diff options
Diffstat (limited to '16701-0.txt')
| -rw-r--r-- | 16701-0.txt | 5563 |
1 files changed, 5563 insertions, 0 deletions
diff --git a/16701-0.txt b/16701-0.txt new file mode 100644 index 0000000..2c76262 --- /dev/null +++ b/16701-0.txt @@ -0,0 +1,5563 @@ +The Project Gutenberg eBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: Het Leven der Dieren + Deel 1, Hoofdstuk 1: De Apen + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: January 16, 2022 [eBook #16701] + +Language: Dutch + +Produced by: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed + Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project + Gutenberg + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + + HET LEVEN DER DIEREN + + Door + A. E. Brehm. + + Naar den tweeden druk der volksuitgaaf + voor Nederland bewerkt Door + S. P. Huizinga. + + + Tweede druk--met ongeveer 1200 fraaie afbeeldingen. + + + Eerste Deel.--De Zoogdieren. + + + Zutphen.--P. van Belkum Az. + + + + + + + + +EERSTE ORDE. + +DE APEN (Pitheci). + + +Het menschachtig voorkomen van de Apen heeft te allen tijde in hooge +mate de aandacht getrokken, en aanleiding gegeven tot meeningen over +een andere en nauwere betrekking tusschen hen en de menschen, dan er +tusschen deze en de overige dieren bestaat. De aard dezer betrekking +werd vroeger geheel anders opgevat dan thans. Nog geen zeventig jaar +geleden verdedigde een bekend dierkundige, de Münchener professor +Wagler, de stelling, dat de Apen „ontaarde menschen” zijn. Dit +denkbeeld was niet nieuw. Bij nagenoeg alle volken, die met de Apen in +aanraking kwamen, of nog met hen verkeeren, komt het voor. Zoo zijn, +volgens een bij vele West-Afrikaansche negerstammen verbreide +overlevering (p. 12), de daar voorkomende, groote, staartelooze Apen—de +Chimpanzees—vroeger leden van deze stammen geweest. Wegens hunne +slechte gewoonten werden zij uit de menschelijke samenleving +verstooten; door voortdurend toegeven aan gemeene neigingen zijn zij op +hun tegenwoordig peil van verbastering gezonken.—Wel verre van de Apen +voor ontaarde menschen te houden, beschouwen de dierkundigen van onzen +tijd de menschen als hooger ontwikkelde nakomelingen van stamvormen, +waaruit ook de Apen voortgesproten zijn.—Naar het schijnt, waren de +Egyptenaars en de Indiërs de eenige volken der oudheid, die voor de +Apen een zekeren eerbied koesterden. Dat de oude bewoners van het +Nijldal ze onder de heilige dieren rekenden, kan men afleiden uit de +beeldhouwwerken, waarop goden in de gedaante van Apen of althans met +aapachtige lichaamsdeelen zijn voorgesteld. De Indiërs hebben reeds in +overouden tijd tempels en huizen voor Apen gebouwd; ook thans nog komt +deze vorm van dierenvereering bij de Hindoes voor. Andere volken der +oudheid stelden belang in de Apen, zonder ze evenwel hooger te achten +dan andere dieren. Zoo wordt van Salomo bericht, dat hij Apen uit Ophir +liet komen. Van de Romeinen weet men, dat zij zich met de potsen dezer +dieren vermaakten, of ze met gevangene wilde dieren lieten vechten, +maar ook, dat zij hun minder genegenheid betoonden, dan aan andere +huisdieren. Nog lager staan de Apen in de schatting der Arabieren, die +ze met Allah’s vloek beladen achten, en hen houden voor een wonderlijke +vermenging van het beeld des duivels met dat van den mensch. + +Er is niet veel verschil tusschen het gevoelen, dat de Arabieren op +deze wijze uitspreken, en den indruk dien de Apen op ons maken. Noode +laten wij ons overtuigen, dat deze, op caricaturen van menschen +gelijkende wezens, onze naaste verwanten in het dierenrijk zijn; hun +naam wordt als scheldwoord gebruikt; aantrekkelijk vinden wij alleen +zulke Apen, die zeer weinig op den mensch gelijken, terwijl juist die +soorten, waarbij deze overeenkomst duidelijker in ’t oog valt, ons +minder behagen. De oorzaak van onzen afkeer is te vinden in de +eigenaardigheden van den lichaamsbouw, en niet minder in de handelingen +der Apen: in sommige opzichten gelijken deze te veel, in andere te +weinig op die van den mensch. In de menschelijke gestalte merken wij +een volkomen evenredige ontwikkeling van alle lichaamsdeelen op; in den +bouw van den Aap daarentegen zien wij dikwijls een gemis aan +evenredigheid, dat afkeer wekt. Toch zou men den Apen groot onrecht +aandoen, door ze, allen over één kam scherend, voor wanstaltige dieren +uit te maken, zooals dikwijls geschiedt; zonder overdrijving mag men +sommige Apen beeldschoon noemen, anders afschuwelijk leelijk +vinden.—Maar, is het bij de menschen niet evenzoo gesteld? Zouden wij +een Eskimo, een Bosjesman, een Nieuw-Hollander als model voor Apollo +kiezen?—De slotsom, waartoe wij komen, is derhalve dat ons ongunstig +oordeel over de Apen grootendeels voortvloeit uit de te hooge eischen, +die wij hun stellen, wegens hun menschachtig voorkomen. Daarom worden +verschijnselen, die men bij andere dieren zou dulden, bij hen +afkeerwekkend geacht. De hooge begaafdheden, die de Apen werkelijk +bezitten, worden minder gewaardeerd; omdat deze dieren in vele +opzichten niet voldoen aan ’t geen onbillijkerwijze van hen verwacht +wordt. + +De grootte der Apen wisselt af binnen wijde grenzen: de Gorilla stemt, +wat dit betreft, met een flinken, volwassen man, het Zijdeaapje +daarentegen met een Eekhoorn overeen. Ook hun lichaamsbouw is zeer +verschillend, zooals uit de namen „Mensch-, Honds- en Eekhoornapen” +beter dan uit lange beschrijvingen blijkt. Er zijn zwaar gebouwde en +slanke, logge en sierlijke Apen; sommige hebben dikke, andere schrale +ledematen; de meeste bezitten een langen, eenige een korten, enkele in +’t geheel geen staart. Even ongelijk is de beharing: hier dun, daar +dicht; de kleur van huid en haar is meestal somber, bij sommige echter +vroolijker; eenige zijn ook in dit opzicht fraai. Ook bij de Apen vindt +men soms albinisme, d.i. het niet ontwikkeld zijn van de huidkleurstof. +In Siam, het land van den witten Olifant, waar albinos uit de +dierenwereld in de mode schijnen te zijn, stelt men hoogen prijs op +mooie, witte, tamme Apen. De Apen komen, wat inwendig maaksel betreft, +meer met elkander overeen, dan men op grond van hun uiterlijk zou +kunnen verwachten. Het geraamte bevat 12 à 16 rugwervels, 4 à 9 +lendewervels, 2 à 5 heiligbeen- en 3 à 33 staartwervels; het +sleutelbeen is krachtig ontwikkeld; de voorarmbeenderen zijn onderling +niet vergroeid en ten opzichte van elkander zeer bewegelijk; de +handwortelbeenderen zijn langwerpig, sommige vingerkootjes echter zeer +kort; aan den voet valt de binnenteen in ’t oog, die den naam „duim” +verdient, daar hij tegen de toppen der overige teenen gedrukt kan +worden, of, zooals men het noemt, „tegenoverstelbaar” is. De vorm van +den schedel loopt zeer uiteen, al naar het aangezicht meer of minder +vooruitsteekt, en de schedelholte meer of minder ruim is. De oogen zijn +naar voren gericht, in holten gelegen, die door krachtige beenderen +begrensd zijn; de jukbogen staan niet ver van den schedel af. Het gebit +bevat alle 3 soorten van tanden; in elke kaakhelft 2 snijtanden, 1 +hoektand, welke dikwijls aan dien der Roofdieren herinnert wegens zijn +buitengewoon sterke ontwikkeling, 2 of 3 kleine (of valsche) en 3 ware +(of groote) kiezen. Onder de spieren verdienen die van de hand onze +aandacht, omdat zij veel eenvoudiger zijn dan die van de menschelijke +hand. Het strottenhoofd is niet geschikt voor een spraak, welke te +vergelijken is met die van den mensch; bij velen echter wordt het +voortbrengen van gillende en huilende geluiden door zakvormige +verwijdingen van de luchtpijp bevorderd. Zeer opmerkelijk zijn verder +de wangzakken, die bij eenige groepen van Apen voorkomen. Dit zijn +uitstulpingen van den wand der mondholte, welke met de mondholte in +gemeenschap staan door een achter den mondhoek gelegen opening, en als +tijdelijke bergplaats voor voedsel dienen. Bij de Meerkatten, Makaken +en Bavianen bereiken zij de grootste ontwikkeling; bij de Mensch-apen +en de Apen van de Nieuwe Wereld ontbreken zij volkomen. + +Men noemt de Apen dikwijls Vierhandigen, en plaatst tegenover hen de +Tweehandigen of Menschen op grond van verschillen in den bouw van hand +en voet. Hoewel deze verschillen duidelijk in ’t oog vallen, zijn zij +echter niet belangrijk genoeg, om een diepe scheiding tusschen deze +twee groepen te wettigen. Als de handen en voeten van de menschen met +de gelijknamige lichaamsdeelen van de Apen worden vergeleken, blijkt +het, dat zij bij beide groepen naar denzelfden oervorm gebouwd zijn. +Een aan de overige vingers tegenoverstelbare duim komt bij de menschen +alleen aan de handen, bij de Klauwapen alleen aan de voeten, bij de +overige Apen aan handen en voeten voor. Het onderscheid tusschen de +handen en voeten der Apen en die van den mensch is niet gering; het +wordt echter overschat, als daarin een reden wordt gezocht voor de +plaatsing dezer wezens in twee (zij het dan ook opeenvolgende) orden. +Zoodoende zou men de klove, die den mensch van de Apen scheidt, met een +anderen maatstaf meten, dan die, welke bij onderlinge vergelijking van +de andere Zoogdieren wordt gebruikt. + +Met het oog op de rangschikking minder belangrijk, maar uitstekend +geschikt om het onderscheid tusschen de Apen ende menschen te doen +uitkomen, zijn de volgende zeer in ’t oog vallende eigenaardigheden: +schraal, behaard lichaam, lange armen, dunne beenen zonder kuiten, +onbehaarde eeltplekken aan het zitvlak bij vele soorten, een dikwijls +lange, zelden ontbrekende staart en vooral de vorm van den kop met zijn +kleinen, naar achteren verschoven schedel en dunne, opeengeknepen +lippen. Oken, de overeenkomst tusschen de Apen en den mensch +besprekend, zegt: „De Apen gelijken op den mensch, voor zoover deze +slechte gewoonten en onhebbelijkheden heeft. Zij zijn boosaardig, +valsch, listig, diefachtig en onwelvoeglijk; zij leeren een menigte +potsen maken; maar zijn ongehoorzaam, en bederven dikwijls de pret door +midden in het spel een onbeschofte kwajongensstreek uit te halen. De +Apen onderscheiden zich door geen enkele deugd; voor den mensch zijn +zij in geen enkel opzicht nuttig. Hunne diensten—op schildwacht staan, +bedienen, allerlei dingen halen—bewijzen zij slechts zoo lang, tot hun +een kuur aanwaait. Zoowel in lichamelijk als in zedelijk opzicht +vereenigen zij de slechte eigenschappen van den mensch in zich.” + +Deze schildering is, wat de hoofdzaken betreft, niet onjuist. De +billijkheid gebiedt ons echter, om ook op eenige werkelijk goede zijden +van het apenkarakter de aandacht te vestigen. Het is niet gemakkelijk, +over hunne geestesgaven en gebreken een algemeen oordeel te vellen, +omdat de Apen onderling te dezen aanzien groote verschillen aanbieden. +Het valt niet te loochenen, dat de Apen boosaardig, listig, gluiperig, +opvliegend, wraakzuchtig, in alle opzichten zinnelijk, misnoegd, +twistziek en heerschzuchtig, prikkelbaar en ontevreden, in één woord +hartstochtelijk zijn; men mag echter niet vergeten, hoe verstandig en +vroolijk, zachtaardig en teeder, vriendelijk en vertrouwelijk ten +aanzien van den mensch zij zich dikwijls betoonen, hoeveel genoegen zij +hem verschaffen door hun gezelligheid en vermakelijken ernst, door +hunne vaak zeer onschuldige grappen en plagerijen,—hoeveel moed zij +laten blijken, waar het welzijn van anderen op het spel staat, hoe +dapper zij het gezelschap, waartoe zij behooren, verdedigen, zelfs +tegen vijanden, die machtiger zijn dan zij. In één opzicht munten alle +Apen uit, n.l. door de liefde, die zij aan hunne jongen bewijzen, door +hun medelijden met zwakken en hulpbehoevenden, dat niet beperkt blijft +tot dieren van hun eigen soort of eigen familie, maar zich ook +uitstrekt over wezens, die tot andere orden, ja zelfs tot andere +klassen van het dierenrijk behooren. + +Hoewel de Apen, wat de verstandelijke ontwikkeling betreft, die zij +bereiken kunnen, niet duidelijk hooger staan dan de overige Zoogdieren +(met uitzondering van den mensch), staan zij toch ook niet zooveel +lager dan de mensch, als door sommigen beweerd, door anderen aangenomen +wordt. Het bezit van handen verschaft den Aap zulke groote voorrechten +boven vele dieren, dat het door hem verrichte werk niet zelden +merkwaardiger schijnt, dan het werkelijk, is. Hij is vatbaar voor +leering; de zucht tot nabootsing, die aan vele leden van zijn geslacht +eigen is, maakt hun het aanleeren van kunstjes en het verkrijgen van +handigheid gemakkelijk. Na korte oefening is de Aap in staat tot +allerlei verrichtingen, die een ander dier, b.v. een Hond, veel moeite +kosten. Hierbij valt echter op te merken, dat hij het door hem geleerde +kunstje altijd slechts met een zekeren tegenzin vertoont, en er nooit +vermaak in vindt, of er mede ingenomen is. Het is niet moeielijk een +Aap te gewennen aan het verrichten van allerlei werkzaamheden; hij zal +hierbij echter nooit zoo zorgvuldig en nauwgezet te werk gaan, als een +goed gedresseerde Hond. Verliezen wij hierbij echter niet uit het oog, +dat de Hond reeds gedurende duizenden van jaren door den mensch gefokt, +verzorgd, onderricht en ontwikkeld werd, en hierdoor een geheel ander +wezen is geworden, dan hij vroeger was; terwijl het den Aap ontbroken +heeft aan de gelegenheid om met den mensch in nadere aanraking te +komen. Wat Apen kunnen uitvoeren, zal blijken uit hetgeen wij van hun +levenswijze zullen mededeelen; deze levert het bewijs, dat zij terecht +tot de verstandigste van alle dieren zijn gerekend. Een hooge mate van +overleg kan men hun niet ontzeggen. Hun geheugen is uitmuntend; zij +weten een verstandig gebruik te maken van opgedane ervaringen, en met +echte sluwheid en list steeds hun voordeel te zoeken. Meesterlijk +verstaan zij de kunst van veinzen; dikwijls laten zij niet merken, +welke heillooze plannen hunne hersenen smeden. Behendig weten zij aan +gevaren te ontkomen, op voortreffelijke wijze beramen zij middelen, om +bij herhaling van de onderneming niet opnieuw aan dezelfde gevaren +bloot te staan. Hoe het met hun gemoed gesteld is, valt af te leiden +uit de liefde, genegenheid en dankbaarheid, die zij laten blijken, en +uit de welwillendheid, die zij toonen na een goede behandeling. + +Opmerkelijk is het, dat alle Apen, hoe verstandig zij ook zijn, zich op +de onnoozelste wijze laten verschalken en bedotten. Dikwijls wordt hun +verstand volkomen beheerscht door hunne hartstochten. Als deze ontwaakt +zijn, zien zij zelfs de lompste val over ’t hoofd; het onbedwingbaar +verlangen naar bevrediging van hunne begeerten, doet hun de zorg voor +hun veiligheid geheel uit het oog verliezen. Zelfs de schranderste +Apen—en ook vele menschen, wien het niet aan verstand ontbreekt—laten +zich op deze wijze door hunne hartstochten beheerschen. Of men hierom +het recht heeft, het verstand der Apen gering te schatten, is te +betwijfelen. + +De Apen waren in vroegere tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis +onzer planeet over een grooter deel van den aardbodem verbreid dan +thans. Hun tegenwoordig vaderland is beperkt tot de warme gedeelten der +aarde. Een gelijkmatige warmte schijnt een levensvoorwaarde voor hen te +zijn. Hoewel eenige Bavianen in het gebergte tot op vrij groote hoogte +komen, en daar geringere warmtegraden verdragen dan men zou vermoeden, +zijn toch verreweg de meeste Apen hoogst gevoelig voor koude. Ieder +werelddeel bezit zijn eigen soorten; Azië en Afrika hebben er minstens +één gemeen. In Europa komt slechts één soort van Apen voor, en hiervan +slechts een enkele troep, die op de rotsen van Gibraltar onder +bescherming van de bezetting der vesting leeft (p. 30). In Australië +ontbreken zij geheel. Gibraltar (36° N.-B.) is niet de noordelijkste +plaats, waar Apen in ’t wild voorkomen, een Japansche Makake gaat nog +verder noordwaarts, ongeveer tot op 37° N.-B. In het Zuidelijk Halfrond +reikt het verbreidingsgebied der Apen tot 35° Z.-B., doch slechts in de +Oude Wereld. De woonplaatsen van de Apen der Nieuwe Wereld zijn gelegen +tusschen 28° N.- en 29° Z.-B. + +De verbreidingskring van elke soort is nog al beperkt, hoewel er +voorbeelden van zijn, dat in ver uiteenliggende landen van een zelfde +werelddeel bepaalde, zeer veel op elkander gelijkende soorten elkander +vervangen. + +De meeste Apen behooren in de bosschen thuis; in rotsachtige gebergten +vindt men de overige, weinig talrijke soorten. Daar hun lichaam voor +het klimmen ingericht is, vormen de boomen hun meest geliefde +verblijfplaats; de op rotsen thuis behoorende Apen klimmen slechts in +geval van nood in boomen. + +Ongetwijfeld behooren de Apen tot de levendigste en bewegelijkste +zoogdieren. Terwijl zij bezig zijn voedsel te zoeken, zijn zij geen +oogenblik in rust. Voor een deel is de verklaring hiervan te vinden in +het feit, dat nagenoeg al wat gegeten kan worden, hun als voedsel +welkom is. Vruchten, bollen, knollen, wortels, zaden, noten, knoppen, +bladen en sappige stengels vormen den hoofdschotel van hun maal; +insecten worden echter niet versmaadt, eieren en jonge vogeltjes, als +lekkernijen beschouwd. Daarom vinden zij overal wat te bekijken, te +grijpen of af te plukken, te besnuffelen of te proeven; het beste wordt +opgegeten, het overige weggeworpen. Dieren, die op deze wijze voedsel +zoeken, maken veel beweging. Daarom komt de apenbende geen oogenblik +tot rust. Van eigendomsrechten hebben deze schelmen een uiterst beperkt +begrip. „Wij zaaien, maar de Apen oogsten,” zeggen de Arabieren van +Oostelijk-Soedan. Akkers en tuinen worden als allerbekoorlijkste +plekjes beschouwd, en zooveel mogelijk geplunderd. Iedere Aap vernielt, +als de gelegenheid schoon is, tienmaal meer dan hij opeet. Tegen zulke +spitsboeven baten geen sloten of grendels, geen heggen of muren; zij +maken de sloten open, klimmen over de muren, en wat zij niet opeten +kunnen, nemen zij mede, goud en edelgesteente incluis. Men moet met +eigen oogen een troep Apen hebben gezien, die op roof uitgaat, om zich +goed te kunnen voorstellen, dat een boer zich over deze dieven halfdood +kan ergeren. Voor wie er geen schade door lijdt, levert echter de Aap, +die, aan een rooftocht deelnemend, al zijn kracht en vlugheid +ontwikkelt, een hoogst interessant schouwspel op. Hij toont zijn +bekwaamheid in ’t loopen, springen, klauteren, potsen maken en desnoods +ook in ’t zwemmen. De kunstjes, die hij in de boomen verricht, grenzen +aan het ongeloofelijke. Alleen sommige Menschapen en Bavianen zijn log +in hunne bewegingen, de overige Apen zijn volleerde acrobaten; ’t is +alsof zij kunnen vliegen. Sprongen van 6 à 8 meter zijn voor hen +kleinigheden. Van den top van een boom springen zij 10 M. diep naar +beneden op het einde van een tak, zoodat deze door den schok ver naar +beneden buigt. Terwijl de tak terugveert, nemen zij een grooten zwaai, +strekken den staart of de achterpooten als een roer lijnrecht naar +achteren, en schieten als een pijl door de lucht vooruit. Als het doel +van den sprong bereikt is, gaan zij dadelijk verder; zelfs over +struiken met dreigend naar alle zijden gerichte doornen gaan zij als +over een parketvloer. Een slingerplant is voor den Aap een hoogst +gemakkelijke trap, een boomstam een gebaande weg. Zij klimmen voor- en +achteruit, op den tak liggend of er onderaan hangend. Als men er een +omhoog werpt in de kroon van een boom, grijpt hij met de eene hand een +takje, hangt er geduldig aan, totdat de tak ophoudt zich te bewegen, +klautert er dan bij omhoog, en gaat even onbeschroomd verder, alsof hij +zich op den vlakken bodem bevond. Als de eerste tak breekt, grijpt hij +gedurende den val een tweeden; als ook deze bezwijkt, zal een derde hem +toch wel kunnen dragen; desnoods laat hij zich onbezorgd vallen. Wat +hij met de voorhand niet grijpen kan, pakt hij met de achterhand. Bij +vele Apen met breed neusmiddelschot is de staart een grijporgaan. Alle +Apen gebruiken dit lichaamsdeel als roer of balanceerstok bij ’t maken +van groote sprongen; bovendien dient het echter nog voor allerlei +andere doeleinden, zelfs als ladder voor den eerstvolgenden Aap. Bij de +Breedneuzige Apen wordt de staart een vijfde,—neen, een eerste hand. +Het geheele dier hangt er aan, wiegelend of schommelend, naar +welgevallen; het haalt er voedsel mede uit spleten en reten, bedient er +zich soms van als van een ladder, en wanneer de Aap een middagslaapje +wil houden, werkt de staart mede tot het vormen van een hangmat. + +Gemakkelijk en sierlijk zijn de bewegingen dezer dieren echter alleen +bij ’t klimmen. Zelfs de Menschapen, zijn zeer bedreven in deze kunst, +hoewel zij, althans de hoogst ontwikkelde, meer op de wijze van den +mensch, dan op die van de overige leden hunner orde klimmen. De gang +der Apen is altijd eenigszins log en plomp. Het best nog is de gang van +de Meerkatten, Makaken, Rolapen en Klauwapen. Gedurende korten tijd +kunnen de Meerkatten zelfs zoo vlug loopen, dat gewone Honden +ternauwernood in staat zijn ze in te halen; reeds de Bavianen echter +hebben een grappig hompelenden gang. Zeer gebrekkig is deze +bewegingswijze bij de Mensch-apen, zoodat zij ternauwernood den naam +van gang verdient. Terwijl hun geheele zool op den grond rust, steunen +zij tevens op de knokkels van de naar de handpalm gekromde vingers, en +slingeren daarna het lichaam op logge wijze voorwaarts, zoodat de +voeten tusschen de handen komen te staan. + +Eenige Apen kunnen uitmuntend zwemmen, anderen zakken als een steen in +de diepte weg. Het eerste geval doet zich voor bij de Meerkatten; ik +zag eenige van deze dieren met groote snelheid den Blauwen Nijl +overzwemmen. Tot de minst bekwame zwemmers behooren waarschijnlijk de +Bavianen en misschien ook de Brulapen. Deze schuwen het water in hooge +mate; men heeft een bijna verhongerde familie van Brulapen gevonden op +een boom, welks voet na een overstrooming door het water omgeven was; +de Apen hadden zich niet door het water heen naar de op ’t droge +staande boomen durven begeven, ofschoon deze nauwelijks 60 schreden van +hen verwijderd waren. Ulloa, die over Braziliaansche dieren schreef, +heeft een aardige brug uitgevonden, die aan de arme, in ’t zwemmen +onbedrevene Brulapen stellig goede diensten zou bewijzen, indien zij er +slechts gebruik van wilden maken. Hij verhaalt, dat elke Brulaap zich +met de handen aan den staart van zijn buurman vasthoudt, en dat het +geheele gezelschap op deze wijze een keten vormt, waarvan de schalmen +Apen zijn; deze keten hangt aan den om een boomtak geslingerden staart +van den eersten Aap, en wordt door de vereenigde krachten van alle +leden aan ’t slingeren gebracht, totdat de onderste Aap een tak van een +op den anderen oever staanden boom heeft gegrepen. Over de op deze +wijze geslagen brug wandelen eerst de jonge en zwakkere Apen naar den +anderen oever, terwijl daarna de eerste Aap zich loslaat, en de geheele +keten door den laatsten naar zich toe getrokken wordt. De prins Von +Wied, een zeer nauwgezet onderzoeker noemt dit verhaal bij zijn rechten +naam: „een grappige fabel.” + +Het gezelschapsleven van de Apen is voor den waarnemer zeer +aantrekkelijk. Slechts weinige soorten leven eenzaam; de meeste +vereenigen zich tot benden. Ieder van deze kiest zich een vast +woongebied uit, dat meer of minder uitgestrekt kan zijn. Geregeld valt +de keuze op een streek, die hun in alle opzichten gunstig gelegen +voorkomt. Er moet daar iets te kraken of te kauwen zijn, anders +verhuist de bende naar een ander oord. Bosschen in de nabijheid van +door den mensch ontgonnen velden zijn in arme streken voor hen een hof +van Eden; om den verboden boom van dit paradijs bekommeren zij zich +niet, als de appels maar goed smaken. De voorkeur geven zij aan maïs- +en suikerrietvelden, aanplantingen van bolgewassen, ooftboomen meloenen +en bananen. Dorpen, waar ieder die deze onbeschaamde spitsboeven +straft, den bijgeloovigen toorn van de bewoners heeft te vreezen, +hebben bij de Apen een streepje voor. Zoodra de leden van de bende het +met elkander eens geworden zijn over de keuze van een woonplaats, +begint het ware apenleven met al zijn vermaak en vroolijkheid, zijn +moeite en strijd, zijn nood en zorgen. Het sterkste of oudste, en dus +bekwaamste, mannelijke lid van de horde werpt zich op als aanvoerder of +apenhoofdman. Het bezit van deze waardigheid is niet op het algemeen +stemrecht gegrond, maar wordt eerst verworven na zeer hevige twisten en +gevechten met andere liefhebbers, d.i. met alle overige mannetjes. Van +de langste handen en de krachtigste armen hangt de beslissing af. Wie +niet goed willig gehoorzamen wil, wordt zoolang op beten en stompen +getracteerd, tot hij in zijn noodlot berust. De kroon komt aan den +sterksten toe: in zijne tanden ligt zijne wijsheid. + +Voor zoover er van een apentaal sprake kan zijn, mag men haar rijk +noemen: iedere Aap heeft althans zeer afwisselende geluiden voor +verschillende aandoeningen tot zijne beschikking. Ook de mensch leert +weldra de beteekenis van deze geluiden kennen. Vooral het geschreeuw +dat ontsteltenis beteekent, en altijd een aansporing tot vluchten +inhoudt, is zeer eigenaardig. Hoewel het zeer moeilijk te beschrijven, +en nog minder gemakkelijk na te bootsen is, kan men er toch dit van +zeggen: het bestaat uit een aantal opeenvolgende, kort afgebrokene, als +’t ware trillende en wanluidende klanken, welker waarde de Aap door +gezichtsverdraaiingen nog sterker doet uitkomen. Zoodra dit +waarschuwend signaal gehoord wordt, slaat de bende zoo schielijk +mogelijk op de vlucht. De moeders roepen hare kinderen tot zich, die in +een oogwenk aan haar lichaam hangen, en begeven zich met deze dierbare +vracht ten spoedigste naar den naastbijgelegen boom of rots. Eerst als +de apenhoofdman tot bedaren is gekomen, voegen de leden van de bende +zich weer bijeen, om na korten tijd van beraad naar het zoo even +verlaten oord terug te keeren, en de gestoorde plundering te hervatten. + +Het valt niet te ontkennen, dat de Apen moedig zijn. De sterkste Apen +bieden zelfs aan vreeselijke Roofdieren en aan den nog gevaarlijker +mensch onverschrokken weerstand, en vangen een strijd aan, welks +uitslag voor menigen aanvaller op zijn minst genomen twijfelachtig is. +Zelfs de slank gebouwde Meerkatten grijpen hunne tegenstanders aan, +wanneer zij getergd worden, of in ’t nauw gebracht zijn. De groote +Menschapen en de Bavianen bezitten in hunne tanden vreeselijke +verdedigingsmiddelen: zonder vuurwapen durft geen inboorling een +Baviaan bevechten. In den strijd met den Gorilla is de neger, zelfs +wanneer hij met een geweer gewapend is, niet altijd zeker van de zege. +Steeds zijn de Apen door de onvergelijkelijke woede die hen bezielt, +als zij zich verdedigen, en die hunne krachten zeer doet toenemen, +hoogst gevaarlijke tegenstanders; terwijl de behendigheid, die aan al +deze dieren eigen is, den vijand maar al te vaak de gelegenheid +beneemt, hun een wonde toe te brengen die den strijd beslist. + +Zij vechten met handen en tanden: zij slaan, krabben en bijten. +Algemeen verbreide verhalen over andere wijzen van verdediging zijn +door zorgvuldige waarnemingen uit lateren tijd niet bevestigd. „Men +verhaalt,” zegt Pechuel-Loesche, „dat de Apen zich met afgebroken +takken verweren; vrij algemeen neemt men aan, dat zij steenen, +vruchten, stukken hout en andere voorwerpen van boven af op hunne +tegenstanders werpen. Deze meening berust waarschijnlijk op onjuiste +gevolgtrekkingen. Zij die haar voorstaan en verbreiden, zagen misschien +alleen dat, wat zij op grond van vroegere berichten meenden te zullen +zien, niet dat, wat werkelijk gebeurde. De in boomen levende Apen +breken bij hun dartel spel, bij ’t springen, schommelen en rondtasten, +allicht dorre takken af; zij smijten er echter niet mede naar iemand, +die zich toevallig onder hen bevindt; evenmin doen zij dit met vruchten +en andere voorwerpen, die zij misschien in de handen hebben, en +natuurlijk laten vallen, als zij verschrikt worden en vluchten. Ook de +Bavianen denken er niet aan, van hunne standplaatsen op de rotsen +steenen op hunne vervolgers te werpen. Wel vallen en rollen van daar +rotsblokken en gruis naar beneden; dit geschiedt echter steeds bij +toeval, n.l. ook dan, als er geen vijand te zien is. Vooral komt dit, +doordat deze sterke Apen voortdurend ijverig bezig zijn, los liggende +steenen om te keeren, om de hieronder verborgen dieren meester te +worden.” + +In den gevangen staat leven bijna alle soorten van Apen in vriendschap +met elkander; ook dan echter merkt men bij hen weldra betrekkingen van +heerschappij en onderhoorigheid op, soortgelijk aan die, welke tusschen +de leden van een in vrijheid levende bende bestaan. De sterkste maakt +zich meester van de opperheerschappij; hij onderdrukt en pijnigt zijne +zwakkere metgezellen zoo lang, totdat deze zich in hun lot voegen. Het +ligt niet in den aard van de Apen fijngevoelig te zijn; gedurig toonen +zij hun overmoed zelfs tegenover innig geliefde pleegkinderen. Steeds +zal men echter opmerken, dat groote soorten, zoowel mannetjes als +wijfjes, zorg dragen voor kleinere, meer hulp behoevende Apen; sterke +apinnen zijn zelfs begeerig naar kleine menschenkinderen en allerlei +jonge dieren, die zich laten dragen. Zoo afschuwelijk de Apen zich +overigens tegenover dieren gedragen, zoo lief zijn zij voor jongen van +dieren of voor kinderen; de grootste liefde betoonen zij natuurlijk aan +hun eigen jongen; daarom is de „apenliefde” spreekwoordelijk geworden. + +Bij de meeste apensoorten brengt het wijfje slechts één jong ter +wereld, bij weinige soorten komen tweelingen voor. Altijd is het jonge +dier een klein, leelijk mormel, wiens ledematen dubbel zoo lang +schijnen te zijn als die van zijne ouders, en wiens gezichtje veel meer +gelijkt op dat van een grijsaard, dan op dat van een kind, zoo rimpelig +en vol plooien is het. Dit monstertje is echter in nog veel hoogere +mate de lieveling van de moeder, dan het bij de menschen in dergelijke +gevallen pleegt te zijn. De moeder vertroetelt en verzorgt het op een +roerende of—belachelijke wijze, al naar men het nemen wil: „les +extrêmes se touchent” (de uitersten grenzen aan elkander); moederliefde +is verheven of—belachelijk. Kort na zijne geboorte omvat het apekind +met de beide voorhanden den hals van de moeder, terwijl het met de +beide achterhanden zich aan hare liezen vasthoudt; op deze wijze +hangend, heeft het de geschiktste houding om de moeder gedurende het +loopen niet te hinderen en ongestoord te zuigen. Grooter geworden, +springen de apenkinderen bij dreigend gevaar ook wel op de schouders en +den rug hunner ouders. + +In den beginne geeft het aapje natuurlijk nog geene bewijzen van liefde +en genegenheid; de teederheid van de moeder is er des te grooter om. +Altijd door heeft zij wat aan haar lieveling te verrichten; nu eens +belikt zij hem, dan weer reinigt zij hem van ongedierte; nu eens drukt +zij hem tegen zich aan, dan weer houdt zij hem met beide handen omhoog, +alsof zij zich aan zijn aanblik wilde verlustigen; nu eens legt zij het +kindje aan haar borst, dan weer schommelt zij het heen en weer, alsof +zij het in slaap wilde wiegen. (Plinius beweert in vollen ernst, dat de +apinnen hare jongen uit louter liefde dikwijls dood drukken; dit is +echter in den nieuwen tijd nooit waargenomen.) Eenigen tijd later +begint de jonge Aap allengs meer zelfstandig te worden; vooral verlangt +hij af en toe eenige vrijheid. Deze wordt hem toegestaan. De moeder +laat haar schootkind op den grond loopen; het mag met andere +apenkinderen gekheid maken en spelen; zij wendt echter geen blik van +haar jong af, en blijft voortdurend toezicht houden; gewillig gaat zij +zijne schreden na, en veroorlooft het alles, wat zij toestaan kan. Bij +het geringste gevaar snelt zij op haar kind toe, laat een zeer +eigenaardig geluid hooren, en noodigt het hierdoor uit, aan haar borst +een schuilplaats te zoeken. Ongehoorzaamheid bestraft zij met knepen en +stompen, dikwijls met echte oorvijgen. Dit komt echter zelden voor, +want het apenkind is zoo gehoorzaam, dat menig menschenkind er een +voorbeeld aan zou kunnen nemen; gewoonlijk is het eerste bevel van de +moeder voldoende. In de gevangenschap deelt deze, zooals ik meermalen +opgemerkt, heb, elke bete brood trouw met haar voedsterling, en betoont +dikwijls een werkelijk roerende deelneming in zijn lot. Bij gevangen +Apen heeft de dood van een kind steeds het sterven van de moeder ten +gevolge; zij bezwijkt van verdriet. Als de apin echter vóór haar jong +sterft, neemt het eerste beste medelid van de bende het weesje als kind +aan, en dit doen mannetjes zoowel als wijfjes. De liefde, die aan een +pleegkind wordt bewezen, is nauwelijks geringer dan die, welke aan een +eigen kind ten deel valt; bij voedsterlingen, die tot andere +diersoorten behooren, is dit echter anders; hier toont de Aap zich +dikwijls een onverklaarbaar raadsel. Hij past zijn aangenomen kind zoo +goed mogelijk op, drukt het tegen zich aan, bevordert zijn welzijn door +het te vlooien of op een andere wijze te reinigen, houdt het steeds in +’t oog enz., maar—geeft het gewoonlijk niets te eten, eet het voedsel, +dat voor ’t pleegkind bestemd is, zonder gewetensbezwaar zelf op, en +houdt, terwijl hij zelf eet, het hongerige kleintje zorgvuldig van den +etensbak verwijderd. + +Men heeft nog niet kunnen uitmaken, hoeveel jaren de Aap gemiddeld voor +zijn groei noodig heeft. Dat de jeugd bij de groote soorten langer +duurt, dan bij de kleine, spreekt vanzelf. De Meerkatten en de +Amerikaansche Apen zijn waarschijnlijk in 3 of 4 jaar geheel volwassen; +de Mensch-apen en de Bavianen hebben vermoedelijk 8 à 12 jaar voor het +bereiken van hun vollen wasdom noodig.—In de vrije natuur zijn de Apen, +naar het schijnt, aan weinig ziekten blootgesteld; epidemieën heeft men +althans onder hen niet waargenomen. Hoe oud zij kunnen worden, is niet +uit te maken; men mag echter wel aannemen, dat de vertegenwoordigers +van de grootste soorten om en bij de 40 jaar oud kunnen worden. Hier te +lande hebben alle Apen zeer veel te lijden van het ongunstige klimaat. +De koude hindert hen zeer: zij ontstemt hen, doet hen stil en treurig +worden. Gewoonlijk beginnen zij ook spoedig aan longtering te lijden, +en deze maakt in den regel schielijk een einde aan hun leven. Een zieke +Aap levert een schouwspel op, dat ieder mensch moet treffen. Het arme +dier, dat vroeger zoo vroolijk ronddartelde, en nu treurig en lijdend +stil zit, werpt den medelijdenden bezoeker een erbarmelijk smeekenden +blik toe, ja ziet hem aan met een echt menschelijke uitdrukking op ’t +gelaat. Hoe meer het einde van den Aap nadert, des te zachtzinniger +wordt hij; het dierlijke gaat verloren, en de edelere eigenschappen van +den geest treden duidelijker aan ’t licht. Elk hulpbetoon wordt met +groote dankbaarheid aanvaard, hij leert in den arts zijn weldoener +kennen, neemt de hem aangeboden geneesmiddelen gewillig in, en +ondergaat zelfs heelkundige kunstbewerkingen zonder tegen te spartelen. +Zelfs bij overigens gezonde Apen neemt men in den regel weldra een +ziekte waar aan den staart, bestaande in het zeer worden en etteren van +de spits, die weldra door het koud vuur wordt aangetast, waarna het +eene stuk na het andere er afvalt. + +Ik weet niet, of ik eenigen Aap als huisgenoot mag aanbevelen. Het zijn +lastige klanten, die veel genoegen kunnen geven, maar nog veel meer +ergernis wekken. Allerlei kwajongensstreken heeft men van hen te +wachten, en van deze krijgt men weldra overvloedig zijn bekomst, voor +zoover men geen studie maakt van de verstandelijke vermogens der Apen. +De grootste soorten worden bovendien soms gevaarlijk, doordat zij +vreeselijk bijten en krabben. Als vrij rondloopend huisdier is de Aap +niet te dulden, omdat zijn altijd opgewekte geest voortdurend bezigheid +verlangt. Als zijn meester hem deze niet verschaft, zal hij haar zelf +zoeken, en haar vinden in handelingen, die ons hinderlijk of nadeelig +zijn. Eenige soorten zijn door hun onwelvoeglijk gedrag onuitstaanbaar. + +De handel en wandel van de tamme, bijna als huisdieren levende Apen van +het station der Loango-expeditie, waar, behalve Gorillas en +Chimpanzees, ook nog verscheidene soerten van Meerkatten, Mandrillen en +een Mooraap (p. 27) aanwezig waren, wordt door Pechuel-Loesche op de +volgende wijze beschreven. „Het was een zeer merkwaardige karaktertrek +van onze Apen, dat zij ieder het een of ander wezen of voorwerp kozen, +waaraan zij hunne bijzondere genegenheid schonken, of althans veel zorg +wijdden. Hieruit ontsproten de zonderlingste vriendschappelijke +verhoudingen. Het is waarschijnlijk algemeen bekend, dat Apen dikwijls +zonder dat hiervoor een bepaalde reden bestaat, de jongen van andere +dieren, ook wanneer zij tot andere soorten behooren, opnemen, op de +zorgvuldigste wijze beschermen, en zelfs van hunne lijken geen afstand +willen doen. Toen onze Herdershond Trine jongen had gekregen, en deze +vol vlooien zaten, brachten wij ze bij de Meerkatten in het apenhuis. +Daar werden zij vol vreugde aangenomen, even vlijtig als zorgvuldig +gezuiverd en geliefkoosd, terwijl de oude Hond van buiten met +welgevallen het spel aankeek. Een groot kabaal ontstond er echter, toen +wij de pleegkinderen weer weghaalden; zij waren reeds onder de bewoners +van het apenhuis verdeeld, en deze waren blijkbaar voornemens, ze +voortdurend te behouden. + +„De dartele Mooraap was een onafscheidelijke metgezel van den Gorilla +en van den beheerscher van het erf, den prachtigen, gladharigen hamel +Mfoeka. De Baviaan Jack had vriendschap gesloten met een welgedane big, +en beproefde op diens rug dikwijls de curieuste ruiterskunsten; later +werd de plaats van het vroolijke varkentje ingenomen door een +halfvolwassen Hond, waarmede Jack dikwijls op de potsierlijkste wijze +speelde. De slecht gehumeurde Isabella had een grauwen Papegaai +uitverkoren; toen ze hem echter op een goeden keer de fraaie, roode +staartvederen een voor een begon uit te rukken, kwam er een einde aan +dezen merkwaardigen vriendschapsbond.” + +In vergelijking met de ondeugden, die den Aap eigen zijn, de dwaasheden +die hij begaat, is het voordeel dat hij oplevert, onbeduidend. Het is +zeer gemakkelijk hem allerlei kunstjes te leeren verrichten. De gewone +methode is: hem duidelijk voor te doen, wat men van hem verlangt, en +hem daarna zoo lang te ranselen, tot hij het kunstje nadoet; hierop +berust de geheele paedagogiek, die bij de Apen gevolgd wordt en moet +worden! In den regel leert het te dresseeren dier binnen 1 of 2 uur een +kunstje; men moet het hem echter van tijd tot tijd laten herhalen, daar +hij het spoedig weer vergeet.—De voeding levert geen bezwaar op; al wat +voor den mensch bruikbaar is, gebruikt hij ook. + +In hun vaderland, voor zoover het een niet zeer door de natuur +begunstigde, maar toch door menschen bewoonde streek is, doen de Apen +veel meer kwaad dan zij nut geven. Het vleesch van eenige soorten wordt +gegeten, van andere wordt het vel voor pelswerk, zakjes, enz. gebruikt; +dit geringe voordeel komt echter in geen vergelijking met de +buitengewoon groote schade, die de Apen in bosch, veld en tuin +aanrichten; het is werkelijk onbegrijpelijk, dat de Indiërs ook thans +nog de Apen als heilige dieren beschouwen, en ze beschermen, alsof zij +half-goden zijn. + + + +Wij verdeelen de orde der Apen in drie familiën: de Smalneuzen +(Catarrhini), de Breedneuzen (Platyrrhini) en de Klauwapen +(Ardopitheci). De beide eerstgenoemde hebben aan alle vingers en teenen +platte nagels; de Klauwapen hebben alleen aan den duim der achterste +ledematen een platten nagel, terwijl de overige vingers en teenen met +klauwen voorzien zijn. De Smalneuzen en Breedneuzen verschillen +onderling, vooral ten aanzien van het neusmiddelschot en van het gebit. +Het neusmiddelschot is bij de eene groep breed, bij de andere smal; de +neusgaten zijn hierdoor bij de Smalneuzen meer naar voren, bij de +Breedneuzen zijwaarts gericht. De Smalneuzen komen alleen op het +Oostelijk Halfrond voor: het zijn „Apen van de Oude Wereld”; de +Breedneuzen en Klauwapen daarentegen—de „Apen van de Nieuwe +Wereld”—zijn tot Amerika beperkt. + + + +De Smalneuzen gelijken op den Mensch, wat neusmiddelschot en gebit +betreft. Zij verschillen er echter van, doordat in de bovenkaak, +tusschen hoektand en snijtand, een ruimte voorkomt, waarin bij gesloten +bek de spits van den grooten onderkaakshoektand past. Geen enkele +Smalneus heeft een grijpstaart. De familie wordt gesplitst in twee +onder-familiën: de Menschapen (Anthropomorpha) en de Honds-apen +(Cynopithecini). Deze laten bij ’t gaan alleen den buitenrand van den +voet op den bodem rusten, terwijl bij gene de geheele zool op den grond +komt. Steeds missen de Mensch-apen den staart en de wangzakken; de +meesten hebben geen eeltplekken op ’t zitvlak; deze komen daarentegen +algemeen voor bij de Honds-apen, die dikwijls ook wangzakken en een +staart hebben. + +De Mensch-apen (Anthropomorpha) vormen de hoogst ontwikkelde groep van +Apen; door hun lichamelijk maaksel, meer bepaaldelijk door den bouw en +de plaatsing der oogen en ooren, komen zij het meest met den Mensch +overeen. De voorste ledematen zijn langer, de achterste korter dan bij +den Mensch. Zij hebben geen staart. De glad neerhangende beharing +ontbreekt op het gelaat en de teenen. Van de vier bekende geslachten +zijn twee—Gorilla en Chimpanzee—bewoners van Afrika; de Orang-Oetan en +de Gibbon komen in Zuid-Azië voor. + +Meer dan 2000 jaar geleden rustten de Carthagers een vloot uit met het +doel om volkplantingen te stichten op de westkust van Afrika. Duizenden +mannen en vrouwen, die met leeftocht en alle voor kolonisatie noodige +hulpmiddelen voorzien waren, vertrokken op 60 groote schepen uit +Carthago. De bevelhebber van deze vloot was Hanno, die zijne reis in +een welbekend werk (Periplus Hannonis) beschreef. Gedurende de reis +stichtte de bemanning van deze schepen zeven koloniën; door gebrek aan +levensmiddelen werd zij genoopt vroeger terug te keeren dan +aanvankelijk haar plan was. De koene zeevaarders waren trouwens de +Sierra-Leone-kust reeds voorbij, toen dit geschiedde. De genoemde Hanno +nu doet in zijn reisverslag een mededeeling, die ook voor ons onderwerp +belangrijk is. Deze luidt aldus: „Den derden dag, nadat wij van daar +weggezeild waren en de vuurstroomen hadden doorkruist, kwamen wij aan +een zeeboezem, de Zuiderhoorn geheeten. Op den achtergrond was een +eiland met een meer, en hierin weer een eiland, waarop zich wilde +menschen bevonden. De meesten van deze waren vrouwen met een behaard +lichaam; de tolken noemden ze Gorillas. De mannetjes konden wij niet +inhalen, toen wij ze vervolgden; zij konden gemakkelijk ontsnappen, +daar zij door afgronden heen klommen en zich met rotsklompen +verdedigden. Wij maakten ons meester van drie wijfjes, maar konden ze +niet medenemen, omdat zij beten en krabden. Wij moesten ze daarom +dooden, trokken haar echter het vel af, en zonden het naar +Carthago.”—De huiden werden daar, naar Plinius bericht, in den tempel +van Juno bewaard. + +Het lijdt geen twijfel, dat Hanno met de wilde, behaarde menschen +slechts een Mensch-aap kan hebben bedoeld. Ofschoon hij misschien +Chimpanzees voor oogen heeft gehad, is zijn verhaal de aanleiding +geweest, dat de reusachtigste van alle Apen „Gorilla” wordt genoemd. + +De Gorilla—de Ndschina of Mpoengoe van de inboorlingen—(Gorilla gina), +de eenige vertegenwoordiger van het geslacht Gorilla, is nagenoeg even +groot als, daarentegen veel breeder geschouderd dan een stevige man. De +hoogte bedraagt bij het mannetje van de zool tot de kruin gemeten, 165 +à 190 cM, de schouderbreedte 95 cM. De wijfjes zijn kleiner. De lengte +en sterkte van den romp en van de voorste ledematen, de ongeëvenredigd +groote handen en voeten, welker middelste vingers en teenen van onderen +door een vel vereenigd zijn, vormen de meest karakteristieke kenmerken +van dit dier. De groote, stevige kop schijnt, tengevolge van de +kortheid van den hals en de kolossale ontwikkeling der nekspieren, +bijna onmiddellijk met den romp verbonden te zijn. Aan ’t gelaat vallen +het meest in ’t oog: de vooruitstekende wenkbrauwbogen, de diep +liggende oogen, de platte, breede neus en de door dikke lippen omlijste +mondspleet, die geopend zijnde, een vreeselijk gebit laat zien. De +tamelijk lange, ruige beharing vertoont donkere kleuren: grauw, bruin, +ros. Onbehaard zijn het aangezicht tot aan de wenkbrauwen, het oor en +ook de zijdelingsche en onderste gedeelten van hand en voet. + +Nog is het niet mogelijk, het verbreidingsgebied van den Gorilla +nauwkeurig te omschrijven. Naar het schijnt, is hij slechts in een +betrekkelijk klein gedeelte van West-Afrika, en wel van Neder-Guinea, +inheemsch. Tot dusver is hij gevonden in de kustlanden tusschen den +evenaar en 5° Z.B., bij de rivieren Gabon, Ogowe en Danger, Ook bewoont +hij, naar men zegt, de westelijke gedeelten van den Serro do Cristal, +een bergketen, die op 200 Engelsche mijlen afstand van de kust tusschen +Angola en de Kameroen-rivier ligt. Daar hij woudbewoner is, zal hij +waarschijnlijk niet gevonden worden ten zuiden van den Kongo en ook +niet ten oosten van den Serro do Cristal; vermoedelijk zal hij +voorkomen, zoover de regenrijke en daarom met bosschen begroeide zone +zich uitstrekt, dus ook ten noorden van den Ogowe en den Gabon, +minstens tot in het Kameroen-gebied, misschien ook in sommige gewesten +van Opper-Guinea, voor zoover zij op gelijke wijze door de natuur +begunstigd zijn. + +In vele oude en nieuwe berichten over den Gorilla zijn de overdreven +voorstellingen en de sagen van de inboorlingen dooreengemengd met +waarnemingen van den verslaggever zelf; dit geldt o.a. van de +beschrijving, die de Amerikaan Du Chaillu van den Gorilla gaf, en +waarmede hij indertijd veel opgang maakte. Evenals alle reizigers, die +de gewesten bezochten, welke door Du Chaillu bezocht zijn, en met de +hier levende menschen verkeerden, ben ik van oordeel, dat in zijn +verhaal waarheid en verdichting op zonderlinge wijze met elkander +afwisselen. Du Chaillu schrijft, evenals zijne voorgangers, wat hij +heeft hooren vertellen, maar geeft aan zijne berichten, welke met die +van latere onderzoekers in vele opzichten niet overeenstemmen, den +aangenameren vorm van persoonlijke ervaringen. Hier worde alleen een +plaats ingeruimd aan hetgeen Du Chaillu zegt van een in zijn bezit +geraakten jongen Gorilla: + +„Den 4en Mei overmeesterden eenige negers, die op mijn last jaagden, +een jongen Gorilla. Ik kan geen woorden vinden, om de opgewondenheid te +beschrijven, die mij beving, toen zij het kleine monster in het dorp +brachten. De Aap was vermoedelijk 2 of 3 jaren oud en slechts 60 cM. +hoog, maar zoo woedend en koppig, dat dit bij een volwassen dier niet +erger had kunnen zijn. Mijne jagers vingen hem in het land tusschen den +Rembo en het voorgebergte St. Katharina. Volgens hun verhaal gingen zij +met hun vijven dicht bij een plaatsje aan de kust stil door het woud, +toen zij een geknor hoorden, waarin zij onmiddelijk het geluid +herkenden, waarmede de jonge Gorilla zijn moeder roept. Zonder +aarzeling besloten zij er op af te gaan. Met het geweer in de hand +slopen de dappere negers door de donkere wildernis. Zij wisten, dat de +moeder in de nabijheid zou zijn, en rekenden er op, ook het mannetje te +zullen ontmoeten; zij waren echter vast besloten alles op het spel te +zetten om het jong, zoo mogelijk levend, machtig te worden. Het +tafereel, dat zich weldra aan hen voordeed, was ook voor hen nog nieuw. +Het jong zat op den grond, en was bezig bessen te plukken. Eenige +schreden verder, zat een volwassen wijfje, dat zich aan dezelfde +vruchtensoort te goed deed. Oogenblikkelijk maakten mijne jagers zich +gereed om te vuren; dit was hun geluk, want de oude zag hen, juist toen +zij op haar aanlegden. Gelukkig behoefden zij slechts éénmaal te +schieten om haar te dooden. Door den knal der geweren verschrikt, liep +het jong schielijk naar zijn moeder, en omvatte haar lichaam, waartegen +het zijn gelaat aandrukte. Voor de snel naderbij komende jagers werd +het echter bang; het liep naar een dunnen boom, klom er zeer behendig +in, en keek, toen het zich in de kroon had neergezet, onder woedend +gebrul naar zijne beneden staande vervolgers, die, zonder zich te +bekommeren om het gevaar van door het woedende beest gebeten te worden, +den boom omhakten, en met hem den Aap ten val brachten, wien zij +onmiddellijk een doek over den kop wierpen, om hem gemakkelijker te +kunnen binden. Toch kostte dit moeite, daar het jonge dier een +wonderbaarlijke spierkracht bezat, en niets minder dan goedaardig was. +Het gelukte den jagers, het mede te voeren door gebruik te maken van +een werktuig, dat ook dient om slaven in bedwang te houden, en uit een +houten vork bestaat, welker beide takken door een dwarshout aaneen +verbonden worden, nadat de hals van den gevangene er in gedrukt is. +Toen de Gorilla uit de boot was getild, waarin hij gedurende een deel +van den weg vervoerd werd, gaf hij door woedend gebrul en geblaf en +door de woeste blikken, die hij op de ijlings toegesnelde, verschrikte +dorpelingen wierp, duidelijk te kennen, dat hij niet nalaten zou zich +te wreken, zoodra de gelegenheid hiervoor zich voordeed. Ik zag, dat +hij aan den hals gewond was door het slavenjuk, en liet daarom ten +spoedigste een hok voor hem maken. Twee uren later was een stevig +bamboeshuis voor dit doel gebouwd, en konden wij het dier tusschen de +palen door veilig bespieden. Het was een jong mannetje, ontwikkeld +genoeg om zich zelf te redden, en voor zijn leeftijd buitengewoon +krachtig. Het gelaat en de handen waren zwart, de oogen echter niet zoo +diep ingezonken als bij de oude dieren; de borst en de buik waren +weinig, de armen sterker behaard. Het haar van de wenkbrauwen en van de +armen, dat een roodachtig bruine kleur had, was pas begonnen te +groeien; de bovenlip was met korte haren bedekt; de onderlip droeg een +korten baard; de rug was bezet met grijsachtig haar, dat in de buurt +van de armen donkerder werd en dicht bij den aars volkomen wit scheen. + +„Nooit zag ik een beest zoo woedend als deze Aap. Hij schoot toe op +ieder, die hem naderde, beet in de bamboes-stokken, keek boosaardig om +zich heen, en toonde bij elke gelegenheid, dat hij een door en door +grimmig en kwaadaardig gemoed had.” + +In lateren tijd heeft men den Gorilla anders en veel beter leeren +kennen. Tweemaal is het aan Duitsche onderzoekers, leden van de onder +Güszfeldt’s leiding ondernomen Loango-expeditie, gelukt, jonge +Gorilla’s in ’t leven te houden en naar Europa te vervoeren, waar zij +lang genoeg geleefd hebben om opheldering te geven van ’t geen in de +levenswijze dezer dieren onbekend of onzeker was gebleven (pp. 10 en +11). Veel hebben wij verder in dit opzicht te danken aan Hugo von +Koppenfels, een hartstochtelijk jachtliefhebber, die in het +laatstverloopen tiental jaren meermalen jachtreizen heeft gedaan in het +stroomgebied van den Gabon en dat van den Ogowe, waar de Gorillas vrij +veelvuldig voorkomen. + +Koppenfels is tot nu toe de eenige Europeaan, van wien men met +zekerheid weet, dat hij Gorillas in de wildernis waargenomen en +eigenhandig gedood heeft. Hij bevestigt vele feiten, die andere +schrijvers van hooren zeggen kennen, en vult ze uit eigen waarnemingen +aan: + +„Hoewel de bewoners van de boschrijke streken van Guinea veel van de +jacht houden, ben ik toch vast overtuigd, dat zij, die wel eens een +Gorilla in de wildernis te zien gekregen hebben, ternauwernood een +derde gedeelte van de geheele bevolking uitmaken. De Gorilla leeft in +engen familiekring, met uitzondering van de hypochondrische oude +mannetjes. Wegens de groote hoeveelheid voedsel, die dit dier noodig +heeft, zwerft het nomadisch rond, en brengt den nacht door daar, waar +de duisternis het verrast. Elken avond bouwt het een nieuw nest, 5 à 6 +M. boven den grond, in rechtstammige boomen van niet veel meer dan 3 +dM. dikte. Hiertoe worden de takken op de genoemde hoogte zoover naar +elkander gebogen, als noodig is, en met afgescheurde groene twijgen +bedekt. In dit nest brengen de jongen den nacht door; zoolang zij +verwarming noodig hebben, slaapt de moeder bij hen. De vader echter +leunt, ineengehurkt, met den rug tegen den voet van den stam, die tot +rustplaats dient aan zijn familie, en beschut haar tegen een +nachtelijken overval. Daar de Luipaarden veel van apenvleesch houden, +is deze voorzorg niet overbodig. In het droge jaargetijde, als het +water en het voedsel in het dichtst van het woud schaarsch beginnen te +worden, zoekt de Gorilla de door menschen bewoonde oorden op, en richt +daar volgens apengewoonte, groote verwoestingen aan. + +„Zoolang hij niet lastig wordt gevallen, grijpt hij den mensch niet +aan; maar vermijdt liever een ontmoeting met hem. Als deze toch plaats +vindt, richt hij zich op, laat een onnavolgbaar, diep uit de borst +komend, kort afgebroken, rollend of knorrend gebrul hooren, en slaat +zich tandeknarsend met de reuzenvuisten op de buitengewoon breede +borst. De onbeschrijfelijk boosaardige uitdrukking van zijn gelaat +wordt nog verhoogd, doordat de haren van kop en nek zich trillend +oprichten. Een woedende oude Gorilla levert een vreeswekkend schouwspel +op. Toch geloof ik niet, dat hij een mensch zal aanvallen, als deze hem +niet vertoornt, of althans zich ter rechter tijd stilletjes uit de +voeten maakt, voordat de woede van het dier haar toppunt heeft bereikt. +Indien men echter het ongeluk heeft gehad, hem slechts licht te wonden, +zal hij (ik ben er vast van overtuigd, zonder het zelf ondervonden te +hebben) den jager te lijf gaan, en wee hem, die op dat oogenblik geen +tweede schot tot zijn beschikking heeft! Het is onmogelijk zulk een +vijand te ontvluchten, terwijl het een dwaasheid zou zijn zich tegen +hem met andere wapens dan met schietgeweer te willen verdedigen.” + +Zijn eerste Gorilla doodde H. von Koppenfels op Kerstmis van 1874. Hij +had zich verscholen in de nabijheid van een iba of wilden mango—een +boom, van welks vruchten de Gorilla’s veel houden—, waaronder hij +eenige frisch aangebetene vruchten had gevonden. „Ik had daar misschien +al een uur tevergeefs gewacht, de schaduwen van den invallenden nacht +werden merkbaar, de muskieten begonnen mij op gevoelige wijze te +kwellen; ik wilde reeds mijn standplaats verlaten, toen ik in de buurt +van den iba een zwak gedruisch vernam, alsof iets afgebroken werd. +Loerend langs den stam, waarachter ik mij verborgen had, bespeurde ik +een Gorilla-familie, die zorgeloos bezig was vruchten te plukken. Zij +bestond uit de beide ouders en twee jongen van verschillenden leeftijd; +ze met menschenkinderen vergelijkend, schatte ik het oudste op 6, het +jongste op 1 jaar. Het was roerend te zien, hoe liefderijk en +zorgvuldig het wijfje voor het jongste kind was. De vader echter +bekommerde zich om niets dan om het stillen van zijn eigen honger. +Waarschijnlijk omdat de beste op den grond liggende vruchten door hem +opgegeten waren, klom het Gorilla-wijfje met buitengewone behendigheid +in den boom en schudde er de rijpe vruchten af. + +„De mannelijke Gorilla begaf zich nu kauwend naar het naburige water om +te drinken. Hem had ik geen oogenblik uit het oog verloren. De +herinnering aan de verhalen van Du Chaillu en aan de zeer overdreven +berichten der inboorlingen maakte, dat ik mij bij de verschijning van +het dier niet zeer op mijn gemak gevoelde. Dit hield echter op, toen de +Gorilla, dicht bij den waterrand gekomen, plotseling onrust te kennen +gaf, en in gebukte houding naar den boom keek, die mij voor hem +verborg. Te laat echter bespeurde hij den nabijzijnden vijand; want, +gereed om te vuren, volgde ik reeds met mijn buks elke beweging van het +mij aanstarende dier. Eenige weinige oogenblikken waren voldoende om +het goed in het vizier te krijgen. Het schot ging af. Nog voordat de +kruitdamp opgetrokken was, had ik een nieuwe patroon in den loop +geschoven, en wachtte zoo een eventueelen aanval af. Mijn zwarte +jachtgezel stond sidderend achter mij met een tweede geweer in de hand. +Het kwam echter niet tot verderen strijd. De Gorilla was doodelijk +getroffen met het gelaat op den bodem neergestort. De jongen vluchtten, +terwijl zij een enkele maal een kort geschreeuw lieten hooren, het +bosch in; de moeder sprong van een aanzienlijke hoogte van den boom op +den grond, en liep hen na. In mijn opgewondenheid vergat ik haar te +schieten. Zoo had dus het jachtgeluk mij op het oogenblik, waarop bij +ons ’t huis de kerstboomlichtjes aangestoken worden, een prachtig +kerstgeschenk bezorgd.” + +Niet lang daarna schoot Koppenfels den grootsten Gorilla, dien hij ooit +in handen kreeg, en dien hij toevallig ontmoette. Hij was, door zijne +dragers gevolgd, in ’t woud gegaan, langs een smal wildpad. +„Plotseling,” verhaalt hij, „hoorde ik een luiden schreeuw van den +Galla-drager, die onmiddellijk achter mij aan kwam, waarop hij en de +andere flauwe kerels hun last van zich wierpen en wegliepen, mij +toeroepend: „Pas op, heer, een groote Gorilla!” Door deze waarschuwing +opgeschrikt, zag ik eerst, toen naast mij een dof gebrom weerklonk, +nauwelijks vijftien pas van mij af een donkere gedaante, die, zich +oprichtend, reusachtige afmetingen verkreeg. Het was de grootste +Gorilla, dien ik ooit heb gezien, en de eerste, die stand hield. Als +hij partij getrokken had van mijn ontsteltenis, zou ik verloren geweest +zijn. Ik had geen lust om te onderzoeken, hoe lang dit elkander +aankijken wel zou kunnen duren. Toen ik mijn dubbelloops buks ophief, +begon het rommelende gebral meer op blaffen te gelijken; het trommelen +op de borst werd sneller, de ruige haren op den kop richtten zich +trillend op, en het had er allen schijn van, dat mijn vreeselijke +vis-à-vis mij aanvallen zou. Toch ben ik overtuigd, dat de Gorilla, als +ik te rechter tijd voorzichtig weggegaan was, mij ongemoeid gelaten zou +hebben. Dit was echter volstrekt mijn bedoeling niet. Toen ik mijn +ontroering meester was geworden, mikte ik bedaard en zeker op het hart +van het dier. Nadat het schot gevallen was, deed de Gorilla een +luchtsprong, en viel, de armen zijwaarts strekkend en zich draaiend, +met het gelaat op den grond. Gedurende het vallen had hij een 5 cM +dikke liane gegrepen: zoo kolossaal was zijn lichaamskracht, dat hij +met deze slingerplant dorre en groene takken van den boom, waaraan zij +zich steunde, naar beneden trok. Zijn gewicht schatte ik op 200 KG.; +zijn lichaamslengte bedroeg 1.9 M.” + +De onopgesmukte, op eigen aanschouwing gegronde beschrijvingen van Hugo +Koppenfels geven ons een juistere voorstelling van dezen zonderlingen +boschbewoner dan wij tot dusver hadden; hij verliest hierdoor een groot +deel van de hem toegedichte verschrikkelijkheid. „Hij is”, zooals R. +Burton terecht zegt, „een arme drommel van een Aap, en geen helsch +wangedrocht, half mensch, half beest.” + +Dikwijls heeft men tevergeefs beproefd jonge Gorillas naar Europeesche +dierentuinen over te brengen en in ’t leven te houden. In 1860 gelukte +dit voor de eerste maal met een exemplaar, dat in Engeland zeven +maanden lang in ’t leven bleef. Door een gelukkig toeval kreeg +Falkenstein, de arts en zoöloog van de Duitsche Loango-expeditie, in +1875 den jongen Gorilla in zijn bezit, die later (in 1876) in het +Berlijnsch aquarium is opgenomen. De directeur van deze inrichting, Dr. +Hermes, heeft in 1877 aan de te Hamburg vergaderde Duitsche +natuuronderzoekers en artsen van de levenswijze en ontwikkeling van +zijn Gorilla een uitvoerig verslag gegeven, dat o.a. het volgende +bevat: „Reeds jaren lang heeft het Berlijnsch aquarium groote waarde +gehecht aan het bezit van Anthropomorphe Apen. Het is allengs verrijkt +geworden met alle vier vertegenwoordigers dezer diergroep, den Gibbon, +den Orang Oetan, den Chimpanzee en den Gorilla. Hierdoor was ik +uitmuntend in de gelegenheid om de levenswijze dezer dieren in de +gevangenschap nauwkeurig waar te nemen en ze te dezen aanzien met +elkander te vergelijken. + +„De merkwaardigste van alle Anthropomorphen is de Gorilla. Het is alsof +dit dier brieven van adeldom met zich op de wereld heeft gebracht. Ons +exemplaar is ongeveer twee jaar oud, en heeft een hoogte van bijna 70 +cM. bereikt. Zijn lichaam is bedekt met zijdeachtig zachte, +gedeeltelijk grauwe, op den kop roodachtige haren. Zijn stevige, +gedrongene gestalte, zijne gespierde armen, zijn glad, glanzig zwart +gelaat met de goed gevormde ooren, de groote, verstandige, schelmsche +oogen geven hem een frappant menschachtig voorkomen. Hij zou op een +negerjongen gelijken, als de neus een anderen vorm had. Deze indruk +neemt toe door de onbeholpenheid van zijn geheele wezen; ieder van +zijne bewegingen herinnert meer aan die van een loggen knaap, dan aan +die van een Aap. Als hij, op den grond zittend als een pagode, zijn +blik over het hem aangapend publiek laat zwerven, en dan met knikkend +hoofd plotseling in de handen klapt, heeft hij zich in eens aller +toegenegenheid veroverd. Hij bevindt zich graag te midden van een groot +gezelschap, onderscheidt jonge van oude, mannelijke van vrouwelijke +personen. Hij is zeer lief voor kinderen van 2 à 3 jaar; hij kust ze +graag, en verdraagt alles van hen, zonder ooit van zijne grootere +kracht gebruik te maken. Oudere kinderen behandelt hij reeds minder +goed; ook met hen wil hij graag spelen; hij houdt wedloopen met hen om +de tafel en de stoelen, die hij dikwijls omsmijt, en geeft intusschen +op een schelmsche wijze, nu eens den eenen, dan weer den anderen +medespeler een tik met de vlakke hand; hij schroomt echter volstrekt +niet, te midden van ’t spel een van de jongens bij ’t been te pakken en +daarop zijne tanden te probeeren. Als hij door een dame op den arm +wordt genomen, is hij zeer dankbaar; haar omhelzend en tegen haar +schouder leunend, blijft hij graag langen tijd op haar schoot zitten. +In de algemeene apenkooi speelt hij graag; hier is hij de onbeperkte +heerscher; zelfs de Chimpanzee erkent zijn meerderheid zonder weerstand +te bieden. Hij behandelt dezen echter eenigermate als een gelijke in +rang, door bijna uitsluitend hem als speelnoot te kiezen, terwijl hij +met het gemeene apenplebs geen complimenten maakt. Hij is gewoon zijn +vriend te liefkozen, maar dit soms nog al onhandig. Eens pakte hij den +Chimpanzee aan en beiden rolden, elkander steeds vasthoudend, over den +grond. Een andere maal, toen de Chimpanzee hem ontweek, terwijl hij hem +wilde grijpen, viel hij als een onbeholpen knaap met vooruitgestoken +handen op den grond. Zijn gang heeft veel overeenkomst met dien van den +Chimpanzee; even als deze steunt hij op de buitenste oppervlakte van de +hand en op de zool van den voet, maar zet de voeten meer buitenwaarts. +Hij steekt den kop omhoog met een voornaam air, alsof hij zich bewust +is, tot een hoogeren stand te behooren. Zijn goede luim, die hem zelden +verlaat, openbaart hij onder andere door den top van zijn roode tong te +laten zien, die, scherp afstekend bij zijn glanzig zwart gelaat, den +negerjongen-achtigen indruk, dien hij maakt, nog verhoogt. + +„Menschachtig als zijn geheele wezen, is ook de wijze waarop hij leeft. +Des morgens omstreeks 8 uur wordt hij wakker, gaat in zijn bed rechtop +zitten, gaapt, bekrabt enkele deelen van zijn lichaam, en blijft +slaapdronken en onverschillig, totdat hij zijne morgenmelk gekregen +heeft, die hij gewoon is uit een glas te drinken. Geheel opgevroolijkt +verlaat hij nu zijn bed, kijkt de kamer eens rond om te zien of er iets +te vernielen valt, gluurt door het venster, begint in de handen te +klappen, en, bij gebrek aan aangenamer gezelschap, met zijn oppasser te +spelen. Altijd moet deze bij hem zijn. Geen oogenblik wil hij alleen +gelaten worden. Met een schellen toon schreeuwt hij, als hij bemerkt, +dat zijn oppasser weggegaan is. Om 9 uur wordt hij gewasschen; door een +knorrend geluid geeft hij te kennen, dat dit hem goed bevalt. Daar hij +met zijn oppasser samenleeft, houdt hij zijne maaltijden als deze. Tot +ontbijt krijgt hij een paar Weener, Frankforter of Jauersche worsten of +een boterham belegd met Hamburger rookvleesch, Berlijnsche kaas of iets +anders. Daarbij drinkt hij bij voorkeur een glas wit bier; opmerkelijk +is het na te gaan, hoe hij het glas dat voor zijn korte, dikke vingers +te groot is, aanvat; het zou hem uit de handen vallen, als hij niet, +behalve deze, den voet gebruikte om het vast te houden. Om 1 uur brengt +de vrouw van den oppasser hem zijn middagmaal. Dit uur zag hij steeds +vol verlangen te gemoet, toen hij gedurende den heeten zomer in mijn +woning gehuisvest was. Als er gescheld werd, wenschte hij steeds de +gangdeur zelf te openen. Als de vrouw binnenkomt, onderzoekt hij de +spijzen, en snoept gaarne van die, waarvan hij het meest houdt. De +gewone straf voor zijn snoepzucht is een draai om de ooren. Als hij +dezen gekregen heeft, wacht hij, zonder zijne blikken van de spijzen af +te wenden, zoet het begin van den maaltijd af. Eerst krijgt hij een kop +bouillon. In een oogwenk is deze tot op den laatsten druppel geledigd. +Dan komt er rijst, of groente, bij voorkeur aardappels, wortels of +koolrapen met vleesch gekookt. De vrouw ziet er op toe, dat hij zich +ordentelijk gedraagt, en werkelijk maakt hij reeds handig gebruik van +een lepel. Zoodra hij meent, dat men niet naar hem kijkt, steekt hij +zijn mond in den schotel. Na de genoemde gerechten heeft hij het liefst +een stuk van een gebraden hoen. Als het eten gedaan is, wil hij rusten. +Na een middagslaapje van een uur, soms anderhalf, is zijn lust om te +spelen opnieuw ontwaakt. Des namiddags krijgt hij vruchten, ’s avonds +melk of thee en een boterham. Om 9 uur gaat hij slapen. Hij ligt +gewikkeld in een wollen deken op een matras. De oppasser blijft bij hem +zitten, tot hij ingeslapen is, wat bij zijn groote behoefte aan slaap +niet al te lang duurt. Liever slaapt hij in één bed met den oppasser, +dien hij dan omvat houdt, en op wiens lichaam hij zijn kop laat rusten. +Hij slaapt vast, den geheelen nacht door; gewoonlijk wordt hij vóór 8 +uur ’s morgens niet wakker.—Hij bewoont een opzettelijk voor hem +gebouwd glazen paleis, dat met een kleine palmenbroeikas in gemeenschap +staat. Hierdoor wordt hem het gemis van de vochtige atmospheer van zijn +tropisch vaderland zoo veel mogelijk vergoed.—Het krachtige gestel van +onzen Gorilla geeft mij grond voor de hoop, dat hij bij deze +behandeling nog lang het schoonste sieraad van ons aquarium zal +blijven.” Deze wensch is ongelukkig niet verwezenlijkt: het +hierbedoelde dier stierf den 13en November 1877 aan een vliegende +tering, nadat het 9 maanden in Afrika en 15 maanden te Berlijn in +gevangenschap had geleefd, en een langdurige kunstreis naar Engeland +met goed gevolg had doorgestaan.—Een tweede Gorilla werd in den aanvang +van het jaar 1883 door tusschenkomst van Pechuel-Loesche (die met +Falkenstein in het Kongo-gebied een onderzoekingsreis had gedaan, en +toen terugkeerde) levend naar Europa gebracht, en eveneens in het +Berlijnsch aquarium opgenomen. Hij is er onder de hoede van den +directeur Hermes 14 maanden in ’t leven gebleven: den 16en Maart +overleed hij aan een soortgelijke ziekte als de eerste +Mpoengoe.—Opmerkelijk is het, dat geen van beide dieren gedurende de +zeereis naar Europa last gehad heeft van zeeziekte.—Alle andere +pogingen om Gorillas levend naar Europa over te voeren, en hier in ’t +leven te houden, zijn tot dusver mislukt. + + + +Wij gaan nu over tot het tweede geslacht van de Anthropoïden, tot den +reeds meermalen genoemden Chimpanzee (Simia troglodytes). Deze aap is +schraler en aanmerkelijk kleiner dan de Gorilla: oude mannetjes zijn +hoogstens 1.7 M., en wijfjes 1.3 M. lang. Het deel van den schedel, dat +de hersenen bevat, is langwerpiger, van boven en van achteren meer +afgerond, minder kantig dan bij den Gorilla, wiens schedel een +overlangschen, aan ’t achterhoofd ver achteruitstekenden, hoogen, +beenigen richel of kam draagt. Deze is bij den Chimpanzee veel minder +ontwikkeld, waaruit men kan afleiden, dat de slaapspieren, die voor ’t +sluiten van den bek dienen, bij hem minder krachtig zijn. Wegens de +minder sterk naar voren uitpuilende wenkbrauwbogen en den helderen blik +der oogen maakt het gelaat van den Chimpanzee een veel zachteren indruk +dan dat van den Gorilla. De neus is plat, de bovenlip lang, bol en +gerimpeld; de onderlip steekt ver vooruit. Beide lippen zijn +buitengewoon bewegelijk en kunnen samen een soort van snuit vormen. Het +oor is grooter en minder menschachtig van vorm dan dat van vele +Gorillas. De armen bezitten groote spierkracht, zijn lang, en reiken, +als het dier rechtop staat, tot even voorbij de knieën. Aan de handen +is de duim dun en kort, de vingers zijn lang, de middelvinger is de +langste. Aan de voeten is de groote teen door een diepe bocht van de +overige, teenen gescheiden. De zool is plat. + +Het haar van den Chimpanzee is sluik, aan ’t voorste deel van den kop +meestal gescheiden; lange haren bedekten het achterhoofd, de wangen, de +schouders, den rug, de armen en de beenen; de overige lichaamsdeelen +zijn korter behaard. Meestal is het haar donker zwart van kleur; dof +roodachtig bruin getinte exemplaren zijn echter niet zeldzaam. Het +onderste gedeelte van het gelaat en de kin zijn met korte, witachtige +haren begroeid. De huid zelf heeft een eigenaardige lichte kleur; +vooral bij jonge dieren kan men haar vleeschkleurig noemen, later wordt +zij vuiler, meer bruinachtig. + +De Chimpanzee, nog meer dan de Gorilla voor het leven in de boomen +ingericht, is zeer ervaren in het klimmen. Al spelend zwaait hij zich +over groote afstanden heen van den eenen boom op den anderen; zijne +sprongen zijn verbazingwekkend. Wanneer men hem verrast, terwijl hij op +de achterste ledematen gaat of staat, laat hij zich dadelijk op alle +vier neervallen om te vluchten. Van de voorste ledematen komt in den +regel alleen de vereelte rugzijde van de vingers, die naar de handpalm +gekromd zijn, met den grond in aanraking; soms hebben ook de teenen van +den voet, die overigens op de geheele zool rust, dezen stand, die den +echten boombewoner karakteriseert. + +De groote individueele verschillen, die bij deze Apen voorkomen, hebben +aanleiding gegeven tot het onderscheiden van eenige soorten. Een er van +werd „Tschego” genoemd, naar een naam (Ndjeko of Ndsjiëgo), die dit +dier in ’t Gabon-gebied draagt. Volgens de onderzoekingen van den +Berlijnschen hoogleeraar Robert Hartmann mag men echter aannemen, dat +de Chimpanzees alle tot één diersoort behooren. + +De meening, dat de ouden den Chimpanzee gekend hebben, is gegrond op +het beroemde mozaïek-werk, dat eertijds den bodem van den +Fortuna-tempel te Praeneste (het tegenwoordige Palestrina) versierde, +en thans deel uitmaakt van het museum-Barberini te Rome. Nevens vele +andere dieren, die in ’t stroomgebied van den Nijl leven, was er ook +een staartlooze Aap op afgebeeld, die voor onzen Anthropoïde wordt +gehouden. + +De uit Angola afkomstige, en vandaar over Engeland naar Nederland +vervoerde, jonge Chimpanzee, die omstreek het jaar 1640 aan Prins +Frederik Hendrik werd vertoond, was misschien het eerste dier van deze +soort, dat levend Europa bereikte. De Amsterdamsche burgemeester en +anatoom Nicolaas Tulp heeft het ontleed en beschreven. Later zijn +herhaaldelijk levende Chimpanzees naar Europa gebracht; sedert eenigen +tijd komt deze Aap zelfs vrij geregeld op de wildedierenmarkten +voor.—Over het levende dier komt het volgende bericht voor in de +„Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten” (1668) van den Hollandschen +arts O. Dapper. „Daer is ook een zeker dier by d’ inwoonders +Quojas-Morrou of Worrou en bij de Portugeezen Salvage geheeten, dat +Satyr of Bosch-Mensch gezeit is. Het heeft een groot hooft, is zwaer +van lyf, vlezig van armen, sterk in ’t worstelen, geheel en al zonder +steert, gaet zomwyl recht op zyn lyf, en zomtyts gelyk d’ apen met de +handen op d’ aerde. Het is volgens verhael der zwarten, afkomstigh van +menschen, maer zou door de verandering van ’t bosch en de woestheit +half beest geworden zyn. Deze dieren erneeren zich in de bosschen met +fruiten en wilden honigh, dien zij uit de boomen halen, en smyten +geduurigh tegen elkandre. De zwarten verhalen wonderlyke dingen van dit +dier, en bevestigen, dat het niet alleen weerlooze vrouwen en +onhuuwbare dochters aanvalt en verkraght, maer ook gewapende mannen +derft aentasten.” Op de bijgevoegde kaart zijn Apen afgebeeld in het +koninkrijk Beenin. + +Het verbreidingsgebied van den Chimpanzee is veel uitgestrekter dan dat +van den Gorilla. Sints lang is het bekend, dat het de kuststreken en +achterlanden van Opper- en Neder-Guinea omvat. (Cachao in Senegambië, +op 12° N.B., is waarschijnlijk het noordelijkste punt ervan.) Hij +bewoont er de bosschen langs de kustrivieren en in de gebergten. H. von +Koppenfels heeft in de Gabon- en Ogowe-landen jacht op hem gemaakt. De +leden van de Duitsche Loango-expeditie hebben hem in verder zuidwaarts +gelegen gewesten tot in de nabijheid van den Kongo waargenomen, in +sommige zelfs zeer overvloedig. Volgens R. Hartmann komt hij nog verder +zuidwaarts voor, tot aan de oevers van den Coanza (op 10° Z.B.). Ook is +het gebleken, dat een groot deel van het binnenland van Afrika den +Cimpanzee als woonplaats dient. Hij werd tot in de nabijheid van de +Groote Meren gevonden, ongeveer even ver als de oliepalm en de Grauwe +Papegaai verbreid zijn. Men vermoedt zelfs zijn aanwezigheid in +Oost-Afrika ten zuiden van Abessinië; volgens Nachtigall is hij ook in +Zuidoost-Afrika, n.l. in ’t achterland van Sofala, inheemsch. + +Over hun aanwezigheid in ’t stroomgebied van den Boven-Nijl zegt +Heuglin: „Op de dichtbebladerde hooge boomen van het land der Niam-Niam +huist bij paren en familiën de Mbam (juister Baâm), een Aap van de +grootte van een man, die niet schroomt den hem vervolgenden jager aan +te vallen. Zijn nest is in de kroon van een boom gebouwd, en door een +dak tegen den regen beschut. Hij heeft een olijfkleurig zwartachtig, +niet dicht behaard vel, een onbehaard, vleeschkleurig gelaat en een +witachtig behaard zitvlak.” + +De Engelsche zendeling Savage zegt van den in Neder-Guinea levenden +Chimpanzee: „Hoewel deze dieren gewoonlijk geen groote gezelschappen +vormen, en men er zelden meer dan vijf à tien bijeenziet, kan ik toch +op grond van betrouwbare getuigenissen mededeelen, dat zij zich van +tijd tot tijd in grooten getale verzamelen om te spelen. Een mijner +zegslieden verzekert, dat hij er eens een vijftigtal bijeengevonden +heeft, die zich met jubelen, schreeuwen en het trommelen op oude +boomstammen vermaakten.—Zij mijden zooveel mogelijk de woonplaatsen der +menschen. Hunne woningen, eer nesten dan hutten, zijn op boomen +gebouwd, in den regel niet hoog boven den grond. Zij buigen of knikken +groote en kleine takken, zoodat deze naar beneden hangen, leggen ze +kruiselings over elkander en plaatsen er tot steun een al of niet +gevorkten tak onder. Soms vindt men een nest dicht bij het einde van +een dikken, dicht bebladerden tak op 8 à 10 M. hoogte boven den grond; +eenmaal heb ik er een gezien, dat minstens 13 M. hoog was. De +Chimpanzees worden niet zelden door gebrek aan voedsel of dergelijke +redenen tot verandering van woonplaats gedwongen. Meestal zagen wij ze +op hoog gelegen gronden, waarschijnlijk omdat de lage landen, waar de +inboorlingen ten behoeve van den landbouw dikwijls boomen omhakken, +geen voldoende keuze aanbieden van plaatsen, die voor den nestbouw +geschikt zijn. De nesten zijn gewoonlijk op eenigen afstand van +elkander gelegen; zelden ziet men er twee of meer op denzelfden boom. +Toch heeft men er eens vijf bijeen gevonden.” Van nesten, die uit +kunstig saamgevlochten takken bestaan, zooals Du Chaillu ze beschrijft, +wordt door geen anderen reiziger melding gemaakt. + +Waarschijnlijk is het voedsel van den Chimpanzee van soortgelijken +aard, als dat van den Gorilla. Vruchten, blad- en bloemknoppen, +misschien ook wortels, zullen wel de voornaamste bestanddeelen van zijn +maal uitmaken. + +Van alle Anthropomorphe Apen komt de Chimpanzee tegenwoordig het +veelvuldigst in de Europeesche diergaarden voor; ongelukkig kan men hem +hier slechts bij uitzondering twee of drie jaar in ’t leven houden; +terwijl hij, naar men verhaalt, in West-Afrika soms wel twintig jaar in +gevangen staat geleefd heeft, en er groot en sterk geworden is. Tot +dusver heeft men steeds opgemerkt, dat de gevangenen zachtaardig, +verstandig en lieftallig waren. De Grandpré zag op een schip een wijfje +van deze soort, dat buitengewoon leerzaam was, en allerlei +werkzaamheden verrichtte. Buffon bezat in 1740 een Chimpanzee van +ongeveer twee jaar oud. Deze had een droefgeestige en ernstige +gelaatsuitdrukking; zijne bewegingen waren afgemeten en doordacht. Hij +toonde geen enkele van de leelijke eigenschappen der Bavianen, maar was +ook niet speelsch gelijk de Meerkatten. Hij gehoorzaamde dadelijk, als +hem door woorden of gebaren iets bevolen werd, bood den bezoekers een +arm aan, wandelde met hen rond, ging als een mensch aan tafel zitten, +vouwde zijn servet open, wischte zich er de lippen mede af, at met +lepel en vork, schonk zichzelf in, klonk met de dischgenooten, haalde +een kopje en schoteltje, deed suiker in het kopje, goot er thee op, en +liet dezen drank bekoelen, voordat hij er gebruik van maakte. Hij deed +niemand kwaad, maar ging op bescheiden wijze met allen om, en was zeer +blijde, als men hem liefkoosde. + +Van het groot aantal berichten uit den lateren en allerlaatsten tijd +over de levenswijze van den Chimpanzee moge de volgende mededeeling van +den dierenschilder Friedrich Specht hier nog een plaats vinden: „De +Chimpanzee in Nill’s diergaarde te Stuttgart kon echt lachen als een +mensch. Dit komt mij zeer opmerkelijk voor, daar geen enkel ander dier +in staat is om zijne vreugde door luid gelach te kennen te geven. Als +ik dit aardige ventje onder de armen opnam, omhoog wierp en weder +opving, scheen zijn pret geen einde te nemen, wat hij door luid gelach +toonde. Hetzelfde gebeurde, als men hem onder de armen of aan de +voetzolen kietelde. Eens had ik een stuk wit krijt bij mij, toen ik in +zijn hok ging, en op zijn stoel ging zitten; dadelijk wipte hij op mijn +knie, om hier af te wachten, wat er gebeuren zou. Ik gaf hem nu het +krijt en teekende, terwijl ik zijn hand bestuurde, een Maraboe enz. op +den wand van zijn hok; hij liet mij rustig begaan en keek oplettend +naar ’t geen ik deed. Toen ik zijn hand losliet, sprong hij bliksemsnel +op den grond, ging bij den wand staan, en schaduwde de figuren, tot +groot vermaak van de toeschouwers, zoo snel, dat er weldra niets meer +van te zien was. Hij had mijne handeling dus dadelijk begrepen. + +„In den Zoölogischen tuin te Stuttgart zijn thans twee Chimpanzees, die +zeer goed met elkander overweg kunnen; aan het wijfje, dat er reeds +vroeger was, werd n.l. een mannetje tot gezelschap toegevoegd. De kist, +waarin de pas aangekomen Aap zich bevond, werd gedurende den nacht +geborgen in het warme en ruime hok van het wijfje; den volgenden dag +zouden beiden aan elkander voorgesteld worden. Toen het mannetje uit +zijn met watten gevoerde slaapstede trad, stonden de beide dieren een +kort tijdje stom van verbazing op de achterpooten tegenover elkander, +waarop een hartelijke omarming en een verscheidene malen herhaald gekus +volgden. Nu haalde het wijfje haar deken, breidde deze op den bodem +uit, ging er op zitten, en noodigde door gebaren het mannetje uit, om +zijn gemak te nemen. Een aardig schouwspel leveren zij op, als zij +gedurende den maaltijd tegenover elkander aan tafel zitten. Beide eten +hunne brei met den lepel, en toonen niet den minsten broodnijd. Als de +drinkbekers op tafel gezet worden, heeft het wijfje de gewoonte, den +beker van het mannetje behoedzaam naar zich toe te halen, er uit te +drinken, en hem daarna rustig weer op zijn plaats te zetten:—„mijn man +moet zooveel niet drinken”, denkt zij misschien. Ook deze dieren geven, +als zij spelen, hunne vreugde door gelach te kennen.” + + + +De Orang-Oetan (Boschmensch, Pithecus satyrus), op Borneo Meias of +Majas genoemd, is de merkwaardigste van de Aziatische Mensch-apen. Van +zijne Afrikaansche verwanten onderscheidt hij zich door de veel langere +armen, die tot aan de enkels reiken, en door den vorm van den kop, +welks schedel naar boven kegel- of piramide-vormig uitloopt, terwijl +het aangezicht in een sterk vooruitstekenden snuit eindigt. Hij heeft, +evenals wij, 12 ribbendragende wervels (rugwervels), terwijl de Gorilla +en de Chimpanzee er 13 hebben. De schedel van den jongen Orang-Oetan +gelijkt zeer veel op dien van een kind; naarmate hij ouder wordt, +treden bij hem de dierlijke eigenaardigheden hoe langer hoe meer op den +voorgrond, zoodat zijn schedel dan nog maar weinig op dien van den +jongen Aap gelijkt. + +De groote mannelijke Orang-Oetan, die door Wallace gedood werd, had +rechtopstaand een hoogte van 1.35 M.; wanneer de armen zijwaarts +gestrekt werden, bedroeg de afstand tusschen de vingertoppen 2.4 M.; +het aangezicht was 35 cM. breed, de omvang van het lichaam bedroeg 1.35 +M. De romp heeft een sterk vooruitstekenden buik, en is, over de heupen +gemeten, zeer breed. De hals is kort, en vertoont aan de voorzijde +breede plooien, omdat het dier een grooten keelzak heeft, die met het +strottenhoofd in gemeenschap staat en opgeblazen kan worden. De lange +ledematen hebben lange handen en vingers. De platte nagel ontbreekt +dikwijls aan den duim van de achterhand. De lippen zijn leelijk, daar +zij niet slechts gerimpeld, maar bovendien sterk gezwollen zijn, en bol +uitstaan. De neus is geheel plat gedrukt, en het neusmiddelschot steekt +voorbij de neusvleugels uit; de ooren zijn klein, maar gelijken in vorm +op die van den mensch. De hoektanden komen aan het gebit sterk uit; de +onderkaak is langer dan de bovenkaak. De rug is weinig, de borst zeer +dun behaard; des te langer en overvloediger is de beharing echter aan +de zijden van den romp, van waar zij ver afhangt. Aan de wangen en de +kin verlengen de haren zich dikwijls bij wijze van een baard. Aan de +voorarmen zijn de haren naar boven, overal elders naar onderen gericht. +Het gelaat en de handpalmen (voetzolen) zijn geheel, de borst en de +rugzijde van de vingers bijna geheel onbehaard. Gewoonlijk is de +beharing donker-roestrood, zeldzamer bruinachtig rood; de haren van rug +en borst zijn donkerder, die van den baard echter lichter van kleur. De +onbehaarde lichaamsdeelen zijn blauwachtig grijs, leikleurig of +zwartachtig. De oude mannetjes verschillen van de wijfjes door meerdere +grootte, dichtere beharing, langer haar en sterker ontwikkelden baard. +Bovendien hebben zij eigenaardige opzwellingen of huidplooien aan de +wangen, die zich halvemaanswijs van de oogen naar de ooren en naar de +bovenkaak uitstrekken, en het aangezicht in ’t oogloopend leelijk +maken. De jongere dieren zijn baardeloos, voor ’t overige echter +sterker behaard en donkerder van kleur. + +De Orang-Oetan is sedert overouden tijd bekend. Reeds bij Plinius kan +men lezen, dat er op de Indische bergen „saters” zijn, „zeer +boosaardige dieren met een menschengezicht, die soms rechtop, soms op +alle vier gaan, en die, wegens hun vlugheid, alleen als zij oud of ziek +zijn, gevangen kunnen worden.” Eeuwen achtereen werd de mededeeling van +Plinius oververteld en telkens weer met bijvoegsels voorzien, die er +allengs de beteekenis, van veranderden. In dit geval, en in vele +andere, werd de kern van waarheid, die het oorspronkelijke bericht +bevat, door tal van overdrijvingen nagenoeg onkenbaar. De naschrijvers +verloren uit het oog, dat er van dieren sprake was; zij maakten er +wilde menschen van. Hun invloed is nog duidelijk merkbaar in de, +gedeeltelijk op eigen ervaringen berustende, mededeelingen van Bontius, +die omstreeks het midden der 17e eeuw op Java als arts werkzaam was. + +Hij zegt, dat hij eenige malen „boschmenschen” gezien heeft, zoowel +mannetjes, als wijfjes; dat zij dikwijls rechtop loopen, en geheel +dezelfde bewegingen maken als andere menschen. Van een der wijfjes +verhaalt hij, dat zij zich schaamde, toen onbekende menschen haar +aankeken; dat zij haar gelaat met de handen bedekte, zuchtte, weende, +kortom allerlei menschelijke handelingen zoo verrichtte, dat haar +alleen de spraak ontbrak, om geheel een mensch te zijn. De Javanen +zeggen trouwens, dat de Apen wel degelijk spreken kunnen, maar zich +houden, alsof zij stom zijn, omdat zij vreezen, dat men hen zal laten +werken. Het spreekt wel van zelf, dat de Orang-Oetans in al deze +verhalen rechtop gaan, hoewel er bijgevoegd wordt, „dat zij ook op vier +pooten kunnen loopen.” Blijkbaar zijn de overdrijvingen, die in deze +beschrijvingen voorkomen, een gevolg van de lichtgeloovigheid der +reizigers, die alles navertellen, wat zij van de inboorlingen hooren. + +Door de voortreffelijke onderzoekingen van Wallace is de levenswijze +van den Orang-Oetan in den natuurstaat thans beter bekend, dan die van +eenigen anderen Anthropoïden Aap. + +„Men weet,” zegt hij, „dat de Orang-Oetan Sumatra en Borneo bewoont, en +heeft goede redenen om te gelooven, dat hij tot deze beide groote +eilanden beperkt is. Evenwel is hij, naar het schijnt, veel zeldzamer +op het eerste, dan op het laatstgenoemde eiland. Op Borneo is hij zeer +verbreid. Hij bewoont hier uitgestrekte landstreken van de Zuidwest-, +Zuidoost-, Noordoost- en Noordwestlanden, maar houdt zich uitsluitend +in laag gelegene en moerassige bosschen op. In Sadong vindt men hem +niet anders dan in vlakke, waterrijke, met hoog-opgaand oerwoud bedekte +gewesten. Uit deze moerassen rijzen vele op zich zelf staande bergen +omhoog. Sommige daarvan, die door Dajaks bewoond en met plantsoenen van +vruchtboomen bedekt zijn, hebben voor de Meias groote +aantrekkelijkheid. Zij bezoeken ze, wegens de vruchten, die zij daar +vinden, maar keeren des nachts naar hunne moerassige wouden terug. In +de gewesten waar de bodem zich meer algemeen verheft en droog is, wordt +de Orang-Oetan niet gevonden. Een groote uitgestrektheid van +aaneengeschakeld en gelijkmatig hoog oerwoud is voor het wel gedijen +van dezen Aap volstrekt noodig. Zulke wouden zijn voor hem als ’t ware +een open land, waarin hij in alle richtingen ronddolen kan, met +hetzelfde gemak als de Indiaan in de prairie en de Arabier in de +woestijn. Hij gaat van boomtop tot boomtop, zonder ooit in de +noodzakelijkheid te verkeeren op den bodem af te dalen. De hooge en +droge gewesten, waar meer boomlooze en met laag houtgewas van jongeren +oorsprong bedekte plekken gevonden worden, zijn wel voor menschen +geschikt, maar niet voor de eigenaardige wijze waarop de Majas zich +voortbeweegt, die hier bovendien aan meer gevaren blootgesteld zou +zijn. + +„Het is een vreemd en belangwekkend gezicht, den Majas gade te slaan, +terwijl hij op zijn gemak door de bosschen voortschrijdt. Hij wandelt +gerust op een dikken, tak in de half opgerichte houding, die hij, +wegens de groote lengte zijner armen en de kortheid zijner beenen, +genoodzaakt is aan te nemen; evenals de reeds genoemde Antropoïden, +loopt hij op de knokkels en niet op de zool, zooals wij. Hij kiest, +naar het schijnt, altijd die boomen uit, welker takken zich uitstrekken +tot aan die van de naastbij staande boomen. Als hij het punt bereikt +heeft, dat voor den overgang het meest geschikt is, strekt hij zijne +lange armen uit, grijpt met beide handen de twijgen die hij voor zich +ziet, beproeft, naar het schijnt, hunne stevigheid, en gaat nu met een +behoedzamen zwaai op een tak van den anderen boom over, waarlangs hij +als op den vorigen voortschrijdt. Nooit doet hij hierbij een sprong; +het schijnt, dat hij zich nooit haast, en toch weet hij zich bijna even +snel voort te bewegen, als een mensch op den grond beneden hem loopen +kan.”—Op een andere plaats van Wallace’s werk vindt men de verzekering, +dat een Orang-Oetan in den tijd van een uur gemakkelijk 8 à 10 KM. kan +afleggen.—„De lange, krachtige armen zijn voor het dier van ’t grootste +nut, daar zij het in staat stellen, de hoogste boomen met gemak te +beklimmen, vruchten en jonge bladen af te plukken van jonge twijgen, +die zijn gewicht niet zouden kunnen dragen, en takken en gebladerte te +verzamelen voor de vervaardiging van zijn nest.” Een door Wallace +gewonde Orang-Oetan toonde aan zijn vervolger, op welke wijze het nest +gebouwd wordt. „Toen ik geschoten had,” verhaalt Wallace, „klom de +Majas hooger den boom op, en had weldra den hoogsten top bereikt. Hier +begon hij dadelijk rondom zich de takken af te breken en ze in allerlei +richtingen over elkander te leggen, ten einde zich een nest te bouwen. +De plaats was hiervoor uitnemend geschikt. Merkwaardig snel strekte hij +zijn eenigen, nog niet gewonden arm in alle richtingen uit, brak met +het grootste gemak dikke takken af, en legde ze achter zich kruiselings +over elkander, zoodat hij in weinige minuten een dichte massa van +bladen en takken had bijeengebracht, die hem geheel aan mijne blikken +onttrok. Een dergelijk nest gebruikt de Majas bijna iederen nacht om er +in te slapen; dit wordt echter meestal lager op een kleinen boom +gebouwd, in den regel niet hooger dan 8 à 15 M. boven den grond, +waarschijnlijk omdat hij hier minder aan de werking van den wind is +blootgesteld, dan boven in een hoogen boom. Men zegt, dat elke Majas +iederen nacht een nieuw nest voor zich vervaardigt; dit komt mij echter +zeer onwaarschijnlijk voor, daar dan de overblijfselen van die nesten +veelvuldiger te vinden zouden zijn, dan werkelijk het geval is. De +Dajaks beweren, dat de Aap zich, als het zeer nat weer is, met +pandanus-bladen of zeer groote varens bedekt. Misschien heeft dit +verhaal aanleiding gegeven tot het sprookje, dat hij in de boomen een +hut bouwt. + +„De Orang-Oetan verlaat zijn leger eerst, als de zon vrij hoog aan den +hemel staat en den dauw op de bladen geheel heeft opgedroogd. Hij +besteedt het geheele middeldeel van den dag aan zijn maaltijd, maar +bezoekt zelden twee dagen achtereen denzelfden boom. Voor zoover mijn +ervaring reikt, voedt hij zich bijna uitsluitend met vruchten, soms +echter eet hij ook knoppen, bladen en jonge loten. Uiterst zelden daalt +hij naar den grond af, waarschijnlijk alleen dan, als hij, door den +honger gedreven, sappige loten zoekt bij den oever der rivier, of, bij +zeer droog weder, water opspoort om zijn dorst te lesschen, dat hij in +gewone omstandigheden, in voldoende hoeveelheid in de holten der bladen +vindt. Slechts éénmaal zag ik twee halfvolwassen Orangs op den bodem, +in een drogen kuil. Zij speelden met elkander, stonden rechtop en +vatten elkander bij de armen aan. Nooit gaat deze Aap rechtop, tenzij +wanneer hij zijne voorhanden gebruikt om zich aan hooger geplaatste +takken vast te houden, of wanneer hij aangevallen wordt. Voorstellingen +van Orangs, die steunend op een stok wandelen, zijn geheel denkbeeldig. + +„Voor den mensch schijnen de Majas niet zeer bevreesd te zijn. Die, +welke ik te zien kreeg, keken mij dikwijls eenige minuten lang aan, en +schreden dan langzaam voort naar een naburigen boom. Menigmaal gebeurde +het, dat ik, na er een gezien te hebben, duizend schreden of nog wel +verder te loopen had om mijn geweer te halen; toch vond ik bijna altijd +bij mijn terugkomst het dier op denzelfden boom of hoogstens honderd +meter er van af. Ik zag nooit twee volwassen Orangs bij elkander, maar +zoowel mannetjes als wijfjes worden soms vergezeld door half-volwassen +jongen. + +„De Dajaks zeggen, dat de Majas nooit door eenig dier in het woud wordt +aangevallen. Zij maken echter melding van twee zelden voorkomende +uitzonderingen op dezen regel. Een Dajaksch hoofd, die zijn geheele +leven had doorgebracht in streken waar de Majas veelvuldig voorkomt, +zeide mij: „Geen dier is sterk genoeg om den Majas kwaad te doen, het +eenige, waarmede hij ooit in strijd geraakt, is de Krokodil. Als er +geen vruchten zijn in het bosch, gaat hij voedsel zoeken op den oever +der rivier, waar hij een menigte jonge loten vindt, waarvan hij houdt, +en vruchten die aan den waterkant groeien. Dan beproeft soms een +Krokodil hem beet te pakken, maar de Majas weet op zijn rug te komen, +beukt hem met handen en voeten, scheurt hem vaneen en doodt hem.” Een +ander opperhoofd vertelde mij: „De Majas heeft geen vijanden; geen dier +durft hem aanvallen, behalve de Krokodil en de Python. De Krokodil +bezwijkt altijd in dezen strijd. Als een Python een Majas aanvalt, +grijpt deze hem met zijne handen, bijt hem en maakt hem spoedig van +kant.” + +„Bij uitzondering gebeurt het wel eens, dat een Orang-Oetan met +menschen strijdt. Eens kwamen eenige Dajaks mij vertellen, dat een +Majas den vorigen dag een van hunne kameraads bijna gedood had. Eenige +mijlen stroomafwaarts staat aan den oever het huis van een Dajak; de +bewoners zagen een grooten Orang-Oetan, die zich aan de jonge spruiten +van een palm aan den waterkant te goed deed. Toen hij opgeschrikt werd, +keerde hij naar het lage houtgewas terug; een aantal met speren en +bijlen gewapende mannen beijverden zich hem den terugweg af te snijden. +De voorste van hen beproefde het dier met zijn speer te doorboren, maar +werd door de handen van den Majas gegrepen, die in ’t zelfde oogenblik +den arm van dezen man in den bek nam en de tanden in de spieren boven +den elleboog sloeg, deze op vreeselijke wijze verwondend en +verscheurend. Indien de andere mannen hem niet te hulp gekomen waren, +zou hij nog veel ernstiger gekwetst en misschien wel gedood zijn. Het +moedige dier werd echter weldra met speren en bijlen afgemaakt. De +gewonde bleef nog lang ziek en kon zijn arm nooit meer goed +gebruiken.”—Van de waarheid van dit verhaal kon Wallace zich +persoonlijk overtuigen, daar hij den volgenden dag de plaats waar het +gevecht voorviel, bezocht, en den gedooden Orang-Oetan den kop afsneed, +om dezen aan zijn verzameling toe te voegen. + +Aan de bovenstaande beschrijving van het leven van den Orang-Oetan in +vrijen toestand zullen wij nog eenige berichten toevoegen over het +leven van dit dier in gevangenschap: De eerste nauwkeurige waarnemingen +hierover zijn gedaan door Arnout Vosmaer, die (van 1766 tot 1786) eene +uitvoerige beschrijving heeft gegeven van de dieren voorkomende in de +diergaarde van het aan den stadhouder toebehoorende Kleine Loo bij den +Haag. Deze aan Vosmaer’s zorg toevertrouwde verzameling werd in Juli +1776 verrijkt met een van Banjermassing op Borneo afkomstigen, 78 cM. +langen, jongen Orang-Oetan, misschien wel de eerste, die levend naar +Europa werd gebracht. Dit dier, een wijfje, was zeer goedaardig. Men +kon haar zonder schroom de hand in den bek steken. Haar uiterlijk had +iets droevigs, dat zich echter in hare handelingen niet openbaarde; zij +hield van het gezelschap van menschen zonder onderscheid van geslacht, +gaf echter de voorkeur aan hen, die haar dagelijks verzorgden en goed +behandelden. Wanneer deze haar verlieten, en zij alleen achterbleef, +geraakte zij soms in vertwijfeling, ging op den grond liggen, +schreeuwde erbarmelijk, en verscheurde al hare doeken. Om haar oppasser +te bewegen, bij haar op den grond te gaan zitten, wat hij soms deed, +nam zij een deel van het hooi, waarop zij zat, spreidde dit naast zich +uit, en gaf door gebaren te kennen, met welk doel zij dit deed. Zij +woonde op een zolder onder een zeer hoog dak, en lag aan een vrij +langen ijzeren ketting, vastgehecht aan een met een hangslot gesloten +lederen halsband. Eens had zij zich dezen over den kop geschoven, en +was bij het schuinsche dak opgeklauterd. Zij bewoog zich zoo vlug, dat +vier mannen meer dan een uur werk hadden om haar te vangen. Haar +spierkracht was zoo groot, dat drie mannen haar ternauwernood in +bedwang konden houden, terwijl de vierde haar den halsband omdeed. Van +haar vrijheid had zij gebruik gemaakt om een ten deele met Malagawijn +gevulde flesch te ontkurken en leeg te drinken. Haar gewone voedsel +bestond uit brood, wortels, allerlei vruchten, liefst aardbeien; zeer +verlekkerd was zij op aromatische planten, zooals peterselie. Met smaak +at zij gekookt of gebraden vleesch en visch. Van rauw vleesch hield zij +niet. Men zag haar geen jacht maken op insecten, waarnaar andere +soorten van Apen zoo begeerig zijn. Eens kreeg zij van Vosmaer een +dikke Spin en een groote Vlieg; beiden werden doodgebeten, als ’t ware +geproefd, maar dadelijk weer uitgespuwd. Men gaf haar een Musch met een +touwtje aan den poot. Zij nam het touwtje in de hand, maar werd +verschrikt, toen de Vogel begon te vliegen; haar schrik vermeerderde, +toen de Musch, die zij ruw had aangepakt, haar in den arm pikte. +Eindelijk kneep zij den vogel dood, plukte hem eenige vederen uit, maar +wierp het lichaam weg, na het vleesch geproefd te hebben door er in te +bijten. Als zij een rauw ei kreeg, maakte zij met de tanden een gat in +de schaal en zoog den inhoud gretig op. + +Men had haar geleerd bij het eten een lepel en een vork te gebruiken. +Aardig was het te zien, hoe zij met de vork de aardbeien een voor een +opprikte en naar den mond bracht, terwijl zij met de andere hand het +bordje met vruchten vasthield. Haar gewone drank was water; zij dronk +echter graag allerlei soorten van wijn, liefst Malaga. Als zij een +flesch wijn kreeg, ontkurkte zij deze met de hand, en dronk er uit +zonder veel te morsen, evenzoo uit een bierglas. Na het drinken veegde +zij zich met de hand of met een doekje de lippen af. Als men haar na +den maaltijd een tandenstoker gaf, gebruikte zij dien naar behooren. +Zeer handig haalde zij den bezoeker brood en andere zaken uit den zak. + +Zij sliep niet graag in het hiervoor bestemde hok, misschien vreesde +zij, er in opgesloten te worden. Voordat zij slapen ging, schudde zij +het hooi op, waar zij gewoonlijk op zat, en taste dit daar, waar het +hoofd moest liggen, hooger op. Soms maakte zij zich een hoofdkussen van +een doek, dien zij met hooi vulde, en waarvan zij vervolgens de vier +slippen bijeenvoegde. Meestal lag zij op de zijde te slapen; steeds +dekte zij zich met een kleed goed toe, daar zij zeer kouwelijk was. Nu +en dan sliep zij overdag, maar nooit lang achtereen. Terwijl zij op den +grond zat, omhing zij zich gewoonlijk (uit kouwelijkheid, hoewel het +zeer warm weder was) met een dekkleed, dat soms over het hoofd werd +geworpen, soms alleen om den hals of om het lijf werd geslagen, hetwelk +een aardig schouwspel opleverde. + +Eens stak zij, na gezien te hebben, hoe men met een sleutel het +hangslot van haar halsband opende en weer sloot, in het sleutelgat een +houtje, en onderzocht, na dit in alle richtingen rondgedraaid te +hebben, of het slot open ging.—Toen men eens een van de ringen van +haren ketting met een kram aan den vloer had vastgemaakt, om haar het +hoog klimmen te beletten, trachtte zij den kram los te wrikken, door +als hefboom een dikken, 12 cM. langen spijker te gebruiken, dien zij, +men weet niet hoe, uit een zijplank van haar hok had getrokken.—Met de +vingers of tanden maakte zij netjes allerlei knoopen uit een touw.—Vaak +vermaakte zij zich met het schoonmaken van de laarzen of het losgespen +van de schoenen harer bezoekers; zij deed dit zeer behendig.—Als zij +door haar ketting verhinderd werd een op den grond liggend voorwerp met +de voorhanden te grijpen, ging zij lang uit op den rug liggen, en +bereikte haar doel niet zelden met de achterhanden (of voeten). Ook +maakte zij soms voor dit doel gebruik van een langen doek, waarmede zij +het begeerde voorwerp sloeg, totdat het binnen haar bereik lag. + +Nooit hoorde men haar schreeuwen, behalve als zij alleen gelaten werd; +zij begon dan met een geluid te maken, dat op het getjenk van een +jongen Hond geleek, maar dat, als zij niet bevredigd werd, grof en +schor werd, en nu het best te vergelijken was met het geknars van een +groote houtzaag. + +Dit merkwaardige dier, dat veel belangstelling wekte, werd ziek in +November 1766 en bezweek den 22en Januari 1777 aan een uitterende +ziekte.— + +Dat de Orang-Oetan, wanneer hij zich iets in ’t hoofd gezet heeft, +bewijzen geeft van groot overleg bij de keuze van de middelen om zijn +doel te bereiken, blijkt uit eenige van de zoo even vermelde +waarnemingen en ook uit tal van andere, waarvan wij alleen nog maar de +volgende vermelden: F. Cuvier verhaalt, dat de Orang-Oetan van den +Jardin des Plantes een knoop wist los te maken, waardoor een touw, +waaraan hij slingerde, was ingekort, ten einde hem hierdoor het +bereiken van den grendel eener deur te beletten. Hij had zulks eerst +beproefd, door onder den knoop aan het touw te trekken; maar toen hij +merkte, dat zijne lichaamszwaarte daartegen een beletsel was, klom hij +boven den knoop om hem aldus los te maken. Vrolik teekent hierbij aan: +„Iets dergelijks heb ik ook opgemerkt bij een der Orang-Oetans van den +Zoölogischen tuin te Amsterdam. Men had een openstaande deur +vastgebonden met een touw dubbel toegeknoopt. Hetzij nu, dat de +luchtstroom, door deze deur heengaande, hem hinderde, hetzij dat hij +zich verveelde, hij wilde de deur sluiten; toen hij in zijne pogingen +daartoe bemerkte, van welken aard de hinderpaal was, begon hij met één +knoop los te maken, en voorts met de deur zoodanig te slingeren, dat +ook de tweede knoop van zelf losliet.” + +De nu volgende mededeelingen zijn te danken aan een scheepskapitein, +Smit, die drie maanden lang een Orang-Oetan op zijn schip heeft gehad. +Zoolang het schip zich in de Aziatische zeeën bevond, huisde de Aap op +het dek, dat hij in ’t geheel niet verliet; alleen ’s nachts had hij +behoefte aan een beschutte plaats om te slapen. Overdag was de +Orang-Oetan buitengewoon vroolijk; hij speelde met andere, kleinere +Apen, die zich aan boord bevonden, of maakte luchtreizen in het +touwwerk. Hij scheen een bijzonder vermaak te vinden in het klimmen en +gymnastiseeren; meermalen per dag hield hij zich er mede bezig, nu eens +aan het eene, dan weer aan het andere touw. De behendigheid en +spierkracht, welke hij bij deze bewegingen toonde, waren +verbazingwekkend. De kapitein had eenige honderden kokosnoten +medegenomen; de Aap kreeg er dagelijksch twee van. De buitengemeen +taaie, ongeveer 5 cM. dikke bolster van de vrucht, die zelfs met een +bijl moeilijk stuk gemaakt kan worden, wist onze Aap met zijn krachtig +gebit behendig te verwijderen. Hij greep de noot bij het dunste einde, +daar waar zich kleine verhevenheden bevinden, pakte het andere einde +met de rechter achterhand en scheurde nu zonder fout den vezeligen +bolster vaneen. Daarna boorde hij den vinger door een van de drie +dunnere gedeelten, die op de binnenste laag van den bolster zichtbaar +zijn, en door het daaronder liggend deel van de kern, dronk de melk +uit, sloeg den noot vervolgens tegen een hard voorwerp stuk, en at de +kern op. + +Ook was hij een liefhebber van zout, vleesch, meel, sago enz.; allerlei +listen wendde hij aan, om gedurende den maaltijd een zekere hoeveelheid +vleesch meester te worden. Wat hij eenmaal gegrepen had, gaf hij nooit +weer terug, zelfs niet, als men hem sloeg. 3 à 4 pond vleesch at hij +met gemak bij een maaltijd op. Het meel haalde hij zich iederen dag uit +de keuken; altijd wist hij gebruik te maken van een tijdelijke +afwezigheid van den kok om de meelton te openen, een flinke handvol +meel er uit te nemen, en dit in den mond te stoppen, waarna hij de hand +aan zijn kop afveegde, zoodat hij steeds gepoederd van zijn rooftocht +terugkeerde. Des Dinsdags en Vrijdags bracht hij, zoodra de etensbel +geluid werd, geregeld een bezoek aan de matrozen, omdat deze dan voor +hun middagmaal sago met suiker en kaneel kregen. Even geregeld begaf +hij zich om 2 uur naar de kajuit om aan den maaltijd deel te nemen. +Gedurende het eten hield hij zich zeer bedaard, en was, wat van de +andere Apen niet gezegd kan worden, netjes. Nooit heeft hij echter een +lepel goed leeren gebruiken. Hij zette het bord eenvoudig aan den mond, +en dronk de soep uit, zonder een droppel te morsen. Hij hield veel van +alcoholische dranken, en kreeg daarom geregeld des middags een glas +wijn. Hij ledigde dit op een zeer eigenaardige wijze. Van zijne +onderlip kon hij, door haar vooruit te steken, een meer dan 7 cM. +langen en bijna even breeden lepel vormen, ruim genoeg om een geheel +glas water te bevatten. In dezen lepel goot hij den wijn, na er vooraf +zorgvuldig aan geroken te hebben; nooit dronk hij, zonder den onderlip +op de genoemde wijze vooruit te steken. Den wijn liet hij vervolgens +zeer voorzichtig en langzaam tusschen de tanden door naar binnen +vloeien, alsof hij het genot er van zoo lang mogelijk wilde doen duren. +Daarna hield hij zijn glas opnieuw bij, om zich nogmaals te laten +inschenken. Nooit brak hij iets, altijd zette hij breekbare voorwerpen +voorzichtig neder, juist het tegendeel van hetgeen men in den regel bij +de Apen opmerkt. + +Men hoorde slechts tweeërlei stemgeluiden van hem: een zwak, fluitend +keelgeluid, dat opgewondenheid te kennen gaf, en een verschrikkelijk +gebrul, dat eenigszins geleek op het loeien van een in ’t nauw +gebrachte koe, en vrees uitdrukte. Eens werd dit gebrul te voorschijn +geroepen door eenige Potvisschen, die dicht bij het schip langs +zwommen, een andere maal door het zien van de Waterslangen, die zijn +meester van Java medegenomen had. De uitdrukking van zijn gelaat bleef +steeds hetzelfde. Een ongelukkig toeval maakte een einde aan het leven +van dit dier, voordat het Duitschland bereikte. Het wist een flesch rum +machtig te worden, dronk deze bijna schoon leeg, werd hierdoor ziek en +stierf veertien dagen later. [1] + + + +Bij geen enkel apengeslacht zijn de voorste ledematen zoo sterk +ontwikkeld als bij de Gibbons of Langarm-apen (Hylobates). Zij dragen +hun naam met het volste recht, want de boven alle gewone afmetingen +verlengde armen bereiken, wanneer het dier rechtop staat, den bodem. +Dit eene kenmerk zou voldoende zijn om de Langarm-apen van alle overige +leden der orde te onderscheiden. + +De Gibbons vormen het soortenrijkste geslacht van de Mensch-apen; men +kent er niet minder dan zeven soorten van. Allen zijn bewoners van +Azië, en behooren uitsluitend thuis in Voor- en Achter-Indië en op de +Groote Soenda-eilanden: Sumatra, Java en Borneo. Deze Apen bereiken een +vrij aanzienlijke grootte, ofschoon geen enkele van hen meer dan 1 M. +hoog wordt. Hun lichaam heeft, ondanks de sterke, gewelfde borst, een +zeer slank voorkomen, omdat het in de lendenstreek, evenals bij de +Windhonden, verschraald is. De achterste ledematen zijn aanmerkelijk +korter dan de voorste; de lange achterhanden onderscheiden zich bij één +soort (de Siamang) bovendien, door het onderling vergroeid zijn van de +onderste helften der op een na binnenste en middelste teenen. De kop is +klein en eivormig, het aangezicht menschachtig. De eeltplekken op het +zitvlak zijn klein; de staart is uitwendig niet zichtbaar. Een dichte, +dikwijls zijdeachtig zachte vacht bedekt hun lichaam; zijne +hoofdkleuren zijn zwart, bruin, bruinachtig grijs en stroogeel. Alle +Gibbons hebben een buitengewoon luide stem; vooral in de morgenuren +schreeuwen zij veel. + + + +Van de tot dusver bekende soorten van Langarm-apen zijn vooral +merkwaardig: De Siamang (Hylobates syndactylus), de Hulock (H. hulock), +de Lar of Withandige Gibbon (H. lar), de Oengko (H. rafflesii) en de +Wouwou of Oa (H. variegatus). De grootste van deze is de Siamang, die +een donkerzwart, zacht haarkleed heeft, en een keelzak, die bij het +schreeuwen opzwelt en het geluid versterkt. Sumatra is zijn vaderland. +De iets kleinere Hulock is, met uitzondering van een witte streep over +het voorhoofd, meestal zwart; van deze soort komen echter lichter +gekleurde verscheidenheden voor. Hij heeft geen keelzak en bewoont +Voor- en Achter-Indië. Nog veranderlijker van kleur is de zeldzamere, +op Sumatra inheemsche Oengko, die tot op 1000 M. hoogte in de bosschen +van het gebergte (nevens den Siamang) voorkomt. De Wouwou eindelijk +heeft een blauwachtig zwart gelaat, de kop, de buik en de binnenzijde +van de armen en beenen zijn donkerbruin, de overige lichaamsdeelen +lichter van kleur; hij leeft evenals de Lar op het Maleische +schiereiland, en wordt ook op Sumatra gevonden. De geheele lichaamsbouw +van de Langarm-apen maakt hen voor ’t klimmen geschikt. Zij hebben +iedere eigenschap, die voor snelle, langdurige klim- en +sprongbewegingen vereischt wordt. De breede en diepe borst bevat de +noodige ruimte voor de groote longen, die niet vermoeid worden, den +arbeid niet staken, als de snelle voortbeweging den kringloop van het +bloed bespoedigt; de krachtige achterste ledematen ontwikkelen de +veerkracht, welke voor verre sprongen vereischt wordt; de lange armen +verschaffen de zekerheid, dat de afgelegen tak, die zoo aanstonds de +taak van het tegenwoordige steunpunt zal overnemen, bereikt zal worden; +kortere armen zouden het doel licht missen. Hoe lang deze armen in +verhouding tot het overige lichaam zijn, blijkt vooral, wanneer men ze +met die van den mensch vergelijkt. Bij ons komt, zooals bekend is, de +afstand tusschen de middelvingertoppen der zoover mogelijk zijwaarts +gestrekte armen met de lichaamslengte overeen; bij den Gibbon is zij +het dubbele daarvan. Een rechtopstaand mensch bereikt met zijne slap +afhangende armen niet eens de knieën, de Gibbon reikt er mede voorbij +de enkels. Dat zulke voorste ledematen nagenoeg ongeschikt zijn om er +op te loopen, is even licht in te zien, als hunne uitstekende +geschiktheid voor ’t klimmen. De gang van den Gibbon is dan ook een +hoogst gebrekkig waggelen op de achterpooten, een onbeholpen +voortschuiven van het lichaam, dat slechts door de uitgestrekte armen +in evenwicht kan worden gehouden. Hun klimmen en huppelen in de boomen +echter is een prachtige, vervroolijkende beweging; ’t is alsof haar +geen grenzen gesteld zijn, alsof de zwaartekracht haar geen +belemmeringen in den weg legt. De Gibbons op den grond zijn langzaam, +onbeholpen, onbehagelijk—kortom stumperachtig; tusschen de takken zijn +zij juist het tegendeel van dit alles; men zou ze vogels in +apengedaante kunnen noemen. De kunstverrichtingen van de Langarm-apen +in de boomen worden door allen, die er getuige van geweest zijn, +eenstemmig bewonderd. + +Met ongeloofelijke snelheid en behendigheid beklimt de Wouwou, volgens +Duvaucel, een bamboesstengel, een boomtop of een tak, slingert hiermede +eenige malen op en neer of heen en weer, en overspringt nu, geholpen +door de veerkracht van den terug zwaaienden tak, tusschenruimten van 12 +of 13 meter, drie, vier malen achtereen, met zooveel gemak dat men +geneigd zou zijn deze beweging te vergelijken met die van een pijl, of +van een in schuinsche richting naar beneden schietenden vogel. ’t Is, +alsof men het hem kan aanzien, dat het bewustzijn van zijne +onnavolgbare vlugheid, hem een groot genoegen verschaft. Zonder +noodzakelijkheid springt hij over tusschenruimten, die hij door een +kleinen omweg gemakkelijk zou kunnen vermijden, verandert van richting +gedurende den sprong, en blijft, zoodra hij dit wenscht, aan den +eersten den besten tak hangen, schommelt en wiegelt er aan, beklimt hem +schielijk, laat hem op en neer veeren, en stort er zich weer van af in +de lucht, met nooit missende gewisheid naar een nieuw doel strevend. +Het is, alsof dit dier tooverkrachten bezit, en zonder vleugels te +hebben, toch vliegen kan; hij leeft meer in de lucht dan op de takken. +Waartoe zou een met zulke begaafdheden uitgerust wezen de aarde noodig +hebben? De aarde blijft dezen luchtbewoner vreemd, hoogstens biedt zij +hem een lavenden dronk, voor ’t overige stoot zij hem terug in het rijk +der lucht. Hier vindt hij zijn woning, hier geniet hij rust, vrede en +veiligheid; hier is het hem mogelijk, iederen vijand te trotseeren en +te ontvluchten; hier kan hij leven, zich opwindend door snelle +beweging. + +Aan het nagaan van de levenswijze dezer dieren in de vrije natuur zijn +groote bezwaren verbonden, omdat bijna alle soorten den mensch schuwen +en slechts zelden de open plaatsen in het bosch naderen. Alleen een +goede verrekijker—een onmisbaar hulpmiddel bij het waarnemen van het +leven in vrijen toestand van alle schuwe dieren—kan den voorzichtigen +onderzoeker de gelegenheid verschaffen, eenige van hunne handelingen te +bespieden. Zoo zag men, dat de moeders hare jongen naar den rivieroever +droegen, om ze in weerwil van hun schreeuwen te wasschen, dat zij ze +daarna afwischten en droogden, kortom zooveel werk van hun reiniging +maakten, als slechts in gunstige gevallen aan menschenkinderen wordt +besteed. + +Bij zonsop- en zonsondergang vereenigen zij gewoonlijk hunne +luidklinkende stemmen tot zulk een vreeselijk geschreeuw, dat men er +door verdoofd zou worden, als men zich in hun nabijheid bevond, en dat +iemand, die aan deze zonderlinge muziek niet gewoon is, er waarlijk van +schrikt. Zij zijn de Brulapen van de Oude Wereld, de morgenwekkers van +de Maleische bergbewoners en tevens een bron van ergernis voor de +stedelingen, wie zij het verblijf in hunne villa’s verbitteren. Het +heet, dat men hun geschreeuw op een afstand van een Engelsche mijl +hooren kan. Ook van gevangene Langarm-apen heeft men het dikwijls +gehoord: van hen die keelzakken hebben, even goed als van die, welke +deze trommels tot versterking van de stem missen. Een goede opmerker, +Bennett, bezat een levenden Siamang, en zag, dat deze, als hij door de +een of andere oorzaak opgewonden was, telkens de lippen bij wijze van +een trechter vooruitstak, daarna lucht in de keelzakken blies, en nu er +op loskraaide, ongeveer als een Kalkoen. Hij schreeuwde zoowel als hij +in vroolijke, als wanneer hij in toornige stemming verkeerde. Ook het +Oengko-wijfje te Londen maakte een druk gebruik van hare stemorganen; +zij deed dit echter op een hoogst eigenaardige, muzikale wijze. Men zou +haar geschreeuw zeer goed op noten kunnen zetten. Het begon met den +grondtoon E, en steeg daarna bij halve tonen een volle octaaf hooger, +langs de chromatische toonladder. De grondtoon bleef steeds hoorbaar en +diende als voorslag voor elke volgende noot. Bij het opklimmen van de +toonladder, volgden de afzonderlijke tonen al langzamer en langzamer op +elkander, bij het afdalen echter sneller en ten slotte buitengewoon +snel. Steeds was het slot een gillend geluid, dat met groote kracht +uitgestooten werd. De regelmatigheid, snelheid en toonvastheid, +waarmede het dier de toonladder uitschreeuwde, wekte algemeene +bewondering. + +Over de geestvermogens van de Langarmige apen zijn de meeningen der +onderzoekers verdeeld. Duvaucel noemt den Siamang langzaam, dom, +onbeholpen, lui, onhandig, vreesachtig en vervelend, onverschillig +tegenover zijne verzorgers en onvatbaar voor welwillende, zoowel als +voor wraakzuchtige gevoelens. Forbes daarentegen roemt zijne +tembaarheid en aanhankelijkheid. „De aardige, liefkoozende wijze, +waarop hij zijne lange armen om mijn hals, en zijn kop aan mijn borst +legde, terwijl hij een tevreden gebrom liet hooren, zou iedereen +bekoord hebben.” Ook Bennett oordeelt gunstiger. De Siamang, dien hij +naar Europa trachtte over te brengen, verwierf zich in korten tijd de +genegenheid van al zijne menschelijke reisgezellen. Tot droefheid van +de bemanning stierf dit dier nog voor zijn aankomst in Engeland. Zelden +ziet men de Gibbons in gevangen staat, zelfs in hun vaderland. Zij +kunnen het verlies van hun vrijheid niet verdragen, verlangen steeds +naar hunne bosschen en spelen terug, en worden voortdurend stiller en +treuriger, totdat zij eindelijk bezwijken. + +De tweede onderfamilie van de Smalneuzen wordt gevormd door de +Honds-apen (Cynopithecini). Zij is gekenmerkt door het sterker +vooruitsteken van den snuit, hetgeen vooral bij de lager ontwikkelde +geslachten bemerkbaar is, de geringere lengte der armen, het veelvuldig +aanwezig zijn van een staart en van wangzakken en het geregeld bezit +van eeltplekken aan het zitvlak. Voor het overige is hun lichaamsbouw +zeer ongelijk, want alle overgangen van de slanke gestalte der +Slankapen tot den loggen lichaamsvorm der Hondskop-apen of Bavianen +komen voor. Zij zijn verbreid over de tropische gewesten van de Oude +Wereld, vooral over Indië van den Himalaja af, Achter-Indië, +Cochin-China, den Maleischen Archipel, het zuiden van Arabië en geheel +Afrika met uitzondering van de oostelijke gedeelten van de Sahara. Zij +behooren tot de levendigste en bewegelijkste vertegenwoordigers der +Apenorde, zijn schrander, doch voor ’t meerendeel ook boosaardig en +onwelvoeglijk. Bijna overal waar zij voorkomen, worden zij in meerdere +of mindere mate schadelijk, daar zij plantages en tuinen op de +onbeschaamdste wijze plunderen. Hier en daar worden zij ook wegens +hunne boosaardige hartstochten gevreesd. Bij eenige volken hebben zij +zich de grootste verachting op den hals gehaald; bij andere staan +sommige dezer dieren in een reuk van heiligheid. + + + +Het eerste geslacht, dat wij behandelen zullen, omvat de Slankapen +(Semnopithecus). Deze zijn, zooals hun naam aangeeft, slanke en rank +gebouwde Apen met lange, fijne ledematen en zeer langen staart, +kleinen, hoogen kop, onbehaard gelaat en korten snuit met kleine +wangzakken. Hunne eeltplekken zijn zeer klein. Aan den achtersten waren +kies hebben zij vijf knobbels; hun geraamte herinnert door zijne slanke +vormen aan dat van de Gibbons. Aan de handen komen lange vingers voor, +maar de duim van de voorhanden is klein, bij sommige zelfs rudimentair, +voor ’t grijpen ongeschikt, geworden. Hun beharing is +bewonderenswaardig fijn, hun kleur steeds bevallig, bij één soort +hoogst eigenaardig; dikwijls zijn de kopharen buitengewoon lang. + +Het vastland van Zuid-Azië, Ceylon en de eilanden van den Indischen +archipel vormen het vaderland van de Slankapen. Hier leven zij, tot +meer of minder talrijke troepen vereenigd in de bosschen, liefst in de +nabijheid van rivieroevers, niet minder gaarne echter in de nabijheid +van dorpen en plantages. Zij leiden, daar zij bijna overal ontzien +worden, een zeer genoeglijk leven. + +Van de Slankapen verdient in de eerste plaats vermeld te worden de +Hoelman, Hamman of Hanoeman, zooals de Hindoes hem noemen, de Heilige +Aap der Indiërs (Semnopithecus entellus). Hij is de veelvuldigst +voorkomende Aap van Voor-Indië en over de meeste districten van den +Himalaja tot Kaap Comorin verbreid. Zijn verbreidingsgebied wordt +voortdurend grooter, daar men hem niet slechts beschermt en verwent, +maar ook in sommige gewesten invoert. Hij bereikt een lengte van 1.57 à +1.72 M., waarvan 97 cM. op den in een haarkwast eindigenden staart +komen. Hij is geelachtig wit behaard, de naakte lichaamsdeelen zijn +donker violet. Het gelaat, de handen en voeten, voor zoover zij behaard +zijn en de stijve kam van vooruitstekende haren, die boven de oogen +aanwezig is, zijn zwart; de korte baard is geelachtig van kleur. + +De Hoelman neemt niet de laagste plaats in onder de tallooze godheden +van de Hindoes, en verheugt zich reeds sedert ondenkbare tijden in deze +eer. De reus Ravan roofde, volgens de oud-Indische sage, Sita, de +gemalin van Schri-Rama, en bracht haar naar zijn woning op het eiland +Ceylon; de Koning der Apen echter bevrijdde de dame uit haar +gevangenschap en voerde ze naar haar gemaal terug. Ook hielp hij Rama +bij de verovering van Ceylon. Sedert dien tijd wordt hij als held +vereerd. Veel wordt er verteld van zijne geestkracht en vlugheid. Een +der meest geschatte vruchten, de mango, heeft men aan hem te danken; +hij stal haar uit den tuin van den reus. Tot straf voor dezen diefstal +werd hij tot den vuurdood veroordeeld—door wie, meldt de historie +niet—; hij echter bluschte het vuur, maar verbrandde zich daarbij het +gelaat en de handen, die sedert dien tijd zwart zijn gebleven. Om al +deze redenen hebben de Brahminen hem vergood. + +Reeds sedert vele jaren heeft men de levenswijze van dezen Aap in zijn +vaderland nagegaan. Maar, hoe vreemd dit ook schijne, juist daarom zijn +wij het laatst met hem bekend geworden. Men meende, dat zulk een +algemeen voorkomend dier wel dikwijls naar Europa gebracht zou zijn, en +verzuimde daarom, onzen Hoelman op te stoppen en het opgezette dier +naar Europa te zenden. Hier komt nog bij, dat er bezwaren of liever +gevaren aan verbonden zijn, het heilige dier te dooden; want alleen de +Maratten bewijzen hem geen achting, terwijl bijna alle overige Indiërs +hem verzorgen en een schuilplaats verleenen, beschermen en verdedigen, +zooveel zij maar kunnen. Een Europeaan, die het waagt, het onschendbare +dier aan te grijpen, stelt zijn leven op het spel, wanneer hij de +eenige blanke onder de licht opgewonden menigte is. De Aap wordt immers +heilig geacht. Een regeerend vorstenhuis beweert van hem af te stammen, +en de leden er van dragen den titel „Rama met den staart”, omdat hun +stamvader, naar zij beweren, gezegend was met het voor ons onnoodige +aanhangsel. Een Portugeesch onderkoning van Indië, Constantino de +Braganza, maakte een Apentand buit uit den schat van een Ceylonsch +vorst en ontving kort daarna een gezantschap van den koning van Pegu, +die hem 300.000 cruzaden liet aanbieden in ruil voor de kostbare +reliquie. Waarschijnlijk is er nog nooit zoo’n hooge som voor een tand +geboden; des te meer verwondering zal het wekken, dat het bedoelde bod +door de Europeanen afgeslagen werd. De onderkoning raadpleegde zijne +raadslieden; deze waren natuurlijk voor ’t meerendeel van oordeel, dat +het geld aangenomen moest worden; een hunner, een priester kwam hier +tegen op, omdat, naar hij beweerde, de heidensche begrippen over +tooverij en ander bijgeloof door zulk een handel veld zouden winnen; +het gelukte den ijveraar zijn meening ingang te doen vinden. Dat de +vorst van Pegu zijn wensch niet vervuld zag, laat ons koud; te +bejammeren is het echter dat het niet toestaan van zijn verzoek gevolgd +werd door het te loor gaan van een gedenkstuk, dat voor de geschiedenis +van de Indische godenleer, en ook voor de natuurlijke geschiedenis, +belangrijk geweest zou zijn. Naar dezen enkelen tand zou men zeer goed +hebben kunnen bepalen, van welken Aap dit kostbaar kleinood een +lichaamsdeel was. + +In onzen tijd wordt aan het heilige dier dezelfde achting bewezen als +vroeger. De Indiërs laten den onbeschaamden gast rustig hunne tuinen +plunderen en hunne huizen leeg stelen, zonder er iets tegen te doen; +zij kijken ieder, die het waagt, den Aap kwaad te doen, met scheele +oogen aan. Toen een jonge Hollander, die eerst kort te voren uit Europa +was gekomen, van uit zijn venster een van deze Apen had doodgeschoten, +ontstond hierover, gelijk Tavenier verhaalt, zulk een groote +opschudding onder de inboorlingen, dat het bijna niet mogelijk was, er +een einde aan te maken. Allen zeiden onmiddellijk den Hollander den +dienst op in de vaste overtuiging dat de gepleegde heiligschennis voor +den vreemdeling, en misschien ook voor hen, vreeselijke gevolgen zou +hebben.—Duvaucel bericht, dat het hem in den eersten tijd onmogelijk +was, een van deze Apen te dooden, omdat de inboorlingen dit steeds +verhinderden.—Forbes verzekert, dat er in Duboy evenveel Apen als +menschen wonen. De Apen bewonen er de bovenste verdieping van de +huizen. De vreemdelingen hebben veel last van deze dieren. Als een +bewoner van genoemde stad zich wil wreken op zijn buurman, strooit hij +rijst of ander graan op diens dak, liefst kort voor den aanvang van het +regenseizoen, wanneer alle eigenaars van huizen zorgen moeten, dat het +dak in goeden toestand verkeert. Zoodra de Apen het voor hen bestemde +zien, maken zij zich meester van al wat zij er van machtig kunnen +worden; hunne begeerigheid gaat zoo ver, dat zij de dakbedekking +vernielen, om de korrels te kunnen vergaren, die in de spleten gevallen +zijn. Daar in den genoemden tijd alle werklieden het zeer volhandig +hebben, en er dus geen hulp te krijgen is voor het herstellen van het +dak, zal de bewoner veel last hebben van lekkage, en daardoor groote +schade lijden. Niet alleen voor de gezonde, ook voor de zieke Apen +wordt goed gezorgd. Tavernier vond in Ahmadabad een ziekenhuis, waarin +Apen, Runderen enz. verpleegd werden. Op alle platte daken worden van +tijd tot tijd rijst, gierst, dadels en andere vruchten en suikerriet +voor de Apen neergelegd. De Apen zijn zoo brutaal, dat zij niet slechts +de tuinen plunderen, maar ook omstreeks het etensuur het huis +binnendringen, en de spijzen onder de handen der menschen wegrooven. De +zendeling John verzekert, dat het hem groote moeite heeft gekost, zijne +kleederen en andere zaken voor deze dieren te beveiligen.—Zeer +waarschijnlijk hangt de eerbied, die aan de Apen betoond wordt, met het +geloof aan de zielsverhuizing samen. De Hindoes gelooven n.l., dat +hunne zielen zich na den dood het lichaam van deze Apen tot woonplaats +kiezen. + +Hun onbeschaamdheid daargelaten, is er alle reden om deze dieren +aantrekkelijk en bevallig te noemen. John zegt uitdrukkelijk, dat hij +nooit mooier Apen heeft gezien dan de Hoelmans. Iedereen wordt +getroffen door de vriendschappelijkheid, welke zij elkander betoonen, +en verbaast zich over hunne reusachtige sprongen. + + + +Het geslacht der Slankapen bevat nog andere merkwaardige leden. Een +zeer sierlijke Aap is de Boedeng der Javanen (Semnopithecus maurus). In +volwassen staat is hij zwart; het aangezicht en de handen hebben den +glans van fluweel, de rug is zijdeachtig. Het kophaar vormt een +eigenaardige muts, die over het voorhoofd afhangt en aan weerszijden +van den kop langs de wangen vooruitsteekt. Pasgeboren jongen zijn +goudgeel van kleur, alleen aan het onderste gedeelte van den rug, aan +de bovenzijde van den staart en aan den staartkwast zijn de bovenste +gedeelten der haren donkerder. Weldra echter breidt de zwarte kleur +zich verder en verder uit, binnen eenige weinige maanden zijn de +handen, de bovenzijde van den kop en de staartkwast zwart geworden, en +van nu af wordt de vacht allengs gelijk aan die van het oude dier. De +lengte van dezen fraaien Aap bedraagt nagenoeg 1.5 M., waarvan meer dan +de helft op den staart komt. + +„De Boedeng”, zegt Horsfield, „komt in de uitgestrekte bosschen van +Java zeer veelvuldig voor. In talrijke gezelschappen vindt men hem op +de toppen der boomen, niet zelden meer dan 50 exemplaren bijeen. Men +doet wel, zulke troepen op eenigen afstand te beschouwen. Bij de +nadering van menschen beginnen zij luid te schreeuwen, en springen +onder een oorverdoovend geraas zoo woedend in de boomkroon rond, dat er +dikwijls dikke stukken dood hout afbreken en op hunne vervolgers +vallen.” + +De gevangene Boedeng heeft een stil, zachtaardig en lijdend voorkomen. +In Antwerpen was er een in gezelschap van kleine Meerkatten en Makaken, +die hem onophoudelijk plaagden en kwelden, zonder dat het in hem +opkwam, zich te verweren. Het maakte een comischen indruk, dezen +grooten Aap naar de pijpen te zien dansen van een nauwelijks één jaar +ouden Meerkat, die hem door stompen en oorvegen, door knijpen en aan ’t +haar trekken op de jammerlijkste wijze tyranniseerde. Het bleek +duidelijk, dat goedaardigheid den grondtrek van het karakter van den +Boedeng uitmaakt; hij mist geheel en al de laaghartigheid, die andere +leden der orde zoo zeer kenmerkt.—Ook de Boedeng heeft, naar het +schijnt, veel te lijden van ons klimaat. Het is hem aan te zien, +hoeveel goed het hem doet, als hij zich in het zonnetje mag koesteren, +hoe gelukkig hij is, wanneer een blik van de levenwekkende dagvorstin, +welker gloed aan zijn rijk gezegend vaderland alle pracht en +heerlijkheid der keerkringslanden verschaft, op hem valt. + + + +Van de eigenlijke Slankapen wordt tegenwoordig een soort afgescheiden, +die duidelijk kenbaar is aan zijn vreemdsoortigen neus; het is de op +Borneo levende Neusaap of Kahau (Nasalis larvatus). Over het geheel +heeft dit zonderlinge dier denzelfden lichaamsbouw als de Slankapen: de +vooruitstekende, misvormde menschenneus echter, die als een slurf +bewogen, uitgestoken en teruggetrokken kan worden, verleent hem een +hoogst eigenaardig voorkomen. Het lichaam is slank, de staart zeer +lang; de voorste en achterste ledematen zijn ongeveer van gelijke +lengte; wangzakken ontbreken. De neus hangt haakvormig over de bovenlip +heen, is in het midden tamelijk breed, aan den top toegespitst en langs +den rug met een ondiepe groeve voorzien; de neusgaten zijn zeer groot, +en kunnen nog zeer sterk uitgezet worden. Bij jonge dieren is het later +zoo merkwaardig ontwikkelde zintuig nog klein en stomp. Volgens C. Bock +bereikt het alleen bij de mannetjes op lateren leeftijd de +eigenaardige, aanzienlijke grootte, niet echter bij de wijfjes. De +beharing is dicht en zacht; aan de kruin zijn de haren kort en talrijk, +aan de zijden van het gelaat en aan het achterhoofd langer; aan den +hals vormen zij een soort van kraag. De kleur van dezen Aap is tamelijk +bont; de volwassen mannetjes zijn ongeveer 1.5 M. lang; de staart is +een weinig langer dan de kop met den romp te zamen genomen. De wijfjes +zijn kleiner. + +De levenswijze van deze op boomen gezellig levende dieren is nog +slechts zeer onvolledig bekend. Volgens Wurmb verzamelen zij zich des +morgens en des avonds tot talrijke scharen, die een gehuil aanheffen, +waarvan hun naam een nabootsing is. + + + +Ook de Afrikaansche verwanten van de Aziatische Slankapen, de +Kortduim-apen (Colobi), zijn zeer in ’t oog loopende dieren, die zich +door een eigenaardige kleur, zonderlinge, maar fraaie manen en andere +haarwoekeringen onderscheiden. Evenals Indië meer leven en rijkdom +vertoont dan het droge Afrika, zoo zijn ook de Slankapen helderder en +vroolijker van kleur dan de Kortduimapen, hoewel men niet zeggen kan, +dat deze minder schoon zijn, een minder aangenamen indruk maken op ons +oog dan gene. Over ’t geheel zijn de kenteekenen, waardoor deze beide +groepen van elkander verschillen van zeer geringe beteekenis. De +Kortduimapen onderscheiden zich van de Slankapen vooral hierdoor, dat +zij aan de voorhanden nevens de vier vingers slechts een kort stompje +hebben, ter plaatse waar de duim verwacht kon worden. De romp van de +Kortduimapen is nog steeds slank en sierlijk gebouwd, de snuit kort, de +staart zeer lang; de schrale ledematen evenaren elkander in lengte; de +wangzakken ontbreken. + + + +De eereplaats in deze diergroep komt toe aan den Guereza (Colobus +guereza); ontegenzeggelijk is hij de schoonste van alle Apen. Zijn +kleur maakt een hoogst aangenamen indruk; zijn haarkleed is zoo +eigenaardig en tevens zoo sierlijk, dat misschien geen ander dier hem +in dit opzicht overtreft. De Duitsche reiziger Rüppell vond dit +wonderschoone wezen gedurende zijn reis in Abessinië in de provincie +Godscham; aan den naam dien het dier daar draagt, heeft hij den naam +ontleend, waarmede het in de wetenschappelijke werken wordt aangeduid. +Eigenlijk was deze aap al vroeger bekend; Hiob Ludolf vermeldt hem in +een zeer belangrijk werk over Ethiopië; Rüppell echter was de eerste +natuuronderzoeker, die den Guereza levend leerde kennen en op eigen +ervaringen gegronde mededeelingen over hem kon geven. Later waren ook +andere reizigers hiertoe in staat. Terwijl ik mij in de nabijheid van +den benedenloop van den Witten Nijl bevond, zag ik een als tabakszak +dienend vel van dit dier in de handen van een Hassanie, die mij +vertelde, dat het in verder zuidwaarts gelegen gewesten niet zeldzaam +is. Ook Heuglin heeft dezen Aap in Abessinië en bij den Witten Nijl +dikwijls ontmoet, en uit betrouwbare bron vernomen, dat hij ook in +andere Afrikaansche landen inheemsch is. Dat zijn verbreidingsgebied +veel uitgestrekter is, dan vroeger aangenomen werd, bleek, toen Thomson +hem in Massai-land vond, en Johnston en Hans Meijer berichtten, dat hij +niet alleen op den Kilima-Ndscharo op ongeveer 1000 M. hoogte, maar +ook, en zelfs vrij veelvuldig, verder zuidwaarts in het landschap Kahe +aangetroffen wordt. Van de bekoorlijkheid van den Guereza kunnen +afbeeldingen en beschrijvingen natuurlijk slechts een onvolkomen +denkbeeld geven: Op het fluweelachtig zwarte lichaam maken de wit +behaarde gedeelten van de huid (een dwarsstrook boven de oogen, de +slapen, de zijden van den hals, de kin, de keel, een strook langs de +zijden en om de naakte eeltplekken, het uiteinde van den staart) een +prachtig effect. Ieder wit haar is echter met een groot aantal bruine +ringetjes geteekend, waardoor het geheel den indruk maakt van +zilvergrijs te zijn. De manen (zoo zal ik de lange haren van de zijden +des lichaams maar noemen) hangen als een kostbare Bedoeïnen-mantel naar +beneden, en vormen een zeldzaam schoon sieraad van de vacht. + +De jacht op den Guereza biedt groote bezwaren aan. Op de hooge kruinen +zijner lievelingsboomen is hij voor de listen der menschen tamelijk +veilig. Met een met hagel geladen geweer kan men het sterke, taaie dier +wel wonden, maar dan heeft men het nog niet in handen; met meer succes +gebruikt een geoefend jager de buks. Gelukkig kunnen de inboorlingen +met dit wapen niet goed omgaan; anders zouden de Abessiniërs het +schoone dier misschien uitgeroeid hebben. In vroegere tijden werd het +ijverig vervolgd. Het gold voor een bijzondere onderscheiding een +schild te bezitten, dat met een vel van dezen Aap versierd was. De +schilden der Abessiniërs en van andere volksstammen in Oost-Afrika zijn +langwerpig rond en van Antilopen-, soms ook wel van Nijlpaardenleer +vervaardigd; zij worden op zulk een wijze met het vel van den rug en +van de zijden van den Guereza bekleed, dat de manen er een gordel +omheen vormen. + +In Gondar, de hoofdstad van Abessinië, werd vroeger voor zulk een vel +een speciedaalder betaald, een som waarvoor men 5 of 6 vette Schapen +kon bekomen. Tegenwoordig is de prijs van dit sieraad belangrijk lager; +de hierboven beschreven schilden worden gelukkig niet meer +gebruikt;—gelukkig, zeg ik, omdat hierdoor, naar ik hoop, de zoo +bekoorlijke Guereza, voorloopig althans, het lot ontgaan zal, waarmede +de vernielingswoede van den mensch overal „zijne eerst-geboren +broeders” bedreigt. + +Slechts tweemaal zijn, voor zoover mij bekend is, Guereza’s levend naar +Europa gebracht. + + + +Andere leden van hetzelfde geslacht zijn de Beerachtige Kortduimaap +(Colobus ursinus) en de Duivelsaap (Colobus satanas). De eerstgenoemde +verschilt van den Guereza door het gemis van de witte manen, door de +langere beharing van het lichaam en door den bijna pluimloozen staart. +Hij bewoont Opper-Guinea en Fernando-Po. De Duivelsaap is eenkleurig +zwart, en wordt hoofdzakelijk op Fernando-Po gevonden. + + + +Afrika is het vaderland zoowel van de grootste, de schranderste en de +leelijkste Apen van de Oude Wereld, als ook van de schoonste, de +sierlijkste en de gezelligste leden van deze diergroep. Tot dezen +behooren ongetwijfeld de Apen, die bij ons onder den naam „Meerkatten” +bekend zijn, en die het geslacht Cercopithecus vormen. Sommige leden +van dit geslacht komen ons in iederen dierentuin of in ieder +beestenspel vaak genoeg onder de oogen; ook treft men ze niet zelden +aan als vroolijke huisgenooten van dierenvrienden. De benaming +„Meerkat”, die reeds in de 16e eeuw voorkomt, is door zoogenoemde +volks-etymologie uit het Indische woord markata ontstaan, dat ook thans +nog gebezigd wordt tot aanduiding van den Bonder. Natuurlijk staat onze +Aap zoo min tot het „meer” als tot de „kat” in eenige betrekking. Hij +bewoont de tropische gewesten van Afrika, wordt echter alleen op het +vastland, niet op de eilanden aangetroffen. Waar ongerepte wouden zijn, +komen ook de Meerkatten in grooten getale voor. Verscheidene soorten +krijgen wij zoowel uit het oostelijke, als uit het westelijke en uit +het centrale gedeelte van het donkere werelddeel; de meesten echter +komen uit West-Afrika; tamelijk vele ook uit Abessinië en uit de +landen, die tot het stroomgebied van den Boven-Nijl behooren. + +Zij onderscheiden zich door een vlugge en sierlijke gestalte, slanke +ledematen, fijne, korte handen met langen duim, bovendien door een +langen staart zonder kwast aan de spits; zij hebben wijde wangzakken en +groote eeltplekken aan het zitvlak. Hunne kleuren zijn meestal tamelijk +levendig, bij enkele soorten zelfs bont en dikwijls recht aangenaam. +Men kent er ongeveer 20 soorten van. In de Nijllanden vindt men ze +eerst op lagere breedtegraden dan 16° N.-B.; in het westen en oosten +verbreiden zij zich tot aan de zeekust. Vochtige of althans door +rivieren besproeide bosschen worden door hen steeds verkozen boven +droge bergstreken; in de nabijheid van bebouwde velden vestigen zij +bijzonder graag hun woonplaats. Men kan er stellig op rekenen daar, +waar men in Afrika Papegaaien vindt, ook Meerkatten te zullen +ontmoeten; omgekeerd treft men waarschijnlijk Papegaaien aan daar, waar +Meerkatten inheemsch zijn. + +De Meerkatten behooren tot de gezelligste, vlugste, vroolijkste Apen. +Bijna altijd vindt men ze in vrij groote troepen bijeen; afzonderlijk +levende familiën komen bijna niet voor. Vermakelijk is het, een bende +van deze dieren in ’t bosch waar te nemen. Er komt geen einde aan ’t +leven maken, schreeuwen en vechten, aan ’t boos worden en zich weder +verzoenen, aan ’t klimmen en loopen, aan ’t rooven en plunderen, aan de +grimassenmakerij en aan de lichaamsverdraaiingen. Zij vormen een staat +op zichzelf, en erkennen geen anderen heer boven zich dan de sterkste +hunner soortgenooten; zij weten van geen recht, dan dat, hetwelk door +de scherpe tanden en de krachtige handen van den ouden Apenpatriarch +geoefend wordt; zij achten geen gevaar mogelijk, waaraan zij niet +zouden kunnen ontkomen; zij schikken zich in alle omstandigheden, +vreezen geen gebrek of nood, en slijten zoo hun leven in voortdurende +opgewondenheid en vroolijkheid. Zij zijn gekenmerkt door een +grenzelooze lichtzinnigheid, gepaard aan een potsierlijken ernst; met +beiden beginnen en voleindigen zij al hunne ondernemingen. Voor hen is +geen doel te veraf, geen top te hoog, geen schat veilig genoeg, geen +eigendomsrecht heilig. Het behoeft ons derhalve niet te verwonderen, +dat de inboorlingen met grenzelooze verachting en met toorn over hen +spreken; evenmin kan het ons bevreemden, dat de toeschouwer, die geen +schade lijdt, ze als hoogst vermakelijke wezens aanmerkt. + +Het is onmogelijk, een bende Meerkatten in ’t bosch voorbij te gaan, +zonder ze op te merken. Gesteld zelfs, dat uw aandacht niet getrokken +wordt door de zoo wisselende roepstem van den Apenhoofdman, dan zal +toch vermoedelijk het gedruisch, veroorzaakt door het loopen en +springen van het gezelschap in de boomen uw opmerkzaamheid gaande +maken. Indien ook dit niet gehoord wordt, ziet men de dieren loopen, +spelen, rustig zitten, zich in de zon koesteren, en elkander +liefdediensten bewijzen, die wegens de aanwezigheid van sommige +parasieten noodig zijn; nooit denken zij er aan, zich voor iemand, wie +het ook zij, te verbergen. Op den bodem ontmoet men ze alleen daar, +waar iets te bikken valt; overigens leven zij in de toppen der boomen, +en gaan van den eenen tak op den anderen over. En daarbij is het hun +volkomen onverschillig, of hun weg over doornen leidt of niet. + +Een zeer merkwaardig schouwspel levert een op roof uitgaande bende +Meerkatten op. De brutaliteit, die zij daarbij toonen, heeft mij altijd +evenzeer vermaakt, als zij den inboorlingen verdroot. Onder de leiding +van den ouden patriarch, wiens rijpe ervaring hem reeds aan menig +gevaar heeft doen ontkomen, begeven de roovers zich naar het korenveld; +de apinnen, die kinderen hebben, dragen deze, onder den buik hangend, +mede; ten overvloede houden de kleintjes mama’s staart met hun staartje +haakvormig omvat. In ’t eerst nadert de bende met groote +voorzichtigheid; het liefst neemt zij haar weg over de toppen der +boomen. De oude heer gaat steeds vooruit, de overigen gaan hem stap +voor stap na; zij betreden niet alleen dezelfde boomen, maar zelfs +dezelfde takken als hij. Nu en dan klautert de voorzichtige leidsman +tot in den top van een boom, en kijkt van daar zorgvuldig rond; als de +uitkomst van zijn onderzoek gunstig is, geeft hij dit door +geruststellende keelklanken aan zijne onderdanen te kennen, zoo niet, +dan verneemt men zijn waarschuwende stem. Van een boom, die dicht bij +het korenveld gelegen is, daalt de bende op den bodem af, en nadert nu +met flinke sprongen het beoogde paradijs. Hier ontwikkelt zij een +waarlijk voorbeeldelooze bedrijvigheid. In de eerste plaats zorgen de +Apen er voor, dat zij niet platzak den terugtocht moeten aanvaarden, +ingeval zij spoedig verdreven worden. Schielijk rukken zij eenige +maïs-kolven of doerrha-aren af, maken de korrels los en stoppen +hiermede de wangzakken zoo vol, als mogelijk is; eerst nadat deze +voorraadschuren gevuld zijn, vatten de roovers hun taak wat +gemakkelijker op, maar worden tevens voortdurend keuriger en moeilijker +te bevredigen bij ’t uitzoeken van ’t voedsel. De afgebroken aren en +kolven worden zorgvuldig beroken, en onmiddellijk weggeworpen, als zij, +wat zeer dikwijls geschiedt, aan de gestelde eischen niet voldoen; de +spilzucht, die aan alle Apen eigen is, openbaart zich nu in de hoogste +mate. Men kan er op rekenen, dat zij van de tien afgeplukte kolven er +slechts één werkelijk opeten; in den regel nemen de fijnproevers +slechts een paar korrels uit iedere aar, en werpen het overige weg. +Juist hierop grondt zich de grenzelooze haat, dien de inboorlingen hun +toedragen. + +Als de Apenbende zich in ’t korenveld volkomen veilig acht, veroorloven +de moeders hare kinderen haar te verlaten en met de andere Apenjongen +te spelen. Het strenge toezicht, waaronder alle kleinen door hunne +verpleegsters gehouden worden, blijft daarom niet achterwege; elke apin +houdt een waakzaam oog op haar lieveling gevestigd; niemand hunner +bekommert zich echter om de veiligheid van het geheele gezelschap, maar +verlaat zich, evenals ieder ander lid van de bende, geheel op de +zorgvuldigheid van den aanvoerder. Deze gaat, zelfs gedurende het +nuttigen van ’t smakelijkste maal, af en toe op de achterpooten staan, +en kijkt, als een mensch, in opgerichte houding om zich heen. Na ieder +onderzoek hoort men een geruststellend gegorgel, voor zoover hij +namelijk niets verdachts heeft opgemerkt: in ’t tegenovergestelde geval +waarschuwt hij zijne onderhoorigen door een onnavolgbaar, trillend of +blatend geschreeuw. Oogenblikkelijk maakt de geheele schaar zich tot +den aftocht gereed, iedere moeder roept haar kind tot zich, en in een +oogwenk zijn allen bereid om te vluchten, hoewel zij in der haast nog +zooveel voedsel oprapen, als zij meenen te kunnen meedragen. Meermalen +heb ik gezien, dat een Aap vijf groote maïskolven meevoerde. Daarvan +omvatte hij er twee met den rechter voorpoot, de overige hield hij in +de handen en de voeten, zoodat hij bij ’t gaan met de kolven den grond +aanraakte. Bij dreigend gevaar worden alle geroofde schatten, die de +vlucht vertragen, achtereenvolgens met onwillige gebaren weggeworpen, +de laatste kolf echter eerst dan, als de vervolgers den dief zeer na op +de hielen zijn, en hij werkelijk handen en voeten voor ’t klimmen +noodig heeft. Altijd nemen de Meerkatten de wijk naar den eersten den +besten boom. Ik heb opgemerkt, dat zij ook in een geheel afgezonderd +staanden boom klauterden, waaruit zij, om verder te kunnen vluchten, +als ik ze van daar verjoeg, weer afdalen moesten: zoodra zij echter het +bosch bereikt hebben, en werkelijk vluchten willen, zijn zij geborgen; +want hun bekwaamheid in ’t klimmen is bijna even groot, als die der +Langarmige Apen. ’t Is alsof er geen hindernissen voor hen bestaan: de +vreeselijkste doornen, de dichtste heggen, ver uiteenstaande +boomen—niets stuit hun vaart. Elke sprong geschiedt met een +zelfvertrouwen, dat ons verbazen moet, omdat geen enkel klimmend dier, +dat bij ons thuis behoort in de verste verte in dit opzicht met den Aap +wedijveren kan. Ook nu gaat de Apenleidsman steeds vooraan, en spoort +de kudde door een veel beteekenend gegorgel nu eens tot snellere, dan +weer tot langzamere beweging aan. Angst of moedeloosheid zijn bij +vluchtende Apen niet waar te nemen; bewonderenswaardig is hun +tegenwoordigheid van geest, die zij nooit verliezen. Zonder +overdrijving mag men zeggen, dat er voor hen, als zij willen, geen +gevaar bestaat. Alleen de listige mensch met zijne verreikende wapens +kan ze overmeesteren. + +In Oostelijk Soedan maakt men geen eigenlijke jacht op de Meerkatten; +wel vangt men ze, en dan gewoonlijk in netten, waaronder lekkernijen +voor hen zijn neergelegd. De Apen, die het lokaas wegnemen willen, +komen onder ’t net, en geraken er zoozeer in verward, dat zij niet in +staat zijn, zich te bevrijden, hoe woedend zij ook te keer gaan. Wij +Europeanen schoten deze dieren zonder eenige moeite, omdat zij eerst +dan de vlucht nemen, wanneer eenigen hunner den dood gevonden hebben. +Voor menschen gevoelen zij weinig of geen vrees. Dikwijls heb ik +waargenomen, dat zij voetgangers of ruiters, muildieren en Kameelen +onder zich door laten trekken, zonder te kikken; terwijl zij +daarentegen bij ’t zien van een Hond, onmiddellijk hun angstgeschreeuw +laten hooren. + +Bij de Apenjacht is het mij gegaan, als tal van andere jagers vóór mij: +ik kreeg er op eens een onweerstaanbaren afkeer van. Ik vuurde op een +Meerkat, die mij juist het gelaat toewendde; zij werd getroffen en viel +van den boom naar beneden, bleef rustig zitten, en wischte zich, zonder +een klaagtoon te laten hooren, met de eene hand op zulk een +menschachtige wijze, zoo verheven bedaard, het bloed af, dat uit vele +wonden van ’t aangezicht vloeide, dat ik ten hoogste ontroerd +toesnelde, en, daar beide loopen van mijn geweer afgeschoten waren, +mijn jachtmes herhaaldelijk door de borst van het dier stiet, om een +einde te maken aan zijn lijden. Ik heb sinds dien dag nooit weer op +kleine Apen gevuurd, en ik raad dit iedereen af, die niet in het belang +van zijne wetenschappelijke onderzoekingen op de Apenjacht moet gaan. +Het was mij te moede, alsof ik een mensch vermoord had, en het beeld +van den stervenden Aap heeft mij in den letterlijken zin van ’t woord +nog lang daarna vervolgd. + +Van roofdieren hebben de in vrijheid levende Apen niet veel te lijden. +Voor de viervoetige Roofdieren zijn zij te vlug; hoogstens zal de +Luipaard nu en dan een onvoorzichtig aapje door list buit maken. Den +Roofvogel weerstaan zij met vereende krachten. Zeer bang zijn zij voor +Kruipende Dieren en Amphibiën, vooral voor Slangen, hetwelk vooral +blijkt, wanneer zij vogelnestjes uithalen. Zij doen dit dikwijls, omdat +zij niet alleen eieren, maar ook jonge Vogels als een buitengewone +lekkernij beschouwen. Als zij nu een vogelnest willen plunderen, dat in +een holte van een boom gebouwd is, nemen zij uit vrees voor de Slangen, +die graag in zulke nesten kruipen, allerlei voorzorgen in acht. Meer +dan eens heb ik gezien, hoe zorgvuldig zij een pas door hen gevonden +gat in een boom onderzochten, om te weten te komen, of daarin ook een +Slang verborgen lag. Eerst keek de Aap er zoo diep mogelijk in, +vervolgens hield hij het oor bij den ingang, en als ook dit zintuig hem +niets verdachts openbaarde, stak hij aarzelend een arm in de holte. +Nooit bepaalde hij zich tot een moedigen greep, steeds ging hij +schoksgewijs al dieper en dieper, en gluurde bovendien van tijd tot +tijd in de donkere opening, of luisterde er aan, om zeker te zijn, dat +het gevreesde kruipend gedierte zich daarin niet bevond. + +De voortplanting van de in vrijheid levende Meerkatten schijnt aan geen +bepaald jaargetijde gebonden te zijn. Bij iedere kudde ziet men +zuigelingen, kinderen en halfwassen dieren, die de zorg van de moeder +niet meer noodig hebben. In de dierentuinen en menagerieën van Europa +planten de meeste soorten zich bij goede verzorging eveneens voort, +ofschoon dit zeldzamer wordt waargenomen bij hen, dan bij de Makaken en +Bavianen. + +Gedurende mijn veeljarig verblijf in Afrika heb ik steeds vele Apen (en +hierbij waren geregeld ook Meerkatten) in gevangenschap gehouden. Ik +kan verzekeren, dat elk van deze merkwaardige dieren eigenaardigheden +had, die bij de andere niet, of niet in die mate, voorkwamen, en mij +voortdurend de gelegenheid gaf tot even aantrekkelijke, als +onderhoudende waarnemingen. De eene Aap was twistziek en bijtlustig, de +andere vreedzaam en mak, een derde brommig, een vierde altijd vroolijk, +deze rustig en eenvoudig, gene geslepen, sluw en aanhoudend bezig met +het beramen van booze plannen en streken; alle kwamen echter in dit +opzicht met elkander overeen, dat zij grootere dieren graag een poets +wilden spelen, kleinere echter beschermden, koesterden en verzorgden. +Zij wisten zich in iederen toestand te schikken en zich het leven +dragelijk te maken. Dagelijks leverden zij bewijzen van een helder +verstand, van wezenlijk berekenende sluwheid en echt schrander overleg; +bovendien zag men hen voortdurend aan andere dieren de grootste +hartelijkheid en offerwilligheid betoonen; wegens al deze eigenschappen +hield ik bijzonder veel van eenige dezer dieren. + + + +Sommige soorten van Meerkatten hebben een zeer bevallig uiterlijk. Een +daarvan, en wel een der meest bekende, die van Abessinië tot aan de +westelijke bijrivieren van den Nijl veelvuldig voorkomt, is de Groene +Meerkat of Groene Aap, de Aboelandsj van de Arabieren (Cercopithecus +sabaeus), die een lengte van 1 M. bereikt, zonder den staart mede te +rekenen, die ongeveer half zoo lang is als het lichaam. Zijn haarkleed +is aan den rug grijsachtig groen, aan de buitenzijde van armen en +beenen en aan den staart aschkleurig; de kortharige wangbaard is +witachtig, zoo ook de onder- en binnenzijde der beenen; de neus, de bek +en de wenkbrauwen zijn zwart; het gelaat is overigens lichtbruin. + +Een der schoonste en sierlijkste Meerkatten is de Diana-aap (C. diana); +bij de grootendeels leikleurige, aan den rug en het kruis in +purperbruin overgaande vacht steken de witte buikzijde en de eveneens +witte baard aan wangen en kin prachtig af. Deze soort bewoont +West-Afrika, evenals de Mooraap of Mangebe (C. fuliginosus). + +Men vindt daar ook de Blauwkoppige Meerkat, de Moeïdo van de negers aan +de Loangokust (C. cephus), die in grootte met den Aboelandsj +overeenkomt; doch vroolijker en fraaier kleuren vertoont dan deze. De +rug, de bovenzijde van den hals en van den kop, alsmede de buitenzijden +van de ledematen zijn vuil olijfgroen, met een zeer aangenamen +goudachtigen weerschijn; de onderzijde van den romp en de binnenzijden +van de ledematen zijn blauwachtig grijs. Het fraai kobaltblauwe +aangezicht met een witte plek op de bovenlip is omlijst door een +schel-gelen bakkebaard, die door een zwarte streep gescheiden is van +het olijfkleurige kophaar; de staart is van de spits tot dicht bij den +wortel roest-rood. Volkomen gezonde en krachtige Apen van deze soort, +onverschillig of het mannetjes dan wel wijfjes zijn, vertoonen deze in +’t oog loopende samenvoeging van kleuren zoo duidelijk en volledig, +alsof zij beschilderd waren. + +In Beneden-Guinea zijn zij gemeen; vooral in de landstreek tusschen den +Yumba en den Kongo zijn zij veel talrijker vertegenwoordigd dan andere +soorten. Bij voorkeur houden zij zich op in de prachtige bosschen, die +zich langs de rivieroevers tot aan zee uitstrekken, en meer +binnenslands in de wouden van het gebergte, die aan den regen het +noodige water ontleenen. Pechuel-Loesche, die de levenswijze van deze +en andere soorten van Apen, zoowel in de vrije natuur als in +gevangenschap heeft nagegaan, zegt, dat er waarschijnlijk geen +Meerkatten bestaan, die de gevangenschap beter verdragen en geschikter +zijn om getemd te worden, dan deze: „Een daarvan, een wijfje, dat naar +den inheemschen naam Moeïdo luisterde, en dat ik, toen het nog zeer +jong was, van den Kongo ontving, en met zorg groot bracht, heb ik bijna +vijf jaar lang als huisdier gehad. Hierdoor is het mij duidelijk +gebleken, dat een in de prilste jeugd beginnende, goed doordachte, +zorgvuldige behandeling een uitstekenden invloed op het gemoed van den +Aap heeft, en dat het daarentegen bedorven wordt door plagerijen, ruwe +grappen en uit onbedachtzaamheid gepleegd onrecht. Men zou werkelijk +veel minder te klagen hebben over de boosaardigheid, prikkelbaarheid en +valschheid van tamme Apen, indien deze dieren van hun kindsheid af +behandeld waren geworden volgens den regel, die bij iedere opvoeding op +den voorgrond staat, d.w.z., indien zij voor alle slechte invloeden +bewaard waren gebleven. Dat men in den regel niet veel pleizier beleeft +van Apen, die men op meer gevorderden leeftijd als huisgenooten +aanneemt, komt doordat zij reeds te veel hebben moeten verduren. Naar +alle waarschijnlijkheid is het een dwaling, dat de Apen een van nature +slecht karakter hebben, en moet men liever zeggen, dat de +onophoudelijke grappen en plagerijen, die deze dieren, meer dan alle +andere, van de menschen te verduren hebben, hun karakter bederven, +verkeerde neigingen doen ontstaan, en de goede te verstikken. Men moet +de Apen niet beoordeelen naar exemplaren, die reeds veel doorleefd, +reeds vele meesters gehad hebben, maar naar zulke, welke direct, nadat +zij uit de wildernis kwamen, verstandig behandeld werden; iedere andere +Aap althans zal blijken ongeschikt te zijn voor pogingen om hem tot een +huisdier op te voeden. + +„Onze Aap, die van zijn kindsheid af zorgvuldig behoed was geworden +voor verkeerde invloeden, genoot in Europa een onbeperkte vrijheid, +bewoog zich ongehinderd door alle kamers, over tafels en stoelen; hij +deed dit echter zoo behendig en voorzichtig, dat hij bij ons nooit iets +gebroken heeft. Hij klauterde door het openstaande raam naar buiten, +gymnastiseerde op het balkon, liep langs de kroonlijst om het huis +heen, gleed bij de gootpijpen naar beneden en stoeide in hof en tuin. +Als een gehoorzaam hondje maakte hij met ons uren lange wandelingen +door bosch en veld, ving Spinnen, Vlinders, Sprinkhanen (zijn liefste +voedsel) en sprong naar hartelust rond. Hierdoor nam blijkbaar zijne +gezondheid zeer toe en werd zijn gestel zoo gehard, dat hij later zelfs +meermalen in de pas gevallen sneeuw kon rondbuitelen, zonder er eenig +nadeel van te ondervinden. Bij zulke gelegenheden bemoeide hij zich met +alle menschen, die wij tegen kwamen, hoewel met sommige liever dan met +andere; hij hield er van bedaarde landlieden verschrikt te maken, door +plotseling uit een schuilhoek te voorschijn te komen, vaak ook, door +bij hen op te springen; nooit deed hij echter iemand eenig leed. Graag +speelde hij met kleine Honden, groote ging hij uit den weg; als zij hem +echter bedreigden, ging hij hen zonder vrees te lijf, sprong hen op den +rug, sloeg ze om den kop, trok hen aan de ooren, beet en krabde met +zooveel behendigheid dat de aangevallene eindelijk, ten einde raad, +zich zoo schielijk mogelijk uit de voeten maakte. Voor Kikvorschen en +Hagedissen toonde hij geen vrees; hij mishandelde ze echter ook niet. +Als hij zijne handen vuil gemaakt had, trachtte hij ze vlug op de een +of andere wijze te reinigen; als hij hierin niet naar zijn zin slaagde, +wendde hij zich smeekend tot ons. + +„In huis viel hij ons slechts door één onhebbelijkheid lastig, die hem +niet afgeleerd kon worden: hij bevuilde de vloer. In alle andere +opzichten deed hij, wat hem gezegd was, ging in zijn slaapkorf, in zijn +kooi, waarvan hij zelf het deurtje sloot; als hij kattekwaad uitvoerde, +was het voldoende „St!” te roepen, om hem te doen ophouden. Hij speelde +graag met zachte poppen, groote en kleine gomelastieke ballen, kurken, +houtjes enz.; één daarvan genoot gedurende eenigen tijd steeds de +voorkeur, en werd medegenomen in den slaapkorf; de overige werden +zorgvuldig geborgen en verstopt achter of onder kasten, gordijnplooien +enz.; altijd echter werden deze voorwerpen zoozeer als eigendom +beschouwd, dat het aanraken of wegnemen er van steeds als een +onrechtmatige inbreuk op verkregen rechten werd beschouwd. Hij was +gewoon in zijne ruime wangzakken alle mogelijke voorwerpen, die hij +hier en daar vond, op te bergen; deze waren hoogstens van de grootte +van een walnoot, in den regel echter kleiner. Mijn vrouw begon weldra +hem iederen avond de wangzakken te ledigen. In den beginne stribbelde +hij tegen, later kraamde hij uit eigen beweging zijne schatten uit, als +men hem op den schoot nam. Het ledigen van de wangzakken maakte hij +gemakkelijker, door met den rug van de hand er van buiten over te +strijken. Dan kwamen er steentjes, erwten, muntstukjes, boonen, +spijkers, kurken, vingerhoeden, glazen stoppen en vele andere zaken te +voorschijn; hij mocht behouden wat voor een ander doel niet meer +bruikbaar was; nooit verloor hij iets. Bijzonder graag bekeek hij +afbeeldingen, vooral gekleurde, in boeken, en lette zorgvuldig op het +omslaan der bladen. In den beginne greep hij bliksemsnel naar +afbeeldingen van Sprinkhanen en Spinnen, onverschillig of zij gekleurd +waren of ongekleurd; weldra echter had hij ontdekt, dat zij niet +eetbaar waren. Bij ’t zien van afbeeldingen van Slangen en Hagedissen +liet hij geen vrees blijken; hij begreep echter, wat zij voorstelden, +zooals uit de veranderde uitdrukking van zijn gelaat en uit zijn stem +viel af te leiden. + +„Hij at van alle spijzen, die op tafel gebracht werden; alleen brood +met boter en melk lustte hij in ’t geheel niet. Hij hield dol veel van +uien en van stukken brood, die dik besmeerd waren met mosterd; wel trok +hij dan onder ’t eten afschuwelijke gezichten en deed wanhopige +sprongen, maar toch ging hij er mede voort. Ook lustte hij inkt: hij +haalde de gouden pen van den inktpot, likte hem af, legde hem +zorgvuldig neer, en likte nu zoo vaak den telkens weer in den inktpot +gedoopten vinger af tot hij genoeg had. Aan tabaksrook had hij een +hekel. Rooden wijn en bier dronk hij zeer gaarne, ging zich er echter +niet aan te buiten; het liefst slurpte hij het schuim van ’t bier af. +Vruchten van allerlei soort waren eveneens van zijn gading, het meest +echter aalbessen, aardbeien en kruisbessen. Van eieren hield hij niet, +hij haalde nooit een nest uit, leefde zelfs op zeer vertrouwelijken +voet met een paar Vliegenvangertjes, die ieder op ons balkon hun nestje +bouwden, zoo ook met andere Vogels, vooral met Meezen en een Bonten +Specht, die wij gewoon waren aan het venster te voederen, en die, +sommige althans, onbezorgd de kamer binnenvlogen. Zijn dagwerk begon +aan de ontbijttafel. Zoodra hij uit de met warme dekkleeden voorziene +slaapmand opgerezen was, ijlde hij naar de tafel, om het zien aansteken +van het spirituslampje onder den koffieketel niet te verzuimen, en +tevens den hiervoor gebruikten lucifer, die hem nog brandend werd +overgegeven, door schudden en rollen in de handen uit te blusschen. +Daarna ging hij met opgeheven handen voor den koffieketel staan, warmde +zich, en keek oplettend naar de geheimzinnige spiritusvlam, die hij met +evenveel belangstelling hoorde knetteren en zag opflikkeren als het +sissen en borrelen van het water hem interesseerde. Vervolgens werd hij +door de vrouw des huizes van den kop tot aan het puntje van den staart +flink afgeborsteld; hij vond dit zoo prettig, dat hij ongevraagd alle +voor deze reiniging gewenschte houdingen aannam; het dagelijks wasschen +van het aangezicht beviel hem veel minder, en aan het baden en met zeep +afwasschen, dat geregeld eens in de week plaats vond, had hij een +innigen hekel. + +„Voor bezoekers vatte hij dadelijk genegenheid of afkeer op; nooit +veranderde hij in ’t vervolg zijn gedrag tegenover hen; hij herkende ze +allen dadelijk weder. Die, welke hij wel mocht lijden, werden, doordat +hij ze aan de kleederen trok, terwijl hij allerlei bewegingen en +geluiden maakte, uitgenoodigd om met hem te spelen; hij sprong hen op +den schoot, liet zich krauwen en streelen, en was zoo aanhalig en +grappig, dat hij zich vele vrienden maakte. Op lieden, die hij niet +lijden mocht, sloeg hij in ’t geheel geen acht; als zij zich toch met +hem bemoeien wilden, ontweek hij hen, of ging op zijne achterpooten +staan, en gaf door voortdurend wenken te kennen, dat zij ophouden +moesten; volhardden zij ook dan nog in hunne pogingen om een +toenadering te bewerken, of lachten zij luid, dan „speelde hij voor +basilisk”, d.w.z. hij ging met alle vier ledematen uitgestrekt op den +grond liggen, deed den bek wijd open, bewoog de tong heen en weer, +knorde en maakte dreigende bewegingen. Dan was het voor ons tijd om +tusschenbeide te komen anders ging hij zonder nadere uitdaging tot den +aanval over. Het bleek ons, dat zijn oordeel over personen op sommige +uitwendige eigenaardigheden gegrond was: een vriendelijk gezicht, een +welluidende stem, voorname bedaardheid in de bewegingen stemde hem +dadelijk gunstig; haastige bewegingen, hard of koel blikkende oogen, +een schelle, luide stem boezemden hem afkeer in. Met alle kinderen +zonder eenige uitzondering speelde hij graag; hij werd niet boos, +wanneer zij hem al te wild behandelden, maar stoeide en vocht met hen, +of liep eindelijk weg, als zij het hem te bont maakten. Nooit heeft hij +een kind bedreigd, gekrabd of gebeten; alle kinderen beschouwde hij als +goede vrienden. + +„Roerend was zijn gehechtheid aan mijn vrouw. Hij beschouwde zich als +haar rechtmatigen beschermer, en wie haar aanraken, of zelfs maar de +hand geven wilde, vond dadelijk het diertje tot den sprong bereid aan +hare zijde, op haren schouder, op haren schoot. Toen zijn meesteres +door een zware ziekte werd aangetast, werd de Aap droefgeestig en +lusteloos; uren lang zat hij voor de deur van de ziekenkamer en bedelde +om binnengelaten te worden. Toen dit hem eindelijk na eenige weken werd +toegestaan, sprong hij dadelijk op de herstellende toe, vleide zich +zacht klagend tegen haar aan, legde de armen om haar hals, en was niet +weer weg te krijgen. + +„Deze Aap beschikte over een zeer buigzame stem. Wij konden er dertien +afzonderlijke klanken of klankverbindingen in onderscheiden. Het geluid +dat wij aan het eene eind dezer reeks plaatsten, was zacht en tamelijk +welluidend; het bestond uit een op vele wijzen gevarieerd gepiep, +gesjirp of gespin, dat welgevallen, een verzoek of vergenoegdheid te +kennen gaf. Aan het andere einde van de lijst stond het gillend gekraai +en gekrijsch, dat woede beduidde. Andere tegenstellingen waren het +nauwhoorbare „toek, toek,” dat men vernam, als hij, wat dikwijls +geschiedde, zich niet op zijn gemak gevoelde in het niet verlicht +vertrek naast het onze, en het schelle, zeer luide „tek” bij plotseling +opkomenden schrik, benevens het hoog gestemde gekef en gebrul, dat, +evenals het uit lage tonen bestaande grommen, gorgelen en knorren, +verschillende graden van opgewondenheid verraadde. Hoogst merkwaardig +waren zijne geluiden en gebaren, als hij „de zon begroette”, zooals wij +het noemden. ’s Morgens als de zonnestralen in de kamer vielen, zocht +hij in het venster, op de tafel of op den grond een sterk verlichte +plek op, ging overeind staan, keerde zich naar de zon, hief de armen +zacht wiegelend omhoog, stak de lippen vooruit, en liet nu 5 à 6 maal +achtereen een reeks van geluiden hooren, die van een zeer diepen +borsttoon tot een bizonder hoogen toon opklommen, en ongeveer de helft +van een chromatische toonladder omvatten. Het geheel werd besloten door +een diep, langgerekt „Eu”-geroep. Deze hoogst zonderlinge geluiden heb +ik nooit van andere Apen gehoord.” + + + +Met den naam Makak of Makako (Macacus) duidt men in Afrika een groep +van zeer verschillende Apen aan, die tot een geslacht behooren, dat +niet veel soorten omvat—volgens de beteekenis, die door de wetenschap +aan dit woord wordt gehecht. De uiterste grens van het +verbreidingsgebied dezer Apen is het Zuid-Oosten van Azië. Zij +onderscheiden zich allen te zamen door de volgende kenmerken: Hun +lichaamsbouw is ineengedrongen, de ledematen zijn sterk en tamelijk +lang; de snuit steekt ongeveer even vooruit, als bij de Meerkatten; de +korte duim van de voorhand en de aanmerkelijk langere duim van de +achterhand dragen platte, de overige vingers en teenen bolle nagels. De +staart is verschillend: bij enkele heeft hij een lengte, welke die van +het lichaam nabijkomt, bij andere is hij bijna geheel verdwenen. De +wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak zijn groot. Bovendien moet +nog als een eigenaardigheid van deze dieren opgemerkt worden, dat het +kophaar bij eenige in ’t midden een scheiding vertoont, bij andere als +een pruik bij den overigens kalen schedel naar beneden hangt, en dat de +bij enkele ontbrekende wangbaard bij andere een waarlijk +voorbeeldelooze ontwikkeling vertoont. + +In een vroegere periode van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer planeet +waren de Makaken over een groot deel van Europa verbreid; ook thans nog +begeven zij zich verder noordwaarts dan alle andere Apen. Die, welke +een kort staartstompje hebben, bewonen Noord-Afrika, China en Japan; de +langstaartige het vastland en de eilanden van Oost-Indië. Zij vervangen +hier als ’t ware de Meerkatten, maar gelijken in vele opzichten op de +Bavianen; zij leven soms, evenals gene, in de bosschen, dan weer, +gelijk deze, meer op rotsen. Zij zijn, naar het schijnt, even +onbeschaamd als beide groepen van Apen te zamen genomen: gedurende +hunne jeugd zijn zij grappig en vroolijk als de Meerkatten, op +gevorderden leeftijd boosaardig en gemeen als de Bavianen. + + + +Tot de bekendste soorten van het geslacht behoort de Makako of +Javaanaap, de Monjet van de bewoners van Java (Macacus cynomolgus). Hij +bereikt een hoogte van 1.15 M., waarvan 50 à 58 c.M. op den staart +komen. Het kophaar van het mannetje is plat neergedrukt, dat van het +wijfje staat bij wijze van een kam overeind. De kleur is van boven +bruinachtig groen, van onderen witachtig grijs, aan de handen, de +voeten en den staart zwartachtig. Dit dier bewoont Oost-Azië, vooral de +Soenda-eilanden (van Java tot Timor), waar hij zeer menigvuldig is; +bijna ieder uit Indië komend schip heeft een aantal van deze Apen aan +boord, die voor lagen prijs van de inboorlingen gekocht kunnen worden. +Zij maken daarom een belangrijk deel van de bevolking van onze +dierentuinen en beestenspellen uit; door gedrag en gestalte gelijken +zij op de Meerkatten. In de gevangenschap kunnen zij gemakkelijk in ’t +leven gehouden worden, en planten zij zich geregeld voort. Wegens zijn +opgewektheid en leerzaamheid wordt de Javaan-aap dikwijls in +apentheaters gebruikt; gewoonlijk heeft hij er de rol van bediende te +vervullen. + + + +Verwant aan deze soort is de Kroonaap (Macacus sinicus), de Malbroek +der inboorlingen van Voor-Indië, die hem voor heilig houden, evenals +den Bonder (Macacus rhesus), de Markat der Indiërs. „Een geloofwaardig +man,” zegt kapitein Johnson, „verhaalde mij, dat de eerbied van de +inboorlingen voor den Markat bijna even groot is, als die voor den +Hanoeman (p. 20). De inboorlingen van Baka laten op den akker tienden +van den oogst achter voor deze Apen, die dan ook spoedig van de bergen +afdalen, om de hun aangeboden belasting te halen.” + +Bereidwillig betaalt iedere Hindoe deze bijdrage, en geeft hierdoor een +bewijs van milddadigheid en barmhartigheid, dat ons bijna belachelijk +voorkomt, maar hem toch tot eer verstrekt, en ons in vele opzichten ten +voorbeeld zou kunnen zijn. Ook de bescherming, die zij aan de door hen +verzorgde dieren verleenen, vind ik in ’t geheel niet belachelijk of +ongepast; integendeel het komt mij hoogst prijzenswaardig voor, dat de +menschen daarginds de dieren tegen iedere mishandeling in bescherming +nemen. Ik stem echter toe, dat zij hierin te ver gaan. Voor een +vreemdeling is het moeilijk, met dezen Aap samen te leven, zonder met +hem in vijandschap te geraken. Iedere tuin of aanplanting wordt door +deze gauwdieven, die onder de bescherming staan, spoedig vernield of +althans op de jammerlijkste wijze geplunderd. Door schildwachten te +plaatsen om ze te verjagen bereikt men zijn doel niet, want de brutale +gasten, die aan de eene zijde uit den tuin verdreven worden, komen er +aan de andere zijde weer in. Om brandende vuren, Apenverschrikkers en +dergelijke verweermiddelen bekommeren zij zich in ’t geheel niet, en +door tegenover hen geweld te gebruiken brengt men zijn eigen leven in +gevaar. + +Dat het welslagen van een feest in Indië nog van geheel andere +omstandigheden afhankelijk is dan in Europa, blijkt duidelijk uit de +geschiedenis van Lady Barker’s eerste groote diner te Simla. Lady +Barker had in haar huis alles in orde laten maken voor het ontvangen +van een groot gezelschap; eigenhandig had zij de tafel met bloemen +versierd en met de uitgezochtste Europeesche en Indische lekkernijen +voorzien. Toen het uur, waarop de gasten zouden verschijnen, naderde, +ging zij heen, om zich aan te kleeden. De bedienden, in plaats van de +wacht te houden in de eetzaal, vermaakten zich elders. Toen de +gastvrouw terugkeerde, om hare gasten te ontvangen, en nog een laatsten +onderzoekenden blik op haar kunstwerk wilde werpen, vond zij haar +feestzaal vol met gasten, maar niet die, welke zij verwachtte. Een +groote troep Apen uit de naastbijgelegene boomen was over het balkon in +het vertrek doorgedrongen, en banketteerde nu aan en op de kostelijk +aangerechte tafel. Men stelle zich de gewaarwordingen van de gastvrouw +voor, toen zij hare juist binnentredende gasten niets anders kon +aanbieden dan het schouwspel van bevuilde en vernielde +heerlijkheden.—Misschien waren het wel dezelfde Apen, die aan Lady +Barker een andere leelijke poets speelden. Haar schoothondje „Fury” +leefde in voortdurenden oorlog met de Apen, en verzuimde geen enkele +gelegenheid om ze weg te jagen. Op een goeden dag echter pakte een der +ongenoode gasten den onverzoenlijken vijand van zijn geslacht bij de +lurven, en nam hem met zich mede naar den top van een boom. Daar ging +het jammerlijk huilende hondje van hand tot hand, en werd onder veel +geschreeuw heen en weer geschud en geplaagd door zijne ontvoerders, die +hem eindelijk lieten vallen, zoodat hij van een overhangenden tak in +een afgrond stortte. Zoo vond de arme „Fury” door de wraak der Apen een +vroegtijdigen dood. + +De Markat bereikt een lengte van 50 à 60 cM., en heeft een staart van +ongeveer 25 cM. Zijne gestalte is krachtig en gedrongen. Zijn vacht is +van boven groenachtig of vaal grijs, met een geelachtigen weerschijn +aan de dijen en het zitvlak; de buikzijde is wit, de staart van boven +groenachtig van onderen grijsachtig. Het aangezicht, de ooren en de +handen zijn licht koperkleurig, de eeltplekken helder rood van kleur. +Het wijfje laat den staart gewoonlijk hangen, het mannetje draagt hem +boogvormig naar beneden en naar binnen gekromd. + +Nauw verwant aan den Markat, maar met een nog korteren staart voorzien, +is de Bangoer (Macacus erythraeus) die op de Oost-Indische eilanden +leeft. Een nog korteren staart heeft de eveneens daar voorkomende +Laponder-aap (Macacus nemestrinus), die door de Maleiers wel voor het +plukken van kokosnooten wordt afgericht. + + + +In zekeren zin is de Magot of Staartlooze Aap (Inuus ecaudatus), ook +wel Turksche, Barbarijnsche en Gewone Aap genoemd, de belangrijkste van +alle Makaken. Hij is de eenige Aap, die in Europa in ’t wild levend +aangetroffen wordt. Op grond van ’t ontbreken van den staart heeft men +hem als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd. +Bovendien is hij gekenmerkt door een schralen lichaamsbouw en de +slankheid van zijne lange ledematen, als ook door een vrij overvloedige +beharing, die aan de onderzijde van het lichaam minder dicht is, en +door een dichten wangbaard. Het gerimpelde gelaat is vleeschkleurig, +evenals de ooren, handen en voeten; de eeltplekken zijn lichtrood; de +vacht is roodachtig olijfkleurig. De ledematen hebben aan de onder- en +binnenzijde een lichtere, meer grijs-geelachtige of witachtige kleur. +Bij een lichaamslengte van omstreeks 75 cM. is de schouderhoogte 45 à +60 cM. + +Zonder eenigen twijfel hebben reeds de oude Grieken dezen Aap gekend en +hem Pithecus genoemd; hij was de eerste Aap, die in Europa vertoond +werd. Plinius zegt van hem, dat hij alles nabootst, het bordspel leert, +een met was geschilderd beeld onderscheiden kan, graag heeft, dat men +zich met hem bemoeit, zich in de gevangenschap voortplant enz. + +Het vaderland van den Magot is het noordwesten van Afrika, Marokko, +Algerië en Tunis. Voorzoover wij weten, leeft hij daar in groote +gezelschappen, die onder de leiding van een oud ervaren mannetje staan. +Hij is zeer verstandig, listig en schrander, vlug, behendig en +krachtig; in geval van nood weet hij zich met zijn voortreffelijk gebit +uitmuntend te verdedigen. Bij elke hartstochtelijke aandoening vertrekt +hij het gelaat erger dan eenige andere Aap, beweegt intusschen de +lippen in alle richtingen en klappert ook wel met de tanden. Slechts +wanneer hij bevreesd is, laat hij een luid, kort geschreeuw hooren. +Verlangen, vreugde, afschuw, ontevredenheid en toorn geeft hij door +grimassen en tandengeklapper te kennen. Als hij toornig is, beweegt hij +zijn met diepe rimpels doorploegde voorhoofdshuid schielijk op en neer, +steekt den snuit vooruit en trekt de lippen samen, zoodat de mond een +kleine, cirkelronde opening vormt. In vrijen toestand leeft hij in +bergachtige streken, op rotsen; hij weet zich echter ook op boomen te +redden. Naar men zegt, eet hij, evenals de Bavianen, vele Insecten en +Wormen; daarom wentelt hij gedurig steenen om, en laat ze wel eens van +de hellingen afrollen. Op steile rotswanden wordt hij hierdoor niet +zelden gevaarlijk. Men beweert, dat Scorpioenen zijn lievelingsvoedsel +vormen; hij weet hun den vergiftigen angel behendig uit te rukken, en +eet ze met grooten smaak op. Hij is echter ook tevreden met kleine +Insecten en Wormen; hoe kleiner zijn buit is, des te ijveriger moet hij +jagen, en des te gulziger verslindt hij de gevangene dieren. Het door +hem opgespoord Insect wordt zorgvuldig aangevat, voor de oogen +gehouden, met een gezichtsverdraaiing die tevredenheid verraadt, +verwelkomd en dadelijk opgevreten. + +De Magot is de eenige Aap, die tegenwoordig nog wild in Europa gevonden +wordt. Ongelukkig kon ik gedurende mijn verblijf in het zuiden van +Spanje (in 1856) over de Apenbende, die de rotsen van Gibraltar +bewoont, geen nauwkeurige en uitvoerige berichten verkrijgen: Men +verhaalde mij, dat dit gezelschap nog altijd vrij talrijk is, maar niet +zeer vaak gezien wordt. Van de vesting keek men dikwijls met +verrekijkers naar de dieren; men zag ze, om voedsel te zoeken, steenen +omwentelen, zoodat deze van den berg afrolden. In de tuinen kwamen zij, +naar mij gezegd werd, zelden. Ook de Spanjaarden konden mij niet +mededeelen, of deze dieren werkelijk als Europeanen beschouwd moeten +worden, of uit Afrika overgebracht waren. Volgens A. G. Smith, die op +de plaats zelf gegevens verzamelde, werd het aanwezig zijn van deze +dieren in Europa dikwijls in twijfel getrokken, door sommigen zelfs als +een dwaas sprookje beschouwd, o.a. door een scheepskapitein, die +dikwijls te Gibraltar kwam. Smith verzekert dan ook, dat hij bijna alle +geloof er aan verloren had. Hij kwam echter tot andere denkbeelden, +toen hij den vlaggestok op den top van den berg bezocht, om zich te +verlustigen in het heerlijke uitzicht, dat men vandaar in alle +richtingen heeft. Toevallig vernam hij van den vlaggewachter, dat „de +Apen bezig waren rond te trekken”. Nu begon onze zegsman met zorg +berichten te verzamelen, en een verslag op te maken, waaraan het +volgende ontleend is: + +„Op deze rots hebben de Apen sedert onheuglijke tijden post gevat; +wanneer, en hoe zij over de zee gekomen zijn, is echter niet +gemakkelijk uit te maken; de Moorsche sage, dat zij ook nu nog door een +onderaardschen gang, onder de zeeëngte door, heen en weergaan tusschen +Gibraltar en Marokko, luidt toch wel wat al te onwaarschijnlijk. Met +zekerheid kan men alleen dit zeggen, dat zij er zijn, hoewel hun aantal +aanmerkelijk verminderd is, zoodat gedurende eenige jaren het geheele +gezelschap uit vier exemplaren bestond. Men ziet ze zelden; zoodra +echter de wind omdraait, veranderen ook zij gewoonlijk van +verblijfplaats. Weekelijk en gevoelig als zij zijn, schuwen zij elke +plotselinge weersverandering, vooral het omslaan van den wind van het +westen naar het oosten, of omgekeerd; zij trachten zich daartegen te +beveiligen, door achter de rotsen weg te kruipen. Zij zijn zeer +bewegelijk, en kiezen tot woningen het liefst steile afgronden, waar +zij in ’t ongestoorde bezit zijn van vele holen en gaten in de losse +steenmassa. Het kost hun, naar ’t schijnt, niet veel moeite, voedsel te +vinden; want zij zien er zeer welgedaan uit. Men houdt ze gewoonlijk +voor buitengewoon schuw, en zegt, dat zij bij het geringste gedruisch +vluchten; mijn berichtgever ontkent dit echter, en toonde mij tot +bewijs voor zijn bewering eenige rotsen, van waar zij hem op +dienzelfden morgen hadden aangestaard, zonder vrees te toonen voor zijn +kleurigen Engelschen uniform of voor zijn onderofficiersblik. Vrij +langen tijd bleven zij staan op een afstand van 30 à 40 M. van de +borstwering, waartegen hij leunde, en trokken zich ten slotte dood op +hun gemak terug. Dat men ze zoo zelden ziet, bijna alleen gedurende hun +„omtocht” naar de tegenovergestelde zijde van de rots, schijnt te +wijzen op een zeer schuwen, ongezelligen aard: want niemand vervolgt +ze; veeleer behoedt men ze angstvallig voor alles wat hun lastig kan +zijn.” + +Een jaar later meldt Posselt van dezelfde Apen: „Gedurende de overvaart +van Cadiz naar Gibraltar, had een te Gibraltar wonende Engelschman mij +op mijne vragen naar de Apen geantwoord, dat er geen meer waren. In de +stad verzekerde men mij het tegendeel; hun aantal werd echter +verschillend aangegeven (3 à 15); de reden van deze onzekerheid is +waarschijnlijk te zoeken in de levenswijze dezer dieren; zij houden +zich in de steilste en ontoegankelijkste gedeelten van de rotsen op, en +zijn zeer schuw. Zonder gids begaf ik mij op weg, ging langzaam langs +het gemakkelijkste pad omhoog, doch week op ongeveer twee derde van de +hoogte naar links af van den hoofdweg, die naar het signaalstation +leidt, en begaf mij naar den hoogsten, noordelijken top van de rots. +Het heerlijke panorama, dat zich onder mij uitbreidde, boeide mij +zoozeer, dat ik de Apen reeds geheel vergeten had, toen plotseling bij +de laatste bocht van den weg mijn aandacht getrokken werd door een +eigenaardig schel geluid, dat ik in ’t eerst voor ’t blaffen van een +Hond in de verte hield. Op ongeveer 200 schreden afstand voor mij, lag +de eerste batterij met hare dreigend naar Spanje gerichte, ijzeren +kanonnen. Op de gemetselde borstwering van deze batterij liep een dier +van de grootte van een Schotschen Dashond, dat zich langzaam van mij +verwijderde, en van dit dier kwam het gehoorde geluid. Ik bleef staan, +en zag nu, dat het een van de Apen was, waarschijnlijk die, welke de +wacht moest houden. Aan het einde van den muur, nader bij de +Middellandsche zee, lagen twee andere Apen behaaglijk in den +zonneschijn uitgestrekt. Langzaam, voetje voor voetje, naderde ik het +merkwaardig gezelschap, welks leden nu dicht bij elkander waren gaan +staan, en mij opmerkzaam aanzagen. Op een afstand van ongeveer 100 +schreden stond ik stil, en keek naar de dieren, die allengs hun +schroomvalligheid hadden laten varen. Op allerlei wijzen toonden zij +hun welgevallen in den warmen zonneschijn; nu eens omarmden zij +elkander, dan weder wentelden zij zich behaaglijk op den muur om. +Dikwijls sprong een van hen al spelend op een van de kanonnen, en kwam, +door de geschutpoorten sluipend, aan de andere zijde weer bij zijne hem +hier afwachtende kameraads terug; kortom, zij leefden op deze plaats +zeer huiselijk, en waren naar het scheen, voornemens, zoo lang mogelijk +te genieten van den prachtigen zonneschijn. + +„Hun aantal, dat in vroegere jaren groot was, is thans tot op slechts +drie verminderd; het neemt niet meer toe, waarschijnlijk omdat zij van +één sekse, òf allen mannetjes, òf allen wijfjes zijn, zoodat de kleine +familie weldra geheel uitsterven zal. De eigenaars, van tuinen plachten +vroeger vallen te plaatsen, om hun kweekerij te beveiligen tegen de +strooptochten van deze gasten, die door hun vraatzucht groote +verwoestingen aanrichten. De bescherming van het machtige Engeland was +dus niet voldoende geweest om de vroegste bewoners van zijn sterkste +vesting voor den ondergang te behoeden; na weinige jaren zal de fauna +van Europa een dierengeslacht minder bevatten.” + +Tot geruststelling van alle dierenvrienden kan ik mededeelen, dat +Posselt’s vrees niet bewaarheid is geworden, en dat daaraan integendeel +alle grond ontnomen is. Door tusschenkomst van mijn broeder, die zich +tot den bevelhebber van de vesting had gewend met een verzoek om +inlichtingen, ontving ik n.l. het volgende bericht: + +„Het getal van de Apen, die tegenwoordig onze rotsen bewonen, bedraagt +elf. Daar het gebleken is, dat zij op de rotsen zonder moeite voldoende +voedsel vinden, worden zij niet gevoederd, maar geheel aan zich zelf +overgelaten. De signaalwachter en de politiebeambten waken over hun +veiligheid, en verhinderen, dat zij gejaagd, of op een andere wijze +verontrust worden. De eerstgenoemde houdt boek over hen, en is, daar +zij steeds bijeenblijven, altijd goed op de hoogte van de verandering +of vermeerdering van hun aantal. + +„Wanneer en hoe zij op de rotsen gekomen zijn, weet niemand te zeggen; +men hoort hierover de meest verschillende meeningen. Voor ongeveer 6 of +7 jaren was hun aantal tot op drie stuks verminderd. Sir William +Codrington heeft, vreezend dat zij geheel zouden uitsterven, drie of +vier dieren van dezelfde soort van Tanger ingevoerd, en sedert dien +tijd hebben zij zich vermenigvuldigd tot het bovengenoemde getal.” + +Uit een bericht van den allerlaatsten tijd blijkt, dat dit getal thans +meer dan verdubbeld is. Een op goed geluk aan een officier van de +Engelsche bezetting van Gibraltar gerichte brief werd door Kapitein C. +S. Shephard op de meest welwillende wijze beantwoord. „Het is +moeielijk”, schrijft Shephard den 12en Maart 1889, „het aantal +aanwezige Apen nauwkeurig te bepalen. Eergisteren nog zag ik er twaalf; +in den vorigen zomer heb ik er echter wel 25 bijeengezien, en ik denk, +dat men veilig aannemen kan, dat er in ’t geheel omstreeks 30 zijn. In +den tegenwoordigen tijd van het jaar ziet men ze niet zoo dikwijls, +omdat er op de hoogere gedeelten van de rots voedsel en water in +overvloed te vinden zijn. Maar gedurende den heeten zomertijd worden +zij door gebrek aan voedsel gedwongen, zich naar lager gelegen plaatsen +te begeven; dan richten zij een niet onbelangrijke schade in de tuinen +aan. Ongeveer in Juni of Juli van het vorige jaar hadden de Apen +minstens zes jongen. Het volwassene mannetje is van aanzienlijke +grootte, volle 3 voet hoog; de grootste, wijfjes zijn ook zeer goed +ontwikkeld, maar slanker en niet zoo krachtig en gedrongen van +gestalte. Het sterkste mannetje houdt zich gewoonlijk alleen, op +eenigen afstand van de bende op.” + +Volgens deze nieuwste waarnemingen is het dus volstrekt niet te +vreezen, dat Europa’s laatste, in ’t wild levende Apen uitsterven +zullen. + + + +„De Talapoin-Aap (Myiopithecus)”, zegt Wallace, „verschilt van de +overige Afrikaansche Apen door den bouw van de laatste kies, door de +groote ooren, het kort aangezicht en het breede neusmiddelschot. In dit +opzicht en ook door zijn lief uiterlijk en de gratie zijner bewegingen +gelijkt hij eenigszins op de Amerikaansche Apen.”—Dr. J. E. Rombouts +zegt in „Artis, Kijkjes in den Dierentuin” het volgende: „Deze lieve +diertjes zijn veel schuwer dan de andere in de apenkooi aanwezige Apen. +Bij het minste vreemde geluid zoeken ze bij elkaar hun troost, dan +zitten ze op een boomstam lijf aan lijf ineengehurkt, als om elkander +te beschermen, en hunne geestige kopjes zijn alleen naar den +toeschouwer gericht. De lange staarten hangen bij zulk een gelegenheid +lijnrecht naar beneden, wat een eigenaardig effect teweegbrengt. Deze +aapjes zijn afkomstig uit westelijk Afrika, waar ze gezellig leven; hun +kleur is geelachtig groen; de haren van den kop staan als een kuif +overeind, en, wat hun vooral een aardig voorkomen geeft, is de lange +knevelbaard, die bij den neus begint en over de wangen voortloopt tot +onder de ooren. De kleur van dezen baard is geelachtig, behalve op zij +van den neus, waar hij eenigszins zwart is en een soort van knevel +vormt. De neus is zwart en de lippen zijn vleeschkleurig.” + + + +Het geslacht der Bavianen (Cynocephalus), hoewel een der merkwaardigste +van de geheele orde, is echter volstrekt niet het aantrekkelijkste en +aangenaamste. Het omvat de leelijkste, goorste vlegelachtigste en +daarom afkeerwekkendste van alle Apen; deze zien wij hier op den +laagsten trap, waarop zij staan kunnen. Van edele vormen is hier niets +meer te bespeuren; alle meer verhevene begaafdheden van den geest zijn +in de bandeloosheid der hartstochten te gronde gegaan. + +In navolging van Aristoteles, worden de Bavianen ook wel Hondskop-apen +genoemd, omdat de bouw van hun kop in eenige opzichten meer gelijkt op +dien van een groven, ruwen Hond dan op het hoofd van den mensch, +waaraan de overige Apen in de verte herinneren. Toch is de +overeenstemming, waaraan de bedoelde naam haar oorsprong ontleent, +slechts zeer oppervlakkig. De vergelijking waarop zij berust, bevredigt +ons niet, omdat de kop van den Baviaan evenzeer een misvorming is van +dien van den Hond, als de kop van den Gorilla dit is van het hoofd van +den mensch. Het Bavianengezicht verschilt echter door zijn +vooruitstekenden snoet zoozeer van dat van andere Apen, dat de door +Aristoteles gegeven naam behouden kan blijven. + +Naast de Anthropomorphen zijn de Hondskop-apen de grootste +vertegenwoordigers van de orde der Apen. Hun lichaamsbouw is gedrongen, +hun spierkracht verbazend groot. De zware kop verlengt zich tot een +sterken en langen, van voren afgeknotten, dikwijls gezwollen of +gegroefden snuit met vooruitstekenden neus; het gebit ziet er +roofdierachtig uit door de sterke ontwikkeling der hoektanden, die aan +de achterzijde met een scherpen kant voorzien zijn. De lippen zijn zeer +beweeglijk, de ooren klein. De uitdrukking van de oogen, die door +vooruitstekende wenkbrauwbogen overschaduwd zijn, is een getrouwe +weerspiegeling van het gemoed van hun eigenaar—listig en valsch in de +hoogste mate. Alle ledematen zijn kort en sterk, de handen hebben vijf +teenen; de soms korte, soms lange staart is gelijkmatig behaard of aan +’t einde kwastvormig; de wangzakken zijn groot; de eeltplekken aan ’t +zitvlak bereiken een waarlijk afkeerwekkende grootte, en vertoonen +gewoonlijk merkwaardig sprekende kleuren. Bij eenige soorten verlengt +de lange en losse beharing zich aan kop, hals en schouders tot goed +gevulde manen; het haar heeft een moeielijk te omschrijven kleur, niet +zelden overeenkomende met die van den bodem of van de rotsen, waarop +zij leven, zooals grijs, grijs-groenachtig geel, bruinachtig groen. + +Het verbreidingsgebied van de Bavianen strekt zich uit over Afrika, +Arabië en Indië. In eenige streken treft men soorten aan, die alleen +daar gevonden worden; de overige zijn verder verbreid en daarom aan +verscheidene landen gemeen. + +Hoewel de Bavianen bij voorkeur rotsen bewonen, houden sommige soorten +zich toch ongetwijfeld ook in de bosschen op, en zijn bekwamer in ’t +beklimmen van de boomen, dan men op grond van waarnemingen aan verwante +dieren in boomlooze oorden wel eens beweerd heeft. In ’t gebergte komen +zij tot op een hoogte van 3000 à 4000 M. boven de oppervlakte der zee, +ja zelfs tot aan de sneeuwgrens; toch geven zij, naar het schijnt, de +voorkeur aan de landstreken van 1000 à 2000 M. hoogte boven het hoogere +bergland. Dat bergachtige gewesten hun eigenlijk vaderland zijn, wordt +reeds door de oudste reizigers vermeld. + +Het voedsel van de Bavianen bestaat hoofdzakelijk uit bollen, knollen, +grassen, kruiden, vruchten van laaggroeiende planten, eieren en kleine +dieren van allerlei soorten. Waarschijnlijk echter zijn deze goed +gewapende en vlugge wezens niet altijd tevreden met een kleine prooi, +hun verlangen naar dierlijk voedsel zal hen ook wel nopen, om als echte +roovers grootere dieren te overvallen. Volgens de mededeelingen van +Fischer maken de Oost-Afrikaansche Bavianen niet slechts op Hoenderen +jacht, maar trachten zij ook Dwerg-Antilopen en zelfs de vrij groote +Bosch-Bokken te overmeesteren. In de aanplantingen, vooral in de +wijngaarden, richten de Bavianen buitengewoon groote verwoestingen aan; +men beweert zelfs, dat zij hunne rooftochten op een geregelde wijze +naar een vooraf beraamd plan ondernemen. + +Meer dan de overige Apen toonen de Bavianen door hun houding, dat zij +eigenlijk op den grond thuis behooren. Hun geheele lichaamsbouw bindt +hen aan den bodem. Hun gang gelijkt op dien van een plompen Hond; ook +wanneer zij zich oprichten, steunen zij het lichaam liefst met een van +de handen. Zoolang zij zich kalm gedragen en den tijd hebben, zijn +hunne schreden langzaam en log: zoodra zij zien, dat zij vervolgd +worden, gaat deze gang in een merkwaardigen galop over, die met de +allerzonderlingste bewegingen gepaard gaat. Hun gang onderscheidt zich +door een zekere lichtzinnige onbeschaamdheid, die men gezien moet +hebben om er een voorstelling van te verkrijgen. + +De eigenschappen van hun geest zijn volstrekt niet in strijd met hun +uitwendig voorkomen. Om ze te beschrijven beginnen wij met een +aanhaling van Scheitlin’s woorden: + +„Alle Bavianen zijn in meerdere of mindere mate slecht van aard, altijd +wild, toornig, onbeschaamd, haatdragend; hun snuit is gevormd naar het +grofste hondenmodel, hun gelaat misvormd. Sluw is hun blik, boosaardig +hun gemoed. Daarentegen zijn zij leerzamer dan de kleine Apen, en +toonen nog meer verstand, dat zich echter altijd in den vorm van list +openbaart. Vooral bij hen treedt een der merkwaardigste eigenschappen +van de Apen, de zucht tot nabootsing, duidelijk te voorschijn, waardoor +het schijnt, dat zij geheel menschachtig kunnen worden, hoewel zij +altijd aapachtig blijven. Valstrikken en gevaren merken zij gemakkelijk +op, en tegen vijanden verdedigen zij zich moedig en hardnekkig. Hoe +boos van aard zij ook zijn, toch kan men ze in hun jeugd veranderen, +temmen, gehoorzaam maken; op lateren leeftijd, als hun aanleg verzwakt, +hun gevoel verstompt is, komt de oude Adam, hun ware, booze aard weer +boven. Zij houden op gehoorzaam te zijn, grijnzen, krabben en bijten +weder. De opvoeding was niet diep genoeg doorgedrongen. Men zegt, dat +zij in vrijen toestand schranderder en verstandelijk hooger ontwikkeld +zijn, in de gevangenschap daarentegen zachtaardiger en geleerder +worden. Hun familienaam is immers „Hondskop”. Hadden zij, behalve den +kop, ook maar de ziel van den Hond!” + +Op Scheitlin’s woorden valt niets af te dingen: het door hem geteekende +beeld is juist. De geest van de Bavianen is als ’t ware de apengeest op +zijn hoogsten trap van volkomenheid; evenwel is hij dit meer in den +slechten dan in den goeden zin. Eenige voortreffelijke eigenschappen +kan men hun niet ontzeggen. Zij hebben een merkwaardige genegenheid +voor elkander en voor hunne kinderen; zij houden ook van den mensch, +die hen verzorgd en opgevoed heeft, en worden hem zelfs op allerlei +wijzen nuttig. Maar al deze goede zijden wegen in de verste verte niet +op tegen hunne onhebbelijkheden en booze hartstochten. List en +valschheid zijn algemeen voorkomende eigenschappen bij de +Hondskop-apen; vooral onderscheiden zij zich door een vreeselijke +woede. Hun toorn is als een opvlammend stroovuur, zoo schielijk bereikt +hij een grooten omvang; hij blijft echter aanhouden en is niet zoo +gemakkelijk weder te bedaren. Een enkel woord, een spottend gelach, een +schuinsche blik kunnen een Baviaan razend maken, en in zijn woede +vergeet hij alles, zelfs zijne genegenheid voor den persoon, dien hij +zooeven liefkoosde. Daarom blijven deze dieren in alle omstandigheden +gevaarlijk; hun ruwe inborst treedt af en toe naar buiten, al +openbaarden zij haar gedurende geruimen tijd in ’t geheel niet. Hunne +vijanden behandelen zij op een waarlijk afschuwelijke wijze. + +Hoewel de Bavianen voor den mensch vluchten, aanvaarden zij toch in +geval van nood den strijd met hem en ook met Roofdieren, en deze strijd +wordt dikwijls recht gevaarlijk. De Luipaard is, naar het schijnt, hun +voornaamste vijand; hij belaagt echter de jonge dieren meer dan de +oude, omdat hij alle reden heeft om vooraf eens te overwegen, of zijne +hoektanden en klauwen wel opgewassen zijn tegen het gebit en de handen +van de Bavianen, ’t Is volstrekt geen zeldzaamheid, dat Honden in een +strijd met den Baviaan het onderspit delven, en toch kennen deze edele +dieren geen grooter vermaak dan de jacht op zulke Apen. Behalve de +Hond, de Luipaard en de Leeuw hebben de Bavianen nagenoeg geen +vijanden, die voor hen bijzonder gevaarlijk zijn. Men mag echter wel +aannemen, dat de Apen leelijke ervaringen hebben opgedaan van den +vreeselijken giftand der Slangen. Geen Baviaan licht een steen op, of +doorzoekt een struik, zonder zich vooraf te vergewissen, dat hieronder +of hierin geen Slang verborgen is. Voor Scorpioenen zijn deze looze +dieren niet bang; integendeel zij weten ze met groote behendigheid te +vangen en van hun gifklauw te berooven, zonder zich er aan te wonden. +Daarna verslinden zij den Scorpioen met hetzelfde genoegen als andere +Spinnen of als Insecten. + +Het nut van de Bavianen is gering. Wegens hunne leerzaamheid worden zij +tot allerlei kunststukjes afgericht. In Zuid-Afrika dienen zij, naar +men zegt, nog tot het opzoeken van water in de woestijn. Getemde +Bavianen worden voor dit doel meegenomen naar de waterarme gewesten, +waar zelfs de Bosjesmannen het onontbeerlijke vocht slechts in uiterst +kleine hoeveelheid kunnen vinden. Als de watervoorraad ten einde loopt, +krijgt de Baviaan iets hartigs te eten. Na eenige uren neemt men hem +dan aan een lijn en laat hem loopen. Het door dorst gekwelde dier wendt +zich nu eens naar rechts, dan weer naar links, loopt vooruit en +achteruit, snuffelt in de lucht, rukt planten uit, om ze te proeven, en +wijst eindelijk door in den grond te graven, het verborgene, of door in +één richting vooruit te ijlen, het aan de oppervlakte aanwezige water +aan. + + + +De Aap, dien wij nu beschouwen zullen, wordt door vele dierkundigen tot +de Bavianen, door andere echter tot de Makaken gerekend. In vele +opzichten komt hij met de Echte Hondskop-Apen overeen, door zijne +gestalte echter verschilt hij er van, en dit heeft aanleiding gegeven +tot het genoemde verschil in meening der natuuronderzoekers. Men moet +hem beschouwen als een overgangsvorm, die de kenmerken van twee +diergroepen vereenigd vertoont, en tusschen deze beide het midden +schijnt te houden. Wie hem tot de Makaken wil rekenen, kan gelijk +hebben; wie hem bij de Hondskop-apen voegt, eveneens. + +De Zwarte, Moor- of Kuifbaviaan (Cynopithecus niger) onderscheidt zich +van de overige Hondskop-apen door zijn korten staart en door den vorm +van den snuit, die breed, plat en kort is: een eigenaardig kenmerk van +dit dier is vooral te vinden in den neus, die niet, zooals bij de +Bavianen, over de bovenlip uitsteekt, maar vrij ver achter den +bovenlipsrand eindigt. Onze Aap wordt daarom beschouwd als de +vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, dat der Honds-apen in +engeren zin (Cynopithecus). Het aangezicht en het zitvlak zijn naakt, +alle overige lichaamsdeelen echter bedekt met een lange en wollige +vacht, die op de ledematen korter is, maar zich op den kop tot een vrij +lange kuif verheft. Het haarkleed is, evenals de naakte, fluweelachtige +huid van het aangezicht, effen donker zwart. Het zitvlak is rood. De +Kuif-Baviaan is kleiner dan al zijne verwanten. Het lichaam is 65 cM., +het staartstompje ternauwernood 3 cM. lang. + +De Zwarte Hondsaap bewoont Celebes; hij komt er vrij talrijk voor. Over +zijne levenswijze in vrijen toestand zijn de berichten schaarsch. + +In den laatsten tijd werd hij dikwijls naar Europa overgebracht, en +heeft er geruimen tijd in gevangenschap geleefd. Het exemplaar, dat ik +in den Amsterdamschen dierentuin zag, scheen zich zeer wel te bevinden. +Overdag werd hij geregeld bij de Meerkatten gebracht, die in het groote +Apenhuis de toeschouwers vermaakten. De overmoedige en heerschzuchtige +Zwarte Baviaan zou alle schroomvalligere Apen geplaagd hebben, indien +de vlugge Meerkatten hem niet te rechtertijd ontvloden waren. Met de +Makaken scheen hij op vrij goeden voet te staan, met een vrouwelijke +Baboeïn was hij zelfs zeer intiem; aan deze teedere dame bewees hij +allerlei attenties, en liet zich tot loon door haar gaarne zijn vacht +doorzoeken. Onze afbeelding (p. 34) is sprekend gelijkend. In de +nadenkende houding, die hij hier heeft, zit hij dikwijls uren +achtereen; waarschijnlijk beramen zijne hersenen dan het plan tot +nieuwe dolle of lichtzinnige streken. + +Volgens Broekman is geen enkele Aap zoo goed als deze voor het +Apentheater geschikt. Hij leert gemakkelijk al spelend, onthoudt het +geleerde en „werkt” met ware liefhebberij. Wegens zijn zeldzaamheid en +den hoogen prijs, die voor hem betaald moet worden, ziet men hem niet +geregeld op de planken; bovendien houdt hij het er ongelukkig niet lang +uit. + +Van de eigenlijke Bavianen, en meer bepaaldelijk van die, welke geen +haarmantel dragen, heb ik den Gewonen Baviaan of Baboeïn (Cynocephalus +babuin) het best leeren kennen, hoewel ik alleen de levenswijze van dit +dier in gevangenschap heb kunnen nagaan. Met den zooeven beschreven +stamgenoot of met de Mantel-Bavianen kan hij niet licht verward worden, +wel echter met andere Hondskop-apen, vooral met den in Zuid-Afrika +levende Tsjakma of Kaapschen Baviaan (C. porcarius) of met de +West-Afrikaansche Sphinx (C. sphinx, ook wel Bruine Baviaan genoemd), +die veel op hem gelijken. De gladharige, gelijkmatige vacht is aan de +rugzijde olijfgroenachtig geel: op ieder haar wisselen gele en +zwartachtige ringen met elkander af; de onderdeelen zijn lichter, de +wangen witachtig geel behaard. Het aangezicht en de ooren zijn +zwartachtig loodkleurig, de bovenste oogleden witachtig, de handen +bruinachtig grijs, de oogen lichtbruin. Volwassen mannetjes bereiken +bij 65 à 70 cM. hoogte in de schoften een totale lengte van 1.50 M., +waarvan echter ongeveer een derde gedeelte op den betrekkelijk dunnen +staart valt. De Tsjakma is aanmerkelijk grooter, plomper gebouwd en +donkerder van kleur, de Sphinx eer kleiner, maar kennelijk krachtiger +ontwikkeld, haar snuit is korter, en onderscheidt zich zeer door een +vreemdsoortige verdikking der wangbeenderen; haar vacht, welker haren +zwartachtig grijze en roodachtige bruine ringen vertoonen, is niet +geelachtig bruin, maar roodachtig bruin met een oliegroene tint. + +Daar de levenswijze en de gewoonten van deze drie Bavianen nagenoeg +geen verschil aanbieden, zal ik mij van nu af vooral tot den Gewonen +Baviaan bepalen. + +Deze Aap bewoont nagenoeg dezelfde gewesten als de Hamadryas, maar +dringt verder in Centraal-Afrika door dan deze. In Abessinië, Kordofan +en andere Middel-Afrikaansche landen is hij inheemsch, en waar hij +voorkomt, vindt men hem in grooten getale. Volgens Böhm en Reichard is +hij ook in Duitsch Oost-Afrika algemeen, en strekt zijn +verbreidingsgebied zich nog ver ten zuidwesten van het Tanganjika-meer, +tot aan den bovenloop van den Loealaba, uit—tenzij men hier met een +verwisseling van twee soorten te doen heeft. + +In zijne bewegingen en houding gelijkt de Baboeïn volkomen op de andere +Bavianen; door zijne geestesgaven onderscheidt hij zich echter in zijn +voordeel van hen. Het is een zeer schrander dier, dat zich, als het +jong gevangen is, zeer gemakkelijk aan den mensch gewent, zich zonder +moeite tot allerlei kunstverrichtingen laat dresseeren, en, ondanks +slechte behandeling, met groote trouw aan zijn meester hangt. Het +wijfje is zachtaardiger en lieftalliger dan het mannetje, dat dikwijls +kuren en onhebbelijkheden toont zelfs tegenover zijn meester, terwijl +het wijfje met dezen op een zeer vertrouwelijken voet verkeert. + +De eerste Baboeïn, dien ik bezat, werd Perro genoemd. Het was een +aardige, vroolijke Aap, die reeds na 3 dagen geheel aan mij gewoon was +geraakt. Ik stelde hem als deurwachter aan, door hem vast te leggen aan +een plek boven onze tuindeur. Hier had hij zich spoedig een geschikt +plaatsje uitgekozen, van waar hij de deur op de zorgvuldigste wijze +bewaakte. Alleen wij en onze kennissen mochten binnengaan; aan +onbekenden werd standvastig de toegang ontzegd; daarbij stelde hij zich +zoo woest aan, dat hij altijd vastgehouden moest worden, tot de +bedoelde persoon binnengetreden was, dien hij anders als een dollen +Hond aangevlogen zou hebben. Bij elke opwinding toonde hij zich een +Baviaan van top tot teen, met alle gebruiken en gewoonten, +eigenschappen en onhebbelijkheden van de leden van dit geslacht, welker +gebaren over ’t geheel een zeer groote overeenstemming vertoonen. Als +hij toornig was, stak hij den staart omhoog, en, op de beide achterste +ledematen en één hand rustend, sloeg hij met de andere hand heftig op +den grond, zooals een woedend mensch op de tafel slaat, zonder evenwel +den vuist te ballen, gelijk deze doet. Zijne oogen fonkelden en +schitterden; hij liet een gillend geschreeuw hooren en schoot woedend +op zijn tegenstander toe. Niet zelden huichelde hij met onovertroffen +arglistigheid geheel andere gevoelens, nam een zeer vriendschappelijke +houding aan, smakte verscheidene malen snel achtereen, wat bij hem +altijd voor een vriendschapsbetuiging gold, en strekte vol verlangen de +handen uit naar den persoon, dien hij beetnemen wilde. Als deze hem ook +de hand toestak, greep hij die schielijk en trok zijn vijand naar zich +toe, om hem te krabben en te bijten. Hij leefde in vrede en vriendschap +met alle dieren, behalve met de Struisvogels, die wij hadden. Deze +droegen echter de schuld van de gespannen verhouding, die er tusschen +hen en onzen Aap bestond. Perro zat, als zijne portiersdiensten +onnoodig waren, gewoonlijk rustig op zijn muur, en hield zich een +stroomat als een parasol boven ’t hoofd, om zich tegen de verzengende +zonnestralen te beschutten. Intusschen lette hij niet bijzonder op zijn +langen staart, en liet dezen bij den muur naar beneden hangen. Nu moet +men weten, dat de Struisvogels de onhebbelijkheid hebben, om naar alles +wat niet spijkervast is, te happen. En zoo gebeurde het dan zeer +dikwijls, dat de een of andere van deze Vogels waggelend naderbij kwam, +zijn dommen kameelkop naar den apenstaart toeboog, en hierin den niets +kwaads vermoedenden Perro onverwachts een flinken beet toebracht. Den +stroomat wegwerpen, luid schreeuwen, den Struis met beide handen bij +den kop pakken en hem duchtig door elkander schudden, was het werk van +een oogenblik. Dikwijls duurde het wel een kwartier, voordat de Aap na +zulk een onverhoedschen aanval van zijn gemoedsaandoening bekomen was. +Het was dus niet te verwonderen, dat Perro den Struis, telkens als hij +hem raken kon, een slag of een stomp gaf. + +Al onze Bavianen waren, evenals de inboorlingen, hartstochtelijke +liefhebbers van merisa, een soort van bier, dat de Soedanezen uit hun +doerrha- of dochankoorn weten te bereiden. Dikwijls gingen zij zich aan +dezen drank te buiten, en bewezen mij daardoor, dat de Soedanezen mij +de waarheid hadden verteld, toen zij mij mededeelden, op welke wijze +zij gewoon zijn Bavianen te vangen. In geheel Afrika geldt het voor een +bekende zaak, dat de Bavianen dol veel houden van alcoholische dranken +en zich zeer gaarne een roes drinken. Men zet daarom potten met zulke +dranken voor hen neer, en als de Apen dronken geworden zijn, maakt men +zich van hen meester.—De Bavianen hielden ook wel van rooden wijn, maar +lieten den brandewijn steeds staan. Eens goten wij hun met geweld een +glaasje brandewijn in de keel. De gevolgen waren weldra zichtbaar, daar +de dieren vooraf reeds volop merisa hadden gedronken. Zij werden +volslagen dronken, trokken allerafschuwelijkste gezichten, werden +overmoedig, hartstochtelijk, dierlijk, kortom zij leverden een +afschrikwekkende carricatuur van dronken menschen. Den volgenden morgen +vertoonden zich bij hen alle verschijnselen van katterigheid. + +Met de andere levende dieren, die ik destijds bezat, verdroegen zij +zich zeer goed. Een tamme Leeuwin boezemde wel aan de Meerkatten groote +vrees in, niet echter aan de moedige Hondskop-apen. Zij vluchtten ook +wel, als het gevreesde dier naderde, hielden echter dapper stand, +zoodra de Leeuwin werkelijk een poging deed om een Baviaan aan te +vallen. Hetzelfde heb ik later telkens weer opgemerkt. Mijne tamme +Bavianen gingen b.v. aan den loop, als ik Jachthonden op hen aanhitste, +dreven ze echter oogenblikkelijk op de vlucht, als een van de Honden +het in ernst waagde, hen aan te pakken. De vluchtende Aap sprong dan +onder vreeselijk gebrul bliksemsnel achteruit, greep den Hond met +ongelooflijke behendigheid vast, sloeg hem op den kop, beet en krabde +hem zoo erg, dat zijn tegenstander totaal verbluft en gewoonlijk +droevig huilend, zich uit de voeten maakte. Des te grappiger was hun +alle perken te buiten gaande vrees voor Kruipende Dieren en Amphibiën +van allerlei soort. Een onschuldige Hagedis, een onnoozele Kikvorsch +brachten hen in den vollen zin van ’t woord tot wanhoop! Zij werden +letterlijk razend, trachtten een hoog gelegen plaats te bereiken, en +klemden zich krampachtig vast aan balken en muren, zoover hun touw dit +toeliet. Toch waren zij zoo nieuwsgierig, dat zij het nooit laten +konden, de voor hen zoo verschrikkelijke dieren van nabij te bekijken. +Ik bracht onder anderen meermalen vergiftige Slangen in blikken doozen +mede. Zij wisten uit ervaring, welke gevaarlijke wezens er in deze +doozen waren, konden echter geen weerstand bieden aan de begeerte om de +geslotene gevangenissen der Slangen open te maken, en verlustigden zich +dan als ’t ware in hun eigen ontsteltenis. + +Een van deze dieren nam ik mede naar mijn woonplaats in Duitschland. +Het onderscheidde zich door merkwaardige verstandelijke ontwikkeling, +maar voerde ook vele looze en dolle streken uit. Onze Huishond had +jaren lang als dwingeland den hof beheerscht, en was op zijn ouden dag +zoo brommig geworden, dat hij eigenlijk met geen enkel schepsel in +vrede leefde, en, als hij boos was, of gestraft zou worden, zelfs naar +zijn eigen meester beet. In Atila, zoo heette onze Baviaan, vond hij +echter een tegenstander, die tegen hem opgewassen was niet alleen, maar +zelfs baas over hem wist te worden. Atila schiep er behagen in, den +Hond op allerlei wijzen te kwellen. Als deze buiten in den hof zijn +middagslaapje hield, en zich zoo gemakkelijk mogelijk op het groene +gras had uitgestrekt, sloop de plaagzieke Apin zachtjes naar hem toe, +zag met welgevallen, dat hij vast sliep, vatte hem voorzichtig bij den +staart en wekte hem uit zijne droomen door een plotselingen ruk aan dit +eerwaardig aanhangsel. Woedend sprong de Hond overeind, en schoot +blaffend en knorrend op de Apin toe. Deze nam de meest uitdagende +houding aan, klopte met de eene hand herhaaldelijk op den grond, en +wachtte onbezorgd haar verbitterden vijand af. Deze kon tot zijn +grenzenlooze ergernis nooit bij haar komen. Zoodra hij namelijk naar +haar hapte, wipte zij met één sprong over den Hond heen, en had hem in +’t volgende oogenblik weer bij den staart beet. Het is te begrijpen, +dat de Hond door zulke beleedigingen ten slotte letterlijk razend werd, +en werkelijk schuimbekte van woede. Het baatte hem echter niets; hij +moest eindelijk steeds met den staart tusschen de pooten het veld +ruimen. + +Buitengewoon groot was haar scherpzinnigheid. Meesterlijk verstond zij +de kunst van stelen; zij maakte deuren open en dicht, en was bijzonder +knap in ’t losmaken van knoopen, wanneer zij meende hierdoor iets, wat +dan ook, meester te kunnen worden. Doozen en kisten opende zij +eveneens, en plunderde ze daarna altijd schoon leeg. Wij plachten haar +dikwijls verschrikt te maken door een hoopje kruit vóór haar op den +grond te strooien, en dit dan met zwam aan te steken. Gewoonlijk begon +zij hard te schreeuwen, zoodra het kruit in brand vloog, en deed een +zijsprong, zoover als haar touw dit toeliet. Toch liet zij zich een +dergelijke bangmakerij slechts eenige malen welgevallen. Later was zij +loos genoeg om het glimmende zwam met de handen uit te knijpen, en zoo +het ontbranden van het kruit te voorkomen! Dan vrat zij in den regel +het kruit op, waarschijnlijk, omdat de salpetersmaak haar aanstond. + +Haar genegenheid voor mij ging alle grenzen te buiten. Wat ik ook deed, +haar gehechtheid aan mij verloochende zich niet. Naar het scheen, hield +zij mij altijd voor volkomen onschuldig aan al het leed, dat haar +wedervoer. Als ik haar kastijden moest, werd zij nooit woedend op mij, +maar altijd op hen, die toevallig aanwezig waren, waarschijnlijk, omdat +zij meende, dat deze schuld hadden aan de afstraffing, die zij +ondergaan had. Mij gaf zij in alle omstandigheden de voorkeur boven al +hare kennissen: als ik naderde, werd zij oogenblikkelijk een vijand van +ieder, dien zij zooeven nog geliefkoosd had. + +Door vriendelijke woorden gevoelde zij zich zeer gevleid; gelach bracht +haar uit haar humeur, vooral als zij bemerkte, dat het haar gold. +Telkens als wij haar riepen, antwoordde zij; ook kwam zij bij mij, +zoodra ik dit wenschte. Ik kon verre wandelingen met haar maken, zonder +haar aan een touw te houden. Zij volgde mij als een Hond, hoewel zij +naar eigen verkiezing links en rechts van den weg afweek. + + + +De reeds meermalen genoemde Baviaan, die zoowel wegens zijn gestalte +als wegens zijn uitmuntend verstand, en misschien ook op grond van +minder beminnelijke eigenschappen, bij de oude Egyptenaren een groote +rol speelde, is de Hamadryas of Mantel-Baviaan (Cynocephalus +hamadryas). Hoe het komt, dat hem de eer te beurt gevallen is, naar een +oud-grieksche boom-nymf genoemd te worden, weet ik niet; in zijne +gestalte en in zijn wezen ligt waarlijk niets van „das ewig Weibliche, +das uns hinanzieht”. Van de volken der oudheid heeft hij dezen naam +niet gekregen. Herodotus, Plutarchus en Plinius noemen hem +Cynocephalus, bij Strabo heet hij Cebus, bij Juvenalis Cercopithecus, +bij Agatharchides Sphinx. Bij de hedendaagsche Abessiniërs is Hebe, bij +de Arabieren Robah en in Egypte eindelijk Khird de naam, waaronder hij +bekend is. Bij al die namen is er geen, die aan de een of andere nymf +herinnert, tenzij men „sphinx” als zulk een naam aanmerken wil. + +Van de vereering, die den Hamadryas van wege de oude Egyptenaars ten +deel viel, heeft Duméril ons op de hoogte gebracht. Op de Egyptische +oudheden wordt onze Baviaan als ’t ware als opperhoofd van zijn +geslacht aangeduid. Het heilige hiëroglyphen-schrift bevat dikwijls +afbeeldingen van Apen; alleen de Hamadryas, en dan nog wel steeds het +oude mannetje komt er in voor, gezeten op het altaar, de eerbewijzen +der menschen ontvangend. Herhaaldelijk ziet men hem ook afgebeeld als +rechter, die over de goede werken en misdrijven der menschen oordeelt; +hij heeft een weegschaal voor zich, en beschouwt met ernstigen blik den +stand der schalen. Een hooge achting voor de godheid, welker zinnebeeld +hij was, spreekt uit alle oud-Egyptische afbeeldingen. Waarschijnlijk +had de vereering van den Hamadryas en die van den Krokodil denzelfden +grondslag: zij vloeide voort uit vrees; want toen reeds waren er +menschen, die hun God vreesden, in plaats van hem lief te hebben. + +Merkwaardig is het, dat niet alleen de Egyptenaars aan dezen Aap +achting betoonden, maar dat ook bij andere volken een dergelijk gevoel +wordt waargenomen. Alle bewoners van de steppen van Centraal-Afrika en +ook een groot deel van de Abessiniërs dragen hun haar precies op +dezelfde wijze gekamd en gescheiden als de Hamadryas; hij heeft +klaarblijkelijk deze menschen als model gediend, al hebben zij ook meer +het afgebeelde dan het levende dier voor oogen gehad. In den +tegenwoordigen tijd wordt den Hamadryas in deze landen geen eer meer +bewezen. De schade die hij aanricht, is te groot, dan dat hij zich de +vriendschap van den mensch zou hebben verworven. + +In onzen tijd vindt men dit dier in Egypte nergens meer in ’t wild. +Prosper Alpinus, die in ’t jaar 1580 in Egypte was, zegt uitdrukkelijk, +dat daar geen Apen gevonden worden, maar dat deze uit Arabië worden +ingevoerd. „Zij zijn zoo talentvol,” zegt hij verder, „dat men hun het +verstand niet ontzeggen kan. De dierentemmers leeren hun zeer +gemakkelijk wat zij willen, soms hoogst vernuftige spelen, waarmede zij +de toeschouwers vermaken. Zulke afgerichte Apen ziet men dikwijls in +Kaïro, Alexandrië en op andere plaatsen.”—Ik ontmoette den +Mantel-Baviaan gedurende mijn eerste reis in Afrika nergens in wilden +staat, des te vaker overkwam mij dit echter gedurende mijn, ongelukkig +maar zeer kort, uitstapje naar Abessinië in de lente van 1862; ik kan +dus op grond van eigen ervaring over hem spreken. + +De Hamadryaden bewonen in vrij groot aantal het geheele kustgebied van +Abessinië en Zuid-Nubië, noordwaarts zoover er regen valt. Hoe rijker +aan planten de bergstreken zijn, des te beter bevallen zij hun. De +nabijheid van water is een noodzakelijke voorwaarde voor het welzijn +van een apenbende. Soms begeven de gezelschappen van Apen zich van de +hoogere bergen naar de lagere heuvelrijen van de Samchara (de +woestijnstrook langs de zeekust); de meeste echter blijven altijd in +het hooge gebergte. Hier bewoont elke bende een gebied van misschien 1½ +à 2 mijlen middellijn. Kleine gezelschappen ontmoet men veel zeldzamer +dan groote. Een enkele maal zag ik een troep van 15 à 20 stuks, +overigens echter altijd benden, die volgens de laagste schatting uit +150 exemplaren bestonden. Daarbij zijn dan ongeveer 10 à 15 geheel +volwassen mannetjes (echte monsters van aanzienlijke grootte en met een +gebit, dat door de sterkte en lengte der tanden veel meer indruk maakt +dan dat van den Luipaard) en omstreeks dubbel zooveel volwassene +wijfjes. De andere zijn jongen en halfvolwassen. De oude mannetjes +onderscheiden zich door hun geweldige grootte en den langen haarmantel; +bij een door mij geschoten mannetje van middelbaren leeftijd waren de +mantelharen 27 cM. lang; de wijfjes zijn korter behaard en donkerder, +n.l. olijfbruin, van kleur; de jongen gelijken op de moeder. Onze +afbeelding ontslaat mij van de moeite een beschrijving te geven van de +haren op den kop van den Hamadryas, welker zonderlinge stand bij de +Afrikanen zoo grooten bijval vond; van de kleur moet ik echter +opmerken, dat ieder afzonderlijk haar afwisselend groenachtig bruin en +geelachtig geringd is; hierdoor wordt het zeer moeilijk den totalen +indruk van de kleur van het haarkleed te beschrijven: het meest gelijkt +het op verdord gras. De zijden van den kop en de achterpooten zijn +altijd lichter van kleur, meestal aschgrauw. Het zitvlak is vuurrood, +het onbehaarde gelaat vuil vleeschkleurig. Hoe ouder de mannetjes +worden, des te lichter wordt de kleur van hun mantel. Het komt mij +echter waarschijnlijk voor, dat er minstens twee verschillende soorten +van deze Bavianen zijn: een kleinere, met aschgrauwen mantel, die Azië +bewoont, en een aanmerkelijk grootere, Afrikaansche soort, bij welke de +kleur van den mantel tot in den hoogsten ouderdom nog altijd +groenachtig blauwgrijs is. Onze afbeelding stelt de eerstbedoelde soort +voor. De lengte van het volwassen mannetje bedraagt 0.9 à 1 M., waarvan +20 à 25 cM. op den in een kwast eindigenden staart komen; de hoogte van +de schoften bedraagt 50 cM. + +In den vroegen morgen en als het weder regenachtig is, vindt men de +geheele bende op hare slaapplaats, n.l. in groote en kleine holen van +onbeklimbare rotswanden en op rotsterrassen, die door overhangende +steenmassa’s gedekt zijn. De Apen zitten hier zoo dicht mogelijk +bijeengehurkt; de jongere en zwakkere leden van het gezelschap vleien +zich tegen het lichaam van hun moeder en ook wel van hun vader aan. Bij +goed weder verlaten de Apen hunne slaapplaatsen in den loop van den +voormiddag, om langzaam en op hun gemak een wandeling over de rotsen te +doen; hier en daar trekken zij een plant uit, waarvan de wortel, naar +het schijnt, hun voornaamste voedsel uitmaakt; iedere niet al te groote +steen wordt omgewenteld, omdat de hieronder verborgen Insecten, Slakken +en Wormen als buitengewone lekkernijen worden beschouwd. Na het +nuttigen van dit ontbijt klauteren allen naar de hooge kammen van het +gebergte. De mannetjes gaan hier ernstig en vol waardigheid met den rug +naar den wind gekeerd op de steenen zitten; de wijfjes houden toezicht +op de onverpoosd stoeiende en spelende jongen, en bewegen zich te +midden van deze. In de late namiddaguren begeeft de troep zich naar het +naastbij gelegen water om daar te drinken; vervolgens gaan de Apen +nogmaals voedsel zoeken, waarna zij een geschikte slaapplaats +uitkiezen. Als deze bijzonder gunstig gelegen is, ziet men de Bavianen +iederen dag tegen den avond er heentrekken, natuurlijk slechts zoolang +zij zich hier veilig achten, en niet, als zij er herhaaldelijk +vervolgingen hebben te verduren. Gunstig gelegen achten zij hun +woonplaats ook, wanneer er in de nabijheid doerra-akkers voorkomen. De +eigenaars van deze akkers mogen ze wel zorgvuldig bewaken, om er nog +van te kunnen oogsten; daar zij iederen dag een bezoek hebben te +duchten van de brutale roovers die op de rotsen verblijf houden; deze +vernielen nog meer dan zij opeten, zoodat dikwijls de geheele oogst +verloren gaat. + +Als de Mantel-Bavianen stil zitten, laten zij hun stem niet hooren, +tenzij er iets gebeurt, wat hun aandacht trekt; zoodra zich echter het +een of ander voorwerp in de verte vertoont, b.v. menschen of een kudde +vee, laat een van de Apen zeer zonderlinge geluiden hooren, die nog het +meest gelijken op het geblaf van sommige Honden, en waarschijnlijk +niets anders ten doel hebben, dan den geheelen troep tot opmerkzaamheid +aan te sporen. Wanneer er echter gevaar te duchten is door de nadering +van een mensch of van een Roofdier, worden van allerlei leden van het +gezelschap de meest verschillende geluiden vernomen. Het best kan men +het mengelmoes van stemmen van een opgewondene Hamadryas-bende met het +knorren en krijschen van een talrijke kudde Zwijnen vergelijken. +Daartusschen verneemt men klanken, die soms herinneren aan het doffe +gebrul van den Luipaard, soms aan het zware gebrom van een stier, die +voor de veiligheid van zijn gezin bezorgd is. Het geheele gezelschap +brult, bromt, blaft, schreeuwt, knort en krijscht ordeloos dooreen. +Alle voor den strijd geschikte mannetjes begeven zich naar den rand van +de rots, en kijken oplettend naar beneden in het dal om het gevaar +nauwkeuriger te leeren kennen; de jongen zoeken bescherming bij de +ouderen; de kleinen gaan aan de borst van de moeder hangen, of klimmen +ook wel op haar rug; de geheele troep stelt zich in beweging, en snelt, +op alle vier loopend en springend, heen. + +Voor de inboorlingen gevoelt de Hamadryas zoo goed als geen vrees. Hij +trekt, zonder zich te bekommeren om de bruine menschen, hen op korten +afstand voorbij, en drinkt met hen uit dezelfde beek. Een blanke +boezemt hem meer wantrouwen in; ofschoon het overdreven zou zijn te +beweren, dat de Apen hem schuw ontvluchten. Meer nog dan andere leden +hunner familie toonen onze Bavianen de bedachtzame bedaardheid van +iemand, die nooit naar een uitweg behoeft te zoeken, hoe nabij het +gevaar ook moge zijn. Hun gelatenheid wordt echter op een harde proef +gesteld, als zij Honden of, wat nog erger is, Luipaarden opmerken. Dan +beginnen de oude mannetjes vreeselijk te brullen en te brommen, laten +de tanden zien, en kijken met fonkelende oogen op de rustverstoorders +neer, blijkbaar bereid om hen gemeenschappelijk aan te vallen. + +De eerste bende, die ik ontmoette, was bezig uit te rusten van de +morgenwandeling. Zij zat op den kant van een naar beide zijden tamelijk +steil afhellenden rotskam. Van verre reeds had ik de hooge gestalten +der mannetjes waargenomen; ik hield ze toen echter voor op den kam +liggende steenklompen, want hiermede hebben onze Apen, zoolang zij stil +zitten, een groote overeenkomst. Ik bemerkte mijn vergissing eerst, +toen ik een geblaf hoorde, dat ongeveer geleek op den schel +uitgeschreeuwden en eenige malen herhaalden klank „koek”. Alle +mannelijke Apen keken naar ons; de jongen echter speelden nog +onbezorgd; eenige wijfjes gaven hun lievelingsbedrijf nog niet op, maar +zochten nog ijverig in de vacht van een ouden heer naar ongedierte. +Waarschijnlijk zou het geheele gezelschap in deze onderzoekende houding +gebleven zijn, als wij niet twee flinke, op avonturen beluste Honden +bij ons hadden gehad: mooie, slanke Windhonden, gewoon om Hyaena’s uit +hun leger te verdrijven, en zelfs beproefd in den strijd tegen den hier +inheemschen Wolf. Toen zij het geschreeuw der Apen met geblaf +beantwoordden, kwam dadelijk de geheele bende in opstand. +Waarschijnlijk met de bedoeling om een nog veiliger verblijfplaats op +te zoeken, trokken de Apen langs den kam af, en verdwenen voor onze +blikken. Toch zagen wij tot onze verrassing bij de volgende ombuiging +van het dal dat geheele bende voor ons, ditmaal tegen een schijnbaar +loodrecht opstijgenden, zeer hoogen rotswand; op een mij thans nog +onverklaarbare wijze kleefden zij als ’t ware aan de rotsen en vormden +een lange reeks. Deze reeks kwam ons te aanlokkelijk voor, om haar +rustig te laten zitten. De jachtlust werd ons te machtig. Van het +medelijden, dat iederen jager bevangt, als hij kleine Apen jaagt of +jagen wil, gevoelden wij in dit geval geen zweem; wij zagen in de +Hamadryaden geen wezens, die op menschen gelijken, maar woedende, +grimmige roofdieren, die niet verdienden gespaard te worden en voor het +jachtvermaak in alle opzichten geschikt waren. Ongelukkig was de +rotswand zoo hoog, dat wij niet zeker konden zijn een van de dieren te +zullen treffen. Het ging echter niet aan, verder te trekken zonder de +rust van het gezelschap te verstoren. De knal van het eerste schot had +een onbeschrijfelijke uitwerking. Het werd door een razend gebrul, +gehuil, gebrom, geblaf en gekrijsch beantwoord, waarna de geheele stoet +in beweging geraakte, en over den rotswand verder golfde; dit +geschiedde met zulk een zekerheid van beweging, alsof het gezelschap +zich op den vlakken bodem bevond, hoewel wij niet konden begrijpen, hoe +het mogelijk kon zijn, daar vasten voet te krijgen. Een smalle lijst +werd, naar het schijnt, door de Apen als een hoogst gemakkelijken weg +beschouwd. Slechts op twee plaatsen bewoog de stoet zich langzamer en +voorzichtiger; op een van deze moest hij omstreeks 3 M. ver afdalen en +bijna evenveel weer omhoog klauteren. Wij losten ongeveer zes schoten; +het was ons echter onmogelijk goed te mikken, onder andere ook omdat +het schouwspel zoo verrassend was, dat wij de noodige kalmte niet +konden behouden. Toch waren onze kogels nog goed genoeg gericht om den +schrik der Apen tot ontsteltenis te doen toenemen. In de hoogste mate +comisch was het te zien, hoe de geheele bende na ieder schot zich +oogenblikkelijk aan de rots vastklemde, alsof het te vreezen was, dat +zij door den schok reeds in de diepte zou worden gestort. Naar het +scheen, werd geen hunner door onze kogels gekwetst. De schrik had hen +echter blijkbaar overmeesterd; het kwam ons voor, dat zij de +bedachtzaamheid, die hen gewoonlijk onderscheidt, geheel uit het oog +verloren. Toen wij de volgende kromming van het dal bereikten, zagen +wij den troep opnieuw, nu echter niet meer in de hoogte, maar op den +vlakken bodem; de Apen waren juist voornemens het dal over te steken om +op de hoogten aan den anderen kant een schuilplaats te zoeken. Een goed +deel van de bende was reeds aan de andere zijde aangekomen; de +hoofdmacht was echter nog achtergebleven. Toen onze Honden het golvende +gewemel zagen, waren zij een oogenblik als verbijsterd, maar snelden +onmiddellijk daarna onder luid geblaf op de bende toe. Dit gaf +aanleiding tot een tooneel, zooals ons nog nooit onder de oogen was +gekomen. Toen de Honden kwamen aanrennen, sprongen de oude mannetjes op +eens van de rotsen af in het dal, de vijanden tegemoet; in een oogwenk +waren de aanvallers omgeven door een kring van Apen: deze brulden +vreeselijk, sperden den met dreigende tanden gewapenden bek wijd open, +sloegen grimmig met de handen op den grond, en vestigden op hunne +tegenstanders zulke boosaardige, van woede fonkelende blikken, dat de +gewoonlijk zoo moedige en strijdlustige dieren geheel ontsteld +afdeinsden en vol angst bij ons bescherming wilden zoeken. Zooals van +zelf spreekt, hitsten wij ze opnieuw tot den strijd aan; het gelukte +ons, hun ijver weer aan te wakkeren. Er was echter in den tusschentijd +een verandering van tooneel gekomen; de Apen, die de overwinning +meenden behaald te hebben, waren de andere gevolgd. + +Toen de Honden opnieuw op de Apen afkwamen, waren er nog maar weinige +op den bodem van het dal; daarbij bevond zich een jong van een half +jaar oud. Het schreeuwde luid, toen het de Honden zag naderen, vluchtte +ten spoedigste op een rotsblok, en werd hier door onze uitmuntende +bondgenooten volgens de regels van de kunst staande gehouden. Wij +vleiden ons reeds met de hoop, dezen Aap te zullen buit maken; het kwam +echter anders uit. Trotsch en vol waardigheid, zonder zich ook maar +eenigszins te haasten en zonder acht op ons te slaan, kwam van den +anderen kant een van de sterkste mannetjes naar omlaag; onbevreesd ging +het de Honden tegemoet, wierp hun als bliksemschichten zijne stekende +blikken toe, waardoor zij volkomen in bedwang werden gehouden, beklom +toen langzaam het rotsblok, waarop het jong zich bevond, liefkoosde +dit, en aanvaardde met de hulpbehoevende kleine den terugtocht, dicht +bij de Honden langs; deze waren zoo verbluft, dat zij den redder en +zijn beschermeling ongehinderd lieten trekken. De moedige daad van den +stamvader der bende boezemde ook ons eerbied in; geen van ons dacht er +aan, zijn ontvluchting te verhinderen, hoewel hij zich zoo dicht bij +ons bevond, dat wij hem zeker hadden kunnen treffen. + +Op latere jachttochten leerde ik de Hamadryaden nog beter kennen, en +was toen in de gelegenheid de taaiheid van ’t leven dezer dieren te +bewonderen. Als de kogel hen niet onmiddellijk in het hart of in den +kop had geraakt, waren wij onzen jachtbuit geregeld kwijt. Zij snelden, +zelfs na een zware verwonding, nog zoo wakker voort, dat zij ons altijd +ontsnapten. Een lading hagel werkte in ’t geheel niets uit bij zulk een +Aap. Hij betastte even de gewonde plaats, wreef er met de hand +overheen, en vervolgde zijn weg, alsof er niets gebeurd was. + +Sedert ik zelf deze dieren in vrijheid gezien heb, acht ik het in ’t +geheel niet onwaarschijnlijk meer, dat zij een mensch, die niet met een +geweer gewapend is, in ’t oogenblik van ’t grootste gevaar moedig te +gemoet gaan, en hem gezamenlijk aanvallen; in dit opzicht worden de +verhalen van de Arabieren en Abessyniërs trouwens bevestigd door de +onderling overeenstemmende mededeelingen van goede waarnemers zooals +Rüppell en Schimper. Persoonlijk heb ik dit wel is waar niet ervaren, +maar wel heb ik gezien, dat de Hamadryaden zelfs voor een gewapend +mensch slechts hoogst langzaam de wijk nemen, en dat zij daarbij op een +zeer veel beteekenende wijze de tanden laten zien. Schimper verzekerde +mij, dat de Hamadryas zonder schroom den mensch aanvalt niet alleen, +maar ook hem overwint en om ’t leven brengt. Naar men zegt, hebben oude +mannetjes herhaaldelijk zonder eenige aanleiding meisjes, die naar ’t +bosch gegaan waren om hout te sprokkelen, aangevallen en gedood. Ook +Rüppell bericht, dat deze afschuwelijke Aap onder de gevaarlijkste +tegenstanders van den mensch gerekend moet worden. + + + +In de onmiddellijke nabijheid van den Hamadryas woont een tweede +Mantel-Baviaan, de Dsjelada van de Abessyniërs (Cynocephalus gelada). +Deze is de grootste van de geheele familie; hij is zelfs aanmerkelijk +grooter dan de Hamadryas, hoewel dit door den Duitschen reiziger +Rüppell, aan wien de eerste berichten over den Dsjelada te danken zijn, +ontkend wordt. Schimper, die meer dan 30 jaren in Abessynië doorbracht, +en Heuglin zeggen beiden, dat het bedoelde dier soms de grootte van een +mensch bereikt. Van den Hamadryas onderscheidt hij zich op den eersten +aanblik. De zeer dicht behaarde vacht, die zich op het achterste +gedeelte van den hals, in den nek en op den rug tot een mantel +verlengt, is zwartachtig bruin, vooral aan ’t aangezicht, aan de kin en +aan de keel; de mantel en de lange staartkwast zijn geelachtig bruin; +het haar op de keel, het voorste deel van den hals, de borst, het +midden van den buik en de voorarmen is bruinachtig zwart; het gelaat is +zwart. De beide kale plekken op het voorste deel van den hals en de +borst zijn driehoekig, en hebben gezamenlijk, daar zij met de toppen +naar elkander toegekeerd zijn, ongeveer den vorm van een zandlooper; +zij zijn omgeven door grijs en wit gespikkelde haren. Geheel anders dan +de Hamadryas, heeft de Dsjelada slechts zeer kleine eeltplekken, die +volkomen van elkander gescheiden en zwartachtig grijs van kleur zijn. + + + +Niet zonder reden heeft men de beide afschuwelijkste Bavianen, die tot +dusver bekend geworden zijn, van de overigen leden van dit geslacht +afgescheiden, want in belangrijke opzichten verschillen zij van deze, +hoewel zij er door den bouw van den romp mede overeenstemmen. Bij de +twee soorten, die nu aan de beurt komen, is de kop, en meer +bepaaldelijk de schedel, onevenredig groot; de zeer kleine oogen staan +dicht bijeen; de rand van den oogkas verheft zich tot een soort van +lijst. Aan weerszijden van den neus bevindt zich een overlangsche +verhevenheid, die sterk opzwellen kan. De ledematen zijn zeer krachtig, +de staart is een kort, rechtopstaand stompje, de eeltplekken breiden +zich over het geheele achterste uit. Ook het haarkleed is eigenaardig: +aan het achterste gedeelte van den kop en in den nek is het eenigszins +verlengd; bovendien komt, althans bij de eene soort, een zeer levendig +gekleurde, spits toeloopende kinbaard voor. De beide bedoelde +Bavianen-soorten bewonen het westen van Afrika en komen reeds sedert +300 jaar niet zelden levend tot ons. + +Wij noemden den Guereza de schoonste van alle Apen, met hetzelfde recht +kunnen wij den Mandril (Cynocephalus mormon) als den leelijksten +aanwijzen. Als hij oud geworden is, verdient hij in alle opzichten, +zoowel om zijne lichamelijke eigenschappen als wegens zijn gemoed, een +afschuwelijk beest genoemd te worden. Zijn lichaam is zeer krachtig, +men zou haast zeggen eenigszins plomp gebouwd; de kop is afzichtelijk +leelijk, het gebit werkelijk vreeswekkend, de beharing eigenaardig ruig +en borstelig; de kleur van de onbehaarde lichaamsdeelen is in den +hoogsten graad schel en afstootend. Ieder haar is zwart en olijfgroen +geringd, waardoor de beharing van de rugzijde een donkerbruine, +olijfgroen getinte kleur verkrijgt; de haren aan de borst zijn +geelachtig, die aan den buik witachtig, die van de zijden licht +bruinachtig; de kinbaard is hel citroengeel; achter het oor bevindt +zich een grijsachtig witte vlek. De handen en de ooren zijn zwart, de +neus en hare omgeving zijn vermiljoenrood, de opzwellingen langs de +wangen korenbloemen-blauw, de hierin voorkomende groeven zwart; de +eeltplekken en andere achterdeelen zijn rood en blauw. De oude +mannetjes bereiken een lengte van 1 M. en meer, bij ongeveer 60 cM. +hoogte in de schoften, het staartstompje daarentegen is weinig langer +dan 3 cM. + +De Dril (Cynocephalus leucophaeus) is een weinig kleiner dan zijn +stamgenoot; de vacht is aan de bovendeelen olijfbruin, van onderen en +aan de binnenzijde witachtig, de wangbaard is vaal witachtig, het +aangezicht zwart; de handen en voeten zijn koperkleurig bruinachtig. + +Het is opvallend genoeg, dat van het leven in vrijen toestand van deze +beide Apen, die reeds sedert zoovele jaren in gevangenschap zijn +waargenomen, niets zekers bekend is. Beide soorten zijn van de kust van +Guinea afkomstig, en worden hoofdzakelijk van de Goudkust naar Europa +vervoerd. Naar gezegd wordt, leven beide soorten tot troepen vereenigd +in bergachtige bosschen, deels op rotsen, deels op boomen; zij verlaten +echter niet zelden hunne gewone verblijfplaatsen om de nabijliggende +volksplantingen te bezoeken en hier naar hartelust te plunderen. Men +zegt ook, dat benden van deze dieren de dorpen overvallen en, bij +afwezigheid van de mannen, de vrouwen en kinderen mishandelen. Men +verhaalt, dat de inboorlingen den Mandril meer vreezen dan den Leeuw, +nooit een strijd met hem wagen, ja zelfs niet eens de bosschen durven +bezoeken, waarin deze Aap zich ophoudt, behalve wanneer de mannen in +grooten getale en met goede wapens voorzien, een echten kruistocht +tegen hunne vijanden ondernemen. + +Een jonge Mandril is een allerliefst dier, dat op uitstekende wijze de +rol van komiek vervult te midden van een uitgelezen gezelschap van +stamgenooten in het apenhuis; hij is een liefhebber van potsen en dolle +streken van allerlei soort, met een onverstoorbaar goed humeur begaafd, +en in weerwil van zijn onverbeterlijke onbeschaamdheid geenszins +afkeerwekkend. Maar al te spoedig komt hierin verandering, veel vroeger +dan bij andere Bavianen; reeds na verloop van weinige jaren vertoont de +Mandril zich in al zijn afschuwelijkheid. De toorn van andere Apen is, +volgens de woorden van een Engelschen schrijver, „het zachte suizen van +den wind in vergelijking met de woede van den Mandril, die op een van +de ontzettende, alles vernielende orkanen, der keerkringslanden +gelijkt”. Zijn hartstochtelijkheid is grenzeloos. Als hij toornig +wordt, geraakt hij in een vreeselijken toestand van opgewondenheid, +vergeet alles om zich heen, en werpt zich als zinneloos op zijn vijand. +Een waarlijk duivelsche glans straalt dan uit de oogen van het wilde +beest, dat met demonische kracht en boosaardigheid begaafd schijnt te +zijn. Slechts één gedachte bezielt hem nu: hij wil zijn tegenstander +verscheuren, en alles wat hem verhindert dit te doen, uit den weg +ruimen. Hij bekommert zich niet in het minst om de zweep, zelfs niet om +het blanke wapen. Zijn aanval is geen bewijs van stoutmoedigheid meer, +maar van ware dolzinnigheid. De opzichters in een dierentuin hebben +geen dier meer te vreezen dan een woedenden Mandril. De Leeuw en de +Tijger zijn lammetjes bij hem vergeleken; zij schikken zich althans op +een verstandige wijze in de omstandigheden; de Hamadryaden en andere +Bavianen zijn nevens hem slechts kindertjes of stumpers. + +Over de aard der Mandrillen, die Pechuel-Loesche jaren lang te +Tschintschotso op de Loango-kust heeft nagegaan, schrijft deze +onderzoeker het volgende: „Wij hielden drie Mandrillen op ons erf; zij +waren met touwen vastgemaakt aan staken, waarop hun woning stond; zij +ontvluchtten niet, wanneer zij zich nu en dan in volle vrijheid mochten +bewegen. Het waren echte Bavianen, vol list en sluwheid, ongemanierd, +uitgelaten, altijd zinnend op kattekwaad, en wel bewust, dat zij ons +met hunne handelingen vermaakten. Toch was bij alle drie een verschil +in karakter op te merken. Pavy, een mannetje, was zeer lieftallig, +vleiend en buitengewoon aan ons gehecht. Jack, een zwak wijfje, was een +volleerde humorist, maakte gekheid met alle menschen (met uitzondering +van vrouwen, daar zij aan dezen een hekel had), was echter niemand +bijzonder genegen. Isabella, een zeer sterk wijfje, dat reeds geheel +volwassen was, toen het ons geschonken werd, daar het wegens haar +boosaardigheid niet meer geduld kon worden in de factorij, waar het +vroeger gehuisvest was, viel woedend op alle menschen aan, die in haar +nabijheid kwamen, zonder op sekse, leeftijd of huidkleur te letten. Het +duurde lang, voordat zij—door een doelmatige, vriendelijke behandeling +tot kalmte gebracht—ons, Europeanen, althans niet meer als vijanden +beschouwde. Haar karakter was bedorven: zij liet zich al het goede +welgevallen, maar toonde geen erkentelijkheid er voor.” + +„Pavy en Jack waren bijna zoo waakzaam als Honden. Op hunne hooge +huisjes gezeten, keken zij oplettend rond; ongewone verschijnselen in +de omgeving en het naderen van bezoekers kondigden zij altijd aan. Daar +wij voor hen, evenals voor de andere huisdieren, van onze uitstapjes +gaarne eenige zeer door hen gewaardeerde snoeperijen—lekkere vruchten, +zoete grashalmen, bladen, Kevers, Sprinkhanen, enz.—medebrachten, +hadden zij de gewoonte aangenomen, om onze terugkomst in spanning af te +wachten, en ons reeds op een afstand van eenige honderden schreden met +vroolijk kakelen en kraaien te begroeten, waarbij zij den kop op een +grappige wijze naar boven staken, of de meest gewaagde kunstsprongen +vertoonden. Zij deden dit nog veel meer, als wij hen aanriepen. Daar +ook de Zwarte Baviaan zijn eigenaardige redevoering begon te houden, en +de overige dieren (de Cimpanzees met hun oorverdoovend geschreeuw niet +uitgezonderd) eveneens drukte begonnen te maken, zoodra zij onze +stemmen vernamen, was het dikwijls, alsof ons geheele erf in opstand +kwam. + +„Het was voor mij een geheel nieuw verschijnsel, dat de Bavianen zich +het een of ander levenloos voorwerp tot speelgoed uitkozen, en dit (op +gelijke wijze als de kinderen hunne poppen naar bed medenemen) in hunne +slaaphokken medevoerden en het hier ook overdag bewaarden. Zoo hield +Isabella gedurende langen tijd zeer veel van een klein, blank, blikken +doosje, Pavy van een krom stukje hout, dat hij onder de vroolijkste +kapriolen van den bodem in de lucht liet springen, door er met de hand +op te slaan. Eens vloog het te ver, zoodat Jack zich er meester van +maakte. Hierover ontbrandde tusschen de beide Apen een grimmige +vijandschap. Daar echter de lange lijnen waaraan de beide kampioenen +vast lagen, zoo ingericht waren, dat zij niet bij elkander konden +komen, schoot hun niets ander over, dan zoo dicht mogelijk bij elkander +te gaan staan, de woedendste grimassen te maken en onderling te kijven. +De plotseling uitgebarsten vijandschap bleef onverminderd voortduren, +nadat ik Pavy zijn houtje teruggegeven had. Later vermaakte hij zich +ook zeer lief met een geweerkogel. Jack daarentegen had een hartstocht +opgevat voor mijn insolatie-thermometer: als hij vrijgelaten werd, en +wist, dat men niet naar hem keek, sprong hij op dit voorwerp toe en nam +het weg. Hij had blijkbaar schik in het glinsteren van het glas, ging +er echter zoo zorgvuldig mede om, dat het instrument geen schade leed, +zelfs als hij het medegenomen had boven in een boom of op een dak, en +het hem afgevleid moest worden.” + + + +Een der meest afwijkende soorten van het geheele geslacht en tevens een +der fraaiste Apen, is de Nilbandar, Schiabander, Wanderoe enz. van de +Indiërs, onze Zwarte Baard-Aap (Cynocephalus silenus). Hij is +gekenmerkt door den gedrongen lichaamsbouw, door een zwaren ringbaard, +die het geheele aangezicht omsluit, en door een middelmatig langen, in +een kwast eindigenden staart. De zeer dichte, langharige vacht is +glanzig zwart, aan de onderzijde licht bruinachtig grijs; de bij wijze +van manen verlengde ringbaard daarentegen is wit, gedurende de jeugd +grijsachtig; de handen en voeten zijn dof van kleur; de goedaardige +oogen hebben een bruin regenboogvlies. In volwassen toestand is deze +Aap iets minder dan 1 M. lang. + +Over het vaderland van den Baard-Aap heeft men tot in den laatsten tijd +in dwaling verkeerd, daar men meestal Ceylon hiervoor gehouden heeft. +Volgens latere berichten is het dier niet op het genoemde eiland, maar +in Malabar inheemsch; hij bewoont hier uitsluitend de dichte bosschen +van hooggelegen gewesten en leeft in troepen van 12 à 20 stuks. Zijn +verbreidingsgebied strekt zich van ongeveer 14° N.B. tot aan Kaap +Comorin uit. + + + +Wegens het in ’t oogloopend verschil tusschen de tropische gewesten van +het oostelijke en die van het westelijke halfrond, zou hij, die lust +tot reizen heeft, en wien het geluk ten deel valt, zijn reislust te +kunnen bevredigen, bij een bezoek aan Zuid-Amerika zich in een +tooverwereld verplaatst wanen, waar de bekoring van het nieuwe hem +geheel bevangt. De overweldigende rijkdom der natuur zou hem zelfs +allicht voor eenigen tijd de talrijke voorrechten van het oude +wereldhalfrond uit het oog doen verliezen. Met weinig dragen de +Zuid-Amerikaansche diervormen tot dezen indruk bij; ook die, welke nu +behandeld moeten worden—de Apen van de Nieuwe Wereld—, kunnen dit +gevoel wekken of versterken, daar zij in belangrijke opzichten afwijken +van de Smalneuzen, die in het oostelijk halfrond de orde der Apen +vertegenwoordigen. + +Hoewel de Breedneuzen of Apen met breed neusmiddelschot (Platyrrhini) +zeer merkwaardige wezens zijn, kunnen zij echter niet, of althans +slechts bij uitzondering schoon genoemd worden; bijna alle zijn +onbeholpener, trager, droefgeestiger en geesteloozer dan de Apen van de +Oude Wereld; terecht noemt men ze veel onschuldiger, goedaardiger en +onschadelijker dan deze; maar juist daarom zijn het geen echte Apen. +Want deze zouden ons niet voldoen zonder hunne kenmerkende +eigenschappen, zonder hun vroolijkheid, dartelheid, overmoedigheid, +onbeschaamdheid, ja zelfs, zou ik er bij willen voegen, zonder hun +nutteloosheid. Wij zijn er nu eenmaal aan gewoon, in deze merkwaardige +wezens caricaturen van ons zelf te aanschouwen, en gevoelen ons +onbevredigd, als zij dit alleen naar het uitwendige en niet tevens naar +het inwendige zijn. + +Alle Breedneuzen verschillen door den bouw van den stam en van de +ledematen, alsook door het tandenstelsel, van hunne verwanten in het +oostelijk halfrond. Hun lichaam is gewoonlijk rank; de ledematen zijn +slank; de staart ontbreekt nooit en wordt ook nooit geheel rudimentair; +daarentegen doet hij dikwijls dienst als een vijfde hand, daar hij aan +den top door krachtige spieren opgerold en derhalve als grijporgaan +gebruikt kan worden. De duim van de voorhanden kan niet zoo goed aan de +overige vingers tegenovergesteld worden als die van de achterhanden. +Het gebit bestaat niet uit 32 tanden, zooals bij de Menschen en bij de +Apen van de Oude Wereld, maar uit 36. Deze vermeerdering komt vanwege +het aantal valsche of kleine kiezen, waarvan er in elke kaakhelft (in +plaats van 2) 3 zijn. Wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak komen +bij hen nooit voor. Het neusmiddelschot is breed. Geen enkel lid van +deze familie bereikt een voor de Apen aanzienlijke grootte, geen van +hen heeft een vooruitstekenden snuit. Hun kleur, hoewel bij +verschillende soorten zeer uiteenloopend, is nooit zoo bont als die van +vele Aziatische en Afrikaansche Apen. + +Het verbreidingsgebied van de Breedneuzen is beperkt tot Zuid-Amerika. +De 29e graad N.B. vormt ongeveer de noordelijke grens van dit gebied. +In westelijke richting is het begrensd door den Andes-keten, naar het +oosten door den Atlantischen Oceaan en ten zuiden door den 25en graad +Z.B. + +Alle Breedneuzen zijn uitsluitend boomdieren en behooren dus vooral in +de oerwouden tehuis. Van waterrijke of moerassige gewesten houden zij +meer, dan van droge. Op den bodem dalen zij slechts in gevallen van +uitersten nood af; ook gaan zij niet, evenals de andere dieren dezer +orde, naar het water om te drinken; maar laten zich bij slingerplanten, +overhangende takken en dergelijke hulpmiddelen tot op den waterspiegel +zakken, zoodat zij drinken zonder de takken te verlaten. Het is wel +mogelijk, dat enkele dezer dieren honderden van mijlen afleggen, zonder +op hun weg ooit met den bodem in aanraking te komen. De boomen bieden +hun alles aan, wat zij noodig hebben; want hun voedsel bestaat +uitsluitend uit allerlei plantdeelen, Insecten, Spinnen, vogeleieren of +jonge nestvogels, en honig; slechts weinige begeven zich nu en dan naar +een plantage om haar te plunderen. + +De meeste leden dezer familie zijn overdag bezig, eenige weinige +soorten zijn schemering dieren of echte nachtdieren. Zoowel deze als +gene zijn in wakende toestand vlug en behendig; toch zijn er onder hen +uiterst trage soorten, als ’t ware de Orang-Oetans van de Nieuwe +Wereld. Alle kunnen voortreffelijk klimmen, vele maken hierbij, zooals +reeds gezegd werd een uitmuntend gebruik van hun voor dit doel +uitstekend geschikten staart. Deze is in den letterlijken zin van ’t +woord onmisbaar voor vele van deze overigens zeer onhandige dieren; zij +zouden zich zonder dit orgaan niet kunnen redden. Hun onhandigheid +maakt een voortdurende beveiliging van het lichaam tegen het vallen +noodig, en deze wordt hun in alle omstandigheden door den grijpstaart +(p. 43) of den rolstaart (p. 47) verschaft. Bijna in iedere houding, +ook gedurende de diepste rust, slingeren de bedoelden Apen hun staart +om het een of ander voorwerp, zij het dan ook slechts om een van hun +eigen lichaamsdeelen. Van dit merkwaardig geschenk der natuur, welks +spierkracht die van de andere lichaamsdeelen ver overtreft, en welks +spits zich door fijngevoeligheid onderscheidt, maken zij gedurende hun +kalm leven een zeer uitgebreid gebruik; het verschaft hun eenige +vergoeding voor het gemis van de vlugheid naar lichaam en geest, die +hunne overzeesche verwanten kenmerkt. Maar toch nemen de echte boomapen +van de Oude Wereld, hoewel zij dit hulpmiddel missen, onder de Apen +zonder eenigen twijfel den eersten rang in, wat de geschiktheid tot +springen en klimmen betreft. Wanneer de Apen van de Nieuwe Wereld zich +op den grond bewegen, gaan zij bijna altijd op alle vier ledematen en +doen dit steeds waggelend en op een onbeholpen wijze. + +Hunne geestvermogens zijn veel geringer dan die van hunne smalneuzige +verwanten. Over ’t geheel genomen zijn zij zachtaardig, goedmoedig en +gezellig, maar tevens dom, onhandig, onleerzaam en log. Sommige toonen +nieuwsgierigheid, dartelheid en plaagzucht, andere echter brommigheid, +eigenzinnigheid, boosaardigheid, arglist en lust tot bijten. Ook zij +zijn geil, snoeplustig, diefachtig en hebzuchtig; aan slechte +eigenschappen ontbreekt het hun dus niet;—de goede hoedanigheden van de +Apen der Oude Wereld missen zij echter. Wie te kiezen heeft tusschen de +Apen der Oude Wereld en die van de Nieuwe, en beslissen moet, welke hem +het best bevallen, zal wel nooit lang in twijfel verkeeren. In vrijen +toestand zijn de Breedneuzen in den regel schuw en vreesachtig, en niet +in staat een wezenlijk gevaar van een denkbeeldig te onderscheiden. +Daarom nemen zij voor elk ongewoon verschijnsel de vlucht, en trachten +zich ten spoedigste te verbergen te midden van het dichte doolhof van +takken en twijgen. Die, welke aangeschoten zijn, bijten verwoed naar +den jager, die hen grijpen wil. Waarschijnlijk bieden zij alleen aan +kleine Roofdieren weerstand. Het zijn krachtelooze, lafhartige wezens. + +Als zij gevangen zijn, gedragen zij zich weldra lief en vertrouwelijk; +soms, doch niet altijd, worden zij op meer gevorderden leeftijd +boosaardig en bijtlustig. Hun traagheid naar lichaam en geest, hun +zwaarmoedig voorkomen, de jammerende geluiden, die zij dikwijls met +merkwaardige volharding voortbrengen, hun onzindelijkheid, +weekelijkheid en gering weerstandsvermogen tegen veranderde +levensomstandigheden: al deze eigenaardigheden en gewoonten maken, dat +zij geen aanbeveling verdienen als huisgenooten van den mensch, hem +geen aangenaam tijdverdrijf kunnen verschaffen. Op dezen regel vormen +eenige weinige soorten echter een gunstige uitzondering; deze komen +daarom dikwijls in getemden toestand voor, en loonen de zorg, die men +hun wijdt. Vele zijn zeer gevoelig voor indrukken van buiten; zij geven +hunne gewaarwordingen door vriendelijk kijken of door klagen te kennen, +en hebben daardoor de vriendschap van sommige menschen, vooral van +teerhartige dames, weten te verwerven. + +Hun moederliefde is even treffend als die van de Apen der Oude Wereld. +Zij brengen bij elken worp 1 of 2 jongen ter wereld, die zij +liefhebben, koesteren, verzorgen en beschermen met een nauwgezetheid en +hartelijkheid, welke door iederen ooggetuige terecht bewonderd wordt. + +Voor den mensch worden de Apen der Nieuwe Wereld niet of slechts in +enkele gevallen schadelijk. Het uitgestrekte, rijke woud is hun +vaderland; het voedt en verzorgt hen; zij hebben den beheerscher der +aarde en de voortbrengselen van zijn arbeid niet noodig. Slechts +weinige soorten doen nu en dan een strooptocht op de akkers, die dicht +bij het woud gelegen zijn; de belasting die zij heffen, is evenwel van +geen beteekenis in vergelijking met de afpersingen, waaraan de Apen van +de Oude Wereld zich schuldig maken. De mensch jaagt ze ter wille van +hun vleesch en hun pels. Menig reiziger in Amerika is gedwongen geweest +de Apen gedurende langen tijd als zeer begeerlijk wild te beschouwen, +en ze in den vorm van soep of gebraad te gebruiken. Menige schoone dame +bergt en verwarmt hare zachte handen in een hulsel, dat eertijds het +lichaam van een Aap bekleedde. + +Voor de inboorlingen van Amerika is de Aap een uiterst belangrijk dier, +want hun voedsel bestaat grootendeels uit zijn vleesch. Zij maken +ijverig jacht op hem. Gewoonlijk maken zij hierbij gebruik van een +boog, niet zelden echter ook van een blaaspijp, waarmede zij kleine +pijlen schieten, die vooraf met de spits in een der vreeselijkste +vergiften gedoopt zijn. Hoewel alle Apen den pijl zoo spoedig mogelijk +uit de wonde trachten te verwijderen, baat hun dit niet; daar de +listige jager het werptuig half doorgesneden heeft, zoodat in verreweg +de meeste gevallen de vergiftigde spits afbreekt en steken blijft in de +wonde, die hierdoor gevaarlijk genoeg wordt, om zelfs aan veel sterkere +dieren het leven te benemen. + +Met ditzelfde wapen maken de Indianen zich ook meester van de Apen, die +zij levend wenschen te bezitten. „Als de Arekoenas,” zegt Schomburgk, +„een ouden, koppigen Aap willen temmen, bestrijken zij het pijltje, dat +hem treffen zal, met verzwakt woerari-gif. Als hij naar beneden valt, +wordt de wonde dadelijk uitgezogen; daarna begraven zij hem tot aan den +hals in den grond, en gieten hem een sterke oplossing van +salpeterhoudende aarde of sap van suikerriet in. Als de patiënt een +weinig bijgekomen is, wordt hij uit den grond genomen en als een +bakerkind ingewikkeld. Terwijl hij in dit dwangbuis zit, krijgt hij +eenige dagen achtereen tot drank niets anders dan suikeroplossing en +tot voedsel spijzen, die in een salpeteroplossing gekookt en sterk met +spaansche peper gekruid zijn. Als na deze paardenkuur de gewenschte +gevolgen uitblijven, wordt het moeilijk te temmen dier een tijdlang in +den rook opgehangen. Weldra kalmeert zich nu zijn woede, het boosaardig +oog verkrijgt een zachtere uitdrukking en smeekt om erbarming. Dan +worden de banden losgemaakt, en zelfs de bijtlustigste Aap schijnt nu +volkomen vergeten te hebben, dat hij eertijds vrij in ’t woud geleefd +heeft.” + +Er komen betrekkelijk niet vele soorten van deze apenfamilie in de +Europeesche diergaarden voor, en ook deze ziet men er niet algemeen. +Het meest ziet men Rolapen op onze wilde-dierenmarkt, veel zeldzamer +een Slinger-, hoogst zelden een Eekhoornaap, een Saki of een Nachtaap. +Voor zoover mij bekend is, zijn slechts weinige exemplaren van +Brul-apen in levenden toestand in Europa aangekomen. + +De Breedneuzen worden verdeeld in twee onderfamiliën, waarvan wij aan +die der Grijpstaartapen (Cebidae) den voorrang geven. Door hun +grijpstaart onderscheiden zij zich van de leden der andere groep, die +der Slapstaartapen (Pithecidae). + + + +Van de Grijpstaartapen willen wij het geslacht der Brulapen (Mycetes) +het eerst behandelen. Hun romp is ineengedrongen, hun kop hoog, +piramidevormig, de snuit vooruitstekend; de duim van de voorhand is +dun. Het dichte haarkleed is aan de kin bij wijze van een baard +verlengd. Als een eigenaardig kenmerk van de Brulapen, moeten wij in de +eerste plaats het blaasvormig gezwollen tongbeen vermelden. Alexander +von Humboldt was de eerste natuuronderzoeker, die dit orgaan ontleedde. +„Terwijl de kleine Amerikaansche Apen,” zegt hij, „die als Musschen +tjilpen, een eenvoudig, dun tongbeen hebben, ligt de tong bij de groote +Apen op een groote, beenige trommel. Het strottenhoofd heeft zes +zakken, waarin de stem blijft hangen en waarvan twee, die den vorm van +een duivennest hebben, veel gelijken op het onderste strottenhoofd der +Vogels. De jammerende toon, die aan den Brulaap eigen is, ontstaat, als +de lucht met geweld de beenige trommel binnenstroomt. Als men bedenkt, +hoe groot deze beenige doos is, verwondert men zich niet meer over de +sterkte en den omvang van de stem dezer dieren, die hun naam met het +volste recht dragen.” De staart van de Brulapen is zeer lang, met een +aan de onderzijde onbehaard uiteinde voorzien, rijk aan zenuwen en +bloedvaten en zeer gespierd; dit orgaan is dus zeer geschikt tot +grijpwerktuig. + +De Brulapen zijn zeer verbreid; zij worden in bijna alle landen en +gewesten van Zuid-Amerika aangetroffen. Bij voorkeur bewonen zij +dichte, hoogstammige en vochtige wouden; in de steppen komen zij alleen +daar voor, waar de afzonderlijke boomgroepen zich vergroot hebben tot +kleine bosschen, in welker nabijheid water te vinden is. In droge +streken vestigen zij zich in ’t geheel niet, van koelere gewesten zijn +zij minder afkeerig. + + + +De Aloeate of Roode Brulaap (Mycetes seniculus) heeft een roodachtig +bruine, op het midden van den rug goudgele vacht; de haren zijn kort, +min of meer stijf en aan hun onderste gedeelte effen van kleur; het +wolhaar ontbreekt. De lengte bedraagt 1.35 M., waarvan trouwens 70 cM. +op den staart komen. Het wijfje is kleiner en donkerder van kleur. + +Bij den Caraya of Zwarten Brulaap (Mycetes niger) is het haar +aanmerkelijk langer en eenkleurig zwart, slechts aan de zijden een +weinig roodachtig, bij het wijfje ook aan de onderzijde geelachtig. +Zijn lengte bedraagt ongeveer 1.3 M., waarvan de helft op den staart +komt. Dit dier komt alleen in Paraguay voor, de Aloeate echter in het +geheele oosten van Zuid-Amerika. + +De Brulaap behoort tot die Amerikaansche dieren, waarmede de reizigers +reeds sedert den aanvang van het geschiedkundig tijdperk in dit +werelddeel bekend geworden zijn. De eerste berichten waren natuurlijk +zeer onvolledig en met vele fabels vermengd. Eenige van deze fabels +zijn ook nu nog in omloop onder de Indianen en de blanken, die de +genoemde Apen alleen van hooren zeggen kennen. Wij laten deze verhalen +achterwege en bepalen ons tot de mededeelingen van ervaren +onderzoekers. + +„Na mijn aankomst”, zegt de door zijne uitmuntende beschrijvingen +bekende Schomburgk, „had ik bij het op- en ondergaan van de zon het +verschrikkelijk gehuil van de talrijke Brulapen uit het oerwoud tot mij +hooren komen, zonder dat het mij op mijne zwerftochten gelukt was, de +dieren zelf te vinden. Toen ik mij eens op een morgen met een +jachtgeweer gewapend naar het oerwoud begaf, klonk mij van daar opnieuw +een uit de verte komend woest gehuil tegemoet, dat mijn jachtlust sterk +aanwakkerde. Ik snelde daarom door dik en dun op het gebrul af, en +bereikte na veel inspanning en lang zoeken, zonder opgemerkt te worden, +het geraas makende gezelschap. Vóór mij op een hoogen boom zaten zij, +en voerden een allerverschrikkelijkst concert uit; het was alsof alle +wilde dieren van het woud daar bijeengekomen waren, om met elkander een +strijd op leven en dood te voeren. Om billijk te zijn, mag ik echter +niet verzwijgen, dat er tusschen de zangers een soort van +overeenstemming bestond. Soms zwegen alle leden van het over den +geheelen boom verspreide gezelschap, alle tegelijkertijd, en bleven in +rust, totdat even onverwacht een van de zangers zijn onwelluidende stem +opnieuw weerklinken liet, en het gehuil van voren af begon. Het op en +neer bewegen van de beenige trommel aan het tongbeen, die door zijn +resonance aan de stem zijn merkwaardige kracht verschaft, kan men +gedurende het schreeuwen duidelijk zien. In ’t eene oogenblik geleek +het geluid op het knorren van een varken, in ’t volgende kwam het +overeen met het brullen van den Jaguar, die zijn prooi bespringt, om +kort daarna over te gaan in het zware en verschrikkelijke gebrom, dat +hetzelfde Roofdier laat hooren als het, aan alle zijden omsingeld, het +hem dreigende gevaar inziet. Hoe onbehagelijk deze muziek ook was, toch +had het gezelschap, dat zich op deze wijze vermaakte, iets grappigs +over zich. Zelfs het gelaat van den sombersten menschenhater zou op +sommige oogenblikken sporen van een glimlach vertoond hebben, als hij +gezien had, hoe stijf en ernstig deze zwaar gebaarde concertgevers +elkander aankeken. Men had mij gezegd, dat iedere bende haar eigen +voorzanger heeft, wiens fijne, piepende stem een scherpe tegenstelling +vormt met het zware basgeluid der overige zangers, en die zich +bovendien door een veel slankere en fijnere gestalte onderscheidt. Ik +vond de eerste mededeeling bij deze bende volkomen bevestigd; maar de +fijnere en schralere gestalte zocht ik tevergeefs; in plaats van deze +bespeurde ik op een der naastbijstaande boomen twee zwijgende Apen, die +ik voor uitgezette schildwachten hield;—zoo zij dit waren, vervulden +zij hun plicht slecht genoeg; want onopgemerkt stond ik in hun +nabijheid.” + +Deze levendige beschrijving bewijst ons voldoende, dat de Brulapen +hoogst eigenaardige wezens zijn. Zonder eenige overdrijving kan men +beweren, dat hun geheele handel en wandel een samenvoeging van allerlei +zonderlingheden is, en daardoor aan den waarnemer een ruim +onderzoekingsveld aanbiedt; terwijl men aan den anderen kant erkennen +moet, dat de Indianen te verontschuldigen zijn, als zij de Brulapen +wegens hun droefgeestig voorkomen en vervelend gezang minachten en +haten. Zelfs de lasteringen, waaraan zij zich schuldig maakten, zijn +verklaarbaar, als men bedenkt, dat de bedoelde dieren zoomin in vrijen +als in gevangen toestand iets aangenaams voor den toeschouwer +opleveren, en dat ook hun levenswijze geen tafereelen aanbiedt, waarin +hij behagen kan scheppen. + +Over dag houden de Brulapen zich bij voorkeur op in de hoogste boomen +van het woud; bij ’t begin van de schemering trekken zij zich in het +dichte, met slingerplanten doorvlochten loover van de lage boomen terug +en gaan hier slapen. Langzaam, bijna kruipend klauteren zij van tak tot +tak, zoeken bladen en knoppen uit, die zij langzaam met de hand +afplukken en even langzaam naar den mond brengen. Als zij verzadigd +zijn, hurken zij neder op een tak en blijven hier bewegingloos zitten; +zij gelijken dan op stokoude, slapende aardmannetjes. Ook gaan zij wel +languit op den tak liggen, laten de vier ledematen naar beide zijden +stijf afhangen, en houden zich alleen met den grijpstaart vast. Wat de +eene Aap doet, wordt door den anderen langzaam en gedachteloos +nagedaan. + +Weinige dieren zijn zoo geheel aan de boomen gebonden als de Brulapen. +Zij komen hoogst zelden op den grond, waarschijnlijk dan, als het hun +onmogelijk is te drinken op de gewone wijze, n.l. door te gaan hangen +aan de takken en slingerplanten, die het dichtst bij den oever groeien. +Humboldt zegt, dat zij niet in staat zijn om reizen of zelfs +wandelingen over den vlakken bodem te doen. De Indianen beweren, dat de +Brulapen menigmaal breede stroomen overtrekken. Rengger houdt dit +bericht voor een sprookje, dat den vreemdeling op de mouw wordt +gespeld. „Zij zijn,” zegt hij, „zoo bang voor het water, dat zij eerder +verhongeren zullen, dan pogingen aan te wenden om zwemmend een anderen +boom te bereiken, wanneer zij na een snelle rijzing van den waterstand +in den stroom door het hun antipathische element op een boom zijn +ingesloten. Zoo ontmoette ik eens zulk een bende Apen in een boom, die +aan alle zijden door ’t water omringd was; deze dieren waren uiterst +vermagerd en konden zich uit zwakte nauwelijks meer bewegen. Zij hadden +niet slechts alle bladen en jonge takken, maar zelfs een deel van den +schors van den boom verslonden. Om het naastbijgelegen woud te +bereiken, zouden zij slechts 18 à 20 M. ver hebben moeten zwemmen.” +Dezelfde natuuronderzoeker verzekert, dat hij nog nooit een Brulaap op +het vrije veld gezien, of zijn spoor ergens op den bodem aangetroffen +heeft. + +Kappler zegt van den Rooden Brulaap in Guyana: „Hij leeft in kleine +troepen, die zelden uit meer dan tien individuën bestaan, waarbij zich +echter altijd een volwassen mannetje bevindt, dat op de boomen een +hoogere zitplaats inneemt dan de anderen; dit dier fungeert als +kapelmeester bij het afschuwelijk concert dat de Apen geven. Telkens +als ik in de gelegenheid was om de schreeuwers van zeer nabij na te +gaan, zat er een oud mannetje boven in den boom, dat zich met de +voorpooten vast hield en den langen grijpstaart om een tak geslingerd +had, terwijl de andere mannetjes met de wijfjes en de jongen in +verschillende houdingen iets lager zaten. Plotseling begon de oude met +een afgrijselijk rochelende stem „Rochoe, rochoe” te schreeuwen, en +liet, nadat hij dit vijf- of zesmaal achtereen gedaan had, hierop een +gebrul volgen, waarmede alle overigen zoo krachtig instemden, dat men +vreezen moest er doof van te zullen worden. Dit geluid is zoo sterk, +dat men het in stille nachten wel 2 uren ver (?) hooren kan. Toen +Pichegru en zijne gezellen van Cayenne naar Suriname vluchtten, joeg +het gebrul van de Tijgers hun veel schrik aan; blijkbaar is dit gebrul +niets anders geweest dan het geschreeuw van den Brulaap; stellig zal +iedereen, die dit geluid voor de eerste maal hoort, en niet weet, dat +het van onschadelijke Apen afkomstig is, er door met vrees vervuld +worden. Waarom deze dieren zoo schreeuwen, weet men niet. In de kolonie +gelooft men, dat zij het alleen doen, als de vloed komt opzetten; dit +is echter een dwaling, want men hoort het schreeuwen op elken tijd van +den dag. De Brulaap is traag en droefgeestig; hij springt alleen, als +hij vervolgd wordt; in alle andere gevallen klautert hij behoedzaam op +de boomen rond, terwijl hij zich met den staart vasthoudt. Jong +gevangen dieren worden zeer tam en gezellig; zij spelen wel met Katten +en Honden, maar zijn meestal treurig. Als de persoon, waaraan de +Brulaap zich gehecht heeft, voor eenigen tijd afwezig is, dan hoort men +den Aap aanhoudend rochelen en schreeuwen, hetwelk hoogst onaangenaam +is. Bovendien verbreidt hij een eigenaardigen walgelijken reuk, die zoo +sterk is, dat men de nabijheid van Brulapen in het woud gemakkelijk +door den reuk kan gewaar worden. Zij brengen slechts één jong ter +wereld. Hun voornaamste vijand is de „Kuif-Arend.” + +Als men op Brulapen schiet, loopen zij zoo schielijk mogelijk weg; +zelfs ongewonde dieren laten soms gedurende hun vlucht uitwerpselen +vallen; dit is geregeld het geval bij zwaar gewonde dieren, die zich +niet meer redden kunnen, vooral als zij van den eenen boom op den +anderen willen overgaan, en in den hoogsten angst geraken. Een hoogst +vermakelijken indruk maakt het, te zien hoe een van de bijna half +volwassene jongen in den eersten schrik een van de oude mannetjes op +den rug springt, om spoediger voort te kunnen komen; maar door een +krachtige oorvijg van den vertoornden man onderricht wordt, dat het +bewijzen van dezen ongevraagden liefdedienst niet tot de plichten van +den familievader behoort. + +Onze beste geweren kunnen trouwens niet concurreeren met de blaaspijp, +het vreeselijk en toch zoo eenvoudig wapen der Indianen. Daarom valt +het den Roodhuiden veel gemakkelijker dan ons, om Brulapen te dooden. +In weerwil van de onovertroffen behendigheid, waarmede zij hun wapen +weten te gebruiken, beklimmen zij, om zeker te zijn van hun schot, toch +gaarne een naburigen boom en zenden uit diens top het doodelijk +werptuig naar de argelooze bende. + +In een groot deel van Paraguay wordt op de Brulapen ijverig jacht +gemaakt. Hun vel is als pelswerk gezocht en het vleesch wordt door de +Indianen gaarne gegeten. + +Slechts zelden geeft men zich de moeite een Brulaap te temmen; +bovendien biedt de opvoeding van deze dieren eigenaardige moeilijkheden +aan. Rengger zag er slechts twee tam, die beide meer dan een jaar oud +waren. Zij werden met allerlei boombladen gevoederd, en gaven hieraan +de voorkeur boven ieder ander voedsel. Van verstand was bij hen weinig +te bespeuren: zij gaven niet veel meer om hun oppasser dan om +vreemdelingen en lieten zich niet tot iets africhten.—Van andere +getemde Brulapen verhaalt Von Wied, dat zij voor hun heer een +buitengewone genegenheid gevoelden, en dat zij jammerlijk begonnen te +schreeuwen, als deze zich slechts voor een oogenblik verwijderde. Hun +traagheid, droefgeestigheid en knorrigheid, benevens de knersende, +rochelende stem, die de jongen dikwijls laten hooren, maakt ze echter +voor iedereen, zelfs voor hun meester, onaangenaam en afkeerwekkend. + + + +Een uiterst slank lichaam met lange, zeer schrale ledematen, kenmerkt +de Slingerapen (Ateles). De natuuronderzoeker, die ze het eerst +„Spin-Aap” noemde, heeft ze den naam gegeven, die het meest overeenkomt +met den indruk, dien zij wekken;—zelfs de leek komt onwillekeurig tot +zulk een vergelijking. Om de dieren duidelijk te omschrijven, willen +wij er alleen nog maar aan toevoegen, dat de kop zeer klein, het +aangezicht baardeloos, en de duim van de voorhand zeer kort en +gebrekkig ontwikkeld, bij sommige soorten zelfs in ’t geheel niet +zichtbaar is. A. Vosmaer (1768) zegt van den Slingeraap (Ateles +paniscus), die door hem Boschduivel wordt genoemd: „Eenige jaren +geleden zag ik dezen Aap voor de eerste maal te Amsterdam in de +diergaarde van den heer Bergmeier. Het was met een ketting en ring +vastgemaakt aan een lang gespannen koord, en wist zijn staart om dat +koord zoo vast te slaan, dat hij, zonder zich verder vast te houden, +daaraan hing, allerlei grimassen maakte en verwonderlijk slingerde. +Wanneer men hem den staart om de hand liet slaan, kneep hij daar zoo +vast mede, dat het zeer deed.” + +Zuid-Amerika tot den 25en Z.-B.-graad is het vaderland van de +Slingerapen, de kroon van de hoogste boomen hun plaats van verblijf. + +Hun leven is, naar het schijnt, buitengewoon eenvormig en ook voor de +verschillende soorten in hoofdzaak gelijk. „Zij leven”, zegt Tschudi in +overeenstemming met andere onderzoekers, „in troepen van 10 à 12 stuks; +somtijds treft men ze ook paarsgewijs, niet zelden zelfs alleen aan. +Gedurende verscheidene maanden zagen wij een alleen levenden Aap van +dit geslacht voortdurend in hetzelfde gebied, dit was een mannetje van +nog niet hoogen leeftijd; zooals bleek, toen hij gedood werd. De +aanwezigheid van een troep Slingerapen verraadt zich door het +voortdurend ritselen der boomtakken, die zij zeer behendig ombuigen, +om, zonder gedruisch te maken, verder te klimmen. Het aangeschoten dier +laat een luid gillend geschreeuw hooren en tracht te ontvluchten. De +zeer jonge dieren verlaten hun moeder niet, zelfs wanneer deze gedood +is; zij houden haar vast omklemd, en liefkozen haar nog als zij reeds +geheel verstijfd aan een boomtak hangt; het is daarom zeer gemakkelijk +de jongen te vangen. Het kost geen moeite ze te temmen; zij zijn +goedmoedig, gemeenzaam en aanhankelijk, maar blijven in de +gevangenschap niet lang in leven. Zij lijden vaak aan uitslag en +buikloop, en maken dan zeer jammerlijke gebaren.” + + + +Tusschen de soorten van Slingerapen, bestaat slechts een gering +verschil. Van die, welke in Guyana voorkomen, zijn vooral zeer +veelvuldig: de Koata of Coaita (Ateles paniscus) en de Marimanda of +Aroe (Ateles beëlzebuth). De eerstgenoemde is een der grootste van zijn +geslacht. Zijn lichaamslengte bedraagt ongeveer 1.35 M., waarvan meer +dan de helft op den staart komt; de hoogte in de schoften is ongeveer +40 cM. Het haar is grof, aan de schouders verlengd, op den rug over ’t +geheel dichter dan aan de onderdeelen; op het voorhoofd staat het bij +wijze van een kam overeind; het is donkerzwart van kleur, alleen op het +aangezicht roodachtig; de huidkleur is donker, op de handpalm geheel +zwart. Het goedaardige gelaat verkrijgt door een paar levendige, bruine +oogen een innemende uitdrukking. + +In Ecuador (Quito), op de landengte van Panama en in Peru zijn de +genoemde soorten vervangen door den Tsjamek (Ateles pentadactylus). Hij +bereikt een lengte van ongeveer 1.3 M., waarvan de staart echter meer +dan de helft in beslag neemt, heeft een langharige, donker-zwarte vacht +en een kort stompje op de plaats van den duim. + +De Miriki (Ateles hypoxanthus), dien wij voornamelijk door Prins Max +von Wied hebben leeren kennen, bewoont het binnenland van Brazilië. Hij +is ongeveer 1.4 M. lang, dik van lijf, met een kleinen kop en een +korten hals; de ledematen zijn lang; de beharing is dicht, bijna +wollig. Gewoonlijk is de vacht vaalgeel, soms echter witachtig +grauwgeel; de binnenzijde van de ledematen is gewoonlijk lichter van +kleur. Het onbehaarde gelaat is in de jeugd zwartbruin, op lateren +leeftijd donkergrijs, in het midden echter vleeschrood. De duim van de +voorhand is een kort stompje zonder nagel. + +De schoonste van alle Slingerapen is waarschijnlijk die, welke eerst +onlangs door den jongen Bartlett in het oosten van Peru gevonden is, en +ter eere van zijn ontdekker Bartlett’s Slingeraap (Ateles Bartletti) +wordt genoemd. De goedgevulde, lange, zachtharige vacht heeft aan de +geheele boven- en buitenzijde een donkerzwarte kleur; een streep over +het voorhoofd is goudgeel, de wangbaard is wit; de onderzijde van romp +en staart, de binnenzijde van de ledematen en de buitenzijde van het +onderbeen zijn bruinachtig geel, een weinig lichter van kleur dan de +streep over het voorhoofd, hier en daar gespikkeld door de aanwezigheid +van enkele zwarte haren. Alle onbehaarde gedeelten van het aangezicht +en van de handen zien er bruinachtig zwart uit. De grootte van dezen +prachtigen Aap schijnt overeen te stemmen met die van de hem verwante +soorten. + +Humboldt, Prins Max von Wied en Schomburgk hebben ons het leven der +Slingerapen in vrijen toestand leeren kennen. In Guyana vindt men ze +slechts in de donkerste wouden, niet hooger dan 500 M. boven den +zeespiegel: zij vermijden het kale woud der hooger gelegen streken +geheel. In den regel vindt men ze tot benden van ongeveer zes stuks +vereenigd, zeldzamer alleen of bij paren en nog minder dikwijls in +grootere gezelschappen. Elk van deze benden gaat gedurende het zoeken +van ’t voedsel kalm en rustig haar gang zonder zich om andere +ongevaarlijke wezens te bekommeren. Hun beweging verdient den naam van +vlug, wanneer men haar met die der Brulapen vergelijkt. De geschiktheid +tot klimmen en loopen op de boomen wordt bevorderd door de aanzienlijke +lengte van de ledematen. Daar zij met de lange armen verafgelegen +steunpunten kunnen bereiken, snellen zij, zelfs zonder groote +inspanning, zoo vlug voort, dat de jager volstrekt geen tijd te +verliezen heeft, als hij hen volgen wil. In hunne boomtoppen bewegen +zij zich behendig: zij klauteren zeer goed en doen soms kleine +sprongen. Bij alle bewegingen werpen of slingeren zij hunne ledematen +op een zonderlinge wijze heen en weer. De staart wordt gewoonlijk +vooruitgezonden om een steunpunt te zoeken, voordat de Aap er toe komt +om den tak waarop hij zit, te verlaten. Somtijds vindt men een aantal +Slingerapen, die aan den staart hangen, tot een zeer in ’t oog vallende +groep vereenigd. Met zelden zit of ligt de familie in trage rust, op +takken en twijgen, zich behaaglijk in de zon te koesteren; de kop is +dan dikwijls achterover gebogen, de armen zijn op den rug over elkander +gelegd, de oogen omhoog gericht. Op den vlakken bodem hompelen zij met +moeite voort; men zou medelijden met hen kunnen krijgen, als men ze +ziet gaan. Hun gang is in de hoogste mate wankelend en onzeker, en de +lange staart, die, om het evenwicht te bewaren, wanhopig heen en weer +bewogen wordt, doet den indruk van onbeholpenheid, welke door deze +bewegingswijze gewekt wordt, nog toenemen. Geen der Europeesche +natuuronderzoekers heeft trouwens ooit Slingerapen op den bodem gezien. +Prins Max von Wied beweert, dat zij, zoolang zij gezond zijn, slechts +dan op den grond afdalen, als het hun onmogelijk is geworden van uit de +laagst groeiende takken het water te bereiken, om op hun eigenaardige +wijze te drinken. Men maakt ijverig jacht op hen. De Portugeezen +gebruiken hun vel, de wilden eten hun vleesch, vele Indiaansche stammen +verkiezen dit wild boven al het overige. + +Men ziet deze dieren niet zeer dikwijls in den gevangen staat. Hier te +lande behooren zij altijd nog tot de zeldzaamheden. Toch zijn zij wel +in staat om de genegenheid van den mensch te wekken. Moedwil en +boosaardigheid zijn hun vreemd, en hun toorn, die zij door grimassen te +kennen geven, gaat even schielijk voorbij, als hij gekomen is. Door +hunne zonderlinge houdingen en lichaamsverdraaiingen weten zij iemand +bezig te houden. Een goede behandeling is aan hen welbesteed; zij +trachten haar te beloonen door liefkoozingen. + + + +De Rolstaartapen of Rolapen (Cebus) verschillen van de Grijpstaartapen, +doordat hun staart tot aan den top geheel behaard is, wèl om een tak +gewikkeld kan worden, maar als eigenlijk grijporgaan niet deugt. +Terwijl de reeds besprokene geslachten van Breed-neuzige Apen in onze +dierentuinen tot dusver tot de zeldzaamheden behooren, ziet men deze of +gene vertegenwoordiger van de Rolstaartapen bijna in ieder beestenspel. +Deze Apen onderscheiden zich van de vroeger behandelde door hun +lichaamsbouw. De schedel is rondachtig; de armen zijn slechts +middelmatig van lengte, de handen hebben vijf vingers. Een meer of +minder ontwikkelde baard versiert het aangezicht, voor ’t overige is de +beharing dicht en kort. + +Men zou de Rolstaartapen de Meerkatten van Amerika kunnen noemen. Zij +gelijken veel op deze vroolijke klanten, hoewel meer door hunne +handelingen dan door hun gestalte. Zij zijn echte Apen, d.w.z. +beweeglijke, leerzame, moedwillige, nieuwsgierige en wispelturige +dieren. Juist daarom worden zij door den mensch veel vaker getemd dan +alle overige Apen van de Nieuwe Wereld, en worden zij veelvuldiger naar +Europa overgebracht. Aan hun schreierige, zachte stem hebben zij den +naam „Huilende” Apen te danken. Men hoort deze stem echter alleen, +zoolang zij goed gehumeurd zijn. Bij de geringste opwinding schreeuwen +en krijschen zij op een afschuwelijke wijze. Zij leven uitsluitend op +boomen en zijn hier even goed thuis, als hunne overzeesche verwanten op +de mimosa’s en tamarinden. Reeds in den voortijd waren zij in Brazilië +inheemsch, ook thans is dit het geval en bevolken zij in grooten getale +de uitgestrekte wouden van de zuidelijke staten. Men vindt ze hier tot +vrij talrijke gezelschappen vereenigd en dikwijls gemengd met andere, +hun verwante soorten. + +In de gevangenschap toonen de Rolstaartapen bijna alle eigenaardigheden +van de Meerkatten en menige andere bovendien. Ondanks hun (zelfs onder +de Apen buitengewone) onzindelijkheid zijn zij de lievelingen van de +Indianen, bij welke men ze in getemden staat ontmoet. Evenals de +Bavianen houden zij van bedwelmende en dronkenmakende middelen. „Als +men,” zegt Schomburgk, „een tammen Rolstaartaap tabaksrook toeblaast, +of hem een snuifje voorhoudt, wrijft hij zich het geheele lichaam met +een echt wellustige opgewondenheid en sluit de oogen. Dezelfde +verrukking geeft hij te kennen na het ontvangen van een aangestoken +sigaar. Thee, koffie, brandewijn en andere opwekkende dranken brengen +een soortgelijke uitwerking teweeg.”—A. Vosmaer (1770) zegt van een +dezer dieren, dat in Suriname Meekoê of Mico genoemd wordt: „De +bijzondere eigenschap waarom wij hem den naam van Fluiter gegeven +hebben, is aanmerkelijk. Verscheidene Apen maken een min of meer +fluitend geluid, doch deze bezit die kunst meesterlijk, zoodat men +wezenlijk dacht, dat er iemand floot. Het geluid was eentonig, zeer +hard, doch verflauwend, en dit herhaalde hij dikwijls uit zich zelf, +tot vermaak; want, als hij boos was, schreeuwde hij.—Gelijk bijna alle +andere dieren van zijn geslacht, at en dronk hij bijna alles, maar +inzonderheid was hij een groot liefhebber van eieren en van Spinnen, +die hij overal opzocht. Zeer graag dronk hij jenever, op welk een en +ander de stalknechts in des vorsten rijschool, daar hij hier +verscheidene jaren geleefd heeft, hem nu en dan al eens onthaalden.” + + + +Van alle Rolstaartapen is de Gay of Sai, de Kapucijner-aap (Cebus +capucinus) waarschijnlijk de meest bekende. In de taal der Guaranen +beteekent „Gay” „bewoner van het woud”; dit woord is echter door de +Europeanen dikwijls verkeerd gebruikt en thans minder algemeen bekend +geworden dan de genoemde, Nederlandsche, met het oog op het haarkleed +werkelijk zeer toepasselijke naam. De Kapucijner-aap behoort, naar men +zegt, tot de grootste soorten van de groep; zijn staart kan 35, het +overige lichaam 45 cM. lang worden; in den regel zijn de exemplaren, +die naar Europa komen, kleiner. Hun duidelijkste kenmerk is het reeds +in de vroegste jeugd naakte, gerimpelde of geplooide, licht +vleeschkleurige voorhoofd. Grootendeels is de huidkleur meer of minder +donkerbruin; de dun behaarde slapen, de bakkebaard, de keel, de borst +en de buik alsmede de bovenarm zijn lichtbruin. + +Het verbreidingsgebied van den Kapucijner-aap strekt zich tot beneden +den Zuider-Keerkring en tot over de Andes uit. Van Bahia tot Columbia +is hij overal gemeen. Hij geeft de voorkeur aan bosschen, waarvan de +bodem niet met struikgewas begroeid is. Het grootste deel van zijn +leven brengt hij door in de boomen; want deze verlaat hij in den regel +alleen, wanneer hij drinken of een maïs-veld bezoeken wil. Hij heeft +geen vaste woonplaats. Over dag zweeft hij van boom tot boom om voedsel +te zoeken, des nachts rust hij uit tusschen de dooreengekronkelde +boomtakken. Gewoonlijk ontmoet men deze dieren vereenigd tot kleine +familiën van 5 à 10 individuën, die voor ’t meerendeel wijfjes zijn. +Soms, doch zelden vindt men oude mannetjes, die alleen leven. Men kan +de levenswijze van het in vrijen toestand verkeerende dier moeielijk +nagaan, omdat het zeer schuw en vreesachtig is: Rengger zegt, dat hij +slechts door een toeval in de gelegenheid kwam hierover waarnemingen te +doen. Eens werd zijn aandacht getrokken door welluidende, fluitende +tonen; opziende, zag hij een oud mannetje op de naastbijgelegen +boomkruin nader komen; hem volgden 12 of 13 Apen van beiderlei +geslacht; de wijfjes droegen ieder een jong gedeeltelijk op den rug, +gedeeltelijk onder den eenen arm. Plotseling merkte een der Apen een +nabijstaanden sinaasappelboom met rijpe vruchten op; hij liet eenige +geluiden hooren en sprong op den boom toe. Weinige oogenblikken later +was het geheele gezelschap daar verzameld, en hield zich bezig met het +plukken en eten van de zoete vruchten. Toen de boom half geledigd was, +trachtten de sterkste Apen de zwakkere hun eigendom te ontrooven; zij +trokken de vreemdsoortigste gezichten, lieten de tanden zien, pakten +elkander bij ’t haar en waren duchtig aan ’t kibbelen. Andere +doorzochten een dood gedeelte van den boom, lichtten de droge schors +behoedzaam op en verslonden de hieronder huizende larven van Insecten. +Toen zij zich verzadigd hadden, gingen zij in de houding, die reeds bij +de Brulapen (p. 44) is aangegeven, lang uit liggen op een horizontalen +tak om uit te rusten. De jonge dieren begonnen met elkander te spelen +en gaven daarbij bewijzen van groote behendigheid. Zij schommelden zich +aan hun staart, of klommen hierbij als langs een touw omhoog. + +In Januari werpt het wijfje één jong; gedurende de eerste weken draagt +zij het aan de borst, later evenwel op den rug. Nooit verlaat de moeder +haar kind, zelfs niet wanneer zij gewond is. Wel merkte Rengger op, dat +een wijfje, welker onderbeen verbrijzeld was door een kogel van zijn +jachtgezel, haar zuigeling van de borst nam en op een tak zette; +waarschijnlijk evenwel geschiedde dit meer met het doel om de zuigeling +buiten gevaar te brengen, dan om zichzelf verlichting te verschaffen. + +De Kapucijner-aap wordt dikwijls gevangen en getemd. Oude dieren raken +niet licht aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen te treuren, willen +niet eten, laten zich nooit temmen en sterven gewoonlijk na weinige +weken; de jonge Aap daarentegen vergeet licht zijn vrijheid, sluit zich +bij de menschen aan, en gebruikt, evenals vele andere dieren zijner +orde, na korten tijd dezelfde spijzen en dranken als de mensch. Hij +heeft, evenals alle leden van zijn geslacht, een zachtaardig voorkomen, +dat niet in overeenstemming schijnt met zijne groote behendigheid en +slimheid. + +Onder de zintuigelijke vermogens van het dier staat het tastgevoel +bovenaan; de overige zintuigen zijn zwak. Hij is bijziende en kan des +nachts in ’t geheel niet zien; hij hoort slecht, want men kan hem +gemakkelijk besluipen. Nog zwakker schijnt de reuk te zijn: hij houdt +ieder voorwerp, dat hij besnuffelen zal, dicht bij den neus en wordt +toch vaak genoeg door den reuk bedrogen: verleid om voorwerpen te +proeven, die, zooals het smaakzintuig hem later leert, oneetbaar zijn. + +De geluiden, die men van den Kapucijner-aap hoort, verschillen naar +gelang van zijn gemoedstoestand. Het meest hoort men van hem een zacht +gefluit, dat, naar het schijnt, als een bewijs van verveling moet +worden beschouwd. Hij steent, als hij iets hebben wil. Verwondering of +verlegenheid geeft hij te kennen door een eenigszins scheller gefluit; +als hij toornig is, schreeuwt hij met zware en grove stem herhaaldelijk +„hoe, hoe!” Bij vrees of smart wordt krijschen, bij vroolijke +gebeurtenissen daarentegen grinniken vernomen. Door dezelfde geluiden +deelt de apenhoofdman in vrijen toestand aan zijne onderhoorigen zijne +gewaarwordingen mede. Deze worden trouwens niet alleen, door geluiden +en bewegingen geopenbaard, maar ook door een gebaar, dat op lachen of +weenen gelijkt. In het eerste geval worden de mondhoeken +teruggetrokken, doch geen geluiden gemaakt. Bij het weenen vullen zich +de oogen met tranen, die echter nooit over de wangen vloeien. + +Niet zelden komt het voor, dat de Kapucijner-aap in de gevangenschap +jongen werpt. De genegenheid voor de jongen schijnt in deze +omstandigheden nog grooter te zijn dan bij het leven in de vrije +natuur. De moeder bemoeit zich gedurende den geheelen dag met haar +kind, duldt niet, dat een mensch het aanraakt, toont het alleen aan +lieden, waarvan zij veel houdt en verdedigt het moedig tegen ieder +ander. + +Onze Aap is zeer gevoelig voor koude en vochtigheid. Uit eigen beweging +gaat hij nimmer te water. Ook heeft men nimmer waargenomen, dat hij +zich door zwemmen tracht te redden. Wel weet men, dat hij spoedig naar +de diepte zinkt, als hij in ’t water wordt geworpen. In de +gevangenschap is hij onderhevig aan vele ziekten, vooral aan +verkoudheid en hoesten; evenals zijne verwanten uit de Oude Wereld +lijdt hij maar al te vaak aan tering. Volgens de schatting van Rengger +zou de ouderdom, die dit dier bereiken kan, omstreeks 15 jaar bedragen. + +De geestes-eigenaardigheden van den Kapucijner-aap zijn ten volle onze +aandacht waard. Reeds in de eerste dagen van zijn gevangen leven leert +hij zijn meester en verzorger kennen, zoekt bij hem voedsel, warmte, +bescherming en hulp, vertrouwt hem volkomen, verheugt zich, als hij met +hem mag spelen, laat zich al zijne plagerijen welgevallen, toont na een +scheiding bij het wederzien een uitgelatene vreugde en geeft zich ten +slotte zoozeer aan zijn heer over, dat hij zijn vrijheid geheel vergeet +en half een huisdier wordt. Hij sluit trouwens niet alleen met den +mensch vriendschap, maar ook met de kinderen, waarmede hij opgevoed +wordt. In Paraguay wordt hij niet zelden opgevoed met een jongen Hond, +die hem als rijpaard moet dienen. Als hij van dezen gescheiden wordt, +begint hij luid te schreeuwen; bij het wederzien overlaadt hij hem met +liefkoozingen. Zijn genegenheid gaat ook met zelfopoffering gepaard; +bij vechtpartijen met andere Honden verdedigt hij zijn vriend met +grooten moed. + +Geheel anders wordt het karakter van dezen Aap, wanneer hij +mishandelingen heeft te verduren. Als hij zich sterk genoeg acht, +tracht hij geweld met geweld te keeren, en bijt den mensch, die hem +kwaad doet. Als echter zijn tegenstander hem vrees inboezemt, neemt hij +zijn toevlucht tot huichelarij en zoekt zich te wreken, door zijn +vijand te overvallen. + +Ook de Kapucijner-aap is zeer snoeplustig; wanneer zijne dieverijen +ontdekt worden, leert hij spoedig in ’t geheim te stelen en daarbij +allerlei listen en knepen in toepassing te brengen. Op heeter daad +betrapt, zal hij uit vrees voor straf dadelijk luid schreeuwen; wanneer +daarentegen zijn misdrijf verborgen blijft, gedraagt hij zich zoo +argeloos en onbekommerd, alsof er niets gebeurd is. Kleine voorwerpen +worden ingeval van nood in den mond verborgen en eerst later opgegeten. +Zijn hebzucht is zeer groot. Wat hij bezit, laat hij zich zoo licht +niet weer ontnemen, hoogstens kan zijn meester dit doen, ingeval deze +zich zeer bemind heeft weten te maken. Behalve deze eigenschappen merkt +men zoowel nieuwsgierigheid als vernielzucht in hooge mate bij hem op. + +Slechts noode onderwerpt hij zich aan den wil van den mensch. +Daarentegen beijvert hij zich, andere wezens, zelfs menschen, nu eens +door liefkoozingen, dan weer voor dreigementen naar zijn hand te +zetten. Op zijn leerlust heeft dit een zeer verkeerden invloed: hij +leert alleen datgene, wat hem voordeel oplevert, b.v. doozen openen, de +zakken van zijn meester doorzoeken enz. + + + +De Apella of Bruine Rolstaartaap (Cebus apella) leeft in Guyana. Zijn +kleur is niet gemakkelijk te beschrijven, daar deze zeer verschillend +is. Zijn lichaamsbouw is tamelijk gedrongen; de betrekkelijk goed +gevulde vacht bestaat uit glanzige haren, die boven het voorhoofd en +aan de beide zijden van den kop zich tot een hooge kuif verheffen, en +in ’t aangezicht een baard vormen; hun over ’t algemeen bruinzwarte +kleur gaat op den rug, den staart en de dijen in zwart over; het +aangezicht en de keel zijn gewoonlijk lichter en op de kruin komt +geregeld een donkere streep voor. Dikwijls zijn ook de zijden van den +romp en de pooten helder kastanjebruin van kleur. In grootte komt deze +Aap met den Kapucijner-aap overeen. + +Van het leven van den Apella in de vrije natuur geeft Schomburgk de +volgende uitvoerige beschrijving: „Dicht tegen een boom aangedrukt, +wachtten wij de apenbende af. De voorhoede verscheen voor ons; het +hoofdleger volgde spoedig; ongeveer een kwartier later kwam de laatste +troep, dien ik trouwens door een uitbundig gelach, dat ik niet meer +inhouden kon, spoedig in wilden haast de vlucht deed nemen. Wie zou +hier dan ook het lachen hebben kunnen laten, bij het zien van de +overdreven haast en bewegelijkheid waarmede de vlugge dieren zich op de +takken voortbewogen, bij het hooren van het klagen, fluiten en zingen +van de zwakkere leden van het gezelschap, bij het opmerken van de +boosaardige blikken, die zij op hunne sterkere gezellen wierpen, omdat +zij, deze in den weg komend, door hen gebeten en geslagen werden. Men +kon zich niet bedwingen bij het zien van de oude mannetjesachtige +gelaatstrekken van de op moeders rug als ’t ware vastgelijmde jongen, +en bij het waarnemen van den ernst, waarmede gedurende de reis op ieder +blad, in iedere spleet naar Insecten gezocht werd terwijl nu en dan een +vliegende Vlinder of een vluchtende Kever met de grootste behendigheid +gevangen werd. Met zulke grimassen waren misschien ongeveer 400 of 500 +Apellas over ons weggeijld (want een andere beweging schijnen zij in ’t +geheel niet te kennen), toen ik aan den drang tot lachen niet langer +weerstand kon bieden. Als door den donder getroffen bleven de vlak +boven ons aanwezige Apen een oogenblik bewegingloos staan, lieten toen +een eigenaardig geschreeuw hooren, dat vóór, achter en naast ons zijn +echo vond; alle keken angstig in alle richtingen, totdat zij ons +bemerkten; toen keken zij ons een oogenblik aan, herhaalden hun +geschreeuw nog schriller dan de eerste maal, en vlogen nu met dubbel +zoo groote sprongen in den letterlijken zin van ’t woord over ons heen, +zonder dat eenige andere toon dan het vermeerderde gedruisch in de +takken gehoord werd.” + +De Apella wordt zeer veelvuldig naar ons werelddeel overgebracht, en is +daarom in dierentuinen en beestenspellen vaak genoeg te vinden. De +Savoyaarden, die het geheele zuiden van Europa doorwandelen, gebruiken +hem, evenals sommige Meerkatten, om het hart van gegoede lieden met +beter gevolg te verteederen, dan met hunne draaiorgels kan geschieden. +De muziek van deze dikwijls erbarmelijk ontstemde werktuigen is in de +straten van Frankrijk, Spanje en Italië zoo gewoon, dat geen mensch +meer let op den armen smeekeling, die de vroolijke muze te hulp roept, +en met klanken en liederen de harten wil roeren. Ach! juist deze tonen +sluiten de harten voor hem; zij wekken wrevel op, en de beurs blijft +gesloten. Nu gaat op bevel en in ’t belang van den toonkunstenaar de +tamme Meerkat, Apella, of Apollo-aap aankloppen aan de gesloten harten +der menschen. Het dier is gebonden aan een lang, dun touw, dat +grootendeels om de hand van zijn meester gewikkeld is; deze laat het +touw vieren, en op de klanken van de Marseillaise of van ’t een of +ander straatdeuntje klimt de kleine bedelaar bij regenwaterpijpen +omhoog, loopt langs dakgoten en kroonlijsten, gaat van de eene +verdieping naar de andere, tot hij de dakkamers bereikt heeft. Hij +verschijnt aan ’t venster, een kind merkt hem op, een luide juichkreet +wordt gehoord, het regent suikergoed en ander gebak in zijn +nabijheid—ach, had hij maar wangzakken;—maar er valt ook menige sou, +menige cuarto, menige soldo voor zijn beneden wachtenden meester: de +Aap heeft het hart van ’t kind geopend en het kindermondje den +geldbuidel van de ouders losgeknoopt. Het dier werpt ieder geldstuk, +dat het ontvangt, zijn meester toe; deze zamelt beneden vroolijk in, +zoolang hem van omhoog nog iets wordt toegeworpen, en trekt dan verder +met zijn helper in ’t bedelen, om eenige weinige huizen verderop het +spel te hervatten. + + + +De Faun-aap (Cebus fatuelles) onderscheidt zich voor een in twee +bundels verdeelde kuif. De oostkust dan Brazilië is zijn vaderland. + + + +In de tweede onderfamilie van de Breedneuzen vereenigen wij de +Slapstaarten (Pithecidae), voor ’t meerendeel kleine of middelmatig +groote Apen, welke van die der vorige onder-familie verschillen door +hun slappen, geheel en al behaarden, voor ’t grijpen ongeschikten +staart, welks wervels van voren naar achteren gestadig in dikte +afnemen. + + + +De Pluimstaartapen (Pithecia) hebben ineengedrongen lichaamsbouw, die +door de lange en losse beharing nog plomper schijnt, dan hij werkelijk +is, betrekkelijk krachtige ledematen en een dikken, ruigen staart, die +naar den spits toe meestal met langere haren bezet is. Het haar van ’t +bovenste deel van den kop is mutsvormig gescheiden, dat van de wangen +en van de kin vormt een meer of minder langen, dichten volbaard. + +Het verbreidingsgebied van de weinig talrijke soorten van dit geslacht +is tot de noordelijke gedeelten van Zuid-Amerika beperkt. Hier bewonen +zij hooge, droge wouden zonder kreupelhout en vermijden de nabuurschap +van andere Apen. Volgens Tschudi zijn zij schemeringdieren, welker +werkzaamheid eerst na zonsondergang begint, en tot het opgaan van de +zon voortduurt; overdag slapen zij, en zijn dan moeilijk op te jagen, +omdat zij hun tegenwoordigheid door geen gedruisch verraden, en zich +alleen, als zij vervolgd worden, vlugger bewegen. Hoewel gemakkelijk te +temmen, blijven zij toch in de gevangenschap dikwijls knorrig en +verdrietig, en als zij overdag waken, toonen zij zich traag of treurig. +„Overal, waar de boomkronen aan den oever dicht bebladerd zijn,” +schrijft Schomburgk, „vond ik troepen van Apen in de takken, en wel het +meest de werkelijk lieve Pluimstaartapen. Het fraai gescheiden, lange +hoofdhaar, de weelderig ontwikkelde baard aan kin en wang, de lang +behaarde staart, welke aan dien van een Vos herinnert, verschaffen aan +deze dieren, die zoo helder en verstandig kijken, een ongemeen +lieftallig, maar tevens een zeer grappig voorkomen.” + + + +In de groote bosschen langs den bovenloop van den Maranon en den +Orinoko wordt de meest algemeen verbreide soort van dit geslacht zeer +veelvuldig aangetroffen. Deze is de Satan-aap, de Kuxio van de Indianen +(Pithecia satanas), een dier van 55 cM. lichaamslengte met een bijna +even langen staart. De nagenoeg volkomen ronde kop is gekenmerkt door +een soort van muts, die uit niet zeer lange, dicht aanliggende haren +bestaat, welk van een gemeenschappelijke kruin aan het hoogste gedeelte +van het achterhoofd uitstralen en op het voorste gedeelte van den kop +een scheiding vertoonen. De wangen en de kin zijn omgeven door een +dikken, zwarten baard. Geen dandy zou baard en haar beter in orde +kunnen houden dan dit schoone dier, zegt Kappler. De beharing van het +bovenlijf is dicht, maar niet lang, die van de onderzijde daarentegen +dun; de staart is zeer ruig. De volwassen mannetjes en wijfjes hebben +een zwarte, aan den rug roetkleurig-vaalgele, de jongen een +bruinachtig-grijze kleur. Velerlei afwijkingen komen veelvuldig voor. +Volgens Kappler wordt dit dier in Guyana Xiu (Schiu) genoemd; het dier +is hier niet veelvuldig, leeft in kleine familiën van 4 à 6 individuën +en verdraagt de gevangenschap zelden goed. + +Een tweede soort van dit geslacht, de Witkop-aap (Pithecia +leucocephala), vertoont vele van ouderdom en sekse afhangende +afwijkingen, en draagt daarom verschillende namen. Hij bewoont Guyana +en de landen langs den Amazonenrivier, leeft meer in het struikgewas +dan op hooge boomen, is vereenigd tot gezelschappen, die in den regel +uit minstens 6 en hoogstens 10 individuën bestaan, en schijnt een vrij +traag dier te zijn. Zijn voedsel bestaat, naar men zegt, uit bessen en +andere vruchten benevens honigraten. De wijfjes brengen één jong ter +wereld en dragen dit langen tijd op den rug. Kappler bevestigt deze +berichten, en voegt er bij, dat deze Aap gemakkelijk getemd kan worden, +maar altijd vreesachtig en droefgeestig blijft. + +Ook van het leven van den zwartkoppigen Pluimstaartaap (Pithecia +melanocephala) is nog niet veel bekend, hoewel hij zich vaak aan de +inboorlingen vertoont, naar men uit het groot aantal namen die hij +draagt, kan afleiden. De inboorlingen noemen hem Cacajao, Chucuto, +Chucuzo en Caruiri. Mono-feo of „leelijke Aap” en Mono-Rabon of +„Kortstaart.” De laatstgenoemde naam heeft sedert eenigen tijd de +voorkeur verworven; want men heeft den Cacajao (met eenige andere op +hem gelijkende soorten, die zich door hun korten, behaarden staart +aanmerkelijk van alle overige Apen van de Nieuwe Wereld onderscheiden) +tot een afzonderlijke groep vereenigd en deze Kortstaarten (Brachyurus) +genoemd. + +De Cacajao is ongeveer 45 (met den staart echter 60) cM. lang. Zijn +dichte, gladde vacht heeft aan de schouder en de zijden langere haren, +maar is aan ’t onderlijf zeer dun. In den nek komt een haarkruin voor; +van waar de haren naar den kop gericht zijn. De baardgroei is aan de +wangen niet weelderig. De dunne, korte staart draagt een dikken, aan ’t +einde afgeknotten haarkwast. De vingers zijn zeer lang en sterk. Het +dier is op den rug grijsgeel, van achteren roestkleurig rood, aan ’t +onderbeen en de voeten zwart. De haren van den kop en van de voorarmen +zijn glanzig zwart, evenals de onbehaarde huid van het aangezicht. De +in gevangenschap levende dieren zijn vraatzuchtig en stompzinnig, +evenwel niet boosaardig, maar vreesachtig en onderworpen. Het zien van +een Krokodil of van een Slang veroorzaakt hun zulk een vrees, dat zij +over al hunne leden sidderen. + +Het vaderland van dezen Aap is het noordwesten van Brazilië ten noorden +van den Amazonen-stroom, doch vooral de bosschen langs de oevers van de +rivieren van Nieuw-Granada en Ecuador; naar men zegt, komt hij echter +nergens veelvuldig voor. Hij is slechts éénmaal levend naar Europa +gebracht. + + + +Een slank lichaam met slanke ledematen en een zeer langen, dunnen en +slappen staart, een ronde kop met baardeloos gelaat en korten snuit, +heldere oogen en groote ooren, vijfteenige handen en voeten kenmerken +een kleine groep van Amerikaansche Apen, die, wegens hunne vlugge +bewegingen, Springapen (Callithrix) genoemd worden. + +De Springapen leven, tot kleine gezelschappen vereenigd, in de stille +wouden van Zuid-Amerika en trekken hier door hun luide stem zeer de +aandacht. Deze stem, welke na die van de Brulapen, de krachtigste en +verst hoorbare is, welke bij de daar inheemsche Apen voorkomt, verraadt +hun aanwezigheid reeds van verre aan den jager, die ze wegens hun +malsch en lekker vleesch ijverig vervolgt. Zij zijn buitengewoon +zachtaardig van natuur, en worden in de hoogste mate tam en +aanhankelijk. + +Een van de fraaiste leden van dit geslacht is de Weduwen-aap +(Callithrix lugens). Zijne lengte bedraagt 90 cM., waarvan 50 cM. voor +den staart gerekend moeten worden. „Dit kleine dier,” zegt Alexander +von Humboldt, „heeft fijn, glanzig, fraai zwart haar; op zijn +aangezicht bevindt zich een witachtige, in ’t blauwe spelende, +onbehaarde plek, waarin oogen, neus en mond staan; zijn klein, goed +gevormd, bijna onbehaard oor heeft een omgebogen rand. Voor aan den +hals ziet men een witte streep, die ongeveer 2½ cM. breed is, en een +halsband vormt; de voeten zijn zwart, evenals het overige lichaam, de +handen echter van buiten wit en van binnen glanzig zwart. Deze witte +lichaamsdeelen worden door de zendelingen vergeleken met den sluier, +den halsdoek en de handschoenen van een weduwe in rouwgewaad.” + +Deze in ’t zuiden van Venezuela inheemsche Aap gaat alleen als hij eet, +op de achterste ledematen staan. Zijn gemoedsaard is anders dan zijn +uiterlijk zou doen vermoeden. Schijnbaar is hij schuchter en +zachtaardig. Wanneer hij echter vrij is in zijne bewegingen, zal hij +bij ’t zien van een Vogel zeer opgewonden worden, met verbazende +behendigheid klimmend en loopend dit dier besluipen, het als een Kat +bespringen, en elke prooi dooden die hij grijpen kan. + + + +Als overgangsvormen tusschen de Breedneuzen met slingerstaart en die +met slappen staart kan men de Saimiri’s (Chrysothrix) beschouwen. Deze +Apen zijn slank gebouwd; zij hebben lange ledematen en een zeer +grooten, sterk verlengden, vooral van achteren ontwikkelden kop met +hoog voorhoofd, kort aangezicht, groote, dicht bij elkander geplaatste +oogen en eenvoudige, groote oorschelpen. De vacht bestaat uit haren, +die met verschillend gekleurde ringen geteekend zijn en is niet zeer +gevuld. + +De meest bekende soort is het Doodshoofd-aapje, ook wel Titi genaamd +(Chrysothrix sciurea); het onderscheidt zich door zijn bevallige +gedaante en fraaie, aangename kleur en evenzeer door de sierlijkheid +zijner bewegingen en door zijn vroolijkheid. Het is een der schoonste +Apen van de Nieuwe Wereld. Zijn eenigszins afschrikwekkende volksnaam +zou een zeer verkeerd denkbeeld kunnen geven van de uitdrukking van +zijn gelaat; het dier dankt dien alleen aan een hoogst oppervlakkige en +bij nauwkeuriger beschouwing dadelijk verdwijnende overeenkomst. Het +zeer slank gebouwde Doodshoofd-aapje heeft een zeer langen staart; zijn +fijne vacht is aan de bovenzijde roodachtig zwart (bij zeer oude +exemplaren echter helder oranjegeel), aan de ledematen grijs +gesprenkeld en aan de onderzijde wit. Bij sommige exemplaren heeft de +grijze kleur de overhand; bij andere is de kop koolzwart, het lichaam +kanariegeel met zwart doorsprenkeld, de ledematen goudgeel. De totale +lengte bedraagt ongeveer 80 cM., de staart is 50 cM. lang. + +Dit lieve diertje heeft hoofdzakelijk Guyana tot vaderland; het bewoont +vooral de rivieroevers van dit rijk gezegende gebied. Het leeft daar +tot groote gezelschappen vereenigd. Volgens Schomburgk is het in dit +land een der meest verbreide Aap-soorten. Evenals de daar voorkomende +Kapucijner-apen bevolkt hij in talrijke groepen, uit honderd en meer +stuks bestaande, niet het hoogstammige woud, maar het struikgewas van +den woudzoom, zoowel aan de kust als in heuvelachtige gewesten tot op +600 M. hoogte boven den zeespiegel. Niet zelden komen zij te midden van +Kapucijner-apen voor. Overdag vindt men ze voortdurend in beweging. Den +nacht brengen zij in de kronen der palmen door, die hun de veiligste +schuilplaats bieden. Dit dier is zeer schuw en vreesachtig: des nachts +durft het zich niet te bewegen; overdag neemt het onmiddellijk de +vlucht, zoodra het eenig gevaar, hoe gering ook, opmerkt. Dan ziet men +de bende in lange reeksen over de boomkronen wegtrekken. De leidsman, +die de geheele optocht regelt, brengt zijne onderhoorigen, dank zij +hunne vlugge bewegingen, zeer spoedig in veiligheid. + +Kappler heeft in Guyana gedurende 26 jaren altijd drie van deze Aapjes +gehouden, en als er een van stierf, steeds het getal weder aangevuld. +Volgens hem worden zij Akalimas en Kaboeanamas genoemd. „Zij zijn zeer +wakker en altijd in beweging, hoewel zij ook over dag een slaapje doen; +zij zijn echter zeer gevoelig voor koude. Ik kreeg ze altijd zeer jong, +en kon ze spoedig aan melk, brood en rijpe bananen gewennen. In den +eersten tijd liet ik ze vrij in de kamer rondloopen, waar zij dan uren +achtereen als kleine kinderen op hun duim zogen. Wegens hun aardig, wit +gezichtje, met het scherp begrensde kophaar, den zwarten mond, de +groote, heldere oogen, en wegens hun opgewekten, vertrouwelijken aard +waren zij ieders lievelingen. De valschheid, die aan vele Apen eigen +is, komt bij hen niet voor; wel wordt hun toorn licht opgewekt, maar +even spoedig herkrijgen zij hun goed humeur. Zonder aanleiding trachten +zij nooit te bijten; bij goede behandeling zijn zij de onschuldigste, +vroolijkste diertjes, die men zich denken kan. Dikwijls, als zij vrij +rondliepen, gingen zij op de Zwijnen zitten, en lieten zich door de +savannahs ronddragen. Iederen avond om 5 uur, nadat de luiken der +besten vertrekken gesloten waren, werden zij los gelaten. Dan begon een +dol jagen en stoeien op den broodvruchtenboom en de kokospalmen achter +het huis; dit duurde, totdat het donker was, dan kwamen zij uit zich +zelf terug, om in hun huisje opgesloten te worden. Ofschoon zij +Insecten eten, kunnen zij, naar het schijnt, de vergiftige niet van de +andere onderscheiden; drie van mijne dieren stierven, omdat zij de +Vlinders van de Kokosrups opgegeten hadden. Leerzaam zijn zij niet; hun +verstand is veel geringer dan dat van den Kapucijner-aap. Als zij zich +prettig gevoelen, spinnen zij als jonge Katten; bij schrik laten zij +een kort afgebroken gehemeltegeluid hooren, bij toorn schreeuwen zij +als Eksters. De meeste werden mij van ’t zeestrand gebracht, waar zij +vlug op de awarra-palmen rondspringen, ofschoon deze over en over met 8 +cM. lange, naaldscherpe stekels bezet zijn. De Indianen schieten de +moeders, als zij hunne jongen nog op den rug hebben, of schudden de +jongen van de boomen af, wanneer zij daar door de moeders neergezet +zijn, Zelden krijgt men een mannetje in handen; bijna alle exemplaren, +die mij gebracht werden, waren wijfjes.” + + + +De Nachtapen zijn vertegenwoordigers van een geslacht (Nyctipithecus). +Aan Azara danken wij de eerste berichten over dit geslacht, een der +merkwaardigste van de geheele Apen-orde. Kort na hem werd het door +Humboldt, later door Rengger en Schomburgk, eindelijk ook door Bates +beschreven. Deze dieren vormen in zekeren zin den overgang van de +Eigenlijke Apen tot de Half-Apen, die evenals zij een nachtelijke +levenswijze hebben en ook in andere opzichten op hen gelijken. Aan den +kop en de uitdrukking van het gelaat zijn zij dadelijk te onderscheiden +van alle tot dusver genoemde Apen; deze eigenaardigheden +karakteriseeren hen zeer goed. De kleine rondachtige kop heeft groote +oogen, welke aan die van Uilen herinneren; de snuit steekt weinig +vooruit en is breed en groot; de neusgaten zijn benedenwaarts gericht, +de ooren klein. Hun romp is langgerekt, zacht en los behaard; de +eenigszins ruige staart is langer dan het lichaam. De nagels zijn +samengedrukt en gebogen. + +Het schrale lichaam van den Mirikina (Nyctipithecus trivirgatus) is 35 +cM., de staart 50 cM. lang. De kleur van de vacht is aan de bovendeelen +grijs-bruin, meer of min roestkleurig; de staart heeft een zwarte +spits. Op de kruin komen drie even breede, zwarte, onderling +evenwijdige streepen voor; van den nek tot aan het begin van den staart +strekt zich een breede, helder geelachtig bruine streep uit. + +Het verbreidingsgebied van den Mirikina omvat het oosten van tropisch +Zuid-Amerika, waar hij echter slechts in enkele gewesten voorkomt. +Rengger beweert, dat dit dier in Paraguay alleen aan den rechteroever +van den stroom (en daar niet verder zuidwaarts dan 25° Z.B.) gevonden +wordt, zich aan den linker oever echter niet ophoudt. Van zijn leven in +vrijen toestand is slechts weinig bekend. Hij brengt zijn leven op en +in de boomen door, gaat gedurende den nacht voedsel zoeken, en +verschuilt zich des morgens in een gat van een boom om hier overdag te +slapen. Bij het brandhout inzamelen vonden de lieden van onzen +natuuronderzoeker eens een paartje van de Apen, die in een hollen boom +sliepen. De uit hun slaap opgeschrikte dieren trachtten dadelijk te +ontvluchten, waren echter door het zonlicht zoozeer verblind, dat zij +geen juisten sprong maken en ook niet goed klimmen konden. Zij werden +daarom zonder moeite gevangen, ofschoon zij zich met hunne scherpe +tanden zochten te verdedigen. Het leger bestond uit bladen, belegd met +een soort van mos, dat op de boomen groeit; hieruit schijnt te blijken, +dat deze dieren op een bepaalde plaats leven en geregeld in hetzelfde +leger gaan rusten. Rengger beweert, dat men altijd slechts één paar van +deze dieren vindt, dat zij nooit grootere gezelschappen vormen; Bates +bericht echter, dat dit wel gebeurt. + +De jonge Mirikina laat zich licht temmen, de oude daarentegen blijft +altijd wild en bijtlustig. Met zorg behandeld, verdraagt hij de +gevangenschap goed; bij onzindelijke verzorging leeft hij echter niet +lang. Men houdt hem in een ruim hok of in de kamer; men laat hem vrij +rondloopen, daar hij licht in het touw verward raakt, wanneer men hem +vastlegt. Gedurende den geheelen dag blijft hij in den donkersten hoek +van zijn verblijfplaats zitten slapen. Hij zit met opgetrokken pooten +en sterk voorover gebogen rug en verbergt het gelaat tusschen de over +elkander gekruiste armen. Als men hem wekt, en niet door aaien of +dergelijke liefkoozingen wakker houdt, slaapt hij onmiddellijk weer in. +Op heldere dagen kan hij geen voorwerp onderscheiden; zijn pupil is dan +nauwelijks zichtbaar. Als men hem uit de duisternis plotseling in ’t +licht brengt, toonen zijne gebaren en klagende geluiden, dat het licht +bij hem een pijnlijke gewaarwording teweeg brengt. Zoodra echter de +avond valt, wordt hij wakker; zijn pupil vergroot zich al meer en meer, +naarmate de duisternis toeneemt, en wordt ten slotte zoo groot, dat men +het regenboogvlies nauwelijks meer waarneemt. Zijn oog licht in ’t +donker, evenals dat van de Katten en Nachtuilen. Als de schemering +aanvangt, begint hij zijn hok rond te gaan en naar voedsel uit te zien. +Hij beweegt zich gemakkelijk, hoewel hij op den vlakken bodem niet zeer +behendig is, omdat zijne achterste ledematen langer zijn dan de +voorste. In ’t klimmen is hij zeer bekwaam; het springen van den eenen +boom op den anderen verstaat hij meesterlijk. Rengger liet zijn +gevangen Mirikina soms bij helder sterren- of maanlicht in een met +sinaasappelboomen bezetten, maar aan alle zijden ingesloten hof vrij +rondloopen. Dan ging hij vroolijk van den eenen boom op den anderen en +het was onmogelijk het dier ’s nachts weder op te vangen. Eerst des +morgens kon men hem grijpen, als hij, door ’t zonlicht verblindt, +rustig in de dichtste gedeelten van de boomkroon zat. Gedurende zijne +nachtelijke zwerftochten maakte hij bijna elken keer een op de boomen +slapenden Vogel buit. Andere Nachtapen, die door Rengger nagegaan zijn, +toonden een buitengewone geschiktheid tot het vangen van Insecten. Des +nachts hoorde men dikwijls een sterk dof geluid van den Mirikina; hij +herhaalde dit altijd verscheidene malen achtereen. Door sommige +reizigers werd dit geluid vergeleken met het gebrul van den Jaguar in +de verte. Zijn toorn geeft hij te kennen door herhaaldelijk „Grr, grr,” +te roepen. + +Van alle zintuigen is waarschijnlijk dat van ’t gehoor het volkomenst +ontwikkeld. Het geringste gedruisch trekt onmiddelijk zijn aandacht. +Des nachts, bij ’t licht der sterren is zijn gezichtsvermogen het +scherpst. Zijne geestvermogens schijnen gering te zijn. Nooit leert dit +dier zijn meester kennen, het volgt diens roep niet en is onverschillig +voor zijne liefkoozingen. + +Dat er een groote genegenheid tusschen mannetjes en wijfjes bestaat, +werd door Rengger opgemerkt. Als van een gevangen paar er een sterft, +kniest de andere zich dood. De vrijheid gaat bij deze dieren boven +alles; van iedere zich aanbiedende gelegenheid om te ontsnappen maken +zij gebruik, zelfs wanneer zij jong gevangen zijn en reeds jaren in +gevangenschap geleefd hebben. + + + +Enkele natuuronderzoekers brengen de dieren, die wij hier tot een +afzonderlijke familie vereenigen, nog tot de vorige afdeeling; de +punten van verschil tusschen hen en de vroeger behandelde Apen zijn +echter belangrijk genoeg, om een scheiding, zooals die, welke wij +voorstaan, te rechtvaardigen. + +De Klauwapen of Eekhoornapen (Arctopitheci) onderscheiden zich van alle +tot dusver genoemde leden der Apen-orde hoofdzakelijk hierdoor, dat zij +aan alle vingers en teenen, met uitzondering van den duim of binnenteen +van den voet, smalle klauwen, aan den bedoelden duim echter een +dakpanvormigen, platten nagel hebben. Andere kenmerken van deze dieren +zijn: de rondachtige kop, met kort, plat aangezicht, kleine oogen en +groote, dikwijls in een haarkwast eindigende ooren, de slanke romp, de +korte ledematen; de staart is lang en ruig, de beharing zijdeachtig +zacht. De handen gelijken op de voorvoeten van andere Zoogdieren, daar +de duim niet van de overige vingers verwijderd staat en ook niet aan +deze tegenovergesteld kan worden, terwijl dit met den duim van de +achterhand wel kan geschieden. De handen zijn dus bij hen voorvoeten +geworden; alleen de eigenlijke voeten hebben nog een soortgelijk +maaksel als die der overige Apen. + +Het verbreidingsgebied van de Klauwapen omvat alle noordelijke landen +vau Zuid-Amerika, en strekt zich noordwaarts tot Mexico uit, terwijl +het in zuidelijke richting ternauwernood voorbij Brazilië reikt. Het +laatstgenoemde rijk, benevens Guyana en Peru bevatten de meeste +soorten; in Mexico komen er, voor zoover men thans weet, slechts twee +voor. Hoe ver zij zich in ’t gebergte omhoog begeven, is tot nu toe +niet met zekerheid uitgemaakt; Schomburgk ontmoette ze nog op een +hoogte van 500 M. boven de oppervlakte der zee; in de Andes komen zij +echter ongetwijfeld op nog grootere hoogte voor. + +Alle Klauwapen zijn boomdieren in den eigenlijken zin van ’t woord. In +de uitgestrekte bosschen van de landen waar zij inheemsch zijn, komen +zij in grooten overvloed voor; niet alleen in de hoogstammige, vochtige +bosschen langs de kust of van de vlakten, maar ook in de lagere, minder +welige wouden van het binnenland. Wat aard en gewoonten betreft, +gelijken zij minstens evenveel op Eekhoorntjes als op de eigenlijke +Apen. Een opgerichte houding zooals bij deze komt bij hen niet voor: +zij rusten op handen en voeten, of liggen zelfs plat op den buik, in +welk geval de lange, dicht behaarde staart recht naar beneden hangt; +ook houden zij er niet van om zich, evenals hunne verwanten—de +bekwaamste klimmers die ons bekend zijn—te midden van de dunne twijgen +te bewegen, maar blijven liever op de dikken takken; zij gedragen zich +hier geheel op de wijze van de Eekhoorntjes en gebruiken hunne lange +klauwen als deze Knaagdieren. Altijd laten zij de geheele zool op den +grond rusten. Nooit ziet men ze op twee voeten gaan; evenwel richten +zij, als zij iets naar den mond willen brengen, bij uitzondering het +voorste deel van ’t lichaam omhoog: de houding, die zij dan aannemen, +komt trouwens ook bij de Eekhoorntjes voor. + +Ook in andere opzichten gelijken zij veel op Eekhoorntjes; zij zijn +even ongedurig en rusteloos, even schuw en vreesachtig als deze. Zij +houden hun kopje geen oogenblik stil; de donkere oogen richten zich nu +eens naar het eene dan weer naar een ander voorwerp, altijd echter met +een zekere haast; naar het mij voorkomt, heeft de werkzaamheid van hun +geest niet veel te beteekenen, terwijl zij hunne blikken van de eene +plaats naar de andere laten zwerven, hoewel het den schijn heeft, dat +zij intusschen nu eens aan de eene, dan weer aan de andere zaak denken. +Ik geloof niet, dat men aan de Klauwapen een diep nadenken mag +toeschrijven; integendeel, volgens mijn overtuiging staan zij wat hunne +geestvermogens betreft, beneden alle overige Apen; het zijn zeer +bekrompen wezens, welker verstand waarschijnlijk niet grooter is dan +dat van de Knaagdieren van gelijke grootte. Vreesachtig, wantrouwend, +terughoudend, kleingeestig en vergeetachtig van aard, handelt de +Klauwaap als ’t ware zonder zelfbewustzijn, laat zich, zonder dat zijn +wil invloed schijnt te oefenen op zijne daden, door de indrukken van +het oogenblik beheerschen, let niet meer op hetgeen hij zooeven heeft +nagejaagd, zoodra een andere prikkel, van welken aard dan ook, op hem +werkt. Hij bezit alle eigenschappen van een lafaard: de klagende stem, +de duidelijk merkbare ongeschiktheid of onwil om te berusten in iets, +wat hij niet keeren kan, de neiging om alle gebeurtenissen van de +ongunstigste zijde te beschouwen, de ziekelijke zucht om iedere +handeling van een ander aan te merken als tegen hem gericht, het vurig +verlangen om te schitteren, gepaard met de neiging om zich op den +achtergrond te houden, de veranderlijkheid van de uitdrukking van ’t +gelaat zoowel als van de houding van ’t lichaam, de onstandvastigheid +in ’t willen zoowel als in ’t volbrengen. + +Allerlei vruchten, zaden, jonge bladen, bloemen vormen de +hoofdbestanddeelen van het voedsel onzer aapjes; bovendien echter maken +zij met den grootsten ijver jacht op allerlei kleine dieren; aan +Insecten, Spinnen enz. geven zij stellig de voorkeur boven kleine +Gewervelde Dieren, die zij echter ook niet versmaden. In allen gevalle +zijn zij meer dan alle overige Apen roofdieren, d.w.z. zij eten meer +dan de overige leden hunner orde dierlijk voedsel naast het +plantaardige. + + + +In de familie der Klauwapen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden, +die alle tot één geslacht (Hapale) behooren: de Leeuwaapjes, die nevens +het naakte gelaat ook onbehaarde ooren hebben, daarentegen manen op den +kop, die zich soms ook over den hals en de schouders uitstrekken, een +in een haarkwast eindigenden staart, die zoo lang is als het overige +lichaam: de Tamarins—in onze afbeelding op p. 55 vertegenwoordigd door +het Zilveraapje (Hapale argentata)—, die zich van de eerstgenoemde +alleen onderscheiden door den langeren staart en het meestal ontbreken +van de manen, en de Zijdeaapjes met een haarkwastje aan de ooren. + +Van de laatstgenoemde groep komt, naar het schijnt, het Sahoei-aapje, +de Sagoeïen, Oeïstiti of Marmoset (Hapale jacchus) het veelvuldigst +voor; dit is een middelmatig groot, sierlijk gebouwd Klauwaapje van 22 +à 27 cM. lichaams- en 30 à 35 cM. staartlengte. De kleur van de lange +en zachte vacht is over ’t algemeen een mengeling van zwart, wit en +roestgeel. Zij wordt veroorzaakt door de eigenaardige afwisseling van +kleuren op ieder haar afzonderlijk beschouwd: aan den voet is het +zwartachtig, verderop roestkleurig, nog hooger zwart en aan den top +witachtig. Op het voorste deel van den rug zweemt de kleur naar +roestgeel, verder achterwaarts wisselen smalle, zwarte en witte, +golvende dwarsstrepen met elkander af. Aan het onderlijf en aan de +ledematen zijn alle haarspitsen witachtig grijs en heeft deze kleur dus +de overhand. De staart is zwart met ongeveer 20 smalle, witachtige +ringen en een witten top. Een witachtige, driehoekige voorhoofdsvlek en +een schitterend wit oorkwastje steken vroolijk af bij de donkerbruine +kleur van den kop. Het aangezicht is donker vleeschkleurig en spaarzaam +begroeid met witachtige haartjes. + +Oeïstitis komen vaker levend naar Europa dan eenige andere soort van de +familie der Klauwapen. Men kent ze reeds sedert de ontdekking van +Amerika, en is al spoedig begonnen ze te temmen. Men kan ze met +vruchten, groenten, Insecten, Slakken en vleesch zeer goed voederen; +ook hechten zij zich in den regel zeer spoedig aan de menschen, doch +slechts aan die, welke hen bestendig verzorgen. Tegenover vreemden +toonen zij zich wantrouwig en prikkelbaar; over ’t algemeen zijn zij +zeer eigenzinnig en gedragen zich als stoute kinderen. Hun misnoegen +geven zij door fluitende toonen te kennen. Alles wat hun vreemd +voorkomt, brengt bij hen ontroering teweeg: zij zijn zoo vreesachtig, +dat het zien van een voorbijvliegende Wesp hun grooten angst inboezemt. +Die, welke al oud waren, toen zij gevangen werden, zijn in den beginne +nog al wild en schreeuwen reeds bij de geringste toenadering; het duurt +vrij lang, voordat zij dulden, dat men ze aanraakt. Als zij eenmaal +getemd zijn, sluiten zij niet alleen met de menschen vriendschap, maar +ook met de huisdieren, vooral met de Katten, waarmede zij spelen en in +welker nabijheid zij zich gaarne te slapen leggen, waarschijnlijk ter +wille van de warmte. Voortdurend trachten zij zich zorgvuldig tegen de +koude te beschutten; zij dragen het katoen, de lompen, de vlokjes wol +enz., die men hun geeft naar een hoek van hun hok, maken zich daarvan +een leger, en hullen zich in, zoo goed zij kunnen. Het is een aardig +schouwspel, het diertje zijn sierlijk kopje uit zijn bedje te zien +steken, zoodra bekenden hem met lekkernijen naderen. + +De Oeïstiti heeft in Europa reeds meermalen jongen geworpen, eenmaal in +Petersburg, en hier zelfs in zeer ongunstige omstandigheden. Men hield +daar deze dieren zelfs gedurende vrij ruwe herfst- en lentedagen in een +vertrek, waar niet gestookt werd, en gaf hun volstrekt geen vrijheid; +toch brachten zij er in twee jaren drie maal jongen ter wereld. In +weerwil van de geringe zorg, die aan deze dieren besteed werd, groeiden +de jongen voorspoedig op. Deze mededeeling danken wij aan den +natuuronderzoeker Pallas, die tevens van de levenswijze van de bedoelde +dieren een zeer uitvoerige beschrijving geeft, waaraan het volgende +ontleend is: „Even als alle langstaartige, kleine, op Meerkatten +gelijkende Apen Van de Nieuwe Wereld is ook de Oeïstiti bij wijze van +spreken veel minder „Aap” dan de grootere soorten van deze diergroep. +Wel springt en klimt hij zeer behendig, wanneer hij dit wil; hij is +echter niet, evenals de andere Apen, voortdurend in beweging, maar +toont, vooral wanneer hij verzadigd is en zich in de zon wil koesteren, +een groote traagheid; uren lang blijft hij dan stil in gezelschap van +zijne stamverwanten aan de draden van zijn kooi hangen. Hij klimt op +allerlei wijzen, dikwijls met den kop naar beneden; altijd zijn zijne +bewegingen vrij phlegmatisch: soms laat hij zich met den kop naar +beneden hangen, terwijl hij zich alleen met de achterpooten vasthoudt, +of rekt zich als een lui mensch uit, terwijl hij aan de voorpooten +hangt. Bij warm, zonnig weder reinigen deze dieren elkander op de wijze +der Apen met de voorpooten en de tanden; soms doen zij dit, terwijl zij +nevens elkander aan het traliewerk hangen, soms terwijl zij op den +bodem rusten, waarbij dan de eene lang uitgestrekt op den rug ligt. +Daarbij laten zij een zacht getjilp en een kirrend geluid hooren. +Gewoonlijk kruipen zij met hetzelfde gekir des avonds bijna altijd op +klokslag van zessen in een van hunne alleen met stroo gevoerde +slaapplaatsen, die aan de zijde van het hok aangebracht zijn; zij +vertoonen zich vóór ’s morgens 6 of 7 uur niet weder: in den +tusschentijd hoort men geen geluid van hen. Zelden kwam het voor, dat +een van hen gedurende den voor ’t slapen bestemden tijd zijn leger +verliet, om aan een natuurlijke behoefte te voldoen; toch bevuilen zij +nooit hun nest. Gedurende de overige 11 of 12 uren waren zij steeds +wakker, en buiten de nesten bezig; soms maakten zij veel, soms minder +beweging, in den regel kon men ze duidelijk hooren. Behalve hun gewoon +gekir, vernam men van hen, vooral als hun aandacht op het voedsel +gevestigd werd, een sterker geluid, dat door hun naam „oeïstitie” vrij +goed nagebootst wordt; dit riepen zij dikwijls meermalen achtereen. Als +zij verzadigd waren en uitrustten, of zich in de zon koesterden, lieten +de oudste dieren soms met wijd opengesperden bek een langdurig, +eentonig gefluit hooren. Door ze op te jagen of toe te roepen, kon men +dit geluid, dat buitengewoon doordringend was, zoodat de ooren er zeer +van deden, niet doen ophouden. Als zij iets ongewoons zagen, b.v. +Honden, Kraaien enz., vernam men van hen een gesnater, dat bijna als +dat van den Ekster klonk; daarbij bewogen zij het bovendeel van het +lichaam met den teruggetrokken kop telkens heen en weer, evenals een +mensch die loerend naar iets kijkt en het juiste gezichtspunt zoekt. +Een soms knarsend, soms knorrend gekijf hoorde men van de oude +mannetjes, als zij geplaagd werden, b.v. door hun van verre iets aan te +bieden en het dan niet te geven. Daarbij rekten zij hun gelaat uit, +zooals de andere Apen doen, als zij toornig worden, stotterden op +ongewone wijze en zochten den plaaggeest met de voorpooten te grijpen +en te krabben; zij werden echter zeer angstig, als de poot intusschen +door iemand buiten het hok gegrepen en vastgehouden werd. + +„Omdat zij in Zuid-Amerika thuis behooren, had men mogen verwachten, +dat de Oeïstitis veel kouwelijker zouden zijn, dan werkelijk het geval +is. Gedurende de koude herfstdagen, waarop ik ze bij mij had, +verdroegen zij in het niet verwarmde vertrek, voor welks venster zij +zich ophielden, een temperatuur, die steeds dicht bij het vriespunt +gelegen was. Wel zochten zij er den zonneschijn op, of kropen zoo dicht +mogelijk bij den vuurpot, die naast het hok geplaatst was; uren lang +warmden zij zich hieraan, terwijl zij aan het traliewerk van hun hok +hingen. Zeer vreemd is het, dat zij de groote hitte van den zomer hier +in Petersburg niet aangenaam vonden. Hun meester verzekerde, dat hij ze +op heete zomerdagen dikwijls met krampachtige stuiptrekkingen had zien +neervallen, hetgeen in andere tijden zelden gebeurde. Roerend was het +te zien, hoe ijverig de gezonde dieren zich oogenblikkelijk met hun op +deze wijze ziek geworden kameraad bezig hielden, en hoe zij trachten +hem hulp te bieden”. + + + +Het Penseelaapje of Witbandaapje (Hapale penicillata, vergelijk de +afbeelding 3 op p. 55), komt bijna even veelvuldig voor als de +Oeïstiti, en is ongeveer even groot als deze; ook de kleur verschilt +niet veel. + +De tot de Tamarins behoorende Pinche (Hapale oedipus) wordt zeer zelden +naar Europa gebracht, en verdraagt de gevangenschap nog minder lang dan +zijne geslachtsgenooten. Deze kleine, fraai geteekende diertjes zijn +vooral merkwaardig door hun stem, welke bedriegelijk gelijkt op die van +een Vogel en nu eens uit zuivere, langgerekte, fluitende toonen, dan +weer uit trillers bestaat. + + + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Zeer interessante mededeelingen over het leven van den jongen +Orang-Oetan in gevangenschap komen voor in een opstel van H. A. A. +Niclou, getiteld „Jacob, mijn Orang-Oetan. (Dier of meer?)”, geplaatst +in het „Album der Natuur”, 1882, pp. 195–211, en in een pas verschenen +werk van Dr. Emil Selenka („Sonnige Welten. Ost-Indische +Reiseskizzin”), waarvan een uittreksel onder den titel: „Een jonge +Orang-Oetan, door Dr. T. C. Winkler” voorkomt in het „Album der +Natuur”, 1896, p. 71. + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
