ne croiray tant que je vive
+ Que femme corporellement
+ Voit par l'air comme merle ou grive,
+ --Dit le Champion prestement.--
+ Saint Augustin dit plainement
+ C'est illusion et fantosme;
+ Et ne le croient aultrement
+ Gregoire, Ambroise ne Jherosme.
+ Quant la pourelle est en sa couche,
+ Pour y dormir et reposer,
+ L'ennemi qui point ne se couche
+ Se vient encoste alle poser.
+ Lors illusions composer
+ Lui scet sy tres soubtillement,
+ Qu'elle croit faire ou proposer
+ Ce qu'elle songe seulement.
+ Force la vielle songera
+ Que sur un chat ou sur un chien
+ A l'assemblée s'en ira;
+ Mais certes il n'en sera rien:
+ Et sy n'est baston ne mesrien (balk)
+ Qui le peut ung pas enlever." [830]
+ * * * * * * * * * * * *
+
+Ook Froissart houdt het geval van den Gasconschen edelman met zijn
+volggeest Horton, dat hij zoo meesterlijk beschrijft, voor een "erreur".
+[831] Gerson heeft een neiging, om in de beoordeeling der duivelsche
+illusiën nog een schrede verder te gaan, en een natuurlijke verklaring
+te zoeken voor allerlei bijgeloovige verschijnselen. Veel daarvan, zegt
+hij, komt enkel voort uit de menschelijke verbeelding en melancholische
+waanvoorstellingen, en deze berusten in duizenden gevallen op eenig
+bederf van de verbeeldingskracht, bij voorbeeld door een inwendig letsel
+der hersenen. Hierin schijnt hij zeer verlicht, evenals waar hij in het
+bijgeloof een belangrijk aandeel toeschrijft aan heidensche overleefsels
+en dichterlijke verzinselen. Maar hoewel Gerson toegeeft, dat veel
+gewaande duivelarij aan natuurlijke oorzaken is toe te schrijven, laat
+ook hij tenslotte den duivel de eer: dat inwendige hersenletsel komt
+weer voort uit duivelsche illusiën. [832]
+
+Buiten de vreeselijke sfeer der heksenvervolging werkte de Kerk met
+heilzame en gepaste middelen het bijgeloof tegen. De prediker broeder
+Richard laat zich de "madagoires" (mandragora, alruin) brengen, om ze te
+verbranden, "que maintes sotes gens gardoient en lieux repos, et avoient
+si grant foy en celle ordure, que pour vray ilz creoient fermement, que
+tant comme ilz l'avoient, mais qu'il fust bien nettement en beaux
+drapeaulx de soie ou de lin enveloppé, que jamais jour de leur vie ne
+seroient pouvres." [833]--De burgers, die zich door een troep Zigeuners
+de hand hebben laten lezen, worden geëxcommuniceerd, en er wordt een
+processie gehouden, om het onheil af te weren, dat uit die goddeloosheid
+zou kunnen voortvloeien. [834]
+
+Een tractaat van Dionysius den Kartuizer toont helder aan, langs welke
+lijnen de grenzen tusschen geloof en bijgeloof getrokken werden, op
+welken grondslag de kerkleer ten deele verwierp, ten deele de
+voorstellingen door waarlijk godsdienstigen inhoud trachtte te zuiveren.
+Amuletten, besprekingen, zegenspreuken enz., zegt Dionysius, hebben in
+zich zelf niet de kracht, om een uitwerking teweeg te brengen, gelijk
+die wel zich hecht aan de sacramentswoorden, waaraan, indien zij met de
+juiste bedoeling gesproken worden, ontwijfelbare uitwerking toekomt,
+daar God aan die woorden als 't ware zijn macht verbonden heeft. De
+benedicties evenwel zijn enkel te beschouwen als een nederige smeekbede,
+alleen te verrichten met de gepaste vrome woorden en met de hoop alleen
+op God gevestigd. Indien zij gemeenlijk effect hebben, dan is dit òf
+doordat, bij behoorlijke verrichting, God die uitwerking verleent, òf,
+worden zij anders verricht, bij voorbeeld het kruisteeken anders dan
+recht gemaakt, en hebben toch niettemin uitwerking, dan is het effekt
+des duivels werk. 's Duivels werken zijn geen wonderen, want de duivelen
+kennen de geheime krachten der natuur; de werking is dus een natuurlijke,
+evenals de voorbeduidende beteekenis van vogels enz. op natuurlijke
+oorzaken berust.--Dionysius erkent, dat de volkspraktijk aan al die
+zegenspreuken, amuletten enz. wel degelijk de zelfstandige waarde toekent,
+die hij loochent, en meent, dat de geestelijken dan ook liever maar al
+die gewoonten moesten verbieden. [835]
+
+In het algemeen kan men de houding tegenover alles wat bovennatuurlijk
+scheen, kenschetsen als een weifelen tusschen redelijke, natuurlijke
+verklaring, spontane, vrome aanvaarding en argwaan in duivelsche list en
+bedrog. Het woord, dat door het gezag van Augustinus en Thomas van
+Aquino was gestaafd: "Omnia quae visibiliter fiunt in hoc mundo, possunt
+fieri per daemones," liet den vrome van goeden wille in groote
+onzekerheid, en de gevallen, dat een arme hysterica een gansche burgerij
+tijdelijk in vrome opwinding bracht en ten slotte ontmaskerd werd, zijn
+niet zeldzaam. [836]
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[764] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 184, 189, 242,
+266.
+
+[765] Olivier de la Marche, l'Estat de la maison etc., t. IV p. 56, zie
+dergelijke vragen hierboven blz. 60. (zie Hoofdstuk II, tekst volgend op
+noot 86)
+
+[766] J.H. Round, The king's serjeants and officers of state with their
+coronation services, London 1911, p. 41.
+
+[767] Le livre des trahisons, p. 27.
+
+[768] Rel. de S. Denis, III p. 464s, Juvenal des Ursins, p. 440; Noël
+Valois, La France et le grand schisme d'occident, Paris, 1896-1902, 4
+vol., III p. 433.
+
+[769] Juvenal des Ursins, p. 342.
+
+[770] Monstrelet, I p. 177-242; Coville, Le véritable texte de la
+justification du duc de Bourgogne par Jean Petit, Bibliothèque de
+l'école des chartes, 1911, p. 57.
+
+[771] Leroux de Lincy, Le proverbe français, vgl. E. Langlois, Bibl. de
+l'Ecole des chartes LX, 1899, p. 569, J. Ulrich, Zeitschr. f. franz.
+Sprache & Lit. XXIV, 1902, p. 191.
+
+[772] Achter Les Grandes chroniques de France, ed. P. Paris, IV p. 478.
+
+[773] Alain Chartier, ed. Duchesne p. 717.
+
+[774] Jean Molinet, Faictz et Dictz, ed. Parijs 1537, f. 80, 119, 152,
+161, 170, 194.
+
+[775] Coquillart, Oeuvres, I p. 6.
+
+[776] Villon, ed. Long-nom, p. 134.
+
+[777] Roberti Gaguini, Ep. et or., ed. Thuasne, II p. 366.
+
+[778] Gerson, Opera, IV p. 657; ib. I p. 936; vgl. Leroux de Lincy, Le
+proverbe français, I p. lii.
+
+[779] Geffroi de Paris, ed. de Wailly et Delisle, Bouquet, Recueil des
+Historiens des Gaules et de la France, XXII p. 87, zie index rerum et
+personarum s. v. Proverbia, p. 926.
+
+[780] Froissart, ed. Luce, XI p. 119; ed. Kervyn, XIII p. 41, XIV p. 33,
+XV p. 10; Le Jouvencel, I p. 60, 62, 63, 74, 78, 93.
+
+[781] Zie mijn Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, De Gids
+1912, I.
+
+[782] Hierboven blz. 202. (zie Hoofdstuk IV, tekst volgend op noot 389)
+
+[783] A. Piaget, Le livre Messire Geoffroy de Charny, Romania, XXVI,
+1897, p. 396.
+
+[784] Larbre des batailles, Paris, Michel le Noir 1515. Zie over Bonet
+Molinier, Sources de l'histoire de France, no. 3694.
+
+[785] Chap. 35, 85 bis (de nos. 80-90 komen in de uitgave van 1515
+tweemaal voor), 124/6.
+
+[786] Chap. 56, 60, 84, 132.
+
+[787] Chap. 82, 89, 80 bis en vg.
+
+[788] Le Jouvencel, I p. 222, II p. 8, 93, 96, 133, 214.
+
+[789] Les vers de maître Henri Baude, poète du XVe siècle, ed. Quicherat
+(Trésor des pièces rares ou inédites), 1856, p. 20-25.
+
+[790] Champion, Villon, II p. 182.
+
+[791] La Marche. II p. 80.
+
+[792] L.c., II p. 168.
+
+[793] Chastellain, IV p. 169.
+
+[794] Chron. scand., II p. 83.
+
+[795] Petit-Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires
+etc.; vgl. Chastellain, V p. 399 en Jacques du Clercq, passim.
+
+[796] Du Clercq, IV p. 264; vgl. III p. 180, 184, 206, 209.
+
+[797] Monstrelet, I p. 342, V p. 333; Chastellain, II p. 389; La Marche,
+II p. 284, 331; Le livre des trahisons, p. 34, 226.
+
+[798] Quicherat, Th. Basin, I p. xliv.
+
+[799] Chastellain, III p. 106.
+
+[800] Sermo de nativ. domini, Gerson, Opera, III p. 947.
+
+[801] Le Pastoralet, vs. 2043.
+
+[802] Jean Jouffroy, Oratio, I p. 188.
+
+[803] La Marche, I p. 63.
+
+[804] Gerson, Querela nomine Universitatis etc., Opera, IV p. 574; vgl.
+Rel. de S. Denis, III p. 185.
+
+[805] Chastellain, II p. 375, vgl. 307.
+
+[806] Commines, I p. 111, 363.
+
+[807] Monstrelet, IV p. 388.
+
+[808] Bassin, I p. 66.
+
+[809] La Marche, I p. 60, 63, 83, 88, 91, 94, 134(1); III p. 101.
+
+[810] Commines, I p. 170, 391, 262, 413, 460.
+
+[811] Basin, II p. 417, 419.
+
+[812] Deschamps, Oeuvres, t. IX.
+
+[813] L.c., p. 219ss.
+
+[814] L.c., p. 293ss.
+
+[815] Monstrelet, IV p. 93; Livre des trahisons, p. 157; Molinet, II
+p. 129; vgl. du Clercq, IV p. 203, 273; Th. Pauli, p. 278.
+
+[816] Molinet, I p. 65.
+
+[817] Molinet, IV p. 417; Courtaulx = een muziekinstrument, Mornifle =
+een kaartspel.
+
+[818] Gerson, Opera, I p. 205.
+
+[819] Le songe du vieil pelerin, bij Jorga, Phil. de Mézières, p. 69(1).
+
+[820] Juvenal des Ursins, p. 425.
+
+[821] L.c., p. 415.
+
+[822] Gerson, Opera, I p. 206.
+
+[823] Gerson, Sermo coram rege Franciae, Opera, IV p. 620; Juvenal des
+Ursins, p. 415, 423.
+
+[824] Gerson, Opera, I p. 216.
+
+[825] Chastellain, IV p. 324, 323, 314(1), vgl. du Clercq, III p. 236.
+
+[826] Chastellain, II p. 376, III p. 446, 447(1), 448, IV p. 213, V p. 32.
+
+[827] Monstrelet, V p. 425.
+
+[828] Chronique de Pierre le Prêtre, bij Bourquelot, La vauderie
+d'Arras, Bibliothèque de l'école des chartes, 2e série, III p. 109.
+
+[829] Jacques du Clercq, III passim; Matthieu d'Escouchy, II p. 416ss.
+
+[830] Martin le Franc, Le Champion des dames, bij Bourquelot, l.c., p. 86;
+bij Thuasne, Gaguin, II p. 474.
+
+[831] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 193.
+
+[832] Gerson, Contra superstitionem praesertim Innocentum, Op. I p. 205;
+De erroribus circa artem magicam, I p. 211; De falsis prophetis, I p. 545;
+De passionibus animae, III p. 142.
+
+[833] Journal d'un bourgeois, p. 236.
+
+[834] L.c., p. 220.
+
+[835] Dionysius Cartusianus, Contra vitia superstitionum quibus circa
+cultum veri Dei erratur, Opera, t. XXXVI p. 211ss.; vgl. A. Franz, Die
+kirchlichen Benediktionem im Mittelalter, Freiburg 1909, 2 bde.
+
+[836] B.v. Jacques du Clercq, III p. 104-107.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XII
+
+DE KUNST IN HET LEVEN [837]
+
+
+De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is aan het nu
+levende geslacht het best bekend uit haar beeldende kunst, en met name
+haar schilderkunst. De gebroeders Van Eyck, Rogier van der Weyden en
+Memlinc beheerschen voor ons het gezicht op dien tijd. Dat is niet
+altijd zoo geweest. Een halve eeuw of iets meer geleden, toen men
+Memlinc nog Hemlinc schreef, kende de ontwikkelde leek dien tijd in de
+eerste plaats uit zijn geschiedenis, weliswaar in den regel niet uit
+Monstrelet en Chastellain zelf, maar dan toch uit De Barante's _Histoire
+des ducs de Bourgogne_, dat daaruit is afgeleid. En zou naast en boven
+De Barante niet vooral Victor Hugo's _Notre Dame de Paris_ voor de
+meesten het beeld van die tijden vertegenwoordigd hebben?
+
+Het beeld, dat daaruit oprees, was fel en duister. In de kroniekschrijvers
+zelf en in de verwerking van hun stof door de negentiendeëeuwsche
+romantiek komt bovenal het sombere en gruwelijke der late Middeleeuwen
+naar voren: de bloedige wreedheid, de felle hartstocht en hebzucht, de
+krijschende hoovaardij en wraakgierigheid en de jammerlijke ellende. De
+lichtere kleuren werden bijgevoegd door de bonte, opgeblazen ijdelheid
+der vermaarde hoffeesten met al hun geflonker van versleten allegorie en
+ondragelijke weelde.
+
+En nu? Nu straalt voor ons over dien tijd de hooge, waardige ernst en de
+diepe vrede van Van Eyck en Memlinc; die wereld van vijf eeuwen her
+schijnt ons vervuld met een helderen glans van eenvoudige blijheid, een
+schat van innigheid. Ons beeld ervan is van woest en donker vredig en
+sereen geworden. Want wat wij naast de beeldende kunst nog weten van
+andere levensuitingen dier tijden, het is alles uitdrukking van
+schoonheid en stille wijsheid: de muziek van Dufay en zijn gezellen,
+het woord van Ruusbroec en Thomas a Kempis. Zelfs waar de wreedheid en
+ellende der tijden nog luide doorklinkt: in de geschiedenis van Jeanne
+d'Arc en de poëzie van Villon, gaat er toch enkel verheffing en
+verteedering van die figuren uit.
+
+Waarop berust dat diepgaande verschil tusschen het tijdsbeeld uit de
+kunst en het tijdsbeeld uit de geschiedenis en de litteratuur? Is aan
+dien tijd in het bijzonder een groote onevenredigheid eigen tusschen de
+verschillende gebieden en vormen van levensuiting? Was de levenssfeer,
+waaruit de zuivere en innige kunst der schilders sproot, een andere en
+betere dan die der vorsten, edelen en litteraten? Hooren zij bij geval
+met Ruusbroec, de Windesheimers en het volkslied in een vredigen limbus
+aan den rand van die bonte hel?--Of is het een algemeen verschijnsel,
+dat de beeldende kunst een helderder beeld van een tijd nalaat dan het
+woord der dichters en geschiedschrijvers?
+
+Op de laatste vraag kan het antwoord onmiddellijk bevestigend luiden.
+Inderdaad, van alle vroegere beschavingen is ons beeld serener geworden
+dan voorheen, sedert wij ons meer en meer van het lezen naar het kijken
+gewend hebben, en het historische zintuig steeds meer visueel is
+geworden. Want de beeldende kunst, waaruit wij bovenal de aanschouwing
+van het verleden putten, weeklaagt niet. Uit haar vervluchtigt zich
+terstond de bittere smaak van de smart der tijden, die haar hebben
+voortgebracht. Maar de klacht over al het leed der wereld, in het woord
+geuit, behoudt altijd haar toon van onmiddellijke smartelijkheid en
+onbevredigdheid, doordringt ons altijd weer van droefheid en medelijden,
+terwijl het leed, zooals de beeldende kunst het uitdrukt, terstond
+overgaat in de sfeer van het elegische en den stillen vrede.
+
+Meent men derhalve uit de aanschouwing der kunst het volledige beeld van
+een tijd in zijn werkelijkheid te putten, dan blijft een algemeene fout
+in het historisch gezicht ongecorrigeerd. Ten opzichte van den
+Bourgondischen tijd in het bijzonder bestaat bovendien het gevaar van
+een speciale gezichtsfout: dat men namelijk de verhouding tusschen
+beeldende kunst en cultuuruitdrukking in het woord niet juist ziet.
+
+In deze fout vervalt de beschouwer, wanneer hij er zich geen rekenschap
+van geeft, dat reeds de stand der overlevering hem tegenover kunst en
+litteratuur in zeer verschillende positie plaatst. De litteratuur der
+late Middeleeuwen is ons, behoudens bijzondere uitzonderingen, vrijwel
+volledig bekend. Wij kennen haar in haar hoogste uitingen en haar
+laagste, in al haar genres en vormen, van het meest verhevene tot het
+meest alledaagsche, van het vroomste tot het uitgelatenste, van het
+meest theoretische tot het meest actueele. Het gansche leven van den
+tijd wordt door de litteratuur weerspiegeld en uitgedrukt. En de
+schriftelijke overlevering is nog niet uitgeput met de litteratuur; er
+is bovendien nog alles wat de acten en bescheiden zeggen, om onze kennis
+aan te vullen. Van de beeldende kunst daarentegen, die reeds door haar
+aard het leven van den tijd minder direct en volledig uitdrukt, bezitten
+wij niet dan een speciaal fragment. Buiten de kerkelijke kunst immers
+zijn het slechts minieme resten. Alle wereldlijke beeldende kunst, alle
+toegepaste kunst ontbreken bijna geheel: juist de vormen, waarin zich
+de samenhang van kunstvoortbrenging en gemeenschapsleven voortdurend
+openbaarde, zijn ons gebrekkig bekend. Onze kleine schat van
+altaarstukken en grafmonumenten leert ons van dien samenhang lang niet
+genoeg: het beeld van de kunst blijft geïsoleerd staan buiten onze
+kennis van het bonte leven van den tijd. Om de functie van de beeldende
+kunst in de Fransch-Bourgondische samenleving, de verhouding van kunst
+en leven te begrijpen, is de bewonderende aanschouwing van de bewaarde
+meesterwerken niet genoeg; ook het verlorene vraagt onze aandacht.
+
+De kunst gaat in dien tijd nog op in het leven. Het leven staat in
+sterke vormen bepaald. Het wordt bijeengehouden en gemeten door de
+sacramenten der Kerk, de feesten van het jaar en de getijden des daags.
+'s Levens werken en vreugden hebben alle hun vasten vorm: godsdienst,
+ridderschap en hoofsche min leveren de gewichtigste vormen des levens.
+De taak der kunst is, om die vormen zelf, waarin het leven verliep, met
+schoonheid te versieren. Wat men zoekt, is niet de kunst zelf, maar het
+schoone leven. Men treedt niet, zooals latere tijden, uit een min of
+meer onverschillige levenssleur naar buiten, om tot troost en verheffing
+kunst te genieten in eenzelvige contemplatie; men vindt de kunst
+aangewend tot verhooging van den luister des levens zelf. Zij is bestemd
+om mee te klinken in de vervoeringen van het leven, hetzij in de hoogste
+vlucht van vroomheid of in het hoovaardigste genieten van het
+wereldsche. Als een eigen ding van schoonheid wordt de kunst in de
+Middeleeuwen nog niet begrepen. Zij is voor het overgroote deel
+toegepaste kunst, ook in de voortbrengselen, die wij als zelfstandige
+kunstwerken zouden aanmerken; dat wil zeggen: haar bestemming, haar
+dienstbaarheid aan eenigen levensvorm is het motief, om haar te
+begeeren; de zuivere schoonheidsbedoeling moge des ondanks den
+scheppenden kunstenaar zelf besturen, het geschiedt half onbewust. De
+eerste kiemen van een kunstliefde om haars zelfs wil doen zich voor als
+woekeringen der kunst_productie_: bij vorsten en edelen hoopen zich de
+kunstvoorwerpen op tot verzamelingen; nu worden zij nutteloos en geniet
+men ze als weelderige curiositeit, als kostbare deelen van den
+vorstelijken schat, en daaraan eerst kweekt men den eigenlijken
+kunstzin, die in de Renaissance is volgroeid.
+
+In de groote kunstwerken der vijftiende eeuw, met name in de
+altaarstukken en de grafkunst, ging voor den tijdgenoot de gewichtigheid
+van het onderwerp en de bestemming ver vóór de waardeering van de
+schoonheid. De werken moesten schoon zijn, omdat het onderwerp zoo
+heilig of de bestemming zoo verheven was. Die bestemming is altijd min
+of meer een praktische. Het altaarstuk heeft een tweeledige bestemming:
+het dient tot plechtig vertoon bij hooge feesten, om de vrome
+aanschouwing der schare te verlevendigen, en het bewaart de herinnering
+aan de vrome stichters, wier gebed blijft opgaan uit hun geknielde
+beeltenis. Het is bekend, dat de Aanbidding van het Lam van Hubert en
+Jan van Eyck maar heel zelden geopend werd. Wanneer de Nederlandsche
+stadsmagistraten ter versiering van de vierschaar in het raadhuis
+tafereelen van vermaarde vonnissen of rechtsplegingen bestelden, zooals
+het oordeel van Cambyses door Gerard David te Brugge, of dat van keizer
+Otto door Dirk Bouts te Leuven, of de verloren Brusselsche schilderijen
+van Rogier van der Weyden, dan was het, om den rechters een plechtig en
+bloedig vermaan tot hun plicht voor oogen te houden.--Hoe gevoelig men
+was voor het onderwerp van wat men aan de wanden prijken zag, moge
+blijken uit het volgende geval. Te Lelinghem wordt in 1384 een
+samenkomst gehouden, om tot een wapenstilstand tusschen Frankrijk en
+Engeland te geraken. Berry, de prachtlievende, wien dit wel was
+toevertrouwd, heeft de kale muren van de oude kapel, waar de vorstelijke
+onderhandelaars elkaar zullen ontmoeten, laten behangen met tapijten,
+waarop veldslagen der Oudheid zijn voorgesteld. Maar toen bij het eerste
+binnenkomen de hertog van Lancaster, John of Gaunt, ze aanschouwt, wil
+hij, dat die tafereelen van strijd weggenomen worden: zij die naar den
+vrede streven, moeten geen oorlog en vernieling voor hun oogen hebben.
+En er worden andere tapijten gehangen, waarop de instrumenten van het
+lijden des Heeren staan afgebeeld. [838]
+
+De praktische beteekenis van het onderwerp is onverbrekelijk verbonden
+aan het portret, dat immers tot den huidigen dag zijn moreele waarde als
+familiestuk behoudt, omdat de levensgevoelens, waaraan het dienstbaar
+is, die van de ouderliefde en den familietrots, veel minder zijn
+afgesleten dan de vormen van het sociale leven, waarin het
+justitietafereel paste. Het portret had bovendien nog dikwijls de
+bestemming tot kennismaking bij verlovingen. Met het gezantschap, dat
+Philips de Goede in 1428 naar Portugal zendt, om hem een bruid te
+werven, gaat ook Jan van Eyck, om de beeltenis der koningsdochter te
+schilderen. Er wordt soms een fictie volgehouden, alsof de vorstelijke
+bruidegom door het zien van het portret de onbekende prinses heeft
+liefgekregen, zoo bij het werven van Richard II van Engeland om de
+zesjarige Isabella van Frankrijk. [839] Er is zelfs wel eens sprake van
+een keuze bij vergelijking naar portret. Als de jonge Karel VI van
+Frankrijk een vrouw moet hebben, en men weifelt tusschen een
+hertogsdochter van Beieren, Oostenrijk of Lotharingen, wordt een
+uitnemend schilder gezonden, om van alle drie het portret te maken. Men
+legt ze den koning voor, en hij kiest de veertienjarige Isabella van
+Beieren, die hij verreweg de schoonste acht. [840]
+
+Nergens is de praktische bestemming van het kunstwerk zoo overwegend als
+bij het grafteeken, waaraan de beeldhouwkunst van dien tijd haar
+werkzaamheid bij uitstek vond. En niet alleen de beeldhouwkunst: de
+hevige behoefte aan een zichtbaar beeld van den gestorvene moest ook
+reeds bij de begrafenis bevredigd worden. Soms werd de doode voorgesteld
+door een levend mensch: bij den lijkdienst voor Bertrand du Guesclin te
+Saint Denis verschenen vier geharnaste ridders te paard in de kerk,
+"representans la personne du mort quand il vivoit". [841] Een rekening
+uit 1375 vermeldt van een lijkplechtigheid in het huis van Polignac:
+"cinq sols à Blaise pour avoir fait le chevalier mort à la sepulture."
+[842] Bij de koninklijke begrafenissen is het meestal een leeren pop,
+geheel gekleed in vorstelijken staat, en waarbij naar groote gelijkenis
+wordt gestreefd. [843] Soms zijn er zelfs, naar 't schijnt, meer dan een
+van die beeltenissen in den stoet. De aandoening van het volk
+concentreert zich op het zien van die beelden. [844] Het doodenmasker,
+dat in de vijftiende eeuw in Frankrijk opkomt, heeft wellicht uit de
+vervaardiging van deze lijk-staatsiepoppen zijn uitgangspunt genomen.
+
+De opdracht van een kunstwerk geschiedt bijna altijd met een bedoeling
+voor het leven, met een praktische bestemming. Hierdoor wordt de grens
+tusschen de vrij beeldende kunst en het kunsthandwerk feitelijk
+uitgewischt, of liever zij is nog niet getrokken. Ook wat de personen
+der kunstenaars betreft, bestaat die grens nog niet. De schaar van zeer
+persoonlijke meesters in den hofdienst van Vlaanderen, Berry en
+Bourgondië wisselt het schilderen van zelfstandige tafereelen niet enkel
+af met het verluchten van handschriften en het polychromeeren van
+beeldhouwwerk; zij moeten ook hun krachten wijden aan het beschilderen
+van wapenschilden en banieren, het ontwerpen van tournooicostuums en
+plechtgewaden. Melchior Broederlam, eerst schilder van den Vlaamschen
+graaf Lodewijk van Male, daarna van diens schoonzoon, den eersten hertog
+van Bourgondië, decoreert vijf gebeeldhouwde zetels voor 's graven huis.
+Hij herstelt en beschildert de mechanieke rariteiten in het kasteel van
+Hesdin, waarmee de gasten besproeid of bestoven werden. Hij werkt aan
+een reiswagen der hertogin. Hij leidt de buitensporige versiering van de
+vloot, die de Bourgondische hertog in 1387 verzameld had in de haven van
+Sluis, voor een tocht tegen Engeland, die nimmer plaats had. Bij de
+vorstelijke bruiloften en begrafenissen worden steeds de hofschilders in
+het werk gesteld. In de werkplaats van Jan van Eyck werden standbeelden
+beschilderd, en hij zelf vervaardigde voor hertog Philips een soort van
+wereldkaart, waarop steden en landen wonderbaarlijk fijn en duidelijk
+geschilderd te zien waren. Van Gerard David vindt men vermeld, dat hij
+de tralies of luiken van het vertrek in het broodhuis te Brugge, waar
+Maximiliaan in 1488 opgesloten zat, met schilderwerk versieren moest,
+om den koninklijken gevangene het verblijf wat te veraangenamen.
+
+Van al het werk, dat uit de handen der groote en geringere kunstenaars
+gekomen is, heeft men slechts een fragment van tamelijk specialen aard
+over. Het zijn in hoofdzaak grafmonumenten, altaarstukken, portretten
+en miniaturen. Van de wereldlijke schilderkunst is, buiten de portretten,
+slechts zeer weinig bewaard. Van de sierkunst en het kunsthandwerk
+hebben wij sommige bepaalde genres: kerkgerei, kerkgewaden, eenige
+meubelkunst. Hoe zou ons inzicht in het karakter der vijftiendeëeuwsche
+kunst verlengd worden, indien wij de badstoof van Jan van Eyck en zijn
+jachttafereelen konden plaatsen naast de vele pieta's en madonna's.
+Van geheele gebieden der toegepaste kunst hebben wij nauwelijks een
+voorstelling. Naast de kerkelijke paramenten moesten wij de met juweelen
+en schelletjes bezette prachtgewaden van het hof kunnen leggen. Wij
+moesten de pralend getooide schepen kunnen zien, waarvan ons de
+miniaturen slechts een hoogst gebrekkige, schematische voorstelling
+geven. Er zijn weinig dingen, wier schoonheid Froissart zoo heeft
+getroffen als van de schepen. [845] De wimpels, rijk met wapens
+versierd, die van den top van den mast wapperden, waren bij wijlen zoo
+lang, dat zij het water raakten. Nog op de scheepsafbeeldingen van
+Pieter Breughel ziet men die buitensporig lange en breede wimpels.
+Het schip van Philips den Stoute, waaraan Melchior Broederlam in 1387
+te Sluis werkte, was bedekt met blauw en goud; groote wapenschilden
+versierden het paviljoen op het achterkasteel; de zeilen waren bestrooid
+met margrieten en de voorletters van het hertogelijk paar, met hun
+devies _Il me tarde_. Het was een wedijver onder de edelen, wie zijn
+schip voor die gefaalde expeditie tegen Engeland het kostbaarst zou
+versieren. De schilders hadden een goeden tijd, zegt Froissart; [846]
+zij verdienden wat zij maar vragen wilden, en men kon er niet genoeg
+vinden. Hij beweert, dat velen de masten geheel met bladgoud lieten
+vergulden. Vooral Guy de la Trémoïlle spaarde geen kosten; hij besteedde
+er meer dan 2000 ponden aan. "L'on ne se povoit de chose adviser pour
+luy jolyer, ne deviser, que le seigneur de la Trimouille ne le feist
+faire en ses nefs. Et tout ce paioient les povres gens parmy France...."
+
+De trek, die ons in al de verloren wereldsche sierkunst het meest zou
+hebben getroffen, zou ongetwijfeld het overdadige, schitterend
+extravagante zijn geweest. Ook aan de bewaarde kunstwerken is die trek
+van het extravagante wel degelijk eigen, maar daar wij die eigenschap in
+deze kunst het minst waardeeren, letten wij er het minst op. Wij zoeken
+er enkel de diepste schoonheid in te genieten. Alles wat louter praal
+en luister is, heeft voor ons zijn prikkeling verloren. Maar voor den
+tijdgenoot was juist die praal en luister van ontzaglijk gewicht.
+
+De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is er een,
+waarin pracht schoonheid wil verdrijven. De eind-middeleeuwsche kunst
+weerspiegelt getrouw den eind-middeleeuwschen geest, een geest, die zijn
+pad ten einde was geloopen. Wat wij hierboven beschouwden als een der
+voornaamste kenmerken van het laat-middeleeuwsche denken: de uitbeelding
+van al het denkbare tot in al zijn consequentie, de overvulling van den
+geest met een oneindig systeem van formeele verbeeldingen, dat is ook
+het wezen der kunst van dien tijd. Ook zij streeft ernaar, niets
+ongevormd, niets onverbeeld of onversierd te laten. De flamboyante
+gothiek is als een eindeloos orgelnaspel: zij lost alle vormen op in
+zelfontbinding, geeft aan elk détail zijn voortgezette doorwerking, aan
+elke lijn haar tegenlijn. Het is een ongebonden woekeren van den vorm
+over de idee; het versierende détail tast alle vlakken en lijnen aan. Er
+heerscht in deze kunst die horror vacui, die misschien een kenmerk van
+eindigende geestesperioden mag heeten.
+
+Dat alles wil zeggen, dat de grenzen tusschen praal en schoonheid
+verflauwen. Tooi en versiering dienen niet meer, om het natuurlijk
+schoone te verheerlijken, maar overwoekeren het en dreigen het te
+verstikken. Die woekering van de formeele versieringselementen over den
+inhoud is des te toomeloozer, naarmate men zich verder van de zuiver
+beeldende kunst verwijdert. In de beeldhouwkunst is, zoolang zij
+losstaande figuren schept, voor de vormenwoekering weinig plaats: de
+beelden van den Mozesput en de "plourants" van de graftomben wedijveren
+in strenge, sobere natuurlijkheid met Donatello. Maar zoodra de
+beeldhouwkunst een versierende taak krijgt, of in het domein van de
+schilderkunst treedt, en, zich bindend aan de verminderde dimensies van
+het relief, geheele tafereelen weergeeft, gaat ook zij zich te buiten
+aan woelige overlading. In den tabernakel te Dijon ziet men het naast
+elkaar in het snijwerk van Jacques de Baerze en het schilderwerk van
+Broederlam: in het laatste, het zuiver verbeeldende, heerscht eenvoud en
+rust; in het eerste, het versierende, verdringen de vormen elkaar. Van
+denzelfden aard is het verschil tusschen het schilderij en het tapijt.
+De weefkunst blijft door haar onvrijer techniek, ook waar zij de taak op
+zich neemt van zuiver af te beelden, nader staan bij de versieringskunst,
+en kan zich niet onttrekken aan de overdreven versieringsbehoefte: de
+tapijten zijn overvuld met figuren en kleur. Verwijdert men zich nog
+verder van de zuiver beeldende kunst, dan komt de kleeding aan de beurt.
+Ook deze is ontegenzeggelijk kunst. Maar hier is ten eerste de bedoeling
+van praal en tooi reeds overwegend boven die van zuivere schoonheid, en
+bovendien trekt de persoonlijke hoovaardij de kleedingkunst in de sfeer
+van het hartstochtelijke en zinnelijke, waar de eigenschappen, die het
+wezen der hooge kunst uitmaken: de evenmaat en harmonie, bezwijken.
+
+De buitensporigheid der kleederdracht van 1350 tot 1480 is in zoo
+algemeenen en zoo langdurigen vorm niet weer geëvenaard. Er zijn ook
+later extravagante modes geweest, zooals de landsknechtendracht
+omstreeks 1520 en het Fransche adellijke costuum van omstreeks 1660,
+maar die teugellooze overdrijving en overlading, die de Fransch-
+bourgondische dracht een eeuw lang gekenmerkt heeft, blijft zonder
+voorbeeld. Hier ziet men, wat de schoonheidszin dier tijden, aan zijn
+ongestoorde drift overgelaten, wrocht. Een enkel hofcostuum wordt
+overladen met honderden edele steenen. Alle afmetingen worden tot in het
+zotte geoutreerd. Het vrouwenkapsel neemt den suikerbroodvorm van den
+"hennin" aan: het haar wordt aan de slapen en bij de inplanting op het
+voorhoofd verwijderd of verborgen, om de zonderling gebombeerde
+voorhoofden te vertoonen, die als schoon golden; het décolleté is
+plotseling begonnen. Doch in de mannenkleeding zijn de buitensporigheden
+nog talrijker. Hier heeft men bovenal de lange schoenpunten of
+"poulaines", die de ridders bij Nicopolis zich moesten afsnijden, om te
+kunnen vluchten; dan de ingesnoerde middels, de ballonachtig opgepofte
+mouwen, die bij de schouders omhoog staan, de houppelandes, die tot op
+de voeten hangen, en de buizen zoo kort, dat zij de billen zichtbaar
+laten; de hooge, puntige of cilindervormige mutsen en hoeden, de
+kaproenen wonderlijk om het hoofd gedrapeerd als een hanekam of een
+vlammend vuur. Hoe plechtiger, hoe buitensporiger; want al dit fraais
+beduidt staatsie, "estat". [847] Het rouwkleed, waarin Philips de Goede
+na den moord van zijn vader te Troyes den koning van Engeland ontvangt,
+is zoo lang, dat het van het hooge ros af, dat hij berijdt, de aarde
+raakt. [848]
+
+De overdadige pronk heeft haar toppunt in het hoffeest. Iedereen
+herinnert zich de beschrijvingen van die Bourgondische hoffeesten,
+zooals het banket te Rijssel in 1454, waar de gasten bij den opgedragen
+fazant hun geloften aflegden, om tegen den Turk ter kruisvaart te
+trekken, of het bruiloftsfeest van Karel den Stoute en Margareta van
+York te Brugge in 1468. [849] Niets kan in onze voorstelling verder af
+staan van de stille wijding van het Gentsche of Leuvensche altaarstuk
+dan deze uitingen van barbaarsche vorstenweelde. Uit de beschrijving
+van al die "entremets" met hun pasteien, waarin muzikanten spelen, hun
+opgetuigde schepen en kasteelen, de apen, walvisschen, reuzen en
+dwergen, met al de afgezaagde allegorie, die daarbij hoort, kunnen wij
+ze ons niet anders voorstellen dan als buitengewoon wansmakelijke
+vertooningen.
+
+Toch zien wij hier licht de kloof tusschen de beide uitersten der kunst:
+de kerkelijke en die van het hoffeest, in meer dan één opzicht te groot.
+Allereerst moet men zich rekenschap geven van de functie, welke het
+feest in die samenleving vervulde. Het feest had nog vrij wat behouden
+van de functie, die het bij primitieve volken vervult, van te zijn de
+souvereine uiting der cultuur, de vorm, waarin men gezamenlijk zijn
+hoogste levensvreugde uit en zijn gemeenschapsgevoel verbeeldt. In
+tijden van groote vernieuwing der gemeenschap, zooals in de Fransche
+revolutie, verwerft het feest soms die belangrijke sociale en
+aesthetische functie opnieuw.
+
+De moderne mensch kan op ieder oogenblik van rust in zelfgekozen
+ontspanning individueel de bevestiging van zijn levensinzicht en de
+zuiverste genieting van zijn levensvreugde zoeken. Een tijd, waarin de
+geestelijke genotmiddelen nog weinig verspreid en toegankelijk zijn,
+behoeft daartoe een gezamenlijke daad, het feest. En hoe grooter het
+contrast is van de ellendigheid des dagelijkschen levens, des te
+onmisbaarder is het feest, en des te sterker middelen zijn van noode,
+om die bedwelming in schoonheid en genot, die tempering der realiteit
+te ondergaan, zonder welke het leven dof is. De vijftiende eeuw nu is
+een tijd van ontzettende depressie en grondig pessimisme. Hierboven is
+gesproken van die eeuwige beklemming van onrecht en geweld, hel en
+oordeel, pest, brand en honger, duivel en heksen, waaronder die eeuw
+leeft. De arme menschheid behoeft daartegen niet alleen de dagelijks
+herhaalde belofte van het hemelsch heil en van Gods wakende zorg en
+goedheid; van tijd tot tijd is ook nog een plechtige en gezamenlijke,
+glorieuze verzekering van de schoonheid des levens zelf noodig. Het
+levensgenot in zijn primaire vormen: spel, min, drank, dans en zang, is
+niet genoeg; het moet veredeld worden met schoonheid, gestyleerd in een
+gemeenschappelijk vreugdebedrijf. Want voor elk voor zich: in de boeken,
+of in het aanhooren van muziek, in het aanschouwen van kunst, in het
+genieten der natuur, was die bevrediging nog niet bereikbaar; de boeken
+waren te kostbaar, de natuur te onveilig, de kunst maakte juist deel uit
+van het feest.
+
+Het volksfeest had zijn eigen, oorspronkelijke bronnen van schoonheid
+enkel in het lied en in den dans. Voor het schoon van kleur en vorm
+leunde het op het kerkfeest, waarbij het zich gewoonlijk aansloot, en
+dat daarvan overvloed bood. De losmaking van het burgerlijke feest uit
+den kerkelijken vorm, en de opluistering ervan met eigen sier, wordt
+juist in de vijftiende eeuw door de rederijkers volbracht. Tot dusver
+was alleen het vorstenhof in staat geweest, een zuiver wereldlijk feest
+te tooien met weelde van kunst, er een eigen pracht aan te geven. Maar
+weelde en pracht zijn voor het feest niet genoeg; niets is ervoor zoo
+onmisbaar als stijl.
+
+Het kerkfeest had dien stijl krachtens de liturgie zelf. Daar was altijd
+aanwezig de indrukwekkende verbeelding van één verheven idee in een
+schoon gebaar van velen samen. De heilige waardigheid en de hooge vaste
+gang werden er zelfs door de uiterste woekeringen van het feestelijk
+détail, tot in het burleske toe, niet verbroken. Doch waaraan ontleende
+het hoffeest zijn stijl? wat was hier de idee, die het uitdrukte?--Het
+kon geen andere zijn dan het ridderideaal, want daarop berustte de
+geheele levensvorm van het hof. Was aan het ridderideaal een eigen
+stijl, een liturgie om zoo te zeggen, verbonden?--Ja, alles wat
+ridderslag, orderegels, tournooi, préséance, hulde en dienst betrof: het
+gansche spel van wapenkoningen, herauten, blazoenen, maakte dien stijl
+uit. Voorzoover het hoffeest uit die elementen was opgebouwd, had het
+voor de tijdgenooten wel degelijk een grooten, eerbiedwaardigen stijl.
+Nu nog kan zelfs iemand zonder monarchale of adellijke geestdrift bij
+het aanschouwen van elke willekeurige staatsie de huivering van zulk een
+zuiver wereldsche liturgie ondergaan. Hoe moet het dan geweest zijn voor
+de bevangenen in den waan van dat ridderideaal, bij de pompeuze
+aankleeding met lange gewaden en schitterende kleuren!
+
+Maar het hoffeest wilde nog meer. Het wilde den droom van het heroïsche
+leven tot het uiterste verbeelden. Hier nu brak de stijl. Die gansche
+toestel van ridderlijke fantazie en staatsie was niet meer van echt
+leven vervuld. Het was alles teveel litteratuur geworden, een vooze
+renaissance en een ijdele conventie. De overlading met staatsie en
+etikette moest het innerlijk verval van den levensvorm bedekken. De
+ridderlijke gedachte der vijftiende eeuw zwelgt in een romantiek, die
+door en door hol en versleten is. Dat was de bron, waaruit het hoffeest
+de fantazie voor zijn vertooningen en verbeeldingen putten moest. Hoe
+zou het stijl scheppen uit een litteratuur, zoo stijlloos, ongebonden en
+verschaald als de ridderlijke romantiek in haar ontaarding?
+
+In dit licht moet men de schoonheidswaarde van de "entremets" bezien:
+het is toegepaste litteratuur, waarbij het eenige, wat die litteratuur
+nog dragelijk kon maken: haar vluchtig, oppervlakkig voortdroomen over
+al haar bonte gedaanten, plaats maakt voor de opdringendheid van het
+stoffelijk voorgestelde.
+
+De zware, barbaarsche ernst, die uit dat alles spreekt, past juist bij
+het Bourgondische hof, dat door zijn aanraking met het Noorden den
+luchtiger en harmonischer Franschen geest scheen te hebben verloren.
+Plechtig en gewichtig wordt al die geweldige pronk opgevat. Het groote
+feest van den hertog te Rijssel vormde het besluit en de bekroning van
+een reeks van banketten, die de hofadel elkander in wedijver aanbood.
+Het was eenvoudig begonnen, en met geringe kosten, en dan gestegen in
+aantal van gasten, weelderigheid van menu en entremets; door het
+aanbieden van een krans gaf de gastheer een ander de beurt; zoo ging het
+over van ridders op groote heeren en van heeren op prinsen, in steeds
+stijgende mate van uithaal en vertoon, totdat het eindelijk aan den
+hertog zelf kwam. Voor Philips moest het meer zijn dan een schitterend
+feest; daar zouden de geloften plaats hebben voor den kruistocht tegen
+de Turken ter herovering van Constantinopel, een jaar tevoren gevallen:
+'s hertogen luid beleden levensideaal. Ter voorbereiding wees hij een
+commissie aan onder leiding van den vliesridder Jean de Lannoy. Ook
+Olivier de la Marche had er zitting in. Wanneer deze in zijn
+gedenkschriften tot die zaken genaderd is, wordt het hem nog plechtig te
+moede. "Pour ce que grandes et honnorables oeuvres desirent loingtaine
+renommée et perpétuelle mémoire," aldus begint hij die groote dingen te
+gedenken. [850] De eerste en nauwste raden van den hertog waren
+herhaaldelijk tegenwoordig bij de beraadslagingen: de kanselier Nicolaas
+Rolin zelf en Antoine de Croy, de eerste kamerheer werden ertoe
+geroepen, eer men het eens was, hoe "les cérimonies et les mistères"
+moesten worden opgezet.
+
+Het relaas van al dat fraais is zoo dikwijls gedaan, dat het hier niet
+behoeft te worden herhaald. Men was zelfs van over zee gekomen, om het
+schouwspel te zien. Er waren buiten de gasten tal van adellijke
+toeschouwers, de meesten in vermomming. Men ging eerst rond, om de in
+beeldwerk uitgevoerde, vaste pronkstukken te bewonderen; eerst later
+volgden de vertooningen en tableaux-vivants van levende personen.
+Olivier zelf speelde de hoofdrol, die van Sainte Eglise in het
+voornaamste stuk, als deze binnenkomt in een toren op den rug van een
+olifant, door een Turkschen reus geleid. Op de tafels prijkten de
+geweldigste decoraties: een bemande en opgetuigde kraak, een weide
+uitgemonsterd met boomen, een bron, rotsen en een beeld van Sint
+Andries, het kasteel Lusignan met de fee Mélusine, een windmolen,
+waarbij naar den vogel geschoten werd, een bosch met bewegelijke wilde
+dieren en tenslotte de kerk met een orgel en zangers, die muziek ten
+beste gaven, afgewisseld door het orkest van 28 personen, dat in de
+pastei zat.
+
+Waar het hier op aan komt, is de mate van smaak of wansmaak, die in dat
+alles tot uiting kwam. In de stof zelve kunnen wij niet veel anders zien
+dan een poespas van mythologische, allegorische en moraliseerende
+figuren. Doch hoe was de uitvoering? Zonder twijfel werd de voornaamste
+werking gezocht in het extravagante. De toren van Gorkum, die bij het
+bruiloftsfeest van 1468 als tafelopzet prijkte, was 46 voet hoog. [851]
+Van een walvisch, die bij diezelfde gelegenheid dienst deed, zegt La
+Marche: "et certes ce fut un moult bel entremectz, car il y avoit dedans
+plus de quarante personnes." [852] Voorzoover het kwistig gebruik van de
+wonderen der mechaniek strekt, kunnen wij er geen denkbeeld van kunst
+aan verbinden: levende vogels, die uit den muil van een draak vliegen,
+dien Hercules bevecht en dergelijke verbazingwekkendheden. Het komische
+element erin is van zeer laag allooi: uit den Gorkumschen toren blazen
+wilde zwijnen de trompet; geiten voeren een motet uit, wolven spelen
+fluit, vier groote ezels treden als zangers op, dit alles voor Karel den
+Stoute, die zelf een fijn muziekkenner was.
+
+Toch zou ik er niet aan willen twijfelen, dat bij al die feestartikelen,
+bij de vaste stukken met name, naast veel matelooze, verdwaasde pronk,
+menig echt kunstwerk, is geweest. Laat ons toch niet vergeten, dat de
+menschen, die aan al deze gargantueske pracht hun hart ophaalden en hun
+ernstigste gedachten wijdden, de opdrachtgevers van Jan van Eyck en
+Rogier van der Weyden zijn geweest. Het was de hertog zelf, het was
+Rolin, de stichter van het altaar van Beaune en van Autun, Jean Chevrot,
+die van de Zeven sacramenten van Rogier, de Lanoy's. En wat meer zegt:
+de vervaardigers van deze of soortgelijke pronkstukken waren de
+schilders zelf. Al weet men het toevallig niet van Jan of Rogier, men
+weet het van anderen, hoe zij bij zulke feesten meewerkten: Colard
+Marmion, Simon Marmion, Jacques Daret. Voor het feest van 1468, dat
+plotseling vervroegd heette, werd, om tijdig klaar te zijn, het gansche
+schildersvak gemobiliseerd: haastig werden er gezellen naar Brugge
+ontboden uit Gent, Brussel, Leuven, Thienen, Bergen, Quesnoy,
+Valenciennes, Douai, Kamerijk, Atrecht, Rijsel, Yperen, Kortrijk en
+Oudenaarde. [853] Het kan niet ten eenenmale leelijk zijn geweest, wat
+uit die handen kwam. De dertig opgetuigde schepen van het banket van
+1468, met de wapens van 's hertogen heerschappijen, de zestig vrouwtjes
+in verschillende landsdracht, [854] met vruchtenmandjes en vogelkooien,
+die windmolen met vogelschieters,--men zou er menig middelmatig
+kerkelijk stuk voor willen geven.
+
+Er is in die dagen nog een zekere ongescheidenheid van smaak en wansmaak
+in de geesten: kunstzin en lust aan pronk en rariteiten hebben zich nog
+niet van elkaar afgezonderd. De naïeve fantazie kan nog ongestoord het
+bizarre genieten, alsof het schoonheid was. Hooge kunst en kostbare
+prullenkraam worden nog gemoedelijk dooreengemengd en gelijkelijk
+bewonderd. Een verzameling als die van het Grüne Gewölbe te Dresden
+vertoont het uitgescheiden caput mortuum van de vorstelijke
+kunstcollectie, waarmee zij eenmaal één geheel uitmaakte. In het kasteel
+van Hesdin, schatkamer van kunstwerken en lustoord tevens, vol van die
+mechanieke vermakelijkheden, "engins d'esbatement", die zoo lang bij het
+vorstelijke lustverblijf zijn blijven behooren, zag Caxton een kamer,
+versierd met schilderijen, die de geschiedenis voorstelden van Jason,
+den held van het Gulden vlies. Ter opluistering waren er bliksem-,
+donder-, sneeuw- en regeninstrumenten aangebracht, om daarmee Medea's
+tooverijen na te bootsen. [855]
+
+Ook bij de vertooningen, "personnages", die bij vorstelijke intochten op
+de hoeken der straten stonden opgesteld, kon de fantazie veel verdragen.
+Naast heilige tafereelen zag men te Parijs in 1389, bij den intocht van
+Isabella van Beieren als gemalin van Karel VI, een wit hert met vergulde
+horens en een kroon om den hals; het ligt op een "lit de justice", en
+beweegt oogen, horens, pooten, om tenslotte een zwaard omhoog te houden.
+Bij denzelfden intocht daalt een engel "par engins bien faits" van de
+torens der Notre Dame, dringt juist als de koningin passeert, door een
+spleet in de bespanning van blauw taffetas met gouden leliën, waarmee de
+geheele brug is overdekt, zet haar een kroon op het hoofd, en verdwijnt
+weer, zooals hij gekomen is, "comme s'il s'en fust retourné de
+soy-mesmes au ciel". [856] Philips de Goede wordt bij een intocht te
+Gent op een soortgelijke nederdaling van een meisje onthaald, [857]
+evenzoo Karel VIII te Reims in 1484. [858] Wij kunnen ons moeilijk iets
+zotters voorstellen dan een zoogenaamd tooneelpaard, waar een man in
+loopt. In de vijftiende eeuw vond men het blijkbaar niet lachwekkend,
+althans Le Fèvre de Saint Remy vertelt zonder een zweem van spot van een
+vertooning van vier trompetters en twaalf edellieden "sur chevaulx de
+artifice", "saillans et poursaillans tellement que belle chose estoit à
+veoir". [859]
+
+De scheiding, die onze kunstzin eischt, en die de verwoestende tijd ons
+heeft helpen maken tusschen al dien bizarren opschik, die spoorloos is
+vergaan, en de enkele hooge kunstwerken, die ons bewaard zijn, heeft
+voor den tijdgenoot nauwelijks bestaan. Het kunstleven van den
+Bourgondischen tijd lag nog geheel besloten in de vormen van het
+gezelschapsleven. De kunst diende. Zij had in de eerste plaats een
+sociale functie, en deze is bovenal het tentoonspreiden van praal, en
+het accentueeren van de persoonlijke belangrijkheid, niet van den
+kunstenaar, maar van den stichter. Dit wordt niet weggenomen door het
+feit, dat in de kerkelijke kunst de pralende heerlijkheid dient, om
+heilige gedachten omhoog te voeren, en dat de stichter zijn persoon op
+den voorgrond heeft gesteld uit vromen zin. Aan den anderen kant is de
+aard van het wereldlijk schilderij volstrekt niet altijd die overdadig
+hoogmoedige, die paste bij het opgeblazen hofleven. Om goed te zien, hoe
+kunst en leven bij elkaar aansloten, in elkaar opgingen, missen wij veel
+te veel van de omgeving, waarin de kunst geplaatst was, is onze kennis
+van de kunst zelf veel te fragmentair. Hof en kerk zijn samen het leven
+van den tijd nog niet.
+
+Daarom zijn voor ons die weinige kunstwerken van zoo bijzonder gewicht,
+waarin iets van het leven buiten die twee sferen tot uiting komt. Eén
+straalt daaronder in ongeëvenaarde kostbaarheid: het portret van het
+echtpaar Arnolfini. Hier heeft men de kunst der vijftiende eeuw in haar
+zuiversten vorm; hier nadert men het dichtst tot den raadselachtigen
+persoon van den maker Jan van Eyck. Ditmaal behoefde hij noch de
+schitterende majesteit van het goddelijke uit te drukken, noch de
+hoovaardij van hooge heeren te dienen: het waren zijn vrienden, die hij
+schilderde, ter gelegenheid van hun huwelijk. Is het werkelijk Jean
+Arnoulphin, zooals hij in Vlaanderen heette, de koopman uit Lucca,
+geweest? Dit gezicht, dat tweemaal door Van Eyck geschilderd is, [860]
+schijnt wel het minst Italiaansche, dat ooit uit oogen keek. Doch de
+aanduiding van het stuk als "Hernoul le fin avez sa femme dedens une
+chambre" in den inventaris der schilderijen van Margareta van Oostenrijk
+uit 1516 [861] blijft wel een sterk argument, om er Arnolfini in te
+zien. In dat geval beschouwe men het eigenlijk niet als een "burgerlijk
+portret". Want Arnolfini was een groot heer, herhaaldelijk raadsman der
+hertogelijke regeering in gewichtige zaken. Hoe het zij, de man, die
+hier is afgebeeld, was een vriend van Jan van Eyck. Dat getuigt die fijn
+zinrijke wijze, waarop de schilder zijn werk heeft gewaarmerkt, het
+opschrift boven den spiegel: "Johannes de Eyck fuit hic, 1434". Jan
+van Eyck is hier geweest. Zooeven nog. In de suizende stilte van die
+binnenkamer toeft nog de klank van zijn stem. De innige teerheid en de
+stille vrede, zooals eerst Rembrandt ze opnieuw zal geven, liggen in dit
+stuk besloten, alsof het Jan's eigen hart was. Hier is opeens die avond
+der Middeleeuwen terug, dien wij kennen, en toch zoo dikwijls in de
+litteratuur, de geschiedenis, het geloofsleven dier tijden vergeefs
+zoeken: de gelukkige, edele, serene en eenvoudige Middeleeuw van het
+volkslied en de kerkmuziek. Hoe ver zijn wij nu weer van dien schellen
+lach en den toomeloozen hartstocht!
+
+Dan ziet wellicht onze verbeelding een Jan van Eyck, die buiten het
+felle, bonte leven van zijn tijd stond, een eenvoudige, een droomer, die
+met gebogen hoofd, den blik naar binnen gekeerd, door 't leven sloop.
+Voorzichtig, of het wordt een kunsthistorische novelle: hoe 's hertogen
+"varlet de chambre" met weerzin de hooge heeren diende, hoe zijn
+kunstmakkers met diepe smart hun hooge kunst moesten verloochenen, om
+mee te werken aan hoffeesten en vlootuitrusting.
+
+Er is niets, wat zulk een voorstelling rechtvaardigt. De kunst der Van
+Eyck's, die wij bewonderen, stond midden in het hofleven, dat ons
+afstoot. Het weinige wat wij van het leven dier schilders weten, toont
+hen ons als lieden van de wereld. De hertog van Berry is met zijn
+hofschilders op den besten voet. Froissart ontmoette hem in gemeenzaam
+onderhoud met André Beauneveu in zijn wonderkasteel Mehun sur Yevre.
+[862] De drie gebroeders van Limburg, de groote verluchters, verblijden
+den hertog op nieuwjaar met een surprise: een nieuw verlucht handschrift,
+dat "un livre contrefait" blijkt, "d'une pièce de bois blanc paincte en
+semblance d'un livre, où il n'a nulz feuillets ne riens escript". [863]
+Jan van Eyck heeft zich zonder twijfel midden in het hofleven bewogen.
+Voor de geheime diplomatieke zendingen, waarmee Philips de Goede hem
+belastte, was een wereldkenner noodig. Hij gold in zijn eeuw als een
+geletterde, die klassieken las en meetkunde bestudeerde. Met een lichte
+bizarrerie heeft hij zijn bescheiden zinspreuk "Als ik kan" in Grieksche
+karakters vermomd.
+
+Werden wij niet door deze en dergelijke gegevens gewaarschuwd, dan
+zouden wij allicht geneigd zijn, de kunst der Van Eyck's op een
+verkeerde plaats in het leven der vijftiende eeuw te zien. Daar zijn in
+dien tijd twee voor onzen blik scherp gescheiden levenssferen. Hier is
+de cultuur van het hof, den adel en de rijke burgerij; praalziek, eer-
+en hebzuchtig, kakelbont, gloeiend hartstochtelijk. Daar is de stille,
+effen grijze sfeer der moderne devotie, de ernstige mannen en de gedweeë
+burgervrouwtjes, die hun toeverlaat zochten in de Fraterhuizen en bij de
+Windesheimers, waar de verre zachte branding der _Imitatio_ fluistert,
+--de sfeer ook van Ruusbroec en de heilige Colette. Dat is de sfeer,
+waarin voor ons gevoel de kunst der Van Eyck's, met haar vrome, stille
+mystiek, zou passen. Toch is haar plaats eêr in de andere. De moderne
+devoten stonden afwijzend tegenover de groote kunst, die zich in hun tijd
+ontplooide. Zij verzetten zich tegen de veelstemmige muziek, zelfs tegen
+de orgels, [864] terwijl het de prachtlievende Bourgondiërs zijn: bisschop
+David van Utrecht en Karel de Stoute zelf, die in hun kapellen de eerste
+meesters als leiders hebben: Obrecht te Utrecht, Busnois bij den hertog,
+die hem zelfs meeneemt naar het kamp voor Neuss. De ordinarius van
+Windesheim verbood elke versiering van den zang, en Thomas a Kempis zegt:
+"kunt gij niet zingen als de leeuwerik en de nachtegaal, zingt dan als de
+raven en de kikvorschen in den poel, die zingen zooals God het hun gegeven
+heeft." [865] Over de schilderkunst hebben zij zich uit den aard der zaak
+minder uitgelaten; maar zij wilden hun boeken eenvoudig hebben, en niet
+terwille van de kunst ze verluchten. [866] Hoogstwaarschijnlijk zouden zij
+zelfs een werk als de Aanbidding van het Lam louter hoogmoed geacht hebben.
+
+Is overigens de scheiding tusschen die beide levenssferen wel zóo scherp
+geweest, als wij haar zien? Hierboven is het reeds gezegd. Er zijn
+talrijke aanrakingen tusschen de hofkringen en die van den streng
+godsdienstigen wandel. De heilige Colette en Dionysius de Kartuizer
+verkeeren met de hertogen; Margareta van York, de tweede gemalin van
+Karel den Stoute, stelt levendig belang in de "gereformeerde" kloosters
+van België. Beatrix van Ravestein, een der eersten aan het Bourgondische
+hof, draagt onder de pronkgewaden het haren kleed. "Vestue de drap d'or
+et de royaux atournemens à luy duisans, et feignant estre la plus
+mondaine des autres, livrant ascout à toutes paroles perdues, comme
+maintes font, et monstrant de dehors de pareil usages avecques les
+lascives et huiseuses, portoit journellement la haire sur sa chair nue,
+jeunoit en pain et en eau mainte journée par fiction couverte, et son
+mary absent couchoit en la paille de son lit mainte nuyt." [867] Den
+inkeer, die voor de moderne devoten blijvende levensvorm geworden was,
+kennen de groote hoovaardigen ook, doch slechts bij vlagen, als de
+naweeën der overdaad. Wanneer Philips de Goede na het groote feest van
+Rijsel naar Regensburg is vertrokken, om met den keizer te spreken,
+begeven zich verscheiden edelen en vrouwen van het hof in de
+observantie, "qui menèrent moult belle et saincte vie." [868]--De
+kroniekschrijvers, die met zooveel gewichtige uitvoerigheid al dien
+praal en staat beschrijven, laten niet na, herhaaldelijk hun afkeer van
+"pompes et beubans" te uiten. Zelfs Olivier de la Marche bepeinst na het
+feest van Rijsel "les oultraigeux excès et la grant despense qui pour la
+cause de ces banquetz ont esté faictz." En hij vindt er geen
+"entendement de vertu" in, behalve wat het entremets betreft, waarin de
+Kerk optrad; doch een ander hofwijze legt hem uit, waarom dat alles zoo
+had moeten zijn. [869] Lodewijk XI had uit zijn verblijf aan het hof van
+Bourgondië een haat behouden tegen al wat weelde was. [870]
+
+De kringen, waarin en waarvoor de kunstenaars werkten, zijn gansch
+andere geweest dan die der moderne devotie. Al heeft de opbloei der
+schilderkunst evenzeer als die van het geloof zijn wortels in de
+stedelijke samenleving, burgerlijk kan de kunst der Van Eyck's en die
+hen volgen, niet meer heeten. Het hof en de adel hadden de kunst tot
+zich getrokken. De verheffing der miniatuurkunst tot die hoogten van
+artistieke verfijning, die het werk der gebroeders van Limburg en van de
+_Heures de Turin_ kenmerkt, was zelfs aan het vorstelijk maecenaat bij
+uitstek te danken. En ook de rijke burgerijen van de groote steden van
+België streefden zelf naar een adellijken levensvorm. Het verschil
+tusschen de Zuid-nederlandsche en Fransche kunst eenerzijds, en het
+weinige, wat uit de vijftiende eeuw als Noord-nederlandsch is te
+beschouwen, anderzijds, kan het best worden gezien als een verschil van
+milieu: daar het weelderige, rijpe leven van Brugge, Gent, Brussel, in
+voortdurende aanraking met het hof; hier een afgelegen landstadje als
+Haarlem, in alles veel meer verwant aan de stille IJselsteden der
+moderne devotie. Indien de kunst van Dirk Bouts Haarlemsch mag heeten
+(wat wij van hem hebben, is gemaakt in het Zuiden, dat ook hem getrokken
+had), dan kan het slichte, strakke, ingetogene, dat zijn werk eigen is,
+gelden als de echt burgerlijke uitdrukking tegenover de aristocratische
+allure, den pompeuzen zwier, de praal en schittering der zuidelijke
+meesters. De Haarlemsche school staat inderdaad nader tot de sfeer van
+den burgerlijken levensernst.
+
+De werkgevers van de groote schilderkunst, voorzoover wij hen kennen,
+zijn bijna zonder uitzondering de vertegenwoordigers geweest van het
+groote kapitaal van die dagen. Het zijn de vorsten zelf, de hooge heeren
+van het hof en de groote parvenu's, waaraan het Bourgondische tijdvak
+rijk is, en die evenzeer als de anderen graviteeren naar het hof. De
+Bourgondische macht berust immers juist op het indiensttrekken der
+geldmachten en het scheppen van nieuwe adellijke geldmachten door
+schenking en begunstiging. De levensvorm van die kringen is die van het
+zwierige ridderideaal, waar men zwelgt in de staatsie van het Gulden
+Vlies en de praal van feesten en tournooien. Op dat innig-vrome stuk de
+Zeven sacramenten in het Antwerpsche museum wijst een wapen als den
+vermoedelijken stichter den bisschop van Doornik, Jean Chevrot, aan.
+Deze was naast Rolin de nauwste raadsman van den hertog, [871] ijverig
+dienaar in de zaken van het Gulden Vlies en van het groote
+kruistochtplan. Het type van den grooten kapitalist dier dagen is Pieter
+Bladelyn, wiens stemmige figuur bekend is van het drieluik, dat het
+altaar van de kerk in zijn stadje Middelburg in Vlaanderen gesierd
+heeft. Van ontvanger van zijn geboortestad Brugge was hij opgeklommen
+tot algemeen hertogelijk tresorier. Door zuinigheid en goede controle
+bracht hij verbetering in de financiën. Hij werd tresorier van het
+Gulden Vlies, ridder; hij werd op de gewichtige diplomatieke zending
+gebruikt, om in 1440 Charles d'Orléans uit de Engelsche gevangenschap
+los te koopen; hij zou mee op den kruistocht tegen de Turken voor het
+beheer der geldmiddelen. Zijn rijkdommen maakten de verbazing der
+tijdgenooten gaande. Hij besteedde ze aan inpolderingen, waaraan nog de
+Bladelijnspolder tusschen Sluis en Zuidzande herinnert, en aan het
+stichten van een nieuwe stad, Middelburg in Vlaanderen. [872]
+
+Jodocus Vydt, die als stichter op het Gentsche altaarstuk prijkt, en de
+kanunnik Van de Paele, behooren eveneens tot de groote rijken van dien
+tijd; de Croy's en de Lannoy's zijn adellijke nouveaux riches. De
+tijdgenooten zijn het meest van al getroffen geweest door de opklimming
+van Nicolaas Rolin, den kanselier, "venu de petit lieu", en als jurist,
+financier en diplomaat tot de hoogste diensten gebruikt. De groote
+verdragen der Bourgondiërs van 1419 tot 1435 zijn zijn werk geweest.
+"Soloit tout gouverner tout seul et à part luy manier et porter tout,
+fust de guerre, fust de paix, fust en fait des finances." [873] Hij had
+door niet onverdachte middelen ontzaglijke rijkdommen opgehoopt, die hij
+besteedde aan tal van stichtingen. Toch sprak men met haat van zijn
+hebzucht en zijn hoogmoed. Want men geloofde niet aan den vromen zin,
+die tot die stichtingen dreef. Rolin, zoo vroom geknield op het stuk van
+Jan van Eyck in het Louvre, dat hij liet schilderen voor zijn
+geboortestad Autun, en nogmaals vroom geknield op dat van Rogier van der
+Weyden voor zijn gasthuis te Beaune, stond bekend als een, die enkel het
+aardsche telt. "Hij oogstte altijd op aarde, zegt Chastellain, alsof de
+aarde hem eeuwig ware, waarin hem zijn verstand afdwaalde, toen hij geen
+paal en perk wilde stellen aan dat, waarvan zijn hooge jaren hem het
+nabije einde voor oogen hielden." En Jacques du Clercq zegt: "Le dit
+chancellier fust reputé ung des sages hommes du royaume à parler
+temporellement; car au regard de l'espirituel, je m'en tais". [874]
+
+Zal men nu in het gelaat van den stichter van La vierge au chancelier
+Rolin een huichelachtig wezen gaan zoeken? Of is ook hier veeleer te
+denken aan die wonderlijke tegenstrijdigheid, die samenbestaanbaarheid
+van de schreeuwendste zonden van hoogmoed, hebzucht en onkuischheid met
+diepe vroomheid en sterk geloof, welke hierboven als een der ethische
+typen van den tijd werd gesteld?
+
+De schilderkunst der vijftiende eeuw ligt in de sfeer, waar de uitersten
+van het mystische en het grof aardsche elkander raken. Het geloof, dat
+hier spreekt, is zoo onmiddellijk, dat geen aardsche verbeelding er te
+zinnelijk of te zwaar voor is. Van Eyck kan zijn engelen en goddelijke
+figuren behangen met de zware praal van stijve gewaden, druipende van
+goud en steenen; om naar omhoog te wijzen behoeft hij nog niet de
+fladderende slippen en spartelende beenen der barok.
+
+Doch al is dat geloof zeer onmiddellijk en sterk, primitief is het
+daarom niet. De benaming primitieven voor de schilders der vijftiende
+eeuw behelst het gevaar van een misverstand. Primitief mag hier slechts
+de beteekenis hebben van eerstkomend, in zooverre er geen oudere
+schilderkunst bekend is, als een louter tijdrekenkundige term dus.
+Gewoonlijk echter is men geneigd, daaraan tevens de voorstelling te
+verbinden, alsof de geest dier kunstenaars primitief was. En dit is
+volkomen onjuist. De geest van die kunst is die van het geloof zelve,
+zooals hij hier boven werd beschreven: de uiterste doorwerking en
+uitwerking van alles wat des geloofs is met de verbeelding.
+
+Eens had men de goddelijke figuren oneindig ver af gezien: strak en
+star. Toen was het pathos der innigheid gekomen. Met een vloed van
+tranen en gezang was het opgebloeid in de mystiek der twaalfde eeuw,
+Sint Bernard bovenal. Men had de godheid bestormd met zijn snikkende
+aandoening. Om toch maar beter mee te mogen voelen in het goddelijk
+lijden, had men Christus en den heiligen al de kleuren en vormen
+opgedrongen, die de fantazie uit het aardsche leven putte. Een stroom
+van rijke menschelijke verbeelding was door alle hemelen gevloeid. En
+steeds verder vlood die stroom in ontelbare kleine vertakkingen af.
+In altijd verderschrijdende uitwerking was gaandeweg al het heilige
+tot in de kleinste bijzonderheden in beeld gebracht. Men had met zijn
+smachtende armen den hemel naar omlaag getrokken.
+
+Eerst was langen tijd het woord de plastische en picturale schepping
+vóór geweest in uitbeeldend vermogen. In de dertiende eeuw, toen de
+sculptuur nog veel van het schematische der oudere voorstelling
+bewaarde, door haar materieele middelen en haar kader beperkt, begonnen
+reeds de _Meditationes_ van Pseudo-Bonaventura al de lijfelijke
+houdingen en al de aandoeningen van het kruisdrama tot in de geringste
+bijzonderheden te beschrijven. Doch inmiddels schreed ook de picturale
+techniek voort; de beeldende kunst haalt den voorsprong in, en meer dan
+in. Met de kunst der Van Eyck's heeft de picturale uitbeelding der
+heilige dingen een graad van détailleering en naturalisme bereikt, die
+misschien strikt kunsthistorisch een begin kan heeten, maar
+cultuurhistorisch een einde beduidt. De uiterste spanning in het aardsch
+verbeelden van het goddelijke was hier bereikt; de mystische inhoud dier
+verbeelding stond gereed om uit die beelden te ontvlieden en enkel den
+lust aan den bonten vorm achter te laten.
+
+Zoo is het naturalisme der Van Eyck's, dat men in de kunstgeschiedenis
+pleegt op te vatten als een element, dat de Renaissance aankondigt,
+veeleer te beschouwen als de volledige ontplooiing van den laat-
+middeleeuwschen geest. Het is datzelfde natuurlijk verbeelden van het
+heilige, dat waar te nemen viel in alles, wat de heiligenvereering
+betreft, in de sermoenen van Johannes Brugman, in de uitgewerkte
+bespiegelingen van Gerson en de beschrijvingen der hellepijn van
+Dionysius den Kartuizer.
+
+Het is altijd weer de vorm, die den inhoud dreigt te overwoekeren, en
+hem belet, zich te verjongen. In de kunst der Van Eyck's is de inhoud
+nog volkomen middeleeuwsch. Nieuwe gedachten spreekt zij niet uit. Zij
+is een uiterste, een eindpunt. Het middeleeuwsche begrippensysteem stond
+ten hemel toe volbouwd; er viel nog slechts aan te kleuren en te
+versieren.
+
+In de bewondering der groote schilderkunst zijn aan den tijdgenoot twee
+dingen bewust geworden: de treffende voorstelling van het onderwerp en
+de onbegrijpelijke kunstvaardigheid, de wonderlijke perfectie der
+détails, het volstrekt natuurgetrouwe. Aan den eenen kant een
+waardeering, die meer in de sfeer van de vroomheid dan van de
+schoonheidsontroering ligt, aan den anderen kant een naïeve verbazing,
+die naar onze opvattingen aan schoonheidsontroering niet toekomt. Een
+Genueesch litteraat omstreeks 1450, Bartolomeo Fazio, is de eerste van
+wien kunstkritische beschouwingen over werken van Jan van Eyck, ten
+deele thans verloren, bekend zijn. Hij roemt de schoonheid en
+eerbaarheid van een Mariafiguur, de haren van den engel Gabriel, "die
+echte haren overtreffen", de heilige strengheid der askese, die uit des
+Doopers aangezicht straalt, de wijze waarop een Hieronymus "leeft".
+Verder bewondert hij het perspectief in Hieronymus' studeervertrek,
+den zonnestraal, die door een reet valt, het spiegelbeeld van de eene
+badende vrouw, de zweetdruppels op het lichaam der andere, de brandende
+lamp, het landschap met wandelaars en bergen, bosschen, dorpen en
+kasteelen, de eindelooze verten van het verschiet, en nogmaals den
+spiegel, [875] De termen, waarin dit geschiedt, verraden louter
+curiositeit en verbazing. Hij laat zich genoegelijk meedrijven op den
+stroom van ongebreidelde verbeelding; naar de schoonheid van het geheel
+vraagt hij niet. Dat is de nog middeleeuwsche waardeering van het
+middeleeuwsche werk.
+
+Wanneer een eeuw later de schoonheidsopvattingen der Renaissance zijn
+doorgedrongen, wordt juist die bovenmatige uitwerking van het
+zelfstandige détail de Vlaamsche kunst aangerekend als haar
+fundamenteele gebrek. Indien Francesco de Holanda, de Portugeesche
+schilder, die zijn kunstbespiegelingen voor gesprekken met Michel Angelo
+laat doorgaan, naar waarheid de meening van den machtigen meester heeft
+weergegeven, dan zou deze het volgende hebben gezegd.
+
+"De Vlaamsche schilderkunst bevalt allen vromen beter dan de
+Italiaansche. Deze laat hen nooit tranen vergieten, gene doet hen
+rijkelijk weenen, en dat is geenszins het gevolg van de kracht en de
+verdienste van die kunst, het is alleen te wijten aan de groote
+aandoenlijkheid der vromen. De Vlaamsche schilderkunst valt in den smaak
+van de vrouwen, vooral van de oudere en de heel jonge, evenals van de
+monniken, de nonnen en alle voorname lieden, die niet ontvankelijk zijn
+voor de ware harmonie. In Vlaanderen schildert men hoofdzakelijk, om het
+uiterlijk aanzien der dingen bedriegelijk weer te geven, en meest
+onderwerpen, die in vervoering brengen of onberispelijk zijn, zooals
+heiligen en profeten. In den regel schilderen zij echter wat men een
+landschap pleegt te noemen en daarin veel figuren. Hoewel dit het oog
+aangenaam aandoet, is daarin inderdaad noch kunst noch rede; daarin is
+geen symmetrie, geen verhouding; daarin heerscht geen keuze, er is geen
+grootheid in, in één woord: deze schilderkunst is zonder kracht of
+heerlijkheid; zij wil vele dingen tegelijk volkomen afbeelden, waarvan
+één belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten aan te besteden."
+
+De vromen, dat zijn hier de middeleeuwschen van geest. Voor dezen groote
+is de oude schoonheid een zaak der kleinen en zwakken geworden. Niet
+allen oordeelden zoo. Voor Dürer en Quinten Metsys, en voor Jan van
+Scorel, die de Aanbidding van het Lam heet te hebben gekust, was de oude
+kunst geenszins dood. Maar het is Michel Angelo, die hier in meer
+volstrekten zin de Renaissance vertegenwoordigt. Wat hij in de Vlaamsche
+kunst verwerpt, het zijn juist de essentieele trekken van den
+laat-middeleeuwschen geest: de heftige sentimentaliteit, het zien van
+elke bijzonderheid als een zelfstandig ding, van elke waargenomen
+hoedanigheid als iets wezenlijks, het opgaan in de veelheid en de
+bontheid van het geziene. Daartegen verzet zich het nieuwe kunst- en
+levensinzicht der Renaissance, dat, als altijd, slechts verkregen wordt
+ten koste van een tijdelijke blindheid voor de schoonheid of waarheid,
+die voorafging.
+
+De bewustheid van een aesthetisch genieten en de uitdrukking ervan in
+woorden heeft zich laat ontwikkeld. Den vijftiendeëeuwer staan voor zijn
+kunstbewondering nog maar de termen ten dienste, die wij verwachten van
+den verbaasden burgerman. Zelfs het begrip kunstschoon kent hij nog
+niet. Wat hem aan schoonheidshuivering uit de kunst doorstraalde, werd
+door hem onmiddellijk omgezet of in godsvervuldheid of in levensbehagen.
+
+Dionysius de Kartuizer schreef een verhandeling _De venustate mundi et
+pulchritudine Dei_. [876] Terstond in den titel wordt dus de ware
+schoonheid enkel aan God toegekend; de wereld kan slechts "venustus",
+fraai, mooi zijn. De schoonheden van het geschapene, zegt hij, zijn niet
+anders dan beekjes van de opperste schoonheid; een schepsel wordt schoon
+genoemd, in zooverre het iets deelachtig is van de schoonheid der
+goddelijke natuur, en daardoor aan dezelve eenigermate gelijkvormig
+wordt. [877]--Op deze ruime en verheven schoonheidsleer, waarmee
+Dionysius steunt op den Pseudo-Areopagiet, Augustinus, Hugo van Sint
+Victor en Alexander van Hales, [878] zou een zuivere ontleding van alle
+schoonheid te bouwen zijn. Doch hierin schiet de geest der vijftiende
+eeuw nog verre te kort. Dionysius ontleent zelfs de voorbeelden van
+aardsche schoonheid: een blad, de van kleur verwisselende zee, de
+woelige zee, steeds aan zijn voorgangers, met name aan die twee fijne
+geesten der twaalfde eeuw uit het klooster van Sint Victor: Richard en
+Hugo. Wanneer hij zelf schoonheid ontleden wil, blijft het uiterst
+oppervlakkig. De kruiden zijn schoon, omdat zij groen zijn, de steenen,
+omdat zij schitteren, het menschelijk lichaam, de dromedaris en de
+kameel, omdat zij doelmatig zijn. De aarde is schoon, omdat zij lang en
+breed is, de hemellichamen, omdat zij rond en licht zijn. In de bergen
+bewonderen wij de grootte, in de rivieren de langgestrektheid, in velden
+en bosschen de uitgestrektheid, in de aarde zelf de onmetelijke massa.
+
+Dionysius dwaalt van de aardsche schoonheid telkens terstond weer af
+naar de schoonheid der engelen en van het empyreum. Of hij zoekt haar in
+de abstracte dingen: de schoonheid des levens is de levenswandel zelf
+volgens de leiding en het bevel der goddelijke wet, ontdaan van de
+leelijkheid der zonde. Van de schoonheid der kunst spreekt hij niet,
+zelfs niet van die, welke het meest als iets zelfstandigs treffen moest:
+de muziek.
+
+Toen deze Dionysius eens de Sint Janskerk te 's Hertogenbosch was
+binnengetreden, terwijl het orgel speelde, werd hij door de zoete
+melodie terstond, met smeltend hart, aan zichzelf ontrukt in een
+langdurige ekstase. [879] De schoonheidsaandoening werd onmiddellijk
+religie. Het zal niet in hem opgekomen zijn, dat hij in de schoonheid
+van muziek of afbeelding iets anders zou kunnen bewonderen dan het
+heilige zelf.
+
+Dionysius was een dergenen, die de invoering der moderne, meerstemmige
+muziek in de kerk afkeurden. Het breken der stem (fractio vocis),
+spreekt hij een oudere na, schijnt het teeken eener gebroken ziel; het
+is te vergelijken met gefriseerde haren bij een man of geplisseerde
+kleederen bij een vrouw, louter ijdelheid. Sommigen, die zulk
+veelstemmig zingen beoefend hadden, hadden hem toevertrouwd, dat daarin
+een hoogmoed en een zekere wulpschheids des gemoeds (lascivia animi)
+gelegen waren. Hij erkent, dat er vromen zijn, die door melodieën ten
+sterkste tot contemplatie en devotie opgewekt worden, weshalve de Kerk
+orgels toelaat. Maar indien de kunstige muziek dient om het gehoor te
+behagen, en vooral om de aanwezigen, de vrouwen met name, te vermaken,
+dan is zij zonder twijfel verwerpelijk. [880]
+
+Men ziet hier, hoe de middeleeuwsche geest, wanneer hij het wezen der
+muzikale aandoening wil beschrijven, nog geen andere termen vindt dan
+die van zondige beroeringen: een hoogmoed en een zekere wulpschheid des
+gemoeds.
+
+Over de muzikale aesthetiek werd voortdurend veel geschreven. Men bouwde
+daarbij in den regel voort op de niet meer begrepen muziektheorieën der
+Oudheid. Maar over de wijze, waarop muzikale schoonheid werkelijk
+genoten werd, leeren ons de tractaten tenslotte niet veel. Wanneer het
+er op aan kwam, wat men in muziek eigenlijk mooi vond, dan blijft het
+bij vage uitingen, die in hun aard sterk verwant zijn aan de uitdrukking
+van de bewondering der schilderkunst. Aan den eenen kant is het de
+hemelsche verblijding, die men in muziek geniet, aan den anderen kant de
+treffende nabootsing, die men erin bewondert. Alles werkte ertoe mee, om
+den overgang van muzikale ontroering tot hemelsche genieting voor den
+geest haast onmiddellijk te maken; het was hier niet een afbeelden van
+heilige dingen, zooals bij de schilderkunst, maar een afschaduwing van
+de hemelvreugde zelf. Wanneer de brave Molinet, die blijkbaar zelf veel
+van muziek heeft gehouden, vertelt, hoe Karel de Stoute, een groot
+muziekliefhebber zooals bekend is, in zijn legerkamp voor Neuss zich
+onledig hield met litteratuur en vooral met muziek, dan juicht zijn
+rederijkersgemoed: "Car musique est la résonnance des cieux, la voix des
+anges, la joie de paradis, l'espoir de l'air, l'organe de l'Eglise, le
+chant des oyselets, la récréacion de tous cueurs tristes et désolés, la
+persécution et enchassement des diables." [881]--Het ekstatische element
+in het muziekgenieten werd natuurlijk zeer goed gekend. "De kracht der
+harmonieën, zegt Pierre d'Ailly, ontrukt de menschelijke ziel zoozeer
+tot zich, dat zij die niet alleen onttrekt aan andere hartstochten en
+zorgen, maar ook aan zichzelve." [882]
+
+Bewonderde men in de schilderkunst de treffende nabootsing van de
+voorwerpen der natuur, in de muziek was het gevaar, dat men in
+nabootsing de schoonheid ging zoeken, nog grooter. Want de muziek had
+reeds lang van haar expressieve middelen een ijverig gebruik gemaakt.
+De caccia, die oorspronkelijk een jacht voorstelde, is er het bekendste
+voorbeeld van. Olivier de la Marche vertelt, hoe hij er in een de kleine
+hondjes keffen en de doggen bassen hoorde en trompetgeschal, alsof men
+in het bosch was. [883] Vogelgeluiden, straatroepen, het slaggewoel
+werden in muzikalen vorm weergegeven.
+
+De theoretische analyse van het schoone is dus gebrekkig, de uitdrukking
+der bewondering is oppervlakkig. In het eerste komt men niet veel
+verder, dan dat ter verklaring van de schoonheid de begrippen van maat,
+sierlijkheid, orde, grootte, doelmatigheid ervoor in de plaats worden
+gesteld. En bovenal dat van schittering, licht. Om de schoonheid te
+verklaren van de dingen des geestes, herleidt Dionysius ze tot licht:
+het verstand is een licht, de wijsheid, de wetenschap, de kunstvaardigheid
+zijn niet anders dan lichtvormige glanzen, die met hun klaarheid den geest
+verlichten. [884]
+
+Wanneer men het schoonheidsgevoel dier tijden naspeurt, niet in hun
+bepaling van het begrip der schoonheid, noch in hetgeen zij van hun
+aandoening zeggen over schilderkunst en muziek, maar in hun spontane
+uitingen van blijde schoonheidsontroering, dan treft het, hoe die
+uitingen bijna altijd gewaarwordingen gelden van schittering of van
+levendige beweging.
+
+Froissart komt zelden onder een schoonheidsindruk; hij had het er te
+druk voor met zijn eindelooze verhalen; maar er is één schouwspel, dat
+hem altijd weer woorden van blijde verrukking ontlokt: schepen op het
+water met wapperende vlaggen en wimpels, waarvan de kleurige blazoenen
+schitteren in de zon. Of het is het spel van de zonnestralen op helmen,
+harnassen, lanspunten, vaantjes en banieren van een optrekkende
+ruitertroep. [885] Eustache Deschamps bewondert het schoone van
+draaiende molens, en van de zon in een dauwdruppel; La Marche merkt op,
+hoe mooi het zonlicht op de blonde haren schijnt van een troep Duitsche
+en Boheemsche ridders. [886]--Met die bewondering voor wat schittert
+staat ook de versiering der kleeding in verband, die in de vijftiende
+eeuw nog voornamelijk gezocht wordt in het opzetten van een overmatig
+groot aantal edele steenen. Eerst later maken deze plaats voor linten
+en strikken. Om die schittering nog met geklink te verhoogen, draagt
+men schelletjes of geldstukken. La Hire draagt een rooden mantel geheel
+beladen met groote zilveren koeklokken. De kapitein Salazar verschijnt
+bij een intocht van 1465 met twintig geharnasten, wier paarden alle
+bedekt zijn met groote zilveren klokken; op het dekkleed van zijn eigen
+paard is aan elk der figuren, waarmee het bezaaid is, een groote schel
+van verguld zilver gehecht. Bij den intocht van Lodewijk XI te Parijs in
+1461 dragen de paarden van Charolais, Croy, Saint Pol en anderen op hun
+dekkleeden tal van groote klokken; dat van Charolais draagt er een op
+den rug, die tusschen vier pijlertjes hangt. Karel de Stoute verschijnt
+op een tournooi in een feestgewaad bedekt met rinkelende rijnsguldens;
+Engelsche edelen dragen hun kleed bezet met gouden nobels. [887] Op het
+bruiloftsfeest van den graaf van Genève te Chambéry in 1434 voert een
+groep van heeren en dames een dans uit, allen gekleed in het wit, bedekt
+met "or clinquant", de heeren bovendien met breede gordels vol
+schelletjes. [888]
+
+Hetzelfde naïeve behagen aan wat sterk de aandacht trekt, is ook op te
+merken in den kleurenzin van den tijd. Om dezen volledig te bepalen, zou
+een uitgebreid en statistisch onderzoek noodig zijn, dat zoowel de
+kleurenschaal der beeldende kunst als die van kleeding en
+versieringskunst betrof: wat de kleeding aangaat, zou zij meer uit de
+talrijke beschrijvingen op te maken zijn, dan uit de schaars bewaarde
+overblijfselen van stoffen. Hier volgen enkel eenige voorloopige
+indrukken, gewonnen uit de beschrijving der kleedij bij tournooien en
+intochten. Men heeft hier dus te doen met praal- en staatsiegewaden,
+waarin natuurlijk een andere toonaard heerscht dan in de dagelijksche
+kleeding. De gewone kleeding maakt reeds zeer veel gebruik van grijs,
+zwart en paars. [889] Wat in de feest- en staatsiekleeding in de eerste
+plaats treft, is het overheerschen van het rood. Niemand zal het
+trouwens van dezen rooden tijd anders verwachten. Intochten zijn
+dikwijls geheel in rood uitgemonsterd. [890] Daarnaast bekleedt het wit
+als uniforme feestkleur een groote plaats. In de nevenschikking van
+kleuren wordt elke combinatie geduld: rood-blauw, blauw-violet komen
+voor. Op een feestvertooning, die La Marche beschrijft, verschijnt een
+meisje in violette zijde op een hakkenei met een dekkleed van blauwe
+zijde, geleid door drie mannen in vermiljoenroode zijde met kaproenen
+van groene zijde. [891] Een voorliefde voor somber-gloeiende en
+dof-bonte kleurschikkingen schijnt niet te miskennen.
+
+Opmerkelijk is, dat als hoofdkleur van den dos het zwart en het violet
+veel grooter plaats innemen dan het groen en blauw, terwijl geel en
+bruin bijna geheel ontbreken. Het zwart, vooral in fluweel gebruikt,
+vertegenwoordigt ontegenzeggelijk de trotsche, sombere praal, die de
+tijd bemint, den hoogmoedigen afstand van het vroolijk bonte, dat alom
+schatert. Philips de Goede gaat na de jaren zijner jeugd altijd in 't
+zwart, en dost er ook zijn gevolg en zijn paarden in. [892] Koning René,
+die nog ijveriger naar distinctie en verfijning zocht, gebruikt als
+kleuren grijs-wit-zwart. [893]
+
+De geringe plaats van het blauw en het groen moet overigens niet geheel
+als een directe uiting van den kleurenzin worden verklaard. Onder al de
+kleuren hadden vooral blauw en groen hun symbolisch gewicht, en die
+beteekenis was zoo bijzonder, dat zij daardoor als kleuren van kleeding
+bijna onbruikbaar werden. Beide toch waren het de kleuren der liefde:
+groen verbeeldde de verliefdheid, blauw de trouw. [894] Of beter gezegd,
+zij waren bij uitstek de kleuren der liefde, want ook de andere kleuren
+konden dienst doen in de symboliek der minne. Deschamps zegt van de
+minnaars:
+
+ "Li uns se vest pour li de vert,
+ L'autre de bleu, l'autre de blanc,
+ L'autre s'en vest vermeil com sanc,
+ Et cilz qui plus la veult avoir
+ Pour son grant dueil s'en vest de noir." [895]
+
+Doch het groen was toch inzonderheid de kleur van de jonge, hoopvolle
+liefde:
+
+ "Il te fauldra de vert vestir,
+ C'est la livrée aux amoureulx." [896]
+
+Daarom behoort ook de dolende ridder in 't groen gekleed te gaan.
+[897]--Met blauwe kleeding betoogt de minnaar zijn trouw; daarom laat
+Christine de Pisan de dame antwoorden, als de minnaar op zijn blauwe dos
+wijst:
+
+ "Au bleu vestir ne tient mie le fait,
+ N'à devises porter, d'amer sa dame,
+ Mais au servir de loyal cuer parfait
+ Elle sans plus, et la garder de blasme
+ ... Là gist l'amour, non pas au bleu porter,
+ Mais puet estre que plusieurs le meffait
+ De faulseté cuident couvrir soubz lame
+ Par bleu porter...." [898]
+
+Daar ligt waarschijnlijk meteen de verklaring, waarom de blauwe kleur,
+geveinsd gebruikt, ook de ontrouw ging beduiden, en met een overspringing
+niet alleen de trouwelooze maar ook den bedrogene toekwam. De blauwe huik
+beduidt in het Nederlandsch de echtbreekster, en de "cote bleue" is het
+gewaad van den bedrogene:
+
+ "Que cils qui m'a de cote bleue armé
+ Et fait monstrer au doy, soit occis." [899]
+
+Of hieruit weer de beteekenis van het blauw als kleur der dwaasheid in
+het algemeen te verklaren is, immers de "blauwe scute" beduidt het
+vehikel der mallen, blijve in het midden.
+
+Wanneer geel en bruin zoozeer op den achtergrond blijven, dan zal
+daarbij de tegenzin tegen deze kleuren om hun kleurqualiteit, dus de
+directe kleurenzin, wel met hun negatieve symbolische beteekenis
+oorzakelijk samenhangen: met andere woorden, men hield niet van geel
+en bruin, omdat men ze leelijk vond, en men kende er een ongunstige
+beteekenis aan toe, omdat men ze leelijk vond. De ongelukkig gehuwde
+zegt:
+
+ "Sur toute couleur j'ayme la tennée
+ Pour ce que je l'ayme m'en suys habillée,
+ Et toutes les aultres ay mis en obly.
+ Hellas! mes amours ne sont pas ycy."
+
+Of in een ander liedje:
+
+ "Gris et tannée puis bien porter
+ Car ennuyé suis d'espérance". [900]
+
+Het grijs komt, in tegenstelling met het bruin, overigens veel in de
+feestkleedij voor; het had als kleur der treurigheid waarschijnlijk een
+meer elegische nuance dan het bruin.
+
+Het geel had reeds de beteekenis van vijandschap. Hendrik van Wurtemberg
+trekt den hertog van Bourgondië voorbij, met zijn gansche gevolg in het
+geel gedost, "et fut le duc adverty que c'estoit contre luy." [901]
+
+Een oppervlakkige indruk, dat na het midden der vijftiende eeuw wit en
+zwart afnemende zijn, terwijl blauw en geel toenemen, zou nadere
+bevestiging behoeven.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[837] De Hoofdstukken XII en XIII vormen een omwerking en uitbreiding
+van het essay: De kunst der Van Eyck's in het leven van hun tijd. De
+Gids 1916, no. 6 en 7.
+
+[838] Rel. de S. Denis, II p. 78.
+
+[839] Rel. de S. Denis, II p. 413.
+
+[840] L.c., I p. 358.
+
+[841] Rel. de S. Denis, I p. 600; Juvenal des Ursins, p. 379.
+
+[842] La Curne de Ste Palaye, I p. 388; vgl. ook Journal d'un bourgeois
+de Paris, p. 67.
+
+[843] Bourgeois de Paris, p. 179 (Karel VI); 309 (Isabella van Beieren);
+Chastellain, IV p. 42, (Karel VII), I p. 332 (Henry V); Lefèvre de S.
+Remy, II p. 65; M. d'Escouchy, II p. 424, 432; Chron. scand., I p. 21;
+Jean Chartier, p. 319 (Karel VII); Quatrebarbes, Oeuvres du roi René, I
+p. 129; Gaguini compendium super Francorum gestis, ed. Paris, 1500,
+begrafenis van Karel VIII, f. 164.
+
+[844] Martial d'Auvergne, Vigilles de Charles VII. Les poésies de
+Martial de Paris, dit d'Auvergne, Paris 1724, 2 vol., II p. 170.
+
+[845] B.v. Froissart, ed. Luce, VIII p. 43.
+
+[846] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 367. Een variant leest "proviseurs"
+voor "peintres", maar het zinsverband maakt het laatste aannemelijker.
+
+[847] Pierre de Fenin, p. 624 van Bonne d'Artois: "et avec ce ne portoit
+point d'estat sur son chief comment autres dames à elle pareilles".
+
+[848] La livre des trahisons, p. 156.
+
+[849] Chastellain, III p. 375; La Marche, II p. 340, III p. 165;
+d'Escouchy, II p. 116; Laborde, II; zie Molinier, Les sources de l'hist.
+de France, nos. 3645, 3661, 3663, 5030; Inv. des arch. du Nord, IV p. 195.
+
+[850] La Marche, II p. 340ss.
+
+[851] Laborde, II p. 326.
+
+[852] La Marche, III p. 197.
+
+[853] Laborde, II p. 375, no. 4880.
+
+[854] Laborde, II p. 322, 329.
+
+[855] Chastellain. V p. 26(2), Doutrepont, p. 156.
+
+[856] Juvenal des Ursins, p. 378.
+
+[857] Jacques du Clercq, II p. 280.
+
+[858] Foulquart, bij d'Héricault, Oeuvres de Coquillart, I p. 23(1).
+
+[859] Lefèvre de S. Remy, II p. 291.
+
+[860] Londen, National gallery; Berlijn, Kaiser Friedrich Museum.
+
+[861] W.H.J. Weale, Hubert and John van Eyck, Their life and work,
+London-New York, 1908, p. 70(1).
+
+[862] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 197.
+
+[863] P. Durrieu, Les très richcs heures de Jean de France, duc de Berry
+(Heures de Chantilly), Paris, 1904, p. 81.
+
+[864] Moll, Kerkgesch. II(3) p. 313 vg.; J.G.R. Acquoy, Het klooster
+van Windesheim en zijn invloed, Utrecht, 1875-'80, 3 vol., II p. 249.
+
+[865] Th. a Kempis, Sermones ad novitios no. 28, Opera ed. Pohl. t. VI
+p. 287.
+
+[866] Moll, l.c., II(2) p. 321, Acquoy. l.c., p. 222.
+
+[867] Chastellain. IV p. 218.
+
+[868] La Marche, II p. 398.
+
+[869] La Marche, II p. 369.
+
+[870] Chastellain, IV p. 136, 275, 359, 361, V p. 225; du Clercq, IV p. 7.
+
+[871] Chastellain. III p. 332; du Clercq, III p. 56.
+
+[872] Chastellain, V p. 44, II p. 281; La Marche, II p. 85; du Clercq,
+III p. 56.
+
+[873] Chastellain, III p. 330.
+
+[874] du Clercq, III p. 203.
+
+[875] Facius, Liber de viris illustribus, ed. 1745, p. 46, bij Weale,
+Hubert and John van Eyck, p. lxxiii.
+
+[876] Dion. Cartus., Opera, t. XXXIV p. 223.
+
+[877] L.c., p. 247, 230.
+
+[878] O. Zöckler, Dionys des Kartäusers Schrift De venustate mundi,
+Beitrag zur Vorgeschichte der Asthetik, Theol. Studiën und Kritiken,
+1881, p. 651.
+
+[879] Dion. Cart., Opera, t. I Vita p. xxxvi.
+
+[880] Dion. Cart., De vita canonicorum, art. 20, Opera, t. XXXVII, p. 197:
+An discantus in divino obsequio sit commendabilis.
+
+[881] Molinet, I p. 73; vgl. 67.
+
+[882] Petri Alliaci De falsis prophetis, bij Gerson, Opera, I p. 538.
+
+[883] La Marche, II p. 361.
+
+[884] De venustate etc., t. XXXIV p. 242.
+
+[885] Froissart, ed. Luce, IV p. 90, VIII p. 43, 58, XI p. 53, 129; ed.
+Kervyn, XI p. 340, 360, XIII p. 150, XIV p. 157, 215.
+
+[886] Deschamps, I p. 155; II p. 211, II no. 307, p. 208; La Marche, I
+p. 274.
+
+[887] Livre des trahisons, p. 150, 156; La Marche, II p. 12, 347, III
+p. 127, 89; Chastellain, IV p. 44; Chron. scand., I p. 26, 126.
+
+[888] Lefèvre de S. Remy, II p. 294, 296.
+
+[889] Couderc, Les comptes d'un grand couturier parisien au XVe siècle,
+Bulletin de la soc. de l'hist. de Paris. XXXVIII, 1911, p. 125ss.
+
+[890] b.v. Monstrelet. V p. 2; du Clercq, I p. 348.
+
+[891] La Marche, II p. 343.
+
+[892] Chastellain, VII p. 223; La Marche, I p. 276, II p. 11, 68, 345;
+du Clercq, II p. 197; Jean Germain, Liber de virtutibus, p. 11;
+Jouffroy, Oratio, p. 173.
+
+[893] d'Escouchy, I p. 234.
+
+[894] Zie hierboven p. 201. (zie Hoofdstuk IV, noot 384)
+
+[895] Le miroir de mariage, XVII vs. 1650; Deschamps, Oeuvres, IX p. 57.
+
+[896] Chansons françaises du quinzième siècle, ed. G. Paris, (Soc. des
+anciens textes français), 1875, no. XLX, p. 50; vgl. Deschamps, no. 415,
+III p. 217, no. 419, ib. p. 223, no. 423, ib. p. 227, no. 481, ib. p. 302,
+no. 728, IV p. 199; l'Amant rendu cordelier, h. 62, p. 23; Molinet,
+Faictz et Dictz, fol. 176.
+
+[897] Blason des couleurs van den heraut Sicile (bij La Curne de Sainte
+Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie II p. 56). Dit tractaat, dat
+nog door Rabelais wordt bespot als het eertijds toonaangevende op het
+stuk van de beteekenis der kleuren, was mij helaas niet toegankelijk.
+
+[898] Cent balades d'amant et de dame no. 92, Christine de Pisan,
+Oeuvres poétiques, III p. 299. Vgl. Deschamps, X no. 52; L'histoire et
+plaisante cronicque du petit Jehan de Saintré, ed. G. Hellény, Paris,
+1890. p. 415.
+
+[899] Le Pastoralet, vs. 2054, p. 636; vgl. Les cent nouvelles
+nouvelles, II p. 118: "craindroit très fort estre du rang des bleuz
+vestuz, qu'on appelle communement noz amis."
+
+[900] Chansons du XVe siècle, no. 5, p. 5, no. 87, p. 85.
+
+[901] La Marche, II p. 207.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XIII
+
+HET BEELD EN HET WOORD
+
+
+De nieuwe gedachten, die straks als Renaissance en Hervorming aan het
+firmament zullen staan, vinden in de Fransch-Nederlandsche kunst en
+litteratuur der vijftiende eeuw nog zoo goed als geen uitdrukking.
+De beeldende kunst en de letterkunde dienen nog uitsluitend den geest,
+die afstervende is: den geest der eindigende Middeleeuwen. Zij vinden
+nauwelijks een andere taak dan het volkomen uitbeelden en versieren van
+lang doordachte voorstellingen. De gedachte schijnt uitgeput, de geest
+wacht nieuwe bevruchting.
+
+In perioden, waarin de schepping van schoonheid zich bepaalt tot louter
+omschrijving en uitdrukking van reeds bezonken en doorwerkt gedachten-
+materiaal, krijgt de beeldende kunst een dieper waarde dan de litteratuur.
+Dat geldt niet voor den tijdgenoot. Voor hem heeft de gedachte, al
+bloeit zij niet meer, nog zooveel treffends en belangrijks, dat hij haar
+in den versierden vorm, waarin de litteratuur haar kleedt, bemint en
+bewondert. Al de voor ons zoo hopeloos eentonige en oppervlakkige
+gedichten, waarin de vijftiende eeuw haar lied zingt, zijn door de
+tijdgenooten met veel uitbundiger lof bedacht, dan zij aan eenig
+schilderstuk hebben gewijd. De diepe gevoelswaarde van de beeldende
+kunst is hun nog niet bewust geworden, althans niet zoo, dat zij die
+konden uitdrukken.
+
+Het feit, dat uit het overgroote deel dier litteratuur voor ons alle
+geur en heerlijkheid geweken is, terwijl de kunst ons dieper roert dan
+mogelijk ooit den tijdgenoot, valt te verklaren uit het fundamenteele
+verschil van de werking van kunst en woord. Het zou te gemakkelijk en
+tevens te onbegrijpelijk zijn, indien men het zocht in de hoedanigheid
+der talenten: zoo, dat de dichters, met uitzondering van Villon en
+Charles d'Orléans, louter conventioneele leeghoofden geweest zouden
+zijn, en de schilders genieën.
+
+Waar twee hetzelfde doen, is het niet hetzelfde. Als de schilder zich
+bepaalt tot het eenvoudig weergeven eener uiterlijke werkelijkheid in
+lijn en kleur, dan legt hij toch steeds achter die louter formeele
+nabootsing een overschot van het onuitgesprokene en onuitsprekelijke.
+Maar de dichter, die niet hooger poogt dan een zichtbare of reeds
+doordachte werkelijkheid in het woord uit te drukken, put in het woord
+den schat van het onuitgesprokene uit. Het kan zijn, dat rythme en klank
+daarin nieuwe onuitgesproken schoonheid brengt. Maar zijn ook deze
+elementen zwak, dan behoudt het gedicht zijn werking slechts zoo lang,
+als de gedachte zelf den hoorder boeit. De tijdgenoot reageert nog op
+het woord van den dichter met een drom van levende associaties, want de
+gedachte zit in zijn leven geweven, en hij waant haar nieuw en bloeiend
+in den tooi van het nieuw gevonden woord.
+
+Doch als de gedachte niet meer treft om haarzelve, dan heeft het
+gedicht, tenzij het onuitgesproken rijkdom heeft, zijn werking verloren.
+De litteratuur der vijftiende eeuw nu heeft nauwelijks een waarlijk
+nieuwe gedachte. Het is een eindeloos postludeeren op afgezaagde
+thema's. Daarbij heeft zij veelal geringe qualiteiten van rythme en
+klank. Waaraan zou het gedicht dan zijn duurzame werking kunnen
+ontleenen?
+
+De tijd voor den schilder van zulk een geestestijdperk komt eerst later.
+Want hij leeft van den schat van het uitgesprokene, en het is de volheid
+van dien schat, welke de diepste en duurzaamste werking van alle kunst
+bepaalt. Aanschouw de portretten van Jan van Eyck. Hier is het spitse,
+zuinige gezicht van zijn vrouw. Daar is de strakke, morose aristocratenkop
+van Baudouin de Lannoy. Daar is de huiveringwekkende gesloten tronie van
+den kanunnik Van de Paele. Daar is de ziekelijke gelatenheid van den
+Berlijnschen Arnolfini, de Egyptische geheimzinnigheid van "Leal souvenir".
+In allen ligt het wonder van de tot den bodem gepeilde persoonlijkheid.
+Het is de diepste karakterschildering, die mogelijk is: gezien,
+onuitgesproken. Al ware Jan van Eyck tevens de grootste dichter van zijn
+eeuw geweest, de geheimenis, die hij in het beeld openbaarde, zou hij in
+het woord niet hebben kunnen benaderen.
+
+Dat is de diepste grond, waarom er, bij gelijkheid van houding en geest,
+tusschen kunst en litteratuur der vijftiende eeuw geen evenredigheid te
+verwachten is. Is eenmaal dit verschil erkend, dan blijkt bij een
+vergelijking van de litteraire en de picturale uitdrukking aan bepaalde
+voorbeelden, en in bijzonderheden, de gelijksoortigheid toch weer veel
+grooter, dan zij aanvankelijk scheen.
+
+Indien men aan de eene zijde als de meest representatieve kunstuiting
+het werk der Van Eyck's en hun volgers kiest, welke voortbrengselen der
+letterkunde moeten dan daarnevens worden gesteld, om zuiver te kunnen
+vergelijken? Niet in de eerste plaats die, welke dezelfde onderwerpen
+behandelen, maar die welke ontspringen aan dezelfde bronnen, voortkomen
+uit dezelfde levenssfeer. Dat is, gelijk hierboven werd aangetoond,
+de sfeer van het weelderige hof en de rijke, grootdoende burgerij.
+De letterkunde, die op één lijn staat met de kunst der Van Eyck's,
+is de hoofsche, althans aristocratische letterkunde, in het Fransch
+geschreven, gelezen en bewonderd door de kringen, die de opdrachten
+gaven aan de groote schilders.
+
+Schijnbaar is hier een groot contrast, dat bijna elke vergelijking
+doelloos maakt: de stof der schilderkunst is overwegend godsdienstig,
+die der Fransch-Bourgondische letterkunde overwegend wereldsch. Doch
+naar twee zijden is hier onze blik te kort: in de beeldende kunst heeft
+eenmaal het wereldlijk element een veel breeder plaats ingenomen, dan
+het bewaarde ons doet vermoeden, en in de litteratuur pleegt onze
+aandacht te sterk bepaald te worden bij de wereldlijke genres. Het
+minnedicht, de uitloopers van den _Roman de la rose_, de afleggers van
+den ridderroman, de opkomende novelle, de satire, de geschiedschrijvers,
+dat zijn de uitingen, waarmee de litteratuurgeschiedenis zich in de
+eerste plaats bezig houdt. De schilderkunst, dat is voor ons allereerst
+de diepe ernst van het altaarstuk en het portret; de litteratuur, dat is
+allereerst de wulpsche glimlach der erotische satire en de eentonige
+gruwelen der kroniek. Het is bijna, alsof die eeuw slechts haar deugden
+geschilderd en haar zonden beschreven had. Doch ook naar den kant der
+litteratuur is zulk een blik te beperkt. Niet alleen namen in de rijke
+boekerij der Bourgondische hertogen de vrome boeken nog altijd de
+voornaamste plaats in, maar ook in de wereldsche letterkunde zelve doet
+het vrome, stichtelijke en moraliseerende element zich voortdurend
+gelden, vaak te midden van de grootste frivoliteit.
+
+Gaan wij nog eenmaal uit van de sterke onevenredigheid van werking, die
+kunst en litteratuur der vijftiende eeuw in ons teweegbrengen. Met
+uitzondering van enkele dichters, werkt de litteratuur vermoeiend en
+vervelend. Eindeloos uitgesponnen allegorieën, waarin geen figuur iets
+nieuws of eigens vertoont, en waarvan de inhoud niet anders is dan de
+lang gebottelde en vaak verschaalde zedelijke wijsheid van eeuwen her.
+Altijd weer dezelfde formeele thema's: de slaper in den boomgaard, waar
+hem een zinnebeeldige dame verschijnt, de ochtendwandeling in den jongen
+Mei, het twistgesprek tusschen de dame en den minnaar of tusschen twee
+vriendinnen of welke andere combinatie ook over een punt uit de
+casuïstiek der liefde. Wanhopige oppervlakkigheid, klatergoud van
+stijlversiering, bloemzoet romantisme, versleten fantazie, nuchtere
+moralisatie:--steeds weer komt bij ons de verzuchting op: Zijn dit de
+tijdgenooten van Jan van Eyck? Zou hij dit alles bewonderd hebben?--Zeer
+waarschijnlijk wel. Het is niet vreemder, dan dat Bach zich behielp met
+de kleinburgerlijkste rijmelaars van een rheumatisch kerkgeloof.
+
+De tijdgenoot, die de werken der kunst ziet geboren worden, neemt ze
+alle gelijkelijk op in zijn levensdroom. Hij waardeert ze niet op hun
+objectieve aesthetische volmaaktheid, maar op de volheid van weerklank,
+dien zij wekken door de heiligheid of de hartstochtelijke levendheid van
+hun stof. Wanneer met den tijd die oude levensdroom is voorbijgegaan,
+en de heiligheid en de hartstocht zijn vergaan als de geur van een roos,
+dan eerst begint het kunstwerk zuiver als kunst te werken, dat wil
+zeggen door zijn middelen van uitdrukking, door zijn stijl, zijn bouw,
+zijn harmonie. Deze kunnen ten opzichte van beeldende kunst en
+litteratuur feitelijk dezelfde zijn en toch het aanzijn geven aan een
+geheel verschillende kunstwaarde.
+
+Litteratuur en kunst der vijftiende eeuw deelen beide in die algemeene
+eigenschap, die hierboven als een der meest essentieele van den
+laat-middeleeuwschen geest werd aangemerkt: de volledige uitwerking van
+alle bijzonderheden, de zucht om geen gedachte of voorstelling, die zich
+opdrong, onontplooid te laten, om alles in zijn scherpste zichtbaarheid
+en doordachtheid te verbeelden. Erasmus vertelt, dat hij eens te Parijs
+een geestelijke veertig dagen lang hoorde preeken over de gelijkenis van
+den verloren zoon, om daarmee den ganschen vastentijd te vullen. Hij
+beschreef de heenreis en de terugreis, hoe hij nu eens in een herberg
+middagmaalde met tongenpastei, dan weer een watermolen voorbijkwam, dan
+dobbelde, dan in een gaarkeuken afstapte, en hij wrong de woorden van de
+profeten en evangelisten, om op die verzonnen beuzelpraatjes te slaan.
+"En daarmee leek hij aan de onervaren schare en aan de vette groote
+heeren een god gelijk." [902]
+
+Die eigenschap der ongebreidelde uitwerking worde hier eenigermate
+analyseerend gedemonstreerd aan twee schilderijen van Jan van Eyck.
+Vooreerst de Madonna van den kanselier Rolin in het Louvre.
+
+De pijnlijke nauwgezetheid, waarmee de stof der gewaden, het marmer van
+de vloertegels en zuilen, de glinstering der vensterruiten, het misboek
+van den kanselier zijn behandeld, zou ons bij ieder ander dan Van Eyck
+de qualificatie schoolmeesterachtig ontlokken. Er is zelfs één détail,
+waarin de overmatige geacheveerdheid werkelijk storend werkt: de
+versiering der kapiteelen, waarop in den hoek als 't ware tusschen
+haakjes de verdrijving uit het Paradijs, het offer van Caïn en Abel, het
+verlaten der arke Noach's en de zonde van Cham zijn verbeeld. Doch eerst
+buiten de open hal, die de hoofdfiguren omhult, bereikt de lust aan de
+uitwerking der détails zijn volle kracht. Daar ontrolt zich als doorkijk
+door de kolonnade het wonderbaarlijkste vergezicht, dat Van Eyck ooit
+heeft geschilderd. De beschrijving ervan moge ontleend worden aan
+Durand-Gréville. [903]
+
+"Si, attiré par la curiosité, on a l'imprudence de l'approcher d'un peu
+trop près, c'est fini, on est pris pour tout le temps que peut durer
+l'effort d'une attention soutenue; on s'extasie devant la finesse du
+détail; on regarde, fleuron à fleuron, la couronne de la Vierge, une
+orfèvrerie de rêve; figure à figure, les groupes qui remplissent, sans
+les alourdir les chapiteaux des piliers; fleur à fleur, feuille à
+feuille, les richesses du parterre; l'oeil stupéfait découvre, entre la
+tête de l'enfant divin et l'épaule de la Vierge, dans une ville pleine
+de pignons et d'élégants clochers, une grande église aux nombreux
+contreforts, une vaste place coupée en deux dans toute sa largeur par
+un escalier où vont, viennent, courent d'innombrables petits coups de
+pinceau qui sont autant de figures vivantes; il est attiré par un pont
+en dos d'âne chargé de groupes qui se pressent et s'entrecroisent; il
+suit les méandres d'un fleuve sillonné de barques minuscules, au milieu
+duquel, dans une île plus petite que l'ongle d'un doigt d'enfant, se
+dresse, entouré d'arbres, un château seigneurial aux nombreux
+clochetons; il parcourt, sur la gauche, un quai planté d'arbres, peuplé
+de promeneurs; il va toujours plus loin, franchit une à une les croupes
+de collines verdoyantes; se repose un moment sur une ligne lointaine de
+montagnes neigeuses, pour se perdre ensuite dans l'infini d'un ciel à
+peine bleu, où s'estompent de flottantes nuées."
+
+En nu het wonder: in dit alles gaat, anders dan Michel Angelo's discipel
+beweerde, de eenheid en harmonie niet te loor. "Et quand le jour tombe,
+une minute avant que la voix des gardiens ne vienne mettre fin à votre
+contemplation, voyez comme le chef d'oeuvre se transfigure dans la
+douceur du crépuscule; comme son ciel devient encore plus profond; comme
+la scène principale, dont les couleurs se sont évanouies, se plonge dans
+l'infini mystère de l'Harmonie et de l'Unité...."
+
+Een ander stuk, dat zich voor de beschouwing van de eigenschap der
+onbeperkte détailleering bijzonder leent, is de Annunciatie in de
+Ermitage te Petrograd. Wanneer het drieluik, waarvan dit stuk het
+rechterblind uitmaakt, in zijn geheel heeft bestaan, welk een
+wonderrijke schepping moet het zijn geweest! Het is, alsof Van Eyck hier
+al de voor niets terugschrikkende virtuositeit van den meester, die
+alles kan en alles durft, heeft willen uitvoeren. Het is tegelijk het
+meest primitieve, meest hieratische van zijn werken en het meest
+geraffineerde. De boodschap van den Engel wordt niet gebracht in de
+intimiteit van de binnenkamer (het tooneel, waarvan de gansche
+binnenhuisschildering haar oorsprong nam), maar, zooals de vormencode
+van de oudere kunst het had voorgeschreven, in een kerk. In houding en
+gelaatsuitdrukking missen beide figuren de zachte gevoeligheid der
+Annunciatie op den buitenkant van het Lam. Het is een staatsiebuiging,
+waarmee de Engel Maria begroet, en hij komt niet met den lelietak zooals
+daar, niet met het hoofd omgord door een smallen diadeem, doch met een
+schepter en een rijke kroon, en op zijn aangezicht de strakke,
+aeginetische lach. In gloeiende kleurenpracht en schittering van
+paarlen, goud en gesteente overtreft hij alle engelfiguren, die Van Eyck
+schilderde. Groen en goud het kleed, donkerrood en goud de brokaatmantel,
+en de vleugelen bezet met pauweveeren. Het boek voor Maria, het kussen
+op de schemel zijn weer met de doordringendste zorg afgewerkt. In het
+kerkgebouw zijn de détails met een anecdotische uitvoerigheid aangebracht.
+De vloersteenen vertoonen behalve de teekenen van den dierenriem, waarvan
+er vijf zichtbaar zijn, drie tafereelen uit de geschiedenis van Simson en
+een uit die van David. De achterwand van de kerkruimte is versierd met
+beeltenissen van Isaac en Jacob in medaillons tusschen de bogen, van
+Christus op den aardbol met twee Seraphs in een glasvenster geheel bovenin,
+en daarnaast als muurschilderingen nog het vinden van het kind Mozes, en
+het ontvangen van de tafelen der wet, alles opgehelderd door leesbare
+opschriften. Eerst in de vakken van de houten zoldering wordt de decoratie,
+die ook daar nog is aangeduid, onduidelijk voor het oog.
+
+En dan weer het wonder: bij die opeenhooping van uitgewerkte bijzonderheden
+gaat evenmin als bij de Madonna van Rolin de eenheid van toon en stemming
+verloren. Daar was het de vroolijkheid van een helder buitenlicht, dat den
+blik over de hoofdvoorstelling heen in wijde verten trok; hier hult de
+geheimzinnigste donkerte van het hooge kerkgebouw het geheel in zulk een
+waas van ernst en mysterie, dat het oog schier met moeite de anecdotische
+détails komt te ontwaren.
+
+Ziedaar het effekt der "ongebreidelde uitwerking" in de schilderkunst.
+De schilder, deze schilder, kon binnen een ruimte van nog geen halven
+vierkanten meter zijn ongebondensten lust tot détailleering den vrijen
+loop laten, (of moet het zijn: aan de lastigste opdrachten van een
+ondeskundigen vrome voldoen?), zonder ons meer te vermoeien dan een blik
+op het levend gewemel der werkelijkheid het zelve doet. Want het bleef
+één blik; de dwang der dimensiën legde beperking op, en het doordringen
+in de schoonheid en de bijzonderheid van dat alles, wat afgebeeld staat,
+geschiedt zonder denkinspanning; veel geacheveerdheden worden niet eens
+opgemerkt, of verdwijnen terstond weer uit het bewustzijn, en werken
+enkel coloristisch of perspectivisch.
+
+Wanneer men die algemeene eigenschap "oneindige uitwerking der
+bijzonderheden" ook aan de litteratuur der vijftiende eeuw toekent, dan
+is het in anderen zin. Niet in den zin van een ragfijn détailleerend
+naturalisme, dat zich vermeit in de uitvoerige beschrijving van het
+uiterlijk der dingen. Zoo kent deze letterkunde haar nog niet. De
+natuur- en persoonsbeschrijving werkt nog met de eenvoudige middelen der
+middeleeuwsche poëzie: de afzonderlijke objecten, die tot de stemming
+van den dichter meewerken, worden vermeld, niet beschreven; het
+substantief overheerscht het adjectief; enkel de hoofdqualiteiten
+dier objecten, b.v. de kleuren, het geluid, worden geconstateerd.
+De ongebreidelde uitwerking der bijzonderheden is in de litteraire
+verbeelding meer quantitatief dan qualitatief; zij bestaat meer in het
+opsommen van zeer vele objecten dan in het ontleden van de hoedanigheid
+der objecten afzonderlijk. De dichter verstaat de kunst van weglaten
+niet, hij kent het ledige vlak niet, hij mist het orgaan voor het effekt
+van het verzwegene. Dit geldt evenzeer de gedachten, die hij uitdrukt,
+als de beelden, die hij oproept. Ook de gedachten, doorgaans zeer
+eenvoudig, die het onderwerp wekt, worden in de uiterste volledigheid
+opgesomd. Het geheele raam van het dichtwerk is evenzeer overvuld met
+détails als het schilderstuk. Hoe komt het nu, dat daar die overvuldheid
+zoo veel minder harmonisch werkt?
+
+Dit is tot zekere hoogte zoo op te vatten, dat de verhouding van
+hoofdzaak en bijzaken ten opzichte van de poëzie juist andersom is als
+ten opzichte der schilderkunst. In het schilderij is het verschil
+tusschen hoofdzaak (dat is: de adequate uitdrukking van het onderwerp)
+en bijwerk gering. Alles is er essentieel. Een enkel détail kan voor ons
+de volkomenste harmonie van het werk bepalen.
+
+Is het in de schilderkunst der vijftiende eeuw wel in de eerste plaats
+de diepe vroomheid, dus de adequate uitdrukking van het onderwerp, welke
+wij bewonderen? Neem het Gentsche altaar. Hoe weinig aandacht trekken
+de groote figuren van God Vader, Maria en Johannes den Dooper. In het
+hoofdtafereel gaat onze blik steeds weer van het Lam, de centrale
+voorstelling, de hoofdzaak van het kunstwerk, terzijde naar de stoeten
+der aanbidders, naar den achtergrond, naar de natuurschildering. En nog
+meer daarbuiten wordt de blik getrokken naar Adam en Eva, naar de
+portretten der stichters. Al ligt dan althans in het tafereel der
+Annunciatie de innige, ernstige bekoring in de figuren van den engel en
+de maagd, dus in het expressief-vrome, zelfs daar verblijdt ons haast
+nog meer het koperen keteltje en de doorkijk in de zonnige straat. Het
+zijn de détails, die voor den maker louter bijwerk waren, welke hier
+doen bloeien in zijn stillen schijn het mysterie van het alledaagsche,
+de onmiddellijke aandoening over het wonder van alle dingen, en dat
+verbeeld. Er is, tenzij wij voor het Lam komen met een primair
+godsdienstige waardeering, geen verschil tusschen onze kunstemotie over
+de heilige voorstelling van de aanbidding der eucharistie, en over het
+vischstalletje van Emanuel de Witte in het Museum Boymans.
+
+Nu is juist in het détail de schilder volkomen vrij. Wat de hoofdzaak
+betreft, de voorstelling van het heilige onderwerp, is hem een strenge
+conventie opgelegd; elk kerkelijk tafereel heeft zijn iconografischen
+code, waarvan geen afwijking wordt gedoogd. Maar hij behoudt een
+onbegrensd veld voor de vrije ontplooiing van zijn scheppingslust.
+In de gewaden, de accessoires, den achtergrond kan hij ongehinderd en
+ongedwongen doen, wat des schilders is: schilderen namelijk, door geen
+conventie belemmerd, geven wat hij ziet en zooals hij 't ziet. De
+hechte, strakke bouw van het heilige tafereel draagt den rijkdom der
+détails als een lichten schat, als een vrouw bloemen op haar kleed.
+
+In de poëzie der vijftiende eeuw nu is de verhouding in zekeren zin
+andersom. In de hoofdzaak is de dichter vrij; hij mag een nieuwe
+gedachte vinden, als hij kan, terwijl juist het détail, de achtergrond,
+in hooge mate door conventie beheerscht worden. Er bestaat voor ongeveer
+alle bijzonderheden een norm van uitdrukking, een schablone, die men
+ongaarne prijsgeeft. Bloemen, natuurgenot, smarten en vreugden, ze
+hebben hun geijkte uitdrukkingsvormen, waaraan de dichter wat poetsen en
+kleuren kan, zonder ze te vernieuwen.
+
+Hij poetst en kleurt in het oneindige, want hij mist de heilzame
+beperking, die den schilder is opgelegd door het te vullen vlak; des
+dichters vlak is altijd onbeperkt. Hij is vrij van de beperking der
+materieele middelen, en juist wegens die vrijheid moet hij naar
+verhouding een grooter geest zijn dan de schilder, om iets goeds te
+maken. Ook de middelmatige schilders blijven een vreugde voor het
+nageslacht, maar de middelmatige dichter zinkt in vergetelheid.
+
+Om het effekt der "ongebreidelde uitwerking" aan een dichtwerk der
+vijftiende eeuw te demonstreeren, zou men er eigenlijk een in zijn
+geheel (en ze zijn lang!) op den voet moeten volgen. Daar dit niet
+mogelijk is, mogen enkele staaltjes volstaan.
+
+Alain Chartier gold in zijn tijd als een der grootste dichters; hij is
+vergeleken met Petrarca; nog Clément Marot telt hem onder de eersten.
+Van de vereering, die hij genoot, getuigt het verhaaltje, dat hierboven
+reeds werd meegedeeld. [904] Men mag hem dus, uitgaande van zijn tijd
+zelf, naast een der grootste schilders plaatsen. Het begin van zijn
+gedicht _Le livre des quatre dames_, een samenspraak van vier
+edelvrouwen, wier minnaars bij Azincourt gestreden hebben, geeft, zooals
+de regel is, het landschap, den achtergrond van het beeld. [905] Dit
+landschap zij vergeleken met het welbekende landschap van het Gentsche
+altaarstuk: de wonderlijke bloemenweide met haar minutieus uitgevoerde
+vegetatie, met de kerktorens achter de lommerige heuvelkruinen, een
+voorbeeld van de ongebreideldste uitwerking.
+
+De dichter gaat den lentemorgen in, om zijn langdurige zwaarmoedigheid
+te verdrijven.
+
+ "Pour oublier melencolie,
+ Et pour faire chiere plus lie,
+ Ung doulx matin aux champs issy,
+ Au premier jour qu' amours ralie
+ Les cueurs en la saison jolie...."
+
+Dit is alles louter conventioneel, en geen schoonheid van rythme of
+klank verheft het boven het glad-middelmatige. Nu komt de schildering
+van den lentemorgen.
+
+ "Tout autour oiseaulx voletoient,
+ Et si très-doulcement chantoient,
+ Qu'il n'est cueur qui n'en fust joyeulx.
+ Et en chantant en l'air montoient,
+ Et puis l'un l'autre surmontoient
+ A l'estriveé a qui mieulx mieulx.
+ Le temps n'estoit mie nueux,
+ De bleu estoient vestuz les cieux,
+ Et le beau soleil cler luisoit."
+
+De eenvoudige vermelding van de heerlijkheden van tijd en plaats zou
+hier zeer goed werken, wanneer de dichter zich had weten te beperken. Er
+is wel een bekoring in het heel simpele van dit natuurgedicht, maar het
+mist elken sterken _vorm_. In een sukkeldraf gaat de opsomming voort; na
+een nadere beschrijving van het vogelgezang volgt:
+
+ "Les arbres regarday flourir,
+ Et liêvres et connins courir.
+ Du printemps tout s'esjouyssoit.
+ Là sembloit amour seignourir.
+ Nul n'y peult vieillir ne mourir,
+ Ce me semble, tant qu'il y soit.
+ Des erbes ung flair doulx issoit,
+ Que l'air sery adoulcissoit,
+ Et en bruiant par la valee
+ Ung petit ruisselet passoit,
+ Qui les pays amoitissoit,
+ Dont l'eaue n'estoit pas salee.
+ Là buvoient les oysillons,
+ Apres ce que des grisillons,
+ Des mouschettes et papillons
+ Ilz avoient pris leur pasture.
+ Lasniers, aoutours, esmerillons
+ Vy, et mouches aux aguillons,
+ Qui de beau miel paveillons
+ Firent aux arbres par mesure.
+ De l'autre part fut la closture
+ D'ung pré gracieux, où nature
+ Sema les fleurs sur la verdure,
+ Blanches, jaunes, rouges et perses.
+ D'arbres flouriz fut la ceinture,
+ Aussi blancs que se neige pure
+ Les couvroit, ce sembloit paincture,
+ Tant y eut de couleurs diverses."
+
+Een beekje murmelt over kiezelsteenen; visschen zwemmen erin, een
+boschje spreidt zijn takken als groene gordijnen over den oever. En
+opnieuw volgt een opsomming van vogels: daar nestelen eenden, duiven,
+reigers, fazanten.
+
+Wat is het effekt van de uitgebreide uitwerking van het natuurtafereel
+in het gedicht, vergeleken met het schilderstuk, de uitdrukking derhalve
+van eenzelfde inspiratie met verschillende middelen?--Dat de schilder
+door den aard van zijn kunst gedwongen is tot eenvoudige natuurgetrouwheid,
+terwijl de dichter zich verliest in vormlooze oppervlakkigheid en het
+opsommen van conventioneele motieven.
+
+De poëzie staat in dit opzicht niet zoo na aan de schilderkunst als het
+proza. Dit laatste is minder gebonden aan bepaalde motieven. Het beoogt
+soms nadrukkelijker de nauwkeurige weergave van een geziene werkelijkheid.
+Het voert die uit met vrijer middelen. Daardoor vertoont het proza
+misschien beter dan de poëzie de diepere verwantschap van litteratuur en
+kunst.
+
+De grondtrek van den laat-middeleeuwschen geest is zijn overmatig
+visueel karakter. Deze staat in nauw verband met de atrophieering der
+gedachte. Er wordt in gezichtsvoorstellingen gedacht. Alles wat men
+uitdrukken wil, wordt neergelegd in een zichtbaar beeld. De volstrekte
+gedachtenleegheid van de allegorische vertooningen of gedichten kon
+worden geduld, omdat de bevrediging geheel in het geziene lag. De
+neiging om het uiterlijk zichtbare onmiddellijk weer te geven vond een
+sterker en volkomener uiting door picturale middelen dan door
+litteraire. En eveneens een sterker uiting door de middelen van het
+proza dan door die der poëzie. Vandaar dat het proza der vijftiende eeuw
+in vele opzichten middenevenredig staat tusschen de schilderkunst en de
+poëzie. Alle drie hebben zij gemeen de onbeteugelde uitwerking der
+bijzonderheden, maar deze leidt in de schilderkunst en het proza tot een
+direct realisme, dat de poëzie niet kent, zonder dat zij er veel beters
+voor in de plaats heeft.
+
+Het is met name één schrijver, in wiens werken dezelfde kristalheldere
+visie op het uiterlijk der dingen ons treft, die Van Eyck heeft bezeten,
+namelijk Georges Chastellain. Hij was een Vlaming uit het land van
+Aalst. Al noemt hij zich "léal François", "François de naissance", het
+schijnt wel, dat het Dietsch toch zijn moedertaal is geweest. La Marche
+noemt hem "natif Flameng, toutesfois mettant par escript en langaige
+franchois". Hij zelf stelt met nederig welgevallen zijn Vlaamsche
+eigenschappen van grove landelijkheid in het licht; hij spreekt van
+"sa brute langue", noemt zich "homme flandrin, homme de palus bestiaux,
+ygnorant, bloisant de langue, gras de bouche et de palat et tout
+enfangié d'autres povretés corporelles à la nature de la terre." [906]
+Aan dien volksaard dankt hij den al te zwaren cothurnengang van zijn
+opgesierd proza, die plechtstatige "grandiloquence", welke hem voor
+Fransche lezers altijd min of meer ongenietbaar maakt. Zijn prachtstijl
+heeft een zekere elefantische plompheid; hij heet met recht bij een
+tijdgenoot "cette grosse cloche si haut sonnant." [907]--Doch aan zijn
+Vlaamschen aard dankt hij wellicht ook het scherp geziene en de sappige
+kleurigheid, waarmee hij herhaaldelijk aan hedendaagsche Belgische
+schrijvers doet denken.
+
+Tusschen Chastellain en Jan van Eyck is onmiskenbare verwantschap, bij
+verschil in hoogheid. Van Eyck op zijn slechtst is ongeveer Chastellain
+op zijn best, en het is al wel, om in het mindere Van Eyck te evenaren.
+Ik denk bij voorbeeld aan de zingende engelen op het Gentsche altaarstuk.
+Die zware gewaden, vol donker rood en goud en fonkelende steenen, die al
+te uitdrukkelijke grimas, die ietwat beuzelachtige versiering van den
+muzieklessenaar, dat vertegenwoordigt in de schilderkunst de pronkende
+grootsprakigheid van den litterairen Bourgondischen hofstijl. Doch terwijl
+in de schilderkunst dit rhetorische element een ondergeschikte plaats
+inneemt, is het hoofdzaak in het proza van Chastellain. Zijn scherpe
+observatie en levend realisme verdrinkt veelal in den vloed van al te
+fraai aangekleede frazen en ronkende woordenpraal.
+
+Zoodra evenwel Chastellain een gebeurtenis beschrijft, die zijn
+Vlaamschen geest bijzonder boeit, komt er bij alle statigheid een
+directe, beeldende forschheid in zijn verhaal, die het uiterst treffend
+maakt. Van gedachte is hij niet rijker dan zijn tijdgenooten; het is de
+lang rondgegane pasmunt van godsdienstige, zedelijke en ridderlijke
+overtuigingen, die bij hem als gedachte fungeert. De voorstelling
+verloopt geheel aan de oppervlakte. Doch de verbeelding is scherp en
+levend.
+
+Zijn portret van Philips den Goede heeft bijna de onmiddellijkheid van
+een Van Eyck. [908] Met de behagelijkheid van een chroniqueur, die in
+zijn hart novellist is, heeft hij een bijzonder uitvoerig verhaal
+gegeven van een twist tusschen den hertog en zijn zoon Karel uit het
+begin van het jaar 1457. Nergens komt zijn sterk visueel opnemen van de
+dingen zoo goed uit; al de uiterlijke omstandigheden van deze gebeurtenis
+zijn met volmaakte scherpte weergegeven. Het zal noodig zijn, eenigszins
+omvangrijke passages te citeeren.
+
+Er was een kwestie over een post in de hofhouding van den jongen graaf
+van Charolais. De oude hertog wilde, tegen een vroeger gegeven belofte,
+de plaats gunnen aan een der Croy's, bij hem in blakende gunst; Karel,
+die deze gunst ongaarne zag, verzette zich er tegen.
+
+"Le duc donques par un lundy qui estoit le jour Saint-Anthoine, [909]
+après sa messe, aiant bien désir que sa maison demorast paisible et sans
+discention entre ses serviteurs, et que son fils aussi fist par son
+conseil et plaisir, après que jà avoit dit une grant part de ses heures
+et que la cappelle estoit vuide de gens, il appela son fils à venir vers
+luy et lui dist doucement: "Charles, de l'estrif qui est entre les sires
+de Sempy et de Hémeries pour le lieu de chambrelen, je vueil que vous y
+mettez cès et que le sire de Sempy obtiengne le lieu vacant." Adont dist
+le conte: "Monseigneur, vous m'avez baillié une fois vostre ordonnance
+en laquelle le sire de Sempy n'est point, et monseigneur, s'il vous
+plaist, je vous prie que ceste-là je la puisse garder."--"Déa, ce dit
+le duc lors, ne vous chailliez des ordonnances, c'est à moy à croistre
+et à diminuer, je vueil que le sire de Sempy y soit mis."--"Hahan! ce
+dist le conte (car ainsi jurait tousjours), monseigneur, je vous prie,
+pardonnez-moy, car je ne le pourroye faire, je me tiens à ce que vous
+m'avez ordonné. Ce a fait le seigneur de Croy qui m'a brassé cecy, je le
+vois bien."--"Comment, ce dist le duc, me désobéyrez-vous? ne ferez-vous
+pas ce que je vueil?"--"Monseigneur, je vous obéyray volentiers, mais je
+ne feray point cela." Et le duc, à ces mots, enfelly de ire, respondit:
+"Hà! garsson, désobéyras-tu à ma volenté? va hors de mes yeux," et le
+sang, avecques les paroles, lui tira à coeur, et devint pâle et puis à
+coup enflambé et si espoentable en son vis, comme je l'oys recorder au
+clerc de la chapelle qui seul estoit emprès luy, que hideur estoit à le
+regarder"....
+
+Is dit niet krachtig? het stille begin, het in korte woordenwisseling
+opvlammen van den toorn, de hortende spraak van den zoon, waarin men als
+'t ware den heelen Karel den Stoute al herkent?
+
+De blik, dien de hertog op zijn zoon werpt, verschrikt de hertogin (wier
+aanwezigheid tot dusver nog niet was vermeld) zoozeer, dat zij haastig,
+haar zoon voor zich uit duwende, uit het bidvertrek, [910] door de kapel,
+zwijgend, haar gemaal's toorn wil ontvlieden. Maar zij moesten verscheiden
+hoeken om tot de deur, en de klerk had den sleutel. "Caron, ouvre-nous",
+zegt de hertogin, maar de klerk valt haar te voet, en smeekt, dat haar
+zoon vergiffenis moge vragen, eer zij de kapel verlaten. Zij wendt zich
+met een smeekende vermaning tot Karel, doch deze antwoordt hooghartig en
+luid: "Déa, madame, monseigneur m'a deffendu ses yeux et est indigné sur
+moy, par quoy, après avoir eu celle deffense, je ne m'y retourneray point
+si tost, ains m'en yray à la garde de Dieu, je ne sçay où." Toen klinkt
+opeens de stem van den hertog, die, mat van woede, in zijn bidstoel is
+blijven zitten ... en de hertogin, in doodelijken angst, tot den klerk:
+"Mon amy, tost, tost ouvrez-nous, il nous convient partir ou nous sommes
+morts."
+
+--Nu werkt bij Philips het felle bloed der Valois bedwelmend: in zijn
+vertrekken teruggekeerd, vervalt de oude hertog in een soort van
+jongensachtige verdwazing. Tegen den avond rijdt hij, alleen en
+onvoldoende beschut, heimelijk uit Brussel. "Les jours pour celle heurre
+d'alors estoient courts, et estoit jà basse vesprée quant ce prince
+droit-cy monta à cheval, et ne demandoit riens autre fors estre emmy les
+champs seul et à par luy. Sy porta ainsy l'aventure que ce propre
+jour-là, après un long et âpre gel, il faisoit un releng, [911] et par
+une longue épaisse bruyne, qui avoit couru tout ce jour la, vesprée
+tourna en pluie bien menue, mais très-mouillant et laquelle destrempoit
+les terres et rompoit glasces avecques vent qui s'y entrebouta." Is dit
+geen Camille Lemonnier?
+
+Dan volgt de beschrijving van den nachtelijken dwaaltocht door velden en
+bosschen, waarin het levendste naturalisme en een zonderling gewichtig
+doende, moraliseerende rhetoriek merkwaardig zijn dooreengemengd.
+Vermoeid en hongerig zwerft de hertog rond; op zijn roepen klinkt geen
+antwoord. Een rivier, die hem een weg toeschijnt, lokt hem; het paard
+schrikt nog te rechter tijd terug. Hij valt met het paard en verwondt
+zich. Vergeefs luistert hij naar een hanengekraai of het blaffen van een
+hond, dat hem naar menschenwoningen zou kunnen leiden. Eindelijk ziet
+hij een lichtschijnsel, dat hij tracht te naderen; hij verliest het
+weer, vindt het terug, en bereikt het tenslotte. "Mais plus l'approchoit,
+plus sambloit hideuse chose et espoentable, car feu partoit d'une mote
+[912] d'en plus de mille lieux, avecques grosse fumière, dont nul ne
+pensast à celle heure fors que ce fust ou purgatoire d'aucune âme ou
+autre illusion de l'ennemy...." Hij houdt plotseling stil. Maar opeens
+herinnerde hij zich, hoe de kolenbranders diep in het woud hun kolen
+plegen te branden. Het was zulk een brandheuvel, maar geen huis of hut
+was in de nabijheid. Eerst na hernieuwd dwalen brengt het blaffen van
+een hond hem bij de hut van een armen man, waar hij rust en spijziging
+vindt.
+
+Dergelijke treffende gedeelten uit het werk van Chastellain zijn de
+beschrijving van den burgerlijken tweekamp te Valenciennes, de
+nachtelijke twist van het Friesche gezantschap in Den Haag met de
+Bourgondische edelen, die zij in hun nachtrust storen, door op de
+bovenkamer op klompen krijgertje te spelen, het tumult te Gent in 1467,
+toen Karel's eerste bezoek als hertog samenvalt met de kermis te
+Houthem, vanwaar het volk met den schrijn van Sint Lieven terugkeert.
+[913]
+
+Telkens bemerkt men aan ongewilde kleinigheden, hoe sterk de schrijver
+al de uiterlijke dingen _ziet_. De hertog, die tegenover het volksoproer
+staat, heeft voor zijn gezicht "multitude de faces en bacinets [914]
+enrouillés et donc les dedans estoient grignans barbes de vilain,
+mordans lèvres." Het roepen gaat van omlaag naar omhoog. De kerel, die
+zich naast den hertog aan het venster dringt, draagt een handschoen van
+zwart gevernist ijzer, waarmee hij op de vensterbank slaat, om stilte te
+gebieden. [915]
+
+Dit nauwkeurig en direct waargenomene te beschrijven in een kernachtig
+eenvoudig woord is in het litteraire, wat de geweldige visueele scherpte
+van Van Eyck tot volmaaktheid van uitdrukking in de schilderkunst
+vermocht. In de letterkunde wordt dat naturalisme veelal gestoord en in
+de uitdrukking belemmerd door conventioneele vormen, en het blijft
+uitzondering te midden van bergen dorre rhetoriek, terwijl het in de
+schilderkunst schittert als bloesems aan een appelboom.
+
+De schilderkunst is hier in middelen van uitdrukking de litteratuur
+verre voor. Zij heeft reeds een verwonderlijke virtuositeit in het
+weergeven van lichteffekten. Het zijn vooral de miniaturisten, die er
+naar streven, den schijn van een oogenblik vast te leggen. In het
+schilderij ziet men die gave eerst ten volle ontplooid in de Geboorte
+van Geertgen tot Sint Jans. De verluchters hebben reeds lang te voren
+het spel van toortslicht op harnassen beproefd in Christus'
+gevangenneming. Een stralende zonsopgang is reeds gelukt aan den
+meester, die koning Réné's _Coeur d'amour épris_ illustreerde. Die van
+de _Heures d'Ailly_ heeft al het doorbreken van de zon na een storm
+aangedurfd. [916]
+
+De letterkunde beschikt voor het opzettelijke weergeven van
+lichteffekten nog slechts over primitieve middelen. Een groote
+gevoeligheid voor lichtglans en schittering is er wel; gelijk hierboven
+betoogd werd, wordt zelfs de schoonheid in de eerste plaats als glans en
+schittering bewust. Alle schrijvers en dichters der vijftiende eeuw
+merken gaarne den glans van het zonlicht op, den schijn van kaarsen en
+toortsen, de spiegeling van glimplichten op helmen en wapens. Doch het
+blijft een eenvoudig vermelden, er is nog geen litterair procédé tot
+beschrijving er van.
+
+Het litteraire equivalent van het lichteffekt in de schilderkunst is
+veeleer op een ander gebied te zoeken. Hier wordt de indruk van het
+oogenblik bovenal vastgehouden door een levendig gebruik van de directe
+rede. Er is nauwelijks een letterkunde, die er zoo op uit is, de
+samenspraak altijd onmiddellijk weer te geven. Het ontaardt in een
+vermoeiend misbruik: zelfs de uiteenzetting van een politieken toestand
+wordt door Froissart en de zijnen in vraag en antwoord ingekleed.
+De eeuwige beurtspraken van plechtigen val en hollen klank verhoogen
+somtijds de eentonigheid, inplaats van haar te breken. Dikwijls echter
+ook komt de illusie van het onmiddellijke en oogenblikkelijke er wel
+treffend uit te voorschijn. Froissart vooral is in die levendige
+wisselrede een meester.
+
+"Lors il entendi les nouvelles que leur ville estoit prise. (Het gesprek
+gaat roepende.) 'Et de quel gens?', demande-il. Respondirent ceulx qui a
+luy parloient: 'Ce sont Bretons!'--'Ha, dist-il, Bretons sont mal gent,
+ils pilleront et ardront la ville et puis partiront.' (Vervolgens weer
+roepende): 'Et quel cry crient-ils?' dist le chevalier.--'Certes, sire,
+ils crient La Trimouille!"
+
+Om een zekeren haastigen gang in zulk een gesprek te brengen, gebruikt
+Froissart den vasten truc, den aangesprokene het laatste woord van den
+spreker verwonderd te laten herhalen.--"Monseigneur, Gaston est
+mort.'--'Mort?' dist le conte.--'Cestes, mort est-il pour vray,
+monseigneur." Elders: "Si luy demanda, en cause d'amours et de lignaige,
+conseil.--'Conseil', respondi l'archevesque, 'certes, beaux nieps, c'est
+trop tard. Vous voulés clore l'estable quant le cheval est perdu." [917]
+
+Ook de poëzie past dit stijlmiddel ruimschoots toe. In een korten
+versregel wisselen soms vraag en antwoord tot tweemaal toe:
+
+ "Mort, je me plaing.--De qui?--De toy.
+ --Que t'ay je fait?--Ma dame as pris.
+ --C'est vérité.--Dy moy pour quoy.
+ --Il me plaisoit.--Tu as mespris." [918]
+
+Hier is het telkens afgebroken beurtgesprek van middel reeds doel
+geworden: een virtuositeit. De dichter Jean Meschinot heeft die
+kunstvaardigheid tot het uiterste weten op te voeren. In een ballade,
+waarin het arme Frankrijk haar koning (Lodewijk XI) zijn schuld
+voorhoudt, wisselt de rede in elk der dertig regels van drie tot vier
+keer. En het moet gezegd worden, dat de werking van het gedicht als
+politieke satire onder dien vreemden vorm niet lijdt. Ziehier de eerste
+strofe:
+
+ "Sire ...--Que veux?--Entendez....--Quoy?--Mon cas.
+ --Or dy.--Je suys....--Qui?--La destruicte France!
+ --Par qui?--Par vous.--Comment?--En tous estats.
+ --Tu mens.--Non fais.--Qui le dit?--Ma souffrance.
+ --Que souffres tu?--Meschief.--Quel?--A oultrance.
+ --Je n'en croy rien.--Bien y pert [919]--N'en dy plus!
+ --Las! si feray.--Tu perds temps.--Quelz abus!
+ --Qu'ay-je mal fait?--Contre paix.--Et comment?
+ --Guerroyant....--Qui?--Vos amys et congnus.
+ --Parle plus beau.--Je ne puis, bonnement." [920]
+
+Een andere uiting van dit oppervlakkige naturalisme in de litteratuur
+van dezen tijd is het volgende. Hoewel Froissart's zin gericht is op het
+beschrijven van ridderlijke heldendaden, geeft hij toch, zijns ondanks
+zou men zeggen, in hooge mate de prozaïsche realiteit van den oorlog.
+Evengoed als Commines, die maling had aan de ridderij, beschrijft
+Froissart juist bijzonder goed de vermoeienis, de vergeefsche
+vervolgingen, de bewegingen zonder samenhang, het onrustige van een
+nachtverblijf. Hij weet meesterlijk talmen en wachten te beschrijven.
+[921]
+
+In het sobere en exacte verhaal van de uiterlijke omstandigheden van een
+gebeurtenis bereikt hij soms zelfs een bijna tragische kracht, zooals in
+dat van den dood van den jongen Gaston Phébus, door zijn vader in drift
+doorstoken. [922]--Hij werkt zoo fotografisch, dat men onder zijn
+woorden de qualiteit van de vertellers, die hem zijn eindelooze faits
+divers meedeelden, kan herkennen. Alles bij voorbeeld, wat hij dankt aan
+zijn reisgenoot den ridder Espaing du Lyon, is voortreffelijk verteld.
+Overal waar de litteratuur eenvoudig observeerend werkt, zonder
+belemmering door conventie, is zij met de schilderkunst vergelijkbaar,
+al evenaart zij haar niet.
+
+Juist omdat het aankomt op de onbevangen observatie van een geval, dat
+verhaald zal worden, moet men de litteraire schilderingen, die de
+schilderkunst het meest nabij komen, niet zoeken in de beschrijving der
+natuur. Want deze berust in de vijftiende eeuw nog niet op directe
+onbevangen observatie. Men vertelt een geval, omdat het belang inboezemt,
+en geeft dan de uiterlijke omstandigheden weer, zooals een gevoelige
+plaat ze opneemt. Van een bewust litterair procédé is daar nog geen
+sprake. Maar de natuurschildering, die in de schilderkunst als accessoire
+fungeert, dus onbevangen geschiedt, is in de letterkunde een bewust
+kunstmiddel. In de schilderkunst was de natuurafbeelding louter bijwerk,
+en kon daardoor zuiver en sober blijven. Juist omdat de vergezichten
+er voor het onderwerp niet op aan kwamen, niet deel hadden in den
+hieratischen stijl, konden de schilders der vijftiende eeuw in hun
+landschap een mate van harmonische natuurlijkheid geven, die de strenge
+ordonnantie van hun onderwerp hun nog in de hoofdvoorstelling ontzegde.
+De Egyptische kunst vertoont van dit verschijnsel een zuivere parallel:
+zij geeft in het modelleeren van een slavenfiguurtje, omdat het niet ter
+zake doet, den vormencode prijs, die anders de menschelijke gestalte
+verwringt, zoodat dan de mensenfiguren dezelfde onvergelijkelijke sobere
+natuurgetrouwheid bezitten als de dierfiguren.
+
+Hoe minder verband het landschap houdt met de centrale voorstelling, des
+te harmonischer en natuurlijker wordt het in zich zelf afgesloten.
+Achter de drukke, bizarre, pompeuze aanbidding der koningen in de _Très
+riches heures de Chantilly_ [923] verrijst het gezicht op Bourges in
+verdroomde teerheid, volmaakt van atmosfeer en rythme.
+
+In de litteratuur zit de natuurbeschrijving nog geheel gehuld in het
+kleed der pastorale. Hierboven is reeds gesproken van den hoofschen
+strijd voor en tegen het eenvoudig buitenleven. Het was evenals in de
+dagen, dat Rousseau opgang maakte, goede toon, dat men zich de ijdelheid
+van het hofleven moe bekende, en een wijze hofvlucht affecteerde, om
+zich te vergenoegen met het bruine brood en de zorgelooze liefde van
+Robin en Marion. Het was een sentimenteele reactie op de volbloedige
+praal en het trotsche egoïsme der werkelijkheid, niet ten eenenmale
+onecht, maar toch in hoofdzaak een litteraire houding.
+
+In die houding hoort de liefde tot de natuur. De poëtische uitdrukking
+ervan is een conventie. De natuur was een gezocht element in het groote
+gezelschapsspel der hoofsch-erotische cultuur. De uitdrukking der
+schoonheid van bloemen en vogelgezang werd opzettelijk gecultiveerd in
+de geijkte vormen, die ieder speler verstond. Zoodoende staat de
+natuurbeschrijving in de letterkunde op een geheel ander niveau dan in
+de schilderkunst.
+
+Buiten het herdersdicht en het obligate motief van den lentemorgen als
+aanhef bestaat er nog nauwelijks behoefte aan natuurbeschrijving. Een
+enkele maal mogen er in het verhaal eens een paar woorden van
+natuurschildering invloeien, zooals toen Chastellain den invallenden
+dooi beschreef (en juist de onopzettelijke natuurschildering is dan
+doorgaans verreweg het meest suggestief), het blijft de pastorale
+poëzie, waarin men het opkomen van het litteraire natuurgevoel moet
+nagaan. Naast de bladzijden van Alain Chartier, die hierboven werden
+aangehaald, om het effekt van de uitwerking der détails in het algemeen
+te laten zien, kan men bij voorbeeld leggen het gedicht _Regnault et
+Jehanneton_, waarin de koninklijke herder René zijn liefde voor Jeanne
+de Laval verkleedt. Ook hier geen saamgehouden visie op een stuk natuur,
+geen eenheid zooals de schilder door kleur en licht aan zijn landschap
+kon geven, maar een gemoedelijke aaneenrijging van bijzonderheden. De
+zingende vogels een voor een, de insecten, de kikvorschen, dan de
+ploegende boeren:
+
+ "Et d'autre part, les paisans au labour
+ Si chantent hault, voire sans nul séjour,
+ Resjoyssant
+ Leurs beufs, lesquelx vont tout-bel charruant
+ La terre grasse, qui le bon froment rent;
+ Et en ce point ilz les vont rescriant,
+ Selon leur nom:
+ A l'un Fauveau et l'autre Grison,
+ Brunet, Blanchet, Blondeau ou Compaignon;
+ Puis les touchent tel foiz de l'aiguillon
+ Pour avancer." [924]
+
+Er is wel frischheid in en een blij geluid, maar denk nu eens aan de
+kalendervoorstellingen der getijboeken. Koning René geeft om zoo te
+zeggen al de ingrediënten voor een goede natuurbeschrijving, een palet
+met kleuren, maar meer niet. Verderop, waar het vallen van den avond
+beschreven wordt, is de poging om een stemming uit te drukken
+onmiskenbaar. De andere vogels zwijgen, maar de kwartel roept nog,
+patrijzen snorren naar hun leger, herten en konijnen komen te
+voorschijn. Nog even schijnt de zon op een torenspits, dan wordt de
+lucht koel, uilen en vleermuizen beginnen rond te vliegen, en het klokje
+der kapel luidt het Ave.
+
+De kalenderbladen van de _Très-riches heures_ geven ons gelegenheid,
+eenzelfde motief in kunst en litteratuur te vergelijken. Men kent de
+glorieuze kasteelen, die in het werk der gebroeders Van Limburg den
+achtergrond van het maandwerk vullen. Zij hebben hun litterair pendant
+in het dichtwerk van Eustache Deschamps. In een zevental korte gedichten
+zingt deze den lof van verscheiden Noord-fransche kasteelen: Beauté, dat
+later Agnes Sorel zou herbergen, Bièvre, Cachan, Clermont, Nieppe, Noroy
+en Coucy. [925] Deschamps had een dichter van heel wat machtiger
+vleugelslag moeten zijn, om hier te bereiken, wat de gebroeders Van
+Limburg in deze teerste en fijnste uitingen der miniatuurkunst wisten
+uit te drukken. Op het Septemberblad rijst achter den wijnoogst het
+kasteel van Saumur als uit een droom omhoog: de torenspitsen met hun
+hooge windvanen, de pinnakels, de lelieornamenten op de tinnen, de
+twintig slanke schoorsteenen, het bloeit op als een wild perk van hooge
+witte bloemen in de donkerblauwe lucht. Daarnaast de majestueuze breede
+ernst van het vorstelijk Lusignan op het Maartblad, de sombere torens
+van Vincennes dreigend uitstekende boven de dorre blaren van het bosch
+van December. [926]
+
+Had de dichter, deze althans, een gelijkwaardig middel, om zulke
+gezichten te evoceeren? Natuurlijk niet. De beschrijving der
+bouwkunstige vormen van het kasteel, zooals in het gedicht op Bièvre,
+kon geen effekt opleveren. Een optelling van de geneuchten, die het
+kasteel biedt, dat is eigenlijk alles, wat hij weet te geven. Uit den
+aard der zaak ziet de schilder naar het kasteel toe, en de dichter van
+het kasteel uit.
+
+ "Son filz ainsné, daulphin de Viennois,
+ Donna le nom à ce lieu de Beauté.
+ Et c'est bien drois, car moult est delectables:
+ L'en y oit bien le rossignol chanter;
+ Marne l'ensaint, les haulz bois profitables
+ Du noble parc puet l'en veoir branler....
+ Les prez sont pres, les jardins deduisables,
+ Les beaus preaulx, fontenis bel et cler,
+ Vignes aussi et les terres arables,
+ Moulins tournans, beaus plains à regarder."
+
+Welk een verschil in werking is hier! Toch hebben de afbeelding en het
+gedicht hier zoowel procédé als stof gemeen: zij sommen het zichtbare
+(en voor het gedicht ook het hoorbare) op. Maar des schilders blik is
+vast gericht: hij moet, opsommende, toch eenheid, beperking en samenhang
+geven. Paul van Limburg kan in zijn Februari-tafereel al de dingen van
+den winter opeenhoopen: de boeren zich warmend voor het vuur, het
+waschgoed dat te drogen hangt, de bonte kraaien op de sneeuw, de
+schaapskooi, de bijenkorven, de tonnen en de kar, en het heele
+wintersche verschiet met het stille dorpje en de eenzame hofstede op den
+heuvel. De rustige eenheid van het beeld blijft volmaakt. Des dichters
+blik evenwel dwaalt rond, vindt geen rustpunt; hij geeft de eenheid
+niet.
+
+De vorm is den inhoud voor. In de litteratuur zijn vorm en inhoud beide
+oud, in de schilderkunst is de inhoud oud, maar de vorm nieuw. In de
+schilderkunst bergt de vorm veel meer van de uitdrukking dan in de
+litteratuur. De schilder kan al de onuitgesproken wijsheid in den vorm
+leggen: de idee, de stemming, de psychologie, alles geeft hij zonder
+zich te behoeven kwellen om er taal van te maken. Het tijdperk is
+overwegend visueel. Dit verklaart de superioriteit van de picturale
+boven de litteraire uitdrukking: een litteratuur, die overwegend visueel
+waarneemt, schiet te kort.
+
+De dichtkunst der vijftiende eeuw schijnt bijna zonder nieuwe gedachten
+te leven. Er is een algemeene onmacht tot nieuwe fictie; het is slechts
+bewerken, moderniseeren van de oude stof. Er is een pauze in de
+gedachte; de geest is klaar met het middeleeuwsch gebouw, en talmt
+vermoeid. Er is leegheid en dorheid. Men vertwijfelt aan de wereld;
+alles gaat achteruit; er is een sterke malaise van gemoed. Deschamps
+verzucht:
+
+ "Helas! on dit que je ne fais mès rien,
+ Qui jadis fis mainte chose nouvelle;
+ La raison est que je n'ay pas merrien (stof)
+ Dont je fisse chose bonne ne belle." [927]
+
+Niets schijnt ons meer te getuigen van stilstand en verval dan het
+ontrijmen van de oude ridderromans en andere gedichten tot ellenlang
+effen proza. Toch beduidt die "dérimage" der vijftiende eeuw een
+overgang tot een nieuwen geest. Het is het afscheid aan de gebonden
+rede als primair uitdrukkingsmiddel, het afscheid aan den stijl van den
+middeleeuwschen geest. Nog in de dertiende eeuw kon men alles in rijm
+brengen, tot geneeskunde en natuurlijke historie toe, evenals de
+Oud-Indische letterkunde alle wetenschap in versvorm bracht. De gebonden
+vorm beduidt, dat de voordracht het beoogde middel van mededeeling is.
+Niet de persoonlijke, gevoelvolle, expressieve voordracht, maar het
+opdreunen. De nieuwe behoefte aan proza beduidt de zucht naar expressie,
+de opkomst van het moderne lezen tegenover de oude voordracht. Daartoe
+dient ook de verdeeling van de stof in kleine kapittels met resumeerende
+opschriften, die in de vijftiende eeuw algemeen wordt. Aan het proza
+worden naar verhouding hooger eischen gesteld dan aan de poëzie; in den
+ouden rijmvorm slikt men alles nog.
+
+Doch de hoogere qualiteit in het algemeen van het proza zit in zijn
+formeele elementen; nieuwe gedachte heeft het evenmin. Froissart is het
+volledige type van den geest, die in het woord niet denkt, maar enkel
+verbeeldt. Hij heeft nauwelijks gedachten, enkel voorstellingen van
+feiten. Hij kent slechts een paar zedelijke motieven en gevoelens:
+trouw, eer, hebzucht, moed, en die alleen in hun allereenvoudigsten
+vorm. Hij gebruikt geen theologie, geen allegorie, geen mythologie,
+ternauwernood eenige moraal; hij vertelt maar door, correct, moeiteloos,
+geheel adequaat aan het geval, maar toch inhoudloos en nooit treffend,
+met de mechanische uiterlijkheid, waarmee de bioscoop de werkelijkheid
+weergeeft. Zijn bespiegelingen zijn van ongeëvenaarde banaliteit: alles
+verveelt, niets is zekerder dan de dood, soms verliest men en soms wint
+men. Bij bepaalde voorstellingen treden met werktuigelijke zekerheid
+vaste uitspraken op: bij voorbeeld zoo dikwijls hij van Duitschers
+spreekt, zegt hij, dat zij hun gevangenen slecht behandelen en bijzonder
+hebzuchtig zijn. [928]
+
+Zelfs wat men gewoonlijk van Froissart citeert als puntig gezegde,
+verliest veelal die kracht in den samenhang. Het geldt als een scherpe
+karakteristiek van den eersten hertog van Bourgondië, wanneer Froissart
+hem noemt "sage, froid et imaginatif, et qui sur ses besognes veoit au
+loin." Maar Froissart zegt het van iedereen! [929] Ook het bekende
+"Ainsi ot messire Jehan de Blois femme et guerre qui trop luy cousta,"
+[930] heeft welbeschouwd in het verband niet de pointe, die men erin
+voelt.
+
+Eén element mist Froissart: het rhetorische. Juist de rhetoriek was het
+die den tijdgenoot het gemis aan nieuwen inhoud in de literatuur
+vergoedde. Hij zwelgde in de praal van den versierden stijl; de
+gedachten schijnen hem nieuw door hun statigen dos. Zij dragen alle
+stijve brokaatgewaden. De begrippen van eer en plicht dragen het bonte
+pak van den ridderlijken waan. De natuurzin steekt in de plunje van de
+pastorale en de liefde in het knellendste van al, de allegorie van den
+_Roman de la Rose_. Geen enkele gedachte is naakt en vrij. Zij kunnen
+zich haast niet anders meer bewegen dan voortschrijdende in rustige
+maat, in eindelooze optochten.
+
+Dit rhetorisch-versierende element ontbreekt overigens volstrekt niet
+in de beeldende kunst. Er zijn tal van partijen, die men geschilderde
+rederijkerij zou kunnen noemen. Zoo bijvoorbeeld op Van Eyck's Madonna
+van den kanunnik Van de Paele de Sint Joris, die den stichter aan de
+Maagd aanbeveelt. Hoe duidelijk heeft de kunstenaar willen antikiseeren
+in dat gouden harnas en den pronkhelm; hoe slap rhetorisch is het
+gebaar, waarmee de heilige optreedt. De aartsengel Michael op het
+Dresdensche triptiekje draagt denzelfden al te fraaien tooi. Ook het
+werk van Paul van Limburg vertoont dat bewust rhetorische element, in
+de overrijke, bizarre praal waarmee de drie koningen optreden, in het
+streven naar een exotische, theatrale uitdrukking, dat onmiskenbaar is.
+
+ * * * * *
+
+De poëzie der vijftiende eeuw is op haar best, wanneer zij geen
+zwaarwichtige gedachte poogt uit te drukken, en ontslagen is van de
+taak, om het mooi te doen. Wanneer zij maar even een gezicht, een
+stemming oproept. Haar werking berust op haar formeele elementen: het
+beeld, den toon, het rythme. Vandaar dat zij weinig vermag in de werken
+van hoogen opzet en langen adem, waar de rythmische en toonqualiteiten
+ondergeschikt zijn, maar frisch kan zijn in de genres, waar de vorm
+hoofdzaak is: het rondeau, de ballade, die doorgaans op één lichte
+gedachte zijn gebouwd, en hun kracht ontleenen aan visie, toon en
+rythme. Het zijn de eenvoudig en onmiddellijk beeldende eigenschappen
+van het volkslied; daar waar het kunstlied zich het naast aansluit aan
+het volkslied, gaat er de meeste bekoring van uit.
+
+In de veertiende eeuw heeft een kentering plaats in de verhouding van
+lyrische dichtkunst en muziek. In de oudere periode was het gedicht
+onverbrekelijk aan muzikale voordracht gebonden, zelfs niet alleen het
+lyrische; immers men neemt aan, dat ook de chansons de geste gezongen
+werden, elk vers van tien of twaalf syllaben op dezelfde wijs (juist als
+de Indische çloka). Het normale type van den middeleeuwschen lyrischen
+dichter is hij, die zoowel het gedicht als de muziek er op maakt. Dat
+doet in de veertiende eeuw nog Guillaume de Machaut. Hij is het tevens,
+die de meest gebruikelijke lyrische vormen voor zijn tijd fixeert: de
+balladen, het rondeau enz.; hij vindt den vorm van het débat. Machaut's
+rondeau's en balladen kenmerken zich door groote effenheid, weinig
+kleur, nog minder gedachte; en dat mochten zij, want zij waren maar de
+helft van 's dichters werk: het liedje op muziek is er te beter om, als
+het niet te expressief en te bont is, zooals dit simpele rondel:
+
+ "Au departir de vous mon cuer vous lais
+ Et je m'en vois dolans et esplourés.
+ Pour vous servir, sans retraite jamais,
+ Au departir de vous mon cuer vous lais.
+ Et par m'ame, je n'arai bien ne pais
+ Jusqu'au retour, einsi desconfortés.
+ Au departir de vous mon cuer vous lais
+ Et je m'en vois dolans et esplourés." [931]
+
+Deschamps is niet meer zelf de toondichter van zijn balladen, en hij
+is dan ook veel bonter en drukker dan Machaut, daardoor dikwijls
+belangwekkender, maar lager van poëtischen stijl. Natuurlijk sterft het
+ijle, lichte, bijna inhoudlooze, voor muziek bestemde gedicht niet af,
+wanneer de dichters er niet zelf meer de muziek op maken. Het rondel
+bewaart den trant, zooals bij voorbeeld dit van Jean Meschinot:
+
+ "M'aimerez-vous bien,
+ Dictes, par vostre ame?
+ Mais (mits) que je vous ame
+ Plus que nulle rien (ding),
+ M'aimerez-vous bien?
+ Dieu mit tant de bien
+ En vous, que c'est basme (balsem);
+ Pour ce je me clame
+ Vostre. Mais combien
+ M'aimerez-vcms bien?" [932]
+
+Het zuivere, eenvoudige talent van Christine de Pisan leende zich
+bijzonder voor deze vluchtige effekten. Zij heeft even gemakkelijk
+verzen gemaakt als al haar tijdgenooten, zeer weinig gevarieerd in vorm
+en gedachte, effen en weinig gekleurd, stil en rustig, met een lichte,
+geestige melancholie. Het zijn echt litteraire gedichten, volkomen
+hoofsch van toon en gedachte. Zij doen denken aan die ivoren plaques der
+veertiende eeuw, die in zuiver conventioneele afbeelding steeds weer
+dezelfde motieven geven: een jachttafereel, een motief uit _Tristan et
+Yseult_ of uit den _Roman de la rose_, gracieus, koel en bekoorlijk.
+Waar nu Christine met haar zachte hoofschheid tegelijk den toon van het
+volkslied treft, ontstaat soms iets heel zuivers.
+
+Een weerzien:
+
+ "Tu soies le très bien venu,
+ M'amour, or m'embrace et me baise
+ Et comment t'es tu maintenu
+ Puis ton depart? Sain et bien aise
+ As tu esté tousjours? ça vien
+ Coste moy, te sié et me conte
+ Comment t'a esté, mal ou bien,
+ Car de ce vueil savoir le compte.
+
+ --Ma dame, a qui je suis tenu
+ Plus que aultre, a nul n'en desplaise,
+ Sachés que desir m'a tenu
+ Si court qu'oncques n'oz tel mesaise,
+ Ne plaisir ne prenoie en rien
+ Loings de vous. Amours, qui cuers dompte.
+ Me disoit: "Loyauté me tien,
+ Car de ce vueil savoir le compte."
+
+ --Dont m'as tu ton serment tenu,
+ Bon gré t'en sçay, par saint Nicaise;
+ Et puis que sain es revenu
+ Joye arons assez; or t'apaise
+ Et me dis se scez de combien
+ Le mal qu'en as eu a plus monte
+ Que cil qu'a souffert le cuer mien,
+ Car de ce vueil savoir le compte.
+
+ --Plus mal que vous, si com retien,
+ Ay eu, mais dites sanz mesconte,
+ Quans baisiers en aray je bien?
+ Car de ce vueil savoir le compte." [933]
+
+Een gemis:
+
+ "Il a au jour d'ui un mois
+ Que mon ami s'en ala.
+
+ Mon cuer remaint morne et cois,
+ Il a au jour d'ui un mois.
+
+ "A Dieu, me dit, je m'en vois";
+ Ne puis a moy ne parla,
+ Il a au jour d'ui un mois." [934]
+
+Een overgave:
+
+ "Mon ami, ne plourez plus;
+ Car tant me faittes pitié
+ Que mon cuer se rent conclus
+ A vostre doulce amistié.
+ Reprenez autre maniere;
+ Pour Dieu, plus ne vous doulez,
+ Et me faittes bonne chiere:
+ Je vueil quanque vous voulez."
+ * * * * * * * * * * *
+
+Het is de teere, spontane vrouwelijkheid van deze gedichtjes, ontdaan
+van de mannelijk-gewichtige, fantastische bespiegeling, en van den
+bonten opschik met de Rose-figuren, die ze voor ons genietbaar maakt.
+'t Is maar een enkele even ontwaarde stemming, die geboden wordt. Het
+thema heeft maar even in het hart geklonken, en is toen direct verbeeld,
+zonder dat de gedachte er aan te pas kwam. Maar daarom ook vertoont deze
+poëzie zoo bijzonder dikwijls die eigenschap, welke zoowel in muziek als
+poëzie alle tijdperken kenmerkt, waarin de inspiratie uitsluitend op de
+enkele visie van een oogenblik berust: het thema is zuiver en sterk, het
+lied begint in een klaar en vast geluid, als een merelslag, maar reeds
+na de eerste strofe heeft de dichter of toondichter zijn gegeven
+uitgezegd; de stemming zakt er uit weg, en de uitwerking verloopt in
+zwakke rhetoriek. Het is de eeuwige teleurstelling, die bijna alle
+dichters der vijftiende eeuw u bereiden.
+
+Hier een voorbeeld uit de balladen van Christine:
+
+ "Quant chacun s'en revient de l'ost
+ Pour quoy demeures tu derriere?
+ Et si scez que m'amour entiere
+ T'ay baillée en garde et depost." [935]
+
+Men zou een fijne, middeleeuwsch-Fransche Lenore-ballade verwachten.
+Maar de dichteres had niets anders te zeggen dan dit begin, en in nog
+twee korte onbelangrijke strofen draait zij er een eind aan.
+
+Hoe frisch begint _Le debat dou cheval et dou levrier_ van Froissart:
+
+ "Froissart d'Escoce revenoit
+ Sus un cheval qui gris estoit,
+ Un blanc levrier menoit en lasse.
+ 'Las', dist le levrier, 'je me lasse,
+ Grisel, quant nous reposerons?
+ Il est heure que nous mengons'." [936]
+
+Doch deze toon wordt niet volgehouden, het gedicht zakt terstond. Het
+thema is alleen gezien, niet gedacht. Ze zijn soms prachtig suggestief,
+de thema's. In Pierre Michault's _Danse aux Aveugles_ ziet men de
+menschheid eeuwig dansende om de tronen van Liefde, Fortuin en Dood.
+[937] Maar de uitwerking blijft van het begin af beneden het middelmatige.
+Een naamlooze _Exclamacion des os Sainct Innocent_ begint met den toeroep
+der beenderen in de knekelgalerijen van het beroemde kerkhof:
+
+ "Les os sommes des povres trespassez.
+ Cy amassez par monceaulx compassez.
+ Rompus, cassez, sans reigle ne compas...." [938]
+
+Een aanhef, om de luguberste doodsklacht op te bouwen; maar het wordt
+niet anders dan een memento mori van twaalf in het dozijn.
+
+Het zijn alles louter beeld-thema's. Voor den schilder behelst zulk een
+enkele visie in zich zelf de stof tot de verst doorgevoerde uitwerking,
+maar voor den dichter is zij niet genoeg.
+
+Is dan de schilderkunst der vijftiende eeuw in uitdrukkingsvermogen de
+litteratuur in alle opzichten de baas? Neen. Er blijven altijd gebieden,
+waarop de litteratuur over rijker en meer directe uitdrukkingsmiddelen
+beschikt dan de beeldende kunst. Zulk een gebied is bovenal dat van den
+spot. De beeldende kunst kan, tenzij zij zich verlaagt tot caricatuur,
+slechts een geringe potentie van het komische uitdrukken. Het komische,
+enkel zichtbaar afgebeeld, heeft een neiging, weer in het ernstige over
+te gaan. Slechts daar, waar de bijmenging van het komische element in de
+levensverbeelding zeer gering is, waar het enkel kruiderij is, en niet
+den eigen smaak van het gerecht overstemmen mag, kan de afbeelding
+gelijken tred houden met de uitdrukking in woorden. Als zulk een komiek
+in zwakste potentie kan men de genreschildering beschouwen.
+
+Hier is de beeldende kunst nog volkomen op haar terrein. De ongebreidelde
+uitwerking der détails, die wij hierboven aan de schilderkunst der
+vijftiende eeuw toekenden, gaat ongemerkt over in het behagelijke
+vertellen van kleinigheden, in het genre-achtige. Bij den meester van
+Flémalle is de gedétailleerdheid louter 'genre' geworden. Zijn Joseph de
+timmerman zit muizenvallen te maken. Het genre-achtige steekt in al zijn
+détails: tusschen de wijze, waarop Van Eyck en waarop de meester van
+Flémalle een vensterblind laat openstaan, een buffetje of een haard
+schildert, is de stap gedaan van de zuiver picturale visie naar het
+genre.
+
+Doch reeds op dit gebied heeft nu het woord opeens een dimensie meer dan
+de afbeelding. Het kan de gemoedsstemming expliciet weergeven. Denk nog
+eens aan Deschamps' beschrijvingen van de schoonheid der kasteelen. Ze
+waren eigenlijk mislukt en bleven oneindig ver achter bij wat de
+miniatuurkunst daarvan wist te maken. Maar vergelijk nu de ballade, waar
+Deschamps in een genretafereel beschrijft, hoe hij zelf ziek ligt in
+zijn armzalig kasteeltje te Fismes. [939] De uilen, spreeuwen, kraaien,
+musschen, die in zijn toren nestelen, houden hem uit den slaap:
+
+ "C'est une estrange melodie
+ Qui ne semble pas grant deduit
+ A gens qui sont en maladie.
+ Premiers les corbes font sçavoir
+ Pour certain si tost qu'il est jour:
+ De fort crier font leur pouoir,
+ Le gros, le gresle, sanz sejour;
+ Mieulx vauldroit le son d'un tabour
+ Que telz cris de divers oyseaulx,
+ Puis vient la proie; [940] vaches, veaulx,
+ Crians, muyans, et tout ce nuit,
+ Quant on a le cervel trop vuit,
+ Joint du moustier la sonnerie,
+ Qui tout l'entendement destruit
+ A gens qui sont en maladie."
+
+'s Avonds komen de uilen en verschrikken door hun klagelijk roepen den
+zieke met doodsgedachten:
+
+ "C'est froit hostel et mal reduit
+ A gens qui sont en maladie."
+
+Zoodra maar een zweem van het komische, of ook maar van het genoegelijk-
+vertellende, doordringt, werkt het aaneenrijgende, opsommende procédé
+niet meer vermoeiend. Levendige schilderingen van burgerlijke zeden,
+lange behagelijke beschrijvingen van het vrouwelijk toilet breken de
+eentonigheid. In zijn lang allegorisch gedicht _L'espinette amoureuse_
+verkwikt Froissart u plotseling met een opsomming van wel zestig
+kinderspelen, die hij als kleine jongen te Valenciennes te spelen
+placht. [941] De litteraire dienst van den duivel der gulzigheid heeft
+reeds een aanvang genomen. De savoureuze maaltijden van Zola, Huysmans,
+Anatole France hebben reeds hun prototypen in de Middeleeuwen. Hoe glimt
+de gulzigheid, als Deschamps en Villon lekkebaarden naar malsche boutjes.
+Hoe smakelijk beschrijft Froissart de Brusselsche bonvivants, die den
+vetten hertog Wencelijn omringen in den slag bij Baesweiler; zij hebben
+hun knechten bij zich met groote flesschen wijn aan den zadelknop, met
+brood en kaas, pasteien van zalm, forellen en paling, alles netjes in
+kleine servetten gewikkeld; zoo staan zij de slagorde in den weg. [942]
+
+Door haar gave voor het genre-achtige is de litteratuur van dien tijd in
+staat, ook het nuchterste in vers te brengen. Deschamps kan in een
+gedicht om geld manen, zonder van zijn gewone dichterniveau af te dalen;
+hij bedelt in een reeks van balladen om een beloofden tabbert, om
+brandhout, om een paard, om achterstallig salaris. [943]
+
+Het is maar één schrede van het genre-achtige naar het bizarre, het
+burleske, of als men wil: het breugheleske. Ook in dezen vorm van het
+komische is de schilderkunst nog gelijkwaardig aan de litteratuur. Het
+breughelsche element is in de kunst omstreeks 1400 reeds ten volle
+aanwezig. Men vindt het in den Joseph op Broederlam's Vlucht naar Egypte
+te Dijon, in de slapende krijgsknechten op de Drie Maria's bij het graf,
+die aan Hubert van Eyck zijn toegeschreven. Niemand is in het opzettelijk
+bizarre zoo sterk als Paul van Limburg. Een toeschouwer bij Maria's
+tempelgang draagt een ellenhooge, kromme toovenaars-muts en mouwen van
+een vadem lang. Burlesk is hij in de doopvont, die drie monsterachtige
+maskers draagt met uitgestoken tong, en in de omlijsting van Maria en
+Elisabeth, waar een held uit een toren een slak bevecht, een ander man
+op een kruiwagen een varken kruit, dat den doedelzak speelt. [944]
+
+Bizar is de litteratuur der vijftiende eeuw haast op elke bladzijde;
+haar gekunstelde stijl, de zonderling fantastische aankleeding van haar
+allegorieën getuigt het. Motieven, waaraan Breughel zijn uitgelaten
+fantazie zou botvieren, zooals het Débat de Carême et de Mardi Gras,
+Débat de chair et de poisson, zijn in de litteratuur der vijftiende eeuw
+reeds zeer in trek. Breughelsch in den hoogsten zin schijnt een felle
+visie als van Deschamps, waar de wachter de troepen, die zich te Sluis
+verzamelen tegen Engeland, als een heirleger van ratten en muizen ziet:
+
+ "'Avant, avant! tirez-vous ça.
+ Je voy merveille, ce me semble.'
+ --'Et quoy, guette, que vois-tu là?'
+ 'Je voy dix mille rats ensemble
+ Et mainte souris qui s'assemble
+ Dessus la rive de la mer....'
+
+Een andermaal zit hij triest en verstrooid aan den maaltijd ten hove;
+opeens ziet hij, hoe de hovelingen eten: de een kauwt als een varken,
+de ander knabbelt als een muisje, een gebruikt zijn tanden als een zaag,
+deze vertrekt zijn gezicht, bij genen veegt de baard op en neer, "al
+etende leken het duivelen." [945]
+
+Zoodra de litteratuur volksleven schildert, vervalt zij van zelve in dat
+sappige, met luim gekruide realisme, dat in de beeldende kunst weldra
+zich zoo bloeiend zou ontwikkelen. Chastellain's beschrijving van den
+armen boer, die den verdwaalden hertog van Bourgondië opneemt, valt uit
+als een stuk van Breughel. [946] De Pastorale wordt met haar schildering
+van etende, dansende en vrijende herders telkens van haar sentimenteele
+en romantische grondthema afgeleid naar het pad van een frisch naturalisme
+van licht komische werking. Hier behoort ook de belangstelling voor het
+havelooze, die zich zoowel in de litteratuur als in de beeldende kunst
+der vijftiende eeuw reeds begint te openbaren. De kalenderminiaturen
+markeeren met welgevallen de doorgesleten knieën van de maaiertjes in
+het koren, of de schilderkunst de lompen van de bedelaars, die
+barmhartigheid vinden. Hier begint de lijn, die over Rembrandt's etsen
+en Murillo's bedelknapen naar de straattypen van Steinlen leidt.
+
+Doch hier springt ook weder het groote verschil der picturale en
+litteraire appreciatie in het oog. Terwijl de beeldende kunst reeds het
+schilderachtige van den bedelaar ziet, de bekoring van den vorm dus, is
+de litteratuur enkel nog vervuld van de beteekenis van den bedelaar,
+'t zij zij hem beklaagt, of prijst, of verwenscht. De prototypen nu van
+het litteraire realisme der armoede-schildering liggen juist in die
+verwenschingen. De bedelaars waren in het einde der Middeleeuwen een
+ontzettende plaag geworden. In de kerken krioelde hun jammerlijke
+menigte, en belette den dienst met hun geschreeuw en gedruisch; onder
+hen was veel kwaad volk, "validi mendicantes". Het kapittel van Notre
+Dame te Parijs tracht in 1428 vergeefs hen naar de kerkdeuren te
+verwijderen, en slaagt er slechts later in, hen althans uit het koor
+naar het schip der kerk te verwijzen. [947] Deschamps wordt niet moede,
+zijn haat tegen die ellendigen te luchten; hij scheert hen allen over
+één kam als huichelaars en bedriegers: ranselt hen de kerk uit, hangt ze
+op, verbrandt ze! [948] Vanhier naar de moderne litteraire schildering
+der ellende schijnt de weg veel langer dan die, welke de beeldende kunst
+had af te leggen; in de schilderkunst vulde zich het beeld vanzelf met
+nieuw sentiment, in de literatuur moest het langzaam rijpende sociale
+gevoel zich eerst geheel nieuwe vormen van uitdrukking scheppen.
+
+Waar het komische element, zwakker of sterker, grover of fijner, in de
+uiterlijke visie van een geval zelf ligt opgesloten, zooals in het genre
+en in het burleske, daar kon de beeldende kunst het woord bijhouden.
+Maar daarbuiten lagen sferen van het komische, die voor picturale
+uitdrukking volstrekt ontoegankelijk waren, waar kleur noch lijn iets
+vermocht. Overal waar het komische positief lachwekkend moet zijn, was
+de litteratuur onbeperkt meester, dus op het zoo welig begroeide gebied
+van den schaterlach: de klucht, sotternie, boerde, de fabliaux, kortom
+al de vormen van het grof-komische. Uit dien rijken schat van
+laat-middeleeuwsche litteratuur spreekt een eigen geest.
+
+De litteratuur is ook meester op het gebied van den matten glimlach,
+daar, waar de spot zijn hoogste tonen strijkt, zich uitgiet over het
+ernstigste van het leven, de liefde, en over het eigen leed. De
+gekunstelde, gepolijste, versleten vormen der erotiek ondergingen een
+verfijning en zuivering door de bijmenging der ironie.
+
+Buiten het erotische is de ironie nog plomp en naïef. De Franschman van
+1400 neemt af en toe nog de voorzichtigheid in acht, die den Hollander
+van 1900 blijft aanbevolen, om het erbij te zeggen, als hij ironisch
+spreekt. Deschamps prijst den goeden tijd: alles gaat best, overal
+heerscht vrede en gerechtigheid:
+
+ "L'en me demande chascun jour
+ Qu'il me semble du temps que voy,
+ Et je respons: c'est tout honour,
+ Loyauté, verité et foy,
+ Largesce, prouesce et arroy,
+ Charité et biens qui s'advance
+ Pour le commun; mais, par ma loy,
+ Je ne di pas quanque je pence."
+
+Of elders aan het eind van een ballade van dezelfde strekking: "Tous ces
+poins a rebours retien"; [949] en in een derde met het refrein: "C'est
+grant pechiez d'ainsy blasmer le monde":
+
+ "Prince, s'il est par tout generalment
+ Comme je say, toute vertu habonde;
+ Mais tel m'orroit qui diroit: 'Il se ment'...." [950]
+
+Zelfs een bel-esprit uit de tweede helft der vijftiende eeuw betitelt
+een epigram: "Soubz une meschante paincture faicte de mauvaises couleurs
+et du plus meschant peinctre du monde, par maniere d'yronnie par maître
+Jehan Robertet." [951]
+
+Hoe fijn daarentegen kan de ironie reeds zijn, zoodra zij de liefde
+raakt. Zij mengt zich dan met de zachte melancholie, de matte teerheid,
+die de erotiek der vijftiende eeuw in de oude vormen tot iets nieuws
+maakt. Het droge hart smelt in een snik. Er klinkt een geluid, dat in de
+aardsche liefde nog niet was gehoord: de profundis.
+
+Het is de aanbiddelijke zelfbespotting, de figuur van "l'amant remis et
+renié", die Villon aanneemt, het zijn de matte liedjes der desillusie,
+die Charles d'Orléans zingt. Het is de lach in tranen: "Je riz en
+pleurs" is niet enkel Villon's vinding geweest. Een oude bijbelsche
+gemeenplaats: "risus dolore miscebitur et extrema gaudii luctus
+occupat", [952] kreeg hier een nieuwe toepassing, een nieuw sentiment,
+een verfijnde bittere gevoelswaarde. Alain Chartier, de gladde
+hof-poëet, heeft dit motief evengoed als Villon, de vagebond.
+
+ "Je n'ay bouche qui puisse rire,
+ Que les yeulx ne la desmentissent:
+ Car le cueur l'en vouldroit desdire
+ Par les lermes qui des yeulx issent."
+
+Of meer uitgewerkt, van een droeven minnaar:
+
+ "De faire chiere s'efforçoit
+ Et menoit une joye fainte,
+ Et à chanter son cueur forçoit
+ Non pas pour plaisir, mais pour crainte,
+ Car tousjours ung relaiz de plainte
+ S'enlassoit au ton de sa voix,
+ Et revenoit à son attainte
+ Comme l'oysel au chant du bois." [953]
+
+Aan het slot van een gedicht verloochent de dichter zijn leed, in den
+toon van het vagantenlied, zooals hier:
+
+ "Cest livret voult dicter et faire escripre
+ Pour passer temps sans courage villain
+ Ung simple clerc que l'en appelle Alain,
+ Qui parle ainsi d'amours pour oyr dire." [954]
+
+Of in een uitgewerkte fantazie, zooals die waarmee koning René zijn
+eindeloos _Cuer d'amour espris_ besluit: de kamerdienaar komt met een
+kaars kijken, of 's konings hart niet weg is; maar hij kan geen gat in
+de zijde ontdekken:
+
+ "Sy me dist tout en soubzriant
+ Que je dormisse seulement
+ Et que n'avoye nullement
+ Pour ce mal garde de morir." [955]
+
+De oude conventioneele vormen kregen door het nieuwe sentiment nieuwe
+frischheid. Niemand heeft de gebruikelijke verpersoonlijking der
+sentimenten zoo ver doorgevoerd als Charles d'Orléans. Hij ziet zijn
+hart als een afzonderlijk wezen:
+
+ "Je suys celluy au cueur vestu de noir...." [956]
+
+In de oudere lyriek, zelfs in den dolce stil nuovo, waren die
+verpersoonlijkingen nog strakke ernst geweest. Maar bij Orléans zijn
+de grenzen van ernst en spot niet meer te trekken; hij chargeert de
+verpersoonlijking, zonder dat het fijne sentiment te loor gaat:
+
+ "Un jour à mon cueur devisoye
+ Qui en secret à moy parloit,
+ Et en parlant lui demandoye
+ Se point d'espargne fait avoit
+ D'aucuns biens quant Amours servoit:
+ Il me dist que très voulentiers
+ La vérité m'en compteroit,
+ Mais qu'eust visite ses papiers.
+
+ Quant ce m'eut dit, il print sa voye
+ Et d'avecques moy se partoit.
+ Après entrer je le véoye
+ En ung comptouer qu'il avoit:
+ Là, de ça et de là quéroit,
+ En cherchant plusieurs vieulx caïers
+ Car le vray monstrer me vouloit,
+ Mais qu'eust visitez ses papiers...." [957]
+
+Hier overweegt het komische, maar in het volgende de ernst:
+
+ "Ne hurtez plus à l'uis de ma pensée,
+ Soing et Soucy, sans tant vous travailler;
+ Car elle dort et ne veult s'esveiller,
+ Toute la nuit en peine a despenseé.
+
+ En dangier est, s'elle n'est bien panseé;
+ Cessez, cessez, laissez la sommeiller;
+ Ne hurtez plus à l'uis de ma pensée,
+ Soing et Soucy, sans tant vous travailler...." [958]
+
+De week-droeve erotiek kreeg voor den vijftiendeëeuwer een nog scherper
+smaak door de bijmenging van het profane, waarmee hij haar zoo gaarne
+kruidt. De travesti van het amoureuze in kerkelijke vormen dient niet
+enkel tot obscene beeldspraak en grove oneerbiedigheid, zooals in de
+_Cent nouvelles nouvelles_. Zij levert ook den vorm van het meest teere,
+bijna elegische liefdedicht, dat de vijftiende eeuw heeft voortgebracht:
+_L'amant rendu cordelier à l'observance d'amours_.
+
+Het motief van de minnaars als de observanten eener geestelijke orde had
+reeds in den kring van Charles d'Orléans aanleiding gegeven tot een
+dichterlijke confrérie, die zich "les amoureux de l'observance" noemde.
+Is het werkelijk Martial d'Auvergne geweest, die het heeft uitgewerkt
+tot het treffende gedicht, dat zich zoover boven het van hem bekende
+verheft?
+
+De arme, teleurgestelde minnaar komt de wereld begeven in het wonderlijke
+klooster, waar men enkel de droeve verliefden, "les amoureux martyrs",
+opneemt. In stille samenspraak met den heer Prior doet hij het zachte
+verhaal van zijn versmade liefde, en wordt vermaand, die te vergeten.
+Het is onder het middeleeuwsch-satirieke gewaad reeds volkomen de stemming
+van Watteau en den Pierrot-cultus, slechts zonder maneschijn.--Was zij
+niet gewoon, vraagt de Prior, u een lieven blik toe te werpen, of in 't
+voorbijgaan een "Dieu gart" te zeggen?--Zoo ver kwam ik nooit, antwoordt
+de minnaar: maar 's nachts stond ik drie heele uren voor haar deur, en
+keek op naar de goot:
+
+ "Et puis, quant je oyoye les verrières
+ De la maison qui cliquetoient,
+ Lors me sembloit que mes prières
+ Exaussées d'elle sy estoient."
+
+"Waart ge zeker, dat zij u opmerkte?" vraagt de Prior.
+
+ "Se m'aist Dieu, j'estoye tant ravis,
+ Que ne savoye mon sens ne estre,
+ Car, sans parler, m'estoit advis
+ Que le vent ventoit sa fenestre
+ Et que m'avoit bien peu congnoistre,
+ En disant bas: 'Doint bonne nuyt',
+ Et Dieu scet se j'estoye grant maistre
+ Après cela toute la nuyt." [959]
+
+In die zaligheid sliep hij heerlijk:
+
+ "Tellement estoie restauré
+ Que, sans tourner ne travailler,
+ Je faisoie un somme doré,
+ Sans point la nuyt me resveiller.
+ Et puis, avant que m'abiller,
+ Pour en rendre à Amours louanges,
+ Baisoie troys fois mon orillier,
+ En riant à par moy aux anges."
+
+Bij zijn plechtige opneming in de orde bezwijmt de dame, die hem
+versmaad had, en een gouden hartje, geëmailleerd met tranen, dat hij
+haar geschonken had, valt uit haar kleed.
+
+ "Les aultres, pour leur mal couvrir
+ A force leurs cueurs retenoient,
+ Passans temps a clorre et rouvrir
+ Les heures qu'en leurs mains tenoient,
+ Dont souvent les feuilles tournoient
+ En signe de devocion;
+ Mais les deulz et pleurs que menoient
+ Monstroient bien leur affection."
+
+Als de Prior hem ten slotte zijn nieuwe plichten opsomt, en hem
+waarschuwt, om nooit te luisteren naar den nachtegaal, nooit te slapen
+onder "eglantiers et aubespines", en vooral nooit in vrouwenoogen te
+zien, klaagt het gedicht op het thema "Doux yeux" een eindelooze melodie
+van strofen, die altijd weer varieeren:
+
+ "Doux yeulx qui tousjours vont et viennent;
+ Doulx yeulx eschauffans le plisson,
+ De ceulx qui amoureux deviennent...."
+
+ "Doux yeulx a cler esperlissans,
+ Qui dient: C'est fait quant tu vouldras,
+ A ceulx qu'ils sentent bien puissans...." [960]
+
+Die zachte, matte toon, die gelaten melancholie heeft ongemerkt in de
+vijftiende eeuw alle conventioneele vormen der erotiek doordrongen. De
+oude satire van cynische vrouwenverguizing krijgt er op eens een heel
+andere, verfijnde stemming door: in de _Quinze joyes de mariage_ is de
+botte vrouwensmaad van voorheen getemperd door een toon van stille
+desillusie en gedruktheid, die er het navrante aan geeft van een moderne
+huwelijksnovelle: de gedachten zijn ijl, vluchtig uitgedrukt; de
+gesprekken zijn te teer voor de boosaardige bedoeling.
+
+In alles wat de uitdrukking der liefde betrof, had de litteratuur een
+school van eeuwen achter zich, met meesters van zoo verscheiden geest
+als Plato en Ovidius, de troubadours en de vaganten, Dante en Jean de
+Meun.--De beeldende kunst daarentegen was hierin nog buitengewoon
+primitief, en is dat nog lang gebleven. Eerst in de achttiende eeuw
+haalt de afbeelding der liefde de beschrijving ervan in verfijning en
+volheid van expressie in. De schilderkunst der vijftiende eeuw kon nog
+niet frivool of sentimenteel zijn. Tusschen het kuische en het obscene
+had zij nog geen uitdrukkingsmiddel gevonden. Van het liefdeleven zegt
+zij weinig, en dat in naïeve en onschuldige vormen. Wel moet men zich
+hier opnieuw herinneren, dat het meeste wat er van dien aard bestaan
+heeft, verloren is. Het zou van buitengewoon belang zijn, als men het
+naakt van Van Eyck in zijn Vrouwenbad, waarvan Fazio verhaalt, kon
+vergelijken met zijn Adam en Eva. In de laatste ontbreekt het erotische
+element volstrekt niet geheel: immers de kunstenaar heeft wel degelijk
+den conventioneelen code van vrouwenschoonheid gevolgd, in de kleine,
+te hoog geplaatste borsten, de lange slanke armen, den vooruitstekenden
+buik. Doch hoe naïef heeft hij dat alles gedaan, zonder eenige zucht of
+vermogen om te bekoren.--Bekoring moet het essentieele element zijn van
+het kleine Liefdetooverijtje, wel met 'school van Jan van Eyck'
+betiteld, [961] een kamer, waar een meisje, naakt, zooals dat bij
+tooverij hoort, door toovermiddelen den minnaar dwingt, zich te
+vertoonen. Hier is het naakt van die bescheiden wulpschheid, die zich in
+Cranach's naaktfiguren voortzet.
+
+Het was geen preutschheid, die de rol der afbeelding in de erotiek zoo
+beperkt hield. De late Middeleeuwen vertoonen een zonderlinge
+tegenstrijdigheid tusschen een sterk schaamtegevoel en een verbazende
+licentie. Voor het laatste is het aanhalen van voorbeelden onnoodig;
+zij spreekt op iedere bladzijde. De schaamte spreekt bij voorbeeld uit
+het volgende. Bij de ergste moord- en plunderpartijen laat men den
+slachtoffers het hemd of de onderbroek; de Burger van Parijs is over
+niets zoo verontwaardigd als over het feit, dat die regel werd
+geschonden: "et ne volut pas convoitise que on leur laissast neis leurs
+brayes, pour tant qu'ilz vaulsissent 4 deniers, qui estoit un des plus
+grans cruaultés et inhumanité chrestienne à aultre de quoy on peut
+parler." Bij het verhaal van de wreedheid van den bastaard van Vauru
+tegen een arme vrouw, is hij nog meer dan van de overige kwellingen
+ontzet van het schendig stuk, dat hij haar de kleeren kort onder het
+middel laat afsnijden. [962]--Daarom blijft het dubbel opmerkelijk, dat
+men aan het vrouwelijk naakt, in de kunst nog zoo weinig gecultiveerd,
+zulk een vrije plaats gaf in het tableau vivant. Bij geen intocht
+ontbraken de vertooningen, "personnages", van naakte godinnen of nimfen,
+door Dürer aanschouwd bij den intocht van Karel V te Antwerpen in 1520,
+[963] en door Hans Makart misverstaan, alsof de vrouwen meeliepen in den
+optocht. Deze vertooningen waren op getimmerten op bepaalde plaatsen
+opgesteld, soms zelfs in het water, zooals de sirenen, die bij de brug
+in de Leie zwommen, "toutes nues et échevelées ainsi comme on les
+peint", bij den intocht van Philips den Goede te Gent in 1457. [964]
+Paris' oordeel was het meest gebruikte onderwerp dezer vertooningen.
+--Men zoeke er noch Griekschen schoonheidszin noch platte
+onbeschaamdheid in, maar een naïeve, populaire zinnelijkheid. Jean de
+Roye beschrijft de sirenen, die bij den intocht van Lodewijk XI te
+Parijs in 1461, niet ver van een gekruisigde tusschen de twee schakers,
+stonden opgesteld, in deze woorden: "Et si y avoit encores trois bien
+belles filles, faisans personnages de seraines toutes nues, et leur
+veoit on le beau tetin droit, separé, rond et dur, qui estoit chose bien
+plaisant, et disoient de petiz motetz et bergeretes; et près d'eulx
+jouoient plusieurs bas instrumens qui rendoient de grandes melodies."
+[965] Molinet vertelt, met hoeveel welbehagen het volk naar het oordeel
+van Paris keek bij den intocht van Philips den Schoone te Antwerpen in
+1494: "mais le hourd où les gens donnoient le plus affectueux regard fut
+sur l'histoire des trois déesses, que l'on véoit au nud et de femmes
+vives." [966] Hoe ver was zuivere schoonheidszin, als men de vertooning
+van dat onderwerp in 1468 te Rijssel bij den intocht van Karel den
+Stoute geparodieerd ziet door een zwaarlijvige Venus, een magere Juno en
+een gebochelde Minerva, met gouden kronen op het hoofd! [967]--Tot diep
+in de zestiende eeuw bleven de naakte vertooningen in gebruik: te Rennes
+in 1532 bij den intocht van den hertog van Bretagne zag men een naakte
+Ceres en Bacchus, [968] en nog Willem van Oranje werd bij zijn inkomst
+binnen Brussel op 18 September 1578 vergast op een Andromeda, "een
+ionghe maeght, met ketenen ghevetert, alsoo naeckt als sy van moeder
+lyve gheboren was; men soude merckelyck geseydt hebben, dattet een
+marberen beeldt hadde geweest", aldus Johan Baptista Houwaert, die de
+tableaux gearrangeerd had. [969]
+
+ * * * * *
+
+De achterlijkheid van het picturale uitdrukkingsvermogen vergeleken bij
+de litteratuur beperkt zich overigens niet tot de gebieden, die wij tot
+nu toe behandelden: het komische, het sentimenteele, het erotische. Dat
+vermogen vindt zijn grenzen, zoodat het niet meer gedragen wordt aan
+dien overmatig visueelen aanleg, waarin wij de toenmalige superioriteit
+van de schilderkunst in het algemeen boven de litteratuur gegrond
+achtten. Zoodra er iets meer noodig is dan enkel een onmiddellijke,
+scherpe visie van het natuurlijke, begeeft die superioriteit de
+schilderkunst van lieverlede, en ziet men opeens de gegrondheid van
+Michel Angelo's verwijt: die kunst wil vele dingen tegelijk volkomen
+afbeelden, waarvan één belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten
+aan te besteden.
+
+Neem nogmaals een tafereel van Jan van Eyck. Onovertroffen blijft zijn
+kunst, zoolang zij van nabij ziende, om zoo te zeggen microscopisch,
+werkt: in de gelaatstrekken, de stoffen der gewaden, de juweelen. De
+volstrekt scherpe observatie is daar genoeg. Doch zoodra de geziene
+werkelijkheid eenigermate moet worden herleid, gelijk reeds het geval
+is in de voorstelling van gebouwen en landschappen, vallen er, bij alle
+innige bekoring van het vroege vergezicht, zwakheden te bespeuren: een
+zekere onsamenhangendheid, een ietwat gebrekkige dispositie. En hoe meer
+de voorstelling opzettelijk moet worden gecomponeerd, er een beeldvorm
+voor het geval vrij moet worden geschapen, hoe sterker de daling wordt.
+
+Niemand zal tegenspreken, dat in de verluchte getijboeken de
+kalenderbladen die, waarop de heilige geschiedenis staat afgebeeld,
+overtreffen. Dáár kon men met directe waarneming en vertellend weergeven
+volstaan. Maar om een gewichtige handeling, een bewogen voorstelling met
+veel personen op te zetten, was bovenal dat gevoel voor rythmischen
+opbouw en eenheid noodig, dat eertijds Giotto gekend had, en dat opnieuw
+door Michel Angelo werd begrepen. Het wezen nu der vijftiende-eeuwsche
+kunst was veelheid. Slechts daar, waar de veelheid zelf tot eenheid
+werd, werd het effekt van hooge harmonie bereikt, zooals in de
+Aanbidding van het Lam. Daar is inderdaad rythme, een onvergelijkelijk
+sterk rythme, een triomfantelijk rythme van al die stoeten schrijdend
+naar het middelpunt toe. Doch het is als 't ware door een bloot
+rekenkundige nevenschikking, uit de veelheid zelf, gevonden. Van Eyck
+ontloopt de moeilijkheden der compositie, door slechts voorstellingen
+te geven in strenge rust; hij bereikt een statische, geen dynamische
+harmonie.
+
+Hier bovenal ligt de groote afstand, die Rogier van der Weyden van Van
+Eyck scheidt. Rogier beperkt zich, om het rythme te vinden; hij slaagt
+niet altijd, maar hij streeft.
+
+Nu bestond er voor de voornaamste onderwerpen der heilsgeschiedenis een
+strenge, oude verbeeldingstraditie. De schilder behoefde de ordonnantie
+van zijn tafereel niet meer zelf te zoeken. [970] Sommige dier
+onderwerpen brachten een rythmischen bouw bijna vanzelve mee. In een
+beweening, een kruisafneming, een aanbidding der herders, kwam het
+rythme als van zelve. Men denke aan de pieta's van Rogier van der Weyden
+te Madrid, die van de Avignonsche school in het Louvre en te Brussel,
+van Petrus Cristus, van Geertgen tot Sint Jans, van de Belles heures
+d'Ailly. [971]
+
+Wordt echter het tafereel woeliger, zooals bij de bespotting, de
+kruisdraging, de aanbidding der koningen, dan stijgen de moeilijkheden
+der compositie, en een zekere onrustigheid, onvoldoende eenheid der
+voorstelling is veelal het gevolg. En als de kerkelijke iconografische
+norm den kunstenaar geheel begeeft, dan staat hij vrijwel hulpeloos.
+Reeds de rechtspraaktafereelen van Dirk Bouts en Gerard David, die
+nog een zekere statige ordonnantie meebrachten, zijn vrij zwak van
+compositie. Linksch en onbeholpen wordt zij in de marteling van Sint
+Erasmus, "het dermwinderken" van Leuven, en van Sint Hippolytus, door
+paarden uiteengetrokken, te Brugge. Daar werkt de gebrekkige bouw reeds
+stuitend.
+
+Wanneer nu nooit geziene fantazie moet worden verbeeld, dan vervalt de
+vijftiende-eeuwsche kunst in het belachelijke. De groote schilderkunst
+bleef daarvoor gespaard door haar strenge onderwerpen, maar de
+boekverluchting kon zich niet onttrekken aan het afbeelden van al de
+mythologische en allegorische fantazie, die de litteratuur aanbracht.
+Een goed voorbeeld levert de illustratie van de _Epitre d'Othéa à
+Hector_, [972] een uitgewerkte mythologische fantazie van Christine
+de Pisan. Het is het onbeholpenste wat men zich kan voorstellen. De
+Grieksche goden dragen groote vlerken achter aan hun hermelijnmantels of
+bourgondische tabberts; de geheele opzet en uitdrukking mislukt: Minos,
+Saturnus, die zijn kinderen verslindt, Midas, die den prijs uitdeelt,
+zij vallen allen even zot uit. Doch zoodra de verluchter in den
+achtergrond even zijn hart kan ophalen aan een herdertje met schaapjes
+of een heuveltje met galg en rad, vertoont hij de gewone vaardigheid.
+[973] Men is hier aan de grens van het beeldend vermogen dezer
+kunstenaars. In vrij scheppende verbeelding zijn zij tenslotte ongeveer
+even beperkt als de dichters.
+
+ * * * * *
+
+De allegorische verbeelding had de fantazie in een impasse geleid. De
+allegorie kluistert wederkeerig het beeld en de gedachte. Het beeld
+kan niet vrij geschapen worden, omdat het de gedachte volkomen moet
+omschrijven, en de gedachte wordt in haar vlucht belemmerd door het
+beeld. De fantazie heeft zich gewend, de gedachte zoo nuchter mogelijk
+in beeld over te brengen, zonder eenig gevoel voor stijl. Temperantia
+draagt op haar hoofd een uurwerk, om haar aard aan te duiden. De
+verluchter van de _Epitre d'Othéa_ nam daartoe eenvoudig het hangklokje,
+dat hij ook bij Philips den Goede aan den wand plaatste. [974]--Wanneer
+een scherp natuurlijk observeerende geest als Chastellain uit eigen
+vinding allegorische figuren teekent, valt het bijster barok uit. Hij
+ziet bij voorbeeld in het rechtvaardigingsbetoog naar aanleiding van
+zijn gewaagd politiek gedicht _Le dit de vérité_ [975] vier dames, die
+hem aanklagen. Zij heeten Indignation, Réprobation, Accusation,
+Vindication. Ziehier, hoe hij de tweede beschrijft. [976] "Ceste dame
+droit-cy se monstroit avoir les conditions seures, [977] raisons moult
+aguës et mordantes; grignoit les dens et mâchoit ses lèvres; niquoit de
+la teste souvent; et monstrant signe d'estre arguëresse, sauteloit sur
+ses pieds et tournoit l'un costé puis çà, l'autre costé puis là; portoit
+manière d'impatience et de contradiction; le droit oeil avoit clos et
+l'autre ouvert; avoit un sacq plein de livres devant lui, dont les uns
+mit en son escours [978] comme chéris, les autres jetta au loin par
+despit; deschira papiers et feuilles; quayers jetta au feu félonnement;
+rioit sur les uns et les baisoit; sur les autres cracha par vilennie et
+les foula des pieds; avoit une plume en sa main, pleine d'encre, de
+laquelle roioit maintes ecritures notables ...; d'une esponge aussy
+noircissoit aucunes ymages, autres esgratinoit aux ongles ... et les
+tierces rasoit toutes au net et les planoit comme pour les mettre hors
+de mémoire; et se monstroit dure et felle ennemie à beaucoup de gens de
+bien, plus volontairement que par raison." Elders ziet hij, hoe Dame
+Paix haar mantel uitspreidt en hoog oplicht, en in vier nieuwe dames
+uiteenvalt: Paix de coeur, Paix de bouche, Paix de semblant, Paix de
+vray effet. [979] In weer een ander van zijn allegorieën komen
+vrouwenfiguren voor, die heeten "Pesanteur de tes pays, Diverse
+condition et qualité de tes divers peuples, L'envie et haine des
+François et des voisines nations", alsof een politiek hoofdartikel zich
+liet allegoriseeren. [980]--Dat al die figuren niet gezien maar bedacht
+zijn, blijkt ten overvloede uit het feit, dat zij hun namen op
+banderoles dragen; hij put de beelden niet direct uit zijn levende
+fantazie, maar stelt ze zich voor als op een schilderij of in een
+vertooning.
+
+In _La mort du duc Philippe, mystère par manière de lamentation_ ziet
+hij zijn hertog verbeeld als een flesch vol kostbare zalf, die aan een
+draad uit den hemel hangt; de aarde heeft die flesch aan haar borsten
+gezoogd. [981] Molinet ziet Christus als pelikaan (een gewone trope)
+niet alleen met zijn bloed de jongen voeden, maar tevens er den spiegel
+des doods mee afwasschen. [982]
+
+Schoonheidsinspiratie is hier zoek; het is spelend en valsch vernuft,
+een uitgeputte geest, die nieuwe bevruchting wacht. In het altijd weer
+gebruikte droommotief als raam eener handeling zijn bijna nooit echte
+droomelementen waar te nemen, zooals ze bij Dante en bij Shakespeare zoo
+treffend voorkomen. De illusie, dat de dichter zijn voorstelling als
+vizioen heeft gezien, wordt dikwijls niet eens volgehouden: Chastellain
+noemt zich zelf "l'inventeur ou le fantasieur de ceste vision." [983]
+
+Op het verdorde veld der allegorische verbeelding kan alleen de spot
+telkens weer frisch kruid doen bloeien. Zoodra het even in 't luimige
+geworpen wordt, werkt de allegorie nog. Deschamps vraagt den dokter, hoe
+de deugden en het recht het maken:
+
+ "Phisicien, comment fait Droit?
+ --Sur m'ame, il est en petit point....
+ --Que fait Raison?...
+ Perdu a son entendement,
+ Elle parle mais faiblement,
+ Et Justice est toute ydiote...." [984]
+
+De verschillende sferen van fantazie worden stijlloos dooreengemengd.
+Geen product zoo bizar als het politieke schotschrift in het kleed der
+pastorale. De onbekende dichter, die zich Bucarius noemt, heeft in _Le
+Pastoralet_ al den laster van het huis Bourgondië tegen Orleans in de
+kleur der herderij geschilderd: Orleans, Jan zonder Vrees en al hun
+trotsch en grimmig gevolg als zoete herders, wonderlijke Leeuwendalers!
+De herdersrok is beschilderd met fleurs de lis of klimmende leeuwen; er
+zijn "bergiers à long jupel", dat zijn de geestelijken. [985] De herder
+Tristifer, dat is Orleans, neemt den anderen hun brood en kaas, hun
+appelen en noten, hun fluitjes af, en den schapen de klokjes; hij dreigt
+de weerstrevenden met zijn grooten herdersstaf. Totdat hij zelf met een
+herdersstaf wordt doodgeslagen. Soms vergeet de dichter bijna zijn
+sinistere strekking en vermeit zich in de zoetste pastorale, dan weer
+wordt de herderlijke fantazie zonderling gestoord door den boozen
+politieken smaad. [986] Ook hier nog niets van de maat en smaak der
+Renaissance.
+
+Molinet haspelt de motieven van het geloof, den krijg, de heraldiek en
+de min dooreen, in den vorm van een proclamatie van den Schepper aan
+alle ware minnenden:
+
+ "Nous Dieu d'amours, créateur, roy de gloire
+ Salut à tous vrays amans d'humble affaire!
+ Comme il soit vray que depuis la victoire
+ De nostre filz sur le mont de Calvaire
+ Plusieurs souldars par peu de congnoissance
+ De noz armes, font au dyable allyance...."
+
+Daarom wordt hun het rechte wapen beschreven: schild van zilver, chef
+van goud met vijf wonden, en de militante Kerk octrooi verleend, om
+allen in haar dienst op te nemen, die tot dat wapen willen terugkeeren,
+
+ "mais qu'en pleurs et en larmes,
+ De cueur contrict et foy sans abuser." [987]
+
+De kunstenmakerijen, waarmee Molinet den lof zijner tijdgenooten als
+vernuftig rhétoriqueur en poëet behaalde, schijnen ons de laatste
+ontaarding van een uitdrukkingsvorm vóór zijn ondergang. Hij vermeit
+zich in de meest zoutelooze woordspelletjes: "Et ainsi demoura l'Escluse
+en paix qui lui fut incluse, car la guerre fut d'elle excluse plus
+solitaire que rencluse." [988] In de inleiding op zijn gemoraliseerde
+prozabewerking van den _Roman de la rose_ speelt hij met zijn naam
+Molinet. "Et affin que je ne perde le froment de mal labeur, et que la
+farine que en sera molue puisse avoir fleur salutaire, j'ay intencion,
+se Dieu m'en donne la grace, de tourner et convertir soubz mes rudes
+meulles le vicieux au vertueux, le corporel en l'espirituel, la
+mondanité en divinité, et souverainement de la moraliser. Et par ainsi
+nous tirerons le miel hors de la dure pierre, et la rose vermeille hors
+des poignans espines, où nous trouverons grain et graine, fruict, fleur
+et feuille, très souefve odeur, odorant verdure, verdoyant floriture,
+florissant nourriture, nourissant fruict et fructifiant pasture." [989]
+Wat lijkt het eind-eeuwsch en versleten! Toch bewonderde de tijdgenoot
+juist dit als het nieuwe; de middeleeuwsche poëzie had dat spelen met
+woorden eigenlijk niet gekend, die speelde meer met beelden. Zooals bij
+voorbeeld Olivier de la Marche, Molinet's geestverwant en bewonderaar:
+
+ "Là prins fièvre de souvenance
+ Et catherre de desplaisir,
+ Une migraine de souffrance,
+ Colicque d'une impascience,
+ Mal de dens non à soustenir.
+ Mon cueur ne porroit plus souffrir
+ Les regretz de ma destinée
+ Par douleur non accoustumée." [990]
+
+Meschinot is nog even verslaafd aan de slappe allegorie als La Marche;
+van zijn _Lunettes des princes_ zijn Prudence en Justice de glazen,
+Force de montuur, Temperance de nagel, die alles bijeenhoudt. Raison
+geeft den dichter dien bril met een gebruiksaanwijzing; door den hemel
+gezonden komt Raison zijn geest binnen, en wil daar haar festijn
+aanrichten, maar vindt er alles bedorven door Desespoir, zoodat er niets
+is "pour disner bonnement." [991]
+
+'t Schijnt alles ontaarding en verval. En toch is het de tijd, waarin
+de nieuwe geest der Renaissance reeds blaast, waar hij wil. Waar is de
+groote, jonge bezieling en de nieuwe, zuivere vorm?
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[902] Erasmus, Ratio seu Methodus compendio perveniendi ad veram
+theologiam, ed. Bazel 1520, p. 146.
+
+[903] E. Durand Gréville, Hubert et Jean van Eyck, Bruxelles, 1910,
+p. 119.
+
+[904] p. 361. (zie Hoofdstuk X, noot 721)
+
+[905] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 594.
+
+[906] Chastellain, I p. 11, 12. IV p. 21, 393, VII p. 160; La Marche,
+I p. 14; Molinet, I p. 23.
+
+[907] Jean Robertet, bij Chastellain, VII p. 182.
+
+[908] Chastellain, VII p. 219.
+
+[909] Chastellain, III p. 231ss.--Sint Antoine valt op 17 Januari.
+
+[910] Oratoire, een door tapijten afgeschoten vertrekje in een kapel.
+
+[911] Dooi.
+
+[912] Een heuveltje, een aardhoop.
+
+[913] Chastellain, III p. 46, zie hierboven blz. 154 (zie Hoofdstuk III,
+noot 294). vg. III 104, V 259.
+
+[914] Helmen.
+
+[915] Chastellain, V p. 273, 269, 271.
+
+[916] Zie de reproducties bij A. Michel, Histoire de l'art etc., Paris,
+1907 etc. 7 vol. parus, IV, 2 p. 711 en P. Durrieu. Les belles heures du
+duc de Berry, Gazette des beaux arts 1906, t. 35, p. 283.
+
+[917] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 50, XI p. 99. XIII p. 4.
+
+[918] Dichter onbekend, gedrukt Deschamps, Oeuvres X no. 18, vgl. Le
+Debat du cuer et du corps de Villon, evenzoo Charles d'Orléans, rondel
+192.
+
+[919] Dat blijkt.
+
+[920] Ed. de 1522, fol. 101, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot etc.,
+Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 301. Vgl. de balladen van
+Henri Baude, ed. Quicherat (Trésor des pièces rares ou inédites, Paris
+1856), p. 26, 37, 55, 79.
+
+[921] Froissart, ed. Luce. I p. 56, 66. 71, XI p. 13, ed. Kervyn. XII
+p. 2, 23; vgl. ook Deschamps, III p. 42.
+
+[922] Froissart ed. Kervyn, XI p. 89.
+
+[923] P. Durrieu, Les très-riches heures de Jean de France duc de Berry,
+1904, pl. 38.
+
+[924] Oeuvres du roi René, ed. de Quatrebarbes, II p. 105.
+
+[925] Deschamps, I nos. 61, 144; III nos. 454, 483, 524; IV nos. 617, 636.
+
+[926] Durrieu. l.c. pl. 3, 9, 12.
+
+[927] Deschamps, VI p. 191, no. 1204.
+
+[928] Froissart, ed. Luce, V p. 64, VIII p. 5, 48, XI p. 110, ed.
+Kervyn, XIII p. 14, 21, 84, 102, 264.
+
+[929] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 54, 109, 184, XVI p. 23, 52, ed.
+Luce. I p. 394.
+
+[930] Froissart, XIII p. 13.
+
+[931] G. de Machaut, Poésies lyriques, ed. V. Chichmaref (Zapiski ist.
+fil. fakulteta imp. S. Peterb. universiteta XCII 1909) no. 60, I p. 74.
+
+[932] La Borderie, l.c., p. 618.
+
+[933] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 276.
+
+[934] Ib. p. 164, no. 30.
+
+[935] Ib. I p. 275, no. 5.
+
+[936] Froissart, Poésies, ed. Scheler, II p. 216.
+
+[937] P. Michault, La dance aux aveugles etc., Lille, 1748.
+
+[938] Recueil de poésies françoises des XVe et XVIe siècles, ed. de
+Montaiglon (Bibl. elzevirienne) t. IX p. 59.
+
+[939] Deschamps, VI no. 1202, p. 188.
+
+[940] Het vee dat naar de wei gaat.
+
+[941] Froissart, Poésies. I p. 91.
+
+[942] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 22.
+
+[943] Deschamps, I p. 196, no. 90, p. 192, no. 87. IV p. 294, no. 788, V
+no.903, 905, 919, VII p. 220, no. 1375, vgl. II p. 86, no. 250, no.247.
+
+[944] Durrieu, Les tres riches heures, pl. 38, 39, 60, 27, 28.
+
+[945] Deschamps, no. 1060, V p. 351. no. 844, V p. 15.
+
+[946] Chastellain, III p. 256ss.
+
+[947] Journal d'un bourgeois, p. 325(2).
+
+[948] Deschamps, nos. 1229, 1230, 1233, 1259, 1299, 1300, 1477, VI
+p. 230, 232, 237, 279, VII p. 52, 54, VIII p. 182, vgl. Gaguin's
+De validorum mendicantium astucia, Thuasne, II p. 169ss.
+
+[949] Deschamps. no. 219, II p. 44, no. 2, I p. 71.
+
+[950] Ib. IV, p. 291, no. 786.
+
+[951] Bibliothèque de l'école des chartes, 2e série III 1846, p. 70.
+
+[952] Proverbia, 14.13.
+
+[953] Alain Chartier, La belle dame sans mercy, p. 503, 505, vgl. Le
+debat du reveille-matin, p. 498; Chansons du XVe siècle, p. 71, no. 73;
+L'amant rendu cordelier à l'observance d'amours, vs. 371; Molinet,
+Faictz et dictz, ed. 1537, f. 172.
+
+[954] Alain Chartier, Le debat des deux fortunes d'amours, p. 581.
+
+[955] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, III p. 194.
+
+[956] Charles d'Orléans, Poésies complètes, p. 68.
+
+[957] L.c., p. 88, ballade no. 19.
+
+[958] L.c., chanson no. 62.
+
+[959] Vgl. Alain Chartier, p. 559: "Ou se le vent une fenestre boute,
+Dont il cuide que sa dame l'escoute, S'en va coucher joyeulx...."
+
+[960] Huitains 51, 53, 57, 167, 188, 192, ed. de Montaiglon, Soc. des
+anc. textes francais, 1881.
+
+[961] Museum te Leipzig, no. 509.
+
+[962] Juvenal des Ursins, 1418, p. 541; Journal d'un bourgeois de Paris,
+p. 92, 172.
+
+[963] J. Veth & S. Muller Fz., A. Dürer's Niederländische Reise,
+Berlin-Utrecht, 1918, 2 bde, I p. 13.
+
+[964] Chastellain, III p. 414.
+
+[965] Chron. scand., I p. 27.
+
+[966] Molinet, V p. 15.
+
+[967] Lefebvre, Théatre de Lille, p. 54, bij Doutrepont, p. 354.
+
+[968] Th. Godefroy, Le ceremonial françois, 1649, p. 617.
+
+[969] J. B. Houwaert, Declaratie van die triumphante Incompst van den
+... Prince van Oraingnien etc.; t'Antwerpen, Plantijn 1579, p. 39.
+
+[970] De these van Emile Male omtrent den invloed der
+theatervoorstelling op de schilderkunst moge hier blijven rusten.
+
+[971] Zie P. Durrieu, Gazette des beaux arts, 1906, t. 35, p. 275.
+
+[972] Christine de Pisan, Epitre d'Othéa à Hector, Ms. 9392 de Jean
+Miélot, ed. J. van den Gheyn, Bruxelles 1913.
+
+[973] L.c., pl. 5, 8, 26, 24, 25.
+
+[974] Van den Gheyn, Epitre d'Othéa, pl. I en 3; Michel, Histoire de
+l'art IV, 2 p. 603, Michel Colombe, grafmonument uit de kathedraal van
+Nantes, id. 616, figuur van Temperantia aan het grafmonument der
+kardinalen van Amboise in de kathedraal van Rouen.
+
+[975] Zie daarover mijn opstel Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal
+besef, De Gids 1912, I.
+
+[976] Exposition sur verité mal prise, Chastellain, VI p. 249.
+
+[977] zuur.
+
+[978] gordel.
+
+[979] Le livre de paix, Chastellain, VII p. 375.
+
+[980] Advertissement au duc Charles, Chastellain. VII p. 304 ss.
+
+[981] Chastellain, VII p. 237 ss.
+
+[982] Molinet, Le miroir de la mort, fragment bij Chastellain, VI
+p. 460.
+
+[983] Chastellain. VII p. 419.
+
+[984] Deschamps, I p. 170.
+
+[985] Le Pastoralet, vs. 501, 7240, 5768.
+
+[986] Vgl. voor de vermenging van pastorale en politiek Deschamps, III
+p. 62, no. 344, p. 93, no. 359.
+
+[987] Molinet, Faictz et dictz, f. 1.
+
+[988] Molinet, Chronique, IV p. 307.
+
+[989] Bij E. Langlois, Le roman de la rose (Soc. des anc. textes) 1914,
+I p. 33.
+
+[990] Recueil de Chansons etc. (Soc. des bibliophiles belges), III p. 31.
+
+[991] La Borderie, l.c., p. 603, 632.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XIV
+
+HET KOMEN VAN DEN NIEUWEN VORM
+
+
+De verhouding van het opbloeiende Humanisme en den afstervenden geest
+der Middeleeuwen is veel minder eenvoudig, dan wij geneigd zijn, ons
+haar voor te stellen. Ons, die die beide cultuurcomplexen scherp
+gescheiden zien, schijnt het, alsof de ontvankelijkheid voor de eeuwige
+jeugd der Ouden en de verloochening van den ganschen versleten toestel
+der middeleeuwsche gedachtenuitdrukking gekomen moet zijn als een
+openbaring. Alsof de geesten, ten doode vermoeid van allegorie en
+flamboyantisme, plotseling moeten hebben begrepen: neen, niet dit, maar
+dat! Alsof de gouden harmonie van het klassieke hun opeens als een
+redding voor oogen moet hebben gestraald, alsof zij de Oudheid hebben
+moeten omhelsd met de vervoering van wie zijn heil heeft gevonden.
+
+Maar zoo is het niet. Midden in den tuin der middeleeuwsche gedachte,
+tusschen de welige woekering van het oude gewas, is het klassicisme van
+lieverlede opgegroeid. Eerst is het enkel een formeel fantazie-element.
+Een groote nieuwe bezieling wordt het eerst laat, en de geest en de
+uitdrukkingsvormen, die wij als de oude, middeleeuwsche plegen te
+beschouwen, sterven ook dan nog niet af.
+
+Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier
+geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Italië, maar
+in het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den
+heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk
+Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze
+tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan begaat men
+licht deze vergissing: men houdt de signatuur van het quattrocento:
+de blijheid, de vrijheid, het serene en het sonore, voor die van den
+nieuwen tijd, en zegt: daar waar het leven in dien toonaard klinkt,
+daar is de Renaissance. Doch is het niet veeleer de signatuur van den
+Italiaanschen geest, is zij niet reeds evenzeer aanwezig in het Italië
+der dertiende eeuw? Men komt altijd weer terecht, of bij de absurde
+consequentie, om de Renaissance steeds hoogerop in de Middeleeuwen
+te verlengen, of bij de erkentenis, dat de Renaissance met haar
+Italiaanschen verschijningsvorm volstrekt niet volledig is getypeerd,
+en dat het begrip Renaissance slechts één aspect vertegenwoordigt van
+de bonte cultuur der eindigende Middeleeuwen.
+
+Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de
+nieuwe, klassicistische vormen op. Voor het aannemen van volkomen
+ontwikkelde humanistische uitdrukkingsvormen is niet anders noodig, dan
+dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigd op
+zuiver latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks
+1400 in Frankrijk; zij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten:
+Jean de Monstreuil, kanunnik van Rijssel en koninklijk secretaris,
+Nicolas de Clemanges, de beroemde woordvoerder der reformgezinde
+geestelijkheid, Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke
+geheimschrijvers evenals de eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en
+deftige humanistenbrieven, die voor de latere producten van het genre
+in niets onderdoen: de holle algemeenheid van gedachte, het gewild
+gewichtige, de gewrongen zinsbouw en ondoorzichtige uitdrukking, en ook
+het behagen aan geleerde beuzelingen. Jean de Monstreuil maakt zich druk
+over de spelling van "orreolum" en "scedula", met of zonder h, over het
+gebruik van de k in latijnsche woorden. "Als ge mij niet te hulp komt,
+waarde leermeester en broeder,--schrijft hij aan Clemanges--, [992]
+ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods schuldig. Daar heb ik
+bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en vader, den
+bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus "propior",
+overhaast en slordig als de pen is, "proximior" heb gezet! Verbeter
+het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken."
+[993]--Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als
+geleerde letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van
+zijn vriend Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had,
+en Ovidius boven Vergilius stelde. [994]
+
+In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het
+klooster Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar
+middeleeuwschen trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens
+veel leesbaarder wordt. Hoe de musschen meeëten in het reefter, zoodat
+men zou twijfelen, of de koning de prebende voor de monniken of voor de
+vogels heeft ingesteld, hoe een winterkoninkje doet, alsof het de abt
+was, hoe de ezel van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook hèm in
+zijn epistel niet te vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar
+niet specifiek humanistisch. [995] Herinneren wij ons, dat Jean de
+Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige
+vereerders van den _Roman de la rose_ leerden kennen, en als leden van
+den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een
+uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is
+eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche
+schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke
+latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien
+geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw.
+
+Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke
+voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen,
+die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote
+internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil
+en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de
+Florentijnsche kanselier, die in het midden der veertiende eeuw de
+nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staats-acten had ingevoerd,
+wordt herhaaldelijk door hem genoemd. [996] Petrarca is evenwel, als men
+het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen
+geest. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde, [997] Machaut's
+Peronne d'Armentières bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer
+niet enkel door het voorbeeld van Heloïse, maar ook reeds door dat van
+Laura bezeten is geweest, dan levert _Le Voir-Dit_ een opmerkelijk
+getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent
+van de moderne gedachte zien, toch weder een zuiver middeleeuwsche
+schepping kon opleveren.
+
+Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Italië
+zijn naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de "devotissimus,
+catholicus ac celeberrimus philosophus moralis." [998] Ook als zoodanig
+wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake
+van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes,
+de geestdrijver van Saint Lié, [999] ontleent voor een nieuw gebed, dat
+hij samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij
+roept diens gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van
+ketterij. [1000] Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's _De Vita
+solitaria_ een klacht over om het verlies van het heilige graf; "maar
+omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever
+den zin dan den vorm van Franciscus' woorden aanhalen." [1001]
+
+De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in
+hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun
+bewonderden Petrarca, dat buiten Italië geen redenaars en dichters te
+zoeken waren, [1002] te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de
+Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet. [1003]
+
+Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften
+vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, "le
+docteur de patience en adversité". Voor Chastellain [1004] is messire
+Jehan Bocace een soort impresario der Fortuin geworden; _Le Temple de
+Bocace_ betitelt hij een zeer barok tractaat over allerlei tragisch
+lotgeval van zijn tijd, waarin de geest van den "noble historien" wordt
+aangeroepen, om troost in haar rampspoed te schenken aan Margareta van
+Engeland.
+
+Terwijl de geleerde auteurs den klassiek Latijnschen briefstijl reeds
+beheerschen met volkomen vaardigheid, vertoonen de wereldlijken, bij al
+hun bewondering voor de Oudheid, somtijds nog een diepe onwetendheid.
+Machaut (hoewel geestelijke geen geleerde en wereldsch als dichter)
+verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier.
+Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en
+Pirithous. De dichter van _Le Pastoralet_ spreekt van "le bon roy
+Scypion d'Afrique", de schrijvers van _Le Jouvencel_ leiden "pollitique"
+af van [greek: _polyt_] en een gewaand Grieksch "icos, gardien, qui est
+à dire gardien de pluralité." [1005]
+
+Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en
+toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen
+herdersspel _Le Pastoralet_ geeft in een beschrijving van den god
+Silvanus en een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het
+quattrocento, om dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen
+van zijn oude pad. [1006] Evenals Jan van Eyck soms klassicistische
+architectuurvormen aanbrengt op zijn zuiver middeleeuwsch geziene
+tafereelen, zoeken de schrijvers, louter formeel nog en ter versiering,
+antieke trekken te verwerken. De kroniekschrijvers beproeven hun kracht
+op staats- en krijgsredevoeringen, contiones, in Liviaanschen trant, of
+vermelden wonderteekens, prodigia, omdat Livius het ook deed. [1007]
+Daar waar de verwerking der klassieke vormen met den ouden geest het
+onvolkomenst uitvalt, leeren wij het meest omtrent de wording der
+Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean Germain, beproeft het
+vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in den dringenden,
+gemarkeerden stijl der Romeinen; het valt uit als een middeleeuwsch
+kalenderblad. [1008] Het gezicht op de Oudheid is nog buitengewoon
+bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy komt de
+jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van zijn
+vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad "à l'antique", dat wil zeggen,
+hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij een
+der negen "preux" voorstelt, [1009] en zijn eigen zegepraal viert. Zoo
+vermomd bidt hij een kwartier lang. [1010]
+
+Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt
+door de begrippen "rhétorique, orateur, poésie". Zij zien de
+benijdenswaardige volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden
+vorm. Al deze dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als
+zij hun hart laten spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een
+vloeiend, eenvoudig, vaak pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens
+heel mooi moet, brengen zij er mythologie aan te pas, en precieuze
+latiniseerende termen, en vinden zich "rhétoricien". Christine de Pisan
+onderscheidt een mythologisch gedicht uitdrukkelijk van haar gewone werk
+als "balade pouétique". [1011] Wanneer Eustache Deschamps aan zijn
+kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn werken toezendt, vervalt hij in
+de meest ongenietbare quasi-klassieke poespas.
+
+ "O Socrates plains de philosophie,
+ Seneque en meurs et Anglux en pratique,
+ Ovides grans en ta poeterie,
+ Bries en parler, saiges en rethorique
+ Aigles tres haulz, qui par ta théorique
+ Enlumines le regne d'Eneas,
+ L'Isle aux Geans, ceuls de Bruth, et qui as
+ Semé les fleurs et planté le rosier,
+ Aux ignorans de la langue pandras,
+ Grant translateur, noble Geffroy Chaucier!
+ * * * * * * * * * * * * * * *
+ A toy pour ce de la fontaine Helye
+ Requier avoir un buvraige autentique,
+ Dont la doys est du tout en ta baillie,
+ Pour rafrener d'elle ma soif ethique,
+ Qui en Gaule seray paralitique
+ Jusques a ce que tu m'abuveras." [1012]
+
+Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke
+latiniseering van het edele Fransch, welke den spot van Villon en van
+Rabelais zou treffen. [1013] Het is steeds weer in de dichterlijke
+correspondentie, in de opdrachten en oraties, met andere woorden, als
+het bijzonder mooi moet, dat men dien trant aantreft. Dan spreekt
+Chastellain van "vostre très-humble et obéissante serve et ancelle, la
+ville de Gand", "la viscérale intime douleur et tribulation", La Marche
+van "nostre francigène locution et langue vernacule", Molinet van
+"abreuvé de la doulce et melliflue liqueur procedant de la fontaine
+caballine", "ce vertueux duc scipionique", "gens de mulièbre courage".
+[1014]
+
+Deze idealen van verfijnde "rhétorique" zijn geen idealen van zuivere
+litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van
+hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is evenzeer als de
+poëzie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm
+van conversatie, een streven naar een hoogeren levensvorm. Zelfs de
+geleerden correspondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat
+element geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich
+middenevenredig tusschen Italië en de Nederlanden. In Italië, waar taal
+en gedachte het minst verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid,
+konden de humanistische vormen ongedwongen worden opgenomen in de
+natuurlijke ontplooiing van het hoogere volksleven. De Italiaansche taal
+werd door eenige meerdere latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld
+aangedaan. De humanistische clubgeest sloot er zeer wel aan bij de
+zeden der samenleving. De Italiaansche humanist vertegenwoordigde den
+geleidelijken uitgroei der Italiaansche volksbeschaving, en daarmee
+het eerste type van den modernen mensch. In de Bourgondische landen
+daarentegen was de geest en de vorm der samenleving nog zoo
+middeleeuwsch, dat het streven naar een vernieuwde en gezuiverde
+uitdrukking er zich aanvankelijk slechts belichamen kon in volkomen
+ouderwetschen vorm: de rederijkerskamers. Als genootschappen zijn zij
+enkel een voortzetting van de middeleeuwsche broederschap, en de geest,
+die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het zeer uiterlijk formeele
+vernieuwd. Eerst het bijbelsch Humanisme van Erasmus inaugureert er de
+moderne beschaving.
+
+Frankrijk kent niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers,
+maar zijn "nobles rhétoriciens" gelijken ook nog niet op Italiaansche
+humanisten. Ook zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en
+vormen. Ten opzichte der Fransche letterkunde der vijftiende eeuw kan
+men zonder overdrijving zeggen, dat die schrijvers en dichters, die
+zich het meest vrij houden van klassicisme, nader staan tot de moderne
+ontwikkeling der litteratuur dan zij, die de idealen van latiniteit en
+oratorie huldigen. De modernen, dat zijn er de onbevangenen van geest,
+zelfs als zij dien nog kleeden in den middeleeuwschen vorm: Villon,
+Coquillart, Henri Baude, ook Charles d'Orléans en de dichter van
+_L'amant rendu cordelier_. Juist het klassicistische streven doet zich
+hier, althans wat dicht en proza betreft, als den remmenden invloed
+gelden. De pompeuze woordvoerders van het zwaar gedrapeerde
+Bourgondische ideaal: Chastellain, La Marche, Molinet, dat zijn de
+ouderwetsche geesten der Fransche litteratuur. Zoodra ook zij zich nu
+en dan losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en dichten of
+schrijven, wat hun ter harte gaat, eenvoudigweg, worden zij leesbaar,
+en doen zij tegelijk moderner aan.
+
+Een dichter van den tweeden rang, Jean Robertet (1420-1490), secretaris
+van drie hertogen van Bourbon en drie Fransche koningen, zag in Georges
+Chastellain, den Vlaming-Bourgondiër, het puik der edele dichtkunst. Uit
+die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het
+zooeven beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te
+komen, bedient Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant,
+die als gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van
+Bourgondië opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven voor
+Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een
+hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze
+niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging,
+vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude
+recept: "les Douze Dames de Rhétorique" waren hem verschenen, genaamd
+Science, Eloquence, Gravité de Sens, Profondité enz. Voor die verlokking
+bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rhétorique groepeeren
+zich nu de brieven van het drietal; [1015] het duurde overigens niet
+lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling
+af.
+
+Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. "J'ay
+esté en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la
+brumale froidure", aldus een verkoudheid. [1016] Even zot zijn de
+hyperbolische termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk
+zijn dichterlijken brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen
+poëzie inderdaad) beet heeft, schrijft hij aan Montferrant:
+
+ "Frappé en l'oeil d'une clarté terrible
+ Attaint au coeur d'éloquence incrédible,
+ A humain sens difficile à produire,
+ Tout offusquié de lumière incendible
+ Outre perçant de ray presqu'impossible
+ Sur obscur corps qui jamais ne peut luire,
+ Ravi, abstrait me trouve en mon déduire,
+ En extase corps gisant à la terre,
+ Foible esperit perplex à voye enquerre
+ Pour trouver lieu et oportune yssue
+ Du pas estroit où je suis mis en serre,
+ Pris à la rets qu'amour vraye a tissue."
+
+En in proza voortgaande: "Où est l'oeil capable de tel objet visible,
+l'oreille pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?" Wat zegt
+Montferrant, "amy des dieux immortels et chéri des hommes, haut pis
+Ulixien, plein de melliflue faconde" er wel van? "N'est-ce resplendeur
+équale au curre Phoebus?" Is het niet meer dan Orpheus' lier, "la tube
+d'Amphion, la Mercuriale fleute qui endormyt Argus?" enz. enz. [1017]
+
+Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe
+schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche
+voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten
+huldigen nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn Mémoires zal
+kunnen gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn
+arbeid met het herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle "orateurs",
+om zijn werk te besnoeien van het overbodige. Zelfs Commines hoopt, dat
+de aartsbisschop van Vienne, wien hij zijn werk zendt, het misschien zal
+kunnen opnemen in een Latijnsch geschrift. [1018]
+
+In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en
+Montferrant ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts
+opgeplakt op een echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet
+is in Italië geweest, "en Ytalie, sur qui les respections du ciel
+influent aorné parler, et vers qui tyrent toutes douceurs élémentaires
+pour là fondre harmonie." [1019] Maar van die harmonie van het
+quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee thuisgebracht. De
+voortreffelijkheid van Italië bestond voor deze geesten louter in het
+"aorné parler", in de uiterlijke cultiveering van een kunstvaardigen
+stijl.
+
+Het eenige, wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even
+twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde
+ontboezemingen soms even onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de Dames
+de Rhétorique tot Montferrant, [1020]--"il est exemple de Tullian art,
+et forme de subtilité Térencienne ... qui succié a de nos seins notre
+plus intériore substance par faveur; qui, outre la grâce donnée en
+propre terroir, se est allé rendre en pays gourmant pour réfection
+nouvelle (d.i. Italië), là où enfans parlent en aubes à leurs mères,
+frians d'escole en doctrine sur permission de eage". Chastellain zegt de
+correspondentie op, omdat het hem te machtig wordt: de poort heeft lang
+genoeg wijd opengestaan voor "Dame Vanité"; hij gaat haar grendelen.
+"Robertet m'a surfondu de sa nuée, et dont les perles, qui en celle se
+congréént comme grésil, me font resplendir mes vestements; mais qu'en
+est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma robe deçoit les voyans?"
+Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven ongelezen in het vuur
+gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder vrienden hoort, dan zal
+George's genegenheid hem niet begeven.
+
+Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist,
+komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het latijn
+bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest
+der Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde
+nabootsen zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als
+Robert Gaguin (1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds
+bijna even modern aan als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid
+te danken had, doordat Gaguin achter zijn Compendium der Fransche
+geschiedenis, het eerste wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk
+(1495), een brief van Erasmus opnam, die zich daardoor voor het eerst
+gedrukt zag. [1021] Al kende Gaguin nog even slecht Grieksch als
+Petrarca, [1022] een echte humanist is hij er niet minder om. Tegelijk
+evenwel zien wij ook in hem den ouden geest voortleven. Hij wijdt zijn
+Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude middeleeuwsche thema's,
+zooals de diatribe tegen het huwelijk [1023] of de misprijzing van het
+hofleven, door Alain Chartier's _Curial_ in het latijn terug te
+vertalen, of de maatschappelijke waarde der standen, in den
+veelgebruikten vorm van een twistgesprek, _le Debat du Laboureur, du
+Prestre et du Gendarme_. In zijn Fransche gedichten doet juist Gaguin,
+die den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische
+fraaiigheden in het geheel niet mee; geen gelatiniseerde vormen, geen
+hyperbolische wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij
+geheel aan de zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de
+natuurlijkheid en daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm
+is nog niet veel meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed,
+maar hij beweegt zich toch vrijer zonder dien tabbert. Bij den Franschen
+geest der vijftiende eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op.
+
+Men is veelal gewend, om als een doorslaand criterium van de intrede der
+Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken.
+Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire
+paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance.
+Wanneer de humanisten God "princeps superum" en Maria "genitrix
+tonantis" noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke
+transponeeren van de personen van het christelijk geloof in benamingen
+der heidensche mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of
+niets voor den inhoud van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der
+twaalfde eeuw rijmt in zijn geestige biecht onbeschroomd:
+
+ "Vita vetus displicet, mores placent novi;
+ Homo videt faciem, sed cor patet lovi."
+
+Wanneer Deschamps van "Jupiter venu de Paradis" spreekt, [1024] bedoelt
+hij geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de
+roerende ballade, die hij voor zijn moeder maakte, om tot Onze Lieve
+Vrouw te bidden, haar "haulte Deesse" noemt. [1025]
+
+Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon
+men argeloos goden laten optreden. In _Le Pastoralet_ heet het
+Celestijnenklooster te Parijs "temple au hault bois pour les diex
+prier." [1026] Van zulk een onschuldig paganisme werd niemand de dupe.
+En ten overvloede verklaart de dichter: "Se pour estrangier ma Muse je
+parle des diex des païens, sy sont les pastours crestiens et moy."
+[1027] Evenzoo schuift Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en
+Minerva laat optreden, de verantwoordelijkheid op "Raison et Entendement",
+die hem zeiden: "Tu le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et
+déesses, mais pour ce que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi
+qu'il lui plaist, et souventes fois par divers inspirations." [1028]
+
+Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt
+niet ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor
+het doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van
+waardeering van het heidensch geloof, met name het heidensche offer, als
+zoodanig aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun
+gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain
+deed.
+
+ "Des dieux jadis les nations gentiles
+ Quirent l'amour par humbles sacrifices,
+ Lesquels, posé que ne fussent utiles,
+ Furent nientmoins rendables et fertiles
+
+ De maint grant fruit et de haulx bénéfices,
+ Monstrans par fait que d'amour les offices
+ Et d'honneur humble, impartis où qu'ils soient
+ Pour percer ciel et enfer suffisoient." [1029]
+
+Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der
+Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe
+de Ternant, zonder naar de gewoonte een "bannerole de devocion" te
+dragen, een lint met een vrome spreuk of figuur. "Laquelle chose je ne
+prise point", zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener
+is het devies, dat Ternant draagt: "Je souhaite que avoir puisse de mes
+desirs assouvissance et jamais aultre bien n'eusse." [1030] Het kon de
+lijfspreuk zijn van den vrijdenkendsten virtuoso der zestiende eeuw.
+
+Niet uit de klassieke litteratuur behoefden de geesten dit werkelijke
+paganisme te putten. Zij konden het leeren uit hun eigen middeleeuwschen
+schat, uit den _Roman de la rose_. In de erotische cultuurvormen, daar
+lag het ware heidendom. Daar hadden van eeuwen her Venus en de Liefdegod
+een schuilhoek gehad, waar zij iets meer dan een louter rhetorische
+vereering vonden. Jean de Meun, dat was de groote heiden geweest. Niet
+zijn vermenging van godennamen der Oudheid met die van Jezus en Maria,
+maar zijn vermenging van de stoutste aanprijzing van aardschen wellust
+met christelijke zaligheidsvoorstellingen was voor tallooze lezers sinds
+de dertiende eeuw de school van het paganisme geweest. Er was geen
+grooter blasphemie mogelijk dan de verzen, waarin hij het woord van
+Genesis: toen berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde
+gemaakt had, met omgekeerden zin in den mond legde van Nature, die bij
+hem volkomen als demiurg optreedt:
+
+ "Si m'aïst Diex li crucefis,
+ Moult me repens dont homme fis." [1031]
+
+Het blijft verwonderlijk, dat de Kerk, die tegen kleine dogmatische
+afwijkingen van strikt bespiegelenden aard zoo angstvallig waakte en zoo
+heftig optrad, de leeringen van dit brevier der aristocratie ongehinderd
+in de geesten heeft laten voortwoekeren.
+
+ * * * * *
+
+De nieuwe vorm en de nieuwe geest dekken elkander niet. Zoogoed als de
+gedachten van den komenden tijd uiting vonden in middeleeuwsch gewaad,
+zoo goed zijn de meest middeleeuwsche gedachten gezegd in sapphische
+metra, met een heelen stoet van mythologische figuren. Klassicisme en
+Renaissance zijn twee geheel verschillende dingen. Het litteraire
+klassicisme is een oud geboren kind. De Oudheid is voor de vernieuwing
+van de litteratuur nauwelijks meer geweest dan de pijlen van Philoktetes.
+Niet wat de beeldende kunst, en niet wat het wetenschappelijk denken
+aangaat: daar is de antieke zuiverheid van verbeelding en uitdrukking
+veel meer geweest dan een dorre staf. Het overwinnen van het overdadige,
+van het overdrevene, van het verdraaide, van de grimas en de flamboyante
+krul, het is alles het werk der Oudheid geweest. Maar in het litteraire
+is de eenvoud en de zuiverheid opgegroeid buiten, ja ondanks het
+klassicisme.
+
+De enkelen, die in het Frankrijk der vijftiende eeuw humanistische
+vormen aannemen, luiden nog geen Renaissance in. Want hun stemming, hun
+oriënteering is nog middeleeuwsch. De Renaissance komt eerst, wanneer de
+_levenstoon_ verandert, wanneer het getij van doodelijke levensverzaking
+kentert, en er een bolle frissche wind gaat blazen; wanneer het blijde
+besef rijpt, dat men al de heerlijkheid der oude menschheid, waaraan men
+zich al zoo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[992] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius, Lugd. Bat., 1613; Joh. de
+Monasteriolo, Epistolae, Martène & Durand, Amplissima Collectio, II col.
+1310.
+
+[993] Ep. 69 c. 1447, ep. 15 c. 1338.
+
+[994] Ep. 59 c. 1426, 58, c. 1423.
+
+[995] Ep. 40, col. 1388, 1396.
+
+[996] Ep. 59, 67, col. 1427, 1435.
+
+[997] Le livre du Voir-Dit, p. xviii.
+
+[998] Ep. 38, col. 1385.
+
+[999] Zie hierboven p. 324. (zie Hoofdstuk VIII, tekst voor noot 666)
+
+[1000] Gerson, Opera, I p. 922.
+
+[1001] Dion. Cart., t. XXXVII p. 495.
+
+[1002] Petrarca, Opera, ed. Bazel 1581, p. 847.
+
+[1003] Clemanges, Opera. Ep. 5, p. 24; J. de Monstr., Ep. 50, col. 1428.
+
+[1004] Chastellain, VII p. 75-143, vgl. V p. 38-40, VI p. 80; VIII p. 358,
+Le livre des trahisons, p. 145.
+
+[1005] Machaut, Le Voir-Dit, p. 230; Chastellain, VI p, 194, La Marche,
+III p. 166; Le Pastoralet vs.2806; Le Jouvencel, I p. 16.
+
+[1006] Le Pastoralet vs. 541, 4612.
+
+[1007] Chastellain, III p. 173, 117, 359 enz.; Molinet, II p. 207.
+
+[1008] J. Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae (Chron.
+rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III).
+
+[1009] Zie hierboven p. 107. (zie Hoofdstuk III, tekst volgend op noot
+194)
+
+[1010] Chronique scandaleuse, II p. 42.
+
+[1011] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I no. 90. p. 90.
+
+[1012] Deschamps, no. 285, II p. 138.
+
+[1013] Villon, ed. Longnon p. 15, h. 36-38; Rabelais, Pantagruel, 1. 2.
+ch. 6.
+
+[1014] Chastellain, V p. 292ss; La Marche, Parement et triumphe des
+dames, Prologue; Molinet, Faictz et dictz, Prologue, id. Chronique,
+I p. 72, 10. 54.
+
+[1015] Uittreksels bij Kervyn de Lettenhove, Oeuvres de Chastellain,
+VII p. 145-186; zie P. Durrieu, Un barbier de nom français à Bruges,
+Académie des inscriptions et belles-lettres, Comptes rendus 1917,
+p. 542-558.
+
+[1016] Chastellain, VII p. 146.
+
+[1017] Ib. p. 180.
+
+[1018] La Marche, I p. 15, 184-186; Molinet, I p. 14, III p. 99;
+Chastellain, VI: Exposition sur verité mal prise, VII p. 76, 29, 142,
+422; Commines, I p. 3; vgl. Doutrepont, p. 24.
+
+[1019] Chastellain, VII p. 159.
+
+[1020] Ib.
+
+[1021] Thuasne, R. Gaguini Ep. & Or, I p. 126.
+
+[1022] Thuasne, I p. 20.
+
+[1023] Thuasne. I p. 178, II p. 509.
+
+[1024] Deschamps, no. 63, I p. 158.
+
+[1025] Villon, Testament vs. 899, ed. Longnon, p. 58.
+
+[1026] Le Pastoralet vs. 2094.
+
+[1027] Ib. vs. 30, p. 574.
+
+[1028] Molinet, V p. 21.
+
+[1029] Chastellain, Le dit de verité, VI p. 221, vgl. Exposition sur
+verité mal prise, ib. p. 297, 310.
+
+[1030] La Marche, II p. 68.
+
+[1031] Roman de la rose vs. 20141; aïst=helpe, dont=dat ik.
+
+
+ * * * * *
+
+
+REGISTER
+
+
+Cursief gedrukte namen verwijzen naar den volledigen titel van
+afgekort aangehaalde werken.
+
+Abuzé en Court, L'.
+Adel, Taak van den.
+Adeldom in deugd.
+Adellijke levensvormen nagevolgd door de burgerij.
+Agricola, Rudolf.
+Ailly, Pierre d'.
+Alain de la Roche.
+_Alain de la Roche_.
+Alanus de Rupe, zie Alain de la Roche.
+Alcuin.
+_Alienor_.
+Allegoriel.
+Amadis-romans.
+Amant rendu cordelier, L'.
+Amoureux de l'observance.
+Amuletten.
+Andrieskruis.
+Anjou, Isabella van.
+Anjou, Lodewijk van.
+Anjou, Margareta van, koningin van Engeland.
+Anjou, René van; zie René, koning.
+Anthropomorphisme.
+Antieke helden.
+Aquino, Thomas van.
+Arbre des batailles, L'.
+Arc, Jeanne d'.
+Archipoeta.
+Arkel.
+Armagnacs.
+Armentières, Peronnelle d'.
+Arnemuyden, Margareta van.
+Arnolfini, Jean.
+Arrestz d'amour.
+Ars moriendi.
+Artevelde, Philips van.
+Artois, Philippe d'.
+Artois, Robert van.
+Atharvaveda.
+Aubriot, Hugues.
+Augustinus.
+Aurea mediocritas.
+Auvergne, Martiald'.
+Azincourt.
+Azincourt, Regnault d'.
+
+Bach, Johann Sebastian.
+Baerze, Jacques de.
+Bajazid.
+Ball, John.
+Balue, Jean, bisschop van Evreux, kardinaal enz..
+Bandello.
+Bar, Louis de, kardinaal.
+Barante, De.
+Basin, Thomas, bisschop van Lisieux.
+_Basin, Thomas_.
+Baude, Henri.
+Baudricourt, Robert de, gouverneur van Vaucouleurs.
+Beaugrant, Madame de.
+Beaumanoir, Robert de.
+Beaumont, Jan van.
+Beauneveu, André.
+Bedelaars.
+Bedevaarten.
+Bedford, John of Lancaster, hertog van.
+Begarden.
+Begrafenis, Vorstelijke.
+Beieren, Albrecht van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland.
+Beieren, Jan van, elect van Luik, later graaf van Holland en Zeeland.
+Beieren, Margareta van, hertogin van Bourgondië.
+Beieren, Willem VI van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland.
+Beleefdheidsstrijd.
+Belon la Folle.
+Benedictus XIII.
+Bernard van Clairvaux.
+Bernardino van Siena.
+Beroepsideaal.
+Berry, Jan, hertog van.
+Berry, Karel, hertog van.
+Berry, heraut.
+Berthelemy, Jean.
+Bespotting van het geloof.
+Bétisac, Jean.
+Beurtgesprek, als stijlmiddel.
+Bizarre in schilderkunst en litteratuur, Het.
+Bladelyn, Pieter.
+Bloed des Verlossers.
+Bloedwraak.
+Blois, Charles de.
+Blois, Jean de, heer van Gouda en Schoonhoven.
+Blois, Jean de.
+Boccaccio.
+Bodin, Jean.
+Boeddhisme.
+Boeufs, Pierre aux.
+Bois, Manssart du.
+Bonaventura.
+Bonet, Honoré.
+Boniface, Jean de.
+Borgia, Cesare.
+Borromeus, Karel.
+Boucicaut, Jean le Meingre, maréchal de.
+_Boucicaut, Livre des faicts du mareschal de_.
+Bourbon, Isabella van; zie Charolais.
+Bourbon, Jacques de.
+Bourbon, Jean de.
+Bourbon, Louis de.
+Bourgeois de Paris.
+_Bourgeois de Paris; zie Journal_.
+Bourgogne, Mademoiselle de.
+Bourgondië, Anna van, hertogin van Bedford.
+Bourgondië, David van, bisschop van Utrecht.
+Bourgondië, zie onder de voornamen.
+Bourguignons.
+Bouts, Dirk.
+Brabant, Antonie van Bourgondië, hertog van.
+Brabant, Wencelyn, hertog van.
+Brandebourch.
+Breauté, Pierre de.
+Bretagne, Frans II, hertog van.
+Bretagne, Jan V, hertog van.
+Bretagne, Frans III, hertog van.
+Breughel, Pieter.
+Brigitta van Zweden.
+Broederlam, Melchior.
+Broeders van den Vrijen Geest.
+Brugman, Johannes.
+Bruiloft.
+Bueil, Jean de.
+Burckhardt, Jakob.
+Burgerij.
+Burne Jones, Edward.
+Busnois, Antoine.
+Bussy, Oudart de.
+Bijgeloof.
+
+Capeluche, beul van Parijs.
+Capistrano, Johannes.
+Carr, Robert.
+Casuïstiek.
+Casuïstiek der liefde.
+Catharina van Siena.
+Caxton, William; 441.
+Celestijnen, klooster der, te Parijs.
+Cent ballades.
+_Cent Ballades, Le livre des_.
+Cent nouvelles nouvelles.
+Chaise-Dieu, La.
+Champion, P.
+_Champion, P. zie Villon_.
+Charny, Geoffroi de.
+_Charny, Le livre messire Geoffroi de_.
+Charolais, Isabella van Bourbon, gravin van.
+Charolais; zie Karel de Stoute.
+Chartier, Alain.
+_Chartier, Alain_.
+_Chartier, Jean_.
+Chastellain, Georges.
+_Chastellain, Georges_.
+Châtel, Guillaume du.
+Châtelier, Jacques du, bisschop van Parijs.
+Chaucer, Geoffrey.
+Chevalier, Etienne.
+Chevalier du guet.
+Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison; zie Orde van de Ster.
+Chevrot, Jean, bisschop van Doornik.
+Chopinel; zie Clopinel.
+_Chroniqae scandaleuse_.
+Cicero.
+Cleef, Jan I, hertog van.
+Cleef, Adolf van, heer van Ravestein.
+Clemanges, Nicolaas van.
+_Clemanges, Nicolaas van_.
+Clemens V.
+Clercq, Jacques du.
+_Clercq, Jacques du.
+Clisson, Olivier de, connétable van Frankrijk.
+Clopinel, Jean.
+Coeur, Jacques.
+Coïmbra, Jan van.
+Coitier, Jacques.
+Col, Gontier.
+Col, Pierre.
+Colette Boellet, Sainte.
+Combat des Trente.
+Commines, Philippe de.
+_Commines, Philippe de_.
+Compositie in de schilderkunst.
+Contemptus mundi; zie Verachting der wereld.
+Coquillart, Guillaume.
+Coquinet, le fou de Bourgogne.
+Cordeliers, klooster der.
+Coucy, Enguerrand de.
+Cour d'amours.
+Courtenay, Pierre de.
+Coustain, Jean.
+Cranach, Lucas.
+Craon, Pierre de.
+Cresecque.
+Cristus, Petrus.
+Crokart.
+Croy, Antoine de.
+Croy, Philippe de.
+Curial, Le.
+Curtius, Quintus.
+Cusa, Nicolaas van.
+
+Danse aux Aveugles.
+Dante.
+Daret, Jacques.
+David, Gerard.
+Debat des hérauts d'armes.
+_Debat des hérauts d'armes_.
+Deschamps, Eustache.
+_Deschamps, Eustache_.
+Deviezen; 201, 395 vg.
+Devotie, Moderne.
+Dieu, Spraakgebruik, voor de hostie.
+Dionysius de Kartuizer, of: van Rycke.
+_Dionysius Cartusianus_.
+_Dixmude, Jan van_
+Dolce stil nuovo.
+Domburg, Jan van.
+Donatello.
+Doodendans.
+Doodsstrijd.
+Doornik, Jean de Thoisy, bisschop van.
+Dorpers.
+_Douet d'Arcq, Pièces inédites_.
+_Doutrepont, G._.
+Drie dooden en drie levenden, Sproke der.
+Dufay, Guillaume.
+Duivelfantazie.
+Dunois, Jan van Orleans, graaf van.
+Durand-Gréville, E.
+Durandus, Guilielmus.
+Dürer, Albrecht.
+Dwergen.
+
+Eck, Johannes.
+Eckhart, Meister.
+Eduard II, koning van Engeland.
+Eduard III, koning van Engeland.
+Eduard IV, koning van Engeland.
+Eergevoel.
+Egmond, Lamoraal, graaf van.
+Elisabeth, Sint, van Thüringen.
+Emerson, R.W.
+Emprise.
+Engeland, Koningen van; zie onder de voornamen.
+Engeland, Maria van.
+Engelen.
+Entremets.
+Envoûtement.
+Epithalamische stijl.
+Erasmus, Desiderius.
+Erotiek, Droeve.
+Erotische allegorie.
+Escouchy, Mathieu d'.
+_Escouchy, Mathieu d_.
+Estats; zie Standen.
+Exdamacion des os Sainct Innocent.
+Extravagant karakter der beeldende kunst.
+Eyck, Gebroeders van.
+Eyck, Hubert van.
+Eyck, Jan van.
+
+Fantaziesferen, Dooreenmenging van.
+Fastolfe, Sir John.
+Faukemont, Jehan de.
+Fazio, Bartolomeo.
+Feesten.
+Fénélon.
+Fenin, Pierre de.
+_Fenin, Pierre de_.
+Ferrer, Vincent.
+_Ferrer, Vincent, Vita_.
+Fillastre, Guillaume, kardinaal enz..
+Fillastre, Guillaume, bisschop van Doornik.
+_Fillastre, Guillaume, Toison dor_.
+Flémalle, Meester van.
+Foix, Gaston Phébus, graaf van.
+Formalisme.
+Fouquet, Jean.
+Fradin, Antoine, volksprediker.
+Franc Gontier, Le dit de.
+Franc Gontier, Les contrediz.
+France, Anatole.
+Franciscus van Assisi.
+François, zie Paule.
+Frankrijk, Koningen van; zie onder de voornamen.
+Frans I, koning van Frankrijk.
+Fraterhuizen; zie Devotie, Moderne.
+Frederik III.
+Froissart, Jean.
+_Froissart, Jean_.
+Froment, Jean.
+Fulco van Marseille, bisschop van Toulouse.
+
+Gaguin, Robert.
+_Gaguin, Robert_.
+Galois et Galoises.
+Geertgen tot Sint Jans.
+Geloften; zie Ridderlijke gelofte, en Voeu.
+Gelre, Adolf van.
+Gelre, Arnold van.
+Gelijkheidsidee.
+Generaliseering.
+Genève, Lodewijk van Savoye, graaf van.
+Genreschildering.
+Geoffroi de Paris.
+Gerechtigheidsgevoel.
+Geringschatting der geestelijkheid.
+Germain, Jean, bisschop van Chalons.
+_Germain, Jean, Liber de virtutibus etc._.
+Gerson, Jean.
+_Gerson, Jean_.
+Gevangenen.
+Gezelschapsspelen.
+Giotto.
+Glocester, Humphrey van.
+Godefroy, Denis.
+_Godefroy, Théodore_.
+Goethe.
+Gonzaga, Aloysius.
+Gonzaga, Francesco.
+Grabow, Mattheus.
+Grafteeken.
+Gregorius de Groote.
+Groote, Gerard.
+Guernier, Laurent.
+Guesclin, Bertrand du.
+Gulden Vlies.
+
+Hagenbach, Peter van.
+Hales, Alexander van.
+Hames, Nicolaas de.
+Hans, acrobaat.
+Hardvochtigheid.
+Hautbourdin, Jean de Saint-Pol, heer van.
+Hauteville, Pierre de.
+Hebzucht.
+Heethoofdigheid.
+_Hefele, K., Der h. Bernhardin von Siena usw._.
+Heiligen en Ziekten.
+Heiligenbeelden.
+Heiligenvereering.
+Heilo, Frederik van.
+Heksenkamer; zie Malleus maleficarum.
+Heksenvervolging.
+Hel, Voorstelling der.
+Heldenideaal.
+Heloïse.
+Hendrik IV, koning van Engeland.
+Hendrik V, koning van Engeland.
+Hendrik VI, koning van Engeland.
+Henouars.
+Herauten.
+Herdersideaal.
+Herp, Hendrik van.
+Hervorming.
+Heures d'Ailly.
+Heures de Chantilly, Trés-riches.
+Heures de Turin.
+Hieronymus.
+Hoekschen en Kabeljauwschen.
+Hofceremonieel.
+Hofleven.
+Hofstaat.
+Hof vlucht.
+Holanda, Francesco de.
+Holland.
+Holbein, Hans.
+Hoofsche minne.
+Hoogmoed.
+Houwaert, Johan Baptista.
+Hugo, Victor.
+Humanisme.
+Humanisten.
+Hus, Johannes.
+Hutten, Ulrich von.
+Huysmans, Joris Karl.
+
+Idealisme.
+Imitatio Christi.
+Innocentius III.
+Innocents; zie Onnoozele kinderen.
+Innocents, kerkhof der.
+Institoris, Heinrich.
+Ironie.
+Isabella van Beieren, koningin van Frankrijk.
+Isabella van Frankrijk, koningin van Engeland.
+
+Jacobus I, koning van Engeland.
+Jaille, sire de.
+James, William.
+Jan II, koning van Frankrijk.
+Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, eerder graaf van Nevers.
+Jeruzalem.
+Johanniters.
+_Jorga, N._.
+Joseph, Sint.
+_Journal d'un bourgeois de Paris_.
+Jouvencel, Le.
+_Jouvencel, Le_.
+Jouvenel, Jean, bisschop van Beauvais.
+_Juvenal des Ursins_.
+
+Kamp van Neuss.
+Karel de Groote.
+Karel V, keizer.
+Karel V, koning van Frankrijk.
+Karel VI, koning van Frankrijk.
+Karel VII, koning van Frankrijk.
+Karel VIII, koning van Frankrijk.
+Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, eerder graaf van Charolais.
+Kempis, Thomas a.
+Kerkelijk-erotische travesti.
+Kerkgang.
+Kethulle, Lodewijk van de.
+Keuken.
+Kinderen.
+Klassicisme.
+Kleederdracht.
+Kleuren, Symbolische beteekenis der.
+Kleurenzin.
+Klokgelui
+Kluisters bij geloften.
+Kok.
+Koningschap.
+Kraamkamer.
+Krankzinnigen.
+Kroningsmaal.
+Kruistochtideaal.
+Krijgsmoed.
+Krijgsmuziek.
+
+_Laborde, L. de_.
+_La Borderie, A. de_.
+La Bruyère.
+La Curne de Sainte Palaye.
+_La Curne de Sainte Palaye_.
+La Hire, Etienne de Vignolles, dit1.
+Lalaing, Jacques de.
+_Lalaing, Le livre des faits de Jacques de_.
+Lam, Aanbidding van het (Gentsch altaarstuk)
+La Marche, Olivier de.
+_La Marche, Olivier de_.
+Lamprecht, Karl.
+Lancaster, Huis.
+Lancaster, John of Gaunt, hertog van.
+Lannoy, Baudouin de.
+Lannoy, Ghillebert de.
+Lannoy, Jean de.
+Lannoy, Hue de.
+La Noue, François de.
+La Salle, Antoine de.
+_La Salle, Antoine de_.
+Latiniseering.
+La Tour Landry, ridder de.
+La Trémoïlle, Guy de.
+Laura.
+Laval, Jeanne de.
+Lebègue, Jean.
+Lefèvre de Saint Remy, Jean.
+_Lefèvre de Saint Remy, Jean_.
+Le Franc, Martin.
+_Le Franc, Martin_.
+Legris, Estienne.
+Lekkerbeetje, Gerard Abrahams, gezegd.
+Lemonnier, Camille.
+Leo X, Paus.
+Leo van Lusignan, koning van Armenië.
+Levensbangheid.
+Levensgenot.
+Lhuillier, Jean.
+Lichteffekten, Schildering en beschrijving van.
+Lichtgeloovigheid.
+Lidwina van Schiedam.
+Liefde en huwelijk.
+Limburg, Gebroeders van.
+Limburg, Paul van.
+L'Isle Adam, Jean de Villiers de.
+Livius.
+_Livre des trahisons_.
+Lodewijk IX, de Heilige, koning van Frankrijk.
+Lodewijk XI, koning van Frankrijk.
+Lodewijk XII, koning van Frankrijk.
+Longuyon, Jacques de.
+Lorris, Guiliaume de.
+_Louis XI, Lettres de_.
+Loyola, Ignatius de.
+Lucena, Vasco de.
+Lumey, Guillaume de la Marck, heer van.
+Luna, Peter van; zie Benedictus XIII.
+Lunettes des princes.
+Lusignan, Pierre de.
+Luther.
+Luxemburg, Andreas van.
+Luxemburg, Guy van.
+Luxemburg, Pieter van.
+Lijden Christi, Vervuldheid van het.
+Lijkstaatsie, Beeltenissen bij de.
+Lyon, Espaing du.
+
+Macabre.
+Machaut, Guillaume de.
+_Machaut, Guillaume de_.
+Madame d'Or; zie Or.
+Maerlant, Jacob van.
+Mahuot.
+Maillard, Olivier, volksprediker.
+Makart, Hans
+Male, Lodewijk van, graaf van Vlaanderen.
+Male, Emile.
+Malleus malencarum.
+Mandragora.
+Mapes, Walter.
+Marchant, Guyot.
+Marche, Jean de.
+Margareta, koningin van Engeland; zie Anjou.
+Margareta van Oostenrijk.
+Margareta van Schotland, koningin van Frankrijk.
+Margareta van York, hertogin van Bourgondië.
+Maria van Bourgondië.
+Mariabeeldjes met de Drieëenheid.
+Marieken van Nimwegen.
+Marmion, Colard.
+Marmion, Simon.
+Marot, Clement.
+Martianus Capella.
+Martinus V, Paus.
+Maupassant, Guy de.
+Maximiliaan van Oostenrijk.
+Medelijden met het volk.
+Medici, Cosimo de'.
+Medici, Lorenzo de', il Magnifico.
+Melancholie.
+Méliador.
+Memlinc, Hans.
+Meschinot, Jean.
+_Meschinot, Jean_.
+Metaphora, Godsdienstige, voor aardsche dingen.
+Metsys, Quinten.
+Meun, Jean de; zie Clopinel.
+Mézières, Philippe de
+_Mézières, Philippe de_; zie _forga_.
+Michault, Pierre.
+Michel Angelo.
+Michelle de France, hertogin van Bourgondië.
+Mignons.
+Miliis, Ambrosius de.
+Militair nationalisme.
+Minimen, Orde der.
+Mirabeau, marquis de.
+Mismaakten.
+Molinet, Jean.
+_Molinet, Jean_.
+_Molinet, Jean--Faictz et Dictz_.
+Monstrans.
+Monstrelet, Enguerrand de.
+_Monstrelet, Enguerrand de_.
+Monstreuil, Jean de.
+_Monstreuil, Jean de_--.
+Montaigu, Jean de.
+Montereau.
+Montferrant.
+Montfort, Jean de.
+Morgante.
+Morlay, Bernard van.
+Moulins, Denys de, bisschop van Parijs.
+Murillo.
+Mutsert der ijdelheden.
+Muziekaesthetiek.
+Mystiek, Praktische.
+Mystiek, Verbeeldingsvormen der.
+Mystisch huwelijk.
+Mythologie.
+
+Naakt, Het, in kunst en litteratuur.
+Naam van Jezus.
+Natuurbeschrijving.
+Nicopolis.
+Nietzsche, Friedrich.
+Nilus, Sint.
+Nominalisme.
+Noodhelpers, Veertien.
+Nugis curialium, De.
+
+Obrecht, Jacob.
+Omgangsvormen.
+Oneerbiedigheid jegens den godsdienst.
+Ongeloof.
+Onnoozele kinderen.
+Onveiligheid.
+Oppervlakkigheid.
+Or, Madame d'.
+Oranje, Willem van.
+Oranje, Willem II, prins van.
+Orde; zie ook Ordre.
+Orde der Annonciade.
+Orde van St. Antonius.
+Orde van het Gouden schild.
+Orde van het Gulden Vlies.
+Orde van de Kouseband.
+Orde van de Ster.
+Orde van de Kroon.
+Orde van het Zwaard.
+Ordre.
+Ordre de la Dame blanche.
+Ordre de la Passion.
+Orgemont, le Boiteux d'
+Orgemont, geslacht.
+Orgemont, Pierre d'.
+_Orléans, Charles d'_.
+Orleans, Karel van.
+Orleans, Lodewijk van.
+Oudheid.
+_Oulmont, Ch_.
+Overdrijving.
+Ovidius.
+
+Paele, Joris van de.
+Paesberd; zie Paix.
+Paganisme.
+Paix.
+Panetiers.
+Parement et triumphe des dames.
+Paris, Paulin.
+Partijgevoel.
+Partijschap.
+Partijteekens.
+Pas d'armes.
+Pas de la mort, Le.
+Pascal, Blaise.
+Pastorale.
+Pastorale en politiek.
+Pastoralet, Le.
+Pastourelle.
+Paule, Saint François deg.
+Pauli, Theodericus.
+_Pauli, Theodericus_.
+Pelgrimages.
+Penthièvre, Jeanne de.
+Perceforest.
+Personificatie.
+Petit, Jean.
+_Petit-Dutaillis_.
+Petrarca, Francesco.
+Philippa van Henegouwen, koningin van Engeland.
+Philips VI, koning van Frankrijk.
+Philips de Goede, hertog van Bourgondië.
+Philips de Schoone, aartshertog van Oostenrijk.
+Philips de Stoute, hertog van Bourgondië.
+Pisan, Christine de.
+_Pisan, Christine de_.
+Plato.
+Plourants.
+Plouvier, Jacotin.
+Poggio, Giov. Franc.--Bracciolini.
+Poitiers.
+Poitiers, Alienor de.
+_Poitiers, Alienor de_.
+Poliziano, Angelo.
+_Poliziano_.
+Ponchier, Etienne, bisschop van Parijs.
+Porete, Marguerite.
+Portret.
+Pot, Philippe.
+Poursuivants.
+Predikers.
+Preuses, Les neuf.
+Preux, Les neuf.
+Processies.
+Protestantisme.
+Proza en poëzie; 498 vg.
+Prudentius; 343.
+Pseudo-Bonaventura; 452.
+Pseudo-Dionysius Areopagita.
+Pulci, Luigi.
+Puritanisme.
+
+Quentin, Jean.
+Quinze joyes de mariage.
+_Quinze joyes de mariage_.
+
+Rabelais, François.
+Rais, Gilles de.
+Rallart, Gaultier.
+Ravestein, Beatrix van.
+Ravestein, Philips van.
+Raynaud, Gaston.
+Realisme.
+Rebreviettes, Jennet de.
+_Reconfort de Madame du Fresne, Le_.
+Reformpartij.
+_Religieux de Saint Denis_.
+Reliquieën.
+Rembrandt.
+Renaissance.
+_Renaudet, A_.
+René van Anjou, koning van Sicilië.
+_René, Koning_.
+René II van Lotharingen.
+Rhetoriek.
+Rhétorique, Les Douze Dames de.
+Ribeumont, Eustache de.
+Richard II, koning van Engeland.
+Richard, broeder, volksprediker.
+Ridderideaal.
+Ridderideaal en askese.
+Ridderideaal en erotiek.
+Ridderideaal en ethiek.
+Ridderideaal en historie.
+Ridderideaal en krijgvoering.
+Ridderideaal en sport.
+Ridderideaal en staatkunde.
+Ridderlijke gelofte.
+Ridderlijkheid als kastegevoel.
+Ridderlijkheid en gewin.
+Ridderlijkheid en krijgstaktiek.
+Ridderorden.
+Ridderschap.
+Ridderwezen.
+Robertet, Jean.
+Rochefort, Charles de.
+Roemzucht.
+Rolin, Nicolas.
+Roman de la rose.
+Romanov.
+Romantiek.
+Romantisme der heiligheid.
+Romuald, Sint.
+Rosa van Viterbo, Sint.
+Rose; zie Roman.
+Rousseau, Jean Jacques.
+Rouw.
+Roye, Jean de.
+_Roye, Jean de_, zie _Chronique scandaleuse_.
+Rozebeke.
+Rozenkrans, Broederschap van den.
+_Rozmital, Leo von_.
+Ruusbroec, Jan van.
+
+_Sainte Palaye_; zie _La Curne_.
+Saint Pol, Louis de Luxembourg, graaf van, connétable van Frankrijk.
+Saintré, Petit Jehan de.
+Salazar, Jean de.
+Salisbury, Johannes van.
+Salisbury, William Montague, graaf van.
+Salmon, Pierre le Fruictier, dit.
+_Salmon, Pierre_.
+Salutati, Coluccio.
+Sancerre, Louis de, maréchal de France.
+Saulx, Simon de.
+Savonarola, Girolamo.
+Savoye, Amadeus VI van.
+Savoye, Amadeus VIII van.
+Schaamte.
+Schaamteloosheid.
+Schisma.
+Schoonheid en zonde.
+Schoonheidsgevoel.
+Scorel, Jan van.
+Scotus Erigena, Johannes.
+Seneca.
+Sens, Etienne Tristan de Salazar, aartsbisschop van.
+_Seuse, Heinrich_.
+Shakespeare.
+Silesius, Angelus.
+Simplisme.
+Sint Andriesbroederschap.
+Sint Victor, Hugo van.
+Sint Victor, Richard van.
+Sorel, Agnes.
+Spel en ernst, Vermenging van.
+Spreekwoorden.
+Sprenger, Jakob.
+Standen.
+Standonck, Jean.
+_Stavelot, Jean de_.
+Steinlen.
+Styleering der liefde.
+Substantieele voorstelling van het abstracte.
+Summis desiderantes, Bul.
+Suso, Heinrich.
+Symbolisme.
+Systematiek van deugd en zonde.
+
+Tacitus.
+Taine, Hippolyte.
+Tauler, Johannes.
+Tempeliers.
+Terechtstellingen.
+Ternant, Philippe de.
+Tertullianus.
+Testamenten.
+Theocritus.
+Thomas, broeder, volksprediker.
+Thomas, Saint Pierre.
+Thucydides.
+Todi, Jacopone van.
+Toity, Joffroy de.
+Tonnerre, Louis de Chalon, graaf van.
+Tooverij.
+Tournooi.
+Tranen.
+Trazegnies, Gilles de.
+Trois chevaliers et del chainse, Des.
+Troubadours.
+Tuetey, A..
+Turken.
+Turlupins.
+Tweegevecht.
+Tweegevecht te Valenciennes.
+
+Ubi sunt..., Motief.
+Uitwerking der bijzonderheden.
+Upanishad's.
+_Upton, Nicolas, De officio militari_.
+Urbanisten.
+Usener, Hermann.
+
+Vaganten.
+Varennes, Jean de.
+Vauderie.
+Velazquez.
+Verachting der wereld.
+Vergilius.
+Verlichting.
+Verrotting, Motief der.
+Verschijningen.
+Vertooningen.
+Vienne, Angelo Cato, aartsbisschop van.
+Vier utersten.
+Villiers, George.
+Villon, François.
+_Villon, François_.
+Visueele aanleg.
+Vita nuova.
+Vitri, Philippe de.
+_Vitri, Philippe de_.
+Vloeken.
+Voeu du héron.
+Voeux du faisan.
+Voir-Dit, Livre du, zie ook Machaut.
+Voorrang.
+Vorstenduel.
+Vorstentrouw.
+Vredesideaal.
+Vrouwenverachting.
+Vrouwenvereering.
+Vrouwenverguizing.
+Vydt, Jodocus.
+
+Wapenkoning.
+Wapenkreet.
+Watteau, Antoine.
+Weelde.
+Wenzel, Roomsch koning.
+Weyden, Rogier van der.
+Wier, Johannes.
+Wilhelmus van Nassouwen.
+Willem IV, graaf van Henegouwen en Holland.
+Windesheimers, zie Devotie, Moderne--
+Witte, Emanuel de.
+Woekeringen van het godsdienstleven.
+Woordenspel.
+Wraakzucht.
+Wreedheid.
+Wurtemberg, Hendrik van.
+
+Xaintrailles, Pothon de.
+Xaverius, Franciscus.
+
+Zeeoorlog.
+Zegenspreuken.
+Zelfbespotting.
+Zigeuners.
+Zola, Emile.
+Zueticheit.
+Zwaarmoedigheid.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN ***
+
+***** This file should be named 16829-8.txt or 16829-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/2/16829/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/16829-8.zip b/16829-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..53499cc
--- /dev/null
+++ b/16829-8.zip
Binary files differ
diff --git a/16829-h.zip b/16829-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..1e7da30
--- /dev/null
+++ b/16829-h.zip
Binary files differ
diff --git a/16829-h/16829-h.htm b/16829-h/16829-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..3e43373
--- /dev/null
+++ b/16829-h/16829-h.htm
@@ -0,0 +1,17944 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content=
+ "text/html; charset=iso-8859-1">
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Herfsttij Der Middeleeuwen, by Johan Huizinga.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ P { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ H1,H2,H3,H4,H5,H6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ }
+ H1, H2 { color: maroon;
+ }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;
+
+ }
+ PRE { font-family: Times, monospaced;
+ }
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ color: black;
+ background: OldLace;
+ link: maroon;
+ }
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */
+ .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */
+ .sidenote {width: 20%; margin-bottom: 1em; margin-top: 1em; padding-left: 1em; font-size: smaller; float: right; clear: right;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;}
+ .poem .caesura {vertical-align: -200%;}
+
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Herfsttij der Middeleeuwen
+
+Author: Johan Huizinga
+
+Release Date: October 8, 2005 [EBook #16829]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN ***
+
+
+
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+
+
+<h1>HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN</h1>
+<br />
+
+<h3>STUDIE OVER LEVENS- EN GEDACHTENVORMEN DER VEERTIENDE EN VIJFTIENDE
+EEUW IN FRANKRIJK EN DE NEDERLANDEN</h3>
+<br />
+
+<h4>door</h4>
+<br />
+
+<h3>J. HUIZINGA</h3>
+<br />
+
+<h4>1919</h4>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h3>VOORBERICHT</h3>
+<br />
+
+<p>Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het
+verleden zoekt. Men wil weten, hoe de nieuwe gedachten en nieuwe
+levensvormen, die in later tijden in hun volheid stralen, ontloken zijn;
+men beziet elken tijd bovenal om de beloften, die hij bergt voor de
+volgende. Hoe ijverig heeft men in de middeleeuwsche beschaving naar de
+kiemen der moderne cultuur gespeurd; zoo ijverig, dat het soms schijnen
+moest, alsof de geestesgeschiedenis der Middeleeuwen nauwelijks iets
+anders was geweest dan de advent der Renaissance. Immers, overal zag men
+in die tijden, die eenmaal als star en doodsch gegolden hadden, het
+nieuwe reeds ontspruiten, en alles scheen te wijzen naar toekomstige
+volmaking. Doch bij het zoeken naar het nieuwe leven, dat opkwam, vergat
+men licht, dat in de geschiedenis als in de natuur het sterven en het
+geboren worden eeuwig gelijken tred houden. Oude beschavingsvormen
+sterven af terzelfdertijd en op denzelfden bodem, waarin het nieuwe
+voedsel vindt om op te bloeien.</p>
+
+<p>Hier is beproefd om de veertiende en vijftiende eeuw te zien, niet als
+de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen,
+de middeleeuwsche beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom
+met overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld. Het woekeren
+van oude, dwingende denkvormen over de levende kern der gedachte, het
+verdorren en verstijven van een rijke beschaving,&mdash;dat is de hoofdinhoud
+van deze bladzijden. De blik is bij het schrijven van dit boek gericht
+geweest als in de diepten van een avondhemel,&mdash;maar van een hemel vol
+bloedig rood, zwaar en woest van dreigend loodgrijs, vol valschen
+koperen schijn.</p>
+
+<p>Overzie ik het geschrevene, dan rijst de vraag, of niet, wanneer de blik
+nog langer op dien avondhemel had gerust, de troebele kleuren zich toch
+nog zouden hebben opgelost in louter klaarheid. Het schijnt wel, dat het
+beeld, nu ik het lijn en kleur gegeven heb, toch somberder en minder
+sereen is geworden, dan ik het meende te ontwaren, toen ik den arbeid
+begon. Het kan licht gebeuren, dat men, de opmerkzaamheid steeds gericht
+op neergaan, uitleven en verwelken, te veel van de schaduw des doods
+over het werk laat vallen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het uitgangspunt van het werk is geweest de behoefte, om de kunst der
+Van Eyck's en hun volgers beter te verstaan, ze te begrijpen in haar
+samenhang met het gansche leven van den tijd. De Bourgondische
+samenleving was de eenheid, die ik in het oog wilde vatten: het scheen
+mogelijk, deze te zien als een even afgeronde beschavingskring als het
+Italiaansche quattrocento, en de titel van het boek was eerst bestemd
+te luiden: <i>De eeuw van Bourgondi&euml;</i>. Doch naarmate de strekking der
+beschouwingen algemeener werd, moest die begrenzing worden opgegeven;
+slechts in zeer beperkten zin viel er een eenheid van Bourgondische
+cultuur te postuleeren; het niet-Bourgondische Frankrijk eischte
+minstens evenveel aandacht. Zoo kwam in de plaats van Bourgondi&euml; de
+tweeledigheid: Frankrijk en de Nederlanden, en dat een zeer ongelijke.
+Want in een beschouwing over de afstervende middeleeuwsche cultuur in
+het algemeen moest het Nederlandsche element bij het Fransche verre
+achter blijven; slechts op die gebieden, waar het eigen beteekenis
+heeft: dat van het godsdienstig leven en dat der kunst, komt het
+uitvoeriger ter sprake. Dat in het tiende hoofdstuk de gestelde
+aardrijkskundige grenzen even zijn overschreden, om naast Ruusbroec
+en Dionysius den Kartuizer ook Eckhart, Suso en Tauler tot getuigen
+te kunnen roepen, zal wel geen verdediging behoeven.</p>
+
+<p>Hoe gering lijkt mij het getal der doorgelezen geschriften uit de
+veertiende en vijftiende eeuw, vergeleken bij alles, wat ik nog wel
+had willen lezen. Hoe gaarne had ik naast de reeks van hoofdtypen der
+verschillende geestesrichtingen, op welke de voorstelling veelal is
+gebaseerd, nog tal van andere gesteld. Doch indien het onder de
+geschiedschrijvers meer dan anderen Froissart en Chastellain zijn, die
+ik aanhaal, onder de dichters Eustache Deschamps, onder de theologen
+Jean Gerson en Dionysius de Kartuizer, onder de schilders Jan van
+Eyck,&mdash;dan ligt dit niet enkel aan beperktheid van mijn materiaal,
+maar meer nog aan het feit, dat dezen door den rijkdom en het scherp
+eigenaardige van hun uitingen bij uitstek de spiegel zijn van den geest
+dier tijden.</p>
+
+<p><i>Vormen</i> van het leven en van de gedachte zijn het, wier beschrijving
+hier beproefd is. Den wezenlijken <i>inhoud</i> te benaderen, die in die
+vormen heeft gerust,&mdash;zal het ooit het werk zijn van geschiedkundig
+onderzoek?</p>
+
+<p>Leiden, 31 Januari 1919.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 65%;' />
+<h3>INHOUD</h3>
+<br />
+
+<h4><a href='#I'>I</a>. 's Levens felheid</h4>
+
+<h4><a href='#II'>II</a>. De zucht naar schooner leven</h4>
+
+<h4><a href='#III'>III</a>. De heldendroom</h4>
+
+<h4><a href='#IV'>IV</a>. De vormen der liefde</h4>
+
+<h4><a href='#V'>V</a>. Het beeld van den dood</h4>
+
+<h4><a href='#VI'>VI</a>. De teugellooze verbeelding van het heilige</h4>
+
+<h4><a href='#VII'>VII</a>. De godsdienstige persoonlijkheid</h4>
+
+<h4><a href='#VIII'>VIII</a>. Aandoening en verbeelding</h4>
+
+<h4><a href='#IX'>IX</a>. Verbeelding en gedachte</h4>
+
+<h4><a href='#X'>X</a>. Het falen der verbeelding</h4>
+
+<h4><a href='#XI'>XI</a>. De denkvormen in de praktijk</h4>
+
+<h4><a href='#XII'>XII</a>. De kunst in het leven</h4>
+
+<h4><a href='#XIII'>XIII</a>. Het beeld en het woord</h4>
+
+<h4><a href='#XIV'>XIV</a>. Het komen van den nieuwen vorm</h4>
+
+<h4><a href='#REGISTER'>Register</a>.</h4>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='I'></a>I</h2>
+
+<h3>'S LEVENS FELHEID</h3>
+<br />
+<a name='1'></a>
+<p>Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel
+scherper uiterlijke vormen dan nu. Tusschen leed en vreugde, tusschen
+rampen en geluk scheen de afstand grooter dan voor ons; al wat men
+beleefde had nog dien graad van onmiddellijkheid en absoluutheid,
+dien de vreugd en het leed nu nog hebben in den kindergeest. Elke
+levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en
+uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakken,
+vasten levensstijl. De groote dingen: de geboorte, het huwelijk, het
+sterven, stonden door het sacrament in den glans van het mysterie.
+Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren
+begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.</p>
+
+<p>Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen
+geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre
+koude en het bange duister van den winter waren een wezenlijker kwaad.
+Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog
+feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten
+tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden
+nog dat hooge genotsgehalte, dat misschien door de Engelsche novelle
+in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het
+levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende
+en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel, en
+hielden <a name='2'></a> ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er
+hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar
+aan zijn kleed. De groote heeren bewogen zich nooit zonder pralend
+vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging,
+venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles
+luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg
+het teeken van zijn dame, de genooten het embleem van hun broederschap,
+de partij de kleuren en blazoenen van hun heer.</p>
+
+<p>Ook in het uiterlijk aanschijn van stad en land heerschte die
+tegenstelling en die bontheid. De stad verliep niet zooals onze steden
+in slordig aangelegde buitenwijken van dorre fabrieken en onnoozele
+landhuisjes, maar lag in haar muur besloten, een afgerond beeld,
+stekelig van tallooze torens. Zoo hoog en zwaar de steenen huizen van
+edelen of koopheeren mochten zijn, de kerken bleven met hun hoogte en
+ruimte den aanblik der stad beheerschen.</p>
+
+<p>Zooals de tegenstelling van zomer en winter sterker was dan in ons
+leven, zoo was het die van licht en duister, van stilte en gedruisch.
+De moderne stad kent nauwelijks meer het zuivere donker en de zuivere
+stilte, het effekt van een enkel lichtje of een enkelen verren roep.</p>
+
+<p>Door het voortdurend contrast, door de bonte vormen, waarmee alles zich
+aan den geest opdrong, ging er van het alledaagsche leven een prikkeling,
+een hartstochtelijke suggestie uit, welke zich openbaart in die wankele
+stemming van ruwe uitgelatenheid, hevige wreedheid, innige verteedering,
+waartusschen het middeleeuwsche stadsleven zich beweegt.</p>
+<a name='3'></a>
+<p>Er was &eacute;&eacute;n geluid, dat al het gedruisch van het drukke leven steeds weer
+overstemde, en dat, hoe bont dooreen-klinkend, toch nooit verward, alles
+tijdelijk ophief in een sfeer van orde: de klokken. De klokken waren in
+het dagelijksch leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende
+stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan
+opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke
+Jacqueline, klokke Roelant; men wist de beteekenis van kleppen of
+luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor den
+klank. Gedurende het beruchte burgerlijke tweegevecht te Valenciennes,
+dat in 1455 de stad en het geheele Bourgondische hof in buitengewone
+spanning heeft gehouden, luidde de groote klok, zoolang de strijd
+duurde, &quot;laquelle fait hideux &agrave; oyr&quot;, zegt Chastellain<a name='FNanchor_1_1'></a><a href='#Footnote_1_1'><sup>[1]</sup></a>. &quot;Sonner
+l'effroy&quot;, &quot;faire l'effroy&quot; heet het luiden der alarmklok<a name='FNanchor_2_2'></a><a href='#Footnote_2_2'><sup>[2]</sup></a>. Welk
+een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als alle kerken en
+kloosters van Parijs de klokken luidden van den morgen tot den avond,
+en zelfs den geheelen nacht, omdat er een paus gekozen was, die een
+einde aan het schisma zou maken, of om een vrede tusschen Bourguignon
+en Armagnac<a name='FNanchor_3_3'></a><a href='#Footnote_3_3'><sup>[3]</sup></a>.</p>
+
+<p>Van een diep roerende werking moeten ook de processies zijn geweest.
+Wanneer het bange tijden waren, en die waren het dikwijls, liepen ze
+soms dag aan dag, weken achtereen.<a name='4'></a> In 1412, zoodra men te Parijs wist,
+dat de koning zich op vijandelijk gebied bevond, werden er dagelijksche
+processies verordend, die van eind Mei tot in Juli duurden, telkens van
+andere groepen, orden of gilden, langs andere wegen, met andere
+relieken: &quot;les plus piteuses (aandoenlijke) processions qui oncques
+eussent &eacute;t&eacute; veues de aage de homme.&quot; Allen liepen barrevoets en met
+nuchtere maag, de heeren van het Parlement zoogoed als de arme burgers,
+elk die kon met een kaars of een toorts; er waren steeds veel kleine
+kinderen bij. Ook uit de dorpen rondom Parijs kwamen de arme landlieden
+blootsvoets van ver geloopen. Men ging of keek het aan &quot;en grant pleur,
+en grans lermes, en grant devocion.&quot; En bijna al die dagen regende het
+hard<a name='FNanchor_4_4'></a><a href='#Footnote_4_4'><sup>[4]</sup></a>.</p>
+
+<p>Dan waren er de vorstelijke intochten. En in nooit onderbroken
+veelvuldigheid de terechtstellingen. De wreede prikkeling en de grove
+verteedering van het schavot waren een gewichtig element in de
+geestelijke voeding van het volk. Het was kijkspel met moraal. Tegen
+gruwelijke rooverijen verzon de justitie gruwelijke straffen; een jonge
+brandstichter en moordenaar wordt te Brussel met een ketting, die aan
+een ring om een staak kan draaien, binnen een kring van brandende
+takkebossen geplaatst. Hij stelt zichzelf aan het volk in roerende
+woorden ten voorbeeld, &quot;et tellement fit attendrir les coeurs que tout
+le monde fondoit en larmes de compassion.&quot; &quot;Et fut sa fin recommand&eacute;e la
+plus belle que l'on avoit oncques vue&quot;<a name='FNanchor_5_5'></a><a href='#Footnote_5_5'><sup>[5]</sup></a>. Messire Manssart du Bois geeft
+<a name='5'></a>niet alleen den beul gaarne de vergiffenis, die deze hem vraagt, maar
+verzoekt hem, hem te kussen. &quot;Foison de peuple y avoit, qui quasi tous
+ploroient &agrave; chaudes larmes&quot;<a name='FNanchor_6_6'></a><a href='#Footnote_6_6'><sup>[6]</sup></a>. Dikwijls waren het groote heeren; dan
+genoot het volk de voldoening over het strenge recht en de ernstige
+vermaning over de wisselvalligheid van aardsche grootheid levendiger,
+dan eenig geschilderd exempel of doodendans het hun geven kon. De
+overheid zorgde, dat aan den indruk van het schouwspel niets ontbrak: in
+de teekenen van hun grootheid deden de heeren hun droevigen tocht. Jean
+de Montaigu, grand ma&icirc;tre d'h&ocirc;tel van den koning, slachtoffer van den
+haat van Jan zonder Vrees, rijdt naar het schavot, hoog op een kar
+gezeten, twee trompetters vooruit; hij draagt zijn staatsiekleed,
+kaproen, houppelande en hozen half wit half rood, en gouden sporen aan
+de voeten; met die gouden sporen hangt het onthoofde lijk aan de galg.
+De rijke kanunnik Nicolas d'Orgemont, le Boiteux d'Orgemont genoemd,
+wordt in een vuilniskar door Parijs gevoerd, in een grooten violetten
+mantel en kaproen, om de onthoofding van twee genooten aan te zien, v&oacute;&oacute;r
+hij zelf veroordeeld werd tot levenslange opsluiting &quot;au pain de doleur
+et &agrave; eaue d'angoisse&quot;. Het hoofd van ma&icirc;tre Oudart de Bussy, die een
+plaats in 't Parlement geweigerd had, werd op bijzonderen last van
+Lodewijk XI weer opgegraven en in een scharlaken kaproen met bont
+gevoerd &quot;selon la mode des conseillers de parlement&quot; op de markt te
+Hesdin tentoongesteld, met een verklarend rijmpje. De koning zelf
+schrijft over het geval met grimmige grappigheid<a name='FNanchor_7_7'></a><a href='#Footnote_7_7'><sup>[7]</sup></a>.</p>
+<a name='6'></a>
+<p>Zeldzamer dan de processies en de terechtstellingen waren de preeken van
+de reizende predikers, die af en toe het volk kwamen schokken met hun
+woord. Wij krantenlezers kunnen ons nauwelijks meer de geweldige werking
+van het woord op een onverzadigden en onwetenden geest voorstellen. De
+volksprediker broer Richard, die als biechtvader Jeanne d'Arc heeft
+mogen bijstaan, preekte te Parijs in 1429 tien achtereenvolgende dagen.
+Hij begon des morgens om vijf uur en eindigde tusschen tien en elf uur,
+meest op het kerkhof der Innocents, onder welks galerijen de beroemde
+doodendans geschilderd stond, met den rug naar de open knekelhuizen,
+waarin, boven de booggang rondom, de schedels voor het gezicht lagen
+opgestapeld. Toen hij na zijn tiende preek meedeelde, dat het de laatste
+zou zijn, daar hij geen verlof voor meer had, &quot;les gens grans et petiz
+plouroient si piteusement et si fondement, comme s'ilz veissent porter
+en terre leurs meilleurs amis, et lui aussi.&quot; Als hij eindelijk Parijs
+gaat verlaten, meent het volk, dat hij den Zondag nog te St. Denis zal
+preeken; in groote troepen, wel zes duizend, zegt de burger van Parijs,
+trekken zij Zaterdags-avonds uit de stad, om zich een goede plaats te
+verzekeren, en overnachten op het veld<a name='FNanchor_8_8'></a><a href='#Footnote_8_8'><sup>[8]</sup></a>.</p>
+<a name='7'></a>
+<p>Ook aan den franciscaan Antoine Fradin werd te Parijs het preeken
+verboden, omdat hij hevig uitvoer tegen de slechte regeering. Maar
+juist daarom was hij het volk lief. Zij bewaakten hem dag en nacht in
+het klooster der Cordeliers; de vrouwen stonden er op wacht, met haar
+munitie van asch en steenen gereed. Om de proclamatie, die deze wacht
+verbiedt, lacht men: de koning weet er niets van! Als eindelijk Fradin,
+verbannen, toch de stad verlaten moet, doet het volk hem uitgeleide,
+&quot;crians et soupirans moult fort son departement&quot;<a name='FNanchor_9_9'></a><a href='#Footnote_9_9'><sup>[9]</sup></a>.</p>
+
+<p>Wanneer de heilige dominicaan Vincent Ferrer komt preeken, trekt uit
+alle steden het volk, de magistraat, de geestelijkheid, tot bisschoppen
+en prelaten toe, hem met lofzangen tegemoet, om hem in te halen. Hij
+reist met een talrijke schare van volgers, die iederen avond na
+zonsondergang in processie rondtrekken met geeseling en zingen. Uit
+iedere stad vergezellen hem nieuwe scharen. Hij heeft de verzorging
+en herberging van al die volgelingen zorgvuldig geregeld door het
+aanstellen van onbesproken mannen tot kwartiermeesters. Tal van
+priesters uit verschillende orden reizen mee, om hem voortdurend bij
+te staan in het hooren der biecht en de bediening der mis. Een paar
+notarissen vergezellen hem, om terstond acte op te maken van de
+bijlegging der geschillen, die de heilige prediker overal tot stand
+brengt. Waar hij preekt, moet een houten getimmerte hem en zijn gevolg
+beschutten tegen den aandrang der menigte, die hem hand of kleed willen
+kussen. Het handwerk staat stil, zoolang hij preekt. Zelden was het,
+dat hij zijn hoorders niet tot weenen bracht, en als hij sprak van het
+oordeel en de hellestraffen of van het lijden des Heeren, dan braken
+zoowel hij als de hoorders altijd uit in zulk een groot geween, dat hij
+geruimen tijd moest zwijgen, totdat het weenen bedaarde. Boosdoeners
+kwamen zich voor alle aanwezigen ter aarde werpen, en hun groote zonden
+met tranen belijden<a name='FNanchor_10_10'></a><a href='#Footnote_10_10'><sup>[10]</sup></a>.</p>
+<a name='8'></a>
+<p>Het is de stemming der Engelsch-Amerikaansche revivals en van het leger
+des heils, maar in het ongemetene en veel meer in het openbaar. Men
+behoeft hier aan geen vrome overdrijving van den levensbeschrijver van
+Vincent Ferrer te denken; de nuchtere, droge Monstrelet geeft op bijna
+gelijke wijze de werking weer, die de karmeliet broeder Thomas in 1428
+met zijn preeken in Noord-Frankrijk en Vlaanderen teweegbracht. Ook hem
+haalde de magistraat in, terwijl edelen den teugel van zijn muildier
+hielden; ook om hem verlieten velen, waaronder heeren, die Monstrelet
+met name noemt, huis en gezin, om hem overal te volgen. De aanzienlijke
+burgers versierden het hooge gestoelte, dat zij voor hem oprichtten, met
+de kostbaarste hangtapijten, die men betalen kon.</p>
+
+<p>Het was naast de lijdensstof en de laatste dingen vooral de bestrijding
+van weelde en ijdelheid, waarmee de volkspredikers zoo diep de menschen
+aangrepen. Het volk, zegt Monstrelet, was broeder Thomas vooral dankbaar
+en genegen voor het neerwerpen van praal en opschik en in het bijzonder
+voor den blaam, waarmee hij adel en geestelijkheid overlaadde. Hij
+placht, wanneer aanzienlijke dames zich met hun hooge puntige kapsels
+onder zijn gehoor waagden, de kleine jongens op haar aan te hitsen (met
+belofte van aflaat, beweert Monstrelet)<a name='9'></a>, met den kreet: au hennin, au
+hennin! zoodat de vrouwen gedurende al dien tijd geen hennins meer
+durfden dragen en gehuifd gingen als begijnen, &quot;Mais &agrave; l'exemple du
+lyme&ccedil;on&mdash;zegt de gemoedelijke chroniqueur&mdash;lequel quand on passe pr&egrave;s de
+luy retrait ses cornes par dedens et quand il ne ot (hoort) plus riens
+les reboute dehors, ainsy firent ycelles. Car en assez brief terme apr&egrave;s
+que ledit prescheur se fust d&eacute;party du pays, elles mesmes recommenc&egrave;rent
+comme devant et oubli&egrave;rent sa doctrine, et reprinrent petit &agrave; petit leur
+viel estat, tel ou plus grant qu'elles avoient accoustum&eacute; de porter<a name='FNanchor_11_11'></a><a href='#Footnote_11_11'><sup>[11]</sup></a>.&quot;</p>
+
+<p>Zoowel broer Richard als broer Thomas deden de mutserts der ijdelheden
+vlammen, zooals Florence die zestig jaar later op enorme schaal en met
+onherstelbaar verlies voor de kunst voor Savonarola ontsteken zou. In
+Parijs en Artois in 1428 en 1429 bleef het bij kaarten, verkeerborden,
+dobbelsteenen, kapsels en sieradi&euml;n, die mannen en vrouwen gewillig
+aanbrachten. Deze verbrandingen waren in de 15<sup>e</sup> eeuw zoowel in
+Frankrijk als Itali&euml; een zeer veelvuldig element in de groote opwinding,
+die de predikers teweegbrachten<a name='FNanchor_12_12'></a><a href='#Footnote_12_12'><sup>[12]</sup></a>. De hevige uiting van den afkeer
+van ijdelheden en vermaken was reeds een vorm geworden, zooals alles in
+dien tijd steeds neigt, vorm te worden.</p>
+<a name='10'></a>
+<p>In deze ontvankelijkheid van gemoed, deze vatbaarheid voor tranen en
+geestelijken ommekeer, deze prikkelbaarheid moet men zich indenken, om
+te beseffen, welke kleur en felheid het leven had.</p>
+
+<p>Een publieke rouw had toen nog het uiterlijk van een calamiteit. Bij
+de begrafenis van Karel VII geraakt het volk buiten zich zelf van
+aandoening, als het den stoet ziet: al de hofbeambten &quot;vestus de dueil
+angoisseux, lesquelz il faisoit moult piteux veoir; et de la grant
+tristesse et courroux qu'on leur veoit porter pour la mort de leurdit
+maistre, furent grant pleurs et lamentacions faictes parmy toute ladicte
+ville.&quot; Er waren zes pages van den koning op geheel in zwart fluweel
+gedoste paarden. &quot;Et Dieu scet le doloreux et piteux dueil qu'ilz
+faisoient pour leur dit maistre!&quot; Een van de knapen had van verdriet in
+vier dagen niets gegeten of gedronken, vertelde het volk verteederd.
+<a name='FNanchor_13_13'></a><a href='#Footnote_13_13'><sup>[13]</sup></a></p>
+
+<p>Het is niet alleen de aandoening van een grooten rouw of over een hevige
+predikatie of over de mysteri&euml;n van het geloof, die een overvloed van
+tranen wekt. Ook bij elke wereldlijke plechtigheid wordt een vloed van
+tranen gestort. Een beleefdheidsgezant van den koning van Frankrijk aan
+Philips den Goede breekt bij zijn aanspraak herhaaldelijk in tranen uit.
+Bij het afscheid van den jongen Jan van Co&iuml;mbra van het Bourgondische
+hof weent alles luide, evenzoo bij de verwelkoming van den dauphin, bij
+de samenkomst der koningen van Engeland en Frankrijk te Ardres. Men zag
+Lodewijk XI tranen storten bij zijn intocht in Atrecht; tijdens zijn
+verblijf als dauphin aan het<a name='11'></a> Bourgondische hof beschrijft Chastellain
+hem herhaaldelijk in snikken en tranen<a name='FNanchor_14_14'></a><a href='#Footnote_14_14'><sup>[14]</sup></a>. Er is natuurlijk
+overdrijving in die beschrijvingen, het &quot;geen oog bleef droog&quot; van een
+dagbladbericht. De bisschop Jean Germain verhaalt, hoe na de treffende
+aanspraken der gezanten op het vredescongres te Atrecht in 1435 de
+toehoorders plat op den grond vallen, sprakeloos, met zuchten, snikken
+en gehuil<a name='FNanchor_15_15'></a><a href='#Footnote_15_15'><sup>[15]</sup></a>. Doch in de overdrijving ziet men den achtergrond van
+waarheid. Het is ermee als met de tranenvloeden der 18<sup>e</sup> eeuwsche
+sentimenteelen. Het weenen was verheffend en schoon. Wie kent ook nu
+niet de sterke ontroering, tot huivering en tranen toe, die een intocht
+kan teweegbrengen, ook al is de vorst, dien de praal geldt, ons volkomen
+onverschillig. Toen werd die onmiddellijke aandoening gevuld door een
+half-religieuze vereering van staatsie en grootheid, en brak zich vrij
+baan in echte tranen.</p>
+
+<p>Wie het verschil in prikkelbaarheid tusschen de 15<sup>e</sup> eeuw en onzen tijd
+niet ziet, kan het leeren uit een klein voorbeeld op een ander gebied
+dan dat der tranen, namelijk dat der heethoofdigheid. Wij kunnen ons
+waarschijnlijk moeilijk een vreedzamer en rustiger spel denken dan het
+schaakspel. La Marche zegt, dat het dikwijls gebeurt, dat er bij 't
+schaakspel geschillen rijzen, &quot;et que le plus saige y pert patience&quot;
+<a name='FNanchor_16_16'></a><a href='#Footnote_16_16'><sup>[16]</sup></a>. Twist van koningszonen over een spel schaak was in de 15<sup>e</sup> eeuw
+nog een even gangbaar motief als in de Karelromans.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<a name='12'></a>
+<p>Er was in het dagelijksch leven voortdurend een onbegrensde ruimte voor
+gloeienden hartstocht en kinderlijke fantazie. De hedendaagsche
+wetenschappelijke historie der middeleeuwen, die wegens de
+onbetrouwbaarheid der kronieken bij voorkeur zooveel mogelijk uit
+officieele oorkonden put, vervalt daardoor wel eens in een gevaarlijke
+fout. De oorkonden toonen ons weinig van het verschil in levenstoon,
+dat ons van die tijden scheidt. Zij doen ons het felle pathos van het
+middeleeuwsche leven vergeten. Van al de hartstochten, die het kleuren,
+spreken de oorkonden doorgaans slechts van twee: de hebzucht en den
+strijdlust, maar deze zelf zijn in hun felheid niet te begrijpen buiten
+het verband met de algemeene hartstochtelijkheid. Daarom blijven de
+kroniekschrijvers, zij mogen op het stuk van feitelijkheden nog zoo
+oppervlakkig zijn en nog zoo dikwijls dwalen, onmisbaar om den tijd goed
+te zien.</p>
+
+<p>Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje. Merk op,
+hoe archa&iuml;sch de hofchronisten, geleerde, aanzienlijke mannen, de
+vorsten, met wie zij verkeeren, zien, en stel u dan voor, wat het
+koningschap in de volksverbeelding moet zijn geweest. Hier is de jonge
+Karel de Stoute, nog graaf van Charolais, die van Sluis te Gorkum
+aangekomen, daar verneemt, dat zijn vader de hertog zijn pensie en al
+zijn benefici&euml;n heeft ingetrokken. Chastellain beschrijft, hoe nu de
+graaf zijn gansche hofhouding, tot de keukenjongens toe, voor zich laat
+verschijnen, en hun zijn rampspoed meedeelt in een roerende toespraak,<a name='13'></a>
+waarin hij zijn eerbied voor den misleiden vader, zijn zorg voor het wel
+der zijnen en zijn liefde voor hen allen betuigt. Die zelf middelen
+hebben, spoort hij aan, met hem zijn fortuin af te wachten; die arm
+zijn, laat hij vrij om heen te gaan, en als zij mochten hooren, dat 's
+graven fortuin zich gekeerd heeft, &quot;komt dan terug, en gij zult allen
+uw plaats open vinden en zult mij welkom zijn, en ik zal het geduld
+beloonen dat gij om mijnentwil hebt gehad.&quot;&mdash;&quot;Lors oyt-l'on voix lever
+et larmes espandre et clameur ruer par commun accord: &quot;Nous tous, nous
+tous, monseigneur, vivrons avecques vous et mourrons.&quot;&mdash;Diep geroerd
+aanvaardt Karel hun trouw: &quot;Or vivez doncques et souffrez; et moy je
+souffreray pour vous, premier que vous ayez faute.&quot; Dan komen de edelen
+en bieden hem aan, wat zij bezitten, &quot;disant l'un: j'ay mille, l'autre:
+dix mille, l'autre: j'ay cecy, j'ay cela pour mettre pour vous et pour
+attendre tout vostre advenir.&quot; En zoo ging alles zijn gewonen gang, en
+er kwam geen kip minder om in de keuken<a name='FNanchor_17_17'></a><a href='#Footnote_17_17'><sup>[17]</sup></a>.</p>
+
+<p>De uitpenseeling van het tafereel is natuurlijk van Chastellain. Wij
+weten niet, in hoeverre zijn verhaal hier het werkelijk gebeurde
+styleert. Doch waar het op aankomt: hij ziet den vorst in de eenvoudige
+vormen van de volksballade; het geval wordt voor hem geheel beheerscht
+door de meest primitieve roerselen van wederzijdsche trouw.</p>
+
+<p>Terwijl het mechanisme van het staatsbestuur en de staatshuishouding in
+werkelijkheid reeds gecompliceerde vormen had aangenomen, projecteert
+zich het staatsbeleid in den geest des volks in enkele vaste, eenvoudige
+figuren. <a name='14'></a>De politieke voorstellingen, waarin men leeft, zijn die van het
+volkslied en den ridderroman. Er zijn een beperkt getal koningstypen: de
+edele, rechtvaardige vorst, de door booze raden misleide vorst, de vorst
+wreker van de eer van zijn geslacht, de vorst in het ongeluk door de
+trouw der zijnen gesteund. Het eeuwige wantrouwen, of het geld door de
+kroon wel in het algemeen welzijn wordt besteed, vindt zijn uitdrukking
+in de steeds terugkeerende voorstellingen: de koning wordt omringd door
+hebzuchtige, sluwe raadgevers, of de weelde en overdaad van 's konings
+hofhouding is er schuld aan, dat het slecht gaat met het land. Zoo
+reduceeren zich de politieke kwesties voor het volk tot de gevallen van
+de sproke. Philips de Goede begreep, welke taal het volk verstond.
+Tijdens zijn feesten in den Haag in 1456 heeft hij, om indruk te maken
+op de Hollanders en Friezen, die zouden meenen, dat het hem aan geld
+ontbrak om het bisdom Utrecht te vermeesteren, in een kamer naast de
+ridderzaal dertig duizend mark zilver aan kostelijk vaatwerk laten
+uitstallen. Iedereen mag er naar komen kijken. Bovendien zijn er uit
+Rijssel twee geldkisten meegebracht met tweehonderdduizend gouden
+leeuwen. Men mag beproeven, ze op te lichten, maar het is moeite
+vergeefsch<a name='FNanchor_18_18'></a><a href='#Footnote_18_18'><sup>[18]</sup></a>. Kan er opvoedkundiger vermenging van staatscrediet en
+kermisvermaak bedacht worden?</p>
+
+<p>Het vorstelijk leven en bedrijf had nog menigmaal een fantastisch
+element, dat ons aan den khalief uit Duizend en &eacute;&eacute;n Nacht herinnert. Zij
+handelen te midden van de koel berekende politieke ondernemingen soms
+met een roekelooze onstuimigheid, die om een persoonlijke gril hun leven
+en hun werk in gevaar brengt.<a name='15'></a> Eduard III waagt er zichzelf, den prins
+van Wales en de zaak van zijn land aan, om een vloot van spaansche
+koopvaarders aan te vallen, ter vergelding van eenige zeerooverij
+<a name='FNanchor_19_19'></a><a href='#Footnote_19_19'><sup>[19]</sup></a>.&mdash;Philips de Goede heeft er zijn zinnen op gezet, een zijner
+archers te huwen aan een rijke brouwersdochter uit Rijssel. Toen de
+vader dit tegenwerkt en er het Parlement van Parijs inhaalt, breekt de
+hertog, in woede ontstoken, de gewichtige staatsbesognes, die hem in
+Holland hielden, plotseling af, en onderneemt, in den heiligen tijd vlak
+voor Paschen nog wel, een gevaarlijke zeereis van Rotterdam naar Sluis,
+om zijn zin door te drijven<a name='FNanchor_20_20'></a><a href='#Footnote_20_20'><sup>[20]</sup></a>. Een andermaal is hij in zinneloozen
+toorn om een twist met zijn zoon als een weggeloopen schooljongen stil
+uit Brussel gereden, en verdwaalt 's nachts in het bosch. Als hij weer
+terecht is, valt de hachelijke taak, om hem weer in zijn gewone doen te
+brengen, den ridder Philippe Pot te beurt. De handige hoveling vindt het
+rechte woord: &quot;Bonjour monseigneur, bonjour, qu'est cecy? Faites-vous du
+roy Artus maintenant ou de messire Lancelot?&quot;<a name='FNanchor_21_21'></a><a href='#Footnote_21_21'><sup>[21]</sup></a></p>
+
+<p>Hoe khaliefachtig doet het aan, wanneer dezelfde hertog, als de
+geneesheeren hem hebben voorgeschreven, zich het hoofd kaal te laten
+scheren, gelast, dat alle edelen zullen doen als hij, en Peter van
+Hagenbach opdraagt, om waar hij een edelman ongeschoren vond, hem van
+zijn haardos te ontdoen<a name='FNanchor_22_22'></a><a href='#Footnote_22_22'><sup>[22]</sup></a>. Of wanneer de jonge koning van Frankrijk
+Karel VI, met een vriend op &eacute;&eacute;n paard,<a name='16'></a> vermomd den intocht van zijn
+eigen bruid, Isabella van Beieren, gaat zien, en in 't gedrang klappen
+oploopt van de dienders<a name='FNanchor_23_23'></a><a href='#Footnote_23_23'><sup>[23]</sup></a>.&mdash;Een dichter uit de XV<sup>e</sup> eeuw laakt het,
+dat de vorsten hun nar of speelman tot hofraad en minister verheffen,
+gelijk Coquinet le fou de Bourgogne<a name='FNanchor_24_24'></a><a href='#Footnote_24_24'><sup>[24]</sup></a>.</p>
+
+<p>Een andere gewoonte herinnert aan figuren, die tot in de laatste dagen
+van het tsarisme hun invloed aan het Russische hof hadden: de vorsten
+der XV<sup>e</sup> eeuw zoeken herhaaldelijk raad in staatszaken bij de visionaire
+asceten en de ge&euml;xalteerde volkspredikers. Dionysius de Kartuizer,
+Vincent Ferrer traden als politieke raadgevers op; de luidruchtige
+prediker Olivier Maillard, een Fransche Brugman, was in de heimelijkste
+onderhandelingen van vorstenhoven gemengd<a name='FNanchor_25_25'></a><a href='#Footnote_25_25'><sup>[25]</sup></a>. Een element van
+godsdienstige spanning werd zoodoende levend gehouden in de hooge
+staatkunde.</p>
+
+<p>Het was niet door roekeloos avontuurlijke daden en woeste grillen
+alleen, dat het vorstenleven voortdurend in de sfeer van het romantische
+bleef. De bloedige tragiek van het koningschap heeft zelden zoo
+aanhoudend het tooneel van Europa vervuld met den aanblik van
+aangrijpende lotswisseling als in de XIV<sup>e</sup> en XV<sup>e</sup> eeuw. In het Duitsche
+Rijk en in Engeland in &eacute;&eacute;n jaar tijds een koning onttroond. De wildste
+verhalen liepen van Wenzel, den dronkaard, die de Duitsche landen
+verwaarloosde,<a name='17'></a> terwijl de Turken steeds dreigender naderden. De koningin
+zou des nachts door zijn woeste losgebroken honden zijn verscheurd. De
+geheimzinnige dood van Richard II van Engeland, na zijn verbazenden val,
+riep dien van Eduard II, zeventig jaren eerder, in het geheugen terug.
+In Frankrijk een waanzinnige op den troon, en 't land door wilde
+partijtwist verscheurd. En de gansche christenheid verdeeld door het
+groote schisma: twee pausen, drie welhaast, die om de macht streden.
+&quot;Le Pappe de la Lune&quot; noemde men in Frankrijk den paus van Avignon,
+Benedictus XIII, den Aragonees Peter van Luna: het moet voor het volk
+een half ijlhoofdigen klank hebben gehad. De twee schreeuwende moorden
+van 1407 en 1419: op Lodewijk van Orleans en op Jan zonder Vrees,
+hebben met hun eindeloozen nasleep van wraakzucht en oorlog aan de
+Fransche geschiedenis eener gansche eeuw een grondtoon van somberen haat
+gegeven.</p>
+
+<p>Men kon de wisselvalligheid der vorstelijke fortuin, zooals ieder haar
+voor oogen had in het beeld van het wiel, waar zij aftuimelen met hun
+schepters en kronen, niet beter belichaamd zien dan in Ren&eacute; van Anjou,
+die altijd weer de hoogste kansen had gemist, die getracht had naar de
+kronen van Hongarije, Sicili&euml; en Jeruzalem, en niet anders vond dan
+nederlagen, moeilijke ontvluchtingen, lange gevangenschappen. De
+dichter-koning zonder troon, die zich vermeide in herderdicht en
+miniatuurkunst, moet wel van een diep gewortelde frivoliteit zijn
+geweest, of het lot zou hem hebben genezen. Bijna al zijn kinderen had
+hij zien sterven, en de dochter, die hem gebleven was, had een lot, dat
+in zwarte droefheid het zijne overtrof. Margareta van Anjou, vol geest,
+eerzucht en hartstocht, had, zestien jaar oud, den koning van Engeland
+gehuwd,<a name='18'></a> Hendrik VI, een onnoozele. Het Engelsche hof was een hel van
+haat. Toen eindelijk de groote familiestrijd in de phase van bloedig
+geweld was gekomen, verloor Margareta kroon en rijkdom. Zij had het
+ergste gevaar en den bittersten nood gekend; aan de erbarming van een
+struikroover had zij zich en haar zoon moeten toevertrouwen. Zij had bij
+de mis een Schotschen boogschutter om een penning moeten vragen voor een
+offer, &quot;qui demy &agrave; dur et &agrave; regret luy tira un gros d'Escosse de sa
+bourse et le luy presta&quot;. Toen Chastellain het aandoenlijk verhaal van
+haar rampspoed en zwerftochten uit haar mond vernam, en haar tot troost
+een <i>Temple de Bocace</i><a name='FNanchor_26_26'></a><a href='#Footnote_26_26'><sup>[26]</sup></a> wijdde, &quot;aucun petit trait&eacute; de fortune,
+prenant pied sur son inconstance et d&eacute;ceveuse nature&quot;, een sombere
+galerij van vorstenongeluk, toen stond haar het ergste nog te wachten:
+bij Tewkesbury in 1471 de Lancaster's voorgoed verslagen, haar eenige
+zoon in den slag gevallen of na den slag vermoord, haar gemaal heimelijk
+omgebracht, zijzelf vijf jaren in den Tower, om tenslotte door Eduard IV
+aan Lodewijk XI te worden verkocht, wien zij tot dank voor haar
+bevrijding afstand moest doen van de erfenis van haar vader, koning
+Ren&eacute;.</p>
+
+<p>Waar de echte koningskinderen zulk een lot beleefden, hoe zou daar een
+burger van Parijs anders dan geloof schenken aan het verhaal, waarmee
+in 1427 een troep Zigeuners in de stad kwam? Zij kwamen als boetelingen,
+&quot;ung duc et ung conte et dix hommes tous &agrave; cheval&quot;, de rest, een 120
+sterk, moest buiten blijven. <a name='19'></a>Uit Egypte waren zij, de paus had hun als
+boete voor hun afval van het christelijk geloof opgelegd om zeven jaar
+te zwerven, zonder in een bed te slapen. Zij waren wel 1200 geweest,
+maar hun koning en koningin en al de anderen waren onderweg gestorven.
+Tot eenig solaas had de paus gelast, dat ieder bisschop en abt hun tien
+pond tournoois zou geven. De Parijzenaars kwamen in groote menigte naar
+het vreemde volkje kijken, en lieten zich de hand lezen door de vrouwen,
+die den lieden het geld uit hun beurzen in de hare deden verhuizen &quot;par
+art magicque au autrement&quot;<a name='FNanchor_27_27'></a><a href='#Footnote_27_27'><sup>[27]</sup></a>.</p>
+
+<p>Er lag om het vorstenleven een sfeer van avontuur en van hartstocht. Het
+was niet louter de volksverbeelding, die het die kleur leende. De
+moderne mensch maakt zich doorgaans geen voorstelling van de teugellooze
+buitensporigheid en ontvlambaarheid van het middeleeuwsch gemoed. Men
+kan uit de oorkonden een beeld ontwerpen van een stuk middeleeuwsche
+geschiedenis, dat er juist zoo uitziet als achttiende&euml;euwsche ministers-
+en gezanten-politiek. Maar zulk een beeld mist &eacute;&eacute;n gewichtig element:
+de felle kleur van den geweldigen hartstocht, die &egrave;n de volken &egrave;n de
+vorsten heeft bezield. Zonder twijfel is dat element ook n&uacute; nog in de
+staatkunde aanwezig, maar het vindt meer remmen en beletselen, het is
+op honderden wijzen door het ingewikkelde mechanisme van het
+gemeenschapsleven in vaste banen geleid. In de vijftiende eeuw komt
+in de politieke daad nog een mate van onmiddellijk affect tot uiting,
+waardoor nut en berekening telkens worden doorbroken. Gaat dat affect
+gepaard met machtsgevoel, zooals bij de vorsten, dan werkt het dubbel
+heftig.<a name='20'></a> Chastellain drukt het in zijn deftige termen bondig uit. Het is
+geen wonder, zegt hij, dat vorsten dikwijls met elkaar in vijandschap
+leven, &quot;puisque les princes sont hommes, et leurs affaires sont haulx et
+agus, et leurs natures sont subgettes &agrave; passions maintes comme &agrave; haine
+et envie, et sont leurs coeurs vray habitacle d'icelles (des passions) &agrave;
+cause de leur gloire en r&eacute;gner&quot;<a name='FNanchor_28_28'></a><a href='#Footnote_28_28'><sup>[28]</sup></a>. Dit is, wat Burckhardt &quot;das Pathos
+der Herrschaft&quot; noemt.</p>
+
+<p>Wie de geschiedenis van Bourgondi&euml; wilde schrijven, moest steeds weer
+een wraakmotief kunnen doen klinken, zoo zwart als een katafalk, dat u
+bij elke daad in den raad en te velde, den bitteren smaak gaf te proeven
+van hun geest vol sombere wraakgierigheid en verscheurden hoogmoed.
+Zeker, het zou onnoozel zijn, om weer te willen terugkeeren tot het
+gezicht, dat de vijftiende eeuw zelf op de geschiedenis had. Het gaat
+niet aan, de geheele machtstegenstelling, waaruit de eeuwenlange strijd
+van Frankrijk en de Habsburgers is gegroeid, te willen afleiden uit de
+bloedwraak tusschen Orleans en Bourgondi&euml;, de twee takken van het huis
+Valois. Wanneer men zich maar bewust blijft, dat voor den tijdgenoot die
+bloedwraak het beheerschende moment van de lotgevallen hunner landen
+was. Philips de Goede is voor hen in de eerste plaats de wreker, &quot;celluy
+qui pour vengier l'outraige fait sur la personne du duc Jehan soustint
+la gherre seize ans&quot;<a name='FNanchor_29_29'></a><a href='#Footnote_29_29'><sup>[29]</sup></a>. Als een heilige taak had Philips het op zich
+genomen: &quot;en toute criminelle et mortelle aigreur, il tireroit &agrave; la
+vengeance du mort, si avant que Dieu luy vouldroit permettre; et y
+mettroit corps et &acirc;me, substance et pays tout en l'aventure et en la
+disposition de fortune, plus r&eacute;putant oeuvre salutaire et agr&eacute;able &agrave;
+Dieu de y entendre que de le laisser&quot;.<a name='21'></a> Het was den Dominicaan, die bij
+den lijkdienst voor den vermoorden hertog de predikatie hield, euvel
+aangerekend, dat hij op den christenplicht om niet te wreken gewezen had
+<a name='FNanchor_30_30'></a><a href='#Footnote_30_30'><sup>[30]</sup></a>. Al de staten van zijn landen riepen met hem om wraak, zegt La
+Marche<a name='FNanchor_31_31'></a><a href='#Footnote_31_31'><sup>[31]</sup></a>.</p>
+
+<p>Het tractaat van Atrecht, dat in 1435 den vrede tusschen Frankrijk en
+Bourgondi&euml; schijnt te zullen brengen, begint met de boete voor den moord
+van Montereau; een kapel te stichten in de kerk van Montereau, waar Jan
+het eerst begraven was, waar ten eeuwige dage een requiem zal gezongen
+worden iederen dag; desgelijks in dezelfde stad een Kartuizerklooster,
+een kruis op de brug zelf, waar het feit was bedreven, een mis in de
+Kartuizerkerk te Dijon, waar de Bourgondische hertogen begraven liggen
+<a name='FNanchor_32_32'></a><a href='#Footnote_32_32'><sup>[32]</sup></a>. Het was maar een deel van al de openbare boete en schande, die de
+kanselier Rolin namens den hertog ge&euml;ischt had: kerken met kapittels
+niet alleen te Montereau, maar ook te Rome, Gent, Dijon, Parijs,
+Santiago de Compostella en Jeruzalem, met opschriften in steen, die het
+feit verhalen moesten<a name='FNanchor_33_33'></a><a href='#Footnote_33_33'><sup>[33]</sup></a>.</p>
+
+<p>Een wraakbehoefte, die zich in zoo wijdloopige vormen kleedde, moet wel
+vooraan in den geest hebben gestaan. En wat zou het volk van de
+staatkunde hunner vorsten beter hebben begrepen dan deze eenvoudige,
+primitieve motieven van haat en wraak?<a name='22'></a> De aanhankelijkheid aan den vorst
+was van een kinderlijk impulsief karakter, een onmiddellijk gevoel van
+trouw en gemeenschap. Het is een uitbreiding van het oude sterke besef,
+dat de eedhelpers aan den klager, de mannen aan hun heer bond, en dat in
+veete en strijd tot allesvergetenden hartstocht aangloeide. Het is
+partijgevoel, geen staatsgevoel. De latere middeleeuwen zijn de tijd der
+groote partijstrijden. In Itali&euml; consolideeren de partijen zich reeds in
+de 13<sup>e</sup> eeuw, in Frankrijk en de Nederlanden rijzen ze overal omhoog in
+de 14<sup>e</sup>. Iedereen, die de geschiedenis van die tijden bestudeert, moet
+wel eens getroffen zijn door de gebrekkigheid, waarmee die partijschappen
+door de moderne geschiedvorsching uit economisch-politieke oorzaken worden
+verklaard. De economische tegenstellingen, die men eraan ten grondslag
+legt, zijn veelal louter schematische constructies, die men met den
+besten wil niet uit de bronnen kan aflezen. Zonder de aanwezigheid van
+economische oorzaken te loochenen, is men geneigd te vragen, of ter
+verklaring van den laat-middeleeuwschen partijstrijd een politisch-psychologisch gezichtspunt niet meer profijt oplevert dan een politisch-
+economisch. Op de onmiddellijke basis van hartstochtelijke trouw, van
+familietrots en wraakzucht kan men de partijen als 't ware zien
+agglomereeren uit de beperkte veeten van den zuiver-feodalen tijd. Met
+de versterking van de staatsmacht, met de uitbreiding van de geldmacht
+nemen de primitieve gevoelens van solidariteit en gemeenschapseer
+breeder, openlijker vormen aan. Wanneer een scherpziend tijdgenoot
+verklaart, dat voor den haat van Hoekschen en Kabeljauwschen geen
+redelijke gronden waren te bespeuren<a name='FNanchor_34_34'></a><a href='#Footnote_34_34'><sup>[34]</sup></a>, moet men niet minachtend de
+schouders ophalen en wijzer willen zijn dan hij.</p><a name='23'></a>
+
+<p>Hoe hevig de gemoedsbeweging van vorstentrouw werken kon, leest men op
+elke bladzijde der middeleeuwsche geschiedenis. De dichter van het
+mirakelspel Marieken van Nimwegen vertoont ons, hoe Marieken's kwade
+moei, na zich met de buurvrouwen half razend gekeven te hebben over den
+twist van Arnold en Adolf van Gelre, zich ophangt uit spijt, dat de oude
+hertog uit zijn gevangenis is verlost. Blijkbaar was dit dus voor hem
+een waarschijnlijk motief. Midden in den nacht laten de schepenen van
+Abbeville de klokken luiden, omdat er een bode gekomen is van Karel van
+Charolais met verzoek om te bidden voor de genezing zijns vaders. De
+verschrikte burgers stroomen ter kerke, ontsteken honderden kaarsen,
+liggen geknield of neergeworpen, in tranen, den ganschen nacht, terwijl
+de klokken aldoor luiden<a name='FNanchor_35_35'></a><a href='#Footnote_35_35'><sup>[35]</sup></a>.</p>
+
+<p>Als het volk van Parijs, in 1429 nog Engelsch-Bourgondischgezind,
+verneemt, dat broeder Richard, die hen nog pas zoo innig had aangegrepen
+met zijn preeken, een Armagnac is, en de steden heimelijk ompraat, dan
+vervloeken zij hem bij God en de heiligen; voor den tinnen penning met
+den naam van Jezus, dien hij hun gegeven had, nemen zij het Andrieskruis,
+het partijteeken van Bourgondi&euml;. Zelfs het hervatten van de dobbelspelen,
+waartegen broer Richard geijverd had, geschiedde, meent de burger van
+Parijs, &quot;en despit de luy&quot;<a name='FNanchor_36_36'></a><a href='#Footnote_36_36'><sup>[36]</sup></a>.</p>
+<a name='24'></a>
+<p>Men zou meenen, dat het schisma tusschen Avignon en Rome, dat geen
+dogmatischen grond had, geen geloofshartstocht kon hebben gewekt in de
+landen, ver van de beide centra verwijderd. Toch ontwikkelt zich ook
+daar het schisma onmiddellijk tot een felle en hevig bewogen partijzaak,
+tot een tegenstelling als van geloovigen en ongeloovigen. Wanneer Brugge
+overgaat van den paus te Rome tot dien van Avignon, verlaten tal van
+lieden huis en stad, bedrijf of prebende, om in Utrecht, Luik of een
+ander gebied der urbanistische obedientie naar h&uacute;n partij te kunnen
+leven<a name='FNanchor_37_37'></a><a href='#Footnote_37_37'><sup>[37]</sup></a>. Te Rozebeke in 1382 is de Fransche legeraanvoering in
+twijfel, of men tegen de opstandige Vlamingen de oriflamme, de heilige
+koningsvaan, zal ontplooien of niet. De beslissing valt: ja, want die
+Vlamingen zijn urbanisten, dus ongeloovigen<a name='FNanchor_38_38'></a><a href='#Footnote_38_38'><sup>[38]</sup></a>. Pierre Salmon kon te
+Utrecht geen priester vinden, die hem zijn paasch wil laten vieren,
+&quot;pour ce qu'ils disoient que je estoie scismatique et que je cr&eacute;oie en
+Benedic l'antipape&quot;, zoodat hij alleen in een kapel gaat biechten, alsof
+hij 't voor een priester deed, en de mis hoort in het Kartuizerklooster
+<a name='FNanchor_39_39'></a><a href='#Footnote_39_39'><sup>[39]</sup></a>.</p>
+
+<p>Het sterk bewogen karakter van partijgevoel en vorstentrouw werd nog
+verhoogd door de machtige suggestieve werking, die er uitging van al
+de partijteekens, kleuren, emblemen, deviezen, kreten, die elkander
+somtijds in bonte wisseling opvolgden, meestal zwanger van moord en
+doodslag, een enkele maal teeken van blijder dingen. Wel twee duizend
+personen trokken in 1380 den <a name='25'></a>jongen Karel VI bij zijn intocht in Parijs
+tegemoet, allen gelijk gekleed in half groen half wit. Tot driemaal toe
+zag men in de jaren 1411 tot 1413 heel Parijs plotseling met ander
+kenteeken getooid: paarse kaproenen met het Andrieskruis, witte
+kaproenen, dan weer violette. Geestelijken, vrouwen en kinderen droegen
+ze. Tijdens het schrikbewind der Bourguignons te Parijs in 1411 werden
+iederen Zondag de Armagnacs onder klokgelui ge&euml;xcommuniceerd; men behing
+de heiligenbeelden met het Andrieskruis, ja, sommige priesters wilden
+bij de mis en bij den doop het kruisteeken niet recht maken, zooals de
+Heer gekruist was, maar maakten het schuins<a name='FNanchor_40_40'></a><a href='#Footnote_40_40'><sup>[40]</sup></a>.</p>
+
+<p>De blinde hartstocht, waarmee men zijn partij, zijn heer of ook zijn
+eigen zaak volgde, was mede een uitingsvorm van het muurvaste,
+steenharde rechtsgevoel, de onwrikbare verzekerdheid, dat elke daad haar
+uiterste vergelding eischt. Het middeleeuwsche gerechtigheidsgevoel was
+voor drie kwart heidensch. Het was wraakbehoefte. De kerk had wel de
+rechtsgewoonten getracht te verzachten door aandrang op zachtmoedigheid,
+vrede, vergevensgezindheid, maar het eigenlijke rechtsgevoel had zij
+daarmee niet veranderd. Integendeel, zij had het ge&euml;xaspereerd, door aan
+de vergeldingsbehoefte den haat tegen de zonde toe te voegen. De zonde
+nu, dat was al te vaak: wat mijn vijand doet. Er was een enorme spanning
+gekomen van barbaarsch-religieus gerechtigheidsgevoel; onder invloed van
+de zonde-opvatting was de afkoopbaarheid van het misdrijf meer en meer
+teruggedrongen,<a name='26'></a> en zoo is het einde der middeleeuwen de bedwelmende
+bloeitijd van pijnlijke gerechtigheid en justitieele wreedheid geworden.
+Daar was geen oogenblik van twijfel, of de boosdoener zijn recht
+verdiend had. Daar was innige voldoening over treffende daden van
+justitie, door den vorst zelf verricht. Daar waren vlagen van straffe
+gerechtigheid, dan tegen roovers en geboefte, dan tegen heksen en
+toovenaars, dan tegen sodomie.</p>
+
+<p>Wat in de justitieele wreedheid der late middeleeuwen treft, is geen
+ziekelijke perversiteit maar het dierlijke, verstompte jolijt, dat
+het volk erin had, de kermisvreugde ervan. Die van Mons koopen een
+rooverhoofdman tegen veel te hoogen prijs, voor het genoegen van hem te
+vierendeelen, &quot;dont le peuple fust plus joyeulx que si un nouveau corps
+sainct estoit ressuscit&eacute;&quot;<a name='FNanchor_41_41'></a><a href='#Footnote_41_41'><sup>[41]</sup></a>. Tijdens de gevangenschap van Maximiliaan
+te Brugge in 1488 staat op de markt, waar de gevangen koning het kan
+zien, de pijnbank op een hooge estrade, en het volk krijgt er niet
+genoeg van, de van verraad verdachte magistraatspersonen telkens weer
+te zien pijnigen, en weerhoudt de executie, waar dezen om smeeken, om
+nieuwe kwellingen te genieten<a name='FNanchor_42_42'></a><a href='#Footnote_42_42'><sup>[42]</sup></a>.</p>
+
+<p>Tot welke onchristelijke uitersten juist de vermenging van geloof en
+wraakzucht leidde, bewijst de gewoonte, die in Frankrijk en Engeland
+heerschte, om den terdoodveroordeelde niet alleen het viaticum maar ook
+de biecht te weigeren. Men wilde hun ziel niet redden, men wilde hun
+doodsangst verzwaren met de zekerheid der hellestraf. <a name='27'></a>Vergeefs had paus
+Clemens V in 1311 gelast, althans het boetsacrament toe te staan. De
+politieke idealist Philippe de M&eacute;zi&egrave;res drong er opnieuw op aan, eerst
+bij Karel V van Frankrijk, toen bij Karel VI. Doch de kanselier Pierre
+d'Orgemont, wiens &quot;forte cervelle&quot;, zegt M&eacute;zi&egrave;res, moeilijker om te
+keeren was dan een molensteen, verzette er zich tegen, en Karel V, de
+wijze, vreedzame koning, verklaarde, dat bij zijn leven de gewoonte niet
+veranderd zou worden. Eerst toen de stem van Jean Gerson zich bij die
+van M&eacute;zi&egrave;res voegde met een vijftal consideraties tegen het misbruik,
+gelastte een koninklijk edict van 12 febr. 1397 den veroordeelde de
+biecht toe te staan. Pierre de Craon, aan wiens bemoeiing het besluit te
+danken was, richtte een steenen kruis op bij de galg van Parijs, waar de
+Minderbroeders de berouwvolle misdadigers konden bijstaan<a name='FNanchor_43_43'></a><a href='#Footnote_43_43'><sup>[43]</sup></a>. Toch
+verdween ook toen de oude gewoonte nog niet uit de volkszeden; nog kort
+na 1500 moet de bisschop van Parijs, Etienne Ponchier, het statuut van
+Clemens V hernieuwen. In 1427 wordt een roofziek jonker te Parijs
+gehangen. Bij de terechtstelling komt een aanzienlijk ambtenaar, groot
+tresorier in dienst van den regent, zijn haat tegen den veroordeelde
+luchten; hij belet, dat hem de confessie wordt toegestaan, die hij
+vraagt; hij klimt scheldende achter hem de ladder op, slaat hem met een
+stok, ranselt den beul, omdat die hem naar de redding van zijn ziel
+vraagt. De beul, verschrikt, overhaast zich, de strop breekt, de arme
+misdadiger valt, breekt been en ribben, en moet zoo de ladder weer op
+<a name='FNanchor_44_44'></a><a href='#Footnote_44_44'><sup>[44]</sup></a>.</p>
+<a name='28'></a>
+<p>In de middeleeuwen ontbreken al de gevoelens, die ons besef van justitie
+schuchter en weifelend hebben gemaakt: het inzicht in halve
+toerekenbaarheid, het besef van 's rechters feilbaarheid, het besef, dat
+de maatschappij mee schuld heeft aan het misdrijf van den enkele, de
+vraag, of men hem niet kan verbeteren in plaats van hem te doen lijden.
+Of misschien beter gezegd: die gevoelens ontbraken niet, maar waren
+onuitgedrukt vereenigd in een onmiddellijke aandoening van
+barmhartigheid en vergiffenis, die, onafhankelijk van de schuld, telkens
+weer de wreede voldoening over het gedane recht komt breken. Waar wij
+een aarzelend en half schuldbewust toemeten van verzachte straffen
+kennen, daar kent de middeleeuwsche justitie slechts de twee uitersten:
+de volle maat van wreede straf en de genade. Bij het schenken van genade
+wordt veel minder dan thans gevraagd, of de schuldige om bijzondere
+redenen de gratie verdient: voor elke schuld, ook de klaarblijkelijkste,
+is volle kwijtschelding te allen tijde gepast. In de praktijk gaf bij
+die kwijtscheldingen niet altijd de zuivere barmhartigheid den doorslag.
+Het is verbazend, met welk een gelijkmoedigheid de tijdgenooten
+vertellen, hoe de tusschenkomst van aanzienlijke verwanten een
+misdadiger &quot;lettres de r&eacute;mission&quot; bezorgen. Niettemin gelden de meeste
+van die brieven geen aanzienlijken overtreders maar armen lieden uit het
+volk, die geen hooge voorspraak gehad hebben<a name='FNanchor_45_45'></a><a href='#Footnote_45_45'><sup>[45]</sup></a>.</p>
+<a name='29'></a>
+<p>De onmiddellijke tegenstelling van hardvochtigheid en barmhartigheid
+beheerscht ook buiten de rechtspleging de zeden. Aan de eene zijde de
+vreeselijkste hardvochtigheid tegen misdeelden en gebrekkigen, aan de
+andere die ontzaglijke verteedering, dat innig gevoel van verwantschap
+voor zieken, armen en gekken, zooals wij het, samen met de wreedheid,
+nog uit de Russische litteratuur kennen. Het genot in terechtstellingen
+wordt althans nog begeleid en tot zekere hoogte gerechtvaardigd door een
+sterk bevredigd rechtsgevoel. In de ongeloofelijke, na&iuml;eve hardheid,
+onkieschheid, den wreeden spot, het leedvermaak, waarmee men het ongeluk
+der ellendigen beschouwt, ontbreekt zelfs het veredelend element van het
+bevredigd rechtsgevoel. De kroniekschrijver Pierre de Fenin besluit het
+verhaal van het omkomen eener rooverbende met de woorden: &quot;et faisoit-on
+grant ris&eacute;e, pour ce que c'estoient tous gens de povre estat&quot;<a name='FNanchor_46_46'></a><a href='#Footnote_46_46'><sup>[46]</sup></a>.</p>
+
+<p>Te Parijs wordt in 1425 een &quot;esbatement&quot; gehouden van vier geharnaste
+blinden, die om een big vechten. Daags te voren trekken zij geharnast
+door de stad, voorop een doedelzakspeler en een man met een groote vlag,
+waarop de big geschilderd staat<a name='FNanchor_47_47'></a><a href='#Footnote_47_47'><sup>[47]</sup></a>.</p>
+
+<p>Velazquez heeft ons de innig droevige tronies bewaard van de
+dwerginnetjes, die als zottinnen aan het Spaansche hof in zijn tijd
+nog in eere waren.<a name='30'></a> Zij waren een gezocht voorwerp van vermaak aan de
+vorstenhoven der 15<sup>e</sup> eeuw. Bij de kunstige &quot;entremets&quot; der groote
+hoffeesten vertoonden zij haar kunsten en haar mismaaktheid. Madame
+d'Or, de goudblonde dwergin van Philips van Bourgondi&euml;, was algemeen
+bekend. Men liet haar worstelen met den acrobaat Hans<a name='FNanchor_48_48'></a><a href='#Footnote_48_48'><sup>[48]</sup></a>. Bij de
+huwelijksfeesten van 1468 komt Madame de Beaugrant, &quot;la naine de
+Mademoiselle de Bourgogne&quot;, gedost als herderin, binnenrijden op een
+gouden leeuw, grooter dan een paard. De leeuw kan den bek open en dicht
+doen en zingt een welkomstliedje; het herderinnetje wordt cadeau gedaan
+aan de jonge hertogin en op tafel gezet<a name='FNanchor_49_49'></a><a href='#Footnote_49_49'><sup>[49]</sup></a>. Wij kennen geen klachten
+over het lot van die vrouwtjes, wel posten uit rekeningen, die ons nog
+iets meer zeggen. Zij spreken ervan, hoe een hertogin zulk een dwergje
+liet halen uit haar ouderlijk huis, hoe de moeder of de vader haar
+kwamen brengen, hoe ze haar ook later af en toe kwamen bezoeken, en dan
+een fooi kregen. &quot;Au pere de Belon la folle, qui estoit venu veoir sa
+fille....&quot; Ging de vader verheugd en hoogvereerd over den hofdienst van
+zijn dochter naar huis? In hetzelfde jaar leverde een slotemaker te
+Blois twee ijzeren halsbanden, &eacute;&eacute;n &quot;pour attacher Belon la folle et
+l'autre pour mettre au col de la cingesse de Madame la Duchesse&quot;<a name='FNanchor_50_50'></a><a href='#Footnote_50_50'><sup>[50]</sup></a>.</p>
+<a name='31'></a>
+<p>Hoe de krankzinnigen behandeld werden, kan men afmeten naar een bericht
+omtrent de verzorging van Karel VI, die als koning toch een verpleging
+genoot, die gunstig afweek van wat anderen ondervonden. Om den armen
+waanzinnige te verschoonen, wist men niets beters te bedenken, dan hem
+te laten verrassen door twaalf zwartgemaakte mannen, alsof de duivelen
+hem kwamen halen<a name='FNanchor_51_51'></a><a href='#Footnote_51_51'><sup>[51]</sup></a>.</p>
+
+<p>Er is in de hardvochtigheid van die tijden een mate van &quot;ing&eacute;nu&quot;, die
+ons de veroordeeling op de lippen doet besterven. Temidden van een
+pestepidemie, die Parijs teisterde, verzoeken de hertogen van Bourgondi&euml;
+en Orleans, om terwille der verstrooiing een cour d'amours in te stellen
+<a name='FNanchor_52_52'></a><a href='#Footnote_52_52'><sup>[52]</sup></a>. In een pauze van de gruwelijke moordpartijen op de Armagnacs in
+1418, sticht het volk van Parijs in de kerk van Sint Eustathius de
+broederschap van Sint Andries; iedereen, priester of leek, draagt een
+krans van roode rozen; de kerk is er vol van en geurt &quot;comme s'il fust
+lav&eacute; d'eau rose&quot;<a name='FNanchor_53_53'></a><a href='#Footnote_53_53'><sup>[53]</sup></a>. Wanneer de heksenprocessen, die Atrecht in 1461
+als een helsche plaag hadden geteisterd, tenslotte vernietigd worden,
+viert de burgerij die zege van het recht met een wedstrijd in het
+opvoeren van &quot;folies moralis&eacute;es&quot;, eerste prijs een zilveren lelie,
+vierde prijs een paar kapoenen; de gemartelde slachtoffers waren lang
+dood<a name='FNanchor_54_54'></a><a href='#Footnote_54_54'><sup>[54]</sup></a>.</p>
+
+<p>Zoo fel en bont was het leven, zoo verdroeg het den geur van bloed en
+rozen dooreen. Tusschen helsche benauwingen en de kinderlijkste pret,
+tusschen gruwelijke hardvochtigheid en snikkende verteedering slingert
+het als een reus met een kinderhoofd. Tusschen de volstrekte verzaking
+van alle wereldsche vreugde en een waanzinnige gehechtheid aan goed en
+genot, tusschen duisteren haat en de meest goedlachsche goedmoedigheid
+leeft het volk in uitersten.</p>
+<a name='32'></a>
+<p>Van de heldere helft van dat leven is ons maar luttel bewaard: het is,
+of al de blijde zachtheid en sereniteit van de ziel der vijftiende eeuw
+is verzonken in haar schilderkunst en gekristalliseerd in de ijle
+reinheid van haar hooge muziek. De lach van dat geslacht is verstorven,
+zijn gulle levenslust en onbekommerde vreugde leeft enkel nog in
+volkslied en klucht. Er is genoeg, om bij ons heimwee naar vervlogen
+schoon van andere tijden ook een verlangen naar de zonnigheid van de
+eeuw der van Eyck's te voegen. Maar wie zich waarlijk in dien tijd
+verdiept, heeft dikwijls moeite, om het blijde aspect vast te houden.
+Want overal buiten de sfeer der kunst heerscht het donker. In het
+dreigend waarschuwen der sermoenen, in de moede zuchten der hoogere
+litteratuur, in het eentonig relaas der kronieken en oorkonden, overal
+schreeuwen de bonte zonden en jammert de ellende.</p>
+
+<p>De tijden na de reformatie hebben de hoofdzonden van hoogmoed, toorn en
+hebzucht niet meer gezien in die purperen volbloedigheid en onbeschaamde
+vrijpostigheid, waarmee zij wandelden onder de menschheid der vijftiende
+eeuw. De onmetelijke hoogmoed van Bourgondi&euml;! De gansche geschiedenis
+van dat geslacht, van de daad van ridderlijke bravoure, waarvan het
+hooggroeiende fortuin van den eersten Philips zijn oorsprong neemt, over
+den fellen naijver van Jan zonder Vrees en de zwarte wraakzucht na zijn
+dood, over den langen zomer van dien anderen<a name='33'></a> Magnifico, Philips den
+Goede, tot de waanzinnige halsstarrigheid, waarin de hoogwillende Karel
+de Stoute ondergaat, is het niet een po&euml;em van hero&iuml;eken hoogmoed? Hun
+landen waren de sterkst levende van het Westen: Bourgondi&euml;, zwaar van
+kracht als zijn wijn, &quot;la col&eacute;rique Picardie&quot;, het gulzige, rijke
+Vlaanderen. Het zijn dezelfde landen, waar de pracht van schilderkunst,
+sculptuur en muziek opbloeit, en waar het felste wraakrecht heerscht en
+de gewelddadigste barbaarschheid zich botviert onder adel en burgers
+<a name='FNanchor_55_55'></a><a href='#Footnote_55_55'><sup>[55]</sup></a>.</p>
+
+<p>Geen kwaad is dien tijden meer bewust geweest dan de hebzucht. Men kan
+den hoogmoed en de hebzucht tegenover elkander zien als de zonde van den
+ouden en van den nieuwen tijd. De hoogmoed is de zonde van het feodale
+en hi&euml;rarchische tijdperk, waarin bezit en rijkdom weinig mobiel zijn.
+Het machtsgevoel zit nog niet in de eerste plaats vast aan den rijkdom;
+het is persoonlijker, en de macht moet, om erkend te worden, zich
+manifesteeren door groot vertoon, van talrijk gevolg van getrouwen, van
+kostbare versiering en indrukwekkend optreden van den machtige. Het
+besef van meer te zijn dan een ander mensch wordt door de feodale en
+hi&euml;rarchische gedachte voortdurend gevoed met levenden vorm; die
+meerderheid wordt gevoeld als iets zeer wezenlijks en gerechtvaardigds.</p>
+
+<p>De hoogmoed is een symbolische zonde en een theologische; haar wortels
+zitten diep in den grond van alle levens- en wereldbeschouwing. Superbia
+was de oorsprong van alle kwaad;<a name='34'></a> Lucifer's hoogmoed was het begin en de
+oorzaak van alle verderf. Zoo had Augustinus het gezien, zoo bleef de
+voorstelling der lateren: de hoogmoed is de bron van alle zonden, zij
+groeien uit hem als wortel en stam<a name='FNanchor_56_56'></a><a href='#Footnote_56_56'><sup>[56]</sup></a>.</p>
+
+<p>Doch naast het schriftwoord, dat deze opvatting staafde: A superbia
+initium sumpsit omnis perditio<a name='FNanchor_57_57'></a><a href='#Footnote_57_57'><sup>[57]</sup></a>, stond een ander: Radix omnium
+malorum est cupiditas<a name='FNanchor_58_58'></a><a href='#Footnote_58_58'><sup>[58]</sup></a>. In aansluiting daaraan kon men ook de
+hebzucht zien als den wortel van alle kwaad. Want onder cupiditas, dat
+als zoodanig in de rij der hoofdzonden geen plaats had, werd hier
+avaritia verstaan, gelijk zelfs een andere lezing van den tekst inhield
+<a name='FNanchor_59_59'></a><a href='#Footnote_59_59'><sup>[59]</sup></a>. En het schijnt wel, alsof vooral sedert de dertiende eeuw de
+overtuiging, dat het de teugellooze hebzucht is, die de wereld verderft,
+in de schatting der geesten den hoogmoed van zijn plaats als eerste en
+noodlottigste der zonden verdringt. De oude theologische vooraanstelling
+van Superbia wordt overstemd door het steeds aanzwellend koor van
+stemmen, die al de ellende der tijden wijten aan de steeds toenemende
+hebzucht. Hoe heeft niet Dante haar vervloekt: la cieca cupidigia!</p>
+
+<p>De hebzucht nu mist het symbolisch en theologisch karakter van den
+hoogmoed; zij is de natuurlijke en materieele zonde, de zuiver aardsche
+drift. Zij is de zonde van het tijdperk, waarin het geldverkeer de
+voorwaarden van machtsontwikkeling heeft verplaatst en losgemaakt.<a name='35'></a> De
+schatting van menschelijke waardigheid wordt een rekensommetje. Er is
+een veel onbegrensder veld geopend voor de bevrediging van toomelooze
+begeerten en opeenhooping van schatten. En die schatten hebben nog niet
+de spookachtige ontastbaarheid, die het moderne credietwezen aan het
+kapitaal heeft gegeven; het is nog het gele goud zelf, dat vooraan in de
+voorstelling staat. En de besteding van den rijkdom heeft nog niet het
+automatische en mechanische van voortgezette belegging: de bevrediging
+ligt nog in de felle uitersten van gierigheid en verspilling. In de
+laatste vooral gaat de hebzucht het huwelijk aan met den ouden hoogmoed.
+Die was nog zoo sterk en levend: de hierarchisch-feodale gedachte had
+nog niets van haar bloei verloren, de lust aan pracht en praal, opschik
+en staatsie was nog zoo purperrood.</p>
+
+<p>Juist de verbinding met een primitieven hoogmoed geeft aan de hebzucht
+der latere middeleeuwen dat onmiddellijke, hartstochtelijke,
+ge&euml;xaspereerde, wat latere tijden verloren schijnen te hebben. Het
+Protestantisme en de Renaissance hebben in de hebzucht ethischen inhoud
+gebracht: haar gelegaliseerd als nuttige voortbrenging van welvaart.
+Haar stigma verflauwde, naarmate de loffelijkheid van de verzaking der
+aardsche goederen minder overtuigd beleden werd. In de late middeleeuwen
+daarentegen kon de geest nog enkel de onopgeloste tegenstelling bevatten
+van hebzucht tegenover milddadigheid en vrijwillige armoede.</p>
+
+<p>Overal klinkt uit de litteratuur en de kronieken van dien tijd de
+bittere haat tegen de rijken, de klacht over de hebzucht der grooten,
+van het spreekwoord tot het vrome tractaat.<a name='36'></a> Het is soms als een vaag
+besef van klassenstrijd, uitgedrukt met de middelen van zedelijke
+verontwaardiging. Op dit gebied kunnen evengoed de oorkonden als de
+verhalende bronnen ons het gevoel van den levenstoon van dien tijd
+geven, want in alle bescheiden van processen blinkt de meest
+onbeschaamde hebzucht.</p>
+
+<p>In 1436 was het mogelijk, dat de dienst in een der drukst bezochte
+kerken van Parijs 22 dagen stilstond, omdat de bisschop de kerk niet
+wilde herwijden, voor hij zekere som van penningen daarvoor ontving van
+twee bedelaars, wier handgemeen door een bloedige schram de kerk had
+ontwijd; en de stakkers hadden het niet. De bisschop, Jacques du
+Ch&acirc;telier, stond dan ook bekend als &quot;ung homme tr&egrave;s pompeux,
+convoicteux, plus mondain que son estat ne requeroit&quot;. Maar onder zijn
+opvolger, Denys de Moulins, was het in 1441 al weer zoo: nu kon er vier
+maanden lang op het kerkhof &quot;des Innocents&quot;, het vermaardste en
+gezochtste van Parijs, niet begraven worden noch ommegang gehouden,
+omdat de bisschop een hooger recht daarvan eischte, dan de kerk kon
+opbrengen. Deze bisschop heette &quot;homme tr&egrave;s pou piteux &agrave; quelque
+personne, s'il ne recevoit argent ou aucun don qui le vaulsist, et pour
+vray on disoit qu'il avait plus de cinquante proc&egrave;s en Parlement, car de
+lui n'avoit on rien sans proc&egrave;s&quot;<a name='FNanchor_60_60'></a><a href='#Footnote_60_60'><sup>[60]</sup></a>. Men moet de geschiedenis van de
+&quot;nouveaux riches&quot; van dien tijd, een familie d'Orgemont bijvoorbeeld, in
+al de laagheden van hun schraapzucht en proceszucht vervolgen, om den
+geweldigen haat van het volk, den toorn van predikers en dichters te
+begrijpen, die zonder ophouden over de rijken werd uitgestort<a name='FNanchor_61_61'></a><a href='#Footnote_61_61'><sup>[61]</sup></a>.</p>
+<a name='37'></a>
+<p>Het volk kan zijn eigen lot en het gebeuren van den tijd niet anders
+zien dan als een altijddurende opeenvolging van wanbestuur en
+uitzuiging, oorlog en rooverij, duurte, gebrek en pestilentie. De
+chronische vormen, die de oorlog placht aan te nemen, de voortdurende
+verontrusting van stad en land door allerlei gevaarlijk geboefte, de
+eeuwige bedreiging van een harde en onbetrouwbare justitie, en daarboven
+nog de druk van helleangst, duivel- en heksenvrees, hielden een gevoel
+van algemeene onveiligheid levend, dat wel geschikt was, den achtergrond
+van het leven zwart te kleuren. Het zijn niet alleen de kleinen en
+armen, wier leven verliep in die hachelijke onveiligheid, ook in dat van
+edelen en magistraten zijn de sterkste lotswisselingen en voortdurende
+gevaren bijna regel. Mathieu d'Escouchy, een Picardi&euml;r, is een
+geschiedschrijver, zooals de vijftiende eeuw er zoo velen oplevert: zijn
+kroniek, eenvoudig, nauwkeurig, onpartijdig, vervuld van de gewone
+vereering voor het ridderideaal en de gewone moraliseerende strekking,
+zou ons een eerzaam auteur doen vermoeden, die aan nauwgezetten
+historischen arbeid zijn gaven wijdde. Maar welk een leven is het
+geweest, dat de uitgever van dit geschiedwerk van den auteur uit de
+oorkonden aan het licht heeft gebracht!<a name='FNanchor_62_62'></a><a href='#Footnote_62_62'><sup>[62]</sup></a> Mathieu d'Escouchy begint
+zijn magistratenloopbaan als raad, schepen, gezworene, schout (pr&eacute;v&ocirc;t)
+van de stad P&eacute;ronne tusschen 1440 en 1450.<a name='38'></a> Van den aanvang af vindt men
+hem in een soort van veete met de familie van den procureur dier stad,
+Jean Froment, een veete, die met processen wordt uitgevochten. Dan is
+het de procureur, die d'Escouchy vervolgt wegens valschheid en moord,
+dan wegens &quot;exc&egrave;s et attemptaz&quot;. De schout op zijn beurt belaagt de
+weduwe van zijn vijand met een onderzoek naar tooverij, waarvan zij
+verdacht stond; maar de vrouw weet een mandaat te verkrijgen, krachtens
+hetwelk d'Escouchy zijn onderzoek in handen der justitie moet stellen.
+De zaak komt voor het Parlement van Parijs, en d'Escouchy geraakt voor
+de eerste maal in gevangenschap. Nog zesmaal daarna vinden wij hem als
+beschuldigde in hechtenis, en eenmaal in krijgsgevangenschap. 't Zijn
+telkens ernstige crimineele zaken en meer dan eens zit hij in zware
+ijzers. De wedstrijd van wederzijdsche aanklachten tusschen de familie
+Froment en d'Escouchy wordt afgewisseld door een gewelddadige
+ontmoeting, waarbij de zoon Froment hem wondt. Beiden huren rabauwen,
+om elkaar naar 't leven te staan. Nadat deze lange veete uit onzen
+gezichtskring verdwenen is, zijn het nieuwe aanslagen; ditmaal wordt
+de schout verwond door een monnik; nieuwe klachten, dan in 1461
+d'Escouchy's verhuizing naar Nesle, onder verdenking van euveldaden,
+naar het schijnt. Dit belet hem niet, om carri&egrave;re te maken: hij wordt
+baljuw, pr&eacute;v&ocirc;t van Ribemont, procureur du roi te Saint Quentin; hij
+wordt geadeld. Na nieuwe verwondingen, opsluitingen, boeten, vindt men
+hem in krijgsdienst: hij strijdt voor den koning bij Montlh&eacute;ry in 1465
+tegen Karel den Stoute, en wordt er krijgsgevangen gemaakt.<a name='39'></a> Uit een
+volgenden veldtocht keert hij verminkt terug. Dan trouwt hij, maar het
+beduidt niet de intrede in een rustig leven. Men vindt hem onder de
+beschuldiging van zegelvervalsching, gevankelijk naar Parijs gevoerd
+&quot;comme larron et murdrier&quot;, in nieuwe veete met een magistraat van
+Compi&egrave;gne, naar wiens daden hij een onderzoek moet doen, door pijniging
+tot bekentenis gebracht en van appel teruggehouden, veroordeeld,
+gerehabiliteerd, weer veroordeeld, totdat het spoor van dit bestaan van
+haat en vervolging uit de bescheiden verdwijnt.</p>
+
+<p>Overal waar men de lotgevallen naspeurt van de personen, in de bronnen
+van dien tijd vermeld, verrijst zulk een beeld van heftig bewogen
+levens. Lees bijvoorbeeld de bijzonderheden, die Pierre Champion
+verzameld heeft over allen, die door Villon in zijn Testament zijn
+bedacht of genoemd<a name='FNanchor_63_63'></a><a href='#Footnote_63_63'><sup>[63]</sup></a>, of de aanteekeningen van Tuetey op het dagboek
+van den burger van Parijs. Het zijn processen, misdrijven, twisten en
+vervolgingen zonder eind, die ons treffen. En dit zijn de levens van
+willekeurige lieden, uit rechterlijke, kerkelijke of andere bescheiden
+opgediept. Kronieken als die van Jacques du Clercq, een verzameling van
+euveldaden, kunnen een te zwart beeld van den tijd geven; zelfs de
+lettres de r&eacute;mission, die het dagelijksch leven in zoo levendige
+nauwkeurigheid voor oogen brengen, kunnen uithoofde van hun crimineel
+onderwerp te uitsluitend de booze zijden van het leven belichten. Doch
+elke proef, genomen uit willekeurig materiaal, bevestigt de donkerste
+voorstellingen.</p>
+<a name='40'></a>
+<p>Het is een booze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het
+onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere
+aarde. En spoedig wacht der menschheid het eind van alle dingen. Maar de
+menschheid bekeert zich niet; de kerk strijdt, predikers en dichters
+klagen en vermanen vergeefs.</p>
+
+<br />
+
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='II'></a>II</h2>
+
+<h3>DE ZUCHT NAAR SCHOONER LEVEN</h3>
+<br />
+<a name='41'></a>
+<p>Iedere tijd smacht naar een schoonere wereld. Hoe dieper de wanhoop en
+verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger dat smachten.
+In het laatst der middeleeuwen is de grondtoon van het leven die van
+bittere zwaarmoedigheid. De toon van moedige levensvreugde en van het
+vertrouwen in kracht tot groote daden, zooals die klinkt door de
+geschiedenis der Renaissance en door die der Verlichting, wordt in de
+Fransch-Bourgondische sfeer der vijftiende eeuw nauwelijks gehoord. Is
+die samenleving dan werkelijk ongelukkiger geweest dan andere? Men zou
+het soms gelooven. Waar men zoekt in de overlevering van dien tijd:
+de geschiedschrijvers, de dichters, de sermoenen en godsdienstige
+tractaten, en evengoed de oorkonden, er is haast niet anders in bezonken
+dan de herinnering aan twist, haat en boosaardigheid, hebzucht,
+woestheid en ellende. Men vraagt zich af: heeft die tijd geen andere
+vreugden gekend dan die uit wreedheid, hoogmoed en onmatigheid, is daar
+nergens zachte blijdschap en rustig levensgeluk? Het is waar, elke tijd
+laat in de overlevering meer sporen na van zijn leed dan van zijn geluk.
+Het zijn de rampen, die historie worden. Een onberedeneerde overtuiging
+zegt ons, dat de som van alle levensgeluk en blijde vreugde en zoete
+rust, welke den menschen ooit beschoren is, in het eene tijdperk niet
+veel kan verschillen van het andere. En de glans van het
+laat-middeleeuwsche geluk is ook niet geheel vergaan: het herleeft nog
+in het volkslied, in de muziek, in de stille verschieten van het
+landschap en de ernstige aangezichten van het portret.</p>
+<a name='42'></a>
+<p>Doch hier is het verschil: terwijl de achttiende eeuw en de Renaissance
+de geluksstemming ook jubelend hebben uitgesproken, en het leven en de
+wereld luid hebben geprezen, ziet de Bourgondische tijd, zich zelf en
+de wereld beschouwend, schier enkel leed en vertwijfeling. Neem als de
+uiting van het Renaissance-gevoel Ulrich von Hutten's enthousiasten
+uitroep: O saeculum, o literae! juvat vivere! Of wel deze enkele regels
+van Poliziano, waarin de heerlijkheid van christelijk geloof en
+heidensch geluk in &eacute;&eacute;n jubeltoon samensmelten:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Vergine rilucente
+<span>Per te sola si sente</span>
+<span>Quanto bene &egrave; nel mondo&quot;<a name='FNanchor_64_64'></a><a href='#Footnote_64_64'><sup>[64]</sup></a>.<br /></span>
+</div>
+<p>Die stemming is aan het Fransche leven van de veertiende en vijftiende
+eeuw nog vreemd. Het zijn niet alleen zij, die zich voorgoed van de
+wereld hebben afgewend, maar de kroniekschrijvers en modedichters der
+hoven, die altijd weer de afgeleefdheid der wereld beklagen en
+vertwijfelen aan vrede en gerechtigheid. Niemand heeft zoo eindeloos de
+klacht herhaald, dat alle goede dingen de wereld verlaten hebben, als
+Eustache Deschamps.</p>
+<a name='43'></a>
+<div class='poem'> &quot;Temps de doleur et de temptacion,
+<span class='i1'>Aages de plour, d'envie et de tourment,<br /></span>
+<span class='i1'>Temps de langour et de dampnacion,<br /></span>
+<span class='i1'>Aages meneur pr&egrave;s du definement,<br /></span>
+<br />
+<span class='i1'>Temps plains d'orreur qui tout fait faussement,<br /></span>
+<span class='i1'>Aages menteur, plain d'orgueil et d'envie,<br /></span>
+<span class='i1'>Temps sanz honeur et sanz vray jugement,<br /></span>
+<span class='i1'>Aage en tristour qui abrege la vie&quot;<a name='FNanchor_65_65'></a><a href='#Footnote_65_65'><sup>[65]</sup></a>.<br /></span>
+</div>
+<p>In dien toon heeft hij zijn balladen bij tientallen gedicht, eentonige,
+matte variaties op &eacute;&eacute;n dof thema. Er moet toch wel een sterke
+zwaarmoedigheid onder de hoogere standen hebben geheerscht, dat de adel
+zijn brooddichter dat geluid zoo dikwijls deed herhalen.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Toute l&eacute;esse deffaut,
+<span>Tous cueurs ont prins par assaut<br /></span>
+<span>Tristesse et merencolie&quot;<a name='FNanchor_66_66'></a><a href='#Footnote_66_66'><sup>[66]</sup></a>.<br /></span>
+</div>
+<p>Jean Meschinot zingt drie kwart eeuw later dan Deschamps nog in volkomen
+denzelfden toon.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;O miserable et tr&egrave;s dolente vie!...
+<span>La guerre avons, mortalit&eacute;, famine;<br /></span>
+<span>Le froid, le chaud, le jour, la nuit nous mine;<br /></span>
+<span>Puces, cirons et tant d'autre vermine<br /></span>
+<span>Nous guerroyent. Bref, miserere domine<br /></span>
+<span>Noz meschans corps, dont le vivre est tr&egrave;s court.&quot;<br /></span>
+</div>
+<p>Ook deze spreekt steeds weer de bittere overtuiging uit, dat alles
+slecht gaat in de wereld: gerechtigheid is zoek, de grooten plunderen de
+kleinen, en de kleinen elkander.<a name='44'></a> Zijn hypochondrie brengt hem zelfs,
+naar zijn zeggen, tot den rand van den zelfmoord. Hij beschrijft zich
+zelf:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Et je, le pouvre escrivain,
+<span>Au cueur triste, faible et vain,<br /></span>
+<span>Voyant de chascun le dueil,<br /></span>
+<span>Soucy me tient en sa main;<br /></span>
+<span>Toujours les larmes &agrave; l'oeil,<br /></span>
+<span>Rien fors mourir je ne vueil&quot;<a name='FNanchor_67_67'></a><a href='#Footnote_67_67'><sup>[67]</sup></a>. <br /></span>
+</div>
+<p>Alle uitingen van de levensstemming der aanzienlijken bevestigen de
+sentimenteele behoefte aan een zwarten dos der ziel. Bijna iedereen komt
+getuigen, dat hij niets dan ellende heeft gezien, en dat nog erger te
+wachten staat, dat hij den afgelegden levensweg niet zou willen
+teruggaan. &quot;Moi douloreux homme, n&eacute; en eclipse de t&eacute;n&egrave;bres es espesses
+bruynes de lamentation&quot;, aldus dient Chastellain zich aan<a name='FNanchor_68_68'></a><a href='#Footnote_68_68'><sup>[68]</sup></a>. &quot;Tant a
+souffert La Marche&quot; heeft de hofpo&euml;et en kroniekschrijver van Karel den
+Stoute zich tot devies gekozen; een bitteren smaak vindt hij aan 't
+leven, en zijn portret vertoont ons die morose trekken, welke op zooveel
+beeltenissen van dien tijd onzen blik boeien<a name='FNanchor_69_69'></a><a href='#Footnote_69_69'><sup>[69]</sup></a>.</p>
+<a name='45'></a>
+<p>Schijnt er een leven zoo vervuld van aardschen hoogmoed en pralende
+genotzucht, en zoo bekroond met welslagen als dat van Philips den Goede?
+Toch schuilt ook daaronder de levensmoeheid van den tijd. Als hem de
+dood van zijn eenjarig zoontje wordt bericht, zegt hij: &quot;had het God
+behaagd, dat ik ook zoo jong gestorven ware, ik zou mij wel gelukkig
+achten&quot;<a name='FNanchor_70_70'></a><a href='#Footnote_70_70'><sup>[70]</sup></a>.</p>
+
+<p>Is het niet opmerkelijk, dat in dezen tijd in het woord melancholie de
+beteekenissen van droefgeestigheid, ernstig nadenken en fantazie ineen
+vloeien? Zoozeer scheen elke ernstige bezigheid van den geest in het
+sombere te moeten overzweven. Froissart zegt van Philips van Artevelde,
+die nadenkt over een pas ontvangen tijding: &quot;quant il eut merancoliet
+une espasse, il s'avisa que il rescriproit aus commissaires dou roi de
+France&quot; enz. Deschamps zegt van iets, wat in leelijkheid de verbeelding
+te boven gaat: geen schilder is zoo &quot;merencolieux&quot;, dat hij het zou
+kunnen schilderen<a name='FNanchor_71_71'></a><a href='#Footnote_71_71'><sup>[71]</sup></a>.</p>
+
+<p>In het pessimisme van deze verzadigden, ontgoochelden, vermoeiden is een
+religieus element, doch slechts een gering. Door hun levensmoeheid
+speelt zeker ook de verwachting van het naderend einde der wereld, die
+door de bloeiend herleefde volksprediking der bedelorden overal met
+versche dreiging en verhoogde kleur van verbeelding in het gemoed was
+gestort. De duistere en verwarde tijden, de chronische oorlogsellende
+waren wel geschikt, die gedachte te versterken. Er schijnt in de laatste
+jaren der veertiende eeuw een volksgeloof te zijn geweest,<a name='46'></a> dat sedert
+het groote schisma niemand meer in het paradijs was opgenomen<a name='FNanchor_72_72'></a><a href='#Footnote_72_72'><sup>[72]</sup></a>. De
+afkeer van den ijdelen schijn van het hofleven maakte van zelf rijp, om
+de wereld vaarwel te zeggen. Toch is die stemming van depressie, zooals
+bijna al die vorstendienaars en hovelingen haar uiten, nauwelijks van
+godsdienstig gehalte. Op zijn hoogst hebben de godsdienstige
+voorstellingen wat kleur afgegeven op een vlak van eenvoudige
+levensmoeheid. Het is de zucht, om het leven en de wereld te smaden, die
+van wezenlijk godsdienstig besef ver afstaat. De wereld, zegt Deschamps,
+is als een kindsche grijsaard; eerst was hij onschuldig, toen wijs
+langen tijd, rechtvaardig, deugdzaam en dapper:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Or est laches, chetis et molz,
+<span>Vieulx, convoiteus et mal parlant:<br /></span>
+<span>Je ne voy que foles et folz....<br /></span>
+<span>La fin s'approche, en verit&eacute;....<br /></span>
+<span>Tout va mal&quot;....<a name='FNanchor_73_73'></a><a href='#Footnote_73_73'><sup>[73]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Het is niet alleen levensmoeheid maar ook levensbangheid, het
+terugschrikken voor het leven om de onvermijdelijke smarten, die het
+begeleiden, de houding van den geest, die in het Boeddhisme de basis
+der levensbeschouwing uitmaakt: bange afkeer van de moeiten van het
+dagelijksch leven, vrees en afschuw voor zorg, ziekte en ouderdom.
+Deze levensbangheid deelen de geblaseerden met hen, die nooit voor de
+verlokkingen der wereld bezweken waren, omdat zij altijd het leven
+geschuwd hadden.</p>
+
+<p>De gedichten van Deschamps vloeien over van dien kleinzieligen smaad
+tegen het leven.<a name='47'></a> Gelukkig wie geen kinderen heeft, want kleine kinderen,
+'t is al geschreeuw en stank, en moeite en zorg; zij moeten gekleed,
+geschoeid, gevoed worden; altijd zijn zij in gevaar van te vallen en
+zich te bezeeren. Zij worden ziek en sterven, of zij worden groot en
+slecht; zij komen in de gevangenis. Niets dan lasten en verdriet, geen
+geluk vergoedt de zorgen, moeiten en kosten van de opvoeding. Geen
+grooter ongeluk, dan mismaakte kinderen te hebben. De dichter wijdt er
+geen woord van liefde aan: de mismaakte is slecht van hart, laat hij de
+schrift zeggen. Gelukkig wie ongetrouwd is, want met een kwade vrouw is
+het slecht leven, en een goede vreest men voortdurend te verliezen. Met
+het ongeluk wordt ook het geluk geschuwd. Van den ouderdom ziet deze
+dichter niet dan kwaads en weerzinwekkends, het jammerlijk lichamelijk en
+geestelijk verval, de belachelijkheid en onsmakelijkheid. Vroeg is de
+mensch oud, de vrouw met dertig, de man met vijftig jaren, en zestig is
+hun perk<a name='FNanchor_74_74'></a><a href='#Footnote_74_74'><sup>[74]</sup></a>.&mdash;Hoe ver is men hier van de serene idealiteit, waarmee
+Dante in zijn Convivio de waardigheid van den edelen grijsaard
+beschreven had<a name='FNanchor_75_75'></a><a href='#Footnote_75_75'><sup>[75]</sup></a>.</p>
+
+<p>Een vrome strekking, die bij Deschamps nauwelijks aanwezig is, kan deze
+bespiegelingen van levensbangheid eenigszins verheffen, maar wezenlijk
+veranderen niet. In tal van vermaningen tot een heilig leven proeft men
+als grondstemming dit moedeloos versagen. Wanneer de onberispelijke
+kanselier der Parijsche universiteit en licht der godgeleerdheid Jean
+Gerson voor zijn zusters een vertoog schrijft over de voortreffelijkheid
+van den maagdelijken staat,<a name='48'></a> dan dient onder zijn argumenten een lange
+lijst van leed en rampen, aan den huwelijken staat verbonden. Wellicht
+zou een echtgenoot een dronkaard zijn, of een verkwister, of een
+gierigaard. Of is hij braaf en goed, dan kan er misgewas komen,
+veesterfte of schipbreuk, die hem van al zijn have berooven. Welk een
+ellende is niet de zwangerschap, hoevele vrouwen sterven er in het
+kraambed! Wat heeft de zoogende moeder voor rustigen slaap, wat voor
+blijdschap en vreugde? Misschien zullen de kinderen mismaakt zijn of
+ongehoorzaam; misschien zal de man sterven en de moeder als weduwe in
+zorg en armoe achterblijven<a name='FNanchor_76_76'></a><a href='#Footnote_76_76'><sup>[76]</sup></a>.</p>
+
+<p>Diepe verslagenheid over de aardsche ellende is de stemming, waarmee de
+dagelijksche werkelijkheid wordt beschouwd, zoodra de kinderlijke
+levensvreugde of het blind genieten wijkt voor overpeinzing. Waar is de
+schoonere wereld, waar iedere tijd naar smachten moet?</p>
+
+<p>De zucht naar een schooner leven heeft te allen tijd drie paden voor
+zich naar het verre doel zien wijzen. Het eerste leidde regelrecht uit
+de wereld: het pad van de verzaking der wereld. Hier schijnt het
+schoonere leven enkel te bereiken aan de overzijde, kan het enkel een
+verlossing zijn uit al het aardsche; alle aandacht aan de wereld
+besteed, vertraagt slechts het beloofde heil. Alle hoogere beschaving
+heeft dit pad bewandeld; het Christendom had dit streven &egrave;n als
+individueelen levensinhoud &egrave;n als cultuurgrondslag zoo machtig in de
+geesten geprent, dat het langen tijd het betreden van het tweede pad
+bijna geheel heeft belet.</p>
+<a name='49'></a>
+<p>Dat tweede was de weg, die wees naar verbetering en volmaking van de
+wereld zelf. De middeleeuwen hebben dit streven nog nauwelijks gekend.
+Voor hen was de wereld zoo goed en zoo slecht als zij zijn kon, dat wil
+zeggen, al de instellingen, door God gewild immers, waren goed; het is
+de zonde der menschen, die de wereld in ellende houdt. De tijd kent geen
+bewust streven naar verbetering en hervorming van maatschappelijke of
+staatkundige instellingen als drijfveer van denken en handelen. De deugd
+te betrachten in eigen beroep is het eenige, wat de wereld baten kan,
+en ook daarbij is het eigenlijke doel toch het andere leven. Ook waar
+inderdaad een nieuwe maatschappelijke vorm geschapen wordt, beschouwt
+men het steeds als een herstel van het goede oude recht; het recht wordt
+gevonden of verduidelijkt, maar niet veranderd.</p>
+
+<p>Niets heeft zoozeer meegewerkt tot die stemming van levensbangheid en
+vertwijfeling aan de komende tijden als deze afwezigheid van den vasten
+wil van allen, om de wereld zelf beter en gelukkiger te maken. In de
+wereld zelf was geen belofte van beter dingen. Wie naar beter smachtte,
+en toch geen afscheid kon nemen van de wereld en al haar heerlijkheid,
+kon enkel tot vertwijfeling vervallen; hij zag nergens hoop of
+blijdschap meer; der wereld rest nog maar een korte tijd, en wat haar
+daarin wacht, is ellende.</p>
+
+<p>Wanneer eenmaal ook de weg naar positieve verbetering van de wereld zelf
+zal zijn ingeslagen, begint een nieuwe tijd, waarin de levensbangheid
+plaats maakt voor moed en hoop.<a name='50'></a> De Renaissance luidt de energische
+levensaanvaarding in, de achttiende eeuw verheft de volmaakbaarheid van
+mensch en samenleving tot haar grondleerstuk, en het economische en
+sociale streven der volgende eeuw verliest daarvan enkel de na&iuml;veteit,
+niet den moed en het optimisme.</p>
+
+<p>Het derde pad naar een schoonere wereld is dat van den droom. Het is de
+gemakkelijkste weg, maar een, die het doel altijd even ver laat. Als dan
+de aardsche werkelijkheid zoo hopeloos ellendig is, en de verzaking der
+wereld zoo moeilijk, laat ons dan het leven kleuren met schoonen schijn,
+wegleven in het droomland van heldere verbeeldingen, de werkelijkheid
+temperen met de verrukking van het ideaal. Er is maar een eenvoudig
+thema, een enkel akkoord noodig, om de hartvervoerende fuga te doen
+klinken: een uitzicht op het gedroomd geluk van een schooner verleden is
+genoeg, een blik op zijn heldendom en zijn deugd, of anders de glans van
+het blijde zonlicht van het natuurlijk leven. Op die enkele thema's: het
+heldenthema, het wijzenthema en het bucolische thema is van de Oudheid
+af de gansche litteraire cultuur gebouwd. De Middeleeuwen, de
+Renaissance, de achttiende eeuw en de negentiende, zij vinden alle
+slechts nieuwe variaties op het oude lied.</p>
+
+<p>Is echter dit derde pad naar een schooner leven: het ontvlieden van de
+harde werkelijkheid in een schoonen schijn, enkel een zaak van
+litteraire cultuur? Stellig is het meer dan dat. Het raakt den vorm en
+den inhoud van het gemeenschapsleven zelf even goed als de beide andere
+strevens, en dat des te sterker, naarmate de beschaving primitiever is.</p>
+<a name='51'></a>
+<p>De uitwerking van de drie genoemde geesteshoudingen op het werkelijke
+leven zelf is zeer ongelijk. Natuurlijk heeft de idee, waaruit men
+streeft naar de verbetering en volmaking van de wereld zelf, het nauwste
+en voortdurendste contact met het dagelijksche leven. Zij stort bijna
+alle kracht en allen moed in den stoffelijken arbeid zelf; zij vervult
+de directe werkelijkheid met energie. Als men wil, is ook hier een
+geluksdroom het bezielende motief. Tot zekere hoogte streeft iedere
+cultuur naar de verwezenlijking van een droomwereld binnen de werkelijke,
+door het herscheppen van de vormen der samenleving. Doch het object van
+den droom is hier de werkelijkheid zelve, enkel nog wat gezuiverd en
+verbeterd, met andere woorden: men acht de wereld op den goeden weg naar
+het ideaal. En daarom is de spanning tusschen den idealen levensvorm
+en dien van het werkende bestaan gering. Het ideaal van de hoogste
+productie en de billijke verdeeling der goederen stelt aan de levenskunst
+betrekkelijk geringe eischen: in den dagelijkschen arbeid nadert men het
+ideaal.</p>
+
+<p>Heel anders is de invloed op het werkelijk leven bij de eerste der drie
+geesteshoudingen: die van de verzaking der wereld. Het heimwee naar een
+eeuwig heil maakt den gang en den vorm van het aardsch bestaan
+onverschillig, mits daarin de deugd wordt gekweekt en onderhouden. Men
+laat de levensvormen en maatschappijvormen voor wat zij zijn, maar
+tracht ze te doordringen van transcendentale zedelijkheid. Hierdoor
+werkt de afkeer van de wereld op de aardsche maatschappij niet louter
+negatief door verloochening en afwending, maar straalt ook op haar terug
+in zegenrijken arbeid en praktische barmhartigheid.</p>
+<a name='52'></a>
+<p>Hoe werkt nu op het leven de derde houding: de zucht naar het schoonere
+leven volgens een gedroomd ideaal? Zij herschept de vormen van het leven
+in kunstvormen. Maar het zijn niet enkel de kunstwerken als zoodanig,
+waarin zij haar schoonheidsdroom uitdrukt, zij wil het leven zelf
+veredelen met schoonheid, en vult de samenleving zelf met spel en
+vormen. Hier worden juist aan de persoonlijke levenskunst de hoogste
+eischen gesteld, eischen, die alleen kunnen worden nagestreefd door een
+&eacute;lite, in een kunstig levensspel. Het naleven van den held en den wijze
+is niet ieders zaak; het is een kostbaar vermaak om het leven te kleuren
+met hero&iuml;sche of idyllische verven, en het slaagt bovendien doorgaans
+nog heel slecht. Aan het streven naar de verwezenlijking van den
+schoonheidsdroom in de vormen van de samenleving zelf is als vitium
+originis een aristocratisch karakter opgedrukt.</p>
+
+<p>Hiermee zijn wij genaderd tot het aspect, waaronder de beschaving van
+het einde der Middeleeuwen thans moet worden gezien: de verfraaiing van
+het aristocratische leven met de vormen van het ideaal, het kunstlicht
+van de ridderlijke romantiek over het leven, de wereld vermomd in den
+dos der Tafelronde. De spanning tusschen levensvorm en werkelijkheid is
+bijster groot; het licht is valsch en schel.</p>
+
+<p>De zucht naar het schoone leven geldt als het eigenste kenmerk van de
+Renaissance. Hier ziet men de volste harmonie tusschen de bevrediging
+van den schoonheidsdorst in het kunstwerk en in het leven zelf, hier
+dient de kunst het leven en het leven de kunst als nooit te voren. Maar
+de grens tusschen Middeleeuwen en Renaissance is ook in dezen te scherp
+getrokken. De hartstochtelijke zin,<a name='53'></a> om het leven zelf met schoonheid te
+bekleeden, de verfijnde levenskunst, de bonte uitwerking van een
+levensideaal, zij zijn alle veel ouder dan het Italiaansche quattrocento.
+De motieven van levensverfraaiing zelf, waarop de Florentijnen doorgaan,
+zijn niet anders dan de oude middeleeuwsche vormen: Lorenzo de' Medici
+huldigt nog even goed als Karel de Stoute het oude ridderideaal als den
+edelen levensvorm; hij ziet zelfs in den laatste, ondanks zijn
+barbaarsche pracht, in zekere opzichten het model. Itali&euml; heeft nieuwe
+horizonten van levensschoonheid ontdekt, het leven gestemd in een
+nieuwen toon, doch de houding zelf van den Renaissance-mensch tegenover
+het leven: de opwerking ervan tot een kunstvorm, is niet nieuw.</p>
+
+<p>De groote scheiding in de opvatting der levensschoonheid valt veeleer
+tusschen de Renaissance en den nieuweren tijd. Het kenteringspunt ligt
+daar, waar kunst en leven beginnen uiteen te gaan, waar men begint, de
+kunst niet meer te genieten <i>midden in</i> het leven, als een edel deel
+van de levensvreugde zelf, maar buiten het leven, als een hooge
+vereerenswaardigheid, waarheen men zich wendt in oogenblikken van
+verheffing of van verpoozing. Het oude dualisme, dat God en wereld
+scheidde, is daarmede in een anderen vorm, als scheiding van kunst en
+leven, teruggekeerd. Er is een streep getrokken midden door de
+genietingen des levens. Zij zijn in twee helften, een lagere en een
+hoogere, gescheiden. Voor den Middeleeuwer waren zij al te zamen zondig;
+thans gelden zij alle als geoorloofd, maar van zeer verschillende
+waardigheid, al naar hun meerdere of mindere geestelijkheid.</p>
+
+<p>De dingen, die het leven tot genieten kunnen maken, blijven dezelfde.
+<a name='54'></a>Nu als vroeger zijn het: lectuur, muziek, beeldende kunst, reizen,
+natuurgenot, sport, mode, maatschappelijke ijdelheid (ridderorden,
+eerambten, vergaderingen) en bedwelming der zinnen. De grens tusschen
+het hoogere en het lagere schijnt thans nog voor de meesten te vallen
+tusschen natuurgenot en sport. Maar die grens is niet vast.
+Waarschijnlijk zal de sport eerlang, althans voorzoover zij de kunst
+van lichaamskracht en moed is, weer algemeen tot het hoogere gerekend
+worden. Voor den Middeleeuwer viel de grens hoogstens terstond achter
+lectuur; zelfs het genot van het lezen kon slechts geheiligd worden door
+het streven naar deugd of wijsheid, en in muziek en beeldende kunst werd
+uitsluitend de dienstbaarheid aan het geloof als goed erkend; het genot
+er aan op zichzelf was zondig. De Renaissance had zich ontworsteld aan
+de verwerping der levensvreugde als in zich zelf zondig, en een nieuwe
+scheiding tusschen hooger en lager levensgenot had zij nog niet
+aangebracht; zij wilde het gansche leven onbekommerd genieten. De nieuwe
+scheiding is het resultaat van het compromis tusschen Renaissance en
+Puritanisme, waarop de moderne geesteshouding berust. Het was een
+wederzijdsche capitulatie, waarbij de een zich de redding der schoonheid
+en de ander de veroordeeling der zonde bedong. Voor het strenge
+Puritanisme trof de veroordeeling als zondig en wereldsch in den grond
+nog evengoed als voor den Middeleeuwer de gansche sfeer der
+levensverfraaiing, tenzij deze uitgesproken godsdienstige vormen aannam
+en zich heiligde door een directe toepassing op het geloof. Eerst
+naarmate de Puriteinsche wereldbeschouwing afsleet, won de
+<a name='55'></a>Renaissancistische aanvaarding van alle levensvreugde weer veld; ja
+zelfs meer dan het oude terrein, want in het natuurlijke op zich zelf
+werd nu een element van het ethisch goede gezien. Een rechte
+scheidingslijn zou thans niet meer de kunst van het zingenot, het
+natuurgenot van de lichaamsoefening, het verhevene van het natuurlijke
+scheiden, maar enkel het ego&iuml;stische, het leugenachtige en het ijdele
+van het zuivere.</p>
+
+<p>In het laatst der Middeleeuwen, toen het kenterde naar een nieuwen
+geest, was in beginsel nog slechts de oude keuze mogelijk tusschen God
+en de wereld: een algeheele versmading van alle heerlijkheid en
+schoonheid des aardschen levens of de roekelooze aanvaarding ervan op
+perijkel der ziel. De schoonheid der wereld kreeg door haar erkende
+zondigheid een dubbele verlokking; gaf men zich over, dan genoot men
+haar ook met een bodemlooze hartstochtelijkheid. Maar die de schoonheid
+niet konden ontberen, en zich toch niet aan de wereld wilden overgeven,
+moesten de schoonheid adelen. De geheele groep van de kunst en
+litteratuur, waar het wezen der genieting bewondering was, konden zij
+heiligen, door ze in dienst te stellen van het geloof. Ook al was het
+inderdaad de vreugde aan kleur en lijn, die de minnaars van schilderij
+en miniatuur bezielde, het heilig onderwerp ontnam aan de kunstgenieting
+het stempel der zonde.</p>
+
+<p>Maar de schoonheid met een hoog zondegehalte: de lichaamsvergoding van
+ridderlijke sport en hoofsche mode, de hoogmoed en de hebzucht van ambt
+en eere, de verrukkende onpeilbaarheden der liefde, hoe dit alles, dat
+door het geloof veroordeeld en uitgestooten was, te veredelen en te
+verheffen?&mdash;Hier diende die middenweg, die in het droomland leidde: door
+ze te bekleeden met den schoonen schijn van oude, fantastische idealen.</p>
+<a name='56'></a>
+<p>Dit is de trek, die de Fransch-ridderlijke cultuur van de 12<sup>e</sup> eeuw af
+verbindt met de Renaissance: de sterke cultiveering van het schoone
+leven in de vormen van een heldenideaal. De vereering der natuur was nog
+te zwak, dan dat men met volle overtuiging de schoonheid van het
+aardsche in haar naaktheid zou hebben gediend, zooals de Grieksche geest
+het had gedaan; het zondebesef was daartoe te geweldig; slechts door
+zich te hullen in de gewaden der deugd kon de schoonheid cultuur worden.</p>
+
+<p>Het geheele aristocratische leven van de latere Middeleeuwen, om 't even
+of men denkt aan Frankrijk en Bourgondi&euml; of aan Florence, is een poging,
+om een droom te spelen. Altijd denzelfden droom, dien van de oude helden
+en wijzen, van den ridder en de maagd, van de eenvoudige en vergenoegde
+herders. Frankrijk en Bourgondi&euml; spelen het stuk nog altijd in den ouden
+trant; Florence dicht op hetzelfde thema een nieuw en mooier spel.</p>
+
+<p>Het adellijk en vorstelijk leven is opgetooid tot een maximum van
+uitdrukkelijkheid; alle levensvormen zijn als 't ware verheven tot
+mysteri&euml;n, versierd met kleur en praal, vermomd als deugd. De
+levensgebeurtenissen en de aandoeningen daarover zijn ge&euml;ncadreerd in
+schoone en verheffende vormen. Ik weet wel, dit alles is niet specifiek
+laat-middeleeuwsch; het is reeds gegroeid in de primitieve stadi&euml;n der
+beschaving; men kan het ook chinoiserie en byzantinisme noemen, en het
+sterft niet af met de Middeleeuwen, getuige de zonnekoning.</p>
+
+<p>De hofstaat is het terrein, waarop zich de aesthetiek van den levensvorm
+ten volle kan ontplooien. Het is bekend, hoeveel gewicht de
+Bourgondische hertogen<a name='57'></a> hebben gehecht aan alles wat de praal en staatsie
+van hun hof betrof. Na den oorlogsroem, zegt Chastellain, is de hofstaat
+de eerste zaak, waarop men het oog richt, en welks regeling en goede
+handhaving van de hoogste noodzaak is<a name='FNanchor_77_77'></a><a href='#Footnote_77_77'><sup>[77]</sup></a>. Olivier de la Marche, de
+ceremoniemeester van Karel den Stoute, schreef op verzoek van den
+Engelschen koning Eduard IV zijn tractaat over den hofstaat des
+hertogen, ten einde den koning het model van ceremonieel en etikette ter
+navolging te bieden<a name='FNanchor_78_78'></a><a href='#Footnote_78_78'><sup>[78]</sup></a>. Van Bourgondi&euml; hebben de Habsburgers het fraai
+uitgewerkte hofleven ge&euml;rfd en overgebracht naar Spanje en Oostenrijk,
+die er tot den huidigen dag het bolwerk van waren gebleven. Het hof van
+Bourgondi&euml; werd door allen genoemd als het rijkste en best geordende,
+dat men vond<a name='FNanchor_79_79'></a><a href='#Footnote_79_79'><sup>[79]</sup></a>. Vooral Karel de Stoute, de man met den gewelddadigen
+geest van orde en regel, die niets dan wanorde achterliet, had den
+hartstocht van het hoog vormelijke leven. De oude illusie, dat de vorst
+zelf de klachten der armen en kleinen aanhoort en terstond berecht, was
+door hem in een fraaien vorm gekleed. Twee of driemaal per week na den
+maaltijd hield hij een openlijk gehoor, waar elkeen hem met
+verzoekschriften kon naderen. Al de edelen van zijn huis moesten
+tegenwoordig zijn; niemand waagde er weg te blijven. Zorgvuldig
+gescheiden naar<a name='58'></a> hun rangen zaten zij ter weerszijden van den doorgang,
+die naar 's hertogen hoogen zetel leidde. Aan zijn voeten lagen geknield
+de twee maistres des requestes, de audiencier en een secretaris, die de
+verzoekschriften voorlazen en afdeden, naar de vorst gebood. Achter
+balustraden rondom de zaal stond de lagere hofhouding. Het was, zegt
+Chastellain, in schijn &quot;une chose magnifique et de grand los&quot;, maar de
+gedwongen toeschouwers verveelden zich geducht, en aan de goede vruchten
+van deze rechtspraak twijfelt hij; het was een zaak, die hij in zijn
+tijd van geen anderen vorst had gezien<a name='FNanchor_80_80'></a><a href='#Footnote_80_80'><sup>[80]</sup></a>.</p>
+
+<p>Ook de ontspanning moest voor Karel den Stoute dien fraaien vorm hebben.
+&quot;Tournoit toutes ses mani&egrave;res et ses moeurs &agrave; sens<a name='FNanchor_81_81'></a><a href='#Footnote_81_81'><sup>[81]</sup></a> une part du
+jour, et avecques jeux et ris entremesl&eacute;s, se d&eacute;litoit en beau parler et
+en amonester ses nobles &agrave; vertu, comme un orateur. Et en cestuy regart,
+plusieurs fois, s'est trouv&eacute; assis en un hautdos par&eacute;<a name='FNanchor_82_82'></a><a href='#Footnote_82_82'><sup>[82]</sup></a>, et ses
+nobles devant luy, l&agrave; o&ugrave; il leur fit diverses remonstrances selon les
+divers temps et causes. Et toujours, comme prince et chef sur tous, fut
+richement et magnifiquement habitu&eacute;<a name='FNanchor_83_83'></a><a href='#Footnote_83_83'><sup>[83]</sup></a> sur tous les autres&quot;<a name='FNanchor_84_84'></a><a href='#Footnote_84_84'><sup>[84]</sup></a>. Deze
+bewuste levenskunst is ondanks de stijve en na&iuml;eve vormen eigenlijk
+volkomen Renaissance. Het is, wat Chastellain noemt zijn &quot;haute
+magnificence de coeur pour estre vu et regard&eacute; en singuli&egrave;res choses&quot;,
+de kenmerkendste eigenschap van Burckhardt's Renaissance-mensch.</p>
+
+<p>De hi&euml;rarchische ordinanties van de hofhuishouding zijn van een
+pantagrueleske sappigheid, waar zij betrekking hebben op den maaltijd en
+de keuken.<a name='59'></a> De hofmaaltijd van Karel den Stoute, met al de met bijkans
+liturgische waardigheid geregelde diensten van panetiers en voorsnijders
+en schenkers en keukenmeesters, was als de opvoering van een groot en
+ernstig schouwtooneel. Het geheele hof at in groepen van tien in
+afzonderlijke kamers, bediend en onthaald gelijk de heer, alles
+zorgvuldig naar rang en stand geordend. Alles was zoo goed geregeld, dat
+al de groepen bijtijds na hun maaltijd den hertog, die nog aan zijn
+tafel zat, konden komen begroeten &quot;pour luy donner gloire&quot;<a name='FNanchor_85_85'></a><a href='#Footnote_85_85'><sup>[85]</sup></a>.</p>
+
+<p>In de keuken (men denke zich de hero&iuml;sche keuken, nu de eenig bewaarde
+rest van het hertogenpaleis te Dijon, met haar zeven reusachtige
+schoorsteenen), in de keuken zit de dienstdoende kok in een zetel
+tusschen schoorsteen en buffet, vanwaar hij het geheele vertrek kan
+overzien. In zijn hand moet hij een grooten houten lepel hebben, &quot;die
+hem dient tot twee doeleinden: het eene om soep en sausen te proeven, en
+het andere om de keukenjongens uit de keuken te drijven, om hun plicht
+te doen, en zoo noodig erop te slaan&quot;. Bij zeldzame gelegenheden komt de
+kok wel eens zelf opdienen, een toorts in de hand, bij voorbeeld de
+eerste truffels of den eersten nieuwen haring.</p>
+
+<p>Voor den gewichtigen hoveling, die ons dit alles beschrijft, zijn het
+heilige mysteri&euml;n, waar hij met ontzag en met een soort van
+scholastische wetenschappelijkheid van spreekt. Toen ik page was, zegt
+La Marche, was ik nog te jong om vragen van pr&eacute;s&eacute;ance en ceremonieel te
+begrijpen<a name='FNanchor_86_86'></a><a href='#Footnote_86_86'><sup>[86]</sup></a>. Hij legt zijn lezers gewichtige vragen van voorrang en
+hofdienst voor, om ze met zijn rijpe kennis op te lossen.<a name='60'></a> Waarom zit bij
+'s heeren maaltijd de kok en niet de jonker van der keukene? Hoe moet
+de kok worden aangesteld? Wie moet hem bij afwezigheid vervangen: de
+gebraadmeester (hateur) of de soepmeester (potagier)? Hierop antwoord
+ik, zegt de wijze man: wanneer er een kok moet zijn aan 's vorsten hof,
+zullen de hofmeesters (maitres d'h&ocirc;tel) de jonkers van der keukene
+(escuiers de cuisine) en alle degenen, die ter keukene dienen, den een
+na den ander oproepen; en bij plechtige keuze, door ieder onder eede
+gedaan, zal de kok worden aangesteld. En op de tweede vraag: noch de
+gebraadmeester noch de soepmeester, maar eveneens bij keuze zal de
+plaatsvervanger van den kok worden aangewezen.&mdash;Waarom staan de
+panetiers en schenkers als eerste en tweede rang boven de voorsnijders
+en koks? Omdat hun ambt het brood en den wijn betreft, de heilige
+dingen, waarop de waardigheid van het sacrament afstraalt<a name='FNanchor_87_87'></a><a href='#Footnote_87_87'><sup>[87]</sup></a>.</p>
+
+<p>Men ziet, er is hier een werkelijke verbinding tusschen de gedachtensferen
+van het geloof en van de hofetikette. Het is niet teveel gezegd, dat er
+in dien toestel van de schoone, edele levensvormen een liturgisch
+element schuilt, dat de waardeering van die vormen als 't ware is
+opgetrokken in een quasi-religieuze sfeer. Alleen dit verklaart de
+buitengewone belangrijkheid, die (niet alleen in de latere Middeleeuwen)
+aan alle kwesties van voorrang en beleefdheid wordt toegekend.</p>
+
+<p>In het oude Russische rijk v&oacute;&oacute;r de Romanov's had zich de strijd om den
+voorrang bij den troon ontwikkeld tot een vast departement van den
+staatsdienst.<a name='61'></a> Dien vorm kennen de Westersche staten der Middeleeuwen
+niet, maar ook hier neemt toch de naijver om den voorrang een groote
+plaats in. Het zou gemakkelijk zijn, daarvan de voorbeelden te
+verzamelen. Hier evenwel is het er om te doen, de versiering der
+levensvormen tot een schoon en verheffend spel, en de woekering dier
+vormen tot een hol vertoon, te doen blijken. Daartoe eenige voorbeelden.
+De fraaie vorm kan somtijds de doelmatige handeling geheel op zij
+dringen. Vlak voor den slag bij Cr&eacute;cy hebben vier Fransche ridders de
+slagorde der Engelschen verkend. De koning, die met ongeduld hun bericht
+verwacht, langzaam voortrijdend over het veld, houdt stil, toen hij hen
+ziet terugkomen. Zij dringen door het gedrang der krijgslieden heen tot
+voor den koning. Wat nieuws, heeren? vraagt de koning. &quot;Zij zagen
+elkander aan, zonder een woord te spreken, want geen wilde spreken v&oacute;&oacute;r
+zijn makker. En zij zeiden den een tot den ander: &quot;Heer, zeg gij het,
+spreek gij tot den koning, ik zal niet v&oacute;&oacute;r u spreken.&quot; Zoo waren zij
+een tijd in strijd, dat geen &quot;par honneur&quot; wou beginnen te spreken.&quot;
+Totdat de koning het een hunner beveelt<a name='FNanchor_88_88'></a><a href='#Footnote_88_88'><sup>[88]</sup></a>.&mdash;Nog vollediger moest de
+doelmatigheid voor den fraaien vorm wijken in het geval van messire
+Gaultier Rallart, chevalier du guet te Parijs in 1418. Dit hoofd der
+politie placht nooit de ronde te doen, of er gingen drie of vier
+muzikanten voorop, die lustig bliezen, zoodat het volk zei, dat hij als
+'t ware de boeven waarschuwde: vlucht, want ik kom.<a name='FNanchor_89_89'></a><a href='#Footnote_89_89'><sup>[89]</sup></a> Het geval staat
+niet op zich zelf. In 1465 vindt men opnieuw, hoe de bisschop van
+Evreux,<a name='62'></a> Jean Balue, de nachtelijke ronde in Parijs doet met klaroenen,
+trompetten en andere muziekinstrumenten, &quot;qui n'estoit pas acoustum&eacute; de
+faire &agrave; gens faisans guet&quot;<a name='FNanchor_90_90'></a><a href='#Footnote_90_90'><sup>[90]</sup></a>.&mdash;Zelfs op het schavot wordt de eer van
+rang en stand streng in acht genomen: dat van den conn&eacute;table de Saint
+Pol is rijk getapisseerd met leli&euml;n, het bidkussen en de blinddoek zijn
+van karmozijn fluweel, en de beul is iemand, die nog nooit een ander
+heeft ge&euml;xecuteerd<a name='FNanchor_91_91'></a><a href='#Footnote_91_91'><sup>[91]</sup></a>.</p>
+
+<p>De wedijver in beleefdheid, die nu een kleinburgerlijk karakter heeft
+gekregen, was in het hofleven der vijftiende eeuw buitengewoon sterk
+ontwikkeld. Men beschouwde het als een ondragelijke schande voor zich
+zelf, als men den meerdere niet de plaats liet, die hem toekwam. De
+Bourgondische hertogen geven angstvallig den voorrang aan hun
+koninklijke verwanten van Frankrijk. Jan zonder Vrees bewees zijn jonge
+schoondochter Michelle de France altijd overdreven eer; hij noemde haar
+Madame, knielde altijd voor haar tot den grond, en wilde haar altijd
+bedienen, maar zij wilde het niet hebben<a name='FNanchor_92_92'></a><a href='#Footnote_92_92'><sup>[92]</sup></a>. Als Philips de Goede
+hoort, dat zijn neef, de dauphin, naar Brabant is uitgeweken in den
+twist met zijn vader, breekt hij het beleg van Deventer, dat de
+inleiding moest zijn voor een expeditie, die Friesland onder zijn macht
+zou brengen, af, en haast zich naar Brussel terug, om den hoogen gast te
+verwelkomen. Naarmate de ontmoeting nadert, wordt het een wedloop, wie
+den ander in eerbetoon voor zal zijn.<a name='63'></a> Philips is in groote angst, dat de
+dauphin hem tegemoet zal rijden; spoorslags rijdt hij door, en zendt
+bode op bode om den dauphin te bewegen, hem toch te wachten waar hij is.
+Kwam de koningszoon hem tegemoet, dan bezwoer hij, zelf te willen
+terugkeeren, achterwaarts rijdende, zoo ver, dat deze hem nergens zou
+vinden, want het zou hem, den hertog, een spot en een blaam zijn, die
+hem door de gansche wereld eeuwig zouden worden nagehouden. Met nederig
+afstel van de gewone staatsie rijdt Philips Brussel binnen; haastig
+stijgt hij af buiten het paleis, gaat binnen en loopt snel door. Daar
+ziet hij den dauphin, die met de hertogin zijn vertrek heeft verlaten,
+en hem op het binnenplein met open armen tegemoetkomt. Terstond ontbloot
+de oude hertog het hoofd, valt even op zijn knie&euml;n, en loopt dan haastig
+weer verder. De hertogin houdt den dauphin vast, dat deze geen stap zal
+doen, de dauphin houdt vergeefs den hertog vast, om hem het knielen te
+beletten, en tracht vruchteloos hem te doen opstaan. Beiden weenden van
+aandoening, zegt Chastellain, en alle omstanders mede.</p>
+
+<p>Gedurende het gansche gastverblijf van dezen man, die spoedig als koning
+de ergste vijand van zijn huis zou worden, put de hertog zich uit in
+Chineesche nederigheid. Hij noemt zich en zijn zoon &quot;de si meschans
+gens&quot;, hij laat zijn zestigjarig hoofd nat regenen, hij biedt den
+dauphin al zijn landen aan<a name='FNanchor_93_93'></a><a href='#Footnote_93_93'><sup>[93]</sup></a>.&mdash;&quot;Celuy qui se humilie devant son plus
+grand, celuy accroist et multiplie son honneur envers soy-mesme, et de
+quoy la bont&eacute; mesme luy resplend et redonde en face&quot;. Met die woorden
+besluit Chastellain het verhaal,<a name='64'></a> hoe de graaf van Charolais hardnekkig
+weigerde, te zamen met koningin Margareta van Engeland en haar jongen
+zoon het waschbekken v&oacute;&oacute;r den maaltijd te gebruiken. De edelen spraken
+er den ganschen dag van; het geval werd den ouden hertog voorgelegd, die
+door twee edelen het voor en tegen van Karel's houding liet bepleiten.
+Het feodaal eergevoel was nog zoo levend, dat men deze dingen blijkbaar
+werkelijk nog belangrijk, schoon en verheffend heeft gevonden. Hoe
+anders te begrijpen, dat de tegenstribbelingen, om den voorrang te
+nemen, geregeld wel een kwartier lang worden voortgezet?<a name='FNanchor_94_94'></a><a href='#Footnote_94_94'><sup>[94]</sup></a> Hoe langer
+men blijft weigeren, hoe meer gesticht de omstanders zijn. Iemand, wien
+de handkus toekomt, verbergt zijn hand, om die eer te ontgaan. De
+koningin van Spanje verbergt zoo haar hand voor den jongen aartshertog
+Philips den Schoone; deze wacht eenigen tijd, maar als hij de kans
+schoon ziet, grijpt hij de hand bij verrassing en kust haar. En ditmaal
+lachte het ernstige Spaansche hof, want de koningin had er niet meer aan
+gedacht<a name='FNanchor_95_95'></a><a href='#Footnote_95_95'><sup>[95]</sup></a>.</p>
+
+<p>Al de spontane teederheden van den omgang zijn zorgvuldig geformaliseerd.
+Het is nauwkeurig voorgeschreven, welke hofdames hand aan hand hebben
+te gaan. En dit niet alleen, maar ook of de een de andere tot die
+gemeenzaamheid heeft aan te moedigen of niet. Deze aanmoediging, het
+elkaar wenken of roepen (hucher) om mee te gaan, is voor de oude
+hofdame,<a name='65'></a> die het Bourgondisch ceremonieel beschrijft, een technisch
+begrip.<a name='FNanchor_96_96'></a><a href='#Footnote_96_96'><sup>[96]</sup></a> De vorm, dat men een vertrekkenden gast niet wil laten
+gaan, wordt tot in de lastigste uitersten doorgevoerd. De gemalin van
+Lodewijk XI is voor enkele dagen de gast van Philips van Bourgondi&euml;; de
+koning heeft een bepaalden dag gesteld voor haar terugkomst, maar de
+hertog weigert haar te laten gaan, ondanks de smeekbeden van haar gevolg
+en hoewel zij zelve beeft voor den toorn van haar gemaal.<a name='FNanchor_97_97'></a><a href='#Footnote_97_97'><sup>[97]</sup></a>&mdash;Goethe
+heeft gezegd: &quot;es gibt kein &auml;usseres Zeichen der H&ouml;flichkeit, das nicht
+einen tiefen sittlichen Grund h&auml;tte&quot;;<a name='FNanchor_98_98'></a><a href='#Footnote_98_98'><sup>[98]</sup></a> &quot;virtue gone to seed&quot; heeft
+Emerson de beleefdheid genoemd. Men kan misschien niet met volle recht
+zeggen, dat die zedelijke grond in de 15<sup>e</sup> eeuw nog gevoeld werd, maar
+zeker werd het de aesthetische waarde, die tusschen de oprechte
+betuiging van genegenheid en den dorren omgangsvorm ligt.</p>
+
+<p>Het spreekt vanzelf, dat deze wijdloopige levensversiering vooral haar
+plaats heeft aan de vorstenhoven, waar men er den tijd en de ruimte voor
+kon nemen. Dat zij ook de lagere sferen der samenleving vervulden,
+bewijst reeds het feit, dat thans van die vormen juist bij de kleine
+burgerij (afgezien van de hoven zelf) nog het meest is overgebleven. Het
+herhaald noodigen, om nog wat van een gerecht te nemen, het aanmoedigen
+om nog wat te blijven, het weigeren om voor te gaan, is in de laatste
+halve eeuw uit de hoogere burgerlijke omgangsvormen grootendeels
+verdwenen. In de 15<sup>e</sup> eeuw zijn die vormen in den volsten bloei. Evenwel,
+terwijl zij angstvallig in acht worden genomen, treft niettemin de
+satire ze met levendigen spot.<a name='66'></a> Het is vooral de kerk, die het tooneel
+van fraaie en langdurige plichtplegingen behoort te zijn. Eerst bij de
+&quot;offrande&quot;. Niemand wil het eerst zijn aalmoes op het altaar brengen.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Passez.&mdash;Non feray.&mdash;Or avant!
+<span>Certes si ferez, ma cousine.<br /></span>
+<span>&mdash;Non feray.&mdash;Huchez (roept) no voisine,<br /></span>
+<span>Qu'elle doit mieux devant offrir.<br /></span>
+<span>&mdash;Vous ne le devriez souffrir,&quot;<br /></span>
+<span>Dist la voisine; &quot;n'appartient<br /></span>
+<span>A moy: offrez, qu'a vous ne tient<br /></span>
+<span>Que li prestres ne se delivre.&quot;<a name='FNanchor_99_99'></a><a href='#Footnote_99_99'><sup>[99]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Wanneer eindelijk de aanzienlijkste is voorgegaan, onder de nederige
+betuiging dit enkel te doen om er een eind aan te maken, volgt dezelfde
+strijd opnieuw bij het kussen van het &quot;paesberd&quot;, &quot;la paix&quot;, dat is het
+houten, zilveren of ivoren bordje, dat in de latere Middeleeuwen bij
+de mis na het Agnus Dei in zwang was gekomen ter vervanging van den
+vredeskus van mond tot mond.<a name='FNanchor_100_100'></a><a href='#Footnote_100_100'><sup>[100]</sup></a> Het was een vaste en langdurige
+stoornis van den dienst geworden, dat de paes onder de aanzienlijken van
+hand tot hand ging onder beleefde weigering, haar het eerst te kussen.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Respondre doit la juene fame:
+<span>&mdash;Prenez, je ne prendray pas, dame.<br /></span>
+<span>&mdash;Si ferez, prenez, douce amie.<br /></span>
+<span>&mdash;Certes, je ne le prandray mie;<br /></span>
+<span>L'en me tendroit pour une sote.<br /></span>
+<span>&mdash;Baillez, damoiselle Marote.<br /></span>
+<span>&mdash;Non feray, Jhesucrist m'en gart!<br /></span>
+<span>Portez a ma dame Ermagart.<br /></span>
+<span>&mdash; Dame, prenez.&mdash;Saincte Marie,<br /></span>
+<span>Portez la paix a la baillie<a name='FNanchor_101_101'></a><a href='#Footnote_101_101'><sup>[101]</sup></a><br /></span>
+<span>&mdash; Non, mais a la gouverneresse&quot;.<a name='FNanchor_102_102'></a><a href='#Footnote_102_102'><sup>[102]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<a name='67'></a>
+<p>Deze neemt haar eindelijk.&mdash;Zelfs een heilig en van de wereld
+afgestorven man als Fran&ccedil;ois de Paule acht het zijn plicht, aan deze
+fraaiigheden mee te doen,<a name='FNanchor_103_103'></a><a href='#Footnote_103_103'><sup>[103]</sup></a> en het wordt hem door zijn vrome
+vereerders als echte nederigheid aangerekend, waaruit blijkt, dat de
+ethische inhoud uit deze vormen nog niet geheel en al geweken was. De
+beteekenis van die vormen wordt overigens eerst recht duidelijk door het
+feit, dat zij de keerzijde waren van heftige en hardnekkige twisten om
+dienzelfden voorrang in de kerk, dien men elkander zoo hoffelijk wilde
+opdringen.<a name='FNanchor_104_104'></a><a href='#Footnote_104_104'><sup>[104]</sup></a> Het was een schoone en loffelijke verzaking van nog
+levendig gevoelden adellijken of burgerlijken hoogmoed.</p>
+
+<p>De gansche kerkgang werd zoodoende als een menuet, want bij het uitgaan
+herhaalde zich de strijd; dan kwam de wedijver om den meerdere rechts te
+laten, het voorgaan over een vonder of door een steeg. Bij huis gekomen
+moet men, gelijk nog de Spaansche zede het eischt,<a name='68'></a> het geheele
+gezelschap uitnoodigen, mee binnen te gaan om te drinken, waarvan de
+anderen zich beleefd hebben te verontschuldigen; dan moet men de anderen
+een eindweegs wegbrengen, alles onder beleefde tegenstribbeling.<a name='FNanchor_105_105'></a><a href='#Footnote_105_105'><sup>[105]</sup></a></p>
+
+<p>Al die schoone vormen krijgen iets roerends, wanneer men bedenkt, dat
+zij opbloeien uit den ernstigen strijd van een woest en hartstochtelijk
+geslacht tegen zijn eigen hoogmoed en toorn. Dikwijls faalt de
+vormelijke verzaking van den trots. Telkens breekt de felle ruwheid door
+de versierde vormen heen. Jan van Beieren is te gast in Parijs; de
+groote heeren geven feesten, waarop de elect van Luik hun bij het spel
+al hun geld afwint. Een der prinsen houdt het niet langer uit en roept:
+&quot;Wat duivel van een priester is dat hier? Hoe? zal hij ons al ons geld
+afwinnen?&quot; Waarop Jan: &quot;Ik ben geen priester en ik heb uw geld niet van
+noode&quot;. &quot;En hij nam het en smeet het overal in 't rond. Dont y pluseurs
+orent grant mervelle de sa grant liberaliteit&quot;.<a name='FNanchor_106_106'></a><a href='#Footnote_106_106'><sup>[106]</sup></a>&mdash;Hue de Lannoy
+slaat een ander met een ijzeren handschoen, terwijl hij voor den hertog
+geknield ligt om hem aan te klagen; de kardinaal van Bar heet voor het
+aangezicht des konings een prediker liegen en noemt hem gemeene hond.
+<a name='FNanchor_107_107'></a><a href='#Footnote_107_107'><sup>[107]</sup></a></p>
+
+<p>Het formeele eergevoel is zoo sterk, dat een vergrijp tegen de etikette,
+zooals nu nog bij vele Oostersche volken, wondt als een doodelijke
+beleediging, want het gooit omver die schoone illusie van een eigen hoog
+en zuiver leven, die voor elke onverhulde werkelijkheid bezwijkt.<a name='69'></a> Het is
+voor Jan zonder Vrees een onuitwischbare smaad, dat hij Capeluche, den
+beul van Parijs, die hem in staatsie tegemoet reed, als een edelman
+heeft begroet en zijn hand heeft aangeraakt; slechts de dood van den
+beul kan dien smaad boeten.<a name='FNanchor_108_108'></a><a href='#Footnote_108_108'><sup>[108]</sup></a> Bij den staatsiemaaltijd op den
+wijdingsdag van Karel VI in 1380 dringt Philips van Bourgondi&euml; zich met
+geweld tusschen den koning en den hertog van Anjou op de plaats, die hem
+als doyen des pairs toekomt; hun wederzijdsch gevolg dringt reeds met
+roepen en dreigen op, om den twist gewelddadig te beslechten, toen de
+koning hem sust, door toe te geven aan 's Bourgondi&euml;rs eisch.<a name='FNanchor_109_109'></a><a href='#Footnote_109_109'><sup>[109]</sup></a> Ook
+in den ernst van het kampleven wordt geen veronachtzaming van de vormen
+geduld: de koning van Engeland neemt het hoog op, dat L'Isle Adam voor
+hem verschijnt in een gewaad van &quot;blanc gris&quot; en hem in het gelaat ziet.
+<a name='FNanchor_110_110'></a><a href='#Footnote_110_110'><sup>[110]</sup></a> Een Engelsch aanvoerder zendt den parlementair uit het belegerde
+Sens eerst heen, om zich te laten scheren.<a name='FNanchor_111_111'></a><a href='#Footnote_111_111'><sup>[111]</sup></a></p>
+
+<p>De prachtige orde aan het hof van Bourgondi&euml;, die de tijdgenooten
+prijzen,<a name='FNanchor_112_112'></a><a href='#Footnote_112_112'><sup>[112]</sup></a> krijgt eerst haar ware beteekenis naast de verwarring,
+die aan het zooveel oudere Fransche hof placht te heerschen. Deschamps
+beklaagt zich in tal van balladen over de ellende van het hofleven, en
+zijn<a name='70'></a> klachten zijn iets meer dan de geijkte misprijzingen van het
+hovelingsbestaan, waarover later. Slechte kost en slecht logies, altijd
+gedruisch en verwarring, vloeken en twisten, nijd en hoon, het is een
+poel van zonden, een poort der hel.<a name='FNanchor_113_113'></a><a href='#Footnote_113_113'><sup>[113]</sup></a> Ondanks de heilige vereering
+voor het koningschap en den trotschen opzet van grootsche ceremoni&euml;n
+gaat zelfs bij de plechtigste gelegenheden het decorum meer dan eens
+jammerlijk te loor. Bij de begrafenis van Karel VI te Saint Denis in
+1422 ontstaat groote twist tusschen de monniken der abdij en het gilde
+der zoutmeters (henouars) van Parijs, om het staatsiekleed en andere
+bekleedingen, die het koninklijke lijk dekken; elk der partijen beweert
+er recht op te hebben; zij trekken er om, en raken bijna handgemeen,
+maar de hertog van Bedford geeft het geschil in handen van het gerecht,
+&quot;et fut le corps enterr&eacute;&quot;.<a name='FNanchor_114_114'></a><a href='#Footnote_114_114'><sup>[114]</sup></a> Hetzelfde geval herhaalt zich in 1461
+bij de begrafenis van Karel VII. Op weg naar Saint Denis bij het Croix
+aux Fiens gekomen, weigeren de henouars, na een woordenwisseling met de
+monniken der abdij, het koninklijk lichaam verder te dragen, als men hun
+niet tien pond parijsch betaalt, waarop zij recht beweren te hebben. Zij
+laten de baar midden op den weg staan, en de stoet blijft geruimen tijd
+steken. Reeds willen de burgers van Saint Denis zich met de taak
+belasten, toen de grand &eacute;cuyer uit eigen zak den henouars betaling
+belooft, waarop de tocht kan worden voortgezet, om eerst tegen acht uur
+'s avonds in de kerk aan te komen.<a name='71'></a> Terstond na de teraardebestelling
+volgt nog een nieuwe twist tusschen den koninklijken grand &eacute;cuyer zelf
+en de monniken over het staatsiekleed.<a name='FNanchor_115_115'></a><a href='#Footnote_115_115'><sup>[115]</sup></a> Dergelijke tumulten om het
+bezit van de utensili&euml;n eener plechtigheid behoorden er zelfs
+eenigermate bij; de verstoring van den vorm was zelf vorm geworden.
+<a name='FNanchor_116_116'></a><a href='#Footnote_116_116'><sup>[116]</sup></a></p>
+
+<p>De algemeene openbaarheid, die, immers ook nog in de zeventiende eeuw,
+bij alle belangrijke gebeurtenissen in het koninklijk leven
+voorgeschreven was, maakte, dat juist bij de grootste plechtigheden
+dikwijls elke orde ontbrak. Bij het kroningsmaal van 1380 is het gedrang
+van toeschouwers, deelnemers en dienenden zoo groot, dat de daartoe
+aangewezen dienaren der kroon, de conn&eacute;table en de maarschalk de
+Sancerre, te paard de gerechten opdienen.<a name='FNanchor_117_117'></a><a href='#Footnote_117_117'><sup>[117]</sup></a> Wanneer Hendrik VI van
+Engeland in 1431 te Parijs als koning van Frankrijk is gekroond, dringt
+het volk reeds in den vroegen morgen de groote zaal van het paleis
+binnen, waar het kroningsmaal gehouden zal worden, om er te kijken,
+te grissen en te schransen. De heeren van het Parlement, van de
+Universiteit, de pr&eacute;v&ocirc;t des marchands en de schepenen kunnen nauwelijks
+door het gedrang de eetzaal bereiken, en eenmaal daar, vinden zij de
+voor hen bestemde tafels ingenomen door allerlei handwerkslieden. Men
+tracht dezen te verwijderen, &quot;mais quant on en faisoit lever ung ou
+deux, il s'en asseoit VI ou VIII d'autre cost&eacute;&quot;.<a name='FNanchor_118_118'></a><a href='#Footnote_118_118'><sup>[118]</sup></a>&mdash;Bij de
+koningswijding van <a name='72'></a>Lodewijk XI in 1461 heeft men de voorzorg genomen,
+de ingangen van de kathedraal van Reims tijdig te sluiten en te bewaken,
+zoodat er niet meer menschen in de kerk zijn, dan het koor gemakkelijk
+kon bevatten. Dezen evenwel dringen zoodanig op rondom het hoogaltaar,
+waar de zalving plaats heeft, dat de prelaten zelf, die den
+aartsbisschop ter zijde stonden, nauwelijks plaats hadden om zich te
+bewegen, en de prinsen van den bloede op hun eerezetels geducht in
+verdrukking komen.<a name='FNanchor_119_119'></a><a href='#Footnote_119_119'><sup>[119]</sup></a></p>
+
+<p>De kerk van Parijs verdroeg het noode, dat zij nog altijd (tot 1622)
+suffragaan was van het aartsbisdom Sens. Men laat het den metropoliet op
+alle wijzen merken, dat men van zijn gezag niet gediend is, en beroept
+zich op de exemptie door den paus. Op 2 Februari 1492 heeft de
+aartsbisschop van Sens in de Notre Dame te Parijs de mis gecelebreerd
+in tegenwoordigheid van den koning. Terwijl de koning de kerk nog niet
+heeft verlaten, trekt de aartsbisschop, het volk zegenend, zich terug,
+voorafgegaan door het priesterkruis. Twee der kanunniken dringen met een
+groote schaar van kerkedienaren op, slaan de hand aan het kruis en
+beschadigen het, verrekken 's dragers hand, en maken een tumult, waarbij
+den dienaren van den aartsbisschop de haren uit het hoofd getrokken
+worden. Toen de aartsbisschop den twist tracht te bedaren, &quot;sans lui mot
+dire, vinrent pr&egrave;s de lui; Lhuillier (deken van het kapittel) lui baille
+du coude dans l'estomac, les autres rompirent le chapeau pontifical et
+les cordons d'icelluy.&quot; De andere kanunnik vervolgt den aartsbisschop
+&quot;disant plusieurs injures en luy mectant le doigt au visage, et prenant
+son bras tant que dessira son rochet; et n'eust est&eacute; que n'eust mis sa
+main au devant, l'eust frappe au visage.&quot; Het werd een proces van 13
+jaar.<a name='FNanchor_120_120'></a><a href='#Footnote_120_120'><sup>[120]</sup></a></p>
+<a name='73'></a>
+<p>De hartstochtelijke en gewelddadige geest, hard en tevens tranenrijk,
+altijd wankelend tusschen de zwarte vertwijfeling aan de wereld en het
+zwelgen in haar bonte schoonheid, kon niet buiten de strengste vormen
+van het leven. Het was noodig, dat de aandoeningen waren gevat in een
+vast raam van geijkte vormen; zoodoende kreeg het samenleven althans
+in den regel orde. Zoo werden de levensgebeurtenissen van zichzelf
+en anderen tot een schoon schouwspel voor den geest; men genoot de
+pathetische uitmonstering van leed en geluk onder kunstlicht. Voor een
+zuivere gemoedsuitdrukking ontbreken nog de middelen; het gemoed kan
+slechts in aesthetische uitbeelding dien hoogen graad van
+uitdrukkelijkheid bereiken, waar de tijd naar schreeuwt.</p>
+
+<p>Het is natuurlijk niet zoo gemeend, dat deze levensvormen, vooral die
+rondom de groote oude heiligheden van geboorte, huwelijk en sterven, met
+zulk een bedoeling zouden zijn ingesteld. Gebruiken en staatsie zijn
+gegroeid uit primitief geloof en cultus. Maar de oorspronkelijke zin van
+dat alles, die er het aanzijn aan gaf, is reeds lang onbewust geworden,
+en in plaats daarvan hebben die vormen zich gevuld met nieuwe
+aesthetische waarde.</p>
+
+<p>De rouw is het, waar de aankleeding van de aandoening in een
+suggestieven vorm de hoogste ontwikkeling vond. Daar was een onbeperkt
+gegeven voor die prachtige hyperboliseering van de smart, die het
+wederpart is van de<a name='74'></a> hyperboliseering der vreugde in de ontzaglijke
+hoffeesten. Hier volge geen uitvoerige beschrijving van al den somberen
+praal van zwarte gewaden, al de staatsie van lijkdiensten, die het
+afsterven van iederen vorst begeleidden. Zij zijn niet in het bijzonder
+aan de latere Middeleeuwen eigen; de monarchie&euml;n bewaren ze tot den
+huidigen dag, en ook de burgerlijke lijkkoets is er nog de aflegger van.
+De suggestie van al het zwart, waarin bij een vorstelijk sterfgeval niet
+enkel de hofhouding, maar ook magistraten, gilden en volk gedost ging,
+moet bij de bonte kleurigheid van het middeleeuwsche stadsleven nog veel
+grooter zijn geweest door de tegenstelling. De rouwpraal over den
+vermoorden Jan zonder Vrees is met den kennelijksten toeleg op een sterk
+(en ten deele politiek) effekt opgezet. Het krijgsgevolg, waarmee
+Philips optrekt, om de koningen van Frankrijk en Engeland te ontmoeten,
+prijkt met twee duizend zwarte vaantjes, met zwarte standaarden en
+vaandels van zeven ellen, de franje van zwarte zijde, alles bestikt of
+beschilderd met gouden wapens. De staatsiezetels, de reiswagen van den
+hertog zijn voor die gelegenheid zwart geschilderd.<a name='FNanchor_121_121'></a><a href='#Footnote_121_121'><sup>[121]</sup></a> Bij de
+plechtige samenkomst te Troyes begeleidt Philips de koninginnen van
+Frankrijk en Engeland in een fluweelen rouwkleed, dat over den rug van
+zijn paard afhangt tot op den grond.<a name='FNanchor_122_122'></a><a href='#Footnote_122_122'><sup>[122]</sup></a> Nog geruimen tijd daarna
+verschijnt niet alleen hij, maar ook zijn gevolg in 't zwart.<a name='FNanchor_123_123'></a><a href='#Footnote_123_123'><sup>[123]</sup></a></p>
+
+<p>Soms verhoogde een afwijking van al het zwart den indruk nog; terwijl
+het geheele hof, ook de koningin, zwart draagt,<a name='75'></a> rouwt de koning van
+Frankrijk in het rood.<a name='FNanchor_124_124'></a><a href='#Footnote_124_124'><sup>[124]</sup></a> En in 1393 zagen de Parijzenaars met
+verbazing de geheel en al witte lijkstaatsie van den in ballingschap
+gestorven koning van Armeni&euml;, L&eacute;on de Lusignan.<a name='FNanchor_125_125'></a><a href='#Footnote_125_125'><sup>[125]</sup></a></p>
+
+<p>Zonder twijfel omhulde dat zwart dikwijls een hevigheid van echte,
+hartstochtelijke smart. De groote afschuw van den dood, het sterke
+verwantschapsgevoel, de innige aanhankelijkheid aan den heer, maakten
+een vorstelijk sterfgeval tot een waarlijk schokkende gebeurtenis. En
+als het, zooals in 1419 de moord op den hertog van Bourgondi&euml; deed,
+daarbij nog de eer van een trotsch geslacht scheurde en de wraak opriep
+als een heiligen plicht, dan kon de hyperbolische uiting van smart wel
+evenredig zijn in staatsie en in gemoed. Chastellain heeft in de
+aesthetiek van deze doodstijding zich wijdloopig verlustigd; hij verzint
+in den zwaren, slependen stijl van zijn deftige rhetoriek de lange rede,
+waarmee de bisschop van Doornik te Gent den jongen hertog langzaam op
+het vreeselijke bericht voorbereidt, de statige jammerklachten van
+Philips zelf, en van zijn gemalin Michelle de France. Maar de kern van
+zijn verhaal: hoe de tijding bij den jongen hertog een zenuwtoeval
+teweegbrengt, hoe ook zijn gemalin in onmacht valt, de wilde verwarring
+van het hof, de luide rouwkreten van de stad, kortom de woeste
+uitbundigheid van smart, waarmee het bericht ontvangen werd, vallen niet
+te betwijfelen.<a name='FNanchor_126_126'></a><a href='#Footnote_126_126'><sup>[126]</sup></a> Ook Chastellain's verhaal van het smartbetoon van
+Karel den Stoute bij het sterven van Philips in 1467 draagt de kenmerken
+van waarheid.<a name='76'></a> Hier was de schok veel minder hevig; de oude hertog,
+vrijwel kindsch, was reeds lang achteruitgaande; de verstandhouding
+tusschen hem en zijn zoon was in de laatste jaren ver van hartelijk
+geweest, zoodat Chastellain zelf opmerkt, dat het verbazing wekte, toen
+men Karel bij het sterfbed zag weenen, krijten, handenwringen en
+nedervallen, &quot;et ne tenoit r&eacute;gle, ne mesure, et tellement qu'il fit
+chacun s'esmerveiller de sa d&eacute;mesur&eacute;e douleur&quot;. Ook in de stad Brugge,
+waar de hertog stierf, &quot;estoit piti&eacute; de oyr toutes mani&egrave;res de gens
+crier et plorer et faire leurs diverses lamentations et regrets&quot;.<a name='FNanchor_127_127'></a><a href='#Footnote_127_127'><sup>[127]</sup></a></p>
+
+<p>Het is moeilijk uit te maken, hoever in deze en dergelijke berichten de
+hofstijl gaat, die een luidruchtig leedbetoon gepast en fraai vindt, en
+hoever de werkelijke hevige aandoenlijkheid, die den tijd eigen was.
+Er loopt zeker een sterk element van primitieven vorm onder: het luide
+weenen over den doode, dat geformaliseerd was in klaagvrouwen, en
+artistiek uitgedrukt in de &quot;plourants&quot;, die juist in dezen tijd aan de
+grafsculptuur zulk een sterke bewogenheid verleenen, is een overoud
+beschavingselement.</p>
+
+<p>Die vereeniging van primitivisme, hevige aandoenlijkheid en fraaien
+vorm valt ook te zien in de groote vrees voor het meedeelen van een
+doodsbericht. Men houdt voor de gravin van Charolais, wanneer zij
+zwanger gaat van Maria van Bourgondi&euml;, den dood van haar vader langen
+tijd geheim; men durft Philips den Goede, die ziek ligt, geen enkel
+sterfgeval, dat hem eenigszins raakt, meedeelen, zoodat Adolf van Cleef
+geen rouw mag dragen over zijn echtgenoote.<a name='77'></a> Toen de hertog toch van
+den dood van zijn kanselier Nicolaas Rolin de lucht gekregen had
+(Chastellain gebruikt zelf die uitdrukking: &quot;avoit est&eacute; en vent un peu
+de ceste mort&quot;), vraagt hij den bisschop van Doornik, die hem aan zijn
+ziekbed komt bezoeken, of het waar is, dat de kanselier gestorven
+is.&mdash;Monseigneur,&mdash;zegt de bisschop&mdash;: naar waarheid dood is hij wel,
+want hij is oud en gebroken, en kan niet lang meer leven.&mdash;D&eacute;a!&mdash;zegt
+de hertog,&mdash;dat vraag ik niet, ik vraag of hij is &quot;mort de mort et
+trespass&eacute;&quot;.&mdash;Ha! monseigneur,&mdash;zegt de bisschop weer&mdash;, hij is niet
+gestorven, maar aan &eacute;&eacute;n kant verlamd, dus hij is zoo goed als dood.&mdash;De
+hertog wordt boos:&mdash;Vechy merveilles! zeg mij nu duidelijk, of hij dood
+is. Toen eerst zegt de bisschop: Ja, waarlijk, monseigneur, hij is
+werkelijk gestorven&quot;.<a name='FNanchor_128_128'></a><a href='#Footnote_128_128'><sup>[128]</sup></a> Is er niet in deze zonderlinge wijze van een
+doodsbericht mee te deelen meer van een ouden, bijgeloovigen vorm dan
+van een ontzien van een zieke, dien dit aarzelen slechts kon prikkelen?
+Het hoort in de sfeer der gedachte, die Lodewijk XI bewoog, om zich
+nooit weer te bedienen van de kleeren, die hij droeg, of het paard, dat
+hij bereed, toen hem eenig slecht bericht bereikte, en zelfs om een heel
+stuk van het bosch van Loches te doen omhakken, waar hem de dood van
+zijn pasgeboren zoontje werd bericht.<a name='FNanchor_129_129'></a><a href='#Footnote_129_129'><sup>[129]</sup></a> &quot;M. le chancellier&mdash;schrijft
+hij 25 Mei 1483&mdash;je vous mercye des lettres etc. mais je vous pry que ne
+m'en envoy&eacute;s plus par celluy qui les m'a aport&eacute;es, car je luy ay trouv&eacute;
+le visage terriblement chang&eacute; depuis que je ne le vitz, et vous prometz
+par ma foy qu'il m'a fait grant peur; et adieu&quot;.<a name='FNanchor_130_130'></a><a href='#Footnote_130_130'><sup>[130]</sup></a></p>
+<a name='78'></a>
+<p>Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag
+schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij vorm geven aan het
+leed, het als iets schoons en verhevens ontplooien. Zij rythmiseeren de
+smart. Zij brengen het werkelijke leven over in de sfeer van het drama,
+en doen het cothurnen aan. In primitiever beschaving, ik denk bij
+voorbeeld aan de Iersche, zijn rouwgebruiken en dichterlijke lijkklacht
+nog &eacute;&eacute;n geheel; ook den hofrouw van den Bourgondischen tijd kan men
+slechts verstaan, door hem verwant te zien aan de elegie. De rouwpraal
+vertoont in schoonen vorm de machteloosheid van smart. Hoe hooger de
+rang, hoe hero&iuml;scher het smartbetoon moet prijken. De koningin van
+Frankrijk moet een vol jaar in de kamer blijven, waar men haar den dood
+haars gemaals heeft aangezegd. Voor prinsessen geldt zes weken. Wanneer
+men Madame de Charolais, Isabelle de Bourbon, den dood van haar vader
+heeft medegedeeld, woont zij eerst nog den lijkdienst bij te Couwenberg,
+en blijft daarna zes weken in haar kamer, altijd te bed liggende, door
+kussens gesteund, maar gekleed met barbette, kap en mantel. De kamer is
+geheel met zwart behangen, op den grond ligt in de plaats van een zacht
+tapijt een groot zwart laken, en een groot voorvertrek is eveneens met
+zwart behangen. Edelvrouwen blijven alleen voor haar man zes weken te
+bed, voor vader of moeder slechts negen dagen, terwijl zij de rest der
+zes weken gezeten zijn voor het bed op het groote zwarte kleed. Voor
+den oudsten broeder houdt men zes weken de kamer doch niet het bed.
+<a name='FNanchor_131_131'></a><a href='#Footnote_131_131'><sup>[131]</sup></a>&mdash;Men begrijpt,
+<a name='79'></a> hoe in een tijd, die zulk een hoog ceremonieel in
+eere hield, als een der ergste omstandigheden bij den moord van 1419
+telkens weer herinnerd wordt, dat Jan zonder Vrees zoo maar in buis,
+hozen en schoenen begraven was.<a name='FNanchor_132_132'></a><a href='#Footnote_132_132'><sup>[132]</sup></a></p>
+
+<p>De aandoening, in die fraaie vormen getooid en verwerkt, gaat er licht
+in te loor; de zucht naar de dramatiseering van het leven laat een
+achter-de-schermen over, waarin het edel opgemaakte pathos verloochend
+wordt. Er is een na&iuml;eve scheiding tusschen &quot;staat&quot; en werkelijk leven,
+welke in het geschrift van de oude hofdame, Alienor de Poitiers, die al
+dien &quot;staat&quot; toch als hooge mysteri&euml;n vereert, kenmerkend aan den dag
+komt. Op de beschrijving van Isabella van Bourbon's prachtigen rouw laat
+zij volgen: &quot;Quand Madame estoit en son particulier, elle n'estoit point
+toujours couch&eacute;e, ni en une chambre&quot;. De prinses ontvangt in dien staat,
+doch enkel als schoone vorm. Zoo zegt Alienor ook: voor een echtgenoot
+behoort men twee jaar het rouwkleed te dragen, &quot;indien men althans niet
+hertrouwt&quot;. Juist de hoogste standen, de vorsten met name, hertrouwden
+dikwijls zeer spoedig; de hertog van Bedford, regent van Frankrijk voor
+den jongen Hendrik VI, reeds na vijf maanden.</p>
+
+<p>Naast den rouw biedt de kraamkamer een ruim veld voor strenge staatsie
+en hi&euml;rarchisch verschil van uitmonstering. Er gelden vaste kleuren. Het
+groen, dat nog in de 19<sup>e</sup> eeuw de geijkte kleur was van het burgerlijk
+ledikant en de vuurmand, was in de 15<sup>e</sup> het prerogatief van koningin en
+prinsessen.<a name='80'></a> De kraamkamer van de koningin van Frankrijk is van groene
+zijde; vroeger was zij geheel in wit. Zelfs gravinnen mogen niet &quot;la
+chambre verde&quot; hebben. Stof, bont en kleur van dekens en spreien is
+voorgeschreven. Op het dressoir branden voortdurend twee groote lichten
+in zilveren kandelaars, want de blinden van de kraamkamer worden eerst
+na veertien dagen geopend! Het opmerkelijkste evenwel zijn de
+staatsieledikanten, ledig evenals de koetsen bij de begrafenis van den
+koning van Spanje. De jonge moeder ligt op een couchette voor het vuur,
+en het kind, Maria van Bourgondi&euml;, in een wieg in de kinderkamer, maar
+bovendien staan er in de kraamkamer twee groote bedden in een kunstig
+samenstel van groene gordijnen, opgemaakt en opgeslagen, als om erin te
+gaan slapen, en in de kinderkamer opnieuw twee groote bedden, alles met
+groen en violet, en nogmaals &eacute;&eacute;n groot bed in een voorvertrek of
+&quot;chambre de parement&quot;, geheel getapisseerd in karmozijn satijn. Zij was
+vroeger door die van Utrecht aan Jan zonder Vrees vereerd, en heette
+&quot;la chambre d'Utrecht&quot;. Bij de doopplechtigheid dienen die bedden tot
+ceremonieus gebruik.<a name='FNanchor_133_133'></a><a href='#Footnote_133_133'><sup>[133]</sup></a></p>
+
+<p>Die aesthetiek der levensvormen deed zich gelden in het dagelijksch
+aspect van stad en land: de strenge hi&euml;rarchie van stoffen, kleuren
+en pelzen gaf aan de verschillende standen een uiterlijke omlijsting,
+die het waardigheidsgevoel verhief en behoedde. De aesthetiek der
+gemoedsbewegingen beperkte zich niet tot de plechtige vreugden en
+smarten bij geboorte, huwelijk en sterven,<a name='81'></a> waar de parade door de
+noodzakelijke ceremoni&euml;n geboden was. Elk ethisch gebeuren wordt gaarne
+gezien in een fraai opgemaakten vorm. Er is zulk een element in de
+bewondering voor de nederigheid en de zelfkastijding van den heilige,
+voor het berouw van den zondaar, zooals de &quot;moult belle contrition de
+ses p&eacute;ch&eacute;s&quot; van Agnes Sorel.<a name='FNanchor_134_134'></a><a href='#Footnote_134_134'><sup>[134]</sup></a> Elke levensverhouding wordt in stijl
+gebracht; in de plaats van de moderne zucht tot verbergen en effaceeren
+van intieme betrekkingen en sterke aandoeningen geldt het streven, om ze
+tot een vorm en een schouwspel ook voor anderen te maken. Zoo heeft ook
+de vriendschap in het leven der 15<sup>e</sup> eeuw haar schoon uitgewerkten vorm.
+Naast de oude bloedbroederschap en wapenbroederschap, die in de kringen
+zoowel van het volk als van den adel in eere was,<a name='FNanchor_135_135'></a><a href='#Footnote_135_135'><sup>[135]</sup></a> kent men een
+vorm van sentimenteele vriendschap, die uitgedrukt wordt door het woord
+mignon. De vorstelijke mignon is een geformaliseerd instituut, dat zich
+gedurende de geheele 16<sup>e</sup> en een deel der 17<sup>e</sup> eeuw handhaaft. Het is de
+verhouding van Jacobus I van Engeland tot Robert Carr en George
+Villiers; ook Willem van Oranje bij den afstand van Karel V moet onder
+dit aspect gezien worden. <i>Twelfth Night</i> is slechts te begrijpen, als
+men bij de verhouding van den hertog tot den gewaanden Cesario dezen
+geijkten vorm van sentimenteele vriendschap voor oogen heeft. De
+verhouding wordt gezien als een parallel tot de hoofsche liefde: &quot;Sy
+n'as dame ne mignon&quot;, zegt Chastellain.<a name='FNanchor_136_136'></a><a href='#Footnote_136_136'><sup>[136]</sup></a>
+<a name='82'></a> Doch elke toespeling, die
+haar op &eacute;&eacute;n lijn met de Grieksche vriendschap zou brengen, ontbreekt ten
+eenenmale. De openlijkheid, waarmee het mignonschap behandeld wordt in
+een tijd, die het crimen nefandum zoo verfoeide, moet elken argwaan doen
+zwijgen. Bernardino van Siena stelt aan zijn Italiaansche landgenooten,
+onder wie de sodomie zeer verbreid was, Frankrijk en Duitschland, waar
+men haar niet kent, ten voorbeeld.<a name='FNanchor_137_137'></a><a href='#Footnote_137_137'><sup>[137]</sup></a> Commines vertelt zelf, hoe hij
+de eer genoot, door Lodewijk XI onderscheiden te worden met 's konings
+behagen, dat hij gelijk gekleed ging als deze.<a name='FNanchor_138_138'></a><a href='#Footnote_138_138'><sup>[138]</sup></a> Want dit is het
+vaste teeken van de verhouding. De koning heeft steeds een mignon en
+titre, in dezelfde kleederen gedost als hij, op wien hij steunt bij
+ontvangsten.<a name='FNanchor_139_139'></a><a href='#Footnote_139_139'><sup>[139]</sup></a> Dikwijls zijn het ook twee vrienden van gelijken
+leeftijd, doch verschillenden rang, die zich gelijk kleeden, in &eacute;&eacute;n
+kamer, soms ook in &eacute;&eacute;n bed slapen.<a name='FNanchor_140_140'></a><a href='#Footnote_140_140'><sup>[140]</sup></a> Zulk een onafscheidelijke
+vriendschap bestaat er tusschen den jongen Gaston de Foix en zijn
+bastaardbroeder, waar zij een tragisch einde neemt, tusschen Lodewijk
+van Orleans (toen nog van Touraine) en Pierre de Craon,<a name='FNanchor_141_141'></a><a href='#Footnote_141_141'><sup>[141]</sup></a> tusschen
+den jongen hertog van Cleef en Jacques de Lalaing.<a name='83'></a> Op dezelfde wijze
+hebben vorstinnen een vertrouwde vriendin, die zich gelijk kleedt,<a name='FNanchor_142_142'></a><a href='#Footnote_142_142'><sup>[142]</sup></a>
+en mignonne genoemdt wordt.</p>
+
+<p>Al deze schoon gestyleerde levensvormen, die de ruwe werkelijkheid
+moesten verheffen in een sfeer van edele harmonie, waren deelen van de
+groote levenskunst, zonder onmiddellijken neerslag te geven in de kunst
+in engeren zin. De omgangsvormen met hun vriendelijken schijn van
+ongedwongen altru&iuml;sme en heusche erkenning van anderen, de hofpraal en
+hofetikette met hun hieratische statigheid en ernst, de blijde tooi van
+bruiloft en kraamkamer, hun schoonheid is voorbijgegaan zonder directe
+sporen na te laten in kunst en litteratuur. Het uitdrukkingsmiddel, dat
+hen verbindt, is niet de kunst, maar de mode. Nu staat de mode in het
+algemeen veel nader tot de kunst, dan de academische aesthetica wil
+toegeven. Als kunstmatige accentueering van de lichaamsschoonheid en de
+lichaamsbeweging is zij met een der kunsten, die van den dans, innig
+verbonden. Maar ook daarbuiten grenst in de 15<sup>e</sup> eeuw het domein der
+mode, of wil men liever der kleederdracht, veel nader aan dat der kunst
+dan wij geneigd zijn ons voor te stellen. Niet enkel doordat het
+veelvuldig gebruik van juweelen en de metaalbewerking van het
+krijgsgewaad in het costuum een direct element van kunsthandwerk brengt.
+De mode deelt met de kunst zelve essentieele eigenschappen: stijl en
+rythme zijn haar even onmisbaar als voor de kunst. De late Middeleeuwen
+hebben voortdurend in de kleederdracht een mate van levensstijl
+uitgedrukt,<a name='84'></a> waarvan tegenwoordig zelfs een kroningsplechtigheid slechts
+meer een flauwe afschaduwing kan geven. In het leven van iederen dag
+vertoonden de verschillen van pelzen en kleuren, kappen en huiven de
+strenge ordonnantie der standen, de pronkende waardigheden, den staat
+van blijdschap of smart, de teedere betrekking van vrienden en
+verliefden.</p>
+
+<p>Van alle levensverhoudingen was de aesthetiek zoo uitdrukkelijk mogelijk
+uitgewerkt. Hoe hooger het schoonheids- en zedelijkheidsgehalte van zulk
+een verhouding was, hoe meer de uitdrukking ervan tot zuivere kunst kon
+worden. Beleefdheid, etikette vinden hun schoone uiting enkel in het
+leven zelf, in kleed en praal. De rouw echter heeft haar sterke
+uitdrukking bovendien in een duurzamen en machtigen kunstvorm: het
+grafmonument; de cultuurwaarde van den rouw was verheven door zijn
+verband met den godsdienst. Maar nog rijker was de aesthetische bloei
+van deze drie levenselementen: dapperheid, eer en liefde.</p>
+
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='III'></a>III</h2>
+
+<h3>DE HELDENDROOM</h3>
+<br />
+<a name='85'></a>
+<p>Toen men tegen het einde der achttiende eeuw begon middeleeuwsche
+cultuurvormen als eigen nieuwe levenswaarden op te nemen, met andere
+woorden bij den aanvang der romantiek, heeft men in de Middeleeuwen
+allereerst het ridderwezen ontwaard. De romantiek was geneigd
+Middeleeuwen en riddertijd kortweg te vereenzelvigen. Zij zag overal
+slechts wuivende vederbossen. En hoe paradoxaal het thans klinkt, zij
+had in zeker opzicht gelijk. Een grondiger studie heeft ons geleerd,
+dat het ridderwezen slechts een onderdeel is van de cultuur van dat
+tijdperk, dat de staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling
+grootendeels buiten dien vorm om gaat. Het tijdperk van echte
+feodaliteit en bloeiend ridderwezen loopt reeds in de dertiende eeuw
+ten einde; wat daarna komt is de stedelijk-vorstelijke periode der
+Middeleeuwen, waarin de beheerschende factoren van staat en maatschappij
+de handelsmacht der burgerijen en de daarop berustende geldmacht der
+vorsten zijn. Wij lateren hebben ons gewend, en terecht, om veel meer
+naar Gent en Augsburg te zien, veel meer naar het opkomende kapitalisme
+en de nieuwe staatsvormen dan naar den adel, die immers, hier meer daar
+minder, overal reeds &quot;gefnuikt&quot; was. De geschiedvorsching zelf heeft
+zich sedert de dagen der romantiek gedemocratiseerd. Het moet evenwel
+hem, die gewoon is, de latere Middeleeuwen te zien in hun staatkundig-
+economisch aspect, zooals wij dat begrijpen, telkens opvallen, dat de
+bronnen zelf, met name de verhalende bronnen,<a name='86'></a> aan den adel en zijn
+bedrijf een zooveel ruimer plaats geven, dan bij onze voorstelling past.
+Dit geldt zelfs niet enkel van de late Middeleeuwen, maar ook nog van de
+zeventiende eeuw.</p>
+
+<p>De reden daarvan is, dat de adellijke levensvorm zijn heerschappij over
+de samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke
+structuur zijn overheerschende beteekenis verloren had. In den geest der
+vijftiende eeuw neemt de adel als maatschappelijk element nog onbetwist
+de eerste plaats in; zijn beteekenis wordt door den tijdgenoot veel te
+hoog, die van de burgerij veel te laag geschat. Zij zelf zien niet, dat
+de werkelijke beweegkrachten der maatschappelijke ontwikkeling elders
+lagen dan in het leven en bedrijf van een oorlogvoerenden adel. Dus, zal
+men zeggen: de fout zit bij de tijdgenooten zelf en bij de romantiek,
+die hun voorstelling zonder kritiek volgde, terwijl de moderne
+geschiedvorsching de ware verhoudingen van het laat-middeleeuwsche leven
+aan het licht heeft gebracht. Van het staatkundige en economische leven,
+ja. Maar voor het kennen van het cultuurleven behoudt de waan zelf,
+waarin de tijdgenooten leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was
+de adellijke levensvorm niet anders dan een vernis over het leven
+geweest, dan nog zou het noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat
+leven m&egrave;t den glans van dat vernis wist te zien.</p>
+
+<p>Het is overigens veel meer geweest dan een vernis. Het begrip van de
+geleding der maatschappij in standen doordringt in de Middeleeuwen alle
+theologische en politische beschouwingen tot in haar vezelen. Het
+bepaalt zich volstrekt niet tot de geijkte drie: geestelijkheid, adel en
+derde stand.<a name='87'></a> Het begrip stand heeft niet alleen een veel sterker waarde
+maar ook een veel verder strekking. In het algemeen wordt iedere
+groepeering, iedere functie, ieder beroep gezien als een stand, zoodat
+naast de indeeling der maatschappij in drie standen een in twaalf kan
+voorkomen.<a name='FNanchor_143_143'></a><a href='#Footnote_143_143'><sup>[143]</sup></a> Want stand is staat, &quot;estat&quot;, of &quot;ordo&quot;; er ligt de
+gedachte in van een door God gewilde wezenlijkheid. De woorden &quot;estat&quot;
+en &quot;ordre&quot; dekken in de Middeleeuwen een groot aantal van menschelijke
+groepeeringen, die voor ons begrip zeer ongelijksoortig zijn: de standen
+in onzen zin, de beroepen, den huwelijken staat naast den maagdelijken,
+den staat van zondigheid &quot;estat de p&eacute;chi&eacute;&quot;, de vier &quot;estats de corps et
+de bouche&quot; aan het hof: panetiers, schenkers, voorsnijders en
+keukenmeesters, de geestelijke wijdingen: priester, diaken, subdiaken
+enz., de kloosterorden, de ridderorden. In de middeleeuwsche gedachte
+wordt het begrip &quot;staat&quot; of &quot;orde&quot; in al die gevallen bijeengehouden
+door het besef, dat elk dezer groepen een goddelijke inzetting
+vertegenwoordigt, een orgaan is in den wereldbouw, even wezenlijk en
+even hierarchisch-eerbiedwaardig als de hemelsche tronen en machten der
+engelenhierarchie.</p>
+
+<p>In het schoone beeld, dat men zich maakte van staat en maatschappij,
+werd aan elk der standen zijn functie aangewezen niet overeenkomstig
+zijn beproefde nuttigheid, maar overeenkomstig zijn heiligheid of zijn
+schitterenden glans. Men kon daarbij de ontaarding der geestelijkheid,
+het verval van de ridderlijke deugden bejammeren, zonder daarom het
+ideale beeld ook maar eenigszins prijs te geven;<a name='88'></a> de zonden der menschen
+mogen de verwezenlijking van het ideaal beletten, toch blijft het
+grondslag en richtsnoer der maatschappelijke gedachte. Het
+middeleeuwsche beeld der maatschappij is statisch, niet dynamisch.</p>
+
+<p>Het is een wonderlijke schijn, waarin Chastellain, de hofhistoriograaf
+van Philips den Goede en Karel den Stoute, wiens rijke werk ook hier
+weer de beste spiegel is van de tijdsgedachte, de maatschappij van zijn
+dagen ziet. Hier is een man, in de velden van Vlaanderen getogen, die in
+zijn Nederlanden de schitterendste ontplooiing van burgermacht voor
+oogen had, en die niettemin, verblind door den uiterlijksten glans van
+het Bourgondische prachtleven, in den staat slechts riddermoed en
+ridderdeugd als de bron van kracht ziet.</p>
+
+<p>God heeft het volk doen geboren worden om te arbeiden, om den grond te
+bewerken, om door den handel duurzaam levensonderhoud te verschaffen, de
+geestelijkheid voor de werken des geloofs, maar den adel, om de deugd te
+verheffen en de gerechtigheid te handhaven, om met de daden en de zeden
+van hun schoone personen den anderen een spiegel te zijn. De hoogste
+taak in den staat, de bescherming der kerk, de vermeerdering van het
+geloof, de bewaring van het volk voor verdrukking, de handhaving van het
+gemeen welzijn, bestrijding van geweld en tirannie, versterking van den
+vrede, Chastellain wijst ze alle den adel toe. Waarheid, dapperheid,
+zedelijkheid en mildheid zijn zijn eigenschappen. En de adel van
+Frankrijk, zegt deze hoogdravende lofredenaar, beantwoordt aan dat
+ideale beeld.<a name='FNanchor_144_144'></a><a href='#Footnote_144_144'><sup>[144]</sup></a>
+<a name='89'></a>Door het geheele werk van Chastellain heen bemerkt
+men, dat hij ook werkelijk de gebeurtenissen van zijn tijd door dat
+gekleurde glaasje ziet.</p>
+
+<p>De onderschatting van de burgerij spruit hieruit voort, dat het type,
+waaronder men zich den derden stand voorstelde, zich nog geenszins
+gecorrigeerd had naar de werkelijkheid. Dat type was eenvoudig en
+beknopt als zulk een kalenderplaatje of bas-relief, dat de werken des
+jaars afbeeldde: de zwoegende veldarbeider, de vlijtige handwerker of de
+bedrijvige koopman. De figuur van den machtigen patrici&euml;r, die den adel
+zelf van zijn plaats drong, het feit, dat de adel zich voortdurend
+aanvulde met het bloed en de kracht der burgerij, vond in dat lapidaire
+type evenmin plaats als de figuur van den strijdbaren gildebroeder en
+zijn vrijheidsideaal. In het begrip van den derden stand bleven, immers
+zelf tot de Revolutie toe, burgerij en arbeiders ongescheiden;
+afwisselend dringt in de voorstelling de figuur van den armen boer of
+van den vadsigen rijken burger<a name='FNanchor_145_145'></a><a href='#Footnote_145_145'><sup>[145]</sup></a> naar voren, maar een omlijning
+volgens zijn werkelijke economisch-politische functie kreeg dat begrip
+derde stand niet. Een reformprogram van een Augustijner monnik in 1412
+kan in ernst verlangen, dat ieder niet-edele in Frankrijk gedwongen zou
+worden, hand- of veldarbeid te doen, of uit het land gejaagd worden.<a name='FNanchor_146_146'></a><a href='#Footnote_146_146'><sup>[146]</sup></a></p>
+
+<p>Zoo is het te begrijpen, dat iemand als Chastellain, wiens vatbaarheid
+voor ethische illusie ge&euml;venaard wordt door zijn politische na&iuml;veteit,
+naast de hooge eigenschappen van den adel den derden stand slechts lage
+en slaafsche deugden toekent.<a name='90'></a> &quot;Pour venir au tiers membre qui fait le
+royaume entier, c'est l'estat des bonnes villes, des marchans et des
+gens de labeur, desquels il ne convient faire si longue exposition que
+des autres, pour cause que de soy il n'est gaires capable de hautes
+attributions, parce qu'il est au degr&eacute; servile&quot;. (O kerels van
+Vlaanderen!) Zijn deugd is nederigheid en vlijt, gehoorzaamheid aan hun
+koning en gewilligheid, om genoegen te verschaffen aan de heeren.<a name='FNanchor_147_147'></a><a href='#Footnote_147_147'><sup>[147]</sup></a></p>
+
+<p>Werkte wellicht ook dat volslagen gemis aan het gezicht op een komenden
+tijd van burgervrijheid en macht er toe mee, dat Chastellain en
+gelijkgezinden, die enkel van den adel heil verwachtten, het met de
+tijden duister inzagen?</p>
+
+<p>Ook de rijke stedelingen heeten bij Chastellain nog kortweg &quot;vilains&quot;.
+<a name='FNanchor_148_148'></a><a href='#Footnote_148_148'><sup>[148]</sup></a> Hij heeft niet het geringste begrip voor burgereer. Philips de
+Goede had de gewoonte, zijn macht te misbruiken, om zijn &quot;archers&quot;,
+lagere edelen veelal, of andere dienaren van zijn huis te huwen aan
+rijke poortersweduwen of dochters. De ouders huwelijkten hun dochters
+zoo vroeg mogelijk uit, om die aanzoeken te ontgaan; een weduwe
+hertrouwde erom twee dagen na haars mans begrafenis.<a name='FNanchor_149_149'></a><a href='#Footnote_149_149'><sup>[149]</sup></a> Eens stuitte
+de hertog daarbij op het hardnekkig verzet van een rijken bierbrouwer te
+Rijsel, die zijn dochter niet voor een dergelijke verbintenis wil geven.
+De hertog laat het meisje in verzekerde bewaring stellen; de gekrenkte
+vader verhuist met zijn hebben en houden naar Doornik, om daar buiten
+'s hertogen gebied te zijn,<a name='91'></a> en ongehinderd de zaak voor het Parlement
+van Parijs te kunnen brengen. Het brengt hem niet dan zorg en moeite;
+hij wordt ziek van verdriet, en het eind van het geval, dat in hooge mate
+kenschetsend is voor Philips' impulsief karakter<a name='FNanchor_150_150'></a><a href='#Footnote_150_150'><sup>[150]</sup></a> en hem naar onze
+begrippen niet tot eer strekt, is, dat de hertog de moeder, die als
+smeekelinge tot hem komt, haar dochter teruggeeft, maar aan de
+vergiffenis hoon en vernedering toevoegt. Chastellain, die anders
+volstrekt niet vreest, zijn heer te misprijzen, staat met zijn sympathie
+geheel aan de zijde van den hertog; voor den beleedigden vader heeft hij
+geen andere woorden dan &quot;ce rebelle brasseur rustique&quot;, &quot;et encore si
+meschant vilain.&quot;<a name='FNanchor_151_151'></a><a href='#Footnote_151_151'><sup>[151]</sup></a></p>
+
+<p>In zijn <i>Temple de Bocace</i>, een hol galmende hal van adellijken roem en
+ongeluk, laat Chastellain den grooten financier Jacques Coeur niet
+zonder een woord van verontschuldiging toe, terwijl de verfoeilijke
+Gilles de Rais er ondanks zijn ontzettende misdaden gereedelijk toegang
+vindt van wege zijn hooge geboorte.<a name='FNanchor_152_152'></a><a href='#Footnote_152_152'><sup>[152]</sup></a> Hij acht het onnoodig, de
+namen van de burgers te vermelden, die in den grooten strijd voor Gent
+vielen.<a name='FNanchor_153_153'></a><a href='#Footnote_153_153'><sup>[153]</sup></a></p>
+
+<p>Ondanks deze geringschatting van den derden stand ligt er in het
+ridderideaal zelf en in de beoefening van de deugden en de taak, die den
+adel werden voorgehouden, een dubbel element van een minder hoogmoedig
+aristocratische volksverachting. Naast den spot over de dorpers, vol
+haat en verachting, zooals die klinkt uit het Vlaamsche <i>Kerelslied</i> en
+de <i>Proverbes del vilain</i> loopt in de Middeleeuwen een tegengestelde
+uiting van medelijden met het arme volk, dat het zoo kwaad heeft.</p>
+<a name='92'></a>
+<div class='poem'> &quot;Si fault de faim perir les innocens
+<span>Dont les grans loups font chacun jour ventr&eacute;e,<br /></span>
+<span>Qui amassent a milliers et a cens<br /></span>
+<span>Les faulx tresors; c'est le grain, c'est la bl&eacute;e,<br /></span>
+<span>Le sang, les os qui ont la terre ar&eacute;e<br /></span>
+<span>Des povres gens, dont leur esperit crie<br /></span>
+<span>Vengence &agrave; Dieu, v&eacute; &agrave; la seignourie....&quot;<a name='FNanchor_154_154'></a><a href='#Footnote_154_154'><sup>[154]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Het zijn altijd dezelfde klaagtonen: het arme volk, geteisterd door de
+oorlogen, uitgezogen door de ambtenaren, leeft in gebrek en ellende;
+iedereen teert op den boer. Zij lijden geduldig: &quot;le prince n'en s&ccedil;ait
+riens&quot;, en als zij soms murmureeren en de overheid smaden: &quot;povres
+brebis, povre fol peuple&quot;, de heer zal hen met een woord weer tot rust
+en tot rede brengen. In Frankrijk komt onder den indruk van de
+jammerlijke verwoesting en onveiligheid, waaraan de honderdjarige oorlog
+gaandeweg het geheele land overleverde, &eacute;&eacute;n trek in die klacht op den
+voorgrond: de boer geplunderd, gebrandschat en mishandeld door de
+krijgsbenden van vriend en vijand, beroofd van zijn ploegdieren, van
+huis en hof verjaagd. In dien vorm neemt de klacht geen einde meer. Men
+hoort haar van de groote reform-gezinde geestelijken omstreeks 1400:
+Nicolaas van Clemanges in zijn <i>Liber de lapsu et reparatione
+justitiae,</i><a name='FNanchor_155_155'></a><a href='#Footnote_155_155'><sup>[155]</sup></a> van Gerson in zijn moedige en aangrijpende politieke
+preek voor de regenten en het hof op het thema <i>Vivat rex,</i> 7 November
+1405 in het paleis der koningin te Parijs gehouden,<a name='FNanchor_156_156'></a><a href='#Footnote_156_156'><sup>[156]</sup></a>
+<a name='93'></a> Jean Jouvenel,
+de bisschop van Beauvais, houdt in bittere klachten de ellende van het
+volk voor aan de Staten te Blois in 1433, te Orleans in 1439.<a name='FNanchor_157_157'></a><a href='#Footnote_157_157'><sup>[157]</sup></a>
+Gepaard aan het beklag der andere standen over hun moeilijkheden, in den
+vorm van een twistgesprek, vindt men het thema van de volksellende in
+Alain Chartier's <i>Quadriloge invectif,</i><a name='FNanchor_158_158'></a><a href='#Footnote_158_158'><sup>[158]</sup></a> en in Robert Gaguin's
+daarop ge&iuml;nspireerd <i>Debat du laboureur, du prestre et du gendarme</i>.
+<a name='FNanchor_159_159'></a><a href='#Footnote_159_159'><sup>[159]</sup></a> De kroniekschrijvers kunnen niet anders dan telkens erop
+terugkomen; hun stof bracht het mee.<a name='FNanchor_160_160'></a><a href='#Footnote_160_160'><sup>[160]</sup></a> Molinet dicht een <i>Resource
+du petit peuple</i>,<a name='FNanchor_161_161'></a><a href='#Footnote_161_161'><sup>[161]</sup></a> de ernstige Meschinot herhaalt de waarschuwingen
+over de verwaarloozing van het volk keer op keer:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;O Dieu, voyez du commun l'indigence,
+<span>Pourvoyez-y &agrave; toute diligence:<br /></span>
+<span>Las! par faim, froid, paour et misere tremble.<br /></span>
+<span>S'il a pech&eacute; ou commis negligence<br /></span>
+<span>Encontre vous, il demande indulgence.<br /></span>
+<span>N'est-ce piti&eacute; des biens que l'on lui emble?<br /></span>
+<span>Il n'a plus bled pour porter au molin,<br /></span>
+<span>On lui oste draps de laine et de lin,<br /></span>
+<span>L'eaue, sans plus, lui demeure pour boire&quot;.<a name='FNanchor_162_162'></a><a href='#Footnote_162_162'><sup>[162]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<a name='94'></a>
+<p>In een cahier, den koning aangeboden ter gelegenheid van de Staten te
+Tours in 1484, neemt de klacht regelrecht het karakter aan van een
+politiek vertoog.<a name='FNanchor_163_163'></a><a href='#Footnote_163_163'><sup>[163]</sup></a> Toch blijft het een volkomen stereotyp en
+negatief medelijden, niets van een program. Er is nog geen spoor van
+weloverlegden socialen hervormingszin in, en zoo wordt er op het thema
+doorgezongen, door La Bruy&egrave;re, door F&eacute;n&eacute;lon, tot diep in de achttiende
+eeuw, want nog de klachten van den ouden Mirabeau, &quot;l'ami des hommes&quot;,
+zijn weinig anders, al klinkt daarin het geluid van het komende verzet.</p>
+
+<p>Het is te verwachten, dat de verheerlijkers van het laat-middeleeuwsche
+ridderideaal instemmen met deze betuigingen van medelijden met het volk:
+immers de toepassing van den ridderplicht, om de zwakken te beschermen,
+eischte het. Evenzeer inhaerent aan het wezen van het ridderideaal, en
+evenzeer stereotyp en theoretisch, is ook het besef, dat de ware adeldom
+slechts berust in de deugd, en dat in den grond alle menschen gelijk
+zijn. Deze beide gevoelens worden wel eens in hun cultuurhistorische
+beteekenis overschat. Men beschouwt de erkenning van den waren adel in
+het hart als een triomf der Renaissance, erop wijzende, dat Poggio die
+gedachte uitspreekt in zijn <i>De nobilitate</i>.<a name='95'></a> Men hoort gewoonlijk dat
+oude egalitarisme in het revolutionaire geluid van John Ball's &quot;When
+Adam delved and Eve span, where was then the gentleman?&quot;&mdash;En men stelt
+zich voor, dat de adel sidderde op dien tekst.</p>
+
+<p>Beide gedachten waren reeds lang gemeenplaatsen in de hoofsche
+litteratuur zelve, evenals zij het waren in de salons van het ancien
+r&eacute;gime. Het denkbeeld van den waren adel in het hart was voortgekomen
+uit de verheffing van de hoofsche liefde in de po&euml;zie der troubadours.
+Het blijft een zedelijke bespiegeling zonder sociaal-actieve werking.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Dont vient a tous souveraine noblesce?
+<span>Du gentil cuer, par&eacute; de nobles mours.<br /></span>
+<span>... Nulz n'est villains se du cuer ne lui muet&quot;.<a name='FNanchor_164_164'></a><a href='#Footnote_164_164'><sup>[164]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>De gelijkheidsgedachte was reeds door de kerkvaders ontleend aan Cicero
+en Seneca. Gregorius de Groote had den komenden Middeleeuwen het &quot;Omnes
+namque homines natura aequales sumus&quot; reeds meegegeven. Het was in
+allerlei klank en nadruk steeds herhaald, zonder de werkelijke
+ongelijkheid te verminderen. Want voor den Middeleeuwer keerde de
+gedachte haar pointe naar de spoedige gelijkheid in den dood, niet naar
+een hopeloos verre gelijkheid in het leven. Bij Eustache Deschamps
+vinden wij haar in een duidelijke verbinding met de doodendans-
+voorstelling, die aan de late Middeleeuwen den troost moest geven over
+het onrecht van de wereld. Het is Adam zelf, die zijn kroost toespreekt:</p>
+<a name='96'></a>
+<div class='poem'> &quot;Enfans, enfans, de moy, Adam, venuz,
+<span>Qui apr&egrave;s Dieu suis peres premerain (eerste)<br /></span>
+<span>Cr&eacute;&eacute; de lui, tous estes descenduz<br /></span>
+<span>Naturelment de ma coste et d'Evain;<br /></span>
+<span>Vo mere fut. Comment est l'un villain<br /></span>
+<span>Et l'autre prant le nom de gentillesce<br /></span>
+<span>De vous, freres? dont vient tele noblesce?<br /></span>
+<span>Je ne le s&ccedil;ay, se ce n'est des vertus,<br /></span>
+<span>Et les villains de tout vice qui blesce:<br /></span>
+<span>Vous estes tous d'une pel revestus.<br /></span>
+</div><p></p>
+
+
+<div class='poem'> Quant Dieu me fist de la boe ou je fus,
+<span>Homme mortel, faible, pesant et vain,<br /></span>
+<span>Eve de moy, il nous crea tous nuz,<br /></span>
+<span>Mais l'esperit nous inspira a plain<br /></span>
+<span>Perpetuel, puis eusmes soif et faim,<br /></span>
+<span>Labour, dolour, et enfans en tristesce;<br /></span>
+<span>Pour noz pechiez enfantent a destresce<br /></span>
+<span>Toutes femmes; vilment estes con&ccedil;uz.<br /></span>
+<span>Dont vient ce nom, villain, qui les cuers blesce?<br /></span>
+<span>Vous estes tous d'une pel revestuz.<br /></span>
+</div><p></p>
+
+<div class='poem'> Les roys puissans, les contes et les dus,
+<span>Li gouverneur du peuple et souverain,<br /></span>
+<span>Quant ilz naissent, de quoy sont ilz vestuz?<br /></span>
+<span>D'une orde pel.<br /></span>
+<span>... Prince, pensez, sanz avoir en desdain<br /></span>
+<span>Les povres gens, que la mort tient le frain&quot;.<a name='FNanchor_165_165'></a><a href='#Footnote_165_165'><sup>[165]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Het is in overeenstemming met deze gedachten, wanneer geestdriftige
+vereerders van het ridderideaal somtijds opzettelijk de daden van
+boersche helden opteekenen, om den adel te leeren, &quot;dat bij wijlen zij,
+die zij dorpers achten, van de grootste dapperheid bezield zijn&quot;.<a name='FNanchor_166_166'></a><a href='#Footnote_166_166'><sup>[166]</sup></a></p>
+<a name='97'></a>
+<p>Want dit is de grond van al deze gedachten: dat de adel geroepen is, om
+door de naleving van het ridderideaal de wereld te schragen en te
+zuiveren. Het rechte leven en de rechte deugd der edelen is het
+heilmiddel der slechte tijden; daarvan hangt af het welzijn en de rust
+van kerk en koninkrijk, de gelding der gerechtigheid.<a name='FNanchor_167_167'></a><a href='#Footnote_167_167'><sup>[167]</sup></a> De oorlog is
+in de wereld gekomen met Ca&iuml;n en Abel, en sedert vertakt onder goeden en
+slechten. Hem te beginnen is niet goed. Daarom is de zeer edele en zeer
+uitstekende stand der ridderschap ingesteld, om het volk, dat gemeenlijk
+het meest geteisterd wordt door de rampen van den krijg, te bewaren, te
+verdedigen en in rust te houden.<a name='FNanchor_168_168'></a><a href='#Footnote_168_168'><sup>[168]</sup></a> Twee zaken, luidt het in het
+leven van een der zuiverste vertegenwoordigers van het laat-middeleeuwsche
+ridderideaal, Boucicaut, zijn door God's wil in de wereld gezet als twee
+pijlers om de orde der goddelijke en menschelijke wetten te onderhouden;
+zonder hen zou de wereld niet dan verwarring zijn; die twee pijlers zijn
+ridderschap en wetenschap, &quot;chevalerie et science, qui moult bien
+conviennent ensemble&quot;.<a name='FNanchor_169_169'></a><a href='#Footnote_169_169'><sup>[169]</sup></a> &quot;Science, Foy et Chevalerie&quot; zijn de drie
+leli&euml;n van <i>Le Chapel des fleurs de lis</i> van Philippe de Vitri; zij
+vertegenwoordigen de drie standen; de ridderschap is geroepen, om de
+beide andere te behoeden en te beschermen.<a name='FNanchor_170_170'></a><a href='#Footnote_170_170'><sup>[170]</sup></a> Die gelijkwaardigheid
+van ridderschap en wetenschap,<a name='98'></a> die ook spreekt uit de neiging om aan den
+doctorstitel dezelfde rechten toe te kennen als aan den riddertitel
+<a name='FNanchor_171_171'></a><a href='#Footnote_171_171'><sup>[171]</sup></a> getuigt van het hooge ethische gehalte van het ridderideaal. Het
+is de vereering van een hooger willen en durven naast die van een hooger
+weten en kunnen; men heeft de behoefte, om den mensch in een hoogere
+potentie te zien, en wil die uitdrukken in den vasten vorm van twee
+wijdingen tot hooger levenstaak, onderling gelijkwaardig. Maar van die
+twee had het ridderideaal een veel algemeener en sterker werking, omdat
+daarin met het ethische zooveel aesthetische elementen waren vereenigd,
+die voor iederen geest begrijpelijk waren.</p>
+
+<p>De middeleeuwsche gedachtenwereld in het algemeen is in al haar deelen
+doortrokken en doorzult met de geloofsvoorstellingen. Op soortgelijke
+wijze is de gedachtenwereld van die beperkter groep, welke in de sfeer
+van hof en adel leeft, gedrenkt in het ridderideaal. Zelfs
+geloofsvoorstellingen worden op haar beurt in den ban der ridderidee
+getrokken: Michael's wapenfeit was &quot;la premi&egrave;re milicie et prouesse
+chevaleureuse qui oncques fut mise en exploict&quot;; van hem neemt de
+ridderlijkheid haar oorsprong; als &quot;milicie terrienne et chevalerie
+humaine&quot; is zij een aardsche navolging van de engelenscharen om Gods
+troon.<a name='FNanchor_172_172'></a><a href='#Footnote_172_172'><sup>[172]</sup></a></p>
+
+<p>Leidt de hooge verwachting, die men bouwt op de plichtsvervulling van
+den adel, tot eenige nadere omschrijving van politieke denkbeelden
+omtrent hetgeen den adel te doen staat? Ja, die van een streven naar
+den universeelen vrede,<a name='99'></a> gegrondvest op de eendracht der koningen, de
+verovering van Jeruzalem en verdrijving der Turken. De onvermoeide
+plannenmaker Philippe de M&eacute;zi&egrave;res, die droomde van een ridderorde, welke
+al de oude kracht van Tempel en Hospitaal zou overtreffen, heeft in zijn
+<i>Songe du vieil pelerin</i> een plan uitgewerkt, dat het heil der wereld
+in de naaste toekomst scheen te waarborgen. De jonge koning van
+Frankrijk,&mdash;het is geschreven omstreeks 1388, toen op den ongelukkigen
+Karel VI nog zooveel hoop was gebouwd&mdash;, zal gemakkelijk vrede kunnen
+sluiten met Richard van Engeland, even jong en onschuldig aan ouden
+strijd als hij. Zij moesten persoonlijk over dien vrede met elkander
+spreken, elkander verhalen van de wonderlijke openbaringen, die hem
+hadden aangekondigd, afzien van al de kleine belangen, die een beletsel
+zouden opleveren, als de onderhandeling aan geestelijken,
+rechtsgeleerden of legerhoofden werd toevertrouwd. Laat de koning van
+Frankrijk maar wat grenssteden en kasteelen afstaan. Terstond na den
+vrede zou de kruistocht worden voorbereid. Overal zal alle strijd en
+veete beslecht worden, het tiranniek bestuur der staten zal hervormd
+worden, een algemeen concilie zal de vorsten der christenheid opwekken,
+om ten oorlog te trekken, indien de prediking niet helpen mocht, om
+Tartaren, Turken, Joden en Saracenen te bekeeren.<a name='FNanchor_173_173'></a><a href='#Footnote_173_173'><sup>[173]</sup></a> Niet
+onwaarschijnlijk was er van zulke ver strekkende plannen nog sprake in
+het vriendschappelijk verkeer van M&eacute;zi&egrave;res met den jongen Lodewijk van
+Orleans in het klooster der Celestijnen te Parijs. Ook Orleans leefde,
+zij het met meer <a name='100'></a>bijmenging van praktische en baatzuchtige politiek,
+in die droomen van vrede en kruistocht.<a name='FNanchor_174_174'></a><a href='#Footnote_174_174'><sup>[174]</sup></a></p>
+
+<p>Het is een wonderlijke kleuring van de wereld, dat beeld van de
+maatschappij gedragen door het ridderideaal. Het is een kleur, die niet
+goed houden wil. Wien men ook neemt van de bekende fransche chronisten
+der veertiende en vijftiende eeuw: de scherpe Froissart, de droge
+Monstrelet en d'Escouchy, de plechtstatige Chastellain, de hoofsche
+Olivier de la Marche, de bombastische Molinet, allen met uitzondering
+van Commines en Thomas Basin beginnen met hoogdravende verklaringen,
+dat zij schrijven ter verheerlijking van ridderdeugd en roemrijke
+wapenfeiten.<a name='FNanchor_175_175'></a><a href='#Footnote_175_175'><sup>[175]</sup></a> Maar niemand kan het geheel volhouden, Chastellain
+nog het best. Terwijl Froissart, zelf dichter van een hyperromantischen
+aflegger der ridder-epiek: <i>M&eacute;liador</i>, met zijn geest zwelgt in ideale
+&quot;prouesse&quot; en &quot;grans apertises d'armes&quot;, schrijft zijn journalistenpen
+voortdurend van verraad en wreedheid, sluwe baatzucht en overmacht, een
+krijgsbedrijf, dat geheel een zaak van winstbejag is geworden. Molinet
+vergeet doorloopend zijn chevaleresken opzet en vertelt, afgezien van
+zijn taal en stijl, de gebeurtenissen helder en eenvoudig, om zich af
+en toe den edelen zwier te herinneren, dien hij zich had opgelegd. Nog
+uiterlijker is de ridderlijke strekking bij Monstrelet.</p>
+
+<p>Het is alsof de geest van deze schrijvers,&mdash;een ondiepe geest, moet men
+zeggen&mdash;, de ridderlijke fictie aanwendt als een correctief op de
+onbegrijpelijkheid,<a name='101'></a> die hun tijd voor hen had. Het was de eenige vorm,
+waarin zij de gebeurtenissen konden begrijpen. In de werkelijkheid waren
+zoowel de oorlogen als de staatkunde van hun tijd uiterst vormloos,
+schijnbaar onsamenhangend. De krijg doorgaans een chronisch proces van
+ge&iuml;soleerde strooptochten over een groot gebied verspreid, de diplomatie
+een zeer omslachtig en gebrekkig instrument, voor een deel beheerscht
+door zeer algemeene traditioneele idee&euml;n en voor een deel door een
+onontwarbaar complex van afzonderlijke, kleine rechtskwesties. Niet
+in staat om in dat alles een re&euml;ele maatschappelijke ontwikkeling te
+erkennen, nam de historie de fictie van het ridderideaal te baat, en
+herleidde daarmee alles tot een schoon beeld van vorsteneer en
+ridderdeugd, een fraai spel van edele regels, en schiep de illusie van
+orde. Vergelijkt men dezen historischen maatstaf met bijvoorbeeld het
+inzicht van Thucydides, dan is het een buitengewoon laag standpunt.
+De geschiedenis verdort tot een relaas van schoone of schijnschoone
+wapenfeiten en solemneele staatshandelingen. Wie zijn dan ook van dit
+gezichtspunt beschouwd de rechte geschiedgetuigen? De herauten en
+wapenkoningen, meent Froissart; zij wonen immers die edele verrichtingen
+bij, en hebben ze officieel te beoordeelen; zij zijn experts in zaken
+van roem en eer, en roem en eer zijn het motief der geschiedschrijving.
+<a name='FNanchor_176_176'></a><a href='#Footnote_176_176'><sup>[176]</sup></a> De statuten van het Gulden Vlies geboden het opteekenen van
+ridderlijke wapenfeiten; Lef&egrave;vre de Saint Remy, genaamd Toison d'or,
+of de heraut Berry kunnen als voorbeelden van den wapenkoning-
+geschiedschrijver genoemd worden.</p>
+<a name='102'></a>
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Als ideaal van schoon leven is de ridderlijke gedachte van zeer
+bijzondere gedaante. Het is een in zijn wezen aesthetisch ideaal,
+opgebouwd uit bonte fantazie en verheffende aandoening. Maar het wil
+zijn een ethisch ideaal: het middeleeuwsche denken kon aan een
+levensideaal slechts een edele plaats geven, door het in betrekking
+te stellen tot vroomheid en deugd. In die ethische functie schiet het
+ridder wezen steeds te kort; het wordt omlaaggetrokken door zijn
+zondigen oorsprong. Want de kern van het ideaal blijft de tot schoonheid
+verheven hoogmoed. Dit heeft Chastellain volkomen begrepen, wanneer hij
+zegt: &quot;La gloire des princes pend en orguel et en haut p&eacute;ril emprendre;
+toutes principales puissances conviengnent en un point estroit qui se
+dit orgueil.&quot;<a name='FNanchor_177_177'></a><a href='#Footnote_177_177'><sup>[177]</sup></a> Uit den hoogmoed, gestyleerd en verheven, is de
+eer geboren, die de pool is van het adellijk leven. Terwijl in de
+middelmatige of ondergeschikte maatschappelijke verhoudingen&mdash;zegt Taine
+<a name='FNanchor_178_178'></a><a href='#Footnote_178_178'><sup>[178]</sup></a>&mdash;de voornaamste drijfveer het belang is, is de groote beweger bij
+de aristocratie de hoogmoed: &quot;or, parmi les sentiments profonds de
+l'homme, il n'en est pas qui soit plus propre a se transformer en
+probit&eacute;, patriotisme et conscience, car l'homme fier a besoin de son
+propre respect, et, pour l'obtenir, il est tent&eacute; de le m&eacute;riter.&quot; Taine
+heeft zonder twijfel de neiging, om de aristocratie te fraai te zien.
+De werkelijke geschiedenis der aristocratie&euml;n geeft overal een beeld,
+waarin de hoogmoed gedoubleerd is met onbeschaamd eigenbelang.<a name='103'></a> Des
+ondanks blijft&mdash;als omschrijving van het aristocratisch levensideaal
+&mdash;Taine's woord treffend. Het is verwant aan Burckhardt's bepaling van
+het Renaissance-eergevoel. &quot;Es ist die r&auml;tselhafte Mischung aus Gewissen
+und Selbstsucht, welche dem modernen Menschen noch &uuml;brig bleibt, auch
+wenn er durch oder ohne seine Schuld alles &uuml;brige, Glauben, Liebe und
+Hoffnung eingeb&uuml;sst hat. Dieses Ehrgef&uuml;hl vertr&auml;gt sich mit vielem
+Egoismus und grossen Lastern und ist ungeheurer T&auml;uschungen f&auml;hig; aber
+auch alles Edle, das in einer Pers&ouml;nlichkeit &uuml;brig geblieben, kann sich
+daran anschliessen und aus diesem Quell neue Kr&auml;fte sch&ouml;pfen&quot;.<a name='FNanchor_179_179'></a><a href='#Footnote_179_179'><sup>[179]</sup></a></p>
+
+<p>De persoonlijke eerzucht en roemzucht, die dan eens uitingen van een
+hoog eergevoel, dan weer veel meer uit onveredelden hoogmoed gesproten
+schijnen, zijn door Burckhardt in beeld gebracht als de kenmerkende
+eigenschappen van den Renaissance-mensch.<a name='FNanchor_180_180'></a><a href='#Footnote_180_180'><sup>[180]</sup></a> In tegenstelling met de
+afzonderlijke standseer en standenroem, zooals zij de echt-middeleeuwsche
+samenleving buiten Itali&euml; nog bezielden, beschrijft hij de algemeen-
+menschelijke eer en roem, waarnaar, onder sterken invloed van antieke
+voorstellingen, de Italiaansche geest sedert Dante streeft. Het schijnt
+mij toe, dat dit een der punten is, waarop Burckhardt den afstand
+tusschen Middeleeuwen en Renaissance, tusschen West-Europa en Itali&euml; te
+groot gezien heeft. Die roemliefde en eerzucht der Renaissance is in
+haar kern de ridderlijke eerzucht van vroeger tijd en Fransche herkomst,
+de standseer uitgebreid tot wijder gelding,<a name='104'></a> ontdaan van het feodale
+sentiment en bevrucht met antieke gedachte. Het hartstochtelijk
+verlangen, om door het nageslacht geprezen te worden, is den hoofschen
+ridder der twaalfde eeuw, den onverfijnden Franschen of Duitschen
+soudenier der veertiende eeuw even weinig vreemd als den schoonen geest
+van het quattrocento. De afspraak voor het Combat des trente tusschen
+messires Robert de Beaumanoir en den kapitein Brandebourch wordt door
+den laatste besloten met de woorden: &quot;en zoo zullen wij maken, dat men
+ervan spreken zal in komende tijden in zaal en paleis, in pleinen en
+andere plaatsen over de wereld.&quot;<a name='FNanchor_181_181'></a><a href='#Footnote_181_181'><sup>[181]</sup></a> Chastellain, in zijn waardeering
+van het ridderideaal toch volkomen middeleeuwsch, drukt niettemin
+volkomen den geest der Renaissance uit, als hij zegt:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Honneur semont toute noble nature
+<span>D'aimer tout ce qui noble est en son estre.<br /></span>
+<span>Noblesse aussi y adjoint sa droiture&quot;.<a name='FNanchor_182_182'></a><a href='#Footnote_182_182'><sup>[182]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Elders zegt hij, dat bij joden en heidenen de eer dierbaarder was en
+nauwer werd gehouden, omdat zij enkel werd betracht om haars zelfs wil
+en in verwachting van aardschen lof, terwijl de christenen de eer
+ontvangen hebben door het geloof en het licht, in verwachting van
+hemelsch loon.<a name='FNanchor_183_183'></a><a href='#Footnote_183_183'><sup>[183]</sup></a></p>
+
+<p>Reeds bij Froissart wordt de dapperheid aanbevolen zonder eenige
+religieuze of direct moreele motiveering, om roem en eer, en&mdash;enfant
+terrible als hij is&mdash;om carri&egrave;re.<a name='FNanchor_184_184'></a><a href='#Footnote_184_184'><sup>[184]</sup></a></p>
+<a name='105'></a>
+<p>Het streven naar ridderlijken roem en eer is onafscheidelijk verbonden
+aan een heldenvereering, waarin middeleeuwsche en renaissance-elementen
+ineenvloeien. Het ridderlijke leven is een navolging. Of het de helden
+van den Artur-kring zijn of de antieke helden, maakt weinig verschil.
+Alexander was immers reeds in den bloeitijd van den ridderroman volkomen
+in de idee&euml;nsfeer van het ridderwezen opgenomen. De antieke
+fantaziesfeer was nog niet gescheiden van die der tafelronde. Koning
+Ren&eacute; ziet bont dooreen de met hun blazoenen versierde grafteekens van
+Lancelot, Caesar, David, Hercules, Paris, Tro&iuml;lus.<a name='FNanchor_185_185'></a><a href='#Footnote_185_185'><sup>[185]</sup></a> Het ridderwezen
+zelf gold voor Romeinsch. &quot;Et bien entretenoit&mdash;heet het van Hendrik V
+van Engeland&mdash;la discipline de chevalerie, comme jadis faisoient les
+Rommains&quot;.<a name='FNanchor_186_186'></a><a href='#Footnote_186_186'><sup>[186]</sup></a> Het toenemende classicisme brengt eenige zuivering in
+het historische beeld der Oudheid; de Portugeesche edelman Vasco de
+Lucena, die voor Karel den Stoute Quintus Curtius vertaalt, verklaart,
+gelijk Maerlant het reeds anderhalve eeuw eerder had gedaan, hem daarin
+te bieden een authentieken Alexander, ontdaan van de leugens, waarmee
+al de gangbare histori&euml;n diens geschiedenis ontsierden.<a name='FNanchor_187_187'></a><a href='#Footnote_187_187'><sup>[187]</sup></a> Doch de
+bedoeling is sterker dan ooit, den vorst een voorbeeld ter navolging
+te bieden, en bij weinig vorsten is de zucht, om door groote en
+schitterende daden de Ouden te evenaren, zoo bewust als bij Karel den
+Stoute. Van jongsaf had hij zich de heldendaden van Walewein en Lancelot
+laten voorlezen; later wonnen het de Ouden.<a name='106'></a> Voor het slapen gaan werd er
+geregeld een paar uur gelezen in &quot;les haultes histoires de Romme&quot;.<a name='FNanchor_188_188'></a><a href='#Footnote_188_188'><sup>[188]</sup></a>
+Zijn hoogste behagen gold den helden der oudheid: Caesar, Hannibal en
+Alexander, &quot;lesquelz il vouloit ensuyre et contrefaire&quot;.<a name='FNanchor_189_189'></a><a href='#Footnote_189_189'><sup>[189]</sup></a> Alle
+tijdgenooten hebben aan die opzettelijke navolging als drijfveer van
+zijn daden groot gewicht gehecht. &quot;Il d&eacute;siroit grand gloire,&mdash;zegt
+Commines&mdash;qui estoit ce qui plus le mettoit en ses guerres que nulle
+autre chose; et eust bien voulu ressembler &agrave; ses anciens princes dont
+il a est&eacute; tant parl&eacute; apr&egrave;s leur mort.&quot;<a name='FNanchor_190_190'></a><a href='#Footnote_190_190'><sup>[190]</sup></a> Chastellain zag hem dien
+hoogen zin voor groote daden en voor het schoone antieke gebaar de
+eerste maal in praktijk brengen. Het was bij zijn eerste komst als
+hertog binnen Mechelen in 1467. Hij had er een oproer te straffen; de
+zaak werd in alle vormen onderzocht en berecht, een der leiders ter dood
+veroordeeld, anderen voor eeuwig verbannen. Het schavot wordt op de
+markt opgericht, de hertog zit er tegenover; de schuldige ligt reeds
+geknield, de beul ontbloot het zwaard; toen roept Karel, die tot dusver
+zijn bedoeling verborgen had: &quot;Houd op! Doe hem den blinddoek af en laat
+hem opstaan.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Et me pareus de lors&mdash;zegt Chastellain&mdash;que le coeur luy estoit en haut
+singulier propos pour le temps &agrave; venir, et pour acqu&eacute;rir gloire et
+renomm&eacute;e en singuli&egrave;re oeuvre.&quot;<a name='FNanchor_191_191'></a><a href='#Footnote_191_191'><sup>[191]</sup></a></p>
+
+<p>Het voorbeeld van Karel den Stoute is geschikt, om te doen zien, hoe de
+geest der Renaissance, de zucht naar het schoone antieke leven, direct
+wortelt in het ridderideaal.<a name='107'></a> Het is, als men hem met den Italiaanschen
+virtuoso vergelijkt, slechts een verschil van belezenheid en van smaak.
+Karel las zijn klassieken nog in vertaling, en zijn levensvorm is nog
+flamboyant-gothiek.</p>
+
+<p>Dezelfde onscheidbaarheid van het ridderlijke en het renaissance-element
+vertoont de cultus der negen dapperen, &quot;les neuf preux&quot;. Die groep van
+negen helden, drie heidenen, drie joden, drie christenen, komt op in de
+ridderlijke litteratuur; zij wordt het eerst aangetroffen in de <i>Voeux
+du paon</i> van Jacques de Longuyon omstreeks 1312.<a name='FNanchor_192_192'></a><a href='#Footnote_192_192'><sup>[192]</sup></a> De keus der
+helden verraadt den nauwen samenhang met de ridderlijke romantiek:
+Hector, Caesar, Alexander&mdash;Jozua, David, Judas Maccabaeus&mdash;Artur, Karel
+de Groote en Godfried van Bouillon. Van zijn leermeester Guillaume de
+Machaut neemt Eustache Deschamps de gedachte over; hij wijdt er tal van
+gedichten aan.<a name='FNanchor_193_193'></a><a href='#Footnote_193_193'><sup>[193]</sup></a> Waarschijnlijk is hij het geweest, die aan de
+behoefte aan symmetrie, welke den laat-middeleeuwschen geest zoo sterk
+eigen is, voldeed, door aan de 9 preux 9 preuses toe te voegen. Hij
+zocht er eenige, ten deele vrij zonderlinge, klassieke figuren voor
+bijeen uit Justinus en andere litteratuur: o.a. Penthesilea, Tomyris,
+Semiramis, en verhaspelde de meeste namen geducht. Dit belette het
+denkbeeld niet, om opgang te maken, en zoo vindt men preux en preuses
+bij de lateren, zooals in <i>Le Jouvencel,</i> terug. Zij staan afgebeeld op
+tapijten, men verzint hun blazoenen; bij den intocht van Hendrik VI van
+Engeland te Parijs in 1431 gaan alle achttien hem voorop.<a name='FNanchor_194_194'></a><a href='#Footnote_194_194'><sup>[194]</sup></a></p>
+<a name='108'></a>
+<p>Hoe levend de voorstelling gedurende de 15<sup>e</sup> eeuw en nog daarna gebleven
+is, bewijst het feit, dat men haar parodieerde: Molinet beproeft zijn
+luim aan een negental &quot;preux de gourmandise&quot;.<a name='FNanchor_195_195'></a><a href='#Footnote_195_195'><sup>[195]</sup></a> Nog Frans I kleedde
+zich af en toe &quot;&agrave; l'antique&quot; om een der preux voor te stellen.<a name='FNanchor_196_196'></a><a href='#Footnote_196_196'><sup>[196]</sup></a></p>
+
+<p>Deschamps heeft evenwel nog op een andere wijze dan door de aanvulling
+met vrouwelijke pendanten de voorstelling uitgebreid. Hij verbond die
+vereering van oude heldendeugd aan het heden, plaatste haar in de sfeer
+van het opkomende Fransche militaire nationalisme, door aan de negen een
+tijd- en landgenoot als tienden preux toe te voegen: Bertrand du
+Guesclin.<a name='FNanchor_197_197'></a><a href='#Footnote_197_197'><sup>[197]</sup></a> Ook dat denkbeeld had succes; Lodewijk van Orleans liet
+in de groote zaal van Coucy het beeld van den dapperen conn&eacute;table als
+tiende der preux opnemen.<a name='FNanchor_198_198'></a><a href='#Footnote_198_198'><sup>[198]</sup></a> Het was met reden, dat Orleans de
+gedachtenis van du Guesclin een bijzondere zorg wijdde; hij zelf was
+door den conn&eacute;table ten doop gehouden, en deze had hem daarbij een
+zwaard in de hand gegeven. Van de figuur van den dapperen en
+berekenenden Bretonschen krijgsman neemt een nationaal-militaire
+heldenvereering haar uitgang.<a name='109'></a> Het valt op te merken, dat deze in de
+15<sup>e</sup> eeuw nog niet in de eerste plaats Jeanne Darc geldt. Allerlei
+veldoversten, die naast of tegen haar hadden gestreden, nemen in de
+verbeelding der tijdgenooten veel grooter en eervoller plaats in dan het
+boerenmeisje uit Domr&eacute;my. Velen spreken van haar nog zonder aandoening
+of vereering, meer als een curiositeit. Chastellain, die zijn
+Bourgondische gevoelens, als het pas gaf, merkwaardig op zij wist te
+zetten voor een pathetisch Fransch loyalisme, dicht een &quot;myst&egrave;re&quot; op den
+dood van Karel VII, waarin al de aanvoerders, die voor hem de Engelschen
+bestreden hebben, als een eeregalerij van dapperen, een strofe zeggen,
+die hun daden vermeldt: Dunois, Jean de Bueil, Xaintrailles, La Hire
+zijn er bij, en tal van minder bekenden.<a name='FNanchor_199_199'></a><a href='#Footnote_199_199'><sup>[199]</sup></a> Het doet even aan als een
+reeks van Napoleontische generaals. Maar la Pucelle ontbreekt.</p>
+
+<p>De Bourgondische vorsten bewaarden in hun schatkamer een aantal
+heldenrelieken van romantischen aard: een zwaard van Sint Joris, met
+diens wapen versierd, een zwaard, dat behoord had aan &quot;messire Bertran
+de Claiquin&quot; (du Guesclin), een tand van het everzwijn van Garin le
+Loherain, het souter, waaruit de heilige Lodewijk leerde in zijn
+kindsheid.<a name='FNanchor_200_200'></a><a href='#Footnote_200_200'><sup>[200]</sup></a> Hoe loopen de fantaziesferen van het ridderlijke en het
+religieuze hier ineen! Nog een schrede, en men is bij het armbeen van
+Livius, dat, plechtig als gold het een reliek, in ontvangst genomen werd
+door paus Leo X.<a name='FNanchor_201_201'></a><a href='#Footnote_201_201'><sup>[201]</sup></a></p>
+<a name='110'></a>
+<p>De laat-middeleeuwsche heldenvereering heeft haar litterairen vorm in de
+biografie van den volmaakten ridder. Soms zijn het reeds legendaire
+figuren geworden, zooals Gilles de Trazegnies. De belangrijkste evenwel
+zijn die van tijdgenooten, zooals Boucicaut, Jean de Bueil, Jacques de
+Lalaing.</p>
+
+<p>Jean le Meingre, gewoonlijk genoemd le mar&eacute;chal Boucicaut, heeft zijn
+land gediend in groote rampen. Hij was met Jan zonder Vrees in 1396 bij
+Nicopolis geweest, waar het Fransche ridderleger, roekeloos uitgetrokken
+om den Turk weer uit Europa te drijven, door Sultan Bajazid vernietigd
+werd. Hij is opnieuw gevangen gemaakt bij Azincourt in 1415, en zes
+jaren later in gevangenschap gestorven. Een bewonderaar heeft nog bij
+zijn leven in 1409 zijn daden te boek gesteld, op grond van zeer goede
+inlichting en documenten,<a name='FNanchor_202_202'></a><a href='#Footnote_202_202'><sup>[202]</sup></a> doch niet als een stuk tijdsgeschiedenis
+maar als het beeld van den idealen ridder. De realiteit van dit
+veelbewogen leven verdwijnt achter den schoonen schijn van het
+ridderbeeld. De vreeselijke katastrofe van Nicopolis heeft in <i>Le Livre
+des faicts</i> maar een flauwe kleur. Boucicaut wordt geschilderd als het
+type van den soberen, vromen en tegelijk hoofschen en geletterden
+ridder. De afkeer van rijkdommen, die den waren ridder eigen moest zijn,
+spreekt uit het woord van Boucicaut's vader, die zijn erfgoed had willen
+vergrooten noch verkleinen, zeggende: als mijn kinderen rechtschapen en
+dapper zijn,<a name='111'></a> zullen zij genoeg hebben; en als zij niets waard zijn, zou
+het jammer wezen, dat hun zooveel bleef nagelaten.<a name='FNanchor_203_203'></a><a href='#Footnote_203_203'><sup>[203]</sup></a> Boucicaut's
+vroomheid is van een streng puriteinsch karakter. Hij staat vroeg op,
+en blijft wel drie uren in gebeden. Hoe gehaast of bezig ook, hoort hij
+iederen dag geknield twee missen. Vrijdags kleedt hij zich in het zwart,
+op Zon- en feestdagen doet hij te voet een bedevaart of laat zich
+voorlezen uit het leven der heiligen, of uit de geschiedenissen &quot;des
+vaillans trespassez, soit Romains ou autres&quot;, of hij spreekt met anderen
+van devote dingen. Hij is matig en sober, spreekt weinig en meest over
+God, de heiligen, de deugd of de ridderlijkheid. Ook al zijn dienaren
+heeft hij gewend aan devotie en betamelijkheid, en hun het vloeken
+afgeleerd.<a name='FNanchor_204_204'></a><a href='#Footnote_204_204'><sup>[204]</sup></a> Hij is een ijverig voorstander van den edelen, kuischen
+vrouwendienst; hij eert allen om eene, en sticht de orde &quot;de l'&eacute;cu verd
+&agrave; la dame blanche&quot;, ter verdediging der vrouwen, wat hem den lof schonk
+van Christine de Pisan.<a name='FNanchor_205_205'></a><a href='#Footnote_205_205'><sup>[205]</sup></a> Te Genua, waar hij in 1401 het bestuur
+kwam voeren voor Karel VI, beantwoordde hij eens hoffelijk de r&eacute;v&eacute;rences
+van twee dames, die hij ontmoette. &quot;Monseigneur,&quot; zei zijn schildknaap,
+&quot;qui sont ces deux femmes &agrave; qui vous avez si grans reverences
+faictes?&quot;&mdash;&quot;Huguenin, dit-il, je ne s&ccedil;ay&quot;. Lors luy dist: &quot;Monseigneur,
+elles sont filles communes&quot;.&mdash;&quot;Filles communes, dist-il, Huguenin,
+j'ayme trop mieulx faire reverence &agrave; dix filles communes que avoir
+failly &agrave; une femme de bien.&quot;<a name='FNanchor_206_206'></a><a href='#Footnote_206_206'><sup>[206]</sup></a>&mdash;In zijn devies &quot;Ce que vous
+vouldrez&quot;<a name='112'></a> kan men evengoed den dolenden ridder hooren, die zijn trouw
+aan zijn dame wijdt, als den renaissance-mensch, die zich overgeeft aan
+het leven, zooals het tot hem komt.</p>
+
+<p>Zoo is het schoone beeld van den ridder. Weliswaar blijkt uit andere
+gegevens, dat de werkelijke Boucicaut er niet in alle opzichten aan kan
+hebben beantwoord: hij deelde de gewelddadigheid en de geldzucht, in
+zijn stand zoo gewoon.<a name='FNanchor_207_207'></a><a href='#Footnote_207_207'><sup>[207]</sup></a></p>
+
+<p>In een geheel andere nuance ziet men den modelridder in den
+biografischen roman over Jean de Bueil, <i>Le Jouvencel</i>. Deze kapitein,
+die onder het vaandel van Jeanne Darc gestreden had, later gemengd was
+in den opstand der Praguerie en den oorlog &quot;du bien public&quot;, en in 1477
+stierf, heeft, in ongenade bij den koning, omstreeks 1465 aan drie van
+zijn dienaren een verhaal van zijn leven ge&iuml;nspireerd, getiteld <i>Le
+Jouvencel</i>.<a name='FNanchor_208_208'></a><a href='#Footnote_208_208'><sup>[208]</sup></a> In tegenstelling met het leven van Boucicaut, waarin
+de historische vorm een romantischen geest bergt, draagt <i>Le Jouvencel</i>
+bij een gefingeerden vorm een sterk re&euml;el karakter, althans in het
+eerste gedeelte. Het staat misschien in verband met het veelvoudig
+auteurschap, dat het werk verderop verloopt in een bloemzoete romantiek.
+Daar is de gruwelijke tocht van de Fransche krijgsbenden op Zwitsersch
+gebied in 1444, en de slag bij Sankt Jakob an der Birs, waar de boeren
+van het Bazelsche land hun Thermopylae vonden, vermomd in den ijdelen
+opschik van een afgezaagd bedenksel van herderlijke min.</p>
+<a name='113'></a>
+<p>In sterk contrast daarmee geeft het eerdere gedeelte van <i>Le Jouvencel</i>
+van de werkelijkheid van den toenmaligen krijg een beeld zoo sober en
+echt, als nauwelijks elders te vinden is. Ook deze auteurs spreken
+overigens niet van Jeanne Darc, met wie hun meester toch in
+wapenbroederschap had gestaan; het zijn zijn eigen heldendaden, die zij
+verheerlijken. Doch hoe goed moet deze hun zijn krijgsbedrijf verteld
+hebben. Hier kondigt zich de geest van het militaire Frankrijk aan, dat
+later de figuren van den mousquetaire, den grognard en den poilu zal
+opleveren. Den ridderlijken opzet verraadt alleen de aanhef, die de
+jonge lieden aanspoort, uit dit geschrift het leven in de wapenen te
+leeren, dat hen waarschuwt tegen hoogmoed, nijd en hebzucht. Zoowel het
+vrome als het amoureuze element van Boucicaut ontbreken in het eerste
+gedeelte van <i>Le Jouvencel</i>. Wat ons hier tegen komt, is de armzaligheid
+van den oorlog, zijn ontberingen en de frissche moed om gebrek te lijden
+en gevaren te bestaan. Een slotvoogd verzamelt zijn garnizoen en telt
+maar vijftien paarden, magere beestjes, de meesten zijn onbeslagen. Hij
+zet twee mannen op elk, maar ook van de mannen zijn de meesten eenoogig
+of kreupel. Om de kleeren van den kapitein te kunnen verstellen, gaat
+men de wasch van den vijand buitmaken. Een geroofde koe wordt den
+vijandelijken kapitein op zijn verzoek hoffelijk teruggegeven. In de
+beschrijving van een nachtelijken tocht over de velden ademt de
+nachtlucht en de stilte u tegen.<a name='FNanchor_209_209'></a><a href='#Footnote_209_209'><sup>[209]</sup></a> In <i>Le Jouvencel</i> ziet men het
+riddertype overgaan in dat van den nationalen militair: de held van het
+boek laat de arme gevangenen vrij,<a name='114'></a> mits zij goed-fransch worden. Tot
+hooge waardigheden gekomen, verlangt hij terug naar dat leven van
+avontuur en vrijheid.</p>
+
+<p>Zulk een realistisch riddertype (overigens, gelijk gezegd, in het werk
+zelf niet ten einde toe volgehouden) kon de Bourgondische litteratuur,
+veel ouderwetscher, veel solemneeler en meer in de feodale vormen bekneld
+dan de zuiver Fransche, nog niet opleveren. Jacques de Lalaing is naast
+le Jouvencel een antieke curiositeit, naar het clich&eacute; van oudere dolende
+ridders als Gillon de Trazegnies beschreven. Het boek van de daden van
+dezen vereerden held der Bourgondi&euml;rs spreekt meer van romantische
+tournooien dan van den echten krijg.<a name='FNanchor_210_210'></a><a href='#Footnote_210_210'><sup>[210]</sup></a></p>
+
+<p>De psychologie van den oorlogsmoed is wellicht vroeger noch later zoo
+eenvoudig en treffend uitgedrukt als in de volgende woorden van <i>Le
+Jouvencel</i>:<a name='FNanchor_211_211'></a><a href='#Footnote_211_211'><sup>[211]</sup></a> &quot;C'est joyeuse chose que la guerre.... On s'entr'ayme
+tant &agrave; la guerre. Quant on voit sa querelle bonne et son sang bien
+combatre, la larme en vient &agrave; l'ueil. Il vient une doulceur au cueur de
+loyault&eacute; et de piti&eacute; de veoir son amy, qui si vaillamment expose son
+corps pour faire et acomplir le commandement de nostre createur. Et
+puis on se dispose d'aller mourir ou vivre avec luy, et pour amour ne
+l'abandonner point. En cela vient une d&eacute;lectation telle que, qui ne l'a
+essaii&eacute;, il n'est homme qui sceust dire quel bien c'est. Pensez-vous
+que homme qui face cela craingne la mort? Nennil; car il est tant
+reconfort&eacute;, il est si ravi, qu'il ne scet o&ugrave; il est. Vraiement il n'a
+paour de rien.&quot;</p>
+
+<p>Dit kon evengoed gezegd zijn door den modernen soldaat als door een
+ridder der vijftiende eeuw.<a name='115'></a> Het heeft met het ridderlijk ideaal als
+zoodanig niets te maken. Het vertoont den gevoelsgrond van den zuiveren
+strijdmoed zelf: de huiverende uittreding uit het enge ego&iuml;sme in de
+aandoening van het levensgevaar, de ontzaglijke verteedering over de
+dapperheid van den makker, den wellust van de trouw en de
+zelfopoffering. Deze primitieve ascetische aandoening is de basis,
+waarop het ridderideaal is opgebouwd tot een edele verbeelding van
+mannelijke volmaaktheid, nauw verwant aan de Grieksche kalokagathia,
+een hevige aspiratie naar schoon leven, de energische bezieling van
+een reeks van eeuwen ... en ook het masker, waarachter een wereld van
+baatzucht en geweld zich hullen kon.</p>
+
+<p>Overal waar het ridderideaal het zuiverst beleden wordt, valt de nadruk
+op het ascetische element ervan. In zijn eersten opbloei paarde het zich
+ongedwongen, noodwendig zelfs, aan het monniksideaal: in de geestelijke
+ridderorden uit den kruistochtentijd. En waar de werkelijkheid steeds
+het ideaal gruwelijk logenstrafte, week het naar de sferen der
+verbeelding: de dolende ridder is evenals de Tempelier vrij van aardsche
+banden en arm. Dat ideaal van den edelen strijder zonder bezittingen,
+zegt William James, beheerscht nog &quot;sentimentally if not practically,
+the military and aristocratic view of life. We glorify the soldier as
+the man absolutely unincumbered. Owning nothing but his bare life, and
+willing to toss that up at any moment when the cause commands him, he is
+the representative of unhampered freedom in ideal directions.&quot;<a name='FNanchor_212_212'></a><a href='#Footnote_212_212'><sup>[212]</sup></a></p>
+<a name='116'></a>
+<p>De verbindingen van het ridderideaal met hooge elementen van het
+godsdienstig bewustzijn: medelijden, rechtvaardigheid, trouw, zijn dus
+geenszins kunstmatig of oppervlakkig. Toch zijn het niet deze, die de
+ridderschap tot den schoonen levensvorm bij uitnemendheid maken. En ook
+haar onmiddellijke wortels in den mannelijken strijdmoed hadden haar
+daartoe niet kunnen verheffen, als niet vrouwenliefde de brandende gloed
+was geweest, die aan dat complex van gevoel en idee de levenswarmte gaf.</p>
+
+<p>De diepe trek van askese, van moedige zelfopoffering, die het
+ridderideaal eigen is, hangt met den erotischen grond van die
+levenshouding ten nauwste samen, is misschien slechts de ethische
+verwerking van onbevredigd verlangen. De vormgeving, de styleering van
+het liefdeverlangen beperkt zich volstrekt niet tot de litteratuur. Zij
+vindt evengoed een ruim veld om zich te ontplooien in de levensvormen
+zelf: hoofschen omgang, gezelschapsspel, scherts en sport. Ook daar
+wordt de liefde voortdurend gesublimeerd en geromantiseerd; het leven
+volgt daarin de litteratuur na, maar deze leert tenslotte toch alles van
+het leven. Het ridderlijke aspect der liefde is in den grond niet in de
+litteratuur maar in het leven opgekomen. In de werkelijke
+levensverhoudingen was het motief van den ridder en de geliefde gegeven.</p>
+
+<p>De ridder en de geliefde, de held om liefde, is het meest primaire,
+onveranderlijke romantische motief, dat overal opnieuw weer ontspringt
+en ontspringen zal. Het is de meest onmiddellijke omzetting van de
+zinnelijke drift in een ethische of quasi-ethische zelfverloochening.
+Zij ontspringt direct uit de behoefte, om ten aanschouwe van de vrouw
+zijn moed te toonen, gevaar te loopen en sterk te zijn, te lijden en
+te bloeden,<a name='117'></a> die iedere jongen van zestien jaar kent. De uiting en de
+vervulling van het verlangen, die onbereikbaar schijnen, worden
+vervangen en opgeheven door de heldendaad uit liefde. Daarmee is
+terstond de dood als alternatief der vervulling gesteld, de bevrediging
+om zoo te zeggen naar beide zijden verzekerd.</p>
+
+<p>Maar de droom van de heldendaad uit liefde, die nu het smachtend hart
+vult en bedwelmt, groeit en woekert als een welige plant. Het eerste
+eenvoudige thema heeft spoedig uitgewerkt; de geest vraagt nieuwe
+verbeeldingen op hetzelfde thema. En de passie zelf dringt sterker
+kleuren op aan den droom van lijden en verzaking. De heldendaad moet
+bestaan in de bevrijding of redding van de vrouw zelf uit het
+dreigendste gevaar. Daarmee is een feller prikkel aan het
+oorspronkelijke motief toegevoegd. Eerst is het het subject zelf, dat
+lijden wil voor de vrouw; maar spoedig paart zich daaraan de wensch,
+om de begeerde zelf uit lijden te redden. Of in den grond die redding
+altijd is te herleiden tot de redding der maagdelijkheid, het weren van
+den andere dus, de bewaring van de vrouw voor zich? In ieder geval is
+daarmee het ridderlijk-erotische motief bij uitnemendheid gegeven: de
+jonge held, die de maagd bevrijdt. De belager moge bij wijlen een
+argelooze draak zijn, het sexueele moment ligt toch steeds onmiddellijk
+eronder. Hoe na&iuml;ef-oprecht spreekt het bij voorbeeld in de bekende
+schilderij van Burne Jones, waar de moderne damesfiguur van het meisje
+juist door haar kuischheid de onmiddellijkste sensualiteit verraadt.</p>
+
+<p>De bevrijding van de maagd is het meest oorspronkelijke en altijd jonge
+romantische motief. Hoe is het mogelijk, dat een thans verouderde
+mythenverklaring er de weergave van een natuurphenomeen in heeft gezien,
+<a name='118'></a>terwijl de onmiddellijkheid van de gedachte dagelijks door ieder kan
+worden beproefd! In de litteratuur moge het bij wijlen wegens overmatige
+herhaling een tijdlang worden vermeden, telkens komt het motief weer in
+nieuwe vormen op, bij voorbeeld in de bioscoop-cowboy-romantiek. En in
+het persoonlijke liefdedenken buiten de litteratuur blijft het
+ongetwijfeld altijd even sterk.</p>
+
+<p>Het is moeilijk te bepalen, in hoeverre in de voorstelling van den
+held-minnaar het mannelijk en in hoeverre het vrouwelijk aspect der
+liefde zich openbaart. In het algemeen komt in de verbeelding der liefde
+tot cultuurvorm bijna uitsluitend de mannelijke opvatting tot
+uitdrukking, althans tot in zeer jongen tijd. Het gezicht der vrouw op
+de liefde blijft altijd omsluierd en verborgen; het is teerder en dieper
+geheim. En het behoeft niet de romantische sublimeering tot het
+heldhaftige, want door zijn karakter van overgave en zijn onverbrekelijken
+samenhang met het moederschap verheft het zich van zelf reeds zonder
+fantazie van dapperheid en opoffering boven het zelfzuchtig-erotische.
+Niet alleen omdat de mannen de litteratuur gemaakt hebben, ontbreekt de
+vrouwelijke liefdesuitdrukking grootendeels, maar ook omdat voor de
+vrouw in de liefde het litteraire veel minder onmisbaar is.</p>
+
+<p>De figuur van den edelen redder, die om der wille van de geliefde lijdt,
+is de voorstelling van den man, zooals hij zich zelf zien wil. De
+spanning van zijn bevrijdersdroom wordt verhoogd, doordat hij onbekend
+optreedt, en eerst na de heldendaad wordt herkend. In deze onbekendheid
+van den held ligt voorzeker ook een van de vrouwelijke liefdeverbeelding
+uitgegaan romantisch motief.<a name='119'></a> In de geheele apotheose van mannelijke
+kracht en moed in den vorm van den strijder te paard vloeien de
+vrouwelijke behoefte aan krachtvereering en de mannelijke physieke
+hoogmoed samen.</p>
+
+<p>De middeleeuwsche samenleving heeft met een jongensachtige
+onverzadelijkheid deze primitief-romantische motieven gecultiveerd.
+Terwijl de hoogere litteratuurvormen zich hebben verfijnd tot ijler en
+soberder, of geestiger en nog prikkelender uitdrukking van het
+verlangen, blijft de ridderroman zich altijd weer verjongen en behoudt
+met zijn eindeloos herhaalde uitwerking van het romantische geval een
+bekoring, die ons schier onbegrijpelijk is. Wij wanen den tijd lang
+ontgroeid aan die kinderlijke fantazie&euml;n, en noemen Froissart's
+<i>M&eacute;liador</i> of de <i>Perceforest</i>, de nabloeiers der ridderlijke
+avontuurverhalen, anachronismen in hun tijd. Zij zijn het evenmin als de
+sensatieroman het heden ten dage is; alleen dit alles is geen zuivere
+litteratuur, maar om zoo te zeggen toegepaste kunst. Het is de behoefte
+aan modellen voor de erotische verbeelding, die steeds weer die
+litteratuur levend houdt en vernieuwt. Midden in de Renaissance herleven
+ze immers in de Amadis-romans. Wanneer nog na het midden der zestiende
+eeuw De la Noue ons kan verzekeren, dat de Amadis-romans een &quot;esprit de
+vertige&quot; teweegbrachten onder het geslacht, dat toch de staling van
+Renaissance en Humanisme had ondergaan, hoe groot moet dan de romantische
+ontvankelijkheid zijn geweest in het bij uitstek onge&euml;quilibreerde
+geslacht van 1400!</p>
+
+<p>De zinsverrukking van de liefdesromantiek was niet in de eerste plaats
+om lezende ondergaan te worden, maar om gespeeld en aanschouwd te
+worden. Er zijn twee vormen,<a name='120'></a> waarin dat spel kan gebeuren: de
+dramatische vertooning en de sport. In de Middeleeuwen is de laatste
+verreweg het voornaamste. Het drama was nog grootendeels gevuld met
+andere, heilige stof; bij uitzondering behandelt het nog het romantische
+geval. De middeleeuwsche sport daarentegen, en dat is in de eerste
+plaats het tournooi, was zelf in hooge mate dramatisch en tegelijk van
+een sterk erotisch gehalte. De sport behoudt te allen tijde zulk een
+dramatisch en een erotisch element: in een hedendaagschen roei- of
+voetbalwedstrijd zit veel meer van de gevoelswaarden van een
+middeleeuwsch tournooi, dan den athleten en toeschouwers zelf misschien
+bewust is. Maar terwijl de moderne sport teruggekeerd is tot
+natuurlijken, bijna Griekschen eenvoud en schoonheid, is het
+middeleeuwsche, althans het laat-middeleeuwsche tournooi, een met
+versiering overladen, zwaar gedrapeerde sport, waarin het dramatisch en
+romantisch element z&oacute;o opzettelijk is uitgewerkt, dat het de functie van
+het drama zelf regelrecht vervult.</p>
+
+<p>De latere Middeleeuwen zijn een van die eindperioden, waarin het
+cultuurleven der hoogere kringen bijna geheel tot gezelschapsspel is
+geworden. De werkelijkheid is hevig, hard en wreed; men herleidt haar
+tot den schoonen droom van het ridderideaal en bouwt daarop het
+levensspel. Men speelt met het masker van Lancelot voor; het is een
+reusachtig zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen
+worden, doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt. In de
+geheele ridderlijke cultuur der vijftiende eeuw is een labiel evenwicht
+tusschen sentimenteelen ernst en luchtigen spot, dat eerst omslaat naar
+de parodie in dien blij en hoog levenden kring van Lorenzo's hof: in
+Pulci's <i>Morgante</i>.</p>
+<a name='121'></a>
+<p>Bij de Franschen van een halve eeuw vroeger overweegt nog de ernst.
+In den edelen Boucicaut, litterair type van den modelridder, is de
+romantische grond van het ridderlijke levensideaal nog zoo sterk als
+bij wien ook. De liefde, zegt hij, is het, die het sterkst in de jonge
+harten de begeerte naar het edele ridderlijke strijdbejag doet groeien.
+Hij zelf dient zijn dame in de oude hoofsche vormen: &quot;toutes servoit,
+toutes honnoroit pour l'amour d'une. Son parler estoit gracieux,
+courtois et craintif devant sa dame.&quot;<a name='FNanchor_213_213'></a><a href='#Footnote_213_213'><sup>[213]</sup></a></p>
+
+<p>Er is voor ons een bijna onbegrijpelijk contrast tusschen de litteraire
+levenshouding van een man als Boucicaut en de bittere werkelijkheid van
+zijn loopbaan. Hij was als handelende en leidende figuur voortdurend
+werkzaam in de hardste staatkunde van zijn tijd. In 1388 doet hij een
+eerste politieke reis naar het Oosten. Op dien tocht kort hij zich den
+tijd, door met twee of drie wapenbroeders: Philippe d'Artois, diens
+seneschalk en een zekeren Cresecque, een dichterlijke verdediging te
+geven van de edele, trouwe minne, zooals zij den volmaakten ridder
+betaamt: <i>Le livre des Cent ballades</i>.<a name='FNanchor_214_214'></a><a href='#Footnote_214_214'><sup>[214]</sup></a> Goed, waarom niet? Maar
+zeven jaren later, wanneer hij als mentor van den jongen hertog van
+Nevers (later Jan zonder Vrees) het roekelooze ridderavontuur heeft
+meegemaakt van den krijgstocht tegen sultan Bajazid: wanneer hij de
+ontzettende ramp van Nicopolis heeft beleefd, waar al zijn drie vroegere
+dichtgezellen het leven verloren,<a name='122'></a> wanneer hij de krijgsgevangen
+adellijke jeugd van Frankrijk voor zijn oogen heeft zien slachten, zou
+men dan een ernstig krijgsman niet bekoeld wanen voor dat hoofsche spel
+en dien ridderlijken waan? Het moest hem leeren, dunkt ons, de wereld
+niet langer door dat gekleurde glaasje te zien. Doch neen, ook verder
+blijft zijn zin aan het cultiveeren van de ouderwetsche ridderlijkheid
+gewijd, getuige zijn stichting van de orde &quot;de la dame blanche a l'escu
+verd&quot;, ter verdediging van verdrukte vrouwen, waarmee hij partij koos in
+het fraaie tijdverdrijf van den litterairen strijd tusschen het strenge
+en het frivole liefdesideaal, die sedert 1400 de Fransche hofkringen
+opwond.</p>
+
+<p>De gansche aankleeding van de edele liefde in litteratuur en
+gezelschapsleven schijnt ons dikwijls ondragelijk fade en louter
+belachelijk. Het is het lot van elken romantischen vorm, die als
+instrument der passie versleten is. In het werk der velen, de
+gekunstelde versjes, de kostbaar gearrangeerde tournooien, heeft de
+passie uitgeklonken; zij klinkt enkel nog door de stem van de zeer
+enkelen. Maar welke beteekenis al dat werk, als litteratuur of kunst
+minderwaardig, gehad heeft als levenstooi, als gevoelsuitdrukking, kan
+men enkel beseffen door de levende passie zelf er weer in te blazen.
+Wat helpt bij het lezen der minnedichten en tournooibeschrijvingen alle
+kennis en levendige voorstelling der historische d&eacute;tails, zonder het
+zien van de oogen, licht en duister, onder de meeuwenvlucht der
+wenkbrauwen en de smalle voorhoofden, die al eeuwen tot stof zijn
+geworden, en die eenmaal belangrijker zijn geweest dan al de
+litteratuur, die als puin blijft opgehoopt?</p>
+
+<p>Thans kan slechts meer een toevallig glimplicht ons even de
+gepassioneerde beteekenis van die cultuurvormen duidelijk doen zien.
+<a name='123'></a>In het gedicht <i>Les voeux du h&eacute;ron</i> spreekt Jan van Beaumont, tot het
+afleggen van zijn ridderlijke strijdgelofte aangespoord:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Quant sommes &egrave;s tavernes, de ces fors vins buvant,
+<span>Et ces dames del&egrave;s (naast ons) qui nous vont regardant,<br /></span>
+<span>A ces gorgues polies, ces coli&eacute;s tirant,<br /></span>
+<span>Chil oeil vair resplendissent de biaut&eacute; souriant.<br /></span>
+<span>Nature nous semont d'avoir coeur d&eacute;sirant,<br /></span>
+<span>... Adonc conquerons-nous Yaumont et Agoulant<a name='FNanchor_215_215'></a><a href='#Footnote_215_215'><sup>[215]</sup></a><br /></span>
+<span>Et li autre conquierrent Olivier et Rollant.<br /></span>
+<span>Mais, quant sommes as camps sus nos destriers courans,<br /></span>
+<span>Nos escus &agrave; no col et nos lansses bais(s)ans,<br /></span>
+<span>Et le froidure grande nous va tout engelant,<br /></span>
+<span>Li membres nous effondrent, et derri&egrave;re et devant.<br /></span>
+<span>Et nos ennemis sont envers nous approchant,<br /></span>
+<span>Adonc vorri&egrave;mes estre en un ch&eacute;lier (kelder) si grant<br /></span>
+<span>Que jamais ne fussions veu tant ne quant.&quot;<a name='FNanchor_216_216'></a><a href='#Footnote_216_216'><sup>[216]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>&quot;H&eacute;las&mdash;schrijft Philippe de Croy uit Karel de Stoute's kamp voor
+Neuss&mdash;, o&ugrave; sont dames pour nous entretenir, pour nous amonester de bien
+faire, ne pour nous enchargier emprinses, devises, volets ne guimpes!&quot;
+<a name='FNanchor_217_217'></a><a href='#Footnote_217_217'><sup>[217]</sup></a></p>
+
+<p>In het dragen van den sluier of het kleed van de geliefde vrouw, die den
+geur van het haar en het lichaam overbrengt, openbaart zich het
+erotische moment van het ridderlijke tournooi zoo onmiddellijk mogelijk.
+In de opwinding van het gevecht schenken de vrouwen den eenen tooi na
+den anderen weg: als het spel is afgeloopen, zitten zij blootshoofds,<a name='124'></a>
+zonder mouwen.<a name='FNanchor_218_218'></a><a href='#Footnote_218_218'><sup>[218]</sup></a> Het is tot een motief van scherpe prikkeling
+uitgewerkt in een sproke uit de tweede helft der dertiende eeuw, <i>Van de
+drie ridders en het hemd</i>.<a name='FNanchor_219_219'></a><a href='#Footnote_219_219'><sup>[219]</sup></a> Een dame, wier echtgenoot niet tot den
+strijd geneigd maar overigens vol edele largesse is, zendt aan de drie
+ridders, die haar in minne dienen, haar hemd, om in het steekspel, dat
+haar man geven zal, het als wapenrok te dragen, zonder pantser of andere
+bedekking dan alleen helm en beenstukken. De eerste en tweede ridder
+schrikken ervoor terug. De derde, die arm is, neemt het hemd 's nachts
+in zijn armen en kust het hartstochtelijk. In het steekspel verschijnt
+hij met het hemd als wapenrok, zonder pantser daaronder; het wordt
+verscheurd en met zijn bloed bevlekt; hij wordt zwaar gewond. Men
+bemerkt zijn buitengewone dapperheid en schenkt hem den prijs; de dame
+schenkt hem haar hart. Nu eischt de minnaar de tegendaad. Hij zendt haar
+het bloedige hemd terug, om het z&oacute;o als het is over haar kleederen te
+dragen bij het feestmaal, dat het tournooi besluit. Zij omhelst het
+teeder en verschijnt in het bloedige kleedingstuk; de meesten laken
+haar, de echtgenoot is verlegen, en de verteller vraagt: wie van de
+beide minnenden deed het meest voor den ander?</p>
+
+<p>De sfeer van passie, waarin het tournooi enkel zijn beteekenis had,
+verklaart ook de beslistheid, waarmee de kerk sedert lang het gebruik
+bestreed. Dat zij inderdaad aanleiding werden tot geruchtmakend
+overspel, getuigt bij voorbeeld van een tournooi van 1389 de monnik<a name='125'></a>
+van Saint Denis en op zijn gezag Jean Juvenal des Ursins.<a name='FNanchor_220_220'></a><a href='#Footnote_220_220'><sup>[220]</sup></a> Het
+kerkelijke recht had ze sinds lang verboden: aanvankelijk ingesteld
+voor oefening in den strijd, heette het, waren ze wegens misbruiken
+onduldbaar geworden.<a name='FNanchor_221_221'></a><a href='#Footnote_221_221'><sup>[221]</sup></a> De moralisten misprezen ze.<a name='FNanchor_222_222'></a><a href='#Footnote_222_222'><sup>[222]</sup></a> Petrarca
+vroeg pedant: waar leest men, dat Cicero en Scipio tournooien gehouden
+hebben? En de burger haalde de schouders op: &quot;prindrent par ne s&ccedil;ay
+quelle folle entreprinse champ de bataille&quot; zegt de burger van Parijs
+<a name='FNanchor_223_223'></a><a href='#Footnote_223_223'><sup>[223]</sup></a> van een befaamd tournooi.</p>
+
+<p>De adellijke wereld daarentegen vat alles, wat tournooi en ridderlijke
+wedkamp is, op met een gewichtigheid, die door geen modern sportbedrijf
+wordt ge&euml;venaard. Zooals nog kort geleden vorstelijke wansmaak
+gedenksteenen oprichtte op de plek, waar de hooge jager zijn duizendste
+slachtoffer had neergelegd, zoo stichtte de vijftiende eeuw
+gedenkteekens aan beroemde ridderlijke tweegevechten. Bij Saint Omer
+herinnerde &quot;la Croix P&eacute;lerine&quot; aan den kamp van Hautbourdin, den
+bastaard van Saint Pol, met een Spaanschen ridder tijdens den verwaarden
+Pas d'armes de la P&eacute;lerine. Nog een halve eeuw later ging Bayard v&oacute;&oacute;r
+een tournooi dat kruis als in bedevaart vromelijk bezoeken.<a name='FNanchor_224_224'></a><a href='#Footnote_224_224'><sup>[224]</sup></a> De
+decors en de plunje, die gediend hadden bij den Pas d'armes de la
+Fontaine des Pleurs werden na afloop van het feest plechtig opgedragen
+aan Onze Lieve Vrouw van Boulogne en in de kerk opgehangen.<a name='FNanchor_225_225'></a><a href='#Footnote_225_225'><sup>[225]</sup></a></p>
+
+<p>De middeleeuwsche vechtsport onderscheidt zich, gelijk zooeven reeds
+aangeduid werd,<a name='126'></a> van de Grieksche en de moderne athletiek door haar veel
+geringer natuurlijkheid. Zij heeft tot verhooging van den prikkel van
+den kamp dien van aristocratische trots en eer, dien van het
+romantisch-erotische en dien van den kunstvaardigen pronk. Zij is
+overladen met praal en versiering, gevuld met bonte fantazie. Het is
+behalve spel en lichaamsoefening nog bovendien toegepaste litteratuur.
+De wensch en de droom van het dichtende hart zoeken een dramatische
+voorstelling, een gespeelde vervulling in het leven zelf. Het werkelijke
+leven was niet schoon genoeg, het was hard, wreed en valsch; er was in
+de hof- en militaire carri&egrave;re luttel plaats voor de sentimenten van
+moed-om-liefde, maar de ziel is er vol van, men wil ze beleven en schept
+zich een schooner leven van kostbaar spel. Het element van echten moed
+is voorzeker in het ridderlijk tournooi niet van geringer waarde dan in
+het pentathlon. Juist het uitgesproken erotisch karakter eischte
+bloedige felheid. In zijn motieven is het tournooi het naast verwant aan
+de wedstrijden van het oud-indische epos; ook in het Mah&acirc;bh&acirc;rata is de
+strijd om de vrouw de centrale gedachte.</p>
+
+<p>De fantazie, waarmee het vechtspel werd aangekleed, was die van de
+Artur-romans, dat wil zeggen de kinderlijke verbeeldingen van het
+sprookje: het droomavontuur met zijn verschuiving der afmetingen in
+reuzen en dwergen, verbonden aan het sentimentalisme der hoofsche
+liefde.</p>
+
+<p>Voor een Pas d'armes der vijftiende eeuw wordt een fictief romantisch
+geval kunstig opgebouwd. Het middelpunt is een romand&eacute;cor met een
+treffenden naam: la fontaine des pleurs, l'arbre Charlemagne.<a name='127'></a> De bron
+wordt opzettelijk gebouwd.<a name='FNanchor_226_226'></a><a href='#Footnote_226_226'><sup>[226]</sup></a> Gedurende een geheel jaar zal een
+ongenoemde ridder ieder eersten van de maand voor de bron een tent
+spannen, waarin een dame zit (het is een beeld), die een eenhoorn houdt,
+welke drie schilden draagt. Elke ridder, die een der schilden aanraakt
+of door zijn heraut laat aanraken, verbindt zich tot een bepaalden
+tweekamp, waarvan de voorwaarden nauwkeurig worden omschreven in de
+uitvoerige &quot;chapitres&quot;, die tegelijk oproepingsbrief en reglement van
+den wedstrijd zijn.<a name='FNanchor_227_227'></a><a href='#Footnote_227_227'><sup>[227]</sup></a> Het aanraken der schilden moet te paard
+geschieden, waartoe de ridders steeds paarden ter beschikking zullen
+vinden.</p>
+
+<p>Of wel: bij de Emprise du dragon houden vier ridders zich op een kruisweg
+op; geen dame mag dien kruisweg voorbij zonder ridder, die voor haar twee
+lansen breekt, of zij moet pand geven.<a name='FNanchor_228_228'></a><a href='#Footnote_228_228'><sup>[228]</sup></a> Inderdaad is het kinderlijke
+pandverbeuren niet anders dan een lager vorm van hetzelfde overoude strijd-
+en minnespel. Hoe duidelijk getuigt van die verwantschap niet een
+voorschrift als dit artikel van de Chapitres de la Fontaine des pleurs:
+wie in den kamp ter aarde wordt geworpen, moet een heel jaar een gouden
+armband dragen met een slot, totdat hij de dame vindt, die er het
+sleuteltje van heeft, en hem kan bevrijden, als hij haar zijn dienst
+opdraagt. Elders weer is het geval gebaseerd op een reus, dien een dwerg
+gevangen leidt, met een gouden boom erbij en een &quot;dame de l'isle cel&eacute;e&quot;,
+of op een &quot;noble chevalier esclave et serviteur &agrave; la belle g&eacute;ande a la
+blonde perruque, la plus grande du monde.&quot;<a name='FNanchor_229_229'></a><a href='#Footnote_229_229'><sup>[229]</sup></a> De onbekendheid van den
+ridder is een vaste fictie;<a name='128'></a> hij heet &quot;le blanc chevalier&quot;, &quot;le chevalier
+mesconnu&quot;, &quot;le chevalier &agrave; la p&eacute;lerine&quot;, of wel hij treedt op als een held
+uit den roman en heet zwaanridder, of draagt het wapen van Lancelot,
+Tristan of Palamedes.<a name='FNanchor_230_230'></a><a href='#Footnote_230_230'><sup>[230]</sup></a></p>
+
+<p>Meestal wordt over het geval een uiterlijk waas van melancholie
+gespreid; la Fontaine des pleurs zegt het al in den naam; de schilden
+zijn wit, violet en zwart, alle bezaaid met witte tranen; men raakt ze
+aan uit medelijden met de &quot;Dame de pleurs&quot;. Bij de Emprise du dragon
+komt koning Ren&eacute; in rouwend zwart (wel mocht hij), om het afscheid van
+zijn dochter Margareta, die koningin van Engeland werd. Het paard is
+zwart, met een rouwdekkleed, de lans is zwart, het schild is sabel met
+zilveren tranen. Ook bij de Arbre Charlemagne zijn de schilden zwart
+en violet met gouden en zwarte tranen.<a name='FNanchor_231_231'></a><a href='#Footnote_231_231'><sup>[231]</sup></a> Niet altijd echter is het
+in den somberen toon gezet: een andermaal houdt de onverzadelijke
+schoonheidsvriend koning Ren&eacute; de Joyeuse garde bij Saumur. Veertig dagen
+viert hij feest in het houten kasteel &quot;de la joyeuse garde&quot; met zijn
+gemalin en dochter en met Jeanne de Laval, die zijn tweede echtgenoot
+zou worden. Voor haar is heimelijk het feest bereid. Het kasteel is
+opzettelijk gebouwd, geschilderd en getapisseerd; alles is in rood en
+wit. Bij zijn Pas d'armes de la berg&egrave;re is alles gestoffeerd in
+herderstrant, de ridders en dames als herders en herderinnen met staf
+en doedelzak, allen in grijs met goud en zilver.<a name='FNanchor_232_232'></a><a href='#Footnote_232_232'><sup>[232]</sup></a></p>
+<a name='129'></a>
+<p>Het groote spel van het schoone leven als droom van edelen moed en trouw
+had niet alleen dien vorm van het kampgevecht. Er is een tweede vorm,
+even belangrijk: de ridderorde. Al zou het niet gemakkelijk vallen, een
+regelrecht verband te bewijzen, het kan voor niemand, die eenigszins
+bekend is met de gebruiken van primitieve volken, twijfelachtig zijn,
+dat evenzeer de ridderorde als het tournooi en de ridderwijding zelf hun
+sterkste wortels hebben in heilige gebruiken van een verren voortijd. De
+ridderslag is een ethisch en sociaal uitgewerkte puberteitsritus, het
+aanleggen van de wapenen aan den jongen krijger. Het kampspel is als
+zoodanig overoud, en eertijds vervuld van heilige beteekenis. De
+ridderorde kan niet gescheiden worden van de mannenbonden der wilde
+volken.</p>
+
+<p>Dit verband kan hier echter slechts als een onbewezen stelling
+vooropgesteld worden; het is hier niet te doen om een ethnologische
+hypothese te staven, maar om de idee&euml;nwaarde van het vol-ontwikkelde
+ridderwezen voor oogen te brengen; en dat in die waarde nog iets van die
+primitieve elementen is overgebleven, wie zal het ontkennen?</p>
+
+<p>Weliswaar is in de ridderorde het christelijk element van de voorstelling
+zoo sterk, dat ook een verklaring uit louter kerkelijke en politische,
+zuiver middeleeuwsche grondslagen op zich zelf overtuigend zou kunnen
+zijn, als men niet wist, dat algemeen verbreide, primitieve parallelen
+als verklaringsgrond daarachter stonden.</p>
+<a name='130'></a>
+<p>De eerste ridderorden, de drie groote van het Heilige land en de drie
+Spaansche, waren als een zuiverste belichaming van middeleeuwschen geest
+ontsproten uit de verbinding van het monniks- en het ridderideaal, in
+den tijd toen de strijd tegen den islam wonderlijke werkelijkheid was
+geworden. Zij waren gegroeid tot groote staatkundige en economische
+instellingen, ontzaglijke vermogenscomplexen en financieele machten.
+Hun politieke nuttigheid had zoowel hun geestelijk karakter als het
+ridderspel-element op den achtergrond gedrongen, en hun economische
+verzadiging at weer hun politieke nuttigheid op. Toen de Tempeliers en
+de Johanniters bloeiden en nog in het Heilige land zelf werkten, had
+het ridderwezen een re&euml;ele politische functie vervuld, en waren de
+ridderorden als 't ware vakorganisaties van groote beteekenis geweest.</p>
+
+<p>Doch in de veertiende en vijftiende eeuw was het ridderwezen enkel meer
+hoogere levensvorm, en daarmee was ook in de ridderorden het element van
+edel spel, dat in hun kern besloten lag, weer op den voorgrond gekomen.
+Niet dat zij enkel spel waren geworden. Als ideaal zijn zij nog altijd
+vervuld van hoog ethisch en politiek streven. Maar het is waan en droom,
+ijdele plannenmakerij. De merkwaardige idealist Philippe de M&eacute;zi&egrave;res
+ziet het heilmiddel der tijden in een nieuwe ridderorde, die hij de
+Ordre de la passion heeft genoemd.<a name='FNanchor_233_233'></a><a href='#Footnote_233_233'><sup>[233]</sup></a> Hij wil er alle standen in
+opnemen. Trouwens ook de groote ridderorden der kruistochten hadden zich
+reeds de deelneming van niet-edelen ten nutte gemaakt. De adel zal den
+grootmeester en de ridders leveren,<a name='131'></a> de geestelijkheid den patriarch en
+zijn suffraganen, de poorters zullen broeders zijn en de landlieden en
+handwerkers servanten. Zoo zal de orde een hechte samensmelting der
+standen zijn voor het groote doel der Turkenbestrijding. Er zullen vier
+geloften zijn. Twee zijn de oude, die monniken en geestelijke ridders
+deelden: armoede en gehoorzaamheid. Maar voor het volstrekte celibaat
+stelt Philippe de M&eacute;zi&egrave;res de echtelijke kuischheid in de plaats; hij
+wilde het huwelijk veroorloven om de praktische redenen, dat het
+Oostersche klimaat het eischte en dat de orde begeerlijker zou zijn.
+De vierde gelofte, aan vroegere orden onbekend, is summa perfectio, de
+hoogste individueele zedelijke volmaking. Zoo vloeiden hier in het bonte
+beeld van een ridderorde al de idealen ineen, van politieke
+plannenmakerij af tot het streven naar de verlossing toe.</p>
+
+<p>In het woord &quot;Ordre&quot; waren een menigte beteekenissen, van de hoogste
+heiligheid tot het nuchterste groepsbesef, ongescheiden vereenigd. Het
+beduidde zoowel maatschappelijken stand als priesterwijding, monniks- en
+ridderorde. Dat inderdaad aan ordre in de beteekenis van ridderorde nog
+iets van geestelijke waarde eigen was, blijkt uit het feit, dat men er
+ook het woord religion voor gebruikte, dat men allicht tot de
+kloosterorden beperkt zou wanen. Chastellain noemt het Gulden Vlies &quot;une
+religion&quot;, zooals hij 't ook een kloosterorde doet, en spreekt er altijd
+van in den toon van een heilig mysterie.<a name='FNanchor_234_234'></a><a href='#Footnote_234_234'><sup>[234]</sup></a> Olivier de la Marche
+spreekt van een Portugees als een &quot;chevalier de la religion de Avys.&quot;
+<a name='FNanchor_235_235'></a><a href='#Footnote_235_235'><sup>[235]</sup></a> En niet alleen de eerbiedige sidderingen van den pompeuzen
+<a name='132'></a>Polonius Chastellain getuigen van den vromen inhoud van het Gulden
+Vlies; in het geheele ritueel der orde nemen kerkgang en mis een
+overwegende plaats in: de ridders zitten in kanunnikstoelen, de ernstige
+cultus van de afgestorven leden beweegt zich geheel in kerkelijke sfeer.</p>
+
+<p>Geen wonder dus, dat het lidmaatschap van een ridderorde gevoeld wordt
+als een sterke, heilige band. De ridders van de Sterorde van koning Jan
+II zijn verplicht, andere orden, waartoe zij mochten behooren, zoo
+mogelijk prijs te geven.<a name='FNanchor_236_236'></a><a href='#Footnote_236_236'><sup>[236]</sup></a> De hertog van Bedford wil aan den jongen
+Philips van Bourgondi&euml; de orde van den kouseband opdringen, om hem
+daardoor vaster aan Engeland te binden, maar de Bourgondi&euml;r begrijpt,
+dat hij dan voor altijd aan den Engelschen koning gebonden zal zijn, en
+weet de eer beleefd te ontgaan.<a name='FNanchor_237_237'></a><a href='#Footnote_237_237'><sup>[237]</sup></a> Wanneer dan ook later Karel de
+Stoute den kouseband wel aanneemt, en zelfs draagt, beschouwt Lodewijk
+XI dit als een breuk van het verdrag van P&eacute;ronne, dat den hertog
+verbood, zonder 's konings toestemming een verbond met Engeland aan te
+gaan.<a name='FNanchor_238_238'></a><a href='#Footnote_238_238'><sup>[238]</sup></a> Men kan de Engelsche gewoonte, om buitenlandsche orden niet
+aan te nemen, beschouwen als een traditioneele rest van het besef, dat
+de orde verplicht tot trouw aan den vorst, die haar schenkt.</p>
+
+<p>Ondanks die heiligheid voelt men toch den twijfel aan den ernst van al
+die fraai opgezette vormen. Waartoe anders steeds weer die uitdrukkelijke
+verzekeringen, dat het alles was voor hooge, wijdstrekkende doeleinden?
+<a name='133'></a>Philips van Bourgondi&euml;, de edele hertog, heeft zijn Toison d'or gesticht,
+zegt de rijmer Michault:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Non point pour jeu ne pour esbatement
+<span>Mais &agrave; la fin que soit attribu&eacute;e<br /></span>
+<span>Loenge &agrave; Dieu trestout premierement<br /></span>
+<span>Et aux bons gloire et haulte renomm&eacute;e.&quot;<a name='FNanchor_239_239'></a><a href='#Footnote_239_239'><sup>[239]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Ook Guillaume Fillastre betoogt in den aanhef van zijn werk over het
+Gulden Vlies, de beteekenis daarvan te zullen verklaren, opdat men
+bevinde, dat de orde geen ijdelheid is of een zaak van weinig gewicht.
+Uw vader, spreekt hij Karel den Stoute toe, &quot;n'a pas, comme dit est, en
+vain institu&eacute;e ycelle ordre.&quot;<a name='FNanchor_240_240'></a><a href='#Footnote_240_240'><sup>[240]</sup></a></p>
+
+<p>Het was noodig, die hooge bedoelingen te accentueeren, wilde het Gulden
+Vlies die eerste plaats veroveren, die de hoogmoed van Philips begeerde.
+Want het stichten van ridderorden was sedert lang een ware mode. Ieder
+vorst moest zijn orde hebben, zelfs aanzienlijke edelen bleven niet
+achter. Daar is Boucicaut met zijn Ordre de la Dame blanche &agrave; l'escu
+verd, ter verdediging van de hoofsche minne en van verdrukte vrouwen.
+Daar is koning Jan met zijn Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison
+(1351), gewoonlijk naar hun insigne de orde van de Ster genoemd. In het
+Edele Huis te Saint Ouen bij Saint Denis hadden zij een &quot;table d'oneur&quot;,
+waaraan bij de plechtigheden moesten plaatsnemen de drie dapperste
+prinsen, de drie dapperste baanroedsen (bannerets) en de drie dapperste
+ridders (bachelers). Daar is Pierre de Lusignan met de orde van het
+Zwaard, die van zijn leden een zuiver leven eischte en hun het zinrijk
+symbool omhing van een gouden keten,<a name='134'></a> waarvan de letter S de schakels
+vormde, en zij beduidde &quot;silence&quot;. Daar was Amadeus van Savoie met de
+Annonciade, Louis de Bourbon met het Gouden Schild, Coucy, die een
+keizerskroon gehoopt had, met de omgekeerde Kroon, de Beiersche hertogen
+van Holland-Henegouwen met hun Antonius-orde, het T-kruis met klokje,
+dat op sommige portretten de aandacht trekt.<a name='FNanchor_241_241'></a><a href='#Footnote_241_241'><sup>[241]</sup></a></p>
+
+<p>Eustache Deschamps parodieert die zucht naar ridderorden met een Ordre
+des fumeux, een Ordre de la baboue, een Ordre du collier, dat is de
+strop.<a name='FNanchor_242_242'></a><a href='#Footnote_242_242'><sup>[242]</sup></a></p>
+
+<p>De oorzaak, dat het Gulden Vlies boven allen opgang heeft gemaakt, is
+niet ver te zoeken. Het was de rijkdom der Bourgondi&euml;rs, die er achter
+zat. Misschien droeg er ook de bijzondere praal toe bij, waarmee de orde
+was uitgerust, en de gelukkige vinding van het symbool. Aanvankelijk was
+bij het Gulden Vlies alleen aan dat van Colchis gedacht. De vertelling
+van Jason was algemeen bekend; Froissart laat haar in een Pastourelle
+door een herder verhalen.<a name='FNanchor_243_243'></a><a href='#Footnote_243_243'><sup>[243]</sup></a> Maar aan Jason als fabelheld was een
+luchtje; hij had zijn trouw gebroken, en dit thema leende zich tot
+onaangename toespelingen op de politiek der Bourgondi&euml;rs jegens
+Frankrijk. Alain Chartier dichtte:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;A Dieu et aux gens detestable
+<span>Est menterie et trahison,<br /></span>
+<span>Pour ce n'est point mis &agrave; la table<br /></span>
+<span>Des preux l'image de Jason,<br /></span>
+<span>Qui pour emporter la toison<br /></span>
+<span>De Colcos se veult parjurer.<br /></span>
+<span>Larrecin ne se peult celer.&quot;<a name='FNanchor_244_244'></a><a href='#Footnote_244_244'><sup>[244]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<a name='135'></a>
+<p>Nu maakte Jean Germain, de geleerde bisschop van Chalons en kanselier
+der orde, Philips opmerkzaam op het vlies, dat Gideon spreidde en waar
+des hemels dauw op viel.<a name='FNanchor_245_245'></a><a href='#Footnote_245_245'><sup>[245]</sup></a> Het was een bijzonder gelukkige gedachte,
+want dit vlies van Gideon was een der treffendste symbolen van de
+bevruchting van Maria's schoot. Zoo verdrong de bijbelsche held den
+heiden als patroon van het Gulden Vlies, zoodat Jacques du Clercq zelfs
+kon beweren, dat Philips opzettelijk Jason niet gekozen had, omdat deze
+zijn trouw brak.<a name='FNanchor_246_246'></a><a href='#Footnote_246_246'><sup>[246]</sup></a> &quot;Gedeonis signa&quot; noemt een lofdichter van Karel
+den Stoute de orde,<a name='FNanchor_247_247'></a><a href='#Footnote_247_247'><sup>[247]</sup></a> maar anderen zooals de kroniekschrijver
+Theodericus Pauli blijven spreken van Vellus Jasonis. De opvolger van
+Jean Germain als kanselier der orde, bisschop Guillaume Fillastre,
+overtrof zijn voorganger en vond in de heilige schrift nog vier vliezen
+daarenboven: van Jacob, koning Mesa van Moab, Job en David.<a name='FNanchor_248_248'></a><a href='#Footnote_248_248'><sup>[248]</sup></a> Elk
+daarvan liet hij een deugd verbeelden, en aan elk der zes zou hij een
+boek wijden. Dit was ongetwijfeld &quot;overdoing it&quot;; Fillastre liet de
+gevlekte schapen van Jacob als symbool van justitia figureeren;<a name='FNanchor_249_249'></a><a href='#Footnote_249_249'><sup>[249]</sup></a>
+hij had eenvoudig alle plaatsen genomen, waar de Vulgaat het woord
+&quot;vellus&quot; heeft, een merkwaardig staaltje van de gewilligheid der
+allegorie.<a name='136'></a> Men vindt niet, dat zijn denkbeeld blijvend opgang heeft
+gemaakt.</p>
+
+<p>De staatsie en plechtigheden van het Gulden Vlies zijn dikwijls genoeg
+beschreven; ze hier te vermelden zou enkel stof toevoegen aan wat
+hierboven in hoofdstuk II over den praal van het hofleven is gezegd. Een
+enkele trek uit de gebruiken der orde verdient hier vermelding, omdat
+hij zoo sterk het karakter van een primitief en heilig spel suggereert.
+Behalve de ridders telt de orde haar ambtenaren: den kanselier, den
+tresorier, den griffier, en voorts den wapenkoning met zijn staf van
+herauten en poursuivants. Deze laatste groep, meer in het bijzonder
+belast met het dienen van het edele ridderspel, draagt symbolische
+namen. De wapenkoning zelf heet Toison d'or, zoo Jean Lef&egrave;vre de Saint
+Remy, zoo nog Nicolaas de Hames, bekend van het Verbond der edelen in
+1565. De herauten dragen landnamen: Charolais, Z&eacute;lande. De eerste der
+poursuivants heet Fusil, naar den vuurslag in de ordeketen, het embleem
+van Philips den Goede. De anderen dragen namen van romantischen klank
+als Montreal, of van deugden als Pers&eacute;v&eacute;rance, of namen ontleend aan de
+allegorie van den Roman de la rose, als Humble Requeste, Doulce Pens&eacute;e,
+L&eacute;al Poursuite. Bij de groote feesten worden zulke poursuivants plechtig
+door een besprenkeling met wijn met die namen gedoopt door den
+grootmeester, of wel hij verandert hun namen bij hun verheffing tot
+hoogeren rang.<a name='FNanchor_250_250'></a><a href='#Footnote_250_250'><sup>[250]</sup></a></p>
+<a name='137'></a>
+<p>De geloften, die de ridderorde oplegt, zijn slechts een vaste,
+collectieve vorm van de persoonlijke ridderlijke gelofte, om een of
+ander heldenstuk te volbrengen. Dit is wellicht het punt, waar men de
+grondslagen van het ridderideaal het best in hun samenhang ziet. Wie
+geneigd mocht zijn, het verband van ridderslag, tournooi en ridderorde
+met primitieve gebruiken voor een inval te houden, vindt bij de
+ridderlijke gelofte het barbaarsche karakter zoo aan de oppervlakte,
+dat geen twijfel mogelijk is. Het zijn echte survivals, waarvoor de
+parallellen te vinden zijn in het oud-indische <i>vratam</i>, in het
+Naziree&euml;rschap der Joden, en het meest onmiddellijk wellicht in de
+gewoonten der Noormannen uit hun sagentijd.</p>
+
+<p>Hier evenwel is niet het ethnologische vraagstuk aan de orde, maar de
+vraag, welke waarde die geloften hadden in het laat-middeleeuwsche
+geestesleven zelf. Er zijn drie waarden mogelijk: een godsdienstig-
+ethische, een romantisch-erotische en een hoofsch-speelsche. Alle drie
+zijn ongescheiden aanwezig; het denkbeeld der gelofte schommelt tusschen
+de hoogste levenswijding in dienst van het ernstigste ideaal en den
+ijdelsten spot over het kostbare gezelschapsspel, dat met moed en liefde
+en staatsbelang zich maar wat vermaakt. Het spel-element overweegt; de
+geloften zijn goeddeels opluistering geworden van het hoffeest. Toch
+worden zij nog altijd verbonden aan de ernstigste oorlogsondernemingen:
+den inval van Eduard III in Frankrijk, het kruistochtplan van Philips
+den Goede.</p>
+
+<p>Hier geldt hetzelfde als bij de tournooien: zoo smakeloos en versleten
+als ons de opgemaakte romantiek der Pas d'armes scheen, zoo ijdel en
+leugenachtig schijnen ons die &quot;voeux du faisan&quot;.<a name='138'></a> Tenzij ook hier ons de
+passie zelf bewust is, die dit alles heeft vervuld. Het is de droom van
+het schoone leven, zoo goed als de feesten en de vormen van het
+Florentijnsche leven van Cosimo en Lorenzo die droom zijn geweest.
+Daar in Itali&euml; is hij bezonken in eeuwige schoonheid, hier is zijn
+betoovering vervlogen met de menschen, die hem droomden.</p>
+
+<p>De verbinding van askese en erotiek, die ten grondslag ligt aan de
+fantazie van den held, die de maagd bevrijdt, of voor haar bloedt, het
+kernmotief van de tournooi-romantiek, vertoont zich in anderen vorm en
+bijna nog onmiddellijker gedaante bij de ridderlijke gelofte. De ridder
+De la Tour Landry verhaalt in de leering aan zijn dochters van een
+zonderlinge orde van minnende edelen en vrouwen, die in zijn jeugd in
+Poitou en elders had bestaan. Zij noemden zich Galois et Galoises, en
+hielden &quot;une ordonnance moult sauvaige&quot;, waarvan het voornaamste was,
+dat zij in den zomer zich warm moesten kleeden in pelzen en gevoerde
+kaproenen, en vuur in de schouw branden, terwijl zij in den winter
+niets mochten dragen dan een rok zonder bont, geen mantels of andere
+beschutting, geen hoed, handschoenen of mof, hoe 't ook vroor.
+'s Winters strooiden zij groene bladeren op den grond en verborgen den
+schoorsteen achter groene takken, en op hun bed mocht slechts een dunne
+deken zijn. Men kan in deze wonderlijke afdwaling,&mdash;zoo zonderling, dat
+de schrijver haar kwalijk verzonnen kan hebben&mdash;, moeilijk iets anders
+zien dan een ascetische verhooging van den prikkel der liefde, ofschoon
+het niet geheel duidelijk wordt. Het primitief karakter van de Galois en
+Galoises wordt nog geaccentueerd door hun regel, dat een echtgenoot den
+Galois,<a name='139'></a> die bij hem te gast kwam, zijn geheele huis en zijn vrouw moest
+overlaten, om zelf naar z&iacute;jn Galoise te gaan; deed hij het niet, dan
+strekte het hem tot groote schande. Velen van de orde waren volgens den
+ridder De la Tour Landry van koude gestorven: &quot;Si doubte moult que ces
+Galois et Galoises qui moururent en cest estat et en cestes amouretes
+furent martirs d'amours.&quot;<a name='FNanchor_251_251'></a><a href='#Footnote_251_251'><sup>[251]</sup></a></p>
+
+<p>Er zijn meer voorbeelden te noemen, die het primitief karakter van de
+ridderlijke gelofte verraden. Zoo het gedicht, dat de geloften
+beschrijft, waartoe Robert van Artois den koning van Engeland, Eduard
+III, en zijn edelen uitlokte, ten einde den oorlog tegen Frankrijk te
+beginnen: <i>Le Voeu du H&eacute;ron</i>. Het is een verhaal van geringe historische
+waarde, maar de geest van barbaarsche woestheid, die er uit spreekt, is
+wel geschikt, om het wezen der ridderlijke gelofte te leeren kennen.</p>
+
+<p>De graaf van Salisbury zit bij het feestmaal aan de voeten van zijn
+dame. Als zijn beurt om een gelofte te doen gekomen is, verzoekt hij
+de geliefde, om &eacute;&eacute;n vinger op zijn rechteroog te leggen. Wel twee,
+antwoordt zij, en drukt met twee vingers het rechteroog van den ridder
+toe. &quot;Belle, est-il bien clos?&quot; vraagt deze. &quot;Oyl, certainement.&quot;
+&quot;Welaan dan,&quot; zegt Salisbury, &quot;dan gelove ik aan God almachtig en zijn
+zoete Moeder, dit oog niet weer te openen, om geen smart of kwelling,
+eer ik in Frankrijk den brand gestoken heb in 's vijands land en de
+mannen van koning Philips bestreden&quot;:</p>
+<a name='140'></a>
+<div class='poem'> &quot;Or aviegne qu'aviegne, car il n'est autrement.
+<span>&mdash;Adonc osta son doit la puchelle au cors gent,<br /></span>
+<span>Et li iex clos demeure, si que virent la gent.&quot;<a name='FNanchor_252_252'></a><a href='#Footnote_252_252'><sup>[252]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>De werkelijkheid, die dit geval weerspiegelt, blijkt uit Froissart: hij
+zag inderdaad Engelsche heeren, die &eacute;&eacute;n oog met een lap bedekt hielden
+ter voldoening aan de gelofte, om slechts met &eacute;&eacute;n oog te zien, totdat
+zij dapperheid in Frankrijk hadden verricht.<a name='FNanchor_253_253'></a><a href='#Footnote_253_253'><sup>[253]</sup></a></p>
+
+<p>De bijzondere wildheid spreekt in <i>Le Voeu du H&eacute;ron</i> nog sterker uit de
+gelofte van Jehan de Faukemont, die klooster noch altaar, zwangere vrouw
+noch kind, vriend noch maag wil sparen, om koning Eduard te dienen.
+Tenslotte verzoekt de koningin, Philippa van Henegouwen, haar gemaal,
+ook een gelofte te mogen doen.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Adonc, dist la roine, je sai bien, que piecha<a name='FNanchor_254_254'></a><a href='#Footnote_254_254'><sup>[254]</sup></a>
+<span>Que sui grosse d'enfant, que mon corps senti l'a.<br /></span>
+<span>Encore n'a il gaires, qu'en mon corps se tourna.<br /></span>
+<span>Et je voue et prometh a Dieu qui me cr&eacute;a....<br /></span>
+<span>Que ja li fruis de moi de mon corps n'istera,<a name='FNanchor_255_255'></a><a href='#Footnote_255_255'><sup>[255]</sup></a><br /></span>
+<span>Si m'en ar&egrave;s men&eacute;e ou pa&iuml;s par de-l&agrave;<br /></span>
+<span>Pour avanchier le veu que vo corps vou&eacute; a;<br /></span>
+<span>Et s'il en voelh isir, quant besoins n'en sera,<br /></span>
+<span>D'un grant coutel d'achier li miens corps s'ochira;<br /></span>
+<span>Serai m'asme perdue et li fruis perira!&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Een huiverend stilzwijgen ontvangt de godslasterlijke gelofte. De dichter
+zegt enkel:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Et quant li rois l'entent, moult forment l'en pensa,
+<span>Et dist: certainement, nuls plus ne vouera.&quot;<br /></span>
+</div>
+<a name='141'></a>
+<p>Haar en baard, overal immers de dragers van magische potentie, hebben
+nog bij de geloften der Middeleeuwen een bijzondere beteekenis.
+Benedictus XIII, de paus van Avignon, en daar feitelijk opgesloten,
+zweert, ten teeken van droefheid zijn baard niet te laten scheren, aleer
+hij de vrijheid herkregen heeft.<a name='FNanchor_256_256'></a><a href='#Footnote_256_256'><sup>[256]</sup></a> Als Lumey dezelfde gelofte doet
+met betrekking tot de wraak voor Egmond, hebben wij te doen met een
+laatsten uitlooper eener zede, die in den verren voortijd heilige
+beteekenis had gehad.</p>
+
+<p>De zin der gelofte is in den regel, dat men zich een onthouding oplegt
+als prikkel om het volbrengen der geloofde daad te verhaasten. Veelal is
+het een onthouding in verband met spijzen. De eerste, dien Philippe de
+M&eacute;zi&egrave;res als ridder opnam in zijn Chevalerie de la Passion, was een
+Pool, die in negen jaar niet zittende gegeten of gedronken had.<a name='FNanchor_257_257'></a><a href='#Footnote_257_257'><sup>[257]</sup></a>
+Bertrand du Guesclin is zeer haastig met zulke geloften. De eene maal
+geldt het een uitdaging van een Engelsch krijgsman: Bertrand verklaart,
+slechts drie wijnsoepen te zullen gebruiken in naam der heilige
+Drie&euml;enheid, totdat hij den uitdager bestreden heeft. Een ander maal is
+het, dat hij geen vleesch zal eten en zich niet zal uitkleeden, eer hij
+Montcontour heeft genomen. Of zelfs, dat hij niet eten zal, eer hij met
+de Engelschen tot een treffen gekomen is.<a name='FNanchor_258_258'></a><a href='#Footnote_258_258'><sup>[258]</sup></a></p>
+
+<p>De magische bedoeling, die bij dat vasten op den achtergrond ligt, was
+natuurlijk een edelman der veertiende eeuw niet meer bewust.<a name='142'></a> Voor ons
+spreekt zulk een ondergrond vooral zeer direct uit het veelvuldig
+gebruik van kluisters als teeken van een gelofte. Op 1 Januari 1415 doet
+hertog Jean de Bourbon, &quot;d&eacute;sirant eschiver oisivet&eacute;, pensant y acqu&eacute;rir
+bonne renomm&eacute;e et la gr&acirc;ce de la tr&egrave;s-belle de qui nous sommes
+serviteurs&quot;, de gelofte om met zestien andere ridders en knapen
+gedurende twee jaar elken Zondag aan het linkerbeen een boei als van een
+gevangene te dragen, de ridders in goud, de knapen in zilver, totdat hij
+zestien ridders vindt, die het gezelschap willen bestrijden in een
+gevecht te voet &quot;&agrave; outrance&quot;.<a name='FNanchor_259_259'></a><a href='#Footnote_259_259'><sup>[259]</sup></a> Jacques de Lalaing ontmoet te
+Antwerpen in 1445 een Siciliaanschen ridder Jean de Boniface, die als
+&quot;chevalier aventureux&quot; van het hof van Arragon gekomen is. Hij draagt
+aan het linkerbeen een ijzer, zooals de slaven het dragen, hangende aan
+een gouden keten, een &quot;emprise&quot; ten teeken dat hij vechten wou.<a name='FNanchor_260_260'></a><a href='#Footnote_260_260'><sup>[260]</sup></a> In
+den roman van den <i>Petit Jehan de Saintr&eacute;</i> draagt de ridder Loiselench
+twee gouden ringen aan arm en been, elk aan een gouden keten, totdat hij
+een ridder vindt, die hem &quot;verlost&quot; van zijn emprise.<a name='FNanchor_261_261'></a><a href='#Footnote_261_261'><sup>[261]</sup></a> Want zoo
+heet het: &quot;d&eacute;livrer&quot;; men raakt het teeken aan, als het gaat &quot;pour
+chevalerie&quot;; men rukt het af, als het om 't leven gaat.&mdash;Reeds La Curne
+de Sainte Palaye heeft opgemerkt, dat bij de oude Chatti volgens Tacitus
+volkomen hetzelfde gebruik werd aangetroffen<a name='FNanchor_262_262'></a><a href='#Footnote_262_262'><sup>[262]</sup></a>. Ook de kluisters,
+die boetelingen op hun bedevaart droegen,<a name='143'></a> of die vrome asceten zich zelf
+aanlegden, zijn van de emprises der laat-middeleeuwsche ridders niet te
+scheiden.</p>
+
+<p>Wat de beroemde feestelijke geloften der vijftiende eeuw, met name de
+Voeux du Faisan bij het hoffeest van Philips den Goede te Rijsel in
+1454, ter voorbereiding van den kruistocht ons van dit alles nog te zien
+geven, is niet veel meer dan een fraaie hoofsche vorm. Niet dat de
+spontane gewoonte, om in nood of sterke gemoedsbeweging een gelofte te
+doen, iets van haar kracht zou hebben verloren. Zij heeft zoo diepe
+psychologische wortelen, dat zij aan beschaving noch geloof gebonden is.
+Doch de ridderlijke gelofte als cultuurvorm, als een tot levenstooi
+verheven zede, beleeft in die pralende buitensporigheid van het
+Bourgondische hof haar laatste phase.</p>
+
+<p>Het thema van de handeling is nog altijd het onmiskenbaar overoude.
+Men doet de geloften aan het feestmaal, en zweert bij een vogel, die
+opgedragen en later gegeten wordt. Ook de Noormannen kennen de met
+elkaar wedijverende geloften bij het feestmaal in dronkenschap; een der
+vormen is die, waarbij men het everzwijn aanraakt, dat opgedragen wordt.
+<a name='FNanchor_263_263'></a><a href='#Footnote_263_263'><sup>[263]</sup></a> De fazant van het beroemde feest te Rijsel schijnt wel een levende
+te zijn geweest.<a name='FNanchor_264_264'></a><a href='#Footnote_264_264'><sup>[264]</sup></a> De geloften worden afgelegd aan God en Onze Lieve
+Vrouw, aan de dames en aan den vogel. Het schijnt niet gewaagd, te
+veronderstellen, dat de godheid hier niet de oorspronkelijke ontvanger
+der geloften is: inderdaad geloven velen alleen aan de dames en den
+vogel.<a name='FNanchor_265_265'></a><a href='#Footnote_265_265'><sup>[265]</sup></a> In de onthoudingen, die men zich oplegt, is weinig
+afwisseling.<a name='144'></a> De meeste hebben betrekking op eten en slapen. Deze ridder
+zal Zaterdags niet in een bed slapen, e&ecirc;r hij een Saraceen bevochten
+heeft, noch ook vijftien dagen achtereen in dezelfde stad vertoeven.
+Een ander zal Vrijdags geen dierlijk voedsel nuttigen, e&ecirc;r hij den banier
+van den Grooten Turk heeft aangetast. Weer een ander stapelt askese op
+askese: hij zal in het geheel geen harnas dragen, Zaterdags geen wijn
+drinken, niet in een bed slapen, niet aan tafel zitten, en een harige
+pij dragen. Men omschrijft nauwkeurig de wijze, waarop men de geloofde
+heldendaad zal uitvoeren.<a name='FNanchor_266_266'></a><a href='#Footnote_266_266'><sup>[266]</sup></a></p>
+
+<p>Hoeveel ernst is er in? Wanneer messire Philippe Pot de gelofte doet,
+op den Turkentocht zijn rechterarm onbedekt te laten door eenige
+wapenrusting, laat de hertog onder de (schriftelijk geregistreerde)
+gelofte aanteekenen: &quot;Ce n'est pas le plaisir de mon tr&egrave;s redoubt&eacute;
+seigneur, que messire Phelippe Pot voise en sa compaingnie ou saint
+voyage qu'il a vou&eacute;, le bras d&eacute;sarm&eacute;; mais il est content qu'il voist
+aveuc lui arm&eacute; bien et soufisamment, ainsy qu'il appartient.&quot;<a name='FNanchor_267_267'></a><a href='#Footnote_267_267'><sup>[267]</sup></a>
+Blijkbaar werd er dus nog ernst en gevaar in gezien. Over de gelofte
+van den hertog zelf heerscht algemeene aandoening.<a name='FNanchor_268_268'></a><a href='#Footnote_268_268'><sup>[268]</sup></a></p>
+
+<p>Sommigen doen voorzichtig voorwaardelijke geloften, die tegelijk
+getuigen van de ernstige bedoeling en van het voldaan zijn met den
+schoonen schijn.<a name='FNanchor_269_269'></a><a href='#Footnote_269_269'><sup>[269]</sup></a> Soms naderen de geloften reeds tot de
+&quot;philippine&quot;, die er een bleeke rest van is.<a name='FNanchor_270_270'></a><a href='#Footnote_270_270'><sup>[270]</sup></a> Een spottend element
+ontbreekt zelfs niet bij den grimmigen Voeu du h&eacute;ron; immers Robert van
+Artois biedt den koning,<a name='145'></a> hier voorgesteld als minder belust op den
+krijg, den reiger aan, als den bangsten der vogels. Als Eduard zijn
+gelofte heeft gedaan, lachen allen. Jan van Beaumont, wien de <i>Voeu du
+h&eacute;ron</i> de vroeger reeds vermelde woorden<a name='FNanchor_271_271'></a><a href='#Footnote_271_271'><sup>[271]</sup></a> in den mond legt, die met
+fijnen spot het gepassioneerde karakter onthullen van de geloften, bij
+den wijn en onder de oogen der vrouwen gedaan, doet volgens een ander
+verhaal bij den reiger de cynische gelofte, dat hij dien heer zou
+dienen, van wien hij 't meest aan geld en goed te wachten had. Waarop
+de Engelsche heeren lachten.<a name='FNanchor_272_272'></a><a href='#Footnote_272_272'><sup>[272]</sup></a>&mdash;Hoe moet, ondanks alle pompeuze
+gewichtigheid, waarmee de Voeux du faisan werden opgenomen, de
+tafelstemming zijn geweest, wanneer Jennet de Rebreviettes de gelofte
+kon doen, om, als hij niet v&oacute;&oacute;r den krijgstocht de gunsten van zijn dame
+deelachtig werd, bij den terugkeer uit het Oosten de eerste vrouw of
+jonkvrouw te huwen, die twintig duizend kronen heeft ... &quot;se elle
+veult&quot;.<a name='FNanchor_273_273'></a><a href='#Footnote_273_273'><sup>[273]</sup></a> Toch trekt diezelfde Rebreviettes de wereld in, om als
+&quot;povre escuier&quot; avontuur te zoeken, en strijdt bij Ceuta en Granada
+tegen de Mooren.</p>
+
+<p>Zoo lacht de moede aristocratie om haar eigen ideaal. Wanneer zij met
+alle middelen van fantazie en kunstvaardigheid en rijkdom haar
+hartstochtelijken droom van het schoone leven had getooid en gekleurd en
+tot plastischen vorm gebracht, dan bezon zij zich, dat het leven toch
+eigenlijk niet zoo schoon was, en lachte. IJdele waan, die
+ridderheerlijkheid, mode en ceremonie, een fraai en leugenachtig spel!
+De werkelijke geschiedenis der laatste Middeleeuwen, zegt de historicus,
+die uit de acta de ontwikkeling van staat en bedrijf naspeurt,<a name='146'></a> heeft met
+die valsche ridderlijke Renaissance weinig te maken; het was een oud
+vernis, dat reeds afbladderde. De mannen, die die geschiedenis maakten,
+waren waarlijk geen droomers, maar zeer berekenende, nuchtere staatslieden
+en kooplieden, 't zij vorsten, edelen, prelaten of burgers.</p>
+
+<p>Zeker, dat waren zij ook. Maar de geschiedenis der beschaving heeft
+evenveel te maken met de droomen van schoonheid en den waan des edelen
+levens als met de cijfers van bevolking en belasting. Een onderzoeker,
+die de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en
+verkeer, uit de politieke en militaire conflicten, zou aan het eind van
+zijn studi&euml;n kunnen zeggen: ik heb van de muziek heel weinig gemerkt,
+die heeft blijkbaar in dezen tijd weinig voor de cultuur beteekend.</p>
+
+<p>Zoo is het eenigermate, wanneer men ons de geschiedenis der Middeleeuwen
+uit de staatkundige en economische bescheiden beschrijft. Bovendien zou
+het kunnen zijn, dat het ridderideaal, zoo gekunsteld en versleten als
+het was, op de zuiver staatkundige geschiedenis der laatste Middeleeuwen
+toch nog voortdurend machtiger invloed had uitgeoefend, dan men zich
+gewoonlijk voorstelt.</p>
+
+<p>De bekoring van den adellijken levensvorm was zoo groot, dat ook de
+burgers hem aannemen, waar zij kunnen. Wij stellen ons de Artevelde's
+voor als echte mannen van den derden stand, fier op hun burgerlijkheid
+en hun eenvoud. Integendeel: Philips van Artevelde hield vorstelijken
+staat, hij liet alle dagen voor zijn h&ocirc;tel de speellieden blazen, als
+hij aan tafel ging, liet zich bedienen uit zilveren vaatwerk, of hij de
+graaf van Vlaanderen was, ging gekleed in scharlaken en menu vair als
+een hertog van Brabant of graaf van Henegouwen,<a name='147'></a> reed uit als een vorst,
+het ontrolde vaantje voor hem gedragen met zijn blazoen van sabel met
+drie zilveren hoeden.<a name='FNanchor_274_274'></a><a href='#Footnote_274_274'><sup>[274]</sup></a> Wie schijnt ons moderner dan de geldmagnaat
+der vijftiende eeuw, Jacques Coeur, de voortreffelijke financier van
+Karel VII? Als men de levensbeschrijving van Jacques de Lalaing mag
+gelooven, heeft de groote bankier hartelijk belang gesteld in het
+ouderwetsche dolende-ridderschap van den Henegouwschen held.<a name='FNanchor_275_275'></a><a href='#Footnote_275_275'><sup>[275]</sup></a></p>
+
+<p>Alle hoogere vormen van het burgerlijke leven van den nieuweren tijd
+berusten op navolging van adellijke levensvormen. Evengoed als het brood
+in het servet en het woord &quot;serviette&quot; zelf hun herkomst hebben uit den
+middeleeuwschen hofstaat,<a name='FNanchor_276_276'></a><a href='#Footnote_276_276'><sup>[276]</sup></a> zijn de burgerlijkste bruiloftsaardigheden
+afstammelingen van de grandioze &quot;entremets&quot; van Rijsel. Om de cultuur-
+historische beteekenis van het ridderideaal ten volle te begrijpen, zou
+men het moeten volgen in Shakespeare's en Moli&egrave;re's tijd tot aan den
+modernen gentleman.</p>
+
+<p>Hier echter is het er om te doen, de werking van dat ideaal op de
+werkelijkheid in de laatste Middeleeuwen zelf aan te wijzen. Lieten
+staatkunde en oorlogvoering zich inderdaad eenigermate beheerschen door
+ridderlijke voorstellingen? Ongetwijfeld, zoo niet in haar deugden, dan
+toch in haar fouten. Zooals de tragische vergissingen van den
+hedendaagschen tijd voortspruiten uit den waan van het nationalisme en
+den cultuurhoogmoed, zoo sproten die van de Middeleeuwen meer dan eens
+voort uit de chevalereske gedachte.<a name='148'></a> Ligt niet het motief voor de
+schepping van den nieuwen Bourgondischen staat, die grootste fout, die
+Frankrijk kon begaan, in een ridderlijk moment? Koning Jan, het
+ridderlijke warhoofd, schenkt het hertogdom in 1363 aan den jongen zoon,
+die bij Poitiers naast hem stand had gehouden, toen de oudere vluchtte.
+Evenzoo is de bewuste gedachte, die de latere anti-fransche politiek
+voor de geesten der tijdgenooten moet rechtvaardigen: de wraak voor
+Montereau, de verdediging van ridderlijke eer. Ik weet wel, men kan dat
+alles ook verklaren uit berekenende, zelfs vooruitziende politiek, maar
+dat neemt niet weg, dat de waarde van het feit, het beeld van het feit
+van 1363 voor de tijdgenooten was en bleef: de ridderlijke moed,
+vorstelijk beloond. Die Bourgondische staat in zijn snelle ontplooiing
+is een gebouw van politiek overleg en geslaagde nuchtere berekening.
+Maar wat men de Bourgondische idee zou kunnen noemen, kleedt zich steeds
+in de vormen van het ridderideaal. De bijnamen der hertogen: het Sans
+peur, le Hardi, het Qui qu'en hongne, dat voor Philips door le Bon
+verdrongen werd, zijn alle opzettelijke vindingen van de hoflitt&eacute;rateurs,
+om den vorst te plaatsen onder de stralen van het ridderlijke ideaal.<a name='FNanchor_277_277'></a><a href='#Footnote_277_277'><sup>[277]</sup></a></p>
+
+<p>Daar was &eacute;&eacute;n groot politiek streven, dat onverbrekelijk verbonden was
+aan het ridderideaal: de kruistocht, Jeruzalem! Want Jeruzalem, zoo
+heette nog altijd de gedachte, die als hoogste politieke idee allen
+vorsten van Europa voor oogen stond, en hen voor en na tot handelen
+dreef. Er was hier een zonderling contrast tusschen het re&euml;ele politieke
+belang en de politieke idee.<a name='149'></a> Er bestond voor de Christenheid der
+veertiende en vijftiende eeuw een Oostersche kwestie van de uiterste
+urgentie: het afweren der Turken, die reeds Adrianopel genomen (1378)
+en het Servische rijk vernietigd hadden (1389). Op den Balkan lag het
+gevaar. Doch Europa's eerste en noodzakelijkste staatkunde kon zich nog
+niet losmaken van de kruistochtidee. Zij kon de Turksche kwestie slechts
+zien als een onderdeel van de groote heilige taak, waarin de voorvaders
+waren te kort geschoten: de bevrijding van Jeruzalem.</p>
+
+<p>Bij deze gedachte nu stond het ridderlijk ideaal op den voorgrond; hier
+kon en moest het een bijzonder nadrukkelijke werking uitoefenen. Immers
+het godsdienstig gehalte van het ridderideaal vond hier zijn hoogste
+belofte, en de bevrijding van Jeruzalem kon niet anders zijn dan heilig,
+edel ridderwerk. Juist doordat nu het godsdienstig-ridderlijke ideaal
+zich bij het bepalen der Oostersche staatkunde in zoo sterke mate deed
+gelden, kan tot zekere hoogte het geringe succes der Turkenbestrijding
+worden verklaard. De expedities, die bovenal nauwkeurige berekening en
+geduldige voorbereiding eischten, werden ontworpen en opgezet onder een
+hoogere spanning, die niet leidde tot een rustige overweging van het
+bereikbare, maar tot een verromantiseering van het plan, die ijdel kon
+zijn of noodlottig kon worden. De katastrofe van Nicopolis in 1396 had
+getoond, hoe gevaarlijk het was, een nuttige expeditie tegen een zeer
+strijdbaren vijand op te zetten in den ouden trant van een dier
+ridderlijke reizen naar Pruisen of Litauen, om wat arme heidenen dood
+te slaan. Wie zijn het, die de kruistochtplannen ontwerpen? De droomers
+als Philippe de M&eacute;zi&egrave;res, die er zijn leven aan wijdde, de politieke
+fantasten,<a name='150'></a> zooals Philips de Goede het met al zijn sluwe berekening was.</p>
+
+<p>Alle koningen hadden de bevrijding van Jeruzalem nog altijd tot een
+obligate levenstaak. In 1422 is Hendrik V van Engeland stervende. De
+jonge veroveraar van Rouen en Parijs wordt weggerukt midden uit het
+werk, waarmee hij Frankrijk in ellende had gestort. De geneesheeren
+hebben hem aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de
+biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen
+worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona
+voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem,<a name='FNanchor_278_278'></a><a href='#Footnote_278_278'><sup>[278]</sup></a> laat de koning
+stilhouden en zegt luide, dat het zijn voornemen was geweest, om na het
+herstellen van den vrede in Frankrijk Jeruzalem te gaan veroveren, &quot;se
+ce eust est&eacute; le plaisir de Dieu son cr&eacute;ateur de le laisser vivre son
+aage&quot;. En daarna laat hij de lezing der boetpsalmen voltooien, en sterft
+weldra.<a name='FNanchor_279_279'></a><a href='#Footnote_279_279'><sup>[279]</sup></a></p>
+
+<p>De kruistocht was sedert lang ook een voorwendsel geworden om bijzondere
+opbrengsten te heffen; ook Philips de Goede heeft van die gelegenheid
+ruimschoots gebruik gemaakt. Doch enkel veinzerij uit winstbejag zal bij
+hem het plan toch niet zijn geweest.<a name='FNanchor_280_280'></a><a href='#Footnote_280_280'><sup>[280]</sup></a> Het schijnt een mengeling van
+ernstig streven en den toeleg, om door dit bij uitstek nuttige en tevens
+bij uitstek ridderlijke plan zich als den redder der Christenheid een
+glorie te verzekeren boven zijn meerderen in rang, de koningen van
+Frankrijk en Engeland.<a name='151'></a> Le voyage de Turquie bleef een troefkaart, die
+niet werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te
+doen uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren
+gewichtige bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke
+lieden schudden het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een
+gevaarlijken tocht zou ondernemen; zoowel de landen als de dynastie
+zouden gevaar loopen. Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips
+met eerbied ontvangen in Den Haag en in plechtige processie ontplooid,
+terwijl bij het feest te Rijssel en daarna de geloften tot de reize
+verzameld werden, terwijl Joffroy de Toisy de Syrische havens
+onderzocht, Jean Chevrot, de bisschop van Doornik, de collecten leidde
+en Guillaume Fillastre zijn gansche uitrusting reeds klaar had, en er
+reeds schepen voor den tocht in beslag waren genomen, heerschte er toch
+een vage verwachting, dat de tocht niet zou doorgaan.<a name='FNanchor_281_281'></a><a href='#Footnote_281_281'><sup>[281]</sup></a> Des hertogen
+eigen gelofte te Rijssel klonk dan ook wel zeer voorwaardelijk: hij zou
+gaan, mits de landen, die God hem had toevertrouwd om te regeeren, in
+vrede en veiligheid zijn.<a name='FNanchor_282_282'></a><a href='#Footnote_282_282'><sup>[282]</sup></a></p>
+
+<p>Uitvoerig voorbereide en luidruchtig aangekondigde krijgsexpedities,
+waar niets van komt, schijnen overigens, ook afgescheiden van het
+kruistochtideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn
+geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in
+1383, die van Philips den Stoute tegen Engeland in 1387, waartoe de
+prachtige vloot zeilree lag in de haven van Sluis, die van Karel VI
+tegen Itali&euml; in 1391.</p>
+<a name='152'></a>
+<p>Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie met het doel van
+politieke reclame was het altijd weer aangekondigde en nimmer
+verwezenlijkte vorstenduel. Ik heb vroeger elders uiteengezet, hoe de
+staatsgeschillen der vijftiende eeuw nog als een twist van partijen, een
+persoonlijke querelle werden opgevat.<a name='FNanchor_283_283'></a><a href='#Footnote_283_283'><sup>[283]</sup></a> Men dient &quot;la querelle des
+Bourguignons&quot;. Wat was natuurlijker, dan dat de vorsten het zelf gingen
+uitvechten, gelijk nu nog in het politieke spoorweggesprek wordt
+verzucht?&mdash;Inderdaad was deze oplossing, die zoowel een primitief
+rechtsgevoel als de ridderlijke fantazie bevredigde, telkens aan de
+orde. Wanneer men leest van de uitvoerige toebereidselen tot die
+vorstelijke tweegevechten, vraagt men zich twijfelend af, of dit alles
+enkel een fraai spel van bewust veinzen is geweest, de zucht naar een
+schoon leven alweer, of wel dat de vorstelijke kampvechters werkelijk
+den strijd hebben verwacht. Zeker is het, dat de geschiedschrijvers van
+dien tijd het even ernstig opnemen als de kamplustige vorsten zelf.
+Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn kroniek een ruime
+plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van Engeland door Lodewijk
+van Orleans.<a name='FNanchor_284_284'></a><a href='#Footnote_284_284'><sup>[284]</sup></a> In het woeste en schitterende brein van dien Orleans,
+waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en fantastische idealen
+van ridderstrijd en hoofsche liefde naast d&eacute;bauche, cynisme en
+tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk
+voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest
+van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de
+middelen van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was
+Humphrey van Glocester,<a name='153'></a> dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de
+uitdaging wordt duidelijk als motief vermeld: &quot;pour &eacute;viter effusion de
+sang chrestien et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay
+compacion&quot;, &quot;que par mon corps sans plus ceste querelle soit men&eacute;e &agrave;
+fin, sans y aler avant par voies de guerres, dont il convendroit mains
+gentilz hommes et aultres, tant de vostre ost comme du mien, finer leurs
+jours piteusement.&quot;<a name='FNanchor_285_285'></a><a href='#Footnote_285_285'><sup>[285]</sup></a> Alles werd voor den strijd in gereedheid
+gebracht: het kostbare harnas en de prachtige kleederen, die de hertog
+dragen zou, waren vervaardigd; er werd gewerkt aan tenten, standaarden
+en vanen, wapenrokken voor de herauten en poursuivants, alles bezaaid
+met de blazoenen van 's hertogen landen, met den vuurslag en het Sint
+Andrieskruis. Philips was in training: &quot;tant en abstinence de sa bouche
+comme en prenant painne pour luy mettre en alainne.&quot;<a name='FNanchor_286_286'></a><a href='#Footnote_286_286'><sup>[286]</sup></a> In zijn park
+te Hesdin oefende hij zich dagelijks onder leiding van ervaren
+vechtmeesters.<a name='FNanchor_287_287'></a><a href='#Footnote_287_287'><sup>[287]</sup></a> De rekeningen vermelden de kosten, aan dat alles
+besteed, en nog in 1460 was de kostbare tent, voor deze gelegenheid
+vervaardigd, te Rijssel te zien.<a name='FNanchor_288_288'></a><a href='#Footnote_288_288'><sup>[288]</sup></a> Maar van het gevecht kwam niets.</p>
+
+<p>Dit belette niet, dat hij later in het geschil met den hertog van Saksen
+over Luxemburg, dezen opnieuw kamp aanbood, en dat bij het feest van
+Rijssel, toen Philips bijna zestig jaar oud was, zijn kruisgelofte
+inhield, dat hij gaarne bereid was, den Grooten Turk corps &agrave; corps te
+bestrijden, als deze dat verkoos.<a name='FNanchor_289_289'></a><a href='#Footnote_289_289'><sup>[289]</sup></a> Men vindt den weerklank van die
+<a name='154'></a>hardnekkige kampliefde van Philips den Goede nog in een verhaaltje van
+Bandello, hoe hij eens met de grootste moeite weerhouden zou zijn van
+een eereduel met een zijner edelen.<a name='FNanchor_290_290'></a><a href='#Footnote_290_290'><sup>[290]</sup></a></p>
+
+<p>De vorm handhaaft zich nog in de volle Italiaansche Renaissance.
+Francesco Gonzaga biedt kamp aan Cesare Borgia: met zwaard en dolk wil
+hij Itali&euml; van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den
+koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een
+roerende verzoening besluit het geval.<a name='FNanchor_291_291'></a><a href='#Footnote_291_291'><sup>[291]</sup></a> Zelfs Karel V heeft nog in
+allen vorm aangeboden, den strijd met Frans I door een persoonlijk
+tweegevecht te beslechten.</p>
+
+<p>De gerechtelijke en de spontane tweekamp leefde juist in de Bourgondische
+landen en in het twistzieke Noorden van Frankrijk nog bijzonder sterk in
+zeden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de beslissing
+bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen op zich zelf
+weinig te maken. Zoodra de strijd geen edelen geldt, ziet men al de ruwe
+wreedheid van den tijd, ontdaan van het masker der hooghartige chevalerie.</p>
+
+<p>Niets is in dit opzicht merkwaardiger dan de verbazende belangstelling,
+door de edelen en door de geschiedschrijvers aan den dag gelegd voor een
+gerechtelijken kamp van twee burgers te Valenciennes in 1455.<a name='FNanchor_292_292'></a><a href='#Footnote_292_292'><sup>[292]</sup></a>
+Het was een groote zeldzaamheid;<a name='155'></a> in geen honderd jaar was zoo iets
+voorgekomen. Die van Valenciennes wilden het tot elken prijs laten
+doorgaan, want het betrof voor hen de handhaving van een oud privilege,
+maar de graaf van Charolais, die het bewind voerde tijdens Philips'
+afwezigheid in Duitschland, wilde het niet, en stelde de voltrekking van
+maand tot maand uit, terwijl de beide partijen, Jacotin Plouvier en
+Mahuot, als kostbare vechthanen werden vastgehouden. Toen de oude hertog
+van zijn reis naar den keizer terug was, werd terstond beslist, dat de
+strijd doorgaan zou. Philips wilde hem met alle geweld zelf zien;
+daartoe alleen koos hij van Brugge naar Leuven den weg over
+Valenciennes. Terwijl nu de ridderlijke geesten als Chastellain en La
+Marche bij hun beschrijvingen van de feestelijke Pas d'armes van ridders
+en edelen met alle inspanning van hun verbeelding geen enkele maal een
+realiteit kunnen schilderen, geven zij hier het scherpst geziene beeld.
+Hier komt de ruwe, felle Vlaming, die Chastellain was, onder de
+prachtige houppelande van goud en rood granaatpatroon te voorschijn.
+Geen bijzonderheid ontgaat hem van de &quot;moult belle serimonie&quot;; hij
+beschrijft nauwkeurig het krijt en de banken rondom. De arme
+slachtoffers hebben elk hun vechtmeester bij zich. Jacotin als klager
+treedt het eerst binnen, blootshoofds met kort geknipt haar en heel
+bleek. Hij is geheel genaaid in een kleeding van corduwaanleder uit &eacute;&eacute;n
+stuk, zonder iets daaronder. Na eenige vrome kniebuigingen en begroeting
+van den hertog, die achter een traliewerk gezeten is, wachten de
+kampvechters het oogenblik af, zittende in twee met zwart bekleede
+stoelen tegenover elkaar. De heeren in het rond maken zacht hun
+opmerkingen over de kansen:<a name='156'></a> alles wordt opgemerkt: Mahuot wordt
+aschbleek, toen hij het evangelie kust! Dan komen twee knechten en
+wrijven de kampvechters van den hals tot de enkels in met vet. Bij
+Jacotin trekt het vet terstond in het leer, bij Mahuot niet: wien zou
+dat teeken gunstig zijn? De handen worden met asch gewreven; zij nemen
+suiker in den mond; dan brengt men hun de knotsen en schilden, waarop
+heiligenfiguren staan geschilderd, die zij kussen. Zij dragen de
+schilden met de punt omhoog, en hebben in de hand &quot;une bannerolle de
+devocion&quot;, een strook met een vrome spreuk.</p>
+
+<p>Mahuot, die klein was, begint het gevecht door met de punt van zijn
+schild zand te scheppen en het Jacotin in de oogen te werpen. Een
+woedend knotsgevecht volgt, het eindigt met den val van Mahuot; de ander
+werpt zich boven op hem, en wrijft hem het zand in mond en oogen, maar
+Mahuot krijgt een vinger van zijn vijand tusschen zijn tanden. Om zich
+te bevrijden drukt deze hem den duim in de oogkassen, en ondanks zijn
+geroep om genade draait hij hem de armen naar achteren en springt op den
+rug, om hem te breken. Stervende schreeuwt Mahuot vergeefs om te mogen
+biechten; dan roept hij: &quot;O monseigneur de Bourgongne, je vous ay si
+bien servi en vostre guerre de Gand! O monseigneur, pour Dieu, je vous
+prie mercy, sauvez-moy la vie!&quot;... Hier breekt het verhaal van
+Chastellain af; er zijn eenige bladen weg; van anderen weten wij, hoe de
+halfdoode Mahuot door den beul gehangen werd.</p>
+
+<p>Zou Chastellain het besloten hebben met een edele ridderlijke
+bespiegeling, na dezen ellendigen gruwel met zooveel verve te hebben
+verteld? La Marche deed het: hij bericht ons van de schaamte, die toch
+achterna den adel beving,<a name='157'></a> dat men dit had aangezien. En daarom, zegt de
+onverbeterlijke hofpo&euml;et, liet God een ridderlijk tweegevecht volgen,
+dat onschadelijk afliep.</p>
+
+<p>Het conflict tusschen riddergeest en werkelijkheid vertoont zich het
+duidelijkst, waar het ridderideaal zich tracht te doen gelden te midden
+van den ernstigen krijg. Hoezeer ook het ridderideaal vorm en kracht
+moge hebben gegeven aan den oorlogsmoed, het werkte toch in den regel op
+de krijgvoering meer belemmerend dan bevorderend, daar het de eischen
+der strategie opofferde aan die der levensschoonheid. Herhaaldelijk
+stellen zich de beste aanvoerders, ja de koningen zelf, bloot aan de
+gevaren van een romantisch krijgsavontuur. Eduard III waagt zijn leven
+in een hachelijken aanslag op een convooi van Spaansche schepen.<a name='FNanchor_293_293'></a><a href='#Footnote_293_293'><sup>[293]</sup></a>
+De ridders van koning Jan's orde van de Ster moeten zweren, dat zij in
+den slag nooit verder zullen vluchten dan vier &quot;arpents&quot;, anders hebben
+zij te sterven of zich over te geven, welke zonderlinge spelregel
+volgens Froissart terstond aan wel negentig het leven kostte.<a name='FNanchor_294_294'></a><a href='#Footnote_294_294'><sup>[294]</sup></a>
+Wanneer Hendrik V van Engeland in 1415 den Franschen tegemoet gaat v&oacute;&oacute;r
+den slag bij Azincourt, trekt hij bij vergissing op een avond het dorp,
+dat zijn fouriers hem als nachtverblijf bestemd hadden, voorbij. Nu had
+de koning, &quot;comme celuy qui gardoit le plus les c&eacute;rimonies d'honneur
+tr&egrave;s loable&quot;, juist te voren gelast, dat de ridders, op verkenning uit,
+hun wapenrok moesten afleggen, om niet in strijdgewaad terug te behoeven
+te gaan. Toen hij nu zelf in wapenrok te ver vooruit was gegaan, kon hij
+niet terug; hij overnachtte dus, waar hij gekomen was, en liet de
+voorhoede dienovereenkomstig opschikken.<a name='FNanchor_295_295'></a><a href='#Footnote_295_295'><sup>[295]</sup></a></p>
+<a name='158'></a>
+<p>Bij de beraadslaging over den grooten Franschen inval in Vlaanderen in
+1382 verzet zich voortdurend ridderzin tegen krijgskunde: &quot;Se nous
+querons autres chemins que le droit,&mdash;voert men aan tegen de adviezen
+van Clisson en Coucy, om langs onverwachte omwegen binnen te
+dringen,&mdash;&quot;nous ne monsterons pas que nous soions droites gens d'armes.&quot;
+<a name='FNanchor_296_296'></a><a href='#Footnote_296_296'><sup>[296]</sup></a> Evenzoo gaat het bij een inval van Franschen aan de Engelsche kust
+bij Dartmouth in 1404. De eene aanvoerder, Guillaume du Ch&acirc;tel, wil de
+Engelschen in de flank vallen, daar dezen zich door een gracht op het
+strand hebben beschut. Maar de sire de Jaille noemt de verdedigers een
+troep dorpers; het zou een schande zijn, voor zulke tegenstanders uit
+den weg te gaan; hij spoort den ander aan, niet te vreezen. Dat woord
+treft Du Ch&acirc;tel in het vleesch: &quot;Dat zij verre van het edele hart van
+een Breton, dat hij vreezen zou; nu zal ik, ofschoon ik e&ecirc;r den dood
+voorzie dan de zege, de hachelijke fortuin beproeven.&quot; Hij voegt er de
+gelofte aan toe, dat hij geen kwartier zal vragen, valt daarop aan, en
+sneuvelt zelf, terwijl zijn bende deerlijk wordt verslagen.<a name='FNanchor_297_297'></a><a href='#Footnote_297_297'><sup>[297]</sup></a> Bij
+den tocht naar Vlaanderen is er steeds groot gedrang, om in de voorhoede
+te komen; een ridder, die met de achterhoede wordt belast, stribbelt
+hardnekkig tegen.<a name='FNanchor_298_298'></a><a href='#Footnote_298_298'><sup>[298]</sup></a></p>
+
+<p>De meest eigenlijke toepassing van het ridderideaal op den oorlog
+bestond in de afgesproken aristie&euml;n, 't zij van twee strijders of van
+gelijke groepen. Het befaamde Combat des Trente is er het type van.
+Froissart vond het geweldig mooi, maar teekent toch tenslotte aan;
+&quot;Li aucun le tenoient &agrave; pro&egrave;ce,<a name='159'></a> et li aucun &agrave; outrage et grant
+outrecuidance.&quot;<a name='FNanchor_299_299'></a><a href='#Footnote_299_299'><sup>[299]</sup></a> Een tweegevecht van Guy de la Tr&eacute;mo&iuml;lle en den
+Engelschen edelman Pierre de Courtenay in 1386, dat strekken zou om de
+superioriteit van Engelschen of Franschen te bewijzen, wordt door de
+Fransche regenten Bourgondi&euml; en Berry verboden en nog op 't laatste
+oogenblik verhinderd.<a name='FNanchor_300_300'></a><a href='#Footnote_300_300'><sup>[300]</sup></a> De afkeuring van dezen nutteloozen vorm van
+dapperheidsbetoon wordt ook gedeeld door Le Jouvencel, van wien wij
+reeds vroeger in 't licht stelden, hoe bij hem de ridder plaats maakt
+voor den kapitein. Wanneer de hertog van Bedford een gevecht aanbiedt
+van twaalf tegen twaalf, laat de schrijver van <i>Le Jouvencel</i> den
+Franschen aanvoerder antwoorden: er is een algemeene spreekwijze, dat
+men niets moet doen op aanstichten van zijn vijand. Wij zijn hier, om
+hen uit hun stelling te verdrijven, en dat geeft ons werk genoeg. En de
+uitdaging wordt geweigerd. Elders laat hij Le Jouvencel een van zijn
+officieren zulk een wedkamp weigeren met de verklaring (waarop hij
+overigens tenslotte terugkomt), dat hij tot zoo iets nooit verlof zou
+geven. Het zijn verboden dingen. Wie zulk een tweegevecht begeert, wil
+aan een ander iets ontnemen, namelijk zijn eer, om zich een ijdele
+glorie toe te kennen, die van geringe waarde is, terwijl hij intusschen
+den dienst van zijn koning en van de publieke zaak verwaarloost.<a name='FNanchor_301_301'></a><a href='#Footnote_301_301'><sup>[301]</sup></a></p>
+
+<p>Dat klinkt als een stem van den nieuwen tijd. Niettemin bleef de
+gewoonte van die tweegevechten tusschen de fronten tot na de
+Middeleeuwen voortduren; uit den tachtigjarigen oorlog kent men den
+strijd van Breaut&eacute;<a name='160'></a> en Lekkerbeetje op de Vughtsche heide in 1600 en van
+Lodewijk van de Kethulle tegen een grooten Albaneeschen ruiter voor
+Deventer in 1591.</p>
+
+<p>Het krijgsbelang en de tactiek drongen meestal de ridderlijke opvattingen
+naar den achtergrond. De voorstelling, dat ook de veldslag zelf niet
+anders is dan een eerlijk afgesproken kamp om het recht, komt nog telkens
+naar voren, maar vindt zelden gehoor tegenover de eischen van het
+krijgsbeleid. Het Engelsche leger stelt den Schotten voor, om uit hun
+gunstige positie af te dalen in de vlakte, opdat men elkander kan
+bestrijden. Wanneer de koning van Frankrijk geen toegang vindt om Calais
+te ontzetten, stelt hij den Engelschen beleefd voor, ergens een slagveld
+te bepalen. Willem van Henegouwen gaat nog verder: hij doet den
+Franschen koning het voorstel, drie dagen wapenstilstand te houden, ten
+einde in dien tijd een brug te bouwen, waardoor de legers elkaar kunnen
+bereiken om slag te leveren.<a name='FNanchor_302_302'></a><a href='#Footnote_302_302'><sup>[302]</sup></a> In al die gevallen wordt het
+ridderlijke aanbod geweigerd; het strategisch belang behield de
+overhand, ook bij Philips den Goede, toen hij een zwaren strijd te
+voeren had met zijn riddereer, omdat hem op &eacute;&eacute;n dag driemaal de veldslag
+is aangeboden, en hij dien niet heeft aanvaard.<a name='FNanchor_303_303'></a><a href='#Footnote_303_303'><sup>[303]</sup></a></p>
+
+<p>Er bleef, ook al moest voor de werkelijke belangen het ridderideaal
+zwichten, nog gelegenheid genoeg, om den oorlog fraai aan te kleeden.
+Welk een bedwelming van fierheid moet er niet zijn uitgegaan van het
+bonte en pralende krijgsdecoratief zelf! In den nacht v&oacute;&oacute;r Azincourt
+sterken de beide legers,<a name='161'></a> in de duisternis tegenover elkaar gelegen, hun
+moed met de muziek der trompetten en bazuinen, en het wordt ernstig
+beklaagd, dat de Franschen er niet genoeg hadden &quot;pour eulx resjouyr&quot;,
+en daardoor in lager stemming bleven.<a name='FNanchor_304_304'></a><a href='#Footnote_304_304'><sup>[304]</sup></a> In het laatst der vijftiende
+eeuw komen de landsknechten met de groote trommels,<a name='FNanchor_305_305'></a><a href='#Footnote_305_305'><sup>[305]</sup></a> een ontleening
+aan het Oosten. De trom met haar direct hypnotische, onmuzikale werking
+beduidt treffend den overgang van het ridderlijke tijdperk naar het
+modern-militaire; zij is een element in de mechaniseering van den krijg.
+Omstreeks 1400 is al de schoone en half spelende suggestie van
+persoonlijken wedijver in roem en eer nog in vollen fleur: door
+helmteekens en blazoenen, vanen en wapenkreten behoudt de strijd een
+individueel karakter en een element van sport. Den geheelen dag hoort
+men de kreten der verschillende heeren uitroepen in een wedspel van
+hoogmoed.<a name='FNanchor_306_306'></a><a href='#Footnote_306_306'><sup>[306]</sup></a> V&oacute;&oacute;r en na het gevecht bezegelen de ridderslagen en de
+rangverhoogingen het spel: ridders worden tot bannerets verheven door
+het afsnijden van den wimpel van hun vaantjes.<a name='FNanchor_307_307'></a><a href='#Footnote_307_307'><sup>[307]</sup></a> Het beroemde kamp
+van Karel den Stoute voor Neuss is ingericht met al den feestelijken
+praal van een hofstaatsie: sommigen hebben hun tent laten bouwen &quot;par
+plaisance&quot; in den vorm van een kasteel, met galerijen en tuinen
+eromheen.<a name='FNanchor_308_308'></a><a href='#Footnote_308_308'><sup>[308]</sup></a></p>
+
+<p>De krijgsbedrijven moesten bij de opteekening worden gevat in het raam
+van ridderlijke opvattingen. Men wilde op technische gronden
+onderscheiden, wat een slag en wat een treffen was,<a name='162'></a> want elk gevecht
+moest in de annalen van den roem zijn vaste plaats en naam hebben. Zoo
+zegt Monstrelet: &quot;Si fut de ce jour en avant ceste besongne appell&eacute;e la
+rencontre de Mons en Vimeu. Et ne fu d&eacute;clair&eacute;e &agrave; estre bataille, pour ce
+que les parties rencontr&egrave;rent l'un l'autre aventureusement, et qu'il n'y
+avoit comme nulles banni&egrave;res desploi&eacute;es&quot;.<a name='FNanchor_309_309'></a><a href='#Footnote_309_309'><sup>[309]</sup></a> Hendrik V van Engeland
+doopt zijn groote overwinning, &quot;pour tant que toutes batailles doivent
+porter le nom de la prochaine forteresse o&ugrave; elles sont faictes&quot;,
+plechtig als den slag van Azincourt.<a name='FNanchor_310_310'></a><a href='#Footnote_310_310'><sup>[310]</sup></a> Het overnachten op het
+slagveld gold als het erkende teeken der overwinning.<a name='FNanchor_311_311'></a><a href='#Footnote_311_311'><sup>[311]</sup></a></p>
+
+<p>De persoonlijke dapperheid van den vorst in den slag heeft somtijds een
+bedenkelijk kunstmatig karakter. Froissart beschrijft een strijd van
+Eduard III tegen een Fransch edelman bij Calais in termen, die zouden
+doen vermoeden, dat het geen bittere ernst was. &quot;L&agrave; se combati li rois &agrave;
+monsigneur Ustasse moult longuement et messires Ustasse &agrave; lui, et tant
+que il les faisoit moult plaisant veoir&quot;. Tenslotte geeft de Franschman
+zich over, en wordt het geval besloten met een souper, dat de koning
+zijn gevangene aanbiedt.<a name='FNanchor_312_312'></a><a href='#Footnote_312_312'><sup>[312]</sup></a>&mdash;In het gevecht van Saint Richier laat
+Philips van Bourgondi&euml; wegens het gevaar zijn prachtige wapenrusting
+door een ander dragen, maar het heet, dat het is, om als een gewoon
+krijgsman zichzelf beter te beproeven.<a name='FNanchor_313_313'></a><a href='#Footnote_313_313'><sup>[313]</sup></a> Wanneer de jonge hertogen
+van Berry en Bretagne Karel den Stoute volgen in zijn guerre du bien
+public, dragen zij, naar aan Commines werd verteld, schijnharnassen van
+satijn met vergulde spijkertjes.<a name='FNanchor_314_314'></a><a href='#Footnote_314_314'><sup>[314]</sup></a></p>
+<a name='163'></a>
+<p>Overal steekt de leugen door de gaten van het ridderlijke staatsiekleed.
+De werkelijkheid verloochent voortdurend het ideaal. Vandaar dat het
+steeds meer zich terugtrekt in de sfeer van litteratuur, feest en spel:
+daar alleen was de illusie van het schoone ridderlijke leven te
+handhaven; daar is men onder elkaar in de kaste, waarbinnen al die
+sentimenten enkel gelding hebben.</p>
+
+<p>Het is verbazend, zooals de ridderlijkheid onmiddellijk in gebreke
+blijft, waar zij zou moeten gelden jegens niet-gelijkwaardigen. Zoodra
+het lageren in stand betreft, ontbreekt elke behoefte aan ridderlijke
+hoogheid. De edele Chastellain heeft niet het geringste begrip voor de
+koppige burgereer van den rijken brouwer, die zijn dochter niet aan 's
+hertogen soldaat wil geven, en er lijf en goed aan waagt, om den hertog
+te weerstreven.<a name='FNanchor_315_315'></a><a href='#Footnote_315_315'><sup>[315]</sup></a> Froissart vertelt zonder een zweem van eerbied,
+hoe Karel VI het lijk van Philips van Artevelde wilde zien. &quot;Quand on
+l'eust regard&eacute; une espasse on le osta de l&agrave; et fu pendus &agrave; un arbre.
+Vel&agrave; le darraine fin de che Philippe d'Artevelle.&quot;<a name='FNanchor_316_316'></a><a href='#Footnote_316_316'><sup>[316]</sup></a> De koning zou
+zich zelfs niet ontzien hebben, het lijk te schoppen, &quot;en le traitant de
+vilain&quot;.<a name='FNanchor_317_317'></a><a href='#Footnote_317_317'><sup>[317]</sup></a> De gruwelijkste wreedheden van de edelen tegen de burgers
+van Gent in den oorlog van 1382, wanneer zij veertig graanschippers
+verminkt en met uitgestoken oogen naar de stad terugzenden, bekoelen
+Froissart geen oogenblik in zijn geestdrift voor de ridderij.<a name='FNanchor_318_318'></a><a href='#Footnote_318_318'><sup>[318]</sup></a>
+Chastellain, die zwelgt in de heldendaden van Jacques de Lalaing en
+zijns gelijken, vermeldt zonder eenige sympathie die van een onbekenden
+Gentschen knaap,<a name='164'></a> die alleen op Lalaing aanviel.<a name='FNanchor_319_319'></a><a href='#Footnote_319_319'><sup>[319]</sup></a> La Marche zegt
+althans na&iuml;ef van heldenfeiten, door een Gentenaar uit het volk
+verricht, dat het van belang zou zijn geweest, als het &quot;un homme de
+bien&quot; geweest was.<a name='FNanchor_320_320'></a><a href='#Footnote_320_320'><sup>[320]</sup></a></p>
+
+<p>Op alle wijzen drong anders de werkelijkheid de negatie van het
+ridderlijke ideaal aan de geesten op. De veldheerskunst had sedert lang
+de tournooihouding opgegeven: de oorlog van de veertiende en vijftiende
+eeuw was er een van besluipen en verrassen, van strooptochten en raids.
+De Engelschen hadden het eerst het afstijgen van de ridders in den slag
+ingevoerd, en het werd aan Fransche zijde overgenomen.<a name='FNanchor_321_321'></a><a href='#Footnote_321_321'><sup>[321]</sup></a> Eustache
+Deschamps meent spottend, dat het dient om het vluchten te beletten.
+<a name='FNanchor_322_322'></a><a href='#Footnote_322_322'><sup>[322]</sup></a> Op zee, zegt Froissart, is het ijselijk vechten, want daar kan
+men niet wijken en vluchten.<a name='FNanchor_323_323'></a><a href='#Footnote_323_323'><sup>[323]</sup></a> Buitengewoon na&iuml;ef komt de
+ontoereikendheid der ridderlijke opvattingen als militair beginsel uit
+in het <i>Debat des h&eacute;rauts d'armes de France et d'Angleterre,</i> een
+tractaat van omstreeks 1455, waarin in den vorm van een twistgesprek de
+voorrang van Frankrijk boven Engeland wordt betoogd. De Engelsche heraut
+heeft den Franschen gevraagd, waarom zijn koning niet een groote
+scheepsmacht onderhoudt, gelijk die van Engeland. Wel, antwoordt de
+Fransche heraut, dat heeft hij niet noodig, en bovendien: de Fransche
+adel houdt meer van den oorlog te land dan ter zee, om verschillende
+redenen: &quot;car il y a danger et perdicion de vie, et Dieu scet quelle
+piti&eacute; quant il fait une tourmente (storm),<a name='165'></a> et si est la malladie de la
+mer forte &agrave; endurer &agrave; plusieurs gens. Item, et la dure vie dont il fault
+vivre, qui n'est pas bien consonante &agrave; noblesse.&quot;<a name='FNanchor_324_324'></a><a href='#Footnote_324_324'><sup>[324]</sup></a> Hoe gering van
+uitwerking ook nog, reeds kondigde het kanon de toekomstige veranderingen
+van den oorlog aan. Het was als een ironische symboliek, dat het puik der
+dolende ridders &quot;&agrave; la mode de Bourgogne,&quot; Jacques de Lalaing, gedood werd
+door een kanonschot.<a name='FNanchor_325_325'></a><a href='#Footnote_325_325'><sup>[325]</sup></a></p>
+
+<p>Er was aan de adellijk-militaire carri&egrave;re een financieele kant, die
+dikwijls zeer vrijmoedig wordt bekend. Elke bladzijde der
+laat-middeleeuwsche krijgsgeschiedenis geeft te verstaan, hoe zeer het
+daarbij aankwam op het maken van aanzienlijke gevangenen, terwille van
+den losprijs. Froissart verzuimt niet te vermelden, hoeveel de bedrijver
+van een geslaagde overrompeling bij de zaak verdiende.<a name='FNanchor_326_326'></a><a href='#Footnote_326_326'><sup>[326]</sup></a> Maar
+behalve de directe baten van den oorlog spelen ook de pensioenen en
+renten en gouverneursposten in het leven van den ridder een groote rol.
+Het vooruitkomen wordt grif als doel aanvaard. &quot;Je sui uns povres homs
+qui desire mon avancement&quot;, zegt Eustache de Ribeumont. Froissart
+vertelt zijn eindelooze faits divers van den ridderkrijg onder andere
+tot voorbeeld van de dapperen, &quot;qui se d&eacute;sirent &agrave; avanchier par armes.&quot;
+<a name='FNanchor_327_327'></a><a href='#Footnote_327_327'><sup>[327]</sup></a> Deschamps heeft een ballade, waarin de ridders, knapen en
+sergianten van het hof van Bourgondi&euml; staan te hunkeren naar den
+betaaldag, met het refrein:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Et quant venra le tresorier?&quot;<a name='FNanchor_328_328'></a><a href='#Footnote_328_328'><sup>[328]</sup></a></div>
+<a name='166'></a>
+<p>Chastellain vindt het natuurlijk en gepast, dat iemand die naar
+aardschen roem streeft, gierig en berekenend is, &quot;fort veillant et
+entendant &agrave; grand somme de deniers, soit en pensions, soit en rentes,
+soit en gouvernemens ou en pratiques.&quot;<a name='FNanchor_329_329'></a><a href='#Footnote_329_329'><sup>[329]</sup></a> En inderdaad schijnt zelfs
+de edele Boucicaut, die allen ridders ten voorbeeld werd gesteld, van
+bijzondere geldzucht niet vrij te zijn geweest.<a name='FNanchor_330_330'></a><a href='#Footnote_330_330'><sup>[330]</sup></a> De nuchtere
+Commines begroot een edelman naar zijn salaris als &quot;ung gentilhomme de
+vingt escuz.&quot;<a name='FNanchor_331_331'></a><a href='#Footnote_331_331'><sup>[331]</sup></a></p>
+
+<p>Tusschen al de luide verheerlijking van het ridderlijke leven en den
+ridderlijken krijg klinkt af en toe de bewuste negatie van het
+ridderideaal: soms nuchter, soms hoonend. De edelen zelf zagen bijwijlen
+de opgepoetste ellende en de valschheid van zulk een leven van krijg en
+tournooien.<a name='FNanchor_332_332'></a><a href='#Footnote_332_332'><sup>[332]</sup></a> Het was niet te verwonderen, dat de twee sarcastische
+geesten, die voor het ridderdom niet dan spot en minachting hadden,
+elkaar gevonden hebben: Lodewijk XI en Philippe de Commines. De
+beschrijving van den slag bij Montlh&eacute;ry bij Commines is in haar nuchter
+realisme volkomen modern. Hier geen schoone heldendaden, geen fictief
+dramatisch verloop, maar slechts het relaas van een voortdurend komen en
+gaan, een twijfelen en vreezen, steeds verteld met een licht sarcasme.
+Hij schijnt erin te genieten, als hij van smadelijk vluchten kan
+vertellen en van den moed, die terugkeert, als het gevaar geweken is.
+Hij gebruikt weinig het woord &quot;honneur&quot;, en behandelt de eer bijna als
+een noodzakelijk kwaad.<a name='167'></a> &quot;Mon advis est que s'il eust voulu s'en aller
+ceste nuyt, il eust bien faict.... Mais sans doubte, l&agrave; o&ugrave; il avoit de
+l'honneur, il n'eust point voulu estre reprins de couardise&quot;. Zelfs waar
+hij bloedige ontmoetingen verhaalt, zoekt men vergeefs de terminologie
+der ridderschap: het woord dapperheid of ridderlijkheid kent hij niet.
+<a name='FNanchor_333_333'></a><a href='#Footnote_333_333'><sup>[333]</sup></a></p>
+
+<p>Zou het zijn Zeeuwsche moeder Margaretha van Arnemuiden zijn geweest,
+van wie Commines zijn nuchteren geest had? Het schijnt immers wel, dat
+in Holland, ondanks den Henegouwschen Willem IV, den ijdelen avonturier,
+de riddergeest vroegtijdig aan het afsterven was, terwijl juist
+Henegouwen, waarmee het vereenigd was, altijd het echte land van den
+ridderlijken adel is geweest. Bij het Combat des Trente was de beste aan
+Engelsche zijde een zekere Crokart, een voormalige knecht van de heeren
+van Arkel. Hij had in den oorlog groot fortuin gemaakt: wel 60.000
+kronen en een stal met dertig paarden; daarbij had hij grooten roep van
+dapperheid verworven, zoodat de koning van Frankrijk hem ridderschap en
+een aanzienlijk huwelijk beloofde, als hij Fransch wilde worden. Deze
+Crokart kwam met zijn roem en zijn rijkdom in Holland terug, en hield er
+grooten staat; maar de Hollandsche heeren wisten nog wel, wie hij was,
+en namen geen notitie van hem, zoodat hij terugkeerde naar het land,
+waar men ridderlijke faam beter waardeerde.<a name='FNanchor_334_334'></a><a href='#Footnote_334_334'><sup>[334]</sup></a></p>
+
+<p>Wanneer Jan van Nevers zich gereedmaakt, om de reis naar Turkije te
+ondernemen, waar hij Nicopolis zou vinden, laat Froissart hertog
+Albrecht van Beieren, den graaf van Holland,<a name='168'></a> Zeeland en Henegouwen, tot
+zijn zoon Willem zeggen: &quot;Guillemme, puisque tu as la voulent&eacute; de
+voyagier et aler en Honguerie et en Turquie et qu&eacute;rir les armes sur gens
+et pays qui oncques riens ne nous fourfirent, ne nul article de raison
+tu n'y as d'y aler fors que pour la vayne gloire de ce monde, laisse
+Jean de Bourgoigne et nos cousins de France faire leurs emprises, et fay
+la tienne &agrave; par toy, et t'en va en Frise et conquiers nostre h&eacute;ritage.&quot;
+<a name='FNanchor_335_335'></a><a href='#Footnote_335_335'><sup>[335]</sup></a></p>
+
+<p>Van al de landen van Bourgondi&euml; was de adel van Holland bij de
+kruisgeloften van het feest te Rijssel verreweg het slechtst
+vertegenwoordigd. Toen na het feest nog meer geloften schriftelijk in de
+verschillende landen werden ingezameld, kwamen er uit Artois nog 27, uit
+Vlaanderen 54, uit Henegouwen 27, en uit Holland 4, en deze luiden nog
+zeer voorwaardelijk en voorzichtig.<a name='FNanchor_336_336'></a><a href='#Footnote_336_336'><sup>[336]</sup></a></p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>De chevalerie zou niet het levensideaal van eeuwen zijn geweest, indien
+daarin niet hooge waarden aanwezig waren geweest voor de ontwikkeling
+der samenleving, indien het niet sociaal, ethisch en aesthetisch
+noodzakelijk was geweest. Juist in de schoone overdrijving had eenmaal
+de kracht van dit ideaal gelegen. Het is, alsof de middeleeuwsche geest
+in haar bloedige hartstochtelijkheid slechts te leiden was, door het
+ideaal veel te hoog te stellen: zoo deed het de kerk, zoo deed het de
+ridderlijke gedachte. &quot;Without this violence of direction, which men and
+women have, without a spice of bigot and fanatic, no excitement, no
+efficiency. We aim above the mark to hit the mark.<a name='169'></a> Every act hath some
+falsehood of exaggeration in it.&quot;<a name='FNanchor_337_337'></a><a href='#Footnote_337_337'><sup>[337]</sup></a></p>
+
+<p>Doch naarmate een cultuurideaal meer gevuld is met de aanspraak op de
+hoogste deugden, is de disharmonie tusschen levensvorm en werkelijkheid
+grooter. Het ridderideaal met zijn nog half-religieuzen inhoud kon
+slechts worden beleden door een tijd, die nog voor zeer sterke
+realiteiten de oogen kon sluiten, die vatbaar was voor de volstrekte
+illusie. De zich vernieuwende beschaving dwingt, dat uit den ouden
+levensvorm de al te hooge aspiraties worden prijsgegeven. De ridder gaat
+over in den virtuoso der Renaissance, in den Franschen gentilhomme der
+17<sup>e</sup> eeuw, tenslotte in den modernen gentleman, en bij elke transformatie
+schijnt een hulsel van leugen af te vallen.</p>
+
+<p>De ridderlijke levensvorm was al te zwaar beladen met idealen van
+schoonheid, deugd en nuttigheid. Bezag men hem met nuchteren
+werkelijkheidszin, zooals Commines, dan leek al die hooggeroemde
+chevalerie zoo nutteloos en onecht, een opgemaakte vertooning, een
+belachelijk anachronisme: de werkelijke roerselen, die de menschen deden
+handelen en het lot van staten en gemeenschappen bepaalden, lagen er
+buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst
+zwak, nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische
+zijde, die immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een
+waarlijk geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter
+zonde en ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt
+bezweek het ideaal:<a name='170'></a> zelfs de schoonheid van dien levensvorm was aan alle
+kanten open voor ontkenning. Al mocht het ridderlijke leven soms burgers
+begeerlijk schijnen, uit den adel zelf kwam de groote moeheid en
+onvoldaanheid voort. Het schoone spel van het hoofsche leven was zoo
+bont, zoo valsch, zoo druk. Weg uit die moeizaam opgezette levenskunst
+naar veiligen eenvoud en rust.</p>
+
+<p>Er waren dan twee wegen van het ridderlijk ideaal af: die naar het
+werkelijke, actieve leven en den modernen geest van onderzoek, en die
+naar de wereldverzaking. Maar deze laatste weg splitste zich als de Y
+van Pythagoras in twee&euml;n: de hoofdlijn was die van het echte geestelijk
+leven, de zijlijn hield den rand van de wereld met haar genietingen. De
+zucht naar het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en
+verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg
+open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en
+lichter droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd
+als een belofte van natuurlijk geluk met al den glans, waarmee zij sinds
+Theocritus geschenen had. De groote bevrediging scheen mogelijk zonder
+strijd, door een vlucht, weg van den wedijver vol haat en nijd om ijdele
+eer en rang, weg van de drukkende, overladen weelde en staatsie en van
+den wreeden, gevaarlijken krijg.</p>
+
+<p>De lof van het eenvoudig leven was een thema, dat de middeleeuwsche
+litteratuur reeds van de Oudheid had meegekregen. Het dekt zich niet
+volkomen met de pastorale; men heeft te doen met een positieve en een
+negatieve uiting van hetzelfde sentiment: de eerste is de pastorale, de
+laatste de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van
+het aristocratische levensideaal.<a name='171'></a> Doch beide vloeien voortdurend ineen.
+Op het thema van de mis&egrave;re van het hofleven hadden reeds in de twaalfde
+eeuw Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten <i>De nugis
+curialum</i> geschreven. In het veertiende&euml;euwsche Frankrijk had het zijn
+klassieke uitdrukking gekregen in het gedicht van Philippe de Vitri,
+bisschop van Meaux, musicus en po&euml;et beide, door Petrarca geprezen: <i>Le
+Dit de Franc Gontier</i>.<a name='FNanchor_338_338'></a><a href='#Footnote_338_338'><sup>[338]</sup></a> De versmelting met de pastorale is hier
+volkomen.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Soubz feuille vert, sur herbe delitable
+<span>Lez ru bruiant et prez clere fontaine<br /></span>
+<span>Trouvay fichee une borde portable,<br /></span>
+<span>Ilec mengeoit Gontier o dame Helayne<br /></span>
+<span>Fromage frais, laict, burre fromaigee,<br /></span>
+<span>Craime, matton, pomme, nois, prune, poire,<br /></span>
+<span>Aulx et oignons, escaillongne froyee<br /></span>
+<span>Sur crouste bise, au gros sel, pour mieulx boire.&quot;<a name='FNanchor_339_339'></a><a href='#Footnote_339_339'><sup>[339]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Na den maaltijd kussen zij elkander &quot;et bouche et nez, polie et bien
+barbue&quot;; vervolgens gaat Gontier in het bosch een boom hakken, terwijl
+dame Helayne aan het wasschen gaat.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;J'oy Gontier en abatant son arbre
+<span>Dieu mercier de sa vie se&uuml;re:<br /></span>
+<span>&quot;Ne s&ccedil;ay&mdash;dit-il&mdash;que sont pilliers de marbre,<br /></span>
+<span>Pommeaux luisans, murs vestus de paincture;<br /></span>
+<span>Je n'ay paour de tra&iuml;son tissue<br /></span>
+<span>Soubz beau semblant, ne qu'empoisonn&eacute; soye<br /></span>
+<span>En vaisseau d'or. Je n'ay la teste nue<br /></span>
+<span>Devant thirant, ne genoil qui s'i ploye.<br /></span>
+<span>Verge d'uissier jamais ne me deboute,<br /></span><a name='172'></a>
+<span>Car jusques la ne m'esprent convoitise,<br /></span>
+<span>Ambicion, ne lescherie gloute.<br /></span>
+<span>Labour me paist en joieuse franchise;<br /></span>
+<span>Moult j'ame Helayne et elle moy sans faille,<br /></span>
+<span>Et c'est assez. De tombel n'avons cure.&quot;<br /></span>
+<span>Lors je dy: &quot;Las! serf de court ne vault maille,<br /></span>
+<span>Mais Franc Gontier vault en or jame pure.&quot;<a name='FNanchor_340_340'></a><a href='#Footnote_340_340'><sup>[340]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Dat bleef voor de volgende geslachten de klassieke uitdrukking van het
+ideaal des eenvoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid,
+met de geneuchten van matigheid, gezondheid, arbeid en natuurlijke,
+onverwikkelde liefde in het huwelijk.</p>
+
+<p>Eustache Deschamps zong den lof van het eenvoudig leven en den afkeer
+van het hof in tal van balladen na. Hij geeft onder andere &eacute;&eacute;n trouwe
+nabootsing van <i>Franc Gontier:</i></p>
+
+<div class='poem'> &quot;En retournant d'une court souveraine
+<span>O&ugrave; j'avoie longuement sejourn&eacute;,<br /></span>
+<span>En un bosquet, dessus une fontaine<br /></span>
+<span>Trouvay Robin le franc, enchapel&eacute;,<br /></span>
+<span>Chapeauls de flours avoit cilz afubl&eacute;<br /></span>
+<span>Dessus son chief, et Marion sa drue....&quot;<a name='FNanchor_341_341'></a><a href='#Footnote_341_341'><sup>[341]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Hij breidt het thema uit met de bespotting van krijgsmansleven en
+ridderschap. In soberen ernst beklaagt hij de ellende en wreedheid van
+den oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zeven
+hoofdzonden zijn zijn dagelijksch werk, hebzucht en ijdele roemzucht
+zijn het wezen van den krijg.</p>
+
+<div class='poem'> ... &quot;Je vueil mener d'or en avant<a name='173'></a>
+<span>Estat moien, c'est mon oppinion,<br /></span>
+<span>Guerre laissier et vivre en labourant:<br /></span>
+<span>Guerre mener n'est que dampnacion.&quot;<a name='FNanchor_342_342'></a><a href='#Footnote_342_342'><sup>[342]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Of wel hij verwenscht spottend dengeen, die hem zou willen uitdagen, of
+laat zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt,
+uitdrukkelijk verbieden.<a name='FNanchor_343_343'></a><a href='#Footnote_343_343'><sup>[343]</sup></a> Doch meestal is het het thema der aurea
+mediocritas op zich zelf.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Je ne requier &agrave; Dieu fors qu'il me doint
+<span>En ce monde lui servir et loer,<br /></span>
+<span>Vivre pour moy, cote entiere ou pourpoint,<br /></span>
+<span>Aucun cheval pour mon labour porter,<br /></span>
+<span>Et que je puisse mon estat gouverner<br /></span>
+<span>Moiennement, en grace, sanz envie,<br /></span>
+<span>Sanz trop avoir et sanz pain demander,<br /></span>
+<span>Car au jour d'ui est la plus seure vie.&quot;<a name='FNanchor_344_344'></a><a href='#Footnote_344_344'><sup>[344]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Roemzucht en winstbejag brengen niets dan ellende, de arme is tevreden
+en gelukkig, en leeft ongestoord en lang:</p>
+
+<div class='poem'> ... &quot;Un ouvrier et uns povres chartons
+<span>Va mauvestuz, deschirez et deschaulx<br /></span>
+<span>Mais en ouvrant prant en gr&eacute; ses travaulx<br /></span>
+<span>Et liement fait son euvre fenir.<br /></span>
+<span>Par nuit dort bien; pour ce uns telz cueurs loiaulx<br /></span>
+<span>Voit quatre roys et leur regne fenir.&quot;<a name='FNanchor_345_345'></a><a href='#Footnote_345_345'><sup>[345]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>De gedachte, dat de eenvoudige werker vier koningen overleeft, beviel
+den dichter zoo goed,<a name='174'></a> dat hij haar herhaaldelijk te pas bracht.<a name='FNanchor_346_346'></a><a href='#Footnote_346_346'><sup>[346]</sup></a></p>
+
+<p>De uitgever van Deschamps' po&euml;zie, Gaston Raynaud, neemt aan, dat al de
+gedichten van deze strekking,<a name='FNanchor_347_347'></a><a href='#Footnote_347_347'><sup>[347]</sup></a> veelal onder de beste, die Deschamps
+maakte, zijn toe te schrijven aan zijn laatsten tijd, toen hij, ontzet
+van zijn ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het
+hofleven zou hebben begrepen.<a name='FNanchor_348_348'></a><a href='#Footnote_348_348'><sup>[348]</sup></a> Een inkeer zou het dus zijn. Zou het
+niet veeleer een reactie, een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf,
+midden in zijn leven van jagenden hartstocht en overdaad heeft, stel ik
+mij voor, deze producten begeerd en genoten van zijn brooddichter, die
+een andermaal zijn gaven prostitueerde, om hun grofsten lachlust te
+bevredigen.</p>
+
+<p>Omstreeks 1400 is het de kring van vroegste Fransche humanisten,
+tendeele samenvallend met de reformpartij der groote concili&euml;n, die op
+het thema der misprijzing van het hofleven voortwerkt. Pierre d'Ailly
+zelf, de groote theoloog en kerkpoliticus, dicht een pendant bij <i>Franc
+Gontier</i>, het beeld van den tiran in zijn slavenleven vol van vreezen.
+<a name='FNanchor_349_349'></a><a href='#Footnote_349_349'><sup>[349]</sup></a> Zijn geestverwanten gebruiken den nieuw opgefrischten Latijnschen
+briefvorm ertoe: zoo Nicolaas de Clemanges,<a name='FNanchor_350_350'></a><a href='#Footnote_350_350'><sup>[350]</sup></a> zoo zijn correspondent
+Jean de Montreuil.<a name='FNanchor_351_351'></a><a href='#Footnote_351_351'><sup>[351]</sup></a> Tot dien kring behoorde de Milanees Ambrosius
+de Miliis,<a name='175'></a> secretaris van den hertog van Orleans, die aan Gontier Col
+een litterairen brief schreef, waarin een hoveling zijn vriend
+waarschuwt voor de intrede in den hofdienst.<a name='FNanchor_352_352'></a><a href='#Footnote_352_352'><sup>[352]</sup></a> Deze brief, zelf in
+vergetelheid geraakt, werd vertaald door, of kwam althans in vertaling
+onder den titel <i>Le Curial</i> op naam van Alain Chartier, den befaamden
+hofdichter.<a name='FNanchor_353_353'></a><a href='#Footnote_353_353'><sup>[353]</sup></a> <i>Le Curial</i> werd weer in het latijn overgebracht door
+den humanist Robert Gaguin.<a name='FNanchor_354_354'></a><a href='#Footnote_354_354'><sup>[354]</sup></a></p>
+
+<p>In den vorm van een allegorisch gedicht, trant <i>Roman de la rose</i>,
+behandelde zekere Charles de Rochefort het thema. Zijn <i>L'abuz&eacute; en
+court</i> kwam op naam van koning Ren&eacute;.<a name='FNanchor_355_355'></a><a href='#Footnote_355_355'><sup>[355]</sup></a> Jean Meschinot dicht als al
+zijn voorgangers:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;La cour est une mer, dont sourt
+<span>Vagues d'orgueil, d'envie orages....<br /></span>
+<span>Ire esmeut debats et outrages,<br /></span>
+<span>Qui les nefs jettent souvent bas;<br /></span>
+<span>Traison y fait son personnage.<br /></span>
+<span>Nage aultre part pour tes ebats.&quot;<a name='FNanchor_356_356'></a><a href='#Footnote_356_356'><sup>[356]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Nog in de zestiende eeuw had het oude thema zijn bekoring niet verloren.
+<a name='FNanchor_357_357'></a><a href='#Footnote_357_357'><sup>[357]</sup></a></p>
+<a name='176'></a>
+<p>Veiligheid, rust en onafhankelijkheid, dat zijn de goede dingen, waarom
+men het hof wil ontvlieden voor het eenvoudig leven in arbeid en
+matigheid, temidden der natuur. Dat is de negatieve kant van het ideaal.
+Doch de positieve kant is niet zoo zeer de vreugde aan arbeid en eenvoud
+zelf als wel het welbehagen aan de natuurlijke liefde. Het herdersideaal
+leidt ons onmiddellijk over tot de vormen der erotische cultuur.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h3><a name='IV'></a>IV</h3>
+
+<h3>DE VORMEN DER LIEFDE</h3>
+<br />
+<a name='177'></a>
+<p>Sedert de Proven&ccedil;aalsche troubadours der twaalfde eeuw het eerst de
+melodie van het onbevredigd verlangen hadden aangeheven, hadden de
+violen van het liefdelied al hooger en hooger gezongen, totdat alleen
+Dante het instrument meer zuiver bespelen kon.</p>
+
+<p>Het was een der gewichtigste wendingen van den middeleeuwschen geest
+geweest, toen hij voor het eerst een liefdesideaal ontwikkelde met een
+negatieven grondtoon. De Oudheid had voorzeker ook het smachten en de
+smarten der liefde bezongen; maar was toch eigenlijk daar het smachten
+niet enkel gezien als het uitstel en de prikkel der zekere vervulling?
+En in het droef-eindend liefdeverhaal der Oudheid was niet de
+verijdeling van het verlangen het stemmingsmoment, maar het dramatisch
+door den dood afbreken der reeds vervulde min, zooals van Cephalus en
+Procris, van Pyramus en Thisbe. De aandoening van droefheid lag er niet
+in de erotische onbevredigdheid, maar in het treurig lotgeval. Eerst in
+de hoofsche minne der troubadours is de onbevredigdheid zelf hoofdzaak
+geworden. Er was een erotische gedachtenvorm geschapen, die vatbaar was
+om een overvloed van ethisch gehalte in zich op te nemen, zonder daarom
+ooit het verband met de natuurlijke vrouwenliefde geheel op te geven.
+Uit de zinnelijke liefde zelf was de edele vrouwendienst zonder
+aanspraak op vervulling voortgesproten. De liefde moest nu het veld
+zijn, waarop alle aesthetische en zedelijke volmaking des menschen
+bloeien moest. Zuiver vergeestelijkt &quot;vulde zij zich met de heiligste
+vroomheid: la vita nuova.</p>
+<a name='178'></a>
+<p>Toen moest een nieuwe wending komen. In den dolce stil nuovo van Dante
+en zijn tijdgenooten was een uiterste bereikt. Petrarca staat alweer
+weifelend tusschen het ideaal der vergeestelijkte hoofsche liefde en de
+nieuwe inspiratie der Oudheid. En van Petrarca naar Lorenzo de Medici
+neemt in Itali&euml; het minnelied den weg terug naar de natuurlijke
+zinnelijkheid, die ook de bewonderde antieke modellen doordrong. Het
+kunstig uitgewerkte systeem der hoofsche min was weder prijsgegeven.</p>
+
+<p>In Frankrijk en de landen, die onder den ban van Frankrijk's geest
+stonden, was de wending anders gekomen. De ontwikkeling der erotische
+gedachte sedert den hoogsten bloei der hoofsche lyriek is er minder
+eenvoudig. De vormen van het systeem blijven van kracht, maar vullen
+zich met anderen geest. Daar had, nog voordat de <i>Vita nova</i> de eeuwige
+harmonie vond van een vergeestelijkte passie, de <i>Roman de la rose</i>
+nieuwen inhoud gegoten in de vormen der hoofsche min. Ongeveer twee
+eeuwen lang heeft het werk van Guillaume de Lorris en Jean Clopinel (of
+Chopinel)<a name='FNanchor_358_358'></a><a href='#Footnote_358_358'><sup>[358]</sup></a> de Meun, begonnen v&oacute;&oacute;r 1240 en v&oacute;&oacute;r 1280 voltooid, niet
+alleen de vormen der aristocratische liefde volkomen beheerscht, maar
+bovendien door zijn encyclopaedischen rijkdom aan uitweidingen op alle
+mogelijke gebieden de schatkamer opgeleverd, waaruit de beschaafde
+leeken het levendste van hun geestelijke ontwikkeling putten. Het kan
+niet gewichtig genoeg worden geschat, dat aldus de heerschende klasse
+van een gansch tijdperk haar levenskennis en haar eruditie kreeg in het
+raam van een ars amandi. In geen anderen tijd heeft zich het ideaal van
+<a name='179'></a>wereldlijke beschaving zoodanig geamalgameerd met dat der vrouwenliefde
+als in de twaalfde tot vijftiende eeuw. Alle christelijke en
+maatschappelijke deugden, alle volmaking van levensvormen waren in het
+systeem der min geschikt in het kader der trouwe liefde. De erotische
+levensbeschouwing, 't zij in haar ouderen zuiver hoofschen vorm, 't zij
+in haar belichaming in den <i>Roman de la rose</i>, kan op &eacute;&eacute;n lijn gesteld
+worden met de gelijktijdige scholastiek. Beide vertegenwoordigen een
+grootsche poging van den middeleeuwschen geest, om onder &eacute;&eacute;n
+gezichtspunt alles wat des levens is te begrijpen.</p>
+
+<p>In de bonte uitbeelding van de vormen der liefde concentreerde zich al
+het streven naar levensschoonheid. Wie die schoonheid zocht in eer en
+rang, zijn leven wilde tooien met praal en staatsie, kortom wie de
+schoonheid des levens in den hoogmoed zocht, zag zich altijd weer
+geplaatst voor het inzicht in de ijdelheid dier dingen. Maar in de
+liefde scheen, tenzij men afscheid had genomen van alle aardsch geluk,
+het doel en het wezen de genieting der schoonheid zelve. Hier was geen
+levensschoonheid te scheppen uit edele vormen ter begeleiding van een
+hoogen staat, hier woonde de diepste schoonheid en het hoogste geluk
+zelf, en wachtte slechts om versierd te worden met kleur en stijl. Elk
+ding van schoonheid, elke bloem en elke klank, kon dienst doen om den
+levensvorm der liefde op te bouwen.</p>
+
+<p>Het streven naar de styleering der liefde was meer dan een ijdel spel.
+Het was de geweldigheid van den hartstocht zelf, die aan deze felle
+samenleving der late Middeleeuwen gebood, het liefdeleven te verheffen
+tot een schoon spel van edele regels. Hier bovenal was op straffe van
+barbaarschheid de behoefte,<a name='180'></a> om de aandoeningen te encadreeren in vaste
+vormen. Onder de lagere standen was de beteugeling der ongebondenheid
+aan de Kerk overgelaten, die daarin slaagde zoo goed en zoo kwaad als
+een kerk dat vermag. In de aristocratie, die zich onafhankelijker voelde
+van de Kerk, omdat zij een stuk cultuur had buiten het kerkelijke,
+vormde zich in de veredele erotiek zelf een rem op de teugelloosheid;
+litteratuur, mode en omgangsvormen oefenden er een normeerenden invloed
+op het liefdeleven uit.</p>
+
+<p>Of althans, zij schiepen een schoonen schijn, waarnaar men waande te
+leven. Want in den grond bleef ook onder de hoogere standen het
+liefdeleven bijster ruw. De dagelijksche zeden waren daarbij nog van een
+vrijmoedige onbeschaamdheid, die latere tijden verloren hebben. De
+hertog van Bourgondi&euml; laat voor het Engelsche gezantschap, dat hij te
+Valenciennes verwacht, de badstoven der stad in orde maken &quot;pour eux et
+pour quiconque avoient de famille, voire bains estor&eacute;s de tout ce qu'il
+faut au mestier de V&eacute;nus, &agrave; prendre par choix et par &eacute;lection ce que on
+d&eacute;siroit mieux, et tout aux frais du duc.&quot;<a name='FNanchor_359_359'></a><a href='#Footnote_359_359'><sup>[359]</sup></a> De ingetogenheid van
+zijn zoon Karel den Stoute wordt hem door velen euvel geduid als voor
+een vorst niet passend.<a name='FNanchor_360_360'></a><a href='#Footnote_360_360'><sup>[360]</sup></a> Onder de mechanieke vermakelijkheden van
+den lusthof te Hesdin vermelden de rekeningen &quot;ung engien pour moullier
+les dames en marchant par dessoubz.&quot;<a name='FNanchor_361_361'></a><a href='#Footnote_361_361'><sup>[361]</sup></a></p>
+
+<p>Doch het is geen tekortschieten aan het ideaal alleen. Naast den stijl
+der veredele liefde had ook de ongebondenheid zelf haar stijl, en wel
+een zeer ouden.<a name='181'></a> Men kan hem den epithalamischen stijl noemen. Op het
+gebied van de verbeeldingen der liefde erft een verfijnde samenleving
+als die der laatste Middeleeuwen zooveel overoude motieven, dat de
+erotische stijlen met elkaar wedijveren of zich onderling vermengen.
+Veel ouder wortels en een even vitale beteekenis als de stijl der
+hoofsche min had die primitieve vorm der erotiek, die de
+geslachtsgemeenschap zelf verheerlijkt, door de christelijke cultuur
+verdrongen uit zijn waarde van heilig mysterie, maar niettemin altijd
+even levend.</p>
+
+<p>De geheele epithalamische toestel, met zijn onbeschaamden lach en zijn
+phallische symboliek, had eens deel uitgemaakt van de heilige riten zelf
+der bruiloftsviering. Huwelijksplechtigheid en bruiloftsfeest waren
+&eacute;&eacute;nmaal ongescheiden geweest: &eacute;&eacute;n groot mysterie, dat zich concentreerde
+op de copulatie. Toen was de Kerk gekomen en had de heiligheid en het
+mysterie voor zich genomen, door ze te verleggen naar het sacrament der
+plechtige verbintenis. De accessoires van het mysterie, de stoet en het
+lied en de juichkreet, had zij overgelaten aan het bruiloftsfeest. Maar
+daar leefden zij nu, ontdaan van hun sacraal karakter, in des te
+wulpscher ongebondenheid voort, en de Kerk was machteloos gebleven, die
+daar te keeren. Geen kerkelijke zedigheid kon den heftigen levenskreet
+van het Hymen o Hymenaee! dempen. Geen puriteinsche zin heeft de
+schaamtelooze publiciteit van den huwelijksnacht uit de zeden doen
+verdwijnen, immers onze zeventiende eeuw kent haar nog in vollen fleur.
+Eerst het moderne individueele sentiment, dat in stilte en duister
+hullen wilde, wat van twee alleen was, heeft die zede gebroken.</p>
+<a name='182'></a>
+<p>Wanneer men zich herinnert, dat nog in 1641 bij de bruiloft van den
+jongen prins van Oranje met Maria van Engeland de practical jokes niet
+ontbraken, om den bruidegom, een knaap nog, de consummatie van het
+huwelijk quasi te beletten, dan verbaast men zich niet over de
+onbeschaamde uitgelatenheid, waarmee vorstelijke en adellijke huwelijken
+omstreeks 1400 plachten gevierd te worden. Het obsceen gegrinnik,
+waarmee Froissart de bruiloft van Karel VI met Isabeau van Beieren,
+oorsprong van groote tragedi&euml;n, verhaalt, of het epithalamium, dat
+Deschamps aan Antonie van Bourgondi&euml; wijdde, kunnen als voorbeelden
+strekken.<a name='FNanchor_362_362'></a><a href='#Footnote_362_362'><sup>[362]</sup></a> De <i>Cent nouvelles nouvelles</i> vertellen als iets heel
+gewoons van een bruidspaar, dat met de vroegmis trouwt, en na een
+lichten maaltijd terstond te bed gaat.<a name='FNanchor_363_363'></a><a href='#Footnote_363_363'><sup>[363]</sup></a> Al de grappen, die hetzij
+bij de bruiloft of bij het liefdeleven in 't algemeen hoorden, werden
+ook voor het gezelschap van dames passend geacht. De <i>Cent nouvelles
+nouvelles</i> dienen zich aan, zij het met eenige ironie, als &quot;glorieuse et
+&eacute;difiant euvre&quot;, als verhalen &quot;moult plaisants &agrave; raconter en toute bonne
+compagnie&quot;. Een adellijke rijmer maakt een lascive ballade op verzoek
+van Madame de Bourgogne en al de dames en jufferen van haar hof.<a name='FNanchor_364_364'></a><a href='#Footnote_364_364'><sup>[364]</sup></a></p>
+
+<p>Het is duidelijk, dat al deze dingen niet gevoeld zijn als tekortkomingen
+aan het hooge en stijve ideaal van eer en welvoegelijkheid. Er is hier
+een tegenstrijdigheid,<a name='183'></a> die niet mag worden verklaard door de edele vormen
+en de groote mate van preutschheid, die de Middeleeuwen op ander gebied
+vertoonen, als hypocrisie te beschouwen. Evenmin is de schaamteloosheid
+een saturnalisch uit den band springen. Nog onjuister is het, om de
+epithalamische obsceniteiten als een teeken van d&eacute;cadence, van
+aristocratische overbeschaving te beschouwen, zooals ten opzichte van
+onze zeventiende eeuw is geschied.<a name='FNanchor_365_365'></a><a href='#Footnote_365_365'><sup>[365]</sup></a> De dubbelzinnigheden, de obscene
+woordspelingen, de lascive verzwijgingen hooren in den epithalamischen
+stijl thuis, ze zijn er overoud. Ze worden begrijpelijk, als men ze
+beschouwt tegen hun ethnologischen achtergrond: als de tot omgangsvormen
+verzwakte resten van het phallische symbolisme der primitieve cultuur.
+Als ontmunt mysterie derhalve. Wat eenmaal, toen de grenzen van spel en
+ernst nog niet door de cultuur heen waren getrokken, de heiligheid van
+het ritueele verbond met de uitgelatenheid der levensvreugde, kon in een
+christelijke samenleving slechts meer gangbaarheid hebben als prikkelende
+luim en spot. Dwars tegen vroomheid en courtoisie in handhaafden zich in
+de bruiloftsgebruiken de sexueele verbeeldingen met al hun levende kracht.</p>
+
+<p>Men kan, als men wil, het geheele komisch-erotische genre beschouwen als
+wilde loten uit den stam van het epithalamium: de vertelling, de klucht,
+het liedje. Doch het verband met dien mogelijken oorsprong is lang
+verloren; het is een litteratuurgenre op zich zelf geworden; de komische
+werking is het zelfstandig doel geworden. Alleen de aard der komiek is
+nog altijd dezelfde als die van het epithalamium:<a name='184'></a> zij berust doorgaans
+op de symbolische aanduiding der sexueele dingen, of de travesti der
+geslachtsliefde in de begrippen van eenig maatschappelijk bedrijf. Bijna
+elk werk of ambacht leende zijn termen tot erotische allegorie, toen als
+altijd. Het ligt voor de hand, dat in de veertiende en vijftiende eeuw
+vooral het tournooi, de jacht en de muziek<a name='FNanchor_366_366'></a><a href='#Footnote_366_366'><sup>[366]</sup></a> er de stof toe leverden.
+De behandeling van liefdegevallen in de vormen van het rechtsgeding,
+zooals de <i>Arrestz d'amour</i>, hoort feitelijk niet onder de categorie der
+travesti. Doch er was een ander gebied, dat voor de inkleeding van het
+erotische bijzonder geliefd was, en wel het kerkelijke. De uitdrukking
+van het sexueele in kerkelijke termen werd in de Middeleeuwen toegepast
+met een buitengewone vrijmoedigheid. In de <i>Cent nouvelles nouvelles</i> is
+het enkel het gebruik van woorden als b&eacute;nir of confesser in obscenen
+zin, of de woordspeling van saints en seins, die men niet moede werd te
+herhalen. Doch in gekuischter opvatting ontwikkelt zich de kerkelijk-
+erotische allegorie tot een litterairen vorm op zich zelf. Het is de
+dichterkring van den fijnen Charles d'Orl&eacute;ans, die de droeve liefde
+verbeeldt onder de gedaante der kloosterlijke askese, der liturgie en
+van het martelaarschap. In navolging van de strenge hervorming van het
+Franciscaansche kloosterleven omstreeks 1400 noemen zij zich Les
+amoureux de l'observance. Het is als een ironische pendant van den
+strakken ernst van den dolce stil nuovo. De heiligschennende strekking
+wordt half geboet door de innigheid van het amoureuze sentiment.</p>
+<a name='185'></a>
+<div class='poem'> &quot;Ce sont ici les dix commandemens,
+<span>Vray Dieu d'amours....<br /></span>
+<span>Lors m'appella, et me fist les mains mettre<br /></span>
+<span>Sur ung livre, en me faisant promettre<br /></span>
+<span>Que feroye loyaument mon devoir<br /></span>
+<span>Des points d'amour&quot;.<a name='FNanchor_367_367'></a><a href='#Footnote_367_367'><sup>[367]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Hij zegt van een gestorven minnaar:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Et j'ay espoir que brief ou (au) paradis
+<span>Des amoureux sera moult hault assis,<br /></span>
+<span>Comme martir et tr&egrave;s honnor&eacute; saint.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>En van de eigen doode geliefde:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;J'ay fait l'obseque de ma dame
+<span>Dedens le moustier amoureux,<br /></span>
+<span>Et le service pour son ame<br /></span>
+<span>A chant&eacute; Penser doloreux.<br /></span>
+<span>Mains sierges de soupirs piteux<br /></span>
+<span>Ont est&eacute; en son luminaire,<br /></span>
+<span>Aussi j'ay fait la tombe faire<br /></span>
+<span>De regrets....&quot;<a name='FNanchor_368_368'></a><a href='#Footnote_368_368'><sup>[368]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>In het zuivere gedicht <i>L'amant rendu cordelier de l'observance
+d'amour</i>, dat de opneming van een troosteloozen minnaar in het klooster
+van de martelaars der liefde in den breede beschrijft, is al het
+zacht-komische effekt, dat de kerkelijke travesti beloofde, tot het
+uiterste uitgewerkt. Is het niet, alsof de erotiek telkens weer, zelfs
+op perverse wijze,<a name='186'></a> met het heilige een aanraking moest zoeken, die zij
+lang te voren verloren had?</p>
+
+<p>De erotiek moest, om cultuur te zijn, tot elken prijs een stijl zoeken,
+een vorm die haar bond, een uitdrukking, die haar bedekte. En zelfs waar
+zij dien vorm versmaadde en afdaalde van scabreuze allegorie tot de
+regelrechte en ongesluierde behandeling van het geslachtsleven, blijft
+zij haars ondanks toch nog gestyleerd. Het geheele genre, dat door een
+groven geest licht voor erotisch naturalisme gehouden wordt, dat, waar
+de mannen nimmer uitgeput en de vrouwen altijd willig zijn, is evengoed
+als de edelste hoofsche min een romantische fictie. Wat anders dan
+romantiek is de laffe verwaarloozing van alle natuurlijke en
+maatschappelijke complicaties der liefde, de bemanteling van al het
+leugenachtige, het zelfzuchtige en het tragische in het geslachtsleven
+met den schoonen schijn van een ongestoord jolijt? Ook hier is het de
+groote cultuuraandrift: de zucht naar het schoone leven, de behoefte om
+het leven schooner te zien dan de werkelijkheid het bood, de forceering
+van het liefdeleven in den vorm van een fantastischen wensch, maar thans
+door overdrijving naar den dierlijken kant. Ook hier een levensideaal:
+het ideaal der onkuischheid.</p>
+
+<p>De werkelijkheid is te allen tijde slechter en ruwer geweest dan het
+verfijnd litteraire liefdesideaal haar zag, maar ook zuiverder en
+ingetogener dan de platte erotiek, die veelal als naturalistisch geldt,
+haar voorstelde. Eustache Deschamps, de brooddichter, pleegt in tal
+van komische balladen, waarin hij sprekend optreedt, zich tot de
+liederlijkste gemeenheid te verlagen. Maar hij is niet de werkelijke
+held van die obscene gevallen, en te midden ervan treft een teer versje,
+<a name='187'></a>waarin hij zijn dochter op de voortreffelijkheid van haar gestorven
+moeder wijst.<a name='FNanchor_369_369'></a><a href='#Footnote_369_369'><sup>[369]</sup></a></p>
+
+<p>Als bron van litteratuur en cultuur moest het gansche epithalamische
+genre met al zijn uitloopers en vertakkingen steeds op de tweede plaats
+blijven. Het heeft tot thema de uiterste en volledige bevrediging zelve,
+het is directe erotiek. Maar datgene, wat tot levensvorm en
+levensversiering dienen kan, is de indirecte erotiek, die tot thema
+heeft de mogelijkheid der bevrediging, de belofte, het verlangen, het
+ontberen, de nadering van het geluk. Hier wordt de opperste bevrediging
+verschoven in het onuitgesprokene, omhuld met al de lichte sluiers der
+verwachting. De indirecte erotiek is daardoor alleen reeds van veel
+langer adem, bedekt een veel wijder levensveld. En zij kent de liefde
+niet alleen en majeur of met het lachende masker, maar is ook in staat,
+de smarten der liefde te verwerken tot schoonheid, en heeft daardoor
+een oneindig hooger levenswaarde. Zij kan in zich opnemen de ethische
+elementen van de trouw, den moed, de edele zachtmoedigheid, en zich
+zoodoende verbinden met andere strevingen naar het ideale dan naar dat
+der liefde alleen.</p>
+
+<p>Geheel in overeenstemming met den algemeenen geest der latere
+Middeleeuwen, die al het denken tot het uitvoerigste wilde verbeelden en
+in systeem brengen, had nu de <i>Roman de la rose</i> aan de gansche erotische
+cultuur een vorm gegeven, zoo bont, zoo wel-sluitend en zoo rijk, dat
+hij was als een schat van profane liturgie, leer en legende. En juist
+het tweeslachtige van den <i>Roman de la rose</i>, werk van twee dichters van
+geheel verschillenden aard en opvatting,<a name='188'></a> maakte hem nog bruikbaarder als
+bijbelboek der erotische cultuur: men vond er teksten in voor verschillend
+gebruik.</p>
+
+<p>Guillaume de Lorris, de eerste dichter, had nog het oude hoofsche ideaal
+gehuldigd. Van hem was de bekorende opzet en de blijde, zoete verbeelding
+van het onderwerp. Het is het steeds gebruikte thema van een droom. De
+dichter ziet zich vroeg in een meimorgen uitgegaan, om den nachtegaal en
+den leeuwerik te hooren. Zijn pad brengt hem langs een rivier tot den
+muur van den geheimzinnigen tuin der liefde. Op dien muur ziet hij de
+beeltenissen geschilderd van Haat, Verraad, Dorperheid, Hebzucht,
+Gierigheid, Nijd, Droefgeestigheid, Ouderdom, Kwezelarij (Papelardie) en
+Armoede: de anti-hoofsche eigenschappen. Maar Dame Oiseuse (Ledigheid),
+de vriendin van D&eacute;duit (Vermaak), opent hem de poort. Daarbinnen leidt
+Liesse (Blijheid) den dans. De Liefdegod danst er met Schoonheid in de
+rei, waarin Rijkdom, Mildheid, Vrijmoedigheid (Franchise), Hoofschheid
+(Courtoisie) en Jeugd deelen. Terwijl de dichter bij de Narcissusfontein
+verzonken is in bewondering van den rozeknop, die hij daar ontwaart,
+schiet de Liefdegod hem met zijn pijlen: Beaut&eacute;, Simplesse, Courtoisie,
+Compagnie en Beau-Semblant. De dichter verklaart zich Liefde's dienstman
+(homme lige), Amour sluit hem het hart met een sleutel, en ontvouwt hem
+liefde's geboden, liefde's kwaden (maux) en haar goed (biens).
+Esperance, Doux-Penser, Doux-Parler, Doux-Regard heeten de laatste.</p>
+
+<p>Bel-Accueil, de zoon van Courtoisie, noodt hem tot de rozen, maar dan
+komen de bewakers van de roos:<a name='189'></a> Danger, Male-Bouche, Peur en Honte, en
+verdrijven hem. Nu begint de verwikkeling. Raison daalt van haar hoogen
+toren, om den minnaar te belezen, Ami troost hem, Venus spant haar
+kunsten tegen Chastet&eacute;, Franchise en Piti&eacute; brengen hem naar Bel-Accueil
+terug, die hem toestaat, de roos te kussen. Maar Male-Bouche vertelt
+het, Jalousie komt aanloopen, en nu wordt om de rozen een sterke muur
+gebouwd. Bel-Accueil wordt in een toren opgesloten. Danger en zijn
+gezellen bewaken de poorten. Met een klacht van den minnaar eindigde het
+werk van Guillaume de Lorris.</p>
+
+<p>Toen is Jean de Meun gekomen, vrij wat later waarschijnlijk, en heeft
+het voortgezet met een veel omvangrijker vervolg en slot. Het verder
+verloop van de handeling, de aanval en vermeestering van het kasteel der
+rozen door Amour met al zijn bondgenooten, de hoofsche deugden, maar ook
+Bien Celer, Faux-Semblant, verdrinkt bijna in den vloed van uitweidingen,
+beschouwingen, verhalen, waarmee de tweede dichter het werk tot een ware
+encyclopaedie heeft gemaakt. Maar wat vooral van gewicht is: hier sprak
+een geest, zoo onbevangen, zoo sceptisch-koel en cynisch-wreed, als de
+Middeleeuwen zelden hebben opgeleverd, daarbij een hanteerder der
+Fransche taal als weinigen. De na&iuml;eve, lichte idealiteit van Guillaume
+de Lorris werd overschaduwd door den ontkennenden geest van Jean de
+Meun, die niet aan spoken en toovenaars en ook niet aan trouwe liefde en
+vrouwelijke eerbaarheid geloofde, die voor pathologische problemen oog
+had, die aan Venus, Nature en Genius de stoutste verdediging van
+zinnelijken levensdrang in den mond legde.</p>
+<a name='190'></a>
+<p>Wanneer Amor vreest, met zijn leger de nederlaag te zullen lijden, zendt
+hij Franchise en Doux-Regard naar Venus, zijn moeder, die aan den oproep
+gehoor geeft, en op haar duivenwagen te hulp komt. Als Amor haar den
+staat van zaken meedeelt, zweert zij, geen kuischheid ooit meer bij
+eenige vrouw te zullen laten, en spoort Amor aan, denzelfden eed ten
+aanzien der mannen te doen, en het gansche leger zweert mede.</p>
+
+<p>Intusschen is Nature in haar smidse bezig met haar werk, het onderhouden
+der soorten, haar eeuwige worsteling tegen den Dood. Zij beklaagt zich
+bitter, dat van al de schepselen alleen de mensch haar geboden
+overtreedt, en zich onthoudt van de voortteling. Op haar last begeeft
+zich Genius, haar priester, na de lange biecht, waarin Nature hem haar
+werken ontvouwt, naar het leger der Liefde, om daar Nature's vloek te
+slingeren over de versmaders van haar geboden. Amor dost Genius uit met
+een kazuifel, een ring, een staf en een mijter; Venus geeft hem
+schaterlachende een brandende kaars in de hand,</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Qui ne fu pas de cire vierge&quot;.</div>
+
+<p>De excommunicatie wordt ingeleid door de verwerping der maagdelijkheid
+in een drieste symboliek, die uitloopt op een wonderlijk mysticisme.
+De hel voor hen, die de geboden der natuur en der liefde niet in acht
+nemen, voor de anderen de bebloemde weide, waar de Zoon der Maagd zijn
+blanke schaapjes hoedt, die daar in eeuwige geneuchte de bloemen en het
+kruid grazen, dat daar onverderfelijk bloeit.</p>
+
+<p>Wanneer Genius in de veste de kaars geslingerd heeft, wier vlam de
+gansche wereld ontsteekt, begint de eindstrijd om den toren.<a name='191'></a> Ook Venus
+zelf slingert haar fakkel, dan vluchten Honte en Peur, en Bel-Accueil
+staat den minnaar toe, de roos te plukken.</p>
+
+<p>Hier was derhalve met volle bewustheid het sexueele motief opnieuw in
+het middelpunt geplaatst, en het was omkleed met zulk een kunstig
+mysterie, ja met zooveel heiligheid, dat een grooter uitdaging aan het
+kerkelijk levensideaal niet mogelijk was. In zijn volkomen heidensche
+strekking kan men den <i>Roman de la rose</i> als een schrede naar de
+Renaissance beschouwen. In den uiterlijken vorm is hij schijnbaar echt
+middeleeuwsch. Immers wat is middeleeuwscher dan de tot het uiterste
+doorgevoerde personificatie der gemoedsaandoeningen en omstandigheden
+der liefde? De figuren van den <i>Roman de la rose</i>: Bel accueil,
+Doux-Regard, Faux Semblant, Male Bouche, Danger, Honte, Peur, staan op
+&eacute;&eacute;n lijn met de echt-middeleeuwsche verbeeldingen van de deugden en
+zonden in menschelijke gedaante: allegorie&euml;n of iets meer dan dat,
+half-geloofde mythologemen. Doch waar is de de grens tusschen deze
+voorstellingen en de herleefde nimfen, saters en geesten der
+Renaissance? Ze zijn aan een andere sfeer ontleend, maar hun
+verbeeldingswaarde is dezelfde, en de aankleeding van de figuren der
+<i>Rose</i> doet dikwijls denken aan de fantastisch bebloemde gestalten van
+Botticelli.</p>
+
+<p>Hier was dan de liefdedroom verbeeld in een vorm, tegelijk gekunsteld en
+gepassioneerd. De uitvoerige allegorie bevredigde alle eischen der
+middeleeuwsche verbeelding. Zonder de personificaties had de geest de
+gemoedsbewegingen niet kunnen uitdrukken en navoelen. Al de bonte kleur
+en elegante lijn van dat onvergelijkelijke poppenspel was noodig,<a name='192'></a> om een
+begrippenstelsel der liefde te vormen, waarmee men elkander begreep. Men
+hanteerde de figuren van Danger, Nouvel Penser, Male Bouche als de
+gangbare termen van een wetenschappelijke psychologie. Het grondthema
+hield den hartstocht levend. Want voor den bleeken dienst van een
+getrouwde dame, die door de troubadours als onbereikbaar voorwerp van
+smachtende vereering in de wolken was geschoven, was nu weer het
+natuurlijkste erotische motief in de plaats gesteld: de hevige prikkel
+van het geheim der maagdelijkheid, gesymboliseerd als de roos, en die te
+winnen met kunst en volharding.</p>
+
+<p>In theorie was de liefde van den <i>Roman de la rose</i> hoofsch en edel
+gebleven. De tuin der levensvreugde is slechts voor uitverkorenen, en
+door liefde toegankelijk. Wie hem betreden wil, moet vrij zijn van haat,
+trouweloosheid, dorperheid, hebzucht, gierigheid, nijd, ouderdom,
+huichelarij. Doch de positieve deugden, die hij daartegenover moet
+stellen, toonen, dat het ideaal niet meer ethisch, als in de hoofsche
+minne, maar enkel aristocratisch is. Het zijn: onbezorgdheid,
+vatbaarheid voor vermaak, blijde zin, liefde, schoonheid, rijkdom,
+mildheid, vrije zin (franchise) en courtoisie. Het zijn niet meer
+evenzooveel veredelingen van den persoon door de afstraling der
+geliefde, maar deugdelijke middelen om haar te winnen. En het is niet
+meer de, zij het ook valsche, vereering der vrouw, die het werk bezielt,
+maar, althans bij den tweeden dichter Jean Clopinel, de wreede
+verachting voor haar zwakheid, de verachting, die in het zinnelijk
+karakter dezer liefde zelf haar oorsprong heeft.</p>
+
+<p>Ondanks zijn groote heerschappij over de geesten had de <i>Roman de la
+rose</i> <a name='193'></a>toch de oudere opvatting der liefde niet geheel kunnen verdringen.
+Naast de verheerlijking van de flirt handhaafde zich ook de voorstelling
+van de zuivere, ridderlijke, trouwe en zelfverzakende liefde, want deze
+was een essentieel onderdeel van het ridderlijke levensideaal. Het was
+een hoofsche twistvraag geworden in dien bonten kring van weelderig-
+aristocratisch leven rondom den Franschen koning en zijn ooms van Berry
+en Bourgondi&euml;, welke opvatting der liefde voor den waren edelman de
+voorkeur verdiende; die van de echte courtoisie met haar smachtende
+trouw en eerbaren dienst aan &eacute;&eacute;n dame, of die van den <i>Roman de la
+rose</i>, waar de trouw slechts het middel was in dienst der jacht op de
+vrouw. De edele ridder Boucicaut had zich met zijn tochtgenooten op een
+reis naar het Oosten in 1388 tot den pleitbezorger der ridderlijke trouw
+gemaakt, en met het dichten van het <i>Livre des cent ballades</i> zich den
+tijd gekort. De beslissing tusschen flirt en trouw wordt er den
+beaux-esprits van het hof voorgelegd.</p>
+
+<p>Uit een dieper ernst welde het woord, waarmee eenige jaren later
+Christine de Pisan zich in den strijd waagde. Deze moedige verdedigster
+van vrouweneer en vrouwenrechten wendde zich tot den liefdegod met een
+dichterlijken brief, die de klacht der vrouwen behelsde tegen al het
+bedrog en al den smaad der mannen.<a name='FNanchor_370_370'></a><a href='#Footnote_370_370'><sup>[370]</sup></a> Zij wees de leer van den <i>Roman
+de la rose</i> met verontwaardiging van de hand. Sommigen vielen haar bij,
+maar het werk van Jean de Meun had nog altijd een schaar van
+hartstochtelijke vereerders en verdedigers. Er volgde een litteraire
+strijd,<a name='194'></a> waarin tal van voor- en tegenstanders het woord namen. En geen
+geringe voorstanders waren het, die de <i>Rose</i> hoog hielden. Vele knappe,
+wetenschappelijke, doorgeleerde mannen,&mdash;verzekerde de proost van
+Rijssel, Jean de Montreuil&mdash;, stelden den <i>Roman de la rose</i> zoo hoog,
+dat zij hem bijna vereerden (paene ut colerent), en dat zij liever hun
+hemd zouden missen dan dat boek.<a name='FNanchor_371_371'></a><a href='#Footnote_371_371'><sup>[371]</sup></a></p>
+
+<p>Het is voor ons niet gemakkelijk, de geestes- en gemoedssfeer te
+begrijpen, waaruit de verdediging voortkwam. Want het waren geen wufte
+hofjonkers, maar ernstige hooge ambtenaren, geestelijken zelfs tendeele,
+zooals de genoemde proost van Rijssel Jean de Montreuil, secretaris van
+den dauphin, later van den hertog van Bourgondi&euml;, die er met zijn
+vrienden Gontier en Pierre Col in dichterlijke of latijnsche brieven
+over correspondeerde, en anderen aanspoorde, om toch de verdediging van
+Jean de Meun op zich te nemen. Het eigenaardigste is, dat deze kring,
+die zich aldus kampioen stelde voor dat bonte, wulpsche, middeleeuwsche
+werk, dezelfde is, waar de eerste kiemen van het Fransche humanisme
+gekweekt werden. Jean de Montreuil is de schrijver van een groot aantal
+Ciceroniaansche brieven vol humanistenwendingen, humanistenrhetoriek en
+humanistenijdelheid. Hij en zijn vrienden Gontier en Pierre Col staan in
+briefwisseling met den ernstigen reformgezinden theoloog Nicolaas de
+Clemanges.</p>
+
+<p>Het was Jean de Montreuil zeker ernst met zijn litterair standpunt. Hoe
+meer ik,&mdash;schrijft hij aan een ongenoemd rechtsgeleerde, die den Roman
+bestreden had,&mdash;het<a name='195'></a> gewicht der mysteri&euml;n en de mysteri&euml;n van het
+gewicht van dat diepe en beroemde werk van meester Jean de Meun
+doorvorsch, hoe meer ik mij verbaas over uwe afkeuring. Tot zijn
+laatsten snik zal hij het verdedigen, en er zijn er velen, zooals hij,
+die met geschrift, met stem en hand die zaak zullen dienen.<a name='FNanchor_372_372'></a><a href='#Footnote_372_372'><sup>[372]</sup></a></p>
+
+<p>En als om te bewijzen, dat er in dien strijd over den <i>Roman de la rose</i>
+toch meer stak dan een stuk uit het groote gezelschapsspel van het
+hofleven, nam tenslotte een man het woord, die wat hij sprak, terwille
+van de hoogste zedelijkheid en zuiverste leer sprak, de beroemde
+theoloog en kanselier der Parijsche universiteit Jean Gerson. Uit zijn
+boekvertrek, des avonds 18 Mei 1402, dateerde hij een tractaat tegen den
+<i>Roman de la rose</i>. Het is een antwoord op de bestrijding van een vorig
+schrijven van Gerson door Pierre Col,<a name='FNanchor_373_373'></a><a href='#Footnote_373_373'><sup>[373]</sup></a> en ook dit was niet het
+eerste geschrift, dat Gerson aan den Roman wijdde; het boek scheen hem
+de gevaarlijkste pest, de bron van alle onzedelijkheid; hij wilde het
+bij elke gelegenheid bestrijden. Herhaaldelijk trekt hij te velde tegen
+den verderfelijken invloed &quot;du vicieux romant de la rose.&quot;<a name='FNanchor_374_374'></a><a href='#Footnote_374_374'><sup>[374]</sup></a> Als hij
+er een exemplaar van had,&mdash;zegt hij&mdash;, dat het eenige was, en duizend
+pond waard, dan zou hij het liever verbranden, dan het te verkoopen om
+in het licht te worden gegeven.</p>
+
+<p>Gerson ontleende den vorm van zijn betoog aan den tegenstander zelf: een
+allegorisch vizioen. Op een morgen ontwakende voelt hij zijn hart hem
+ontvlieden,<a name='196'></a> &quot;moyennant les plumes et les eles de diverses pensees, d'un
+lieu en autre jusques a la court saincte de crestient&eacute;.&quot; Daar ontmoet
+het Justice, Conscience en Sapience, en hoort, hoe Chastet&eacute; den Fol
+amoureux, dat is Jean de Meun, aanklaagt, die haar van de aarde met al
+haar volgelingen verbannen heeft. Haar &quot;bonnes gardes&quot; zijn juist de
+booze figuren van den roman: &quot;Honte, Paour et Dangier le bon portier,
+qui ne oseroit ne daigneroit ottroyer ne&iuml;s (pas m&ecirc;me) un vilain baisier
+ou dissolu regart ou ris attraiant ou parole legiere.&quot; Een reeks van
+verwijten slingert Kuischheid den Fol amoureux tegen: hij laat door de
+vermaledijde oude vrouw leeren, &quot;comment toutes jeunes filles doivent
+vendre leurs corps tost et chierement sans paour et sans vergoigne, et
+qu'elles ne tiengnent compte de decevoir ou parjurer.&quot; Hij hoont het
+huwelijk en het kloosterleven; hij richt al de fantazie op de
+vleeschelijke lusten, en wat het ergste is, hij laat door Venus, door
+Nature, zelfs door Dame Raison de begrippen van het Paradijs en de
+christelijke mysteri&euml;n vermengen met die van het zingenot.</p>
+
+<p>Inderdaad, daar school het gevaar. Het groote werk met zijn vereeniging
+van felle zinnelijkheid, hoonend cynisme en elegant symbolisme wekte in
+de geesten een sensueel mysticisme, dat den ernstigen theoloog een
+afgrond van zondigheid moest schijnen. Wat had niet Gerson's
+tegenstander, Pierre Col, durven beweren!<a name='FNanchor_375_375'></a><a href='#Footnote_375_375'><sup>[375]</sup></a> Alleen de fol amoureux
+zelf kan over de waarde van die dolle passie oordeelen; wie haar niet
+kent,<a name='197'></a> ziet haar slechts in een spiegel en een raadsel. Hij leende dus
+voor de aardsche liefde het heilige woord van den brief aan de
+Corinthen, om van haar te spreken, zooals de mysticus het van zijn
+ekstase doet! Hij waagde het, te verklaren, dat Salomo's hoogheid tot
+lof van Pharao's dochter is gedicht. Zij die het boek van de <i>Rose</i>
+hebben gesmaad, hebben voor Baal hun knie&euml;n gebogen. De Natuur wil niet,
+dat &eacute;&eacute;n man &eacute;&eacute;n vrouw genoeg zij, en de Genius der Natuur is God. Ja,
+hij durft Lucas II 23 misbruiken, om uit het evangelie zelf te bewijzen,
+dat eertijds de vrouwelijke geslachtsorganen, de roos van den roman,
+heilig zijn geweest. En vol vertrouwen in al die blasphemie roept hij de
+verdedigers van het werk op, een turbe van getuigen, en dreigt Gerson,
+dat deze zelf vervallen zal in een zinnelooze liefde, zooals het anderen
+godgeleerden v&oacute;&oacute;r hem is gebeurd.</p>
+
+<p>Het gezag van den <i>Roman de la rose</i> is door Gerson's aanval niet
+getaand. In 1444 biedt een kanunnik van Lisieux, Estienne Legris, aan
+Jean Leb&egrave;gue, griffier van de rekenkamer te Parijs, een <i>R&eacute;pertoire du
+roman de la rose</i> van zijn hand.<a name='FNanchor_376_376'></a><a href='#Footnote_376_376'><sup>[376]</sup></a> Nog in het laatst der vijftiende
+eeuw kan Jean Molinet verklaren, dat de uitspraken van de <i>Rose</i>
+gangbaar waren als algemeene spreekwoorden.<a name='FNanchor_377_377'></a><a href='#Footnote_377_377'><sup>[377]</sup></a> Hij voelt zich
+geroepen, om van den geheelen roman een moraliseerenden commentaar te
+geven, waar de bron uit het begin van het gedicht tot symbool van den
+doop wordt, de nachtegaal, die tot de liefde roept, de stem van
+predikers en godgeleerden,<a name='198'></a> en de roos Jezus zelf. Zelfs Cl&eacute;ment Marot
+heeft nog een moderniseering van het werk gegeven.</p>
+
+<p>Terwijl de deftige geletterden hun pennestrijd voerden, vond de
+aristocratie in den strijd een welkome aanleiding tot feestelijke
+conversatie en pompeus vermaak. Boucicaut, geprezen door Christine de
+Pisan om zijn hooghouden van het oude ideaal van ridderlijke trouw in de
+liefde, vond wellicht in haar woord weer de aanleiding tot het stichten
+van zijn Ordre de l'&eacute;cu verd &agrave; la dame blanche, ter verdediging van
+verdrukte vrouwen. Maar hij kon niet wedijveren met den hertog van
+Bourgondi&euml;, en zijn orde werd terstond in de schaduw gesteld door de
+grootsch opgezette Cour d'amours, die op 14 Februari 1401 werd opgericht
+in het h&ocirc;tel d'Artois te Parijs. Het was een luisterrijk aangekleed
+litterair salon. Philips de Stoute, hertog van Bourgondi&euml;, de oude
+berekenende staatsman, had met Lodewijk van Bourbon den koning verzocht,
+het liefdehof in te stellen tot afleiding tijdens de pestepidemie, die
+er heerschte, &quot;pour passer partie du tempz plus gracieusement et affin
+de trouver esveil de nouvelle joye.&quot;<a name='FNanchor_378_378'></a><a href='#Footnote_378_378'><sup>[378]</sup></a> Het liefdehof was gegrond
+op de deugden van nederigheid en trouw, &quot;&agrave; l'onneur, loenge et
+recommandacion et service de toutes dames et damoiselles.&quot; De talrijke
+leden waren getooid met de wijdluftigste titels: de beide oprichters en
+Karel VI waren Grands conservateurs, onder de Conservateurs waren Jan
+zonder Vrees, zijn broeder Antonie van Brabant, zijn jonge zoon Philips.
+Er is een Prince d'amour: Pierre de Hauteville, een Henegouwer; er zijn
+Ministres, Auditeurs, Chevaliers d'honneur conseillers, Chevaliers
+tr&eacute;soriers,<a name='199'></a> Grands Veneurs, Ecuyers d'amour, Ma&icirc;tres des requ&ecirc;tes,
+Secr&eacute;taires, kortom de geheele toestel van hofhouding en regeering is er
+nagebootst. Men vindt er naast prinsen en prelaten ook burgers en lagere
+geestelijken. Werkzaamheid en ceremonieel waren nauwkeurig geregeld: er
+werden refreinen opgegeven om te behandelen, en &quot;ballades couronn&eacute;es ou
+chapel&eacute;es&quot;, en &quot;amoureuses chansons de cinq couplets&quot;, en &quot;sirventois,
+distiers, complaintes, rondeaux, lais, virelais.&quot; Er zouden debatten
+worden gehouden &quot;en forme d'amoureux proc&egrave;s, pour diff&eacute;rentes opinions
+soustenir.&quot; De dames zouden de prijzen uitreiken, en het was verboden om
+verzen te maken, die de eer van het vrouwelijk geslacht aantastten.</p>
+
+<p>Hoe geweldig Bourgondisch is die pompeuze en statige opzet, die ernstige
+vormen voor een gracieus vermaak. Het is opmerkelijk, doch verklaarbaar,
+dat het hof het strenge ideaal van de edele trouw beleed. Doch als men
+zou verwachten, dat nu ook de 700 leden, die bekend zijn uit de ongeveer
+vijftien jaren, dat men van het bestaan van het gezelschap verneemt,
+allen als Boucicaut de oprechte medestanders van Christine de Pisan, de
+vijanden dus van den <i>Roman de la rose</i> zijn geweest, komt men in strijd
+met de feiten. Wat men van de zeden van Antonie van Brabant en andere
+hooge heeren weet, maakt hen weinig geschikt tot verdedigers van
+vrouweneer. Een der leden, een zekere Regnault d'Azincourt, is de
+aanlegger van een mislukte schaking in grooten stijl, met twintig
+paarden en een priester, van een jonge kramersweduwe.<a name='FNanchor_379_379'></a><a href='#Footnote_379_379'><sup>[379]</sup></a> Een ander
+lid, de graaf van Tonnerre,<a name='200'></a> staat schuldig aan een dergelijk vergrijp.
+En als om afdoende te bewijzen, dat het alles slechts een schoon
+gezelschapsspel was: de bestrijders van Christine de Pisan zelf in den
+letterkundigen twist over den <i>Roman de la rose</i> vindt men onder de
+leden: Jean de Montreuil, Gontier en Pierre Col.<a name='FNanchor_380_380'></a><a href='#Footnote_380_380'><sup>[380]</sup></a></p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het is uit de litteratuur, dat men de liefdevormen van den tijd moet
+leeren kennen, maar het is in het leven zelf, dat men ze zich moet
+voorstellen. Daar was een heel stelsel van geijkte vormen, om een jong
+leven van aristocratischen omgang mee te vullen. Wat al teekens en
+figuren der liefde, die de latere eeuwen gaandeweg hebben prijsgegeven.
+In plaats van Amor alleen had men de gansche zonderling persoonlijke
+mythologie van den <i>Roman de la rose</i>. Zonder twijfel immers hebben Bel
+accueil, Doux-penser, Faux semblant en de rest ook buiten de directe
+litteratuurproducten in de verbeelding geleefd. Dan was er al de teedere
+beteekenis der kleuren in kleeding, bloemen en sieraad. Voor Rabelais
+was het een voorwerp van spot geworden, dat men naar de symbolische
+beteekenis der kleuren vroeger zijn pages kleedde, zijn handschoen
+borduurde en wat niet al.<a name='FNanchor_381_381'></a><a href='#Footnote_381_381'><sup>[381]</sup></a> In de veertiende en vijftiende eeuw nam
+die kleurensymboliek in het amoureuze leven een gewichtige plaats in.</p>
+
+<p>Wanneer Guillaume de Machaut voor het eerst zijn onbekende geliefde
+ziet, is hij verrukt, dat zij bij een wit kleed een kaproen draagt van
+hemelsblauwe stof met groene papegaaien, want groen is de kleur der
+nieuwe liefde en blauw van de trouw.<a name='201'></a> Later als het hooggetij van zijn
+dichterliefde voorbij is, droomt hij, dat haar beeltenis, die boven zijn
+bed hangt, het hoofd afwendt, en geheel in het groen gekleed is, &quot;qui
+nouvellet&eacute; signifie&quot;. Hij dicht een verwijtende ballade:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;En lieu de bleu, dame, vous vestez vert.&quot;<a name='FNanchor_382_382'></a><a href='#Footnote_382_382'><sup>[382]</sup></a></div>
+
+<p>De ringen, de sluiers, al de kleinooden en geschenken der liefde hadden
+hun bijzondere functie, met hun geheimzinnige deviezen en emblemen,
+dikwijls in de gekunsteldste rebussen ontaard. De dauphin trekt in 1414
+ten strijde met een standaard, waarop in goud een K, een zwaan (cygne)
+en een L, dat beduidde den naam van een hofdame zijner moeder Isabeau,
+die la Cassinelle werd genoemd.<a name='FNanchor_383_383'></a><a href='#Footnote_383_383'><sup>[383]</sup></a> Rabelais bespot nog een eeuw later
+de &quot;glorieux de court et transporteurs de noms,&quot; die in hun deviezen
+&quot;espoir&quot; door een &quot;sphere&quot;, &quot;peine&quot; door &quot;pennes d'oiseaux&quot;,
+&quot;melancholie&quot; door een akelei (ancholie) aanduiden.<a name='FNanchor_384_384'></a><a href='#Footnote_384_384'><sup>[384]</sup></a> Coquillart
+spreekt van een</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Mignonne de haulte entreprise,
+<span>Qui porte des devises &agrave; tas.&quot;<a name='FNanchor_385_385'></a><a href='#Footnote_385_385'><sup>[385]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Dan waren er de amoureuze vernuftspelletjes, zooals Le Roi qui ne ment,
+Le chastel d'amours, Ventes d'amour, Jeux &agrave; vendre. Het meisje noemt den
+naam van een bloem of iets anders; de jongeling moet er op rijmen met
+een compliment:</p>
+<a name='202'></a>
+<div class='poem'> &quot;Je vous vensla passerose.
+<span>&mdash;Belle, dire ne vous ose<br /></span>
+<span>Comment Amours vers vous me tire,<br /></span>
+<span>Si l'apercevez tout sanz dire&quot;.<a name='FNanchor_386_386'></a><a href='#Footnote_386_386'><sup>[386]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>Het Chastel d'amours was zulk een vraag- en antwoordspel, gebaseerd op
+de figuren van den <i>Roman de la rose</i>:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Du chastel d'Amours vous demant:
+<span>Dites le premier fondement!<br /></span>
+<span>&mdash;Amer loyaument.<br /></span>
+</div><p></p>
+
+<div class='poem'> Dites moi qui sont li crenel,
+<span>Les fenestres et li carrel!<br /></span>
+<span>&mdash;Regart atraiant.<br /></span>
+</div><p></p>
+
+<div class='poem'> Amis, nommez moy le portier!
+<span>&mdash;Dangier mauparlant.<br /></span>
+</div><p></p>
+
+<div class='poem'> Qui est la clef qui le puet deffermer?
+<span>&mdash;Prier courtoisement.&quot;<a name='FNanchor_387_387'></a><a href='#Footnote_387_387'><sup>[387]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Een groote plaats in de hoofsche conversatie werd sinds de dagen der
+troubadours ingenomen door de casu&iuml;stiek der liefde. Het was als 't ware
+de veredeling van de nieuwsgierigheid en kwaadsprekerij tot een
+litterairen vorm. Naast &quot;beaulx livres, dits, ballades&quot; wordt de
+maaltijd aan het hof van Lodewijk van Orleans opgeluisterd door
+&quot;demandes gracieuses&quot;.<a name='FNanchor_388_388'></a><a href='#Footnote_388_388'><sup>[388]</sup></a> Men legt ze vooral den dichter ter
+beslissing voor.<a name='203'></a> Een gezelschap dames en heeren komt bij Machaut met een
+reeks &quot;partures d'amours et de ses aventures.&quot;<a name='FNanchor_389_389'></a><a href='#Footnote_389_389'><sup>[389]</sup></a> Hij had in zijn
+<i>Jugement d'amour</i> de stelling verdedigd, dat de dame, die door den dood
+haar minnaar verliest, minder te beklagen is dan de minnaar eener
+trouwelooze geliefde. Elk liefdegeval werd op die wijze naar strenge
+normen gediscuteerd&mdash;&quot;Beau sire, wat zoudt ge liever willen: dat men
+kwaad sprak van uw geliefde en gij haar goed bevondt, of dat men goed
+van haar sprak en gij haar slecht vondt?&quot;&mdash;Waarop overeenkomstig het
+hooge formeele eerbegrip en de dure plicht van den minnaar om voor de
+uiterlijke eer der geliefde te waken, het antwoord luiden moest: &quot;Dame,
+j'aroie plus chier que j'en o&iuml;sse bien dire et y trouvasse mal.&quot;
+&mdash;Wanneer een dame door haar eersten minnaar wordt veronachtzaamd,
+handelt zij dan trouweloos, door een tweeden te nemen, die oprechter is?
+Mag een ridder, die elke hoop heeft opgegeven, zijn dame te zien, daar
+een jaloersche echtgenoot haar opgesloten houdt, zich eindelijk tot een
+nieuwe liefde wenden? Wanneer een ridder zich van zijn geliefde keert
+tot een vrouw van hoog aanzien, en daarop, teruggewezen, opnieuw haar
+genade inroept, laat haar eer haar dan toe, hem te vergeven?<a name='FNanchor_390_390'></a><a href='#Footnote_390_390'><sup>[390]</sup></a> Van
+deze casu&iuml;stiek is het maar een schrede naar de behandeling der
+liefdevragen geheel in procesvorm, zooals Martial d'Auvergne ze geeft in
+de <i>Arrestz d'amour.</i></p>
+<a name='204'></a>
+<p>Al deze omgangsvormen der liefde kennen wij slechts uit hun neerslag in
+de litteratuur. Zij hoorden thuis in het werkelijk leven. De code van
+hoofsche begrippen, regels en vormen diende niet uitsluitend, om er
+versjes mee te maken, maar om ze toe te passen in het aristocratische
+leven, of althans in de conversatie. Het is evenwel heel moeilijk, om
+door de sluiers der po&euml;zie heen het leven van den tijd te zien. Want ook
+waar een werkelijke liefde zoo nauwkeurig mogelijk wordt beschreven, is
+het toch van uit den waan van het geijkte ideaal, met den technischen
+toestel der gangbare liefdesbegrippen, in de styleering van het
+litteraire geval. Zoo is het met het, al te lange, relaas van een
+dichterliefde tusschen een ouden po&euml;et en een veertiende&euml;euwsche
+Bettina, <i>Le livre du Voit-Dit</i> (d.w.z. Ware geschiedenis) van Guillaume
+de Machaut.<a name='FNanchor_391_391'></a><a href='#Footnote_391_391'><sup>[391]</sup></a> Hij moet ongeveer zestig jaar oud zijn geweest, toen
+de ongeveer achttienjarige Peronnelle d'Armenti&egrave;res<a name='FNanchor_392_392'></a><a href='#Footnote_392_392'><sup>[392]</sup></a>, uit een
+aanzienlijk geslacht in Champagne, hem in 1362 haar eerste rondel zond,
+waarin zij den onbekenden beroemden dichter haar hart aanbood, terwijl
+zij hem liet verzoeken, een dichterlijke liefdescorrespondentie met haar
+te beginnen. De arme dichter, ziekelijk, aan &eacute;&eacute;n oog blind, geplaagd
+door de jicht, is onmiddellijk in vlam. Hij beantwoordt haar rondel, en
+een wisseling van brieven en gedichten begint. Peronnelle is trotsch op
+haar litteraire verbintenis; zij maakt er aanvankelijk geen geheim van.
+<a name='205'></a>Zij wil, dat hij hun gansche liefde naar waarheid zal te boek stellen,
+met inlassching van hun brieven en gedichten. Hij volbrengt die taak met
+vreugde; &quot;je feray, &agrave; vostre gloire et loenge, chose dont il sera bon
+memoire&quot;.<a name='FNanchor_393_393'></a><a href='#Footnote_393_393'><sup>[393]</sup></a> &quot;Et, mon tr&egrave;s-dous cuer,&mdash;schrijft hij haar&mdash;, vous
+estes courreci&eacute; de ce que nous avons si tart commenci&eacute;? (hoe had zij
+eerder gekund?) par Dieu aussi suis-je (met meer reden); mais ves-cy le
+remede: menons si bonne vie que nous porrons, en lieu et en temps, que
+nous recompensons le temps que nous avons perdu; et qu'on parle de nos
+amours jusques &agrave; cent ans cy apr&egrave;s, en tout bien et en toute honneur;
+car s'il y avoit mal, vous le celeri&eacute;s &agrave; Dieu, se vous povi&eacute;s&quot;.<a name='FNanchor_394_394'></a><a href='#Footnote_394_394'><sup>[394]</sup></a></p>
+
+<p>Wat er met een eerbare liefde bestaanbaar was, leert het verhaal,
+waarmee Machaut de brieven en gedichten aaneenrijgt. Hij krijgt, op zijn
+verzoek, haar geschilderd portret, dat hij eer bewijst als zijn God op
+aarde. Vol angst over zijn eigen gebreken gaat hij de eerste samenkomst
+tegemoet, en zijn geluk is uitbundig, wanneer zijn voorkomen de jonge
+geliefde niet afschrikt. Zij legt zich onder een kerseboom in zijn
+schoot te slapen, of kwansuis te slapen. Zij schenkt hem grooter
+gunsten. Een pelgrimage naar Saint Denis en de Foire du Lendit geeft de
+gelegenheid, om eenige dagen te zamen te zijn. Op een middag is het
+gezelschap doodmoe van de drukte en de zomerhitte; het was midden Juni.
+Zij vinden in de overvolle stad een onderkomen bij een man, die hun een
+kamer met twee bedden afstaat. Op het eene legt zich in de donker
+gemaakte kamer ter middagrust Peronnelle's schoonzuster,<a name='206'></a> op het andere
+zij zelf met haar kamenier. Zij dringt den schuchteren dichter, om zich
+tusschen haar beiden te leggen; hij ligt doodstil uit vrees van haar te
+storen, en als zij ontwaakt, beveelt zij hem, haar te omhelzen. Als het
+einde van het reisje nadert, en zij zijn droefheid bespeurt, staat zij
+hem toe, haar tot afscheid te komen wekken. En ofschoon hij ook bij die
+gelegenheid blijft spreken van &quot;onneur&quot; en &quot;onnest&eacute;&quot;, is het bij zijn
+vrij onomwonden verhaal niet duidelijk, wat zij hem nog geweigerd kan
+hebben. Zij geeft hem het gouden sleuteltje van haar eer, haar schat, om
+die zorgvuldig te behoeden, maar het moet wel opgevat worden als haar
+eerbaarheid voor de menschen, wat er nog te bewaren viel.<a name='FNanchor_395_395'></a><a href='#Footnote_395_395'><sup>[395]</sup></a></p>
+
+<p>Meer geluk was den dichter niet weggelegd, en bij gebrek aan verdere
+lotgevallen, vult hij de tweede helft van zijn boek met eindelooze
+verhalen uit de mythologie. Tenslotte bericht zij hem, dat hun
+verhouding een einde moet nemen, blijkbaar wegens haar huwelijk. Maar
+hij besluit, haar altijd te blijven liefhebben en vereeren, en na hun
+beider dood zal zijn geest aan God verzoeken, om haar ziel in glorie nog
+te blijven noemen: Toute-belle.<a name='FNanchor_396_396'></a><a href='#Footnote_396_396'><sup>[396]</sup></a></p>
+
+<p>Zoowel voor de zeden als voor de sentimenten leert ons <i>Le Voir-Dit</i>
+meer dan de meeste liefdeslitteratuur van den tijd. Vooreerst de
+buitengewone vrijheid, die zich dit jonge meisje veroorloven kon, zonder
+aanstoot te geven. Dan de na&iuml;eve onverstoorbaarheid, waarmee alles, tot
+het intiemste, zich afspeelt in tegenwoordigheid van anderen, 't zij de
+schoonzuster, de kamenier of den secretaris. Bij het samenzijn onder den
+kerseboom verzint deze laatste zelfs een bevallige list:<a name='207'></a> terwijl zij
+sluimert, legt hij een groen blad op Peronnelle's mond, en zegt tot
+Machaut, dat hij dat blad moet kussen. Als deze het eindelijk waagt,
+trekt de secretaris het blad weg, zoodat hij even haar mond aanraakt.
+<a name='FNanchor_397_397'></a><a href='#Footnote_397_397'><sup>[397]</sup></a> Even opmerkelijk is het samengaan van liefdes- en godsdienstplichten.
+Het feit, dat Machaut als kanunnik van de kerk van Reims tot den
+geestelijken stand behoorde, moet niet al te zwaar worden opgevat. De
+lagere wijdingen, die voor het kanunnikschap voldoende waren, brachten
+in dien tijd den eisch van het coelibaat niet gebiedend mede. Ook
+Petrarca was kanunnik. Dat een bedevaart gekozen wordt, om elkaar te
+ontmoeten, is ook niets buitengewoons. De bedevaarten waren zeer in trek
+voor liefdesavonturen. Maar de pelgrimage wordt desondanks met ernst
+verricht, &quot;tr&egrave;s devotement.&quot;<a name='FNanchor_398_398'></a><a href='#Footnote_398_398'><sup>[398]</sup></a> Bij een vorig samenzijn hooren zij
+samen de mis, hij achter haar gezeten:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;... Quant on dist: Agnus dei,
+<span>Foy que je doy &agrave; Saint Crepais,<br /></span>
+<span>Doucement me donna la pais,<br /></span>
+<span>Entre deux pilers du moustier (kerk).<br /></span>
+<span>Et j'en avoie bien mestier,<br /></span>
+<span>Car mes cuers amoureus estoit<br /></span>
+<span>Troubl&eacute;s, quant si tost se partoit.&quot;<a name='FNanchor_399_399'></a><a href='#Footnote_399_399'><sup>[399]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<p>De paix was het bordje, dat rondging om gekust te worden ter vervanging<a name='208'></a>
+van den vredeskus van mond tot mond.<a name='FNanchor_400_400'></a><a href='#Footnote_400_400'><sup>[400]</sup></a> Hier is natuurlijk de
+bedoeling, dat Peronnelle hem haar eigen lippen bood. Hij wacht haar in
+den tuin onder het zeggen van zijn getijden. Bij het aangaan van een
+novene (een negendaagsche verrichting van bepaalde gebeden) doet hij,
+als hij de kerk binnentreedt, binnensmonds de gelofte, dat hij ieder van
+die dagen een nieuw gedicht op de liefste zou maken, wat hem niet belet,
+van de groote devotie te spreken, waarmee hij bad.<a name='FNanchor_401_401'></a><a href='#Footnote_401_401'><sup>[401]</sup></a></p>
+
+<p>Men moet bij dit alles niet denken aan een frivole of profane bedoeling;
+Guillaume de Machaut is tenslotte een ernstig en hooggestemd dichter.
+Het is de ons haast onbegrijpelijke onbevangenheid, waarmee in de dagen
+v&oacute;&oacute;r Trente de geloofsverrichtingen door het dagelijksche leven heen
+waren gevlochten. Wij zullen er spoedig meer van moeten zeggen.</p>
+
+<p>Het sentiment, dat uit de brieven en de beschrijving van dit historische
+liefdegeval spreekt, is week, zoet, een weinig ziekelijk. De uitdrukking
+der gevoelens blijft gewikkeld in den langen omhaal van raisonneerende
+bespiegeling en de aankleeding met allegorische verbeeldingen en
+droomen. Er is iets roerends in de innigheid, waardoor de grijze
+dichter, de heerlijkheid van zijn geluk en de voortreffelijkheid van
+Toute-belle beschrijvende, zich niet bewust wordt, dat zij toch
+eigenlijk met hem en met haar eigen hart maar heeft gespeeld.</p>
+
+<p>Uit ongeveer denzelfden tijd als Machaut's <i>Voit-Dit</i> stamt een ander
+werk, dat in zeker opzicht als tegenhanger zou kunnen dienen: <i>Le livre
+du chevalier de la Tour Landry pour l'enseignement de ses filles</i>.<a name='FNanchor_402_402'></a><a href='#Footnote_402_402'><sup>[402]</sup></a>
+<a name='209'></a>Het is een geschrift uit adellijken kring evenals de roman van Machaut
+en Peronnelle d'Armenti&egrave;res; speelde deze in Champagne en in en om
+Parijs, de ridder de la Tour Landry verplaatst ons naar Anjou en Poitou.
+Doch hier geen oude dichter, die zelf bemint, maar een vrij proza&iuml;sche
+vader, die herinneringen uit zijn jonge jaren, anecdoten en verhalen ten
+beste geeft &quot;pour mes filles aprandre &agrave; roumancier&quot;. Wij zouden zeggen:
+om haar de beschaafde vormen in liefdezaken te leeren. Die leering valt
+echter in het geheel niet romantisch uit. De strekking der exempelen en
+vermaningen, die de zorgvuldige edelman zijn dochters voorhoudt, is
+veeleer, haar te waarschuwen voor de gevaren van romantische flirt. Past
+op voor die welbespraakte lieden, die altijd klaar staan met &quot;faulx
+regars longs et pensifs et petis soupirs et de merveilleuses contenances
+affect&eacute;es (aangedane) et ont plus de paroles &agrave; main que autres gens.&quot;
+<a name='FNanchor_403_403'></a><a href='#Footnote_403_403'><sup>[403]</sup></a> Weest niet te toeschietelijk. Hij was als jongeling eens door zijn
+vader op een kasteel gebracht, om met het oog op een gewenschte
+verloving kennis te maken met de dochter. Het meisje had hem bijzonder
+vriendelijk ontvangen. Om te ervaren, wat er in haar was, sprak hij met
+haar over allerlei dingen. Het gesprek kwam op gevangenen, en de jonker
+maakte een deftig compliment: &quot;Ma demoiselle, il vaudroit mieulx cheoir
+&agrave; estre vostre prisonnier que &agrave; tout plain d'autres, et pense que vostre
+prison ne seroit pas si dure comme celle des Angloys.&quot;&mdash;Si me respondit
+qu'elle avoyt veu nagaires cel qu'elle vouldroit bien qu'il feust son
+prisonnier. Et lors je luy demanday se elle luy feroit male prison, et
+<a name='210'></a>elle ne dit que nennil et qu'elle le tandroit ainsi chier comme son
+propre corps, et je lui dis que celui estoit bien eureux d'avoir si
+doulce et si noble prison. Que vous dirai-je? Elle avoit assez de
+langaige et lui sambloit bien, selon ses parolles, qu'elle savoit assez,
+et si avoit l'ueil bien vif et legier.&quot; Bij het afscheid vroeg zij hem
+wel twee of drie maal, om spoedig weerom te komen, alsof zij hem al lang
+gekend had. &quot;Et quant nous fumes partis, monseigneur de p&egrave;re me dist:
+'Que te samble de celle que tu as veue. Dy m'en ton avis'.&quot; Maar haar al
+te gereede aanmoediging had hem elken lust tot een nadere kennismaking
+benomen. &quot;'Mon seigneur, elle me samble belle et bonne, maiz je ne luy
+seray j&agrave; plus de pr&egrave;s que je suis, si vous plaist&quot;. Van de verloving
+kwam niets, en de ridder vond natuurlijk reden, daar later geen berouw
+van te hebben.<a name='FNanchor_404_404'></a><a href='#Footnote_404_404'><sup>[404]</sup></a> Dergelijke stukjes z&oacute;&oacute; uit het leven opgeteekende
+herinnering, die ons doen zien, hoe de zeden zich paarden aan het
+ideaal, zijn ongelukkig in de eeuwen, waarvan hier sprake is, nog
+uitermate zeldzaam. Had de ridder de la Tour Landry ons maar wat meer
+uit zijn eigen leven verteld. Het meeste zijn ook bij hem bespiegelingen
+van algemeenen aard. Hij denkt voor zijn dochters in de eerste plaats
+aan een goed huwelijk. En het huwelijk had met de liefde weinig te
+maken. Hij geeft een breedvoerig &quot;debat&quot; tusschen hemzelf en zijn vrouw
+over het geoorloofde der liefde, &quot;le fait d'amer par amours&quot;. Hij meent,
+dat een meisje in zekere gevallen wel in eere kan beminnen, bij
+voorbeeld &quot;en esperance de mariage&quot;. De vrouw is daar tegen. Een meisje
+moet liever in het geheel niet verliefd worden, ook niet op haar
+verloofde.<a name='211'></a> Het houdt haar maar af van de ware vroomheid. &quot;Car j'ay ouy
+dire &agrave; plusieurs, qui avoient est&eacute; amoureuses en leur juenesce, que,
+quant elles estoient &agrave; l'eglise, que la pens&eacute;e et la merencolie<a name='FNanchor_405_405'></a><a href='#Footnote_405_405'><sup>[405]</sup></a>
+leur faisoit plus souvent penser &agrave; ces estrois pensiers et deliz de
+leurs amours que ou (au) service de Dieu,<a name='FNanchor_406_406'></a><a href='#Footnote_406_406'><sup>[406]</sup></a> et est l'art d'amours de
+telle nature que quant l'en (on) est plus au divin office, c'est tant
+comme le prestre tient nostre seigneur sur l'autel, lors leur venoit
+plus de menus pensiers&quot;.<a name='FNanchor_407_407'></a><a href='#Footnote_407_407'><sup>[407]</sup></a>&mdash;Deze diepe zielkundige observatie
+konden Machaut en Peronnelle beamen. Doch overigens welk een verschil
+in opvatting tusschen den dichter en den ridder! Hoe nu met deze
+austeriteit weer te rijmen, dat de vader zijn dochters ter leering
+herhaaldelijk vertelsels opdischt, die om hun scabreuzen inhoud in de
+<i>Cent nouvelles nouvelles</i> niet misplaatst zouden zijn geweest?</p>
+
+<p>Juist het gering verband van de schoone vormen van het hoofsche
+liefdesideaal met de realiteit van verloving en huwelijk maakte, dat het
+element van spel, van conversatie, van litterair vermaak in alles wat
+het verfijnde liefdeleven betrof, zich te ongehinderder kon ontplooien.
+Het ideaal der liefde, de schoone fictie van trouw en opoffering had
+geen plaats in de zeer materieele overleggingen, waarmee een huwelijk,
+en bovenal een adellijk huwelijk tot stand kwam. Het kon slechts worden
+beleefd in de gedaante van een bekorend of hartverheffend spel. Het
+tournooi gaf dat spel der romantische liefde in zijn hero&iuml;eken vorm.
+<a name='212'></a>De pastorale idee leverde den idyllischen vorm ertoe.</p>
+
+<p>De pastorale is in haar wezenlijkste beteekenis iets meer dan een
+litterair genre. Het is niet te doen om de beschrijving van het
+herdersleven met zijn eenvoudige en natuurlijke geneuchten, maar om het
+naleven ervan. Het is een Imitatio. Er was een fictie, dat in het
+herdersleven de ongestoorde natuurlijkheid der liefde verwezenlijkt was.
+Daarheen wou men vlieden, zoo niet in werkelijkheid, dan in droom.
+Telkens weer heeft het herdersideaal moeten dienen als geneesmiddel,
+om de geesten te bevrijden uit de kramp van een opgeschroefde
+dogmatiseering en formaliseering der liefde. Men snakte naar verlossing
+uit de knellende begrippen van ridderlijke trouw en dienst, uit den
+bonten toestel der allegorie. En ook uit de ruwheid, de baatzucht en
+de maatschappelijke zonden van het liefdeleven der werkelijkheid. Een
+gemakkelijk bevredigde, eenvoudige liefde, temidden van onschuldig
+natuurgenot. Dat scheen het deel van Robin en Marion, van Gontier en
+Helayne. Zij waren de gelukkigen, de benijdbaren; de veelgesmade dorper
+wordt op zijn beurt het ideaal.</p>
+
+<p>De late Middeleeuwen evenwel zijn nog zoo echt aristocratisch en zoo
+weerloos tegenover een schoonen waan, dat de cultuur het niet verder
+brengt dan het toepassen van een zeer gekunstelde versiering op de
+hoofsche zeden. Wanneer de adel der vijftiende eeuw herder en herderin
+speelt, dan is het gehalte van echte natuurvereering en bewondering van
+eenvoud en arbeid nog heel zwak. Wanneer Marie Antoinette drie eeuwen
+later melkt en karnt in Trianon, dan is het ideaal reeds gevuld met den
+ernst van de physiocraten:<a name='213'></a> natuur en arbeid zijn reeds de groote
+slapende godheden van den tijd geworden; toch maakt de aristocratische
+cultuur er nog spel van. Wanneer omstreeks 1870 de Russische
+intellectueele jeugd zich onder het volk begeeft, om zelf als boeren
+voor de boeren te leven: het narodnitsjestwo, dan is het ideaal bittere
+ernst geworden. En ook toen bleek de verwezenlijking een waan.</p>
+
+<p>Er was &eacute;&eacute;n po&euml;tische vorm, die den overgang vertegenwoordigt tusschen de
+eigenlijke pastorale en de werkelijkheid, namelijk de Pastourelle, het
+korte gedicht, dat het gemakkelijk avontuur van den ridder met het
+landmeisje bezingt. Daar vond de directe erotiek een frisschen,
+eleganten vorm, die haar boven het platte verhief en toch al de bekoring
+van het natuurlijke behield. Men moet er sommige schetsen van Guy de
+Maupassant mee vergelijken.</p>
+
+<p>Werkelijk pastoraal is echter het sentiment eerst, als ook de minnaar
+zelf zich als herder denkt. Daarmee verzinkt elke aanraking met de
+werkelijkheid. Alle elementen der hoofsche liefdesopvatting worden
+eenvoudig getransponeerd in het herderlijke; een zonnig droomland hult
+het verlangen in een waas van fluitspel en vogelgeschal. Het is een blij
+geluid; ook de droefheden der liefde: het smachten en klagen, het leed
+van de verlatene, worden opgenomen in dien zoeten toon. In de pastorale
+vindt telkens weer de erotiek de aanraking terug met het natuurgenot,
+dat haar onmisbaar was. Zoo wordt de pastorale het veld, waarop zich de
+litteraire uitdrukking van het natuurgevoel ontwikkelt. Aanvankelijk is
+het haar nog niet te doen om het beschrijven van natuurschoonheid, maar
+om het onmiddellijk welbehagen aan zon en zomer,<a name='214'></a> schaduw en frisch
+water, bloemen en vogels. Natuurobservatie en schildering komt eerst
+in de tweede plaats; de hoofdbedoeling blijft de liefdedroom; als
+bijproduct levert de herderlijke po&euml;zie allerlei bevallig realisme. De
+schildering van het landleven in een gedicht als <i>Le dit de la pastoure</i>
+van Christine de Pisan opent een genre.</p>
+
+<p>Eenmaal als hoofsch ideaal opgenomen wordt de herderij een masker. Alles
+laat zich dossen in de herderlijke travesti. De fantaziesferen van de
+pastorale en van de ridderlijke romantiek vermengen zich. Een tournooi
+wordt opgevoerd in de aankleeding van een herdersspel. Koning Ren&eacute; houdt
+zijn Pas d'armes de la berg&egrave;re.</p>
+
+<p>De tijdgenooten schijnen toch werkelijk in deze vertooning iets echts
+gezien te hebben; een ongenoemde dichter geeft koning Ren&eacute;'s herdersleven
+een plaats onder de Merveilles du monde:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;J'ay un roi de C&eacute;cille
+<span>Vu devenir berger<br /></span>
+<span>Et sa femme gentille<br /></span>
+<span>De ce mesme mestier,<br /></span>
+<span>Portant la panneti&egrave;re,<br /></span>
+<span>La houlette et chappeau,<br /></span>
+<span>Logeans sur la bruy&egrave;re<br /></span>
+<span>Aupr&egrave;s de leur trouppeau.&quot;<a name='FNanchor_408_408'></a><a href='#Footnote_408_408'><sup>[408]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Een andermaal moet de pastorale dienen, om de lasterlijkste politieke
+satire een dichterlijk kleed te verleenen: een Bourgondisch partijganger
+steekt al den haat tegen <a name='215'></a>den vermoorden hertog van Orleans in het gewaad
+van een aanminnig herdersdicht: <i>le Pastoralet.</i><a name='FNanchor_409_409'></a><a href='#Footnote_409_409'><sup>[409]</sup></a> Bij de hoffeesten
+ontbreekt nooit het pastorale element. Het leende zich uitstekend voor
+de maskerades, die als entremets de feestmaaltijden opluisterden, en het
+was bovendien bijzonder geschikt voor politieke allegorie. Het beeld van
+den vorst als herder en het volk als zijn kudde was immers reeds van een
+andere zijde den geest binnengekomen: uit de kerkvaderlijke voorstellingen
+van den oorspronkelijken staatsvorm: als herders hadden de aartsvaders
+geleefd, het rechte overheidsambt, zoo goed het wereldlijke als het
+geestelijke, was geen heerschen maar een hoeden.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Seigneur, tu es de Dieu bergier;
+<span>Garde ses bestes loyaument,<br /></span>
+<span>Mets les en champ ou en vergier,<br /></span>
+<span>Mais ne les perds aucunement,<br /></span>
+<span>Pour ta peine auras bon paiement<br /></span>
+<span>En bien le gardant, et se non,<br /></span>
+<span>A male heure re&ccedil;us ce nom.&quot;<a name='FNanchor_410_410'></a><a href='#Footnote_410_410'><sup>[410]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>In deze verzen uit Jean Meschinot's <i>Lunettes des princes</i> is geen
+sprake van eigenlijk pastorale voorstelling. Maar zoodra men dat ging
+verbeelden, vloeide het daarmee van zelf ineen. Een entremets bij het
+feest van Brugge in 1468 verheerlijkte de vroegere vorstinnen als de
+&quot;nobles bergieres qui par cy devant ont est&eacute; pastoures et gardes des
+brebis de parde&ccedil;a.&quot;<a name='FNanchor_411_411'></a><a href='#Footnote_411_411'><sup>[411]</sup></a> Een spel te Valenciennes bij de terugkomst van
+<a name='216'></a>Margareta van Oostenrijk uit Frankrijk in 1493 vertoonde, hoe het land
+herstelt van zijn verwoesting &quot;le tout en bergerie&quot;.<a name='FNanchor_412_412'></a><a href='#Footnote_412_412'><sup>[412]</sup></a> Wij kennen
+allen de politieke pastorale in de <i>Leeuwendalers</i>. De voorstelling van
+den vorst als herder klinkt ook in het <i>Wilhelmus</i>:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Oirlof mijn arme schapen
+<span>Die sijt in grooter noot,<br /></span>
+<span>Uw herder sal niet slapen,<br /></span>
+<span>Al sijt gij nu verstroyt.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Zelfs in den echten oorlog speelt men met de pastorale verbeelding. De
+bombardes van Karel den Stoute voor Granson heeten &quot;le berger et la
+berg&egrave;re&quot;. Wanneer de Franschen hoonend zeggen, dat de Vlamingen slechts
+herders zijn en onbekwaam tot het krijgshandwerk, trekt Philips van
+Ravestein met vierentwintig edelen te velde, uitgedost als herders, met
+herdersstaf en broodkorfje.<a name='FNanchor_413_413'></a><a href='#Footnote_413_413'><sup>[413]</sup></a></p>
+
+<p>Evenals de trouwe ridderlijke liefde tegenover de opvattingen van den
+<i>Roman de la rose</i> de stof leverde tot een eleganten litterairen twist,
+zoo werd ook het herdersideaal het onderwerp van zulk een strijd. Ook
+hier proefde men de leugen te sterk op de tong, en moest men haar
+bespotten. Hoe weinig geleek het hyperbolisch gekunstelde, overdadig
+bonte leven van de laat-middeleeuwsche aristocratie op het ideaal van
+eenvoud, vrijheid en zorgeloos trouwe liefde te midden der natuur! Op
+het thema van Philippe de Vitri's Franc Gontier, type van den gouden-
+eeuwschen eenvoud, had men eindeloos gevarieerd. Iedereen verklaarde te
+hongeren naar Franc Gontier's maal op het gras onder 't lommer met dame
+Helayne,<a name='217'></a> zijn menu van kaas, boter, room, appelen, uien en bruin brood,
+zijn lustig houthakkerswerk, zijn vrijheidszin en onbezorgdheid:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Mon pain est bon; ne faut que nulz me veste;
+<span>L'eaue est saine qu'&agrave; boire sui enclin,<br /></span>
+<span>Je ne doubte ne tirant ne venin.&quot;<a name='FNanchor_414_414'></a><a href='#Footnote_414_414'><sup>[414]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Soms viel men wel eens even uit de rol. Dezelfde Eustache Deschamps, die
+het leven van Robin en Marion en den lof van den natuurlijken eenvoud en
+het werkzaam leven herhaaldelijk bezingt, betreurt het, dat het hof
+danst bij de cornemuse, &quot;cet instrument des hommes bestiaulx&quot;.<a name='FNanchor_415_415'></a><a href='#Footnote_415_415'><sup>[415]</sup></a>
+Maar het vereischte de veel dieper gevoeligheid en scherpe skepsis van
+Fran&ccedil;ois Villon, om al de onwaarheid van dien schoonen levensdroom te
+zien. Er ligt een onbarmhartige bespotting in de ballade <i>Les contrediz
+Franc Gontier</i>. Cynisch stelt Villon tegenover de zorgeloosheid van dien
+idealen buitenman met zijn maal van uien &quot;qui causent fort alaine&quot; en
+zijn liefde onder de rozen, het gemak van den vetten kanunnik, die de
+zorgeloosheid en de liefde geniet in een wel behangen kamer met een
+haardvuur, goeden wijn en een zacht bed. Het bruine brood en het water
+van Franc Gontier? &quot;Tous les oyseaulx d'ici en Babiloine&quot; zouden Villon
+geen morgen bij zulk een kost kunnen houden.<a name='FNanchor_416_416'></a><a href='#Footnote_416_416'><sup>[416]</sup></a></p>
+
+<p>Evenals de schoone droom van het ridderideaal moesten ook de andere
+vormen,<a name='218'></a> waarin het liefdeleven cultuur wilde worden, als onecht en
+leugenachtig worden verzaakt. Noch het dwepende ideaal van edele,
+kuische riddertrouw, noch de wreed-verfijnde wellust van den <i>Roman de
+la rose</i>, noch de zoete, gemakkelijke fantazie der pastorale, konden
+bestaan voor den storm van het leven zelf. Die storm blies van alle
+kanten. Van het geestelijk leven uit klinkt de vervloeking van alles wat
+der liefde is, als de zonde, die de wereld verderft. Onder in den
+schitterenden kelk van den <i>Roman de la rose</i> ziet de moralist al den
+bitteren droesem. &quot;Vanwaar,&mdash;roept Gerson uit&mdash;vanwaar de bastaarden,
+vanwaar de kindermoorden, de afdrijvingen, vanwaar de haat en de
+vergiftiging van echtgenooten?&quot;<a name='FNanchor_417_417'></a><a href='#Footnote_417_417'><sup>[417]</sup></a></p>
+
+<p>Van den kant der vrouwen zelf klinkt een andere aanklacht. Al die
+conventioneele vormen der liefde zijn mannenwerk. Ook waar zij in
+ge&iuml;dealiseerde vormen gegoten is, blijft die gansche erotische cultuur
+door en door mannelijk-zelfzuchtig. Wat is de altijd herhaalde smaad
+tegen het huwelijk en over de zwakheden van de vrouw: haar ontrouw en
+haar ijdelheid, anders dan de dekmantel der mannelijke zelfzucht? Op al
+dien smaad antwoord ik enkel, zegt Christine de Pisan: het zijn niet de
+vrouwen, die de boeken gemaakt hebben.<a name='FNanchor_418_418'></a><a href='#Footnote_418_418'><sup>[418]</sup></a></p>
+
+<p>Er is inderdaad noch in de erotische, noch in de vrome litteratuur der
+Middeleeuwen een spoor van echt medelijden met de vrouw, met haar
+zwakheid en de gevaren en smarten, die haar de liefde bereidt. Het
+medelijden had zich geformaliseerd in het fictieve ridderlijke ideaal
+van de bevrijding der maagd,<a name='219'></a> waar het eigenlijk enkel sensueele
+prikkeling en zelfvoldoening was. Nadat de schrijver van de <i>Quinze
+joyes de mariage</i> al de zwakheden der vrouwen in een mat en fijn
+gekleurde satire heeft opgesomd, biedt hij wel aan, om nu ook de
+verongelijking der vrouwen te beschrijven,<a name='FNanchor_419_419'></a><a href='#Footnote_419_419'><sup>[419]</sup></a> maar hij doet het niet.
+Om een teere, vrouwelijke stemming uitgedrukt te vinden, moet men het
+Christine zelf vragen, zooals in haar versje, dat begint:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Doulce chose est que mariage,
+<span>Je le puis bien par moy prouver&quot;....<a name='FNanchor_420_420'></a><a href='#Footnote_420_420'><sup>[420]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Doch hoe zwak klinkt het geluid van een enkele vrouw tegen dat koor van
+hoon, waarin de platte bandeloosheid instemt met de zedepreek. Want er
+is maar een geringe afstand tusschen de homiletische vrouwenverachting
+en de ruwe ontkenning der ideale liefde door de proza&iuml;sche zinnelijkheid,
+door de wijsheid van de bittertafel.</p>
+
+<p>Het schoone spel van de liefde als levensvorm bleef gespeeld in den
+ridderlijken trant, in den herderlijken en in den kunstigen opzet van de
+rozen-allegorie, en al klonk van alle kanten de verloochening van al die
+conventie, toch behielden die vormen hun levens- en cultuurwaarde tot
+lang na de Middeleeuwen. Want de vormen, waarin het ideaal der liefde
+zich nu eenmaal hullen moet, zijn maar enkele voor alle tijden.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='V'></a>V</h2>
+<a name='220'></a>
+<h3>HET BEELD VAN DEN DOOD</h3>
+<br />
+
+<p>Geen tijd heeft de doodsgedachte met zooveel nadruk voortdurend aan
+allen opgedrongen als de vijftiende eeuw. Zonder ophouden klinkt door
+het leven de roep van het memento mori. In zijn Levensrichtsnoer voor
+den edelman vermaant Dionysius de Kartuizer: &quot;En wanneer hij zich te bed
+legt, bedenke hij, dat, gelijk hij nu zichzelven neerlegt in het bed,
+spoedig zoo zijn lichaam door anderen in het graf zal worden gelegd.&quot;
+<a name='FNanchor_421_421'></a><a href='#Footnote_421_421'><sup>[421]</sup></a> Het geloof had ook vroeger de bestendige gedachte aan den dood met
+ernst ingeprent, doch de vrome tractaten der eerdere Middeleeuwen
+bereikten enkel de toch reeds van de wereld gescheidenen. Eerst sedert
+door de opkomst der bedelorden de volksprediking groot was geworden,
+zwol die vermaning aan tot een dreigend koor, dat met fugatische
+hevigheid door de wereld klonk. Tegen het laatst der Middeleeuwen voegde
+zich bij het woord van den prediker de afbeelding voor allen, de
+houtsnee in het bijzonder. Deze beide massale uitdrukkingsmiddelen, de
+preek en de afbeelding, konden de doodsgedachte slechts weergeven in een
+zeer eenvoudige, directe en levendige voorstelling, scherp en fel. Alles
+wat de kloosterling van vroeger tijden over den dood gemediteerd had,
+verdichtte zich nu tot een uiterst primitief, populair en lapidair
+doodsbeeld, en in die gedaante wordt in woord en figuur de gedachte aan
+de menigte voorgehouden.<a name='221'></a> Dat doodsbeeld heeft uit het groote
+gedachtencomplex, dat zich om het sterven weeft, eigenlijk slechts &eacute;&eacute;n
+element kunnen opnemen: het besef der vergankelijkheid. Het is, alsof de
+laat-middeleeuwsche geest den dood onder geen ander aspect heeft weten
+te zien dan enkel dat der vergankelijkheid.</p>
+
+<p>Drie thema's waren het, die de melodie leverden voor die nooit volzongen
+klacht over het einde van alle aardsche heerlijkheid. Daar was vooreerst
+het motief: waar zijn allen gebleven, die vroeger de wereld vulden met
+hun heerlijkheid? Dan was er het motief van de huiverende aanschouwing
+der verrotting van al wat eenmaal menschelijke schoonheid was. Tenslotte
+het motief van den doodendans, de dood de menschen met zich sleurende
+uit elk bedrijf, uit elken leeftijd.</p>
+
+<p>Vergeleken bij de twee laatste motieven met hun beklemmend afgrijzen was
+het eerste der drie slechts een lichte, elegische verzuchting. Men vindt
+het reeds aangeheven in de zware leoninische verzen van den Cluniacenser
+monnik Bernard van Morlay omstreeks 1140:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Est ubi gloria nunc Babylonia? nunc ubi dirus
+<span>Nabugodonosor, et Darii vigor, illeque Cyrus?<br /></span>
+<span>Qualiter orbita viribus inscita (?) praeterierunt,<br /></span>
+<span>Fama relinquitur, illaque figitur, hi putruerunt.<br /></span>
+<span>Nunc ubi curia, pompaque Julia? Caesar abisti!<br /></span>
+<span>Te truculentior, orbe potentior ipse fuisti.<br /></span>
+<span>...........................................................................<br /></span>
+<span>Nunc ubi Marius atque Fabricius inscius auri?<br /></span>
+<span>Mors ubi nobilis et memorabilis actio Pauli?<br /></span>
+<span>Diva philippica vox ubi coelica nunc Ciceronis?<br /></span>
+<span>Pax ubi civibus atque rebellibus ira Catonis?<br /></span>
+<span>Nunc ubi Regulus? aut ubi Romulus, aut ubi Remus?<br /></span><a name='222'></a>
+<span>Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus.&quot;<a name='FNanchor_422_422'></a><a href='#Footnote_422_422'><sup>[422]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Het klinkt opnieuw, minder schoolsch, in verzen, die ondanks hun
+korteren bouw toch nog den dreun van den leoninischen hexameter behouden
+hebben: in de Franciscaansche po&euml;zie der dertiende eeuw. Jacopone van
+Todi, de joculator Domini, is naar alle waarschijnlijkheid de dichter
+geweest van de strofen, die onder den titel <i>Cur mundus militat sub vana
+gloria</i> de regels bevatten:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Dic ubi Salomon, olim tam nobilis
+<span>Vel Sampson ubi est, dux invincibilis,<br /></span>
+<span>Et pulcher Absalon, vultu mirabilis,<br /></span>
+<span>Aut dulcis Jonathas, multum amabilis?<br /></span>
+<span>Quo Cesar abiit, celsus imperio?<br /></span>
+<span>Quo Dives splendidus totus in prandio?<br /></span>
+<span>Die ubi Tullius, clarus eloquio,<br /></span>
+<span>Vel Aristoteles, summus ingenio&quot;?<a name='FNanchor_423_423'></a><a href='#Footnote_423_423'><sup>[423]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Deschamps heeft hetzelfde thema verscheiden malen berijmd; Gerson brengt
+het te pas in een preek, Dionysius de Kartuizer in het tractaat over de
+Vier uitersten. Chastellain spint het uit in een lang gedicht <i>Le Pas de
+la mort,</i> om van anderen te zwijgen.<a name='FNanchor_424_424'></a><a href='#Footnote_424_424'><sup>[424]</sup></a> Villon weet er een nieuw
+accent in te leggen:<a name='223'></a> dat van zachten weemoed, in de <i>Ballade des dames
+du temps jadis</i> met het refrein:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Mais o&ugrave; sont les neiges d'antan&quot;?<a name='FNanchor_425_425'></a><a href='#Footnote_425_425'><sup>[425]</sup></a></div>
+
+<p>En vervolgens sprenkelt hij het met ironie in de ballade der heeren,
+waar tusschen de koningen, pausen, vorsten van zijn tijd hem invalt:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Helas! et le bon roy d'Espaigne
+<span>Duquel je ne s&ccedil;ay pas le nom&quot;?<a name='FNanchor_426_426'></a><a href='#Footnote_426_426'><sup>[426]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Dat zou de brave hoveling Olivier de la Marche zich niet veroorloofd
+hebben, waar hij in zijn <i>Parement et triumphe des dames</i> al de
+gestorven vorstinnen van zijn tijd op het bekende thema beklaagt.</p>
+
+<p>Wat is er over van al die menschelijke schoonheid en heerlijkheid?
+Herinnering, een naam. Maar de weemoed van die gedachte is niet genoeg,
+om de behoefte aan felle huivering voor den dood te bevredigen. Dus
+houdt de tijd zich den spiegel voor van een zichtbaarder verschrikking,
+de vergankelijkheid op korten termijn: de verrotting van het lijk.</p>
+
+<p>De geest van den wereldverzakenden Middeleeuwer had altijd reeds gaarne
+verwijld bij stof en wormen: in de kerkelijke tractaten over de
+verachting der wereld waren al de verschrikkingen der ontbinding reeds
+opgeroepen. Maar de uitwerking van de d&eacute;tails dier voorstelling komt
+later. Eerst tegen het einde der veertiende eeuw maakt de beeldende
+kunst zich van dit motief meester;<a name='FNanchor_427_427'></a><a href='#Footnote_427_427'><sup>[427]</sup></a> er was een zekere graad van
+realistische uitdrukking noodig, om het in sculptuur of schilderij
+treffend te verwerken,<a name='224'></a> en dat vermogen was omstreeks 1400 bereikt.
+Tegelijk verbreidt zich het motief van de kerkelijke litteratuur naar
+die van het volk. Tot diep in de zestiende eeuw ziet men aan de
+grafteekens de afschuwelijk gevarieerde voorstellingen van het naakte
+lijk, rottend of verschrompeld, met de krampachtige handen en voeten en
+den gapenden mond, met de kronkelende wormen in het ingewand. Bij die
+vreeselijkheid wil de gedachte altijd weer stilstaan. Is het niet vreemd,
+dat zij zich nooit &eacute;&eacute;n schrede verder waagt, om te zien, hoe ook die
+rottenis zelve weer vergaat, en aarde en bloemen wordt?</p>
+
+<p>Is het een werkelijk vrome gedachte, die zich zoo verstrikt in den
+afkeer van de aardsche zijde des doods? Of is het de reactie van een
+allerfelste zinnelijkheid, die slechts z&oacute;o uit haar bedwelming van
+levensdrift ontwaken kan? Is het de levensbangheid, die den tijd zoo
+sterk doortrekt, de stemming van teleurgesteldheid en ontmoediging, die
+neigen wil naar de ware overgave van wie volstreden en gewonnen heeft,
+maar die toch nog zoo dicht staat bij al wat aardsche hartstocht is? Al
+die gevoelsmomenten zijn in deze uiting van de doodsgedachte ongescheiden
+vereenigd.</p>
+
+<p>Levensbangheid: het verloochenen van de schoonheid en het geluk, omdat
+er rampen en smart mee verbonden zijn. Er is een buitengewone gelijkenis
+tusschen de Oud-indische, met name de boeddhistische, en de
+christelijk-middeleeuwsche uitdrukking van dat sentiment. Ook daar
+altijd weer die afschuw van ouderdom, ziekte en dood, ook daar de dik
+opgelegde kleuren der verrotting. De na&iuml;eve Indische aesthetici hadden
+er zelfs een eigen po&euml;tisch genre,<a name='225'></a> <i>b&icirc;bhatsa-rasa</i> of de stemming van
+het walgelijke, van gemaakt, onderscheiden in drie onderafdeelingen, al
+naar de afschuw wordt gewekt door het afzichtelijke, het gruwelijke of
+het wellustige, gelijk vrouwenborsten den asceet doen walgen,<a name='FNanchor_428_428'></a><a href='#Footnote_428_428'><sup>[428]</sup></a> De
+monnik meende het zoo goed te hebben gezegd, als hij de oppervlakkigheid
+van het lichamelijk schoon aanwees. &quot;Corporea pulchritudo in pelle
+solummodo constat. Nam si viderent homines hoc quod subtus pellem est,
+sicut lynces in Boeotia cernere interiora dicuntur, mulieres videre
+nausearent. Iste decor in flegmate et sanguine et humore ac felle
+consistit. Si quis enim considerat quae intra nares, et quae intra
+fauces et quae intra ventrem lateant, sordes utique reperiet. Et si nec
+extremis digitis flegma vel stercus tangere patimur, quomodo ipsum
+stercoris saccum amplecti desideramus?&quot;<a name='FNanchor_429_429'></a><a href='#Footnote_429_429'><sup>[429]</sup></a></p>
+
+<p>Het moedelooze refrein van de verachting der wereld was voor de latere
+Middeleeuwen vastgelegd in het tractaat van dien naam van Innocentius
+III. Wonderlijk, die machtigste en voorspoedigste staatsman op den stoel
+van Petrus, in zooveel aardsche zaken en belangen gemengd en opgaand, en
+die in deze levensverguizing als 't ware meent zijn hoogheid te boeten.
+<a name='226'></a>&quot;Concipit mulier cum immunditia et fetore, parit cum tristitia et
+dolore, nutrit cum angustia et labore, custodit cum instantia et
+timore.&quot;<a name='FNanchor_430_430'></a><a href='#Footnote_430_430'><sup>[430]</sup></a> O al de lachende vreugden van het moederschap!&mdash;&quot;Quis
+unquam vel unicam diem totam duxit in sua delectatione jucundam ... quem
+denique visus vel auditus vel aliquis ictus non offenderit?&quot;<a name='FNanchor_431_431'></a><a href='#Footnote_431_431'><sup>[431]</sup></a> Was
+het christelijke wijsheid of het pruilen van een bedorven kind?</p>
+
+<p>Er is zonder twijfel in dat alles een geest van ontzaglijk materialisme,
+die de gedachte aan het einde van schoonheid niet kon verdragen zonder
+aan die schoonheid zelf te vertwijfelen. En let wel, hoe (althans in de
+litteratuur, niet zoozeer in de beeldende kunst) in het bijzonder het
+vrouwenschoon beklaagd wordt. Er is hier nauwelijks een grens tusschen
+de godsdienstige vermaning, om aan den dood en aan de vergankelijkheid
+van het aardsche te denken, en de spijt van de oude minnares over het
+verval der schoonheid, die zij niet meer geven kan.</p>
+
+<p>Ziehier eerst een voorbeeld, waar de stichtelijke vermaning nog op den
+voorgrond staat. In het Celestijnen-klooster te Avignon bevond zich v&oacute;&oacute;r
+de Revolutie een schildering, die de overlevering aan den kunstrijken
+stichter koning Ren&eacute; zelf toeschreef. Zij stelde een rechtopstaand
+vrouwenlijk voor, met een sierlijk kapsel, gehuld in haar lijkwade; de
+wormen verteerden het lichaam. De eerste strofen van het onderschrift
+luidden:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Une fois sur toute femme belle
+<span>Mais par la mort suis devenue telle.<br /></span>
+<span>Ma chair estoit tr&egrave;s belle, fraische et tendre,<br /></span>
+<span>Or, est-elle toute tourn&eacute;e en cendre.<br /></span>
+<span>Mon corps estoit tr&egrave;s plaisant et tr&egrave;s gent,<br /></span>
+<span>Je me souloye souvent vestir de soye,<br /></span>
+<span>Or en droict fault que toute nue je soye.<br /></span>
+<span>Fourr&eacute;e estois de gris et de menu vair,<br /></span>
+<span>En grand palais me logeois &agrave; mon vueil,<br /></span><a name='227'></a>
+<span>Or suis logi&eacute;e en ce petit cercueil.<br /></span>
+<span>Ma chambre estoit de beaux tapis orn&eacute;e,<br /></span>
+<span>Or est d'aragnes ma fosse environn&eacute;e.&quot;<a name='FNanchor_432_432'></a><a href='#Footnote_432_432'><sup>[432]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Dat deze vermaningen hun werking niet misten, bewijst de legende, die
+zich daaraan verder gesponnen had, hoe de koninklijke kunstenaar zelf,
+die levens- en schoonheidsminnaar bij uitnemendheid, zijn geliefde drie
+dagen na de teraardebestelling in het graf zou hebben gezien, en toen
+geschilderd.</p>
+
+<p>De stemming verandert reeds een weinig in de richting van wereldsche
+zinnelijkheid, wanneer de waarschuwing voor de vergankelijkheid niet aan
+het gruwelijk lijk van een ander wordt gedemonstreerd, maar de levenden
+gewezen worden op hun eigen lichaam, nu nog schoon, maar spoedig voor de
+wormen. Olivier de la Marche besluit zijn stichtelijk allegorisch
+gedicht over de vrouwenkleeding <i>Le parement et triumphe des dames</i> met
+den Dood, die aan alle schoonheid en ijdelheid den spiegel voorhoudt:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Ces doulx regards, ces yeulx faiz pour plaisance,
+<span>Pensez y bien, ilz perdront leur clart&eacute;,<br /></span>
+<span>Nez et sourcilz, la bouche d'eloquence<br /></span>
+<span>Se pourriront....&quot;<a name='FNanchor_433_433'></a><a href='#Footnote_433_433'><sup>[433]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Toch is dit nog een eerlijk memento mori. Maar het
+gaat onmerkbaar over in een spijtig, wereldsch en zelfzuchtig
+beklag over de nadeelen van den ouderdom:</p><a name='228'></a>
+
+<div class='poem'> &quot;Se vous vivez le droit cours de nature
+<span>Dont LX ans est pour ung bien grant nombre,<br /></span>
+<span>Vostre beault&eacute; changera en laydure,<br /></span>
+<span>Vostre sant&eacute; en maladie obscure,<br /></span>
+<span>Et ne ferez en ce monde que encombre.<br /></span>
+<span>Se fille avez, vous luy serez ung umbre,<br /></span>
+<span>Celle sera requise et demand&eacute;e,<br /></span>
+<span>Et de chascun la m&egrave;re habandonn&eacute;e.&quot;<a name='FNanchor_434_434'></a><a href='#Footnote_434_434'><sup>[434]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Alle vrome, stichtelijke zin is verre, als Villon de balladen dicht,
+waarin &quot;la belle heaulmi&egrave;re&quot;, eens een befaamde Parijsche courtisane,
+haar vroeger onweerstaanbare bekoorlijkheden vergelijkt met al de
+leelijkheden van haar vervallen lichaam.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Qu'est devenu ce front poly,
+<span>Ces cheveulx blons, sourcils voultiz,<br /></span>
+<span>Grant entroeil, le regart joly,<br /></span>
+<span>Dont prenoie les plus soubtilz;<br /></span>
+<span>Ce beau nez droit, grant ne petiz,<br /></span>
+<span>Ces petites joinctes oreilles,<br /></span>
+<span>Menton fourchu, cler vis traictiz<br /></span>
+<span>Et ces belles levres vermeilles?<br /></span>
+<span>...................................................<br /></span>
+<span>Le front rid&eacute;, les cheveux gris,<br /></span>
+<span>Les sourcilz cheuz<a name='FNanchor_435_435'></a><a href='#Footnote_435_435'><sup>[435]</sup></a>, les yeuls estains....&quot;<a name='FNanchor_436_436'></a><a href='#Footnote_436_436'><sup>[436]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>In een der po&euml;tische boeken van de heilige schrift der zuidelijke
+Boeddhisten heeft men het lied eener vrome oude non Ambap&acirc;l&icirc;, van
+eenzelfde verleden als &quot;la belle heaulmi&egrave;re&quot;. Ook zij vergelijkt haar
+schoonheid van eertijds met haar weerzinwekkenden ouderdom,<a name='229'></a> hier met
+dankbaren lof voor het verdwijnen van dat nietswaardig schoon.<a name='FNanchor_437_437'></a><a href='#Footnote_437_437'><sup>[437]</sup></a>
+Maar is de afstand van het sentiment wel zoo groot, als hij schijnen
+wil?</p>
+
+<p>De felle afschuw van de ontbinding van het aardsche lichaam heeft haar
+tegenkant in de hooge waarde, die men toekent aan het onbedorven blijven
+van de lijken van sommige heiligen, zooals Sint Rosa van Viterbo. Het is
+een van de kostbaarste heerlijkheden van Maria, dat haar lichaam voor de
+ontbinding op aarde gespaard is gebleven door haar hemelvaart.<a name='FNanchor_438_438'></a><a href='#Footnote_438_438'><sup>[438]</sup></a>
+Weer op een andere wijze spreekt de materialistische geest, die zich
+niet kon losmaken van de gedachte aan het lichaam, uit de bijzondere
+zorg, waarmee sommige lijken behandeld worden. Er bestond een gewoonte,
+om terstond na den dood de trekken van het aangezicht van een
+aanzienlijken gestorvene bij te schilderen, opdat v&oacute;&oacute;r de begrafenis
+geen bederf zichtbaar zou zijn.<a name='FNanchor_439_439'></a><a href='#Footnote_439_439'><sup>[439]</sup></a> Het lijk van een prediker van de
+kettersche secte der Turlupins, die te Parijs in de gevangenis v&oacute;&oacute;r het
+vonnis gestorven was, wordt veertien dagen in een vat met kalk bewaard,
+om het te zamen met een levende kettersche te kunnen verbranden.<a name='FNanchor_440_440'></a><a href='#Footnote_440_440'><sup>[440]</sup></a>
+Van de Engelschen, die in Frankrijk gesneuveld of gestorven zijn, wordt
+veelal het lijk in stukken gesneden, gekookt, tot het vleesch loslaat
+van de beenderen, die gereinigd en in een koffer naar Engeland gezonden
+worden,<a name='230'></a> terwijl de rest begraven wordt. Zoo geschiedt met Hendrik V, met
+de lords York en Oxford, bij Azincourt gesneuveld, met Glasdale, bekend
+uit de geschiedenis van Jeanne d'Arc, met een neef van Sir John
+Fastolfe.<a name='FNanchor_441_441'></a><a href='#Footnote_441_441'><sup>[441]</sup></a></p>
+
+<p>In de veertiende eeuw komt het wonderlijke woord macabre op, als om de
+geheele laat-middeleeuwsche visie van den dood te markeeren. Het woord
+(tot in de 17<sup>e</sup> eeuw luidde het macabr&eacute;) is onvoldoende verklaard, wat
+zijn oorsprong betreft, maar de beteekenisnuance, die het uit zijn
+gebruik verworven heeft, is zoo scherp en eigen, dat zij geen
+omschrijving behoeft. De macabere opvatting van den dood is in onzen
+tijd nog voornamelijk te vinden op dorpskerkhoven, waar men er in rijm
+en figuur den nagalm van hoort. In het einde der Middeleeuwen is zij een
+groote cultuurgedachte geweest. Er raakte in de voorstelling van den
+dood een nieuw, aangrijpend fantastisch element gemengd, een rilling,
+die opkwam uit het ijzige bewustzijnsgebied van spokenvrees en klammen
+schrik. De allesbeheerschende godsdienstige gedachte zette haar
+aanstonds om in moraal, herleidde haar tot memento mori, maar maakte
+gaarne gebruik van al de huiveringwekkende suggestie, die het spectrale
+karakter der voorstelling meebracht.</p>
+
+<p>Rondom den Doodendans groepeeren zich de verwante voorstellingen van het
+sterven, die tot verschrikking en vermaning dienen moesten. De sproke
+van de Drie dooden en de drie levenden gaat aan den Doodendans vooraf.
+<a name='FNanchor_442_442'></a><a href='#Footnote_442_442'><sup>[442]</sup></a>
+<a name='231'></a>Reeds in de dertiende eeuw komt zij op in de Fransche litteratuur:
+drie jonge edellieden ontmoeten plotseling drie afzichtelijke dooden,
+die hen wijzen op hun eigen voormalige aardsche grootheid en op het
+spoedig einde, dat hun, den levenden, wacht. De aangrijpende figuren, in
+het Campo santo van Pisa zijn wel de oudste voorstelling van het thema
+in de groote kunst; het beeldhouwwerk aan het portaal van de kerk der
+Innocents te Parijs, waar de hertog van Berry in 1408 het onderwerp liet
+afbeelden, is verloren. Maar miniatuur en houtsnee maken het in de
+vijftiende eeuw tot gemeen goed, en ook als muurschildering is het zeer
+verbreid.</p>
+
+<p>De voorstelling van de drie dooden en de drie levenden vormt de schakel
+tusschen het afzichtelijke beeld der verrotting en de gedachte door den
+Doodendans verbeeld, hoe voor den dood allen gelijk zijn. De
+kunsthistorische ontwikkeling van het gegeven kome hier slechts even ter
+sprake. Ook van den Doodendans schijnt Frankrijk het land van herkomst.
+Doch hoe is hij ontstaan? als een werkelijk gespeelde vertooning, of
+als afbeelding? Het is bekend, dat de these van Emile M&acirc;le, die de
+uitwerking der motieven in de beeldende kunst der vijftiende eeuw
+beschouwt als in den regel ontleend aan het zien van dramatische
+vertooningen, in haar algemeenheid niet voor de kritiek bestand is
+gebleken. Maar ten opzichte van den Doodendans zou het kunnen zijn, dat
+men op die verwerping een uitzondering moest maken; dat hier inderdaad
+de vertooning aan de afbeelding is voorafgegaan. In ieder geval, 't zij
+vroeger of later,<a name='232'></a> de Doodendans werd gespeeld evengoed als geschilderd
+of in prent gebracht. De hertog van Bourgondi&euml; laat hem in 1449 opvoeren
+in zijn h&ocirc;tel te Brugge.<a name='FNanchor_443_443'></a><a href='#Footnote_443_443'><sup>[443]</sup></a> Hadden wij eenig denkbeeld van de
+uitmonstering van zulk een spel: de kleuren, de bewegingen, het glijden
+van licht en schaduwen over de dansenden, wij zouden nog beter de
+ernstige verschrikking begrijpen, die de Doodendans over de gemoederen
+bracht, dan het ons de houtsneden van Guyot Marchant en van Holbein
+doen.</p>
+
+<p>De houtsneden, waarmee de Parijsche drukker Guyot Marchant in 1485 de
+eerste uitgave van de <i>Danse macabre</i> versierde, waren zoo goed als
+zeker, evenals de verzen, ontleend aan den beroemdsten en oudsten aller
+Doodendansen, die welke in het jaar 1424 als muurschildering in de
+galerij van het kerkhof der Innocents te Parijs was aangebracht.<a name='FNanchor_444_444'></a><a href='#Footnote_444_444'><sup>[444]</sup></a>
+Zij is in de zeventiende eeuw door afbraak van de galerij verdwenen.
+Het is de meest populaire verbeelding van den dood geweest, die de
+Middeleeuwen hebben gekend: duizenden hebben dag in dag uit op die
+zonderlinge en macabere plaats van samenkomst, die het kerkhof der
+Innocents was, de eenvoudige figuren aanschouwd en de bevattelijke
+verzen, waarvan elk couplet met een bekend spreekwoord eindigde,
+gelezen, zich getroost over de gelijkheid in den dood en gehuiverd voor
+het einde. Nergens kon die aapachtige dood zoo op zijn plaats zijn, die
+grinnikend, met de passen van een ouden stijven dansmeester, den paus,
+den keizer, den edelman, den daglooner, den monnik, het kleine kind, den
+zot en al de andere beroepen en standen uitnoodigend meetrekt. Geven de
+houtsneden van 1485,<a name='233'></a> die blijkens de kleederdracht geen getrouwe copie
+zijn, nog eenigszins den indruk weer van de vermaarde muurschildering?
+Misschien zal men daarvoor nog e&ecirc;r moeten zien naar den Doodendans uit
+de kerk van La Chaise-Dieu,<a name='FNanchor_445_445'></a><a href='#Footnote_445_445'><sup>[445]</sup></a> waar het spookachtige van de
+voorstelling nog verhoogd wordt door den half-voltooiden staat der
+schildering.</p>
+
+<p>Het lijk, dat veertig maal terugkeert, om den levende te halen, is
+eigenlijk nog niet de Dood, maar de doode. De verzen noemen de figuur
+Le mort (bij den doodendans der vrouwen La morte); het is een danse des
+morts, niet de la Mort. Het is ook hier niet een geraamte, maar een nog
+niet geheel ontvleescht lichaam met den gespleten hollen buik. Eerst
+omstreeks 1500 wordt de figuur van den grooten danser een geraamte,
+zooals wij het van Holbein kennen. Dan heeft zich de voorstelling van
+een vagen dooden dubbelganger gecondenseerd tot die van den Dood als
+actieven, persoonlijken levenseindiger. Zoo was hij in de Middeleeuwen
+nog niet verbeeld. In den ouderen doodendans is de onvermoeide danser
+nog de levende zelf, zooals hij zijn zal in de naaste toekomst, een
+angstwekkende verdubbeling van zijn persoon, het beeld, dat hij in den
+spiegel ziet; niet, zooals sommigen willen, een vroeger gestorvene van
+gelijken stand of waardigheid. Juist dit: gij zijt het zelf, gaf aan den
+doodendans zijn huiveringwekkendste kracht.</p>
+
+<p>Ook in het fresco, dat de gewelfde overhuiving sierde van het
+grafmonument van koning Ren&eacute; en zijn gemalin Isabella in de kathedraal
+van Angers,<a name='234'></a> was het feitelijk nog de koning zelf, die was voorgesteld.
+Men zag er een skelet (of zal ook dit e&ecirc;r een lijk zijn geweest?) in een
+langen mantel, zittend op een gouden troon, dat met de voeten mijters,
+kronen, wereldbol en boeken wegschopt. Het hoofd was op de dorre hand
+geleund, die een wankelende kroon zocht te steunen.<a name='FNanchor_446_446'></a><a href='#Footnote_446_446'><sup>[446]</sup></a></p>
+
+<p>De oorspronkelijke doodendans gaf enkel mannen te zien. De bedoeling, om
+aan de vermaning over de vergankelijkheid en ijdelheid van het aardsche
+tegelijk de les der maatschappelijke gelijkheid te verbinden, bracht uit
+den aard der zaak de mannen, als de dragers der maatschappelijke
+beroepen en waardigheden, op den voorgrond. De doodendans was niet
+alleen een vroom vermaan, maar ook een sociale satire, en er is in de
+begeleidende verzen een zwakke ironie. Nu gaf echter dezelfde Guyot
+Marchant als vervolg op zijn uitgave een doodendans der vrouwen,
+waarvoor Martial d'Auvergne de verzen maakte. De onbekende teekenaar der
+houtsneden bleef achter bij het model, dat hem de eerdere uitgave
+leverde: hij vond enkel de hideuse figuur van het rif, om welks schedel
+nog schaarsche vrouwenharen zwieren. In den doodendans der vrouwen nu
+treedt terstond dat sensueele element weer op, dat ook het thema
+doortrok van het beklag over schoonheid, die verrotting wordt. Hoe kon
+het ook anders? Er waren geen veertig beroepen en waardigheden van
+vrouwen te vermelden; met de voornaamste standen, koningin, edelvrouw
+enz., enkele geestelijke functies of staten, en een paar bedrijven als
+koopvrouw, baker enz. was de voorraad uitgeput.<a name='235'></a> De rest kon slechts
+worden aangevuld, door de vrouw te beschouwen in de verschillende staten
+van haar vrouwenleven zelf: als maagd, geliefde, bruid, jonggetrouwde,
+zwangere. En zoo is het ook hier weer de klacht om verdwenen of nooit
+genoten vreugde en schoonheid, die den toon van het memento mori
+schriller doet klinken.</p>
+
+<p>E&eacute;n beeld ontbrak nog in de verschrikkende verbeelding van het sterven:
+dat van het doodsuur zelf. De schrik voor die stonde kon den geest niet
+levendiger worden ingeprent dan door te herinneren aan Lazarus: deze had
+na zijn herrijzenis, heette het, niet anders gekend dan jammerlijk
+afgrijzen voor den dood, dien hij reeds eens geleden had. En als de
+rechtvaardige zoo moest vreezen, hoe dan de zondaar?<a name='FNanchor_447_447'></a><a href='#Footnote_447_447'><sup>[447]</sup></a> De
+voorstelling van den doodsstrijd was de eerste der Vier uitersten,
+Quattuor hominum novissima, die het den mensch goed was sta&acirc;g te
+overdenken: dood, jongste gericht, hel en hemel. Als zoodanig reikt zij
+in het gebied van de hiernamaalsvoorstellingen. Hier komt voorloopig
+alleen de voorstelling van het lichamelijke sterven zelf ter sprake.
+Nauw verwant met het thema der Vier uitersten is de Ars moriendi, een
+schepping der vijftiende eeuw, die evenals de Doodendans door boekdruk
+en houtsnede verder werkte dan eenige vrome gedachte tevoren. Zij
+behandelt de verzoekingen, vijf in getal, waarmee de duivel den
+stervende belaagt: den twijfel aan het geloof, de wanhoop over zijn
+zonden, de gehechtheid aan zijn aardsche goederen, vertwijfeling over
+zijn eigen lijden, eindelijk den hoogmoed over eigen deugd.<a name='236'></a> Telkens komt
+een engel de lagen van Satan afweren met zijn troost. De beschrijving
+van den doodsstrijd zelf was oude stof; men herkent er steeds weer
+hetzelfde kerkelijke model in.<a name='FNanchor_448_448'></a><a href='#Footnote_448_448'><sup>[448]</sup></a></p>
+
+<p>Chastellain heeft in een uitvoerig gedicht <i>Le Pas de la Mort</i><a name='FNanchor_449_449'></a><a href='#Footnote_449_449'><sup>[449]</sup></a> al
+de hier besproken motieven saamgevat. Hij begint met het aangrijpende
+verhaal, dat zelfs in de deftige wijdloopigheid, dezen schrijver eigen,
+zijn werking niet mist, hoe zijn stervende geliefde hem bij zich riep en
+met gebroken stem zeide:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Mon amy, regardez ma face.
+<span>Voyez que fait dolante mort<br /></span>
+<span>Et ne l'oubliez d&eacute;sormais;<br /></span>
+<span>C'est celle qu'aimiez si fort;<br /></span>
+<span>Et ce corps vostre, vil et ort,<br /></span>
+<span>Vous perderez pour un jamais;<br /></span>
+<span>Ce sera puant entremais<br /></span>
+<span>A la terre et &agrave; la vermine:<br /></span>
+<span>Dure mort, toute beaut&eacute; fine.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Daarop maakt de dichter een Spiegel des doods. Eerst werkt hij het thema
+Waar zijn nu de grooten der aarde? uit: veel te lang, eenigszins
+schoolmeesterachtig, zonder iets van den luchtigen weemoed van Villon.
+Dan volgt iets als een eerste opzet van een doodendans, maar zonder
+kracht of verbeelding. Tenslotte berijmt hij de Ars moriendi. Hier is
+zijn beschrijving van den doodsstrijd:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Il n'a membre ne facture
+<span>Qui ne sente sa pourreture.<br /></span>
+<span>Avant que l'esperit soit hors,<br /></span>
+<span>Le coeur gui veult crevier au corps<br /></span>
+<span>Haulce et souli&egrave;ve la poitrine<br /></span><a name='237'></a>
+<span>Qui se veult joindre &agrave; son eschine.<br /></span>
+<span>&mdash;La face est tainte et apalie,<br /></span>
+<span>Et les yeux treilli&eacute;s en la teste.<br /></span>
+<span>La parolle luy est faillie,<br /></span>
+<span>Car la langue au palais se lie.<br /></span>
+<span>Le poulx tressault et sy halette.<br /></span>
+<span>.................................................<br /></span>
+<span>Les os desjoindent &agrave; tous lez;<br /></span>
+<span>Il n'a nerf qu'au rompre ne tende.&quot;<a name='FNanchor_450_450'></a><a href='#Footnote_450_450'><sup>[450]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Villon besluit dat alles in een half couplet, veel aangrijpender.<a name='FNanchor_451_451'></a><a href='#Footnote_451_451'><sup>[451]</sup></a>
+Toch herkent men het gemeenschappelijk voorbeeld.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;La mort le fait fremir, pallir,
+<span>Le nez courber, les vaines tendre,<br /></span>
+<span>Le col enfler, la chair mollir,<br /></span>
+<span>Joinctes et nerfs croistre et estendre.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>En dan weer die sensueele gedachte, die telkens door al deze
+voorstellingen van verschrikking heen loopt:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Corps femenin, qui tant est tendre,
+<span>Poly, souef, si precieux,<br /></span>
+<span>Te fauldra il ces maulx attendre?<br /></span>
+<span>Oy, ou tout vif aller es cieulx.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>&mdash;Nergens was alles wat den dood voor oogen riep, zoo treffend bijeen
+als op het kerkhof der Innocents te Parijs. Daar genoot de geest de
+huivering van het macabere in haar volste maat. Alles werkte mee, om aan
+deze plek de sombere heiligheid en bonte griezeligheid te geven, die de
+late Middeleeuwen zoo hevig begeerden.<a name='238'></a> Reeds de heiligen, aan wie de
+kerk en het kerkhof gewijd waren, de Onnoozele kinderen, die in de
+plaats van Christus geslacht waren, brachten door hun martelie die
+wreede roering en bloedige verteedering aan, waarin de tijd zwelgde.
+Juist in deze eeuw kwam hun vereering sterk op den voorgrond. Men bezat
+meer dan &eacute;&eacute;n reliek van de knaapjes van Bethlehem: Lodewijk XI schonk
+aan de hun gewijde kerk te Parijs &quot;un Innocent entier&quot;, besloten in een
+grooten kristallen schrijn.<a name='FNanchor_452_452'></a><a href='#Footnote_452_452'><sup>[452]</sup></a> Het kerkhof was de plaats, waar men
+liever rustte dan ergens anders. Een bisschop van Parijs liet een weinig
+aarde van het kerkhof der Innocents in zijn graf leggen, daar hij er
+niet begraven kon worden.<a name='FNanchor_453_453'></a><a href='#Footnote_453_453'><sup>[453]</sup></a> Arm en rijk lag er dooreen, en niet voor
+lang, want zoo druk was het gebruik der begraafplaats, waarop twintig
+parochi&euml;n het recht van begraven hadden, dat na verloop van eenigen tijd
+de beenderen werden opgegraven en de steenen verkocht. Het heette, dat
+een lichaam er in negen dagen tot op de beenderen verging.<a name='FNanchor_454_454'></a><a href='#Footnote_454_454'><sup>[454]</sup></a>
+Schedels en beenderen werden dan opgestapeld in de knekelzolders boven
+de zuilengang, die het kerkhof aan drie zijden omringde: bij duizenden
+lagen zij daar open en bloot voor het gezicht, en preekten de les van
+gelijkheid. Onder de arcaden was in de schildering en de verzen van den
+Doodendans diezelfde les te zien en te lezen. Voor het maken van de
+&quot;beaux charniers&quot; had onder anderen de edele Boucicaut geld gegeven.
+<a name='FNanchor_455_455'></a><a href='#Footnote_455_455'><sup>[455]</sup></a> Aan het portaal der kerk had de hertog van Berry, die daar rusten
+wilde,<a name='239'></a> de voorstelling van de drie dooden en de drie levenden laten
+beeldhouwen. Later, in de zestiende eeuw, verrees op het kerkhof nog de
+groote Dood, die in het Louvre eenzaam de eenige rest uitmaakt van al
+wat daar bijeen was.</p>
+
+<p>Deze plek nu was voor de Parijzenaars der vijftiende eeuw als een luguber
+Palais royal van 1789. Te midden van het voortdurende begraven en weer
+opgraven was het er een wandelplaats en een vereenigingspunt. Men vond
+er winkeltjes bij de knekelhuizen en lichte vrouwen onder de arcaden.
+Een ingemetselde kluizenares aan de zijde der kerk verhoogde de
+bezienswaardigheid. Soms kwam een bedelmonnik preeken op de plaats, die
+zelf een preek in middeleeuwschen stijl was. Soms verzamelde er zich een
+processie van kinderen: 12500, zegt de burger van Parijs, allen met
+kaarsen, die een Innocent naar de Notre Dame en weer terug droegen.
+Zelfs feesten werden er gegeven.<a name='FNanchor_456_456'></a><a href='#Footnote_456_456'><sup>[456]</sup></a> Zoo was het huiveringwekkende
+weer alledaagsch geworden.</p>
+
+<p>In de zucht tot directe verbeelding van den dood, waarbij al het
+onverbeeldbare moest worden prijsgegeven, werden alleen de grovere
+aspecten van den dood in het bewustzijn gedrongen. In de macabere visie
+van den dood ontbreekt zoo goed als al het teere, al het elegische. En
+in den grond is het een zeer deeszijdig, zelfzuchtig gezicht op den
+dood. Het is niet de rouw om het gemis van geliefden, maar de spijt om
+den eigen komenden dood, enkel gezien als onheil en verschrikking. Daar
+is geen gedachte in aan den dood als trooster, aan het einde van lijden,
+aan de begeerde rust,<a name='240'></a> de vervulde of de afgebroken taak, geen teedere
+herinnering, geen berusting. Niets van de &quot;divine depth of sorrow&quot;.
+Slechts een enkele maal klinkt er een weeker accent. In den doodendans
+spreekt de doode den daglooner aan:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Laboureur qui en soing et painne
+<span>Avez vescu tout vostre temps,<br /></span>
+<span>Morir fault, c'est chose certainne,<br /></span>
+<span>Reculler n'y vault ne contens (tegenstribbeling).<br /></span>
+<span>De mort devez estre contens<br /></span>
+<span>Car de grant soussy vous delivre....&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Maar de daglooner beklaagt toch het leven, waarvan hij dikwijls het eind
+heeft gewenscht.</p>
+
+<p>Martial d'Auvergne laat in zijn doodendans der vrouwen het kleine meisje
+tot haar moeder roepen: bewaar toch goed mijn pop, mijn bikkels en mijn
+mooie jurk. De aandoenlijke accenten van het kinderleven zijn in de
+litteratuur der late Middeleeuwen uitermate zeldzaam; er was geen plaats
+voor in de gewichtige stijfheid van den grooten stijl. Noch de kerkelijke
+noch de wereldlijke litteratuur kennen eigenlijk het kind. Wanneer
+Antoine de la Salle in <i>Le Reconfort</i><a name='FNanchor_457_457'></a><a href='#Footnote_457_457'><sup>[457]</sup></a> een edelvrouw wil troosten
+over het verlies van haar zoontje, weet hij niet anders te geven dan het
+verhaal van een knaap, die nog wreeder zijn jonge leven verloor, als
+gijzelaar omgebracht. Als overwinning der smart kan hij haar niet anders
+bieden dan de leer, om aan niets wat aardsch is te hechten. Maar dan
+laat hij volgen, wat wij kennen als het volkssprookje van het doodshemdje:
+het gestorven kindje,<a name='241'></a> dat zijn moeder komt vragen om niet langer te
+schreien, opdat zijn doodshemdje kan drogen. En het is opeens een veel
+inniger geluid dan het in duizend tonen gezongen memento mori. Zouden niet
+volksverhaal en volkslied in die eeuwen allerlei sentimenten hebben
+bewaard, die de litteratuur nauwelijks kent?</p>
+
+<p>De kerkelijke gedachte der late Middeleeuwen kent alleen de twee uitersten:
+de klacht om de vergankelijkheid, om het einde van macht, eer en genot,
+om het vergaan van schoonheid, en den jubel om de geredde ziel in haar
+zaligheid. Alles wat daartusschen ligt, blijft onuitgesproken. In de
+doorgevoerde verbeelding van den doodendans en het ijselijke rif versteent
+de levende aandoening.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='VI'></a>VI</h2>
+<a name='242'></a>
+<h3>DE TEUGELLOOZE VERBEELDING VAN HET HEILIGE</h3>
+<br />
+
+<p>De doodsvoorstelling kan gelden als voorbeeld van het laat-middeleeuwsche
+denkleven in het algemeen: het is als een uitvloeien, een verzanden van
+de gedachte in het beeld. De gansche inhoud van het gedachtenleven wil
+uitgedrukt worden in verbeeldingen; al het goud wordt aangemunt in
+kleine, dunne schijven. Door die teugellooze behoefte aan verbeelding
+was het heilige voortdurend blootgesteld aan veruiterlijking en
+verstarring.</p>
+
+<p>Het geheele proces van de ontwikkeling der volksvroomheid in de latere
+Middeleeuwen kan niet bondiger worden uitgedrukt dan in de volgende
+woorden van Jakob Burckhardt uit zijn <i>Weltgeschichtliche Betrachtungen</i>.
+&quot;Eine m&auml;chtige Religion entfaltet sich in alle Dinge des Lebens hinein
+und f&auml;rbt auf jede Regung des Geistes, auf jedes Element der Kultur ab.
+Freilich reagieren dann diese Dinge mit der Zeit wieder auf die
+Religion; ja deren eigentlicher Kern kann erstickt werden von den
+Vorstellungs- und Bilderkreisen, die sie einst in ihren Bereich gezogen
+hat. Das 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' had seine schicksalsvolle
+Seite.&quot; En verderop: &quot;Nun ist aber keine Religion jemals ganz unabh&auml;ngig
+von der Kultur der betreffenden V&ouml;lker und Zeiten gewesen. Gerade, wenn
+sie sehr souver&auml;n mit Hilfe buchst&auml;blich gefasster heiliger Urkunden
+herrscht und scheinbar Alles sich nach ihr richtet, wenn sie sich 'mit
+dem ganzen Leben verflicht',<a name='243'></a> wird dieses Leben am unfehlbarsten auch auf
+sie einwirken, sich auch mit ihr verflechten. Sie hat dann sp&auml;ter an
+solchen innigen Verflechtungen mit der Kultur keinen Nutzen mehr,
+sondern lauter Gefahren; aber gleichwohl wird eine Religion immer so
+handeln, so lange sie wirklich lebenskr&auml;ftig ist.&quot;<a name='FNanchor_458_458'></a><a href='#Footnote_458_458'><sup>[458]</sup></a></p>
+
+<p>Het leven der middeleeuwsche christenheid is in al zijn betrekkingen
+doortrokken, geheel verzadigd met godsdienstige voorstellingen. Daar is
+geen ding en geen handeling, waarin niet voortdurend de betrekking tot
+Christus en het geloof wordt gelegd. Maar in die oververzadigde
+atmosfeer is de religieuze spanning, de daadwerkelijke transcendentie,
+het uittreden uit het hier-en-dit niet steeds aanwezig. Blijft die
+spanning uit, dan verdooft alles tot schrikwekkende alledaagsche
+onheiligheid, een verbazende deeszijdigheid in geenzijdige vormen. Zelfs
+bij een subliemen heilige als Heinrich Suso, bij wien de religieuze
+spanning misschien geen oogenblik te kort schoot, blijft toch de val
+naar het ridicule niet uit. Subliem, wanneer hij, gelijk de ridder
+Boucicaut het om der wille van een aardsche geliefde deed, allen vrouwen
+eer bewijst om Maria, en voor een arme terzijde in het slijk treedt. Hij
+volgt de gebruiken der aardsche min, en viert den jaarsdag en den Meidag
+zijn liefde voor de Wijsheid, zijn bruid, met een krans en een liedje.
+Hoort hij een minneliedje, dan past hij het terstond toe op zijne
+Wijsheid. Maar wat van het volgende? Aan tafel placht Suso, als hij een
+appel at, dien in vieren te snijden: drie partjes at hij in naam der
+Drie&euml;enheid en het vierde at hij &quot;in der minne, als diu himelsch muter
+<a name='244'></a>irem zarten kindlein Jesus ein epfelli gab ze essen&quot;, en daarom at hij
+dat vierde partje met de schil, want kleine jongens eten appels
+ongeschild. En eenige dagen na Kerstmis,&mdash;dus als het Jezuskind nog te
+klein was om appels te eten, zal de bedoeling zijn,&mdash;at hij dat vierde
+partje niet, maar offerde het aan Maria, om het aan haar zoon te geven.
+Zijn dronk nam hij in vijf teugen, om de vijf wonden des Heeren, maar
+omdat uit Christus' zijde bloed en water vloeide, nam hij den vijfden
+teug dubbel.<a name='FNanchor_459_459'></a><a href='#Footnote_459_459'><sup>[459]</sup></a>&mdash;Ziedaar het 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' in
+zijn uiterste doorvoering.</p>
+
+<p>Afgezien voorloopig van den graad van innigheid, en enkel beschouwd als
+godsdienstige vormen, is er in de vroomheid der late Middeleeuwen zeer
+veel, wat zich voordoet als woekeringen van het godsdienstig leven, mits
+men dat begrip niet opvat van een protestantsch-dogmatisch standpunt. Er
+was, afgezien van de qualitatieve veranderingen, die zij meebrachten, in
+de Kerk een quantitatieve vermeerdering van gebruiken en begrippen
+ontstaan, die de ernstige godgeleerden met schrik vervulde. Het is niet
+zoozeer tegen de onvroomheid of bijgeloovigheid van al het nieuwe, dat
+zich opdrong, als tegen de overlading van het geloof op zich zelf, dat
+de reformgeest der vijftiende eeuw zich keert. De teekens der altijd
+bereide goddelijke genade waren altijd meer geworden; naast de
+sacramenten bloeiden aan alle zijden de benedicties; van de relieken
+kwam men tot de amuletten, de kracht van het gebed werd geformaliseerd
+in de rozenkransen, de bonte galerij der heiligen kreeg altijd meer
+kleur en leven.<a name='245'></a> En al ijverde de theologie voor een goede onderscheiding
+van sacramenten en sacramentali&euml;n, welk middel was er, om het volk te
+weerhouden, op al dat magische en bonte hun hoop en geloof te vestigen?
+Gerson had te Auxerre iemand ontmoet, die beweerde, dat het Dwazenfeest,
+waarmee in kerken en kloosters de wintermaand gevierd werd, even
+geheiligd was als dat van Mariae ontvangenis.<a name='FNanchor_460_460'></a><a href='#Footnote_460_460'><sup>[460]</sup></a> Nicolas de Clemanges
+schreef een tractaat tegen het instellen en vieren van nieuwe feesten;
+er waren er van die nieuwe, verklaarde hij, waarbij ongeveer de geheele
+liturgie van apocryphen aard was, en met instemming gewaagt hij van den
+bisschop van Auxerre, die de meeste feestdagen had afgeschaft.<a name='FNanchor_461_461'></a><a href='#Footnote_461_461'><sup>[461]</sup></a>
+Pierre d'Ailly richt zich in zijn geschrift <i>De reformatione</i><a name='FNanchor_462_462'></a><a href='#Footnote_462_462'><sup>[462]</sup></a>
+tegen de voortdurende vermeerdering van kerken, feesten, heiligen,
+rustdagen, tegen den overvloed van beelden en schilderijen, de al te
+groote uitvoerigheid van den dienst, het opnemen van apocryphe
+geschriften in de liturgie der feesten, tegen de invoering van nieuwe
+hymnen en gebeden of andere willekeurige nieuwigheden, tegen de al te
+strenge vermeerdering van vigili&euml;n, gebeden, vasten, onthoudingen. Er
+was een neiging, om aan elk punt uit de vereering van de Moeder Gods een
+specialen dienst te verbinden. Er waren bijzondere missen, later door de
+Kerk afgeschaft, van Maria's vroomheid, van haar zeven smarten, van alle
+Mariafeesten te zamen, van haar zusteren Maria Jacobi en Maria Salome,
+van den engel Gabriel, van al de heiligen, die den geslachtsboom des
+Heeren<a name='246'></a> uitmaakten.<a name='FNanchor_463_463'></a><a href='#Footnote_463_463'><sup>[463]</sup></a> Verder zijn er te veel kloosterorden, zegt
+d'Ailly, en dit leidt tot verscheidenheid van gebruiken, tot afzondering
+en hoogmoed, tot ijdele verheffing van den &eacute;&eacute;nen geestelijken staat
+boven den anderen. Vooral de bedelorden wil hij beperken. Hun toestand
+is schadelijk voor de leprozenhuizen en hospitalen en voor de andere
+echte armen en ellendige behoeftigen, wien het recht en de ware titel
+des bedelens toekomt.<a name='FNanchor_464_464'></a><a href='#Footnote_464_464'><sup>[464]</sup></a> Hij wil de preekende questierders van den
+aflaat uit de kerk verbannen, die haar bezoedelen met hun leugens en
+haar belachelijk maken.<a name='FNanchor_465_465'></a><a href='#Footnote_465_465'><sup>[465]</sup></a> Waar moet het heen met de voortdurende
+stichting van nieuwe vrouwenconventen zonder voldoende middelen?</p>
+
+<p>Men ziet, het is meer tegen het quantitatieve euvel, dat Pierre d'Ailly
+te velde trekt, dan tegen het qualitatieve. Hij trekt, met uitzondering
+van zijn schimp tegen den aflaatpreek, niet uitdrukkelijk de vroomheid
+en heiligheid van al die praktijken in twijfel; hem bezwaart hun
+ongebreideld aangroeien als zoodanig; hij ziet de Kerk verstikken onder
+dien last van bijzonderheden. Toen Alanus de Rupe zijn nieuwe broederschap
+van den rozenkrans propageert, richt zich het verzet ook meer tegen de
+nieuwigheid op zich zelf dan tegen den inhoud ervan. Vertrouwend op de
+werking van zulk een grootsche gebedsgemeenschap, als Alanus zich
+voorstelde, zou het volk de voorgeschreven penitenties, de geestelijkheid
+de canonieke getijden verwaarloozen. De parochiekerken zouden leegloopen,
+<a name='247'></a>als de broederschap enkel in de kerken der Franciscanen en Dominicanen
+vergaderde. Uit de bijeenkomsten konden licht partijzucht en samenzweringen
+voortkomen. En ten slotte verwijt men hem ook: het zijn droombeelden,
+phantasie&euml;n en oudewijvenpraatjes, die de broederschap voor groote en
+wonderlijke openbaringen verkoopt.<a name='FNanchor_466_466'></a><a href='#Footnote_466_466'><sup>[466]</sup></a></p>
+
+<p>De bijna mechanische wijze, waarop de heilige gebruiken zich neigden te
+vermenigvuldigen, wanneer geen strenge autoriteit besnoeiend ingreep,
+heeft een karakteristiek voorbeeld in de wekelijksche vereering der
+Onnoozele kinderen. Aan de herdenking van den Bethlehemschen kindermoord
+op 28 December verbond zich evenzeer allerlei half-heidensch midwinter-
+bijgeloof als sentimenteele aandoening over den gruwel van dit
+martelaarschap; de dag gold als een ongeluksdag. En nu plachten velen
+gedurende het heele jaar den weekdag, waarop het laatst Onnoozele
+kinderen gevallen was, als een ongeluksdag te ontzien. Men mocht dien
+dag geen werk beginnen, geen tocht aanvaarden. De dag heette eenvoudig
+&quot;les Innocents&quot; evenals het feest zelf. Lodewijk XI nam dit gebruik
+nauwgezet in acht. De kroning van Eduard IV werd nog eens overgedaan,
+omdat men haar eerst op den ongelukkigen dag der week had verricht. Ren&eacute;
+van Lotharingen moest van een gevecht afzien, omdat zijn landsknechten
+weigerden, op grond dat het de weekdag van Onnoozele kinderen was.<a name='FNanchor_467_467'></a><a href='#Footnote_467_467'><sup>[467]</sup></a></p>
+<a name='248'></a>
+<p>Johannes Gerson neemt uit dit gebruik de aanleiding tot een tractaat
+tegen het bijgeloof in het algemeen en dit in het bijzonder.<a name='FNanchor_468_468'></a><a href='#Footnote_468_468'><sup>[468]</sup></a> Hij
+is een dergenen geweest, die het gevaar van die woekering der
+godsdienstige denkbeelden voor het kerkelijk leven duidelijk hebben
+gezien. Met zijn scherpen, ietwat nuchteren geest ziet hij ook iets van
+den zielkundigen grond voor het opkomen van al die denkbeelden. Zij
+spruiten voort &quot;ex sola hominum phantasiatione et melancholica
+imaginatione&quot;; het is een bederf van de verbeeldingskracht; deze berust
+op een inwendig hersenletsel, en dit weer op duivelsche begoocheling.
+Zoo krijgt de duivel toch nog zijn deel.</p>
+
+<p>Het is een proces van voortdurende herleiding van het oneindige tot
+eindigheden, een uiteenvalling van het wonder in atomen. Aan elk
+heiligste mysterie hecht zich, als een korst van schelpen aan een schip,
+een aangroeisel van uiterlijke geloofselementen, die het ontwijden. De
+ontzaglijke doordrongenheid van het wonder der eucharistie plant zich
+aan de oppervlakte voort in het nuchterste en materieelste bijgeloof:
+bij voorbeeld dat men op den dag, waarop men mis gehoord heeft, niet
+blind kan worden of een beroerte krijgen, dat men gedurende den tijd,
+dat men de mis hoort, niet ouder wordt.<a name='FNanchor_469_469'></a><a href='#Footnote_469_469'><sup>[469]</sup></a> De Kerk heeft er
+voortdurend tegen te waken, dat God niet al te zeer op aarde wordt
+gebracht. Zij verklaart het kettersch, te beweren, dat Petrus, Johannes
+en Jacobus bij Christus' transfiguratie het goddelijk wezen even klaar
+hadden gezien,<a name='249'></a> als zij het nu doen in den hemel.<a name='FNanchor_470_470'></a><a href='#Footnote_470_470'><sup>[470]</sup></a> Het was
+godslastering, dat een der navolgsters van Jeanne d'Arc beweerde, God
+gezien te hebben in een lang wit kleed met een rood overkleed.<a name='FNanchor_471_471'></a><a href='#Footnote_471_471'><sup>[471]</sup></a>
+Doch kon het volk het helpen, dat het niet de fijne onderscheidingen
+wist te maken, die de theologie voorschreef, waar de Kerk zooveel bonte
+stof aan de verbeelding bood?</p>
+
+<p>Gerson zelf hield zich niet vrij van het euvel, dat hij bestreed. Hij
+verheft zijn stem tegen de ijdele nieuwsgierigheid,<a name='FNanchor_472_472'></a><a href='#Footnote_472_472'><sup>[472]</sup></a> en bedoelt
+daarmee den geest van onderzoek, die de natuur wil leeren kennen in haar
+uiterste geheimen. Maar hij zelf wroet met onbescheiden nieuwsgierigheid
+in de kleinste uiterlijke bijzonderheden der heilige dingen. Zijn
+bijzondere vereering voor den heiligen Joseph, voor wiens feest hij op
+allerlei wijzen werkt, maakt hem benieuwd, om alles van Joseph te weten.
+Hij verdiept zich in al de bijzonderheden van diens huwelijk met Maria,
+hun samenleven, zijn onthouding, hoe hij haar zwangerschap leerde kennen,
+hoe oud hij was. Van de caricatuur, die de kunst van Joseph dreigde te
+maken: den ouden slovenden man, zooals Deschamps hem beklaagde, wil
+Gerson niet weten: Joseph was nog geen vijftig jaar, zegt hij.<a name='FNanchor_473_473'></a><a href='#Footnote_473_473'><sup>[473]</sup></a>
+Elders veroorlooft hij zich een bespiegeling over de lichamelijke
+samenstelling van Johannes den Dooper: &quot;semen igitur materiale ex qua
+corpus compaginandum erat,<a name='250'></a> nec durum nimis nec rursus fluidum
+abundantius fuit&quot;.<a name='FNanchor_474_474'></a><a href='#Footnote_474_474'><sup>[474]</sup></a> De beroemde volksprediker Olivier Maillard
+pleegt zijn gehoor na de inleiding te onthalen op &quot;une belle question
+th&eacute;ologale&quot;, bij voorbeeld, of de Maagd zoo actief had meegewerkt tot de
+ontvangenis van Christus, dat zij waarlijk Moeder Gods mocht heeten; of
+het lichaam van Christus asch zou zijn geworden, indien de opstanding
+niet tusschenbeide gekomen ware.<a name='FNanchor_475_475'></a><a href='#Footnote_475_475'><sup>[475]</sup></a> De strijdvraag over Maria's
+onbevlekte ontvangenis, waarin de Dominicanen tegen de wassende
+volksbehoefte in, die de Maagd van aanvang af vrij van de erfzonde wilde
+zien, de ontkennende partij hielden, veroorzaakte een vermenging van
+theologische en embryologische bespiegeling, die ons weinig stichtelijk
+voorkomt. En zoo hardnekkig overtuigd waren de ernstigste godgeleerden
+van het gewicht hunner argumenten, dat zij zich niet ontzagen, het
+dispuut in preeken voor het groote publiek te brengen.<a name='FNanchor_476_476'></a><a href='#Footnote_476_476'><sup>[476]</sup></a> Als zoo de
+geest van de ernstigsten was gericht, hoe kon het dan anders, of over
+een groot levensgebied moest zich door die voortgezette uitwerking in
+bijzonderheden al het heilige oplossen in een alledaagschheid, waaruit
+men zich slechts bij vlagen tot de ontzaglijke huivering over het wonder
+verhief?</p>
+
+<p>De gemeenzaamheid, waarmee men in het dagelijksch leven met God handelde,
+moet van twee kanten worden bezien: het is even goed de volstrekte
+vastheid en onmiddellijkheid van het geloof,<a name='251'></a> die daaruit spreken, als de
+schade, die dat geloof leed door zijn volkomen afvloeiing in alle dingen
+van het gewone leven. Juist het innigste mysterie, de eucharistie, lijdt
+voortdurend het gevaar der profanatie. Zoo ongeschokt was het geloof aan
+het miswonder en de rechtgeloovige vereenzelviging der drie personen van
+de Drie&euml;enheid, dat men de gewijde hostie eenvoudig God noemde. Zoo
+ontstaat een spraakgebruik, dat ons profaner schijnt dan het voor den
+middeleeuwschen geest was. Een reiziger stijgt even af, en gaat een
+dorpskerk binnen &quot;pour veoir Dieu en passant&quot;. Van den priester heet
+het: &quot;quand il eut lev&eacute; Dieu et calice&quot;; gaat hij met de hostie op een
+ezel zijns weegs, dan spreekt men van &quot;un Dieu sur un asne&quot;.<a name='FNanchor_477_477'></a><a href='#Footnote_477_477'><sup>[477]</sup></a>
+Wekken deze voorbeelden door de bron, waaraan zij zijn ontleend: de
+<i>Cent nouvelles nouvelles</i>, wellicht de verdenking van een onvrome
+bedoeling (ik zie er enkel het gemeenzame spraakgebruik in), deze is
+uitgesloten bij het volgende uit <i>Le livre du chevalier de la Tour-Landry
+pour l'enseignement de ses filles</i>, waar van een dame gezegd wordt: &quot;Sy
+cuidoit transir de la mort, et se fist apporter beau sire Dieux.&quot;<a name='FNanchor_478_478'></a><a href='#Footnote_478_478'><sup>[478]</sup></a>
+&quot;Veoir Dieu&quot; was een gangbare term voor het zien heffen van de hostie.<a name='FNanchor_479_479'></a><a href='#Footnote_479_479'><sup>[479]</sup></a>
+&mdash;Zoodra nu de smaak van het wonder even uitbleef, welk een ontwijding
+bracht dan zulk een spraakgebruik mede! Dan was het maar een kleine val
+tot gedachtenlooze gemeenzaamheden als het spreekwoord: &quot;Laissez faire
+&agrave; Dieu, qui est homme d'aage&quot;,<a name='FNanchor_480_480'></a><a href='#Footnote_480_480'><sup>[480]</sup></a> of Froissart's: &quot;et li prie &agrave; mains
+jointes,<a name='252'></a> pour si hault homme que Diex est.&quot;<a name='FNanchor_481_481'></a><a href='#Footnote_481_481'><sup>[481]</sup></a></p>
+
+<p>Hoe zulk een spraakgebruik &quot;Dieu&quot; voor de hostie het godsgeloof zelf
+contamineeren kon, bewijst een geval als het volgende. De bisschop van
+Coutances draagt een mis op in de kerk van Saint Denis. Toen hij het
+lichaam des Heeren gaat heffen, vermaant men Hugues Aubriot, den pr&eacute;v&ocirc;t
+van Parijs, die de kapel rondwandelde, waar de mis gevierd werd, om te
+aanbidden. Maar Hugues, een bekend esprit fort, antwoordt met een vloek,
+dat hij niet geloofde in den God van zoo'n bisschop, die aan het hof
+woonde.<a name='FNanchor_482_482'></a><a href='#Footnote_482_482'><sup>[482]</sup></a></p>
+
+<p>Een treffend voorbeeld van bijna onbeschaamde gemeenzaamheid met het
+heilige, waar toch aan een spottende bedoeling niet valt te denken, zijn
+de Mariabeeldjes, zooals de Bourgondische hertogen er een bezaten, die
+een variant opleveren van het oud-hollandsche drinkvaatwerk, dat Hansje
+in den kelder genoemd werd. Het was een klein gouden beeldje, rijk met
+edelsteenen versierd, waarvan de buik open kon, waarbinnen men de
+Drie&euml;enheid zag.<a name='FNanchor_483_483'></a><a href='#Footnote_483_483'><sup>[483]</sup></a> Gerson zag er een bij de Carmelieten te Parijs,
+en keurt het af, maar niet wegens de onvroomheid doch om de ketterij,
+die erin gelegen was, de geheele Drie&euml;enheid als de vrucht van Maria's
+schoot voor te stellen.<a name='FNanchor_484_484'></a><a href='#Footnote_484_484'><sup>[484]</sup></a></p>
+
+<p>Het geheele leven was zoo doortrokken van godsdienst,<a name='253'></a> dat de afstand
+tusschen het aardsche en het geestelijke ieder oogenblik dreigt te loor
+te gaan. Wordt aan den eenen kant alles van het gewone leven in de
+heilige oogenblikken opgetrokken in wijding, aan den anderen kant wordt
+het heilige voortdurend in de sfeer van het alledaagsche gehouden door
+zijn onoplosbare vermenging met het dagelijksch leven. Hierboven werd
+gesproken van het kerkhof der Innocents te Parijs, die afzichtelijke
+kermis des doods met de doodsbeenderen al rondom opgetast en uitgestald.
+Kan men zich iets vreeselijkers denken dan het leven van de kluizenares,
+ingemetseld tegen den kerkmuur op die plaats der verschrikking? Maar
+lees nu, hoe de tijdgenooten erover spreken: de recluses woonden er in
+een keurig nieuw huisje, zij werden ingemetseld met een mooie preek, zij
+kregen van den koning een bezoldiging van acht pond 's jaars in acht
+termijnen.<a name='FNanchor_485_485'></a><a href='#Footnote_485_485'><sup>[485]</sup></a> Alles alsof het gewone hofjesjuffrouwen waren. Waar
+blijft het religieuze pathos? Waar blijft het, als er een aflaat wordt
+verbonden aan de gewoonste huiselijke werkzaamheden: het aanmaken van
+den oven, het melken van een koe, het uitboenen van een pot.<a name='FNanchor_486_486'></a><a href='#Footnote_486_486'><sup>[486]</sup></a> Bij
+een verloting te Bergen-op-Zoom in 1518 waren naast elkaar &quot;costelijcke
+prijsen&quot; en aflaten te winnen.<a name='FNanchor_487_487'></a><a href='#Footnote_487_487'><sup>[487]</sup></a> Bij de vorstelijke intochten
+prijkten op de hoeken der straten afwisselend met de zinrijke
+vertooningen, dikwijls van heidensche naaktheid, de kostbare
+reliekschrijnen der stad op altaren, bediend door prelaten en den vorst
+om eerbiedig te kussen aangeboden.<a name='FNanchor_488_488'></a><a href='#Footnote_488_488'><sup>[488]</sup></a></p>
+<a name='254'></a>
+<p>Die oogenschijnlijke ongescheidenheid van de religieuze en de
+wereldlijke sfeer wordt het levendigst uitgedrukt door het overbekende
+feit, dat de wereldlijke melodie steeds onveranderd dienen kan voor den
+kerkelijken zang en omgekeerd. Guillaume Dufay componeert zijn missen op
+thema's van wereldlijke liederen als &quot;Tant je me d&eacute;duis, Se la face ay
+pale, L'omme arm&eacute;.&quot;</p>
+
+<p>Er is een voortdurend wisselverkeer tusschen de godsdienstige en
+wereldlijke terminologie. Zonder aanstoot ontleent men de uitdrukking
+voor aardsche dingen aan den godsdienst en omgekeerd. Boven den ingang
+van de Rekenkamer te Rijssel prijkte een vers, dat aan iedereen
+herinnerde, hoe hij eenmaal rekenschap zou hebben af te leggen van zijn
+hemelsche gaven, voor God:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Lors ouvrira, au son de buysine
+<span>Sa g&eacute;n&eacute;rale et grant chambre des comptes.&quot;<a name='FNanchor_489_489'></a><a href='#Footnote_489_489'><sup>[489]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Omgekeerd heette het in den plechtigen oproep tot een tournooi, alsof
+het een plechtigheid met aflaat was:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Oez, oez, l'oneur et la louenge
+<span>Et des armes grantdisime pardon.&quot;<a name='FNanchor_490_490'></a><a href='#Footnote_490_490'><sup>[490]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Het was toeval, dat in het woord &quot;mist&egrave;re&quot; mysterium en ministerium
+waren dooreengeloopen, maar deze homonymie kon niet anders dan de
+verzwakking van het mysteriebesef in het dagelijksch spraakgebruik
+bevorderen:<a name='255'></a> alles heette mist&egrave;re, bij voorbeeld de eenhoren, de schilden
+en de pop, die bij den Pas d'armes de la fontaine des pleurs gebruikt
+waren.<a name='FNanchor_491_491'></a><a href='#Footnote_491_491'><sup>[491]</sup></a></p>
+
+<p>Als directe tegenkant van de godsdienstige symboliek: het duiden van
+alle aardsche dingen en aardsche geschiedenis als zinnebeeld en
+praefiguratie van het goddelijke, vindt men omgekeerd vorstenhulde
+gebracht in godsdienstige metafoor. Zoodra het ontzag voor aardsche
+majesteit den middeleeuwer aanvat, dient hem de taal der heilige
+aanbidding voor de uitdrukking van zijn gevoel. De vorstendienaars der
+vijftiende eeuw staan hier voor geen profanatie. In het pleidooi om den
+moord van Lodewijk van Orleans laat de pleiter den geest van den
+vermoorden vorst tot zijn zoon spreken: aanschouw mijn wonden, waarvan
+er vijf in het bijzonder wreed en doodelijk waren.<a name='FNanchor_492_492'></a><a href='#Footnote_492_492'><sup>[492]</sup></a> Hij ziet het
+slachtoffer dus als Christus. De bisschop van Chalons schroomt op zijn
+beurt niet, Jan zonder Vrees, die door de wraak om Orleans viel, met het
+Lam Gods te vergelijken.<a name='FNanchor_493_493'></a><a href='#Footnote_493_493'><sup>[493]</sup></a> Molinet vergelijkt keizer Frederik, die
+zijn zoon Maximiliaan zendt, om met Maria van Bourgondi&euml; te trouwen, met
+God Vader, die den Zoon op aarde zendt, en spaart geen vrome taal tot
+uitwerking van het geval. Wanneer later Frederik en Maximiliaan met den
+jongen Philips den Schoone te Brussel binnenkomen, laat Molinet de
+Brusselaars weenend zeggen: &quot;V&eacute;ez-ci figure de la Trinit&eacute;, le P&egrave;re, le
+Fils et Sainct Esprit.&quot; Of wel hij biedt zijn bloemkrans aan Maria van
+Bourgondi&euml;<a name='256'></a> als waardig beeld van Onze Lieve Vrouw, &quot;behoudens de
+maagdelijkheid.&quot;<a name='FNanchor_494_494'></a><a href='#Footnote_494_494'><sup>[494]</sup></a></p>
+
+<p>&quot;Niet dat ik de vorsten wil vergoden&quot;, zegt deze aartshoveling.<a name='FNanchor_495_495'></a><a href='#Footnote_495_495'><sup>[495]</sup></a>
+Misschien is het inderdaad meer holheid en phrase dan werkelijk gevoelde
+adulatie, maar het bewijst daarom niet minder de depreciatie van de
+heilige voorstellingen door hun dagelijksch gebruik. Trouwens wat zal
+men den hofpo&euml;taster verwijten, als Gerson zelf aan de vorstelijke
+hoorders van zijn preeken speciale beschermengelen toekent van een
+hooger hi&euml;rarchie en ambt dan die van andere menschen?<a name='FNanchor_496_496'></a><a href='#Footnote_496_496'><sup>[496]</sup></a></p>
+
+<p>In de toepassing van godsdienstige termen op het erotische, waarvan hier
+boven reeds sprake was, heeft men natuurlijk met heel iets anders te
+doen. Hier is een element van werkelijke onvroomheid en spot, dat in het
+zooeven behandelde spraakgebruik niet aanwezig was; beide zijn slechts
+verwant, in zooverre zij voortspruiten uit de groote gemeenzaamheid met
+het heilige. De vertellers der <i>Cent nouvelles nouvelles</i> verlustigen
+zich onvermoeid in woordspeling op &quot;saints&quot; en &quot;seins&quot;, en het gebruik
+van &quot;d&eacute;votion, confesser, b&eacute;nir&quot; in obscenen zin. De schrijver van <i>Les
+Quinze joyes de mariage</i> kiest dien titel in navolging der vreugden van
+Maria.<a name='FNanchor_497_497'></a><a href='#Footnote_497_497'><sup>[497]</sup></a> Van de voorstelling der liefde als een vrome observantie is
+hierboven gesproken. Van ernstiger beteekenis nog is het, wanneer de
+verdediger van den <i>Roman de la rose</i> met heilige termen noemt &quot;partes
+corporis inhonestas et peccata immunda atque turpia.&quot;<a name='FNanchor_498_498'></a><a href='#Footnote_498_498'><sup>[498]</sup></a> Hier is wel
+<a name='257'></a>degelijk iets van die gevaarlijke toenadering van het godsdienstige en
+het erotische voelen, die de Kerk in dezen vorm hevig vreesde. Niets
+geeft wellicht die toenadering zoo levendig te zien als de Antwerpsche
+Madonna, aan Fouquet toegeschreven, voorheen in het koor der Lieve
+Vrouwenkerk te Melun als diptiek vereenigd met het luik, dat den
+stichter Etienne Chevalier, tresorier des konings, met den heiligen
+Stephanus vertoont, thans te Berlijn. Een oude traditie, in de 17<sup>e</sup> eeuw
+door den oudheidkundige Denis Godefroy opgeteekend, wil, dat de Madonna
+de trekken van Agnes Sorel weergeeft, de koninklijke ma&icirc;tresse, voor wie
+Chevalier zijn hartstocht niet verborg. Het is inderdaad, bij al de
+groote hoedanigheden der schildering, een modepop, die wij voor ons
+zien, met het gebombeerde kaalgeschoren voorhoofd, de wijd
+uiteenstaande, kogelronde borsten, het hooge dunne middel. De bizarrerie
+van de hermetische gelaatsuitdrukking, de stijve roode en blauwe
+engelen, alles werkt mee, om aan het schilderij een waas van d&eacute;cadente
+goddeloosheid te geven, waarbij de forsche, slichte voorstelling van den
+stichter en zijn heilige op het andere luik wonderlijk afsteekt.
+Godefroy zag op het blauw fluweel eener breede lijst de naamletter E in
+parelen, telkens verbonden door liefdestrikken (lacs d'amour) uit goud-
+en zilverdraad.<a name='FNanchor_499_499'></a><a href='#Footnote_499_499'><sup>[499]</sup></a> Ligt in het geheel niet een blasphemische
+vrijmoedigheid met het heilige, die door geen Renaissance-geest te
+overtreffen was?</p>
+
+<p>De oneerbiedigheid van het dagelijksche kerkelijk leven was schier
+zonder grenzen. Men beweert, dat bij de missen,<a name='258'></a> op wereldlijke thema's
+gecomponeerd, in den dienst zelfs de teksten dier profane liederen:
+<i>baisez-moi, rouges nez</i>, tusschen den liturgischen tekst door werden
+gezongen.<a name='FNanchor_500_500'></a><a href='#Footnote_500_500'><sup>[500]</sup></a> David van Bourgondi&euml;, de bastaard van Philips den Goede,
+houdt zijn intrede als bisschop van Utrecht te midden van een
+krijgsgevolg van enkel edelen, waarmee zijn broeder de bastaard van
+Bourgondi&euml; hem uit Amersfoort is komen afhalen. De nieuwe bisschop zelf
+is geheel geharnast, alsof hij een veroverend wereldlijk vorst ware; zoo
+rijdt hij naar den dom, en gaat er binnen in een processie met vanen en
+kruisen, om voor het hoogaltaar te bidden.<a name='FNanchor_501_501'></a><a href='#Footnote_501_501'><sup>[501]</sup></a> Leg naast die
+Bourgondische onbeschaamde hoovaardij de gemoedelijke onbeschaamdheid
+van Rudolf Agricola's vader, den pastoor van Baflo, die op den dag, dat
+hij tot abt van Selwert was gekozen, het bericht kreeg, dat hem uit zijn
+bijzit een zoon geboren was, en zeide: &quot;Heden ben ik tweemaal vader
+geworden; moge Gods zegen er op rusten.&quot;<a name='FNanchor_502_502'></a><a href='#Footnote_502_502'><sup>[502]</sup></a></p>
+
+<p>De tijdgenooten beschouwen de toenemende oneerbiedigheid jegens de kerk
+als een achteruitgang der zeden van den jongsten tijd.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;On souloit estre ou temps pass&eacute;
+<span>En l'&eacute;glise benignement<br /></span>
+<span>A genoux en humilit&eacute;<br /></span>
+<span>Delez l'autel moult closement,<br /></span>
+<span>Tout nu le chief piteusement,<br /></span>
+<span>Maiz au jour d'uy, si come beste,<br /></span><a name='259'></a>
+<span>On vient &agrave; l'autel bien souvent<br /></span>
+<span>Chaperon et chapel en teste.&quot;<a name='FNanchor_503_503'></a><a href='#Footnote_503_503'><sup>[503]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Op de feestdagen, klaagt Nicolaas van Clemanges, gaan maar weinigen naar
+de mis. Zij hooren die niet tot het einde aan, en vergenoegen zich, even
+het wijwater aan te raken, door een kniebuiging Onze Lieve Vrouw te
+groeten, of een heiligenbeeld te kussen. Hebben zij de hostie zien
+heffen, dan beroemen zij er zich op als een groote weldaad aan Christus.
+De metten en den vesper viert de priester meestal met zijn helper
+alleen.<a name='FNanchor_504_504'></a><a href='#Footnote_504_504'><sup>[504]</sup></a>&mdash;De heer van het dorp en patronaatsheer der kerk laat den
+priester kalm wachten met de mis, tot hij en zijn vrouw zijn opgestaan
+en zich gekleed hebben.<a name='FNanchor_505_505'></a><a href='#Footnote_505_505'><sup>[505]</sup></a></p>
+
+<p>De heiligste feesten, de Kerstnacht zelf, worden in ongebondenheid
+doorgebracht, met kaartspelen, vloeken en schandelijke taal; vermaant
+men het volk, dan beroept het er zich op, dat de groote heeren, de
+klerken en prelaten het ongestraft doen.<a name='FNanchor_506_506'></a><a href='#Footnote_506_506'><sup>[506]</sup></a> Op de vigili&euml;n der
+feestdagen wordt in de kerken zelf met losbandige liederen gedanst;
+priesters geven het voorbeeld, om die nachtwaken door te brengen met
+dobbelspel en vloeken.<a name='FNanchor_507_507'></a><a href='#Footnote_507_507'><sup>[507]</sup></a> De raad van Straatsburg schonk jaarlijks
+1100 liter wijn voor hen, die in het Munster den Sint Adolfsnacht
+&quot;wakend en in gebed&quot; doorbrachten.<a name='FNanchor_508_508'></a><a href='#Footnote_508_508'><sup>[508]</sup></a> Een stedelijk magistraat
+<a name='260'></a>beklaagt zich bij Dionysius den Kartuizer, dat de jaarlijksche
+processie, in zijn stad met een heilige reliquie verricht, de aanleiding
+was tot tal van onbetamelijkheden en drinkgelagen. Hoe daar een einde
+aan te maken? De magistraat zelf zou er niet gemakkelijk van te
+overtuigen zijn, want de processie bracht de stad voordeel aan; zij
+bracht volk in de stad, dat er moest overnachten, eten en drinken. En
+het was nu eenmaal zoo gewoonte. Dionysius kende het euvel; hij wist,
+hoe tuchteloos men bij processies optrad, pratende, lachende,
+onbeschaamd rondkijkende, belust op drinken en ruw vermaak.<a name='FNanchor_509_509'></a><a href='#Footnote_509_509'><sup>[509]</sup></a> Het
+past wonderwel bij den optocht der Gentenaren naar de kermis van Houthem
+met den schrijn van Sint Lieven. Vroeger, zegt Chastellain, plachten de
+notabelen het heilig lichaam te dragen &quot;en grande et haute solempnit&eacute; et
+r&eacute;v&eacute;rence&quot;, maar nu is het &quot;une multitude de respaille et de
+gar&ccedil;onnaille mauvaise&quot;; zij dragen hem schreeuwend en joelend, zingend
+en dansend, onder honderd potsen, en allen zijn dronken. Zij zijn
+gewapend bovendien, en veroorloven zich overal waar zij langs komen de
+grootste losbandigheid; alles schijnt dien dag aan hen overgeleverd
+onder voorwendsel van hun heiligen last.<a name='FNanchor_510_510'></a><a href='#Footnote_510_510'><sup>[510]</sup></a></p>
+
+<p>De kerkgang is een belangrijk element in het gezelschapsleven. Men komt
+er pronken in zijn fraaisten dos, men komt er wedijveren in rang en
+deftigheid, en in hoofsche vormen en beleefdheid. Vroeger is al vermeld,
+<a name='FNanchor_511_511'></a><a href='#Footnote_511_511'><sup>[511]</sup></a>
+<a name='261'></a> hoe het kussen van het &quot;paesbord&quot;, &quot;la paix&quot;, de vaste aanleiding
+was tot den meest stotenden beleefdheidsstrijd. Als er een jonkertje
+binnenkomt, staat mevrouw op en kust hem op den mond, terwijl de
+priester de hostie wijdt en het volk te bidden ligt.<a name='FNanchor_512_512'></a><a href='#Footnote_512_512'><sup>[512]</sup></a> Praten en
+rondwandelen onder de mis moeten zeer gewoon zijn geweest.<a name='FNanchor_513_513'></a><a href='#Footnote_513_513'><sup>[513]</sup></a> Het
+gebruik van de kerk als plaats van samenkomst, waar de jongelieden naar
+de meisjes komen kijken, is zoo algemeen, dat enkel de moralisten er
+zich over ergeren. De jeugd komt zelden in de kerk, roept Nicolaas van
+Clemanges uit,<a name='FNanchor_514_514'></a><a href='#Footnote_514_514'><sup>[514]</sup></a> dan om de vrouwen te zien, die er haar hoovaardige
+kapsels en haar d&eacute;collet&eacute; komen vertoonen. De eerbare Christine de Pisan
+dicht zonder ergernis:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Se souvent vais ou moustier,
+<span>C'est tout pour veoir la belle<br /></span>
+<span>Fresche com rose nouvelle.&quot;<a name='FNanchor_515_515'></a><a href='#Footnote_515_515'><sup>[515]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Het bleef niet bij de kleine liefdediensten, waartoe de dienst den
+vrijer gelegenheid gaf: de beminde het wijwater te geven, haar de &quot;paix&quot;
+te reiken, een kaarsje voor haar aan te steken en naast haar te knielen,
+niet bij wat teekens en lonkjes.<a name='FNanchor_516_516'></a><a href='#Footnote_516_516'><sup>[516]</sup></a> In de kerk zelf komen de
+lichtekooien haar afspraken zoeken.<a name='FNanchor_517_517'></a><a href='#Footnote_517_517'><sup>[517]</sup></a> In de kerken zelf en op
+heiligendagen zijn ontuchtige prentjes te koop, die de jeugd bederven;
+en geen preeken helpt tegen het kwaad.<a name='262'></a><a name='FNanchor_518_518'></a><a href='#Footnote_518_518'><sup>[518]</sup></a> Meer dan eens wordt de kerk
+en het altaar door ontuchtige daden bezoedeld.<a name='FNanchor_519_519'></a><a href='#Footnote_519_519'><sup>[519]</sup></a></p>
+
+<p>Evenzeer als het gewone kerkbezoek was de bedevaart de aanleiding tot
+allerlei vermaak en vooral tot verliefde besognes. Zij worden in de
+litteratuur dikwijls als gewone pleizierreisjes behandeld. De ridder
+de la Tour-Landry, die het ernstig meent met zijn onderricht aan zijn
+dochters in goede en deugdzame manieren, spreekt van vermaaklievende
+dames, die gaarne naar tournooien en pelgrimages gaan, en vertelt
+waarschuwende exempelen van vrouwen, die een bedevaart ondernamen als
+voorwendsel tot een samenkomst met den geliefde. &quot;Et pour ce a cy bon
+exemple comment l'on ne doit pas aler aux sains voiaiges pour nulle
+folie plaisance.&quot;<a name='FNanchor_520_520'></a><a href='#Footnote_520_520'><sup>[520]</sup></a> Juist zoo beschouwt ze Nicolaas van Clemanges:
+men gaat op feestdagen naar verafgelegen kerken van heiligen ter
+beevaart, minder om zijn gelofte te lossen dan om des te vrijer af te
+dwalen. Het is een bron van velerlei misdrijven; daar bij de heilige
+plaatsen zijn steeds de verfoeilijke koppelaarsters aanwezig, om de
+meisjes te verlokken.<a name='FNanchor_521_521'></a><a href='#Footnote_521_521'><sup>[521]</sup></a> Het is het gewone geval in de <i>Quinze joyes
+de mariage</i>: de jonge vrouw wil wel eens een verzetje en bepraat haar
+man, dat het kind ziek is, omdat zij de bedevaart nog niet heeft
+volbracht, waartoe zij in 't kraambed de gelofte deed.<a name='FNanchor_522_522'></a><a href='#Footnote_522_522'><sup>[522]</sup></a> De
+<a name='263'></a>voorbereiding tot het huwelijk van Karel VI met Isabella van Beieren
+wordt ingeleid met een pelgrimage.<a name='FNanchor_523_523'></a><a href='#Footnote_523_523'><sup>[523]</sup></a> Geen wonder, dat de ernstige
+mannen der moderne devotie in de bedevaarten weinig nut zien. Die vele
+bedevaarten doen, worden zelden heilig, zegt Thomas a Kempis, en
+Frederik van Heilo wijdt aan de zaak een afzonderlijk tractaat <i>Contra
+peregrinantes</i>.<a name='FNanchor_524_524'></a><a href='#Footnote_524_524'><sup>[524]</sup></a></p>
+
+<p>In al deze ontwijdingen van het geloof door de onbeschaamde vermenging
+met het zondige leven ligt meer na&iuml;eve gemeenzaamheid met den godsdienst
+dan regelrechte onvroomheid. Enkel een samenleving, die geheel
+doortrokken is van het godsdienstige, en die het geloof als iets
+vanzelfsprekends aanvaardt, kent al deze excessen en ontaarding. Het
+waren dezelfde menschen, die de dagelijksche sleur van een half
+verliederlijkte godsdienstpraktijk volgden, en die dan plotseling onder
+het vlammende woord van een preekenden bedelmonnik vatbaar waren voor de
+uitersten van heilige ontroering.</p>
+
+<p>Zelfs een botte zonde als het vloeken komt enkel op uit een sterk
+geloof. Want in zijn oorsprong als bewuste eed is de vloek het teeken
+van een tot in de nietigste dingen aanwezig besef van de
+tegenwoordigheid van het goddelijke. Alleen het besef van waarlijk den
+hemel te tarten geeft aan den vloek zijn zondige bekoring. Eerst waar
+elk besef van te zweren en elke vrees voor de vervulling van den vloek
+geweken is, verslapt het vloeken tot de eentonige ruwheid van later
+tijden.<a name='264'></a> In het laatst der Middeleeuwen heeft het nog dien prikkel van
+driestheid en hoogmoed, die het maakt tot een adellijke sport.
+&quot;Wat,&mdash;zegt de edelman tot den boer&mdash;: je geeft je ziel aan den duivel,
+en je verloochent God, terwijl je geen edelman bent?&quot;<a name='FNanchor_525_525'></a><a href='#Footnote_525_525'><sup>[525]</sup></a> Deschamps
+constateert, dat het vloeken reeds afdaalt tot de geringe lieden:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Si chetif n'y a qui ne die:
+<span>Je renie Dieu et sa m&egrave;re.&quot;<a name='FNanchor_526_526'></a><a href='#Footnote_526_526'><sup>[526]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Men wedijvert in pittige en nieuw gevonden vloeken; wie het liederlijkst
+te vloeken weet, wordt als meester ge&euml;erd.<a name='FNanchor_527_527'></a><a href='#Footnote_527_527'><sup>[527]</sup></a> Eerst vloekte men, zegt
+Deschamps, overal in Frankrijk op zijn Gasconsch en Engelsch, daarna op
+zijn Bretonsch, en nu op zijn Bourgondisch. Hij rijmt twee balladen
+aaneen van de gebruikelijke vloeken, om ze tot vromen zin te wenden. En
+de Bourgondische vloek: &quot;Je renie Dieu&quot;, is de ergste van allen;<a name='FNanchor_528_528'></a><a href='#Footnote_528_528'><sup>[528]</sup></a>
+men verzacht hem tot: &quot;Je renie de bottes&quot;. De Bourgondi&euml;rs hadden den
+naam van aartsvloekers; trouwens Frankrijk in het algemeen, klaagt
+Gerson, lijdt, zoo christelijk als het is, meer dan andere landen onder
+die afschuwelijke zonde, die de oorzaak is van pestilentie, oorlogen en
+hongersnood.<a name='FNanchor_529_529'></a><a href='#Footnote_529_529'><sup>[529]</sup></a> Zelfs de monniken doen met bastaardvloeken mee.<a name='FNanchor_530_530'></a><a href='#Footnote_530_530'><sup>[530]</sup></a>
+Hij wil, dat alle autoriteiten en alle standen, door scherpe verordeningen
+en lichte straffen,<a name='265'></a> die dan ook werkelijk uitgevoerd kunnen worden, het
+kwaad helpen uitroeien. En inderdaad verscheen in 1397 een koninklijke
+ordonnantie, die de oude verordeningen tegen het vloeken van 1269 en
+1347 hernieuwde; niet met lichte en uitvoerbare straffen evenwel, maar
+met de oude bedreigingen van lippen kloven en tong afsnijden, waaruit de
+heilige verontwaardiging over de godslastering sprak. In het register,
+dat de ordonnantie bevat, staat er aan den rand bij aangeteekend: &quot;Al
+deze vloeken zijn heden ten dage, 1411, overal in het rijk zeer algemeen
+in gebruik, zonder eenige straf.&quot;<a name='FNanchor_531_531'></a><a href='#Footnote_531_531'><sup>[531]</sup></a> Pierre d'Ailly dringt bij het
+concilie van Constanz<a name='FNanchor_532_532'></a><a href='#Footnote_532_532'><sup>[532]</sup></a> opnieuw met nadruk aan op de bestrijding van
+het kwaad.</p>
+
+<p>Gerson kent de beide uitersten, waartusschen de zonde van het vloeken
+zich beweegt. Hij kende uit zijn ervaring als biechtvader de jongelieden,
+die onbedorven, eenvoudig en kuisch, gekweld werden door een scherpe
+verzoeking, om woorden van godverloochening en godslastering te spreken.
+Hij beveelt hun aan, om zich niet geheel aan de beschouwing van God en
+zijn heiligen over te geven; zij zijn er niet sterk genoeg toe.<a name='FNanchor_533_533'></a><a href='#Footnote_533_533'><sup>[533]</sup></a>
+Hij kent ook de gewoontevloekers, zooals de Bourgondi&euml;rs, wier daad, hoe
+verfoeilijk ook, toch niet de schuld van meineedigheid bevat, daar er in
+het geheel geen bedoeling is, om te zweren.<a name='FNanchor_534_534'></a><a href='#Footnote_534_534'><sup>[534]</sup></a></p>
+
+<p>Het punt, waar de gewoonte om de dingen van het geloof lichtvaardig te
+behandelen,<a name='266'></a> overgaat in bewuste ongodsdienstigheid, is niet te bepalen.
+Er is zonder twijfel in het laatst der Middeleeuwen een sterke neiging,
+om de vroomheid en de vromen te bespotten. Men is gaarne esprit fort, en
+spreekt tegen het geloof bij wijze van scherts.<a name='FNanchor_535_535'></a><a href='#Footnote_535_535'><sup>[535]</sup></a> De novellisten
+doen frivool en onverschillig, zooals in het verhaal der <i>Cent nouvelles
+nouvelles</i>, waar de pastoor zijn hond in gewijde aarde begraaft, en hem
+toespreekt: &quot;mon bon chien, a qui Dieu pardoint.&quot; De hond gaat dan ook
+&quot;tout droit au paradis des chiens.&quot;<a name='FNanchor_536_536'></a><a href='#Footnote_536_536'><sup>[536]</sup></a> Men heeft een grooten afkeer
+van gehuichelde of beuzelachtige vroomheid: het woord &quot;papelard&quot; ligt
+hun in den mond bestorven. Het veelgebruikte spreekwoord: &quot;De jeune
+angelot vieux diable&quot; of in fraai schoollatijn: &quot;Angelicus juvenis
+senibus sathanizat in annis&quot; is Gerson een doorn in het oog. Zoo bederft
+men de jeugd, zegt hij: men prijst in de kinderen een onbeschaamd
+gelaat, vuile taal en vloeken, onkuischheid in blik en gebaar. Maar,
+zegt hij: ik zie niet, wat er van den jongeling, die den duivel speelt,
+te hopen valt in de grijsheid.<a name='FNanchor_537_537'></a><a href='#Footnote_537_537'><sup>[537]</sup></a></p>
+
+<p>Onder de geestelijken en godgeleerden zelf onderscheidt Gerson een groep
+van onwetende praters en ruziemakers, wien elk gesprek over den
+godsdienst een last en een fabel is; alles wat hun wordt meegedeeld van
+verschijningen en openbaringen, verwerpen zij met groot gelach en
+verontwaardiging.<a name='267'></a> Anderen vallen in het andere uiterste en nemen alle
+inbeeldingen van ijlhoofdige menschen, droomen en wonderlijke gedachten
+van zieken en krankzinnigen, als openbaringen aan.<a name='FNanchor_538_538'></a><a href='#Footnote_538_538'><sup>[538]</sup></a> Het volk weet
+tusschen die uitersten het juiste midden niet te bewaren: zij gelooven
+alles, wat zieners en waarzeggers voorspellen, maar, komt een ernstig
+geestelijke, die dikwijls echte revelaties heeft gehad, eens bedrogen
+uit, dan beschimpen de wereldsche lieden allen, die van geestelijken
+wandel zijn, noemen hem een bedrieger en een &quot;papelard&quot;, en willen
+voortaan naar geen geestelijken meer luisteren, die zij voor boosaardige
+huichelaars houden.<a name='FNanchor_539_539'></a><a href='#Footnote_539_539'><sup>[539]</sup></a></p>
+
+<p>Het is steeds weer het plotseling uitblijven van de religieuze spanning
+in een met godsdienstigen inhoud en vormen oververzadigd gedachtenleven.
+Door de heele Middeleeuwen heen vindt men talrijke gevallen van spontaan
+ongeloof, waarbij niet te denken valt aan een afwijking van de kerkleer
+op grond van theologische bespiegeling, maar enkel aan een onmiddellijke
+reactie. Al beteekent het niet veel, wanneer dichters of
+geschiedschrijvers, de enorme zonden van hun tijd ziende, uitroepen: men
+gelooft niet meer aan hemel en hel,<a name='FNanchor_540_540'></a><a href='#Footnote_540_540'><sup>[540]</sup></a> bij meer dan een was het
+latente ongeloof bewust en vast geworden, zoo zelfs dat het algemeen
+bekend was, en zij er zelf voor uitkwamen. &quot;Beaux seigneurs,&mdash;zegt de
+kapitein B&eacute;tisac tot zijn makkers,<a name='FNanchor_541_541'></a><a href='#Footnote_541_541'><sup>[541]</sup></a>&mdash;je ay regarde &agrave; mes besongnes
+et en ma conscience je tiens grandement Dieu avoir courrouchi&eacute;, car j&agrave;
+de long temps j'ay err&eacute; contre la foy, et ne puis croire qu'il soit
+riens de la Trinit&eacute;,<a name='268'></a> ne que le Fils de Dieu se daignast tant abaissier
+que il venist des chieulx descendre en corps humain de femme, et croy et
+dy que, quant nous morons, que il n'est riens de &acirc;me.... J'ay tenu celle
+oppinion depuis que j'eus congnoissance, et la tenray jusques &agrave; la
+fin.&quot;&mdash;Hugues Aubriot, pr&eacute;v&ocirc;t van Parijs, is een allervurigst papenhater;
+hij gelooft niet aan het altaarsacrament, spot ermee, houdt geen Paschen,
+gaat niet te biecht,<a name='FNanchor_542_542'></a><a href='#Footnote_542_542'><sup>[542]</sup></a> Jacques du Clercq verhaalt verschillende
+gevallen van edelen, die hun ongeloof toonden en geheel bij kennis de
+laatste sacramenten weigerden.<a name='FNanchor_543_543'></a><a href='#Footnote_543_543'><sup>[543]</sup></a> Jean de Montreuil, proost van
+Rijssel, schrijft aan een zijner geleerde vrienden, meer in den
+luchtigen trant van een verlichten humanist dan als een waarlijk vrome:
+&quot;Ge kent onzen vriend Ambrosius de Miliis; ge hebt dikwijls gehoord, hoe
+hij van den godsdienst, van het geloof, van de heilige schrift en van
+alle kerkelijke voorschriften dacht, z&oacute;&oacute; namelijk, dat Epicurus er
+katholiek bij moest heeten. Welnu, deze man is thans geheel bekeerd.&quot;
+Maar hij werd dan ook tevoren toch geduld in dien kring van vroege
+humanisten vol vromen zin.<a name='FNanchor_544_544'></a><a href='#Footnote_544_544'><sup>[544]</sup></a></p>
+
+<p>Aan de eene zijde van deze spontane gevallen van ongeloof staat het
+litteraire paganisme der Renaissance en het beschaafde en behoedzame
+Epicurisme, dat reeds in de 13<sup>e</sup> eeuw, naar Averro&euml;s genoemd, in zoo
+wijde kringen had gebloeid.<a name='269'></a> Aan de andere zijde staat de
+hartstochtelijke negatie bij de arme, onwetende ketters, die allen, hoe
+zij ook heeten, Turlupins of Broeders van den vrijen geest, de grenzen
+van de mystiek naar het panthe&iuml;sme hadden overschreden. Doch deze
+verschijnselen moeten in een later verband ter sprake komen. Voorloopig
+hebben wij nog te blijven in de sfeer van de uiterlijke geloofsverbeelding
+en de uiterlijke vormen en gebruiken.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Voor het dagelijksch besef van den grooten hoop maakte de aanwezigheid
+van een zichtbaar beeld het intellectueel bewijs van de waarheid van het
+afgebeelde volkomen overbodig. Tusschen hetgeen men in kleur en vorm
+afgebeeld voor zich zag: de personen der Drie&euml;enheid, de vlammende hel,
+de tallooze heiligen, en het gelooven daaraan lag geen vraag: zou het
+waar zijn? Al die voorstellingen werden onmiddellijk <i>als</i> verbeeldingen
+tot geloof; zij stonden in den geest vast omlijnd en bont gekleurd, met
+al de realiteit, die de Kerk in het geloof eischen kon, en nog wat
+daarenboven.</p>
+
+<p>Doch waar het geloof direct berust op een beeldvoorstelling, kan het
+nauwelijks qualitatieve onderscheidingen maken tusschen den aard en den
+graad van heiligheid der verschillende geloofselementen. Het eene beeld
+is zoo re&euml;el en zoo ontzagbaar als het andere, en dat men God te
+aanbidden heeft en de heiligen slechts te vereeren, leert de afbeelding
+zelf niet, als niet de Kerk met haar leering er voortdurend toe
+vermaant. Nergens dreigde de overwoekering van de vrome gedachte door de
+bonte verbeelding zoo aanhoudend en zoo sterk, als op het gebied der
+heiligenvereering.</p>
+<a name='270'></a>
+<p>Het strenge standpunt van de Kerk was zuiver en hoog genoeg. Gegeven de
+voorstelling van het persoonlijk voortbestaan, was de vereering der
+heiligen natuurlijk en zonder bedenking. Het is geoorloofd, hun lof en
+eer toe te kennen &quot;per imitationem et reductionem ad Deum&quot;. Op dezelfde
+wijze mag men ook vereering schenken aan beelden, relieken, heilige
+plaatsen en aan God gewijde dingen, voorzoover het ten slotte leidt tot
+vereering van God zelf.<a name='FNanchor_545_545'></a><a href='#Footnote_545_545'><sup>[545]</sup></a> Ook de technische onderscheiding van den
+heilige en den gewonen gezaligde, en de normeering van het instituut der
+heiligheid door de officieele canonisatie hadden, schoon een bedenkelijke
+formaliseering, toch niets wat tegen den geest van het christendom streed.
+De Kerk bleef zich bewust van de oorspronkelijke gelijkwaardigheid van
+heiligheid en zaligheid, en van het ontoereikende der heiligverklaring.
+&quot;Het is te gelooven,&mdash;zegt Gerson,&mdash;dat er oneindig meer heiligen
+gestorven zijn en dagelijks sterven, dan zij die gecanoniseerd zijn.&quot;
+<a name='FNanchor_546_546'></a><a href='#Footnote_546_546'><sup>[546]</sup></a> De geoorloofdheid der beelden zelf tegenover de uitdrukkelijke
+woorden van het tweede gebod werd betoogd met het beroep, dat v&oacute;&oacute;r de
+menschwording van Christus het verbod noodzakelijk was geweest, omdat
+God toen enkel geest was, maar dat Christus de oude wet had opgeheven
+door en wegens zijn komst op aarde. Aan de rest van het tweede gebod:
+&quot;Non adorabis ea neque coles&quot;, wenschte de Kerk onvoorwaardelijk vast te
+houden. &quot;Wij aanbidden de beelden niet, doch brengen eer en adoratie aan
+den afgebeelde, dat wil zeggen aan God, of aan zijn heilige, wiens beeld
+het is.&quot;<a name='FNanchor_547_547'></a><a href='#Footnote_547_547'><sup>[547]</sup></a>
+<a name='271'></a> De beelden dienen alleen, om aan de eenvoudigen, die de
+schrift niet kennen, te toonen, wat zij moeten gelooven.<a name='FNanchor_548_548'></a><a href='#Footnote_548_548'><sup>[548]</sup></a> Zij zijn
+de boeken der onwetenden:<a name='FNanchor_549_549'></a><a href='#Footnote_549_549'><sup>[549]</sup></a> men kent die gedachte uit het gebed aan
+Maria, dat Villon voor zijn moeder maakte:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Femme je suis pourette et ancienne,
+<span>Qui riens ne s&ccedil;ai; oncques lettre ne leuz;<br /></span>
+<span>Au moustier voy dont suis paroissienne<br /></span>
+<span>Paradis paint, o&ugrave; sont harpes et luz,<br /></span>
+<span>Et ung enfer o&ugrave; dampnez sont boulluz:<br /></span>
+<span>L'ung me fait paour, l'autre joye et liesse&quot;....<a name='FNanchor_550_550'></a><a href='#Footnote_550_550'><sup>[550]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Dat door het openleggen van het boek der bonte beelden aan den dolenden
+geest evenveel stof tot afwijking van de leer werd geboden, als de
+persoonlijke schriftverklaring kon meebrengen, heeft de Kerk nimmer
+verontrust. Zij heeft altijd licht geoordeeld over de zonde van hen, die
+uit onwetendheid en eenvoudigheid tot aanbidding der beelden vervielen.
+Het is hun reeds genoeg, zegt Gerson, als zij maar de bedoeling hebben
+om te doen, zooals de Kerk doet in het eeren der beelden.<a name='FNanchor_551_551'></a><a href='#Footnote_551_551'><sup>[551]</sup></a></p>
+
+<p>De zuiver dogmenhistorische vraag, in hoeverre de Kerk haar verbod van
+directe vereering of zelfs aanbidding der heiligen, niet als voor
+bidders maar als bewerkers van het gevraagde, altijd zuiver heeft weten
+te handhaven, kan hier blijven rusten. De cultuurhistorische vraag is,
+in hoeverre zij erin slaagde,<a name='272'></a> het volk daarvan af te houden, met andere
+woorden welke realiteit, welke voorstellingswaarde de heiligen hadden in
+het laat-middeleeuwsche volksbesef. En hier is maar &eacute;&eacute;n antwoord mogelijk:
+de heiligen waren zoo wezenlijke, zoo materieele en zoo gemeenzame
+figuren in het alledaagsche geloofsleven, dat zich aan hen al de meer
+oppervlakkige en zinnelijke godsdienstige impulsen verbonden. Terwijl
+de innigste gemoedsbewegingen uitstroomden naar Christus en Maria,
+kristalliseerde zich in de heiligenvereering een heele schat van
+gemoedelijk, na&iuml;ef en alledaagsch godsdienstig leven. Alles werkte mede,
+om aan de populaire heiligen een wezenlijkheid voor den geest te geven,
+die hen voortdurend midden in het leven bracht. De volksverbeelding
+heeft hen vast: zij hebben hun bekende gedaante en hun attributen, men
+kent hun ijselijke martelie en hun verbazende wonderen. Zij gaan gekleed
+en uitgerust als het volk zelf. Men kon mijnheer Sint Rochus of Sint
+Jacob iederen dag in levende pestlijders of pelgrims ontmoeten. Het zou
+van belang zijn, na te gaan, tot hoe lang de kleederdracht der heiligen
+de mode van den dag heeft meegemaakt. Zeker die der geheele vijftiende
+eeuw. Maar waar is het punt, waarop de kerkelijke kunst hen onttrekt
+aan de levende volksverbeelding, door hen te hullen in rhetorische
+drapeering? Het is niet alleen een kwestie van Renaissance-gevoel voor
+historisch costuum; het is, dat de volksverbeelding zelf hen begint los
+te laten, of althans zich niet meer kan doen gelden in de kerkelijke
+kunst. Tijdens de contrareformatie zijn de heiligen veel treden hooger
+geklommen, naar de Kerk het wilde: weg uit de aanraking met het
+volksleven.</p>
+<a name='273'></a>
+<p>De lijfelijkheid, die de heiligen reeds hadden door de afbeelding, werd
+nog buitengewoon verhoogd doordat de Kerk van oudsher de vereering van
+hun lichamelijke overblijfselen had toegestaan en aangemoedigd. Het kon
+niet anders, of van dit hechten aan de stof moest een materialiseerende
+invloed op het geloof uitgaan, die somtijds tot verbazingwekkende
+uitersten leidde. Waar het relieken geldt, vreest het sterke geloof der
+Middeleeuwen voor geen ontnuchtering of ontwijding. Het volk in de
+bergen van Umbri&euml; omstreeks het jaar 1000 wilde den kluizenaar Sint
+Romuald doodslaan, om toch zijn gebeente niet te verliezen. De monniken
+van Fossanuova, waar Thomas van Aquino gestorven was, hebben, uit vrees
+dat hun de kostbare reliek zou ontgaan, het lijk van den edelen meester
+letterlijk ingemaakt: van het hoofd ontdaan, gekookt, geprepareerd.
+<a name='FNanchor_552_552'></a><a href='#Footnote_552_552'><sup>[552]</sup></a> Toen de heilige Elisabeth van Th&uuml;ringen boven aarde stond, kwam
+een schaar van devoten niet alleen stukken snijden of scheuren van de
+doeken, waarmee haar gelaat omwikkeld was; men sneed de haren en nagels
+af, ja zelfs stukken van de ooren en de tepels van de borsten.<a name='FNanchor_553_553'></a><a href='#Footnote_553_553'><sup>[553]</sup></a> Ter
+gelegenheid van een plechtig feest deelt Karel VI ribben uit van zijn
+voorvader den heiligen Lodewijk: aan Pierre d'Ailly, aan zijn ooms van
+Berry en Bourgondi&euml;, en aan de prelaten een been om te verdeelen,
+<a name='274'></a>waartoe dezen dan ook overgaan na den maaltijd.<a name='FNanchor_554_554'></a><a href='#Footnote_554_554'><sup>[554]</sup></a></p>
+
+<p>Hoe levend en hoe lijfelijk nu ook de voorstelling der heiligen was,
+niettemin treden zij betrekkelijk weinig op in de sfeer van de
+bovennatuurlijke beleving. Het geheele gebied van geestenzienerij,
+teekenen, verschijningen en spooksels staat grootendeels gescheiden
+van de verbeeldingssfeer der heiligenvereering. Er zijn natuurlijk
+uitzonderingen. Iedereen denkt terstond aan Sint Michiel, Sint Catharina
+en Sint Margareta, die aan Jeanne d'Arc verschenen. Zoo zouden er uit de
+visionaire litteratuur nog tal van andere voorbeelden zijn aan te halen.
+Maar in den regel heeft men daar te doen met eenigszins litterair
+geformeerde of ge&iuml;nterpreteerde gezichten. Wanneer aan den jongen herder
+te Frankenthal bij Bamberg in 1446 de veertien heilige noodhelpers
+verschijnen, dan ziet hij dezen, die toch in de iconografie zulke
+markante figuren waren,<a name='FNanchor_555_555'></a><a href='#Footnote_555_555'><sup>[555]</sup></a> niet met hun sprekende attributen, maar
+als veertien engelkindertjes, onderling geheel gelijk; zij <i>zeggen</i>,
+dat zij de veertien noodhelpers zijn. De fantasmagorie van het directe
+volksgeloof is gevuld met engelen en duivelen, geesten van afgestorvenen
+en witte wijven, maar niet met heiligen. Slechts bij uitzondering speelt
+in het echte, niet litterair of theologisch aangekleede bijgeloof de
+heilige een rol. Sint Bertulf doet het te Gent. Als er iets ernstigs
+gaat gebeuren, klopt hij tegen zijn kist in de Sint Pieters abdij &quot;moult
+dru et moult fort&quot;. Het gaat soms gepaard met een lichte aardbeving,
+en verschrikt de stad zoo, dat zij met groote ommegangen het onbekende
+onheil zoekt te keeren.<a name='FNanchor_556_556'></a><a href='#Footnote_556_556'><sup>[556]</sup></a>
+<a name='275'></a>In het algemeen echter hecht zich de
+klamme vrees aan de slechts vaag verbeelde figuren, die niet met vaste
+attributen, bekende trekken en gezellig bonte kleedij in de kerken
+uitgehouwen en geschilderd stonden, maar met een ongezien schrikgelaat
+in een nevelige wade rondwaarden, of in louter hemelglans zich vertoonden,
+of in monsterlijk verschietende wanvormen uit de schuilhoeken van het
+brein opdoken.</p>
+
+<p>Dit behoeft niet te verbazen. Juist doordat de heilige zoo exacten vorm
+had aangenomen, zooveel verbeeldingsstof had aangetrokken en rondom zich
+gekristalliseerd, miste hij de huiveringwekkende geheimzinnigheid.
+De vrees voor het bovennatuurlijke ligt in de onbepaaldheid der
+voorstelling, in de verwachting, dat iets plotseling zich in een nieuwe,
+nooit ontwaarde schrikwekkendheid zou kunnen vertoonen. Zoodra de
+voorstelling wordt omlijnd en bepaald, ontstaat een gevoel van
+verzekerdheid en gemeenzaamheid. De heiligen met hun welbekende figuren
+hadden het geruststellende van een politieagent in een groote vreemde
+stad. De heiligenvereering en vooral de heiligenverbeelding schiep als
+'t ware een neutrale zone van gemoedelijk rustig geloof tusschen de
+verrukkingen van het God-schouwen en de zoete huiveringen van de
+Christusliefde eenerzijds, en anderzijds de gruwelijke fantasmen van de
+duivelvrees en den heksenwaan. Men zou de stelling kunnen wagen, dat de
+heiligenvereering, door veel zaligheidsgevoel en veel angsten af te
+leiden en te herleiden tot gemeenzame verbeelding, een zeer hygi&euml;nische
+tempering heeft opgeleverd<a name='276'></a> voor den wild uitschietenden geest der
+Middeleeuwen.</p>
+
+<p>Door die volkomen ver-beelding heeft de heiligenvereering haar plaats
+aan den buitenkant van het geloofsleven. Zij gaat mee op den stroom van
+het alledaagsche denken, en verliest daarin soms haar waardigheid.
+Karakteristiek is in dit opzicht de laat-middeleeuwsche Joseph-vereering.
+Men kan haar beschouwen als een gevolg en een terugslag van de
+hartstochtelijke Maria-vereering. De onbescheiden belangstelling voor
+den stiefvader is als 't ware de tegenkant van al de liefde en
+verheerlijking, die de maagdelijke Moeder gold. Naarmate Maria hooger
+steeg, werd Joseph meer caricatuur. De beeldende kunst gaf hem reeds een
+type, dat bedenkelijk dicht naderde tot dat van den lompen, bespotten
+boer. Zoo ziet men hem op Melchior Broederlam's tweeluik te Dijon. Maar
+in de beeldende kunst bleef het ontwijdendste onuitgedrukt. Welk een
+na&iuml;eve nuchterheid vertoont de Joseph-opvatting van Eustache Deschamps,
+die hierin toch volstrekt niet als een onvrome spotter te beschouwen is.
+Joseph, die Gods Moeder dienen mocht en haar zoon opvoeden, men zou
+meenen, dat geen sterveling hooger begenadigd is geweest. Deschamps
+gelieft hem te zien als het type van den slovenden, beklagenswaardigen
+huisvader:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Vous qui servez a femme et a enfans
+<span>Aiez Joseph toudis en remembrance;<br /></span>
+<span>Femmes servit toujours tristes, dolans.<br /></span>
+<span>Et Jhesu Crist garda en son enfance;<br /></span>
+<span>A pi&egrave; trotoit, son fardel sur sa lance;<br /></span>
+<span>En plusieurs lieux est figur&eacute; ainsi,<br /></span>
+<span>Lez un mulet, pour leur faire plaisance,<br /></span>
+<span>Et si n'ot oncq feste en ce monde ci.&quot;<a name='FNanchor_557_557'></a><a href='#Footnote_557_557'><sup>[557]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<a name='277'></a>
+<p>Was het enkel, om huisvaders in zorgen met een edel voorbeeld te
+troosten, dan zou het nog gaan, wat er ook aan waardigheid der
+voorstelling ontbrak. Maar Deschamps bedoelt Joseph regelrecht als
+afschrikkend voorbeeld, om zich toch niet met een gezin te belasten:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Qu'ot Joseph de povret&eacute;
+<span>De durt&eacute;,<br /></span>
+<span>De maleurt&eacute;,<br /></span>
+<span>Quant Dieux nasqui?<br /></span>
+<span>Maintefois l'a comport&eacute;,<br /></span>
+<span>Et mont&eacute;<br /></span>
+<span>Par bont&eacute;<br /></span>
+<span>Avec sa m&egrave;re autressi,<br /></span>
+<span>Sur sa mule les ravi;<br /></span>
+<span>Je le vi<br /></span>
+<span>Paint ainsi;<br /></span>
+<span>En Egipte en est al&eacute;.<br /></span>
+</div><p></p>
+<div class='poem'> Le bonhomme est paintur&eacute;
+<span>Tout lass&eacute;,<br /></span>
+<span>Et trouss&eacute;,<br /></span>
+<span>D'une cote et d'un barry:<br /></span>
+<span>Un baston au coul pos&eacute;,<br /></span>
+<span>Vieil, us&eacute;<br /></span>
+<span>Et rus&eacute;.<br /></span>
+<span>Feste n'a en ce monde cy,<br /></span>
+<span>Mais de lui<br /></span>
+<span>Va le cri:<br /></span>
+<span>C'est Joseph le rassot&eacute;.&quot;<a name='FNanchor_558_558'></a><a href='#Footnote_558_558'><sup>[558]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Hier ziet men voor oogen, hoe uit de gemeenzame afbeelding een
+gemeenzame opvatting groeide, die elke heiligheid schond.<a name='278'></a> Joseph bleef
+in de volksverbeelding een half-komische figuur; nog dr. Johannes Eck
+moest erop aandringen, dat men hem in het kerstspel of in het geheel
+niet, of althans op betamelijker wijze zou voorstellen, en hem geen
+pap zou laten koken, &quot;ne ecclesia Dei irrideatur.&quot;<a name='FNanchor_559_559'></a><a href='#Footnote_559_559'><sup>[559]</sup></a> Tegen deze
+onwaardige woekeringen was de beweging van Gerson voor een passende
+Joseph-vereering gericht, die tot zijn opneming in de liturgie met
+voorrang boven alle andere heiligen leidde.<a name='FNanchor_560_560'></a><a href='#Footnote_560_560'><sup>[560]</sup></a> Wij zagen echter boven
+reeds, hoe ook Gerson's ernstig streven hem niet vrijhoudt van die
+onbescheiden curiositas, die aan het onderwerp van Joseph's huwelijk
+haast onvermijdelijk verbonden scheen. Voor een nuchteren geest (en
+Gerson, ondanks zijn voorliefde voor de mystiek, was in veel opzichten
+een nuchtere geest) mengden zich altijd weer in de beschouwing van
+Maria's huwelijk overwegingen van zeer aardschen inhoud. De ridder de la
+Tour-Landry, ook een type van nuchter welmeenend geloof, ziet het geval
+onder dit licht. &quot;Dieux voulst que elle espousast le saint homme Joseph,
+qui estoit vieulx et preudomme; car Dieu voulst naistre soubz umbre de
+mariage pour ob&eacute;ir &agrave; la loy qui lors couroit, <i>pour eschever les paroles
+du monde</i>,&quot;<a name='FNanchor_561_561'></a><a href='#Footnote_561_561'><sup>[561]</sup></a>&mdash;</p>
+
+<p>Een onuitgegeven werk der vijftiende eeuw verbeeldt het mystisch
+huwelijk der ziel met den hemelschen bruidegom in de termen van een
+burgerlijke vrijaadje. Jezus, de bruidegom, zegt tot God Vader: &quot;S'il te
+plaist, <a name='279'></a>je me mariray et auray grant foueson d'enfans et de famille.&quot; De
+Vader maakt bezwaren, want de keuze des Zoons is gevallen op een zwarte
+Ethiopische; hier speelt het woord van het Hooglied onder: &quot;Nigra sum
+sed formosa&quot;. Het zou een m&eacute;salliance zijn en een oneer voor de familie.
+De engel, die als hijlikmaker optreedt, doet een goed woord voor de
+bruid. &quot;Combien que ceste fille soit noire, neanmoins elle est
+gracieuse, et a belle composicion de corps et de membres, et est bien
+habile pour porter fouezon d'enfans.&quot; De Vader antwoordt: &quot;Mon cher fils
+m'a dit qu'elle est noire et brunete. Certes je vueil que son espouse
+soit jeune, courtoise, jolye, gracieuse et belle et qu'elle ait beaux
+membres.&quot; Nu prijst de engel haar aangezicht en al haar leden, dat zijn
+de deugden der ziel. De Vader geeft zich gewonnen, en spreekt tot den
+Zoon:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Prens la, car elle est plaisant
+<span>Pour bien amer son doulx amant;<br /></span>
+<span>Or prens de nos biens largement,<br /></span>
+<span>Et luy en donne habondamment.&quot;<a name='FNanchor_562_562'></a><a href='#Footnote_562_562'><sup>[562]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Aan den ernst en de stichtelijke bedoeling van dit werk valt geen
+oogenblik te twijfelen. Het is enkel een bewijs, tot welke triviale
+voorstellingen de onbeteugelde uitwerking der verbeelding leiden kon.</p>
+
+<p>Iedere heiligenfiguur had door haar welbepaald, direct sprekend beeld
+een individueel karakter,<a name='FNanchor_563_563'></a><a href='#Footnote_563_563'><sup>[563]</sup></a> in tegenstelling met de engelen, die met
+uitzondering der drie groote aartsengelen volkomen onverbeeld bleven.
+<a name='280'></a>De individualiteit der heiligen werd nog versterkt door de speciale
+functie, die aan verscheiden hunner toekwam: tot dezen wendde men zich
+in een bepaalden nood, tot genen om genezing eener bepaalde ziekte.
+Veelal had een trek uit de legende of een attribuut van het beeld de
+aanleiding gegeven tot die specialiseering, zooals bij voorbeeld, als
+Sinte Apollonia tegen kiespijn werd aangeroepen, wie zelve in haar
+martelie de kiezen waren uitgetrokken. Was eenmaal de goedgunstige taak
+der heiligen zoo verbijzonderd, dan kon het niet uitblijven, of er kwam
+in hun vereering een half mechanisch element. Hoorde eenmaal de genezing
+der pest tot het ambtsgebied van Sint Rochus, dan werd bijna
+onvermijdelijk de actie van den heilige in dezen te direct opgevat, en
+liep de gansche, door de Kerk gevorderde, gedachtenschakel, dat de
+heilige door zijn voorbidding bij God de genezing wrocht, gevaar om uit
+te vallen. Met name was dit het geval bij de vereering der veertien
+(soms ook vijf, acht, tien of vijftien) Noodhelpers, die in het laatst
+der Middeleeuwen zoo sterk op den voorgrond kwam. Sint Barbara en Sint
+Christophorus, de meest afgebeelde van allen, hooren ertoe. Aan deze
+veertien had God naar de voorstelling van het volksgeloof toegestaan,
+dat hunne aanroeping iedereen zou vermogen te redden uit onmiddellijk
+dreigend gevaar.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Ilz sont cinq sains, en la genealogie,
+<span>Et cinq sainctes, a qui Dieux octria<br /></span>
+<span>Benignement a la fin de leur vie.<br /></span>
+<span>Que quiconques de cuer les requerra<br /></span>
+<span>En tous perilz, que Dieux essaucera<br /></span>
+<span>Leurs prieres, pour quelconque mesaise.<br /></span>
+<span>Saiges est donc qui ces cinq servira,<br /></span><a name='281'></a>
+<span>Jorges, Denis, Christofle, Gille et Blaise.&quot;<a name='FNanchor_564_564'></a><a href='#Footnote_564_564'><sup>[564]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Voor het volksbesef moest krachtens deze delegatie der almacht en
+de oogenblikkelijkheid der werking elke gedachte aan de louter
+voorsprekende functie der heiligen geheel wegvallen; de Noodhelpers
+waren de procuratiehouders der godheid geworden. Verschillende missalen
+uit het einde der Middeleeuwen, die het officie der veertien Noodhelpers
+behelzen, spreken het bindend karakter van hunne tusschenkomst duidelijk
+uit: &quot;Deus qui electos sanctos tuos Georgium etc. etc. specialibus
+privilegiis prae cunctis aliis decorasti, ut omnes, qui in necessitatibus
+suis eorum implorant auxilium, secundum promissionem tuae gratiae
+petitionis suae salutarem consequantur effectum.&quot;<a name='FNanchor_565_565'></a><a href='#Footnote_565_565'><sup>[565]</sup></a> Vandaar dat de
+Kerk na Trente de mis der veertien Noodhelpers als zoodanig verboden
+heeft, van wege het gevaar, dat het geloof hier zich als aan een talisman
+zou hechten.<a name='FNanchor_566_566'></a><a href='#Footnote_566_566'><sup>[566]</sup></a> Inderdaad gold reeds het dagelijks aanschouwen van een
+geschilderden of gebeeldhouwden Christophorus als genoegzame behoeding
+voor een noodlottig einde.<a name='FNanchor_567_567'></a><a href='#Footnote_567_567'><sup>[567]</sup></a></p>
+
+<p>Vraagt men, wat de aanleiding kan zijn geweest, dat juist deze veertien
+zulk een compagnie des heils zijn gaan vormen,<a name='282'></a> dan valt het op, dat
+allen in hun beeltenis iets sensationeels hadden, dat de verbeelding
+prikkelde. Achatius zag men met een doornenkroon, Aegidius met een
+hinde, Sint Joris met den draak, Blasius in een hol met wilde dieren,
+Christoffel als een reus, Cyriacus met den duivel aan een ketting,
+Dionysius met zijn hoofd in den arm, Erasmus in zijn gruwelijke
+marteling met de windas, die hem de darmen uittrekt, Eustachius met het
+kruisdragend hert, Pantaleon als geneesheer, met een leeuw, Vitus in een
+ketel, Sint Barbara met haar toren, Catharina met het rad en het zwaard,
+Margareta met een draak.<a name='FNanchor_568_568'></a><a href='#Footnote_568_568'><sup>[568]</sup></a> Het zou niet onmogelijk zijn, dat de
+bijzondere opmerkzaamheid voor deze veertien van het treffende in hun
+beeld haar uitgangspunt had genomen.</p>
+
+<p>Tal van heiligennamen waren verbonden geraakt aan bepaalde ziekten,
+zooals Sint Antonie aan verschillende vurige huidziekten, Sint Maurus
+aan de jicht, Sint Sebastiaan, Sint Rochus, Sint Aegidius, Sint
+Christoffel, Sint Valentijn en Sint Adriaan aan de pest. Hier school nog
+een ander gevaar voor ontaarding van het volksgeloof. Het euvel heette
+naar den heilige: Sint Antonies vuur, &quot;mal de Saint Maur&quot; en tallooze
+dergelijke. De heilige stond dus bij het denken aan de ziekte van
+aanvang af op den voorgrond der gedachte. Dat denken was geladen met
+heftige gemoedsbeweging; vooral waar het de gevreesde pest gold.
+De pestheiligen werden in de vijftiende eeuw druk vereerd: met offici&euml;n
+in de kerken, met processies, met broederschappen, een geestelijke
+ziekteverzekering als 't ware. Hoe licht kon nu het sterke besef van
+Gods toorn,<a name='283'></a> dat door iedere epidemie werd gewekt, overslaan op den
+heilige, die de voorstelling in beslag nam. Niet Gods ondoorgrondelijke
+rechtvaardigheid heeft de ziekte veroorzaakt, maar de toorn van den
+heilige is het, die haar zendt en verzoening eischt. Wanneer hij ze
+geneest, waarom zal hij haar dan ook niet veroorzaken? Zoo was een
+heidensche verplaatsing van het geloof uit de religieus ethische in de
+magische sfeer gegeven, waarvoor de Kerk enkel in zooverre aansprakelijk
+kon worden gesteld, als zij er niet genoeg rekening mee hield, hoe haar
+zuivere leer vertroebelde in een onwetenden geest. Rabelais vertelt van
+volkspredikers, die der gemeente Sint Sebastiaan voorhielden als den
+veroorzaker der pest, Sint Eutropius (wegens de assonantie met
+ydropique?) als dien der waterzucht.<a name='FNanchor_569_569'></a><a href='#Footnote_569_569'><sup>[569]</sup></a> De werkelijke aanwezigheid
+van zulk een voorstelling wordt gestaafd door meer dan &eacute;&eacute;n getuigenis.
+Eustache Deschamps laat den door huidziekte geplaagden bedelaar zeggen:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Saint Anthoine me vent trop chier
+<span>Son mal, le feu ou corps me boute&quot;,<a name='FNanchor_570_570'></a><a href='#Footnote_570_570'><sup>[570]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>en den jichtige voegt hij toe: wel, als ge niet loopen kunt, spaart ge
+weggeld uit:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Saint Mor ne te fera fremir.&quot;<a name='FNanchor_571_571'></a><a href='#Footnote_571_571'><sup>[571]</sup></a></div>
+
+<p>In zijn hoongedicht <i>De validorum per Franciam mendicantium varia
+astucia</i> beschrijft Robert Gaguin de bedelaars aldus: &quot;Deze valt ter
+aarde, terwijl hij stinkend speeksel opgeeft, en bazelt, dat dit het
+wonderwerk van Sint Jan is.<a name='284'></a> Anderen worden door Sint Fiacrius, den
+kluizenaar, met puisten gekweld; gij, o Damianus, belemmert de
+waterloozing. Sint Antonie brandt hun de gewrichten met jammerlijk vuur,
+Sint Pius maakt hen kreupel en lam.&quot;<a name='FNanchor_572_572'></a><a href='#Footnote_572_572'><sup>[572]</sup></a></p>
+
+<p>&quot;Sainct Anthoine arde le tripot! Sainct Anthoine arde la monture!&quot;<a name='FNanchor_573_573'></a><a href='#Footnote_573_573'><sup>[573]</sup></a>
+In verwenschingen als deze is de heilige geheel een booze vuur-demon
+geworden.</p>
+
+<p>Zelfs de bejegening der godheid zelf kan door deze fetichistische
+voorstelling aangetast worden. Te Haarlem wordt in 1492 een knaap uit de
+Groningsche Ommelanden terechtgesteld, die na zijn geld bij het dobbelen
+verloren te hebben, een kerk was binnengeloopen en twee dolksteken had
+toegebracht aan het beeld van den Gekruisigde.<a name='FNanchor_574_574'></a><a href='#Footnote_574_574'><sup>[574]</sup></a></p>
+
+<p>De gevoels- en gedachteninhoud van de heiligenvereering was voor zulk
+een groot deel vastgelegd in de kleuren en vormen der beelden, dat de
+onmiddellijk aesthetische opvatting voortdurend dreigde, de religieuze
+gedachte op te heffen. Tusschen het aanschouwen van den glans van het
+goud, van de pijnlijk getrouwe weergave van de stoffen der kleedij, van
+den vromen blik der oogen, en de levende voorstelling van den heilige in
+het bewustzijn, was nauwelijks meer plaats voor de overdenking, wat de
+Kerk toestond en wat zij verbood, dien heerlijken wezens aan hulde en
+innigheid te bieden. De heiligen leefden in den geest des volks als
+goden. Wanneer dat gevaar voor de volksvroomheid gevreesd wordt door de
+angstvallig rechtgeloovige kringen der Windesheimers, verbaast het ons
+niet.<a name='285'></a> Doch wel sprekend is het, wanneer die gedachte plotseling opgaat
+aan een geest als Eustache Deschamps, den oppervlakkigen, banalen
+hofdichter, die juist in zijn begrensdheid zulk een voortreffelijke
+spiegel is van het gewone geestesleven van zijn tijd.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Ne faictes pas les dieux d'argent,
+<span>D'or, de fust,<a name='FNanchor_575_575'></a><a href='#Footnote_575_575'><sup>[575]</sup></a> de pierre ou d'arain,<br /></span>
+<span>Qui font ydolatrer la gent....<br /></span>
+<span>Car l'ouvrage est forme plaisant;<br /></span>
+<span>Leur painture dont je me plain,<br /></span>
+<span>La beaut&eacute; de l'or reluisant,<br /></span>
+<span>Font croire &agrave; maint peuple incertain<br /></span>
+<span>Que ce soient dieu pour certain,<br /></span>
+<span>Et servent par pens&eacute;es foles<br /></span>
+<span>Telz ymages qui font caroles<a name='FNanchor_576_576'></a><a href='#Footnote_576_576'><sup>[576]</sup></a><br /></span>
+<span>Es moustiers o&ugrave; trop en mettons;<br /></span>
+<span>C'est tresmal fait: a brief paroles,<br /></span>
+<span>Telz simulacres n'aourons.<br /></span>
+<span>............................................................<br /></span>
+<span>Prince, un Dieu croions seulement<br /></span>
+<span>Et aourons parfaictement<br /></span>
+<span>Aux champs, partout, car c'est raisons.<br /></span>
+<span>Non pas faulz dieux, fer n'ayment,<br /></span>
+<span>Pierres qui n'ont entendement:<br /></span>
+<span>Telz simulacres n'aourons.&quot;<a name='FNanchor_577_577'></a><a href='#Footnote_577_577'><sup>[577]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Zou het niet op te vatten zijn als een onbewuste reactie tegen de
+heiligenvereering, wanneer in de late Middeleeuwen zoo sterk geijverd
+wordt voor de vereering van den beschermengel? In de heiligenvereering
+was het levende geloof veel te veel gekristalliseerd;<a name='286'></a> men had behoefte
+aan een meer liquiden staat van het vereeringsgevoel en het
+beschermingsbesef. Dat kon zich hechten aan de nauwelijks verbeelde
+engelfiguur, terugkeeren tot de onmiddellijkheid van het
+bovennatuurlijke. Het is alweer Gerson, de nauwgezette ijveraar voor
+zuiverheid in het geloof, die de vereering des beschermengels
+herhaaldelijk aanbeveelt.<a name='FNanchor_578_578'></a><a href='#Footnote_578_578'><sup>[578]</sup></a> Doch ook hier dreigt alweer die zucht
+tot uitwerking der bijzonderheden, die het vrome gehalte der vereering
+slechts schaden kon. De &quot;studiositas theologorum&quot; zegt Gerson, stelt
+aangaande de engelen allerlei vragen: of zij ons ooit verlaten, of zij
+van te voren weten, of wij uitverkoren zijn of verdoemd zullen worden,
+of Christus een beschermengel had, en Maria, of de Antichrist er een
+hebben zal. Of onze goede engel tot onze ziel kan spreken zonder de
+beelden van phantasmen, of zij de aanspoorders zijn tot het goede,
+gelijk de duivelen tot het kwade. Of zij onze gedachten zien. Wat hun
+getal is. Die studiositas, besluit Gerson, blijve den godgeleerden
+overgelaten, maar elke curiositas zij verre van allen, die zich meer
+moeten bevlijtigen tot devotie dan tot subtiele speculatie.<a name='FNanchor_579_579'></a><a href='#Footnote_579_579'><sup>[579]</sup></a></p>
+
+<p>De Hervorming heeft een eeuw later de heiligenvereering bijna weerloos
+gevonden, terwijl zij tegen het heksen- en duivelgeloof zelfs geen
+aanval deed, ja niet doen wilde, daar het haar zelf nog bevangen hield.
+Was dit niet, doordat de heiligenvereering voor een groot deel tot caput
+mortuum geworden was, doordat bijna alles wat <a name='287'></a>de gedachtensfeer der
+heiligenvereering betrof, in het beeld, de legende, het gebed zoo
+volkomen was uitgedrukt, dat er geen huiverend ontzag meer achter stond?
+De heiligenvereering had haar wortels in het onverbeelde en onzegbare
+verloren, die zoo vreeselijk sterk waren in de demonologische
+gedachtensfeer. En wanneer de Contrareformatie een gezuiverde
+heiligenvereering opnieuw gaat kweeken, moet zij den geest bewerken met
+snoeimes en bemesting.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='VII'></a>VII</h2>
+<a name='288'></a>
+<h3>DE GODSDIENSTIGE PERSOONLIJKHEID</h3>
+<br />
+
+<p>Het volk leefde gewoonlijk in de sleur van een geheel veruiterlijkten
+godsdienst bij een zeer vast geloof, dat wel angsten en verrukkingen
+bracht, maar den ongeleerde geen vragen en geestelijken strijd oplegde,
+zooals het Protestantisme zou doen. De gemoedelijke oneerbiedigheid en
+nuchterheid van allen dag werd afgewisseld door de innigste ontroeringen
+van hartstochtelijke vroomheid, die telkens spasmodisch het volk
+aangrijpen. Men moet die voortdurende tegenstelling van sterke en zwakke
+religieuze spanning niet willen begrijpen, door de kudde te scheiden in
+vromen en wereldlingen, alsof een deel des volks blijvend hoog
+godsdienstig leefde, terwijl de anderen slechts uiterlijk vroom waren.
+Onze voorstelling van het laat-middeleeuwsche Noord-nederlandsche en
+Nederduitsche pi&euml;tisme zou ons licht op een dwaalspoor kunnen brengen.
+In de moderne devotie der Fraterhuizen en Windesheimers hadden zich
+inderdaad pi&euml;tistische kringen uit het wereldsche leven afgezonderd; bij
+hen was de religieuze spanning blijvend genormaliseerd; zij vormden als
+vromen bij uitstek een tegenstelling tot den grooten hoop. Doch Frankrijk
+en de Zuidelijke Nederlanden hebben dat verschijnsel in den vorm van een
+georganiseerde beweging nauwelijks gekend. Toch hebben daar de stemmingen,
+die aan de moderne devotie ten grondslag lagen, evengoed hun werking gehad
+als in het stille land van den IJsel. Doch daar in het Zuiden kwam het
+niet tot zulk een afscheiding; de hooge devotie bleef er deel van het
+algemeene godsdienstleven;<a name='289'></a> zij openbaarde zich er bij oogenblikken,
+heviger en korter. Het is het verschil, dat tot den huidigen dag
+Romaansche volken van de Noordelijke scheidt: de Zuidelijken nemen een
+tegenstrijdigheid minder zwaar, voelen minder den eisch, er de volle
+consequentie uit te trekken, kunnen gemakkelijker de gemeenzaam spottende
+houding van het dagelijksch leven verbinden met de hooge exaltatie van het
+begenadigde oogenblik.</p>
+
+<p>De geringschatting voor de geestelijkheid, die als onderstrooming door
+de heele middeleeuwsche cultuur heenloopt naast de hooge vereering voor
+den priesterstand, is ten deele te verklaren uit de verwereldlijking der
+hoogere geestelijkheid en de verregaande declasseering der lagere, en
+ten deele uit oude heidensche instincten. Het onvolkomen gekerstende
+volksgemoed had nooit geheel den afkeer afgelegd van den man, die niet
+vechten mocht en kuisch moest leven. De ridderlijke hoogmoed, geworteld
+in dapperheid en liefde, stiet evenzeer als het ruwe volksbesef het
+geestelijk ideaal van zich. De ontaarding der geestelijken zelf deed de
+rest, en zoo hadden hoogere en lagere standen zich reeds eeuwen
+verlustigd in de figuur van den onkuischen monnik en den smullenden
+vetten paap. Een latente haat tegen de geestelijkheid was altijd
+aanwezig. Hoe heftiger een prediker uitvoer tegen de zonden van zijn
+eigen stand, hoe liever het volk hem hoorde.<a name='FNanchor_580_580'></a><a href='#Footnote_580_580'><sup>[580]</sup></a> Zoodra de preeker,
+zegt Bernardinus van Siena, tegen de geestelijken te velde trekt,
+vergeten de hoorders de rest; er is geen beter middel, om de aandacht
+gaande te houden,<a name='290'></a> als het volk slaperig wordt of het te warm of te koud
+krijgt. Dan wordt alles terstond wakker en welgemoed.<a name='FNanchor_581_581'></a><a href='#Footnote_581_581'><sup>[581]</sup></a> Terwijl
+juist de hevige godsdienstige beroering door de reizende volkspredikers
+in de veertiende en vijftiende eeuw uitgaat van een herleving der
+bedelorden, zijn het aan den anderen kant juist de bedelmonniken, wier
+verbastering hen tot het gewone voorwerp van spot en verachting maakt.
+De onwaardige priester der novellenlitteratuur, die als een armzalige
+loondienaar voor drie grooten de mis leest, of bij wien men als
+biechtvader geabonneerd is &quot;pour absoudre du tout&quot;, pleegt een
+bedelmonnik te zijn.<a name='FNanchor_582_582'></a><a href='#Footnote_582_582'><sup>[582]</sup></a> De vrome Molinet rijmt spottend in een
+nieuwjaarswensch:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Prions Dieu que les Jacobins
+<span>Puissent manger les Augustins,<br /></span>
+<span>Et les Carmes soient pendus<br /></span>
+<span>Des cordes des Fr&egrave;res Menus.&quot;<a name='FNanchor_583_583'></a><a href='#Footnote_583_583'><sup>[583]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Het dogmatische armoede-begrip, zooals het in de bedelorden belichaamd
+was, voldeed den geest niet meer. In plaats van de symbolisch-formeele
+Armoede begon men de sociaal-re&euml;ele ellende te zien; Pierre d'Ailly
+stelt tegenover de mendicanten de &quot;vere pauperes&quot;, de echte armen, en
+het is geen toeval, dat de verernstiging van het geloof bij de moderne
+devoten hen in zekere tegenstelling tot de bedelorden bracht.</p>
+
+<p>De na&iuml;eve nuchterheid van den alledaagschen volksgodsdienst spreekt uit
+menige bladzijde. Er is in 1437,<a name='291'></a> na den terugkeer van den Franschen
+koning in zijn hoofdstad, een zeer plechtige lijkdienst voor de ziel van
+den graaf van Armagnac, het slachtoffer, met wiens moord de nu verleden
+troebele jaren begonnen waren. Het volk stroomt erheen, maar is zeer
+teleurgesteld, toen er geen uitdeeling van geld gehouden wordt. Want wel
+vier duizend lieden, zegt de burger van Parijs gemoedelijk, gingen
+erheen, die niet gegaan zouden zijn, als zij niet gedacht hadden, dat er
+iets gegeven zou worden. &quot;Et le maudirent qui avant pri&egrave;rent pour lui.&quot;
+<a name='FNanchor_584_584'></a><a href='#Footnote_584_584'><sup>[584]</sup></a> Toch is het dezelfde bevolking van Parijs, die met een vloed van
+tranen de talrijke processies aanschouwt en ineenkrimpt onder het woord
+van een reizenden prediker. Ghillebert de Lannoy zag te Rotterdam een
+oproer stillen door een priester, die het Corpus Domini ophief.<a name='FNanchor_585_585'></a><a href='#Footnote_585_585'><sup>[585]</sup></a></p>
+
+<p>De groote tegenstrijdigheid en de sterke spanningsovergangen vertoonen
+zich in het godsdienstig leven van den beschaafden enkele zoo goed als
+in dat der onwetende massa. Het is altijd weer met een slag, dat de
+godsdienstige verheldering komt, altijd weer de flauwere herhaling van
+wat Franciscus onderging, toen hij opeens de woorden van het evangelie
+hoorde als een onmiddellijk bevel. Een ridder hoort het doopformulier
+lezen, gelijk hij het misschien twintig keer had gehoord; maar
+plotseling dringt nu de volle heiligheid en wonderlijke werkdadigheid
+van die woorden tot hem door, en hij neemt zich voor, om voortaan alleen
+door de herinnering aan den doop den duivel te verjagen, zonder het
+kruisteeken te maken.<a name='FNanchor_586_586'></a><a href='#Footnote_586_586'><sup>[586]</sup></a>&mdash;
+<a name='292'></a>Le Jouvencel zal een kampgevecht bijwonen;
+de partijen staan gereed, om op de hostie hun goed recht te bezweren.
+Opeens doorgrondt de ridder de peillooze noodzakelijkheid, dat een dier
+beide eeden valsch moet zijn, dat een van beiden zich verdoemen gaat, en
+zegt: zweert niet, vecht alleen om den inzet van 500 schilden, zonder
+een eed te doen.<a name='FNanchor_587_587'></a><a href='#Footnote_587_587'><sup>[587]</sup></a></p>
+
+<p>De vroomheid van de hoogaanzienlijken met hun zwaren levensballast van
+wijdloopige praal en felle geneuchten heeft juist daardoor zeer dikwijls
+het spasmodische, dat ook de volksvroomheid kenmerkt. Karel V van
+Frankrijk laat dikwijls op het opwindendste oogenblik de jacht in den
+steek, om naar de mis te gaan.<a name='FNanchor_588_588'></a><a href='#Footnote_588_588'><sup>[588]</sup></a> De jonge Anne de Bourgogne,
+Bedford's gemalin, ergert den eenen keer de burgers van Parijs, door in
+woesten rit een processie met slijk te bespatten. Maar een andermaal
+verlaat zij te middernacht den bonten zwijmel van een hoffeest, om bij
+de Celestijnen metten te hooren. En haar droeven jongen dood beloopt zij
+door de ziekte, die zij opdeed bij het bezoeken van de arme kranken in
+het H&ocirc;tel Dieu.<a name='FNanchor_589_589'></a><a href='#Footnote_589_589'><sup>[589]</sup></a></p>
+
+<p>Tot in raadselachtige uitersten voltrekt zich de tegenstelling van
+vroomheid en felle zonde in een figuur als Lodewijk van Orleans, onder
+al de groote dienaren van weelde en genot de meest gedebaucheerde, de
+hartstochtelijkste wereldling. Hij is zelfs overgegeven aan
+tooverkunsten, en weigert er zich van te bekeeren.<a name='FNanchor_590_590'></a><a href='#Footnote_590_590'><sup>[590]</sup></a> Dezelfde
+Orleans is niettemin zoo devoot, dat hij zijn cel heeft bij de
+Celestijnen in het gemeene dormter;<a name='293'></a> hij deelt er het kloosterlijk leven,
+hoort er metten te middernacht, en soms vijf of zes missen per dag.
+<a name='FNanchor_591_591'></a><a href='#Footnote_591_591'><sup>[591]</sup></a>&mdash;Gruwelijk is die verbinding van godsdienst en misdaad bij Gilles
+de Rais, die temidden van zijn kindermoorden te Machecoul een dienst
+sticht ter eere der Onnoozele kinderkens, voor het heil van zijn ziel,
+en verbaasd is, als zijn rechters hem voorhouden, dat hij een ketter is.
+Al is het met minder scharlaken zonden, dat de vroomheid bij anderen
+gepaard gaat, het type van den devoten wereldling vertoonen velen: de
+barbaarsche Gaston Ph&eacute;bus, graaf van Foix, de frivole koning Ren&eacute;, de
+verfijnde Charles d'Orl&eacute;ans. Jan van Beieren, de hardvochtige en
+heerschzuchtige, komt vermomd Lidwina van Schiedam spreken over den
+staat zijner ziel.<a name='FNanchor_592_592'></a><a href='#Footnote_592_592'><sup>[592]</sup></a> Jean Coustain, de ontrouwe dienaar van Philips
+den Goede, een goddelooze, die nauwelijks mis hoorde en nimmer aalmoes
+gaf, keert zich onder beulshanden tot God in zijn ruw Bourgondisch
+patois met een hartstochtelijke aanroeping.<a name='FNanchor_593_593'></a><a href='#Footnote_593_593'><sup>[593]</sup></a></p>
+
+<p>Philips de Goede zelf is een der treffendste voorbeelden van die
+verbinding van vroomheid met wereldschen zin. De man van de overdadige
+feesten en de talrijke bastaarden, van de sluwe politieke berekening,
+den geweldigen trots en toorn, is een ernstig devote. Hij pleegt tot
+lang na de mis in zijn bidvertrek te blijven. Hij vast vier dagen in de
+week met water en brood, en bovendien op alle vigili&euml;n van Onze Lieve
+Vrouw en de apostelen. Somtijds heeft hij om vier uur na den middag nog
+niets gegeten. Hij geeft veel aalmoezen, en in het geheim.<a name='FNanchor_594_594'></a><a href='#Footnote_594_594'><sup>[594]</sup></a>
+<a name='294'></a> Na de verrassing van Luxemburg blijft hij zoo lang na de mis verdiept in zijn
+getijden en daarna in bijzondere dankgebeden, dat zijn gevolg, dat hem
+te paard afwacht, want de strijd was nog niet afgeloopen, ongeduldig
+wordt: de hertog kon het een andermaal wel inhalen, om al die
+paternosters te zeggen. Men waarschuwt hem, dat er gevaar dreigt, als
+hij langer toeft. Maar Philips antwoordt enkel: &quot;Si Dieu m'a donn&eacute;
+victoire, il la me gardera.&quot;<a name='FNanchor_595_595'></a><a href='#Footnote_595_595'><sup>[595]</sup></a></p>
+
+<p>Er is in dat alles geen schijnheiligheid of ijdele bigotterie te zoeken,
+maar een spanning tusschen twee geestelijke polen, die in den modernen
+geest nauwelijks meer bestaanbaar is. Het is het volstrekte dualisme in
+de opvatting van de zondige wereld tegenover het rijk Gods, dat deze
+mogelijkheid toelaat. In den middeleeuwschen geest zijn alle hoogere en
+zuiverder sentimenten geabsorbeerd in religie, terwijl de natuurlijke,
+zinnelijke aandriften, bewust verworpen, zinken moeten tot een niveau
+van zondig geachten wereldzin. In het middeleeuwsche bewustzijn vormen
+zich als 't ware twee levensopvattingen naast elkander: de vrome,
+ascetische opvatting heeft alle zedelijke gevoelens tot zich getrokken:
+des te bandeloozer wreekt zich de wereldzin, geheel aan den duivel
+overgelaten. Overheerscht een van beide geheel, dan ziet men den heilige
+of den teugelloozen zondaar; maar in den regel houden zij elkaar in
+wankel evenwicht met wijden doorslag,<a name='295'></a> en ziet men de felle menschen,
+wier rood bloeiende zonden bij wijlen hun overstortende vroomheid des te
+heviger doen uitbarsten.</p>
+
+<p>Wanneer men een middeleeuwsch dichter de vroomste lofdichten ziet maken
+naast allerlei profaneering en obsceniteit, zooals het zoovelen doen:
+Deschamps, Antoine de la Salle, Jean Molinet, dan is er nog minder
+aanleiding dan bij een modernen dichter, om die producten over
+hypothetische tijdperken van wereldzin en inkeer te verdeelen. De
+tegenstrijdigheid, die ons bijna onbegrijpelijk is, moet worden
+aanvaard.</p>
+
+<p>Er komen zonderlinge vermengingen voor van de bizarre prachtliefde van
+den tijd met strenge devotie. Het is niet alleen in de overlading van
+het geloof met schilderkunst, edelsmeedkunst en sculptuur, dat zich de
+ongebreidelde behoefte uit, om alles van het leven en van de gedachte
+bont te versieren en te verbeelden. In de aankleeding van het geestelijk
+leven zelf dringt somtijds die honger naar kleur en schittering door.
+Broeder Thomas vaart heftig uit tegen alle weelde en overdaad, maar het
+eigen getimmerte, vanwaar hij spreekt, is door het volk behangen met de
+rijkste tapisserie&euml;n, die men krijgen kon.<a name='FNanchor_596_596'></a><a href='#Footnote_596_596'><sup>[596]</sup></a> Philippe de M&eacute;zi&egrave;res is
+het volkomenste type van die prachtlievende vroomheid. Hij heeft voor de
+orde van de Passie, die hij stichten wilde, alles wat kleedij betreft,
+haarfijn vastgesteld. Het is als een feest van kleuren, dat hij zich
+droomt. De ridders zullen al naar hun rang in 't rood, in 't groen,
+scharlaken of hemelsblauw gaan; de grootmeester in 't wit; wit zullen
+ook de feestgewaden zijn. <a name='296'></a>Het kruis zal rood zijn, de gordels van leer
+of van zijde met hoornen gesp en verguld koperen versiering. De laarzen
+zullen zwart zijn en de kaproen rood. Ook het ordekleed der broeders,
+servanten, klerken en vrouwen wordt nauwkeurig beschreven.<a name='FNanchor_597_597'></a><a href='#Footnote_597_597'><sup>[597]</sup></a>&mdash;Van
+die orde kwam niets, Philippe de M&eacute;zi&egrave;res bleef zijn leven lang de
+groote kruistochtfantast en plannenmaker. Maar hij vond te Parijs in het
+klooster der Celestijnen de plaats, die hem bevredigen kon: zoo streng
+de orde was, zoo schitterend van goud en edele steenen waren kerk en
+klooster, een mausoleum van vorsten en vorstinnen.<a name='FNanchor_598_598'></a><a href='#Footnote_598_598'><sup>[598]</sup></a> Christine de
+Pisan achtte de kerk volmaakt van schoonheid. M&eacute;zi&egrave;res vertoefde er als
+leek, deelde in het strenge leven der kloosterlingen en bleef toch in
+het verkeer met de groote heeren en schoone geesten van zijn dagen, een
+mondain-artistieke tegenhanger van Gerard Groote. Hierheen trok hij ook
+zijn vorstelijken vriend Orleans, die er den inkeer van zijn woeste
+leven en ook zijn vroege rustplaats vond.</p>
+
+<p>De oude koning Ren&eacute; ontdekte op de jacht in de buurt van Angers een
+kluizenaar: een priester, die zijn prebende had opgegeven en van zwart
+brood en veldvruchten leefde. De koning was getroffen door zijn strenge
+deugd, en liet voor hem een kluis en een kapelletje bouwen. Voor zich
+zelf voegde hij daar een tuin en een bescheiden buitenhuis aan toe, dat
+hij met schilderwerk en allegorie&euml;n versieren liet. Dikwijls wandelde
+hij daarheen, om in &quot;son cher ermitage de Recul&eacute;e&quot; met zijn kunstenaars
+en geleerden te keuvelen.<a name='FNanchor_599_599'></a><a href='#Footnote_599_599'><sup>[599]</sup></a> Is het middeleeuwsch, is het renaissance,
+of is het niet achttiende-eeuwsch?</p><a name='297'></a>
+
+<p>Een hertog van Savoie wordt kluizenaar met vergulde ceintuur, roode
+muts, gouden kruis en goeden wijn.<a name='FNanchor_600_600'></a><a href='#Footnote_600_600'><sup>[600]</sup></a></p>
+
+<p>Het is maar &eacute;&eacute;n stap van die pracht in devotie tot de uitingen van
+hyperbolische nederigheid, die zelf ook vol vertoon zijn. Olivier de la
+Marche bewaarde uit zijn jongensjaren de herinnering van den intocht van
+koning Jacques de Bourbon van Napels, die op aandrang van Sainte Colette
+de wereld had vaarwel gezegd. De koning, armzalig gekleed, liet zich
+dragen in een mestbak, &quot;telle sans aultre difference que les civieres en
+quoy l'on porte les fiens et les ordures communement&quot;. Daar achteraan
+volgde een keurige hofstoet. &quot;Et ouys racompter et dire,&mdash;zegt La Marche
+vol bewondering,&mdash;que en toutes les villes o&ugrave; il venoit, il faisoit
+semblables entrees par humilit&eacute;.&quot;<a name='FNanchor_601_601'></a><a href='#Footnote_601_601'><sup>[601]</sup></a></p>
+
+<p>Van een niet z&oacute;o schilderachtige nederigheid zijn de door veel heilige
+voorbeelden aanbevolen voorschriften voor een begrafenis, die al het
+nietswaardige van den gestorvene treffend verbeelden moet. De heilige
+Pierre Thomas, de boezemvriend en geestelijke meester van Philippe de
+M&eacute;zi&egrave;res, laat, als hij den dood voelt naderen, zich hullen in een zak,
+een touw om den hals binden en op den grond leggen. Hij werkt daarmee
+het voorbeeld uit van Sint Franciscus, die zich immers ook in het
+sterven op den grond liet leggen. Begraaft mij, zegt Pierre Thomas, in
+den ingang van het koor, opdat alle menschen moeten trappen op mijn
+lijk, ja zelfs de geiten en de honden, als het kan.<a name='FNanchor_602_602'></a><a href='#Footnote_602_602'><sup>[602]</sup></a>&mdash;M&eacute;zi&egrave;res, de
+bewonderende leerling,<a name='298'></a> wil weer den meester overtreffen in fantastische
+nederigheid. Hem zal men in de laatste ure een zware ijzeren keten om
+den hals leggen. Zoodra hij den geest heeft gegeven, zal men hem naakt
+bij de voeten naar het koor sleuren; daar zal hij blijven liggen, tot
+men hem in het graf legt, de armen in kruisvorm uitgestrekt, met drie
+touwen aan een plank gebonden, die de plaats inneemt van de kostbaar
+versierde kist, waarop men misschien zijn ijdele wereldsche wapen zou
+hebben geschilderd, &quot;se Dieu l'eust tant hay qu'il fust mors &egrave;s cours
+des princes de ce monde.&quot; De plank, bedekt met twee ellen canevas of ruw
+zwart linnen, zal op dezelfde wijze naar de groeve gesleept worden,
+waarin &quot;het kreng van den armen pelgrim&quot; naakt als het is, in gestort
+zal worden. Er zal een klein grafteeken worden opgericht. En men moet
+niemand waarschuwen dan zijn goeden vriend in God, Martin, en de
+uitvoerders van zijn laatsten wil.</p>
+
+<p>Het spreekt bijna vanzelf, dat deze geest van protocol en ceremonie,
+plannenmaker en uitwerker van bijzonderheden, ook een maker van vele
+testamenten is geweest. In de latere is van deze beschikking van 1392
+geen sprake meer, en toen M&eacute;zi&egrave;res in 1405 stierf, kreeg hij een gewone
+begrafenis in het ordekleed van zijn geliefde Celestijnen, en twee
+grafschriften, waarschijnlijk van hem zelf.<a name='FNanchor_603_603'></a><a href='#Footnote_603_603'><sup>[603]</sup></a></p>
+
+<p>In het ideaal van heiligheid, men zou bijna kunnen zeggen: het
+romantisme der heiligheid, heeft de vijftiende eeuw nog niets gebracht,
+wat den nieuwen tijd aankondigt. De Renaissance zelf heeft het ideaal
+der heiligheid niet veranderd.<a name='299'></a> Terzijde van de groote stroomingen, die
+de beschaving in nieuwe beddingen stortten, blijft het heiligenideaal
+zoo na als v&oacute;&oacute;r de groote crisis, wat het altijd geweest was. De heilige
+is tijdloos als de mysticus. De heiligentypen der Contrareformatie zijn
+dezelfde als die der late Middeleeuwen, en deze verschillen door geen
+essentieelen trek van die der vroegere Middeleeuwen. In het eene als in
+het andere tijdperk zijn het de groote heiligen van het brandende woord
+en de gloeiend gesmede daad: hier Ignatius de Loyola, Franciscus
+Naverius, Karel Borromeus, daar Bernardino van Siena, Vincentius Ferrer,
+Johannes Capistrano. Daarnaast de stille in godsliefde verdwaasden, die
+naderen tot het moslimsche en boeddhistische heiligentype, als Aloysius
+Gonzaga in de zestiende eeuw, Franciscus de Paula, Colette, Pieter van
+Luxemburg in de vijftiende en veertiende. Tusschen die beide typen in al
+de figuren, die van beide uitersten wat hebben, ja zelfs somtijds de
+eigenschappen ervan in de hoogste macht vereenigen.</p>
+
+<p>Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme
+der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere
+ideale verbeeldingen van een bepaalden levensvorm in menschen
+verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk,
+dat dit romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit
+in de fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding
+dan in de groote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur. Men
+wordt niet heilig om zijn kerkelijk-sociale verdiensten, al zijn die nog
+zoo groot, maar om zijn wonderlijke vroomheid. De groote energeten
+erlangen enkel dan den roep van heiligheid, wanneer hun daden gedrenkt
+zijn in den schijn van een bovennatuurlijk leven;<a name='300'></a> niet Nicolaas van
+Cusa, wel zijn medestander Dionysius de Kartuizer.<a name='FNanchor_604_604'></a><a href='#Footnote_604_604'><sup>[604]</sup></a></p>
+
+<p>Het is hier nu vooral van belang, op te merken, hoe de kringen der
+verfijnde pronkcultuur, dezelfde, die het ridderideaal bleven huldigen
+en kweeken tot over de grens der Middeleeuwen heen, tegenover het
+heiligenideaal hebben gestaan. Hun aanrakingen daarmee zijn uit den aard
+niet zoo talrijk, maar zij ontbreken niet. Nog enkele malen hebben de
+vorstelijke kringen zelf in dezen tijd een heilige opgeleverd. Een van
+hen is Charles de Blois, oom van den ons bekenden Jan van Blois van
+Gouda en Schoonhoven. Hij was door zijn moeder uit het huis van Valois
+gesproten, en door zijn huwelijk met de erfgename van Bretagne, Jeanne
+de Penthi&egrave;vre, belast met een troonstrijd, die het beste deel van zijn
+leven heeft gevuld. Hem was als huwelijksvoorwaarde gesteld, dat hij het
+wapen en den kreet van het hertogdom zou aannemen. Hij vindt een anderen
+pretendent, Jean de Montfort, tegenover zich, en de strijd om Bretagne
+valt samen met het begin van den honderdjarigen oorlog; de verdediging
+van Montfort's aanspraken is een der verwikkelingen, die Eduard III in
+Frankrijk brengen. De graaf van Blois aanvaardt zijn strijd ridderlijk,
+en vecht als de beste aanvoerders van zijn tijd. Gevangengenomen in
+1347, kort voor het beleg van Calais, blijft hij tot 1356 in Engeland.
+Eerst in 1362 kan hij den strijd om het hertogdom hervatten, om daarin
+den dood te vinden bij Aurai in 1364, dapper vechtende naast Bertrand du
+Guesclin en Beaumanoir.</p>
+
+<p>Deze krijgsheld, wiens uiterlijke levensloop in niets afwijkt van dien
+<a name='301'></a>van zoovele vorstelijke pretendenten en aanvoerders uit dien tijd, had
+van der jeugd af een leven van strenge askese geleid. Zijn vader moest
+hem als knaap uit de stichtelijke boekjes houden. Hij slaapt naast het
+bed van zijn gemalin op den vloer op stroo. Men vindt bij zijn
+krijgsmansdood het haren kleed onder zijn wapenrusting. Hij biecht
+iederen avond, e&ecirc;r hij te bed gaat, zeggend, dat geen christen in zonde
+moest inslapen. Tijdens zijn gevangenschap te Londen pleegt hij de
+kerkhoven binnen te gaan, om er geknield den psalm de profundis op te
+zeggen. De Bretonsche schildknaap, dien hij verzoekt, de responsen te
+zeggen, weigert het: neen, zegt hij, daar liggen zij, die mijn ouders en
+vrienden gedood en hun huizen verbrand hebben.</p>
+
+<p>Na zijn bevrijding wil hij barrevoets over het besneeuwde land van La
+Roche-Derrien, waar hij indertijd gevangen was gemaakt, naar den schrijn
+van Sint Yves, den vereerden beschermheilige van Bretagne, wiens leven
+hij in zijn gevangenschap beschreven had, te Tr&eacute;guier. Het volk verneemt
+het en bestrooit zijn weg met stroo en dekens, maar de graaf van Blois
+kiest een anderen weg, en loopt zich de voeten stuk, zoodat hij in
+vijftien weken niet gaan kon.<a name='FNanchor_605_605'></a><a href='#Footnote_605_605'><sup>[605]</sup></a> Terstond na zijn dood stellen zijn
+vorstelijke verwanten, onder wie zijn schoonzoon Lodewijk van Anjou, een
+poging in het werk, om hem heilig te doen verklaren. Te Angers heeft in
+1371 het proces plaats, dat tot zijn zaligspreking leidt.</p>
+
+<p>Het vreemde nu is, dat deze Charles de Blois, als men Froissart mag
+vertrouwen, een bastaard heeft gehad. &quot;L&agrave; fu occis en bon couvenant li
+dis messires Charles de Blois,<a name='302'></a> le viaire sus ses ennemis (met het
+aangezicht naar den vijand), et uns siens filz bastars qui s'appeloit
+messires Jehans de Blois, et pluiseur aultre chevalier et escuier de
+Bretagne&quot;.<a name='FNanchor_606_606'></a><a href='#Footnote_606_606'><sup>[606]</sup></a> Moet men het als evidente onwaarheid verwerpen?<a name='FNanchor_607_607'></a><a href='#Footnote_607_607'><sup>[607]</sup></a>
+Of zal men aannemen, dat hier de bestaanbare tegenstrijdigheid, die op
+te merken viel bij Louis d'Orl&eacute;ans, bij Philips den Goede en zooveel
+anderen, haar toppunt heeft bereikt?</p>
+
+<p>Zulk een vraag stelt het leven van een anderen hoog-adellijken heilige
+uit dien tijd, Pierre de Luxembourg, niet. Deze telg van het
+Luxemburgsche gravengeslacht, dat in de veertiende eeuw zoowel in het
+Duitsche rijk als aan de hoven van Frankrijk en Bourgondi&euml; zulk een
+aanzienlijke plaats innam, is een treffend voorbeeld van wat William
+James &quot;the under-witted saint&quot; noemt:<a name='FNanchor_608_608'></a><a href='#Footnote_608_608'><sup>[608]</sup></a> den engen geest, die slechts
+in een angstvallig afgesloten wereldje van vrome gedachten kan leven.
+Hij was in 1369 geboren, niet lang dus v&oacute;&oacute;r zijn vader Guy in den strijd
+tusschen Brabant en Gelre bij Baesweiler (1371) sneuvelde. Zijn
+geestelijke geschiedenis voert al weer naar het klooster der Celestijnen
+te Parijs, waar hij reeds als achtjarige knaap verkeert met Philippe de
+M&eacute;zi&egrave;res. Hij wordt als kind reeds overladen met kerkelijke waardigheden,
+verscheiden kanunnikschappen; als hij vijftien jaar is, het bisdom Metz,
+daarna het kardinaalschap.<a name='303'></a> Nog geen achttien jaar oud, sterft hij in
+1387, en terstond wordt te Avignon moeite gedaan voor zijn canonizatie.
+De gewichtigste autoriteiten worden er voor gespannen: de koning van
+Frankrijk doet er het verzoek toe, het wordt gesteund door het
+domkapittel van Parijs en de Universiteit. In het proces, dat in 1389
+plaats heeft, treden de grootste heeren van Frankrijk als getuigen op:
+Pierre's broeder Andr&eacute; de Luxembourg, Louis de Bourbon, Enguerrand de
+Coucy. Door de nalatigheid van den Avignonschen paus bleef weliswaar de
+heiligverklaring achterwege (in 1527 had de zaligverklaring plaats),
+maar de vereering, die het aanzoek kon rechtvaardigen, was reeds lang
+erkend, en ging ongestoord voort. Op de plek te Avignon, waar het
+lichaam van Pieter van Luxemburg begraven lag, en vanwaar dagelijks de
+treffendste wonderen werden gemeld, stichtte de koning een klooster
+der Celestijnen, in navolging van dat te Parijs, in die dagen het
+geliefkoosde heiligdom der vorstelijke kringen. De hertogen van Orleans,
+Berry en Bourgondi&euml; kwamen er voor den koning den eersten steen leggen.
+<a name='FNanchor_609_609'></a><a href='#Footnote_609_609'><sup>[609]</sup></a> Pierre Salmon vertelt, hoe hij eenige jaren later in de kapel van
+den heilige de mis hoorde.<a name='FNanchor_610_610'></a><a href='#Footnote_610_610'><sup>[610]</sup></a></p>
+
+<p>Het beeld, dat de getuigen in het canonizatieproces van dezen
+vroeggestorven prinselijken asceet geven, heeft iets jammerlijks. Pieter
+van Luxemburg is een uit zijn kracht gegroeide, teringachtige jongen,
+die als kind reeds niet anders kent dan den ernst van een angstvallig
+streng geloof. Hij berispt zijn broertje, als deze lacht, want men leest
+wel,<a name='304'></a> dat onze Heer geweend heeft, maar niet, dat hij ooit gelachen
+heeft. &quot;Douls, courtois et debonnaire&mdash;noemt Froissart hem&mdash;vierge de
+son corps, moult large aumosnier. Le plus du jour et de la nuit il
+estoit en oroisons. En toute sa vye il n'y ot fors humilit&eacute;.&quot;<a name='FNanchor_611_611'></a><a href='#Footnote_611_611'><sup>[611]</sup></a> In
+den beginne tracht zijn adellijke omgeving hem van zijn plannen van
+wereldverzaking af te brengen. Wanneer hij ervan spreekt, om te gaan
+zwerven en prediken, krijgt hij ten antwoord: je bent veel te lang;
+iedereen zou je terstond herkennen. En je zoudt niet tegen de kou
+kunnen. En preeken voor den kruistocht, hoe zou je dat kunnen?&mdash;Een
+oogenblik is het, alsof wij even den ondergrond van dien kleinen starren
+geest zien. &quot;Je vois bien&mdash;zegt Pieter&mdash;qu'on me veut faire venir de
+bonne voye &agrave; la malvaise: certes, certes, si je m'y mets, je feray tant
+que tout le monde parlera de moy.&quot;&mdash;Heer, antwoordt meester Jean de
+Marche, zijn biechtvader, er is niemand, die wil, dat ge kwaad zult
+doen, enkel goed.</p>
+
+<p>Het is duidelijk, dat de hooge verwanten, toen de ascetische neigingen
+van den knaap onuitroeibaar bleken, bewondering en trots over het geval
+zijn gaan voelen. Een heilige, en zulk een jonge heilige, uit en in hun
+midden! Denk u den armen ziekelijken jongen, onder het gewicht van zijn
+kerkelijke hoogwaardigheid, te midden van de overdadige praal en het
+hoogmoedig hofleven van Berry en Bourgondi&euml;, hijzelf ontoonbaar van vuil
+en ongedierte, altijd bezig met zijn armzalige kleine zonden. Het
+biechten zelf was bij hem als tot een slechte gewoonte geworden. Iederen
+dag schreef hij zijn zonden op een lijstje, en als hij het op een reis
+of tocht niet had kunnen doen,<a name='305'></a> haalde hij het achterna met uren lang
+schrijven in. Men zag hem er 's nachts aan schrijven, of bij de kaars
+zijn lijstjes lezen. Dan stond hij midden in den nacht op, om bij een
+zijner kapelaans te biechten. Soms klopte hij vergeefs aan hun
+slaapvertrekken; zij hielden zich doof. Vond hij gehoor, dan las hij de
+zonden van zijn papiertjes af. Van twee of driemaal per week werd het in
+zijn laatste dagen tweemaal per dag; de biechtvader mocht niet meer van
+zijn zijde weg. En toen hij aan de tering eindelijk gestorven was, na te
+hebben verzocht om van den arme begraven te worden, vond men een heele
+kist vol van de ce&ecirc;ltjes, waarop de zonden van dit kleine leven dag aan
+dag waren neergekrabbeld.<a name='FNanchor_612_612'></a><a href='#Footnote_612_612'><sup>[612]</sup></a></p>
+
+<p>Er is nog een geval, dat ons de verhouding van hofkringen en heiligheid
+eenigermate doet kennen: het verblijf van Saint Fran&ccedil;ois de Paule aan
+het hof van Lodewijk XI. Het zonderlinge vroomheidstype van den koning
+is zoo bekend, dat het hier niet uitvoerig behoeft te worden behandeld.
+Lodewijk, &quot;qui achetoit la grace de Dieu et de la Vierge Marie &agrave; plus
+grans deniers que oncques ne fist roy&quot;,<a name='FNanchor_613_613'></a><a href='#Footnote_613_613'><sup>[613]</sup></a> vertoont al de
+hoedanigheden van het onmiddellijkste en nuchterste fetichisme. In zijn
+reliekenvereering, zijn hartstocht voor pelgrimages en processies
+schijnt elke hoogere wijding, elke zweem van eerbiedige reserve, te
+ontbreken. Hij solt met de heilige voorwerpen, als waren het enkel dure
+huismiddeltjes. Het kruis van Saint Laud te Angers moet expresselijk
+naar Nantes komen, om er een eed op te laten doen,<a name='FNanchor_614_614'></a><a href='#Footnote_614_614'><sup>[614]</sup></a> want een eed op
+het kruis van Saint Laud<a name='306'></a> gold Lodewijk meer dan eenige andere eed.
+Wanneer de conn&eacute;table de Saint Pol, in 's konings tegenwoordigheid
+geroepen, hem verzoekt, op het kruis van Saint Laud hem zijn veiligheid
+te bezweren, antwoordt de koning: ieder anderen eed, maar dezen niet.
+<a name='FNanchor_615_615'></a><a href='#Footnote_615_615'><sup>[615]</sup></a> Bij het naderen van het zoo buitensporig door hem gevreesde einde
+worden hem van alle kanten de kostbaarste relieken toegezonden: de paus
+zendt onder meer het corporale van Sint Pieter zelf; zelfs de Groote
+Turk biedt een verzameling relieken, die nog te Constantinopel waren. Op
+het buffet naast 's konings ziekbed staat la Sainte Ampoule zelf, uit
+Reims gehaald, waar zij nimmer vandaan was geweest; sommigen zeiden, dat
+de koning de wonderdadigheid van het heilige zalfvat zelfs wilde
+beproeven tot een zalving van zijn gansche lichaam.<a name='FNanchor_616_616'></a><a href='#Footnote_616_616'><sup>[616]</sup></a> Het zijn
+godsdienstige trekken, zooals men ze vindt bij de Merowingische
+koningen.</p>
+
+<p>Er is nauwelijks een grens waar te nemen tusschen Lodewijk's
+verzamelwoede, waar het vreemde dieren geldt: rendieren, elanden, en
+waar het kostbare relieken geldt. Hij correspondeert met Lorenzo
+de'Medici over den ring van Sint Zanobi, een plaatselijk-florentijnschen
+heilige, en over een &quot;agnus Dei&quot;, dat wil zeggen het plantaardige
+groeisel, ook wel agnus scythicus genoemd, dat als een wonderdadige
+rariteit werd aangezien.<a name='FNanchor_617_617'></a><a href='#Footnote_617_617'><sup>[617]</sup></a> In de wonderlijke huishouding van het
+kasteel Plessis les Tours in Lodewijk's laatste dagen vond men vrome
+voorbidders en muzikanten bont dooreen. &quot;Oudit temps le roy fist venir
+grant nombre et grant quantit&eacute; de joueurs de bas et doulx instrumens,
+qu'il fist loger &agrave; Saint-Cosme pr&egrave;s Tours, o&ugrave; illec ilz se assemblerent
+jusques au nombre de six vingtz, entre lesquelz y vint pluseurs bergiers
+du pays de Poictou. Qui souvent jouerent devant le logis du roy, mais
+ilz ne le veoyent pas, affin que ausdiz instrumens le roy y prensist
+plaisir et passetemps et pour le garder de dormir. Et d'un autre cost&eacute; y
+fist aussy<a name='307'></a> venir grant nombre de bigotz, bigottes et gens de devocion
+comme hermites et sainctes cr&eacute;atures, pour sans cesser prier &agrave; Dieu
+qu'il permist qu'il ne mourust point et qu'il le laissast encores
+vivre.&quot;<a name='FNanchor_618_618'></a><a href='#Footnote_618_618'><sup>[618]</sup></a></p>
+
+<p>Ook Saint Fran&ccedil;ois de Paule, de Calabrische heremiet, die de nederigheid
+der Minderbroeders overtroefde door de stichting der Minimen, is in
+letterlijken zin het voorwerp van Lodewijk's verzamelwoede. Het was met
+de uitgesproken bedoeling, dat de heilige door zijn voorbidding 's
+konings leven zal verlengen, dat deze in zijn laatste ziekte diens
+tegenwoordigheid begeerde.<a name='FNanchor_619_619'></a><a href='#Footnote_619_619'><sup>[619]</sup></a> Nadat verschillende zendingen aan den
+koning van Napels niet hebben gebaat, weet de koning zich door een
+diplomatiek optreden bij den paus de overkomst van den wonderman, zeer
+tegen diens zin, te verzekeren. Een adellijk geleide haalt hem af uit
+Itali&euml;.<a name='FNanchor_620_620'></a><a href='#Footnote_620_620'><sup>[620]</sup></a> Is hij eenmaal aangekomen, dan voelt Lodewijk zich toch
+nog niet zeker, &quot;omdat hij reeds door verscheidenen onder de schaduw van
+heiligheid bedrogen was&quot;, en laat op aanstoken van zijn lijfarts Frans
+bespieden en op allerlei wijzen de deugd van den man Gods beproeven.
+<a name='FNanchor_621_621'></a><a href='#Footnote_621_621'><sup>[621]</sup></a>
+<a name='308'></a> De heilige bestaat al die proeven voortreffelijk. Zijn askese is
+van de meest barbaarsche soort, herinnerend aan zijn tiende-eeuwsche
+landgenooten Sint Nilus en Sint Romuald. Hij vlucht, als hij vrouwen
+ziet. Hij had sedert zijn jongelingsjaren nooit een geldstuk aangeraakt.
+Hij slaapt meest staande of leunende; hij scheert nimmer haar noch
+baard. Hij eet nimmer eenig dierlijk voedsel, en laat zich enkel wortels
+geven.<a name='FNanchor_622_622'></a><a href='#Footnote_622_622'><sup>[622]</sup></a> Nog in zijn laatste maanden schrijft de koning persoonlijk,
+om de geschikte kost voor zijn zeldzamen heilige te bekomen: &quot;Monsieur
+de Genas, je vous prie de m'envoyer des citrons et des oranges douces et
+des poires muscadelles et des pastenargues, et c'est pour le saint homme
+qui ne mange ny chair ny poisson; et vous me fer&eacute;s ung fort grant
+plaisir.&quot;<a name='FNanchor_623_623'></a><a href='#Footnote_623_623'><sup>[623]</sup></a> Hij noemt hem nooit anders dan &quot;le saint homme&quot;, zoodat
+zelfs Commines, die den heilige herhaaldelijk zag, diens naam nooit
+schijnt te hebben geweten.<a name='FNanchor_624_624'></a><a href='#Footnote_624_624'><sup>[624]</sup></a> Maar &quot;saint homme&quot; noemden hem ook
+degenen, die spotten over de komst van dezen zonderlingen gast, of die
+zijn heiligheid niet vertrouwden, zooals 's konings lijfarts Jacques
+Coitier. Uit de mededeelingen van Commines spreekt een nuchter voorbehoud.
+&quot;Il est encores vif&mdash;besluit hij&mdash;par quoy se pourroit bien changer ou en
+myeulx ou en pis, par quoy me tays, pour ce que plusieurs se mocquoient
+de la venue de ce hermite, qu'ilz appelloient sainct homme.&quot;<a name='FNanchor_625_625'></a><a href='#Footnote_625_625'><sup>[625]</sup></a> Toch
+getuigt Commines zelf,<a name='309'></a> nooit iemand te hebben gezien &quot;de si saincte vie,
+ne o&ugrave; il semblast myeulx que le Sainct Esperit parlast par sa bouche&quot;.
+En de geleerde theologen uit Parijs, Jean Standonck en Jean Quentin,
+uitgezonden om met den heiligen man te spreken naar aanleiding van het
+verzoek tot stichting van een convent der Minimen te Parijs, komen onder
+den diepsten indruk van zijn persoon, en keeren genezen van hun
+tegenkanting terug.<a name='FNanchor_626_626'></a><a href='#Footnote_626_626'><sup>[626]</sup></a></p>
+
+<p>De belangstelling van de Bourgondische hertogen voor de heiligen van hun
+dagen is van een minder zelfzuchtigen aard dan die van Lodewijk XI voor
+Sint Franciscus de Paula. Het is opmerkelijk, hoe meer dan een van de
+groote visionairen en buitensporige asceten geregeld optreedt als
+bemiddelaar en raadgever in politieke zaken. Het is het geval met Sint
+Colette en met den zaligen Dionysius van Ryckel of den Kartuizer.
+Colette werd door het huis van Bourgondi&euml; met bijzondere onderscheiding
+behandeld; Philips de Goede en zijn moeder Margareta van Beieren kenden
+haar persoonlijk, en wonnen haar raad in. Zij geeft haar bemiddeling in
+verwikkelingen tusschen de huizen van Frankrijk, Savoie en Bourgondi&euml;.
+Het zijn Karel de Stoute, Maria en Maximiliaan, Margareta van
+Oostenrijk, die steeds blijven aandringen op haar heiligverklaring.
+<a name='FNanchor_627_627'></a><a href='#Footnote_627_627'><sup>[627]</sup></a> Veel belangrijker nog is de rol, die Dionysius de Kartuizer
+gespeeld heeft in het openbare leven van zijn tijd. Ook hij is in
+herhaalde relaties met het huis van Bourgondi&euml;, en treedt op als
+raadgever van Philips den Goede. Samen met den kardinaal Nicolaas van
+Cusa,<a name='310'></a> dien hij op diens beroemde reis door het Duitsche rijk begeleidt
+en ter zijde staat, wordt hij in 1451 te Brussel door den hertog
+ontvangen. Dionysius, altijd beklemd door het gevoel, dat het der Kerk
+en christenheid slecht gaat, en groote onheilen naderen, vraagt in een
+vizioen: Heer, zullen de Turken in Rome komen? Hij maant den hertog tot
+den kruistocht.<a name='FNanchor_628_628'></a><a href='#Footnote_628_628'><sup>[628]</sup></a> De &quot;inclytus devotus ac optimus princeps et dux&quot;,
+aan wien hij zijn tractaat over het vorstelijk leven en bestuur opdraagt,
+kan haast niemand anders wezen dan Philips. Karel de Stoute werkte met
+Dionysius samen voor de stichting van de Kartuize te 's Hertogenbosch,
+ter eere van Sinte Sophia van Constantinopel, door den hertog niet
+onbegrijpelijk voor een vrouwelijke heilige gehouden, terwijl het de
+Eeuwige Wijsheid was.<a name='FNanchor_629_629'></a><a href='#Footnote_629_629'><sup>[629]</sup></a> Hertog Arnold van Gelre vraagt Dionysius
+raad in den strijd met zijn zoon Adolf.<a name='FNanchor_630_630'></a><a href='#Footnote_630_630'><sup>[630]</sup></a></p>
+
+<p>Niet enkel vorsten, ook tal van edelen, geestelijken en burgers
+bestormen zonder ophouden zijn cel te Roermond om raad; hij geeft
+voortdurend tallooze oplossingen van moeilijkheden, twijfelingen en
+gewetensvragen.</p>
+
+<p>Dionysius de Kartuizer is het volledigste type van den machtigen
+godsdienstigen enthousiast, dat de laatste Middeleeuwen hebben
+opgeleverd. Het is een onbegrijpelijk energisch leven; hij vereenigt de
+vervoeringen van de groote mystieken, de wildste askese, de voortdurende
+gezichten en revelaties<a name='311'></a> van den geestenziener met een schier onafzienbare
+werkzaamheid als theologisch schrijver en praktisch geestelijk raadsman.
+Hij staat even na aan de groote mystici als aan de praktische
+Windesheimers, aan Brugman, voor wien hij zijn beroemde handleiding voor
+het christelijk leven schrijft,<a name='FNanchor_631_631'></a><a href='#Footnote_631_631'><sup>[631]</sup></a> als aan Nicolaas van Cusa, aan de
+heksenvervolgers<a name='FNanchor_632_632'></a><a href='#Footnote_632_632'><sup>[632]</sup></a> als aan de geestdriftigen voor een zuivering der
+Kerk. Zijn arbeidskracht moet onverwoestbaar zijn geweest. Zijn
+geschriften vullen 45 quarto deelen. Het is alsof de geheele
+middeleeuwsche theologie nog eens uit hem terugstroomt. &quot;Qui Dionysium
+legit, nihil non legit&quot;, heette het onder de theologen der 16<sup>e</sup> eeuw.
+Hij behandelt evengoed de diepste vragen van wijsgeerigen aard, als dat
+hij voor een ouden leek, broer Willem, op diens verzoek schrijft over de
+wederkeerige herkenning der zielen in het hiernamaals. Hij zal het zoo
+eenvoudig mogelijk zeggen, belooft hij, en broer Willem kan het in het
+Dietsch laten overbrengen.<a name='FNanchor_633_633'></a><a href='#Footnote_633_633'><sup>[633]</sup></a> In een eindeloozen vloed van eenvoudig
+uitgedrukte gedachten geeft hij alles, wat de groote voorgangers gedacht
+hadden, terug. Het is echt laat werk: samenvattend, concludeerend, niet
+nieuw scheppend. De citaten van Bernard van Clairvaux of Hugo van Sint
+Victor schitteren als juweelen op het slichte eenkleurige kleed van
+Dionysius' proza. Al zijn werken werden door hem zelf geschreven,
+nagezien, verbeterd, gerubriceerd en ge&iuml;llumineerd, totdat hij in het
+eind zijns levens welbedacht met schrijven ophoudt:<a name='312'></a> &quot;Ad securae
+taciturnitatis portum me transferre intendo&quot;.<a name='FNanchor_634_634'></a><a href='#Footnote_634_634'><sup>[634]</sup></a></p>
+
+<p>Rust kent hij niet. Hij zegt dagelijks bijna het geheele souter op;
+minstens de helft is noodzakelijk, verklaart hij. Onder alle bezigheid,
+bij het aan- en uitkleeden, bidt hij. Na de metten; als de anderen weer
+ter ruste gaan, blijft hij wakker. Hij is sterk en groot, en kan alles
+van zijn lichaam vergen: Ik heb een ijzeren hoofd en een koperen maag,
+zegt hij. Zonder walging, ja bij voorkeur, gebruikt hij bedorven
+spijzen: boter met wurmen, kersen door slakken aangevreten; dit soort
+ongedierte heeft niets van doodelijk venijn, zegt hij, men kan ze gerust
+eten. Te zoute haring hangt hij op, tot ze rot: ik eet liever stinkende
+dan zoute dingen.<a name='FNanchor_635_635'></a><a href='#Footnote_635_635'><sup>[635]</sup></a></p>
+
+<p>Al den denkarbeid van de diepste theologische beschouwing en uitdrukking
+verricht hij, niet in een onbewogen evenwichtig geleerdenleven, maar
+onder de voortdurende schokken van een geest, die vatbaar is voor elke
+heftige aandoening van het bovennatuurlijke. Als jongen staat hij 's
+nachts in het maanlicht op, meenend, dat het tijd is, om naar school te
+gaan.<a name='FNanchor_636_636'></a><a href='#Footnote_636_636'><sup>[636]</sup></a> Hij is een stotteraar: &quot;Taterbek&quot; scheldt hem een duivel,
+dien hij uitdrijven wil. Hij ziet de kamer van de stervende vrouwe van
+Vlodrop vol duivelen; zij slaan hem den stok uit de hand. Niemand heeft
+de vreeselijke benauwing der &quot;vier utersten&quot; zoo ondergaan als hij; de
+hevige aanval der duivelen bij het sterven zijn een herhaald onderwerp
+van zijn preeken. Hij verkeert voortdurend met afgestorvenen. Of hem
+<a name='313'></a>dikwijls geesten van afgestorvenen verschijnen, vraagt hem een broeder.
+O, honderden en honderden malen, antwoordt hij. Hij herkent zijn vader
+in het vagevuur en verwerft diens bevrijding. Zijn verschijningen,
+openbaringen en gezichten vervullen hem zonder ophouden, maar hij
+spreekt er niet dan met tegenzin van. Hij schaamt zich voor de ekstasen,
+die hem door allerlei uiterlijke aanleidingen geworden: vooral door
+muziek, soms te midden van een adellijk gezelschap, dat naar zijn
+wijsheid en vermaningen luistert. Onder de eernamen der groote theologen
+is de zijne die van Doctor ecstaticus.</p>
+
+<p>Men meene niet, dat een groote figuur als Dionysius de Kartuizer aan de
+verdenking en spot ontkwam, die den zonderlingen wonderman van Lodewijk
+XI troffen; ook hij heeft voortdurend te kampen met den smaad en de
+verguizing der wereld. De geest der vijftiende eeuw staat in een wankel
+evenwicht tegenover de opperste uitingen van het middeleeuwsch geloof.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='VIII'></a>VIII</h2>
+<a name='314'></a>
+<h3>AANDOENING EN VERBEELDING</h3>
+<br />
+
+<p>Van den tijd af, dat de zoet-lyrische mystiek van Bernard van Clairvaux
+in de twaalfde eeuw de fuga geopend had van bloeiende verteedering over
+het lijden Christi, was de geest in steeds stijgende mate vervuld van de
+smeltende aandoening over de passie; hij was doortrokken en verzadigd
+geworden van Christus en het kruis. In de vroegste kindsheid werd het
+beeld van den gekruisigde in het teer gemoed geplant zoo groot en zoo
+donker, dat het alle aandoeningen overschaduwde met zijn ernst. Toen
+Jean Gerson een kind was, ging zijn vader met uitgestrekte armen tegen
+den muur staan, en zeide: &quot;'zie, mijn jongen, zoo is uw God gekruisigd
+en gestorven, die u gemaakt heeft en verlost heeft'. Dit beeld bleef
+den knaap tot in zijn grijsheid, groeiende met het groeien der jaren,
+en hij zegende er nog dien vromen vader om, nadat deze juist op
+kruisverheffingsdag gestorven was.&quot;<a name='FNanchor_637_637'></a><a href='#Footnote_637_637'><sup>[637]</sup></a>&mdash;Colette hoorde als kind van
+vier jaar haar moeder iederen dag schreien en zuchten in gebed over het
+lijden, mee lijdende over den smaad, de slagen en de pijnigingen. Met
+zulk een hevigheid zette zich die herinnering in haar overgevoelig
+gemoed, dat zij haar leven lang iederen dag op het uur der kruisiging
+een allerheftigste benauwing en hartepijn voelde, en bij het lezen van
+het lijden meer leed dan eenige vrouw in barensnood.<a name='FNanchor_638_638'></a><a href='#Footnote_638_638'><sup>[638]</sup></a>&mdash;Een prediker
+bleef somtijds<a name='315'></a> voor zijn gehoor een kwartier lang zwijgend in
+kruishouding staan.<a name='FNanchor_639_639'></a><a href='#Footnote_639_639'><sup>[639]</sup></a></p>
+
+<p>Zoo overvuld van Christus was de geest, dat bij de geringste uiterlijke
+overeenkomst van eenige handeling of gedachte met 's Heeren leven of
+lijden de Christustoon onmiddellijk ging klinken. Een arme non, die
+brandhout aandraagt voor de keuken, verbeeldt zich, dat zij daarmee het
+kruis draagt: enkel de voorstelling hout dragen is genoeg, om de
+handeling te drenken in den lichtschijn van de opperste daad van liefde.
+Het blinde vrouwtje, dat de wasch doet, neemt tobbe en waschhok voor
+kribbe en stal.<a name='FNanchor_640_640'></a><a href='#Footnote_640_640'><sup>[640]</sup></a> Maar evengoed een uitwerking van die overvolheid
+met godsdienstigen inhoud is het profaneerende overvloeien van
+vorstenhulde in religieuze verbeelding: de vergelijking van Lodewijk XI
+met Jezus, van Maximiliaan met zijn vader en zijn zoon met de
+Drie&euml;enheid.<a name='FNanchor_641_641'></a><a href='#Footnote_641_641'><sup>[641]</sup></a></p>
+
+<p>De vijftiende eeuw vertoont de sterke godsdienstige aandoenlijkheid in
+een dubbelen vorm. Zij openbaart zich eensdeels in de heftige
+beroeringen, die van tijd tot tijd het geheele volk aangrepen, als een
+reizend prediker met zijn woord alle geestelijke brandstof ontvlammen
+deed als takkenbossen. Dat is de krampachtige uiting, hartstochtelijk,
+geweldig, doch spoedig weer uitgesnikt. Daarnaast is door sommigen de
+aandoenlijkheid blijvend in een stille bedding geleid, genormaliseerd
+tot een nieuwen levensvorm, dien der innigheid. Het is de pi&euml;tistische
+kring van hen, die zichzelven in het bewustzijn van vernieuwers te zijn,
+moderne devoten hebben genoemd.<a name='316'></a> Als gereglementeerde beweging beperkt
+zich de moderne devotie tot de Noordelijke Nederlanden en het
+Nederduitsche gebied, doch den geest, die haar het aanzijn gaf, vindt
+men in Frankrijk even goed.</p>
+
+<p>Van de geweldige werking der predikatie is maar weinig als blijvend
+element in de geestelijke cultuur overgegaan. Wij weten, welk een
+ontzaglijken indruk de predikers maakten,<a name='FNanchor_642_642'></a><a href='#Footnote_642_642'><sup>[642]</sup></a> maar de ontroering, die
+van hen uitging, na te voelen, is ons niet gegeven. Uit de geschreven
+overlevering der preeken komt zij niet tot ons; en hoe kon het ook?
+Reeds tot de tijdgenooten sprak de geschreven preek niet meer. Velen,
+die Vincent Ferrer hoorden, en nu zijn preeken lezen, zegt diens
+levensbeschrijver, verzekeren, dat zij nauwelijks een schaduw krijgen
+van dat wat uit zijn eigen mond weerklonk.<a name='FNanchor_643_643'></a><a href='#Footnote_643_643'><sup>[643]</sup></a> Wij kennen de stof der
+preeken: de aangrijpende schildering van de verschrikkingen der hel, het
+dreunend dreigen met de straf der zonde, al de lyrische uitstortingen
+over de passie en de godsliefde. Wij weten, met welke middelen de
+predikers werkten: geen effekt was te grof, geen overgang van lachen
+naar weenen te groot, geen onmatige uitzetting der stem te kras.<a name='FNanchor_644_644'></a><a href='#Footnote_644_644'><sup>[644]</sup></a>
+Maar wij kunnen de schokken, die zij daarmee teweegbrachten, toch
+eigenlijk alleen bevroeden uit het altijd weer gelijksoortig verhaal,
+<a name='317'></a>hoe stad met stad streed om de toezegging van een preekbeurt, hoe
+magistraat en volk de predikers inhaalden met een staatsie, zooals men
+ze een vorst gaf, hoe de prediker soms moest ophouden om het luid geween
+der schare. Terwijl Vincent Ferrer preekte, werden eens twee
+terdoodveroordeelden voorbij gebracht, een man en een vrouw, op weg naar
+de terechtstelling. Vincent verzocht, het beulswerk op te schorten; hij
+borg de slachtoffers zoolang onder zijn spreekgestoelte, en preekte over
+hun zonden. Na de preek vond men hen er niet meer, doch enkel wat
+beenderen, en het volk geloofde niet anders, dan dat het woord van den
+heiligen man de zondaars had verbrand en tevens gered.<a name='FNanchor_645_645'></a><a href='#Footnote_645_645'><sup>[645]</sup></a></p>
+
+<p>De krampachtige aandoening der massa onder het woord van de predikers is
+telkens weer vervlogen zonder in de geschreven overlevering zich te
+hebben kunnen vastleggen. Des te beter kennen wij de &quot;innicheit&quot; der
+moderne devoten. Als in elken pi&euml;tistischen kring gaf hier de godsdienst
+niet enkel den levensvorm maar ook den gezelligheidsvorm: het knusse
+geestelijk verkeer in stille intimiteit van eenvoudige mannetjes en
+vrouwtjes, wier groote hemel zich welfde boven een minuskuul wereldje,
+waar al het sterke ruischen van den tijd aan voorbij streek. De vrienden
+bewonderden in Thomas a Kempis zijn onkunde van de gewone wereldsche
+dingen; een prior van Windesheim droeg als eervollen bijnaam Jan
+Ik-weet-niet. Zij kunnen geen andere wereld gebruiken dan een
+vereenvoudigde; zij zuiveren haar door het slechte buiten hun sfeer te
+sluiten.<a name='318'></a><a name='FNanchor_646_646'></a><a href='#Footnote_646_646'><sup>[646]</sup></a> Binnen die enge sfeer leven zij in de vreugde van een
+sentimenteele genegenheid voor elkander: de blik van den een is zonder
+ophouden op den ander geslagen, om alle teekens van genade op te merken;
+elkaar bezoeken is hun vermaak.<a name='FNanchor_647_647'></a><a href='#Footnote_647_647'><sup>[647]</sup></a> Vandaar hun bijzondere neiging tot
+de levensbeschrijving, waaraan wij de nauwkeurige kennis van dezen
+geestelijken staat te danken hebben.</p>
+
+<p>In haar Nederlandschen, gereglementeerden vorm had de moderne devotie
+een vaste conventie van vroom leven geschapen. Men kende de devoten aan
+hun afgemeten stille bewegingen, hun gebogen gang, sommigen aan de tot
+een lach geplooide gezichten of de opzettelijk gelapte nieuwe kleeren.
+En niet het minst aan hun overvloedige tranen. &quot;Devotio est quaedam
+cordis teneritudo, qua quis in pias faciliter resolvitur lacrimas&quot;. Men
+moet God bidden om &quot;den dagelijkschen doop der tranen&quot;, zij zijn de
+vleugelen van het gebed, of naar Sint Bernard's woord de wijn der
+engelen. Men moet zich aan de genade der loffelijke tranen geven, zich
+er toe voorbereiden en aanzetten, het geheele jaar door, maar vooral in
+de Vasten, opdat men met den psalmist zeggen moge: &quot;Fuerunt mihi
+lacrimae meae panes die ac nocte&quot;. Soms komen zij zoo gewillig, dat wij
+bidden met snikken en huilen (&quot;ita ut suspiriose ac cum rugitu oremus&quot;),
+maar wanneer zij niet vanzelve komen, moet men ze niet bovenmatig
+uitpersen, en zich vergenoegen met de tranen des harten. En in
+tegenwoordigheid<a name='319'></a> van anderen moet men de teekenen van een buitengewone
+geestelijke devotie naar vermogen vermijden.<a name='FNanchor_648_648'></a><a href='#Footnote_648_648'><sup>[648]</sup></a></p>
+
+<p>Vincent Ferrer stortte, zoo dikwijls hij de hostie wijdde, zooveel
+tranen, dat bijna allen mee weenden, en er soms een weeklagen ontstond
+als van een doodenklacht. Het weenen was hem zoo zoet, dat hij noode
+zijn tranen staakte.<a name='FNanchor_649_649'></a><a href='#Footnote_649_649'><sup>[649]</sup></a></p>
+
+<p>In Frankrijk ontbreekt de bijzondere normaliseering der nieuwe vroomheid
+in een bepaalden nieuwen vorm als de Nederlandsche Fraterhuizen en de
+congregatie van Windesheim. De verwante geesten in Frankrijk blijven of
+geheel in de wereld, of zij treden in bestaande orden, waar dan de
+nieuwe devotie de doorvoering van een strenger observantie teweegbrengt.
+Als algemeene houding van wijde burgerkringen is het verschijnsel er
+niet bekend. Misschien droeg daartoe bij, dat de Fransche vroomheid een
+hartstochtelijker, spasmodischer karakter had dan de Nederlandsche,
+lichter tot ge&euml;xaspereerde vormen verviel en ook lichter weer vervaagde.
+Tegen het einde der Middeleeuwen worden bezoekers der Noordelijke
+Nederlanden uit Zuidelijker landen meer dan eens getroffen door de
+ernstige en algemeene vroomheid, die zij er onder het volk als iets
+bijzonders opmerken.<a name='FNanchor_650_650'></a><a href='#Footnote_650_650'><sup>[650]</sup></a></p>
+
+<p>De Nederlandsche devoten hadden in het algemeen de aanrakingen laten
+varen met de intensieve mystiek,<a name='320'></a> uit welker voorbereidende stadi&euml;n hun
+levensvorm was opgebloeid. Daarmee hadden zij ook het gevaar voor
+fantastische afdwalingen tot ketterij grootendeels bezworen. De
+Nederlandsche moderne devotie was gehoorzaam en rechtgeloovig, praktisch
+zedelijk en soms zelfs nuchter. Het Fransche devote type daarentegen
+schijnt een veel grootere slingerwijdte te hebben gehad: het raakt
+telkens de extravagante geloofsverschijnselen.</p>
+
+<p>Toen de Groningsche Dominicaan Mattheus Grabow naar Constanz was
+getogen, om daar op het Concilie al de grieven van de bedelorden tegen
+de nieuwe broeders des gemeenen levens te luchten, en zoo mogelijk hun
+veroordeeling te verwerven, is het de groote leider der algemeene
+kerkelijke politiek, Johannes Gerson, zelf geweest, in wien de belaagde
+volgelingen van Geert Groote hun verdediger vonden. Gerson was alleszins
+bevoegd, om te beoordeelen, of men hier te doen had met een uiting van
+echte vroomheid en een geoorloofden vorm van organisatie daarvan. Want
+het onderscheiden van echte vroomheid van overdreven geloofsuitingen is
+een der onderwerpen, die zijn geest voortdurend hebben beziggehouden.
+Gerson was een voorzichtige, nauwgezette academische geest, eerlijk,
+zuiver en welmeenend, met die ietwat angstvallige zorg voor den goeden
+vorm, die in een fijnen geest, uit bescheiden omstandigheden tot een
+werkelijk aristocratische houding gegroeid, dikwijls nog de afkomst
+verraadt. Daarbij was hij een psycholoog en iemand met stijlgevoel.
+Stijlgevoel en rechtzinnigheid nu zijn ten nauwste verwant. Geen wonder
+dus, dat de uitingen van het geloofsleven van zijn dagen herhaaldelijk
+zijn argwaan en bezorgdheid wekten. Nu is het merkwaardig, hoe de typen
+van vroomheid,<a name='321'></a> die hij afkeurt als overdreven en gevaarlijk, ons
+levendig herinneren aan de moderne devoten, die hij verdedigd had. Toch
+is dit zeer verklaarbaar. Zijn Fransche schapen misten de veilige
+schaapskooi, de discipline en organisatie, die de al te vurigen van
+zelve binnen de perken hield van hetgeen de Kerk dulden kon.</p>
+
+<p>Gerson ziet overal de gevaren van de populaire devotie. Hij vindt het
+verkeerd, dat de mystiek op straat wordt gebracht.<a name='FNanchor_651_651'></a><a href='#Footnote_651_651'><sup>[651]</sup></a> De wereld, zegt
+hij, is in dit laatste tijdperk kort voor haar einde als een ijlhoofdige
+grijsaard, ten prooi aan allerlei fantazie&euml;n, droomgezichten en
+illusies, die menigeen van de waarheid af brengen.<a name='FNanchor_652_652'></a><a href='#Footnote_652_652'><sup>[652]</sup></a> Velen geven
+zich zonder behoorlijke leiding over aan al te strenge vasten, al te
+gerekte nachtwaken, te overvloedige tranen, waarmee zij hun brein
+troebel maken. Zij luisteren naar geen vermaan tot matiging. Laat hen
+oppassen, want zij kunnen licht vervallen in begoochelingen des duivels.
+Te Atrecht had hij nog kort geleden een vrouw en moeder bezocht, die
+tegen den zin van haar echtgenoot door haar volstrekt vasten, twee tot
+vier dagen achtereen, veler bewondering wekte. Hij had met haar
+gesproken, haar ernstig beproefd, en bevonden, dat haar onthouding
+louter hoogmoedige en ijdele halsstarrigheid was. Want na zulk een
+vasten at zij met onverzadelijke vraatzucht; als reden voor haar
+zelfkastijding gaf zij niet anders op, dan dat zij onwaardig was om
+brood te eten. Haar uiterlijk verried hem reeds den naderenden waanzin.
+<a name='FNanchor_653_653'></a><a href='#Footnote_653_653'><sup>[653]</sup></a> Een ander vrouwtje, een epileptica, wier eksteroogen staken, zoo
+dikwijls er een ziel ter helle voer,<a name='322'></a> die de zonden aan het voorhoofd zag
+en beweerde, dagelijks drie zielen te redden, bekende onder bedreiging
+met de tortuur, dat zij zich zoo gedroeg, omdat het haar broodwinning
+was.<a name='FNanchor_654_654'></a><a href='#Footnote_654_654'><sup>[654]</sup></a></p>
+
+<p>Gerson achtte de vizioenen en revelaties van den jongsten tijd, die
+overal gelezen werden, niet veel waard. Zelfs die van befaamde heiligen
+als Brigitta van Zweden en Catharina van Siena verloochent hij.<a name='FNanchor_655_655'></a><a href='#Footnote_655_655'><sup>[655]</sup></a>
+Hij had er zooveel gehoord, die hem het vertrouwen benamen. Velen
+verklaarden, dat hun geopenbaard was, dat zij paus zouden worden; een
+geleerd man had het zelfs eigenhandig beschreven en met bewijzen
+gestaafd. Een ander was eerst overtuigd geweest, dat hij paus zou
+worden, maar daarna, dat hij de Antichrist of althans diens voorlooper
+zou zijn, waarom hij had omgegaan met de gedachte, zich het leven te
+benemen, om de christenheid niet zulk een onheil aan te doen.
+<a name='FNanchor_656_656'></a><a href='#Footnote_656_656'><sup>[656]</sup></a>&mdash;Niets is zoo gevaarlijk, zegt Gerson, als een onkundige devotie.
+Wanneer de arme vromen hooren, dat Maria's geest zich verblijdde in
+haren God, dan trachten zij ook zich te verblijden, en stellen zich van
+allerlei voor, nu met minnen, nu met vreezen; daarbij zien zij allerlei
+beelden, die zij niet kunnen onderscheiden van de waarheid en die zij
+allen voor wonder houden en voor het bewijs van hun voortreffelijke
+devotie.<a name='FNanchor_657_657'></a><a href='#Footnote_657_657'><sup>[657]</sup></a> Maar dit was juist hetgeen de moderne devotie aanbeval.
+&quot;Soe wie hem in desen artikel mit herten ende mit al sinen crachten den
+liden ons Heren innichlic geliken ende gheconformieren wil, die sal hem
+selven pinen, druckich ende wemoedich te maken.<a name='323'></a> Ende is hi in enighen
+teghenwoerdighen druc, die sel hi mitter druckelicheit Christi
+verenighen ende begheren mit hem te deilen&quot;.<a name='FNanchor_658_658'></a><a href='#Footnote_658_658'><sup>[658]</sup></a></p>
+
+<p>Het schouwende leven heeft groote gevaren, zegt Gerson; velen zijn er
+zwaarmoedig of gek van geworden.<a name='FNanchor_659_659'></a><a href='#Footnote_659_659'><sup>[659]</sup></a> Hij weet, hoe licht een te
+aanhoudend vasten tot waanzin of hallucinaties leidt; hij weet ook, welk
+een rol het vasten speelt in de praktijken der tooverij.<a name='FNanchor_660_660'></a><a href='#Footnote_660_660'><sup>[660]</sup></a> Waar
+moest een man met zulk een scherpen blik voor het psychologische moment
+in de uitingen van het geloof de grens trekken tusschen het heilige en
+geoorloofde en het verwerpelijke? Hij voelde zelf, dat enkel zijn
+rechtzinnigheid hem hier nog niet genoeg gaf; het was gemakkelijk
+genoeg, om als geschoold godgeleerde overal den staf te breken, waar van
+het dogma klaarblijkelijk werd afgeweken. Maar daarnaast stonden al de
+gevallen, waar de ethische beoordeeling der uitingen van vroomheid hem
+het richtsnoer moest zijn, waar zijn gevoel voor maat en goeden smaak
+hem het vonnis moest ingeven. Er is geen deugd, zegt Gerson, die in deze
+ellendige tijden van het schisma meer uit het oog wordt verloren dan de
+Discretio.<a name='FNanchor_661_661'></a><a href='#Footnote_661_661'><sup>[661]</sup></a></p>
+
+<p>Was reeds voor Jean Gerson het dogmatische criterium niet meer het
+eenige, dat den doorslag gaf ter onderscheiding van ware en valsche
+vroomheid, des te e&ecirc;r vallen voor &oacute;ns de typen van godsdienstige
+aandoening niet meer samen volgens de lijnen van hun orthodoxie of
+ketterij, maar volgens hun psychologischen aard. Ook het volk van den
+tijd zelf zag de dogmatische lijnen niet.<a name='324'></a> Het hoorde den ketterschen
+broer Thomas met evenveel stichting als den heiligen Vincent Ferrer, het
+schold de heilige Colette en haar volgelingen voor Begarden en
+hypocriten.<a name='FNanchor_662_662'></a><a href='#Footnote_662_662'><sup>[662]</sup></a>&mdash;Colette vertoont al de eigenschappen van wat James
+den theopathischen toestand noemt,<a name='FNanchor_663_663'></a><a href='#Footnote_663_663'><sup>[663]</sup></a> wortelend op een bodem van de
+pijnlijkste overgevoeligheid. Zij kan geen vuur zien of den gloed ervan
+verdragen, behalve kaarsen. Zij is ontzettend bang voor vliegen,
+slakken, mieren, voor stank en onreinheid. Zij heeft denzelfden rabiden
+afschuw van de sexualiteit, die later de heilige Aloysius Gonzaga
+vertoont, zoodat zij enkel maagden in haar congregatie wil hebben, niet
+houdt van getrouwde heiligen en het betreurt, dat haar moeder met haar
+vader in tweede huwelijk was getrouwd.<a name='FNanchor_664_664'></a><a href='#Footnote_664_664'><sup>[664]</sup></a> Deze hartstocht voor de
+zuiverste maagdelijkheid werd door de Kerk nog altijd als stichtelijk en
+navolgenswaard geprezen. Hij was ongevaarlijk, zoolang hij beleden werd
+in den vorm van een persoonlijk afgrijzen van al het sexueele. Doch
+datzelfde sentiment werd in een anderen vorm gevaarlijk voor de Kerk en
+bij gevolg voor den persoon, die het beleed: wanneer deze namelijk niet
+meer als de slak de horens introk, maar de toepassing van die zucht naar
+kuischheid wilde zien op het kerkelijk en maatschappelijk leven der
+anderen. Steeds weer, als het streven naar die zuiverheid revolutionaire
+vormen aannam, heeft de Kerk het moeten verloochenen, omdat zij wist,
+dat het onuitvoerbaar was. Jean de Varennes boette die consequentie in
+een ellendigen kerker, waar de aartsbisschop van Reims hem had doen
+opsluiten.<a name='325'></a> Deze Jean de Varennes was een geleerd theoloog en befaamd
+prediker, die aan het pauselijk hof te Avignon als kapelaan van den
+jeugdigen kardinaal van Luxemburg zelf beschikt scheen voor een myter of
+kardinaalshoed, toen hij plotseling van al zijn benefici&euml;n afstand deed
+behalve een kanunnikschap van Notre Dame te Reims, zijn staat opgaf, en
+uit Avignon naar zijn geboorteland terugging, waar hij te Saint Li&eacute; een
+heilig leven begon te leiden en te preeken. &quot;Et avoit moult grant
+hantise de poeuple qui le venoient veir de tous pays pour la simple vie
+tr&egrave;s-noble et moult honneste que il menoit.&quot; Men vond, dat hij wel paus
+kon worden; men noemde hem &quot;le saint homme de S. Li&eacute;&quot;, en raakte hem aan
+om de wonderdadigheid van zijn persoon; sommigen hielden hem voor een
+godsgezant of een goddelijk wezen zelf. Heel Frankrijk sprak een
+tijdlang van niets anders.<a name='FNanchor_665_665'></a><a href='#Footnote_665_665'><sup>[665]</sup></a></p>
+
+<p>Maar niet iedereen geloofde aan de oprechtheid van zijn bedoelingen; er
+waren er ook, die van &quot;le fou de Saint Li&eacute;&quot; spraken, of hem verdachten,
+langs dezen opzienbarenden weg de prelatuur te willen bereiken, die hem
+anders was ontgaan. Bij hem had, gelijk bij zooveel vroegeren, die als
+ketters verworpen waren, de hartstocht voor geslachtelijke zuiverheid
+het karakter aangenomen van een heftig revolutionaire prediking, waarin
+zich al de grieven over de ontaarding der Kerk schikten onder die eene
+groote verontwaardiging. &quot;Au loup, au loup&quot; riep hij de schare toe, en
+deze riep willig terug: &quot;Hahay, aus leus, mes bones gens, aus leus.&quot;
+Maar hij zei immers niet,<a name='326'></a> dat hij den aartsbisschop bedoelde, aldus zijn
+verdediging uit den kerker; hij placht enkel het spreekwoord te zeggen:
+&quot;qui est tigneus, il ne doit pas oster son chaperon&quot;.<a name='FNanchor_666_666'></a><a href='#Footnote_666_666'><sup>[666]</sup></a> Hoever hij
+ook gegaan moge zijn, zijn hoorders verstonden hem zoo, dat hij al het
+oude verzet tegen de onkuische priesters had gepreekt: hun sacramenten
+ongeldig, de hostie, die zij wijden, niet dan brood, hun doopsel en hun
+absolutie waardeloos. En meer nog tegen de onkuischheid in het algemeen:
+de priesters mogen zelfs niet wonen met een zuster of een oude van
+dagen; aan het huwelijk zijn 22 of 23 zonden verbonden; men moest de
+echtbrekers straffen naar de leer van het Oude Verbond; Christus zelf
+zou, indien hij zekerheid had gehad omtrent haar schuld, bevolen hebben,
+de overspelige te steenigen; er was geen goede vrouw in Frankrijk, er
+kon geen bastaard iets goeds doen of zalig worden.<a name='FNanchor_667_667'></a><a href='#Footnote_667_667'><sup>[667]</sup></a></p>
+
+<p>Tegen dien ingrijpenden vorm van afkeer der onkuischheid heeft de Kerk
+zich steeds uit zelfbehoud moeten verzetten: werd eenmaal de twijfel
+gewekt aan de geldigheid der sacramenten van onwaardige priesters, dan
+was het geheele kerkelijk leven ontwricht. Gerson stelt Jean de Varennes
+naast Johannes Hus als een, die met oorspronkelijk goede bedoelingen
+door zijn ijver op het dwaalspoor is geleid.<a name='FNanchor_668_668'></a><a href='#Footnote_668_668'><sup>[668]</sup></a></p>
+
+<p>De Kerk is aan den anderen kant in het algemeen uiterst toegefelijk
+geweest op een ander gebied: in het dulden van de hoogst zinnelijke
+verbeeldingen der godsliefde. De nauwgezette kanselier van de Parijsche
+universiteit evenwel heeft ook daar het gevaar gevoeld en ervoor
+gewaarschuwd.</p>
+<a name='327'></a>
+<p>Hij kende het uit zijn groote zielkundige ervaring, hij kende het van
+verschillende zijden, als dogmatisch en als zedelijk gevaar. &quot;De dag zou
+mij niet genoeg zijn, zegt hij, als ik al de tallooze waanzinnigheden
+wilde opsommen van de minnenden, de zinneloozen: amantium, immo et
+amentium.&quot;<a name='FNanchor_669_669'></a><a href='#Footnote_669_669'><sup>[669]</sup></a> Ja, hij wist het bij ondervinding: &quot;Amor spiritualis
+facile labitur in nudum carnalem amorem.&quot;<a name='FNanchor_670_670'></a><a href='#Footnote_670_670'><sup>[670]</sup></a> Want wie zou het anders
+zijn dan Gerson zelf, die man, dien hij kende, die uit loffelijke
+devotie een gemeenzame vriendschap in den Heer had gekweekt met een
+geestelijke zuster: &quot;aanvankelijk ontbrak het vuur van eenige
+vleeschelijkheid, maar gaandeweg wies uit den geregelden omgang een
+liefde, die niet geheel en al meer in God was, zoodat hij zich niet meer
+kon weerhouden, haar te bezoeken, of in haar afwezigheid aan haar te
+denken. Nog vermoedde hij niets zondigs, geen duivelsch bedrog, totdat
+een langere afwezigheid hem tot het inzicht bracht van het gevaar, dat
+God nog ter juister tijd van hem had gewend.&quot;<a name='FNanchor_671_671'></a><a href='#Footnote_671_671'><sup>[671]</sup></a> Hij was voortaan &quot;un
+homme averti&quot; en trok er profijt van. Zijn geheele tractaat <i>De diversis
+diaboli tentationibus</i><a name='FNanchor_672_672'></a><a href='#Footnote_672_672'><sup>[672]</sup></a> is als een scherpe analyse van den
+geestesstaat, die ook die van de Nederlandsche moderne devoten was. Het
+is vooral de &quot;dulcedo Dei&quot;, de &quot;zueticheit&quot; der Windesheimers, welke
+Gerson wantrouwt. De duivel, zegt hij, boezemt den menschen somtijds een
+onmetelijke en wonderlijke zoetheid (dulcedo) in, op de wijze van en
+gelijkende op devotie, opdat de mensch in het genieten van die zoetheid
+(suavitas)<a name='328'></a> zijn eenig doel zoeke, en God enkel meer wil beminnen en
+volgen, om die genieting te erlangen.<a name='FNanchor_673_673'></a><a href='#Footnote_673_673'><sup>[673]</sup></a> En elders,<a name='FNanchor_674_674'></a><a href='#Footnote_674_674'><sup>[674]</sup></a> van
+dezelfde dulcedo Dei: velen heeft de al te sterke kweeking van
+dergelijke gevoelens bedrogen: zij hebben de razernijen van hun hart als
+het voelen Gods omhelsd en jammerlijk gedwaald. Het leidt tot allerlei
+ijdel streven: sommigen trachten een staat te bereiken van volkomen
+gevoelloosheid of passiviteit, waarin slechts God door hen handelt, of
+een mystische kennis en vereeniging met God, waarin Hij niet meer onder
+eenig begrip des zijns, des waren of des goeden wordt opgevat.&mdash;Hier
+liggen ook Gerson's bezwaren tegen Ruusbroec, aan wiens eenvoudigheid
+hij niet gelooft, wien hij de meening van zijn <i>Chierheit der
+gheesteliker brulocht</i> verwijt, dat de volmaakte ziel, God schouwende,
+Hem niet enkel ziet door de klaarheid, die de goddelijke essentie is,
+maar dat zij zelve de goddelijke klaarheid is.<a name='FNanchor_675_675'></a><a href='#Footnote_675_675'><sup>[675]</sup></a></p>
+
+<p>Het gevoel van de volstrekte vernietiging der individualiteit, dat de
+mystieken van alle tijden gesmaakt hebben, kon de voorstander van een
+matige, ouderwetsche, Bernardijnsche mystiek, die Gerson was, niet
+gedoogen. Een zieneres had hem verteld, dat haar geest in het schouwen
+Gods vernietigd was geworden met een werkelijke vernietiging en daarna
+opnieuw geschapen. Hoe weet ge dat? had hij haar gevraagd. Zij had het
+zelf ondervonden, was haar antwoord. De logische absurditeit dier
+verklaring is voor den intellectueelen kanselier het triomfantelijk
+bewijs,<a name='329'></a> hoe verwerpelijk zulk een gevoelen was.<a name='FNanchor_676_676'></a><a href='#Footnote_676_676'><sup>[676]</sup></a> Het was
+gevaarlijk, zulke gewaarwordingen in een gedachte uit te drukken; de
+Kerk kon ze enkel dulden in den vorm van een beeld: het hart van
+Catharina van Siena was veranderd in het hart van Christus. Maar
+Marguerite Porete uit Henegouwen, van de Broeders van den vrijen geest,
+die ook haar ziel in God vernietigd waande, was in 1310 te Parijs
+verbrand.<a name='FNanchor_677_677'></a><a href='#Footnote_677_677'><sup>[677]</sup></a></p>
+
+<p>Het groote gevaar van het zelfvernietigingsgevoel lag in de conclusie,
+waartoe evenzeer de Indische als sommige christelijke mystieken kwamen,
+dat de volmaakte schouwende en minnende ziel niet meer zondigen kan.
+Immers, opgegaan in God, heeft zij geen wil meer; slechts het goddelijk
+willen is gebleven, en waarin zij ook de vleeschelijke neigingen volgen,
+daarin is geen zonde meer.<a name='FNanchor_678_678'></a><a href='#Footnote_678_678'><sup>[678]</sup></a> Tal van armen en onwetenden waren door
+zulke leeringen verleid tot een leven van de vreeselijkste
+ongebondenheid, zooals de secten der Begarden, de Broeders van den
+vrijen geest, de Turlupijnen te zien hadden gegeven. Telkens als Gerson
+van de gevaren der uitgelaten godsminne spreekt, komt hem het
+waarschuwend voorbeeld van die secten in de gedachte.<a name='FNanchor_679_679'></a><a href='#Footnote_679_679'><sup>[679]</sup></a> Toch is men
+hier voortdurend vlak bij de kringen der devoten.<a name='330'></a> De Windesheimer
+Hendrik van Herp beschuldigt zijn eigen geestverwanten van geestelijk
+overspel.<a name='FNanchor_680_680'></a><a href='#Footnote_680_680'><sup>[680]</sup></a> Er lagen in deze sfeer duivelsche valstrikken tot de
+meest perverse goddeloosheid. Gerson vertelt van een aanzienlijk man,
+die aan een Kartuizer had bekend, dat hem een doodzonde, en hij noemde
+met name die der onkuischheid, de minne Gods niet belemmerde, maar hem
+integendeel ontvlamde om de goddelijke zoetheid nog inniger te prijzen
+en te begeeren.<a name='FNanchor_681_681'></a><a href='#Footnote_681_681'><sup>[681]</sup></a></p>
+
+<p>De Kerk waakte, zoodra de smeltende aandoeningen van de mystiek zich
+omzetten in geformuleerde overtuigingen of in toepassing op het
+maatschappelijk leven. Zoolang het bleef bij louter hartstochtelijke
+verbeeldingen van symbolischen aard, liet zij ook het meest exuberante
+toe. Johannes Brugman kon ongestraft al de eigenschappen van den
+dronkaard, die zich zelf vergeet, geen gevaar ziet, niet toornig wordt
+om bespotting, alles weggeeft, toepassen op Jezus' menschwording: &quot;O en
+was hi niet wael droncken, doe hem die mynne dwanck, dat hi quam van den
+oversten hemel in dit nederste dal der eerden?&quot; In den hemel gaat hij
+rond, &quot;schyncken ende tappen mit vollen toyten&quot; aan de profeten, &quot;ende
+sij droncken, dat sij borsten, ende daer spranck David mit sijnre herpen
+voer der tafelen, recht of hij mijns heren dwaes waer.&quot;<a name='FNanchor_682_682'></a><a href='#Footnote_682_682'><sup>[682]</sup></a></p>
+
+<p>De groteske Brugman niet alleen, ook de zuivere Ruusbroec geniet de
+godsminne onder het beeld der dronkenschap. Naast dat der dronkenschap
+staat het beeld van den honger.<a name='331'></a> Mogelijk lag voor beide de aanleiding in
+het bijbelwoord: &quot;qui edunt me, adhuc esurient, et qui bibunt me, adhuc
+sitient,&quot;<a name='FNanchor_683_683'></a><a href='#Footnote_683_683'><sup>[683]</sup></a> dat, door Sapientia gesproken, als woord des Heeren werd
+geduid. De voorstelling van des menschen geest, geteisterd door een
+eeuwigen honger naar God, was dus gegeven. &quot;Hier beghint een ewich
+honger, die nemmermeer vervult en wert, dat es een inwendich ghieren
+ende crighen der minnender cracht ende dies ghescapens geestes in een
+ongescapen goet.... Dit sijn die armste liede die leven; want si sijn
+ghierich ende gulsich ende si hebben den mengherael (verklaring: &quot;dat is
+die vraet of den ghier of den heeten onversadeliken hongher&quot;). Wat si
+eten ende drinken, si en werden nemmermeer sat in deser wijs, want dese
+hongher es ewich.... Al gave God desen mensche alle die gaven die alle
+heylighen hebben ... sonder hem selven, nochtan bleve die gapende ghier
+des gheests hongherich ende onghesaedt.&quot;&mdash;Doch evenals het beeld der
+dronkenschap is ook dat van den honger voor omkeering vatbaar: &quot;Sijn
+(Christus') hongher is sonder mate groet; hi verteert ons al uut te
+gronde; want hi is een ghierich slockaert ende heeft den mengerael: hi
+verteert dat merch uut onsen benen. Nochtan gonnen wijs hem wale, ende
+soe wijs hem meer ghonnen, soe wij hem bat smaken. Ende wat hi op ons
+teert, hi en mach niet vervult werden, want hi heeft den mengerael ende
+sijn hongher is sonder mate: ende al sijn wi arm, hi en achtes niet,
+want hi en wilt ons niet laten. Ierstwerf bereyt hi sine spise, ende
+verbernt in minnen al onse sonden ende ghebreken. Ende alse wi dan
+ghesuvert sijn ende in minnen ghebraden,<a name='332'></a> soe gaept hi alse die ghier
+diet al verslocken wilt.... Mochten wi sien die ghierighe ghelost (lust)
+die Christus heeft tote onser salicheit, wi en mochten ons niet
+onthouden wi en souden hem in die kele vlieghen. Al verteert ons Jhesus
+te male in hem, daer vore gheeft hi ons hem selven, ende hi gheeft ons
+gheesteliken hongher ende dorst sijns te ghesmaken met ewigher lost. Hi
+gheeft ons gheesteliken hongher, ende onser herteliker liefde sijn
+lichame in spisen. Ende alse wi dien in ons eten ende teren met ynnigher
+devocien, soe vloyet uut sinen lichame sijn gloriose heete bloet in onse
+nature ende in alle onse aderen.... Siet, aldus selen wi altoes eten
+ende werden gheten, ende met minnen op ende nedergaen, ende dit is onse
+leven in der ewicheit&quot;.<a name='FNanchor_684_684'></a><a href='#Footnote_684_684'><sup>[684]</sup></a></p>
+
+<p>Een kleine schrede, en men is van deze hoogste vervoeringen der mystiek
+weer bij een plat symbolisme. &quot;Vous le manger&eacute;s,&mdash;zegt van de
+eucharistie <i>Le livre de crainte amoureuse</i> van Jean Berthelemy&mdash;, r&ocirc;ti
+au feu, bien cuit, non point ars ou brul&eacute;. Car ainsi l'aigneau de
+Pasques entre deux feux de bois ou de charbon estoit cuit convenablement
+et roty, ainsi ledoulx J&eacute;sus, le jour du Vendredi sacr&eacute;, fut en la
+broche de la digne croix mis, attachi&eacute;, et li&eacute; entre les deux feux de
+tres angoisseuse mort et passion, et de tres ardentes charit&eacute; et amour
+qu'il avoit &agrave; nos ames et &agrave; nostre salut, il fut comme roty et
+langoureusement cuit pour nous saulver.&quot;<a name='FNanchor_685_685'></a><a href='#Footnote_685_685'><sup>[685]</sup></a></p>
+
+<p>Het beeld van de dronkenschap en den honger weerspreekt reeds de
+meening,<a name='333'></a> dat elk godsdienstig zaligheidsgevoel erotisch ge&iuml;nterpreteerd
+zou moeten worden.<a name='FNanchor_686_686'></a><a href='#Footnote_686_686'><sup>[686]</sup></a> Het instroomen van den goddelijken invloed
+wordt evengoed als een drinken of een gebaad worden ondergaan. Een
+Diepenveensche devote voelt zich geheel overstort met het bloed van
+Christus en bezwijmt.<a name='FNanchor_687_687'></a><a href='#Footnote_687_687'><sup>[687]</sup></a> De bloedfantazie, voortdurend door het
+geloof aan de transsubstantiatie levend gehouden en geprikkeld, uit zich
+in de bedwelmendste uitersten van rooden gloed. De wonden van Jezus,
+zegt Bonaventura, zijn de bloedroode bloemen van ons zoete en bloeiende
+paradijs, waarover de ziel als een vlinder zweven moet, dan aan deze dan
+aan gene drinkende. Door de zijwond moet zij binnendringen tot het hart
+zelf. Tegelijk stroomt het bloed als beken in het paradijs. Al het roode
+en warme bloed van alle wonden is door Suso's mond in zijn hart en ziel
+gevloeid.<a name='FNanchor_688_688'></a><a href='#Footnote_688_688'><sup>[688]</sup></a> Catharina van Siena is een der heiligen, die uit de
+zijwond van Christus gedronken hebben, gelijk het anderen ten deel viel,
+de melk van Maria's borsten te proeven: Sint Bernard, Heinrich Suso,
+Alain de la Roche.</p>
+
+<p>Alain de la Roche, in het latijn Alanus de Rupe, bij zijn Nederlandsche
+vrienden Van der Klip geheeten, kan als een der meest markante typen
+gelden van de Fransche, meer fantastische devotie en van de
+ultra-concrete geloofsverbeelding der laatste Middeleeuwen. Omstreeks
+1428 in Bretagne geboren, heeft hij als Dominicaan hoofdzakelijk in het
+Noorden van Frankrijk en in de Nederlanden gewerkt. Hij is te Zwolle bij
+de Fraters, met wie hij levendige betrekkingen onderhield, in 1475
+gestorven. <a name='334'></a>Zijn voornaamste werk was het ijveren voor het gebruik van
+den rozenkrans, waartoe hij een gebedsbroederschap over de geheele
+wereld stichtte, aan welke hij het bidden voorschreef van vaste stelsels
+van Ave's, door Pater's afgewisseld. In het werk van dezen visionair,
+hoofdzakelijk preeken en beschrijvingen van zijn gezichten,<a name='FNanchor_689_689'></a><a href='#Footnote_689_689'><sup>[689]</sup></a> treft
+het sterk sexueele van zijn verbeeldingen, doch tegelijk het ontbreken
+van dien toon van gloeiende passie, die de sexueele verbeelding van het
+heilige rechtvaardigen kon. De zinnelijke uitdrukking der smeltende
+godsminne is hier louter proc&eacute;d&eacute; geworden. Er is niets van de
+overstroomende innigheid, die de honger-, dorst-, bloed- en
+liefde-fantazie&euml;n van de groote mystieken verheft. In de meditaties over
+elk van Maria's lichaamsdeelen, die hij aanbeveelt, in de nauwkeurige
+beschrijving van zijn herhaalde laving met de melk van Maria, in de
+symbolische systematiek, waarbij hij elk der woorden van het Onze Vader
+het bruidsbed van een der deugden noemt, spreekt een geest op zijn
+laatst, het verval van de hooggekleurde vroomheid der latere
+Middeleeuwen tot een uitgebloeiden vorm.</p>
+
+<p>Ook in de duivelenfantazie had het sexueele element een plaats: Alain de
+la Roche ziet de beesten der zonde met afschuwelijke teeldeelen, waaruit
+een vurige en zwavelige stortvloed breekt, die met zijn smook de aarde
+verduistert; hij ziet de meretrix apostasiae, die de afvalligen
+verslindt, weer uitbraakt en uitscheidt, weer verslindt, hen als een
+moeder kust en koestert, hen telkens opnieuw baart uit haren schoot.
+<a name='FNanchor_690_690'></a><a href='#Footnote_690_690'><sup>[690]</sup></a></p>
+
+<p>Daar lag de tegenkant van de &quot;zueticheit&quot; der devoten. Als
+<a name='335'></a>onvermijdelijk complement van de zoete hemelsche fantazie borg de geest
+een zwarten poel van hellevoorstellingen, die eveneens hun uitdrukking
+vonden in de gloeiende taal der aardsche zinnelijkheid. Het is zoo
+vreemd niet, dat er verbindingen zijn aan te wijzen tusschen de stille
+kringen der Windesheimers en het duisterste wat de Middeleeuwen tegen
+haar einde hebben voortgebracht: de heksenwaan, thans uitgegroeid tot
+dat noodlottig sluitende systeem van theologischen ijver en rechterlijke
+strengheid. Alanus de Rupe vormt zulk een schakel. Hij, de gaarne
+geziene gast van de Zwolsche fraters, was ook de leermeester van zijn
+ordebroeder Jakob Sprenger, die niet alleen met Heinrich Institoris den
+Heksenhamer geschreven heeft, maar ook in Duitschland de ijverige
+bevorderaar is geweest van Alanus' broederschap van den rozenkrans.</p>
+
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='IX'></a>IX</h2>
+<a name='336'></a>
+<h3>VERBEELDING EN GEDACHTE</h3>
+<br />
+
+<p>De aandoening wilde zich altijd onmiddellijk omzetten in bonte en
+gloeiende verbeelding. De geest meende het wonder te hebben begrepen,
+wanneer hij het voor oogen zag. De behoefte, om het onuitsprekelijke
+onder zichtbare teekenen te aanbidden, schiep steeds nieuwe figuren.
+In de veertiende eeuw zijn het kruis en het lam niet meer genoeg, om
+aan de overstroomende liefde voor Jezus een zichtbaar object te geven:
+de vereering van den naam Jezus voegt zich daaraan toe, en dreigt zelfs
+bij sommigen de kruisvereering in de schaduw te stellen. Heinrich Suso
+tatoe&euml;rt zich den naam Jezus op de hartstreek, en vergelijkt het met de
+beeltenis eener geliefde, die de minnaar in zijn kleed genaaid draagt.
+Hij zendt doekjes, waarop de zoete naam geborduurd staat, aan zijn
+geestelijke kinderen.<a name='FNanchor_691_691'></a><a href='#Footnote_691_691'><sup>[691]</sup></a>&mdash;Als Bernardino van Siena een geweldige
+preek besloten heeft, ontsteekt hij twee kaarsen en vertoont een bord
+van een el groot, waarop in goud op blauw de naam Jezus te midden van
+stralen; &quot;het volk dat de kerk vult, ligt op de knie&euml;n, allen te zamen
+huilend en schreiend van zoete aandoening en teedere liefde tot Jezus&quot;.
+<a name='FNanchor_692_692'></a><a href='#Footnote_692_692'><sup>[692]</sup></a> Vele andere Franciscanen, en ook predikers van andere orden,
+volgden het na: Dionysius de Kartuizer wordt met zulk een naambord in de
+hoogopgeheven handen afgebeeld. De zonnestralen als helmteeken boven het
+wapen van Gen&egrave;ve<a name='337'></a> worden uit deze vereering afgeleid.<a name='FNanchor_693_693'></a><a href='#Footnote_693_693'><sup>[693]</sup></a> Zij scheen
+den kerkelijken autoriteiten bedenkelijk; men sprak van bijgeloof en
+idolatrie, er ontstonden tumulten voor en tegen het gebruik. Bernardino
+werd voor de curie gedaagd, en paus Martinus V verbood de gewoonte.
+<a name='FNanchor_694_694'></a><a href='#Footnote_694_694'><sup>[694]</sup></a> Doch in een anderen vorm vond weldra de behoefte, om den Heer
+zichtbaar te aanbidden, gewettigde bevrediging: de monstrans stelde de
+gewijde hostie zelf tot aanbidding ten toon. Voor den torenvorm, dien
+zij bij haar eerste opkomen in de veertiende eeuw had, kreeg de
+monstrans weldra dien van de stralende zon, symbool der goddelijke
+liefde. Ook hier had de Kerk aanvankelijk nog bedenkingen gekoesterd;
+het gebruik der monstrans was enkel gedurende de week van het
+sacramentsfeest toegestaan.</p>
+
+<p>De overmaat van verbeeldingen, waarin de uitbloeiende middeleeuwsche
+gedachte bijna alles had opgelost, zou louter wilde fantasmagorie zijn
+geweest, wanneer niet bijna elke figuur, elk beeld, zijn plaats had
+gehad in het groote, alles omvattende denksysteem van het symbolisme.</p>
+
+<p>Er was geen groote waarheid, die de middeleeuwsche geest stelliger wist,
+dan die van het woord aan de Corinthen: &quot;Videmus nunc per speculum in
+aenigmate, tunc autem facie ad faciem&quot;; &quot;Want wij zien nu door eenen
+spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht
+tot aangezicht&quot;.&mdash;Zij hebben nooit vergeten, dat elk ding absurd zou
+zijn, als zijn beteekenis uitgeput was in zijn onmiddellijke functie en
+verschijningsvorm, dat alle dingen met een heel stuk reiken in de wereld
+aan den anderen kant.<a name='338'></a> Dat weten is ook ons als ongeformuleerd gevoel nog
+op ieder oogenblik gemeenzaam, wanneer het geluid van den regen op de
+bladeren of het schijnsel van de lamp over de tafel even doordringt tot
+een dieper perceptie dan die van den praktischen denk- en handelingszin.
+Het kan zich voordoen als een ziekelijke oppressie, zoodat de dingen
+zwanger schijnen van een dreigende persoonlijke bedoeling of van een
+raadsel, dat men kennen moet en niet kennen kan. Het kan ook, en zal
+vaker, ons vullen met de rustige en sterkende verzekerdheid, dat ook ons
+eigen leven deel heeft aan dien geheimen zin der wereld. En hoe meer dat
+gevoel zich verdicht tot de huivering voor het Eene, waarvan alle dingen
+uitstroomen, hoe lichter het van de zekerheid van enkele klare
+oogenblikken zal overgaan tot een blijvend aanwezig levensgevoel, of
+zelfs een geformuleerde overtuiging. &quot;By cultivating the continuous
+sense of our connection with the power that made things as they are, we
+are tempered more towardly for their reception. The outward face of
+nature need not alter, but the expressions of meaning in it alter. It
+was dead and is alive again. It is like the difference between looking
+on a person without love, or upon the same person with love.... When we
+see all things in God, and refer all things to him, we read in common
+matters superior expressions of meaning.&quot;<a name='FNanchor_695_695'></a><a href='#Footnote_695_695'><sup>[695]</sup></a></p>
+
+<p>Dit is de gevoelsgrond, waarop het symbolisme opgroeit. Bij God bestaat
+niets ledigs of zonder beteekenis: &quot;nihil vacuum neque sine signo apud
+Deum&quot;.<a name='FNanchor_696_696'></a><a href='#Footnote_696_696'><sup>[696]</sup></a> Zoodra God verbeeld was, moest ook dat al, wat van hem
+uitging en in hem zijn zin had,<a name='339'></a> stollen of kristalliseeren tot
+geformuleerde gedachten. En zoo ontstaat die grootsche en edele
+verbeelding van de wereld als &eacute;&eacute;n groot symbolisch verband, een
+kathedraal van idee&euml;n, de allerrijkst rythmische en polyphone
+uitdrukking van al het denkbare.</p>
+
+<p>De symbolische denkorde staat zelfstandig en op zich zelf gelijkwaardig
+naast de genetische. De laatste: het begrijpen van de wereld als
+ontwikkeling, was den Middeleeuwen niet z&oacute;o vreemd, als men het wel eens
+voorstelt. Doch het voortkomen van de dingen uit elkander werd nog
+alleen gezien onder de na&iuml;eve figuur van directe voortteling of van
+vertakking, en nog alleen toegepast volgens logische deductie, op de
+dingen van den geest. Die werden gaarne gezien in de geleding van
+genealogie&euml;n of van boomen met vertakkingen: een &quot;arbor de origine
+juris et legum&quot; rangschikte alles van het recht in het beeld van
+een wijdgespreiden boom. Enkel deductief toegepast behield de
+ontwikkelingsgedachte iets schematisch, willekeurigs en onvruchtbaars.</p>
+
+<p>Het symbolisme is, van het standpunt van het causale denken beschouwd,
+als een geestelijke kortsluiting. Het verband der dingen wordt niet
+gezocht als een band van oorzaak en gevolg, maar als een van beteekenis
+en doel. De overtuiging van zulk een verband kan ontstaan, zoodra twee
+dingen &eacute;&eacute;n essentieele eigenschap gemeen hebben, die te betrekken is op
+iets van algemeene waarde. Of met andere woorden: elke associatie op
+grond van eenigerlei gelijkheid kan zich onmiddellijk omzetten in het
+besef van een wezenlijk en mystisch verband. Dit kan van psychologisch
+gezichtspunt een zeer povere geestesfunctie schijnen. En van
+ethnologisch gezichtspunt kan<a name='340'></a> men het bovendien een zeer primitieve
+geestesfunctie noemen. Het primitieve denken kenmerkt zich door een
+zwakheid van de waarneming der identiteitsgrenzen tusschen de dingen;
+het incorporeert in de voorstelling van een bepaald ding alles wat
+daarmee door gelijkenis of toebehooren in eenig verband staat. De
+symboliseerende functie hangt daarmede ten nauwste samen.</p>
+
+<p>Het symbolisme verliest evenwel dien schijn van willekeurigheid en
+onvoldragenheid, zoodra men zich er rekenschap van geeft, dat het
+onverbrekelijk verbonden is met die opvatting van het bestaande, welke
+in de Middeleeuwen realisme heette, en die wij, eigenlijk minder
+treffend, platonisch idealisme noemen.</p>
+
+<p>Alleen dan heeft de symbolische gelijkstelling op grond van
+gemeenschappelijke kenmerken zin, wanneer die kenmerken het wezenlijke
+aan de dingen zijn, wanneer de eigenschappen, die het symbool en het
+gesymboliseerde gemeen hebben, waarlijk als essenti&euml;n beschouwd worden.
+Rozen wit en rood bloeien tusschen doornen. De middeleeuwsche geest ziet
+terstond een symbolische beteekenis: maagden en martelaars stralen in
+heerlijkheid tusschen hun vervolgers. Hoe komt de gelijkstelling tot
+stand? Doordat de hoedanigheden dezelfde zijn: de schoonheid, teerheid,
+zuiverheid, de bloedroodheid der rozen zijn ook die der maagden en
+martelaars. Doch dit verband is alleen dan waarlijk zinrijk en vol van
+mystische beteekenis, wanneer in het verbindende lid, in de hoedanigheid
+dus, het wezen der beide termen van het symbolisme ligt opgesloten, met
+andere woorden, wanneer de roodheid en de witheid niet gelden als louter
+benamingen voor physisch onderscheid op quantitatieven grondslag, maar
+gezien worden als reali&euml;n, wezenlijkheden.<a name='341'></a> Ook &oacute;ns denken vermag nog elk
+oogenblik ze zoo te zien,<a name='FNanchor_697_697'></a><a href='#Footnote_697_697'><sup>[697]</sup></a> als het maar even terugkeert tot de
+wijsheid van den wilde, het kind, den dichter en den mysticus, voor wie
+de natuurlijke gesteldheid der dingen ligt opgesloten in hun algemeene
+hoedanigheid. De hoedanigheid is hun watheid, de kern van hun zijn.
+Schoonheid, teerheid, witheid, essenti&euml;n zijnde, zijn eenheden: alles
+wat schoon, teer, wit is, moet in wezen samenhangen, heeft denzelfden
+bestaansgrond, dezelfde beteekenis (be-teekenis) voor God.</p>
+
+<p>Zoo is er een onverbrekelijk verband tusschen symbolisme en realisme (in
+den middeleeuwschen zin).</p>
+
+<p>Men moet hier niet te veel denken aan den strijd over de universalia.
+Zeker, het realisme, dat de &quot;universalia ante res&quot; verklaarde, dat aan
+de algemeene begrippen wezen en prae&euml;xistentie toekende, is geen
+alleenheerscher geweest op het gebied van het middeleeuwsche denken.
+Er zijn ook nominalisten geweest: ook het &quot;universalia post rem&quot; heeft
+zijn voorstanders gehad. Doch de stelling is niet te gewaagd, dat het
+radicale nominalisme nooit anders dan tegenstrooming, reactie, oppositie
+is geweest, en dat het jongere, gematigde nominalisme enkel zekere
+philosophische bezwaren tegen een extreem realisme tegemoet kwam, maar
+aan de inhaerent-realistische denkrichting der gansche middeleeuwsche
+geestesbeschaving niets in den weg legde.</p>
+
+<p>Inhaerent aan de gansche beschaving. Want het komt niet in de eerste
+plaats op dien strijd van scherpzinnige theologen aan, maar op de
+voorstellingen, die het geheele verbeeldings- en gedachtenleven, zooals
+het zich uit in de kunst,<a name='342'></a> de moraal, het dagelijksch leven, beheerschen.
+Deze zijn extreem realist, niet omdat de hooge theologie in een lange
+school van neoplatonisme was geformeerd, maar omdat het realisme,
+buiten alle philosophie om, de primitieve denkwijze is. Voor den
+primitieven geest neemt alles wat benoembaar is, terstond wezen aan, of
+het hoedanigheden zijn, begrippen of wat ook. Zij projecteeren zich
+terstond automatisch aan den hemel. Hun wezen kan bijna altijd (behoeft
+niet altijd) worden opgevat als persoonlijk wezen; ieder oogenblik kan
+de reidans van anthropomorphe begrippen beginnen.</p>
+
+<p>Alle realisme, in den middeleeuwschen zin, is tenslotte
+anthropomorphisme. Wanneer de gedachte, die aan de idee een zelfstandig
+wezen heeft toegekend, wil worden gezien, dan kan zij dat niet anders
+dan door personificatie. Hier ligt de overgang van symbolisme en
+realisme naar allegorie. De allegorie is het naar de oppervlakkige
+verbeeldingskracht geprojecteerde symbolisme, de opzettelijke
+uitwerking, daarmee ook uitputting, van een symbool, het overbrengen van
+een hartstochtelijken kreet tot een grammatisch correcten zin. Goethe
+beschrijft de tegenstelling aldus: &quot;Die Allegorie verwandelt die
+Erscheinung in einen Begriff, den Begriff in ein Bild, doch so, dass der
+Begriff im Bilde immer noch begrenzt und vollst&auml;ndig zu halten und zu
+haben und an demselben auszusprechen sei. Die Symbolik verwandelt die
+Erscheinung in Idee, die Idee in ein Bild, und so, dass die Idee im Bild
+immer unendlich wirksam und unerreichbar bleibt und selbst in allen
+Sprachen ausgesprochen doch unaussprechlich bleibe.&quot;<a name='FNanchor_698_698'></a><a href='#Footnote_698_698'><sup>[698]</sup></a></p>
+<a name='343'></a>
+<p>De allegorie heeft dus inzichzelf reeds het karakter van schoolsche
+normaliseering, en tegelijk van een vertering, een opgaan der gedachte
+in het beeld. De wijze, waarop zij het middeleeuwsche denken was
+binnengekomen: als litteraire aflegger van de late Oudheid in de
+allegorische producten van Martianus Capella en Prudentius, verhoogde
+het schoolsche en oudachtige karakter. En toch meene men niet, dat het
+de middeleeuwsche allegorie en personificatie aan echtheid en leven
+ontbrak. Trouwens, had zij die niet bezeten, hoe zou dan de middeleeuwsche
+beschaving haar zoo aanhoudend en met zulk een voorliefde hebben
+gecultiveerd?</p>
+
+<p>Te zamen vereenigd hebben deze drie denkwijzen: realisme, symbolisme en
+personificatie, den middeleeuwschen geest doorschenen als een stroom van
+licht. De psychologie zou wellicht het geheele symbolisme willen afdoen
+met den term idee&euml;nassociatie. Maar de geschiedenis der geestesbeschaving
+heeft dien denkvorm eerbiediger te beschouwen. De levenswaarde van de
+symbolische verklaring van het bestaande was onschatbaar. Het symbolisme
+schiep een wereldbeeld van nog strenger eenheid en inniger verband, dan
+het causaal-natuurwetenschappelijk denken vermag. Het omvademde met zijn
+sterke armen de geheele natuur en de geheele geschiedenis. Het schept
+daarin een onverbrekelijke rangorde, een architectonische geleding, een
+hi&euml;rarchische subordinatie. Want in elk symbolisch verband moet een
+lager en een hooger zijn; gelijkwaardige dingen kunnen elkanders symbool
+niet zijn, maar enkel samen wijzen naar een derde, dat hooger is. In het
+symbolisch denken is ruimte voor een onmetelijke veelvuldigheid van
+betrekkingen tusschen de dingen. Want elk ding kan met zijn verschillende
+<a name='344'></a>hoedanigheden symbool zijn van velerlei andere, en ook met &eacute;&eacute;n en
+dezelfde hoedanigheid verschillende dingen beteekenen; en de hoogste
+dingen hebben hun duizenderlei symbolen. Geen ding is te nederig om het
+hoogste te beduiden en aan te wijzen ter verheerlijking. De okkernoot
+beteekent Christus: de zoete kern is de goddelijke natuur, de vleezige
+buitenschil de menschelijke, en de houten schaal daartusschen is het
+kruis. Alle dingen bieden stut en steun voor het opstijgen der gedachte
+naar het eeuwige; alle beuren elkaar van trede tot trede omhoog. Het
+symbolische denken geeft een voortdurende transfusie van het gevoel van
+God's majesteit en eeuwigheid in al het waarneembare en denkbare. Het
+houdt voortdurend het mystische levensgevoel brandend. Het doordringt de
+voorstelling van elk ding met verhoogde aesthetische en ethische waarde.
+Denk het genot, als elke edelsteen fonkelt met de glanzen van al zijn
+symbolische waarden, als de vereenzelviging van rozen en maagdelijkheid
+meer is dan een dichterlijk zondagskleed, als zij het wezen van beide
+aangeeft. Het is een waarlijke polyphonie der gedachte. Bij een
+doorgedacht symbolisme klinkt in elke voorstelling een harmonisch
+accoord van symbolen. Het symbolisch denken geeft dien zwijmel der
+gedachte, die prae-intellectueele vervloeiing van de identiteitsgrenzen
+der dingen, die tempering van het verstandelijk denken, welke het
+levensbesef op zijn hoogste heft.</p>
+
+<p>Een harmonisch verband verbindt voortdurend alle gebieden der gedachte.
+De feiten van het Oude Testament beduiden, praefigureeren die van het
+Nieuwe, die der profane geschiedenis weerspiegelen hetzelfde. Bij elk
+denken valt, als in een kaleidoscoop, uit de ongeordende massa partikels
+<a name='345'></a>een schoone en symmetrische figuur samen. Elk symbool krijgt een
+overwaarde, een veel sterkere graad van wezenlijkheid, doordat allen
+tenslotte geschaard staan rondom het centrale wonder der eucharistie, en
+daar is de gelijkheid geen symbolische meer, maar identiteit: de hostie
+is Christus. En de priester, die haar tot zich neemt, wordt daarmee het
+graf des Heeren; het afgeleide symbool deelt in de werkelijkheid van het
+opperste mysterie, elk beduiden wordt een mystisch &eacute;&eacute;n-zijn.<a name='FNanchor_699_699'></a><a href='#Footnote_699_699'><sup>[699]</sup></a></p>
+
+<p>Door het symbolisme werd het mogelijk, de wereld, die in zich zelf
+verwerpelijk was, toch te waardeeren en te genieten, en ook het aardsche
+bedrijf te veredelen. Want elk beroep had zijn symbolische betrekking op
+het hoogste en heiligste. De arbeid van den handwerker is de eeuwige
+generatie en incarnatie des Woords en de bond tusschen God en de ziel.
+<a name='FNanchor_700_700'></a><a href='#Footnote_700_700'><sup>[700]</sup></a> Zelfs tusschen de aardsche liefde en de goddelijke liepen de
+draden van het symbolisch contact. Het sterke religieuze individualisme,
+dat wil zeggen de cultiveering van de eigen ziel tot deugd en zaligheid,
+vond zijn heilzaam tegenwicht in het realisme en symbolisme, die het
+eigen leed, de eigen deugd, losmaakten uit de bijzonderheid van het
+persoonlijke, en ophieven in de sfeer van het universeele.</p>
+
+<p>De zedelijke waarde van de symbolische denkwijze is onafscheidelijk van
+haar verbeeldingswaarde. De symbolische verbeelding is als de muziek op
+den tekst der logisch uitgedrukte leerstellingen. &quot;En ce temps o&ugrave; la
+sp&eacute;culation<a name='346'></a> est encore toute scolaire, les concepts d&eacute;finis sont
+facilement en d&eacute;saccord avec les intuitions profondes.&quot;<a name='FNanchor_701_701'></a><a href='#Footnote_701_701'><sup>[701]</sup></a> Door het
+symbolisme stond de geheele godsdienstige voorstellingsrijkdom open voor
+de kunst, om haar uit te drukken, klank- en kleurrijk, en tegelijk vaag
+en zwevend, zoodat de diepste intu&iuml;ties erop konden wegvlieden naar het
+besef van het onzegbare.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>De eindigende Middeleeuwen vertoonen die geheele denkwereld in haar
+laatsten uitbloei. De wereld lag volkomen uitgespreid in die
+alomvattende verzinnebeelding, en de symbolen werden als versteende
+bloemen. Van oudsher had overigens het symbolisme de neiging bezeten, om
+zuiver mechanisch te worden. Eenmaal als beginsel gegeven, ontspruit het
+niet alleen uit dichterlijke verbeelding en vervoering, maar hecht zich
+als een woekerplant aan het denken, en ontaardt tot louter hebbelijkheid
+en een ziekte der gedachte. Met name wanneer het symbolisch contact
+eenvoudig voortvloeit uit gelijkheid van getal, ontstaan heele
+verschieten van ide&euml;ele afhankelijkheden. Het worden rekensommetjes. De
+twaalf maanden zullen de twaalf apostelen beduiden, de vier jaargetijden
+de evangelisten, en het geheele jaar moet dan Christus zijn.<a name='FNanchor_702_702'></a><a href='#Footnote_702_702'><sup>[702]</sup></a> Er
+conglomereeren zich gansche systemen van zeventallen. Met de zeven
+hoofddeugden correspondeeren de zeven beden van het Onze Vader, de zeven
+gaven van den heiligen geest, de zeven zaligsprekingen en de zeven
+boetpsalmen.<a name='347'></a> Zij hebben weer betrekking op de zeven momenten van de
+passie en op de zeven sacramenten. Elk nummer van elk zevental
+correspondeert weer als tegenstelling of geneesmiddel met de zeven
+hoofdzonden, die weer door zeven dieren verbeeld en door zeven ziekten
+gevolgd worden.<a name='FNanchor_703_703'></a><a href='#Footnote_703_703'><sup>[703]</sup></a> Bij een zielzorger en moralist als Gerson, aan
+wien deze voorbeelden zijn ontleend, overweegt de praktisch zedelijke
+waarde van het symbolisch verband. Bij een visionair als Alain de la
+Roche overweegt daarin het aesthetische.<a name='FNanchor_704_704'></a><a href='#Footnote_704_704'><sup>[704]</sup></a> Hij moet een systeem
+hebben, waarin vijftien en tien de getallen zijn, want de gebedencyclus
+van de broederschap van den rozekrans, waarvoor hij ijverde, omvat 150
+Ave's, afgewisseld door 15 Pater's. Die vijftien Pater's zijn de
+vijftien oogenblikken der passie, de 150 Ave's zijn de psalmen. Zij
+zijn nog veel meer. Door de elf hemelsferen plus de vier elementen
+te vermenigvuldigen met de tien categorie&euml;n: substantia, qualitas,
+quantitas enz., krijgt men 150 habitudines naturales; evenzoo 150
+habitudines morales, door de tien geboden te vermenigvuldigen met
+vijftien deugden: de drie theologale, de vier cardinale, de zeven
+capitale deugden, maakt veertien; &quot;restant duae: religio et
+poenitentia&quot;, nu is er &eacute;&eacute;n te veel, maar temperantia, de cardinale, is
+gelijk aan abstinentia,<a name='FNanchor_705_705'></a><a href='#Footnote_705_705'><sup>[705]</sup></a> de capitale, blijft over vijftien. Elk
+dier vijftien deugden is een koningin, die haar bruidsbed heeft in een
+der fracties van het Onze Vader. Elk der woorden van het Ave beduidt een
+der vijftien<a name='348'></a> volmaaktheden van Maria, en tegelijk een edelsteen aan de
+rupis angelica, die zij zelve is; elk woord verdrijft een zonde of het
+dier, dat die verbeeldt. Zij zijn bovendien de takken van een boom vol
+vruchten, waarin alle gezaligden zitten, en de treden van een trap.
+Zoo beduidt bij voorbeeld het woord Ave de onschuld van Maria, en den
+diamant, en verdrijft den hoogmoed, die den leeuw tot dier heeft. Het
+woord Maria is haar wijsheid en de karbonkel en verdrijft den nijd,
+een bijster zwarten hond. Alanus ziet in zijn vizioenen de gruwelijke
+gedaanten der zondedieren en de schitterende kleuren der edele steenen,
+wier oud befaamde wonderkracht weer nieuwe symbolische associaties wekt.
+De sardonix is zwart, rood en wit, gelijk Maria zwart was in nederigheid,
+rood in haar smarten, en wit in glorie en genade. Zij trekt als zegelsteen
+niets aan van de was: deugd der eerzaamheid, verdrijft onkuischheid en
+maakt eerzaam en schaamachtig. De parel is het woord gratia, en ook
+Maria's eigen gratie; zij ontstaat in de zeeschelp uit een dauw des hemels
+&quot;sine admixtione cuiuscunque seminis propagationis&quot;. Maria zelf is die
+schelp; hier verspringt het symbolisme even, want in de reeks der overige
+zou men haar als de parel verwachten. Hier komt ook het kaleidoscopische
+der symboliek treffend uit: met de woorden &quot;uit een dauw des hemels
+geteeld&quot; is meteen, onuitgedrukt, die andere trope der maagdelijke
+geboorte: het vlies, waarop Gideon het hemelsch teeken afsmeekte, in het
+bewustzijn geroepen.</p>
+
+<p>De symboliseerende denkvorm was zoo goed als versleten. Het vinden van
+symbolen en allegorie&euml;n was een ijdel spel geworden, een oppervlakkig
+fantazeeren op een enkel<a name='349'></a> gedachtenverband. Het symbool behoudt zijn
+gevoelswaarde alleen door de heiligheid der dingen, die het verbeeldt:
+zoodra het symboliseeren van het zuiver godsdienstige gebied afvloeit
+naar het enkel moreele, ziet men het in zijn hopelooze verbastering.
+Froissart weet in een uitvoerig gedicht <i>Li orloge amoureus</i> alle
+eigenschappen der liefde met de onderdeelen van een uurwerk te
+vergelijken.<a name='FNanchor_706_706'></a><a href='#Footnote_706_706'><sup>[706]</sup></a> Chastellain en Molinet wedijveren in politieke
+symbolismen: in de drie standen zijn de eigenschappen van Maria
+gefigureerd; de zeven keurvorsten, drie geestelijke en vier wereldlijke,
+beteekenen de drie theologale en vier cardinale deugden; de vijf steden
+Saint-Omer, Aire, Rijssel, Douai en Valenciennes, die in 1477 Bourgondi&euml;
+trouw blijven, worden de vijf wijze maagden.<a name='FNanchor_707_707'></a><a href='#Footnote_707_707'><sup>[707]</sup></a> Eigenlijk heeft men
+hier te doen met een omgekeerd symbolisme, waarbij niet het lagere naar
+het hoogere wijst, maar het hoogere naar het lagere. Want in den geest
+van den schrijver staan de aardsche dingen, die hij met wat hemelsche
+versiering verheerlijken wil, vooraan. De <i>Donatus moralisatus seu per
+allegoriam traductus</i>, die wel eens aan Gerson is toegeschreven, bracht
+de latijnsche grammatica bij, met theologische symboliek gemengd: het
+nomen is de mensch, het pronomen beduidt, dat hij een zondaar is. Op den
+laagsten trap van de symboliseering staat een gedicht als <i>Le parement
+et triumphe des dames</i> van Olivier de la Marche, waarin het gansche
+vrouwelijk toilet wordt vergeleken met deugden en voortreffelijkheden,
+een brave zedepreek van den ouden hoveling, met een enkel schuin
+knipoogje.<a name='350'></a> De pantoffel beduidt de nederigheid:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;De la pantouffle ne nous vient que sant&eacute;
+<span>Et tout prouffit sans griefve maladie,<br /></span>
+<span>Pour luy donner tiltre d'auctorit&eacute;<br /></span>
+<span>Je luy donne le nom d'humilit&eacute;.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Zoo worden de schoenen zorg en vlijt, de kousen volharding, de kouseband
+vastberadenheid, het hemd eerbaarheid en het keurs kuischheid.<a name='FNanchor_708_708'></a><a href='#Footnote_708_708'><sup>[708]</sup></a></p>
+
+<p>Toch is natuurlijk, zelfs in haar meest zoutelooze uitingen, de
+symboliek en allegorie voor den middeleeuwschen geest van een veel
+levender gevoelswaarde geweest, dan wij ons voorstellen. De functie van
+het symbolisch gelijkstellen en het persoonlijk verbeelden was zoo
+ontwikkeld, dat haast vanzelve elke gedachte zich kon omzetten in een
+personnage, een vertooning. Elke idee werd immers als wezen gezien, elke
+hoedanigheid als zelfstandigheid, en als wezen kregen zij voor het
+beeldende gezicht terstond persoonlijken vorm. Dionysius de Kartuizer
+ziet in zijn revelaties de Kerk juist even persoonlijk en tooneelmatig,
+als zij vertoond werd op het hoffeest van Rijsel. In een zijner
+openbaringen ziet hij de toekomstige reformatio, die naar welke de
+vaderen van het concilie en Dionysius' geestverwant Nicolaas van Cusa
+streefden: de Kerk derhalve in haar toekomstige zuiverheid. De
+geestelijke schoonheid dier gezuiverde Kerk ziet hij als een overschoon
+en allerkostbaarst kleed van onbeschrijfelijke fraaiheid in
+allerkunstigste mengeling van kleuren en figuren.<a name='351'></a> Een andermaal ziet hij
+de Kerk in haar verdrukking: leelijk, ruig en bloedeloos, arm, zwak en
+verschopt. De Heer zegt: hoor uwe Moeder, mijne bruid, de heilige Kerk,
+en daarop hoort Dionysius de innerlijke stem als uit de figuur der Kerk
+komende: &quot;quasi ex persona Ecclesiae&quot;.<a name='FNanchor_709_709'></a><a href='#Footnote_709_709'><sup>[709]</sup></a> Zoo onmiddellijk komt hier
+de gedachte in beeldvorm, dat de herleiding van het beeld tot gedachte,
+de verklaring der allegorie in bijzonderheden, nauwelijks als noodig
+wordt gevoeld, als het gedachtenthema maar even is aangegeven. Het bonte
+kleed is volkomen adequaat aan de voorstelling van geestelijke
+volmaaktheid; er is hier een oplossing van de gedachte in het beeld,
+zooals ons een oplossing der gedachte in muziek gemeenzaam is.</p>
+
+<p>Men denke hier opnieuw aan de allegorische figuren uit den <i>Roman de la
+rose.</i> Wij kunnen ons niet dan met inspanning iets denken bij Bel
+Accueil, Doulce Mercy, Humble Requeste. Maar zij hebben voor de
+tijdgenooten een met levenden vorm bekleede en met passie gekleurde
+wezenlijkheid gehad, die hen volkomen op &eacute;&eacute;n lijn stelt met de
+Romeinsche speciale godenfiguren. Wat Usener van deze zegt, is bijna
+geheel toe te passen op de middeleeuwsche allegorische personnages. &quot;Die
+Vorstellung trat mit sinnlicher Kraft vor die Seele und &uuml;bte eine solche
+Macht aus, dass das Wort, das sie sich schuf, trotz der adjectivischen
+Beweglichkeit, die ihm verblieb, dennoch ein g&ouml;ttliches Einzelwesen
+bezeichnen konnte&quot;.<a name='FNanchor_710_710'></a><a href='#Footnote_710_710'><sup>[710]</sup></a> Anders zou immers de <i>Roman de la rose</i>
+onleesbaar zijn geweest. Doux Penser, Honte, Souvenirs en de rest hebben
+in de geesten der latere Middeleeuwen een quasi-goddelijk leven gehad.
+<a name='352'></a>Een recrudescentie van die voorstelling beleefde &eacute;&eacute;n der Rose-figuren,
+namelijk Danger, wat in de amoureuze taal den te bedriegen echtgenoot
+ging beteekenen.</p>
+
+<p>Herhaaldelijk ziet men, om een gedachte uit te drukken, waar het
+bijzonder op aankomt, naar de allegorie grijpen. Wanneer de bisschop van
+Chalons aan Philips den Goede een zeer ernstige waarschuwing omtrent
+zijn politiek beleid wil geven, giet hij de remonstrance, die hij in het
+kasteel van Hesdin op Sint Andriesdag 1437 voor den hertog, de hertogin
+en hun gevolg ten beste geeft, in den vorm van een allegorie. Hij vindt
+Haultesse de Signourie troosteloos zitten, die eerst in het Keizerrijk,
+daarna aan het Fransche, tenslotte aan het Bourgondische hof heeft
+gewoond, en nu klaagt, ook daar te worden belaagd door Zorgeloosheid des
+vorsten, Slapheid van raad, Nijd van dienaren, Afpersing van onderdanen.
+Hij stelt er andere personnages tegenover, als Waakzaamheid des vorsten
+enz., die het ontrouwe hofgezin moeten verdrijven.<a name='FNanchor_711_711'></a><a href='#Footnote_711_711'><sup>[711]</sup></a> Elke hoedanigheid
+is hier verzelfstandigd en als persoon verbeeld.</p>
+
+<p>De Burger van Parijs is een nuchter man, die zich zelden verlustigt in
+stijlversiering of gedachtenspel. Maar wanneer hij genaderd is tot het
+vreeselijkste, dat hij te beschrijven heeft: de Bourguignonsche moorden,
+die het Parijs van Juni 1418 den bloedgeur van September 1792 gaven,
+neemt hij de allegorie te baat.<a name='FNanchor_712_712'></a><a href='#Footnote_712_712'><sup>[712]</sup></a> &quot;Lors se leva la deesse de
+Discorde, qui estoit en la tour de Mau-conseil, et esveilla Ire la
+forcen&eacute;e et Convoitise et Enragerie et Vengence,<a name='353'></a> et prindrent armes de
+toutes mani&egrave;res et bouterent hors d'avec eulx Raison, Justice, Memoire
+de Dieu et Atrempance moult honteusement.&quot; Zoo gaat het verder,
+afgewisseld door de directe beschrijving van den gruwel: &quot;Et en mains
+que on yroit cent pas de terre depuis que mors estoient, ne leur
+demouroit que leurs brayes, et estoient en tas comme porcs ou millieu de
+la boe....&quot;; de stortregens wasschen hun wonden schoon.&mdash;Wat beteekent
+juist hier de allegorie? Heeft zij hier niet de functie van een
+uitdrukkingsmiddel voor het tragische besef, de overbrenging van de
+vreeselijke gebeurtenissen op een plan boven dat van den individueelen
+toeleg der menschen?</p>
+
+<p>Hoe levend de functie der personificatie en allegoriseering nog in de
+laatste Middeleeuwen was, blijkt juist uit die trekken, welke ons in dat
+alles het storendst schijnen. Wij kunnen een allegorie nog eenigermate
+genieten in tableau-vivant, de geijkte figuren behangen met onwezenlijke
+draperie, die aan iedereen zegt, dat het maar gekheid is. Maar de
+vijftiende eeuw kan de allegorische figuren zoo goed als de heiligen nog
+laten rondloopen in de kleeren van den dag. En zij kan ieder oogenblik
+nog nieuwe verpersoonlijkingen scheppen voor elke gedachte, die zij wil
+uitdrukken. Als Charles de Rochefort in <i>l'Abuz&eacute; en court</i> de moraliteit
+wil verhalen van den lichtzinnigen jongeling, die door het hofleven op
+'t slechte pad wordt gebracht, schudt hij een gansche reeks nieuwe
+allegorie&euml;n in den trant van de <i>Rose</i> uit zijn mouw; en al die voor ons
+zoo bleeke wezens: Fol cuidier, Folle bombance, tot het eind, wanneer
+Pauvret&eacute; en Maladie den jongeling meenemen naar het hospitaal, treden in
+de miniaturen, die het gedicht verluchten, op als jonkers van den tijd;
+zelf le Temps heeft geen baard of zeis van noode,<a name='354'></a> en komt in wambuis en
+hozen. Ons maken de illustraties met hun na&iuml;eve strakheid de
+voorstelling van dat alles al te primitief; al het teere en bewegelijke,
+dat de tijd zelf in die concepties voelde, is voor ons vervluchtigd.
+Juist in hun alledaagschheid ligt het kenmerk van hun levendheid. Het
+heeft voor Olivier de la Marche niets storends, dat de twaalf deugden,
+die een entremets bij het hoffeest van Rijssel in 1454 vertoonen, nadat
+hun versje is voorgelezen, aan het dansen gaan &quot;en guise de mommerie et
+&agrave; faire bonne chiere, pour la feste plus joyeusement parfournir.&quot;
+<a name='FNanchor_713_713'></a><a href='#Footnote_713_713'><sup>[713]</sup></a>&mdash;Aan deugden en aandoeningen verbindt zich een menschvormige
+voorstelling nog eenigermate ongewild, maar ook in gevallen, waar voor
+ons het begrip niets anthropomorphs zou hebben, schroomt de
+middeleeuwsche geest niet, om er een persoon van te maken. Quaresme als
+persoonlijke figuur is niet een schepping van Breughel's dolle brein,
+die hem laat optrekken tegen het heir van Vastenavond; al veel eerder
+treedt hij als zoodanig in de litteratuur op.<a name='FNanchor_714_714'></a><a href='#Footnote_714_714'><sup>[714]</sup></a> Ook het spreekwoord
+kent hem zoo: &quot;Quaresme fait ses flans la nuit de Pasques.&quot;</p>
+
+<p>Welk graadverschil is er geweest in de wezenlijkheid der voorstelling
+tusschen de heiligen en de zuiver zinnebeeldige figuren? De eersten
+hadden de bevestiging der Kerk, hun historisch karakter, hun beelden van
+hout en steen. Maar de laatsten hadden de aanraking met het eigen
+zieleleven en met de vrije fantazie. Men kan in ernst twijfelen, of niet
+Fortune en Faux Semblant evenveel leven hebben gehad als Sinte Barbara
+en Sint Christoffel. Vergeten wij niet,<a name='355'></a> dat &eacute;&eacute;n figuur, buiten elke
+dogmatische of traditioneele sanctie opgekomen uit de vrije fantazie,
+meer realiteit heeft verworven dan eenige heilige, en hen allen heeft
+overleefd: de Dood.</p>
+
+<p>Een wezenlijk contrast tusschen de allegorie der Middeleeuwen en de
+mythologie der Renaissance is er eigenlijk niet. Vooreerst begeleiden de
+mythologische figuren reeds gedurende een goed stuk der Middeleeuwen de
+vrije allegorie: Venus speelt haar rol in het zuiverst middeleeuwsche,
+wat er gedicht is. Aan den anderen kant behoudt de vrije allegorie haar
+fleur nog lang in de zestiende eeuw en later. In de veertiende eeuw
+begint als 't ware een wedstrijd tusschen allegorie en mythologie. In de
+gedichten van Froissart treden naast Doux Semblant, Jonece, Plaisance,
+Refus, Dangier, Escondit, Franchise een zonderling stel van soms
+onkenbaar verminkte mythologemen op: Atropos, Cloto, Lachesis, Telephus,
+Ydrophus, Neptisphoras! De goden en godinnen leggen het in volheid van
+verbeelding nog af bij de personages van de <i>Rose</i>; zij blijven nog hol
+en schimmig. Of zij worden, als zij 't rijk alleen hebben, uitermate
+barok en onklassiek, zooals in de <i>Epistre d'Oth&eacute;a &agrave; Hector</i> van
+Christine de Pisan. Het komen der Renaissance is de omkeering van die
+verhouding. Gaandeweg winnen de Olympi&euml;rs en de nimfen het van de <i>Rose</i>
+en de Sinnekens. Uit de rijkdommen der Oudheid stroomt hun een volheid
+toe van stijl en sentiment, een dichterlijke schoonheid, en bovenal een
+eenheid met het natuurgevoel, waarbij de eens zoo levende allegorie
+verbleekte en verdween.</p>
+
+<p>Het symbolisme met zijn dienares de allegorie was een speling van het
+vernuft geworden; het zinrijke werd zinloos.<a name='356'></a> De symbolische denkwijze
+belemmerde de ontplooiing van het causaal-genetische denken. Niet dat
+het door het symbolisme werd uitgesloten; het natuurlijk-genetisch
+verband der dingen had zijn plaats naast het symbolisch verband, maar
+het bleef onbelangrijk, zoolang de belangstelling zich niet verplaatst
+had van het symbolisme naar de natuurlijke ontwikkeling. Een voorbeeld
+ter verduidelijking. Voor de verhouding van het geestelijk en het
+wereldlijk gezag stonden in de Middeleeuwen twee symbolische
+vergelijkingen vast: het zijn de twee hemellichamen, zooals God ze bij
+de schepping het een boven het ander had gesteld, en het zijn de twee
+zwaarden, die de discipelen bij zich hadden, toen Christus
+gevangengenomen werd. Deze symbolen nu zijn voor de middeleeuwsche
+gedachte niet maar een geestige vergelijking; zij geven den grond aan
+der gezagsverhouding, die zich aan dat mystisch verband niet mag
+onttrekken. Zij hebben dezelfde voorstellingswaarde als dat Petrus de
+rots der Kerk is. De dwang van het symbool staat het onderzoek naar de
+historische ontwikkeling der beide machten in den weg. Wanneer Dante dit
+laatste als noodzakelijk en beslissend onderkent, dan moet hij, in zijn
+<i>Monarchia</i>, eerst de kracht van het symbool ontzenuwen, door zijn
+toepasselijkheid te bestrijden, eer de weg vrij is voor het historisch
+onderzoek.</p>
+
+<p>Een woord van Luther keert zich tegen de euvelen van de willekeurige,
+beuzelachtige allegorie in de godgeleerdheid. Hij spreekt van
+grootmeesters der middeleeuwsche theologie, van Dionysius den Kartuizer,
+van Guilielmus Durandus, den schrijver van het <i>Rationale divinorum
+officiorum</i>, van Bonaventura en Gerson, als hij uitroept: &quot;die
+allegorische studi&euml;n<a name='357'></a> zijn het werk van lieden zonder bezigheid. Of meent
+gij, dat het mij moeilijk zou vallen, over elke geschapen zaak met
+allegorie&euml;n te spelen? Wie is zoo gering van vernuft, dat hij zich niet
+in allegorie&euml;n zou kunnen beproeven!&quot;<a name='FNanchor_715_715'></a><a href='#Footnote_715_715'><sup>[715]</sup></a></p>
+
+<p>Het symbolisme was een gebrekkige uitdrukking voor vast geweten
+samenhangen, zooals zij ons soms bewust worden bij het hooren van
+muziek&mdash;&quot;Videmus nunc per speculum in aenigmate&quot;. Men wist, dat men in
+een raadsel zag, en toch had men getracht, de beelden in den spiegel te
+onderscheiden, en beelden met beelden verklaard, en spiegel tegenover
+spiegel gezet. De gansche wereld lag verbeeld in zelfstandige figuren:
+het is een getijde van overrijpheid en uitbloeiing. De gedachte was al
+te afhankelijk geworden van de verbeelding; de visueele aanleg, den
+laatsten Middeleeuwen zoo bovenmate eigen, was oppermachtig geworden.
+Alle denkbaarheden waren plastisch en picturaal geworden. De
+wereldvoorstelling had de rust bereikt van een kathedraal in het
+maanlicht, waarin de gedachte kon gaan slapen.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='X'></a>X</h2>
+<a name='358'></a>
+<h3>HET FALEN DER VERBEELDING</h3>
+<br />
+
+<p>Het symbolisme was als de levende adem der middeleeuwsche gedachte.
+De gewoonte, om alle dingen in hun zinrijk verband en hun betrekking tot
+het eeuwige te zien, hield in de denkbeeldenwereld de schittering gaande
+van verschietende kleuren en de wisseling van vervloeiende grenzen.
+Wanneer de symboliseerende functie &ograve;f uitblijft, &ograve;f louter mechanisch
+is geworden, dan wordt het grootsche gebouw der van God gewilde
+afhankelijkheden een necropool. Een systematisch idealisme, dat overal
+de betrekkingen tusschen de dingen stelt krachtens hun als essentieel
+beschouwde algemeene hoedanigheid, leidt licht tot starheid en
+onvruchtbare classificeering. De indeeling en onderverdeeling der
+begrippen, enkel deductief verricht, is zoo gemakkelijk; de idee&euml;n laten
+zich zoo gewillig rangschikken aan het gewelf van den wereldbouw. Er is
+behoudens de regelen der abstracte logica geen correctief, dat ooit een
+fout in de classificatie aanwijst, en daardoor wordt de geest misleid
+omtrent de waarde van zijn denkarbeid, en de stelligheid van het systeem
+wordt overschat. Elke notie, elk begrip staat als een ster aan het
+firmament. Om van eenig ding het wezen te kennen, vraagt men niet naar
+zijn inwendigen bouw, ziet men niet naar de lange schaduw der
+geschiedenis achter het, maar kijkt op naar den hemel, waar het straalt
+als idee.</p>
+
+<p>De gewoonte, om de dingen altijd te verlengen met een hulplijn naar den
+kant der idee komt voortdurend uit in de middeleeuwsche behandeling van
+elke staatkundige,<a name='359'></a> maatschappelijke of zedelijke twistvraag. Men kan ook
+het geringste en meest alledaagsche niet anders beschouwen dan in een
+universeel verband. Er is bij voorbeeld aan de universiteit te Parijs
+een geschil gaande, of er voor den graad van licentiaat eenige betaling
+te eischen valt. Pierre d'Ailly zelf neemt het woord, om tegen den
+kanselier der universiteit de vordering te bestrijden. Het wordt geheel
+scholastiek opgezet: uitgaande van den tekst: &quot;Radix omnium malorum
+cupiditas&quot;, stelt hij een drieledig te bewijzen: dat het vorderen van
+dat recht simonie is, dat het strijdt tegen het natuurlijk en goddelijk
+recht, en dat het ketterij is.<a name='FNanchor_716_716'></a><a href='#Footnote_716_716'><sup>[716]</sup></a>&mdash;Om zekere ongebondenheden te
+berispen, die een bepaalde processie ontsieren, haalt Dionysius de
+Kartuizer alles wat processies betreft, van oorsprong af op: hoe het
+toeging onder de oude wet enz.,<a name='FNanchor_717_717'></a><a href='#Footnote_717_717'><sup>[717]</sup></a> zonder eigenlijk op de zaak zelf
+in te gaan. Dit is wat bijna elk middeleeuwsch betoog zoo vermoeiend en
+teleurstellend maakt: het wijst terstond naar den hemel en verdwaalt van
+den beginne af in schriftgevallen en moreele algemeenheden.</p>
+
+<p>Het volkomen doorgewerkt idealisme openbaart zich overal. Van elken
+levensvorm, elken maatschappelijken staat of beroep staat een
+godsdienstig-zedelijk ideaal omschreven, waarnaar iedereen zichzelf te
+reformeeren heeft al naar den eisch van zijn bijzonder beroep, om den
+Heer waardig te dienen.<a name='FNanchor_718_718'></a><a href='#Footnote_718_718'><sup>[718]</sup></a> Men heeft iets van den nieuwen tijd, iets
+wat de Hervorming aankondigt, willen zien in den nadruk, waarmee
+Dionysius de Kartuizer<a name='360'></a> de heiligheid van het aardsch &quot;beroep&quot; op den
+voorgrond stelt. Hij heeft in zijn tractaten <i>De vita et regimine
+nobilium</i> enz., die hij voor zijn vriend Brugman tenslotte samenvatte in
+twee boeken <i>De doctrina et regulis vitae christianorum</i>, aan elk beroep
+het ideaal van heiligende plichtsvervulling voorgehouden: den bisschop,
+prelaat, aartsdiaken, kanunnik, pastoor, scholier, den vorst, den
+edelman, den ridders, den kooplieden, den gehuwden, weduwen, maagden,
+kloosterlingen.<a name='FNanchor_719_719'></a><a href='#Footnote_719_719'><sup>[719]</sup></a> Maar juist in die strenge verbijzondering van
+elken staat als iets zelfstandigs ligt iets echt middeleeuwsch, en de
+uitwerking van die plichtenleer heeft dat abstracte en algemeene, dat
+nergens in de werkelijke sfeer van het behandelde beroep zelf binnen
+leidt.</p>
+
+<p>In die herleiding van alles tot het algemeene ligt de eigenschap, die
+onder den naam typisme door Lamprecht als de bij uitstek kenmerkende van
+den middeleeuwschen geest is gesteld. Zij is echter veeleer een gevolg
+van die onderschikkende behoefte van den geest, welke voortspruit uit
+het ingewortelde Idealisme. Het is-niet zoozeer een onvermogen, om het
+bijzondere aan de dingen te zien, als de bewuste wil, om overal den zin
+der dingen aan te duiden in hun betrekking tot het hoogste, hun
+zedelijke idealiteit, hun algemeene beteekenis. Men zoekt in alles juist
+het onpersoonlijke, de gelding als model, als standaardgeval. Het gebrek
+aan individueele opvatting is tot zekere hoogte opzettelijk, eer een
+uitvloeisel van de allesbeheerschende universalistische denkgewoonte dan
+een kenmerk van een geringen geestelijken ontwikkelingsgraad.</p>
+<a name='361'></a>
+<p>De werkzaamheid van den geest bij uitnemendheid was het uiteenleggen van
+de gansche wereld en het gansche leven in zelfstandige idee&euml;n, en het
+rangschikken van die idee&euml;n in groote en talrijke leenverbanden of
+hierarchie&euml;n van gedachte. Vandaar die vatbaarheid van den
+middeleeuwschen geest, om elke qualiteit uit het complex van een geval
+af te zonderen in haar wezenlijke zelfstandigheid. Wanneer de bisschop
+Fulco van Toulouse erop wordt aangezien, dat hij een Albigensische vrouw
+een aalmoes geeft, antwoordt hij: &quot;Ik geef niet aan de kettersche maar
+aan de arme&quot;. En de Fransche koningin, Margareta van Schotland, die den
+slapenden dichter Alain Chartier op den mond kust, verontschuldigt zich:
+&quot;Je n'ay pas bais&eacute; l'homme mais la pr&eacute;cieuse bouche de laquelle sont
+yssuz et sortis tant de bons mots et vertueuses paroles&quot;.<a name='FNanchor_720_720'></a><a href='#Footnote_720_720'><sup>[720]</sup></a> Een
+spreekwijze zeide: &quot;Haereticare potero, sed haereticus non ero&quot;.
+<a name='FNanchor_721_721'></a><a href='#Footnote_721_721'><sup>[721]</sup></a>&mdash;Is dit alles niet op het gebied van het gewone denken wat in de
+opperste speculati&euml;n der theologie een onderscheiding was als die van
+God's voluntas antecedens, krachtens welke hij allen zalig wil, en de
+voluntas consequens, die slechts den uitverkorenen geldt?<a name='FNanchor_722_722'></a><a href='#Footnote_722_722'><sup>[722]</sup></a></p>
+
+<p>Het wordt een slapeloos doordenken van alle dingen, zonder de beperking
+van het werkelijk waargenomen oorzakelijk verband, een schier
+automatische analyse, die tenslotte uitloopt op een eeuwig nummeren.
+Geen gebied lokte tot die doorwerking zoozeer uit als dat der deugden en
+zonden. Elke zonde heeft haar vast getal van oorzaken, haar soorten,
+haar dochteren, haar schadelijke werkingen.<a name='362'></a> Twaalf dwaasheden, zegt
+Dionysius, misleiden den zondaar: hij verblindt zichzelven, hij
+verstrikt zich aan den duivel, hij slaat de hand aan zich zelven, hij
+versmijt zijn rijkdom (de deugd), hij verkoopt zich voor niets (terwijl
+hij zelf gekocht is voor Christus' bloed), hij keert zich af van den
+allertrouwsten minnaar, hij meent den almachtige te weerstaan, hij dient
+den duivel, hij verwerft zich onvrede, hij opent zich den toegang der
+hel, verspert zich den weg naar den hemel, en gaat dien ter helle op.
+Elk nummer wordt met schriftplaatsen, beelden en bijzonderheden
+ge&iuml;llustreerd, verbeeld, vastgelegd, zoodat het de stellige zekerheid en
+zelfstandigheid krijgt van een figuur aan een kerkportaal. Terstond
+daarop wordt dezelfde reeks opnieuw in dieperen zin gegrond. Uit zeven
+oogpunten moet de zwaarte der zonde worden overdacht: uit het oogpunt
+Gods, uit dat van den zondaar, van de stof, van de omstandigheden, van
+de bedoeling, van het wezen der zonde zelf, en van de gevolgen. Sommige
+dier punten zijn weer onderverdeeld in acht, in veertien, bij voorbeeld
+het tweede: de zonde is zwaarder naar de mate van beweldadigdheid, van
+kennis, van voormalige deugd, van het ambt, de wijding, van de
+gemakkelijkheid om weerstand te bieden, van de gelofte, van den
+leeftijd. Er zijn zes zwakheden des geestes, die tot de zonde geschikt
+maken.<a name='FNanchor_723_723'></a><a href='#Footnote_723_723'><sup>[723]</sup></a> Het is alles juist zoo als in het boeddhisme: ook daar die
+moreele systematiek, om houvast te geven aan de oefeningen der deugd.</p>
+
+<p>Deze anatomie der zonde zou licht het zondigheidsbesef, dat zij
+versterken moet, verzwakken door het af te leiden op het uitpluizen der
+classificatie,<a name='363'></a> wanneer niet tegelijk de fantazie der zonde en de
+verbeelding der straf tot het uiterste waren ge&euml;xaspereerd. Niemand kan
+in het tegenwoordige leven de enormiteit der zonde volkomen bevatten of
+ten volle verstaan.<a name='FNanchor_724_724'></a><a href='#Footnote_724_724'><sup>[724]</sup></a> Alle moreele voorstellingen worden met een
+ondragelijk overwicht beladen, door ze steeds weer in onmiddellijke
+betrekking te stellen tot Gods majesteit. Bij elke zonde, ook de
+geringste, is het heelal betrokken. Gelijk de boeddhistische litteratuur
+het applaus der hemelingen met bloemenregens, lichtschijn en zachte
+beving der aarde kent bij een groote daad van een Bodhisattva, zoo hoort
+Dionysius, somberder gestemd, hoe alle gezaligden en rechtvaardigen, de
+hemelsche sferen, alle elementen, ja zelfs de onredelijke wezens en
+onbezielde dingen wraak roepen over de onrechtvaardigen.<a name='FNanchor_725_725'></a><a href='#Footnote_725_725'><sup>[725]</sup></a> Zijn
+proeve, om door gedetailleerde beschrijving en opzettelijke
+verbeeldingen ter benauwing de vrees voor zonde, dood, oordeel en hel
+tot het allersmartelijkste aan te scherpen, mist haar ijzingwekkende
+werking niet, misschien juist door haar ondichterlijkheid. Dante had de
+duisternissen en gruwelijkheden der hel met schoonheid aangeraakt:
+Farinata en Ugolino zijn in hun verworpenheid hero&iuml;sch, en de
+klapwiekende Lucifer vertroost ons door zijn majesteit. Doch een bij al
+zijn mystische intensiteit toch volkomen ondichterlijke monnik als
+Dionysius de Kartuizer geeft de hel als pure angst- en ellendigheids-
+voorstelling. De lichamelijke pijnen en smarten worden in schroeiende
+kleuren geschilderd. De zondaar moet opzettelijk trachten, het zich zoo
+levendig mogelijk voor te stellen.<a name='364'></a> &quot;Laten wij ons voor oogen verbeelden
+&mdash;zegt Dionysius&mdash;een allerheetsten en allergloeiendsten oven, en daarin
+liggende een naakten man, die nimmer uit zulk een pijniging zal worden
+verlost. Zal ons niet die kwelling, ja het gezicht ervan alleen,
+ondragelijk schijnen? Hoe rampzalig zou ons die man dunken! Denken wij,
+hoe die man zich heen en weer zou werpen in dien oven, hoe hij zou
+schreeuwen, zou huilen, zou <i>leven</i>, welk een angst hem persen zou, welk
+een smart hem zou doordringen, vooral wanneer hij bemerkte, dat zulk een
+ondragelijke straf nooit zou eindigen.&quot;<a name='FNanchor_726_726'></a><a href='#Footnote_726_726'><sup>[726]</sup></a></p>
+
+<p>Men denkt onwillekeurig: hoe konden zij, die zich zulke voorstellingen
+van helsche pijn voor oogen stelden, een mensch op aarde levend doen
+verbranden? De heetheid van het vuur, de gruwelijke koude, de
+walgelijkheid der wormen, de stank, de honger en dorst, de kluistering
+en de duisternis, de onuitsprekelijke vuilheid der hel, het eindeloos
+weerklinken van gehuil en geschreeuw in de ooren, het gezicht der
+duivelen, het wordt alles als de verstikkende wade van een angstdroom
+over ziel en zinnen van den lezer gespreid. Maar nog scherper is de
+benauwing met de cerebrale smarten: de rouw, de vrees, het holle gevoel
+van een oneindig gemis en verworpenheid, de onzegbare haat tegen God en
+nijd over de zaligheid van al zijn uitverkorenen; in het brein niets dan
+verwarring en drukking, het bewustzijn vol van dwaling en valsche
+voorstelling, verblinding en wanbegrippen. En het weten, dat dit alles
+zal zijn in eeuwigheid, wordt door kunstige vergelijkingen tot een
+zwijmelende verschrikking opgevoerd.<a name='FNanchor_727_727'></a><a href='#Footnote_727_727'><sup>[727]</sup></a></p>
+<a name='365'></a>
+<p>Dat de vrees voor de eeuwige pijn, hetzij inslaande als een plotselinge
+&quot;goddelijke angst&quot;, hetzij knagende als een lange ziekte en druk,
+telkens als motief tot inkeer en devotie wordt vermeld, behoeft bewijs
+noch betoog.<a name='FNanchor_728_728'></a><a href='#Footnote_728_728'><sup>[728]</sup></a> Alles was daarop toegelegd. Een tractaat van de Vier
+utersten: dood, oordeel, hel en eeuwig leven, misschien vertaald naar
+dat van Dionysius, was de gewone tafellectuur voor de gasten van het
+klooster Windesheim.<a name='FNanchor_729_729'></a><a href='#Footnote_729_729'><sup>[729]</sup></a> Wel een bittere kruiding van den maaltijd.
+Maar met zoo scherpe middelen werd altijd weer de zedelijke volmaking
+aangedrongen. De middeleeuwer is als iemand, die reeds te lang met te
+sterke geneesmiddelen is bewerkt. Hij reageert slechts op de krachtigste
+prikkels. Om de loffelijkheid eener deugd ten volle te doen schitteren,
+kunnen voor den middeleeuwschen geest slechts die uiterste exempelen
+dienen, waarbij een minder ge&euml;xaspereerd zedelijkheidsbesef de deugd
+reeds in haar caricatuur zou zien verkeerd. Voor het geduld het voorbeeld
+van Sint Aegidius, die door een pijl gewond, God bad, dat zijn wonde,
+zoolang hij leefde, niet mocht genezen. Voor matigheid de heiligen, die
+asch in hun spijzen mengden, voor kuischheid zij, die een vrouw bij zich
+in bed namen, om hun vastheid te beproeven, of de jammerlijke fantazie&euml;n
+van de maagden, die om den belager harer kuischheid te ontgaan, een baard
+kregen of geheel ruig behaard werden. Of wel de prikkel wordt gevonden in
+het exorbitante van het voorbeeld in verband met den leeftijd des
+voorbeeldigen: Sint Nicolaas weigerde op hooge feestdagen de moedermelk;
+voor standvastigheid beveelt<a name='366'></a> Gerson het voorbeeld aan van Sint Quiricus,
+een martelaartje van drie jaren of zelfs negen maanden, die zich door den
+praefect niet wou laten troosten, en in den afgrond werd geworpen.<a name='FNanchor_730_730'></a><a href='#Footnote_730_730'><sup>[730]</sup></a></p>
+
+<p>De behoefte, om de heerlijkheid der deugd in zoo sterke doseering te
+genieten, staat ook alweer in verband met het allesbeheerschende
+Idealisme. Het zien van de deugd als idee onttrok om zoo te zeggen aan
+haar waardeering den bodem van het werkelijke leven; haar schoonheid
+werd gezien in haar zelfstandig wezen als uiterste volmaking, niet in
+haar moeizame betrachting van iederen dag onder vallen en opstaan.</p>
+
+<p>Het middeleeuwsche Realisme (dus gelijk hyper-idealisme) moet ondanks
+allen inslag van gekerstend neoplatonisme beschouwd worden als een
+primitieve geesteshouding. Het is, in de school voorzeker gesublimeerd
+en verijld, in het leven de houding van den primitieven mensch, die
+aan alle abstracte dingen wezen en substantie toekent. Kan men de
+hyperbolische vereering der deugd in haar ideaalsten vorm als een
+hoog-religieuze gedachte aanmerken, in haar tegenkant: de verachting der
+wereld, ziet men duidelijk de schakel, die het middeleeuwsche denken nog
+aan de gedachtenvormen van een verren voortijd verbindt. Ik bedoel het
+feit, dat de tractaten &quot;de contemptu mundi&quot; zich niet kunnen losmaken
+van een overmatig gewicht hechten aan de slechtheid van het materieele.
+Niets weegt hun zoo zwaar als motief om de wereld te versmaden als de
+afstootelijkheid der lichaamsverrichtingen,<a name='367'></a> met name die van uitscheiding
+en voortplanting. Het is het poverste gedeelte der middeleeuwsche zedeleer:
+die afschuw van den mensch &quot;formatus de spurcissimo spermate, conceptus
+in pruritu carnis, sanguine menstruo nutritus, qui fertur esse tam
+detestabilis et immundus, ut ex ejus contactu fruges non germinent,
+arescant arbusta ... et si canes inde comederint, in rabiem efferantur.&quot;
+<a name='FNanchor_731_731'></a><a href='#Footnote_731_731'><sup>[731]</sup></a> Wat is dit, naast omgeslagen zinnelijkheid, anders dan de uitlooper
+van dien primitieven vorm van Realisme, die den wilde in excrementen en
+in alles wat conceptie en geboorte begeleidt, magische substanties en
+potenties doet vreezen? Er loopt een rechte en niet zeer lange lijn
+tusschen de magische vrees, waarmee de natuurvolken zich afwenden van de
+vrouw in haar vrouwelijkste verrichtingen, en den ascetischen vrouwenhaat
+en -smaad, die sedert Tertullianus en Hieronymus de christelijke
+litteratuur had ontsierd.</p>
+
+<p>Alles wordt substantieel gedacht. In de dertiende eeuw komt de leer op
+van den schat van goede werken: thesaurus operum supererogationum, den
+voorraad der overvloedige verdiensten van Christus en de heiligen, die
+door de Kerk in 't klein kon worden gesleten. Al leerde de Kerk met
+nadruk, dat de zonde geen essentie of geen ding was,<a name='FNanchor_732_732'></a><a href='#Footnote_732_732'><sup>[732]</sup></a> haar eigen
+techniek der zondenvergeving tezamen met de bonte verbeelding en
+uitgewerkte systematiek der zonde kon niet anders dan in het onwetend
+gemoed de overtuiging vestigen,<a name='368'></a> als ware de zonde een substantie, zooals
+zij in den Atharvaveda wordt gezien. Hoe moest, ook al bedoelde
+Dionysius slechts vergelijkingen, de substantieele opvatting der zonde,
+als een smetstof, gevoed worden, wanneer hij haar gelijk noemt aan een
+koorts, een koud, bedorven, overtollig lichaamsvocht.<a name='FNanchor_733_733'></a><a href='#Footnote_733_733'><sup>[733]</sup></a> Het recht,
+dat zich niet zoo angstvallig om dogmatische zuiverheid te bekommeren
+had, weerspiegelt zulk een opvatting, wanneer de Engelsche juristen
+werken met de voorstelling, dat er in felonie een corruptie van het
+bloed aanwezig is.<a name='FNanchor_734_734'></a><a href='#Footnote_734_734'><sup>[734]</sup></a> Ook ten opzichte van het bloed van den
+Verlosser heerscht die hyper-substantieele opvatting: het is een re&euml;ele
+stof; &eacute;&eacute;n droppel zou genoeg zijn geweest, om de wereld te verlossen,
+maar er is een overvloed gegeven, zegt Sint Bernard, en Thomas van
+Aquino dicht:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Pie Pelicane, Jesu domine,
+<span>Me immundum munda tuo sanguine,<br /></span>
+<span>Cuius una stilla salvum facere<br /></span>
+<span>Totum mundum quit ab omni scelere.&quot;<a name='FNanchor_735_735'></a><a href='#Footnote_735_735'><sup>[735]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Bij Dionysius den Kartuizer zien wij een wanhopige worsteling, om de
+voorstellingen van het eeuwig leven uit te drukken in termen van
+ruimtelijke uitgebreidheid. Het eeuwige leven is van een onmetelijke
+waardigheid; God in zich zelven te genieten, is een oneindige
+volmaaktheid; in den Verlosser was noodig een oneindige waardigheid en
+afdoendheid (efficacia); de zonde is van oneindige enormiteit, omdat zij
+<a name='369'></a>een uitspatting is tegen de onmetelijke heiligheid; daarom wordt een
+genoegdoener van onmetelijke geschiktheid vereischt.<a name='FNanchor_736_736'></a><a href='#Footnote_736_736'><sup>[736]</sup></a> Het negatieve
+ruimte-adjectief moet hier steeds het gewicht, de potentie van het
+heilige voorstelbaar maken. Om de eeuwigheidsvoorstelling in te
+boezemen, laat Dionysius een beeld dienen: denk u een zandberg zoo groot
+als het heelal; om de tien- of honderdduizend jaar wordt van dien berg
+een korreltje afgenomen. Die berg zal opraken. Maar na zulk een
+onbeseffelijken tijdsduur zal de hellestraf nog niet verminderd zijn, en
+niet dichter bij haar einde, dan toen het eerste korreltje van den berg
+werd afgenomen. En toch, als de verdoemden wisten, dat zij bevrijd
+zouden worden, wanneer die berg op was, zou het hun een groote troost
+zijn.<a name='FNanchor_737_737'></a><a href='#Footnote_737_737'><sup>[737]</sup></a></p>
+
+<p>Zijn het de hemelvreugden, of Gods majesteit, die men wil uitdrukken,
+dan wordt het enkel een zich overschreeuwen van de gedachte.
+Hemelvreugde blijft in de uitdrukking altijd uiterst primitief. Een zoo
+felle visie van geluk als van vreeselijkheid kan de menschelijke taal
+niet geven. Om de overmaat van het leelijke en ellendige nog te
+verergeren, behoefde men slechts dieper te dalen in de spelonken der
+menschelijkheid, maar om de opperste gelukzaligheid te beschrijven moest
+men den nek verrekken in het opzien naar den hemel. Dionysius put zich
+uit in wanhopige superlatieven, dat is een louter mathematische
+versterking van de voorstelling, zonder verheldering of verdieping
+ervan: &quot;Trinitas supersubstantialis, superadoranda et superbona ...
+dirige nos ad superlucidam tui ipsius contemplationem.&quot;<a name='370'></a> De Heer is
+&quot;supermisericordissimus, superdignissimus, superamabilissimus,
+supersplendidissimus, superomnipotens et supersapiens,supergloriosissimus.&quot;
+<a name='FNanchor_738_738'></a><a href='#Footnote_738_738'><sup>[738]</sup></a></p>
+
+<p>Maar wat hielp het opeenstapelen van al-termen, van voorstellingen van
+hoogte, wijdheid, onmetelijkheid en onuitputtelijkheid? Het bleven
+altijd beelden, altijd het herleiden van het oneindige tot
+eindigheidsvoorstellingen, en daarmee de verzwakking en veruiterlijking
+van het oneindigheidsbesef. Eeuwigheid was geen onmeetbare tijd. Elke
+sensatie, die uitgedrukt was, verloor haar onmiddellijkheid; elke
+eigenschap, aan God toegekend, ontnam hem iets van zijn ontzaglijkheid.</p>
+
+<p>Nu begint de geweldige worsteling, om met den geest tot de volstrekte
+beeldeloosheid der Godheid op te klimmen. Aan geen cultuur of tijdperk
+gebonden, is zij overal en altijd weer gelijk. &quot;There is about mystical
+utterances an eternal unanimity which ought to make a critic stop and
+think, and which brings it about that the mystical classics have, as has
+been said, neither birthday nor native land.&quot;<a name='FNanchor_739_739'></a><a href='#Footnote_739_739'><sup>[739]</sup></a>&mdash;Maar de steun der
+verbeelding kan niet aanstonds worden prijsgegeven. Stuk voor stuk wordt
+het ontoereikende der uitdrukking erkend. De concrete belichamingen der
+idee, en de veelkleurige gewaden der symboliek vallen het eerst weg:
+dan is er geen sprake meer van bloed en genoegdoening, niet meer van
+eucharistie, niet meer van Vader, Zoon en Heiligen Geest. In Eckhart's
+mystiek wordt Christus bijna niet meer genoemd,<a name='371'></a> en evenmin de Kerk en de
+sacramenten. Doch de uitdrukking van het mystische schouwen van het
+Zijn, de Waarheid, de Godheid, blijft ook dan nog gebonden aan
+natuurlijke voorstellingen: van licht, van uitgebreidheid. Dan slaan
+deze om in het negatieve: stilte, ledigheid, duisternis. Dan wordt ook
+van die vorm- en inhoudlooze begrippen het ontoereikende erkend, en men
+tracht hun gebrekkigheid op te heffen door ze voortdurend te koppelen
+aan hun tegenstelling. Tenslotte blijft niets over dan de zuivere
+negatie. &quot;Deus propter excellentiam non immerito Nihil vocatur&quot;, zegt
+Scotus Erigena, en Angelus Silesius dicht:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Gott ist ein lauter Nichts, ihn r&uuml;hrt kein Nun noch Hier;
+<span>Je mehr du nach ihm greiffst, je mehr entwind er dir&quot;.<a name='FNanchor_740_740'></a><a href='#Footnote_740_740'><sup>[740]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Dit voortschrijden van den schouwenden geest tot de prijsgave van elke
+verbeelding is in werkelijkheid natuurlijk niet in die strikte volgorde
+geschied. De meeste mystische uitingen vertoonen al die phasen
+gelijktijdig en dooreen. Zij zijn aanwezig bij de Indi&euml;rs, zij zijn
+volkomen ontwikkeld reeds bij den Pseudo-Dionysius Areopagita, de bron
+van alle christelijke mystiek, zij zijn herleefd in de Duitsche mystiek
+der veertiende eeuw.</p>
+
+<p>Ziehier een voorbeeld uit de revelaties van Dionysius den Kartuizer.
+<a name='FNanchor_741_741'></a><a href='#Footnote_741_741'><sup>[741]</sup></a> Hij spreekt met God, die toornig is. &quot;Bij dit antwoord zag de
+broeder, naar binnen gekeerd, zich als in een sfeer van onmetelijk licht
+geplaatst, en allerzoetst, in een ontzaglijke kalmte, riep hij met een
+heimelijk niet naar buiten<a name='372'></a> klinkend roepen tot den allerheimelijksten en
+waarlijk verborgenen, onbegrijpelijken God: O overbeminnelijkste God,
+gij zijt zelf het licht en de sfeer des lichts, waarin uw uitverkorenen
+zoet ter ruste gaan, bekomen, sluimeren en inslapen. Gij zijt als een
+allerwijdste, allervlakste en ondoorloopbare woestenij, waarin de
+waarlijk vrome geest, geheel gezuiverd van bijzondere liefde, van boven
+verlicht en krachtig ontvlamd, zwerft zonder dwalen, en dwaalt zonder
+zwerven, zaliglijk bezwijkt en onbezweken geneest.&quot; Hier is eerst de
+lichtverbeelding, nog positief, dan die van den slaap, daarna die van de
+woestenij (de uitgebreidheidsvoorstelling in twee dimensies), eindelijk
+de elkaar opheffende tegenstellingen.</p>
+
+<p>Het beeld der woestenij&mdash;dat is de horizontale ruimtevoorstelling,
+wisselt af met dat van den afgrond&mdash;dat is de verticale
+ruimtevoorstelling. Dit laatste was een geweldige vond der mystische
+verbeelding. De uitdrukking toch van de eigenschapsloosheid der godheid
+in Eckhart's woorden van &quot;den wijzeloozen en vormeloozen afgrond der
+stille, woeste godheid&quot;, gaf bij het begrip eener oneindigheid tevens
+het gevoelsmoment eener duizeling. Van Pascal heet het, dat hij
+voortdurend een afgrond naast zich zag: zulk een gewaarwording is hier
+als 't ware tot een vasten mystischen term herleid. Met deze beelden
+van den afgrond en de stilte wordt de levendigste uitdrukking van de
+onbeschrijfelijke mystieke beleving bereikt. &quot;Wol uf dar, herz und sin
+und muot,&mdash;jubelt Suso&mdash;in daz grundlos abgr&uuml;nd aller lieplichen
+dingen!&quot;<a name='FNanchor_742_742'></a><a href='#Footnote_742_742'><sup>[742]</sup></a> Meister Eckhart in zijn ademlooze strakheid: &quot;De vonk
+der ziel<a name='373'></a> (de mystische kern van het enkele wezen) heeft niet genoeg
+aan Vader, noch aan Zoon, noch aan Heiligen geest, noch aan de drie
+personen, zooverre als elk dezer bestaat in hun eigenschap. Ik spreek
+waarlijk, dat dit licht niet genoeg heeft aan de eenbaarheid van den
+vruchtbaren aard goddelijker natuur. Ik wil nog meer spreken, dat nog
+wonderlijker klinkt: ik spreek met goede waarheid, dat dit licht niet
+genoeg heeft aan het eenvoudige, stilstaande goddelijke wezen, dat noch
+geeft noch neemt; meer: het wil weten, vanwaar dit wezen komt, het wil
+in den eenvoudigen grond, in de stille woestenij, waar nimmer
+onderscheid in te schouwen was, noch Vader, noch Zoon, noch Heilige
+geest, in het innige, waar niemand tehuis is, daar vindt dat licht
+genoeg, en daar is het eeniger dan in zich zelven, want deze grond is
+een eenvoudige stilte, die in zich zelve onbewegelijk is.&quot;&mdash;De ziel
+wordt alleen daardoor volkomen zalig, &quot;dat zij zich werpt in de woeste
+godheid, waar noch werk noch beeld is, dat zij zich daar verlieze en
+verzinke in de woestenij.&quot;<a name='FNanchor_743_743'></a><a href='#Footnote_743_743'><sup>[743]</sup></a></p>
+
+<p>Bij Tauler: &quot;In dezen verzinkt de gelouterde, verklaarde geest in de
+goddelijke duisternis, in een stille zwijgen en in een onbegrijpelijk en
+onuitsprekelijk vereeren, en in dit inzinken wordt verloren alle gelijk
+en ongelijk, en in dezen afgrond verliest de geest zichzelven en weet
+van God noch van zich zelven, noch gelijk noch ongelijk, noch van niets
+iets, want hij is gezonken in Gods eenigheid en heeft verloren alle
+onderscheiden.&quot;<a name='FNanchor_744_744'></a><a href='#Footnote_744_744'><sup>[744]</sup></a></p>
+<a name='374'></a>
+<p>Bij Ruusbroec worden al de middelen tot uitdrukking van de mystische
+beleving nog plastischer aangewend dan bij de Duitschers.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Roept dan alle met openre herten:
+<span>O gheweldich slont!<br /></span>
+<span>Al sonder mont,<br /></span>
+<span>Voere ons in dinen afgront;<br /></span>
+<span>Ende make ons dine minne cont.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Het genieten van de zaligheid der vereeniging met God &quot;is wilt ende
+woeste, alse een verdolen; want daer en is wise, noch wech, noch pat,
+noch zate, noch mate.&quot; &quot;Daer in selen wi sijn ons selven onthoecht,
+ontsonken, ontbreit ende ontlingt (opheffing van alle ruimte-
+voorstellingen) in ene ewighe verlorenheit sonder wederkeer.&quot;
+<a name='FNanchor_745_745'></a><a href='#Footnote_745_745'><sup>[745]</sup></a> De genieting der zaligheid is zoo groot, &quot;dat God ende alle
+heylighen ende dese hoghe menschen (die haar beleven) hierin verswolghen
+sijn in onwisen, dat is in een niet weten ende in ene ewighe
+verlorenheit.&quot;<a name='FNanchor_746_746'></a><a href='#Footnote_746_746'><sup>[746]</sup></a> God geeft de weelde der zaligheid aan allen gelijk,
+&quot;maer die se ontfaen die sijn onghelijc: nochtan blivet hem allen over,
+na der ghebrukelicheit in der verenicheit&quot;, d.w.z. zij kunnen, wat
+betreft het genieten der zaligheid in de vereeniging met God, niet alle
+weelde op, die hun geschonken wordt. &quot;Mer na der verlorenheit in der
+woestinen demsterheit, daer en blivet niet over: want daer en is gheven
+noch nemen, mer een simpel eenvoldich wesen. Daer is God ende alle die
+verenichde in versonkenende verloren, ende<a name='375'></a> nimmermeer en moghen se hem
+vinden in desen wiselosen wesene.&quot;<a name='FNanchor_747_747'></a><a href='#Footnote_747_747'><sup>[747]</sup></a></p>
+
+<p>Al de negaties zijn vereenigd in het volgende. &quot;Hier na volcht die
+sevende trappe (van minnen), dat edelste ende dat hoechste dat men leven
+mach in tijt ende in ewicheit. Dat is, alse wi, boven al bekinnen ende
+weten, in ons bevinden een grondeloes niet weten; alse wi boven alle
+name die wi Gode gheven ofte creaturen, versterven ende overliden in ene
+ewighe onghenaemtheit daer wi ons verliesen: ende alse wi, boven alle
+oefeninghen van doechden, in ons aensien ende bevinden ewighe ledicheit,
+daer nieman in werken en mach; ende boven alle salige gheeste, ene
+grondelose salicheit, daer wi alle &eacute;&eacute;n sijn, ende dat selve &eacute;&eacute;n dat die
+salicheit selve es, in haers selfsheit: ende alse wi aensien alle
+salighe gheeste, weselic ontsonken, ontvloten ende verloren in haer
+overwesen, in ene wiselose onbekende demsterheid.&quot;<a name='FNanchor_748_748'></a><a href='#Footnote_748_748'><sup>[748]</sup></a> In de eenvoudige,
+wijzelooze zaligheid vergaat alle onderscheid der creaturen: &quot;Dair
+ontvallen si hem selven in ene verlorenheit, ende in onwetene sonder
+gront; daer is alle claerheit wederboecht in deimsterheit, daer die drie
+persone wiken der weseliker enicheit.&quot;<a name='FNanchor_749_749'></a><a href='#Footnote_749_749'><sup>[749]</sup></a></p>
+
+<p>Het is altijd weer de vruchtelooze poging, om alle beelden op te geven,
+om uit te drukken &quot;onsen ledighen staet, dats bloete onghebeeltheit&quot;,
+dien God alleen geven kan. &quot;Hi maect ons bloet van alle beelden, ende
+trect ons in ons begin:<a name='376'></a> daer en vinden wi anders niet dan wilde, woeste,
+onghebeelde bloetheit, die altoes antwoert der ewicheit.&quot;<a name='FNanchor_750_750'></a><a href='#Footnote_750_750'><sup>[750]</sup></a></p>
+
+<p>In deze aanhalingen uit Ruusbroec zijn ook de twee laatste
+beschrijvingsmiddelen reeds uitgeput: het licht, dat in duister
+verkeert, en de zuivere negatie, het afzien van alle weten. Het innigst
+heimelijke wezen Gods zijn duisternis te noemen, was reeds van den
+Pseudo-Areopagiet. En zijn naamgenoot, bewonderaar en commentator, de
+Kartuizer, werkt dien term uit. &quot;En de alleruitmuntendste, onmetelijke,
+onzichtbare volheid zelve van uw eeuwig licht wordt de goddelijke
+duisternis genoemd, waarin gij gezegd wordt te wonen, die de
+duisternissen tot uw schuilplaats stelt.&quot;<a name='FNanchor_751_751'></a><a href='#Footnote_751_751'><sup>[751]</sup></a> &quot;En de goddelijke
+duisternissen zelve zijn bedekt voor alle licht en verborgen voor alle
+gezicht, wegens den onomschrijfelijken en ondoordringbaren glans der
+eigen klaarheid.&quot; De duisternis is het niet weten, het ophouden van alle
+begrip: &quot;Hoe meer de geest uw overschitterend goddelijk licht nadert,
+hoe voller hem uw onbenaderbaarheid en onbegrijpelijkheid blijken, en
+als hij de duisternis is ingegaan, bezwijken spoedig alle naam en alle
+kennen geheel (omne nox nomen omnisque cognitio prorsus deficient). Maar
+dit zal den geest zijn, u te zien: te zien, dat gij geheel onzichtbaar
+zijt; en hoe klaarder hij dat ziet, hoe helderder hij u aanschouwt. Naar
+deze overlichte duisternis bidden wij te mogen worden, o gezegende
+Drievuldigheid, en door onzichtbaarheid en onwetendheid u te zien en te
+kennen,<a name='377'></a> die boven alle gezicht en kennis zijt. Aan hen alleen verschijnt
+gij, die, na al het waarneembare en begrijpbare te zijn te boven gekomen
+en te hebben achtergelaten, en ook al het geschapene en desgelijks zich
+zelven, intreden in de duisternis, waarin gij waarlijk zijt.&quot;<a name='FNanchor_752_752'></a><a href='#Footnote_752_752'><sup>[752]</sup></a></p>
+
+<p>Zooals het licht in duister verkeert, zoo verkeert het hoogste leven in
+den dood. Als de ziel, zegt Eckhart, begrepen heeft, dat in het rijk
+Gods geen schepsel komen kan, dan gaat de ziel haar eigen weg en zoekt
+God niet meer. &quot;Und allhie so stirbet si iren hohsten tot. In disem tot
+verleuset di sele alle begerung und alle bild und alle verstentn&uuml;zz und
+alle form und wirt beraubt aller wesen. Und daz seit sicher als got
+lebt: als wenik mak di sele, di also geistlich tot ist, einik weis oder
+einik bild vorgetragen einigen menschen. Wann diser geist ist tot und
+ist begraben in der gotheit.&quot; Ziel, als ge niet u zelve verdrinkt in
+deze bodemlooze zee der godheid, zoo kunt gij niet bekennen dezen
+goddelijken dood.<a name='FNanchor_753_753'></a><a href='#Footnote_753_753'><sup>[753]</sup></a></p>
+
+<p>Het schouwen Gods door ontkenningen, zegt Dionysius elders, is
+volkomener dan dat door bevestigingen. &quot;Want wanneer ik zeg: God is
+goedheid, zijn (essentia), leven, schijn ik aan te duiden, w&aacute;t God is,
+alsof dat hetgeen hij is, iets gemeen had met of eenigszins gelijk ware
+aan het geschapene, terwijl het vaststaat, dat hij onbegrijpelijk en
+onbekend,<a name='378'></a> ondoorgrondelijk en onuitsprekelijk is, en van alles wat hij
+werkt, gescheiden is door een onmetelijke en geheel onvergelijkelijke
+verschillendheid en uitnemendheid.&quot;<a name='FNanchor_754_754'></a><a href='#Footnote_754_754'><sup>[754]</sup></a>&mdash;De eenigende wijsheid
+(sapientia unitiva) wordt geheeten onredelijk, zinneloos en dwaas.<a name='FNanchor_755_755'></a><a href='#Footnote_755_755'><sup>[755]</sup></a></p>
+
+<p>Hoe verwant en hoe anders toch weer klinken de klanken uit het verre
+oude Indi&euml;. De leerling komt tot den meester en zegt: &quot;Leer mij het
+brahma, eerwaarde!&mdash;Gene echter zweeg stil. Toen nu de ander ten tweeden
+male en ten derden male vroeg: Leer mij het brahma, eerwaarde! sprak de
+meester: Ik leer het u immers, maar gij verstaat het niet: deze &acirc;tman
+(het Zelf) is stil.&quot;<a name='FNanchor_756_756'></a><a href='#Footnote_756_756'><sup>[756]</sup></a> De goden willen van Praj&acirc;pati den &acirc;tman
+leeren kennen. Twee en dertig jaren wonen zij bij hem als
+brahma-leerlingen. Dan leert hij hun, dat het mannetje in het oog of het
+spiegelbeeld in het water het Zelf is, maar hen naziende spreekt
+hijzelf: Zonder het Zelf begrepen te hebben, gaan zij heen.&mdash;Na nog twee
+en dertig jaren openbaart hij aan Indra op diens bedenkingen: Die daar
+wandelt in den droom, dat is de &acirc;tman. En na nog eens denzelfden tijd:
+Datgene wat, als de mensch is ingeslapen, weggezonken, geheel tot rust
+gekomen, geen droom meer aanschouwt, dat is het Zelf.<a name='FNanchor_757_757'></a><a href='#Footnote_757_757'><sup>[757]</sup></a>&mdash;&quot;Hij
+echter, de &acirc;tman is niet zoo en niet zoo&quot;; de gansche reeks van
+tegengestelde ontkenningen wordt uitgeput, om zijn wezen te verklaren.
+&quot;Gelijk iemand, door een geliefde vrouw omstrengeld, geen bewustzijn
+heeft van wat buiten of binnen is<a name='379'></a>, zoo heeft ook de geest, door het
+uit-erkennen-bestaande Zelf omstrengeld, geen bewustzijn van wat buiten
+of binnen is. Dat is zijn wezensvorm, gestild van verlangen, zelf zijn
+verlangen, zonder verlangen, gescheiden van leed. Dan is vader
+niet-vader, moeder niet-moeder, wereld niet-wereld....&quot;<a name='FNanchor_758_758'></a><a href='#Footnote_758_758'><sup>[758]</sup></a></p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Was de verbeelding overwonnen?&mdash;Zonder beeld en metafoor kan geen enkele
+gedachte worden uitgedrukt, en van het onkenbare wezen der dingen
+gezegd, is ieder woord beeld. Van het hoogste en innigst begeerde enkel
+in negaties te kunnen spreken, bevredigt het gemoed niet, en telkens als
+de wijze is uitgepraat, moet de dichter weer komen. Het zoete lyrische
+gemoed van Suso vond van de sneeuwtoppen van het schouwen altijd weer
+den weg terug naar de bloemrijke verbeeldingen der oudere Bernardijnsche
+mystiek. Midden in de ekstase der hoogste contemplatie keert al de kleur
+en vorm der allegorie terug. Suso ziet de eeuwige Wijsheid, zijn
+geliefde: &quot;Si swepte hoh ob ime in einem gew&uuml;lkten throne (hemel): sie
+luhte als der morgensterne, und schein als diu spilndiu sunne; ire krone
+waz ewikeit, ire wat waz selikeit, ire wort s&uuml;zzekeit, ire umbfang alles
+lustes gnuhsamkeit: si waz verr und nahe, hoh und nider; si waz
+gegenw&uuml;rtig und doch verborgen; si liess mit ir umbgan, und moht si doch
+nieman begriffen.&quot;<a name='FNanchor_759_759'></a><a href='#Footnote_759_759'><sup>[759]</sup></a></p>
+
+<p>Er waren nog andere wegen terug van de eenzame hoogten der individueele,
+vorm- en beeldlooze mystiek.<a name='380'></a> Men bereikte die hoogten slechts door het
+smaken van het liturgisch-sacramenteele mysterie heen: eerst het ten
+volle doorvoeld hebben van het symbolisch-aesthetische wonder der
+dogma's en sacramenten stelde in staat, om alle beeldvormen af te
+schudden en op te stijgen naar het begriploos schouwen van het al-eene.
+Maar de geest kon die helderheid niet genieten, wanneer en zoo vaak hij
+wilde; en dan wachtte beneden altijd weer de Kerk, met haar wijs en
+spaarzaam systeem van mysterie. De Kerk immers had de aanraking van den
+geest met het goddelijke in haar liturgie gecondenseerd en
+ge&iuml;ntensifieerd tot de beleving van bepaalde oogenblikken, en vorm en
+kleur gegeven aan het mysterie. Daarom heeft zij de teugellooze mystiek
+altijd overleefd: zij spaarde energie. De Kerk liet de bloeiendste
+vervoeringen van aesthetische mystiek gerustelijk toe, maar zij vreesde
+de ware, woeste mystiek, waarin alles waaruit zij was opgebouwd: haar
+harmonisch symbolisme, haar dogma's en sacramenten, vervlamde en
+verteerde.</p>
+
+<p>&quot;De eenigende wijsheid is onredelijk, zinneloos en dwaas.&quot; Het pad van
+den mysticus leidt in de oneindigheid binnen en in de bewustzijnsloosheid.
+Door het ontkennen van alle wezensgelijkheid tusschen de godheid en al het
+afzonderlijke en benoembare is elke werkelijke transcendentie opgeheven;
+de brug naar het leven terug is afgebroken. &quot;Alle cr&ecirc;at&ucirc;re sint ein
+l&ucirc;ter niht. Ich spriche niht, daz sie kleine s&icirc;n oder iht s&icirc;n: sie sind
+ein l&ucirc;ter niht. Swaz niht wesens h&acirc;t, daz ist niht. Alle cr&ecirc;at&ucirc;re h&acirc;nt
+kein wesen, wan ir wesen swebet an der gegenwertikeit gotes.&quot;<a name='FNanchor_760_760'></a><a href='#Footnote_760_760'><sup>[760]</sup></a>
+<a name='381'></a>De intensieve mystiek beduidt een terugkeer tot een prae-intellectueel
+zieleleven. Alles van beschaving gaat er in te loor, wordt overwonnen en
+overbodig. Indien de mystiek niettemin voor de cultuur rijke vruchten
+draagt, dan is het, omdat zij steeds door voorbereidende staten heen
+opklimt, en eerst gaandeweg alle levensvorm en cultuur afwerpt. Haar
+vruchten voor de beschaving draagt zij in haar aanvangstrappen, beneden
+de boomgrens. Daar bloeit de boomgaard van de zedelijke volmaking, die
+als voorbereiding van elken schouwende gevorderd wordt: de vrede en
+zachtmoedigheid, de demping der begeerte, de eenvoud, matigheid,
+arbeidzaamheid, ernst en innigheid. Zoo is het in Indi&euml; geweest en zoo
+hier: de aanvangswerking der mystiek is een moreele en praktische. Zij
+is bovenal de beoefening van daadwerkelijke naastenliefde. Al de groote
+mystieken hebben die praktische werkzaamheid ten zeerste geprezen: heeft
+niet Meister Eckhart zelf Martha boven Maria gesteld,<a name='FNanchor_761_761'></a><a href='#Footnote_761_761'><sup>[761]</sup></a> en gezegd,
+dat men zelfs de ekstase van Paulus moest laten varen, als men een arme
+met een soepje kon helpen? Van hem over zijn leerling Tauler gaat de
+lijn der mystiek steeds meer naar de waardeering van het praktische
+element: ook Ruusbroec verheft den stillen nederigen arbeid, en
+Dionysius de Kartuizer is de volkomen vereeniging in &eacute;&eacute;n persoon van den
+praktischen zin voor het dagelijksch godsdienstleven en het heftigste
+individueele mysticisme. Het is in de Nederlanden, dat de begeleidende
+verschijnselen der mystiek: moralisme, pi&euml;tisme, liefdadigheid en
+arbeidzaamheid, hoofdzaak worden; dat zich uit de intensieve mystiek
+<a name='382'></a>voor het onttrokken oogenblik van enkelen de extensieve mystiek voor
+iederen dag van velen ontplooit: de duurzame gezamenlijke innigheid der
+moderne devoten in plaats van de eenzame en zeldzame ekstase. De
+nuchtere mystiek, als men niet valt over een woord.</p>
+
+<p>In de Fraterhuizen en de kloosters der Windesheimer congregatie is over
+het stille dagelijksch werk de glans gegoten van de voortdurend
+bewustgehouden religieuze innigheid. Het hevig lyrische en het
+teugelloos opstreven is prijsgegeven, en daarmee ook het gevaar van
+geloofsafwijking geweken; de broeders en zusters zijn volkomen
+rechtgeloovig en conservatief. Het was mystiek en d&eacute;tail: men had maar
+&quot;een inslag gekregen&quot;, &quot;een vonkske ontvangen&quot;, en beleefde in den
+engen, stillen, nederigen kring de vervoering in vertrouwelijken
+geestelijken omgang, in briefwisseling en zelfbeschouwing. Het gevoels-
+en gemoedsleven werd als een kasplant gekweekt; er heerschte veel klein
+puritanisme, geestelijke dressuur, verstikking van den lach en de
+gezonde aandriften, veel pi&euml;tistische onnoozelheid.</p>
+
+<p>Doch uit dien kring is de <i>Imitatio</i> voortgekomen. Hier is de man, die
+geen theoloog was en geen humanist, geen wijsgeer en geen dichter, en
+eigenlijk ook geen mysticus, en die het boek schreef, dat eeuwen
+vertroosten zou. Thomas a Kempis, de stille, eenzelvige, vol teerheid
+voor het miswonder en met de smalste opvattingen van het godsbestuur,
+kende niets van de felle verontwaardiging over kerkbestuur of
+wereldleven, zooals het de preekers bezielde, niets van het alzijdig
+streven van Gerson, Dionysius of Nicolaas van Cusa, niets van de
+breughelsche fantazie van Johannes Brugman of het bonte symbolisme van
+Alain de la Roche.<a name='383'></a> Hij zocht maar de rust in alle dingen, en vond haar
+&quot;in angello cum libello&quot;. &quot;O quam salubre quam iucundum et suave est
+sedere in solitudine et tacere et loqui cum Deo!&quot;<a name='FNanchor_762_762'></a><a href='#Footnote_762_762'><sup>[762]</sup></a> En zijn boek van
+eenvoudige levenswijsheid en stervenswijsheid voor het begeven gemoed
+werd een boek van alle tijden. Hier was alle neoplatonistische mystiek
+weer opgegeven, en enkel de stemming van den geliefden schrijver Bernard
+van Clairvaux de grondslag. Er is geen philosophische ontwikkeling van
+gedachten; er staan slechts een aantal hoogst eenvoudige gedachten in
+spreukvorm om een centraal punt gegroepeerd; elke loopt in een kort
+zinnetje af; er is geen subordinatie en nauwelijks correlatie van
+gedachten. Er is niets van de lyrische siddering van Heinrich Suso of
+van de strakke fonkeling van Ruusbroec. Met haar geklingel van
+evenwijdig voortloopende zinnen en matte assonanties zou de <i>Imitatio</i>
+dubbel proza zijn, wanneer niet juist dat eentonige rythme haar maakte
+als de zee op een zachten regenavond, of het zuchten van den wind in den
+herfst. Hier is geen kracht, geen &eacute;lan, geen diepte en volheid; het is
+alles effen en gedrukt, alles en mineur: er is slechts vrede, rust, stil
+gelaten verwachting en troost. &quot;Taedet me vitae temporalis.&quot;<a name='FNanchor_763_763'></a><a href='#Footnote_763_763'><sup>[763]</sup></a></p>
+
+<p>E&eacute;n ding heeft het meest boeddhistische werk van het christendom, het
+boek voor de vermoeiden van alle eeuwen, gemeen met de voortbrengselen
+der hevige mystiek. Ook hier was de verbeelding, zoover dat mogelijk
+was, overwonnen, het kleurige gewaad van schitterende symbolen afgelegd.
+En daarom zit ook de <i>Imitatio</i> niet vast aan een cultuur-tijdperk;
+<a name='384'></a>evenals de ekstatische schouwingen van het al-eene leidt zij af van alle
+cultuur. Zij hoort tot geen bijzonder beschavingstijdperk. Vandaar
+zoowel haar twee duizend uitgaven, als de mogelijkheid van een twijfel
+omtrent den auteur en den tijd van ontstaan, die twee eeuwen verschil
+toeliet. Thomas had het &quot;Ama nesciri&quot; niet vergeefs gezegd.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='XI'></a>XI</h2>
+<a name='385'></a>
+<h3>DE DENKVORMEN IN DE PRAKTIJK</h3>
+<br />
+
+<p>Men moet de hechte vormen van het denken niet enkel bestudeeren aan de
+voorstellingen van het geloof en de hoogere bespiegeling, maar evengoed
+aan die van de dagelijksche levenswijsheid en de nuchtere praktijk. Dan
+eerst kan de middeleeuwsche geest als een eenheid en een geheel worden
+gezien. Want het zijn dezelfde groote denkrichtingen, die zijn hoogere
+en zijn lagere uitingen beheerschen. En terwijl op het gebied van geloof
+en bespiegeling steeds de vraag aan de orde blijft, in hoeverre de
+gedachtenvormen resultaat en weerklank zijn van een lange schriftelijke
+traditie, die tot in Grieksche en Joodsche, ja Egyptische en
+Babylonische oorsprongen reikt, ziet men ze in het gewone leven na&iuml;ef en
+spontaan werken, onbeladen met het gewicht van neoplatonisme en wat niet
+al.</p>
+
+<p>In het dagelijksch leven denkt de middeleeuwsche mensch in dezelfde
+vormen als in zijn theologie. De grondslag is zoo hier als daar dat
+architecturale idealisme, dat de scholastiek realisme noemde: de
+behoefte om elke notie af te zonderen en vorm te geven als een
+wezenheid, en om ze samen te schikken in hi&euml;rarchische verbanden, er
+altijd weer tempels en kathedralen van te bouwen, als een kind, dat met
+blokken speelt.</p>
+
+<p>Alles wat zich in het leven een vaste plaats verovert, wat levensvorm
+wordt, geldt als geordineerd, zoo goed als de hoogste dingen in het
+goddelijke wereldplan. Zeer duidelijk openbaart zich dit bijvoorbeeld in
+de opvatting van de regelen der hofetikette bij de beschrijvers van den
+hofstaat,<a name='386'></a> als Olivier de la Marche en Alienor de Poitiers. De oude dame
+beschouwt die regelen als wijze wetten, in de hoven der koningen
+oudtijds met keuze en oordeel verordineerd, in acht te nemen voor alle
+komende tijden. Zij spreekt ervan als van de wijsheid der eeuwen: &quot;et
+alors j'ouy dire aux anciens qui s&ccedil;avoient....&quot; Zij ziet de tijden
+ontaarden: sedert een jaar of tien zetten sommige dames in Vlaanderen
+het kraambed voor het vuur, &quot;de quoy l'on s'est bien mocqu&eacute;&quot;; vroeger
+deed men dat nooit; waar moet het heen? &quot;mais un chacun fait &agrave; cette
+heure &agrave; guise: par quoy est &agrave; doubter, que tout ira mal&quot;.<a name='FNanchor_764_764'></a><a href='#Footnote_764_764'><sup>[764]</sup></a></p>
+
+<p>La Marche stelt zich en den lezer gewichtige vragen omtrent de
+redelijkheid van al die deftige dingen: waarom heeft de &quot;fruitier&quot;
+meteen de verlichting, &quot;le mestier de la cire&quot;, onder zijn departement?
+Het antwoord luidt: omdat de was door de bijen uit de bloemen wordt
+getrokken, waarvan ook de vruchten komen: &quot;pourquoy on a ordonn&eacute; tr&egrave;s
+bien ceste chose&quot;.<a name='FNanchor_765_765'></a><a href='#Footnote_765_765'><sup>[765]</sup></a> De sterke middeleeuwsche neiging, om voor
+iedere functie een orgaan te scheppen, is niet anders dan een
+uitvloeisel van de denkwijze, die aan elke qualiteit zelfstandigheid
+toekende, haar als idee zag. De koning van Engeland had onder zijn
+&quot;magna sergenteria&quot; een ambt, om 's konings hoofd vast te houden, als
+hij het Kanaal overstak, en zeeziek werd; het werd in 1442 bekleed door
+zekeren John Baker, van wien het erfde op zijn beide dochters.<a name='FNanchor_766_766'></a><a href='#Footnote_766_766'><sup>[766]</sup></a></p>
+<a name='387'></a>
+<p>Onder hetzelfde licht valt te beschouwen de gewoonte, om alle dingen,
+ook de levenlooze, namen te geven. Het is, hoe verbleekt ook, een trek
+van primitief anthropomorphisme, wanneer ook thans nog in het
+krijgsleven, dat in vele opzichten den terugkeer tot een primitieve
+levenshouding beduidt, kanonnen namen krijgen. In de Middeleeuwen is die
+trek veel sterker: gelijk de zwaarden in den ridderroman hebben de
+bombarden in de oorlogen der 14<sup>e</sup> en 15<sup>e </sup>eeuw hun namen: &quot;le Chien
+d'Orl&eacute;ans, la Gringade, la Bourgeoise, de Dulle Griete&quot;. Als een
+survival dragen thans nog de beroemde diamanten hun naam, zooals de
+juweelen van Karel den Stoute alle benaamd zijn: &quot;le sancy, les trois
+fr&egrave;res, la hote, la balle de Flandres&quot;. Wanneer in onzen tijd de schepen
+hun naam behouden hebben, maar de huizen en de klokken niet, dan is het
+eensdeels, omdat het schip van plaats verandert en te allen tijde moet
+kunnen worden ge&iuml;dentificeerd, maar toch ook wel omdat het schip iets
+persoonlijkers heeft behouden dan het huis, wat ook in het &quot;she&quot; van het
+Engelsche spraakgebruik is uitgedrukt. Die persoonlijke opvatting der
+levenlooze dingen moet men zich in de Middeleeuwen als veel sterker
+voorstellen: in de Middeleeuwen kreeg elk ding zijn naam: de cachotten
+der kerkers zoo goed als elk huis en elke klok.</p>
+
+<p>Aan alle dingen wordt gezocht naar de &quot;moraliteit&quot;, zooals de
+middeleeuwer zeide, als het meest wezenlijke ervan. Elk historisch of
+litterair geval heeft de neiging, om te kristalliseeren tot een parabel,
+een moreel voorbeeld, een bewijsnummer; elke uitspraak tot een
+sententie, een tekst, een spreuk. Evenals de heilige symbolische
+verbanden tusschen het Nieuwe en het Oude Testament ontstaan er moreele
+verbanden,<a name='388'></a> waardoor aan elk levensgeval terstond de spiegel kan worden
+voorgehouden van een voorbeeld, een type uit de schrift, de geschiedenis
+of de litteratuur. Om iemand tot vergeving te bewegen, somt men
+bijbelsche gevallen van vergiffenis op. Om voor het huwelijk te
+waarschuwen, rangschikt men al de ongelukkige huwelijken, waarvan de
+Oudheid spreekt. Jan zonder Vrees vergelijkt, om den moord op Orleans te
+verontschuldigen, zichzelven met Joab en zijn slachtoffer met Absalom,
+en prijst zich beter dan Joab, want de koning had den doodslag niet
+uitdrukkelijk verboden. &quot;Ainssy avoit le bon duc Jehan attrait ce fait &agrave;
+moralit&eacute;.&quot;<a name='FNanchor_767_767'></a><a href='#Footnote_767_767'><sup>[767]</sup></a>&mdash;Het is als 't ware een ruime en na&iuml;eve toepassing van
+het jurisprudentiebegrip, dat immers zelf in het hedendaagsche
+rechtsleven een residu van verouderde denkvormen begint te worden.</p>
+
+<p>Elk ernstig betoog grondt zich gaarne op een tekst als steun- en
+uitgangspunt: de twaalf proposities voor en tegen de onttrekking van
+gehoorzaamheid aan den paus van Avignon, waarmee in 1406 te Parijs op
+het nationaal concilie de zaak van het schisma wordt bepleit, gaan ieder
+uit van een schriftwoord.<a name='FNanchor_768_768'></a><a href='#Footnote_768_768'><sup>[768]</sup></a> Ook een wereldlijk feestredenaar kiest,
+zoo goed als een prediker, zijn tekst.<a name='FNanchor_769_769'></a><a href='#Footnote_769_769'><sup>[769]</sup></a></p>
+
+<p>Geen duidelijker voorbeeld van al de genoemde trekken dan het beruchte
+pleidooi, waarmede meester Jean Petit den hertog van Bourgondi&euml; trachtte
+te rechtvaardigen wegens den moord op Lodewijk van Orleans.</p>
+<a name='389'></a>
+<p>Het was ruim drie maanden geleden, dat 's konings broeder des avonds
+door de gehuurde sluipmoordenaars, die Jan zonder Vrees tevoren in een
+huis in de Rue vieille du Temple gehuisvest had, was neergestooten. De
+Bourgondi&euml;r had eerst bij de lijkplechtigheid grooten rouw gedreven,
+daarna, toen hij zag, dat het onderzoek zich zou uitstrekken tot in zijn
+hotel d'Artois, waar hij de moordenaars verborgen hield, had hij in den
+raad zijn oom Berry ter zijde genomen en hem bekend, dat hij door
+inblazing des duivels den moord had laten plegen. Hij was daarop uit
+Parijs gevlucht naar Vlaanderen. Te Gent had hij reeds een eerste
+rechtvaardiging van zijn euveldaad laten uitspreken; thans keerde hij
+naar Parijs terug, vertrouwend op den haat, die alom Orleans gegolden
+had, en zijn eigen populariteit bij het volk van Parijs, dat hem
+inderdaad ook nu nog blijde inhaalde. De hertog had te Amiens raad
+gepleegd met twee mannen, die op de kerkvergadering te Parijs in 1406
+zich onder de sprekers opmerkelijk hadden gemaakt: meester Jean Petit en
+Pierre aux Boeufs. Aan hen was opgedragen, het Gentsche pleidooi van
+Simon de Saulx uit te werken, om het als een indrukwekkende
+rechtvaardiging voor te dragen voor de prinsen en hooge heeren te
+Parijs.</p>
+
+<p>Daarmede verscheen nu meester Jean Petit, godgeleerde, preeker en
+dichter, den 8<sup>sten</sup> Maart 1408 in het hotel de Saint Pol te Parijs
+voor het luisterrijke gehoor, waarin de dauphin, de koning van Napels,
+de hertogen van Berry en Bretagne de eersten waren. Hij begon met
+gepaste nederigheid: hij arme was theoloog noch jurist, &quot;une tr&egrave;s grande
+paour me fiert au cuer, voire si grande, que mon engin et ma m&eacute;moire
+s'en fuit, et ce peu de sens que je cuidoie avoir, m'a j&agrave; du tout
+laiss&eacute;.&quot;<a name='390'></a> Dan ontplooit hij het kunstwerk van de zwartste politieke
+boosaardigheid, dat zijn geest in strengen stijl gebouwd had op den
+tekst: Radix omnium malorum cupiditas. Op schoolsche onderscheidingen en
+neventeksten is het geheel kunstig gedisponeerd; verlucht met exempelen
+uit de schrift en de historie; het krijgt een duivelsche levendigheid en
+een romantische spanning door de kleurige uitvoerigheid, waarmee de
+pleiter de snoodheden van den verslagene beschrijft. Het begint met de
+opsomming van twaalf verplichtingen, waardoor de hertog van Bourgondi&euml;
+gehouden was, den koning van Frankrijk te eeren, te beminnen en te
+wreken. Dan beveelt hij zich aan in de hulp van God, de Maagd en Sint
+Jan den Evangelist, om het eigenlijke betoog te beginnen: verdeeld in
+een major, een minor en een conclusie. Nu stelt hij zijn tekst voorop:
+Radix omnium malorum cupiditas. Daaruit worden twee toepassingen
+afgeleid: de begeerte maakt afvalligen, zij maakt verraders. Deze
+boosheden van apostasie en verraad worden verdeeld en onderverdeeld en
+daarna gedemonstreerd aan drie voorbeelden. Als de archetypen van den
+verrader rijzen Lucifer, Absalom en Athalia voor de verbeelding der
+hoorders op. Dan volgt de opstelling van acht waarheden, die den
+tyrannenmoord rechtvaardigen: wie tegen den koning conspireert, verdient
+dood en verdoemenis; hoe hooger hij staat, hoeveel te meer; ieder mag
+hem dooden. &quot;Je prouve ceste verit&eacute; par douze raisons en l'honneur des
+douze apostres&quot;: drie uitspraken van doctores, drie van philosophi, drie
+van juristen en drie uit de schrift. Zoo gaat het voort, tot de acht
+waarheden compleet zijn: een citaat uit <i>De casibus virorum illustrium</i>
+van &quot;le philosophe moral Boccace&quot;<a name='391'></a> wordt aangehaald, om te bewijzen, dat
+men den tyran mag aanvallen uit een hinderlaag. Uit de acht waarheden
+volgen acht &quot;correlaria&quot; met een negende als toegift, waarin met
+toespelingen geduid werd op al de geheimzinnige gebeurtenissen, waarin
+de laster en de argwaan aan Orleans een gruwelijke rol hadden toegekend.
+Al de oude verdenkingen, die den hoogstrevenden en losbandigen prins van
+zijn jonge jaren af hadden vervolgd, werden tot gloeihitte weer
+opgerakeld: hoe hij in 1392 de opzettelijke aanlegger was geweest van
+het rampzalige &quot;bal des ardents&quot;, toen zijn broeder de jonge koning
+ternauwernood was ontkomen aan den jammerlijken vuurdood van zijn
+gezellen in hun vermomming als wildemannen, door een onvoorzichtig
+bijgehouden toorts geraakt. Orleans' samensprekingen in het klooster der
+Celestijnen met &quot;den toovenaar&quot; Philippe de M&eacute;zi&egrave;res leverden de stof
+tot allerlei zinspelingen op moordplannen en giftmengerij. Zijn algemeen
+bekende gehechtheid aan tooverkunsten geeft aanleiding tot de
+levendigste gruwelverhalen: hoe Orleans op een Zondagmorgen met een
+afvalligen monnik, een ridder, een knape en een knecht naar la Tour
+Montjay aan de Marne reed; hoe de monnik daar twee duivelen deed
+verschijnen, gekleed in bruin-groen en geheeten Heremas en Estramain,
+die een degen, een dolk en een ring van een helsche wijding voorzagen,
+waarop het gezelschap een gehangene van de galg van Montfaucon ging
+halen enz. Tot uit den zinneloozen praat van den waanzinnigen koning
+wist meester Jan sinisteren zin te puren.</p>
+
+<p>Nadat aldus eerst de beoordeeling op het niveau van het algemeen-
+zedelijke was verheven,<a name='392'></a> door de zaak te stellen in het licht der
+schriftuurlijke modellen en moreele sententi&euml;n, en vervolgens de stemming
+van afgrijzen en huivering kunstig is gaande gemaakt, breekt in de minor,
+die stuk voor stuk de geledingen van de major volgt, de stroom van
+regelrechte beschuldigingen los. De hartstochtelijke partijhaat doet den
+aanval op de nagedachtenis van den vermoorde met al de hevigheid, waartoe
+de toomelooze geest in staat was.</p>
+
+<p>Vier uren lang was Jean Petit aan 't woord, en toen hij uitgesproken
+had, sprak zijn lastgever, de hertog van Bourgondi&euml;: &quot;Je vous avoue&quot;.
+Er werden van de justificatie vier kostbare boekjes gemaakt, gebonden in
+geperst leer, verlucht met goud en miniaturen, voor den hertog en zijn
+naaste verwanten. Een daarvan wordt nog te Weenen bewaard. Ook was het
+vertoog te koop.<a name='FNanchor_770_770'></a><a href='#Footnote_770_770'><sup>[770]</sup></a></p>
+
+<p>De behoefte, om elk levensgeval uit te beelden tot een moreel voorbeeld,
+elk oordeel af te zonderen tot een sententie, waardoor het iets
+substantieels en onaantastbaars krijgt, kortom dat kristallisatieproces
+der gedachte, vindt haar meest algemeene en natuurlijke uiting in het
+spreekwoord. Het spreekwoord neemt in de middeleeuwsche gedachte een
+zeer belangrijke plaats in. Het treedt als 't ware in concurrentie met
+de heilige schrift. Tegenover de onbereikbare verhevenheid der
+bijbelsche moraal handhaaft in het spreekwoord de nuchtere,
+laag-bij-den-grondsche, baatzuchtige levenswijsheid haar gezag.
+Tegenover de jammerklacht over de aardsche zondigheid en verdorvenheid
+stelt de volkswijsheid in het spreekwoord haar nuchtere,<a name='393'></a> goedmoedige,
+ironische berusting in de slechtheid der wereld. Uit het spreekwoord
+klinkt de diepe genoegzaamheid, die grenst aan de wijsheid van hen, die
+de wereld tot den grond hebben gepeild, en haar aanzien met een
+glimlach; de weldadige wijsheid van het spreekwoord ligt in zijn
+resignatie. &quot;Les grans poissons mangent les plus petis.&quot;&mdash;&quot;Les mal
+vestus assiet on dos au vent.&quot; Daar ligt de sociale rechtvaardigheid.
+&quot;Nul n'est chaste si ne besongne&quot; (als het niet noodig is). &quot;Il n'est si
+ferr&eacute; qui ne glice&quot; (niemand zoo goed beslagen, dat hij niet uitglijdt).
+&quot;L'homme est bon tant qu'il craint sa peau&quot;. &quot;Au besoing on s'aide du
+diable&quot;. Daar ligt de moraal. &quot;Moyen dueil vault mieux que trop joye&quot;.
+&quot;Chascun a chose qui le myne&quot;. &quot;Le jeu vault tant comme on y met&quot;. &quot;Trop
+quiert (begeert) qui veult happer la lune&quot;.</p>
+
+<p>Het is verbazend, welk een aantal spreekwoorden er in de late
+Middeleeuwen gangbaar zijn geweest.<a name='FNanchor_771_771'></a><a href='#Footnote_771_771'><sup>[771]</sup></a> In hun alledaagsche geldigheid
+sluiten zij zoo goed aan bij den gedachteninhoud der litteratuur, dat de
+dichters van dien tijd er een druk gebruik van maken. Zeer in trek is
+bij voorbeeld het gedicht, waarvan elke strofe eindigt met een
+spreekwoord. Een ongenoemde wijdt in zulk een vorm een schimpdicht aan
+den gehaten pr&eacute;v&ocirc;t van Parijs, Hugues Aubriot, bij diens smadelijken
+val.<a name='FNanchor_772_772'></a><a href='#Footnote_772_772'><sup>[772]</sup></a> Vervolgens komt Alain Chartier met zijn <i>Ballade de Foug&egrave;res</i>
+<a name='FNanchor_773_773'></a><a href='#Footnote_773_773'><sup>[773]</sup></a> Molinet met verschillende stukken uit zijn <i>Faictz et Dictz</i>,
+<a name='FNanchor_774_774'></a><a href='#Footnote_774_774'><sup>[774]</sup></a>
+<a name='394'></a> Coquillart's <i>Complaincte de Eco</i>,<a name='FNanchor_775_775'></a><a href='#Footnote_775_775'><sup>[775]</sup></a> Villon's ballade, geheel
+uit spreekwoorden opgebouwd.<a name='FNanchor_776_776'></a><a href='#Footnote_776_776'><sup>[776]</sup></a> Ook <i>Le pass&eacute; temps d'oysivet&eacute;</i> van
+Robert Gaguin<a name='FNanchor_777_777'></a><a href='#Footnote_777_777'><sup>[777]</sup></a> hoort ertoe; de 171 strofen eindigen op enkele na
+met een passend spreekwoord. Of zijn deze spreekwoordachtige zedelijke
+uitspraken (waarvan ik maar enkele weervind in de mij bekende collecties
+van spreekwoorden) eigen gedachten van den dichter? In dat geval zou
+het nog sterker bewijs zijn, welk een levende functie in het laat-
+middeleeuwsche denken aan het spreekwoord, dat is aan het afgeronde,
+geijkte, algemeen verstaanbare oordeel, toekwam, indien wij ze hier in
+onmiddellijke aansluiting bij een gedicht uit den geest van een
+individueelen dichter zien ontstaan.</p>
+
+<p>Zelfs de preek versmaadt naast de heilige teksten het spreekwoord niet,
+en het ernstig betoog in staats- of kerkvergaderingen maakt er een ruim
+gebruik van. Gerson, Jean de Varennes, Jean Petit, Guillaume Fillastre,
+Olivier Maillard brengen in hun preeken en oraties de meest alledaagsche
+spreekwoorden tot sterking van hun betoog te pas: &quot;Qui de tout se tait,
+de tout a paix, Chef bien peign&eacute; porte mal bacinet (helm), D'aultrui
+cuir large courroye, Qui commun sert, nul ne l'en paye, Qui est tigneux,
+il ne doit pas oster son chaperon.&quot;<a name='FNanchor_778_778'></a><a href='#Footnote_778_778'><sup>[778]</sup></a>&mdash;Ja, er is zelfs een schakel
+tusschen het spreekwoord en de <i>Imitatio</i>, die immers naar den vorm
+berust op de spreukenverzamelingen of rapiaria,<a name='395'></a> waarin men wijsheid van
+allerlei aard en herkomst placht te vergaren.</p>
+
+<p>Er zijn in de latere Middeleeuwen tal van schrijvers, wier kracht van
+oordeel zich eigenlijk niet boven het spreekwoord verheft, dat zij dan
+ook voortdurend toepassen. Een kroniekschrijver uit het begin der
+veertiende eeuw, Geoffroi de Paris, doorspekt zijn berijmd
+geschiedverhaal met spreekwoorden, die de moraal van het gebeurde geven,
+<a name='FNanchor_779_779'></a><a href='#Footnote_779_779'><sup>[779]</sup></a> en daaraan doet hij wijzer dan Froissart en <i>Le Jouvencel</i>, wier
+sententies van eigen maaksel dikwijls als halfgare spreekwoorden
+uitvallen: &quot;Enssi aviennent li fait d'armes: on piert une fois et
+l'autre fois gaagn'on.&quot; &quot;Or n'est-il riens dont on ne se tanne.&quot; &quot;On
+dit, et vray est, que il n'est chose plus certaine que la mort.&quot;<a name='FNanchor_780_780'></a><a href='#Footnote_780_780'><sup>[780]</sup></a></p>
+
+<p>Een soortgelijke kristallisatievorm der gedachte als het spreekwoord is
+het devies, dat in de laatste Middeleeuwen met bijzondere voorliefde
+gecultiveerd wordt. Het is geen wijsheid van algemeene strekking, zooals
+het spreekwoord, maar een persoonlijke aansporing of levensles, die door
+den drager tot een teeken is verheven, dat hij met gouden letters in
+zijn leven zelf aanbrengt, een les, die door de gestyleerde herhaling,
+waarmee zij op al de stukken van garderobe en uitrusting wederkeert,
+hem en de anderen moet suggereeren en vast houden. De stemming van de
+deviezen is veelal een van berusting, evenals bij het spreekwoord, van
+verwachting, soms met een onuitgesproken element,<a name='396'></a> dat ze geheimzinnig
+moest maken: &quot;Quand sera ce? Tost ou tard vienne, Va oultre, Autre fois
+mieulx, Plus dueil que joye.&quot; Verreweg de meeste hebben betrekking op de
+liefde: &quot;Aultre naray, Vostre plaisir, Souvienne vous, Plus que toutes.&quot;
+Dat zijn ridderlijke spreuken, op dekkleed en wapenrusting aangebracht.
+Op de ringen stonden zij met intiemer klank: &quot;Mon cuer avez, Je le
+desire, Pour tousjours, Tout pour vous.&quot;</p>
+
+<p>Met de emblemen, die het devies &ograve;f zichtbaar illustreeren &ograve;f ermee in
+los verband van zin staan, maken de zinspreuken deel uit van de
+heraldische gedachtensfeer. Het blazoen is voor den middeleeuwer meer
+dan een genealogische liefhebberij. De wapenfiguur krijgt voor zijn
+geest een waarde, welke nadert tot die van een totem.<a name='FNanchor_781_781'></a><a href='#Footnote_781_781'><sup>[781]</sup></a> De leeuwen,
+de leli&euml;n, de kruisen worden symbolen, waarin een heel complex van trots
+en streven, aanhankelijkheid en gemeenschapsgevoel in beeld is
+uitgedrukt, gemarkeerd als een zelfstandig, ondeelbaar ding.</p>
+
+<p>De behoefte, om elk geval te isoleeren als een zelfstandig bestaand
+iets, het te zien als idee, uit zich in de Middeleeuwen in een sterke
+neiging tot casu&iuml;stiek. Deze vloeit al weer voort uit het ver strekkende
+idealisme. Aan elke vraag, die zich voordoet, moet een ideale oplossing
+eigen zijn; deze is gegeven, zoodra men de juiste betrekking heeft
+erkend tusschen het aanwezige geval en de eeuwige waarheden, en die
+betrekking wordt afgeleid uit de toepassing van formeele regels op de
+feiten. Niet alleen vragen van zedelijkheid en recht vinden zoo hun
+oplossing, de casu&iuml;stische beschouwing beheerscht allerlei andere
+levensgebieden bovendien.<a name='397'></a> Overal waar stijl en vormen hoofdzaak zijn,
+waar het spel-element van een cultuurvorm op den voorgrond treedt, viert
+de casu&iuml;stiek hoogtij. Dat geldt in de eerste plaats van alles wat
+ceremonieel en etikette betreft. Hier is de casu&iuml;stische beschouwing op
+haar plaats; hier is zij als denkvorm adequaat aan de gestelde vragen,
+immers hier zijn het enkel een reeks van gevallen, bepaald door
+eerbiedwaardige precedenten en formeele regels. Hetzelfde geldt van het
+wapenspel en de jacht. Gelijk vroeger reeds ter sprake kwam,<a name='FNanchor_782_782'></a><a href='#Footnote_782_782'><sup>[782]</sup></a>
+schept ook de opvatting der liefde als een schoon gezelschapsspel van
+stijlvolle vormen en regels de behoefte aan een uitgewerkte casu&iuml;stiek.</p>
+
+<p>Tenslotte hecht zich allerlei casu&iuml;stiek aan de gebruiken van den
+oorlog. De sterke invloed van de ridderidee op de opvatting van den
+krijg gaf ook aan dezen een element van spel. De gevallen van buitrecht,
+van aanvalsrecht, van trouw aan een parool, kwamen onder het aspect van
+spelregels, zooals zij golden voor tournooi en jachtvermaak. De zucht,
+om in het geweld recht en regel te brengen, sproot niet zoo zeer voort
+uit volkenrechtelijk instinct als uit ridderlijk besef van eer en
+levensstijl. Alleen een nauwgezette casu&iuml;stiek en het opstellen van
+strenge formeele regels maakten het mogelijk, het oorlogsgebruik
+eenigermate in harmonie te brengen met ridderlijke standseer.</p>
+
+<p>Zoo vinden wij de beginselen van het volkenrecht gemengd met de
+spelregels van de wapenoefening. Geoffroy de Charny legt in 1352 aan
+koning Jan II van Frankrijk, in diens hoedanigheid van grootmeester
+der juist door hem gestichte ridderorde van de Ster,<a name='398'></a> een reeks van
+casu&iuml;stische vragen ter beslissing voor: twintig betreffen de &quot;jouste&quot;,
+eenentwintig het tournooi en drie&euml;nnegentig den oorlog.<a name='FNanchor_783_783'></a><a href='#Footnote_783_783'><sup>[783]</sup></a> Een
+kwarteeuw later draagt Honor&eacute; Bonet, prior van Salon in Provence en
+doctor in het canonieke recht, aan den jongen Karel VI zijn <i>Arbre des
+batailles</i> op, een tractaat over oorlogsrecht, dat nog in de zestiende
+eeuw, blijkens nieuwe uitgaven, van praktische waarde werd geacht.<a name='FNanchor_784_784'></a><a href='#Footnote_784_784'><sup>[784]</sup></a>
+Men vindt hier bijeen en dooreen vragen van het hoogste gewicht voor het
+volkenrecht en beuzelachtige kwesties, die niet veel meer dan spelregels
+betreffen. Mag men de ongeloovigen zonder noodzaak beoorlogen? Bonet
+antwoordt nadrukkelijk: neen, zelfs niet om hen te bekeeren. Mag een
+vorst den ander den doortocht over zijn gebied weigeren? Moet het (veel
+geschonden) privilege, dat de ploeger en zijn os veilig zijn voor het
+oorlogsgeweld, ook uitgestrekt worden tot den ezel en den knecht?<a name='FNanchor_785_785'></a><a href='#Footnote_785_785'><sup>[785]</sup></a>
+Moet een geestelijke zijn vader of zijn bisschop helpen? Wanneer men een
+geleende wapenrusting in den slag verliest, is men dan teruggave
+verschuldigd? Mag men slag leveren, op feestdagen? Is het beter, nuchter
+slag te leveren, of na den maaltijd?<a name='FNanchor_786_786'></a><a href='#Footnote_786_786'><sup>[786]</sup></a> Voor dit alles heeft de prior
+raad, uit bijbelplaatsen, canoniek recht en glosse.</p>
+
+<p>Een der gewichtigste punten van het krijgsgebruik was in dezen tijd
+alles wat het maken van gevangenen betrof.<a name='399'></a> De losprijs voor een
+aanzienlijk gevangene was voor edelman en soudenier een der
+uitlokkendste beloften van den strijd. Hier was een onbeperkt veld voor
+casu&iuml;stische regels gegeven. Ook hier loopen volkenrecht en ridderlijk
+point d'honneur dooreen. Mogen de Franschen wegens den oorlog met
+Engeland de arme kooplui, landbouwers en herders op het Engelsche gebied
+gevangen nemen en hun hunne goederen ontnemen? In welke gevallen mag men
+uit zijn gevangenschap ontsnappen? Wat is de waarde van een vrijgeleide?
+<a name='FNanchor_787_787'></a><a href='#Footnote_787_787'><sup>[787]</sup></a>&mdash;In den biographischen roman <i>Le Jouvencel</i> worden van die
+gevallen uit de praktijk behandeld. Men brengt voor den aanvoerder een
+twist van twee kapiteins over een gevangene. &quot;Ik heb hem, zegt de een,
+het eerst bij zijn arm en zijn rechterhand gegrepen en hem den
+handschoen afgerukt&quot;. &quot;Maar mij, zegt de ander, heeft hij het eerst de
+rechterhand en zijn woord gegeven.&quot; Beide gaf aanspraak op het kostbare
+bezit, maar de laatste aanspraak wordt als de hoogere erkend. Van wien
+is een gevangene, die ontvlucht en weer gevangen is? Oplossing: in het
+oorlogsgebied behoort hij aan den nieuwen vanger, maar daarbuiten aan
+den oorspronkelijken vanger. Mag een gevangene, die zijn woord gegeven
+heeft, wegloopen, als zijn vanger hem niettemin aan een ketting legt?
+Of als men verzuimd heeft, hem zijn woord te vragen?<a name='FNanchor_788_788'></a><a href='#Footnote_788_788'><sup>[788]</sup></a></p>
+
+<p>Naast de casu&iuml;stische denkwijze nog een ander uitvloeisel van de
+middeleeuwsche neiging, om de zelfstandige waarde van een ding of een
+geval te overschatten. Men kent <i>Le Testament</i> van Fran&ccedil;ois Villon, het
+groote satirische gedicht, waarin hij al zijn hebben en houden vermaakt
+aan vrienden en vijanden. <a name='400'></a>Er zijn meer van die dichterlijke Testamenten,
+zooals dat van Barbeau's muilezel door Henri Baude.<a name='FNanchor_789_789'></a><a href='#Footnote_789_789'><sup>[789]</sup></a> Het is een
+geijkte vorm. Deze vorm echter is slechts begrijpelijk, als men zich
+herinnert, dat inderdaad de middeleeuwsche menschen gewoon waren, per
+testament tot over het geringste van hun bezittingen afzonderlijk en
+uitvoerig te beschikken. Een arme vrouw vermaakt aan haar parochie haar
+zondagskleed en haar kap; haar bed aan haar petekind, een pels aan haar
+verpleegster, haar daagsche rok aan een arme, en vier pond tournoois,
+die haar vermogen uitmaakten, met nog een kleed en een kap aan de
+Minderbroeders.<a name='FNanchor_790_790'></a><a href='#Footnote_790_790'><sup>[790]</sup></a> Is ook daarin niet een zeer alledaagsche uiting te
+zien van dezelfde denkrichting, die ieder geval van deugdbetrachting als
+een eeuwig exempel, elke gewoonte als een goddelijke ordinantie aanzag?
+Het is dat kleven van den geest aan de bijzonderheid en waarde van het
+enkele ding, dat als een ziekte den verzamelaar en den gierigaard
+beheerscht.</p>
+
+<p>Al de opgesomde trekken laten zich vereenigen onder het begrip
+formalisme. Het ingeschapen besef van de transcendentale wezenlijkheid
+der dingen brengt mee, dat elke voorstelling in onwrikbare grenzen staat
+omlijnd, ge&iuml;soleerd in een plastischen vorm, <i>en die vorm heerscht</i>.
+Doodzonden en dagelijksche zonden zijn naar vaste regels te onderscheiden.
+Het rechtsgevoel is muurvast, het behoeft geen oogenblik te twijfelen:
+de daad richt den man, zei de oude rechtsspreuk. Bij de beoordeeling van
+een daad is haar formeele inhoud nog altijd hoofdzaak. Eenmaal, in het
+<a name='401'></a>primitieve recht van den oudgermaanschen tijd, was dat formalisme zoo
+sterk geweest, dat de rechtspraak geen rekening hield met opzet of
+onopzettelijkheid: de daad was de daad, en bracht als zoodanig de straf
+mede, terwijl een niet voltooide daad, een poging tot misdrijf,
+straffeloos was. Eerst langzamerhand dringt in het middeleeuwsche recht
+de uitzondering door, dat men niet door een onwillekeurige verspreking
+in het eedsformulier zijn recht verliest. De sporen van dat formalisme
+in rechtzaken zijn ook in de latere Middeleeuwen nog voor 't grijpen.</p>
+
+<p>De buitengewone gevoeligheid voor de formeele eer is een verschijnsel
+van die denkwijze. Te Middelburg was in 1445 heer Jan van Domburg wegens
+een doodslag gevlucht in een kerk, om het asylrecht te genieten. Men
+blokkeerde hem in zijn toevluchtsoord, gelijk de gewoonte was.
+Herhaaldelijk zag men toen zijn zuster, een non, hem komen aansporen,
+om zich liever al vechtende te laten dooden, dan de schande over zijn
+geslacht te brengen van in beulshanden te vallen. En als dat tenslotte
+toch is geschied, verwerft de juffer van Domburg zijn lichaam.
+<a name='FNanchor_791_791'></a><a href='#Footnote_791_791'><sup>[791]</sup></a>&mdash;Bij een tournooi is het dekkleed van het paard van een edelman
+versierd met 's mans wapen. Dat was zeer ongepast, vindt Olivier de la
+Marche, want als het paard, &quot;une beste irraisonnable&quot;, nu eens struikelde
+en het wapen sleepte in het zand, dan was de geheele familie geblameerd.
+<a name='FNanchor_792_792'></a><a href='#Footnote_792_792'><sup>[792]</sup></a>&mdash;Kort na een bezoek van den hertog van Bourgondi&euml; op Chastel en
+Porcien doet aldaar een edelman in waanzin een poging tot zelfmoord.
+Men is er onbeschrijfelijk ontdaan over,<a name='402'></a> &quot;et n'en savoit-on comment
+porter la honte apr&egrave;s si grant joye demen&eacute;e.&quot; Ofschoon het bekend was,
+dat het in waanzin was geschied, wordt de ongelukkige, genezen, uit het
+kasteel verbannen &quot;et ahonty &agrave; tousjours.&quot;<a name='FNanchor_793_793'></a><a href='#Footnote_793_793'><sup>[793]</sup></a></p>
+
+<p>Een treffend voorbeeld van de plastische wijze, waarop aan een behoefte
+tot herstel van geschonden eer werd voldaan, levert het volgende geval.
+Te Parijs was in 1478 een zekere Laurent Guernier bij vergissing
+gehangen. Hij had namelijk nog juist remissie gekregen van zijn
+misdrijf, maar deze was hem niet bijtijds aangezegd. Na een jaar was
+dit gebleken, en werd het lichaam op verzoek van zijn broeder eervol
+begraven. Voor de baar gingen vier stadsomroepers met hun ratels, het
+wapen van den doode op hun borst; rondom de baar vier kaarsen en acht
+fakkeldragers in rouwgewaad en met hetzelfde wapen. Zoo ging het door
+Parijs van de Porte Saint Denis tot de Porte Saint Antoine, vanwaar het
+vervoer naar 's mans geboorteplaats Provins begon. Een der omroepers nu
+roept voortdurend: &quot;Bonnes gens, dictes voz patenostres pour l'&acirc;me de
+feu Laurent Guernier, en son vivant demourant &agrave; Provins, <i>qu'on a
+nouvellement trouv&eacute; mort soubz ung chesne</i>.&quot;<a name='FNanchor_794_794'></a><a href='#Footnote_794_794'><sup>[794]</sup></a></p>
+
+<p>De sterke levenskracht van het bloedwraakprincipe, dat juist in zoo
+bloeiende en hoogbeschaafde streken als Noord-Frankrijk en de Zuidelijke
+Nederlanden zoo welig tierde,<a name='FNanchor_795_795'></a><a href='#Footnote_795_795'><sup>[795]</sup></a> is een andere kant van dezelfde
+geestesgesteldheid. Ook die wraaklust heeft iets formeels. Men overlegt
+somtijds zorgvuldig,<a name='403'></a> iemand niet te dooden, en steekt hem daarom
+welberaamd in dijen, armen en aangezicht; het slachtoffer moet vooral
+niet zonder biecht sterven: du Clercq vertelt een geval van lieden, die
+hun schoonzuster gaan vermoorden en opzettelijk een priester meebrengen.
+<a name='FNanchor_796_796'></a><a href='#Footnote_796_796'><sup>[796]</sup></a></p>
+
+<p>Het formeele karakter van zoen en wraak brengt weer mee de bevrediging
+van het ongelijk door symbolische straffen of boetedoeningen. In al de
+groote politieke verzoeningen der vijftiende eeuw komt een groot gewicht
+toe aan dat symbolisch element: het afbreken van de huizen, die aan het
+misdrijf herinnerden, het stichten van gedenkkruisen, het toemetselen
+van poorten, om van openbare boetceremoni&euml;n en het stichten van
+zielmissen en kapellen niet te spreken. Zoo bij den eisch der Orleansen
+tegen Jan zonder Vrees, zoo bij den vrede van Atrecht in 1435, bij den
+zoen van het oproerige Brugge in 1437, en den zwaarderen zoen van het
+opstandige Gent in 1453, waar de lange stoet, geheel in 't zwart, zonder
+gordels, blootshoofds en barrevoets, de hoofdschuldigen in het hemd
+vooraan, optrekt in den stortregen, om allen te zamen voor den hertog
+pardon te roepen.<a name='FNanchor_797_797'></a><a href='#Footnote_797_797'><sup>[797]</sup></a>&mdash;Bij de verzoening met zijn broeder in 1469
+vraagt Lodewijk XI allereerst den ring, waarmee de bisschop van Lisieux
+den prins als hertog aan Normandi&euml; heeft gehuwd, en laat dien te Rouen
+in 't bijzijn van notabelen op een aambeeld breken.<a name='FNanchor_798_798'></a><a href='#Footnote_798_798'><sup>[798]</sup></a></p>
+
+<p>Het algemeene formalisme ligt ook ten grondslag aan het geloof in de
+werking van het gesproken woord,<a name='404'></a> dat zich in de primitieve cultuur in
+zijn volheid openbaart, en zich in de late Middeleeuwen nog handhaaft in
+zegenspreuken, tooverspreuken, dingtalen. Een plechtig verzoek heeft nog
+iets solemneels, iets van het dwingende van den sprookjeswensch. Wanneer
+alle smeekbeden Philips den Goede niet kunnen vermurwen, om genade te
+schenken aan een veroordeelde, gaat men het verzoek opdragen aan Isabella
+van Bourbon, zijn geliefde schoondochter, in de hoop, dat hij het haar
+niet zal kunnen weigeren,&mdash;want, zegt zij: ik heb u nog nooit iets
+belangrijks gevraagd.<a name='FNanchor_799_799'></a><a href='#Footnote_799_799'><sup>[799]</sup></a> En het doel wordt bereikt.&mdash;In hetzelfde
+licht is de verbazing van Gerson te beschouwen, dat ondanks alle prediking
+de zeden nog niet verbeterden: ik weet niet, wat ik zeggen moet:
+voortdurend worden er preeken gehouden, maar altijd tevergeefs.<a name='FNanchor_800_800'></a><a href='#Footnote_800_800'><sup>[800]</sup></a>
+Onmiddellijk uit het algemeene formalisme vloeien voort die eigenschappen,
+die aan den geest der latere Middeleeuwen zoo dikwijls een karakter van
+holheid en oppervlakkigheid geven. Vooreerst het buitengewone simplisme in
+de motiveering. Hi&euml;rarchisch geanalyseerd als het begrippenstelsel was,
+gegeven de plastische zelfstandigheid van elke voorstelling en de behoefte
+om elk verband te verklaren uit een algemeen geldige waarheid, werkt de
+causale geestesfunctie als een telefooncentrale: er kunnen steeds allerlei
+verbindingen tot stand worden gebracht, maar altijd slechts van twee
+nummers tegelijk. Men ziet van elken toestand, elken samenhang slechts
+enkele trekken, en deze hevig ge&euml;xaggereerd en bont gekleurd; het beeld
+<a name='405'></a>van een gebeurtenis heeft steeds de enkele zware lijnen van een primitieve
+houtsnede. E&eacute;n motief is steeds voldoende ter verklaring, en bij voorkeur
+het algemeenste, het onmiddellijkste of het ruwste. Voor de Bourgondi&euml;rs
+kan het motief tot den moord op den hertog van Orleans slechts op &eacute;&eacute;n
+grond berusten: de koning heeft den hertog van Bourgondi&euml; verzocht, den
+echtbreuk der koningin met Orleans te wreken.<a name='FNanchor_801_801'></a><a href='#Footnote_801_801'><sup>[801]</sup></a> De oorzaak van den
+grooten Gentschen opstand is voor het oordeel der tijdgenooten door een
+vormkwestie over een briefformulier geheel voldoende aangegeven.<a name='FNanchor_802_802'></a><a href='#Footnote_802_802'><sup>[802]</sup></a></p>
+
+<p>De middeleeuwsche geest generaliseert gereedelijk uit &eacute;&eacute;n geval. Olivier
+de la Marche concludeert uit &eacute;&eacute;n geval van Engelsche onpartijdigheid uit
+vroeger tijd, dat de Engelschen in die dagen deugdzaam waren, en dat dit
+de oorzaak was, dat zij Frankrijk hadden kunnen veroveren.<a name='FNanchor_803_803'></a><a href='#Footnote_803_803'><sup>[803]</sup></a> De
+geweldige overdrijving, die onmiddellijk voortspruit uit het te bont en
+te zelfstandig zien der gevallen, wordt nog in de hand gewerkt, doordat
+altijd naast het geval terstond een parallel uit de heilige geschiedenis
+gereed staat, die het geval optrekt in een sfeer van hooger potentie.
+Wanneer bijvoorbeeld in 1404 een processie der Parijsche studenten is
+verstoord, waarbij er twee zijn gewond en van &eacute;&eacute;n het kleed gescheurd,
+dan is voor den verontwaardigden kanselier der Universiteit de klank
+van een teeder woord: &quot;les enfans, les jolis escoliers comme agneaux
+innocens&quot;, genoeg, om het geval te vergelijken met den kindermoord van
+Bethlehem.<a name='FNanchor_804_804'></a><a href='#Footnote_804_804'><sup>[804]</sup></a></p>
+<a name='406'></a>
+<p>Waar voor ieder geval een verklaring zoo gemakkelijk wordt aanvaard, en,
+eenmaal aanvaard, zoo vast geloofd, daar heerscht een buitengewone
+gemakkelijkheid van het valsche oordeel. Indien men met Nietzsche moet
+aannemen, dat &quot;der Verzicht auf falsche Urteile das Leben unm&ouml;glich
+machen w&uuml;rde&quot;, dan kan juist daaraan voor een deel het krachtige, felle
+leven, dat ons in vroeger tijden treft, worden toegeschreven. In elken
+tijd, die een buitengewone spanning van alle krachten vraagt, moet het
+valsche oordeel in versterkte mate de zenuwen te hulp komen. De
+middeleeuwers leefden eigenlijk doorloopend in zulk een geestelijke
+crisis; zij konden geen oogenblik buiten de grofste valsche oordeelen,
+die onder den invloed van partijgevoel een onge&euml;venaarden graad van
+boosaardigheid bereiken. De geheele houding van de Bourgondi&euml;rs
+tegenover de groote veete met Orleans getuigt ervan. De verhouding van
+de aantallen gesneuvelden wordt door den overwinnaar in het belachelijke
+verschoven: Chastellain laat in den slag bij Gavere vijf edelen vallen
+aan de zijde van den vorst tegen 20 of 30.000 der opstandige Gentenaars.
+<a name='FNanchor_805_805'></a><a href='#Footnote_805_805'><sup>[805]</sup></a> Het is een der moderne trekken van Commines, dat hij aan die
+overdrijvingen niet meedoet.<a name='FNanchor_806_806'></a><a href='#Footnote_806_806'><sup>[806]</sup></a></p>
+
+<p>Hoe is tenslotte die eigenaardige lichthoofdigheid op te vatten, die
+zich in oppervlakkigheid, onnauwkeurigheid en lichtgeloovigheid bij de
+latere middeleeuwers voortdurend openbaart? Het is dikwijls, alsof zij
+niet de geringste behoefte hebben aan werkelijke gedachten, alsof een
+voorbijglijden van ijle droombeelden voedsel voor hun geest genoeg was:
+uiterlijke feiten oppervlakkig beschreven,<a name='407'></a> dat is de signatuur van
+schrijvers als Froissart en Monstrelet. Hoe hebben de eindelooze
+onbeslissende gevechten en belegeringen, waaraan Froissart zijn gaven
+heeft verspild, hun aandacht kunnen boeien? Naast de felle partijmannen
+staan onder de kroniekschrijvers zij, wier politieke sympathie&euml;n in het
+geheel niet zijn vast te stellen, zooals Froissart en Pierre de Fenin;
+zoozeer put hun geest zich uit in het verhaal der uiterlijke
+gebeurtenissen. Zij onderscheiden het belangrijke niet van het
+onbelangrijke. Monstrelet is bij het onderhoud van den hertog van
+Bourgondi&euml; met de gevangen Jeanne d'Arc tegenwoordig geweest, maar
+herinnert zich niet, wat er gesproken werd.<a name='FNanchor_807_807'></a><a href='#Footnote_807_807'><sup>[807]</sup></a> De onnauwkeurigheid,
+zelfs ten opzichte van gewichtige gebeurtenissen, waarin zij zelf
+betrokken waren, kent geen grenzen. Thomas Basin, die zelf het
+rehabilitatie-proces van Jeanne d'Arc leidde, laat haar in zijn kroniek
+geboren zijn te Vaucouleurs, laat haar door Baudricourt zelf, dien hij
+heer in plaats van kapitein der stad noemt, naar Tours brengen, vergist
+zich drie maanden betreffende haar eerste samenkomst met den dauphin.
+<a name='FNanchor_808_808'></a><a href='#Footnote_808_808'><sup>[808]</sup></a> Olivier de la Marche, het puik der hovelingen, vergist zich
+voortdurend in de afstamming en verwantschap der hertogelijke familie,
+en plaatst zelfs het huwelijk van Karel den Stoute met Margareta van
+York, waarvan hij de feesten in 1468 had meegemaakt en beschreven, na
+het beleg van Neuss in 1475.<a name='FNanchor_809_809'></a><a href='#Footnote_809_809'><sup>[809]</sup></a> Zelfs Commines ontkomt niet aan
+dergelijke verwarringen: hij vergroot een aantal jaren herhaaldelijk met
+twee; hij vertelt tot driemaal toe den dood van Adolf van Gelre.<a name='FNanchor_810_810'></a><a href='#Footnote_810_810'><sup>[810]</sup></a></p>
+<a name='408'></a>
+<p>Het gebrek aan kritische onderscheiding en de lichtgeloovigheid spreken
+zoo duidelijk uit elke bladzijde der middeleeuwsche litteratuur, dat het
+onnoodig is voorbeelden aan te halen. Natuurlijk bestaat hier een groot
+verschil in graad al naar de ontwikkeling van den persoon. Onder het
+volk der Bourgondische landen heerschte ten opzichte van Karel den
+Stoute nog die eigenaardige vorm van barbaarsche lichtgeloovigheid, die
+aan den dood van de indrukwekkende heerschersfiguur nooit recht gelooven
+deed, zoodat men tot tien jaar na den slag van Nancy elkaar nog leende
+op afbetaling, als de hertog zou terugkomen. Basin, die het meedeelt,
+behandelt het als louter dwaasheid.<a name='FNanchor_811_811'></a><a href='#Footnote_811_811'><sup>[811]</sup></a> Doch bij allen vat onder den
+invloed van den sterken hartstocht en de gereede verbeelding het geloof
+aan de realiteit van het verbeelde zeer licht post. Bij een
+geestesgesteldheid, waarin zoo sterk in zelfstandige verbeeldingen wordt
+gedacht, geeft de bloote aanwezigheid van een voorstelling in den geest
+een groote presumptie van geloofwaardigheid. Zoodra een denkbeeld
+eenmaal met naam en vorm in het brein rondwandelt, is het als 't ware
+opgenomen in het systeem van moreele en godsdienstige figuren, en deelt
+onwillekeurig in hun hooge geloofwaardigheid.</p>
+
+<p>Terwijl nu aan den eenen kant de begrippen door hun scherpe omlijning,
+hun hi&euml;rarchisch verband en hun dikwijls anthropomorph karakter
+bijzonder vast en onbewegelijk zijn, dreigt aan den anderen kant het
+gevaar, dat juist in dien levendigen vorm van het begrip de inhoud zoek
+raakt. Eustache Deschamps wijdt een lang, allegorisch en satirisch
+leergedicht<a name='409'></a> <i>Le Miroir de Mariage</i><a name='FNanchor_812_812'></a><a href='#Footnote_812_812'><sup>[812]</sup></a> aan de nadeelen van het
+huwelijk; als hoofdpersoon treedt daarin op Franc Vouloir, door Folie
+en D&eacute;sir aangespoord om te trouwen, door Repertoire de science daarvan
+teruggebracht. In de uiterlijke personificatie nu put zich de
+voorstelling van den dichter zoozeer uit, dat zijn opvatting van wat
+Franc Vouloir eigenlijk beteekent, wankelt tusschen den abstracten
+vrijen wil en de vrijheid van den vroolijken jonggezel. Hetzelfde
+gedicht illustreert nog in een ander opzicht, hoe in de uitgewerkte
+verbeeldingen de gedachte licht bleef wankelen of zich vervluchtigde.
+De toon van het gedicht is die van de bekende philisterachtige en in
+den grond zinnelijke vrouwenverguizing: de bespotting van haar zwakheid,
+de verdachtmaking van haar eer, waarin de gansche Middeleeuwen zich
+verlustigd hebben. Voor ons gevoel dissoneert met dien toon op schrille
+wijze de vrome aanprijzing van het geestelijk huwelijk en het schouwende
+leven, waarop Repertoire de science zijn vriend Franc Vouloir in het
+latere gedeelte van het gedicht onthaalt.<a name='FNanchor_813_813'></a><a href='#Footnote_813_813'><sup>[813]</sup></a> Even vreemd doet het
+ons aan, dat de dichter door Folie en D&eacute;sir soms hooge waarheden laat
+bewijzen, die men van den kant der tegenpartij zou verwachten.<a name='FNanchor_814_814'></a><a href='#Footnote_814_814'><sup>[814]</sup></a></p>
+
+<p>Hier als zoo dikwijls bij de middeleeuwsche uitingen rijst de vraag:
+heeft de dichter gemeend, wat hij aanprees? Zooals men ook vragen mocht:
+hebben Jean Petit en zijn Bourgondische beschermers geloofd in al de
+gruwelen, waarmee zij de nagedachtenis van Orleans bekladden? Of: hebben
+de vorsten en edelen ernst gezien in al de bizarre fantazie en vertooning,
+<a name='410'></a>waarmee zij hun ridderlijke krijgsplannen en geloften aankleedden? Het is
+uiterst moeilijk, om ten opzichte van de middeleeuwsche gedachte de grenzen
+tusschen overtuiging en geveinsdheid, tusschen ernst en spel zuiver te
+trekken. Soms schijnt alles geveinsd, soms schijnt alles na&iuml;ef gemeend.</p>
+
+<p>Vermenging van ernst en spel kenmerkt de zeden op allerlei gebied.
+Vooral in den oorlog wordt gaarne een komisch element gebracht: de spot
+der belegerden over hun vijand, dien zij dikwijls bloedig boeten. Die
+van Meaux brengen een ezel op den muur, om Hendrik V van Engeland te
+hoonen; die van Cond&eacute; verklaren zich nog niet te kunnen overgeven, want
+zij zijn nog bezig hun paasch-pannekoeken te bakken; te Montereau
+stoffen de burgers, op den muur staande, hun kaproenen af, wanneer het
+kanon der belegeraars heeft losgebrand.<a name='FNanchor_815_815'></a><a href='#Footnote_815_815'><sup>[815]</sup></a> In dezelfde lijn ligt het,
+wanneer het kamp van Karel den Stoute voor Neuss wordt ingericht als een
+groote kermis: de edelen laten &quot;par plaisance&quot; hun tenten bouwen in den
+vorm van kasteelen, met galerijen en tuinen; er is allerlei vermaak.
+<a name='FNanchor_816_816'></a><a href='#Footnote_816_816'><sup>[816]</sup></a></p>
+
+<p>Er is &eacute;&eacute;n gebied, waar die bijmenging van spot in de ernstigste dingen
+bijzonder grillig aandoet: de sombere sfeer van het duivel- en
+heksengeloof. Al wortelde de duivelfantazie onmiddellijk in den grooten
+diepen angst, die haar voortdurend voedt, toch kleurde ook hier de
+na&iuml;eve verbeelding de figuren zoo kinderlijk bont, en maakt ze zoo
+gemeenzaam, dat zij soms het angstwekkende verliezen. Het is niet alleen
+in de litteratuur, dat de duivel als komische figuur optreedt: ook in
+<a name='411'></a>den gruwelijken ernst van de tooverijprocessen blijft het gezelschap van
+Satan vaak breughelsch en rabelaisiaansch, en vermengt zich de helsche
+zwavellucht met de veesten van de klucht. De duivelen, die een
+nonnenklooster in onrust brengen, onder hun kapiteins Tahu en Gorgias,
+dragen namen &quot;assez consonnans aux noms des mondains habits, instruments
+et jeux du temps pr&eacute;sent, comme Pantoufle, Courtaulx et Mornifle.&quot;<a name='FNanchor_817_817'></a><a href='#Footnote_817_817'><sup>[817]</sup></a></p>
+
+<p>De vijftiende eeuw is die der heksenvervolgingen bij uitstek geweest. In
+den tijd, waarmee wij de Middeleeuwen plegen te sluiten en blijde opzien
+naar het bloeiende Humanisme, wordt de stelselmatige uitwerking van den
+heksenwaan, die vreeselijke uitgroei van de middeleeuwsche gedachte,
+bezegeld door den <i>Malleus maleficarum</i> en de bul <i>Summis desiderantes</i>
+(1487 en 1484). En geen Humanisme of Hervorming keeren dien waan: geeft
+niet de humanist Jean Bodin nog na het midden der zestiende eeuw in zijn
+<i>D&eacute;monomanie</i> het meeste en geleerdste voedsel aan de vervolgzucht? De
+nieuwe tijd en het nieuwe weten hebben niet aanstonds den gruwel der
+heksenvervolging van zich gewezen. Omgekeerd zijn de meedoogender
+opvattingen omtrent hekserij, die in het laatst der zestiende eeuw door
+den Gelderschen geneesheer Johannes Wier verkondigd werden, reeds in de
+vijftiende eeuw ruimschoots vertegenwoordigd.</p>
+
+<p>De houding toch van den laat-middeleeuwschen geest tegenover het
+bijgeloof, met name tegenover heksen en tooverij, is zeer gevarieerd en
+weinig vast. Z&oacute;&oacute; hulpeloos overgeleverd aan alle spooksel en waan, als
+<a name='412'></a>men uit de algemeene lichtgeloovigheid en het gemis aan kritiek
+verwachten zou, is de tijd niet. Er zijn tal van uitingen van twijfel of
+van rationeele opvatting. Telkens weer zijn het haarden van demonomanie,
+waar het kwaad uitbreekt en zich soms langen tijd handhaaft. Daar waren
+toover- en heksenlanden bij uitnemendheid, meest bergstreken: Savoye,
+Zwitserland, Lotharingen, Schotland. Doch ook daarbuiten komen van die
+epidemie&euml;n voor. Omstreeks 1400 was het Fransche hof zelf zulk een haard
+van tooverij. Een prediker waarschuwde den hofadel, dat men oppassen
+moest, of de spreekwijze zou in plaats van &quot;vieilles sorci&egrave;res&quot; &quot;nobles
+sorciers&quot; gaan luiden.<a name='FNanchor_818_818'></a><a href='#Footnote_818_818'><sup>[818]</sup></a> In het bijzonder rondom Lodewijk van
+Orleans zweefde de atmosfeer van duivelskunsten; de beschuldigingen en
+verdachtmakingen van Jean Petit misten in dit opzicht niet allen grond.
+Orleans' vriend en raadsman, de oude Philippe de M&eacute;zi&egrave;res, die bij de
+Bourgondi&euml;rs gold als de geheimzinnige inblazer van al diens misdaden,
+vertelt zelf, hoe hij indertijd de tooverkunst geleerd had van een
+Spanjaard, en hoeveel moeite 't hem had gekost, om die snoode kennis
+weer te vergeten. Nog tien of twaalf jaar sedert hij uit Spanje weg was,
+&quot;&agrave; sa volent&eacute; ne povoit pas bien extirper de son cuer les dessusdits
+signes et l'effect d'iceulx contre Dieu&quot;, totdat hij eindelijk,
+biechtende en zich verzettende, door Gods goedheid verlost werd &quot;de
+ceste grant folie, qui est &agrave; l'&acirc;me crestienne anemie&quot;.<a name='FNanchor_819_819'></a><a href='#Footnote_819_819'><sup>[819]</sup></a> De meesters
+der tooverkunst zocht men bij voorkeur in wilde streken: een persoon,
+die gaarne den duivel zou spreken en niemand kan vinden, om hem die
+kunst te leeren,<a name='413'></a> wordt verwezen naar &quot;Ecosse la sauvage&quot;.<a name='FNanchor_820_820'></a><a href='#Footnote_820_820'><sup>[820]</sup></a></p>
+
+<p>Orleans had zijn eigen heksenmeesters en nigromanciens. Een hunner,
+wiens kunst hem niet voldeed, liet hij verbranden.<a name='FNanchor_821_821'></a><a href='#Footnote_821_821'><sup>[821]</sup></a> Aangemaand om
+over het geoorloofde van zijn bijgeloovige praktijken het gevoelen van
+godgeleerden te vragen, antwoordde hij: &quot;Waarom zou ik denzulken vragen?
+ik weet immers, dat zij het mij zouden ontraden, en toch ben ik volkomen
+besloten, zoo te handelen en zoo te gelooven, en ik zal het niet
+nalaten.&quot;<a name='FNanchor_822_822'></a><a href='#Footnote_822_822'><sup>[822]</sup></a>&mdash;Gerson brengt met dat hardnekkig zondigen Orleans'
+plotselingen dood in verband; hij keurt ook de proeven af, om den
+krankzinnigen koning door tooverij te genezen, die reeds door meer dan
+&eacute;&eacute;n bij mislukking met den vuurdood geboet waren.<a name='FNanchor_823_823'></a><a href='#Footnote_823_823'><sup>[823]</sup></a></p>
+
+<p>E&eacute;n tooverpraktijk in het bijzonder werd aan de vorstenhoven
+herhaaldelijk genoemd: die welke in het Latijn &quot;invultare&quot;, in het
+Fransch &quot;envo&ucirc;tement&quot; heette, de toeleg, over de geheele wereld bekend,
+om een vijand te verderven door een gedoopt wassen beeldje of andere
+figuur, in zijn naam vervloekt, te doen smelten of te doorsteken.
+Philips VI van Frankrijk zou zulk een beeldje, dat hem in handen kwam,
+zelf in het vuur hebben geworpen met de woorden: &quot;Wij zullen zien, of
+de duivel machtiger is om mij te verderven, dan God om mij te redden.&quot;
+<a name='FNanchor_824_824'></a><a href='#Footnote_824_824'><sup>[824]</sup></a>&mdash;Ook de Bourgondische hertogen worden ermee vervolgd. &quot;N'ay-je
+devers moy&mdash;beklaagt Charolais zich bitter&mdash;les bouts de cire baptis&eacute;s
+dyaboliquement et pleins d'abominables myst&egrave;res contre moy et autres?&quot;
+<a name='FNanchor_825_825'></a><a href='#Footnote_825_825'><sup>[825]</sup></a>
+<a name='414'></a>&mdash;Philips de Goede, die in zoo vele opzichten tegenover zijn
+koninklijke neven de meer conservatieve levensopvatting
+vertegenwoordigt: in zijn zin voor ridderschap en staatsie, in zijn
+kruistochtplan, in de meer ouderwetsche litteraire vormen, die hij
+beschermde,&mdash;schijnt op het stuk van bijgeloof verlichter meeningen
+toegedaan te zijn geweest dan het Fransche hof, met name Lodewijk XI.
+Philips hecht niet aan den ongeluksdag van Onnoozele kinderen, die zich
+ieder week herhaalde; hij vorscht niet naar de toekomst bij astrologen
+en waarzeggers, &quot;car en toutes choses se monstra homme de l&eacute;alle enti&egrave;re
+foy envers Dieu, sans enqu&eacute;rir riens de ses secrets&quot;, zegt Chastellain,
+die dat standpunt deelt.<a name='FNanchor_826_826'></a><a href='#Footnote_826_826'><sup>[826]</sup></a> Het is de hertog, wiens ingrijpen een
+einde maakt aan de vreeselijke vervolgingen van heksen en toovenaars te
+Atrecht in 1461, een der groote epidemie&euml;n van den heksenwaan.</p>
+
+<p>De ongeloofelijke verblinding, waarmee de heksencampagnes geleid werden,
+sproot tendeele voort uit het feit, dat zich de begrippen tooverij en
+ketterij vermengd hadden. In het algemeen had zich alle afschuw, vrees
+en haat over ongehoorde vergrijpen, ook die buiten het directe
+geloofsgebied lagen, uitgedrukt in het begrip ketterij. Monstrelet noemt
+bij voorbeeld de sadistische misdaden van Gilles de Rais eenvoudig
+&quot;h&eacute;r&eacute;sie&quot;.<a name='FNanchor_827_827'></a><a href='#Footnote_827_827'><sup>[827]</sup></a> Het gewone woord voor tooverij was in de vijftiende
+eeuw in Frankrijk &quot;vauderie&quot;, dat zijn verband met de Waldenzen verloren
+had. In de groote &quot;Vauderie d'Arras&quot;<a name='415'></a> nu ziet men zoowel den ontzettenden
+ziekelijken waan, waaruit weldra de <i>Malleus maleficarum</i> zou worden
+uitgebroeid, als den algemeenen twijfel, zoo bij het volk als bij de
+hooggeplaatsten, aan de werkelijkheid van al de ontdekte misdrijven.
+Een der inquisiteurs beweert, dat een derde gedeelte der christenheid
+met vauderie is besmet. Zijn godsvertrouwen brengt hem tot de
+huiveringwekkende consequentie, dat ieder van tooverij beschuldigde ook
+schuldig moet zijn. God toch laat niet toe, dat iemand ervan wordt
+beschuldigd, die geen toovenaar is. &quot;Et quand on arguoit contre lui,
+fuissent clercqs ou aultres, disoit qu'on debvroit prendre iceulx
+comme suspects d'estre vauldois.&quot; Houdt iemand vol, dat sommige der
+verschijnselen op inbeelding berusten, dan noemt hij hem verdacht.
+Ja, deze inquisiteur meende op het zien van iemand te kunnen oordeelen,
+of hij bij de vauderie betrokken was of niet. Later werd de man
+krankzinnig, maar de heksen en toovenaars waren verbrand.</p>
+
+<p>De stad Atrecht geraakte door de vervolgingen zoo in opspraak, dat men
+haar kooplui niet meer wilde herbergen of hun crediet verleenen, uit
+vrees, dat zij wellicht morgen van tooverij aangeklaagd, hun goed door
+verbeurdverklaring zouden verliezen. Niettemin, zegt Jacques du Clercq,
+geloofde buiten Atrecht niet &eacute;&eacute;n op duizend aan de waarheid van dat
+alles: &quot;oncques on n'avoit veu es marches de par decha tels cas advenu.&quot;
+Als de slachtoffers bij hun terechtstelling hun euvele daden herroepen
+moeten, twijfelt het volk van Atrecht zelf. Een gedicht vol haat tegen
+de vervolgers beschuldigt hen, alles uit hebzucht te hebben aangespannen;
+de bisschop zelf noemt het een opgezette zaak, &quot;une chose controuv&eacute;e par
+aulcunes mauvaises personnes&quot;.<a name='FNanchor_828_828'></a><a href='#Footnote_828_828'><sup>[828]</sup></a>
+<a name='416'></a> De hertog van Bourgondi&euml; roept het
+advies in der faculteit van Leuven, van welke meerderen verklaren, dat
+de vauderie niet re&euml;el is, dat het enkel illusies zijn. Toen zendt
+Philips zijn wapenkoning Toison d'or naar de stad, en sedert dien tijd
+werden geen nieuwe slachtoffers meer gevat, en die nog in staat van
+beschuldiging waren, zachter behandeld.</p>
+
+<p>Tenslotte zijn al de Atrechtsche heksenprocessen vernietigd. En de stad
+vierde dat feit met een vroolijk feest en stichtelijke zinnespelen.
+<a name='FNanchor_829_829'></a><a href='#Footnote_829_829'><sup>[829]</sup></a></p>
+
+<p>De waan der heksen zelf van haar luchtritten en sabbathorgie&euml;n is niet
+dan haar eigen inbeelding, dat was het standpunt, in de vijftiende eeuw
+reeds door verscheidenen ingenomen. Daarmee was evenwel nog niet de rol
+van den duivel geschrapt, want hij is het, die de noodlottige illusie
+teweegbrengt; het is een dwaling, maar zij komt van den duivel. Dat is
+ook nog het standpunt van Johannes Wier in de zestiende eeuw. Bij Martin
+Lefranc, proost van de kerk van Lausanne, den dichter van het groote
+werk <i>Le Champion des Dames</i>, dat hij in 1440 aan Philips den Goede
+opdroeg, vindt men de volgende verlichte voorstelling van den
+heksenwaan.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Il n'est vieille tant estou(r)dye,
+<span>Qui fist de ces choses la mendre (de geringste)<br /></span>
+<span>Mais pour la faire ou ardre ou pendre,<br /></span>
+<span>L'ennemy de nature humaine,<br /></span>
+<span>Qui trop de faulx engins scet tendre,<br /></span>
+<span>Les sens faussement lui demaine.<br /></span>
+<span>Il n'est ne baston ne bastonne<br /></span><a name='417'></a>
+<span>Sur quoy puist personne voler,<br /></span>
+<span>Mais quant le diable leur estonne<br /></span>
+<span>La teste, elles cuident aler<br /></span>
+<span>En quelque place pour galer<br /></span>
+<span>Et accomplir leur volont&eacute;.<br /></span>
+<span>De Romme on les orra parler,<br /></span>
+<span>Et sy n'y auront j&agrave; est&eacute;.<br /></span>
+<span>...................................................<br /></span>
+<span>Les dyables sont tous en abisme,<br /></span>
+<span>&mdash;Dist Franc-Vouloir&mdash;enchaienniez (geketend)<br /></span>
+<span>Et n'auront turquoise ni lime<br /></span>
+<span>Dont soient j&agrave; desprisonnez.<br /></span>
+<span>Comment dont aux cristiennez<br /></span>
+<span>Viennent ilz faire tant de ruzes<br /></span>
+<span>Et tant de cas d&eacute;sordonnez?<br /></span>
+<span>Entendre ne s&ccedil;ay tes babuzes.&quot;<br /></span>
+</div>
+<p>En elders in hetzelfde gedicht:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Je ne croiray tant que je vive
+<span>Que femme corporellement<br /></span>
+<span>Voit par l'air comme merle ou grive,<br /></span>
+<span>&mdash;Dit le Champion prestement.&mdash;<br /></span>
+<span>Saint Augustin dit plainement<br /></span>
+<span>C'est illusion et fantosme;<br /></span>
+<span>Et ne le croient aultrement<br /></span>
+<span>Gregoire, Ambroise ne Jherosme.<br /></span>
+<span>Quant la pourelle est en sa couche,<br /></span>
+<span>Pour y dormir et reposer,<br /></span>
+<span>L'ennemi qui point ne se couche<br /></span>
+<span>Se vient encoste alle poser.<br /></span>
+<span>Lors illusions composer<br /></span>
+<span>Lui scet sy tres soubtillement,<br /></span>
+<span>Qu'elle croit faire ou proposer<br /></span>
+<span>Ce qu'elle songe seulement.<br /></span>
+<span>Force la vielle songera<br /></span><a name='418'></a>
+<span>Que sur un chat ou sur un chien<br /></span>
+<span>A l'assembl&eacute;e s'en ira;<br /></span>
+<span>Mais certes il n'en sera rien:<br /></span>
+<span>Et sy n'est baston ne mesrien (balk)<br /></span>
+<span>Qui le peut ung pas enlever.&quot;<a name='FNanchor_830_830'></a><a href='#Footnote_830_830'><sup>[830]</sup></a><br /></span>
+<span>.......................................................<br /></span>
+</div>
+<p>Ook Froissart houdt het geval van den Gasconschen edelman met zijn
+volggeest Horton, dat hij zoo meesterlijk beschrijft, voor een &quot;erreur&quot;.
+<a name='FNanchor_831_831'></a><a href='#Footnote_831_831'><sup>[831]</sup></a> Gerson heeft een neiging, om in de beoordeeling der duivelsche
+illusi&euml;n nog een schrede verder te gaan, en een natuurlijke verklaring
+te zoeken voor allerlei bijgeloovige verschijnselen. Veel daarvan, zegt
+hij, komt enkel voort uit de menschelijke verbeelding en melancholische
+waanvoorstellingen, en deze berusten in duizenden gevallen op eenig
+bederf van de verbeeldingskracht, bij voorbeeld door een inwendig letsel
+der hersenen. Hierin schijnt hij zeer verlicht, evenals waar hij in het
+bijgeloof een belangrijk aandeel toeschrijft aan heidensche overleefsels
+en dichterlijke verzinselen. Maar hoewel Gerson toegeeft, dat veel
+gewaande duivelarij aan natuurlijke oorzaken is toe te schrijven, laat
+ook hij tenslotte den duivel de eer: dat inwendige hersenletsel komt
+weer voort uit duivelsche illusi&euml;n.<a name='FNanchor_832_832'></a><a href='#Footnote_832_832'><sup>[832]</sup></a></p>
+
+<p>Buiten de vreeselijke sfeer der heksenvervolging werkte de Kerk met
+heilzame en gepaste middelen het bijgeloof tegen. De prediker broeder
+<a name='419'></a>Richard laat zich de &quot;madagoires&quot; (mandragora, alruin) brengen, om ze te
+verbranden, &quot;que maintes sotes gens gardoient en lieux repos, et avoient
+si grant foy en celle ordure, que pour vray ilz creoient fermement, que
+tant comme ilz l'avoient, mais qu'il fust bien nettement en beaux
+drapeaulx de soie ou de lin envelopp&eacute;, que jamais jour de leur vie ne
+seroient pouvres.&quot;<a name='FNanchor_833_833'></a><a href='#Footnote_833_833'><sup>[833]</sup></a>&mdash;De burgers, die zich door een troep Zigeuners
+de hand hebben laten lezen, worden ge&euml;xcommuniceerd, en er wordt een
+processie gehouden, om het onheil af te weren, dat uit die goddeloosheid
+zou kunnen voortvloeien.<a name='FNanchor_834_834'></a><a href='#Footnote_834_834'><sup>[834]</sup></a></p>
+
+<p>Een tractaat van Dionysius den Kartuizer toont helder aan, langs welke
+lijnen de grenzen tusschen geloof en bijgeloof getrokken werden, op
+welken grondslag de kerkleer ten deele verwierp, ten deele de
+voorstellingen door waarlijk godsdienstigen inhoud trachtte te zuiveren.
+Amuletten, besprekingen, zegenspreuken enz., zegt Dionysius, hebben in
+zich zelf niet de kracht, om een uitwerking teweeg te brengen, gelijk
+die wel zich hecht aan de sacramentswoorden, waaraan, indien zij met de
+juiste bedoeling gesproken worden, ontwijfelbare uitwerking toekomt,
+daar God aan die woorden als 't ware zijn macht verbonden heeft. De
+benedicties evenwel zijn enkel te beschouwen als een nederige smeekbede,
+alleen te verrichten met de gepaste vrome woorden en met de hoop alleen
+op God gevestigd. Indien zij gemeenlijk effect hebben, dan is dit &ograve;f
+doordat, bij behoorlijke verrichting, God die uitwerking verleent, &ograve;f,
+worden zij anders verricht, bij voorbeeld het kruisteeken anders dan
+recht gemaakt,<a name='420'></a> en hebben toch niettemin uitwerking, dan is het effekt
+des duivels werk. 's Duivels werken zijn geen wonderen, want de duivelen
+kennen de geheime krachten der natuur; de werking is dus een natuurlijke,
+evenals de voorbeduidende beteekenis van vogels enz. op natuurlijke
+oorzaken berust.&mdash;Dionysius erkent, dat de volkspraktijk aan al die
+zegenspreuken, amuletten enz. wel degelijk de zelfstandige waarde toekent,
+die hij loochent, en meent, dat de geestelijken dan ook liever maar al
+die gewoonten moesten verbieden.<a name='FNanchor_835_835'></a><a href='#Footnote_835_835'><sup>[835]</sup></a></p>
+
+<p>In het algemeen kan men de houding tegenover alles wat bovennatuurlijk
+scheen, kenschetsen als een weifelen tusschen redelijke, natuurlijke
+verklaring, spontane, vrome aanvaarding en argwaan in duivelsche list en
+bedrog. Het woord, dat door het gezag van Augustinus en Thomas van
+Aquino was gestaafd: &quot;Omnia quae visibiliter fiunt in hoc mundo, possunt
+fieri per daemones,&quot; liet den vrome van goeden wille in groote
+onzekerheid, en de gevallen, dat een arme hysterica een gansche burgerij
+tijdelijk in vrome opwinding bracht en ten slotte ontmaskerd werd, zijn
+niet zeldzaam.<a name='FNanchor_836_836'></a><a href='#Footnote_836_836'><sup>[836]</sup></a></p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='XII'></a>XII</h2>
+<a name='421'></a>
+<h3>DE KUNST IN HET LEVEN</h3><a name='FNanchor_837_837'></a><a href='#Footnote_837_837'><sup>[837]</sup></a>
+<br />
+
+<p>De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is aan het nu
+levende geslacht het best bekend uit haar beeldende kunst, en met name
+haar schilderkunst. De gebroeders Van Eyck, Rogier van der Weyden en
+Memlinc beheerschen voor ons het gezicht op dien tijd. Dat is niet
+altijd zoo geweest. Een halve eeuw of iets meer geleden, toen men
+Memlinc nog Hemlinc schreef, kende de ontwikkelde leek dien tijd in de
+eerste plaats uit zijn geschiedenis, weliswaar in den regel niet uit
+Monstrelet en Chastellain zelf, maar dan toch uit De Barante's <i>Histoire
+des ducs de Bourgogne</i>, dat daaruit is afgeleid. En zou naast en boven
+De Barante niet vooral Victor Hugo's <i>Notre Dame de Paris</i> voor de
+meesten het beeld van die tijden vertegenwoordigd hebben?</p>
+
+<p>Het beeld, dat daaruit oprees, was fel en duister. In de kroniekschrijvers
+zelf en in de verwerking van hun stof door de negentiende&euml;euwsche
+romantiek komt bovenal het sombere en gruwelijke der late Middeleeuwen
+naar voren: de bloedige wreedheid, de felle hartstocht en hebzucht, de
+krijschende hoovaardij en wraakgierigheid en de jammerlijke ellende. De
+lichtere kleuren werden bijgevoegd door de bonte, opgeblazen ijdelheid
+der vermaarde hoffeesten met al hun geflonker van versleten allegorie en
+ondragelijke weelde.</p>
+<a name='422'></a>
+<p>En nu? Nu straalt voor ons over dien tijd de hooge, waardige ernst en de
+diepe vrede van Van Eyck en Memlinc; die wereld van vijf eeuwen her
+schijnt ons vervuld met een helderen glans van eenvoudige blijheid, een
+schat van innigheid. Ons beeld ervan is van woest en donker vredig en
+sereen geworden. Want wat wij naast de beeldende kunst nog weten van
+andere levensuitingen dier tijden, het is alles uitdrukking van
+schoonheid en stille wijsheid: de muziek van Dufay en zijn gezellen,
+het woord van Ruusbroec en Thomas a Kempis. Zelfs waar de wreedheid en
+ellende der tijden nog luide doorklinkt: in de geschiedenis van Jeanne
+d'Arc en de po&euml;zie van Villon, gaat er toch enkel verheffing en
+verteedering van die figuren uit.</p>
+
+<p>Waarop berust dat diepgaande verschil tusschen het tijdsbeeld uit de
+kunst en het tijdsbeeld uit de geschiedenis en de litteratuur? Is aan
+dien tijd in het bijzonder een groote onevenredigheid eigen tusschen de
+verschillende gebieden en vormen van levensuiting? Was de levenssfeer,
+waaruit de zuivere en innige kunst der schilders sproot, een andere en
+betere dan die der vorsten, edelen en litteraten? Hooren zij bij geval
+met Ruusbroec, de Windesheimers en het volkslied in een vredigen limbus
+aan den rand van die bonte hel?&mdash;Of is het een algemeen verschijnsel,
+dat de beeldende kunst een helderder beeld van een tijd nalaat dan het
+woord der dichters en geschiedschrijvers?</p>
+
+<p>Op de laatste vraag kan het antwoord onmiddellijk bevestigend luiden.
+Inderdaad, van alle vroegere beschavingen is ons beeld serener geworden
+dan voorheen, sedert wij ons meer en meer van het lezen naar het kijken
+gewend hebben, en het historische zintuig steeds meer visueel is
+geworden.<a name='423'></a> Want de beeldende kunst, waaruit wij bovenal de aanschouwing
+van het verleden putten, weeklaagt niet. Uit haar vervluchtigt zich
+terstond de bittere smaak van de smart der tijden, die haar hebben
+voortgebracht. Maar de klacht over al het leed der wereld, in het woord
+geuit, behoudt altijd haar toon van onmiddellijke smartelijkheid en
+onbevredigdheid, doordringt ons altijd weer van droefheid en medelijden,
+terwijl het leed, zooals de beeldende kunst het uitdrukt, terstond
+overgaat in de sfeer van het elegische en den stillen vrede.</p>
+
+<p>Meent men derhalve uit de aanschouwing der kunst het volledige beeld van
+een tijd in zijn werkelijkheid te putten, dan blijft een algemeene fout
+in het historisch gezicht ongecorrigeerd. Ten opzichte van den
+Bourgondischen tijd in het bijzonder bestaat bovendien het gevaar van
+een speciale gezichtsfout: dat men namelijk de verhouding tusschen
+beeldende kunst en cultuuruitdrukking in het woord niet juist ziet.</p>
+
+<p>In deze fout vervalt de beschouwer, wanneer hij er zich geen rekenschap
+van geeft, dat reeds de stand der overlevering hem tegenover kunst en
+litteratuur in zeer verschillende positie plaatst. De litteratuur der
+late Middeleeuwen is ons, behoudens bijzondere uitzonderingen, vrijwel
+volledig bekend. Wij kennen haar in haar hoogste uitingen en haar
+laagste, in al haar genres en vormen, van het meest verhevene tot het
+meest alledaagsche, van het vroomste tot het uitgelatenste, van het
+meest theoretische tot het meest actueele. Het gansche leven van den
+tijd wordt door de litteratuur weerspiegeld en uitgedrukt. En de
+schriftelijke overlevering is nog niet uitgeput met de litteratuur; er
+is bovendien nog alles wat de acten en bescheiden zeggen, om onze kennis
+aan te vullen. <a name='424'></a>Van de beeldende kunst daarentegen, die reeds door haar
+aard het leven van den tijd minder direct en volledig uitdrukt, bezitten
+wij niet dan een speciaal fragment. Buiten de kerkelijke kunst immers
+zijn het slechts minieme resten. Alle wereldlijke beeldende kunst, alle
+toegepaste kunst ontbreken bijna geheel: juist de vormen, waarin zich
+de samenhang van kunstvoortbrenging en gemeenschapsleven voortdurend
+openbaarde, zijn ons gebrekkig bekend. Onze kleine schat van
+altaarstukken en grafmonumenten leert ons van dien samenhang lang niet
+genoeg: het beeld van de kunst blijft ge&iuml;soleerd staan buiten onze
+kennis van het bonte leven van den tijd. Om de functie van de beeldende
+kunst in de Fransch-Bourgondische samenleving, de verhouding van kunst
+en leven te begrijpen, is de bewonderende aanschouwing van de bewaarde
+meesterwerken niet genoeg; ook het verlorene vraagt onze aandacht.</p>
+
+<p>De kunst gaat in dien tijd nog op in het leven. Het leven staat in
+sterke vormen bepaald. Het wordt bijeengehouden en gemeten door de
+sacramenten der Kerk, de feesten van het jaar en de getijden des daags.
+'s Levens werken en vreugden hebben alle hun vasten vorm: godsdienst,
+ridderschap en hoofsche min leveren de gewichtigste vormen des levens.
+De taak der kunst is, om die vormen zelf, waarin het leven verliep, met
+schoonheid te versieren. Wat men zoekt, is niet de kunst zelf, maar het
+schoone leven. Men treedt niet, zooals latere tijden, uit een min of
+meer onverschillige levenssleur naar buiten, om tot troost en verheffing
+kunst te genieten in eenzelvige contemplatie; men vindt de kunst
+aangewend tot verhooging van den luister des levens zelf.<a name='425'></a> Zij is bestemd
+om mee te klinken in de vervoeringen van het leven, hetzij in de hoogste
+vlucht van vroomheid of in het hoovaardigste genieten van het
+wereldsche. Als een eigen ding van schoonheid wordt de kunst in de
+Middeleeuwen nog niet begrepen. Zij is voor het overgroote deel
+toegepaste kunst, ook in de voortbrengselen, die wij als zelfstandige
+kunstwerken zouden aanmerken; dat wil zeggen: haar bestemming, haar
+dienstbaarheid aan eenigen levensvorm is het motief, om haar te
+begeeren; de zuivere schoonheidsbedoeling moge des ondanks den
+scheppenden kunstenaar zelf besturen, het geschiedt half onbewust. De
+eerste kiemen van een kunstliefde om haars zelfs wil doen zich voor als
+woekeringen der kunst<i>productie</i>: bij vorsten en edelen hoopen zich de
+kunstvoorwerpen op tot verzamelingen; nu worden zij nutteloos en geniet
+men ze als weelderige curiositeit, als kostbare deelen van den
+vorstelijken schat, en daaraan eerst kweekt men den eigenlijken
+kunstzin, die in de Renaissance is volgroeid.</p>
+
+<p>In de groote kunstwerken der vijftiende eeuw, met name in de
+altaarstukken en de grafkunst, ging voor den tijdgenoot de gewichtigheid
+van het onderwerp en de bestemming ver v&oacute;&oacute;r de waardeering van de
+schoonheid. De werken moesten schoon zijn, omdat het onderwerp zoo
+heilig of de bestemming zoo verheven was. Die bestemming is altijd min
+of meer een praktische. Het altaarstuk heeft een tweeledige bestemming:
+het dient tot plechtig vertoon bij hooge feesten, om de vrome
+aanschouwing der schare te verlevendigen, en het bewaart de herinnering
+aan de vrome stichters, wier gebed blijft opgaan uit hun geknielde
+beeltenis. Het is bekend,<a name='426'></a> dat de Aanbidding van het Lam van Hubert en
+Jan van Eyck maar heel zelden geopend werd. Wanneer de Nederlandsche
+stadsmagistraten ter versiering van de vierschaar in het raadhuis
+tafereelen van vermaarde vonnissen of rechtsplegingen bestelden, zooals
+het oordeel van Cambyses door Gerard David te Brugge, of dat van keizer
+Otto door Dirk Bouts te Leuven, of de verloren Brusselsche schilderijen
+van Rogier van der Weyden, dan was het, om den rechters een plechtig en
+bloedig vermaan tot hun plicht voor oogen te houden.&mdash;Hoe gevoelig men
+was voor het onderwerp van wat men aan de wanden prijken zag, moge
+blijken uit het volgende geval. Te Lelinghem wordt in 1384 een
+samenkomst gehouden, om tot een wapenstilstand tusschen Frankrijk en
+Engeland te geraken. Berry, de prachtlievende, wien dit wel was
+toevertrouwd, heeft de kale muren van de oude kapel, waar de vorstelijke
+onderhandelaars elkaar zullen ontmoeten, laten behangen met tapijten,
+waarop veldslagen der Oudheid zijn voorgesteld. Maar toen bij het eerste
+binnenkomen de hertog van Lancaster, John of Gaunt, ze aanschouwt, wil
+hij, dat die tafereelen van strijd weggenomen worden: zij die naar den
+vrede streven, moeten geen oorlog en vernieling voor hun oogen hebben.
+En er worden andere tapijten gehangen, waarop de instrumenten van het
+lijden des Heeren staan afgebeeld.<a name='FNanchor_838_838'></a><a href='#Footnote_838_838'><sup>[838]</sup></a></p>
+
+<p>De praktische beteekenis van het onderwerp is onverbrekelijk verbonden
+aan het portret, dat immers tot den huidigen dag zijn moreele waarde als
+familiestuk behoudt, omdat de levensgevoelens, waaraan het dienstbaar
+is, die van de ouderliefde en den familietrots, veel minder zijn
+afgesleten dan de vormen van het sociale leven,<a name='427'></a> waarin het
+justitietafereel paste. Het portret had bovendien nog dikwijls de
+bestemming tot kennismaking bij verlovingen. Met het gezantschap, dat
+Philips de Goede in 1428 naar Portugal zendt, om hem een bruid te
+werven, gaat ook Jan van Eyck, om de beeltenis der koningsdochter te
+schilderen. Er wordt soms een fictie volgehouden, alsof de vorstelijke
+bruidegom door het zien van het portret de onbekende prinses heeft
+liefgekregen, zoo bij het werven van Richard II van Engeland om de
+zesjarige Isabella van Frankrijk.<a name='FNanchor_839_839'></a><a href='#Footnote_839_839'><sup>[839]</sup></a> Er is zelfs wel eens sprake van
+een keuze bij vergelijking naar portret. Als de jonge Karel VI van
+Frankrijk een vrouw moet hebben, en men weifelt tusschen een
+hertogsdochter van Beieren, Oostenrijk of Lotharingen, wordt een
+uitnemend schilder gezonden, om van alle drie het portret te maken. Men
+legt ze den koning voor, en hij kiest de veertienjarige Isabella van
+Beieren, die hij verreweg de schoonste acht.<a name='FNanchor_840_840'></a><a href='#Footnote_840_840'><sup>[840]</sup></a></p>
+
+<p>Nergens is de praktische bestemming van het kunstwerk zoo overwegend als
+bij het grafteeken, waaraan de beeldhouwkunst van dien tijd haar
+werkzaamheid bij uitstek vond. En niet alleen de beeldhouwkunst: de
+hevige behoefte aan een zichtbaar beeld van den gestorvene moest ook
+reeds bij de begrafenis bevredigd worden. Soms werd de doode voorgesteld
+door een levend mensch: bij den lijkdienst voor Bertrand du Guesclin te
+Saint Denis verschenen vier geharnaste ridders te paard in de kerk,
+&quot;representans la personne du mort quand il vivoit&quot;.<a name='FNanchor_841_841'></a><a href='#Footnote_841_841'><sup>[841]</sup></a> Een rekening
+uit 1375 vermeldt van een lijkplechtigheid in het huis van Polignac:
+<a name='428'></a>&quot;cinq sols &agrave; Blaise pour avoir fait le chevalier mort &agrave; la sepulture.&quot;
+<a name='FNanchor_842_842'></a><a href='#Footnote_842_842'><sup>[842]</sup></a> Bij de koninklijke begrafenissen is het meestal een leeren pop,
+geheel gekleed in vorstelijken staat, en waarbij naar groote gelijkenis
+wordt gestreefd.<a name='FNanchor_843_843'></a><a href='#Footnote_843_843'><sup>[843]</sup></a> Soms zijn er zelfs, naar 't schijnt, meer dan een
+van die beeltenissen in den stoet. De aandoening van het volk
+concentreert zich op het zien van die beelden.<a name='FNanchor_844_844'></a><a href='#Footnote_844_844'><sup>[844]</sup></a> Het doodenmasker,
+dat in de vijftiende eeuw in Frankrijk opkomt, heeft wellicht uit de
+vervaardiging van deze lijk-staatsiepoppen zijn uitgangspunt genomen.</p>
+
+<p>De opdracht van een kunstwerk geschiedt bijna altijd met een bedoeling
+voor het leven, met een praktische bestemming. Hierdoor wordt de grens
+tusschen de vrij beeldende kunst en het kunsthandwerk feitelijk
+uitgewischt, of liever zij is nog niet getrokken. Ook wat de personen
+der kunstenaars betreft, bestaat die grens nog niet. De schaar van zeer
+persoonlijke meesters in den hofdienst van Vlaanderen, Berry en
+Bourgondi&euml; wisselt het schilderen van zelfstandige tafereelen niet enkel
+af met het verluchten van handschriften en het polychromeeren van
+beeldhouwwerk; zij moeten ook hun krachten wijden aan het beschilderen
+van wapenschilden en banieren, het ontwerpen van tournooicostuums en
+plechtgewaden.<a name='429'></a> Melchior Broederlam, eerst schilder van den Vlaamschen
+graaf Lodewijk van Male, daarna van diens schoonzoon, den eersten hertog
+van Bourgondi&euml;, decoreert vijf gebeeldhouwde zetels voor 's graven huis.
+Hij herstelt en beschildert de mechanieke rariteiten in het kasteel van
+Hesdin, waarmee de gasten besproeid of bestoven werden. Hij werkt aan
+een reiswagen der hertogin. Hij leidt de buitensporige versiering van de
+vloot, die de Bourgondische hertog in 1387 verzameld had in de haven van
+Sluis, voor een tocht tegen Engeland, die nimmer plaats had. Bij de
+vorstelijke bruiloften en begrafenissen worden steeds de hofschilders in
+het werk gesteld. In de werkplaats van Jan van Eyck werden standbeelden
+beschilderd, en hij zelf vervaardigde voor hertog Philips een soort van
+wereldkaart, waarop steden en landen wonderbaarlijk fijn en duidelijk
+geschilderd te zien waren. Van Gerard David vindt men vermeld, dat hij
+de tralies of luiken van het vertrek in het broodhuis te Brugge, waar
+Maximiliaan in 1488 opgesloten zat, met schilderwerk versieren moest,
+om den koninklijken gevangene het verblijf wat te veraangenamen.</p>
+
+<p>Van al het werk, dat uit de handen der groote en geringere kunstenaars
+gekomen is, heeft men slechts een fragment van tamelijk specialen aard
+over. Het zijn in hoofdzaak grafmonumenten, altaarstukken, portretten
+en miniaturen. Van de wereldlijke schilderkunst is, buiten de portretten,
+slechts zeer weinig bewaard. Van de sierkunst en het kunsthandwerk
+hebben wij sommige bepaalde genres: kerkgerei, kerkgewaden, eenige
+meubelkunst. Hoe zou ons inzicht in het karakter der vijftiende&euml;euwsche
+kunst verlengd worden, indien wij de badstoof van Jan van Eyck en zijn
+<a name='430'></a>jachttafereelen konden plaatsen naast de vele pieta's en madonna's.
+Van geheele gebieden der toegepaste kunst hebben wij nauwelijks een
+voorstelling. Naast de kerkelijke paramenten moesten wij de met juweelen
+en schelletjes bezette prachtgewaden van het hof kunnen leggen. Wij
+moesten de pralend getooide schepen kunnen zien, waarvan ons de
+miniaturen slechts een hoogst gebrekkige, schematische voorstelling
+geven. Er zijn weinig dingen, wier schoonheid Froissart zoo heeft
+getroffen als van de schepen.<a name='FNanchor_845_845'></a><a href='#Footnote_845_845'><sup>[845]</sup></a> De wimpels, rijk met wapens
+versierd, die van den top van den mast wapperden, waren bij wijlen zoo
+lang, dat zij het water raakten. Nog op de scheepsafbeeldingen van
+Pieter Breughel ziet men die buitensporig lange en breede wimpels.
+Het schip van Philips den Stoute, waaraan Melchior Broederlam in 1387
+te Sluis werkte, was bedekt met blauw en goud; groote wapenschilden
+versierden het paviljoen op het achterkasteel; de zeilen waren bestrooid
+met margrieten en de voorletters van het hertogelijk paar, met hun
+devies <i>Il me tarde</i>. Het was een wedijver onder de edelen, wie zijn
+schip voor die gefaalde expeditie tegen Engeland het kostbaarst zou
+versieren. De schilders hadden een goeden tijd, zegt Froissart;<a name='FNanchor_846_846'></a><a href='#Footnote_846_846'><sup>[846]</sup></a>
+zij verdienden wat zij maar vragen wilden, en men kon er niet genoeg
+vinden. Hij beweert, dat velen de masten geheel met bladgoud lieten
+vergulden. Vooral Guy de la Tr&eacute;mo&iuml;lle spaarde geen kosten; hij besteedde
+er meer dan 2000 ponden aan. &quot;L'on ne se povoit de chose adviser pour
+luy jolyer, ne deviser, que le<a name='431'></a> seigneur de la Trimouille ne le feist
+faire en ses nefs. Et tout ce paioient les povres gens parmy France....&quot;</p>
+
+<p>De trek, die ons in al de verloren wereldsche sierkunst het meest zou
+hebben getroffen, zou ongetwijfeld het overdadige, schitterend
+extravagante zijn geweest. Ook aan de bewaarde kunstwerken is die trek
+van het extravagante wel degelijk eigen, maar daar wij die eigenschap in
+deze kunst het minst waardeeren, letten wij er het minst op. Wij zoeken
+er enkel de diepste schoonheid in te genieten. Alles wat louter praal
+en luister is, heeft voor ons zijn prikkeling verloren. Maar voor den
+tijdgenoot was juist die praal en luister van ontzaglijk gewicht.</p>
+
+<p>De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is er een,
+waarin pracht schoonheid wil verdrijven. De eind-middeleeuwsche kunst
+weerspiegelt getrouw den eind-middeleeuwschen geest, een geest, die zijn
+pad ten einde was geloopen. Wat wij hierboven beschouwden als een der
+voornaamste kenmerken van het laat-middeleeuwsche denken: de uitbeelding
+van al het denkbare tot in al zijn consequentie, de overvulling van den
+geest met een oneindig systeem van formeele verbeeldingen, dat is ook
+het wezen der kunst van dien tijd. Ook zij streeft ernaar, niets
+ongevormd, niets onverbeeld of onversierd te laten. De flamboyante
+gothiek is als een eindeloos orgelnaspel: zij lost alle vormen op in
+zelfontbinding, geeft aan elk d&eacute;tail zijn voortgezette doorwerking, aan
+elke lijn haar tegenlijn. Het is een ongebonden woekeren van den vorm
+over de idee; het versierende d&eacute;tail tast alle vlakken en lijnen aan. Er
+heerscht in deze kunst die horror vacui, die misschien een kenmerk van
+eindigende geestesperioden mag heeten.</p>
+<a name='432'></a>
+<p>Dat alles wil zeggen, dat de grenzen tusschen praal en schoonheid
+verflauwen. Tooi en versiering dienen niet meer, om het natuurlijk
+schoone te verheerlijken, maar overwoekeren het en dreigen het te
+verstikken. Die woekering van de formeele versieringselementen over den
+inhoud is des te toomeloozer, naarmate men zich verder van de zuiver
+beeldende kunst verwijdert. In de beeldhouwkunst is, zoolang zij
+losstaande figuren schept, voor de vormenwoekering weinig plaats: de
+beelden van den Mozesput en de &quot;plourants&quot; van de graftomben wedijveren
+in strenge, sobere natuurlijkheid met Donatello. Maar zoodra de
+beeldhouwkunst een versierende taak krijgt, of in het domein van de
+schilderkunst treedt, en, zich bindend aan de verminderde dimensies van
+het relief, geheele tafereelen weergeeft, gaat ook zij zich te buiten
+aan woelige overlading. In den tabernakel te Dijon ziet men het naast
+elkaar in het snijwerk van Jacques de Baerze en het schilderwerk van
+Broederlam: in het laatste, het zuiver verbeeldende, heerscht eenvoud en
+rust; in het eerste, het versierende, verdringen de vormen elkaar. Van
+denzelfden aard is het verschil tusschen het schilderij en het tapijt.
+De weefkunst blijft door haar onvrijer techniek, ook waar zij de taak op
+zich neemt van zuiver af te beelden, nader staan bij de versieringskunst,
+en kan zich niet onttrekken aan de overdreven versieringsbehoefte: de
+tapijten zijn overvuld met figuren en kleur. Verwijdert men zich nog
+verder van de zuiver beeldende kunst, dan komt de kleeding aan de beurt.
+Ook deze is ontegenzeggelijk kunst. Maar hier is ten eerste de bedoeling
+van praal en tooi reeds overwegend boven die van zuivere schoonheid, en
+bovendien trekt de persoonlijke hoovaardij<a name='433'></a> de kleedingkunst in de sfeer
+van het hartstochtelijke en zinnelijke, waar de eigenschappen, die het
+wezen der hooge kunst uitmaken: de evenmaat en harmonie, bezwijken.</p>
+
+<p>De buitensporigheid der kleederdracht van 1350 tot 1480 is in zoo
+algemeenen en zoo langdurigen vorm niet weer ge&euml;venaard. Er zijn ook
+later extravagante modes geweest, zooals de landsknechtendracht
+omstreeks 1520 en het Fransche adellijke costuum van omstreeks 1660,
+maar die teugellooze overdrijving en overlading, die de Fransch-
+bourgondische dracht een eeuw lang gekenmerkt heeft, blijft zonder
+voorbeeld. Hier ziet men, wat de schoonheidszin dier tijden, aan zijn
+ongestoorde drift overgelaten, wrocht. Een enkel hofcostuum wordt
+overladen met honderden edele steenen. Alle afmetingen worden tot in het
+zotte geoutreerd. Het vrouwenkapsel neemt den suikerbroodvorm van den
+&quot;hennin&quot; aan: het haar wordt aan de slapen en bij de inplanting op het
+voorhoofd verwijderd of verborgen, om de zonderling gebombeerde
+voorhoofden te vertoonen, die als schoon golden; het d&eacute;collet&eacute; is
+plotseling begonnen. Doch in de mannenkleeding zijn de buitensporigheden
+nog talrijker. Hier heeft men bovenal de lange schoenpunten of
+&quot;poulaines&quot;, die de ridders bij Nicopolis zich moesten afsnijden, om te
+kunnen vluchten; dan de ingesnoerde middels, de ballonachtig opgepofte
+mouwen, die bij de schouders omhoog staan, de houppelandes, die tot op
+de voeten hangen, en de buizen zoo kort, dat zij de billen zichtbaar
+laten; de hooge, puntige of cilindervormige mutsen en hoeden, de
+kaproenen wonderlijk om het hoofd gedrapeerd als een hanekam of een
+vlammend vuur. Hoe plechtiger, <a name='434'></a>hoe buitensporiger; want al dit fraais
+beduidt staatsie, &quot;estat&quot;.<a name='FNanchor_847_847'></a><a href='#Footnote_847_847'><sup>[847]</sup></a> Het rouwkleed, waarin Philips de Goede
+na den moord van zijn vader te Troyes den koning van Engeland ontvangt,
+is zoo lang, dat het van het hooge ros af, dat hij berijdt, de aarde
+raakt.<a name='FNanchor_848_848'></a><a href='#Footnote_848_848'><sup>[848]</sup></a></p>
+
+<p>De overdadige pronk heeft haar toppunt in het hoffeest. Iedereen
+herinnert zich de beschrijvingen van die Bourgondische hoffeesten,
+zooals het banket te Rijssel in 1454, waar de gasten bij den opgedragen
+fazant hun geloften aflegden, om tegen den Turk ter kruisvaart te
+trekken, of het bruiloftsfeest van Karel den Stoute en Margareta van
+York te Brugge in 1468.<a name='FNanchor_849_849'></a><a href='#Footnote_849_849'><sup>[849]</sup></a> Niets kan in onze voorstelling verder af
+staan van de stille wijding van het Gentsche of Leuvensche altaarstuk
+dan deze uitingen van barbaarsche vorstenweelde. Uit de beschrijving
+van al die &quot;entremets&quot; met hun pasteien, waarin muzikanten spelen, hun
+opgetuigde schepen en kasteelen, de apen, walvisschen, reuzen en
+dwergen, met al de afgezaagde allegorie, die daarbij hoort, kunnen wij
+ze ons niet anders voorstellen dan als buitengewoon wansmakelijke
+vertooningen.</p>
+
+<p>Toch zien wij hier licht de kloof tusschen de beide uitersten der kunst:
+de kerkelijke en die van het hoffeest, in meer dan &eacute;&eacute;n opzicht te groot.
+Allereerst moet men zich rekenschap geven van de functie, welke het
+feest in die samenleving vervulde.<a name='435'></a> Het feest had nog vrij wat behouden
+van de functie, die het bij primitieve volken vervult, van te zijn de
+souvereine uiting der cultuur, de vorm, waarin men gezamenlijk zijn
+hoogste levensvreugde uit en zijn gemeenschapsgevoel verbeeldt. In
+tijden van groote vernieuwing der gemeenschap, zooals in de Fransche
+revolutie, verwerft het feest soms die belangrijke sociale en
+aesthetische functie opnieuw.</p>
+
+<p>De moderne mensch kan op ieder oogenblik van rust in zelfgekozen
+ontspanning individueel de bevestiging van zijn levensinzicht en de
+zuiverste genieting van zijn levensvreugde zoeken. Een tijd, waarin de
+geestelijke genotmiddelen nog weinig verspreid en toegankelijk zijn,
+behoeft daartoe een gezamenlijke daad, het feest. En hoe grooter het
+contrast is van de ellendigheid des dagelijkschen levens, des te
+onmisbaarder is het feest, en des te sterker middelen zijn van noode,
+om die bedwelming in schoonheid en genot, die tempering der realiteit
+te ondergaan, zonder welke het leven dof is. De vijftiende eeuw nu is
+een tijd van ontzettende depressie en grondig pessimisme. Hierboven is
+gesproken van die eeuwige beklemming van onrecht en geweld, hel en
+oordeel, pest, brand en honger, duivel en heksen, waaronder die eeuw
+leeft. De arme menschheid behoeft daartegen niet alleen de dagelijks
+herhaalde belofte van het hemelsch heil en van Gods wakende zorg en
+goedheid; van tijd tot tijd is ook nog een plechtige en gezamenlijke,
+glorieuze verzekering van de schoonheid des levens zelf noodig. Het
+levensgenot in zijn primaire vormen: spel, min, drank, dans en zang, is
+niet genoeg; het moet veredeld worden met schoonheid, gestyleerd in een
+gemeenschappelijk vreugdebedrijf.<a name='436'></a> Want voor elk voor zich: in de boeken,
+of in het aanhooren van muziek, in het aanschouwen van kunst, in het
+genieten der natuur, was die bevrediging nog niet bereikbaar; de boeken
+waren te kostbaar, de natuur te onveilig, de kunst maakte juist deel uit
+van het feest.</p>
+
+<p>Het volksfeest had zijn eigen, oorspronkelijke bronnen van schoonheid
+enkel in het lied en in den dans. Voor het schoon van kleur en vorm
+leunde het op het kerkfeest, waarbij het zich gewoonlijk aansloot, en
+dat daarvan overvloed bood. De losmaking van het burgerlijke feest uit
+den kerkelijken vorm, en de opluistering ervan met eigen sier, wordt
+juist in de vijftiende eeuw door de rederijkers volbracht. Tot dusver
+was alleen het vorstenhof in staat geweest, een zuiver wereldlijk feest
+te tooien met weelde van kunst, er een eigen pracht aan te geven. Maar
+weelde en pracht zijn voor het feest niet genoeg; niets is ervoor zoo
+onmisbaar als stijl.</p>
+
+<p>Het kerkfeest had dien stijl krachtens de liturgie zelf. Daar was altijd
+aanwezig de indrukwekkende verbeelding van &eacute;&eacute;n verheven idee in een
+schoon gebaar van velen samen. De heilige waardigheid en de hooge vaste
+gang werden er zelfs door de uiterste woekeringen van het feestelijk
+d&eacute;tail, tot in het burleske toe, niet verbroken. Doch waaraan ontleende
+het hoffeest zijn stijl? wat was hier de idee, die het uitdrukte?&mdash;Het
+kon geen andere zijn dan het ridderideaal, want daarop berustte de
+geheele levensvorm van het hof. Was aan het ridderideaal een eigen
+stijl, een liturgie om zoo te zeggen, verbonden?&mdash;Ja, alles wat
+ridderslag, orderegels, tournooi, pr&eacute;s&eacute;ance, hulde en dienst betrof: het
+gansche spel van wapenkoningen, herauten, blazoenen, maakte dien stijl
+uit.<a name='437'></a> Voorzoover het hoffeest uit die elementen was opgebouwd, had het
+voor de tijdgenooten wel degelijk een grooten, eerbiedwaardigen stijl.
+Nu nog kan zelfs iemand zonder monarchale of adellijke geestdrift bij
+het aanschouwen van elke willekeurige staatsie de huivering van zulk een
+zuiver wereldsche liturgie ondergaan. Hoe moet het dan geweest zijn voor
+de bevangenen in den waan van dat ridderideaal, bij de pompeuze
+aankleeding met lange gewaden en schitterende kleuren!</p>
+
+<p>Maar het hoffeest wilde nog meer. Het wilde den droom van het hero&iuml;sche
+leven tot het uiterste verbeelden. Hier nu brak de stijl. Die gansche
+toestel van ridderlijke fantazie en staatsie was niet meer van echt
+leven vervuld. Het was alles teveel litteratuur geworden, een vooze
+renaissance en een ijdele conventie. De overlading met staatsie en
+etikette moest het innerlijk verval van den levensvorm bedekken. De
+ridderlijke gedachte der vijftiende eeuw zwelgt in een romantiek, die
+door en door hol en versleten is. Dat was de bron, waaruit het hoffeest
+de fantazie voor zijn vertooningen en verbeeldingen putten moest. Hoe
+zou het stijl scheppen uit een litteratuur, zoo stijlloos, ongebonden en
+verschaald als de ridderlijke romantiek in haar ontaarding?</p>
+
+<p>In dit licht moet men de schoonheidswaarde van de &quot;entremets&quot; bezien:
+het is toegepaste litteratuur, waarbij het eenige, wat die litteratuur
+nog dragelijk kon maken: haar vluchtig, oppervlakkig voortdroomen over
+al haar bonte gedaanten, plaats maakt voor de opdringendheid van het
+stoffelijk voorgestelde.</p>
+
+<p>De zware, barbaarsche ernst, die uit dat alles spreekt, past juist bij
+het Bourgondische hof, dat door zijn aanraking met het Noorden den
+<a name='438'></a>luchtiger en harmonischer Franschen geest scheen te hebben verloren.
+Plechtig en gewichtig wordt al die geweldige pronk opgevat. Het groote
+feest van den hertog te Rijssel vormde het besluit en de bekroning van
+een reeks van banketten, die de hofadel elkander in wedijver aanbood.
+Het was eenvoudig begonnen, en met geringe kosten, en dan gestegen in
+aantal van gasten, weelderigheid van menu en entremets; door het
+aanbieden van een krans gaf de gastheer een ander de beurt; zoo ging het
+over van ridders op groote heeren en van heeren op prinsen, in steeds
+stijgende mate van uithaal en vertoon, totdat het eindelijk aan den
+hertog zelf kwam. Voor Philips moest het meer zijn dan een schitterend
+feest; daar zouden de geloften plaats hebben voor den kruistocht tegen
+de Turken ter herovering van Constantinopel, een jaar tevoren gevallen:
+'s hertogen luid beleden levensideaal. Ter voorbereiding wees hij een
+commissie aan onder leiding van den vliesridder Jean de Lannoy. Ook
+Olivier de la Marche had er zitting in. Wanneer deze in zijn
+gedenkschriften tot die zaken genaderd is, wordt het hem nog plechtig te
+moede. &quot;Pour ce que grandes et honnorables oeuvres desirent loingtaine
+renomm&eacute;e et perp&eacute;tuelle m&eacute;moire,&quot; aldus begint hij die groote dingen te
+gedenken.<a name='FNanchor_850_850'></a><a href='#Footnote_850_850'><sup>[850]</sup></a> De eerste en nauwste raden van den hertog waren
+herhaaldelijk tegenwoordig bij de beraadslagingen: de kanselier Nicolaas
+Rolin zelf en Antoine de Croy, de eerste kamerheer werden ertoe
+geroepen, eer men het eens was, hoe &quot;les c&eacute;rimonies et les mist&egrave;res&quot;
+moesten worden opgezet.</p>
+<a name='439'></a>
+<p>Het relaas van al dat fraais is zoo dikwijls gedaan, dat het hier niet
+behoeft te worden herhaald. Men was zelfs van over zee gekomen, om het
+schouwspel te zien. Er waren buiten de gasten tal van adellijke
+toeschouwers, de meesten in vermomming. Men ging eerst rond, om de in
+beeldwerk uitgevoerde, vaste pronkstukken te bewonderen; eerst later
+volgden de vertooningen en tableaux-vivants van levende personen.
+Olivier zelf speelde de hoofdrol, die van Sainte Eglise in het
+voornaamste stuk, als deze binnenkomt in een toren op den rug van een
+olifant, door een Turkschen reus geleid. Op de tafels prijkten de
+geweldigste decoraties: een bemande en opgetuigde kraak, een weide
+uitgemonsterd met boomen, een bron, rotsen en een beeld van Sint
+Andries, het kasteel Lusignan met de fee M&eacute;lusine, een windmolen,
+waarbij naar den vogel geschoten werd, een bosch met bewegelijke wilde
+dieren en tenslotte de kerk met een orgel en zangers, die muziek ten
+beste gaven, afgewisseld door het orkest van 28 personen, dat in de
+pastei zat.</p>
+
+<p>Waar het hier op aan komt, is de mate van smaak of wansmaak, die in dat
+alles tot uiting kwam. In de stof zelve kunnen wij niet veel anders zien
+dan een poespas van mythologische, allegorische en moraliseerende
+figuren. Doch hoe was de uitvoering? Zonder twijfel werd de voornaamste
+werking gezocht in het extravagante. De toren van Gorkum, die bij het
+bruiloftsfeest van 1468 als tafelopzet prijkte, was 46 voet hoog.<a name='FNanchor_851_851'></a><a href='#Footnote_851_851'><sup>[851]</sup></a>
+Van een walvisch, die bij diezelfde gelegenheid dienst deed, zegt La
+Marche: &quot;et certes ce fut un moult bel entremectz, car il y avoit dedans
+plus de quarante personnes.&quot;<a name='FNanchor_852_852'></a><a href='#Footnote_852_852'><sup>[852]</sup></a>
+<a name='440'></a> Voorzoover het kwistig gebruik van de
+wonderen der mechaniek strekt, kunnen wij er geen denkbeeld van kunst
+aan verbinden: levende vogels, die uit den muil van een draak vliegen,
+dien Hercules bevecht en dergelijke verbazingwekkendheden. Het komische
+element erin is van zeer laag allooi: uit den Gorkumschen toren blazen
+wilde zwijnen de trompet; geiten voeren een motet uit, wolven spelen
+fluit, vier groote ezels treden als zangers op, dit alles voor Karel den
+Stoute, die zelf een fijn muziekkenner was.</p>
+
+<p>Toch zou ik er niet aan willen twijfelen, dat bij al die feestartikelen,
+bij de vaste stukken met name, naast veel matelooze, verdwaasde pronk,
+menig echt kunstwerk, is geweest. Laat ons toch niet vergeten, dat de
+menschen, die aan al deze gargantueske pracht hun hart ophaalden en hun
+ernstigste gedachten wijdden, de opdrachtgevers van Jan van Eyck en
+Rogier van der Weyden zijn geweest. Het was de hertog zelf, het was
+Rolin, de stichter van het altaar van Beaune en van Autun, Jean Chevrot,
+die van de Zeven sacramenten van Rogier, de Lanoy's. En wat meer zegt:
+de vervaardigers van deze of soortgelijke pronkstukken waren de
+schilders zelf. Al weet men het toevallig niet van Jan of Rogier, men
+weet het van anderen, hoe zij bij zulke feesten meewerkten: Colard
+Marmion, Simon Marmion, Jacques Daret. Voor het feest van 1468, dat
+plotseling vervroegd heette, werd, om tijdig klaar te zijn, het gansche
+schildersvak gemobiliseerd: haastig werden er gezellen naar Brugge
+ontboden uit Gent, Brussel, Leuven, Thienen, Bergen, Quesnoy,
+Valenciennes, Douai, Kamerijk,<a name='441'></a> Atrecht, Rijsel, Yperen, Kortrijk en
+Oudenaarde.<a name='FNanchor_853_853'></a><a href='#Footnote_853_853'><sup>[853]</sup></a> Het kan niet ten eenenmale leelijk zijn geweest, wat
+uit die handen kwam. De dertig opgetuigde schepen van het banket van
+1468, met de wapens van 's hertogen heerschappijen, de zestig vrouwtjes
+in verschillende landsdracht,<a name='FNanchor_854_854'></a><a href='#Footnote_854_854'><sup>[854]</sup></a> met vruchtenmandjes en vogelkooien,
+die windmolen met vogelschieters,&mdash;men zou er menig middelmatig
+kerkelijk stuk voor willen geven.</p>
+
+<p>Er is in die dagen nog een zekere ongescheidenheid van smaak en wansmaak
+in de geesten: kunstzin en lust aan pronk en rariteiten hebben zich nog
+niet van elkaar afgezonderd. De na&iuml;eve fantazie kan nog ongestoord het
+bizarre genieten, alsof het schoonheid was. Hooge kunst en kostbare
+prullenkraam worden nog gemoedelijk dooreengemengd en gelijkelijk
+bewonderd. Een verzameling als die van het Gr&uuml;ne Gew&ouml;lbe te Dresden
+vertoont het uitgescheiden caput mortuum van de vorstelijke
+kunstcollectie, waarmee zij eenmaal &eacute;&eacute;n geheel uitmaakte. In het kasteel
+van Hesdin, schatkamer van kunstwerken en lustoord tevens, vol van die
+mechanieke vermakelijkheden, &quot;engins d'esbatement&quot;, die zoo lang bij het
+vorstelijke lustverblijf zijn blijven behooren, zag Caxton een kamer,
+versierd met schilderijen, die de geschiedenis voorstelden van Jason,
+den held van het Gulden vlies. Ter opluistering waren er bliksem-,
+donder-, sneeuw- en regeninstrumenten aangebracht, om daarmee Medea's
+tooverijen na te bootsen.<a name='FNanchor_855_855'></a><a href='#Footnote_855_855'><sup>[855]</sup></a></p>
+
+<p>Ook bij de vertooningen, &quot;personnages&quot;, die bij vorstelijke intochten op
+de hoeken der straten stonden opgesteld,<a name='442'></a> kon de fantazie veel verdragen.
+Naast heilige tafereelen zag men te Parijs in 1389, bij den intocht van
+Isabella van Beieren als gemalin van Karel VI, een wit hert met vergulde
+horens en een kroon om den hals; het ligt op een &quot;lit de justice&quot;, en
+beweegt oogen, horens, pooten, om tenslotte een zwaard omhoog te houden.
+Bij denzelfden intocht daalt een engel &quot;par engins bien faits&quot; van de
+torens der Notre Dame, dringt juist als de koningin passeert, door een
+spleet in de bespanning van blauw taffetas met gouden leli&euml;n, waarmee de
+geheele brug is overdekt, zet haar een kroon op het hoofd, en verdwijnt
+weer, zooals hij gekomen is, &quot;comme s'il s'en fust retourn&eacute; de
+soy-mesmes au ciel&quot;.<a name='FNanchor_856_856'></a><a href='#Footnote_856_856'><sup>[856]</sup></a> Philips de Goede wordt bij een intocht te
+Gent op een soortgelijke nederdaling van een meisje onthaald,<a name='FNanchor_857_857'></a><a href='#Footnote_857_857'><sup>[857]</sup></a>
+evenzoo Karel VIII te Reims in 1484.<a name='FNanchor_858_858'></a><a href='#Footnote_858_858'><sup>[858]</sup></a> Wij kunnen ons moeilijk iets
+zotters voorstellen dan een zoogenaamd tooneelpaard, waar een man in
+loopt. In de vijftiende eeuw vond men het blijkbaar niet lachwekkend,
+althans Le F&egrave;vre de Saint Remy vertelt zonder een zweem van spot van een
+vertooning van vier trompetters en twaalf edellieden &quot;sur chevaulx de
+artifice&quot;, &quot;saillans et poursaillans tellement que belle chose estoit &agrave;
+veoir&quot;.<a name='FNanchor_859_859'></a><a href='#Footnote_859_859'><sup>[859]</sup></a></p>
+
+<p>De scheiding, die onze kunstzin eischt, en die de verwoestende tijd ons
+heeft helpen maken tusschen al dien bizarren opschik, die spoorloos is
+vergaan, en de enkele hooge kunstwerken, die ons bewaard zijn, heeft
+voor den tijdgenoot nauwelijks bestaan. Het kunstleven van den
+Bourgondischen tijd lag nog geheel besloten in de vormen van het
+gezelschapsleven.<a name='443'></a> De kunst diende. Zij had in de eerste plaats een
+sociale functie, en deze is bovenal het tentoonspreiden van praal, en
+het accentueeren van de persoonlijke belangrijkheid, niet van den
+kunstenaar, maar van den stichter. Dit wordt niet weggenomen door het
+feit, dat in de kerkelijke kunst de pralende heerlijkheid dient, om
+heilige gedachten omhoog te voeren, en dat de stichter zijn persoon op
+den voorgrond heeft gesteld uit vromen zin. Aan den anderen kant is de
+aard van het wereldlijk schilderij volstrekt niet altijd die overdadig
+hoogmoedige, die paste bij het opgeblazen hofleven. Om goed te zien, hoe
+kunst en leven bij elkaar aansloten, in elkaar opgingen, missen wij veel
+te veel van de omgeving, waarin de kunst geplaatst was, is onze kennis
+van de kunst zelf veel te fragmentair. Hof en kerk zijn samen het leven
+van den tijd nog niet.</p>
+
+<p>Daarom zijn voor ons die weinige kunstwerken van zoo bijzonder gewicht,
+waarin iets van het leven buiten die twee sferen tot uiting komt. E&eacute;n
+straalt daaronder in onge&euml;venaarde kostbaarheid: het portret van het
+echtpaar Arnolfini. Hier heeft men de kunst der vijftiende eeuw in haar
+zuiversten vorm; hier nadert men het dichtst tot den raadselachtigen
+persoon van den maker Jan van Eyck. Ditmaal behoefde hij noch de
+schitterende majesteit van het goddelijke uit te drukken, noch de
+hoovaardij van hooge heeren te dienen: het waren zijn vrienden, die hij
+schilderde, ter gelegenheid van hun huwelijk. Is het werkelijk Jean
+Arnoulphin, zooals hij in Vlaanderen heette, de koopman uit Lucca,
+geweest? Dit gezicht, dat tweemaal door Van Eyck geschilderd is,<a name='FNanchor_860_860'></a><a href='#Footnote_860_860'><sup>[860]</sup></a>
+schijnt wel het minst Italiaansche,<a name='444'></a> dat ooit uit oogen keek. Doch de
+aanduiding van het stuk als &quot;Hernoul le fin avez sa femme dedens une
+chambre&quot; in den inventaris der schilderijen van Margareta van Oostenrijk
+uit 1516<a name='FNanchor_861_861'></a><a href='#Footnote_861_861'><sup>[861]</sup></a> blijft wel een sterk argument, om er Arnolfini in te
+zien. In dat geval beschouwe men het eigenlijk niet als een &quot;burgerlijk
+portret&quot;. Want Arnolfini was een groot heer, herhaaldelijk raadsman der
+hertogelijke regeering in gewichtige zaken. Hoe het zij, de man, die
+hier is afgebeeld, was een vriend van Jan van Eyck. Dat getuigt die fijn
+zinrijke wijze, waarop de schilder zijn werk heeft gewaarmerkt, het
+opschrift boven den spiegel: &quot;Johannes de Eyck fuit hic, 1434&quot;. Jan
+van Eyck is hier geweest. Zooeven nog. In de suizende stilte van die
+binnenkamer toeft nog de klank van zijn stem. De innige teerheid en de
+stille vrede, zooals eerst Rembrandt ze opnieuw zal geven, liggen in dit
+stuk besloten, alsof het Jan's eigen hart was. Hier is opeens die avond
+der Middeleeuwen terug, dien wij kennen, en toch zoo dikwijls in de
+litteratuur, de geschiedenis, het geloofsleven dier tijden vergeefs
+zoeken: de gelukkige, edele, serene en eenvoudige Middeleeuw van het
+volkslied en de kerkmuziek. Hoe ver zijn wij nu weer van dien schellen
+lach en den toomeloozen hartstocht!</p>
+
+<p>Dan ziet wellicht onze verbeelding een Jan van Eyck, die buiten het
+felle, bonte leven van zijn tijd stond, een eenvoudige, een droomer, die
+met gebogen hoofd, den blik naar binnen gekeerd, door 't leven sloop.
+Voorzichtig, of het wordt een kunsthistorische novelle: hoe 's hertogen
+&quot;varlet de chambre&quot; met weerzin de hooge heeren diende, hoe zijn
+<a name='445'></a>kunstmakkers met diepe smart hun hooge kunst moesten verloochenen, om
+mee te werken aan hoffeesten en vlootuitrusting.</p>
+
+<p>Er is niets, wat zulk een voorstelling rechtvaardigt. De kunst der Van
+Eyck's, die wij bewonderen, stond midden in het hofleven, dat ons
+afstoot. Het weinige wat wij van het leven dier schilders weten, toont
+hen ons als lieden van de wereld. De hertog van Berry is met zijn
+hofschilders op den besten voet. Froissart ontmoette hem in gemeenzaam
+onderhoud met Andr&eacute; Beauneveu in zijn wonderkasteel Mehun sur Yevre.
+<a name='FNanchor_862_862'></a><a href='#Footnote_862_862'><sup>[862]</sup></a> De drie gebroeders van Limburg, de groote verluchters, verblijden
+den hertog op nieuwjaar met een surprise: een nieuw verlucht handschrift,
+dat &quot;un livre contrefait&quot; blijkt, &quot;d'une pi&egrave;ce de bois blanc paincte en
+semblance d'un livre, o&ugrave; il n'a nulz feuillets ne riens escript&quot;.<a name='FNanchor_863_863'></a><a href='#Footnote_863_863'><sup>[863]</sup></a>
+Jan van Eyck heeft zich zonder twijfel midden in het hofleven bewogen.
+Voor de geheime diplomatieke zendingen, waarmee Philips de Goede hem
+belastte, was een wereldkenner noodig. Hij gold in zijn eeuw als een
+geletterde, die klassieken las en meetkunde bestudeerde. Met een lichte
+bizarrerie heeft hij zijn bescheiden zinspreuk &quot;Als ik kan&quot; in Grieksche
+karakters vermomd.</p>
+
+<p>Werden wij niet door deze en dergelijke gegevens gewaarschuwd, dan
+zouden wij allicht geneigd zijn, de kunst der Van Eyck's op een
+verkeerde plaats in het leven der vijftiende eeuw te zien. Daar zijn in
+dien tijd twee voor onzen blik scherp gescheiden levenssferen. Hier is
+de cultuur van het hof,<a name='446'></a> den adel en de rijke burgerij; praalziek, eer-
+en hebzuchtig, kakelbont, gloeiend hartstochtelijk. Daar is de stille,
+effen grijze sfeer der moderne devotie, de ernstige mannen en de gedwee&euml;
+burgervrouwtjes, die hun toeverlaat zochten in de Fraterhuizen en bij de
+Windesheimers, waar de verre zachte branding der <i>Imitatio</i> fluistert,
+&mdash;de sfeer ook van Ruusbroec en de heilige Colette. Dat is de sfeer,
+waarin voor ons gevoel de kunst der Van Eyck's, met haar vrome, stille
+mystiek, zou passen. Toch is haar plaats e&ecirc;r in de andere. De moderne
+devoten stonden afwijzend tegenover de groote kunst, die zich in hun tijd
+ontplooide. Zij verzetten zich tegen de veelstemmige muziek, zelfs tegen
+de orgels,<a name='FNanchor_864_864'></a><a href='#Footnote_864_864'><sup>[864]</sup></a> terwijl het de prachtlievende Bourgondi&euml;rs zijn: bisschop
+David van Utrecht en Karel de Stoute zelf, die in hun kapellen de eerste
+meesters als leiders hebben: Obrecht te Utrecht, Busnois bij den hertog,
+die hem zelfs meeneemt naar het kamp voor Neuss. De ordinarius van
+Windesheim verbood elke versiering van den zang, en Thomas a Kempis zegt:
+&quot;kunt gij niet zingen als de leeuwerik en de nachtegaal, zingt dan als de
+raven en de kikvorschen in den poel, die zingen zooals God het hun gegeven
+heeft.&quot;<a name='FNanchor_865_865'></a><a href='#Footnote_865_865'><sup>[865]</sup></a> Over de schilderkunst hebben zij zich uit den aard der zaak
+minder uitgelaten; maar zij wilden hun boeken eenvoudig hebben, en niet
+terwille van de kunst ze verluchten.<a name='FNanchor_866_866'></a><a href='#Footnote_866_866'><sup>[866]</sup></a> Hoogstwaarschijnlijk zouden zij
+zelfs een werk als de Aanbidding van het Lam louter hoogmoed geacht hebben.</p>
+<a name='447'></a>
+<p>Is overigens de scheiding tusschen die beide levenssferen wel z&oacute;o scherp
+geweest, als wij haar zien? Hierboven is het reeds gezegd. Er zijn
+talrijke aanrakingen tusschen de hofkringen en die van den streng
+godsdienstigen wandel. De heilige Colette en Dionysius de Kartuizer
+verkeeren met de hertogen; Margareta van York, de tweede gemalin van
+Karel den Stoute, stelt levendig belang in de &quot;gereformeerde&quot; kloosters
+van Belgi&euml;. Beatrix van Ravestein, een der eersten aan het Bourgondische
+hof, draagt onder de pronkgewaden het haren kleed. &quot;Vestue de drap d'or
+et de royaux atournemens &agrave; luy duisans, et feignant estre la plus
+mondaine des autres, livrant ascout &agrave; toutes paroles perdues, comme
+maintes font, et monstrant de dehors de pareil usages avecques les
+lascives et huiseuses, portoit journellement la haire sur sa chair nue,
+jeunoit en pain et en eau mainte journ&eacute;e par fiction couverte, et son
+mary absent couchoit en la paille de son lit mainte nuyt.&quot;<a name='FNanchor_867_867'></a><a href='#Footnote_867_867'><sup>[867]</sup></a> Den
+inkeer, die voor de moderne devoten blijvende levensvorm geworden was,
+kennen de groote hoovaardigen ook, doch slechts bij vlagen, als de
+nawee&euml;n der overdaad. Wanneer Philips de Goede na het groote feest van
+Rijsel naar Regensburg is vertrokken, om met den keizer te spreken,
+begeven zich verscheiden edelen en vrouwen van het hof in de
+observantie, &quot;qui men&egrave;rent moult belle et saincte vie.&quot;<a name='FNanchor_868_868'></a><a href='#Footnote_868_868'><sup>[868]</sup></a>&mdash;De
+kroniekschrijvers, die met zooveel gewichtige uitvoerigheid al dien
+praal en staat beschrijven, laten niet na, herhaaldelijk hun afkeer van
+&quot;pompes et beubans&quot; te uiten. Zelfs Olivier de la Marche bepeinst na het
+feest van Rijsel &quot;les oultraigeux exc&egrave;s et la grant despense qui pour la
+cause de ces banquetz ont est&eacute; faictz.&quot;<a name='448'></a> En hij vindt er geen
+&quot;entendement de vertu&quot; in, behalve wat het entremets betreft, waarin de
+Kerk optrad; doch een ander hofwijze legt hem uit, waarom dat alles zoo
+had moeten zijn.<a name='FNanchor_869_869'></a><a href='#Footnote_869_869'><sup>[869]</sup></a> Lodewijk XI had uit zijn verblijf aan het hof van
+Bourgondi&euml; een haat behouden tegen al wat weelde was.<a name='FNanchor_870_870'></a><a href='#Footnote_870_870'><sup>[870]</sup></a></p>
+
+<p>De kringen, waarin en waarvoor de kunstenaars werkten, zijn gansch
+andere geweest dan die der moderne devotie. Al heeft de opbloei der
+schilderkunst evenzeer als die van het geloof zijn wortels in de
+stedelijke samenleving, burgerlijk kan de kunst der Van Eyck's en die
+hen volgen, niet meer heeten. Het hof en de adel hadden de kunst tot
+zich getrokken. De verheffing der miniatuurkunst tot die hoogten van
+artistieke verfijning, die het werk der gebroeders van Limburg en van de
+<i>Heures de Turin</i> kenmerkt, was zelfs aan het vorstelijk maecenaat bij
+uitstek te danken. En ook de rijke burgerijen van de groote steden van
+Belgi&euml; streefden zelf naar een adellijken levensvorm. Het verschil
+tusschen de Zuid-nederlandsche en Fransche kunst eenerzijds, en het
+weinige, wat uit de vijftiende eeuw als Noord-nederlandsch is te
+beschouwen, anderzijds, kan het best worden gezien als een verschil van
+milieu: daar het weelderige, rijpe leven van Brugge, Gent, Brussel, in
+voortdurende aanraking met het hof; hier een afgelegen landstadje als
+Haarlem, in alles veel meer verwant aan de stille IJselsteden der
+moderne devotie. Indien de kunst van Dirk Bouts Haarlemsch mag heeten
+(wat wij van hem hebben, is gemaakt in het Zuiden, dat ook hem getrokken
+had), dan kan het slichte, strakke, ingetogene,<a name='449'></a> dat zijn werk eigen is,
+gelden als de echt burgerlijke uitdrukking tegenover de aristocratische
+allure, den pompeuzen zwier, de praal en schittering der zuidelijke
+meesters. De Haarlemsche school staat inderdaad nader tot de sfeer van
+den burgerlijken levensernst.</p>
+
+<p>De werkgevers van de groote schilderkunst, voorzoover wij hen kennen,
+zijn bijna zonder uitzondering de vertegenwoordigers geweest van het
+groote kapitaal van die dagen. Het zijn de vorsten zelf, de hooge heeren
+van het hof en de groote parvenu's, waaraan het Bourgondische tijdvak
+rijk is, en die evenzeer als de anderen graviteeren naar het hof. De
+Bourgondische macht berust immers juist op het indiensttrekken der
+geldmachten en het scheppen van nieuwe adellijke geldmachten door
+schenking en begunstiging. De levensvorm van die kringen is die van het
+zwierige ridderideaal, waar men zwelgt in de staatsie van het Gulden
+Vlies en de praal van feesten en tournooien. Op dat innig-vrome stuk de
+Zeven sacramenten in het Antwerpsche museum wijst een wapen als den
+vermoedelijken stichter den bisschop van Doornik, Jean Chevrot, aan.
+Deze was naast Rolin de nauwste raadsman van den hertog,<a name='FNanchor_871_871'></a><a href='#Footnote_871_871'><sup>[871]</sup></a> ijverig
+dienaar in de zaken van het Gulden Vlies en van het groote
+kruistochtplan. Het type van den grooten kapitalist dier dagen is Pieter
+Bladelyn, wiens stemmige figuur bekend is van het drieluik, dat het
+altaar van de kerk in zijn stadje Middelburg in Vlaanderen gesierd
+heeft. Van ontvanger van zijn geboortestad Brugge was hij opgeklommen
+tot algemeen hertogelijk tresorier. Door zuinigheid en goede controle
+bracht hij verbetering in de financi&euml;n.<a name='450'></a> Hij werd tresorier van het
+Gulden Vlies, ridder; hij werd op de gewichtige diplomatieke zending
+gebruikt, om in 1440 Charles d'Orl&eacute;ans uit de Engelsche gevangenschap
+los te koopen; hij zou mee op den kruistocht tegen de Turken voor het
+beheer der geldmiddelen. Zijn rijkdommen maakten de verbazing der
+tijdgenooten gaande. Hij besteedde ze aan inpolderingen, waaraan nog de
+Bladelijnspolder tusschen Sluis en Zuidzande herinnert, en aan het
+stichten van een nieuwe stad, Middelburg in Vlaanderen.<a name='FNanchor_872_872'></a><a href='#Footnote_872_872'><sup>[872]</sup></a></p>
+
+<p>Jodocus Vydt, die als stichter op het Gentsche altaarstuk prijkt, en de
+kanunnik Van de Paele, behooren eveneens tot de groote rijken van dien
+tijd; de Croy's en de Lannoy's zijn adellijke nouveaux riches. De
+tijdgenooten zijn het meest van al getroffen geweest door de opklimming
+van Nicolaas Rolin, den kanselier, &quot;venu de petit lieu&quot;, en als jurist,
+financier en diplomaat tot de hoogste diensten gebruikt. De groote
+verdragen der Bourgondi&euml;rs van 1419 tot 1435 zijn zijn werk geweest.
+&quot;Soloit tout gouverner tout seul et &agrave; part luy manier et porter tout,
+fust de guerre, fust de paix, fust en fait des finances.&quot;<a name='FNanchor_873_873'></a><a href='#Footnote_873_873'><sup>[873]</sup></a> Hij had
+door niet onverdachte middelen ontzaglijke rijkdommen opgehoopt, die hij
+besteedde aan tal van stichtingen. Toch sprak men met haat van zijn
+hebzucht en zijn hoogmoed. Want men geloofde niet aan den vromen zin,
+die tot die stichtingen dreef. Rolin, zoo vroom geknield op het stuk van
+Jan van Eyck in het Louvre, dat hij liet schilderen voor zijn
+geboortestad Autun, en nogmaals vroom geknield op dat van Rogier van der
+Weyden voor zijn gasthuis te Beaune, stond bekend als een, die enkel het
+aardsche telt.<a name='451'></a> &quot;Hij oogstte altijd op aarde, zegt Chastellain, alsof de
+aarde hem eeuwig ware, waarin hem zijn verstand afdwaalde, toen hij geen
+paal en perk wilde stellen aan dat, waarvan zijn hooge jaren hem het
+nabije einde voor oogen hielden.&quot; En Jacques du Clercq zegt: &quot;Le dit
+chancellier fust reput&eacute; ung des sages hommes du royaume &agrave; parler
+temporellement; car au regard de l'espirituel, je m'en tais&quot;.<a name='FNanchor_874_874'></a><a href='#Footnote_874_874'><sup>[874]</sup></a></p>
+
+<p>Zal men nu in het gelaat van den stichter van La vierge au chancelier
+Rolin een huichelachtig wezen gaan zoeken? Of is ook hier veeleer te
+denken aan die wonderlijke tegenstrijdigheid, die samenbestaanbaarheid
+van de schreeuwendste zonden van hoogmoed, hebzucht en onkuischheid met
+diepe vroomheid en sterk geloof, welke hierboven als een der ethische
+typen van den tijd werd gesteld?</p>
+
+<p>De schilderkunst der vijftiende eeuw ligt in de sfeer, waar de uitersten
+van het mystische en het grof aardsche elkander raken. Het geloof, dat
+hier spreekt, is zoo onmiddellijk, dat geen aardsche verbeelding er te
+zinnelijk of te zwaar voor is. Van Eyck kan zijn engelen en goddelijke
+figuren behangen met de zware praal van stijve gewaden, druipende van
+goud en steenen; om naar omhoog te wijzen behoeft hij nog niet de
+fladderende slippen en spartelende beenen der barok.</p>
+
+<p>Doch al is dat geloof zeer onmiddellijk en sterk, primitief is het
+daarom niet. De benaming primitieven voor de schilders der vijftiende
+eeuw behelst het gevaar van een misverstand. Primitief mag hier slechts
+de beteekenis hebben van eerstkomend, in zooverre er geen oudere
+schilderkunst bekend is,<a name='452'></a> als een louter tijdrekenkundige term dus.
+Gewoonlijk echter is men geneigd, daaraan tevens de voorstelling te
+verbinden, alsof de geest dier kunstenaars primitief was. En dit is
+volkomen onjuist. De geest van die kunst is die van het geloof zelve,
+zooals hij hier boven werd beschreven: de uiterste doorwerking en
+uitwerking van alles wat des geloofs is met de verbeelding.</p>
+
+<p>Eens had men de goddelijke figuren oneindig ver af gezien: strak en
+star. Toen was het pathos der innigheid gekomen. Met een vloed van
+tranen en gezang was het opgebloeid in de mystiek der twaalfde eeuw,
+Sint Bernard bovenal. Men had de godheid bestormd met zijn snikkende
+aandoening. Om toch maar beter mee te mogen voelen in het goddelijk
+lijden, had men Christus en den heiligen al de kleuren en vormen
+opgedrongen, die de fantazie uit het aardsche leven putte. Een stroom
+van rijke menschelijke verbeelding was door alle hemelen gevloeid. En
+steeds verder vlood die stroom in ontelbare kleine vertakkingen af.
+In altijd verderschrijdende uitwerking was gaandeweg al het heilige
+tot in de kleinste bijzonderheden in beeld gebracht. Men had met zijn
+smachtende armen den hemel naar omlaag getrokken.</p>
+
+<p>Eerst was langen tijd het woord de plastische en picturale schepping
+v&oacute;&oacute;r geweest in uitbeeldend vermogen. In de dertiende eeuw, toen de
+sculptuur nog veel van het schematische der oudere voorstelling
+bewaarde, door haar materieele middelen en haar kader beperkt, begonnen
+reeds de <i>Meditationes</i> van Pseudo-Bonaventura al de lijfelijke
+houdingen en al de aandoeningen van het kruisdrama tot in de geringste
+bijzonderheden te beschrijven.<a name='453'></a> Doch inmiddels schreed ook de picturale
+techniek voort; de beeldende kunst haalt den voorsprong in, en meer dan
+in. Met de kunst der Van Eyck's heeft de picturale uitbeelding der
+heilige dingen een graad van d&eacute;tailleering en naturalisme bereikt, die
+misschien strikt kunsthistorisch een begin kan heeten, maar
+cultuurhistorisch een einde beduidt. De uiterste spanning in het aardsch
+verbeelden van het goddelijke was hier bereikt; de mystische inhoud dier
+verbeelding stond gereed om uit die beelden te ontvlieden en enkel den
+lust aan den bonten vorm achter te laten.</p>
+
+<p>Zoo is het naturalisme der Van Eyck's, dat men in de kunstgeschiedenis
+pleegt op te vatten als een element, dat de Renaissance aankondigt,
+veeleer te beschouwen als de volledige ontplooiing van den laat-
+middeleeuwschen geest. Het is datzelfde natuurlijk verbeelden van het
+heilige, dat waar te nemen viel in alles, wat de heiligenvereering
+betreft, in de sermoenen van Johannes Brugman, in de uitgewerkte
+bespiegelingen van Gerson en de beschrijvingen der hellepijn van
+Dionysius den Kartuizer.</p>
+
+<p>Het is altijd weer de vorm, die den inhoud dreigt te overwoekeren, en
+hem belet, zich te verjongen. In de kunst der Van Eyck's is de inhoud
+nog volkomen middeleeuwsch. Nieuwe gedachten spreekt zij niet uit. Zij
+is een uiterste, een eindpunt. Het middeleeuwsche begrippensysteem stond
+ten hemel toe volbouwd; er viel nog slechts aan te kleuren en te
+versieren.</p>
+
+<p>In de bewondering der groote schilderkunst zijn aan den tijdgenoot twee
+dingen bewust geworden: de treffende voorstelling van het onderwerp en
+de onbegrijpelijke kunstvaardigheid, de wonderlijke perfectie der
+d&eacute;tails, het volstrekt natuurgetrouwe. Aan den eenen kant een
+waardeering,<a name='454'></a> die meer in de sfeer van de vroomheid dan van de
+schoonheidsontroering ligt, aan den anderen kant een na&iuml;eve verbazing,
+die naar onze opvattingen aan schoonheidsontroering niet toekomt. Een
+Genueesch litteraat omstreeks 1450, Bartolomeo Fazio, is de eerste van
+wien kunstkritische beschouwingen over werken van Jan van Eyck, ten
+deele thans verloren, bekend zijn. Hij roemt de schoonheid en
+eerbaarheid van een Mariafiguur, de haren van den engel Gabriel, &quot;die
+echte haren overtreffen&quot;, de heilige strengheid der askese, die uit des
+Doopers aangezicht straalt, de wijze waarop een Hieronymus &quot;leeft&quot;.
+Verder bewondert hij het perspectief in Hieronymus' studeervertrek,
+den zonnestraal, die door een reet valt, het spiegelbeeld van de eene
+badende vrouw, de zweetdruppels op het lichaam der andere, de brandende
+lamp, het landschap met wandelaars en bergen, bosschen, dorpen en
+kasteelen, de eindelooze verten van het verschiet, en nogmaals den
+spiegel,<a name='FNanchor_875_875'></a><a href='#Footnote_875_875'><sup>[875]</sup></a> De termen, waarin dit geschiedt, verraden louter
+curiositeit en verbazing. Hij laat zich genoegelijk meedrijven op den
+stroom van ongebreidelde verbeelding; naar de schoonheid van het geheel
+vraagt hij niet. Dat is de nog middeleeuwsche waardeering van het
+middeleeuwsche werk.</p>
+
+<p>Wanneer een eeuw later de schoonheidsopvattingen der Renaissance zijn
+doorgedrongen, wordt juist die bovenmatige uitwerking van het
+zelfstandige d&eacute;tail de Vlaamsche kunst aangerekend als haar
+fundamenteele gebrek. Indien Francesco de Holanda, de Portugeesche
+schilder, die zijn kunstbespiegelingen voor gesprekken met Michel Angelo
+laat doorgaan,<a name='455'></a> naar waarheid de meening van den machtigen meester heeft
+weergegeven, dan zou deze het volgende hebben gezegd.</p>
+
+<p>&quot;De Vlaamsche schilderkunst bevalt allen vromen beter dan de
+Italiaansche. Deze laat hen nooit tranen vergieten, gene doet hen
+rijkelijk weenen, en dat is geenszins het gevolg van de kracht en de
+verdienste van die kunst, het is alleen te wijten aan de groote
+aandoenlijkheid der vromen. De Vlaamsche schilderkunst valt in den smaak
+van de vrouwen, vooral van de oudere en de heel jonge, evenals van de
+monniken, de nonnen en alle voorname lieden, die niet ontvankelijk zijn
+voor de ware harmonie. In Vlaanderen schildert men hoofdzakelijk, om het
+uiterlijk aanzien der dingen bedriegelijk weer te geven, en meest
+onderwerpen, die in vervoering brengen of onberispelijk zijn, zooals
+heiligen en profeten. In den regel schilderen zij echter wat men een
+landschap pleegt te noemen en daarin veel figuren. Hoewel dit het oog
+aangenaam aandoet, is daarin inderdaad noch kunst noch rede; daarin is
+geen symmetrie, geen verhouding; daarin heerscht geen keuze, er is geen
+grootheid in, in &eacute;&eacute;n woord: deze schilderkunst is zonder kracht of
+heerlijkheid; zij wil vele dingen tegelijk volkomen afbeelden, waarvan
+&eacute;&eacute;n belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten aan te besteden.&quot;</p>
+
+<p>De vromen, dat zijn hier de middeleeuwschen van geest. Voor dezen groote
+is de oude schoonheid een zaak der kleinen en zwakken geworden. Niet
+allen oordeelden zoo. Voor D&uuml;rer en Quinten Metsys, en voor Jan van
+Scorel, die de Aanbidding van het Lam heet te hebben gekust, was de oude
+kunst geenszins dood. Maar het is Michel Angelo, die hier in meer
+volstrekten zin de Renaissance vertegenwoordigt.<a name='456'></a> Wat hij in de Vlaamsche
+kunst verwerpt, het zijn juist de essentieele trekken van den
+laat-middeleeuwschen geest: de heftige sentimentaliteit, het zien van
+elke bijzonderheid als een zelfstandig ding, van elke waargenomen
+hoedanigheid als iets wezenlijks, het opgaan in de veelheid en de
+bontheid van het geziene. Daartegen verzet zich het nieuwe kunst- en
+levensinzicht der Renaissance, dat, als altijd, slechts verkregen wordt
+ten koste van een tijdelijke blindheid voor de schoonheid of waarheid,
+die voorafging.</p>
+
+<p>De bewustheid van een aesthetisch genieten en de uitdrukking ervan in
+woorden heeft zich laat ontwikkeld. Den vijftiende&euml;euwer staan voor zijn
+kunstbewondering nog maar de termen ten dienste, die wij verwachten van
+den verbaasden burgerman. Zelfs het begrip kunstschoon kent hij nog
+niet. Wat hem aan schoonheidshuivering uit de kunst doorstraalde, werd
+door hem onmiddellijk omgezet of in godsvervuldheid of in levensbehagen.</p>
+
+<p>Dionysius de Kartuizer schreef een verhandeling <i>De venustate mundi et
+pulchritudine Dei</i>.<a name='FNanchor_876_876'></a><a href='#Footnote_876_876'><sup>[876]</sup></a> Terstond in den titel wordt dus de ware
+schoonheid enkel aan God toegekend; de wereld kan slechts &quot;venustus&quot;,
+fraai, mooi zijn. De schoonheden van het geschapene, zegt hij, zijn niet
+anders dan beekjes van de opperste schoonheid; een schepsel wordt schoon
+genoemd, in zooverre het iets deelachtig is van de schoonheid der
+goddelijke natuur, en daardoor aan dezelve eenigermate gelijkvormig
+wordt.<a name='FNanchor_877_877'></a><a href='#Footnote_877_877'><sup>[877]</sup></a>&mdash;Op deze ruime en verheven schoonheidsleer, waarmee
+Dionysius steunt op den Pseudo-Areopagiet, Augustinus, Hugo van Sint
+<a name='457'></a>Victor en Alexander van Hales,<a name='FNanchor_878_878'></a><a href='#Footnote_878_878'><sup>[878]</sup></a> zou een zuivere ontleding van alle
+schoonheid te bouwen zijn. Doch hierin schiet de geest der vijftiende
+eeuw nog verre te kort. Dionysius ontleent zelfs de voorbeelden van
+aardsche schoonheid: een blad, de van kleur verwisselende zee, de
+woelige zee, steeds aan zijn voorgangers, met name aan die twee fijne
+geesten der twaalfde eeuw uit het klooster van Sint Victor: Richard en
+Hugo. Wanneer hij zelf schoonheid ontleden wil, blijft het uiterst
+oppervlakkig. De kruiden zijn schoon, omdat zij groen zijn, de steenen,
+omdat zij schitteren, het menschelijk lichaam, de dromedaris en de
+kameel, omdat zij doelmatig zijn. De aarde is schoon, omdat zij lang en
+breed is, de hemellichamen, omdat zij rond en licht zijn. In de bergen
+bewonderen wij de grootte, in de rivieren de langgestrektheid, in velden
+en bosschen de uitgestrektheid, in de aarde zelf de onmetelijke massa.</p>
+
+<p>Dionysius dwaalt van de aardsche schoonheid telkens terstond weer af
+naar de schoonheid der engelen en van het empyreum. Of hij zoekt haar in
+de abstracte dingen: de schoonheid des levens is de levenswandel zelf
+volgens de leiding en het bevel der goddelijke wet, ontdaan van de
+leelijkheid der zonde. Van de schoonheid der kunst spreekt hij niet,
+zelfs niet van die, welke het meest als iets zelfstandigs treffen moest:
+de muziek.</p>
+
+<p>Toen deze Dionysius eens de Sint Janskerk te 's Hertogenbosch was
+binnengetreden, terwijl het orgel speelde, werd hij door de zoete
+melodie terstond, met smeltend hart,<a name='458'></a> aan zichzelf ontrukt in een
+langdurige ekstase.<a name='FNanchor_879_879'></a><a href='#Footnote_879_879'><sup>[879]</sup></a> De schoonheidsaandoening werd onmiddellijk
+religie. Het zal niet in hem opgekomen zijn, dat hij in de schoonheid
+van muziek of afbeelding iets anders zou kunnen bewonderen dan het
+heilige zelf.</p>
+
+<p>Dionysius was een dergenen, die de invoering der moderne, meerstemmige
+muziek in de kerk afkeurden. Het breken der stem (fractio vocis),
+spreekt hij een oudere na, schijnt het teeken eener gebroken ziel; het
+is te vergelijken met gefriseerde haren bij een man of geplisseerde
+kleederen bij een vrouw, louter ijdelheid. Sommigen, die zulk
+veelstemmig zingen beoefend hadden, hadden hem toevertrouwd, dat daarin
+een hoogmoed en een zekere wulpschheids des gemoeds (lascivia animi)
+gelegen waren. Hij erkent, dat er vromen zijn, die door melodie&euml;n ten
+sterkste tot contemplatie en devotie opgewekt worden, weshalve de Kerk
+orgels toelaat. Maar indien de kunstige muziek dient om het gehoor te
+behagen, en vooral om de aanwezigen, de vrouwen met name, te vermaken,
+dan is zij zonder twijfel verwerpelijk.<a name='FNanchor_880_880'></a><a href='#Footnote_880_880'><sup>[880]</sup></a></p>
+
+<p>Men ziet hier, hoe de middeleeuwsche geest, wanneer hij het wezen der
+muzikale aandoening wil beschrijven, nog geen andere termen vindt dan
+die van zondige beroeringen: een hoogmoed en een zekere wulpschheid des
+gemoeds.</p>
+
+<p>Over de muzikale aesthetiek werd voortdurend veel geschreven. Men bouwde
+daarbij in den regel voort op de niet meer begrepen muziektheorie&euml;n der
+Oudheid. Maar over de wijze,<a name='459'></a> waarop muzikale schoonheid werkelijk
+genoten werd, leeren ons de tractaten tenslotte niet veel. Wanneer het
+er op aan kwam, wat men in muziek eigenlijk mooi vond, dan blijft het
+bij vage uitingen, die in hun aard sterk verwant zijn aan de uitdrukking
+van de bewondering der schilderkunst. Aan den eenen kant is het de
+hemelsche verblijding, die men in muziek geniet, aan den anderen kant de
+treffende nabootsing, die men erin bewondert. Alles werkte ertoe mee, om
+den overgang van muzikale ontroering tot hemelsche genieting voor den
+geest haast onmiddellijk te maken; het was hier niet een afbeelden van
+heilige dingen, zooals bij de schilderkunst, maar een afschaduwing van
+de hemelvreugde zelf. Wanneer de brave Molinet, die blijkbaar zelf veel
+van muziek heeft gehouden, vertelt, hoe Karel de Stoute, een groot
+muziekliefhebber zooals bekend is, in zijn legerkamp voor Neuss zich
+onledig hield met litteratuur en vooral met muziek, dan juicht zijn
+rederijkersgemoed: &quot;Car musique est la r&eacute;sonnance des cieux, la voix des
+anges, la joie de paradis, l'espoir de l'air, l'organe de l'Eglise, le
+chant des oyselets, la r&eacute;cr&eacute;acion de tous cueurs tristes et d&eacute;sol&eacute;s, la
+pers&eacute;cution et enchassement des diables.&quot;<a name='FNanchor_881_881'></a><a href='#Footnote_881_881'><sup>[881]</sup></a>&mdash;Het ekstatische element
+in het muziekgenieten werd natuurlijk zeer goed gekend. &quot;De kracht der
+harmonie&euml;n, zegt Pierre d'Ailly, ontrukt de menschelijke ziel zoozeer
+tot zich, dat zij die niet alleen onttrekt aan andere hartstochten en
+zorgen, maar ook aan zichzelve.&quot;<a name='FNanchor_882_882'></a><a href='#Footnote_882_882'><sup>[882]</sup></a></p>
+
+<p>Bewonderde men in de schilderkunst de treffende nabootsing van de
+voorwerpen der natuur, in de muziek was het gevaar,<a name='460'></a> dat men in
+nabootsing de schoonheid ging zoeken, nog grooter. Want de muziek had
+reeds lang van haar expressieve middelen een ijverig gebruik gemaakt.
+De caccia, die oorspronkelijk een jacht voorstelde, is er het bekendste
+voorbeeld van. Olivier de la Marche vertelt, hoe hij er in een de kleine
+hondjes keffen en de doggen bassen hoorde en trompetgeschal, alsof men
+in het bosch was.<a name='FNanchor_883_883'></a><a href='#Footnote_883_883'><sup>[883]</sup></a> Vogelgeluiden, straatroepen, het slaggewoel
+werden in muzikalen vorm weergegeven.</p>
+
+<p>De theoretische analyse van het schoone is dus gebrekkig, de uitdrukking
+der bewondering is oppervlakkig. In het eerste komt men niet veel
+verder, dan dat ter verklaring van de schoonheid de begrippen van maat,
+sierlijkheid, orde, grootte, doelmatigheid ervoor in de plaats worden
+gesteld. En bovenal dat van schittering, licht. Om de schoonheid te
+verklaren van de dingen des geestes, herleidt Dionysius ze tot licht:
+het verstand is een licht, de wijsheid, de wetenschap, de kunstvaardigheid
+zijn niet anders dan lichtvormige glanzen, die met hun klaarheid den geest
+verlichten.<a name='FNanchor_884_884'></a><a href='#Footnote_884_884'><sup>[884]</sup></a></p>
+
+<p>Wanneer men het schoonheidsgevoel dier tijden naspeurt, niet in hun
+bepaling van het begrip der schoonheid, noch in hetgeen zij van hun
+aandoening zeggen over schilderkunst en muziek, maar in hun spontane
+uitingen van blijde schoonheidsontroering, dan treft het, hoe die
+uitingen bijna altijd gewaarwordingen gelden van schittering of van
+levendige beweging.</p>
+
+<p>Froissart komt zelden onder een schoonheidsindruk; hij had het er te
+druk voor met zijn eindelooze verhalen;<a name='461'></a> maar er is &eacute;&eacute;n schouwspel, dat
+hem altijd weer woorden van blijde verrukking ontlokt: schepen op het
+water met wapperende vlaggen en wimpels, waarvan de kleurige blazoenen
+schitteren in de zon. Of het is het spel van de zonnestralen op helmen,
+harnassen, lanspunten, vaantjes en banieren van een optrekkende
+ruitertroep.<a name='FNanchor_885_885'></a><a href='#Footnote_885_885'><sup>[885]</sup></a> Eustache Deschamps bewondert het schoone van
+draaiende molens, en van de zon in een dauwdruppel; La Marche merkt op,
+hoe mooi het zonlicht op de blonde haren schijnt van een troep Duitsche
+en Boheemsche ridders.<a name='FNanchor_886_886'></a><a href='#Footnote_886_886'><sup>[886]</sup></a>&mdash;Met die bewondering voor wat schittert
+staat ook de versiering der kleeding in verband, die in de vijftiende
+eeuw nog voornamelijk gezocht wordt in het opzetten van een overmatig
+groot aantal edele steenen. Eerst later maken deze plaats voor linten
+en strikken. Om die schittering nog met geklink te verhoogen, draagt
+men schelletjes of geldstukken. La Hire draagt een rooden mantel geheel
+beladen met groote zilveren koeklokken. De kapitein Salazar verschijnt
+bij een intocht van 1465 met twintig geharnasten, wier paarden alle
+bedekt zijn met groote zilveren klokken; op het dekkleed van zijn eigen
+paard is aan elk der figuren, waarmee het bezaaid is, een groote schel
+van verguld zilver gehecht. Bij den intocht van Lodewijk XI te Parijs in
+1461 dragen de paarden van Charolais, Croy, Saint Pol en anderen op hun
+dekkleeden tal van groote klokken; dat van Charolais draagt er een op
+den rug, die tusschen vier pijlertjes hangt. Karel de Stoute verschijnt
+op een tournooi in een feestgewaad <a name='462'></a>bedekt met rinkelende rijnsguldens;
+Engelsche edelen dragen hun kleed bezet met gouden nobels.<a name='FNanchor_887_887'></a><a href='#Footnote_887_887'><sup>[887]</sup></a> Op het
+bruiloftsfeest van den graaf van Gen&egrave;ve te Chamb&eacute;ry in 1434 voert een
+groep van heeren en dames een dans uit, allen gekleed in het wit, bedekt
+met &quot;or clinquant&quot;, de heeren bovendien met breede gordels vol
+schelletjes.<a name='FNanchor_888_888'></a><a href='#Footnote_888_888'><sup>[888]</sup></a></p>
+
+<p>Hetzelfde na&iuml;eve behagen aan wat sterk de aandacht trekt, is ook op te
+merken in den kleurenzin van den tijd. Om dezen volledig te bepalen, zou
+een uitgebreid en statistisch onderzoek noodig zijn, dat zoowel de
+kleurenschaal der beeldende kunst als die van kleeding en
+versieringskunst betrof: wat de kleeding aangaat, zou zij meer uit de
+talrijke beschrijvingen op te maken zijn, dan uit de schaars bewaarde
+overblijfselen van stoffen. Hier volgen enkel eenige voorloopige
+indrukken, gewonnen uit de beschrijving der kleedij bij tournooien en
+intochten. Men heeft hier dus te doen met praal- en staatsiegewaden,
+waarin natuurlijk een andere toonaard heerscht dan in de dagelijksche
+kleeding. De gewone kleeding maakt reeds zeer veel gebruik van grijs,
+zwart en paars.<a name='FNanchor_889_889'></a><a href='#Footnote_889_889'><sup>[889]</sup></a> Wat in de feest- en staatsiekleeding in de eerste
+plaats treft, is het overheerschen van het rood. Niemand zal het
+trouwens van dezen rooden tijd anders verwachten. Intochten zijn
+dikwijls geheel in rood uitgemonsterd.<a name='FNanchor_890_890'></a><a href='#Footnote_890_890'><sup>[890]</sup></a> Daarnaast bekleedt het wit
+als uniforme feestkleur een groote plaats.<a name='463'></a> In de nevenschikking van
+kleuren wordt elke combinatie geduld: rood-blauw, blauw-violet komen
+voor. Op een feestvertooning, die La Marche beschrijft, verschijnt een
+meisje in violette zijde op een hakkenei met een dekkleed van blauwe
+zijde, geleid door drie mannen in vermiljoenroode zijde met kaproenen
+van groene zijde.<a name='FNanchor_891_891'></a><a href='#Footnote_891_891'><sup>[891]</sup></a> Een voorliefde voor somber-gloeiende en
+dof-bonte kleurschikkingen schijnt niet te miskennen.</p>
+
+<p>Opmerkelijk is, dat als hoofdkleur van den dos het zwart en het violet
+veel grooter plaats innemen dan het groen en blauw, terwijl geel en
+bruin bijna geheel ontbreken. Het zwart, vooral in fluweel gebruikt,
+vertegenwoordigt ontegenzeggelijk de trotsche, sombere praal, die de
+tijd bemint, den hoogmoedigen afstand van het vroolijk bonte, dat alom
+schatert. Philips de Goede gaat na de jaren zijner jeugd altijd in 't
+zwart, en dost er ook zijn gevolg en zijn paarden in.<a name='FNanchor_892_892'></a><a href='#Footnote_892_892'><sup>[892]</sup></a> Koning Ren&eacute;,
+die nog ijveriger naar distinctie en verfijning zocht, gebruikt als
+kleuren grijs-wit-zwart.<a name='FNanchor_893_893'></a><a href='#Footnote_893_893'><sup>[893]</sup></a></p>
+
+<p>De geringe plaats van het blauw en het groen moet overigens niet geheel
+als een directe uiting van den kleurenzin worden verklaard. Onder al de
+kleuren hadden vooral blauw en groen hun symbolisch gewicht, en die
+beteekenis was zoo bijzonder, dat zij daardoor als kleuren van kleeding
+bijna onbruikbaar werden. Beide toch waren het de kleuren der liefde:
+groen verbeeldde de verliefdheid, blauw de trouw.<a name='FNanchor_894_894'></a><a href='#Footnote_894_894'><sup>[894]</sup></a> Of beter gezegd,
+zij waren bij uitstek de kleuren der liefde,<a name='464'></a> want ook de andere kleuren
+konden dienst doen in de symboliek der minne. Deschamps zegt van de
+minnaars:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Li uns se vest pour li de vert,
+<span>L'autre de bleu, l'autre de blanc,<br /></span>
+<span>L'autre s'en vest vermeil com sanc,<br /></span>
+<span>Et cilz qui plus la veult avoir<br /></span>
+<span>Pour son grant dueil s'en vest de noir.&quot;<a name='FNanchor_895_895'></a><a href='#Footnote_895_895'><sup>[895]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Doch het groen was toch inzonderheid de kleur van de jonge, hoopvolle
+liefde:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Il te fauldra de vert vestir,
+<span>C'est la livr&eacute;e aux amoureulx.&quot;<a name='FNanchor_896_896'></a><a href='#Footnote_896_896'><sup>[896]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Daarom behoort ook de dolende ridder in 't groen gekleed te gaan.
+<a name='FNanchor_897_897'></a><a href='#Footnote_897_897'><sup>[897]</sup></a>&mdash;Met blauwe kleeding betoogt de minnaar zijn trouw; daarom laat
+Christine de Pisan de dame antwoorden, als de minnaar op zijn blauwe dos
+wijst:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Au bleu vestir ne tient mie le fait,
+<span>N'&agrave; devises porter, d'amer sa dame,<br /></span>
+<span>Mais au servir de loyal cuer parfait<br /></span><a name='465'></a>
+<span>Elle sans plus, et la garder de blasme<br /></span>
+<span>... L&agrave; gist l'amour, non pas au bleu porter,<br /></span>
+<span>Mais puet estre que plusieurs le meffait<br /></span>
+<span>De faulset&eacute; cuident couvrir soubz lame<br /></span>
+<span>Par bleu porter....&quot;<a name='FNanchor_898_898'></a><a href='#Footnote_898_898'><sup>[898]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Daar ligt waarschijnlijk meteen de verklaring, waarom de blauwe kleur,
+geveinsd gebruikt, ook de ontrouw ging beduiden, en met een overspringing
+niet alleen de trouwelooze maar ook den bedrogene toekwam. De blauwe huik
+beduidt in het Nederlandsch de echtbreekster, en de &quot;cote bleue&quot; is het
+gewaad van den bedrogene:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Que cils qui m'a de cote bleue arm&eacute;
+<span>Et fait monstrer au doy, soit occis.&quot;<a name='FNanchor_899_899'></a><a href='#Footnote_899_899'><sup>[899]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Of hieruit weer de beteekenis van het blauw als kleur der dwaasheid in
+het algemeen te verklaren is, immers de &quot;blauwe scute&quot; beduidt het
+vehikel der mallen, blijve in het midden.</p>
+
+<p>Wanneer geel en bruin zoozeer op den achtergrond blijven, dan zal
+daarbij de tegenzin tegen deze kleuren om hun kleurqualiteit, dus de
+directe kleurenzin, wel met hun negatieve symbolische beteekenis
+oorzakelijk samenhangen: met andere woorden, men hield niet van geel
+en bruin, omdat men ze leelijk vond, en men kende er een ongunstige
+beteekenis aan toe,<a name='466'></a> omdat men ze leelijk vond. De ongelukkig gehuwde
+zegt:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Sur toute couleur j'ayme la tenn&eacute;e
+<span>Pour ce que je l'ayme m'en suys habill&eacute;e,<br /></span>
+<span>Et toutes les aultres ay mis en obly.<br /></span>
+<span>Hellas! mes amours ne sont pas ycy.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Of in een ander liedje:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Gris et tann&eacute;e puis bien porter
+<span>Car ennuy&eacute; suis d'esp&eacute;rance&quot;.<a name='FNanchor_900_900'></a><a href='#Footnote_900_900'><sup>[900]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Het grijs komt, in tegenstelling met het bruin, overigens veel in de
+feestkleedij voor; het had als kleur der treurigheid waarschijnlijk een
+meer elegische nuance dan het bruin.</p>
+
+<p>Het geel had reeds de beteekenis van vijandschap. Hendrik van Wurtemberg
+trekt den hertog van Bourgondi&euml; voorbij, met zijn gansche gevolg in het
+geel gedost, &quot;et fut le duc adverty que c'estoit contre luy.&quot;<a name='FNanchor_901_901'></a><a href='#Footnote_901_901'><sup>[901]</sup></a></p>
+
+<p>Een oppervlakkige indruk, dat na het midden der vijftiende eeuw wit en
+zwart afnemende zijn, terwijl blauw en geel toenemen, zou nadere
+bevestiging behoeven.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='XIII'></a>XIII</h2>
+<a name='467'></a>
+<h3>HET BEELD EN HET WOORD</h3>
+<br />
+
+<p>De nieuwe gedachten, die straks als Renaissance en Hervorming aan het
+firmament zullen staan, vinden in de Fransch-Nederlandsche kunst en
+litteratuur der vijftiende eeuw nog zoo goed als geen uitdrukking.
+De beeldende kunst en de letterkunde dienen nog uitsluitend den geest,
+die afstervende is: den geest der eindigende Middeleeuwen. Zij vinden
+nauwelijks een andere taak dan het volkomen uitbeelden en versieren van
+lang doordachte voorstellingen. De gedachte schijnt uitgeput, de geest
+wacht nieuwe bevruchting.</p>
+
+<p>In perioden, waarin de schepping van schoonheid zich bepaalt tot louter
+omschrijving en uitdrukking van reeds bezonken en doorwerkt gedachten-
+materiaal, krijgt de beeldende kunst een dieper waarde dan de litteratuur.
+Dat geldt niet voor den tijdgenoot. Voor hem heeft de gedachte, al
+bloeit zij niet meer, nog zooveel treffends en belangrijks, dat hij haar
+in den versierden vorm, waarin de litteratuur haar kleedt, bemint en
+bewondert. Al de voor ons zoo hopeloos eentonige en oppervlakkige
+gedichten, waarin de vijftiende eeuw haar lied zingt, zijn door de
+tijdgenooten met veel uitbundiger lof bedacht, dan zij aan eenig
+schilderstuk hebben gewijd. De diepe gevoelswaarde van de beeldende
+kunst is hun nog niet bewust geworden, althans niet zoo, dat zij die
+konden uitdrukken.</p>
+
+<p>Het feit, dat uit het overgroote deel dier litteratuur voor ons alle
+geur en heerlijkheid geweken is, terwijl de kunst ons dieper roert dan
+mogelijk ooit den tijdgenoot,<a name='468'></a> valt te verklaren uit het fundamenteele
+verschil van de werking van kunst en woord. Het zou te gemakkelijk en
+tevens te onbegrijpelijk zijn, indien men het zocht in de hoedanigheid
+der talenten: zoo, dat de dichters, met uitzondering van Villon en
+Charles d'Orl&eacute;ans, louter conventioneele leeghoofden geweest zouden
+zijn, en de schilders genie&euml;n.</p>
+
+<p>Waar twee hetzelfde doen, is het niet hetzelfde. Als de schilder zich
+bepaalt tot het eenvoudig weergeven eener uiterlijke werkelijkheid in
+lijn en kleur, dan legt hij toch steeds achter die louter formeele
+nabootsing een overschot van het onuitgesprokene en onuitsprekelijke.
+Maar de dichter, die niet hooger poogt dan een zichtbare of reeds
+doordachte werkelijkheid in het woord uit te drukken, put in het woord
+den schat van het onuitgesprokene uit. Het kan zijn, dat rythme en klank
+daarin nieuwe onuitgesproken schoonheid brengt. Maar zijn ook deze
+elementen zwak, dan behoudt het gedicht zijn werking slechts zoo lang,
+als de gedachte zelf den hoorder boeit. De tijdgenoot reageert nog op
+het woord van den dichter met een drom van levende associaties, want de
+gedachte zit in zijn leven geweven, en hij waant haar nieuw en bloeiend
+in den tooi van het nieuw gevonden woord.</p>
+
+<p>Doch als de gedachte niet meer treft om haarzelve, dan heeft het
+gedicht, tenzij het onuitgesproken rijkdom heeft, zijn werking verloren.
+De litteratuur der vijftiende eeuw nu heeft nauwelijks een waarlijk
+nieuwe gedachte. Het is een eindeloos postludeeren op afgezaagde
+thema's. Daarbij heeft zij veelal geringe qualiteiten van rythme en
+klank. Waaraan zou het gedicht dan zijn duurzame werking kunnen
+ontleenen?</p>
+
+<p>De tijd voor den schilder van zulk een geestestijdperk komt eerst later.
+<a name='469'></a>Want hij leeft van den schat van het uitgesprokene, en het is de volheid
+van dien schat, welke de diepste en duurzaamste werking van alle kunst
+bepaalt. Aanschouw de portretten van Jan van Eyck. Hier is het spitse,
+zuinige gezicht van zijn vrouw. Daar is de strakke, morose aristocratenkop
+van Baudouin de Lannoy. Daar is de huiveringwekkende gesloten tronie van
+den kanunnik Van de Paele. Daar is de ziekelijke gelatenheid van den
+Berlijnschen Arnolfini, de Egyptische geheimzinnigheid van &quot;Leal souvenir&quot;.
+In allen ligt het wonder van de tot den bodem gepeilde persoonlijkheid.
+Het is de diepste karakterschildering, die mogelijk is: gezien,
+onuitgesproken. Al ware Jan van Eyck tevens de grootste dichter van zijn
+eeuw geweest, de geheimenis, die hij in het beeld openbaarde, zou hij in
+het woord niet hebben kunnen benaderen.</p>
+
+<p>Dat is de diepste grond, waarom er, bij gelijkheid van houding en geest,
+tusschen kunst en litteratuur der vijftiende eeuw geen evenredigheid te
+verwachten is. Is eenmaal dit verschil erkend, dan blijkt bij een
+vergelijking van de litteraire en de picturale uitdrukking aan bepaalde
+voorbeelden, en in bijzonderheden, de gelijksoortigheid toch weer veel
+grooter, dan zij aanvankelijk scheen.</p>
+
+<p>Indien men aan de eene zijde als de meest representatieve kunstuiting
+het werk der Van Eyck's en hun volgers kiest, welke voortbrengselen der
+letterkunde moeten dan daarnevens worden gesteld, om zuiver te kunnen
+vergelijken? Niet in de eerste plaats die, welke dezelfde onderwerpen
+behandelen, maar die welke ontspringen aan dezelfde bronnen, voortkomen
+uit dezelfde levenssfeer. Dat is, gelijk hierboven werd aangetoond,
+de sfeer van het weelderige hof en de rijke,<a name='470'></a> grootdoende burgerij.
+De letterkunde, die op &eacute;&eacute;n lijn staat met de kunst der Van Eyck's,
+is de hoofsche, althans aristocratische letterkunde, in het Fransch
+geschreven, gelezen en bewonderd door de kringen, die de opdrachten
+gaven aan de groote schilders.</p>
+
+<p>Schijnbaar is hier een groot contrast, dat bijna elke vergelijking
+doelloos maakt: de stof der schilderkunst is overwegend godsdienstig,
+die der Fransch-Bourgondische letterkunde overwegend wereldsch. Doch
+naar twee zijden is hier onze blik te kort: in de beeldende kunst heeft
+eenmaal het wereldlijk element een veel breeder plaats ingenomen, dan
+het bewaarde ons doet vermoeden, en in de litteratuur pleegt onze
+aandacht te sterk bepaald te worden bij de wereldlijke genres. Het
+minnedicht, de uitloopers van den <i>Roman de la rose</i>, de afleggers van
+den ridderroman, de opkomende novelle, de satire, de geschiedschrijvers,
+dat zijn de uitingen, waarmee de litteratuurgeschiedenis zich in de
+eerste plaats bezig houdt. De schilderkunst, dat is voor ons allereerst
+de diepe ernst van het altaarstuk en het portret; de litteratuur, dat is
+allereerst de wulpsche glimlach der erotische satire en de eentonige
+gruwelen der kroniek. Het is bijna, alsof die eeuw slechts haar deugden
+geschilderd en haar zonden beschreven had. Doch ook naar den kant der
+litteratuur is zulk een blik te beperkt. Niet alleen namen in de rijke
+boekerij der Bourgondische hertogen de vrome boeken nog altijd de
+voornaamste plaats in, maar ook in de wereldsche letterkunde zelve doet
+het vrome, stichtelijke en moraliseerende element zich voortdurend
+gelden, vaak te midden van de grootste frivoliteit.</p>
+
+<p>Gaan wij nog eenmaal uit van de sterke onevenredigheid van werking, die
+<a name='471'></a>kunst en litteratuur der vijftiende eeuw in ons teweegbrengen. Met
+uitzondering van enkele dichters, werkt de litteratuur vermoeiend en
+vervelend. Eindeloos uitgesponnen allegorie&euml;n, waarin geen figuur iets
+nieuws of eigens vertoont, en waarvan de inhoud niet anders is dan de
+lang gebottelde en vaak verschaalde zedelijke wijsheid van eeuwen her.
+Altijd weer dezelfde formeele thema's: de slaper in den boomgaard, waar
+hem een zinnebeeldige dame verschijnt, de ochtendwandeling in den jongen
+Mei, het twistgesprek tusschen de dame en den minnaar of tusschen twee
+vriendinnen of welke andere combinatie ook over een punt uit de
+casu&iuml;stiek der liefde. Wanhopige oppervlakkigheid, klatergoud van
+stijlversiering, bloemzoet romantisme, versleten fantazie, nuchtere
+moralisatie:&mdash;steeds weer komt bij ons de verzuchting op: Zijn dit de
+tijdgenooten van Jan van Eyck? Zou hij dit alles bewonderd hebben?&mdash;Zeer
+waarschijnlijk wel. Het is niet vreemder, dan dat Bach zich behielp met
+de kleinburgerlijkste rijmelaars van een rheumatisch kerkgeloof.</p>
+
+<p>De tijdgenoot, die de werken der kunst ziet geboren worden, neemt ze
+alle gelijkelijk op in zijn levensdroom. Hij waardeert ze niet op hun
+objectieve aesthetische volmaaktheid, maar op de volheid van weerklank,
+dien zij wekken door de heiligheid of de hartstochtelijke levendheid van
+hun stof. Wanneer met den tijd die oude levensdroom is voorbijgegaan,
+en de heiligheid en de hartstocht zijn vergaan als de geur van een roos,
+dan eerst begint het kunstwerk zuiver als kunst te werken, dat wil
+zeggen door zijn middelen van uitdrukking, door zijn stijl, zijn bouw,
+zijn harmonie. Deze kunnen ten opzichte van beeldende kunst en
+<a name='472'></a>litteratuur feitelijk dezelfde zijn en toch het aanzijn geven aan een
+geheel verschillende kunstwaarde.</p>
+
+<p>Litteratuur en kunst der vijftiende eeuw deelen beide in die algemeene
+eigenschap, die hierboven als een der meest essentieele van den
+laat-middeleeuwschen geest werd aangemerkt: de volledige uitwerking van
+alle bijzonderheden, de zucht om geen gedachte of voorstelling, die zich
+opdrong, onontplooid te laten, om alles in zijn scherpste zichtbaarheid
+en doordachtheid te verbeelden. Erasmus vertelt, dat hij eens te Parijs
+een geestelijke veertig dagen lang hoorde preeken over de gelijkenis van
+den verloren zoon, om daarmee den ganschen vastentijd te vullen. Hij
+beschreef de heenreis en de terugreis, hoe hij nu eens in een herberg
+middagmaalde met tongenpastei, dan weer een watermolen voorbijkwam, dan
+dobbelde, dan in een gaarkeuken afstapte, en hij wrong de woorden van de
+profeten en evangelisten, om op die verzonnen beuzelpraatjes te slaan.
+&quot;En daarmee leek hij aan de onervaren schare en aan de vette groote
+heeren een god gelijk.&quot;<a name='FNanchor_902_902'></a><a href='#Footnote_902_902'><sup>[902]</sup></a></p>
+
+<p>Die eigenschap der ongebreidelde uitwerking worde hier eenigermate
+analyseerend gedemonstreerd aan twee schilderijen van Jan van Eyck.
+Vooreerst de Madonna van den kanselier Rolin in het Louvre.</p>
+
+<p>De pijnlijke nauwgezetheid, waarmee de stof der gewaden, het marmer van
+de vloertegels en zuilen, de glinstering der vensterruiten, het misboek
+van den kanselier zijn behandeld, zou ons bij ieder ander dan Van Eyck
+de qualificatie schoolmeesterachtig ontlokken. Er is zelfs &eacute;&eacute;n d&eacute;tail,
+waarin de overmatige geacheveerdheid werkelijk storend werkt: de
+<a name='473'></a>versiering der kapiteelen, waarop in den hoek als 't ware tusschen
+haakjes de verdrijving uit het Paradijs, het offer van Ca&iuml;n en Abel, het
+verlaten der arke Noach's en de zonde van Cham zijn verbeeld. Doch eerst
+buiten de open hal, die de hoofdfiguren omhult, bereikt de lust aan de
+uitwerking der d&eacute;tails zijn volle kracht. Daar ontrolt zich als doorkijk
+door de kolonnade het wonderbaarlijkste vergezicht, dat Van Eyck ooit
+heeft geschilderd. De beschrijving ervan moge ontleend worden aan
+Durand-Gr&eacute;ville.<a name='FNanchor_903_903'></a><a href='#Footnote_903_903'><sup>[903]</sup></a></p>
+
+<p>&quot;Si, attir&eacute; par la curiosit&eacute;, on a l'imprudence de l'approcher d'un peu
+trop pr&egrave;s, c'est fini, on est pris pour tout le temps que peut durer
+l'effort d'une attention soutenue; on s'extasie devant la finesse du
+d&eacute;tail; on regarde, fleuron &agrave; fleuron, la couronne de la Vierge, une
+orf&egrave;vrerie de r&ecirc;ve; figure &agrave; figure, les groupes qui remplissent, sans
+les alourdir les chapiteaux des piliers; fleur &agrave; fleur, feuille &agrave;
+feuille, les richesses du parterre; l'oeil stup&eacute;fait d&eacute;couvre, entre la
+t&ecirc;te de l'enfant divin et l'&eacute;paule de la Vierge, dans une ville pleine
+de pignons et d'&eacute;l&eacute;gants clochers, une grande &eacute;glise aux nombreux
+contreforts, une vaste place coup&eacute;e en deux dans toute sa largeur par
+un escalier o&ugrave; vont, viennent, courent d'innombrables petits coups de
+pinceau qui sont autant de figures vivantes; il est attir&eacute; par un pont
+en dos d'&acirc;ne charg&eacute; de groupes qui se pressent et s'entrecroisent; il
+suit les m&eacute;andres d'un fleuve sillonn&eacute; de barques minuscules, au milieu
+duquel, dans une &icirc;le plus petite que l'ongle d'un doigt d'enfant, se
+dresse, entour&eacute; d'arbres, un ch&acirc;teau seigneurial aux nombreux
+clochetons;<a name='474'></a> il parcourt, sur la gauche, un quai plant&eacute; d'arbres, peupl&eacute;
+de promeneurs; il va toujours plus loin, franchit une &agrave; une les croupes
+de collines verdoyantes; se repose un moment sur une ligne lointaine de
+montagnes neigeuses, pour se perdre ensuite dans l'infini d'un ciel &agrave;
+peine bleu, o&ugrave; s'estompent de flottantes nu&eacute;es.&quot;</p>
+
+<p>En nu het wonder: in dit alles gaat, anders dan Michel Angelo's discipel
+beweerde, de eenheid en harmonie niet te loor. &quot;Et quand le jour tombe,
+une minute avant que la voix des gardiens ne vienne mettre fin &agrave; votre
+contemplation, voyez comme le chef d'oeuvre se transfigure dans la
+douceur du cr&eacute;puscule; comme son ciel devient encore plus profond; comme
+la sc&egrave;ne principale, dont les couleurs se sont &eacute;vanouies, se plonge dans
+l'infini myst&egrave;re de l'Harmonie et de l'Unit&eacute;....&quot;</p>
+
+<p>Een ander stuk, dat zich voor de beschouwing van de eigenschap der
+onbeperkte d&eacute;tailleering bijzonder leent, is de Annunciatie in de
+Ermitage te Petrograd. Wanneer het drieluik, waarvan dit stuk het
+rechterblind uitmaakt, in zijn geheel heeft bestaan, welk een
+wonderrijke schepping moet het zijn geweest! Het is, alsof Van Eyck hier
+al de voor niets terugschrikkende virtuositeit van den meester, die
+alles kan en alles durft, heeft willen uitvoeren. Het is tegelijk het
+meest primitieve, meest hieratische van zijn werken en het meest
+geraffineerde. De boodschap van den Engel wordt niet gebracht in de
+intimiteit van de binnenkamer (het tooneel, waarvan de gansche
+binnenhuisschildering haar oorsprong nam), maar, zooals de vormencode
+van de oudere kunst het had voorgeschreven, in een kerk. In houding en
+gelaatsuitdrukking missen beide figuren de zachte gevoeligheid der
+Annunciatie op den buitenkant van het Lam.<a name='475'></a> Het is een staatsiebuiging,
+waarmee de Engel Maria begroet, en hij komt niet met den lelietak zooals
+daar, niet met het hoofd omgord door een smallen diadeem, doch met een
+schepter en een rijke kroon, en op zijn aangezicht de strakke,
+aeginetische lach. In gloeiende kleurenpracht en schittering van
+paarlen, goud en gesteente overtreft hij alle engelfiguren, die Van Eyck
+schilderde. Groen en goud het kleed, donkerrood en goud de brokaatmantel,
+en de vleugelen bezet met pauweveeren. Het boek voor Maria, het kussen
+op de schemel zijn weer met de doordringendste zorg afgewerkt. In het
+kerkgebouw zijn de d&eacute;tails met een anecdotische uitvoerigheid aangebracht.
+De vloersteenen vertoonen behalve de teekenen van den dierenriem, waarvan
+er vijf zichtbaar zijn, drie tafereelen uit de geschiedenis van Simson en
+een uit die van David. De achterwand van de kerkruimte is versierd met
+beeltenissen van Isaac en Jacob in medaillons tusschen de bogen, van
+Christus op den aardbol met twee Seraphs in een glasvenster geheel bovenin,
+en daarnaast als muurschilderingen nog het vinden van het kind Mozes, en
+het ontvangen van de tafelen der wet, alles opgehelderd door leesbare
+opschriften. Eerst in de vakken van de houten zoldering wordt de decoratie,
+die ook daar nog is aangeduid, onduidelijk voor het oog.</p>
+
+<p>En dan weer het wonder: bij die opeenhooping van uitgewerkte bijzonderheden
+gaat evenmin als bij de Madonna van Rolin de eenheid van toon en stemming
+verloren. Daar was het de vroolijkheid van een helder buitenlicht, dat den
+blik over de hoofdvoorstelling heen in wijde verten trok; hier hult de
+geheimzinnigste donkerte van het hooge kerkgebouw het geheel in zulk een
+waas van ernst en mysterie,<a name='476'></a> dat het oog schier met moeite de anecdotische
+d&eacute;tails komt te ontwaren.</p>
+
+<p>Ziedaar het effekt der &quot;ongebreidelde uitwerking&quot; in de schilderkunst.
+De schilder, deze schilder, kon binnen een ruimte van nog geen halven
+vierkanten meter zijn ongebondensten lust tot d&eacute;tailleering den vrijen
+loop laten, (of moet het zijn: aan de lastigste opdrachten van een
+ondeskundigen vrome voldoen?), zonder ons meer te vermoeien dan een blik
+op het levend gewemel der werkelijkheid het zelve doet. Want het bleef
+&eacute;&eacute;n blik; de dwang der dimensi&euml;n legde beperking op, en het doordringen
+in de schoonheid en de bijzonderheid van dat alles, wat afgebeeld staat,
+geschiedt zonder denkinspanning; veel geacheveerdheden worden niet eens
+opgemerkt, of verdwijnen terstond weer uit het bewustzijn, en werken
+enkel coloristisch of perspectivisch.</p>
+
+<p>Wanneer men die algemeene eigenschap &quot;oneindige uitwerking der
+bijzonderheden&quot; ook aan de litteratuur der vijftiende eeuw toekent, dan
+is het in anderen zin. Niet in den zin van een ragfijn d&eacute;tailleerend
+naturalisme, dat zich vermeit in de uitvoerige beschrijving van het
+uiterlijk der dingen. Zoo kent deze letterkunde haar nog niet. De
+natuur- en persoonsbeschrijving werkt nog met de eenvoudige middelen der
+middeleeuwsche po&euml;zie: de afzonderlijke objecten, die tot de stemming
+van den dichter meewerken, worden vermeld, niet beschreven; het
+substantief overheerscht het adjectief; enkel de hoofdqualiteiten
+dier objecten, b.v. de kleuren, het geluid, worden geconstateerd.
+De ongebreidelde uitwerking der bijzonderheden is in de litteraire
+verbeelding meer quantitatief dan qualitatief; zij bestaat meer in het
+opsommen van zeer vele<a name='477'></a> objecten dan in het ontleden van de hoedanigheid
+der objecten afzonderlijk. De dichter verstaat de kunst van weglaten
+niet, hij kent het ledige vlak niet, hij mist het orgaan voor het effekt
+van het verzwegene. Dit geldt evenzeer de gedachten, die hij uitdrukt,
+als de beelden, die hij oproept. Ook de gedachten, doorgaans zeer
+eenvoudig, die het onderwerp wekt, worden in de uiterste volledigheid
+opgesomd. Het geheele raam van het dichtwerk is evenzeer overvuld met
+d&eacute;tails als het schilderstuk. Hoe komt het nu, dat daar die overvuldheid
+zoo veel minder harmonisch werkt?</p>
+
+<p>Dit is tot zekere hoogte zoo op te vatten, dat de verhouding van
+hoofdzaak en bijzaken ten opzichte van de po&euml;zie juist andersom is als
+ten opzichte der schilderkunst. In het schilderij is het verschil
+tusschen hoofdzaak (dat is: de adequate uitdrukking van het onderwerp)
+en bijwerk gering. Alles is er essentieel. Een enkel d&eacute;tail kan voor ons
+de volkomenste harmonie van het werk bepalen.</p>
+
+<p>Is het in de schilderkunst der vijftiende eeuw wel in de eerste plaats
+de diepe vroomheid, dus de adequate uitdrukking van het onderwerp, welke
+wij bewonderen? Neem het Gentsche altaar. Hoe weinig aandacht trekken
+de groote figuren van God Vader, Maria en Johannes den Dooper. In het
+hoofdtafereel gaat onze blik steeds weer van het Lam, de centrale
+voorstelling, de hoofdzaak van het kunstwerk, terzijde naar de stoeten
+der aanbidders, naar den achtergrond, naar de natuurschildering. En nog
+meer daarbuiten wordt de blik getrokken naar Adam en Eva, naar de
+portretten der stichters. Al ligt dan althans in het tafereel der
+Annunciatie de innige, ernstige bekoring in de figuren van den engel en
+de maagd, dus in het expressief-vrome,<a name='478'></a> zelfs daar verblijdt ons haast
+nog meer het koperen keteltje en de doorkijk in de zonnige straat. Het
+zijn de d&eacute;tails, die voor den maker louter bijwerk waren, welke hier
+doen bloeien in zijn stillen schijn het mysterie van het alledaagsche,
+de onmiddellijke aandoening over het wonder van alle dingen, en dat
+verbeeld. Er is, tenzij wij voor het Lam komen met een primair
+godsdienstige waardeering, geen verschil tusschen onze kunstemotie over
+de heilige voorstelling van de aanbidding der eucharistie, en over het
+vischstalletje van Emanuel de Witte in het Museum Boymans.</p>
+
+<p>Nu is juist in het d&eacute;tail de schilder volkomen vrij. Wat de hoofdzaak
+betreft, de voorstelling van het heilige onderwerp, is hem een strenge
+conventie opgelegd; elk kerkelijk tafereel heeft zijn iconografischen
+code, waarvan geen afwijking wordt gedoogd. Maar hij behoudt een
+onbegrensd veld voor de vrije ontplooiing van zijn scheppingslust.
+In de gewaden, de accessoires, den achtergrond kan hij ongehinderd en
+ongedwongen doen, wat des schilders is: schilderen namelijk, door geen
+conventie belemmerd, geven wat hij ziet en zooals hij 't ziet. De
+hechte, strakke bouw van het heilige tafereel draagt den rijkdom der
+d&eacute;tails als een lichten schat, als een vrouw bloemen op haar kleed.</p>
+
+<p>In de po&euml;zie der vijftiende eeuw nu is de verhouding in zekeren zin
+andersom. In de hoofdzaak is de dichter vrij; hij mag een nieuwe
+gedachte vinden, als hij kan, terwijl juist het d&eacute;tail, de achtergrond,
+in hooge mate door conventie beheerscht worden. Er bestaat voor ongeveer
+alle bijzonderheden een norm van uitdrukking, een schablone, die men
+ongaarne prijsgeeft. Bloemen, natuurgenot,<a name='479'></a> smarten en vreugden, ze
+hebben hun geijkte uitdrukkingsvormen, waaraan de dichter wat poetsen en
+kleuren kan, zonder ze te vernieuwen.</p>
+
+<p>Hij poetst en kleurt in het oneindige, want hij mist de heilzame
+beperking, die den schilder is opgelegd door het te vullen vlak; des
+dichters vlak is altijd onbeperkt. Hij is vrij van de beperking der
+materieele middelen, en juist wegens die vrijheid moet hij naar
+verhouding een grooter geest zijn dan de schilder, om iets goeds te
+maken. Ook de middelmatige schilders blijven een vreugde voor het
+nageslacht, maar de middelmatige dichter zinkt in vergetelheid.</p>
+
+<p>Om het effekt der &quot;ongebreidelde uitwerking&quot; aan een dichtwerk der
+vijftiende eeuw te demonstreeren, zou men er eigenlijk een in zijn
+geheel (en ze zijn lang!) op den voet moeten volgen. Daar dit niet
+mogelijk is, mogen enkele staaltjes volstaan.</p>
+
+<p>Alain Chartier gold in zijn tijd als een der grootste dichters; hij is
+vergeleken met Petrarca; nog Cl&eacute;ment Marot telt hem onder de eersten.
+Van de vereering, die hij genoot, getuigt het verhaaltje, dat hierboven
+reeds werd meegedeeld.<a name='FNanchor_904_904'></a><a href='#Footnote_904_904'><sup>[904]</sup></a> Men mag hem dus, uitgaande van zijn tijd
+zelf, naast een der grootste schilders plaatsen. Het begin van zijn
+gedicht <i>Le livre des quatre dames</i>, een samenspraak van vier
+edelvrouwen, wier minnaars bij Azincourt gestreden hebben, geeft, zooals
+de regel is, het landschap, den achtergrond van het beeld.<a name='FNanchor_905_905'></a><a href='#Footnote_905_905'><sup>[905]</sup></a> Dit
+landschap zij vergeleken met het welbekende landschap van het Gentsche
+altaarstuk: de wonderlijke bloemenweide met haar minutieus uitgevoerde
+vegetatie,<a name='480'></a> met de kerktorens achter de lommerige heuvelkruinen, een
+voorbeeld van de ongebreideldste uitwerking.</p>
+
+<p>De dichter gaat den lentemorgen in, om zijn langdurige zwaarmoedigheid
+te verdrijven.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Pour oublier melencolie,
+<span>Et pour faire chiere plus lie,<br /></span>
+<span>Ung doulx matin aux champs issy,<br /></span>
+<span>Au premier jour qu' amours ralie<br /></span>
+<span>Les cueurs en la saison jolie....&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Dit is alles louter conventioneel, en geen schoonheid van rythme of
+klank verheft het boven het glad-middelmatige. Nu komt de schildering
+van den lentemorgen.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Tout autour oiseaulx voletoient,
+<span>Et si tr&egrave;s-doulcement chantoient,<br /></span>
+<span>Qu'il n'est cueur qui n'en fust joyeulx.<br /></span>
+<span>Et en chantant en l'air montoient,<br /></span>
+<span>Et puis l'un l'autre surmontoient<br /></span>
+<span>A l'estrive&eacute; a qui mieulx mieulx.<br /></span>
+<span>Le temps n'estoit mie nueux,<br /></span>
+<span>De bleu estoient vestuz les cieux,<br /></span>
+<span>Et le beau soleil cler luisoit.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>De eenvoudige vermelding van de heerlijkheden van tijd en plaats zou
+hier zeer goed werken, wanneer de dichter zich had weten te beperken. Er
+is wel een bekoring in het heel simpele van dit natuurgedicht, maar het
+mist elken sterken <i>vorm</i>. In een sukkeldraf gaat de opsomming voort; na
+een nadere beschrijving van het vogelgezang volgt:</p>
+<a name='481'></a>
+<div class='poem'> &quot;Les arbres regarday flourir,
+<span>Et li&egrave;vres et connins courir.<br /></span>
+<span>Du printemps tout s'esjouyssoit.<br /></span>
+<span>L&agrave; sembloit amour seignourir.<br /></span>
+<span>Nul n'y peult vieillir ne mourir,<br /></span>
+<span>Ce me semble, tant qu'il y soit.<br /></span>
+<span>Des erbes ung flair doulx issoit,<br /></span>
+<span>Que l'air sery adoulcissoit,<br /></span>
+<span>Et en bruiant par la valee<br /></span>
+<span>Ung petit ruisselet passoit,<br /></span>
+<span>Qui les pays amoitissoit,<br /></span>
+<span>Dont l'eaue n'estoit pas salee.<br /></span>
+<span>L&agrave; buvoient les oysillons,<br /></span>
+<span>Apres ce que des grisillons,<br /></span>
+<span>Des mouschettes et papillons<br /></span>
+<span>Ilz avoient pris leur pasture.<br /></span>
+<span>Lasniers, aoutours, esmerillons<br /></span>
+<span>Vy, et mouches aux aguillons,<br /></span>
+<span>Qui de beau miel paveillons<br /></span>
+<span>Firent aux arbres par mesure.<br /></span>
+<span>De l'autre part fut la closture<br /></span>
+<span>D'ung pr&eacute; gracieux, o&ugrave; nature<br /></span>
+<span>Sema les fleurs sur la verdure,<br /></span>
+<span>Blanches, jaunes, rouges et perses.<br /></span>
+<span>D'arbres flouriz fut la ceinture,<br /></span>
+<span>Aussi blancs que se neige pure<br /></span>
+<span>Les couvroit, ce sembloit paincture,<br /></span>
+<span>Tant y eut de couleurs diverses.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Een beekje murmelt over kiezelsteenen; visschen zwemmen erin, een
+boschje spreidt zijn takken als groene gordijnen over den oever. En
+opnieuw volgt een opsomming van vogels: daar nestelen eenden, duiven,
+reigers, fazanten.</p>
+
+<p>Wat is het effekt van de uitgebreide uitwerking van het natuurtafereel
+in het gedicht, vergeleken met het schilderstuk,<a name='482'></a> de uitdrukking derhalve
+van eenzelfde inspiratie met verschillende middelen?&mdash;Dat de schilder
+door den aard van zijn kunst gedwongen is tot eenvoudige natuurgetrouwheid,
+terwijl de dichter zich verliest in vormlooze oppervlakkigheid en het
+opsommen van conventioneele motieven.</p>
+
+<p>De po&euml;zie staat in dit opzicht niet zoo na aan de schilderkunst als het
+proza. Dit laatste is minder gebonden aan bepaalde motieven. Het beoogt
+soms nadrukkelijker de nauwkeurige weergave van een geziene werkelijkheid.
+Het voert die uit met vrijer middelen. Daardoor vertoont het proza
+misschien beter dan de po&euml;zie de diepere verwantschap van litteratuur en
+kunst.</p>
+
+<p>De grondtrek van den laat-middeleeuwschen geest is zijn overmatig
+visueel karakter. Deze staat in nauw verband met de atrophieering der
+gedachte. Er wordt in gezichtsvoorstellingen gedacht. Alles wat men
+uitdrukken wil, wordt neergelegd in een zichtbaar beeld. De volstrekte
+gedachtenleegheid van de allegorische vertooningen of gedichten kon
+worden geduld, omdat de bevrediging geheel in het geziene lag. De
+neiging om het uiterlijk zichtbare onmiddellijk weer te geven vond een
+sterker en volkomener uiting door picturale middelen dan door
+litteraire. En eveneens een sterker uiting door de middelen van het
+proza dan door die der po&euml;zie. Vandaar dat het proza der vijftiende eeuw
+in vele opzichten middenevenredig staat tusschen de schilderkunst en de
+po&euml;zie. Alle drie hebben zij gemeen de onbeteugelde uitwerking der
+bijzonderheden, maar deze leidt in de schilderkunst en het proza tot een
+direct realisme, dat de po&euml;zie niet kent, zonder dat zij er veel beters
+voor in de plaats heeft.</p>
+<a name='483'></a>
+<p>Het is met name &eacute;&eacute;n schrijver, in wiens werken dezelfde kristalheldere
+visie op het uiterlijk der dingen ons treft, die Van Eyck heeft bezeten,
+namelijk Georges Chastellain. Hij was een Vlaming uit het land van
+Aalst. Al noemt hij zich &quot;l&eacute;al Fran&ccedil;ois&quot;, &quot;Fran&ccedil;ois de naissance&quot;, het
+schijnt wel, dat het Dietsch toch zijn moedertaal is geweest. La Marche
+noemt hem &quot;natif Flameng, toutesfois mettant par escript en langaige
+franchois&quot;. Hij zelf stelt met nederig welgevallen zijn Vlaamsche
+eigenschappen van grove landelijkheid in het licht; hij spreekt van
+&quot;sa brute langue&quot;, noemt zich &quot;homme flandrin, homme de palus bestiaux,
+ygnorant, bloisant de langue, gras de bouche et de palat et tout
+enfangi&eacute; d'autres povret&eacute;s corporelles &agrave; la nature de la terre.&quot;<a name='FNanchor_906_906'></a><a href='#Footnote_906_906'><sup>[906]</sup></a>
+Aan dien volksaard dankt hij den al te zwaren cothurnengang van zijn
+opgesierd proza, die plechtstatige &quot;grandiloquence&quot;, welke hem voor
+Fransche lezers altijd min of meer ongenietbaar maakt. Zijn prachtstijl
+heeft een zekere elefantische plompheid; hij heet met recht bij een
+tijdgenoot &quot;cette grosse cloche si haut sonnant.&quot;<a name='FNanchor_907_907'></a><a href='#Footnote_907_907'><sup>[907]</sup></a>&mdash;Doch aan zijn
+Vlaamschen aard dankt hij wellicht ook het scherp geziene en de sappige
+kleurigheid, waarmee hij herhaaldelijk aan hedendaagsche Belgische
+schrijvers doet denken.</p>
+
+<p>Tusschen Chastellain en Jan van Eyck is onmiskenbare verwantschap, bij
+verschil in hoogheid. Van Eyck op zijn slechtst is ongeveer Chastellain
+op zijn best, en het is al wel, om in het mindere Van Eyck te evenaren.
+Ik denk bij voorbeeld aan de zingende engelen op het Gentsche altaarstuk.
+<a name='484'></a>Die zware gewaden, vol donker rood en goud en fonkelende steenen, die al
+te uitdrukkelijke grimas, die ietwat beuzelachtige versiering van den
+muzieklessenaar, dat vertegenwoordigt in de schilderkunst de pronkende
+grootsprakigheid van den litterairen Bourgondischen hofstijl. Doch terwijl
+in de schilderkunst dit rhetorische element een ondergeschikte plaats
+inneemt, is het hoofdzaak in het proza van Chastellain. Zijn scherpe
+observatie en levend realisme verdrinkt veelal in den vloed van al te
+fraai aangekleede frazen en ronkende woordenpraal.</p>
+
+<p>Zoodra evenwel Chastellain een gebeurtenis beschrijft, die zijn
+Vlaamschen geest bijzonder boeit, komt er bij alle statigheid een
+directe, beeldende forschheid in zijn verhaal, die het uiterst treffend
+maakt. Van gedachte is hij niet rijker dan zijn tijdgenooten; het is de
+lang rondgegane pasmunt van godsdienstige, zedelijke en ridderlijke
+overtuigingen, die bij hem als gedachte fungeert. De voorstelling
+verloopt geheel aan de oppervlakte. Doch de verbeelding is scherp en
+levend.</p>
+
+<p>Zijn portret van Philips den Goede heeft bijna de onmiddellijkheid van
+een Van Eyck.<a name='FNanchor_908_908'></a><a href='#Footnote_908_908'><sup>[908]</sup></a> Met de behagelijkheid van een chroniqueur, die in
+zijn hart novellist is, heeft hij een bijzonder uitvoerig verhaal
+gegeven van een twist tusschen den hertog en zijn zoon Karel uit het
+begin van het jaar 1457. Nergens komt zijn sterk visueel opnemen van de
+dingen zoo goed uit; al de uiterlijke omstandigheden van deze gebeurtenis
+zijn met volmaakte scherpte weergegeven. Het zal noodig zijn, eenigszins
+omvangrijke passages te citeeren.</p>
+<a name='485'></a>
+<p>Er was een kwestie over een post in de hofhouding van den jongen graaf
+van Charolais. De oude hertog wilde, tegen een vroeger gegeven belofte,
+de plaats gunnen aan een der Croy's, bij hem in blakende gunst; Karel,
+die deze gunst ongaarne zag, verzette zich er tegen.</p>
+
+<p>&quot;Le duc donques par un lundy qui estoit le jour Saint-Anthoine,<a name='FNanchor_909_909'></a><a href='#Footnote_909_909'><sup>[909]</sup></a>
+apr&egrave;s sa messe, aiant bien d&eacute;sir que sa maison demorast paisible et sans
+discention entre ses serviteurs, et que son fils aussi fist par son
+conseil et plaisir, apr&egrave;s que j&agrave; avoit dit une grant part de ses heures
+et que la cappelle estoit vuide de gens, il appela son fils &agrave; venir vers
+luy et lui dist doucement: &quot;Charles, de l'estrif qui est entre les sires
+de Sempy et de H&eacute;meries pour le lieu de chambrelen, je vueil que vous y
+mettez c&egrave;s et que le sire de Sempy obtiengne le lieu vacant.&quot; Adont dist
+le conte: &quot;Monseigneur, vous m'avez bailli&eacute; une fois vostre ordonnance
+en laquelle le sire de Sempy n'est point, et monseigneur, s'il vous
+plaist, je vous prie que ceste-l&agrave; je la puisse garder.&quot;&mdash;&quot;D&eacute;a, ce dit
+le duc lors, ne vous chailliez des ordonnances, c'est &agrave; moy &agrave; croistre
+et &agrave; diminuer, je vueil que le sire de Sempy y soit mis.&quot;&mdash;&quot;Hahan! ce
+dist le conte (car ainsi jurait tousjours), monseigneur, je vous prie,
+pardonnez-moy, car je ne le pourroye faire, je me tiens &agrave; ce que vous
+m'avez ordonn&eacute;. Ce a fait le seigneur de Croy qui m'a brass&eacute; cecy, je le
+vois bien.&quot;&mdash;&quot;Comment, ce dist le duc, me d&eacute;sob&eacute;yrez-vous? ne ferez-vous
+pas ce que je vueil?&quot;&mdash;&quot;Monseigneur, je vous ob&eacute;yray volentiers, mais je
+ne feray point cela.&quot; Et le duc, &agrave; ces mots, enfelly de ire, respondit:
+&quot;H&agrave;! garsson, d&eacute;sob&eacute;yras-tu &agrave; ma volent&eacute;? va hors de mes yeux,&quot; et le
+sang,<a name='486'></a> avecques les paroles, lui tira &agrave; coeur, et devint p&acirc;le et puis &agrave;
+coup enflamb&eacute; et si espoentable en son vis, comme je l'oys recorder au
+clerc de la chapelle qui seul estoit empr&egrave;s luy, que hideur estoit &agrave; le
+regarder&quot;....</p>
+
+<p>Is dit niet krachtig? het stille begin, het in korte woordenwisseling
+opvlammen van den toorn, de hortende spraak van den zoon, waarin men als
+'t ware den heelen Karel den Stoute al herkent?</p>
+
+<p>De blik, dien de hertog op zijn zoon werpt, verschrikt de hertogin (wier
+aanwezigheid tot dusver nog niet was vermeld) zoozeer, dat zij haastig,
+haar zoon voor zich uit duwende, uit het bidvertrek,<a name='FNanchor_910_910'></a><a href='#Footnote_910_910'><sup>[910]</sup></a> door de kapel,
+zwijgend, haar gemaal's toorn wil ontvlieden. Maar zij moesten verscheiden
+hoeken om tot de deur, en de klerk had den sleutel. &quot;Caron, ouvre-nous&quot;,
+zegt de hertogin, maar de klerk valt haar te voet, en smeekt, dat haar
+zoon vergiffenis moge vragen, eer zij de kapel verlaten. Zij wendt zich
+met een smeekende vermaning tot Karel, doch deze antwoordt hooghartig en
+luid: &quot;D&eacute;a, madame, monseigneur m'a deffendu ses yeux et est indign&eacute; sur
+moy, par quoy, apr&egrave;s avoir eu celle deffense, je ne m'y retourneray point
+si tost, ains m'en yray &agrave; la garde de Dieu, je ne s&ccedil;ay o&ugrave;.&quot; Toen klinkt
+opeens de stem van den hertog, die, mat van woede, in zijn bidstoel is
+blijven zitten ... en de hertogin, in doodelijken angst, tot den klerk:
+&quot;Mon amy, tost, tost ouvrez-nous, il nous convient partir ou nous sommes
+morts.&quot;</p>
+
+<p>&mdash;Nu werkt bij Philips het felle bloed der Valois bedwelmend: in zijn
+vertrekken teruggekeerd,<a name='487'></a> vervalt de oude hertog in een soort van
+jongensachtige verdwazing. Tegen den avond rijdt hij, alleen en
+onvoldoende beschut, heimelijk uit Brussel. &quot;Les jours pour celle heurre
+d'alors estoient courts, et estoit j&agrave; basse vespr&eacute;e quant ce prince
+droit-cy monta &agrave; cheval, et ne demandoit riens autre fors estre emmy les
+champs seul et &agrave; par luy. Sy porta ainsy l'aventure que ce propre
+jour-l&agrave;, apr&egrave;s un long et &acirc;pre gel, il faisoit un releng,<a name='FNanchor_911_911'></a><a href='#Footnote_911_911'><sup>[911]</sup></a> et par
+une longue &eacute;paisse bruyne, qui avoit couru tout ce jour la, vespr&eacute;e
+tourna en pluie bien menue, mais tr&egrave;s-mouillant et laquelle destrempoit
+les terres et rompoit glasces avecques vent qui s'y entrebouta.&quot; Is dit
+geen Camille Lemonnier?</p>
+
+<p>Dan volgt de beschrijving van den nachtelijken dwaaltocht door velden en
+bosschen, waarin het levendste naturalisme en een zonderling gewichtig
+doende, moraliseerende rhetoriek merkwaardig zijn dooreengemengd.
+Vermoeid en hongerig zwerft de hertog rond; op zijn roepen klinkt geen
+antwoord. Een rivier, die hem een weg toeschijnt, lokt hem; het paard
+schrikt nog te rechter tijd terug. Hij valt met het paard en verwondt
+zich. Vergeefs luistert hij naar een hanengekraai of het blaffen van een
+hond, dat hem naar menschenwoningen zou kunnen leiden. Eindelijk ziet
+hij een lichtschijnsel, dat hij tracht te naderen; hij verliest het
+weer, vindt het terug, en bereikt het tenslotte. &quot;Mais plus l'approchoit,
+plus sambloit hideuse chose et espoentable, car feu partoit d'une mote
+<a name='FNanchor_912_912'></a><a href='#Footnote_912_912'><sup>[912]</sup></a> d'en plus de mille lieux, avecques grosse fumi&egrave;re, dont nul ne
+pensast &agrave; celle heure fors que ce fust ou purgatoire d'aucune &acirc;me ou
+autre illusion de l'ennemy....&quot;<a name='488'></a> Hij houdt plotseling stil. Maar opeens
+herinnerde hij zich, hoe de kolenbranders diep in het woud hun kolen
+plegen te branden. Het was zulk een brandheuvel, maar geen huis of hut
+was in de nabijheid. Eerst na hernieuwd dwalen brengt het blaffen van
+een hond hem bij de hut van een armen man, waar hij rust en spijziging
+vindt.</p>
+
+<p>Dergelijke treffende gedeelten uit het werk van Chastellain zijn de
+beschrijving van den burgerlijken tweekamp te Valenciennes, de
+nachtelijke twist van het Friesche gezantschap in Den Haag met de
+Bourgondische edelen, die zij in hun nachtrust storen, door op de
+bovenkamer op klompen krijgertje te spelen, het tumult te Gent in 1467,
+toen Karel's eerste bezoek als hertog samenvalt met de kermis te
+Houthem, vanwaar het volk met den schrijn van Sint Lieven terugkeert.
+<a name='FNanchor_913_913'></a><a href='#Footnote_913_913'><sup>[913]</sup></a></p>
+
+<p>Telkens bemerkt men aan ongewilde kleinigheden, hoe sterk de schrijver
+al de uiterlijke dingen <i>ziet</i>. De hertog, die tegenover het volksoproer
+staat, heeft voor zijn gezicht &quot;multitude de faces en bacinets<a name='FNanchor_914_914'></a><a href='#Footnote_914_914'><sup>[914]</sup></a>
+enrouill&eacute;s et donc les dedans estoient grignans barbes de vilain,
+mordans l&egrave;vres.&quot; Het roepen gaat van omlaag naar omhoog. De kerel, die
+zich naast den hertog aan het venster dringt, draagt een handschoen van
+zwart gevernist ijzer, waarmee hij op de vensterbank slaat, om stilte te
+gebieden.<a name='FNanchor_915_915'></a><a href='#Footnote_915_915'><sup>[915]</sup></a></p>
+
+<p>Dit nauwkeurig en direct waargenomene te beschrijven in een kernachtig
+eenvoudig woord is in het litteraire, wat de geweldige visueele scherpte
+van Van Eyck tot volmaaktheid van uitdrukking in de schilderkunst
+vermocht.<a name='489'></a> In de letterkunde wordt dat naturalisme veelal gestoord en in
+de uitdrukking belemmerd door conventioneele vormen, en het blijft
+uitzondering te midden van bergen dorre rhetoriek, terwijl het in de
+schilderkunst schittert als bloesems aan een appelboom.</p>
+
+<p>De schilderkunst is hier in middelen van uitdrukking de litteratuur
+verre voor. Zij heeft reeds een verwonderlijke virtuositeit in het
+weergeven van lichteffekten. Het zijn vooral de miniaturisten, die er
+naar streven, den schijn van een oogenblik vast te leggen. In het
+schilderij ziet men die gave eerst ten volle ontplooid in de Geboorte
+van Geertgen tot Sint Jans. De verluchters hebben reeds lang te voren
+het spel van toortslicht op harnassen beproefd in Christus'
+gevangenneming. Een stralende zonsopgang is reeds gelukt aan den
+meester, die koning R&eacute;n&eacute;'s <i>Coeur d'amour &eacute;pris</i> illustreerde. Die van
+de <i>Heures d'Ailly</i> heeft al het doorbreken van de zon na een storm
+aangedurfd.<a name='FNanchor_916_916'></a><a href='#Footnote_916_916'><sup>[916]</sup></a></p>
+
+<p>De letterkunde beschikt voor het opzettelijke weergeven van
+lichteffekten nog slechts over primitieve middelen. Een groote
+gevoeligheid voor lichtglans en schittering is er wel; gelijk hierboven
+betoogd werd, wordt zelfs de schoonheid in de eerste plaats als glans en
+schittering bewust. Alle schrijvers en dichters der vijftiende eeuw
+merken gaarne den glans van het zonlicht op, den schijn van kaarsen en
+toortsen, de spiegeling van glimplichten op helmen en wapens. Doch het
+blijft een eenvoudig vermelden, er is nog geen litterair proc&eacute;d&eacute; tot
+beschrijving er van.</p>
+
+<p>Het litteraire equivalent van het lichteffekt in de schilderkunst is
+veeleer op een ander gebied te zoeken.<a name='490'></a> Hier wordt de indruk van het
+oogenblik bovenal vastgehouden door een levendig gebruik van de directe
+rede. Er is nauwelijks een letterkunde, die er zoo op uit is, de
+samenspraak altijd onmiddellijk weer te geven. Het ontaardt in een
+vermoeiend misbruik: zelfs de uiteenzetting van een politieken toestand
+wordt door Froissart en de zijnen in vraag en antwoord ingekleed.
+De eeuwige beurtspraken van plechtigen val en hollen klank verhoogen
+somtijds de eentonigheid, inplaats van haar te breken. Dikwijls echter
+ook komt de illusie van het onmiddellijke en oogenblikkelijke er wel
+treffend uit te voorschijn. Froissart vooral is in die levendige
+wisselrede een meester.</p>
+
+<p>&quot;Lors il entendi les nouvelles que leur ville estoit prise. (Het gesprek
+gaat roepende.) 'Et de quel gens?', demande-il. Respondirent ceulx qui a
+luy parloient: 'Ce sont Bretons!'&mdash;'Ha, dist-il, Bretons sont mal gent,
+ils pilleront et ardront la ville et puis partiront.' (Vervolgens weer
+roepende): 'Et quel cry crient-ils?' dist le chevalier.&mdash;'Certes, sire,
+ils crient La Trimouille!&quot;</p>
+
+<p>Om een zekeren haastigen gang in zulk een gesprek te brengen, gebruikt
+Froissart den vasten truc, den aangesprokene het laatste woord van den
+spreker verwonderd te laten herhalen.&mdash;&quot;Monseigneur, Gaston est
+mort.'&mdash;'Mort?' dist le conte.&mdash;'Cestes, mort est-il pour vray,
+monseigneur.&quot; Elders: &quot;Si luy demanda, en cause d'amours et de lignaige,
+conseil.&mdash;'Conseil', respondi l'archevesque, 'certes, beaux nieps, c'est
+trop tard. Vous voul&eacute;s clore l'estable quant le cheval est perdu.&quot;<a name='FNanchor_917_917'></a><a href='#Footnote_917_917'><sup>[917]</sup></a></p>
+<a name='491'></a>
+<p>Ook de po&euml;zie past dit stijlmiddel ruimschoots toe. In een korten
+versregel wisselen soms vraag en antwoord tot tweemaal toe:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Mort, je me plaing.&mdash;De qui?&mdash;De toy.
+<span>&mdash;Que t'ay je fait?&mdash;Ma dame as pris.<br /></span>
+<span>&mdash;C'est v&eacute;rit&eacute;.&mdash;Dy moy pour quoy.<br /></span>
+<span>&mdash;Il me plaisoit.&mdash;Tu as mespris.&quot;<a name='FNanchor_918_918'></a><a href='#Footnote_918_918'><sup>[918]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Hier is het telkens afgebroken beurtgesprek van middel reeds doel
+geworden: een virtuositeit. De dichter Jean Meschinot heeft die
+kunstvaardigheid tot het uiterste weten op te voeren. In een ballade,
+waarin het arme Frankrijk haar koning (Lodewijk XI) zijn schuld
+voorhoudt, wisselt de rede in elk der dertig regels van drie tot vier
+keer. En het moet gezegd worden, dat de werking van het gedicht als
+politieke satire onder dien vreemden vorm niet lijdt. Ziehier de eerste
+strofe:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Sire ...&mdash;Que veux?&mdash;Entendez....&mdash;Quoy?&mdash;Mon cas.
+<span>&mdash;Or dy.&mdash;Je suys....&mdash;Qui?&mdash;La destruicte France!<br /></span>
+<span>&mdash;Par qui?&mdash;Par vous.&mdash;Comment?&mdash;En tous estats.<br /></span>
+<span>&mdash;Tu mens.&mdash;Non fais.&mdash;Qui le dit?&mdash;Ma souffrance.<br /></span>
+<span>&mdash;Que souffres tu?&mdash;Meschief.&mdash;Quel?&mdash;A oultrance.<br /></span>
+<span>&mdash;Je n'en croy rien.&mdash;Bien y pert<a name='FNanchor_919_919'></a><a href='#Footnote_919_919'><sup>[919]</sup></a>&mdash;N'en dy plus!<br /></span>
+<span>&mdash;Las! si feray.&mdash;Tu perds temps.&mdash;Quelz abus!<br /></span>
+<span>&mdash;Qu'ay-je mal fait?&mdash;Contre paix.&mdash;Et comment?<br /></span>
+<span>&mdash;Guerroyant....&mdash;Qui?&mdash;Vos amys et congnus.<br /></span>
+<span>&mdash;Parle plus beau.&mdash;Je ne puis, bonnement.&quot;<a name='FNanchor_920_920'></a><a href='#Footnote_920_920'><sup>[920]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<a name='492'></a>
+<p>Een andere uiting van dit oppervlakkige naturalisme in de litteratuur
+van dezen tijd is het volgende. Hoewel Froissart's zin gericht is op het
+beschrijven van ridderlijke heldendaden, geeft hij toch, zijns ondanks
+zou men zeggen, in hooge mate de proza&iuml;sche realiteit van den oorlog.
+Evengoed als Commines, die maling had aan de ridderij, beschrijft
+Froissart juist bijzonder goed de vermoeienis, de vergeefsche
+vervolgingen, de bewegingen zonder samenhang, het onrustige van een
+nachtverblijf. Hij weet meesterlijk talmen en wachten te beschrijven.
+<a name='FNanchor_921_921'></a><a href='#Footnote_921_921'><sup>[921]</sup></a></p>
+
+<p>In het sobere en exacte verhaal van de uiterlijke omstandigheden van een
+gebeurtenis bereikt hij soms zelfs een bijna tragische kracht, zooals in
+dat van den dood van den jongen Gaston Ph&eacute;bus, door zijn vader in drift
+doorstoken.<a name='FNanchor_922_922'></a><a href='#Footnote_922_922'><sup>[922]</sup></a>&mdash;Hij werkt zoo fotografisch, dat men onder zijn
+woorden de qualiteit van de vertellers, die hem zijn eindelooze faits
+divers meedeelden, kan herkennen. Alles bij voorbeeld, wat hij dankt aan
+zijn reisgenoot den ridder Espaing du Lyon, is voortreffelijk verteld.
+Overal waar de litteratuur eenvoudig observeerend werkt, zonder
+belemmering door conventie, is zij met de schilderkunst vergelijkbaar,
+al evenaart zij haar niet.</p>
+
+<p>Juist omdat het aankomt op de onbevangen observatie van een geval, dat
+verhaald zal worden, moet men de litteraire schilderingen, die de
+schilderkunst het meest nabij komen, niet zoeken in de beschrijving der
+natuur. Want deze berust in de vijftiende eeuw nog niet op directe
+onbevangen observatie.<a name='493'></a> Men vertelt een geval, omdat het belang inboezemt,
+en geeft dan de uiterlijke omstandigheden weer, zooals een gevoelige
+plaat ze opneemt. Van een bewust litterair proc&eacute;d&eacute; is daar nog geen
+sprake. Maar de natuurschildering, die in de schilderkunst als accessoire
+fungeert, dus onbevangen geschiedt, is in de letterkunde een bewust
+kunstmiddel. In de schilderkunst was de natuurafbeelding louter bijwerk,
+en kon daardoor zuiver en sober blijven. Juist omdat de vergezichten
+er voor het onderwerp niet op aan kwamen, niet deel hadden in den
+hieratischen stijl, konden de schilders der vijftiende eeuw in hun
+landschap een mate van harmonische natuurlijkheid geven, die de strenge
+ordonnantie van hun onderwerp hun nog in de hoofdvoorstelling ontzegde.
+De Egyptische kunst vertoont van dit verschijnsel een zuivere parallel:
+zij geeft in het modelleeren van een slavenfiguurtje, omdat het niet ter
+zake doet, den vormencode prijs, die anders de menschelijke gestalte
+verwringt, zoodat dan de mensenfiguren dezelfde onvergelijkelijke sobere
+natuurgetrouwheid bezitten als de dierfiguren.</p>
+
+<p>Hoe minder verband het landschap houdt met de centrale voorstelling, des
+te harmonischer en natuurlijker wordt het in zich zelf afgesloten.
+Achter de drukke, bizarre, pompeuze aanbidding der koningen in de <i>Tr&egrave;s
+riches heures de Chantilly</i><a name='FNanchor_923_923'></a><a href='#Footnote_923_923'><sup>[923]</sup></a> verrijst het gezicht op Bourges in
+verdroomde teerheid, volmaakt van atmosfeer en rythme.</p>
+
+<p>In de litteratuur zit de natuurbeschrijving nog geheel gehuld in het
+kleed der pastorale. Hierboven is reeds gesproken van den hoofschen
+strijd voor en tegen het eenvoudig buitenleven.<a name='494'></a> Het was evenals in de
+dagen, dat Rousseau opgang maakte, goede toon, dat men zich de ijdelheid
+van het hofleven moe bekende, en een wijze hofvlucht affecteerde, om
+zich te vergenoegen met het bruine brood en de zorgelooze liefde van
+Robin en Marion. Het was een sentimenteele reactie op de volbloedige
+praal en het trotsche ego&iuml;sme der werkelijkheid, niet ten eenenmale
+onecht, maar toch in hoofdzaak een litteraire houding.</p>
+
+<p>In die houding hoort de liefde tot de natuur. De po&euml;tische uitdrukking
+ervan is een conventie. De natuur was een gezocht element in het groote
+gezelschapsspel der hoofsch-erotische cultuur. De uitdrukking der
+schoonheid van bloemen en vogelgezang werd opzettelijk gecultiveerd in
+de geijkte vormen, die ieder speler verstond. Zoodoende staat de
+natuurbeschrijving in de letterkunde op een geheel ander niveau dan in
+de schilderkunst.</p>
+
+<p>Buiten het herdersdicht en het obligate motief van den lentemorgen als
+aanhef bestaat er nog nauwelijks behoefte aan natuurbeschrijving. Een
+enkele maal mogen er in het verhaal eens een paar woorden van
+natuurschildering invloeien, zooals toen Chastellain den invallenden
+dooi beschreef (en juist de onopzettelijke natuurschildering is dan
+doorgaans verreweg het meest suggestief), het blijft de pastorale
+po&euml;zie, waarin men het opkomen van het litteraire natuurgevoel moet
+nagaan. Naast de bladzijden van Alain Chartier, die hierboven werden
+aangehaald, om het effekt van de uitwerking der d&eacute;tails in het algemeen
+te laten zien, kan men bij voorbeeld leggen het gedicht <i>Regnault et
+Jehanneton</i>, waarin de koninklijke herder Ren&eacute; zijn liefde voor Jeanne
+de Laval verkleedt. Ook hier geen<a name='495'></a> saamgehouden visie op een stuk natuur,
+geen eenheid zooals de schilder door kleur en licht aan zijn landschap
+kon geven, maar een gemoedelijke aaneenrijging van bijzonderheden. De
+zingende vogels een voor een, de insecten, de kikvorschen, dan de
+ploegende boeren:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Et d'autre part, les paisans au labour
+<span>Si chantent hault, voire sans nul s&eacute;jour,<br /></span>
+<span class='i2'>Resjoyssant<br /></span>
+<span>Leurs beufs, lesquelx vont tout-bel charruant<br /></span>
+<span>La terre grasse, qui le bon froment rent;<br /></span>
+<span>Et en ce point ilz les vont rescriant,<br /></span>
+<span class='i2'>Selon leur nom:<br /></span>
+<span>A l'un Fauveau et l'autre Grison,<br /></span>
+<span>Brunet, Blanchet, Blondeau ou Compaignon;<br /></span>
+<span>Puis les touchent tel foiz de l'aiguillon<br /></span>
+<span class='i2'>Pour avancer.&quot;<a name='FNanchor_924_924'></a><a href='#Footnote_924_924'><sup>[924]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Er is wel frischheid in en een blij geluid, maar denk nu eens aan de
+kalendervoorstellingen der getijboeken. Koning Ren&eacute; geeft om zoo te
+zeggen al de ingredi&euml;nten voor een goede natuurbeschrijving, een palet
+met kleuren, maar meer niet. Verderop, waar het vallen van den avond
+beschreven wordt, is de poging om een stemming uit te drukken
+onmiskenbaar. De andere vogels zwijgen, maar de kwartel roept nog,
+patrijzen snorren naar hun leger, herten en konijnen komen te
+voorschijn. Nog even schijnt de zon op een torenspits, dan wordt de
+lucht koel, uilen en vleermuizen beginnen rond te vliegen, en het klokje
+der kapel luidt het Ave.</p>
+
+<p>De kalenderbladen van de <i>Tr&egrave;s-riches heures</i> geven ons gelegenheid,
+<a name='496'></a>eenzelfde motief in kunst en litteratuur te vergelijken. Men kent de
+glorieuze kasteelen, die in het werk der gebroeders Van Limburg den
+achtergrond van het maandwerk vullen. Zij hebben hun litterair pendant
+in het dichtwerk van Eustache Deschamps. In een zevental korte gedichten
+zingt deze den lof van verscheiden Noord-fransche kasteelen: Beaut&eacute;, dat
+later Agnes Sorel zou herbergen, Bi&egrave;vre, Cachan, Clermont, Nieppe, Noroy
+en Coucy.<a name='FNanchor_925_925'></a><a href='#Footnote_925_925'><sup>[925]</sup></a> Deschamps had een dichter van heel wat machtiger
+vleugelslag moeten zijn, om hier te bereiken, wat de gebroeders Van
+Limburg in deze teerste en fijnste uitingen der miniatuurkunst wisten
+uit te drukken. Op het Septemberblad rijst achter den wijnoogst het
+kasteel van Saumur als uit een droom omhoog: de torenspitsen met hun
+hooge windvanen, de pinnakels, de lelieornamenten op de tinnen, de
+twintig slanke schoorsteenen, het bloeit op als een wild perk van hooge
+witte bloemen in de donkerblauwe lucht. Daarnaast de majestueuze breede
+ernst van het vorstelijk Lusignan op het Maartblad, de sombere torens
+van Vincennes dreigend uitstekende boven de dorre blaren van het bosch
+van December.<a name='FNanchor_926_926'></a><a href='#Footnote_926_926'><sup>[926]</sup></a></p>
+
+<p>Had de dichter, deze althans, een gelijkwaardig middel, om zulke
+gezichten te evoceeren? Natuurlijk niet. De beschrijving der
+bouwkunstige vormen van het kasteel, zooals in het gedicht op Bi&egrave;vre,
+kon geen effekt opleveren. Een optelling van de geneuchten, die het
+kasteel biedt, dat is eigenlijk alles, wat hij weet te geven. Uit den
+aard der zaak ziet de schilder naar het kasteel toe, en de dichter van
+het kasteel uit.</p>
+<a name='497'></a>
+<div class='poem'> &quot;Son filz ainsn&eacute;, daulphin de Viennois,
+<span>Donna le nom &agrave; ce lieu de Beaut&eacute;.<br /></span>
+<span>Et c'est bien drois, car moult est delectables:<br /></span>
+<span>L'en y oit bien le rossignol chanter;<br /></span>
+<span>Marne l'ensaint, les haulz bois profitables<br /></span>
+<span>Du noble parc puet l'en veoir branler....<br /></span>
+<span>Les prez sont pres, les jardins deduisables,<br /></span>
+<span>Les beaus preaulx, fontenis bel et cler,<br /></span>
+<span>Vignes aussi et les terres arables,<br /></span>
+<span>Moulins tournans, beaus plains &agrave; regarder.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Welk een verschil in werking is hier! Toch hebben de afbeelding en het
+gedicht hier zoowel proc&eacute;d&eacute; als stof gemeen: zij sommen het zichtbare
+(en voor het gedicht ook het hoorbare) op. Maar des schilders blik is
+vast gericht: hij moet, opsommende, toch eenheid, beperking en samenhang
+geven. Paul van Limburg kan in zijn Februari-tafereel al de dingen van
+den winter opeenhoopen: de boeren zich warmend voor het vuur, het
+waschgoed dat te drogen hangt, de bonte kraaien op de sneeuw, de
+schaapskooi, de bijenkorven, de tonnen en de kar, en het heele
+wintersche verschiet met het stille dorpje en de eenzame hofstede op den
+heuvel. De rustige eenheid van het beeld blijft volmaakt. Des dichters
+blik evenwel dwaalt rond, vindt geen rustpunt; hij geeft de eenheid
+niet.</p>
+
+<p>De vorm is den inhoud voor. In de litteratuur zijn vorm en inhoud beide
+oud, in de schilderkunst is de inhoud oud, maar de vorm nieuw. In de
+schilderkunst bergt de vorm veel meer van de uitdrukking dan in de
+litteratuur. De schilder kan al de onuitgesproken wijsheid in den vorm
+leggen: de idee, de stemming, de psychologie, alles geeft hij zonder
+zich te behoeven kwellen om er taal van te maken. Het tijdperk is
+overwegend visueel.<a name='498'></a> Dit verklaart de superioriteit van de picturale
+boven de litteraire uitdrukking: een litteratuur, die overwegend visueel
+waarneemt, schiet te kort.</p>
+
+<p>De dichtkunst der vijftiende eeuw schijnt bijna zonder nieuwe gedachten
+te leven. Er is een algemeene onmacht tot nieuwe fictie; het is slechts
+bewerken, moderniseeren van de oude stof. Er is een pauze in de
+gedachte; de geest is klaar met het middeleeuwsch gebouw, en talmt
+vermoeid. Er is leegheid en dorheid. Men vertwijfelt aan de wereld;
+alles gaat achteruit; er is een sterke malaise van gemoed. Deschamps
+verzucht:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Helas! on dit que je ne fais m&egrave;s rien,
+<span>Qui jadis fis mainte chose nouvelle;<br /></span>
+<span>La raison est que je n'ay pas merrien (stof)<br /></span>
+<span>Dont je fisse chose bonne ne belle.&quot;<a name='FNanchor_927_927'></a><a href='#Footnote_927_927'><sup>[927]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Niets schijnt ons meer te getuigen van stilstand en verval dan het
+ontrijmen van de oude ridderromans en andere gedichten tot ellenlang
+effen proza. Toch beduidt die &quot;d&eacute;rimage&quot; der vijftiende eeuw een
+overgang tot een nieuwen geest. Het is het afscheid aan de gebonden
+rede als primair uitdrukkingsmiddel, het afscheid aan den stijl van den
+middeleeuwschen geest. Nog in de dertiende eeuw kon men alles in rijm
+brengen, tot geneeskunde en natuurlijke historie toe, evenals de
+Oud-Indische letterkunde alle wetenschap in versvorm bracht. De gebonden
+vorm beduidt, dat de voordracht het beoogde middel van mededeeling is.
+Niet de persoonlijke, gevoelvolle, expressieve voordracht, maar het
+opdreunen.<a name='499'></a> De nieuwe behoefte aan proza beduidt de zucht naar expressie,
+de opkomst van het moderne lezen tegenover de oude voordracht. Daartoe
+dient ook de verdeeling van de stof in kleine kapittels met resumeerende
+opschriften, die in de vijftiende eeuw algemeen wordt. Aan het proza
+worden naar verhouding hooger eischen gesteld dan aan de po&euml;zie; in den
+ouden rijmvorm slikt men alles nog.</p>
+
+<p>Doch de hoogere qualiteit in het algemeen van het proza zit in zijn
+formeele elementen; nieuwe gedachte heeft het evenmin. Froissart is het
+volledige type van den geest, die in het woord niet denkt, maar enkel
+verbeeldt. Hij heeft nauwelijks gedachten, enkel voorstellingen van
+feiten. Hij kent slechts een paar zedelijke motieven en gevoelens:
+trouw, eer, hebzucht, moed, en die alleen in hun allereenvoudigsten
+vorm. Hij gebruikt geen theologie, geen allegorie, geen mythologie,
+ternauwernood eenige moraal; hij vertelt maar door, correct, moeiteloos,
+geheel adequaat aan het geval, maar toch inhoudloos en nooit treffend,
+met de mechanische uiterlijkheid, waarmee de bioscoop de werkelijkheid
+weergeeft. Zijn bespiegelingen zijn van onge&euml;venaarde banaliteit: alles
+verveelt, niets is zekerder dan de dood, soms verliest men en soms wint
+men. Bij bepaalde voorstellingen treden met werktuigelijke zekerheid
+vaste uitspraken op: bij voorbeeld zoo dikwijls hij van Duitschers
+spreekt, zegt hij, dat zij hun gevangenen slecht behandelen en bijzonder
+hebzuchtig zijn.<a name='FNanchor_928_928'></a><a href='#Footnote_928_928'><sup>[928]</sup></a></p>
+
+<p>Zelfs wat men gewoonlijk van Froissart citeert als puntig gezegde,
+verliest veelal die kracht in den samenhang. Het geldt als een scherpe
+karakteristiek van den <a name='500'></a>eersten hertog van Bourgondi&euml;, wanneer Froissart
+hem noemt &quot;sage, froid et imaginatif, et qui sur ses besognes veoit au
+loin.&quot; Maar Froissart zegt het van iedereen!<a name='FNanchor_929_929'></a><a href='#Footnote_929_929'><sup>[929]</sup></a> Ook het bekende
+&quot;Ainsi ot messire Jehan de Blois femme et guerre qui trop luy cousta,&quot;
+<a name='FNanchor_930_930'></a><a href='#Footnote_930_930'><sup>[930]</sup></a> heeft welbeschouwd in het verband niet de pointe, die men erin
+voelt.</p>
+
+<p>E&eacute;n element mist Froissart: het rhetorische. Juist de rhetoriek was het
+die den tijdgenoot het gemis aan nieuwen inhoud in de literatuur
+vergoedde. Hij zwelgde in de praal van den versierden stijl; de
+gedachten schijnen hem nieuw door hun statigen dos. Zij dragen alle
+stijve brokaatgewaden. De begrippen van eer en plicht dragen het bonte
+pak van den ridderlijken waan. De natuurzin steekt in de plunje van de
+pastorale en de liefde in het knellendste van al, de allegorie van den
+<i>Roman de la Rose</i>. Geen enkele gedachte is naakt en vrij. Zij kunnen
+zich haast niet anders meer bewegen dan voortschrijdende in rustige
+maat, in eindelooze optochten.</p>
+
+<p>Dit rhetorisch-versierende element ontbreekt overigens volstrekt niet
+in de beeldende kunst. Er zijn tal van partijen, die men geschilderde
+rederijkerij zou kunnen noemen. Zoo bijvoorbeeld op Van Eyck's Madonna
+van den kanunnik Van de Paele de Sint Joris, die den stichter aan de
+Maagd aanbeveelt. Hoe duidelijk heeft de kunstenaar willen antikiseeren
+in dat gouden harnas en den pronkhelm; hoe slap rhetorisch is het
+gebaar, waarmee de heilige optreedt. De aartsengel Michael op het
+Dresdensche triptiekje draagt denzelfden al te fraaien tooi. Ook het
+werk van Paul van Limburg vertoont dat bewust rhetorische element, in
+de overrijke,<a name='501'></a> bizarre praal waarmee de drie koningen optreden, in het
+streven naar een exotische, theatrale uitdrukking, dat onmiskenbaar is.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>De po&euml;zie der vijftiende eeuw is op haar best, wanneer zij geen
+zwaarwichtige gedachte poogt uit te drukken, en ontslagen is van de
+taak, om het mooi te doen. Wanneer zij maar even een gezicht, een
+stemming oproept. Haar werking berust op haar formeele elementen: het
+beeld, den toon, het rythme. Vandaar dat zij weinig vermag in de werken
+van hoogen opzet en langen adem, waar de rythmische en toonqualiteiten
+ondergeschikt zijn, maar frisch kan zijn in de genres, waar de vorm
+hoofdzaak is: het rondeau, de ballade, die doorgaans op &eacute;&eacute;n lichte
+gedachte zijn gebouwd, en hun kracht ontleenen aan visie, toon en
+rythme. Het zijn de eenvoudig en onmiddellijk beeldende eigenschappen
+van het volkslied; daar waar het kunstlied zich het naast aansluit aan
+het volkslied, gaat er de meeste bekoring van uit.</p>
+
+<p>In de veertiende eeuw heeft een kentering plaats in de verhouding van
+lyrische dichtkunst en muziek. In de oudere periode was het gedicht
+onverbrekelijk aan muzikale voordracht gebonden, zelfs niet alleen het
+lyrische; immers men neemt aan, dat ook de chansons de geste gezongen
+werden, elk vers van tien of twaalf syllaben op dezelfde wijs (juist als
+de Indische &ccedil;loka). Het normale type van den middeleeuwschen lyrischen
+dichter is hij, die zoowel het gedicht als de muziek er op maakt. Dat
+doet in de veertiende eeuw nog Guillaume de Machaut. Hij is het tevens,
+die de meest gebruikelijke lyrische vormen voor zijn tijd fixeert: de
+balladen, het rondeau enz.; hij vindt den vorm van het d&eacute;bat. Machaut's
+rondeau's<a name='502'></a> en balladen kenmerken zich door groote effenheid, weinig
+kleur, nog minder gedachte; en dat mochten zij, want zij waren maar de
+helft van 's dichters werk: het liedje op muziek is er te beter om, als
+het niet te expressief en te bont is, zooals dit simpele rondel:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Au departir de vous mon cuer vous lais
+<span>Et je m'en vois dolans et esplour&eacute;s.<br /></span>
+<span>Pour vous servir, sans retraite jamais,<br /></span>
+<span>Au departir de vous mon cuer vous lais.<br /></span>
+<span>Et par m'ame, je n'arai bien ne pais<br /></span>
+<span>Jusqu'au retour, einsi desconfort&eacute;s.<br /></span>
+<span>Au departir de vous mon cuer vous lais<br /></span>
+<span>Et je m'en vois dolans et esplour&eacute;s.&quot;<a name='FNanchor_931_931'></a><a href='#Footnote_931_931'><sup>[931]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Deschamps is niet meer zelf de toondichter van zijn balladen, en hij
+is dan ook veel bonter en drukker dan Machaut, daardoor dikwijls
+belangwekkender, maar lager van po&euml;tischen stijl. Natuurlijk sterft het
+ijle, lichte, bijna inhoudlooze, voor muziek bestemde gedicht niet af,
+wanneer de dichters er niet zelf meer de muziek op maken. Het rondel
+bewaart den trant, zooals bij voorbeeld dit van Jean Meschinot:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;M'aimerez-vous bien,
+<span>Dictes, par vostre ame?<br /></span>
+<span>Mais (mits) que je vous ame<br /></span>
+<span>Plus que nulle rien (ding),<br /></span>
+<span>M'aimerez-vous bien?<br /></span>
+<span>Dieu mit tant de bien<br /></span><a name='503'></a>
+<span>En vous, que c'est basme (balsem);<br /></span>
+<span>Pour ce je me clame<br /></span>
+<span>Vostre. Mais combien<br /></span>
+<span>M'aimerez-vous bien?&quot;<a name='FNanchor_932_932'></a><a href='#Footnote_932_932'><sup>[932]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Het zuivere, eenvoudige talent van Christine de Pisan leende zich
+bijzonder voor deze vluchtige effekten. Zij heeft even gemakkelijk
+verzen gemaakt als al haar tijdgenooten, zeer weinig gevarieerd in vorm
+en gedachte, effen en weinig gekleurd, stil en rustig, met een lichte,
+geestige melancholie. Het zijn echt litteraire gedichten, volkomen
+hoofsch van toon en gedachte. Zij doen denken aan die ivoren plaques der
+veertiende eeuw, die in zuiver conventioneele afbeelding steeds weer
+dezelfde motieven geven: een jachttafereel, een motief uit <i>Tristan et
+Yseult</i> of uit den <i>Roman de la rose</i>, gracieus, koel en bekoorlijk.
+Waar nu Christine met haar zachte hoofschheid tegelijk den toon van het
+volkslied treft, ontstaat soms iets heel zuivers.</p>
+
+<p>Een weerzien:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Tu soies le tr&egrave;s bien venu,
+<span>M'amour, or m'embrace et me baise<br /></span>
+<span>Et comment t'es tu maintenu<br /></span>
+<span>Puis ton depart? Sain et bien aise<br /></span>
+<span>As tu est&eacute; tousjours? &ccedil;a vien<br /></span>
+<span>Coste moy, te si&eacute; et me conte<br /></span>
+<span>Comment t'a est&eacute;, mal ou bien,<br /></span>
+<span>Car de ce vueil savoir le compte.<br /></span>
+</div><p></p>
+<a name='504'></a>
+<div class='poem'> &mdash;Ma dame, a qui je suis tenu
+<span>Plus que aultre, a nul n'en desplaise,<br /></span>
+<span>Sach&eacute;s que desir m'a tenu<br /></span>
+<span>Si court qu'oncques n'oz tel mesaise,<br /></span>
+<span>Ne plaisir ne prenoie en rien<br /></span>
+<span>Loings de vous. Amours, qui cuers dompte.<br /></span>
+<span>Me disoit: &quot;Loyaut&eacute; me tien,<br /></span>
+<span>Car de ce vueil savoir le compte.&quot;<br /></span>
+</div><p></p>
+<div class='poem'> &mdash;Dont m'as tu ton serment tenu,
+<span>Bon gr&eacute; t'en s&ccedil;ay, par saint Nicaise;<br /></span>
+<span>Et puis que sain es revenu<br /></span>
+<span>Joye arons assez; or t'apaise<br /></span>
+<span>Et me dis se scez de combien<br /></span>
+<span>Le mal qu'en as eu a plus monte<br /></span>
+<span>Que cil qu'a souffert le cuer mien,<br /></span>
+<span>Car de ce vueil savoir le compte.<br /></span>
+</div><p></p>
+<div class='poem'> &mdash;Plus mal que vous, si com retien,
+<span>Ay eu, mais dites sanz mesconte,<br /></span>
+<span>Quans baisiers en aray je bien?<br /></span>
+<span>Car de ce vueil savoir le compte.&quot;<a name='FNanchor_933_933'></a><a href='#Footnote_933_933'><sup>[933]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Een gemis:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Il a au jour d'ui un mois
+<span>Que mon ami s'en ala.<br /></span>
+</div><p></p>
+<div class='poem'> Mon cuer remaint morne et cois,
+<span>Il a au jour d'ui un mois.<br /></span>
+</div><p></p>
+<div class='poem'> &quot;A Dieu, me dit, je m'en vois&quot;;
+<span>Ne puis a moy ne parla,<br /></span>
+<span>Il a au jour d'ui un mois.&quot;<a name='FNanchor_934_934'></a><a href='#Footnote_934_934'><sup>[934]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<a name='505'></a>
+<p>Een overgave:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Mon ami, ne plourez plus;
+<span>Car tant me faittes piti&eacute;<br /></span>
+<span>Que mon cuer se rent conclus<br /></span>
+<span>A vostre doulce amisti&eacute;.<br /></span>
+<span>Reprenez autre maniere;<br /></span>
+<span>Pour Dieu, plus ne vous doulez,<br /></span>
+<span>Et me faittes bonne chiere:<br /></span>
+<span>Je vueil quanque vous voulez.&quot;<br /></span>
+<span>............................................<br /></span>
+</div>
+
+<p>Het is de teere, spontane vrouwelijkheid van deze gedichtjes, ontdaan
+van de mannelijk-gewichtige, fantastische bespiegeling, en van den
+bonten opschik met de Rose-figuren, die ze voor ons genietbaar maakt.
+'t Is maar een enkele even ontwaarde stemming, die geboden wordt. Het
+thema heeft maar even in het hart geklonken, en is toen direct verbeeld,
+zonder dat de gedachte er aan te pas kwam. Maar daarom ook vertoont deze
+po&euml;zie zoo bijzonder dikwijls die eigenschap, welke zoowel in muziek als
+po&euml;zie alle tijdperken kenmerkt, waarin de inspiratie uitsluitend op de
+enkele visie van een oogenblik berust: het thema is zuiver en sterk, het
+lied begint in een klaar en vast geluid, als een merelslag, maar reeds
+na de eerste strofe heeft de dichter of toondichter zijn gegeven
+uitgezegd; de stemming zakt er uit weg, en de uitwerking verloopt in
+zwakke rhetoriek. Het is de eeuwige teleurstelling, die bijna alle
+dichters der vijftiende eeuw u bereiden.</p>
+
+<p>Hier een voorbeeld uit de balladen van Christine:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Quant chacun s'en revient de l'ost
+<span>Pour quoy demeures tu derriere?<br /></span>
+<span>Et si scez que m'amour entiere<br /></span><a name='506'></a>
+<span>T'ay baill&eacute;e en garde et depost.&quot;<a name='FNanchor_935_935'></a><a href='#Footnote_935_935'><sup>[935]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Men zou een fijne, middeleeuwsch-Fransche Lenore-ballade verwachten.
+Maar de dichteres had niets anders te zeggen dan dit begin, en in nog
+twee korte onbelangrijke strofen draait zij er een eind aan.</p>
+
+<p>Hoe frisch begint <i>Le debat dou cheval et dou levrier</i> van Froissart:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Froissart d'Escoce revenoit
+<span>Sus un cheval qui gris estoit,<br /></span>
+<span>Un blanc levrier menoit en lasse.<br /></span>
+<span>'Las', dist le levrier, 'je me lasse,<br /></span>
+<span>Grisel, quant nous reposerons?<br /></span>
+<span>Il est heure que nous mengons'.&quot;<a name='FNanchor_936_936'></a><a href='#Footnote_936_936'><sup>[936]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Doch deze toon wordt niet volgehouden, het gedicht zakt terstond. Het
+thema is alleen gezien, niet gedacht. Ze zijn soms prachtig suggestief,
+de thema's. In Pierre Michault's <i>Danse aux Aveugles</i> ziet men de
+menschheid eeuwig dansende om de tronen van Liefde, Fortuin en Dood.
+<a name='FNanchor_937_937'></a><a href='#Footnote_937_937'><sup>[937]</sup></a> Maar de uitwerking blijft van het begin af beneden het middelmatige.
+Een naamlooze <i>Exclamacion des os Sainct Innocent</i> begint met den toeroep
+der beenderen in de knekelgalerijen van het beroemde kerkhof:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Les os sommes des povres trespassez.
+<span>Cy amassez par monceaulx compassez.<br /></span>
+<span>Rompus, cassez, sans reigle ne compas....&quot;<a name='FNanchor_938_938'></a><a href='#Footnote_938_938'><sup>[938]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<a name='507'></a>
+<p>Een aanhef, om de luguberste doodsklacht op te bouwen; maar het wordt
+niet anders dan een memento mori van twaalf in het dozijn.</p>
+
+<p>Het zijn alles louter beeld-thema's. Voor den schilder behelst zulk een
+enkele visie in zich zelf de stof tot de verst doorgevoerde uitwerking,
+maar voor den dichter is zij niet genoeg.</p>
+
+<p>Is dan de schilderkunst der vijftiende eeuw in uitdrukkingsvermogen de
+litteratuur in alle opzichten de baas? Neen. Er blijven altijd gebieden,
+waarop de litteratuur over rijker en meer directe uitdrukkingsmiddelen
+beschikt dan de beeldende kunst. Zulk een gebied is bovenal dat van den
+spot. De beeldende kunst kan, tenzij zij zich verlaagt tot caricatuur,
+slechts een geringe potentie van het komische uitdrukken. Het komische,
+enkel zichtbaar afgebeeld, heeft een neiging, weer in het ernstige over
+te gaan. Slechts daar, waar de bijmenging van het komische element in de
+levensverbeelding zeer gering is, waar het enkel kruiderij is, en niet
+den eigen smaak van het gerecht overstemmen mag, kan de afbeelding
+gelijken tred houden met de uitdrukking in woorden. Als zulk een komiek
+in zwakste potentie kan men de genreschildering beschouwen.</p>
+
+<p>Hier is de beeldende kunst nog volkomen op haar terrein. De ongebreidelde
+uitwerking der d&eacute;tails, die wij hierboven aan de schilderkunst der
+vijftiende eeuw toekenden, gaat ongemerkt over in het behagelijke
+vertellen van kleinigheden, in het genre-achtige. Bij den meester van
+Fl&eacute;malle is de ged&eacute;tailleerdheid louter 'genre' geworden. Zijn Joseph de
+timmerman zit muizenvallen te maken. Het genre-achtige steekt in al zijn
+d&eacute;tails: tusschen de wijze, waarop Van Eyck en waarop de meester van
+Fl&eacute;malle een vensterblind laat openstaan,<a name='508'></a> een buffetje of een haard
+schildert, is de stap gedaan van de zuiver picturale visie naar het
+genre.</p>
+
+<p>Doch reeds op dit gebied heeft nu het woord opeens een dimensie meer dan
+de afbeelding. Het kan de gemoedsstemming expliciet weergeven. Denk nog
+eens aan Deschamps' beschrijvingen van de schoonheid der kasteelen. Ze
+waren eigenlijk mislukt en bleven oneindig ver achter bij wat de
+miniatuurkunst daarvan wist te maken. Maar vergelijk nu de ballade, waar
+Deschamps in een genretafereel beschrijft, hoe hij zelf ziek ligt in
+zijn armzalig kasteeltje te Fismes.<a name='FNanchor_939_939'></a><a href='#Footnote_939_939'><sup>[939]</sup></a> De uilen, spreeuwen, kraaien,
+musschen, die in zijn toren nestelen, houden hem uit den slaap:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;C'est une estrange melodie
+<span>Qui ne semble pas grant deduit<br /></span>
+<span>A gens qui sont en maladie.<br /></span>
+<span class='i2'>Premiers les corbes font s&ccedil;avoir<br /></span>
+<span>Pour certain si tost qu'il est jour:<br /></span>
+<span>De fort crier font leur pouoir,<br /></span>
+<span>Le gros, le gresle, sanz sejour;<br /></span>
+<span>Mieulx vauldroit le son d'un tabour<br /></span>
+<span>Que telz cris de divers oyseaulx,<br /></span>
+<span>Puis vient la proie;<a name='FNanchor_940_940'></a><a href='#Footnote_940_940'><sup>[940]</sup></a> vaches, veaulx,<br /></span>
+<span>Crians, muyans, et tout ce nuit,<br /></span>
+<span>Quant on a le cervel trop vuit,<br /></span>
+<span>Joint du moustier la sonnerie,<br /></span>
+<span>Qui tout l'entendement destruit<br /></span>
+<span>A gens qui sont en maladie.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>'s Avonds komen de uilen en verschrikken door hun klagelijk roepen den
+zieke met doodsgedachten:</p>
+<a name='509'></a>
+<div class='poem'> &quot;C'est froit hostel et mal reduit
+<span>A gens qui sont en maladie.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Zoodra maar een zweem van het komische, of ook maar van het genoegelijk-
+vertellende, doordringt, werkt het aaneenrijgende, opsommende proc&eacute;d&eacute;
+niet meer vermoeiend. Levendige schilderingen van burgerlijke zeden,
+lange behagelijke beschrijvingen van het vrouwelijk toilet breken de
+eentonigheid. In zijn lang allegorisch gedicht <i>L'espinette amoureuse</i>
+verkwikt Froissart u plotseling met een opsomming van wel zestig
+kinderspelen, die hij als kleine jongen te Valenciennes te spelen
+placht.<a name='FNanchor_941_941'></a><a href='#Footnote_941_941'><sup>[941]</sup></a> De litteraire dienst van den duivel der gulzigheid heeft
+reeds een aanvang genomen. De savoureuze maaltijden van Zola, Huysmans,
+Anatole France hebben reeds hun prototypen in de Middeleeuwen. Hoe glimt
+de gulzigheid, als Deschamps en Villon lekkebaarden naar malsche boutjes.
+Hoe smakelijk beschrijft Froissart de Brusselsche bonvivants, die den
+vetten hertog Wencelijn omringen in den slag bij Baesweiler; zij hebben
+hun knechten bij zich met groote flesschen wijn aan den zadelknop, met
+brood en kaas, pasteien van zalm, forellen en paling, alles netjes in
+kleine servetten gewikkeld; zoo staan zij de slagorde in den weg.<a name='FNanchor_942_942'></a><a href='#Footnote_942_942'><sup>[942]</sup></a></p>
+
+<p>Door haar gave voor het genre-achtige is de litteratuur van dien tijd in
+staat, ook het nuchterste in vers te brengen. Deschamps kan in een
+gedicht om geld manen, zonder van zijn gewone dichterniveau af te dalen;
+hij bedelt in een reeks van balladen om een beloofden tabbert, om
+brandhout, om een paard, om achterstallig salaris.<a name='FNanchor_943_943'></a><a href='#Footnote_943_943'><sup>[943]</sup></a></p>
+<a name='510'></a>
+<p>Het is maar &eacute;&eacute;n schrede van het genre-achtige naar het bizarre, het
+burleske, of als men wil: het breugheleske. Ook in dezen vorm van het
+komische is de schilderkunst nog gelijkwaardig aan de litteratuur. Het
+breughelsche element is in de kunst omstreeks 1400 reeds ten volle
+aanwezig. Men vindt het in den Joseph op Broederlam's Vlucht naar Egypte
+te Dijon, in de slapende krijgsknechten op de Drie Maria's bij het graf,
+die aan Hubert van Eyck zijn toegeschreven. Niemand is in het opzettelijk
+bizarre zoo sterk als Paul van Limburg. Een toeschouwer bij Maria's
+tempelgang draagt een ellenhooge, kromme toovenaarsmuts en mouwen van
+een vadem lang. Burlesk is hij in de doopvont, die drie monsterachtige
+maskers draagt met uitgestoken tong, en in de omlijsting van Maria en
+Elisabeth, waar een held uit een toren een slak bevecht, een ander man
+op een kruiwagen een varken kruit, dat den doedelzak speelt.<a name='FNanchor_944_944'></a><a href='#Footnote_944_944'><sup>[944]</sup></a></p>
+
+<p>Bizar is de litteratuur der vijftiende eeuw haast op elke bladzijde;
+haar gekunstelde stijl, de zonderling fantastische aankleeding van haar
+allegorie&euml;n getuigt het. Motieven, waaraan Breughel zijn uitgelaten
+fantazie zou botvieren, zooals het D&eacute;bat de Car&ecirc;me et de Mardi Gras,
+D&eacute;bat de chair et de poisson, zijn in de litteratuur der vijftiende eeuw
+reeds zeer in trek. Breughelsch in den hoogsten zin schijnt een felle
+visie als van Deschamps, waar de wachter de troepen, die zich te Sluis
+verzamelen tegen Engeland, als een heirleger van ratten en muizen ziet:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;'Avant, avant! tirez-vous &ccedil;a.
+<span>Je voy merveille, ce me semble.'<br /></span>
+<span>&mdash;'Et quoy, guette, que vois-tu l&agrave;?'<br /></span><a name='511'></a>
+<span>'Je voy dix mille rats ensemble<br /></span>
+<span>Et mainte souris qui s'assemble<br /></span>
+<span>Dessus la rive de la mer....'<br /></span>
+</div>
+
+<p>Een andermaal zit hij triest en verstrooid aan den maaltijd ten hove;
+opeens ziet hij, hoe de hovelingen eten: de een kauwt als een varken,
+de ander knabbelt als een muisje, een gebruikt zijn tanden als een zaag,
+deze vertrekt zijn gezicht, bij genen veegt de baard op en neer, &quot;al
+etende leken het duivelen.&quot;<a name='FNanchor_945_945'></a><a href='#Footnote_945_945'><sup>[945]</sup></a></p>
+
+<p>Zoodra de litteratuur volksleven schildert, vervalt zij van zelve in dat
+sappige, met luim gekruide realisme, dat in de beeldende kunst weldra
+zich zoo bloeiend zou ontwikkelen. Chastellain's beschrijving van den
+armen boer, die den verdwaalden hertog van Bourgondi&euml; opneemt, valt uit
+als een stuk van Breughel.<a name='FNanchor_946_946'></a><a href='#Footnote_946_946'><sup>[946]</sup></a> De Pastorale wordt met haar schildering
+van etende, dansende en vrijende herders telkens van haar sentimenteele
+en romantische grondthema afgeleid naar het pad van een frisch naturalisme
+van licht komische werking. Hier behoort ook de belangstelling voor het
+havelooze, die zich zoowel in de litteratuur als in de beeldende kunst
+der vijftiende eeuw reeds begint te openbaren. De kalenderminiaturen
+markeeren met welgevallen de doorgesleten knie&euml;n van de maaiertjes in
+het koren, of de schilderkunst de lompen van de bedelaars, die
+barmhartigheid vinden. Hier begint de lijn, die over Rembrandt's etsen
+en Murillo's bedelknapen naar de straattypen van Steinlen leidt.</p>
+
+<p>Doch hier springt ook weder het groote verschil der picturale en
+litteraire appreciatie in het oog.<a name='512'></a> Terwijl de beeldende kunst reeds het
+schilderachtige van den bedelaar ziet, de bekoring van den vorm dus, is
+de litteratuur enkel nog vervuld van de beteekenis van den bedelaar,
+'t zij zij hem beklaagt, of prijst, of verwenscht. De prototypen nu van
+het litteraire realisme der armoede-schildering liggen juist in die
+verwenschingen. De bedelaars waren in het einde der Middeleeuwen een
+ontzettende plaag geworden. In de kerken krioelde hun jammerlijke
+menigte, en belette den dienst met hun geschreeuw en gedruisch; onder
+hen was veel kwaad volk, &quot;validi mendicantes&quot;. Het kapittel van Notre
+Dame te Parijs tracht in 1428 vergeefs hen naar de kerkdeuren te
+verwijderen, en slaagt er slechts later in, hen althans uit het koor
+naar het schip der kerk te verwijzen.<a name='FNanchor_947_947'></a><a href='#Footnote_947_947'><sup>[947]</sup></a> Deschamps wordt niet moede,
+zijn haat tegen die ellendigen te luchten; hij scheert hen allen over
+&eacute;&eacute;n kam als huichelaars en bedriegers: ranselt hen de kerk uit, hangt ze
+op, verbrandt ze!<a name='FNanchor_948_948'></a><a href='#Footnote_948_948'><sup>[948]</sup></a> Vanhier naar de moderne litteraire schildering
+der ellende schijnt de weg veel langer dan die, welke de beeldende kunst
+had af te leggen; in de schilderkunst vulde zich het beeld vanzelf met
+nieuw sentiment, in de literatuur moest het langzaam rijpende sociale
+gevoel zich eerst geheel nieuwe vormen van uitdrukking scheppen.</p>
+
+<p>Waar het komische element, zwakker of sterker, grover of fijner, in de
+uiterlijke visie van een geval zelf ligt opgesloten, zooals in het genre
+en in het burleske, daar kon de beeldende kunst het woord bijhouden.
+<a name='513'></a>Maar daarbuiten lagen sferen van het komische, die voor picturale
+uitdrukking volstrekt ontoegankelijk waren, waar kleur noch lijn iets
+vermocht. Overal waar het komische positief lachwekkend moet zijn, was
+de litteratuur onbeperkt meester, dus op het zoo welig begroeide gebied
+van den schaterlach: de klucht, sotternie, boerde, de fabliaux, kortom
+al de vormen van het grof-komische. Uit dien rijken schat van
+laat-middeleeuwsche litteratuur spreekt een eigen geest.</p>
+
+<p>De litteratuur is ook meester op het gebied van den matten glimlach,
+daar, waar de spot zijn hoogste tonen strijkt, zich uitgiet over het
+ernstigste van het leven, de liefde, en over het eigen leed. De
+gekunstelde, gepolijste, versleten vormen der erotiek ondergingen een
+verfijning en zuivering door de bijmenging der ironie.</p>
+
+<p>Buiten het erotische is de ironie nog plomp en na&iuml;ef. De Franschman van
+1400 neemt af en toe nog de voorzichtigheid in acht, die den Hollander
+van 1900 blijft aanbevolen, om het erbij te zeggen, als hij ironisch
+spreekt. Deschamps prijst den goeden tijd: alles gaat best, overal
+heerscht vrede en gerechtigheid:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;L'en me demande chascun jour
+<span>Qu'il me semble du temps que voy,<br /></span>
+<span>Et je respons: c'est tout honour,<br /></span>
+<span>Loyaut&eacute;, verit&eacute; et foy,<br /></span>
+<span>Largesce, prouesce et arroy,<br /></span>
+<span>Charit&eacute; et biens qui s'advance<br /></span>
+<span>Pour le commun; mais, par ma loy,<br /></span>
+<span>Je ne di pas quanque je pence.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Of elders aan het eind van een ballade van dezelfde strekking: &quot;Tous ces
+poins a rebours retien&quot;;<a name='FNanchor_949_949'></a><a href='#Footnote_949_949'><sup>[949]</sup></a>
+ en in een derde met het refrein:<a name='514'></a> &quot;C'est
+grant pechiez d'ainsy blasmer le monde&quot;:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Prince, s'il est par tout generalment
+<span>Comme je say, toute vertu habonde;<br /></span>
+<span>Mais tel m'orroit qui diroit: 'Il se ment'....&quot;<a name='FNanchor_950_950'></a><a href='#Footnote_950_950'><sup>[950]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Zelfs een bel-esprit uit de tweede helft der vijftiende eeuw betitelt
+een epigram: &quot;Soubz une meschante paincture faicte de mauvaises couleurs
+et du plus meschant peinctre du monde, par maniere d'yronnie par ma&icirc;tre
+Jehan Robertet.&quot;<a name='FNanchor_951_951'></a><a href='#Footnote_951_951'><sup>[951]</sup></a></p>
+
+<p>Hoe fijn daarentegen kan de ironie reeds zijn, zoodra zij de liefde
+raakt. Zij mengt zich dan met de zachte melancholie, de matte teerheid,
+die de erotiek der vijftiende eeuw in de oude vormen tot iets nieuws
+maakt. Het droge hart smelt in een snik. Er klinkt een geluid, dat in de
+aardsche liefde nog niet was gehoord: de profundis.</p>
+
+<p>Het is de aanbiddelijke zelfbespotting, de figuur van &quot;l'amant remis et
+reni&eacute;&quot;, die Villon aanneemt, het zijn de matte liedjes der desillusie,
+die Charles d'Orl&eacute;ans zingt. Het is de lach in tranen: &quot;Je riz en
+pleurs&quot; is niet enkel Villon's vinding geweest. Een oude bijbelsche
+gemeenplaats: &quot;risus dolore miscebitur et extrema gaudii luctus
+occupat&quot;,<a name='FNanchor_952_952'></a><a href='#Footnote_952_952'><sup>[952]</sup></a> kreeg hier een nieuwe toepassing, een nieuw sentiment,
+een verfijnde bittere gevoelswaarde. Alain Chartier, de gladde
+hofpo&euml;et, heeft dit motief evengoed als Villon, de vagebond.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Je n'ay bouche qui puisse rire,
+<span>Que les yeulx ne la desmentissent:<br /></span>
+<span>Car le cueur l'en vouldroit desdire<br /></span><a name='515'></a>
+<span>Par les lermes qui des yeulx issent.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Of meer uitgewerkt, van een droeven minnaar:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;De faire chiere s'effor&ccedil;oit
+<span>Et menoit une joye fainte,<br /></span>
+<span>Et &agrave; chanter son cueur for&ccedil;oit<br /></span>
+<span>Non pas pour plaisir, mais pour crainte,<br /></span>
+<span>Car tousjours ung relaiz de plainte<br /></span>
+<span>S'enlassoit au ton de sa voix,<br /></span>
+<span>Et revenoit &agrave; son attainte<br /></span>
+<span>Comme l'oysel au chant du bois.&quot;<a name='FNanchor_953_953'></a><a href='#Footnote_953_953'><sup>[953]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Aan het slot van een gedicht verloochent de dichter zijn leed, in den
+toon van het vagantenlied, zooals hier:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Cest livret voult dicter et faire escripre
+<span>Pour passer temps sans courage villain<br /></span>
+<span>Ung simple clerc que l'en appelle Alain,<br /></span>
+<span>Qui parle ainsi d'amours pour oyr dire.&quot;<a name='FNanchor_954_954'></a><a href='#Footnote_954_954'><sup>[954]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Of in een uitgewerkte fantazie, zooals die waarmee koning Ren&eacute; zijn
+eindeloos <i>Cuer d'amour espris</i> besluit: de kamerdienaar komt met een
+kaars kijken, of 's konings hart niet weg is; maar hij kan geen gat in
+de zijde ontdekken:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Sy me dist tout en soubzriant
+<span>Que je dormisse seulement<br /></span>
+<span>Et que n'avoye nullement<br /></span>
+<span>Pour ce mal garde de morir.&quot;<a name='FNanchor_955_955'></a><a href='#Footnote_955_955'><sup>[955]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<a name='516'></a>
+<p>De oude conventioneele vormen kregen door het nieuwe sentiment nieuwe
+frischheid. Niemand heeft de gebruikelijke verpersoonlijking der
+sentimenten zoo ver doorgevoerd als Charles d'Orl&eacute;ans. Hij ziet zijn
+hart als een afzonderlijk wezen:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Je suys celluy au cueur vestu de noir....&quot;<a name='FNanchor_956_956'></a><a href='#Footnote_956_956'><sup>[956]</sup></a></div>
+
+<p>In de oudere lyriek, zelfs in den dolce stil nuovo, waren die
+verpersoonlijkingen nog strakke ernst geweest. Maar bij Orl&eacute;ans zijn
+de grenzen van ernst en spot niet meer te trekken; hij chargeert de
+verpersoonlijking, zonder dat het fijne sentiment te loor gaat:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Un jour &agrave; mon cueur devisoye
+<span>Qui en secret &agrave; moy parloit,<br /></span>
+<span>Et en parlant lui demandoye<br /></span>
+<span>Se point d'espargne fait avoit<br /></span>
+<span>D'aucuns biens quant Amours servoit:<br /></span>
+<span>Il me dist que tr&egrave;s voulentiers<br /></span>
+<span>La v&eacute;rit&eacute; m'en compteroit,<br /></span>
+<span>Mais qu'eust visite ses papiers.<br /></span>
+</div><p></p>
+<div class='poem'>Quant ce m'eut dit, il print sa voye
+<span>Et d'avecques moy se partoit.<br /></span>
+<span>Apr&egrave;s entrer je le v&eacute;oye<br /></span>
+<span>En ung comptouer qu'il avoit:<br /></span>
+<span>L&agrave;, de &ccedil;a et de l&agrave; qu&eacute;roit,<br /></span>
+<span>En cherchant plusieurs vieulx ca&iuml;ers<br /></span>
+<span>Car le vray monstrer me vouloit,<br /></span>
+<span>Mais qu'eust visitez ses papiers....&quot;<a name='FNanchor_957_957'></a><a href='#Footnote_957_957'><sup>[957]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Hier overweegt het komische, maar in het volgende de ernst:</p>
+<a name='517'></a>
+<div class='poem'> &quot;Ne hurtez plus &agrave; l'uis de ma pens&eacute;e,
+<span>Soing et Soucy, sans tant vous travailler;<br /></span>
+<span>Car elle dort et ne veult s'esveiller,<br /></span>
+<span>Toute la nuit en peine a despense&eacute;.<br /></span>
+</div><p></p>
+<div class='poem'>
+<span>En dangier est, s'elle n'est bien panse&eacute;;<br /></span>
+<span>Cessez, cessez, laissez la sommeiller;<br /></span>
+<span>Ne hurtez plus &agrave; l'uis de ma pens&eacute;e,<br /></span>
+<span>Soing et Soucy, sans tant vous travailler....&quot;<a name='FNanchor_958_958'></a><a href='#Footnote_958_958'><sup>[958]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>De week-droeve erotiek kreeg voor den vijftiende&euml;euwer een nog scherper
+smaak door de bijmenging van het profane, waarmee hij haar zoo gaarne
+kruidt. De travesti van het amoureuze in kerkelijke vormen dient niet
+enkel tot obscene beeldspraak en grove oneerbiedigheid, zooals in de
+<i>Cent nouvelles nouvelles</i>. Zij levert ook den vorm van het meest teere,
+bijna elegische liefdedicht, dat de vijftiende eeuw heeft voortgebracht:
+<i>L'amant rendu cordelier &agrave; l'observance d'amours</i>.</p>
+
+<p>Het motief van de minnaars als de observanten eener geestelijke orde had
+reeds in den kring van Charles d'Orl&eacute;ans aanleiding gegeven tot een
+dichterlijke confr&eacute;rie, die zich &quot;les amoureux de l'observance&quot; noemde.
+Is het werkelijk Martial d'Auvergne geweest, die het heeft uitgewerkt
+tot het treffende gedicht, dat zich zoover boven het van hem bekende
+verheft?</p>
+
+<p>De arme, teleurgestelde minnaar komt de wereld begeven in het wonderlijke
+klooster, waar men enkel de droeve verliefden, &quot;les amoureux martyrs&quot;,
+opneemt. In stille samenspraak met den heer Prior doet hij het zachte
+verhaal van zijn versmade liefde, en wordt vermaand, die te vergeten.
+<a name='518'></a>Het is onder het middeleeuwsch-satirieke gewaad reeds volkomen de stemming
+van Watteau en den Pierrot-cultus, slechts zonder maneschijn.&mdash;Was zij
+niet gewoon, vraagt de Prior, u een lieven blik toe te werpen, of in 't
+voorbijgaan een &quot;Dieu gart&quot; te zeggen?&mdash;Zoo ver kwam ik nooit, antwoordt
+de minnaar: maar 's nachts stond ik drie heele uren voor haar deur, en
+keek op naar de goot:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Et puis, quant je oyoye les verri&egrave;res
+<span>De la maison qui cliquetoient,<br /></span>
+<span>Lors me sembloit que mes pri&egrave;res<br /></span>
+<span>Exauss&eacute;es d'elle sy estoient.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>&quot;Waart ge zeker, dat zij u opmerkte?&quot; vraagt de Prior.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Se m'aist Dieu, j'estoye tant ravis,
+<span>Que ne savoye mon sens ne estre,<br /></span>
+<span>Car, sans parler, m'estoit advis<br /></span>
+<span>Que le vent ventoit sa fenestre<br /></span>
+<span>Et que m'avoit bien peu congnoistre,<br /></span>
+<span>En disant bas: 'Doint bonne nuyt',<br /></span>
+<span>Et Dieu scet se j'estoye grant maistre<br /></span>
+<span>Apr&egrave;s cela toute la nuyt.&quot;<a name='FNanchor_959_959'></a><a href='#Footnote_959_959'><sup>[959]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>In die zaligheid sliep hij heerlijk:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Tellement estoie restaur&eacute;
+<span>Que, sans tourner ne travailler,<br /></span>
+<span>Je faisoie un somme dor&eacute;,<br /></span>
+<span>Sans point la nuyt me resveiller.<br /></span>
+<span>Et puis, avant que m'abiller,<br /></span>
+<span>Pour en rendre &agrave; Amours louanges,<br /></span>
+<span>Baisoie troys fois mon orillier,<br /></span>
+<span>En riant &agrave; par moy aux anges.&quot;<br /></span>
+</div>
+<a name='519'></a>
+<p>Bij zijn plechtige opneming in de orde bezwijmt de dame, die hem
+versmaad had, en een gouden hartje, ge&euml;mailleerd met tranen, dat hij
+haar geschonken had, valt uit haar kleed.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Les aultres, pour leur mal couvrir
+<span>A force leurs cueurs retenoient,<br /></span>
+<span>Passans temps a clorre et rouvrir<br /></span>
+<span>Les heures qu'en leurs mains tenoient,<br /></span>
+<span>Dont souvent les feuilles tournoient<br /></span>
+<span>En signe de devocion;<br /></span>
+<span>Mais les deulz et pleurs que menoient<br /></span>
+<span>Monstroient bien leur affection.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Als de Prior hem ten slotte zijn nieuwe plichten opsomt, en hem
+waarschuwt, om nooit te luisteren naar den nachtegaal, nooit te slapen
+onder &quot;eglantiers et aubespines&quot;, en vooral nooit in vrouwenoogen te
+zien, klaagt het gedicht op het thema &quot;Doux yeux&quot; een eindelooze melodie
+van strofen, die altijd weer varieeren:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Doux yeulx qui tousjours vont et viennent;
+<span>Doulx yeulx eschauffans le plisson,<br /></span>
+<span>De ceulx qui amoureux deviennent....&quot;<br /></span>
+</div><p></p>
+<div class='poem'> &quot;Doux yeulx a cler esperlissans,
+<span>Qui dient: C'est fait quant tu vouldras,<br /></span>
+<span>A ceulx qu'ils sentent bien puissans....&quot;<a name='FNanchor_960_960'></a><a href='#Footnote_960_960'><sup>[960]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Die zachte, matte toon, die gelaten melancholie heeft ongemerkt in de
+vijftiende eeuw alle conventioneele vormen der erotiek doordrongen. De
+oude satire van cynische vrouwenverguizing krijgt er op eens een heel
+andere,<a name='520'></a> verfijnde stemming door: in de <i>Quinze joyes de mariage</i> is de
+botte vrouwensmaad van voorheen getemperd door een toon van stille
+desillusie en gedruktheid, die er het navrante aan geeft van een moderne
+huwelijksnovelle: de gedachten zijn ijl, vluchtig uitgedrukt; de
+gesprekken zijn te teer voor de boosaardige bedoeling.</p>
+
+<p>In alles wat de uitdrukking der liefde betrof, had de litteratuur een
+school van eeuwen achter zich, met meesters van zoo verscheiden geest
+als Plato en Ovidius, de troubadours en de vaganten, Dante en Jean de
+Meun.&mdash;De beeldende kunst daarentegen was hierin nog buitengewoon
+primitief, en is dat nog lang gebleven. Eerst in de achttiende eeuw
+haalt de afbeelding der liefde de beschrijving ervan in verfijning en
+volheid van expressie in. De schilderkunst der vijftiende eeuw kon nog
+niet frivool of sentimenteel zijn. Tusschen het kuische en het obscene
+had zij nog geen uitdrukkingsmiddel gevonden. Van het liefdeleven zegt
+zij weinig, en dat in na&iuml;eve en onschuldige vormen. Wel moet men zich
+hier opnieuw herinneren, dat het meeste wat er van dien aard bestaan
+heeft, verloren is. Het zou van buitengewoon belang zijn, als men het
+naakt van Van Eyck in zijn Vrouwenbad, waarvan Fazio verhaalt, kon
+vergelijken met zijn Adam en Eva. In de laatste ontbreekt het erotische
+element volstrekt niet geheel: immers de kunstenaar heeft wel degelijk
+den conventioneelen code van vrouwenschoonheid gevolgd, in de kleine,
+te hoog geplaatste borsten, de lange slanke armen, den vooruitstekenden
+buik. Doch hoe na&iuml;ef heeft hij dat alles gedaan, zonder eenige zucht of
+vermogen om te bekoren.&mdash;Bekoring moet het essentieele element zijn van
+het kleine Liefdetooverijtje,<a name='521'></a> wel met 'school van Jan van Eyck'
+betiteld,<a name='FNanchor_961_961'></a><a href='#Footnote_961_961'><sup>[961]</sup></a> een kamer, waar een meisje, naakt, zooals dat bij
+tooverij hoort, door toovermiddelen den minnaar dwingt, zich te
+vertoonen. Hier is het naakt van die bescheiden wulpschheid, die zich in
+Cranach's naaktfiguren voortzet.</p>
+
+<p>Het was geen preutschheid, die de rol der afbeelding in de erotiek zoo
+beperkt hield. De late Middeleeuwen vertoonen een zonderlinge
+tegenstrijdigheid tusschen een sterk schaamtegevoel en een verbazende
+licentie. Voor het laatste is het aanhalen van voorbeelden onnoodig;
+zij spreekt op iedere bladzijde. De schaamte spreekt bij voorbeeld uit
+het volgende. Bij de ergste moord- en plunderpartijen laat men den
+slachtoffers het hemd of de onderbroek; de Burger van Parijs is over
+niets zoo verontwaardigd als over het feit, dat die regel werd
+geschonden: &quot;et ne volut pas convoitise que on leur laissast neis leurs
+brayes, pour tant qu'ilz vaulsissent 4 deniers, qui estoit un des plus
+grans cruault&eacute;s et inhumanit&eacute; chrestienne &agrave; aultre de quoy on peut
+parler.&quot; Bij het verhaal van de wreedheid van den bastaard van Vauru
+tegen een arme vrouw, is hij nog meer dan van de overige kwellingen
+ontzet van het schendig stuk, dat hij haar de kleeren kort onder het
+middel laat afsnijden.<a name='FNanchor_962_962'></a><a href='#Footnote_962_962'><sup>[962]</sup></a>&mdash;Daarom blijft het dubbel opmerkelijk, dat
+men aan het vrouwelijk naakt, in de kunst nog zoo weinig gecultiveerd,
+zulk een vrije plaats gaf in het tableau vivant. Bij geen intocht
+ontbraken de vertooningen, &quot;personnages&quot;, van naakte godinnen of nimfen,
+door D&uuml;rer aanschouwd bij den intocht van<a name='522'></a> Karel V te Antwerpen in 1520,
+<a name='FNanchor_963_963'></a><a href='#Footnote_963_963'><sup>[963]</sup></a> en door Hans Makart misverstaan, alsof de vrouwen meeliepen in den
+optocht. Deze vertooningen waren op getimmerten op bepaalde plaatsen
+opgesteld, soms zelfs in het water, zooals de sirenen, die bij de brug
+in de Leie zwommen, &quot;toutes nues et &eacute;chevel&eacute;es ainsi comme on les
+peint&quot;, bij den intocht van Philips den Goede te Gent in 1457.<a name='FNanchor_964_964'></a><a href='#Footnote_964_964'><sup>[964]</sup></a>
+Paris' oordeel was het meest gebruikte onderwerp dezer vertooningen.
+&mdash;Men zoeke er noch Griekschen schoonheidszin noch platte
+onbeschaamdheid in, maar een na&iuml;eve, populaire zinnelijkheid. Jean de
+Roye beschrijft de sirenen, die bij den intocht van Lodewijk XI te
+Parijs in 1461, niet ver van een gekruisigde tusschen de twee schakers,
+stonden opgesteld, in deze woorden: &quot;Et si y avoit encores trois bien
+belles filles, faisans personnages de seraines toutes nues, et leur
+veoit on le beau tetin droit, separ&eacute;, rond et dur, qui estoit chose bien
+plaisant, et disoient de petiz motetz et bergeretes; et pr&egrave;s d'eulx
+jouoient plusieurs bas instrumens qui rendoient de grandes melodies.&quot;
+<a name='FNanchor_965_965'></a><a href='#Footnote_965_965'><sup>[965]</sup></a> Molinet vertelt, met hoeveel welbehagen het volk naar het oordeel
+van Paris keek bij den intocht van Philips den Schoone te Antwerpen in
+1494: &quot;mais le hourd o&ugrave; les gens donnoient le plus affectueux regard fut
+sur l'histoire des trois d&eacute;esses, que l'on v&eacute;oit au nud et de femmes
+vives.&quot;<a name='FNanchor_966_966'></a><a href='#Footnote_966_966'><sup>[966]</sup></a> Hoe ver was zuivere schoonheidszin, als men de vertooning
+van dat onderwerp in 1468 te Rijssel bij den intocht van Karel den
+Stoute geparodieerd ziet door een zwaarlijvige Venus, een magere Juno en
+een gebochelde Minerva,<a name='523'></a> met gouden kronen op het hoofd!<a name='FNanchor_967_967'></a><a href='#Footnote_967_967'><sup>[967]</sup></a>&mdash;Tot diep
+in de zestiende eeuw bleven de naakte vertooningen in gebruik: te Rennes
+in 1532 bij den intocht van den hertog van Bretagne zag men een naakte
+Ceres en Bacchus,<a name='FNanchor_968_968'></a><a href='#Footnote_968_968'><sup>[968]</sup></a> en nog Willem van Oranje werd bij zijn inkomst
+binnen Brussel op 18 September 1578 vergast op een Andromeda, &quot;een
+ionghe maeght, met ketenen ghevetert, alsoo naeckt als sy van moeder
+lyve gheboren was; men soude merckelyck geseydt hebben, dattet een
+marberen beeldt hadde geweest&quot;, aldus Johan Baptista Houwaert, die de
+tableaux gearrangeerd had.<a name='FNanchor_969_969'></a><a href='#Footnote_969_969'><sup>[969]</sup></a></p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>De achterlijkheid van het picturale uitdrukkingsvermogen vergeleken bij
+de litteratuur beperkt zich overigens niet tot de gebieden, die wij tot
+nu toe behandelden: het komische, het sentimenteele, het erotische. Dat
+vermogen vindt zijn grenzen, zoodat het niet meer gedragen wordt aan
+dien overmatig visueelen aanleg, waarin wij de toenmalige superioriteit
+van de schilderkunst in het algemeen boven de litteratuur gegrond
+achtten. Zoodra er iets meer noodig is dan enkel een onmiddellijke,
+scherpe visie van het natuurlijke, begeeft die superioriteit de
+schilderkunst van lieverlede, en ziet men opeens de gegrondheid van
+Michel Angelo's verwijt: die kunst wil vele dingen tegelijk volkomen
+afbeelden, waarvan &eacute;&eacute;n belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten
+aan te besteden.</p>
+
+<p>Neem nogmaals een tafereel van Jan van Eyck. Onovertroffen blijft zijn
+kunst,<a name='524'></a> zoolang zij van nabij ziende, om zoo te zeggen microscopisch,
+werkt: in de gelaatstrekken, de stoffen der gewaden, de juweelen. De
+volstrekt scherpe observatie is daar genoeg. Doch zoodra de geziene
+werkelijkheid eenigermate moet worden herleid, gelijk reeds het geval
+is in de voorstelling van gebouwen en landschappen, vallen er, bij alle
+innige bekoring van het vroege vergezicht, zwakheden te bespeuren: een
+zekere onsamenhangendheid, een ietwat gebrekkige dispositie. En hoe meer
+de voorstelling opzettelijk moet worden gecomponeerd, er een beeldvorm
+voor het geval vrij moet worden geschapen, hoe sterker de daling wordt.</p>
+
+<p>Niemand zal tegenspreken, dat in de verluchte getijboeken de
+kalenderbladen die, waarop de heilige geschiedenis staat afgebeeld,
+overtreffen. D&aacute;&aacute;r kon men met directe waarneming en vertellend weergeven
+volstaan. Maar om een gewichtige handeling, een bewogen voorstelling met
+veel personen op te zetten, was bovenal dat gevoel voor rythmischen
+opbouw en eenheid noodig, dat eertijds Giotto gekend had, en dat opnieuw
+door Michel Angelo werd begrepen. Het wezen nu der vijftiende-eeuwsche
+kunst was veelheid. Slechts daar, waar de veelheid zelf tot eenheid
+werd, werd het effekt van hooge harmonie bereikt, zooals in de
+Aanbidding van het Lam. Daar is inderdaad rythme, een onvergelijkelijk
+sterk rythme, een triomfantelijk rythme van al die stoeten schrijdend
+naar het middelpunt toe. Doch het is als 't ware door een bloot
+rekenkundige nevenschikking, uit de veelheid zelf, gevonden. Van Eyck
+ontloopt de moeilijkheden der compositie, door slechts voorstellingen
+te geven in strenge rust; hij bereikt een statische, geen dynamische
+harmonie.</p>
+<a name='525'></a>
+<p>Hier bovenal ligt de groote afstand, die Rogier van der Weyden van Van
+Eyck scheidt. Rogier beperkt zich, om het rythme te vinden; hij slaagt
+niet altijd, maar hij streeft.</p>
+
+<p>Nu bestond er voor de voornaamste onderwerpen der heilsgeschiedenis een
+strenge, oude verbeeldingstraditie. De schilder behoefde de ordonnantie
+van zijn tafereel niet meer zelf te zoeken.<a name='FNanchor_970_970'></a><a href='#Footnote_970_970'><sup>[970]</sup></a> Sommige dier
+onderwerpen brachten een rythmischen bouw bijna vanzelve mee. In een
+beweening, een kruisafneming, een aanbidding der herders, kwam het
+rythme als van zelve. Men denke aan de pieta's van Rogier van der Weyden
+te Madrid, die van de Avignonsche school in het Louvre en te Brussel,
+van Petrus Cristus, van Geertgen tot Sint Jans, van de Belles heures
+d'Ailly.<a name='FNanchor_971_971'></a><a href='#Footnote_971_971'><sup>[971]</sup></a></p>
+
+<p>Wordt echter het tafereel woeliger, zooals bij de bespotting, de
+kruisdraging, de aanbidding der koningen, dan stijgen de moeilijkheden
+der compositie, en een zekere onrustigheid, onvoldoende eenheid der
+voorstelling is veelal het gevolg. En als de kerkelijke iconografische
+norm den kunstenaar geheel begeeft, dan staat hij vrijwel hulpeloos.
+Reeds de rechtspraaktafereelen van Dirk Bouts en Gerard David, die
+nog een zekere statige ordonnantie meebrachten, zijn vrij zwak van
+compositie. Linksch en onbeholpen wordt zij in de marteling van Sint
+Erasmus, &quot;het dermwinderken&quot; van Leuven, en van Sint Hippolytus, door
+paarden uiteengetrokken, te Brugge. Daar werkt de gebrekkige bouw reeds
+stuitend.</p>
+
+<p>Wanneer nu nooit geziene fantazie moet worden verbeeld, dan vervalt de
+vijftiende-eeuwsche kunst<a name='526'></a> in het belachelijke. De groote schilderkunst
+bleef daarvoor gespaard door haar strenge onderwerpen, maar de
+boekverluchting kon zich niet onttrekken aan het afbeelden van al de
+mythologische en allegorische fantazie, die de litteratuur aanbracht.
+Een goed voorbeeld levert de illustratie van de <i>Epitre d'Oth&eacute;a &agrave;
+Hector</i>,<a name='FNanchor_972_972'></a><a href='#Footnote_972_972'><sup>[972]</sup></a> een uitgewerkte mythologische fantazie van Christine
+de Pisan. Het is het onbeholpenste wat men zich kan voorstellen. De
+Grieksche goden dragen groote vlerken achter aan hun hermelijnmantels of
+bourgondische tabberts; de geheele opzet en uitdrukking mislukt: Minos,
+Saturnus, die zijn kinderen verslindt, Midas, die den prijs uitdeelt,
+zij vallen allen even zot uit. Doch zoodra de verluchter in den
+achtergrond even zijn hart kan ophalen aan een herdertje met schaapjes
+of een heuveltje met galg en rad, vertoont hij de gewone vaardigheid.
+<a name='FNanchor_973_973'></a><a href='#Footnote_973_973'><sup>[973]</sup></a> Men is hier aan de grens van het beeldend vermogen dezer
+kunstenaars. In vrij scheppende verbeelding zijn zij tenslotte ongeveer
+even beperkt als de dichters.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>De allegorische verbeelding had de fantazie in een impasse geleid. De
+allegorie kluistert wederkeerig het beeld en de gedachte. Het beeld
+kan niet vrij geschapen worden, omdat het de gedachte volkomen moet
+omschrijven, en de gedachte wordt in haar vlucht belemmerd door het
+beeld. De fantazie heeft zich gewend, de gedachte zoo nuchter mogelijk
+in beeld over te brengen, zonder eenig gevoel voor stijl. Temperantia
+draagt op haar hoofd een uurwerk,<a name='527'></a> om haar aard aan te duiden. De
+verluchter van de <i>Epitre d'Oth&eacute;a</i> nam daartoe eenvoudig het hangklokje,
+dat hij ook bij Philips den Goede aan den wand plaatste.<a name='FNanchor_974_974'></a><a href='#Footnote_974_974'><sup>[974]</sup></a>&mdash;Wanneer
+een scherp natuurlijk observeerende geest als Chastellain uit eigen
+vinding allegorische figuren teekent, valt het bijster barok uit. Hij
+ziet bij voorbeeld in het rechtvaardigingsbetoog naar aanleiding van
+zijn gewaagd politiek gedicht <i>Le dit de v&eacute;rit&eacute;</i><a name='FNanchor_975_975'></a><a href='#Footnote_975_975'><sup>[975]</sup></a> vier dames, die
+hem aanklagen. Zij heeten Indignation, R&eacute;probation, Accusation,
+Vindication. Ziehier, hoe hij de tweede beschrijft.<a name='FNanchor_976_976'></a><a href='#Footnote_976_976'><sup>[976]</sup></a> &quot;Ceste dame
+droit-cy se monstroit avoir les conditions seures,<a name='FNanchor_977_977'></a><a href='#Footnote_977_977'><sup>[977]</sup></a> raisons moult
+agu&euml;s et mordantes; grignoit les dens et m&acirc;choit ses l&egrave;vres; niquoit de
+la teste souvent; et monstrant signe d'estre argu&euml;resse, sauteloit sur
+ses pieds et tournoit l'un cost&eacute; puis &ccedil;&agrave;, l'autre cost&eacute; puis l&agrave;; portoit
+mani&egrave;re d'impatience et de contradiction; le droit oeil avoit clos et
+l'autre ouvert; avoit un sacq plein de livres devant lui, dont les uns
+mit en son escours<a name='FNanchor_978_978'></a><a href='#Footnote_978_978'><sup>[978]</sup></a> comme ch&eacute;ris, les autres jetta au loin par
+despit; deschira papiers et feuilles; quayers jetta au feu f&eacute;lonnement;
+rioit sur les uns et les baisoit; sur les autres cracha par vilennie et
+les foula des pieds; avoit une plume en sa main, pleine d'encre, de
+laquelle roioit maintes ecritures notables ...; d'une esponge aussy
+noircissoit aucunes ymages, autres esgratinoit aux ongles ... et les
+<a name='528'></a>tierces rasoit toutes au net et les planoit comme pour les mettre hors
+de m&eacute;moire; et se monstroit dure et felle ennemie &agrave; beaucoup de gens de
+bien, plus volontairement que par raison.&quot; Elders ziet hij, hoe Dame
+Paix haar mantel uitspreidt en hoog oplicht, en in vier nieuwe dames
+uiteenvalt: Paix de coeur, Paix de bouche, Paix de semblant, Paix de
+vray effet.<a name='FNanchor_979_979'></a><a href='#Footnote_979_979'><sup>[979]</sup></a> In weer een ander van zijn allegorie&euml;n komen
+vrouwenfiguren voor, die heeten &quot;Pesanteur de tes pays, Diverse
+condition et qualit&eacute; de tes divers peuples, L'envie et haine des
+Fran&ccedil;ois et des voisines nations&quot;, alsof een politiek hoofdartikel zich
+liet allegoriseeren.<a name='FNanchor_980_980'></a><a href='#Footnote_980_980'><sup>[980]</sup></a>&mdash;Dat al die figuren niet gezien maar bedacht
+zijn, blijkt ten overvloede uit het feit, dat zij hun namen op
+banderoles dragen; hij put de beelden niet direct uit zijn levende
+fantazie, maar stelt ze zich voor als op een schilderij of in een
+vertooning.</p>
+
+<p>In <i>La mort du duc Philippe, myst&egrave;re par mani&egrave;re de lamentation</i> ziet
+hij zijn hertog verbeeld als een flesch vol kostbare zalf, die aan een
+draad uit den hemel hangt; de aarde heeft die flesch aan haar borsten
+gezoogd.<a name='FNanchor_981_981'></a><a href='#Footnote_981_981'><sup>[981]</sup></a> Molinet ziet Christus als pelikaan (een gewone trope)
+niet alleen met zijn bloed de jongen voeden, maar tevens er den spiegel
+des doods mee afwasschen.<a name='FNanchor_982_982'></a><a href='#Footnote_982_982'><sup>[982]</sup></a></p>
+
+<p>Schoonheidsinspiratie is hier zoek; het is spelend en valsch vernuft,
+een uitgeputte geest, die nieuwe bevruchting wacht. In het altijd weer
+gebruikte droommotief als raam eener handeling zijn bijna nooit echte
+droomelementen waar te nemen,<a name='529'></a> zooals ze bij Dante en bij Shakespeare zoo
+treffend voorkomen. De illusie, dat de dichter zijn voorstelling als
+vizioen heeft gezien, wordt dikwijls niet eens volgehouden: Chastellain
+noemt zich zelf &quot;l'inventeur ou le fantasieur de ceste vision.&quot;<a name='FNanchor_983_983'></a><a href='#Footnote_983_983'><sup>[983]</sup></a></p>
+
+<p>Op het verdorde veld der allegorische verbeelding kan alleen de spot
+telkens weer frisch kruid doen bloeien. Zoodra het even in 't luimige
+geworpen wordt, werkt de allegorie nog. Deschamps vraagt den dokter, hoe
+de deugden en het recht het maken:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Phisicien, comment fait Droit?
+<span>&mdash;Sur m'ame, il est en petit point....<br /></span>
+<span>&mdash;Que fait Raison?...<br /></span>
+<span>Perdu a son entendement,<br /></span>
+<span>Elle parle mais faiblement,<br /></span>
+<span>Et Justice est toute ydiote....&quot;<a name='FNanchor_984_984'></a><a href='#Footnote_984_984'><sup>[984]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>De verschillende sferen van fantazie worden stijlloos dooreengemengd.
+Geen product zoo bizar als het politieke schotschrift in het kleed der
+pastorale. De onbekende dichter, die zich Bucarius noemt, heeft in <i>Le
+Pastoralet</i> al den laster van het huis Bourgondi&euml; tegen Orleans in de
+kleur der herderij geschilderd: Orleans, Jan zonder Vrees en al hun
+trotsch en grimmig gevolg als zoete herders, wonderlijke Leeuwendalers!
+De herdersrok is beschilderd met fleurs de lis of klimmende leeuwen; er
+zijn &quot;bergiers &agrave; long jupel&quot;, dat zijn de geestelijken.<a name='FNanchor_985_985'></a><a href='#Footnote_985_985'><sup>[985]</sup></a> De herder
+Tristifer, dat is Orleans, neemt den anderen hun brood en kaas, hun
+appelen en noten, hun fluitjes af, en den schapen de klokjes; hij dreigt
+de weerstrevenden met zijn grooten herdersstaf.<a name='530'></a> Totdat hij zelf met een
+herdersstaf wordt doodgeslagen. Soms vergeet de dichter bijna zijn
+sinistere strekking en vermeit zich in de zoetste pastorale, dan weer
+wordt de herderlijke fantazie zonderling gestoord door den boozen
+politieken smaad.<a name='FNanchor_986_986'></a><a href='#Footnote_986_986'><sup>[986]</sup></a> Ook hier nog niets van de maat en smaak der
+Renaissance.</p>
+
+<p>Molinet haspelt de motieven van het geloof, den krijg, de heraldiek en
+de min dooreen, in den vorm van een proclamatie van den Schepper aan
+alle ware minnenden:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Nous Dieu d'amours, cr&eacute;ateur, roy de gloire
+<span>Salut &agrave; tous vrays amans d'humble affaire!<br /></span>
+<span>Comme il soit vray que depuis la victoire<br /></span>
+<span>De nostre filz sur le mont de Calvaire<br /></span>
+<span>Plusieurs souldars par peu de congnoissance<br /></span>
+<span>De noz armes, font au dyable allyance....&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Daarom wordt hun het rechte wapen beschreven: schild van zilver, chef
+van goud met vijf wonden, en de militante Kerk octrooi verleend, om
+allen in haar dienst op te nemen, die tot dat wapen willen terugkeeren,</p>
+
+<div class='poem'> &quot;mais qu'en pleurs et en larmes,
+<span>De cueur contrict et foy sans abuser.&quot;<a name='FNanchor_987_987'></a><a href='#Footnote_987_987'><sup>[987]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>De kunstenmakerijen, waarmee Molinet den lof zijner tijdgenooten als
+vernuftig rh&eacute;toriqueur en po&euml;et behaalde, schijnen ons de laatste
+ontaarding van een uitdrukkingsvorm v&oacute;&oacute;r zijn ondergang. Hij vermeit
+zich in de meest zoutelooze woordspelletjes: &quot;Et ainsi demoura l'Escluse
+en paix qui lui fut incluse,<a name='531'></a> car la guerre fut d'elle excluse plus
+solitaire que rencluse.&quot;<a name='FNanchor_988_988'></a><a href='#Footnote_988_988'><sup>[988]</sup></a> In de inleiding op zijn gemoraliseerde
+prozabewerking van den <i>Roman de la rose</i> speelt hij met zijn naam
+Molinet. &quot;Et affin que je ne perde le froment de mal labeur, et que la
+farine que en sera molue puisse avoir fleur salutaire, j'ay intencion,
+se Dieu m'en donne la grace, de tourner et convertir soubz mes rudes
+meulles le vicieux au vertueux, le corporel en l'espirituel, la
+mondanit&eacute; en divinit&eacute;, et souverainement de la moraliser. Et par ainsi
+nous tirerons le miel hors de la dure pierre, et la rose vermeille hors
+des poignans espines, o&ugrave; nous trouverons grain et graine, fruict, fleur
+et feuille, tr&egrave;s souefve odeur, odorant verdure, verdoyant floriture,
+florissant nourriture, nourissant fruict et fructifiant pasture.&quot;<a name='FNanchor_989_989'></a><a href='#Footnote_989_989'><sup>[989]</sup></a>
+Wat lijkt het eind-eeuwsch en versleten! Toch bewonderde de tijdgenoot
+juist dit als het nieuwe; de middeleeuwsche po&euml;zie had dat spelen met
+woorden eigenlijk niet gekend, die speelde meer met beelden. Zooals bij
+voorbeeld Olivier de la Marche, Molinet's geestverwant en bewonderaar:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;L&agrave; prins fi&egrave;vre de souvenance
+<span>Et catherre de desplaisir,<br /></span>
+<span>Une migraine de souffrance,<br /></span>
+<span>Colicque d'une impascience,<br /></span>
+<span>Mal de dens non &agrave; soustenir.<br /></span>
+<span>Mon cueur ne porroit plus souffrir<br /></span>
+<span>Les regretz de ma destin&eacute;e<br /></span>
+<span>Par douleur non accoustum&eacute;e.&quot;<a name='FNanchor_990_990'></a><a href='#Footnote_990_990'><sup>[990]</sup></a><br /></span>
+</div>
+<a name='532'></a>
+<p>Meschinot is nog even verslaafd aan de slappe allegorie als La Marche;
+van zijn <i>Lunettes des princes</i> zijn Prudence en Justice de glazen,
+Force de montuur, Temperance de nagel, die alles bijeenhoudt. Raison
+geeft den dichter dien bril met een gebruiksaanwijzing; door den hemel
+gezonden komt Raison zijn geest binnen, en wil daar haar festijn
+aanrichten, maar vindt er alles bedorven door Desespoir, zoodat er niets
+is &quot;pour disner bonnement.&quot;<a name='FNanchor_991_991'></a><a href='#Footnote_991_991'><sup>[991]</sup></a></p>
+
+<p>'t Schijnt alles ontaarding en verval. En toch is het de tijd, waarin
+de nieuwe geest der Renaissance reeds blaast, waar hij wil. Waar is de
+groote, jonge bezieling en de nieuwe, zuivere vorm?</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h2><a name='XIV'></a>XIV</h2>
+<a name='533'></a>
+<h3>HET KOMEN VAN DEN NIEUWEN VORM</h3>
+<br />
+
+<p>De verhouding van het opbloeiende Humanisme en den afstervenden geest
+der Middeleeuwen is veel minder eenvoudig, dan wij geneigd zijn, ons
+haar voor te stellen. Ons, die die beide cultuurcomplexen scherp
+gescheiden zien, schijnt het, alsof de ontvankelijkheid voor de eeuwige
+jeugd der Ouden en de verloochening van den ganschen versleten toestel
+der middeleeuwsche gedachtenuitdrukking gekomen moet zijn als een
+openbaring. Alsof de geesten, ten doode vermoeid van allegorie en
+flamboyantisme, plotseling moeten hebben begrepen: neen, niet dit, maar
+dat! Alsof de gouden harmonie van het klassieke hun opeens als een
+redding voor oogen moet hebben gestraald, alsof zij de Oudheid hebben
+moeten omhelsd met de vervoering van wie zijn heil heeft gevonden.</p>
+
+<p>Maar zoo is het niet. Midden in den tuin der middeleeuwsche gedachte,
+tusschen de welige woekering van het oude gewas, is het klassicisme van
+lieverlede opgegroeid. Eerst is het enkel een formeel fantazie-element.
+Een groote nieuwe bezieling wordt het eerst laat, en de geest en de
+uitdrukkingsvormen, die wij als de oude, middeleeuwsche plegen te
+beschouwen, sterven ook dan nog niet af.</p>
+
+<p>Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier
+geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Itali&euml;, maar
+in het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den
+heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk
+<a name='534'></a>Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze
+tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan begaat men
+licht deze vergissing: men houdt de signatuur van het quattrocento:
+de blijheid, de vrijheid, het serene en het sonore, voor die van den
+nieuwen tijd, en zegt: daar waar het leven in dien toonaard klinkt,
+daar is de Renaissance. Doch is het niet veeleer de signatuur van den
+Italiaanschen geest, is zij niet reeds evenzeer aanwezig in het Itali&euml;
+der dertiende eeuw? Men komt altijd weer terecht, of bij de absurde
+consequentie, om de Renaissance steeds hoogerop in de Middeleeuwen
+te verlengen, of bij de erkentenis, dat de Renaissance met haar
+Italiaanschen verschijningsvorm volstrekt niet volledig is getypeerd,
+en dat het begrip Renaissance slechts &eacute;&eacute;n aspect vertegenwoordigt van
+de bonte cultuur der eindigende Middeleeuwen.</p>
+
+<p>Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de
+nieuwe, klassicistische vormen op. Voor het aannemen van volkomen
+ontwikkelde humanistische uitdrukkingsvormen is niet anders noodig, dan
+dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigd op
+zuiver latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks
+1400 in Frankrijk; zij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten:
+Jean de Monstreuil, kanunnik van Rijssel en koninklijk secretaris,
+Nicolas de Clemanges, de beroemde woordvoerder der reform-gezinde
+geestelijkheid, Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke
+geheimschrijvers evenals de eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en
+deftige humanistenbrieven, die voor de latere producten van het genre
+in niets onderdoen: de holle algemeenheid van gedachte, het gewild
+gewichtige,<a name='535'></a> de gewrongen zinsbouw en ondoorzichtige uitdrukking, en ook
+het behagen aan geleerde beuzelingen. Jean de Monstreuil maakt zich druk
+over de spelling van &quot;orreolum&quot; en &quot;scedula&quot;, met of zonder h, over het
+gebruik van de k in latijnsche woorden. &quot;Als ge mij niet te hulp komt,
+waarde leermeester en broeder,&mdash;schrijft hij aan Clemanges&mdash;,<a name='FNanchor_992_992'></a><a href='#Footnote_992_992'><sup>[992]</sup></a>
+ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods schuldig. Daar heb ik
+bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en vader, den
+bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus &quot;propior&quot;,
+overhaast en slordig als de pen is, &quot;proximior&quot; heb gezet! Verbeter
+het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken.&quot;
+<a name='FNanchor_993_993'></a><a href='#Footnote_993_993'><sup>[993]</sup></a>&mdash;Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als
+geleerde letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van
+zijn vriend Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had,
+en Ovidius boven Vergilius stelde.<a name='FNanchor_994_994'></a><a href='#Footnote_994_994'><sup>[994]</sup></a></p>
+
+<p>In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het
+klooster Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar
+middeleeuwschen trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens
+veel leesbaarder wordt. Hoe de musschen mee&euml;ten in het reefter, zoodat
+men zou twijfelen, of de koning de prebende voor de monniken of voor de
+vogels heeft ingesteld, hoe een winterkoninkje doet, alsof het de abt
+was, hoe de ezel van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook h&egrave;m in
+zijn epistel niet te vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar
+niet specifiek humanistisch.<a name='FNanchor_995_995'></a><a href='#Footnote_995_995'><sup>[995]</sup></a>
+<a name='536'></a> Herinneren wij ons, dat Jean de
+Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige
+vereerders van den <i>Roman de la rose</i> leerden kennen, en als leden van
+den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een
+uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is
+eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche
+schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke
+latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien
+geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw.</p>
+
+<p>Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke
+voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen,
+die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote
+internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil
+en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de
+Florentijnsche kanselier, die in het midden der veertiende eeuw de
+nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staats-acten had ingevoerd,
+wordt herhaaldelijk door hem genoemd.<a name='FNanchor_996_996'></a><a href='#Footnote_996_996'><sup>[996]</sup></a> Petrarca is evenwel, als men
+het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen
+geest. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde,<a name='FNanchor_997_997'></a><a href='#Footnote_997_997'><sup>[997]</sup></a> Machaut's
+Peronne d'Armenti&egrave;res bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer
+niet enkel door het voorbeeld van Helo&iuml;se, maar ook reeds door dat van
+Laura bezeten is geweest, dan levert <i>Le Voir-Dit</i> een opmerkelijk
+getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent
+van de moderne gedachte zien,<a name='537'></a> toch weder een zuiver middeleeuwsche
+schepping kon opleveren.</p>
+
+<p>Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Itali&euml;
+zijn naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de &quot;devotissimus,
+catholicus ac celeberrimus philosophus moralis.&quot;<a name='FNanchor_998_998'></a><a href='#Footnote_998_998'><sup>[998]</sup></a> Ook als zoodanig
+wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake
+van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes,
+de geestdrijver van Saint Li&eacute;,<a name='FNanchor_999_999'></a><a href='#Footnote_999_999'><sup>[999]</sup></a> ontleent voor een nieuw gebed, dat
+hij samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij
+roept diens gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van
+ketterij.<a name='FNanchor_1000_1000'></a><a href='#Footnote_1000_1000'><sup>[1000]</sup></a> Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's <i>De Vita
+solitaria</i> een klacht over om het verlies van het heilige graf; &quot;maar
+omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever
+den zin dan den vorm van Franciscus' woorden aanhalen.&quot;<a name='FNanchor_1001_1001'></a><a href='#Footnote_1001_1001'><sup>[1001]</sup></a></p>
+
+<p>De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in
+hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun
+bewonderden Petrarca, dat buiten Itali&euml; geen redenaars en dichters te
+zoeken waren,<a name='FNanchor_1002_1002'></a><a href='#Footnote_1002_1002'><sup>[1002]</sup></a> te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de
+Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet.<a name='FNanchor_1003_1003'></a><a href='#Footnote_1003_1003'><sup>[1003]</sup></a></p>
+
+<p>Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften
+vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, &quot;le
+docteur de patience en adversit&eacute;&quot;.<a name='538'></a> Voor Chastellain<a name='FNanchor_1004_1004'></a><a href='#Footnote_1004_1004'><sup>[1004]</sup></a> is messire
+Jehan Bocace een soort impresario der Fortuin geworden; <i>Le Temple de
+Bocace</i> betitelt hij een zeer barok tractaat over allerlei tragisch
+lotgeval van zijn tijd, waarin de geest van den &quot;noble historien&quot; wordt
+aangeroepen, om troost in haar rampspoed te schenken aan Margareta van
+Engeland.</p>
+
+<p>Terwijl de geleerde auteurs den klassiek Latijnschen briefstijl reeds
+beheerschen met volkomen vaardigheid, vertoonen de wereldlijken, bij al
+hun bewondering voor de Oudheid, somtijds nog een diepe onwetendheid.
+Machaut (hoewel geestelijke geen geleerde en wereldsch als dichter)
+verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier.
+Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en
+Pirithous. De dichter van <i>Le Pastoralet</i> spreekt van &quot;le bon roy
+Scypion d'Afrique&quot;, de schrijvers van <i>Le Jouvencel</i> leiden &quot;pollitique&quot;
+af van[greek: <i>polyt</i>] en een gewaand Grieksch &quot;icos, gardien, qui est
+&agrave; dire gardien de pluralit&eacute;.&quot;<a name='FNanchor_1005_1005'></a><a href='#Footnote_1005_1005'><sup>[1005]</sup></a></p>
+
+<p>Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en
+toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen
+herdersspel <i>Le Pastoralet</i> geeft in een beschrijving van den god
+Silvanus en een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het
+quattrocento, om dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen
+van zijn oude pad.<a name='FNanchor_1006_1006'></a><a href='#Footnote_1006_1006'><sup>[1006]</sup></a> Evenals Jan van Eyck soms klassicistische
+architectuurvormen aanbrengt op zijn zuiver middeleeuwsch geziene
+tafereelen, zoeken de schrijvers,<a name='539'></a> louter formeel nog en ter versiering,
+antieke trekken te verwerken. De kroniekschrijvers beproeven hun kracht
+op staats- en krijgsredevoeringen, contiones, in Liviaanschen trant, of
+vermelden wonderteekens, prodigia, omdat Livius het ook deed.<a name='FNanchor_1007_1007'></a><a href='#Footnote_1007_1007'><sup>[1007]</sup></a>
+Daar waar de verwerking der klassieke vormen met den ouden geest het
+onvolkomenst uitvalt, leeren wij het meest omtrent de wording der
+Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean Germain, beproeft het
+vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in den dringenden,
+gemarkeerden stijl der Romeinen; het valt uit als een middeleeuwsch
+kalenderblad.<a name='FNanchor_1008_1008'></a><a href='#Footnote_1008_1008'><sup>[1008]</sup></a> Het gezicht op de Oudheid is nog buitengewoon
+bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy komt de
+jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van zijn
+vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad &quot;&agrave; l'antique&quot;, dat wil zeggen,
+hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij een
+der negen &quot;preux&quot; voorstelt,<a name='FNanchor_1009_1009'></a><a href='#Footnote_1009_1009'><sup>[1009]</sup></a> en zijn eigen zegepraal viert. Zoo
+vermomd bidt hij een kwartier lang.<a name='FNanchor_1010_1010'></a><a href='#Footnote_1010_1010'><sup>[1010]</sup></a></p>
+
+<p>Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt
+door de begrippen &quot;rh&eacute;torique, orateur, po&eacute;sie&quot;. Zij zien de
+benijdenswaardige volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden
+vorm. Al deze dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als
+zij hun hart laten spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een
+vloeiend, eenvoudig, vaak pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens
+heel mooi moet, brengen zij er mythologie aan te pas,<a name='540'></a> en precieuze
+latiniseerende termen, en vinden zich &quot;rh&eacute;toricien&quot;. Christine de Pisan
+onderscheidt een mythologisch gedicht uitdrukkelijk van haar gewone werk
+als &quot;balade pou&eacute;tique&quot;.<a name='FNanchor_1011_1011'></a><a href='#Footnote_1011_1011'><sup>[1011]</sup></a> Wanneer Eustache Deschamps aan zijn
+kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn werken toezendt, vervalt hij in
+de meest ongenietbare quasi-klassieke poespas.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;O Socrates plains de philosophie,
+<span>Seneque en meurs et Anglux en pratique,<br /></span>
+<span>Ovides grans en ta poeterie,<br /></span>
+<span>Bries en parler, saiges en rethorique<br /></span>
+<span>Aigles tres haulz, qui par ta th&eacute;orique<br /></span>
+<span>Enlumines le regne d'Eneas,<br /></span>
+<span>L'Isle aux Geans, ceuls de Bruth, et qui as<br /></span>
+<span>Sem&eacute; les fleurs et plant&eacute; le rosier,<br /></span>
+<span>Aux ignorans de la langue pandras,<br /></span>
+<span>Grant translateur, noble Geffroy Chaucier!<br /></span>
+<span>............................................................<br /></span>
+<span>A toy pour ce de la fontaine Helye<br /></span>
+<span>Requier avoir un buvraige autentique,<br /></span>
+<span>Dont la doys est du tout en ta baillie,<br /></span>
+<span>Pour rafrener d'elle ma soif ethique,<br /></span>
+<span>Qui en Gaule seray paralitique<br /></span>
+<span>Jusques a ce que tu m'abuveras.&quot;<a name='FNanchor_1012_1012'></a><a href='#Footnote_1012_1012'><sup>[1012]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke
+latiniseering van het edele Fransch, welke den spot van Villon en van
+Rabelais zou treffen.<a name='FNanchor_1013_1013'></a><a href='#Footnote_1013_1013'><sup>[1013]</sup></a> Het is steeds weer in de dichterlijke
+correspondentie, in de opdrachten en oraties, met andere woorden, als
+het bijzonder mooi moet, dat men dien trant aantreft.<a name='541'></a> Dan spreekt
+Chastellain van &quot;vostre tr&egrave;s-humble et ob&eacute;issante serve et ancelle, la
+ville de Gand&quot;, &quot;la visc&eacute;rale intime douleur et tribulation&quot;, La Marche
+van &quot;nostre francig&egrave;ne locution et langue vernacule&quot;, Molinet van
+&quot;abreuv&eacute; de la doulce et melliflue liqueur procedant de la fontaine
+caballine&quot;, &quot;ce vertueux duc scipionique&quot;, &quot;gens de muli&egrave;bre courage&quot;.
+<a name='FNanchor_1014_1014'></a><a href='#Footnote_1014_1014'><sup>[1014]</sup></a></p>
+
+<p>Deze idealen van verfijnde &quot;rh&eacute;torique&quot; zijn geen idealen van zuivere
+litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van
+hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is evenzeer als de
+po&euml;zie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm
+van conversatie, een streven naar een hoogeren levensvorm. Zelfs de
+geleerden correspondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat
+element geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich
+middenevenredig tusschen Itali&euml; en de Nederlanden. In Itali&euml;, waar taal
+en gedachte het minst verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid,
+konden de humanistische vormen ongedwongen worden opgenomen in de
+natuurlijke ontplooiing van het hoogere volksleven. De Italiaansche taal
+werd door eenige meerdere latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld
+aangedaan. De humanistische clubgeest sloot er zeer wel aan bij de
+zeden der samenleving. De Italiaansche humanist vertegenwoordigde den
+geleidelijken uitgroei der Italiaansche volksbeschaving, en daarmee
+het eerste type van den modernen mensch. In de Bourgondische landen
+daarentegen was de geest en de vorm der samenleving nog zoo
+middeleeuwsch,<a name='542'></a> dat het streven naar een vernieuwde en gezuiverde
+uitdrukking er zich aanvankelijk slechts belichamen kon in volkomen
+ouderwetschen vorm: de rederijkerskamers. Als genootschappen zijn zij
+enkel een voortzetting van de middeleeuwsche broederschap, en de geest,
+die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het zeer uiterlijk formeele
+vernieuwd. Eerst het bijbelsch Humanisme van Erasmus inaugureert er de
+moderne beschaving.</p>
+
+<p>Frankrijk kent niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers,
+maar zijn &quot;nobles rh&eacute;toriciens&quot; gelijken ook nog niet op Italiaansche
+humanisten. Ook zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en
+vormen. Ten opzichte der Fransche letterkunde der vijftiende eeuw kan
+men zonder overdrijving zeggen, dat die schrijvers en dichters, die
+zich het meest vrij houden van klassicisme, nader staan tot de moderne
+ontwikkeling der litteratuur dan zij, die de idealen van latiniteit en
+oratorie huldigen. De modernen, dat zijn er de onbevangenen van geest,
+zelfs als zij dien nog kleeden in den middeleeuwschen vorm: Villon,
+Coquillart, Henri Baude, ook Charles d'Orl&eacute;ans en de dichter van
+<i>L'amant rendu cordelier</i>. Juist het klassicistische streven doet zich
+hier, althans wat dicht en proza betreft, als den remmenden invloed
+gelden. De pompeuze woordvoerders van het zwaar gedrapeerde
+Bourgondische ideaal: Chastellain, La Marche, Molinet, dat zijn de
+ouderwetsche geesten der Fransche litteratuur. Zoodra ook zij zich nu
+en dan losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en dichten of
+schrijven, wat hun ter harte gaat, eenvoudigweg, worden zij leesbaar,
+en doen zij tegelijk moderner aan.</p>
+
+<p>Een dichter van den tweeden rang, Jean Robertet (1420-1490), secretaris
+van drie hertogen van Bourbon <a name='543'></a>en drie Fransche koningen, zag in Georges
+Chastellain, den Vlaming-Bourgondi&euml;r, het puik der edele dichtkunst. Uit
+die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het
+zooeven beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te
+komen, bedient Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant,
+die als gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van
+Bourgondi&euml; opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven voor
+Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een
+hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze
+niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging,
+vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude
+recept: &quot;les Douze Dames de Rh&eacute;torique&quot; waren hem verschenen, genaamd
+Science, Eloquence, Gravit&eacute; de Sens, Profondit&eacute; enz. Voor die verlokking
+bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rh&eacute;torique groepeeren
+zich nu de brieven van het drietal;<a name='FNanchor_1015_1015'></a><a href='#Footnote_1015_1015'><sup>[1015]</sup></a> het duurde overigens niet
+lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling
+af.</p>
+
+<p>Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. &quot;J'ay
+est&eacute; en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la
+brumale froidure&quot;, aldus een verkoudheid.<a name='FNanchor_1016_1016'></a><a href='#Footnote_1016_1016'><sup>[1016]</sup></a> Even zot zijn de
+hyperbolische termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk
+zijn dichterlijken brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen
+po&euml;zie inderdaad) beet heeft, schrijft hij aan Montferrant:</p>
+<a name='544'></a>
+<div class='poem'> &quot;Frapp&eacute; en l'oeil d'une clart&eacute; terrible
+<span>Attaint au coeur d'&eacute;loquence incr&eacute;dible,<br /></span>
+<span>A humain sens difficile &agrave; produire,<br /></span>
+<span>Tout offusqui&eacute; de lumi&egrave;re incendible<br /></span>
+<span>Outre per&ccedil;ant de ray presqu'impossible<br /></span>
+<span>Sur obscur corps qui jamais ne peut luire,<br /></span>
+<span>Ravi, abstrait me trouve en mon d&eacute;duire,<br /></span>
+<span>En extase corps gisant &agrave; la terre,<br /></span>
+<span>Foible esperit perplex &agrave; voye enquerre<br /></span>
+<span>Pour trouver lieu et oportune yssue<br /></span>
+<span>Du pas estroit o&ugrave; je suis mis en serre,<br /></span>
+<span>Pris &agrave; la rets qu'amour vraye a tissue.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>En in proza voortgaande: &quot;O&ugrave; est l'oeil capable de tel objet visible,
+l'oreille pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?&quot; Wat zegt
+Montferrant, &quot;amy des dieux immortels et ch&eacute;ri des hommes, haut pis
+Ulixien, plein de melliflue faconde&quot; er wel van? &quot;N'est-ce resplendeur
+&eacute;quale au curre Phoebus?&quot; Is het niet meer dan Orpheus' lier, &quot;la tube
+d'Amphion, la Mercuriale fleute qui endormyt Argus?&quot; enz. enz.<a name='FNanchor_1017_1017'></a><a href='#Footnote_1017_1017'><sup>[1017]</sup></a></p>
+
+<p>Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe
+schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche
+voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten
+huldigen nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn M&eacute;moires zal
+kunnen gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn
+arbeid met het herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle &quot;orateurs&quot;,
+om zijn werk te besnoeien van het overbodige. Zelfs Commines hoopt, dat
+de aartsbisschop van Vienne, wien hij zijn werk zendt, het misschien zal
+kunnen opnemen in een Latijnsch geschrift.<a name='FNanchor_1018_1018'></a><a href='#Footnote_1018_1018'><sup>[1018]</sup></a></p>
+<a name='545'></a>
+<p>In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en
+Montferrant ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts
+opgeplakt op een echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet
+is in Itali&euml; geweest, &quot;en Ytalie, sur qui les respections du ciel
+influent aorn&eacute; parler, et vers qui tyrent toutes douceurs &eacute;l&eacute;mentaires
+pour l&agrave; fondre harmonie.&quot;<a name='FNanchor_1019_1019'></a><a href='#Footnote_1019_1019'><sup>[1019]</sup></a> Maar van die harmonie van het
+quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee thuisgebracht. De
+voortreffelijkheid van Itali&euml; bestond voor deze geesten louter in het
+&quot;aorn&eacute; parler&quot;, in de uiterlijke cultiveering van een kunstvaardigen
+stijl.</p>
+
+<p>Het eenige, wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even
+twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde
+ontboezemingen soms even onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de Dames
+de Rh&eacute;torique tot Montferrant,<a name='FNanchor_1020_1020'></a><a href='#Footnote_1020_1020'><sup>[1020]</sup></a>&mdash;&quot;il est exemple de Tullian art,
+et forme de subtilit&eacute; T&eacute;rencienne ... qui succi&eacute; a de nos seins notre
+plus int&eacute;riore substance par faveur; qui, outre la gr&acirc;ce donn&eacute;e en
+propre terroir, se est all&eacute; rendre en pays gourmant pour r&eacute;fection
+nouvelle (d.i. Itali&euml;), l&agrave; o&ugrave; enfans parlent en aubes &agrave; leurs m&egrave;res,
+frians d'escole en doctrine sur permission de eage&quot;. Chastellain zegt de
+correspondentie op, omdat het hem te machtig wordt: de poort heeft lang
+genoeg wijd opengestaan voor &quot;Dame Vanit&eacute;&quot;; hij gaat haar grendelen.
+&quot;Robertet m'a surfondu de sa nu&eacute;e, et dont les perles, qui en celle se
+congr&eacute;&eacute;nt comme gr&eacute;sil, me font resplendir mes vestements; mais qu'en
+est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma robe de&ccedil;oit les voyans?&quot;
+<a name='546'></a>Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven ongelezen in het vuur
+gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder vrienden hoort, dan zal
+George's genegenheid hem niet begeven.</p>
+
+<p>Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist,
+komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het latijn
+bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest
+der Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde
+nabootsen zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als
+Robert Gaguin (1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds
+bijna even modern aan als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid
+te danken had, doordat Gaguin achter zijn Compendium der Fransche
+geschiedenis, het eerste wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk
+(1495), een brief van Erasmus opnam, die zich daardoor voor het eerst
+gedrukt zag.<a name='FNanchor_1021_1021'></a><a href='#Footnote_1021_1021'><sup>[1021]</sup></a> Al kende Gaguin nog even slecht Grieksch als
+Petrarca,<a name='FNanchor_1022_1022'></a><a href='#Footnote_1022_1022'><sup>[1022]</sup></a> een echte humanist is hij er niet minder om. Tegelijk
+evenwel zien wij ook in hem den ouden geest voortleven. Hij wijdt zijn
+Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude middeleeuwsche thema's,
+zooals de diatribe tegen het huwelijk<a name='FNanchor_1023_1023'></a><a href='#Footnote_1023_1023'><sup>[1023]</sup></a> of de misprijzing van het
+hofleven, door Alain Chartier's <i>Curial</i> in het latijn terug te
+vertalen, of de maatschappelijke waarde der standen, in den
+veelgebruikten vorm van een twistgesprek, <i>le Debat du Laboureur, du
+Prestre et du Gendarme</i>. In zijn Fransche gedichten doet juist Gaguin,
+die den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische
+fraaiigheden in het geheel niet mee;<a name='547'></a> geen gelatiniseerde vormen, geen
+hyperbolische wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij
+geheel aan de zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de
+natuurlijkheid en daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm
+is nog niet veel meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed,
+maar hij beweegt zich toch vrijer zonder dien tabbert. Bij den Franschen
+geest der vijftiende eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op.</p>
+
+<p>Men is veelal gewend, om als een doorslaand criterium van de intrede der
+Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken.
+Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire
+paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance.
+Wanneer de humanisten God &quot;princeps superum&quot; en Maria &quot;genitrix
+tonantis&quot; noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke
+transponeeren van de personen van het christelijk geloof in benamingen
+der heidensche mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of
+niets voor den inhoud van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der
+twaalfde eeuw rijmt in zijn geestige biecht onbeschroomd:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Vita vetus displicet, mores placent novi;
+<span>Homo videt faciem, sed cor patet lovi.&quot;<br /></span>
+</div>
+
+<p>Wanneer Deschamps van &quot;Jupiter venu de Paradis&quot; spreekt,<a name='FNanchor_1024_1024'></a><a href='#Footnote_1024_1024'><sup>[1024]</sup></a> bedoelt
+hij geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de
+roerende ballade, die hij voor zijn moeder maakte,<a name='548'></a> om tot Onze Lieve
+Vrouw te bidden, haar &quot;haulte Deesse&quot; noemt.<a name='FNanchor_1025_1025'></a><a href='#Footnote_1025_1025'><sup>[1025]</sup></a></p>
+
+<p>Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon
+men argeloos goden laten optreden. In <i>Le Pastoralet</i> heet het
+Celestijnen-klooster te Parijs &quot;temple au hault bois pour les diex
+prier.&quot;<a name='FNanchor_1026_1026'></a><a href='#Footnote_1026_1026'><sup>[1026]</sup></a> Van zulk een onschuldig paganisme werd niemand de dupe.
+En ten overvloede verklaart de dichter: &quot;Se pour estrangier ma Muse je
+parle des diex des pa&iuml;ens, sy sont les pastours crestiens et moy.&quot;
+<a name='FNanchor_1027_1027'></a><a href='#Footnote_1027_1027'><sup>[1027]</sup></a> Evenzoo schuift Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en
+Minerva laat optreden, de verantwoordelijkheid op &quot;Raison et Entendement&quot;,
+die hem zeiden: &quot;Tu le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et
+d&eacute;esses, mais pour ce que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi
+qu'il lui plaist, et souventes fois par divers inspirations.&quot;<a name='FNanchor_1028_1028'></a><a href='#Footnote_1028_1028'><sup>[1028]</sup></a></p>
+
+<p>Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt
+niet ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor
+het doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van
+waardeering van het heidensch geloof, met name het heidensche offer, als
+zoodanig aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun
+gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain
+deed.</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Des dieux jadis les nations gentiles
+<span>Quirent l'amour par humbles sacrifices,<br /></span>
+<span>Lesquels, pos&eacute; que ne fussent utiles,<br /></span>
+<span>Furent nientmoins rendables et fertiles<br /></span>
+</div><p></p>
+<a name='549'></a>
+<div class='poem'> De maint grant fruit et de haulx b&eacute;n&eacute;fices,
+<span>Monstrans par fait que d'amour les offices<br /></span>
+<span>Et d'honneur humble, impartis o&ugrave; qu'ils soient<br /></span>
+<span>Pour percer ciel et enfer suffisoient.&quot;<a name='FNanchor_1029_1029'></a><a href='#Footnote_1029_1029'><sup>[1029]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der
+Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe
+de Ternant, zonder naar de gewoonte een &quot;bannerole de devocion&quot; te
+dragen, een lint met een vrome spreuk of figuur. &quot;Laquelle chose je ne
+prise point&quot;, zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener
+is het devies, dat Ternant draagt: &quot;Je souhaite que avoir puisse de mes
+desirs assouvissance et jamais aultre bien n'eusse.&quot;<a name='FNanchor_1030_1030'></a><a href='#Footnote_1030_1030'><sup>[1030]</sup></a> Het kon de
+lijfspreuk zijn van den vrijdenkendsten virtuoso der zestiende eeuw.</p>
+
+<p>Niet uit de klassieke litteratuur behoefden de geesten dit werkelijke
+paganisme te putten. Zij konden het leeren uit hun eigen middeleeuwschen
+schat, uit den <i>Roman de la rose</i>. In de erotische cultuurvormen, daar
+lag het ware heidendom. Daar hadden van eeuwen her Venus en de Liefdegod
+een schuilhoek gehad, waar zij iets meer dan een louter rhetorische
+vereering vonden. Jean de Meun, dat was de groote heiden geweest. Niet
+zijn vermenging van godennamen der Oudheid met die van Jezus en Maria,
+maar zijn vermenging van de stoutste aanprijzing van aardschen wellust
+met christelijke zaligheidsvoorstellingen was voor tallooze lezers sinds
+de dertiende eeuw de school van het paganisme geweest. Er was geen
+grooter blasphemie mogelijk dan de verzen, waarin hij het woord van
+Genesis: toen berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde
+gemaakt had,<a name='550'></a> met omgekeerden zin in den mond legde van Nature, die bij
+hem volkomen als demiurg optreedt:</p>
+
+<div class='poem'> &quot;Si m'a&iuml;st Diex li crucefis,
+<span>Moult me repens dont homme fis.&quot;<a name='FNanchor_1031_1031'></a><a href='#Footnote_1031_1031'><sup>[1031]</sup></a><br /></span>
+</div>
+
+<p>Het blijft verwonderlijk, dat de Kerk, die tegen kleine dogmatische
+afwijkingen van strikt bespiegelenden aard zoo angstvallig waakte en zoo
+heftig optrad, de leeringen van dit brevier der aristocratie ongehinderd
+in de geesten heeft laten voortwoekeren.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>De nieuwe vorm en de nieuwe geest dekken elkander niet. Zoogoed als de
+gedachten van den komenden tijd uiting vonden in middeleeuwsch gewaad,
+zoo goed zijn de meest middeleeuwsche gedachten gezegd in sapphische
+metra, met een heelen stoet van mythologische figuren. Klassicisme en
+Renaissance zijn twee geheel verschillende dingen. Het litteraire
+klassicisme is een oud geboren kind. De Oudheid is voor de vernieuwing
+van de litteratuur nauwelijks meer geweest dan de pijlen van Philoktetes.
+Niet wat de beeldende kunst, en niet wat het wetenschappelijk denken
+aangaat: daar is de antieke zuiverheid van verbeelding en uitdrukking
+veel meer geweest dan een dorre staf. Het overwinnen van het overdadige,
+van het overdrevene, van het verdraaide, van de grimas en de flamboyante
+krul, het is alles het werk der Oudheid geweest. Maar in het litteraire
+is de eenvoud en de zuiverheid opgegroeid buiten, ja ondanks het
+klassicisme.</p>
+<a name='551'></a>
+<p>De enkelen, die in het Frankrijk der vijftiende eeuw humanistische
+vormen aannemen, luiden nog geen Renaissance in. Want hun stemming, hun
+ori&euml;nteering is nog middeleeuwsch. De Renaissance komt eerst, wanneer de
+<i>levenstoon</i> verandert, wanneer het getij van doodelijke levensverzaking
+kentert, en er een bolle frissche wind gaat blazen; wanneer het blijde
+besef rijpt, dat men al de heerlijkheid der oude menschheid, waaraan men
+zich al zoo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen.</p>
+
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<h3>NOTEN</h3>
+
+
+<a name='Footnote_1_1'></a><a href='#FNanchor_1_1'>[1]</a><div class='note'><p> <a name='Oeuvres'></a>Oeuvres de Georges Chastellain, ed. Kervyn de Lettenhove, 8 vol.,
+Bruxelles 1863-'66, III p. 44.</p></div>
+
+<a name='Footnote_2_2'></a><a href='#FNanchor_2_2'>[2]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 267; M&eacute;moires d'Olivier de la <a name='Marche'></a>Marche, ed. Beaune
+et d'Arbaumont, (Soc. de l'hist. de France), 1883-'88, 4 vol., II p. 248.</p></div>
+
+<a name='Footnote_3_3'></a><a href='#FNanchor_3_3'>[3]</a><div class='note'><p> <a name='Journal'></a>Journal d'un bourgeois de Paris, ed. A. Tuetey, (Publ. de la Soc. de
+l'histoire de Paris, Doc. no. III) 1881, p. 5, 56.</p></div>
+
+<a name='Footnote_4_4'></a><a href='#FNanchor_4_4'>[4]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 20-24. Vgl. Journal de Jean de Roye, dite
+<a name='Chronique'></a>Chronique scandaleuse, ed. B. de Mandrot (Soc. de l'hist. de France)
+1894-'96, 2 vol., I p. 330.</p></div>
+
+<a name='Footnote_5_5'></a><a href='#FNanchor_5_5'>[5]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 461, vgl. V p. 403.</p></div>
+
+<a name='Footnote_6_6'></a><a href='#FNanchor_6_6'>[6]</a><div class='note'><p> Jean <a name='Juvenal'></a>Juvenal des Ursins, 1412, ed. Michaud et Poujoulat, Nouvelle
+collect. des m&eacute;moires, II p. 474.</p></div>
+
+<a name='Footnote_7_7'></a><a href='#FNanchor_7_7'>[7]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 6; 70; Jean Molinet, Chronique, ed.
+Buchon, Coll. de chron. nat., 1827/28, 5 vol, II p. 23; Lettres de <a name='Louis'></a>Louis
+XI, ed. Vaesen, Charavay, de Mandrot, (Soc. de l'hist. de France)
+1883-1909, 11 vol., 20 Apr. 1477, VI p. 158; Chronique scandaleuse, II
+p. 47, id. Interpolations, II p. 364.</p></div>
+
+<a name='Footnote_8_8'></a><a href='#FNanchor_8_8'>[8]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 234/7.</p></div>
+
+<a name='Footnote_9_9'></a><a href='#FNanchor_9_9'>[9]</a><div class='note'><p> Chron. scand., II p. 70, 72.</p></div>
+
+<a name='Footnote_10_10'></a><a href='#FNanchor_10_10'>[10]</a><div class='note'><p> <a name='Vita'></a>Vita auct. Petro Ranzano O.P. (1455), Acta sanctorum Apr. t. 1
+p. 494 sq.</p></div>
+
+<a name='Footnote_11_11'></a><a href='#FNanchor_11_11'>[11]</a><div class='note'><p>Enguerrand de <a name='Monstrelet'></a>Monstrelet, Chroniques, ed. Dou&euml;t d'Arcq (Soc. de l'hist. de France) 1857-'62, 6 vol., IV p. 302-306.</p></div>
+
+<a name='Footnote_12_12'></a><a href='#FNanchor_12_12'>[12]</a><div class='note'><p> Wadding, Annales Minorum, X p. 72; K. <a name='Hefele'></a>Hefele, Der h. Bernhardin von
+Siena und die franziskanische Wanderpredigt in Italien, Freiburg, 1912,
+S. 47, 80.</p></div>
+
+<a name='Footnote_13_13'></a><a href='#FNanchor_13_13'>[13]</a><div class='note'><p> Chron. scand., I p. 22, 1461; <a name='Jean'></a>Jean Chartier, Hist. de Charles VII,
+ed. D. Godefroy, 1661, p. 320.</p></div>
+
+<a name='Footnote_14_14'></a><a href='#FNanchor_14_14'>[14]</a><div class='note'><p> Chastellain, III pp. 36, 98, 124, 125, 210, 238, 239, 247, 474;
+<a name='Jacques'></a>Jacques du Clercq, M&eacute;moires (1448-1467), ed. de Reiffenberg, Bruxelles, 1823,
+4 vol., IV. p. 40, II p. 280, 355, III p. 100; Juvenal des Ursins, p. 405,
+407, 420; Molinet, III p. 36, 314.</p></div>
+
+<a name='Footnote_15_15'></a><a href='#FNanchor_15_15'>[15]</a><div class='note'><p> Jean <a name='Germain'></a>Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, ed.
+Kervyn de Lettenhove, Chron. rel. &agrave; l'hist. de la Belg. sous la dom. des
+ducs de Bourg. (Coll. des chron. belges) 1876, II, p. 50.</p></div>
+
+<a name='Footnote_16_16'></a><a href='#FNanchor_16_16'>[16]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 61.</p></div>
+
+<a name='Footnote_17_17'></a><a href='#FNanchor_17_17'>[17]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 333 s.</p></div>
+
+<a name='Footnote_18_18'></a><a href='#FNanchor_18_18'>[18]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 92.</p></div>
+
+<a name='Footnote_19_19'></a><a href='#FNanchor_19_19'>[19]</a><div class='note'><p> Jean <a name='Froissart'></a>Froissart, Chroniques, ed. S. Luce et G. Raynaud (Soc. de
+l'hist. de France) 1869-1899,11 vol. (niet verder dan 1385), IV, p. 89-93.</p></div>
+
+<a name='Footnote_20_20'></a><a href='#FNanchor_20_20'>[20]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 85 ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_21_21'></a><a href='#FNanchor_21_21'>[21]</a><div class='note'><p> Ib. III p. 279.</p></div>
+
+<a name='Footnote_22_22'></a><a href='#FNanchor_22_22'>[22]</a><div class='note'><p> La Marche. II p. 421.</p></div>
+
+<a name='Footnote_23_23'></a><a href='#FNanchor_23_23'>[23]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 379.</p></div>
+
+<a name='Footnote_24_24'></a><a href='#FNanchor_24_24'>[24]</a><div class='note'><p> <a name='Martin'></a>Martin Le Franc, Le Champion des dames, bij G. Doutrepont, La
+litt&eacute;rature fran&ccedil;aise &agrave; la cour des ducs de Bourgogne (Bibl. du XV<sup>e</sup>
+si&egrave;cle t. VIII) Paris, Champion. 1909, p. 304.</p></div>
+
+<a name='Footnote_25_25'></a><a href='#FNanchor_25_25'>[25]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum Apr. t. 1 p. 496; A. <a name='Renaudet'></a>Renaudet, Pr&eacute;r&eacute;forme et
+humanisme &agrave; Paris 1494-1517, Paris, Champion, 1916, p. 163.</p></div>
+
+<a name='Footnote_26_26'></a><a href='#FNanchor_26_26'>[26]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 300 s., VII p. 75; vgl. <a name='Thomas'></a>Thomas Basin, De rebus
+gestis Caroli VII et Lud. XI historiarum libri XII, ed. Quicherat, (Soc.
+de l'hist. de France) 1855-1859, 4 vol, I p. 158.</p></div>
+
+<a name='Footnote_27_27'></a><a href='#FNanchor_27_27'>[27]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 219.</p></div>
+
+<a name='Footnote_28_28'></a><a href='#FNanchor_28_28'>[28]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 30.</p></div>
+
+<a name='Footnote_29_29'></a><a href='#FNanchor_29_29'>[29]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 89.</p></div>
+
+<a name='Footnote_30_30'></a><a href='#FNanchor_30_30'>[30]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 82, 79; Monstrelet, III p. 361.</p></div>
+
+<a name='Footnote_31_31'></a><a href='#FNanchor_31_31'>[31]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 201.</p></div>
+
+<a name='Footnote_32_32'></a><a href='#FNanchor_32_32'>[32]</a><div class='note'><p> Het tractaat o.a. bij La Marche, I p. 207.</p></div>
+
+<a name='Footnote_33_33'></a><a href='#FNanchor_33_33'>[33]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 196.</p></div>
+
+<a name='Footnote_34_34'></a><a href='#FNanchor_34_34'>[34]</a><div class='note'><p> Basin, III p. 74.</p></div>
+
+<a name='Footnote_35_35'></a><a href='#FNanchor_35_35'>[35]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 201. Vergelijk mijn studie Uit de
+voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 1912, I.</p></div>
+
+<a name='Footnote_36_36'></a><a href='#FNanchor_36_36'>[36]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 242; vgl. Monstrelet, IV p. 341.</p></div>
+
+<a name='Footnote_37_37'></a><a href='#FNanchor_37_37'>[37]</a><div class='note'><p> <a name='Jan'></a>Jan van Dixmude, ed. Lambin, Ypres 1839, p. 283.</p></div>
+
+<a name='Footnote_38_38'></a><a href='#FNanchor_38_38'>[38]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, XI p. 52.</p></div>
+
+<a name='Footnote_39_39'></a><a href='#FNanchor_39_39'>[39]</a><div class='note'><p> M&eacute;moires de Pierre le Fruictier dit <a name='Salmon'></a>Salmon, Buchon, 3<sup>e </sup>suppl. de
+Froissart. XV p. 22.</p></div>
+
+<a name='Footnote_40_40'></a><a href='#FNanchor_40_40'>[40]</a><div class='note'><p> Chronique du <a name='Religieux'></a>Religieux de Saint Denis, ed. Bellaguet (Coll. des
+documents in&eacute;dits) 1839-'52. 6 vol., I p. 34; Juvenal des Ursins,
+p. 342, 467-471; Journal d'un bourgeois, p. 12, 31, 44.</p></div>
+
+<a name='Footnote_41_41'></a><a href='#FNanchor_41_41'>[41]</a><div class='note'><p> Molinet, III p. 487.</p></div>
+
+<a name='Footnote_42_42'></a><a href='#FNanchor_42_42'>[42]</a><div class='note'><p> Molinet, III p. 226, 241, 283-7; La Marche, III p. 289, 302.</p></div>
+
+<a name='Footnote_43_43'></a><a href='#FNanchor_43_43'>[43]</a><div class='note'><p> Clementis V constitutiones, lib. V. tit. 9, c. I; Joannis <a name='Gersonii'></a>Gersonii
+Opera omnia, ed. L. Ellies Dupin, ed. II Hagae Comitis 1728, 5 vol., II
+p. 427; Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 122; N. <a name='Jorga'></a>Jorga,
+Philippe de M&eacute;zi&egrave;res et la croisade au XIV<sup>e</sup> si&egrave;cle (Bibl. de l'&eacute;cole des
+hautes &eacute;tudes, fasc. 110) 1896, p. 438: Religieux de S. Denis, II p. 533.</p></div>
+
+<a name='Footnote_44_44'></a><a href='#FNanchor_44_44'>[44]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 223, 229.</p></div>
+
+<a name='Footnote_45_45'></a><a href='#FNanchor_45_45'>[45]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq, IV p. 265. <a name='Petit'></a>Petit-Dutaillis, Documents nouveaux
+sur les moeurs populaires et le droit de vengeance dans les Pays-Bas au
+XV<sup>e</sup> si&egrave;cle. (Bibl. du XV<sup>e</sup> si&egrave;cle) Paris, Champion 1908, p. 7, 21.</p></div>
+
+<a name='Footnote_46_46'></a><a href='#FNanchor_46_46'>[46]</a><div class='note'><p> Pierre de <a name='Fenin'></a>Fenin (Petitot, Coll. de m&eacute;m. VII) p. 593; vgl. zijn
+verhaal van den doodgeslagen nar, p. 619.</p></div>
+
+<a name='Footnote_47_47'></a><a href='#FNanchor_47_47'>[47]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 204.</p></div>
+
+<a name='Footnote_48_48'></a><a href='#FNanchor_48_48'>[48]</a><div class='note'><p> Jean Lef&egrave;vre de Saint <a name='Remy'></a>Remy, Chronique, ed. F. Morand (Soc. de
+l'hist. de France) 1876, 2 vol, II p. 168; <a name='Laborde'></a>Laborde, Les ducs de
+Bourgogne. Etudes sur les lettres, les arts et l'industrie pendant le
+XV<sup>e</sup> si&egrave;cle. Paris, 1849-'53, 3 vol, II p. 208.</p></div>
+
+<a name='Footnote_49_49'></a><a href='#FNanchor_49_49'>[49]</a><div class='note'><p> La Marche, III p. 135; Laborde. II p. 325.</p></div>
+
+<a name='Footnote_50_50'></a><a href='#FNanchor_50_50'>[50]</a><div class='note'><p> Laborde, III p. 355, 398. Le Moyen-&acirc;ge, XX 1907 p. 193-201.</p></div>
+
+<a name='Footnote_51_51'></a><a href='#FNanchor_51_51'>[51]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 438, 1405; vgl. echter Rel. de S. Denis, III
+p. 349.</p></div>
+
+<a name='Footnote_52_52'></a><a href='#FNanchor_52_52'>[52]</a><div class='note'><p> Piaget, Romania XX p. 417 en XXXI 1902 p. 597-603.</p></div>
+
+<a name='Footnote_53_53'></a><a href='#FNanchor_53_53'>[53]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 95.</p></div>
+
+<a name='Footnote_54_54'></a><a href='#FNanchor_54_54'>[54]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq, III p. 262.</p></div>
+
+<a name='Footnote_55_55'></a><a href='#FNanchor_55_55'>[55]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq passim; Petit Dutaillis, Documents etc. p. 131.</p></div>
+
+<a name='Footnote_56_56'></a><a href='#FNanchor_56_56'>[56]</a><div class='note'><p> Hugo van St. Victor, De fructibus carnis et spiritus, Migne CLXXVI
+p. 997.</p></div>
+
+<a name='Footnote_57_57'></a><a href='#FNanchor_57_57'>[57]</a><div class='note'><p> Tobias 4, 14.</p></div>
+
+<a name='Footnote_58_58'></a><a href='#FNanchor_58_58'>[58]</a><div class='note'><p> I Timotheus 6, 10.</p></div>
+
+<a name='Footnote_59_59'></a><a href='#FNanchor_59_59'>[59]</a><div class='note'><p> Petrus Damiani, Epist. lib. I, 15, Migne CXLIV p. 234, id. Contra
+philargyriam ib. CXLV p. 533; Pseudo-Bernardus, Liber de modo bene
+vivendi &sect; 44, 45, Migne CLXXXIV p. 1266.</p></div>
+
+<a name='Footnote_60_60'></a><a href='#FNanchor_60_60'>[60]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 325, 343, 357 en de gegevens uit de
+registers van het Parlement aldaar in de noot.</p></div>
+
+<a name='Footnote_61_61'></a><a href='#FNanchor_61_61'>[61]</a><div class='note'><p> L. Mirot, Les d'Orgemont, leur origine, leur fortune, etc. (Bibl.
+du XV<sup>e</sup> si&egrave;cle) Paris, Champion 1913; P. Champion, Fran&ccedil;ois Villon, sa
+vie et son temps, id. Paris, Champion 1913, II p. 230s.</p></div>
+
+<a name='Footnote_62_62'></a><a href='#FNanchor_62_62'>[62]</a><div class='note'><p> <a name='Mathieu'></a>Mathieu d'Escouchy, Chronique, ed. G. du Fresne de Beaucourt (Soc.
+de l'hist. de France) 1863-'64, 3 vol., I p. IV-XXIII.</p></div>
+
+<a name='Footnote_63_63'></a><a href='#FNanchor_63_63'>[63]</a><div class='note'><p> P. Champion, Fran&ccedil;ois <a name='Villon'></a>Villon, sa vie et son temps (Bibl. du XV<sup>e</sup>
+si&egrave;cle) Paris, 1913, 2 vol.</p></div>
+
+<a name='Footnote_64_64'></a><a href='#FNanchor_64_64'>[64]</a><div class='note'><p> <a name='Poliziano'></a>Poliziano, Le stanze, l'Orfeo e le rime, ed. G. Carducci, Firenze,
+1863, p. 362.</p></div>
+
+<a name='Footnote_65_65'></a><a href='#FNanchor_65_65'>[65]</a><div class='note'><p> Eustache <a name='Deschamps'></a>Deschamps, Oeuvres compl&egrave;tes, ed. De Queux de Saint
+Hilaire et G. Raynaud (Soc. des anciens textes francais) 1878-1903, 11
+vol., no. 31 (I p. 113), vgl. nos. 85, 126, 152, 162, 176, 248, 366,
+375, 386, 400, 933, 936, 1195, 1196, 1207, 1213, 1239, 1240 enz. enz.;
+Chastellain, I p. 9, 27, IV 5, 56, VI 206, 208, 219, 295; Alain
+<a name='Chartier'></a>Chartier, Oeuvres, ed. A. Duchesne, Paris 1617, p. 262; <a name='Alanus'></a>Alanus de Rupe,
+Sermo II p. 313, (B. Alanus redivivus, ed. J.A. Coppenstein, Napels,
+1642).</p></div>
+
+<a name='Footnote_66_66'></a><a href='#FNanchor_66_66'>[66]</a><div class='note'><p> Deschamps no. 562 (IV p. 18).</p></div>
+
+<a name='Footnote_67_67'></a><a href='#FNanchor_67_67'>[67]</a><div class='note'><p> A. de la <a name='Borderie'></a>Borderie, Jean <a name='Meschinot'></a>Meschinot, sa vie et ses oeuvres, Bibl. de
+l'Ecole des chartes LVI 1895, pp. 277, 280, 305, 310, 312, 622, etc.</p></div>
+
+<a name='Footnote_68_68'></a><a href='#FNanchor_68_68'>[68]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 10, Prologue, vgl. Complainte de fortune, VIII
+p. 334.</p></div>
+
+<a name='Footnote_69_69'></a><a href='#FNanchor_69_69'>[69]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 186, IV p. LXXXIX; H. Stein, Etude sur Olivier de
+la Marche, historien, po&egrave;te et diplomate, (M&eacute;m. couronn&eacute;s etc. de
+l'Acad. royale de Belg. t. XLIX) Bruxelles 1888, frontispice.</p></div>
+
+<a name='Footnote_70_70'></a><a href='#FNanchor_70_70'>[70]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 430.</p></div>
+
+<a name='Footnote_71_71'></a><a href='#FNanchor_71_71'>[71]</a><div class='note'><p> Froissart ed. Luce, X. p. 275; Deschamps no. 810 (IV p. 327); vgl.
+Les <a name='Quinze'></a>Quinze joyes de mariage, (Paris, Marpon et Flammarion) p. 64 (quinte
+joye); Le livre messire Geoffroi de Charny, Romania XXVI 1897, p. 399.</p></div>
+
+<a name='Footnote_72_72'></a><a href='#FNanchor_72_72'>[72]</a><div class='note'><p> Joannis de Varennis responsiones ad capitula accusationum etc. &sect; 17,
+bij Gerson, Opera, I p. 920.</p></div>
+
+<a name='Footnote_73_73'></a><a href='#FNanchor_73_73'>[73]</a><div class='note'><p> Deschamps no. 95 (I p. 203).</p></div>
+
+<a name='Footnote_74_74'></a><a href='#FNanchor_74_74'>[74]</a><div class='note'><p> Deschamps, Le miroir de mariage, IX p. 25, 69, 81, no. 1004 (V p.
+259), verder II p. 8, 183-7. III p. 39, 373, VII p. 3, IX p. 209 enz.</p></div>
+
+<a name='Footnote_75_75'></a><a href='#FNanchor_75_75'>[75]</a><div class='note'><p> Convivio lib. IV. cap. 27, 28.</p></div>
+
+<a name='Footnote_76_76'></a><a href='#FNanchor_76_76'>[76]</a><div class='note'><p> Discours de l'excellence de virginit&eacute;, Gerson, Opera III p. 382;
+vgl. <a name='Dionysius'></a>Dionysius Cartusianus, De vanitate mundi, Opera omnia, cura et
+labore monachorum sacr. ord. Cart., Monstrolii-Tornaci 1896-1913, 41
+vol. XXXIX p. 472.</p></div>
+
+<a name='Footnote_77_77'></a><a href='#FNanchor_77_77'>[77]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 364.</p></div>
+
+<a name='Footnote_78_78'></a><a href='#FNanchor_78_78'>[78]</a><div class='note'><p> La Marche, IV p. cxiv.&mdash;De oude Nederl. vertaling van zijn Estat de
+la maison du duc Charles de Bourgogne bij Matthaeus, Analecta I p. 357-494.</p></div>
+
+<a name='Footnote_79_79'></a><a href='#FNanchor_79_79'>[79]</a><div class='note'><p> Christine de <a name='Pisan'></a>Pisan, Oeuvres po&eacute;tiques, ed. M. Roy (Soc. des anciens
+textes francais) 1886-1896, 3 vol., I p. 251 no. 38; <a name='Leo'></a>Leo von Rozmital's
+Reise, ed. Schmeller, (Bibl. des lit. Vereins zu Stuttgart t. VII) 1844,
+p. 24, 149.</p></div>
+
+<a name='Footnote_80_80'></a><a href='#FNanchor_80_80'>[80]</a><div class='note'><p> La Marche, IV. p. 4ss.; Chastellain, V p. 370.</p></div>
+
+<a name='Footnote_81_81'></a><a href='#FNanchor_81_81'>[81]</a><div class='note'><p> Ernst.</p></div>
+
+<a name='Footnote_82_82'></a><a href='#FNanchor_82_82'>[82]</a><div class='note'><p> Een staatsiezetel.</p></div>
+
+<a name='Footnote_83_83'></a><a href='#FNanchor_83_83'>[83]</a><div class='note'><p> Gekleed.</p></div>
+
+<a name='Footnote_84_84'></a><a href='#FNanchor_84_84'>[84]</a><div class='note'><p> Chastellain, V. p. 368.</p></div>
+
+<a name='Footnote_85_85'></a><a href='#FNanchor_85_85'>[85]</a><div class='note'><p> La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_86_86'></a><a href='#FNanchor_86_86'>[86]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 277.</p></div>
+
+<a name='Footnote_87_87'></a><a href='#FNanchor_87_87'>[87]</a><div class='note'><p> La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34, 51, 20, 31.</p></div>
+
+<a name='Footnote_88_88'></a><a href='#FNanchor_88_88'>[88]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, III p. 172.</p></div>
+
+<a name='Footnote_89_89'></a><a href='#FNanchor_89_89'>[89]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, &sect; 218 p. 105.</p></div>
+
+<a name='Footnote_90_90'></a><a href='#FNanchor_90_90'>[90]</a><div class='note'><p> Chronique scandaleuse, I p. 53.</p></div>
+
+<a name='Footnote_91_91'></a><a href='#FNanchor_91_91'>[91]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 184; Basin. II p. 376.</p></div>
+
+<a name='Footnote_92_92'></a><a href='#FNanchor_92_92'>[92]</a><div class='note'><p> <a name='Alienor'></a>Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, ed. La <a name='Curne'></a>Curne de
+Sainte Palaye, M&eacute;moires sur l'ancienne chevalerie, 1781, II p. 201.</p></div>
+
+<a name='Footnote_93_93'></a><a href='#FNanchor_93_93'>[93]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 196-212, 290, 292, 308, IV p. 412/4, 428;
+Alienor de Poitiers, p. 209, 212.</p></div>
+
+<a name='Footnote_94_94'></a><a href='#FNanchor_94_94'>[94]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, p. 210; Chastellain, IV p. 312; Juvenal des
+Ursins, p. 405; La Marche, I p. 278, Froissart, I p. 16, 22, enz.</p></div>
+
+<a name='Footnote_95_95'></a><a href='#FNanchor_95_95'>[95]</a><div class='note'><p> Molinet, V p. 194, 192.</p></div>
+
+<a name='Footnote_96_96'></a><a href='#FNanchor_96_96'>[96]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, p. 190; Deschamps, IX p. 109.</p></div>
+
+<a name='Footnote_97_97'></a><a href='#FNanchor_97_97'>[97]</a><div class='note'><p> Chastellain, V. p. 27-33.</p></div>
+
+<a name='Footnote_98_98'></a><a href='#FNanchor_98_98'>[98]</a><div class='note'><p> Maxime u. Reflexionen V.</p></div>
+
+<a name='Footnote_99_99'></a><a href='#FNanchor_99_99'>[99]</a><div class='note'><p> Alleen om u moet de priester wachten. Deschamps, IX Le miroir de
+mariage, p. 109/110.</p></div>
+
+<a name='Footnote_100_100'></a><a href='#FNanchor_100_100'>[100]</a><div class='note'><p> Verscheiden exemplaren van zulke &quot;paix&quot; bij Laborde, II nos. 43,
+45, 75, 126, 140, 5293.</p></div>
+
+<a name='Footnote_101_101'></a><a href='#FNanchor_101_101'>[101]</a><div class='note'><p> De baljuwsche.</p></div>
+
+<a name='Footnote_102_102'></a><a href='#FNanchor_102_102'>[102]</a><div class='note'><p> Deschamps ib.; p. 300, vgl. VIII p. 156 ballade no. 1462; Molinet,
+V p. 195; Les cent nouvelles nouvelles, ed. Th. Wright, II p. 123; vgl.
+Les Quinze joyes de mariage p. 185.</p></div>
+
+<a name='Footnote_103_103'></a><a href='#FNanchor_103_103'>[103]</a><div class='note'><p> Canonisatieproces te Tours, Acta Sanctorum Apr. t. I p. 152.</p></div>
+
+<a name='Footnote_104_104'></a><a href='#FNanchor_104_104'>[104]</a><div class='note'><p> Over zulke rangtwisten onder den Hollandschen adel, waarop reeds
+even gewezen is door W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland v&oacute;&oacute;r de
+hervorming, Utrecht 1864-'69, 2 deelen (5 stukken) II 3 p. 284<sup>2</sup>, is
+uitvoerig gehandeld door H. Obreen, Bijdr. v. Vad. Gesch. en Oudhk. X p. 308.</p></div>
+
+<a name='Footnote_105_105'></a><a href='#FNanchor_105_105'>[105]</a><div class='note'><p> Deschamps, IX p. 111-114.</p></div>
+
+<a name='Footnote_106_106'></a><a href='#FNanchor_106_106'>[106]</a><div class='note'><p> Jean de <a name='Stavelot'></a>Stavelot, Chronique, ed. Borgnet (Coll. des chron. belges)
+1861, p. 96.</p></div>
+
+<a name='Footnote_107_107'></a><a href='#FNanchor_107_107'>[107]</a><div class='note'><p> Pierre de Fenin, p. 607; Journal d'un bourgeois, p. 9.</p></div>
+
+<a name='Footnote_108_108'></a><a href='#FNanchor_108_108'>[108]</a><div class='note'><p> Aldus Juvenal des Ursins, p. 543, en Thomas Basin, I p. 31. Het
+Journal d'un bourgeois, p. 110 geeft een andere reden voor het
+doodvonnis, evenzoo Le <a name='Livre'></a>Livre des trahisons, ed. Kervyn de Lettenhove
+(Chron. rel. &agrave; l'hist. de Belg. sous les ducs de Bourg.) II p. 138<sup>1</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_109_109'></a><a href='#FNanchor_109_109'>[109]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 30; Juvenal des Ursins, p. 341.</p></div>
+
+<a name='Footnote_110_110'></a><a href='#FNanchor_110_110'>[110]</a><div class='note'><p> Pierre de Fenin, p. 606; Monstrelet, IV p. 9.</p></div>
+
+<a name='Footnote_111_111'></a><a href='#FNanchor_111_111'>[111]</a><div class='note'><p> Pierre de Fenin, p. 604.</p></div>
+
+<a name='Footnote_112_112'></a><a href='#FNanchor_112_112'>[112]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, I p. 251 no. 38; Chastellain, V p. 364ss;
+Rozmital 's Reise, p. 24, 149.</p></div>
+
+<a name='Footnote_113_113'></a><a href='#FNanchor_113_113'>[113]</a><div class='note'><p> Deschamps, I nos. 80, 114, 118, II nos. 256, 266, IV nos. 800,
+803, V nos. 1018, 1024, 1029, VII no. 253, X nos. 13, 14.</p></div>
+
+<a name='Footnote_114_114'></a><a href='#FNanchor_114_114'>[114]</a><div class='note'><p> Anonym bericht der 15<sup>e</sup> eeuw in Journal de l'inst. hist., IV p.
+353, vgl. Juvenal des Ursins, p. 569, Religieux de S. Denis, VI p. 492.</p></div>
+
+<a name='Footnote_115_115'></a><a href='#FNanchor_115_115'>[115]</a><div class='note'><p> Jean Chartier, Hist. de Charles VII, ed. D. Godefroy 1661, p. 318.</p></div>
+
+<a name='Footnote_116_116'></a><a href='#FNanchor_116_116'>[116]</a><div class='note'><p> Intocht van den dauphin als hertog van Bretagne te Rennes in 1532
+bij Th. <a name='Godefroy'></a>Godefroy, Le c&eacute;r&eacute;monial fran&ccedil;ois, 1649, p. 619.</p></div>
+
+<a name='Footnote_117_117'></a><a href='#FNanchor_117_117'>[117]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 32.</p></div>
+
+<a name='Footnote_118_118'></a><a href='#FNanchor_118_118'>[118]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 277.</p></div>
+
+<a name='Footnote_119_119'></a><a href='#FNanchor_119_119'>[119]</a><div class='note'><p> Thomas Bassin, II p. 9.</p></div>
+
+<a name='Footnote_120_120'></a><a href='#FNanchor_120_120'>[120]</a><div class='note'><p> A. Renaudet, Pr&eacute;r&eacute;forme et humanisme &agrave; Paris, p. 11, naar de
+processtukken.</p></div>
+
+<a name='Footnote_121_121'></a><a href='#FNanchor_121_121'>[121]</a><div class='note'><p> de Laborde, Les ducs de Bourgogne, I p. 172, 177.</p></div>
+
+<a name='Footnote_122_122'></a><a href='#FNanchor_122_122'>[122]</a><div class='note'><p> Livre des trahisons, p. 156.</p></div>
+
+<a name='Footnote_123_123'></a><a href='#FNanchor_123_123'>[123]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 188.</p></div>
+
+<a name='Footnote_124_124'></a><a href='#FNanchor_124_124'>[124]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254.</p></div>
+
+<a name='Footnote_125_125'></a><a href='#FNanchor_125_125'>[125]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, II p. 114.</p></div>
+
+<a name='Footnote_126_126'></a><a href='#FNanchor_126_126'>[126]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 49, V p. 240; vgl. La Marche, I p. 201;
+Monstrelet, III p. 358; Lef&egrave;vre de S. Remy, I p. 380.</p></div>
+
+<a name='Footnote_127_127'></a><a href='#FNanchor_127_127'>[127]</a><div class='note'><p> Chastellain. V p. 228, vgl. IV p. 210.</p></div>
+
+<a name='Footnote_128_128'></a><a href='#FNanchor_128_128'>[128]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 296; IV p. 213, 216.</p></div>
+
+<a name='Footnote_129_129'></a><a href='#FNanchor_129_129'>[129]</a><div class='note'><p> Chronique scandaleuse. Interpol. II p. 332.</p></div>
+
+<a name='Footnote_130_130'></a><a href='#FNanchor_130_130'>[130]</a><div class='note'><p> Lettres de Louis XI, X p. 110.</p></div>
+
+<a name='Footnote_131_131'></a><a href='#FNanchor_131_131'>[131]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254-256.</p></div>
+
+<a name='Footnote_132_132'></a><a href='#FNanchor_132_132'>[132]</a><div class='note'><p> Lef&egrave;vre de S. Remy, II p. 11; Pierre de Fenin, p. 599, 605;
+Monstrelet, III p. 347; Theod. <a name='Pauli'></a>Pauli, De rebus actis sub ducibus
+Burgundiae compendium, ed. Kervyn de Lettenhove (Chron. rel. &agrave; l'hist.
+de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. t. III) p. 267.</p></div>
+
+<a name='Footnote_133_133'></a><a href='#FNanchor_133_133'>[133]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, p. 217-245; Laborde, II p. 267, Inventaris van
+1420.</p></div>
+
+<a name='Footnote_134_134'></a><a href='#FNanchor_134_134'>[134]</a><div class='note'><p> Continuateur de Monstrelet, 1449 (Chastellain, V p. 367<sup>1</sup>).</p></div>
+
+<a name='Footnote_135_135'></a><a href='#FNanchor_135_135'>[135]</a><div class='note'><p> Vgl. Petit Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires
+etc., p. 14; La Curne de S. Palaye, M&eacute;moires sur l'ancienne chevalerie,
+I p. 272.</p></div>
+
+<a name='Footnote_136_136'></a><a href='#FNanchor_136_136'>[136]</a><div class='note'><p> Chastellain, Le Pas de la mort, VI p. 61.</p></div>
+
+<a name='Footnote_137_137'></a><a href='#FNanchor_137_137'>[137]</a><div class='note'><p> Hefele, Der h. Bernhardin v. Siena etc., p. 42. Vervolging van
+sodomie in Frankrijk, Jacques du Clercq, II p. 272, 282, 337, 338, 350,
+III 15.</p></div>
+
+<a name='Footnote_138_138'></a><a href='#FNanchor_138_138'>[138]</a><div class='note'><p> Philippe de <a name='Commines'></a>Commines, M&eacute;moires, ed. B. de Mandrot (Coll. de textes
+pour servir &agrave; l'enseignement de l'histoire) 1901-'3, 2 vol., I p. 316.</p></div>
+
+<a name='Footnote_139_139'></a><a href='#FNanchor_139_139'>[139]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 425; Molinet, II p. 29, 280; Chastellain, IV p. 41.</p></div>
+
+<a name='Footnote_140_140'></a><a href='#FNanchor_140_140'>[140]</a><div class='note'><p> Les cent nouvelles nouvelles, II p. 61; Froissart, ed. Kervyn, XI
+p. 93.</p></div>
+
+<a name='Footnote_141_141'></a><a href='#FNanchor_141_141'>[141]</a><div class='note'><p> Froissart id., ib. XIV p. 318; Le livre des faits de Jacques de
+<a name='Lalaing'></a>Lalaing. p. 29, 247 (Chastellain VIII); La Marche I p. 268; L'hystoire
+du petit Jehan de Saintr&eacute;. ch. 47.</p></div>
+
+<a name='Footnote_142_142'></a><a href='#FNanchor_142_142'>[142]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 237.</p></div>
+
+<a name='Footnote_143_143'></a><a href='#FNanchor_143_143'>[143]</a><div class='note'><p> Deschamps, II p. 226.</p></div>
+
+<a name='Footnote_144_144'></a><a href='#FNanchor_144_144'>[144]</a><div class='note'><p> Chastellain, Le miroer des nobles hommes en France, VI p. 204,
+Exposition sur v&eacute;rit&eacute; mal prise, VI p. 416, L'entr&eacute;e du roy Loys en
+nouveau r&egrave;gne, VII p. 10.</p></div>
+
+<a name='Footnote_145_145'></a><a href='#FNanchor_145_145'>[145]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XIII, p. 22; Jean Germain, Liber de
+virtutibus ducis Burg., p. 109; Molinet, I p. 83, III p. 100.</p></div>
+
+<a name='Footnote_146_146'></a><a href='#FNanchor_146_146'>[146]</a><div class='note'><p> Monstrelet, II p. 241.</p></div>
+
+<a name='Footnote_147_147'></a><a href='#FNanchor_147_147'>[147]</a><div class='note'><p> Chastellain. VII p. 13-16.</p></div>
+
+<a name='Footnote_148_148'></a><a href='#FNanchor_148_148'>[148]</a><div class='note'><p> Chastellain. III p. 82, IV p. 170, V p. 279, 309.</p></div>
+
+<a name='Footnote_149_149'></a><a href='#FNanchor_149_149'>[149]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq. II p. 245. vgl. p. 339.</p></div>
+
+<a name='Footnote_150_150'></a><a href='#FNanchor_150_150'>[150]</a><div class='note'><p> Zie hierboven blz. <a href='#15'>15</a>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_151_151'></a><a href='#FNanchor_151_151'>[151]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 82-89.</p></div>
+
+<a name='Footnote_152_152'></a><a href='#FNanchor_152_152'>[152]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 90ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_153_153'></a><a href='#FNanchor_153_153'>[153]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 345.</p></div>
+
+<a name='Footnote_154_154'></a><a href='#FNanchor_154_154'>[154]</a><div class='note'><p> Deschamps no. 113, t. I p. 230.</p></div>
+
+<a name='Footnote_155_155'></a><a href='#FNanchor_155_155'>[155]</a><div class='note'><p> N. de <a name='Clemanges'></a>Clemanges, Opera ed. Lydius. Leiden 1613, p. 48, cap. IX.</p></div>
+
+<a name='Footnote_156_156'></a><a href='#FNanchor_156_156'>[156]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, IV p. 583-622, zie Denifle &amp; Chatelain,
+Chartularium Univ. Paris. IV no. 1819.</p></div>
+
+<a name='Footnote_157_157'></a><a href='#FNanchor_157_157'>[157]</a><div class='note'><p> Bij H. Denifle, La d&eacute;solation des &eacute;glises etc. en France. Paris
+1897-'99, 2 vol., I p. 497-513.</p></div>
+
+<a name='Footnote_158_158'></a><a href='#FNanchor_158_158'>[158]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 402.</p></div>
+
+<a name='Footnote_159_159'></a><a href='#FNanchor_159_159'>[159]</a><div class='note'><p> Rob. <a name='Gaguini'></a>Gaguini Epistole et orationes, ed. L. Thuasne (Bibl. litt. de
+la Renaissance t. II) Paris 1903, 2 vol., II p. 321, 350.</p></div>
+
+<a name='Footnote_160_160'></a><a href='#FNanchor_160_160'>[160]</a><div class='note'><p> Froissart. ed. Kervyn, XII p. 4; Le livre des trahisons p. 19, 26;
+Chastellain, I p. XXX, III p. 325, V p. 260. 275, 325, VII p. 466-480;
+Thomas Basin, passim, vooral I p. 44, 56, 59, 115; vgl. La complainte du
+povre commun et des povres laboureurs de France (Monstrelet, VI p. 176-190.)</p></div>
+
+<a name='Footnote_161_161'></a><a href='#FNanchor_161_161'>[161]</a><div class='note'><p> Les <a name='Faictz'></a>Faictz et Dictz de messire Jehan Molinet, Paris, Jehan Petit,
+1537, f. 87vso.</p></div>
+
+<a name='Footnote_162_162'></a><a href='#FNanchor_162_162'>[162]</a><div class='note'><p> Ballade 19, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses
+oeuvres, Bibl. de l'&eacute;cole des chartes LVI, 1895, p. 296; vgl. Les
+Lunettes des princes ib. p. 607, 613.</p></div>
+
+<a name='Footnote_163_163'></a><a href='#FNanchor_163_163'>[163]</a><div class='note'><p> Masselin, Journal des Etats G&eacute;n&eacute;raux de France tenus &agrave; Tours en
+1484, ed. A. Bernier, (Coll. des documents in&eacute;dits) p. 672.</p></div>
+
+<a name='Footnote_164_164'></a><a href='#FNanchor_164_164'>[164]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI no. 1140, p. 67.</p></div>
+
+<a name='Footnote_165_165'></a><a href='#FNanchor_165_165'>[165]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI p. 124 no. 1176.</p></div>
+
+<a name='Footnote_166_166'></a><a href='#FNanchor_166_166'>[166]</a><div class='note'><p> Molinet, II p. 104-107; Jean le Maire de Belges, Les chansons de
+Namur 1507.</p></div>
+
+<a name='Footnote_167_167'></a><a href='#FNanchor_167_167'>[167]</a><div class='note'><p> Chastellain. Le miroir des nobles hommes de France, VI p. 203,
+211, 214.</p></div>
+
+<a name='Footnote_168_168'></a><a href='#FNanchor_168_168'>[168]</a><div class='note'><p> Le <a name='Jouvencel'></a>Jouvencel, ed. C. Favre et L. Lecestre (Soc. de l'hist. de
+France) 1887-'89, 2 vol., I p. 13.</p></div>
+
+<a name='Footnote_169_169'></a><a href='#FNanchor_169_169'>[169]</a><div class='note'><p> Livre des faicts du mareschal de <a name='Boucicaut'></a>Boucicaut, Petitot. Coll. de
+m&eacute;m., VI p. 375.</p></div>
+
+<a name='Footnote_170_170'></a><a href='#FNanchor_170_170'>[170]</a><div class='note'><p> Philippe de <a name='Vitri'></a>Vitri, Le chapel des fleurs de lis (1335), ed. A.
+Piaget, Romania XXVII 1898, p. 80ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_171_171'></a><a href='#FNanchor_171_171'>[171]</a><div class='note'><p> Zie daarover La Curne de Sainte Palaye, M&eacute;moires sur l'ancienne
+chevalerie, 1781, II p. 94-96.</p></div>
+
+<a name='Footnote_172_172'></a><a href='#FNanchor_172_172'>[172]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 16/17.</p></div>
+
+<a name='Footnote_173_173'></a><a href='#FNanchor_173_173'>[173]</a><div class='note'><p> N. Jorga, Philippe de M&eacute;zi&egrave;res, p. 469.</p></div>
+
+<a name='Footnote_174_174'></a><a href='#FNanchor_174_174'>[174]</a><div class='note'><p> l.c., p. 506.</p></div>
+
+<a name='Footnote_175_175'></a><a href='#FNanchor_175_175'>[175]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, I p. 2/3; Monstrelet, I p. 2; d'Escouchy,
+I p. I; Chastellain, I prologue, II p. 116. VI p. 266; La Marche, I p.
+187; Molinet, I p. 17, II p. 54.</p></div>
+
+<a name='Footnote_176_176'></a><a href='#FNanchor_176_176'>[176]</a><div class='note'><p> Lef&egrave;vre de S. Remy, II p. 249; Froissart. ed. Luce, I p. I; vgl.
+Le d&eacute;bat des h&eacute;rauts <a name='darmes'></a>d'armes de France et d'Angleterre, ed. L. Pannier
+et P. Meyer, (Soc. des anciens textes francais) 1887, p. 1.</p></div>
+
+<a name='Footnote_177_177'></a><a href='#FNanchor_177_177'>[177]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 443.</p></div>
+
+<a name='Footnote_178_178'></a><a href='#FNanchor_178_178'>[178]</a><div class='note'><p> Les origines de la France contemporaine. La R&eacute;volution, I p. 190.</p></div>
+
+<a name='Footnote_179_179'></a><a href='#FNanchor_179_179'>[179]</a><div class='note'><p> Die Kultur der Renaissance in Italien, <sup>10</sup> II p. 155.</p></div>
+
+<a name='Footnote_180_180'></a><a href='#FNanchor_180_180'>[180]</a><div class='note'><p> l.c., I p. 152-165.</p></div>
+
+<a name='Footnote_181_181'></a><a href='#FNanchor_181_181'>[181]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, IV p. 112.</p></div>
+
+<a name='Footnote_182_182'></a><a href='#FNanchor_182_182'>[182]</a><div class='note'><p> Le Dit de V&eacute;rit&eacute;, Chastellain, VI p. 221.</p></div>
+
+<a name='Footnote_183_183'></a><a href='#FNanchor_183_183'>[183]</a><div class='note'><p> Le livre de la paix, Chastellain, VII p. 367.</p></div>
+
+<a name='Footnote_184_184'></a><a href='#FNanchor_184_184'>[184]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, I p. 3.</p></div>
+
+<a name='Footnote_185_185'></a><a href='#FNanchor_185_185'>[185]</a><div class='note'><p> Le cuer d'amours &eacute;pris, Oeuvres du roi Ren&eacute;, ed. De Quatrebarbes,
+Angers 1845, 4 vol., t. III p. 112.</p></div>
+
+<a name='Footnote_186_186'></a><a href='#FNanchor_186_186'>[186]</a><div class='note'><p> Lef&egrave;vre de S. Remy, II p. 68.</p></div>
+
+<a name='Footnote_187_187'></a><a href='#FNanchor_187_187'>[187]</a><div class='note'><p> Doutrepont, p. 183.</p></div>
+
+<a name='Footnote_188_188'></a><a href='#FNanchor_188_188'>[188]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 216, 334.</p></div>
+
+<a name='Footnote_189_189'></a><a href='#FNanchor_189_189'>[189]</a><div class='note'><p> Ph. Wielant, Antiquit&eacute;s de Flandre, ed. De Smet (Corp. chron.
+Flandriae IV) p. 56.</p></div>
+
+<a name='Footnote_190_190'></a><a href='#FNanchor_190_190'>[190]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 390, vgl. de anecdote bij Doutrepont, p. 185.</p></div>
+
+<a name='Footnote_191_191'></a><a href='#FNanchor_191_191'>[191]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 316-319.</p></div>
+
+<a name='Footnote_192_192'></a><a href='#FNanchor_192_192'>[192]</a><div class='note'><p> P. Meyer, Bull. de la soc. des anc. textes fran&ccedil;ais 1883, p.
+45-54.</p></div>
+
+<a name='Footnote_193_193'></a><a href='#FNanchor_193_193'>[193]</a><div class='note'><p> Deschamps. nos. 12, 93, 207, 239, 362, 403, 432, 652. I p. 86,
+199, II p. 29, 69, X p. xxxv. lxxvi ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_194_194'></a><a href='#FNanchor_194_194'>[194]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 274. Een gedicht van 9 strofen over de
+9 dapperen in verschillende handschriften van Haarlemsche keuren uit de
+XV<sup>e</sup> eeuw, zie mijn Rechtsbronnen van Haarlem, p. xlvi vg. In het midden
+der 16<sup>e</sup> eeuw kent John Coke hen nog als The Nyne Worthyes, The debate
+betwene the Heraldes, ed. L. Pannier et P. Meyer, Le debat des h&eacute;rauts
+d'armes, p. 108 &sect; 171.</p></div>
+
+<a name='Footnote_195_195'></a><a href='#FNanchor_195_195'>[195]</a><div class='note'><p> Molinet, faictz et dictz, f. 151<sup>v</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_196_196'></a><a href='#FNanchor_196_196'>[196]</a><div class='note'><p> La Curne de Sainte Palaye, II p. 88.</p></div>
+
+<a name='Footnote_197_197'></a><a href='#FNanchor_197_197'>[197]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 206, 239, II p. 27, 69, no. 312, II p. 324, Le lay
+du tres bon connestable B. du Guesclin.</p></div>
+
+<a name='Footnote_198_198'></a><a href='#FNanchor_198_198'>[198]</a><div class='note'><p> S. Luce, La France pendant la guerre de cent ans, p. 231: Du
+Guesclin, dixi&egrave;me preux.</p></div>
+
+<a name='Footnote_199_199'></a><a href='#FNanchor_199_199'>[199]</a><div class='note'><p> La mort du roy Charles VII. Chastellain, VI p. 440.</p></div>
+
+<a name='Footnote_200_200'></a><a href='#FNanchor_200_200'>[200]</a><div class='note'><p> Laborde, II p. 242, no. 4091; 138, no. 242, id. p. 146, no. 3343,
+p. 260, no. 4220, p. 266, no. 4255. Het souter is tijdens den Spaanschen
+successieoorlog verworven door Joan van den Berg, commissaris der Staten
+in Belgi&euml;, en berust thans in de Leidsche Universiteitsbibliotheek.</p></div>
+
+<a name='Footnote_201_201'></a><a href='#FNanchor_201_201'>[201]</a><div class='note'><p> Burckhardt, Kultur der Ren. I<sup>14</sup> p. 246.</p></div>
+
+<a name='Footnote_202_202'></a><a href='#FNanchor_202_202'>[202]</a><div class='note'><p> Le livre des faicts du mareschal Boucicaut, ed. Petitot, Coll. de
+m&eacute;moires 1<sup>e</sup> s&eacute;rie, t. VI, VII.</p></div>
+
+<a name='Footnote_203_203'></a><a href='#FNanchor_203_203'>[203]</a><div class='note'><p> Le livre des faicts, VI p. 379.</p></div>
+
+<a name='Footnote_204_204'></a><a href='#FNanchor_204_204'>[204]</a><div class='note'><p> Ib. VII. p. 214, 185. 200/1.</p></div>
+
+<a name='Footnote_205_205'></a><a href='#FNanchor_205_205'>[205]</a><div class='note'><p> Chr. de Pisan, Le d&eacute;bat des deux amants, Oeuvres po&eacute;tiques, II p. 96.</p></div>
+
+<a name='Footnote_206_206'></a><a href='#FNanchor_206_206'>[206]</a><div class='note'><p> Antoine de la <a name='Salle'></a>Salle, La salade, chap. 3, Paris, M. Le Noir, 1521,
+f. 4vso.</p></div>
+
+<a name='Footnote_207_207'></a><a href='#FNanchor_207_207'>[207]</a><div class='note'><p> Le livre des <a name='cent'></a>cent ballades, ed. G. Raynaud (Soc. des anciens
+textes fran&ccedil;ais), p. lv.</p></div>
+
+<a name='Footnote_208_208'></a><a href='#FNanchor_208_208'>[208]</a><div class='note'><p> Ed. C. Favre et L. Lecestre, Soc. de l'hist. de France, 1887/9.</p></div>
+
+<a name='Footnote_209_209'></a><a href='#FNanchor_209_209'>[209]</a><div class='note'><p> Le Jouvencel, I p. 25.</p></div>
+
+<a name='Footnote_210_210'></a><a href='#FNanchor_210_210'>[210]</a><div class='note'><p> Le livre des faits du bon chevalier Messire Jacques de Lalaing,
+ed. Kervyn de Lettenhove. Chastellain, Oeuvres VIII.</p></div>
+
+<a name='Footnote_211_211'></a><a href='#FNanchor_211_211'>[211]</a><div class='note'><p> II p. 20.</p></div>
+
+<a name='Footnote_212_212'></a><a href='#FNanchor_212_212'>[212]</a><div class='note'><p> W. James, The varieties of religious experience, Gifford lectures
+1901/2, London 1903, p. 318.</p></div>
+
+<a name='Footnote_213_213'></a><a href='#FNanchor_213_213'>[213]</a><div class='note'><p> Le livre des faicts, p. 398.</p></div>
+
+<a name='Footnote_214_214'></a><a href='#FNanchor_214_214'>[214]</a><div class='note'><p> ed. G. Raynaud, Soci&eacute;t&eacute; des anciens textes francais, 1905.</p></div>
+
+<a name='Footnote_215_215'></a><a href='#FNanchor_215_215'>[215]</a><div class='note'><p> Twee heidenen uit den roman van Aspremont.</p></div>
+
+<a name='Footnote_216_216'></a><a href='#FNanchor_216_216'>[216]</a><div class='note'><p> Les Voeux du h&eacute;ron vs. 354-371, ed. Soc. des bibliophiles de Mons,
+no. 8, 1839.</p></div>
+
+<a name='Footnote_217_217'></a><a href='#FNanchor_217_217'>[217]</a><div class='note'><p> Brief van den graaf van Chimay aan Chastellain, Oeuvres, VIII p. 266.</p></div>
+
+<a name='Footnote_218_218'></a><a href='#FNanchor_218_218'>[218]</a><div class='note'><p> Perceforest, bij Quatrebarbes, Oeuvres du roi Ren&eacute; II p. xciv.</p></div>
+
+<a name='Footnote_219_219'></a><a href='#FNanchor_219_219'>[219]</a><div class='note'><p> Des trois chevaliers et del chainse, van Jakes de Baisieux, ed.
+Scheler, Trouv&egrave;res belges I, 1876, p. 162.</p></div>
+
+<a name='Footnote_220_220'></a><a href='#FNanchor_220_220'>[220]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 594ss.; Juvenal des Ursins, p. 379.</p></div>
+
+<a name='Footnote_221_221'></a><a href='#FNanchor_221_221'>[221]</a><div class='note'><p> Dionysii Cartusiani Opera t. XXXVI p. 206.</p></div>
+
+<a name='Footnote_222_222'></a><a href='#FNanchor_222_222'>[222]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 222, no. 108, I p. 223, no. 109.</p></div>
+
+<a name='Footnote_223_223'></a><a href='#FNanchor_223_223'>[223]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois de Paris, p. 59, 56.</p></div>
+
+<a name='Footnote_224_224'></a><a href='#FNanchor_224_224'>[224]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 119, 144; d'Escouchy, I p. 245<sup>1</sup>, 247<sup>8</sup>;
+Molinet, III p. 460.</p></div>
+
+<a name='Footnote_225_225'></a><a href='#FNanchor_225_225'>[225]</a><div class='note'><p> Chastellain, VIII p. 238.</p></div>
+
+<a name='Footnote_226_226'></a><a href='#FNanchor_226_226'>[226]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 292.</p></div>
+
+<a name='Footnote_227_227'></a><a href='#FNanchor_227_227'>[227]</a><div class='note'><p> Le livre des faits de Jacques de Lalaing, bij Chastellain, VIII
+p. 188 s.</p></div>
+
+<a name='Footnote_228_228'></a><a href='#FNanchor_228_228'>[228]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi Ren&eacute;, I p. lxxv.</p></div>
+
+<a name='Footnote_229_229'></a><a href='#FNanchor_229_229'>[229]</a><div class='note'><p> La Marche, III p. 123; Molinet, V p. 18.</p></div>
+
+<a name='Footnote_230_230'></a><a href='#FNanchor_230_230'>[230]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 118, 121, 122, 133, 341; Chastellain, I p. 256,
+VIII p. 217, 246.</p></div>
+
+<a name='Footnote_231_231'></a><a href='#FNanchor_231_231'>[231]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 173, I p. 285; Oeuvres du roi Ren&eacute;, I p. lxxv.</p></div>
+
+<a name='Footnote_232_232'></a><a href='#FNanchor_232_232'>[232]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi Ren&eacute;, I p. lxxxvi, II p. 57.</p></div>
+
+<a name='Footnote_233_233'></a><a href='#FNanchor_233_233'>[233]</a><div class='note'><p> N. Jorga, Phil. de M&eacute;zi&egrave;res. p. 348.</p></div>
+
+<a name='Footnote_234_234'></a><a href='#FNanchor_234_234'>[234]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 7, IV p. 233 cf. 269, VI p. 154.</p></div>
+
+<a name='Footnote_235_235'></a><a href='#FNanchor_235_235'>[235]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 109.</p></div>
+
+<a name='Footnote_236_236'></a><a href='#FNanchor_236_236'>[236]</a><div class='note'><p> Statuten der orde, bij Luc d'Ach&eacute;ry, Spicilegium, III p. 730.</p></div>
+
+<a name='Footnote_237_237'></a><a href='#FNanchor_237_237'>[237]</a><div class='note'><p> Chastellain. II p. 10.</p></div>
+
+<a name='Footnote_238_238'></a><a href='#FNanchor_238_238'>[238]</a><div class='note'><p> Chronique scandaleuse, I p. 236.</p></div>
+
+<a name='Footnote_239_239'></a><a href='#FNanchor_239_239'>[239]</a><div class='note'><p> Le songe de la <a name='thoison'></a>thoison d'or, bij Doutrepont, p. 154.</p></div>
+
+<a name='Footnote_240_240'></a><a href='#FNanchor_240_240'>[240]</a><div class='note'><p> Fillastre. Le premier volume de la toison dor, Paris 1515, fol. 2.</p></div>
+
+<a name='Footnote_241_241'></a><a href='#FNanchor_241_241'>[241]</a><div class='note'><p> Boucicaut, I p, 504; Jorga, Ph. de M&eacute;zi&egrave;res, p. 83, 463<sup>8</sup>;
+Romania, XXVI p. 395<sup>1</sup>, 396<sup>2</sup>; Deschamps, XI p. 28; Oeuvres du roi
+Ren&eacute;, I p. xi; Monstrelet, V p. 449.</p></div>
+
+<a name='Footnote_242_242'></a><a href='#FNanchor_242_242'>[242]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 908/10, XI p. 232, 14, 68.</p></div>
+
+<a name='Footnote_243_243'></a><a href='#FNanchor_243_243'>[243]</a><div class='note'><p> Froissart. Po&eacute;sies, ed. A. Scheler, (Acad. royale de Belgique)
+1870-'72, 3 vol., II p. 341.</p></div>
+
+<a name='Footnote_244_244'></a><a href='#FNanchor_244_244'>[244]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, La ballade de Foug&egrave;res, p. 718.</p></div>
+
+<a name='Footnote_245_245'></a><a href='#FNanchor_245_245'>[245]</a><div class='note'><p> Richteren 6.</p></div>
+
+<a name='Footnote_246_246'></a><a href='#FNanchor_246_246'>[246]</a><div class='note'><p> La Marche, IV p. 164; Jacques du Clercq, II p. 6.</p></div>
+
+<a name='Footnote_247_247'></a><a href='#FNanchor_247_247'>[247]</a><div class='note'><p> Liber Karoleidos vs. 88 (Chron. rel. &agrave; l'hist. de Belg. sous la
+dom. des ducs de Bourg. III).</p></div>
+
+<a name='Footnote_248_248'></a><a href='#FNanchor_248_248'>[248]</a><div class='note'><p> Gen. 30.32; 4 Reg. (2 Kon.) 3.4; Job 31.20; Psalm 71.6.
+(Statenvert. 72.6: &quot;nagras&quot;, waar Vulg. &quot;vellus&quot; heeft).</p></div>
+
+<a name='Footnote_249_249'></a><a href='#FNanchor_249_249'>[249]</a><div class='note'><p> Guillaume Fillastre, Le Second volume de la toison dor, Paris,
+Franc. Regnault, 1516. fol. 1, 2.</p></div>
+
+<a name='Footnote_250_250'></a><a href='#FNanchor_250_250'>[250]</a><div class='note'><p> La Marche, III p. 201, IV p. 67; Lef&egrave;vre de S. Remy, II p. 292;
+het ceremonieel van zulk een doop bij Humphrey van Glocester's heraut
+Nicolas <a name='Upton'></a>Upton, De officio militari, ed. E. Bysshe (Bissaeus) London,
+1654, lib. I, c. XI, p. 19.</p></div>
+
+<a name='Footnote_251_251'></a><a href='#FNanchor_251_251'>[251]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon,
+(Bibl. elzevirienne) Paris, 1854, p. 241 ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_252_252'></a><a href='#FNanchor_252_252'>[252]</a><div class='note'><p> Voeu du h&eacute;ron, ed. Soc. des bibl. de Mons, p. 17.</p></div>
+
+<a name='Footnote_253_253'></a><a href='#FNanchor_253_253'>[253]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, I p. 124.</p></div>
+
+<a name='Footnote_254_254'></a><a href='#FNanchor_254_254'>[254]</a><div class='note'><p> Sedert eenigen tijd.</p></div>
+
+<a name='Footnote_255_255'></a><a href='#FNanchor_255_255'>[255]</a><div class='note'><p> Zal uitgaan.</p></div>
+
+<a name='Footnote_256_256'></a><a href='#FNanchor_256_256'>[256]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, III p. 72. Harald Harfagri doet de gelofte, zijn
+haar niet te laten afsnijden, e&ecirc;r hij heel Noorwegen veroverd heeft,
+Haraldarsaga Harfagra, cap. 4; vgl. Voluspa 33.</p></div>
+
+<a name='Footnote_257_257'></a><a href='#FNanchor_257_257'>[257]</a><div class='note'><p> Jorga, Ph. de M&eacute;zi&egrave;res, p. 76.</p></div>
+
+<a name='Footnote_258_258'></a><a href='#FNanchor_258_258'>[258]</a><div class='note'><p> Claude Menard, Hist. de Bertrand du Guesclin, p. 39, 55, 410, 488,
+La Curne, I p. 240.</p></div>
+
+<a name='Footnote_259_259'></a><a href='#FNanchor_259_259'>[259]</a><div class='note'><p> Douet d'Arcq, Choix de Pi&egrave;ces in&eacute;dites rel. au r&egrave;gne de Charles
+VI. (Soc. de l'hist. de France 1863) I p. 370.</p></div>
+
+<a name='Footnote_260_260'></a><a href='#FNanchor_260_260'>[260]</a><div class='note'><p> Le livre des faits de Jacques de Lalaing, chap. XVI ss.,
+Chastellain, VIII p. 70.</p></div>
+
+<a name='Footnote_261_261'></a><a href='#FNanchor_261_261'>[261]</a><div class='note'><p> Le petit Jehan de Saintr&eacute;, chap. 48.</p></div>
+
+<a name='Footnote_262_262'></a><a href='#FNanchor_262_262'>[262]</a><div class='note'><p> Germania cap. 31; La Curne, I p. 236.</p></div>
+
+<a name='Footnote_263_263'></a><a href='#FNanchor_263_263'>[263]</a><div class='note'><p> Heimskringla, Olafssaga Tryggvasonar, cap. 35; Weinhold,
+Altnordisches Leben, p. 462.</p></div>
+
+<a name='Footnote_264_264'></a><a href='#FNanchor_264_264'>[264]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 366.</p></div>
+
+<a name='Footnote_265_265'></a><a href='#FNanchor_265_265'>[265]</a><div class='note'><p> La Marche. II p. 381-387.</p></div>
+
+<a name='Footnote_266_266'></a><a href='#FNanchor_266_266'>[266]</a><div class='note'><p> La Marche, l.c.; d'Escouchy, II p. 166, 218.</p></div>
+
+<a name='Footnote_267_267'></a><a href='#FNanchor_267_267'>[267]</a><div class='note'><p> d'Escouchy, II p. 189.</p></div>
+
+<a name='Footnote_268_268'></a><a href='#FNanchor_268_268'>[268]</a><div class='note'><p> Doutrepont, p. 513.</p></div>
+
+<a name='Footnote_269_269'></a><a href='#FNanchor_269_269'>[269]</a><div class='note'><p> ib. p. 110, 112.</p></div>
+
+<a name='Footnote_270_270'></a><a href='#FNanchor_270_270'>[270]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 376.</p></div>
+
+<a name='Footnote_271_271'></a><a href='#FNanchor_271_271'>[271]</a><div class='note'><p> Hierboven blz. <a href="#123">123</a>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_272_272'></a><a href='#FNanchor_272_272'>[272]</a><div class='note'><p> Chronique de Berne (Molinier no. 3103) bij Kervyn, Froissart, II
+p. 531.</p></div>
+
+<a name='Footnote_273_273'></a><a href='#FNanchor_273_273'>[273]</a><div class='note'><p> d'Escouchy, II p. 220.</p></div>
+
+<a name='Footnote_274_274'></a><a href='#FNanchor_274_274'>[274]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, X p. 240, 243.</p></div>
+
+<a name='Footnote_275_275'></a><a href='#FNanchor_275_275'>[275]</a><div class='note'><p> Le livre des faits de Jacques de Lalaing, Chastellain, VIII p.
+158-161.</p></div>
+
+<a name='Footnote_276_276'></a><a href='#FNanchor_276_276'>[276]</a><div class='note'><p> La Marche, IV Estat de la maison p. 34, 47.</p></div>
+
+<a name='Footnote_277_277'></a><a href='#FNanchor_277_277'>[277]</a><div class='note'><p> Zie mijn verhandeling Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal
+besef, de Gids 1912, 1.</p></div>
+
+<a name='Footnote_278_278'></a><a href='#FNanchor_278_278'>[278]</a><div class='note'><p> Ps. 50, 19 (51, 20).</p></div>
+
+<a name='Footnote_279_279'></a><a href='#FNanchor_279_279'>[279]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 112; Pierre de Fenin, p. 363; Lef&egrave;vre de Saint
+Remy, II p. 63; Chastellain, I p. 331.</p></div>
+
+<a name='Footnote_280_280'></a><a href='#FNanchor_280_280'>[280]</a><div class='note'><p> Zie J.D. Hintzen, De kruistochtplannen van Philips den Goede,
+Leidsche dissertatie 1918.</p></div>
+
+<a name='Footnote_281_281'></a><a href='#FNanchor_281_281'>[281]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 6, 10, 34, 77, 118, 119, 178, 334; IV p. 125,
+128, 171, 431, 437, 451, 470; V p. 49.</p></div>
+
+<a name='Footnote_282_282'></a><a href='#FNanchor_282_282'>[282]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 382.</p></div>
+
+<a name='Footnote_283_283'></a><a href='#FNanchor_283_283'>[283]</a><div class='note'><p> Uit de voorgeschiedenis van ons nat. besef, de Gids 1912, I.</p></div>
+
+<a name='Footnote_284_284'></a><a href='#FNanchor_284_284'>[284]</a><div class='note'><p> Monstrelet, I p. 43ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_285_285'></a><a href='#FNanchor_285_285'>[285]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 219.</p></div>
+
+<a name='Footnote_286_286'></a><a href='#FNanchor_286_286'>[286]</a><div class='note'><p> Pierre de Fenin, p. 626/7; Monstrelet, IV p. 244; Liber de
+Virtutibus, p. 27.</p></div>
+
+<a name='Footnote_287_287'></a><a href='#FNanchor_287_287'>[287]</a><div class='note'><p> Lef&egrave;vre de Saint Remy, II p. 107.</p></div>
+
+<a name='Footnote_288_288'></a><a href='#FNanchor_288_288'>[288]</a><div class='note'><p> Laborde, I p. 201s.</p></div>
+
+<a name='Footnote_289_289'></a><a href='#FNanchor_289_289'>[289]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 27, 382.</p></div>
+
+<a name='Footnote_290_290'></a><a href='#FNanchor_290_290'>[290]</a><div class='note'><p> Bandello, I nov. 39: Filippo duca di Burgogna si mette fuor di
+proposito a grandissimo periglio.</p></div>
+
+<a name='Footnote_291_291'></a><a href='#FNanchor_291_291'>[291]</a><div class='note'><p> F. von Bezold, Aus dem Briefwechsel der Markgr&auml;fin Isabella von
+Este-Gonzaga, Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 396.</p></div>
+
+<a name='Footnote_292_292'></a><a href='#FNanchor_292_292'>[292]</a><div class='note'><p> Chastellain. III p. 38-49; La Marche, II p. 400ss.; d'Escouchy, II
+p. 300ss.; Corp. chron. Flandr., III p. 525; Petit Dutaillis, Documents
+nouveaux, p. 113, 137.&mdash;Over een blijkbaar ongevaarlijken vorm van
+gerechtelijk tweegevecht: Deschamps IX p. 21.</p></div>
+
+<a name='Footnote_293_293'></a><a href='#FNanchor_293_293'>[293]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, IV p. 89/94.</p></div>
+
+<a name='Footnote_294_294'></a><a href='#FNanchor_294_294'>[294]</a><div class='note'><p> Froissart, IV p. 127/8.</p></div>
+
+<a name='Footnote_295_295'></a><a href='#FNanchor_295_295'>[295]</a><div class='note'><p> Lef&egrave;vre de S. Remy, I p. 241.</p></div>
+
+<a name='Footnote_296_296'></a><a href='#FNanchor_296_296'>[296]</a><div class='note'><p> Froissart, XI p. 3.</p></div>
+
+<a name='Footnote_297_297'></a><a href='#FNanchor_297_297'>[297]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, III p. 175.</p></div>
+
+<a name='Footnote_298_298'></a><a href='#FNanchor_298_298'>[298]</a><div class='note'><p> Froissart, XI p. 24ss., VI p. 156.</p></div>
+
+<a name='Footnote_299_299'></a><a href='#FNanchor_299_299'>[299]</a><div class='note'><p> Ib., IV p. 110, 115. Andere soortgelijke gevechten b.v. Molinier,
+Sources, IV no. 3707; Molinet, IV p. 294.</p></div>
+
+<a name='Footnote_300_300'></a><a href='#FNanchor_300_300'>[300]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 392.</p></div>
+
+<a name='Footnote_301_301'></a><a href='#FNanchor_301_301'>[301]</a><div class='note'><p> Le Jouvencel, I p. 209, II p. 99, 103.</p></div>
+
+<a name='Footnote_302_302'></a><a href='#FNanchor_302_302'>[302]</a><div class='note'><p> Froissart, I p. 65. IV p. 49, II p. 32.</p></div>
+
+<a name='Footnote_303_303'></a><a href='#FNanchor_303_303'>[303]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 140.</p></div>
+
+<a name='Footnote_304_304'></a><a href='#FNanchor_304_304'>[304]</a><div class='note'><p> Monstrelet, III p. 101; Lef&egrave;vre de S. Remy, I p. 247.</p></div>
+
+<a name='Footnote_305_305'></a><a href='#FNanchor_305_305'>[305]</a><div class='note'><p> Molinet, II p. 36, 48, III p. 98, 453. IV p. 372.</p></div>
+
+<a name='Footnote_306_306'></a><a href='#FNanchor_306_306'>[306]</a><div class='note'><p> Froissart. III p. 187, XI p. 22.</p></div>
+
+<a name='Footnote_307_307'></a><a href='#FNanchor_307_307'>[307]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 374.</p></div>
+
+<a name='Footnote_308_308'></a><a href='#FNanchor_308_308'>[308]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 65.</p></div>
+
+<a name='Footnote_309_309'></a><a href='#FNanchor_309_309'>[309]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 65.</p></div>
+
+<a name='Footnote_310_310'></a><a href='#FNanchor_310_310'>[310]</a><div class='note'><p> ib., III p. 111, Lef&egrave;vre de S. Remy, I p. 259.</p></div>
+
+<a name='Footnote_311_311'></a><a href='#FNanchor_311_311'>[311]</a><div class='note'><p> Basin, III p. 57.</p></div>
+
+<a name='Footnote_312_312'></a><a href='#FNanchor_312_312'>[312]</a><div class='note'><p> Froissart, IV p. 80.</p></div>
+
+<a name='Footnote_313_313'></a><a href='#FNanchor_313_313'>[313]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 260; La Marche, I p. 89.</p></div>
+
+<a name='Footnote_314_314'></a><a href='#FNanchor_314_314'>[314]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 55.</p></div>
+
+<a name='Footnote_315_315'></a><a href='#FNanchor_315_315'>[315]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 82ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_316_316'></a><a href='#FNanchor_316_316'>[316]</a><div class='note'><p> Froissart, XI p. 58.</p></div>
+
+<a name='Footnote_317_317'></a><a href='#FNanchor_317_317'>[317]</a><div class='note'><p> Ms. Kroniek van Oudenaarde, bij Rel. de S. Denis, I p.229<sup>1</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_318_318'></a><a href='#FNanchor_318_318'>[318]</a><div class='note'><p> Froissart, IX p. 220, XI p. 202.</p></div>
+
+<a name='Footnote_319_319'></a><a href='#FNanchor_319_319'>[319]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 259.</p></div>
+
+<a name='Footnote_320_320'></a><a href='#FNanchor_320_320'>[320]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 324.</p></div>
+
+<a name='Footnote_321_321'></a><a href='#FNanchor_321_321'>[321]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 28, Commines, I p. 31; vgl. Petit Dutaillis in
+Lavisse, Histoire de France, IV<sup>2</sup> p. 33.</p></div>
+
+<a name='Footnote_322_322'></a><a href='#FNanchor_322_322'>[322]</a><div class='note'><p> Deschamps, IX p. 80, vgl. vs. 2228, 2295, XI p. 173.</p></div>
+
+<a name='Footnote_323_323'></a><a href='#FNanchor_323_323'>[323]</a><div class='note'><p> Froissart, II p. 37.</p></div>
+
+<a name='Footnote_324_324'></a><a href='#FNanchor_324_324'>[324]</a><div class='note'><p> La D&eacute;bat des h&eacute;rauts d'armes &sect; 86, 87, p. 33.</p></div>
+
+<a name='Footnote_325_325'></a><a href='#FNanchor_325_325'>[325]</a><div class='note'><p> Livre des faits, bij Chastellain, VIII p. 252<sup>2</sup> en xix.</p></div>
+
+<a name='Footnote_326_326'></a><a href='#FNanchor_326_326'>[326]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XI p. 24.</p></div>
+
+<a name='Footnote_327_327'></a><a href='#FNanchor_327_327'>[327]</a><div class='note'><p> Froissart, IV p. 83, ed. Kerv., XI p. 4.</p></div>
+
+<a name='Footnote_328_328'></a><a href='#FNanchor_328_328'>[328]</a><div class='note'><p> Deschamps, IV no. 785, p. 289.</p></div>
+
+<a name='Footnote_329_329'></a><a href='#FNanchor_329_329'>[329]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 217.</p></div>
+
+<a name='Footnote_330_330'></a><a href='#FNanchor_330_330'>[330]</a><div class='note'><p> Le Songe v&eacute;ritable, M&eacute;m. de la soc. de l'hist. de Paris, t. XVII
+p. 325, bij Raynaud, Les cent ballades, p. 1v<sup>1</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_331_331'></a><a href='#FNanchor_331_331'>[331]</a><div class='note'><p> Commines, I, p. 295.</p></div>
+
+<a name='Footnote_332_332'></a><a href='#FNanchor_332_332'>[332]</a><div class='note'><p> Livre messires Geoffroi de Charny, Romania XXVI.</p></div>
+
+<a name='Footnote_333_333'></a><a href='#FNanchor_333_333'>[333]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 36-42, 86, 164.</p></div>
+
+<a name='Footnote_334_334'></a><a href='#FNanchor_334_334'>[334]</a><div class='note'><p> Froissart, IV p. 70, 302; vgl. ed. Kervyn de Lettenhove, Bruxelles
+1869-1877, 26 vol., V p. 513.</p></div>
+
+<a name='Footnote_335_335'></a><a href='#FNanchor_335_335'>[335]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervya, XV p. 227.</p></div>
+
+<a name='Footnote_336_336'></a><a href='#FNanchor_336_336'>[336]</a><div class='note'><p> Doutrepont, p. 112.</p></div>
+
+<a name='Footnote_337_337'></a><a href='#FNanchor_337_337'>[337]</a><div class='note'><p> Emerson, Nature, ed. Routledge, 1881, p. 230/1.</p></div>
+
+<a name='Footnote_338_338'></a><a href='#FNanchor_338_338'>[338]</a><div class='note'><p> A. Piaget, Romania, XXVII 1898, p. 63.</p></div>
+
+<a name='Footnote_339_339'></a><a href='#FNanchor_339_339'>[339]</a><div class='note'><p> Lez ru = bij een beek, o = met, bij, matton = roomkaas, aulx =
+knoflook, escaillongne = sjalot.</p></div>
+
+<a name='Footnote_340_340'></a><a href='#FNanchor_340_340'>[340]</a><div class='note'><p> Jame = gemme.</p></div>
+
+<a name='Footnote_341_341'></a><a href='#FNanchor_341_341'>[341]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 315, III p. 1.</p></div>
+
+<a name='Footnote_342_342'></a><a href='#FNanchor_342_342'>[342]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 161, no.65, vgl. I p. 78 no. 7, p. 175 no. 75.</p></div>
+
+<a name='Footnote_343_343'></a><a href='#FNanchor_343_343'>[343]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 1287, 1288, 1289. VII p. 33, vgl. no. 178, I p. 313.</p></div>
+
+<a name='Footnote_344_344'></a><a href='#FNanchor_344_344'>[344]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 240, II p. 71, vgl., no. 196, II p. 15.</p></div>
+
+<a name='Footnote_345_345'></a><a href='#FNanchor_345_345'>[345]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 184, I p. 320. Chartons = voerman, ouvrant = werkende.</p></div>
+
+<a name='Footnote_346_346'></a><a href='#FNanchor_346_346'>[346]</a><div class='note'><p> Deschamps no. 1124, no. 307, VI p. 41, II p. 213, Lai de
+franchise.</p></div>
+
+<a name='Footnote_347_347'></a><a href='#FNanchor_347_347'>[347]</a><div class='note'><p> Vgl. verder Deschamps, no. 199, 200, 201, 258, 291, 970, 973,
+1017, 1018, 1021, 1201, 1258.</p></div>
+
+<a name='Footnote_348_348'></a><a href='#FNanchor_348_348'>[348]</a><div class='note'><p> Deschamps, XI p. 94.</p></div>
+
+<a name='Footnote_349_349'></a><a href='#FNanchor_349_349'>[349]</a><div class='note'><p> Romania XXVII 1898, p. 64.</p></div>
+
+<a name='Footnote_350_350'></a><a href='#FNanchor_350_350'>[350]</a><div class='note'><p> N. de Clemanges, Opera ed. 1613, Epistolae no. 14, p. 57, no. 18,
+p. 72, no. 104, p. 296.</p></div>
+
+<a name='Footnote_351_351'></a><a href='#FNanchor_351_351'>[351]</a><div class='note'><p> Joh. de <a name='Monasteriolo'></a>Monasteriolo. Epistolae, Mart&egrave;ne &amp; Durand, Ampl.
+Collectio. II. c. 1398.</p></div>
+
+<a name='Footnote_352_352'></a><a href='#FNanchor_352_352'>[352]</a><div class='note'><p> Ib. c. 1459.</p></div>
+
+<a name='Footnote_353_353'></a><a href='#FNanchor_353_353'>[353]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, Oeuvres ed. Duchesne, 1617, p. 391.</p></div>
+
+<a name='Footnote_354_354'></a><a href='#FNanchor_354_354'>[354]</a><div class='note'><p> Zie Thuasne. I p. 37, II p. 202.</p></div>
+
+<a name='Footnote_355_355'></a><a href='#FNanchor_355_355'>[355]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi Ren&eacute;, ed. Quatrebarbes, IV p. 73, vgl. Thuasne, II
+p. 204.</p></div>
+
+<a name='Footnote_356_356'></a><a href='#FNanchor_356_356'>[356]</a><div class='note'><p> Meschinot, ed. 1522, f. 94, bij La Borderie, Bibl. de l'Ec. des
+Chartes, LVI, 1895, p. 313.</p></div>
+
+<a name='Footnote_357_357'></a><a href='#FNanchor_357_357'>[357]</a><div class='note'><p> Vgl. Thuasne, l.c., p. 205.</p></div>
+
+<a name='Footnote_358_358'></a><a href='#FNanchor_358_358'>[358]</a><div class='note'><p> Aldus wil de nieuwste uitgever van den Roman de la rose,
+E. Langlois, den naam herstellen.</p></div>
+
+<a name='Footnote_359_359'></a><a href='#FNanchor_359_359'>[359]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 165.</p></div>
+
+<a name='Footnote_360_360'></a><a href='#FNanchor_360_360'>[360]</a><div class='note'><p> Basin, II p. 224.</p></div>
+
+<a name='Footnote_361_361'></a><a href='#FNanchor_361_361'>[361]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 350<sup>2</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_362_362'></a><a href='#FNanchor_362_362'>[362]</a><div class='note'><p> Froissart, IX p. 223-236; Deschamps, VII no. 1282.</p></div>
+
+<a name='Footnote_363_363'></a><a href='#FNanchor_363_363'>[363]</a><div class='note'><p> Cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 15, vgl. I p. 277, II
+p. 20, 168 etc. en Quinze joyes de mariage, passim.</p></div>
+
+<a name='Footnote_364_364'></a><a href='#FNanchor_364_364'>[364]</a><div class='note'><p> Petit de Julleville, Jean Regnier, bailli d'Auxerre, Revue d'hist.
+litt. de la France, 1895 p. 157, bij Doutrepont, p. 383; vgl. Deschamps,
+VIII p. 43.</p></div>
+
+<a name='Footnote_365_365'></a><a href='#FNanchor_365_365'>[365]</a><div class='note'><p> H.F. Wirth, Der Untergang des niederl&auml;ndischen Volksliedes, Haag,
+1911.</p></div>
+
+<a name='Footnote_366_366'></a><a href='#FNanchor_366_366'>[366]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI p. 112, no. 1169, La le&ccedil;on de musique.</p></div>
+
+<a name='Footnote_367_367'></a><a href='#FNanchor_367_367'>[367]</a><div class='note'><p> <a name='Charles'></a>Charles d'Orl&eacute;ans, Po&eacute;sies compl&egrave;tes, Paris 1874, 2 vol., I p. 12.
+42.</p></div>
+
+<a name='Footnote_368_368'></a><a href='#FNanchor_368_368'>[368]</a><div class='note'><p> ib. p. 88.</p></div>
+
+<a name='Footnote_369_369'></a><a href='#FNanchor_369_369'>[369]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI p. 82, no 1151; zie b.v. V p. 132, no. 926, IX p.
+94, c. 31, VI p. 138, no. 1184, XI 18, no. 1438, en XI p. 269, 286<sup>1</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_370_370'></a><a href='#FNanchor_370_370'>[370]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, l'Epistre au dieu d'amours, Oeuvres po&eacute;tiques,
+ed. M. Roy, II p. 1.</p></div>
+
+<a name='Footnote_371_371'></a><a href='#FNanchor_371_371'>[371]</a><div class='note'><p> Mart&egrave;ne et Durand, Amplissima Collectio, II col. 1421.</p></div>
+
+<a name='Footnote_372_372'></a><a href='#FNanchor_372_372'>[372]</a><div class='note'><p> Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Mart&egrave;ne et Durand, Ampl. coll.,
+II p. 1409, 1421, 1422.</p></div>
+
+<a name='Footnote_373_373'></a><a href='#FNanchor_373_373'>[373]</a><div class='note'><p> Piaget, Etudes romanes d&eacute;di&eacute;es &agrave; Gaston Paris, p. 119.</p></div>
+
+<a name='Footnote_374_374'></a><a href='#FNanchor_374_374'>[374]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, III p. 297; id. Consid&eacute;rations sur St. Joseph, III
+p. 866; Sermo contra luxuriem, III p. 923, 925, 930, 968.</p></div>
+
+<a name='Footnote_375_375'></a><a href='#FNanchor_375_375'>[375]</a><div class='note'><p> Volgens Gerson. De brief van Pierre Col, bewaard in een hs. der
+Bibl. nationale, mss. fran&ccedil;ais 1563 f. 183, was mij niet toegankelijk.</p></div>
+
+<a name='Footnote_376_376'></a><a href='#FNanchor_376_376'>[376]</a><div class='note'><p> Bibl. de l'&eacute;cole des chartes LX 1899. p. 569.</p></div>
+
+<a name='Footnote_377_377'></a><a href='#FNanchor_377_377'>[377]</a><div class='note'><p> E. Langlois, Le Roman de la rose (Soci&eacute;t&eacute; des anciens textes
+fran&ccedil;ais) 1914, t. I Introduction, p. 36.</p></div>
+
+<a name='Footnote_378_378'></a><a href='#FNanchor_378_378'>[378]</a><div class='note'><p> A. Piaget, La cour amoureuse dite de Charles VI, Romania, XX p.
+417, XXXI p. 599, Doutrepont, p. 367.</p></div>
+
+<a name='Footnote_379_379'></a><a href='#FNanchor_379_379'>[379]</a><div class='note'><p> Leroux de Lincy, Tentative de rapt etc. en 1405, Bibl. de l'&eacute;cole
+des chartes, 2<sup>e</sup> serie, III 1846, p. 316.</p></div>
+
+<a name='Footnote_380_380'></a><a href='#FNanchor_380_380'>[380]</a><div class='note'><p> Piaget, Romania. XX p. 447.</p></div>
+
+<a name='Footnote_381_381'></a><a href='#FNanchor_381_381'>[381]</a><div class='note'><p> Rabelais, Gargantua, 1. I. ch. 9.</p></div>
+
+<a name='Footnote_382_382'></a><a href='#FNanchor_382_382'>[382]</a><div class='note'><p> Guillaume de <a name='Machaut'></a>Machaut, Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris. (Soci&eacute;t&eacute;
+des bibliophiles fran&ccedil;ois 1875), p. 82, 213, 214, 240, 299, 309, 313, 347, 351.</p></div>
+
+<a name='Footnote_383_383'></a><a href='#FNanchor_383_383'>[383]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 496.</p></div>
+
+<a name='Footnote_384_384'></a><a href='#FNanchor_384_384'>[384]</a><div class='note'><p> Rabelais, Gargantua, 1. I ch. 9.</p></div>
+
+<a name='Footnote_385_385'></a><a href='#FNanchor_385_385'>[385]</a><div class='note'><p> Coquillart, Droits nouveaux, I p. 111.</p></div>
+
+<a name='Footnote_386_386'></a><a href='#FNanchor_386_386'>[386]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, I p. 187ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_387_387'></a><a href='#FNanchor_387_387'>[387]</a><div class='note'><p> E. Hoepffner, Frage- und Antwortspiele in der franz. Literatur des
+14. Jahrh., Zeitschr. f. roman. Philologie, XXXIII 1909, p. 695, 703.</p></div>
+
+<a name='Footnote_388_388'></a><a href='#FNanchor_388_388'>[388]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Le dit de la rose vs. 75, Oeuvres po&eacute;tiques,
+II p. 31.</p></div>
+
+<a name='Footnote_389_389'></a><a href='#FNanchor_389_389'>[389]</a><div class='note'><p> Machaut, Remede de fortune vs. 3879ss., Oeuvres, ed. E. Hoepffner
+(Soc. des anc. textes fran&ccedil;ais) 1908/11, 2 vol., II p. 142.</p></div>
+
+<a name='Footnote_390_390'></a><a href='#FNanchor_390_390'>[390]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Le livre des trois jugements, Oeuvres
+po&eacute;tiques II p. 111.</p></div>
+
+<a name='Footnote_391_391'></a><a href='#FNanchor_391_391'>[391]</a><div class='note'><p> Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris, Soci&eacute;t&eacute; des bibliophiles
+fran&ccedil;ois, 1875. De hypothese, dat er geen re&euml;ele liefdesgeschiedenis aan
+het werk van Machaut ten grondslag zou liggen (aldus Hanf, Zeitschr. f.
+Rom. Phil. XXII p. 145), mist elken grond.</p></div>
+
+<a name='Footnote_392_392'></a><a href='#FNanchor_392_392'>[392]</a><div class='note'><p> Een kasteel bij Ch&acirc;teau Thierry.</p></div>
+
+<a name='Footnote_393_393'></a><a href='#FNanchor_393_393'>[393]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, lettre II p. 20.</p></div>
+
+<a name='Footnote_394_394'></a><a href='#FNanchor_394_394'>[394]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, lettre XXVII p. 203.</p></div>
+
+<a name='Footnote_395_395'></a><a href='#FNanchor_395_395'>[395]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, p. 20, 96, 146, 154, 162.</p></div>
+
+<a name='Footnote_396_396'></a><a href='#FNanchor_396_396'>[396]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, p. 371.</p></div>
+
+<a name='Footnote_397_397'></a><a href='#FNanchor_397_397'>[397]</a><div class='note'><p> De kus met een blad ter isoleering komt meer voor: vgl. Le grand
+garde derri&egrave;re, str. 6, W.G.C. Bijvanck, Un po&egrave;te inconnu de la soci&eacute;t&eacute;
+de Fran&ccedil;ois Villon, Paris, Champion, 1891, p. 27.</p></div>
+
+<a name='Footnote_398_398'></a><a href='#FNanchor_398_398'>[398]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, p. 143, 144.</p></div>
+
+<a name='Footnote_399_399'></a><a href='#FNanchor_399_399'>[399]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, p. 110.</p></div>
+
+<a name='Footnote_400_400'></a><a href='#FNanchor_400_400'>[400]</a><div class='note'><p> Zie hierboven p. <a href="#66">66</a>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_401_401'></a><a href='#FNanchor_401_401'>[401]</a><div class='note'><p> Voir-Dit, p. 98, 70.</p></div>
+
+<a name='Footnote_402_402'></a><a href='#FNanchor_402_402'>[402]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon
+(Bibl. elzevirienne) 1854.</p></div>
+
+<a name='Footnote_403_403'></a><a href='#FNanchor_403_403'>[403]</a><div class='note'><p> p. 245 (zie Hoofdstuk IV, noot <a href="#FNanchor_464_464">464</a>)</p></div>
+
+<a name='Footnote_404_404'></a><a href='#FNanchor_404_404'>[404]</a><div class='note'><p> p. <a href="#28">28</a> (tekst volgend op noot 44, hoofdstuk I. M.D.)</p></div>
+
+<a name='Footnote_405_405'></a><a href='#FNanchor_405_405'>[405]</a><div class='note'><p> p. 45 (zie Hoofdstuk II, noot <a href="#FNanchor_71_71">71</a>)</p></div>
+
+<a name='Footnote_406_406'></a><a href='#FNanchor_406_406'>[406]</a><div class='note'><p> De zin is geheel onlogisch (pens&eacute;e ... fait penser ... &agrave; pensiers)
+en loopt niet rond; vat op: nergens zoo dikwijls, als in de kerk.</p></div>
+
+<a name='Footnote_407_407'></a><a href='#FNanchor_407_407'>[407]</a><div class='note'><p> p. 249, p. 252 (zie hoofdstuk IV, noot <a href="#FNanchor_481_481">481</a>)</p></div>
+
+<a name='Footnote_408_408'></a><a href='#FNanchor_408_408'>[408]</a><div class='note'><p> Recollection des merveilles, bij Chastellain VII p. 200; vergelijk
+de beschrijving der Joutes de Saint Ingelevert in een gedicht, vermeld
+bij Froissart ed. Kervyn, XIV p. 406.</p></div>
+
+<a name='Footnote_409_409'></a><a href='#FNanchor_409_409'>[409]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet, ed. Kervyn de Lettenhove, (Chron. rel. &agrave; l'hist. de
+Belg. sous la dom. des ducs de Bourg.) II p. 573.</p></div>
+
+<a name='Footnote_410_410'></a><a href='#FNanchor_410_410'>[410]</a><div class='note'><p> Meschinot, Les Lunettes des princes, bij La Borderie l.c., p. 606.</p></div>
+
+<a name='Footnote_411_411'></a><a href='#FNanchor_411_411'>[411]</a><div class='note'><p> La Marche, III p. 135, 137.</p></div>
+
+<a name='Footnote_412_412'></a><a href='#FNanchor_412_412'>[412]</a><div class='note'><p> Molinet, IV p. 389.</p></div>
+
+<a name='Footnote_413_413'></a><a href='#FNanchor_413_413'>[413]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 190, 194; III p. 138; vgl. Juvenal des Ursins, p.
+382.</p></div>
+
+<a name='Footnote_414_414'></a><a href='#FNanchor_414_414'>[414]</a><div class='note'><p> Deschamps, II p. 213. Lay de franchise; vgl. Chr. de Pisan, Le dit
+de la Pastoure, Le Pastoralet, roi Ren&eacute;, Regnault et Jehanneton, Martial
+d'Auvergne, Vigilles du roi Charles VII, etc., etc.</p></div>
+
+<a name='Footnote_415_415'></a><a href='#FNanchor_415_415'>[415]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 923, vgl. XI p. 322.</p></div>
+
+<a name='Footnote_416_416'></a><a href='#FNanchor_416_416'>[416]</a><div class='note'><p> Villon, ed. Longnon, p. 83.</p></div>
+
+<a name='Footnote_417_417'></a><a href='#FNanchor_417_417'>[417]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, III p. 302.</p></div>
+
+<a name='Footnote_418_418'></a><a href='#FNanchor_418_418'>[418]</a><div class='note'><p> L'epistre au dieu d'amours, II p. 14.</p></div>
+
+<a name='Footnote_419_419'></a><a href='#FNanchor_419_419'>[419]</a><div class='note'><p> Quinze joyes de mariage, p. 222.</p></div>
+
+<a name='Footnote_420_420'></a><a href='#FNanchor_420_420'>[420]</a><div class='note'><p> Oeuvres po&eacute;tiques, I p. 237, no. 26.</p></div>
+
+<a name='Footnote_421_421'></a><a href='#FNanchor_421_421'>[421]</a><div class='note'><p> Directorium vitae nobilium, Dionysii Opera, t. XXXVII, p. 550;
+t. XXXVIII p. 358.</p></div>
+
+<a name='Footnote_422_422'></a><a href='#FNanchor_422_422'>[422]</a><div class='note'><p> Bernardi Morlanensis, De contemptu mundi, ed. Th. Wright, The
+Anglo-latin satirical poets and epigrammatists of the twelfth century
+(Rerum Britannicarum medii aevi scriptores), London, 1872, 2 vol., II p.
+37.</p></div>
+
+<a name='Footnote_423_423'></a><a href='#FNanchor_423_423'>[423]</a><div class='note'><p> Vroeger toegeschreven aan Bernard van Clairvaux, door sommigen voor
+het werk van Walter Mapes gehouden; vgl. H.L. Daniel, Thesaurus
+hymnologicus, Lipsiae 1841-1856, IV p. 288.</p></div>
+
+<a name='Footnote_424_424'></a><a href='#FNanchor_424_424'>[424]</a><div class='note'><p> Deschamps, III no. 330, 345, 368, 399.&mdash;Gerson, Sermo III de
+defunctis, Opera, III p. 1568; Dion. Cart. De quatuor hominum
+novissimis, Opera, t. XLI p. 511; Chastellain, VI p. 52.</p></div>
+
+<a name='Footnote_425_425'></a><a href='#FNanchor_425_425'>[425]</a><div class='note'><p> Villon, ed. Longnon, p. 33.</p></div>
+
+<a name='Footnote_426_426'></a><a href='#FNanchor_426_426'>[426]</a><div class='note'><p> Ib. p. 34.</p></div>
+
+<a name='Footnote_427_427'></a><a href='#FNanchor_427_427'>[427]</a><div class='note'><p> Emile M&acirc;le, l'Art religieux &agrave; la fin du moyen &acirc;ge, Paris, 1908,
+p. 376.</p></div>
+
+<a name='Footnote_428_428'></a><a href='#FNanchor_428_428'>[428]</a><div class='note'><p> Zie mijn De Vid&ucirc;shaka in het Indisch tooneel, Groningen, 1897,
+p. 77.</p></div>
+
+<a name='Footnote_429_429'></a><a href='#FNanchor_429_429'>[429]</a><div class='note'><p> Odo van Cluny, Collationum lib. III, Migne t. CXXXIII, p. 556.</p></div>
+
+<a name='Footnote_430_430'></a><a href='#FNanchor_430_430'>[430]</a><div class='note'><p> Innocentius III, de contemptu mundi sive de miseria conditionis
+humanae libri tres, Migne t. CCXVII p. 702. Het tractaat is overigens
+uit den tijd v&oacute;&oacute;r zijn pausschap.</p></div>
+
+<a name='Footnote_431_431'></a><a href='#FNanchor_431_431'>[431]</a><div class='note'><p> Ib. p. 713.</p></div>
+
+<a name='Footnote_432_432'></a><a href='#FNanchor_432_432'>[432]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi Ren&eacute;, ed. Quatrebarbes I p. cl. Na den 5<sup>en</sup> den
+8<sup>en</sup> regel schijnt een vers te ontbreken; waarschijnlijk rijmde op
+&quot;menu vair&quot; &quot;mang&eacute; des vers&quot; of iets dergelijks.</p></div>
+
+<a name='Footnote_433_433'></a><a href='#FNanchor_433_433'>[433]</a><div class='note'><p> Olivier de la Marche, Le Parement et triumphe des dames, Paris,
+Michel le Noir, 1520, aan het slot.</p></div>
+
+<a name='Footnote_434_434'></a><a href='#FNanchor_434_434'>[434]</a><div class='note'><p> Ib.</p></div>
+
+<a name='Footnote_435_435'></a><a href='#FNanchor_435_435'>[435]</a><div class='note'><p> Uitgevallen.</p></div>
+
+<a name='Footnote_436_436'></a><a href='#FNanchor_436_436'>[436]</a><div class='note'><p> Villon, Testament, vs. 453 ss., ed. Longnon, p. 39.</p></div>
+
+<a name='Footnote_437_437'></a><a href='#FNanchor_437_437'>[437]</a><div class='note'><p> H. Kern, Het lied van Ambap&acirc;l&icirc; uit de Ther&icirc;g&acirc;th&acirc;, Versl. en Meded.
+der Kon. Akad. v. wetenschappen<sup>6</sup> III p. 153, 1917.</p></div>
+
+<a name='Footnote_438_438'></a><a href='#FNanchor_438_438'>[438]</a><div class='note'><p> Molinet, Faictz et dictz, fo. 4, fo. 42v.</p></div>
+
+<a name='Footnote_439_439'></a><a href='#FNanchor_439_439'>[439]</a><div class='note'><p> Proces over de zaligverklaring van Pieter van Luxemburg, 1390,
+Acta sanctorum Julii, I p. 562.</p></div>
+
+<a name='Footnote_440_440'></a><a href='#FNanchor_440_440'>[440]</a><div class='note'><p> Les Grandes chroniques de France, ed. Paulin Paris, Paris
+1836-'38, 6 vol., VI p. 334.</p></div>
+
+<a name='Footnote_441_441'></a><a href='#FNanchor_441_441'>[441]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 567; Journal d'un bourgeois, p. 237, 307,
+671; Lef&egrave;vre de S. Remy, I p. 260.</p></div>
+
+<a name='Footnote_442_442'></a><a href='#FNanchor_442_442'>[442]</a><div class='note'><p> Zie over dit alles Emile Male, l'Art religieux &agrave; la fin du
+moyen-age, II, 2 La Mort.</p></div>
+
+<a name='Footnote_443_443'></a><a href='#FNanchor_443_443'>[443]</a><div class='note'><p> Laborde, II. I, 393.</p></div>
+
+<a name='Footnote_444_444'></a><a href='#FNanchor_444_444'>[444]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 203.</p></div>
+
+<a name='Footnote_445_445'></a><a href='#FNanchor_445_445'>[445]</a><div class='note'><p> Eenige reproducties bij M&acirc;le t.a.p. en in Gazette des beaux arts
+1918, avril-juin p. 167.</p></div>
+
+<a name='Footnote_446_446'></a><a href='#FNanchor_446_446'>[446]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi Ren&eacute;, I p. clii.</p></div>
+
+<a name='Footnote_447_447'></a><a href='#FNanchor_447_447'>[447]</a><div class='note'><p> Chastellain, Le pas de la mort, VI p. 59.</p></div>
+
+<a name='Footnote_448_448'></a><a href='#FNanchor_448_448'>[448]</a><div class='note'><p> Vgl. Innocentius III, de contemptu mundi, II c. 42; Dion. Cart. de
+IV hominum novissimis, t. XLI p. 496.</p></div>
+
+<a name='Footnote_449_449'></a><a href='#FNanchor_449_449'>[449]</a><div class='note'><p> Oeuvres, VI p. 49.</p></div>
+
+<a name='Footnote_450_450'></a><a href='#FNanchor_450_450'>[450]</a><div class='note'><p> T.a. p. 60.</p></div>
+
+<a name='Footnote_451_451'></a><a href='#FNanchor_451_451'>[451]</a><div class='note'><p> Villon, Testament, XLI, vs.321-328, ed. Longnon, p. 33.</p></div>
+
+<a name='Footnote_452_452'></a><a href='#FNanchor_452_452'>[452]</a><div class='note'><p> Champion, Villon, 1 p. 303.</p></div>
+
+<a name='Footnote_453_453'></a><a href='#FNanchor_453_453'>[453]</a><div class='note'><p> M&acirc;le l.c. p. 389.</p></div>
+
+<a name='Footnote_454_454'></a><a href='#FNanchor_454_454'>[454]</a><div class='note'><p> Leroux de Lincy, Livre des l&eacute;gendes, p. 95.</p></div>
+
+<a name='Footnote_455_455'></a><a href='#FNanchor_455_455'>[455]</a><div class='note'><p> Le livre des faits etc., II p. 184.</p></div>
+
+<a name='Footnote_456_456'></a><a href='#FNanchor_456_456'>[456]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, I p. 233/4, 392, 276. Zie verder Champion,
+Villon, I p. 306.</p></div>
+
+<a name='Footnote_457_457'></a><a href='#FNanchor_457_457'>[457]</a><div class='note'><p> A. de la Salle, Le Reconfort de Madame du <a name='Fresne'></a>Fresne, ed. J. N&egrave;ve,
+Paris. 1903.</p></div>
+
+<a name='Footnote_458_458'></a><a href='#FNanchor_458_458'>[458]</a><div class='note'><p> J. Burckhardt, Weltgeschichtliche Betrachtungen, 1905, S. 97, 147.</p></div>
+
+<a name='Footnote_459_459'></a><a href='#FNanchor_459_459'>[459]</a><div class='note'><p> Heinrich <a name='Seuse'></a>Seuse, Leben, ed. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, 1907,
+p. 24, 25.</p></div>
+
+<a name='Footnote_460_460'></a><a href='#FNanchor_460_460'>[460]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, III p. 309.</p></div>
+
+<a name='Footnote_461_461'></a><a href='#FNanchor_461_461'>[461]</a><div class='note'><p> Nic. de Clemanges, De novis festivitatibus non instituendis,
+Opera, ed. Lydius, Lugd. Bat. 1613, p. 151, 159.</p></div>
+
+<a name='Footnote_462_462'></a><a href='#FNanchor_462_462'>[462]</a><div class='note'><p> Bij Gerson, Opera, II p. 911.</p></div>
+
+<a name='Footnote_463_463'></a><a href='#FNanchor_463_463'>[463]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum Apr. t. III p. 149.</p></div>
+
+<a name='Footnote_464_464'></a><a href='#FNanchor_464_464'>[464]</a><div class='note'><p> ac aliis vere pauperibus et miserabilibus indigentibus, quibus
+convenit jus et verus titulus mendicandi.</p></div>
+
+<a name='Footnote_465_465'></a><a href='#FNanchor_465_465'>[465]</a><div class='note'><p> qui ecclesiam suis mendaciis maculant et eam irrisibilem reddunt.</p></div>
+
+<a name='Footnote_466_466'></a><a href='#FNanchor_466_466'>[466]</a><div class='note'><p> Alanus Redivivus, ed. J. Coppenstein, 1642, p. 77.</p></div>
+
+<a name='Footnote_467_467'></a><a href='#FNanchor_467_467'>[467]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 310; Chastellain, V p. 27; Le Jouvencel, I p. 82;
+Jean Lud, in Deutsche Geschichtsbl&auml;tter, XV p. 248; Journal d'un
+bourgeois, p. 384; Paston Letters, II p. 18; J. H. Ramsay, Lancaster and
+York, II p. 275; Play of sir John Oldcastle, II p. 2 enz.</p></div>
+
+<a name='Footnote_468_468'></a><a href='#FNanchor_468_468'>[468]</a><div class='note'><p> Contra superstitionem praesertim Innocentum, Gerson, Opera, I p.
+203.</p></div>
+
+<a name='Footnote_469_469'></a><a href='#FNanchor_469_469'>[469]</a><div class='note'><p> Gerson, Quaedam argumentatio adversus eos qui publice volunt
+dogmatizare etc. Opera, II p. 521/522.</p></div>
+
+<a name='Footnote_470_470'></a><a href='#FNanchor_470_470'>[470]</a><div class='note'><p> Johannis de Varennis Responsiones etc., Gerson, I p. 909.</p></div>
+
+<a name='Footnote_471_471'></a><a href='#FNanchor_471_471'>[471]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 259. Voor &quot;une hucque vermeille par
+dessoubz&quot; zal &quot;par dessus&quot; te lezen zijn.</p></div>
+
+<a name='Footnote_472_472'></a><a href='#FNanchor_472_472'>[472]</a><div class='note'><p> Contra vanam curiositatem, Opera, I p. 86.</p></div>
+
+<a name='Footnote_473_473'></a><a href='#FNanchor_473_473'>[473]</a><div class='note'><p> Consid&eacute;rations sur saint Joseph, III p. 842/68. Josephina IV p.
+753; Sermo de natalitate beatae Mariae Virginis, III p. 1351; verder IV
+p. 729, 731, 732, 735, 736.</p></div>
+
+<a name='Footnote_474_474'></a><a href='#FNanchor_474_474'>[474]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 50.</p></div>
+
+<a name='Footnote_475_475'></a><a href='#FNanchor_475_475'>[475]</a><div class='note'><p> C. Schmidt, Der Prediger Olivier Maillard, Zeitschr. f. hist.
+Theologie, 1856, p. 501.</p></div>
+
+<a name='Footnote_476_476'></a><a href='#FNanchor_476_476'>[476]</a><div class='note'><p> Zie Thuasne, Rob. Gaguini Ep. et Or., I p. 72ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_477_477'></a><a href='#FNanchor_477_477'>[477]</a><div class='note'><p> Les cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 75ss. 122ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_478_478'></a><a href='#FNanchor_478_478'>[478]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour-Landry, ed. de Montaiglon, p. 56.</p></div>
+
+<a name='Footnote_479_479'></a><a href='#FNanchor_479_479'>[479]</a><div class='note'><p> L.c., p. 257; &quot;Se elles ouyssent sonner la messe ou &agrave; veoir Dieu.&quot;</p></div>
+
+<a name='Footnote_480_480'></a><a href='#FNanchor_480_480'>[480]</a><div class='note'><p> Leroux de Lincy, Le livre des Proverbes fran&ccedil;ais<sup>2</sup>, Paris, 1859,
+2 vol., I p. 21.</p></div>
+
+<a name='Footnote_481_481'></a><a href='#FNanchor_481_481'>[481]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, V p. 24.</p></div>
+
+<a name='Footnote_482_482'></a><a href='#FNanchor_482_482'>[482]</a><div class='note'><p> &quot;Cum juramento asseruit non credere in Deum dicti episcopi,&quot; Rel.
+de S. Denis, I p. 102.</p></div>
+
+<a name='Footnote_483_483'></a><a href='#FNanchor_483_483'>[483]</a><div class='note'><p> Laborde, II p. 264. no. 4238. Inventaris van 1420; ib. II p. 10
+no. 77, Inventaris van Karel den Stoute, waar wel sprake zal zijn van
+hetzelfde exemplaar.</p></div>
+
+<a name='Footnote_484_484'></a><a href='#FNanchor_484_484'>[484]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, III p. 947.</p></div>
+
+<a name='Footnote_485_485'></a><a href='#FNanchor_485_485'>[485]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 366<sup>2</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_486_486'></a><a href='#FNanchor_486_486'>[486]</a><div class='note'><p> Een nederl. aflaatbrief uit de 14<sup>e</sup> eeuw, ed. J. Verdam, Ned.
+Archief voor Kerkgesch. 1900, p. 117-122.</p></div>
+
+<a name='Footnote_487_487'></a><a href='#FNanchor_487_487'>[487]</a><div class='note'><p> A. Eekhof, De questierders van den aflaat in de Noordelijke
+Nederl., 's Grav. 1909, p. 12.</p></div>
+
+<a name='Footnote_488_488'></a><a href='#FNanchor_488_488'>[488]</a><div class='note'><p> Chastellain, Ip. 187/89: intocht van Hendrik V en Philips van
+Bourgondi&euml; te Parijs in 1420; II p. 16: intocht van den laatste te Gent
+in 1430.</p></div>
+
+<a name='Footnote_489_489'></a><a href='#FNanchor_489_489'>[489]</a><div class='note'><p> Doutrepont, p. 379.</p></div>
+
+<a name='Footnote_490_490'></a><a href='#FNanchor_490_490'>[490]</a><div class='note'><p> Deschamps, III p. 89 no. 357; le roi Ren&eacute;, Traict&eacute; de la forme et
+devise d'un tournoy. Oeuvres, II p. 9.</p></div>
+
+<a name='Footnote_491_491'></a><a href='#FNanchor_491_491'>[491]</a><div class='note'><p> Olivier de la Marche. II p. 202.</p></div>
+
+<a name='Footnote_492_492'></a><a href='#FNanchor_492_492'>[492]</a><div class='note'><p> Monstrelet, I p. 285. cf. 306.</p></div>
+
+<a name='Footnote_493_493'></a><a href='#FNanchor_493_493'>[493]</a><div class='note'><p> Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, p. 13, 16, (Chron.
+rel. &agrave; l'hist. de la Belgique sous la dom. des ducs de Bourg. II).</p></div>
+
+<a name='Footnote_494_494'></a><a href='#FNanchor_494_494'>[494]</a><div class='note'><p> Molinet, II p. 84-94, III p. 98, Faictz et Dictz, fo. 47, vgl. I
+p. 240, en ook Chastellain, III p. 209, 260, IV p. 48, V p. 301, VII
+p. 1ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_495_495'></a><a href='#FNanchor_495_495'>[495]</a><div class='note'><p> Molinet, III p. 109.</p></div>
+
+<a name='Footnote_496_496'></a><a href='#FNanchor_496_496'>[496]</a><div class='note'><p> Gerson, Oratio ad regem Franciae, Opera, IV p. 662.</p></div>
+
+<a name='Footnote_497_497'></a><a href='#FNanchor_497_497'>[497]</a><div class='note'><p> Quinze joyes de Mariage, p. xiii.</p></div>
+
+<a name='Footnote_498_498'></a><a href='#FNanchor_498_498'>[498]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, III p. 299.</p></div>
+
+<a name='Footnote_499_499'></a><a href='#FNanchor_499_499'>[499]</a><div class='note'><p> Friedl&auml;nder, Jahrb. d. K. Preuss. Kunstsammlungen, XVII. 1896,
+p. 206.</p></div>
+
+<a name='Footnote_500_500'></a><a href='#FNanchor_500_500'>[500]</a><div class='note'><p> Wetzer und Welte, Kirchenlexikon, s. v. Musik, col., 2040.</p></div>
+
+<a name='Footnote_501_501'></a><a href='#FNanchor_501_501'>[501]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 155.</p></div>
+
+<a name='Footnote_502_502'></a><a href='#FNanchor_502_502'>[502]</a><div class='note'><p> H. van den Velden, Rod. Agricola, een Nederlandsen humanist der
+vijftiende eeuw, 1<sup>e</sup> dl., Leiden 1911, p. 44.</p></div>
+
+<a name='Footnote_503_503'></a><a href='#FNanchor_503_503'>[503]</a><div class='note'><p> Deschamps, X no. 33, p. xli. In den voorlaatsten regel staat
+&quot;l'ostel&quot;, wat natuurlijk geen zin geeft.</p></div>
+
+<a name='Footnote_504_504'></a><a href='#FNanchor_504_504'>[504]</a><div class='note'><p> Nic. de Clemanges, De novis celebritatibus non instituendis,
+Opera, ed. Lydius, 1613, p. 143.</p></div>
+
+<a name='Footnote_505_505'></a><a href='#FNanchor_505_505'>[505]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 66, 70.</p></div>
+
+<a name='Footnote_506_506'></a><a href='#FNanchor_506_506'>[506]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 946, 947.</p></div>
+
+<a name='Footnote_507_507'></a><a href='#FNanchor_507_507'>[507]</a><div class='note'><p> Nic. de Clemangiis, l.c., p. 147.</p></div>
+
+<a name='Footnote_508_508'></a><a href='#FNanchor_508_508'>[508]</a><div class='note'><p> O. Winckelmann, Zur Kulturgesch. des Strassburger M&uuml;nsters,
+Zeitschr. f. d. Gesch. des Oberrheins NF XXII 2.</p></div>
+
+<a name='Footnote_509_509'></a><a href='#FNanchor_509_509'>[509]</a><div class='note'><p> Dionysius Cartusianus, De modo agendi processiones etc., Opera,
+XXXVI p. 198s.</p></div>
+
+<a name='Footnote_510_510'></a><a href='#FNanchor_510_510'>[510]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 253ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_511_511'></a><a href='#FNanchor_511_511'>[511]</a><div class='note'><p> Hierboven p. 66. (zie Hoofdstuk II, noot 100)</p></div>
+
+<a name='Footnote_512_512'></a><a href='#FNanchor_512_512'>[512]</a><div class='note'><p> Michel Menot, Sermones f. 144vs., bij Champion, Villon, I p. 202.</p></div>
+
+<a name='Footnote_513_513'></a><a href='#FNanchor_513_513'>[513]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 65; Olivier de la
+Marche, II p. 89; l'Amant rendu cordelier, p. 25, huitain 68; Rel. de S.
+Denis. I p. 102.</p></div>
+
+<a name='Footnote_514_514'></a><a href='#FNanchor_514_514'>[514]</a><div class='note'><p> L.c., p. 144.</p></div>
+
+<a name='Footnote_515_515'></a><a href='#FNanchor_515_515'>[515]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Oeuvres po&eacute;tiques, I p. 172, vgl. p. 60,
+l'Epistre au dieu d'Amours, II 3; Deschamps, V p. 51 no. 871, II p. 185
+vs. 75; vgl. hierboven p. 207. (zie Hoofdstuk IV, noot <a href="#FNanchor_399_399">399</a>)</p></div>
+
+<a name='Footnote_516_516'></a><a href='#FNanchor_516_516'>[516]</a><div class='note'><p> L'Amant rendu cordelier, l.c.</p></div>
+
+<a name='Footnote_517_517'></a><a href='#FNanchor_517_517'>[517]</a><div class='note'><p> Menot, l.c.</p></div>
+
+<a name='Footnote_518_518'></a><a href='#FNanchor_518_518'>[518]</a><div class='note'><p> Gerson, Expostulatio ... adversus corruptionem juventutis per
+lascivas imagines et alia hujusmodi, Opera, III p. 291; cf. De parvulis
+ad Christum trahendis, ib. p. 281; Contra tentationem blasphemiae, ib.
+p. 246.</p></div>
+
+<a name='Footnote_519_519'></a><a href='#FNanchor_519_519'>[519]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 80, 81, vgl. Machaut,
+Livre du Voir-Dit, p. 143ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_520_520'></a><a href='#FNanchor_520_520'>[520]</a><div class='note'><p> Ib. p. 55, 63, 73, 79.</p></div>
+
+<a name='Footnote_521_521'></a><a href='#FNanchor_521_521'>[521]</a><div class='note'><p> Nic. de Clemangiis, l.c. p. 145.</p></div>
+
+<a name='Footnote_522_522'></a><a href='#FNanchor_522_522'>[522]</a><div class='note'><p> Quinze joyes de mariage, p. 127, vgl. p. 19, 29. 124.</p></div>
+
+<a name='Footnote_523_523'></a><a href='#FNanchor_523_523'>[523]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce et Raynaud, XI p. 225ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_524_524'></a><a href='#FNanchor_524_524'>[524]</a><div class='note'><p> Chron. Montis S. Agnetis, p. 341; J. C. Pool, Frederik v. Heilo en
+zijne schriften, Amsterdam, 1866, p. 126; vgl. Hendrik Mande bij W. Moll,
+Joh. Brugman en het godsd. leven onzer vaderen in de 15<sup>e</sup> eeuw, 1854, 2 dln.,
+I p. 264.</p></div>
+
+<a name='Footnote_525_525'></a><a href='#FNanchor_525_525'>[525]</a><div class='note'><p> Gerson, Centilogium de impulsibus, Opera, III p. 154.</p></div>
+
+<a name='Footnote_526_526'></a><a href='#FNanchor_526_526'>[526]</a><div class='note'><p> Deschamps, IV p. 322 no. 807; vgl. I p. 272 no. 146: &quot;Si n'y a Si
+meschant qui encor ne die Je regni Dieu....&quot;</p></div>
+
+<a name='Footnote_527_527'></a><a href='#FNanchor_527_527'>[527]</a><div class='note'><p> Gerson, Adversus lacivas imagines, Op. III p. 292; Sermo de
+nativitate Domini, III p. 946.</p></div>
+
+<a name='Footnote_528_528'></a><a href='#FNanchor_528_528'>[528]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 271ss. no. 145, 146, p. 217 no. 105, vgl. II p.
+lvi en Gerson III p. 85.</p></div>
+
+<a name='Footnote_529_529'></a><a href='#FNanchor_529_529'>[529]</a><div class='note'><p> Gerson, Consid&eacute;rations sur le pech&eacute; de blasph&egrave;me, Op. III p. 889.</p></div>
+
+<a name='Footnote_530_530'></a><a href='#FNanchor_530_530'>[530]</a><div class='note'><p> Regulae morales, ib. III p. 85.</p></div>
+
+<a name='Footnote_531_531'></a><a href='#FNanchor_531_531'>[531]</a><div class='note'><p> Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 130, Rel. de S. Denis,
+II p. 533.</p></div>
+
+<a name='Footnote_532_532'></a><a href='#FNanchor_532_532'>[532]</a><div class='note'><p> P. d'Ailly, De reformatione, cap. 6; de reform, laicorum, bij
+Gerson, Opera, II p. 914.</p></div>
+
+<a name='Footnote_533_533'></a><a href='#FNanchor_533_533'>[533]</a><div class='note'><p> Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 243.</p></div>
+
+<a name='Footnote_534_534'></a><a href='#FNanchor_534_534'>[534]</a><div class='note'><p> Gerson, Regulae morales. Opera, III p. 85.</p></div>
+
+<a name='Footnote_535_535'></a><a href='#FNanchor_535_535'>[535]</a><div class='note'><p> Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 246:
+hi qui audacter contra fidem loquuntur in forma joci etc.</p></div>
+
+<a name='Footnote_536_536'></a><a href='#FNanchor_536_536'>[536]</a><div class='note'><p> Cent nouvelles nouvelles, II p. 205.</p></div>
+
+<a name='Footnote_537_537'></a><a href='#FNanchor_537_537'>[537]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo de S. Nicolao, Op. III p. 1577; De parvulis ad
+Christum trahendis ib. p. 279. Tegen hetzelfde spreekwoord ook Dionysius
+Cart., Inter Jesum et puerum dialogus, art. 2, Opera t. XXXVIII p. 190.</p></div>
+
+<a name='Footnote_538_538'></a><a href='#FNanchor_538_538'>[538]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 45.</p></div>
+
+<a name='Footnote_539_539'></a><a href='#FNanchor_539_539'>[539]</a><div class='note'><p> Ib. p. 58.</p></div>
+
+<a name='Footnote_540_540'></a><a href='#FNanchor_540_540'>[540]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI p. 109, no. 1167, id. no. 1222; Commines, I p. 449.</p></div>
+
+<a name='Footnote_541_541'></a><a href='#FNanchor_541_541'>[541]</a><div class='note'><p> Froissart, ed Kervyn. XIV p. 67.</p></div>
+
+<a name='Footnote_542_542'></a><a href='#FNanchor_542_542'>[542]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 102, 104; Jean Juvenal des Ursins, p. 346.</p></div>
+
+<a name='Footnote_543_543'></a><a href='#FNanchor_543_543'>[543]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq. II p. 277, 340; IV p. 59; vgl. Molinet, IV p.
+390, Rel. de S. Denis, I p. 643.</p></div>
+
+<a name='Footnote_544_544'></a><a href='#FNanchor_544_544'>[544]</a><div class='note'><p> Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Mart&egrave;ne et Durand, Ampl. Coll. II
+p. 1415, vgl. ep. 75, 76, p. 1456 van Ambr. de Miliis aan Gonthier Col,
+waar hij zich beklaagt over Jean de Montreuil.</p></div>
+
+<a name='Footnote_545_545'></a><a href='#FNanchor_545_545'>[545]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo III in die Sancti Ludovici, Opera, III p. 1451.</p></div>
+
+<a name='Footnote_546_546'></a><a href='#FNanchor_546_546'>[546]</a><div class='note'><p> Gerson, Contra impugnantes ordinem carthusiensium, Opera. II
+p. 713.</p></div>
+
+<a name='Footnote_547_547'></a><a href='#FNanchor_547_547'>[547]</a><div class='note'><p> Gerson, De decem praceptis, Opera, I p. 245.</p></div>
+
+<a name='Footnote_548_548'></a><a href='#FNanchor_548_548'>[548]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo de nativ. Domini, Opera, III p. 947.</p></div>
+
+<a name='Footnote_549_549'></a><a href='#FNanchor_549_549'>[549]</a><div class='note'><p> Nic. de Clemanges, De novis celebr. etc. p. 151.</p></div>
+
+<a name='Footnote_550_550'></a><a href='#FNanchor_550_550'>[550]</a><div class='note'><p> Villon, Testament, vs. 893ss., ed. Longnon, p. 57.</p></div>
+
+<a name='Footnote_551_551'></a><a href='#FNanchor_551_551'>[551]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo de nativitat&eacute; Domini, Opera, III p. 947, Regulae
+morales, ib. p. 86, Liber de vita spirituali animae, ib. p. 66.</p></div>
+
+<a name='Footnote_552_552'></a><a href='#FNanchor_552_552'>[552]</a><div class='note'><p> Hist. translationis corporis sanctissimi ecclesiae doctoris divi
+Thom. de Aq., 1368, auct. fr. Raymundo Hugonis O.P., Acta sanctorum
+Martii, I p. 725.</p></div>
+
+<a name='Footnote_553_553'></a><a href='#FNanchor_553_553'>[553]</a><div class='note'><p> Bericht van de pauselijke commissaris-bisschop Konrad van
+Hildesheim en abt Hermann van Georgenthal over het getuigenverhoor
+aangaande de heilige Elisabeth te Marburg in Januari 1235, uitgegeven
+Historisches Jahrbuch der G&ouml;rres-Gesellschaft XXVIII p. 887.</p></div>
+
+<a name='Footnote_554_554'></a><a href='#FNanchor_554_554'>[554]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, II p. 37.</p></div>
+
+<a name='Footnote_555_555'></a><a href='#FNanchor_555_555'>[555]</a><div class='note'><p> Zie beneden p. 280. (zie Hoofdstuk VI, noot <a href="#FNanchor_565_565">565</a>)</p></div>
+
+<a name='Footnote_556_556'></a><a href='#FNanchor_556_556'>[556]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 407, IV p. 216.</p></div>
+
+<a name='Footnote_557_557'></a><a href='#FNanchor_557_557'>[557]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 277 no. 150.</p></div>
+
+<a name='Footnote_558_558'></a><a href='#FNanchor_558_558'>[558]</a><div class='note'><p> Ib. II p. 348 no. 314.</p></div>
+
+<a name='Footnote_559_559'></a><a href='#FNanchor_559_559'>[559]</a><div class='note'><p> Uit Johann Eck's Pfarrbuch f&uuml;r U.L. Frau in Ingolstadt,
+aangehaald Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 103.</p></div>
+
+<a name='Footnote_560_560'></a><a href='#FNanchor_560_560'>[560]</a><div class='note'><p> Joseph Seitz, Die Verehrung des hl. Joseph in ihrer geschichtl.
+Entwicklung usw., Freiburg, Herder, 1908.</p></div>
+
+<a name='Footnote_561_561'></a><a href='#FNanchor_561_561'>[561]</a><div class='note'><p> Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 212.</p></div>
+
+<a name='Footnote_562_562'></a><a href='#FNanchor_562_562'>[562]</a><div class='note'><p> B. Nat. Ms. fr. 1875, bij Ch. <a name='Oulmont'></a>Oulmont, Le Verger, le Temple et la
+Cellule, essai sur la sensualit&eacute; dans les oeuvres de mystique
+religieuse, Paris, 1912, p. 284ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_563_563'></a><a href='#FNanchor_563_563'>[563]</a><div class='note'><p> Zie over de heiligenfiguren vooral E. M&acirc;le, L'art religieux &agrave; la
+fin du Moyen &acirc;ge, chap. IV.</p></div>
+
+<a name='Footnote_564_564'></a><a href='#FNanchor_564_564'>[564]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 114 no. 32, VI p. 243 no. 1237.</p></div>
+
+<a name='Footnote_565_565'></a><a href='#FNanchor_565_565'>[565]</a><div class='note'><p> Bambergsch missaal van 1490, bij Uhrig, Die 14 hl. Nothelfer (XIV
+Auxiliatores), Theol. Quartalschrift LXX, 1888, p. 72; vgl. Utrechtsch
+missaal van 1514 en Dominicaansch missaal van 1550, Acta sanctorum
+Aprilis t. III p. 149.</p></div>
+
+<a name='Footnote_566_566'></a><a href='#FNanchor_566_566'>[566]</a><div class='note'><p> L.l.c.c.</p></div>
+
+<a name='Footnote_567_567'></a><a href='#FNanchor_567_567'>[567]</a><div class='note'><p> Erasmus, Ratio seu methodus compendio perveniendi ad veram
+theologiam, ed. Bazel, 1520, p. 171.</p></div>
+
+<a name='Footnote_568_568'></a><a href='#FNanchor_568_568'>[568]</a><div class='note'><p> In de zooeven aangehaalde ballade van Deschamps ook Martha, die de
+Tarasque te Tarascon vernietigde.</p></div>
+
+<a name='Footnote_569_569'></a><a href='#FNanchor_569_569'>[569]</a><div class='note'><p> Gargantua, l.I ch. 45.</p></div>
+
+<a name='Footnote_570_570'></a><a href='#FNanchor_570_570'>[570]</a><div class='note'><p> ou = au.</p></div>
+
+<a name='Footnote_571_571'></a><a href='#FNanchor_571_571'>[571]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 1230, VI p. 323.</p></div>
+
+<a name='Footnote_572_572'></a><a href='#FNanchor_572_572'>[572]</a><div class='note'><p> Rob. Gaguini Epistole et Orationes, ed. Thuasne. II p. 176.</p></div>
+
+<a name='Footnote_573_573'></a><a href='#FNanchor_573_573'>[573]</a><div class='note'><p> Oeuvres de Coquillart, ed. Ch. d'H&eacute;ricault (Bibl. elzevirienne)
+1857. 2 vol., II p. 281.</p></div>
+
+<a name='Footnote_574_574'></a><a href='#FNanchor_574_574'>[574]</a><div class='note'><p> Molinet, IV p. 284.</p></div>
+
+<a name='Footnote_575_575'></a><a href='#FNanchor_575_575'>[575]</a><div class='note'><p> Fust = hout.</p></div>
+
+<a name='Footnote_576_576'></a><a href='#FNanchor_576_576'>[576]</a><div class='note'><p> font caroles = in 't rond staan.</p></div>
+
+<a name='Footnote_577_577'></a><a href='#FNanchor_577_577'>[577]</a><div class='note'><p> Deschamps, VIII p. 201, no. 1489.</p></div>
+
+<a name='Footnote_578_578'></a><a href='#FNanchor_578_578'>[578]</a><div class='note'><p> Gerson, de Angelis, Opera, III p. 1481, De praeceptis decalogi, I
+p. 431, Oratio ad bonum angelum suum, III p. 511, Tractatus VIII super
+Magnificat, IV p. 370; vgl. III p. 137, 553, 739.</p></div>
+
+<a name='Footnote_579_579'></a><a href='#FNanchor_579_579'>[579]</a><div class='note'><p> Opera. IV p. 389.</p></div>
+
+<a name='Footnote_580_580'></a><a href='#FNanchor_580_580'>[580]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 304.</p></div>
+
+<a name='Footnote_581_581'></a><a href='#FNanchor_581_581'>[581]</a><div class='note'><p> Bernh. v. Siena, Opera, I p. 100 bij Hefele l.c. p. 36.</p></div>
+
+<a name='Footnote_582_582'></a><a href='#FNanchor_582_582'>[582]</a><div class='note'><p> Les cent nouvelles nouvelles, II p. 157; Les quinze joyes de
+mariage, p. 111, 215.</p></div>
+
+<a name='Footnote_583_583'></a><a href='#FNanchor_583_583'>[583]</a><div class='note'><p> Molinet, Faictz et dictz, f. 188vso.</p></div>
+
+<a name='Footnote_584_584'></a><a href='#FNanchor_584_584'>[584]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 336, vgl. p. 242 no. 514.</p></div>
+
+<a name='Footnote_585_585'></a><a href='#FNanchor_585_585'>[585]</a><div class='note'><p> Ghillebert de Lannoy, Oeuvres, ed. Ch. Potvin, Louvain, 1878,
+p. 163.</p></div>
+
+<a name='Footnote_586_586'></a><a href='#FNanchor_586_586'>[586]</a><div class='note'><p> Les cent nouvelles nouvelles, II p. 101.</p></div>
+
+<a name='Footnote_587_587'></a><a href='#FNanchor_587_587'>[587]</a><div class='note'><p> Le Jouvencel, II p. 107.</p></div>
+
+<a name='Footnote_588_588'></a><a href='#FNanchor_588_588'>[588]</a><div class='note'><p> Songe du viel pelerin, bij Jorga, Phil. de M&eacute;zi&egrave;res. p. 423<sup>6</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_589_589'></a><a href='#FNanchor_589_589'>[589]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 214, 289<sup>2</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_590_590'></a><a href='#FNanchor_590_590'>[590]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 206.</p></div>
+
+<a name='Footnote_591_591'></a><a href='#FNanchor_591_591'>[591]</a><div class='note'><p> Jorga, Phil. de M&eacute;zi&egrave;res, p. 506.</p></div>
+
+<a name='Footnote_592_592'></a><a href='#FNanchor_592_592'>[592]</a><div class='note'><p> W. Moll, Johannes Brugman, II p. 125.</p></div>
+
+<a name='Footnote_593_593'></a><a href='#FNanchor_593_593'>[593]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 263/5.</p></div>
+
+<a name='Footnote_594_594'></a><a href='#FNanchor_594_594'>[594]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 300; VII p. 222. Jean Germain, Liber de
+Virtutibus, p. 10 (de hier vermelde minder strenge vastenpraktijk kan op
+een anderen tijd slaan); Jean Jouffroy, De Philippo duce oratio (Chron.
+rel. &agrave; l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III) p. 118.</p></div>
+
+<a name='Footnote_595_595'></a><a href='#FNanchor_595_595'>[595]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 40.</p></div>
+
+<a name='Footnote_596_596'></a><a href='#FNanchor_596_596'>[596]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 302.</p></div>
+
+<a name='Footnote_597_597'></a><a href='#FNanchor_597_597'>[597]</a><div class='note'><p> Jorga, Phil. de M&eacute;zi&egrave;res, p. 350.</p></div>
+
+<a name='Footnote_598_598'></a><a href='#FNanchor_598_598'>[598]</a><div class='note'><p> Vgl. Jorga, l.c. p. 444, Champion, Villon, I p. 17.</p></div>
+
+<a name='Footnote_599_599'></a><a href='#FNanchor_599_599'>[599]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi Ren&eacute;, ed. Quatrebarbes, I p. cx.</p></div>
+
+<a name='Footnote_600_600'></a><a href='#FNanchor_600_600'>[600]</a><div class='note'><p> Monstrelet, V p. 112.</p></div>
+
+<a name='Footnote_601_601'></a><a href='#FNanchor_601_601'>[601]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 194.</p></div>
+
+<a name='Footnote_602_602'></a><a href='#FNanchor_602_602'>[602]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum Jan., t. II p. 1018.</p></div>
+
+<a name='Footnote_603_603'></a><a href='#FNanchor_603_603'>[603]</a><div class='note'><p> Jorga, l.c. p. 509, 512.</p></div>
+
+<a name='Footnote_604_604'></a><a href='#FNanchor_604_604'>[604]</a><div class='note'><p> Het is in dit verband van geen belang, of de Kerk de personen in
+kwestie heilig of slechts zalig heeft verklaard.</p></div>
+
+<a name='Footnote_605_605'></a><a href='#FNanchor_605_605'>[605]</a><div class='note'><p> Andr&eacute; Du Chesne, Hist. de la maison de Chastillon sur Marne,
+Paris, 1621, Preuves, p. 126-131, Extraict de l'enqueste faite pour la
+canonization de Charles de Blois, p. 223, 234.</p></div>
+
+<a name='Footnote_606_606'></a><a href='#FNanchor_606_606'>[606]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, VI p. 168.</p></div>
+
+<a name='Footnote_607_607'></a><a href='#FNanchor_607_607'>[607]</a><div class='note'><p> De gronden, waarop Dom Plaine, Revue des questions historiques, XI
+p. 41, Froissart's getuigenis wraakt, schijnen mij niet afdoende.</p></div>
+
+<a name='Footnote_608_608'></a><a href='#FNanchor_608_608'>[608]</a><div class='note'><p> W. James, The varieties of religious experience, p. 370s.</p></div>
+
+<a name='Footnote_609_609'></a><a href='#FNanchor_609_609'>[609]</a><div class='note'><p> Ordonnances des rois de France, t. VIII, p. 398, Nov. 1400, 426,
+18 Maart 1401.</p></div>
+
+<a name='Footnote_610_610'></a><a href='#FNanchor_610_610'>[610]</a><div class='note'><p> M&eacute;moires de Pierre Salmon, ed. Buchon, Coll. de chron. nationales,
+3<sup>e</sup> Suppl&eacute;ment de Froissart, t. XV p. 49.</p></div>
+
+<a name='Footnote_611_611'></a><a href='#FNanchor_611_611'>[611]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 40.</p></div>
+
+<a name='Footnote_612_612'></a><a href='#FNanchor_612_612'>[612]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum Julii, t. I p. 486-628.</p></div>
+
+<a name='Footnote_613_613'></a><a href='#FNanchor_613_613'>[613]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 180.</p></div>
+
+<a name='Footnote_614_614'></a><a href='#FNanchor_614_614'>[614]</a><div class='note'><p> Lettres de Louis XI, t. VI p. 514, cf. V p. 86, X p. 65.</p></div>
+
+<a name='Footnote_615_615'></a><a href='#FNanchor_615_615'>[615]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 291.</p></div>
+
+<a name='Footnote_616_616'></a><a href='#FNanchor_616_616'>[616]</a><div class='note'><p> Commines, II p. 67, 68.</p></div>
+
+<a name='Footnote_617_617'></a><a href='#FNanchor_617_617'>[617]</a><div class='note'><p> Commines, II p. 57; Lettres, X p. 16, IX p. 260. Er was indertijd
+zulk een agnus scythicus in het Koloniaal Museum te Haarlem.</p></div>
+
+<a name='Footnote_618_618'></a><a href='#FNanchor_618_618'>[618]</a><div class='note'><p> Chron. scand., II p. 122.</p></div>
+
+<a name='Footnote_619_619'></a><a href='#FNanchor_619_619'>[619]</a><div class='note'><p> Commines, II p. 55, 77.</p></div>
+
+<a name='Footnote_620_620'></a><a href='#FNanchor_620_620'>[620]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum Apr., t. I p. 115.&mdash;Lettres de Louis XI, t. X
+p. 76, 90.</p></div>
+
+<a name='Footnote_621_621'></a><a href='#FNanchor_621_621'>[621]</a><div class='note'><p> Sed volens caute atque astute agere, propterea quod a pluribus
+fuisset sub umbra sanctitatis deceptus, decrevit variis modis experiri
+virtutem servi Dei, Acta Sanctorum, l.c.</p></div>
+
+<a name='Footnote_622_622'></a><a href='#FNanchor_622_622'>[622]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum, l.c.p. 108; Commines, II p. 55.</p></div>
+
+<a name='Footnote_623_623'></a><a href='#FNanchor_623_623'>[623]</a><div class='note'><p> Lettres, X p. 124. 29 Juni 1483.</p></div>
+
+<a name='Footnote_624_624'></a><a href='#FNanchor_624_624'>[624]</a><div class='note'><p> Lettres, X p. 4 etc., Commines, II p. 54.</p></div>
+
+<a name='Footnote_625_625'></a><a href='#FNanchor_625_625'>[625]</a><div class='note'><p> Commines, II p. 56, Acta Sanctorum, l.c.p. 115.</p></div>
+
+<a name='Footnote_626_626'></a><a href='#FNanchor_626_626'>[626]</a><div class='note'><p> A. Renaudet, Pr&eacute;r&eacute;forme et Humanisme &agrave; Paris, p. 172.</p></div>
+
+<a name='Footnote_627_627'></a><a href='#FNanchor_627_627'>[627]</a><div class='note'><p> Doutrepont, p. 226.</p></div>
+
+<a name='Footnote_628_628'></a><a href='#FNanchor_628_628'>[628]</a><div class='note'><p> Vita Dionysii auct. Theod. Loer, Dion. Opera, I. p. xlii ss., id.
+De vita et regimine principum, t. XXXVII p. 497.</p></div>
+
+<a name='Footnote_629_629'></a><a href='#FNanchor_629_629'>[629]</a><div class='note'><p> Opera, t. XLI p. 621; D. A. Mougel, Denys le chartreux, sa vie
+etc., Montreuil, 1896, p. 63.</p></div>
+
+<a name='Footnote_630_630'></a><a href='#FNanchor_630_630'>[630]</a><div class='note'><p> Opera. t. XLI, p. 617; Vita, I p. xxxi; Mougel, p. 51; Bijdr. en
+mededeel. v. h. hist. genootschap te Utrecht, XVIII p. 331.</p></div>
+
+<a name='Footnote_631_631'></a><a href='#FNanchor_631_631'>[631]</a><div class='note'><p> Opera, t. XXXIX p. 496, Mougel, p. 54; Moll, Johannes Brugman, I
+p. 74; Kerkgesch., II 2 p. 124; K. Krogh-Tonning, Der letzte
+Scholastiker Eine Apologie, Freiburg 1904, p. 175.</p></div>
+
+<a name='Footnote_632_632'></a><a href='#FNanchor_632_632'>[632]</a><div class='note'><p> Mougel, p. 58.</p></div>
+
+<a name='Footnote_633_633'></a><a href='#FNanchor_633_633'>[633]</a><div class='note'><p> Opera, t. XXXVI p. 178: De mutua cognitione.</p></div>
+
+<a name='Footnote_634_634'></a><a href='#FNanchor_634_634'>[634]</a><div class='note'><p> Vita, Opera, t. I p. xxiv, xxxviii.</p></div>
+
+<a name='Footnote_635_635'></a><a href='#FNanchor_635_635'>[635]</a><div class='note'><p> Vita, Opera, t. I p. xxvi.</p></div>
+
+<a name='Footnote_636_636'></a><a href='#FNanchor_636_636'>[636]</a><div class='note'><p> De munificentia et beneficiis Dei, Opera, t. XXXIV, art. 26 p. 319.</p></div>
+
+<a name='Footnote_637_637'></a><a href='#FNanchor_637_637'>[637]</a><div class='note'><p> Gerson, Tractatus VIII super Magnificat, Opera, IV p. 386.</p></div>
+
+<a name='Footnote_638_638'></a><a href='#FNanchor_638_638'>[638]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum Martii, t. I p. 561, vgl. 540, 601.</p></div>
+
+<a name='Footnote_639_639'></a><a href='#FNanchor_639_639'>[639]</a><div class='note'><p> K. Hefele, Der bl. Berhardin voor Siena und die franziskanische
+Wanderpredigt in Italien w&auml;hrend des XV. Jahrhunderts, Freiburg, 1912,
+p. 79.</p></div>
+
+<a name='Footnote_640_640'></a><a href='#FNanchor_640_640'>[640]</a><div class='note'><p> W. Moll, Johannes Brugman, II p. 74, 86.</p></div>
+
+<a name='Footnote_641_641'></a><a href='#FNanchor_641_641'>[641]</a><div class='note'><p> Zie boven blz. 255. (zie Hoofdstuk VI, noot <a href="#FNanchor_495_495">495</a>)</p></div>
+
+<a name='Footnote_642_642'></a><a href='#FNanchor_642_642'>[642]</a><div class='note'><p> Zie boven blz. <a href="#6">6</a> vgg. (zie Hoofdstuk I, tekst volgend op noot 7)</p></div>
+
+<a name='Footnote_643_643'></a><a href='#FNanchor_643_643'>[643]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum Aprilis, t. I p. 195.&mdash;Noch van Vincent Ferrer,
+noch van Olivier Maillard en Clement Menot heb ik de Sermones in
+Nederland kunnen vinden. Het beeld, dat Hefele t.a.p. van de prediking
+in Itali&euml; geeft, kan echter in veel opzichten ook op de fransch-sprekende
+landen toepasselijk worden geacht.</p></div>
+
+<a name='Footnote_644_644'></a><a href='#FNanchor_644_644'>[644]</a><div class='note'><p> Leven van S. Petrus Thomasius, Carmeliet, door Philippe de
+M&eacute;zi&egrave;res, Acta sanctorum Jan., t. II p. 997; Dionysius Cartus over
+Brugman's preektrant: De vita etc. christ.</p></div>
+
+<a name='Footnote_645_645'></a><a href='#FNanchor_645_645'>[645]</a><div class='note'><p> Acta Sanctorum Apr., t. I p. 513.</p></div>
+
+<a name='Footnote_646_646'></a><a href='#FNanchor_646_646'>[646]</a><div class='note'><p> James, l.c., p. 348: &quot;For sensitiveness and narrowness, when they
+occur together, as they often do, require above all things a simplified
+world to dwell in&quot;; cf. p. 353<sup>1</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_647_647'></a><a href='#FNanchor_647_647'>[647]</a><div class='note'><p> Moll, Brugman, I p. 52.</p></div>
+
+<a name='Footnote_648_648'></a><a href='#FNanchor_648_648'>[648]</a><div class='note'><p> Dionys. Cartus. De quotidiano baptismate lacrimarum, t. XXIX,
+p. 84; Deoratione. t. XLI p. 31-55; Expositio hymni Audi benigne conditor,
+t. XXXV p. 34.</p></div>
+
+<a name='Footnote_649_649'></a><a href='#FNanchor_649_649'>[649]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum Apr., t. I p. 485, 494.</p></div>
+
+<a name='Footnote_650_650'></a><a href='#FNanchor_650_650'>[650]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 119; Antonio de Beatis (1517), L. Pastor, Die
+Reise des Kardinals Luigi d'Aragona, Freiburg 1905, p. 51<sup>3</sup>, 52;
+Polydorus Vergilius, Anglicae historiae libri XXVI, Basileae, 1546,
+p. 15.</p></div>
+
+<a name='Footnote_651_651'></a><a href='#FNanchor_651_651'>[651]</a><div class='note'><p> Gerson, Epistola contra libellum Johannis de Schonhavia, Opera, I
+p. 79.</p></div>
+
+<a name='Footnote_652_652'></a><a href='#FNanchor_652_652'>[652]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 44.</p></div>
+
+<a name='Footnote_653_653'></a><a href='#FNanchor_653_653'>[653]</a><div class='note'><p> Ib. p. 48.</p></div>
+
+<a name='Footnote_654_654'></a><a href='#FNanchor_654_654'>[654]</a><div class='note'><p> Gerson, De examinatione doctrinarum. Opera, I p. 19.</p></div>
+
+<a name='Footnote_655_655'></a><a href='#FNanchor_655_655'>[655]</a><div class='note'><p> Ib. p. 16, 17.</p></div>
+
+<a name='Footnote_656_656'></a><a href='#FNanchor_656_656'>[656]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione etc., I p. 44.</p></div>
+
+<a name='Footnote_657_657'></a><a href='#FNanchor_657_657'>[657]</a><div class='note'><p> Gerson, Tractatus II super Magnificat, Opera, IV p. 248.</p></div>
+
+<a name='Footnote_658_658'></a><a href='#FNanchor_658_658'>[658]</a><div class='note'><p> 65 nutte artikelen van der passien ons Heren, Moll, Brugman, II
+p. 75.</p></div>
+
+<a name='Footnote_659_659'></a><a href='#FNanchor_659_659'>[659]</a><div class='note'><p> Gerson, De monte contemplationis, Opera, III p. 562.</p></div>
+
+<a name='Footnote_660_660'></a><a href='#FNanchor_660_660'>[660]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 49.</p></div>
+
+<a name='Footnote_661_661'></a><a href='#FNanchor_661_661'>[661]</a><div class='note'><p> Ib.</p></div>
+
+<a name='Footnote_662_662'></a><a href='#FNanchor_662_662'>[662]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum Martii, t. I p. 562.</p></div>
+
+<a name='Footnote_663_663'></a><a href='#FNanchor_663_663'>[663]</a><div class='note'><p> James, l.c., p. 343.</p></div>
+
+<a name='Footnote_664_664'></a><a href='#FNanchor_664_664'>[664]</a><div class='note'><p> Acta sanctorum, l.c., p. 552ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_665_665'></a><a href='#FNanchor_665_665'>[665]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XV p. 132; Religieux de Saint Denis, II
+p. 124; Joannis de Varennis Responsiones ad capita accusationum bij
+Gerson, Opera, I p. 925, 926.</p></div>
+
+<a name='Footnote_666_666'></a><a href='#FNanchor_666_666'>[666]</a><div class='note'><p> Responsiones, l.c., p. 936.</p></div>
+
+<a name='Footnote_667_667'></a><a href='#FNanchor_667_667'>[667]</a><div class='note'><p> Ib. p. 910ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_668_668'></a><a href='#FNanchor_668_668'>[668]</a><div class='note'><p> Gerson, De probatione spirituum. Opera, I p. 41.</p></div>
+
+<a name='Footnote_669_669'></a><a href='#FNanchor_669_669'>[669]</a><div class='note'><p> Gerson, Epistola contra libellum Joh. de Schonhavia, Opera, I p. 82.</p></div>
+
+<a name='Footnote_670_670'></a><a href='#FNanchor_670_670'>[670]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo contra luxuriam. Opera, III p. 924.</p></div>
+
+<a name='Footnote_671_671'></a><a href='#FNanchor_671_671'>[671]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 55.</p></div>
+
+<a name='Footnote_672_672'></a><a href='#FNanchor_672_672'>[672]</a><div class='note'><p> Opera, III p. 589ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_673_673'></a><a href='#FNanchor_673_673'>[673]</a><div class='note'><p> Ib. p. 593.</p></div>
+
+<a name='Footnote_674_674'></a><a href='#FNanchor_674_674'>[674]</a><div class='note'><p> Gerson, De consolatione theologiae, Opera, I p. 174.</p></div>
+
+<a name='Footnote_675_675'></a><a href='#FNanchor_675_675'>[675]</a><div class='note'><p> Gerson, Epistola ... super tertia parte libri Joannis Ruysbroeck
+De ornatu nupt. spir., Opera, I p. 59, 67 etc.</p></div>
+
+<a name='Footnote_676_676'></a><a href='#FNanchor_676_676'>[676]</a><div class='note'><p> Gerson, Epistola contra defensionem joh. de Schonhavia (polemiek
+over Ruusbroec), Opera, I p. 82.</p></div>
+
+<a name='Footnote_677_677'></a><a href='#FNanchor_677_677'>[677]</a><div class='note'><p> Hetzelfde gevoel bij een moderne: &quot;I committed myself to Him in
+the profoundest belief that my individuality was going to be destroyed,
+that he would take all from me, and I was willing&quot;, James, l.c., p. 223.</p></div>
+
+<a name='Footnote_678_678'></a><a href='#FNanchor_678_678'>[678]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione etc., I p. 55; De libris caute legendis, I
+p. 114.</p></div>
+
+<a name='Footnote_679_679'></a><a href='#FNanchor_679_679'>[679]</a><div class='note'><p> Gerson, De examinatione doctrinarum, Opera, I p. 19; De
+distinctione, I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114; Epistola
+super Joh. Ruysbroeck De ornatu, I p. 62; De consolatione theologiae, I
+p. 174; De susceptione humanitatis Christi, I p. 455; De nuptiis Christi
+et ecclesiae, II p. 370; De triplici theologia, III p. 369.</p></div>
+
+<a name='Footnote_680_680'></a><a href='#FNanchor_680_680'>[680]</a><div class='note'><p> Moll, Johannes Brugman, I p. 57.</p></div>
+
+<a name='Footnote_681_681'></a><a href='#FNanchor_681_681'>[681]</a><div class='note'><p> Gerson, De distinctione etc., I p. 55.</p></div>
+
+<a name='Footnote_682_682'></a><a href='#FNanchor_682_682'>[682]</a><div class='note'><p> Moll, Brugman. I p. 234, 314.</p></div>
+
+<a name='Footnote_683_683'></a><a href='#FNanchor_683_683'>[683]</a><div class='note'><p> Ecclesiasticus 24, 29; vgl. Meister Eckhart, Predigten no. 43,
+p. 146. 26.</p></div>
+
+<a name='Footnote_684_684'></a><a href='#FNanchor_684_684'>[684]</a><div class='note'><p> Ruusbroec, Die Spieghel der ewigher salicheit, cap. 7, Die
+chierheit der gheesteleker brulocht, 1. II c. 53, Werken, ed. David en
+Snellaert (Maatsch. der Vlaemsche bibliophilen) 1860<sup>2</sup>, 1868, III p.
+156/9, VI p. 132.</p></div>
+
+<a name='Footnote_685_685'></a><a href='#FNanchor_685_685'>[685]</a><div class='note'><p>Naar het hs. bij Oulmont, l.c., p. 277.</p></div>
+
+<a name='Footnote_686_686'></a><a href='#FNanchor_686_686'>[686]</a><div class='note'><p> Vgl. de bestrijding dier meening door James, l.c., p. 10<sup>1</sup>,
+191, 276.</p></div>
+
+<a name='Footnote_687_687'></a><a href='#FNanchor_687_687'>[687]</a><div class='note'><p> Moll, Brugman, II p. 84.</p></div>
+
+<a name='Footnote_688_688'></a><a href='#FNanchor_688_688'>[688]</a><div class='note'><p> Oulmont, l.c., p. 204, 210.</p></div>
+
+<a name='Footnote_689_689'></a><a href='#FNanchor_689_689'>[689]</a><div class='note'><p> B. Alanus redivivus, ed. J. A. Coppenstein, Napels, 1462, p. 29,
+31, 105, 108, 116 etc.</p></div>
+
+<a name='Footnote_690_690'></a><a href='#FNanchor_690_690'>[690]</a><div class='note'><p> Alanus redivivus, p. 209, 218.</p></div>
+
+<a name='Footnote_691_691'></a><a href='#FNanchor_691_691'>[691]</a><div class='note'><p> Seuse, Leben, kap. 4, 45, Deutsche Schriften, p. 15, 154; Acta
+Sanctorum Jan., t. II p. 656.</p></div>
+
+<a name='Footnote_692_692'></a><a href='#FNanchor_692_692'>[692]</a><div class='note'><p> Hefele, l.c., p. 167; vgl. p. 259 &quot;Over den naam van Jezus&quot;, B.'s
+verdediging van het gebruik.</p></div>
+
+<a name='Footnote_693_693'></a><a href='#FNanchor_693_693'>[693]</a><div class='note'><p> Eug. Demole, Le soleil comme cimier des armes de Gen&egrave;ve, vermeld
+Revue historique CXXIII p. 450.</p></div>
+
+<a name='Footnote_694_694'></a><a href='#FNanchor_694_694'>[694]</a><div class='note'><p> Rod. Hospinianus, De templis etc. ed. IIa, Tiguri, 1603, p. 213.</p></div>
+
+<a name='Footnote_695_695'></a><a href='#FNanchor_695_695'>[695]</a><div class='note'><p> James, Varieties of religieus experience, p. 474, 475.</p></div>
+
+<a name='Footnote_696_696'></a><a href='#FNanchor_696_696'>[696]</a><div class='note'><p> Irenaeus, Adversus haereses libri V, 1. IV c. 21<sup>3</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_697_697'></a><a href='#FNanchor_697_697'>[697]</a><div class='note'><p> Over de noodwendigheid van zulk realisme James, l.c., p. 56.</p></div>
+
+<a name='Footnote_698_698'></a><a href='#FNanchor_698_698'>[698]</a><div class='note'><p> Goethe, Spr&uuml;che in Prosa.</p></div>
+
+<a name='Footnote_699_699'></a><a href='#FNanchor_699_699'>[699]</a><div class='note'><p> St. Bernard, Libellus ad quendam sacerdotem, bij Dion. Cart. De
+vita et regimine curatorum, t. XXXVII p. 222.</p></div>
+
+<a name='Footnote_700_700'></a><a href='#FNanchor_700_700'>[700]</a><div class='note'><p> Bonaventura, De reductione artium ad theologiam, Opera, ed. Paris,
+1871, t. VII, p. 502.</p></div>
+
+<a name='Footnote_701_701'></a><a href='#FNanchor_701_701'>[701]</a><div class='note'><p> P. Rousselot, Pour l'histoire du probl&egrave;me de l'amour (B&auml;umker &amp;
+Von Hertling, Beitr. zur Gesch. der Philosophie im Mittelalter, VI 6)
+M&uuml;nster, 1908.</p></div>
+
+<a name='Footnote_702_702'></a><a href='#FNanchor_702_702'>[702]</a><div class='note'><p> Sicard, Mitrale sive de officiis ecclesiasticis summa, Migne,
+t. CCXIII c. 232.</p></div>
+
+<a name='Footnote_703_703'></a><a href='#FNanchor_703_703'>[703]</a><div class='note'><p> Gerson, Compendium Theologiae, Opera, I p. 234, 303s, 325,
+Meditatio super septimo psalmo poenitentiali, IV p. 26.</p></div>
+
+<a name='Footnote_704_704'></a><a href='#FNanchor_704_704'>[704]</a><div class='note'><p> Alanus redivivus, passim.</p></div>
+
+<a name='Footnote_705_705'></a><a href='#FNanchor_705_705'>[705]</a><div class='note'><p> Op blz. <a href="#12">12</a> (zie Hoofdstuk I, tekst voor noot 17) wordt fortitudo
+met abstinentia gelijkgesteld, maar op p. 201 (zie Hoofdstuk IV tekst
+voor noot 386) is het temperantia, die in de reeks ontbreekt; dit zal de
+bedoeling zijn. Er zijn ook nog andere verschillen.</p></div>
+
+<a name='Footnote_706_706'></a><a href='#FNanchor_706_706'>[706]</a><div class='note'><p> Froissart, Po&eacute;sies, ed. Scheler. I p. 53.</p></div>
+
+<a name='Footnote_707_707'></a><a href='#FNanchor_707_707'>[707]</a><div class='note'><p> Chastellain, Trait&eacute; par forme d'all&eacute;gorie mystique sur l'entr&eacute;e du
+roy Loys en nouveau r&egrave;gne, Oeuvres, VII p. 1; Molinet, II p. 71, III
+p. 112.</p></div>
+
+<a name='Footnote_708_708'></a><a href='#FNanchor_708_708'>[708]</a><div class='note'><p> Vgl. Coquillart, Les droits nouveaux, ed. d'H&eacute;ricault, I p. 72.</p></div>
+
+<a name='Footnote_709_709'></a><a href='#FNanchor_709_709'>[709]</a><div class='note'><p> Opera, I p. xliv sq.</p></div>
+
+<a name='Footnote_710_710'></a><a href='#FNanchor_710_710'>[710]</a><div class='note'><p> H. Usener, G&ouml;tternamen, Versuch zu einer Lehre von der religi&ouml;sen
+Begriffsbildung, Bonn, 1896, p. 73.</p></div>
+
+<a name='Footnote_711_711'></a><a href='#FNanchor_711_711'>[711]</a><div class='note'><p>J. Mangeart,
+Catalogue des mss. de la bibl. de Valenciennes, 1860. p. 687.</p></div>
+
+<a name='Footnote_712_712'></a><a href='#FNanchor_712_712'>[712]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 96.</p></div>
+
+<a name='Footnote_713_713'></a><a href='#FNanchor_713_713'>[713]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 378.</p></div>
+
+<a name='Footnote_714_714'></a><a href='#FNanchor_714_714'>[714]</a><div class='note'><p> Les cent nouvelles nouvelles, II p. 183. Vgl Rabelais, Pantagruel,
+I. IV ch. 29.</p></div>
+
+<a name='Footnote_715_715'></a><a href='#FNanchor_715_715'>[715]</a><div class='note'><p> De captivitate babylonica ecclesiae praeludium. Werke ed. Weimar,
+VI p. 562.</p></div>
+
+<a name='Footnote_716_716'></a><a href='#FNanchor_716_716'>[716]</a><div class='note'><p> Petri de Alliaco Tractatus I adversus cancellarium Parisiensem,
+bij Gerson, Opera, I p. 723.</p></div>
+
+<a name='Footnote_717_717'></a><a href='#FNanchor_717_717'>[717]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., Opera, t. XXXVI p. 200.</p></div>
+
+<a name='Footnote_718_718'></a><a href='#FNanchor_718_718'>[718]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. Revelatio II, Opera, I p. xlv.</p></div>
+
+<a name='Footnote_719_719'></a><a href='#FNanchor_719_719'>[719]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., Opera, t. XXXVII, XXXVIII, XXXIX p. 496.</p></div>
+
+<a name='Footnote_720_720'></a><a href='#FNanchor_720_720'>[720]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, Oeuvres, p. xi.</p></div>
+
+<a name='Footnote_721_721'></a><a href='#FNanchor_721_721'>[721]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 17.</p></div>
+
+<a name='Footnote_722_722'></a><a href='#FNanchor_722_722'>[722]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., Opera, t. XVIII p. 433.</p></div>
+
+<a name='Footnote_723_723'></a><a href='#FNanchor_723_723'>[723]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., Opera, t. XXXIX p. 18sq. De vitiis et virtutibus, p.
+363, De gravitate et enormitate peccati, ib. t. XXIX p. 50.</p></div>
+
+<a name='Footnote_724_724'></a><a href='#FNanchor_724_724'>[724]</a><div class='note'><p> L.c. XXXIX p. 37.</p></div>
+
+<a name='Footnote_725_725'></a><a href='#FNanchor_725_725'>[725]</a><div class='note'><p> Ib. p. 56.</p></div>
+
+<a name='Footnote_726_726'></a><a href='#FNanchor_726_726'>[726]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, Opera, t. XLI p. 545.</p></div>
+
+<a name='Footnote_727_727'></a><a href='#FNanchor_727_727'>[727]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, t. XLI p. 489ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_728_728'></a><a href='#FNanchor_728_728'>[728]</a><div class='note'><p> Moll, Brugman, I p. 20, 23. 28.</p></div>
+
+<a name='Footnote_729_729'></a><a href='#FNanchor_729_729'>[729]</a><div class='note'><p> Ib. p. 320<sup>1</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_730_730'></a><a href='#FNanchor_730_730'>[730]</a><div class='note'><p> Het voorbeeld van Sint Aegidius, Germanus, Quiricus bij Gerson, De
+via imitativa, III p. 777; vgl. Contra gulam sermo, ib. p. 909.&mdash;Olivier
+Maillard, Serm. de sanctis fol. 8a.</p></div>
+
+<a name='Footnote_731_731'></a><a href='#FNanchor_731_731'>[731]</a><div class='note'><p> Innocentius III, De contemptu mundi 1. I, c. I, Migne, t. CCXVII
+p. 702ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_732_732'></a><a href='#FNanchor_732_732'>[732]</a><div class='note'><p> Bonaventura, In secundum librum sententiarum, dist. 41, art. 1.
+qu. 2, ib. 30, 2, 1, 34; in quart. lib. sent. d. 34, a. I, qu. 2,
+Breviloquii pars II, Opera, ed. Paris, 1871, t. III p. 577a, 335, 438,
+VI p. 327b, VII p. 271ab.</p></div>
+
+<a name='Footnote_733_733'></a><a href='#FNanchor_733_733'>[733]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., De vitiis et virtutibus, Opera, t. XXXIX p. 20.</p></div>
+
+<a name='Footnote_734_734'></a><a href='#FNanchor_734_734'>[734]</a><div class='note'><p> M' Kechnie, Magna Carta, p. 401.</p></div>
+
+<a name='Footnote_735_735'></a><a href='#FNanchor_735_735'>[735]</a><div class='note'><p> Uit den hymnus &quot;Adoro te devote&quot;. Vergelijk Marlowe, Faustus:
+&quot;See, where Christ's blood streams in the firmament! One drop of blood
+will save me.&quot;</p></div>
+
+<a name='Footnote_736_736'></a><a href='#FNanchor_736_736'>[736]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. Dialogion de fide cath., Opera, t. XVIII p. 366.</p></div>
+
+<a name='Footnote_737_737'></a><a href='#FNanchor_737_737'>[737]</a><div class='note'><p> L.c., t. XLI p. 489.</p></div>
+
+<a name='Footnote_738_738'></a><a href='#FNanchor_738_738'>[738]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis t. XXXV
+p. 137; de laud. glor. Virg. Mariae, en passim. Het gebruik der
+supertermen ontleent hij reeds aan Dionysius treopagita.</p></div>
+
+<a name='Footnote_739_739'></a><a href='#FNanchor_739_739'>[739]</a><div class='note'><p> James, Varieties of rel. exp., p. 419.</p></div>
+
+<a name='Footnote_740_740'></a><a href='#FNanchor_740_740'>[740]</a><div class='note'><p> Beide voorbeelden naar James, l.c., p. 417.</p></div>
+
+<a name='Footnote_741_741'></a><a href='#FNanchor_741_741'>[741]</a><div class='note'><p> Opera, I p. xliv.</p></div>
+
+<a name='Footnote_742_742'></a><a href='#FNanchor_742_742'>[742]</a><div class='note'><p> Seuse, Leben, cap. 3, ed. K. Bihlmeyer, Deutsche Schriften,
+Stuttgart, 1907, p. 14. Vgl. cap. 5, p. 21, 1.3 v.o.</p></div>
+
+<a name='Footnote_743_743'></a><a href='#FNanchor_743_743'>[743]</a><div class='note'><p> Meister Eckhart, Predigten, no. 60 en 76, ed. F. Pfeiffer,
+Deutsche Mystiker des XIV. Jh., Leipzig 1857, II p. 1931. 34ss.; p. 242,
+1. 2ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_744_744'></a><a href='#FNanchor_744_744'>[744]</a><div class='note'><p> Tauler, Predigten, no. 28, ed. F. Vetter, (Deutsche Texte des
+Mittelalters XI) Berlin, 1910, p. 117 1. 30ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_745_745'></a><a href='#FNanchor_745_745'>[745]</a><div class='note'><p> Ruusbroec, Dat boec van seven sloten, cap. 19, Werken ed. David,
+IV p. 106-108.</p></div>
+
+<a name='Footnote_746_746'></a><a href='#FNanchor_746_746'>[746]</a><div class='note'><p> Ruusbroec, Dat boec van den rike der ghelieven, cap. 43. ed.
+David, IV p. 264.</p></div>
+
+<a name='Footnote_747_747'></a><a href='#FNanchor_747_747'>[747]</a><div class='note'><p> Ib. cap. 35, p. 246.</p></div>
+
+<a name='Footnote_748_748'></a><a href='#FNanchor_748_748'>[748]</a><div class='note'><p> Ruusbroec, Van seven trappen in den graet der gheesteliker minnen,
+cap. 14, ed. David, IV p. 53. Voor &quot;ontfonken&quot; lees ik: &quot;ontsonken&quot;.</p></div>
+
+<a name='Footnote_749_749'></a><a href='#FNanchor_749_749'>[749]</a><div class='note'><p> Ruusbroec, Boec van der hoechster waerheit, ed. David, p. 263;
+vgl. Spieghel der ewigher salicheit, cap. 25. p. 231.</p></div>
+
+<a name='Footnote_750_750'></a><a href='#FNanchor_750_750'>[750]</a><div class='note'><p> Spieghel der ewigher salicheit, cap. 19, p. 144, cap. 23, p.
+227;&mdash;antwoert = beantwoordt aan.</p></div>
+
+<a name='Footnote_751_751'></a><a href='#FNanchor_751_751'>[751]</a><div class='note'><p> II Par. 6, I: Dominus pollicitus est, ut habitaret in caligine.
+Ps. 17.13: Et posuit tenebras latibuum suum.</p></div>
+
+<a name='Footnote_752_752'></a><a href='#FNanchor_752_752'>[752]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis per modum
+horarum, Opera, t. XXXV p. 137/8, id. XLI p. 263 etc.; vgl. De passione
+dni salvatoris dialogus, t. XXXV p. 274: &quot;ingrediendo caliginem, hoc est
+ad supersplendidissimae ac prorsus incomprehensibilis Deitatis praefatam
+notitiam pertingendo per omnem negationem ab ea.&quot;</p></div>
+
+<a name='Footnote_753_753'></a><a href='#FNanchor_753_753'>[753]</a><div class='note'><p> Jostes, Meister Eckhart und seine J&uuml;nger, 1895, p. 95.</p></div>
+
+<a name='Footnote_754_754'></a><a href='#FNanchor_754_754'>[754]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. De contemplatione lib. III art. 5, Opera, t. XLI p.
+259.</p></div>
+
+<a name='Footnote_755_755'></a><a href='#FNanchor_755_755'>[755]</a><div class='note'><p> Dion. Cart. De contemplatione, t. XLI p. 269, naar Dion. Areop.</p></div>
+
+<a name='Footnote_756_756'></a><a href='#FNanchor_756_756'>[756]</a><div class='note'><p> Cankara ad Brahmas&ucirc;tram, 3. 2. 17.</p></div>
+
+<a name='Footnote_757_757'></a><a href='#FNanchor_757_757'>[757]</a><div class='note'><p> Ch&acirc;ndogya-upanishad, 8.</p></div>
+
+<a name='Footnote_758_758'></a><a href='#FNanchor_758_758'>[758]</a><div class='note'><p> Brhad&acirc;ranyaka-upanishad, 4, 3, 21, 22.</p></div>
+
+<a name='Footnote_759_759'></a><a href='#FNanchor_759_759'>[759]</a><div class='note'><p> Seuse, Leben, kap. 4, Bihlmeyer, Deutsche Schriften 1907, p. 14.</p></div>
+
+<a name='Footnote_760_760'></a><a href='#FNanchor_760_760'>[760]</a><div class='note'><p> Eckhart, Predigten, no. 40, p. 136. 23.</p></div>
+
+<a name='Footnote_761_761'></a><a href='#FNanchor_761_761'>[761]</a><div class='note'><p> Eckhart, Predigten, no. 9, p. 47ff.</p></div>
+
+<a name='Footnote_762_762'></a><a href='#FNanchor_762_762'>[762]</a><div class='note'><p> Soliloquium animae, Thomas a Kempis, Opera omnia, ed. M.J. Pohl,
+Freiburg 1902-'10, 7 vol., I p. 230.</p></div>
+
+<a name='Footnote_763_763'></a><a href='#FNanchor_763_763'>[763]</a><div class='note'><p> L.c., p. 222.</p></div>
+
+<a name='Footnote_764_764'></a><a href='#FNanchor_764_764'>[764]</a><div class='note'><p> Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 184, 189, 242,
+266.</p></div>
+
+<a name='Footnote_765_765'></a><a href='#FNanchor_765_765'>[765]</a><div class='note'><p> Olivier de la Marche, l'Estat de la maison etc., t. IV p. 56, zie
+dergelijke vragen hierboven blz. 60. (zie Hoofdstuk II, tekst volgend op
+noot 86)</p></div>
+
+<a name='Footnote_766_766'></a><a href='#FNanchor_766_766'>[766]</a><div class='note'><p> J.H. Round, The king's serjeants and officers of state with their
+coronation services, London 1911, p. 41.</p></div>
+
+<a name='Footnote_767_767'></a><a href='#FNanchor_767_767'>[767]</a><div class='note'><p> Le livre des trahisons, p. 27.</p></div>
+
+<a name='Footnote_768_768'></a><a href='#FNanchor_768_768'>[768]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, III p. 464s, Juvenal des Ursins, p. 440; No&euml;l
+Valois, La France et le grand schisme d'occident, Paris, 1896-1902, 4
+vol., III p. 433.</p></div>
+
+<a name='Footnote_769_769'></a><a href='#FNanchor_769_769'>[769]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 342.</p></div>
+
+<a name='Footnote_770_770'></a><a href='#FNanchor_770_770'>[770]</a><div class='note'><p> Monstrelet, I p. 177-242; Coville, Le v&eacute;ritable texte de la
+justification du duc de Bourgogne par Jean Petit, Biblioth&egrave;que de
+l'&eacute;cole des chartes, 1911, p. 57.</p></div>
+
+<a name='Footnote_771_771'></a><a href='#FNanchor_771_771'>[771]</a><div class='note'><p> Leroux de Lincy, Le proverbe fran&ccedil;ais, vgl. E. Langlois, Bibl. de
+l'Ecole des chartes LX, 1899, p. 569, J. Ulrich, Zeitschr. f. franz.
+Sprache &amp; Lit. XXIV, 1902, p. 191.</p></div>
+
+<a name='Footnote_772_772'></a><a href='#FNanchor_772_772'>[772]</a><div class='note'><p> Achter Les Grandes chroniques de France, ed. P. Paris, IV p. 478.</p></div>
+
+<a name='Footnote_773_773'></a><a href='#FNanchor_773_773'>[773]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, ed. Duchesne p. 717.</p></div>
+
+<a name='Footnote_774_774'></a><a href='#FNanchor_774_774'>[774]</a><div class='note'><p> Jean Molinet, Faictz et Dictz, ed. Parijs 1537, f. 80, 119, 152,
+161, 170, 194.</p></div>
+
+<a name='Footnote_775_775'></a><a href='#FNanchor_775_775'>[775]</a><div class='note'><p> Coquillart, Oeuvres, I p. 6.</p></div>
+
+<a name='Footnote_776_776'></a><a href='#FNanchor_776_776'>[776]</a><div class='note'><p> Villon, ed. Long-nom, p. 134.</p></div>
+
+<a name='Footnote_777_777'></a><a href='#FNanchor_777_777'>[777]</a><div class='note'><p> Roberti Gaguini, Ep. et or., ed. Thuasne, II p. 366.</p></div>
+
+<a name='Footnote_778_778'></a><a href='#FNanchor_778_778'>[778]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, IV p. 657; ib. I p. 936; vgl. Leroux de Lincy, Le
+proverbe fran&ccedil;ais, I p. lii.</p></div>
+
+<a name='Footnote_779_779'></a><a href='#FNanchor_779_779'>[779]</a><div class='note'><p> Geffroi de Paris, ed. de Wailly et Delisle, Bouquet, Recueil des
+Historiens des Gaules et de la France, XXII p. 87, zie index rerum et
+personarum s. v. Proverbia, p. 926.</p></div>
+
+<a name='Footnote_780_780'></a><a href='#FNanchor_780_780'>[780]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, XI p. 119; ed. Kervyn, XIII p. 41, XIV p. 33,
+XV p. 10; Le Jouvencel, I p. 60, 62, 63, 74, 78, 93.</p></div>
+
+<a name='Footnote_781_781'></a><a href='#FNanchor_781_781'>[781]</a><div class='note'><p> Zie mijn Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, De Gids
+1912, I.</p></div>
+
+<a name='Footnote_782_782'></a><a href='#FNanchor_782_782'>[782]</a><div class='note'><p> Hierboven blz. <a href="#202">202</a>. (zie Hoofdstuk IV, tekst volgend op noot 389)</p></div>
+
+<a name='Footnote_783_783'></a><a href='#FNanchor_783_783'>[783]</a><div class='note'><p> A. Piaget, Le livre Messire Geoffroy de Charny, Romania, XXVI,
+1897, p. 396.</p></div>
+
+<a name='Footnote_784_784'></a><a href='#FNanchor_784_784'>[784]</a><div class='note'><p> Larbre des batailles, Paris, Michel le Noir 1515. Zie over Bonet
+Molinier, Sources de l'histoire de France, no. 3694.</p></div>
+
+<a name='Footnote_785_785'></a><a href='#FNanchor_785_785'>[785]</a><div class='note'><p> Chap. 35, 85 bis (de nos. 80-90 komen in de uitgave van 1515
+tweemaal voor), 124/6.</p></div>
+
+<a name='Footnote_786_786'></a><a href='#FNanchor_786_786'>[786]</a><div class='note'><p> Chap. 56, 60, 84, 132.</p></div>
+
+<a name='Footnote_787_787'></a><a href='#FNanchor_787_787'>[787]</a><div class='note'><p> Chap. 82, 89, 80 bis en vg.</p></div>
+
+<a name='Footnote_788_788'></a><a href='#FNanchor_788_788'>[788]</a><div class='note'><p> Le Jouvencel, I p. 222, II p. 8, 93, 96, 133, 214.</p></div>
+
+<a name='Footnote_789_789'></a><a href='#FNanchor_789_789'>[789]</a><div class='note'><p> Les vers de ma&icirc;tre Henri Baude, po&egrave;te du XV<sup>e</sup> si&egrave;cle, ed. Quicherat
+(Tr&eacute;sor des pi&egrave;ces rares ou in&eacute;dites), 1856, p. 20-25.</p></div>
+
+<a name='Footnote_790_790'></a><a href='#FNanchor_790_790'>[790]</a><div class='note'><p> Champion, Villon, II p. 182.</p></div>
+
+<a name='Footnote_791_791'></a><a href='#FNanchor_791_791'>[791]</a><div class='note'><p> La Marche. II p. 80.</p></div>
+
+<a name='Footnote_792_792'></a><a href='#FNanchor_792_792'>[792]</a><div class='note'><p> L.c., II p. 168.</p></div>
+
+<a name='Footnote_793_793'></a><a href='#FNanchor_793_793'>[793]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 169.</p></div>
+
+<a name='Footnote_794_794'></a><a href='#FNanchor_794_794'>[794]</a><div class='note'><p> Chron. scand., II p. 83.</p></div>
+
+<a name='Footnote_795_795'></a><a href='#FNanchor_795_795'>[795]</a><div class='note'><p> Petit-Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires
+etc.; vgl. Chastellain, V p. 399 en Jacques du Clercq, passim.</p></div>
+
+<a name='Footnote_796_796'></a><a href='#FNanchor_796_796'>[796]</a><div class='note'><p> Du Clercq, IV p. 264; vgl. III p. 180, 184, 206, 209.</p></div>
+
+<a name='Footnote_797_797'></a><a href='#FNanchor_797_797'>[797]</a><div class='note'><p> Monstrelet, I p. 342, V p. 333; Chastellain, II p. 389; La Marche,
+II p. 284, 331; Le livre des trahisons, p. 34, 226.</p></div>
+
+<a name='Footnote_798_798'></a><a href='#FNanchor_798_798'>[798]</a><div class='note'><p> Quicherat, Th. Basin, I p. xliv.</p></div>
+
+<a name='Footnote_799_799'></a><a href='#FNanchor_799_799'>[799]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 106.</p></div>
+
+<a name='Footnote_800_800'></a><a href='#FNanchor_800_800'>[800]</a><div class='note'><p> Sermo de nativ. domini, Gerson, Opera, III p. 947.</p></div>
+
+<a name='Footnote_801_801'></a><a href='#FNanchor_801_801'>[801]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet, vs. 2043.</p></div>
+
+<a name='Footnote_802_802'></a><a href='#FNanchor_802_802'>[802]</a><div class='note'><p> Jean Jouffroy, Oratio, I p. 188.</p></div>
+
+<a name='Footnote_803_803'></a><a href='#FNanchor_803_803'>[803]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 63.</p></div>
+
+<a name='Footnote_804_804'></a><a href='#FNanchor_804_804'>[804]</a><div class='note'><p> Gerson, Querela nomine Universitatis etc., Opera, IV p. 574; vgl.
+Rel. de S. Denis, III p. 185.</p></div>
+
+<a name='Footnote_805_805'></a><a href='#FNanchor_805_805'>[805]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 375, vgl. 307.</p></div>
+
+<a name='Footnote_806_806'></a><a href='#FNanchor_806_806'>[806]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 111, 363.</p></div>
+
+<a name='Footnote_807_807'></a><a href='#FNanchor_807_807'>[807]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 388.</p></div>
+
+<a name='Footnote_808_808'></a><a href='#FNanchor_808_808'>[808]</a><div class='note'><p> Bassin, I p. 66.</p></div>
+
+<a name='Footnote_809_809'></a><a href='#FNanchor_809_809'>[809]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 60, 63, 83, 88, 91, 94, 134<sup>1</sup>; III p. 101.</p></div>
+
+<a name='Footnote_810_810'></a><a href='#FNanchor_810_810'>[810]</a><div class='note'><p> Commines, I p. 170, 391, 262, 413, 460.</p></div>
+
+<a name='Footnote_811_811'></a><a href='#FNanchor_811_811'>[811]</a><div class='note'><p> Basin, II p. 417, 419.</p></div>
+
+<a name='Footnote_812_812'></a><a href='#FNanchor_812_812'>[812]</a><div class='note'><p> Deschamps, Oeuvres, t. IX.</p></div>
+
+<a name='Footnote_813_813'></a><a href='#FNanchor_813_813'>[813]</a><div class='note'><p> L.c., p. 219ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_814_814'></a><a href='#FNanchor_814_814'>[814]</a><div class='note'><p> L.c., p. 293ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_815_815'></a><a href='#FNanchor_815_815'>[815]</a><div class='note'><p> Monstrelet, IV p. 93; Livre des trahisons, p. 157; Molinet, II
+p. 129; vgl. du Clercq, IV p. 203, 273; Th. Pauli, p. 278.</p></div>
+
+<a name='Footnote_816_816'></a><a href='#FNanchor_816_816'>[816]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 65.</p></div>
+
+<a name='Footnote_817_817'></a><a href='#FNanchor_817_817'>[817]</a><div class='note'><p> Molinet, IV p. 417; Courtaulx = een muziekinstrument, Mornifle =
+een kaartspel.</p></div>
+
+<a name='Footnote_818_818'></a><a href='#FNanchor_818_818'>[818]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 205.</p></div>
+
+<a name='Footnote_819_819'></a><a href='#FNanchor_819_819'>[819]</a><div class='note'><p> Le songe du vieil pelerin, bij Jorga, Phil. de M&eacute;zi&egrave;res, p. 69<sup>1</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_820_820'></a><a href='#FNanchor_820_820'>[820]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 425.</p></div>
+
+<a name='Footnote_821_821'></a><a href='#FNanchor_821_821'>[821]</a><div class='note'><p> L.c., p. 415.</p></div>
+
+<a name='Footnote_822_822'></a><a href='#FNanchor_822_822'>[822]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 206.</p></div>
+
+<a name='Footnote_823_823'></a><a href='#FNanchor_823_823'>[823]</a><div class='note'><p> Gerson, Sermo coram rege Franciae, Opera, IV p. 620; Juvenal des
+Ursins, p. 415, 423.</p></div>
+
+<a name='Footnote_824_824'></a><a href='#FNanchor_824_824'>[824]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 216.</p></div>
+
+<a name='Footnote_825_825'></a><a href='#FNanchor_825_825'>[825]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 324, 323, 314<sup>1</sup>, vgl. du Clercq, III p. 236.</p></div>
+
+<a name='Footnote_826_826'></a><a href='#FNanchor_826_826'>[826]</a><div class='note'><p> Chastellain, II p. 376, III p. 446, 447<sup>1</sup>, 448, IV p. 213, V p. 32.</p></div>
+
+<a name='Footnote_827_827'></a><a href='#FNanchor_827_827'>[827]</a><div class='note'><p> Monstrelet, V p. 425.</p></div>
+
+<a name='Footnote_828_828'></a><a href='#FNanchor_828_828'>[828]</a><div class='note'><p> Chronique de Pierre le Pr&ecirc;tre, bij Bourquelot, La vauderie
+d'Arras, Biblioth&egrave;que de l'&eacute;cole des chartes, 2<sup>e</sup> s&eacute;rie, III p. 109.</p></div>
+
+<a name='Footnote_829_829'></a><a href='#FNanchor_829_829'>[829]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq, III passim; Matthieu d'Escouchy, II p. 416ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_830_830'></a><a href='#FNanchor_830_830'>[830]</a><div class='note'><p> Martin le Franc, Le Champion des dames, bij Bourquelot, l.c., p. 86;
+bij Thuasne, Gaguin, II p. 474.</p></div>
+
+<a name='Footnote_831_831'></a><a href='#FNanchor_831_831'>[831]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XI p. 193.</p></div>
+
+<a name='Footnote_832_832'></a><a href='#FNanchor_832_832'>[832]</a><div class='note'><p> Gerson, Contra superstitionem praesertim Innocentum, Op. I p. 205;
+De erroribus circa artem magicam, I p. 211; De falsis prophetis, I p. 545;
+De passionibus animae, III p. 142.</p></div>
+
+<a name='Footnote_833_833'></a><a href='#FNanchor_833_833'>[833]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 236.</p></div>
+
+<a name='Footnote_834_834'></a><a href='#FNanchor_834_834'>[834]</a><div class='note'><p> L.c., p. 220.</p></div>
+
+<a name='Footnote_835_835'></a><a href='#FNanchor_835_835'>[835]</a><div class='note'><p> Dionysius Cartusianus, Contra vitia superstitionum quibus circa
+cultum veri Dei erratur, Opera, t. XXXVI p. 211ss.; vgl. A. Franz, Die
+kirchlichen Benediktionem im Mittelalter, Freiburg 1909, 2 bde.</p></div>
+
+<a name='Footnote_836_836'></a><a href='#FNanchor_836_836'>[836]</a><div class='note'><p> B.v. Jacques du Clercq, III p. 104-107.</p></div>
+
+<a name='Footnote_837_837'></a><a href='#FNanchor_837_837'>[837]</a><div class='note'><p> De Hoofdstukken XII en XIII vormen een omwerking en uitbreiding
+van het essay: De kunst der Van Eyck's in het leven van hun tijd. De
+Gids 1916, no. 6 en 7.</p></div>
+
+<a name='Footnote_838_838'></a><a href='#FNanchor_838_838'>[838]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, II p. 78.</p></div>
+
+<a name='Footnote_839_839'></a><a href='#FNanchor_839_839'>[839]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, II p. 413.</p></div>
+
+<a name='Footnote_840_840'></a><a href='#FNanchor_840_840'>[840]</a><div class='note'><p> L.c., I p. 358.</p></div>
+
+<a name='Footnote_841_841'></a><a href='#FNanchor_841_841'>[841]</a><div class='note'><p> Rel. de S. Denis, I p. 600; Juvenal des Ursins, p. 379.</p></div>
+
+<a name='Footnote_842_842'></a><a href='#FNanchor_842_842'>[842]</a><div class='note'><p> La Curne de Ste Palaye, I p. 388; vgl. ook Journal d'un bourgeois
+de Paris, p. 67.</p></div>
+
+<a name='Footnote_843_843'></a><a href='#FNanchor_843_843'>[843]</a><div class='note'><p> Bourgeois de Paris, p. 179 (Karel VI); 309 (Isabella van Beieren);
+Chastellain, IV p. 42, (Karel VII), I p. 332 (Henry V); Lef&egrave;vre de S.
+Remy, II p. 65; M. d'Escouchy, II p. 424, 432; Chron. scand., I p. 21;
+Jean Chartier, p. 319 (Karel VII); Quatrebarbes, Oeuvres du roi Ren&eacute;, I
+p. 129; Gaguini compendium super Francorum gestis, ed. Paris, 1500,
+begrafenis van Karel VIII, f. 164.</p></div>
+
+<a name='Footnote_844_844'></a><a href='#FNanchor_844_844'>[844]</a><div class='note'><p> Martial d'Auvergne, Vigilles de Charles VII. Les po&eacute;sies de
+Martial de Paris, dit d'Auvergne, Paris 1724, 2 vol., II p. 170.</p></div>
+
+<a name='Footnote_845_845'></a><a href='#FNanchor_845_845'>[845]</a><div class='note'><p> B.v. Froissart, ed. Luce, VIII p. 43.</p></div>
+
+<a name='Footnote_846_846'></a><a href='#FNanchor_846_846'>[846]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XI p. 367. Een variant leest &quot;proviseurs&quot;
+voor &quot;peintres&quot;, maar het zinsverband maakt het laatste aannemelijker.</p></div>
+
+<a name='Footnote_847_847'></a><a href='#FNanchor_847_847'>[847]</a><div class='note'><p> Pierre de Fenin, p. 624 van Bonne d'Artois: &quot;et avec ce ne portoit
+point d'estat sur son chief comment autres dames &agrave; elle pareilles&quot;.</p></div>
+
+<a name='Footnote_848_848'></a><a href='#FNanchor_848_848'>[848]</a><div class='note'><p> La livre des trahisons, p. 156.</p></div>
+
+<a name='Footnote_849_849'></a><a href='#FNanchor_849_849'>[849]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 375; La Marche, II p. 340, III p. 165;
+d'Escouchy, II p. 116; Laborde, II; zie Molinier, Les sources de l'hist.
+de France, nos. 3645, 3661, 3663, 5030; Inv. des arch. du Nord, IV p. 195.</p></div>
+
+<a name='Footnote_850_850'></a><a href='#FNanchor_850_850'>[850]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 340ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_851_851'></a><a href='#FNanchor_851_851'>[851]</a><div class='note'><p> Laborde, II p. 326.</p></div>
+
+<a name='Footnote_852_852'></a><a href='#FNanchor_852_852'>[852]</a><div class='note'><p> La Marche, III p. 197.</p></div>
+
+<a name='Footnote_853_853'></a><a href='#FNanchor_853_853'>[853]</a><div class='note'><p> Laborde, II p. 375, no. 4880.</p></div>
+
+<a name='Footnote_854_854'></a><a href='#FNanchor_854_854'>[854]</a><div class='note'><p> Laborde, II p. 322, 329.</p></div>
+
+<a name='Footnote_855_855'></a><a href='#FNanchor_855_855'>[855]</a><div class='note'><p> Chastellain. V p. 26<sup>2</sup>, Doutrepont, p. 156.</p></div>
+
+<a name='Footnote_856_856'></a><a href='#FNanchor_856_856'>[856]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, p. 378.</p></div>
+
+<a name='Footnote_857_857'></a><a href='#FNanchor_857_857'>[857]</a><div class='note'><p> Jacques du Clercq, II p. 280.</p></div>
+
+<a name='Footnote_858_858'></a><a href='#FNanchor_858_858'>[858]</a><div class='note'><p> Foulquart, bij d'H&eacute;ricault, Oeuvres de Coquillart, I p. 23<sup>1</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_859_859'></a><a href='#FNanchor_859_859'>[859]</a><div class='note'><p> Lef&egrave;vre de S. Remy, II p. 291.</p></div>
+
+<a name='Footnote_860_860'></a><a href='#FNanchor_860_860'>[860]</a><div class='note'><p> Londen, National gallery; Berlijn, Kaiser Friedrich Museum.</p></div>
+
+<a name='Footnote_861_861'></a><a href='#FNanchor_861_861'>[861]</a><div class='note'><p> W.H.J. Weale, Hubert and John van Eyck, Their life and work,
+London-New York, 1908, p. 70<sup>1</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_862_862'></a><a href='#FNanchor_862_862'>[862]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XI p. 197.</p></div>
+
+<a name='Footnote_863_863'></a><a href='#FNanchor_863_863'>[863]</a><div class='note'><p> P. Durrieu, Les tr&egrave;s richcs heures de Jean de France, duc de Berry
+(Heures de Chantilly), Paris, 1904, p. 81.</p></div>
+
+<a name='Footnote_864_864'></a><a href='#FNanchor_864_864'>[864]</a><div class='note'><p> Moll, Kerkgesch. II<sup>3</sup> p. 313 vg.; J.G.R. Acquoy, Het klooster
+van Windesheim en zijn invloed, Utrecht, 1875-'80, 3 vol., II p. 249.</p></div>
+
+<a name='Footnote_865_865'></a><a href='#FNanchor_865_865'>[865]</a><div class='note'><p> Th. a Kempis, Sermones ad novitios no. 28, Opera ed. Pohl. t. VI
+p. 287.</p></div>
+
+<a name='Footnote_866_866'></a><a href='#FNanchor_866_866'>[866]</a><div class='note'><p> Moll, l.c., II<sup>2</sup> p. 321, Acquoy. l.c., p. 222.</p></div>
+
+<a name='Footnote_867_867'></a><a href='#FNanchor_867_867'>[867]</a><div class='note'><p> Chastellain. IV p. 218.</p></div>
+
+<a name='Footnote_868_868'></a><a href='#FNanchor_868_868'>[868]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 398.</p></div>
+
+<a name='Footnote_869_869'></a><a href='#FNanchor_869_869'>[869]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 369.</p></div>
+
+<a name='Footnote_870_870'></a><a href='#FNanchor_870_870'>[870]</a><div class='note'><p> Chastellain, IV p. 136, 275, 359, 361, V p. 225; du Clercq, IV p. 7.</p></div>
+
+<a name='Footnote_871_871'></a><a href='#FNanchor_871_871'>[871]</a><div class='note'><p> Chastellain. III p. 332; du Clercq, III p. 56.</p></div>
+
+<a name='Footnote_872_872'></a><a href='#FNanchor_872_872'>[872]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 44, II p. 281; La Marche, II p. 85; du Clercq,
+III p. 56.</p></div>
+
+<a name='Footnote_873_873'></a><a href='#FNanchor_873_873'>[873]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 330.</p></div>
+
+<a name='Footnote_874_874'></a><a href='#FNanchor_874_874'>[874]</a><div class='note'><p> du Clercq, III p. 203.</p></div>
+
+<a name='Footnote_875_875'></a><a href='#FNanchor_875_875'>[875]</a><div class='note'><p> Facius, Liber de viris illustribus, ed. 1745, p. 46, bij Weale,
+Hubert and John van Eyck, p. lxxiii.</p></div>
+
+<a name='Footnote_876_876'></a><a href='#FNanchor_876_876'>[876]</a><div class='note'><p> Dion. Cartus., Opera, t. XXXIV p. 223.</p></div>
+
+<a name='Footnote_877_877'></a><a href='#FNanchor_877_877'>[877]</a><div class='note'><p> L.c., p. 247, 230.</p></div>
+
+<a name='Footnote_878_878'></a><a href='#FNanchor_878_878'>[878]</a><div class='note'><p> O. Z&ouml;ckler, Dionys des Kart&auml;users Schrift De venustate mundi,
+Beitrag zur Vorgeschichte der Asthetik, Theol. Studi&euml;n und Kritiken,
+1881, p. 651.</p></div>
+
+<a name='Footnote_879_879'></a><a href='#FNanchor_879_879'>[879]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., Opera, t. I Vita p. xxxvi.</p></div>
+
+<a name='Footnote_880_880'></a><a href='#FNanchor_880_880'>[880]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., De vita canonicorum, art. 20, Opera, t. XXXVII, p. 197:
+An discantus in divino obsequio sit commendabilis.</p></div>
+
+<a name='Footnote_881_881'></a><a href='#FNanchor_881_881'>[881]</a><div class='note'><p> Molinet, I p. 73; vgl. 67.</p></div>
+
+<a name='Footnote_882_882'></a><a href='#FNanchor_882_882'>[882]</a><div class='note'><p> Petri Alliaci De falsis prophetis, bij Gerson, Opera, I p. 538.</p></div>
+
+<a name='Footnote_883_883'></a><a href='#FNanchor_883_883'>[883]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 361.</p></div>
+
+<a name='Footnote_884_884'></a><a href='#FNanchor_884_884'>[884]</a><div class='note'><p> De venustate etc., t. XXXIV p. 242.</p></div>
+
+<a name='Footnote_885_885'></a><a href='#FNanchor_885_885'>[885]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, IV p. 90, VIII p. 43, 58, XI p. 53, 129; ed.
+Kervyn, XI p. 340, 360, XIII p. 150, XIV p. 157, 215.</p></div>
+
+<a name='Footnote_886_886'></a><a href='#FNanchor_886_886'>[886]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 155; II p. 211, II no. 307, p. 208; La Marche, I
+p. 274.</p></div>
+
+<a name='Footnote_887_887'></a><a href='#FNanchor_887_887'>[887]</a><div class='note'><p> Livre des trahisons, p. 150, 156; La Marche, II p. 12, 347, III
+p. 127, 89; Chastellain, IV p. 44; Chron. scand., I p. 26, 126.</p></div>
+
+<a name='Footnote_888_888'></a><a href='#FNanchor_888_888'>[888]</a><div class='note'><p> Lef&egrave;vre de S. Remy, II p. 294, 296.</p></div>
+
+<a name='Footnote_889_889'></a><a href='#FNanchor_889_889'>[889]</a><div class='note'><p> Couderc, Les comptes d'un grand couturier parisien au XV<sup>e</sup> si&egrave;cle,
+Bulletin de la soc. de l'hist. de Paris. XXXVIII, 1911, p. 125ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_890_890'></a><a href='#FNanchor_890_890'>[890]</a><div class='note'><p> b.v. Monstrelet. V p. 2; du Clercq, I p. 348.</p></div>
+
+<a name='Footnote_891_891'></a><a href='#FNanchor_891_891'>[891]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 343.</p></div>
+
+<a name='Footnote_892_892'></a><a href='#FNanchor_892_892'>[892]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 223; La Marche, I p. 276, II p. 11, 68, 345;
+du Clercq, II p. 197; Jean Germain, Liber de virtutibus, p. 11;
+Jouffroy, Oratio, p. 173.</p></div>
+
+<a name='Footnote_893_893'></a><a href='#FNanchor_893_893'>[893]</a><div class='note'><p> d'Escouchy, I p. 234.</p></div>
+
+<a name='Footnote_894_894'></a><a href='#FNanchor_894_894'>[894]</a><div class='note'><p> Zie hierboven p. 201. (zie Hoofdstuk IV, noot <a href="#FNanchor_384_384">384</a>)</p></div>
+
+<a name='Footnote_895_895'></a><a href='#FNanchor_895_895'>[895]</a><div class='note'><p> Le miroir de mariage, XVII vs. 1650; Deschamps, Oeuvres, IX p. 57.</p></div>
+
+<a name='Footnote_896_896'></a><a href='#FNanchor_896_896'>[896]</a><div class='note'><p> Chansons fran&ccedil;aises du quinzi&egrave;me si&egrave;cle, ed. G. Paris, (Soc. des
+anciens textes fran&ccedil;ais), 1875, no. XLX, p. 50; vgl. Deschamps, no. 415,
+III p. 217, no. 419, ib. p. 223, no. 423, ib. p. 227, no. 481, ib. p. 302,
+no. 728, IV p. 199; l'Amant rendu cordelier, h. 62, p. 23; Molinet,
+Faictz et Dictz, fol. 176.</p></div>
+
+<a name='Footnote_897_897'></a><a href='#FNanchor_897_897'>[897]</a><div class='note'><p> Blason des couleurs van den heraut Sicile (bij La Curne de Sainte
+Palaye, M&eacute;moires sur l'ancienne chevalerie II p. 56). Dit tractaat, dat
+nog door Rabelais wordt bespot als het eertijds toonaangevende op het
+stuk van de beteekenis der kleuren, was mij helaas niet toegankelijk.</p></div>
+
+<a name='Footnote_898_898'></a><a href='#FNanchor_898_898'>[898]</a><div class='note'><p> Cent balades d'amant et de dame no. 92, Christine de Pisan,
+Oeuvres po&eacute;tiques, III p. 299. Vgl. Deschamps, X no. 52; L'histoire et
+plaisante cronicque du petit Jehan de Saintr&eacute;, ed. G. Hell&eacute;ny, Paris,
+1890. p. 415.</p></div>
+
+<a name='Footnote_899_899'></a><a href='#FNanchor_899_899'>[899]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet, vs. 2054, p. 636; vgl. Les cent nouvelles
+nouvelles, II p. 118: &quot;craindroit tr&egrave;s fort estre du rang des bleuz
+vestuz, qu'on appelle communement noz amis.&quot;</p></div>
+
+<a name='Footnote_900_900'></a><a href='#FNanchor_900_900'>[900]</a><div class='note'><p> Chansons du XV<sup>e</sup> si&egrave;cle, no. 5, p. 5, no. 87, p. 85.</p></div>
+
+<a name='Footnote_901_901'></a><a href='#FNanchor_901_901'>[901]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 207.</p></div>
+
+<a name='Footnote_902_902'></a><a href='#FNanchor_902_902'>[902]</a><div class='note'><p> Erasmus, Ratio seu Methodus compendio perveniendi ad veram
+theologiam, ed. Bazel 1520, p. 146.</p></div>
+
+<a name='Footnote_903_903'></a><a href='#FNanchor_903_903'>[903]</a><div class='note'><p> E. Durand Gr&eacute;ville, Hubert et Jean van Eyck, Bruxelles, 1910,
+p. 119.</p></div>
+
+<a name='Footnote_904_904'></a><a href='#FNanchor_904_904'>[904]</a><div class='note'><p> p. <a href="#361">361</a>. (zie Hoofdstuk X, noot <a href="#FNanchor_721_721">720</a>)</p></div>
+
+<a name='Footnote_905_905'></a><a href='#FNanchor_905_905'>[905]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 594.</p></div>
+
+<a name='Footnote_906_906'></a><a href='#FNanchor_906_906'>[906]</a><div class='note'><p> Chastellain, I p. 11, 12. IV p. 21, 393, VII p. 160; La Marche,
+I p. 14; Molinet, I p. 23.</p></div>
+
+<a name='Footnote_907_907'></a><a href='#FNanchor_907_907'>[907]</a><div class='note'><p> Jean Robertet, bij Chastellain, VII p. 182.</p></div>
+
+<a name='Footnote_908_908'></a><a href='#FNanchor_908_908'>[908]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 219.</p></div>
+
+<a name='Footnote_909_909'></a><a href='#FNanchor_909_909'>[909]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 231ss.&mdash;Sint Antoine valt op 17 Januari.</p></div>
+
+<a name='Footnote_910_910'></a><a href='#FNanchor_910_910'>[910]</a><div class='note'><p> Oratoire, een door tapijten afgeschoten vertrekje in een kapel.</p></div>
+
+<a name='Footnote_911_911'></a><a href='#FNanchor_911_911'>[911]</a><div class='note'><p> Dooi.</p></div>
+
+<a name='Footnote_912_912'></a><a href='#FNanchor_912_912'>[912]</a><div class='note'><p> Een heuveltje, een aardhoop.</p></div>
+
+<a name='Footnote_913_913'></a><a href='#FNanchor_913_913'>[913]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 46, zie hierboven blz. 154 (zie Hoofdstuk III,
+noot <a href="#FNanchor_294_294">294</a>). vg. III 104, V 259.</p></div>
+
+<a name='Footnote_914_914'></a><a href='#FNanchor_914_914'>[914]</a><div class='note'><p> Helmen.</p></div>
+
+<a name='Footnote_915_915'></a><a href='#FNanchor_915_915'>[915]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 273, 269, 271.</p></div>
+
+<a name='Footnote_916_916'></a><a href='#FNanchor_916_916'>[916]</a><div class='note'><p> Zie de reproducties bij A. Michel, Histoire de l'art etc., Paris,
+1907 etc. 7 vol. parus, IV, 2 p. 711 en P. Durrieu. Les belles heures du
+duc de Berry, Gazette des beaux arts 1906, t. 35, p. 283.</p></div>
+
+<a name='Footnote_917_917'></a><a href='#FNanchor_917_917'>[917]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 50, XI p. 99. XIII p. 4.</p></div>
+
+<a name='Footnote_918_918'></a><a href='#FNanchor_918_918'>[918]</a><div class='note'><p> Dichter onbekend, gedrukt Deschamps, Oeuvres X no. 18, vgl. Le
+Debat du cuer et du corps de Villon, evenzoo Charles d'Orl&eacute;ans, rondel
+192.</p></div>
+
+<a name='Footnote_919_919'></a><a href='#FNanchor_919_919'>[919]</a><div class='note'><p> Dat blijkt.</p></div>
+
+<a name='Footnote_920_920'></a><a href='#FNanchor_920_920'>[920]</a><div class='note'><p> Ed. de 1522, fol. 101, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot etc.,
+Bibl. de l'&eacute;cole des chartes LVI, 1895, p. 301. Vgl. de balladen van
+Henri Baude, ed. Quicherat (Tr&eacute;sor des pi&egrave;ces rares ou in&eacute;dites, Paris
+1856), p. 26, 37, 55, 79.</p></div>
+
+<a name='Footnote_921_921'></a><a href='#FNanchor_921_921'>[921]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce. I p. 56, 66. 71, XI p. 13, ed. Kervyn. XII
+p. 2, 23; vgl. ook Deschamps, III p. 42.</p></div>
+
+<a name='Footnote_922_922'></a><a href='#FNanchor_922_922'>[922]</a><div class='note'><p> Froissart ed. Kervyn, XI p. 89.</p></div>
+
+<a name='Footnote_923_923'></a><a href='#FNanchor_923_923'>[923]</a><div class='note'><p> P. Durrieu, Les tr&egrave;s-riches heures de Jean de France duc de Berry,
+1904, pl. 38.</p></div>
+
+<a name='Footnote_924_924'></a><a href='#FNanchor_924_924'>[924]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi Ren&eacute;, ed. de Quatrebarbes, II p. 105.</p></div>
+
+<a name='Footnote_925_925'></a><a href='#FNanchor_925_925'>[925]</a><div class='note'><p> Deschamps, I nos. 61, 144; III nos. 454, 483, 524; IV nos. 617, 636.</p></div>
+
+<a name='Footnote_926_926'></a><a href='#FNanchor_926_926'>[926]</a><div class='note'><p> Durrieu. l.c. pl. 3, 9, 12.</p></div>
+
+<a name='Footnote_927_927'></a><a href='#FNanchor_927_927'>[927]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI p. 191, no. 1204.</p></div>
+
+<a name='Footnote_928_928'></a><a href='#FNanchor_928_928'>[928]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Luce, V p. 64, VIII p. 5, 48, XI p. 110, ed.
+Kervyn, XIII p. 14, 21, 84, 102, 264.</p></div>
+
+<a name='Footnote_929_929'></a><a href='#FNanchor_929_929'>[929]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XV p. 54, 109, 184, XVI p. 23, 52, ed.
+Luce. I p. 394.</p></div>
+
+<a name='Footnote_930_930'></a><a href='#FNanchor_930_930'>[930]</a><div class='note'><p> Froissart, XIII p. 13.</p></div>
+
+<a name='Footnote_931_931'></a><a href='#FNanchor_931_931'>[931]</a><div class='note'><p> G. de Machaut, Po&eacute;sies lyriques, ed. V. Chichmaref (Zapiski ist.
+fil. fakulteta imp. S. Peterb. universiteta XCII 1909) no. 60, I p. 74.</p></div>
+
+<a name='Footnote_932_932'></a><a href='#FNanchor_932_932'>[932]</a><div class='note'><p> La Borderie, l.c., p. 618.</p></div>
+
+<a name='Footnote_933_933'></a><a href='#FNanchor_933_933'>[933]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Oeuvres po&eacute;tiques, I p. 276.</p></div>
+
+<a name='Footnote_934_934'></a><a href='#FNanchor_934_934'>[934]</a><div class='note'><p> Ib. p. 164, no. 30.</p></div>
+
+<a name='Footnote_935_935'></a><a href='#FNanchor_935_935'>[935]</a><div class='note'><p> Ib. I p. 275, no. 5.</p></div>
+
+<a name='Footnote_936_936'></a><a href='#FNanchor_936_936'>[936]</a><div class='note'><p> Froissart, Po&eacute;sies, ed. Scheler, II p. 216.</p></div>
+
+<a name='Footnote_937_937'></a><a href='#FNanchor_937_937'>[937]</a><div class='note'><p> P. Michault, La dance aux aveugles etc., Lille, 1748.</p></div>
+
+<a name='Footnote_938_938'></a><a href='#FNanchor_938_938'>[938]</a><div class='note'><p> Recueil de po&eacute;sies fran&ccedil;oises des XV<sup>e</sup> et XVI<sup>e</sup> si&egrave;cles, ed. de
+Montaiglon (Bibl. elzevirienne) t. IX p. 59.</p></div>
+
+<a name='Footnote_939_939'></a><a href='#FNanchor_939_939'>[939]</a><div class='note'><p> Deschamps, VI no. 1202, p. 188.</p></div>
+
+<a name='Footnote_940_940'></a><a href='#FNanchor_940_940'>[940]</a><div class='note'><p> Het vee dat naar de wei gaat.</p></div>
+
+<a name='Footnote_941_941'></a><a href='#FNanchor_941_941'>[941]</a><div class='note'><p> Froissart, Po&eacute;sies. I p. 91.</p></div>
+
+<a name='Footnote_942_942'></a><a href='#FNanchor_942_942'>[942]</a><div class='note'><p> Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 22.</p></div>
+
+<a name='Footnote_943_943'></a><a href='#FNanchor_943_943'>[943]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 196, no. 90, p. 192, no. 87. IV p. 294, no. 788, V
+no.903, 905, 919, VII p. 220, no. 1375, vgl. II p. 86, no. 250, no.247.</p></div>
+
+<a name='Footnote_944_944'></a><a href='#FNanchor_944_944'>[944]</a><div class='note'><p> Durrieu, Les tres riches heures, pl. 38, 39, 60, 27, 28.</p></div>
+
+<a name='Footnote_945_945'></a><a href='#FNanchor_945_945'>[945]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 1060, V p. 351. no. 844, V p. 15.</p></div>
+
+<a name='Footnote_946_946'></a><a href='#FNanchor_946_946'>[946]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 256ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_947_947'></a><a href='#FNanchor_947_947'>[947]</a><div class='note'><p> Journal d'un bourgeois, p. 325<sup>2</sup>.</p></div>
+
+<a name='Footnote_948_948'></a><a href='#FNanchor_948_948'>[948]</a><div class='note'><p> Deschamps, nos. 1229, 1230, 1233, 1259, 1299, 1300, 1477, VI
+p. 230, 232, 237, 279, VII p. 52, 54, VIII p. 182, vgl. Gaguin's
+De validorum mendicantium astucia, Thuasne, II p. 169ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_949_949'></a><a href='#FNanchor_949_949'>[949]</a><div class='note'><p> Deschamps. no. 219, II p. 44, no. 2, I p. 71.</p></div>
+
+<a name='Footnote_950_950'></a><a href='#FNanchor_950_950'>[950]</a><div class='note'><p> Ib. IV, p. 291, no. 786.</p></div>
+
+<a name='Footnote_951_951'></a><a href='#FNanchor_951_951'>[951]</a><div class='note'><p> Biblioth&egrave;que de l'&eacute;cole des chartes, 2<sup>e</sup> s&eacute;rie III 1846, p. 70.</p></div>
+
+<a name='Footnote_952_952'></a><a href='#FNanchor_952_952'>[952]</a><div class='note'><p> Proverbia, 14.13.</p></div>
+
+<a name='Footnote_953_953'></a><a href='#FNanchor_953_953'>[953]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, La belle dame sans mercy, p. 503, 505, vgl. Le
+debat du reveille-matin, p. 498; Chansons du XV<sup>e</sup> si&egrave;cle, p. 71, no. 73;
+L'amant rendu cordelier &agrave; l'observance d'amours, vs. 371; Molinet,
+Faictz et dictz, ed. 1537, f. 172.</p></div>
+
+<a name='Footnote_954_954'></a><a href='#FNanchor_954_954'>[954]</a><div class='note'><p> Alain Chartier, Le debat des deux fortunes d'amours, p. 581.</p></div>
+
+<a name='Footnote_955_955'></a><a href='#FNanchor_955_955'>[955]</a><div class='note'><p> Oeuvres du roi Ren&eacute;, ed. Quatrebarbes, III p. 194.</p></div>
+
+<a name='Footnote_956_956'></a><a href='#FNanchor_956_956'>[956]</a><div class='note'><p> Charles d'Orl&eacute;ans, Po&eacute;sies compl&egrave;tes, p. 68.</p></div>
+
+<a name='Footnote_957_957'></a><a href='#FNanchor_957_957'>[957]</a><div class='note'><p> L.c., p. 88, ballade no. 19.</p></div>
+
+<a name='Footnote_958_958'></a><a href='#FNanchor_958_958'>[958]</a><div class='note'><p> L.c., chanson no. 62.</p></div>
+
+<a name='Footnote_959_959'></a><a href='#FNanchor_959_959'>[959]</a><div class='note'><p> Vgl. Alain Chartier, p. 559: &quot;Ou se le vent une fenestre boute,
+Dont il cuide que sa dame l'escoute, S'en va coucher joyeulx....&quot;</p></div>
+
+<a name='Footnote_960_960'></a><a href='#FNanchor_960_960'>[960]</a><div class='note'><p> Huitains 51, 53, 57, 167, 188, 192, ed. de Montaiglon, Soc. des
+anc. textes francais, 1881.</p></div>
+
+<a name='Footnote_961_961'></a><a href='#FNanchor_961_961'>[961]</a><div class='note'><p> Museum te Leipzig, no. 509.</p></div>
+
+<a name='Footnote_962_962'></a><a href='#FNanchor_962_962'>[962]</a><div class='note'><p> Juvenal des Ursins, 1418, p. 541; Journal d'un bourgeois de Paris,
+p. 92, 172.</p></div>
+
+<a name='Footnote_963_963'></a><a href='#FNanchor_963_963'>[963]</a><div class='note'><p> J. Veth &amp; S. Muller Fz., A. D&uuml;rer's Niederl&auml;ndische Reise,
+Berlin-Utrecht, 1918, 2 bde, I p. 13.</p></div>
+
+<a name='Footnote_964_964'></a><a href='#FNanchor_964_964'>[964]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 414.</p></div>
+
+<a name='Footnote_965_965'></a><a href='#FNanchor_965_965'>[965]</a><div class='note'><p> Chron. scand., I p. 27.</p></div>
+
+<a name='Footnote_966_966'></a><a href='#FNanchor_966_966'>[966]</a><div class='note'><p> Molinet, V p. 15.</p></div>
+
+<a name='Footnote_967_967'></a><a href='#FNanchor_967_967'>[967]</a><div class='note'><p> Lefebvre, Th&eacute;atre de Lille, p. 54, bij Doutrepont, p. 354.</p></div>
+
+<a name='Footnote_968_968'></a><a href='#FNanchor_968_968'>[968]</a><div class='note'><p> Th. Godefroy, Le ceremonial fran&ccedil;ois, 1649, p. 617.</p></div>
+
+<a name='Footnote_969_969'></a><a href='#FNanchor_969_969'>[969]</a><div class='note'><p> J. B. Houwaert, Declaratie van die triumphante Incompst van den
+... Prince van Oraingnien etc.; t'Antwerpen, Plantijn 1579, p. 39.</p></div>
+
+<a name='Footnote_970_970'></a><a href='#FNanchor_970_970'>[970]</a><div class='note'><p> De these van Emile Male omtrent den invloed der
+theatervoorstelling op de schilderkunst moge hier blijven rusten.</p></div>
+
+<a name='Footnote_971_971'></a><a href='#FNanchor_971_971'>[971]</a><div class='note'><p> Zie P. Durrieu, Gazette des beaux arts, 1906, t. 35, p. 275.</p></div>
+
+<a name='Footnote_972_972'></a><a href='#FNanchor_972_972'>[972]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Epitre d'Oth&eacute;a &agrave; Hector, Ms. 9392 de Jean
+Mi&eacute;lot, ed. J. van den Gheyn, Bruxelles 1913.</p></div>
+
+<a name='Footnote_973_973'></a><a href='#FNanchor_973_973'>[973]</a><div class='note'><p> L.c., pl. 5, 8, 26, 24, 25.</p></div>
+
+<a name='Footnote_974_974'></a><a href='#FNanchor_974_974'>[974]</a><div class='note'><p> Van den Gheyn, Epitre d'Oth&eacute;a, pl. I en 3; Michel, Histoire de
+l'art IV, 2 p. 603, Michel Colombe, grafmonument uit de kathedraal van
+Nantes, id. 616, figuur van Temperantia aan het grafmonument der
+kardinalen van Amboise in de kathedraal van Rouen.</p></div>
+
+<a name='Footnote_975_975'></a><a href='#FNanchor_975_975'>[975]</a><div class='note'><p> Zie daarover mijn opstel Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal
+besef, De Gids 1912, I.</p></div>
+
+<a name='Footnote_976_976'></a><a href='#FNanchor_976_976'>[976]</a><div class='note'><p> Exposition sur verit&eacute; mal prise, Chastellain, VI p. 249.</p></div>
+
+<a name='Footnote_977_977'></a><a href='#FNanchor_977_977'>[977]</a><div class='note'><p> zuur.</p></div>
+
+<a name='Footnote_978_978'></a><a href='#FNanchor_978_978'>[978]</a><div class='note'><p> gordel.</p></div>
+
+<a name='Footnote_979_979'></a><a href='#FNanchor_979_979'>[979]</a><div class='note'><p> Le livre de paix, Chastellain, VII p. 375.</p></div>
+
+<a name='Footnote_980_980'></a><a href='#FNanchor_980_980'>[980]</a><div class='note'><p> Advertissement au duc Charles, Chastellain. VII p. 304 ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_981_981'></a><a href='#FNanchor_981_981'>[981]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 237 ss.</p></div>
+
+<a name='Footnote_982_982'></a><a href='#FNanchor_982_982'>[982]</a><div class='note'><p> Molinet, Le miroir de la mort, fragment bij Chastellain, VI
+p. 460.</p></div>
+
+<a name='Footnote_983_983'></a><a href='#FNanchor_983_983'>[983]</a><div class='note'><p> Chastellain. VII p. 419.</p></div>
+
+<a name='Footnote_984_984'></a><a href='#FNanchor_984_984'>[984]</a><div class='note'><p> Deschamps, I p. 170.</p></div>
+
+<a name='Footnote_985_985'></a><a href='#FNanchor_985_985'>[985]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet, vs. 501, 7240, 5768.</p></div>
+
+<a name='Footnote_986_986'></a><a href='#FNanchor_986_986'>[986]</a><div class='note'><p> Vgl. voor de vermenging van pastorale en politiek Deschamps, III
+p. 62, no. 344, p. 93, no. 359.</p></div>
+
+<a name='Footnote_987_987'></a><a href='#FNanchor_987_987'>[987]</a><div class='note'><p> Molinet, Faictz et dictz, f. 1.</p></div>
+
+<a name='Footnote_988_988'></a><a href='#FNanchor_988_988'>[988]</a><div class='note'><p> Molinet, Chronique, IV p. 307.</p></div>
+
+<a name='Footnote_989_989'></a><a href='#FNanchor_989_989'>[989]</a><div class='note'><p> Bij E. Langlois, Le roman de la rose (Soc. des anc. textes) 1914,
+I p. 33.</p></div>
+
+<a name='Footnote_990_990'></a><a href='#FNanchor_990_990'>[990]</a><div class='note'><p> Recueil de Chansons etc. (Soc. des bibliophiles belges), III p. 31.</p></div>
+
+<a name='Footnote_991_991'></a><a href='#FNanchor_991_991'>[991]</a><div class='note'><p> La Borderie, l.c., p. 603, 632.</p></div>
+
+<a name='Footnote_992_992'></a><a href='#FNanchor_992_992'>[992]</a><div class='note'><p> N. de Clemanges, Opera ed. Lydius, Lugd. Bat., 1613; Joh. de
+Monasteriolo, Epistolae, Mart&egrave;ne &amp; Durand, Amplissima Collectio, II col.
+1310.</p></div>
+
+<a name='Footnote_993_993'></a><a href='#FNanchor_993_993'>[993]</a><div class='note'><p> Ep. 69 c. 1447, ep. 15 c. 1338.</p></div>
+
+<a name='Footnote_994_994'></a><a href='#FNanchor_994_994'>[994]</a><div class='note'><p> Ep. 59 c. 1426, 58, c. 1423.</p></div>
+
+<a name='Footnote_995_995'></a><a href='#FNanchor_995_995'>[995]</a><div class='note'><p> Ep. 40, col. 1388, 1396.</p></div>
+
+<a name='Footnote_996_996'></a><a href='#FNanchor_996_996'>[996]</a><div class='note'><p> Ep. 59, 67, col. 1427, 1435.</p></div>
+
+<a name='Footnote_997_997'></a><a href='#FNanchor_997_997'>[997]</a><div class='note'><p> Le livre du Voir-Dit, p. xviii.</p></div>
+
+<a name='Footnote_998_998'></a><a href='#FNanchor_998_998'>[998]</a><div class='note'><p> Ep. 38, col. 1385.</p></div>
+
+<a name='Footnote_999_999'></a><a href='#FNanchor_999_999'>[999]</a><div class='note'><p> Zie hierboven p. <a href="#324">324</a>. (zie Hoofdstuk VIII, tekst voor noot 665)</p></div>
+
+<a name='Footnote_1000_1000'></a><a href='#FNanchor_1000_1000'>[1000]</a><div class='note'><p> Gerson, Opera, I p. 922.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1001_1001'></a><a href='#FNanchor_1001_1001'>[1001]</a><div class='note'><p> Dion. Cart., t. XXXVII p. 495.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1002_1002'></a><a href='#FNanchor_1002_1002'>[1002]</a><div class='note'><p> Petrarca, Opera, ed. Bazel 1581, p. 847.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1003_1003'></a><a href='#FNanchor_1003_1003'>[1003]</a><div class='note'><p> Clemanges, Opera. Ep. 5, p. 24; J. de Monstr., Ep. 50, col. 1428.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1004_1004'></a><a href='#FNanchor_1004_1004'>[1004]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 75-143, vgl. V p. 38-40, VI p. 80; VIII p. 358,
+Le livre des trahisons, p. 145.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1005_1005'></a><a href='#FNanchor_1005_1005'>[1005]</a><div class='note'><p> Machaut, Le Voir-Dit, p. 230; Chastellain, VI p, 194, La Marche,
+III p. 166; Le Pastoralet vs.2806; Le Jouvencel, I p. 16.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1006_1006'></a><a href='#FNanchor_1006_1006'>[1006]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet vs. 541, 4612.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1007_1007'></a><a href='#FNanchor_1007_1007'>[1007]</a><div class='note'><p> Chastellain, III p. 173, 117, 359 enz.; Molinet, II p. 207.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1008_1008'></a><a href='#FNanchor_1008_1008'>[1008]</a><div class='note'><p> J. Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae (Chron.
+rel. &agrave; l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III).</p></div>
+
+<a name='Footnote_1009_1009'></a><a href='#FNanchor_1009_1009'>[1009]</a><div class='note'><p> Zie hierboven p. <a href="#107">107</a>. (zie Hoofdstuk III, tekst volgend op noot
+194)</p></div>
+
+<a name='Footnote_1010_1010'></a><a href='#FNanchor_1010_1010'>[1010]</a><div class='note'><p> Chronique scandaleuse, II p. 42.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1011_1011'></a><a href='#FNanchor_1011_1011'>[1011]</a><div class='note'><p> Christine de Pisan, Oeuvres po&eacute;tiques, I no. 90. p. 90.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1012_1012'></a><a href='#FNanchor_1012_1012'>[1012]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 285, II p. 138.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1013_1013'></a><a href='#FNanchor_1013_1013'>[1013]</a><div class='note'><p> Villon, ed. Longnon p. 15, h. 36-38; Rabelais, Pantagruel, 1. 2.
+ch. 6.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1014_1014'></a><a href='#FNanchor_1014_1014'>[1014]</a><div class='note'><p> Chastellain, V p. 292ss; La Marche, Parement et triumphe des
+dames, Prologue; Molinet, Faictz et dictz, Prologue, id. Chronique,
+I p. 72, 10. 54.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1015_1015'></a><a href='#FNanchor_1015_1015'>[1015]</a><div class='note'><p> Uittreksels bij Kervyn de Lettenhove, Oeuvres de Chastellain,
+VII p. 145-186; zie P. Durrieu, Un barbier de nom fran&ccedil;ais &agrave; Bruges,
+Acad&eacute;mie des inscriptions et belles-lettres, Comptes rendus 1917,
+p. 542-558.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1016_1016'></a><a href='#FNanchor_1016_1016'>[1016]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 146.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1017_1017'></a><a href='#FNanchor_1017_1017'>[1017]</a><div class='note'><p> Ib. p. 180.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1018_1018'></a><a href='#FNanchor_1018_1018'>[1018]</a><div class='note'><p> La Marche, I p. 15, 184-186; Molinet, I p. 14, III p. 99;
+Chastellain, VI: Exposition sur verit&eacute; mal prise, VII p. 76, 29, 142,
+422; Commines, I p. 3; vgl. Doutrepont, p. 24.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1019_1019'></a><a href='#FNanchor_1019_1019'>[1019]</a><div class='note'><p> Chastellain, VII p. 159.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1020_1020'></a><a href='#FNanchor_1020_1020'>[1020]</a><div class='note'><p> Ib.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1021_1021'></a><a href='#FNanchor_1021_1021'>[1021]</a><div class='note'><p> Thuasne, R. Gaguini Ep. &amp; Or, I p. 126.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1022_1022'></a><a href='#FNanchor_1022_1022'>[1022]</a><div class='note'><p> Thuasne, I p. 20.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1023_1023'></a><a href='#FNanchor_1023_1023'>[1023]</a><div class='note'><p> Thuasne. I p. 178, II p. 509.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1024_1024'></a><a href='#FNanchor_1024_1024'>[1024]</a><div class='note'><p> Deschamps, no. 63, I p. 158.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1025_1025'></a><a href='#FNanchor_1025_1025'>[1025]</a><div class='note'><p> Villon, Testament vs. 899, ed. Longnon, p. 58.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1026_1026'></a><a href='#FNanchor_1026_1026'>[1026]</a><div class='note'><p> Le Pastoralet vs. 2094.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1027_1027'></a><a href='#FNanchor_1027_1027'>[1027]</a><div class='note'><p> Ib. vs. 30, p. 574.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1028_1028'></a><a href='#FNanchor_1028_1028'>[1028]</a><div class='note'><p> Molinet, V p. 21.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1029_1029'></a><a href='#FNanchor_1029_1029'>[1029]</a><div class='note'><p> Chastellain, Le dit de verit&eacute;, VI p. 221, vgl. Exposition sur
+verit&eacute; mal prise, ib. p. 297, 310.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1030_1030'></a><a href='#FNanchor_1030_1030'>[1030]</a><div class='note'><p> La Marche, II p. 68.</p></div>
+
+<a name='Footnote_1031_1031'></a><a href='#FNanchor_1031_1031'>[1031]</a><div class='note'><p> Roman de la rose vs. 20141; a&iuml;st=helpe, dont=dat ik.</p></div>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+<br />
+
+<p><b><a name='REGISTER'></a>REGISTER</b></p>
+<br />
+
+<p>Cursief gedrukte namen verwijzen naar den volledigen titel van
+afgekort aangehaalde werken.</p>
+<br />
+
+<pre>
+Abuz&eacute; en Court, L'; <a href='#175'>175</a>
+Adel, Taak van den; <a href='#97'>97</a>.
+Adeldom in deugd; <a href='#94'>94</a>.
+Adellijke levensvormen nagevolgd door de burgerij; <a href='#146'>146</a>.
+Agricola, Rudolf; <a href='#258'>258</a>.
+Ailly, Pierre d'; <a href='#174'>174</a>, <a href='#245'>245</a>, <a href='#246'>246</a>, <a href='#265'>265</a>, <a href='#273'>273</a>, <a href='#290'>290</a>, <a href='#359'>359</a>, <a href='#459'>459</a>.
+Alain de la Roche; <a href='#246'>246</a>, <a href='#333'>333</a> vg., <a href='#347'>347</a>, <a href='#382'>382</a>.
+<i>Alain de la Roche</i>; noot <a href='#Alanus'>65</a>.
+Alanus de Rupe, zie Alain de la Roche.
+Alcuin; <a href='#536'>536</a>.
+<i>Alienor</i>, zie <i>Poitiers</i>.
+Allegoriel; <a href='#188'>188</a>-<a href='#192'>192</a>, <a href='#342'>342</a> vg., <a href='#526'>526</a>, <a href='#529'>529</a>.
+Amadis-romans; <a href='#119'>119</a>.
+Amant rendu cordelier, L'; <a href='#185'>185</a>, <a href='#517'>517</a> vg., <a href='#542'>542</a>.
+Amoureux de l'observance; <a href='#184'>184</a>.
+Amuletten; <a href='#419'>419</a>.
+Andrieskruis; <a href='#23'>23</a>, <a href='#25'>25</a>, <a href='#153'>153</a>.
+Anjou, Isabella van; <a href='#234'>234</a>.
+Anjou, Lodewijk van; <a href='#69'>69</a>, <a href='#301'>301</a>.
+Anjou, Margareta van, koningin van Engeland; <a href='#17'>17</a>, <a href='#64'>64</a>, <a href='#128'>128</a>, <a href='#538'>538</a>.
+Anjou, Ren&eacute; van; zie Ren&eacute;, koning.
+Anthropomorphisme; <a href='#342'>342</a>.
+Antieke helden; <a href='#105'>105</a>.
+Aquino, Thomas van; <a href='#273'>273</a>, <a href='#368'>368</a>, <a href='#420'>420</a>.
+Arbre des batailles, L'; <a href='#398'>398</a>.
+Arc, Jeanne d'; <a href='#6'>6</a>, <a href='#109'>109</a>, <a href='#113'>113</a>, <a href='#230'>230</a>, <a href='#249'>249</a>, <a href='#274'>274</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#422'>422</a>.
+Archipoeta; <a href='#547'>547</a>.
+Arkel; <a href='#167'>167</a>.
+Armagnacs; <a href='#3'>3</a>, <a href='#23'>23</a>, <a href='#25'>25</a>, <a href='#31'>31</a>.
+Armenti&egrave;res, Peronnelle d'; <a href='#204'>204</a> vg., <a href='#209'>209</a>, <a href='#211'>211</a>, <a href='#536'>536</a>.
+Arnemuyden, Margareta van; <a href='#167'>167</a>.
+Arnolfini, Jean; <a href='#443'>443</a> vg., <a href='#469'>469</a>.
+Arrestz d'amour; <a href='#184'>184</a>, <a href='#203'>203</a>.
+Ars moriendi; <a href='#235'>235</a>, <a href='#236'>236</a>.
+Artevelde, Philips van; <a href='#45'>45</a>, <a href='#146'>146</a>, <a href='#163'>163</a>.
+Artois, Philippe d'; <a href='#121'>121</a>.
+Artois, Robert van; <a href='#139'>139</a>, <a href='#144'>144</a>.
+Atharvaveda; <a href='#368'>368</a>.
+Aubriot, Hugues; <a href='#252'>252</a>, <a href='#268'>268</a>, <a href='#393'>393</a>.
+Augustinus; <a href='#34'>34</a>, <a href='#420'>420</a>, <a href='#456'>456</a>.
+Aurea mediocritas; <a href='#170'>170</a>.
+Auvergne, Martial d'; <a href='#203'>203</a>, <a href='#234'>234</a>, <a href='#240'>240</a>, <a href='#517'>517</a>.
+Azincourt <a href='#110'>110</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#160'>160</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#230'>230</a>.
+Azincourt, Regnault d'; <a href='#199'>199</a>.
+
+Bach, Johann Sebastian; <a href='#471'>471</a>.
+Baerze, Jacques de; <a href='#432'>432</a>.
+Bajazid; <a href='#110'>110</a>, <a href='#121'>121</a>, <a href='#125'>125</a>.
+Ball, John; <a href='#95'>95</a>.
+Balue, Jean, bisschop van Evreux, kardinaal enz.; <a href='#62'>62</a>.
+Bandello; <a href='#154'>154</a>.
+Bar, Louis de, kardinaal; <a href='#68'>68</a>.
+Barante, De; <a href='#421'>421</a>.
+Basin, Thomas, bisschop van Lisieux; <a href='#100'>100</a>, <a href='#403'>403</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#408'>408</a>.
+<i>Basin, Thomas</i>; noot <a href='#Thomas'>26</a>.
+Baude, Henri; <a href='#400'>400</a>, <a href='#542'>542</a>.
+Baudricourt, Robert de, gouverneur van Vaucouleurs; <a href='#407'>407</a>.
+Beaugrant, Madame de; <a href='#30'>30</a>.
+Beaumanoir, Robert de; <a href='#104'>104</a>, <a href='#300'>300</a>.
+Beaumont, Jan van; <a href='#123'>123</a>, <a href='#145'>145</a>.
+Beauneveu, Andr&eacute;; <a href='#445'>445</a>.
+Bedelaars; <a href='#512'>512</a>.
+Bedevaarten; <a href='#207'>207</a>.
+Bedford, John of Lancaster, hertog van; <a href='#70'>70</a>, <a href='#79'>79</a>, <a href='#132'>132</a>, <a href='#159'>159</a>, <a href='#292'>292</a>.
+Begarden; <a href='#329'>329</a>.
+Begrafenis, Vorstelijke; <a href='#70'>70</a>.
+Beieren, Albrecht van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland; <a href='#134'>134</a>, <a href='#167'>167</a>.
+Beieren, Jan van, elect van Luik, later graaf van Holland en Zeeland; <a href='#68'>68</a>, <a href='#293'>293</a>.
+Beieren, Margareta van, hertogin van Bourgondi&euml;; <a href='#309'>309</a>.
+Beieren, Willem VI van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland; <a href='#168'>168</a>.
+Beleefdheidsstrijd; <a href='#62'>62</a>-<a href='#68'>68</a>.
+Belon la Folle; <a href='#30'>30</a>.
+Benedictus XIII; <a href='#17'>17</a>, <a href='#24'>24</a>, <a href='#141'>141</a>.
+Bernard van Clairvaux; <a href='#311'>311</a>, <a href='#314'>314</a>, <a href='#318'>318</a>, <a href='#333'>333</a>, <a href='#368'>368</a>, <a href='#383'>383</a>, <a href='#425'>425</a>.
+Bernardino van Siena; <a href='#82'>82</a>, <a href='#289'>289</a>, <a href='#299'>299</a>, <a href='#336'>336</a>.
+Beroepsideaal; <a href='#360'>360</a>.
+Berry, Jan, hertog van; <a href='#159'>159</a>, <a href='#193'>193</a>, <a href='#231'>231</a>, <a href='#238'>238</a>, <a href='#273'>273</a>, <a href='#303'>303</a>, <a href='#390'>390</a>, <a href='#426'>426</a>, <a href='#445'>445</a>.
+Berry, Karel, hertog van; <a href='#162'>162</a>.
+Berry, heraut; <a href='#102'>102</a>.
+Berthelemy, Jean; <a href='#332'>332</a>.
+Bespotting van het geloof; <a href='#266'>266</a>.
+B&eacute;tisac, Jean; <a href='#267'>267</a>.
+Beurtgesprek, als stijlmiddel; <a href='#490'>490</a> vg.
+Bizarre in schilderkunst en litteratuur, Het; <a href='#510'>510</a>.
+Bladelyn, Pieter; <a href='#449'>449</a> vg.
+Bloed des Verlossers; <a href='#333'>333</a>, <a href='#368'>368</a>.
+Bloedwraak; <a href='#20'>20</a>.
+Blois, Charles de; <a href='#300'>300</a> vg.
+Blois, Jean de, heer van Gouda en Schoonhoven; <a href='#300'>300</a>, <a href='#500'>500</a>.
+Blois, Jean de; <a href='#302'>302</a>.
+Boccaccio; <a href='#391'>391</a>, <a href='#537'>537</a> vg.
+Bodin, Jean; <a href='#411'>411</a>.
+Boeddhisme; <a href='#46'>46</a>, <a href='#363'>363</a>, <a href='#383'>383</a>.
+Boeufs, Pierre aux; <a href='#389'>389</a>.
+Bois, Manssart du; <a href='#5'>5</a>.
+Bonaventura; <a href='#333'>333</a>, <a href='#356'>356</a>.
+Bonet, Honor&eacute;; <a href='#398'>398</a>.
+Boniface, Jean de; <a href='#142'>142</a>.
+Borgia, Cesare; <a href='#154'>154</a>.
+Borromeus, Karel; <a href='#299'>299</a>.
+Boucicaut, Jean le Meingre, mar&eacute;chal de; <a href='#97'>97</a>, <a href='#110'>110</a> vg., <a href='#113'>113</a>, <a href='#121'>121</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#166'>166</a>, <a href='#193'>193</a>,
+<a href='#198'>198</a>, <a href='#199'>199</a>, <a href='#238'>238</a>, <a href='#243'>243</a>.
+<i>Boucicaut, Livre des faicts du mareschal de</i>; noot <a href='#Boucicaut'>169</a>.
+Bourbon, Isabella van; zie Charolais.
+Bourbon, Jacques de; <a href='#297'>297</a>.
+Bourbon, Jean de; <a href='#142'>142</a>.
+Bourbon, Louis de; <a href='#134'>134</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#303'>303</a>.
+Bourgeois de Paris; <a href='#352'>352</a>, <a href='#521'>521</a>.
+<i>Bourgeois de Paris; zie Journal</i>.
+Bourgogne, Mademoiselle de; <a href='#30'>30</a>.
+Bourgondi&euml;, Anna van, hertogin van Bedford; <a href='#292'>292</a>.
+Bourgondi&euml;, David van, bisschop van Utrecht; <a href='#258'>258</a>, <a href='#446'>446</a>.
+Bourgondi&euml;, zie onder de voornamen.
+Bourguignons; <a href='#3'>3</a>, <a href='#23'>23</a>, <a href='#25'>25</a>, <a href='#152'>152</a>.
+Bouts, Dirk; <a href='#426'>426</a>, <a href='#448'>448</a>, <a href='#525'>525</a>.
+Brabant, Antonie van Bourgondi&euml;, hertog van; <a href='#182'>182</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#199'>199</a>.
+Brabant, Wencelyn, hertog van; <a href='#509'>509</a>.
+Brandebourch; <a href='#104'>104</a>.
+Breaut&eacute;, Pierre de; <a href='#160'>160</a>.
+Bretagne, Frans II, hertog van; <a href='#162'>162</a>.
+Bretagne, Jan V, hertog van; <a href='#389'>389</a>.
+Bretagne, Frans III, hertog van; <a href='#523'>523</a>.
+Breughel, Pieter; <a href='#354'>354</a>, <a href='#430'>430</a>, <a href='#510'>510</a>, <a href='#511'>511</a>.
+Brigitta van Zweden; <a href='#322'>322</a>.
+Broederlam, Melchior; <a href='#276'>276</a>, <a href='#429'>429</a>, <a href='#430'>430</a>, <a href='#432'>432</a>, <a href='#510'>510</a>.
+Broeders van den Vrijen Geest; <a href='#329'>329</a>.
+Brugman, Johannes; <a href='#16'>16</a>, <a href='#311'>311</a>, <a href='#330'>330</a>, <a href='#360'>360</a>, <a href='#382'>382</a>, <a href='#453'>453</a>.
+Bruiloft; <a href='#181'>181</a>.
+Bueil, Jean de; <a href='#109'>109</a>, <a href='#110'>110</a>, <a href='#112'>112</a>.
+Burckhardt, Jakob; <a href='#20'>20</a>, <a href='#58'>58</a>, <a href='#103'>103</a>, <a href='#242'>242</a>.
+Burgerij; <a href='#90'>90</a>.
+Burne Jones, Edward; <a href='#117'>117</a>.
+Busnois, Antoine; <a href='#446'>446</a>.
+Bussy, Oudart de; <a href='#5'>5</a>.
+Bijgeloof; <a href='#411'>411</a> vg.
+
+Capeluche, beul van Parijs; <a href='#69'>69</a>.
+Capistrano, Johannes; <a href='#299'>299</a>.
+Carr, Robert; <a href='#81'>81</a>.
+Casu&iuml;stiek; <a href='#396'>396</a>.
+Casu&iuml;stiek der liefde; <a href='#202'>202</a>.
+Catharina van Siena; <a href='#322'>322</a>, <a href='#329'>329</a>, <a href='#333'>333</a>.
+Caxton, William; <a href='#441'>441</a>.
+Celestijnen, klooster der, te Parijs; <a href='#292'>292</a>, <a href='#293'>293</a>, <a href='#296'>296</a>, <a href='#298'>298</a>, <a href='#302'>302</a>, <a href='#548'>548</a>.
+Cent ballades; <a href='#121'>121</a>, <a href='#193'>193</a>.
+<i>Cent Ballades, Le livre des</i>; noot <a href='#cent'>207</a>.
+Cent nouvelles nouvelles; <a href='#182'>182</a>, <a href='#184'>184</a>, <a href='#211'>211</a>, <a href='#251'>251</a>, <a href='#256'>256</a>, <a href='#266'>266</a>, <a href='#517'>517</a>.
+Chaise-Dieu, La; <a href='#233'>233</a>.
+Champion, P.; <a href='#39'>39</a>.
+<i>Champion, P. zie Villon</i>.
+Charny, Geoffroi de; <a href='#397'>397</a>.
+<i>Charny, Le livre messire Geoffroi de</i>; <a href='#45'>45</a>.
+Charolais, Isabella van Bourbon, gravin van; <a href='#76'>76</a>, <a href='#78'>78</a>, <a href='#79'>79</a>, <a href='#404'>404</a>.
+Charolais; zie Karel de Stoute.
+Chartier, Alain; <a href='#93'>93</a>, <a href='#134'>134</a>, <a href='#175'>175</a>, <a href='#361'>361</a>, <a href='#393'>393</a>, <a href='#479'>479</a>, <a href='#494'>494</a>, <a href='#514'>514</a> vg., <a href='#546'>546</a>.
+<i>Chartier, Alain</i>; noot <a href='#Chartier'>65</a>.
+<i>Chartier, Jean</i>; noot <a href='#Jean'>13</a>.
+Chastellain, Georges; <a href='#3'>3</a>, <a href='#11'>11</a>, <a href='#12'>12</a>, <a href='#13'>13</a>, <a href='#18'>18</a>, <a href='#20'>20</a>, <a href='#44'>44</a>, <a href='#57'>57</a>, <a href='#58'>58</a>, <a href='#63'>63</a>, <a href='#75'>75</a>, <a href='#76'>76</a>, <a href='#77'>77</a>, <a href='#82'>82</a>, <a href='#88'>88</a>,
+<a href='#89'>89</a>, <a href='#90'>90</a>, <a href='#91'>91</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#102'>102</a>, <a href='#104'>104</a>, <a href='#106'>106</a>, <a href='#109'>109</a>, <a href='#132'>132</a>, <a href='#155'>155</a>, <a href='#156'>156</a>, <a href='#163'>163</a>, <a href='#166'>166</a>, <a href='#222'>222</a>, <a href='#236'>236</a>, <a href='#260'>260</a>, <a href='#349'>349</a>,
+<a href='#406'>406</a>, <a href='#414'>414</a>, <a href='#421'>421</a>, <a href='#451'>451</a>, <a href='#483'>483</a> vg., <a href='#494'>494</a>, <a href='#511'>511</a>, <a href='#527'>527</a>, <a href='#529'>529</a>, <a href='#538'>538</a>, <a href='#541'>541</a> vg., <a href='#548'>548</a>.
+<i>Chastellain, Georges</i>; noot <a href='#Oeuvres'>1</a>.
+Ch&acirc;tel, Guillaume du; <a href='#158'>158</a>.
+Ch&acirc;telier, Jacques du, bisschop van Parijs; <a href='#36'>36</a>.
+Chaucer, Geoffrey; <a href='#540'>540</a>.
+Chevalier, Etienne; <a href='#257'>257</a>.
+Chevalier du guet; <a href='#61'>61</a>.
+Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison; zie Orde van de Ster.
+Chevrot, Jean, bisschop van Doornik; <a href='#151'>151</a>, <a href='#440'>440</a>, <a href='#449'>449</a>.
+Chopinel; zie Clopinel.
+<i>Chronique scandaleuse</i>; noot <a href='#Chronique'>4</a>.
+Cicero <a href='#95'>95</a>, <a href='#535'>535</a>.
+Cleef, Jan I, hertog van; <a href='#83'>83</a>.
+Cleef, Adolf van, heer van Ravestein; <a href='#76'>76</a>.
+Clemanges, Nicolaas van; <a href='#92'>92</a>, <a href='#174'>174</a>, <a href='#194'>194</a>, <a href='#245'>245</a>, <a href='#259'>259</a>, <a href='#261'>261</a>, <a href='#262'>262</a>, <a href='#534'>534</a> vg.
+<i>Clemanges, Nicolaas van</i>; noot <a href='#Clemanges'>155</a>.
+Clemens V; <a href='#27'>27</a>.
+Clercq, Jacques du; <a href='#39'>39</a>, <a href='#135'>135</a>, <a href='#268'>268</a>, <a href='#403'>403</a>, <a href='#415'>415</a>, <a href='#451'>451</a>.
+<i>Clercq, Jacques du</i>; noot <a href='#Jacques'>14</a>.
+Clisson, Olivier de, conn&eacute;table van Frankrijk; <a href='#158'>158</a>.
+Clopinel, Jean; <a href='#178'>178</a>, <a href='#189'>189</a>, <a href='#192'>192</a>, <a href='#193'>193</a>, <a href='#194'>194</a>, <a href='#195'>195</a>, <a href='#520'>520</a>, <a href='#549'>549</a>.
+Coeur, Jacques; <a href='#91'>91</a>, <a href='#147'>147</a>.
+Co&iuml;mbra, Jan van; <a href='#10'>10</a>.
+Coitier, Jacques; <a href='#308'>308</a>.
+Col, Gontier; <a href='#175'>175</a>, <a href='#194'>194</a>, <a href='#200'>200</a>, <a href='#534'>534</a> vg.
+Col, Pierre; <a href='#194'>194</a>, <a href='#195'>195</a>, <a href='#196'>196</a>, <a href='#200'>200</a>.
+Colette Boellet, Sainte; <a href='#297'>297</a>, <a href='#299'>299</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#314'>314</a>, <a href='#324'>324</a>, <a href='#446'>446</a>, <a href='#447'>447</a>.
+Combat des Trente; <a href='#104'>104</a>, <a href='#158'>158</a>, <a href='#167'>167</a>.
+Commines, Philippe de; <a href='#82'>82</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#106'>106</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#166'>166</a>, <a href='#167'>167</a>, <a href='#169'>169</a>, <a href='#308'>308</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#406'>406</a>,
+<a href='#407'>407</a>, <a href='#544'>544</a>.
+<i>Commines, Philippe de</i>; noot <a href='#Commines'>138</a>.
+Compositie in de schilderkunst; <a href='#523'>523</a> vg.
+Contemptus mundi; zie Verachting der wereld.
+Coquillart, Guillaume; <a href='#201'>201</a>, <a href='#394'>394</a>, <a href='#542'>542</a>.
+Coquinet,le fou de Bourgogne; <a href='#16'>16</a>.
+Cordeliers, klooster der; <a href='#7'>7</a>.
+Coucy, Enguerrand de; <a href='#134'>134</a>, <a href='#158'>158</a>, <a href='#303'>303</a>.
+Cour d'amours <a href='#31'>31</a>, <a href='#82'>82</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#536'>536</a>.
+Courtenay, Pierre de; <a href='#159'>159</a>.
+Coustain, Jean; <a href='#293'>293</a>.
+Cranach, Lucas; <a href='#521'>521</a>.
+Craon, Pierre de; <a href='#27'>27</a>.
+Cresecque; <a href='#121'>121</a>.
+Cristus, Petrus; <a href='#525'>525</a>.
+Crokart; <a href='#167'>167</a>.
+Croy, Antoine de; <a href='#438'>438</a>.
+Croy, Philippe de; <a href='#123'>123</a>, <a href='#461'>461</a>.
+Curial, Le; <a href='#175'>175</a>, <a href='#546'>546</a>.
+Curtius, Quintus; <a href='#105'>105</a>.
+Cusa, Nicolaas van; <a href='#300'>300</a>, <a href='#310'>310</a>, <a href='#311'>311</a>, <a href='#350'>350</a>, <a href='#382'>382</a>.
+
+Danse aux Aveugles; <a href='#506'>506</a>.
+Dante; <a href='#34'>34</a>, <a href='#47'>47</a>, <a href='#103'>103</a>, <a href='#177'>177</a>, <a href='#178'>178</a>, <a href='#356'>356</a>, <a href='#363'>363</a>, <a href='#520'>520</a>, <a href='#529'>529</a>.
+Daret, Jacques; <a href='#440'>440</a>.
+David, Gerard; <a href='#426'>426</a>, <a href='#429'>429</a>, <a href='#525'>525</a>.
+D&eacute;bat des h&eacute;rauts d'armes; <a href='#164'>164</a>.
+<i>D&eacute;bat des h&eacute;rauts d'armes</i>; noot <a href='#darmes'>176</a>.
+Deschamps, Eustache; <a href='#42'>42</a>, <a href='#43'>43</a>, <a href='#45'>45</a>, <a href='#46'>46</a>, <a href='#47'>47</a>, <a href='#69'>69</a>, <a href='#95'>95</a>, <a href='#107'>107</a>, <a href='#108'>108</a>, <a href='#134'>134</a>, <a href='#164'>164</a>,
+<a href='#165'>165</a>, <a href='#172'>172</a>, <a href='#174'>174</a>, <a href='#182'>182</a>, <a href='#186'>186</a>, <a href='#217'>217</a>, <a href='#222'>222</a>, <a href='#249'>249</a>, <a href='#264'>264</a>, <a href='#276'>276</a>, <a href='#277'>277</a>, <a href='#283'>283</a>, <a href='#295'>295</a>, <a href='#408'>408</a>,
+<a href='#461'>461</a>, <a href='#496'>496</a>, <a href='#498'>498</a>, <a href='#502'>502</a>, <a href='#508'>508</a> vg., <a href='#512'>512</a>, <a href='#513'>513</a>, <a href='#529'>529</a>, <a href='#540'>540</a>, <a href='#547'>547</a>.
+<i>Deschamps, Eustache</i> noot <a href='#Deschamps'>65</a>.
+Deviezen; <a href='#201'>201</a>, <a href='#395'>395</a> vg.
+Devotie, Moderne; <a href='#288'>288</a>, <a href='#311'>311</a>, <a href='#315'>315</a>, <a href='#317'>317</a> vg., <a href='#365'>365</a>, <a href='#381'>381</a> vg., <a href='#422'>422</a>, <a href='#446'>446</a>.
+Dichtkunst en muziek; <a href='#501'>501</a> vg.
+Dieu, Spraakgebruik, voor de hostie; <a href='#251'>251</a>.
+Dionysius de Kartuizer, of: van Ryckel; <a href='#16'>16</a>, <a href='#220'>220</a>, <a href='#222'>222</a>, <a href='#260'>260</a>, <a href='#300'>300</a>, <a href='#309'>309</a>,
+<a href='#310'>310</a> vg., <a href='#336'>336</a>, <a href='#350'>350</a> vg., <a href='#356'>356</a>, <a href='#359'>359</a>, <a href='#360'>360</a>, <a href='#362'>362</a> vg., <a href='#368'>368</a>, <a href='#371'>371</a>, <a href='#376'>376</a> vg., <a href='#381'>381</a>,
+<a href='#382'>382</a>, <a href='#419'>419</a>, <a href='#447'>447</a>, <a href='#453'>453</a>, <a href='#456'>456</a> vg., <a href='#537'>537</a>.
+<i>Dionysius Cartusianus</i>; noot <a href='#Dionysius'>76</a>.
+<i>Dixmude, Jan van</i>; noot <a href='#Jan'>37</a>.
+Dolce stil nuovo; <a href='#178'>178</a>.
+Domburg, Jan van; <a href='#401'>401</a>.
+Donatello; <a href='#432'>432</a>.
+Doodendans; <a href='#230'>230</a> vg.
+Doodsstrijd; <a href='#235'>235</a>.
+Doornik, Jean de Thoisy, bisschop van; <a href='#75'>75</a>.
+Dorpers; <a href='#91'>91</a>.
+<i>Douet d'Arcq, Pi&egrave;ces in&eacute;dites</i>; <a href='#142'>142</a>.
+<i>Doutrepont, G.</i>; noot <a href='#Martin'>24</a>.
+Drie dooden en drie levenden, Sproke der; <a href='#230'>230</a> vg.
+Dufay, Guillaume; <a href='#254'>254</a>, <a href='#422'>422</a>.
+Duivelfantazie; <a href='#411'>411</a>.
+Dunois, Jan van Orleans, graaf van; <a href='#109'>109</a>.
+Durand-Gr&eacute;ville, E.; <a href='#473'>473</a>.
+Durandus, Guilielmus; <a href='#356'>356</a>.
+D&uuml;rer, Albrecht; <a href='#455'>455</a>, <a href='#521'>521</a>.
+Dwergen; <a href='#29'>29</a>.
+
+Eck, Johannes; <a href='#278'>278</a>.
+Eckhart, Meister; <a href='#372'>372</a> vg., <a href='#377'>377</a>, <a href='#380'>380</a>, <a href='#381'>381</a>.
+Eduard II, koning van Engeland; <a href='#17'>17</a>.
+Eduard III, koning van Engeland; <a href='#15'>15</a>, <a href='#137'>137</a>, <a href='#139'>139</a>, <a href='#140'>140</a>, <a href='#145'>145</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#300'>300</a>.
+Eduard IV, koning van Engeland; <a href='#18'>18</a>, <a href='#57'>57</a>, <a href='#247'>247</a>.
+Eergevoel; <a href='#68'>68</a>.
+Egmond, Lamoraal, graaf van; <a href='#141'>141</a>.
+Elisabeth, Sint, van Th&uuml;ringen; <a href='#273'>273</a>.
+Emerson, R.W.; <a href='#65'>65</a>.
+Emprise; <a href='#142'>142</a>.
+Engeland, Koningen van; zie onder de voornamen.
+Engeland, Maria van; <a href='#182'>182</a>.
+Engelen; <a href='#279'>279</a>, <a href='#285'>285</a> vg.
+Entremets; <a href='#30'>30</a>, <a href='#434'>434</a> vg.
+Envo&ucirc;tement; <a href='#413'>413</a>.
+Epithalamische stijl; <a href='#181'>181</a>.
+Erasmus, Desiderius; <a href='#472'>472</a>, <a href='#542'>542</a>, <a href='#546'>546</a>.
+Erotiek, Droeve; <a href='#514'>514</a> vg.
+Erotische allegorie; <a href='#184'>184</a>.
+Escouchy, Mathieu d'; <a href='#37'>37</a>, <a href='#38'>38</a>, <a href='#100'>100</a>.
+<i>Escouchy, Mathieu d'</i>; noot <a href='#Mathieu'>62</a>.
+Estats; zie Standen.
+Exdamacion des os Sainct Innocent; <a href='#506'>506</a>.
+Extravagant karakter der beeldende kunst; <a href='#431'>431</a>.
+Eyck, Gebroeders van; <a href='#32'>32</a>, <a href='#421'>421</a>, <a href='#422'>422</a>, <a href='#426'>426</a>.
+Eyck, Hubert van; <a href='#510'>510</a>.
+Eyck, Jan van; <a href='#427'>427</a>, <a href='#429'>429</a>, <a href='#440'>440</a>, <a href='#443'>443</a> vg., <a href='#450'>450</a>, <a href='#454'>454</a>, <a href='#469'>469</a>, <a href='#471'>471</a> vg., <a href='#483'>483</a>, <a href='#484'>484</a>,
+<a href='#488'>488</a>, <a href='#500'>500</a>, <a href='#507'>507</a>, <a href='#520'>520</a>, <a href='#521'>521</a>, <a href='#523'>523</a> vg., <a href='#538'>538</a>.
+
+Fantaziesferen, Dooreenmenging van; <a href='#530'>530</a>.
+Fastolfe, Sir John; <a href='#230'>230</a>.
+Faukemont, Jehan de; <a href='#140'>140</a>.
+Fazio, Bartolomeo; <a href='#454'>454</a>, <a href='#520'>520</a>.
+Feesten; <a href='#434'>434</a> vg.
+F&eacute;n&eacute;lon; <a href='#94'>94</a>.
+Fenin, Pierre de; <a href='#29'>29</a>, <a href='#407'>407</a>.
+<i>Fenin, Pierre de</i>; noot <a href='#Fenin'>46</a>.
+Ferrer, Vincent; <a href='#7'>7</a>, <a href='#8'>8</a>, <a href='#16'>16</a>, <a href='#299'>299</a>, <a href='#316'>316</a> vg., <a href='#319'>319</a>, <a href='#324'>324</a>.
+<i>Ferrer, Vincent, Vita</i>; noot <a href='#Vita'>10</a>.
+Fillastre, Guillaume, kardinaal enz.; <a href='#394'>394</a>.
+Fillastre, Guillaume, bisschop van Doornik; <a href='#77'>77</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#135'>135</a>, <a href='#151'>151</a>.
+<i>Fillastre, Guillaume, Toison dor</i>; noot <a href='#thoison'>239</a>.
+Fl&eacute;malle, Meester van; <a href='#507'>507</a> vg.
+Foix, Gaston Ph&eacute;bus, graaf van; <a href='#82'>82</a>, <a href='#293'>293</a>, <a href='#492'>492</a>.
+Formalisme; <a href='#400'>400</a> vg.
+Fouquet, Jean; <a href='#257'>257</a>.
+Fradin, Antoine, volksprediker; <a href='#7'>7</a>.
+Franc Gontier, Le dit de; <a href='#171'>171</a>, <a href='#172'>172</a>, <a href='#174'>174</a>, <a href='#212'>212</a>, <a href='#216'>216</a>.
+Franc Gontier, Les contrediz; <a href='#217'>217</a>.
+France, Anatole; <a href='#509'>509</a>.
+Franciscus van Assisi; <a href='#291'>291</a>, <a href='#297'>297</a>.
+Fran&ccedil;ois, zie Paule; <a href='#67'>67</a>.
+Frankrijk, Koningen van; zie onder de voornamen.
+Frans I, koning van Frankrijk; <a href='#108'>108</a>.
+Fraterhuizen; zie Devotie, Moderne.
+Frederik III; <a href='#255'>255</a>.
+Froissart, Jean; <a href='#45'>45</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#104'>104</a>, <a href='#119'>119</a>, <a href='#134'>134</a>, <a href='#140'>140</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#158'>158</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#163'>163</a>, <a href='#164'>164</a>,
+<a href='#165'>165</a>, <a href='#167'>167</a>, <a href='#182'>182</a>, <a href='#252'>252</a>, <a href='#301'>301</a>, <a href='#304'>304</a>, <a href='#349'>349</a>, <a href='#355'>355</a>, <a href='#395'>395</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#418'>418</a>, <a href='#430'>430</a>, <a href='#460'>460</a>, <a href='#490'>490</a>,
+<a href='#492'>492</a>, <a href='#499'>499</a> vg., <a href='#506'>506</a>, <a href='#509'>509</a>.
+<i>Froissart, Jean</i>; noot <a href='#Froissart'>19</a>.
+Froment, Jean; <a href='#38'>38</a>.
+Fulco van Marseille, bisschop van Toulouse; <a href='#361'>361</a>.
+
+Gaguin, Robert; <a href='#93'>93</a>, <a href='#175'>175</a>, <a href='#283'>283</a>, <a href='#394'>394</a>, <a href='#546'>546</a>.
+<i>Gaguin, Robert</i>; noot <a href='#Gaguini'>159</a>.
+Galois et Galoises; <a href='#138'>138</a>.
+Geertgen tot Sint Jans; <a href='#489'>489</a>, <a href='#525'>525</a>.
+Geloften; zie Ridderlijke gelofte, en Voeu.
+Gelre, Adolf van; <a href='#23'>23</a>, <a href='#310'>310</a>, <a href='#407'>407</a>.
+Gelre, Arnold van; <a href='#23'>23</a>, <a href='#310'>310</a>.
+Gelijkheidsidee; <a href='#94'>94</a>.
+Generaliseering; <a href='#405'>405</a>.
+Gen&egrave;ve, Lodewijk van Savoye, graaf van; <a href='#462'>462</a>.
+Genreschildering; <a href='#507'>507</a> vg.
+Geoffroi de Paris; <a href='#395'>395</a>.
+Gerechtigheidsgevoel; <a href='#25'>25</a>.
+Geringschatting der geestelijkheid; <a href='#289'>289</a>.
+Germain, Jean, bisschop van Chalons; <a href='#11'>11</a>, <a href='#135'>135</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#352'>352</a>, <a href='#539'>539</a>.
+<i>Germain, Jean, Liber de virtutibus etc.</i>; noot <a href='#Germain'>15</a>.
+Gerson, Jean; <a href='#27'>27</a>, <a href='#47'>47</a>, <a href='#92'>92</a>, <a href='#195'>195</a>, <a href='#218'>218</a>, <a href='#222'>222</a>, <a href='#245'>245</a>, <a href='#248'>248</a> vg., <a href='#252'>252</a>, <a href='#256'>256</a>, <a href='#264'>264</a>,
+<a href='#265'>265</a>, <a href='#266'>266</a>, <a href='#270'>270</a>, <a href='#271'>271</a>, <a href='#278'>278</a>, <a href='#286'>286</a>, <a href='#314'>314</a>, <a href='#320'>320</a>, <a href='#321'>321</a> vg., <a href='#326'>326</a> vg., <a href='#330'>330</a>, <a href='#347'>347</a>,
+<a href='#349'>349</a>, <a href='#356'>356</a>, <a href='#366'>366</a>, <a href='#382'>382</a>, <a href='#394'>394</a>, <a href='#404'>404</a>, <a href='#405'>405</a>, <a href='#413'>413</a>, <a href='#418'>418</a>, <a href='#453'>453</a>.
+<i>Gerson, Jean</i>; noot <a href='#Gersonii'>43</a>.
+Gevangenen; <a href='#398'>398</a>.
+Gezelschapsspelen; <a href='#201'>201</a>.
+Giotto; <a href='#524'>524</a>.
+Glocester, Humphrey van; <a href='#153'>153</a>.
+Godefroy, Denis; <a href='#257'>257</a>.
+<i>Godefroy, Th&eacute;odore</i>; noot <a href='#Godefroy'>116</a>.
+Goethe; <a href='#65'>65</a>, <a href='#342'>342</a>.
+Gonzaga, Aloysius; <a href='#299'>299</a>, <a href='#324'>324</a>.
+Gonzaga, Francesco; <a href='#154'>154</a>.
+Grabow, Mattheus; <a href='#320'>320</a>.
+Grafteeken; <a href='#427'>427</a>.
+Gregorius de Groote; <a href='#95'>95</a>.
+Groote, Gerard; <a href='#296'>296</a>, <a href='#320'>320</a>, <a href='#537'>537</a>.
+Guernier, Laurent; <a href='#402'>402</a>
+Guesclin, Bertrand du; <a href='#108'>108</a>, <a href='#109'>109</a>, <a href='#141'>141</a>, <a href='#300'>300</a>, <a href='#427'>427</a>.
+Gulden Vlies; <a href='#101'>101</a>.
+
+Hagenbach, Peter van; <a href='#15'>15</a>.
+Hales, Alexander van; <a href='#457'>457</a>.
+Hames, Nicolaas de; <a href='#136'>136</a>.
+Hans, acrobaat; <a href='#30'>30</a>.
+Hardvochtigheid; <a href='#29'>29</a>.
+Hautbourdin, Jean de Saint-Pol, heer van; <a href='#125'>125</a>.
+Hauteville, Pierre de; <a href='#198'>198</a>.
+Hebzucht; <a href='#33'>33</a>.
+Heethoofdigheid; <a href='#11'>11</a>.
+<i>Hefele, K., Der h. Bernhardin von Siena usw.</i>; noot <a href='#Hefele'>12</a>.
+Heiligen en Ziekten; <a href='#280'>280</a>, <a href='#282'>282</a>.
+Heiligenbeelden; <a href='#270'>270</a> vg., <a href='#285'>285</a>.
+Heiligenvereering; <a href='#269'>269</a>-<a href='#287'>287</a>.
+Heilo, Frederik van; <a href='#263'>263</a>.
+Heksenkamer; zie Malleus maleficarum.
+Heksenvervolging; <a href='#31'>31</a>, <a href='#411'>411</a> vg.
+Hel, Voorstelling der; <a href='#363'>363</a> vg.
+Heldenideaal; <a href='#56'>56</a>.
+Helo&iuml;se; <a href='#536'>536</a>.
+Hendrik IV, koning van Engeland; <a href='#152'>152</a>.
+Hendrik V, koning van Engeland; <a href='#69'>69</a>, <a href='#105'>105</a>, <a href='#150'>150</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#230'>230</a>, <a href='#410'>410</a>, <a href='#434'>434</a>.
+Hendrik VI, koning van Engeland; <a href='#18'>18</a>, <a href='#71'>71</a>, <a href='#79'>79</a>, <a href='#107'>107</a>.
+Henouars; <a href='#70'>70</a>.
+Herauten; <a href='#101'>101</a>, <a href='#136'>136</a>.
+Herdersideaal; <a href='#170'>170</a>.
+Herp, Hendrik van; <a href='#330'>330</a>.
+Hervorming; <a href='#359'>359</a>, <a href='#411'>411</a>, <a href='#467'>467</a>.
+Heures d'Ailly; <a href='#489'>489</a>, <a href='#525'>525</a>.
+Heures de Chantilly, Tr&eacute;s-riches; <a href='#493'>493</a>, <a href='#495'>495</a> vg.
+Heures de Turin; <a href='#448'>448</a>.
+Hieronymus; <a href='#367'>367</a>.
+Hoekschen en Kabeljauwschen; <a href='#22'>22</a>.
+Hofceremonieel; <a href='#57'>57</a>.
+Hofleven; <a href='#69'>69</a>.
+Hofstaat; <a href='#56'>56</a>.
+Hof vlucht; <a href='#170'>170</a>, <a href='#171'>171</a>.
+Holanda, Francesco de; <a href='#454'>454</a>.
+Holland; <a href='#167'>167,</a> <a href='#168'>168</a>.
+Holbein, Hans; <a href='#232'>232</a> vg.
+Hoofsche minne; <a href='#177'>177</a>, <a href='#178'>178</a> vg., <a href='#192'>192</a>.
+Hoogmoed; <a href='#32'>32</a>, <a href='#102'>102</a>.
+Houwaert, Johan Baptista; <a href='#523'>523</a>.
+Hugo, Victor; <a href='#421'>421</a>.
+Humanisme; <a href='#119'>119</a>, <a href='#411'>411</a>, <a href='#533'>533</a>-<a href='#551'>551</a>.
+Humanisten; <a href='#174'>174</a>.
+Hus, Johannes; <a href='#326'>326</a>.
+Hutten, Ulrich von; <a href='#42'>42</a>.
+Huysmans, Joris Karl; <a href='#509'>509</a>.
+
+Idealisme; <a href='#359'>359</a> vg., <a href='#365'>365</a>, <a href='#366'>366</a>, <a href='#396'>396</a>.
+Imitatio Christi; <a href='#382'>382</a> vg., <a href='#394'>394</a>.
+Innocentius III; <a href='#225'>225</a>.
+Innocents; zie Onnoozele kinderen.
+Innocents, kerkhof der; <a href='#6'>6</a>, <a href='#36'>36</a>, <a href='#231'>231</a> vg., <a href='#237'>237</a> vg., <a href='#253'>253</a>.
+Institoris, Heinrich; <a href='#335'>335</a>.
+Ironie; <a href='#513'>513</a>.
+Isabella van Beieren, koningin van Frankrijk; <a href='#16'>16</a>, <a href='#182'>182</a>, <a href='#263'>263</a>, <a href='#405'>405</a>, <a href='#427'>427</a>,
+<a href='#442'>442</a>.
+Isabella van Frankrijk, koningin van Engeland; <a href='#427'>427</a>.
+
+Jacobus I, koning van Engeland; <a href='#81'>81</a>.
+Jaille, sire de; <a href='#158'>158</a>.
+James, William; <a href='#302'>302</a>, <a href='#324'>324</a>.
+Jan II, koning van Frankrijk; <a href='#132'>132</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#148'>148</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#379'>379</a>.
+Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondi&euml;, eerder graaf van Nevers; <a href='#5'>5</a>,
+<a href='#17'>17</a>, <a href='#20'>20</a>, <a href='#21'>21</a>, <a href='#32'>32</a>, <a href='#69'>69</a>, <a href='#74'>74</a>, <a href='#79'>79</a>, <a href='#80'>80</a>, <a href='#110'>110</a>, <a href='#121'>121</a>, <a href='#167'>167</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#388'>388</a> vg., <a href='#403'>403</a>,
+<a href='#405'>405</a>, <a href='#529'>529</a>.
+Jeruzalem; <a href='#148'>148</a>.
+Johanniters; <a href='#130'>130</a>.
+<i>Jorga, N.</i>; noot <a href='#Jorga'>43</a>.
+Joseph, Sint; <a href='#249'>249</a>, <a href='#276'>276</a> vg., <a href='#507'>507</a>.
+<i>Journal d'un bourgeois de Paris</i>; noot <a href='#Journal'>3</a>.
+Jouvencel, Le; <a href='#107'>107</a>, <a href='#112'>112</a>, <a href='#113'>113</a>, <a href='#114'>114</a>, <a href='#159'>159</a>, <a href='#292'>292</a>, <a href='#395'>395</a>, <a href='#399'>399</a>, <a href='#538'>538</a>.
+<i>Jouvencel, Le</i>; noot <a href='#Jouvencel'>168</a>.
+Jouvenel, Jean, bisschop van Beauvais; <a href='#93'>93</a>.
+<i>Juvenal des Ursins</i>; noot <a href='#Juvenal'>6</a>.
+
+Kamp van Neuss; <a href='#161'>161</a>.
+Karel de Groote; <a href='#536'>536</a>.
+Karel V, keizer; <a href='#81'>81</a>, <a href='#154'>154</a>, <a href='#522'>522</a>.
+Karel V, koning van Frankrijk; <a href='#27'>27</a>, <a href='#292'>292</a>.
+Karel VI, koning van Frankrijk; <a href='#15'>15</a>, <a href='#25'>25</a>, <a href='#27'>27</a>, <a href='#31'>31</a>, <a href='#69'>69</a>, <a href='#70'>70</a>, <a href='#88'>88</a>, <a href='#99'>99</a>, <a href='#151'>151</a>,
+<a href='#163'>163</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#263'>263</a>, <a href='#273'>273</a>, <a href='#391'>391</a>, <a href='#398'>398</a>, <a href='#427'>427</a>, <a href='#442'>442</a>.
+Karel VII, koning van Frankrijk; <a href='#10'>10</a>, <a href='#70'>70</a>, <a href='#109'>109</a>, <a href='#147'>147</a>, <a href='#182'>182</a>.
+Karel VIII, koning van Frankrijk; <a href='#442'>442</a>.
+Karel de Stoute, hertog van Bourgondi&euml;, eerder graaf van Charolais; <a href='#12'>12</a>,
+<a href='#23'>23</a>, <a href='#33'>33</a>, <a href='#38'>38</a>, <a href='#53'>53</a>, <a href='#57'>57</a>, <a href='#58'>58</a>, <a href='#59'>59</a>, <a href='#64'>64</a>, <a href='#75'>75</a>, <a href='#76'>76</a>, <a href='#105'>105</a>, <a href='#106'>106</a>, <a href='#123'>123</a>, <a href='#132'>132</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#135'>135</a>,
+<a href='#155'>155</a>, <a href='#161'>161</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#180'>180</a>, <a href='#216'>216</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#310'>310</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#408'>408</a>, <a href='#410'>410</a>, <a href='#413'>413</a>, <a href='#434'>434</a>, <a href='#440'>440</a>, <a href='#446'>446</a>,
+<a href='#447'>447</a>, <a href='#459'>459</a>, <a href='#461'>461</a>, <a href='#484'>484</a> vg., <a href='#522'>522</a>, <a href='#539'>539</a>.
+Kempis, Thomas a; <a href='#263'>263</a>, <a href='#317'>317</a>, <a href='#382'>382</a> vg., <a href='#422'>422</a>.
+Kerkelijk-erotische travesti; <a href='#184'>184</a>, <a href='#185'>185</a>.
+Kerkgang; <a href='#66'>66</a>, <a href='#67'>67</a>.
+Kethulle, Lodewijk van de; <a href='#160'>160</a>.
+Keuken; <a href='#59'>59</a>.
+Kinderen; <a href='#240'>240</a>.
+Klassicisme; <a href='#538'>538</a> vg., <a href='#550'>550</a>.
+Kleederdracht; <a href='#83'>83</a>, <a href='#433'>433</a>, <a href='#462'>462</a> vg.
+Kleuren, Symbolische beteekenis der; <a href='#200'>200</a>, <a href='#463'>463</a> vg.
+Kleurenzin; <a href='#462'>462</a>.
+Klokgelui; <a href='#3'>3</a>.
+Kluisters bij geloften; <a href='#142'>142</a>.
+Kok; <a href='#60'>60</a>.
+Koningschap; <a href='#12'>12</a>.
+Kraamkamer; <a href='#79'>79</a>.
+Krankzinnigen; <a href='#31'>31</a>.
+Kroningsmaal; <a href='#71'>71</a>.
+Kruistochtideaal; <a href='#148'>148</a>.
+Krijgsmoed; <a href='#114'>114</a>.
+Krijgsmuziek; <a href='#161'>161</a>.
+
+<i>Laborde, L. de</i>; noot <a href='#Laborde'>48</a>.
+<i>La Borderie, A. de</i>; noot <a href='#Borderie'>67</a>.
+La Bruy&egrave;re; <a href='#94'>94</a>.
+La Curne de Sainte Palaye; <a href='#142'>142</a>.
+<i>La Curne de Sainte Palaye</i>; noot <a href='#Curne'>92</a>.
+La Hire, Etienne de Vignolles, dit; <a href='#109'>109</a>, <a href='#461'>461</a>.
+Lalaing, Jacques de; <a href='#83'>83</a>, <a href='#110'>110</a>, <a href='#114'>114</a>, <a href='#142'>142</a>, <a href='#147'>147</a>, <a href='#163'>163</a>, <a href='#164'>164</a>, <a href='#165'>165</a>.
+<i>Lalaing, Le livre des faits de Jacques de</i>; noot <a href='#Lalaing'>141</a>.
+Lam, Aanbidding van het (Gentsch altaarstuk); <a href='#425'>425</a>, <a href='#446'>446</a>, <a href='#455'>455</a>, <a href='#477'>477</a>, <a href='#479'>479</a>,
+<a href='#524'>524</a>.
+La Marche, Olivier de; <a href='#21'>21</a>, <a href='#57'>57</a>, <a href='#59'>59</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#155'>155</a>, <a href='#164'>164</a>, <a href='#223'>223</a>, <a href='#227'>227</a>, <a href='#297'>297</a>, <a href='#349'>349</a>,
+<a href='#354'>354</a>, <a href='#386'>386</a>, <a href='#401'>401</a>, <a href='#405'>405</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#438'>438</a> vg., <a href='#447'>447</a>, <a href='#460'>460</a>, <a href='#461'>461</a>, <a href='#463'>463</a>, <a href='#483'>483</a>, <a href='#531'>531</a> vg.,
+<a href='#538'>538</a>, <a href='#541'>541</a>, <a href='#542'>542</a>, <a href='#544'>544</a>, <a href='#549'>549</a>.
+<i>La Marche, Olivier de</i>; noot <a href='#Marche'>2</a>.
+Lamprecht, Karl; <a href='#360'>360</a>.
+Lancaster, Huis; <a href='#18'>18</a>.
+Lancaster, John of Gaunt, hertog van; <a href='#426'>426</a>.
+Lannoy, Baudouin de; <a href='#469'>469</a>.
+Lannoy, Ghillebert de; <a href='#291'>291</a>.
+Lannoy, Jean de; <a href='#438'>438</a>.
+Lannoy, Hue de; <a href='#68'>68</a>.
+La Noue, Fran&ccedil;ois de; <a href='#119'>119</a>.
+La Salle, Antoine de; <a href='#240'>240</a>, <a href='#295'>295</a>.
+<i>La Salle, Antoine de</i>; noot <a href='#Salle'>206</a>.
+Latiniseering; <a href='#540'>540</a>.
+La Tour Landry, ridder de; <a href='#138'>138</a>, <a href='#139'>139</a>, <a href='#208'>208</a>, <a href='#209'>209</a>, <a href='#210'>210</a>, <a href='#251'>251</a>, <a href='#262'>262</a>, <a href='#278'>278</a>.
+La Tr&eacute;mo&iuml;lle, Guy de; <a href='#159'>159</a>, <a href='#430'>430</a>.
+Laura; <a href='#536'>536</a>.
+Laval, Jeanne de; <a href='#128'>128</a>, <a href='#494'>494</a>.
+Leb&egrave;gue, Jean; <a href='#197'>197</a>.
+Lef&egrave;vre de Saint Remy, Jean; <a href='#101'>101</a>, <a href='#136'>136</a>, <a href='#442'>442</a>.
+<i>Lef&egrave;vre de Saint Remy, Jean</i>; noot <a href='#Remy'>48</a>.
+Le Franc, Martin; <a href='#416'>416</a>.
+<i>Le Franc, Martin</i>; noot <a href='#Martin'>24</a>.
+Legris, Estienne; <a href='#197'>197</a>.
+Lekkerbeetje, Gerard Abrahams, gezegd; <a href='#160'>160</a>.
+Lemonnier, Camille; <a href='#487'>487</a>.
+Leo X, Paus; <a href='#110'>110</a>.
+Leo van Lusignan, koning van Armeni&euml;; <a href='#75'>75</a>.
+Levensbangheid; <a href='#46'>46</a>, <a href='#224'>224</a>.
+Levensgenot; <a href='#53'>53</a>.
+Lhuillier, Jean; <a href='#72'>72</a>.
+Lichteffekten, Schildering en beschrijving van; <a href='#489'>489</a>.
+Lichtgeloovigheid; <a href='#408'>408</a>.
+Lidwina van Schiedam; <a href='#293'>293</a>.
+Liefde en huwelijk; <a href='#209'>209</a>-<a href='#211'>211</a>.
+Limburg, Gebroeders van; <a href='#445'>445</a>, <a href='#448'>448</a>, <a href='#496'>496</a>.
+Limburg, Paul van; <a href='#497'>497</a>, <a href='#500'>500</a>, <a href='#510'>510</a>.
+L'Isle Adam, Jean de Villiers de; <a href='#69'>69</a>.
+Livius; <a href='#109'>109</a>, <a href='#539'>539</a>.
+<i>Livre des trahisons</i>; noot <a href='#Livre'>108</a>.
+Lodewijk IX, de Heilige, koning van Frankrijk; <a href='#109'>109</a>, <a href='#273'>273</a>.
+Lodewijk XI, koning van Frankrijk; <a href='#5'>5</a>, <a href='#10'>10</a>, <a href='#18'>18</a>, <a href='#62'>62</a>, <a href='#63'>63</a>, <a href='#65'>65</a>, <a href='#72'>72</a>, <a href='#77'>77</a>, <a href='#82'>82</a>,
+<a href='#132'>132</a>, <a href='#166'>166</a>, <a href='#238'>238</a>, <a href='#247'>247</a>, <a href='#305'>305</a> vg., <a href='#313'>313</a>, <a href='#315'>315</a>, <a href='#403'>403</a>, <a href='#414'>414</a>, <a href='#448'>448</a>, <a href='#461'>461</a>, <a href='#491'>491</a>, <a href='#522'>522</a>.
+Lodewijk XII, koning van Frankrijk; <a href='#154'>154</a>.
+Longuyon, Jacques de; <a href='#107'>107</a>.
+Lorris, Guillaume de; <a href='#178'>178</a>, <a href='#188'>188</a>, <a href='#189'>189</a>.
+<i>Louis XI, Lettres de</i>; noot <a href='#Louis'>7</a>.
+Loyola, Ignatius de; <a href='#299'>299</a>.
+Lucena, Vasco de; <a href='#105'>105</a>.
+Lumey, Guillaume de la Marck, heer van; <a href='#141'>141</a>.
+Luna, Peter van; zie Benedictus XIII.
+Lunettes des princes; <a href='#215'>215</a>, <a href='#532'>532</a>.
+Lusignan, Pierre de; <a href='#133'>133</a>.
+Luther; <a href='#356'>356</a>.
+Luxemburg, Andreas van; <a href='#304'>304</a>.
+Luxemburg, Guy van; <a href='#302'>302</a>.
+Luxemburg, Pieter van; <a href='#299'>299</a>, <a href='#302'>302</a> vg., <a href='#325'>325</a>.
+Lijden Christi, Vervuldheid van het; <a href='#314'>314</a> vg.
+Lijkstaatsie, Beeltenissen bij de; <a href='#427'>427</a>.
+Lyon, Espaing du; <a href='#492'>492</a>.
+
+Macabre; <a href='#230'>230</a>.
+Machaut, Guillaume de; <a href='#107'>107</a>, <a href='#200'>200</a>, <a href='#204'>204</a>, <a href='#205'>205</a> vg., <a href='#209'>209</a>, <a href='#211'>211</a>, <a href='#501'>501</a> vg., <a href='#536'>536</a>.
+<i>Machaut, Guillaume de</i>; noot <a href='#Machaut'>382</a>.
+Madame d'Or; zie Or.
+Maerlant, Jacob van; <a href='#105'>105</a>.
+Mahuot; <a href='#155'>155</a>, <a href='#156'>156</a>.
+Maillard, Olivier, volksprediker; <a href='#16'>16</a>, <a href='#250'>250</a>, <a href='#394'>394</a>.
+Makart, Hans; <a href='#522'>522</a>.
+Male, Lodewijk van, graaf van Vlaanderen; <a href='#429'>429</a>.
+Male, Emile; <a href='#231'>231</a>.
+Malleus malencarum; <a href='#335'>335</a>, <a href='#411'>411</a>, <a href='#415'>415</a>.
+Mandragora; <a href='#419'>419</a>.
+Mapes, Walter; <a href='#171'>171</a>.
+Marchant, Guyot; <a href='#232'>232</a>.
+Marche, Jean de; <a href='#304'>304</a>.
+Margareta, koningin van Engeland; zie Anjou.
+Margareta van Oostenrijk; <a href='#216'>216</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#444'>444</a>.
+Margareta van Schotland, koningin van Frankrijk; <a href='#361'>361</a>.
+Margareta van York, hertogin van Bourgondi&euml;; <a href='#407'>407</a>, <a href='#434'>434</a>, <a href='#447'>447</a>.
+Maria van Bourgondi&euml;; <a href='#76'>76</a>, <a href='#80'>80</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#309'>309</a>.
+Mariabeeldjes met de Drie&euml;enheid; <a href='#252'>252</a>.
+Marieken van Nimwegen; <a href='#23'>23</a>.
+Marmion, Colard; <a href='#440'>440</a>.
+Marmion, Simon; <a href='#440'>440</a>.
+Marot, Clement; <a href='#198'>198</a>, <a href='#479'>479</a>.
+Martianus Capella; <a href='#343'>343</a>.
+Martinus V, Paus; <a href='#337'>337</a>.
+Maupassant, Guy de; <a href='#213'>213</a>.
+Maximiliaan van Oostenrijk; <a href='#26'>26</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#315'>315</a>, <a href='#429'>429</a>.
+Medelijden met het volk; <a href='#92'>92</a>.
+Medici, Cosimo de'; <a href='#138'>138</a>.
+Medici, Lorenzo de', il Magnifico; <a href='#33'>33</a>, <a href='#53'>53</a>, <a href='#121'>121</a>, <a href='#138'>138</a>, <a href='#178'>178</a>, <a href='#306'>306</a>.
+Melancholie; <a href='#45'>45</a>.
+M&eacute;liador; <a href='#119'>119</a>.
+Memlinc, Hans; <a href='#421'>421</a>, <a href='#422'>422</a>.
+Meschinot, Jean; <a href='#43'>43</a>, <a href='#93'>93</a>, <a href='#175'>175</a>, <a href='#215'>215</a>, <a href='#491'>491</a>, <a href='#502'>502</a>, <a href='#532'>532</a>.
+<i>Meschinot, Jean</i>; noot <a href='#Meschinot'>67</a>.
+Metaphora, Godsdienstige, voor aardsche dingen; <a href='#255'>255</a>.
+Metsys, Quinten; <a href='#455'>455</a>.
+Meun, Jean de; zie Clopinel.
+M&eacute;zi&egrave;res, Philippe de; <a href='#27'>27</a>, <a href='#99'>99</a>, <a href='#130'>130</a>, <a href='#131'>131</a>, <a href='#141'>141</a>, <a href='#149'>149</a>, <a href='#295'>295</a> vg., <a href='#297'>297</a> vg.,
+<a href='#302'>302</a>, <a href='#391'>391</a>, <a href='#412'>412</a>.
+<i>M&eacute;zi&egrave;res, Philippe de</i>; zie <i>forga</i>.
+Michault, Pierre; <a href='#133'>133</a>, <a href='#506'>506</a>.
+Michel Angelo; <a href='#455'>455</a>, <a href='#474'>474</a>, <a href='#523'>523</a>, <a href='#524'>524</a>.
+Michelle de France, hertogin van Bourgondi&euml;; <a href='#62'>62</a>, <a href='#75'>75</a>.
+Mignons; <a href='#81'>81</a>.
+Miliis, Ambrosius de; <a href='#174'>174</a>, <a href='#268'>268</a>, <a href='#534'>534</a> vg.
+Militair nationalisme; <a href='#108'>108</a>, <a href='#113'>113</a>.
+Minimen, Orde der; <a href='#307'>307</a>, <a href='#309'>309</a>.
+Mirabeau, marquis de; <a href='#94'>94</a>.
+Mismaakten; <a href='#29'>29</a>.
+Molinet, Jean; <a href='#93'>93</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#108'>108</a>, <a href='#197'>197</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#290'>290</a>,
+<a href='#295'>295</a>, <a href='#349'>349</a>, <a href='#393'>393</a>, <a href='#459'>459</a>, <a href='#522'>522</a>,
+<a href='#528'>528</a>, <a href='#530'>530</a> vg., <a href='#541'>541</a>, <a href='#542'>542</a>, <a href='#544'>544</a>, <a href='#548'>548</a>.
+<i>Molinet, Jean</i>; noot <a href='#Louis'>7</a>.
+<i>Molinet, Jean&mdash;Faictz et Dictz</i>; noot <a href='#Faictz'>161</a>.
+Monstrans; <a href='#337'>337</a>.
+Monstrelet, Enguerrand de; <a href='#8'>8</a>, <a href='#9'>9</a>, <a href='#100'>100</a>, <a href='#152'>152</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#407'>407</a>, <a href='#414'>414</a>, <a href='#421'>421</a>.
+<i>Monstrelet, Enguerrand de</i>; noot <a href='#Monstrelet'>11</a>.
+Monstreuil, Jean de; <a href='#174'>174</a>, <a href='#194'>194</a>, <a href='#200'>200</a>, <a href='#268'>268</a>, <a href='#534'>534</a> vg.
+<i>Monstreuil, Jean de</i>; noot <a href='#Monasteriolo'>351</a>.
+Montaigu, Jean de; <a href='#5'>5</a>.
+Montereau; <a href='#148'>148</a>.
+Montferrant; <a href='#543'>543</a> vg.
+Montfort, Jean de; <a href='#300'>300</a>.
+Morgante; <a href='#121'>121</a>.
+Morlay, Bernard van; <a href='#221'>221</a>.
+Moulins, Denys de, bisschop van Parijs; <a href='#36'>36</a>.
+Murillo; <a href='#511'>511</a>.
+Mutsert der ijdelheden; <a href='#9'>9</a>.
+Muziekaesthetiek; <a href='#458'>458</a> vg.
+Mystiek, Praktische; <a href='#381'>381</a>.
+Mystiek, Verbeeldingsvormen der; <a href='#370'>370</a> vg.
+Mystisch huwelijk; <a href='#278'>278</a>.
+Mythologie; <a href='#355'>355</a>, <a href='#526'>526</a>, <a href='#538'>538</a>.
+
+Naakt, Het, in kunst en litteratuur; <a href='#520'>520</a> vg.
+Naam van Jezus; <a href='#336'>336</a>.
+Natuurbeschrijving; <a href='#494'>494</a>.
+Nicopolis; <a href='#110'>110</a>, <a href='#121'>121</a>, <a href='#149'>149</a>, <a href='#167'>167</a>, <a href='#433'>433</a>.
+Nietzsche, Friedrich; <a href='#406'>406</a>.
+Nilus, Sint; <a href='#308'>308</a>.
+Nominalisme; <a href='#341'>341</a>.
+Noodhelpers, Veertien; <a href='#274'>274</a>, <a href='#280'>280</a> vg.
+Nugis curialium, De; <a href='#171'>171</a>.
+
+Obrecht, Jacob; <a href='#446'>446</a>.
+Omgangsvormen; <a href='#64'>64</a>.
+Oneerbiedigheid jegens den godsdienst; <a href='#257'>257</a> vg.
+Ongeloof; <a href='#267'>267</a>.
+Onnoozele kinderen; <a href='#247'>247</a>, <a href='#414'>414</a>.
+Onveiligheid; <a href='#37'>37</a>.
+Oppervlakkigheid; <a href='#406'>406</a>.
+Or, Madame d'; <a href='#30'>30</a>.
+Oranje, Willem van; <a href='#81'>81</a>, <a href='#523'>523</a>.
+Oranje, Willem II, prins van; <a href='#182'>182</a>.
+Orde; zie ook Ordre.
+Orde der Annonciade; <a href='#134'>134</a>.
+Orde van St. Antonius; <a href='#134'>134</a>.
+Orde van het Gouden schild; <a href='#134'>134</a>.
+Orde van het Gulden Vlies; <a href='#131'>131</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#134'>134</a>, <a href='#135'>135</a>, <a href='#136'>136</a>.
+Orde van de Kouseband; <a href='#132'>132</a>.
+Orde van de Ster; <a href='#132'>132</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#157'>157</a>, <a href='#398'>398</a>.
+Orde van de Kroon; <a href='#134'>134</a>.
+Orde van het Zwaard; <a href='#133'>133</a>.
+Ordre; <a href='#131'>131</a>.
+Ordre de la Dame blanche; <a href='#133'>133</a>, <a href='#198'>198</a>.
+Ordre de la Passion; <a href='#130'>130</a>, <a href='#141'>141</a>, <a href='#295'>295</a>.
+Orgemont, le Boiteux d'; <a href='#5'>5</a>.
+Orgemont, geslacht; <a href='#36'>36</a>.
+Orgemont, Pierre d'; <a href='#27'>27</a>.
+<i>Orl&eacute;ans, Charles d'</i>; noot <a href='#Charles'>367</a>.
+Orleans, Karel van; <a href='#184'>184</a>, <a href='#293'>293</a>, <a href='#450'>450</a>, <a href='#468'>468</a>, <a href='#514'>514</a>, <a href='#516'>516</a>, <a href='#517'>517</a>, <a href='#542'>542</a>.
+Orleans, Lodewijk van; <a href='#17'>17</a>, <a href='#31'>31</a>, <a href='#82'>82</a>, <a href='#99'>99</a>, <a href='#108'>108</a>, <a href='#152'>152</a>, <a href='#175'>175</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#292'>292</a>, <a href='#302'>302</a>,
+<a href='#303'>303</a>, <a href='#388'>388</a> vg., <a href='#405'>405</a>, <a href='#409'>409</a>, <a href='#412'>412</a>, <a href='#413'>413</a>, <a href='#529'>529</a>.
+Oudheid; <a href='#533'>533</a> vg.
+<i>Oulmont, Ch</i>.; noot <a href='#Oulmont'>562</a>.
+Overdrijving; <a href='#405'>405</a>.
+Ovidius; <a href='#520'>520</a>, <a href='#535'>535</a>.
+
+Paele, Joris van de; <a href='#450'>450</a>, <a href='#469'>469</a>, <a href='#500'>500</a>.
+Paesberd; zie Paix.
+Paganisme; <a href='#547'>547</a> vg.
+Paix; <a href='#66'>66</a>, <a href='#207'>207</a>, <a href='#261'>261</a>.
+Panetiers; <a href='#60'>60</a>.
+Parement et triumphe des dames; <a href='#223'>223</a>, <a href='#227'>227</a>.
+Paris, Paulin; <a href='#536'>536</a>.
+Partijgevoel; <a href='#22'>22</a>.
+Partijschap; <a href='#152'>152</a>.
+Partijteekens; <a href='#24'>24</a>.
+Pas d'armes; <a href='#125'>125</a> vg., <a href='#255'>255</a>.
+Pas de la mort, Le; <a href='#236'>236</a>.
+Pascal, Blaise; <a href='#372'>372</a>.
+Pastorale; <a href='#170'>170</a>, <a href='#212'>212</a> vg., <a href='#493'>493</a> vg., <a href='#511'>511</a>, <a href='#529'>529</a>.
+Pastorale en politiek; <a href='#215'>215</a>.
+Pastoralet, Le; <a href='#215'>215</a>, <a href='#529'>529</a>, <a href='#538'>538</a>, <a href='#548'>548</a>.
+Pastourelle; <a href='#213'>213</a>.
+Paule, Saint Fran&ccedil;ois de; <a href='#67'>67</a>, <a href='#299'>299</a>, <a href='#305'>305</a> vg.
+Pauli, Theodericus; <a href='#135'>135</a>.
+<i>Pauli, Theodericus</i>; noot <a href='#Pauli'>132</a>.
+Pelgrimages; <a href='#262'>262</a>.
+Penthi&egrave;vre, Jeanne de; <a href='#300'>300</a>.
+Perceforest; <a href='#119'>119</a>.
+Personificatie; <a href='#191'>191</a>, <a href='#342'>342</a> vg., <a href='#516'>516</a>.
+Petit, Jean; <a href='#388'>388</a> vg., <a href='#394'>394</a>, <a href='#409'>409</a>, <a href='#412'>412</a>.
+<i>Petit-Dutaillis</i>; noot <a href='#Petit'>45</a>.
+Petrarca, Francesco; <a href='#125'>125</a>, <a href='#171'>171</a>, <a href='#178'>178</a>, <a href='#207'>207</a>, <a href='#479'>479</a>, <a href='#536'>536</a> vg., <a href='#546'>546</a>.
+Philippa van Henegouwen, koningin van Engeland; <a href='#140'>140</a>.
+Philips VI, koning van Frankrijk; <a href='#61'>61</a>, <a href='#139'>139</a>, <a href='#160'>160</a>, <a href='#413'>413</a>.
+Philips de Goede, hertog van Bourgondi&euml;; <a href='#10'>10</a>, <a href='#14'>14</a>, <a href='#15'>15</a>, <a href='#20'>20</a>, <a href='#30'>30</a>, <a href='#33'>33</a>, <a href='#45'>45</a>, <a href='#62'>62</a>,
+<a href='#63'>63</a>, <a href='#65'>65</a>, <a href='#74'>74</a>, <a href='#76'>76</a>, <a href='#88'>88</a>, <a href='#132'>132</a>, <a href='#133'>133</a>, <a href='#135'>135</a>, <a href='#136'>136</a>, <a href='#137'>137</a>, <a href='#148'>148</a>, <a href='#150'>150</a>, <a href='#152'>152</a>, <a href='#153'>153</a>, <a href='#154'>154</a>,
+<a href='#155'>155</a>, <a href='#160'>160</a>, <a href='#162'>162</a>, <a href='#180'>180</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#232'>232</a>, <a href='#258'>258</a>, <a href='#293'>293</a> vg., <a href='#302'>302</a>, <a href='#309'>309</a>, <a href='#352'>352</a>, <a href='#401'>401</a>, <a href='#404'>404</a>,
+<a href='#407'>407</a>, <a href='#414'>414</a>, <a href='#416'>416</a>, <a href='#427'>427</a>, <a href='#429'>429</a>, <a href='#434'>434</a>, <a href='#438'>438</a>, <a href='#442'>442</a>, <a href='#445'>445</a>, <a href='#447'>447</a>, <a href='#463'>463</a>, <a href='#466'>466</a>, <a href='#484'>484</a> vg.,
+<a href='#511'>511</a>, <a href='#522'>522</a>, <a href='#527'>527</a>.
+Philips de Schoone, aartshertog van Oostenrijk; <a href='#64'>64</a>, <a href='#255'>255</a>, <a href='#522'>522</a>.
+Philips de Stoute, hertog van Bourgondi&euml;; <a href='#31'>31</a>, <a href='#32'>32</a>, <a href='#69'>69</a>, <a href='#148'>148</a>, <a href='#151'>151</a>, <a href='#159'>159</a>,
+<a href='#193'>193</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#273'>273</a>, <a href='#303'>303</a>, <a href='#429'>429</a>, <a href='#430'>430</a>, <a href='#500'>500</a>.
+Pisan, Christine de; <a href='#111'>111</a>, <a href='#193'>193</a>, <a href='#198'>198</a>, <a href='#199'>199</a>, <a href='#200'>200</a>, <a href='#214'>214</a>, <a href='#218'>218</a>, <a href='#219'>219</a>, <a href='#261'>261</a>, <a href='#296'>296</a>,
+<a href='#355'>355</a>, <a href='#464'>464</a>, <a href='#503'>503</a> vg., <a href='#526'>526</a>, <a href='#540'>540</a>.
+<i>Pisan, Christine de</i>; noot <a href='#Pisan'>79</a>.
+Plato; <a href='#520'>520</a>.
+Plourants; <a href='#76'>76</a>.
+Plouvier, Jacotin; <a href='#155'>155</a>, <a href='#156'>156</a>.
+Poggio, Giov. Franc.&mdash;Bracciolini; <a href='#94'>94</a>.
+Poitiers; <a href='#148'>148</a>.
+Poitiers, Alienor de; <a href='#79'>79</a>, <a href='#386'>386</a>.
+<i>Poitiers, Alienor de</i>; noot <a href='#Alienor'>92</a>.
+Poliziano, Angelo; <a href='#42'>42</a>.
+<i>Poliziano</i>; noot <a href='#Poliziano'>64</a>.
+Ponchier, Etienne, bisschop van Parijs; <a href='#27'>27</a>.
+Porete, Marguerite; <a href='#329'>329</a>.
+Portret; <a href='#426'>426</a>.
+Pot, Philippe; <a href='#15'>15</a>, <a href='#144'>144</a>.
+Poursuivants; <a href='#136'>136</a>.
+Predikers; <a href='#6'>6</a>, 315 vg.
+Preuses, Les neuf; <a href='#107'>107</a>.
+Preux, Les neuf; <a href='#107'>107</a>, <a href='#539'>539</a>.
+Processies; <a href='#4'>4</a>, <a href='#239'>239</a>, <a href='#260'>260</a>, <a href='#359'>359</a>.
+Protestantisme; <a href='#35'>35</a>.
+Proza en po&euml;zie; <a href='#498'>498</a> vg.
+Prudentius; <a href='#343'>343</a>.
+Pseudo-Bonaventura; <a href='#452'>452</a>.
+Pseudo-Dionysius Areopagita; <a href='#371'>371</a>, <a href='#376'>376</a>, <a href='#456'>456</a>.
+Pulci, Luigi; <a href='#121'>121</a>.
+Puritanisme; <a href='#54'>54</a>.
+
+Quentin, Jean; <a href='#309'>309</a>.
+Quinze joyes de mariage; <a href='#219'>219</a>, <a href='#256'>256</a>, <a href='#262'>262</a>, <a href='#520'>520</a>.
+<i>Quinze joyes de mariage</i>; noot <a href='#Quinze'>71</a>.
+
+Rabelais, Fran&ccedil;ois; <a href='#200'>200</a>, <a href='#201'>201</a>, <a href='#540'>540</a>.
+Rais, Gilles de; <a href='#91'>91</a>, <a href='#293'>293</a>, <a href='#414'>414</a>.
+Rallart, Gaultier; <a href='#61'>61</a>.
+Ravestein, Beatrix van; <a href='#447'>447</a>.
+Ravestein, Philips van; <a href='#216'>216</a>.
+Raynaud, Gaston; <a href='#174'>174</a>.
+Realisme; <a href='#340'>340</a> vg., <a href='#366'>366</a> vg.
+Rebreviettes, Jennet de; <a href='#145'>145</a>.
+<i>Reconfort de Madame du Fresne, Le</i>; noot <a href='#Fresne'>457</a>.
+Reformpartij; <a href='#174'>174</a>.
+<i>Religieux de Saint Denis</i>; noot <a href='#Religieux'>40</a>.
+Reliquie&euml;n; <a href='#273'>273</a>.
+Rembrandt; <a href='#444'>444</a>, <a href='#511'>511</a>.
+Renaissance; <a href='#35'>35</a>, <a href='#41'>41</a>, <a href='#42'>42</a>, <a href='#50'>50</a>, <a href='#52'>52</a>, <a href='#53'>53</a>, <a href='#54'>54</a>, <a href='#56'>56</a>, <a href='#58'>58</a>, <a href='#94'>94</a>, <a href='#103'>103</a>, <a href='#104'>104</a>, <a href='#119'>119</a>, <a href='#146'>146</a>,
+<a href='#154'>154</a>, <a href='#169'>169</a>, <a href='#191'>191</a>, <a href='#355'>355</a>, <a href='#425'>425</a>, <a href='#453'>453</a>, <a href='#454'>454</a>, <a href='#455'>455</a>, <a href='#456'>456</a>, <a href='#467'>467</a>, <a href='#530'>530</a>, <a href='#532'>532</a>, <a href='#533'>533</a>-<a href='#551'>551</a>.
+<i>Renaudet, A</i>.; noot <a href='#Renaudet'>25</a>.
+Ren&eacute; van Anjou, koning van Sicili&euml;; <a href='#17'>17</a>, <a href='#18'>18</a>, <a href='#128'>128</a>, <a href='#175'>175</a>, <a href='#214'>214</a>,
+<a href='#226'>226</a>, <a href='#233'>233</a>, <a href='#293'>293</a>, <a href='#296'>296</a>, <a href='#463'>463</a>, <a href='#489'>489</a>, <a href='#494'>494</a> vg., <a href='#515'>515</a>.
+<i>Ren&eacute;, Koning</i>; <a href='#105'>105</a>.
+Ren&eacute; II van Lotharingen; <a href='#247'>247</a>, <a href='#539'>539</a>.
+Rhetoriek; <a href='#500'>500</a>, <a href='#539'>539</a> vg.
+Rh&eacute;torique, Les Douze Dames de; <a href='#543'>543</a> vg.
+Ribeumont, Eustache de; <a href='#162'>162</a>, <a href='#165'>165</a>.
+Richard II, koning van Engeland; <a href='#17'>17</a>, <a href='#99'>99</a>, <a href='#427'>427</a>.
+Richard, broeder, volksprediker; <a href='#6'>6</a>, <a href='#9'>9</a>, <a href='#23'>23</a>, <a href='#419'>419</a>.
+Ridderideaal; <a href='#98'>98</a>.
+Ridderideaal en askese; <a href='#115'>115</a>.
+Ridderideaal en erotiek; <a href='#116'>116</a> vg.
+Ridderideaal en ethiek; <a href='#102'>102</a>.
+Ridderideaal en historie; <a href='#101'>101</a>.
+Ridderideaal en krijgvoering; <a href='#157'>157</a>.
+Ridderideaal en sport; <a href='#119'>119</a>.
+Ridderideaal en staatkunde; <a href='#147'>147</a> vg.
+Ridderlijke gelofte; <a href='#137'>137</a>-<a href='#145'>145</a>.
+Ridderlijkheid als kastegevoel; <a href='#163'>163</a>.
+Ridderlijkheid en gewin; <a href='#165'>165</a>.
+Ridderlijkheid en krijgstaktiek; <a href='#164'>164</a>.
+Ridderorden; <a href='#111'>111</a>, <a href='#129'>129</a> vg.
+Ridderschap; <a href='#97'>97</a>.
+Ridderwezen; <a href='#85'>85</a>.
+Robertet, Jean; <a href='#514'>514</a>, <a href='#542'>542</a> vg.
+Rochefort, Charles de; <a href='#175'>175</a>, <a href='#353'>353</a>.
+Roemzucht; <a href='#103'>103</a>.
+Rolin, Nicolas; <a href='#21'>21</a>, <a href='#77'>77</a>, <a href='#438'>438</a>, <a href='#440'>440</a>, <a href='#449'>449</a> vg., <a href='#472'>472</a>, <a href='#475'>475</a>.
+Roman de la rose; <a href='#175'>175</a>, <a href='#178'>178</a>, <a href='#179'>179</a>, <a href='#187'>187</a> vg., <a href='#193'>193</a>, <a href='#194'>194</a>, <a href='#195'>195</a>, <a href='#197'>197</a>, <a href='#200'>200</a>, <a href='#202'>202</a>,
+<a href='#216'>216</a>, <a href='#218'>218</a>, <a href='#256'>256</a>, <a href='#351'>351</a>, <a href='#353'>353</a>, <a href='#355'>355</a>, <a href='#470'>470</a>, <a href='#500'>500</a>, <a href='#503'>503</a>, <a href='#531'>531</a>, <a href='#549'>549</a>.
+Romanov; <a href='#60'>60</a>.
+Romantiek; <a href='#85'>85</a>.
+Romantisme der heiligheid; <a href='#298'>298</a>, <a href='#299'>299</a>.
+Romuald, Sint; <a href='#273'>273</a>, <a href='#308'>308</a>.
+Rosa van Viterbo, Sint; <a href='#229'>229</a>.
+Rose; zie Roman.
+Rousseau, Jean Jacques; <a href='#494'>494</a>.
+Rouw; <a href='#10'>10</a>, <a href='#73'>73</a>-<a href='#76'>76</a>.
+Roye, Jean de; <a href='#522'>522</a>.
+<i>Roye, Jean de</i>, zie <i>Chronique scandaleuse</i>; noot <a href='#Chronique'>4</a>.
+Rozebeke; <a href='#24'>24</a>.
+Rozenkrans, Broederschap van den; <a href='#246'>246</a>, <a href='#334'>334</a>.
+<i>Rozmital, Leo von</i>; noot <a href='#Leo'>79</a>.
+Ruusbroec, Jan van; <a href='#330'>330</a>, <a href='#374'>374</a> vg., <a href='#381'>381</a>, <a href='#383'>383</a>, <a href="#422">422</a>, <a href="#446">446</a>.
+
+<i>Sainte Palaye</i>; zie <i>La Curne</i>.
+Saint Pol, Louis de Luxembourg, graaf van, conn&eacute;table van Frankrijk; <a href='#62'>62</a>,
+<a href='#306'>306</a>, <a href='#461'>461</a>.
+Saintr&eacute;, Petit Jehan de; <a href='#142'>142</a>.
+Salazar, Jean de; <a href='#461'>461</a>.
+Salisbury, Johannes van; <a href='#171'>171</a>.
+Salisbury, William Montague, graaf van; <a href='#139'>139</a>.
+Salmon, Pierre le Fruictier, dit; <a href='#303'>303</a>.
+<i>Salmon, Pierre</i>; noot <a href='#Salmon'>39</a>.
+Salutati, Coluccio; <a href='#536'>536</a>.
+Sancerre, Louis de, mar&eacute;chal de France; <a href='#71'>71</a>.
+Saulx, Simon de; <a href='#389'>389</a>.
+Savonarola, Girolamo; <a href='#9'>9</a>.
+Savoye, Amadeus VI van; <a href='#134'>134</a>.
+Savoye, Amadeus VIII van; <a href='#297'>297</a>.
+Schaamte; <a href='#521'>521</a>.
+Schaamteloosheid; <a href='#180'>180</a>, <a href='#182'>182</a>.
+Schisma; <a href='#3'>3</a>, <a href='#17'>17</a>, <a href='#24'>24</a>, <a href='#388'>388</a>.
+Schoonheid en zonde; <a href='#53'>53</a>-<a href='#56'>56</a>.
+Schoonheidsgevoel; <a href='#453'>453</a> vg.
+Scorel, Jan van; <a href='#455'>455</a>.
+Scotus Erigena, Johannes; <a href='#371'>371</a>.
+Seneca; <a href='#95'>95</a>.
+Sens, Etienne Tristan de Salazar, aartsbisschop van; <a href='#72'>72</a>.
+<i>Seuse, Heinrich</i>; noot <a href='#Seuse'>459</a>.
+Shakespeare; <a href='#529'>529</a>.
+Silesius, Angelus; <a href='#371'>371</a>.
+Simplisme; <a href='#404'>404</a> vg.
+Sint Andriesbroederschap; <a href='#31'>31</a>.
+Sint Victor, Hugo van; <a href='#311'>311</a>, <a href='#457'>457</a>.
+Sint Victor, Richard van; <a href='#457'>457</a>.
+Sorel, Agnes; <a href='#81'>81</a>, <a href='#257'>257</a>.
+Spel en ernst, Vermenging van; <a href='#410'>410</a>.
+Spreekwoorden; <a href='#392'>392</a> vg.
+Sprenger, Jakob; <a href='#335'>335</a>.
+Standen; <a href='#86'>86</a>-<a href='#91'>91</a>.
+Standonck, Jean; <a href='#309'>309</a>.
+<i>Stavelot, Jean de</i>; noot <a href='#Stavelot'>106</a>.
+Steinlen; <a href='#511'>511</a>.
+Styleering der liefde; <a href='#179'>179</a>.
+Substantieele voorstelling van het abstracte; <a href='#367'>367</a> vg., <a href='#386'>386</a> vg.
+Summis desiderantes, Bul; <a href='#411'>411</a>.
+Suso, Heinrich; <a href='#243'>243</a>, <a href='#333'>333</a>, <a href='#336'>336</a>, <a href='#372'>372</a> vg., <a href='#379'>379</a>, <a href='#383'>383</a>.
+Symbolisme; <a href='#337'>337</a> vg.
+Systematiek van deugd en zonde; <a href='#361'>361</a> vg.
+
+Tacitus; <a href='#142'>142</a>.
+Taine, Hippolyte; <a href='#102'>102</a>.
+Tauler, Johannes; <a href='#373'>373</a>, <a href='#381'>381</a>.
+Tempeliers; <a href='#130'>130</a>.
+Terechtstellingen; <a href='#4'>4</a>.
+Ternant, Philippe de; <a href='#549'>549</a>.
+Tertullianus; <a href='#367'>367</a>.
+Testamenten; <a href='#399'>399</a>.
+Theocritus; <a href='#170'>170</a>.
+Thomas, broeder, volksprediker; <a href='#8'>8</a>, <a href='#9'>9</a>, <a href='#295'>295</a>, <a href='#324'>324</a>.
+Thomas, Saint Pierre; <a href='#297'>297</a>.
+Thucydides; <a href='#101'>101</a>.
+Todi, Jacopone van; <a href='#222'>222</a>.
+Toity, Joffroy de; <a href='#151'>151</a>.
+Tonnerre, Louis de Chalon, graaf van; <a href='#200'>200</a>.
+Tooverij; <a href='#412'>412</a>.
+Tournooi; <a href='#124'>124</a>.
+Tranen; <a href='#10'>10</a>, <a href='#11'>11</a>, <a href='#318'>318</a>.
+Trazegnies, Gilles de; <a href='#110'>110</a>, <a href='#114'>114</a>.
+Trois chevaliers et del chainse, Des; <a href='#124'>124</a>.
+Troubadours; <a href='#177'>177</a>, <a href='#192'>192</a>, <a href='#520'>520</a>, <a href='#541'>541</a>.
+Tuetey, A.; <a href='#39'>39</a>.
+Turken; <a href='#149'>149</a>.
+Turlupins; <a href='#229'>229</a>, <a href='#269'>269</a>, <a href='#329'>329</a>.
+Tweegevecht; <a href='#159'>159</a>.
+Tweegevecht te Valenciennes; <a href='#154'>154</a>, <a href='#488'>488</a>.
+
+Ubi sunt..., Motief; <a href='#221'>221</a> vg.
+Uitwerking der bijzonderheden; <a href='#472'>472</a> vg.
+Upanishad's; <a href='#378'>378</a>.
+<i>Upton, Nicolas, De officio militari</i>; noot <a href='#Upton'>250</a>.
+Urbanisten; <a href='#24'>24</a>.
+Usener, Hermann; <a href='#351'>351</a>.
+
+Vaganten; <a href='#520'>520</a>.
+Varennes, Jean de; <a href='#324'>324</a> vg., <a href='#537'>537</a>.
+Vauderie; <a href='#414'>414</a>.
+Velazquez; <a href='#29'>29</a>.
+Verachting der wereld; <a href='#225'>225</a>, <a href='#366'>366</a> vg.
+Vergilius; <a href='#535'>535</a>.
+Verlichting; <a href='#41'>41</a>.
+Verrotting, Motief der; <a href='#223'>223</a> vg.
+Verschijningen; <a href='#274'>274</a>.
+Vertooningen; <a href='#441'>441</a>.
+Vienne, Angelo Cato, aartsbisschop van; <a href='#544'>544</a>.
+Vier utersten; <a href='#235'>235</a>, <a href='#365'>365</a>.
+Villiers, George; <a href='#81'>81</a>.
+Villon, Fran&ccedil;ois; <a href='#39'>39</a>, <a href='#217'>217</a>, <a href='#222'>222</a>, <a href='#228'>228</a>, <a href='#236'>236</a>, <a href='#237'>237</a>, <a href='#394'>394</a>, <a href='#399'>399</a>, <a href='#422'>422</a>, <a href='#468'>468</a>,
+<a href='#509'>509</a>, <a href='#514'>514</a>, <a href='#540'>540</a>, <a href='#542'>542</a>.
+<i>Villon, Fran&ccedil;ois</i>; noot <a href='#Villon'>63</a>.
+Visueele aanleg; <a href='#482'>482</a>.
+Vita nuova; <a href='#177'>177</a>, <a href='#178'>178</a>.
+Vitri, Philippe de; <a href='#97'>97</a>, <a href='#171'>171</a>, <a href='#216'>216</a>.
+<i>Vitri, Philippe de</i>; noot <a href='#Vitri'>170</a>.
+Vloeken; <a href='#263'>263</a> vg.
+Voeu du h&eacute;ron; <a href='#123'>123</a>, <a href='#139'>139</a>, <a href='#140'>140</a>, <a href='#145'>145</a>.
+Voeux du faisan; <a href='#143'>143</a> vg., <a href='#145'>145</a>, <a href='#168'>168</a>.
+Voir-Dit, Livre du; <a href='#204'>204</a> vg., zie ook Machaut.
+Voorrang; <a href='#62'>62</a>.
+Vorstenduel; <a href='#152'>152</a>.
+Vorstentrouw; <a href='#13'>13</a>.
+Vredesideaal; <a href='#99'>99</a>.
+Vrouwenverachting; <a href='#192'>192</a>.
+Vrouwenvereering; <a href='#192'>192</a>.
+Vrouwenverguizing; <a href='#218'>218</a>.
+Vydt, Jodocus; <a href='#450'>450</a>.
+
+Wapenkoning; <a href='#136'>136</a>.
+Wapenkreet; <a href='#161'>161</a>.
+Watteau, Antoine; <a href='#518'>518</a>.
+Weelde; <a href='#8'>8</a>.
+Wenzel, Roomsch koning; <a href='#16'>16</a>.
+Weyden, Rogier van der; <a href='#421'>421</a>, <a href='#426'>426</a>, <a href='#440'>440</a>, <a href='#450'>450</a>, <a href='#525'>525</a>.
+Wier, Johannes; <a href='#411'>411</a>, <a href='#416'>416</a>.
+Wilhelmus van Nassouwen; <a href='#216'>216</a>.
+Willem IV, graaf van Henegouwen en Holland; <a href='#160'>160</a>, <a href='#167'>167</a>.
+Windesheimers, zie Devotie, Moderne;
+Witte, Emanuel de; <a href='#478'>478</a>.
+Woekeringen van het godsdienstleven; <a href='#244'>244</a> vg.
+Woordenspel; <a href='#530'>530</a> vg.
+Wraakzucht; <a href='#402'>402</a>.
+Wreedheid; <a href='#26'>26</a>.
+Wurtemberg, Hendrik van; <a href='#466'>466</a>.
+
+Xaintrailles, Pothon de; <a href='#109'>109</a>.
+Xaverius, Franciscus; <a href='#299'>299</a>.
+
+Zeeoorlog; <a href='#164'>164</a>.
+Zegenspreuken; <a href='#419'>419</a>.
+Zelfbespotting; <a href='#514'>514</a>.
+Zigeuners; <a href='#18'>18</a>, <a href='#419'>419</a>.
+Zola, Emile; <a href='#509'>509</a>.
+Zueticheit; <a href='#327'>327</a>.
+Zwaarmoedigheid; <a href='#41'>41</a>.
+</pre>
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN ***
+
+***** This file should be named 16829-h.htm or 16829-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/2/16829/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
+
+
diff --git a/16829.txt b/16829.txt
new file mode 100644
index 0000000..1c14131
--- /dev/null
+++ b/16829.txt
@@ -0,0 +1,17778 @@
+The Project Gutenberg EBook of Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Herfsttij der Middeleeuwen
+
+Author: Johan Huizinga
+
+Release Date: October 8, 2005 [EBook #16829]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN ***
+
+
+
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN
+
+
+STUDIE OVER LEVENS- EN GEDACHTENVORMEN DER VEERTIENDE EN VIJFTIENDE
+EEUW IN FRANKRIJK EN DE NEDERLANDEN
+
+
+door
+
+
+J. HUIZINGA
+
+
+1919
+
+
+ * * * * *
+
+
+VOORBERICHT
+
+
+Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het
+verleden zoekt. Men wil weten, hoe de nieuwe gedachten en nieuwe
+levensvormen, die in later tijden in hun volheid stralen, ontloken zijn;
+men beziet elken tijd bovenal om de beloften, die hij bergt voor de
+volgende. Hoe ijverig heeft men in de middeleeuwsche beschaving naar de
+kiemen der moderne cultuur gespeurd; zoo ijverig, dat het soms schijnen
+moest, alsof de geestesgeschiedenis der Middeleeuwen nauwelijks iets
+anders was geweest dan de advent der Renaissance. Immers, overal zag men
+in die tijden, die eenmaal als star en doodsch gegolden hadden, het
+nieuwe reeds ontspruiten, en alles scheen te wijzen naar toekomstige
+volmaking. Doch bij het zoeken naar het nieuwe leven, dat opkwam, vergat
+men licht, dat in de geschiedenis als in de natuur het sterven en het
+geboren worden eeuwig gelijken tred houden. Oude beschavingsvormen
+sterven af terzelfdertijd en op denzelfden bodem, waarin het nieuwe
+voedsel vindt om op te bloeien.
+
+Hier is beproefd om de veertiende en vijftiende eeuw te zien, niet als
+de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen,
+de middeleeuwsche beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom
+met overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld. Het woekeren
+van oude, dwingende denkvormen over de levende kern der gedachte, het
+verdorren en verstijven van een rijke beschaving,--dat is de hoofdinhoud
+van deze bladzijden. De blik is bij het schrijven van dit boek gericht
+geweest als in de diepten van een avondhemel,--maar van een hemel vol
+bloedig rood, zwaar en woest van dreigend loodgrijs, vol valschen
+koperen schijn.
+
+Overzie ik het geschrevene, dan rijst de vraag, of niet, wanneer de blik
+nog langer op dien avondhemel had gerust, de troebele kleuren zich toch
+nog zouden hebben opgelost in louter klaarheid. Het schijnt wel, dat het
+beeld, nu ik het lijn en kleur gegeven heb, toch somberder en minder
+sereen is geworden, dan ik het meende te ontwaren, toen ik den arbeid
+begon. Het kan licht gebeuren, dat men, de opmerkzaamheid steeds gericht
+op neergaan, uitleven en verwelken, te veel van de schaduw des doods
+over het werk laat vallen.
+
+ * * * * *
+
+Het uitgangspunt van het werk is geweest de behoefte, om de kunst der
+Van Eyck's en hun volgers beter te verstaan, ze te begrijpen in haar
+samenhang met het gansche leven van den tijd. De Bourgondische
+samenleving was de eenheid, die ik in het oog wilde vatten: het scheen
+mogelijk, deze te zien als een even afgeronde beschavingskring als het
+Italiaansche quattrocento, en de titel van het boek was eerst bestemd
+te luiden: _De eeuw van Bourgondie_. Doch naarmate de strekking der
+beschouwingen algemeener werd, moest die begrenzing worden opgegeven;
+slechts in zeer beperkten zin viel er een eenheid van Bourgondische
+cultuur te postuleeren; het niet-Bourgondische Frankrijk eischte
+minstens evenveel aandacht. Zoo kwam in de plaats van Bourgondie de
+tweeledigheid: Frankrijk en de Nederlanden, en dat een zeer ongelijke.
+Want in een beschouwing over de afstervende middeleeuwsche cultuur in
+het algemeen moest het Nederlandsche element bij het Fransche verre
+achter blijven; slechts op die gebieden, waar het eigen beteekenis
+heeft: dat van het godsdienstig leven en dat der kunst, komt het
+uitvoeriger ter sprake. Dat in het tiende hoofdstuk de gestelde
+aardrijkskundige grenzen even zijn overschreden, om naast Ruusbroec
+en Dionysius den Kartuizer ook Eckhart, Suso en Tauler tot getuigen
+te kunnen roepen, zal wel geen verdediging behoeven.
+
+Hoe gering lijkt mij het getal der doorgelezen geschriften uit de
+veertiende en vijftiende eeuw, vergeleken bij alles, wat ik nog wel
+had willen lezen. Hoe gaarne had ik naast de reeks van hoofdtypen der
+verschillende geestesrichtingen, op welke de voorstelling veelal is
+gebaseerd, nog tal van andere gesteld. Doch indien het onder de
+geschiedschrijvers meer dan anderen Froissart en Chastellain zijn, die
+ik aanhaal, onder de dichters Eustache Deschamps, onder de theologen
+Jean Gerson en Dionysius de Kartuizer, onder de schilders Jan van
+Eyck,--dan ligt dit niet enkel aan beperktheid van mijn materiaal,
+maar meer nog aan het feit, dat dezen door den rijkdom en het scherp
+eigenaardige van hun uitingen bij uitstek de spiegel zijn van den geest
+dier tijden.
+
+_Vormen_ van het leven en van de gedachte zijn het, wier beschrijving
+hier beproefd is. Den wezenlijken _inhoud_ te benaderen, die in die
+vormen heeft gerust,--zal het ooit het werk zijn van geschiedkundig
+onderzoek?
+
+Leiden, 31 Januari 1919.
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ I. 's Levens felheid
+
+ II. De zucht naar schooner leven
+
+ III. De heldendroom
+
+ IV. De vormen der liefde
+
+ V. Het beeld van den dood
+
+ VI. De teugellooze verbeelding van het heilige
+
+ VII. De godsdienstige persoonlijkheid
+
+VIII. Aandoening en verbeelding
+
+ IX. Verbeelding en gedachte
+
+ X. Het falen der verbeelding
+
+ XI. De denkvormen in de praktijk
+
+ XII. De kunst in het leven
+
+XIII. Het beeld en het woord
+
+ XIV. Het komen van den nieuwen vorm
+
+Register
+
+
+ * * * * *
+
+
+I
+
+'S LEVENS FELHEID
+
+
+Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel
+scherper uiterlijke vormen dan nu. Tusschen leed en vreugde, tusschen
+rampen en geluk scheen de afstand grooter dan voor ons; al wat men
+beleefde had nog dien graad van onmiddellijkheid en absoluutheid,
+dien de vreugd en het leed nu nog hebben in den kindergeest. Elke
+levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en
+uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakken,
+vasten levensstijl. De groote dingen: de geboorte, het huwelijk, het
+sterven, stonden door het sacrament in den glans van het mysterie.
+Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren
+begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.
+
+Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen
+geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre
+koude en het bange duister van den winter waren een wezenlijker kwaad.
+Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog
+feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten
+tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden
+nog dat hooge genotsgehalte, dat misschien door de Engelsche novelle
+in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het
+levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende
+en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel, en
+hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er
+hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar
+aan zijn kleed. De groote heeren bewogen zich nooit zonder pralend
+vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging,
+venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles
+luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg
+het teeken van zijn dame, de genooten het embleem van hun broederschap,
+de partij de kleuren en blazoenen van hun heer.
+
+Ook in het uiterlijk aanschijn van stad en land heerschte die
+tegenstelling en die bontheid. De stad verliep niet zooals onze steden
+in slordig aangelegde buitenwijken van dorre fabrieken en onnoozele
+landhuisjes, maar lag in haar muur besloten, een afgerond beeld,
+stekelig van tallooze torens. Zoo hoog en zwaar de steenen huizen van
+edelen of koopheeren mochten zijn, de kerken bleven met hun hoogte en
+ruimte den aanblik der stad beheerschen.
+
+Zooals de tegenstelling van zomer en winter sterker was dan in ons
+leven, zoo was het die van licht en duister, van stilte en gedruisch.
+De moderne stad kent nauwelijks meer het zuivere donker en de zuivere
+stilte, het effekt van een enkel lichtje of een enkelen verren roep.
+
+Door het voortdurend contrast, door de bonte vormen, waarmee alles zich
+aan den geest opdrong, ging er van het alledaagsche leven een prikkeling,
+een hartstochtelijke suggestie uit, welke zich openbaart in die wankele
+stemming van ruwe uitgelatenheid, hevige wreedheid, innige verteedering,
+waartusschen het middeleeuwsche stadsleven zich beweegt.
+
+Er was een geluid, dat al het gedruisch van het drukke leven steeds weer
+overstemde, en dat, hoe bont dooreen-klinkend, toch nooit verward, alles
+tijdelijk ophief in een sfeer van orde: de klokken. De klokken waren in
+het dagelijksch leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende
+stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan
+opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke
+Jacqueline, klokke Roelant; men wist de beteekenis van kleppen of
+luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor den
+klank. Gedurende het beruchte burgerlijke tweegevecht te Valenciennes,
+dat in 1455 de stad en het geheele Bourgondische hof in buitengewone
+spanning heeft gehouden, luidde de groote klok, zoolang de strijd
+duurde, "laquelle fait hideux a oyr", zegt Chastellain [1]. "Sonner
+l'effroy", "faire l'effroy" heet het luiden der alarmklok [2]. Welk
+een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als alle kerken en
+kloosters van Parijs de klokken luidden van den morgen tot den avond,
+en zelfs den geheelen nacht, omdat er een paus gekozen was, die een
+einde aan het schisma zou maken, of om een vrede tusschen Bourguignon
+en Armagnac [3].
+
+Van een diep roerende werking moeten ook de processies zijn geweest.
+Wanneer het bange tijden waren, en die waren het dikwijls, liepen ze
+soms dag aan dag, weken achtereen. In 1412, zoodra men te Parijs wist,
+dat de koning zich op vijandelijk gebied bevond, werden er dagelijksche
+processies verordend, die van eind Mei tot in Juli duurden, telkens van
+andere groepen, orden of gilden, langs andere wegen, met andere
+relieken: "les plus piteuses (aandoenlijke) processions qui oncques
+eussent ete veues de aage de homme." Allen liepen barrevoets en met
+nuchtere maag, de heeren van het Parlement zoogoed als de arme burgers,
+elk die kon met een kaars of een toorts; er waren steeds veel kleine
+kinderen bij. Ook uit de dorpen rondom Parijs kwamen de arme landlieden
+blootsvoets van ver geloopen. Men ging of keek het aan "en grant pleur,
+en grans lermes, en grant devocion." En bijna al die dagen regende het
+hard [4].
+
+Dan waren er de vorstelijke intochten. En in nooit onderbroken
+veelvuldigheid de terechtstellingen. De wreede prikkeling en de grove
+verteedering van het schavot waren een gewichtig element in de
+geestelijke voeding van het volk. Het was kijkspel met moraal. Tegen
+gruwelijke rooverijen verzon de justitie gruwelijke straffen; een jonge
+brandstichter en moordenaar wordt te Brussel met een ketting, die aan
+een ring om een staak kan draaien, binnen een kring van brandende
+takkebossen geplaatst. Hij stelt zichzelf aan het volk in roerende
+woorden ten voorbeeld, "et tellement fit attendrir les coeurs que tout
+le monde fondoit en larmes de compassion." "Et fut sa fin recommandee la
+plus belle que l'on avoit oncques vue" [5]. Messire Manssart du Bois geeft
+niet alleen den beul gaarne de vergiffenis, die deze hem vraagt, maar
+verzoekt hem, hem te kussen. "Foison de peuple y avoit, qui quasi tous
+ploroient a chaudes larmes" [6]. Dikwijls waren het groote heeren; dan
+genoot het volk de voldoening over het strenge recht en de ernstige
+vermaning over de wisselvalligheid van aardsche grootheid levendiger,
+dan eenig geschilderd exempel of doodendans het hun geven kon. De
+overheid zorgde, dat aan den indruk van het schouwspel niets ontbrak: in
+de teekenen van hun grootheid deden de heeren hun droevigen tocht. Jean
+de Montaigu, grand maitre d'hotel van den koning, slachtoffer van den
+haat van Jan zonder Vrees, rijdt naar het schavot, hoog op een kar
+gezeten, twee trompetters vooruit; hij draagt zijn staatsiekleed,
+kaproen, houppelande en hozen half wit half rood, en gouden sporen aan
+de voeten; met die gouden sporen hangt het onthoofde lijk aan de galg.
+De rijke kanunnik Nicolas d'Orgemont, le Boiteux d'Orgemont genoemd,
+wordt in een vuilniskar door Parijs gevoerd, in een grooten violetten
+mantel en kaproen, om de onthoofding van twee genooten aan te zien, voor
+hij zelf veroordeeld werd tot levenslange opsluiting "au pain de doleur
+et a eaue d'angoisse". Het hoofd van maitre Oudart de Bussy, die een
+plaats in 't Parlement geweigerd had, werd op bijzonderen last van
+Lodewijk XI weer opgegraven en in een scharlaken kaproen met bont
+gevoerd "selon la mode des conseillers de parlement" op de markt te
+Hesdin tentoongesteld, met een verklarend rijmpje. De koning zelf
+schrijft over het geval met grimmige grappigheid [7].
+
+Zeldzamer dan de processies en de terechtstellingen waren de preeken van
+de reizende predikers, die af en toe het volk kwamen schokken met hun
+woord. Wij krantenlezers kunnen ons nauwelijks meer de geweldige werking
+van het woord op een onverzadigden en onwetenden geest voorstellen. De
+volksprediker broer Richard, die als biechtvader Jeanne d'Arc heeft
+mogen bijstaan, preekte te Parijs in 1429 tien achtereenvolgende dagen.
+Hij begon des morgens om vijf uur en eindigde tusschen tien en elf uur,
+meest op het kerkhof der Innocents, onder welks galerijen de beroemde
+doodendans geschilderd stond, met den rug naar de open knekelhuizen,
+waarin, boven de booggang rondom, de schedels voor het gezicht lagen
+opgestapeld. Toen hij na zijn tiende preek meedeelde, dat het de laatste
+zou zijn, daar hij geen verlof voor meer had, "les gens grans et petiz
+plouroient si piteusement et si fondement, comme s'ilz veissent porter
+en terre leurs meilleurs amis, et lui aussi." Als hij eindelijk Parijs
+gaat verlaten, meent het volk, dat hij den Zondag nog te St. Denis zal
+preeken; in groote troepen, wel zes duizend, zegt de burger van Parijs,
+trekken zij Zaterdags-avonds uit de stad, om zich een goede plaats te
+verzekeren, en overnachten op het veld [8].
+
+Ook aan den franciscaan Antoine Fradin werd te Parijs het preeken
+verboden, omdat hij hevig uitvoer tegen de slechte regeering. Maar
+juist daarom was hij het volk lief. Zij bewaakten hem dag en nacht in
+het klooster der Cordeliers; de vrouwen stonden er op wacht, met haar
+munitie van asch en steenen gereed. Om de proclamatie, die deze wacht
+verbiedt, lacht men: de koning weet er niets van! Als eindelijk Fradin,
+verbannen, toch de stad verlaten moet, doet het volk hem uitgeleide,
+"crians et soupirans moult fort son departement" [9].
+
+Wanneer de heilige dominicaan Vincent Ferrer komt preeken, trekt uit
+alle steden het volk, de magistraat, de geestelijkheid, tot bisschoppen
+en prelaten toe, hem met lofzangen tegemoet, om hem in te halen. Hij
+reist met een talrijke schare van volgers, die iederen avond na
+zonsondergang in processie rondtrekken met geeseling en zingen. Uit
+iedere stad vergezellen hem nieuwe scharen. Hij heeft de verzorging
+en herberging van al die volgelingen zorgvuldig geregeld door het
+aanstellen van onbesproken mannen tot kwartiermeesters. Tal van
+priesters uit verschillende orden reizen mee, om hem voortdurend bij
+te staan in het hooren der biecht en de bediening der mis. Een paar
+notarissen vergezellen hem, om terstond acte op te maken van de
+bijlegging der geschillen, die de heilige prediker overal tot stand
+brengt. Waar hij preekt, moet een houten getimmerte hem en zijn gevolg
+beschutten tegen den aandrang der menigte, die hem hand of kleed willen
+kussen. Het handwerk staat stil, zoolang hij preekt. Zelden was het,
+dat hij zijn hoorders niet tot weenen bracht, en als hij sprak van het
+oordeel en de hellestraffen of van het lijden des Heeren, dan braken
+zoowel hij als de hoorders altijd uit in zulk een groot geween, dat hij
+geruimen tijd moest zwijgen, totdat het weenen bedaarde. Boosdoeners
+kwamen zich voor alle aanwezigen ter aarde werpen, en hun groote zonden
+met tranen belijden [10].
+
+Het is de stemming der Engelsch-Amerikaansche revivals en van het leger
+des heils, maar in het ongemetene en veel meer in het openbaar. Men
+behoeft hier aan geen vrome overdrijving van den levensbeschrijver van
+Vincent Ferrer te denken; de nuchtere, droge Monstrelet geeft op bijna
+gelijke wijze de werking weer, die de karmeliet broeder Thomas in 1428
+met zijn preeken in Noord-Frankrijk en Vlaanderen teweegbracht. Ook hem
+haalde de magistraat in, terwijl edelen den teugel van zijn muildier
+hielden; ook om hem verlieten velen, waaronder heeren, die Monstrelet
+met name noemt, huis en gezin, om hem overal te volgen. De aanzienlijke
+burgers versierden het hooge gestoelte, dat zij voor hem oprichtten, met
+de kostbaarste hangtapijten, die men betalen kon.
+
+Het was naast de lijdensstof en de laatste dingen vooral de bestrijding
+van weelde en ijdelheid, waarmee de volkspredikers zoo diep de menschen
+aangrepen. Het volk, zegt Monstrelet, was broeder Thomas vooral dankbaar
+en genegen voor het neerwerpen van praal en opschik en in het bijzonder
+voor den blaam, waarmee hij adel en geestelijkheid overlaadde. Hij
+placht, wanneer aanzienlijke dames zich met hun hooge puntige kapsels
+onder zijn gehoor waagden, de kleine jongens op haar aan te hitsen (met
+belofte van aflaat, beweert Monstrelet), met den kreet: au hennin, au
+hennin! zoodat de vrouwen gedurende al dien tijd geen hennins meer
+durfden dragen en gehuifd gingen als begijnen, "Mais a l'exemple du
+lymecon--zegt de gemoedelijke chroniqueur--lequel quand on passe pres de
+luy retrait ses cornes par dedens et quand il ne ot (hoort) plus riens
+les reboute dehors, ainsy firent ycelles. Car en assez brief terme apres
+que ledit prescheur se fust departy du pays, elles mesmes recommencerent
+comme devant et oublierent sa doctrine, et reprinrent petit a petit leur
+viel estat, tel ou plus grant qu'elles avoient accoustume de porter [11]."
+
+Zoowel broer Richard als broer Thomas deden de mutserts der ijdelheden
+vlammen, zooals Florence die zestig jaar later op enorme schaal en met
+onherstelbaar verlies voor de kunst voor Savonarola ontsteken zou. In
+Parijs en Artois in 1428 en 1429 bleef het bij kaarten, verkeerborden,
+dobbelsteenen, kapsels en sieradien, die mannen en vrouwen gewillig
+aanbrachten. Deze verbrandingen waren in de 15de eeuw zoowel in
+Frankrijk als Italie een zeer veelvuldig element in de groote opwinding,
+die de predikers teweegbrachten [12]. De hevige uiting van den afkeer
+van ijdelheden en vermaken was reeds een vorm geworden, zooals alles in
+dien tijd steeds neigt, vorm te worden.
+
+In deze ontvankelijkheid van gemoed, deze vatbaarheid voor tranen en
+geestelijken ommekeer, deze prikkelbaarheid moet men zich indenken, om
+te beseffen, welke kleur en felheid het leven had.
+
+Een publieke rouw had toen nog het uiterlijk van een calamiteit. Bij
+de begrafenis van Karel VII geraakt het volk buiten zich zelf van
+aandoening, als het den stoet ziet: al de hofbeambten "vestus de dueil
+angoisseux, lesquelz il faisoit moult piteux veoir; et de la grant
+tristesse et courroux qu'on leur veoit porter pour la mort de leurdit
+maistre, furent grant pleurs et lamentacions faictes parmy toute ladicte
+ville." Er waren zes pages van den koning op geheel in zwart fluweel
+gedoste paarden. "Et Dieu scet le doloreux et piteux dueil qu'ilz
+faisoient pour leur dit maistre!" Een van de knapen had van verdriet in
+vier dagen niets gegeten of gedronken, vertelde het volk verteederd.
+[13]
+
+Het is niet alleen de aandoening van een grooten rouw of over een hevige
+predikatie of over de mysterien van het geloof, die een overvloed van
+tranen wekt. Ook bij elke wereldlijke plechtigheid wordt een vloed van
+tranen gestort. Een beleefdheidsgezant van den koning van Frankrijk aan
+Philips den Goede breekt bij zijn aanspraak herhaaldelijk in tranen uit.
+Bij het afscheid van den jongen Jan van Coimbra van het Bourgondische
+hof weent alles luide, evenzoo bij de verwelkoming van den dauphin, bij
+de samenkomst der koningen van Engeland en Frankrijk te Ardres. Men zag
+Lodewijk XI tranen storten bij zijn intocht in Atrecht; tijdens zijn
+verblijf als dauphin aan het Bourgondische hof beschrijft Chastellain
+hem herhaaldelijk in snikken en tranen [14]. Er is natuurlijk
+overdrijving in die beschrijvingen, het "geen oog bleef droog" van een
+dagbladbericht. De bisschop Jean Germain verhaalt, hoe na de treffende
+aanspraken der gezanten op het vredescongres te Atrecht in 1435 de
+toehoorders plat op den grond vallen, sprakeloos, met zuchten, snikken
+en gehuil [15]. Doch in de overdrijving ziet men den achtergrond van
+waarheid. Het is ermee als met de tranenvloeden der 18de eeuwsche
+sentimenteelen. Het weenen was verheffend en schoon. Wie kent ook nu
+niet de sterke ontroering, tot huivering en tranen toe, die een intocht
+kan teweegbrengen, ook al is de vorst, dien de praal geldt, ons volkomen
+onverschillig. Toen werd die onmiddellijke aandoening gevuld door een
+half-religieuze vereering van staatsie en grootheid, en brak zich vrij
+baan in echte tranen.
+
+Wie het verschil in prikkelbaarheid tusschen de 15de eeuw en onzen tijd
+niet ziet, kan het leeren uit een klein voorbeeld op een ander gebied
+dan dat der tranen, namelijk dat der heethoofdigheid. Wij kunnen ons
+waarschijnlijk moeilijk een vreedzamer en rustiger spel denken dan het
+schaakspel. La Marche zegt, dat het dikwijls gebeurt, dat er bij 't
+schaakspel geschillen rijzen, "et que le plus saige y pert patience"
+[16]. Twist van koningszonen over een spel schaak was in de 15de eeuw
+nog een even gangbaar motief als in de Karelromans.
+
+ * * * * *
+
+Er was in het dagelijksch leven voortdurend een onbegrensde ruimte voor
+gloeienden hartstocht en kinderlijke fantazie. De hedendaagsche
+wetenschappelijke historie der middeleeuwen, die wegens de
+onbetrouwbaarheid der kronieken bij voorkeur zooveel mogelijk uit
+officieele oorkonden put, vervalt daardoor wel eens in een gevaarlijke
+fout. De oorkonden toonen ons weinig van het verschil in levenstoon,
+dat ons van die tijden scheidt. Zij doen ons het felle pathos van het
+middeleeuwsche leven vergeten. Van al de hartstochten, die het kleuren,
+spreken de oorkonden doorgaans slechts van twee: de hebzucht en den
+strijdlust, maar deze zelf zijn in hun felheid niet te begrijpen buiten
+het verband met de algemeene hartstochtelijkheid. Daarom blijven de
+kroniekschrijvers, zij mogen op het stuk van feitelijkheden nog zoo
+oppervlakkig zijn en nog zoo dikwijls dwalen, onmisbaar om den tijd goed
+te zien.
+
+Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje. Merk op,
+hoe archaisch de hofchronisten, geleerde, aanzienlijke mannen, de
+vorsten, met wie zij verkeeren, zien, en stel u dan voor, wat het
+koningschap in de volksverbeelding moet zijn geweest. Hier is de jonge
+Karel de Stoute, nog graaf van Charolais, die van Sluis te Gorkum
+aangekomen, daar verneemt, dat zijn vader de hertog zijn pensie en al
+zijn beneficien heeft ingetrokken. Chastellain beschrijft, hoe nu de
+graaf zijn gansche hofhouding, tot de keukenjongens toe, voor zich laat
+verschijnen, en hun zijn rampspoed meedeelt in een roerende toespraak,
+waarin hij zijn eerbied voor den misleiden vader, zijn zorg voor het wel
+der zijnen en zijn liefde voor hen allen betuigt. Die zelf middelen
+hebben, spoort hij aan, met hem zijn fortuin af te wachten; die arm
+zijn, laat hij vrij om heen te gaan, en als zij mochten hooren, dat 's
+graven fortuin zich gekeerd heeft, "komt dan terug, en gij zult allen
+uw plaats open vinden en zult mij welkom zijn, en ik zal het geduld
+beloonen dat gij om mijnentwil hebt gehad."--"Lors oyt-l'on voix lever
+et larmes espandre et clameur ruer par commun accord: "Nous tous, nous
+tous, monseigneur, vivrons avecques vous et mourrons."--Diep geroerd
+aanvaardt Karel hun trouw: "Or vivez doncques et souffrez; et moy je
+souffreray pour vous, premier que vous ayez faute." Dan komen de edelen
+en bieden hem aan, wat zij bezitten, "disant l'un: j'ay mille, l'autre:
+dix mille, l'autre: j'ay cecy, j'ay cela pour mettre pour vous et pour
+attendre tout vostre advenir." En zoo ging alles zijn gewonen gang, en
+er kwam geen kip minder om in de keuken [17].
+
+De uitpenseeling van het tafereel is natuurlijk van Chastellain. Wij
+weten niet, in hoeverre zijn verhaal hier het werkelijk gebeurde
+styleert. Doch waar het op aankomt: hij ziet den vorst in de eenvoudige
+vormen van de volksballade; het geval wordt voor hem geheel beheerscht
+door de meest primitieve roerselen van wederzijdsche trouw.
+
+Terwijl het mechanisme van het staatsbestuur en de staatshuishouding in
+werkelijkheid reeds gecompliceerde vormen had aangenomen, projecteert
+zich het staatsbeleid in den geest des volks in enkele vaste, eenvoudige
+figuren. De politieke voorstellingen, waarin men leeft, zijn die van het
+volkslied en den ridderroman. Er zijn een beperkt getal koningstypen: de
+edele, rechtvaardige vorst, de door booze raden misleide vorst, de vorst
+wreker van de eer van zijn geslacht, de vorst in het ongeluk door de
+trouw der zijnen gesteund. Het eeuwige wantrouwen, of het geld door de
+kroon wel in het algemeen welzijn wordt besteed, vindt zijn uitdrukking
+in de steeds terugkeerende voorstellingen: de koning wordt omringd door
+hebzuchtige, sluwe raadgevers, of de weelde en overdaad van 's konings
+hofhouding is er schuld aan, dat het slecht gaat met het land. Zoo
+reduceeren zich de politieke kwesties voor het volk tot de gevallen van
+de sproke. Philips de Goede begreep, welke taal het volk verstond.
+Tijdens zijn feesten in den Haag in 1456 heeft hij, om indruk te maken
+op de Hollanders en Friezen, die zouden meenen, dat het hem aan geld
+ontbrak om het bisdom Utrecht te vermeesteren, in een kamer naast de
+ridderzaal dertig duizend mark zilver aan kostelijk vaatwerk laten
+uitstallen. Iedereen mag er naar komen kijken. Bovendien zijn er uit
+Rijssel twee geldkisten meegebracht met tweehonderdduizend gouden
+leeuwen. Men mag beproeven, ze op te lichten, maar het is moeite
+vergeefsch [18]. Kan er opvoedkundiger vermenging van staatscrediet en
+kermisvermaak bedacht worden?
+
+Het vorstelijk leven en bedrijf had nog menigmaal een fantastisch
+element, dat ons aan den khalief uit Duizend en een Nacht herinnert. Zij
+handelen te midden van de koel berekende politieke ondernemingen soms
+met een roekelooze onstuimigheid, die om een persoonlijke gril hun leven
+en hun werk in gevaar brengt. Eduard III waagt er zichzelf, den prins
+van Wales en de zaak van zijn land aan, om een vloot van spaansche
+koopvaarders aan te vallen, ter vergelding van eenige zeerooverij
+[19].--Philips de Goede heeft er zijn zinnen op gezet, een zijner
+archers te huwen aan een rijke brouwersdochter uit Rijssel. Toen de
+vader dit tegenwerkt en er het Parlement van Parijs inhaalt, breekt de
+hertog, in woede ontstoken, de gewichtige staatsbesognes, die hem in
+Holland hielden, plotseling af, en onderneemt, in den heiligen tijd vlak
+voor Paschen nog wel, een gevaarlijke zeereis van Rotterdam naar Sluis,
+om zijn zin door te drijven [20]. Een andermaal is hij in zinneloozen
+toorn om een twist met zijn zoon als een weggeloopen schooljongen stil
+uit Brussel gereden, en verdwaalt 's nachts in het bosch. Als hij weer
+terecht is, valt de hachelijke taak, om hem weer in zijn gewone doen te
+brengen, den ridder Philippe Pot te beurt. De handige hoveling vindt het
+rechte woord: "Bonjour monseigneur, bonjour, qu'est cecy? Faites-vous du
+roy Artus maintenant ou de messire Lancelot?" [21]
+
+Hoe khaliefachtig doet het aan, wanneer dezelfde hertog, als de
+geneesheeren hem hebben voorgeschreven, zich het hoofd kaal te laten
+scheren, gelast, dat alle edelen zullen doen als hij, en Peter van
+Hagenbach opdraagt, om waar hij een edelman ongeschoren vond, hem van
+zijn haardos te ontdoen [22]. Of wanneer de jonge koning van Frankrijk
+Karel VI, met een vriend op een paard, vermomd den intocht van zijn
+eigen bruid, Isabella van Beieren, gaat zien, en in 't gedrang klappen
+oploopt van de dienders [23].--Een dichter uit de XVe eeuw laakt het,
+dat de vorsten hun nar of speelman tot hofraad en minister verheffen,
+gelijk Coquinet le fou de Bourgogne [24].
+
+Een andere gewoonte herinnert aan figuren, die tot in de laatste dagen
+van het tsarisme hun invloed aan het Russische hof hadden: de vorsten
+der XVe eeuw zoeken herhaaldelijk raad in staatszaken bij de visionaire
+asceten en de geexalteerde volkspredikers. Dionysius de Kartuizer,
+Vincent Ferrer traden als politieke raadgevers op; de luidruchtige
+prediker Olivier Maillard, een Fransche Brugman, was in de heimelijkste
+onderhandelingen van vorstenhoven gemengd [25]. Een element van
+godsdienstige spanning werd zoodoende levend gehouden in de hooge
+staatkunde.
+
+Het was niet door roekeloos avontuurlijke daden en woeste grillen
+alleen, dat het vorstenleven voortdurend in de sfeer van het romantische
+bleef. De bloedige tragiek van het koningschap heeft zelden zoo
+aanhoudend het tooneel van Europa vervuld met den aanblik van
+aangrijpende lotswisseling als in de XIVe en XVe eeuw. In het Duitsche
+Rijk en in Engeland in een jaar tijds een koning onttroond. De wildste
+verhalen liepen van Wenzel, den dronkaard, die de Duitsche landen
+verwaarloosde, terwijl de Turken steeds dreigender naderden. De koningin
+zou des nachts door zijn woeste losgebroken honden zijn verscheurd. De
+geheimzinnige dood van Richard II van Engeland, na zijn verbazenden val,
+riep dien van Eduard II, zeventig jaren eerder, in het geheugen terug.
+In Frankrijk een waanzinnige op den troon, en 't land door wilde
+partijtwist verscheurd. En de gansche christenheid verdeeld door het
+groote schisma: twee pausen, drie welhaast, die om de macht streden.
+"Le Pappe de la Lune" noemde men in Frankrijk den paus van Avignon,
+Benedictus XIII, den Aragonees Peter van Luna: het moet voor het volk
+een half ijlhoofdigen klank hebben gehad. De twee schreeuwende moorden
+van 1407 en 1419: op Lodewijk van Orleans en op Jan zonder Vrees,
+hebben met hun eindeloozen nasleep van wraakzucht en oorlog aan de
+Fransche geschiedenis eener gansche eeuw een grondtoon van somberen haat
+gegeven.
+
+Men kon de wisselvalligheid der vorstelijke fortuin, zooals ieder haar
+voor oogen had in het beeld van het wiel, waar zij aftuimelen met hun
+schepters en kronen, niet beter belichaamd zien dan in Rene van Anjou,
+die altijd weer de hoogste kansen had gemist, die getracht had naar de
+kronen van Hongarije, Sicilie en Jeruzalem, en niet anders vond dan
+nederlagen, moeilijke ontvluchtingen, lange gevangenschappen. De
+dichter-koning zonder troon, die zich vermeide in herderdicht en
+miniatuurkunst, moet wel van een diep gewortelde frivoliteit zijn
+geweest, of het lot zou hem hebben genezen. Bijna al zijn kinderen had
+hij zien sterven, en de dochter, die hem gebleven was, had een lot, dat
+in zwarte droefheid het zijne overtrof. Margareta van Anjou, vol geest,
+eerzucht en hartstocht, had, zestien jaar oud, den koning van Engeland
+gehuwd, Hendrik VI, een onnoozele. Het Engelsche hof was een hel van
+haat. Toen eindelijk de groote familiestrijd in de phase van bloedig
+geweld was gekomen, verloor Margareta kroon en rijkdom. Zij had het
+ergste gevaar en den bittersten nood gekend; aan de erbarming van een
+struikroover had zij zich en haar zoon moeten toevertrouwen. Zij had bij
+de mis een Schotschen boogschutter om een penning moeten vragen voor een
+offer, "qui demy a dur et a regret luy tira un gros d'Escosse de sa
+bourse et le luy presta". Toen Chastellain het aandoenlijk verhaal van
+haar rampspoed en zwerftochten uit haar mond vernam, en haar tot troost
+een _Temple de Bocace_ [26] wijdde, "aucun petit traite de fortune,
+prenant pied sur son inconstance et deceveuse nature", een sombere
+galerij van vorstenongeluk, toen stond haar het ergste nog te wachten:
+bij Tewkesbury in 1471 de Lancaster's voorgoed verslagen, haar eenige
+zoon in den slag gevallen of na den slag vermoord, haar gemaal heimelijk
+omgebracht, zijzelf vijf jaren in den Tower, om tenslotte door Eduard IV
+aan Lodewijk XI te worden verkocht, wien zij tot dank voor haar
+bevrijding afstand moest doen van de erfenis van haar vader, koning
+Rene.
+
+Waar de echte koningskinderen zulk een lot beleefden, hoe zou daar een
+burger van Parijs anders dan geloof schenken aan het verhaal, waarmee
+in 1427 een troep Zigeuners in de stad kwam? Zij kwamen als boetelingen,
+"ung duc et ung conte et dix hommes tous a cheval", de rest, een 120
+sterk, moest buiten blijven. Uit Egypte waren zij, de paus had hun als
+boete voor hun afval van het christelijk geloof opgelegd om zeven jaar
+te zwerven, zonder in een bed te slapen. Zij waren wel 1200 geweest,
+maar hun koning en koningin en al de anderen waren onderweg gestorven.
+Tot eenig solaas had de paus gelast, dat ieder bisschop en abt hun tien
+pond tournoois zou geven. De Parijzenaars kwamen in groote menigte naar
+het vreemde volkje kijken, en lieten zich de hand lezen door de vrouwen,
+die den lieden het geld uit hun beurzen in de hare deden verhuizen "par
+art magicque au autrement" [27].
+
+Er lag om het vorstenleven een sfeer van avontuur en van hartstocht. Het
+was niet louter de volksverbeelding, die het die kleur leende. De
+moderne mensch maakt zich doorgaans geen voorstelling van de teugellooze
+buitensporigheid en ontvlambaarheid van het middeleeuwsch gemoed. Men
+kan uit de oorkonden een beeld ontwerpen van een stuk middeleeuwsche
+geschiedenis, dat er juist zoo uitziet als achttiendeeeuwsche ministers-
+en gezanten-politiek. Maar zulk een beeld mist een gewichtig element:
+de felle kleur van den geweldigen hartstocht, die en de volken en de
+vorsten heeft bezield. Zonder twijfel is dat element ook nu nog in de
+staatkunde aanwezig, maar het vindt meer remmen en beletselen, het is
+op honderden wijzen door het ingewikkelde mechanisme van het
+gemeenschapsleven in vaste banen geleid. In de vijftiende eeuw komt
+in de politieke daad nog een mate van onmiddellijk affect tot uiting,
+waardoor nut en berekening telkens worden doorbroken. Gaat dat affect
+gepaard met machtsgevoel, zooals bij de vorsten, dan werkt het dubbel
+heftig. Chastellain drukt het in zijn deftige termen bondig uit. Het is
+geen wonder, zegt hij, dat vorsten dikwijls met elkaar in vijandschap
+leven, "puisque les princes sont hommes, et leurs affaires sont haulx et
+agus, et leurs natures sont subgettes a passions maintes comme a haine
+et envie, et sont leurs coeurs vray habitacle d'icelles (des passions) a
+cause de leur gloire en regner" [28]. Dit is, wat Burckhardt "das Pathos
+der Herrschaft" noemt.
+
+Wie de geschiedenis van Bourgondie wilde schrijven, moest steeds weer
+een wraakmotief kunnen doen klinken, zoo zwart als een katafalk, dat u
+bij elke daad in den raad en te velde, den bitteren smaak gaf te proeven
+van hun geest vol sombere wraakgierigheid en verscheurden hoogmoed.
+Zeker, het zou onnoozel zijn, om weer te willen terugkeeren tot het
+gezicht, dat de vijftiende eeuw zelf op de geschiedenis had. Het gaat
+niet aan, de geheele machtstegenstelling, waaruit de eeuwenlange strijd
+van Frankrijk en de Habsburgers is gegroeid, te willen afleiden uit de
+bloedwraak tusschen Orleans en Bourgondie, de twee takken van het huis
+Valois. Wanneer men zich maar bewust blijft, dat voor den tijdgenoot die
+bloedwraak het beheerschende moment van de lotgevallen hunner landen
+was. Philips de Goede is voor hen in de eerste plaats de wreker, "celluy
+qui pour vengier l'outraige fait sur la personne du duc Jehan soustint
+la gherre seize ans" [29]. Als een heilige taak had Philips het op zich
+genomen: "en toute criminelle et mortelle aigreur, il tireroit a la
+vengeance du mort, si avant que Dieu luy vouldroit permettre; et y
+mettroit corps et ame, substance et pays tout en l'aventure et en la
+disposition de fortune, plus reputant oeuvre salutaire et agreable a
+Dieu de y entendre que de le laisser". Het was den Dominicaan, die bij
+den lijkdienst voor den vermoorden hertog de predikatie hield, euvel
+aangerekend, dat hij op den christenplicht om niet te wreken gewezen had
+[30]. Al de staten van zijn landen riepen met hem om wraak, zegt La
+Marche [31].
+
+Het tractaat van Atrecht, dat in 1435 den vrede tusschen Frankrijk en
+Bourgondie schijnt te zullen brengen, begint met de boete voor den moord
+van Montereau; een kapel te stichten in de kerk van Montereau, waar Jan
+het eerst begraven was, waar ten eeuwige dage een requiem zal gezongen
+worden iederen dag; desgelijks in dezelfde stad een Kartuizerklooster,
+een kruis op de brug zelf, waar het feit was bedreven, een mis in de
+Kartuizerkerk te Dijon, waar de Bourgondische hertogen begraven liggen
+[32]. Het was maar een deel van al de openbare boete en schande, die de
+kanselier Rolin namens den hertog geeischt had: kerken met kapittels
+niet alleen te Montereau, maar ook te Rome, Gent, Dijon, Parijs,
+Santiago de Compostella en Jeruzalem, met opschriften in steen, die het
+feit verhalen moesten [33].
+
+Een wraakbehoefte, die zich in zoo wijdloopige vormen kleedde, moet wel
+vooraan in den geest hebben gestaan. En wat zou het volk van de
+staatkunde hunner vorsten beter hebben begrepen dan deze eenvoudige,
+primitieve motieven van haat en wraak? De aanhankelijkheid aan den vorst
+was van een kinderlijk impulsief karakter, een onmiddellijk gevoel van
+trouw en gemeenschap. Het is een uitbreiding van het oude sterke besef,
+dat de eedhelpers aan den klager, de mannen aan hun heer bond, en dat in
+veete en strijd tot allesvergetenden hartstocht aangloeide. Het is
+partijgevoel, geen staatsgevoel. De latere middeleeuwen zijn de tijd der
+groote partijstrijden. In Italie consolideeren de partijen zich reeds in
+de 13e eeuw, in Frankrijk en de Nederlanden rijzen ze overal omhoog in
+de 14e. Iedereen, die de geschiedenis van die tijden bestudeert, moet
+wel eens getroffen zijn door de gebrekkigheid, waarmee die partijschappen
+door de moderne geschiedvorsching uit economisch-politieke oorzaken worden
+verklaard. De economische tegenstellingen, die men eraan ten grondslag
+legt, zijn veelal louter schematische constructies, die men met den
+besten wil niet uit de bronnen kan aflezen. Zonder de aanwezigheid van
+economische oorzaken te loochenen, is men geneigd te vragen, of ter
+verklaring van den laat-middeleeuwschen partijstrijd een politisch-
+psychologisch gezichtspunt niet meer profijt oplevert dan een politisch-
+economisch. Op de onmiddellijke basis van hartstochtelijke trouw, van
+familietrots en wraakzucht kan men de partijen als 't ware zien
+agglomereeren uit de beperkte veeten van den zuiver-feodalen tijd. Met
+de versterking van de staatsmacht, met de uitbreiding van de geldmacht
+nemen de primitieve gevoelens van solidariteit en gemeenschapseer
+breeder, openlijker vormen aan. Wanneer een scherpziend tijdgenoot
+verklaart, dat voor den haat van Hoekschen en Kabeljauwschen geen
+redelijke gronden waren te bespeuren [34], moet men niet minachtend de
+schouders ophalen en wijzer willen zijn dan hij.
+
+Hoe hevig de gemoedsbeweging van vorstentrouw werken kon, leest men op
+elke bladzijde der middeleeuwsche geschiedenis. De dichter van het
+mirakelspel Marieken van Nimwegen vertoont ons, hoe Marieken's kwade
+moei, na zich met de buurvrouwen half razend gekeven te hebben over den
+twist van Arnold en Adolf van Gelre, zich ophangt uit spijt, dat de oude
+hertog uit zijn gevangenis is verlost. Blijkbaar was dit dus voor hem
+een waarschijnlijk motief. Midden in den nacht laten de schepenen van
+Abbeville de klokken luiden, omdat er een bode gekomen is van Karel van
+Charolais met verzoek om te bidden voor de genezing zijns vaders. De
+verschrikte burgers stroomen ter kerke, ontsteken honderden kaarsen,
+liggen geknield of neergeworpen, in tranen, den ganschen nacht, terwijl
+de klokken aldoor luiden [35].
+
+Als het volk van Parijs, in 1429 nog Engelsch-Bourgondischgezind,
+verneemt, dat broeder Richard, die hen nog pas zoo innig had aangegrepen
+met zijn preeken, een Armagnac is, en de steden heimelijk ompraat, dan
+vervloeken zij hem bij God en de heiligen; voor den tinnen penning met
+den naam van Jezus, dien hij hun gegeven had, nemen zij het Andrieskruis,
+het partijteeken van Bourgondie. Zelfs het hervatten van de dobbelspelen,
+waartegen broer Richard geijverd had, geschiedde, meent de burger van
+Parijs, "en despit de luy" [36].
+
+Men zou meenen, dat het schisma tusschen Avignon en Rome, dat geen
+dogmatischen grond had, geen geloofshartstocht kon hebben gewekt in de
+landen, ver van de beide centra verwijderd. Toch ontwikkelt zich ook
+daar het schisma onmiddellijk tot een felle en hevig bewogen partijzaak,
+tot een tegenstelling als van geloovigen en ongeloovigen. Wanneer Brugge
+overgaat van den paus te Rome tot dien van Avignon, verlaten tal van
+lieden huis en stad, bedrijf of prebende, om in Utrecht, Luik of een
+ander gebied der urbanistische obedientie naar hun partij te kunnen
+leven [37]. Te Rozebeke in 1382 is de Fransche legeraanvoering in
+twijfel, of men tegen de opstandige Vlamingen de oriflamme, de heilige
+koningsvaan, zal ontplooien of niet. De beslissing valt: ja, want die
+Vlamingen zijn urbanisten, dus ongeloovigen [38]. Pierre Salmon kon te
+Utrecht geen priester vinden, die hem zijn paasch wil laten vieren,
+"pour ce qu'ils disoient que je estoie scismatique et que je creoie en
+Benedic l'antipape", zoodat hij alleen in een kapel gaat biechten, alsof
+hij 't voor een priester deed, en de mis hoort in het Kartuizerklooster
+[39].
+
+Het sterk bewogen karakter van partijgevoel en vorstentrouw werd nog
+verhoogd door de machtige suggestieve werking, die er uitging van al
+de partijteekens, kleuren, emblemen, deviezen, kreten, die elkander
+somtijds in bonte wisseling opvolgden, meestal zwanger van moord en
+doodslag, een enkele maal teeken van blijder dingen. Wel twee duizend
+personen trokken in 1380 den jongen Karel VI bij zijn intocht in Parijs
+tegemoet, allen gelijk gekleed in half groen half wit. Tot driemaal toe
+zag men in de jaren 1411 tot 1413 heel Parijs plotseling met ander
+kenteeken getooid: paarse kaproenen met het Andrieskruis, witte
+kaproenen, dan weer violette. Geestelijken, vrouwen en kinderen droegen
+ze. Tijdens het schrikbewind der Bourguignons te Parijs in 1411 werden
+iederen Zondag de Armagnacs onder klokgelui geexcommuniceerd; men behing
+de heiligenbeelden met het Andrieskruis, ja, sommige priesters wilden
+bij de mis en bij den doop het kruisteeken niet recht maken, zooals de
+Heer gekruist was, maar maakten het schuins [40].
+
+De blinde hartstocht, waarmee men zijn partij, zijn heer of ook zijn
+eigen zaak volgde, was mede een uitingsvorm van het muurvaste,
+steenharde rechtsgevoel, de onwrikbare verzekerdheid, dat elke daad haar
+uiterste vergelding eischt. Het middeleeuwsche gerechtigheidsgevoel was
+voor drie kwart heidensch. Het was wraakbehoefte. De kerk had wel de
+rechtsgewoonten getracht te verzachten door aandrang op zachtmoedigheid,
+vrede, vergevensgezindheid, maar het eigenlijke rechtsgevoel had zij
+daarmee niet veranderd. Integendeel, zij had het geexaspereerd, door aan
+de vergeldingsbehoefte den haat tegen de zonde toe te voegen. De zonde
+nu, dat was al te vaak: wat mijn vijand doet. Er was een enorme spanning
+gekomen van barbaarsch-religieus gerechtigheidsgevoel; onder invloed van
+de zonde-opvatting was de afkoopbaarheid van het misdrijf meer en meer
+teruggedrongen, en zoo is het einde der middeleeuwen de bedwelmende
+bloeitijd van pijnlijke gerechtigheid en justitieele wreedheid geworden.
+Daar was geen oogenblik van twijfel, of de boosdoener zijn recht
+verdiend had. Daar was innige voldoening over treffende daden van
+justitie, door den vorst zelf verricht. Daar waren vlagen van straffe
+gerechtigheid, dan tegen roovers en geboefte, dan tegen heksen en
+toovenaars, dan tegen sodomie.
+
+Wat in de justitieele wreedheid der late middeleeuwen treft, is geen
+ziekelijke perversiteit maar het dierlijke, verstompte jolijt, dat
+het volk erin had, de kermisvreugde ervan. Die van Mons koopen een
+rooverhoofdman tegen veel te hoogen prijs, voor het genoegen van hem te
+vierendeelen, "dont le peuple fust plus joyeulx que si un nouveau corps
+sainct estoit ressuscite" [41]. Tijdens de gevangenschap van Maximiliaan
+te Brugge in 1488 staat op de markt, waar de gevangen koning het kan
+zien, de pijnbank op een hooge estrade, en het volk krijgt er niet
+genoeg van, de van verraad verdachte magistraatspersonen telkens weer
+te zien pijnigen, en weerhoudt de executie, waar dezen om smeeken, om
+nieuwe kwellingen te genieten [42].
+
+Tot welke onchristelijke uitersten juist de vermenging van geloof en
+wraakzucht leidde, bewijst de gewoonte, die in Frankrijk en Engeland
+heerschte, om den terdoodveroordeelde niet alleen het viaticum maar ook
+de biecht te weigeren. Men wilde hun ziel niet redden, men wilde hun
+doodsangst verzwaren met de zekerheid der hellestraf. Vergeefs had paus
+Clemens V in 1311 gelast, althans het boetsacrament toe te staan. De
+politieke idealist Philippe de Mezieres drong er opnieuw op aan, eerst
+bij Karel V van Frankrijk, toen bij Karel VI. Doch de kanselier Pierre
+d'Orgemont, wiens "forte cervelle", zegt Mezieres, moeilijker om te
+keeren was dan een molensteen, verzette er zich tegen, en Karel V, de
+wijze, vreedzame koning, verklaarde, dat bij zijn leven de gewoonte niet
+veranderd zou worden. Eerst toen de stem van Jean Gerson zich bij die
+van Mezieres voegde met een vijftal consideraties tegen het misbruik,
+gelastte een koninklijk edict van 12 febr. 1397 den veroordeelde de
+biecht toe te staan. Pierre de Craon, aan wiens bemoeiing het besluit te
+danken was, richtte een steenen kruis op bij de galg van Parijs, waar de
+Minderbroeders de berouwvolle misdadigers konden bijstaan [43]. Toch
+verdween ook toen de oude gewoonte nog niet uit de volkszeden; nog kort
+na 1500 moet de bisschop van Parijs, Etienne Ponchier, het statuut van
+Clemens V hernieuwen. In 1427 wordt een roofziek jonker te Parijs
+gehangen. Bij de terechtstelling komt een aanzienlijk ambtenaar, groot
+tresorier in dienst van den regent, zijn haat tegen den veroordeelde
+luchten; hij belet, dat hem de confessie wordt toegestaan, die hij
+vraagt; hij klimt scheldende achter hem de ladder op, slaat hem met een
+stok, ranselt den beul, omdat die hem naar de redding van zijn ziel
+vraagt. De beul, verschrikt, overhaast zich, de strop breekt, de arme
+misdadiger valt, breekt been en ribben, en moet zoo de ladder weer op
+[44].
+
+In de middeleeuwen ontbreken al de gevoelens, die ons besef van justitie
+schuchter en weifelend hebben gemaakt: het inzicht in halve
+toerekenbaarheid, het besef van 's rechters feilbaarheid, het besef, dat
+de maatschappij mee schuld heeft aan het misdrijf van den enkele, de
+vraag, of men hem niet kan verbeteren in plaats van hem te doen lijden.
+Of misschien beter gezegd: die gevoelens ontbraken niet, maar waren
+onuitgedrukt vereenigd in een onmiddellijke aandoening van
+barmhartigheid en vergiffenis, die, onafhankelijk van de schuld, telkens
+weer de wreede voldoening over het gedane recht komt breken. Waar wij
+een aarzelend en half schuldbewust toemeten van verzachte straffen
+kennen, daar kent de middeleeuwsche justitie slechts de twee uitersten:
+de volle maat van wreede straf en de genade. Bij het schenken van genade
+wordt veel minder dan thans gevraagd, of de schuldige om bijzondere
+redenen de gratie verdient: voor elke schuld, ook de klaarblijkelijkste,
+is volle kwijtschelding te allen tijde gepast. In de praktijk gaf bij
+die kwijtscheldingen niet altijd de zuivere barmhartigheid den doorslag.
+Het is verbazend, met welk een gelijkmoedigheid de tijdgenooten
+vertellen, hoe de tusschenkomst van aanzienlijke verwanten een
+misdadiger "lettres de remission" bezorgen. Niettemin gelden de meeste
+van die brieven geen aanzienlijken overtreders maar armen lieden uit het
+volk, die geen hooge voorspraak gehad hebben [45].
+
+De onmiddellijke tegenstelling van hardvochtigheid en barmhartigheid
+beheerscht ook buiten de rechtspleging de zeden. Aan de eene zijde de
+vreeselijkste hardvochtigheid tegen misdeelden en gebrekkigen, aan de
+andere die ontzaglijke verteedering, dat innig gevoel van verwantschap
+voor zieken, armen en gekken, zooals wij het, samen met de wreedheid,
+nog uit de Russische litteratuur kennen. Het genot in terechtstellingen
+wordt althans nog begeleid en tot zekere hoogte gerechtvaardigd door een
+sterk bevredigd rechtsgevoel. In de ongeloofelijke, naieve hardheid,
+onkieschheid, den wreeden spot, het leedvermaak, waarmee men het ongeluk
+der ellendigen beschouwt, ontbreekt zelfs het veredelend element van het
+bevredigd rechtsgevoel. De kroniekschrijver Pierre de Fenin besluit het
+verhaal van het omkomen eener rooverbende met de woorden: "et faisoit-on
+grant risee, pour ce que c'estoient tous gens de povre estat" [46].
+
+Te Parijs wordt in 1425 een "esbatement" gehouden van vier geharnaste
+blinden, die om een big vechten. Daags te voren trekken zij geharnast
+door de stad, voorop een doedelzakspeler en een man met een groote vlag,
+waarop de big geschilderd staat [47].
+
+Velazquez heeft ons de innig droevige tronies bewaard van de
+dwerginnetjes, die als zottinnen aan het Spaansche hof in zijn tijd
+nog in eere waren. Zij waren een gezocht voorwerp van vermaak aan de
+vorstenhoven der 15e eeuw. Bij de kunstige "entremets" der groote
+hoffeesten vertoonden zij haar kunsten en haar mismaaktheid. Madame
+d'Or, de goudblonde dwergin van Philips van Bourgondie, was algemeen
+bekend. Men liet haar worstelen met den acrobaat Hans [48]. Bij de
+huwelijksfeesten van 1468 komt Madame de Beaugrant, "la naine de
+Mademoiselle de Bourgogne", gedost als herderin, binnenrijden op een
+gouden leeuw, grooter dan een paard. De leeuw kan den bek open en dicht
+doen en zingt een welkomstliedje; het herderinnetje wordt cadeau gedaan
+aan de jonge hertogin en op tafel gezet [49]. Wij kennen geen klachten
+over het lot van die vrouwtjes, wel posten uit rekeningen, die ons nog
+iets meer zeggen. Zij spreken ervan, hoe een hertogin zulk een dwergje
+liet halen uit haar ouderlijk huis, hoe de moeder of de vader haar
+kwamen brengen, hoe ze haar ook later af en toe kwamen bezoeken, en dan
+een fooi kregen. "Au pere de Belon la folle, qui estoit venu veoir sa
+fille...." Ging de vader verheugd en hoogvereerd over den hofdienst van
+zijn dochter naar huis? In hetzelfde jaar leverde een slotemaker te
+Blois twee ijzeren halsbanden, een "pour attacher Belon la folle et
+l'autre pour mettre au col de la cingesse de Madame la Duchesse" [50].
+
+Hoe de krankzinnigen behandeld werden, kan men afmeten naar een bericht
+omtrent de verzorging van Karel VI, die als koning toch een verpleging
+genoot, die gunstig afweek van wat anderen ondervonden. Om den armen
+waanzinnige te verschoonen, wist men niets beters te bedenken, dan hem
+te laten verrassen door twaalf zwartgemaakte mannen, alsof de duivelen
+hem kwamen halen [51].
+
+Er is in de hardvochtigheid van die tijden een mate van "ingenu", die
+ons de veroordeeling op de lippen doet besterven. Temidden van een
+pestepidemie, die Parijs teisterde, verzoeken de hertogen van Bourgondie
+en Orleans, om terwille der verstrooiing een cour d'amours in te stellen
+[52]. In een pauze van de gruwelijke moordpartijen op de Armagnacs in
+1418, sticht het volk van Parijs in de kerk van Sint Eustathius de
+broederschap van Sint Andries; iedereen, priester of leek, draagt een
+krans van roode rozen; de kerk is er vol van en geurt "comme s'il fust
+lave d'eau rose" [53]. Wanneer de heksenprocessen, die Atrecht in 1461
+als een helsche plaag hadden geteisterd, tenslotte vernietigd worden,
+viert de burgerij die zege van het recht met een wedstrijd in het
+opvoeren van "folies moralisees", eerste prijs een zilveren lelie,
+vierde prijs een paar kapoenen; de gemartelde slachtoffers waren lang
+dood [54].
+
+Zoo fel en bont was het leven, zoo verdroeg het den geur van bloed en
+rozen dooreen. Tusschen helsche benauwingen en de kinderlijkste pret,
+tusschen gruwelijke hardvochtigheid en snikkende verteedering slingert
+het als een reus met een kinderhoofd. Tusschen de volstrekte verzaking
+van alle wereldsche vreugde en een waanzinnige gehechtheid aan goed en
+genot, tusschen duisteren haat en de meest goedlachsche goedmoedigheid
+leeft het volk in uitersten.
+
+Van de heldere helft van dat leven is ons maar luttel bewaard: het is,
+of al de blijde zachtheid en sereniteit van de ziel der vijftiende eeuw
+is verzonken in haar schilderkunst en gekristalliseerd in de ijle
+reinheid van haar hooge muziek. De lach van dat geslacht is verstorven,
+zijn gulle levenslust en onbekommerde vreugde leeft enkel nog in
+volkslied en klucht. Er is genoeg, om bij ons heimwee naar vervlogen
+schoon van andere tijden ook een verlangen naar de zonnigheid van de
+eeuw der van Eyck's te voegen. Maar wie zich waarlijk in dien tijd
+verdiept, heeft dikwijls moeite, om het blijde aspect vast te houden.
+Want overal buiten de sfeer der kunst heerscht het donker. In het
+dreigend waarschuwen der sermoenen, in de moede zuchten der hoogere
+litteratuur, in het eentonig relaas der kronieken en oorkonden, overal
+schreeuwen de bonte zonden en jammert de ellende.
+
+De tijden na de reformatie hebben de hoofdzonden van hoogmoed, toorn en
+hebzucht niet meer gezien in die purperen volbloedigheid en onbeschaamde
+vrijpostigheid, waarmee zij wandelden onder de menschheid der vijftiende
+eeuw. De onmetelijke hoogmoed van Bourgondie! De gansche geschiedenis
+van dat geslacht, van de daad van ridderlijke bravoure, waarvan het
+hooggroeiende fortuin van den eersten Philips zijn oorsprong neemt, over
+den fellen naijver van Jan zonder Vrees en de zwarte wraakzucht na zijn
+dood, over den langen zomer van dien anderen Magnifico, Philips den
+Goede, tot de waanzinnige halsstarrigheid, waarin de hoogwillende Karel
+de Stoute ondergaat, is het niet een poeem van heroieken hoogmoed? Hun
+landen waren de sterkst levende van het Westen: Bourgondie, zwaar van
+kracht als zijn wijn, "la colerique Picardie", het gulzige, rijke
+Vlaanderen. Het zijn dezelfde landen, waar de pracht van schilderkunst,
+sculptuur en muziek opbloeit, en waar het felste wraakrecht heerscht en
+de gewelddadigste barbaarschheid zich botviert onder adel en burgers
+[55].
+
+Geen kwaad is dien tijden meer bewust geweest dan de hebzucht. Men kan
+den hoogmoed en de hebzucht tegenover elkander zien als de zonde van den
+ouden en van den nieuwen tijd. De hoogmoed is de zonde van het feodale
+en hierarchische tijdperk, waarin bezit en rijkdom weinig mobiel zijn.
+Het machtsgevoel zit nog niet in de eerste plaats vast aan den rijkdom;
+het is persoonlijker, en de macht moet, om erkend te worden, zich
+manifesteeren door groot vertoon, van talrijk gevolg van getrouwen, van
+kostbare versiering en indrukwekkend optreden van den machtige. Het
+besef van meer te zijn dan een ander mensch wordt door de feodale en
+hierarchische gedachte voortdurend gevoed met levenden vorm; die
+meerderheid wordt gevoeld als iets zeer wezenlijks en gerechtvaardigds.
+
+De hoogmoed is een symbolische zonde en een theologische; haar wortels
+zitten diep in den grond van alle levens- en wereldbeschouwing. Superbia
+was de oorsprong van alle kwaad; Lucifer's hoogmoed was het begin en de
+oorzaak van alle verderf. Zoo had Augustinus het gezien, zoo bleef de
+voorstelling der lateren: de hoogmoed is de bron van alle zonden, zij
+groeien uit hem als wortel en stam [56].
+
+Doch naast het schriftwoord, dat deze opvatting staafde: A superbia
+initium sumpsit omnis perditio [57], stond een ander: Radix omnium
+malorum est cupiditas [58]. In aansluiting daaraan kon men ook de
+hebzucht zien als den wortel van alle kwaad. Want onder cupiditas, dat
+als zoodanig in de rij der hoofdzonden geen plaats had, werd hier
+avaritia verstaan, gelijk zelfs een andere lezing van den tekst inhield
+[59]. En het schijnt wel, alsof vooral sedert de dertiende eeuw de
+overtuiging, dat het de teugellooze hebzucht is, die de wereld verderft,
+in de schatting der geesten den hoogmoed van zijn plaats als eerste en
+noodlottigste der zonden verdringt. De oude theologische vooraanstelling
+van Superbia wordt overstemd door het steeds aanzwellend koor van
+stemmen, die al de ellende der tijden wijten aan de steeds toenemende
+hebzucht. Hoe heeft niet Dante haar vervloekt: la cieca cupidigia!
+
+De hebzucht nu mist het symbolisch en theologisch karakter van den
+hoogmoed; zij is de natuurlijke en materieele zonde, de zuiver aardsche
+drift. Zij is de zonde van het tijdperk, waarin het geldverkeer de
+voorwaarden van machtsontwikkeling heeft verplaatst en losgemaakt. De
+schatting van menschelijke waardigheid wordt een rekensommetje. Er is
+een veel onbegrensder veld geopend voor de bevrediging van toomelooze
+begeerten en opeenhooping van schatten. En die schatten hebben nog niet
+de spookachtige ontastbaarheid, die het moderne credietwezen aan het
+kapitaal heeft gegeven; het is nog het gele goud zelf, dat vooraan in de
+voorstelling staat. En de besteding van den rijkdom heeft nog niet het
+automatische en mechanische van voortgezette belegging: de bevrediging
+ligt nog in de felle uitersten van gierigheid en verspilling. In de
+laatste vooral gaat de hebzucht het huwelijk aan met den ouden hoogmoed.
+Die was nog zoo sterk en levend: de hierarchisch-feodale gedachte had
+nog niets van haar bloei verloren, de lust aan pracht en praal, opschik
+en staatsie was nog zoo purperrood.
+
+Juist de verbinding met een primitieven hoogmoed geeft aan de hebzucht
+der latere middeleeuwen dat onmiddellijke, hartstochtelijke,
+geexaspereerde, wat latere tijden verloren schijnen te hebben. Het
+Protestantisme en de Renaissance hebben in de hebzucht ethischen inhoud
+gebracht: haar gelegaliseerd als nuttige voortbrenging van welvaart.
+Haar stigma verflauwde, naarmate de loffelijkheid van de verzaking der
+aardsche goederen minder overtuigd beleden werd. In de late middeleeuwen
+daarentegen kon de geest nog enkel de onopgeloste tegenstelling bevatten
+van hebzucht tegenover milddadigheid en vrijwillige armoede.
+
+Overal klinkt uit de litteratuur en de kronieken van dien tijd de
+bittere haat tegen de rijken, de klacht over de hebzucht der grooten,
+van het spreekwoord tot het vrome tractaat. Het is soms als een vaag
+besef van klassenstrijd, uitgedrukt met de middelen van zedelijke
+verontwaardiging. Op dit gebied kunnen evengoed de oorkonden als de
+verhalende bronnen ons het gevoel van den levenstoon van dien tijd
+geven, want in alle bescheiden van processen blinkt de meest
+onbeschaamde hebzucht.
+
+In 1436 was het mogelijk, dat de dienst in een der drukst bezochte
+kerken van Parijs 22 dagen stilstond, omdat de bisschop de kerk niet
+wilde herwijden, voor hij zekere som van penningen daarvoor ontving van
+twee bedelaars, wier handgemeen door een bloedige schram de kerk had
+ontwijd; en de stakkers hadden het niet. De bisschop, Jacques du
+Chatelier, stond dan ook bekend als "ung homme tres pompeux,
+convoicteux, plus mondain que son estat ne requeroit". Maar onder zijn
+opvolger, Denys de Moulins, was het in 1441 al weer zoo: nu kon er vier
+maanden lang op het kerkhof "des Innocents", het vermaardste en
+gezochtste van Parijs, niet begraven worden noch ommegang gehouden,
+omdat de bisschop een hooger recht daarvan eischte, dan de kerk kon
+opbrengen. Deze bisschop heette "homme tres pou piteux a quelque
+personne, s'il ne recevoit argent ou aucun don qui le vaulsist, et pour
+vray on disoit qu'il avait plus de cinquante proces en Parlement, car de
+lui n'avoit on rien sans proces" [60]. Men moet de geschiedenis van de
+"nouveaux riches" van dien tijd, een familie d'Orgemont bijvoorbeeld, in
+al de laagheden van hun schraapzucht en proceszucht vervolgen, om den
+geweldigen haat van het volk, den toorn van predikers en dichters te
+begrijpen, die zonder ophouden over de rijken werd uitgestort [61].
+
+Het volk kan zijn eigen lot en het gebeuren van den tijd niet anders
+zien dan als een altijddurende opeenvolging van wanbestuur en
+uitzuiging, oorlog en rooverij, duurte, gebrek en pestilentie. De
+chronische vormen, die de oorlog placht aan te nemen, de voortdurende
+verontrusting van stad en land door allerlei gevaarlijk geboefte, de
+eeuwige bedreiging van een harde en onbetrouwbare justitie, en daarboven
+nog de druk van helleangst, duivel- en heksenvrees, hielden een gevoel
+van algemeene onveiligheid levend, dat wel geschikt was, den achtergrond
+van het leven zwart te kleuren. Het zijn niet alleen de kleinen en
+armen, wier leven verliep in die hachelijke onveiligheid, ook in dat van
+edelen en magistraten zijn de sterkste lotswisselingen en voortdurende
+gevaren bijna regel. Mathieu d'Escouchy, een Picardier, is een
+geschiedschrijver, zooals de vijftiende eeuw er zoo velen oplevert: zijn
+kroniek, eenvoudig, nauwkeurig, onpartijdig, vervuld van de gewone
+vereering voor het ridderideaal en de gewone moraliseerende strekking,
+zou ons een eerzaam auteur doen vermoeden, die aan nauwgezetten
+historischen arbeid zijn gaven wijdde. Maar welk een leven is het
+geweest, dat de uitgever van dit geschiedwerk van den auteur uit de
+oorkonden aan het licht heeft gebracht! [62] Mathieu d'Escouchy begint
+zijn magistratenloopbaan als raad, schepen, gezworene, schout (prevot)
+van de stad Peronne tusschen 1440 en 1450. Van den aanvang af vindt men
+hem in een soort van veete met de familie van den procureur dier stad,
+Jean Froment, een veete, die met processen wordt uitgevochten. Dan is
+het de procureur, die d'Escouchy vervolgt wegens valschheid en moord,
+dan wegens "exces et attemptaz". De schout op zijn beurt belaagt de
+weduwe van zijn vijand met een onderzoek naar tooverij, waarvan zij
+verdacht stond; maar de vrouw weet een mandaat te verkrijgen, krachtens
+hetwelk d'Escouchy zijn onderzoek in handen der justitie moet stellen.
+De zaak komt voor het Parlement van Parijs, en d'Escouchy geraakt voor
+de eerste maal in gevangenschap. Nog zesmaal daarna vinden wij hem als
+beschuldigde in hechtenis, en eenmaal in krijgsgevangenschap. 't Zijn
+telkens ernstige crimineele zaken en meer dan eens zit hij in zware
+ijzers. De wedstrijd van wederzijdsche aanklachten tusschen de familie
+Froment en d'Escouchy wordt afgewisseld door een gewelddadige
+ontmoeting, waarbij de zoon Froment hem wondt. Beiden huren rabauwen,
+om elkaar naar 't leven te staan. Nadat deze lange veete uit onzen
+gezichtskring verdwenen is, zijn het nieuwe aanslagen; ditmaal wordt
+de schout verwond door een monnik; nieuwe klachten, dan in 1461
+d'Escouchy's verhuizing naar Nesle, onder verdenking van euveldaden,
+naar het schijnt. Dit belet hem niet, om carriere te maken: hij wordt
+baljuw, prevot van Ribemont, procureur du roi te Saint Quentin; hij
+wordt geadeld. Na nieuwe verwondingen, opsluitingen, boeten, vindt men
+hem in krijgsdienst: hij strijdt voor den koning bij Montlhery in 1465
+tegen Karel den Stoute, en wordt er krijgsgevangen gemaakt. Uit een
+volgenden veldtocht keert hij verminkt terug. Dan trouwt hij, maar het
+beduidt niet de intrede in een rustig leven. Men vindt hem onder de
+beschuldiging van zegelvervalsching, gevankelijk naar Parijs gevoerd
+"comme larron et murdrier", in nieuwe veete met een magistraat van
+Compiegne, naar wiens daden hij een onderzoek moet doen, door pijniging
+tot bekentenis gebracht en van appel teruggehouden, veroordeeld,
+gerehabiliteerd, weer veroordeeld, totdat het spoor van dit bestaan van
+haat en vervolging uit de bescheiden verdwijnt.
+
+Overal waar men de lotgevallen naspeurt van de personen, in de bronnen
+van dien tijd vermeld, verrijst zulk een beeld van heftig bewogen
+levens. Lees bijvoorbeeld de bijzonderheden, die Pierre Champion
+verzameld heeft over allen, die door Villon in zijn Testament zijn
+bedacht of genoemd [63], of de aanteekeningen van Tuetey op het dagboek
+van den burger van Parijs. Het zijn processen, misdrijven, twisten en
+vervolgingen zonder eind, die ons treffen. En dit zijn de levens van
+willekeurige lieden, uit rechterlijke, kerkelijke of andere bescheiden
+opgediept. Kronieken als die van Jacques du Clercq, een verzameling van
+euveldaden, kunnen een te zwart beeld van den tijd geven; zelfs de
+lettres de remission, die het dagelijksch leven in zoo levendige
+nauwkeurigheid voor oogen brengen, kunnen uithoofde van hun crimineel
+onderwerp te uitsluitend de booze zijden van het leven belichten. Doch
+elke proef, genomen uit willekeurig materiaal, bevestigt de donkerste
+voorstellingen.
+
+Het is een booze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het
+onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere
+aarde. En spoedig wacht der menschheid het eind van alle dingen. Maar de
+menschheid bekeert zich niet; de kerk strijdt, predikers en dichters
+klagen en vermanen vergeefs.
+
+
+
+
+[1] Oeuvres de Georges Chastellain, ed. Kervyn de Lettenhove, 8 vol.,
+Bruxelles 1863-'66, III p. 44.
+
+[2] Chastellain, II p. 267; Memoires d'Olivier de la Marche, ed. Beaune
+et d'Arbaumont, (Soc. de l'hist. de France), 1883-'88, 4 vol., II p. 248.
+
+[3] Journal d'un bourgeois de Paris, ed. A. Tuetey, (Publ. de la Soc. de
+l'histoire de Paris, Doc. no. III) 1881, p. 5, 56.
+
+[4] Journal d'un bourgeois, p. 20-24. Vgl. Journal de Jean de Roye, dite
+Chronique scandaleuse, ed. B. de Mandrot (Soc. de l'hist. de France)
+1894-'96, 2 vol., I p. 330.
+
+[5] Chastellain, III p. 461, vgl. V p. 403.
+
+[6] Jean Juvenal des Ursins, 1412, ed. Michaud et Poujoulat, Nouvelle
+collect. des memoires, II p. 474.
+
+[7] Journal d'un bourgeois, p. 6; 70; Jean Molinet, Chronique, ed.
+Buchon, Coll. de chron. nat., 1827/28, 5 vol, II p. 23; Lettres de Louis
+XI, ed. Vaesen, Charavay, de Mandrot, (Soc. de l'hist. de France)
+1883-1909, 11 vol., 20 Apr. 1477, VI p. 158; Chronique scandaleuse, II
+p. 47, id. Interpolations, II p. 364.
+
+[8] Journal d'un bourgeois, p. 234/7.
+
+[9] Chron. scand., II p. 70, 72.
+
+[10] Vita auct. Petro Ranzano O.P. (1455), Acta sanctorum Apr. t. 1
+p. 494 sq.
+
+[11] Enguerrand de Monstrelet, Chroniques, ed. Douet d'Arcq (Soc. de
+l'hist. de France) 1857-'62, 6 vol., IV p. 302-306.
+
+[12] Wadding, Annales Minorum, X p. 72; K. Hefele, Der h. Bernhardin von
+Siena und die franziskanische Wanderpredigt in Italien, Freiburg, 1912,
+S. 47, 80.
+
+[13] Chron. scand., I p. 22, 1461; Jean Chartier, Hist. de Charles VII,
+ed. D. Godefroy, 1661, p. 320.
+
+[14] Chastellain, III pp. 36, 98, 124, 125, 210, 238, 239, 247, 474;
+Jacques du Clercq, Memoires (1448-1467), ed. de Reiffenberg, Bruxelles, 1823,
+4 vol., IV. p. 40, II p. 280, 355, III p. 100; Juvenal des Ursins, p. 405,
+407, 420; Molinet, III p. 36, 314.
+
+[15] Jean Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, ed.
+Kervyn de Lettenhove, Chron. rel. a l'hist. de la Belg. sous la dom. des
+ducs de Bourg. (Coll. des chron. belges) 1876, II, p. 50.
+
+[16] La Marche, I p. 61.
+
+[17] Chastellain, IV p. 333 s.
+
+[18] Chastellain, III p. 92.
+
+[19] Jean Froissart, Chroniques, ed. S. Luce et G. Raynaud (Soc. de
+l'hist. de France) 1869-1899,11 vol. (niet verder dan 1385), IV, p. 89-93.
+
+[20] Chastellain, III p. 85 ss.
+
+[21] Ib. III p. 279.
+
+[22] La Marche. II p. 421.
+
+[23] Juvenal des Ursins, p. 379.
+
+[24] Martin Le Franc, Le Champion des dames, bij G. Doutrepont, La
+litterature francaise a la cour des ducs de Bourgogne (Bibl. du XVe
+siecle t. VIII) Paris, Champion. 1909, p. 304.
+
+[25] Acta sanctorum Apr. t. 1 p. 496; A. Renaudet, Prereforme et
+humanisme a Paris 1494-1517, Paris, Champion, 1916, p. 163.
+
+[26] Chastellain, IV p. 300 s., VII p. 75; vgl. Thomas Basin, De rebus
+gestis Caroli VII et Lud. XI historiarum libri XII, ed. Quicherat, (Soc.
+de l'hist. de France) 1855-1859, 4 vol, I p. 158.
+
+[27] Journal d'un bourgeois, p. 219.
+
+[28] Chastellain, III p. 30.
+
+[29] La Marche, I p. 89.
+
+[30] Chastellain, I p. 82, 79; Monstrelet, III p. 361.
+
+[31] La Marche, I p. 201.
+
+[32] Het tractaat o.a. bij La Marche, I p. 207.
+
+[33] Chastellain, I p. 196.
+
+[34] Basin, III p. 74.
+
+[35] Chastellain, IV p. 201. Vergelijk mijn studie Uit de
+voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 1912, I.
+
+[36] Journal d'un bourgeois, p. 242; vgl. Monstrelet, IV p. 341.
+
+[37] Jan van Dixmude, ed. Lambin, Ypres 1839, p. 283.
+
+[38] Froissart, ed. Luce, XI p. 52.
+
+[39] Memoires de Pierre le Fruictier dit Salmon, Buchon, 3e suppl. de
+Froissart. XV p. 22.
+
+[40] Chronique du Religieux de Saint Denis, ed. Bellaguet (Coll. des
+documents inedits) 1839-'52. 6 vol., I p. 34; Juvenal des Ursins,
+p. 342, 467-471; Journal d'un bourgeois, p. 12, 31, 44.
+
+[41] Molinet, III p. 487.
+
+[42] Molinet, III p. 226, 241, 283-7; La Marche, III p. 289, 302.
+
+[43] Clementis V constitutiones, lib. V. tit. 9, c. I; Joannis Gersonii
+Opera omnia, ed. L. Ellies Dupin, ed. II Hagae Comitis 1728, 5 vol., II
+p. 427; Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 122; N. Jorga,
+Philippe de Mezieres et la croisade au XIVe siecle (Bibl. de l'ecole des
+hautes etudes, fasc. 110) 1896, p. 438: Religieux de S. Denis, II p. 533.
+
+[44] Journal d'un bourgeois, p. 223, 229.
+
+[45] Jacques du Clercq, IV p. 265. Petit-Dutaillis, Documents nouveaux
+sur les moeurs populaires et le droit de vengeance dans les Pays-Bas au
+XVe siecle. (Bibl. du XVe siecle) Paris, Champion 1908, p. 7, 21.
+
+[46] Pierre de Fenin (Petitot, Coll. de mem. VII) p. 593; vgl. zijn
+verhaal van den doodgeslagen nar, p. 619.
+
+[47] Journal d'un bourgeois, p. 204.
+
+[48] Jean Lefevre de Saint Remy, Chronique, ed. F. Morand (Soc. de
+l'hist. de France) 1876, 2 vol, II p. 168; Laborde, Les ducs de
+Bourgogne. Etudes sur les lettres, les arts et l'industrie pendant le
+XVe siecle. Paris, 1849-'53, 3 vol, II p. 208.
+
+[49] La Marche, III p. 135; Laborde. II p. 325.
+
+[50] Laborde, III p. 355, 398. Le Moyen-age, XX 1907 p. 193-201.
+
+[51] Juvenal des Ursins, p. 438, 1405; vgl. echter Rel. de S. Denis, III
+p. 349.
+
+[52] Piaget, Romania XX p. 417 en XXXI 1902 p. 597-603.
+
+[53] Journal d'un bourgeois, p. 95.
+
+[54] Jacques du Clercq, III p. 262.
+
+[55] Jacques du Clercq passim; Petit Dutaillis, Documents etc. p. 131.
+
+[56] Hugo van St. Victor, De fructibus carnis et spiritus, Migne CLXXVI
+p. 997.
+
+[57] Tobias 4, 14.
+
+[58] I Timotheus 6, 10.
+
+[59] Petrus Damiani, Epist. lib. I, 15, Migne CXLIV p. 234, id. Contra
+philargyriam ib. CXLV p. 533; Pseudo-Bernardus, Liber de modo bene
+vivendi Sec. 44, 45, Migne CLXXXIV p. 1266.
+
+[60] Journal d'un bourgeois, p. 325, 343, 357 en de gegevens uit de
+registers van het Parlement aldaar in de noot.
+
+[61] L. Mirot, Les d'Orgemont, leur origine, leur fortune, etc. (Bibl.
+du XVe siecle) Paris, Champion 1913; P. Champion, Francois Villon, sa
+vie et son temps, id. Paris, Champion 1913, II p. 230s.
+
+[62] Mathieu d'Escouchy, Chronique, ed. G. du Fresne de Beaucourt (Soc.
+de l'hist. de France) 1863-'64, 3 vol., I p. IV-XXIII.
+
+[63] P. Champion, Frangois Villon, sa vie et son temps (Bibl. du XVe
+siecle) Paris, 1913, 2 vol.
+
+
+ * * * * *
+
+
+II
+
+DE ZUCHT NAAR SCHOONER LEVEN
+
+
+Iedere tijd smacht naar een schoonere wereld. Hoe dieper de wanhoop en
+verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger dat smachten.
+In het laatst der middeleeuwen is de grondtoon van het leven die van
+bittere zwaarmoedigheid. De toon van moedige levensvreugde en van het
+vertrouwen in kracht tot groote daden, zooals die klinkt door de
+geschiedenis der Renaissance en door die der Verlichting, wordt in de
+Fransch-Bourgondische sfeer der vijftiende eeuw nauwelijks gehoord. Is
+die samenleving dan werkelijk ongelukkiger geweest dan andere? Men zou
+het soms gelooven. Waar men zoekt in de overlevering van dien tijd:
+de geschiedschrijvers, de dichters, de sermoenen en godsdienstige
+tractaten, en evengoed de oorkonden, er is haast niet anders in bezonken
+dan de herinnering aan twist, haat en boosaardigheid, hebzucht,
+woestheid en ellende. Men vraagt zich af: heeft die tijd geen andere
+vreugden gekend dan die uit wreedheid, hoogmoed en onmatigheid, is daar
+nergens zachte blijdschap en rustig levensgeluk? Het is waar, elke tijd
+laat in de overlevering meer sporen na van zijn leed dan van zijn geluk.
+Het zijn de rampen, die historie worden. Een onberedeneerde overtuiging
+zegt ons, dat de som van alle levensgeluk en blijde vreugde en zoete
+rust, welke den menschen ooit beschoren is, in het eene tijdperk niet
+veel kan verschillen van het andere. En de glans van het
+laat-middeleeuwsche geluk is ook niet geheel vergaan: het herleeft nog
+in het volkslied, in de muziek, in de stille verschieten van het
+landschap en de ernstige aangezichten van het portret.
+
+Doch hier is het verschil: terwijl de achttiende eeuw en de Renaissance
+de geluksstemming ook jubelend hebben uitgesproken, en het leven en de
+wereld luid hebben geprezen, ziet de Bourgondische tijd, zich zelf en
+de wereld beschouwend, schier enkel leed en vertwijfeling. Neem als de
+uiting van het Renaissance-gevoel Ulrich von Hutten's enthousiasten
+uitroep: O saeculum, o literae! juvat vivere! Of wel deze enkele regels
+van Poliziano, waarin de heerlijkheid van christelijk geloof en
+heidensch geluk in een jubeltoon samensmelten:
+
+ "Vergine rilucente
+ Per te sola si sente
+ Quanto bene e nel mondo" [64].
+
+Die stemming is aan het Fransche leven van de veertiende en vijftiende
+eeuw nog vreemd. Het zijn niet alleen zij, die zich voorgoed van de
+wereld hebben afgewend, maar de kroniekschrijvers en modedichters der
+hoven, die altijd weer de afgeleefdheid der wereld beklagen en
+vertwijfelen aan vrede en gerechtigheid. Niemand heeft zoo eindeloos de
+klacht herhaald, dat alle goede dingen de wereld verlaten hebben, als
+Eustache Deschamps.
+
+ "Temps de doleur et de temptacion,
+ Aages de plour, d'envie et de tourment,
+ Temps de langour et de dampnacion,
+ Aages meneur pres du definement,
+
+ Temps plains d'orreur qui tout fait faussement,
+ Aages menteur, plain d'orgueil et d'envie,
+ Temps sanz honeur et sanz vray jugement,
+ Aage en tristour qui abrege la vie" [65].
+
+In dien toon heeft hij zijn balladen bij tientallen gedicht, eentonige,
+matte variaties op een dof thema. Er moet toch wel een sterke
+zwaarmoedigheid onder de hoogere standen hebben geheerscht, dat de adel
+zijn brooddichter dat geluid zoo dikwijls deed herhalen.
+
+ "Toute leesse deffaut,
+ Tous cueurs ont prins par assaut
+ Tristesse et merencolie" [66].
+
+Jean Meschinot zingt drie kwart eeuw later dan Deschamps nog in volkomen
+denzelfden toon.
+
+ "O miserable et tres dolente vie!...
+ La guerre avons, mortalite, famine;
+ Le froid, le chaud, le jour, la nuit nous mine;
+ Puces, cirons et tant d'autre vermine
+ Nous guerroyent. Bref, miserere domine
+ Noz meschans corps, dont le vivre est tres court."
+
+Ook deze spreekt steeds weer de bittere overtuiging uit, dat alles
+slecht gaat in de wereld: gerechtigheid is zoek, de grooten plunderen de
+kleinen, en de kleinen elkander. Zijn hypochondrie brengt hem zelfs,
+naar zijn zeggen, tot den rand van den zelfmoord. Hij beschrijft zich
+zelf:
+
+ "Et je, le pouvre escrivain,
+ Au cueur triste, faible et vain,
+ Voyant de chascun le dueil,
+ Soucy me tient en sa main;
+ Toujours les larmes a l'oeil,
+ Rien fors mourir je ne vueil" [67].
+
+Alle uitingen van de levensstemming der aanzienlijken bevestigen de
+sentimenteele behoefte aan een zwarten dos der ziel. Bijna iedereen komt
+getuigen, dat hij niets dan ellende heeft gezien, en dat nog erger te
+wachten staat, dat hij den afgelegden levensweg niet zou willen
+teruggaan. "Moi douloreux homme, ne en eclipse de tenebres es espesses
+bruynes de lamentation", aldus dient Chastellain zich aan [68]. "Tant a
+souffert La Marche" heeft de hofpoeet en kroniekschrijver van Karel den
+Stoute zich tot devies gekozen; een bitteren smaak vindt hij aan 't
+leven, en zijn portret vertoont ons die morose trekken, welke op zooveel
+beeltenissen van dien tijd onzen blik boeien [69].
+
+Schijnt er een leven zoo vervuld van aardschen hoogmoed en pralende
+genotzucht, en zoo bekroond met welslagen als dat van Philips den Goede?
+Toch schuilt ook daaronder de levensmoeheid van den tijd. Als hem de
+dood van zijn eenjarig zoontje wordt bericht, zegt hij: "had het God
+behaagd, dat ik ook zoo jong gestorven ware, ik zou mij wel gelukkig
+achten" [70].
+
+Is het niet opmerkelijk, dat in dezen tijd in het woord melancholie de
+beteekenissen van droefgeestigheid, ernstig nadenken en fantazie ineen
+vloeien? Zoozeer scheen elke ernstige bezigheid van den geest in het
+sombere te moeten overzweven. Froissart zegt van Philips van Artevelde,
+die nadenkt over een pas ontvangen tijding: "quant il eut merancoliet
+une espasse, il s'avisa que il rescriproit aus commissaires dou roi de
+France" enz. Deschamps zegt van iets, wat in leelijkheid de verbeelding
+te boven gaat: geen schilder is zoo "merencolieux", dat hij het zou
+kunnen schilderen [71].
+
+In het pessimisme van deze verzadigden, ontgoochelden, vermoeiden is een
+religieus element, doch slechts een gering. Door hun levensmoeheid
+speelt zeker ook de verwachting van het naderend einde der wereld, die
+door de bloeiend herleefde volksprediking der bedelorden overal met
+versche dreiging en verhoogde kleur van verbeelding in het gemoed was
+gestort. De duistere en verwarde tijden, de chronische oorlogsellende
+waren wel geschikt, die gedachte te versterken. Er schijnt in de laatste
+jaren der veertiende eeuw een volksgeloof te zijn geweest, dat sedert
+het groote schisma niemand meer in het paradijs was opgenomen [72]. De
+afkeer van den ijdelen schijn van het hofleven maakte van zelf rijp, om
+de wereld vaarwel te zeggen. Toch is die stemming van depressie, zooals
+bijna al die vorstendienaars en hovelingen haar uiten, nauwelijks van
+godsdienstig gehalte. Op zijn hoogst hebben de godsdienstige
+voorstellingen wat kleur afgegeven op een vlak van eenvoudige
+levensmoeheid. Het is de zucht, om het leven en de wereld te smaden, die
+van wezenlijk godsdienstig besef ver afstaat. De wereld, zegt Deschamps,
+is als een kindsche grijsaard; eerst was hij onschuldig, toen wijs
+langen tijd, rechtvaardig, deugdzaam en dapper:
+
+ "Or est laches, chetis et molz,
+ Vieulx, convoiteus et mal parlant:
+ Je ne voy que foles et folz ...
+ La fin s'approche, en verite ...
+ Tout va mal" ... [73]
+
+Het is niet alleen levensmoeheid maar ook levensbangheid, het
+terugschrikken voor het leven om de onvermijdelijke smarten, die het
+begeleiden, de houding van den geest, die in het Boeddhisme de basis
+der levensbeschouwing uitmaakt: bange afkeer van de moeiten van het
+dagelijksch leven, vrees en afschuw voor zorg, ziekte en ouderdom.
+Deze levensbangheid deelen de geblaseerden met hen, die nooit voor de
+verlokkingen der wereld bezweken waren, omdat zij altijd het leven
+geschuwd hadden.
+
+De gedichten van Deschamps vloeien over van dien kleinzieligen smaad
+tegen het leven. Gelukkig wie geen kinderen heeft, want kleine kinderen,
+'t is al geschreeuw en stank, en moeite en zorg; zij moeten gekleed,
+geschoeid, gevoed worden; altijd zijn zij in gevaar van te vallen en
+zich te bezeeren. Zij worden ziek en sterven, of zij worden groot en
+slecht; zij komen in de gevangenis. Niets dan lasten en verdriet, geen
+geluk vergoedt de zorgen, moeiten en kosten van de opvoeding. Geen
+grooter ongeluk, dan mismaakte kinderen te hebben. De dichter wijdt er
+geen woord van liefde aan: de mismaakte is slecht van hart, laat hij de
+schrift zeggen. Gelukkig wie ongetrouwd is, want met een kwade vrouw is
+het slecht leven, en een goede vreest men voortdurend te verliezen. Met
+het ongeluk wordt ook het geluk geschuwd. Van den ouderdom ziet deze
+dichter niet dan kwaads en weerzinwekkends, het jammerlijk lichamelijk en
+geestelijk verval, de belachelijkheid en onsmakelijkheid. Vroeg is de
+mensch oud, de vrouw met dertig, de man met vijftig jaren, en zestig is
+hun perk [74].--Hoe ver is men hier van de serene idealiteit, waarmee
+Dante in zijn Convivio de waardigheid van den edelen grijsaard
+beschreven had [75].
+
+Een vrome strekking, die bij Deschamps nauwelijks aanwezig is, kan deze
+bespiegelingen van levensbangheid eenigszins verheffen, maar wezenlijk
+veranderen niet. In tal van vermaningen tot een heilig leven proeft men
+als grondstemming dit moedeloos versagen. Wanneer de onberispelijke
+kanselier der Parijsche universiteit en licht der godgeleerdheid Jean
+Gerson voor zijn zusters een vertoog schrijft over de voortreffelijkheid
+van den maagdelijken staat, dan dient onder zijn argumenten een lange
+lijst van leed en rampen, aan den huwelijken staat verbonden. Wellicht
+zou een echtgenoot een dronkaard zijn, of een verkwister, of een
+gierigaard. Of is hij braaf en goed, dan kan er misgewas komen,
+veesterfte of schipbreuk, die hem van al zijn have berooven. Welk een
+ellende is niet de zwangerschap, hoevele vrouwen sterven er in het
+kraambed! Wat heeft de zoogende moeder voor rustigen slaap, wat voor
+blijdschap en vreugde? Misschien zullen de kinderen mismaakt zijn of
+ongehoorzaam; misschien zal de man sterven en de moeder als weduwe in
+zorg en armoe achterblijven [76].
+
+Diepe verslagenheid over de aardsche ellende is de stemming, waarmee de
+dagelijksche werkelijkheid wordt beschouwd, zoodra de kinderlijke
+levensvreugde of het blind genieten wijkt voor overpeinzing. Waar is de
+schoonere wereld, waar iedere tijd naar smachten moet?
+
+De zucht naar een schooner leven heeft te allen tijd drie paden voor
+zich naar het verre doel zien wijzen. Het eerste leidde regelrecht uit
+de wereld: het pad van de verzaking der wereld. Hier schijnt het
+schoonere leven enkel te bereiken aan de overzijde, kan het enkel een
+verlossing zijn uit al het aardsche; alle aandacht aan de wereld
+besteed, vertraagt slechts het beloofde heil. Alle hoogere beschaving
+heeft dit pad bewandeld; het Christendom had dit streven en als
+individueelen levensinhoud en als cultuurgrondslag zoo machtig in de
+geesten geprent, dat het langen tijd het betreden van het tweede pad
+bijna geheel heeft belet.
+
+Dat tweede was de weg, die wees naar verbetering en volmaking van de
+wereld zelf. De middeleeuwen hebben dit streven nog nauwelijks gekend.
+Voor hen was de wereld zoo goed en zoo slecht als zij zijn kon, dat wil
+zeggen, al de instellingen, door God gewild immers, waren goed; het is
+de zonde der menschen, die de wereld in ellende houdt. De tijd kent geen
+bewust streven naar verbetering en hervorming van maatschappelijke of
+staatkundige instellingen als drijfveer van denken en handelen. De deugd
+te betrachten in eigen beroep is het eenige, wat de wereld baten kan,
+en ook daarbij is het eigenlijke doel toch het andere leven. Ook waar
+inderdaad een nieuwe maatschappelijke vorm geschapen wordt, beschouwt
+men het steeds als een herstel van het goede oude recht; het recht wordt
+gevonden of verduidelijkt, maar niet veranderd.
+
+Niets heeft zoozeer meegewerkt tot die stemming van levensbangheid en
+vertwijfeling aan de komende tijden als deze afwezigheid van den vasten
+wil van allen, om de wereld zelf beter en gelukkiger te maken. In de
+wereld zelf was geen belofte van beter dingen. Wie naar beter smachtte,
+en toch geen afscheid kon nemen van de wereld en al haar heerlijkheid,
+kon enkel tot vertwijfeling vervallen; hij zag nergens hoop of
+blijdschap meer; der wereld rest nog maar een korte tijd, en wat haar
+daarin wacht, is ellende.
+
+Wanneer eenmaal ook de weg naar positieve verbetering van de wereld zelf
+zal zijn ingeslagen, begint een nieuwe tijd, waarin de levensbangheid
+plaats maakt voor moed en hoop. De Renaissance luidt de energische
+levensaanvaarding in, de achttiende eeuw verheft de volmaakbaarheid van
+mensch en samenleving tot haar grondleerstuk, en het economische en
+sociale streven der volgende eeuw verliest daarvan enkel de naiveteit,
+niet den moed en het optimisme.
+
+Het derde pad naar een schoonere wereld is dat van den droom. Het is de
+gemakkelijkste weg, maar een, die het doel altijd even ver laat. Als dan
+de aardsche werkelijkheid zoo hopeloos ellendig is, en de verzaking der
+wereld zoo moeilijk, laat ons dan het leven kleuren met schoonen schijn,
+wegleven in het droomland van heldere verbeeldingen, de werkelijkheid
+temperen met de verrukking van het ideaal. Er is maar een eenvoudig
+thema, een enkel akkoord noodig, om de hartvervoerende fuga te doen
+klinken: een uitzicht op het gedroomd geluk van een schooner verleden is
+genoeg, een blik op zijn heldendom en zijn deugd, of anders de glans van
+het blijde zonlicht van het natuurlijk leven. Op die enkele thema's: het
+heldenthema, het wijzenthema en het bucolische thema is van de Oudheid
+af de gansche litteraire cultuur gebouwd. De Middeleeuwen, de
+Renaissance, de achttiende eeuw en de negentiende, zij vinden alle
+slechts nieuwe variaties op het oude lied.
+
+Is echter dit derde pad naar een schooner leven: het ontvlieden van de
+harde werkelijkheid in een schoonen schijn, enkel een zaak van
+litteraire cultuur? Stellig is het meer dan dat. Het raakt den vorm en
+den inhoud van het gemeenschapsleven zelf even goed als de beide andere
+strevens, en dat des te sterker, naarmate de beschaving primitiever is.
+
+De uitwerking van de drie genoemde geesteshoudingen op het werkelijke
+leven zelf is zeer ongelijk. Natuurlijk heeft de idee, waaruit men
+streeft naar de verbetering en volmaking van de wereld zelf, het nauwste
+en voortdurendste contact met het dagelijksche leven. Zij stort bijna
+alle kracht en allen moed in den stoffelijken arbeid zelf; zij vervult
+de directe werkelijkheid met energie. Als men wil, is ook hier een
+geluksdroom het bezielende motief. Tot zekere hoogte streeft iedere
+cultuur naar de verwezenlijking van een droomwereld binnen de werkelijke,
+door het herscheppen van de vormen der samenleving. Doch het object van
+den droom is hier de werkelijkheid zelve, enkel nog wat gezuiverd en
+verbeterd, met andere woorden: men acht de wereld op den goeden weg naar
+het ideaal. En daarom is de spanning tusschen den idealen levensvorm
+en dien van het werkende bestaan gering. Het ideaal van de hoogste
+productie en de billijke verdeeling der goederen stelt aan de levenskunst
+betrekkelijk geringe eischen: in den dagelijkschen arbeid nadert men het
+ideaal.
+
+Heel anders is de invloed op het werkelijk leven bij de eerste der drie
+geesteshoudingen: die van de verzaking der wereld. Het heimwee naar een
+eeuwig heil maakt den gang en den vorm van het aardsch bestaan
+onverschillig, mits daarin de deugd wordt gekweekt en onderhouden. Men
+laat de levensvormen en maatschappijvormen voor wat zij zijn, maar
+tracht ze te doordringen van transcendentale zedelijkheid. Hierdoor
+werkt de afkeer van de wereld op de aardsche maatschappij niet louter
+negatief door verloochening en afwending, maar straalt ook op haar terug
+in zegenrijken arbeid en praktische barmhartigheid.
+
+Hoe werkt nu op het leven de derde houding: de zucht naar het schoonere
+leven volgens een gedroomd ideaal? Zij herschept de vormen van het leven
+in kunstvormen. Maar het zijn niet enkel de kunstwerken als zoodanig,
+waarin zij haar schoonheidsdroom uitdrukt, zij wil het leven zelf
+veredelen met schoonheid, en vult de samenleving zelf met spel en
+vormen. Hier worden juist aan de persoonlijke levenskunst de hoogste
+eischen gesteld, eischen, die alleen kunnen worden nagestreefd door een
+elite, in een kunstig levensspel. Het naleven van den held en den wijze
+is niet ieders zaak; het is een kostbaar vermaak om het leven te kleuren
+met heroische of idyllische verven, en het slaagt bovendien doorgaans
+nog heel slecht. Aan het streven naar de verwezenlijking van den
+schoonheidsdroom in de vormen van de samenleving zelf is als vitium
+originis een aristocratisch karakter opgedrukt.
+
+Hiermee zijn wij genaderd tot het aspect, waaronder de beschaving van
+het einde der Middeleeuwen thans moet worden gezien: de verfraaiing van
+het aristocratische leven met de vormen van het ideaal, het kunstlicht
+van de ridderlijke romantiek over het leven, de wereld vermomd in den
+dos der Tafelronde. De spanning tusschen levensvorm en werkelijkheid is
+bijster groot; het licht is valsch en schel.
+
+De zucht naar het schoone leven geldt als het eigenste kenmerk van de
+Renaissance. Hier ziet men de volste harmonie tusschen de bevrediging
+van den schoonheidsdorst in het kunstwerk en in het leven zelf, hier
+dient de kunst het leven en het leven de kunst als nooit te voren. Maar
+de grens tusschen Middeleeuwen en Renaissance is ook in dezen te scherp
+getrokken. De hartstochtelijke zin, om het leven zelf met schoonheid te
+bekleeden, de verfijnde levenskunst, de bonte uitwerking van een
+levensideaal, zij zijn alle veel ouder dan het Italiaansche quattrocento.
+De motieven van levensverfraaiing zelf, waarop de Florentijnen doorgaan,
+zijn niet anders dan de oude middeleeuwsche vormen: Lorenzo de' Medici
+huldigt nog even goed als Karel de Stoute het oude ridderideaal als den
+edelen levensvorm; hij ziet zelfs in den laatste, ondanks zijn
+barbaarsche pracht, in zekere opzichten het model. Italie heeft nieuwe
+horizonten van levensschoonheid ontdekt, het leven gestemd in een
+nieuwen toon, doch de houding zelf van den Renaissancemensch tegenover
+het leven: de opwerking ervan tot een kunstvorm, is niet nieuw.
+
+De groote scheiding in de opvatting der levensschoonheid valt veeleer
+tusschen de Renaissance en den nieuweren tijd. Het kenteringspunt ligt
+daar, waar kunst en leven beginnen uiteen te gaan, waar men begint, de
+kunst niet meer te genieten _midden in_ het leven, als een edel deel
+van de levensvreugde zelf, maar buiten het leven, als een hooge
+vereerenswaardigheid, waarheen men zich wendt in oogenblikken van
+verheffing of van verpoozing. Het oude dualisme, dat God en wereld
+scheidde, is daarmede in een anderen vorm, als scheiding van kunst en
+leven, teruggekeerd. Er is een streep getrokken midden door de
+genietingen des levens. Zij zijn in twee helften, een lagere en een
+hoogere, gescheiden. Voor den Middeleeuwer waren zij al te zamen zondig;
+thans gelden zij alle als geoorloofd, maar van zeer verschillende
+waardigheid, al naar hun meerdere of mindere geestelijkheid.
+
+De dingen, die het leven tot genieten kunnen maken, blijven dezelfde.
+Nu als vroeger zijn het: lectuur, muziek, beeldende kunst, reizen,
+natuurgenot, sport, mode, maatschappelijke ijdelheid (ridderorden,
+eerambten, vergaderingen) en bedwelming der zinnen. De grens tusschen
+het hoogere en het lagere schijnt thans nog voor de meesten te vallen
+tusschen natuurgenot en sport. Maar die grens is niet vast.
+Waarschijnlijk zal de sport eerlang, althans voorzoover zij de kunst
+van lichaamskracht en moed is, weer algemeen tot het hoogere gerekend
+worden. Voor den Middeleeuwer viel de grens hoogstens terstond achter
+lectuur; zelfs het genot van het lezen kon slechts geheiligd worden door
+het streven naar deugd of wijsheid, en in muziek en beeldende kunst werd
+uitsluitend de dienstbaarheid aan het geloof als goed erkend; het genot
+er aan op zichzelf was zondig. De Renaissance had zich ontworsteld aan
+de verwerping der levensvreugde als in zich zelf zondig, en een nieuwe
+scheiding tusschen hooger en lager levensgenot had zij nog niet
+aangebracht; zij wilde het gansche leven onbekommerd genieten. De nieuwe
+scheiding is het resultaat van het compromis tusschen Renaissance en
+Puritanisme, waarop de moderne geesteshouding berust. Het was een
+wederzijdsche capitulatie, waarbij de een zich de redding der schoonheid
+en de ander de veroordeeling der zonde bedong. Voor het strenge
+Puritanisme trof de veroordeeling als zondig en wereldsch in den grond
+nog evengoed als voor den Middeleeuwer de gansche sfeer der
+levensverfraaiing, tenzij deze uitgesproken godsdienstige vormen aannam
+en zich heiligde door een directe toepassing op het geloof. Eerst
+naarmate de Puriteinsche wereldbeschouwing afsleet, won de
+Renaissancistische aanvaarding van alle levensvreugde weer veld; ja
+zelfs meer dan het oude terrein, want in het natuurlijke op zich zelf
+werd nu een element van het ethisch goede gezien. Een rechte
+scheidingslijn zou thans niet meer de kunst van het zingenot, het
+natuurgenot van de lichaamsoefening, het verhevene van het natuurlijke
+scheiden, maar enkel het egoistische, het leugenachtige en het ijdele
+van het zuivere.
+
+In het laatst der Middeleeuwen, toen het kenterde naar een nieuwen
+geest, was in beginsel nog slechts de oude keuze mogelijk tusschen God
+en de wereld: een algeheele versmading van alle heerlijkheid en
+schoonheid des aardschen levens of de roekelooze aanvaarding ervan op
+perijkel der ziel. De schoonheid der wereld kreeg door haar erkende
+zondigheid een dubbele verlokking; gaf men zich over, dan genoot men
+haar ook met een bodemlooze hartstochtelijkheid. Maar die de schoonheid
+niet konden ontberen, en zich toch niet aan de wereld wilden overgeven,
+moesten de schoonheid adelen. De geheele groep van de kunst en
+litteratuur, waar het wezen der genieting bewondering was, konden zij
+heiligen, door ze in dienst te stellen van het geloof. Ook al was het
+inderdaad de vreugde aan kleur en lijn, die de minnaars van schilderij
+en miniatuur bezielde, het heilig onderwerp ontnam aan de kunstgenieting
+het stempel der zonde.
+
+Maar de schoonheid met een hoog zondegehalte: de lichaamsvergoding van
+ridderlijke sport en hoofsche mode, de hoogmoed en de hebzucht van ambt
+en eere, de verrukkende onpeilbaarheden der liefde, hoe dit alles, dat
+door het geloof veroordeeld en uitgestooten was, te veredelen en te
+verheffen?--Hier diende die middenweg, die in het droomland leidde: door
+ze te bekleeden met den schoonen schijn van oude, fantastische idealen.
+
+Dit is de trek, die de Fransch-ridderlijke cultuur van de 12de eeuw af
+verbindt met de Renaissance: de sterke cultiveering van het schoone
+leven in de vormen van een heldenideaal. De vereering der natuur was nog
+te zwak, dan dat men met volle overtuiging de schoonheid van het
+aardsche in haar naaktheid zou hebben gediend, zooals de Grieksche geest
+het had gedaan; het zondebesef was daartoe te geweldig; slechts door
+zich te hullen in de gewaden der deugd kon de schoonheid cultuur worden.
+
+Het geheele aristocratische leven van de latere Middeleeuwen, om 't even
+of men denkt aan Frankrijk en Bourgondie of aan Florence, is een poging,
+om een droom te spelen. Altijd denzelfden droom, dien van de oude helden
+en wijzen, van den ridder en de maagd, van de eenvoudige en vergenoegde
+herders. Frankrijk en Bourgondie spelen het stuk nog altijd in den ouden
+trant; Florence dicht op hetzelfde thema een nieuw en mooier spel.
+
+Het adellijk en vorstelijk leven is opgetooid tot een maximum van
+uitdrukkelijkheid; alle levensvormen zijn als 't ware verheven tot
+mysterien, versierd met kleur en praal, vermomd als deugd. De
+levensgebeurtenissen en de aandoeningen daarover zijn geencadreerd in
+schoone en verheffende vormen. Ik weet wel, dit alles is niet specifiek
+laat-middeleeuwsch; het is reeds gegroeid in de primitieve stadien der
+beschaving; men kan het ook chinoiserie en byzantinisme noemen, en het
+sterft niet af met de Middeleeuwen, getuige de zonnekoning.
+
+De hofstaat is het terrein, waarop zich de aesthetiek van den levensvorm
+ten volle kan ontplooien. Het is bekend, hoeveel gewicht de
+Bourgondische hertogen hebben gehecht aan alles wat de praal en staatsie
+van hun hof betrof. Na den oorlogsroem, zegt Chastellain, is de hofstaat
+de eerste zaak, waarop men het oog richt, en welks regeling en goede
+handhaving van de hoogste noodzaak is [77]. Olivier de la Marche, de
+ceremoniemeester van Karel den Stoute, schreef op verzoek van den
+Engelschen koning Eduard IV zijn tractaat over den hofstaat des
+hertogen, ten einde den koning het model van ceremonieel en etikette ter
+navolging te bieden [78]. Van Bourgondie hebben de Habsburgers het fraai
+uitgewerkte hofleven geerfd en overgebracht naar Spanje en Oostenrijk,
+die er tot den huidigen dag het bolwerk van waren gebleven. Het hof van
+Bourgondie werd door allen genoemd als het rijkste en best geordende,
+dat men vond [79]. Vooral Karel de Stoute, de man met den gewelddadigen
+geest van orde en regel, die niets dan wanorde achterliet, had den
+hartstocht van het hoog vormelijke leven. De oude illusie, dat de vorst
+zelf de klachten der armen en kleinen aanhoort en terstond berecht, was
+door hem in een fraaien vorm gekleed. Twee of driemaal per week na den
+maaltijd hield hij een openlijk gehoor, waar elkeen hem met
+verzoekschriften kon naderen. Al de edelen van zijn huis moesten
+tegenwoordig zijn; niemand waagde er weg te blijven. Zorgvuldig
+gescheiden naar hun rangen zaten zij ter weerszijden van den doorgang,
+die naar 's hertogen hoogen zetel leidde. Aan zijn voeten lagen geknield
+de twee maistres des requestes, de audiencier en een secretaris, die de
+verzoekschriften voorlazen en afdeden, naar de vorst gebood. Achter
+balustraden rondom de zaal stond de lagere hofhouding. Het was, zegt
+Chastellain, in schijn "une chose magnifique et de grand los", maar de
+gedwongen toeschouwers verveelden zich geducht, en aan de goede vruchten
+van deze rechtspraak twijfelt hij; het was een zaak, die hij in zijn
+tijd van geen anderen vorst had gezien [80].
+
+Ook de ontspanning moest voor Karel den Stoute dien fraaien vorm hebben.
+"Tournoit toutes ses manieres et ses moeurs a sens [81] une part du
+jour, et avecques jeux et ris entremesles, se delitoit en beau parler et
+en amonester ses nobles a vertu, comme un orateur. Et en cestuy regart,
+plusieurs fois, s'est trouve assis en un hautdos pare [82], et ses
+nobles devant luy, la ou il leur fit diverses remonstrances selon les
+divers temps et causes. Et toujours, comme prince et chef sur tous, fut
+richement et magnifiquement habitue [83] sur tous les autres" [84]. Deze
+bewuste levenskunst is ondanks de stijve en naieve vormen eigenlijk
+volkomen Renaissance. Het is, wat Chastellain noemt zijn "haute
+magnificence de coeur pour estre vu et regarde en singulieres choses",
+de kenmerkendste eigenschap van Burckhardt's Renaissance-mensch.
+
+De hierarchische ordinanties van de hofhuishouding zijn van een
+pantagrueleske sappigheid, waar zij betrekking hebben op den maaltijd en
+de keuken. De hofmaaltijd van Karel den Stoute, met al de met bijkans
+liturgische waardigheid geregelde diensten van panetiers en voorsnijders
+en schenkers en keukenmeesters, was als de opvoering van een groot en
+ernstig schouwtooneel. Het geheele hof at in groepen van tien in
+afzonderlijke kamers, bediend en onthaald gelijk de heer, alles
+zorgvuldig naar rang en stand geordend. Alles was zoo goed geregeld, dat
+al de groepen bijtijds na hun maaltijd den hertog, die nog aan zijn
+tafel zat, konden komen begroeten "pour luy donner gloire" [85].
+
+In de keuken (men denke zich de heroische keuken, nu de eenig bewaarde
+rest van het hertogenpaleis te Dijon, met haar zeven reusachtige
+schoorsteenen), in de keuken zit de dienstdoende kok in een zetel
+tusschen schoorsteen en buffet, vanwaar hij het geheele vertrek kan
+overzien. In zijn hand moet hij een grooten houten lepel hebben, "die
+hem dient tot twee doeleinden: het eene om soep en sausen te proeven, en
+het andere om de keukenjongens uit de keuken te drijven, om hun plicht
+te doen, en zoo noodig erop te slaan". Bij zeldzame gelegenheden komt de
+kok wel eens zelf opdienen, een toorts in de hand, bij voorbeeld de
+eerste truffels of den eersten nieuwen haring.
+
+Voor den gewichtigen hoveling, die ons dit alles beschrijft, zijn het
+heilige mysterien, waar hij met ontzag en met een soort van
+scholastische wetenschappelijkheid van spreekt. Toen ik page was, zegt
+La Marche, was ik nog te jong om vragen van preseance en ceremonieel te
+begrijpen [86]. Hij legt zijn lezers gewichtige vragen van voorrang en
+hofdienst voor, om ze met zijn rijpe kennis op te lossen. Waarom zit bij
+'s heeren maaltijd de kok en niet de jonker van der keukene? Hoe moet
+de kok worden aangesteld? Wie moet hem bij afwezigheid vervangen: de
+gebraadmeester (hateur) of de soepmeester (potagier)? Hierop antwoord
+ik, zegt de wijze man: wanneer er een kok moet zijn aan 's vorsten hof,
+zullen de hofmeesters (maitres d'hotel) de jonkers van der keukene
+(escuiers de cuisine) en alle degenen, die ter keukene dienen, den een
+na den ander oproepen; en bij plechtige keuze, door ieder onder eede
+gedaan, zal de kok worden aangesteld. En op de tweede vraag: noch de
+gebraadmeester noch de soepmeester, maar eveneens bij keuze zal de
+plaatsvervanger van den kok worden aangewezen.--Waarom staan de
+panetiers en schenkers als eerste en tweede rang boven de voorsnijders
+en koks? Omdat hun ambt het brood en den wijn betreft, de heilige
+dingen, waarop de waardigheid van het sacrament afstraalt [87].
+
+Men ziet, er is hier een werkelijke verbinding tusschen de gedachtensferen
+van het geloof en van de hofetikette. Het is niet teveel gezegd, dat er
+in dien toestel van de schoone, edele levensvormen een liturgisch
+element schuilt, dat de waardeering van die vormen als 't ware is
+opgetrokken in een quasi-religieuze sfeer. Alleen dit verklaart de
+buitengewone belangrijkheid, die (niet alleen in de latere Middeleeuwen)
+aan alle kwesties van voorrang en beleefdheid wordt toegekend.
+
+In het oude Russische rijk voor de Romanov's had zich de strijd om den
+voorrang bij den troon ontwikkeld tot een vast departement van den
+staatsdienst. Dien vorm kennen de Westersche staten der Middeleeuwen
+niet, maar ook hier neemt toch de naijver om den voorrang een groote
+plaats in. Het zou gemakkelijk zijn, daarvan de voorbeelden te
+verzamelen. Hier evenwel is het er om te doen, de versiering der
+levensvormen tot een schoon en verheffend spel, en de woekering dier
+vormen tot een hol vertoon, te doen blijken. Daartoe eenige voorbeelden.
+De fraaie vorm kan somtijds de doelmatige handeling geheel op zij
+dringen. Vlak voor den slag bij Crecy hebben vier Fransche ridders de
+slagorde der Engelschen verkend. De koning, die met ongeduld hun bericht
+verwacht, langzaam voortrijdend over het veld, houdt stil, toen hij hen
+ziet terugkomen. Zij dringen door het gedrang der krijgslieden heen tot
+voor den koning. Wat nieuws, heeren? vraagt de koning. "Zij zagen
+elkander aan, zonder een woord te spreken, want geen wilde spreken voor
+zijn makker. En zij zeiden den een tot den ander: "Heer, zeg gij het,
+spreek gij tot den koning, ik zal niet voor u spreken." Zoo waren zij
+een tijd in strijd, dat geen "par honneur" wou beginnen te spreken."
+Totdat de koning het een hunner beveelt [88].--Nog vollediger moest de
+doelmatigheid voor den fraaien vorm wijken in het geval van messire
+Gaultier Rallart, chevalier du guet te Parijs in 1418. Dit hoofd der
+politie placht nooit de ronde te doen, of er gingen drie of vier
+muzikanten voorop, die lustig bliezen, zoodat het volk zei, dat hij als
+'t ware de boeven waarschuwde: vlucht, want ik kom. [89] Het geval staat
+niet op zich zelf. In 1465 vindt men opnieuw, hoe de bisschop van
+Evreux, Jean Balue, de nachtelijke ronde in Parijs doet met klaroenen,
+trompetten en andere muziekinstrumenten, "qui n'estoit pas acoustume de
+faire a gens faisans guet" [90].--Zelfs op het schavot wordt de eer van
+rang en stand streng in acht genomen: dat van den connetable de Saint
+Pol is rijk getapisseerd met lelien, het bidkussen en de blinddoek zijn
+van karmozijn fluweel, en de beul is iemand, die nog nooit een ander
+heeft geexecuteerd [91].
+
+De wedijver in beleefdheid, die nu een kleinburgerlijk karakter heeft
+gekregen, was in het hofleven der vijftiende eeuw buitengewoon sterk
+ontwikkeld. Men beschouwde het als een ondragelijke schande voor zich
+zelf, als men den meerdere niet de plaats liet, die hem toekwam. De
+Bourgondische hertogen geven angstvallig den voorrang aan hun
+koninklijke verwanten van Frankrijk. Jan zonder Vrees bewees zijn jonge
+schoondochter Michelle de France altijd overdreven eer; hij noemde haar
+Madame, knielde altijd voor haar tot den grond, en wilde haar altijd
+bedienen, maar zij wilde het niet hebben [92]. Als Philips de Goede
+hoort, dat zijn neef, de dauphin, naar Brabant is uitgeweken in den
+twist met zijn vader, breekt hij het beleg van Deventer, dat de
+inleiding moest zijn voor een expeditie, die Friesland onder zijn macht
+zou brengen, af, en haast zich naar Brussel terug, om den hoogen gast te
+verwelkomen. Naarmate de ontmoeting nadert, wordt het een wedloop, wie
+den ander in eerbetoon voor zal zijn. Philips is in groote angst, dat de
+dauphin hem tegemoet zal rijden; spoorslags rijdt hij door, en zendt
+bode op bode om den dauphin te bewegen, hem toch te wachten waar hij is.
+Kwam de koningszoon hem tegemoet, dan bezwoer hij, zelf te willen
+terugkeeren, achterwaarts rijdende, zoo ver, dat deze hem nergens zou
+vinden, want het zou hem, den hertog, een spot en een blaam zijn, die
+hem door de gansche wereld eeuwig zouden worden nagehouden. Met nederig
+afstel van de gewone staatsie rijdt Philips Brussel binnen; haastig
+stijgt hij af buiten het paleis, gaat binnen en loopt snel door. Daar
+ziet hij den dauphin, die met de hertogin zijn vertrek heeft verlaten,
+en hem op het binnenplein met open armen tegemoetkomt. Terstond ontbloot
+de oude hertog het hoofd, valt even op zijn knieen, en loopt dan haastig
+weer verder. De hertogin houdt den dauphin vast, dat deze geen stap zal
+doen, de dauphin houdt vergeefs den hertog vast, om hem het knielen te
+beletten, en tracht vruchteloos hem te doen opstaan. Beiden weenden van
+aandoening, zegt Chastellain, en alle omstanders mede.
+
+Gedurende het gansche gastverblijf van dezen man, die spoedig als koning
+de ergste vijand van zijn huis zou worden, put de hertog zich uit in
+Chineesche nederigheid. Hij noemt zich en zijn zoon "de si meschans
+gens", hij laat zijn zestigjarig hoofd nat regenen, hij biedt den
+dauphin al zijn landen aan [93].--"Celuy qui se humilie devant son plus
+grand, celuy accroist et multiplie son honneur envers soy-mesme, et de
+quoy la bonte mesme luy resplend et redonde en face". Met die woorden
+besluit Chastellain het verhaal, hoe de graaf van Charolais hardnekkig
+weigerde, te zamen met koningin Margareta van Engeland en haar jongen
+zoon het waschbekken voor den maaltijd te gebruiken. De edelen spraken
+er den ganschen dag van; het geval werd den ouden hertog voorgelegd, die
+door twee edelen het voor en tegen van Karel's houding liet bepleiten.
+Het feodaal eergevoel was nog zoo levend, dat men deze dingen blijkbaar
+werkelijk nog belangrijk, schoon en verheffend heeft gevonden. Hoe
+anders te begrijpen, dat de tegenstribbelingen, om den voorrang te
+nemen, geregeld wel een kwartier lang worden voortgezet? [94] Hoe langer
+men blijft weigeren, hoe meer gesticht de omstanders zijn. Iemand, wien
+de handkus toekomt, verbergt zijn hand, om die eer te ontgaan. De
+koningin van Spanje verbergt zoo haar hand voor den jongen aartshertog
+Philips den Schoone; deze wacht eenigen tijd, maar als hij de kans
+schoon ziet, grijpt hij de hand bij verrassing en kust haar. En ditmaal
+lachte het ernstige Spaansche hof, want de koningin had er niet meer aan
+gedacht [95].
+
+Al de spontane teederheden van den omgang zijn zorgvuldig geformaliseerd.
+Het is nauwkeurig voorgeschreven, welke hofdames hand aan hand hebben
+te gaan. En dit niet alleen, maar ook of de een de andere tot die
+gemeenzaamheid heeft aan te moedigen of niet. Deze aanmoediging, het
+elkaar wenken of roepen (hucher) om mee te gaan, is voor de oude
+hofdame, die het Bourgondisch ceremonieel beschrijft, een technisch
+begrip. [96] De vorm, dat men een vertrekkenden gast niet wil laten
+gaan, wordt tot in de lastigste uitersten doorgevoerd. De gemalin van
+Lodewijk XI is voor enkele dagen de gast van Philips van Bourgondie; de
+koning heeft een bepaalden dag gesteld voor haar terugkomst, maar de
+hertog weigert haar te laten gaan, ondanks de smeekbeden van haar gevolg
+en hoewel zij zelve beeft voor den toorn van haar gemaal. [97]--Goethe
+heeft gezegd: "es gibt kein aeusseres Zeichen der Hoeflichkeit, das nicht
+einen tiefen sittlichen Grund haette"; [98] "virtue gone to seed" heeft
+Emerson de beleefdheid genoemd. Men kan misschien niet met volle recht
+zeggen, dat die zedelijke grond in de 15e eeuw nog gevoeld werd, maar
+zeker werd het de aesthetische waarde, die tusschen de oprechte
+betuiging van genegenheid en den dorren omgangsvorm ligt.
+
+Het spreekt vanzelf, dat deze wijdloopige levensversiering vooral haar
+plaats heeft aan de vorstenhoven, waar men er den tijd en de ruimte voor
+kon nemen. Dat zij ook de lagere sferen der samenleving vervulden,
+bewijst reeds het feit, dat thans van die vormen juist bij de kleine
+burgerij (afgezien van de hoven zelf) nog het meest is overgebleven. Het
+herhaald noodigen, om nog wat van een gerecht te nemen, het aanmoedigen
+om nog wat te blijven, het weigeren om voor te gaan, is in de laatste
+halve eeuw uit de hoogere burgerlijke omgangsvormen grootendeels
+verdwenen. In de 15e eeuw zijn die vormen in den volsten bloei. Evenwel,
+terwijl zij angstvallig in acht worden genomen, treft niettemin de
+satire ze met levendigen spot. Het is vooral de kerk, die het tooneel
+van fraaie en langdurige plichtplegingen behoort te zijn. Eerst bij de
+"offrande". Niemand wil het eerst zijn aalmoes op het altaar brengen.
+
+ "Passez.--Non feray.--Or avant!
+ Certes si ferez, ma cousine.
+ --Non feray.--Huchez (roept) no voisine,
+ Qu'elle doit mieux devant offrir.
+ --Vous ne le devriez souffrir,"
+ Dist la voisine; "n'appartient
+ A moy: offrez, qu'a vous ne tient
+ Que li prestres ne se delivre." [99]
+
+Wanneer eindelijk de aanzienlijkste is voorgegaan, onder de nederige
+betuiging dit enkel te doen om er een eind aan te maken, volgt dezelfde
+strijd opnieuw bij het kussen van het "paesberd", "la paix", dat is het
+houten, zilveren of ivoren bordje, dat in de latere Middeleeuwen bij
+de mis na het Agnus Dei in zwang was gekomen ter vervanging van den
+vredeskus van mond tot mond. [100] Het was een vaste en langdurige
+stoornis van den dienst geworden, dat de paes onder de aanzienlijken van
+hand tot hand ging onder beleefde weigering, haar het eerst te kussen.
+
+ "Respondre doit la juene fame:
+ --Prenez, je ne prendray pas, dame.
+ --Si ferez, prenez, douce amie.
+ --Certes, je ne le prandray mie;
+ L'en me tendroit pour une sote.
+
+ --Baillez, damoiselle Marote.
+ --Non feray, Jhesucrist m'en gart!
+ Portez a ma dame Ermagart.
+ -- Dame, prenez.--Saincte Marie,
+ Portez la paix a la baillie [101]
+ -- Non, mais a la gouverneresse". [102]
+
+Deze neemt haar eindelijk.--Zelfs een heilig en van de wereld
+afgestorven man als Francois de Paule acht het zijn plicht, aan deze
+fraaiigheden mee te doen, [103] en het wordt hem door zijn vrome
+vereerders als echte nederigheid aangerekend, waaruit blijkt, dat de
+ethische inhoud uit deze vormen nog niet geheel en al geweken was. De
+beteekenis van die vormen wordt overigens eerst recht duidelijk door het
+feit, dat zij de keerzijde waren van heftige en hardnekkige twisten om
+dienzelfden voorrang in de kerk, dien men elkander zoo hoffelijk wilde
+opdringen. [104] Het was een schoone en loffelijke verzaking van nog
+levendig gevoelden adellijken of burgerlijken hoogmoed.
+
+De gansche kerkgang werd zoodoende als een menuet, want bij het uitgaan
+herhaalde zich de strijd; dan kwam de wedijver om den meerdere rechts te
+laten, het voorgaan over een vonder of door een steeg. Bij huis gekomen
+moet men, gelijk nog de Spaansche zede het eischt, het geheele
+gezelschap uitnoodigen, mee binnen te gaan om te drinken, waarvan de
+anderen zich beleefd hebben te verontschuldigen; dan moet men de anderen
+een eindweegs wegbrengen, alles onder beleefde tegenstribbeling. [105]
+
+Al die schoone vormen krijgen iets roerends, wanneer men bedenkt, dat
+zij opbloeien uit den ernstigen strijd van een woest en hartstochtelijk
+geslacht tegen zijn eigen hoogmoed en toorn. Dikwijls faalt de
+vormelijke verzaking van den trots. Telkens breekt de felle ruwheid door
+de versierde vormen heen. Jan van Beieren is te gast in Parijs; de
+groote heeren geven feesten, waarop de elect van Luik hun bij het spel
+al hun geld afwint. Een der prinsen houdt het niet langer uit en roept:
+"Wat duivel van een priester is dat hier? Hoe? zal hij ons al ons geld
+afwinnen?" Waarop Jan: "Ik ben geen priester en ik heb uw geld niet van
+noode". "En hij nam het en smeet het overal in 't rond. Dont y pluseurs
+orent grant mervelle de sa grant liberaliteit". [106]--Hue de Lannoy
+slaat een ander met een ijzeren handschoen, terwijl hij voor den hertog
+geknield ligt om hem aan te klagen; de kardinaal van Bar heet voor het
+aangezicht des konings een prediker liegen en noemt hem gemeene hond.
+[107]
+
+Het formeele eergevoel is zoo sterk, dat een vergrijp tegen de etikette,
+zooals nu nog bij vele Oostersche volken, wondt als een doodelijke
+beleediging, want het gooit omver die schoone illusie van een eigen hoog
+en zuiver leven, die voor elke onverhulde werkelijkheid bezwijkt. Het is
+voor Jan zonder Vrees een onuitwischbare smaad, dat hij Capeluche, den
+beul van Parijs, die hem in staatsie tegemoet reed, als een edelman
+heeft begroet en zijn hand heeft aangeraakt; slechts de dood van den
+beul kan dien smaad boeten. [108] Bij den staatsiemaaltijd op den
+wijdingsdag van Karel VI in 1380 dringt Philips van Bourgondie zich met
+geweld tusschen den koning en den hertog van Anjou op de plaats, die hem
+als doyen des pairs toekomt; hun wederzijdsch gevolg dringt reeds met
+roepen en dreigen op, om den twist gewelddadig te beslechten, toen de
+koning hem sust, door toe te geven aan 's Bourgondiers eisch. [109] Ook
+in den ernst van het kampleven wordt geen veronachtzaming van de vormen
+geduld: de koning van Engeland neemt het hoog op, dat L'Isle Adam voor
+hem verschijnt in een gewaad van "blanc gris" en hem in het gelaat ziet.
+[110] Een Engelsch aanvoerder zendt den parlementair uit het belegerde
+Sens eerst heen, om zich te laten scheren. [111]
+
+De prachtige orde aan het hof van Bourgondie, die de tijdgenooten
+prijzen, [112] krijgt eerst haar ware beteekenis naast de verwarring,
+die aan het zooveel oudere Fransche hof placht te heerschen. Deschamps
+beklaagt zich in tal van balladen over de ellende van het hofleven, en
+zijn klachten zijn iets meer dan de geijkte misprijzingen van het
+hovelingsbestaan, waarover later. Slechte kost en slecht logies, altijd
+gedruisch en verwarring, vloeken en twisten, nijd en hoon, het is een
+poel van zonden, een poort der hel. [113] Ondanks de heilige vereering
+voor het koningschap en den trotschen opzet van grootsche ceremonien
+gaat zelfs bij de plechtigste gelegenheden het decorum meer dan eens
+jammerlijk te loor. Bij de begrafenis van Karel VI te Saint Denis in
+1422 ontstaat groote twist tusschen de monniken der abdij en het gilde
+der zoutmeters (henouars) van Parijs, om het staatsiekleed en andere
+bekleedingen, die het koninklijke lijk dekken; elk der partijen beweert
+er recht op te hebben; zij trekken er om, en raken bijna handgemeen,
+maar de hertog van Bedford geeft het geschil in handen van het gerecht,
+"et fut le corps enterre". [114] Hetzelfde geval herhaalt zich in 1461
+bij de begrafenis van Karel VII. Op weg naar Saint Denis bij het Croix
+aux Fiens gekomen, weigeren de henouars, na een woordenwisseling met de
+monniken der abdij, het koninklijk lichaam verder te dragen, als men hun
+niet tien pond parijsch betaalt, waarop zij recht beweren te hebben. Zij
+laten de baar midden op den weg staan, en de stoet blijft geruimen tijd
+steken. Reeds willen de burgers van Saint Denis zich met de taak
+belasten, toen de grand ecuyer uit eigen zak den henouars betaling
+belooft, waarop de tocht kan worden voortgezet, om eerst tegen acht uur
+'s avonds in de kerk aan te komen. Terstond na de teraardebestelling
+volgt nog een nieuwe twist tusschen den koninklijken grand ecuyer zelf
+en de monniken over het staatsiekleed. [115] Dergelijke tumulten om het
+bezit van de utensilien eener plechtigheid behoorden er zelfs
+eenigermate bij; de verstoring van den vorm was zelf vorm geworden.
+[116]
+
+De algemeene openbaarheid, die, immers ook nog in de zeventiende eeuw,
+bij alle belangrijke gebeurtenissen in het koninklijk leven
+voorgeschreven was, maakte, dat juist bij de grootste plechtigheden
+dikwijls elke orde ontbrak. Bij het kroningsmaal van 1380 is het gedrang
+van toeschouwers, deelnemers en dienenden zoo groot, dat de daartoe
+aangewezen dienaren der kroon, de connetable en de maarschalk de
+Sancerre, te paard de gerechten opdienen. [117] Wanneer Hendrik VI van
+Engeland in 1431 te Parijs als koning van Frankrijk is gekroond, dringt
+het volk reeds in den vroegen morgen de groote zaal van het paleis
+binnen, waar het kroningsmaal gehouden zal worden, om er te kijken,
+te grissen en te schransen. De heeren van het Parlement, van de
+Universiteit, de prevot des marchands en de schepenen kunnen nauwelijks
+door het gedrang de eetzaal bereiken, en eenmaal daar, vinden zij de
+voor hen bestemde tafels ingenomen door allerlei handwerkslieden. Men
+tracht dezen te verwijderen, "mais quant on en faisoit lever ung ou
+deux, il s'en asseoit VI ou VIII d'autre coste". [118]--Bij de
+koningswijding van Lodewijk XI in 1461 heeft men de voorzorg genomen,
+de ingangen van de kathedraal van Reims tijdig te sluiten en te bewaken,
+zoodat er niet meer menschen in de kerk zijn, dan het koor gemakkelijk
+kon bevatten. Dezen evenwel dringen zoodanig op rondom het hoogaltaar,
+waar de zalving plaats heeft, dat de prelaten zelf, die den
+aartsbisschop ter zijde stonden, nauwelijks plaats hadden om zich te
+bewegen, en de prinsen van den bloede op hun eerezetels geducht in
+verdrukking komen. [119]
+
+De kerk van Parijs verdroeg het noode, dat zij nog altijd (tot 1622)
+suffragaan was van het aartsbisdom Sens. Men laat het den metropoliet op
+alle wijzen merken, dat men van zijn gezag niet gediend is, en beroept
+zich op de exemptie door den paus. Op 2 Februari 1492 heeft de
+aartsbisschop van Sens in de Notre Dame te Parijs de mis gecelebreerd
+in tegenwoordigheid van den koning. Terwijl de koning de kerk nog niet
+heeft verlaten, trekt de aartsbisschop, het volk zegenend, zich terug,
+voorafgegaan door het priesterkruis. Twee der kanunniken dringen met een
+groote schaar van kerkedienaren op, slaan de hand aan het kruis en
+beschadigen het, verrekken 's dragers hand, en maken een tumult, waarbij
+den dienaren van den aartsbisschop de haren uit het hoofd getrokken
+worden. Toen de aartsbisschop den twist tracht te bedaren, "sans lui mot
+dire, vinrent pres de lui; Lhuillier (deken van het kapittel) lui baille
+du coude dans l'estomac, les autres rompirent le chapeau pontifical et
+les cordons d'icelluy." De andere kanunnik vervolgt den aartsbisschop
+"disant plusieurs injures en luy mectant le doigt au visage, et prenant
+son bras tant que dessira son rochet; et n'eust este que n'eust mis sa
+main au devant, l'eust frappe au visage." Het werd een proces van 13
+jaar. [120]
+
+De hartstochtelijke en gewelddadige geest, hard en tevens tranenrijk,
+altijd wankelend tusschen de zwarte vertwijfeling aan de wereld en het
+zwelgen in haar bonte schoonheid, kon niet buiten de strengste vormen
+van het leven. Het was noodig, dat de aandoeningen waren gevat in een
+vast raam van geijkte vormen; zoodoende kreeg het samenleven althans
+in den regel orde. Zoo werden de levensgebeurtenissen van zichzelf
+en anderen tot een schoon schouwspel voor den geest; men genoot de
+pathetische uitmonstering van leed en geluk onder kunstlicht. Voor een
+zuivere gemoedsuitdrukking ontbreken nog de middelen; het gemoed kan
+slechts in aesthetische uitbeelding dien hoogen graad van
+uitdrukkelijkheid bereiken, waar de tijd naar schreeuwt.
+
+Het is natuurlijk niet zoo gemeend, dat deze levensvormen, vooral die
+rondom de groote oude heiligheden van geboorte, huwelijk en sterven, met
+zulk een bedoeling zouden zijn ingesteld. Gebruiken en staatsie zijn
+gegroeid uit primitief geloof en cultus. Maar de oorspronkelijke zin van
+dat alles, die er het aanzijn aan gaf, is reeds lang onbewust geworden,
+en in plaats daarvan hebben die vormen zich gevuld met nieuwe
+aesthetische waarde.
+
+De rouw is het, waar de aankleeding van de aandoening in een
+suggestieven vorm de hoogste ontwikkeling vond. Daar was een onbeperkt
+gegeven voor die prachtige hyperboliseering van de smart, die het
+wederpart is van de hyperboliseering der vreugde in de ontzaglijke
+hoffeesten. Hier volge geen uitvoerige beschrijving van al den somberen
+praal van zwarte gewaden, al de staatsie van lijkdiensten, die het
+afsterven van iederen vorst begeleidden. Zij zijn niet in het bijzonder
+aan de latere Middeleeuwen eigen; de monarchieen bewaren ze tot den
+huidigen dag, en ook de burgerlijke lijkkoets is er nog de aflegger van.
+De suggestie van al het zwart, waarin bij een vorstelijk sterfgeval niet
+enkel de hofhouding, maar ook magistraten, gilden en volk gedost ging,
+moet bij de bonte kleurigheid van het middeleeuwsche stadsleven nog veel
+grooter zijn geweest door de tegenstelling. De rouwpraal over den
+vermoorden Jan zonder Vrees is met den kennelijksten toeleg op een sterk
+(en ten deele politiek) effekt opgezet. Het krijgsgevolg, waarmee
+Philips optrekt, om de koningen van Frankrijk en Engeland te ontmoeten,
+prijkt met twee duizend zwarte vaantjes, met zwarte standaarden en
+vaandels van zeven ellen, de franje van zwarte zijde, alles bestikt of
+beschilderd met gouden wapens. De staatsiezetels, de reiswagen van den
+hertog zijn voor die gelegenheid zwart geschilderd. [121] Bij de
+plechtige samenkomst te Troyes begeleidt Philips de koninginnen van
+Frankrijk en Engeland in een fluweelen rouwkleed, dat over den rug van
+zijn paard afhangt tot op den grond. [122] Nog geruimen tijd daarna
+verschijnt niet alleen hij, maar ook zijn gevolg in 't zwart. [123]
+
+Soms verhoogde een afwijking van al het zwart den indruk nog; terwijl
+het geheele hof, ook de koningin, zwart draagt, rouwt de koning van
+Frankrijk in het rood. [124] En in 1393 zagen de Parijzenaars met
+verbazing de geheel en al witte lijkstaatsie van den in ballingschap
+gestorven koning van Armenie, Leon de Lusignan. [125]
+
+Zonder twijfel omhulde dat zwart dikwijls een hevigheid van echte,
+hartstochtelijke smart. De groote afschuw van den dood, het sterke
+verwantschapsgevoel, de innige aanhankelijkheid aan den heer, maakten
+een vorstelijk sterfgeval tot een waarlijk schokkende gebeurtenis. En
+als het, zooals in 1419 de moord op den hertog van Bourgondie deed,
+daarbij nog de eer van een trotsch geslacht scheurde en de wraak opriep
+als een heiligen plicht, dan kon de hyperbolische uiting van smart wel
+evenredig zijn in staatsie en in gemoed. Chastellain heeft in de
+aesthetiek van deze doodstijding zich wijdloopig verlustigd; hij verzint
+in den zwaren, slependen stijl van zijn deftige rhetoriek de lange rede,
+waarmee de bisschop van Doornik te Gent den jongen hertog langzaam op
+het vreeselijke bericht voorbereidt, de statige jammerklachten van
+Philips zelf, en van zijn gemalin Michelle de France. Maar de kern van
+zijn verhaal: hoe de tijding bij den jongen hertog een zenuwtoeval
+teweegbrengt, hoe ook zijn gemalin in onmacht valt, de wilde verwarring
+van het hof, de luide rouwkreten van de stad, kortom de woeste
+uitbundigheid van smart, waarmee het bericht ontvangen werd, vallen niet
+te betwijfelen. [126] Ook Chastellain's verhaal van het smartbetoon van
+Karel den Stoute bij het sterven van Philips in 1467 draagt de kenmerken
+van waarheid. Hier was de schok veel minder hevig; de oude hertog,
+vrijwel kindsch, was reeds lang achteruitgaande; de verstandhouding
+tusschen hem en zijn zoon was in de laatste jaren ver van hartelijk
+geweest, zoodat Chastellain zelf opmerkt, dat het verbazing wekte, toen
+men Karel bij het sterfbed zag weenen, krijten, handenwringen en
+nedervallen, "et ne tenoit regle, ne mesure, et tellement qu'il fit
+chacun s'esmerveiller de sa demesuree douleur". Ook in de stad Brugge,
+waar de hertog stierf, "estoit pitie de oyr toutes manieres de gens
+crier et plorer et faire leurs diverses lamentations et regrets". [127]
+
+Het is moeilijk uit te maken, hoever in deze en dergelijke berichten de
+hofstijl gaat, die een luidruchtig leedbetoon gepast en fraai vindt, en
+hoever de werkelijke hevige aandoenlijkheid, die den tijd eigen was.
+Er loopt zeker een sterk element van primitieven vorm onder: het luide
+weenen over den doode, dat geformaliseerd was in klaagvrouwen, en
+artistiek uitgedrukt in de "plourants", die juist in dezen tijd aan de
+grafsculptuur zulk een sterke bewogenheid verleenen, is een overoud
+beschavingselement.
+
+Die vereeniging van primitivisme, hevige aandoenlijkheid en fraaien
+vorm valt ook te zien in de groote vrees voor het meedeelen van een
+doodsbericht. Men houdt voor de gravin van Charolais, wanneer zij
+zwanger gaat van Maria van Bourgondie, den dood van haar vader langen
+tijd geheim; men durft Philips den Goede, die ziek ligt, geen enkel
+sterfgeval, dat hem eenigszins raakt, meedeelen, zoodat Adolf van Cleef
+geen rouw mag dragen over zijn echtgenoote. Toen de hertog toch van
+den dood van zijn kanselier Nicolaas Rolin de lucht gekregen had
+(Chastellain gebruikt zelf die uitdrukking: "avoit este en vent un peu
+de ceste mort"), vraagt hij den bisschop van Doornik, die hem aan zijn
+ziekbed komt bezoeken, of het waar is, dat de kanselier gestorven
+is.--Monseigneur,--zegt de bisschop--: naar waarheid dood is hij wel,
+want hij is oud en gebroken, en kan niet lang meer leven.--Dea!--zegt
+de hertog,--dat vraag ik niet, ik vraag of hij is "mort de mort et
+trespasse".--Ha! monseigneur,--zegt de bisschop weer--, hij is niet
+gestorven, maar aan een kant verlamd, dus hij is zoo goed als dood.--De
+hertog wordt boos:--Vechy merveilles! zeg mij nu duidelijk, of hij dood
+is. Toen eerst zegt de bisschop: Ja, waarlijk, monseigneur, hij is
+werkelijk gestorven". [128] Is er niet in deze zonderlinge wijze van een
+doodsbericht mee te deelen meer van een ouden, bijgeloovigen vorm dan
+van een ontzien van een zieke, dien dit aarzelen slechts kon prikkelen?
+Het hoort in de sfeer der gedachte, die Lodewijk XI bewoog, om zich
+nooit weer te bedienen van de kleeren, die hij droeg, of het paard, dat
+hij bereed, toen hem eenig slecht bericht bereikte, en zelfs om een heel
+stuk van het bosch van Loches te doen omhakken, waar hem de dood van
+zijn pasgeboren zoontje werd bericht. [129] "M. le chancellier--schrijft
+hij 25 Mei 1483--je vous mercye des lettres etc. mais je vous pry que ne
+m'en envoyes plus par celluy qui les m'a aportees, car je luy ay trouve
+le visage terriblement change depuis que je ne le vitz, et vous prometz
+par ma foy qu'il m'a fait grant peur; et adieu". [130]
+
+Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag
+schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij vorm geven aan het
+leed, het als iets schoons en verhevens ontplooien. Zij rythmiseeren de
+smart. Zij brengen het werkelijke leven over in de sfeer van het drama,
+en doen het cothurnen aan. In primitiever beschaving, ik denk bij
+voorbeeld aan de Iersche, zijn rouwgebruiken en dichterlijke lijkklacht
+nog een geheel; ook den hofrouw van den Bourgondischen tijd kan men
+slechts verstaan, door hem verwant te zien aan de elegie. De rouwpraal
+vertoont in schoonen vorm de machteloosheid van smart. Hoe hooger de
+rang, hoe heroischer het smartbetoon moet prijken. De koningin van
+Frankrijk moet een vol jaar in de kamer blijven, waar men haar den dood
+haars gemaals heeft aangezegd. Voor prinsessen geldt zes weken. Wanneer
+men Madame de Charolais, Isabelle de Bourbon, den dood van haar vader
+heeft medegedeeld, woont zij eerst nog den lijkdienst bij te Couwenberg,
+en blijft daarna zes weken in haar kamer, altijd te bed liggende, door
+kussens gesteund, maar gekleed met barbette, kap en mantel. De kamer is
+geheel met zwart behangen, op den grond ligt in de plaats van een zacht
+tapijt een groot zwart laken, en een groot voorvertrek is eveneens met
+zwart behangen. Edelvrouwen blijven alleen voor haar man zes weken te
+bed, voor vader of moeder slechts negen dagen, terwijl zij de rest der
+zes weken gezeten zijn voor het bed op het groote zwarte kleed. Voor
+den oudsten broeder houdt men zes weken de kamer doch niet het bed.
+[131]--Men begrijpt, hoe in een tijd, die zulk een hoog ceremonieel in
+eere hield, als een der ergste omstandigheden bij den moord van 1419
+telkens weer herinnerd wordt, dat Jan zonder Vrees zoo maar in buis,
+hozen en schoenen begraven was. [132]
+
+De aandoening, in die fraaie vormen getooid en verwerkt, gaat er licht
+in te loor; de zucht naar de dramatiseering van het leven laat een
+achter-de-schermen over, waarin het edel opgemaakte pathos verloochend
+wordt. Er is een naieve scheiding tusschen "staat" en werkelijk leven,
+welke in het geschrift van de oude hofdame, Alienor de Poitiers, die al
+dien "staat" toch als hooge mysterien vereert, kenmerkend aan den dag
+komt. Op de beschrijving van Isabella van Bourbon's prachtigen rouw laat
+zij volgen: "Quand Madame estoit en son particulier, elle n'estoit point
+toujours couchee, ni en une chambre". De prinses ontvangt in dien staat,
+doch enkel als schoone vorm. Zoo zegt Alienor ook: voor een echtgenoot
+behoort men twee jaar het rouwkleed te dragen, "indien men althans niet
+hertrouwt". Juist de hoogste standen, de vorsten met name, hertrouwden
+dikwijls zeer spoedig; de hertog van Bedford, regent van Frankrijk voor
+den jongen Hendrik VI, reeds na vijf maanden.
+
+Naast den rouw biedt de kraamkamer een ruim veld voor strenge staatsie
+en hierarchisch verschil van uitmonstering. Er gelden vaste kleuren. Het
+groen, dat nog in de 19e eeuw de geijkte kleur was van het burgerlijk
+ledikant en de vuurmand, was in de 15e het prerogatief van koningin en
+prinsessen. De kraamkamer van de koningin van Frankrijk is van groene
+zijde; vroeger was zij geheel in wit. Zelfs gravinnen mogen niet "la
+chambre verde" hebben. Stof, bont en kleur van dekens en spreien is
+voorgeschreven. Op het dressoir branden voortdurend twee groote lichten
+in zilveren kandelaars, want de blinden van de kraamkamer worden eerst
+na veertien dagen geopend! Het opmerkelijkste evenwel zijn de
+staatsieledikanten, ledig evenals de koetsen bij de begrafenis van den
+koning van Spanje. De jonge moeder ligt op een couchette voor het vuur,
+en het kind, Maria van Bourgondie, in een wieg in de kinderkamer, maar
+bovendien staan er in de kraamkamer twee groote bedden in een kunstig
+samenstel van groene gordijnen, opgemaakt en opgeslagen, als om erin te
+gaan slapen, en in de kinderkamer opnieuw twee groote bedden, alles met
+groen en violet, en nogmaals een groot bed in een voorvertrek of
+"chambre de parement", geheel getapisseerd in karmozijn satijn. Zij was
+vroeger door die van Utrecht aan Jan zonder Vrees vereerd, en heette
+"la chambre d'Utrecht". Bij de doopplechtigheid dienen die bedden tot
+ceremonieus gebruik. [133]
+
+Die aesthetiek der levensvormen deed zich gelden in het dagelijksch
+aspect van stad en land: de strenge hierarchie van stoffen, kleuren
+en pelzen gaf aan de verschillende standen een uiterlijke omlijsting,
+die het waardigheidsgevoel verhief en behoedde. De aesthetiek der
+gemoedsbewegingen beperkte zich niet tot de plechtige vreugden en
+smarten bij geboorte, huwelijk en sterven, waar de parade door de
+noodzakelijke ceremonien geboden was. Elk ethisch gebeuren wordt gaarne
+gezien in een fraai opgemaakten vorm. Er is zulk een element in de
+bewondering voor de nederigheid en de zelfkastijding van den heilige,
+voor het berouw van den zondaar, zooals de "moult belle contrition de
+ses peches" van Agnes Sorel. [134] Elke levensverhouding wordt in stijl
+gebracht; in de plaats van de moderne zucht tot verbergen en effaceeren
+van intieme betrekkingen en sterke aandoeningen geldt het streven, om ze
+tot een vorm en een schouwspel ook voor anderen te maken. Zoo heeft ook
+de vriendschap in het leven der 15e eeuw haar schoon uitgewerkten vorm.
+Naast de oude bloedbroederschap en wapenbroederschap, die in de kringen
+zoowel van het volk als van den adel in eere was, [135] kent men een
+vorm van sentimenteele vriendschap, die uitgedrukt wordt door het woord
+mignon. De vorstelijke mignon is een geformaliseerd instituut, dat zich
+gedurende de geheele 16e en een deel der 17e eeuw handhaaft. Het is de
+verhouding van Jacobus I van Engeland tot Robert Carr en George
+Villiers; ook Willem van Oranje bij den afstand van Karel V moet onder
+dit aspect gezien worden. _Twelfth Night_ is slechts te begrijpen, als
+men bij de verhouding van den hertog tot den gewaanden Cesario dezen
+geijkten vorm van sentimenteele vriendschap voor oogen heeft. De
+verhouding wordt gezien als een parallel tot de hoofsche liefde: "Sy
+n'as dame ne mignon", zegt Chastellain. [136] Doch elke toespeling, die
+haar op een lijn met de Grieksche vriendschap zou brengen, ontbreekt ten
+eenenmale. De openlijkheid, waarmee het mignonschap behandeld wordt in
+een tijd, die het crimen nefandum zoo verfoeide, moet elken argwaan doen
+zwijgen. Bernardino van Siena stelt aan zijn Italiaansche landgenooten,
+onder wie de sodomie zeer verbreid was, Frankrijk en Duitschland, waar
+men haar niet kent, ten voorbeeld. [137] Commines vertelt zelf, hoe hij
+de eer genoot, door Lodewijk XI onderscheiden te worden met 's konings
+behagen, dat hij gelijk gekleed ging als deze. [138] Want dit is het
+vaste teeken van de verhouding. De koning heeft steeds een mignon en
+titre, in dezelfde kleederen gedost als hij, op wien hij steunt bij
+ontvangsten. [139] Dikwijls zijn het ook twee vrienden van gelijken
+leeftijd, doch verschillenden rang, die zich gelijk kleeden, in een
+kamer, soms ook in een bed slapen. [140] Zulk een onafscheidelijke
+vriendschap bestaat er tusschen den jongen Gaston de Foix en zijn
+bastaardbroeder, waar zij een tragisch einde neemt, tusschen Lodewijk
+van Orleans (toen nog van Touraine) en Pierre de Craon, [141] tusschen
+den jongen hertog van Cleef en Jacques de Lalaing. Op dezelfde wijze
+hebben vorstinnen een vertrouwde vriendin, die zich gelijk kleedt, [142]
+en mignonne genoemdt wordt.
+
+Al deze schoon gestyleerde levensvormen, die de ruwe werkelijkheid
+moesten verheffen in een sfeer van edele harmonie, waren deelen van de
+groote levenskunst, zonder onmiddellijken neerslag te geven in de kunst
+in engeren zin. De omgangsvormen met hun vriendelijken schijn van
+ongedwongen altruisme en heusche erkenning van anderen, de hofpraal en
+hofetikette met hun hieratische statigheid en ernst, de blijde tooi van
+bruiloft en kraamkamer, hun schoonheid is voorbijgegaan zonder directe
+sporen na te laten in kunst en litteratuur. Het uitdrukkingsmiddel, dat
+hen verbindt, is niet de kunst, maar de mode. Nu staat de mode in het
+algemeen veel nader tot de kunst, dan de academische aesthetica wil
+toegeven. Als kunstmatige accentueering van de lichaamsschoonheid en de
+lichaamsbeweging is zij met een der kunsten, die van den dans, innig
+verbonden. Maar ook daarbuiten grenst in de 15e eeuw het domein der
+mode, of wil men liever der kleederdracht, veel nader aan dat der kunst
+dan wij geneigd zijn ons voor te stellen. Niet enkel doordat het
+veelvuldig gebruik van juweelen en de metaalbewerking van het
+krijgsgewaad in het costuum een direct element van kunsthandwerk brengt.
+De mode deelt met de kunst zelve essentieele eigenschappen: stijl en
+rythme zijn haar even onmisbaar als voor de kunst. De late Middeleeuwen
+hebben voortdurend in de kleederdracht een mate van levensstijl
+uitgedrukt, waarvan tegenwoordig zelfs een kroningsplechtigheid slechts
+meer een flauwe afschaduwing kan geven. In het leven van iederen dag
+vertoonden de verschillen van pelzen en kleuren, kappen en huiven de
+strenge ordonnantie der standen, de pronkende waardigheden, den staat
+van blijdschap of smart, de teedere betrekking van vrienden en
+verliefden.
+
+Van alle levensverhoudingen was de aesthetiek zoo uitdrukkelijk mogelijk
+uitgewerkt. Hoe hooger het schoonheids- en zedelijkheidsgehalte van zulk
+een verhouding was, hoe meer de uitdrukking ervan tot zuivere kunst kon
+worden. Beleefdheid, etikette vinden hun schoone uiting enkel in het
+leven zelf, in kleed en praal. De rouw echter heeft haar sterke
+uitdrukking bovendien in een duurzamen en machtigen kunstvorm: het
+grafmonument; de cultuurwaarde van den rouw was verheven door zijn
+verband met den godsdienst. Maar nog rijker was de aesthetische bloei
+van deze drie levenselementen: dapperheid, eer en liefde.
+
+
+NOTEN:
+
+[64] Poliziano, Le stanze, l'Orfeo e le rime, ed. G. Carducci, Firenze,
+1863, p. 362.
+
+[65] Eustache Deschamps, Oeuvres completes, ed. De Queux de Saint
+Hilaire et G. Raynaud (Soc. des anciens textes francais) 1878-1903, 11
+vol., no. 31 (I p. 113), vgl. nos. 85, 126, 152, 162, 176, 248, 366,
+375, 386, 400, 933, 936, 1195, 1196, 1207, 1213, 1239, 1240 enz. enz.;
+Chastellain, I p. 9, 27, IV 5, 56, VI 206, 208, 219, 295; Alain
+Chartier, Oeuvres, ed. A. Duchesne, Paris 1617, p. 262; Alanus de Rupe,
+Sermo II p. 313, (B. Alanus redivivus, ed. J.A. Coppenstein, Napels,
+1642).
+
+[66] Deschamps no. 562 (IV p. 18).
+
+[67] A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses oeuvres, Bibl. de
+l'Ecole des chartes LVI 1895, pp. 277, 280, 305, 310, 312, 622, etc.
+
+[68] Chastellain, I p. 10, Prologue, vgl. Complainte de fortune, VIII
+p. 334.
+
+[69] La Marche, I p. 186, IV p. LXXXIX; H. Stein, Etude sur Olivier de
+la Marche, historien, poete et diplomate, (Mem. couronnes etc. de
+l'Acad. royale de Belg. t. XLIX) Bruxelles 1888, frontispice.
+
+[70] Monstrelet, IV p. 430.
+
+[71] Froissart ed. Luce, X. p. 275; Deschamps no. 810 (IV p. 327); vgl.
+Les Quinze joyes demariage, (Paris, Marpon et Flammarion) p. 64 (quinte
+joye); Le livre messire Geoffroi de Charny, Romania XXVI 1897, p. 399.
+
+[72] Joannis de Varennis responsiones ad capitula accusationum etc. Sec. 17,
+bij Gerson, Opera, I p. 920.
+
+[73] Deschamps no. 95 (I p. 203).
+
+[74] Deschamps, Le miroir de mariage, IX p. 25, 69, 81, no. 1004 (V p.
+259), verder II p. 8, 183-7. III p. 39, 373, VII p. 3, IX p. 209 enz.
+
+[75] Convivio lib. IV. cap. 27, 28.
+
+[76] Discours de l'excellence de virginite, Gerson, Opera III p. 382;
+vgl. Dionysius Cartusianus, De vanitate mundi, Opera omnia, cura et
+labore monachorum sacr. ord. Cart., Monstrolii-Tornaci 1896-1913, 41
+vol. XXXIX p. 472.
+
+[77] Chastellain, V p. 364.
+
+[78] La Marche, IV p. cxiv.--De oude Nederl. vertaling van zijn Estat de
+la maison du duc Charles de Bourgogne bij Matthaeus, Analecta I p. 357-494.
+
+[79] Christine de Pisan, Oeuvres poetiques, ed. M. Roy (Soc. des anciens
+textes francais) 1886-1896, 3 vol., I p. 251 no. 38; Leo von Rozmital's
+Reise, ed. Schmeller, (Bibl. des lit. Vereins zu Stuttgart t. VII) 1844,
+p. 24, 149.
+
+[80] La Marche, IV. p. 4ss.; Chastellain, V p. 370.
+
+[81] Ernst.
+
+[82] Een staatsiezetel.
+
+[83] Gekleed.
+
+[84] Chastellain, V. p. 368.
+
+[85] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34ss.
+
+[86] La Marche, I p. 277.
+
+[87] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34, 51, 20, 31.
+
+[88] Froissart, ed. Luce, III p. 172.
+
+[89] Journal d'un bourgeois, Sec. 218 p. 105.
+
+[90] Chronique scandaleuse, I p. 53.
+
+[91] Molinet, I p. 184; Basin. II p. 376.
+
+[92] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, ed. La Curne de
+Sainte Palaye, Memoires sur l'ancienne chevalerie, 1781, II p. 201.
+
+[93] Chastellain, III p. 196-212, 290, 292, 308, IV p. 412/4, 428;
+Alienor de Poitiers, p. 209, 212.
+
+[94] Alienor de Poitiers, p. 210; Chastellain, IV p. 312; Juvenal des
+Ursins, p. 405; La Marche, I p. 278, Froissart, I p. 16, 22, enz.
+
+[95] Molinet, V p. 194, 192.
+
+[96] Alienor de Poitiers, p. 190; Deschamps, IX p. 109.
+
+[97] Chastellain, V. p. 27-33.
+
+[98] Maxime u. Reflexionen V.
+
+[99] Alleen om u moet de priester wachten. Deschamps, IX Le miroir de
+mariage, p. 109/110.
+
+[100] Verscheiden exemplaren van zulke "paix" bij Laborde, II nos. 43,
+45, 75, 126, 140, 5293.
+
+[101] De baljuwsche.
+
+[102] Deschamps ib.; p. 300, vgl. VIII p. 156 ballade no. 1462; Molinet,
+V p. 195; Les cent nouvelles nouvelles, ed. Th. Wright, II p. 123; vgl.
+Les Quinze joyes de mariage p. 185.
+
+[103] Canonisatieproces te Tours, Acta Sanctorum Apr. t. I p. 152.
+
+[104] Over zulke rangtwisten onder den Hollandschen adel, waarop reeds
+even gewezen is door W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland voor de
+hervorming, Utrecht 1864-'69, 2 deelen (5 stukken) II 3 p. 284(2), is
+uitvoerig gehandeld door H. Obreen, Bijdr. v. Vad. Gesch. en Oudhk. X p. 308.
+
+[105] Deschamps, IX p. 111-114.
+
+[106] Jean de Stavelot, Chronique, ed. Borgnet (Coll. des chron. belges)
+1861, p. 96.
+
+[107] Pierre de Fenin, p. 607; Journal d'un bourgeois, p. 9.
+
+[108] Aldus Juvenal des Ursins, p. 543, en Thomas Basin, I p. 31. Het
+Journal d'un bourgeois, p. 110 geeft een andere reden voor het
+doodvonnis, evenzoo Le Livre des trahisons, ed. Kervyn de Lettenhove
+(Chron. rel. a l'hist. de Belg. sous les ducs de Bourg.) II p. 138(1).
+
+[109] Rel. de S. Denis, I p. 30; Juvenal des Ursins, p. 341.
+
+[110] Pierre de Fenin, p. 606; Monstrelet, IV p. 9.
+
+[111] Pierre de Fenin, p. 604.
+
+[112] Christine de Pisan, I p. 251 no. 38; Chastellain, V p. 364ss;
+Rozmital 's Reise, p. 24, 149.
+
+[113] Deschamps, I nos. 80, 114, 118, II nos. 256, 266, IV nos. 800,
+803, V nos. 1018, 1024, 1029, VII no. 253, X nos. 13, 14.
+
+[114] Anonym bericht der 15e eeuw in Journal de l'inst. hist., IV p.
+353, vgl. Juvenal des Ursins, p. 569, Religieux de S. Denis, VI p. 492.
+
+[115] Jean Chartier, Hist. de Charles VII, ed. D. Godefroy 1661, p. 318.
+
+[116] Intocht van den dauphin als hertog van Bretagne te Rennes in 1532
+bij Th. Godefroy, Le ceremonial francois, 1649, p. 619.
+
+[117] Rel. de S. Denis, I p. 32.
+
+[118] Journal d'un bourgeois, p. 277.
+
+[119] Thomas Bassin, II p. 9.
+
+[120] A. Renaudet, Prereforme et humanisme a Paris, p. 11, naar de
+processtukken.
+
+[121] de Laborde, Les ducs de Bourgogne, I p. 172, 177.
+
+[122] Livre des trahisons, p. 156.
+
+[123] Chastellain, I p. 188.
+
+[124] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254.
+
+[125] Rel. de S. Denis, II p. 114.
+
+[126] Chastellain, I p. 49, V p. 240; vgl. La Marche, I p. 201;
+Monstrelet, III p. 358; Lefevre de S. Remy, I p. 380.
+
+[127] Chastellain. V p. 228, vgl. IV p. 210.
+
+[128] Chastellain, III p. 296; IV p. 213, 216.
+
+[129] Chronique scandaleuse. Interpol. II p. 332.
+
+[130] Lettres de Louis XI, X p. 110.
+
+[131] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254-256.
+
+[132] Lefevre de S. Remy, II p. 11; Pierre de Fenin, p. 599, 605;
+Monstrelet, III p. 347; Theod. Pauli, De rebus actis sub ducibus
+Burgundiae compendium, ed. Kervyn de Lettenhove (Chron. rel. a l'hist.
+de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. t. III) p. 267.
+
+[133] Alienor de Poitiers, p.217-245; Laborde, II p. 267, Inventaris van
+1420.
+
+[134] Continuateur de Monstrelet, 1449 (Chastellain, V p. 367(1)).
+
+[135] Vgl. Petit Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires
+etc., p. 14; La Curne de S. Palaye, Memoires sur l'ancienne chevalerie,
+I p. 272.
+
+[136] Chastellain, Le Pas de la mort, VI p. 61.
+
+[137] Hefele, Der h. Bernhardin v. Siena etc., p. 42. Vervolging van
+sodomie in Frankrijk, Jacques du Clercq, II p. 272, 282, 337, 338, 350,
+III 15.
+
+[138] Philippe de Commines, Memoires, ed. B. de Mandrot (Coll. de textes
+pour servir a l'enseignement de l'histoire) 1901-'3, 2 vol., I p. 316.
+
+[139] La Marche, II p. 425; Molinet, II p. 29, 280; Chastellain, IV p. 41.
+
+[140] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 61; Froissart, ed. Kervyn, XI
+p. 93.
+
+[141] Froissart id., ib. XIV p. 318; Le livre des faits de Jacques de
+Lalaing. p. 29, 247 (Chastellain VIII); La Marche I p. 268; L'hystoire
+du petit Jehan de Saintre. ch. 47.
+
+[142] Chastellain, IV p. 237.
+
+
+ * * * * *
+
+
+III
+
+DE HELDENDROOM
+
+
+Toen men tegen het einde der achttiende eeuw begon middeleeuwsche
+cultuurvormen als eigen nieuwe levenswaarden op te nemen, met andere
+woorden bij den aanvang der romantiek, heeft men in de Middeleeuwen
+allereerst het ridderwezen ontwaard. De romantiek was geneigd
+Middeleeuwen en riddertijd kortweg te vereenzelvigen. Zij zag overal
+slechts wuivende vederbossen. En hoe paradoxaal het thans klinkt, zij
+had in zeker opzicht gelijk. Een grondiger studie heeft ons geleerd,
+dat het ridderwezen slechts een onderdeel is van de cultuur van dat
+tijdperk, dat de staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling
+grootendeels buiten dien vorm om gaat. Het tijdperk van echte
+feodaliteit en bloeiend ridderwezen loopt reeds in de dertiende eeuw
+ten einde; wat daarna komt is de stedelijk-vorstelijke periode der
+Middeleeuwen, waarin de beheerschende factoren van staat en maatschappij
+de handelsmacht der burgerijen en de daarop berustende geldmacht der
+vorsten zijn. Wij lateren hebben ons gewend, en terecht, om veel meer
+naar Gent en Augsburg te zien, veel meer naar het opkomende kapitalisme
+en de nieuwe staatsvormen dan naar den adel, die immers, hier meer daar
+minder, overal reeds "gefnuikt" was. De geschiedvorsching zelf heeft
+zich sedert de dagen der romantiek gedemocratiseerd. Het moet evenwel
+hem, die gewoon is, de latere Middeleeuwen te zien in hun staatkundig-
+economisch aspect, zooals wij dat begrijpen, telkens opvallen, dat de
+bronnen zelf, met name de verhalende bronnen, aan den adel en zijn
+bedrijf een zooveel ruimer plaats geven, dan bij onze voorstelling past.
+Dit geldt zelfs niet enkel van de late Middeleeuwen, maar ook nog van de
+zeventiende eeuw.
+
+De reden daarvan is, dat de adellijke levensvorm zijn heerschappij over
+de samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke
+structuur zijn overheerschende beteekenis verloren had. In den geest der
+vijftiende eeuw neemt de adel als maatschappelijk element nog onbetwist
+de eerste plaats in; zijn beteekenis wordt door den tijdgenoot veel te
+hoog, die van de burgerij veel te laag geschat. Zij zelf zien niet, dat
+de werkelijke beweegkrachten der maatschappelijke ontwikkeling elders
+lagen dan in het leven en bedrijf van een oorlogvoerenden adel. Dus, zal
+men zeggen: de fout zit bij de tijdgenooten zelf en bij de romantiek,
+die hun voorstelling zonder kritiek volgde, terwijl de moderne
+geschiedvorsching de ware verhoudingen van het laat-middeleeuwsche leven
+aan het licht heeft gebracht. Van het staatkundige en economische leven,
+ja. Maar voor het kennen van het cultuurleven behoudt de waan zelf,
+waarin de tijdgenooten leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was
+de adellijke levensvorm niet anders dan een vernis over het leven
+geweest, dan nog zou het noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat
+leven met den glans van dat vernis wist te zien.
+
+Het is overigens veel meer geweest dan een vernis. Het begrip van de
+geleding der maatschappij in standen doordringt in de Middeleeuwen alle
+theologische en politische beschouwingen tot in haar vezelen. Het
+bepaalt zich volstrekt niet tot de geijkte drie: geestelijkheid, adel en
+derde stand. Het begrip stand heeft niet alleen een veel sterker waarde
+maar ook een veel verder strekking. In het algemeen wordt iedere
+groepeering, iedere functie, ieder beroep gezien als een stand, zoodat
+naast de indeeling der maatschappij in drie standen een in twaalf kan
+voorkomen. [143] Want stand is staat, "estat", of "ordo"; er ligt de
+gedachte in van een door God gewilde wezenlijkheid. De woorden "estat"
+en "ordre" dekken in de Middeleeuwen een groot aantal van menschelijke
+groepeeringen, die voor ons begrip zeer ongelijksoortig zijn: de standen
+in onzen zin, de beroepen, den huwelijken staat naast den maagdelijken,
+den staat van zondigheid "estat de pechie", de vier "estats de corps et
+de bouche" aan het hof: panetiers, schenkers, voorsnijders en
+keukenmeesters, de geestelijke wijdingen: priester, diaken, subdiaken
+enz., de kloosterorden, de ridderorden. In de middeleeuwsche gedachte
+wordt het begrip "staat" of "orde" in al die gevallen bijeengehouden
+door het besef, dat elk dezer groepen een goddelijke inzetting
+vertegenwoordigt, een orgaan is in den wereldbouw, even wezenlijk en
+even hierarchisch-eerbiedwaardig als de hemelsche tronen en machten der
+engelenhierarchie.
+
+In het schoone beeld, dat men zich maakte van staat en maatschappij,
+werd aan elk der standen zijn functie aangewezen niet overeenkomstig
+zijn beproefde nuttigheid, maar overeenkomstig zijn heiligheid of zijn
+schitterenden glans. Men kon daarbij de ontaarding der geestelijkheid,
+het verval van de ridderlijke deugden bejammeren, zonder daarom het
+ideale beeld ook maar eenigszins prijs te geven; de zonden der menschen
+mogen de verwezenlijking van het ideaal beletten, toch blijft het
+grondslag en richtsnoer der maatschappelijke gedachte. Het
+middeleeuwsche beeld der maatschappij is statisch, niet dynamisch.
+
+Het is een wonderlijke schijn, waarin Chastellain, de hofhistoriograaf
+van Philips den Goede en Karel den Stoute, wiens rijke werk ook hier
+weer de beste spiegel is van de tijdsgedachte, de maatschappij van zijn
+dagen ziet. Hier is een man, in de velden van Vlaanderen getogen, die in
+zijn Nederlanden de schitterendste ontplooiing van burgermacht voor
+oogen had, en die niettemin, verblind door den uiterlijksten glans van
+het Bourgondische prachtleven, in den staat slechts riddermoed en
+ridderdeugd als de bron van kracht ziet.
+
+God heeft het volk doen geboren worden om te arbeiden, om den grond te
+bewerken, om door den handel duurzaam levensonderhoud te verschaffen, de
+geestelijkheid voor de werken des geloofs, maar den adel, om de deugd te
+verheffen en de gerechtigheid te handhaven, om met de daden en de zeden
+van hun schoone personen den anderen een spiegel te zijn. De hoogste
+taak in den staat, de bescherming der kerk, de vermeerdering van het
+geloof, de bewaring van het volk voor verdrukking, de handhaving van het
+gemeen welzijn, bestrijding van geweld en tirannie, versterking van den
+vrede, Chastellain wijst ze alle den adel toe. Waarheid, dapperheid,
+zedelijkheid en mildheid zijn zijn eigenschappen. En de adel van
+Frankrijk, zegt deze hoogdravende lofredenaar, beantwoordt aan dat
+ideale beeld. [144] Door het geheele werk van Chastellain heen bemerkt
+men, dat hij ook werkelijk de gebeurtenissen van zijn tijd door dat
+gekleurde glaasje ziet.
+
+De onderschatting van de burgerij spruit hieruit voort, dat het type,
+waaronder men zich den derden stand voorstelde, zich nog geenszins
+gecorrigeerd had naar de werkelijkheid. Dat type was eenvoudig en
+beknopt als zulk een kalenderplaatje of bas-relief, dat de werken des
+jaars afbeeldde: de zwoegende veldarbeider, de vlijtige handwerker of de
+bedrijvige koopman. De figuur van den machtigen patricier, die den adel
+zelf van zijn plaats drong, het feit, dat de adel zich voortdurend
+aanvulde met het bloed en de kracht der burgerij, vond in dat lapidaire
+type evenmin plaats als de figuur van den strijdbaren gildebroeder en
+zijn vrijheidsideaal. In het begrip van den derden stand bleven, immers
+zelf tot de Revolutie toe, burgerij en arbeiders ongescheiden;
+afwisselend dringt in de voorstelling de figuur van den armen boer of
+van den vadsigen rijken burger [145] naar voren, maar een omlijning
+volgens zijn werkelijke economisch-politische functie kreeg dat begrip
+derde stand niet. Een reformprogram van een Augustijner monnik in 1412
+kan in ernst verlangen, dat ieder niet-edele in Frankrijk gedwongen zou
+worden, hand- of veldarbeid te doen, of uit het land gejaagd worden. [146]
+
+Zoo is het te begrijpen, dat iemand als Chastellain, wiens vatbaarheid
+voor ethische illusie geevenaard wordt door zijn politische naiveteit,
+naast de hooge eigenschappen van den adel den derden stand slechts lage
+en slaafsche deugden toekent. "Pour venir au tiers membre qui fait le
+royaume entier, c'est l'estat des bonnes villes, des marchans et des
+gens de labeur, desquels il ne convient faire si longue exposition que
+des autres, pour cause que de soy il n'est gaires capable de hautes
+attributions, parce qu'il est au degre servile". (O kerels van
+Vlaanderen!) Zijn deugd is nederigheid en vlijt, gehoorzaamheid aan hun
+koning en gewilligheid, om genoegen te verschaffen aan de heeren. [147]
+
+Werkte wellicht ook dat volslagen gemis aan het gezicht op een komenden
+tijd van burgervrijheid en macht er toe mee, dat Chastellain en
+gelijkgezinden, die enkel van den adel heil verwachtten, het met de
+tijden duister inzagen?
+
+Ook de rijke stedelingen heeten bij Chastellain nog kortweg "vilains".
+[148] Hij heeft niet het geringste begrip voor burgereer. Philips de
+Goede had de gewoonte, zijn macht te misbruiken, om zijn "archers",
+lagere edelen veelal, of andere dienaren van zijn huis te huwen aan
+rijke poortersweduwen of dochters. De ouders huwelijkten hun dochters
+zoo vroeg mogelijk uit, om die aanzoeken te ontgaan; een weduwe
+hertrouwde erom twee dagen na haars mans begrafenis. [149] Eens stuitte
+de hertog daarbij op het hardnekkig verzet van een rijken bierbrouwer te
+Rijsel, die zijn dochter niet voor een dergelijke verbintenis wil geven.
+De hertog laat het meisje in verzekerde bewaring stellen; de gekrenkte
+vader verhuist met zijn hebben en houden naar Doornik, om daar buiten
+'s hertogen gebied te zijn, en ongehinderd de zaak voor het Parlement
+van Parijs te kunnen brengen. Het brengt hem niet dan zorg en moeite;
+hij wordt ziek van verdriet, en het eind van het geval, dat in hooge mate
+kenschetsend is voor Philips' impulsief karakter [150] en hem naar onze
+begrippen niet tot eer strekt, is, dat de hertog de moeder, die als
+smeekelinge tot hem komt, haar dochter teruggeeft, maar aan de
+vergiffenis hoon en vernedering toevoegt. Chastellain, die anders
+volstrekt niet vreest, zijn heer te misprijzen, staat met zijn sympathie
+geheel aan de zijde van den hertog; voor den beleedigden vader heeft hij
+geen andere woorden dan "ce rebelle brasseur rustique", "et encore si
+meschant vilain." [151]
+
+In zijn _Temple de Bocace_, een hol galmende hal van adellijken roem en
+ongeluk, laat Chastellain den grooten financier Jacques Coeur niet
+zonder een woord van verontschuldiging toe, terwijl de verfoeilijke
+Gilles de Rais er ondanks zijn ontzettende misdaden gereedelijk toegang
+vindt van wege zijn hooge geboorte. [152] Hij acht het onnoodig, de
+namen van de burgers te vermelden, die in den grooten strijd voor Gent
+vielen. [153]
+
+Ondanks deze geringschatting van den derden stand ligt er in het
+ridderideaal zelf en in de beoefening van de deugden en de taak, die den
+adel werden voorgehouden, een dubbel element van een minder hoogmoedig
+aristocratische volksverachting. Naast den spot over de dorpers, vol
+haat en verachting, zooals die klinkt uit het Vlaamsche _Kerelslied_ en
+de _Proverbes del vilain_ loopt in de Middeleeuwen een tegengestelde
+uiting van medelijden met het arme volk, dat het zoo kwaad heeft.
+
+ "Si fault de faim perir les innocens
+ Dont les grans loups font chacun jour ventree,
+ Qui amassent a milliers et a cens
+ Les faulx tresors; c'est le grain, c'est la blee,
+ Le sang, les os qui ont la terre aree
+ Des povres gens, dont leur esperit crie
+ Vengence a Dieu, ve a la seignourie ..." [154]
+
+Het zijn altijd dezelfde klaagtonen: het arme volk, geteisterd door de
+oorlogen, uitgezogen door de ambtenaren, leeft in gebrek en ellende;
+iedereen teert op den boer. Zij lijden geduldig: "le prince n'en scait
+riens", en als zij soms murmureeren en de overheid smaden: "povres
+brebis, povre fol peuple", de heer zal hen met een woord weer tot rust
+en tot rede brengen. In Frankrijk komt onder den indruk van de
+jammerlijke verwoesting en onveiligheid, waaraan de honderdjarige oorlog
+gaandeweg het geheele land overleverde, een trek in die klacht op den
+voorgrond: de boer geplunderd, gebrandschat en mishandeld door de
+krijgsbenden van vriend en vijand, beroofd van zijn ploegdieren, van
+huis en hof verjaagd. In dien vorm neemt de klacht geen einde meer. Men
+hoort haar van de groote reform-gezinde geestelijken omstreeks 1400:
+Nicolaas van Clemanges in zijn _Liber de lapsu et reparatione
+justitiae,_ [155] van Gerson in zijn moedige en aangrijpende politieke
+preek voor de regenten en het hof op het thema _Vivat rex,_ 7 November
+1405 in het paleis der koningin te Parijs gehouden, [156] Jean Jouvenel,
+de bisschop van Beauvais, houdt in bittere klachten de ellende van het
+volk voor aan de Staten te Blois in 1433, te Orleans in 1439. [157]
+Gepaard aan het beklag der andere standen over hun moeilijkheden, in den
+vorm van een twistgesprek, vindt men het thema van de volksellende in
+Alain Chartier's _Quadriloge invectif,_ [158] en in Robert Gaguin's
+daarop geinspireerd _Debat du laboureur, du prestre et du gendarme_.
+[159] De kroniekschrijvers kunnen niet anders dan telkens erop
+terugkomen; hun stof bracht het mee. [160] Molinet dicht een _Resource
+du petit peuple_, [161] de ernstige Meschinot herhaalt de waarschuwingen
+over de verwaarloozing van het volk keer op keer:
+
+ "O Dieu, voyez du commun l'indigence,
+ Pourvoyez-y a toute diligence:
+ Las! par faim, froid, paour et misere tremble.
+ S'il a peche ou commis negligence
+ Encontre vous, il demande indulgence.
+ N'est-ce pitie des biens que l'on lui emble?
+ Il n'a plus bled pour porter au molin,
+ On lui oste draps de laine et de lin,
+ L'eaue, sans plus, lui demeure pour boire". [162]
+
+In een cahier, den koning aangeboden ter gelegenheid van de Staten te
+Tours in 1484, neemt de klacht regelrecht het karakter aan van een
+politiek vertoog. [163] Toch blijft het een volkomen stereotyp en
+negatief medelijden, niets van een program. Er is nog geen spoor van
+weloverlegden socialen hervormingszin in, en zoo wordt er op het thema
+doorgezongen, door La Bruyere, door Fenelon, tot diep in de achttiende
+eeuw, want nog de klachten van den ouden Mirabeau, "l'ami des hommes",
+zijn weinig anders, al klinkt daarin het geluid van het komende verzet.
+
+Het is te verwachten, dat de verheerlijkers van het laat-middeleeuwsche
+ridderideaal instemmen met deze betuigingen van medelijden met het volk:
+immers de toepassing van den ridderplicht, om de zwakken te beschermen,
+eischte het. Evenzeer inhaerent aan het wezen van het ridderideaal, en
+evenzeer stereotyp en theoretisch, is ook het besef, dat de ware adeldom
+slechts berust in de deugd, en dat in den grond alle menschen gelijk
+zijn. Deze beide gevoelens worden wel eens in hun cultuurhistorische
+beteekenis overschat. Men beschouwt de erkenning van den waren adel in
+het hart als een triomf der Renaissance, erop wijzende, dat Poggio die
+gedachte uitspreekt in zijn _De nobilitate_. Men hoort gewoonlijk dat
+oude egalitarisme in het revolutionaire geluid van John Ball's "When
+Adam delved and Eve span, where was then the gentleman?"--En men stelt
+zich voor, dat de adel sidderde op dien tekst.
+
+Beide gedachten waren reeds lang gemeenplaatsen in de hoofsche
+litteratuur zelve, evenals zij het waren in de salons van het ancien
+regime. Het denkbeeld van den waren adel in het hart was voortgekomen
+uit de verheffing van de hoofsche liefde in de poezie der troubadours.
+Het blijft een zedelijke bespiegeling zonder sociaal-actieve werking.
+
+ "Dont vient a tous souveraine noblesce?
+ Du gentil cuer, pare de nobles mours.
+ ... Nulz n'est villains se du cuer ne lui muet". [164]
+
+De gelijkheidsgedachte was reeds door de kerkvaders ontleend aan Cicero
+en Seneca. Gregorius de Groote had den komenden Middeleeuwen het "Omnes
+namque homines natura aequales sumus" reeds meegegeven. Het was in
+allerlei klank en nadruk steeds herhaald, zonder de werkelijke
+ongelijkheid te verminderen. Want voor den Middeleeuwer keerde de
+gedachte haar pointe naar de spoedige gelijkheid in den dood, niet naar
+een hopeloos verre gelijkheid in het leven. Bij Eustache Deschamps
+vinden wij haar in een duidelijke verbinding met de doodendans-
+voorstelling, die aan de late Middeleeuwen den troost moest geven over
+het onrecht van de wereld. Het is Adam zelf, die zijn kroost toespreekt:
+
+ "Enfans, enfans, de moy, Adam, venuz,
+ Qui apres Dieu suis peres premerain (eerste)
+ Cree de lui, tous estes descenduz
+ Naturelment de ma coste et d'Evain;
+ Vo mere fut. Comment est l'un villain
+ Et l'autre prant le nom de gentillesce
+ De vous, freres? dont vient tele noblesce?
+ Je ne le scay, se ce n'est des vertus,
+ Et les villains de tout vice qui blesce:
+ Vous estes tous d'une pel revestus.
+
+ Quant Dieu me fist de la boe ou je fus,
+ Homme mortel, faible, pesant et vain,
+ Eve de moy, il nous crea tous nuz,
+ Mais l'esperit nous inspira a plain
+ Perpetuel, puis eusmes soif et faim,
+ Labour, dolour, et enfans en tristesce;
+ Pour noz pechiez enfantent a destresce
+ Toutes femmes; vilment estes concuz.
+ Dont vient ce nom, villain, qui les cuers blesce?
+ Vous estes tous d'une pel revestuz.
+
+ Les roys puissans, les contes et les dus,
+ Li gouverneur du peuple et souverain,
+ Quant ilz naissent, de quoy sont ilz vestuz?
+ D'une orde pel.
+ ... Prince, pensez, sanz avoir en desdain
+ Les povres gens, que la mort tient le frain". [165]
+
+Het is in overeenstemming met deze gedachten, wanneer geestdriftige
+vereerders van het ridderideaal somtijds opzettelijk de daden van
+boersche helden opteekenen, om den adel te leeren, "dat bij wijlen zij,
+die zij dorpers achten, van de grootste dapperheid bezield zijn". [166]
+
+Want dit is de grond van al deze gedachten: dat de adel geroepen is, om
+door de naleving van het ridderideaal de wereld te schragen en te
+zuiveren. Het rechte leven en de rechte deugd der edelen is het
+heilmiddel der slechte tijden; daarvan hangt af het welzijn en de rust
+van kerk en koninkrijk, de gelding der gerechtigheid. [167] De oorlog is
+in de wereld gekomen met Cain en Abel, en sedert vertakt onder goeden en
+slechten. Hem te beginnen is niet goed. Daarom is de zeer edele en zeer
+uitstekende stand der ridderschap ingesteld, om het volk, dat gemeenlijk
+het meest geteisterd wordt door de rampen van den krijg, te bewaren, te
+verdedigen en in rust te houden. [168] Twee zaken, luidt het in het
+leven van een der zuiverste vertegenwoordigers van het laat-middeleeuwsche
+ridderideaal, Boucicaut, zijn door God's wil in de wereld gezet als twee
+pijlers om de orde der goddelijke en menschelijke wetten te onderhouden;
+zonder hen zou de wereld niet dan verwarring zijn; die twee pijlers zijn
+ridderschap en wetenschap, "chevalerie et science, qui moult bien
+conviennent ensemble". [169] "Science, Foy et Chevalerie" zijn de drie
+lelien van _Le Chapel des fleurs de lis_ van Philippe de Vitri; zij
+vertegenwoordigen de drie standen; de ridderschap is geroepen, om de
+beide andere te behoeden en te beschermen. [170] Die gelijkwaardigheid
+van ridderschap en wetenschap, die ook spreekt uit de neiging om aan den
+doctorstitel dezelfde rechten toe te kennen als aan den riddertitel
+[171] getuigt van het hooge ethische gehalte van het ridderideaal. Het
+is de vereering van een hooger willen en durven naast die van een hooger
+weten en kunnen; men heeft de behoefte, om den mensch in een hoogere
+potentie te zien, en wil die uitdrukken in den vasten vorm van twee
+wijdingen tot hooger levenstaak, onderling gelijkwaardig. Maar van die
+twee had het ridderideaal een veel algemeener en sterker werking, omdat
+daarin met het ethische zooveel aesthetische elementen waren vereenigd,
+die voor iederen geest begrijpelijk waren.
+
+De middeleeuwsche gedachtenwereld in het algemeen is in al haar deelen
+doortrokken en doorzult met de geloofsvoorstellingen. Op soortgelijke
+wijze is de gedachtenwereld van die beperkter groep, welke in de sfeer
+van hof en adel leeft, gedrenkt in het ridderideaal. Zelfs
+geloofsvoorstellingen worden op haar beurt in den ban der ridderidee
+getrokken: Michael's wapenfeit was "la premiere milicie et prouesse
+chevaleureuse qui oncques fut mise en exploict"; van hem neemt de
+ridderlijkheid haar oorsprong; als "milicie terrienne et chevalerie
+humaine" is zij een aardsche navolging van de engelenscharen om Gods
+troon. [172]
+
+Leidt de hooge verwachting, die men bouwt op de plichtsvervulling van
+den adel, tot eenige nadere omschrijving van politieke denkbeelden
+omtrent hetgeen den adel te doen staat? Ja, die van een streven naar
+den universeelen vrede, gegrondvest op de eendracht der koningen, de
+verovering van Jeruzalem en verdrijving der Turken. De onvermoeide
+plannenmaker Philippe de Mezieres, die droomde van een ridderorde, welke
+al de oude kracht van Tempel en Hospitaal zou overtreffen, heeft in zijn
+_Songe du vieil pelerin_ een plan uitgewerkt, dat het heil der wereld
+in de naaste toekomst scheen te waarborgen. De jonge koning van
+Frankrijk,--het is geschreven omstreeks 1388, toen op den ongelukkigen
+Karel VI nog zooveel hoop was gebouwd--, zal gemakkelijk vrede kunnen
+sluiten met Richard van Engeland, even jong en onschuldig aan ouden
+strijd als hij. Zij moesten persoonlijk over dien vrede met elkander
+spreken, elkander verhalen van de wonderlijke openbaringen, die hem
+hadden aangekondigd, afzien van al de kleine belangen, die een beletsel
+zouden opleveren, als de onderhandeling aan geestelijken,
+rechtsgeleerden of legerhoofden werd toevertrouwd. Laat de koning van
+Frankrijk maar wat grenssteden en kasteelen afstaan. Terstond na den
+vrede zou de kruistocht worden voorbereid. Overal zal alle strijd en
+veete beslecht worden, het tiranniek bestuur der staten zal hervormd
+worden, een algemeen concilie zal de vorsten der christenheid opwekken,
+om ten oorlog te trekken, indien de prediking niet helpen mocht, om
+Tartaren, Turken, Joden en Saracenen te bekeeren. [173] Niet
+onwaarschijnlijk was er van zulke ver strekkende plannen nog sprake in
+het vriendschappelijk verkeer van Mezieres met den jongen Lodewijk van
+Orleans in het klooster der Celestijnen te Parijs. Ook Orleans leefde,
+zij het met meer bijmenging van praktische en baatzuchtige politiek,
+in die droomen van vrede en kruistocht. [174]
+
+Het is een wonderlijke kleuring van de wereld, dat beeld van de
+maatschappij gedragen door het ridderideaal. Het is een kleur, die niet
+goed houden wil. Wien men ook neemt van de bekende fransche chronisten
+der veertiende en vijftiende eeuw: de scherpe Froissart, de droge
+Monstrelet en d'Escouchy, de plechtstatige Chastellain, de hoofsche
+Olivier de la Marche, de bombastische Molinet, allen met uitzondering
+van Commines en Thomas Basin beginnen met hoogdravende verklaringen,
+dat zij schrijven ter verheerlijking van ridderdeugd en roemrijke
+wapenfeiten. [175] Maar niemand kan het geheel volhouden, Chastellain
+nog het best. Terwijl Froissart, zelf dichter van een hyperromantischen
+aflegger der ridder-epiek: _Meliador_, met zijn geest zwelgt in ideale
+"prouesse" en "grans apertises d'armes", schrijft zijn journalistenpen
+voortdurend van verraad en wreedheid, sluwe baatzucht en overmacht, een
+krijgsbedrijf, dat geheel een zaak van winstbejag is geworden. Molinet
+vergeet doorloopend zijn chevaleresken opzet en vertelt, afgezien van
+zijn taal en stijl, de gebeurtenissen helder en eenvoudig, om zich af
+en toe den edelen zwier te herinneren, dien hij zich had opgelegd. Nog
+uiterlijker is de ridderlijke strekking bij Monstrelet.
+
+Het is alsof de geest van deze schrijvers,--een ondiepe geest, moet men
+zeggen--, de ridderlijke fictie aanwendt als een correctief op de
+onbegrijpelijkheid, die hun tijd voor hen had. Het was de eenige vorm,
+waarin zij de gebeurtenissen konden begrijpen. In de werkelijkheid waren
+zoowel de oorlogen als de staatkunde van hun tijd uiterst vormloos,
+schijnbaar onsamenhangend. De krijg doorgaans een chronisch proces van
+geisoleerde strooptochten over een groot gebied verspreid, de diplomatie
+een zeer omslachtig en gebrekkig instrument, voor een deel beheerscht
+door zeer algemeene traditioneele ideeen en voor een deel door een
+onontwarbaar complex van afzonderlijke, kleine rechtskwesties. Niet
+in staat om in dat alles een reeele maatschappelijke ontwikkeling te
+erkennen, nam de historie de fictie van het ridderideaal te baat, en
+herleidde daarmee alles tot een schoon beeld van vorsteneer en
+ridderdeugd, een fraai spel van edele regels, en schiep de illusie van
+orde. Vergelijkt men dezen historischen maatstaf met bijvoorbeeld het
+inzicht van Thucydides, dan is het een buitengewoon laag standpunt.
+De geschiedenis verdort tot een relaas van schoone of schijnschoone
+wapenfeiten en solemneele staatshandelingen. Wie zijn dan ook van dit
+gezichtspunt beschouwd de rechte geschiedgetuigen? De herauten en
+wapenkoningen, meent Froissart; zij wonen immers die edele verrichtingen
+bij, en hebben ze officieel te beoordeelen; zij zijn experts in zaken
+van roem en eer, en roem en eer zijn het motief der geschiedschrijving.
+[176] De statuten van het Gulden Vlies geboden het opteekenen van
+ridderlijke wapenfeiten; Lefevre de Saint Remy, genaamd Toison d'or,
+of de heraut Berry kunnen als voorbeelden van den wapenkoning-
+geschiedschrijver genoemd worden.
+
+ * * * * *
+
+Als ideaal van schoon leven is de ridderlijke gedachte van zeer
+bijzondere gedaante. Het is een in zijn wezen aesthetisch ideaal,
+opgebouwd uit bonte fantazie en verheffende aandoening. Maar het wil
+zijn een ethisch ideaal: het middeleeuwsche denken kon aan een
+levensideaal slechts een edele plaats geven, door het in betrekking
+te stellen tot vroomheid en deugd. In die ethische functie schiet het
+ridder wezen steeds te kort; het wordt omlaaggetrokken door zijn
+zondigen oorsprong. Want de kern van het ideaal blijft de tot schoonheid
+verheven hoogmoed. Dit heeft Chastellain volkomen begrepen, wanneer hij
+zegt: "La gloire des princes pend en orguel et en haut peril emprendre;
+toutes principales puissances conviengnent en un point estroit qui se
+dit orgueil." [177] Uit den hoogmoed, gestyleerd en verheven, is de
+eer geboren, die de pool is van het adellijk leven. Terwijl in de
+middelmatige of ondergeschikte maatschappelijke verhoudingen--zegt Taine
+[178]--de voornaamste drijfveer het belang is, is de groote beweger bij
+de aristocratie de hoogmoed: "or, parmi les sentiments profonds de
+l'homme, il n'en est pas qui soit plus propre a se transformer en
+probite, patriotisme et conscience, car l'homme fier a besoin de son
+propre respect, et, pour l'obtenir, il est tente de le meriter." Taine
+heeft zonder twijfel de neiging, om de aristocratie te fraai te zien.
+De werkelijke geschiedenis der aristocratieen geeft overal een beeld,
+waarin de hoogmoed gedoubleerd is met onbeschaamd eigenbelang. Des
+ondanks blijft--als omschrijving van het aristocratisch levensideaal
+--Taine's woord treffend. Het is verwant aan Burckhardt's bepaling van
+het Renaissance-eergevoel. "Es ist die raetselhafte Mischung aus Gewissen
+und Selbstsucht, welche dem modernen Menschen noch uebrig bleibt, auch
+wenn er durch oder ohne seine Schuld alles uebrige, Glauben, Liebe und
+Hoffnung eingebuesst hat. Dieses Ehrgefuehl vertraegt sich mit vielem
+Egoismus und grossen Lastern und ist ungeheurer Taeuschungen faehig; aber
+auch alles Edle, das in einer Persoenlichkeit uebrig geblieben, kann sich
+daran anschliessen und aus diesem Quell neue Kraefte schoepfen". [179]
+
+De persoonlijke eerzucht en roemzucht, die dan eens uitingen van een
+hoog eergevoel, dan weer veel meer uit onveredelden hoogmoed gesproten
+schijnen, zijn door Burckhardt in beeld gebracht als de kenmerkende
+eigenschappen van den Renaissance-mensch. [180] In tegenstelling met de
+afzonderlijke standseer en standenroem, zooals zij de echt-middeleeuwsche
+samenleving buiten Italie nog bezielden, beschrijft hij de algemeen-
+menschelijke eer en roem, waarnaar, onder sterken invloed van antieke
+voorstellingen, de Italiaansche geest sedert Dante streeft. Het schijnt
+mij toe, dat dit een der punten is, waarop Burckhardt den afstand
+tusschen Middeleeuwen en Renaissance, tusschen West-Europa en Italie te
+groot gezien heeft. Die roemliefde en eerzucht der Renaissance is in
+haar kern de ridderlijke eerzucht van vroeger tijd en Fransche herkomst,
+de standseer uitgebreid tot wijder gelding, ontdaan van het feodale
+sentiment en bevrucht met antieke gedachte. Het hartstochtelijk
+verlangen, om door het nageslacht geprezen te worden, is den hoofschen
+ridder der twaalfde eeuw, den onverfijnden Franschen of Duitschen
+soudenier der veertiende eeuw even weinig vreemd als den schoonen geest
+van het quattrocento. De afspraak voor het Combat des trente tusschen
+messires Robert de Beaumanoir en den kapitein Brandebourch wordt door
+den laatste besloten met de woorden: "en zoo zullen wij maken, dat men
+ervan spreken zal in komende tijden in zaal en paleis, in pleinen en
+andere plaatsen over de wereld." [181] Chastellain, in zijn waardeering
+van het ridderideaal toch volkomen middeleeuwsch, drukt niettemin
+volkomen den geest der Renaissance uit, als hij zegt:
+
+ "Honneur semont toute noble nature
+ D'aimer tout ce qui noble est en son estre.
+ Noblesse aussi y adjoint sa droiture". [182]
+
+Elders zegt hij, dat bij joden en heidenen de eer dierbaarder was en
+nauwer werd gehouden, omdat zij enkel werd betracht om haars zelfs wil
+en in verwachting van aardschen lof, terwijl de christenen de eer
+ontvangen hebben door het geloof en het licht, in verwachting van
+hemelsch loon. [183]
+
+Reeds bij Froissart wordt de dapperheid aanbevolen zonder eenige
+religieuze of direct moreele motiveering, om roem en eer, en--enfant
+terrible als hij is--om carriere. [184]
+
+Het streven naar ridderlijken roem en eer is onafscheidelijk verbonden
+aan een heldenvereering, waarin middeleeuwsche en renaissance-elementen
+ineenvloeien. Het ridderlijke leven is een navolging. Of het de helden
+van den Artur-kring zijn of de antieke helden, maakt weinig verschil.
+Alexander was immers reeds in den bloeitijd van den ridderroman volkomen
+in de ideeensfeer van het ridderwezen opgenomen. De antieke
+fantaziesfeer was nog niet gescheiden van die der tafelronde. Koning
+Rene ziet bont dooreen de met hun blazoenen versierde grafteekens van
+Lancelot, Caesar, David, Hercules, Paris, Troilus. [185] Het ridderwezen
+zelf gold voor Romeinsch. "Et bien entretenoit--heet het van Hendrik V
+van Engeland--la discipline de chevalerie, comme jadis faisoient les
+Rommains". [186] Het toenemende classicisme brengt eenige zuivering in
+het historische beeld der Oudheid; de Portugeesche edelman Vasco de
+Lucena, die voor Karel den Stoute Quintus Curtius vertaalt, verklaart,
+gelijk Maerlant het reeds anderhalve eeuw eerder had gedaan, hem daarin
+te bieden een authentieken Alexander, ontdaan van de leugens, waarmee
+al de gangbare historien diens geschiedenis ontsierden. [187] Doch de
+bedoeling is sterker dan ooit, den vorst een voorbeeld ter navolging
+te bieden, en bij weinig vorsten is de zucht, om door groote en
+schitterende daden de Ouden te evenaren, zoo bewust als bij Karel den
+Stoute. Van jongsaf had hij zich de heldendaden van Walewein en Lancelot
+laten voorlezen; later wonnen het de Ouden. Voor het slapen gaan werd er
+geregeld een paar uur gelezen in "les haultes histoires de Romme". [188]
+Zijn hoogste behagen gold den helden der oudheid: Caesar, Hannibal en
+Alexander, "lesquelz il vouloit ensuyre et contrefaire". [189] Alle
+tijdgenooten hebben aan die opzettelijke navolging als drijfveer van
+zijn daden groot gewicht gehecht. "Il desiroit grand gloire,--zegt
+Commines--qui estoit ce qui plus le mettoit en ses guerres que nulle
+autre chose; et eust bien voulu ressembler a ses anciens princes dont
+il a este tant parle apres leur mort." [190] Chastellain zag hem dien
+hoogen zin voor groote daden en voor het schoone antieke gebaar de
+eerste maal in praktijk brengen. Het was bij zijn eerste komst als
+hertog binnen Mechelen in 1467. Hij had er een oproer te straffen; de
+zaak werd in alle vormen onderzocht en berecht, een der leiders ter dood
+veroordeeld, anderen voor eeuwig verbannen. Het schavot wordt op de
+markt opgericht, de hertog zit er tegenover; de schuldige ligt reeds
+geknield, de beul ontbloot het zwaard; toen roept Karel, die tot dusver
+zijn bedoeling verborgen had: "Houd op! Doe hem den blinddoek af en laat
+hem opstaan."
+
+"Et me pareus de lors--zegt Chastellain--que le coeur luy estoit en haut
+singulier propos pour le temps a venir, et pour acquerir gloire et
+renommee en singuliere oeuvre." [191]
+
+Het voorbeeld van Karel den Stoute is geschikt, om te doen zien, hoe de
+geest der Renaissance, de zucht naar het schoone antieke leven, direct
+wortelt in het ridderideaal. Het is, als men hem met den Italiaanschen
+virtuoso vergelijkt, slechts een verschil van belezenheid en van smaak.
+Karel las zijn klassieken nog in vertaling, en zijn levensvorm is nog
+flamboyant-gothiek.
+
+Dezelfde onscheidbaarheid van het ridderlijke en het renaissance-element
+vertoont de cultus der negen dapperen, "les neuf preux". Die groep van
+negen helden, drie heidenen, drie joden, drie christenen, komt op in de
+ridderlijke litteratuur; zij wordt het eerst aangetroffen in de _Voeux
+du paon_ van Jacques de Longuyon omstreeks 1312. [192] De keus der
+helden verraadt den nauwen samenhang met de ridderlijke romantiek:
+Hector, Caesar, Alexander--Jozua, David, Judas Maccabaeus--Artur, Karel
+de Groote en Godfried van Bouillon. Van zijn leermeester Guillaume de
+Machaut neemt Eustache Deschamps de gedachte over; hij wijdt er tal van
+gedichten aan. [193] Waarschijnlijk is hij het geweest, die aan de
+behoefte aan symmetrie, welke den laat-middeleeuwschen geest zoo sterk
+eigen is, voldeed, door aan de 9 preux 9 preuses toe te voegen. Hij
+zocht er eenige, ten deele vrij zonderlinge, klassieke figuren voor
+bijeen uit Justinus en andere litteratuur: o.a. Penthesilea, Tomyris,
+Semiramis, en verhaspelde de meeste namen geducht. Dit belette het
+denkbeeld niet, om opgang te maken, en zoo vindt men preux en preuses
+bij de lateren, zooals in _Le Jouvencel,_ terug. Zij staan afgebeeld op
+tapijten, men verzint hun blazoenen; bij den intocht van Hendrik VI van
+Engeland te Parijs in 1431 gaan alle achttien hem voorop. [194]
+
+Hoe levend de voorstelling gedurende de 15e eeuw en nog daarna gebleven
+is, bewijst het feit, dat men haar parodieerde: Molinet beproeft zijn
+luim aan een negental "preux de gourmandise". [195] Nog Frans I kleedde
+zich af en toe "a l'antique" om een der preux voor te stellen. [196]
+
+Deschamps heeft evenwel nog op een andere wijze dan door de aanvulling
+met vrouwelijke pendanten de voorstelling uitgebreid. Hij verbond die
+vereering van oude heldendeugd aan het heden, plaatste haar in de sfeer
+van het opkomende Fransche militaire nationalisme, door aan de negen een
+tijd- en landgenoot als tienden preux toe te voegen: Bertrand du
+Guesclin. [197] Ook dat denkbeeld had succes; Lodewijk van Orleans liet
+in de groote zaal van Coucy het beeld van den dapperen connetable als
+tiende der preux opnemen. [198] Het was met reden, dat Orleans de
+gedachtenis van du Guesclin een bijzondere zorg wijdde; hij zelf was
+door den connetable ten doop gehouden, en deze had hem daarbij een
+zwaard in de hand gegeven. Van de figuur van den dapperen en
+berekenenden Bretonschen krijgsman neemt een nationaal-militaire
+heldenvereering haar uitgang. Het valt op te merken, dat deze in de
+15e eeuw nog niet in de eerste plaats Jeanne Darc geldt. Allerlei
+veldoversten, die naast of tegen haar hadden gestreden, nemen in de
+verbeelding der tijdgenooten veel grooter en eervoller plaats in dan het
+boerenmeisje uit Domremy. Velen spreken van haar nog zonder aandoening
+of vereering, meer als een curiositeit. Chastellain, die zijn
+Bourgondische gevoelens, als het pas gaf, merkwaardig op zij wist te
+zetten voor een pathetisch Fransch loyalisme, dicht een "mystere" op den
+dood van Karel VII, waarin al de aanvoerders, die voor hem de Engelschen
+bestreden hebben, als een eeregalerij van dapperen, een strofe zeggen,
+die hun daden vermeldt: Dunois, Jean de Bueil, Xaintrailles, La Hire
+zijn er bij, en tal van minder bekenden. [199] Het doet even aan als een
+reeks van Napoleontische generaals. Maar la Pucelle ontbreekt.
+
+De Bourgondische vorsten bewaarden in hun schatkamer een aantal
+heldenrelieken van romantischen aard: een zwaard van Sint Joris, met
+diens wapen versierd, een zwaard, dat behoord had aan "messire Bertran
+de Claiquin" (du Guesclin), een tand van het everzwijn van Garin le
+Loherain, het souter, waaruit de heilige Lodewijk leerde in zijn
+kindsheid. [200] Hoe loopen de fantaziesferen van het ridderlijke en het
+religieuze hier ineen! Nog een schrede, en men is bij het armbeen van
+Livius, dat, plechtig als gold het een reliek, in ontvangst genomen werd
+door paus Leo X. [201]
+
+De laat-middeleeuwsche heldenvereering heeft haar litterairen vorm in de
+biografie van den volmaakten ridder. Soms zijn het reeds legendaire
+figuren geworden, zooals Gilles de Trazegnies. De belangrijkste evenwel
+zijn die van tijdgenooten, zooals Boucicaut, Jean de Bueil, Jacques de
+Lalaing.
+
+Jean le Meingre, gewoonlijk genoemd le marechal Boucicaut, heeft zijn
+land gediend in groote rampen. Hij was met Jan zonder Vrees in 1396 bij
+Nicopolis geweest, waar het Fransche ridderleger, roekeloos uitgetrokken
+om den Turk weer uit Europa te drijven, door Sultan Bajazid vernietigd
+werd. Hij is opnieuw gevangen gemaakt bij Azincourt in 1415, en zes
+jaren later in gevangenschap gestorven. Een bewonderaar heeft nog bij
+zijn leven in 1409 zijn daden te boek gesteld, op grond van zeer goede
+inlichting en documenten, [202] doch niet als een stuk tijdsgeschiedenis
+maar als het beeld van den idealen ridder. De realiteit van dit
+veelbewogen leven verdwijnt achter den schoonen schijn van het
+ridderbeeld. De vreeselijke katastrofe van Nicopolis heeft in _Le Livre
+des faicts_ maar een flauwe kleur. Boucicaut wordt geschilderd als het
+type van den soberen, vromen en tegelijk hoofschen en geletterden
+ridder. De afkeer van rijkdommen, die den waren ridder eigen moest zijn,
+spreekt uit het woord van Boucicaut's vader, die zijn erfgoed had willen
+vergrooten noch verkleinen, zeggende: als mijn kinderen rechtschapen en
+dapper zijn, zullen zij genoeg hebben; en als zij niets waard zijn, zou
+het jammer wezen, dat hun zooveel bleef nagelaten. [203] Boucicaut's
+vroomheid is van een streng puriteinsch karakter. Hij staat vroeg op,
+en blijft wel drie uren in gebeden. Hoe gehaast of bezig ook, hoort hij
+iederen dag geknield twee missen. Vrijdags kleedt hij zich in het zwart,
+op Zon- en feestdagen doet hij te voet een bedevaart of laat zich
+voorlezen uit het leven der heiligen, of uit de geschiedenissen "des
+vaillans trespassez, soit Romains ou autres", of hij spreekt met anderen
+van devote dingen. Hij is matig en sober, spreekt weinig en meest over
+God, de heiligen, de deugd of de ridderlijkheid. Ook al zijn dienaren
+heeft hij gewend aan devotie en betamelijkheid, en hun het vloeken
+afgeleerd. [204] Hij is een ijverig voorstander van den edelen, kuischen
+vrouwendienst; hij eert allen om eene, en sticht de orde "de l'ecu verd
+a la dame blanche", ter verdediging der vrouwen, wat hem den lof schonk
+van Christine de Pisan. [205] Te Genua, waar hij in 1401 het bestuur
+kwam voeren voor Karel VI, beantwoordde hij eens hoffelijk de reverences
+van twee dames, die hij ontmoette. "Monseigneur," zei zijn schildknaap,
+"qui sont ces deux femmes a qui vous avez si grans reverences
+faictes?"--"Huguenin, dit-il, je ne scay". Lors luy dist: "Monseigneur,
+elles sont filles communes".--"Filles communes, dist-il, Huguenin,
+j'ayme trop mieulx faire reverence a dix filles communes que avoir
+failly a une femme de bien." [206]--In zijn devies "Ce que vous
+vouldrez" kan men evengoed den dolenden ridder hooren, die zijn trouw
+aan zijn dame wijdt, als den renaissance-mensch, die zich overgeeft aan
+het leven, zooals het tot hem komt.
+
+Zoo is het schoone beeld van den ridder. Weliswaar blijkt uit andere
+gegevens, dat de werkelijke Boucicaut er niet in alle opzichten aan kan
+hebben beantwoord: hij deelde de gewelddadigheid en de geldzucht, in
+zijn stand zoo gewoon. [207]
+
+In een geheel andere nuance ziet men den modelridder in den
+biografischen roman over Jean de Bueil, _Le Jouvencel_. Deze kapitein,
+die onder het vaandel van Jeanne Darc gestreden had, later gemengd was
+in den opstand der Praguerie en den oorlog "du bien public", en in 1477
+stierf, heeft, in ongenade bij den koning, omstreeks 1465 aan drie van
+zijn dienaren een verhaal van zijn leven geinspireerd, getiteld _Le
+Jouvencel_. [208] In tegenstelling met het leven van Boucicaut, waarin
+de historische vorm een romantischen geest bergt, draagt _Le Jouvencel_
+bij een gefingeerden vorm een sterk reeel karakter, althans in het
+eerste gedeelte. Het staat misschien in verband met het veelvoudig
+auteurschap, dat het werk verderop verloopt in een bloemzoete romantiek.
+Daar is de gruwelijke tocht van de Fransche krijgsbenden op Zwitsersch
+gebied in 1444, en de slag bij Sankt Jakob an der Birs, waar de boeren
+van het Bazelsche land hun Thermopylae vonden, vermomd in den ijdelen
+opschik van een afgezaagd bedenksel van herderlijke min.
+
+In sterk contrast daarmee geeft het eerdere gedeelte van _Le Jouvencel_
+van de werkelijkheid van den toenmaligen krijg een beeld zoo sober en
+echt, als nauwelijks elders te vinden is. Ook deze auteurs spreken
+overigens niet van Jeanne Darc, met wie hun meester toch in
+wapenbroederschap had gestaan; het zijn zijn eigen heldendaden, die zij
+verheerlijken. Doch hoe goed moet deze hun zijn krijgsbedrijf verteld
+hebben. Hier kondigt zich de geest van het militaire Frankrijk aan, dat
+later de figuren van den mousquetaire, den grognard en den poilu zal
+opleveren. Den ridderlijken opzet verraadt alleen de aanhef, die de
+jonge lieden aanspoort, uit dit geschrift het leven in de wapenen te
+leeren, dat hen waarschuwt tegen hoogmoed, nijd en hebzucht. Zoowel het
+vrome als het amoureuze element van Boucicaut ontbreken in het eerste
+gedeelte van _Le Jouvencel_. Wat ons hier tegen komt, is de armzaligheid
+van den oorlog, zijn ontberingen en de frissche moed om gebrek te lijden
+en gevaren te bestaan. Een slotvoogd verzamelt zijn garnizoen en telt
+maar vijftien paarden, magere beestjes, de meesten zijn onbeslagen. Hij
+zet twee mannen op elk, maar ook van de mannen zijn de meesten eenoogig
+of kreupel. Om de kleeren van den kapitein te kunnen verstellen, gaat
+men de wasch van den vijand buitmaken. Een geroofde koe wordt den
+vijandelijken kapitein op zijn verzoek hoffelijk teruggegeven. In de
+beschrijving van een nachtelijken tocht over de velden ademt de
+nachtlucht en de stilte u tegen. [209] In _Le Jouvencel_ ziet men het
+riddertype overgaan in dat van den nationalen militair: de held van het
+boek laat de arme gevangenen vrij, mits zij goed-fransch worden. Tot
+hooge waardigheden gekomen, verlangt hij terug naar dat leven van
+avontuur en vrijheid.
+
+Zulk een realistisch riddertype (overigens, gelijk gezegd, in het werk
+zelf niet ten einde toe volgehouden) kon de Bourgondische litteratuur,
+veel ouderwetscher, veel solemneeler en meer in de feodale vormen bekneld
+dan de zuiver Fransche, nog niet opleveren. Jacques de Lalaing is naast
+le Jouvencel een antieke curiositeit, naar het cliche van oudere dolende
+ridders als Gillon de Trazegnies beschreven. Het boek van de daden van
+dezen vereerden held der Bourgondiers spreekt meer van romantische
+tournooien dan van den echten krijg. [210]
+
+De psychologie van den oorlogsmoed is wellicht vroeger noch later zoo
+eenvoudig en treffend uitgedrukt als in de volgende woorden van _Le
+Jouvencel_: [211] "C'est joyeuse chose que la guerre.... On s'entr'ayme
+tant a la guerre. Quant on voit sa querelle bonne et son sang bien
+combatre, la larme en vient a l'ueil. Il vient une doulceur au cueur de
+loyaulte et de pitie de veoir son amy, qui si vaillamment expose son
+corps pour faire et acomplir le commandement de nostre createur. Et
+puis on se dispose d'aller mourir ou vivre avec luy, et pour amour ne
+l'abandonner point. En cela vient une delectation telle que, qui ne l'a
+essaiie, il n'est homme qui sceust dire quel bien c'est. Pensez-vous
+que homme qui face cela craingne la mort? Nennil; car il est tant
+reconforte, il est si ravi, qu'il ne scet ou il est. Vraiement il n'a
+paour de rien."
+
+Dit kon evengoed gezegd zijn door den modernen soldaat als door een
+ridder der vijftiende eeuw. Het heeft met het ridderlijk ideaal als
+zoodanig niets te maken. Het vertoont den gevoelsgrond van den zuiveren
+strijdmoed zelf: de huiverende uittreding uit het enge egoisme in de
+aandoening van het levensgevaar, de ontzaglijke verteedering over de
+dapperheid van den makker, den wellust van de trouw en de
+zelfopoffering. Deze primitieve ascetische aandoening is de basis,
+waarop het ridderideaal is opgebouwd tot een edele verbeelding van
+mannelijke volmaaktheid, nauw verwant aan de Grieksche kalokagathia,
+een hevige aspiratie naar schoon leven, de energische bezieling van
+een reeks van eeuwen ... en ook het masker, waarachter een wereld van
+baatzucht en geweld zich hullen kon.
+
+Overal waar het ridderideaal het zuiverst beleden wordt, valt de nadruk
+op het ascetische element ervan. In zijn eersten opbloei paarde het zich
+ongedwongen, noodwendig zelfs, aan het monniksideaal: in de geestelijke
+ridderorden uit den kruistochtentijd. En waar de werkelijkheid steeds
+het ideaal gruwelijk logenstrafte, week het naar de sferen der
+verbeelding: de dolende ridder is evenals de Tempelier vrij van aardsche
+banden en arm. Dat ideaal van den edelen strijder zonder bezittingen,
+zegt William James, beheerscht nog "sentimentally if not practically,
+the military and aristocratic view of life. We glorify the soldier as
+the man absolutely unincumbered. Owning nothing but his bare life, and
+willing to toss that up at any moment when the cause commands him, he is
+the representative of unhampered freedom in ideal directions." [212]
+
+De verbindingen van het ridderideaal met hooge elementen van het
+godsdienstig bewustzijn: medelijden, rechtvaardigheid, trouw, zijn dus
+geenszins kunstmatig of oppervlakkig. Toch zijn het niet deze, die de
+ridderschap tot den schoonen levensvorm bij uitnemendheid maken. En ook
+haar onmiddellijke wortels in den mannelijken strijdmoed hadden haar
+daartoe niet kunnen verheffen, als niet vrouwenliefde de brandende gloed
+was geweest, die aan dat complex van gevoel en idee de levenswarmte gaf.
+
+De diepe trek van askese, van moedige zelfopoffering, die het
+ridderideaal eigen is, hangt met den erotischen grond van die
+levenshouding ten nauwste samen, is misschien slechts de ethische
+verwerking van onbevredigd verlangen. De vormgeving, de styleering van
+het liefdeverlangen beperkt zich volstrekt niet tot de litteratuur. Zij
+vindt evengoed een ruim veld om zich te ontplooien in de levensvormen
+zelf: hoofschen omgang, gezelschapsspel, scherts en sport. Ook daar
+wordt de liefde voortdurend gesublimeerd en geromantiseerd; het leven
+volgt daarin de litteratuur na, maar deze leert tenslotte toch alles van
+het leven. Het ridderlijke aspect der liefde is in den grond niet in de
+litteratuur maar in het leven opgekomen. In de werkelijke
+levensverhoudingen was het motief van den ridder en de geliefde gegeven.
+
+De ridder en de geliefde, de held om liefde, is het meest primaire,
+onveranderlijke romantische motief, dat overal opnieuw weer ontspringt
+en ontspringen zal. Het is de meest onmiddellijke omzetting van de
+zinnelijke drift in een ethische of quasi-ethische zelfverloochening.
+Zij ontspringt direct uit de behoefte, om ten aanschouwe van de vrouw
+zijn moed te toonen, gevaar te loopen en sterk te zijn, te lijden en
+te bloeden, die iedere jongen van zestien jaar kent. De uiting en de
+vervulling van het verlangen, die onbereikbaar schijnen, worden
+vervangen en opgeheven door de heldendaad uit liefde. Daarmee is
+terstond de dood als alternatief der vervulling gesteld, de bevrediging
+om zoo te zeggen naar beide zijden verzekerd.
+
+Maar de droom van de heldendaad uit liefde, die nu het smachtend hart
+vult en bedwelmt, groeit en woekert als een welige plant. Het eerste
+eenvoudige thema heeft spoedig uitgewerkt; de geest vraagt nieuwe
+verbeeldingen op hetzelfde thema. En de passie zelf dringt sterker
+kleuren op aan den droom van lijden en verzaking. De heldendaad moet
+bestaan in de bevrijding of redding van de vrouw zelf uit het
+dreigendste gevaar. Daarmee is een feller prikkel aan het
+oorspronkelijke motief toegevoegd. Eerst is het het subject zelf, dat
+lijden wil voor de vrouw; maar spoedig paart zich daaraan de wensch,
+om de begeerde zelf uit lijden te redden. Of in den grond die redding
+altijd is te herleiden tot de redding der maagdelijkheid, het weren van
+den andere dus, de bewaring van de vrouw voor zich? In ieder geval is
+daarmee het ridderlijk-erotische motief bij uitnemendheid gegeven: de
+jonge held, die de maagd bevrijdt. De belager moge bij wijlen een
+argelooze draak zijn, het sexueele moment ligt toch steeds onmiddellijk
+eronder. Hoe naief-oprecht spreekt het bij voorbeeld in de bekende
+schilderij van Burne Jones, waar de moderne damesfiguur van het meisje
+juist door haar kuischheid de onmiddellijkste sensualiteit verraadt.
+
+De bevrijding van de maagd is het meest oorspronkelijke en altijd jonge
+romantische motief. Hoe is het mogelijk, dat een thans verouderde
+mythenverklaring er de weergave van een natuurphenomeen in heeft gezien,
+terwijl de onmiddellijkheid van de gedachte dagelijks door ieder kan
+worden beproefd! In de litteratuur moge het bij wijlen wegens overmatige
+herhaling een tijdlang worden vermeden, telkens komt het motief weer in
+nieuwe vormen op, bij voorbeeld in de bioscoop-cowboy-romantiek. En in
+het persoonlijke liefdedenken buiten de litteratuur blijft het
+ongetwijfeld altijd even sterk.
+
+Het is moeilijk te bepalen, in hoeverre in de voorstelling van den
+held-minnaar het mannelijk en in hoeverre het vrouwelijk aspect der
+liefde zich openbaart. In het algemeen komt in de verbeelding der liefde
+tot cultuurvorm bijna uitsluitend de mannelijke opvatting tot
+uitdrukking, althans tot in zeer jongen tijd. Het gezicht der vrouw op
+de liefde blijft altijd omsluierd en verborgen; het is teerder en dieper
+geheim. En het behoeft niet de romantische sublimeering tot het
+heldhaftige, want door zijn karakter van overgave en zijn onverbrekelijken
+samenhang met het moederschap verheft het zich van zelf reeds zonder
+fantazie van dapperheid en opoffering boven het zelfzuchtig-erotische.
+Niet alleen omdat de mannen de litteratuur gemaakt hebben, ontbreekt de
+vrouwelijke liefdesuitdrukking grootendeels, maar ook omdat voor de
+vrouw in de liefde het litteraire veel minder onmisbaar is.
+
+De figuur van den edelen redder, die om der wille van de geliefde lijdt,
+is de voorstelling van den man, zooals hij zich zelf zien wil. De
+spanning van zijn bevrijdersdroom wordt verhoogd, doordat hij onbekend
+optreedt, en eerst na de heldendaad wordt herkend. In deze onbekendheid
+van den held ligt voorzeker ook een van de vrouwelijke liefdeverbeelding
+uitgegaan romantisch motief. In de geheele apotheose van mannelijke
+kracht en moed in den vorm van den strijder te paard vloeien de
+vrouwelijke behoefte aan krachtvereering en de mannelijke physieke
+hoogmoed samen.
+
+De middeleeuwsche samenleving heeft met een jongensachtige
+onverzadelijkheid deze primitief-romantische motieven gecultiveerd.
+Terwijl de hoogere litteratuurvormen zich hebben verfijnd tot ijler en
+soberder, of geestiger en nog prikkelender uitdrukking van het
+verlangen, blijft de ridderroman zich altijd weer verjongen en behoudt
+met zijn eindeloos herhaalde uitwerking van het romantische geval een
+bekoring, die ons schier onbegrijpelijk is. Wij wanen den tijd lang
+ontgroeid aan die kinderlijke fantazieen, en noemen Froissart's
+_Meliador_ of de _Perceforest_, de nabloeiers der ridderlijke
+avontuurverhalen, anachronismen in hun tijd. Zij zijn het evenmin als de
+sensatieroman het heden ten dage is; alleen dit alles is geen zuivere
+litteratuur, maar om zoo te zeggen toegepaste kunst. Het is de behoefte
+aan modellen voor de erotische verbeelding, die steeds weer die
+litteratuur levend houdt en vernieuwt. Midden in de Renaissance herleven
+ze immers in de Amadis-romans. Wanneer nog na het midden der zestiende
+eeuw De la Noue ons kan verzekeren, dat de Amadis-romans een "esprit de
+vertige" teweegbrachten onder het geslacht, dat toch de staling van
+Renaissance en Humanisme had ondergaan, hoe groot moet dan de romantische
+ontvankelijkheid zijn geweest in het bij uitstek ongeequilibreerde
+geslacht van 1400!
+
+De zinsverrukking van de liefdesromantiek was niet in de eerste plaats
+om lezende ondergaan te worden, maar om gespeeld en aanschouwd te
+worden. Er zijn twee vormen, waarin dat spel kan gebeuren: de
+dramatische vertooning en de sport. In de Middeleeuwen is de laatste
+verreweg het voornaamste. Het drama was nog grootendeels gevuld met
+andere, heilige stof; bij uitzondering behandelt het nog het romantische
+geval. De middeleeuwsche sport daarentegen, en dat is in de eerste
+plaats het tournooi, was zelf in hooge mate dramatisch en tegelijk van
+een sterk erotisch gehalte. De sport behoudt te allen tijde zulk een
+dramatisch en een erotisch element: in een hedendaagschen roei- of
+voetbalwedstrijd zit veel meer van de gevoelswaarden van een
+middeleeuwsch tournooi, dan den athleten en toeschouwers zelf misschien
+bewust is. Maar terwijl de moderne sport teruggekeerd is tot
+natuurlijken, bijna Griekschen eenvoud en schoonheid, is het
+middeleeuwsche, althans het laat-middeleeuwsche tournooi, een met
+versiering overladen, zwaar gedrapeerde sport, waarin het dramatisch en
+romantisch element zoo opzettelijk is uitgewerkt, dat het de functie van
+het drama zelf regelrecht vervult.
+
+De latere Middeleeuwen zijn een van die eindperioden, waarin het
+cultuurleven der hoogere kringen bijna geheel tot gezelschapsspel is
+geworden. De werkelijkheid is hevig, hard en wreed; men herleidt haar
+tot den schoonen droom van het ridderideaal en bouwt daarop het
+levensspel. Men speelt met het masker van Lancelot voor; het is een
+reusachtig zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen
+worden, doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt. In de
+geheele ridderlijke cultuur der vijftiende eeuw is een labiel evenwicht
+tusschen sentimenteelen ernst en luchtigen spot, dat eerst omslaat naar
+de parodie in dien blij en hoog levenden kring van Lorenzo's hof: in
+Pulci's _Morgante_.
+
+Bij de Franschen van een halve eeuw vroeger overweegt nog de ernst.
+In den edelen Boucicaut, litterair type van den modelridder, is de
+romantische grond van het ridderlijke levensideaal nog zoo sterk als
+bij wien ook. De liefde, zegt hij, is het, die het sterkst in de jonge
+harten de begeerte naar het edele ridderlijke strijdbejag doet groeien.
+Hij zelf dient zijn dame in de oude hoofsche vormen: "toutes servoit,
+toutes honnoroit pour l'amour d'une. Son parler estoit gracieux,
+courtois et craintif devant sa dame." [213]
+
+Er is voor ons een bijna onbegrijpelijk contrast tusschen de litteraire
+levenshouding van een man als Boucicaut en de bittere werkelijkheid van
+zijn loopbaan. Hij was als handelende en leidende figuur voortdurend
+werkzaam in de hardste staatkunde van zijn tijd. In 1388 doet hij een
+eerste politieke reis naar het Oosten. Op dien tocht kort hij zich den
+tijd, door met twee of drie wapenbroeders: Philippe d'Artois, diens
+seneschalk en een zekeren Cresecque, een dichterlijke verdediging te
+geven van de edele, trouwe minne, zooals zij den volmaakten ridder
+betaamt: _Le livre des Cent ballades_. [214] Goed, waarom niet? Maar
+zeven jaren later, wanneer hij als mentor van den jongen hertog van
+Nevers (later Jan zonder Vrees) het roekelooze ridderavontuur heeft
+meegemaakt van den krijgstocht tegen sultan Bajazid: wanneer hij de
+ontzettende ramp van Nicopolis heeft beleefd, waar al zijn drie vroegere
+dichtgezellen het leven verloren, wanneer hij de krijgsgevangen
+adellijke jeugd van Frankrijk voor zijn oogen heeft zien slachten, zou
+men dan een ernstig krijgsman niet bekoeld wanen voor dat hoofsche spel
+en dien ridderlijken waan? Het moest hem leeren, dunkt ons, de wereld
+niet langer door dat gekleurde glaasje te zien. Doch neen, ook verder
+blijft zijn zin aan het cultiveeren van de ouderwetsche ridderlijkheid
+gewijd, getuige zijn stichting van de orde "de la dame blanche a l'escu
+verd", ter verdediging van verdrukte vrouwen, waarmee hij partij koos in
+het fraaie tijdverdrijf van den litterairen strijd tusschen het strenge
+en het frivole liefdesideaal, die sedert 1400 de Fransche hofkringen
+opwond.
+
+De gansche aankleeding van de edele liefde in litteratuur en
+gezelschapsleven schijnt ons dikwijls ondragelijk fade en louter
+belachelijk. Het is het lot van elken romantischen vorm, die als
+instrument der passie versleten is. In het werk der velen, de
+gekunstelde versjes, de kostbaar gearrangeerde tournooien, heeft de
+passie uitgeklonken; zij klinkt enkel nog door de stem van de zeer
+enkelen. Maar welke beteekenis al dat werk, als litteratuur of kunst
+minderwaardig, gehad heeft als levenstooi, als gevoelsuitdrukking, kan
+men enkel beseffen door de levende passie zelf er weer in te blazen.
+Wat helpt bij het lezen der minnedichten en tournooibeschrijvingen alle
+kennis en levendige voorstelling der historische details, zonder het
+zien van de oogen, licht en duister, onder de meeuwenvlucht der
+wenkbrauwen en de smalle voorhoofden, die al eeuwen tot stof zijn
+geworden, en die eenmaal belangrijker zijn geweest dan al de
+litteratuur, die als puin blijft opgehoopt?
+
+Thans kan slechts meer een toevallig glimplicht ons even de
+gepassioneerde beteekenis van die cultuurvormen duidelijk doen zien.
+In het gedicht _Les voeux du heron_ spreekt Jan van Beaumont, tot het
+afleggen van zijn ridderlijke strijdgelofte aangespoord:
+
+ "Quant sommes es tavernes, de ces fors vins buvant,
+ Et ces dames deles (naast ons) qui nous vont regardant,
+ A ces gorgues polies, ces colies tirant,
+ Chil oeil vair resplendissent de biaute souriant.
+ Nature nous semont d'avoir coeur desirant,
+ ... Adonc conquerons-nous Yaumont et Agoulant [215]
+ Et li autre conquierrent Olivier et Rollant.
+ Mais, quant sommes as camps sus nos destriers courans,
+ Nos escus a no col et nos lansses bais(s)ans,
+ Et le froidure grande nous va tout engelant,
+ Li membres nous effondrent, et derriere et devant.
+ Et nos ennemis sont envers nous approchant,
+ Adonc vorriemes estre en un chelier (kelder) si grant
+ Que jamais ne fussions veu tant ne quant." [216]
+
+"Helas--schrijft Philippe de Croy uit Karel de Stoute's kamp voor
+Neuss--, ou sont dames pour nous entretenir, pour nous amonester de bien
+faire, ne pour nous enchargier emprinses, devises, volets ne guimpes!"
+[217]
+
+In het dragen van den sluier of het kleed van de geliefde vrouw, die den
+geur van het haar en het lichaam overbrengt, openbaart zich het
+erotische moment van het ridderlijke tournooi zoo onmiddellijk mogelijk.
+In de opwinding van het gevecht schenken de vrouwen den eenen tooi na
+den anderen weg: als het spel is afgeloopen, zitten zij blootshoofds,
+zonder mouwen. [218] Het is tot een motief van scherpe prikkeling
+uitgewerkt in een sproke uit de tweede helft der dertiende eeuw, _Van de
+drie ridders en het hemd_. [219] Een dame, wier echtgenoot niet tot den
+strijd geneigd maar overigens vol edele largesse is, zendt aan de drie
+ridders, die haar in minne dienen, haar hemd, om in het steekspel, dat
+haar man geven zal, het als wapenrok te dragen, zonder pantser of andere
+bedekking dan alleen helm en beenstukken. De eerste en tweede ridder
+schrikken ervoor terug. De derde, die arm is, neemt het hemd 's nachts
+in zijn armen en kust het hartstochtelijk. In het steekspel verschijnt
+hij met het hemd als wapenrok, zonder pantser daaronder; het wordt
+verscheurd en met zijn bloed bevlekt; hij wordt zwaar gewond. Men
+bemerkt zijn buitengewone dapperheid en schenkt hem den prijs; de dame
+schenkt hem haar hart. Nu eischt de minnaar de tegendaad. Hij zendt haar
+het bloedige hemd terug, om het zoo als het is over haar kleederen te
+dragen bij het feestmaal, dat het tournooi besluit. Zij omhelst het
+teeder en verschijnt in het bloedige kleedingstuk; de meesten laken
+haar, de echtgenoot is verlegen, en de verteller vraagt: wie van de
+beide minnenden deed het meest voor den ander?
+
+De sfeer van passie, waarin het tournooi enkel zijn beteekenis had,
+verklaart ook de beslistheid, waarmee de kerk sedert lang het gebruik
+bestreed. Dat zij inderdaad aanleiding werden tot geruchtmakend
+overspel, getuigt bij voorbeeld van een tournooi van 1389 de monnik
+van Saint Denis en op zijn gezag Jean Juvenal des Ursins. [220] Het
+kerkelijke recht had ze sinds lang verboden: aanvankelijk ingesteld
+voor oefening in den strijd, heette het, waren ze wegens misbruiken
+onduldbaar geworden. [221] De moralisten misprezen ze. [222] Petrarca
+vroeg pedant: waar leest men, dat Cicero en Scipio tournooien gehouden
+hebben? En de burger haalde de schouders op: "prindrent par ne scay
+quelle folle entreprinse champ de bataille" zegt de burger van Parijs
+[223] van een befaamd tournooi.
+
+De adellijke wereld daarentegen vat alles, wat tournooi en ridderlijke
+wedkamp is, op met een gewichtigheid, die door geen modern sportbedrijf
+wordt geevenaard. Zooals nog kort geleden vorstelijke wansmaak
+gedenksteenen oprichtte op de plek, waar de hooge jager zijn duizendste
+slachtoffer had neergelegd, zoo stichtte de vijftiende eeuw
+gedenkteekens aan beroemde ridderlijke tweegevechten. Bij Saint Omer
+herinnerde "la Croix Pelerine" aan den kamp van Hautbourdin, den
+bastaard van Saint Pol, met een Spaanschen ridder tijdens den verwaarden
+Pas d'armes de la Pelerine. Nog een halve eeuw later ging Bayard voor
+een tournooi dat kruis als in bedevaart vromelijk bezoeken. [224] De
+decors en de plunje, die gediend hadden bij den Pas d'armes de la
+Fontaine des Pleurs werden na afloop van het feest plechtig opgedragen
+aan Onze Lieve Vrouw van Boulogne en in de kerk opgehangen. [225]
+
+De middeleeuwsche vechtsport onderscheidt zich, gelijk zooeven reeds
+aangeduid werd, van de Grieksche en de moderne athletiek door haar veel
+geringer natuurlijkheid. Zij heeft tot verhooging van den prikkel van
+den kamp dien van aristocratische trots en eer, dien van het
+romantisch-erotische en dien van den kunstvaardigen pronk. Zij is
+overladen met praal en versiering, gevuld met bonte fantazie. Het is
+behalve spel en lichaamsoefening nog bovendien toegepaste litteratuur.
+De wensch en de droom van het dichtende hart zoeken een dramatische
+voorstelling, een gespeelde vervulling in het leven zelf. Het werkelijke
+leven was niet schoon genoeg, het was hard, wreed en valsch; er was in
+de hof- en militaire carriere luttel plaats voor de sentimenten van
+moed-om-liefde, maar de ziel is er vol van, men wil ze beleven en schept
+zich een schooner leven van kostbaar spel. Het element van echten moed
+is voorzeker in het ridderlijk tournooi niet van geringer waarde dan in
+het pentathlon. Juist het uitgesproken erotisch karakter eischte
+bloedige felheid. In zijn motieven is het tournooi het naast verwant aan
+de wedstrijden van het oud-indische epos; ook in het Mahabharata is de
+strijd om de vrouw de centrale gedachte.
+
+De fantazie, waarmee het vechtspel werd aangekleed, was die van de
+Artur-romans, dat wil zeggen de kinderlijke verbeeldingen van het
+sprookje: het droomavontuur met zijn verschuiving der afmetingen in
+reuzen en dwergen, verbonden aan het sentimentalisme der hoofsche
+liefde.
+
+Voor een Pas d'armes der vijftiende eeuw wordt een fictief romantisch
+geval kunstig opgebouwd. Het middelpunt is een romandecor met een
+treffenden naam: la fontaine des pleurs, l'arbre Charlemagne. De bron
+wordt opzettelijk gebouwd. [226] Gedurende een geheel jaar zal een
+ongenoemde ridder ieder eersten van de maand voor de bron een tent
+spannen, waarin een dame zit (het is een beeld), die een eenhoorn houdt,
+welke drie schilden draagt. Elke ridder, die een der schilden aanraakt
+of door zijn heraut laat aanraken, verbindt zich tot een bepaalden
+tweekamp, waarvan de voorwaarden nauwkeurig worden omschreven in de
+uitvoerige "chapitres", die tegelijk oproepingsbrief en reglement van
+den wedstrijd zijn. [227] Het aanraken der schilden moet te paard
+geschieden, waartoe de ridders steeds paarden ter beschikking zullen
+vinden.
+
+Of wel: bij de Emprise du dragon houden vier ridders zich op een kruisweg
+op; geen dame mag dien kruisweg voorbij zonder ridder, die voor haar twee
+lansen breekt, of zij moet pand geven. [228] Inderdaad is het kinderlijke
+pandverbeuren niet anders dan een lager vorm van hetzelfde overoude strijd-
+en minnespel. Hoe duidelijk getuigt van die verwantschap niet een
+voorschrift als dit artikel van de Chapitres de la Fontaine des pleurs:
+wie in den kamp ter aarde wordt geworpen, moet een heel jaar een gouden
+armband dragen met een slot, totdat hij de dame vindt, die er het
+sleuteltje van heeft, en hem kan bevrijden, als hij haar zijn dienst
+opdraagt. Elders weer is het geval gebaseerd op een reus, dien een dwerg
+gevangen leidt, met een gouden boom erbij en een "dame de l'isle celee",
+of op een "noble chevalier esclave et serviteur a la belle geande a la
+blonde perruque, la plus grande du monde." [229] De onbekendheid van den
+ridder is een vaste fictie; hij heet "le blanc chevalier", "le chevalier
+mesconnu", "le chevalier a la pelerine", of wel hij treedt op als een held
+uit den roman en heet zwaanridder, of draagt het wapen van Lancelot,
+Tristan of Palamedes. [230]
+
+Meestal wordt over het geval een uiterlijk waas van melancholie
+gespreid; la Fontaine des pleurs zegt het al in den naam; de schilden
+zijn wit, violet en zwart, alle bezaaid met witte tranen; men raakt ze
+aan uit medelijden met de "Dame de pleurs". Bij de Emprise du dragon
+komt koning Rene in rouwend zwart (wel mocht hij), om het afscheid van
+zijn dochter Margareta, die koningin van Engeland werd. Het paard is
+zwart, met een rouwdekkleed, de lans is zwart, het schild is sabel met
+zilveren tranen. Ook bij de Arbre Charlemagne zijn de schilden zwart
+en violet met gouden en zwarte tranen. [231] Niet altijd echter is het
+in den somberen toon gezet: een andermaal houdt de onverzadelijke
+schoonheidsvriend koning Rene de Joyeuse garde bij Saumur. Veertig dagen
+viert hij feest in het houten kasteel "de la joyeuse garde" met zijn
+gemalin en dochter en met Jeanne de Laval, die zijn tweede echtgenoot
+zou worden. Voor haar is heimelijk het feest bereid. Het kasteel is
+opzettelijk gebouwd, geschilderd en getapisseerd; alles is in rood en
+wit. Bij zijn Pas d'armes de la bergere is alles gestoffeerd in
+herderstrant, de ridders en dames als herders en herderinnen met staf
+en doedelzak, allen in grijs met goud en zilver. [232]
+
+Het groote spel van het schoone leven als droom van edelen moed en trouw
+had niet alleen dien vorm van het kampgevecht. Er is een tweede vorm,
+even belangrijk: de ridderorde. Al zou het niet gemakkelijk vallen, een
+regelrecht verband te bewijzen, het kan voor niemand, die eenigszins
+bekend is met de gebruiken van primitieve volken, twijfelachtig zijn,
+dat evenzeer de ridderorde als het tournooi en de ridderwijding zelf hun
+sterkste wortels hebben in heilige gebruiken van een verren voortijd. De
+ridderslag is een ethisch en sociaal uitgewerkte puberteitsritus, het
+aanleggen van de wapenen aan den jongen krijger. Het kampspel is als
+zoodanig overoud, en eertijds vervuld van heilige beteekenis. De
+ridderorde kan niet gescheiden worden van de mannenbonden der wilde
+volken.
+
+Dit verband kan hier echter slechts als een onbewezen stelling
+vooropgesteld worden; het is hier niet te doen om een ethnologische
+hypothese te staven, maar om de ideeenwaarde van het vol-ontwikkelde
+ridderwezen voor oogen te brengen; en dat in die waarde nog iets van die
+primitieve elementen is overgebleven, wie zal het ontkennen?
+
+Weliswaar is in de ridderorde het christelijk element van de voorstelling
+zoo sterk, dat ook een verklaring uit louter kerkelijke en politische,
+zuiver middeleeuwsche grondslagen op zich zelf overtuigend zou kunnen
+zijn, als men niet wist, dat algemeen verbreide, primitieve parallelen
+als verklaringsgrond daarachter stonden.
+
+De eerste ridderorden, de drie groote van het Heilige land en de drie
+Spaansche, waren als een zuiverste belichaming van middeleeuwschen geest
+ontsproten uit de verbinding van het monniks- en het ridderideaal, in
+den tijd toen de strijd tegen den islam wonderlijke werkelijkheid was
+geworden. Zij waren gegroeid tot groote staatkundige en economische
+instellingen, ontzaglijke vermogenscomplexen en financieele machten.
+Hun politieke nuttigheid had zoowel hun geestelijk karakter als het
+ridderspel-element op den achtergrond gedrongen, en hun economische
+verzadiging at weer hun politieke nuttigheid op. Toen de Tempeliers en
+de Johanniters bloeiden en nog in het Heilige land zelf werkten, had
+het ridderwezen een reeele politische functie vervuld, en waren de
+ridderorden als 't ware vakorganisaties van groote beteekenis geweest.
+
+Doch in de veertiende en vijftiende eeuw was het ridderwezen enkel meer
+hoogere levensvorm, en daarmee was ook in de ridderorden het element van
+edel spel, dat in hun kern besloten lag, weer op den voorgrond gekomen.
+Niet dat zij enkel spel waren geworden. Als ideaal zijn zij nog altijd
+vervuld van hoog ethisch en politiek streven. Maar het is waan en droom,
+ijdele plannenmakerij. De merkwaardige idealist Philippe de Mezieres
+ziet het heilmiddel der tijden in een nieuwe ridderorde, die hij de
+Ordre de la passion heeft genoemd. [233] Hij wil er alle standen in
+opnemen. Trouwens ook de groote ridderorden der kruistochten hadden zich
+reeds de deelneming van niet-edelen ten nutte gemaakt. De adel zal den
+grootmeester en de ridders leveren, de geestelijkheid den patriarch en
+zijn suffraganen, de poorters zullen broeders zijn en de landlieden en
+handwerkers servanten. Zoo zal de orde een hechte samensmelting der
+standen zijn voor het groote doel der Turkenbestrijding. Er zullen vier
+geloften zijn. Twee zijn de oude, die monniken en geestelijke ridders
+deelden: armoede en gehoorzaamheid. Maar voor het volstrekte celibaat
+stelt Philippe de Mezieres de echtelijke kuischheid in de plaats; hij
+wilde het huwelijk veroorloven om de praktische redenen, dat het
+Oostersche klimaat het eischte en dat de orde begeerlijker zou zijn.
+De vierde gelofte, aan vroegere orden onbekend, is summa perfectio, de
+hoogste individueele zedelijke volmaking. Zoo vloeiden hier in het bonte
+beeld van een ridderorde al de idealen ineen, van politieke
+plannenmakerij af tot het streven naar de verlossing toe.
+
+In het woord "Ordre" waren een menigte beteekenissen, van de hoogste
+heiligheid tot het nuchterste groepsbesef, ongescheiden vereenigd. Het
+beduidde zoowel maatschappelijken stand als priesterwijding, monniks- en
+ridderorde. Dat inderdaad aan ordre in de beteekenis van ridderorde nog
+iets van geestelijke waarde eigen was, blijkt uit het feit, dat men er
+ook het woord religion voor gebruikte, dat men allicht tot de
+kloosterorden beperkt zou wanen. Chastellain noemt het Gulden Vlies "une
+religion", zooals hij 't ook een kloosterorde doet, en spreekt er altijd
+van in den toon van een heilig mysterie. [234] Olivier de la Marche
+spreekt van een Portugees als een "chevalier de la religion de Avys."
+[235] En niet alleen de eerbiedige sidderingen van den pompeuzen
+Polonius Chastellain getuigen van den vromen inhoud van het Gulden
+Vlies; in het geheele ritueel der orde nemen kerkgang en mis een
+overwegende plaats in: de ridders zitten in kanunnikstoelen, de ernstige
+cultus van de afgestorven leden beweegt zich geheel in kerkelijke sfeer.
+
+Geen wonder dus, dat het lidmaatschap van een ridderorde gevoeld wordt
+als een sterke, heilige band. De ridders van de Sterorde van koning Jan
+II zijn verplicht, andere orden, waartoe zij mochten behooren, zoo
+mogelijk prijs te geven. [236] De hertog van Bedford wil aan den jongen
+Philips van Bourgondie de orde van den kouseband opdringen, om hem
+daardoor vaster aan Engeland te binden, maar de Bourgondier begrijpt,
+dat hij dan voor altijd aan den Engelschen koning gebonden zal zijn, en
+weet de eer beleefd te ontgaan. [237] Wanneer dan ook later Karel de
+Stoute den kouseband wel aanneemt, en zelfs draagt, beschouwt Lodewijk
+XI dit als een breuk van het verdrag van Peronne, dat den hertog
+verbood, zonder 's konings toestemming een verbond met Engeland aan te
+gaan. [238] Men kan de Engelsche gewoonte, om buitenlandsche orden niet
+aan te nemen, beschouwen als een traditioneele rest van het besef, dat
+de orde verplicht tot trouw aan den vorst, die haar schenkt.
+
+Ondanks die heiligheid voelt men toch den twijfel aan den ernst van al
+die fraai opgezette vormen. Waartoe anders steeds weer die uitdrukkelijke
+verzekeringen, dat het alles was voor hooge, wijdstrekkende doeleinden?
+Philips van Bourgondie, de edele hertog, heeft zijn Toison d'or gesticht,
+zegt de rijmer Michault:
+
+ "Non point pour jeu ne pour esbatement
+ Mais a la fin que soit attribuee
+ Loenge a Dieu trestout premierement
+ Et aux bons gloire et haulte renommee." [239]
+
+Ook Guillaume Fillastre betoogt in den aanhef van zijn werk over het
+Gulden Vlies, de beteekenis daarvan te zullen verklaren, opdat men
+bevinde, dat de orde geen ijdelheid is of een zaak van weinig gewicht.
+Uw vader, spreekt hij Karel den Stoute toe, "n'a pas, comme dit est, en
+vain instituee ycelle ordre." [240]
+
+Het was noodig, die hooge bedoelingen te accentueeren, wilde het Gulden
+Vlies die eerste plaats veroveren, die de hoogmoed van Philips begeerde.
+Want het stichten van ridderorden was sedert lang een ware mode. Ieder
+vorst moest zijn orde hebben, zelfs aanzienlijke edelen bleven niet
+achter. Daar is Boucicaut met zijn Ordre de la Dame blanche a l'escu
+verd, ter verdediging van de hoofsche minne en van verdrukte vrouwen.
+Daar is koning Jan met zijn Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison
+(1351), gewoonlijk naar hun insigne de orde van de Ster genoemd. In het
+Edele Huis te Saint Ouen bij Saint Denis hadden zij een "table d'oneur",
+waaraan bij de plechtigheden moesten plaatsnemen de drie dapperste
+prinsen, de drie dapperste baanroedsen (bannerets) en de drie dapperste
+ridders (bachelers). Daar is Pierre de Lusignan met de orde van het
+Zwaard, die van zijn leden een zuiver leven eischte en hun het zinrijk
+symbool omhing van een gouden keten, waarvan de letter S de schakels
+vormde, en zij beduidde "silence". Daar was Amadeus van Savoie met de
+Annonciade, Louis de Bourbon met het Gouden Schild, Coucy, die een
+keizerskroon gehoopt had, met de omgekeerde Kroon, de Beiersche hertogen
+van Holland-Henegouwen met hun Antonius-orde, het T-kruis met klokje,
+dat op sommige portretten de aandacht trekt. [241]
+
+Eustache Deschamps parodieert die zucht naar ridderorden met een Ordre
+des fumeux, een Ordre de la baboue, een Ordre du collier, dat is de
+strop. [242]
+
+De oorzaak, dat het Gulden Vlies boven allen opgang heeft gemaakt, is
+niet ver te zoeken. Het was de rijkdom der Bourgondiers, die er achter
+zat. Misschien droeg er ook de bijzondere praal toe bij, waarmee de orde
+was uitgerust, en de gelukkige vinding van het symbool. Aanvankelijk was
+bij het Gulden Vlies alleen aan dat van Colchis gedacht. De vertelling
+van Jason was algemeen bekend; Froissart laat haar in een Pastourelle
+door een herder verhalen. [243] Maar aan Jason als fabelheld was een
+luchtje; hij had zijn trouw gebroken, en dit thema leende zich tot
+onaangename toespelingen op de politiek der Bourgondiers jegens
+Frankrijk. Alain Chartier dichtte:
+
+ "A Dieu et aux gens detestable
+ Est menterie et trahison,
+ Pour ce n'est point mis a la table
+ Des preux l'image de Jason,
+ Qui pour emporter la toison
+ De Colcos se veult parjurer.
+ Larrecin ne se peult celer." [244]
+
+Nu maakte Jean Germain, de geleerde bisschop van Chalons en kanselier
+der orde, Philips opmerkzaam op het vlies, dat Gideon spreidde en waar
+des hemels dauw op viel. [245] Het was een bijzonder gelukkige gedachte,
+want dit vlies van Gideon was een der treffendste symbolen van de
+bevruchting van Maria's schoot. Zoo verdrong de bijbelsche held den
+heiden als patroon van het Gulden Vlies, zoodat Jacques du Clercq zelfs
+kon beweren, dat Philips opzettelijk Jason niet gekozen had, omdat deze
+zijn trouw brak. [246] "Gedeonis signa" noemt een lofdichter van Karel
+den Stoute de orde, [247] maar anderen zooals de kroniekschrijver
+Theodericus Pauli blijven spreken van Vellus Jasonis. De opvolger van
+Jean Germain als kanselier der orde, bisschop Guillaume Fillastre,
+overtrof zijn voorganger en vond in de heilige schrift nog vier vliezen
+daarenboven: van Jacob, koning Mesa van Moab, Job en David. [248] Elk
+daarvan liet hij een deugd verbeelden, en aan elk der zes zou hij een
+boek wijden. Dit was ongetwijfeld "overdoing it"; Fillastre liet de
+gevlekte schapen van Jacob als symbool van justitia figureeren; [249]
+hij had eenvoudig alle plaatsen genomen, waar de Vulgaat het woord
+"vellus" heeft, een merkwaardig staaltje van de gewilligheid der
+allegorie. Men vindt niet, dat zijn denkbeeld blijvend opgang heeft
+gemaakt.
+
+De staatsie en plechtigheden van het Gulden Vlies zijn dikwijls genoeg
+beschreven; ze hier te vermelden zou enkel stof toevoegen aan wat
+hierboven in hoofdstuk II over den praal van het hofleven is gezegd. Een
+enkele trek uit de gebruiken der orde verdient hier vermelding, omdat
+hij zoo sterk het karakter van een primitief en heilig spel suggereert.
+Behalve de ridders telt de orde haar ambtenaren: den kanselier, den
+tresorier, den griffier, en voorts den wapenkoning met zijn staf van
+herauten en poursuivants. Deze laatste groep, meer in het bijzonder
+belast met het dienen van het edele ridderspel, draagt symbolische
+namen. De wapenkoning zelf heet Toison d'or, zoo Jean Lefevre de Saint
+Remy, zoo nog Nicolaas de Hames, bekend van het Verbond der edelen in
+1565. De herauten dragen landnamen: Charolais, Zelande. De eerste der
+poursuivants heet Fusil, naar den vuurslag in de ordeketen, het embleem
+van Philips den Goede. De anderen dragen namen van romantischen klank
+als Montreal, of van deugden als Perseverance, of namen ontleend aan de
+allegorie van den Roman de la rose, als Humble Requeste, Doulce Pensee,
+Leal Poursuite. Bij de groote feesten worden zulke poursuivants plechtig
+door een besprenkeling met wijn met die namen gedoopt door den
+grootmeester, of wel hij verandert hun namen bij hun verheffing tot
+hoogeren rang. [250]
+
+De geloften, die de ridderorde oplegt, zijn slechts een vaste,
+collectieve vorm van de persoonlijke ridderlijke gelofte, om een of
+ander heldenstuk te volbrengen. Dit is wellicht het punt, waar men de
+grondslagen van het ridder-ideaal het best in hun samenhang ziet. Wie
+geneigd mocht zijn, het verband van ridderslag, tournooi en ridderorde
+met primitieve gebruiken voor een inval te houden, vindt bij de
+ridderlijke gelofte het barbaarsche karakter zoo aan de oppervlakte,
+dat geen twijfel mogelijk is. Het zijn echte survivals, waarvoor de
+parallellen te vinden zijn in het oud-indische _vratam_, in het
+Nazireeerschap der Joden, en het meest onmiddellijk wellicht in de
+gewoonten der Noormannen uit hun sagentijd.
+
+Hier evenwel is niet het ethnologische vraagstuk aan de orde, maar de
+vraag, welke waarde die geloften hadden in het laat-middeleeuwsche
+geestesleven zelf. Er zijn drie waarden mogelijk: een godsdienstig-
+ethische, een romantisch-erotische en een hoofsch-speelsche. Alle drie
+zijn ongescheiden aanwezig; het denkbeeld der gelofte schommelt tusschen
+de hoogste levenswijding in dienst van het ernstigste ideaal en den
+ijdelsten spot over het kostbare gezelschapsspel, dat met moed en liefde
+en staatsbelang zich maar wat vermaakt. Het spel-element overweegt; de
+geloften zijn goeddeels opluistering geworden van het hoffeest. Toch
+worden zij nog altijd verbonden aan de ernstigste oorlogsondernemingen:
+den inval van Eduard III in Frankrijk, het kruistochtplan van Philips
+den Goede.
+
+Hier geldt hetzelfde als bij de tournooien: zoo smakeloos en versleten
+als ons de opgemaakte romantiek der Pas d'armes scheen, zoo ijdel en
+leugenachtig schijnen ons die "voeux du faisan". Tenzij ook hier ons de
+passie zelf bewust is, die dit alles heeft vervuld. Het is de droom van
+het schoone leven, zoo goed als de feesten en de vormen van het
+Florentijnsche leven van Cosimo en Lorenzo die droom zijn geweest.
+Daar in Italie is hij bezonken in eeuwige schoonheid, hier is zijn
+betoovering vervlogen met de menschen, die hem droomden.
+
+De verbinding van askese en erotiek, die ten grondslag ligt aan de
+fantazie van den held, die de maagd bevrijdt, of voor haar bloedt, het
+kernmotief van de tournooi-romantiek, vertoont zich in anderen vorm en
+bijna nog onmiddellijker gedaante bij de ridderlijke gelofte. De ridder
+De la Tour Landry verhaalt in de leering aan zijn dochters van een
+zonderlinge orde van minnende edelen en vrouwen, die in zijn jeugd in
+Poitou en elders had bestaan. Zij noemden zich Galois et Galoises, en
+hielden "une ordonnance moult sauvaige", waarvan het voornaamste was,
+dat zij in den zomer zich warm moesten kleeden in pelzen en gevoerde
+kaproenen, en vuur in de schouw branden, terwijl zij in den winter
+niets mochten dragen dan een rok zonder bont, geen mantels of andere
+beschutting, geen hoed, handschoenen of mof, hoe 't ook vroor.
+'s Winters strooiden zij groene bladeren op den grond en verborgen den
+schoorsteen achter groene takken, en op hun bed mocht slechts een dunne
+deken zijn. Men kan in deze wonderlijke afdwaling,--zoo zonderling, dat
+de schrijver haar kwalijk verzonnen kan hebben--, moeilijk iets anders
+zien dan een ascetische verhooging van den prikkel der liefde, ofschoon
+het niet geheel duidelijk wordt. Het primitief karakter van de Galois en
+Galoises wordt nog geaccentueerd door hun regel, dat een echtgenoot den
+Galois, die bij hem te gast kwam, zijn geheele huis en zijn vrouw moest
+overlaten, om zelf naar zijn Galoise te gaan; deed hij het niet, dan
+strekte het hem tot groote schande. Velen van de orde waren volgens den
+ridder De la Tour Landry van koude gestorven: "Si doubte moult que ces
+Galois et Galoises qui moururent en cest estat et en cestes amouretes
+furent martirs d'amours." [251]
+
+Er zijn meer voorbeelden te noemen, die het primitief karakter van de
+ridderlijke gelofte verraden. Zoo het gedicht, dat de geloften
+beschrijft, waartoe Robert van Artois den koning van Engeland, Eduard
+III, en zijn edelen uitlokte, ten einde den oorlog tegen Frankrijk te
+beginnen: _Le Voeu du Heron_. Het is een verhaal van geringe historische
+waarde, maar de geest van barbaarsche woestheid, die er uit spreekt, is
+wel geschikt, om het wezen der ridderlijke gelofte te leeren kennen.
+
+De graaf van Salisbury zit bij het feestmaal aan de voeten van zijn
+dame. Als zijn beurt om een gelofte te doen gekomen is, verzoekt hij
+de geliefde, om een vinger op zijn rechteroog te leggen. Wel twee,
+antwoordt zij, en drukt met twee vingers het rechteroog van den ridder
+toe. "Belle, est-il bien clos?" vraagt deze. "Oyl, certainement."
+"Welaan dan," zegt Salisbury, "dan gelove ik aan God almachtig en zijn
+zoete Moeder, dit oog niet weer te openen, om geen smart of kwelling,
+eer ik in Frankrijk den brand gestoken heb in 's vijands land en de
+mannen van koning Philips bestreden":
+
+ "Or aviegne qu'aviegne, car il n'est autrement.
+ --Adonc osta son doit la puchelle au cors gent,
+ Et li iex clos demeure, si que virent la gent." [252]
+
+De werkelijkheid, die dit geval weerspiegelt, blijkt uit Froissart: hij
+zag inderdaad Engelsche heeren, die een oog met een lap bedekt hielden
+ter voldoening aan de gelofte, om slechts met een oog te zien, totdat
+zij dapperheid in Frankrijk hadden verricht. [253]
+
+De bijzondere wildheid spreekt in _Le Voeu du Heron_ nog sterker uit de
+gelofte van Jehan de Faukemont, die klooster noch altaar, zwangere vrouw
+noch kind, vriend noch maag wil sparen, om koning Eduard te dienen.
+Tenslotte verzoekt de koningin, Philippa van Henegouwen, haar gemaal,
+ook een gelofte te mogen doen.
+
+ "Adonc, dist la roine, je sai bien, que piecha [254]
+ Que sui grosse d'enfant, que mon corps senti l'a.
+ Encore n'a il gaires, qu'en mon corps se tourna.
+ Et je voue et prometh a Dieu qui me crea....
+ Que ja li fruis de moi de mon corps n'istera, [255]
+ Si m'en ares menee ou pais par de-la
+ Pour avanchier le veu que vo corps voue a;
+ Et s'il en voelh isir, quant besoins n'en sera,
+ D'un grant coutel d'achier li miens corps s'ochira;
+ Serai m'asme perdue et li fruis perira!"
+
+Een huiverend stilzwijgen ontvangt de godslasterlijke gelofte. De dichter
+zegt enkel:
+
+ "Et quant li rois l'entent, moult forment l'en pensa,
+ Et dist: certainement, nuls plus ne vouera."
+
+Haar en baard, overal immers de dragers van magische potentie, hebben
+nog bij de geloften der Middeleeuwen een bijzondere beteekenis.
+Benedictus XIII, de paus van Avignon, en daar feitelijk opgesloten,
+zweert, ten teeken van droefheid zijn baard niet te laten scheren, aleer
+hij de vrijheid herkregen heeft. [256] Als Lumey dezelfde gelofte doet
+met betrekking tot de wraak voor Egmond, hebben wij te doen met een
+laatsten uitlooper eener zede, die in den verren voortijd heilige
+beteekenis had gehad.
+
+De zin der gelofte is in den regel, dat men zich een onthouding oplegt
+als prikkel om het volbrengen der geloofde daad te verhaasten. Veelal is
+het een onthouding in verband met spijzen. De eerste, dien Philippe de
+Mezieres als ridder opnam in zijn Chevalerie de la Passion, was een
+Pool, die in negen jaar niet zittende gegeten of gedronken had. [257]
+Bertrand du Guesclin is zeer haastig met zulke geloften. De eene maal
+geldt het een uitdaging van een Engelsch krijgsman: Bertrand verklaart,
+slechts drie wijnsoepen te zullen gebruiken in naam der heilige
+Drieeenheid, totdat hij den uitdager bestreden heeft. Een ander maal is
+het, dat hij geen vleesch zal eten en zich niet zal uitkleeden, eer hij
+Montcontour heeft genomen. Of zelfs, dat hij niet eten zal, eer hij met
+de Engelschen tot een treffen gekomen is. [258]
+
+De magische bedoeling, die bij dat vasten op den achtergrond ligt, was
+natuurlijk een edelman der veertiende eeuw niet meer bewust. Voor ons
+spreekt zulk een ondergrond vooral zeer direct uit het veelvuldig
+gebruik van kluisters als teeken van een gelofte. Op 1 Januari 1415 doet
+hertog Jean de Bourbon, "desirant eschiver oisivete, pensant y acquerir
+bonne renommee et la grace de la tres-belle de qui nous sommes
+serviteurs", de gelofte om met zestien andere ridders en knapen
+gedurende twee jaar elken Zondag aan het linkerbeen een boei als van een
+gevangene te dragen, de ridders in goud, de knapen in zilver, totdat hij
+zestien ridders vindt, die het gezelschap willen bestrijden in een
+gevecht te voet "a outrance". [259] Jacques de Lalaing ontmoet te
+Antwerpen in 1445 een Siciliaanschen ridder Jean de Boniface, die als
+"chevalier aventureux" van het hof van Arragon gekomen is. Hij draagt
+aan het linkerbeen een ijzer, zooals de slaven het dragen, hangende aan
+een gouden keten, een "emprise" ten teeken dat hij vechten wou. [260] In
+den roman van den _Petit Jehan de Saintre_ draagt de ridder Loiselench
+twee gouden ringen aan arm en been, elk aan een gouden keten, totdat hij
+een ridder vindt, die hem "verlost" van zijn emprise. [261] Want zoo
+heet het: "delivrer"; men raakt het teeken aan, als het gaat "pour
+chevalerie"; men rukt het af, als het om 't leven gaat.--Reeds La Curne
+de Sainte Palaye heeft opgemerkt, dat bij de oude Chatti volgens Tacitus
+volkomen hetzelfde gebruik werd aangetroffen [262]. Ook de kluisters,
+die boetelingen op hun bedevaart droegen, of die vrome asceten zich zelf
+aanlegden, zijn van de emprises der laat-middeleeuwsche ridders niet te
+scheiden.
+
+Wat de beroemde feestelijke geloften der vijftiende eeuw, met name de
+Voeux du Faisan bij het hoffeest van Philips den Goede te Rijsel in
+1454, ter voorbereiding van den kruistocht ons van dit alles nog te zien
+geven, is niet veel meer dan een fraaie hoofsche vorm. Niet dat de
+spontane gewoonte, om in nood of sterke gemoedsbeweging een gelofte te
+doen, iets van haar kracht zou hebben verloren. Zij heeft zoo diepe
+psychologische wortelen, dat zij aan beschaving noch geloof gebonden is.
+Doch de ridderlijke gelofte als cultuurvorm, als een tot levenstooi
+verheven zede, beleeft in die pralende buitensporigheid van het
+Bourgondische hof haar laatste phase.
+
+Het thema van de handeling is nog altijd het onmiskenbaar overoude.
+Men doet de geloften aan het feestmaal, en zweert bij een vogel, die
+opgedragen en later gegeten wordt. Ook de Noormannen kennen de met
+elkaar wedijverende geloften bij het feestmaal in dronkenschap; een der
+vormen is die, waarbij men het everzwijn aanraakt, dat opgedragen wordt.
+[263] De fazant van het beroemde feest te Rijsel schijnt wel een levende
+te zijn geweest. [264] De geloften worden afgelegd aan God en Onze Lieve
+Vrouw, aan de dames en aan den vogel. Het schijnt niet gewaagd, te
+veronderstellen, dat de godheid hier niet de oorspronkelijke ontvanger
+der geloften is: inderdaad geloven velen alleen aan de dames en den
+vogel. [265] In de onthoudingen, die men zich oplegt, is weinig
+afwisseling. De meeste hebben betrekking op eten en slapen. Deze ridder
+zal Zaterdags niet in een bed slapen, eer hij een Saraceen bevochten
+heeft, noch ook vijftien dagen achtereen in dezelfde stad vertoeven.
+Een ander zal Vrijdags geen dierlijk voedsel nuttigen, eer hij den banier
+van den Grooten Turk heeft aangetast. Weer een ander stapelt askese op
+askese: hij zal in het geheel geen harnas dragen, Zaterdags geen wijn
+drinken, niet in een bed slapen, niet aan tafel zitten, en een harige
+pij dragen. Men omschrijft nauwkeurig de wijze, waarop men de geloofde
+heldendaad zal uitvoeren. [266]
+
+Hoeveel ernst is er in? Wanneer messire Philippe Pot de gelofte doet,
+op den Turkentocht zijn rechterarm onbedekt te laten door eenige
+wapenrusting, laat de hertog onder de (schriftelijk geregistreerde)
+gelofte aanteekenen: "Ce n'est pas le plaisir de mon tres redoubte
+seigneur, que messire Phelippe Pot voise en sa compaingnie ou saint
+voyage qu'il a voue, le bras desarme; mais il est content qu'il voist
+aveuc lui arme bien et soufisamment, ainsy qu'il appartient." [267]
+Blijkbaar werd er dus nog ernst en gevaar in gezien. Over de gelofte
+van den hertog zelf heerscht algemeene aandoening. [268]
+
+Sommigen doen voorzichtig voorwaardelijke geloften, die tegelijk
+getuigen van de ernstige bedoeling en van het voldaan zijn met den
+schoonen schijn. [269] Soms naderen de geloften reeds tot de
+"philippine", die er een bleeke rest van is. [270] Een spottend element
+ontbreekt zelfs niet bij den grimmigen Voeu du heron; immers Robert van
+Artois biedt den koning, hier voorgesteld als minder belust op den
+krijg, den reiger aan, als den bangsten der vogels. Als Eduard zijn
+gelofte heeft gedaan, lachen allen. Jan van Beaumont, wien de _Voeu du
+heron_ de vroeger reeds vermelde woorden [271] in den mond legt, die met
+fijnen spot het gepassioneerde karakter onthullen van de geloften, bij
+den wijn en onder de oogen der vrouwen gedaan, doet volgens een ander
+verhaal bij den reiger de cynische gelofte, dat hij dien heer zou
+dienen, van wien hij 't meest aan geld en goed te wachten had. Waarop
+de Engelsche heeren lachten. [272]--Hoe moet, ondanks alle pompeuze
+gewichtigheid, waarmee de Voeux du faisan werden opgenomen, de
+tafelstemming zijn geweest, wanneer Jennet de Rebreviettes de gelofte
+kon doen, om, als hij niet voor den krijgstocht de gunsten van zijn dame
+deelachtig werd, bij den terugkeer uit het Oosten de eerste vrouw of
+jonkvrouw te huwen, die twintig duizend kronen heeft ... "se elle
+veult". [273] Toch trekt diezelfde Rebreviettes de wereld in, om als
+"povre escuier" avontuur te zoeken, en strijdt bij Ceuta en Granada
+tegen de Mooren.
+
+Zoo lacht de moede aristocratie om haar eigen ideaal. Wanneer zij met
+alle middelen van fantazie en kunstvaardigheid en rijkdom haar
+hartstochtelijken droom van het schoone leven had getooid en gekleurd en
+tot plastischen vorm gebracht, dan bezon zij zich, dat het leven toch
+eigenlijk niet zoo schoon was, en lachte. IJdele waan, die
+ridderheerlijkheid, mode en ceremonie, een fraai en leugenachtig spel!
+De werkelijke geschiedenis der laatste Middeleeuwen, zegt de historicus,
+die uit de acta de ontwikkeling van staat en bedrijf naspeurt, heeft met
+die valsche ridderlijke Renaissance weinig te maken; het was een oud
+vernis, dat reeds afbladderde. De mannen, die die geschiedenis maakten,
+waren waarlijk geen droomers, maar zeer berekenende, nuchtere staatslieden
+en kooplieden, 't zij vorsten, edelen, prelaten of burgers.
+
+Zeker, dat waren zij ook. Maar de geschiedenis der beschaving heeft
+evenveel te maken met de droomen van schoonheid en den waan des edelen
+levens als met de cijfers van bevolking en belasting. Een onderzoeker,
+die de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en
+verkeer, uit de politieke en militaire conflicten, zou aan het eind van
+zijn studien kunnen zeggen: ik heb van de muziek heel weinig gemerkt,
+die heeft blijkbaar in dezen tijd weinig voor de cultuur beteekend.
+
+Zoo is het eenigermate, wanneer men ons de geschiedenis der Middeleeuwen
+uit de staatkundige en economische bescheiden beschrijft. Bovendien zou
+het kunnen zijn, dat het ridderideaal, zoo gekunsteld en versleten als
+het was, op de zuiver staatkundige geschiedenis der laatste Middeleeuwen
+toch nog voortdurend machtiger invloed had uitgeoefend, dan men zich
+gewoonlijk voorstelt.
+
+De bekoring van den adellijken levensvorm was zoo groot, dat ook de
+burgers hem aannemen, waar zij kunnen. Wij stellen ons de Artevelde's
+voor als echte mannen van den derden stand, fier op hun burgerlijkheid
+en hun eenvoud. Integendeel: Philips van Artevelde hield vorstelijken
+staat, hij liet alle dagen voor zijn hotel de speellieden blazen, als
+hij aan tafel ging, liet zich bedienen uit zilveren vaatwerk, of hij de
+graaf van Vlaanderen was, ging gekleed in scharlaken en menu vair als
+een hertog van Brabant of graaf van Henegouwen, reed uit als een vorst,
+het ontrolde vaantje voor hem gedragen met zijn blazoen van sabel met
+drie zilveren hoeden. [274] Wie schijnt ons moderner dan de geldmagnaat
+der vijftiende eeuw, Jacques Coeur, de voortreffelijke financier van
+Karel VII? Als men de levensbeschrijving van Jacques de Lalaing mag
+gelooven, heeft de groote bankier hartelijk belang gesteld in het
+ouderwetsche dolende-ridderschap van den Henegouwschen held. [275]
+
+Alle hoogere vormen van het burgerlijke leven van den nieuweren tijd
+berusten op navolging van adellijke levensvormen. Evengoed als het brood
+in het servet en het woord "serviette" zelf hun herkomst hebben uit den
+middeleeuwschen hofstaat, [276] zijn de burgerlijkste bruiloftsaardigheden
+afstammelingen van de grandioze "entremets" van Rijsel. Om de cultuur-
+historische beteekenis van het ridderideaal ten volle te begrijpen, zou
+men het moeten volgen in Shakespeare's en Moliere's tijd tot aan den
+modernen gentleman.
+
+Hier echter is het er om te doen, de werking van dat ideaal op de
+werkelijkheid in de laatste Middeleeuwen zelf aan te wijzen. Lieten
+staatkunde en oorlogvoering zich inderdaad eenigermate beheerschen door
+ridderlijke voorstellingen? Ongetwijfeld, zoo niet in haar deugden, dan
+toch in haar fouten. Zooals de tragische vergissingen van den
+hedendaagschen tijd voortspruiten uit den waan van het nationalisme en
+den cultuurhoogmoed, zoo sproten die van de Middeleeuwen meer dan eens
+voort uit de chevalereske gedachte. Ligt niet het motief voor de
+schepping van den nieuwen Bourgondischen staat, die grootste fout, die
+Frankrijk kon begaan, in een ridderlijk moment? Koning Jan, het
+ridderlijke warhoofd, schenkt het hertogdom in 1363 aan den jongen zoon,
+die bij Poitiers naast hem stand had gehouden, toen de oudere vluchtte.
+Evenzoo is de bewuste gedachte, die de latere anti-fransche politiek
+voor de geesten der tijdgenooten moet rechtvaardigen: de wraak voor
+Montereau, de verdediging van ridderlijke eer. Ik weet wel, men kan dat
+alles ook verklaren uit berekenende, zelfs vooruitziende politiek, maar
+dat neemt niet weg, dat de waarde van het feit, het beeld van het feit
+van 1363 voor de tijdgenooten was en bleef: de ridderlijke moed,
+vorstelijk beloond. Die Bourgondische staat in zijn snelle ontplooiing
+is een gebouw van politiek overleg en geslaagde nuchtere berekening.
+Maar wat men de Bourgondische idee zou kunnen noemen, kleedt zich steeds
+in de vormen van het ridderideaal. De bijnamen der hertogen: het Sans
+peur, le Hardi, het Qui qu'en hongne, dat voor Philips door le Bon
+verdrongen werd, zijn alle opzettelijke vindingen van de hoflitterateurs,
+om den vorst te plaatsen onder de stralen van het ridderlijke ideaal. [277]
+
+Daar was een groot politiek streven, dat onverbrekelijk verbonden was
+aan het ridderideaal: de kruistocht, Jeruzalem! Want Jeruzalem, zoo
+heette nog altijd de gedachte, die als hoogste politieke idee allen
+vorsten van Europa voor oogen stond, en hen voor en na tot handelen
+dreef. Er was hier een zonderling contrast tusschen het reeele politieke
+belang en de politieke idee. Er bestond voor de Christenheid der
+veertiende en vijftiende eeuw een Oostersche kwestie van de uiterste
+urgentie: het afweren der Turken, die reeds Adrianopel genomen (1378)
+en het Servische rijk vernietigd hadden (1389). Op den Balkan lag het
+gevaar. Doch Europa's eerste en noodzakelijkste staatkunde kon zich nog
+niet losmaken van de kruistochtidee. Zij kon de Turksche kwestie slechts
+zien als een onderdeel van de groote heilige taak, waarin de voorvaders
+waren te kort geschoten: de bevrijding van Jeruzalem.
+
+Bij deze gedachte nu stond het ridderlijk ideaal op den voorgrond; hier
+kon en moest het een bijzonder nadrukkelijke werking uitoefenen. Immers
+het godsdienstig gehalte van het ridderideaal vond hier zijn hoogste
+belofte, en de bevrijding van Jeruzalem kon niet anders zijn dan heilig,
+edel ridderwerk. Juist doordat nu het godsdienstig-ridderlijke ideaal
+zich bij het bepalen der Oostersche staatkunde in zoo sterke mate deed
+gelden, kan tot zekere hoogte het geringe succes der Turkenbestrijding
+worden verklaard. De expedities, die bovenal nauwkeurige berekening en
+geduldige voorbereiding eischten, werden ontworpen en opgezet onder een
+hoogere spanning, die niet leidde tot een rustige overweging van het
+bereikbare, maar tot een verromantiseering van het plan, die ijdel kon
+zijn of noodlottig kon worden. De katastrofe van Nicopolis in 1396 had
+getoond, hoe gevaarlijk het was, een nuttige expeditie tegen een zeer
+strijdbaren vijand op te zetten in den ouden trant van een dier
+ridderlijke reizen naar Pruisen of Litauen, om wat arme heidenen dood
+te slaan. Wie zijn het, die de kruistochtplannen ontwerpen? De droomers
+als Philippe de Mezieres, die er zijn leven aan wijdde, de politieke
+fantasten, zooals Philips de Goede het met al zijn sluwe berekening was.
+
+Alle koningen hadden de bevrijding van Jeruzalem nog altijd tot een
+obligate levenstaak. In 1422 is Hendrik V van Engeland stervende. De
+jonge veroveraar van Rouen en Parijs wordt weggerukt midden uit het
+werk, waarmee hij Frankrijk in ellende had gestort. De geneesheeren
+hebben hem aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de
+biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen
+worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona
+voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem, [278] laat de koning
+stilhouden en zegt luide, dat het zijn voornemen was geweest, om na het
+herstellen van den vrede in Frankrijk Jeruzalem te gaan veroveren, "se
+ce eust este le plaisir de Dieu son createur de le laisser vivre son
+aage". En daarna laat hij de lezing der boetpsalmen voltooien, en sterft
+weldra. [279]
+
+De kruistocht was sedert lang ook een voorwendsel geworden om bijzondere
+opbrengsten te heffen; ook Philips de Goede heeft van die gelegenheid
+ruimschoots gebruik gemaakt. Doch enkel veinzerij uit winstbejag zal bij
+hem het plan toch niet zijn geweest. [280] Het schijnt een mengeling van
+ernstig streven en den toeleg, om door dit bij uitstek nuttige en tevens
+bij uitstek ridderlijke plan zich als den redder der Christenheid een
+glorie te verzekeren boven zijn meerderen in rang, de koningen van
+Frankrijk en Engeland. Le voyage de Turquie bleef een troefkaart, die
+niet werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te
+doen uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren
+gewichtige bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke
+lieden schudden het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een
+gevaarlijken tocht zou ondernemen; zoowel de landen als de dynastie
+zouden gevaar loopen. Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips
+met eerbied ontvangen in Den Haag en in plechtige processie ontplooid,
+terwijl bij het feest te Rijssel en daarna de geloften tot de reize
+verzameld werden, terwijl Joffroy de Toisy de Syrische havens
+onderzocht, Jean Chevrot, de bisschop van Doornik, de collecten leidde
+en Guillaume Fillastre zijn gansche uitrusting reeds klaar had, en er
+reeds schepen voor den tocht in beslag waren genomen, heerschte er toch
+een vage verwachting, dat de tocht niet zou doorgaan. [281] Des hertogen
+eigen gelofte te Rijssel klonk dan ook wel zeer voorwaardelijk: hij zou
+gaan, mits de landen, die God hem had toevertrouwd om te regeeren, in
+vrede en veiligheid zijn. [282]
+
+Uitvoerig voorbereide en luidruchtig aangekondigde krijgsexpedities,
+waar niets van komt, schijnen overigens, ook afgescheiden van het
+kruistochtideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn
+geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in
+1383, die van Philips den Stoute tegen Engeland in 1387, waartoe de
+prachtige vloot zeilree lag in de haven van Sluis, die van Karel VI
+tegen Italie in 1391.
+
+Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie met het doel van
+politieke reclame was het altijd weer aangekondigde en nimmer
+verwezenlijkte vorstenduel. Ik heb vroeger elders uiteengezet, hoe de
+staatsgeschillen der vijftiende eeuw nog als een twist van partijen, een
+persoonlijke querelle werden opgevat. [283] Men dient "la querelle des
+Bourguignons". Wat was natuurlijker, dan dat de vorsten het zelf gingen
+uitvechten, gelijk nu nog in het politieke spoorweggesprek wordt
+verzucht?--Inderdaad was deze oplossing, die zoowel een primitief
+rechtsgevoel als de ridderlijke fantazie bevredigde, telkens aan de
+orde. Wanneer men leest van de uitvoerige toebereidselen tot die
+vorstelijke tweegevechten, vraagt men zich twijfelend af, of dit alles
+enkel een fraai spel van bewust veinzen is geweest, de zucht naar een
+schoon leven alweer, of wel dat de vorstelijke kampvechters werkelijk
+den strijd hebben verwacht. Zeker is het, dat de geschiedschrijvers van
+dien tijd het even ernstig opnemen als de kamplustige vorsten zelf.
+Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn kroniek een ruime
+plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van Engeland door Lodewijk
+van Orleans. [284] In het woeste en schitterende brein van dien Orleans,
+waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en fantastische idealen
+van ridderstrijd en hoofsche liefde naast debauche, cynisme en
+tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk
+voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest
+van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de
+middelen van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was
+Humphrey van Glocester, dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de
+uitdaging wordt duidelijk als motief vermeld: "pour eviter effusion de
+sang chrestien et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay
+compacion", "que par mon corps sans plus ceste querelle soit menee a
+fin, sans y aler avant par voies de guerres, dont il convendroit mains
+gentilz hommes et aultres, tant de vostre ost comme du mien, finer leurs
+jours piteusement." [285] Alles werd voor den strijd in gereedheid
+gebracht: het kostbare harnas en de prachtige kleederen, die de hertog
+dragen zou, waren vervaardigd; er werd gewerkt aan tenten, standaarden
+en vanen, wapenrokken voor de herauten en poursuivants, alles bezaaid
+met de blazoenen van 's hertogen landen, met den vuurslag en het Sint
+Andrieskruis. Philips was in training: "tant en abstinence de sa bouche
+comme en prenant painne pour luy mettre en alainne." [286] In zijn park
+te Hesdin oefende hij zich dagelijks onder leiding van ervaren
+vechtmeesters. [287] De rekeningen vermelden de kosten, aan dat alles
+besteed, en nog in 1460 was de kostbare tent, voor deze gelegenheid
+vervaardigd, te Rijssel te zien. [288] Maar van het gevecht kwam niets.
+
+Dit belette niet, dat hij later in het geschil met den hertog van Saksen
+over Luxemburg, dezen opnieuw kamp aanbood, en dat bij het feest van
+Rijssel, toen Philips bijna zestig jaar oud was, zijn kruisgelofte
+inhield, dat hij gaarne bereid was, den Grooten Turk corps a corps te
+bestrijden, als deze dat verkoos. [289] Men vindt den weerklank van die
+hardnekkige kampliefde van Philips den Goede nog in een verhaaltje van
+Bandello, hoe hij eens met de grootste moeite weerhouden zou zijn van
+een eereduel met een zijner edelen. [290]
+
+De vorm handhaaft zich nog in de volle Italiaansche Renaissance.
+Francesco Gonzaga biedt kamp aan Cesare Borgia: met zwaard en dolk wil
+hij Italie van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den
+koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een
+roerende verzoening besluit het geval. [291] Zelfs Karel V heeft nog in
+allen vorm aangeboden, den strijd met Frans I door een persoonlijk
+tweegevecht te beslechten.
+
+De gerechtelijke en de spontane tweekamp leefde juist in de Bourgondische
+landen en in het twistzieke Noorden van Frankrijk nog bijzonder sterk in
+zeden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de beslissing
+bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen op zich zelf
+weinig te maken. Zoodra de strijd geen edelen geldt, ziet men al de ruwe
+wreedheid van den tijd, ontdaan van het masker der hooghartige chevalerie.
+
+Niets is in dit opzicht merkwaardiger dan de verbazende belangstelling,
+door de edelen en door de geschiedschrijvers aan den dag gelegd voor een
+gerechtelijken kamp van twee burgers te Valenciennes in 1455. [292]
+Het was een groote zeldzaamheid; in geen honderd jaar was zoo iets
+voorgekomen. Die van Valenciennes wilden het tot elken prijs laten
+doorgaan, want het betrof voor hen de handhaving van een oud privilege,
+maar de graaf van Charolais, die het bewind voerde tijdens Philips'
+afwezigheid in Duitschland, wilde het niet, en stelde de voltrekking van
+maand tot maand uit, terwijl de beide partijen, Jacotin Plouvier en
+Mahuot, als kostbare vechthanen werden vastgehouden. Toen de oude hertog
+van zijn reis naar den keizer terug was, werd terstond beslist, dat de
+strijd doorgaan zou. Philips wilde hem met alle geweld zelf zien;
+daartoe alleen koos hij van Brugge naar Leuven den weg over
+Valenciennes. Terwijl nu de ridderlijke geesten als Chastellain en La
+Marche bij hun beschrijvingen van de feestelijke Pas d'armes van ridders
+en edelen met alle inspanning van hun verbeelding geen enkele maal een
+realiteit kunnen schilderen, geven zij hier het scherpst geziene beeld.
+Hier komt de ruwe, felle Vlaming, die Chastellain was, onder de
+prachtige houppelande van goud en rood granaatpatroon te voorschijn.
+Geen bijzonderheid ontgaat hem van de "moult belle serimonie"; hij
+beschrijft nauwkeurig het krijt en de banken rondom. De arme
+slachtoffers hebben elk hun vechtmeester bij zich. Jacotin als klager
+treedt het eerst binnen, blootshoofds met kort geknipt haar en heel
+bleek. Hij is geheel genaaid in een kleeding van corduwaanleder uit een
+stuk, zonder iets daaronder. Na eenige vrome kniebuigingen en begroeting
+van den hertog, die achter een traliewerk gezeten is, wachten de
+kampvechters het oogenblik af, zittende in twee met zwart bekleede
+stoelen tegenover elkaar. De heeren in het rond maken zacht hun
+opmerkingen over de kansen: alles wordt opgemerkt: Mahuot wordt
+aschbleek, toen hij het evangelie kust! Dan komen twee knechten en
+wrijven de kampvechters van den hals tot de enkels in met vet. Bij
+Jacotin trekt het vet terstond in het leer, bij Mahuot niet: wien zou
+dat teeken gunstig zijn? De handen worden met asch gewreven; zij nemen
+suiker in den mond; dan brengt men hun de knotsen en schilden, waarop
+heiligenfiguren staan geschilderd, die zij kussen. Zij dragen de
+schilden met de punt omhoog, en hebben in de hand "une bannerolle de
+devocion", een strook met een vrome spreuk.
+
+Mahuot, die klein was, begint het gevecht door met de punt van zijn
+schild zand te scheppen en het Jacotin in de oogen te werpen. Een
+woedend knotsgevecht volgt, het eindigt met den val van Mahuot; de ander
+werpt zich boven op hem, en wrijft hem het zand in mond en oogen, maar
+Mahuot krijgt een vinger van zijn vijand tusschen zijn tanden. Om zich
+te bevrijden drukt deze hem den duim in de oogkassen, en ondanks zijn
+geroep om genade draait hij hem de armen naar achteren en springt op den
+rug, om hem te breken. Stervende schreeuwt Mahuot vergeefs om te mogen
+biechten; dan roept hij: "O monseigneur de Bourgongne, je vous ay si
+bien servi en vostre guerre de Gand! O monseigneur, pour Dieu, je vous
+prie mercy, sauvez-moy la vie!"... Hier breekt het verhaal van
+Chastellain af; er zijn eenige bladen weg; van anderen weten wij, hoe de
+halfdoode Mahuot door den beul gehangen werd.
+
+Zou Chastellain het besloten hebben met een edele ridderlijke
+bespiegeling, na dezen ellendigen gruwel met zooveel verve te hebben
+verteld? La Marche deed het: hij bericht ons van de schaamte, die toch
+achterna den adel beving, dat men dit had aangezien. En daarom, zegt de
+onverbeterlijke hofpoeet, liet God een ridderlijk tweegevecht volgen,
+dat onschadelijk afliep.
+
+Het conflict tusschen riddergeest en werkelijkheid vertoont zich het
+duidelijkst, waar het ridderideaal zich tracht te doen gelden te midden
+van den ernstigen krijg. Hoezeer ook het ridderideaal vorm en kracht
+moge hebben gegeven aan den oorlogsmoed, het werkte toch in den regel op
+de krijgvoering meer belemmerend dan bevorderend, daar het de eischen
+der strategie opofferde aan die der levensschoonheid. Herhaaldelijk
+stellen zich de beste aanvoerders, ja de koningen zelf, bloot aan de
+gevaren van een romantisch krijgsavontuur. Eduard III waagt zijn leven
+in een hachelijken aanslag op een convooi van Spaansche schepen. [293]
+De ridders van koning Jan's orde van de Ster moeten zweren, dat zij in
+den slag nooit verder zullen vluchten dan vier "arpents", anders hebben
+zij te sterven of zich over te geven, welke zonderlinge spelregel
+volgens Froissart terstond aan wel negentig het leven kostte. [294]
+Wanneer Hendrik V van Engeland in 1415 den Franschen tegemoet gaat voor
+den slag bij Azincourt, trekt hij bij vergissing op een avond het dorp,
+dat zijn fouriers hem als nachtverblijf bestemd hadden, voorbij. Nu had
+de koning, "comme celuy qui gardoit le plus les cerimonies d'honneur
+tres loable", juist te voren gelast, dat de ridders, op verkenning uit,
+hun wapenrok moesten afleggen, om niet in strijdgewaad terug te behoeven
+te gaan. Toen hij nu zelf in wapenrok te ver vooruit was gegaan, kon hij
+niet terug; hij overnachtte dus, waar hij gekomen was, en liet de
+voorhoede dienovereenkomstig opschikken. [295]
+
+Bij de beraadslaging over den grooten Franschen inval in Vlaanderen in
+1382 verzet zich voortdurend ridderzin tegen krijgskunde: "Se nous
+querons autres chemins que le droit,--voert men aan tegen de adviezen
+van Clisson en Coucy, om langs onverwachte omwegen binnen te
+dringen,--"nous ne monsterons pas que nous soions droites gens d'armes."
+[296] Evenzoo gaat het bij een inval van Franschen aan de Engelsche kust
+bij Dartmouth in 1404. De eene aanvoerder, Guillaume du Chatel, wil de
+Engelschen in de flank vallen, daar dezen zich door een gracht op het
+strand hebben beschut. Maar de sire de Jaille noemt de verdedigers een
+troep dorpers; het zou een schande zijn, voor zulke tegenstanders uit
+den weg te gaan; hij spoort den ander aan, niet te vreezen. Dat woord
+treft Du Chatel in het vleesch: "Dat zij verre van het edele hart van
+een Breton, dat hij vreezen zou; nu zal ik, ofschoon ik eer den dood
+voorzie dan de zege, de hachelijke fortuin beproeven." Hij voegt er de
+gelofte aan toe, dat hij geen kwartier zal vragen, valt daarop aan, en
+sneuvelt zelf, terwijl zijn bende deerlijk wordt verslagen. [297] Bij
+den tocht naar Vlaanderen is er steeds groot gedrang, om in de voorhoede
+te komen; een ridder, die met de achterhoede wordt belast, stribbelt
+hardnekkig tegen. [298]
+
+De meest eigenlijke toepassing van het ridderideaal op den oorlog
+bestond in de afgesproken aristieen, 't zij van twee strijders of van
+gelijke groepen. Het befaamde Combat des Trente is er het type van.
+Froissart vond het geweldig mooi, maar teekent toch tenslotte aan;
+"Li aucun le tenoient a proece, et li aucun a outrage et grant
+outrecuidance." [299] Een tweegevecht van Guy de la Tremoille en den
+Engelschen edelman Pierre de Courtenay in 1386, dat strekken zou om de
+superioriteit van Engelschen of Franschen te bewijzen, wordt door de
+Fransche regenten Bourgondie en Berry verboden en nog op 't laatste
+oogenblik verhinderd. [300] De afkeuring van dezen nutteloozen vorm van
+dapperheidsbetoon wordt ook gedeeld door Le Jouvencel, van wien wij
+reeds vroeger in 't licht stelden, hoe bij hem de ridder plaats maakt
+voor den kapitein. Wanneer de hertog van Bedford een gevecht aanbiedt
+van twaalf tegen twaalf, laat de schrijver van _Le Jouvencel_ den
+Franschen aanvoerder antwoorden: er is een algemeene spreekwijze, dat
+men niets moet doen op aanstichten van zijn vijand. Wij zijn hier, om
+hen uit hun stelling te verdrijven, en dat geeft ons werk genoeg. En de
+uitdaging wordt geweigerd. Elders laat hij Le Jouvencel een van zijn
+officieren zulk een wedkamp weigeren met de verklaring (waarop hij
+overigens tenslotte terugkomt), dat hij tot zoo iets nooit verlof zou
+geven. Het zijn verboden dingen. Wie zulk een tweegevecht begeert, wil
+aan een ander iets ontnemen, namelijk zijn eer, om zich een ijdele
+glorie toe te kennen, die van geringe waarde is, terwijl hij intusschen
+den dienst van zijn koning en van de publieke zaak verwaarloost. [301]
+
+Dat klinkt als een stem van den nieuwen tijd. Niettemin bleef de
+gewoonte van die tweegevechten tusschen de fronten tot na de
+Middeleeuwen voortduren; uit den tachtigjarigen oorlog kent men den
+strijd van Breaute en Lekkerbeetje op de Vughtsche heide in 1600 en van
+Lodewijk van de Kethulle tegen een grooten Albaneeschen ruiter voor
+Deventer in 1591.
+
+Het krijgsbelang en de tactiek drongen meestal de ridderlijke opvattingen
+naar den achtergrond. De voorstelling, dat ook de veldslag zelf niet
+anders is dan een eerlijk afgesproken kamp om het recht, komt nog telkens
+naar voren, maar vindt zelden gehoor tegenover de eischen van het
+krijgsbeleid. Het Engelsche leger stelt den Schotten voor, om uit hun
+gunstige positie af te dalen in de vlakte, opdat men elkander kan
+bestrijden. Wanneer de koning van Frankrijk geen toegang vindt om Calais
+te ontzetten, stelt hij den Engelschen beleefd voor, ergens een slagveld
+te bepalen. Willem van Henegouwen gaat nog verder: hij doet den
+Franschen koning het voorstel, drie dagen wapenstilstand te houden, ten
+einde in dien tijd een brug te bouwen, waardoor de legers elkaar kunnen
+bereiken om slag te leveren. [302] In al die gevallen wordt het
+ridderlijke aanbod geweigerd; het strategisch belang behield de
+overhand, ook bij Philips den Goede, toen hij een zwaren strijd te
+voeren had met zijn riddereer, omdat hem op een dag driemaal de veldslag
+is aangeboden, en hij dien niet heeft aanvaard. [303]
+
+Er bleef, ook al moest voor de werkelijke belangen het ridderideaal
+zwichten, nog gelegenheid genoeg, om den oorlog fraai aan te kleeden.
+Welk een bedwelming van fierheid moet er niet zijn uitgegaan van het
+bonte en pralende krijgsdecoratief zelf! In den nacht voor Azincourt
+sterken de beide legers, in de duisternis tegenover elkaar gelegen, hun
+moed met de muziek der trompetten en bazuinen, en het wordt ernstig
+beklaagd, dat de Franschen er niet genoeg hadden "pour eulx resjouyr",
+en daardoor in lager stemming bleven. [304] In het laatst der vijftiende
+eeuw komen de landsknechten met de groote trommels, [305] een ontleening
+aan het Oosten. De trom met haar direct hypnotische, onmuzikale werking
+beduidt treffend den overgang van het ridderlijke tijdperk naar het
+modern-militaire; zij is een element in de mechaniseering van den krijg.
+Omstreeks 1400 is al de schoone en half spelende suggestie van
+persoonlijken wedijver in roem en eer nog in vollen fleur: door
+helmteekens en blazoenen, vanen en wapenkreten behoudt de strijd een
+individueel karakter en een element van sport. Den geheelen dag hoort
+men de kreten der verschillende heeren uitroepen in een wedspel van
+hoogmoed. [306] Voor en na het gevecht bezegelen de ridderslagen en de
+rangverhoogingen het spel: ridders worden tot bannerets verheven door
+het afsnijden van den wimpel van hun vaantjes. [307] Het beroemde kamp
+van Karel den Stoute voor Neuss is ingericht met al den feestelijken
+praal van een hofstaatsie: sommigen hebben hun tent laten bouwen "par
+plaisance" in den vorm van een kasteel, met galerijen en tuinen
+eromheen. [308]
+
+De krijgsbedrijven moesten bij de opteekening worden gevat in het raam
+van ridderlijke opvattingen. Men wilde op technische gronden
+onderscheiden, wat een slag en wat een treffen was, want elk gevecht
+moest in de annalen van den roem zijn vaste plaats en naam hebben. Zoo
+zegt Monstrelet: "Si fut de ce jour en avant ceste besongne appellee la
+rencontre de Mons en Vimeu. Et ne fu declairee a estre bataille, pour ce
+que les parties rencontrerent l'un l'autre aventureusement, et qu'il n'y
+avoit comme nulles bannieres desploiees". [309] Hendrik V van Engeland
+doopt zijn groote overwinning, "pour tant que toutes batailles doivent
+porter le nom de la prochaine forteresse ou elles sont faictes",
+plechtig als den slag van Azincourt. [310] Het overnachten op het
+slagveld gold als het erkende teeken der overwinning. [311]
+
+De persoonlijke dapperheid van den vorst in den slag heeft somtijds een
+bedenkelijk kunstmatig karakter. Froissart beschrijft een strijd van
+Eduard III tegen een Fransch edelman bij Calais in termen, die zouden
+doen vermoeden, dat het geen bittere ernst was. "La se combati li rois a
+monsigneur Ustasse moult longuement et messires Ustasse a lui, et tant
+que il les faisoit moult plaisant veoir". Tenslotte geeft de Franschman
+zich over, en wordt het geval besloten met een souper, dat de koning
+zijn gevangene aanbiedt. [312]--In het gevecht van Saint Richier laat
+Philips van Bourgondie wegens het gevaar zijn prachtige wapenrusting
+door een ander dragen, maar het heet, dat het is, om als een gewoon
+krijgsman zichzelf beter te beproeven. [313] Wanneer de jonge hertogen
+van Berry en Bretagne Karel den Stoute volgen in zijn guerre du bien
+public, dragen zij, naar aan Commines werd verteld, schijnharnassen van
+satijn met vergulde spijkertjes. [314]
+
+Overal steekt de leugen door de gaten van het ridderlijke staatsiekleed.
+De werkelijkheid verloochent voortdurend het ideaal. Vandaar dat het
+steeds meer zich terugtrekt in de sfeer van litteratuur, feest en spel:
+daar alleen was de illusie van het schoone ridderlijke leven te
+handhaven; daar is men onder elkaar in de kaste, waarbinnen al die
+sentimenten enkel gelding hebben.
+
+Het is verbazend, zooals de ridderlijkheid onmiddellijk in gebreke
+blijft, waar zij zou moeten gelden jegens niet-gelijkwaardigen. Zoodra
+het lageren in stand betreft, ontbreekt elke behoefte aan ridderlijke
+hoogheid. De edele Chastellain heeft niet het geringste begrip voor de
+koppige burgereer van den rijken brouwer, die zijn dochter niet aan 's
+hertogen soldaat wil geven, en er lijf en goed aan waagt, om den hertog
+te weerstreven. [315] Froissart vertelt zonder een zweem van eerbied,
+hoe Karel VI het lijk van Philips van Artevelde wilde zien. "Quand on
+l'eust regarde une espasse on le osta de la et fu pendus a un arbre.
+Vela le darraine fin de che Philippe d'Artevelle." [316] De koning zou
+zich zelfs niet ontzien hebben, het lijk te schoppen, "en le traitant de
+vilain". [317] De gruwelijkste wreedheden van de edelen tegen de burgers
+van Gent in den oorlog van 1382, wanneer zij veertig graanschippers
+verminkt en met uitgestoken oogen naar de stad terugzenden, bekoelen
+Froissart geen oogenblik in zijn geestdrift voor de ridderij. [318]
+Chastellain, die zwelgt in de heldendaden van Jacques de Lalaing en
+zijns gelijken, vermeldt zonder eenige sympathie die van een onbekenden
+Gentschen knaap, die alleen op Lalaing aanviel. [319] La Marche zegt
+althans naief van heldenfeiten, door een Gentenaar uit het volk
+verricht, dat het van belang zou zijn geweest, als het "un homme de
+bien" geweest was. [320]
+
+Op alle wijzen drong anders de werkelijkheid de negatie van het
+ridderlijke ideaal aan de geesten op. De veldheerskunst had sedert lang
+de tournooihouding opgegeven: de oorlog van de veertiende en vijftiende
+eeuw was er een van besluipen en verrassen, van strooptochten en raids.
+De Engelschen hadden het eerst het afstijgen van de ridders in den slag
+ingevoerd, en het werd aan Fransche zijde overgenomen. [321] Eustache
+Deschamps meent spottend, dat het dient om het vluchten te beletten.
+[322] Op zee, zegt Froissart, is het ijselijk vechten, want daar kan
+men niet wijken en vluchten. [323] Buitengewoon naief komt de
+ontoereikendheid der ridderlijke opvattingen als militair beginsel uit
+in het _Debat des herauts d'armes de France et d'Angleterre,_ een
+tractaat van omstreeks 1455, waarin in den vorm van een twistgesprek de
+voorrang van Frankrijk boven Engeland wordt betoogd. De Engelsche heraut
+heeft den Franschen gevraagd, waarom zijn koning niet een groote
+scheepsmacht onderhoudt, gelijk die van Engeland. Wel, antwoordt de
+Fransche heraut, dat heeft hij niet noodig, en bovendien: de Fransche
+adel houdt meer van den oorlog te land dan ter zee, om verschillende
+redenen: "car il y a danger et perdicion de vie, et Dieu scet quelle
+pitie quant il fait une tourmente (storm), et si est la malladie de la
+mer forte a endurer a plusieurs gens. Item, et la dure vie dont il fault
+vivre, qui n'est pas bien consonante a noblesse." [324] Hoe gering van
+uitwerking ook nog, reeds kondigde het kanon de toekomstige veranderingen
+van den oorlog aan. Het was als een ironische symboliek, dat het puik der
+dolende ridders "a la mode de Bourgogne," Jacques de Lalaing, gedood werd
+door een kanonschot. [325]
+
+Er was aan de adellijk-militaire carriere een financieele kant, die
+dikwijls zeer vrijmoedig wordt bekend. Elke bladzijde der
+laat-middeleeuwsche krijgsgeschiedenis geeft te verstaan, hoe zeer het
+daarbij aankwam op het maken van aanzienlijke gevangenen, terwille van
+den losprijs. Froissart verzuimt niet te vermelden, hoeveel de bedrijver
+van een geslaagde overrompeling bij de zaak verdiende. [3286 Maar
+behalve de directe baten van den oorlog spelen ook de pensioenen en
+renten en gouverneursposten in het leven van den ridder een groote rol.
+Het vooruitkomen wordt grif als doel aanvaard. "Je sui uns povres homs
+qui desire mon avancement", zegt Eustache de Ribeumont. Froissart
+vertelt zijn eindelooze faits divers van den ridderkrijg onder andere
+tot voorbeeld van de dapperen, "qui se desirent a avanchier par armes."
+[327] Deschamps heeft een ballade, waarin de ridders, knapen en
+sergianten van het hof van Bourgondie staan te hunkeren naar den
+betaaldag, met het refrein:
+
+ "Et quant venra le tresorier?" [328]
+
+Chastellain vindt het natuurlijk en gepast, dat iemand die naar
+aardschen roem streeft, gierig en berekenend is, "fort veillant et
+entendant a grand somme de deniers, soit en pensions, soit en rentes,
+soit en gouvernemens ou en pratiques." [329] En inderdaad schijnt zelfs
+de edele Boucicaut, die allen ridders ten voorbeeld werd gesteld, van
+bijzondere geldzucht niet vrij te zijn geweest. [330] De nuchtere
+Commines begroot een edelman naar zijn salaris als "ung gentilhomme de
+vingt escuz." [331]
+
+Tusschen al de luide verheerlijking van het ridderlijke leven en den
+ridderlijken krijg klinkt af en toe de bewuste negatie van het
+ridderideaal: soms nuchter, soms hoonend. De edelen zelf zagen bijwijlen
+de opgepoetste ellende en de valschheid van zulk een leven van krijg en
+tournooien.[332] Het was niet te verwonderen, dat de twee sarcastische
+geesten, die voor het ridderdom niet dan spot en minachting hadden,
+elkaar gevonden hebben: Lodewijk XI en Philippe de Commines. De
+beschrijving van den slag bij Montlhery bij Commines is in haar nuchter
+realisme volkomen modern. Hier geen schoone heldendaden, geen fictief
+dramatisch verloop, maar slechts het relaas van een voortdurend komen en
+gaan, een twijfelen en vreezen, steeds verteld met een licht sarcasme.
+Hij schijnt erin te genieten, als hij van smadelijk vluchten kan
+vertellen en van den moed, die terugkeert, als het gevaar geweken is.
+Hij gebruikt weinig het woord "honneur", en behandelt de eer bijna als
+een noodzakelijk kwaad. "Mon advis est que s'il eust voulu s'en aller
+ceste nuyt, il eust bien faict.... Mais sans doubte, la ou il avoit de
+l'honneur, il n'eust point voulu estre reprins de couardise". Zelfs waar
+hij bloedige ontmoetingen verhaalt, zoekt men vergeefs de terminologie
+der ridderschap: het woord dapperheid of ridderlijkheid kent hij niet.
+[333]
+
+Zou het zijn Zeeuwsche moeder Margaretha van Arnemuiden zijn geweest,
+van wie Commines zijn nuchteren geest had? Het schijnt immers wel, dat
+in Holland, ondanks den Henegouwschen Willem IV, den ijdelen avonturier,
+de riddergeest vroegtijdig aan het afsterven was, terwijl juist
+Henegouwen, waarmee het vereenigd was, altijd het echte land van den
+ridderlijken adel is geweest. Bij het Combat des Trente was de beste aan
+Engelsche zijde een zekere Crokart, een voormalige knecht van de heeren
+van Arkel. Hij had in den oorlog groot fortuin gemaakt: wel 60.000
+kronen en een stal met dertig paarden; daarbij had hij grooten roep van
+dapperheid verworven, zoodat de koning van Frankrijk hem ridderschap en
+een aanzienlijk huwelijk beloofde, als hij Fransch wilde worden. Deze
+Crokart kwam met zijn roem en zijn rijkdom in Holland terug, en hield er
+grooten staat; maar de Hollandsche heeren wisten nog wel, wie hij was,
+en namen geen notitie van hem, zoodat hij terugkeerde naar het land,
+waar men ridderlijke faam beter waardeerde. [334]
+
+Wanneer Jan van Nevers zich gereedmaakt, om de reis naar Turkije te
+ondernemen, waar hij Nicopolis zou vinden, laat Froissart hertog
+Albrecht van Beieren, den graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, tot
+zijn zoon Willem zeggen: "Guillemme, puisque tu as la voulente de
+voyagier et aler en Honguerie et en Turquie et querir les armes sur gens
+et pays qui oncques riens ne nous fourfirent, ne nul article de raison
+tu n'y as d'y aler fors que pour la vayne gloire de ce monde, laisse
+Jean de Bourgoigne et nos cousins de France faire leurs emprises, et fay
+la tienne a par toy, et t'en va en Frise et conquiers nostre heritage."
+[335]
+
+Van al de landen van Bourgondie was de adel van Holland bij de
+kruisgeloften van het feest te Rijssel verreweg het slechtst
+vertegenwoordigd. Toen na het feest nog meer geloften schriftelijk in de
+verschillende landen werden ingezameld, kwamen er uit Artois nog 27, uit
+Vlaanderen 54, uit Henegouwen 27, en uit Holland 4, en deze luiden nog
+zeer voorwaardelijk en voorzichtig. [336]
+
+ * * * * *
+
+De chevalerie zou niet het levensideaal van eeuwen zijn geweest, indien
+daarin niet hooge waarden aanwezig waren geweest voor de ontwikkeling
+der samenleving, indien het niet sociaal, ethisch en aesthetisch
+noodzakelijk was geweest. Juist in de schoone overdrijving had eenmaal
+de kracht van dit ideaal gelegen. Het is, alsof de middeleeuwsche geest
+in haar bloedige hartstochtelijkheid slechts te leiden was, door het
+ideaal veel te hoog te stellen: zoo deed het de kerk, zoo deed het de
+ridderlijke gedachte. "Without this violence of direction, which men and
+women have, without a spice of bigot and fanatic, no excitement, no
+efficiency. We aim above the mark to hit the mark. Every act hath some
+falsehood of exaggeration in it." [337]
+
+Doch naarmate een cultuurideaal meer gevuld is met de aanspraak op de
+hoogste deugden, is de disharmonie tusschen levensvorm en werkelijkheid
+grooter. Het ridderideaal met zijn nog half-religieuzen inhoud kon
+slechts worden beleden door een tijd, die nog voor zeer sterke
+realiteiten de oogen kon sluiten, die vatbaar was voor de volstrekte
+illusie. De zich vernieuwende beschaving dwingt, dat uit den ouden
+levensvorm de al te hooge aspiraties worden prijsgegeven. De ridder gaat
+over in den virtuoso der Renaissance, in den Franschen gentilhomme der
+17e eeuw, tenslotte in den modernen gentleman, en bij elke transformatie
+schijnt een hulsel van leugen af te vallen.
+
+De ridderlijke levensvorm was al te zwaar beladen met idealen van
+schoonheid, deugd en nuttigheid. Bezag men hem met nuchteren
+werkelijkheidszin, zooals Commines, dan leek al die hooggeroemde
+chevalerie zoo nutteloos en onecht, een opgemaakte vertooning, een
+belachelijk anachronisme: de werkelijke roerselen, die de menschen deden
+handelen en het lot van staten en gemeenschappen bepaalden, lagen er
+buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst
+zwak, nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische
+zijde, die immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een
+waarlijk geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter
+zonde en ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt
+bezweek het ideaal: zelfs de schoonheid van dien levensvorm was aan alle
+kanten open voor ontkenning. Al mocht het ridderlijke leven soms burgers
+begeerlijk schijnen, uit den adel zelf kwam de groote moeheid en
+onvoldaanheid voort. Het schoone spel van het hoofsche leven was zoo
+bont, zoo valsch, zoo druk. Weg uit die moeizaam opgezette levenskunst
+naar veiligen eenvoud en rust.
+
+Er waren dan twee wegen van het ridderlijk ideaal af: die naar het
+werkelijke, actieve leven en den modernen geest van onderzoek, en die
+naar de wereldverzaking. Maar deze laatste weg splitste zich als de Y
+van Pythagoras in tweeen: de hoofdlijn was die van het echte geestelijk
+leven, de zijlijn hield den rand van de wereld met haar genietingen. De
+zucht naar het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en
+verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg
+open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en
+lichter droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd
+als een belofte van natuurlijk geluk met al den glans, waarmee zij sinds
+Theocritus geschenen had. De groote bevrediging scheen mogelijk zonder
+strijd, door een vlucht, weg van den wedijver vol haat en nijd om ijdele
+eer en rang, weg van de drukkende, overladen weelde en staatsie en van
+den wreeden, gevaarlijken krijg.
+
+De lof van het eenvoudig leven was een thema, dat de middeleeuwsche
+litteratuur reeds van de Oudheid had meegekregen. Het dekt zich niet
+volkomen met de pastorale; men heeft te doen met een positieve en een
+negatieve uiting van hetzelfde sentiment: de eerste is de pastorale, de
+laatste de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van
+het aristocratische levensideaal. Doch beide vloeien voortdurend ineen.
+Op het thema van de misere van het hofleven hadden reeds in de twaalfde
+eeuw Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten _De nugis
+curialum_ geschreven. In het veertiendeeeuwsche Frankrijk had het zijn
+klassieke uitdrukking gekregen in het gedicht van Philippe de Vitri,
+bisschop van Meaux, musicus en poeet beide, door Petrarca geprezen: _Le
+Dit de Franc Gontier_. [338] De versmelting met de pastorale is hier
+volkomen.
+
+ "Soubz feuille vert, sur herbe delitable
+ Lez ru bruiant et prez clere fontaine
+ Trouvay fichee une borde portable,
+ Ilec mengeoit Gontier o dame Helayne
+ Fromage frais, laict, burre fromaigee,
+ Craime, matton, pomme, nois, prune, poire,
+ Aulx et oignons, escaillongne froyee
+ Sur crouste bise, au gros sel, pour mieulx boire." [339]
+
+Na den maaltijd kussen zij elkander "et bouche et nez, polie et bien
+barbue"; vervolgens gaat Gontier in het bosch een boom hakken, terwijl
+dame Helayne aan het wasschen gaat.
+
+ "J'oy Gontier en abatant son arbre
+ Dieu mercier de sa vie seuere:
+ "Ne scay--dit-il--que sont pilliers de marbre,
+ Pommeaux luisans, murs vestus de paincture;
+ Je n'ay paour de traison tissue
+ Soubz beau semblant, ne qu'empoisonne soye
+ En vaisseau d'or. Je n'ay la teste nue
+ Devant thirant, ne genoil qui s'i ploye.
+ Verge d'uissier jamais ne me deboute,
+ Car jusques la ne m'esprent convoitise,
+ Ambicion, ne lescherie gloute.
+ Labour me paist en joieuse franchise;
+ Moult j'ame Helayne et elle moy sans faille,
+ Et c'est assez. De tombel n'avons cure."
+ Lors je dy: "Las! serf de court ne vault maille,
+ Mais Franc Gontier vault en or jame pure." [340]
+
+Dat bleef voor de volgende geslachten de klassieke uitdrukking van het
+ideaal des eenvoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid,
+met de geneuchten van matigheid, gezondheid, arbeid en natuurlijke,
+onverwikkelde liefde in het huwelijk.
+
+Eustache Deschamps zong den lof van het eenvoudig leven en den afkeer
+van het hof in tal van balladen na. Hij geeft onder andere een trouwe
+nabootsing van _Franc Gontier:_
+
+ "En retournant d'une court souveraine
+ Ou j'avoie longuement sejourne,
+ En un bosquet, dessus une fontaine
+ Trouvay Robin le franc, enchapele,
+ Chapeauls de flours avoit cilz afuble
+ Dessus son chief, et Marion sa drue...." [341]
+
+Hij breidt het thema uit met de bespotting van krijgsmansleven en
+ridderschap. In soberen ernst beklaagt hij de ellende en wreedheid van
+den oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zeven
+hoofdzonden zijn zijn dagelijksch werk, hebzucht en ijdele roemzucht
+zijn het wezen van den krijg.
+
+ ... "Je vueil mener d'or en avant
+ Estat moien, c'est mon oppinion,
+ Guerre laissier et vivre en labourant:
+ Guerre mener n'est que dampnacion." [342]
+
+Of wel hij verwenscht spottend dengeen, die hem zou willen uitdagen, of
+laat zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt,
+uitdrukkelijk verbieden. [343] Doch meestal is het het thema der aurea
+mediocritas op zich zelf.
+
+ "Je ne requier a Dieu fors qu'il me doint
+ En ce monde lui servir et loer,
+ Vivre pour moy, cote entiere ou pourpoint,
+ Aucun cheval pour mon labour porter,
+ Et que je puisse mon estat gouverner
+ Moiennement, en grace, sanz envie,
+ Sanz trop avoir et sanz pain demander,
+ Car au jour d'ui est la plus seure vie." [344]
+
+Roemzucht en winstbejag brengen niets dan ellende, de arme is tevreden
+en gelukkig, en leeft ongestoord en lang:
+
+ ... "Un ouvrier et uns povres chartons
+ Va mauvestuz, deschirez et deschaulx
+ Mais en ouvrant prant en gre ses travaulx
+ Et liement fait son euvre fenir.
+ Par nuit dort bien; pour ce uns telz cueurs loiaulx
+ Voit quatre roys et leur regne fenir." [345]
+
+De gedachte, dat de eenvoudige werker vier koningen overleeft, beviel
+den dichter zoo goed, dat hij haar herhaaldelijk te pas bracht. [346]
+
+De uitgever van Deschamps' poezie, Gaston Raynaud, neemt aan, dat al de
+gedichten van deze strekking, [347] veelal onder de beste, die Deschamps
+maakte, zijn toe te schrijven aan zijn laatsten tijd, toen hij, ontzet
+van zijn ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het
+hofleven zou hebben begrepen. [348] Een inkeer zou het dus zijn. Zou het
+niet veeleer een reactie, een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf,
+midden in zijn leven van jagenden hartstocht en overdaad heeft, stel ik
+mij voor, deze producten begeerd en genoten van zijn brooddichter, die
+een andermaal zijn gaven prostitueerde, om hun grofsten lachlust te
+bevredigen.
+
+Omstreeks 1400 is het de kring van vroegste Fransche humanisten,
+tendeele samenvallend met de reformpartij der groote concilien, die op
+het thema der misprijzing van het hofleven voortwerkt. Pierre d'Ailly
+zelf, de groote theoloog en kerkpoliticus, dicht een pendant bij _Franc
+Gontier_, het beeld van den tiran in zijn slavenleven vol van vreezen.
+[349] Zijn geestverwanten gebruiken den nieuw opgefrischten Latijnschen
+briefvorm ertoe: zoo Nicolaas de Clemanges, [350] zoo zijn correspondent
+Jean de Montreuil. [351] Tot dien kring behoorde de Milanees Ambrosius
+de Miliis, secretaris van den hertog van Orleans, die aan Gontier Col
+een litterairen brief schreef, waarin een hoveling zijn vriend
+waarschuwt voor de intrede in den hofdienst. [352] Deze brief, zelf in
+vergetelheid geraakt, werd vertaald door, of kwam althans in vertaling
+onder den titel _Le Curial_ op naam van Alain Chartier, den befaamden
+hofdichter. [353] _Le Curial_ werd weer in het latijn overgebracht door
+den humanist Robert Gaguin. [354]
+
+In den vorm van een allegorisch gedicht, trant _Roman de la rose_,
+behandelde zekere Charles de Rochefort het thema. Zijn _L'abuze en
+court_ kwam op naam van koning Rene. [355] Jean Meschinot dicht als al
+zijn voorgangers:
+
+ "La cour est une mer, dont sourt
+ Vagues d'orgueil, d'envie orages....
+ Ire esmeut debats et outrages,
+ Qui les nefs jettent souvent bas;
+ Traison y fait son personnage.
+ Nage aultre part pour tes ebats." [356]
+
+Nog in de zestiende eeuw had het oude thema zijn bekoring niet verloren.
+[357]
+
+Veiligheid, rust en onafhankelijkheid, dat zijn de goede dingen, waarom
+men het hof wil ontvlieden voor het eenvoudig leven in arbeid en
+matigheid, temidden der natuur. Dat is de negatieve kant van het ideaal.
+Doch de positieve kant is niet zoo zeer de vreugde aan arbeid en eenvoud
+zelf als wel het welbehagen aan de natuurlijke liefde. Het herdersideaal
+leidt ons onmiddellijk over tot de vormen der erotische cultuur.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[143] Deschamps, II p. 226.
+
+[144] Chastellain, Le miroer des nobles hommes en France, VI p. 204,
+Exposition sur verite mal prise, VI p. 416, L'entree du roy Loys en
+nouveau regne, VII p. 10.
+
+[145] Froissart, ed. Kervyn, XIII, p. 22; Jean Germain, Liber de
+virtutibus ducis Burg., p. 109; Molinet, I p. 83, III p. 100.
+
+[146] Monstrelet, II p. 241.
+
+[147] Chastellain. VII p. 13-16.
+
+[148] Chastellain. III p. 82, IV p. 170, V p. 279, 309.
+
+[149] Jacques du Clercq. II p. 245. vgl. p. 339.
+
+[150] Zie hierboven blz. 15**.
+
+[151] Chastellain, III p. 82-89.
+
+[152] Chastellain, VII p. 90ss.
+
+[153] Chastellain, II p. 345.
+
+[154] Deschamps no. 113, t. I p. 230.
+
+[155] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius. Leiden 1613, p. 48, cap. IX.
+
+[156] Gerson, Opera, IV p. 583-622, zie Denifle & Chatelain,
+Chartularium Univ. Paris. IV no. 1819.
+
+[157] Bij H. Denifle, La desolation des eglises etc. en France. Paris
+1897-'99, 2 vol., I p. 497-513.
+
+[158] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 402.
+
+[159] Rob. Gaguini Epistole et orationes, ed. L. Thuasne (Bibl. litt. de
+la Renaissance t. II) Paris 1903, 2 vol., II p. 321, 350.
+
+[160] Froissart. ed. Kervyn, XII p. 4; Le livre des trahisons p. 19, 26;
+Chastellain, I p. XXX, III p. 325, V p. 260. 275, 325, VII p. 466-480;
+Thomas Basin, passim, vooral I p. 44, 56, 59, 115; vgl. La complainte du
+povre commun et des povres laboureurs de France (Monstrelet, VI p. 176-190.)
+
+[161] Les Faictz et Dictz de messire Jehan Molinet, Paris, Jehan Petit,
+1537, f. 87vso.
+
+[162] Ballade 19, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses
+oeuvres, Bibl. de l'ecole des chartes LVI, 1895, p. 296; vgl. Les
+Lunettes des princes ib. p. 607, 613.
+
+[163] Masselin, Journal des Etats Generaux de France tenus a Tours en
+1484, ed. A. Bernier, (Coll. des documents inedits) p. 672.
+
+[164] Deschamps, VI no. 1140, p. 67.
+
+[165] Deschamps, VI p. 124 no. 1176.
+
+[166] Molinet, II p. 104-107; Jean le Maire de Belges, Les chansons de
+Namur 1507.
+
+[167] Chastellain. Le miroir des nobles hommes de France, VI p. 203,
+211, 214.
+
+[168] Le Jouvencel, ed. C. Favre et L. Lecestre (Soc. de l'hist. de
+France) 1887-'89, 2 vol., I p. 13.
+
+[169] Livre des faicts du mareschal de Boucicaut, Petitot. Coll. de
+mem., VI p. 375.
+
+[170] Philippe de Vitri, Le chapel des fleurs de lis (1335), ed. A.
+Piaget, Romania XXVII 1898, p. 80ss.
+
+[171] Zie daarover La Curne de Sainte Palaye, Memoires sur l'ancienne
+chevalerie, 1781, II p. 94-96.
+
+[172] Molinet, I p. 16/17.
+
+[173] N. Jorga, Philippe de Mezieres, p. 469.
+
+[174] l.c., p. 506.
+
+[175] Froissart, ed. Luce, I p. 2/3; Monstrelet, I p. 2; d'Escouchy,
+I p. I; Chastellain, I prologue, II p. 116. VI p. 266; La Marche, I p.
+187; Molinet, I p. 17, II p. 54.
+
+[176] Lefevre de S. Remy, II p. 249; Froissart. ed. Luce, I p. I; vgl.
+Le debat des herauts d'armes de France et d'Angleterre, ed. L. Pannier
+et P. Meyer, (Soc. des anciens textes francais) 1887, p. 1.
+
+[177] Chastellain, V p. 443.
+
+[178] Les origines de la France contemporaine. La Revolution, I p. 190.
+
+[179] Die Kultur der Renaissance in Italien,(10) II p. 155.
+
+[180] l.c., I p. 152-165.
+
+[181] Froissart, ed. Luce, IV p. 112.
+
+[182] Le Dit de Verite, Chastellain, VI p. 221.
+
+[183] Le livre de la paix, Chastellain, VII p. 367.
+
+[184] Froissart, ed. Luce, I p. 3.
+
+[185] Le cuer d'amours epris, Oeuvres du roi Rene, ed. De Quatrebarbes,
+Angers 1845, 4 vol., t. III p. 112.
+
+[186] Lefevre de S. Remy, II p. 68.
+
+[187] Doutrepont, p. 183.
+
+[188] La Marche, II p. 216, 334.
+
+[189] Ph. Wielant, Antiquites de Flandre, ed. De Smet (Corp. chron.
+Flandriae IV) p. 56.
+
+[190] Commines, I p. 390, vgl. de anecdote bij Doutrepont, p. 185.
+
+[191] Chastellain, V p. 316-319.
+
+[192] P. Meyer, Bull. de la soc. des anc. textes francais 1883, p.
+45-54.
+
+[193] Deschamps. nos. 12, 93, 207, 239, 362, 403, 432, 652. I p. 86,
+199, II p. 29, 69, X p. xxxv. Ixxviss.
+
+[194] Journal d'un bourgeois, p. 274. Een gedicht van 9 strofen over de
+9 dapperen in verschillende handschriften van Haarlemsche keuren uit de
+XVe eeuw, zie mijn Rechtsbronnen van Haarlem, p. xlvi vg. In het midden
+der 16e eeuw kent John Coke hen nog als The Nyne Worthyes, The debate
+betwene the Heraldes, ed. L. Pannier et P. Meyer, Le debat des herauts
+d'armes, p. 108 Sec. 171.
+
+[195] Molinet, faictz et dictz, f. 151(v).
+
+[196] La Curne de Sainte Palaye, II p. 88.
+
+[197] Deschamps, no. 206, 239, II p. 27, 69, no. 312, II p. 324, Le lay
+du tres bon connestable B. du Guesclin.
+
+[198] S. Luce, La France pendant la guerre de cent ans, p. 231: Du
+Guesclin, dixieme preux.
+
+[199] La mort du roy Charles VII. Chastellain, VI p. 440.
+
+[200] Laborde, II p. 242, no. 4091; 138, no. 242, id. p. 146, no. 3343,
+p. 260, no. 4220, p. 266, no. 4255. Het souter is tijdens den Spaanschen
+successieoorlog verworven door Joan van den Berg, commissaris der Staten
+in Belgie, en berust thans in de Leidsche Universiteitsbibliotheek.
+
+[201] Burckhardt, Kultur der Ren. I(14) p. 246.
+
+[202] Le livre des faicts du mareschal Boucicaut, ed. Petitot, Coll. de
+memoires 1e serie, t. VI, VII.
+
+[203] Le livre des faicts, VI p. 379.
+
+[204] Ib. VII. p. 214, 185. 200/1.
+
+[205] Chr. de Pisan, Le debat des deux amants, Oeuvres poetiques, II p. 96.
+
+[206] Antoine de la Sale, La salade, chap. 3, Paris, M. Le Noir, 1521,
+f. 4vso.
+
+[207] Le livre des cent ballades, ed. G. Raynaud (Soc. des anciens
+textes francais), p. Iv.
+
+[208] Ed. C. Favre et L. Lecestre, Soc. de l'hist. de France, 1887/9.
+
+[209] Le Jouvencel, I p. 25.
+
+[210] Le livre des faits du bon chevalier Messire Jacques de Lalaing,
+ed. Kervyn de Lettenhove. Chastellain, Oeuvres VIII.
+
+[211] II p. 20.
+
+[212] W. James, The varieties of religious experience, Gifford lectures
+1901/2, London 1903, p. 318.
+
+[213] Le livre des faicts, p. 398.
+
+[214] ed. G. Raynaud, Societe des anciens textes francais, 1905.
+
+[215] Twee heidenen uit den roman van Aspremont.
+
+[216] Les Voeux du heron vs. 354-371, ed. Soc. des bibliophiles de Mons,
+no. 8, 1839.
+
+[217] Brief van den graaf van Chimay aan Chastellain, Oeuvres, VIII p. 266.
+
+[218] Perceforest, bij Quatrebarbes, Oeuvres du roi Rene II p. xciv.
+
+[219] Des trois chevaliers et del chainse, van Jakes de Baisieux, ed.
+Scheler, Trouveres belges I, 1876, p. 162.
+
+[220] Rel. de S. Denis, I p. 594ss.; Juvenal des Ursins, p. 379.
+
+[221] Dionysii Cartusiani Opera t. XXXVI p. 206.
+
+[222] Deschamps, I p. 222, no. 108, I p. 223, no. 109.
+
+[223] Journal d'un bourgeois de Paris, p. 59, 56.
+
+[224] La Marche, II p. 119, 144; d'Escouchy, I p. 245(1), 247(8);
+Molinet, III p. 460.
+
+[225] Chastellain, VIII p. 238.
+
+[226] La Marche. I p. 292.
+
+[227] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, bij Chastellain, VIII
+p. 188 s.
+
+[228] Oeuvres du roi Rene, I p. lxxv.
+
+[229] La Marche, III p. 123; Molinet, V p. 18.
+
+[230] La Marche, II p. 118, 121, 122, 133, 341; Chastellain, I p. 256,
+VIII p. 217, 246.
+
+[231] La Marche, II p. 173, I p. 285; Oeuvres du roi Rene, I p. lxxv.
+
+[232] Oeuvres du roi Rene, I p. lxxxvi, II p. 57.
+
+[233] N. Jorga, Phil. de Mezieres. p. 348.
+
+[234] Chastellain, II p. 7, IV p. 233 cf. 269, VI p. 154.
+
+[235] La Marche, I p. 109.
+
+[236] Statuten der orde, bij Luc d'Achery, Spicilegium, III p. 730.
+
+[237] Chastellain. II p. 10.
+
+[238] Chronique scandaleuse, I p. 236.
+
+[239] Le songe de la thoison d'or, bij Doutrepont, p. 154.
+
+[240] Fillastre. Le premier volume de la toison dor, Paris 1515, fol. 2.
+
+[241] Boucicaut, I p, 504; Jorga, Ph. de Mezieres, p. 83, 463(8);
+Romania, XXVI p. 395(1), 396(2); Deschamps, XI p. 28; Oeuvres du roi
+Rene, I p. xi; Monstrelet, V p. 449.
+
+[242] Deschamps, no. 908/10, XI p. 232, 14, 68.
+
+[243] Froissart. Poesies, ed. A. Scheler, (Acad. royale de Belgique)
+1870-'72, 3 vol., II p. 341.
+
+[244] Alain Chartier, La ballade de Fougeres, p. 718.
+
+[245] Richteren 6.
+
+[246] La Marche, IV p. 164; Jacques du Clercq, II p. 6.
+
+[247] Liber Karoleidos vs. 88 (Chron. rel. a l'hist. de Belg. sous la
+dom. des ducs de Bourg. III).
+
+[248] Gen. 30.32; 4 Reg. (2 Kon.) 3.4; Job 31.20; Psalm 71.6.
+(Statenvert. 72.6: "nagras", waar Vulg. "vellus" heeft).
+
+[249] Guillaume Fillastre, Le Second volume de la toison dor, Paris,
+Franc. Regnault, 1516. fol. 1, 2.
+
+[250] La Marche, III p. 201, IV p. 67; Lefevre de S. Remy, II p. 292;
+het ceremonieel van zulk een doop bij Humphrey van Glocester's heraut
+Nicolas Upton, De officio militari, ed. E. Bysshe (Bissaeus) London,
+1654, lib. I, c. XI, p. 19.
+
+[251] Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon,
+(Bibl. elzevirienne) Paris, 1854, p. 241 ss.
+
+[252] Voeu du heron, ed. Soc. des bibl. de Mons, p. 17.
+
+[253] Froissart, ed. Luce, I p. 124.
+
+[254] Sedert eenigen tijd.
+
+[255] Zal uitgaan.
+
+[256] Rel. de S. Denis, III p. 72. Harald Harfagri doet de gelofte, zijn
+haar niet te laten afsnijden, eer hij heel Noorwegen veroverd heeft,
+Haraldarsaga Harfagra, cap. 4; vgl. Voluspa 33.
+
+[257] Jorga, Ph. de Mezieres, p. 76.
+
+[258] Claude Menard, Hist. de Bertrand du Guesclin, p. 39, 55, 410, 488,
+La Curne, I p. 240.
+
+[259] Douet d'Arcq, Choix de Pieces inedites rel. au regne de Charles
+VI. (Soc. de l'hist. de France 1863) I p. 370.
+
+[260] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, chap. XVI ss.,
+Chastellain, VIII p. 70.
+
+[261] Le petit Jehan de Saintre, chap. 48.
+
+[262] Germania cap. 31; La Curne, I p. 236.
+
+[263] Heimskringla, Olafssaga Tryggvasonar, cap. 35; Weinhold,
+Altnordisches Leben, p. 462.
+
+[264] La Marche, II p. 366.
+
+[265] La Marche. II p. 381-387.
+
+[266] La Marche, l.c.; d'Escouchy, II p. 166, 218.
+
+[267] d'Escouchy, II p. 189.
+
+[268] Doutrepont, p. 513.
+
+[269] ib. p. 110, 112.
+
+[270] Chastellain, III p. 376.
+
+[271] Hierboven blz. 123. [Zie alinea die begint met: "Quant sommes es
+..., M.D.]
+
+[272] Chronique de Berne (Molinier no. 3103) bij Kervyn, Froissart, II
+p. 531.
+
+[273] d'Escouchy, II p. 220.
+
+[274] Froissart, ed. Luce, X p. 240, 243.
+
+[275] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, Chastellain, VIII p.
+158-161.
+
+[276] La Marche, IV Estat de la maison p. 34, 47.
+
+[277] Zie mijn verhandeling Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal
+besef, de Gids 1912, 1.
+
+[278] Ps. 50, 19 (51, 20).
+
+[279] Monstrelet, IV p. 112; Pierre de Fenin, p. 363; Lefevre de Saint
+Remy, II p. 63; Chastellain, I p. 331.
+
+[280] Zie J.D. Hintzen, De kruistochtplannen van Philips den Goede,
+Leidsche dissertatie 1918.
+
+[281] Chastellain, III p. 6, 10, 34, 77, 118, 119, 178, 334; IV p. 125,
+128, 171, 431, 437, 451, 470; V p. 49.
+
+[282] La Marche, II p. 382.
+
+[283] Uit de voorgeschiedenis van ons nat. besef, de Gids 1912, I.
+
+[284] Monstrelet, I p. 43ss.
+
+[285] Monstrelet, IV p. 219.
+
+[286] Pierre de Fenin, p. 626/7; Monstrelet, IV p. 244; Liber de
+Virtutibus, p. 27.
+
+[287] Lefevre de Saint Remy, II p. 107.
+
+[288] Laborde, I p. 201s.
+
+[289] La Marche, II p. 27, 382.
+
+[290] Bandello, I nov. 39: Filippo duca di Burgogna si mette fuor di
+proposito a grandissimo periglio.
+
+[291] F. von Bezold, Aus dem Briefwechsel der Markgraefin Isabella von
+Este-Gonzaga, Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 396.
+
+[292] Chastellain. III p. 38-49; La Marche, II p. 400ss.; d'Escouchy, II
+p. 300ss.; Corp. chron. Flandr., III p. 525; Petit Dutaillis, Documents
+nouveaux, p. 113, 137.--Over een blijkbaar ongevaarlijken vorm van
+gerechtelijk tweegevecht: Deschamps IX p. 21.
+
+[293] Froissart, ed. Luce, IV p. 89/94.
+
+[294] Froissart, IV p. 127/8.
+
+[295] Lefevre de S. Remy, I p. 241.
+
+[296] Froissart, XI p. 3.
+
+[297] Rel. de S. Denis, III p. 175.
+
+[298] Froissart, XI p. 24ss., VI p. 156.
+
+[299] Ib., IV p. 110, 115. Andere soortgelijke gevechten b.v. Molinier,
+Sources, IV no. 3707; Molinet, IV p. 294.
+
+[300] Rel. de S. Denis, I p. 392.
+
+[301] Le Jouvencel, I p. 209, II p. 99, 103.
+
+[302] Froissart, I p. 65. IV p. 49, II p. 32.
+
+[303] Chastellain, II p. 140.
+
+[304] Monstrelet, III p. 101; Lefevre de S. Remy, I p. 247.
+
+[305] Molinet, II p. 36, 48, III p. 98, 453. IV p. 372.
+
+[306] Froissart. III p. 187, XI p. 22.
+
+[307] Chastellain, II p. 374.
+
+[308] Molinet, I p. 65.
+
+[309] Monstrelet, IV p. 65.
+
+[310] ib., III p. 111, Lefevre de S. Remy, I p. 259.
+
+[311] Basin, III p. 57.
+
+[312] Froissart, IV p. 80.
+
+[313] Chastellain, I p. 260; La Marche, I p. 89.
+
+[314] Commines, I p. 55.
+
+[315] Chastellain, III p. 82ss.
+
+[316] Froissart, XI p. 58.
+
+[317] Ms. Kroniek van Oudenaarde, bij Rel. de S. Denis, I p.229(1).
+
+[318] Froissart, IX p. 220, XI p. 202.
+
+[319] Chastellain, II p. 259.
+
+[320] La Marche, II p. 324.
+
+[321] Chastellain, I p. 28, Commines, I p. 31; vgl. Petit Dutaillis in
+Lavisse, Histoire de France, IV(2) p. 33.
+
+[322] Deschamps, IX p. 80, vgl. vs. 2228, 2295, XI p. 173.
+
+[323] Froissart, II p. 37.
+
+[324] La Debat des herauts d'armes Sec. 86, 87, p. 33.
+
+[325] Livre des faits, bij Chastellain, VIII p. 252(2) en xix.
+
+[326] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 24.
+
+[327] Froissart, IV p.83, ed. Kerv., XIp. 4.
+
+[328] Deschamps, IV no. 785, p. 289.
+
+[329] Chastellain, V p. 217.
+
+[330] Le Songe veritable, Mem. de la soc. de l'hist. de Paris, t. XVII
+p. 325, bij Raynaud, Les cent ballades, p. 1v(1).
+
+[331] Commines, I, p. 295.
+
+[332] Livre messires Geoffroi de Charny, Romania XXVI.
+
+[333] Commines, I p. 36-42, 86, 164.
+
+[334] Froissart, IV p. 70, 302; vgl. ed. Kervyn de Lettenhove, Bruxelles
+1869-1877, 26 vol., V p. 513.
+
+[335] Froissart, ed. Kervya, XV p. 227.
+
+[336] Doutrepont, p. 112.
+
+[337] Emerson, Nature, ed. Routledge, 1881, p. 230/1.
+
+[338] A. Piaget, Romania, XXVII 1898, p. 63.
+
+[339] Lez ru = bij een beek, o = met, bij, matton = roomkaas, aulx =
+knoflook, escaillongne = sjalot.
+
+[340] Jame = gemme.
+
+[341] Deschamps, no. 315, III p. 1.
+
+[342] Deschamps, I p. 161, no.65, vgl. I p. 78 no. 7, p. 175 no. 75.
+
+[343] Deschamps, no. 1287, 1288, 1289. VII p. 33, vgl. no. 178, I p. 313.
+
+[344] Deschamps, no. 240, II p. 71, vgl., no. 196, II p. 15.
+
+[345] Deschamps, no. 184, I p. 320. Chartons = voerman, ouvrant = werkende.
+
+[346] Deschamps no. 1124, no. 307, VI p. 41, II p. 213, Lai de
+franchise.
+
+[347] Vgl. verder Deschamps, no. 199, 200, 201, 258, 291, 970, 973,
+1017, 1018, 1021, 1201, 1258.
+
+[348] Deschamps, XI p. 94.
+
+[349] Romania XXVII 1898, p. 64.
+
+[350] N. de Clemanges, Opera ed. 1613, Epistolae no. 14, p. 57, no. 18,
+p. 72, no. 104, p. 296.
+
+[351] Joh. de Monasteriolo. Epistolae, Martene & Durand, Ampl.
+Collectio. II. c. 1398.
+
+[352] Ib. c. 1459.
+
+[353] Alain Chartier, Oeuvres ed. Duchesne, 1617, p. 391.
+
+[354] Zie Thuasne. I p. 37, II p. 202.
+
+[355] Oeuvres du roi Rene, ed. Quatrebarbes, IV p. 73, vgl. Thuasne, II
+p. 204.
+
+[356] Meschinot, ed. 1522, f. 94, bij La Borderie, Bibl. de l'Ec. des
+Chartes, LVI, 1895, p. 313.
+
+[357] Vgl. Thuasne, 1. c., p. 205.
+
+
+ * * * * *
+
+
+IV
+
+DE VORMEN DER LIEFDE
+
+
+Sedert de Provencaalsche troubadours der twaalfde eeuw het eerst de
+melodie van het onbevredigd verlangen hadden aangeheven, hadden de
+violen van het liefdelied al hooger en hooger gezongen, totdat alleen
+Dante het instrument meer zuiver bespelen kon.
+
+Het was een der gewichtigste wendingen van den middeleeuwschen geest
+geweest, toen hij voor het eerst een liefdesideaal ontwikkelde met een
+negatieven grondtoon. De Oudheid had voorzeker ook het smachten en de
+smarten der liefde bezongen; maar was toch eigenlijk daar het smachten
+niet enkel gezien als het uitstel en de prikkel der zekere vervulling?
+En in het droef-eindend liefdeverhaal der Oudheid was niet de
+verijdeling van het verlangen het stemmingsmoment, maar het dramatisch
+door den dood afbreken der reeds vervulde min, zooals van Cephalus en
+Procris, van Pyramus en Thisbe. De aandoening van droefheid lag er niet
+in de erotische onbevredigdheid, maar in het treurig lotgeval. Eerst in
+de hoofsche minne der troubadours is de onbevredigdheid zelf hoofdzaak
+geworden. Er was een erotische gedachtenvorm geschapen, die vatbaar was
+om een overvloed van ethisch gehalte in zich op te nemen, zonder daarom
+ooit het verband met de natuurlijke vrouwenliefde geheel op te geven.
+Uit de zinnelijke liefde zelf was de edele vrouwendienst zonder
+aanspraak op vervulling voortgesproten. De liefde moest nu het veld
+zijn, waarop alle aesthetische en zedelijke volmaking des menschen
+bloeien moest. Zuiver vergeestelijkt "vulde zij zich met de heiligste
+vroomheid: la vita nuova.
+
+Toen moest een nieuwe wending komen. In den dolce stil nuovo van Dante
+en zijn tijdgenooten was een uiterste bereikt. Petrarca staat alweer
+weifelend tusschen het ideaal der vergeestelijkte hoofsche liefde en de
+nieuwe inspiratie der Oudheid. En van Petrarca naar Lorenzo de Medici
+neemt in Italie het minnelied den weg terug naar de natuurlijke
+zinnelijkheid, die ook de bewonderde antieke modellen doordrong. Het
+kunstig uitgewerkte systeem der hoofsche min was weder prijsgegeven.
+
+In Frankrijk en de landen, die onder den ban van Frankrijk's geest
+stonden, was de wending anders gekomen. De ontwikkeling der erotische
+gedachte sedert den hoogsten bloei der hoofsche lyriek is er minder
+eenvoudig. De vormen van het systeem blijven van kracht, maar vullen
+zich met anderen geest. Daar had, nog voordat de _Vita nova_ de eeuwige
+harmonie vond van een vergeestelijkte passie, de _Roman de la rose_
+nieuwen inhoud gegoten in de vormen der hoofsche min. Ongeveer twee
+eeuwen lang heeft het werk van Guillaume de Lorris en Jean Clopinel (of
+Chopinel) [358] de Meun, begonnen voor 1240 en voor 1280 voltooid, niet
+alleen de vormen der aristocratische liefde volkomen beheerscht, maar
+bovendien door zijn encyclopaedischen rijkdom aan uitweidingen op alle
+mogelijke gebieden de schatkamer opgeleverd, waaruit de beschaafde
+leeken het levendste van hun geestelijke ontwikkeling putten. Het kan
+niet gewichtig genoeg worden geschat, dat aldus de heerschende klasse
+van een gansch tijdperk haar levenskennis en haar eruditie kreeg in het
+raam van een ars amandi. In geen anderen tijd heeft zich het ideaal van
+wereldlijke beschaving zoodanig geamalgameerd met dat der vrouwenliefde
+als in de twaalfde tot vijftiende eeuw. Alle christelijke en
+maatschappelijke deugden, alle volmaking van levensvormen waren in het
+systeem der min geschikt in het kader der trouwe liefde. De erotische
+levensbeschouwing, 't zij in haar ouderen zuiver hoofschen vorm, 't zij
+in haar belichaming in den _Roman de la rose_, kan op een lijn gesteld
+worden met de gelijktijdige scholastiek. Beide vertegenwoordigen een
+grootsche poging van den middeleeuwschen geest, om onder een
+gezichtspunt alles wat des levens is te begrijpen.
+
+In de bonte uitbeelding van de vormen der liefde concentreerde zich al
+het streven naar levensschoonheid. Wie die schoonheid zocht in eer en
+rang, zijn leven wilde tooien met praal en staatsie, kortom wie de
+schoonheid des levens in den hoogmoed zocht, zag zich altijd weer
+geplaatst voor het inzicht in de ijdelheid dier dingen. Maar in de
+liefde scheen, tenzij men afscheid had genomen van alle aardsch geluk,
+het doel en het wezen de genieting der schoonheid zelve. Hier was geen
+levensschoonheid te scheppen uit edele vormen ter begeleiding van een
+hoogen staat, hier woonde de diepste schoonheid en het hoogste geluk
+zelf, en wachtte slechts om versierd te worden met kleur en stijl. Elk
+ding van schoonheid, elke bloem en elke klank, kon dienst doen om den
+levensvorm der liefde op te bouwen.
+
+Het streven naar de styleering der liefde was meer dan een ijdel spel.
+Het was de geweldigheid van den hartstocht zelf, die aan deze felle
+samenleving der late Middeleeuwen gebood, het liefdeleven te verheffen
+tot een schoon spel van edele regels. Hier bovenal was op straffe van
+barbaarschheid de behoefte, om de aandoeningen te encadreeren in vaste
+vormen. Onder de lagere standen was de beteugeling der ongebondenheid
+aan de Kerk overgelaten, die daarin slaagde zoo goed en zoo kwaad als
+een kerk dat vermag. In de aristocratie, die zich onafhankelijker voelde
+van de Kerk, omdat zij een stuk cultuur had buiten het kerkelijke,
+vormde zich in de veredele erotiek zelf een rem op de teugelloosheid;
+litteratuur, mode en omgangsvormen oefenden er een normeerenden invloed
+op het liefdeleven uit.
+
+Of althans, zij schiepen een schoonen schijn, waarnaar men waande te
+leven. Want in den grond bleef ook onder de hoogere standen het
+liefdeleven bijster ruw. De dagelijksche zeden waren daarbij nog van een
+vrijmoedige onbeschaamdheid, die latere tijden verloren hebben. De
+hertog van Bourgondie laat voor het Engelsche gezantschap, dat hij te
+Valenciennes verwacht, de badstoven der stad in orde maken "pour eux et
+pour quiconque avoient de famille, voire bains estores de tout ce qu'il
+faut au mestier de Venus, a prendre par choix et par election ce que on
+desiroit mieux, et tout aux frais du duc." [359] De ingetogenheid van
+zijn zoon Karel den Stoute wordt hem door velen euvel geduid als voor
+een vorst niet passend. [360] Onder de mechanieke vermakelijkheden van
+den lusthof te Hesdin vermelden de rekeningen "ung engien pour moullier
+les dames en marchant par dessoubz." [361]
+
+Doch het is geen tekortschieten aan het ideaal alleen. Naast den stijl
+der veredele liefde had ook de ongebondenheid zelf haar stijl, en wel
+een zeer ouden. Men kan hem den epithalamischen stijl noemen. Op het
+gebied van de verbeeldingen der liefde erft een verfijnde samenleving
+als die der laatste Middeleeuwen zooveel overoude motieven, dat de
+erotische stijlen met elkaar wedijveren of zich onderling vermengen.
+Veel ouder wortels en een even vitale beteekenis als de stijl der
+hoofsche min had die primitieve vorm der erotiek, die de
+geslachtsgemeenschap zelf verheerlijkt, door de christelijke cultuur
+verdrongen uit zijn waarde van heilig mysterie, maar niettemin altijd
+even levend.
+
+De geheele epithalamische toestel, met zijn onbeschaamden lach en zijn
+phallische symboliek, had eens deel uitgemaakt van de heilige riten zelf
+der bruiloftsviering. Huwelijksplechtigheid en bruiloftsfeest waren
+eenmaal ongescheiden geweest: een groot mysterie, dat zich concentreerde
+op de copulatie. Toen was de Kerk gekomen en had de heiligheid en het
+mysterie voor zich genomen, door ze te verleggen naar het sacrament der
+plechtige verbintenis. De accessoires van het mysterie, de stoet en het
+lied en de juichkreet, had zij overgelaten aan het bruiloftsfeest. Maar
+daar leefden zij nu, ontdaan van hun sacraal karakter, in des te
+wulpscher ongebondenheid voort, en de Kerk was machteloos gebleven, die
+daar te keeren. Geen kerkelijke zedigheid kon den heftigen levenskreet
+van het Hymen o Hymenaee! dempen. Geen puriteinsche zin heeft de
+schaamtelooze publiciteit van den huwelijksnacht uit de zeden doen
+verdwijnen, immers onze zeventiende eeuw kent haar nog in vollen fleur.
+Eerst het moderne individueele sentiment, dat in stilte en duister
+hullen wilde, wat van twee alleen was, heeft die zede gebroken.
+
+Wanneer men zich herinnert, dat nog in 1641 bij de bruiloft van den
+jongen prins van Oranje met Maria van Engeland de practical jokes niet
+ontbraken, om den bruidegom, een knaap nog, de consummatie van het
+huwelijk quasi te beletten, dan verbaast men zich niet over de
+onbeschaamde uitgelatenheid, waarmee vorstelijke en adellijke huwelijken
+omstreeks 1400 plachten gevierd te worden. Het obsceen gegrinnik,
+waarmee Froissart de bruiloft van Karel VI met Isabeau van Beieren,
+oorsprong van groote tragedien, verhaalt, of het epithalamium, dat
+Deschamps aan Antonie van Bourgondie wijdde, kunnen als voorbeelden
+strekken. [362] De _Cent nouvelles nouvelles_ vertellen als iets heel
+gewoons van een bruidspaar, dat met de vroegmis trouwt, en na een
+lichten maaltijd terstond te bed gaat. [363] Al de grappen, die hetzij
+bij de bruiloft of bij het liefdeleven in 't algemeen hoorden, werden
+ook voor het gezelschap van dames passend geacht. De _Cent nouvelles
+nouvelles_ dienen zich aan, zij het met eenige ironie, als "glorieuse et
+edifiant euvre", als verhalen "moult plaisants a raconter en toute bonne
+compagnie". Een adellijke rijmer maakt een lascive ballade op verzoek
+van Madame de Bourgogne en al de dames en jufferen van haar hof. [364]
+
+Het is duidelijk, dat al deze dingen niet gevoeld zijn als tekortkomingen
+aan het hooge en stijve ideaal van eer en welvoegelijkheid. Er is hier
+een tegenstrijdigheid, die niet mag worden verklaard door de edele vormen
+en de groote mate van preutschheid, die de Middeleeuwen op ander gebied
+vertoonen, als hypocrisie te beschouwen. Evenmin is de schaamteloosheid
+een saturnalisch uit den band springen. Nog onjuister is het, om de
+epithalamische obsceniteiten als een teeken van decadence, van
+aristocratische overbeschaving te beschouwen, zooals ten opzichte van
+onze zeventiende eeuw is geschied. [365] De dubbelzinnigheden, de obscene
+woordspelingen, de lascive verzwijgingen hooren in den epithalamischen
+stijl thuis, ze zijn er overoud. Ze worden begrijpelijk, als men ze
+beschouwt tegen hun ethnologischen achtergrond: als de tot omgangsvormen
+verzwakte resten van het phallische symbolisme der primitieve cultuur.
+Als ontmunt mysterie derhalve. Wat eenmaal, toen de grenzen van spel en
+ernst nog niet door de cultuur heen waren getrokken, de heiligheid van
+het ritueele verbond met de uitgelatenheid der levensvreugde, kon in een
+christelijke samenleving slechts meer gangbaarheid hebben als prikkelende
+luim en spot. Dwars tegen vroomheid en courtoisie in handhaafden zich in
+de bruiloftsgebruiken de sexueele verbeeldingen met al hun levende kracht.
+
+Men kan, als men wil, het geheele komisch-erotische genre beschouwen als
+wilde loten uit den stam van het epithalamium: de vertelling, de klucht,
+het liedje. Doch het verband met dien mogelijken oorsprong is lang
+verloren; het is een litteratuurgenre op zich zelf geworden; de komische
+werking is het zelfstandig doel geworden. Alleen de aard der komiek is
+nog altijd dezelfde als die van het epithalamium: zij berust doorgaans
+op de symbolische aanduiding der sexueele dingen, of de travesti der
+geslachtsliefde in de begrippen van eenig maatschappelijk bedrijf. Bijna
+elk werk of ambacht leende zijn termen tot erotische allegorie, toen als
+altijd. Het ligt voor de hand, dat in de veertiende en vijftiende eeuw
+vooral het tournooi, de jacht en de muziek [366] er de stof toe leverden.
+De behandeling van liefdegevallen in de vormen van het rechtsgeding,
+zooals de _Arrestz d'amour_, hoort feitelijk niet onder de categorie der
+travesti. Doch er was een ander gebied, dat voor de inkleeding van het
+erotische bijzonder geliefd was, en wel het kerkelijke. De uitdrukking
+van het sexueele in kerkelijke termen werd in de Middeleeuwen toegepast
+met een buitengewone vrijmoedigheid. In de _Cent nouvelles nouvelles_ is
+het enkel het gebruik van woorden als benir of confesser in obscenen
+zin, of de woordspeling van saints en seins, die men niet moede werd te
+herhalen. Doch in gekuischter opvatting ontwikkelt zich de kerkelijk-
+erotische allegorie tot een litterairen vorm op zich zelf. Het is de
+dichterkring van den fijnen Charles d'Orleans, die de droeve liefde
+verbeeldt onder de gedaante der kloosterlijke askese, der liturgie en
+van het martelaarschap. In navolging van de strenge hervorming van het
+Franciscaansche kloosterleven omstreeks 1400 noemen zij zich Les
+amoureux de l'observance. Het is als een ironische pendant van den
+strakken ernst van den dolce stil nuovo. De heiligschennende strekking
+wordt half geboet door de innigheid van het amoureuze sentiment.
+
+ "Ce sont ici les dix commandemens,
+ Vray Dieu d'amours....
+ Lors m'appella, et me fist les mains mettre
+ Sur ung livre, en me faisant promettre
+ Que feroye loyaument mon devoir
+ Des points d'amour". [367]
+
+Hij zegt van een gestorven minnaar:
+
+ "Et j'ay espoir que brief ou (au) paradis
+ Des amoureux sera moult hault assis,
+ Comme martir et tres honnore saint."
+
+En van de eigen doode geliefde:
+
+ "J'ay fait l'obseque de ma dame
+ Dedens le moustier amoureux,
+ Et le service pour son ame
+ A chante Penser doloreux.
+ Mains sierges de soupirs piteux
+ Ont este en son luminaire,
+ Aussi j'ay fait la tombe faire
+ De regrets...." [368]
+
+In het zuivere gedicht _L'amant rendu cordelier de l'observance
+d'amour_, dat de opneming van een troosteloozen minnaar in het klooster
+van de martelaars der liefde in den breede beschrijft, is al het
+zacht-komische effekt, dat de kerkelijke travesti beloofde, tot het
+uiterste uitgewerkt. Is het niet, alsof de erotiek telkens weer, zelfs
+op perverse wijze, met het heilige een aanraking moest zoeken, die zij
+lang te voren verloren had?
+
+De erotiek moest, om cultuur te zijn, tot elken prijs een stijl zoeken,
+een vorm die haar bond, een uitdrukking, die haar bedekte. En zelfs waar
+zij dien vorm versmaadde en afdaalde van scabreuze allegorie tot de
+regelrechte en ongesluierde behandeling van het geslachtsleven, blijft
+zij haars ondanks toch nog gestyleerd. Het geheele genre, dat door een
+groven geest licht voor erotisch naturalisme gehouden wordt, dat, waar
+de mannen nimmer uitgeput en de vrouwen altijd willig zijn, is evengoed
+als de edelste hoofsche min een romantische fictie. Wat anders dan
+romantiek is de laffe verwaarloozing van alle natuurlijke en
+maatschappelijke complicaties der liefde, de bemanteling van al het
+leugenachtige, het zelfzuchtige en het tragische in het geslachtsleven
+met den schoonen schijn van een ongestoord jolijt? Ook hier is het de
+groote cultuuraandrift: de zucht naar het schoone leven, de behoefte om
+het leven schooner te zien dan de werkelijkheid het bood, de forceering
+van het liefdeleven in den vorm van een fantastischen wensch, maar thans
+door overdrijving naar den dierlijken kant. Ook hier een levensideaal:
+het ideaal der onkuischheid.
+
+De werkelijkheid is te allen tijde slechter en ruwer geweest dan het
+verfijnd litteraire liefdesideaal haar zag, maar ook zuiverder en
+ingetogener dan de platte erotiek, die veelal als naturalistisch geldt,
+haar voorstelde. Eustache Deschamps, de brooddichter, pleegt in tal
+van komische balladen, waarin hij sprekend optreedt, zich tot de
+liederlijkste gemeenheid te verlagen. Maar hij is niet de werkelijke
+held van die obscene gevallen, en te midden ervan treft een teer versje,
+waarin hij zijn dochter op de voortreffelijkheid van haar gestorven
+moeder wijst. [369]
+
+Als bron van litteratuur en cultuur moest het gansche epithalamische
+genre met al zijn uitloopers en vertakkingen steeds op de tweede plaats
+blijven. Het heeft tot thema de uiterste en volledige bevrediging zelve,
+het is directe erotiek. Maar datgene, wat tot levensvorm en
+levensversiering dienen kan, is de indirecte erotiek, die tot thema
+heeft de mogelijkheid der bevrediging, de belofte, het verlangen, het
+ontberen, de nadering van het geluk. Hier wordt de opperste bevrediging
+verschoven in het onuitgesprokene, omhuld met al de lichte sluiers der
+verwachting. De indirecte erotiek is daardoor alleen reeds van veel
+langer adem, bedekt een veel wijder levensveld. En zij kent de liefde
+niet alleen en majeur of met het lachende masker, maar is ook in staat,
+de smarten der liefde te verwerken tot schoonheid, en heeft daardoor
+een oneindig hooger levenswaarde. Zij kan in zich opnemen de ethische
+elementen van de trouw, den moed, de edele zachtmoedigheid, en zich
+zoodoende verbinden met andere strevingen naar het ideale dan naar dat
+der liefde alleen.
+
+Geheel in overeenstemming met den algemeenen geest der latere
+Middeleeuwen, die al het denken tot het uitvoerigste wilde verbeelden en
+in systeem brengen, had nu de _Roman de la rose_ aan de gansche erotische
+cultuur een vorm gegeven, zoo bont, zoo wel-sluitend en zoo rijk, dat
+hij was als een schat van profane liturgie, leer en legende. En juist
+het tweeslachtige van den _Roman de la rose_, werk van twee dichters van
+geheel verschillenden aard en opvatting, maakte hem nog bruikbaarder als
+bijbelboek der erotische cultuur: men vond er teksten in voor verschillend
+gebruik.
+
+Guillaume de Lorris, de eerste dichter, had nog het oude hoofsche ideaal
+gehuldigd. Van hem was de bekorende opzet en de blijde, zoete verbeelding
+van het onderwerp. Het is het steeds gebruikte thema van een droom. De
+dichter ziet zich vroeg in een meimorgen uitgegaan, om den nachtegaal en
+den leeuwerik te hooren. Zijn pad brengt hem langs een rivier tot den
+muur van den geheimzinnigen tuin der liefde. Op dien muur ziet hij de
+beeltenissen geschilderd van Haat, Verraad, Dorperheid, Hebzucht,
+Gierigheid, Nijd, Droefgeestigheid, Ouderdom, Kwezelarij (Papelardie) en
+Armoede: de anti-hoofsche eigenschappen. Maar Dame Oiseuse (Ledigheid),
+de vriendin van Deduit (Vermaak), opent hem de poort. Daarbinnen leidt
+Liesse (Blijheid) den dans. De Liefdegod danst er met Schoonheid in de
+rei, waarin Rijkdom, Mildheid, Vrijmoedigheid (Franchise), Hoofschheid
+(Courtoisie) en Jeugd deelen. Terwijl de dichter bij de Narcissusfontein
+verzonken is in bewondering van den rozeknop, die hij daar ontwaart,
+schiet de Liefdegod hem met zijn pijlen: Beaute, Simplesse, Courtoisie,
+Compagnie en Beau-Semblant. De dichter verklaart zich Liefde's dienstman
+(homme lige), Amour sluit hem het hart met een sleutel, en ontvouwt hem
+liefde's geboden, liefde's kwaden (maux) en haar goed (biens).
+Esperance, Doux-Penser, Doux-Parler, Doux-Regard heeten de laatste.
+
+Bel-Accueil, de zoon van Courtoisie, noodt hem tot de rozen, maar dan
+komen de bewakers van de roos: Danger, Male-Bouche, Peur en Honte, en
+verdrijven hem. Nu begint de verwikkeling. Raison daalt van haar hoogen
+toren, om den minnaar te belezen, Ami troost hem, Venus spant haar
+kunsten tegen Chastete, Franchise en Pitie brengen hem naar Bel-Accueil
+terug, die hem toestaat, de roos te kussen. Maar Male-Bouche vertelt
+het, Jalousie komt aanloopen, en nu wordt om de rozen een sterke muur
+gebouwd. Bel-Accueil wordt in een toren opgesloten. Danger en zijn
+gezellen bewaken de poorten. Met een klacht van den minnaar eindigde het
+werk van Guillaume de Lorris.
+
+Toen is Jean de Meun gekomen, vrij wat later waarschijnlijk, en heeft
+het voortgezet met een veel omvangrijker vervolg en slot. Het verder
+verloop van de handeling, de aanval en vermeestering van het kasteel der
+rozen door Amour met al zijn bondgenooten, de hoofsche deugden, maar ook
+Bien Celer, Faux-Semblant, verdrinkt bijna in den vloed van uitweidingen,
+beschouwingen, verhalen, waarmee de tweede dichter het werk tot een ware
+encyclopaedie heeft gemaakt. Maar wat vooral van gewicht is: hier sprak
+een geest, zoo onbevangen, zoo sceptisch-koel en cynisch-wreed, als de
+Middeleeuwen zelden hebben opgeleverd, daarbij een hanteerder der
+Fransche taal als weinigen. De naieve, lichte idealiteit van Guillaume
+de Lorris werd overschaduwd door den ontkennenden geest van Jean de
+Meun, die niet aan spoken en toovenaars en ook niet aan trouwe liefde en
+vrouwelijke eerbaarheid geloofde, die voor pathologische problemen oog
+had, die aan Venus, Nature en Genius de stoutste verdediging van
+zinnelijken levensdrang in den mond legde.
+
+Wanneer Amor vreest, met zijn leger de nederlaag te zullen lijden, zendt
+hij Franchise en Doux-Regard naar Venus, zijn moeder, die aan den oproep
+gehoor geeft, en op haar duivenwagen te hulp komt. Als Amor haar den
+staat van zaken meedeelt, zweert zij, geen kuischheid ooit meer bij
+eenige vrouw te zullen laten, en spoort Amor aan, denzelfden eed ten
+aanzien der mannen te doen, en het gansche leger zweert mede.
+
+Intusschen is Nature in haar smidse bezig met haar werk, het onderhouden
+der soorten, haar eeuwige worsteling tegen den Dood. Zij beklaagt zich
+bitter, dat van al de schepselen alleen de mensch haar geboden
+overtreedt, en zich onthoudt van de voortteling. Op haar last begeeft
+zich Genius, haar priester, na de lange biecht, waarin Nature hem haar
+werken ontvouwt, naar het leger der Liefde, om daar Nature's vloek te
+slingeren over de versmaders van haar geboden. Amor dost Genius uit met
+een kazuifel, een ring, een staf en een mijter; Venus geeft hem
+schaterlachende een brandende kaars in de hand,
+
+ "Qui ne fu pas de cire vierge".
+
+De excommunicatie wordt ingeleid door de verwerping der maagdelijkheid
+in een drieste symboliek, die uitloopt op een wonderlijk mysticisme.
+De hel voor hen, die de geboden der natuur en der liefde niet in acht
+nemen, voor de anderen de bebloemde weide, waar de Zoon der Maagd zijn
+blanke schaapjes hoedt, die daar in eeuwige geneuchte de bloemen en het
+kruid grazen, dat daar onverderfelijk bloeit.
+
+Wanneer Genius in de veste de kaars geslingerd heeft, wier vlam de
+gansche wereld ontsteekt, begint de eindstrijd om den toren. Ook Venus
+zelf slingert haar fakkel, dan vluchten Honte en Peur, en Bel-Accueil
+staat den minnaar toe, de roos te plukken.
+
+Hier was derhalve met volle bewustheid het sexueele motief opnieuw in
+het middelpunt geplaatst, en het was omkleed met zulk een kunstig
+mysterie, ja met zooveel heiligheid, dat een grooter uitdaging aan het
+kerkelijk levensideaal niet mogelijk was. In zijn volkomen heidensche
+strekking kan men den _Roman de la rose_ als een schrede naar de
+Renaissance beschouwen. In den uiterlijken vorm is hij schijnbaar echt
+middeleeuwsch. Immers wat is middeleeuwscher dan de tot het uiterste
+doorgevoerde personificatie der gemoedsaandoeningen en omstandigheden
+der liefde? De figuren van den _Roman de la rose_: Bel accueil,
+Doux-Regard, Faux Semblant, Male Bouche, Danger, Honte, Peur, staan op
+een lijn met de echt-middeleeuwsche verbeeldingen van de deugden en
+zonden in menschelijke gedaante: allegorieen of iets meer dan dat,
+half-geloofde mythologemen. Doch waar is de de grens tusschen deze
+voorstellingen en de herleefde nimfen, saters en geesten der
+Renaissance? Ze zijn aan een andere sfeer ontleend, maar hun
+verbeeldingswaarde is dezelfde, en de aankleeding van de figuren der
+_Rose_ doet dikwijls denken aan de fantastisch bebloemde gestalten van
+Botticelli.
+
+Hier was dan de liefdedroom verbeeld in een vorm, tegelijk gekunsteld en
+gepassioneerd. De uitvoerige allegorie bevredigde alle eischen der
+middeleeuwsche verbeelding. Zonder de personificaties had de geest de
+gemoedsbewegingen niet kunnen uitdrukken en navoelen. Al de bonte kleur
+en elegante lijn van dat onvergelijkelijke poppenspel was noodig, om een
+begrippenstelsel der liefde te vormen, waarmee men elkander begreep. Men
+hanteerde de figuren van Danger, Nouvel Penser, Male Bouche als de
+gangbare termen van een wetenschappelijke psychologie. Het grondthema
+hield den hartstocht levend. Want voor den bleeken dienst van een
+getrouwde dame, die door de troubadours als onbereikbaar voorwerp van
+smachtende vereering in de wolken was geschoven, was nu weer het
+natuurlijkste erotische motief in de plaats gesteld: de hevige prikkel
+van het geheim der maagdelijkheid, gesymboliseerd als de roos, en die te
+winnen met kunst en volharding.
+
+In theorie was de liefde van den _Roman de la rose_ hoofsch en edel
+gebleven. De tuin der levensvreugde is slechts voor uitverkorenen, en
+door liefde toegankelijk. Wie hem betreden wil, moet vrij zijn van haat,
+trouweloosheid, dorperheid, hebzucht, gierigheid, nijd, ouderdom,
+huichelarij. Doch de positieve deugden, die hij daartegenover moet
+stellen, toonen, dat het ideaal niet meer ethisch, als in de hoofsche
+minne, maar enkel aristocratisch is. Het zijn: onbezorgdheid,
+vatbaarheid voor vermaak, blijde zin, liefde, schoonheid, rijkdom,
+mildheid, vrije zin (franchise) en courtoisie. Het zijn niet meer
+evenzooveel veredelingen van den persoon door de afstraling der
+geliefde, maar deugdelijke middelen om haar te winnen. En het is niet
+meer de, zij het ook valsche, vereering der vrouw, die het werk bezielt,
+maar, althans bij den tweeden dichter Jean Clopinel, de wreede
+verachting voor haar zwakheid, de verachting, die in het zinnelijk
+karakter dezer liefde zelf haar oorsprong heeft.
+
+Ondanks zijn groote heerschappij over de geesten had de _Roman de la
+rose_ toch de oudere opvatting der liefde niet geheel kunnen verdringen.
+Naast de verheerlijking van de flirt handhaafde zich ook de voorstelling
+van de zuivere, ridderlijke, trouwe en zelfverzakende liefde, want deze
+was een essentieel onderdeel van het ridderlijke levensideaal. Het was
+een hoofsche twistvraag geworden in dien bonten kring van weelderig-
+aristocratisch leven rondom den Franschen koning en zijn ooms van Berry
+en Bourgondie, welke opvatting der liefde voor den waren edelman de
+voorkeur verdiende; die van de echte courtoisie met haar smachtende
+trouw en eerbaren dienst aan een dame, of die van den _Roman de la
+rose_, waar de trouw slechts het middel was in dienst der jacht op de
+vrouw. De edele ridder Boucicaut had zich met zijn tochtgenooten op een
+reis naar het Oosten in 1388 tot den pleitbezorger der ridderlijke trouw
+gemaakt, en met het dichten van het _Livre des cent ballades_ zich den
+tijd gekort. De beslissing tusschen flirt en trouw wordt er den
+beaux-esprits van het hof voorgelegd.
+
+Uit een dieper ernst welde het woord, waarmee eenige jaren later
+Christine de Pisan zich in den strijd waagde. Deze moedige verdedigster
+van vrouweneer en vrouwenrechten wendde zich tot den liefdegod met een
+dichterlijken brief, die de klacht der vrouwen behelsde tegen al het
+bedrog en al den smaad der mannen. [370] Zij wees de leer van den _Roman
+de la rose_ met verontwaardiging van de hand. Sommigen vielen haar bij,
+maar het werk van Jean de Meun had nog altijd een schaar van
+hartstochtelijke vereerders en verdedigers. Er volgde een litteraire
+strijd, waarin tal van voor- en tegenstanders het woord namen. En geen
+geringe voorstanders waren het, die de _Rose_ hoog hielden. Vele knappe,
+wetenschappelijke, doorgeleerde mannen,--verzekerde de proost van
+Rijssel, Jean de Montreuil--, stelden den _Roman de la rose_ zoo hoog,
+dat zij hem bijna vereerden (paene ut colerent), en dat zij liever hun
+hemd zouden missen dan dat boek. [371]
+
+Het is voor ons niet gemakkelijk, de geestes- en gemoedssfeer te
+begrijpen, waaruit de verdediging voortkwam. Want het waren geen wufte
+hofjonkers, maar ernstige hooge ambtenaren, geestelijken zelfs tendeele,
+zooals de genoemde proost van Rijssel Jean de Montreuil, secretaris van
+den dauphin, later van den hertog van Bourgondie, die er met zijn
+vrienden Gontier en Pierre Col in dichterlijke of latijnsche brieven
+over correspondeerde, en anderen aanspoorde, om toch de verdediging van
+Jean de Meun op zich te nemen. Het eigenaardigste is, dat deze kring,
+die zich aldus kampioen stelde voor dat bonte, wulpsche, middeleeuwsche
+werk, dezelfde is, waar de eerste kiemen van het Fransche humanisme
+gekweekt werden. Jean de Montreuil is de schrijver van een groot aantal
+Ciceroniaansche brieven vol humanistenwendingen, humanistenrhetoriek en
+humanistenijdelheid. Hij en zijn vrienden Gontier en Pierre Col staan in
+briefwisseling met den ernstigen reformgezinden theoloog Nicolaas de
+Clemanges.
+
+Het was Jean de Montreuil zeker ernst met zijn litterair standpunt. Hoe
+meer ik,--schrijft hij aan een ongenoemd rechtsgeleerde, die den Roman
+bestreden had,--het gewicht der mysterien en de mysterien van het
+gewicht van dat diepe en beroemde werk van meester Jean de Meun
+doorvorsch, hoe meer ik mij verbaas over uwe afkeuring. Tot zijn
+laatsten snik zal hij het verdedigen, en er zijn er velen, zooals hij,
+die met geschrift, met stem en hand die zaak zullen dienen. [372]
+
+En als om te bewijzen, dat er in dien strijd over den _Roman de la rose_
+toch meer stak dan een stuk uit het groote gezelschapsspel van het
+hofleven, nam tenslotte een man het woord, die wat hij sprak, terwille
+van de hoogste zedelijkheid en zuiverste leer sprak, de beroemde
+theoloog en kanselier der Parijsche universiteit Jean Gerson. Uit zijn
+boekvertrek, des avonds 18 Mei 1402, dateerde hij een tractaat tegen den
+_Roman de la rose_. Het is een antwoord op de bestrijding van een vorig
+schrijven van Gerson door Pierre Col, [373] en ook dit was niet het
+eerste geschrift, dat Gerson aan den Roman wijdde; het boek scheen hem
+de gevaarlijkste pest, de bron van alle onzedelijkheid; hij wilde het
+bij elke gelegenheid bestrijden. Herhaaldelijk trekt hij te velde tegen
+den verderfelijken invloed "du vicieux romant de la rose." [374] Als hij
+er een exemplaar van had,--zegt hij--, dat het eenige was, en duizend
+pond waard, dan zou hij het liever verbranden, dan het te verkoopen om
+in het licht te worden gegeven.
+
+Gerson ontleende den vorm van zijn betoog aan den tegenstander zelf: een
+allegorisch vizioen. Op een morgen ontwakende voelt hij zijn hart hem
+ontvlieden, "moyennant les plumes et les eles de diverses pensees, d'un
+lieu en autre jusques a la court saincte de crestiente." Daar ontmoet
+het Justice, Conscience en Sapience, en hoort, hoe Chastete den Fol
+amoureux, dat is Jean de Meun, aanklaagt, die haar van de aarde met al
+haar volgelingen verbannen heeft. Haar "bonnes gardes" zijn juist de
+booze figuren van den roman: "Honte, Paour et Dangier le bon portier,
+qui ne oseroit ne daigneroit ottroyer neis (pas meme) un vilain baisier
+ou dissolu regart ou ris attraiant ou parole legiere." Een reeks van
+verwijten slingert Kuischheid den Fol amoureux tegen: hij laat door de
+vermaledijde oude vrouw leeren, "comment toutes jeunes filles doivent
+vendre leurs corps tost et chierement sans paour et sans vergoigne, et
+qu'elles ne tiengnent compte de decevoir ou parjurer." Hij hoont het
+huwelijk en het kloosterleven; hij richt al de fantazie op de
+vleeschelijke lusten, en wat het ergste is, hij laat door Venus, door
+Nature, zelfs door Dame Raison de begrippen van het Paradijs en de
+christelijke mysterien vermengen met die van het zingenot.
+
+Inderdaad, daar school het gevaar. Het groote werk met zijn vereeniging
+van felle zinnelijkheid, hoonend cynisme en elegant symbolisme wekte in
+de geesten een sensueel mysticisme, dat den ernstigen theoloog een
+afgrond van zondigheid moest schijnen. Wat had niet Gerson's
+tegenstander, Pierre Col, durven beweren! [375] Alleen de fol amoureux
+zelf kan over de waarde van die dolle passie oordeelen; wie haar niet
+kent, ziet haar slechts in een spiegel en een raadsel. Hij leende dus
+voor de aardsche liefde het heilige woord van den brief aan de
+Corinthen, om van haar te spreken, zooals de mysticus het van zijn
+ekstase doet! Hij waagde het, te verklaren, dat Salomo's hoogheid tot
+lof van Pharao's dochter is gedicht. Zij die het boek van de _Rose_
+hebben gesmaad, hebben voor Baal hun knieen gebogen. De Natuur wil niet,
+dat een man een vrouw genoeg zij, en de Genius der Natuur is God. Ja,
+hij durft Lucas II 23 misbruiken, om uit het evangelie zelf te bewijzen,
+dat eertijds de vrouwelijke geslachtsorganen, de roos van den roman,
+heilig zijn geweest. En vol vertrouwen in al die blasphemie roept hij de
+verdedigers van het werk op, een turbe van getuigen, en dreigt Gerson,
+dat deze zelf vervallen zal in een zinnelooze liefde, zooals het anderen
+godgeleerden voor hem is gebeurd.
+
+Het gezag van den _Roman de la rose_ is door Gerson's aanval niet
+getaand. In 1444 biedt een kanunnik van Lisieux, Estienne Legris, aan
+Jean Lebegue, griffier van de rekenkamer te Parijs, een _Repertoire du
+roman de la rose_ van zijn hand. [376] Nog in het laatst der vijftiende
+eeuw kan Jean Molinet verklaren, dat de uitspraken van de _Rose_
+gangbaar waren als algemeene spreekwoorden. [377] Hij voelt zich
+geroepen, om van den geheelen roman een moraliseerenden commentaar te
+geven, waar de bron uit het begin van het gedicht tot symbool van den
+doop wordt, de nachtegaal, die tot de liefde roept, de stem van
+predikers en godgeleerden, en de roos Jezus zelf. Zelfs Clement Marot
+heeft nog een moderniseering van het werk gegeven.
+
+Terwijl de deftige geletterden hun pennestrijd voerden, vond de
+aristocratie in den strijd een welkome aanleiding tot feestelijke
+conversatie en pompeus vermaak. Boucicaut, geprezen door Christine de
+Pisan om zijn hooghouden van het oude ideaal van ridderlijke trouw in de
+liefde, vond wellicht in haar woord weer de aanleiding tot het stichten
+van zijn Ordre de l'ecu verd a la dame blanche, ter verdediging van
+verdrukte vrouwen. Maar hij kon niet wedijveren met den hertog van
+Bourgondie, en zijn orde werd terstond in de schaduw gesteld door de
+grootsch opgezette Cour d'amours, die op 14 Februari 1401 werd opgericht
+in het hotel d'Artois te Parijs. Het was een luisterrijk aangekleed
+litterair salon. Philips de Stoute, hertog van Bourgondie, de oude
+berekenende staatsman, had met Lodewijk van Bourbon den koning verzocht,
+het liefdehof in te stellen tot afleiding tijdens de pestepidemie, die
+er heerschte, "pour passer partie du tempz plus gracieusement et affin
+de trouver esveil de nouvelle joye." [378] Het liefdehof was gegrond
+op de deugden van nederigheid en trouw, "a l'onneur, loenge et
+recommandacion et service de toutes dames et damoiselles." De talrijke
+leden waren getooid met de wijdluftigste titels: de beide oprichters en
+Karel VI waren Grands conservateurs, onder de Conservateurs waren Jan
+zonder Vrees, zijn broeder Antonie van Brabant, zijn jonge zoon Philips.
+Er is een Prince d'amour: Pierre de Hauteville, een Henegouwer; er zijn
+Ministres, Auditeurs, Chevaliers d'honneur conseillers, Chevaliers
+tresoriers, Grands Veneurs, Ecuyers d'amour, Maitres des requetes,
+Secretaires, kortom de geheele toestel van hofhouding en regeering is er
+nagebootst. Men vindt er naast prinsen en prelaten ook burgers en lagere
+geestelijken. Werkzaamheid en ceremonieel waren nauwkeurig geregeld: er
+werden refreinen opgegeven om te behandelen, en "ballades couronnees ou
+chapelees", en "amoureuses chansons de cinq couplets", en "sirventois,
+distiers, complaintes, rondeaux, lais, virelais." Er zouden debatten
+worden gehouden "en forme d'amoureux proces, pour differentes opinions
+soustenir." De dames zouden de prijzen uitreiken, en het was verboden om
+verzen te maken, die de eer van het vrouwelijk geslacht aantastten.
+
+Hoe geweldig Bourgondisch is die pompeuze en statige opzet, die ernstige
+vormen voor een gracieus vermaak. Het is opmerkelijk, doch verklaarbaar,
+dat het hof het strenge ideaal van de edele trouw beleed. Doch als men
+zou verwachten, dat nu ook de 700 leden, die bekend zijn uit de ongeveer
+vijftien jaren, dat men van het bestaan van het gezelschap verneemt,
+allen als Boucicaut de oprechte medestanders van Christine de Pisan, de
+vijanden dus van den _Roman de la rose_ zijn geweest, komt men in strijd
+met de feiten. Wat men van de zeden van Antonie van Brabant en andere
+hooge heeren weet, maakt hen weinig geschikt tot verdedigers van
+vrouweneer. Een der leden, een zekere Regnault d'Azincourt, is de
+aanlegger van een mislukte schaking in grooten stijl, met twintig
+paarden en een priester, van een jonge kramersweduwe. [379] Een ander
+lid, de graaf van Tonnerre, staat schuldig aan een dergelijk vergrijp.
+En als om afdoende te bewijzen, dat het alles slechts een schoon
+gezelschapsspel was: de bestrijders van Christine de Pisan zelf in den
+letterkundigen twist over den _Roman de la rose_ vindt men onder de
+leden: Jean de Montreuil, Gontier en Pierre Col. [380]
+
+ * * * * *
+
+Het is uit de litteratuur, dat men de liefdevormen van den tijd moet
+leeren kennen, maar het is in het leven zelf, dat men ze zich moet
+voorstellen. Daar was een heel stelsel van geijkte vormen, om een jong
+leven van aristocratischen omgang mee te vullen. Wat al teekens en
+figuren der liefde, die de latere eeuwen gaandeweg hebben prijsgegeven.
+In plaats van Amor alleen had men de gansche zonderling persoonlijke
+mythologie van den _Roman de la rose_. Zonder twijfel immers hebben Bel
+accueil, Doux-penser, Faux semblant en de rest ook buiten de directe
+litteratuurproducten in de verbeelding geleefd. Dan was er al de teedere
+beteekenis der kleuren in kleeding, bloemen en sieraad. Voor Rabelais
+was het een voorwerp van spot geworden, dat men naar de symbolische
+beteekenis der kleuren vroeger zijn pages kleedde, zijn handschoen
+borduurde en wat niet al. [381] In de veertiende en vijftiende eeuw nam
+die kleurensymboliek in het amoureuze leven een gewichtige plaats in.
+
+Wanneer Guillaume de Machaut voor het eerst zijn onbekende geliefde
+ziet, is hij verrukt, dat zij bij een wit kleed een kaproen draagt van
+hemelsblauwe stof met groene papegaaien, want groen is de kleur der
+nieuwe liefde en blauw van de trouw. Later als het hooggetij van zijn
+dichterliefde voorbij is, droomt hij, dat haar beeltenis, die boven zijn
+bed hangt, het hoofd afwendt, en geheel in het groen gekleed is, "qui
+nouvellete signifie". Hij dicht een verwijtende ballade:
+
+ "En lieu de bleu, dame, vous vestez vert." [382]
+
+De ringen, de sluiers, al de kleinooden en geschenken der liefde hadden
+hun bijzondere functie, met hun geheimzinnige deviezen en emblemen,
+dikwijls in de gekunsteldste rebussen ontaard. De dauphin trekt in 1414
+ten strijde met een standaard, waarop in goud een K, een zwaan (cygne)
+en een L, dat beduidde den naam van een hofdame zijner moeder Isabeau,
+die la Cassinelle werd genoemd. [383] Rabelais bespot nog een eeuw later
+de "glorieux de court et transporteurs de noms," die in hun deviezen
+"espoir" door een "sphere", "peine" door "pennes d'oiseaux",
+"melancholie" door een akelei (ancholie) aanduiden. [384] Coquillart
+spreekt van een
+
+ "Mignonne de haulte entreprise,
+ Qui porte des devises a tas." [385]
+
+Dan waren er de amoureuze vernuftspelletjes, zooals Le Roi qui ne ment,
+Le chastel d'amours, Ventes d'amour, Jeux a vendre. Het meisje noemt den
+naam van een bloem of iets anders; de jongeling moet er op rijmen met
+een compliment:
+
+ "Je vous vensla passerose.
+ --Belle, dire ne vous ose
+ Comment Amours vers vous me tire,
+ Si l'apercevez tout sanz dire". [386]
+
+Het Chastel d'amours was zulk een vraag- en antwoordspel, gebaseerd op
+de figuren van den _Roman de la rose_:
+
+ "Du chastel d'Amours vous demant:
+ Dites le premier fondement!
+ --Amer loyaument.
+
+ Or me nommez le mestre mur
+ Qui joli le font, fort et seur!
+ --Celer sagement.
+
+ Dites moy qui sont li crenel,
+ Les fenestres et li carrel!
+ --Regart atraiant.
+
+ Amis, nommez moy le portier!
+ --Dangier mauparlant.
+
+ Qui est la clef qui le puet deffermer?
+ --Prier courtoisement." [387]
+
+Een groote plaats in de hoofsche conversatie werd sinds de dagen der
+troubadours ingenomen door de casuistiek der liefde. Het was als 't ware
+de veredeling van de nieuwsgierigheid en kwaadsprekerij tot een
+litterairen vorm. Naast "beaulx livres, dits, ballades" wordt de
+maaltijd aan het hof van Lodewijk van Orleans opgeluisterd door
+"demandes gracieuses". [388] Men legt ze vooral den dichter ter
+beslissing voor. Een gezelschap dames en heeren komt bij Machaut met een
+reeks "partures d'amours et de ses aventures." [389] Hij had in zijn
+_Jugement d'amour_ de stelling verdedigd, dat de dame, die door den dood
+haar minnaar verliest, minder te beklagen is dan de minnaar eener
+trouwelooze geliefde. Elk liefdegeval werd op die wijze naar strenge
+normen gediscuteerd--"Beau sire, wat zoudt ge liever willen: dat men
+kwaad sprak van uw geliefde en gij haar goed bevondt, of dat men goed
+van haar sprak en gij haar slecht vondt?"--Waarop overeenkomstig het
+hooge formeele eerbegrip en de dure plicht van den minnaar om voor de
+uiterlijke eer der geliefde te waken, het antwoord luiden moest: "Dame,
+j'aroie plus chier que j'en oisse bien dire et y trouvasse mal."
+--Wanneer een dame door haar eersten minnaar wordt veronachtzaamd,
+handelt zij dan trouweloos, door een tweeden te nemen, die oprechter is?
+Mag een ridder, die elke hoop heeft opgegeven, zijn dame te zien, daar
+een jaloersche echtgenoot haar opgesloten houdt, zich eindelijk tot een
+nieuwe liefde wenden? Wanneer een ridder zich van zijn geliefde keert
+tot een vrouw van hoog aanzien, en daarop, teruggewezen, opnieuw haar
+genade inroept, laat haar eer haar dan toe, hem te vergeven? [390] Van
+deze casuistiek is het maar een schrede naar de behandeling der
+liefdevragen geheel in procesvorm, zooals Martial d'Auvergne ze geeft in
+de _Arrestz d'amour._
+
+Al deze omgangsvormen der liefde kennen wij slechts uit hun neerslag in
+de litteratuur. Zij hoorden thuis in het werkelijk leven. De code van
+hoofsche begrippen, regels en vormen diende niet uitsluitend, om er
+versjes mee te maken, maar om ze toe te passen in het aristocratische
+leven, of althans in de conversatie. Het is evenwel heel moeilijk, om
+door de sluiers der poezie heen het leven van den tijd te zien. Want ook
+waar een werkelijke liefde zoo nauwkeurig mogelijk wordt beschreven, is
+het toch van uit den waan van het geijkte ideaal, met den technischen
+toestel der gangbare liefdesbegrippen, in de styleering van het
+litteraire geval. Zoo is het met het, al te lange, relaas van een
+dichterliefde tusschen een ouden poeet en een veertiendeeeuwsche
+Bettina, _Le livre du Voit-Dit_ (d.w.z. Ware geschiedenis) van Guillaume
+de Machaut. [391] Hij moet ongeveer zestig jaar oud zijn geweest, toen
+de ongeveer achttienjarige Peronnelle d'Armentieres [392], uit een
+aanzienlijk geslacht in Champagne, hem in 1362 haar eerste rondel zond,
+waarin zij den onbekenden beroemden dichter haar hart aanbood, terwijl
+zij hem liet verzoeken, een dichterlijke liefdescorrespondentie met haar
+te beginnen. De arme dichter, ziekelijk, aan een oog blind, geplaagd
+door de jicht, is onmiddellijk in vlam. Hij beantwoordt haar rondel, en
+een wisseling van brieven en gedichten begint. Peronnelle is trotsch op
+haar litteraire verbintenis; zij maakt er aanvankelijk geen geheim van.
+Zij wil, dat hij hun gansche liefde naar waarheid zal te boek stellen,
+met inlassching van hun brieven en gedichten. Hij volbrengt die taak met
+vreugde; "je feray, a vostre gloire et loenge, chose dont il sera bon
+memoire". [393] "Et, mon tres-dous cuer,--schrijft hij haar--, vous
+estes courrecie de ce que nous avons si tart commencie? (hoe had zij
+eerder gekund?) par Dieu aussi suis-je (met meer reden); mais ves-cy le
+remede: menons si bonne vie que nous porrons, en lieu et en temps, que
+nous recompensons le temps que nous avons perdu; et qu'on parle de nos
+amours jusques a cent ans cy apres, en tout bien et en toute honneur;
+car s'il y avoit mal, vous le celeries a Dieu, se vous povies". [394]
+
+Wat er met een eerbare liefde bestaanbaar was, leert het verhaal,
+waarmee Machaut de brieven en gedichten aaneenrijgt. Hij krijgt, op zijn
+verzoek, haar geschilderd portret, dat hij eer bewijst als zijn God op
+aarde. Vol angst over zijn eigen gebreken gaat hij de eerste samenkomst
+tegemoet, en zijn geluk is uitbundig, wanneer zijn voorkomen de jonge
+geliefde niet afschrikt. Zij legt zich onder een kerseboom in zijn
+schoot te slapen, of kwansuis te slapen. Zij schenkt hem grooter
+gunsten. Een pelgrimage naar Saint Denis en de Foire du Lendit geeft de
+gelegenheid, om eenige dagen te zamen te zijn. Op een middag is het
+gezelschap doodmoe van de drukte en de zomerhitte; het was midden Juni.
+Zij vinden in de overvolle stad een onderkomen bij een man, die hun een
+kamer met twee bedden afstaat. Op het eene legt zich in de donker
+gemaakte kamer ter middagrust Peronnelle's schoonzuster, op het andere
+zij zelf met haar kamenier. Zij dringt den schuchteren dichter, om zich
+tusschen haar beiden te leggen; hij ligt doodstil uit vrees van haar te
+storen, en als zij ontwaakt, beveelt zij hem, haar te omhelzen. Als het
+einde van het reisje nadert, en zij zijn droefheid bespeurt, staat zij
+hem toe, haar tot afscheid te komen wekken. En ofschoon hij ook bij die
+gelegenheid blijft spreken van "onneur" en "onneste", is het bij zijn
+vrij onomwonden verhaal niet duidelijk, wat zij hem nog geweigerd kan
+hebben. Zij geeft hem het gouden sleuteltje van haar eer, haar schat, om
+die zorgvuldig te behoeden, maar het moet wel opgevat worden als haar
+eerbaarheid voor de menschen, wat er nog te bewaren viel. [395]
+
+Meer geluk was den dichter niet weggelegd, en bij gebrek aan verdere
+lotgevallen, vult hij de tweede helft van zijn boek met eindelooze
+verhalen uit de mythologie. Tenslotte bericht zij hem, dat hun
+verhouding een einde moet nemen, blijkbaar wegens haar huwelijk. Maar
+hij besluit, haar altijd te blijven liefhebben en vereeren, en na hun
+beider dood zal zijn geest aan God verzoeken, om haar ziel in glorie nog
+te blijven noemen: Toute-belle. [396]
+
+Zoowel voor de zeden als voor de sentimenten leert ons _Le Voir-Dit_
+meer dan de meeste liefdeslitteratuur van den tijd. Vooreerst de
+buitengewone vrijheid, die zich dit jonge meisje veroorloven kon, zonder
+aanstoot te geven. Dan de naieve onverstoorbaarheid, waarmee alles, tot
+het intiemste, zich afspeelt in tegenwoordigheid van anderen, 't zij de
+schoonzuster, de kamenier of den secretaris. Bij het samenzijn onder den
+kerseboom verzint deze laatste zelfs een bevallige list: terwijl zij
+sluimert, legt hij een groen blad op Peronnelle's mond, en zegt tot
+Machaut, dat hij dat blad moet kussen. Als deze het eindelijk waagt,
+trekt de secretaris het blad weg, zoodat hij even haar mond aanraakt.
+[397] Even opmerkelijk is het samengaan van liefdes- en godsdienstplichten.
+Het feit, dat Machaut als kanunnik van de kerk van Reims tot den
+geestelijken stand behoorde, moet niet al te zwaar worden opgevat. De
+lagere wijdingen, die voor het kanunnikschap voldoende waren, brachten
+in dien tijd den eisch van het coelibaat niet gebiedend mede. Ook
+Petrarca was kanunnik. Dat een bedevaart gekozen wordt, om elkaar te
+ontmoeten, is ook niets buitengewoons. De bedevaarten waren zeer in trek
+voor liefdesavonturen. Maar de pelgrimage wordt desondanks met ernst
+verricht, "tres devotement." [398] Bij een vorig samenzijn hooren zij
+samen de mis, hij achter haar gezeten:
+
+ "... Quant on dist: Agnus dei,
+ Foy que je doy a Saint Crepais,
+ Doucement me donna la pais,
+ Entre deux pilers du moustier (kerk).
+ Et j'en avoie bien mestier,
+ Car mes cuers amoureus estoit
+ Troubles, quant si tost se partoit." [399]
+
+De paix was het bordje, dat rondging om gekust te worden ter vervanging
+van den vredeskus van mond tot mond. [400] Hier is natuurlijk de
+bedoeling, dat Peronnelle hem haar eigen lippen bood. Hij wacht haar in
+den tuin onder het zeggen van zijn getijden. Bij het aangaan van een
+novene (een negendaagsche verrichting van bepaalde gebeden) doet hij,
+als hij de kerk binnentreedt, binnensmonds de gelofte, dat hij ieder van
+die dagen een nieuw gedicht op de liefste zou maken, wat hem niet belet,
+van de groote devotie te spreken, waarmee hij bad. [401]
+
+Men moet bij dit alles niet denken aan een frivole of profane bedoeling;
+Guillaume de Machaut is tenslotte een ernstig en hooggestemd dichter.
+Het is de ons haast onbegrijpelijke onbevangenheid, waarmee in de dagen
+voor Trente de geloofsverrichtingen door het dagelijksche leven heen
+waren gevlochten. Wij zullen er spoedig meer van moeten zeggen.
+
+Het sentiment, dat uit de brieven en de beschrijving van dit historische
+liefdegeval spreekt, is week, zoet, een weinig ziekelijk. De uitdrukking
+der gevoelens blijft gewikkeld in den langen omhaal van raisonneerende
+bespiegeling en de aankleeding met allegorische verbeeldingen en
+droomen. Er is iets roerends in de innigheid, waardoor de grijze
+dichter, de heerlijkheid van zijn geluk en de voortreffelijkheid van
+Toute-belle beschrijvende, zich niet bewust wordt, dat zij toch
+eigenlijk met hem en met haar eigen hart maar heeft gespeeld.
+
+Uit ongeveer denzelfden tijd als Machaut's _Voit-Dit_ stamt een ander
+werk, dat in zeker opzicht als tegenhanger zou kunnen dienen: _Le livre
+du chevalier de la Tour Landry pour l'enseignement de ses filles_. [402]
+Het is een geschrift uit adellijken kring evenals de roman van Machaut
+en Peronnelle d'Armentieres; speelde deze in Champagne en in en om
+Parijs, de ridder de la Tour Landry verplaatst ons naar Anjou en Poitou.
+Doch hier geen oude dichter, die zelf bemint, maar een vrij prozaische
+vader, die herinneringen uit zijn jonge jaren, anecdoten en verhalen ten
+beste geeft "pour mes filles aprandre a roumancier". Wij zouden zeggen:
+om haar de beschaafde vormen in liefdezaken te leeren. Die leering valt
+echter in het geheel niet romantisch uit. De strekking der exempelen en
+vermaningen, die de zorgvuldige edelman zijn dochters voorhoudt, is
+veeleer, haar te waarschuwen voor de gevaren van romantische flirt. Past
+op voor die welbespraakte lieden, die altijd klaar staan met "faulx
+regars longs et pensifs et petis soupirs et de merveilleuses contenances
+affectees (aangedane) et ont plus de paroles a main que autres gens."
+[403] Weest niet te toeschietelijk. Hij was als jongeling eens door zijn
+vader op een kasteel gebracht, om met het oog op een gewenschte
+verloving kennis te maken met de dochter. Het meisje had hem bijzonder
+vriendelijk ontvangen. Om te ervaren, wat er in haar was, sprak hij met
+haar over allerlei dingen. Het gesprek kwam op gevangenen, en de jonker
+maakte een deftig compliment: "Ma demoiselle, il vaudroit mieulx cheoir
+a estre vostre prisonnier que a tout plain d'autres, et pense que vostre
+prison ne seroit pas si dure comme celle des Angloys."--Si me respondit
+qu'elle avoyt veu nagaires cel qu'elle vouldroit bien qu'il feust son
+prisonnier. Et lors je luy demanday se elle luy feroit male prison, et
+elle ne dit que nennil et qu'elle le tandroit ainsi chier comme son
+propre corps, et je lui dis que celui estoit bien eureux d'avoir si
+doulce et si noble prison. Que vous dirai-je? Elle avoit assez de
+langaige et lui sambloit bien, selon ses parolles, qu'elle savoit assez,
+et si avoit l'ueil bien vif et legier." Bij het afscheid vroeg zij hem
+wel twee of drie maal, om spoedig weerom te komen, alsof zij hem al lang
+gekend had. "Et quant nous fumes partis, monseigneur de pere me dist:
+'Que te samble de celle que tu as veue. Dy m'en ton avis'." Maar haar al
+te gereede aanmoediging had hem elken lust tot een nadere kennismaking
+benomen. "'Mon seigneur, elle me samble belle et bonne, maiz je ne luy
+seray ja plus de pres que je suis, si vous plaist". Van de verloving
+kwam niets, en de ridder vond natuurlijk reden, daar later geen berouw
+van te hebben. [404] Dergelijke stukjes zoo uit het leven opgeteekende
+herinnering, die ons doen zien, hoe de zeden zich paarden aan het
+ideaal, zijn ongelukkig in de eeuwen, waarvan hier sprake is, nog
+uitermate zeldzaam. Had de ridder de la Tour Landry ons maar wat meer
+uit zijn eigen leven verteld. Het meeste zijn ook bij hem bespiegelingen
+van algemeenen aard. Hij denkt voor zijn dochters in de eerste plaats
+aan een goed huwelijk. En het huwelijk had met de liefde weinig te
+maken. Hij geeft een breedvoerig "debat" tusschen hemzelf en zijn vrouw
+over het geoorloofde der liefde, "le fait d'amer par amours". Hij meent,
+dat een meisje in zekere gevallen wel in eere kan beminnen, bij
+voorbeeld "en esperance de mariage". De vrouw is daar tegen. Een meisje
+moet liever in het geheel niet verliefd worden, ook niet op haar
+verloofde. Het houdt haar maar af van de ware vroomheid. "Car j'ay ouy
+dire a plusieurs, qui avoient este amoureuses en leur juenesce, que,
+quant elles estoient a l'eglise, que la pensee et la merencolie [405]
+leur faisoit plus souvent penser a ces estrois pensiers et deliz de
+leurs amours que ou (au) service de Dieu, [406] et est l'art d'amours de
+telle nature que quant l'en (on) est plus au divin office, c'est tant
+comme le prestre tient nostre seigneur sur l'autel, lors leur venoit
+plus de menus pensiers". [407]--Deze diepe zielkundige observatie
+konden Machaut en Peronnelle beamen. Doch overigens welk een verschil
+in opvatting tusschen den dichter en den ridder! Hoe nu met deze
+austeriteit weer te rijmen, dat de vader zijn dochters ter leering
+herhaaldelijk vertelsels opdischt, die om hun scabreuzen inhoud in de
+_Cent nouvelles nouvelles_ niet misplaatst zouden zijn geweest?
+
+Juist het gering verband van de schoone vormen van het hoofsche
+liefdesideaal met de realiteit van verloving en huwelijk maakte, dat het
+element van spel, van conversatie, van litterair vermaak in alles wat
+het verfijnde liefdeleven betrof, zich te ongehinderder kon ontplooien.
+Het ideaal der liefde, de schoone fictie van trouw en opoffering had
+geen plaats in de zeer materieele overleggingen, waarmee een huwelijk,
+en bovenal een adellijk huwelijk tot stand kwam. Het kon slechts worden
+beleefd in de gedaante van een bekorend of hartverheffend spel. Het
+tournooi gaf dat spel der romantische liefde in zijn heroieken vorm.
+De pastorale idee leverde den idyllischen vorm ertoe.
+
+De pastorale is in haar wezenlijkste beteekenis iets meer dan een
+litterair genre. Het is niet te doen om de beschrijving van het
+herdersleven met zijn eenvoudige en natuurlijke geneuchten, maar om het
+naleven ervan. Het is een Imitatio. Er was een fictie, dat in het
+herdersleven de ongestoorde natuurlijkheid der liefde verwezenlijkt was.
+Daarheen wou men vlieden, zoo niet in werkelijkheid, dan in droom.
+Telkens weer heeft het herdersideaal moeten dienen als geneesmiddel,
+om de geesten te bevrijden uit de kramp van een opgeschroefde
+dogmatiseering en formaliseering der liefde. Men snakte naar verlossing
+uit de knellende begrippen van ridderlijke trouw en dienst, uit den
+bonten toestel der allegorie. En ook uit de ruwheid, de baatzucht en
+de maatschappelijke zonden van het liefdeleven der werkelijkheid. Een
+gemakkelijk bevredigde, eenvoudige liefde, temidden van onschuldig
+natuurgenot. Dat scheen het deel van Robin en Marion, van Gontier en
+Helayne. Zij waren de gelukkigen, de benijdbaren; de veelgesmade dorper
+wordt op zijn beurt het ideaal.
+
+De late Middeleeuwen evenwel zijn nog zoo echt aristocratisch en zoo
+weerloos tegenover een schoonen waan, dat de cultuur het niet verder
+brengt dan het toepassen van een zeer gekunstelde versiering op de
+hoofsche zeden. Wanneer de adel der vijftiende eeuw herder en herderin
+speelt, dan is het gehalte van echte natuurvereering en bewondering van
+eenvoud en arbeid nog heel zwak. Wanneer Marie Antoinette drie eeuwen
+later melkt en karnt in Trianon, dan is het ideaal reeds gevuld met den
+ernst van de physiocraten: natuur en arbeid zijn reeds de groote
+slapende godheden van den tijd geworden; toch maakt de aristocratische
+cultuur er nog spel van. Wanneer omstreeks 1870 de Russische
+intellectueele jeugd zich onder het volk begeeft, om zelf als boeren
+voor de boeren te leven: het narodnitsjestwo, dan is het ideaal bittere
+ernst geworden. En ook toen bleek de verwezenlijking een waan.
+
+Er was een poetische vorm, die den overgang vertegenwoordigt tusschen de
+eigenlijke pastorale en de werkelijkheid, namelijk de Pastourelle, het
+korte gedicht, dat het gemakkelijk avontuur van den ridder met het
+landmeisje bezingt. Daar vond de directe erotiek een frisschen,
+eleganten vorm, die haar boven het platte verhief en toch al de bekoring
+van het natuurlijke behield. Men moet er sommige schetsen van Guy de
+Maupassant mee vergelijken.
+
+Werkelijk pastoraal is echter het sentiment eerst, als ook de minnaar
+zelf zich als herder denkt. Daarmee verzinkt elke aanraking met de
+werkelijkheid. Alle elementen der hoofsche liefdesopvatting worden
+eenvoudig getransponeerd in het herderlijke; een zonnig droomland hult
+het verlangen in een waas van fluitspel en vogelgeschal. Het is een blij
+geluid; ook de droefheden der liefde: het smachten en klagen, het leed
+van de verlatene, worden opgenomen in dien zoeten toon. In de pastorale
+vindt telkens weer de erotiek de aanraking terug met het natuurgenot,
+dat haar onmisbaar was. Zoo wordt de pastorale het veld, waarop zich de
+litteraire uitdrukking van het natuurgevoel ontwikkelt. Aanvankelijk is
+het haar nog niet te doen om het beschrijven van natuurschoonheid, maar
+om het onmiddellijk welbehagen aan zon en zomer, schaduw en frisch
+water, bloemen en vogels. Natuurobservatie en schildering komt eerst
+in de tweede plaats; de hoofdbedoeling blijft de liefdedroom; als
+bijproduct levert de herderlijke poezie allerlei bevallig realisme. De
+schildering van het landleven in een gedicht als _Le dit de la pastoure_
+van Christine de Pisan opent een genre.
+
+Eenmaal als hoofsch ideaal opgenomen wordt de herderij een masker. Alles
+laat zich dossen in de herderlijke travesti. De fantaziesferen van de
+pastorale en van de ridderlijke romantiek vermengen zich. Een tournooi
+wordt opgevoerd in de aankleeding van een herdersspel. Koning Rene houdt
+zijn Pas d'armes de la bergere.
+
+De tijdgenooten schijnen toch werkelijk in deze vertooning iets echts
+gezien te hebben; een ongenoemde dichter geeft koning Rene's herdersleven
+een plaats onder de Merveilles du monde:
+
+ "J'ay un roi de Cecille
+ Vu devenir berger
+ Et sa femme gentille
+ De ce mesme mestier,
+ Portant la pannetiere,
+ La houlette et chappeau,
+ Logeans sur la bruyere
+ Aupres de leur trouppeau." [408]
+
+Een andermaal moet de pastorale dienen, om de lasterlijkste politieke
+satire een dichterlijk kleed te verleenen: een Bourgondisch partijganger
+steekt al den haat tegen den vermoorden hertog van Orleans in het gewaad
+van een aanminnig herdersdicht: _le Pastoralet._ [409] Bij de hoffeesten
+ontbreekt nooit het pastorale element. Het leende zich uitstekend voor
+de maskerades, die als entremets de feestmaaltijden opluisterden, en het
+was bovendien bijzonder geschikt voor politieke allegorie. Het beeld van
+den vorst als herder en het volk als zijn kudde was immers reeds van een
+andere zijde den geest binnengekomen: uit de kerkvaderlijke voorstellingen
+van den oorspronkelijken staatsvorm: als herders hadden de aartsvaders
+geleefd, het rechte overheidsambt, zoo goed het wereldlijke als het
+geestelijke, was geen heerschen maar een hoeden.
+
+ "Seigneur, tu es de Dieu bergier;
+ Garde ses bestes loyaument,
+ Mets les en champ ou en vergier,
+ Mais ne les perds aucunement,
+ Pour ta peine auras bon paiement
+ En bien le gardant, et se non,
+ A male heure recus ce nom." [410]
+
+In deze verzen uit Jean Meschinot's _Lunettes des princes_ is geen
+sprake van eigenlijk pastorale voorstelling. Maar zoodra men dat ging
+verbeelden, vloeide het daarmee van zelf ineen. Een entremets bij het
+feest van Brugge in 1468 verheerlijkte de vroegere vorstinnen als de
+"nobles bergieres qui par cy devant ont este pastoures et gardes des
+brebis de pardeca." [411] Een spel te Valenciennes bij de terugkomst van
+Margareta van Oostenrijk uit Frankrijk in 1493 vertoonde, hoe het land
+herstelt van zijn verwoesting "le tout en bergerie". [412] Wij kennen
+allen de politieke pastorale in de _Leeuwendalers_. De voorstelling van
+den vorst als herder klinkt ook in het _Wilhelmus_:
+
+ "Oirlof mijn arme schapen
+ Die sijt in grooter noot,
+ Uw herder sal niet slapen,
+ Al sijt gij nu verstroyt."
+
+Zelfs in den echten oorlog speelt men met de pastorale verbeelding. De
+bombardes van Karel den Stoute voor Granson heeten "le berger et la
+bergere". Wanneer de Franschen hoonend zeggen, dat de Vlamingen slechts
+herders zijn en onbekwaam tot het krijgshandwerk, trekt Philips van
+Ravestein met vierentwintig edelen te velde, uitgedost als herders, met
+herdersstaf en broodkorfje. [413]
+
+Evenals de trouwe ridderlijke liefde tegenover de opvattingen van den
+_Roman de la rose_ de stof leverde tot een eleganten litterairen twist,
+zoo werd ook het herdersideaal het onderwerp van zulk een strijd. Ook
+hier proefde men de leugen te sterk op de tong, en moest men haar
+bespotten. Hoe weinig geleek het hyperbolisch gekunstelde, overdadig
+bonte leven van de laat-middeleeuwsche aristocratie op het ideaal van
+eenvoud, vrijheid en zorgeloos trouwe liefde te midden der natuur! Op
+het thema van Philippe de Vitri's Franc Gontier, type van den gouden-
+eeuwschen eenvoud, had men eindeloos gevarieerd. Iedereen verklaarde te
+hongeren naar Franc Gontier's maal op het gras onder 't lommer met dame
+Helayne, zijn menu van kaas, boter, room, appelen, uien en bruin brood,
+zijn lustig houthakkerswerk, zijn vrijheidszin en onbezorgdheid:
+
+ "Mon pain est bon; ne faut que nulz me veste;
+ L'eaue est saine qu'a boire sui enclin,
+ Je ne doubte ne tirant ne venin." [414]
+
+Soms viel men wel eens even uit de rol. Dezelfde Eustache Deschamps, die
+het leven van Robin en Marion en den lof van den natuurlijken eenvoud en
+het werkzaam leven herhaaldelijk bezingt, betreurt het, dat het hof
+danst bij de cornemuse, "cet instrument des hommes bestiaulx". [415]
+Maar het vereischte de veel dieper gevoeligheid en scherpe skepsis van
+Francois Villon, om al de onwaarheid van dien schoonen levensdroom te
+zien. Er ligt een onbarmhartige bespotting in de ballade _Les contrediz
+Franc Gontier_. Cynisch stelt Villon tegenover de zorgeloosheid van dien
+idealen buitenman met zijn maal van uien "qui causent fort alaine" en
+zijn liefde onder de rozen, het gemak van den vetten kanunnik, die de
+zorgeloosheid en de liefde geniet in een wel behangen kamer met een
+haardvuur, goeden wijn en een zacht bed. Het bruine brood en het water
+van Franc Gontier? "Tous les oyseaulx d'ici en Babiloine" zouden Villon
+geen morgen bij zulk een kost kunnen houden. [416]
+
+Evenals de schoone droom van het ridderideaal moesten ook de andere
+vormen, waarin het liefdeleven cultuur wilde worden, als onecht en
+leugenachtig worden verzaakt. Noch het dwepende ideaal van edele,
+kuische riddertrouw, noch de wreed-verfijnde wellust van den _Roman de
+la rose_, noch de zoete, gemakkelijke fantazie der pastorale, konden
+bestaan voor den storm van het leven zelf. Die storm blies van alle
+kanten. Van het geestelijk leven uit klinkt de vervloeking van alles wat
+der liefde is, als de zonde, die de wereld verderft. Onder in den
+schitterenden kelk van den _Roman de la rose_ ziet de moralist al den
+bitteren droesem. "Vanwaar,--roept Gerson uit--vanwaar de bastaarden,
+vanwaar de kindermoorden, de afdrijvingen, vanwaar de haat en de
+vergiftiging van echtgenooten?" [417]
+
+Van den kant der vrouwen zelf klinkt een andere aanklacht. Al die
+conventioneele vormen der liefde zijn mannenwerk. Ook waar zij in
+geidealiseerde vormen gegoten is, blijft die gansche erotische cultuur
+door en door mannelijk-zelfzuchtig. Wat is de altijd herhaalde smaad
+tegen het huwelijk en over de zwakheden van de vrouw: haar ontrouw en
+haar ijdelheid, anders dan de dekmantel der mannelijke zelfzucht? Op al
+dien smaad antwoord ik enkel, zegt Christine de Pisan: het zijn niet de
+vrouwen, die de boeken gemaakt hebben. [418]
+
+Er is inderdaad noch in de erotische, noch in de vrome litteratuur der
+Middeleeuwen een spoor van echt medelijden met de vrouw, met haar
+zwakheid en de gevaren en smarten, die haar de liefde bereidt. Het
+medelijden had zich geformaliseerd in het fictieve ridderlijke ideaal
+van de bevrijding der maagd, waar het eigenlijk enkel sensueele
+prikkeling en zelfvoldoening was. Nadat de schrijver van de _Quinze
+joyes de mariage_ al de zwakheden der vrouwen in een mat en fijn
+gekleurde satire heeft opgesomd, biedt hij wel aan, om nu ook de
+verongelijking der vrouwen te beschrijven, [419] maar hij doet het niet.
+Om een teere, vrouwelijke stemming uitgedrukt te vinden, moet men het
+Christine zelf vragen, zooals in haar versje, dat begint:
+
+ "Doulce chose est que mariage,
+ Je le puis bien par moy prouver".... [420]
+
+Doch hoe zwak klinkt het geluid van een enkele vrouw tegen dat koor van
+hoon, waarin de platte bandeloosheid instemt met de zedepreek. Want er
+is maar een geringe afstand tusschen de homiletische vrouwenverachting
+en de ruwe ontkenning der ideale liefde door de prozaische zinnelijkheid,
+door de wijsheid van de bittertafel.
+
+Het schoone spel van de liefde als levensvorm bleef gespeeld in den
+ridderlijken trant, in den herderlijken en in den kunstigen opzet van de
+rozen-allegorie, en al klonk van alle kanten de verloochening van al die
+conventie, toch behielden die vormen hun levens- en cultuurwaarde tot
+lang na de Middeleeuwen. Want de vormen, waarin het ideaal der liefde
+zich nu eenmaal hullen moet, zijn maar enkele voor alle tijden.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[358] Aldus wil de nieuwste uitgever van den Roman de la rose,
+E. Langlois, den naam herstellen.
+
+[359] Chastellain, IV p. 165.
+
+[360] Basin, II p. 224.
+
+[361] La Marche, II p. 350(2).
+
+[362] Froissart, IX p. 223-236; Deschamps, VII no. 1282.
+
+[363] Cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 15, vgl. I p. 277, II
+p. 20, 168 etc. en Quinze joyes de mariage, passim.
+
+[364] Petit de Julleville, Jean Regnier, bailli d'Auxerre, Revue d'hist.
+litt. de la France, 1895 p. 157, bij Doutrepont, p. 383; vgl. Deschamps,
+VIII p. 43.
+
+[365] H.F. Wirth, Der Untergang des niederlaendischen Volksliedes, Haag,
+1911.
+
+[366] Deschamps, VI p. 112, no. 1169, La lecon de musique.
+
+[367] Charles d'Orleans, Poesies completes, Paris 1874, 2 vol., I p. 12.
+42.
+
+[368] ib. p. 88.
+
+[369] Deschamps, VI p. 82, no 1151; zie b.v. V p. 132, no. 926, IX p.
+94, c. 31, VI p. 138, no. 1184, XI 18, no. 1438, en XI p. 269, 286(1).
+
+[370] Christine de Pisan, l'Epistre au dieu d'amours, Oeuvres poetiques,
+ed. M. Roy, II p. 1.
+
+[371] Martene et Durand, Amplissima Collectio, II col. 1421.
+
+[372] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martene et Durand, Ampl. coll.,
+II p. 1409, 1421, 1422.
+
+[373] Piaget, Etudes romanes dediees a Gaston Paris, p. 119.
+
+[374] Gerson, Opera, III p. 297; id. Considerations sur St. Joseph, III
+p. 866; Sermo contra luxuriem, III p. 923, 925, 930, 968.
+
+[375] Volgens Gerson. De brief van Pierre Col, bewaard in een hs. der
+Bibl. nationale, mss. francais 1563 f. 183, was mij niet toegankelijk.
+
+[376] Bibl. de l'ecole des chartes LX 1899. p. 569.
+
+[377] E. Langlois, Le Roman de la rose (Societe des anciens textes
+francais) 1914, t. I Introduction, p. 36.
+
+[378] A. Piaget, La cour amoureuse dite de Charles VI, Romania, XX p.
+417, XXXI p. 599, Doutrepont, p. 367.
+
+[379] Leroux de Lincy, Tentative de rapt etc. en 1405, Bibl. de l'ecole
+des chartes, 2e serie, III 1846, p. 316.
+
+[380] Piaget, Romania. XX p. 447.
+
+[381] Rabelais, Gargantua, 1. I. ch. 9.
+
+[382] Guillaume de Machaut, Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris. (Societe
+des bibliophiles francois 1875), p. 82, 213, 214, 240, 299, 309, 313,
+347, 351.
+
+[383] Juvenal des Ursins, p. 496.
+
+[384] Rabelais, Gargantua, 1. I ch. 9.
+
+[385] Coquillart, Droits nouveaux, I p. 111.
+
+[386] Christine de Pisan, I p. 187ss.
+
+[387] E. Hoepffner, Frage- und Antwortspiele in der franz. Literatur des
+14. Jahrh., Zeitschr. f. roman. Philologie, XXXIII 1909, p. 695, 703.
+
+[388] Christine de Pisan, Le dit de la rose vs. 75, Oeuvres poetiques,
+II p. 31.
+
+[389] Machaut, Remede de fortune vs. 3879ss., Oeuvres, ed. E. Hoepffner
+(Soc. des anc. textes francais) 1908/11, 2 vol., II p. 142.
+
+[390] Christine de Pisan, Le livre des trois jugements, Oeuvres
+poetiques II p. 111.
+
+[391] Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris, Societe des bibliophiles
+francois, 1875. De hypothese, dat er geen reeele liefdesgeschiedenis aan
+het werk van Machaut ten grondslag zou liggen (aldus Hanf, Zeitschr. f.
+Rom. Phil. XXII p. 145), mist elken grond.
+
+[392] Een kasteel bij Chateau Thierry.
+
+[393] Voir-Dit, lettre II p. 20.
+
+[394] Voir-Dit, lettre XXVII p. 203.
+
+[395] Voir-Dit, p. 20, 96, 146, 154, 162.
+
+[396] Voir-Dit, p. 371.
+
+[397] De kus met een blad ter isoleering komt meer voor: vgl. Le grand
+garde derriere, str. 6, W.G.C. Bijvanck, Un poete inconnu de la societe
+de Francois Villon, Paris, Champion, 1891, p. 27.
+
+[398] Voir-Dit, p. 143, 144.
+
+[399] Voir-Dit, p. 110.
+
+[400] Zie hierboven p. 66. (zie par. die begint met: "Wanneer eindelijk
+de aanzienlijkste is voorgegaan ..., M.D.)
+
+[401] Voir-Dit, p. 98, 70.
+
+[402] Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon
+(Bibl. elzevirienne) 1854.
+
+[403] p. 245 (zie Hoofdstuk IV, noot 464)
+
+[404] p. 28 (tekst volgend op noot 44, hoofdstuk I.)
+
+[405] p.45 (zie Hoofdstuk II noot 71)
+
+[406] De zin is geheel onlogisch (pensee ... fait penser ... a pensiers)
+en loopt niet rond; vat op: nergens zoo dikwijls, als in de kerk.
+
+[407] p. 249, p. 252 (zie hoofdstuk IV, noot 481)
+
+[408] Recollection des merveilles, bij Chastellain VII p. 200; vergelijk
+de beschrijving der Joutes de Saint Ingelevert in een gedicht, vermeld
+bij Froissart ed. Kervyn, XIV p. 406.
+
+[409] Le Pastoralet, ed. Kervyn de Lettenhove, (Chron. rel. a l'hist. de
+Belg. sous la dom. des ducs de Bourg.) II p. 573.
+
+[410] Meschinot, Les Lunettes des princes, bij La Borderie l.c., p. 606.
+
+[411] La Marche, III p. 135, 137.
+
+[412] Molinet, IV p. 389.
+
+[413] Molinet, I p. 190, 194; III p. 138; vgl. Juvenal des Ursins, p.
+382.
+
+[414] Deschamps, II p. 213. Lay de franchise; vgl. Chr. de Pisan, Le dit
+de la Pastoure, Le Pastoralet, roi Rene, Regnault et Jehanneton, Martial
+d'Auvergne, Vigilles du roi Charles VII, etc., etc.
+
+[415] Deschamps, no. 923, vgl. XI p. 322.
+
+[416] Villon, ed. Longnon, p. 83.
+
+[417] Gerson, Opera, III p. 302.
+
+[418] L'epistre au dieu d'amours, II p. 14.
+
+[419] Quinze joyes de mariage, p. 222.
+
+[420] Oeuvres poetiques, I p. 237, no. 26.
+
+
+ * * * * *
+
+
+V
+
+HET BEELD VAN DEN DOOD
+
+
+Geen tijd heeft de doodsgedachte met zooveel nadruk voortdurend aan
+allen opgedrongen als de vijftiende eeuw. Zonder ophouden klinkt door
+het leven de roep van het memento mori. In zijn Levensrichtsnoer voor
+den edelman vermaant Dionysius de Kartuizer: "En wanneer hij zich te bed
+legt, bedenke hij, dat, gelijk hij nu zichzelven neerlegt in het bed,
+spoedig zoo zijn lichaam door anderen in het graf zal worden gelegd."
+[421] Het geloof had ook vroeger de bestendige gedachte aan den dood met
+ernst ingeprent, doch de vrome tractaten der eerdere Middeleeuwen
+bereikten enkel de toch reeds van de wereld gescheidenen. Eerst sedert
+door de opkomst der bedelorden de volksprediking groot was geworden,
+zwol die vermaning aan tot een dreigend koor, dat met fugatische
+hevigheid door de wereld klonk. Tegen het laatst der Middeleeuwen voegde
+zich bij het woord van den prediker de afbeelding voor allen, de
+houtsnee in het bijzonder. Deze beide massale uitdrukkingsmiddelen, de
+preek en de afbeelding, konden de doodsgedachte slechts weergeven in een
+zeer eenvoudige, directe en levendige voorstelling, scherp en fel. Alles
+wat de kloosterling van vroeger tijden over den dood gemediteerd had,
+verdichtte zich nu tot een uiterst primitief, populair en lapidair
+doodsbeeld, en in die gedaante wordt in woord en figuur de gedachte aan
+de menigte voorgehouden. Dat doodsbeeld heeft uit het groote
+gedachtencomplex, dat zich om het sterven weeft, eigenlijk slechts een
+element kunnen opnemen: het besef der vergankelijkheid. Het is, alsof de
+laat-middeleeuwsche geest den dood onder geen ander aspect heeft weten
+te zien dan enkel dat der vergankelijkheid.
+
+Drie thema's waren het, die de melodie leverden voor die nooit volzongen
+klacht over het einde van alle aardsche heerlijkheid. Daar was vooreerst
+het motief: waar zijn allen gebleven, die vroeger de wereld vulden met
+hun heerlijkheid? Dan was er het motief van de huiverende aanschouwing
+der verrotting van al wat eenmaal menschelijke schoonheid was. Tenslotte
+het motief van den doodendans, de dood de menschen met zich sleurende
+uit elk bedrijf, uit elken leeftijd.
+
+Vergeleken bij de twee laatste motieven met hun beklemmend afgrijzen was
+het eerste der drie slechts een lichte, elegische verzuchting. Men vindt
+het reeds aangeheven in de zware leoninische verzen van den Cluniacenser
+monnik Bernard van Morlay omstreeks 1140:
+
+ "Est ubi gloria nunc Babylonia? nunc ubi dirus
+ Nabugodonosor, et Darii vigor, illeque Cyrus?
+ Qualiter orbita viribus inscita (?) praeterierunt,
+ Fama relinquitur, illaque figitur, hi putruerunt.
+ Nunc ubi curia, pompaque Julia? Caesar abisti!
+ Te truculentior, orbe potentior ipse fuisti.
+
+ Nunc ubi Marius atque Fabricius inscius auri?
+ Mors ubi nobilis et memorabilis actio Pauli?
+ Diva philippica vox ubi coelica nunc Ciceronis?
+ Pax ubi civibus atque rebellibus ira Catonis?
+ Nunc ubi Regulus? aut ubi Romulus, aut ubi Remus?
+ Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus." [422]
+
+Het klinkt opnieuw, minder schoolsch, in verzen, die ondanks hun
+korteren bouw toch nog den dreun van den leoninischen hexameter behouden
+hebben: in de Franciscaansche poezie der dertiende eeuw. Jacopone van
+Todi, de joculator Domini, is naar alle waarschijnlijkheid de dichter
+geweest van de strofen, die onder den titel _Cur mundus militat sub vana
+gloria_ de regels bevatten:
+
+ "Dic ubi Salomon, olim tam nobilis
+ Vel Sampson ubi est, dux invincibilis,
+ Et pulcher Absalon, vultu mirabilis,
+ Aut dulcis Jonathas, multum amabilis?
+ Quo Cesar abiit, celsus imperio?
+ Quo Dives splendidus totus in prandio?
+ Die ubi Tullius, clarus eloquio,
+ Vel Aristoteles, summus ingenio"? [423]
+
+Deschamps heeft hetzelfde thema verscheiden malen berijmd; Gerson brengt
+het te pas in een preek, Dionysius de Kartuizer in het tractaat over de
+Vier uitersten. Chastellain spint het uit in een lang gedicht _Le Pas de
+la mort,_ om van anderen te zwijgen. [426] Villon weet er een nieuw
+accent in te leggen: dat van zachten weemoed, in de _Ballade des dames
+du temps jadis_ met het refrein:
+
+ "Mais ou sont les neiges d'antan"? [425]
+
+En vervolgens sprenkelt hij het met ironie in de ballade der heeren,
+waar tusschen de koningen, pausen, vorsten van zijn tijd hem invalt:
+
+ "Helas! et le bon roy d'Espaigne
+ Duquel je ne scay pas le nom"? [426]
+
+Dat zou de brave hoveling Olivier de la Marche zich niet veroorloofd
+hebben, waar hij in zijn _Parement et triumphe des dames_ al de
+gestorven vorstinnen van zijn tijd op het bekende thema beklaagt.
+
+Wat is er over van al die menschelijke schoonheid en heerlijkheid?
+Herinnering, een naam. Maar de weemoed van die gedachte is niet genoeg,
+om de behoefte aan felle huivering voor den dood te bevredigen. Dus
+houdt de tijd zich den spiegel voor van een zichtbaarder verschrikking,
+de vergankelijkheid op korten termijn: de verrotting van het lijk.
+
+De geest van den wereldverzakenden Middeleeuwer had altijd reeds gaarne
+verwijld bij stof en wormen: in de kerkelijke tractaten over de
+verachting der wereld waren al de verschrikkingen der ontbinding reeds
+opgeroepen. Maar de uitwerking van de details dier voorstelling komt
+later. Eerst tegen het einde der veertiende eeuw maakt de beeldende
+kunst zich van dit motief meester; [427] er was een zekere graad van
+realistische uitdrukking noodig, om het in sculptuur of schilderij
+treffend te verwerken, en dat vermogen was omstreeks 1400 bereikt.
+Tegelijk verbreidt zich het motief van de kerkelijke litteratuur naar
+die van het volk. Tot diep in de zestiende eeuw ziet men aan de
+grafteekens de afschuwelijk gevarieerde voorstellingen van het naakte
+lijk, rottend of verschrompeld, met de krampachtige handen en voeten en
+den gapenden mond, met de kronkelende wormen in het ingewand. Bij die
+vreeselijkheid wil de gedachte altijd weer stilstaan. Is het niet vreemd,
+dat zij zich nooit een schrede verder waagt, om te zien, hoe ook die
+rottenis zelve weer vergaat, en aarde en bloemen wordt?
+
+Is het een werkelijk vrome gedachte, die zich zoo verstrikt in den
+afkeer van de aardsche zijde des doods? Of is het de reactie van een
+allerfelste zinnelijkheid, die slechts zoo uit haar bedwelming van
+levensdrift ontwaken kan? Is het de levensbangheid, die den tijd zoo
+sterk doortrekt, de stemming van teleurgesteldheid en ontmoediging, die
+neigen wil naar de ware overgave van wie volstreden en gewonnen heeft,
+maar die toch nog zoo dicht staat bij al wat aardsche hartstocht is? Al
+die gevoelsmomenten zijn in deze uiting van de doodsgedachte ongescheiden
+vereenigd.
+
+Levensbangheid: het verloochenen van de schoonheid en het geluk, omdat
+er rampen en smart mee verbonden zijn. Er is een buitengewone gelijkenis
+tusschen de Oud-indische, met name de boeddhistische, en de
+christelijk-middeleeuwsche uitdrukking van dat sentiment. Ook daar
+altijd weer die afschuw van ouderdom, ziekte en dood, ook daar de dik
+opgelegde kleuren der verrotting. De naieve Indische aesthetici hadden
+er zelfs een eigen poetisch genre, _bibhatsa-rasa_ of de stemming van
+het walgelijke, van gemaakt, onderscheiden in drie onderafdeelingen, al
+naar de afschuw wordt gewekt door het afzichtelijke, het gruwelijke of
+het wellustige, gelijk vrouwenborsten den asceet doen walgen, [428] De
+monnik meende het zoo goed te hebben gezegd, als hij de oppervlakkigheid
+van het lichamelijk schoon aanwees. "Corporea pulchritudo in pelle
+solummodo constat. Nam si viderent homines hoc quod subtus pellem est,
+sicut lynces in Boeotia cernere interiora dicuntur, mulieres videre
+nausearent. Iste decor in flegmate et sanguine et humore ac felle
+consistit. Si quis enim considerat quae intra nares, et quae intra
+fauces et quae intra ventrem lateant, sordes utique reperiet. Et si nec
+extremis digitis flegma vel stercus tangere patimur, quomodo ipsum
+stercoris saccum amplecti desideramus?" [429]
+
+Het moedelooze refrein van de verachting der wereld was voor de latere
+Middeleeuwen vastgelegd in het tractaat van dien naam van Innocentius
+III. Wonderlijk, die machtigste en voorspoedigste staatsman op den stoel
+van Petrus, in zooveel aardsche zaken en belangen gemengd en opgaand, en
+die in deze levensverguizing als 't ware meent zijn hoogheid te boeten.
+"Concipit mulier cum immunditia et fetore, parit cum tristitia et
+dolore, nutrit cum angustia et labore, custodit cum instantia et
+timore." [430] O al de lachende vreugden van het moederschap!--"Quis
+unquam vel unicam diem totam duxit in sua delectatione jucundam ... quem
+denique visus vel auditus vel aliquis ictus non offenderit?" [431] Was
+het christelijke wijsheid of het pruilen van een bedorven kind?
+
+Er is zonder twijfel in dat alles een geest van ontzaglijk materialisme,
+die de gedachte aan het einde van schoonheid niet kon verdragen zonder
+aan die schoonheid zelf te vertwijfelen. En let wel, hoe (althans in de
+litteratuur, niet zoozeer in de beeldende kunst) in het bijzonder het
+vrouwenschoon beklaagd wordt. Er is hier nauwelijks een grens tusschen
+de godsdienstige vermaning, om aan den dood en aan de vergankelijkheid
+van het aardsche te denken, en de spijt van de oude minnares over het
+verval der schoonheid, die zij niet meer geven kan.
+
+Ziehier eerst een voorbeeld, waar de stichtelijke vermaning nog op den
+voorgrond staat. In het Celestijnen-klooster te Avignon bevond zich voor
+de Revolutie een schildering, die de overlevering aan den kunstrijken
+stichter koning Rene zelf toeschreef. Zij stelde een rechtopstaand
+vrouwenlijk voor, met een sierlijk kapsel, gehuld in haar lijkwade; de
+wormen verteerden het lichaam. De eerste strofen van het onderschrift
+luidden:
+
+ "Une fois sur toute femme belle
+ Mais par la mort suis devenue telle.
+ Ma chair estoit tres belle, fraische et tendre,
+ Or, est-elle toute tournee en cendre.
+ Mon corps estoit tres plaisant et tres gent,
+ Je me souloye souvent vestir de soye,
+ Or en droict fault que toute nue je soye.
+ Fourree estois de gris et de menu vair,
+ En grand palais me logeois a mon vueil,
+ Or suis logiee en ce petit cercueil.
+ Ma chambre estoit de beaux tapis ornee,
+ Or est d'aragnes ma fosse environnee." [432]
+
+Dat deze vermaningen hun werking niet misten, bewijst de legende, die
+zich daaraan verder gesponnen had, hoe de koninklijke kunstenaar zelf,
+die levens- en schoonheidsminnaar bij uitnemendheid, zijn geliefde drie
+dagen na de teraardebestelling in het graf zou hebben gezien, en toen
+geschilderd.
+
+De stemming verandert reeds een weinig in de richting van wereldsche
+zinnelijkheid, wanneer de waarschuwing voor de vergankelijkheid niet aan
+het gruwelijk lijk van een ander wordt gedemonstreerd, maar de levenden
+gewezen worden op hun eigen lichaam, nu nog schoon, maar spoedig voor de
+wormen. Olivier de la Marche besluit zijn stichtelijk allegorisch
+gedicht over de vrouwenkleeding _Le parement et triumphe des dames_ met
+den Dood, die aan alle schoonheid en ijdelheid den spiegel voorhoudt:
+
+ "Ces doulx regards, ces yeulx faiz pour plaisance,
+ Pensez y bien, ilz perdront leur clarte,
+ Nez et sourcilz, la bouche d'eloquence
+ Se pourriront...." [433]
+
+Toch is dit nog een eerlijk memento mori. Maar het
+gaat onmerkbaar over in een spijtig, wereldsch en zelfzuchtig
+beklag over de nadeelen van den ouderdom:
+
+ "Se vous vivez le droit cours de nature
+ Dont LX ans est pour ung bien grant nombre,
+ Vostre beaulte changera en laydure,
+ Vostre sante en maladie obscure,
+ Et ne ferez en ce monde que encombre.
+ Se fille avez, vous luy serez ung umbre,
+ Celle sera requise et demandee,
+ Et de chascun la mere habandonnee." [434]
+
+Alle vrome, stichtelijke zin is verre, als Villon de balladen dicht,
+waarin "la belle heaulmiere", eens een befaamde Parijsche courtisane,
+haar vroeger onweerstaanbare bekoorlijkheden vergelijkt met al de
+leelijkheden van haar vervallen lichaam.
+
+ "Qu'est devenu ce front poly,
+ Ces cheveulx blons, sourcils voultiz,
+ Grant entroeil, le regart joly,
+ Dont prenoie les plus soubtilz;
+ Ce beau nez droit, grant ne petiz,
+ Ces petites joinctes oreilles,
+ Menton fourchu, cler vis traictiz
+ Et ces belles levres vermeilles?
+ * * * * * * * * * * * *
+ Le front ride, les cheveux gris,
+ Les sourcilz cheuz [435], les yeuls estains...." [436]
+
+In een der poetische boeken van de heilige schrift der zuidelijke
+Boeddhisten heeft men het lied eener vrome oude non Ambapali, van
+eenzelfde verleden als "la belle heaulmiere". Ook zij vergelijkt haar
+schoonheid van eertijds met haar weerzinwekkenden ouderdom, hier met
+dankbaren lof voor het verdwijnen van dat nietswaardig schoon. [437]
+Maar is de afstand van het sentiment wel zoo groot, als hij schijnen
+wil?
+
+De felle afschuw van de ontbinding van het aardsche lichaam heeft haar
+tegenkant in de hooge waarde, die men toekent aan het onbedorven blijven
+van de lijken van sommige heiligen, zooals Sint Rosa van Viterbo. Het is
+een van de kostbaarste heerlijkheden van Maria, dat haar lichaam voor de
+ontbinding op aarde gespaard is gebleven door haar hemelvaart. [438]
+Weer op een andere wijze spreekt de materialistische geest, die zich
+niet kon losmaken van de gedachte aan het lichaam, uit de bijzondere
+zorg, waarmee sommige lijken behandeld worden. Er bestond een gewoonte,
+om terstond na den dood de trekken van het aangezicht van een
+aanzienlijken gestorvene bij te schilderen, opdat voor de begrafenis
+geen bederf zichtbaar zou zijn. [439] Het lijk van een prediker van de
+kettersche secte der Turlupins, die te Parijs in de gevangenis voor het
+vonnis gestorven was, wordt veertien dagen in een vat met kalk bewaard,
+om het te zamen met een levende kettersche te kunnen verbranden. [440]
+Van de Engelschen, die in Frankrijk gesneuveld of gestorven zijn, wordt
+veelal het lijk in stukken gesneden, gekookt, tot het vleesch loslaat
+van de beenderen, die gereinigd en in een koffer naar Engeland gezonden
+worden, terwijl de rest begraven wordt. Zoo geschiedt met Hendrik V, met
+de lords York en Oxford, bij Azincourt gesneuveld, met Glasdale, bekend
+uit de geschiedenis van Jeanne d'Arc, met een neef van Sir John
+Fastolfe. [441]
+
+In de veertiende eeuw komt het wonderlijke woord macabre op, als om de
+geheele laat-middeleeuwsche visie van den dood te markeeren. Het woord
+(tot in de 17e eeuw luidde het macabre) is onvoldoende verklaard, wat
+zijn oorsprong betreft, maar de beteekenisnuance, die het uit zijn
+gebruik verworven heeft, is zoo scherp en eigen, dat zij geen
+omschrijving behoeft. De macabere opvatting van den dood is in onzen
+tijd nog voornamelijk te vinden op dorpskerkhoven, waar men er in rijm
+en figuur den nagalm van hoort. In het einde der Middeleeuwen is zij een
+groote cultuurgedachte geweest. Er raakte in de voorstelling van den
+dood een nieuw, aangrijpend fantastisch element gemengd, een rilling,
+die opkwam uit het ijzige bewustzijnsgebied van spokenvrees en klammen
+schrik. De alles-beheerschende godsdienstige gedachte zette haar
+aanstonds om in moraal, herleidde haar tot memento mori, maar maakte
+gaarne gebruik van al de huiveringwekkende suggestie, die het spectrale
+karakter der voorstelling meebracht.
+
+Rondom den Doodendans groepeeren zich de verwante voorstellingen van het
+sterven, die tot verschrikking en vermaning dienen moesten. De sproke
+van de Drie dooden en de drie levenden gaat aan den Doodendans vooraf.
+[442] Reeds in de dertiende eeuw komt zij op in de Fransche litteratuur:
+drie jonge edellieden ontmoeten plotseling drie afzichtelijke dooden,
+die hen wijzen op hun eigen voormalige aardsche grootheid en op het
+spoedig einde, dat hun, den levenden, wacht. De aangrijpende figuren, in
+het Campo santo van Pisa zijn wel de oudste voorstelling van het thema
+in de groote kunst; het beeldhouwwerk aan het portaal van de kerk der
+Innocents te Parijs, waar de hertog van Berry in 1408 het onderwerp liet
+afbeelden, is verloren. Maar miniatuur en houtsnee maken het in de
+vijftiende eeuw tot gemeen goed, en ook als muurschildering is het zeer
+verbreid.
+
+De voorstelling van de drie dooden en de drie levenden vormt de schakel
+tusschen het afzichtelijke beeld der verrotting en de gedachte door den
+Doodendans verbeeld, hoe voor den dood allen gelijk zijn. De
+kunsthistorische ontwikkeling van het gegeven kome hier slechts even ter
+sprake. Ook van den Doodendans schijnt Frankrijk het land van herkomst.
+Doch hoe is hij ontstaan? als een werkelijk gespeelde vertooning, of
+als afbeelding? Het is bekend, dat de these van Emile Male, die de
+uitwerking der motieven in de beeldende kunst der vijftiende eeuw
+beschouwt als in den regel ontleend aan het zien van dramatische
+vertooningen, in haar algemeenheid niet voor de kritiek bestand is
+gebleken. Maar ten opzichte van den Doodendans zou het kunnen zijn, dat
+men op die verwerping een uitzondering moest maken; dat hier inderdaad
+de vertooning aan de afbeelding is voorafgegaan. In ieder geval, 't zij
+vroeger of later, de Doodendans werd gespeeld evengoed als geschilderd
+of in prent gebracht. De hertog van Bourgondie laat hem in 1449 opvoeren
+in zijn hotel te Brugge. [443] Hadden wij eenig denkbeeld van de
+uitmonstering van zulk een spel: de kleuren, de bewegingen, het glijden
+van licht en schaduwen over de dansenden, wij zouden nog beter de
+ernstige verschrikking begrijpen, die de Doodendans over de gemoederen
+bracht, dan het ons de houtsneden van Guyot Marchant en van Holbein
+doen.
+
+De houtsneden, waarmee de Parijsche drukker Guyot Marchant in 1485 de
+eerste uitgave van de _Danse macabre_ versierde, waren zoo goed als
+zeker, evenals de verzen, ontleend aan den beroemdsten en oudsten aller
+Doodendansen, die welke in het jaar 1424 als muurschildering in de
+galerij van het kerkhof der Innocents te Parijs was aangebracht. [444]
+Zij is in de zeventiende eeuw door afbraak van de galerij verdwenen.
+Het is de meest populaire verbeelding van den dood geweest, die de
+Middeleeuwen hebben gekend: duizenden hebben dag in dag uit op die
+zonderlinge en macabere plaats van samenkomst, die het kerkhof der
+Innocents was, de eenvoudige figuren aanschouwd en de bevattelijke
+verzen, waarvan elk couplet met een bekend spreekwoord eindigde,
+gelezen, zich getroost over de gelijkheid in den dood en gehuiverd voor
+het einde. Nergens kon die aapachtige dood zoo op zijn plaats zijn, die
+grinnikend, met de passen van een ouden stijven dansmeester, den paus,
+den keizer, den edelman, den daglooner, den monnik, het kleine kind, den
+zot en al de andere beroepen en standen uitnoodigend meetrekt. Geven de
+houtsneden van 1485, die blijkens de kleederdracht geen getrouwe copie
+zijn, nog eenigszins den indruk weer van de vermaarde muurschildering?
+Misschien zal men daarvoor nog eer moeten zien naar den Doodendans uit
+de kerk van La Chaise-Dieu, [445] waar het spookachtige van de
+voorstelling nog verhoogd wordt door den half-voltooiden staat der
+schildering.
+
+Het lijk, dat veertig maal terugkeert, om den levende te halen, is
+eigenlijk nog niet de Dood, maar de doode. De verzen noemen de figuur
+Le mort (bij den doodendans der vrouwen La morte); het is een danse des
+morts, niet de la Mort. Het is ook hier niet een geraamte, maar een nog
+niet geheel ontvleescht lichaam met den gespleten hollen buik. Eerst
+omstreeks 1500 wordt de figuur van den grooten danser een geraamte,
+zooals wij het van Holbein kennen. Dan heeft zich de voorstelling van
+een vagen dooden dubbelganger gecondenseerd tot die van den Dood als
+actieven, persoonlijken levenseindiger. Zoo was hij in de Middeleeuwen
+nog niet verbeeld. In den ouderen doodendans is de onvermoeide danser
+nog de levende zelf, zooals hij zijn zal in de naaste toekomst, een
+angstwekkende verdubbeling van zijn persoon, het beeld, dat hij in den
+spiegel ziet; niet, zooals sommigen willen, een vroeger gestorvene van
+gelijken stand of waardigheid. Juist dit: gij zijt het zelf, gaf aan den
+doodendans zijn huiveringwekkendste kracht.
+
+Ook in het fresco, dat de gewelfde overhuiving sierde van het
+grafmonument van koning Rene en zijn gemalin Isabella in de kathedraal
+van Angers, was het feitelijk nog de koning zelf, die was voorgesteld.
+Men zag er een skelet (of zal ook dit eer een lijk zijn geweest?) in een
+langen mantel, zittend op een gouden troon, dat met de voeten mijters,
+kronen, wereldbol en boeken wegschopt. Het hoofd was op de dorre hand
+geleund, die een wankelende kroon zocht te steunen. [446]
+
+De oorspronkelijke doodendans gaf enkel mannen te zien. De bedoeling, om
+aan de vermaning over de vergankelijkheid en ijdelheid van het aardsche
+tegelijk de les der maatschappelijke gelijkheid te verbinden, bracht uit
+den aard der zaak de mannen, als de dragers der maatschappelijke
+beroepen en waardigheden, op den voorgrond. De doodendans was niet
+alleen een vroom vermaan, maar ook een sociale satire, en er is in de
+begeleidende verzen een zwakke ironie. Nu gaf echter dezelfde Guyot
+Marchant als vervolg op zijn uitgave een doodendans der vrouwen,
+waarvoor Martial d'Auvergne de verzen maakte. De onbekende teekenaar der
+houtsneden bleef achter bij het model, dat hem de eerdere uitgave
+leverde: hij vond enkel de hideuse figuur van het rif, om welks schedel
+nog schaarsche vrouwenharen zwieren. In den doodendans der vrouwen nu
+treedt terstond dat sensueele element weer op, dat ook het thema
+doortrok van het beklag over schoonheid, die verrotting wordt. Hoe kon
+het ook anders? Er waren geen veertig beroepen en waardigheden van
+vrouwen te vermelden; met de voornaamste standen, koningin, edelvrouw
+enz., enkele geestelijke functies of staten, en een paar bedrijven als
+koopvrouw, baker enz. was de voorraad uitgeput. De rest kon slechts
+worden aangevuld, door de vrouw te beschouwen in de verschillende staten
+van haar vrouwenleven zelf: als maagd, geliefde, bruid, jonggetrouwde,
+zwangere. En zoo is het ook hier weer de klacht om verdwenen of nooit
+genoten vreugde en schoonheid, die den toon van het memento mori
+schriller doet klinken.
+
+Een beeld ontbrak nog in de verschrikkende verbeelding van het sterven:
+dat van het doodsuur zelf. De schrik voor die stonde kon den geest niet
+levendiger worden ingeprent dan door te herinneren aan Lazarus: deze had
+na zijn herrijzenis, heette het, niet anders gekend dan jammerlijk
+afgrijzen voor den dood, dien hij reeds eens geleden had. En als de
+rechtvaardige zoo moest vreezen, hoe dan de zondaar? [447] De
+voorstelling van den doodsstrijd was de eerste der Vier uitersten,
+Quattuor hominum novissima, die het den mensch goed was staag te
+overdenken: dood, jongste gericht, hel en hemel. Als zoodanig reikt zij
+in het gebied van de hiernamaalsvoorstellingen. Hier komt voorloopig
+alleen de voorstelling van het lichamelijke sterven zelf ter sprake.
+Nauw verwant met het thema der Vier uitersten is de Ars moriendi, een
+schepping der vijftiende eeuw, die evenals de Doodendans door boekdruk
+en houtsnede verder werkte dan eenige vrome gedachte tevoren. Zij
+behandelt de verzoekingen, vijf in getal, waarmee de duivel den
+stervende belaagt: den twijfel aan het geloof, de wanhoop over zijn
+zonden, de gehechtheid aan zijn aardsche goederen, vertwijfeling over
+zijn eigen lijden, eindelijk den hoogmoed over eigen deugd. Telkens komt
+een engel de lagen van Satan afweren met zijn troost. De beschrijving
+van den doodsstrijd zelf was oude stof; men herkent er steeds weer
+hetzelfde kerkelijke model in. [448]
+
+Chastellain heeft in een uitvoerig gedicht _Le Pas de la Mort_ [449] al
+de hier besproken motieven saamgevat. Hij begint met het aangrijpende
+verhaal, dat zelfs in de deftige wijdloopigheid, dezen schrijver eigen,
+zijn werking niet mist, hoe zijn stervende geliefde hem bij zich riep en
+met gebroken stem zeide:
+
+ "Mon amy, regardez ma face.
+ Voyez que fait dolante mort
+ Et ne l'oubliez desormais;
+ C'est celle qu'aimiez si fort;
+ Et ce corps vostre, vil et ort,
+ Vous perderez pour un jamais;
+ Ce sera puant entremais
+ A la terre et a la vermine:
+ Dure mort, toute beaute fine."
+
+Daarop maakt de dichter een Spiegel des doods. Eerst werkt hij het thema
+Waar zijn nu de grooten der aarde? uit: veel te lang, eenigszins
+schoolmeesterachtig, zonder iets van den luchtigen weemoed van Villon.
+Dan volgt iets als een eerste opzet van een doodendans, maar zonder
+kracht of verbeelding. Tenslotte berijmt hij de Ars moriendi. Hier is
+zijn beschrijving van den doodsstrijd:
+
+ "Il n'a membre ne facture
+ Qui ne sente sa pourreture.
+ Avant que l'esperit soit hors,
+ Le coeur gui veult crevier au corps
+ Haulce et soulieve la poitrine
+ Qui se veult joindre a son eschine.
+ --La face est tainte et apalie,
+ Et les yeux treillies en la teste.
+ La parolle luy est faillie,
+ Car la langue au palais se lie.
+ Le poulx tressault et sy halette.
+ * * * * * * * * * * * *
+ Les os desjoindent a tous lez;
+ Il n'a nerf qu'au rompre ne tende." [450]
+
+Villon besluit dat alles in een half couplet, veel aangrijpender. [451]
+Toch herkent men het gemeenschappelijk voorbeeld.
+
+ "La mort le fait fremir, pallir,
+ Le nez courber, les vaines tendre,
+ Le col enfler, la chair mollir,
+ Joinctes et nerfs croistre et estendre."
+
+En dan weer die sensueele gedachte, die telkens door al deze
+voorstellingen van verschrikking heen loopt:
+
+ "Corps femenin, qui tant est tendre,
+ Poly, souef, si precieux,
+ Te fauldra il ces maulx attendre?
+ Oy, ou tout vif aller es cieulx."
+
+--Nergens was alles wat den dood voor oogen riep, zoo treffend bijeen
+als op het kerkhof der Innocents te Parijs. Daar genoot de geest de
+huivering van het macabere in haar volste maat. Alles werkte mee, om aan
+deze plek de sombere heiligheid en bonte griezeligheid te geven, die de
+late Middeleeuwen zoo hevig begeerden. Reeds de heiligen, aan wie de
+kerk en het kerkhof gewijd waren, de Onnoozele kinderen, die in de
+plaats van Christus geslacht waren, brachten door hun martelie die
+wreede roering en bloedige verteedering aan, waarin de tijd zwelgde.
+Juist in deze eeuw kwam hun vereering sterk op den voorgrond. Men bezat
+meer dan een reliek van de knaapjes van Bethlehem: Lodewijk XI schonk
+aan de hun gewijde kerk te Parijs "un Innocent entier", besloten in een
+grooten kristallen schrijn. [452] Het kerkhof was de plaats, waar men
+liever rustte dan ergens anders. Een bisschop van Parijs liet een weinig
+aarde van het kerkhof der Innocents in zijn graf leggen, daar hij er
+niet begraven kon worden. [453] Arm en rijk lag er dooreen, en niet voor
+lang, want zoo druk was het gebruik der begraafplaats, waarop twintig
+parochien het recht van begraven hadden, dat na verloop van eenigen tijd
+de beenderen werden opgegraven en de steenen verkocht. Het heette, dat
+een lichaam er in negen dagen tot op de beenderen verging. [454]
+Schedels en beenderen werden dan opgestapeld in de knekelzolders boven
+de zuilengang, die het kerkhof aan drie zijden omringde: bij duizenden
+lagen zij daar open en bloot voor het gezicht, en preekten de les van
+gelijkheid. Onder de arcaden was in de schildering en de verzen van den
+Doodendans diezelfde les te zien en te lezen. Voor het maken van de
+"beaux charniers" had onder anderen de edele Boucicaut geld gegeven.
+[455] Aan het portaal der kerk had de hertog van Berry, die daar rusten
+wilde, de voorstelling van de drie dooden en de drie levenden laten
+beeldhouwen. Later, in de zestiende eeuw, verrees op het kerkhof nog de
+groote Dood, die in het Louvre eenzaam de eenige rest uitmaakt van al
+wat daar bijeen was.
+
+Deze plek nu was voor de Parijzenaars der vijftiende eeuw als een luguber
+Palais royal van 1789. Te midden van het voortdurende begraven en weer
+opgraven was het er een wandelplaats en een vereenigingspunt. Men vond
+er winkeltjes bij de knekelhuizen en lichte vrouwen onder de arcaden.
+Een ingemetselde kluizenares aan de zijde der kerk verhoogde de
+bezienswaardigheid. Soms kwam een bedelmonnik preeken op de plaats, die
+zelf een preek in middeleeuwschen stijl was. Soms verzamelde er zich een
+processie van kinderen: 12500, zegt de burger van Parijs, allen met
+kaarsen, die een Innocent naar de Notre Dame en weer terug droegen.
+Zelfs feesten werden er gegeven. [456] Zoo was het huiveringwekkende
+weer alledaagsch geworden.
+
+In de zucht tot directe verbeelding van den dood, waarbij al het
+onverbeeldbare moest worden prijsgegeven, werden alleen de grovere
+aspecten van den dood in het bewustzijn gedrongen. In de macabere visie
+van den dood ontbreekt zoo goed als al het teere, al het elegische. En
+in den grond is het een zeer deeszijdig, zelfzuchtig gezicht op den
+dood. Het is niet de rouw om het gemis van geliefden, maar de spijt om
+den eigen komenden dood, enkel gezien als onheil en verschrikking. Daar
+is geen gedachte in aan den dood als trooster, aan het einde van lijden,
+aan de begeerde rust, de vervulde of de afgebroken taak, geen teedere
+herinnering, geen berusting. Niets van de "divine depth of sorrow".
+Slechts een enkele maal klinkt er een weeker accent. In den doodendans
+spreekt de doode den daglooner aan:
+
+
+ "Laboureur qui en soing et painne
+ Avez vescu tout vostre temps,
+ Morir fault, c'est chose certainne,
+ Reculler n'y vault ne contens (tegenstribbeling).
+ De mort devez estre contens
+ Car de grant soussy vous delivre...."
+
+Maar de daglooner beklaagt toch het leven, waarvan hij dikwijls het eind
+heeft gewenscht.
+
+Martial d'Auvergne laat in zijn doodendans der vrouwen het kleine meisje
+tot haar moeder roepen: bewaar toch goed mijn pop, mijn bikkels en mijn
+mooie jurk. De aandoenlijke accenten van het kinderleven zijn in de
+litteratuur der late Middeleeuwen uitermate zeldzaam; er was geen plaats
+voor in de gewichtige stijfheid van den grooten stijl. Noch de kerkelijke
+noch de wereldlijke litteratuur kennen eigenlijk het kind. Wanneer
+Antoine de la Salle in _Le Reconfort_ [457] een edelvrouw wil troosten
+over het verlies van haar zoontje, weet hij niet anders te geven dan het
+verhaal van een knaap, die nog wreeder zijn jonge leven verloor, als
+gijzelaar omgebracht. Als overwinning der smart kan hij haar niet anders
+bieden dan de leer, om aan niets wat aardsch is te hechten. Maar dan
+laat hij volgen, wat wij kennen als het volkssprookje van het doodshemdje:
+het gestorven kindje, dat zijn moeder komt vragen om niet langer te
+schreien, opdat zijn doodshemdje kan drogen. En het is opeens een veel
+inniger geluid dan het in duizend tonen gezongen memento mori. Zouden niet
+volksverhaal en volkslied in die eeuwen allerlei sentimenten hebben
+bewaard, die de litteratuur nauwelijks kent?
+
+De kerkelijke gedachte der late Middeleeuwen kent alleen de twee uitersten:
+de klacht om de vergankelijkheid, om het einde van macht, eer en genot,
+om het vergaan van schoonheid, en den jubel om de geredde ziel in haar
+zaligheid. Alles wat daartusschen ligt, blijft onuitgesproken. In de
+doorgevoerde verbeelding van den doodendans en het ijselijke rif versteent
+de levende aandoening.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[421] Directorium vitae nobilium, Dionysii Opera, t. XXXVII, p. 550;
+t. XXXVIII p. 358.
+
+[422] Bernardi Morlanensis De contemptu mundi, ed. Th. Wright, The
+Anglo-latin satirical poets and epigrammatists of the twelfth century
+(Rerum Britannicarum medii aevi scriptores), London, 1872, 2 vol., II p.
+37.
+
+[423] Vroeger toegeschreven aan Bernard van Clairvaux, door sommigen voor
+het werk van Walter Mapes gehouden; vgl. H.L. Daniel, Thesaurus
+hymnologicus, Lipsiae 1841-1856, IV p. 288.
+
+[424] Deschamps, III no. 330, 345, 368, 399.--Gerson, Sermo III de
+defunctis, Opera, III p. 1568; Dion. Cart. De quatuor hominum
+novissimis, Opera, t. XLI p. 511; Chastellain, VI p. 52.
+
+[425] Villon, ed. Longnon, p. 33.
+
+[426] Ib. p. 34.
+
+[427] Emile Male, l'Art religieux a la fin du moyen age, Paris, 1908,
+p. 376.
+
+[428] Zie mijn De Vidushaka in het Indisch tooneel, Groningen, 1897,
+p. 77.
+
+[429] Odo van Cluny, Collationum lib. III, Migne t. CXXXIII, p. 556.
+
+[430] Innocentius III, de contemptu mundi sive de miseria conditionis
+humanae libri tres, Migne t. CCXVII p. 702. Het tractaat is overigens
+uit den tijd voor zijn pausschap.
+
+[431] Ib. p. 713.
+
+[432] Oeuvres du roi Rene, ed. Quatrebarbes I p. cl. Na den 5en den
+8en regel schijnt een vers te ontbreken; waarschijnlijk rijmde op
+"menu vair" "mange des vers" of iets dergelijks.
+
+[433] Olivier de la Marche, Le Parement et triumphe des dames, Paris,
+Michel le Noir, 1520, aan het slot.
+
+[434] Ib.
+
+[435] Uitgevallen.
+
+[436] Villon, Testament, vs. 453 ss., ed. Longnon, p. 39.
+
+[437] H. Kern, Het lied van Ambapali uit de Therigatha, Versl. en Meded.
+der Kon. Akad. v. wetenschappen (6) III p. 153, 1917.
+
+[438] Molinet, Faictz et dictz, fo. 4, fo. 42v.
+
+[439] Proces over de zaligverklaring van Pieter van Luxemburg, 1390,
+Acta sanctorum Julii, I p. 562.
+
+[440] Les Grandes chroniques de France, ed. Paulin Paris, Paris
+1836-'38, 6 vol., VI p. 334.
+
+[441] Juvenal des Ursins, p. 567; Journal d'un bourgeois, p. 237, 307,
+671; Lefevre de S. Remy, I p. 260.
+
+[442] Zie over dit alles Emile Male, l'Art religieux a la fin du
+moyen-age, II, 2 La Mort.
+
+[443] Laborde, II. I, 393.
+
+[444] Journal d'un bourgeois, p. 203.
+
+[445] Eenige reproducties bij Male t.a.p. en in Gazette des beaux arts
+1918, avril-juin p. 167.
+
+[446] Oeuvres du roi Rene, I p. clii.
+
+[447] Chastellain, Le pas de la mort, VI p. 59.
+
+[448] Vgl. Innocentius III, de contemptu mundi, II c. 42; Dion. Cart. de
+IV hominum novissimis, t. XLI p. 496.
+
+[449] Oeuvres, VI p. 49.
+
+[450] T.a. p. 60.
+
+[451] Villon, Testament, XLI, vs.321-328, ed. Longnon, p. 33.
+
+[452] Champion, Villon, 1 p. 303.
+
+[453] Male l.c. p. 389.
+
+[454] Leroux de Lincy, Livre des legendes, p. 95.
+
+[455] Le livre des faits etc., II p. 184.
+
+[456] Journal d'un bourgeois, I p. 233/4, 392, 276. Zie verder Champion,
+Villon, I p. 306.
+
+[457] A. de la Salle, Le Reconfort de Madame du Fresne, ed. J. Neve,
+Paris. 1903.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VI
+
+DE TEUGELLOOZE VERBEELDING VAN HET HEILIGE
+
+
+De doodsvoorstelling kan gelden als voorbeeld van het laat-middeleeuwsche
+denkleven in het algemeen: het is als een uitvloeien, een verzanden van
+de gedachte in het beeld. De gansche inhoud van het gedachtenleven wil
+uitgedrukt worden in verbeeldingen; al het goud wordt aangemunt in
+kleine, dunne schijven. Door die teugellooze behoefte aan verbeelding
+was het heilige voortdurend blootgesteld aan veruiterlijking en
+verstarring.
+
+Het geheele proces van de ontwikkeling der volksvroomheid in de latere
+Middeleeuwen kan niet bondiger worden uitgedrukt dan in de volgende
+woorden van Jakob Burckhardt uit zijn _Weltgeschichtliche Betrachtungen_.
+"Eine maechtige Religion entfaltet sich in alle Dinge des Lebens hinein
+und faerbt auf jede Regung des Geistes, auf jedes Element der Kultur ab.
+Freilich reagieren dann diese Dinge mit der Zeit wieder auf die
+Religion; ja deren eigentlicher Kern kann erstickt werden von den
+Vorstellungs- und Bilderkreisen, die sie einst in ihren Bereich gezogen
+hat. Das 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' had seine schicksalsvolle
+Seite." En verderop: "Nun ist aber keine Religion jemals ganz unabhaengig
+von der Kultur der betreffenden Voelker und Zeiten gewesen. Gerade, wenn
+sie sehr souveraen mit Hilfe buchstaeblich gefasster heiliger Urkunden
+herrscht und scheinbar Alles sich nach ihr richtet, wenn sie sich 'mit
+dem ganzen Leben verflicht', wird dieses Leben am unfehlbarsten auch auf
+sie einwirken, sich auch mit ihr verflechten. Sie hat dann spaeter an
+solchen innigen Verflechtungen mit der Kultur keinen Nutzen mehr,
+sondern lauter Gefahren; aber gleichwohl wird eine Religion immer so
+handeln, so lange sie wirklich lebenskraeftig ist." [458]
+
+Het leven der middeleeuwsche christenheid is in al zijn betrekkingen
+doortrokken, geheel verzadigd met godsdienstige voorstellingen. Daar is
+geen ding en geen handeling, waarin niet voortdurend de betrekking tot
+Christus en het geloof wordt gelegd. Maar in die oververzadigde
+atmosfeer is de religieuze spanning, de daadwerkelijke transcendentie,
+het uittreden uit het hier-en-dit niet steeds aanwezig. Blijft die
+spanning uit, dan verdooft alles tot schrikwekkende alledaagsche
+onheiligheid, een verbazende deeszijdigheid in geenzijdige vormen. Zelfs
+bij een subliemen heilige als Heinrich Suso, bij wien de religieuze
+spanning misschien geen oogenblik te kort schoot, blijft toch de val
+naar het ridicule niet uit. Subliem, wanneer hij, gelijk de ridder
+Boucicaut het om der wille van een aardsche geliefde deed, allen vrouwen
+eer bewijst om Maria, en voor een arme terzijde in het slijk treedt. Hij
+volgt de gebruiken der aardsche min, en viert den jaarsdag en den Meidag
+zijn liefde voor de Wijsheid, zijn bruid, met een krans en een liedje.
+Hoort hij een minneliedje, dan past hij het terstond toe op zijne
+Wijsheid. Maar wat van het volgende? Aan tafel placht Suso, als hij een
+appel at, dien in vieren te snijden: drie partjes at hij in naam der
+Drieeenheid en het vierde at hij "in der minne, als diu himelsch muter
+irem zarten kindlein Jesus ein epfelli gab ze essen", en daarom at hij
+dat vierde partje met de schil, want kleine jongens eten appels
+ongeschild. En eenige dagen na Kerstmis,--dus als het Jezuskind nog te
+klein was om appels te eten, zal de bedoeling zijn,--at hij dat vierde
+partje niet, maar offerde het aan Maria, om het aan haar zoon te geven.
+Zijn dronk nam hij in vijf teugen, om de vijf wonden des Heeren, maar
+omdat uit Christus' zijde bloed en water vloeide, nam hij den vijfden
+teug dubbel. [459]--Ziedaar het 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' in
+zijn uiterste doorvoering.
+
+Afgezien voorloopig van den graad van innigheid, en enkel beschouwd als
+godsdienstige vormen, is er in de vroomheid der late Middeleeuwen zeer
+veel, wat zich voordoet als woekeringen van het godsdienstig leven, mits
+men dat begrip niet opvat van een protestantsch-dogmatisch standpunt. Er
+was, afgezien van de qualitatieve veranderingen, die zij meebrachten, in
+de Kerk een quantitatieve vermeerdering van gebruiken en begrippen
+ontstaan, die de ernstige godgeleerden met schrik vervulde. Het is niet
+zoozeer tegen de onvroomheid of bijgeloovigheid van al het nieuwe, dat
+zich opdrong, als tegen de overlading van het geloof op zich zelf, dat
+de reformgeest der vijftiende eeuw zich keert. De teekens der altijd
+bereide goddelijke genade waren altijd meer geworden; naast de
+sacramenten bloeiden aan alle zijden de benedicties; van de relieken
+kwam men tot de amuletten, de kracht van het gebed werd geformaliseerd
+in de rozenkransen, de bonte galerij der heiligen kreeg altijd meer
+kleur en leven. En al ijverde de theologie voor een goede onderscheiding
+van sacramenten en sacramentalien, welk middel was er, om het volk te
+weerhouden, op al dat magische en bonte hun hoop en geloof te vestigen?
+Gerson had te Auxerre iemand ontmoet, die beweerde, dat het Dwazenfeest,
+waarmee in kerken en kloosters de wintermaand gevierd werd, even
+geheiligd was als dat van Mariae ontvangenis. [460] Nicolas de Clemanges
+schreef een tractaat tegen het instellen en vieren van nieuwe feesten;
+er waren er van die nieuwe, verklaarde hij, waarbij ongeveer de geheele
+liturgie van apocryphen aard was, en met instemming gewaagt hij van den
+bisschop van Auxerre, die de meeste feestdagen had afgeschaft. [461]
+Pierre d'Ailly richt zich in zijn geschrift _De reformatione_ [462]
+tegen de voortdurende vermeerdering van kerken, feesten, heiligen,
+rustdagen, tegen den overvloed van beelden en schilderijen, de al te
+groote uitvoerigheid van den dienst, het opnemen van apocryphe
+geschriften in de liturgie der feesten, tegen de invoering van nieuwe
+hymnen en gebeden of andere willekeurige nieuwigheden, tegen de al te
+strenge vermeerdering van vigilien, gebeden, vasten, onthoudingen. Er
+was een neiging, om aan elk punt uit de vereering van de Moeder Gods een
+specialen dienst te verbinden. Er waren bijzondere missen, later door de
+Kerk afgeschaft, van Maria's vroomheid, van haar zeven smarten, van alle
+Mariafeesten te zamen, van haar zusteren Maria Jacobi en Maria Salome,
+van den engel Gabriel, van al de heiligen, die den geslachtsboom des
+Heeren uitmaakten. [463] Verder zijn er te veel kloosterorden, zegt
+d'Ailly, en dit leidt tot verscheidenheid van gebruiken, tot afzondering
+en hoogmoed, tot ijdele verheffing van den eenen geestelijken staat
+boven den anderen. Vooral de bedelorden wil hij beperken. Hun toestand
+is schadelijk voor de leprozenhuizen en hospitalen en voor de andere
+echte armen en ellendige behoeftigen, wien het recht en de ware titel
+des bedelens toekomt. [464] Hij wil de preekende questierders van den
+aflaat uit de kerk verbannen, die haar bezoedelen met hun leugens en
+haar belachelijk maken. [465] Waar moet het heen met de voortdurende
+stichting van nieuwe vrouwenconventen zonder voldoende middelen?
+
+Men ziet, het is meer tegen het quantitatieve euvel, dat Pierre d'Ailly
+te velde trekt, dan tegen het qualitatieve. Hij trekt, met uitzondering
+van zijn schimp tegen den aflaatpreek, niet uitdrukkelijk de vroomheid
+en heiligheid van al die praktijken in twijfel; hem bezwaart hun
+ongebreideld aangroeien als zoodanig; hij ziet de Kerk verstikken onder
+dien last van bijzonderheden. Toen Alanus de Rupe zijn nieuwe broederschap
+van den rozenkrans propageert, richt zich het verzet ook meer tegen de
+nieuwigheid op zich zelf dan tegen den inhoud ervan. Vertrouwend op de
+werking van zulk een grootsche gebedsgemeenschap, als Alanus zich
+voorstelde, zou het volk de voorgeschreven penitenties, de geestelijkheid
+de canonieke getijden verwaarloozen. De parochiekerken zouden leegloopen,
+als de broederschap enkel in de kerken der Franciscanen en Dominicanen
+vergaderde. Uit de bijeenkomsten konden licht partijzucht en samenzweringen
+voortkomen. En ten slotte verwijt men hem ook: het zijn droombeelden,
+phantasieen en oudewijvenpraatjes, die de broederschap voor groote en
+wonderlijke openbaringen verkoopt. [466]
+
+De bijna mechanische wijze, waarop de heilige gebruiken zich neigden te
+vermenigvuldigen, wanneer geen strenge autoriteit besnoeiend ingreep,
+heeft een karakteristiek voorbeeld in de wekelijksche vereering der
+Onnoozele kinderen. Aan de herdenking van den Bethlehemschen kindermoord
+op 28 December verbond zich evenzeer allerlei half-heidensch midwinter-
+bijgeloof als sentimenteele aandoening over den gruwel van dit
+martelaarschap; de dag gold als een ongeluksdag. En nu plachten velen
+gedurende het heele jaar den weekdag, waarop het laatst Onnoozele
+kinderen gevallen was, als een ongeluksdag te ontzien. Men mocht dien
+dag geen werk beginnen, geen tocht aanvaarden. De dag heette eenvoudig
+"les Innocents" evenals het feest zelf. Lodewijk XI nam dit gebruik
+nauwgezet in acht. De kroning van Eduard IV werd nog eens overgedaan,
+omdat men haar eerst op den ongelukkigen dag der week had verricht. Rene
+van Lotharingen moest van een gevecht afzien, omdat zijn landsknechten
+weigerden, op grond dat het de weekdag van Onnoozele kinderen was. [467]
+
+Johannes Gerson neemt uit dit gebruik de aanleiding tot een tractaat
+tegen het bijgeloof in het algemeen en dit in het bijzonder. [468] Hij
+is een dergenen geweest, die het gevaar van die woekering der
+godsdienstige denkbeelden voor het kerkelijk leven duidelijk hebben
+gezien. Met zijn scherpen, ietwat nuchteren geest ziet hij ook iets van
+den zielkundigen grond voor het opkomen van al die denkbeelden. Zij
+spruiten voort "ex sola hominum phantasiatione et melancholica
+imaginatione"; het is een bederf van de verbeeldingskracht; deze berust
+op een inwendig hersenletsel, en dit weer op duivelsche begoocheling.
+Zoo krijgt de duivel toch nog zijn deel.
+
+Het is een proces van voortdurende herleiding van het oneindige tot
+eindigheden, een uiteenvalling van het wonder in atomen. Aan elk
+heiligste mysterie hecht zich, als een korst van schelpen aan een schip,
+een aangroeisel van uiterlijke geloofselementen, die het ontwijden. De
+ontzaglijke doordrongenheid van het wonder der eucharistie plant zich
+aan de oppervlakte voort in het nuchterste en materieelste bijgeloof:
+bij voorbeeld dat men op den dag, waarop men mis gehoord heeft, niet
+blind kan worden of een beroerte krijgen, dat men gedurende den tijd,
+dat men de mis hoort, niet ouder wordt. [469] De Kerk heeft er
+voortdurend tegen te waken, dat God niet al te zeer op aarde wordt
+gebracht. Zij verklaart het kettersch, te beweren, dat Petrus, Johannes
+en Jacobus bij Christus' transfiguratie het goddelijk wezen even klaar
+hadden gezien, als zij het nu doen in den hemel. [470] Het was
+godslastering, dat een der navolgsters van Jeanne d'Arc beweerde, God
+gezien te hebben in een lang wit kleed met een rood overkleed. [471]
+Doch kon het volk het helpen, dat het niet de fijne onderscheidingen
+wist te maken, die de theologie voorschreef, waar de Kerk zooveel bonte
+stof aan de verbeelding bood?
+
+Gerson zelf hield zich niet vrij van het euvel, dat hij bestreed. Hij
+verheft zijn stem tegen de ijdele nieuwsgierigheid, [472] en bedoelt
+daarmee den geest van onderzoek, die de natuur wil leeren kennen in haar
+uiterste geheimen. Maar hij zelf wroet met onbescheiden nieuwsgierigheid
+in de kleinste uiterlijke bijzonderheden der heilige dingen. Zijn
+bijzondere vereering voor den heiligen Joseph, voor wiens feest hij op
+allerlei wijzen werkt, maakt hem benieuwd, om alles van Joseph te weten.
+Hij verdiept zich in al de bijzonderheden van diens huwelijk met Maria,
+hun samenleven, zijn onthouding, hoe hij haar zwangerschap leerde kennen,
+hoe oud hij was. Van de caricatuur, die de kunst van Joseph dreigde te
+maken: den ouden slovenden man, zooals Deschamps hem beklaagde, wil
+Gerson niet weten: Joseph was nog geen vijftig jaar, zegt hij. [473]
+Elders veroorlooft hij zich een bespiegeling over de lichamelijke
+samenstelling van Johannes den Dooper: "semen igitur materiale ex qua
+corpus compaginandum erat, nec durum nimis nec rursus fluidum
+abundantius fuit". [474] De beroemde volksprediker Olivier Maillard
+pleegt zijn gehoor na de inleiding te onthalen op "une belle question
+theologale", bij voorbeeld, of de Maagd zoo actief had meegewerkt tot de
+ontvangenis van Christus, dat zij waarlijk Moeder Gods mocht heeten; of
+het lichaam van Christus asch zou zijn geworden, indien de opstanding
+niet tusschenbeide gekomen ware. [475] De strijdvraag over Maria's
+onbevlekte ontvangenis, waarin de Dominicanen tegen de wassende
+volksbehoefte in, die de Maagd van aanvang af vrij van de erfzonde wilde
+zien, de ontkennende partij hielden, veroorzaakte een vermenging van
+theologische en embryologische bespiegeling, die ons weinig stichtelijk
+voorkomt. En zoo hardnekkig overtuigd waren de ernstigste godgeleerden
+van het gewicht hunner argumenten, dat zij zich niet ontzagen, het
+dispuut in preeken voor het groote publiek te brengen. [476] Als zoo de
+geest van de ernstigsten was gericht, hoe kon het dan anders, of over
+een groot levensgebied moest zich door die voortgezette uitwerking in
+bijzonderheden al het heilige oplossen in een alledaagschheid, waaruit
+men zich slechts bij vlagen tot de ontzaglijke huivering over het wonder
+verhief?
+
+De gemeenzaamheid, waarmee men in het dagelijksch leven met God handelde,
+moet van twee kanten worden bezien: het is even goed de volstrekte
+vastheid en onmiddellijkheid van het geloof, die daaruit spreken, als de
+schade, die dat geloof leed door zijn volkomen afvloeiing in alle dingen
+van het gewone leven. Juist het innigste mysterie, de eucharistie, lijdt
+voortdurend het gevaar der profanatie. Zoo ongeschokt was het geloof aan
+het miswonder en de rechtgeloovige vereenzelviging der drie personen van
+de Drieeenheid, dat men de gewijde hostie eenvoudig God noemde. Zoo
+ontstaat een spraakgebruik, dat ons profaner schijnt dan het voor den
+middeleeuwschen geest was. Een reiziger stijgt even af, en gaat een
+dorpskerk binnen "pour veoir Dieu en passant". Van den priester heet
+het: "quand il eut leve Dieu et calice"; gaat hij met de hostie op een
+ezel zijns weegs, dan spreekt men van "un Dieu sur un asne". [477]
+Wekken deze voorbeelden door de bron, waaraan zij zijn ontleend: de
+_Cent nouvelles nouvelles_, wellicht de verdenking van een onvrome
+bedoeling (ik zie er enkel het gemeenzame spraakgebruik in), deze is
+uitgesloten bij het volgende uit _Le livre du chevalier de la Tour-Landry
+pour l'enseignement de ses filles_, waar van een dame gezegd wordt: "Sy
+cuidoit transir de la mort, et se fist apporter beau sire Dieux." [478]
+"Veoir Dieu" was een gangbare term voor het zien heffen van de hostie. [479]
+--Zoodra nu de smaak van het wonder even uitbleef, welk een ontwijding
+bracht dan zulk een spraakgebruik mede! Dan was het maar een kleine val
+tot gedachtenlooze gemeenzaamheden als het spreekwoord: "Laissez faire
+a Dieu, qui est homme d'aage", [480] of Froissart's: "et li prie a mains
+jointes, pour si hault homme que Diex est." [481]
+
+Hoe zulk een spraakgebruik "Dieu" voor de hostie het godsgeloof zelf
+contamineeren kon, bewijst een geval als het volgende. De bisschop van
+Coutances draagt een mis op in de kerk van Saint Denis. Toen hij het
+lichaam des Heeren gaat heffen, vermaant men Hugues Aubriot, den prevot
+van Parijs, die de kapel rondwandelde, waar de mis gevierd werd, om te
+aanbidden. Maar Hugues, een bekend esprit fort, antwoordt met een vloek,
+dat hij niet geloofde in den God van zoo'n bisschop, die aan het hof
+woonde. [482]
+
+Een treffend voorbeeld van bijna onbeschaamde gemeenzaamheid met het
+heilige, waar toch aan een spottende bedoeling niet valt te denken, zijn
+de Mariabeeldjes, zooals de Bourgondische hertogen er een bezaten, die
+een variant opleveren van het oud-hollandsche drinkvaatwerk, dat Hansje
+in den kelder genoemd werd. Het was een klein gouden beeldje, rijk met
+edelsteenen versierd, waarvan de buik open kon, waarbinnen men de
+Drieeenheid zag. [483] Gerson zag er een bij de Carmelieten te Parijs,
+en keurt het af, maar niet wegens de onvroomheid doch om de ketterij,
+die erin gelegen was, de geheele Drieeenheid als de vrucht van Maria's
+schoot voor te stellen. [484]
+
+Het geheele leven was zoo doortrokken van godsdienst, dat de afstand
+tusschen het aardsche en het geestelijke ieder oogenblik dreigt te loor
+te gaan. Wordt aan den eenen kant alles van het gewone leven in de
+heilige oogenblikken opgetrokken in wijding, aan den anderen kant wordt
+het heilige voortdurend in de sfeer van het alledaagsche gehouden door
+zijn onoplosbare vermenging met het dagelijksch leven. Hierboven werd
+gesproken van het kerkhof der Innocents te Parijs, die afzichtelijke
+kermis des doods met de doodsbeenderen al rondom opgetast en uitgestald.
+Kan men zich iets vreeselijkers denken dan het leven van de kluizenares,
+ingemetseld tegen den kerkmuur op die plaats der verschrikking? Maar
+lees nu, hoe de tijdgenooten erover spreken: de recluses woonden er in
+een keurig nieuw huisje, zij werden ingemetseld met een mooie preek, zij
+kregen van den koning een bezoldiging van acht pond 's jaars in acht
+termijnen. [485] Alles alsof het gewone hofjesjuffrouwen waren. Waar
+blijft het religieuze pathos? Waar blijft het, als er een aflaat wordt
+verbonden aan de gewoonste huiselijke werkzaamheden: het aanmaken van
+den oven, het melken van een koe, het uitboenen van een pot. [486] Bij
+een verloting te Bergen-op-Zoom in 1518 waren naast elkaar "costelijcke
+prijsen" en aflaten te winnen. [487] Bij de vorstelijke intochten
+prijkten op de hoeken der straten afwisselend met de zinrijke
+vertooningen, dikwijls van heidensche naaktheid, de kostbare
+reliekschrijnen der stad op altaren, bediend door prelaten en den vorst
+om eerbiedig te kussen aangeboden. [488]
+
+Die oogenschijnlijke ongescheidenheid van de religieuze en de
+wereldlijke sfeer wordt het levendigst uitgedrukt door het overbekende
+feit, dat de wereldlijke melodie steeds onveranderd dienen kan voor den
+kerkelijken zang en omgekeerd. Guillaume Dufay componeert zijn missen op
+thema's van wereldlijke liederen als "Tant je me deduis, Se la face ay
+pale, L'omme arme."
+
+Er is een voortdurend wisselverkeer tusschen de godsdienstige en
+wereldlijke terminologie. Zonder aanstoot ontleent men de uitdrukking
+voor aardsche dingen aan den godsdienst en omgekeerd. Boven den ingang
+van de Rekenkamer te Rijssel prijkte een vers, dat aan iedereen
+herinnerde, hoe hij eenmaal rekenschap zou hebben af te leggen van zijn
+hemelsche gaven, voor God:
+
+ "Lors ouvrira, au son de buysine
+ Sa generale et grant chambre des comptes." [489]
+
+Omgekeerd heette het in den plechtigen oproep tot een tournooi, alsof
+het een plechtigheid met aflaat was:
+
+ "Oez, oez, l'oneur et la louenge
+ Et des armes grantdisime pardon." [490]
+
+Het was toeval, dat in het woord "mistere" mysterium en ministerium
+waren dooreengeloopen, maar deze homonymie kon niet anders dan de
+verzwakking van het mysteriebesef in het dagelijksch spraakgebruik
+bevorderen: alles heette mistere, bij voorbeeld de eenhoren, de schilden
+en de pop, die bij den Pas d'armes de la fontaine des pleurs gebruikt
+waren. [491]
+
+Als directe tegenkant van de godsdienstige symboliek: het duiden van
+alle aardsche dingen en aardsche geschiedenis als zinnebeeld en
+praefiguratie van het goddelijke, vindt men omgekeerd vorstenhulde
+gebracht in godsdienstige metafoor. Zoodra het ontzag voor aardsche
+majesteit den middeleeuwer aanvat, dient hem de taal der heilige
+aanbidding voor de uitdrukking van zijn gevoel. De vorstendienaars der
+vijftiende eeuw staan hier voor geen profanatie. In het pleidooi om den
+moord van Lodewijk van Orleans laat de pleiter den geest van den
+vermoorden vorst tot zijn zoon spreken: aanschouw mijn wonden, waarvan
+er vijf in het bijzonder wreed en doodelijk waren. [492] Hij ziet het
+slachtoffer dus als Christus. De bisschop van Chalons schroomt op zijn
+beurt niet, Jan zonder Vrees, die door de wraak om Orleans viel, met het
+Lam Gods te vergelijken. [493] Molinet vergelijkt keizer Frederik, die
+zijn zoon Maximiliaan zendt, om met Maria van Bourgondie te trouwen, met
+God Vader, die den Zoon op aarde zendt, en spaart geen vrome taal tot
+uitwerking van het geval. Wanneer later Frederik en Maximiliaan met den
+jongen Philips den Schoone te Brussel binnenkomen, laat Molinet de
+Brusselaars weenend zeggen: "Veez-ci figure de la Trinite, le Pere, le
+Fils et Sainct Esprit." Of wel hij biedt zijn bloemkrans aan Maria van
+Bourgondie als waardig beeld van Onze Lieve Vrouw, "behoudens de
+maagdelijkheid." [494]
+
+"Niet dat ik de vorsten wil vergoden", zegt deze aartshoveling. [495]
+Misschien is het inderdaad meer holheid en phrase dan werkelijk gevoelde
+adulatie, maar het bewijst daarom niet minder de depreciatie van de
+heilige voorstellingen door hun dagelijksch gebruik. Trouwens wat zal
+men den hofpoetaster verwijten, als Gerson zelf aan de vorstelijke
+hoorders van zijn preeken speciale beschermengelen toekent van een
+hooger hierarchie en ambt dan die van andere menschen? [496]
+
+In de toepassing van godsdienstige termen op het erotische, waarvan hier
+boven reeds sprake was, heeft men natuurlijk met heel iets anders te
+doen. Hier is een element van werkelijke onvroomheid en spot, dat in het
+zooeven behandelde spraakgebruik niet aanwezig was; beide zijn slechts
+verwant, in zooverre zij voortspruiten uit de groote gemeenzaamheid met
+het heilige. De vertellers der _Cent nouvelles nouvelles_ verlustigen
+zich onvermoeid in woordspeling op "saints" en "seins", en het gebruik
+van "devotion, confesser, benir" in obscenen zin. De schrijver van _Les
+Quinze joyes de mariage_ kiest dien titel in navolging der vreugden van
+Maria. [497] Van de voorstelling der liefde als een vrome observantie is
+hierboven gesproken. Van ernstiger beteekenis nog is het, wanneer de
+verdediger van den _Roman de la rose_ met heilige termen noemt "partes
+corporis inhonestas et peccata immunda atque turpia." [498] Hier is wel
+degelijk iets van die gevaarlijke toenadering van het godsdienstige en
+het erotische voelen, die de Kerk in dezen vorm hevig vreesde. Niets
+geeft wellicht die toenadering zoo levendig te zien als de Antwerpsche
+Madonna, aan Fouquet toegeschreven, voorheen in het koor der Lieve
+Vrouwenkerk te Melun als diptiek vereenigd met het luik, dat den
+stichter Etienne Chevalier, tresorier des konings, met den heiligen
+Stephanus vertoont, thans te Berlijn. Een oude traditie, in de 17e eeuw
+door den oudheidkundige Denis Godefroy opgeteekend, wil, dat de Madonna
+de trekken van Agnes Sorel weergeeft, de koninklijke maitresse, voor wie
+Chevalier zijn hartstocht niet verborg. Het is inderdaad, bij al de
+groote hoedanigheden der schildering, een modepop, die wij voor ons
+zien, met het gebombeerde kaalgeschoren voorhoofd, de wijd
+uiteenstaande, kogelronde borsten, het hooge dunne middel. De bizarrerie
+van de hermetische gelaatsuitdrukking, de stijve roode en blauwe
+engelen, alles werkt mee, om aan het schilderij een waas van decadente
+goddeloosheid te geven, waarbij de forsche, slichte voorstelling van den
+stichter en zijn heilige op het andere luik wonderlijk afsteekt.
+Godefroy zag op het blauw fluweel eener breede lijst de naamletter E in
+parelen, telkens verbonden door liefdestrikken (lacs d'amour) uit goud-
+en zilverdraad. [499] Ligt in het geheel niet een blasphemische
+vrijmoedigheid met het heilige, die door geen Renaissance-geest te
+overtreffen was?
+
+De oneerbiedigheid van het dagelijksche kerkelijk leven was schier
+zonder grenzen. Men beweert, dat bij de missen, op wereldlijke thema's
+gecomponeerd, in den dienst zelfs de teksten dier profane liederen:
+_baisez-moi, rouges nez_, tusschen den liturgischen tekst door werden
+gezongen. [500] David van Bourgondie, de bastaard van Philips den Goede,
+houdt zijn intrede als bisschop van Utrecht te midden van een
+krijgsgevolg van enkel edelen, waarmee zijn broeder de bastaard van
+Bourgondie hem uit Amersfoort is komen afhalen. De nieuwe bisschop zelf
+is geheel geharnast, alsof hij een veroverend wereldlijk vorst ware; zoo
+rijdt hij naar den dom, en gaat er binnen in een processie met vanen en
+kruisen, om voor het hoogaltaar te bidden. [501] Leg naast die
+Bourgondische onbeschaamde hoovaardij de gemoedelijke onbeschaamdheid
+van Rudolf Agricola's vader, den pastoor van Baflo, die op den dag, dat
+hij tot abt van Selwert was gekozen, het bericht kreeg, dat hem uit zijn
+bijzit een zoon geboren was, en zeide: "Heden ben ik tweemaal vader
+geworden; moge Gods zegen er op rusten." [502]
+
+De tijdgenooten beschouwen de toenemende oneerbiedigheid jegens de kerk
+als een achteruitgang der zeden van den jongsten tijd.
+
+ "On souloit estre ou temps passe
+ En l'eglise benignement
+ A genoux en humilite
+ Delez l'autel moult closement,
+ Tout nu le chief piteusement,
+ Maiz au jour d'uy, si come beste,
+ On vient a l'autel bien souvent
+ Chaperon et chapel en teste." [503]
+
+Op de feestdagen, klaagt Nicolaas van Clemanges, gaan maar weinigen naar
+de mis. Zij hooren die niet tot het einde aan, en vergenoegen zich, even
+het wijwater aan te raken, door een kniebuiging Onze Lieve Vrouw te
+groeten, of een heiligenbeeld te kussen. Hebben zij de hostie zien
+heffen, dan beroemen zij er zich op als een groote weldaad aan Christus.
+De metten en den vesper viert de priester meestal met zijn helper
+alleen. [504]--De heer van het dorp en patronaatsheer der kerk laat den
+priester kalm wachten met de mis, tot hij en zijn vrouw zijn opgestaan
+en zich gekleed hebben. [505]
+
+De heiligste feesten, de Kerstnacht zelf, worden in ongebondenheid
+doorgebracht, met kaartspelen, vloeken en schandelijke taal; vermaant
+men het volk, dan beroept het er zich op, dat de groote heeren, de
+klerken en prelaten het ongestraft doen. [506] Op de vigilien der
+feestdagen wordt in de kerken zelf met losbandige liederen gedanst;
+priesters geven het voorbeeld, om die nachtwaken door te brengen met
+dobbelspel en vloeken. [507] De raad van Straatsburg schonk jaarlijks
+1100 liter wijn voor hen, die in het Munster den Sint Adolfsnacht
+"wakend en in gebed" doorbrachten. [508] Een stedelijk magistraat
+beklaagt zich bij Dionysius den Kartuizer, dat de jaarlijksche
+processie, in zijn stad met een heilige reliquie verricht, de aanleiding
+was tot tal van onbetamelijkheden en drinkgelagen. Hoe daar een einde
+aan te maken? De magistraat zelf zou er niet gemakkelijk van te
+overtuigen zijn, want de processie bracht de stad voordeel aan; zij
+bracht volk in de stad, dat er moest overnachten, eten en drinken. En
+het was nu eenmaal zoo gewoonte. Dionysius kende het euvel; hij wist,
+hoe tuchteloos men bij processies optrad, pratende, lachende,
+onbeschaamd rondkijkende, belust op drinken en ruw vermaak. [509] Het
+past wonderwel bij den optocht der Gentenaren naar de kermis van Houthem
+met den schrijn van Sint Lieven. Vroeger, zegt Chastellain, plachten de
+notabelen het heilig lichaam te dragen "en grande et haute solempnite et
+reverence", maar nu is het "une multitude de respaille et de
+garconnaille mauvaise"; zij dragen hem schreeuwend en joelend, zingend
+en dansend, onder honderd potsen, en allen zijn dronken. Zij zijn
+gewapend bovendien, en veroorloven zich overal waar zij langs komen de
+grootste losbandigheid; alles schijnt dien dag aan hen overgeleverd
+onder voorwendsel van hun heiligen last. [510]
+
+De kerkgang is een belangrijk element in het gezelschapsleven. Men komt
+er pronken in zijn fraaisten dos, men komt er wedijveren in rang en
+deftigheid, en in hoofsche vormen en beleefdheid. Vroeger is al vermeld,
+[511] hoe het kussen van het "paesbord", "la paix", de vaste aanleiding
+was tot den meest stotenden beleefdheidsstrijd. Als er een jonkertje
+binnenkomt, staat mevrouw op en kust hem op den mond, terwijl de
+priester de hostie wijdt en het volk te bidden ligt. [512] Praten en
+rondwandelen onder de mis moeten zeer gewoon zijn geweest. [513] Het
+gebruik van de kerk als plaats van samenkomst, waar de jongelieden naar
+de meisjes komen kijken, is zoo algemeen, dat enkel de moralisten er
+zich over ergeren. De jeugd komt zelden in de kerk, roept Nicolaas van
+Clemanges uit, [514] dan om de vrouwen te zien, die er haar hoovaardige
+kapsels en haar decollete komen vertoonen. De eerbare Christine de Pisan
+dicht zonder ergernis:
+
+ "Se souvent vais ou moustier,
+ C'est tout pour veoir la belle
+ Fresche com rose nouvelle." [515]
+
+Het bleef niet bij de kleine liefdediensten, waartoe de dienst den
+vrijer gelegenheid gaf: de beminde het wijwater te geven, haar de "paix"
+te reiken, een kaarsje voor haar aan te steken en naast haar te knielen,
+niet bij wat teekens en lonkjes. [516] In de kerk zelf komen de
+lichtekooien haar afspraken zoeken. [517] In de kerken zelf en op
+heiligendagen zijn ontuchtige prentjes te koop, die de jeugd bederven;
+en geen preeken helpt tegen het kwaad. [518] Meer dan eens wordt de kerk
+en het altaar door ontuchtige daden bezoedeld. [519]
+
+Evenzeer als het gewone kerkbezoek was de bedevaart de aanleiding tot
+allerlei vermaak en vooral tot verliefde besognes. Zij worden in de
+litteratuur dikwijls als gewone pleizierreisjes behandeld. De ridder
+de la Tour-Landry, die het ernstig meent met zijn onderricht aan zijn
+dochters in goede en deugdzame manieren, spreekt van vermaaklievende
+dames, die gaarne naar tournooien en pelgrimages gaan, en vertelt
+waarschuwende exempelen van vrouwen, die een bedevaart ondernamen als
+voorwendsel tot een samenkomst met den geliefde. "Et pour ce a cy bon
+exemple comment l'on ne doit pas aler aux sains voiaiges pour nulle
+folie plaisance." [520] Juist zoo beschouwt ze Nicolaas van Clemanges:
+men gaat op feestdagen naar verafgelegen kerken van heiligen ter
+beevaart, minder om zijn gelofte te lossen dan om des te vrijer af te
+dwalen. Het is een bron van velerlei misdrijven; daar bij de heilige
+plaatsen zijn steeds de verfoeilijke koppelaarsters aanwezig, om de
+meisjes te verlokken. [521] Het is het gewone geval in de _Quinze joyes
+de mariage_: de jonge vrouw wil wel eens een verzetje en bepraat haar
+man, dat het kind ziek is, omdat zij de bedevaart nog niet heeft
+volbracht, waartoe zij in 't kraambed de gelofte deed. [522] De
+voorbereiding tot het huwelijk van Karel VI met Isabella van Beieren
+wordt ingeleid met een pelgrimage. [523] Geen wonder, dat de ernstige
+mannen der moderne devotie in de bedevaarten weinig nut zien. Die vele
+bedevaarten doen, worden zelden heilig, zegt Thomas a Kempis, en
+Frederik van Heilo wijdt aan de zaak een afzonderlijk tractaat _Contra
+peregrinantes_. [524]
+
+In al deze ontwijdingen van het geloof door de onbeschaamde vermenging
+met het zondige leven ligt meer naieve gemeenzaamheid met den godsdienst
+dan regelrechte onvroomheid. Enkel een samenleving, die geheel
+doortrokken is van het godsdienstige, en die het geloof als iets
+vanzelfsprekends aanvaardt, kent al deze excessen en ontaarding. Het
+waren dezelfde menschen, die de dagelijksche sleur van een half
+verliederlijkte godsdienstpraktijk volgden, en die dan plotseling onder
+het vlammende woord van een preekenden bedelmonnik vatbaar waren voor de
+uitersten van heilige ontroering.
+
+Zelfs een botte zonde als het vloeken komt enkel op uit een sterk
+geloof. Want in zijn oorsprong als bewuste eed is de vloek het teeken
+van een tot in de nietigste dingen aanwezig besef van de
+tegenwoordigheid van het goddelijke. Alleen het besef van waarlijk den
+hemel te tarten geeft aan den vloek zijn zondige bekoring. Eerst waar
+elk besef van te zweren en elke vrees voor de vervulling van den vloek
+geweken is, verslapt het vloeken tot de eentonige ruwheid van later
+tijden. In het laatst der Middeleeuwen heeft het nog dien prikkel van
+driestheid en hoogmoed, die het maakt tot een adellijke sport.
+"Wat,--zegt de edelman tot den boer--: je geeft je ziel aan den duivel,
+en je verloochent God, terwijl je geen edelman bent?" [525] Deschamps
+constateert, dat het vloeken reeds afdaalt tot de geringe lieden:
+
+ "Si chetif n'y a qui ne die:
+ Je renie Dieu et sa mere." [526]
+
+Men wedijvert in pittige en nieuw gevonden vloeken; wie het liederlijkst
+te vloeken weet, wordt als meester geeerd. [527] Eerst vloekte men, zegt
+Deschamps, overal in Frankrijk op zijn Gasconsch en Engelsch, daarna op
+zijn Bretonsch, en nu op zijn Bourgondisch. Hij rijmt twee balladen
+aaneen van de gebruikelijke vloeken, om ze tot vromen zin te wenden. En
+de Bourgondische vloek: "Je renie Dieu", is de ergste van allen; [528]
+men verzacht hem tot: "Je renie de bottes". De Bourgondiers hadden den
+naam van aartsvloekers; trouwens Frankrijk in het algemeen, klaagt
+Gerson, lijdt, zoo christelijk als het is, meer dan andere landen onder
+die afschuwelijke zonde, die de oorzaak is van pestilentie, oorlogen en
+hongersnood. [529] Zelfs de monniken doen met bastaardvloeken mee. [530]
+Hij wil, dat alle autoriteiten en alle standen, door scherpe verordeningen
+en lichte straffen, die dan ook werkelijk uitgevoerd kunnen worden, het
+kwaad helpen uitroeien. En inderdaad verscheen in 1397 een koninklijke
+ordonnantie, die de oude verordeningen tegen het vloeken van 1269 en
+1347 hernieuwde; niet met lichte en uitvoerbare straffen evenwel, maar
+met de oude bedreigingen van lippen kloven en tong afsnijden, waaruit de
+heilige verontwaardiging over de godslastering sprak. In het register,
+dat de ordonnantie bevat, staat er aan den rand bij aangeteekend: "Al
+deze vloeken zijn heden ten dage, 1411, overal in het rijk zeer algemeen
+in gebruik, zonder eenige straf." [531] Pierre d'Ailly dringt bij het
+concilie van Constanz [532] opnieuw met nadruk aan op de bestrijding van
+het kwaad.
+
+Gerson kent de beide uitersten, waartusschen de zonde van het vloeken
+zich beweegt. Hij kende uit zijn ervaring als biechtvader de jongelieden,
+die onbedorven, eenvoudig en kuisch, gekweld werden door een scherpe
+verzoeking, om woorden van godverloochening en godslastering te spreken.
+Hij beveelt hun aan, om zich niet geheel aan de beschouwing van God en
+zijn heiligen over te geven; zij zijn er niet sterk genoeg toe. [533]
+Hij kent ook de gewoontevloekers, zooals de Bourgondiers, wier daad, hoe
+verfoeilijk ook, toch niet de schuld van meineedigheid bevat, daar er in
+het geheel geen bedoeling is, om te zweren. [534]
+
+Het punt, waar de gewoonte om de dingen van het geloof lichtvaardig te
+behandelen, overgaat in bewuste ongodsdienstigheid, is niet te bepalen.
+Er is zonder twijfel in het laatst der Middeleeuwen een sterke neiging,
+om de vroomheid en de vromen te bespotten. Men is gaarne esprit fort, en
+spreekt tegen het geloof bij wijze van scherts. [535] De novellisten
+doen frivool en onverschillig, zooals in het verhaal der _Cent nouvelles
+nouvelles_, waar de pastoor zijn hond in gewijde aarde begraaft, en hem
+toespreekt: "mon bon chien, a qui Dieu pardoint." De hond gaat dan ook
+"tout droit au paradis des chiens." [536] Men heeft een grooten afkeer
+van gehuichelde of beuzelachtige vroomheid: het woord "papelard" ligt
+hun in den mond bestorven. Het veelgebruikte spreekwoord: "De jeune
+angelot vieux diable" of in fraai schoollatijn: "Angelicus juvenis
+senibus sathanizat in annis" is Gerson een doorn in het oog. Zoo bederft
+men de jeugd, zegt hij: men prijst in de kinderen een onbeschaamd
+gelaat, vuile taal en vloeken, onkuischheid in blik en gebaar. Maar,
+zegt hij: ik zie niet, wat er van den jongeling, die den duivel speelt,
+te hopen valt in de grijsheid. [537]
+
+Onder de geestelijken en godgeleerden zelf onderscheidt Gerson een groep
+van onwetende praters en ruziemakers, wien elk gesprek over den
+godsdienst een last en een fabel is; alles wat hun wordt meegedeeld van
+verschijningen en openbaringen, verwerpen zij met groot gelach en
+verontwaardiging. Anderen vallen in het andere uiterste en nemen alle
+inbeeldingen van ijlhoofdige menschen, droomen en wonderlijke gedachten
+van zieken en krankzinnigen, als openbaringen aan. [538] Het volk weet
+tusschen die uitersten het juiste midden niet te bewaren: zij gelooven
+alles, wat zieners en waarzeggers voorspellen, maar, komt een ernstig
+geestelijke, die dikwijls echte revelaties heeft gehad, eens bedrogen
+uit, dan beschimpen de wereldsche lieden allen, die van geestelijken
+wandel zijn, noemen hem een bedrieger en een "papelard", en willen
+voortaan naar geen geestelijken meer luisteren, die zij voor boosaardige
+huichelaars houden. [539]
+
+Het is steeds weer het plotseling uitblijven van de religieuze spanning
+in een met godsdienstigen inhoud en vormen oververzadigd gedachtenleven.
+Door de heele Middeleeuwen heen vindt men talrijke gevallen van spontaan
+ongeloof, waarbij niet te denken valt aan een afwijking van de kerkleer
+op grond van theologische bespiegeling, maar enkel aan een onmiddellijke
+reactie. Al beteekent het niet veel, wanneer dichters of
+geschiedschrijvers, de enorme zonden van hun tijd ziende, uitroepen: men
+gelooft niet meer aan hemel en hel, [540] bij meer dan een was het
+latente ongeloof bewust en vast geworden, zoo zelfs dat het algemeen
+bekend was, en zij er zelf voor uitkwamen. "Beaux seigneurs,--zegt de
+kapitein Betisac tot zijn makkers, [541]--je ay regarde a mes besongnes
+et en ma conscience je tiens grandement Dieu avoir courrouchie, car ja
+de long temps j'ay erre contre la foy, et ne puis croire qu'il soit
+riens de la Trinite, ne que le Fils de Dieu se daignast tant abaissier
+que il venist des chieulx descendre en corps humain de femme, et croy et
+dy que, quant nous morons, que il n'est riens de ame.... J'ay tenu celle
+oppinion depuis que j'eus congnoissance, et la tenray jusques a la
+fin."--Hugues Aubriot, prevot van Parijs, is een allervurigst papenhater;
+hij gelooft niet aan het altaarsacrament, spot ermee, houdt geen Paschen,
+gaat niet te biecht, [542] Jacques du Clercq verhaalt verschillende
+gevallen van edelen, die hun ongeloof toonden en geheel bij kennis de
+laatste sacramenten weigerden. [543] Jean de Montreuil, proost van
+Rijssel, schrijft aan een zijner geleerde vrienden, meer in den
+luchtigen trant van een verlichten humanist dan als een waarlijk vrome:
+"Ge kent onzen vriend Ambrosius de Miliis; ge hebt dikwijls gehoord, hoe
+hij van den godsdienst, van het geloof, van de heilige schrift en van
+alle kerkelijke voorschriften dacht, zoo namelijk, dat Epicurus er
+katholiek bij moest heeten. Welnu, deze man is thans geheel bekeerd."
+Maar hij werd dan ook tevoren toch geduld in dien kring van vroege
+humanisten vol vromen zin. [544]
+
+Aan de eene zijde van deze spontane gevallen van ongeloof staat het
+litteraire paganisme der Renaissance en het beschaafde en behoedzame
+Epicurisme, dat reeds in de 13e eeuw, naar Averroes genoemd, in zoo
+wijde kringen had gebloeid. Aan de andere zijde staat de
+hartstochtelijke negatie bij de arme, onwetende ketters, die allen, hoe
+zij ook heeten, Turlupins of Broeders van den vrijen geest, de grenzen
+van de mystiek naar het pantheisme hadden overschreden. Doch deze
+verschijnselen moeten in een later verband ter sprake komen. Voorloopig
+hebben wij nog te blijven in de sfeer van de uiterlijke geloofsverbeelding
+en de uiterlijke vormen en gebruiken.
+
+ * * * * *
+
+Voor het dagelijksch besef van den grooten hoop maakte de aanwezigheid
+van een zichtbaar beeld het intellectueel bewijs van de waarheid van het
+afgebeelde volkomen overbodig. Tusschen hetgeen men in kleur en vorm
+afgebeeld voor zich zag: de personen der Drieeenheid, de vlammende hel,
+de tallooze heiligen, en het gelooven daaraan lag geen vraag: zou het
+waar zijn? Al die voorstellingen werden onmiddellijk _als_ verbeeldingen
+tot geloof; zij stonden in den geest vast omlijnd en bont gekleurd, met
+al de realiteit, die de Kerk in het geloof eischen kon, en nog wat
+daarenboven.
+
+Doch waar het geloof direct berust op een beeldvoorstelling, kan het
+nauwelijks qualitatieve onderscheidingen maken tusschen den aard en den
+graad van heiligheid der verschillende geloofselementen. Het eene beeld
+is zoo reeel en zoo ontzagbaar als het andere, en dat men God te
+aanbidden heeft en de heiligen slechts te vereeren, leert de afbeelding
+zelf niet, als niet de Kerk met haar leering er voortdurend toe
+vermaant. Nergens dreigde de overwoekering van de vrome gedachte door de
+bonte verbeelding zoo aanhoudend en zoo sterk, als op het gebied der
+heiligenvereering.
+
+Het strenge standpunt van de Kerk was zuiver en hoog genoeg. Gegeven de
+voorstelling van het persoonlijk voortbestaan, was de vereering der
+heiligen natuurlijk en zonder bedenking. Het is geoorloofd, hun lof en
+eer toe te kennen "per imitationem et reductionem ad Deum". Op dezelfde
+wijze mag men ook vereering schenken aan beelden, relieken, heilige
+plaatsen en aan God gewijde dingen, voorzoover het ten slotte leidt tot
+vereering van God zelf. [545] Ook de technische onderscheiding van den
+heilige en den gewonen gezaligde, en de normeering van het instituut der
+heiligheid door de officieele canonisatie hadden, schoon een bedenkelijke
+formaliseering, toch niets wat tegen den geest van het christendom streed.
+De Kerk bleef zich bewust van de oorspronkelijke gelijkwaardigheid van
+heiligheid en zaligheid, en van het ontoereikende der heiligverklaring.
+"Het is te gelooven,--zegt Gerson,--dat er oneindig meer heiligen
+gestorven zijn en dagelijks sterven, dan zij die gecanoniseerd zijn."
+[546] De geoorloofdheid der beelden zelf tegenover de uitdrukkelijke
+woorden van het tweede gebod werd betoogd met het beroep, dat voor de
+menschwording van Christus het verbod noodzakelijk was geweest, omdat
+God toen enkel geest was, maar dat Christus de oude wet had opgeheven
+door en wegens zijn komst op aarde. Aan de rest van het tweede gebod:
+"Non adorabis ea neque coles", wenschte de Kerk onvoorwaardelijk vast te
+houden. "Wij aanbidden de beelden niet, doch brengen eer en adoratie aan
+den afgebeelde, dat wil zeggen aan God, of aan zijn heilige, wiens beeld
+het is." [547] De beelden dienen alleen, om aan de eenvoudigen, die de
+schrift niet kennen, te toonen, wat zij moeten gelooven. [548] Zij zijn
+de boeken der onwetenden: [549] men kent die gedachte uit het gebed aan
+Maria, dat Villon voor zijn moeder maakte:
+
+ "Femme je suis pourette et ancienne,
+ Qui riens ne scai; oncques lettre ne leuz;
+ Au moustier voy dont suis paroissienne
+ Paradis paint, ou sont harpes et luz,
+ Et ung enfer ou dampnez sont boulluz:
+ L'ung me fait paour, l'autre joye et liesse".... [550]
+
+Dat door het openleggen van het boek der bonte beelden aan den dolenden
+geest evenveel stof tot afwijking van de leer werd geboden, als de
+persoonlijke schriftverklaring kon meebrengen, heeft de Kerk nimmer
+verontrust. Zij heeft altijd licht geoordeeld over de zonde van hen, die
+uit onwetendheid en eenvoudigheid tot aanbidding der beelden vervielen.
+Het is hun reeds genoeg, zegt Gerson, als zij maar de bedoeling hebben
+om te doen, zooals de Kerk doet in het eeren der beelden. [551]
+
+De zuiver dogmenhistorische vraag, in hoeverre de Kerk haar verbod van
+directe vereering of zelfs aanbidding der heiligen, niet als voor
+bidders maar als bewerkers van het gevraagde, altijd zuiver heeft weten
+te handhaven, kan hier blijven rusten. De cultuurhistorische vraag is,
+in hoeverre zij erin slaagde, het volk daarvan af te houden, met andere
+woorden welke realiteit, welke voorstellingswaarde de heiligen hadden in
+het laat-middeleeuwsche volksbesef. En hier is maar een antwoord mogelijk:
+de heiligen waren zoo wezenlijke, zoo materieele en zoo gemeenzame
+figuren in het alledaagsche geloofsleven, dat zich aan hen al de meer
+oppervlakkige en zinnelijke godsdienstige impulsen verbonden. Terwijl
+de innigste gemoedsbewegingen uitstroomden naar Christus en Maria,
+kristalliseerde zich in de heiligenvereering een heele schat van
+gemoedelijk, naief en alledaagsch godsdienstig leven. Alles werkte mede,
+om aan de populaire heiligen een wezenlijkheid voor den geest te geven,
+die hen voortdurend midden in het leven bracht. De volksverbeelding
+heeft hen vast: zij hebben hun bekende gedaante en hun attributen, men
+kent hun ijselijke martelie en hun verbazende wonderen. Zij gaan gekleed
+en uitgerust als het volk zelf. Men kon mijnheer Sint Rochus of Sint
+Jacob iederen dag in levende pestlijders of pelgrims ontmoeten. Het zou
+van belang zijn, na te gaan, tot hoe lang de kleederdracht der heiligen
+de mode van den dag heeft meegemaakt. Zeker die der geheele vijftiende
+eeuw. Maar waar is het punt, waarop de kerkelijke kunst hen onttrekt
+aan de levende volksverbeelding, door hen te hullen in rhetorische
+drapeering? Het is niet alleen een kwestie van Renaissancegevoel voor
+historisch costuum; het is, dat de volksverbeelding zelf hen begint los
+te laten, of althans zich niet meer kan doen gelden in de kerkelijke
+kunst. Tijdens de contrareformatie zijn de heiligen veel treden hooger
+geklommen, naar de Kerk het wilde: weg uit de aanraking met het
+volksleven.
+
+De lijfelijkheid, die de heiligen reeds hadden door de afbeelding, werd
+nog buitengewoon verhoogd doordat de Kerk van oudsher de vereering van
+hun lichamelijke overblijfselen had toegestaan en aangemoedigd. Het kon
+niet anders, of van dit hechten aan de stof moest een materialiseerende
+invloed op het geloof uitgaan, die somtijds tot verbazingwekkende
+uitersten leidde. Waar het relieken geldt, vreest het sterke geloof der
+Middeleeuwen voor geen ontnuchtering of ontwijding. Het volk in de
+bergen van Umbrie omstreeks het jaar 1000 wilde den kluizenaar Sint
+Romuald doodslaan, om toch zijn gebeente niet te verliezen. De monniken
+van Fossanuova, waar Thomas van Aquino gestorven was, hebben, uit vrees
+dat hun de kostbare reliek zou ontgaan, het lijk van den edelen meester
+letterlijk ingemaakt: van het hoofd ontdaan, gekookt, geprepareerd.
+[552] Toen de heilige Elisabeth van Thueringen boven aarde stond, kwam
+een schaar van devoten niet alleen stukken snijden of scheuren van de
+doeken, waarmee haar gelaat omwikkeld was; men sneed de haren en nagels
+af, ja zelfs stukken van de ooren en de tepels van de borsten. [553] Ter
+gelegenheid van een plechtig feest deelt Karel VI ribben uit van zijn
+voorvader den heiligen Lodewijk: aan Pierre d'Ailly, aan zijn ooms van
+Berry en Bourgondie, en aan de prelaten een been om te verdeelen,
+waartoe dezen dan ook overgaan na den maaltijd. [554]
+
+Hoe levend en hoe lijfelijk nu ook de voorstelling der heiligen was,
+niettemin treden zij betrekkelijk weinig op in de sfeer van de
+bovennatuurlijke beleving. Het geheele gebied van geestenzienerij,
+teekenen, verschijningen en spooksels staat grootendeels gescheiden
+van de verbeeldingssfeer der heiligenvereering. Er zijn natuurlijk
+uitzonderingen. Iedereen denkt terstond aan Sint Michiel, Sint Catharina
+en Sint Margareta, die aan Jeanne d'Arc verschenen. Zoo zouden er uit de
+visionaire litteratuur nog tal van andere voorbeelden zijn aan te halen.
+Maar in den regel heeft men daar te doen met eenigszins litterair
+geformeerde of geinterpreteerde gezichten. Wanneer aan den jongen herder
+te Frankenthal bij Bamberg in 1446 de veertien heilige noodhelpers
+verschijnen, dan ziet hij dezen, die toch in de iconografie zulke
+markante figuren waren, [555] niet met hun sprekende attributen, maar
+als veertien engelkindertjes, onderling geheel gelijk; zij _zeggen_,
+dat zij de veertien noodhelpers zijn. De fantasmagorie van het directe
+volksgeloof is gevuld met engelen en duivelen, geesten van afgestorvenen
+en witte wijven, maar niet met heiligen. Slechts bij uitzondering speelt
+in het echte, niet litterair of theologisch aangekleede bijgeloof de
+heilige een rol. Sint Bertulf doet het te Gent. Als er iets ernstigs
+gaat gebeuren, klopt hij tegen zijn kist in de Sint Pieters abdij "moult
+dru et moult fort". Het gaat soms gepaard met een lichte aardbeving,
+en verschrikt de stad zoo, dat zij met groote ommegangen het onbekende
+onheil zoekt te keeren. [556] In het algemeen echter hecht zich de
+klamme vrees aan de slechts vaag verbeelde figuren, die niet met vaste
+attributen, bekende trekken en gezellig bonte kleedij in de kerken
+uitgehouwen en geschilderd stonden, maar met een ongezien schrikgelaat
+in een nevelige wade rondwaarden, of in louter hemelglans zich vertoonden,
+of in monsterlijk verschietende wanvormen uit de schuilhoeken van het
+brein opdoken.
+
+Dit behoeft niet te verbazen. Juist doordat de heilige zoo exacten vorm
+had aangenomen, zooveel verbeeldingsstof had aangetrokken en rondom zich
+gekristalliseerd, miste hij de huiveringwekkende geheimzinnigheid.
+De vrees voor het bovennatuurlijke ligt in de onbepaaldheid der
+voorstelling, in de verwachting, dat iets plotseling zich in een nieuwe,
+nooit ontwaarde schrikwekkendheid zou kunnen vertoonen. Zoodra de
+voorstelling wordt omlijnd en bepaald, ontstaat een gevoel van
+verzekerdheid en gemeenzaamheid. De heiligen met hun welbekende figuren
+hadden het geruststellende van een politieagent in een groote vreemde
+stad. De heiligenvereering en vooral de heiligenverbeelding schiep als
+'t ware een neutrale zone van gemoedelijk rustig geloof tusschen de
+verrukkingen van het God-schouwen en de zoete huiveringen van de
+Christusliefde eenerzijds, en anderzijds de gruwelijke fantasmen van de
+duivelvrees en den heksenwaan. Men zou de stelling kunnen wagen, dat de
+heiligenvereering, door veel zaligheidsgevoel en veel angsten af te
+leiden en te herleiden tot gemeenzame verbeelding, een zeer hygienische
+tempering heeft opgeleverd voor den wild uitschietenden geest der
+Middeleeuwen.
+
+Door die volkomen ver-beelding heeft de heiligenvereering haar plaats
+aan den buitenkant van het geloofsleven. Zij gaat mee op den stroom van
+het alledaagsche denken, en verliest daarin soms haar waardigheid.
+Karakteristiek is in dit opzicht de laat-middeleeuwsche Joseph-vereering.
+Men kan haar beschouwen als een gevolg en een terugslag van de
+hartstochtelijke Maria-vereering. De onbescheiden belangstelling voor
+den stiefvader is als 't ware de tegenkant van al de liefde en
+verheerlijking, die de maagdelijke Moeder gold. Naarmate Maria hooger
+steeg, werd Joseph meer caricatuur. De beeldende kunst gaf hem reeds een
+type, dat bedenkelijk dicht naderde tot dat van den lompen, bespotten
+boer. Zoo ziet men hem op Melchior Broederlam's tweeluik te Dijon. Maar
+in de beeldende kunst bleef het ontwijdendste onuitgedrukt. Welk een
+naieve nuchterheid vertoont de Joseph-opvatting van Eustache Deschamps,
+die hierin toch volstrekt niet als een onvrome spotter te beschouwen is.
+Joseph, die Gods Moeder dienen mocht en haar zoon opvoeden, men zou
+meenen, dat geen sterveling hooger begenadigd is geweest. Deschamps
+gelieft hem te zien als het type van den slovenden, beklagenswaardigen
+huisvader:
+
+ "Vous qui servez a femme et a enfans
+ Aiez Joseph toudis en remembrance;
+ Femmes servit toujours tristes, dolans.
+ Et Jhesu Crist garda en son enfance;
+ A pie trotoit, son fardel sur sa lance;
+ En plusieurs lieux est figure ainsi,
+ Lez un mulet, pour leur faire plaisance,
+ Et si n'ot oncq feste en ce monde ci." [557]
+
+Was het enkel, om huisvaders in zorgen met een edel voorbeeld te
+troosten, dan zou het nog gaan, wat er ook aan waardigheid der
+voorstelling ontbrak. Maar Deschamps bedoelt Joseph regelrecht als
+afschrikkend voorbeeld, om zich toch niet met een gezin te belasten:
+
+ "Qu'ot Joseph de povrete
+ De durte,
+ De maleurte,
+ Quant Dieux nasqui?
+ Maintefois l'a comporte,
+ Et monte
+ Par bonte
+ Avec sa mere autressi,
+ Sur sa mule les ravi;
+ Je le vi
+ Paint ainsi;
+ En Egipte en est ale.
+
+ Le bonhomme est painture
+ Tout lasse,
+ Et trousse,
+ D'une cote et d'un barry:
+ Un baston au coul pose,
+ Vieil, use
+ Et ruse.
+ Feste n'a en ce monde cy,
+ Mais de lui
+ Va le cri:
+ C'est Joseph le rassote." [558]
+
+Hier ziet men voor oogen, hoe uit de gemeenzame afbeelding een
+gemeenzame opvatting groeide, die elke heiligheid schond. Joseph bleef
+in de volksverbeelding een half-komische figuur; nog dr. Johannes Eck
+moest erop aandringen, dat men hem in het kerstspel of in het geheel
+niet, of althans op betamelijker wijze zou voorstellen, en hem geen
+pap zou laten koken, "ne ecclesia Dei irrideatur." [559] Tegen deze
+onwaardige woekeringen was de beweging van Gerson voor een passende
+Joseph-vereering gericht, die tot zijn opneming in de liturgie met
+voorrang boven alle andere heiligen leidde. [560] Wij zagen echter boven
+reeds, hoe ook Gerson's ernstig streven hem niet vrijhoudt van die
+onbescheiden curiositas, die aan het onderwerp van Joseph's huwelijk
+haast onvermijdelijk verbonden scheen. Voor een nuchteren geest (en
+Gerson, ondanks zijn voorliefde voor de mystiek, was in veel opzichten
+een nuchtere geest) mengden zich altijd weer in de beschouwing van
+Maria's huwelijk overwegingen van zeer aardschen inhoud. De ridder de la
+Tour-Landry, ook een type van nuchter welmeenend geloof, ziet het geval
+onder dit licht. "Dieux voulst que elle espousast le saint homme Joseph,
+qui estoit vieulx et preudomme; car Dieu voulst naistre soubz umbre de
+mariage pour obeir a la loy qui lors couroit, _pour eschever les paroles
+du monde_," [561]--
+
+Een onuitgegeven werk der vijftiende eeuw verbeeldt het mystisch
+huwelijk der ziel met den hemelschen bruidegom in de termen van een
+burgerlijke vrijaadje. Jezus, de bruidegom, zegt tot God Vader: "S'il te
+plaist, je me mariray et auray grant foueson d'enfans et de famille." De
+Vader maakt bezwaren, want de keuze des Zoons is gevallen op een zwarte
+Ethiopische; hier speelt het woord van het Hooglied onder: "Nigra sum
+sed formosa". Het zou een mesalliance zijn en een oneer voor de familie.
+De engel, die als hijlikmaker optreedt, doet een goed woord voor de
+bruid. "Combien que ceste fille soit noire, neanmoins elle est
+gracieuse, et a belle composicion de corps et de membres, et est bien
+habile pour porter fouezon d'enfans." De Vader antwoordt: "Mon cher fils
+m'a dit qu'elle est noire et brunete. Certes je vueil que son espouse
+soit jeune, courtoise, jolye, gracieuse et belle et qu'elle ait beaux
+membres." Nu prijst de engel haar aangezicht en al haar leden, dat zijn
+de deugden der ziel. De Vader geeft zich gewonnen, en spreekt tot den
+Zoon:
+
+ "Prens la, car elle est plaisant
+ Pour bien amer son doulx amant;
+ Or prens de nos biens largement,
+ Et luy en donne habondamment." [562]
+
+Aan den ernst en de stichtelijke bedoeling van dit werk valt geen
+oogenblik te twijfelen. Het is enkel een bewijs, tot welke triviale
+voorstellingen de onbeteugelde uitwerking der verbeelding leiden kon.
+
+Iedere heiligenfiguur had door haar welbepaald, direct sprekend beeld
+een individueel karakter, [563] in tegenstelling met de engelen, die met
+uitzondering der drie groote aartsengelen volkomen onverbeeld bleven.
+De individualiteit der heiligen werd nog versterkt door de speciale
+functie, die aan verscheiden hunner toekwam: tot dezen wendde men zich
+in een bepaalden nood, tot genen om genezing eener bepaalde ziekte.
+Veelal had een trek uit de legende of een attribuut van het beeld de
+aanleiding gegeven tot die specialiseering, zooals bij voorbeeld, als
+Sinte Apollonia tegen kiespijn werd aangeroepen, wie zelve in haar
+martelie de kiezen waren uitgetrokken. Was eenmaal de goedgunstige taak
+der heiligen zoo verbijzonderd, dan kon het niet uitblijven, of er kwam
+in hun vereering een half mechanisch element. Hoorde eenmaal de genezing
+der pest tot het ambtsgebied van Sint Rochus, dan werd bijna
+onvermijdelijk de actie van den heilige in dezen te direct opgevat, en
+liep de gansche, door de Kerk gevorderde, gedachtenschakel, dat de
+heilige door zijn voorbidding bij God de genezing wrocht, gevaar om uit
+te vallen. Met name was dit het geval bij de vereering der veertien
+(soms ook vijf, acht, tien of vijftien) Noodhelpers, die in het laatst
+der Middeleeuwen zoo sterk op den voorgrond kwam. Sint Barbara en Sint
+Christophorus, de meest afgebeelde van allen, hooren ertoe. Aan deze
+veertien had God naar de voorstelling van het volksgeloof toegestaan,
+dat hunne aanroeping iedereen zou vermogen te redden uit onmiddellijk
+dreigend gevaar.
+
+ "Ilz sont cinq sains, en la genealogie,
+ Et cinq sainctes, a qui Dieux octria
+ Benignement a la fin de leur vie.
+ Que quiconques de cuer les requerra
+ En tous perilz, que Dieux essaucera
+ Leurs prieres, pour quelconque mesaise.
+ Saiges est donc qui ces cinq servira,
+ Jorges, Denis, Christofle, Gille et Blaise." [564]
+
+Voor het volksbesef moest krachtens deze delegatie der almacht en
+de oogenblikkelijkheid der werking elke gedachte aan de louter
+voorsprekende functie der heiligen geheel wegvallen; de Noodhelpers
+waren de procuratiehouders der godheid geworden. Verschillende missalen
+uit het einde der Middeleeuwen, die het officie der veertien Noodhelpers
+behelzen, spreken het bindend karakter van hunne tusschenkomst duidelijk
+uit: "Deus qui electos sanctos tuos Georgium etc. etc. specialibus
+privilegiis prae cunctis aliis decorasti, ut omnes, qui in necessitatibus
+suis eorum implorant auxilium, secundum promissionem tuae gratiae
+petitionis suae salutarem consequantur effectum." [565] Vandaar dat de
+Kerk na Trente de mis der veertien Noodhelpers als zoodanig verboden
+heeft, van wege het gevaar, dat het geloof hier zich als aan een talisman
+zou hechten. [566] Inderdaad gold reeds het dagelijks aanschouwen van een
+geschilderden of gebeeldhouwden Christophorus als genoegzame behoeding
+voor een noodlottig einde. [567]
+
+Vraagt men, wat de aanleiding kan zijn geweest, dat juist deze veertien
+zulk een compagnie des heils zijn gaan vormen, dan valt het op, dat
+allen in hun beeltenis iets sensationeels hadden, dat de verbeelding
+prikkelde. Achatius zag men met een doornenkroon, Aegidius met een
+hinde, Sint Joris met den draak, Blasius in een hol met wilde dieren,
+Christoffel als een reus, Cyriacus met den duivel aan een ketting,
+Dionysius met zijn hoofd in den arm, Erasmus in zijn gruwelijke
+marteling met de windas, die hem de darmen uittrekt, Eustachius met het
+kruisdragend hert, Pantaleon als geneesheer, met een leeuw, Vitus in een
+ketel, Sint Barbara met haar toren, Catharina met het rad en het zwaard,
+Margareta met een draak. [568] Het zou niet onmogelijk zijn, dat de
+bijzondere opmerkzaamheid voor deze veertien van het treffende in hun
+beeld haar uitgangspunt had genomen.
+
+Tal van heiligennamen waren verbonden geraakt aan bepaalde ziekten,
+zooals Sint Antonie aan verschillende vurige huidziekten, Sint Maurus
+aan de jicht, Sint Sebastiaan, Sint Rochus, Sint Aegidius, Sint
+Christoffel, Sint Valentijn en Sint Adriaan aan de pest. Hier school nog
+een ander gevaar voor ontaarding van het volksgeloof. Het euvel heette
+naar den heilige: Sint Antonies vuur, "mal de Saint Maur" en tallooze
+dergelijke. De heilige stond dus bij het denken aan de ziekte van
+aanvang af op den voorgrond der gedachte. Dat denken was geladen met
+heftige gemoedsbeweging; vooral waar het de gevreesde pest gold.
+De pestheiligen werden in de vijftiende eeuw druk vereerd: met officien
+in de kerken, met processies, met broederschappen, een geestelijke
+ziekteverzekering als 't ware. Hoe licht kon nu het sterke besef van
+Gods toorn, dat door iedere epidemie werd gewekt, overslaan op den
+heilige, die de voorstelling in beslag nam. Niet Gods ondoorgrondelijke
+rechtvaardigheid heeft de ziekte veroorzaakt, maar de toorn van den
+heilige is het, die haar zendt en verzoening eischt. Wanneer hij ze
+geneest, waarom zal hij haar dan ook niet veroorzaken? Zoo was een
+heidensche verplaatsing van het geloof uit de religieus ethische in de
+magische sfeer gegeven, waarvoor de Kerk enkel in zooverre aansprakelijk
+kon worden gesteld, als zij er niet genoeg rekening mee hield, hoe haar
+zuivere leer vertroebelde in een onwetenden geest. Rabelais vertelt van
+volkspredikers, die der gemeente Sint Sebastiaan voorhielden als den
+veroorzaker der pest, Sint Eutropius (wegens de assonantie met
+ydropique?) als dien der waterzucht. [569] De werkelijke aanwezigheid
+van zulk een voorstelling wordt gestaafd door meer dan een getuigenis.
+Eustache Deschamps laat den door huidziekte geplaagden bedelaar zeggen:
+
+ "Saint Anthoine me vent trop chier
+ Son mal, le feu ou corps me boute", [570]
+
+en den jichtige voegt hij toe: wel, als ge niet loopen kunt, spaart ge
+weggeld uit:
+
+ "Saint Mor ne te fera fremir." [571]
+
+In zijn hoongedicht _De validorum per Franciam mendicantium varia
+astucia_ beschrijft Robert Gaguin de bedelaars aldus: "Deze valt ter
+aarde, terwijl hij stinkend speeksel opgeeft, en bazelt, dat dit het
+wonderwerk van Sint Jan is. Anderen worden door Sint Fiacrius, den
+kluizenaar, met puisten gekweld; gij, o Damianus, belemmert de
+waterloozing. Sint Antonie brandt hun de gewrichten met jammerlijk vuur,
+Sint Pius maakt hen kreupel en lam." [572]
+
+"Sainct Anthoine arde le tripot! Sainct Anthoine arde la monture!" [573]
+In verwenschingen als deze is de heilige geheel een booze vuur-demon
+geworden.
+
+Zelfs de bejegening der godheid zelf kan door deze fetichistische
+voorstelling aangetast worden. Te Haarlem wordt in 1492 een knaap uit de
+Groningsche Ommelanden terechtgesteld, die na zijn geld bij het dobbelen
+verloren te hebben, een kerk was binnengeloopen en twee dolksteken had
+toegebracht aan het beeld van den Gekruisigde. [574]
+
+De gevoels- en gedachteninhoud van de heiligenvereering was voor zulk
+een groot deel vastgelegd in de kleuren en vormen der beelden, dat de
+onmiddellijk aesthetische opvatting voortdurend dreigde, de religieuze
+gedachte op te heffen. Tusschen het aanschouwen van den glans van het
+goud, van de pijnlijk getrouwe weergave van de stoffen der kleedij, van
+den vromen blik der oogen, en de levende voorstelling van den heilige in
+het bewustzijn, was nauwelijks meer plaats voor de overdenking, wat de
+Kerk toestond en wat zij verbood, dien heerlijken wezens aan hulde en
+innigheid te bieden. De heiligen leefden in den geest des volks als
+goden. Wanneer dat gevaar voor de volksvroomheid gevreesd wordt door de
+angstvallig rechtgeloovige kringen der Windesheimers, verbaast het ons
+niet. Doch wel sprekend is het, wanneer die gedachte plotseling opgaat
+aan een geest als Eustache Deschamps, den oppervlakkigen, banalen
+hofdichter, die juist in zijn begrensdheid zulk een voortreffelijke
+spiegel is van het gewone geestesleven van zijn tijd.
+
+ "Ne faictes pas les dieux d'argent,
+ D'or, de fust, [575] de pierre ou d'arain,
+ Qui font ydolatrer la gent....
+ Car l'ouvrage est forme plaisant;
+ Leur painture dont je me plain,
+ La beaute de l'or reluisant,
+ Font croire a maint peuple incertain
+ Que ce soient dieu pour certain,
+ Et servent par pensees foles
+ Telz ymages qui font caroles [576]
+ Es moustiers ou trop en mettons;
+ C'est tresmal fait: a brief paroles,
+ Telz simulacres n'aourons.
+ * * * * * * * * * * * * *
+ Prince, un Dieu croions seulement
+ Et aourons parfaictement
+ Aux champs, partout, car c'est raisons.
+ Non pas faulz dieux, fer n'ayment,
+ Pierres qui n'ont entendement:
+ Telz simulacres n'aourons." [577]
+
+Zou het niet op te vatten zijn als een onbewuste reactie tegen de
+heiligenvereering, wanneer in de late Middeleeuwen zoo sterk geijverd
+wordt voor de vereering van den beschermengel? In de heiligenvereering
+was het levende geloof veel te veel gekristalliseerd; men had behoefte
+aan een meer liquiden staat van het vereeringsgevoel en het
+beschermingsbesef. Dat kon zich hechten aan de nauwelijks verbeelde
+engelfiguur, terugkeeren tot de onmiddellijkheid van het
+bovennatuurlijke. Het is alweer Gerson, de nauwgezette ijveraar voor
+zuiverheid in het geloof, die de vereering des beschermengels
+herhaaldelijk aanbeveelt. [578] Doch ook hier dreigt alweer die zucht
+tot uitwerking der bijzonderheden, die het vrome gehalte der vereering
+slechts schaden kon. De "studiositas theologorum" zegt Gerson, stelt
+aangaande de engelen allerlei vragen: of zij ons ooit verlaten, of zij
+van te voren weten, of wij uitverkoren zijn of verdoemd zullen worden,
+of Christus een beschermengel had, en Maria, of de Antichrist er een
+hebben zal. Of onze goede engel tot onze ziel kan spreken zonder de
+beelden van phantasmen, of zij de aanspoorders zijn tot het goede,
+gelijk de duivelen tot het kwade. Of zij onze gedachten zien. Wat hun
+getal is. Die studiositas, besluit Gerson, blijve den godgeleerden
+overgelaten, maar elke curiositas zij verre van allen, die zich meer
+moeten bevlijtigen tot devotie dan tot subtiele speculatie. [579]
+
+De Hervorming heeft een eeuw later de heiligenvereering bijna weerloos
+gevonden, terwijl zij tegen het heksen- en duivelgeloof zelfs geen
+aanval deed, ja niet doen wilde, daar het haar zelf nog bevangen hield.
+Was dit niet, doordat de heiligenvereering voor een groot deel tot caput
+mortuum geworden was, doordat bijna alles wat de gedachtensfeer der
+heiligenvereering betrof, in het beeld, de legende, het gebed zoo
+volkomen was uitgedrukt, dat er geen huiverend ontzag meer achter stond?
+De heiligenvereering had haar wortels in het onverbeelde en onzegbare
+verloren, die zoo vreeselijk sterk waren in de demonologische
+gedachtensfeer. En wanneer de Contrareformatie een gezuiverde
+heiligenvereering opnieuw gaat kweeken, moet zij den geest bewerken met
+snoeimes en bemesting.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[458] J. Burckhardt, Weltgeschichtliche Betrachtungen, 1905, S. 97, 147.
+
+[459] Heinrich Seuse, Leben, ed. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, 1907,
+p. 24, 25.
+
+[460] Gerson, Opera, III p. 309.
+
+[461] Nic. de Clemanges, De novis festivitatibus non instituendis,
+Opera, ed. Lydius, Lugd. Bat. 1613, p. 151, 159.
+
+[462] Bij Gerson, Opera, II p. 911.
+
+[463] Acta sanctorum Apr. t. III p. 149.
+
+[464] ac aliis vere pauperibus et miserabilibus indigentibus, quibus
+convenit jus et verus titulus mendicandi.
+
+[465] qui ecclesiam suis mendaciis maculant et eam irrisibilem reddunt.
+
+[466] Alanus Redivivus, ed. J. Coppenstein, 1642, p. 77.
+
+[467] Commines, I p. 310; Chastellain, V p. 27; Le Jouvencel, I p. 82;
+Jean Lud, in Deutsche Geschichtsblaetter, XV p. 248; Journal d'un
+bourgeois, p. 384; Paston Letters, II p. 18; J. H. Ramsay, Lancaster and
+York, II p. 275; Play of sir John Oldcastle, II p. 2 enz.
+
+[468] Contra superstitionem praesertim Innocentum, Gerson, Opera, I p.
+203.
+
+[469] Gerson, Quaedam argumentatio adversus eos qui publice volunt
+dogmatizare etc. Opera, II p. 521/522.
+
+[470] Johannis de Varennis Responsiones etc., Gerson, I p. 909.
+
+[471] Journal d'un bourgeois, p. 259. Voor "une hucque vermeille par
+dessoubz" zal "par dessus" te lezen zijn.
+
+[472] Contra vanam curiositatem, Opera, I p. 86.
+
+[473] Considerations sur saint Joseph, III p. 842/68. Josephina IV p.
+753; Sermo de natalitate beatae Mariae Virginis, III p. 1351; verder IV
+p. 729, 731, 732, 735, 736.
+
+[474] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 50.
+
+[475] C. Schmidt, Der Prediger Olivier Maillard, Zeitschr. f. hist.
+Theologie, 1856, p. 501.
+
+[476] Zie Thuasne, Rob. Gaguini Ep. et Or., I p. 72ss.
+
+[477] Les cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 75ss. 122ss.
+
+[478] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, ed. de Montaiglon, p. 56.
+
+[479] L.c., p. 257; "Se elles ouyssent sonner la messe ou a veoir Dieu."
+
+[480] Leroux de Lincy, Le livre des Proverbes francais(2), Paris, 1859,
+2 vol., I p. 21.
+
+[481] Froissart, ed. Luce, V p. 24.
+
+[482] "Cum juramento asseruit non credere in Deum dicti episcopi," Rel.
+de S. Denis, I p. 102.
+
+[483] Laborde, II p. 264. no. 4238. Inventaris van 1420; ib. II p. 10
+no. 77, Inventaris van Karel den Stoute, waar wel sprake zal zijn van
+hetzelfde exemplaar.
+
+[484] Gerson, Opera, III p. 947.
+
+[485] Journal d'un bourgeois, p. 366(2).
+
+[486] Een nederl. aflaatbrief uit de 14e eeuw, ed. J. Verdam, Ned.
+Archief voor Kerkgesch. 1900, p. 117-122.
+
+[487] A. Eekhof, De questierders van den aflaat in de Noordelijke
+Nederl., 's Grav. 1909, p. 12.
+
+[488] Chastellain, Ip. 187/89: intocht van Hendrik V en Philips van
+Bourgondie te Parijs in 1420; II p. 16: intocht van den laatste te Gent
+in 1430.
+
+[489] Doutrepont, p. 379.
+
+[490] Deschamps, III p. 89 no. 357; le roi Rene, Traicte de la forme et
+devise d'un tournoy. Oeuvres, II p. 9.
+
+[491] Olivier de la Marche. II p. 202.
+
+[492] Monstrelet, I p. 285. cf. 306.
+
+[493] Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, p. 13, 16, (Chron.
+rel. a l'hist. de la Belgique sous la dom. des ducs de Bourg. II).
+
+[494] Molinet, II p. 84-94, III p. 98, Faictz et Dictz, fo. 47, vgl. I
+p. 240, en ook Chastellain, III p. 209, 260, IV p. 48, V p. 301, VII
+p. 1ss.
+
+[495] Molinet, III p. 109.
+
+[496] Gerson, Oratio ad regem Franciae, Opera, IV p. 662.
+
+[497] Quinze joyes de Mariage, p. xiii.
+
+[498] Gerson, Opera, III p. 299.
+
+[499] Friedlaender, Jahrb. d. K. Preuss. Kunstsammlungen, XVII. 1896,
+p. 206.
+
+[500] Wetzer und Welte, Kirchenlexikon, s. v. Musik, col., 2040.
+
+[501] Chastellain, III p. 155.
+
+[502] H. van den Velden, Rod. Agricola, een Nederlandsen humanist der
+vijftiende eeuw, 1e dl., Leiden 1911, p. 44.
+
+[503] Deschamps, X no. 33, p. xli. In den voorlaatsten regel staat
+"l'ostel", wat natuurlijk geen zin geeft.
+
+[504] Nic. de Clemanges, De novis celebritatibus non instituendis,
+Opera, ed. Lydius, 1613, p. 143.
+
+[505] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 66, 70.
+
+[506] Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 946, 947.
+
+[507] Nic. de Clemangiis, l.c., p. 147.
+
+[508] O. Winckelmann, Zur Kulturgesch. des Strassburger Muensters,
+Zeitschr. f. d. Gesch. des Oberrheins NF XXII 2.
+
+[509] Dionysius Cartusianus, De modo agendi processiones etc., Opera,
+XXXVI p. 198s.
+
+[510] Chastellain, V p. 253ss.
+
+[511] Hierboven p. 66. (zie Hoofdstuk II, noot 100)
+
+[512] Michel Menot, Sermones f. 144vs., bij Champion, Villon, I p. 202.
+
+[513] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 65; Olivier de la
+Marche, II p. 89; l'Amant rendu cordelier, p. 25, huitain 68; Rel. de S.
+Denis. I p. 102.
+
+[514] L.c., p. 144.
+
+[515] Christine de Pisan, Oeuvres poetiques, I p. 172, vgl. p. 60,
+l'Epistre au dieu d'Amours, II 3; Deschamps, V p. 51 no. 871, II p. 185
+vs. 75; vgl. hierboven p. 207. (= zie Hoofdstuk IV, noot 399)
+
+[516] L'Amant rendu cordelier, l.c.
+
+[517] Menot, l.c.
+
+[518] Gerson, Expostulatio ... adversus corruptionem juventutis per
+lascivas imagines et alia hujusmodi, Opera, III p. 291; cf. De parvulis
+ad Christum trahendis, ib. p. 281; Contra tentationem blasphemiae, ib.
+p. 246.
+
+[519] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 80, 81, vgl. Machaut,
+Livre du Voir-Dit, p. 143ss.
+
+[520] Ib. p. 55, 63, 73, 79.
+
+[521] Nic. de Clemangiis, l.c. p. 145.
+
+[522] Quinze joyes de mariage, p. 127, vgl. p. 19, 29. 124.
+
+[523] Froissart, ed. Luce et Raynaud, XI p. 225ss.
+
+[524] Chron. Montis S. Agnetis, p. 341; J. C. Pool, Frederik v. Heilo en
+zijne schriften, Amsterdam, 1866, p. 126; vgl. Hendrik Mande bij W. Moll,
+Joh. Brugman en het godsd. leven onzer vaderen in de 15e eeuw, 1854, 2 dln.,
+I p. 264.
+
+[525] Gerson, Centilogium de impulsibus, Opera, III p. 154.
+
+[526] Deschamps, IV p. 322 no. 807; vgl. I p. 272 no. 146: "Si n'y a Si
+meschant qui encor ne die Je regni Dieu...."
+
+[527] Gerson, Adversus lacivas imagines, Op. III p. 292; Sermo de
+nativitate Domini, III p. 946.
+
+[528] Deschamps, I p. 271ss. no. 145, 146, p. 217 no. 105, vgl. II p.
+lvi en Gerson III p. 85.
+
+[529] Gerson, Considerations sur le peche de blaspheme, Op. III p. 889.
+
+[530] Regulae morales, ib. III p. 85.
+
+[531] Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 130, Rel. de S. Denis,
+II p. 533.
+
+[532] P. d'Ailly, De reformatione, cap. 6; de reform, laicorum, bij
+Gerson, Opera, II p. 914.
+
+[533] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 243.
+
+[534] Gerson, Regulae morales. Opera, III p. 85.
+
+[535] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 246:
+hi qui audacter contra fidem loquuntur in forma joci etc.
+
+[536] Cent nouvelles nouvelles, II p. 205.
+
+[537] Gerson, Sermo de S. Nicolao, Op. III p. 1577; De parvulis ad
+Christum trahendis ib. p. 279. Tegen hetzelfde spreekwoord ook Dionysius
+Cart., Inter Jesum et puerum dialogus, art. 2, Opera t. XXXVIII p. 190.
+
+[538] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 45.
+
+[539] Ib. p. 58.
+
+[540] Deschamps, VI p. 109, no. 1167, id. no. 1222; Commines, I p. 449.
+
+[541] Froissart, ed Kervyn. XIV p. 67.
+
+[542] Rel. de S. Denis, I p. 102, 104; Jean Juvenal des Ursins, p. 346.
+
+[543] Jacques du Clercq. II p. 277, 340; IV p. 59; vgl. Molinet, IV p.
+390, Rel. de S. Denis, I p. 643.
+
+[544] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martene et Durand, Ampl. Coll. II
+p. 1415, vgl. ep. 75, 76, p. 1456 van Ambr. de Miliis aan Gonthier Col,
+waar hij zich beklaagt over Jean de Montreuil.
+
+[545] Gerson, Sermo III in die Sancti Ludovici, Opera, III p. 1451.
+
+[546] Gerson, Contra impugnantes ordinem carthusiensium, Opera. II
+p. 713.
+
+[547] Gerson, De decem praceptis, Opera, I p. 245.
+
+[548] Gerson, Sermo de nativ. Domini, Opera, III p. 947.
+
+[549] Nic. de Clemanges, De novis celebr. etc. p. 151.
+
+[550] Villon, Testament, vs. 893ss., ed. Longnon, p. 57.
+
+[551] Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 947, Regulae
+morales, ib. p. 86, Liber de vita spirituali animae, ib. p. 66.
+
+[552] Hist. translationis corporis sanctissimi ecclesiae doctoris divi
+Thom. de Aq., 1368, auct. fr. Raymundo Hugonis O.P., Acta sanctorum
+Martii, I p. 725.
+
+[553] Bericht van de pauselijke commissaris-bisschop Konrad van
+Hildesheim en abt Hermann van Georgenthal over het getuigenverhoor
+aangaande de heilige Elisabeth te Marburg in Januari 1235, uitgegeven
+Historisches Jahrbuch der Goerres-Gesellschaft XXVIII p. 887.
+
+[554] Rel. de S. Denis, II p. 37.
+
+[555] Zie beneden p. 280. (zie Hoofdstuk VI, noot 565)
+
+[556] Chastellain, III p. 407, IV p. 216.
+
+[557] Deschamps, I p. 277 no. 150.
+
+[558] Ib. II p. 348 no. 314.
+
+[559] Uit Johann Eck's Pfarrbuch fuer U.L. Frau in Ingolstadt,
+aangehaald Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 103.
+
+[560] Joseph Seitz, Die Verehrung des hl. Joseph in ihrer geschichtl.
+Entwicklung usw., Freiburg, Herder, 1908.
+
+[561] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 212.
+
+[562] B. Nat. Ms. fr. 1875, bij Ch. Oulmont, Le Verger, le Temple et la
+Cellule, essai sur la sensualite dans les oeuvres de mystique
+religieuse, Paris, 1912, p. 284ss.
+
+[563] Zie over de heiligenfiguren vooral E. Male, L'art religieux a la
+fin du Moyen age, chap. IV.
+
+[564] Deschamps, I p. 114 no. 32, VI p. 243 no. 1237.
+
+[565] Bambergsch missaal van 1490, bij Uhrig, Die 14 hl. Nothelfer (XIV
+Auxiliatores), Theol. Quartalschrift LXX, 1888, p. 72; vgl. Utrechtsch
+missaal van 1514 en Dominicaansch missaal van 1550, Acta sanctorum
+Aprilis t. III p. 149.
+
+[566] L.l.c.c.
+
+[567] Erasmus, Ratio seu methodus compendio perveniendi ad veram
+theologiam, ed. Bazel, 1520, p. 171.
+
+[568] In de zooeven aangehaalde ballade van Deschamps ook Martha, die de
+Tarasque te Tarascon vernietigde.
+
+[569] Gargantua, l.I ch. 45.
+
+[570] ou = au.
+
+[571] Deschamps, no. 1230, VI p. 323.
+
+[572] Rob. Gaguini Epistole et Orationes, ed. Thuasne. II p. 176.
+
+[573] Oeuvres de Coquillart, ed. Ch. d'Hericault (Bibl. elzevirienne)
+1857. 2 vol., II p. 281.
+
+[574] Molinet, IV p. 284.
+
+[575] Fust = hout.
+
+[576] font caroles = in 't rond staan.
+
+[577] Deschamps, VIII p. 201, no. 1489.
+
+[578] Gerson, de Angelis, Opera, III p. 1481, De praeceptis decalogi, I
+p. 431, Oratio ad bonum angelum suum, III p. 511, Tractatus VIII super
+Magnificat, IV p. 370; vgl. III p. 137, 553, 739.
+
+[579] Opera. IV p. 389.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VII
+
+DE GODSDIENSTIGE PERSOONLIJKHEID
+
+
+Het volk leefde gewoonlijk in de sleur van een geheel veruiterlijkten
+godsdienst bij een zeer vast geloof, dat wel angsten en verrukkingen
+bracht, maar den ongeleerde geen vragen en geestelijken strijd oplegde,
+zooals het Protestantisme zou doen. De gemoedelijke oneerbiedigheid en
+nuchterheid van allen dag werd afgewisseld door de innigste ontroeringen
+van hartstochtelijke vroomheid, die telkens spasmodisch het volk
+aangrijpen. Men moet die voortdurende tegenstelling van sterke en zwakke
+religieuze spanning niet willen begrijpen, door de kudde te scheiden in
+vromen en wereldlingen, alsof een deel des volks blijvend hoog
+godsdienstig leefde, terwijl de anderen slechts uiterlijk vroom waren.
+Onze voorstelling van het laat-middeleeuwsche Noord-nederlandsche en
+Neder-duitsche pietisme zou ons licht op een dwaalspoor kunnen brengen.
+In de moderne devotie der Fraterhuizen en Windesheimers hadden zich
+inderdaad pietistische kringen uit het wereldsche leven afgezonderd; bij
+hen was de religieuze spanning blijvend genormaliseerd; zij vormden als
+vromen bij uitstek een tegenstelling tot den grooten hoop. Doch Frankrijk
+en de Zuidelijke Nederlanden hebben dat verschijnsel in den vorm van een
+georganiseerde beweging nauwelijks gekend. Toch hebben daar de stemmingen,
+die aan de moderne devotie ten grondslag lagen, evengoed hun werking gehad
+als in het stille land van den IJsel. Doch daar in het Zuiden kwam het
+niet tot zulk een afscheiding; de hooge devotie bleef er deel van het
+algemeene godsdienstleven; zij openbaarde zich er bij oogenblikken,
+heviger en korter. Het is het verschil, dat tot den huidigen dag
+Romaansche volken van de Noordelijke scheidt: de Zuidelijken nemen een
+tegenstrijdigheid minder zwaar, voelen minder den eisch, er de volle
+consequentie uit te trekken, kunnen gemakkelijker de gemeenzaam spottende
+houding van het dagelijksch leven verbinden met de hooge exaltatie van het
+begenadigde oogenblik.
+
+De geringschatting voor de geestelijkheid, die als onderstrooming door
+de heele middeleeuwsche cultuur heenloopt naast de hooge vereering voor
+den priesterstand, is ten deele te verklaren uit de verwereldlijking der
+hoogere geestelijkheid en de verregaande declasseering der lagere, en
+ten deele uit oude heidensche instincten. Het onvolkomen gekerstende
+volksgemoed had nooit geheel den afkeer afgelegd van den man, die niet
+vechten mocht en kuisch moest leven. De ridderlijke hoogmoed, geworteld
+in dapperheid en liefde, stiet evenzeer als het ruwe volksbesef het
+geestelijk ideaal van zich. De ontaarding der geestelijken zelf deed de
+rest, en zoo hadden hoogere en lagere standen zich reeds eeuwen
+verlustigd in de figuur van den onkuischen monnik en den smullenden
+vetten paap. Een latente haat tegen de geestelijkheid was altijd
+aanwezig. Hoe heftiger een prediker uitvoer tegen de zonden van zijn
+eigen stand, hoe liever het volk hem hoorde. [580] Zoodra de preeker,
+zegt Bernardinus van Siena, tegen de geestelijken te velde trekt,
+vergeten de hoorders de rest; er is geen beter middel, om de aandacht
+gaande te houden, als het volk slaperig wordt of het te warm of te koud
+krijgt. Dan wordt alles terstond wakker en welgemoed. [581] Terwijl
+juist de hevige godsdienstige beroering door de reizende volkspredikers
+in de veertiende en vijftiende eeuw uitgaat van een herleving der
+bedelorden, zijn het aan den anderen kant juist de bedelmonniken, wier
+verbastering hen tot het gewone voorwerp van spot en verachting maakt.
+De onwaardige priester der novellenlitteratuur, die als een armzalige
+loondienaar voor drie grooten de mis leest, of bij wien men als
+biechtvader geabonneerd is "pour absoudre du tout", pleegt een
+bedelmonnik te zijn. [582] De vrome Molinet rijmt spottend in een
+nieuwjaarswensch:
+
+ "Prions Dieu que les Jacobins
+ Puissent manger les Augustins,
+ Et les Carmes soient pendus
+ Des cordes des Freres Menus." [583]
+
+Het dogmatische armoede-begrip, zooals het in de bedelorden belichaamd
+was, voldeed den geest niet meer. In plaats van de symbolisch-formeele
+Armoede begon men de sociaal-reeele ellende te zien; Pierre d'Ailly
+stelt tegenover de mendicanten de "vere pauperes", de echte armen, en
+het is geen toeval, dat de verernstiging van het geloof bij de moderne
+devoten hen in zekere tegenstelling tot de bedelorden bracht.
+
+De naieve nuchterheid van den alledaagschen volksgodsdienst spreekt uit
+menige bladzijde. Er is in 1437, na den terugkeer van den Franschen
+koning in zijn hoofdstad, een zeer plechtige lijkdienst voor de ziel van
+den graaf van Armagnac, het slachtoffer, met wiens moord de nu verleden
+troebele jaren begonnen waren. Het volk stroomt erheen, maar is zeer
+teleurgesteld, toen er geen uitdeeling van geld gehouden wordt. Want wel
+vier duizend lieden, zegt de burger van Parijs gemoedelijk, gingen
+erheen, die niet gegaan zouden zijn, als zij niet gedacht hadden, dat er
+iets gegeven zou worden. "Et le maudirent qui avant prierent pour lui."
+[584] Toch is het dezelfde bevolking van Parijs, die met een vloed van
+tranen de talrijke processies aanschouwt en ineenkrimpt onder het woord
+van een reizenden prediker. Ghillebert de Lannoy zag te Rotterdam een
+oproer stillen door een priester, die het Corpus Domini ophief. [585]
+
+De groote tegenstrijdigheid en de sterke spanningsovergangen vertoonen
+zich in het godsdienstig leven van den beschaafden enkele zoo goed als
+in dat der onwetende massa. Het is altijd weer met een slag, dat de
+godsdienstige verheldering komt, altijd weer de flauwere herhaling van
+wat Franciscus onderging, toen hij opeens de woorden van het evangelie
+hoorde als een onmiddellijk bevel. Een ridder hoort het doopformulier
+lezen, gelijk hij het misschien twintig keer had gehoord; maar
+plotseling dringt nu de volle heiligheid en wonderlijke werkdadigheid
+van die woorden tot hem door, en hij neemt zich voor, om voortaan alleen
+door de herinnering aan den doop den duivel te verjagen, zonder het
+kruisteeken te maken. [586]--Le Jouvencel zal een kampgevecht bijwonen;
+de partijen staan gereed, om op de hostie hun goed recht te bezweren.
+Opeens doorgrondt de ridder de peillooze noodzakelijkheid, dat een dier
+beide eeden valsch moet zijn, dat een van beiden zich verdoemen gaat, en
+zegt: zweert niet, vecht alleen om den inzet van 500 schilden, zonder
+een eed te doen. [587]
+
+De vroomheid van de hoogaanzienlijken met hun zwaren levensballast van
+wijdloopige praal en felle geneuchten heeft juist daardoor zeer dikwijls
+het spasmodische, dat ook de volksvroomheid kenmerkt. Karel V van
+Frankrijk laat dikwijls op het opwindendste oogenblik de jacht in den
+steek, om naar de mis te gaan. [588] De jonge Anne de Bourgogne,
+Bedford's gemalin, ergert den eenen keer de burgers van Parijs, door in
+woesten rit een processie met slijk te bespatten. Maar een andermaal
+verlaat zij te middernacht den bonten zwijmel van een hoffeest, om bij
+de Celestijnen metten te hooren. En haar droeven jongen dood beloopt zij
+door de ziekte, die zij opdeed bij het bezoeken van de arme kranken in
+het Hotel Dieu. [589]
+
+Tot in raadselachtige uitersten voltrekt zich de tegenstelling van
+vroomheid en felle zonde in een figuur als Lodewijk van Orleans, onder
+al de groote dienaren van weelde en genot de meest gedebaucheerde, de
+hartstochtelijkste wereldling. Hij is zelfs overgegeven aan
+tooverkunsten, en weigert er zich van te bekeeren. [590] Dezelfde
+Orleans is niettemin zoo devoot, dat hij zijn cel heeft bij de
+Celestijnen in het gemeene dormter; hij deelt er het kloosterlijk leven,
+hoort er metten te middernacht, en soms vijf of zes missen per dag.
+[591]--Gruwelijk is die verbinding van godsdienst en misdaad bij Gilles
+de Rais, die temidden van zijn kindermoorden te Machecoul een dienst
+sticht ter eere der Onnoozele kinderkens, voor het heil van zijn ziel,
+en verbaasd is, als zijn rechters hem voorhouden, dat hij een ketter is.
+Al is het met minder scharlaken zonden, dat de vroomheid bij anderen
+gepaard gaat, het type van den devoten wereldling vertoonen velen: de
+barbaarsche Gaston Phebus, graaf van Foix, de frivole koning Rene, de
+verfijnde Charles d'Orleans. Jan van Beieren, de hardvochtige en
+heerschzuchtige, komt vermomd Lidwina van Schiedam spreken over den
+staat zijner ziel. [592] Jean Coustain, de ontrouwe dienaar van Philips
+den Goede, een goddelooze, die nauwelijks mis hoorde en nimmer aalmoes
+gaf, keert zich onder beulshanden tot God in zijn ruw Bourgondisch
+patois met een hartstochtelijke aanroeping. [593]
+
+Philips de Goede zelf is een der treffendste voorbeelden van die
+verbinding van vroomheid met wereldschen zin. De man van de overdadige
+feesten en de talrijke bastaarden, van de sluwe politieke berekening,
+den geweldigen trots en toorn, is een ernstig devote. Hij pleegt tot
+lang na de mis in zijn bidvertrek te blijven. Hij vast vier dagen in de
+week met water en brood, en bovendien op alle vigilien van Onze Lieve
+Vrouw en de apostelen. Somtijds heeft hij om vier uur na den middag nog
+niets gegeten. Hij geeft veel aalmoezen, en in het geheim. [594] Na de
+verrassing van Luxemburg blijft hij zoo lang na de mis verdiept in zijn
+getijden en daarna in bijzondere dankgebeden, dat zijn gevolg, dat hem
+te paard afwacht, want de strijd was nog niet afgeloopen, ongeduldig
+wordt: de hertog kon het een andermaal wel inhalen, om al die
+paternosters te zeggen. Men waarschuwt hem, dat er gevaar dreigt, als
+hij langer toeft. Maar Philips antwoordt enkel: "Si Dieu m'a donne
+victoire, il la me gardera." [595]
+
+Er is in dat alles geen schijnheiligheid of ijdele bigotterie te zoeken,
+maar een spanning tusschen twee geestelijke polen, die in den modernen
+geest nauwelijks meer bestaanbaar is. Het is het volstrekte dualisme in
+de opvatting van de zondige wereld tegenover het rijk Gods, dat deze
+mogelijkheid toelaat. In den middeleeuwschen geest zijn alle hoogere en
+zuiverder sentimenten geabsorbeerd in religie, terwijl de natuurlijke,
+zinnelijke aandriften, bewust verworpen, zinken moeten tot een niveau
+van zondig geachten wereldzin. In het middeleeuwsche bewustzijn vormen
+zich als 't ware twee levensopvattingen naast elkander: de vrome,
+ascetische opvatting heeft alle zedelijke gevoelens tot zich getrokken:
+des te bandeloozer wreekt zich de wereldzin, geheel aan den duivel
+overgelaten. Overheerscht een van beide geheel, dan ziet men den heilige
+of den teugelloozen zondaar; maar in den regel houden zij elkaar in
+wankel evenwicht met wijden doorslag, en ziet men de felle menschen,
+wier rood bloeiende zonden bij wijlen hun overstortende vroomheid des te
+heviger doen uitbarsten.
+
+Wanneer men een middeleeuwsch dichter de vroomste lofdichten ziet maken
+naast allerlei profaneering en obsceniteit, zooals het zoovelen doen:
+Deschamps, Antoine de la Salle, Jean Molinet, dan is er nog minder
+aanleiding dan bij een modernen dichter, om die producten over
+hypothetische tijdperken van wereldzin en inkeer te verdeelen. De
+tegenstrijdigheid, die ons bijna onbegrijpelijk is, moet worden
+aanvaard.
+
+Er komen zonderlinge vermengingen voor van de bizarre prachtliefde van
+den tijd met strenge devotie. Het is niet alleen in de overlading van
+het geloof met schilderkunst, edelsmeedkunst en sculptuur, dat zich de
+ongebreidelde behoefte uit, om alles van het leven en van de gedachte
+bont te versieren en te verbeelden. In de aankleeding van het geestelijk
+leven zelf dringt somtijds die honger naar kleur en schittering door.
+Broeder Thomas vaart heftig uit tegen alle weelde en overdaad, maar het
+eigen getimmerte, vanwaar hij spreekt, is door het volk behangen met de
+rijkste tapisserieen, die men krijgen kon. [596] Philippe de Mezieres is
+het volkomenste type van die prachtlievende vroomheid. Hij heeft voor de
+orde van de Passie, die hij stichten wilde, alles wat kleedij betreft,
+haarfijn vastgesteld. Het is als een feest van kleuren, dat hij zich
+droomt. De ridders zullen al naar hun rang in 't rood, in 't groen,
+scharlaken of hemelsblauw gaan; de grootmeester in 't wit; wit zullen
+ook de feestgewaden zijn. Het kruis zal rood zijn, de gordels van leer
+of van zijde met hoornen gesp en verguld koperen versiering. De laarzen
+zullen zwart zijn en de kaproen rood. Ook het ordekleed der broeders,
+servanten, klerken en vrouwen wordt nauwkeurig beschreven. [597]--Van
+die orde kwam niets, Philippe de Mezieres bleef zijn leven lang de
+groote kruistochtfantast en plannenmaker. Maar hij vond te Parijs in het
+klooster der Celestijnen de plaats, die hem bevredigen kon: zoo streng
+de orde was, zoo schitterend van goud en edele steenen waren kerk en
+klooster, een mausoleum van vorsten en vorstinnen. [598] Christine de
+Pisan achtte de kerk volmaakt van schoonheid. Mezieres vertoefde er als
+leek, deelde in het strenge leven der kloosterlingen en bleef toch in
+het verkeer met de groote heeren en schoone geesten van zijn dagen, een
+mondain-artistieke tegenhanger van Gerard Groote. Hierheen trok hij ook
+zijn vorstelijken vriend Orleans, die er den inkeer van zijn woeste
+leven en ook zijn vroege rustplaats vond.
+
+De oude koning Rene ontdekte op de jacht in de buurt van Angers een
+kluizenaar: een priester, die zijn prebende had opgegeven en van zwart
+brood en veldvruchten leefde. De koning was getroffen door zijn strenge
+deugd, en liet voor hem een kluis en een kapelletje bouwen. Voor zich
+zelf voegde hij daar een tuin en een bescheiden buitenhuis aan toe, dat
+hij met schilderwerk en allegorieen versieren liet. Dikwijls wandelde
+hij daarheen, om in "son cher ermitage de Reculee" met zijn kunstenaars
+en geleerden te keuvelen. [599] Is het middeleeuwsch, is het renaissance,
+of is het niet achttiende-eeuwsch?
+
+Een hertog van Savoie wordt kluizenaar met vergulde ceintuur, roode
+muts, gouden kruis en goeden wijn. [600]
+
+Het is maar een stap van die pracht in devotie tot de uitingen van
+hyperbolische nederigheid, die zelf ook vol vertoon zijn. Olivier de la
+Marche bewaarde uit zijn jongensjaren de herinnering van den intocht van
+koning Jacques de Bourbon van Napels, die op aandrang van Sainte Colette
+de wereld had vaarwel gezegd. De koning, armzalig gekleed, liet zich
+dragen in een mestbak, "telle sans aultre difference que les civieres en
+quoy l'on porte les fiens et les ordures communement". Daar achteraan
+volgde een keurige hofstoet. "Et ouys racompter et dire,--zegt La Marche
+vol bewondering,--que en toutes les villes ou il venoit, il faisoit
+semblables entrees par humilite." [601]
+
+Van een niet zoo schilderachtige nederigheid zijn de door veel heilige
+voorbeelden aanbevolen voorschriften voor een begrafenis, die al het
+nietswaardige van den gestorvene treffend verbeelden moet. De heilige
+Pierre Thomas, de boezemvriend en geestelijke meester van Philippe de
+Mezieres, laat, als hij den dood voelt naderen, zich hullen in een zak,
+een touw om den hals binden en op den grond leggen. Hij werkt daarmee
+het voorbeeld uit van Sint Franciscus, die zich immers ook in het
+sterven op den grond liet leggen. Begraaft mij, zegt Pierre Thomas, in
+den ingang van het koor, opdat alle menschen moeten trappen op mijn
+lijk, ja zelfs de geiten en de honden, als het kan. [602]--Mezieres, de
+bewonderende leerling, wil weer den meester overtreffen in fantastische
+nederigheid. Hem zal men in de laatste ure een zware ijzeren keten om
+den hals leggen. Zoodra hij den geest heeft gegeven, zal men hem naakt
+bij de voeten naar het koor sleuren; daar zal hij blijven liggen, tot
+men hem in het graf legt, de armen in kruisvorm uitgestrekt, met drie
+touwen aan een plank gebonden, die de plaats inneemt van de kostbaar
+versierde kist, waarop men misschien zijn ijdele wereldsche wapen zou
+hebben geschilderd, "se Dieu l'eust tant hay qu'il fust mors es cours
+des princes de ce monde." De plank, bedekt met twee ellen canevas of ruw
+zwart linnen, zal op dezelfde wijze naar de groeve gesleept worden,
+waarin "het kreng van den armen pelgrim" naakt als het is, in gestort
+zal worden. Er zal een klein grafteeken worden opgericht. En men moet
+niemand waarschuwen dan zijn goeden vriend in God, Martin, en de
+uitvoerders van zijn laatsten wil.
+
+Het spreekt bijna vanzelf, dat deze geest van protocol en ceremonie,
+plannenmaker en uitwerker van bijzonderheden, ook een maker van vele
+testamenten is geweest. In de latere is van deze beschikking van 1392
+geen sprake meer, en toen Mezieres in 1405 stierf, kreeg hij een gewone
+begrafenis in het ordekleed van zijn geliefde Celestijnen, en twee
+grafschriften, waarschijnlijk van hem zelf. [603]
+
+In het ideaal van heiligheid, men zou bijna kunnen zeggen: het
+romantisme der heiligheid, heeft de vijftiende eeuw nog niets gebracht,
+wat den nieuwen tijd aankondigt. De Renaissance zelf heeft het ideaal
+der heiligheid niet veranderd. Terzijde van de groote stroomingen, die
+de beschaving in nieuwe beddingen stortten, blijft het heiligenideaal
+zoo na als voor de groote crisis, wat het altijd geweest was. De heilige
+is tijdloos als de mysticus. De heiligentypen der Contrareformatie zijn
+dezelfde als die der late Middeleeuwen, en deze verschillen door geen
+essentieelen trek van die der vroegere Middeleeuwen. In het eene als in
+het andere tijdperk zijn het de groote heiligen van het brandende woord
+en de gloeiend gesmede daad: hier Ignatius de Loyola, Franciscus
+Naverius, Karel Borromeus, daar Bernardino van Siena, Vincentius Ferrer,
+Johannes Capistrano. Daarnaast de stille in godsliefde verdwaasden, die
+naderen tot het moslimsche en boeddhistische heiligentype, als Aloysius
+Gonzaga in de zestiende eeuw, Franciscus de Paula, Colette, Pieter van
+Luxemburg in de vijftiende en veertiende. Tusschen die beide typen in al
+de figuren, die van beide uitersten wat hebben, ja zelfs somtijds de
+eigenschappen ervan in de hoogste macht vereenigen.
+
+Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme
+der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere
+ideale verbeeldingen van een bepaalden levensvorm in menschen
+verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk,
+dat dit romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit
+in de fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding
+dan in de groote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur. Men
+wordt niet heilig om zijn kerkelijk-sociale verdiensten, al zijn die nog
+zoo groot, maar om zijn wonderlijke vroomheid. De groote energeten
+erlangen enkel dan den roep van heiligheid, wanneer hun daden gedrenkt
+zijn in den schijn van een bovennatuurlijk leven; niet Nicolaas van
+Cusa, wel zijn medestander Dionysius de Kartuizer. [604]
+
+Het is hier nu vooral van belang, op te merken, hoe de kringen der
+verfijnde pronkcultuur, dezelfde, die het ridderideaal bleven huldigen
+en kweeken tot over de grens der Middeleeuwen heen, tegenover het
+heiligenideaal hebben gestaan. Hun aanrakingen daarmee zijn uit den aard
+niet zoo talrijk, maar zij ontbreken niet. Nog enkele malen hebben de
+vorstelijke kringen zelf in dezen tijd een heilige opgeleverd. Een van
+hen is Charles de Blois, oom van den ons bekenden Jan van Blois van
+Gouda en Schoonhoven. Hij was door zijn moeder uit het huis van Valois
+gesproten, en door zijn huwelijk met de erfgename van Bretagne, Jeanne
+de Penthievre, belast met een troonstrijd, die het beste deel van zijn
+leven heeft gevuld. Hem was als huwelijksvoorwaarde gesteld, dat hij het
+wapen en den kreet van het hertogdom zou aannemen. Hij vindt een anderen
+pretendent, Jean de Montfort, tegenover zich, en de strijd om Bretagne
+valt samen met het begin van den honderdjarigen oorlog; de verdediging
+van Montfort's aanspraken is een der verwikkelingen, die Eduard III in
+Frankrijk brengen. De graaf van Blois aanvaardt zijn strijd ridderlijk,
+en vecht als de beste aanvoerders van zijn tijd. Gevangengenomen in
+1347, kort voor het beleg van Calais, blijft hij tot 1356 in Engeland.
+Eerst in 1362 kan hij den strijd om het hertogdom hervatten, om daarin
+den dood te vinden bij Aurai in 1364, dapper vechtende naast Bertrand du
+Guesclin en Beaumanoir.
+
+Deze krijgsheld, wiens uiterlijke levensloop in niets afwijkt van dien
+van zoovele vorstelijke pretendenten en aanvoerders uit dien tijd, had
+van der jeugd af een leven van strenge askese geleid. Zijn vader moest
+hem als knaap uit de stichtelijke boekjes houden. Hij slaapt naast het
+bed van zijn gemalin op den vloer op stroo. Men vindt bij zijn
+krijgsmansdood het haren kleed onder zijn wapenrusting. Hij biecht
+iederen avond, eer hij te bed gaat, zeggend, dat geen christen in zonde
+moest inslapen. Tijdens zijn gevangenschap te Londen pleegt hij de
+kerkhoven binnen te gaan, om er geknield den psalm de profundis op te
+zeggen. De Bretonsche schildknaap, dien hij verzoekt, de responsen te
+zeggen, weigert het: neen, zegt hij, daar liggen zij, die mijn ouders en
+vrienden gedood en hun huizen verbrand hebben.
+
+Na zijn bevrijding wil hij barrevoets over het besneeuwde land van La
+Roche-Derrien, waar hij indertijd gevangen was gemaakt, naar den schrijn
+van Sint Yves, den vereerden beschermheilige van Bretagne, wiens leven
+hij in zijn gevangenschap beschreven had, te Treguier. Het volk verneemt
+het en bestrooit zijn weg met stroo en dekens, maar de graaf van Blois
+kiest een anderen weg, en loopt zich de voeten stuk, zoodat hij in
+vijftien weken niet gaan kon. [605] Terstond na zijn dood stellen zijn
+vorstelijke verwanten, onder wie zijn schoonzoon Lodewijk van Anjou, een
+poging in het werk, om hem heilig te doen verklaren. Te Angers heeft in
+1371 het proces plaats, dat tot zijn zaligspreking leidt.
+
+Het vreemde nu is, dat deze Charles de Blois, als men Froissart mag
+vertrouwen, een bastaard heeft gehad. "La fu occis en bon couvenant li
+dis messires Charles de Blois, le viaire sus ses ennemis (met het
+aangezicht naar den vijand), et uns siens filz bastars qui s'appeloit
+messires Jehans de Blois, et pluiseur aultre chevalier et escuier de
+Bretagne". [606] Moet men het als evidente onwaarheid verwerpen? [607]
+Of zal men aannemen, dat hier de bestaanbare tegenstrijdigheid, die op
+te merken viel bij Louis d'Orleans, bij Philips den Goede en zooveel
+anderen, haar toppunt heeft bereikt?
+
+Zulk een vraag stelt het leven van een anderen hoog-adellijken heilige
+uit dien tijd, Pierre de Luxembourg, niet. Deze telg van het
+Luxemburgsche gravengeslacht, dat in de veertiende eeuw zoowel in het
+Duitsche rijk als aan de hoven van Frankrijk en Bourgondie zulk een
+aanzienlijke plaats innam, is een treffend voorbeeld van wat William
+James "the under-witted saint" noemt: [608] den engen geest, die slechts
+in een angstvallig afgesloten wereldje van vrome gedachten kan leven.
+Hij was in 1369 geboren, niet lang dus voor zijn vader Guy in den strijd
+tusschen Brabant en Gelre bij Baesweiler (1371) sneuvelde. Zijn
+geestelijke geschiedenis voert al weer naar het klooster der Celestijnen
+te Parijs, waar hij reeds als achtjarige knaap verkeert met Philippe de
+Mezieres. Hij wordt als kind reeds overladen met kerkelijke waardigheden,
+verscheiden kanunnikschappen; als hij vijftien jaar is, het bisdom Metz,
+daarna het kardinaalschap. Nog geen achttien jaar oud, sterft hij in
+1387, en terstond wordt te Avignon moeite gedaan voor zijn canonizatie.
+De gewichtigste autoriteiten worden er voor gespannen: de koning van
+Frankrijk doet er het verzoek toe, het wordt gesteund door het
+domkapittel van Parijs en de Universiteit. In het proces, dat in 1389
+plaats heeft, treden de grootste heeren van Frankrijk als getuigen op:
+Pierre's broeder Andre de Luxembourg, Louis de Bourbon, Enguerrand de
+Coucy. Door de nalatigheid van den Avignonschen paus bleef weliswaar de
+heiligverklaring achterwege (in 1527 had de zaligverklaring plaats),
+maar de vereering, die het aanzoek kon rechtvaardigen, was reeds lang
+erkend, en ging ongestoord voort. Op de plek te Avignon, waar het
+lichaam van Pieter van Luxemburg begraven lag, en vanwaar dagelijks de
+treffendste wonderen werden gemeld, stichtte de koning een klooster
+der Celestijnen, in navolging van dat te Parijs, in die dagen het
+geliefkoosde heiligdom der vorstelijke kringen. De hertogen van Orleans,
+Berry en Bourgondie kwamen er voor den koning den eersten steen leggen.
+[609] Pierre Salmon vertelt, hoe hij eenige jaren later in de kapel van
+den heilige de mis hoorde. [610]
+
+Het beeld, dat de getuigen in het canonizatieproces van dezen
+vroeggestorven prinselijken asceet geven, heeft iets jammerlijks. Pieter
+van Luxemburg is een uit zijn kracht gegroeide, teringachtige jongen,
+die als kind reeds niet anders kent dan den ernst van een angstvallig
+streng geloof. Hij berispt zijn broertje, als deze lacht, want men leest
+wel, dat onze Heer geweend heeft, maar niet, dat hij ooit gelachen
+heeft. "Douls, courtois et debonnaire--noemt Froissart hem--vierge de
+son corps, moult large aumosnier. Le plus du jour et de la nuit il
+estoit en oroisons. En toute sa vye il n'y ot fors humilite." [611] In
+den beginne tracht zijn adellijke omgeving hem van zijn plannen van
+wereldverzaking af te brengen. Wanneer hij ervan spreekt, om te gaan
+zwerven en prediken, krijgt hij ten antwoord: je bent veel te lang;
+iedereen zou je terstond herkennen. En je zoudt niet tegen de kou
+kunnen. En preeken voor den kruistocht, hoe zou je dat kunnen?--Een
+oogenblik is het, alsof wij even den ondergrond van dien kleinen starren
+geest zien. "Je vois bien--zegt Pieter--qu'on me veut faire venir de
+bonne voye a la malvaise: certes, certes, si je m'y mets, je feray tant
+que tout le monde parlera de moy."--Heer, antwoordt meester Jean de
+Marche, zijn biechtvader, er is niemand, die wil, dat ge kwaad zult
+doen, enkel goed.
+
+Het is duidelijk, dat de hooge verwanten, toen de ascetische neigingen
+van den knaap onuitroeibaar bleken, bewondering en trots over het geval
+zijn gaan voelen. Een heilige, en zulk een jonge heilige, uit en in hun
+midden! Denk u den armen ziekelijken jongen, onder het gewicht van zijn
+kerkelijke hoogwaardigheid, te midden van de overdadige praal en het
+hoogmoedig hofleven van Berry en Bourgondie, hijzelf ontoonbaar van vuil
+en ongedierte, altijd bezig met zijn armzalige kleine zonden. Het
+biechten zelf was bij hem als tot een slechte gewoonte geworden. Iederen
+dag schreef hij zijn zonden op een lijstje, en als hij het op een reis
+of tocht niet had kunnen doen, haalde hij het achterna met uren lang
+schrijven in. Men zag hem er 's nachts aan schrijven, of bij de kaars
+zijn lijstjes lezen. Dan stond hij midden in den nacht op, om bij een
+zijner kapelaans te biechten. Soms klopte hij vergeefs aan hun
+slaapvertrekken; zij hielden zich doof. Vond hij gehoor, dan las hij de
+zonden van zijn papiertjes af. Van twee of driemaal per week werd het in
+zijn laatste dagen tweemaal per dag; de biechtvader mocht niet meer van
+zijn zijde weg. En toen hij aan de tering eindelijk gestorven was, na te
+hebben verzocht om van den arme begraven te worden, vond men een heele
+kist vol van de ceeltjes, waarop de zonden van dit kleine leven dag aan
+dag waren neergekrabbeld. [612]
+
+Er is nog een geval, dat ons de verhouding van hofkringen en heiligheid
+eenigermate doet kennen: het verblijf van Saint Francois de Paule aan
+het hof van Lodewijk XI. Het zonderlinge vroomheidstype van den koning
+is zoo bekend, dat het hier niet uitvoerig behoeft te worden behandeld.
+Lodewijk, "qui achetoit la grace de Dieu et de la Vierge Marie a plus
+grans deniers que oncques ne fist roy", [613] vertoont al de
+hoedanigheden van het onmiddellijkste en nuchterste fetichisme. In zijn
+reliekenvereering, zijn hartstocht voor pelgrimages en processies
+schijnt elke hoogere wijding, elke zweem van eerbiedige reserve, te
+ontbreken. Hij solt met de heilige voorwerpen, als waren het enkel dure
+huismiddeltjes. Het kruis van Saint Laud te Angers moet expresselijk
+naar Nantes komen, om er een eed op te laten doen, [614] want een eed op
+het kruis van Saint Laud gold Lodewijk meer dan eenige andere eed.
+Wanneer de connetable de Saint Pol, in 's konings tegenwoordigheid
+geroepen, hem verzoekt, op het kruis van Saint Laud hem zijn veiligheid
+te bezweren, antwoordt de koning: ieder anderen eed, maar dezen niet.
+[615] Bij het naderen van het zoo buitensporig door hem gevreesde einde
+worden hem van alle kanten de kostbaarste relieken toegezonden: de paus
+zendt onder meer het corporale van Sint Pieter zelf; zelfs de Groote
+Turk biedt een verzameling relieken, die nog te Constantinopel waren. Op
+het buffet naast 's konings ziekbed staat la Sainte Ampoule zelf, uit
+Reims gehaald, waar zij nimmer vandaan was geweest; sommigen zeiden, dat
+de koning de wonderdadigheid van het heilige zalfvat zelfs wilde
+beproeven tot een zalving van zijn gansche lichaam. [616] Het zijn
+godsdienstige trekken, zooals men ze vindt bij de Merowingische
+koningen.
+
+Er is nauwelijks een grens waar te nemen tusschen Lodewijk's
+verzamelwoede, waar het vreemde dieren geldt: rendieren, elanden, en
+waar het kostbare relieken geldt. Hij correspondeert met Lorenzo
+de'Medici over den ring van Sint Zanobi, een plaatselijk-florentijnschen
+heilige, en over een "agnus Dei", dat wil zeggen het plantaardige
+groeisel, ook wel agnus scythicus genoemd, dat als een wonderdadige
+rariteit werd aangezien. [617] In de wonderlijke huishouding van het
+kasteel Plessis les Tours in Lodewijk's laatste dagen vond men vrome
+voorbidders en muzikanten bont dooreen. "Oudit temps le roy fist venir
+grant nombre et grant quantite de joueurs de bas et doulx instrumens,
+qu'il fist loger a Saint-Cosme pres Tours, ou illec ilz se assemblerent
+jusques au nombre de six vingtz, entre lesquelz y vint pluseurs bergiers
+du pays de Poictou. Qui souvent jouerent devant le logis du roy, mais
+ilz ne le veoyent pas, affin que ausdiz instrumens le roy y prensist
+plaisir et passetemps et pour le garder de dormir. Et d'un autre coste y
+fist aussy venir grant nombre de bigotz, bigottes et gens de devocion
+comme hermites et sainctes creatures, pour sans cesser prier a Dieu
+qu'il permist qu'il ne mourust point et qu'il le laissast encores
+vivre." [618]
+
+Ook Saint Francois de Paule, de Calabrische heremiet, die de nederigheid
+der Minderbroeders overtroefde door de stichting der Minimen, is in
+letterlijken zin het voorwerp van Lodewijk's verzamelwoede. Het was met
+de uitgesproken bedoeling, dat de heilige door zijn voorbidding 's
+konings leven zal verlengen, dat deze in zijn laatste ziekte diens
+tegenwoordigheid begeerde. [619] Nadat verschillende zendingen aan den
+koning van Napels niet hebben gebaat, weet de koning zich door een
+diplomatiek optreden bij den paus de overkomst van den wonderman, zeer
+tegen diens zin, te verzekeren. Een adellijk geleide haalt hem af uit
+Italie. [620] Is hij eenmaal aangekomen, dan voelt Lodewijk zich toch
+nog niet zeker, "omdat hij reeds door verscheidenen onder de schaduw van
+heiligheid bedrogen was", en laat op aanstoken van zijn lijfarts Frans
+bespieden en op allerlei wijzen de deugd van den man Gods beproeven.
+[621] De heilige bestaat al die proeven voortreffelijk. Zijn askese is
+van de meest barbaarsche soort, herinnerend aan zijn tiende-eeuwsche
+landgenooten Sint Nilus en Sint Romuald. Hij vlucht, als hij vrouwen
+ziet. Hij had sedert zijn jongelingsjaren nooit een geldstuk aangeraakt.
+Hij slaapt meest staande of leunende; hij scheert nimmer haar noch
+baard. Hij eet nimmer eenig dierlijk voedsel, en laat zich enkel wortels
+geven. [622] Nog in zijn laatste maanden schrijft de koning persoonlijk,
+om de geschikte kost voor zijn zeldzamen heilige te bekomen: "Monsieur
+de Genas, je vous prie de m'envoyer des citrons et des oranges douces et
+des poires muscadelles et des pastenargues, et c'est pour le saint homme
+qui ne mange ny chair ny poisson; et vous me feres ung fort grant
+plaisir." [623] Hij noemt hem nooit anders dan "le saint homme", zoodat
+zelfs Commines, die den heilige herhaaldelijk zag, diens naam nooit
+schijnt te hebben geweten. [624] Maar "saint homme" noemden hem ook
+degenen, die spotten over de komst van dezen zonderlingen gast, of die
+zijn heiligheid niet vertrouwden, zooals 's konings lijfarts Jacques
+Coitier. Uit de mededeelingen van Commines spreekt een nuchter voorbehoud.
+"Il est encores vif--besluit hij--par quoy se pourroit bien changer ou en
+myeulx ou en pis, par quoy me tays, pour ce que plusieurs se mocquoient
+de la venue de ce hermite, qu'ilz appelloient sainct homme." [625] Toch
+getuigt Commines zelf, nooit iemand te hebben gezien "de si saincte vie,
+ne ou il semblast myeulx que le Sainct Esperit parlast par sa bouche".
+En de geleerde theologen uit Parijs, Jean Standonck en Jean Quentin,
+uitgezonden om met den heiligen man te spreken naar aanleiding van het
+verzoek tot stichting van een convent der Minimen te Parijs, komen onder
+den diepsten indruk van zijn persoon, en keeren genezen van hun
+tegenkanting terug. [626]
+
+De belangstelling van de Bourgondische hertogen voor de heiligen van hun
+dagen is van een minder zelfzuchtigen aard dan die van Lodewijk XI voor
+Sint Franciscus de Paula. Het is opmerkelijk, hoe meer dan een van de
+groote visionairen en buitensporige asceten geregeld optreedt als
+bemiddelaar en raadgever in politieke zaken. Het is het geval met Sint
+Colette en met den zaligen Dionysius van Ryckel of den Kartuizer.
+Colette werd door het huis van Bourgondie met bijzondere onderscheiding
+behandeld; Philips de Goede en zijn moeder Margareta van Beieren kenden
+haar persoonlijk, en wonnen haar raad in. Zij geeft haar bemiddeling in
+verwikkelingen tusschen de huizen van Frankrijk, Savoie en Bourgondie.
+Het zijn Karel de Stoute, Maria en Maximiliaan, Margareta van
+Oostenrijk, die steeds blijven aandringen op haar heiligverklaring.
+[627] Veel belangrijker nog is de rol, die Dionysius de Kartuizer
+gespeeld heeft in het openbare leven van zijn tijd. Ook hij is in
+herhaalde relaties met het huis van Bourgondie, en treedt op als
+raadgever van Philips den Goede. Samen met den kardinaal Nicolaas van
+Cusa, dien hij op diens beroemde reis door het Duitsche rijk begeleidt
+en ter zijde staat, wordt hij in 1451 te Brussel door den hertog
+ontvangen. Dionysius, altijd beklemd door het gevoel, dat het der Kerk
+en christenheid slecht gaat, en groote onheilen naderen, vraagt in een
+vizioen: Heer, zullen de Turken in Rome komen? Hij maant den hertog tot
+den kruistocht. [628] De "inclytus devotus ac optimus princeps et dux",
+aan wien hij zijn tractaat over het vorstelijk leven en bestuur opdraagt,
+kan haast niemand anders wezen dan Philips. Karel de Stoute werkte met
+Dionysius samen voor de stichting van de Kartuize te 's Hertogenbosch,
+ter eere van Sinte Sophia van Constantinopel, door den hertog niet
+onbegrijpelijk voor een vrouwelijke heilige gehouden, terwijl het de
+Eeuwige Wijsheid was. [629] Hertog Arnold van Gelre vraagt Dionysius
+raad in den strijd met zijn zoon Adolf. [630]
+
+Niet enkel vorsten, ook tal van edelen, geestelijken en burgers
+bestormen zonder ophouden zijn cel te Roermond om raad; hij geeft
+voortdurend tallooze oplossingen van moeilijkheden, twijfelingen en
+gewetensvragen.
+
+Dionysius de Kartuizer is het volledigste type van den machtigen
+godsdienstigen enthousiast, dat de laatste Middeleeuwen hebben
+opgeleverd. Het is een onbegrijpelijk energisch leven; hij vereenigt de
+vervoeringen van de groote mystieken, de wildste askese, de voortdurende
+gezichten en revelaties van den geestenziener met een schier onafzienbare
+werkzaamheid als theologisch schrijver en praktisch geestelijk raadsman.
+Hij staat even na aan de groote mystici als aan de praktische
+Windesheimers, aan Brugman, voor wien hij zijn beroemde handleiding voor
+het christelijk leven schrijft, [631] als aan Nicolaas van Cusa, aan de
+heksenvervolgers [632] als aan de geestdriftigen voor een zuivering der
+Kerk. Zijn arbeidskracht moet onverwoestbaar zijn geweest. Zijn
+geschriften vullen 45 quarto deelen. Het is alsof de geheele
+middeleeuwsche theologie nog eens uit hem terugstroomt. "Qui Dionysium
+legit, nihil non legit", heette het onder de theologen der 16e eeuw.
+Hij behandelt evengoed de diepste vragen van wijsgeerigen aard, als dat
+hij voor een ouden leek, broer Willem, op diens verzoek schrijft over de
+wederkeerige herkenning der zielen in het hiernamaals. Hij zal het zoo
+eenvoudig mogelijk zeggen, belooft hij, en broer Willem kan het in het
+Dietsch laten overbrengen. [633] In een eindeloozen vloed van eenvoudig
+uitgedrukte gedachten geeft hij alles, wat de groote voorgangers gedacht
+hadden, terug. Het is echt laat werk: samenvattend, concludeerend, niet
+nieuw scheppend. De citaten van Bernard van Clairvaux of Hugo van Sint
+Victor schitteren als juweelen op het slichte eenkleurige kleed van
+Dionysius' proza. Al zijn werken werden door hem zelf geschreven,
+nagezien, verbeterd, gerubriceerd en geillumineerd, totdat hij in het
+eind zijns levens welbedacht met schrijven ophoudt: "Ad securae
+taciturnitatis portum me transferre intendo". [634]
+
+Rust kent hij niet. Hij zegt dagelijks bijna het geheele souter op;
+minstens de helft is noodzakelijk, verklaart hij. Onder alle bezigheid,
+bij het aan- en uitkleeden, bidt hij. Na de metten; als de anderen weer
+ter ruste gaan, blijft hij wakker. Hij is sterk en groot, en kan alles
+van zijn lichaam vergen: Ik heb een ijzeren hoofd en een koperen maag,
+zegt hij. Zonder walging, ja bij voorkeur, gebruikt hij bedorven
+spijzen: boter met wurmen, kersen door slakken aangevreten; dit soort
+ongedierte heeft niets van doodelijk venijn, zegt hij, men kan ze gerust
+eten. Te zoute haring hangt hij op, tot ze rot: ik eet liever stinkende
+dan zoute dingen. [635]
+
+Al den denkarbeid van de diepste theologische beschouwing en uitdrukking
+verricht hij, niet in een onbewogen evenwichtig geleerdenleven, maar
+onder de voortdurende schokken van een geest, die vatbaar is voor elke
+heftige aandoening van het bovennatuurlijke. Als jongen staat hij 's
+nachts in het maanlicht op, meenend, dat het tijd is, om naar school te
+gaan. [636] Hij is een stotteraar: "Taterbek" scheldt hem een duivel,
+dien hij uitdrijven wil. Hij ziet de kamer van de stervende vrouwe van
+Vlodrop vol duivelen; zij slaan hem den stok uit de hand. Niemand heeft
+de vreeselijke benauwing der "vier utersten" zoo ondergaan als hij; de
+hevige aanval der duivelen bij het sterven zijn een herhaald onderwerp
+van zijn preeken. Hij verkeert voortdurend met afgestorvenen. Of hem
+dikwijls geesten van afgestorvenen verschijnen, vraagt hem een broeder.
+O, honderden en honderden malen, antwoordt hij. Hij herkent zijn vader
+in het vagevuur en verwerft diens bevrijding. Zijn verschijningen,
+openbaringen en gezichten vervullen hem zonder ophouden, maar hij
+spreekt er niet dan met tegenzin van. Hij schaamt zich voor de ekstasen,
+die hem door allerlei uiterlijke aanleidingen geworden: vooral door
+muziek, soms te midden van een adellijk gezelschap, dat naar zijn
+wijsheid en vermaningen luistert. Onder de eernamen der groote theologen
+is de zijne die van Doctor ecstaticus.
+
+Men meene niet, dat een groote figuur als Dionysius de Kartuizer aan de
+verdenking en spot ontkwam, die den zonderlingen wonderman van Lodewijk
+XI troffen; ook hij heeft voortdurend te kampen met den smaad en de
+verguizing der wereld. De geest der vijftiende eeuw staat in een wankel
+evenwicht tegenover de opperste uitingen van het middeleeuwsch geloof.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[580] Monstrelet, IV p. 304.
+
+[581] Bernh. v. Siena, Opera, I p. 100 bij Hefele l.c. p. 36.
+
+[582] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 157; Les quinze joyes de
+mariage, p. 111, 215.
+
+[583] Molinet, Faictz et dictz, f. 188vso.
+
+[584] Journal d'un bourgeois, p. 336, vgl. p. 242 no. 514.
+
+[585] Ghillebert de Lannoy, Oeuvres, ed. Ch. Potvin, Louvain, 1878,
+p. 163.
+
+[586] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 101.
+
+[587] Le Jouvencel, II p. 107.
+
+[588] Songe du viel pelerin, bij Jorga, Phil. de Mezieres. p. 423(6).
+
+[589] Journal d'un bourgeois, p. 214, 289(2).
+
+[590] Gerson, Opera, I p. 206.
+
+[591] Jorga, Phil. de Mezieres, p. 506.
+
+[592] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 125.
+
+[593] Chastellain, IV p. 263/5.
+
+[594] Chastellain, II p. 300; VII p. 222. Jean Germain, Liber de
+Virtutibus, p. 10 (de hier vermelde minder strenge vastenpraktijk kan op
+een anderen tijd slaan); Jean Jouffroy, De Philippo duce oratio (Chron.
+rel. a l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III) p. 118.
+
+[595] La Marche, II p. 40.
+
+[596] Monstrelet, IV p. 302.
+
+[597] Jorga, Phil. de Mezieres, p. 350.
+
+[598] Vgl. Jorga, l.c. p. 444, Champion, Villon, I p. 17.
+
+[599] Oeuvres du roi Rene, ed. Quatrebarbes, I p. cx.
+
+[600] Monstrelet, V p. 112.
+
+[601] La Marche, I p. 194.
+
+[602] Acta Sanctorum Jan., t. II p. 1018.
+
+[603] Jorga, l.c. p. 509, 512.
+
+[604] Het is in dit verband van geen belang, of de Kerk de personen in
+kwestie heilig of slechts zalig heeft verklaard.
+
+[605] Andre Du Chesne, Hist. de la maison de Chastillon sur Marne,
+Paris, 1621, Preuves, p. 126-131, Extraict de l'enqueste faite pour la
+canonization de Charles de Blois, p. 223, 234.
+
+[606] Froissart, ed. Luce, VI p. 168.
+
+[607] De gronden, waarop Dom Plaine, Revue des questions historiques, XI
+p. 41, Froissart's getuigenis wraakt, schijnen mij niet afdoende.
+
+[608] W. James, The varieties of religious experience, p. 370s.
+
+[609] Ordonnances des rois de France, t. VIII, p. 398, Nov. 1400, 426,
+18 Maart 1401.
+
+[610] Memoires de Pierre Salmon, ed. Buchon, Coll. de chron. nationales,
+3e Supplement de Froissart, t. XV p. 49.
+
+[611] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 40.
+
+[612] Acta Sanctorum Julii, t. I p. 486-628.
+
+[613] La Marche, I p. 180.
+
+[614] Lettres de Louis XI, t. VI p. 514, cf. V p. 86, X p. 65.
+
+[615] Commines, I p. 291.
+
+[616] Commines, II p. 67, 68.
+
+[617] Commines, II p. 57; Lettres, X p. 16, IX p. 260. Er was indertijd
+zulk een agnus scythicus in het Koloniaal Museum te Haarlem.
+
+[618] Chron. scand., II p. 122.
+
+[619] Commines, II p. 55, 77.
+
+[620] Acta sanctorum Apr., t. I p. 115.--Lettres de Louis XI, t. X
+p. 76, 90.
+
+[621] Sed volens caute atque astute agere, propterea quod a pluribus
+fuisset sub umbra sanctitatis deceptus, decrevit variis modis experiri
+virtutem servi Dei, Acta Sanctorum, l.c.
+
+[622] Acta Sanctorum, l.c.p. 108; Commines, II p. 55.
+
+[623] Lettres, X p. 124. 29 Juni 1483.
+
+[624] Lettres, X p. 4 etc., Commines, II p. 54.
+
+[625] Commines, II p. 56, Acta Sanctorum, l.c.p. 115.
+
+[626] A. Renaudet, Prereforme et Humanisme a Paris, p. 172.
+
+[627] Doutrepont, p. 226.
+
+[628] Vita Dionysii auct. Theod. Loer, Dion. Opera, I. p. xlii ss., id.
+De vita et regimine principum, t. XXXVII p. 497.
+
+[629] Opera, t. XLI p. 621; D. A. Mougel, Denys le chartreux, sa vie
+etc., Montreuil, 1896, p. 63.
+
+[630] Opera. t. XLI, p. 617; Vita, I p. xxxi; Mougel, p. 51; Bijdr. en
+mededeel. v. h. hist. genootschap te Utrecht, XVIII p. 331.
+
+[631] Opera, t. XXXIX p. 496, Mougel, p. 54; Moll, Johannes Brugman, I
+p. 74; Kerkgesch., II 2 p. 124; K. Krogh-Tonning, Der letzte
+Scholastiker Eine Apologie, Freiburg 1904, p. 175.
+
+[632] Mougel, p. 58.
+
+[633] Opera, t. XXXVI p. 178: De mutua cognitione.
+
+[634] Vita, Opera, t. I p. xxiv, xxxviii.
+
+[635] Vita, Opera, t. I p. xxvi.
+
+[636] De munificentia et beneficiis Dei, Opera, t. XXXIV, art. 26 p. 319.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VIII
+
+AANDOENING EN VERBEELDING
+
+
+Van den tijd af, dat de zoet-lyrische mystiek van Bernard van Clairvaux
+in de twaalfde eeuw de fuga geopend had van bloeiende verteedering over
+het lijden Christi, was de geest in steeds stijgende mate vervuld van de
+smeltende aandoening over de passie; hij was doortrokken en verzadigd
+geworden van Christus en het kruis. In de vroegste kindsheid werd het
+beeld van den gekruisigde in het teer gemoed geplant zoo groot en zoo
+donker, dat het alle aandoeningen overschaduwde met zijn ernst. Toen
+Jean Gerson een kind was, ging zijn vader met uitgestrekte armen tegen
+den muur staan, en zeide: "'zie, mijn jongen, zoo is uw God gekruisigd
+en gestorven, die u gemaakt heeft en verlost heeft'. Dit beeld bleef
+den knaap tot in zijn grijsheid, groeiende met het groeien der jaren,
+en hij zegende er nog dien vromen vader om, nadat deze juist op
+kruisverheffingsdag gestorven was." [637]--Colette hoorde als kind van
+vier jaar haar moeder iederen dag schreien en zuchten in gebed over het
+lijden, mee lijdende over den smaad, de slagen en de pijnigingen. Met
+zulk een hevigheid zette zich die herinnering in haar overgevoelig
+gemoed, dat zij haar leven lang iederen dag op het uur der kruisiging
+een allerheftigste benauwing en hartepijn voelde, en bij het lezen van
+het lijden meer leed dan eenige vrouw in barensnood. [638]--Een prediker
+bleef somtijds voor zijn gehoor een kwartier lang zwijgend in
+kruishouding staan. [639]
+
+Zoo overvuld van Christus was de geest, dat bij de geringste uiterlijke
+overeenkomst van eenige handeling of gedachte met 's Heeren leven of
+lijden de Christustoon onmiddellijk ging klinken. Een arme non, die
+brandhout aandraagt voor de keuken, verbeeldt zich, dat zij daarmee het
+kruis draagt: enkel de voorstelling hout dragen is genoeg, om de
+handeling te drenken in den lichtschijn van de opperste daad van liefde.
+Het blinde vrouwtje, dat de wasch doet, neemt tobbe en waschhok voor
+kribbe en stal. [640] Maar evengoed een uitwerking van die overvolheid
+met godsdienstigen inhoud is het profaneerende overvloeien van
+vorstenhulde in religieuze verbeelding: de vergelijking van Lodewijk XI
+met Jezus, van Maximiliaan met zijn vader en zijn zoon met de
+Drieeenheid. [641]
+
+De vijftiende eeuw vertoont de sterke godsdienstige aandoenlijkheid in
+een dubbelen vorm. Zij openbaart zich eensdeels in de heftige
+beroeringen, die van tijd tot tijd het geheele volk aangrepen, als een
+reizend prediker met zijn woord alle geestelijke brandstof ontvlammen
+deed als takkenbossen. Dat is de krampachtige uiting, hartstochtelijk,
+geweldig, doch spoedig weer uitgesnikt. Daarnaast is door sommigen de
+aandoenlijkheid blijvend in een stille bedding geleid, genormaliseerd
+tot een nieuwen levensvorm, dien der innigheid. Het is de pietistische
+kring van hen, die zichzelven in het bewustzijn van vernieuwers te zijn,
+moderne devoten hebben genoemd. Als gereglementeerde beweging beperkt
+zich de moderne devotie tot de Noordelijke Nederlanden en het
+Nederduitsche gebied, doch den geest, die haar het aanzijn gaf, vindt
+men in Frankrijk even goed.
+
+Van de geweldige werking der predikatie is maar weinig als blijvend
+element in de geestelijke cultuur overgegaan. Wij weten, welk een
+ontzaglijken indruk de predikers maakten, [642] maar de ontroering, die
+van hen uitging, na te voelen, is ons niet gegeven. Uit de geschreven
+overlevering der preeken komt zij niet tot ons; en hoe kon het ook?
+Reeds tot de tijdgenooten sprak de geschreven preek niet meer. Velen,
+die Vincent Ferrer hoorden, en nu zijn preeken lezen, zegt diens
+levensbeschrijver, verzekeren, dat zij nauwelijks een schaduw krijgen
+van dat wat uit zijn eigen mond weerklonk. [643] Wij kennen de stof der
+preeken: de aangrijpende schildering van de verschrikkingen der hel, het
+dreunend dreigen met de straf der zonde, al de lyrische uitstortingen
+over de passie en de godsliefde. Wij weten, met welke middelen de
+predikers werkten: geen effekt was te grof, geen overgang van lachen
+naar weenen te groot, geen onmatige uitzetting der stem te kras. [644]
+Maar wij kunnen de schokken, die zij daarmee teweegbrachten, toch
+eigenlijk alleen bevroeden uit het altijd weer gelijksoortig verhaal,
+hoe stad met stad streed om de toezegging van een preekbeurt, hoe
+magistraat en volk de predikers inhaalden met een staatsie, zooals men
+ze een vorst gaf, hoe de prediker soms moest ophouden om het luid geween
+der schare. Terwijl Vincent Ferrer preekte, werden eens twee
+terdoodveroordeelden voorbij gebracht, een man en een vrouw, op weg naar
+de terechtstelling. Vincent verzocht, het beulswerk op te schorten; hij
+borg de slachtoffers zoolang onder zijn spreekgestoelte, en preekte over
+hun zonden. Na de preek vond men hen er niet meer, doch enkel wat
+beenderen, en het volk geloofde niet anders, dan dat het woord van den
+heiligen man de zondaars had verbrand en tevens gered. [645]
+
+De krampachtige aandoening der massa onder het woord van de predikers is
+telkens weer vervlogen zonder in de geschreven overlevering zich te
+hebben kunnen vastleggen. Des te beter kennen wij de "innicheit" der
+moderne devoten. Als in elken pietistischen kring gaf hier de godsdienst
+niet enkel den levensvorm maar ook den gezelligheidsvorm: het knusse
+geestelijk verkeer in stille intimiteit van eenvoudige mannetjes en
+vrouwtjes, wier groote hemel zich welfde boven een minuskuul wereldje,
+waar al het sterke ruischen van den tijd aan voorbij streek. De vrienden
+bewonderden in Thomas a Kempis zijn onkunde van de gewone wereldsche
+dingen; een prior van Windesheim droeg als eervollen bijnaam Jan
+Ik-weet-niet. Zij kunnen geen andere wereld gebruiken dan een
+vereenvoudigde; zij zuiveren haar door het slechte buiten hun sfeer te
+sluiten. [646] Binnen die enge sfeer leven zij in de vreugde van een
+sentimenteele genegenheid voor elkander: de blik van den een is zonder
+ophouden op den ander geslagen, om alle teekens van genade op te merken;
+elkaar bezoeken is hun vermaak. [647] Vandaar hun bijzondere neiging tot
+de levensbeschrijving, waaraan wij de nauwkeurige kennis van dezen
+geestelijken staat te danken hebben.
+
+In haar Nederlandschen, gereglementeerden vorm had de moderne devotie
+een vaste conventie van vroom leven geschapen. Men kende de devoten aan
+hun afgemeten stille bewegingen, hun gebogen gang, sommigen aan de tot
+een lach geplooide gezichten of de opzettelijk gelapte nieuwe kleeren.
+En niet het minst aan hun overvloedige tranen. "Devotio est quaedam
+cordis teneritudo, qua quis in pias faciliter resolvitur lacrimas". Men
+moet God bidden om "den dagelijkschen doop der tranen", zij zijn de
+vleugelen van het gebed, of naar Sint Bernard's woord de wijn der
+engelen. Men moet zich aan de genade der loffelijke tranen geven, zich
+er toe voorbereiden en aanzetten, het geheele jaar door, maar vooral in
+de Vasten, opdat men met den psalmist zeggen moge: "Fuerunt mihi
+lacrimae meae panes die ac nocte". Soms komen zij zoo gewillig, dat wij
+bidden met snikken en huilen ("ita ut suspiriose ac cum rugitu oremus"),
+maar wanneer zij niet vanzelve komen, moet men ze niet bovenmatig
+uitpersen, en zich vergenoegen met de tranen des harten. En in
+tegenwoordigheid van anderen moet men de teekenen van een buitengewone
+geestelijke devotie naar vermogen vermijden. [648]
+
+Vincent Ferrer stortte, zoo dikwijls hij de hostie wijdde, zooveel
+tranen, dat bijna allen mee weenden, en er soms een weeklagen ontstond
+als van een doodenklacht. Het weenen was hem zoo zoet, dat hij noode
+zijn tranen staakte. [649]
+
+In Frankrijk ontbreekt de bijzondere normaliseering der nieuwe vroomheid
+in een bepaalden nieuwen vorm als de Nederlandsche Fraterhuizen en de
+congregatie van Windesheim. De verwante geesten in Frankrijk blijven of
+geheel in de wereld, of zij treden in bestaande orden, waar dan de
+nieuwe devotie de doorvoering van een strenger observantie teweegbrengt.
+Als algemeene houding van wijde burgerkringen is het verschijnsel er
+niet bekend. Misschien droeg daartoe bij, dat de Fransche vroomheid een
+hartstochtelijker, spasmodischer karakter had dan de Nederlandsche,
+lichter tot geexaspereerde vormen verviel en ook lichter weer vervaagde.
+Tegen het einde der Middeleeuwen worden bezoekers der Noordelijke
+Nederlanden uit Zuidelijker landen meer dan eens getroffen door de
+ernstige en algemeene vroomheid, die zij er onder het volk als iets
+bijzonders opmerken. [650]
+
+De Nederlandsche devoten hadden in het algemeen de aanrakingen laten
+varen met de intensieve mystiek, uit welker voorbereidende stadien hun
+levensvorm was opgebloeid. Daarmee hadden zij ook het gevaar voor
+fantastische afdwalingen tot ketterij grootendeels bezworen. De
+Nederlandsche moderne devotie was gehoorzaam en rechtgeloovig, praktisch
+zedelijk en soms zelfs nuchter. Het Fransche devote type daarentegen
+schijnt een veel grootere slingerwijdte te hebben gehad: het raakt
+telkens de extravagante geloofsverschijnselen.
+
+Toen de Groningsche Dominicaan Mattheus Grabow naar Constanz was
+getogen, om daar op het Concilie al de grieven van de bedelorden tegen
+de nieuwe broeders des gemeenen levens te luchten, en zoo mogelijk hun
+veroordeeling te verwerven, is het de groote leider der algemeene
+kerkelijke politiek, Johannes Gerson, zelf geweest, in wien de belaagde
+volgelingen van Geert Groote hun verdediger vonden. Gerson was alleszins
+bevoegd, om te beoordeelen, of men hier te doen had met een uiting van
+echte vroomheid en een geoorloofden vorm van organisatie daarvan. Want
+het onderscheiden van echte vroomheid van overdreven geloofsuitingen is
+een der onderwerpen, die zijn geest voortdurend hebben beziggehouden.
+Gerson was een voorzichtige, nauwgezette academische geest, eerlijk,
+zuiver en welmeenend, met die ietwat angstvallige zorg voor den goeden
+vorm, die in een fijnen geest, uit bescheiden omstandigheden tot een
+werkelijk aristocratische houding gegroeid, dikwijls nog de afkomst
+verraadt. Daarbij was hij een psycholoog en iemand met stijlgevoel.
+Stijlgevoel en rechtzinnigheid nu zijn ten nauwste verwant. Geen wonder
+dus, dat de uitingen van het geloofsleven van zijn dagen herhaaldelijk
+zijn argwaan en bezorgdheid wekten. Nu is het merkwaardig, hoe de typen
+van vroomheid, die hij afkeurt als overdreven en gevaarlijk, ons
+levendig herinneren aan de moderne devoten, die hij verdedigd had. Toch
+is dit zeer verklaarbaar. Zijn Fransche schapen misten de veilige
+schaapskooi, de discipline en organisatie, die de al te vurigen van
+zelve binnen de perken hield van hetgeen de Kerk dulden kon.
+
+Gerson ziet overal de gevaren van de populaire devotie. Hij vindt het
+verkeerd, dat de mystiek op straat wordt gebracht. [651] De wereld, zegt
+hij, is in dit laatste tijdperk kort voor haar einde als een ijlhoofdige
+grijsaard, ten prooi aan allerlei fantazieen, droomgezichten en
+illusies, die menigeen van de waarheid af brengen. [652] Velen geven
+zich zonder behoorlijke leiding over aan al te strenge vasten, al te
+gerekte nachtwaken, te overvloedige tranen, waarmee zij hun brein
+troebel maken. Zij luisteren naar geen vermaan tot matiging. Laat hen
+oppassen, want zij kunnen licht vervallen in begoochelingen des duivels.
+Te Atrecht had hij nog kort geleden een vrouw en moeder bezocht, die
+tegen den zin van haar echtgenoot door haar volstrekt vasten, twee tot
+vier dagen achtereen, veler bewondering wekte. Hij had met haar
+gesproken, haar ernstig beproefd, en bevonden, dat haar onthouding
+louter hoogmoedige en ijdele halsstarrigheid was. Want na zulk een
+vasten at zij met onverzadelijke vraatzucht; als reden voor haar
+zelfkastijding gaf zij niet anders op, dan dat zij onwaardig was om
+brood te eten. Haar uiterlijk verried hem reeds den naderenden waanzin.
+[653] Een ander vrouwtje, een epileptica, wier eksteroogen staken, zoo
+dikwijls er een ziel ter helle voer, die de zonden aan het voorhoofd zag
+en beweerde, dagelijks drie zielen te redden, bekende onder bedreiging
+met de tortuur, dat zij zich zoo gedroeg, omdat het haar broodwinning
+was. [654]
+
+Gerson achtte de vizioenen en revelaties van den jongsten tijd, die
+overal gelezen werden, niet veel waard. Zelfs die van befaamde heiligen
+als Brigitta van Zweden en Catharina van Siena verloochent hij. [655]
+Hij had er zooveel gehoord, die hem het vertrouwen benamen. Velen
+verklaarden, dat hun geopenbaard was, dat zij paus zouden worden; een
+geleerd man had het zelfs eigenhandig beschreven en met bewijzen
+gestaafd. Een ander was eerst overtuigd geweest, dat hij paus zou
+worden, maar daarna, dat hij de Antichrist of althans diens voorlooper
+zou zijn, waarom hij had omgegaan met de gedachte, zich het leven te
+benemen, om de christenheid niet zulk een onheil aan te doen.
+[656]--Niets is zoo gevaarlijk, zegt Gerson, als een onkundige devotie.
+Wanneer de arme vromen hooren, dat Maria's geest zich verblijdde in
+haren God, dan trachten zij ook zich te verblijden, en stellen zich van
+allerlei voor, nu met minnen, nu met vreezen; daarbij zien zij allerlei
+beelden, die zij niet kunnen onderscheiden van de waarheid en die zij
+allen voor wonder houden en voor het bewijs van hun voortreffelijke
+devotie. [657] Maar dit was juist hetgeen de moderne devotie aanbeval.
+"Soe wie hem in desen artikel mit herten ende mit al sinen crachten den
+liden ons Heren innichlic geliken ende gheconformieren wil, die sal hem
+selven pinen, druckich ende wemoedich te maken. Ende is hi in enighen
+teghenwoerdighen druc, die sel hi mitter druckelicheit Christi
+verenighen ende begheren mit hem te deilen". [658]
+
+Het schouwende leven heeft groote gevaren, zegt Gerson; velen zijn er
+zwaarmoedig of gek van geworden. [659] Hij weet, hoe licht een te
+aanhoudend vasten tot waanzin of hallucinaties leidt; hij weet ook, welk
+een rol het vasten speelt in de praktijken der tooverij. [660] Waar
+moest een man met zulk een scherpen blik voor het psychologische moment
+in de uitingen van het geloof de grens trekken tusschen het heilige en
+geoorloofde en het verwerpelijke? Hij voelde zelf, dat enkel zijn
+rechtzinnigheid hem hier nog niet genoeg gaf; het was gemakkelijk
+genoeg, om als geschoold godgeleerde overal den staf te breken, waar van
+het dogma klaarblijkelijk werd afgeweken. Maar daarnaast stonden al de
+gevallen, waar de ethische beoordeeling der uitingen van vroomheid hem
+het richtsnoer moest zijn, waar zijn gevoel voor maat en goeden smaak
+hem het vonnis moest ingeven. Er is geen deugd, zegt Gerson, die in deze
+ellendige tijden van het schisma meer uit het oog wordt verloren dan de
+Discretio. [661]
+
+Was reeds voor Jean Gerson het dogmatische criterium niet meer het
+eenige, dat den doorslag gaf ter onderscheiding van ware en valsche
+vroomheid, des te eer vallen voor ons de typen van godsdienstige
+aandoening niet meer samen volgens de lijnen van hun orthodoxie of
+ketterij, maar volgens hun psychologischen aard. Ook het volk van den
+tijd zelf zag de dogmatische lijnen niet. Het hoorde den ketterschen
+broer Thomas met evenveel stichting als den heiligen Vincent Ferrer, het
+schold de heilige Colette en haar volgelingen voor Begarden en
+hypocriten. [662]--Colette vertoont al de eigenschappen van wat James
+den theopathischen toestand noemt, [663] wortelend op een bodem van de
+pijnlijkste overgevoeligheid. Zij kan geen vuur zien of den gloed ervan
+verdragen, behalve kaarsen. Zij is ontzettend bang voor vliegen,
+slakken, mieren, voor stank en onreinheid. Zij heeft denzelfden rabiden
+afschuw van de sexualiteit, die later de heilige Aloysius Gonzaga
+vertoont, zoodat zij enkel maagden in haar congregatie wil hebben, niet
+houdt van getrouwde heiligen en het betreurt, dat haar moeder met haar
+vader in tweede huwelijk was getrouwd. [664] Deze hartstocht voor de
+zuiverste maagdelijkheid werd door de Kerk nog altijd als stichtelijk en
+navolgenswaard geprezen. Hij was ongevaarlijk, zoolang hij beleden werd
+in den vorm van een persoonlijk afgrijzen van al het sexueele. Doch
+datzelfde sentiment werd in een anderen vorm gevaarlijk voor de Kerk en
+bij gevolg voor den persoon, die het beleed: wanneer deze namelijk niet
+meer als de slak de horens introk, maar de toepassing van die zucht naar
+kuischheid wilde zien op het kerkelijk en maatschappelijk leven der
+anderen. Steeds weer, als het streven naar die zuiverheid revolutionaire
+vormen aannam, heeft de Kerk het moeten verloochenen, omdat zij wist,
+dat het onuitvoerbaar was. Jean de Varennes boette die consequentie in
+een ellendigen kerker, waar de aartsbisschop van Reims hem had doen
+opsluiten. Deze Jean de Varennes was een geleerd theoloog en befaamd
+prediker, die aan het pauselijk hof te Avignon als kapelaan van den
+jeugdigen kardinaal van Luxemburg zelf beschikt scheen voor een myter of
+kardinaalshoed, toen hij plotseling van al zijn beneficien afstand deed
+behalve een kanunnikschap van Notre Dame te Reims, zijn staat opgaf, en
+uit Avignon naar zijn geboorteland terugging, waar hij te Saint Lie een
+heilig leven begon te leiden en te preeken. "Et avoit moult grant
+hantise de poeuple qui le venoient veir de tous pays pour la simple vie
+tres-noble et moult honneste que il menoit." Men vond, dat hij wel paus
+kon worden; men noemde hem "le saint homme de S. Lie", en raakte hem aan
+om de wonderdadigheid van zijn persoon; sommigen hielden hem voor een
+godsgezant of een goddelijk wezen zelf. Heel Frankrijk sprak een
+tijdlang van niets anders. [665]
+
+Maar niet iedereen geloofde aan de oprechtheid van zijn bedoelingen; er
+waren er ook, die van "le fou de Saint Lie" spraken, of hem verdachten,
+langs dezen opzienbarenden weg de prelatuur te willen bereiken, die hem
+anders was ontgaan. Bij hem had, gelijk bij zooveel vroegeren, die als
+ketters verworpen waren, de hartstocht voor geslachtelijke zuiverheid
+het karakter aangenomen van een heftig revolutionaire prediking, waarin
+zich al de grieven over de ontaarding der Kerk schikten onder die eene
+groote verontwaardiging. "Au loup, au loup" riep hij de schare toe, en
+deze riep willig terug: "Hahay, aus leus, mes bones gens, aus leus."
+Maar hij zei immers niet, dat hij den aartsbisschop bedoelde, aldus zijn
+verdediging uit den kerker; hij placht enkel het spreekwoord te zeggen:
+"qui est tigneus, il ne doit pas oster son chaperon". [666] Hoever hij
+ook gegaan moge zijn, zijn hoorders verstonden hem zoo, dat hij al het
+oude verzet tegen de onkuische priesters had gepreekt: hun sacramenten
+ongeldig, de hostie, die zij wijden, niet dan brood, hun doopsel en hun
+absolutie waardeloos. En meer nog tegen de onkuischheid in het algemeen:
+de priesters mogen zelfs niet wonen met een zuster of een oude van
+dagen; aan het huwelijk zijn 22 of 23 zonden verbonden; men moest de
+echtbrekers straffen naar de leer van het Oude Verbond; Christus zelf
+zou, indien hij zekerheid had gehad omtrent haar schuld, bevolen hebben,
+de overspelige te steenigen; er was geen goede vrouw in Frankrijk, er
+kon geen bastaard iets goeds doen of zalig worden. [667]
+
+Tegen dien ingrijpenden vorm van afkeer der onkuischheid heeft de Kerk
+zich steeds uit zelfbehoud moeten verzetten: werd eenmaal de twijfel
+gewekt aan de geldigheid der sacramenten van onwaardige priesters, dan
+was het geheele kerkelijk leven ontwricht. Gerson stelt Jean de Varennes
+naast Johannes Hus als een, die met oorspronkelijk goede bedoelingen
+door zijn ijver op het dwaalspoor is geleid. [668]
+
+De Kerk is aan den anderen kant in het algemeen uiterst toegefelijk
+geweest op een ander gebied: in het dulden van de hoogst zinnelijke
+verbeeldingen der godsliefde. De nauwgezette kanselier van de Parijsche
+universiteit evenwel heeft ook daar het gevaar gevoeld en ervoor
+gewaarschuwd.
+
+Hij kende het uit zijn groote zielkundige ervaring, hij kende het van
+verschillende zijden, als dogmatisch en als zedelijk gevaar. "De dag zou
+mij niet genoeg zijn, zegt hij, als ik al de tallooze waanzinnigheden
+wilde opsommen van de minnenden, de zinneloozen: amantium, immo et
+amentium." [669] Ja, hij wist het bij ondervinding: "Amor spiritualis
+facile labitur in nudum carnalem amorem." [670] Want wie zou het anders
+zijn dan Gerson zelf, die man, dien hij kende, die uit loffelijke
+devotie een gemeenzame vriendschap in den Heer had gekweekt met een
+geestelijke zuster: "aanvankelijk ontbrak het vuur van eenige
+vleeschelijkheid, maar gaandeweg wies uit den geregelden omgang een
+liefde, die niet geheel en al meer in God was, zoodat hij zich niet meer
+kon weerhouden, haar te bezoeken, of in haar afwezigheid aan haar te
+denken. Nog vermoedde hij niets zondigs, geen duivelsch bedrog, totdat
+een langere afwezigheid hem tot het inzicht bracht van het gevaar, dat
+God nog ter juister tijd van hem had gewend." [671] Hij was voortaan "un
+homme averti" en trok er profijt van. Zijn geheele tractaat _De diversis
+diaboli tentationibus_ [672] is als een scherpe analyse van den
+geestesstaat, die ook die van de Nederlandsche moderne devoten was. Het
+is vooral de "dulcedo Dei", de "zueticheit" der Windesheimers, welke
+Gerson wantrouwt. De duivel, zegt hij, boezemt den menschen somtijds een
+onmetelijke en wonderlijke zoetheid (dulcedo) in, op de wijze van en
+gelijkende op devotie, opdat de mensch in het genieten van die zoetheid
+(suavitas) zijn eenig doel zoeke, en God enkel meer wil beminnen en
+volgen, om die genieting te erlangen. [673] En elders, [674] van
+dezelfde dulcedo Dei: velen heeft de al te sterke kweeking van
+dergelijke gevoelens bedrogen: zij hebben de razernijen van hun hart als
+het voelen Gods omhelsd en jammerlijk gedwaald. Het leidt tot allerlei
+ijdel streven: sommigen trachten een staat te bereiken van volkomen
+gevoelloosheid of passiviteit, waarin slechts God door hen handelt, of
+een mystische kennis en vereeniging met God, waarin Hij niet meer onder
+eenig begrip des zijns, des waren of des goeden wordt opgevat.--Hier
+liggen ook Gerson's bezwaren tegen Ruusbroec, aan wiens eenvoudigheid
+hij niet gelooft, wien hij de meening van zijn _Chierheit der
+gheesteliker brulocht_ verwijt, dat de volmaakte ziel, God schouwende,
+Hem niet enkel ziet door de klaarheid, die de goddelijke essentie is,
+maar dat zij zelve de goddelijke klaarheid is. [675]
+
+Het gevoel van de volstrekte vernietiging der individualiteit, dat de
+mystieken van alle tijden gesmaakt hebben, kon de voorstander van een
+matige, ouderwetsche, Bernardijnsche mystiek, die Gerson was, niet
+gedoogen. Een zieneres had hem verteld, dat haar geest in het schouwen
+Gods vernietigd was geworden met een werkelijke vernietiging en daarna
+opnieuw geschapen. Hoe weet ge dat? had hij haar gevraagd. Zij had het
+zelf ondervonden, was haar antwoord. De logische absurditeit dier
+verklaring is voor den intellectueelen kanselier het triomfantelijk
+bewijs, hoe verwerpelijk zulk een gevoelen was. [676] Het was
+gevaarlijk, zulke gewaarwordingen in een gedachte uit te drukken; de
+Kerk kon ze enkel dulden in den vorm van een beeld: het hart van
+Catharina van Siena was veranderd in het hart van Christus. Maar
+Marguerite Porete uit Henegouwen, van de Broeders van den vrijen geest,
+die ook haar ziel in God vernietigd waande, was in 1310 te Parijs
+verbrand. [677]
+
+Het groote gevaar van het zelfvernietigingsgevoel lag in de conclusie,
+waartoe evenzeer de Indische als sommige christelijke mystieken kwamen,
+dat de volmaakte schouwende en minnende ziel niet meer zondigen kan.
+Immers, opgegaan in God, heeft zij geen wil meer; slechts het goddelijk
+willen is gebleven, en waarin zij ook de vleeschelijke neigingen volgen,
+daarin is geen zonde meer. [678] Tal van armen en onwetenden waren door
+zulke leeringen verleid tot een leven van de vreeselijkste
+ongebondenheid, zooals de secten der Begarden, de Broeders van den
+vrijen geest, de Turlupijnen te zien hadden gegeven. Telkens als Gerson
+van de gevaren der uitgelaten godsminne spreekt, komt hem het
+waarschuwend voorbeeld van die secten in de gedachte. [679] Toch is men
+hier voortdurend vlak bij de kringen der devoten. De Windesheimer
+Hendrik van Herp beschuldigt zijn eigen geestverwanten van geestelijk
+overspel. [680] Er lagen in deze sfeer duivelsche valstrikken tot de
+meest perverse goddeloosheid. Gerson vertelt van een aanzienlijk man,
+die aan een Kartuizer had bekend, dat hem een doodzonde, en hij noemde
+met name die der onkuischheid, de minne Gods niet belemmerde, maar hem
+integendeel ontvlamde om de goddelijke zoetheid nog inniger te prijzen
+en te begeeren. [681]
+
+De Kerk waakte, zoodra de smeltende aandoeningen van de mystiek zich
+omzetten in geformuleerde overtuigingen of in toepassing op het
+maatschappelijk leven. Zoolang het bleef bij louter hartstochtelijke
+verbeeldingen van symbolischen aard, liet zij ook het meest exuberante
+toe. Johannes Brugman kon ongestraft al de eigenschappen van den
+dronkaard, die zich zelf vergeet, geen gevaar ziet, niet toornig wordt
+om bespotting, alles weggeeft, toepassen op Jezus' menschwording: "O en
+was hi niet wael droncken, doe hem die mynne dwanck, dat hi quam van den
+oversten hemel in dit nederste dal der eerden?" In den hemel gaat hij
+rond, "schyncken ende tappen mit vollen toyten" aan de profeten, "ende
+sij droncken, dat sij borsten, ende daer spranck David mit sijnre herpen
+voer der tafelen, recht of hij mijns heren dwaes waer." [682]
+
+De groteske Brugman niet alleen, ook de zuivere Ruusbroec geniet de
+godsminne onder het beeld der dronkenschap. Naast dat der dronkenschap
+staat het beeld van den honger. Mogelijk lag voor beide de aanleiding in
+het bijbelwoord: "qui edunt me, adhuc esurient, et qui bibunt me, adhuc
+sitient," [683] dat, door Sapientia gesproken, als woord des Heeren werd
+geduid. De voorstelling van des menschen geest, geteisterd door een
+eeuwigen honger naar God, was dus gegeven. "Hier beghint een ewich
+honger, die nemmermeer vervult en wert, dat es een inwendich ghieren
+ende crighen der minnender cracht ende dies ghescapens geestes in een
+ongescapen goet.... Dit sijn die armste liede die leven; want si sijn
+ghierich ende gulsich ende si hebben den mengherael (verklaring: "dat is
+die vraet of den ghier of den heeten onversadeliken hongher"). Wat si
+eten ende drinken, si en werden nemmermeer sat in deser wijs, want dese
+hongher es ewich.... Al gave God desen mensche alle die gaven die alle
+heylighen hebben ... sonder hem selven, nochtan bleve die gapende ghier
+des gheests hongherich ende onghesaedt."--Doch evenals het beeld der
+dronkenschap is ook dat van den honger voor omkeering vatbaar: "Sijn
+(Christus') hongher is sonder mate groet; hi verteert ons al uut te
+gronde; want hi is een ghierich slockaert ende heeft den mengerael: hi
+verteert dat merch uut onsen benen. Nochtan gonnen wijs hem wale, ende
+soe wijs hem meer ghonnen, soe wij hem bat smaken. Ende wat hi op ons
+teert, hi en mach niet vervult werden, want hi heeft den mengerael ende
+sijn hongher is sonder mate: ende al sijn wi arm, hi en achtes niet,
+want hi en wilt ons niet laten. Ierstwerf bereyt hi sine spise, ende
+verbernt in minnen al onse sonden ende ghebreken. Ende alse wi dan
+ghesuvert sijn ende in minnen ghebraden, soe gaept hi alse die ghier
+diet al verslocken wilt.... Mochten wi sien die ghierighe ghelost (lust)
+die Christus heeft tote onser salicheit, wi en mochten ons niet
+onthouden wi en souden hem in die kele vlieghen. Al verteert ons Jhesus
+te male in hem, daer vore gheeft hi ons hem selven, ende hi gheeft ons
+gheesteliken hongher ende dorst sijns te ghesmaken met ewigher lost. Hi
+gheeft ons gheesteliken hongher, ende onser herteliker liefde sijn
+lichame in spisen. Ende alse wi dien in ons eten ende teren met ynnigher
+devocien, soe vloyet uut sinen lichame sijn gloriose heete bloet in onse
+nature ende in alle onse aderen.... Siet, aldus selen wi altoes eten
+ende werden gheten, ende met minnen op ende nedergaen, ende dit is onse
+leven in der ewicheit". [684]
+
+Een kleine schrede, en men is van deze hoogste vervoeringen der mystiek
+weer bij een plat symbolisme. "Vous le mangeres,--zegt van de
+eucharistie _Le livre de crainte amoureuse_ van Jean Berthelemy--, roti
+au feu, bien cuit, non point ars ou brule. Car ainsi l'aigneau de
+Pasques entre deux feux de bois ou de charbon estoit cuit convenablement
+et roty, ainsi ledoulx Jesus, le jour du Vendredi sacre, fut en la
+broche de la digne croix mis, attachie, et lie entre les deux feux de
+tres angoisseuse mort et passion, et de tres ardentes charite et amour
+qu'il avoit a nos ames et a nostre salut, il fut comme roty et
+langoureusement cuit pour nous saulver." [685]
+
+Het beeld van de dronkenschap en den honger weerspreekt reeds de
+meening, dat elk godsdienstig zaligheidsgevoel erotisch geinterpreteerd
+zou moeten worden. [686] Het instroomen van den goddelijken invloed
+wordt evengoed als een drinken of een gebaad worden ondergaan. Een
+Diepenveensche devote voelt zich geheel overstort met het bloed van
+Christus en bezwijmt. [687] De bloedfantazie, voortdurend door het
+geloof aan de transsubstantiatie levend gehouden en geprikkeld, uit zich
+in de bedwelmendste uitersten van rooden gloed. De wonden van Jezus,
+zegt Bonaventura, zijn de bloedroode bloemen van ons zoete en bloeiende
+paradijs, waarover de ziel als een vlinder zweven moet, dan aan deze dan
+aan gene drinkende. Door de zijwond moet zij binnendringen tot het hart
+zelf. Tegelijk stroomt het bloed als beken in het paradijs. Al het roode
+en warme bloed van alle wonden is door Suso's mond in zijn hart en ziel
+gevloeid. [688] Catharina van Siena is een der heiligen, die uit de
+zijwond van Christus gedronken hebben, gelijk het anderen ten deel viel,
+de melk van Maria's borsten te proeven: Sint Bernard, Heinrich Suso,
+Alain de la Roche.
+
+Alain de la Roche, in het latijn Alanus de Rupe, bij zijn Nederlandsche
+vrienden Van der Klip geheeten, kan als een der meest markante typen
+gelden van de Fransche, meer fantastische devotie en van de
+ultra-concrete geloofsverbeelding der laatste Middeleeuwen. Omstreeks
+1428 in Bretagne geboren, heeft hij als Dominicaan hoofdzakelijk in het
+Noorden van Frankrijk en in de Nederlanden gewerkt. Hij is te Zwolle bij
+de Fraters, met wie hij levendige betrekkingen onderhield, in 1475
+gestorven. Zijn voornaamste werk was het ijveren voor het gebruik van
+den rozenkrans, waartoe hij een gebedsbroederschap over de geheele
+wereld stichtte, aan welke hij het bidden voorschreef van vaste stelsels
+van Ave's, door Pater's afgewisseld. In het werk van dezen visionair,
+hoofdzakelijk preeken en beschrijvingen van zijn gezichten, [689] treft
+het sterk sexueele van zijn verbeeldingen, doch tegelijk het ontbreken
+van dien toon van gloeiende passie, die de sexueele verbeelding van het
+heilige rechtvaardigen kon. De zinnelijke uitdrukking der smeltende
+godsminne is hier louter procede geworden. Er is niets van de
+overstroomende innigheid, die de honger-, dorst-, bloed- en
+liefde-fantazieen van de groote mystieken verheft. In de meditaties over
+elk van Maria's lichaamsdeelen, die hij aanbeveelt, in de nauwkeurige
+beschrijving van zijn herhaalde laving met de melk van Maria, in de
+symbolische systematiek, waarbij hij elk der woorden van het Onze Vader
+het bruidsbed van een der deugden noemt, spreekt een geest op zijn
+laatst, het verval van de hooggekleurde vroomheid der latere
+Middeleeuwen tot een uitgebloeiden vorm.
+
+Ook in de duivelenfantazie had het sexueele element een plaats: Alain de
+la Roche ziet de beesten der zonde met afschuwelijke teeldeelen, waaruit
+een vurige en zwavelige stortvloed breekt, die met zijn smook de aarde
+verduistert; hij ziet de meretrix apostasiae, die de afvalligen
+verslindt, weer uitbraakt en uitscheidt, weer verslindt, hen als een
+moeder kust en koestert, hen telkens opnieuw baart uit haren schoot.
+[690]
+
+Daar lag de tegenkant van de "zueticheit" der devoten. Als
+onvermijdelijk complement van de zoete hemelsche fantazie borg de geest
+een zwarten poel van hellevoorstellingen, die eveneens hun uitdrukking
+vonden in de gloeiende taal der aardsche zinnelijkheid. Het is zoo
+vreemd niet, dat er verbindingen zijn aan te wijzen tusschen de stille
+kringen der Windesheimers en het duisterste wat de Middeleeuwen tegen
+haar einde hebben voortgebracht: de heksenwaan, thans uitgegroeid tot
+dat noodlottig sluitende systeem van theologischen ijver en rechterlijke
+strengheid. Alanus de Rupe vormt zulk een schakel. Hij, de gaarne
+geziene gast van de Zwolsche fraters, was ook de leermeester van zijn
+ordebroeder Jakob Sprenger, die niet alleen met Heinrich Institoris den
+Heksenhamer geschreven heeft, maar ook in Duitschland de ijverige
+bevorderaar is geweest van Alanus' broederschap van den rozenkrans.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[637] Gerson, Tractatus VIII super Magnificat, Opera, IV p. 386.
+
+[638] Acta Sanctorum Martii, t. I p. 561, vgl. 540, 601.
+
+[639] K. Hefele, Der bl. Berhardin voor Siena und die franziskanische
+Wanderpredigt in Italien waehrend des XV. Jahrhunderts, Freiburg, 1912,
+p. 79.
+
+[640] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 74, 86.
+
+[641] Zie boven blz. 255. (zie Hoofdstuk VI, noot 495)
+
+[642] Zie boven blz. 6 vgg. (zie Hoofdstuk I, tekst volgend op noot 7)
+
+[643] Acta Sanctorum Aprilis, t. I p. 195.--Noch van Vincent Ferrer,
+noch van Olivier Maillard en Clement Menot heb ik de Sermones in
+Nederland kunnen vinden. Het beeld, dat Hefele t.a.p. van de prediking
+in Italie geeft, kan echter in veel opzichten ook op de fransch-sprekende
+landen toepasselijk worden geacht.
+
+[644] Leven van S. Petrus Thomasius, Carmeliet, door Philippe de
+Mezieres, Acta sanctorum Jan., t. II p. 997; Dionysius Cartus over
+Brugman's preektrant: De vita etc. christ.
+
+[645] Acta Sanctorum Apr., t. I p. 513.
+
+[646] James, l.c., p. 348: "For sensitiveness and narrowness, when they
+occur together, as they often do, require above all things a simplified
+world to dwell in"; cf. p. 353(1).
+
+[647] Moll, Brugman, I p. 52.
+
+[648] Dionys. Cartus. De quotidiano baptismate lacrimarum, t. XXIX,
+p. 84; Deoratione. t. XLI p. 31-55; Expositio hymni Audi benigne conditor,
+t. XXXV p. 34.
+
+[649] Acta sanctorum Apr., t. I p. 485, 494.
+
+[650] Chastellain, III p. 119; Antonio de Beatis (1517), L. Pastor, Die
+Reise des Kardinals Luigi d'Aragona, Freiburg 1905, p. 51(3), 52;
+Polydorus Vergilius, Anglicae historiae libri XXVI, Basileae, 1546,
+p. 15.
+
+[651] Gerson, Epistola contra libellum Johannis de Schonhavia, Opera, I
+p. 79.
+
+[652] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 44.
+
+[653] Ib. p. 48.
+
+[654] Gerson, De examinatione doctrinarum. Opera, I p. 19.
+
+[655] Ib. p. 16, 17.
+
+[656] Gerson, De distinctione etc., I p. 44.
+
+[657] Gerson, Tractatus II super Magnificat, Opera, IV p. 248.
+
+[658] 65 nutte artikelen van der passien ons Heren, Moll, Brugman, II
+p. 75.
+
+[659] Gerson, De monte contemplationis, Opera, III p. 562.
+
+[660] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 49.
+
+[661] Ib.
+
+[662] Acta sanctorum Martii, t. I p. 562.
+
+[663] James, l.c., p. 343.
+
+[664] Acta sanctorum, l.c., p. 552ss.
+
+[665] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 132; Religieux de Saint Denis, II
+p. 124; Joannis de Varennis Responsiones ad capita accusationum bij
+Gerson, Opera, I p. 925, 926.
+
+[666] Responsiones, l.c., p. 936.
+
+[667] Ib. p. 910ss.
+
+[668] Gerson, De probatione spirituum. Opera, I p. 41.
+
+[669] Gerson, Epistola contra libellum Joh. de Schonhavia, Opera, I p. 82.
+
+[670] Gerson, Sermo contra luxuriam. Opera, III p. 924.
+
+[671] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 55.
+
+[672] Opera, III p. 589ss.
+
+[673] Ib. p. 593.
+
+[674] Gerson, De consolatione theologiae, Opera, I p. 174.
+
+[675] Gerson, Epistola ... super tertia parte libri Joannis Ruysbroeck
+De ornatu nupt. spir., Opera, I p. 59, 67 etc.
+
+[676] Gerson, Epistola contra defensionem joh. de Schonhavia (polemiek
+over Ruusbroec), Opera, I p. 82.
+
+[677] Hetzelfde gevoel bij een moderne: "I committed myself to Him in
+the profoundest belief that my individuality was going to be destroyed,
+that he would take all from me, and I was willing", James, l.c., p. 223.
+
+[678] Gerson, De distinctione etc., I p. 55; De libris caute legendis, I
+p. 114.
+
+[679] Gerson, De examinatione doctrinarum, Opera, I p. 19; De
+distinctione, I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114; Epistola
+super Joh. Ruysbroeck De ornatu, I p. 62; De consolatione theologiae, I
+p. 174; De susceptione humanitatis Christi, I p. 455; De nuptiis Christi
+et ecclesiae, II p. 370; De triplici theologia, III p. 369.
+
+[680] Moll, Johannes Brugman, I p. 57.
+
+[681] Gerson, De distinctione etc., I p. 55.
+
+[682] Moll, Brugman. I p. 234, 314.
+
+[683] Ecclesiasticus 24, 29; vgl. Meister Eckhart, Predigten no. 43,
+p. 146. 26.
+
+[684] Ruusbroec, Die Spieghel der ewigher salicheit, cap. 7, Die
+chierheit der gheesteleker brulocht, 1. II c. 53, Werken, ed. David en
+Snellaert (Maatsch. der Vlaemsche bibliophilen) 1860(2), 1868, III p.
+156/9, VI p. 132.
+
+[685] Naar het hs. bij Oulmont, l.c., p. 277.
+
+[686] Vgl. de bestrijding dier meening door James, l.c., p. 10(1),
+191, 276.
+
+[687] Moll, Brugman, II p. 84.
+
+[688] Oulmont, l.c., p. 204, 210.
+
+[689] B. Alanus redivivus, ed. J. A. Coppenstein, Napels, 1462, p. 29,
+31, 105, 108, 116 etc.
+
+[690] Alanus redivivus, p. 209, 218.
+
+
+ * * * * *
+
+
+IX
+
+VERBEELDING EN GEDACHTE
+
+
+De aandoening wilde zich altijd onmiddellijk omzetten in bonte en
+gloeiende verbeelding. De geest meende het wonder te hebben begrepen,
+wanneer hij het voor oogen zag. De behoefte, om het onuitsprekelijke
+onder zichtbare teekenen te aanbidden, schiep steeds nieuwe figuren.
+In de veertiende eeuw zijn het kruis en het lam niet meer genoeg, om
+aan de overstroomende liefde voor Jezus een zichtbaar object te geven:
+de vereering van den naam Jezus voegt zich daaraan toe, en dreigt zelfs
+bij sommigen de kruisvereering in de schaduw te stellen. Heinrich Suso
+tatoeert zich den naam Jezus op de hartstreek, en vergelijkt het met de
+beeltenis eener geliefde, die de minnaar in zijn kleed genaaid draagt.
+Hij zendt doekjes, waarop de zoete naam geborduurd staat, aan zijn
+geestelijke kinderen. [691]--Als Bernardino van Siena een geweldige
+preek besloten heeft, ontsteekt hij twee kaarsen en vertoont een bord
+van een el groot, waarop in goud op blauw de naam Jezus te midden van
+stralen; "het volk dat de kerk vult, ligt op de knieen, allen te zamen
+huilend en schreiend van zoete aandoening en teedere liefde tot Jezus".
+[692] Vele andere Franciscanen, en ook predikers van andere orden,
+volgden het na: Dionysius de Kartuizer wordt met zulk een naambord in de
+hoogopgeheven handen afgebeeld. De zonnestralen als helmteeken boven het
+wapen van Geneve worden uit deze vereering afgeleid. [693] Zij scheen
+den kerkelijken autoriteiten bedenkelijk; men sprak van bijgeloof en
+idolatrie, er ontstonden tumulten voor en tegen het gebruik. Bernardino
+werd voor de curie gedaagd, en paus Martinus V verbood de gewoonte.
+[694] Doch in een anderen vorm vond weldra de behoefte, om den Heer
+zichtbaar te aanbidden, gewettigde bevrediging: de monstrans stelde de
+gewijde hostie zelf tot aanbidding ten toon. Voor den torenvorm, dien
+zij bij haar eerste opkomen in de veertiende eeuw had, kreeg de
+monstrans weldra dien van de stralende zon, symbool der goddelijke
+liefde. Ook hier had de Kerk aanvankelijk nog bedenkingen gekoesterd;
+het gebruik der monstrans was enkel gedurende de week van het
+sacramentsfeest toegestaan.
+
+De overmaat van verbeeldingen, waarin de uitbloeiende middeleeuwsche
+gedachte bijna alles had opgelost, zou louter wilde fantasmagorie zijn
+geweest, wanneer niet bijna elke figuur, elk beeld, zijn plaats had
+gehad in het groote, alles omvattende denksysteem van het symbolisme.
+
+Er was geen groote waarheid, die de middeleeuwsche geest stelliger wist,
+dan die van het woord aan de Corinthen: "Videmus nunc per speculum in
+aenigmate, tunc autem facie ad faciem"; "Want wij zien nu door eenen
+spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht
+tot aangezicht".--Zij hebben nooit vergeten, dat elk ding absurd zou
+zijn, als zijn beteekenis uitgeput was in zijn onmiddellijke functie en
+verschijningsvorm, dat alle dingen met een heel stuk reiken in de wereld
+aan den anderen kant. Dat weten is ook ons als ongeformuleerd gevoel nog
+op ieder oogenblik gemeenzaam, wanneer het geluid van den regen op de
+bladeren of het schijnsel van de lamp over de tafel even doordringt tot
+een dieper perceptie dan die van den praktischen denk- en handelingszin.
+Het kan zich voordoen als een ziekelijke oppressie, zoodat de dingen
+zwanger schijnen van een dreigende persoonlijke bedoeling of van een
+raadsel, dat men kennen moet en niet kennen kan. Het kan ook, en zal
+vaker, ons vullen met de rustige en sterkende verzekerdheid, dat ook ons
+eigen leven deel heeft aan dien geheimen zin der wereld. En hoe meer dat
+gevoel zich verdicht tot de huivering voor het Eene, waarvan alle dingen
+uitstroomen, hoe lichter het van de zekerheid van enkele klare
+oogenblikken zal overgaan tot een blijvend aanwezig levensgevoel, of
+zelfs een geformuleerde overtuiging. "By cultivating the continuous
+sense of our connection with the power that made things as they are, we
+are tempered more towardly for their reception. The outward face of
+nature need not alter, but the expressions of meaning in it alter. It
+was dead and is alive again. It is like the difference between looking
+on a person without love, or upon the same person with love.... When we
+see all things in God, and refer all things to him, we read in common
+matters superior expressions of meaning." [695]
+
+Dit is de gevoelsgrond, waarop het symbolisme opgroeit. Bij God bestaat
+niets ledigs of zonder beteekenis: "nihil vacuum neque sine signo apud
+Deum". [696] Zoodra God verbeeld was, moest ook dat al, wat van hem
+uitging en in hem zijn zin had, stollen of kristalliseeren tot
+geformuleerde gedachten. En zoo ontstaat die grootsche en edele
+verbeelding van de wereld als een groot symbolisch verband, een
+kathedraal van ideeen, de allerrijkst rythmische en polyphone
+uitdrukking van al het denkbare.
+
+De symbolische denkorde staat zelfstandig en op zich zelf gelijkwaardig
+naast de genetische. De laatste: het begrijpen van de wereld als
+ontwikkeling, was den Middeleeuwen niet zoo vreemd, als men het wel eens
+voorstelt. Doch het voortkomen van de dingen uit elkander werd nog
+alleen gezien onder de naieve figuur van directe voortteling of van
+vertakking, en nog alleen toegepast volgens logische deductie, op de
+dingen van den geest. Die werden gaarne gezien in de geleding van
+genealogieen of van boomen met vertakkingen: een "arbor de origine
+juris et legum" rangschikte alles van het recht in het beeld van
+een wijdgespreiden boom. Enkel deductief toegepast behield de
+ontwikkelingsgedachte iets schematisch, willekeurigs en onvruchtbaars.
+
+Het symbolisme is, van het standpunt van het causale denken beschouwd,
+als een geestelijke kortsluiting. Het verband der dingen wordt niet
+gezocht als een band van oorzaak en gevolg, maar als een van beteekenis
+en doel. De overtuiging van zulk een verband kan ontstaan, zoodra twee
+dingen een essentieele eigenschap gemeen hebben, die te betrekken is op
+iets van algemeene waarde. Of met andere woorden: elke associatie op
+grond van eenigerlei gelijkheid kan zich onmiddellijk omzetten in het
+besef van een wezenlijk en mystisch verband. Dit kan van psychologisch
+gezichtspunt een zeer povere geestesfunctie schijnen. En van
+ethnologisch gezichtspunt kan men het bovendien een zeer primitieve
+geestesfunctie noemen. Het primitieve denken kenmerkt zich door een
+zwakheid van de waarneming der identiteitsgrenzen tusschen de dingen;
+het incorporeert in de voorstelling van een bepaald ding alles wat
+daarmee door gelijkenis of toebehooren in eenig verband staat. De
+symboliseerende functie hangt daarmede ten nauwste samen.
+
+Het symbolisme verliest evenwel dien schijn van willekeurigheid en
+onvoldragenheid, zoodra men zich er rekenschap van geeft, dat het
+onverbrekelijk verbonden is met die opvatting van het bestaande, welke
+in de Middeleeuwen realisme heette, en die wij, eigenlijk minder
+treffend, platonisch idealisme noemen.
+
+Alleen dan heeft de symbolische gelijkstelling op grond van
+gemeenschappelijke kenmerken zin, wanneer die kenmerken het wezenlijke
+aan de dingen zijn, wanneer de eigenschappen, die het symbool en het
+gesymboliseerde gemeen hebben, waarlijk als essentien beschouwd worden.
+Rozen wit en rood bloeien tusschen doornen. De middeleeuwsche geest ziet
+terstond een symbolische beteekenis: maagden en martelaars stralen in
+heerlijkheid tusschen hun vervolgers. Hoe komt de gelijkstelling tot
+stand? Doordat de hoedanigheden dezelfde zijn: de schoonheid, teerheid,
+zuiverheid, de bloedroodheid der rozen zijn ook die der maagden en
+martelaars. Doch dit verband is alleen dan waarlijk zinrijk en vol van
+mystische beteekenis, wanneer in het verbindende lid, in de hoedanigheid
+dus, het wezen der beide termen van het symbolisme ligt opgesloten, met
+andere woorden, wanneer de roodheid en de witheid niet gelden als louter
+benamingen voor physisch onderscheid op quantitatieven grondslag, maar
+gezien worden als realien, wezenlijkheden. Ook ons denken vermag nog elk
+oogenblik ze zoo te zien, [697] als het maar even terugkeert tot de
+wijsheid van den wilde, het kind, den dichter en den mysticus, voor wie
+de natuurlijke gesteldheid der dingen ligt opgesloten in hun algemeene
+hoedanigheid. De hoedanigheid is hun watheid, de kern van hun zijn.
+Schoonheid, teerheid, witheid, essentien zijnde, zijn eenheden: alles
+wat schoon, teer, wit is, moet in wezen samenhangen, heeft denzelfden
+bestaansgrond, dezelfde beteekenis (be-teekenis) voor God.
+
+Zoo is er een onverbrekelijk verband tusschen symbolisme en realisme (in
+den middeleeuwschen zin).
+
+Men moet hier niet te veel denken aan den strijd over de universalia.
+Zeker, het realisme, dat de "universalia ante res" verklaarde, dat aan
+de algemeene begrippen wezen en praeexistentie toekende, is geen
+alleenheerscher geweest op het gebied van het middeleeuwsche denken.
+Er zijn ook nominalisten geweest: ook het "universalia post rem" heeft
+zijn voorstanders gehad. Doch de stelling is niet te gewaagd, dat het
+radicale nominalisme nooit anders dan tegenstrooming, reactie, oppositie
+is geweest, en dat het jongere, gematigde nominalisme enkel zekere
+philosophische bezwaren tegen een extreem realisme tegemoet kwam, maar
+aan de inhaerent-realistische denkrichting der gansche middeleeuwsche
+geestesbeschaving niets in den weg legde.
+
+Inhaerent aan de gansche beschaving. Want het komt niet in de eerste
+plaats op dien strijd van scherpzinnige theologen aan, maar op de
+voorstellingen, die het geheele verbeeldings- en gedachtenleven, zooals
+het zich uit in de kunst, de moraal, het dagelijksch leven, beheerschen.
+Deze zijn extreem realist, niet omdat de hooge theologie in een lange
+school van neo-platonisme was geformeerd, maar omdat het realisme,
+buiten alle philosophie om, de primitieve denkwijze is. Voor den
+primitieven geest neemt alles wat benoembaar is, terstond wezen aan, of
+het hoedanigheden zijn, begrippen of wat ook. Zij projecteeren zich
+terstond automatisch aan den hemel. Hun wezen kan bijna altijd (behoeft
+niet altijd) worden opgevat als persoonlijk wezen; ieder oogenblik kan
+de reidans van anthropomorphe begrippen beginnen.
+
+Alle realisme, in den middeleeuwschen zin, is tenslotte
+anthropomorphisme. Wanneer de gedachte, die aan de idee een zelfstandig
+wezen heeft toegekend, wil worden gezien, dan kan zij dat niet anders
+dan door personificatie. Hier ligt de overgang van symbolisme en
+realisme naar allegorie. De allegorie is het naar de oppervlakkige
+verbeeldingskracht geprojecteerde symbolisme, de opzettelijke
+uitwerking, daarmee ook uitputting, van een symbool, het overbrengen van
+een hartstochtelijken kreet tot een grammatisch correcten zin. Goethe
+beschrijft de tegenstelling aldus: "Die Allegorie verwandelt die
+Erscheinung in einen Begriff, den Begriff in ein Bild, doch so, dass der
+Begriff im Bilde immer noch begrenzt und vollstaendig zu halten und zu
+haben und an demselben auszusprechen sei. Die Symbolik verwandelt die
+Erscheinung in Idee, die Idee in ein Bild, und so, dass die Idee im Bild
+immer unendlich wirksam und unerreichbar bleibt und selbst in allen
+Sprachen ausgesprochen doch unaussprechlich bleibe." [698]
+
+De allegorie heeft dus inzichzelf reeds het karakter van schoolsche
+normaliseering, en tegelijk van een vertering, een opgaan der gedachte
+in het beeld. De wijze, waarop zij het middeleeuwsche denken was
+binnengekomen: als litteraire aflegger van de late Oudheid in de
+allegorische producten van Martianus Capella en Prudentius, verhoogde
+het schoolsche en oudachtige karakter. En toch meene men niet, dat het
+de middeleeuwsche allegorie en personificatie aan echtheid en leven
+ontbrak. Trouwens, had zij die niet bezeten, hoe zou dan de middeleeuwsche
+beschaving haar zoo aanhoudend en met zulk een voorliefde hebben
+gecultiveerd?
+
+Te zamen vereenigd hebben deze drie denkwijzen: realisme, symbolisme en
+personificatie, den middeleeuwschen geest doorschenen als een stroom van
+licht. De psychologie zou wellicht het geheele symbolisme willen afdoen
+met den term ideeenassociatie. Maar de geschiedenis der geestesbeschaving
+heeft dien denkvorm eerbiediger te beschouwen. De levenswaarde van de
+symbolische verklaring van het bestaande was onschatbaar. Het symbolisme
+schiep een wereldbeeld van nog strenger eenheid en inniger verband, dan
+het causaal-natuurwetenschappelijk denken vermag. Het omvademde met zijn
+sterke armen de geheele natuur en de geheele geschiedenis. Het schept
+daarin een onverbrekelijke rangorde, een architectonische geleding, een
+hierarchische subordinatie. Want in elk symbolisch verband moet een
+lager en een hooger zijn; gelijkwaardige dingen kunnen elkanders symbool
+niet zijn, maar enkel samen wijzen naar een derde, dat hooger is. In het
+symbolisch denken is ruimte voor een onmetelijke veelvuldigheid van
+betrekkingen tusschen de dingen. Want elk ding kan met zijn verschillende
+hoedanigheden symbool zijn van velerlei andere, en ook met een en
+dezelfde hoedanigheid verschillende dingen beteekenen; en de hoogste
+dingen hebben hun duizenderlei symbolen. Geen ding is te nederig om het
+hoogste te beduiden en aan te wijzen ter verheerlijking. De okkernoot
+beteekent Christus: de zoete kern is de goddelijke natuur, de vleezige
+buitenschil de menschelijke, en de houten schaal daartusschen is het
+kruis. Alle dingen bieden stut en steun voor het opstijgen der gedachte
+naar het eeuwige; alle beuren elkaar van trede tot trede omhoog. Het
+symbolische denken geeft een voortdurende transfusie van het gevoel van
+God's majesteit en eeuwigheid in al het waarneembare en denkbare. Het
+houdt voortdurend het mystische levensgevoel brandend. Het doordringt de
+voorstelling van elk ding met verhoogde aesthetische en ethische waarde.
+Denk het genot, als elke edelsteen fonkelt met de glanzen van al zijn
+symbolische waarden, als de vereenzelviging van rozen en maagdelijkheid
+meer is dan een dichterlijk zondagskleed, als zij het wezen van beide
+aangeeft. Het is een waarlijke polyphonie der gedachte. Bij een
+doorgedacht symbolisme klinkt in elke voorstelling een harmonisch
+accoord van symbolen. Het symbolisch denken geeft dien zwijmel der
+gedachte, die prae-intellectueele vervloeiing van de identiteitsgrenzen
+der dingen, die tempering van het verstandelijk denken, welke het
+levensbesef op zijn hoogste heft.
+
+Een harmonisch verband verbindt voortdurend alle gebieden der gedachte.
+De feiten van het Oude Testament beduiden, praefigureeren die van het
+Nieuwe, die der profane geschiedenis weerspiegelen hetzelfde. Bij elk
+denken valt, als in een kaleidoscoop, uit de ongeordende massa partikels
+een schoone en symmetrische figuur samen. Elk symbool krijgt een
+overwaarde, een veel sterkere graad van wezenlijkheid, doordat allen
+tenslotte geschaard staan rondom het centrale wonder der eucharistie, en
+daar is de gelijkheid geen symbolische meer, maar identiteit: de hostie
+is Christus. En de priester, die haar tot zich neemt, wordt daarmee het
+graf des Heeren; het afgeleide symbool deelt in de werkelijkheid van het
+opperste mysterie, elk beduiden wordt een mystisch een-zijn. [699]
+
+Door het symbolisme werd het mogelijk, de wereld, die in zich zelf
+verwerpelijk was, toch te waardeeren en te genieten, en ook het aardsche
+bedrijf te veredelen. Want elk beroep had zijn symbolische betrekking op
+het hoogste en heiligste. De arbeid van den handwerker is de eeuwige
+generatie en incarnatie des Woords en de bond tusschen God en de ziel.
+[700] Zelfs tusschen de aardsche liefde en de goddelijke liepen de
+draden van het symbolisch contact. Het sterke religieuze individualisme,
+dat wil zeggen de cultiveering van de eigen ziel tot deugd en zaligheid,
+vond zijn heilzaam tegenwicht in het realisme en symbolisme, die het
+eigen leed, de eigen deugd, losmaakten uit de bijzonderheid van het
+persoonlijke, en ophieven in de sfeer van het universeele.
+
+De zedelijke waarde van de symbolische denkwijze is onafscheidelijk van
+haar verbeeldingswaarde. De symbolische verbeelding is als de muziek op
+den tekst der logisch uitgedrukte leerstellingen. "En ce temps ou la
+speculation est encore toute scolaire, les concepts definis sont
+facilement en desaccord avec les intuitions profondes." [701] Door het
+symbolisme stond de geheele godsdienstige voorstellingsrijkdom open voor
+de kunst, om haar uit te drukken, klank- en kleurrijk, en tegelijk vaag
+en zwevend, zoodat de diepste intuities erop konden wegvlieden naar het
+besef van het onzegbare.
+
+ * * * * *
+
+De eindigende Middeleeuwen vertoonen die geheele denkwereld in haar
+laatsten uitbloei. De wereld lag volkomen uitgespreid in die
+alomvattende verzinnebeelding, en de symbolen werden als versteende
+bloemen. Van oudsher had overigens het symbolisme de neiging bezeten, om
+zuiver mechanisch te worden. Eenmaal als beginsel gegeven, ontspruit het
+niet alleen uit dichterlijke verbeelding en vervoering, maar hecht zich
+als een woekerplant aan het denken, en ontaardt tot louter hebbelijkheid
+en een ziekte der gedachte. Met name wanneer het symbolisch contact
+eenvoudig voortvloeit uit gelijkheid van getal, ontstaan heele
+verschieten van ideeele afhankelijkheden. Het worden rekensommetjes. De
+twaalf maanden zullen de twaalf apostelen beduiden, de vier jaargetijden
+de evangelisten, en het geheele jaar moet dan Christus zijn. [702] Er
+conglomereeren zich gansche systemen van zeventallen. Met de zeven
+hoofddeugden correspondeeren de zeven beden van het Onze Vader, de zeven
+gaven van den heiligen geest, de zeven zaligsprekingen en de zeven
+boetpsalmen. Zij hebben weer betrekking op de zeven momenten van de
+passie en op de zeven sacramenten. Elk nummer van elk zevental
+correspondeert weer als tegenstelling of geneesmiddel met de zeven
+hoofdzonden, die weer door zeven dieren verbeeld en door zeven ziekten
+gevolgd worden. [703] Bij een zielzorger en moralist als Gerson, aan
+wien deze voorbeelden zijn ontleend, overweegt de praktisch zedelijke
+waarde van het symbolisch verband. Bij een visionair als Alain de la
+Roche overweegt daarin het aesthetische. [704] Hij moet een systeem
+hebben, waarin vijftien en tien de getallen zijn, want de gebedencyclus
+van de broederschap van den rozekrans, waarvoor hij ijverde, omvat 150
+Ave's, afgewisseld door 15 Pater's. Die vijftien Pater's zijn de
+vijftien oogenblikken der passie, de 150 Ave's zijn de psalmen. Zij
+zijn nog veel meer. Door de elf hemelsferen plus de vier elementen
+te vermenigvuldigen met de tien categorieen: substantia, qualitas,
+quantitas enz., krijgt men 150 habitudines naturales; evenzoo 150
+habitudines morales, door de tien geboden te vermenigvuldigen met
+vijftien deugden: de drie theologale, de vier cardinale, de zeven
+capitale deugden, maakt veertien; "restant duae: religio et
+poenitentia", nu is er een te veel, maar temperantia, de cardinale, is
+gelijk aan abstinentia, [705] de capitale, blijft over vijftien. Elk
+dier vijftien deugden is een koningin, die haar bruidsbed heeft in een
+der fracties van het Onze Vader. Elk der woorden van het Ave beduidt een
+der vijftien volmaaktheden van Maria, en tegelijk een edelsteen aan de
+rupis angelica, die zij zelve is; elk woord verdrijft een zonde of het
+dier, dat die verbeeldt. Zij zijn bovendien de takken van een boom vol
+vruchten, waarin alle gezaligden zitten, en de treden van een trap.
+Zoo beduidt bij voorbeeld het woord Ave de onschuld van Maria, en den
+diamant, en verdrijft den hoogmoed, die den leeuw tot dier heeft. Het
+woord Maria is haar wijsheid en de karbonkel en verdrijft den nijd,
+een bijster zwarten hond. Alanus ziet in zijn vizioenen de gruwelijke
+gedaanten der zondedieren en de schitterende kleuren der edele steenen,
+wier oud befaamde wonderkracht weer nieuwe symbolische associaties wekt.
+De sardonix is zwart, rood en wit, gelijk Maria zwart was in nederigheid,
+rood in haar smarten, en wit in glorie en genade. Zij trekt als zegelsteen
+niets aan van de was: deugd der eerzaamheid, verdrijft onkuischheid en
+maakt eerzaam en schaamachtig. De parel is het woord gratia, en ook
+Maria's eigen gratie; zij ontstaat in de zeeschelp uit een dauw des hemels
+"sine admixtione cuiuscunque seminis propagationis". Maria zelf is die
+schelp; hier verspringt het symbolisme even, want in de reeks der overige
+zou men haar als de parel verwachten. Hier komt ook het kaleidoscopische
+der symboliek treffend uit: met de woorden "uit een dauw des hemels
+geteeld" is meteen, onuitgedrukt, die andere trope der maagdelijke
+geboorte: het vlies, waarop Gideon het hemelsch teeken afsmeekte, in het
+bewustzijn geroepen.
+
+De symboliseerende denkvorm was zoo goed als versleten. Het vinden van
+symbolen en allegorieen was een ijdel spel geworden, een oppervlakkig
+fantazeeren op een enkel gedachtenverband. Het symbool behoudt zijn
+gevoelswaarde alleen door de heiligheid der dingen, die het verbeeldt:
+zoodra het symboliseeren van het zuiver godsdienstige gebied afvloeit
+naar het enkel moreele, ziet men het in zijn hopelooze verbastering.
+Froissart weet in een uitvoerig gedicht _Li orloge amoureus_ alle
+eigenschappen der liefde met de onderdeelen van een uurwerk te
+vergelijken. [706] Chastellain en Molinet wedijveren in politieke
+symbolismen: in de drie standen zijn de eigenschappen van Maria
+gefigureerd; de zeven keurvorsten, drie geestelijke en vier wereldlijke,
+beteekenen de drie theologale en vier cardinale deugden; de vijf steden
+Saint-Omer, Aire, Rijssel, Douai en Valenciennes, die in 1477 Bourgondie
+trouw blijven, worden de vijf wijze maagden. [707] Eigenlijk heeft men
+hier te doen met een omgekeerd symbolisme, waarbij niet het lagere naar
+het hoogere wijst, maar het hoogere naar het lagere. Want in den geest
+van den schrijver staan de aardsche dingen, die hij met wat hemelsche
+versiering verheerlijken wil, vooraan. De _Donatus moralisatus seu per
+allegoriam traductus_, die wel eens aan Gerson is toegeschreven, bracht
+de latijnsche grammatica bij, met theologische symboliek gemengd: het
+nomen is de mensch, het pronomen beduidt, dat hij een zondaar is. Op den
+laagsten trap van de symboliseering staat een gedicht als _Le parement
+et triumphe des dames_ van Olivier de la Marche, waarin het gansche
+vrouwelijk toilet wordt vergeleken met deugden en voortreffelijkheden,
+een brave zedepreek van den ouden hoveling, met een enkel schuin
+knipoogje. De pantoffel beduidt de nederigheid:
+
+ "De la pantouffle ne nous vient que sante
+ Et tout prouffit sans griefve maladie,
+ Pour luy donner tiltre d'auctorite
+ Je luy donne le nom d'humilite."
+
+Zoo worden de schoenen zorg en vlijt, de kousen volharding, de kouseband
+vastberadenheid, het hemd eerbaarheid en het keurs kuischheid. [708]
+
+Toch is natuurlijk, zelfs in haar meest zoutelooze uitingen, de
+symboliek en allegorie voor den middeleeuwschen geest van een veel
+levender gevoelswaarde geweest, dan wij ons voorstellen. De functie van
+het symbolisch gelijkstellen en het persoonlijk verbeelden was zoo
+ontwikkeld, dat haast vanzelve elke gedachte zich kon omzetten in een
+personnage, een vertooning. Elke idee werd immers als wezen gezien, elke
+hoedanigheid als zelfstandigheid, en als wezen kregen zij voor het
+beeldende gezicht terstond persoonlijken vorm. Dionysius de Kartuizer
+ziet in zijn revelaties de Kerk juist even persoonlijk en tooneelmatig,
+als zij vertoond werd op het hoffeest van Rijsel. In een zijner
+openbaringen ziet hij de toekomstige reformatio, die naar welke de
+vaderen van het concilie en Dionysius' geestverwant Nicolaas van Cusa
+streefden: de Kerk derhalve in haar toekomstige zuiverheid. De
+geestelijke schoonheid dier gezuiverde Kerk ziet hij als een overschoon
+en allerkostbaarst kleed van onbeschrijfelijke fraaiheid in
+allerkunstigste mengeling van kleuren en figuren. Een andermaal ziet hij
+de Kerk in haar verdrukking: leelijk, ruig en bloedeloos, arm, zwak en
+verschopt. De Heer zegt: hoor uwe Moeder, mijne bruid, de heilige Kerk,
+en daarop hoort Dionysius de innerlijke stem als uit de figuur der Kerk
+komende: "quasi ex persona Ecclesiae". [709] Zoo onmiddellijk komt hier
+de gedachte in beeldvorm, dat de herleiding van het beeld tot gedachte,
+de verklaring der allegorie in bijzonderheden, nauwelijks als noodig
+wordt gevoeld, als het gedachtenthema maar even is aangegeven. Het bonte
+kleed is volkomen adequaat aan de voorstelling van geestelijke
+volmaaktheid; er is hier een oplossing van de gedachte in het beeld,
+zooals ons een oplossing der gedachte in muziek gemeenzaam is.
+
+Men denke hier opnieuw aan de allegorische figuren uit den _Roman de la
+rose._ Wij kunnen ons niet dan met inspanning iets denken bij Bel
+Accueil, Doulce Mercy, Humble Requeste. Maar zij hebben voor de
+tijdgenooten een met levenden vorm bekleede en met passie gekleurde
+wezenlijkheid gehad, die hen volkomen op een lijn stelt met de
+Romeinsche speciale godenfiguren. Wat Usener van deze zegt, is bijna
+geheel toe te passen op de middeleeuwsche allegorische personnages. "Die
+Vorstellung trat mit sinnlicher Kraft vor die Seele und uebte eine solche
+Macht aus, dass das Wort, das sie sich schuf, trotz der adjectivischen
+Beweglichkeit, die ihm verblieb, dennoch ein goettliches Einzelwesen
+bezeichnen konnte". [710] Anders zou immers de _Roman de la rose_
+onleesbaar zijn geweest. Doux Penser, Honte, Souvenirs en de rest hebben
+in de geesten der latere Middeleeuwen een quasi-goddelijk leven gehad.
+Een recrudescentie van die voorstelling beleefde een der Rose-figuren,
+namelijk Danger, wat in de amoureuze taal den te bedriegen echtgenoot
+ging beteekenen.
+
+Herhaaldelijk ziet men, om een gedachte uit te drukken, waar het
+bijzonder op aankomt, naar de allegorie grijpen. Wanneer de bisschop van
+Chalons aan Philips den Goede een zeer ernstige waarschuwing omtrent
+zijn politiek beleid wil geven, giet hij de remonstrance, die hij in het
+kasteel van Hesdin op Sint Andriesdag 1437 voor den hertog, de hertogin
+en hun gevolg ten beste geeft, in den vorm van een allegorie. Hij vindt
+Haultesse de Signourie troosteloos zitten, die eerst in het Keizerrijk,
+daarna aan het Fransche, tenslotte aan het Bourgondische hof heeft
+gewoond, en nu klaagt, ook daar te worden belaagd door Zorgeloosheid des
+vorsten, Slapheid van raad, Nijd van dienaren, Afpersing van onderdanen.
+Hij stelt er andere personnages tegenover, als Waakzaamheid des vorsten
+enz., die het ontrouwe hofgezin moeten verdrijven. [711] Elke hoedanigheid
+is hier verzelfstandigd en als persoon verbeeld.
+
+De Burger van Parijs is een nuchter man, die zich zelden verlustigt in
+stijlversiering of gedachtenspel. Maar wanneer hij genaderd is tot het
+vreeselijkste, dat hij te beschrijven heeft: de Bourguignonsche moorden,
+die het Parijs van Juni 1418 den bloedgeur van September 1792 gaven,
+neemt hij de allegorie te baat. [712] "Lors se leva la deesse de
+Discorde, qui estoit en la tour de Mau-conseil, et esveilla Ire la
+forcenee et Convoitise et Enragerie et Vengence, et prindrent armes de
+toutes manieres et bouterent hors d'avec eulx Raison, Justice, Memoire
+de Dieu et Atrempance moult honteusement." Zoo gaat het verder,
+afgewisseld door de directe beschrijving van den gruwel: "Et en mains
+que on yroit cent pas de terre depuis que mors estoient, ne leur
+demouroit que leurs brayes, et estoient en tas comme porcs ou millieu de
+la boe...."; de stortregens wasschen hun wonden schoon.--Wat beteekent
+juist hier de allegorie? Heeft zij hier niet de functie van een
+uitdrukkingsmiddel voor het tragische besef, de overbrenging van de
+vreeselijke gebeurtenissen op een plan boven dat van den individueelen
+toeleg der menschen?
+
+Hoe levend de functie der personificatie en allegoriseering nog in de
+laatste Middeleeuwen was, blijkt juist uit die trekken, welke ons in dat
+alles het storendst schijnen. Wij kunnen een allegorie nog eenigermate
+genieten in tableau-vivant, de geijkte figuren behangen met onwezenlijke
+draperie, die aan iedereen zegt, dat het maar gekheid is. Maar de
+vijftiende eeuw kan de allegorische figuren zoo goed als de heiligen nog
+laten rondloopen in de kleeren van den dag. En zij kan ieder oogenblik
+nog nieuwe verpersoonlijkingen scheppen voor elke gedachte, die zij wil
+uitdrukken. Als Charles de Rochefort in _l'Abuze en court_ de moraliteit
+wil verhalen van den lichtzinnigen jongeling, die door het hofleven op
+'t slechte pad wordt gebracht, schudt hij een gansche reeks nieuwe
+allegorieen in den trant van de _Rose_ uit zijn mouw; en al die voor ons
+zoo bleeke wezens: Fol cuidier, Folle bombance, tot het eind, wanneer
+Pauvrete en Maladie den jongeling meenemen naar het hospitaal, treden in
+de miniaturen, die het gedicht verluchten, op als jonkers van den tijd;
+zelf le Temps heeft geen baard of zeis van noode, en komt in wambuis en
+hozen. Ons maken de illustraties met hun naieve strakheid de
+voorstelling van dat alles al te primitief; al het teere en bewegelijke,
+dat de tijd zelf in die concepties voelde, is voor ons vervluchtigd.
+Juist in hun alledaagschheid ligt het kenmerk van hun levendheid. Het
+heeft voor Olivier de la Marche niets storends, dat de twaalf deugden,
+die een entremets bij het hoffeest van Rijssel in 1454 vertoonen, nadat
+hun versje is voorgelezen, aan het dansen gaan "en guise de mommerie et
+a faire bonne chiere, pour la feste plus joyeusement parfournir."
+[713]--Aan deugden en aandoeningen verbindt zich een menschvormige
+voorstelling nog eenigermate ongewild, maar ook in gevallen, waar voor
+ons het begrip niets anthropomorphs zou hebben, schroomt de
+middeleeuwsche geest niet, om er een persoon van te maken. Quaresme als
+persoonlijke figuur is niet een schepping van Breughel's dolle brein,
+die hem laat optrekken tegen het heir van Vastenavond; al veel eerder
+treedt hij als zoodanig in de litteratuur op. [714] Ook het spreekwoord
+kent hem zoo: "Quaresme fait ses flans la nuit de Pasques."
+
+Welk graadverschil is er geweest in de wezenlijkheid der voorstelling
+tusschen de heiligen en de zuiver zinnebeeldige figuren? De eersten
+hadden de bevestiging der Kerk, hun historisch karakter, hun beelden van
+hout en steen. Maar de laatsten hadden de aanraking met het eigen
+zieleleven en met de vrije fantazie. Men kan in ernst twijfelen, of niet
+Fortune en Faux Semblant evenveel leven hebben gehad als Sinte Barbara
+en Sint Christoffel. Vergeten wij niet, dat een figuur, buiten elke
+dogmatische of traditioneele sanctie opgekomen uit de vrije fantazie,
+meer realiteit heeft verworven dan eenige heilige, en hen allen heeft
+overleefd: de Dood.
+
+Een wezenlijk contrast tusschen de allegorie der Middeleeuwen en de
+mythologie der Renaissance is er eigenlijk niet. Vooreerst begeleiden de
+mythologische figuren reeds gedurende een goed stuk der Middeleeuwen de
+vrije allegorie: Venus speelt haar rol in het zuiverst middeleeuwsche,
+wat er gedicht is. Aan den anderen kant behoudt de vrije allegorie haar
+fleur nog lang in de zestiende eeuw en later. In de veertiende eeuw
+begint als 't ware een wedstrijd tusschen allegorie en mythologie. In de
+gedichten van Froissart treden naast Doux Semblant, Jonece, Plaisance,
+Refus, Dangier, Escondit, Franchise een zonderling stel van soms
+onkenbaar verminkte mythologemen op: Atropos, Cloto, Lachesis, Telephus,
+Ydrophus, Neptisphoras! De goden en godinnen leggen het in volheid van
+verbeelding nog af bij de personages van de _Rose_; zij blijven nog hol
+en schimmig. Of zij worden, als zij 't rijk alleen hebben, uitermate
+barok en onklassiek, zooals in de _Epistre d'Othea a Hector_ van
+Christine de Pisan. Het komen der Renaissance is de omkeering van die
+verhouding. Gaandeweg winnen de Olympiers en de nimfen het van de _Rose_
+en de Sinnekens. Uit de rijkdommen der Oudheid stroomt hun een volheid
+toe van stijl en sentiment, een dichterlijke schoonheid, en bovenal een
+eenheid met het natuurgevoel, waarbij de eens zoo levende allegorie
+verbleekte en verdween.
+
+Het symbolisme met zijn dienares de allegorie was een speling van het
+vernuft geworden; het zinrijke werd zinloos. De symbolische denkwijze
+belemmerde de ontplooiing van het causaal-genetische denken. Niet dat
+het door het symbolisme werd uitgesloten; het natuurlijk-genetisch
+verband der dingen had zijn plaats naast het symbolisch verband, maar
+het bleef onbelangrijk, zoolang de belangstelling zich niet verplaatst
+had van het symbolisme naar de natuurlijke ontwikkeling. Een voorbeeld
+ter verduidelijking. Voor de verhouding van het geestelijk en het
+wereldlijk gezag stonden in de Middeleeuwen twee symbolische
+vergelijkingen vast: het zijn de twee hemellichamen, zooals God ze bij
+de schepping het een boven het ander had gesteld, en het zijn de twee
+zwaarden, die de discipelen bij zich hadden, toen Christus
+gevangengenomen werd. Deze symbolen nu zijn voor de middeleeuwsche
+gedachte niet maar een geestige vergelijking; zij geven den grond aan
+der gezagsverhouding, die zich aan dat mystisch verband niet mag
+onttrekken. Zij hebben dezelfde voorstellingswaarde als dat Petrus de
+rots der Kerk is. De dwang van het symbool staat het onderzoek naar de
+historische ontwikkeling der beide machten in den weg. Wanneer Dante dit
+laatste als noodzakelijk en beslissend onderkent, dan moet hij, in zijn
+_Monarchia_, eerst de kracht van het symbool ontzenuwen, door zijn
+toepasselijkheid te bestrijden, eer de weg vrij is voor het historisch
+onderzoek.
+
+Een woord van Luther keert zich tegen de euvelen van de willekeurige,
+beuzelachtige allegorie in de godgeleerdheid. Hij spreekt van
+grootmeesters der middeleeuwsche theologie, van Dionysius den Kartuizer,
+van Guilielmus Durandus, den schrijver van het _Rationale divinorum
+officiorum_, van Bonaventura en Gerson, als hij uitroept: "die
+allegorische studien zijn het werk van lieden zonder bezigheid. Of meent
+gij, dat het mij moeilijk zou vallen, over elke geschapen zaak met
+allegorieen te spelen? Wie is zoo gering van vernuft, dat hij zich niet
+in allegorieen zou kunnen beproeven!" [715]
+
+Het symbolisme was een gebrekkige uitdrukking voor vast geweten
+samenhangen, zooals zij ons soms bewust worden bij het hooren van
+muziek--"Videmus nunc per speculum in aenigmate". Men wist, dat men in
+een raadsel zag, en toch had men getracht, de beelden in den spiegel te
+onderscheiden, en beelden met beelden verklaard, en spiegel tegenover
+spiegel gezet. De gansche wereld lag verbeeld in zelfstandige figuren:
+het is een getijde van overrijpheid en uitbloeiing. De gedachte was al
+te afhankelijk geworden van de verbeelding; de visueele aanleg, den
+laatsten Middeleeuwen zoo bovenmate eigen, was oppermachtig geworden.
+Alle denkbaarheden waren plastisch en picturaal geworden. De
+wereldvoorstelling had de rust bereikt van een kathedraal in het
+maanlicht, waarin de gedachte kon gaan slapen.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[691] Seuse, Leben, kap. 4, 45, Deutsche Schriften, p. 15, 154; Acta
+Sanctorum Jan., t. II p. 656.
+
+[692] Hefele, l.c., p. 167; vgl. p. 259 "Over den naam van Jezus", B.'s
+verdediging van het gebruik.
+
+[693] Eug. Demole, Le soleil comme cimier des armes de Geneve, vermeld
+Revue historique CXXIII p. 450.
+
+[694] Rod. Hospinianus, De templis etc. ed. IIa, Tiguri, 1603, p. 213.
+
+[695] James, Varieties of religieus experience, p. 474, 475.
+
+[696] Irenaeus, Adversus haereses libri V, 1. IV c. 21(3).
+
+[697] Over de noodwendigheid van zulk realisme James, l.c., p. 56.
+
+[698] Goethe, Sprueche in Prosa.
+
+[699] St. Bernard, Libellus ad quendam sacerdotem, bij Dion. Cart. De
+vita et regimine curatorum, t. XXXVII p. 222.
+
+[700] Bonaventura, De reductione artium ad theologiam, Opera, ed. Paris,
+1871, t. VII, p. 502.
+
+[701] P. Rousselot, Pour l'histoire du probleme de l'amour (Baeumker &
+Von Hertling, Beitr. zur Gesch. der Philosophie im Mittelalter, VI 6)
+Muenster, 1908.
+
+[702] Sicard, Mitrale sive de officiis ecclesiasticis summa, Migne,
+t. CCXIII c. 232.
+
+[703] Gerson, Compendium Theologiae, Opera, I p. 234, 303s, 325,
+Meditatio super septimo psalmo poenitentiali, IV p. 26.
+
+[704] Alanus redivivus, passim.
+
+[705] Op blz. 12 (zie Hoofdstuk I, tekst voor noot 17) wordt fortitudo
+met abstinentia gelijkgesteld, maar op p. 201 (zie Hoofdstuk IV tekst
+voor noot 386) is het temperantia, die in de reeks ontbreekt; dit zal de
+bedoeling zijn. Er zijn ook nog andere verschillen.
+
+[706] Froissart, Poesies, ed. Scheler. I p. 53.
+
+[707] Chastellain, Traite par forme d'allegorie mystique sur l'entree du
+roy Loys en nouveau regne, Oeuvres, VII p. 1; Molinet, II p. 71, III
+p. 112.
+
+[708] Vgl. Coquillart, Les droits nouveaux, ed. d'Hericault, I p. 72.
+
+[709] Opera, I p. xliv sq.
+
+[710] H. Usener, Goetternamen, Versuch zu einer Lehre von der religioesen
+Begriffsbildung, Bonn, 1896, p. 73.
+
+[711] J. Mangeart, Catalogue des mss. de la bibl. de Valenciennes, 1860.
+p. 687.
+
+[712] Journal d'un bourgeois, p. 96.
+
+[713] La Marche, II p. 378.
+
+[714] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 183. Vgl Rabelais, Pantagruel,
+I. IV ch. 29.
+
+[715] De captivitate babylonica ecclesiae praeludium. Werke ed. Weimar,
+VI p. 562.
+
+
+ * * * * *
+
+
+X
+
+HET FALEN DER VERBEELDING
+
+
+Het symbolisme was als de levende adem der middeleeuwsche gedachte.
+De gewoonte, om alle dingen in hun zinrijk verband en hun betrekking tot
+het eeuwige te zien, hield in de denkbeeldenwereld de schittering gaande
+van verschietende kleuren en de wisseling van vervloeiende grenzen.
+Wanneer de symboliseerende functie of uitblijft, of louter mechanisch
+is geworden, dan wordt het grootsche gebouw der van God gewilde
+afhankelijkheden een necropool. Een systematisch idealisme, dat overal
+de betrekkingen tusschen de dingen stelt krachtens hun als essentieel
+beschouwde algemeene hoedanigheid, leidt licht tot starheid en
+onvruchtbare classificeering. De indeeling en onderverdeeling der
+begrippen, enkel deductief verricht, is zoo gemakkelijk; de ideeen laten
+zich zoo gewillig rangschikken aan het gewelf van den wereldbouw. Er is
+behoudens de regelen der abstracte logica geen correctief, dat ooit een
+fout in de classificatie aanwijst, en daardoor wordt de geest misleid
+omtrent de waarde van zijn denkarbeid, en de stelligheid van het systeem
+wordt overschat. Elke notie, elk begrip staat als een ster aan het
+firmament. Om van eenig ding het wezen te kennen, vraagt men niet naar
+zijn inwendigen bouw, ziet men niet naar de lange schaduw der
+geschiedenis achter het, maar kijkt op naar den hemel, waar het straalt
+als idee.
+
+De gewoonte, om de dingen altijd te verlengen met een hulplijn naar den
+kant der idee komt voortdurend uit in de middeleeuwsche behandeling van
+elke staatkundige, maatschappelijke of zedelijke twistvraag. Men kan ook
+het geringste en meest alledaagsche niet anders beschouwen dan in een
+universeel verband. Er is bij voorbeeld aan de universiteit te Parijs
+een geschil gaande, of er voor den graad van licentiaat eenige betaling
+te eischen valt. Pierre d'Ailly zelf neemt het woord, om tegen den
+kanselier der universiteit de vordering te bestrijden. Het wordt geheel
+scholastiek opgezet: uitgaande van den tekst: "Radix omnium malorum
+cupiditas", stelt hij een drieledig te bewijzen: dat het vorderen van
+dat recht simonie is, dat het strijdt tegen het natuurlijk en goddelijk
+recht, en dat het ketterij is. [716]--Om zekere ongebondenheden te
+berispen, die een bepaalde processie ontsieren, haalt Dionysius de
+Kartuizer alles wat processies betreft, van oorsprong af op: hoe het
+toeging onder de oude wet enz., [717] zonder eigenlijk op de zaak zelf
+in te gaan. Dit is wat bijna elk middeleeuwsch betoog zoo vermoeiend en
+teleurstellend maakt: het wijst terstond naar den hemel en verdwaalt van
+den beginne af in schriftgevallen en moreele algemeenheden.
+
+Het volkomen doorgewerkt idealisme openbaart zich overal. Van elken
+levensvorm, elken maatschappelijken staat of beroep staat een
+godsdienstig-zedelijk ideaal omschreven, waarnaar iedereen zichzelf te
+reformeeren heeft al naar den eisch van zijn bijzonder beroep, om den
+Heer waardig te dienen. [718] Men heeft iets van den nieuwen tijd, iets
+wat de Hervorming aankondigt, willen zien in den nadruk, waarmee
+Dionysius de Kartuizer de heiligheid van het aardsch "beroep" op den
+voorgrond stelt. Hij heeft in zijn tractaten _De vita et regimine
+nobilium_ enz., die hij voor zijn vriend Brugman tenslotte samenvatte in
+twee boeken _De doctrina et regulis vitae christianorum_, aan elk beroep
+het ideaal van heiligende plichtsvervulling voorgehouden: den bisschop,
+prelaat, aartsdiaken, kanunnik, pastoor, scholier, den vorst, den
+edelman, den ridders, den kooplieden, den gehuwden, weduwen, maagden,
+kloosterlingen. [719] Maar juist in die strenge verbijzondering van
+elken staat als iets zelfstandigs ligt iets echt middeleeuwsch, en de
+uitwerking van die plichtenleer heeft dat abstracte en algemeene, dat
+nergens in de werkelijke sfeer van het behandelde beroep zelf binnen
+leidt.
+
+In die herleiding van alles tot het algemeene ligt de eigenschap, die
+onder den naam typisme door Lamprecht als de bij uitstek kenmerkende van
+den middeleeuwschen geest is gesteld. Zij is echter veeleer een gevolg
+van die onderschikkende behoefte van den geest, welke voortspruit uit
+het ingewortelde Idealisme. Het is-niet zoozeer een onvermogen, om het
+bijzondere aan de dingen te zien, als de bewuste wil, om overal den zin
+der dingen aan te duiden in hun betrekking tot het hoogste, hun
+zedelijke idealiteit, hun algemeene beteekenis. Men zoekt in alles juist
+het onpersoonlijke, de gelding als model, als standaardgeval. Het gebrek
+aan individueele opvatting is tot zekere hoogte opzettelijk, eer een
+uitvloeisel van de allesbeheerschende universalistische denkgewoonte dan
+een kenmerk van een geringen geestelijken ontwikkelingsgraad.
+
+De werkzaamheid van den geest bij uitnemendheid was het uiteenleggen van
+de gansche wereld en het gansche leven in zelfstandige ideeen, en het
+rangschikken van die ideeen in groote en talrijke leenverbanden of
+hierarchieen van gedachte. Vandaar die vatbaarheid van den
+middeleeuwschen geest, om elke qualiteit uit het complex van een geval
+af te zonderen in haar wezenlijke zelfstandigheid. Wanneer de bisschop
+Fulco van Toulouse erop wordt aangezien, dat hij een Albigensische vrouw
+een aalmoes geeft, antwoordt hij: "Ik geef niet aan de kettersche maar
+aan de arme". En de Fransche koningin, Margareta van Schotland, die den
+slapenden dichter Alain Chartier op den mond kust, verontschuldigt zich:
+"Je n'ay pas baise l'homme mais la precieuse bouche de laquelle sont
+yssuz et sortis tant de bons mots et vertueuses paroles". [720] Een
+spreekwijze zeide: "Haereticare potero, sed haereticus non ero".
+[721]--Is dit alles niet op het gebied van het gewone denken wat in de
+opperste speculatien der theologie een onderscheiding was als die van
+God's voluntas antecedens, krachtens welke hij allen zalig wil, en de
+voluntas consequens, die slechts den uitverkorenen geldt? [722]
+
+Het wordt een slapeloos doordenken van alle dingen, zonder de beperking
+van het werkelijk waargenomen oorzakelijk verband, een schier
+automatische analyse, die tenslotte uitloopt op een eeuwig nummeren.
+Geen gebied lokte tot die doorwerking zoozeer uit als dat der deugden en
+zonden. Elke zonde heeft haar vast getal van oorzaken, haar soorten,
+haar dochteren, haar schadelijke werkingen. Twaalf dwaasheden, zegt
+Dionysius, misleiden den zondaar: hij verblindt zichzelven, hij
+verstrikt zich aan den duivel, hij slaat de hand aan zich zelven, hij
+versmijt zijn rijkdom (de deugd), hij verkoopt zich voor niets (terwijl
+hij zelf gekocht is voor Christus' bloed), hij keert zich af van den
+allertrouwsten minnaar, hij meent den almachtige te weerstaan, hij dient
+den duivel, hij verwerft zich onvrede, hij opent zich den toegang der
+hel, verspert zich den weg naar den hemel, en gaat dien ter helle op.
+Elk nummer wordt met schriftplaatsen, beelden en bijzonderheden
+geillustreerd, verbeeld, vastgelegd, zoodat het de stellige zekerheid en
+zelfstandigheid krijgt van een figuur aan een kerkportaal. Terstond
+daarop wordt dezelfde reeks opnieuw in dieperen zin gegrond. Uit zeven
+oogpunten moet de zwaarte der zonde worden overdacht: uit het oogpunt
+Gods, uit dat van den zondaar, van de stof, van de omstandigheden, van
+de bedoeling, van het wezen der zonde zelf, en van de gevolgen. Sommige
+dier punten zijn weer onderverdeeld in acht, in veertien, bij voorbeeld
+het tweede: de zonde is zwaarder naar de mate van beweldadigdheid, van
+kennis, van voormalige deugd, van het ambt, de wijding, van de
+gemakkelijkheid om weerstand te bieden, van de gelofte, van den
+leeftijd. Er zijn zes zwakheden des geestes, die tot de zonde geschikt
+maken. [723] Het is alles juist zoo als in het boeddhisme: ook daar die
+moreele systematiek, om houvast te geven aan de oefeningen der deugd.
+
+Deze anatomie der zonde zou licht het zondigheidsbesef, dat zij
+versterken moet, verzwakken door het af te leiden op het uitpluizen der
+classificatie, wanneer niet tegelijk de fantazie der zonde en de
+verbeelding der straf tot het uiterste waren geexaspereerd. Niemand kan
+in het tegenwoordige leven de enormiteit der zonde volkomen bevatten of
+ten volle verstaan. [724] Alle moreele voorstellingen worden met een
+ondragelijk overwicht beladen, door ze steeds weer in onmiddellijke
+betrekking te stellen tot Gods majesteit. Bij elke zonde, ook de
+geringste, is het heelal betrokken. Gelijk de boeddhistische litteratuur
+het applaus der hemelingen met bloemenregens, lichtschijn en zachte
+beving der aarde kent bij een groote daad van een Bodhisattva, zoo hoort
+Dionysius, somberder gestemd, hoe alle gezaligden en rechtvaardigen, de
+hemelsche sferen, alle elementen, ja zelfs de onredelijke wezens en
+onbezielde dingen wraak roepen over de onrechtvaardigen. [725] Zijn
+proeve, om door gedetailleerde beschrijving en opzettelijke
+verbeeldingen ter benauwing de vrees voor zonde, dood, oordeel en hel
+tot het allersmartelijkste aan te scherpen, mist haar ijzingwekkende
+werking niet, misschien juist door haar ondichterlijkheid. Dante had de
+duisternissen en gruwelijkheden der hel met schoonheid aangeraakt:
+Farinata en Ugolino zijn in hun verworpenheid heroisch, en de
+klapwiekende Lucifer vertroost ons door zijn majesteit. Doch een bij al
+zijn mystische intensiteit toch volkomen ondichterlijke monnik als
+Dionysius de Kartuizer geeft de hel als pure angst- en ellendigheids-
+voorstelling. De lichamelijke pijnen en smarten worden in schroeiende
+kleuren geschilderd. De zondaar moet opzettelijk trachten, het zich zoo
+levendig mogelijk voor te stellen. "Laten wij ons voor oogen verbeelden
+--zegt Dionysius--een allerheetsten en allergloeiendsten oven, en daarin
+liggende een naakten man, die nimmer uit zulk een pijniging zal worden
+verlost. Zal ons niet die kwelling, ja het gezicht ervan alleen,
+ondragelijk schijnen? Hoe rampzalig zou ons die man dunken! Denken wij,
+hoe die man zich heen en weer zou werpen in dien oven, hoe hij zou
+schreeuwen, zou huilen, zou _leven_, welk een angst hem persen zou, welk
+een smart hem zou doordringen, vooral wanneer hij bemerkte, dat zulk een
+ondragelijke straf nooit zou eindigen." [726]
+
+Men denkt onwillekeurig: hoe konden zij, die zich zulke voorstellingen
+van helsche pijn voor oogen stelden, een mensch op aarde levend doen
+verbranden? De heetheid van het vuur, de gruwelijke koude, de
+walgelijkheid der wormen, de stank, de honger en dorst, de kluistering
+en de duisternis, de onuitsprekelijke vuilheid der hel, het eindeloos
+weerklinken van gehuil en geschreeuw in de ooren, het gezicht der
+duivelen, het wordt alles als de verstikkende wade van een angstdroom
+over ziel en zinnen van den lezer gespreid. Maar nog scherper is de
+benauwing met de cerebrale smarten: de rouw, de vrees, het holle gevoel
+van een oneindig gemis en verworpenheid, de onzegbare haat tegen God en
+nijd over de zaligheid van al zijn uitverkorenen; in het brein niets dan
+verwarring en drukking, het bewustzijn vol van dwaling en valsche
+voorstelling, verblinding en wanbegrippen. En het weten, dat dit alles
+zal zijn in eeuwigheid, wordt door kunstige vergelijkingen tot een
+zwijmelende verschrikking opgevoerd. [727]
+
+Dat de vrees voor de eeuwige pijn, hetzij inslaande als een plotselinge
+"goddelijke angst", hetzij knagende als een lange ziekte en druk,
+telkens als motief tot inkeer en devotie wordt vermeld, behoeft bewijs
+noch betoog. [728] Alles was daarop toegelegd. Een tractaat van de Vier
+utersten: dood, oordeel, hel en eeuwig leven, misschien vertaald naar
+dat van Dionysius, was de gewone tafellectuur voor de gasten van het
+klooster Windesheim. [729] Wel een bittere kruiding van den maaltijd.
+Maar met zoo scherpe middelen werd altijd weer de zedelijke volmaking
+aangedrongen. De middeleeuwer is als iemand, die reeds te lang met te
+sterke geneesmiddelen is bewerkt. Hij reageert slechts op de krachtigste
+prikkels. Om de loffelijkheid eener deugd ten volle te doen schitteren,
+kunnen voor den middeleeuwschen geest slechts die uiterste exempelen
+dienen, waarbij een minder geexaspereerd zedelijkheidsbesef de deugd
+reeds in haar caricatuur zou zien verkeerd. Voor het geduld het voorbeeld
+van Sint Aegidius, die door een pijl gewond, God bad, dat zijn wonde,
+zoolang hij leefde, niet mocht genezen. Voor matigheid de heiligen, die
+asch in hun spijzen mengden, voor kuischheid zij, die een vrouw bij zich
+in bed namen, om hun vastheid te beproeven, of de jammerlijke fantazieen
+van de maagden, die om den belager harer kuischheid te ontgaan, een baard
+kregen of geheel ruig behaard werden. Of wel de prikkel wordt gevonden in
+het exorbitante van het voorbeeld in verband met den leeftijd des
+voorbeeldigen: Sint Nicolaas weigerde op hooge feestdagen de moedermelk;
+voor standvastigheid beveelt Gerson het voorbeeld aan van Sint Quiricus,
+een martelaartje van drie jaren of zelfs negen maanden, die zich door den
+praefect niet wou laten troosten, en in den afgrond werd geworpen. [730]
+
+De behoefte, om de heerlijkheid der deugd in zoo sterke doseering te
+genieten, staat ook alweer in verband met het allesbeheerschende
+Idealisme. Het zien van de deugd als idee onttrok om zoo te zeggen aan
+haar waardeering den bodem van het werkelijke leven; haar schoonheid
+werd gezien in haar zelfstandig wezen als uiterste volmaking, niet in
+haar moeizame betrachting van iederen dag onder vallen en opstaan.
+
+Het middeleeuwsche Realisme (dus gelijk hyper-idealisme) moet ondanks
+allen inslag van gekerstend neoplatonisme beschouwd worden als een
+primitieve geesteshouding. Het is, in de school voorzeker gesublimeerd
+en verijld, in het leven de houding van den primitieven mensch, die
+aan alle abstracte dingen wezen en substantie toekent. Kan men de
+hyperbolische vereering der deugd in haar ideaalsten vorm als een
+hoog-religieuze gedachte aanmerken, in haar tegenkant: de verachting der
+wereld, ziet men duidelijk de schakel, die het middeleeuwsche denken nog
+aan de gedachtenvormen van een verren voortijd verbindt. Ik bedoel het
+feit, dat de tractaten "de contemptu mundi" zich niet kunnen losmaken
+van een overmatig gewicht hechten aan de slechtheid van het materieele.
+Niets weegt hun zoo zwaar als motief om de wereld te versmaden als de
+afstootelijkheid der lichaamsverrichtingen, met name die van uitscheiding
+en voortplanting. Het is het poverste gedeelte der middeleeuwsche zedeleer:
+die afschuw van den mensch "formatus de spurcissimo spermate, conceptus
+in pruritu carnis, sanguine menstruo nutritus, qui fertur esse tam
+detestabilis et immundus, ut ex ejus contactu fruges non germinent,
+arescant arbusta ... et si canes inde comederint, in rabiem efferantur."
+[731] Wat is dit, naast omgeslagen zinnelijkheid, anders dan de uitlooper
+van dien primitieven vorm van Realisme, die den wilde in excrementen en
+in alles wat conceptie en geboorte begeleidt, magische substanties en
+potenties doet vreezen? Er loopt een rechte en niet zeer lange lijn
+tusschen de magische vrees, waarmee de natuurvolken zich afwenden van de
+vrouw in haar vrouwelijkste verrichtingen, en den ascetischen vrouwenhaat
+en -smaad, die sedert Tertullianus en Hieronymus de christelijke
+litteratuur had ontsierd.
+
+Alles wordt substantieel gedacht. In de dertiende eeuw komt de leer op
+van den schat van goede werken: thesaurus operum supererogationum, den
+voorraad der overvloedige verdiensten van Christus en de heiligen, die
+door de Kerk in 't klein kon worden gesleten. Al leerde de Kerk met
+nadruk, dat de zonde geen essentie of geen ding was, [732] haar eigen
+techniek der zondenvergeving tezamen met de bonte verbeelding en
+uitgewerkte systematiek der zonde kon niet anders dan in het onwetend
+gemoed de overtuiging vestigen, als ware de zonde een substantie, zooals
+zij in den Atharvaveda wordt gezien. Hoe moest, ook al bedoelde
+Dionysius slechts vergelijkingen, de substantieele opvatting der zonde,
+als een smetstof, gevoed worden, wanneer hij haar gelijk noemt aan een
+koorts, een koud, bedorven, overtollig lichaamsvocht. [733] Het recht,
+dat zich niet zoo angstvallig om dogmatische zuiverheid te bekommeren
+had, weerspiegelt zulk een opvatting, wanneer de Engelsche juristen
+werken met de voorstelling, dat er in felonie een corruptie van het
+bloed aanwezig is. [734] Ook ten opzichte van het bloed van den
+Verlosser heerscht die hyper-substantieele opvatting: het is een reeele
+stof; een droppel zou genoeg zijn geweest, om de wereld te verlossen,
+maar er is een overvloed gegeven, zegt Sint Bernard, en Thomas van
+Aquino dicht:
+
+ "Pie Pelicane, Jesu domine,
+ Me immundum munda tuo sanguine,
+ Cuius una stilla salvum facere
+ Totum mundum quit ab omni scelere." [735]
+
+Bij Dionysius den Kartuizer zien wij een wanhopige worsteling, om de
+voorstellingen van het eeuwig leven uit te drukken in termen van
+ruimtelijke uitgebreidheid. Het eeuwige leven is van een onmetelijke
+waardigheid; God in zich zelven te genieten, is een oneindige
+volmaaktheid; in den Verlosser was noodig een oneindige waardigheid en
+afdoendheid (efficacia); de zonde is van oneindige enormiteit, omdat zij
+een uitspatting is tegen de onmetelijke heiligheid; daarom wordt een
+genoegdoener van onmetelijke geschiktheid vereischt. [736] Het negatieve
+ruimte-adjectief moet hier steeds het gewicht, de potentie van het
+heilige voorstelbaar maken. Om de eeuwigheidsvoorstelling in te
+boezemen, laat Dionysius een beeld dienen: denk u een zandberg zoo groot
+als het heelal; om de tien- of honderdduizend jaar wordt van dien berg
+een korreltje afgenomen. Die berg zal opraken. Maar na zulk een
+onbeseffelijken tijdsduur zal de hellestraf nog niet verminderd zijn, en
+niet dichter bij haar einde, dan toen het eerste korreltje van den berg
+werd afgenomen. En toch, als de verdoemden wisten, dat zij bevrijd
+zouden worden, wanneer die berg op was, zou het hun een groote troost
+zijn. [737]
+
+Zijn het de hemelvreugden, of Gods majesteit, die men wil uitdrukken,
+dan wordt het enkel een zich overschreeuwen van de gedachte.
+Hemelvreugde blijft in de uitdrukking altijd uiterst primitief. Een zoo
+felle visie van geluk als van vreeselijkheid kan de menschelijke taal
+niet geven. Om de overmaat van het leelijke en ellendige nog te
+verergeren, behoefde men slechts dieper te dalen in de spelonken der
+menschelijkheid, maar om de opperste gelukzaligheid te beschrijven moest
+men den nek verrekken in het opzien naar den hemel. Dionysius put zich
+uit in wanhopige superlatieven, dat is een louter mathematische
+versterking van de voorstelling, zonder verheldering of verdieping
+ervan: "Trinitas supersubstantialis, superadoranda et superbona ...
+dirige nos ad superlucidam tui ipsius contemplationem." De Heer is
+"supermisericordissimus, superdignissimus, superamabilissimus,
+supersplendidissimus, superomnipotens et supersapiens,supergloriosissimus."
+[738]
+
+Maar wat hielp het opeenstapelen van al-termen, van voorstellingen van
+hoogte, wijdheid, onmetelijkheid en onuitputtelijkheid? Het bleven
+altijd beelden, altijd het herleiden van het oneindige tot
+eindigheidsvoorstellingen, en daarmee de verzwakking en veruiterlijking
+van het oneindigheidsbesef. Eeuwigheid was geen onmeetbare tijd. Elke
+sensatie, die uitgedrukt was, verloor haar onmiddellijkheid; elke
+eigenschap, aan God toegekend, ontnam hem iets van zijn ontzaglijkheid.
+
+Nu begint de geweldige worsteling, om met den geest tot de volstrekte
+beeldeloosheid der Godheid op te klimmen. Aan geen cultuur of tijdperk
+gebonden, is zij overal en altijd weer gelijk. "There is about mystical
+utterances an eternal unanimity which ought to make a critic stop and
+think, and which brings it about that the mystical classics have, as has
+been said, neither birthday nor native land." [739]--Maar de steun der
+verbeelding kan niet aanstonds worden prijsgegeven. Stuk voor stuk wordt
+het ontoereikende der uitdrukking erkend. De concrete belichamingen der
+idee, en de veelkleurige gewaden der symboliek vallen het eerst weg:
+dan is er geen sprake meer van bloed en genoegdoening, niet meer van
+eucharistie, niet meer van Vader, Zoon en Heiligen Geest. In Eckhart's
+mystiek wordt Christus bijna niet meer genoemd, en evenmin de Kerk en de
+sacramenten. Doch de uitdrukking van het mystische schouwen van het
+Zijn, de Waarheid, de Godheid, blijft ook dan nog gebonden aan
+natuurlijke voorstellingen: van licht, van uitgebreidheid. Dan slaan
+deze om in het negatieve: stilte, ledigheid, duisternis. Dan wordt ook
+van die vorm- en inhoudlooze begrippen het ontoereikende erkend, en men
+tracht hun gebrekkigheid op te heffen door ze voortdurend te koppelen
+aan hun tegenstelling. Tenslotte blijft niets over dan de zuivere
+negatie. "Deus propter excellentiam non immerito Nihil vocatur", zegt
+Scotus Erigena, en Angelus Silesius dicht:
+
+ "Gott ist ein lauter Nichts, ihn ruehrt kein Nun noch Hier;
+ Je mehr du nach ihm greiffst, je mehr entwind er dir". [740]
+
+Dit voortschrijden van den schouwenden geest tot de prijsgave van elke
+verbeelding is in werkelijkheid natuurlijk niet in die strikte volgorde
+geschied. De meeste mystische uitingen vertoonen al die phasen
+gelijktijdig en dooreen. Zij zijn aanwezig bij de Indiers, zij zijn
+volkomen ontwikkeld reeds bij den Pseudo-Dionysius Areopagita, de bron
+van alle christelijke mystiek, zij zijn herleefd in de Duitsche mystiek
+der veertiende eeuw.
+
+Ziehier een voorbeeld uit de revelaties van Dionysius den Kartuizer.
+[741] Hij spreekt met God, die toornig is. "Bij dit antwoord zag de
+broeder, naar binnen gekeerd, zich als in een sfeer van onmetelijk licht
+geplaatst, en allerzoetst, in een ontzaglijke kalmte, riep hij met een
+heimelijk niet naar buiten klinkend roepen tot den allerheimelijksten en
+waarlijk verborgenen, onbegrijpelijken God: O overbeminnelijkste God,
+gij zijt zelf het licht en de sfeer des lichts, waarin uw uitverkorenen
+zoet ter ruste gaan, bekomen, sluimeren en inslapen. Gij zijt als een
+allerwijdste, allervlakste en ondoorloopbare woestenij, waarin de
+waarlijk vrome geest, geheel gezuiverd van bijzondere liefde, van boven
+verlicht en krachtig ontvlamd, zwerft zonder dwalen, en dwaalt zonder
+zwerven, zaliglijk bezwijkt en onbezweken geneest." Hier is eerst de
+lichtverbeelding, nog positief, dan die van den slaap, daarna die van de
+woestenij (de uitgebreidheidsvoorstelling in twee dimensies), eindelijk
+de elkaar opheffende tegenstellingen.
+
+Het beeld der woestenij--dat is de horizontale ruimtevoorstelling,
+wisselt af met dat van den afgrond--dat is de verticale
+ruimtevoorstelling. Dit laatste was een geweldige vond der mystische
+verbeelding. De uitdrukking toch van de eigenschapsloosheid der godheid
+in Eckhart's woorden van "den wijzeloozen en vormeloozen afgrond der
+stille, woeste godheid", gaf bij het begrip eener oneindigheid tevens
+het gevoelsmoment eener duizeling. Van Pascal heet het, dat hij
+voortdurend een afgrond naast zich zag: zulk een gewaarwording is hier
+als 't ware tot een vasten mystischen term herleid. Met deze beelden
+van den afgrond en de stilte wordt de levendigste uitdrukking van de
+onbeschrijfelijke mystieke beleving bereikt. "Wol uf dar, herz und sin
+und muot,--jubelt Suso--in daz grundlos abgruend aller lieplichen
+dingen!" [742] Meister Eckhart in zijn ademlooze strakheid: "De vonk
+der ziel (de mystische kern van het enkele wezen) heeft niet genoeg
+aan Vader, noch aan Zoon, noch aan Heiligen geest, noch aan de drie
+personen, zooverre als elk dezer bestaat in hun eigenschap. Ik spreek
+waarlijk, dat dit licht niet genoeg heeft aan de eenbaarheid van den
+vruchtbaren aard goddelijker natuur. Ik wil nog meer spreken, dat nog
+wonderlijker klinkt: ik spreek met goede waarheid, dat dit licht niet
+genoeg heeft aan het eenvoudige, stilstaande goddelijke wezen, dat noch
+geeft noch neemt; meer: het wil weten, vanwaar dit wezen komt, het wil
+in den eenvoudigen grond, in de stille woestenij, waar nimmer
+onderscheid in te schouwen was, noch Vader, noch Zoon, noch Heilige
+geest, in het innige, waar niemand tehuis is, daar vindt dat licht
+genoeg, en daar is het eeniger dan in zich zelven, want deze grond is
+een eenvoudige stilte, die in zich zelve onbewegelijk is."--De ziel
+wordt alleen daardoor volkomen zalig, "dat zij zich werpt in de woeste
+godheid, waar noch werk noch beeld is, dat zij zich daar verlieze en
+verzinke in de woestenij." [743]
+
+Bij Tauler: "In dezen verzinkt de gelouterde, verklaarde geest in de
+goddelijke duisternis, in een stille zwijgen en in een onbegrijpelijk en
+onuitsprekelijk vereeren, en in dit inzinken wordt verloren alle gelijk
+en ongelijk, en in dezen afgrond verliest de geest zichzelven en weet
+van God noch van zich zelven, noch gelijk noch ongelijk, noch van niets
+iets, want hij is gezonken in Gods eenigheid en heeft verloren alle
+onderscheiden." [744]
+
+Bij Ruusbroec worden al de middelen tot uitdrukking van de mystische
+beleving nog plastischer aangewend dan bij de Duitschers.
+
+ "Roept dan alle met openre herten:
+ O gheweldich slont!
+ Al sonder mont,
+ Voere ons in dinen afgront;
+ Ende make ons dine minne cont."
+
+Het genieten van de zaligheid der vereeniging met God "is wilt ende
+woeste, alse een verdolen; want daer en is wise, noch wech, noch pat,
+noch zate, noch mate." "Daer in selen wi sijn ons selven onthoecht,
+ontsonken, ontbreit ende ontlingt (opheffing van alle ruimte-
+voorstellingen) in ene ewighe verlorenheit sonder wederkeer."
+[745] De genieting der zaligheid is zoo groot, "dat God ende alle
+heylighen ende dese hoghe menschen (die haar beleven) hierin verswolghen
+sijn in onwisen, dat is in een niet weten ende in ene ewighe
+verlorenheit." [746] God geeft de weelde der zaligheid aan allen gelijk,
+"maer die se ontfaen die sijn onghelijc: nochtan blivet hem allen over,
+na der ghebrukelicheit in der verenicheit", d.w.z. zij kunnen, wat
+betreft het genieten der zaligheid in de vereeniging met God, niet alle
+weelde op, die hun geschonken wordt. "Mer na der verlorenheit in der
+woestinen demsterheit, daer en blivet niet over: want daer en is gheven
+noch nemen, mer een simpel eenvoldich wesen. Daer is God ende alle die
+verenichde in versonkenende verloren, ende nimmermeer en moghen se hem
+vinden in desen wiselosen wesene." [747]
+
+Al de negaties zijn vereenigd in het volgende. "Hier na volcht die
+sevende trappe (van minnen), dat edelste ende dat hoechste dat men leven
+mach in tijt ende in ewicheit. Dat is, alse wi, boven al bekinnen ende
+weten, in ons bevinden een grondeloes niet weten; alse wi boven alle
+name die wi Gode gheven ofte creaturen, versterven ende overliden in ene
+ewighe onghenaemtheit daer wi ons verliesen: ende alse wi, boven alle
+oefeninghen van doechden, in ons aensien ende bevinden ewighe ledicheit,
+daer nieman in werken en mach; ende boven alle salige gheeste, ene
+grondelose salicheit, daer wi alle een sijn, ende dat selve een dat die
+salicheit selve es, in haers selfsheit: ende alse wi aensien alle
+salighe gheeste, weselic ontsonken, ontvloten ende verloren in haer
+overwesen, in ene wiselose onbekende demsterheid." [748] In de eenvoudige,
+wijzelooze zaligheid vergaat alle onderscheid der creaturen: "Dair
+ontvallen si hem selven in ene verlorenheit, ende in onwetene sonder
+gront; daer is alle claerheit wederboecht in deimsterheit, daer die drie
+persone wiken der weseliker enicheit." [749]
+
+Het is altijd weer de vruchtelooze poging, om alle beelden op te geven,
+om uit te drukken "onsen ledighen staet, dats bloete onghebeeltheit",
+dien God alleen geven kan. "Hi maect ons bloet van alle beelden, ende
+trect ons in ons begin: daer en vinden wi anders niet dan wilde, woeste,
+onghebeelde bloetheit, die altoes antwoert der ewicheit." [750]
+
+In deze aanhalingen uit Ruusbroec zijn ook de twee laatste
+beschrijvingsmiddelen reeds uitgeput: het licht, dat in duister
+verkeert, en de zuivere negatie, het afzien van alle weten. Het innigst
+heimelijke wezen Gods zijn duisternis te noemen, was reeds van den
+Pseudo-Areopagiet. En zijn naamgenoot, bewonderaar en commentator, de
+Kartuizer, werkt dien term uit. "En de alleruitmuntendste, onmetelijke,
+onzichtbare volheid zelve van uw eeuwig licht wordt de goddelijke
+duisternis genoemd, waarin gij gezegd wordt te wonen, die de
+duisternissen tot uw schuilplaats stelt." [751] "En de goddelijke
+duisternissen zelve zijn bedekt voor alle licht en verborgen voor alle
+gezicht, wegens den onomschrijfelijken en ondoordringbaren glans der
+eigen klaarheid." De duisternis is het niet weten, het ophouden van alle
+begrip: "Hoe meer de geest uw overschitterend goddelijk licht nadert,
+hoe voller hem uw onbenaderbaarheid en onbegrijpelijkheid blijken, en
+als hij de duisternis is ingegaan, bezwijken spoedig alle naam en alle
+kennen geheel (omne nox nomen omnisque cognitio prorsus deficient). Maar
+dit zal den geest zijn, u te zien: te zien, dat gij geheel onzichtbaar
+zijt; en hoe klaarder hij dat ziet, hoe helderder hij u aanschouwt. Naar
+deze overlichte duisternis bidden wij te mogen worden, o gezegende
+Drievuldigheid, en door onzichtbaarheid en onwetendheid u te zien en te
+kennen, die boven alle gezicht en kennis zijt. Aan hen alleen verschijnt
+gij, die, na al het waarneembare en begrijpbare te zijn te boven gekomen
+en te hebben achtergelaten, en ook al het geschapene en desgelijks zich
+zelven, intreden in de duisternis, waarin gij waarlijk zijt." [752]
+
+Zooals het licht in duister verkeert, zoo verkeert het hoogste leven in
+den dood. Als de ziel, zegt Eckhart, begrepen heeft, dat in het rijk
+Gods geen schepsel komen kan, dan gaat de ziel haar eigen weg en zoekt
+God niet meer. "Und allhie so stirbet si iren hohsten tot. In disem tot
+verleuset di sele alle begerung und alle bild und alle verstentnuezz und
+alle form und wirt beraubt aller wesen. Und daz seit sicher als got
+lebt: als wenik mak di sele, di also geistlich tot ist, einik weis oder
+einik bild vorgetragen einigen menschen. Wann diser geist ist tot und
+ist begraben in der gotheit." Ziel, als ge niet u zelve verdrinkt in
+deze bodemlooze zee der godheid, zoo kunt gij niet bekennen dezen
+goddelijken dood. [753]
+
+Het schouwen Gods door ontkenningen, zegt Dionysius elders, is
+volkomener dan dat door bevestigingen. "Want wanneer ik zeg: God is
+goedheid, zijn (essentia), leven, schijn ik aan te duiden, wat God is,
+alsof dat hetgeen hij is, iets gemeen had met of eenigszins gelijk ware
+aan het geschapene, terwijl het vaststaat, dat hij onbegrijpelijk en
+onbekend, ondoorgrondelijk en onuitsprekelijk is, en van alles wat hij
+werkt, gescheiden is door een onmetelijke en geheel onvergelijkelijke
+verschillendheid en uitnemendheid." [754]--De eenigende wijsheid
+(sapientia unitiva) wordt geheeten onredelijk, zinneloos en dwaas. [755]
+
+Hoe verwant en hoe anders toch weer klinken de klanken uit het verre
+oude Indie. De leerling komt tot den meester en zegt: "Leer mij het
+brahma, eerwaarde!--Gene echter zweeg stil. Toen nu de ander ten tweeden
+male en ten derden male vroeg: Leer mij het brahma, eerwaarde! sprak de
+meester: Ik leer het u immers, maar gij verstaat het niet: deze atman
+(het Zelf) is stil." [756] De goden willen van Prajapati den atman
+leeren kennen. Twee en dertig jaren wonen zij bij hem als
+brahma-leerlingen. Dan leert hij hun, dat het mannetje in het oog of het
+spiegelbeeld in het water het Zelf is, maar hen naziende spreekt
+hijzelf: Zonder het Zelf begrepen te hebben, gaan zij heen.--Na nog twee
+en dertig jaren openbaart hij aan Indra op diens bedenkingen: Die daar
+wandelt in den droom, dat is de atman. En na nog eens denzelfden tijd:
+Datgene wat, als de mensch is ingeslapen, weggezonken, geheel tot rust
+gekomen, geen droom meer aanschouwt, dat is het Zelf. [757]--"Hij
+echter, de atman is niet zoo en niet zoo"; de gansche reeks van
+tegengestelde ontkenningen wordt uitgeput, om zijn wezen te verklaren.
+"Gelijk iemand, door een geliefde vrouw omstrengeld, geen bewustzijn
+heeft van wat buiten of binnen is, zoo heeft ook de geest, door het
+uit-erkennen-bestaande Zelf omstrengeld, geen bewustzijn van wat buiten
+of binnen is. Dat is zijn wezensvorm, gestild van verlangen, zelf zijn
+verlangen, zonder verlangen, gescheiden van leed. Dan is vader
+niet-vader, moeder niet-moeder, wereld niet-wereld...." [758]
+
+ * * * * *
+
+Was de verbeelding overwonnen?--Zonder beeld en metafoor kan geen enkele
+gedachte worden uitgedrukt, en van het onkenbare wezen der dingen
+gezegd, is ieder woord beeld. Van het hoogste en innigst begeerde enkel
+in negaties te kunnen spreken, bevredigt het gemoed niet, en telkens als
+de wijze is uitgepraat, moet de dichter weer komen. Het zoete lyrische
+gemoed van Suso vond van de sneeuwtoppen van het schouwen altijd weer
+den weg terug naar de bloemrijke verbeeldingen der oudere Bernardijnsche
+mystiek. Midden in de ekstase der hoogste contemplatie keert al de kleur
+en vorm der allegorie terug. Suso ziet de eeuwige Wijsheid, zijn
+geliefde: "Si swepte hoh ob ime in einem gewuelkten throne (hemel): sie
+luhte als der morgensterne, und schein als diu spilndiu sunne; ire krone
+waz ewikeit, ire wat waz selikeit, ire wort suezzekeit, ire umbfang alles
+lustes gnuhsamkeit: si waz verr und nahe, hoh und nider; si waz
+gegenwuertig und doch verborgen; si liess mit ir umbgan, und moht si doch
+nieman begriffen." [759]
+
+Er waren nog andere wegen terug van de eenzame hoogten der individueele,
+vorm- en beeldlooze mystiek. Men bereikte die hoogten slechts door het
+smaken van het liturgisch-sacramenteele mysterie heen: eerst het ten
+volle doorvoeld hebben van het symbolisch-aesthetische wonder der
+dogma's en sacramenten stelde in staat, om alle beeldvormen af te
+schudden en op te stijgen naar het begriploos schouwen van het al-eene.
+Maar de geest kon die helderheid niet genieten, wanneer en zoo vaak hij
+wilde; en dan wachtte beneden altijd weer de Kerk, met haar wijs en
+spaarzaam systeem van mysterie. De Kerk immers had de aanraking van den
+geest met het goddelijke in haar liturgie gecondenseerd en
+geintensifieerd tot de beleving van bepaalde oogenblikken, en vorm en
+kleur gegeven aan het mysterie. Daarom heeft zij de teugellooze mystiek
+altijd overleefd: zij spaarde energie. De Kerk liet de bloeiendste
+vervoeringen van aesthetische mystiek gerustelijk toe, maar zij vreesde
+de ware, woeste mystiek, waarin alles waaruit zij was opgebouwd: haar
+harmonisch symbolisme, haar dogma's en sacramenten, vervlamde en
+verteerde.
+
+"De eenigende wijsheid is onredelijk, zinneloos en dwaas." Het pad van
+den mysticus leidt in de oneindigheid binnen en in de bewustzijnsloosheid.
+Door het ontkennen van alle wezensgelijkheid tusschen de godheid en al het
+afzonderlijke en benoembare is elke werkelijke transcendentie opgeheven;
+de brug naar het leven terug is afgebroken. "Alle creature sint ein
+luter niht. Ich spriche niht, daz sie kleine sin oder iht sin: sie sind
+ein luter niht. Swaz niht wesens hat, daz ist niht. Alle creature hant
+kein wesen, wan ir wesen swebet an der gegenwertikeit gotes." [760]
+De intensieve mystiek beduidt een terugkeer tot een prae-intellectueel
+zieleleven. Alles van beschaving gaat er in te loor, wordt overwonnen en
+overbodig. Indien de mystiek niettemin voor de cultuur rijke vruchten
+draagt, dan is het, omdat zij steeds door voorbereidende staten heen
+opklimt, en eerst gaandeweg alle levensvorm en cultuur afwerpt. Haar
+vruchten voor de beschaving draagt zij in haar aanvangstrappen, beneden
+de boomgrens. Daar bloeit de boomgaard van de zedelijke volmaking, die
+als voorbereiding van elken schouwende gevorderd wordt: de vrede en
+zachtmoedigheid, de demping der begeerte, de eenvoud, matigheid,
+arbeidzaamheid, ernst en innigheid. Zoo is het in Indie geweest en zoo
+hier: de aanvangswerking der mystiek is een moreele en praktische. Zij
+is bovenal de beoefening van daadwerkelijke naastenliefde. Al de groote
+mystieken hebben die praktische werkzaamheid ten zeerste geprezen: heeft
+niet Meister Eckhart zelf Martha boven Maria gesteld, [761] en gezegd,
+dat men zelfs de ekstase van Paulus moest laten varen, als men een arme
+met een soepje kon helpen? Van hem over zijn leerling Tauler gaat de
+lijn der mystiek steeds meer naar de waardeering van het praktische
+element: ook Ruusbroec verheft den stillen nederigen arbeid, en
+Dionysius de Kartuizer is de volkomen vereeniging in een persoon van den
+praktischen zin voor het dagelijksch godsdienstleven en het heftigste
+individueele mysticisme. Het is in de Nederlanden, dat de begeleidende
+verschijnselen der mystiek: moralisme, pietisme, liefdadigheid en
+arbeidzaamheid, hoofdzaak worden; dat zich uit de intensieve mystiek
+voor het onttrokken oogenblik van enkelen de extensieve mystiek voor
+iederen dag van velen ontplooit: de duurzame gezamenlijke innigheid der
+moderne devoten in plaats van de eenzame en zeldzame ekstase. De
+nuchtere mystiek, als men niet valt over een woord.
+
+In de Fraterhuizen en de kloosters der Windesheimer congregatie is over
+het stille dagelijksch werk de glans gegoten van de voortdurend
+bewustgehouden religieuze innigheid. Het hevig lyrische en het
+teugelloos opstreven is prijsgegeven, en daarmee ook het gevaar van
+geloofsafwijking geweken; de broeders en zusters zijn volkomen
+rechtgeloovig en conservatief. Het was mystiek en detail: men had maar
+"een inslag gekregen", "een vonkske ontvangen", en beleefde in den
+engen, stillen, nederigen kring de vervoering in vertrouwelijken
+geestelijken omgang, in briefwisseling en zelfbeschouwing. Het gevoels-
+en gemoedsleven werd als een kasplant gekweekt; er heerschte veel klein
+puritanisme, geestelijke dressuur, verstikking van den lach en de
+gezonde aandriften, veel pietistische onnoozelheid.
+
+Doch uit dien kring is de _Imitatio_ voortgekomen. Hier is de man, die
+geen theoloog was en geen humanist, geen wijsgeer en geen dichter, en
+eigenlijk ook geen mysticus, en die het boek schreef, dat eeuwen
+vertroosten zou. Thomas a Kempis, de stille, eenzelvige, vol teerheid
+voor het miswonder en met de smalste opvattingen van het godsbestuur,
+kende niets van de felle verontwaardiging over kerkbestuur of
+wereldleven, zooals het de preekers bezielde, niets van het alzijdig
+streven van Gerson, Dionysius of Nicolaas van Cusa, niets van de
+breughelsche fantazie van Johannes Brugman of het bonte symbolisme van
+Alain de la Roche. Hij zocht maar de rust in alle dingen, en vond haar
+"in angello cum libello". "O quam salubre quam iucundum et suave est
+sedere in solitudine et tacere et loqui cum Deo!" [762] En zijn boek van
+eenvoudige levenswijsheid en stervenswijsheid voor het begeven gemoed
+werd een boek van alle tijden. Hier was alle neoplatonistische mystiek
+weer opgegeven, en enkel de stemming van den geliefden schrijver Bernard
+van Clairvaux de grondslag. Er is geen philosophische ontwikkeling van
+gedachten; er staan slechts een aantal hoogst eenvoudige gedachten in
+spreukvorm om een centraal punt gegroepeerd; elke loopt in een kort
+zinnetje af; er is geen subordinatie en nauwelijks correlatie van
+gedachten. Er is niets van de lyrische siddering van Heinrich Suso of
+van de strakke fonkeling van Ruusbroec. Met haar geklingel van
+evenwijdig voortloopende zinnen en matte assonanties zou de _Imitatio_
+dubbel proza zijn, wanneer niet juist dat eentonige rythme haar maakte
+als de zee op een zachten regenavond, of het zuchten van den wind in den
+herfst. Hier is geen kracht, geen elan, geen diepte en volheid; het is
+alles effen en gedrukt, alles en mineur: er is slechts vrede, rust, stil
+gelaten verwachting en troost. "Taedet me vitae temporalis." [763]
+
+Een ding heeft het meest boeddhistische werk van het christendom, het
+boek voor de vermoeiden van alle eeuwen, gemeen met de voortbrengselen
+der hevige mystiek. Ook hier was de verbeelding, zoover dat mogelijk
+was, overwonnen, het kleurige gewaad van schitterende symbolen afgelegd.
+En daarom zit ook de _Imitatio_ niet vast aan een cultuur-tijdperk;
+evenals de ekstatische schouwingen van het al-eene leidt zij af van alle
+cultuur. Zij hoort tot geen bijzonder beschavingstijdperk. Vandaar
+zoowel haar twee duizend uitgaven, als de mogelijkheid van een twijfel
+omtrent den auteur en den tijd van ontstaan, die twee eeuwen verschil
+toeliet. Thomas had het "Ama nesciri" niet vergeefs gezegd.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[716] Petri de Alliaco Tractatus I adversus cancellarium Parisiensem,
+bij Gerson, Opera, I p. 723.
+
+[717] Dion. Cart., Opera, t. XXXVI p. 200.
+
+[718] Dion. Cart. Revelatio II, Opera, I p. xlv.
+
+[719] Dion. Cart., Opera, t. XXXVII, XXXVIII, XXXIX p. 496.
+
+[720] Alain Chartier, Oeuvres, p. xi.
+
+[721] Gerson, Opera, I p. 17.
+
+[722] Dion. Cart., Opera, t. XVIII p. 433.
+
+[723] Dion. Cart., Opera, t. XXXIX p. 18sq. De vitiis et virtutibus, p.
+363, De gravitate et enormitate peccati, ib. t. XXIX p. 50.
+
+[724] L.c. XXXIX p. 37.
+
+[725] Ib. p. 56.
+
+[726] Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, Opera, t. XLI p.545.
+
+[727] Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, t. XLI p. 489ss.
+
+[728] Moll, Brugman, I p. 20, 23. 28.
+
+[729] Ib. p. 320(1).
+
+[730] Het voorbeeld van Sint Aegidius, Germanus, Quiricus bij Gerson, De
+via imitativa, III p. 777; vgl. Contra gulam sermo, ib. p. 909.--Olivier
+Maillard, Serm. de sanctis fol. 8a.
+
+[731] Innocentius III, De contemptu mundi 1. I, c. I, Migne, t. CCXVII
+p. 702ss.
+
+[732] Bonaventura, In secundum librum sententiarum, dist. 41, art. 1.
+qu. 2, ib. 30, 2, 1, 34; in quart. lib. sent. d. 34, a. I, qu. 2,
+Breviloquii pars II, Opera, ed. Paris, 1871, t. III p. 577a, 335, 438,
+VI p. 327b, VII p. 271ab.
+
+[733] Dion. Cart., De vitiis et virtutibus, Opera, t. XXXIX p. 20.
+
+[734] M' Kechnie, Magna Carta, p. 401.
+
+[735] Uit den hymnus "Adoro te devote". Vergelijk Marlowe, Faustus:
+"See, where Christ's blood streams in the firmament! One drop of blood
+will save me."
+
+[736] Dion. Cart. Dialogion de fide cath., Opera, t. XVIII p. 366.
+
+[737] L.c., t. XLI p. 489.
+
+[738] Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis t. XXXV
+p. 137; de laud. glor. Virg. Mariae, en passim. Het gebruik der
+supertermen ontleent hij reeds aan Dionysius treopagita.
+
+[739] James, Varieties of rel. exp., p. 419.
+
+[740] Beide voorbeelden naar James, l.c., p. 417.
+
+[741] Opera, I p. xliv.
+
+[742] Seuse, Leben, cap. 3, ed. K. Bihlmeyer, Deutsche Schriften,
+Stuttgart, 1907, p. 14. Vgl. cap. 5, p. 21, 1.3 v. o.
+
+[743] Meister Eckhart, Predigten, no. 60 en 76, ed. F. Pfeiffer,
+Deutsche Mystiker des XIV. Jh., Leipzig 1857, II p. 1931. 34ss.; p. 242,
+1. 2ss.
+
+[744] Tauler, Predigten, no. 28, ed. F. Vetter, (Deutsche Texte des
+Mittelalters XI) Berlin, 1910, p. 117 1. 30ss.
+
+[745] Ruusbroec, Dat boec van seven sloten, cap. 19, Werken ed. David,
+IV p. 106-108.
+
+[746] Ruusbroec, Dat boec van den rike der ghelieven, cap. 43. ed.
+David, IV p. 264.
+
+[747] Ib. cap. 35, p. 246.
+
+[748] Ruusbroec, Van seven trappen in den graet der gheesteliker minnen,
+cap. 14, ed. David, IV p. 53. Voor "ontfonken" lees ik: "ontsonken".
+
+[749] Ruusbroec, Boec van der hoechster waerheit, ed. David, p. 263;
+vgl. Spieghel der ewigher salicheit, cap. 25. p. 231.
+
+[750] Spieghel der ewigher salicheit, cap. 19, p. 144, cap. 23, p.
+227;--antwoert = beantwoordt aan.
+
+[751] II Par. 6, I: Dominus pollicitus est, ut habitaret in caligine.
+Ps. 17.13: Et posuit tenebras latibuum suum.
+
+[752] Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis per modum
+horarum, Opera, t. XXXV p. 137/8, id. XLI p. 263 etc.; vgl. De passione
+dni salvatoris dialogus, t. XXXV p. 274: "ingrediendo caliginem, hoc est
+ad supersplendidissimae ac prorsus incomprehensibilis Deitatis praefatam
+notitiam pertingendo per omnem negationem ab ea."
+
+[753] Jostes, Meister Eckhart und seine Juenger, 1895, p. 95.
+
+[754] Dion. Cart. De contemplatione lib. III art. 5, Opera, t. XLI p.
+259.
+
+[755] Dion. Cart. De contemplatione, t. XLI p. 269, naar Dion. Areop.
+
+[756] Cankara ad Brahmasutram, 3. 2. 17.
+
+[757] Chandogya-upanishad, 8.
+
+[758] Brhadaranyaka-upanishad, 4, 3, 21, 22.
+
+[759] Seuse, Leben, kap. 4, Bihlmeyer, Deutsche Schriften 1907, p. 14.
+
+[760] Eckhart, Predigten, no. 40, p. 136. 23.
+
+[761] Eckhart, Predigten, no. 9, p. 47ff.
+
+[762] Soliloquium animae, Thomas a Kempis, Opera omnia, ed. M.J. Pohl,
+Freiburg 1902-'10, 7 vol., I p. 230.
+
+[763] L.c., p. 222.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XI
+
+DE DENKVORMEN IN DE PRAKTIJK
+
+
+Men moet de hechte vormen van het denken niet enkel bestudeeren aan de
+voorstellingen van het geloof en de hoogere bespiegeling, maar evengoed
+aan die van de dagelijksche levenswijsheid en de nuchtere praktijk. Dan
+eerst kan de middeleeuwsche geest als een eenheid en een geheel worden
+gezien. Want het zijn dezelfde groote denkrichtingen, die zijn hoogere
+en zijn lagere uitingen beheerschen. En terwijl op het gebied van geloof
+en bespiegeling steeds de vraag aan de orde blijft, in hoeverre de
+gedachtenvormen resultaat en weerklank zijn van een lange schriftelijke
+traditie, die tot in Grieksche en Joodsche, ja Egyptische en
+Babylonische oorsprongen reikt, ziet men ze in het gewone leven naief en
+spontaan werken, onbeladen met het gewicht van neoplatonisme en wat niet
+al.
+
+In het dagelijksch leven denkt de middeleeuwsche mensch in dezelfde
+vormen als in zijn theologie. De grondslag is zoo hier als daar dat
+architecturale idealisme, dat de scholastiek realisme noemde: de
+behoefte om elke notie af te zonderen en vorm te geven als een
+wezenheid, en om ze samen te schikken in hierarchische verbanden, er
+altijd weer tempels en kathedralen van te bouwen, als een kind, dat met
+blokken speelt.
+
+Alles wat zich in het leven een vaste plaats verovert, wat levensvorm
+wordt, geldt als geordineerd, zoo goed als de hoogste dingen in het
+goddelijke wereldplan. Zeer duidelijk openbaart zich dit bijvoorbeeld in
+de opvatting van de regelen der hofetikette bij de beschrijvers van den
+hofstaat, als Olivier de la Marche en Alienor de Poitiers. De oude dame
+beschouwt die regelen als wijze wetten, in de hoven der koningen
+oudtijds met keuze en oordeel verordineerd, in acht te nemen voor alle
+komende tijden. Zij spreekt ervan als van de wijsheid der eeuwen: "et
+alors j'ouy dire aux anciens qui scavoient...." Zij ziet de tijden
+ontaarden: sedert een jaar of tien zetten sommige dames in Vlaanderen
+het kraambed voor het vuur, "de quoy l'on s'est bien mocque"; vroeger
+deed men dat nooit; waar moet het heen? "mais un chacun fait a cette
+heure a guise: par quoy est a doubter, que tout ira mal". [764]
+
+La Marche stelt zich en den lezer gewichtige vragen omtrent de
+redelijkheid van al die deftige dingen: waarom heeft de "fruitier"
+meteen de verlichting, "le mestier de la cire", onder zijn departement?
+Het antwoord luidt: omdat de was door de bijen uit de bloemen wordt
+getrokken, waarvan ook de vruchten komen: "pourquoy on a ordonne tres
+bien ceste chose". [765] De sterke middeleeuwsche neiging, om voor
+iedere functie een orgaan te scheppen, is niet anders dan een
+uitvloeisel van de denkwijze, die aan elke qualiteit zelfstandigheid
+toekende, haar als idee zag. De koning van Engeland had onder zijn
+"magna sergenteria" een ambt, om 's konings hoofd vast te houden, als
+hij het Kanaal overstak, en zeeziek werd; het werd in 1442 bekleed door
+zekeren John Baker, van wien het erfde op zijn beide dochters. [766]
+
+Onder hetzelfde licht valt te beschouwen de gewoonte, om alle dingen,
+ook de levenlooze, namen te geven. Het is, hoe verbleekt ook, een trek
+van primitief anthropomorphisme, wanneer ook thans nog in het
+krijgsleven, dat in vele opzichten den terugkeer tot een primitieve
+levenshouding beduidt, kanonnen namen krijgen. In de Middeleeuwen is die
+trek veel sterker: gelijk de zwaarden in den ridderroman hebben de
+bombarden in de oorlogen der 14e en 15e eeuw hun namen: "le Chien
+d'Orleans, la Gringade, la Bourgeoise, de Dulle Griete". Als een
+survival dragen thans nog de beroemde diamanten hun naam, zooals de
+juweelen van Karel den Stoute alle benaamd zijn: "le sancy, les trois
+freres, la hote, la balle de Flandres". Wanneer in onzen tijd de schepen
+hun naam behouden hebben, maar de huizen en de klokken niet, dan is het
+eensdeels, omdat het schip van plaats verandert en te allen tijde moet
+kunnen worden geidentificeerd, maar toch ook wel omdat het schip iets
+persoonlijkers heeft behouden dan het huis, wat ook in het "she" van het
+Engelsche spraakgebruik is uitgedrukt. Die persoonlijke opvatting der
+levenlooze dingen moet men zich in de Middeleeuwen als veel sterker
+voorstellen: in de Middeleeuwen kreeg elk ding zijn naam: de cachotten
+der kerkers zoo goed als elk huis en elke klok.
+
+Aan alle dingen wordt gezocht naar de "moraliteit", zooals de
+middeleeuwer zeide, als het meest wezenlijke ervan. Elk historisch of
+litterair geval heeft de neiging, om te kristalliseeren tot een parabel,
+een moreel voorbeeld, een bewijsnummer; elke uitspraak tot een
+sententie, een tekst, een spreuk. Evenals de heilige symbolische
+verbanden tusschen het Nieuwe en het Oude Testament ontstaan er moreele
+verbanden, waardoor aan elk levensgeval terstond de spiegel kan worden
+voorgehouden van een voorbeeld, een type uit de schrift, de geschiedenis
+of de litteratuur. Om iemand tot vergeving te bewegen, somt men
+bijbelsche gevallen van vergiffenis op. Om voor het huwelijk te
+waarschuwen, rangschikt men al de ongelukkige huwelijken, waarvan de
+Oudheid spreekt. Jan zonder Vrees vergelijkt, om den moord op Orleans te
+verontschuldigen, zichzelven met Joab en zijn slachtoffer met Absalom,
+en prijst zich beter dan Joab, want de koning had den doodslag niet
+uitdrukkelijk verboden. "Ainssy avoit le bon duc Jehan attrait ce fait a
+moralite." [767]--Het is als 't ware een ruime en naieve toepassing van
+het jurisprudentiebegrip, dat immers zelf in het hedendaagsche
+rechtsleven een residu van verouderde denkvormen begint te worden.
+
+Elk ernstig betoog grondt zich gaarne op een tekst als steun- en
+uitgangspunt: de twaalf proposities voor en tegen de onttrekking van
+gehoorzaamheid aan den paus van Avignon, waarmee in 1406 te Parijs op
+het nationaal concilie de zaak van het schisma wordt bepleit, gaan ieder
+uit van een schriftwoord. [768] Ook een wereldlijk feestredenaar kiest,
+zoo goed als een prediker, zijn tekst. [769]
+
+Geen duidelijker voorbeeld van al de genoemde trekken dan het beruchte
+pleidooi, waarmede meester Jean Petit den hertog van Bourgondie trachtte
+te rechtvaardigen wegens den moord op Lodewijk van Orleans.
+
+Het was ruim drie maanden geleden, dat 's konings broeder des avonds
+door de gehuurde sluipmoordenaars, die Jan zonder Vrees tevoren in een
+huis in de Rue vieille du Temple gehuisvest had, was neergestooten. De
+Bourgondier had eerst bij de lijkplechtigheid grooten rouw gedreven,
+daarna, toen hij zag, dat het onderzoek zich zou uitstrekken tot in zijn
+hotel d'Artois, waar hij de moordenaars verborgen hield, had hij in den
+raad zijn oom Berry ter zijde genomen en hem bekend, dat hij door
+inblazing des duivels den moord had laten plegen. Hij was daarop uit
+Parijs gevlucht naar Vlaanderen. Te Gent had hij reeds een eerste
+rechtvaardiging van zijn euveldaad laten uitspreken; thans keerde hij
+naar Parijs terug, vertrouwend op den haat, die alom Orleans gegolden
+had, en zijn eigen populariteit bij het volk van Parijs, dat hem
+inderdaad ook nu nog blijde inhaalde. De hertog had te Amiens raad
+gepleegd met twee mannen, die op de kerkvergadering te Parijs in 1406
+zich onder de sprekers opmerkelijk hadden gemaakt: meester Jean Petit en
+Pierre aux Boeufs. Aan hen was opgedragen, het Gentsche pleidooi van
+Simon de Saulx uit te werken, om het als een indrukwekkende
+rechtvaardiging voor te dragen voor de prinsen en hooge heeren te
+Parijs.
+
+Daarmede verscheen nu meester Jean Petit, godgeleerde, preeker en
+dichter, den 8sten Maart 1408 in het hotel de Saint Pol te Parijs
+voor het luisterrijke gehoor, waarin de dauphin, de koning van Napels,
+de hertogen van Berry en Bretagne de eersten waren. Hij begon met
+gepaste nederigheid: hij arme was theoloog noch jurist, "une tres grande
+paour me fiert au cuer, voire si grande, que mon engin et ma memoire
+s'en fuit, et ce peu de sens que je cuidoie avoir, m'a ja du tout
+laisse." Dan ontplooit hij het kunstwerk van de zwartste politieke
+boosaardigheid, dat zijn geest in strengen stijl gebouwd had op den
+tekst: Radix omnium malorum cupiditas. Op schoolsche onderscheidingen en
+neventeksten is het geheel kunstig gedisponeerd; verlucht met exempelen
+uit de schrift en de historie; het krijgt een duivelsche levendigheid en
+een romantische spanning door de kleurige uitvoerigheid, waarmee de
+pleiter de snoodheden van den verslagene beschrijft. Het begint met de
+opsomming van twaalf verplichtingen, waardoor de hertog van Bourgondie
+gehouden was, den koning van Frankrijk te eeren, te beminnen en te
+wreken. Dan beveelt hij zich aan in de hulp van God, de Maagd en Sint
+Jan den Evangelist, om het eigenlijke betoog te beginnen: verdeeld in
+een major, een minor en een conclusie. Nu stelt hij zijn tekst voorop:
+Radix omnium malorum cupiditas. Daaruit worden twee toepassingen
+afgeleid: de begeerte maakt afvalligen, zij maakt verraders. Deze
+boosheden van apostasie en verraad worden verdeeld en onderverdeeld en
+daarna gedemonstreerd aan drie voorbeelden. Als de archetypen van den
+verrader rijzen Lucifer, Absalom en Athalia voor de verbeelding der
+hoorders op. Dan volgt de opstelling van acht waarheden, die den
+tyrannenmoord rechtvaardigen: wie tegen den koning conspireert, verdient
+dood en verdoemenis; hoe hooger hij staat, hoeveel te meer; ieder mag
+hem dooden. "Je prouve ceste verite par douze raisons en l'honneur des
+douze apostres": drie uitspraken van doctores, drie van philosophi, drie
+van juristen en drie uit de schrift. Zoo gaat het voort, tot de acht
+waarheden compleet zijn: een citaat uit _De casibus virorum illustrium_
+van "le philosophe moral Boccace" wordt aangehaald, om te bewijzen, dat
+men den tyran mag aanvallen uit een hinderlaag. Uit de acht waarheden
+volgen acht "correlaria" met een negende als toegift, waarin met
+toespelingen geduid werd op al de geheimzinnige gebeurtenissen, waarin
+de laster en de argwaan aan Orleans een gruwelijke rol hadden toegekend.
+Al de oude verdenkingen, die den hoogstrevenden en losbandigen prins van
+zijn jonge jaren af hadden vervolgd, werden tot gloeihitte weer
+opgerakeld: hoe hij in 1392 de opzettelijke aanlegger was geweest van
+het rampzalige "bal des ardents", toen zijn broeder de jonge koning
+ternauwernood was ontkomen aan den jammerlijken vuurdood van zijn
+gezellen in hun vermomming als wildemannen, door een onvoorzichtig
+bijgehouden toorts geraakt. Orleans' samensprekingen in het klooster der
+Celestijnen met "den toovenaar" Philippe de Mezieres leverden de stof
+tot allerlei zinspelingen op moordplannen en giftmengerij. Zijn algemeen
+bekende gehechtheid aan tooverkunsten geeft aanleiding tot de
+levendigste gruwelverhalen: hoe Orleans op een Zondagmorgen met een
+afvalligen monnik, een ridder, een knape en een knecht naar la Tour
+Montjay aan de Marne reed; hoe de monnik daar twee duivelen deed
+verschijnen, gekleed in bruin-groen en geheeten Heremas en Estramain,
+die een degen, een dolk en een ring van een helsche wijding voorzagen,
+waarop het gezelschap een gehangene van de galg van Montfaucon ging
+halen enz. Tot uit den zinneloozen praat van den waanzinnigen koning
+wist meester Jan sinisteren zin te puren.
+
+Nadat aldus eerst de beoordeeling op het niveau van het algemeen-
+zedelijke was verheven, door de zaak te stellen in het licht der
+schriftuurlijke modellen en moreele sententien, en vervolgens de stemming
+van afgrijzen en huivering kunstig is gaande gemaakt, breekt in de minor,
+die stuk voor stuk de geledingen van de major volgt, de stroom van
+regelrechte beschuldigingen los. De hartstochtelijke partijhaat doet den
+aanval op de nagedachtenis van den vermoorde met al de hevigheid, waartoe
+de toomelooze geest in staat was.
+
+Vier uren lang was Jean Petit aan 't woord, en toen hij uitgesproken
+had, sprak zijn lastgever, de hertog van Bourgondie: "Je vous avoue".
+Er werden van de justificatie vier kostbare boekjes gemaakt, gebonden in
+geperst leer, verlucht met goud en miniaturen, voor den hertog en zijn
+naaste verwanten. Een daarvan wordt nog te Weenen bewaard. Ook was het
+vertoog te koop. [770]
+
+De behoefte, om elk levensgeval uit te beelden tot een moreel voorbeeld,
+elk oordeel af te zonderen tot een sententie, waardoor het iets
+substantieels en onaantastbaars krijgt, kortom dat kristallisatieproces
+der gedachte, vindt haar meest algemeene en natuurlijke uiting in het
+spreekwoord. Het spreekwoord neemt in de middeleeuwsche gedachte een
+zeer belangrijke plaats in. Het treedt als 't ware in concurrentie met
+de heilige schrift. Tegenover de onbereikbare verhevenheid der
+bijbelsche moraal handhaaft in het spreekwoord de nuchtere,
+laag-bij-den-grondsche, baatzuchtige levenswijsheid haar gezag.
+Tegenover de jammerklacht over de aardsche zondigheid en verdorvenheid
+stelt de volkswijsheid in het spreekwoord haar nuchtere, goedmoedige,
+ironische berusting in de slechtheid der wereld. Uit het spreekwoord
+klinkt de diepe genoegzaamheid, die grenst aan de wijsheid van hen, die
+de wereld tot den grond hebben gepeild, en haar aanzien met een
+glimlach; de weldadige wijsheid van het spreekwoord ligt in zijn
+resignatie. "Les grans poissons mangent les plus petis."--"Les mal
+vestus assiet on dos au vent." Daar ligt de sociale rechtvaardigheid.
+"Nul n'est chaste si ne besongne" (als het niet noodig is). "Il n'est si
+ferre qui ne glice" (niemand zoo goed beslagen, dat hij niet uitglijdt).
+"L'homme est bon tant qu'il craint sa peau". "Au besoing on s'aide du
+diable". Daar ligt de moraal. "Moyen dueil vault mieux que trop joye".
+"Chascun a chose qui le myne". "Le jeu vault tant comme on y met". "Trop
+quiert (begeert) qui veult happer la lune".
+
+Het is verbazend, welk een aantal spreekwoorden er in de late
+Middeleeuwen gangbaar zijn geweest. [771] In hun alledaagsche geldigheid
+sluiten zij zoo goed aan bij den gedachteninhoud der litteratuur, dat de
+dichters van dien tijd er een druk gebruik van maken. Zeer in trek is
+bij voorbeeld het gedicht, waarvan elke strofe eindigt met een
+spreekwoord. Een ongenoemde wijdt in zulk een vorm een schimpdicht aan
+den gehaten prevot van Parijs, Hugues Aubriot, bij diens smadelijken
+val. [772] Vervolgens komt Alain Chartier met zijn _Ballade de Fougeres_
+[773] Molinet met verschillende stukken uit zijn _Faictz et Dictz_,
+[774] Coquillart's _Complaincte de Eco_, [775] Villon's ballade, geheel
+uit spreekwoorden opgebouwd. [776] Ook _Le passe temps d'oysivete_ van
+Robert Gaguin [777] hoort ertoe; de 171 strofen eindigen op enkele na
+met een passend spreekwoord. Of zijn deze spreekwoordachtige zedelijke
+uitspraken (waarvan ik maar enkele weervind in de mij bekende collecties
+van spreekwoorden) eigen gedachten van den dichter? In dat geval zou
+het nog sterker bewijs zijn, welk een levende functie in het laat-
+middeleeuwsche denken aan het spreekwoord, dat is aan het afgeronde,
+geijkte, algemeen verstaanbare oordeel, toekwam, indien wij ze hier in
+onmiddellijke aansluiting bij een gedicht uit den geest van een
+individueelen dichter zien ontstaan.
+
+Zelfs de preek versmaadt naast de heilige teksten het spreekwoord niet,
+en het ernstig betoog in staats- of kerkvergaderingen maakt er een ruim
+gebruik van. Gerson, Jean de Varennes, Jean Petit, Guillaume Fillastre,
+Olivier Maillard brengen in hun preeken en oraties de meest alledaagsche
+spreekwoorden tot sterking van hun betoog te pas: "Qui de tout se tait,
+de tout a paix, Chef bien peigne porte mal bacinet (helm), D'aultrui
+cuir large courroye, Qui commun sert, nul ne l'en paye, Qui est tigneux,
+il ne doit pas oster son chaperon." [778]--Ja, er is zelfs een schakel
+tusschen het spreekwoord en de _Imitatio_, die immers naar den vorm
+berust op de spreukenverzamelingen of rapiaria, waarin men wijsheid van
+allerlei aard en herkomst placht te vergaren.
+
+Er zijn in de latere Middeleeuwen tal van schrijvers, wier kracht van
+oordeel zich eigenlijk niet boven het spreekwoord verheft, dat zij dan
+ook voortdurend toepassen. Een kroniekschrijver uit het begin der
+veertiende eeuw, Geoffroi de Paris, doorspekt zijn berijmd
+geschiedverhaal met spreekwoorden, die de moraal van het gebeurde geven,
+[779] en daaraan doet hij wijzer dan Froissart en _Le Jouvencel_, wier
+sententies van eigen maaksel dikwijls als halfgare spreekwoorden
+uitvallen: "Enssi aviennent li fait d'armes: on piert une fois et
+l'autre fois gaagn'on." "Or n'est-il riens dont on ne se tanne." "On
+dit, et vray est, que il n'est chose plus certaine que la mort." [780]
+
+Een soortgelijke kristallisatievorm der gedachte als het spreekwoord is
+het devies, dat in de laatste Middeleeuwen met bijzondere voorliefde
+gecultiveerd wordt. Het is geen wijsheid van algemeene strekking, zooals
+het spreekwoord, maar een persoonlijke aansporing of levensles, die door
+den drager tot een teeken is verheven, dat hij met gouden letters in
+zijn leven zelf aanbrengt, een les, die door de gestyleerde herhaling,
+waarmee zij op al de stukken van garderobe en uitrusting wederkeert,
+hem en de anderen moet suggereeren en vast houden. De stemming van de
+deviezen is veelal een van berusting, evenals bij het spreekwoord, van
+verwachting, soms met een onuitgesproken element, dat ze geheimzinnig
+moest maken: "Quand sera ce? Tost ou tard vienne, Va oultre, Autre fois
+mieulx, Plus dueil que joye." Verreweg de meeste hebben betrekking op de
+liefde: "Aultre naray, Vostre plaisir, Souvienne vous, Plus que toutes."
+Dat zijn ridderlijke spreuken, op dekkleed en wapenrusting aangebracht.
+Op de ringen stonden zij met intiemer klank: "Mon cuer avez, Je le
+desire, Pour tousjours, Tout pour vous."
+
+Met de emblemen, die het devies of zichtbaar illustreeren of ermee in
+los verband van zin staan, maken de zinspreuken deel uit van de
+heraldische gedachtensfeer. Het blazoen is voor den middeleeuwer meer
+dan een genealogische liefhebberij. De wapenfiguur krijgt voor zijn
+geest een waarde, welke nadert tot die van een totem. [781] De leeuwen,
+de lelien, de kruisen worden symbolen, waarin een heel complex van trots
+en streven, aanhankelijkheid en gemeenschapsgevoel in beeld is
+uitgedrukt, gemarkeerd als een zelfstandig, ondeelbaar ding.
+
+De behoefte, om elk geval te isoleeren als een zelfstandig bestaand
+iets, het te zien als idee, uit zich in de Middeleeuwen in een sterke
+neiging tot casuistiek. Deze vloeit al weer voort uit het ver strekkende
+idealisme. Aan elke vraag, die zich voordoet, moet een ideale oplossing
+eigen zijn; deze is gegeven, zoodra men de juiste betrekking heeft
+erkend tusschen het aanwezige geval en de eeuwige waarheden, en die
+betrekking wordt afgeleid uit de toepassing van formeele regels op de
+feiten. Niet alleen vragen van zedelijkheid en recht vinden zoo hun
+oplossing, de casuistische beschouwing beheerscht allerlei andere
+levensgebieden bovendien. Overal waar stijl en vormen hoofdzaak zijn,
+waar het spel-element van een cultuurvorm op den voorgrond treedt, viert
+de casuistiek hoogtij. Dat geldt in de eerste plaats van alles wat
+ceremonieel en etikette betreft. Hier is de casuistische beschouwing op
+haar plaats; hier is zij als denkvorm adequaat aan de gestelde vragen,
+immers hier zijn het enkel een reeks van gevallen, bepaald door
+eerbiedwaardige precedenten en formeele regels. Hetzelfde geldt van het
+wapenspel en de jacht. Gelijk vroeger reeds ter sprake kwam, [782]
+schept ook de opvatting der liefde als een schoon gezelschapsspel van
+stijlvolle vormen en regels de behoefte aan een uitgewerkte casuistiek.
+
+Tenslotte hecht zich allerlei casuistiek aan de gebruiken van den
+oorlog. De sterke invloed van de ridderidee op de opvatting van den
+krijg gaf ook aan dezen een element van spel. De gevallen van buitrecht,
+van aanvalsrecht, van trouw aan een parool, kwamen onder het aspect van
+spelregels, zooals zij golden voor tournooi en jachtvermaak. De zucht,
+om in het geweld recht en regel te brengen, sproot niet zoo zeer voort
+uit volkenrechtelijk instinct als uit ridderlijk besef van eer en
+levensstijl. Alleen een nauwgezette casuistiek en het opstellen van
+strenge formeele regels maakten het mogelijk, het oorlogsgebruik
+eenigermate in harmonie te brengen met ridderlijke standseer.
+
+Zoo vinden wij de beginselen van het volkenrecht gemengd met de
+spelregels van de wapenoefening. Geoffroy de Charny legt in 1352 aan
+koning Jan II van Frankrijk, in diens hoedanigheid van grootmeester
+der juist door hem gestichte ridderorde van de Ster, een reeks van
+casuistische vragen ter beslissing voor: twintig betreffen de "jouste",
+eenentwintig het tournooi en drieennegentig den oorlog. [783] Een
+kwarteeuw later draagt Honore Bonet, prior van Salon in Provence en
+doctor in het canonieke recht, aan den jongen Karel VI zijn _Arbre des
+batailles_ op, een tractaat over oorlogsrecht, dat nog in de zestiende
+eeuw, blijkens nieuwe uitgaven, van praktische waarde werd geacht. [784]
+Men vindt hier bijeen en dooreen vragen van het hoogste gewicht voor het
+volkenrecht en beuzelachtige kwesties, die niet veel meer dan spelregels
+betreffen. Mag men de ongeloovigen zonder noodzaak beoorlogen? Bonet
+antwoordt nadrukkelijk: neen, zelfs niet om hen te bekeeren. Mag een
+vorst den ander den doortocht over zijn gebied weigeren? Moet het (veel
+geschonden) privilege, dat de ploeger en zijn os veilig zijn voor het
+oorlogsgeweld, ook uitgestrekt worden tot den ezel en den knecht? [785]
+Moet een geestelijke zijn vader of zijn bisschop helpen? Wanneer men een
+geleende wapenrusting in den slag verliest, is men dan teruggave
+verschuldigd? Mag men slag leveren, op feestdagen? Is het beter, nuchter
+slag te leveren, of na den maaltijd? [786] Voor dit alles heeft de prior
+raad, uit bijbelplaatsen, canoniek recht en glosse.
+
+Een der gewichtigste punten van het krijgsgebruik was in dezen tijd
+alles wat het maken van gevangenen betrof. De losprijs voor een
+aanzienlijk gevangene was voor edelman en soudenier een der
+uitlokkendste beloften van den strijd. Hier was een onbeperkt veld voor
+casuistische regels gegeven. Ook hier loopen volkenrecht en ridderlijk
+point d'honneur dooreen. Mogen de Franschen wegens den oorlog met
+Engeland de arme kooplui, landbouwers en herders op het Engelsche gebied
+gevangen nemen en hun hunne goederen ontnemen? In welke gevallen mag men
+uit zijn gevangenschap ontsnappen? Wat is de waarde van een vrijgeleide?
+[787]--In den biographischen roman _Le Jouvencel_ worden van die
+gevallen uit de praktijk behandeld. Men brengt voor den aanvoerder een
+twist van twee kapiteins over een gevangene. "Ik heb hem, zegt de een,
+het eerst bij zijn arm en zijn rechterhand gegrepen en hem den
+handschoen afgerukt". "Maar mij, zegt de ander, heeft hij het eerst de
+rechterhand en zijn woord gegeven." Beide gaf aanspraak op het kostbare
+bezit, maar de laatste aanspraak wordt als de hoogere erkend. Van wien
+is een gevangene, die ontvlucht en weer gevangen is? Oplossing: in het
+oorlogsgebied behoort hij aan den nieuwen vanger, maar daarbuiten aan
+den oorspronkelijken vanger. Mag een gevangene, die zijn woord gegeven
+heeft, wegloopen, als zijn vanger hem niettemin aan een ketting legt?
+Of als men verzuimd heeft, hem zijn woord te vragen? [788]
+
+Naast de casuistische denkwijze nog een ander uitvloeisel van de
+middeleeuwsche neiging, om de zelfstandige waarde van een ding of een
+geval te overschatten. Men kent _Le Testament_ van Francois Villon, het
+groote satirische gedicht, waarin hij al zijn hebben en houden vermaakt
+aan vrienden en vijanden. Er zijn meer van die dichterlijke Testamenten,
+zooals dat van Barbeau's muilezel door Henri Baude. [789] Het is een
+geijkte vorm. Deze vorm echter is slechts begrijpelijk, als men zich
+herinnert, dat inderdaad de middeleeuwsche menschen gewoon waren, per
+testament tot over het geringste van hun bezittingen afzonderlijk en
+uitvoerig te beschikken. Een arme vrouw vermaakt aan haar parochie haar
+zondagskleed en haar kap; haar bed aan haar petekind, een pels aan haar
+verpleegster, haar daagsche rok aan een arme, en vier pond tournoois,
+die haar vermogen uitmaakten, met nog een kleed en een kap aan de
+Minderbroeders. [790] Is ook daarin niet een zeer alledaagsche uiting te
+zien van dezelfde denkrichting, die ieder geval van deugdbetrachting als
+een eeuwig exempel, elke gewoonte als een goddelijke ordinantie aanzag?
+Het is dat kleven van den geest aan de bijzonderheid en waarde van het
+enkele ding, dat als een ziekte den verzamelaar en den gierigaard
+beheerscht.
+
+Al de opgesomde trekken laten zich vereenigen onder het begrip
+formalisme. Het ingeschapen besef van de transcendentale wezenlijkheid
+der dingen brengt mee, dat elke voorstelling in onwrikbare grenzen staat
+omlijnd, geisoleerd in een plastischen vorm, _en die vorm heerscht_.
+Doodzonden en dagelijksche zonden zijn naar vaste regels te onderscheiden.
+Het rechtsgevoel is muurvast, het behoeft geen oogenblik te twijfelen:
+de daad richt den man, zei de oude rechtsspreuk. Bij de beoordeeling van
+een daad is haar formeele inhoud nog altijd hoofdzaak. Eenmaal, in het
+primitieve recht van den oudgermaanschen tijd, was dat formalisme zoo
+sterk geweest, dat de rechtspraak geen rekening hield met opzet of
+onopzettelijkheid: de daad was de daad, en bracht als zoodanig de straf
+mede, terwijl een niet voltooide daad, een poging tot misdrijf,
+straffeloos was. Eerst langzamerhand dringt in het middeleeuwsche recht
+de uitzondering door, dat men niet door een onwillekeurige verspreking
+in het eedsformulier zijn recht verliest. De sporen van dat formalisme
+in rechtzaken zijn ook in de latere Middeleeuwen nog voor 't grijpen.
+
+De buitengewone gevoeligheid voor de formeele eer is een verschijnsel
+van die denkwijze. Te Middelburg was in 1445 heer Jan van Domburg wegens
+een doodslag gevlucht in een kerk, om het asylrecht te genieten. Men
+blokkeerde hem in zijn toevluchtsoord, gelijk de gewoonte was.
+Herhaaldelijk zag men toen zijn zuster, een non, hem komen aansporen,
+om zich liever al vechtende te laten dooden, dan de schande over zijn
+geslacht te brengen van in beulshanden te vallen. En als dat tenslotte
+toch is geschied, verwerft de juffer van Domburg zijn lichaam.
+[791]--Bij een tournooi is het dekkleed van het paard van een edelman
+versierd met 's mans wapen. Dat was zeer ongepast, vindt Olivier de la
+Marche, want als het paard, "une beste irraisonnable", nu eens struikelde
+en het wapen sleepte in het zand, dan was de geheele familie geblameerd.
+[792]--Kort na een bezoek van den hertog van Bourgondie op Chastel en
+Porcien doet aldaar een edelman in waanzin een poging tot zelfmoord.
+Men is er onbeschrijfelijk ontdaan over, "et n'en savoit-on comment
+porter la honte apres si grant joye demenee." Ofschoon het bekend was,
+dat het in waanzin was geschied, wordt de ongelukkige, genezen, uit het
+kasteel verbannen "et ahonty a tousjours." [793]
+
+Een treffend voorbeeld van de plastische wijze, waarop aan een behoefte
+tot herstel van geschonden eer werd voldaan, levert het volgende geval.
+Te Parijs was in 1478 een zekere Laurent Guernier bij vergissing
+gehangen. Hij had namelijk nog juist remissie gekregen van zijn
+misdrijf, maar deze was hem niet bijtijds aangezegd. Na een jaar was
+dit gebleken, en werd het lichaam op verzoek van zijn broeder eervol
+begraven. Voor de baar gingen vier stadsomroepers met hun ratels, het
+wapen van den doode op hun borst; rondom de baar vier kaarsen en acht
+fakkeldragers in rouwgewaad en met hetzelfde wapen. Zoo ging het door
+Parijs van de Porte Saint Denis tot de Porte Saint Antoine, vanwaar het
+vervoer naar 's mans geboorteplaats Provins begon. Een der omroepers nu
+roept voortdurend: "Bonnes gens, dictes voz patenostres pour l'ame de
+feu Laurent Guernier, en son vivant demourant a Provins, _qu'on a
+nouvellement trouve mort soubz ung chesne_." [794]
+
+De sterke levenskracht van het bloedwraakprincipe, dat juist in zoo
+bloeiende en hoogbeschaafde streken als Noord-Frankrijk en de Zuidelijke
+Nederlanden zoo welig tierde, [795] is een andere kant van dezelfde
+geestesgesteldheid. Ook die wraaklust heeft iets formeels. Men overlegt
+somtijds zorgvuldig, iemand niet te dooden, en steekt hem daarom
+welberaamd in dijen, armen en aangezicht; het slachtoffer moet vooral
+niet zonder biecht sterven: du Clercq vertelt een geval van lieden, die
+hun schoonzuster gaan vermoorden en opzettelijk een priester meebrengen.
+[796]
+
+Het formeele karakter van zoen en wraak brengt weer mee de bevrediging
+van het ongelijk door symbolische straffen of boetedoeningen. In al de
+groote politieke verzoeningen der vijftiende eeuw komt een groot gewicht
+toe aan dat symbolisch element: het afbreken van de huizen, die aan het
+misdrijf herinnerden, het stichten van gedenkkruisen, het toemetselen
+van poorten, om van openbare boetceremonien en het stichten van
+zielmissen en kapellen niet te spreken. Zoo bij den eisch der Orleansen
+tegen Jan zonder Vrees, zoo bij den vrede van Atrecht in 1435, bij den
+zoen van het oproerige Brugge in 1437, en den zwaarderen zoen van het
+opstandige Gent in 1453, waar de lange stoet, geheel in 't zwart, zonder
+gordels, blootshoofds en barrevoets, de hoofdschuldigen in het hemd
+vooraan, optrekt in den stortregen, om allen te zamen voor den hertog
+pardon te roepen. [797]--Bij de verzoening met zijn broeder in 1469
+vraagt Lodewijk XI allereerst den ring, waarmee de bisschop van Lisieux
+den prins als hertog aan Normandie heeft gehuwd, en laat dien te Rouen
+in 't bijzijn van notabelen op een aambeeld breken. [798]
+
+Het algemeene formalisme ligt ook ten grondslag aan het geloof in de
+werking van het gesproken woord, dat zich in de primitieve cultuur in
+zijn volheid openbaart, en zich in de late Middeleeuwen nog handhaaft in
+zegenspreuken, tooverspreuken, dingtalen. Een plechtig verzoek heeft nog
+iets solemneels, iets van het dwingende van den sprookjeswensch. Wanneer
+alle smeekbeden Philips den Goede niet kunnen vermurwen, om genade te
+schenken aan een veroordeelde, gaat men het verzoek opdragen aan Isabella
+van Bourbon, zijn geliefde schoondochter, in de hoop, dat hij het haar
+niet zal kunnen weigeren,--want, zegt zij: ik heb u nog nooit iets
+belangrijks gevraagd. [799] En het doel wordt bereikt.--In hetzelfde
+licht is de verbazing van Gerson te beschouwen, dat ondanks alle prediking
+de zeden nog niet verbeterden: ik weet niet, wat ik zeggen moet:
+voortdurend worden er preeken gehouden, maar altijd tevergeefs. [800]
+Onmiddellijk uit het algemeene formalisme vloeien voort die eigenschappen,
+die aan den geest der latere Middeleeuwen zoo dikwijls een karakter van
+holheid en oppervlakkigheid geven. Vooreerst het buitengewone simplisme in
+de motiveering. Hierarchisch geanalyseerd als het begrippenstelsel was,
+gegeven de plastische zelfstandigheid van elke voorstelling en de behoefte
+om elk verband te verklaren uit een algemeen geldige waarheid, werkt de
+causale geestesfunctie als een telefooncentrale: er kunnen steeds allerlei
+verbindingen tot stand worden gebracht, maar altijd slechts van twee
+nummers tegelijk. Men ziet van elken toestand, elken samenhang slechts
+enkele trekken, en deze hevig geexaggereerd en bont gekleurd; het beeld
+van een gebeurtenis heeft steeds de enkele zware lijnen van een primitieve
+houtsnede. Een motief is steeds voldoende ter verklaring, en bij voorkeur
+het algemeenste, het onmiddellijkste of het ruwste. Voor de Bourgondiers
+kan het motief tot den moord op den hertog van Orleans slechts op een
+grond berusten: de koning heeft den hertog van Bourgondie verzocht, den
+echtbreuk der koningin met Orleans te wreken. [801] De oorzaak van den
+grooten Gentschen opstand is voor het oordeel der tijdgenooten door een
+vormkwestie over een briefformulier geheel voldoende aangegeven. [802]
+
+De middeleeuwsche geest generaliseert gereedelijk uit een geval. Olivier
+de la Marche concludeert uit een geval van Engelsche onpartijdigheid uit
+vroeger tijd, dat de Engelschen in die dagen deugdzaam waren, en dat dit
+de oorzaak was, dat zij Frankrijk hadden kunnen veroveren. [803] De
+geweldige overdrijving, die onmiddellijk voortspruit uit het te bont en
+te zelfstandig zien der gevallen, wordt nog in de hand gewerkt, doordat
+altijd naast het geval terstond een parallel uit de heilige geschiedenis
+gereed staat, die het geval optrekt in een sfeer van hooger potentie.
+Wanneer bijvoorbeeld in 1404 een processie der Parijsche studenten is
+verstoord, waarbij er twee zijn gewond en van een het kleed gescheurd,
+dan is voor den verontwaardigden kanselier der Universiteit de klank
+van een teeder woord: "les enfans, les jolis escoliers comme agneaux
+innocens", genoeg, om het geval te vergelijken met den kindermoord van
+Bethlehem. [804]
+
+Waar voor ieder geval een verklaring zoo gemakkelijk wordt aanvaard, en,
+eenmaal aanvaard, zoo vast geloofd, daar heerscht een buitengewone
+gemakkelijkheid van het valsche oordeel. Indien men met Nietzsche moet
+aannemen, dat "der Verzicht auf falsche Urteile das Leben unmoeglich
+machen wuerde", dan kan juist daaraan voor een deel het krachtige, felle
+leven, dat ons in vroeger tijden treft, worden toegeschreven. In elken
+tijd, die een buitengewone spanning van alle krachten vraagt, moet het
+valsche oordeel in versterkte mate de zenuwen te hulp komen. De
+middeleeuwers leefden eigenlijk doorloopend in zulk een geestelijke
+crisis; zij konden geen oogenblik buiten de grofste valsche oordeelen,
+die onder den invloed van partijgevoel een ongeevenaarden graad van
+boosaardigheid bereiken. De geheele houding van de Bourgondiers
+tegenover de groote veete met Orleans getuigt ervan. De verhouding van
+de aantallen gesneuvelden wordt door den overwinnaar in het belachelijke
+verschoven: Chastellain laat in den slag bij Gavere vijf edelen vallen
+aan de zijde van den vorst tegen 20 of 30.000 der opstandige Gentenaars.
+[805] Het is een der moderne trekken van Commines, dat hij aan die
+overdrijvingen niet meedoet. [806]
+
+Hoe is tenslotte die eigenaardige lichthoofdigheid op te vatten, die
+zich in oppervlakkigheid, onnauwkeurigheid en lichtgeloovigheid bij de
+latere middeleeuwers voortdurend openbaart? Het is dikwijls, alsof zij
+niet de geringste behoefte hebben aan werkelijke gedachten, alsof een
+voorbijglijden van ijle droombeelden voedsel voor hun geest genoeg was:
+uiterlijke feiten oppervlakkig beschreven, dat is de signatuur van
+schrijvers als Froissart en Monstrelet. Hoe hebben de eindelooze
+onbeslissende gevechten en belegeringen, waaraan Froissart zijn gaven
+heeft verspild, hun aandacht kunnen boeien? Naast de felle partijmannen
+staan onder de kroniekschrijvers zij, wier politieke sympathieen in het
+geheel niet zijn vast te stellen, zooals Froissart en Pierre de Fenin;
+zoozeer put hun geest zich uit in het verhaal der uiterlijke
+gebeurtenissen. Zij onderscheiden het belangrijke niet van het
+onbelangrijke. Monstrelet is bij het onderhoud van den hertog van
+Bourgondie met de gevangen Jeanne d'Arc tegenwoordig geweest, maar
+herinnert zich niet, wat er gesproken werd. [807] De onnauwkeurigheid,
+zelfs ten opzichte van gewichtige gebeurtenissen, waarin zij zelf
+betrokken waren, kent geen grenzen. Thomas Basin, die zelf het
+rehabilitatie-proces van Jeanne d'Arc leidde, laat haar in zijn kroniek
+geboren zijn te Vaucouleurs, laat haar door Baudricourt zelf, dien hij
+heer in plaats van kapitein der stad noemt, naar Tours brengen, vergist
+zich drie maanden betreffende haar eerste samenkomst met den dauphin.
+[808] Olivier de la Marche, het puik der hovelingen, vergist zich
+voortdurend in de afstamming en verwantschap der hertogelijke familie,
+en plaatst zelfs het huwelijk van Karel den Stoute met Margareta van
+York, waarvan hij de feesten in 1468 had meegemaakt en beschreven, na
+het beleg van Neuss in 1475. [809] Zelfs Commines ontkomt niet aan
+dergelijke verwarringen: hij vergroot een aantal jaren herhaaldelijk met
+twee; hij vertelt tot driemaal toe den dood van Adolf van Gelre. [810]
+
+Het gebrek aan kritische onderscheiding en de lichtgeloovigheid spreken
+zoo duidelijk uit elke bladzijde der middeleeuwsche litteratuur, dat het
+onnoodig is voorbeelden aan te halen. Natuurlijk bestaat hier een groot
+verschil in graad al naar de ontwikkeling van den persoon. Onder het
+volk der Bourgondische landen heerschte ten opzichte van Karel den
+Stoute nog die eigenaardige vorm van barbaarsche lichtgeloovigheid, die
+aan den dood van de indrukwekkende heerschersfiguur nooit recht gelooven
+deed, zoodat men tot tien jaar na den slag van Nancy elkaar nog leende
+op afbetaling, als de hertog zou terugkomen. Basin, die het meedeelt,
+behandelt het als louter dwaasheid. [811] Doch bij allen vat onder den
+invloed van den sterken hartstocht en de gereede verbeelding het geloof
+aan de realiteit van het verbeelde zeer licht post. Bij een
+geestesgesteldheid, waarin zoo sterk in zelfstandige verbeeldingen wordt
+gedacht, geeft de bloote aanwezigheid van een voorstelling in den geest
+een groote presumptie van geloofwaardigheid. Zoodra een denkbeeld
+eenmaal met naam en vorm in het brein rondwandelt, is het als 't ware
+opgenomen in het systeem van moreele en godsdienstige figuren, en deelt
+onwillekeurig in hun hooge geloofwaardigheid.
+
+Terwijl nu aan den eenen kant de begrippen door hun scherpe omlijning,
+hun hierarchisch verband en hun dikwijls anthropomorph karakter
+bijzonder vast en onbewegelijk zijn, dreigt aan den anderen kant het
+gevaar, dat juist in dien levendigen vorm van het begrip de inhoud zoek
+raakt. Eustache Deschamps wijdt een lang, allegorisch en satirisch
+leergedicht _Le Miroir de Mariage_ [812] aan de nadeelen van het
+huwelijk; als hoofdpersoon treedt daarin op Franc Vouloir, door Folie
+en Desir aangespoord om te trouwen, door Repertoire de science daarvan
+teruggebracht. In de uiterlijke personificatie nu put zich de
+voorstelling van den dichter zoozeer uit, dat zijn opvatting van wat
+Franc Vouloir eigenlijk beteekent, wankelt tusschen den abstracten
+vrijen wil en de vrijheid van den vroolijken jonggezel. Hetzelfde
+gedicht illustreert nog in een ander opzicht, hoe in de uitgewerkte
+verbeeldingen de gedachte licht bleef wankelen of zich vervluchtigde.
+De toon van het gedicht is die van de bekende philisterachtige en in
+den grond zinnelijke vrouwenverguizing: de bespotting van haar zwakheid,
+de verdachtmaking van haar eer, waarin de gansche Middeleeuwen zich
+verlustigd hebben. Voor ons gevoel dissoneert met dien toon op schrille
+wijze de vrome aanprijzing van het geestelijk huwelijk en het schouwende
+leven, waarop Repertoire de science zijn vriend Franc Vouloir in het
+latere gedeelte van het gedicht onthaalt. [813] Even vreemd doet het
+ons aan, dat de dichter door Folie en Desir soms hooge waarheden laat
+bewijzen, die men van den kant der tegenpartij zou verwachten. [814]
+
+Hier als zoo dikwijls bij de middeleeuwsche uitingen rijst de vraag:
+heeft de dichter gemeend, wat hij aanprees? Zooals men ook vragen mocht:
+hebben Jean Petit en zijn Bourgondische beschermers geloofd in al de
+gruwelen, waarmee zij de nagedachtenis van Orleans bekladden? Of: hebben
+de vorsten en edelen ernst gezien in al de bizarre fantazie en vertooning,
+waarmee zij hun ridderlijke krijgsplannen en geloften aankleedden? Het is
+uiterst moeilijk, om ten opzichte van de middeleeuwsche gedachte de grenzen
+tusschen overtuiging en geveinsdheid, tusschen ernst en spel zuiver te
+trekken. Soms schijnt alles geveinsd, soms schijnt alles naief gemeend.
+
+Vermenging van ernst en spel kenmerkt de zeden op allerlei gebied.
+Vooral in den oorlog wordt gaarne een komisch element gebracht: de spot
+der belegerden over hun vijand, dien zij dikwijls bloedig boeten. Die
+van Meaux brengen een ezel op den muur, om Hendrik V van Engeland te
+hoonen; die van Conde verklaren zich nog niet te kunnen overgeven, want
+zij zijn nog bezig hun paasch-pannekoeken te bakken; te Montereau
+stoffen de burgers, op den muur staande, hun kaproenen af, wanneer het
+kanon der belegeraars heeft losgebrand. [815] In dezelfde lijn ligt het,
+wanneer het kamp van Karel den Stoute voor Neuss wordt ingericht als een
+groote kermis: de edelen laten "par plaisance" hun tenten bouwen in den
+vorm van kasteelen, met galerijen en tuinen; er is allerlei vermaak.
+[816]
+
+Er is een gebied, waar die bijmenging van spot in de ernstigste dingen
+bijzonder grillig aandoet: de sombere sfeer van het duivel- en
+heksengeloof. Al wortelde de duivelfantazie onmiddellijk in den grooten
+diepen angst, die haar voortdurend voedt, toch kleurde ook hier de
+naieve verbeelding de figuren zoo kinderlijk bont, en maakt ze zoo
+gemeenzaam, dat zij soms het angstwekkende verliezen. Het is niet alleen
+in de litteratuur, dat de duivel als komische figuur optreedt: ook in
+den gruwelijken ernst van de tooverijprocessen blijft het gezelschap van
+Satan vaak breughelsch en rabelaisiaansch, en vermengt zich de helsche
+zwavellucht met de veesten van de klucht. De duivelen, die een
+nonnenklooster in onrust brengen, onder hun kapiteins Tahu en Gorgias,
+dragen namen "assez consonnans aux noms des mondains habits, instruments
+et jeux du temps present, comme Pantoufle, Courtaulx et Mornifle." [817]
+
+De vijftiende eeuw is die der heksenvervolgingen bij uitstek geweest. In
+den tijd, waarmee wij de Middeleeuwen plegen te sluiten en blijde opzien
+naar het bloeiende Humanisme, wordt de stelselmatige uitwerking van den
+heksenwaan, die vreeselijke uitgroei van de middeleeuwsche gedachte,
+bezegeld door den _Malleus maleficarum_ en de bul _Summis desiderantes_
+(1487 en 1484). En geen Humanisme of Hervorming keeren dien waan: geeft
+niet de humanist Jean Bodin nog na het midden der zestiende eeuw in zijn
+_Demonomanie_ het meeste en geleerdste voedsel aan de vervolgzucht? De
+nieuwe tijd en het nieuwe weten hebben niet aanstonds den gruwel der
+heksenvervolging van zich gewezen. Omgekeerd zijn de meedoogender
+opvattingen omtrent hekserij, die in het laatst der zestiende eeuw door
+den Gelderschen geneesheer Johannes Wier verkondigd werden, reeds in de
+vijftiende eeuw ruimschoots vertegenwoordigd.
+
+De houding toch van den laat-middeleeuwschen geest tegenover het
+bijgeloof, met name tegenover heksen en tooverij, is zeer gevarieerd en
+weinig vast. Zoo hulpeloos overgeleverd aan alle spooksel en waan, als
+men uit de algemeene lichtgeloovigheid en het gemis aan kritiek
+verwachten zou, is de tijd niet. Er zijn tal van uitingen van twijfel of
+van rationeele opvatting. Telkens weer zijn het haarden van demonomanie,
+waar het kwaad uitbreekt en zich soms langen tijd handhaaft. Daar waren
+toover- en heksenlanden bij uitnemendheid, meest bergstreken: Savoye,
+Zwitserland, Lotharingen, Schotland. Doch ook daarbuiten komen van die
+epidemieen voor. Omstreeks 1400 was het Fransche hof zelf zulk een haard
+van tooverij. Een prediker waarschuwde den hofadel, dat men oppassen
+moest, of de spreekwijze zou in plaats van "vieilles sorcieres" "nobles
+sorciers" gaan luiden. [818] In het bijzonder rondom Lodewijk van
+Orleans zweefde de atmosfeer van duivelskunsten; de beschuldigingen en
+verdachtmakingen van Jean Petit misten in dit opzicht niet allen grond.
+Orleans' vriend en raadsman, de oude Philippe de Mezieres, die bij de
+Bourgondiers gold als de geheimzinnige inblazer van al diens misdaden,
+vertelt zelf, hoe hij indertijd de tooverkunst geleerd had van een
+Spanjaard, en hoeveel moeite 't hem had gekost, om die snoode kennis
+weer te vergeten. Nog tien of twaalf jaar sedert hij uit Spanje weg was,
+"a sa volente ne povoit pas bien extirper de son cuer les dessusdits
+signes et l'effect d'iceulx contre Dieu", totdat hij eindelijk,
+biechtende en zich verzettende, door Gods goedheid verlost werd "de
+ceste grant folie, qui est a l'ame crestienne anemie". [819] De meesters
+der tooverkunst zocht men bij voorkeur in wilde streken: een persoon,
+die gaarne den duivel zou spreken en niemand kan vinden, om hem die
+kunst te leeren, wordt verwezen naar "Ecosse la sauvage". [820]
+
+Orleans had zijn eigen heksenmeesters en nigromanciens. Een hunner,
+wiens kunst hem niet voldeed, liet hij verbranden. [821] Aangemaand om
+over het geoorloofde van zijn bijgeloovige praktijken het gevoelen van
+godgeleerden te vragen, antwoordde hij: "Waarom zou ik denzulken vragen?
+ik weet immers, dat zij het mij zouden ontraden, en toch ben ik volkomen
+besloten, zoo te handelen en zoo te gelooven, en ik zal het niet
+nalaten." [822]--Gerson brengt met dat hardnekkig zondigen Orleans'
+plotselingen dood in verband; hij keurt ook de proeven af, om den
+krankzinnigen koning door tooverij te genezen, die reeds door meer dan
+een bij mislukking met den vuurdood geboet waren. [823]
+
+Een tooverpraktijk in het bijzonder werd aan de vorstenhoven
+herhaaldelijk genoemd: die welke in het Latijn "invultare", in het
+Fransch "envoutement" heette, de toeleg, over de geheele wereld bekend,
+om een vijand te verderven door een gedoopt wassen beeldje of andere
+figuur, in zijn naam vervloekt, te doen smelten of te doorsteken.
+Philips VI van Frankrijk zou zulk een beeldje, dat hem in handen kwam,
+zelf in het vuur hebben geworpen met de woorden: "Wij zullen zien, of
+de duivel machtiger is om mij te verderven, dan God om mij te redden."
+[824]--Ook de Bourgondische hertogen worden ermee vervolgd. "N'ay-je
+devers moy--beklaagt Charolais zich bitter--les bouts de cire baptises
+dyaboliquement et pleins d'abominables mysteres contre moy et autres?"
+[825]--Philips de Goede, die in zoo vele opzichten tegenover zijn
+koninklijke neven de meer conservatieve levensopvatting
+vertegenwoordigt: in zijn zin voor ridderschap en staatsie, in zijn
+kruistochtplan, in de meer ouderwetsche litteraire vormen, die hij
+beschermde,--schijnt op het stuk van bijgeloof verlichter meeningen
+toegedaan te zijn geweest dan het Fransche hof, met name Lodewijk XI.
+Philips hecht niet aan den ongeluksdag van Onnoozele kinderen, die zich
+ieder week herhaalde; hij vorscht niet naar de toekomst bij astrologen
+en waarzeggers, "car en toutes choses se monstra homme de lealle entiere
+foy envers Dieu, sans enquerir riens de ses secrets", zegt Chastellain,
+die dat standpunt deelt. [826] Het is de hertog, wiens ingrijpen een
+einde maakt aan de vreeselijke vervolgingen van heksen en toovenaars te
+Atrecht in 1461, een der groote epidemieen van den heksenwaan.
+
+De ongeloofelijke verblinding, waarmee de heksencampagnes geleid werden,
+sproot tendeele voort uit het feit, dat zich de begrippen tooverij en
+ketterij vermengd hadden. In het algemeen had zich alle afschuw, vrees
+en haat over ongehoorde vergrijpen, ook die buiten het directe
+geloofsgebied lagen, uitgedrukt in het begrip ketterij. Monstrelet noemt
+bij voorbeeld de sadistische misdaden van Gilles de Rais eenvoudig
+"heresie". [827] Het gewone woord voor tooverij was in de vijftiende
+eeuw in Frankrijk "vauderie", dat zijn verband met de Waldenzen verloren
+had. In de groote "Vauderie d'Arras" nu ziet men zoowel den ontzettenden
+ziekelijken waan, waaruit weldra de _Malleus maleficarum_ zou worden
+uitgebroeid, als den algemeenen twijfel, zoo bij het volk als bij de
+hooggeplaatsten, aan de werkelijkheid van al de ontdekte misdrijven.
+Een der inquisiteurs beweert, dat een derde gedeelte der christenheid
+met vauderie is besmet. Zijn godsvertrouwen brengt hem tot de
+huiveringwekkende consequentie, dat ieder van tooverij beschuldigde ook
+schuldig moet zijn. God toch laat niet toe, dat iemand ervan wordt
+beschuldigd, die geen toovenaar is. "Et quand on arguoit contre lui,
+fuissent clercqs ou aultres, disoit qu'on debvroit prendre iceulx
+comme suspects d'estre vauldois." Houdt iemand vol, dat sommige der
+verschijnselen op inbeelding berusten, dan noemt hij hem verdacht.
+Ja, deze inquisiteur meende op het zien van iemand te kunnen oordeelen,
+of hij bij de vauderie betrokken was of niet. Later werd de man
+krankzinnig, maar de heksen en toovenaars waren verbrand.
+
+De stad Atrecht geraakte door de vervolgingen zoo in opspraak, dat men
+haar kooplui niet meer wilde herbergen of hun crediet verleenen, uit
+vrees, dat zij wellicht morgen van tooverij aangeklaagd, hun goed door
+verbeurdverklaring zouden verliezen. Niettemin, zegt Jacques du Clercq,
+geloofde buiten Atrecht niet een op duizend aan de waarheid van dat
+alles: "oncques on n'avoit veu es marches de par decha tels cas advenu."
+Als de slachtoffers bij hun terechtstelling hun euvele daden herroepen
+moeten, twijfelt het volk van Atrecht zelf. Een gedicht vol haat tegen
+de vervolgers beschuldigt hen, alles uit hebzucht te hebben aangespannen;
+de bisschop zelf noemt het een opgezette zaak, "une chose controuvee par
+aulcunes mauvaises personnes". [828] De hertog van Bourgondie roept het
+advies in der faculteit van Leuven, van welke meerderen verklaren, dat
+de vauderie niet reeel is, dat het enkel illusies zijn. Toen zendt
+Philips zijn wapenkoning Toison d'or naar de stad, en sedert dien tijd
+werden geen nieuwe slachtoffers meer gevat, en die nog in staat van
+beschuldiging waren, zachter behandeld.
+
+Tenslotte zijn al de Atrechtsche heksenprocessen vernietigd. En de stad
+vierde dat feit met een vroolijk feest en stichtelijke zinnespelen.
+[829]
+
+De waan der heksen zelf van haar luchtritten en sabbathorgieen is niet
+dan haar eigen inbeelding, dat was het standpunt, in de vijftiende eeuw
+reeds door verscheidenen ingenomen. Daarmee was evenwel nog niet de rol
+van den duivel geschrapt, want hij is het, die de noodlottige illusie
+teweegbrengt; het is een dwaling, maar zij komt van den duivel. Dat is
+ook nog het standpunt van Johannes Wier in de zestiende eeuw. Bij Martin
+Lefranc, proost van de kerk van Lausanne, den dichter van het groote
+werk _Le Champion des Dames_, dat hij in 1440 aan Philips den Goede
+opdroeg, vindt men de volgende verlichte voorstelling van den
+heksenwaan.
+
+ "Il n'est vieille tant estou(r)dye,
+ Qui fist de ces choses la mendre (de geringste)
+ Mais pour la faire ou ardre ou pendre,
+ L'ennemy de nature humaine,
+ Qui trop de faulx engins scet tendre,
+ Les sens faussement lui demaine.
+ Il n'est ne baston ne bastonne
+ Sur quoy puist personne voler,
+ Mais quant le diable leur estonne
+ La teste, elles cuident aler
+ En quelque place pour galer
+ Et accomplir leur volonte.
+ De Romme on les orra parler,
+ Et sy n'y auront ja este.
+ * * * * * * * * * * * *
+ Les dyables sont tous en abisme,
+ --Dist Franc-Vouloir--enchaienniez (geketend)
+ Et n'auront turquoise ni lime
+ Dont soient ja desprisonnez.
+ Comment dont aux cristiennez
+ Viennent ilz faire tant de ruzes
+ Et tant de cas desordonnez?
+ Entendre ne scay tes babuzes."
+
+En elders in hetzelfde gedicht:
+
+ "Je ne croiray tant que je vive
+ Que femme corporellement
+ Voit par l'air comme merle ou grive,
+ --Dit le Champion prestement.--
+ Saint Augustin dit plainement
+ C'est illusion et fantosme;
+ Et ne le croient aultrement
+ Gregoire, Ambroise ne Jherosme.
+ Quant la pourelle est en sa couche,
+ Pour y dormir et reposer,
+ L'ennemi qui point ne se couche
+ Se vient encoste alle poser.
+ Lors illusions composer
+ Lui scet sy tres soubtillement,
+ Qu'elle croit faire ou proposer
+ Ce qu'elle songe seulement.
+ Force la vielle songera
+ Que sur un chat ou sur un chien
+ A l'assemblee s'en ira;
+ Mais certes il n'en sera rien:
+ Et sy n'est baston ne mesrien (balk)
+ Qui le peut ung pas enlever." [830]
+ * * * * * * * * * * * *
+
+Ook Froissart houdt het geval van den Gasconschen edelman met zijn
+volggeest Horton, dat hij zoo meesterlijk beschrijft, voor een "erreur".
+[831] Gerson heeft een neiging, om in de beoordeeling der duivelsche
+illusien nog een schrede verder te gaan, en een natuurlijke verklaring
+te zoeken voor allerlei bijgeloovige verschijnselen. Veel daarvan, zegt
+hij, komt enkel voort uit de menschelijke verbeelding en melancholische
+waanvoorstellingen, en deze berusten in duizenden gevallen op eenig
+bederf van de verbeeldingskracht, bij voorbeeld door een inwendig letsel
+der hersenen. Hierin schijnt hij zeer verlicht, evenals waar hij in het
+bijgeloof een belangrijk aandeel toeschrijft aan heidensche overleefsels
+en dichterlijke verzinselen. Maar hoewel Gerson toegeeft, dat veel
+gewaande duivelarij aan natuurlijke oorzaken is toe te schrijven, laat
+ook hij tenslotte den duivel de eer: dat inwendige hersenletsel komt
+weer voort uit duivelsche illusien. [832]
+
+Buiten de vreeselijke sfeer der heksenvervolging werkte de Kerk met
+heilzame en gepaste middelen het bijgeloof tegen. De prediker broeder
+Richard laat zich de "madagoires" (mandragora, alruin) brengen, om ze te
+verbranden, "que maintes sotes gens gardoient en lieux repos, et avoient
+si grant foy en celle ordure, que pour vray ilz creoient fermement, que
+tant comme ilz l'avoient, mais qu'il fust bien nettement en beaux
+drapeaulx de soie ou de lin enveloppe, que jamais jour de leur vie ne
+seroient pouvres." [833]--De burgers, die zich door een troep Zigeuners
+de hand hebben laten lezen, worden geexcommuniceerd, en er wordt een
+processie gehouden, om het onheil af te weren, dat uit die goddeloosheid
+zou kunnen voortvloeien. [834]
+
+Een tractaat van Dionysius den Kartuizer toont helder aan, langs welke
+lijnen de grenzen tusschen geloof en bijgeloof getrokken werden, op
+welken grondslag de kerkleer ten deele verwierp, ten deele de
+voorstellingen door waarlijk godsdienstigen inhoud trachtte te zuiveren.
+Amuletten, besprekingen, zegenspreuken enz., zegt Dionysius, hebben in
+zich zelf niet de kracht, om een uitwerking teweeg te brengen, gelijk
+die wel zich hecht aan de sacramentswoorden, waaraan, indien zij met de
+juiste bedoeling gesproken worden, ontwijfelbare uitwerking toekomt,
+daar God aan die woorden als 't ware zijn macht verbonden heeft. De
+benedicties evenwel zijn enkel te beschouwen als een nederige smeekbede,
+alleen te verrichten met de gepaste vrome woorden en met de hoop alleen
+op God gevestigd. Indien zij gemeenlijk effect hebben, dan is dit of
+doordat, bij behoorlijke verrichting, God die uitwerking verleent, of,
+worden zij anders verricht, bij voorbeeld het kruisteeken anders dan
+recht gemaakt, en hebben toch niettemin uitwerking, dan is het effekt
+des duivels werk. 's Duivels werken zijn geen wonderen, want de duivelen
+kennen de geheime krachten der natuur; de werking is dus een natuurlijke,
+evenals de voorbeduidende beteekenis van vogels enz. op natuurlijke
+oorzaken berust.--Dionysius erkent, dat de volkspraktijk aan al die
+zegenspreuken, amuletten enz. wel degelijk de zelfstandige waarde toekent,
+die hij loochent, en meent, dat de geestelijken dan ook liever maar al
+die gewoonten moesten verbieden. [835]
+
+In het algemeen kan men de houding tegenover alles wat bovennatuurlijk
+scheen, kenschetsen als een weifelen tusschen redelijke, natuurlijke
+verklaring, spontane, vrome aanvaarding en argwaan in duivelsche list en
+bedrog. Het woord, dat door het gezag van Augustinus en Thomas van
+Aquino was gestaafd: "Omnia quae visibiliter fiunt in hoc mundo, possunt
+fieri per daemones," liet den vrome van goeden wille in groote
+onzekerheid, en de gevallen, dat een arme hysterica een gansche burgerij
+tijdelijk in vrome opwinding bracht en ten slotte ontmaskerd werd, zijn
+niet zeldzaam. [836]
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[764] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 184, 189, 242,
+266.
+
+[765] Olivier de la Marche, l'Estat de la maison etc., t. IV p. 56, zie
+dergelijke vragen hierboven blz. 60. (zie Hoofdstuk II, tekst volgend op
+noot 86)
+
+[766] J.H. Round, The king's serjeants and officers of state with their
+coronation services, London 1911, p. 41.
+
+[767] Le livre des trahisons, p. 27.
+
+[768] Rel. de S. Denis, III p. 464s, Juvenal des Ursins, p. 440; Noel
+Valois, La France et le grand schisme d'occident, Paris, 1896-1902, 4
+vol., III p. 433.
+
+[769] Juvenal des Ursins, p. 342.
+
+[770] Monstrelet, I p. 177-242; Coville, Le veritable texte de la
+justification du duc de Bourgogne par Jean Petit, Bibliotheque de
+l'ecole des chartes, 1911, p. 57.
+
+[771] Leroux de Lincy, Le proverbe francais, vgl. E. Langlois, Bibl. de
+l'Ecole des chartes LX, 1899, p. 569, J. Ulrich, Zeitschr. f. franz.
+Sprache & Lit. XXIV, 1902, p. 191.
+
+[772] Achter Les Grandes chroniques de France, ed. P. Paris, IV p. 478.
+
+[773] Alain Chartier, ed. Duchesne p. 717.
+
+[774] Jean Molinet, Faictz et Dictz, ed. Parijs 1537, f. 80, 119, 152,
+161, 170, 194.
+
+[775] Coquillart, Oeuvres, I p. 6.
+
+[776] Villon, ed. Long-nom, p. 134.
+
+[777] Roberti Gaguini, Ep. et or., ed. Thuasne, II p. 366.
+
+[778] Gerson, Opera, IV p. 657; ib. I p. 936; vgl. Leroux de Lincy, Le
+proverbe francais, I p. lii.
+
+[779] Geffroi de Paris, ed. de Wailly et Delisle, Bouquet, Recueil des
+Historiens des Gaules et de la France, XXII p. 87, zie index rerum et
+personarum s. v. Proverbia, p. 926.
+
+[780] Froissart, ed. Luce, XI p. 119; ed. Kervyn, XIII p. 41, XIV p. 33,
+XV p. 10; Le Jouvencel, I p. 60, 62, 63, 74, 78, 93.
+
+[781] Zie mijn Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, De Gids
+1912, I.
+
+[782] Hierboven blz. 202. (zie Hoofdstuk IV, tekst volgend op noot 389)
+
+[783] A. Piaget, Le livre Messire Geoffroy de Charny, Romania, XXVI,
+1897, p. 396.
+
+[784] Larbre des batailles, Paris, Michel le Noir 1515. Zie over Bonet
+Molinier, Sources de l'histoire de France, no. 3694.
+
+[785] Chap. 35, 85 bis (de nos. 80-90 komen in de uitgave van 1515
+tweemaal voor), 124/6.
+
+[786] Chap. 56, 60, 84, 132.
+
+[787] Chap. 82, 89, 80 bis en vg.
+
+[788] Le Jouvencel, I p. 222, II p. 8, 93, 96, 133, 214.
+
+[789] Les vers de maitre Henri Baude, poete du XVe siecle, ed. Quicherat
+(Tresor des pieces rares ou inedites), 1856, p. 20-25.
+
+[790] Champion, Villon, II p. 182.
+
+[791] La Marche. II p. 80.
+
+[792] L.c., II p. 168.
+
+[793] Chastellain, IV p. 169.
+
+[794] Chron. scand., II p. 83.
+
+[795] Petit-Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires
+etc.; vgl. Chastellain, V p. 399 en Jacques du Clercq, passim.
+
+[796] Du Clercq, IV p. 264; vgl. III p. 180, 184, 206, 209.
+
+[797] Monstrelet, I p. 342, V p. 333; Chastellain, II p. 389; La Marche,
+II p. 284, 331; Le livre des trahisons, p. 34, 226.
+
+[798] Quicherat, Th. Basin, I p. xliv.
+
+[799] Chastellain, III p. 106.
+
+[800] Sermo de nativ. domini, Gerson, Opera, III p. 947.
+
+[801] Le Pastoralet, vs. 2043.
+
+[802] Jean Jouffroy, Oratio, I p. 188.
+
+[803] La Marche, I p. 63.
+
+[804] Gerson, Querela nomine Universitatis etc., Opera, IV p. 574; vgl.
+Rel. de S. Denis, III p. 185.
+
+[805] Chastellain, II p. 375, vgl. 307.
+
+[806] Commines, I p. 111, 363.
+
+[807] Monstrelet, IV p. 388.
+
+[808] Bassin, I p. 66.
+
+[809] La Marche, I p. 60, 63, 83, 88, 91, 94, 134(1); III p. 101.
+
+[810] Commines, I p. 170, 391, 262, 413, 460.
+
+[811] Basin, II p. 417, 419.
+
+[812] Deschamps, Oeuvres, t. IX.
+
+[813] L.c., p. 219ss.
+
+[814] L.c., p. 293ss.
+
+[815] Monstrelet, IV p. 93; Livre des trahisons, p. 157; Molinet, II
+p. 129; vgl. du Clercq, IV p. 203, 273; Th. Pauli, p. 278.
+
+[816] Molinet, I p. 65.
+
+[817] Molinet, IV p. 417; Courtaulx = een muziekinstrument, Mornifle =
+een kaartspel.
+
+[818] Gerson, Opera, I p. 205.
+
+[819] Le songe du vieil pelerin, bij Jorga, Phil. de Mezieres, p. 69(1).
+
+[820] Juvenal des Ursins, p. 425.
+
+[821] L.c., p. 415.
+
+[822] Gerson, Opera, I p. 206.
+
+[823] Gerson, Sermo coram rege Franciae, Opera, IV p. 620; Juvenal des
+Ursins, p. 415, 423.
+
+[824] Gerson, Opera, I p. 216.
+
+[825] Chastellain, IV p. 324, 323, 314(1), vgl. du Clercq, III p. 236.
+
+[826] Chastellain, II p. 376, III p. 446, 447(1), 448, IV p. 213, V p. 32.
+
+[827] Monstrelet, V p. 425.
+
+[828] Chronique de Pierre le Pretre, bij Bourquelot, La vauderie
+d'Arras, Bibliotheque de l'ecole des chartes, 2e serie, III p. 109.
+
+[829] Jacques du Clercq, III passim; Matthieu d'Escouchy, II p. 416ss.
+
+[830] Martin le Franc, Le Champion des dames, bij Bourquelot, l.c., p. 86;
+bij Thuasne, Gaguin, II p. 474.
+
+[831] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 193.
+
+[832] Gerson, Contra superstitionem praesertim Innocentum, Op. I p. 205;
+De erroribus circa artem magicam, I p. 211; De falsis prophetis, I p. 545;
+De passionibus animae, III p. 142.
+
+[833] Journal d'un bourgeois, p. 236.
+
+[834] L.c., p. 220.
+
+[835] Dionysius Cartusianus, Contra vitia superstitionum quibus circa
+cultum veri Dei erratur, Opera, t. XXXVI p. 211ss.; vgl. A. Franz, Die
+kirchlichen Benediktionem im Mittelalter, Freiburg 1909, 2 bde.
+
+[836] B.v. Jacques du Clercq, III p. 104-107.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XII
+
+DE KUNST IN HET LEVEN [837]
+
+
+De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is aan het nu
+levende geslacht het best bekend uit haar beeldende kunst, en met name
+haar schilderkunst. De gebroeders Van Eyck, Rogier van der Weyden en
+Memlinc beheerschen voor ons het gezicht op dien tijd. Dat is niet
+altijd zoo geweest. Een halve eeuw of iets meer geleden, toen men
+Memlinc nog Hemlinc schreef, kende de ontwikkelde leek dien tijd in de
+eerste plaats uit zijn geschiedenis, weliswaar in den regel niet uit
+Monstrelet en Chastellain zelf, maar dan toch uit De Barante's _Histoire
+des ducs de Bourgogne_, dat daaruit is afgeleid. En zou naast en boven
+De Barante niet vooral Victor Hugo's _Notre Dame de Paris_ voor de
+meesten het beeld van die tijden vertegenwoordigd hebben?
+
+Het beeld, dat daaruit oprees, was fel en duister. In de kroniekschrijvers
+zelf en in de verwerking van hun stof door de negentiendeeeuwsche
+romantiek komt bovenal het sombere en gruwelijke der late Middeleeuwen
+naar voren: de bloedige wreedheid, de felle hartstocht en hebzucht, de
+krijschende hoovaardij en wraakgierigheid en de jammerlijke ellende. De
+lichtere kleuren werden bijgevoegd door de bonte, opgeblazen ijdelheid
+der vermaarde hoffeesten met al hun geflonker van versleten allegorie en
+ondragelijke weelde.
+
+En nu? Nu straalt voor ons over dien tijd de hooge, waardige ernst en de
+diepe vrede van Van Eyck en Memlinc; die wereld van vijf eeuwen her
+schijnt ons vervuld met een helderen glans van eenvoudige blijheid, een
+schat van innigheid. Ons beeld ervan is van woest en donker vredig en
+sereen geworden. Want wat wij naast de beeldende kunst nog weten van
+andere levensuitingen dier tijden, het is alles uitdrukking van
+schoonheid en stille wijsheid: de muziek van Dufay en zijn gezellen,
+het woord van Ruusbroec en Thomas a Kempis. Zelfs waar de wreedheid en
+ellende der tijden nog luide doorklinkt: in de geschiedenis van Jeanne
+d'Arc en de poezie van Villon, gaat er toch enkel verheffing en
+verteedering van die figuren uit.
+
+Waarop berust dat diepgaande verschil tusschen het tijdsbeeld uit de
+kunst en het tijdsbeeld uit de geschiedenis en de litteratuur? Is aan
+dien tijd in het bijzonder een groote onevenredigheid eigen tusschen de
+verschillende gebieden en vormen van levensuiting? Was de levenssfeer,
+waaruit de zuivere en innige kunst der schilders sproot, een andere en
+betere dan die der vorsten, edelen en litteraten? Hooren zij bij geval
+met Ruusbroec, de Windesheimers en het volkslied in een vredigen limbus
+aan den rand van die bonte hel?--Of is het een algemeen verschijnsel,
+dat de beeldende kunst een helderder beeld van een tijd nalaat dan het
+woord der dichters en geschiedschrijvers?
+
+Op de laatste vraag kan het antwoord onmiddellijk bevestigend luiden.
+Inderdaad, van alle vroegere beschavingen is ons beeld serener geworden
+dan voorheen, sedert wij ons meer en meer van het lezen naar het kijken
+gewend hebben, en het historische zintuig steeds meer visueel is
+geworden. Want de beeldende kunst, waaruit wij bovenal de aanschouwing
+van het verleden putten, weeklaagt niet. Uit haar vervluchtigt zich
+terstond de bittere smaak van de smart der tijden, die haar hebben
+voortgebracht. Maar de klacht over al het leed der wereld, in het woord
+geuit, behoudt altijd haar toon van onmiddellijke smartelijkheid en
+onbevredigdheid, doordringt ons altijd weer van droefheid en medelijden,
+terwijl het leed, zooals de beeldende kunst het uitdrukt, terstond
+overgaat in de sfeer van het elegische en den stillen vrede.
+
+Meent men derhalve uit de aanschouwing der kunst het volledige beeld van
+een tijd in zijn werkelijkheid te putten, dan blijft een algemeene fout
+in het historisch gezicht ongecorrigeerd. Ten opzichte van den
+Bourgondischen tijd in het bijzonder bestaat bovendien het gevaar van
+een speciale gezichtsfout: dat men namelijk de verhouding tusschen
+beeldende kunst en cultuuruitdrukking in het woord niet juist ziet.
+
+In deze fout vervalt de beschouwer, wanneer hij er zich geen rekenschap
+van geeft, dat reeds de stand der overlevering hem tegenover kunst en
+litteratuur in zeer verschillende positie plaatst. De litteratuur der
+late Middeleeuwen is ons, behoudens bijzondere uitzonderingen, vrijwel
+volledig bekend. Wij kennen haar in haar hoogste uitingen en haar
+laagste, in al haar genres en vormen, van het meest verhevene tot het
+meest alledaagsche, van het vroomste tot het uitgelatenste, van het
+meest theoretische tot het meest actueele. Het gansche leven van den
+tijd wordt door de litteratuur weerspiegeld en uitgedrukt. En de
+schriftelijke overlevering is nog niet uitgeput met de litteratuur; er
+is bovendien nog alles wat de acten en bescheiden zeggen, om onze kennis
+aan te vullen. Van de beeldende kunst daarentegen, die reeds door haar
+aard het leven van den tijd minder direct en volledig uitdrukt, bezitten
+wij niet dan een speciaal fragment. Buiten de kerkelijke kunst immers
+zijn het slechts minieme resten. Alle wereldlijke beeldende kunst, alle
+toegepaste kunst ontbreken bijna geheel: juist de vormen, waarin zich
+de samenhang van kunstvoortbrenging en gemeenschapsleven voortdurend
+openbaarde, zijn ons gebrekkig bekend. Onze kleine schat van
+altaarstukken en grafmonumenten leert ons van dien samenhang lang niet
+genoeg: het beeld van de kunst blijft geisoleerd staan buiten onze
+kennis van het bonte leven van den tijd. Om de functie van de beeldende
+kunst in de Fransch-Bourgondische samenleving, de verhouding van kunst
+en leven te begrijpen, is de bewonderende aanschouwing van de bewaarde
+meesterwerken niet genoeg; ook het verlorene vraagt onze aandacht.
+
+De kunst gaat in dien tijd nog op in het leven. Het leven staat in
+sterke vormen bepaald. Het wordt bijeengehouden en gemeten door de
+sacramenten der Kerk, de feesten van het jaar en de getijden des daags.
+'s Levens werken en vreugden hebben alle hun vasten vorm: godsdienst,
+ridderschap en hoofsche min leveren de gewichtigste vormen des levens.
+De taak der kunst is, om die vormen zelf, waarin het leven verliep, met
+schoonheid te versieren. Wat men zoekt, is niet de kunst zelf, maar het
+schoone leven. Men treedt niet, zooals latere tijden, uit een min of
+meer onverschillige levenssleur naar buiten, om tot troost en verheffing
+kunst te genieten in eenzelvige contemplatie; men vindt de kunst
+aangewend tot verhooging van den luister des levens zelf. Zij is bestemd
+om mee te klinken in de vervoeringen van het leven, hetzij in de hoogste
+vlucht van vroomheid of in het hoovaardigste genieten van het
+wereldsche. Als een eigen ding van schoonheid wordt de kunst in de
+Middeleeuwen nog niet begrepen. Zij is voor het overgroote deel
+toegepaste kunst, ook in de voortbrengselen, die wij als zelfstandige
+kunstwerken zouden aanmerken; dat wil zeggen: haar bestemming, haar
+dienstbaarheid aan eenigen levensvorm is het motief, om haar te
+begeeren; de zuivere schoonheidsbedoeling moge des ondanks den
+scheppenden kunstenaar zelf besturen, het geschiedt half onbewust. De
+eerste kiemen van een kunstliefde om haars zelfs wil doen zich voor als
+woekeringen der kunst_productie_: bij vorsten en edelen hoopen zich de
+kunstvoorwerpen op tot verzamelingen; nu worden zij nutteloos en geniet
+men ze als weelderige curiositeit, als kostbare deelen van den
+vorstelijken schat, en daaraan eerst kweekt men den eigenlijken
+kunstzin, die in de Renaissance is volgroeid.
+
+In de groote kunstwerken der vijftiende eeuw, met name in de
+altaarstukken en de grafkunst, ging voor den tijdgenoot de gewichtigheid
+van het onderwerp en de bestemming ver voor de waardeering van de
+schoonheid. De werken moesten schoon zijn, omdat het onderwerp zoo
+heilig of de bestemming zoo verheven was. Die bestemming is altijd min
+of meer een praktische. Het altaarstuk heeft een tweeledige bestemming:
+het dient tot plechtig vertoon bij hooge feesten, om de vrome
+aanschouwing der schare te verlevendigen, en het bewaart de herinnering
+aan de vrome stichters, wier gebed blijft opgaan uit hun geknielde
+beeltenis. Het is bekend, dat de Aanbidding van het Lam van Hubert en
+Jan van Eyck maar heel zelden geopend werd. Wanneer de Nederlandsche
+stadsmagistraten ter versiering van de vierschaar in het raadhuis
+tafereelen van vermaarde vonnissen of rechtsplegingen bestelden, zooals
+het oordeel van Cambyses door Gerard David te Brugge, of dat van keizer
+Otto door Dirk Bouts te Leuven, of de verloren Brusselsche schilderijen
+van Rogier van der Weyden, dan was het, om den rechters een plechtig en
+bloedig vermaan tot hun plicht voor oogen te houden.--Hoe gevoelig men
+was voor het onderwerp van wat men aan de wanden prijken zag, moge
+blijken uit het volgende geval. Te Lelinghem wordt in 1384 een
+samenkomst gehouden, om tot een wapenstilstand tusschen Frankrijk en
+Engeland te geraken. Berry, de prachtlievende, wien dit wel was
+toevertrouwd, heeft de kale muren van de oude kapel, waar de vorstelijke
+onderhandelaars elkaar zullen ontmoeten, laten behangen met tapijten,
+waarop veldslagen der Oudheid zijn voorgesteld. Maar toen bij het eerste
+binnenkomen de hertog van Lancaster, John of Gaunt, ze aanschouwt, wil
+hij, dat die tafereelen van strijd weggenomen worden: zij die naar den
+vrede streven, moeten geen oorlog en vernieling voor hun oogen hebben.
+En er worden andere tapijten gehangen, waarop de instrumenten van het
+lijden des Heeren staan afgebeeld. [838]
+
+De praktische beteekenis van het onderwerp is onverbrekelijk verbonden
+aan het portret, dat immers tot den huidigen dag zijn moreele waarde als
+familiestuk behoudt, omdat de levensgevoelens, waaraan het dienstbaar
+is, die van de ouderliefde en den familietrots, veel minder zijn
+afgesleten dan de vormen van het sociale leven, waarin het
+justitietafereel paste. Het portret had bovendien nog dikwijls de
+bestemming tot kennismaking bij verlovingen. Met het gezantschap, dat
+Philips de Goede in 1428 naar Portugal zendt, om hem een bruid te
+werven, gaat ook Jan van Eyck, om de beeltenis der koningsdochter te
+schilderen. Er wordt soms een fictie volgehouden, alsof de vorstelijke
+bruidegom door het zien van het portret de onbekende prinses heeft
+liefgekregen, zoo bij het werven van Richard II van Engeland om de
+zesjarige Isabella van Frankrijk. [839] Er is zelfs wel eens sprake van
+een keuze bij vergelijking naar portret. Als de jonge Karel VI van
+Frankrijk een vrouw moet hebben, en men weifelt tusschen een
+hertogsdochter van Beieren, Oostenrijk of Lotharingen, wordt een
+uitnemend schilder gezonden, om van alle drie het portret te maken. Men
+legt ze den koning voor, en hij kiest de veertienjarige Isabella van
+Beieren, die hij verreweg de schoonste acht. [840]
+
+Nergens is de praktische bestemming van het kunstwerk zoo overwegend als
+bij het grafteeken, waaraan de beeldhouwkunst van dien tijd haar
+werkzaamheid bij uitstek vond. En niet alleen de beeldhouwkunst: de
+hevige behoefte aan een zichtbaar beeld van den gestorvene moest ook
+reeds bij de begrafenis bevredigd worden. Soms werd de doode voorgesteld
+door een levend mensch: bij den lijkdienst voor Bertrand du Guesclin te
+Saint Denis verschenen vier geharnaste ridders te paard in de kerk,
+"representans la personne du mort quand il vivoit". [841] Een rekening
+uit 1375 vermeldt van een lijkplechtigheid in het huis van Polignac:
+"cinq sols a Blaise pour avoir fait le chevalier mort a la sepulture."
+[842] Bij de koninklijke begrafenissen is het meestal een leeren pop,
+geheel gekleed in vorstelijken staat, en waarbij naar groote gelijkenis
+wordt gestreefd. [843] Soms zijn er zelfs, naar 't schijnt, meer dan een
+van die beeltenissen in den stoet. De aandoening van het volk
+concentreert zich op het zien van die beelden. [844] Het doodenmasker,
+dat in de vijftiende eeuw in Frankrijk opkomt, heeft wellicht uit de
+vervaardiging van deze lijk-staatsiepoppen zijn uitgangspunt genomen.
+
+De opdracht van een kunstwerk geschiedt bijna altijd met een bedoeling
+voor het leven, met een praktische bestemming. Hierdoor wordt de grens
+tusschen de vrij beeldende kunst en het kunsthandwerk feitelijk
+uitgewischt, of liever zij is nog niet getrokken. Ook wat de personen
+der kunstenaars betreft, bestaat die grens nog niet. De schaar van zeer
+persoonlijke meesters in den hofdienst van Vlaanderen, Berry en
+Bourgondie wisselt het schilderen van zelfstandige tafereelen niet enkel
+af met het verluchten van handschriften en het polychromeeren van
+beeldhouwwerk; zij moeten ook hun krachten wijden aan het beschilderen
+van wapenschilden en banieren, het ontwerpen van tournooicostuums en
+plechtgewaden. Melchior Broederlam, eerst schilder van den Vlaamschen
+graaf Lodewijk van Male, daarna van diens schoonzoon, den eersten hertog
+van Bourgondie, decoreert vijf gebeeldhouwde zetels voor 's graven huis.
+Hij herstelt en beschildert de mechanieke rariteiten in het kasteel van
+Hesdin, waarmee de gasten besproeid of bestoven werden. Hij werkt aan
+een reiswagen der hertogin. Hij leidt de buitensporige versiering van de
+vloot, die de Bourgondische hertog in 1387 verzameld had in de haven van
+Sluis, voor een tocht tegen Engeland, die nimmer plaats had. Bij de
+vorstelijke bruiloften en begrafenissen worden steeds de hofschilders in
+het werk gesteld. In de werkplaats van Jan van Eyck werden standbeelden
+beschilderd, en hij zelf vervaardigde voor hertog Philips een soort van
+wereldkaart, waarop steden en landen wonderbaarlijk fijn en duidelijk
+geschilderd te zien waren. Van Gerard David vindt men vermeld, dat hij
+de tralies of luiken van het vertrek in het broodhuis te Brugge, waar
+Maximiliaan in 1488 opgesloten zat, met schilderwerk versieren moest,
+om den koninklijken gevangene het verblijf wat te veraangenamen.
+
+Van al het werk, dat uit de handen der groote en geringere kunstenaars
+gekomen is, heeft men slechts een fragment van tamelijk specialen aard
+over. Het zijn in hoofdzaak grafmonumenten, altaarstukken, portretten
+en miniaturen. Van de wereldlijke schilderkunst is, buiten de portretten,
+slechts zeer weinig bewaard. Van de sierkunst en het kunsthandwerk
+hebben wij sommige bepaalde genres: kerkgerei, kerkgewaden, eenige
+meubelkunst. Hoe zou ons inzicht in het karakter der vijftiendeeeuwsche
+kunst verlengd worden, indien wij de badstoof van Jan van Eyck en zijn
+jachttafereelen konden plaatsen naast de vele pieta's en madonna's.
+Van geheele gebieden der toegepaste kunst hebben wij nauwelijks een
+voorstelling. Naast de kerkelijke paramenten moesten wij de met juweelen
+en schelletjes bezette prachtgewaden van het hof kunnen leggen. Wij
+moesten de pralend getooide schepen kunnen zien, waarvan ons de
+miniaturen slechts een hoogst gebrekkige, schematische voorstelling
+geven. Er zijn weinig dingen, wier schoonheid Froissart zoo heeft
+getroffen als van de schepen. [845] De wimpels, rijk met wapens
+versierd, die van den top van den mast wapperden, waren bij wijlen zoo
+lang, dat zij het water raakten. Nog op de scheepsafbeeldingen van
+Pieter Breughel ziet men die buitensporig lange en breede wimpels.
+Het schip van Philips den Stoute, waaraan Melchior Broederlam in 1387
+te Sluis werkte, was bedekt met blauw en goud; groote wapenschilden
+versierden het paviljoen op het achterkasteel; de zeilen waren bestrooid
+met margrieten en de voorletters van het hertogelijk paar, met hun
+devies _Il me tarde_. Het was een wedijver onder de edelen, wie zijn
+schip voor die gefaalde expeditie tegen Engeland het kostbaarst zou
+versieren. De schilders hadden een goeden tijd, zegt Froissart; [846]
+zij verdienden wat zij maar vragen wilden, en men kon er niet genoeg
+vinden. Hij beweert, dat velen de masten geheel met bladgoud lieten
+vergulden. Vooral Guy de la Tremoille spaarde geen kosten; hij besteedde
+er meer dan 2000 ponden aan. "L'on ne se povoit de chose adviser pour
+luy jolyer, ne deviser, que le seigneur de la Trimouille ne le feist
+faire en ses nefs. Et tout ce paioient les povres gens parmy France...."
+
+De trek, die ons in al de verloren wereldsche sierkunst het meest zou
+hebben getroffen, zou ongetwijfeld het overdadige, schitterend
+extravagante zijn geweest. Ook aan de bewaarde kunstwerken is die trek
+van het extravagante wel degelijk eigen, maar daar wij die eigenschap in
+deze kunst het minst waardeeren, letten wij er het minst op. Wij zoeken
+er enkel de diepste schoonheid in te genieten. Alles wat louter praal
+en luister is, heeft voor ons zijn prikkeling verloren. Maar voor den
+tijdgenoot was juist die praal en luister van ontzaglijk gewicht.
+
+De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is er een,
+waarin pracht schoonheid wil verdrijven. De eind-middeleeuwsche kunst
+weerspiegelt getrouw den eind-middeleeuwschen geest, een geest, die zijn
+pad ten einde was geloopen. Wat wij hierboven beschouwden als een der
+voornaamste kenmerken van het laat-middeleeuwsche denken: de uitbeelding
+van al het denkbare tot in al zijn consequentie, de overvulling van den
+geest met een oneindig systeem van formeele verbeeldingen, dat is ook
+het wezen der kunst van dien tijd. Ook zij streeft ernaar, niets
+ongevormd, niets onverbeeld of onversierd te laten. De flamboyante
+gothiek is als een eindeloos orgelnaspel: zij lost alle vormen op in
+zelfontbinding, geeft aan elk detail zijn voortgezette doorwerking, aan
+elke lijn haar tegenlijn. Het is een ongebonden woekeren van den vorm
+over de idee; het versierende detail tast alle vlakken en lijnen aan. Er
+heerscht in deze kunst die horror vacui, die misschien een kenmerk van
+eindigende geestesperioden mag heeten.
+
+Dat alles wil zeggen, dat de grenzen tusschen praal en schoonheid
+verflauwen. Tooi en versiering dienen niet meer, om het natuurlijk
+schoone te verheerlijken, maar overwoekeren het en dreigen het te
+verstikken. Die woekering van de formeele versieringselementen over den
+inhoud is des te toomeloozer, naarmate men zich verder van de zuiver
+beeldende kunst verwijdert. In de beeldhouwkunst is, zoolang zij
+losstaande figuren schept, voor de vormenwoekering weinig plaats: de
+beelden van den Mozesput en de "plourants" van de graftomben wedijveren
+in strenge, sobere natuurlijkheid met Donatello. Maar zoodra de
+beeldhouwkunst een versierende taak krijgt, of in het domein van de
+schilderkunst treedt, en, zich bindend aan de verminderde dimensies van
+het relief, geheele tafereelen weergeeft, gaat ook zij zich te buiten
+aan woelige overlading. In den tabernakel te Dijon ziet men het naast
+elkaar in het snijwerk van Jacques de Baerze en het schilderwerk van
+Broederlam: in het laatste, het zuiver verbeeldende, heerscht eenvoud en
+rust; in het eerste, het versierende, verdringen de vormen elkaar. Van
+denzelfden aard is het verschil tusschen het schilderij en het tapijt.
+De weefkunst blijft door haar onvrijer techniek, ook waar zij de taak op
+zich neemt van zuiver af te beelden, nader staan bij de versieringskunst,
+en kan zich niet onttrekken aan de overdreven versieringsbehoefte: de
+tapijten zijn overvuld met figuren en kleur. Verwijdert men zich nog
+verder van de zuiver beeldende kunst, dan komt de kleeding aan de beurt.
+Ook deze is ontegenzeggelijk kunst. Maar hier is ten eerste de bedoeling
+van praal en tooi reeds overwegend boven die van zuivere schoonheid, en
+bovendien trekt de persoonlijke hoovaardij de kleedingkunst in de sfeer
+van het hartstochtelijke en zinnelijke, waar de eigenschappen, die het
+wezen der hooge kunst uitmaken: de evenmaat en harmonie, bezwijken.
+
+De buitensporigheid der kleederdracht van 1350 tot 1480 is in zoo
+algemeenen en zoo langdurigen vorm niet weer geevenaard. Er zijn ook
+later extravagante modes geweest, zooals de landsknechtendracht
+omstreeks 1520 en het Fransche adellijke costuum van omstreeks 1660,
+maar die teugellooze overdrijving en overlading, die de Fransch-
+bourgondische dracht een eeuw lang gekenmerkt heeft, blijft zonder
+voorbeeld. Hier ziet men, wat de schoonheidszin dier tijden, aan zijn
+ongestoorde drift overgelaten, wrocht. Een enkel hofcostuum wordt
+overladen met honderden edele steenen. Alle afmetingen worden tot in het
+zotte geoutreerd. Het vrouwenkapsel neemt den suikerbroodvorm van den
+"hennin" aan: het haar wordt aan de slapen en bij de inplanting op het
+voorhoofd verwijderd of verborgen, om de zonderling gebombeerde
+voorhoofden te vertoonen, die als schoon golden; het decollete is
+plotseling begonnen. Doch in de mannenkleeding zijn de buitensporigheden
+nog talrijker. Hier heeft men bovenal de lange schoenpunten of
+"poulaines", die de ridders bij Nicopolis zich moesten afsnijden, om te
+kunnen vluchten; dan de ingesnoerde middels, de ballonachtig opgepofte
+mouwen, die bij de schouders omhoog staan, de houppelandes, die tot op
+de voeten hangen, en de buizen zoo kort, dat zij de billen zichtbaar
+laten; de hooge, puntige of cilindervormige mutsen en hoeden, de
+kaproenen wonderlijk om het hoofd gedrapeerd als een hanekam of een
+vlammend vuur. Hoe plechtiger, hoe buitensporiger; want al dit fraais
+beduidt staatsie, "estat". [847] Het rouwkleed, waarin Philips de Goede
+na den moord van zijn vader te Troyes den koning van Engeland ontvangt,
+is zoo lang, dat het van het hooge ros af, dat hij berijdt, de aarde
+raakt. [848]
+
+De overdadige pronk heeft haar toppunt in het hoffeest. Iedereen
+herinnert zich de beschrijvingen van die Bourgondische hoffeesten,
+zooals het banket te Rijssel in 1454, waar de gasten bij den opgedragen
+fazant hun geloften aflegden, om tegen den Turk ter kruisvaart te
+trekken, of het bruiloftsfeest van Karel den Stoute en Margareta van
+York te Brugge in 1468. [849] Niets kan in onze voorstelling verder af
+staan van de stille wijding van het Gentsche of Leuvensche altaarstuk
+dan deze uitingen van barbaarsche vorstenweelde. Uit de beschrijving
+van al die "entremets" met hun pasteien, waarin muzikanten spelen, hun
+opgetuigde schepen en kasteelen, de apen, walvisschen, reuzen en
+dwergen, met al de afgezaagde allegorie, die daarbij hoort, kunnen wij
+ze ons niet anders voorstellen dan als buitengewoon wansmakelijke
+vertooningen.
+
+Toch zien wij hier licht de kloof tusschen de beide uitersten der kunst:
+de kerkelijke en die van het hoffeest, in meer dan een opzicht te groot.
+Allereerst moet men zich rekenschap geven van de functie, welke het
+feest in die samenleving vervulde. Het feest had nog vrij wat behouden
+van de functie, die het bij primitieve volken vervult, van te zijn de
+souvereine uiting der cultuur, de vorm, waarin men gezamenlijk zijn
+hoogste levensvreugde uit en zijn gemeenschapsgevoel verbeeldt. In
+tijden van groote vernieuwing der gemeenschap, zooals in de Fransche
+revolutie, verwerft het feest soms die belangrijke sociale en
+aesthetische functie opnieuw.
+
+De moderne mensch kan op ieder oogenblik van rust in zelfgekozen
+ontspanning individueel de bevestiging van zijn levensinzicht en de
+zuiverste genieting van zijn levensvreugde zoeken. Een tijd, waarin de
+geestelijke genotmiddelen nog weinig verspreid en toegankelijk zijn,
+behoeft daartoe een gezamenlijke daad, het feest. En hoe grooter het
+contrast is van de ellendigheid des dagelijkschen levens, des te
+onmisbaarder is het feest, en des te sterker middelen zijn van noode,
+om die bedwelming in schoonheid en genot, die tempering der realiteit
+te ondergaan, zonder welke het leven dof is. De vijftiende eeuw nu is
+een tijd van ontzettende depressie en grondig pessimisme. Hierboven is
+gesproken van die eeuwige beklemming van onrecht en geweld, hel en
+oordeel, pest, brand en honger, duivel en heksen, waaronder die eeuw
+leeft. De arme menschheid behoeft daartegen niet alleen de dagelijks
+herhaalde belofte van het hemelsch heil en van Gods wakende zorg en
+goedheid; van tijd tot tijd is ook nog een plechtige en gezamenlijke,
+glorieuze verzekering van de schoonheid des levens zelf noodig. Het
+levensgenot in zijn primaire vormen: spel, min, drank, dans en zang, is
+niet genoeg; het moet veredeld worden met schoonheid, gestyleerd in een
+gemeenschappelijk vreugdebedrijf. Want voor elk voor zich: in de boeken,
+of in het aanhooren van muziek, in het aanschouwen van kunst, in het
+genieten der natuur, was die bevrediging nog niet bereikbaar; de boeken
+waren te kostbaar, de natuur te onveilig, de kunst maakte juist deel uit
+van het feest.
+
+Het volksfeest had zijn eigen, oorspronkelijke bronnen van schoonheid
+enkel in het lied en in den dans. Voor het schoon van kleur en vorm
+leunde het op het kerkfeest, waarbij het zich gewoonlijk aansloot, en
+dat daarvan overvloed bood. De losmaking van het burgerlijke feest uit
+den kerkelijken vorm, en de opluistering ervan met eigen sier, wordt
+juist in de vijftiende eeuw door de rederijkers volbracht. Tot dusver
+was alleen het vorstenhof in staat geweest, een zuiver wereldlijk feest
+te tooien met weelde van kunst, er een eigen pracht aan te geven. Maar
+weelde en pracht zijn voor het feest niet genoeg; niets is ervoor zoo
+onmisbaar als stijl.
+
+Het kerkfeest had dien stijl krachtens de liturgie zelf. Daar was altijd
+aanwezig de indrukwekkende verbeelding van een verheven idee in een
+schoon gebaar van velen samen. De heilige waardigheid en de hooge vaste
+gang werden er zelfs door de uiterste woekeringen van het feestelijk
+detail, tot in het burleske toe, niet verbroken. Doch waaraan ontleende
+het hoffeest zijn stijl? wat was hier de idee, die het uitdrukte?--Het
+kon geen andere zijn dan het ridderideaal, want daarop berustte de
+geheele levensvorm van het hof. Was aan het ridderideaal een eigen
+stijl, een liturgie om zoo te zeggen, verbonden?--Ja, alles wat
+ridderslag, orderegels, tournooi, preseance, hulde en dienst betrof: het
+gansche spel van wapenkoningen, herauten, blazoenen, maakte dien stijl
+uit. Voorzoover het hoffeest uit die elementen was opgebouwd, had het
+voor de tijdgenooten wel degelijk een grooten, eerbiedwaardigen stijl.
+Nu nog kan zelfs iemand zonder monarchale of adellijke geestdrift bij
+het aanschouwen van elke willekeurige staatsie de huivering van zulk een
+zuiver wereldsche liturgie ondergaan. Hoe moet het dan geweest zijn voor
+de bevangenen in den waan van dat ridderideaal, bij de pompeuze
+aankleeding met lange gewaden en schitterende kleuren!
+
+Maar het hoffeest wilde nog meer. Het wilde den droom van het heroische
+leven tot het uiterste verbeelden. Hier nu brak de stijl. Die gansche
+toestel van ridderlijke fantazie en staatsie was niet meer van echt
+leven vervuld. Het was alles teveel litteratuur geworden, een vooze
+renaissance en een ijdele conventie. De overlading met staatsie en
+etikette moest het innerlijk verval van den levensvorm bedekken. De
+ridderlijke gedachte der vijftiende eeuw zwelgt in een romantiek, die
+door en door hol en versleten is. Dat was de bron, waaruit het hoffeest
+de fantazie voor zijn vertooningen en verbeeldingen putten moest. Hoe
+zou het stijl scheppen uit een litteratuur, zoo stijlloos, ongebonden en
+verschaald als de ridderlijke romantiek in haar ontaarding?
+
+In dit licht moet men de schoonheidswaarde van de "entremets" bezien:
+het is toegepaste litteratuur, waarbij het eenige, wat die litteratuur
+nog dragelijk kon maken: haar vluchtig, oppervlakkig voortdroomen over
+al haar bonte gedaanten, plaats maakt voor de opdringendheid van het
+stoffelijk voorgestelde.
+
+De zware, barbaarsche ernst, die uit dat alles spreekt, past juist bij
+het Bourgondische hof, dat door zijn aanraking met het Noorden den
+luchtiger en harmonischer Franschen geest scheen te hebben verloren.
+Plechtig en gewichtig wordt al die geweldige pronk opgevat. Het groote
+feest van den hertog te Rijssel vormde het besluit en de bekroning van
+een reeks van banketten, die de hofadel elkander in wedijver aanbood.
+Het was eenvoudig begonnen, en met geringe kosten, en dan gestegen in
+aantal van gasten, weelderigheid van menu en entremets; door het
+aanbieden van een krans gaf de gastheer een ander de beurt; zoo ging het
+over van ridders op groote heeren en van heeren op prinsen, in steeds
+stijgende mate van uithaal en vertoon, totdat het eindelijk aan den
+hertog zelf kwam. Voor Philips moest het meer zijn dan een schitterend
+feest; daar zouden de geloften plaats hebben voor den kruistocht tegen
+de Turken ter herovering van Constantinopel, een jaar tevoren gevallen:
+'s hertogen luid beleden levensideaal. Ter voorbereiding wees hij een
+commissie aan onder leiding van den vliesridder Jean de Lannoy. Ook
+Olivier de la Marche had er zitting in. Wanneer deze in zijn
+gedenkschriften tot die zaken genaderd is, wordt het hem nog plechtig te
+moede. "Pour ce que grandes et honnorables oeuvres desirent loingtaine
+renommee et perpetuelle memoire," aldus begint hij die groote dingen te
+gedenken. [850] De eerste en nauwste raden van den hertog waren
+herhaaldelijk tegenwoordig bij de beraadslagingen: de kanselier Nicolaas
+Rolin zelf en Antoine de Croy, de eerste kamerheer werden ertoe
+geroepen, eer men het eens was, hoe "les cerimonies et les misteres"
+moesten worden opgezet.
+
+Het relaas van al dat fraais is zoo dikwijls gedaan, dat het hier niet
+behoeft te worden herhaald. Men was zelfs van over zee gekomen, om het
+schouwspel te zien. Er waren buiten de gasten tal van adellijke
+toeschouwers, de meesten in vermomming. Men ging eerst rond, om de in
+beeldwerk uitgevoerde, vaste pronkstukken te bewonderen; eerst later
+volgden de vertooningen en tableaux-vivants van levende personen.
+Olivier zelf speelde de hoofdrol, die van Sainte Eglise in het
+voornaamste stuk, als deze binnenkomt in een toren op den rug van een
+olifant, door een Turkschen reus geleid. Op de tafels prijkten de
+geweldigste decoraties: een bemande en opgetuigde kraak, een weide
+uitgemonsterd met boomen, een bron, rotsen en een beeld van Sint
+Andries, het kasteel Lusignan met de fee Melusine, een windmolen,
+waarbij naar den vogel geschoten werd, een bosch met bewegelijke wilde
+dieren en tenslotte de kerk met een orgel en zangers, die muziek ten
+beste gaven, afgewisseld door het orkest van 28 personen, dat in de
+pastei zat.
+
+Waar het hier op aan komt, is de mate van smaak of wansmaak, die in dat
+alles tot uiting kwam. In de stof zelve kunnen wij niet veel anders zien
+dan een poespas van mythologische, allegorische en moraliseerende
+figuren. Doch hoe was de uitvoering? Zonder twijfel werd de voornaamste
+werking gezocht in het extravagante. De toren van Gorkum, die bij het
+bruiloftsfeest van 1468 als tafelopzet prijkte, was 46 voet hoog. [851]
+Van een walvisch, die bij diezelfde gelegenheid dienst deed, zegt La
+Marche: "et certes ce fut un moult bel entremectz, car il y avoit dedans
+plus de quarante personnes." [852] Voorzoover het kwistig gebruik van de
+wonderen der mechaniek strekt, kunnen wij er geen denkbeeld van kunst
+aan verbinden: levende vogels, die uit den muil van een draak vliegen,
+dien Hercules bevecht en dergelijke verbazingwekkendheden. Het komische
+element erin is van zeer laag allooi: uit den Gorkumschen toren blazen
+wilde zwijnen de trompet; geiten voeren een motet uit, wolven spelen
+fluit, vier groote ezels treden als zangers op, dit alles voor Karel den
+Stoute, die zelf een fijn muziekkenner was.
+
+Toch zou ik er niet aan willen twijfelen, dat bij al die feestartikelen,
+bij de vaste stukken met name, naast veel matelooze, verdwaasde pronk,
+menig echt kunstwerk, is geweest. Laat ons toch niet vergeten, dat de
+menschen, die aan al deze gargantueske pracht hun hart ophaalden en hun
+ernstigste gedachten wijdden, de opdrachtgevers van Jan van Eyck en
+Rogier van der Weyden zijn geweest. Het was de hertog zelf, het was
+Rolin, de stichter van het altaar van Beaune en van Autun, Jean Chevrot,
+die van de Zeven sacramenten van Rogier, de Lanoy's. En wat meer zegt:
+de vervaardigers van deze of soortgelijke pronkstukken waren de
+schilders zelf. Al weet men het toevallig niet van Jan of Rogier, men
+weet het van anderen, hoe zij bij zulke feesten meewerkten: Colard
+Marmion, Simon Marmion, Jacques Daret. Voor het feest van 1468, dat
+plotseling vervroegd heette, werd, om tijdig klaar te zijn, het gansche
+schildersvak gemobiliseerd: haastig werden er gezellen naar Brugge
+ontboden uit Gent, Brussel, Leuven, Thienen, Bergen, Quesnoy,
+Valenciennes, Douai, Kamerijk, Atrecht, Rijsel, Yperen, Kortrijk en
+Oudenaarde. [853] Het kan niet ten eenenmale leelijk zijn geweest, wat
+uit die handen kwam. De dertig opgetuigde schepen van het banket van
+1468, met de wapens van 's hertogen heerschappijen, de zestig vrouwtjes
+in verschillende landsdracht, [854] met vruchtenmandjes en vogelkooien,
+die windmolen met vogelschieters,--men zou er menig middelmatig
+kerkelijk stuk voor willen geven.
+
+Er is in die dagen nog een zekere ongescheidenheid van smaak en wansmaak
+in de geesten: kunstzin en lust aan pronk en rariteiten hebben zich nog
+niet van elkaar afgezonderd. De naieve fantazie kan nog ongestoord het
+bizarre genieten, alsof het schoonheid was. Hooge kunst en kostbare
+prullenkraam worden nog gemoedelijk dooreengemengd en gelijkelijk
+bewonderd. Een verzameling als die van het Gruene Gewoelbe te Dresden
+vertoont het uitgescheiden caput mortuum van de vorstelijke
+kunstcollectie, waarmee zij eenmaal een geheel uitmaakte. In het kasteel
+van Hesdin, schatkamer van kunstwerken en lustoord tevens, vol van die
+mechanieke vermakelijkheden, "engins d'esbatement", die zoo lang bij het
+vorstelijke lustverblijf zijn blijven behooren, zag Caxton een kamer,
+versierd met schilderijen, die de geschiedenis voorstelden van Jason,
+den held van het Gulden vlies. Ter opluistering waren er bliksem-,
+donder-, sneeuw- en regeninstrumenten aangebracht, om daarmee Medea's
+tooverijen na te bootsen. [855]
+
+Ook bij de vertooningen, "personnages", die bij vorstelijke intochten op
+de hoeken der straten stonden opgesteld, kon de fantazie veel verdragen.
+Naast heilige tafereelen zag men te Parijs in 1389, bij den intocht van
+Isabella van Beieren als gemalin van Karel VI, een wit hert met vergulde
+horens en een kroon om den hals; het ligt op een "lit de justice", en
+beweegt oogen, horens, pooten, om tenslotte een zwaard omhoog te houden.
+Bij denzelfden intocht daalt een engel "par engins bien faits" van de
+torens der Notre Dame, dringt juist als de koningin passeert, door een
+spleet in de bespanning van blauw taffetas met gouden lelien, waarmee de
+geheele brug is overdekt, zet haar een kroon op het hoofd, en verdwijnt
+weer, zooals hij gekomen is, "comme s'il s'en fust retourne de
+soy-mesmes au ciel". [856] Philips de Goede wordt bij een intocht te
+Gent op een soortgelijke nederdaling van een meisje onthaald, [857]
+evenzoo Karel VIII te Reims in 1484. [858] Wij kunnen ons moeilijk iets
+zotters voorstellen dan een zoogenaamd tooneelpaard, waar een man in
+loopt. In de vijftiende eeuw vond men het blijkbaar niet lachwekkend,
+althans Le Fevre de Saint Remy vertelt zonder een zweem van spot van een
+vertooning van vier trompetters en twaalf edellieden "sur chevaulx de
+artifice", "saillans et poursaillans tellement que belle chose estoit a
+veoir". [859]
+
+De scheiding, die onze kunstzin eischt, en die de verwoestende tijd ons
+heeft helpen maken tusschen al dien bizarren opschik, die spoorloos is
+vergaan, en de enkele hooge kunstwerken, die ons bewaard zijn, heeft
+voor den tijdgenoot nauwelijks bestaan. Het kunstleven van den
+Bourgondischen tijd lag nog geheel besloten in de vormen van het
+gezelschapsleven. De kunst diende. Zij had in de eerste plaats een
+sociale functie, en deze is bovenal het tentoonspreiden van praal, en
+het accentueeren van de persoonlijke belangrijkheid, niet van den
+kunstenaar, maar van den stichter. Dit wordt niet weggenomen door het
+feit, dat in de kerkelijke kunst de pralende heerlijkheid dient, om
+heilige gedachten omhoog te voeren, en dat de stichter zijn persoon op
+den voorgrond heeft gesteld uit vromen zin. Aan den anderen kant is de
+aard van het wereldlijk schilderij volstrekt niet altijd die overdadig
+hoogmoedige, die paste bij het opgeblazen hofleven. Om goed te zien, hoe
+kunst en leven bij elkaar aansloten, in elkaar opgingen, missen wij veel
+te veel van de omgeving, waarin de kunst geplaatst was, is onze kennis
+van de kunst zelf veel te fragmentair. Hof en kerk zijn samen het leven
+van den tijd nog niet.
+
+Daarom zijn voor ons die weinige kunstwerken van zoo bijzonder gewicht,
+waarin iets van het leven buiten die twee sferen tot uiting komt. Een
+straalt daaronder in ongeevenaarde kostbaarheid: het portret van het
+echtpaar Arnolfini. Hier heeft men de kunst der vijftiende eeuw in haar
+zuiversten vorm; hier nadert men het dichtst tot den raadselachtigen
+persoon van den maker Jan van Eyck. Ditmaal behoefde hij noch de
+schitterende majesteit van het goddelijke uit te drukken, noch de
+hoovaardij van hooge heeren te dienen: het waren zijn vrienden, die hij
+schilderde, ter gelegenheid van hun huwelijk. Is het werkelijk Jean
+Arnoulphin, zooals hij in Vlaanderen heette, de koopman uit Lucca,
+geweest? Dit gezicht, dat tweemaal door Van Eyck geschilderd is, [860]
+schijnt wel het minst Italiaansche, dat ooit uit oogen keek. Doch de
+aanduiding van het stuk als "Hernoul le fin avez sa femme dedens une
+chambre" in den inventaris der schilderijen van Margareta van Oostenrijk
+uit 1516 [861] blijft wel een sterk argument, om er Arnolfini in te
+zien. In dat geval beschouwe men het eigenlijk niet als een "burgerlijk
+portret". Want Arnolfini was een groot heer, herhaaldelijk raadsman der
+hertogelijke regeering in gewichtige zaken. Hoe het zij, de man, die
+hier is afgebeeld, was een vriend van Jan van Eyck. Dat getuigt die fijn
+zinrijke wijze, waarop de schilder zijn werk heeft gewaarmerkt, het
+opschrift boven den spiegel: "Johannes de Eyck fuit hic, 1434". Jan
+van Eyck is hier geweest. Zooeven nog. In de suizende stilte van die
+binnenkamer toeft nog de klank van zijn stem. De innige teerheid en de
+stille vrede, zooals eerst Rembrandt ze opnieuw zal geven, liggen in dit
+stuk besloten, alsof het Jan's eigen hart was. Hier is opeens die avond
+der Middeleeuwen terug, dien wij kennen, en toch zoo dikwijls in de
+litteratuur, de geschiedenis, het geloofsleven dier tijden vergeefs
+zoeken: de gelukkige, edele, serene en eenvoudige Middeleeuw van het
+volkslied en de kerkmuziek. Hoe ver zijn wij nu weer van dien schellen
+lach en den toomeloozen hartstocht!
+
+Dan ziet wellicht onze verbeelding een Jan van Eyck, die buiten het
+felle, bonte leven van zijn tijd stond, een eenvoudige, een droomer, die
+met gebogen hoofd, den blik naar binnen gekeerd, door 't leven sloop.
+Voorzichtig, of het wordt een kunsthistorische novelle: hoe 's hertogen
+"varlet de chambre" met weerzin de hooge heeren diende, hoe zijn
+kunstmakkers met diepe smart hun hooge kunst moesten verloochenen, om
+mee te werken aan hoffeesten en vlootuitrusting.
+
+Er is niets, wat zulk een voorstelling rechtvaardigt. De kunst der Van
+Eyck's, die wij bewonderen, stond midden in het hofleven, dat ons
+afstoot. Het weinige wat wij van het leven dier schilders weten, toont
+hen ons als lieden van de wereld. De hertog van Berry is met zijn
+hofschilders op den besten voet. Froissart ontmoette hem in gemeenzaam
+onderhoud met Andre Beauneveu in zijn wonderkasteel Mehun sur Yevre.
+[862] De drie gebroeders van Limburg, de groote verluchters, verblijden
+den hertog op nieuwjaar met een surprise: een nieuw verlucht handschrift,
+dat "un livre contrefait" blijkt, "d'une piece de bois blanc paincte en
+semblance d'un livre, ou il n'a nulz feuillets ne riens escript". [863]
+Jan van Eyck heeft zich zonder twijfel midden in het hofleven bewogen.
+Voor de geheime diplomatieke zendingen, waarmee Philips de Goede hem
+belastte, was een wereldkenner noodig. Hij gold in zijn eeuw als een
+geletterde, die klassieken las en meetkunde bestudeerde. Met een lichte
+bizarrerie heeft hij zijn bescheiden zinspreuk "Als ik kan" in Grieksche
+karakters vermomd.
+
+Werden wij niet door deze en dergelijke gegevens gewaarschuwd, dan
+zouden wij allicht geneigd zijn, de kunst der Van Eyck's op een
+verkeerde plaats in het leven der vijftiende eeuw te zien. Daar zijn in
+dien tijd twee voor onzen blik scherp gescheiden levenssferen. Hier is
+de cultuur van het hof, den adel en de rijke burgerij; praalziek, eer-
+en hebzuchtig, kakelbont, gloeiend hartstochtelijk. Daar is de stille,
+effen grijze sfeer der moderne devotie, de ernstige mannen en de gedweee
+burgervrouwtjes, die hun toeverlaat zochten in de Fraterhuizen en bij de
+Windesheimers, waar de verre zachte branding der _Imitatio_ fluistert,
+--de sfeer ook van Ruusbroec en de heilige Colette. Dat is de sfeer,
+waarin voor ons gevoel de kunst der Van Eyck's, met haar vrome, stille
+mystiek, zou passen. Toch is haar plaats eer in de andere. De moderne
+devoten stonden afwijzend tegenover de groote kunst, die zich in hun tijd
+ontplooide. Zij verzetten zich tegen de veelstemmige muziek, zelfs tegen
+de orgels, [864] terwijl het de prachtlievende Bourgondiers zijn: bisschop
+David van Utrecht en Karel de Stoute zelf, die in hun kapellen de eerste
+meesters als leiders hebben: Obrecht te Utrecht, Busnois bij den hertog,
+die hem zelfs meeneemt naar het kamp voor Neuss. De ordinarius van
+Windesheim verbood elke versiering van den zang, en Thomas a Kempis zegt:
+"kunt gij niet zingen als de leeuwerik en de nachtegaal, zingt dan als de
+raven en de kikvorschen in den poel, die zingen zooals God het hun gegeven
+heeft." [865] Over de schilderkunst hebben zij zich uit den aard der zaak
+minder uitgelaten; maar zij wilden hun boeken eenvoudig hebben, en niet
+terwille van de kunst ze verluchten. [866] Hoogstwaarschijnlijk zouden zij
+zelfs een werk als de Aanbidding van het Lam louter hoogmoed geacht hebben.
+
+Is overigens de scheiding tusschen die beide levenssferen wel zoo scherp
+geweest, als wij haar zien? Hierboven is het reeds gezegd. Er zijn
+talrijke aanrakingen tusschen de hofkringen en die van den streng
+godsdienstigen wandel. De heilige Colette en Dionysius de Kartuizer
+verkeeren met de hertogen; Margareta van York, de tweede gemalin van
+Karel den Stoute, stelt levendig belang in de "gereformeerde" kloosters
+van Belgie. Beatrix van Ravestein, een der eersten aan het Bourgondische
+hof, draagt onder de pronkgewaden het haren kleed. "Vestue de drap d'or
+et de royaux atournemens a luy duisans, et feignant estre la plus
+mondaine des autres, livrant ascout a toutes paroles perdues, comme
+maintes font, et monstrant de dehors de pareil usages avecques les
+lascives et huiseuses, portoit journellement la haire sur sa chair nue,
+jeunoit en pain et en eau mainte journee par fiction couverte, et son
+mary absent couchoit en la paille de son lit mainte nuyt." [867] Den
+inkeer, die voor de moderne devoten blijvende levensvorm geworden was,
+kennen de groote hoovaardigen ook, doch slechts bij vlagen, als de
+naweeen der overdaad. Wanneer Philips de Goede na het groote feest van
+Rijsel naar Regensburg is vertrokken, om met den keizer te spreken,
+begeven zich verscheiden edelen en vrouwen van het hof in de
+observantie, "qui menerent moult belle et saincte vie." [868]--De
+kroniekschrijvers, die met zooveel gewichtige uitvoerigheid al dien
+praal en staat beschrijven, laten niet na, herhaaldelijk hun afkeer van
+"pompes et beubans" te uiten. Zelfs Olivier de la Marche bepeinst na het
+feest van Rijsel "les oultraigeux exces et la grant despense qui pour la
+cause de ces banquetz ont este faictz." En hij vindt er geen
+"entendement de vertu" in, behalve wat het entremets betreft, waarin de
+Kerk optrad; doch een ander hofwijze legt hem uit, waarom dat alles zoo
+had moeten zijn. [869] Lodewijk XI had uit zijn verblijf aan het hof van
+Bourgondie een haat behouden tegen al wat weelde was. [870]
+
+De kringen, waarin en waarvoor de kunstenaars werkten, zijn gansch
+andere geweest dan die der moderne devotie. Al heeft de opbloei der
+schilderkunst evenzeer als die van het geloof zijn wortels in de
+stedelijke samenleving, burgerlijk kan de kunst der Van Eyck's en die
+hen volgen, niet meer heeten. Het hof en de adel hadden de kunst tot
+zich getrokken. De verheffing der miniatuurkunst tot die hoogten van
+artistieke verfijning, die het werk der gebroeders van Limburg en van de
+_Heures de Turin_ kenmerkt, was zelfs aan het vorstelijk maecenaat bij
+uitstek te danken. En ook de rijke burgerijen van de groote steden van
+Belgie streefden zelf naar een adellijken levensvorm. Het verschil
+tusschen de Zuid-nederlandsche en Fransche kunst eenerzijds, en het
+weinige, wat uit de vijftiende eeuw als Noord-nederlandsch is te
+beschouwen, anderzijds, kan het best worden gezien als een verschil van
+milieu: daar het weelderige, rijpe leven van Brugge, Gent, Brussel, in
+voortdurende aanraking met het hof; hier een afgelegen landstadje als
+Haarlem, in alles veel meer verwant aan de stille IJselsteden der
+moderne devotie. Indien de kunst van Dirk Bouts Haarlemsch mag heeten
+(wat wij van hem hebben, is gemaakt in het Zuiden, dat ook hem getrokken
+had), dan kan het slichte, strakke, ingetogene, dat zijn werk eigen is,
+gelden als de echt burgerlijke uitdrukking tegenover de aristocratische
+allure, den pompeuzen zwier, de praal en schittering der zuidelijke
+meesters. De Haarlemsche school staat inderdaad nader tot de sfeer van
+den burgerlijken levensernst.
+
+De werkgevers van de groote schilderkunst, voorzoover wij hen kennen,
+zijn bijna zonder uitzondering de vertegenwoordigers geweest van het
+groote kapitaal van die dagen. Het zijn de vorsten zelf, de hooge heeren
+van het hof en de groote parvenu's, waaraan het Bourgondische tijdvak
+rijk is, en die evenzeer als de anderen graviteeren naar het hof. De
+Bourgondische macht berust immers juist op het indiensttrekken der
+geldmachten en het scheppen van nieuwe adellijke geldmachten door
+schenking en begunstiging. De levensvorm van die kringen is die van het
+zwierige ridderideaal, waar men zwelgt in de staatsie van het Gulden
+Vlies en de praal van feesten en tournooien. Op dat innig-vrome stuk de
+Zeven sacramenten in het Antwerpsche museum wijst een wapen als den
+vermoedelijken stichter den bisschop van Doornik, Jean Chevrot, aan.
+Deze was naast Rolin de nauwste raadsman van den hertog, [871] ijverig
+dienaar in de zaken van het Gulden Vlies en van het groote
+kruistochtplan. Het type van den grooten kapitalist dier dagen is Pieter
+Bladelyn, wiens stemmige figuur bekend is van het drieluik, dat het
+altaar van de kerk in zijn stadje Middelburg in Vlaanderen gesierd
+heeft. Van ontvanger van zijn geboortestad Brugge was hij opgeklommen
+tot algemeen hertogelijk tresorier. Door zuinigheid en goede controle
+bracht hij verbetering in de financien. Hij werd tresorier van het
+Gulden Vlies, ridder; hij werd op de gewichtige diplomatieke zending
+gebruikt, om in 1440 Charles d'Orleans uit de Engelsche gevangenschap
+los te koopen; hij zou mee op den kruistocht tegen de Turken voor het
+beheer der geldmiddelen. Zijn rijkdommen maakten de verbazing der
+tijdgenooten gaande. Hij besteedde ze aan inpolderingen, waaraan nog de
+Bladelijnspolder tusschen Sluis en Zuidzande herinnert, en aan het
+stichten van een nieuwe stad, Middelburg in Vlaanderen. [872]
+
+Jodocus Vydt, die als stichter op het Gentsche altaarstuk prijkt, en de
+kanunnik Van de Paele, behooren eveneens tot de groote rijken van dien
+tijd; de Croy's en de Lannoy's zijn adellijke nouveaux riches. De
+tijdgenooten zijn het meest van al getroffen geweest door de opklimming
+van Nicolaas Rolin, den kanselier, "venu de petit lieu", en als jurist,
+financier en diplomaat tot de hoogste diensten gebruikt. De groote
+verdragen der Bourgondiers van 1419 tot 1435 zijn zijn werk geweest.
+"Soloit tout gouverner tout seul et a part luy manier et porter tout,
+fust de guerre, fust de paix, fust en fait des finances." [873] Hij had
+door niet onverdachte middelen ontzaglijke rijkdommen opgehoopt, die hij
+besteedde aan tal van stichtingen. Toch sprak men met haat van zijn
+hebzucht en zijn hoogmoed. Want men geloofde niet aan den vromen zin,
+die tot die stichtingen dreef. Rolin, zoo vroom geknield op het stuk van
+Jan van Eyck in het Louvre, dat hij liet schilderen voor zijn
+geboortestad Autun, en nogmaals vroom geknield op dat van Rogier van der
+Weyden voor zijn gasthuis te Beaune, stond bekend als een, die enkel het
+aardsche telt. "Hij oogstte altijd op aarde, zegt Chastellain, alsof de
+aarde hem eeuwig ware, waarin hem zijn verstand afdwaalde, toen hij geen
+paal en perk wilde stellen aan dat, waarvan zijn hooge jaren hem het
+nabije einde voor oogen hielden." En Jacques du Clercq zegt: "Le dit
+chancellier fust repute ung des sages hommes du royaume a parler
+temporellement; car au regard de l'espirituel, je m'en tais". [874]
+
+Zal men nu in het gelaat van den stichter van La vierge au chancelier
+Rolin een huichelachtig wezen gaan zoeken? Of is ook hier veeleer te
+denken aan die wonderlijke tegenstrijdigheid, die samenbestaanbaarheid
+van de schreeuwendste zonden van hoogmoed, hebzucht en onkuischheid met
+diepe vroomheid en sterk geloof, welke hierboven als een der ethische
+typen van den tijd werd gesteld?
+
+De schilderkunst der vijftiende eeuw ligt in de sfeer, waar de uitersten
+van het mystische en het grof aardsche elkander raken. Het geloof, dat
+hier spreekt, is zoo onmiddellijk, dat geen aardsche verbeelding er te
+zinnelijk of te zwaar voor is. Van Eyck kan zijn engelen en goddelijke
+figuren behangen met de zware praal van stijve gewaden, druipende van
+goud en steenen; om naar omhoog te wijzen behoeft hij nog niet de
+fladderende slippen en spartelende beenen der barok.
+
+Doch al is dat geloof zeer onmiddellijk en sterk, primitief is het
+daarom niet. De benaming primitieven voor de schilders der vijftiende
+eeuw behelst het gevaar van een misverstand. Primitief mag hier slechts
+de beteekenis hebben van eerstkomend, in zooverre er geen oudere
+schilderkunst bekend is, als een louter tijdrekenkundige term dus.
+Gewoonlijk echter is men geneigd, daaraan tevens de voorstelling te
+verbinden, alsof de geest dier kunstenaars primitief was. En dit is
+volkomen onjuist. De geest van die kunst is die van het geloof zelve,
+zooals hij hier boven werd beschreven: de uiterste doorwerking en
+uitwerking van alles wat des geloofs is met de verbeelding.
+
+Eens had men de goddelijke figuren oneindig ver af gezien: strak en
+star. Toen was het pathos der innigheid gekomen. Met een vloed van
+tranen en gezang was het opgebloeid in de mystiek der twaalfde eeuw,
+Sint Bernard bovenal. Men had de godheid bestormd met zijn snikkende
+aandoening. Om toch maar beter mee te mogen voelen in het goddelijk
+lijden, had men Christus en den heiligen al de kleuren en vormen
+opgedrongen, die de fantazie uit het aardsche leven putte. Een stroom
+van rijke menschelijke verbeelding was door alle hemelen gevloeid. En
+steeds verder vlood die stroom in ontelbare kleine vertakkingen af.
+In altijd verderschrijdende uitwerking was gaandeweg al het heilige
+tot in de kleinste bijzonderheden in beeld gebracht. Men had met zijn
+smachtende armen den hemel naar omlaag getrokken.
+
+Eerst was langen tijd het woord de plastische en picturale schepping
+voor geweest in uitbeeldend vermogen. In de dertiende eeuw, toen de
+sculptuur nog veel van het schematische der oudere voorstelling
+bewaarde, door haar materieele middelen en haar kader beperkt, begonnen
+reeds de _Meditationes_ van Pseudo-Bonaventura al de lijfelijke
+houdingen en al de aandoeningen van het kruisdrama tot in de geringste
+bijzonderheden te beschrijven. Doch inmiddels schreed ook de picturale
+techniek voort; de beeldende kunst haalt den voorsprong in, en meer dan
+in. Met de kunst der Van Eyck's heeft de picturale uitbeelding der
+heilige dingen een graad van detailleering en naturalisme bereikt, die
+misschien strikt kunsthistorisch een begin kan heeten, maar
+cultuurhistorisch een einde beduidt. De uiterste spanning in het aardsch
+verbeelden van het goddelijke was hier bereikt; de mystische inhoud dier
+verbeelding stond gereed om uit die beelden te ontvlieden en enkel den
+lust aan den bonten vorm achter te laten.
+
+Zoo is het naturalisme der Van Eyck's, dat men in de kunstgeschiedenis
+pleegt op te vatten als een element, dat de Renaissance aankondigt,
+veeleer te beschouwen als de volledige ontplooiing van den laat-
+middeleeuwschen geest. Het is datzelfde natuurlijk verbeelden van het
+heilige, dat waar te nemen viel in alles, wat de heiligenvereering
+betreft, in de sermoenen van Johannes Brugman, in de uitgewerkte
+bespiegelingen van Gerson en de beschrijvingen der hellepijn van
+Dionysius den Kartuizer.
+
+Het is altijd weer de vorm, die den inhoud dreigt te overwoekeren, en
+hem belet, zich te verjongen. In de kunst der Van Eyck's is de inhoud
+nog volkomen middeleeuwsch. Nieuwe gedachten spreekt zij niet uit. Zij
+is een uiterste, een eindpunt. Het middeleeuwsche begrippensysteem stond
+ten hemel toe volbouwd; er viel nog slechts aan te kleuren en te
+versieren.
+
+In de bewondering der groote schilderkunst zijn aan den tijdgenoot twee
+dingen bewust geworden: de treffende voorstelling van het onderwerp en
+de onbegrijpelijke kunstvaardigheid, de wonderlijke perfectie der
+details, het volstrekt natuurgetrouwe. Aan den eenen kant een
+waardeering, die meer in de sfeer van de vroomheid dan van de
+schoonheidsontroering ligt, aan den anderen kant een naieve verbazing,
+die naar onze opvattingen aan schoonheidsontroering niet toekomt. Een
+Genueesch litteraat omstreeks 1450, Bartolomeo Fazio, is de eerste van
+wien kunstkritische beschouwingen over werken van Jan van Eyck, ten
+deele thans verloren, bekend zijn. Hij roemt de schoonheid en
+eerbaarheid van een Mariafiguur, de haren van den engel Gabriel, "die
+echte haren overtreffen", de heilige strengheid der askese, die uit des
+Doopers aangezicht straalt, de wijze waarop een Hieronymus "leeft".
+Verder bewondert hij het perspectief in Hieronymus' studeervertrek,
+den zonnestraal, die door een reet valt, het spiegelbeeld van de eene
+badende vrouw, de zweetdruppels op het lichaam der andere, de brandende
+lamp, het landschap met wandelaars en bergen, bosschen, dorpen en
+kasteelen, de eindelooze verten van het verschiet, en nogmaals den
+spiegel, [875] De termen, waarin dit geschiedt, verraden louter
+curiositeit en verbazing. Hij laat zich genoegelijk meedrijven op den
+stroom van ongebreidelde verbeelding; naar de schoonheid van het geheel
+vraagt hij niet. Dat is de nog middeleeuwsche waardeering van het
+middeleeuwsche werk.
+
+Wanneer een eeuw later de schoonheidsopvattingen der Renaissance zijn
+doorgedrongen, wordt juist die bovenmatige uitwerking van het
+zelfstandige detail de Vlaamsche kunst aangerekend als haar
+fundamenteele gebrek. Indien Francesco de Holanda, de Portugeesche
+schilder, die zijn kunstbespiegelingen voor gesprekken met Michel Angelo
+laat doorgaan, naar waarheid de meening van den machtigen meester heeft
+weergegeven, dan zou deze het volgende hebben gezegd.
+
+"De Vlaamsche schilderkunst bevalt allen vromen beter dan de
+Italiaansche. Deze laat hen nooit tranen vergieten, gene doet hen
+rijkelijk weenen, en dat is geenszins het gevolg van de kracht en de
+verdienste van die kunst, het is alleen te wijten aan de groote
+aandoenlijkheid der vromen. De Vlaamsche schilderkunst valt in den smaak
+van de vrouwen, vooral van de oudere en de heel jonge, evenals van de
+monniken, de nonnen en alle voorname lieden, die niet ontvankelijk zijn
+voor de ware harmonie. In Vlaanderen schildert men hoofdzakelijk, om het
+uiterlijk aanzien der dingen bedriegelijk weer te geven, en meest
+onderwerpen, die in vervoering brengen of onberispelijk zijn, zooals
+heiligen en profeten. In den regel schilderen zij echter wat men een
+landschap pleegt te noemen en daarin veel figuren. Hoewel dit het oog
+aangenaam aandoet, is daarin inderdaad noch kunst noch rede; daarin is
+geen symmetrie, geen verhouding; daarin heerscht geen keuze, er is geen
+grootheid in, in een woord: deze schilderkunst is zonder kracht of
+heerlijkheid; zij wil vele dingen tegelijk volkomen afbeelden, waarvan
+een belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten aan te besteden."
+
+De vromen, dat zijn hier de middeleeuwschen van geest. Voor dezen groote
+is de oude schoonheid een zaak der kleinen en zwakken geworden. Niet
+allen oordeelden zoo. Voor Duerer en Quinten Metsys, en voor Jan van
+Scorel, die de Aanbidding van het Lam heet te hebben gekust, was de oude
+kunst geenszins dood. Maar het is Michel Angelo, die hier in meer
+volstrekten zin de Renaissance vertegenwoordigt. Wat hij in de Vlaamsche
+kunst verwerpt, het zijn juist de essentieele trekken van den
+laat-middeleeuwschen geest: de heftige sentimentaliteit, het zien van
+elke bijzonderheid als een zelfstandig ding, van elke waargenomen
+hoedanigheid als iets wezenlijks, het opgaan in de veelheid en de
+bontheid van het geziene. Daartegen verzet zich het nieuwe kunst- en
+levensinzicht der Renaissance, dat, als altijd, slechts verkregen wordt
+ten koste van een tijdelijke blindheid voor de schoonheid of waarheid,
+die voorafging.
+
+De bewustheid van een aesthetisch genieten en de uitdrukking ervan in
+woorden heeft zich laat ontwikkeld. Den vijftiendeeeuwer staan voor zijn
+kunstbewondering nog maar de termen ten dienste, die wij verwachten van
+den verbaasden burgerman. Zelfs het begrip kunstschoon kent hij nog
+niet. Wat hem aan schoonheidshuivering uit de kunst doorstraalde, werd
+door hem onmiddellijk omgezet of in godsvervuldheid of in levensbehagen.
+
+Dionysius de Kartuizer schreef een verhandeling _De venustate mundi et
+pulchritudine Dei_. [876] Terstond in den titel wordt dus de ware
+schoonheid enkel aan God toegekend; de wereld kan slechts "venustus",
+fraai, mooi zijn. De schoonheden van het geschapene, zegt hij, zijn niet
+anders dan beekjes van de opperste schoonheid; een schepsel wordt schoon
+genoemd, in zooverre het iets deelachtig is van de schoonheid der
+goddelijke natuur, en daardoor aan dezelve eenigermate gelijkvormig
+wordt. [877]--Op deze ruime en verheven schoonheidsleer, waarmee
+Dionysius steunt op den Pseudo-Areopagiet, Augustinus, Hugo van Sint
+Victor en Alexander van Hales, [878] zou een zuivere ontleding van alle
+schoonheid te bouwen zijn. Doch hierin schiet de geest der vijftiende
+eeuw nog verre te kort. Dionysius ontleent zelfs de voorbeelden van
+aardsche schoonheid: een blad, de van kleur verwisselende zee, de
+woelige zee, steeds aan zijn voorgangers, met name aan die twee fijne
+geesten der twaalfde eeuw uit het klooster van Sint Victor: Richard en
+Hugo. Wanneer hij zelf schoonheid ontleden wil, blijft het uiterst
+oppervlakkig. De kruiden zijn schoon, omdat zij groen zijn, de steenen,
+omdat zij schitteren, het menschelijk lichaam, de dromedaris en de
+kameel, omdat zij doelmatig zijn. De aarde is schoon, omdat zij lang en
+breed is, de hemellichamen, omdat zij rond en licht zijn. In de bergen
+bewonderen wij de grootte, in de rivieren de langgestrektheid, in velden
+en bosschen de uitgestrektheid, in de aarde zelf de onmetelijke massa.
+
+Dionysius dwaalt van de aardsche schoonheid telkens terstond weer af
+naar de schoonheid der engelen en van het empyreum. Of hij zoekt haar in
+de abstracte dingen: de schoonheid des levens is de levenswandel zelf
+volgens de leiding en het bevel der goddelijke wet, ontdaan van de
+leelijkheid der zonde. Van de schoonheid der kunst spreekt hij niet,
+zelfs niet van die, welke het meest als iets zelfstandigs treffen moest:
+de muziek.
+
+Toen deze Dionysius eens de Sint Janskerk te 's Hertogenbosch was
+binnengetreden, terwijl het orgel speelde, werd hij door de zoete
+melodie terstond, met smeltend hart, aan zichzelf ontrukt in een
+langdurige ekstase. [879] De schoonheidsaandoening werd onmiddellijk
+religie. Het zal niet in hem opgekomen zijn, dat hij in de schoonheid
+van muziek of afbeelding iets anders zou kunnen bewonderen dan het
+heilige zelf.
+
+Dionysius was een dergenen, die de invoering der moderne, meerstemmige
+muziek in de kerk afkeurden. Het breken der stem (fractio vocis),
+spreekt hij een oudere na, schijnt het teeken eener gebroken ziel; het
+is te vergelijken met gefriseerde haren bij een man of geplisseerde
+kleederen bij een vrouw, louter ijdelheid. Sommigen, die zulk
+veelstemmig zingen beoefend hadden, hadden hem toevertrouwd, dat daarin
+een hoogmoed en een zekere wulpschheids des gemoeds (lascivia animi)
+gelegen waren. Hij erkent, dat er vromen zijn, die door melodieen ten
+sterkste tot contemplatie en devotie opgewekt worden, weshalve de Kerk
+orgels toelaat. Maar indien de kunstige muziek dient om het gehoor te
+behagen, en vooral om de aanwezigen, de vrouwen met name, te vermaken,
+dan is zij zonder twijfel verwerpelijk. [880]
+
+Men ziet hier, hoe de middeleeuwsche geest, wanneer hij het wezen der
+muzikale aandoening wil beschrijven, nog geen andere termen vindt dan
+die van zondige beroeringen: een hoogmoed en een zekere wulpschheid des
+gemoeds.
+
+Over de muzikale aesthetiek werd voortdurend veel geschreven. Men bouwde
+daarbij in den regel voort op de niet meer begrepen muziektheorieen der
+Oudheid. Maar over de wijze, waarop muzikale schoonheid werkelijk
+genoten werd, leeren ons de tractaten tenslotte niet veel. Wanneer het
+er op aan kwam, wat men in muziek eigenlijk mooi vond, dan blijft het
+bij vage uitingen, die in hun aard sterk verwant zijn aan de uitdrukking
+van de bewondering der schilderkunst. Aan den eenen kant is het de
+hemelsche verblijding, die men in muziek geniet, aan den anderen kant de
+treffende nabootsing, die men erin bewondert. Alles werkte ertoe mee, om
+den overgang van muzikale ontroering tot hemelsche genieting voor den
+geest haast onmiddellijk te maken; het was hier niet een afbeelden van
+heilige dingen, zooals bij de schilderkunst, maar een afschaduwing van
+de hemelvreugde zelf. Wanneer de brave Molinet, die blijkbaar zelf veel
+van muziek heeft gehouden, vertelt, hoe Karel de Stoute, een groot
+muziekliefhebber zooals bekend is, in zijn legerkamp voor Neuss zich
+onledig hield met litteratuur en vooral met muziek, dan juicht zijn
+rederijkersgemoed: "Car musique est la resonnance des cieux, la voix des
+anges, la joie de paradis, l'espoir de l'air, l'organe de l'Eglise, le
+chant des oyselets, la recreacion de tous cueurs tristes et desoles, la
+persecution et enchassement des diables." [881]--Het ekstatische element
+in het muziekgenieten werd natuurlijk zeer goed gekend. "De kracht der
+harmonieen, zegt Pierre d'Ailly, ontrukt de menschelijke ziel zoozeer
+tot zich, dat zij die niet alleen onttrekt aan andere hartstochten en
+zorgen, maar ook aan zichzelve." [882]
+
+Bewonderde men in de schilderkunst de treffende nabootsing van de
+voorwerpen der natuur, in de muziek was het gevaar, dat men in
+nabootsing de schoonheid ging zoeken, nog grooter. Want de muziek had
+reeds lang van haar expressieve middelen een ijverig gebruik gemaakt.
+De caccia, die oorspronkelijk een jacht voorstelde, is er het bekendste
+voorbeeld van. Olivier de la Marche vertelt, hoe hij er in een de kleine
+hondjes keffen en de doggen bassen hoorde en trompetgeschal, alsof men
+in het bosch was. [883] Vogelgeluiden, straatroepen, het slaggewoel
+werden in muzikalen vorm weergegeven.
+
+De theoretische analyse van het schoone is dus gebrekkig, de uitdrukking
+der bewondering is oppervlakkig. In het eerste komt men niet veel
+verder, dan dat ter verklaring van de schoonheid de begrippen van maat,
+sierlijkheid, orde, grootte, doelmatigheid ervoor in de plaats worden
+gesteld. En bovenal dat van schittering, licht. Om de schoonheid te
+verklaren van de dingen des geestes, herleidt Dionysius ze tot licht:
+het verstand is een licht, de wijsheid, de wetenschap, de kunstvaardigheid
+zijn niet anders dan lichtvormige glanzen, die met hun klaarheid den geest
+verlichten. [884]
+
+Wanneer men het schoonheidsgevoel dier tijden naspeurt, niet in hun
+bepaling van het begrip der schoonheid, noch in hetgeen zij van hun
+aandoening zeggen over schilderkunst en muziek, maar in hun spontane
+uitingen van blijde schoonheidsontroering, dan treft het, hoe die
+uitingen bijna altijd gewaarwordingen gelden van schittering of van
+levendige beweging.
+
+Froissart komt zelden onder een schoonheidsindruk; hij had het er te
+druk voor met zijn eindelooze verhalen; maar er is een schouwspel, dat
+hem altijd weer woorden van blijde verrukking ontlokt: schepen op het
+water met wapperende vlaggen en wimpels, waarvan de kleurige blazoenen
+schitteren in de zon. Of het is het spel van de zonnestralen op helmen,
+harnassen, lanspunten, vaantjes en banieren van een optrekkende
+ruitertroep. [885] Eustache Deschamps bewondert het schoone van
+draaiende molens, en van de zon in een dauwdruppel; La Marche merkt op,
+hoe mooi het zonlicht op de blonde haren schijnt van een troep Duitsche
+en Boheemsche ridders. [886]--Met die bewondering voor wat schittert
+staat ook de versiering der kleeding in verband, die in de vijftiende
+eeuw nog voornamelijk gezocht wordt in het opzetten van een overmatig
+groot aantal edele steenen. Eerst later maken deze plaats voor linten
+en strikken. Om die schittering nog met geklink te verhoogen, draagt
+men schelletjes of geldstukken. La Hire draagt een rooden mantel geheel
+beladen met groote zilveren koeklokken. De kapitein Salazar verschijnt
+bij een intocht van 1465 met twintig geharnasten, wier paarden alle
+bedekt zijn met groote zilveren klokken; op het dekkleed van zijn eigen
+paard is aan elk der figuren, waarmee het bezaaid is, een groote schel
+van verguld zilver gehecht. Bij den intocht van Lodewijk XI te Parijs in
+1461 dragen de paarden van Charolais, Croy, Saint Pol en anderen op hun
+dekkleeden tal van groote klokken; dat van Charolais draagt er een op
+den rug, die tusschen vier pijlertjes hangt. Karel de Stoute verschijnt
+op een tournooi in een feestgewaad bedekt met rinkelende rijnsguldens;
+Engelsche edelen dragen hun kleed bezet met gouden nobels. [887] Op het
+bruiloftsfeest van den graaf van Geneve te Chambery in 1434 voert een
+groep van heeren en dames een dans uit, allen gekleed in het wit, bedekt
+met "or clinquant", de heeren bovendien met breede gordels vol
+schelletjes. [888]
+
+Hetzelfde naieve behagen aan wat sterk de aandacht trekt, is ook op te
+merken in den kleurenzin van den tijd. Om dezen volledig te bepalen, zou
+een uitgebreid en statistisch onderzoek noodig zijn, dat zoowel de
+kleurenschaal der beeldende kunst als die van kleeding en
+versieringskunst betrof: wat de kleeding aangaat, zou zij meer uit de
+talrijke beschrijvingen op te maken zijn, dan uit de schaars bewaarde
+overblijfselen van stoffen. Hier volgen enkel eenige voorloopige
+indrukken, gewonnen uit de beschrijving der kleedij bij tournooien en
+intochten. Men heeft hier dus te doen met praal- en staatsiegewaden,
+waarin natuurlijk een andere toonaard heerscht dan in de dagelijksche
+kleeding. De gewone kleeding maakt reeds zeer veel gebruik van grijs,
+zwart en paars. [889] Wat in de feest- en staatsiekleeding in de eerste
+plaats treft, is het overheerschen van het rood. Niemand zal het
+trouwens van dezen rooden tijd anders verwachten. Intochten zijn
+dikwijls geheel in rood uitgemonsterd. [890] Daarnaast bekleedt het wit
+als uniforme feestkleur een groote plaats. In de nevenschikking van
+kleuren wordt elke combinatie geduld: rood-blauw, blauw-violet komen
+voor. Op een feestvertooning, die La Marche beschrijft, verschijnt een
+meisje in violette zijde op een hakkenei met een dekkleed van blauwe
+zijde, geleid door drie mannen in vermiljoenroode zijde met kaproenen
+van groene zijde. [891] Een voorliefde voor somber-gloeiende en
+dof-bonte kleurschikkingen schijnt niet te miskennen.
+
+Opmerkelijk is, dat als hoofdkleur van den dos het zwart en het violet
+veel grooter plaats innemen dan het groen en blauw, terwijl geel en
+bruin bijna geheel ontbreken. Het zwart, vooral in fluweel gebruikt,
+vertegenwoordigt ontegenzeggelijk de trotsche, sombere praal, die de
+tijd bemint, den hoogmoedigen afstand van het vroolijk bonte, dat alom
+schatert. Philips de Goede gaat na de jaren zijner jeugd altijd in 't
+zwart, en dost er ook zijn gevolg en zijn paarden in. [892] Koning Rene,
+die nog ijveriger naar distinctie en verfijning zocht, gebruikt als
+kleuren grijs-wit-zwart. [893]
+
+De geringe plaats van het blauw en het groen moet overigens niet geheel
+als een directe uiting van den kleurenzin worden verklaard. Onder al de
+kleuren hadden vooral blauw en groen hun symbolisch gewicht, en die
+beteekenis was zoo bijzonder, dat zij daardoor als kleuren van kleeding
+bijna onbruikbaar werden. Beide toch waren het de kleuren der liefde:
+groen verbeeldde de verliefdheid, blauw de trouw. [894] Of beter gezegd,
+zij waren bij uitstek de kleuren der liefde, want ook de andere kleuren
+konden dienst doen in de symboliek der minne. Deschamps zegt van de
+minnaars:
+
+ "Li uns se vest pour li de vert,
+ L'autre de bleu, l'autre de blanc,
+ L'autre s'en vest vermeil com sanc,
+ Et cilz qui plus la veult avoir
+ Pour son grant dueil s'en vest de noir." [895]
+
+Doch het groen was toch inzonderheid de kleur van de jonge, hoopvolle
+liefde:
+
+ "Il te fauldra de vert vestir,
+ C'est la livree aux amoureulx." [896]
+
+Daarom behoort ook de dolende ridder in 't groen gekleed te gaan.
+[897]--Met blauwe kleeding betoogt de minnaar zijn trouw; daarom laat
+Christine de Pisan de dame antwoorden, als de minnaar op zijn blauwe dos
+wijst:
+
+ "Au bleu vestir ne tient mie le fait,
+ N'a devises porter, d'amer sa dame,
+ Mais au servir de loyal cuer parfait
+ Elle sans plus, et la garder de blasme
+ ... La gist l'amour, non pas au bleu porter,
+ Mais puet estre que plusieurs le meffait
+ De faulsete cuident couvrir soubz lame
+ Par bleu porter...." [898]
+
+Daar ligt waarschijnlijk meteen de verklaring, waarom de blauwe kleur,
+geveinsd gebruikt, ook de ontrouw ging beduiden, en met een overspringing
+niet alleen de trouwelooze maar ook den bedrogene toekwam. De blauwe huik
+beduidt in het Nederlandsch de echtbreekster, en de "cote bleue" is het
+gewaad van den bedrogene:
+
+ "Que cils qui m'a de cote bleue arme
+ Et fait monstrer au doy, soit occis." [899]
+
+Of hieruit weer de beteekenis van het blauw als kleur der dwaasheid in
+het algemeen te verklaren is, immers de "blauwe scute" beduidt het
+vehikel der mallen, blijve in het midden.
+
+Wanneer geel en bruin zoozeer op den achtergrond blijven, dan zal
+daarbij de tegenzin tegen deze kleuren om hun kleurqualiteit, dus de
+directe kleurenzin, wel met hun negatieve symbolische beteekenis
+oorzakelijk samenhangen: met andere woorden, men hield niet van geel
+en bruin, omdat men ze leelijk vond, en men kende er een ongunstige
+beteekenis aan toe, omdat men ze leelijk vond. De ongelukkig gehuwde
+zegt:
+
+ "Sur toute couleur j'ayme la tennee
+ Pour ce que je l'ayme m'en suys habillee,
+ Et toutes les aultres ay mis en obly.
+ Hellas! mes amours ne sont pas ycy."
+
+Of in een ander liedje:
+
+ "Gris et tannee puis bien porter
+ Car ennuye suis d'esperance". [900]
+
+Het grijs komt, in tegenstelling met het bruin, overigens veel in de
+feestkleedij voor; het had als kleur der treurigheid waarschijnlijk een
+meer elegische nuance dan het bruin.
+
+Het geel had reeds de beteekenis van vijandschap. Hendrik van Wurtemberg
+trekt den hertog van Bourgondie voorbij, met zijn gansche gevolg in het
+geel gedost, "et fut le duc adverty que c'estoit contre luy." [901]
+
+Een oppervlakkige indruk, dat na het midden der vijftiende eeuw wit en
+zwart afnemende zijn, terwijl blauw en geel toenemen, zou nadere
+bevestiging behoeven.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[837] De Hoofdstukken XII en XIII vormen een omwerking en uitbreiding
+van het essay: De kunst der Van Eyck's in het leven van hun tijd. De
+Gids 1916, no. 6 en 7.
+
+[838] Rel. de S. Denis, II p. 78.
+
+[839] Rel. de S. Denis, II p. 413.
+
+[840] L.c., I p. 358.
+
+[841] Rel. de S. Denis, I p. 600; Juvenal des Ursins, p. 379.
+
+[842] La Curne de Ste Palaye, I p. 388; vgl. ook Journal d'un bourgeois
+de Paris, p. 67.
+
+[843] Bourgeois de Paris, p. 179 (Karel VI); 309 (Isabella van Beieren);
+Chastellain, IV p. 42, (Karel VII), I p. 332 (Henry V); Lefevre de S.
+Remy, II p. 65; M. d'Escouchy, II p. 424, 432; Chron. scand., I p. 21;
+Jean Chartier, p. 319 (Karel VII); Quatrebarbes, Oeuvres du roi Rene, I
+p. 129; Gaguini compendium super Francorum gestis, ed. Paris, 1500,
+begrafenis van Karel VIII, f. 164.
+
+[844] Martial d'Auvergne, Vigilles de Charles VII. Les poesies de
+Martial de Paris, dit d'Auvergne, Paris 1724, 2 vol., II p. 170.
+
+[845] B.v. Froissart, ed. Luce, VIII p. 43.
+
+[846] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 367. Een variant leest "proviseurs"
+voor "peintres", maar het zinsverband maakt het laatste aannemelijker.
+
+[847] Pierre de Fenin, p. 624 van Bonne d'Artois: "et avec ce ne portoit
+point d'estat sur son chief comment autres dames a elle pareilles".
+
+[848] La livre des trahisons, p. 156.
+
+[849] Chastellain, III p. 375; La Marche, II p. 340, III p. 165;
+d'Escouchy, II p. 116; Laborde, II; zie Molinier, Les sources de l'hist.
+de France, nos. 3645, 3661, 3663, 5030; Inv. des arch. du Nord, IV p. 195.
+
+[850] La Marche, II p. 340ss.
+
+[851] Laborde, II p. 326.
+
+[852] La Marche, III p. 197.
+
+[853] Laborde, II p. 375, no. 4880.
+
+[854] Laborde, II p. 322, 329.
+
+[855] Chastellain. V p. 26(2), Doutrepont, p. 156.
+
+[856] Juvenal des Ursins, p. 378.
+
+[857] Jacques du Clercq, II p. 280.
+
+[858] Foulquart, bij d'Hericault, Oeuvres de Coquillart, I p. 23(1).
+
+[859] Lefevre de S. Remy, II p. 291.
+
+[860] Londen, National gallery; Berlijn, Kaiser Friedrich Museum.
+
+[861] W.H.J. Weale, Hubert and John van Eyck, Their life and work,
+London-New York, 1908, p. 70(1).
+
+[862] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 197.
+
+[863] P. Durrieu, Les tres richcs heures de Jean de France, duc de Berry
+(Heures de Chantilly), Paris, 1904, p. 81.
+
+[864] Moll, Kerkgesch. II(3) p. 313 vg.; J.G.R. Acquoy, Het klooster
+van Windesheim en zijn invloed, Utrecht, 1875-'80, 3 vol., II p. 249.
+
+[865] Th. a Kempis, Sermones ad novitios no. 28, Opera ed. Pohl. t. VI
+p. 287.
+
+[866] Moll, l.c., II(2) p. 321, Acquoy. l.c., p. 222.
+
+[867] Chastellain. IV p. 218.
+
+[868] La Marche, II p. 398.
+
+[869] La Marche, II p. 369.
+
+[870] Chastellain, IV p. 136, 275, 359, 361, V p. 225; du Clercq, IV p. 7.
+
+[871] Chastellain. III p. 332; du Clercq, III p. 56.
+
+[872] Chastellain, V p. 44, II p. 281; La Marche, II p. 85; du Clercq,
+III p. 56.
+
+[873] Chastellain, III p. 330.
+
+[874] du Clercq, III p. 203.
+
+[875] Facius, Liber de viris illustribus, ed. 1745, p. 46, bij Weale,
+Hubert and John van Eyck, p. lxxiii.
+
+[876] Dion. Cartus., Opera, t. XXXIV p. 223.
+
+[877] L.c., p. 247, 230.
+
+[878] O. Zoeckler, Dionys des Kartaeusers Schrift De venustate mundi,
+Beitrag zur Vorgeschichte der Asthetik, Theol. Studien und Kritiken,
+1881, p. 651.
+
+[879] Dion. Cart., Opera, t. I Vita p. xxxvi.
+
+[880] Dion. Cart., De vita canonicorum, art. 20, Opera, t. XXXVII, p. 197:
+An discantus in divino obsequio sit commendabilis.
+
+[881] Molinet, I p. 73; vgl. 67.
+
+[882] Petri Alliaci De falsis prophetis, bij Gerson, Opera, I p. 538.
+
+[883] La Marche, II p. 361.
+
+[884] De venustate etc., t. XXXIV p. 242.
+
+[885] Froissart, ed. Luce, IV p. 90, VIII p. 43, 58, XI p. 53, 129; ed.
+Kervyn, XI p. 340, 360, XIII p. 150, XIV p. 157, 215.
+
+[886] Deschamps, I p. 155; II p. 211, II no. 307, p. 208; La Marche, I
+p. 274.
+
+[887] Livre des trahisons, p. 150, 156; La Marche, II p. 12, 347, III
+p. 127, 89; Chastellain, IV p. 44; Chron. scand., I p. 26, 126.
+
+[888] Lefevre de S. Remy, II p. 294, 296.
+
+[889] Couderc, Les comptes d'un grand couturier parisien au XVe siecle,
+Bulletin de la soc. de l'hist. de Paris. XXXVIII, 1911, p. 125ss.
+
+[890] b.v. Monstrelet. V p. 2; du Clercq, I p. 348.
+
+[891] La Marche, II p. 343.
+
+[892] Chastellain, VII p. 223; La Marche, I p. 276, II p. 11, 68, 345;
+du Clercq, II p. 197; Jean Germain, Liber de virtutibus, p. 11;
+Jouffroy, Oratio, p. 173.
+
+[893] d'Escouchy, I p. 234.
+
+[894] Zie hierboven p. 201. (zie Hoofdstuk IV, noot 384)
+
+[895] Le miroir de mariage, XVII vs. 1650; Deschamps, Oeuvres, IX p. 57.
+
+[896] Chansons francaises du quinzieme siecle, ed. G. Paris, (Soc. des
+anciens textes francais), 1875, no. XLX, p. 50; vgl. Deschamps, no. 415,
+III p. 217, no. 419, ib. p. 223, no. 423, ib. p. 227, no. 481, ib. p. 302,
+no. 728, IV p. 199; l'Amant rendu cordelier, h. 62, p. 23; Molinet,
+Faictz et Dictz, fol. 176.
+
+[897] Blason des couleurs van den heraut Sicile (bij La Curne de Sainte
+Palaye, Memoires sur l'ancienne chevalerie II p. 56). Dit tractaat, dat
+nog door Rabelais wordt bespot als het eertijds toonaangevende op het
+stuk van de beteekenis der kleuren, was mij helaas niet toegankelijk.
+
+[898] Cent balades d'amant et de dame no. 92, Christine de Pisan,
+Oeuvres poetiques, III p. 299. Vgl. Deschamps, X no. 52; L'histoire et
+plaisante cronicque du petit Jehan de Saintre, ed. G. Helleny, Paris,
+1890. p. 415.
+
+[899] Le Pastoralet, vs. 2054, p. 636; vgl. Les cent nouvelles
+nouvelles, II p. 118: "craindroit tres fort estre du rang des bleuz
+vestuz, qu'on appelle communement noz amis."
+
+[900] Chansons du XVe siecle, no. 5, p. 5, no. 87, p. 85.
+
+[901] La Marche, II p. 207.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XIII
+
+HET BEELD EN HET WOORD
+
+
+De nieuwe gedachten, die straks als Renaissance en Hervorming aan het
+firmament zullen staan, vinden in de Fransch-Nederlandsche kunst en
+litteratuur der vijftiende eeuw nog zoo goed als geen uitdrukking.
+De beeldende kunst en de letterkunde dienen nog uitsluitend den geest,
+die afstervende is: den geest der eindigende Middeleeuwen. Zij vinden
+nauwelijks een andere taak dan het volkomen uitbeelden en versieren van
+lang doordachte voorstellingen. De gedachte schijnt uitgeput, de geest
+wacht nieuwe bevruchting.
+
+In perioden, waarin de schepping van schoonheid zich bepaalt tot louter
+omschrijving en uitdrukking van reeds bezonken en doorwerkt gedachten-
+materiaal, krijgt de beeldende kunst een dieper waarde dan de litteratuur.
+Dat geldt niet voor den tijdgenoot. Voor hem heeft de gedachte, al
+bloeit zij niet meer, nog zooveel treffends en belangrijks, dat hij haar
+in den versierden vorm, waarin de litteratuur haar kleedt, bemint en
+bewondert. Al de voor ons zoo hopeloos eentonige en oppervlakkige
+gedichten, waarin de vijftiende eeuw haar lied zingt, zijn door de
+tijdgenooten met veel uitbundiger lof bedacht, dan zij aan eenig
+schilderstuk hebben gewijd. De diepe gevoelswaarde van de beeldende
+kunst is hun nog niet bewust geworden, althans niet zoo, dat zij die
+konden uitdrukken.
+
+Het feit, dat uit het overgroote deel dier litteratuur voor ons alle
+geur en heerlijkheid geweken is, terwijl de kunst ons dieper roert dan
+mogelijk ooit den tijdgenoot, valt te verklaren uit het fundamenteele
+verschil van de werking van kunst en woord. Het zou te gemakkelijk en
+tevens te onbegrijpelijk zijn, indien men het zocht in de hoedanigheid
+der talenten: zoo, dat de dichters, met uitzondering van Villon en
+Charles d'Orleans, louter conventioneele leeghoofden geweest zouden
+zijn, en de schilders genieen.
+
+Waar twee hetzelfde doen, is het niet hetzelfde. Als de schilder zich
+bepaalt tot het eenvoudig weergeven eener uiterlijke werkelijkheid in
+lijn en kleur, dan legt hij toch steeds achter die louter formeele
+nabootsing een overschot van het onuitgesprokene en onuitsprekelijke.
+Maar de dichter, die niet hooger poogt dan een zichtbare of reeds
+doordachte werkelijkheid in het woord uit te drukken, put in het woord
+den schat van het onuitgesprokene uit. Het kan zijn, dat rythme en klank
+daarin nieuwe onuitgesproken schoonheid brengt. Maar zijn ook deze
+elementen zwak, dan behoudt het gedicht zijn werking slechts zoo lang,
+als de gedachte zelf den hoorder boeit. De tijdgenoot reageert nog op
+het woord van den dichter met een drom van levende associaties, want de
+gedachte zit in zijn leven geweven, en hij waant haar nieuw en bloeiend
+in den tooi van het nieuw gevonden woord.
+
+Doch als de gedachte niet meer treft om haarzelve, dan heeft het
+gedicht, tenzij het onuitgesproken rijkdom heeft, zijn werking verloren.
+De litteratuur der vijftiende eeuw nu heeft nauwelijks een waarlijk
+nieuwe gedachte. Het is een eindeloos postludeeren op afgezaagde
+thema's. Daarbij heeft zij veelal geringe qualiteiten van rythme en
+klank. Waaraan zou het gedicht dan zijn duurzame werking kunnen
+ontleenen?
+
+De tijd voor den schilder van zulk een geestestijdperk komt eerst later.
+Want hij leeft van den schat van het uitgesprokene, en het is de volheid
+van dien schat, welke de diepste en duurzaamste werking van alle kunst
+bepaalt. Aanschouw de portretten van Jan van Eyck. Hier is het spitse,
+zuinige gezicht van zijn vrouw. Daar is de strakke, morose aristocratenkop
+van Baudouin de Lannoy. Daar is de huiveringwekkende gesloten tronie van
+den kanunnik Van de Paele. Daar is de ziekelijke gelatenheid van den
+Berlijnschen Arnolfini, de Egyptische geheimzinnigheid van "Leal souvenir".
+In allen ligt het wonder van de tot den bodem gepeilde persoonlijkheid.
+Het is de diepste karakterschildering, die mogelijk is: gezien,
+onuitgesproken. Al ware Jan van Eyck tevens de grootste dichter van zijn
+eeuw geweest, de geheimenis, die hij in het beeld openbaarde, zou hij in
+het woord niet hebben kunnen benaderen.
+
+Dat is de diepste grond, waarom er, bij gelijkheid van houding en geest,
+tusschen kunst en litteratuur der vijftiende eeuw geen evenredigheid te
+verwachten is. Is eenmaal dit verschil erkend, dan blijkt bij een
+vergelijking van de litteraire en de picturale uitdrukking aan bepaalde
+voorbeelden, en in bijzonderheden, de gelijksoortigheid toch weer veel
+grooter, dan zij aanvankelijk scheen.
+
+Indien men aan de eene zijde als de meest representatieve kunstuiting
+het werk der Van Eyck's en hun volgers kiest, welke voortbrengselen der
+letterkunde moeten dan daarnevens worden gesteld, om zuiver te kunnen
+vergelijken? Niet in de eerste plaats die, welke dezelfde onderwerpen
+behandelen, maar die welke ontspringen aan dezelfde bronnen, voortkomen
+uit dezelfde levenssfeer. Dat is, gelijk hierboven werd aangetoond,
+de sfeer van het weelderige hof en de rijke, grootdoende burgerij.
+De letterkunde, die op een lijn staat met de kunst der Van Eyck's,
+is de hoofsche, althans aristocratische letterkunde, in het Fransch
+geschreven, gelezen en bewonderd door de kringen, die de opdrachten
+gaven aan de groote schilders.
+
+Schijnbaar is hier een groot contrast, dat bijna elke vergelijking
+doelloos maakt: de stof der schilderkunst is overwegend godsdienstig,
+die der Fransch-Bourgondische letterkunde overwegend wereldsch. Doch
+naar twee zijden is hier onze blik te kort: in de beeldende kunst heeft
+eenmaal het wereldlijk element een veel breeder plaats ingenomen, dan
+het bewaarde ons doet vermoeden, en in de litteratuur pleegt onze
+aandacht te sterk bepaald te worden bij de wereldlijke genres. Het
+minnedicht, de uitloopers van den _Roman de la rose_, de afleggers van
+den ridderroman, de opkomende novelle, de satire, de geschiedschrijvers,
+dat zijn de uitingen, waarmee de litteratuurgeschiedenis zich in de
+eerste plaats bezig houdt. De schilderkunst, dat is voor ons allereerst
+de diepe ernst van het altaarstuk en het portret; de litteratuur, dat is
+allereerst de wulpsche glimlach der erotische satire en de eentonige
+gruwelen der kroniek. Het is bijna, alsof die eeuw slechts haar deugden
+geschilderd en haar zonden beschreven had. Doch ook naar den kant der
+litteratuur is zulk een blik te beperkt. Niet alleen namen in de rijke
+boekerij der Bourgondische hertogen de vrome boeken nog altijd de
+voornaamste plaats in, maar ook in de wereldsche letterkunde zelve doet
+het vrome, stichtelijke en moraliseerende element zich voortdurend
+gelden, vaak te midden van de grootste frivoliteit.
+
+Gaan wij nog eenmaal uit van de sterke onevenredigheid van werking, die
+kunst en litteratuur der vijftiende eeuw in ons teweegbrengen. Met
+uitzondering van enkele dichters, werkt de litteratuur vermoeiend en
+vervelend. Eindeloos uitgesponnen allegorieen, waarin geen figuur iets
+nieuws of eigens vertoont, en waarvan de inhoud niet anders is dan de
+lang gebottelde en vaak verschaalde zedelijke wijsheid van eeuwen her.
+Altijd weer dezelfde formeele thema's: de slaper in den boomgaard, waar
+hem een zinnebeeldige dame verschijnt, de ochtendwandeling in den jongen
+Mei, het twistgesprek tusschen de dame en den minnaar of tusschen twee
+vriendinnen of welke andere combinatie ook over een punt uit de
+casuistiek der liefde. Wanhopige oppervlakkigheid, klatergoud van
+stijlversiering, bloemzoet romantisme, versleten fantazie, nuchtere
+moralisatie:--steeds weer komt bij ons de verzuchting op: Zijn dit de
+tijdgenooten van Jan van Eyck? Zou hij dit alles bewonderd hebben?--Zeer
+waarschijnlijk wel. Het is niet vreemder, dan dat Bach zich behielp met
+de kleinburgerlijkste rijmelaars van een rheumatisch kerkgeloof.
+
+De tijdgenoot, die de werken der kunst ziet geboren worden, neemt ze
+alle gelijkelijk op in zijn levensdroom. Hij waardeert ze niet op hun
+objectieve aesthetische volmaaktheid, maar op de volheid van weerklank,
+dien zij wekken door de heiligheid of de hartstochtelijke levendheid van
+hun stof. Wanneer met den tijd die oude levensdroom is voorbijgegaan,
+en de heiligheid en de hartstocht zijn vergaan als de geur van een roos,
+dan eerst begint het kunstwerk zuiver als kunst te werken, dat wil
+zeggen door zijn middelen van uitdrukking, door zijn stijl, zijn bouw,
+zijn harmonie. Deze kunnen ten opzichte van beeldende kunst en
+litteratuur feitelijk dezelfde zijn en toch het aanzijn geven aan een
+geheel verschillende kunstwaarde.
+
+Litteratuur en kunst der vijftiende eeuw deelen beide in die algemeene
+eigenschap, die hierboven als een der meest essentieele van den
+laat-middeleeuwschen geest werd aangemerkt: de volledige uitwerking van
+alle bijzonderheden, de zucht om geen gedachte of voorstelling, die zich
+opdrong, onontplooid te laten, om alles in zijn scherpste zichtbaarheid
+en doordachtheid te verbeelden. Erasmus vertelt, dat hij eens te Parijs
+een geestelijke veertig dagen lang hoorde preeken over de gelijkenis van
+den verloren zoon, om daarmee den ganschen vastentijd te vullen. Hij
+beschreef de heenreis en de terugreis, hoe hij nu eens in een herberg
+middagmaalde met tongenpastei, dan weer een watermolen voorbijkwam, dan
+dobbelde, dan in een gaarkeuken afstapte, en hij wrong de woorden van de
+profeten en evangelisten, om op die verzonnen beuzelpraatjes te slaan.
+"En daarmee leek hij aan de onervaren schare en aan de vette groote
+heeren een god gelijk." [902]
+
+Die eigenschap der ongebreidelde uitwerking worde hier eenigermate
+analyseerend gedemonstreerd aan twee schilderijen van Jan van Eyck.
+Vooreerst de Madonna van den kanselier Rolin in het Louvre.
+
+De pijnlijke nauwgezetheid, waarmee de stof der gewaden, het marmer van
+de vloertegels en zuilen, de glinstering der vensterruiten, het misboek
+van den kanselier zijn behandeld, zou ons bij ieder ander dan Van Eyck
+de qualificatie schoolmeesterachtig ontlokken. Er is zelfs een detail,
+waarin de overmatige geacheveerdheid werkelijk storend werkt: de
+versiering der kapiteelen, waarop in den hoek als 't ware tusschen
+haakjes de verdrijving uit het Paradijs, het offer van Cain en Abel, het
+verlaten der arke Noach's en de zonde van Cham zijn verbeeld. Doch eerst
+buiten de open hal, die de hoofdfiguren omhult, bereikt de lust aan de
+uitwerking der details zijn volle kracht. Daar ontrolt zich als doorkijk
+door de kolonnade het wonderbaarlijkste vergezicht, dat Van Eyck ooit
+heeft geschilderd. De beschrijving ervan moge ontleend worden aan
+Durand-Greville. [903]
+
+"Si, attire par la curiosite, on a l'imprudence de l'approcher d'un peu
+trop pres, c'est fini, on est pris pour tout le temps que peut durer
+l'effort d'une attention soutenue; on s'extasie devant la finesse du
+detail; on regarde, fleuron a fleuron, la couronne de la Vierge, une
+orfevrerie de reve; figure a figure, les groupes qui remplissent, sans
+les alourdir les chapiteaux des piliers; fleur a fleur, feuille a
+feuille, les richesses du parterre; l'oeil stupefait decouvre, entre la
+tete de l'enfant divin et l'epaule de la Vierge, dans une ville pleine
+de pignons et d'elegants clochers, une grande eglise aux nombreux
+contreforts, une vaste place coupee en deux dans toute sa largeur par
+un escalier ou vont, viennent, courent d'innombrables petits coups de
+pinceau qui sont autant de figures vivantes; il est attire par un pont
+en dos d'ane charge de groupes qui se pressent et s'entrecroisent; il
+suit les meandres d'un fleuve sillonne de barques minuscules, au milieu
+duquel, dans une ile plus petite que l'ongle d'un doigt d'enfant, se
+dresse, entoure d'arbres, un chateau seigneurial aux nombreux
+clochetons; il parcourt, sur la gauche, un quai plante d'arbres, peuple
+de promeneurs; il va toujours plus loin, franchit une a une les croupes
+de collines verdoyantes; se repose un moment sur une ligne lointaine de
+montagnes neigeuses, pour se perdre ensuite dans l'infini d'un ciel a
+peine bleu, ou s'estompent de flottantes nuees."
+
+En nu het wonder: in dit alles gaat, anders dan Michel Angelo's discipel
+beweerde, de eenheid en harmonie niet te loor. "Et quand le jour tombe,
+une minute avant que la voix des gardiens ne vienne mettre fin a votre
+contemplation, voyez comme le chef d'oeuvre se transfigure dans la
+douceur du crepuscule; comme son ciel devient encore plus profond; comme
+la scene principale, dont les couleurs se sont evanouies, se plonge dans
+l'infini mystere de l'Harmonie et de l'Unite...."
+
+Een ander stuk, dat zich voor de beschouwing van de eigenschap der
+onbeperkte detailleering bijzonder leent, is de Annunciatie in de
+Ermitage te Petrograd. Wanneer het drieluik, waarvan dit stuk het
+rechterblind uitmaakt, in zijn geheel heeft bestaan, welk een
+wonderrijke schepping moet het zijn geweest! Het is, alsof Van Eyck hier
+al de voor niets terugschrikkende virtuositeit van den meester, die
+alles kan en alles durft, heeft willen uitvoeren. Het is tegelijk het
+meest primitieve, meest hieratische van zijn werken en het meest
+geraffineerde. De boodschap van den Engel wordt niet gebracht in de
+intimiteit van de binnenkamer (het tooneel, waarvan de gansche
+binnenhuisschildering haar oorsprong nam), maar, zooals de vormencode
+van de oudere kunst het had voorgeschreven, in een kerk. In houding en
+gelaatsuitdrukking missen beide figuren de zachte gevoeligheid der
+Annunciatie op den buitenkant van het Lam. Het is een staatsiebuiging,
+waarmee de Engel Maria begroet, en hij komt niet met den lelietak zooals
+daar, niet met het hoofd omgord door een smallen diadeem, doch met een
+schepter en een rijke kroon, en op zijn aangezicht de strakke,
+aeginetische lach. In gloeiende kleurenpracht en schittering van
+paarlen, goud en gesteente overtreft hij alle engelfiguren, die Van Eyck
+schilderde. Groen en goud het kleed, donkerrood en goud de brokaatmantel,
+en de vleugelen bezet met pauweveeren. Het boek voor Maria, het kussen
+op de schemel zijn weer met de doordringendste zorg afgewerkt. In het
+kerkgebouw zijn de details met een anecdotische uitvoerigheid aangebracht.
+De vloersteenen vertoonen behalve de teekenen van den dierenriem, waarvan
+er vijf zichtbaar zijn, drie tafereelen uit de geschiedenis van Simson en
+een uit die van David. De achterwand van de kerkruimte is versierd met
+beeltenissen van Isaac en Jacob in medaillons tusschen de bogen, van
+Christus op den aardbol met twee Seraphs in een glasvenster geheel bovenin,
+en daarnaast als muurschilderingen nog het vinden van het kind Mozes, en
+het ontvangen van de tafelen der wet, alles opgehelderd door leesbare
+opschriften. Eerst in de vakken van de houten zoldering wordt de decoratie,
+die ook daar nog is aangeduid, onduidelijk voor het oog.
+
+En dan weer het wonder: bij die opeenhooping van uitgewerkte bijzonderheden
+gaat evenmin als bij de Madonna van Rolin de eenheid van toon en stemming
+verloren. Daar was het de vroolijkheid van een helder buitenlicht, dat den
+blik over de hoofdvoorstelling heen in wijde verten trok; hier hult de
+geheimzinnigste donkerte van het hooge kerkgebouw het geheel in zulk een
+waas van ernst en mysterie, dat het oog schier met moeite de anecdotische
+details komt te ontwaren.
+
+Ziedaar het effekt der "ongebreidelde uitwerking" in de schilderkunst.
+De schilder, deze schilder, kon binnen een ruimte van nog geen halven
+vierkanten meter zijn ongebondensten lust tot detailleering den vrijen
+loop laten, (of moet het zijn: aan de lastigste opdrachten van een
+ondeskundigen vrome voldoen?), zonder ons meer te vermoeien dan een blik
+op het levend gewemel der werkelijkheid het zelve doet. Want het bleef
+een blik; de dwang der dimensien legde beperking op, en het doordringen
+in de schoonheid en de bijzonderheid van dat alles, wat afgebeeld staat,
+geschiedt zonder denkinspanning; veel geacheveerdheden worden niet eens
+opgemerkt, of verdwijnen terstond weer uit het bewustzijn, en werken
+enkel coloristisch of perspectivisch.
+
+Wanneer men die algemeene eigenschap "oneindige uitwerking der
+bijzonderheden" ook aan de litteratuur der vijftiende eeuw toekent, dan
+is het in anderen zin. Niet in den zin van een ragfijn detailleerend
+naturalisme, dat zich vermeit in de uitvoerige beschrijving van het
+uiterlijk der dingen. Zoo kent deze letterkunde haar nog niet. De
+natuur- en persoonsbeschrijving werkt nog met de eenvoudige middelen der
+middeleeuwsche poezie: de afzonderlijke objecten, die tot de stemming
+van den dichter meewerken, worden vermeld, niet beschreven; het
+substantief overheerscht het adjectief; enkel de hoofdqualiteiten
+dier objecten, b.v. de kleuren, het geluid, worden geconstateerd.
+De ongebreidelde uitwerking der bijzonderheden is in de litteraire
+verbeelding meer quantitatief dan qualitatief; zij bestaat meer in het
+opsommen van zeer vele objecten dan in het ontleden van de hoedanigheid
+der objecten afzonderlijk. De dichter verstaat de kunst van weglaten
+niet, hij kent het ledige vlak niet, hij mist het orgaan voor het effekt
+van het verzwegene. Dit geldt evenzeer de gedachten, die hij uitdrukt,
+als de beelden, die hij oproept. Ook de gedachten, doorgaans zeer
+eenvoudig, die het onderwerp wekt, worden in de uiterste volledigheid
+opgesomd. Het geheele raam van het dichtwerk is evenzeer overvuld met
+details als het schilderstuk. Hoe komt het nu, dat daar die overvuldheid
+zoo veel minder harmonisch werkt?
+
+Dit is tot zekere hoogte zoo op te vatten, dat de verhouding van
+hoofdzaak en bijzaken ten opzichte van de poezie juist andersom is als
+ten opzichte der schilderkunst. In het schilderij is het verschil
+tusschen hoofdzaak (dat is: de adequate uitdrukking van het onderwerp)
+en bijwerk gering. Alles is er essentieel. Een enkel detail kan voor ons
+de volkomenste harmonie van het werk bepalen.
+
+Is het in de schilderkunst der vijftiende eeuw wel in de eerste plaats
+de diepe vroomheid, dus de adequate uitdrukking van het onderwerp, welke
+wij bewonderen? Neem het Gentsche altaar. Hoe weinig aandacht trekken
+de groote figuren van God Vader, Maria en Johannes den Dooper. In het
+hoofdtafereel gaat onze blik steeds weer van het Lam, de centrale
+voorstelling, de hoofdzaak van het kunstwerk, terzijde naar de stoeten
+der aanbidders, naar den achtergrond, naar de natuurschildering. En nog
+meer daarbuiten wordt de blik getrokken naar Adam en Eva, naar de
+portretten der stichters. Al ligt dan althans in het tafereel der
+Annunciatie de innige, ernstige bekoring in de figuren van den engel en
+de maagd, dus in het expressief-vrome, zelfs daar verblijdt ons haast
+nog meer het koperen keteltje en de doorkijk in de zonnige straat. Het
+zijn de details, die voor den maker louter bijwerk waren, welke hier
+doen bloeien in zijn stillen schijn het mysterie van het alledaagsche,
+de onmiddellijke aandoening over het wonder van alle dingen, en dat
+verbeeld. Er is, tenzij wij voor het Lam komen met een primair
+godsdienstige waardeering, geen verschil tusschen onze kunstemotie over
+de heilige voorstelling van de aanbidding der eucharistie, en over het
+vischstalletje van Emanuel de Witte in het Museum Boymans.
+
+Nu is juist in het detail de schilder volkomen vrij. Wat de hoofdzaak
+betreft, de voorstelling van het heilige onderwerp, is hem een strenge
+conventie opgelegd; elk kerkelijk tafereel heeft zijn iconografischen
+code, waarvan geen afwijking wordt gedoogd. Maar hij behoudt een
+onbegrensd veld voor de vrije ontplooiing van zijn scheppingslust.
+In de gewaden, de accessoires, den achtergrond kan hij ongehinderd en
+ongedwongen doen, wat des schilders is: schilderen namelijk, door geen
+conventie belemmerd, geven wat hij ziet en zooals hij 't ziet. De
+hechte, strakke bouw van het heilige tafereel draagt den rijkdom der
+details als een lichten schat, als een vrouw bloemen op haar kleed.
+
+In de poezie der vijftiende eeuw nu is de verhouding in zekeren zin
+andersom. In de hoofdzaak is de dichter vrij; hij mag een nieuwe
+gedachte vinden, als hij kan, terwijl juist het detail, de achtergrond,
+in hooge mate door conventie beheerscht worden. Er bestaat voor ongeveer
+alle bijzonderheden een norm van uitdrukking, een schablone, die men
+ongaarne prijsgeeft. Bloemen, natuurgenot, smarten en vreugden, ze
+hebben hun geijkte uitdrukkingsvormen, waaraan de dichter wat poetsen en
+kleuren kan, zonder ze te vernieuwen.
+
+Hij poetst en kleurt in het oneindige, want hij mist de heilzame
+beperking, die den schilder is opgelegd door het te vullen vlak; des
+dichters vlak is altijd onbeperkt. Hij is vrij van de beperking der
+materieele middelen, en juist wegens die vrijheid moet hij naar
+verhouding een grooter geest zijn dan de schilder, om iets goeds te
+maken. Ook de middelmatige schilders blijven een vreugde voor het
+nageslacht, maar de middelmatige dichter zinkt in vergetelheid.
+
+Om het effekt der "ongebreidelde uitwerking" aan een dichtwerk der
+vijftiende eeuw te demonstreeren, zou men er eigenlijk een in zijn
+geheel (en ze zijn lang!) op den voet moeten volgen. Daar dit niet
+mogelijk is, mogen enkele staaltjes volstaan.
+
+Alain Chartier gold in zijn tijd als een der grootste dichters; hij is
+vergeleken met Petrarca; nog Clement Marot telt hem onder de eersten.
+Van de vereering, die hij genoot, getuigt het verhaaltje, dat hierboven
+reeds werd meegedeeld. [904] Men mag hem dus, uitgaande van zijn tijd
+zelf, naast een der grootste schilders plaatsen. Het begin van zijn
+gedicht _Le livre des quatre dames_, een samenspraak van vier
+edelvrouwen, wier minnaars bij Azincourt gestreden hebben, geeft, zooals
+de regel is, het landschap, den achtergrond van het beeld. [905] Dit
+landschap zij vergeleken met het welbekende landschap van het Gentsche
+altaarstuk: de wonderlijke bloemenweide met haar minutieus uitgevoerde
+vegetatie, met de kerktorens achter de lommerige heuvelkruinen, een
+voorbeeld van de ongebreideldste uitwerking.
+
+De dichter gaat den lentemorgen in, om zijn langdurige zwaarmoedigheid
+te verdrijven.
+
+ "Pour oublier melencolie,
+ Et pour faire chiere plus lie,
+ Ung doulx matin aux champs issy,
+ Au premier jour qu' amours ralie
+ Les cueurs en la saison jolie...."
+
+Dit is alles louter conventioneel, en geen schoonheid van rythme of
+klank verheft het boven het glad-middelmatige. Nu komt de schildering
+van den lentemorgen.
+
+ "Tout autour oiseaulx voletoient,
+ Et si tres-doulcement chantoient,
+ Qu'il n'est cueur qui n'en fust joyeulx.
+ Et en chantant en l'air montoient,
+ Et puis l'un l'autre surmontoient
+ A l'estrivee a qui mieulx mieulx.
+ Le temps n'estoit mie nueux,
+ De bleu estoient vestuz les cieux,
+ Et le beau soleil cler luisoit."
+
+De eenvoudige vermelding van de heerlijkheden van tijd en plaats zou
+hier zeer goed werken, wanneer de dichter zich had weten te beperken. Er
+is wel een bekoring in het heel simpele van dit natuurgedicht, maar het
+mist elken sterken _vorm_. In een sukkeldraf gaat de opsomming voort; na
+een nadere beschrijving van het vogelgezang volgt:
+
+ "Les arbres regarday flourir,
+ Et lievres et connins courir.
+ Du printemps tout s'esjouyssoit.
+ La sembloit amour seignourir.
+ Nul n'y peult vieillir ne mourir,
+ Ce me semble, tant qu'il y soit.
+ Des erbes ung flair doulx issoit,
+ Que l'air sery adoulcissoit,
+ Et en bruiant par la valee
+ Ung petit ruisselet passoit,
+ Qui les pays amoitissoit,
+ Dont l'eaue n'estoit pas salee.
+ La buvoient les oysillons,
+ Apres ce que des grisillons,
+ Des mouschettes et papillons
+ Ilz avoient pris leur pasture.
+ Lasniers, aoutours, esmerillons
+ Vy, et mouches aux aguillons,
+ Qui de beau miel paveillons
+ Firent aux arbres par mesure.
+ De l'autre part fut la closture
+ D'ung pre gracieux, ou nature
+ Sema les fleurs sur la verdure,
+ Blanches, jaunes, rouges et perses.
+ D'arbres flouriz fut la ceinture,
+ Aussi blancs que se neige pure
+ Les couvroit, ce sembloit paincture,
+ Tant y eut de couleurs diverses."
+
+Een beekje murmelt over kiezelsteenen; visschen zwemmen erin, een
+boschje spreidt zijn takken als groene gordijnen over den oever. En
+opnieuw volgt een opsomming van vogels: daar nestelen eenden, duiven,
+reigers, fazanten.
+
+Wat is het effekt van de uitgebreide uitwerking van het natuurtafereel
+in het gedicht, vergeleken met het schilderstuk, de uitdrukking derhalve
+van eenzelfde inspiratie met verschillende middelen?--Dat de schilder
+door den aard van zijn kunst gedwongen is tot eenvoudige natuurgetrouwheid,
+terwijl de dichter zich verliest in vormlooze oppervlakkigheid en het
+opsommen van conventioneele motieven.
+
+De poezie staat in dit opzicht niet zoo na aan de schilderkunst als het
+proza. Dit laatste is minder gebonden aan bepaalde motieven. Het beoogt
+soms nadrukkelijker de nauwkeurige weergave van een geziene werkelijkheid.
+Het voert die uit met vrijer middelen. Daardoor vertoont het proza
+misschien beter dan de poezie de diepere verwantschap van litteratuur en
+kunst.
+
+De grondtrek van den laat-middeleeuwschen geest is zijn overmatig
+visueel karakter. Deze staat in nauw verband met de atrophieering der
+gedachte. Er wordt in gezichtsvoorstellingen gedacht. Alles wat men
+uitdrukken wil, wordt neergelegd in een zichtbaar beeld. De volstrekte
+gedachtenleegheid van de allegorische vertooningen of gedichten kon
+worden geduld, omdat de bevrediging geheel in het geziene lag. De
+neiging om het uiterlijk zichtbare onmiddellijk weer te geven vond een
+sterker en volkomener uiting door picturale middelen dan door
+litteraire. En eveneens een sterker uiting door de middelen van het
+proza dan door die der poezie. Vandaar dat het proza der vijftiende eeuw
+in vele opzichten middenevenredig staat tusschen de schilderkunst en de
+poezie. Alle drie hebben zij gemeen de onbeteugelde uitwerking der
+bijzonderheden, maar deze leidt in de schilderkunst en het proza tot een
+direct realisme, dat de poezie niet kent, zonder dat zij er veel beters
+voor in de plaats heeft.
+
+Het is met name een schrijver, in wiens werken dezelfde kristalheldere
+visie op het uiterlijk der dingen ons treft, die Van Eyck heeft bezeten,
+namelijk Georges Chastellain. Hij was een Vlaming uit het land van
+Aalst. Al noemt hij zich "leal Francois", "Francois de naissance", het
+schijnt wel, dat het Dietsch toch zijn moedertaal is geweest. La Marche
+noemt hem "natif Flameng, toutesfois mettant par escript en langaige
+franchois". Hij zelf stelt met nederig welgevallen zijn Vlaamsche
+eigenschappen van grove landelijkheid in het licht; hij spreekt van
+"sa brute langue", noemt zich "homme flandrin, homme de palus bestiaux,
+ygnorant, bloisant de langue, gras de bouche et de palat et tout
+enfangie d'autres povretes corporelles a la nature de la terre." [906]
+Aan dien volksaard dankt hij den al te zwaren cothurnengang van zijn
+opgesierd proza, die plechtstatige "grandiloquence", welke hem voor
+Fransche lezers altijd min of meer ongenietbaar maakt. Zijn prachtstijl
+heeft een zekere elefantische plompheid; hij heet met recht bij een
+tijdgenoot "cette grosse cloche si haut sonnant." [907]--Doch aan zijn
+Vlaamschen aard dankt hij wellicht ook het scherp geziene en de sappige
+kleurigheid, waarmee hij herhaaldelijk aan hedendaagsche Belgische
+schrijvers doet denken.
+
+Tusschen Chastellain en Jan van Eyck is onmiskenbare verwantschap, bij
+verschil in hoogheid. Van Eyck op zijn slechtst is ongeveer Chastellain
+op zijn best, en het is al wel, om in het mindere Van Eyck te evenaren.
+Ik denk bij voorbeeld aan de zingende engelen op het Gentsche altaarstuk.
+Die zware gewaden, vol donker rood en goud en fonkelende steenen, die al
+te uitdrukkelijke grimas, die ietwat beuzelachtige versiering van den
+muzieklessenaar, dat vertegenwoordigt in de schilderkunst de pronkende
+grootsprakigheid van den litterairen Bourgondischen hofstijl. Doch terwijl
+in de schilderkunst dit rhetorische element een ondergeschikte plaats
+inneemt, is het hoofdzaak in het proza van Chastellain. Zijn scherpe
+observatie en levend realisme verdrinkt veelal in den vloed van al te
+fraai aangekleede frazen en ronkende woordenpraal.
+
+Zoodra evenwel Chastellain een gebeurtenis beschrijft, die zijn
+Vlaamschen geest bijzonder boeit, komt er bij alle statigheid een
+directe, beeldende forschheid in zijn verhaal, die het uiterst treffend
+maakt. Van gedachte is hij niet rijker dan zijn tijdgenooten; het is de
+lang rondgegane pasmunt van godsdienstige, zedelijke en ridderlijke
+overtuigingen, die bij hem als gedachte fungeert. De voorstelling
+verloopt geheel aan de oppervlakte. Doch de verbeelding is scherp en
+levend.
+
+Zijn portret van Philips den Goede heeft bijna de onmiddellijkheid van
+een Van Eyck. [908] Met de behagelijkheid van een chroniqueur, die in
+zijn hart novellist is, heeft hij een bijzonder uitvoerig verhaal
+gegeven van een twist tusschen den hertog en zijn zoon Karel uit het
+begin van het jaar 1457. Nergens komt zijn sterk visueel opnemen van de
+dingen zoo goed uit; al de uiterlijke omstandigheden van deze gebeurtenis
+zijn met volmaakte scherpte weergegeven. Het zal noodig zijn, eenigszins
+omvangrijke passages te citeeren.
+
+Er was een kwestie over een post in de hofhouding van den jongen graaf
+van Charolais. De oude hertog wilde, tegen een vroeger gegeven belofte,
+de plaats gunnen aan een der Croy's, bij hem in blakende gunst; Karel,
+die deze gunst ongaarne zag, verzette zich er tegen.
+
+"Le duc donques par un lundy qui estoit le jour Saint-Anthoine, [909]
+apres sa messe, aiant bien desir que sa maison demorast paisible et sans
+discention entre ses serviteurs, et que son fils aussi fist par son
+conseil et plaisir, apres que ja avoit dit une grant part de ses heures
+et que la cappelle estoit vuide de gens, il appela son fils a venir vers
+luy et lui dist doucement: "Charles, de l'estrif qui est entre les sires
+de Sempy et de Hemeries pour le lieu de chambrelen, je vueil que vous y
+mettez ces et que le sire de Sempy obtiengne le lieu vacant." Adont dist
+le conte: "Monseigneur, vous m'avez baillie une fois vostre ordonnance
+en laquelle le sire de Sempy n'est point, et monseigneur, s'il vous
+plaist, je vous prie que ceste-la je la puisse garder."--"Dea, ce dit
+le duc lors, ne vous chailliez des ordonnances, c'est a moy a croistre
+et a diminuer, je vueil que le sire de Sempy y soit mis."--"Hahan! ce
+dist le conte (car ainsi jurait tousjours), monseigneur, je vous prie,
+pardonnez-moy, car je ne le pourroye faire, je me tiens a ce que vous
+m'avez ordonne. Ce a fait le seigneur de Croy qui m'a brasse cecy, je le
+vois bien."--"Comment, ce dist le duc, me desobeyrez-vous? ne ferez-vous
+pas ce que je vueil?"--"Monseigneur, je vous obeyray volentiers, mais je
+ne feray point cela." Et le duc, a ces mots, enfelly de ire, respondit:
+"Ha! garsson, desobeyras-tu a ma volente? va hors de mes yeux," et le
+sang, avecques les paroles, lui tira a coeur, et devint pale et puis a
+coup enflambe et si espoentable en son vis, comme je l'oys recorder au
+clerc de la chapelle qui seul estoit empres luy, que hideur estoit a le
+regarder"....
+
+Is dit niet krachtig? het stille begin, het in korte woordenwisseling
+opvlammen van den toorn, de hortende spraak van den zoon, waarin men als
+'t ware den heelen Karel den Stoute al herkent?
+
+De blik, dien de hertog op zijn zoon werpt, verschrikt de hertogin (wier
+aanwezigheid tot dusver nog niet was vermeld) zoozeer, dat zij haastig,
+haar zoon voor zich uit duwende, uit het bidvertrek, [910] door de kapel,
+zwijgend, haar gemaal's toorn wil ontvlieden. Maar zij moesten verscheiden
+hoeken om tot de deur, en de klerk had den sleutel. "Caron, ouvre-nous",
+zegt de hertogin, maar de klerk valt haar te voet, en smeekt, dat haar
+zoon vergiffenis moge vragen, eer zij de kapel verlaten. Zij wendt zich
+met een smeekende vermaning tot Karel, doch deze antwoordt hooghartig en
+luid: "Dea, madame, monseigneur m'a deffendu ses yeux et est indigne sur
+moy, par quoy, apres avoir eu celle deffense, je ne m'y retourneray point
+si tost, ains m'en yray a la garde de Dieu, je ne scay ou." Toen klinkt
+opeens de stem van den hertog, die, mat van woede, in zijn bidstoel is
+blijven zitten ... en de hertogin, in doodelijken angst, tot den klerk:
+"Mon amy, tost, tost ouvrez-nous, il nous convient partir ou nous sommes
+morts."
+
+--Nu werkt bij Philips het felle bloed der Valois bedwelmend: in zijn
+vertrekken teruggekeerd, vervalt de oude hertog in een soort van
+jongensachtige verdwazing. Tegen den avond rijdt hij, alleen en
+onvoldoende beschut, heimelijk uit Brussel. "Les jours pour celle heurre
+d'alors estoient courts, et estoit ja basse vespree quant ce prince
+droit-cy monta a cheval, et ne demandoit riens autre fors estre emmy les
+champs seul et a par luy. Sy porta ainsy l'aventure que ce propre
+jour-la, apres un long et apre gel, il faisoit un releng, [911] et par
+une longue epaisse bruyne, qui avoit couru tout ce jour la, vespree
+tourna en pluie bien menue, mais tres-mouillant et laquelle destrempoit
+les terres et rompoit glasces avecques vent qui s'y entrebouta." Is dit
+geen Camille Lemonnier?
+
+Dan volgt de beschrijving van den nachtelijken dwaaltocht door velden en
+bosschen, waarin het levendste naturalisme en een zonderling gewichtig
+doende, moraliseerende rhetoriek merkwaardig zijn dooreengemengd.
+Vermoeid en hongerig zwerft de hertog rond; op zijn roepen klinkt geen
+antwoord. Een rivier, die hem een weg toeschijnt, lokt hem; het paard
+schrikt nog te rechter tijd terug. Hij valt met het paard en verwondt
+zich. Vergeefs luistert hij naar een hanengekraai of het blaffen van een
+hond, dat hem naar menschenwoningen zou kunnen leiden. Eindelijk ziet
+hij een lichtschijnsel, dat hij tracht te naderen; hij verliest het
+weer, vindt het terug, en bereikt het tenslotte. "Mais plus l'approchoit,
+plus sambloit hideuse chose et espoentable, car feu partoit d'une mote
+[912] d'en plus de mille lieux, avecques grosse fumiere, dont nul ne
+pensast a celle heure fors que ce fust ou purgatoire d'aucune ame ou
+autre illusion de l'ennemy...." Hij houdt plotseling stil. Maar opeens
+herinnerde hij zich, hoe de kolenbranders diep in het woud hun kolen
+plegen te branden. Het was zulk een brandheuvel, maar geen huis of hut
+was in de nabijheid. Eerst na hernieuwd dwalen brengt het blaffen van
+een hond hem bij de hut van een armen man, waar hij rust en spijziging
+vindt.
+
+Dergelijke treffende gedeelten uit het werk van Chastellain zijn de
+beschrijving van den burgerlijken tweekamp te Valenciennes, de
+nachtelijke twist van het Friesche gezantschap in Den Haag met de
+Bourgondische edelen, die zij in hun nachtrust storen, door op de
+bovenkamer op klompen krijgertje te spelen, het tumult te Gent in 1467,
+toen Karel's eerste bezoek als hertog samenvalt met de kermis te
+Houthem, vanwaar het volk met den schrijn van Sint Lieven terugkeert.
+[913]
+
+Telkens bemerkt men aan ongewilde kleinigheden, hoe sterk de schrijver
+al de uiterlijke dingen _ziet_. De hertog, die tegenover het volksoproer
+staat, heeft voor zijn gezicht "multitude de faces en bacinets [914]
+enrouilles et donc les dedans estoient grignans barbes de vilain,
+mordans levres." Het roepen gaat van omlaag naar omhoog. De kerel, die
+zich naast den hertog aan het venster dringt, draagt een handschoen van
+zwart gevernist ijzer, waarmee hij op de vensterbank slaat, om stilte te
+gebieden. [915]
+
+Dit nauwkeurig en direct waargenomene te beschrijven in een kernachtig
+eenvoudig woord is in het litteraire, wat de geweldige visueele scherpte
+van Van Eyck tot volmaaktheid van uitdrukking in de schilderkunst
+vermocht. In de letterkunde wordt dat naturalisme veelal gestoord en in
+de uitdrukking belemmerd door conventioneele vormen, en het blijft
+uitzondering te midden van bergen dorre rhetoriek, terwijl het in de
+schilderkunst schittert als bloesems aan een appelboom.
+
+De schilderkunst is hier in middelen van uitdrukking de litteratuur
+verre voor. Zij heeft reeds een verwonderlijke virtuositeit in het
+weergeven van lichteffekten. Het zijn vooral de miniaturisten, die er
+naar streven, den schijn van een oogenblik vast te leggen. In het
+schilderij ziet men die gave eerst ten volle ontplooid in de Geboorte
+van Geertgen tot Sint Jans. De verluchters hebben reeds lang te voren
+het spel van toortslicht op harnassen beproefd in Christus'
+gevangenneming. Een stralende zonsopgang is reeds gelukt aan den
+meester, die koning Rene's _Coeur d'amour epris_ illustreerde. Die van
+de _Heures d'Ailly_ heeft al het doorbreken van de zon na een storm
+aangedurfd. [916]
+
+De letterkunde beschikt voor het opzettelijke weergeven van
+lichteffekten nog slechts over primitieve middelen. Een groote
+gevoeligheid voor lichtglans en schittering is er wel; gelijk hierboven
+betoogd werd, wordt zelfs de schoonheid in de eerste plaats als glans en
+schittering bewust. Alle schrijvers en dichters der vijftiende eeuw
+merken gaarne den glans van het zonlicht op, den schijn van kaarsen en
+toortsen, de spiegeling van glimplichten op helmen en wapens. Doch het
+blijft een eenvoudig vermelden, er is nog geen litterair procede tot
+beschrijving er van.
+
+Het litteraire equivalent van het lichteffekt in de schilderkunst is
+veeleer op een ander gebied te zoeken. Hier wordt de indruk van het
+oogenblik bovenal vastgehouden door een levendig gebruik van de directe
+rede. Er is nauwelijks een letterkunde, die er zoo op uit is, de
+samenspraak altijd onmiddellijk weer te geven. Het ontaardt in een
+vermoeiend misbruik: zelfs de uiteenzetting van een politieken toestand
+wordt door Froissart en de zijnen in vraag en antwoord ingekleed.
+De eeuwige beurtspraken van plechtigen val en hollen klank verhoogen
+somtijds de eentonigheid, inplaats van haar te breken. Dikwijls echter
+ook komt de illusie van het onmiddellijke en oogenblikkelijke er wel
+treffend uit te voorschijn. Froissart vooral is in die levendige
+wisselrede een meester.
+
+"Lors il entendi les nouvelles que leur ville estoit prise. (Het gesprek
+gaat roepende.) 'Et de quel gens?', demande-il. Respondirent ceulx qui a
+luy parloient: 'Ce sont Bretons!'--'Ha, dist-il, Bretons sont mal gent,
+ils pilleront et ardront la ville et puis partiront.' (Vervolgens weer
+roepende): 'Et quel cry crient-ils?' dist le chevalier.--'Certes, sire,
+ils crient La Trimouille!"
+
+Om een zekeren haastigen gang in zulk een gesprek te brengen, gebruikt
+Froissart den vasten truc, den aangesprokene het laatste woord van den
+spreker verwonderd te laten herhalen.--"Monseigneur, Gaston est
+mort.'--'Mort?' dist le conte.--'Cestes, mort est-il pour vray,
+monseigneur." Elders: "Si luy demanda, en cause d'amours et de lignaige,
+conseil.--'Conseil', respondi l'archevesque, 'certes, beaux nieps, c'est
+trop tard. Vous voules clore l'estable quant le cheval est perdu." [917]
+
+Ook de poezie past dit stijlmiddel ruimschoots toe. In een korten
+versregel wisselen soms vraag en antwoord tot tweemaal toe:
+
+ "Mort, je me plaing.--De qui?--De toy.
+ --Que t'ay je fait?--Ma dame as pris.
+ --C'est verite.--Dy moy pour quoy.
+ --Il me plaisoit.--Tu as mespris." [918]
+
+Hier is het telkens afgebroken beurtgesprek van middel reeds doel
+geworden: een virtuositeit. De dichter Jean Meschinot heeft die
+kunstvaardigheid tot het uiterste weten op te voeren. In een ballade,
+waarin het arme Frankrijk haar koning (Lodewijk XI) zijn schuld
+voorhoudt, wisselt de rede in elk der dertig regels van drie tot vier
+keer. En het moet gezegd worden, dat de werking van het gedicht als
+politieke satire onder dien vreemden vorm niet lijdt. Ziehier de eerste
+strofe:
+
+ "Sire ...--Que veux?--Entendez....--Quoy?--Mon cas.
+ --Or dy.--Je suys....--Qui?--La destruicte France!
+ --Par qui?--Par vous.--Comment?--En tous estats.
+ --Tu mens.--Non fais.--Qui le dit?--Ma souffrance.
+ --Que souffres tu?--Meschief.--Quel?--A oultrance.
+ --Je n'en croy rien.--Bien y pert [919]--N'en dy plus!
+ --Las! si feray.--Tu perds temps.--Quelz abus!
+ --Qu'ay-je mal fait?--Contre paix.--Et comment?
+ --Guerroyant....--Qui?--Vos amys et congnus.
+ --Parle plus beau.--Je ne puis, bonnement." [920]
+
+Een andere uiting van dit oppervlakkige naturalisme in de litteratuur
+van dezen tijd is het volgende. Hoewel Froissart's zin gericht is op het
+beschrijven van ridderlijke heldendaden, geeft hij toch, zijns ondanks
+zou men zeggen, in hooge mate de prozaische realiteit van den oorlog.
+Evengoed als Commines, die maling had aan de ridderij, beschrijft
+Froissart juist bijzonder goed de vermoeienis, de vergeefsche
+vervolgingen, de bewegingen zonder samenhang, het onrustige van een
+nachtverblijf. Hij weet meesterlijk talmen en wachten te beschrijven.
+[921]
+
+In het sobere en exacte verhaal van de uiterlijke omstandigheden van een
+gebeurtenis bereikt hij soms zelfs een bijna tragische kracht, zooals in
+dat van den dood van den jongen Gaston Phebus, door zijn vader in drift
+doorstoken. [922]--Hij werkt zoo fotografisch, dat men onder zijn
+woorden de qualiteit van de vertellers, die hem zijn eindelooze faits
+divers meedeelden, kan herkennen. Alles bij voorbeeld, wat hij dankt aan
+zijn reisgenoot den ridder Espaing du Lyon, is voortreffelijk verteld.
+Overal waar de litteratuur eenvoudig observeerend werkt, zonder
+belemmering door conventie, is zij met de schilderkunst vergelijkbaar,
+al evenaart zij haar niet.
+
+Juist omdat het aankomt op de onbevangen observatie van een geval, dat
+verhaald zal worden, moet men de litteraire schilderingen, die de
+schilderkunst het meest nabij komen, niet zoeken in de beschrijving der
+natuur. Want deze berust in de vijftiende eeuw nog niet op directe
+onbevangen observatie. Men vertelt een geval, omdat het belang inboezemt,
+en geeft dan de uiterlijke omstandigheden weer, zooals een gevoelige
+plaat ze opneemt. Van een bewust litterair procede is daar nog geen
+sprake. Maar de natuurschildering, die in de schilderkunst als accessoire
+fungeert, dus onbevangen geschiedt, is in de letterkunde een bewust
+kunstmiddel. In de schilderkunst was de natuurafbeelding louter bijwerk,
+en kon daardoor zuiver en sober blijven. Juist omdat de vergezichten
+er voor het onderwerp niet op aan kwamen, niet deel hadden in den
+hieratischen stijl, konden de schilders der vijftiende eeuw in hun
+landschap een mate van harmonische natuurlijkheid geven, die de strenge
+ordonnantie van hun onderwerp hun nog in de hoofdvoorstelling ontzegde.
+De Egyptische kunst vertoont van dit verschijnsel een zuivere parallel:
+zij geeft in het modelleeren van een slavenfiguurtje, omdat het niet ter
+zake doet, den vormencode prijs, die anders de menschelijke gestalte
+verwringt, zoodat dan de mensenfiguren dezelfde onvergelijkelijke sobere
+natuurgetrouwheid bezitten als de dierfiguren.
+
+Hoe minder verband het landschap houdt met de centrale voorstelling, des
+te harmonischer en natuurlijker wordt het in zich zelf afgesloten.
+Achter de drukke, bizarre, pompeuze aanbidding der koningen in de _Tres
+riches heures de Chantilly_ [923] verrijst het gezicht op Bourges in
+verdroomde teerheid, volmaakt van atmosfeer en rythme.
+
+In de litteratuur zit de natuurbeschrijving nog geheel gehuld in het
+kleed der pastorale. Hierboven is reeds gesproken van den hoofschen
+strijd voor en tegen het eenvoudig buitenleven. Het was evenals in de
+dagen, dat Rousseau opgang maakte, goede toon, dat men zich de ijdelheid
+van het hofleven moe bekende, en een wijze hofvlucht affecteerde, om
+zich te vergenoegen met het bruine brood en de zorgelooze liefde van
+Robin en Marion. Het was een sentimenteele reactie op de volbloedige
+praal en het trotsche egoisme der werkelijkheid, niet ten eenenmale
+onecht, maar toch in hoofdzaak een litteraire houding.
+
+In die houding hoort de liefde tot de natuur. De poetische uitdrukking
+ervan is een conventie. De natuur was een gezocht element in het groote
+gezelschapsspel der hoofsch-erotische cultuur. De uitdrukking der
+schoonheid van bloemen en vogelgezang werd opzettelijk gecultiveerd in
+de geijkte vormen, die ieder speler verstond. Zoodoende staat de
+natuurbeschrijving in de letterkunde op een geheel ander niveau dan in
+de schilderkunst.
+
+Buiten het herdersdicht en het obligate motief van den lentemorgen als
+aanhef bestaat er nog nauwelijks behoefte aan natuurbeschrijving. Een
+enkele maal mogen er in het verhaal eens een paar woorden van
+natuurschildering invloeien, zooals toen Chastellain den invallenden
+dooi beschreef (en juist de onopzettelijke natuurschildering is dan
+doorgaans verreweg het meest suggestief), het blijft de pastorale
+poezie, waarin men het opkomen van het litteraire natuurgevoel moet
+nagaan. Naast de bladzijden van Alain Chartier, die hierboven werden
+aangehaald, om het effekt van de uitwerking der details in het algemeen
+te laten zien, kan men bij voorbeeld leggen het gedicht _Regnault et
+Jehanneton_, waarin de koninklijke herder Rene zijn liefde voor Jeanne
+de Laval verkleedt. Ook hier geen saamgehouden visie op een stuk natuur,
+geen eenheid zooals de schilder door kleur en licht aan zijn landschap
+kon geven, maar een gemoedelijke aaneenrijging van bijzonderheden. De
+zingende vogels een voor een, de insecten, de kikvorschen, dan de
+ploegende boeren:
+
+ "Et d'autre part, les paisans au labour
+ Si chantent hault, voire sans nul sejour,
+ Resjoyssant
+ Leurs beufs, lesquelx vont tout-bel charruant
+ La terre grasse, qui le bon froment rent;
+ Et en ce point ilz les vont rescriant,
+ Selon leur nom:
+ A l'un Fauveau et l'autre Grison,
+ Brunet, Blanchet, Blondeau ou Compaignon;
+ Puis les touchent tel foiz de l'aiguillon
+ Pour avancer." [924]
+
+Er is wel frischheid in en een blij geluid, maar denk nu eens aan de
+kalendervoorstellingen der getijboeken. Koning Rene geeft om zoo te
+zeggen al de ingredienten voor een goede natuurbeschrijving, een palet
+met kleuren, maar meer niet. Verderop, waar het vallen van den avond
+beschreven wordt, is de poging om een stemming uit te drukken
+onmiskenbaar. De andere vogels zwijgen, maar de kwartel roept nog,
+patrijzen snorren naar hun leger, herten en konijnen komen te
+voorschijn. Nog even schijnt de zon op een torenspits, dan wordt de
+lucht koel, uilen en vleermuizen beginnen rond te vliegen, en het klokje
+der kapel luidt het Ave.
+
+De kalenderbladen van de _Tres-riches heures_ geven ons gelegenheid,
+eenzelfde motief in kunst en litteratuur te vergelijken. Men kent de
+glorieuze kasteelen, die in het werk der gebroeders Van Limburg den
+achtergrond van het maandwerk vullen. Zij hebben hun litterair pendant
+in het dichtwerk van Eustache Deschamps. In een zevental korte gedichten
+zingt deze den lof van verscheiden Noord-fransche kasteelen: Beaute, dat
+later Agnes Sorel zou herbergen, Bievre, Cachan, Clermont, Nieppe, Noroy
+en Coucy. [925] Deschamps had een dichter van heel wat machtiger
+vleugelslag moeten zijn, om hier te bereiken, wat de gebroeders Van
+Limburg in deze teerste en fijnste uitingen der miniatuurkunst wisten
+uit te drukken. Op het Septemberblad rijst achter den wijnoogst het
+kasteel van Saumur als uit een droom omhoog: de torenspitsen met hun
+hooge windvanen, de pinnakels, de lelieornamenten op de tinnen, de
+twintig slanke schoorsteenen, het bloeit op als een wild perk van hooge
+witte bloemen in de donkerblauwe lucht. Daarnaast de majestueuze breede
+ernst van het vorstelijk Lusignan op het Maartblad, de sombere torens
+van Vincennes dreigend uitstekende boven de dorre blaren van het bosch
+van December. [926]
+
+Had de dichter, deze althans, een gelijkwaardig middel, om zulke
+gezichten te evoceeren? Natuurlijk niet. De beschrijving der
+bouwkunstige vormen van het kasteel, zooals in het gedicht op Bievre,
+kon geen effekt opleveren. Een optelling van de geneuchten, die het
+kasteel biedt, dat is eigenlijk alles, wat hij weet te geven. Uit den
+aard der zaak ziet de schilder naar het kasteel toe, en de dichter van
+het kasteel uit.
+
+ "Son filz ainsne, daulphin de Viennois,
+ Donna le nom a ce lieu de Beaute.
+ Et c'est bien drois, car moult est delectables:
+ L'en y oit bien le rossignol chanter;
+ Marne l'ensaint, les haulz bois profitables
+ Du noble parc puet l'en veoir branler....
+ Les prez sont pres, les jardins deduisables,
+ Les beaus preaulx, fontenis bel et cler,
+ Vignes aussi et les terres arables,
+ Moulins tournans, beaus plains a regarder."
+
+Welk een verschil in werking is hier! Toch hebben de afbeelding en het
+gedicht hier zoowel procede als stof gemeen: zij sommen het zichtbare
+(en voor het gedicht ook het hoorbare) op. Maar des schilders blik is
+vast gericht: hij moet, opsommende, toch eenheid, beperking en samenhang
+geven. Paul van Limburg kan in zijn Februari-tafereel al de dingen van
+den winter opeenhoopen: de boeren zich warmend voor het vuur, het
+waschgoed dat te drogen hangt, de bonte kraaien op de sneeuw, de
+schaapskooi, de bijenkorven, de tonnen en de kar, en het heele
+wintersche verschiet met het stille dorpje en de eenzame hofstede op den
+heuvel. De rustige eenheid van het beeld blijft volmaakt. Des dichters
+blik evenwel dwaalt rond, vindt geen rustpunt; hij geeft de eenheid
+niet.
+
+De vorm is den inhoud voor. In de litteratuur zijn vorm en inhoud beide
+oud, in de schilderkunst is de inhoud oud, maar de vorm nieuw. In de
+schilderkunst bergt de vorm veel meer van de uitdrukking dan in de
+litteratuur. De schilder kan al de onuitgesproken wijsheid in den vorm
+leggen: de idee, de stemming, de psychologie, alles geeft hij zonder
+zich te behoeven kwellen om er taal van te maken. Het tijdperk is
+overwegend visueel. Dit verklaart de superioriteit van de picturale
+boven de litteraire uitdrukking: een litteratuur, die overwegend visueel
+waarneemt, schiet te kort.
+
+De dichtkunst der vijftiende eeuw schijnt bijna zonder nieuwe gedachten
+te leven. Er is een algemeene onmacht tot nieuwe fictie; het is slechts
+bewerken, moderniseeren van de oude stof. Er is een pauze in de
+gedachte; de geest is klaar met het middeleeuwsch gebouw, en talmt
+vermoeid. Er is leegheid en dorheid. Men vertwijfelt aan de wereld;
+alles gaat achteruit; er is een sterke malaise van gemoed. Deschamps
+verzucht:
+
+ "Helas! on dit que je ne fais mes rien,
+ Qui jadis fis mainte chose nouvelle;
+ La raison est que je n'ay pas merrien (stof)
+ Dont je fisse chose bonne ne belle." [927]
+
+Niets schijnt ons meer te getuigen van stilstand en verval dan het
+ontrijmen van de oude ridderromans en andere gedichten tot ellenlang
+effen proza. Toch beduidt die "derimage" der vijftiende eeuw een
+overgang tot een nieuwen geest. Het is het afscheid aan de gebonden
+rede als primair uitdrukkingsmiddel, het afscheid aan den stijl van den
+middeleeuwschen geest. Nog in de dertiende eeuw kon men alles in rijm
+brengen, tot geneeskunde en natuurlijke historie toe, evenals de
+Oud-Indische letterkunde alle wetenschap in versvorm bracht. De gebonden
+vorm beduidt, dat de voordracht het beoogde middel van mededeeling is.
+Niet de persoonlijke, gevoelvolle, expressieve voordracht, maar het
+opdreunen. De nieuwe behoefte aan proza beduidt de zucht naar expressie,
+de opkomst van het moderne lezen tegenover de oude voordracht. Daartoe
+dient ook de verdeeling van de stof in kleine kapittels met resumeerende
+opschriften, die in de vijftiende eeuw algemeen wordt. Aan het proza
+worden naar verhouding hooger eischen gesteld dan aan de poezie; in den
+ouden rijmvorm slikt men alles nog.
+
+Doch de hoogere qualiteit in het algemeen van het proza zit in zijn
+formeele elementen; nieuwe gedachte heeft het evenmin. Froissart is het
+volledige type van den geest, die in het woord niet denkt, maar enkel
+verbeeldt. Hij heeft nauwelijks gedachten, enkel voorstellingen van
+feiten. Hij kent slechts een paar zedelijke motieven en gevoelens:
+trouw, eer, hebzucht, moed, en die alleen in hun allereenvoudigsten
+vorm. Hij gebruikt geen theologie, geen allegorie, geen mythologie,
+ternauwernood eenige moraal; hij vertelt maar door, correct, moeiteloos,
+geheel adequaat aan het geval, maar toch inhoudloos en nooit treffend,
+met de mechanische uiterlijkheid, waarmee de bioscoop de werkelijkheid
+weergeeft. Zijn bespiegelingen zijn van ongeevenaarde banaliteit: alles
+verveelt, niets is zekerder dan de dood, soms verliest men en soms wint
+men. Bij bepaalde voorstellingen treden met werktuigelijke zekerheid
+vaste uitspraken op: bij voorbeeld zoo dikwijls hij van Duitschers
+spreekt, zegt hij, dat zij hun gevangenen slecht behandelen en bijzonder
+hebzuchtig zijn. [928]
+
+Zelfs wat men gewoonlijk van Froissart citeert als puntig gezegde,
+verliest veelal die kracht in den samenhang. Het geldt als een scherpe
+karakteristiek van den eersten hertog van Bourgondie, wanneer Froissart
+hem noemt "sage, froid et imaginatif, et qui sur ses besognes veoit au
+loin." Maar Froissart zegt het van iedereen! [929] Ook het bekende
+"Ainsi ot messire Jehan de Blois femme et guerre qui trop luy cousta,"
+[930] heeft welbeschouwd in het verband niet de pointe, die men erin
+voelt.
+
+Een element mist Froissart: het rhetorische. Juist de rhetoriek was het
+die den tijdgenoot het gemis aan nieuwen inhoud in de literatuur
+vergoedde. Hij zwelgde in de praal van den versierden stijl; de
+gedachten schijnen hem nieuw door hun statigen dos. Zij dragen alle
+stijve brokaatgewaden. De begrippen van eer en plicht dragen het bonte
+pak van den ridderlijken waan. De natuurzin steekt in de plunje van de
+pastorale en de liefde in het knellendste van al, de allegorie van den
+_Roman de la Rose_. Geen enkele gedachte is naakt en vrij. Zij kunnen
+zich haast niet anders meer bewegen dan voortschrijdende in rustige
+maat, in eindelooze optochten.
+
+Dit rhetorisch-versierende element ontbreekt overigens volstrekt niet
+in de beeldende kunst. Er zijn tal van partijen, die men geschilderde
+rederijkerij zou kunnen noemen. Zoo bijvoorbeeld op Van Eyck's Madonna
+van den kanunnik Van de Paele de Sint Joris, die den stichter aan de
+Maagd aanbeveelt. Hoe duidelijk heeft de kunstenaar willen antikiseeren
+in dat gouden harnas en den pronkhelm; hoe slap rhetorisch is het
+gebaar, waarmee de heilige optreedt. De aartsengel Michael op het
+Dresdensche triptiekje draagt denzelfden al te fraaien tooi. Ook het
+werk van Paul van Limburg vertoont dat bewust rhetorische element, in
+de overrijke, bizarre praal waarmee de drie koningen optreden, in het
+streven naar een exotische, theatrale uitdrukking, dat onmiskenbaar is.
+
+ * * * * *
+
+De poezie der vijftiende eeuw is op haar best, wanneer zij geen
+zwaarwichtige gedachte poogt uit te drukken, en ontslagen is van de
+taak, om het mooi te doen. Wanneer zij maar even een gezicht, een
+stemming oproept. Haar werking berust op haar formeele elementen: het
+beeld, den toon, het rythme. Vandaar dat zij weinig vermag in de werken
+van hoogen opzet en langen adem, waar de rythmische en toonqualiteiten
+ondergeschikt zijn, maar frisch kan zijn in de genres, waar de vorm
+hoofdzaak is: het rondeau, de ballade, die doorgaans op een lichte
+gedachte zijn gebouwd, en hun kracht ontleenen aan visie, toon en
+rythme. Het zijn de eenvoudig en onmiddellijk beeldende eigenschappen
+van het volkslied; daar waar het kunstlied zich het naast aansluit aan
+het volkslied, gaat er de meeste bekoring van uit.
+
+In de veertiende eeuw heeft een kentering plaats in de verhouding van
+lyrische dichtkunst en muziek. In de oudere periode was het gedicht
+onverbrekelijk aan muzikale voordracht gebonden, zelfs niet alleen het
+lyrische; immers men neemt aan, dat ook de chansons de geste gezongen
+werden, elk vers van tien of twaalf syllaben op dezelfde wijs (juist als
+de Indische cloka). Het normale type van den middeleeuwschen lyrischen
+dichter is hij, die zoowel het gedicht als de muziek er op maakt. Dat
+doet in de veertiende eeuw nog Guillaume de Machaut. Hij is het tevens,
+die de meest gebruikelijke lyrische vormen voor zijn tijd fixeert: de
+balladen, het rondeau enz.; hij vindt den vorm van het debat. Machaut's
+rondeau's en balladen kenmerken zich door groote effenheid, weinig
+kleur, nog minder gedachte; en dat mochten zij, want zij waren maar de
+helft van 's dichters werk: het liedje op muziek is er te beter om, als
+het niet te expressief en te bont is, zooals dit simpele rondel:
+
+ "Au departir de vous mon cuer vous lais
+ Et je m'en vois dolans et esploures.
+ Pour vous servir, sans retraite jamais,
+ Au departir de vous mon cuer vous lais.
+ Et par m'ame, je n'arai bien ne pais
+ Jusqu'au retour, einsi desconfortes.
+ Au departir de vous mon cuer vous lais
+ Et je m'en vois dolans et esploures." [931]
+
+Deschamps is niet meer zelf de toondichter van zijn balladen, en hij
+is dan ook veel bonter en drukker dan Machaut, daardoor dikwijls
+belangwekkender, maar lager van poetischen stijl. Natuurlijk sterft het
+ijle, lichte, bijna inhoudlooze, voor muziek bestemde gedicht niet af,
+wanneer de dichters er niet zelf meer de muziek op maken. Het rondel
+bewaart den trant, zooals bij voorbeeld dit van Jean Meschinot:
+
+ "M'aimerez-vous bien,
+ Dictes, par vostre ame?
+ Mais (mits) que je vous ame
+ Plus que nulle rien (ding),
+ M'aimerez-vous bien?
+ Dieu mit tant de bien
+ En vous, que c'est basme (balsem);
+ Pour ce je me clame
+ Vostre. Mais combien
+ M'aimerez-vcms bien?" [932]
+
+Het zuivere, eenvoudige talent van Christine de Pisan leende zich
+bijzonder voor deze vluchtige effekten. Zij heeft even gemakkelijk
+verzen gemaakt als al haar tijdgenooten, zeer weinig gevarieerd in vorm
+en gedachte, effen en weinig gekleurd, stil en rustig, met een lichte,
+geestige melancholie. Het zijn echt litteraire gedichten, volkomen
+hoofsch van toon en gedachte. Zij doen denken aan die ivoren plaques der
+veertiende eeuw, die in zuiver conventioneele afbeelding steeds weer
+dezelfde motieven geven: een jachttafereel, een motief uit _Tristan et
+Yseult_ of uit den _Roman de la rose_, gracieus, koel en bekoorlijk.
+Waar nu Christine met haar zachte hoofschheid tegelijk den toon van het
+volkslied treft, ontstaat soms iets heel zuivers.
+
+Een weerzien:
+
+ "Tu soies le tres bien venu,
+ M'amour, or m'embrace et me baise
+ Et comment t'es tu maintenu
+ Puis ton depart? Sain et bien aise
+ As tu este tousjours? ca vien
+ Coste moy, te sie et me conte
+ Comment t'a este, mal ou bien,
+ Car de ce vueil savoir le compte.
+
+ --Ma dame, a qui je suis tenu
+ Plus que aultre, a nul n'en desplaise,
+ Saches que desir m'a tenu
+ Si court qu'oncques n'oz tel mesaise,
+ Ne plaisir ne prenoie en rien
+ Loings de vous. Amours, qui cuers dompte.
+ Me disoit: "Loyaute me tien,
+ Car de ce vueil savoir le compte."
+
+ --Dont m'as tu ton serment tenu,
+ Bon gre t'en scay, par saint Nicaise;
+ Et puis que sain es revenu
+ Joye arons assez; or t'apaise
+ Et me dis se scez de combien
+ Le mal qu'en as eu a plus monte
+ Que cil qu'a souffert le cuer mien,
+ Car de ce vueil savoir le compte.
+
+ --Plus mal que vous, si com retien,
+ Ay eu, mais dites sanz mesconte,
+ Quans baisiers en aray je bien?
+ Car de ce vueil savoir le compte." [933]
+
+Een gemis:
+
+ "Il a au jour d'ui un mois
+ Que mon ami s'en ala.
+
+ Mon cuer remaint morne et cois,
+ Il a au jour d'ui un mois.
+
+ "A Dieu, me dit, je m'en vois";
+ Ne puis a moy ne parla,
+ Il a au jour d'ui un mois." [934]
+
+Een overgave:
+
+ "Mon ami, ne plourez plus;
+ Car tant me faittes pitie
+ Que mon cuer se rent conclus
+ A vostre doulce amistie.
+ Reprenez autre maniere;
+ Pour Dieu, plus ne vous doulez,
+ Et me faittes bonne chiere:
+ Je vueil quanque vous voulez."
+ * * * * * * * * * * *
+
+Het is de teere, spontane vrouwelijkheid van deze gedichtjes, ontdaan
+van de mannelijk-gewichtige, fantastische bespiegeling, en van den
+bonten opschik met de Rose-figuren, die ze voor ons genietbaar maakt.
+'t Is maar een enkele even ontwaarde stemming, die geboden wordt. Het
+thema heeft maar even in het hart geklonken, en is toen direct verbeeld,
+zonder dat de gedachte er aan te pas kwam. Maar daarom ook vertoont deze
+poezie zoo bijzonder dikwijls die eigenschap, welke zoowel in muziek als
+poezie alle tijdperken kenmerkt, waarin de inspiratie uitsluitend op de
+enkele visie van een oogenblik berust: het thema is zuiver en sterk, het
+lied begint in een klaar en vast geluid, als een merelslag, maar reeds
+na de eerste strofe heeft de dichter of toondichter zijn gegeven
+uitgezegd; de stemming zakt er uit weg, en de uitwerking verloopt in
+zwakke rhetoriek. Het is de eeuwige teleurstelling, die bijna alle
+dichters der vijftiende eeuw u bereiden.
+
+Hier een voorbeeld uit de balladen van Christine:
+
+ "Quant chacun s'en revient de l'ost
+ Pour quoy demeures tu derriere?
+ Et si scez que m'amour entiere
+ T'ay baillee en garde et depost." [935]
+
+Men zou een fijne, middeleeuwsch-Fransche Lenore-ballade verwachten.
+Maar de dichteres had niets anders te zeggen dan dit begin, en in nog
+twee korte onbelangrijke strofen draait zij er een eind aan.
+
+Hoe frisch begint _Le debat dou cheval et dou levrier_ van Froissart:
+
+ "Froissart d'Escoce revenoit
+ Sus un cheval qui gris estoit,
+ Un blanc levrier menoit en lasse.
+ 'Las', dist le levrier, 'je me lasse,
+ Grisel, quant nous reposerons?
+ Il est heure que nous mengons'." [936]
+
+Doch deze toon wordt niet volgehouden, het gedicht zakt terstond. Het
+thema is alleen gezien, niet gedacht. Ze zijn soms prachtig suggestief,
+de thema's. In Pierre Michault's _Danse aux Aveugles_ ziet men de
+menschheid eeuwig dansende om de tronen van Liefde, Fortuin en Dood.
+[937] Maar de uitwerking blijft van het begin af beneden het middelmatige.
+Een naamlooze _Exclamacion des os Sainct Innocent_ begint met den toeroep
+der beenderen in de knekelgalerijen van het beroemde kerkhof:
+
+ "Les os sommes des povres trespassez.
+ Cy amassez par monceaulx compassez.
+ Rompus, cassez, sans reigle ne compas...." [938]
+
+Een aanhef, om de luguberste doodsklacht op te bouwen; maar het wordt
+niet anders dan een memento mori van twaalf in het dozijn.
+
+Het zijn alles louter beeld-thema's. Voor den schilder behelst zulk een
+enkele visie in zich zelf de stof tot de verst doorgevoerde uitwerking,
+maar voor den dichter is zij niet genoeg.
+
+Is dan de schilderkunst der vijftiende eeuw in uitdrukkingsvermogen de
+litteratuur in alle opzichten de baas? Neen. Er blijven altijd gebieden,
+waarop de litteratuur over rijker en meer directe uitdrukkingsmiddelen
+beschikt dan de beeldende kunst. Zulk een gebied is bovenal dat van den
+spot. De beeldende kunst kan, tenzij zij zich verlaagt tot caricatuur,
+slechts een geringe potentie van het komische uitdrukken. Het komische,
+enkel zichtbaar afgebeeld, heeft een neiging, weer in het ernstige over
+te gaan. Slechts daar, waar de bijmenging van het komische element in de
+levensverbeelding zeer gering is, waar het enkel kruiderij is, en niet
+den eigen smaak van het gerecht overstemmen mag, kan de afbeelding
+gelijken tred houden met de uitdrukking in woorden. Als zulk een komiek
+in zwakste potentie kan men de genreschildering beschouwen.
+
+Hier is de beeldende kunst nog volkomen op haar terrein. De ongebreidelde
+uitwerking der details, die wij hierboven aan de schilderkunst der
+vijftiende eeuw toekenden, gaat ongemerkt over in het behagelijke
+vertellen van kleinigheden, in het genre-achtige. Bij den meester van
+Flemalle is de gedetailleerdheid louter 'genre' geworden. Zijn Joseph de
+timmerman zit muizenvallen te maken. Het genre-achtige steekt in al zijn
+details: tusschen de wijze, waarop Van Eyck en waarop de meester van
+Flemalle een vensterblind laat openstaan, een buffetje of een haard
+schildert, is de stap gedaan van de zuiver picturale visie naar het
+genre.
+
+Doch reeds op dit gebied heeft nu het woord opeens een dimensie meer dan
+de afbeelding. Het kan de gemoedsstemming expliciet weergeven. Denk nog
+eens aan Deschamps' beschrijvingen van de schoonheid der kasteelen. Ze
+waren eigenlijk mislukt en bleven oneindig ver achter bij wat de
+miniatuurkunst daarvan wist te maken. Maar vergelijk nu de ballade, waar
+Deschamps in een genretafereel beschrijft, hoe hij zelf ziek ligt in
+zijn armzalig kasteeltje te Fismes. [939] De uilen, spreeuwen, kraaien,
+musschen, die in zijn toren nestelen, houden hem uit den slaap:
+
+ "C'est une estrange melodie
+ Qui ne semble pas grant deduit
+ A gens qui sont en maladie.
+ Premiers les corbes font scavoir
+ Pour certain si tost qu'il est jour:
+ De fort crier font leur pouoir,
+ Le gros, le gresle, sanz sejour;
+ Mieulx vauldroit le son d'un tabour
+ Que telz cris de divers oyseaulx,
+ Puis vient la proie; [940] vaches, veaulx,
+ Crians, muyans, et tout ce nuit,
+ Quant on a le cervel trop vuit,
+ Joint du moustier la sonnerie,
+ Qui tout l'entendement destruit
+ A gens qui sont en maladie."
+
+'s Avonds komen de uilen en verschrikken door hun klagelijk roepen den
+zieke met doodsgedachten:
+
+ "C'est froit hostel et mal reduit
+ A gens qui sont en maladie."
+
+Zoodra maar een zweem van het komische, of ook maar van het genoegelijk-
+vertellende, doordringt, werkt het aaneenrijgende, opsommende procede
+niet meer vermoeiend. Levendige schilderingen van burgerlijke zeden,
+lange behagelijke beschrijvingen van het vrouwelijk toilet breken de
+eentonigheid. In zijn lang allegorisch gedicht _L'espinette amoureuse_
+verkwikt Froissart u plotseling met een opsomming van wel zestig
+kinderspelen, die hij als kleine jongen te Valenciennes te spelen
+placht. [941] De litteraire dienst van den duivel der gulzigheid heeft
+reeds een aanvang genomen. De savoureuze maaltijden van Zola, Huysmans,
+Anatole France hebben reeds hun prototypen in de Middeleeuwen. Hoe glimt
+de gulzigheid, als Deschamps en Villon lekkebaarden naar malsche boutjes.
+Hoe smakelijk beschrijft Froissart de Brusselsche bonvivants, die den
+vetten hertog Wencelijn omringen in den slag bij Baesweiler; zij hebben
+hun knechten bij zich met groote flesschen wijn aan den zadelknop, met
+brood en kaas, pasteien van zalm, forellen en paling, alles netjes in
+kleine servetten gewikkeld; zoo staan zij de slagorde in den weg. [942]
+
+Door haar gave voor het genre-achtige is de litteratuur van dien tijd in
+staat, ook het nuchterste in vers te brengen. Deschamps kan in een
+gedicht om geld manen, zonder van zijn gewone dichterniveau af te dalen;
+hij bedelt in een reeks van balladen om een beloofden tabbert, om
+brandhout, om een paard, om achterstallig salaris. [943]
+
+Het is maar een schrede van het genre-achtige naar het bizarre, het
+burleske, of als men wil: het breugheleske. Ook in dezen vorm van het
+komische is de schilderkunst nog gelijkwaardig aan de litteratuur. Het
+breughelsche element is in de kunst omstreeks 1400 reeds ten volle
+aanwezig. Men vindt het in den Joseph op Broederlam's Vlucht naar Egypte
+te Dijon, in de slapende krijgsknechten op de Drie Maria's bij het graf,
+die aan Hubert van Eyck zijn toegeschreven. Niemand is in het opzettelijk
+bizarre zoo sterk als Paul van Limburg. Een toeschouwer bij Maria's
+tempelgang draagt een ellenhooge, kromme toovenaars-muts en mouwen van
+een vadem lang. Burlesk is hij in de doopvont, die drie monsterachtige
+maskers draagt met uitgestoken tong, en in de omlijsting van Maria en
+Elisabeth, waar een held uit een toren een slak bevecht, een ander man
+op een kruiwagen een varken kruit, dat den doedelzak speelt. [944]
+
+Bizar is de litteratuur der vijftiende eeuw haast op elke bladzijde;
+haar gekunstelde stijl, de zonderling fantastische aankleeding van haar
+allegorieen getuigt het. Motieven, waaraan Breughel zijn uitgelaten
+fantazie zou botvieren, zooals het Debat de Careme et de Mardi Gras,
+Debat de chair et de poisson, zijn in de litteratuur der vijftiende eeuw
+reeds zeer in trek. Breughelsch in den hoogsten zin schijnt een felle
+visie als van Deschamps, waar de wachter de troepen, die zich te Sluis
+verzamelen tegen Engeland, als een heirleger van ratten en muizen ziet:
+
+ "'Avant, avant! tirez-vous ca.
+ Je voy merveille, ce me semble.'
+ --'Et quoy, guette, que vois-tu la?'
+ 'Je voy dix mille rats ensemble
+ Et mainte souris qui s'assemble
+ Dessus la rive de la mer....'
+
+Een andermaal zit hij triest en verstrooid aan den maaltijd ten hove;
+opeens ziet hij, hoe de hovelingen eten: de een kauwt als een varken,
+de ander knabbelt als een muisje, een gebruikt zijn tanden als een zaag,
+deze vertrekt zijn gezicht, bij genen veegt de baard op en neer, "al
+etende leken het duivelen." [945]
+
+Zoodra de litteratuur volksleven schildert, vervalt zij van zelve in dat
+sappige, met luim gekruide realisme, dat in de beeldende kunst weldra
+zich zoo bloeiend zou ontwikkelen. Chastellain's beschrijving van den
+armen boer, die den verdwaalden hertog van Bourgondie opneemt, valt uit
+als een stuk van Breughel. [946] De Pastorale wordt met haar schildering
+van etende, dansende en vrijende herders telkens van haar sentimenteele
+en romantische grondthema afgeleid naar het pad van een frisch naturalisme
+van licht komische werking. Hier behoort ook de belangstelling voor het
+havelooze, die zich zoowel in de litteratuur als in de beeldende kunst
+der vijftiende eeuw reeds begint te openbaren. De kalenderminiaturen
+markeeren met welgevallen de doorgesleten knieen van de maaiertjes in
+het koren, of de schilderkunst de lompen van de bedelaars, die
+barmhartigheid vinden. Hier begint de lijn, die over Rembrandt's etsen
+en Murillo's bedelknapen naar de straattypen van Steinlen leidt.
+
+Doch hier springt ook weder het groote verschil der picturale en
+litteraire appreciatie in het oog. Terwijl de beeldende kunst reeds het
+schilderachtige van den bedelaar ziet, de bekoring van den vorm dus, is
+de litteratuur enkel nog vervuld van de beteekenis van den bedelaar,
+'t zij zij hem beklaagt, of prijst, of verwenscht. De prototypen nu van
+het litteraire realisme der armoede-schildering liggen juist in die
+verwenschingen. De bedelaars waren in het einde der Middeleeuwen een
+ontzettende plaag geworden. In de kerken krioelde hun jammerlijke
+menigte, en belette den dienst met hun geschreeuw en gedruisch; onder
+hen was veel kwaad volk, "validi mendicantes". Het kapittel van Notre
+Dame te Parijs tracht in 1428 vergeefs hen naar de kerkdeuren te
+verwijderen, en slaagt er slechts later in, hen althans uit het koor
+naar het schip der kerk te verwijzen. [947] Deschamps wordt niet moede,
+zijn haat tegen die ellendigen te luchten; hij scheert hen allen over
+een kam als huichelaars en bedriegers: ranselt hen de kerk uit, hangt ze
+op, verbrandt ze! [948] Vanhier naar de moderne litteraire schildering
+der ellende schijnt de weg veel langer dan die, welke de beeldende kunst
+had af te leggen; in de schilderkunst vulde zich het beeld vanzelf met
+nieuw sentiment, in de literatuur moest het langzaam rijpende sociale
+gevoel zich eerst geheel nieuwe vormen van uitdrukking scheppen.
+
+Waar het komische element, zwakker of sterker, grover of fijner, in de
+uiterlijke visie van een geval zelf ligt opgesloten, zooals in het genre
+en in het burleske, daar kon de beeldende kunst het woord bijhouden.
+Maar daarbuiten lagen sferen van het komische, die voor picturale
+uitdrukking volstrekt ontoegankelijk waren, waar kleur noch lijn iets
+vermocht. Overal waar het komische positief lachwekkend moet zijn, was
+de litteratuur onbeperkt meester, dus op het zoo welig begroeide gebied
+van den schaterlach: de klucht, sotternie, boerde, de fabliaux, kortom
+al de vormen van het grof-komische. Uit dien rijken schat van
+laat-middeleeuwsche litteratuur spreekt een eigen geest.
+
+De litteratuur is ook meester op het gebied van den matten glimlach,
+daar, waar de spot zijn hoogste tonen strijkt, zich uitgiet over het
+ernstigste van het leven, de liefde, en over het eigen leed. De
+gekunstelde, gepolijste, versleten vormen der erotiek ondergingen een
+verfijning en zuivering door de bijmenging der ironie.
+
+Buiten het erotische is de ironie nog plomp en naief. De Franschman van
+1400 neemt af en toe nog de voorzichtigheid in acht, die den Hollander
+van 1900 blijft aanbevolen, om het erbij te zeggen, als hij ironisch
+spreekt. Deschamps prijst den goeden tijd: alles gaat best, overal
+heerscht vrede en gerechtigheid:
+
+ "L'en me demande chascun jour
+ Qu'il me semble du temps que voy,
+ Et je respons: c'est tout honour,
+ Loyaute, verite et foy,
+ Largesce, prouesce et arroy,
+ Charite et biens qui s'advance
+ Pour le commun; mais, par ma loy,
+ Je ne di pas quanque je pence."
+
+Of elders aan het eind van een ballade van dezelfde strekking: "Tous ces
+poins a rebours retien"; [949] en in een derde met het refrein: "C'est
+grant pechiez d'ainsy blasmer le monde":
+
+ "Prince, s'il est par tout generalment
+ Comme je say, toute vertu habonde;
+ Mais tel m'orroit qui diroit: 'Il se ment'...." [950]
+
+Zelfs een bel-esprit uit de tweede helft der vijftiende eeuw betitelt
+een epigram: "Soubz une meschante paincture faicte de mauvaises couleurs
+et du plus meschant peinctre du monde, par maniere d'yronnie par maitre
+Jehan Robertet." [951]
+
+Hoe fijn daarentegen kan de ironie reeds zijn, zoodra zij de liefde
+raakt. Zij mengt zich dan met de zachte melancholie, de matte teerheid,
+die de erotiek der vijftiende eeuw in de oude vormen tot iets nieuws
+maakt. Het droge hart smelt in een snik. Er klinkt een geluid, dat in de
+aardsche liefde nog niet was gehoord: de profundis.
+
+Het is de aanbiddelijke zelfbespotting, de figuur van "l'amant remis et
+renie", die Villon aanneemt, het zijn de matte liedjes der desillusie,
+die Charles d'Orleans zingt. Het is de lach in tranen: "Je riz en
+pleurs" is niet enkel Villon's vinding geweest. Een oude bijbelsche
+gemeenplaats: "risus dolore miscebitur et extrema gaudii luctus
+occupat", [952] kreeg hier een nieuwe toepassing, een nieuw sentiment,
+een verfijnde bittere gevoelswaarde. Alain Chartier, de gladde
+hof-poeet, heeft dit motief evengoed als Villon, de vagebond.
+
+ "Je n'ay bouche qui puisse rire,
+ Que les yeulx ne la desmentissent:
+ Car le cueur l'en vouldroit desdire
+ Par les lermes qui des yeulx issent."
+
+Of meer uitgewerkt, van een droeven minnaar:
+
+ "De faire chiere s'efforcoit
+ Et menoit une joye fainte,
+ Et a chanter son cueur forcoit
+ Non pas pour plaisir, mais pour crainte,
+ Car tousjours ung relaiz de plainte
+ S'enlassoit au ton de sa voix,
+ Et revenoit a son attainte
+ Comme l'oysel au chant du bois." [953]
+
+Aan het slot van een gedicht verloochent de dichter zijn leed, in den
+toon van het vagantenlied, zooals hier:
+
+ "Cest livret voult dicter et faire escripre
+ Pour passer temps sans courage villain
+ Ung simple clerc que l'en appelle Alain,
+ Qui parle ainsi d'amours pour oyr dire." [954]
+
+Of in een uitgewerkte fantazie, zooals die waarmee koning Rene zijn
+eindeloos _Cuer d'amour espris_ besluit: de kamerdienaar komt met een
+kaars kijken, of 's konings hart niet weg is; maar hij kan geen gat in
+de zijde ontdekken:
+
+ "Sy me dist tout en soubzriant
+ Que je dormisse seulement
+ Et que n'avoye nullement
+ Pour ce mal garde de morir." [955]
+
+De oude conventioneele vormen kregen door het nieuwe sentiment nieuwe
+frischheid. Niemand heeft de gebruikelijke verpersoonlijking der
+sentimenten zoo ver doorgevoerd als Charles d'Orleans. Hij ziet zijn
+hart als een afzonderlijk wezen:
+
+ "Je suys celluy au cueur vestu de noir...." [956]
+
+In de oudere lyriek, zelfs in den dolce stil nuovo, waren die
+verpersoonlijkingen nog strakke ernst geweest. Maar bij Orleans zijn
+de grenzen van ernst en spot niet meer te trekken; hij chargeert de
+verpersoonlijking, zonder dat het fijne sentiment te loor gaat:
+
+ "Un jour a mon cueur devisoye
+ Qui en secret a moy parloit,
+ Et en parlant lui demandoye
+ Se point d'espargne fait avoit
+ D'aucuns biens quant Amours servoit:
+ Il me dist que tres voulentiers
+ La verite m'en compteroit,
+ Mais qu'eust visite ses papiers.
+
+ Quant ce m'eut dit, il print sa voye
+ Et d'avecques moy se partoit.
+ Apres entrer je le veoye
+ En ung comptouer qu'il avoit:
+ La, de ca et de la queroit,
+ En cherchant plusieurs vieulx caiers
+ Car le vray monstrer me vouloit,
+ Mais qu'eust visitez ses papiers...." [957]
+
+Hier overweegt het komische, maar in het volgende de ernst:
+
+ "Ne hurtez plus a l'uis de ma pensee,
+ Soing et Soucy, sans tant vous travailler;
+ Car elle dort et ne veult s'esveiller,
+ Toute la nuit en peine a despensee.
+
+ En dangier est, s'elle n'est bien pansee;
+ Cessez, cessez, laissez la sommeiller;
+ Ne hurtez plus a l'uis de ma pensee,
+ Soing et Soucy, sans tant vous travailler...." [958]
+
+De week-droeve erotiek kreeg voor den vijftiendeeeuwer een nog scherper
+smaak door de bijmenging van het profane, waarmee hij haar zoo gaarne
+kruidt. De travesti van het amoureuze in kerkelijke vormen dient niet
+enkel tot obscene beeldspraak en grove oneerbiedigheid, zooals in de
+_Cent nouvelles nouvelles_. Zij levert ook den vorm van het meest teere,
+bijna elegische liefdedicht, dat de vijftiende eeuw heeft voortgebracht:
+_L'amant rendu cordelier a l'observance d'amours_.
+
+Het motief van de minnaars als de observanten eener geestelijke orde had
+reeds in den kring van Charles d'Orleans aanleiding gegeven tot een
+dichterlijke confrerie, die zich "les amoureux de l'observance" noemde.
+Is het werkelijk Martial d'Auvergne geweest, die het heeft uitgewerkt
+tot het treffende gedicht, dat zich zoover boven het van hem bekende
+verheft?
+
+De arme, teleurgestelde minnaar komt de wereld begeven in het wonderlijke
+klooster, waar men enkel de droeve verliefden, "les amoureux martyrs",
+opneemt. In stille samenspraak met den heer Prior doet hij het zachte
+verhaal van zijn versmade liefde, en wordt vermaand, die te vergeten.
+Het is onder het middeleeuwsch-satirieke gewaad reeds volkomen de stemming
+van Watteau en den Pierrot-cultus, slechts zonder maneschijn.--Was zij
+niet gewoon, vraagt de Prior, u een lieven blik toe te werpen, of in 't
+voorbijgaan een "Dieu gart" te zeggen?--Zoo ver kwam ik nooit, antwoordt
+de minnaar: maar 's nachts stond ik drie heele uren voor haar deur, en
+keek op naar de goot:
+
+ "Et puis, quant je oyoye les verrieres
+ De la maison qui cliquetoient,
+ Lors me sembloit que mes prieres
+ Exaussees d'elle sy estoient."
+
+"Waart ge zeker, dat zij u opmerkte?" vraagt de Prior.
+
+ "Se m'aist Dieu, j'estoye tant ravis,
+ Que ne savoye mon sens ne estre,
+ Car, sans parler, m'estoit advis
+ Que le vent ventoit sa fenestre
+ Et que m'avoit bien peu congnoistre,
+ En disant bas: 'Doint bonne nuyt',
+ Et Dieu scet se j'estoye grant maistre
+ Apres cela toute la nuyt." [959]
+
+In die zaligheid sliep hij heerlijk:
+
+ "Tellement estoie restaure
+ Que, sans tourner ne travailler,
+ Je faisoie un somme dore,
+ Sans point la nuyt me resveiller.
+ Et puis, avant que m'abiller,
+ Pour en rendre a Amours louanges,
+ Baisoie troys fois mon orillier,
+ En riant a par moy aux anges."
+
+Bij zijn plechtige opneming in de orde bezwijmt de dame, die hem
+versmaad had, en een gouden hartje, geemailleerd met tranen, dat hij
+haar geschonken had, valt uit haar kleed.
+
+ "Les aultres, pour leur mal couvrir
+ A force leurs cueurs retenoient,
+ Passans temps a clorre et rouvrir
+ Les heures qu'en leurs mains tenoient,
+ Dont souvent les feuilles tournoient
+ En signe de devocion;
+ Mais les deulz et pleurs que menoient
+ Monstroient bien leur affection."
+
+Als de Prior hem ten slotte zijn nieuwe plichten opsomt, en hem
+waarschuwt, om nooit te luisteren naar den nachtegaal, nooit te slapen
+onder "eglantiers et aubespines", en vooral nooit in vrouwenoogen te
+zien, klaagt het gedicht op het thema "Doux yeux" een eindelooze melodie
+van strofen, die altijd weer varieeren:
+
+ "Doux yeulx qui tousjours vont et viennent;
+ Doulx yeulx eschauffans le plisson,
+ De ceulx qui amoureux deviennent...."
+
+ "Doux yeulx a cler esperlissans,
+ Qui dient: C'est fait quant tu vouldras,
+ A ceulx qu'ils sentent bien puissans...." [960]
+
+Die zachte, matte toon, die gelaten melancholie heeft ongemerkt in de
+vijftiende eeuw alle conventioneele vormen der erotiek doordrongen. De
+oude satire van cynische vrouwenverguizing krijgt er op eens een heel
+andere, verfijnde stemming door: in de _Quinze joyes de mariage_ is de
+botte vrouwensmaad van voorheen getemperd door een toon van stille
+desillusie en gedruktheid, die er het navrante aan geeft van een moderne
+huwelijksnovelle: de gedachten zijn ijl, vluchtig uitgedrukt; de
+gesprekken zijn te teer voor de boosaardige bedoeling.
+
+In alles wat de uitdrukking der liefde betrof, had de litteratuur een
+school van eeuwen achter zich, met meesters van zoo verscheiden geest
+als Plato en Ovidius, de troubadours en de vaganten, Dante en Jean de
+Meun.--De beeldende kunst daarentegen was hierin nog buitengewoon
+primitief, en is dat nog lang gebleven. Eerst in de achttiende eeuw
+haalt de afbeelding der liefde de beschrijving ervan in verfijning en
+volheid van expressie in. De schilderkunst der vijftiende eeuw kon nog
+niet frivool of sentimenteel zijn. Tusschen het kuische en het obscene
+had zij nog geen uitdrukkingsmiddel gevonden. Van het liefdeleven zegt
+zij weinig, en dat in naieve en onschuldige vormen. Wel moet men zich
+hier opnieuw herinneren, dat het meeste wat er van dien aard bestaan
+heeft, verloren is. Het zou van buitengewoon belang zijn, als men het
+naakt van Van Eyck in zijn Vrouwenbad, waarvan Fazio verhaalt, kon
+vergelijken met zijn Adam en Eva. In de laatste ontbreekt het erotische
+element volstrekt niet geheel: immers de kunstenaar heeft wel degelijk
+den conventioneelen code van vrouwenschoonheid gevolgd, in de kleine,
+te hoog geplaatste borsten, de lange slanke armen, den vooruitstekenden
+buik. Doch hoe naief heeft hij dat alles gedaan, zonder eenige zucht of
+vermogen om te bekoren.--Bekoring moet het essentieele element zijn van
+het kleine Liefdetooverijtje, wel met 'school van Jan van Eyck'
+betiteld, [961] een kamer, waar een meisje, naakt, zooals dat bij
+tooverij hoort, door toovermiddelen den minnaar dwingt, zich te
+vertoonen. Hier is het naakt van die bescheiden wulpschheid, die zich in
+Cranach's naaktfiguren voortzet.
+
+Het was geen preutschheid, die de rol der afbeelding in de erotiek zoo
+beperkt hield. De late Middeleeuwen vertoonen een zonderlinge
+tegenstrijdigheid tusschen een sterk schaamtegevoel en een verbazende
+licentie. Voor het laatste is het aanhalen van voorbeelden onnoodig;
+zij spreekt op iedere bladzijde. De schaamte spreekt bij voorbeeld uit
+het volgende. Bij de ergste moord- en plunderpartijen laat men den
+slachtoffers het hemd of de onderbroek; de Burger van Parijs is over
+niets zoo verontwaardigd als over het feit, dat die regel werd
+geschonden: "et ne volut pas convoitise que on leur laissast neis leurs
+brayes, pour tant qu'ilz vaulsissent 4 deniers, qui estoit un des plus
+grans cruaultes et inhumanite chrestienne a aultre de quoy on peut
+parler." Bij het verhaal van de wreedheid van den bastaard van Vauru
+tegen een arme vrouw, is hij nog meer dan van de overige kwellingen
+ontzet van het schendig stuk, dat hij haar de kleeren kort onder het
+middel laat afsnijden. [962]--Daarom blijft het dubbel opmerkelijk, dat
+men aan het vrouwelijk naakt, in de kunst nog zoo weinig gecultiveerd,
+zulk een vrije plaats gaf in het tableau vivant. Bij geen intocht
+ontbraken de vertooningen, "personnages", van naakte godinnen of nimfen,
+door Duerer aanschouwd bij den intocht van Karel V te Antwerpen in 1520,
+[963] en door Hans Makart misverstaan, alsof de vrouwen meeliepen in den
+optocht. Deze vertooningen waren op getimmerten op bepaalde plaatsen
+opgesteld, soms zelfs in het water, zooals de sirenen, die bij de brug
+in de Leie zwommen, "toutes nues et echevelees ainsi comme on les
+peint", bij den intocht van Philips den Goede te Gent in 1457. [964]
+Paris' oordeel was het meest gebruikte onderwerp dezer vertooningen.
+--Men zoeke er noch Griekschen schoonheidszin noch platte
+onbeschaamdheid in, maar een naieve, populaire zinnelijkheid. Jean de
+Roye beschrijft de sirenen, die bij den intocht van Lodewijk XI te
+Parijs in 1461, niet ver van een gekruisigde tusschen de twee schakers,
+stonden opgesteld, in deze woorden: "Et si y avoit encores trois bien
+belles filles, faisans personnages de seraines toutes nues, et leur
+veoit on le beau tetin droit, separe, rond et dur, qui estoit chose bien
+plaisant, et disoient de petiz motetz et bergeretes; et pres d'eulx
+jouoient plusieurs bas instrumens qui rendoient de grandes melodies."
+[965] Molinet vertelt, met hoeveel welbehagen het volk naar het oordeel
+van Paris keek bij den intocht van Philips den Schoone te Antwerpen in
+1494: "mais le hourd ou les gens donnoient le plus affectueux regard fut
+sur l'histoire des trois deesses, que l'on veoit au nud et de femmes
+vives." [966] Hoe ver was zuivere schoonheidszin, als men de vertooning
+van dat onderwerp in 1468 te Rijssel bij den intocht van Karel den
+Stoute geparodieerd ziet door een zwaarlijvige Venus, een magere Juno en
+een gebochelde Minerva, met gouden kronen op het hoofd! [967]--Tot diep
+in de zestiende eeuw bleven de naakte vertooningen in gebruik: te Rennes
+in 1532 bij den intocht van den hertog van Bretagne zag men een naakte
+Ceres en Bacchus, [968] en nog Willem van Oranje werd bij zijn inkomst
+binnen Brussel op 18 September 1578 vergast op een Andromeda, "een
+ionghe maeght, met ketenen ghevetert, alsoo naeckt als sy van moeder
+lyve gheboren was; men soude merckelyck geseydt hebben, dattet een
+marberen beeldt hadde geweest", aldus Johan Baptista Houwaert, die de
+tableaux gearrangeerd had. [969]
+
+ * * * * *
+
+De achterlijkheid van het picturale uitdrukkingsvermogen vergeleken bij
+de litteratuur beperkt zich overigens niet tot de gebieden, die wij tot
+nu toe behandelden: het komische, het sentimenteele, het erotische. Dat
+vermogen vindt zijn grenzen, zoodat het niet meer gedragen wordt aan
+dien overmatig visueelen aanleg, waarin wij de toenmalige superioriteit
+van de schilderkunst in het algemeen boven de litteratuur gegrond
+achtten. Zoodra er iets meer noodig is dan enkel een onmiddellijke,
+scherpe visie van het natuurlijke, begeeft die superioriteit de
+schilderkunst van lieverlede, en ziet men opeens de gegrondheid van
+Michel Angelo's verwijt: die kunst wil vele dingen tegelijk volkomen
+afbeelden, waarvan een belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten
+aan te besteden.
+
+Neem nogmaals een tafereel van Jan van Eyck. Onovertroffen blijft zijn
+kunst, zoolang zij van nabij ziende, om zoo te zeggen microscopisch,
+werkt: in de gelaatstrekken, de stoffen der gewaden, de juweelen. De
+volstrekt scherpe observatie is daar genoeg. Doch zoodra de geziene
+werkelijkheid eenigermate moet worden herleid, gelijk reeds het geval
+is in de voorstelling van gebouwen en landschappen, vallen er, bij alle
+innige bekoring van het vroege vergezicht, zwakheden te bespeuren: een
+zekere onsamenhangendheid, een ietwat gebrekkige dispositie. En hoe meer
+de voorstelling opzettelijk moet worden gecomponeerd, er een beeldvorm
+voor het geval vrij moet worden geschapen, hoe sterker de daling wordt.
+
+Niemand zal tegenspreken, dat in de verluchte getijboeken de
+kalenderbladen die, waarop de heilige geschiedenis staat afgebeeld,
+overtreffen. Daar kon men met directe waarneming en vertellend weergeven
+volstaan. Maar om een gewichtige handeling, een bewogen voorstelling met
+veel personen op te zetten, was bovenal dat gevoel voor rythmischen
+opbouw en eenheid noodig, dat eertijds Giotto gekend had, en dat opnieuw
+door Michel Angelo werd begrepen. Het wezen nu der vijftiende-eeuwsche
+kunst was veelheid. Slechts daar, waar de veelheid zelf tot eenheid
+werd, werd het effekt van hooge harmonie bereikt, zooals in de
+Aanbidding van het Lam. Daar is inderdaad rythme, een onvergelijkelijk
+sterk rythme, een triomfantelijk rythme van al die stoeten schrijdend
+naar het middelpunt toe. Doch het is als 't ware door een bloot
+rekenkundige nevenschikking, uit de veelheid zelf, gevonden. Van Eyck
+ontloopt de moeilijkheden der compositie, door slechts voorstellingen
+te geven in strenge rust; hij bereikt een statische, geen dynamische
+harmonie.
+
+Hier bovenal ligt de groote afstand, die Rogier van der Weyden van Van
+Eyck scheidt. Rogier beperkt zich, om het rythme te vinden; hij slaagt
+niet altijd, maar hij streeft.
+
+Nu bestond er voor de voornaamste onderwerpen der heilsgeschiedenis een
+strenge, oude verbeeldingstraditie. De schilder behoefde de ordonnantie
+van zijn tafereel niet meer zelf te zoeken. [970] Sommige dier
+onderwerpen brachten een rythmischen bouw bijna vanzelve mee. In een
+beweening, een kruisafneming, een aanbidding der herders, kwam het
+rythme als van zelve. Men denke aan de pieta's van Rogier van der Weyden
+te Madrid, die van de Avignonsche school in het Louvre en te Brussel,
+van Petrus Cristus, van Geertgen tot Sint Jans, van de Belles heures
+d'Ailly. [971]
+
+Wordt echter het tafereel woeliger, zooals bij de bespotting, de
+kruisdraging, de aanbidding der koningen, dan stijgen de moeilijkheden
+der compositie, en een zekere onrustigheid, onvoldoende eenheid der
+voorstelling is veelal het gevolg. En als de kerkelijke iconografische
+norm den kunstenaar geheel begeeft, dan staat hij vrijwel hulpeloos.
+Reeds de rechtspraaktafereelen van Dirk Bouts en Gerard David, die
+nog een zekere statige ordonnantie meebrachten, zijn vrij zwak van
+compositie. Linksch en onbeholpen wordt zij in de marteling van Sint
+Erasmus, "het dermwinderken" van Leuven, en van Sint Hippolytus, door
+paarden uiteengetrokken, te Brugge. Daar werkt de gebrekkige bouw reeds
+stuitend.
+
+Wanneer nu nooit geziene fantazie moet worden verbeeld, dan vervalt de
+vijftiende-eeuwsche kunst in het belachelijke. De groote schilderkunst
+bleef daarvoor gespaard door haar strenge onderwerpen, maar de
+boekverluchting kon zich niet onttrekken aan het afbeelden van al de
+mythologische en allegorische fantazie, die de litteratuur aanbracht.
+Een goed voorbeeld levert de illustratie van de _Epitre d'Othea a
+Hector_, [972] een uitgewerkte mythologische fantazie van Christine
+de Pisan. Het is het onbeholpenste wat men zich kan voorstellen. De
+Grieksche goden dragen groote vlerken achter aan hun hermelijnmantels of
+bourgondische tabberts; de geheele opzet en uitdrukking mislukt: Minos,
+Saturnus, die zijn kinderen verslindt, Midas, die den prijs uitdeelt,
+zij vallen allen even zot uit. Doch zoodra de verluchter in den
+achtergrond even zijn hart kan ophalen aan een herdertje met schaapjes
+of een heuveltje met galg en rad, vertoont hij de gewone vaardigheid.
+[973] Men is hier aan de grens van het beeldend vermogen dezer
+kunstenaars. In vrij scheppende verbeelding zijn zij tenslotte ongeveer
+even beperkt als de dichters.
+
+ * * * * *
+
+De allegorische verbeelding had de fantazie in een impasse geleid. De
+allegorie kluistert wederkeerig het beeld en de gedachte. Het beeld
+kan niet vrij geschapen worden, omdat het de gedachte volkomen moet
+omschrijven, en de gedachte wordt in haar vlucht belemmerd door het
+beeld. De fantazie heeft zich gewend, de gedachte zoo nuchter mogelijk
+in beeld over te brengen, zonder eenig gevoel voor stijl. Temperantia
+draagt op haar hoofd een uurwerk, om haar aard aan te duiden. De
+verluchter van de _Epitre d'Othea_ nam daartoe eenvoudig het hangklokje,
+dat hij ook bij Philips den Goede aan den wand plaatste. [974]--Wanneer
+een scherp natuurlijk observeerende geest als Chastellain uit eigen
+vinding allegorische figuren teekent, valt het bijster barok uit. Hij
+ziet bij voorbeeld in het rechtvaardigingsbetoog naar aanleiding van
+zijn gewaagd politiek gedicht _Le dit de verite_ [975] vier dames, die
+hem aanklagen. Zij heeten Indignation, Reprobation, Accusation,
+Vindication. Ziehier, hoe hij de tweede beschrijft. [976] "Ceste dame
+droit-cy se monstroit avoir les conditions seures, [977] raisons moult
+agues et mordantes; grignoit les dens et machoit ses levres; niquoit de
+la teste souvent; et monstrant signe d'estre argueresse, sauteloit sur
+ses pieds et tournoit l'un coste puis ca, l'autre coste puis la; portoit
+maniere d'impatience et de contradiction; le droit oeil avoit clos et
+l'autre ouvert; avoit un sacq plein de livres devant lui, dont les uns
+mit en son escours [978] comme cheris, les autres jetta au loin par
+despit; deschira papiers et feuilles; quayers jetta au feu felonnement;
+rioit sur les uns et les baisoit; sur les autres cracha par vilennie et
+les foula des pieds; avoit une plume en sa main, pleine d'encre, de
+laquelle roioit maintes ecritures notables ...; d'une esponge aussy
+noircissoit aucunes ymages, autres esgratinoit aux ongles ... et les
+tierces rasoit toutes au net et les planoit comme pour les mettre hors
+de memoire; et se monstroit dure et felle ennemie a beaucoup de gens de
+bien, plus volontairement que par raison." Elders ziet hij, hoe Dame
+Paix haar mantel uitspreidt en hoog oplicht, en in vier nieuwe dames
+uiteenvalt: Paix de coeur, Paix de bouche, Paix de semblant, Paix de
+vray effet. [979] In weer een ander van zijn allegorieen komen
+vrouwenfiguren voor, die heeten "Pesanteur de tes pays, Diverse
+condition et qualite de tes divers peuples, L'envie et haine des
+Francois et des voisines nations", alsof een politiek hoofdartikel zich
+liet allegoriseeren. [980]--Dat al die figuren niet gezien maar bedacht
+zijn, blijkt ten overvloede uit het feit, dat zij hun namen op
+banderoles dragen; hij put de beelden niet direct uit zijn levende
+fantazie, maar stelt ze zich voor als op een schilderij of in een
+vertooning.
+
+In _La mort du duc Philippe, mystere par maniere de lamentation_ ziet
+hij zijn hertog verbeeld als een flesch vol kostbare zalf, die aan een
+draad uit den hemel hangt; de aarde heeft die flesch aan haar borsten
+gezoogd. [981] Molinet ziet Christus als pelikaan (een gewone trope)
+niet alleen met zijn bloed de jongen voeden, maar tevens er den spiegel
+des doods mee afwasschen. [982]
+
+Schoonheidsinspiratie is hier zoek; het is spelend en valsch vernuft,
+een uitgeputte geest, die nieuwe bevruchting wacht. In het altijd weer
+gebruikte droommotief als raam eener handeling zijn bijna nooit echte
+droomelementen waar te nemen, zooals ze bij Dante en bij Shakespeare zoo
+treffend voorkomen. De illusie, dat de dichter zijn voorstelling als
+vizioen heeft gezien, wordt dikwijls niet eens volgehouden: Chastellain
+noemt zich zelf "l'inventeur ou le fantasieur de ceste vision." [983]
+
+Op het verdorde veld der allegorische verbeelding kan alleen de spot
+telkens weer frisch kruid doen bloeien. Zoodra het even in 't luimige
+geworpen wordt, werkt de allegorie nog. Deschamps vraagt den dokter, hoe
+de deugden en het recht het maken:
+
+ "Phisicien, comment fait Droit?
+ --Sur m'ame, il est en petit point....
+ --Que fait Raison?...
+ Perdu a son entendement,
+ Elle parle mais faiblement,
+ Et Justice est toute ydiote...." [984]
+
+De verschillende sferen van fantazie worden stijlloos dooreengemengd.
+Geen product zoo bizar als het politieke schotschrift in het kleed der
+pastorale. De onbekende dichter, die zich Bucarius noemt, heeft in _Le
+Pastoralet_ al den laster van het huis Bourgondie tegen Orleans in de
+kleur der herderij geschilderd: Orleans, Jan zonder Vrees en al hun
+trotsch en grimmig gevolg als zoete herders, wonderlijke Leeuwendalers!
+De herdersrok is beschilderd met fleurs de lis of klimmende leeuwen; er
+zijn "bergiers a long jupel", dat zijn de geestelijken. [985] De herder
+Tristifer, dat is Orleans, neemt den anderen hun brood en kaas, hun
+appelen en noten, hun fluitjes af, en den schapen de klokjes; hij dreigt
+de weerstrevenden met zijn grooten herdersstaf. Totdat hij zelf met een
+herdersstaf wordt doodgeslagen. Soms vergeet de dichter bijna zijn
+sinistere strekking en vermeit zich in de zoetste pastorale, dan weer
+wordt de herderlijke fantazie zonderling gestoord door den boozen
+politieken smaad. [986] Ook hier nog niets van de maat en smaak der
+Renaissance.
+
+Molinet haspelt de motieven van het geloof, den krijg, de heraldiek en
+de min dooreen, in den vorm van een proclamatie van den Schepper aan
+alle ware minnenden:
+
+ "Nous Dieu d'amours, createur, roy de gloire
+ Salut a tous vrays amans d'humble affaire!
+ Comme il soit vray que depuis la victoire
+ De nostre filz sur le mont de Calvaire
+ Plusieurs souldars par peu de congnoissance
+ De noz armes, font au dyable allyance...."
+
+Daarom wordt hun het rechte wapen beschreven: schild van zilver, chef
+van goud met vijf wonden, en de militante Kerk octrooi verleend, om
+allen in haar dienst op te nemen, die tot dat wapen willen terugkeeren,
+
+ "mais qu'en pleurs et en larmes,
+ De cueur contrict et foy sans abuser." [987]
+
+De kunstenmakerijen, waarmee Molinet den lof zijner tijdgenooten als
+vernuftig rhetoriqueur en poeet behaalde, schijnen ons de laatste
+ontaarding van een uitdrukkingsvorm voor zijn ondergang. Hij vermeit
+zich in de meest zoutelooze woordspelletjes: "Et ainsi demoura l'Escluse
+en paix qui lui fut incluse, car la guerre fut d'elle excluse plus
+solitaire que rencluse." [988] In de inleiding op zijn gemoraliseerde
+prozabewerking van den _Roman de la rose_ speelt hij met zijn naam
+Molinet. "Et affin que je ne perde le froment de mal labeur, et que la
+farine que en sera molue puisse avoir fleur salutaire, j'ay intencion,
+se Dieu m'en donne la grace, de tourner et convertir soubz mes rudes
+meulles le vicieux au vertueux, le corporel en l'espirituel, la
+mondanite en divinite, et souverainement de la moraliser. Et par ainsi
+nous tirerons le miel hors de la dure pierre, et la rose vermeille hors
+des poignans espines, ou nous trouverons grain et graine, fruict, fleur
+et feuille, tres souefve odeur, odorant verdure, verdoyant floriture,
+florissant nourriture, nourissant fruict et fructifiant pasture." [989]
+Wat lijkt het eind-eeuwsch en versleten! Toch bewonderde de tijdgenoot
+juist dit als het nieuwe; de middeleeuwsche poezie had dat spelen met
+woorden eigenlijk niet gekend, die speelde meer met beelden. Zooals bij
+voorbeeld Olivier de la Marche, Molinet's geestverwant en bewonderaar:
+
+ "La prins fievre de souvenance
+ Et catherre de desplaisir,
+ Une migraine de souffrance,
+ Colicque d'une impascience,
+ Mal de dens non a soustenir.
+ Mon cueur ne porroit plus souffrir
+ Les regretz de ma destinee
+ Par douleur non accoustumee." [990]
+
+Meschinot is nog even verslaafd aan de slappe allegorie als La Marche;
+van zijn _Lunettes des princes_ zijn Prudence en Justice de glazen,
+Force de montuur, Temperance de nagel, die alles bijeenhoudt. Raison
+geeft den dichter dien bril met een gebruiksaanwijzing; door den hemel
+gezonden komt Raison zijn geest binnen, en wil daar haar festijn
+aanrichten, maar vindt er alles bedorven door Desespoir, zoodat er niets
+is "pour disner bonnement." [991]
+
+'t Schijnt alles ontaarding en verval. En toch is het de tijd, waarin
+de nieuwe geest der Renaissance reeds blaast, waar hij wil. Waar is de
+groote, jonge bezieling en de nieuwe, zuivere vorm?
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[902] Erasmus, Ratio seu Methodus compendio perveniendi ad veram
+theologiam, ed. Bazel 1520, p. 146.
+
+[903] E. Durand Greville, Hubert et Jean van Eyck, Bruxelles, 1910,
+p. 119.
+
+[904] p. 361. (zie Hoofdstuk X, noot 721)
+
+[905] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 594.
+
+[906] Chastellain, I p. 11, 12. IV p. 21, 393, VII p. 160; La Marche,
+I p. 14; Molinet, I p. 23.
+
+[907] Jean Robertet, bij Chastellain, VII p. 182.
+
+[908] Chastellain, VII p. 219.
+
+[909] Chastellain, III p. 231ss.--Sint Antoine valt op 17 Januari.
+
+[910] Oratoire, een door tapijten afgeschoten vertrekje in een kapel.
+
+[911] Dooi.
+
+[912] Een heuveltje, een aardhoop.
+
+[913] Chastellain, III p. 46, zie hierboven blz. 154 (zie Hoofdstuk III,
+noot 294). vg. III 104, V 259.
+
+[914] Helmen.
+
+[915] Chastellain, V p. 273, 269, 271.
+
+[916] Zie de reproducties bij A. Michel, Histoire de l'art etc., Paris,
+1907 etc. 7 vol. parus, IV, 2 p. 711 en P. Durrieu. Les belles heures du
+duc de Berry, Gazette des beaux arts 1906, t. 35, p. 283.
+
+[917] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 50, XI p. 99. XIII p. 4.
+
+[918] Dichter onbekend, gedrukt Deschamps, Oeuvres X no. 18, vgl. Le
+Debat du cuer et du corps de Villon, evenzoo Charles d'Orleans, rondel
+192.
+
+[919] Dat blijkt.
+
+[920] Ed. de 1522, fol. 101, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot etc.,
+Bibl. de l'ecole des chartes LVI, 1895, p. 301. Vgl. de balladen van
+Henri Baude, ed. Quicherat (Tresor des pieces rares ou inedites, Paris
+1856), p. 26, 37, 55, 79.
+
+[921] Froissart, ed. Luce. I p. 56, 66. 71, XI p. 13, ed. Kervyn. XII
+p. 2, 23; vgl. ook Deschamps, III p. 42.
+
+[922] Froissart ed. Kervyn, XI p. 89.
+
+[923] P. Durrieu, Les tres-riches heures de Jean de France duc de Berry,
+1904, pl. 38.
+
+[924] Oeuvres du roi Rene, ed. de Quatrebarbes, II p. 105.
+
+[925] Deschamps, I nos. 61, 144; III nos. 454, 483, 524; IV nos. 617, 636.
+
+[926] Durrieu. l.c. pl. 3, 9, 12.
+
+[927] Deschamps, VI p. 191, no. 1204.
+
+[928] Froissart, ed. Luce, V p. 64, VIII p. 5, 48, XI p. 110, ed.
+Kervyn, XIII p. 14, 21, 84, 102, 264.
+
+[929] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 54, 109, 184, XVI p. 23, 52, ed.
+Luce. I p. 394.
+
+[930] Froissart, XIII p. 13.
+
+[931] G. de Machaut, Poesies lyriques, ed. V. Chichmaref (Zapiski ist.
+fil. fakulteta imp. S. Peterb. universiteta XCII 1909) no. 60, I p. 74.
+
+[932] La Borderie, l.c., p. 618.
+
+[933] Christine de Pisan, Oeuvres poetiques, I p. 276.
+
+[934] Ib. p. 164, no. 30.
+
+[935] Ib. I p. 275, no. 5.
+
+[936] Froissart, Poesies, ed. Scheler, II p. 216.
+
+[937] P. Michault, La dance aux aveugles etc., Lille, 1748.
+
+[938] Recueil de poesies francoises des XVe et XVIe siecles, ed. de
+Montaiglon (Bibl. elzevirienne) t. IX p. 59.
+
+[939] Deschamps, VI no. 1202, p. 188.
+
+[940] Het vee dat naar de wei gaat.
+
+[941] Froissart, Poesies. I p. 91.
+
+[942] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 22.
+
+[943] Deschamps, I p. 196, no. 90, p. 192, no. 87. IV p. 294, no. 788, V
+no.903, 905, 919, VII p. 220, no. 1375, vgl. II p. 86, no. 250, no.247.
+
+[944] Durrieu, Les tres riches heures, pl. 38, 39, 60, 27, 28.
+
+[945] Deschamps, no. 1060, V p. 351. no. 844, V p. 15.
+
+[946] Chastellain, III p. 256ss.
+
+[947] Journal d'un bourgeois, p. 325(2).
+
+[948] Deschamps, nos. 1229, 1230, 1233, 1259, 1299, 1300, 1477, VI
+p. 230, 232, 237, 279, VII p. 52, 54, VIII p. 182, vgl. Gaguin's
+De validorum mendicantium astucia, Thuasne, II p. 169ss.
+
+[949] Deschamps. no. 219, II p. 44, no. 2, I p. 71.
+
+[950] Ib. IV, p. 291, no. 786.
+
+[951] Bibliotheque de l'ecole des chartes, 2e serie III 1846, p. 70.
+
+[952] Proverbia, 14.13.
+
+[953] Alain Chartier, La belle dame sans mercy, p. 503, 505, vgl. Le
+debat du reveille-matin, p. 498; Chansons du XVe siecle, p. 71, no. 73;
+L'amant rendu cordelier a l'observance d'amours, vs. 371; Molinet,
+Faictz et dictz, ed. 1537, f. 172.
+
+[954] Alain Chartier, Le debat des deux fortunes d'amours, p. 581.
+
+[955] Oeuvres du roi Rene, ed. Quatrebarbes, III p. 194.
+
+[956] Charles d'Orleans, Poesies completes, p. 68.
+
+[957] L.c., p. 88, ballade no. 19.
+
+[958] L.c., chanson no. 62.
+
+[959] Vgl. Alain Chartier, p. 559: "Ou se le vent une fenestre boute,
+Dont il cuide que sa dame l'escoute, S'en va coucher joyeulx...."
+
+[960] Huitains 51, 53, 57, 167, 188, 192, ed. de Montaiglon, Soc. des
+anc. textes francais, 1881.
+
+[961] Museum te Leipzig, no. 509.
+
+[962] Juvenal des Ursins, 1418, p. 541; Journal d'un bourgeois de Paris,
+p. 92, 172.
+
+[963] J. Veth & S. Muller Fz., A. Duerer's Niederlaendische Reise,
+Berlin-Utrecht, 1918, 2 bde, I p. 13.
+
+[964] Chastellain, III p. 414.
+
+[965] Chron. scand., I p. 27.
+
+[966] Molinet, V p. 15.
+
+[967] Lefebvre, Theatre de Lille, p. 54, bij Doutrepont, p. 354.
+
+[968] Th. Godefroy, Le ceremonial francois, 1649, p. 617.
+
+[969] J. B. Houwaert, Declaratie van die triumphante Incompst van den
+... Prince van Oraingnien etc.; t'Antwerpen, Plantijn 1579, p. 39.
+
+[970] De these van Emile Male omtrent den invloed der
+theatervoorstelling op de schilderkunst moge hier blijven rusten.
+
+[971] Zie P. Durrieu, Gazette des beaux arts, 1906, t. 35, p. 275.
+
+[972] Christine de Pisan, Epitre d'Othea a Hector, Ms. 9392 de Jean
+Mielot, ed. J. van den Gheyn, Bruxelles 1913.
+
+[973] L.c., pl. 5, 8, 26, 24, 25.
+
+[974] Van den Gheyn, Epitre d'Othea, pl. I en 3; Michel, Histoire de
+l'art IV, 2 p. 603, Michel Colombe, grafmonument uit de kathedraal van
+Nantes, id. 616, figuur van Temperantia aan het grafmonument der
+kardinalen van Amboise in de kathedraal van Rouen.
+
+[975] Zie daarover mijn opstel Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal
+besef, De Gids 1912, I.
+
+[976] Exposition sur verite mal prise, Chastellain, VI p. 249.
+
+[977] zuur.
+
+[978] gordel.
+
+[979] Le livre de paix, Chastellain, VII p. 375.
+
+[980] Advertissement au duc Charles, Chastellain. VII p. 304 ss.
+
+[981] Chastellain, VII p. 237 ss.
+
+[982] Molinet, Le miroir de la mort, fragment bij Chastellain, VI
+p. 460.
+
+[983] Chastellain. VII p. 419.
+
+[984] Deschamps, I p. 170.
+
+[985] Le Pastoralet, vs. 501, 7240, 5768.
+
+[986] Vgl. voor de vermenging van pastorale en politiek Deschamps, III
+p. 62, no. 344, p. 93, no. 359.
+
+[987] Molinet, Faictz et dictz, f. 1.
+
+[988] Molinet, Chronique, IV p. 307.
+
+[989] Bij E. Langlois, Le roman de la rose (Soc. des anc. textes) 1914,
+I p. 33.
+
+[990] Recueil de Chansons etc. (Soc. des bibliophiles belges), III p. 31.
+
+[991] La Borderie, l.c., p. 603, 632.
+
+
+ * * * * *
+
+
+XIV
+
+HET KOMEN VAN DEN NIEUWEN VORM
+
+
+De verhouding van het opbloeiende Humanisme en den afstervenden geest
+der Middeleeuwen is veel minder eenvoudig, dan wij geneigd zijn, ons
+haar voor te stellen. Ons, die die beide cultuurcomplexen scherp
+gescheiden zien, schijnt het, alsof de ontvankelijkheid voor de eeuwige
+jeugd der Ouden en de verloochening van den ganschen versleten toestel
+der middeleeuwsche gedachtenuitdrukking gekomen moet zijn als een
+openbaring. Alsof de geesten, ten doode vermoeid van allegorie en
+flamboyantisme, plotseling moeten hebben begrepen: neen, niet dit, maar
+dat! Alsof de gouden harmonie van het klassieke hun opeens als een
+redding voor oogen moet hebben gestraald, alsof zij de Oudheid hebben
+moeten omhelsd met de vervoering van wie zijn heil heeft gevonden.
+
+Maar zoo is het niet. Midden in den tuin der middeleeuwsche gedachte,
+tusschen de welige woekering van het oude gewas, is het klassicisme van
+lieverlede opgegroeid. Eerst is het enkel een formeel fantazie-element.
+Een groote nieuwe bezieling wordt het eerst laat, en de geest en de
+uitdrukkingsvormen, die wij als de oude, middeleeuwsche plegen te
+beschouwen, sterven ook dan nog niet af.
+
+Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier
+geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Italie, maar
+in het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den
+heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk
+Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze
+tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan begaat men
+licht deze vergissing: men houdt de signatuur van het quattrocento:
+de blijheid, de vrijheid, het serene en het sonore, voor die van den
+nieuwen tijd, en zegt: daar waar het leven in dien toonaard klinkt,
+daar is de Renaissance. Doch is het niet veeleer de signatuur van den
+Italiaanschen geest, is zij niet reeds evenzeer aanwezig in het Italie
+der dertiende eeuw? Men komt altijd weer terecht, of bij de absurde
+consequentie, om de Renaissance steeds hoogerop in de Middeleeuwen
+te verlengen, of bij de erkentenis, dat de Renaissance met haar
+Italiaanschen verschijningsvorm volstrekt niet volledig is getypeerd,
+en dat het begrip Renaissance slechts een aspect vertegenwoordigt van
+de bonte cultuur der eindigende Middeleeuwen.
+
+Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de
+nieuwe, klassicistische vormen op. Voor het aannemen van volkomen
+ontwikkelde humanistische uitdrukkingsvormen is niet anders noodig, dan
+dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigd op
+zuiver latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks
+1400 in Frankrijk; zij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten:
+Jean de Monstreuil, kanunnik van Rijssel en koninklijk secretaris,
+Nicolas de Clemanges, de beroemde woordvoerder der reformgezinde
+geestelijkheid, Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke
+geheimschrijvers evenals de eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en
+deftige humanistenbrieven, die voor de latere producten van het genre
+in niets onderdoen: de holle algemeenheid van gedachte, het gewild
+gewichtige, de gewrongen zinsbouw en ondoorzichtige uitdrukking, en ook
+het behagen aan geleerde beuzelingen. Jean de Monstreuil maakt zich druk
+over de spelling van "orreolum" en "scedula", met of zonder h, over het
+gebruik van de k in latijnsche woorden. "Als ge mij niet te hulp komt,
+waarde leermeester en broeder,--schrijft hij aan Clemanges--, [992]
+ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods schuldig. Daar heb ik
+bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en vader, den
+bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus "propior",
+overhaast en slordig als de pen is, "proximior" heb gezet! Verbeter
+het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken."
+[993]--Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als
+geleerde letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van
+zijn vriend Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had,
+en Ovidius boven Vergilius stelde. [994]
+
+In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het
+klooster Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar
+middeleeuwschen trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens
+veel leesbaarder wordt. Hoe de musschen meeeten in het reefter, zoodat
+men zou twijfelen, of de koning de prebende voor de monniken of voor de
+vogels heeft ingesteld, hoe een winterkoninkje doet, alsof het de abt
+was, hoe de ezel van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook hem in
+zijn epistel niet te vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar
+niet specifiek humanistisch. [995] Herinneren wij ons, dat Jean de
+Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige
+vereerders van den _Roman de la rose_ leerden kennen, en als leden van
+den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een
+uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is
+eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche
+schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke
+latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien
+geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw.
+
+Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke
+voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen,
+die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote
+internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil
+en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de
+Florentijnsche kanselier, die in het midden der veertiende eeuw de
+nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staats-acten had ingevoerd,
+wordt herhaaldelijk door hem genoemd. [996] Petrarca is evenwel, als men
+het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen
+geest. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde, [997] Machaut's
+Peronne d'Armentieres bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer
+niet enkel door het voorbeeld van Heloise, maar ook reeds door dat van
+Laura bezeten is geweest, dan levert _Le Voir-Dit_ een opmerkelijk
+getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent
+van de moderne gedachte zien, toch weder een zuiver middeleeuwsche
+schepping kon opleveren.
+
+Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Italie
+zijn naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de "devotissimus,
+catholicus ac celeberrimus philosophus moralis." [998] Ook als zoodanig
+wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake
+van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes,
+de geestdrijver van Saint Lie, [999] ontleent voor een nieuw gebed, dat
+hij samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij
+roept diens gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van
+ketterij. [1000] Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's _De Vita
+solitaria_ een klacht over om het verlies van het heilige graf; "maar
+omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever
+den zin dan den vorm van Franciscus' woorden aanhalen." [1001]
+
+De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in
+hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun
+bewonderden Petrarca, dat buiten Italie geen redenaars en dichters te
+zoeken waren, [1002] te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de
+Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet. [1003]
+
+Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften
+vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, "le
+docteur de patience en adversite". Voor Chastellain [1004] is messire
+Jehan Bocace een soort impresario der Fortuin geworden; _Le Temple de
+Bocace_ betitelt hij een zeer barok tractaat over allerlei tragisch
+lotgeval van zijn tijd, waarin de geest van den "noble historien" wordt
+aangeroepen, om troost in haar rampspoed te schenken aan Margareta van
+Engeland.
+
+Terwijl de geleerde auteurs den klassiek Latijnschen briefstijl reeds
+beheerschen met volkomen vaardigheid, vertoonen de wereldlijken, bij al
+hun bewondering voor de Oudheid, somtijds nog een diepe onwetendheid.
+Machaut (hoewel geestelijke geen geleerde en wereldsch als dichter)
+verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier.
+Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en
+Pirithous. De dichter van _Le Pastoralet_ spreekt van "le bon roy
+Scypion d'Afrique", de schrijvers van _Le Jouvencel_ leiden "pollitique"
+af van [greek: _polyt_] en een gewaand Grieksch "icos, gardien, qui est
+a dire gardien de pluralite." [1005]
+
+Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en
+toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen
+herdersspel _Le Pastoralet_ geeft in een beschrijving van den god
+Silvanus en een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het
+quattrocento, om dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen
+van zijn oude pad. [1006] Evenals Jan van Eyck soms klassicistische
+architectuurvormen aanbrengt op zijn zuiver middeleeuwsch geziene
+tafereelen, zoeken de schrijvers, louter formeel nog en ter versiering,
+antieke trekken te verwerken. De kroniekschrijvers beproeven hun kracht
+op staats- en krijgsredevoeringen, contiones, in Liviaanschen trant, of
+vermelden wonderteekens, prodigia, omdat Livius het ook deed. [1007]
+Daar waar de verwerking der klassieke vormen met den ouden geest het
+onvolkomenst uitvalt, leeren wij het meest omtrent de wording der
+Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean Germain, beproeft het
+vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in den dringenden,
+gemarkeerden stijl der Romeinen; het valt uit als een middeleeuwsch
+kalenderblad. [1008] Het gezicht op de Oudheid is nog buitengewoon
+bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy komt de
+jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van zijn
+vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad "a l'antique", dat wil zeggen,
+hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij een
+der negen "preux" voorstelt, [1009] en zijn eigen zegepraal viert. Zoo
+vermomd bidt hij een kwartier lang. [1010]
+
+Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt
+door de begrippen "rhetorique, orateur, poesie". Zij zien de
+benijdenswaardige volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden
+vorm. Al deze dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als
+zij hun hart laten spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een
+vloeiend, eenvoudig, vaak pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens
+heel mooi moet, brengen zij er mythologie aan te pas, en precieuze
+latiniseerende termen, en vinden zich "rhetoricien". Christine de Pisan
+onderscheidt een mythologisch gedicht uitdrukkelijk van haar gewone werk
+als "balade pouetique". [1011] Wanneer Eustache Deschamps aan zijn
+kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn werken toezendt, vervalt hij in
+de meest ongenietbare quasi-klassieke poespas.
+
+ "O Socrates plains de philosophie,
+ Seneque en meurs et Anglux en pratique,
+ Ovides grans en ta poeterie,
+ Bries en parler, saiges en rethorique
+ Aigles tres haulz, qui par ta theorique
+ Enlumines le regne d'Eneas,
+ L'Isle aux Geans, ceuls de Bruth, et qui as
+ Seme les fleurs et plante le rosier,
+ Aux ignorans de la langue pandras,
+ Grant translateur, noble Geffroy Chaucier!
+ * * * * * * * * * * * * * * *
+ A toy pour ce de la fontaine Helye
+ Requier avoir un buvraige autentique,
+ Dont la doys est du tout en ta baillie,
+ Pour rafrener d'elle ma soif ethique,
+ Qui en Gaule seray paralitique
+ Jusques a ce que tu m'abuveras." [1012]
+
+Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke
+latiniseering van het edele Fransch, welke den spot van Villon en van
+Rabelais zou treffen. [1013] Het is steeds weer in de dichterlijke
+correspondentie, in de opdrachten en oraties, met andere woorden, als
+het bijzonder mooi moet, dat men dien trant aantreft. Dan spreekt
+Chastellain van "vostre tres-humble et obeissante serve et ancelle, la
+ville de Gand", "la viscerale intime douleur et tribulation", La Marche
+van "nostre francigene locution et langue vernacule", Molinet van
+"abreuve de la doulce et melliflue liqueur procedant de la fontaine
+caballine", "ce vertueux duc scipionique", "gens de muliebre courage".
+[1014]
+
+Deze idealen van verfijnde "rhetorique" zijn geen idealen van zuivere
+litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van
+hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is evenzeer als de
+poezie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm
+van conversatie, een streven naar een hoogeren levensvorm. Zelfs de
+geleerden correspondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat
+element geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich
+middenevenredig tusschen Italie en de Nederlanden. In Italie, waar taal
+en gedachte het minst verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid,
+konden de humanistische vormen ongedwongen worden opgenomen in de
+natuurlijke ontplooiing van het hoogere volksleven. De Italiaansche taal
+werd door eenige meerdere latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld
+aangedaan. De humanistische clubgeest sloot er zeer wel aan bij de
+zeden der samenleving. De Italiaansche humanist vertegenwoordigde den
+geleidelijken uitgroei der Italiaansche volksbeschaving, en daarmee
+het eerste type van den modernen mensch. In de Bourgondische landen
+daarentegen was de geest en de vorm der samenleving nog zoo
+middeleeuwsch, dat het streven naar een vernieuwde en gezuiverde
+uitdrukking er zich aanvankelijk slechts belichamen kon in volkomen
+ouderwetschen vorm: de rederijkerskamers. Als genootschappen zijn zij
+enkel een voortzetting van de middeleeuwsche broederschap, en de geest,
+die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het zeer uiterlijk formeele
+vernieuwd. Eerst het bijbelsch Humanisme van Erasmus inaugureert er de
+moderne beschaving.
+
+Frankrijk kent niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers,
+maar zijn "nobles rhetoriciens" gelijken ook nog niet op Italiaansche
+humanisten. Ook zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en
+vormen. Ten opzichte der Fransche letterkunde der vijftiende eeuw kan
+men zonder overdrijving zeggen, dat die schrijvers en dichters, die
+zich het meest vrij houden van klassicisme, nader staan tot de moderne
+ontwikkeling der litteratuur dan zij, die de idealen van latiniteit en
+oratorie huldigen. De modernen, dat zijn er de onbevangenen van geest,
+zelfs als zij dien nog kleeden in den middeleeuwschen vorm: Villon,
+Coquillart, Henri Baude, ook Charles d'Orleans en de dichter van
+_L'amant rendu cordelier_. Juist het klassicistische streven doet zich
+hier, althans wat dicht en proza betreft, als den remmenden invloed
+gelden. De pompeuze woordvoerders van het zwaar gedrapeerde
+Bourgondische ideaal: Chastellain, La Marche, Molinet, dat zijn de
+ouderwetsche geesten der Fransche litteratuur. Zoodra ook zij zich nu
+en dan losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en dichten of
+schrijven, wat hun ter harte gaat, eenvoudigweg, worden zij leesbaar,
+en doen zij tegelijk moderner aan.
+
+Een dichter van den tweeden rang, Jean Robertet (1420-1490), secretaris
+van drie hertogen van Bourbon en drie Fransche koningen, zag in Georges
+Chastellain, den Vlaming-Bourgondier, het puik der edele dichtkunst. Uit
+die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het
+zooeven beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te
+komen, bedient Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant,
+die als gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van
+Bourgondie opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven voor
+Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een
+hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze
+niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging,
+vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude
+recept: "les Douze Dames de Rhetorique" waren hem verschenen, genaamd
+Science, Eloquence, Gravite de Sens, Profondite enz. Voor die verlokking
+bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rhetorique groepeeren
+zich nu de brieven van het drietal; [1015] het duurde overigens niet
+lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling
+af.
+
+Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. "J'ay
+este en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la
+brumale froidure", aldus een verkoudheid. [1016] Even zot zijn de
+hyperbolische termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk
+zijn dichterlijken brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen
+poezie inderdaad) beet heeft, schrijft hij aan Montferrant:
+
+ "Frappe en l'oeil d'une clarte terrible
+ Attaint au coeur d'eloquence incredible,
+ A humain sens difficile a produire,
+ Tout offusquie de lumiere incendible
+ Outre percant de ray presqu'impossible
+ Sur obscur corps qui jamais ne peut luire,
+ Ravi, abstrait me trouve en mon deduire,
+ En extase corps gisant a la terre,
+ Foible esperit perplex a voye enquerre
+ Pour trouver lieu et oportune yssue
+ Du pas estroit ou je suis mis en serre,
+ Pris a la rets qu'amour vraye a tissue."
+
+En in proza voortgaande: "Ou est l'oeil capable de tel objet visible,
+l'oreille pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?" Wat zegt
+Montferrant, "amy des dieux immortels et cheri des hommes, haut pis
+Ulixien, plein de melliflue faconde" er wel van? "N'est-ce resplendeur
+equale au curre Phoebus?" Is het niet meer dan Orpheus' lier, "la tube
+d'Amphion, la Mercuriale fleute qui endormyt Argus?" enz. enz. [1017]
+
+Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe
+schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche
+voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten
+huldigen nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn Memoires zal
+kunnen gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn
+arbeid met het herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle "orateurs",
+om zijn werk te besnoeien van het overbodige. Zelfs Commines hoopt, dat
+de aartsbisschop van Vienne, wien hij zijn werk zendt, het misschien zal
+kunnen opnemen in een Latijnsch geschrift. [1018]
+
+In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en
+Montferrant ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts
+opgeplakt op een echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet
+is in Italie geweest, "en Ytalie, sur qui les respections du ciel
+influent aorne parler, et vers qui tyrent toutes douceurs elementaires
+pour la fondre harmonie." [1019] Maar van die harmonie van het
+quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee thuisgebracht. De
+voortreffelijkheid van Italie bestond voor deze geesten louter in het
+"aorne parler", in de uiterlijke cultiveering van een kunstvaardigen
+stijl.
+
+Het eenige, wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even
+twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde
+ontboezemingen soms even onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de Dames
+de Rhetorique tot Montferrant, [1020]--"il est exemple de Tullian art,
+et forme de subtilite Terencienne ... qui succie a de nos seins notre
+plus interiore substance par faveur; qui, outre la grace donnee en
+propre terroir, se est alle rendre en pays gourmant pour refection
+nouvelle (d.i. Italie), la ou enfans parlent en aubes a leurs meres,
+frians d'escole en doctrine sur permission de eage". Chastellain zegt de
+correspondentie op, omdat het hem te machtig wordt: de poort heeft lang
+genoeg wijd opengestaan voor "Dame Vanite"; hij gaat haar grendelen.
+"Robertet m'a surfondu de sa nuee, et dont les perles, qui en celle se
+congreent comme gresil, me font resplendir mes vestements; mais qu'en
+est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma robe decoit les voyans?"
+Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven ongelezen in het vuur
+gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder vrienden hoort, dan zal
+George's genegenheid hem niet begeven.
+
+Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist,
+komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het latijn
+bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest
+der Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde
+nabootsen zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als
+Robert Gaguin (1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds
+bijna even modern aan als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid
+te danken had, doordat Gaguin achter zijn Compendium der Fransche
+geschiedenis, het eerste wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk
+(1495), een brief van Erasmus opnam, die zich daardoor voor het eerst
+gedrukt zag. [1021] Al kende Gaguin nog even slecht Grieksch als
+Petrarca, [1022] een echte humanist is hij er niet minder om. Tegelijk
+evenwel zien wij ook in hem den ouden geest voortleven. Hij wijdt zijn
+Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude middeleeuwsche thema's,
+zooals de diatribe tegen het huwelijk [1023] of de misprijzing van het
+hofleven, door Alain Chartier's _Curial_ in het latijn terug te
+vertalen, of de maatschappelijke waarde der standen, in den
+veelgebruikten vorm van een twistgesprek, _le Debat du Laboureur, du
+Prestre et du Gendarme_. In zijn Fransche gedichten doet juist Gaguin,
+die den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische
+fraaiigheden in het geheel niet mee; geen gelatiniseerde vormen, geen
+hyperbolische wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij
+geheel aan de zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de
+natuurlijkheid en daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm
+is nog niet veel meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed,
+maar hij beweegt zich toch vrijer zonder dien tabbert. Bij den Franschen
+geest der vijftiende eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op.
+
+Men is veelal gewend, om als een doorslaand criterium van de intrede der
+Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken.
+Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire
+paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance.
+Wanneer de humanisten God "princeps superum" en Maria "genitrix
+tonantis" noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke
+transponeeren van de personen van het christelijk geloof in benamingen
+der heidensche mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of
+niets voor den inhoud van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der
+twaalfde eeuw rijmt in zijn geestige biecht onbeschroomd:
+
+ "Vita vetus displicet, mores placent novi;
+ Homo videt faciem, sed cor patet lovi."
+
+Wanneer Deschamps van "Jupiter venu de Paradis" spreekt, [1024] bedoelt
+hij geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de
+roerende ballade, die hij voor zijn moeder maakte, om tot Onze Lieve
+Vrouw te bidden, haar "haulte Deesse" noemt. [1025]
+
+Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon
+men argeloos goden laten optreden. In _Le Pastoralet_ heet het
+Celestijnenklooster te Parijs "temple au hault bois pour les diex
+prier." [1026] Van zulk een onschuldig paganisme werd niemand de dupe.
+En ten overvloede verklaart de dichter: "Se pour estrangier ma Muse je
+parle des diex des paiens, sy sont les pastours crestiens et moy."
+[1027] Evenzoo schuift Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en
+Minerva laat optreden, de verantwoordelijkheid op "Raison et Entendement",
+die hem zeiden: "Tu le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et
+deesses, mais pour ce que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi
+qu'il lui plaist, et souventes fois par divers inspirations." [1028]
+
+Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt
+niet ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor
+het doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van
+waardeering van het heidensch geloof, met name het heidensche offer, als
+zoodanig aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun
+gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain
+deed.
+
+ "Des dieux jadis les nations gentiles
+ Quirent l'amour par humbles sacrifices,
+ Lesquels, pose que ne fussent utiles,
+ Furent nientmoins rendables et fertiles
+
+ De maint grant fruit et de haulx benefices,
+ Monstrans par fait que d'amour les offices
+ Et d'honneur humble, impartis ou qu'ils soient
+ Pour percer ciel et enfer suffisoient." [1029]
+
+Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der
+Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe
+de Ternant, zonder naar de gewoonte een "bannerole de devocion" te
+dragen, een lint met een vrome spreuk of figuur. "Laquelle chose je ne
+prise point", zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener
+is het devies, dat Ternant draagt: "Je souhaite que avoir puisse de mes
+desirs assouvissance et jamais aultre bien n'eusse." [1030] Het kon de
+lijfspreuk zijn van den vrijdenkendsten virtuoso der zestiende eeuw.
+
+Niet uit de klassieke litteratuur behoefden de geesten dit werkelijke
+paganisme te putten. Zij konden het leeren uit hun eigen middeleeuwschen
+schat, uit den _Roman de la rose_. In de erotische cultuurvormen, daar
+lag het ware heidendom. Daar hadden van eeuwen her Venus en de Liefdegod
+een schuilhoek gehad, waar zij iets meer dan een louter rhetorische
+vereering vonden. Jean de Meun, dat was de groote heiden geweest. Niet
+zijn vermenging van godennamen der Oudheid met die van Jezus en Maria,
+maar zijn vermenging van de stoutste aanprijzing van aardschen wellust
+met christelijke zaligheidsvoorstellingen was voor tallooze lezers sinds
+de dertiende eeuw de school van het paganisme geweest. Er was geen
+grooter blasphemie mogelijk dan de verzen, waarin hij het woord van
+Genesis: toen berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde
+gemaakt had, met omgekeerden zin in den mond legde van Nature, die bij
+hem volkomen als demiurg optreedt:
+
+ "Si m'aist Diex li crucefis,
+ Moult me repens dont homme fis." [1031]
+
+Het blijft verwonderlijk, dat de Kerk, die tegen kleine dogmatische
+afwijkingen van strikt bespiegelenden aard zoo angstvallig waakte en zoo
+heftig optrad, de leeringen van dit brevier der aristocratie ongehinderd
+in de geesten heeft laten voortwoekeren.
+
+ * * * * *
+
+De nieuwe vorm en de nieuwe geest dekken elkander niet. Zoogoed als de
+gedachten van den komenden tijd uiting vonden in middeleeuwsch gewaad,
+zoo goed zijn de meest middeleeuwsche gedachten gezegd in sapphische
+metra, met een heelen stoet van mythologische figuren. Klassicisme en
+Renaissance zijn twee geheel verschillende dingen. Het litteraire
+klassicisme is een oud geboren kind. De Oudheid is voor de vernieuwing
+van de litteratuur nauwelijks meer geweest dan de pijlen van Philoktetes.
+Niet wat de beeldende kunst, en niet wat het wetenschappelijk denken
+aangaat: daar is de antieke zuiverheid van verbeelding en uitdrukking
+veel meer geweest dan een dorre staf. Het overwinnen van het overdadige,
+van het overdrevene, van het verdraaide, van de grimas en de flamboyante
+krul, het is alles het werk der Oudheid geweest. Maar in het litteraire
+is de eenvoud en de zuiverheid opgegroeid buiten, ja ondanks het
+klassicisme.
+
+De enkelen, die in het Frankrijk der vijftiende eeuw humanistische
+vormen aannemen, luiden nog geen Renaissance in. Want hun stemming, hun
+orienteering is nog middeleeuwsch. De Renaissance komt eerst, wanneer de
+_levenstoon_ verandert, wanneer het getij van doodelijke levensverzaking
+kentert, en er een bolle frissche wind gaat blazen; wanneer het blijde
+besef rijpt, dat men al de heerlijkheid der oude menschheid, waaraan men
+zich al zoo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen.
+
+
+
+NOTEN:
+
+
+[992] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius, Lugd. Bat., 1613; Joh. de
+Monasteriolo, Epistolae, Martene & Durand, Amplissima Collectio, II col.
+1310.
+
+[993] Ep. 69 c. 1447, ep. 15 c. 1338.
+
+[994] Ep. 59 c. 1426, 58, c. 1423.
+
+[995] Ep. 40, col. 1388, 1396.
+
+[996] Ep. 59, 67, col. 1427, 1435.
+
+[997] Le livre du Voir-Dit, p. xviii.
+
+[998] Ep. 38, col. 1385.
+
+[999] Zie hierboven p. 324. (zie Hoofdstuk VIII, tekst voor noot 666)
+
+[1000] Gerson, Opera, I p. 922.
+
+[1001] Dion. Cart., t. XXXVII p. 495.
+
+[1002] Petrarca, Opera, ed. Bazel 1581, p. 847.
+
+[1003] Clemanges, Opera. Ep. 5, p. 24; J. de Monstr., Ep. 50, col. 1428.
+
+[1004] Chastellain, VII p. 75-143, vgl. V p. 38-40, VI p. 80; VIII p. 358,
+Le livre des trahisons, p. 145.
+
+[1005] Machaut, Le Voir-Dit, p. 230; Chastellain, VI p, 194, La Marche,
+III p. 166; Le Pastoralet vs.2806; Le Jouvencel, I p. 16.
+
+[1006] Le Pastoralet vs. 541, 4612.
+
+[1007] Chastellain, III p. 173, 117, 359 enz.; Molinet, II p. 207.
+
+[1008] J. Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae (Chron.
+rel. a l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III).
+
+[1009] Zie hierboven p. 107. (zie Hoofdstuk III, tekst volgend op noot
+194)
+
+[1010] Chronique scandaleuse, II p. 42.
+
+[1011] Christine de Pisan, Oeuvres poetiques, I no. 90. p. 90.
+
+[1012] Deschamps, no. 285, II p. 138.
+
+[1013] Villon, ed. Longnon p. 15, h. 36-38; Rabelais, Pantagruel, 1. 2.
+ch. 6.
+
+[1014] Chastellain, V p. 292ss; La Marche, Parement et triumphe des
+dames, Prologue; Molinet, Faictz et dictz, Prologue, id. Chronique,
+I p. 72, 10. 54.
+
+[1015] Uittreksels bij Kervyn de Lettenhove, Oeuvres de Chastellain,
+VII p. 145-186; zie P. Durrieu, Un barbier de nom francais a Bruges,
+Academie des inscriptions et belles-lettres, Comptes rendus 1917,
+p. 542-558.
+
+[1016] Chastellain, VII p. 146.
+
+[1017] Ib. p. 180.
+
+[1018] La Marche, I p. 15, 184-186; Molinet, I p. 14, III p. 99;
+Chastellain, VI: Exposition sur verite mal prise, VII p. 76, 29, 142,
+422; Commines, I p. 3; vgl. Doutrepont, p. 24.
+
+[1019] Chastellain, VII p. 159.
+
+[1020] Ib.
+
+[1021] Thuasne, R. Gaguini Ep. & Or, I p. 126.
+
+[1022] Thuasne, I p. 20.
+
+[1023] Thuasne. I p. 178, II p. 509.
+
+[1024] Deschamps, no. 63, I p. 158.
+
+[1025] Villon, Testament vs. 899, ed. Longnon, p. 58.
+
+[1026] Le Pastoralet vs. 2094.
+
+[1027] Ib. vs. 30, p. 574.
+
+[1028] Molinet, V p. 21.
+
+[1029] Chastellain, Le dit de verite, VI p. 221, vgl. Exposition sur
+verite mal prise, ib. p. 297, 310.
+
+[1030] La Marche, II p. 68.
+
+[1031] Roman de la rose vs. 20141; aist=helpe, dont=dat ik.
+
+
+ * * * * *
+
+
+REGISTER
+
+
+Cursief gedrukte namen verwijzen naar den volledigen titel van
+afgekort aangehaalde werken.
+
+Abuze en Court, L'.
+Adel, Taak van den.
+Adeldom in deugd.
+Adellijke levensvormen nagevolgd door de burgerij.
+Agricola, Rudolf.
+Ailly, Pierre d'.
+Alain de la Roche.
+_Alain de la Roche_.
+Alanus de Rupe, zie Alain de la Roche.
+Alcuin.
+_Alienor_.
+Allegoriel.
+Amadis-romans.
+Amant rendu cordelier, L'.
+Amoureux de l'observance.
+Amuletten.
+Andrieskruis.
+Anjou, Isabella van.
+Anjou, Lodewijk van.
+Anjou, Margareta van, koningin van Engeland.
+Anjou, Rene van; zie Rene, koning.
+Anthropomorphisme.
+Antieke helden.
+Aquino, Thomas van.
+Arbre des batailles, L'.
+Arc, Jeanne d'.
+Archipoeta.
+Arkel.
+Armagnacs.
+Armentieres, Peronnelle d'.
+Arnemuyden, Margareta van.
+Arnolfini, Jean.
+Arrestz d'amour.
+Ars moriendi.
+Artevelde, Philips van.
+Artois, Philippe d'.
+Artois, Robert van.
+Atharvaveda.
+Aubriot, Hugues.
+Augustinus.
+Aurea mediocritas.
+Auvergne, Martiald'.
+Azincourt.
+Azincourt, Regnault d'.
+
+Bach, Johann Sebastian.
+Baerze, Jacques de.
+Bajazid.
+Ball, John.
+Balue, Jean, bisschop van Evreux, kardinaal enz..
+Bandello.
+Bar, Louis de, kardinaal.
+Barante, De.
+Basin, Thomas, bisschop van Lisieux.
+_Basin, Thomas_.
+Baude, Henri.
+Baudricourt, Robert de, gouverneur van Vaucouleurs.
+Beaugrant, Madame de.
+Beaumanoir, Robert de.
+Beaumont, Jan van.
+Beauneveu, Andre.
+Bedelaars.
+Bedevaarten.
+Bedford, John of Lancaster, hertog van.
+Begarden.
+Begrafenis, Vorstelijke.
+Beieren, Albrecht van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland.
+Beieren, Jan van, elect van Luik, later graaf van Holland en Zeeland.
+Beieren, Margareta van, hertogin van Bourgondie.
+Beieren, Willem VI van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland.
+Beleefdheidsstrijd.
+Belon la Folle.
+Benedictus XIII.
+Bernard van Clairvaux.
+Bernardino van Siena.
+Beroepsideaal.
+Berry, Jan, hertog van.
+Berry, Karel, hertog van.
+Berry, heraut.
+Berthelemy, Jean.
+Bespotting van het geloof.
+Betisac, Jean.
+Beurtgesprek, als stijlmiddel.
+Bizarre in schilderkunst en litteratuur, Het.
+Bladelyn, Pieter.
+Bloed des Verlossers.
+Bloedwraak.
+Blois, Charles de.
+Blois, Jean de, heer van Gouda en Schoonhoven.
+Blois, Jean de.
+Boccaccio.
+Bodin, Jean.
+Boeddhisme.
+Boeufs, Pierre aux.
+Bois, Manssart du.
+Bonaventura.
+Bonet, Honore.
+Boniface, Jean de.
+Borgia, Cesare.
+Borromeus, Karel.
+Boucicaut, Jean le Meingre, marechal de.
+_Boucicaut, Livre des faicts du mareschal de_.
+Bourbon, Isabella van; zie Charolais.
+Bourbon, Jacques de.
+Bourbon, Jean de.
+Bourbon, Louis de.
+Bourgeois de Paris.
+_Bourgeois de Paris; zie Journal_.
+Bourgogne, Mademoiselle de.
+Bourgondie, Anna van, hertogin van Bedford.
+Bourgondie, David van, bisschop van Utrecht.
+Bourgondie, zie onder de voornamen.
+Bourguignons.
+Bouts, Dirk.
+Brabant, Antonie van Bourgondie, hertog van.
+Brabant, Wencelyn, hertog van.
+Brandebourch.
+Breaute, Pierre de.
+Bretagne, Frans II, hertog van.
+Bretagne, Jan V, hertog van.
+Bretagne, Frans III, hertog van.
+Breughel, Pieter.
+Brigitta van Zweden.
+Broederlam, Melchior.
+Broeders van den Vrijen Geest.
+Brugman, Johannes.
+Bruiloft.
+Bueil, Jean de.
+Burckhardt, Jakob.
+Burgerij.
+Burne Jones, Edward.
+Busnois, Antoine.
+Bussy, Oudart de.
+Bijgeloof.
+
+Capeluche, beul van Parijs.
+Capistrano, Johannes.
+Carr, Robert.
+Casuistiek.
+Casuistiek der liefde.
+Catharina van Siena.
+Caxton, William; 441.
+Celestijnen, klooster der, te Parijs.
+Cent ballades.
+_Cent Ballades, Le livre des_.
+Cent nouvelles nouvelles.
+Chaise-Dieu, La.
+Champion, P.
+_Champion, P. zie Villon_.
+Charny, Geoffroi de.
+_Charny, Le livre messire Geoffroi de_.
+Charolais, Isabella van Bourbon, gravin van.
+Charolais; zie Karel de Stoute.
+Chartier, Alain.
+_Chartier, Alain_.
+_Chartier, Jean_.
+Chastellain, Georges.
+_Chastellain, Georges_.
+Chatel, Guillaume du.
+Chatelier, Jacques du, bisschop van Parijs.
+Chaucer, Geoffrey.
+Chevalier, Etienne.
+Chevalier du guet.
+Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison; zie Orde van de Ster.
+Chevrot, Jean, bisschop van Doornik.
+Chopinel; zie Clopinel.
+_Chroniqae scandaleuse_.
+Cicero.
+Cleef, Jan I, hertog van.
+Cleef, Adolf van, heer van Ravestein.
+Clemanges, Nicolaas van.
+_Clemanges, Nicolaas van_.
+Clemens V.
+Clercq, Jacques du.
+_Clercq, Jacques du.
+Clisson, Olivier de, connetable van Frankrijk.
+Clopinel, Jean.
+Coeur, Jacques.
+Coimbra, Jan van.
+Coitier, Jacques.
+Col, Gontier.
+Col, Pierre.
+Colette Boellet, Sainte.
+Combat des Trente.
+Commines, Philippe de.
+_Commines, Philippe de_.
+Compositie in de schilderkunst.
+Contemptus mundi; zie Verachting der wereld.
+Coquillart, Guillaume.
+Coquinet, le fou de Bourgogne.
+Cordeliers, klooster der.
+Coucy, Enguerrand de.
+Cour d'amours.
+Courtenay, Pierre de.
+Coustain, Jean.
+Cranach, Lucas.
+Craon, Pierre de.
+Cresecque.
+Cristus, Petrus.
+Crokart.
+Croy, Antoine de.
+Croy, Philippe de.
+Curial, Le.
+Curtius, Quintus.
+Cusa, Nicolaas van.
+
+Danse aux Aveugles.
+Dante.
+Daret, Jacques.
+David, Gerard.
+Debat des herauts d'armes.
+_Debat des herauts d'armes_.
+Deschamps, Eustache.
+_Deschamps, Eustache_.
+Deviezen; 201, 395 vg.
+Devotie, Moderne.
+Dieu, Spraakgebruik, voor de hostie.
+Dionysius de Kartuizer, of: van Rycke.
+_Dionysius Cartusianus_.
+_Dixmude, Jan van_
+Dolce stil nuovo.
+Domburg, Jan van.
+Donatello.
+Doodendans.
+Doodsstrijd.
+Doornik, Jean de Thoisy, bisschop van.
+Dorpers.
+_Douet d'Arcq, Pieces inedites_.
+_Doutrepont, G._.
+Drie dooden en drie levenden, Sproke der.
+Dufay, Guillaume.
+Duivelfantazie.
+Dunois, Jan van Orleans, graaf van.
+Durand-Greville, E.
+Durandus, Guilielmus.
+Duerer, Albrecht.
+Dwergen.
+
+Eck, Johannes.
+Eckhart, Meister.
+Eduard II, koning van Engeland.
+Eduard III, koning van Engeland.
+Eduard IV, koning van Engeland.
+Eergevoel.
+Egmond, Lamoraal, graaf van.
+Elisabeth, Sint, van Thueringen.
+Emerson, R.W.
+Emprise.
+Engeland, Koningen van; zie onder de voornamen.
+Engeland, Maria van.
+Engelen.
+Entremets.
+Envoutement.
+Epithalamische stijl.
+Erasmus, Desiderius.
+Erotiek, Droeve.
+Erotische allegorie.
+Escouchy, Mathieu d'.
+_Escouchy, Mathieu d_.
+Estats; zie Standen.
+Exdamacion des os Sainct Innocent.
+Extravagant karakter der beeldende kunst.
+Eyck, Gebroeders van.
+Eyck, Hubert van.
+Eyck, Jan van.
+
+Fantaziesferen, Dooreenmenging van.
+Fastolfe, Sir John.
+Faukemont, Jehan de.
+Fazio, Bartolomeo.
+Feesten.
+Fenelon.
+Fenin, Pierre de.
+_Fenin, Pierre de_.
+Ferrer, Vincent.
+_Ferrer, Vincent, Vita_.
+Fillastre, Guillaume, kardinaal enz..
+Fillastre, Guillaume, bisschop van Doornik.
+_Fillastre, Guillaume, Toison dor_.
+Flemalle, Meester van.
+Foix, Gaston Phebus, graaf van.
+Formalisme.
+Fouquet, Jean.
+Fradin, Antoine, volksprediker.
+Franc Gontier, Le dit de.
+Franc Gontier, Les contrediz.
+France, Anatole.
+Franciscus van Assisi.
+Francois, zie Paule.
+Frankrijk, Koningen van; zie onder de voornamen.
+Frans I, koning van Frankrijk.
+Fraterhuizen; zie Devotie, Moderne.
+Frederik III.
+Froissart, Jean.
+_Froissart, Jean_.
+Froment, Jean.
+Fulco van Marseille, bisschop van Toulouse.
+
+Gaguin, Robert.
+_Gaguin, Robert_.
+Galois et Galoises.
+Geertgen tot Sint Jans.
+Geloften; zie Ridderlijke gelofte, en Voeu.
+Gelre, Adolf van.
+Gelre, Arnold van.
+Gelijkheidsidee.
+Generaliseering.
+Geneve, Lodewijk van Savoye, graaf van.
+Genreschildering.
+Geoffroi de Paris.
+Gerechtigheidsgevoel.
+Geringschatting der geestelijkheid.
+Germain, Jean, bisschop van Chalons.
+_Germain, Jean, Liber de virtutibus etc._.
+Gerson, Jean.
+_Gerson, Jean_.
+Gevangenen.
+Gezelschapsspelen.
+Giotto.
+Glocester, Humphrey van.
+Godefroy, Denis.
+_Godefroy, Theodore_.
+Goethe.
+Gonzaga, Aloysius.
+Gonzaga, Francesco.
+Grabow, Mattheus.
+Grafteeken.
+Gregorius de Groote.
+Groote, Gerard.
+Guernier, Laurent.
+Guesclin, Bertrand du.
+Gulden Vlies.
+
+Hagenbach, Peter van.
+Hales, Alexander van.
+Hames, Nicolaas de.
+Hans, acrobaat.
+Hardvochtigheid.
+Hautbourdin, Jean de Saint-Pol, heer van.
+Hauteville, Pierre de.
+Hebzucht.
+Heethoofdigheid.
+_Hefele, K., Der h. Bernhardin von Siena usw._.
+Heiligen en Ziekten.
+Heiligenbeelden.
+Heiligenvereering.
+Heilo, Frederik van.
+Heksenkamer; zie Malleus maleficarum.
+Heksenvervolging.
+Hel, Voorstelling der.
+Heldenideaal.
+Heloise.
+Hendrik IV, koning van Engeland.
+Hendrik V, koning van Engeland.
+Hendrik VI, koning van Engeland.
+Henouars.
+Herauten.
+Herdersideaal.
+Herp, Hendrik van.
+Hervorming.
+Heures d'Ailly.
+Heures de Chantilly, Tres-riches.
+Heures de Turin.
+Hieronymus.
+Hoekschen en Kabeljauwschen.
+Hofceremonieel.
+Hofleven.
+Hofstaat.
+Hof vlucht.
+Holanda, Francesco de.
+Holland.
+Holbein, Hans.
+Hoofsche minne.
+Hoogmoed.
+Houwaert, Johan Baptista.
+Hugo, Victor.
+Humanisme.
+Humanisten.
+Hus, Johannes.
+Hutten, Ulrich von.
+Huysmans, Joris Karl.
+
+Idealisme.
+Imitatio Christi.
+Innocentius III.
+Innocents; zie Onnoozele kinderen.
+Innocents, kerkhof der.
+Institoris, Heinrich.
+Ironie.
+Isabella van Beieren, koningin van Frankrijk.
+Isabella van Frankrijk, koningin van Engeland.
+
+Jacobus I, koning van Engeland.
+Jaille, sire de.
+James, William.
+Jan II, koning van Frankrijk.
+Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondie, eerder graaf van Nevers.
+Jeruzalem.
+Johanniters.
+_Jorga, N._.
+Joseph, Sint.
+_Journal d'un bourgeois de Paris_.
+Jouvencel, Le.
+_Jouvencel, Le_.
+Jouvenel, Jean, bisschop van Beauvais.
+_Juvenal des Ursins_.
+
+Kamp van Neuss.
+Karel de Groote.
+Karel V, keizer.
+Karel V, koning van Frankrijk.
+Karel VI, koning van Frankrijk.
+Karel VII, koning van Frankrijk.
+Karel VIII, koning van Frankrijk.
+Karel de Stoute, hertog van Bourgondie, eerder graaf van Charolais.
+Kempis, Thomas a.
+Kerkelijk-erotische travesti.
+Kerkgang.
+Kethulle, Lodewijk van de.
+Keuken.
+Kinderen.
+Klassicisme.
+Kleederdracht.
+Kleuren, Symbolische beteekenis der.
+Kleurenzin.
+Klokgelui
+Kluisters bij geloften.
+Kok.
+Koningschap.
+Kraamkamer.
+Krankzinnigen.
+Kroningsmaal.
+Kruistochtideaal.
+Krijgsmoed.
+Krijgsmuziek.
+
+_Laborde, L. de_.
+_La Borderie, A. de_.
+La Bruyere.
+La Curne de Sainte Palaye.
+_La Curne de Sainte Palaye_.
+La Hire, Etienne de Vignolles, dit1.
+Lalaing, Jacques de.
+_Lalaing, Le livre des faits de Jacques de_.
+Lam, Aanbidding van het (Gentsch altaarstuk)
+La Marche, Olivier de.
+_La Marche, Olivier de_.
+Lamprecht, Karl.
+Lancaster, Huis.
+Lancaster, John of Gaunt, hertog van.
+Lannoy, Baudouin de.
+Lannoy, Ghillebert de.
+Lannoy, Jean de.
+Lannoy, Hue de.
+La Noue, Francois de.
+La Salle, Antoine de.
+_La Salle, Antoine de_.
+Latiniseering.
+La Tour Landry, ridder de.
+La Tremoille, Guy de.
+Laura.
+Laval, Jeanne de.
+Lebegue, Jean.
+Lefevre de Saint Remy, Jean.
+_Lefevre de Saint Remy, Jean_.
+Le Franc, Martin.
+_Le Franc, Martin_.
+Legris, Estienne.
+Lekkerbeetje, Gerard Abrahams, gezegd.
+Lemonnier, Camille.
+Leo X, Paus.
+Leo van Lusignan, koning van Armenie.
+Levensbangheid.
+Levensgenot.
+Lhuillier, Jean.
+Lichteffekten, Schildering en beschrijving van.
+Lichtgeloovigheid.
+Lidwina van Schiedam.
+Liefde en huwelijk.
+Limburg, Gebroeders van.
+Limburg, Paul van.
+L'Isle Adam, Jean de Villiers de.
+Livius.
+_Livre des trahisons_.
+Lodewijk IX, de Heilige, koning van Frankrijk.
+Lodewijk XI, koning van Frankrijk.
+Lodewijk XII, koning van Frankrijk.
+Longuyon, Jacques de.
+Lorris, Guiliaume de.
+_Louis XI, Lettres de_.
+Loyola, Ignatius de.
+Lucena, Vasco de.
+Lumey, Guillaume de la Marck, heer van.
+Luna, Peter van; zie Benedictus XIII.
+Lunettes des princes.
+Lusignan, Pierre de.
+Luther.
+Luxemburg, Andreas van.
+Luxemburg, Guy van.
+Luxemburg, Pieter van.
+Lijden Christi, Vervuldheid van het.
+Lijkstaatsie, Beeltenissen bij de.
+Lyon, Espaing du.
+
+Macabre.
+Machaut, Guillaume de.
+_Machaut, Guillaume de_.
+Madame d'Or; zie Or.
+Maerlant, Jacob van.
+Mahuot.
+Maillard, Olivier, volksprediker.
+Makart, Hans
+Male, Lodewijk van, graaf van Vlaanderen.
+Male, Emile.
+Malleus malencarum.
+Mandragora.
+Mapes, Walter.
+Marchant, Guyot.
+Marche, Jean de.
+Margareta, koningin van Engeland; zie Anjou.
+Margareta van Oostenrijk.
+Margareta van Schotland, koningin van Frankrijk.
+Margareta van York, hertogin van Bourgondie.
+Maria van Bourgondie.
+Mariabeeldjes met de Drieeenheid.
+Marieken van Nimwegen.
+Marmion, Colard.
+Marmion, Simon.
+Marot, Clement.
+Martianus Capella.
+Martinus V, Paus.
+Maupassant, Guy de.
+Maximiliaan van Oostenrijk.
+Medelijden met het volk.
+Medici, Cosimo de'.
+Medici, Lorenzo de', il Magnifico.
+Melancholie.
+Meliador.
+Memlinc, Hans.
+Meschinot, Jean.
+_Meschinot, Jean_.
+Metaphora, Godsdienstige, voor aardsche dingen.
+Metsys, Quinten.
+Meun, Jean de; zie Clopinel.
+Mezieres, Philippe de
+_Mezieres, Philippe de_; zie _forga_.
+Michault, Pierre.
+Michel Angelo.
+Michelle de France, hertogin van Bourgondie.
+Mignons.
+Miliis, Ambrosius de.
+Militair nationalisme.
+Minimen, Orde der.
+Mirabeau, marquis de.
+Mismaakten.
+Molinet, Jean.
+_Molinet, Jean_.
+_Molinet, Jean--Faictz et Dictz_.
+Monstrans.
+Monstrelet, Enguerrand de.
+_Monstrelet, Enguerrand de_.
+Monstreuil, Jean de.
+_Monstreuil, Jean de_--.
+Montaigu, Jean de.
+Montereau.
+Montferrant.
+Montfort, Jean de.
+Morgante.
+Morlay, Bernard van.
+Moulins, Denys de, bisschop van Parijs.
+Murillo.
+Mutsert der ijdelheden.
+Muziekaesthetiek.
+Mystiek, Praktische.
+Mystiek, Verbeeldingsvormen der.
+Mystisch huwelijk.
+Mythologie.
+
+Naakt, Het, in kunst en litteratuur.
+Naam van Jezus.
+Natuurbeschrijving.
+Nicopolis.
+Nietzsche, Friedrich.
+Nilus, Sint.
+Nominalisme.
+Noodhelpers, Veertien.
+Nugis curialium, De.
+
+Obrecht, Jacob.
+Omgangsvormen.
+Oneerbiedigheid jegens den godsdienst.
+Ongeloof.
+Onnoozele kinderen.
+Onveiligheid.
+Oppervlakkigheid.
+Or, Madame d'.
+Oranje, Willem van.
+Oranje, Willem II, prins van.
+Orde; zie ook Ordre.
+Orde der Annonciade.
+Orde van St. Antonius.
+Orde van het Gouden schild.
+Orde van het Gulden Vlies.
+Orde van de Kouseband.
+Orde van de Ster.
+Orde van de Kroon.
+Orde van het Zwaard.
+Ordre.
+Ordre de la Dame blanche.
+Ordre de la Passion.
+Orgemont, le Boiteux d'
+Orgemont, geslacht.
+Orgemont, Pierre d'.
+_Orleans, Charles d'_.
+Orleans, Karel van.
+Orleans, Lodewijk van.
+Oudheid.
+_Oulmont, Ch_.
+Overdrijving.
+Ovidius.
+
+Paele, Joris van de.
+Paesberd; zie Paix.
+Paganisme.
+Paix.
+Panetiers.
+Parement et triumphe des dames.
+Paris, Paulin.
+Partijgevoel.
+Partijschap.
+Partijteekens.
+Pas d'armes.
+Pas de la mort, Le.
+Pascal, Blaise.
+Pastorale.
+Pastorale en politiek.
+Pastoralet, Le.
+Pastourelle.
+Paule, Saint Francois deg.
+Pauli, Theodericus.
+_Pauli, Theodericus_.
+Pelgrimages.
+Penthievre, Jeanne de.
+Perceforest.
+Personificatie.
+Petit, Jean.
+_Petit-Dutaillis_.
+Petrarca, Francesco.
+Philippa van Henegouwen, koningin van Engeland.
+Philips VI, koning van Frankrijk.
+Philips de Goede, hertog van Bourgondie.
+Philips de Schoone, aartshertog van Oostenrijk.
+Philips de Stoute, hertog van Bourgondie.
+Pisan, Christine de.
+_Pisan, Christine de_.
+Plato.
+Plourants.
+Plouvier, Jacotin.
+Poggio, Giov. Franc.--Bracciolini.
+Poitiers.
+Poitiers, Alienor de.
+_Poitiers, Alienor de_.
+Poliziano, Angelo.
+_Poliziano_.
+Ponchier, Etienne, bisschop van Parijs.
+Porete, Marguerite.
+Portret.
+Pot, Philippe.
+Poursuivants.
+Predikers.
+Preuses, Les neuf.
+Preux, Les neuf.
+Processies.
+Protestantisme.
+Proza en poezie; 498 vg.
+Prudentius; 343.
+Pseudo-Bonaventura; 452.
+Pseudo-Dionysius Areopagita.
+Pulci, Luigi.
+Puritanisme.
+
+Quentin, Jean.
+Quinze joyes de mariage.
+_Quinze joyes de mariage_.
+
+Rabelais, Francois.
+Rais, Gilles de.
+Rallart, Gaultier.
+Ravestein, Beatrix van.
+Ravestein, Philips van.
+Raynaud, Gaston.
+Realisme.
+Rebreviettes, Jennet de.
+_Reconfort de Madame du Fresne, Le_.
+Reformpartij.
+_Religieux de Saint Denis_.
+Reliquieen.
+Rembrandt.
+Renaissance.
+_Renaudet, A_.
+Rene van Anjou, koning van Sicilie.
+_Rene, Koning_.
+Rene II van Lotharingen.
+Rhetoriek.
+Rhetorique, Les Douze Dames de.
+Ribeumont, Eustache de.
+Richard II, koning van Engeland.
+Richard, broeder, volksprediker.
+Ridderideaal.
+Ridderideaal en askese.
+Ridderideaal en erotiek.
+Ridderideaal en ethiek.
+Ridderideaal en historie.
+Ridderideaal en krijgvoering.
+Ridderideaal en sport.
+Ridderideaal en staatkunde.
+Ridderlijke gelofte.
+Ridderlijkheid als kastegevoel.
+Ridderlijkheid en gewin.
+Ridderlijkheid en krijgstaktiek.
+Ridderorden.
+Ridderschap.
+Ridderwezen.
+Robertet, Jean.
+Rochefort, Charles de.
+Roemzucht.
+Rolin, Nicolas.
+Roman de la rose.
+Romanov.
+Romantiek.
+Romantisme der heiligheid.
+Romuald, Sint.
+Rosa van Viterbo, Sint.
+Rose; zie Roman.
+Rousseau, Jean Jacques.
+Rouw.
+Roye, Jean de.
+_Roye, Jean de_, zie _Chronique scandaleuse_.
+Rozebeke.
+Rozenkrans, Broederschap van den.
+_Rozmital, Leo von_.
+Ruusbroec, Jan van.
+
+_Sainte Palaye_; zie _La Curne_.
+Saint Pol, Louis de Luxembourg, graaf van, connetable van Frankrijk.
+Saintre, Petit Jehan de.
+Salazar, Jean de.
+Salisbury, Johannes van.
+Salisbury, William Montague, graaf van.
+Salmon, Pierre le Fruictier, dit.
+_Salmon, Pierre_.
+Salutati, Coluccio.
+Sancerre, Louis de, marechal de France.
+Saulx, Simon de.
+Savonarola, Girolamo.
+Savoye, Amadeus VI van.
+Savoye, Amadeus VIII van.
+Schaamte.
+Schaamteloosheid.
+Schisma.
+Schoonheid en zonde.
+Schoonheidsgevoel.
+Scorel, Jan van.
+Scotus Erigena, Johannes.
+Seneca.
+Sens, Etienne Tristan de Salazar, aartsbisschop van.
+_Seuse, Heinrich_.
+Shakespeare.
+Silesius, Angelus.
+Simplisme.
+Sint Andriesbroederschap.
+Sint Victor, Hugo van.
+Sint Victor, Richard van.
+Sorel, Agnes.
+Spel en ernst, Vermenging van.
+Spreekwoorden.
+Sprenger, Jakob.
+Standen.
+Standonck, Jean.
+_Stavelot, Jean de_.
+Steinlen.
+Styleering der liefde.
+Substantieele voorstelling van het abstracte.
+Summis desiderantes, Bul.
+Suso, Heinrich.
+Symbolisme.
+Systematiek van deugd en zonde.
+
+Tacitus.
+Taine, Hippolyte.
+Tauler, Johannes.
+Tempeliers.
+Terechtstellingen.
+Ternant, Philippe de.
+Tertullianus.
+Testamenten.
+Theocritus.
+Thomas, broeder, volksprediker.
+Thomas, Saint Pierre.
+Thucydides.
+Todi, Jacopone van.
+Toity, Joffroy de.
+Tonnerre, Louis de Chalon, graaf van.
+Tooverij.
+Tournooi.
+Tranen.
+Trazegnies, Gilles de.
+Trois chevaliers et del chainse, Des.
+Troubadours.
+Tuetey, A..
+Turken.
+Turlupins.
+Tweegevecht.
+Tweegevecht te Valenciennes.
+
+Ubi sunt..., Motief.
+Uitwerking der bijzonderheden.
+Upanishad's.
+_Upton, Nicolas, De officio militari_.
+Urbanisten.
+Usener, Hermann.
+
+Vaganten.
+Varennes, Jean de.
+Vauderie.
+Velazquez.
+Verachting der wereld.
+Vergilius.
+Verlichting.
+Verrotting, Motief der.
+Verschijningen.
+Vertooningen.
+Vienne, Angelo Cato, aartsbisschop van.
+Vier utersten.
+Villiers, George.
+Villon, Francois.
+_Villon, Francois_.
+Visueele aanleg.
+Vita nuova.
+Vitri, Philippe de.
+_Vitri, Philippe de_.
+Vloeken.
+Voeu du heron.
+Voeux du faisan.
+Voir-Dit, Livre du, zie ook Machaut.
+Voorrang.
+Vorstenduel.
+Vorstentrouw.
+Vredesideaal.
+Vrouwenverachting.
+Vrouwenvereering.
+Vrouwenverguizing.
+Vydt, Jodocus.
+
+Wapenkoning.
+Wapenkreet.
+Watteau, Antoine.
+Weelde.
+Wenzel, Roomsch koning.
+Weyden, Rogier van der.
+Wier, Johannes.
+Wilhelmus van Nassouwen.
+Willem IV, graaf van Henegouwen en Holland.
+Windesheimers, zie Devotie, Moderne--
+Witte, Emanuel de.
+Woekeringen van het godsdienstleven.
+Woordenspel.
+Wraakzucht.
+Wreedheid.
+Wurtemberg, Hendrik van.
+
+Xaintrailles, Pothon de.
+Xaverius, Franciscus.
+
+Zeeoorlog.
+Zegenspreuken.
+Zelfbespotting.
+Zigeuners.
+Zola, Emile.
+Zueticheit.
+Zwaarmoedigheid.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Herfsttij der Middeleeuwen, by Johan Huizinga
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN ***
+
+***** This file should be named 16829.txt or 16829.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/2/16829/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/16829.zip b/16829.zip
new file mode 100644
index 0000000..2f57f94
--- /dev/null
+++ b/16829.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..38d926c
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #16829 (https://www.gutenberg.org/ebooks/16829)