summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/16701-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:49:30 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:49:30 -0700
commit8e6f52f95900e6c93c38bc5ddc7a03da05d9a5c8 (patch)
treefebd5a155cd9f90e3423e014f9834006b694388c /16701-0.txt
initial commit of ebook 16701HEADmain
Diffstat (limited to '16701-0.txt')
-rw-r--r--16701-0.txt5563
1 files changed, 5563 insertions, 0 deletions
diff --git a/16701-0.txt b/16701-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..2c76262
--- /dev/null
+++ b/16701-0.txt
@@ -0,0 +1,5563 @@
+The Project Gutenberg eBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Deel 1, Hoofdstuk 1: De Apen
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: January 16, 2022 [eBook #16701]
+
+Language: Dutch
+
+Produced by: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+ Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+ Gutenberg
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+ HET LEVEN DER DIEREN
+
+ Door
+ A. E. Brehm.
+
+ Naar den tweeden druk der volksuitgaaf
+ voor Nederland bewerkt Door
+ S. P. Huizinga.
+
+
+ Tweede druk--met ongeveer 1200 fraaie afbeeldingen.
+
+
+ Eerste Deel.--De Zoogdieren.
+
+
+ Zutphen.--P. van Belkum Az.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE ORDE.
+
+DE APEN (Pitheci).
+
+
+Het menschachtig voorkomen van de Apen heeft te allen tijde in hooge
+mate de aandacht getrokken, en aanleiding gegeven tot meeningen over
+een andere en nauwere betrekking tusschen hen en de menschen, dan er
+tusschen deze en de overige dieren bestaat. De aard dezer betrekking
+werd vroeger geheel anders opgevat dan thans. Nog geen zeventig jaar
+geleden verdedigde een bekend dierkundige, de Münchener professor
+Wagler, de stelling, dat de Apen „ontaarde menschen” zijn. Dit
+denkbeeld was niet nieuw. Bij nagenoeg alle volken, die met de Apen in
+aanraking kwamen, of nog met hen verkeeren, komt het voor. Zoo zijn,
+volgens een bij vele West-Afrikaansche negerstammen verbreide
+overlevering (p. 12), de daar voorkomende, groote, staartelooze Apen—de
+Chimpanzees—vroeger leden van deze stammen geweest. Wegens hunne
+slechte gewoonten werden zij uit de menschelijke samenleving
+verstooten; door voortdurend toegeven aan gemeene neigingen zijn zij op
+hun tegenwoordig peil van verbastering gezonken.—Wel verre van de Apen
+voor ontaarde menschen te houden, beschouwen de dierkundigen van onzen
+tijd de menschen als hooger ontwikkelde nakomelingen van stamvormen,
+waaruit ook de Apen voortgesproten zijn.—Naar het schijnt, waren de
+Egyptenaars en de Indiërs de eenige volken der oudheid, die voor de
+Apen een zekeren eerbied koesterden. Dat de oude bewoners van het
+Nijldal ze onder de heilige dieren rekenden, kan men afleiden uit de
+beeldhouwwerken, waarop goden in de gedaante van Apen of althans met
+aapachtige lichaamsdeelen zijn voorgesteld. De Indiërs hebben reeds in
+overouden tijd tempels en huizen voor Apen gebouwd; ook thans nog komt
+deze vorm van dierenvereering bij de Hindoes voor. Andere volken der
+oudheid stelden belang in de Apen, zonder ze evenwel hooger te achten
+dan andere dieren. Zoo wordt van Salomo bericht, dat hij Apen uit Ophir
+liet komen. Van de Romeinen weet men, dat zij zich met de potsen dezer
+dieren vermaakten, of ze met gevangene wilde dieren lieten vechten,
+maar ook, dat zij hun minder genegenheid betoonden, dan aan andere
+huisdieren. Nog lager staan de Apen in de schatting der Arabieren, die
+ze met Allah’s vloek beladen achten, en hen houden voor een wonderlijke
+vermenging van het beeld des duivels met dat van den mensch.
+
+Er is niet veel verschil tusschen het gevoelen, dat de Arabieren op
+deze wijze uitspreken, en den indruk dien de Apen op ons maken. Noode
+laten wij ons overtuigen, dat deze, op caricaturen van menschen
+gelijkende wezens, onze naaste verwanten in het dierenrijk zijn; hun
+naam wordt als scheldwoord gebruikt; aantrekkelijk vinden wij alleen
+zulke Apen, die zeer weinig op den mensch gelijken, terwijl juist die
+soorten, waarbij deze overeenkomst duidelijker in ’t oog valt, ons
+minder behagen. De oorzaak van onzen afkeer is te vinden in de
+eigenaardigheden van den lichaamsbouw, en niet minder in de handelingen
+der Apen: in sommige opzichten gelijken deze te veel, in andere te
+weinig op die van den mensch. In de menschelijke gestalte merken wij
+een volkomen evenredige ontwikkeling van alle lichaamsdeelen op; in den
+bouw van den Aap daarentegen zien wij dikwijls een gemis aan
+evenredigheid, dat afkeer wekt. Toch zou men den Apen groot onrecht
+aandoen, door ze, allen over één kam scherend, voor wanstaltige dieren
+uit te maken, zooals dikwijls geschiedt; zonder overdrijving mag men
+sommige Apen beeldschoon noemen, anders afschuwelijk leelijk
+vinden.—Maar, is het bij de menschen niet evenzoo gesteld? Zouden wij
+een Eskimo, een Bosjesman, een Nieuw-Hollander als model voor Apollo
+kiezen?—De slotsom, waartoe wij komen, is derhalve dat ons ongunstig
+oordeel over de Apen grootendeels voortvloeit uit de te hooge eischen,
+die wij hun stellen, wegens hun menschachtig voorkomen. Daarom worden
+verschijnselen, die men bij andere dieren zou dulden, bij hen
+afkeerwekkend geacht. De hooge begaafdheden, die de Apen werkelijk
+bezitten, worden minder gewaardeerd; omdat deze dieren in vele
+opzichten niet voldoen aan ’t geen onbillijkerwijze van hen verwacht
+wordt.
+
+De grootte der Apen wisselt af binnen wijde grenzen: de Gorilla stemt,
+wat dit betreft, met een flinken, volwassen man, het Zijdeaapje
+daarentegen met een Eekhoorn overeen. Ook hun lichaamsbouw is zeer
+verschillend, zooals uit de namen „Mensch-, Honds- en Eekhoornapen”
+beter dan uit lange beschrijvingen blijkt. Er zijn zwaar gebouwde en
+slanke, logge en sierlijke Apen; sommige hebben dikke, andere schrale
+ledematen; de meeste bezitten een langen, eenige een korten, enkele in
+’t geheel geen staart. Even ongelijk is de beharing: hier dun, daar
+dicht; de kleur van huid en haar is meestal somber, bij sommige echter
+vroolijker; eenige zijn ook in dit opzicht fraai. Ook bij de Apen vindt
+men soms albinisme, d.i. het niet ontwikkeld zijn van de huidkleurstof.
+In Siam, het land van den witten Olifant, waar albinos uit de
+dierenwereld in de mode schijnen te zijn, stelt men hoogen prijs op
+mooie, witte, tamme Apen. De Apen komen, wat inwendig maaksel betreft,
+meer met elkander overeen, dan men op grond van hun uiterlijk zou
+kunnen verwachten. Het geraamte bevat 12 à 16 rugwervels, 4 à 9
+lendewervels, 2 à 5 heiligbeen- en 3 à 33 staartwervels; het
+sleutelbeen is krachtig ontwikkeld; de voorarmbeenderen zijn onderling
+niet vergroeid en ten opzichte van elkander zeer bewegelijk; de
+handwortelbeenderen zijn langwerpig, sommige vingerkootjes echter zeer
+kort; aan den voet valt de binnenteen in ’t oog, die den naam „duim”
+verdient, daar hij tegen de toppen der overige teenen gedrukt kan
+worden, of, zooals men het noemt, „tegenoverstelbaar” is. De vorm van
+den schedel loopt zeer uiteen, al naar het aangezicht meer of minder
+vooruitsteekt, en de schedelholte meer of minder ruim is. De oogen zijn
+naar voren gericht, in holten gelegen, die door krachtige beenderen
+begrensd zijn; de jukbogen staan niet ver van den schedel af. Het gebit
+bevat alle 3 soorten van tanden; in elke kaakhelft 2 snijtanden, 1
+hoektand, welke dikwijls aan dien der Roofdieren herinnert wegens zijn
+buitengewoon sterke ontwikkeling, 2 of 3 kleine (of valsche) en 3 ware
+(of groote) kiezen. Onder de spieren verdienen die van de hand onze
+aandacht, omdat zij veel eenvoudiger zijn dan die van de menschelijke
+hand. Het strottenhoofd is niet geschikt voor een spraak, welke te
+vergelijken is met die van den mensch; bij velen echter wordt het
+voortbrengen van gillende en huilende geluiden door zakvormige
+verwijdingen van de luchtpijp bevorderd. Zeer opmerkelijk zijn verder
+de wangzakken, die bij eenige groepen van Apen voorkomen. Dit zijn
+uitstulpingen van den wand der mondholte, welke met de mondholte in
+gemeenschap staan door een achter den mondhoek gelegen opening, en als
+tijdelijke bergplaats voor voedsel dienen. Bij de Meerkatten, Makaken
+en Bavianen bereiken zij de grootste ontwikkeling; bij de Mensch-apen
+en de Apen van de Nieuwe Wereld ontbreken zij volkomen.
+
+Men noemt de Apen dikwijls Vierhandigen, en plaatst tegenover hen de
+Tweehandigen of Menschen op grond van verschillen in den bouw van hand
+en voet. Hoewel deze verschillen duidelijk in ’t oog vallen, zijn zij
+echter niet belangrijk genoeg, om een diepe scheiding tusschen deze
+twee groepen te wettigen. Als de handen en voeten van de menschen met
+de gelijknamige lichaamsdeelen van de Apen worden vergeleken, blijkt
+het, dat zij bij beide groepen naar denzelfden oervorm gebouwd zijn.
+Een aan de overige vingers tegenoverstelbare duim komt bij de menschen
+alleen aan de handen, bij de Klauwapen alleen aan de voeten, bij de
+overige Apen aan handen en voeten voor. Het onderscheid tusschen de
+handen en voeten der Apen en die van den mensch is niet gering; het
+wordt echter overschat, als daarin een reden wordt gezocht voor de
+plaatsing dezer wezens in twee (zij het dan ook opeenvolgende) orden.
+Zoodoende zou men de klove, die den mensch van de Apen scheidt, met een
+anderen maatstaf meten, dan die, welke bij onderlinge vergelijking van
+de andere Zoogdieren wordt gebruikt.
+
+Met het oog op de rangschikking minder belangrijk, maar uitstekend
+geschikt om het onderscheid tusschen de Apen ende menschen te doen
+uitkomen, zijn de volgende zeer in ’t oog vallende eigenaardigheden:
+schraal, behaard lichaam, lange armen, dunne beenen zonder kuiten,
+onbehaarde eeltplekken aan het zitvlak bij vele soorten, een dikwijls
+lange, zelden ontbrekende staart en vooral de vorm van den kop met zijn
+kleinen, naar achteren verschoven schedel en dunne, opeengeknepen
+lippen. Oken, de overeenkomst tusschen de Apen en den mensch
+besprekend, zegt: „De Apen gelijken op den mensch, voor zoover deze
+slechte gewoonten en onhebbelijkheden heeft. Zij zijn boosaardig,
+valsch, listig, diefachtig en onwelvoeglijk; zij leeren een menigte
+potsen maken; maar zijn ongehoorzaam, en bederven dikwijls de pret door
+midden in het spel een onbeschofte kwajongensstreek uit te halen. De
+Apen onderscheiden zich door geen enkele deugd; voor den mensch zijn
+zij in geen enkel opzicht nuttig. Hunne diensten—op schildwacht staan,
+bedienen, allerlei dingen halen—bewijzen zij slechts zoo lang, tot hun
+een kuur aanwaait. Zoowel in lichamelijk als in zedelijk opzicht
+vereenigen zij de slechte eigenschappen van den mensch in zich.”
+
+Deze schildering is, wat de hoofdzaken betreft, niet onjuist. De
+billijkheid gebiedt ons echter, om ook op eenige werkelijk goede zijden
+van het apenkarakter de aandacht te vestigen. Het is niet gemakkelijk,
+over hunne geestesgaven en gebreken een algemeen oordeel te vellen,
+omdat de Apen onderling te dezen aanzien groote verschillen aanbieden.
+Het valt niet te loochenen, dat de Apen boosaardig, listig, gluiperig,
+opvliegend, wraakzuchtig, in alle opzichten zinnelijk, misnoegd,
+twistziek en heerschzuchtig, prikkelbaar en ontevreden, in één woord
+hartstochtelijk zijn; men mag echter niet vergeten, hoe verstandig en
+vroolijk, zachtaardig en teeder, vriendelijk en vertrouwelijk ten
+aanzien van den mensch zij zich dikwijls betoonen, hoeveel genoegen zij
+hem verschaffen door hun gezelligheid en vermakelijken ernst, door
+hunne vaak zeer onschuldige grappen en plagerijen,—hoeveel moed zij
+laten blijken, waar het welzijn van anderen op het spel staat, hoe
+dapper zij het gezelschap, waartoe zij behooren, verdedigen, zelfs
+tegen vijanden, die machtiger zijn dan zij. In één opzicht munten alle
+Apen uit, n.l. door de liefde, die zij aan hunne jongen bewijzen, door
+hun medelijden met zwakken en hulpbehoevenden, dat niet beperkt blijft
+tot dieren van hun eigen soort of eigen familie, maar zich ook
+uitstrekt over wezens, die tot andere orden, ja zelfs tot andere
+klassen van het dierenrijk behooren.
+
+Hoewel de Apen, wat de verstandelijke ontwikkeling betreft, die zij
+bereiken kunnen, niet duidelijk hooger staan dan de overige Zoogdieren
+(met uitzondering van den mensch), staan zij toch ook niet zooveel
+lager dan de mensch, als door sommigen beweerd, door anderen aangenomen
+wordt. Het bezit van handen verschaft den Aap zulke groote voorrechten
+boven vele dieren, dat het door hem verrichte werk niet zelden
+merkwaardiger schijnt, dan het werkelijk, is. Hij is vatbaar voor
+leering; de zucht tot nabootsing, die aan vele leden van zijn geslacht
+eigen is, maakt hun het aanleeren van kunstjes en het verkrijgen van
+handigheid gemakkelijk. Na korte oefening is de Aap in staat tot
+allerlei verrichtingen, die een ander dier, b.v. een Hond, veel moeite
+kosten. Hierbij valt echter op te merken, dat hij het door hem geleerde
+kunstje altijd slechts met een zekeren tegenzin vertoont, en er nooit
+vermaak in vindt, of er mede ingenomen is. Het is niet moeielijk een
+Aap te gewennen aan het verrichten van allerlei werkzaamheden; hij zal
+hierbij echter nooit zoo zorgvuldig en nauwgezet te werk gaan, als een
+goed gedresseerde Hond. Verliezen wij hierbij echter niet uit het oog,
+dat de Hond reeds gedurende duizenden van jaren door den mensch gefokt,
+verzorgd, onderricht en ontwikkeld werd, en hierdoor een geheel ander
+wezen is geworden, dan hij vroeger was; terwijl het den Aap ontbroken
+heeft aan de gelegenheid om met den mensch in nadere aanraking te
+komen. Wat Apen kunnen uitvoeren, zal blijken uit hetgeen wij van hun
+levenswijze zullen mededeelen; deze levert het bewijs, dat zij terecht
+tot de verstandigste van alle dieren zijn gerekend. Een hooge mate van
+overleg kan men hun niet ontzeggen. Hun geheugen is uitmuntend; zij
+weten een verstandig gebruik te maken van opgedane ervaringen, en met
+echte sluwheid en list steeds hun voordeel te zoeken. Meesterlijk
+verstaan zij de kunst van veinzen; dikwijls laten zij niet merken,
+welke heillooze plannen hunne hersenen smeden. Behendig weten zij aan
+gevaren te ontkomen, op voortreffelijke wijze beramen zij middelen, om
+bij herhaling van de onderneming niet opnieuw aan dezelfde gevaren
+bloot te staan. Hoe het met hun gemoed gesteld is, valt af te leiden
+uit de liefde, genegenheid en dankbaarheid, die zij laten blijken, en
+uit de welwillendheid, die zij toonen na een goede behandeling.
+
+Opmerkelijk is het, dat alle Apen, hoe verstandig zij ook zijn, zich op
+de onnoozelste wijze laten verschalken en bedotten. Dikwijls wordt hun
+verstand volkomen beheerscht door hunne hartstochten. Als deze ontwaakt
+zijn, zien zij zelfs de lompste val over ’t hoofd; het onbedwingbaar
+verlangen naar bevrediging van hunne begeerten, doet hun de zorg voor
+hun veiligheid geheel uit het oog verliezen. Zelfs de schranderste
+Apen—en ook vele menschen, wien het niet aan verstand ontbreekt—laten
+zich op deze wijze door hunne hartstochten beheerschen. Of men hierom
+het recht heeft, het verstand der Apen gering te schatten, is te
+betwijfelen.
+
+De Apen waren in vroegere tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis
+onzer planeet over een grooter deel van den aardbodem verbreid dan
+thans. Hun tegenwoordig vaderland is beperkt tot de warme gedeelten der
+aarde. Een gelijkmatige warmte schijnt een levensvoorwaarde voor hen te
+zijn. Hoewel eenige Bavianen in het gebergte tot op vrij groote hoogte
+komen, en daar geringere warmtegraden verdragen dan men zou vermoeden,
+zijn toch verreweg de meeste Apen hoogst gevoelig voor koude. Ieder
+werelddeel bezit zijn eigen soorten; Azië en Afrika hebben er minstens
+één gemeen. In Europa komt slechts één soort van Apen voor, en hiervan
+slechts een enkele troep, die op de rotsen van Gibraltar onder
+bescherming van de bezetting der vesting leeft (p. 30). In Australië
+ontbreken zij geheel. Gibraltar (36° N.-B.) is niet de noordelijkste
+plaats, waar Apen in ’t wild voorkomen, een Japansche Makake gaat nog
+verder noordwaarts, ongeveer tot op 37° N.-B. In het Zuidelijk Halfrond
+reikt het verbreidingsgebied der Apen tot 35° Z.-B., doch slechts in de
+Oude Wereld. De woonplaatsen van de Apen der Nieuwe Wereld zijn gelegen
+tusschen 28° N.- en 29° Z.-B.
+
+De verbreidingskring van elke soort is nog al beperkt, hoewel er
+voorbeelden van zijn, dat in ver uiteenliggende landen van een zelfde
+werelddeel bepaalde, zeer veel op elkander gelijkende soorten elkander
+vervangen.
+
+De meeste Apen behooren in de bosschen thuis; in rotsachtige gebergten
+vindt men de overige, weinig talrijke soorten. Daar hun lichaam voor
+het klimmen ingericht is, vormen de boomen hun meest geliefde
+verblijfplaats; de op rotsen thuis behoorende Apen klimmen slechts in
+geval van nood in boomen.
+
+Ongetwijfeld behooren de Apen tot de levendigste en bewegelijkste
+zoogdieren. Terwijl zij bezig zijn voedsel te zoeken, zijn zij geen
+oogenblik in rust. Voor een deel is de verklaring hiervan te vinden in
+het feit, dat nagenoeg al wat gegeten kan worden, hun als voedsel
+welkom is. Vruchten, bollen, knollen, wortels, zaden, noten, knoppen,
+bladen en sappige stengels vormen den hoofdschotel van hun maal;
+insecten worden echter niet versmaadt, eieren en jonge vogeltjes, als
+lekkernijen beschouwd. Daarom vinden zij overal wat te bekijken, te
+grijpen of af te plukken, te besnuffelen of te proeven; het beste wordt
+opgegeten, het overige weggeworpen. Dieren, die op deze wijze voedsel
+zoeken, maken veel beweging. Daarom komt de apenbende geen oogenblik
+tot rust. Van eigendomsrechten hebben deze schelmen een uiterst beperkt
+begrip. „Wij zaaien, maar de Apen oogsten,” zeggen de Arabieren van
+Oostelijk-Soedan. Akkers en tuinen worden als allerbekoorlijkste
+plekjes beschouwd, en zooveel mogelijk geplunderd. Iedere Aap vernielt,
+als de gelegenheid schoon is, tienmaal meer dan hij opeet. Tegen zulke
+spitsboeven baten geen sloten of grendels, geen heggen of muren; zij
+maken de sloten open, klimmen over de muren, en wat zij niet opeten
+kunnen, nemen zij mede, goud en edelgesteente incluis. Men moet met
+eigen oogen een troep Apen hebben gezien, die op roof uitgaat, om zich
+goed te kunnen voorstellen, dat een boer zich over deze dieven halfdood
+kan ergeren. Voor wie er geen schade door lijdt, levert echter de Aap,
+die, aan een rooftocht deelnemend, al zijn kracht en vlugheid
+ontwikkelt, een hoogst interessant schouwspel op. Hij toont zijn
+bekwaamheid in ’t loopen, springen, klauteren, potsen maken en desnoods
+ook in ’t zwemmen. De kunstjes, die hij in de boomen verricht, grenzen
+aan het ongeloofelijke. Alleen sommige Menschapen en Bavianen zijn log
+in hunne bewegingen, de overige Apen zijn volleerde acrobaten; ’t is
+alsof zij kunnen vliegen. Sprongen van 6 à 8 meter zijn voor hen
+kleinigheden. Van den top van een boom springen zij 10 M. diep naar
+beneden op het einde van een tak, zoodat deze door den schok ver naar
+beneden buigt. Terwijl de tak terugveert, nemen zij een grooten zwaai,
+strekken den staart of de achterpooten als een roer lijnrecht naar
+achteren, en schieten als een pijl door de lucht vooruit. Als het doel
+van den sprong bereikt is, gaan zij dadelijk verder; zelfs over
+struiken met dreigend naar alle zijden gerichte doornen gaan zij als
+over een parketvloer. Een slingerplant is voor den Aap een hoogst
+gemakkelijke trap, een boomstam een gebaande weg. Zij klimmen voor- en
+achteruit, op den tak liggend of er onderaan hangend. Als men er een
+omhoog werpt in de kroon van een boom, grijpt hij met de eene hand een
+takje, hangt er geduldig aan, totdat de tak ophoudt zich te bewegen,
+klautert er dan bij omhoog, en gaat even onbeschroomd verder, alsof hij
+zich op den vlakken bodem bevond. Als de eerste tak breekt, grijpt hij
+gedurende den val een tweeden; als ook deze bezwijkt, zal een derde hem
+toch wel kunnen dragen; desnoods laat hij zich onbezorgd vallen. Wat
+hij met de voorhand niet grijpen kan, pakt hij met de achterhand. Bij
+vele Apen met breed neusmiddelschot is de staart een grijporgaan. Alle
+Apen gebruiken dit lichaamsdeel als roer of balanceerstok bij ’t maken
+van groote sprongen; bovendien dient het echter nog voor allerlei
+andere doeleinden, zelfs als ladder voor den eerstvolgenden Aap. Bij de
+Breedneuzige Apen wordt de staart een vijfde,—neen, een eerste hand.
+Het geheele dier hangt er aan, wiegelend of schommelend, naar
+welgevallen; het haalt er voedsel mede uit spleten en reten, bedient er
+zich soms van als van een ladder, en wanneer de Aap een middagslaapje
+wil houden, werkt de staart mede tot het vormen van een hangmat.
+
+Gemakkelijk en sierlijk zijn de bewegingen dezer dieren echter alleen
+bij ’t klimmen. Zelfs de Menschapen, zijn zeer bedreven in deze kunst,
+hoewel zij, althans de hoogst ontwikkelde, meer op de wijze van den
+mensch, dan op die van de overige leden hunner orde klimmen. De gang
+der Apen is altijd eenigszins log en plomp. Het best nog is de gang van
+de Meerkatten, Makaken, Rolapen en Klauwapen. Gedurende korten tijd
+kunnen de Meerkatten zelfs zoo vlug loopen, dat gewone Honden
+ternauwernood in staat zijn ze in te halen; reeds de Bavianen echter
+hebben een grappig hompelenden gang. Zeer gebrekkig is deze
+bewegingswijze bij de Mensch-apen, zoodat zij ternauwernood den naam
+van gang verdient. Terwijl hun geheele zool op den grond rust, steunen
+zij tevens op de knokkels van de naar de handpalm gekromde vingers, en
+slingeren daarna het lichaam op logge wijze voorwaarts, zoodat de
+voeten tusschen de handen komen te staan.
+
+Eenige Apen kunnen uitmuntend zwemmen, anderen zakken als een steen in
+de diepte weg. Het eerste geval doet zich voor bij de Meerkatten; ik
+zag eenige van deze dieren met groote snelheid den Blauwen Nijl
+overzwemmen. Tot de minst bekwame zwemmers behooren waarschijnlijk de
+Bavianen en misschien ook de Brulapen. Deze schuwen het water in hooge
+mate; men heeft een bijna verhongerde familie van Brulapen gevonden op
+een boom, welks voet na een overstrooming door het water omgeven was;
+de Apen hadden zich niet door het water heen naar de op ’t droge
+staande boomen durven begeven, ofschoon deze nauwelijks 60 schreden van
+hen verwijderd waren. Ulloa, die over Braziliaansche dieren schreef,
+heeft een aardige brug uitgevonden, die aan de arme, in ’t zwemmen
+onbedrevene Brulapen stellig goede diensten zou bewijzen, indien zij er
+slechts gebruik van wilden maken. Hij verhaalt, dat elke Brulaap zich
+met de handen aan den staart van zijn buurman vasthoudt, en dat het
+geheele gezelschap op deze wijze een keten vormt, waarvan de schalmen
+Apen zijn; deze keten hangt aan den om een boomtak geslingerden staart
+van den eersten Aap, en wordt door de vereenigde krachten van alle
+leden aan ’t slingeren gebracht, totdat de onderste Aap een tak van een
+op den anderen oever staanden boom heeft gegrepen. Over de op deze
+wijze geslagen brug wandelen eerst de jonge en zwakkere Apen naar den
+anderen oever, terwijl daarna de eerste Aap zich loslaat, en de geheele
+keten door den laatsten naar zich toe getrokken wordt. De prins Von
+Wied, een zeer nauwgezet onderzoeker noemt dit verhaal bij zijn rechten
+naam: „een grappige fabel.”
+
+Het gezelschapsleven van de Apen is voor den waarnemer zeer
+aantrekkelijk. Slechts weinige soorten leven eenzaam; de meeste
+vereenigen zich tot benden. Ieder van deze kiest zich een vast
+woongebied uit, dat meer of minder uitgestrekt kan zijn. Geregeld valt
+de keuze op een streek, die hun in alle opzichten gunstig gelegen
+voorkomt. Er moet daar iets te kraken of te kauwen zijn, anders
+verhuist de bende naar een ander oord. Bosschen in de nabijheid van
+door den mensch ontgonnen velden zijn in arme streken voor hen een hof
+van Eden; om den verboden boom van dit paradijs bekommeren zij zich
+niet, als de appels maar goed smaken. De voorkeur geven zij aan maïs-
+en suikerrietvelden, aanplantingen van bolgewassen, ooftboomen meloenen
+en bananen. Dorpen, waar ieder die deze onbeschaamde spitsboeven
+straft, den bijgeloovigen toorn van de bewoners heeft te vreezen,
+hebben bij de Apen een streepje voor. Zoodra de leden van de bende het
+met elkander eens geworden zijn over de keuze van een woonplaats,
+begint het ware apenleven met al zijn vermaak en vroolijkheid, zijn
+moeite en strijd, zijn nood en zorgen. Het sterkste of oudste, en dus
+bekwaamste, mannelijke lid van de horde werpt zich op als aanvoerder of
+apenhoofdman. Het bezit van deze waardigheid is niet op het algemeen
+stemrecht gegrond, maar wordt eerst verworven na zeer hevige twisten en
+gevechten met andere liefhebbers, d.i. met alle overige mannetjes. Van
+de langste handen en de krachtigste armen hangt de beslissing af. Wie
+niet goed willig gehoorzamen wil, wordt zoolang op beten en stompen
+getracteerd, tot hij in zijn noodlot berust. De kroon komt aan den
+sterksten toe: in zijne tanden ligt zijne wijsheid.
+
+Voor zoover er van een apentaal sprake kan zijn, mag men haar rijk
+noemen: iedere Aap heeft althans zeer afwisselende geluiden voor
+verschillende aandoeningen tot zijne beschikking. Ook de mensch leert
+weldra de beteekenis van deze geluiden kennen. Vooral het geschreeuw
+dat ontsteltenis beteekent, en altijd een aansporing tot vluchten
+inhoudt, is zeer eigenaardig. Hoewel het zeer moeilijk te beschrijven,
+en nog minder gemakkelijk na te bootsen is, kan men er toch dit van
+zeggen: het bestaat uit een aantal opeenvolgende, kort afgebrokene, als
+’t ware trillende en wanluidende klanken, welker waarde de Aap door
+gezichtsverdraaiingen nog sterker doet uitkomen. Zoodra dit
+waarschuwend signaal gehoord wordt, slaat de bende zoo schielijk
+mogelijk op de vlucht. De moeders roepen hare kinderen tot zich, die in
+een oogwenk aan haar lichaam hangen, en begeven zich met deze dierbare
+vracht ten spoedigste naar den naastbijgelegen boom of rots. Eerst als
+de apenhoofdman tot bedaren is gekomen, voegen de leden van de bende
+zich weer bijeen, om na korten tijd van beraad naar het zoo even
+verlaten oord terug te keeren, en de gestoorde plundering te hervatten.
+
+Het valt niet te ontkennen, dat de Apen moedig zijn. De sterkste Apen
+bieden zelfs aan vreeselijke Roofdieren en aan den nog gevaarlijker
+mensch onverschrokken weerstand, en vangen een strijd aan, welks
+uitslag voor menigen aanvaller op zijn minst genomen twijfelachtig is.
+Zelfs de slank gebouwde Meerkatten grijpen hunne tegenstanders aan,
+wanneer zij getergd worden, of in ’t nauw gebracht zijn. De groote
+Menschapen en de Bavianen bezitten in hunne tanden vreeselijke
+verdedigingsmiddelen: zonder vuurwapen durft geen inboorling een
+Baviaan bevechten. In den strijd met den Gorilla is de neger, zelfs
+wanneer hij met een geweer gewapend is, niet altijd zeker van de zege.
+Steeds zijn de Apen door de onvergelijkelijke woede die hen bezielt,
+als zij zich verdedigen, en die hunne krachten zeer doet toenemen,
+hoogst gevaarlijke tegenstanders; terwijl de behendigheid, die aan al
+deze dieren eigen is, den vijand maar al te vaak de gelegenheid
+beneemt, hun een wonde toe te brengen die den strijd beslist.
+
+Zij vechten met handen en tanden: zij slaan, krabben en bijten.
+Algemeen verbreide verhalen over andere wijzen van verdediging zijn
+door zorgvuldige waarnemingen uit lateren tijd niet bevestigd. „Men
+verhaalt,” zegt Pechuel-Loesche, „dat de Apen zich met afgebroken
+takken verweren; vrij algemeen neemt men aan, dat zij steenen,
+vruchten, stukken hout en andere voorwerpen van boven af op hunne
+tegenstanders werpen. Deze meening berust waarschijnlijk op onjuiste
+gevolgtrekkingen. Zij die haar voorstaan en verbreiden, zagen misschien
+alleen dat, wat zij op grond van vroegere berichten meenden te zullen
+zien, niet dat, wat werkelijk gebeurde. De in boomen levende Apen
+breken bij hun dartel spel, bij ’t springen, schommelen en rondtasten,
+allicht dorre takken af; zij smijten er echter niet mede naar iemand,
+die zich toevallig onder hen bevindt; evenmin doen zij dit met vruchten
+en andere voorwerpen, die zij misschien in de handen hebben, en
+natuurlijk laten vallen, als zij verschrikt worden en vluchten. Ook de
+Bavianen denken er niet aan, van hunne standplaatsen op de rotsen
+steenen op hunne vervolgers te werpen. Wel vallen en rollen van daar
+rotsblokken en gruis naar beneden; dit geschiedt echter steeds bij
+toeval, n.l. ook dan, als er geen vijand te zien is. Vooral komt dit,
+doordat deze sterke Apen voortdurend ijverig bezig zijn, los liggende
+steenen om te keeren, om de hieronder verborgen dieren meester te
+worden.”
+
+In den gevangen staat leven bijna alle soorten van Apen in vriendschap
+met elkander; ook dan echter merkt men bij hen weldra betrekkingen van
+heerschappij en onderhoorigheid op, soortgelijk aan die, welke tusschen
+de leden van een in vrijheid levende bende bestaan. De sterkste maakt
+zich meester van de opperheerschappij; hij onderdrukt en pijnigt zijne
+zwakkere metgezellen zoo lang, totdat deze zich in hun lot voegen. Het
+ligt niet in den aard van de Apen fijngevoelig te zijn; gedurig toonen
+zij hun overmoed zelfs tegenover innig geliefde pleegkinderen. Steeds
+zal men echter opmerken, dat groote soorten, zoowel mannetjes als
+wijfjes, zorg dragen voor kleinere, meer hulp behoevende Apen; sterke
+apinnen zijn zelfs begeerig naar kleine menschenkinderen en allerlei
+jonge dieren, die zich laten dragen. Zoo afschuwelijk de Apen zich
+overigens tegenover dieren gedragen, zoo lief zijn zij voor jongen van
+dieren of voor kinderen; de grootste liefde betoonen zij natuurlijk aan
+hun eigen jongen; daarom is de „apenliefde” spreekwoordelijk geworden.
+
+Bij de meeste apensoorten brengt het wijfje slechts één jong ter
+wereld, bij weinige soorten komen tweelingen voor. Altijd is het jonge
+dier een klein, leelijk mormel, wiens ledematen dubbel zoo lang
+schijnen te zijn als die van zijne ouders, en wiens gezichtje veel meer
+gelijkt op dat van een grijsaard, dan op dat van een kind, zoo rimpelig
+en vol plooien is het. Dit monstertje is echter in nog veel hoogere
+mate de lieveling van de moeder, dan het bij de menschen in dergelijke
+gevallen pleegt te zijn. De moeder vertroetelt en verzorgt het op een
+roerende of—belachelijke wijze, al naar men het nemen wil: „les
+extrêmes se touchent” (de uitersten grenzen aan elkander); moederliefde
+is verheven of—belachelijk. Kort na zijne geboorte omvat het apekind
+met de beide voorhanden den hals van de moeder, terwijl het met de
+beide achterhanden zich aan hare liezen vasthoudt; op deze wijze
+hangend, heeft het de geschiktste houding om de moeder gedurende het
+loopen niet te hinderen en ongestoord te zuigen. Grooter geworden,
+springen de apenkinderen bij dreigend gevaar ook wel op de schouders en
+den rug hunner ouders.
+
+In den beginne geeft het aapje natuurlijk nog geene bewijzen van liefde
+en genegenheid; de teederheid van de moeder is er des te grooter om.
+Altijd door heeft zij wat aan haar lieveling te verrichten; nu eens
+belikt zij hem, dan weer reinigt zij hem van ongedierte; nu eens drukt
+zij hem tegen zich aan, dan weer houdt zij hem met beide handen omhoog,
+alsof zij zich aan zijn aanblik wilde verlustigen; nu eens legt zij het
+kindje aan haar borst, dan weer schommelt zij het heen en weer, alsof
+zij het in slaap wilde wiegen. (Plinius beweert in vollen ernst, dat de
+apinnen hare jongen uit louter liefde dikwijls dood drukken; dit is
+echter in den nieuwen tijd nooit waargenomen.) Eenigen tijd later
+begint de jonge Aap allengs meer zelfstandig te worden; vooral verlangt
+hij af en toe eenige vrijheid. Deze wordt hem toegestaan. De moeder
+laat haar schootkind op den grond loopen; het mag met andere
+apenkinderen gekheid maken en spelen; zij wendt echter geen blik van
+haar jong af, en blijft voortdurend toezicht houden; gewillig gaat zij
+zijne schreden na, en veroorlooft het alles, wat zij toestaan kan. Bij
+het geringste gevaar snelt zij op haar kind toe, laat een zeer
+eigenaardig geluid hooren, en noodigt het hierdoor uit, aan haar borst
+een schuilplaats te zoeken. Ongehoorzaamheid bestraft zij met knepen en
+stompen, dikwijls met echte oorvijgen. Dit komt echter zelden voor,
+want het apenkind is zoo gehoorzaam, dat menig menschenkind er een
+voorbeeld aan zou kunnen nemen; gewoonlijk is het eerste bevel van de
+moeder voldoende. In de gevangenschap deelt deze, zooals ik meermalen
+opgemerkt, heb, elke bete brood trouw met haar voedsterling, en betoont
+dikwijls een werkelijk roerende deelneming in zijn lot. Bij gevangen
+Apen heeft de dood van een kind steeds het sterven van de moeder ten
+gevolge; zij bezwijkt van verdriet. Als de apin echter vóór haar jong
+sterft, neemt het eerste beste medelid van de bende het weesje als kind
+aan, en dit doen mannetjes zoowel als wijfjes. De liefde, die aan een
+pleegkind wordt bewezen, is nauwelijks geringer dan die, welke aan een
+eigen kind ten deel valt; bij voedsterlingen, die tot andere
+diersoorten behooren, is dit echter anders; hier toont de Aap zich
+dikwijls een onverklaarbaar raadsel. Hij past zijn aangenomen kind zoo
+goed mogelijk op, drukt het tegen zich aan, bevordert zijn welzijn door
+het te vlooien of op een andere wijze te reinigen, houdt het steeds in
+’t oog enz., maar—geeft het gewoonlijk niets te eten, eet het voedsel,
+dat voor ’t pleegkind bestemd is, zonder gewetensbezwaar zelf op, en
+houdt, terwijl hij zelf eet, het hongerige kleintje zorgvuldig van den
+etensbak verwijderd.
+
+Men heeft nog niet kunnen uitmaken, hoeveel jaren de Aap gemiddeld voor
+zijn groei noodig heeft. Dat de jeugd bij de groote soorten langer
+duurt, dan bij de kleine, spreekt vanzelf. De Meerkatten en de
+Amerikaansche Apen zijn waarschijnlijk in 3 of 4 jaar geheel volwassen;
+de Mensch-apen en de Bavianen hebben vermoedelijk 8 à 12 jaar voor het
+bereiken van hun vollen wasdom noodig.—In de vrije natuur zijn de Apen,
+naar het schijnt, aan weinig ziekten blootgesteld; epidemieën heeft men
+althans onder hen niet waargenomen. Hoe oud zij kunnen worden, is niet
+uit te maken; men mag echter wel aannemen, dat de vertegenwoordigers
+van de grootste soorten om en bij de 40 jaar oud kunnen worden. Hier te
+lande hebben alle Apen zeer veel te lijden van het ongunstige klimaat.
+De koude hindert hen zeer: zij ontstemt hen, doet hen stil en treurig
+worden. Gewoonlijk beginnen zij ook spoedig aan longtering te lijden,
+en deze maakt in den regel schielijk een einde aan hun leven. Een zieke
+Aap levert een schouwspel op, dat ieder mensch moet treffen. Het arme
+dier, dat vroeger zoo vroolijk ronddartelde, en nu treurig en lijdend
+stil zit, werpt den medelijdenden bezoeker een erbarmelijk smeekenden
+blik toe, ja ziet hem aan met een echt menschelijke uitdrukking op ’t
+gelaat. Hoe meer het einde van den Aap nadert, des te zachtzinniger
+wordt hij; het dierlijke gaat verloren, en de edelere eigenschappen van
+den geest treden duidelijker aan ’t licht. Elk hulpbetoon wordt met
+groote dankbaarheid aanvaard, hij leert in den arts zijn weldoener
+kennen, neemt de hem aangeboden geneesmiddelen gewillig in, en
+ondergaat zelfs heelkundige kunstbewerkingen zonder tegen te spartelen.
+Zelfs bij overigens gezonde Apen neemt men in den regel weldra een
+ziekte waar aan den staart, bestaande in het zeer worden en etteren van
+de spits, die weldra door het koud vuur wordt aangetast, waarna het
+eene stuk na het andere er afvalt.
+
+Ik weet niet, of ik eenigen Aap als huisgenoot mag aanbevelen. Het zijn
+lastige klanten, die veel genoegen kunnen geven, maar nog veel meer
+ergernis wekken. Allerlei kwajongensstreken heeft men van hen te
+wachten, en van deze krijgt men weldra overvloedig zijn bekomst, voor
+zoover men geen studie maakt van de verstandelijke vermogens der Apen.
+De grootste soorten worden bovendien soms gevaarlijk, doordat zij
+vreeselijk bijten en krabben. Als vrij rondloopend huisdier is de Aap
+niet te dulden, omdat zijn altijd opgewekte geest voortdurend bezigheid
+verlangt. Als zijn meester hem deze niet verschaft, zal hij haar zelf
+zoeken, en haar vinden in handelingen, die ons hinderlijk of nadeelig
+zijn. Eenige soorten zijn door hun onwelvoeglijk gedrag onuitstaanbaar.
+
+De handel en wandel van de tamme, bijna als huisdieren levende Apen van
+het station der Loango-expeditie, waar, behalve Gorillas en
+Chimpanzees, ook nog verscheidene soerten van Meerkatten, Mandrillen en
+een Mooraap (p. 27) aanwezig waren, wordt door Pechuel-Loesche op de
+volgende wijze beschreven. „Het was een zeer merkwaardige karaktertrek
+van onze Apen, dat zij ieder het een of ander wezen of voorwerp kozen,
+waaraan zij hunne bijzondere genegenheid schonken, of althans veel zorg
+wijdden. Hieruit ontsproten de zonderlingste vriendschappelijke
+verhoudingen. Het is waarschijnlijk algemeen bekend, dat Apen dikwijls
+zonder dat hiervoor een bepaalde reden bestaat, de jongen van andere
+dieren, ook wanneer zij tot andere soorten behooren, opnemen, op de
+zorgvuldigste wijze beschermen, en zelfs van hunne lijken geen afstand
+willen doen. Toen onze Herdershond Trine jongen had gekregen, en deze
+vol vlooien zaten, brachten wij ze bij de Meerkatten in het apenhuis.
+Daar werden zij vol vreugde aangenomen, even vlijtig als zorgvuldig
+gezuiverd en geliefkoosd, terwijl de oude Hond van buiten met
+welgevallen het spel aankeek. Een groot kabaal ontstond er echter, toen
+wij de pleegkinderen weer weghaalden; zij waren reeds onder de bewoners
+van het apenhuis verdeeld, en deze waren blijkbaar voornemens, ze
+voortdurend te behouden.
+
+„De dartele Mooraap was een onafscheidelijke metgezel van den Gorilla
+en van den beheerscher van het erf, den prachtigen, gladharigen hamel
+Mfoeka. De Baviaan Jack had vriendschap gesloten met een welgedane big,
+en beproefde op diens rug dikwijls de curieuste ruiterskunsten; later
+werd de plaats van het vroolijke varkentje ingenomen door een
+halfvolwassen Hond, waarmede Jack dikwijls op de potsierlijkste wijze
+speelde. De slecht gehumeurde Isabella had een grauwen Papegaai
+uitverkoren; toen ze hem echter op een goeden keer de fraaie, roode
+staartvederen een voor een begon uit te rukken, kwam er een einde aan
+dezen merkwaardigen vriendschapsbond.”
+
+In vergelijking met de ondeugden, die den Aap eigen zijn, de dwaasheden
+die hij begaat, is het voordeel dat hij oplevert, onbeduidend. Het is
+zeer gemakkelijk hem allerlei kunstjes te leeren verrichten. De gewone
+methode is: hem duidelijk voor te doen, wat men van hem verlangt, en
+hem daarna zoo lang te ranselen, tot hij het kunstje nadoet; hierop
+berust de geheele paedagogiek, die bij de Apen gevolgd wordt en moet
+worden! In den regel leert het te dresseeren dier binnen 1 of 2 uur een
+kunstje; men moet het hem echter van tijd tot tijd laten herhalen, daar
+hij het spoedig weer vergeet.—De voeding levert geen bezwaar op; al wat
+voor den mensch bruikbaar is, gebruikt hij ook.
+
+In hun vaderland, voor zoover het een niet zeer door de natuur
+begunstigde, maar toch door menschen bewoonde streek is, doen de Apen
+veel meer kwaad dan zij nut geven. Het vleesch van eenige soorten wordt
+gegeten, van andere wordt het vel voor pelswerk, zakjes, enz. gebruikt;
+dit geringe voordeel komt echter in geen vergelijking met de
+buitengewoon groote schade, die de Apen in bosch, veld en tuin
+aanrichten; het is werkelijk onbegrijpelijk, dat de Indiërs ook thans
+nog de Apen als heilige dieren beschouwen, en ze beschermen, alsof zij
+half-goden zijn.
+
+
+
+Wij verdeelen de orde der Apen in drie familiën: de Smalneuzen
+(Catarrhini), de Breedneuzen (Platyrrhini) en de Klauwapen
+(Ardopitheci). De beide eerstgenoemde hebben aan alle vingers en teenen
+platte nagels; de Klauwapen hebben alleen aan den duim der achterste
+ledematen een platten nagel, terwijl de overige vingers en teenen met
+klauwen voorzien zijn. De Smalneuzen en Breedneuzen verschillen
+onderling, vooral ten aanzien van het neusmiddelschot en van het gebit.
+Het neusmiddelschot is bij de eene groep breed, bij de andere smal; de
+neusgaten zijn hierdoor bij de Smalneuzen meer naar voren, bij de
+Breedneuzen zijwaarts gericht. De Smalneuzen komen alleen op het
+Oostelijk Halfrond voor: het zijn „Apen van de Oude Wereld”; de
+Breedneuzen en Klauwapen daarentegen—de „Apen van de Nieuwe
+Wereld”—zijn tot Amerika beperkt.
+
+
+
+De Smalneuzen gelijken op den Mensch, wat neusmiddelschot en gebit
+betreft. Zij verschillen er echter van, doordat in de bovenkaak,
+tusschen hoektand en snijtand, een ruimte voorkomt, waarin bij gesloten
+bek de spits van den grooten onderkaakshoektand past. Geen enkele
+Smalneus heeft een grijpstaart. De familie wordt gesplitst in twee
+onder-familiën: de Menschapen (Anthropomorpha) en de Honds-apen
+(Cynopithecini). Deze laten bij ’t gaan alleen den buitenrand van den
+voet op den bodem rusten, terwijl bij gene de geheele zool op den grond
+komt. Steeds missen de Mensch-apen den staart en de wangzakken; de
+meesten hebben geen eeltplekken op ’t zitvlak; deze komen daarentegen
+algemeen voor bij de Honds-apen, die dikwijls ook wangzakken en een
+staart hebben.
+
+De Mensch-apen (Anthropomorpha) vormen de hoogst ontwikkelde groep van
+Apen; door hun lichamelijk maaksel, meer bepaaldelijk door den bouw en
+de plaatsing der oogen en ooren, komen zij het meest met den Mensch
+overeen. De voorste ledematen zijn langer, de achterste korter dan bij
+den Mensch. Zij hebben geen staart. De glad neerhangende beharing
+ontbreekt op het gelaat en de teenen. Van de vier bekende geslachten
+zijn twee—Gorilla en Chimpanzee—bewoners van Afrika; de Orang-Oetan en
+de Gibbon komen in Zuid-Azië voor.
+
+Meer dan 2000 jaar geleden rustten de Carthagers een vloot uit met het
+doel om volkplantingen te stichten op de westkust van Afrika. Duizenden
+mannen en vrouwen, die met leeftocht en alle voor kolonisatie noodige
+hulpmiddelen voorzien waren, vertrokken op 60 groote schepen uit
+Carthago. De bevelhebber van deze vloot was Hanno, die zijne reis in
+een welbekend werk (Periplus Hannonis) beschreef. Gedurende de reis
+stichtte de bemanning van deze schepen zeven koloniën; door gebrek aan
+levensmiddelen werd zij genoopt vroeger terug te keeren dan
+aanvankelijk haar plan was. De koene zeevaarders waren trouwens de
+Sierra-Leone-kust reeds voorbij, toen dit geschiedde. De genoemde Hanno
+nu doet in zijn reisverslag een mededeeling, die ook voor ons onderwerp
+belangrijk is. Deze luidt aldus: „Den derden dag, nadat wij van daar
+weggezeild waren en de vuurstroomen hadden doorkruist, kwamen wij aan
+een zeeboezem, de Zuiderhoorn geheeten. Op den achtergrond was een
+eiland met een meer, en hierin weer een eiland, waarop zich wilde
+menschen bevonden. De meesten van deze waren vrouwen met een behaard
+lichaam; de tolken noemden ze Gorillas. De mannetjes konden wij niet
+inhalen, toen wij ze vervolgden; zij konden gemakkelijk ontsnappen,
+daar zij door afgronden heen klommen en zich met rotsklompen
+verdedigden. Wij maakten ons meester van drie wijfjes, maar konden ze
+niet medenemen, omdat zij beten en krabden. Wij moesten ze daarom
+dooden, trokken haar echter het vel af, en zonden het naar
+Carthago.”—De huiden werden daar, naar Plinius bericht, in den tempel
+van Juno bewaard.
+
+Het lijdt geen twijfel, dat Hanno met de wilde, behaarde menschen
+slechts een Mensch-aap kan hebben bedoeld. Ofschoon hij misschien
+Chimpanzees voor oogen heeft gehad, is zijn verhaal de aanleiding
+geweest, dat de reusachtigste van alle Apen „Gorilla” wordt genoemd.
+
+De Gorilla—de Ndschina of Mpoengoe van de inboorlingen—(Gorilla gina),
+de eenige vertegenwoordiger van het geslacht Gorilla, is nagenoeg even
+groot als, daarentegen veel breeder geschouderd dan een stevige man. De
+hoogte bedraagt bij het mannetje van de zool tot de kruin gemeten, 165
+à 190 cM, de schouderbreedte 95 cM. De wijfjes zijn kleiner. De lengte
+en sterkte van den romp en van de voorste ledematen, de ongeëvenredigd
+groote handen en voeten, welker middelste vingers en teenen van onderen
+door een vel vereenigd zijn, vormen de meest karakteristieke kenmerken
+van dit dier. De groote, stevige kop schijnt, tengevolge van de
+kortheid van den hals en de kolossale ontwikkeling der nekspieren,
+bijna onmiddellijk met den romp verbonden te zijn. Aan ’t gelaat vallen
+het meest in ’t oog: de vooruitstekende wenkbrauwbogen, de diep
+liggende oogen, de platte, breede neus en de door dikke lippen omlijste
+mondspleet, die geopend zijnde, een vreeselijk gebit laat zien. De
+tamelijk lange, ruige beharing vertoont donkere kleuren: grauw, bruin,
+ros. Onbehaard zijn het aangezicht tot aan de wenkbrauwen, het oor en
+ook de zijdelingsche en onderste gedeelten van hand en voet.
+
+Nog is het niet mogelijk, het verbreidingsgebied van den Gorilla
+nauwkeurig te omschrijven. Naar het schijnt, is hij slechts in een
+betrekkelijk klein gedeelte van West-Afrika, en wel van Neder-Guinea,
+inheemsch. Tot dusver is hij gevonden in de kustlanden tusschen den
+evenaar en 5° Z.B., bij de rivieren Gabon, Ogowe en Danger, Ook bewoont
+hij, naar men zegt, de westelijke gedeelten van den Serro do Cristal,
+een bergketen, die op 200 Engelsche mijlen afstand van de kust tusschen
+Angola en de Kameroen-rivier ligt. Daar hij woudbewoner is, zal hij
+waarschijnlijk niet gevonden worden ten zuiden van den Kongo en ook
+niet ten oosten van den Serro do Cristal; vermoedelijk zal hij
+voorkomen, zoover de regenrijke en daarom met bosschen begroeide zone
+zich uitstrekt, dus ook ten noorden van den Ogowe en den Gabon,
+minstens tot in het Kameroen-gebied, misschien ook in sommige gewesten
+van Opper-Guinea, voor zoover zij op gelijke wijze door de natuur
+begunstigd zijn.
+
+In vele oude en nieuwe berichten over den Gorilla zijn de overdreven
+voorstellingen en de sagen van de inboorlingen dooreengemengd met
+waarnemingen van den verslaggever zelf; dit geldt o.a. van de
+beschrijving, die de Amerikaan Du Chaillu van den Gorilla gaf, en
+waarmede hij indertijd veel opgang maakte. Evenals alle reizigers, die
+de gewesten bezochten, welke door Du Chaillu bezocht zijn, en met de
+hier levende menschen verkeerden, ben ik van oordeel, dat in zijn
+verhaal waarheid en verdichting op zonderlinge wijze met elkander
+afwisselen. Du Chaillu schrijft, evenals zijne voorgangers, wat hij
+heeft hooren vertellen, maar geeft aan zijne berichten, welke met die
+van latere onderzoekers in vele opzichten niet overeenstemmen, den
+aangenameren vorm van persoonlijke ervaringen. Hier worde alleen een
+plaats ingeruimd aan hetgeen Du Chaillu zegt van een in zijn bezit
+geraakten jongen Gorilla:
+
+„Den 4en Mei overmeesterden eenige negers, die op mijn last jaagden,
+een jongen Gorilla. Ik kan geen woorden vinden, om de opgewondenheid te
+beschrijven, die mij beving, toen zij het kleine monster in het dorp
+brachten. De Aap was vermoedelijk 2 of 3 jaren oud en slechts 60 cM.
+hoog, maar zoo woedend en koppig, dat dit bij een volwassen dier niet
+erger had kunnen zijn. Mijne jagers vingen hem in het land tusschen den
+Rembo en het voorgebergte St. Katharina. Volgens hun verhaal gingen zij
+met hun vijven dicht bij een plaatsje aan de kust stil door het woud,
+toen zij een geknor hoorden, waarin zij onmiddelijk het geluid
+herkenden, waarmede de jonge Gorilla zijn moeder roept. Zonder
+aarzeling besloten zij er op af te gaan. Met het geweer in de hand
+slopen de dappere negers door de donkere wildernis. Zij wisten, dat de
+moeder in de nabijheid zou zijn, en rekenden er op, ook het mannetje te
+zullen ontmoeten; zij waren echter vast besloten alles op het spel te
+zetten om het jong, zoo mogelijk levend, machtig te worden. Het
+tafereel, dat zich weldra aan hen voordeed, was ook voor hen nog nieuw.
+Het jong zat op den grond, en was bezig bessen te plukken. Eenige
+schreden verder, zat een volwassen wijfje, dat zich aan dezelfde
+vruchtensoort te goed deed. Oogenblikkelijk maakten mijne jagers zich
+gereed om te vuren; dit was hun geluk, want de oude zag hen, juist toen
+zij op haar aanlegden. Gelukkig behoefden zij slechts éénmaal te
+schieten om haar te dooden. Door den knal der geweren verschrikt, liep
+het jong schielijk naar zijn moeder, en omvatte haar lichaam, waartegen
+het zijn gelaat aandrukte. Voor de snel naderbij komende jagers werd
+het echter bang; het liep naar een dunnen boom, klom er zeer behendig
+in, en keek, toen het zich in de kroon had neergezet, onder woedend
+gebrul naar zijne beneden staande vervolgers, die, zonder zich te
+bekommeren om het gevaar van door het woedende beest gebeten te worden,
+den boom omhakten, en met hem den Aap ten val brachten, wien zij
+onmiddellijk een doek over den kop wierpen, om hem gemakkelijker te
+kunnen binden. Toch kostte dit moeite, daar het jonge dier een
+wonderbaarlijke spierkracht bezat, en niets minder dan goedaardig was.
+Het gelukte den jagers, het mede te voeren door gebruik te maken van
+een werktuig, dat ook dient om slaven in bedwang te houden, en uit een
+houten vork bestaat, welker beide takken door een dwarshout aaneen
+verbonden worden, nadat de hals van den gevangene er in gedrukt is.
+Toen de Gorilla uit de boot was getild, waarin hij gedurende een deel
+van den weg vervoerd werd, gaf hij door woedend gebrul en geblaf en
+door de woeste blikken, die hij op de ijlings toegesnelde, verschrikte
+dorpelingen wierp, duidelijk te kennen, dat hij niet nalaten zou zich
+te wreken, zoodra de gelegenheid hiervoor zich voordeed. Ik zag, dat
+hij aan den hals gewond was door het slavenjuk, en liet daarom ten
+spoedigste een hok voor hem maken. Twee uren later was een stevig
+bamboeshuis voor dit doel gebouwd, en konden wij het dier tusschen de
+palen door veilig bespieden. Het was een jong mannetje, ontwikkeld
+genoeg om zich zelf te redden, en voor zijn leeftijd buitengewoon
+krachtig. Het gelaat en de handen waren zwart, de oogen echter niet zoo
+diep ingezonken als bij de oude dieren; de borst en de buik waren
+weinig, de armen sterker behaard. Het haar van de wenkbrauwen en van de
+armen, dat een roodachtig bruine kleur had, was pas begonnen te
+groeien; de bovenlip was met korte haren bedekt; de onderlip droeg een
+korten baard; de rug was bezet met grijsachtig haar, dat in de buurt
+van de armen donkerder werd en dicht bij den aars volkomen wit scheen.
+
+„Nooit zag ik een beest zoo woedend als deze Aap. Hij schoot toe op
+ieder, die hem naderde, beet in de bamboes-stokken, keek boosaardig om
+zich heen, en toonde bij elke gelegenheid, dat hij een door en door
+grimmig en kwaadaardig gemoed had.”
+
+In lateren tijd heeft men den Gorilla anders en veel beter leeren
+kennen. Tweemaal is het aan Duitsche onderzoekers, leden van de onder
+Güszfeldt’s leiding ondernomen Loango-expeditie, gelukt, jonge
+Gorilla’s in ’t leven te houden en naar Europa te vervoeren, waar zij
+lang genoeg geleefd hebben om opheldering te geven van ’t geen in de
+levenswijze dezer dieren onbekend of onzeker was gebleven (pp. 10 en
+11). Veel hebben wij verder in dit opzicht te danken aan Hugo von
+Koppenfels, een hartstochtelijk jachtliefhebber, die in het
+laatstverloopen tiental jaren meermalen jachtreizen heeft gedaan in het
+stroomgebied van den Gabon en dat van den Ogowe, waar de Gorillas vrij
+veelvuldig voorkomen.
+
+Koppenfels is tot nu toe de eenige Europeaan, van wien men met
+zekerheid weet, dat hij Gorillas in de wildernis waargenomen en
+eigenhandig gedood heeft. Hij bevestigt vele feiten, die andere
+schrijvers van hooren zeggen kennen, en vult ze uit eigen waarnemingen
+aan:
+
+„Hoewel de bewoners van de boschrijke streken van Guinea veel van de
+jacht houden, ben ik toch vast overtuigd, dat zij, die wel eens een
+Gorilla in de wildernis te zien gekregen hebben, ternauwernood een
+derde gedeelte van de geheele bevolking uitmaken. De Gorilla leeft in
+engen familiekring, met uitzondering van de hypochondrische oude
+mannetjes. Wegens de groote hoeveelheid voedsel, die dit dier noodig
+heeft, zwerft het nomadisch rond, en brengt den nacht door daar, waar
+de duisternis het verrast. Elken avond bouwt het een nieuw nest, 5 à 6
+M. boven den grond, in rechtstammige boomen van niet veel meer dan 3
+dM. dikte. Hiertoe worden de takken op de genoemde hoogte zoover naar
+elkander gebogen, als noodig is, en met afgescheurde groene twijgen
+bedekt. In dit nest brengen de jongen den nacht door; zoolang zij
+verwarming noodig hebben, slaapt de moeder bij hen. De vader echter
+leunt, ineengehurkt, met den rug tegen den voet van den stam, die tot
+rustplaats dient aan zijn familie, en beschut haar tegen een
+nachtelijken overval. Daar de Luipaarden veel van apenvleesch houden,
+is deze voorzorg niet overbodig. In het droge jaargetijde, als het
+water en het voedsel in het dichtst van het woud schaarsch beginnen te
+worden, zoekt de Gorilla de door menschen bewoonde oorden op, en richt
+daar volgens apengewoonte, groote verwoestingen aan.
+
+„Zoolang hij niet lastig wordt gevallen, grijpt hij den mensch niet
+aan; maar vermijdt liever een ontmoeting met hem. Als deze toch plaats
+vindt, richt hij zich op, laat een onnavolgbaar, diep uit de borst
+komend, kort afgebroken, rollend of knorrend gebrul hooren, en slaat
+zich tandeknarsend met de reuzenvuisten op de buitengewoon breede
+borst. De onbeschrijfelijk boosaardige uitdrukking van zijn gelaat
+wordt nog verhoogd, doordat de haren van kop en nek zich trillend
+oprichten. Een woedende oude Gorilla levert een vreeswekkend schouwspel
+op. Toch geloof ik niet, dat hij een mensch zal aanvallen, als deze hem
+niet vertoornt, of althans zich ter rechter tijd stilletjes uit de
+voeten maakt, voordat de woede van het dier haar toppunt heeft bereikt.
+Indien men echter het ongeluk heeft gehad, hem slechts licht te wonden,
+zal hij (ik ben er vast van overtuigd, zonder het zelf ondervonden te
+hebben) den jager te lijf gaan, en wee hem, die op dat oogenblik geen
+tweede schot tot zijn beschikking heeft! Het is onmogelijk zulk een
+vijand te ontvluchten, terwijl het een dwaasheid zou zijn zich tegen
+hem met andere wapens dan met schietgeweer te willen verdedigen.”
+
+Zijn eerste Gorilla doodde H. von Koppenfels op Kerstmis van 1874. Hij
+had zich verscholen in de nabijheid van een iba of wilden mango—een
+boom, van welks vruchten de Gorilla’s veel houden—, waaronder hij
+eenige frisch aangebetene vruchten had gevonden. „Ik had daar misschien
+al een uur tevergeefs gewacht, de schaduwen van den invallenden nacht
+werden merkbaar, de muskieten begonnen mij op gevoelige wijze te
+kwellen; ik wilde reeds mijn standplaats verlaten, toen ik in de buurt
+van den iba een zwak gedruisch vernam, alsof iets afgebroken werd.
+Loerend langs den stam, waarachter ik mij verborgen had, bespeurde ik
+een Gorilla-familie, die zorgeloos bezig was vruchten te plukken. Zij
+bestond uit de beide ouders en twee jongen van verschillenden leeftijd;
+ze met menschenkinderen vergelijkend, schatte ik het oudste op 6, het
+jongste op 1 jaar. Het was roerend te zien, hoe liefderijk en
+zorgvuldig het wijfje voor het jongste kind was. De vader echter
+bekommerde zich om niets dan om het stillen van zijn eigen honger.
+Waarschijnlijk omdat de beste op den grond liggende vruchten door hem
+opgegeten waren, klom het Gorilla-wijfje met buitengewone behendigheid
+in den boom en schudde er de rijpe vruchten af.
+
+„De mannelijke Gorilla begaf zich nu kauwend naar het naburige water om
+te drinken. Hem had ik geen oogenblik uit het oog verloren. De
+herinnering aan de verhalen van Du Chaillu en aan de zeer overdreven
+berichten der inboorlingen maakte, dat ik mij bij de verschijning van
+het dier niet zeer op mijn gemak gevoelde. Dit hield echter op, toen de
+Gorilla, dicht bij den waterrand gekomen, plotseling onrust te kennen
+gaf, en in gebukte houding naar den boom keek, die mij voor hem
+verborg. Te laat echter bespeurde hij den nabijzijnden vijand; want,
+gereed om te vuren, volgde ik reeds met mijn buks elke beweging van het
+mij aanstarende dier. Eenige weinige oogenblikken waren voldoende om
+het goed in het vizier te krijgen. Het schot ging af. Nog voordat de
+kruitdamp opgetrokken was, had ik een nieuwe patroon in den loop
+geschoven, en wachtte zoo een eventueelen aanval af. Mijn zwarte
+jachtgezel stond sidderend achter mij met een tweede geweer in de hand.
+Het kwam echter niet tot verderen strijd. De Gorilla was doodelijk
+getroffen met het gelaat op den bodem neergestort. De jongen vluchtten,
+terwijl zij een enkele maal een kort geschreeuw lieten hooren, het
+bosch in; de moeder sprong van een aanzienlijke hoogte van den boom op
+den grond, en liep hen na. In mijn opgewondenheid vergat ik haar te
+schieten. Zoo had dus het jachtgeluk mij op het oogenblik, waarop bij
+ons ’t huis de kerstboomlichtjes aangestoken worden, een prachtig
+kerstgeschenk bezorgd.”
+
+Niet lang daarna schoot Koppenfels den grootsten Gorilla, dien hij ooit
+in handen kreeg, en dien hij toevallig ontmoette. Hij was, door zijne
+dragers gevolgd, in ’t woud gegaan, langs een smal wildpad.
+„Plotseling,” verhaalt hij, „hoorde ik een luiden schreeuw van den
+Galla-drager, die onmiddellijk achter mij aan kwam, waarop hij en de
+andere flauwe kerels hun last van zich wierpen en wegliepen, mij
+toeroepend: „Pas op, heer, een groote Gorilla!” Door deze waarschuwing
+opgeschrikt, zag ik eerst, toen naast mij een dof gebrom weerklonk,
+nauwelijks vijftien pas van mij af een donkere gedaante, die, zich
+oprichtend, reusachtige afmetingen verkreeg. Het was de grootste
+Gorilla, dien ik ooit heb gezien, en de eerste, die stand hield. Als
+hij partij getrokken had van mijn ontsteltenis, zou ik verloren geweest
+zijn. Ik had geen lust om te onderzoeken, hoe lang dit elkander
+aankijken wel zou kunnen duren. Toen ik mijn dubbelloops buks ophief,
+begon het rommelende gebral meer op blaffen te gelijken; het trommelen
+op de borst werd sneller, de ruige haren op den kop richtten zich
+trillend op, en het had er allen schijn van, dat mijn vreeselijke
+vis-à-vis mij aanvallen zou. Toch ben ik overtuigd, dat de Gorilla, als
+ik te rechter tijd voorzichtig weggegaan was, mij ongemoeid gelaten zou
+hebben. Dit was echter volstrekt mijn bedoeling niet. Toen ik mijn
+ontroering meester was geworden, mikte ik bedaard en zeker op het hart
+van het dier. Nadat het schot gevallen was, deed de Gorilla een
+luchtsprong, en viel, de armen zijwaarts strekkend en zich draaiend,
+met het gelaat op den grond. Gedurende het vallen had hij een 5 cM
+dikke liane gegrepen: zoo kolossaal was zijn lichaamskracht, dat hij
+met deze slingerplant dorre en groene takken van den boom, waaraan zij
+zich steunde, naar beneden trok. Zijn gewicht schatte ik op 200 KG.;
+zijn lichaamslengte bedroeg 1.9 M.”
+
+De onopgesmukte, op eigen aanschouwing gegronde beschrijvingen van Hugo
+Koppenfels geven ons een juistere voorstelling van dezen zonderlingen
+boschbewoner dan wij tot dusver hadden; hij verliest hierdoor een groot
+deel van de hem toegedichte verschrikkelijkheid. „Hij is”, zooals R.
+Burton terecht zegt, „een arme drommel van een Aap, en geen helsch
+wangedrocht, half mensch, half beest.”
+
+Dikwijls heeft men tevergeefs beproefd jonge Gorillas naar Europeesche
+dierentuinen over te brengen en in ’t leven te houden. In 1860 gelukte
+dit voor de eerste maal met een exemplaar, dat in Engeland zeven
+maanden lang in ’t leven bleef. Door een gelukkig toeval kreeg
+Falkenstein, de arts en zoöloog van de Duitsche Loango-expeditie, in
+1875 den jongen Gorilla in zijn bezit, die later (in 1876) in het
+Berlijnsch aquarium is opgenomen. De directeur van deze inrichting, Dr.
+Hermes, heeft in 1877 aan de te Hamburg vergaderde Duitsche
+natuuronderzoekers en artsen van de levenswijze en ontwikkeling van
+zijn Gorilla een uitvoerig verslag gegeven, dat o.a. het volgende
+bevat: „Reeds jaren lang heeft het Berlijnsch aquarium groote waarde
+gehecht aan het bezit van Anthropomorphe Apen. Het is allengs verrijkt
+geworden met alle vier vertegenwoordigers dezer diergroep, den Gibbon,
+den Orang Oetan, den Chimpanzee en den Gorilla. Hierdoor was ik
+uitmuntend in de gelegenheid om de levenswijze dezer dieren in de
+gevangenschap nauwkeurig waar te nemen en ze te dezen aanzien met
+elkander te vergelijken.
+
+„De merkwaardigste van alle Anthropomorphen is de Gorilla. Het is alsof
+dit dier brieven van adeldom met zich op de wereld heeft gebracht. Ons
+exemplaar is ongeveer twee jaar oud, en heeft een hoogte van bijna 70
+cM. bereikt. Zijn lichaam is bedekt met zijdeachtig zachte,
+gedeeltelijk grauwe, op den kop roodachtige haren. Zijn stevige,
+gedrongene gestalte, zijne gespierde armen, zijn glad, glanzig zwart
+gelaat met de goed gevormde ooren, de groote, verstandige, schelmsche
+oogen geven hem een frappant menschachtig voorkomen. Hij zou op een
+negerjongen gelijken, als de neus een anderen vorm had. Deze indruk
+neemt toe door de onbeholpenheid van zijn geheele wezen; ieder van
+zijne bewegingen herinnert meer aan die van een loggen knaap, dan aan
+die van een Aap. Als hij, op den grond zittend als een pagode, zijn
+blik over het hem aangapend publiek laat zwerven, en dan met knikkend
+hoofd plotseling in de handen klapt, heeft hij zich in eens aller
+toegenegenheid veroverd. Hij bevindt zich graag te midden van een groot
+gezelschap, onderscheidt jonge van oude, mannelijke van vrouwelijke
+personen. Hij is zeer lief voor kinderen van 2 à 3 jaar; hij kust ze
+graag, en verdraagt alles van hen, zonder ooit van zijne grootere
+kracht gebruik te maken. Oudere kinderen behandelt hij reeds minder
+goed; ook met hen wil hij graag spelen; hij houdt wedloopen met hen om
+de tafel en de stoelen, die hij dikwijls omsmijt, en geeft intusschen
+op een schelmsche wijze, nu eens den eenen, dan weer den anderen
+medespeler een tik met de vlakke hand; hij schroomt echter volstrekt
+niet, te midden van ’t spel een van de jongens bij ’t been te pakken en
+daarop zijne tanden te probeeren. Als hij door een dame op den arm
+wordt genomen, is hij zeer dankbaar; haar omhelzend en tegen haar
+schouder leunend, blijft hij graag langen tijd op haar schoot zitten.
+In de algemeene apenkooi speelt hij graag; hier is hij de onbeperkte
+heerscher; zelfs de Chimpanzee erkent zijn meerderheid zonder weerstand
+te bieden. Hij behandelt dezen echter eenigermate als een gelijke in
+rang, door bijna uitsluitend hem als speelnoot te kiezen, terwijl hij
+met het gemeene apenplebs geen complimenten maakt. Hij is gewoon zijn
+vriend te liefkozen, maar dit soms nog al onhandig. Eens pakte hij den
+Chimpanzee aan en beiden rolden, elkander steeds vasthoudend, over den
+grond. Een andere maal, toen de Chimpanzee hem ontweek, terwijl hij hem
+wilde grijpen, viel hij als een onbeholpen knaap met vooruitgestoken
+handen op den grond. Zijn gang heeft veel overeenkomst met dien van den
+Chimpanzee; even als deze steunt hij op de buitenste oppervlakte van de
+hand en op de zool van den voet, maar zet de voeten meer buitenwaarts.
+Hij steekt den kop omhoog met een voornaam air, alsof hij zich bewust
+is, tot een hoogeren stand te behooren. Zijn goede luim, die hem zelden
+verlaat, openbaart hij onder andere door den top van zijn roode tong te
+laten zien, die, scherp afstekend bij zijn glanzig zwart gelaat, den
+negerjongen-achtigen indruk, dien hij maakt, nog verhoogt.
+
+„Menschachtig als zijn geheele wezen, is ook de wijze waarop hij leeft.
+Des morgens omstreeks 8 uur wordt hij wakker, gaat in zijn bed rechtop
+zitten, gaapt, bekrabt enkele deelen van zijn lichaam, en blijft
+slaapdronken en onverschillig, totdat hij zijne morgenmelk gekregen
+heeft, die hij gewoon is uit een glas te drinken. Geheel opgevroolijkt
+verlaat hij nu zijn bed, kijkt de kamer eens rond om te zien of er iets
+te vernielen valt, gluurt door het venster, begint in de handen te
+klappen, en, bij gebrek aan aangenamer gezelschap, met zijn oppasser te
+spelen. Altijd moet deze bij hem zijn. Geen oogenblik wil hij alleen
+gelaten worden. Met een schellen toon schreeuwt hij, als hij bemerkt,
+dat zijn oppasser weggegaan is. Om 9 uur wordt hij gewasschen; door een
+knorrend geluid geeft hij te kennen, dat dit hem goed bevalt. Daar hij
+met zijn oppasser samenleeft, houdt hij zijne maaltijden als deze. Tot
+ontbijt krijgt hij een paar Weener, Frankforter of Jauersche worsten of
+een boterham belegd met Hamburger rookvleesch, Berlijnsche kaas of iets
+anders. Daarbij drinkt hij bij voorkeur een glas wit bier; opmerkelijk
+is het na te gaan, hoe hij het glas dat voor zijn korte, dikke vingers
+te groot is, aanvat; het zou hem uit de handen vallen, als hij niet,
+behalve deze, den voet gebruikte om het vast te houden. Om 1 uur brengt
+de vrouw van den oppasser hem zijn middagmaal. Dit uur zag hij steeds
+vol verlangen te gemoet, toen hij gedurende den heeten zomer in mijn
+woning gehuisvest was. Als er gescheld werd, wenschte hij steeds de
+gangdeur zelf te openen. Als de vrouw binnenkomt, onderzoekt hij de
+spijzen, en snoept gaarne van die, waarvan hij het meest houdt. De
+gewone straf voor zijn snoepzucht is een draai om de ooren. Als hij
+dezen gekregen heeft, wacht hij, zonder zijne blikken van de spijzen af
+te wenden, zoet het begin van den maaltijd af. Eerst krijgt hij een kop
+bouillon. In een oogwenk is deze tot op den laatsten druppel geledigd.
+Dan komt er rijst, of groente, bij voorkeur aardappels, wortels of
+koolrapen met vleesch gekookt. De vrouw ziet er op toe, dat hij zich
+ordentelijk gedraagt, en werkelijk maakt hij reeds handig gebruik van
+een lepel. Zoodra hij meent, dat men niet naar hem kijkt, steekt hij
+zijn mond in den schotel. Na de genoemde gerechten heeft hij het liefst
+een stuk van een gebraden hoen. Als het eten gedaan is, wil hij rusten.
+Na een middagslaapje van een uur, soms anderhalf, is zijn lust om te
+spelen opnieuw ontwaakt. Des namiddags krijgt hij vruchten, ’s avonds
+melk of thee en een boterham. Om 9 uur gaat hij slapen. Hij ligt
+gewikkeld in een wollen deken op een matras. De oppasser blijft bij hem
+zitten, tot hij ingeslapen is, wat bij zijn groote behoefte aan slaap
+niet al te lang duurt. Liever slaapt hij in één bed met den oppasser,
+dien hij dan omvat houdt, en op wiens lichaam hij zijn kop laat rusten.
+Hij slaapt vast, den geheelen nacht door; gewoonlijk wordt hij vóór 8
+uur ’s morgens niet wakker.—Hij bewoont een opzettelijk voor hem
+gebouwd glazen paleis, dat met een kleine palmenbroeikas in gemeenschap
+staat. Hierdoor wordt hem het gemis van de vochtige atmospheer van zijn
+tropisch vaderland zoo veel mogelijk vergoed.—Het krachtige gestel van
+onzen Gorilla geeft mij grond voor de hoop, dat hij bij deze
+behandeling nog lang het schoonste sieraad van ons aquarium zal
+blijven.” Deze wensch is ongelukkig niet verwezenlijkt: het
+hierbedoelde dier stierf den 13en November 1877 aan een vliegende
+tering, nadat het 9 maanden in Afrika en 15 maanden te Berlijn in
+gevangenschap had geleefd, en een langdurige kunstreis naar Engeland
+met goed gevolg had doorgestaan.—Een tweede Gorilla werd in den aanvang
+van het jaar 1883 door tusschenkomst van Pechuel-Loesche (die met
+Falkenstein in het Kongo-gebied een onderzoekingsreis had gedaan, en
+toen terugkeerde) levend naar Europa gebracht, en eveneens in het
+Berlijnsch aquarium opgenomen. Hij is er onder de hoede van den
+directeur Hermes 14 maanden in ’t leven gebleven: den 16en Maart
+overleed hij aan een soortgelijke ziekte als de eerste
+Mpoengoe.—Opmerkelijk is het, dat geen van beide dieren gedurende de
+zeereis naar Europa last gehad heeft van zeeziekte.—Alle andere
+pogingen om Gorillas levend naar Europa over te voeren, en hier in ’t
+leven te houden, zijn tot dusver mislukt.
+
+
+
+Wij gaan nu over tot het tweede geslacht van de Anthropoïden, tot den
+reeds meermalen genoemden Chimpanzee (Simia troglodytes). Deze aap is
+schraler en aanmerkelijk kleiner dan de Gorilla: oude mannetjes zijn
+hoogstens 1.7 M., en wijfjes 1.3 M. lang. Het deel van den schedel, dat
+de hersenen bevat, is langwerpiger, van boven en van achteren meer
+afgerond, minder kantig dan bij den Gorilla, wiens schedel een
+overlangschen, aan ’t achterhoofd ver achteruitstekenden, hoogen,
+beenigen richel of kam draagt. Deze is bij den Chimpanzee veel minder
+ontwikkeld, waaruit men kan afleiden, dat de slaapspieren, die voor ’t
+sluiten van den bek dienen, bij hem minder krachtig zijn. Wegens de
+minder sterk naar voren uitpuilende wenkbrauwbogen en den helderen blik
+der oogen maakt het gelaat van den Chimpanzee een veel zachteren indruk
+dan dat van den Gorilla. De neus is plat, de bovenlip lang, bol en
+gerimpeld; de onderlip steekt ver vooruit. Beide lippen zijn
+buitengewoon bewegelijk en kunnen samen een soort van snuit vormen. Het
+oor is grooter en minder menschachtig van vorm dan dat van vele
+Gorillas. De armen bezitten groote spierkracht, zijn lang, en reiken,
+als het dier rechtop staat, tot even voorbij de knieën. Aan de handen
+is de duim dun en kort, de vingers zijn lang, de middelvinger is de
+langste. Aan de voeten is de groote teen door een diepe bocht van de
+overige, teenen gescheiden. De zool is plat.
+
+Het haar van den Chimpanzee is sluik, aan ’t voorste deel van den kop
+meestal gescheiden; lange haren bedekten het achterhoofd, de wangen, de
+schouders, den rug, de armen en de beenen; de overige lichaamsdeelen
+zijn korter behaard. Meestal is het haar donker zwart van kleur; dof
+roodachtig bruin getinte exemplaren zijn echter niet zeldzaam. Het
+onderste gedeelte van het gelaat en de kin zijn met korte, witachtige
+haren begroeid. De huid zelf heeft een eigenaardige lichte kleur;
+vooral bij jonge dieren kan men haar vleeschkleurig noemen, later wordt
+zij vuiler, meer bruinachtig.
+
+De Chimpanzee, nog meer dan de Gorilla voor het leven in de boomen
+ingericht, is zeer ervaren in het klimmen. Al spelend zwaait hij zich
+over groote afstanden heen van den eenen boom op den anderen; zijne
+sprongen zijn verbazingwekkend. Wanneer men hem verrast, terwijl hij op
+de achterste ledematen gaat of staat, laat hij zich dadelijk op alle
+vier neervallen om te vluchten. Van de voorste ledematen komt in den
+regel alleen de vereelte rugzijde van de vingers, die naar de handpalm
+gekromd zijn, met den grond in aanraking; soms hebben ook de teenen van
+den voet, die overigens op de geheele zool rust, dezen stand, die den
+echten boombewoner karakteriseert.
+
+De groote individueele verschillen, die bij deze Apen voorkomen, hebben
+aanleiding gegeven tot het onderscheiden van eenige soorten. Een er van
+werd „Tschego” genoemd, naar een naam (Ndjeko of Ndsjiëgo), die dit
+dier in ’t Gabon-gebied draagt. Volgens de onderzoekingen van den
+Berlijnschen hoogleeraar Robert Hartmann mag men echter aannemen, dat
+de Chimpanzees alle tot één diersoort behooren.
+
+De meening, dat de ouden den Chimpanzee gekend hebben, is gegrond op
+het beroemde mozaïek-werk, dat eertijds den bodem van den
+Fortuna-tempel te Praeneste (het tegenwoordige Palestrina) versierde,
+en thans deel uitmaakt van het museum-Barberini te Rome. Nevens vele
+andere dieren, die in ’t stroomgebied van den Nijl leven, was er ook
+een staartlooze Aap op afgebeeld, die voor onzen Anthropoïde wordt
+gehouden.
+
+De uit Angola afkomstige, en vandaar over Engeland naar Nederland
+vervoerde, jonge Chimpanzee, die omstreek het jaar 1640 aan Prins
+Frederik Hendrik werd vertoond, was misschien het eerste dier van deze
+soort, dat levend Europa bereikte. De Amsterdamsche burgemeester en
+anatoom Nicolaas Tulp heeft het ontleed en beschreven. Later zijn
+herhaaldelijk levende Chimpanzees naar Europa gebracht; sedert eenigen
+tijd komt deze Aap zelfs vrij geregeld op de wildedierenmarkten
+voor.—Over het levende dier komt het volgende bericht voor in de
+„Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten” (1668) van den Hollandschen
+arts O. Dapper. „Daer is ook een zeker dier by d’ inwoonders
+Quojas-Morrou of Worrou en bij de Portugeezen Salvage geheeten, dat
+Satyr of Bosch-Mensch gezeit is. Het heeft een groot hooft, is zwaer
+van lyf, vlezig van armen, sterk in ’t worstelen, geheel en al zonder
+steert, gaet zomwyl recht op zyn lyf, en zomtyts gelyk d’ apen met de
+handen op d’ aerde. Het is volgens verhael der zwarten, afkomstigh van
+menschen, maer zou door de verandering van ’t bosch en de woestheit
+half beest geworden zyn. Deze dieren erneeren zich in de bosschen met
+fruiten en wilden honigh, dien zij uit de boomen halen, en smyten
+geduurigh tegen elkandre. De zwarten verhalen wonderlyke dingen van dit
+dier, en bevestigen, dat het niet alleen weerlooze vrouwen en
+onhuuwbare dochters aanvalt en verkraght, maer ook gewapende mannen
+derft aentasten.” Op de bijgevoegde kaart zijn Apen afgebeeld in het
+koninkrijk Beenin.
+
+Het verbreidingsgebied van den Chimpanzee is veel uitgestrekter dan dat
+van den Gorilla. Sints lang is het bekend, dat het de kuststreken en
+achterlanden van Opper- en Neder-Guinea omvat. (Cachao in Senegambië,
+op 12° N.B., is waarschijnlijk het noordelijkste punt ervan.) Hij
+bewoont er de bosschen langs de kustrivieren en in de gebergten. H. von
+Koppenfels heeft in de Gabon- en Ogowe-landen jacht op hem gemaakt. De
+leden van de Duitsche Loango-expeditie hebben hem in verder zuidwaarts
+gelegen gewesten tot in de nabijheid van den Kongo waargenomen, in
+sommige zelfs zeer overvloedig. Volgens R. Hartmann komt hij nog verder
+zuidwaarts voor, tot aan de oevers van den Coanza (op 10° Z.B.). Ook is
+het gebleken, dat een groot deel van het binnenland van Afrika den
+Cimpanzee als woonplaats dient. Hij werd tot in de nabijheid van de
+Groote Meren gevonden, ongeveer even ver als de oliepalm en de Grauwe
+Papegaai verbreid zijn. Men vermoedt zelfs zijn aanwezigheid in
+Oost-Afrika ten zuiden van Abessinië; volgens Nachtigall is hij ook in
+Zuidoost-Afrika, n.l. in ’t achterland van Sofala, inheemsch.
+
+Over hun aanwezigheid in ’t stroomgebied van den Boven-Nijl zegt
+Heuglin: „Op de dichtbebladerde hooge boomen van het land der Niam-Niam
+huist bij paren en familiën de Mbam (juister Baâm), een Aap van de
+grootte van een man, die niet schroomt den hem vervolgenden jager aan
+te vallen. Zijn nest is in de kroon van een boom gebouwd, en door een
+dak tegen den regen beschut. Hij heeft een olijfkleurig zwartachtig,
+niet dicht behaard vel, een onbehaard, vleeschkleurig gelaat en een
+witachtig behaard zitvlak.”
+
+De Engelsche zendeling Savage zegt van den in Neder-Guinea levenden
+Chimpanzee: „Hoewel deze dieren gewoonlijk geen groote gezelschappen
+vormen, en men er zelden meer dan vijf à tien bijeenziet, kan ik toch
+op grond van betrouwbare getuigenissen mededeelen, dat zij zich van
+tijd tot tijd in grooten getale verzamelen om te spelen. Een mijner
+zegslieden verzekert, dat hij er eens een vijftigtal bijeengevonden
+heeft, die zich met jubelen, schreeuwen en het trommelen op oude
+boomstammen vermaakten.—Zij mijden zooveel mogelijk de woonplaatsen der
+menschen. Hunne woningen, eer nesten dan hutten, zijn op boomen
+gebouwd, in den regel niet hoog boven den grond. Zij buigen of knikken
+groote en kleine takken, zoodat deze naar beneden hangen, leggen ze
+kruiselings over elkander en plaatsen er tot steun een al of niet
+gevorkten tak onder. Soms vindt men een nest dicht bij het einde van
+een dikken, dicht bebladerden tak op 8 à 10 M. hoogte boven den grond;
+eenmaal heb ik er een gezien, dat minstens 13 M. hoog was. De
+Chimpanzees worden niet zelden door gebrek aan voedsel of dergelijke
+redenen tot verandering van woonplaats gedwongen. Meestal zagen wij ze
+op hoog gelegen gronden, waarschijnlijk omdat de lage landen, waar de
+inboorlingen ten behoeve van den landbouw dikwijls boomen omhakken,
+geen voldoende keuze aanbieden van plaatsen, die voor den nestbouw
+geschikt zijn. De nesten zijn gewoonlijk op eenigen afstand van
+elkander gelegen; zelden ziet men er twee of meer op denzelfden boom.
+Toch heeft men er eens vijf bijeen gevonden.” Van nesten, die uit
+kunstig saamgevlochten takken bestaan, zooals Du Chaillu ze beschrijft,
+wordt door geen anderen reiziger melding gemaakt.
+
+Waarschijnlijk is het voedsel van den Chimpanzee van soortgelijken
+aard, als dat van den Gorilla. Vruchten, blad- en bloemknoppen,
+misschien ook wortels, zullen wel de voornaamste bestanddeelen van zijn
+maal uitmaken.
+
+Van alle Anthropomorphe Apen komt de Chimpanzee tegenwoordig het
+veelvuldigst in de Europeesche diergaarden voor; ongelukkig kan men hem
+hier slechts bij uitzondering twee of drie jaar in ’t leven houden;
+terwijl hij, naar men verhaalt, in West-Afrika soms wel twintig jaar in
+gevangen staat geleefd heeft, en er groot en sterk geworden is. Tot
+dusver heeft men steeds opgemerkt, dat de gevangenen zachtaardig,
+verstandig en lieftallig waren. De Grandpré zag op een schip een wijfje
+van deze soort, dat buitengewoon leerzaam was, en allerlei
+werkzaamheden verrichtte. Buffon bezat in 1740 een Chimpanzee van
+ongeveer twee jaar oud. Deze had een droefgeestige en ernstige
+gelaatsuitdrukking; zijne bewegingen waren afgemeten en doordacht. Hij
+toonde geen enkele van de leelijke eigenschappen der Bavianen, maar was
+ook niet speelsch gelijk de Meerkatten. Hij gehoorzaamde dadelijk, als
+hem door woorden of gebaren iets bevolen werd, bood den bezoekers een
+arm aan, wandelde met hen rond, ging als een mensch aan tafel zitten,
+vouwde zijn servet open, wischte zich er de lippen mede af, at met
+lepel en vork, schonk zichzelf in, klonk met de dischgenooten, haalde
+een kopje en schoteltje, deed suiker in het kopje, goot er thee op, en
+liet dezen drank bekoelen, voordat hij er gebruik van maakte. Hij deed
+niemand kwaad, maar ging op bescheiden wijze met allen om, en was zeer
+blijde, als men hem liefkoosde.
+
+Van het groot aantal berichten uit den lateren en allerlaatsten tijd
+over de levenswijze van den Chimpanzee moge de volgende mededeeling van
+den dierenschilder Friedrich Specht hier nog een plaats vinden: „De
+Chimpanzee in Nill’s diergaarde te Stuttgart kon echt lachen als een
+mensch. Dit komt mij zeer opmerkelijk voor, daar geen enkel ander dier
+in staat is om zijne vreugde door luid gelach te kennen te geven. Als
+ik dit aardige ventje onder de armen opnam, omhoog wierp en weder
+opving, scheen zijn pret geen einde te nemen, wat hij door luid gelach
+toonde. Hetzelfde gebeurde, als men hem onder de armen of aan de
+voetzolen kietelde. Eens had ik een stuk wit krijt bij mij, toen ik in
+zijn hok ging, en op zijn stoel ging zitten; dadelijk wipte hij op mijn
+knie, om hier af te wachten, wat er gebeuren zou. Ik gaf hem nu het
+krijt en teekende, terwijl ik zijn hand bestuurde, een Maraboe enz. op
+den wand van zijn hok; hij liet mij rustig begaan en keek oplettend
+naar ’t geen ik deed. Toen ik zijn hand losliet, sprong hij bliksemsnel
+op den grond, ging bij den wand staan, en schaduwde de figuren, tot
+groot vermaak van de toeschouwers, zoo snel, dat er weldra niets meer
+van te zien was. Hij had mijne handeling dus dadelijk begrepen.
+
+„In den Zoölogischen tuin te Stuttgart zijn thans twee Chimpanzees, die
+zeer goed met elkander overweg kunnen; aan het wijfje, dat er reeds
+vroeger was, werd n.l. een mannetje tot gezelschap toegevoegd. De kist,
+waarin de pas aangekomen Aap zich bevond, werd gedurende den nacht
+geborgen in het warme en ruime hok van het wijfje; den volgenden dag
+zouden beiden aan elkander voorgesteld worden. Toen het mannetje uit
+zijn met watten gevoerde slaapstede trad, stonden de beide dieren een
+kort tijdje stom van verbazing op de achterpooten tegenover elkander,
+waarop een hartelijke omarming en een verscheidene malen herhaald gekus
+volgden. Nu haalde het wijfje haar deken, breidde deze op den bodem
+uit, ging er op zitten, en noodigde door gebaren het mannetje uit, om
+zijn gemak te nemen. Een aardig schouwspel leveren zij op, als zij
+gedurende den maaltijd tegenover elkander aan tafel zitten. Beide eten
+hunne brei met den lepel, en toonen niet den minsten broodnijd. Als de
+drinkbekers op tafel gezet worden, heeft het wijfje de gewoonte, den
+beker van het mannetje behoedzaam naar zich toe te halen, er uit te
+drinken, en hem daarna rustig weer op zijn plaats te zetten:—„mijn man
+moet zooveel niet drinken”, denkt zij misschien. Ook deze dieren geven,
+als zij spelen, hunne vreugde door gelach te kennen.”
+
+
+
+De Orang-Oetan (Boschmensch, Pithecus satyrus), op Borneo Meias of
+Majas genoemd, is de merkwaardigste van de Aziatische Mensch-apen. Van
+zijne Afrikaansche verwanten onderscheidt hij zich door de veel langere
+armen, die tot aan de enkels reiken, en door den vorm van den kop,
+welks schedel naar boven kegel- of piramide-vormig uitloopt, terwijl
+het aangezicht in een sterk vooruitstekenden snuit eindigt. Hij heeft,
+evenals wij, 12 ribbendragende wervels (rugwervels), terwijl de Gorilla
+en de Chimpanzee er 13 hebben. De schedel van den jongen Orang-Oetan
+gelijkt zeer veel op dien van een kind; naarmate hij ouder wordt,
+treden bij hem de dierlijke eigenaardigheden hoe langer hoe meer op den
+voorgrond, zoodat zijn schedel dan nog maar weinig op dien van den
+jongen Aap gelijkt.
+
+De groote mannelijke Orang-Oetan, die door Wallace gedood werd, had
+rechtopstaand een hoogte van 1.35 M.; wanneer de armen zijwaarts
+gestrekt werden, bedroeg de afstand tusschen de vingertoppen 2.4 M.;
+het aangezicht was 35 cM. breed, de omvang van het lichaam bedroeg 1.35
+M. De romp heeft een sterk vooruitstekenden buik, en is, over de heupen
+gemeten, zeer breed. De hals is kort, en vertoont aan de voorzijde
+breede plooien, omdat het dier een grooten keelzak heeft, die met het
+strottenhoofd in gemeenschap staat en opgeblazen kan worden. De lange
+ledematen hebben lange handen en vingers. De platte nagel ontbreekt
+dikwijls aan den duim van de achterhand. De lippen zijn leelijk, daar
+zij niet slechts gerimpeld, maar bovendien sterk gezwollen zijn, en bol
+uitstaan. De neus is geheel plat gedrukt, en het neusmiddelschot steekt
+voorbij de neusvleugels uit; de ooren zijn klein, maar gelijken in vorm
+op die van den mensch. De hoektanden komen aan het gebit sterk uit; de
+onderkaak is langer dan de bovenkaak. De rug is weinig, de borst zeer
+dun behaard; des te langer en overvloediger is de beharing echter aan
+de zijden van den romp, van waar zij ver afhangt. Aan de wangen en de
+kin verlengen de haren zich dikwijls bij wijze van een baard. Aan de
+voorarmen zijn de haren naar boven, overal elders naar onderen gericht.
+Het gelaat en de handpalmen (voetzolen) zijn geheel, de borst en de
+rugzijde van de vingers bijna geheel onbehaard. Gewoonlijk is de
+beharing donker-roestrood, zeldzamer bruinachtig rood; de haren van rug
+en borst zijn donkerder, die van den baard echter lichter van kleur. De
+onbehaarde lichaamsdeelen zijn blauwachtig grijs, leikleurig of
+zwartachtig. De oude mannetjes verschillen van de wijfjes door meerdere
+grootte, dichtere beharing, langer haar en sterker ontwikkelden baard.
+Bovendien hebben zij eigenaardige opzwellingen of huidplooien aan de
+wangen, die zich halvemaanswijs van de oogen naar de ooren en naar de
+bovenkaak uitstrekken, en het aangezicht in ’t oogloopend leelijk
+maken. De jongere dieren zijn baardeloos, voor ’t overige echter
+sterker behaard en donkerder van kleur.
+
+De Orang-Oetan is sedert overouden tijd bekend. Reeds bij Plinius kan
+men lezen, dat er op de Indische bergen „saters” zijn, „zeer
+boosaardige dieren met een menschengezicht, die soms rechtop, soms op
+alle vier gaan, en die, wegens hun vlugheid, alleen als zij oud of ziek
+zijn, gevangen kunnen worden.” Eeuwen achtereen werd de mededeeling van
+Plinius oververteld en telkens weer met bijvoegsels voorzien, die er
+allengs de beteekenis, van veranderden. In dit geval, en in vele
+andere, werd de kern van waarheid, die het oorspronkelijke bericht
+bevat, door tal van overdrijvingen nagenoeg onkenbaar. De naschrijvers
+verloren uit het oog, dat er van dieren sprake was; zij maakten er
+wilde menschen van. Hun invloed is nog duidelijk merkbaar in de,
+gedeeltelijk op eigen ervaringen berustende, mededeelingen van Bontius,
+die omstreeks het midden der 17e eeuw op Java als arts werkzaam was.
+
+Hij zegt, dat hij eenige malen „boschmenschen” gezien heeft, zoowel
+mannetjes, als wijfjes; dat zij dikwijls rechtop loopen, en geheel
+dezelfde bewegingen maken als andere menschen. Van een der wijfjes
+verhaalt hij, dat zij zich schaamde, toen onbekende menschen haar
+aankeken; dat zij haar gelaat met de handen bedekte, zuchtte, weende,
+kortom allerlei menschelijke handelingen zoo verrichtte, dat haar
+alleen de spraak ontbrak, om geheel een mensch te zijn. De Javanen
+zeggen trouwens, dat de Apen wel degelijk spreken kunnen, maar zich
+houden, alsof zij stom zijn, omdat zij vreezen, dat men hen zal laten
+werken. Het spreekt wel van zelf, dat de Orang-Oetans in al deze
+verhalen rechtop gaan, hoewel er bijgevoegd wordt, „dat zij ook op vier
+pooten kunnen loopen.” Blijkbaar zijn de overdrijvingen, die in deze
+beschrijvingen voorkomen, een gevolg van de lichtgeloovigheid der
+reizigers, die alles navertellen, wat zij van de inboorlingen hooren.
+
+Door de voortreffelijke onderzoekingen van Wallace is de levenswijze
+van den Orang-Oetan in den natuurstaat thans beter bekend, dan die van
+eenigen anderen Anthropoïden Aap.
+
+„Men weet,” zegt hij, „dat de Orang-Oetan Sumatra en Borneo bewoont, en
+heeft goede redenen om te gelooven, dat hij tot deze beide groote
+eilanden beperkt is. Evenwel is hij, naar het schijnt, veel zeldzamer
+op het eerste, dan op het laatstgenoemde eiland. Op Borneo is hij zeer
+verbreid. Hij bewoont hier uitgestrekte landstreken van de Zuidwest-,
+Zuidoost-, Noordoost- en Noordwestlanden, maar houdt zich uitsluitend
+in laag gelegene en moerassige bosschen op. In Sadong vindt men hem
+niet anders dan in vlakke, waterrijke, met hoog-opgaand oerwoud bedekte
+gewesten. Uit deze moerassen rijzen vele op zich zelf staande bergen
+omhoog. Sommige daarvan, die door Dajaks bewoond en met plantsoenen van
+vruchtboomen bedekt zijn, hebben voor de Meias groote
+aantrekkelijkheid. Zij bezoeken ze, wegens de vruchten, die zij daar
+vinden, maar keeren des nachts naar hunne moerassige wouden terug. In
+de gewesten waar de bodem zich meer algemeen verheft en droog is, wordt
+de Orang-Oetan niet gevonden. Een groote uitgestrektheid van
+aaneengeschakeld en gelijkmatig hoog oerwoud is voor het wel gedijen
+van dezen Aap volstrekt noodig. Zulke wouden zijn voor hem als ’t ware
+een open land, waarin hij in alle richtingen ronddolen kan, met
+hetzelfde gemak als de Indiaan in de prairie en de Arabier in de
+woestijn. Hij gaat van boomtop tot boomtop, zonder ooit in de
+noodzakelijkheid te verkeeren op den bodem af te dalen. De hooge en
+droge gewesten, waar meer boomlooze en met laag houtgewas van jongeren
+oorsprong bedekte plekken gevonden worden, zijn wel voor menschen
+geschikt, maar niet voor de eigenaardige wijze waarop de Majas zich
+voortbeweegt, die hier bovendien aan meer gevaren blootgesteld zou
+zijn.
+
+„Het is een vreemd en belangwekkend gezicht, den Majas gade te slaan,
+terwijl hij op zijn gemak door de bosschen voortschrijdt. Hij wandelt
+gerust op een dikken, tak in de half opgerichte houding, die hij,
+wegens de groote lengte zijner armen en de kortheid zijner beenen,
+genoodzaakt is aan te nemen; evenals de reeds genoemde Antropoïden,
+loopt hij op de knokkels en niet op de zool, zooals wij. Hij kiest,
+naar het schijnt, altijd die boomen uit, welker takken zich uitstrekken
+tot aan die van de naastbij staande boomen. Als hij het punt bereikt
+heeft, dat voor den overgang het meest geschikt is, strekt hij zijne
+lange armen uit, grijpt met beide handen de twijgen die hij voor zich
+ziet, beproeft, naar het schijnt, hunne stevigheid, en gaat nu met een
+behoedzamen zwaai op een tak van den anderen boom over, waarlangs hij
+als op den vorigen voortschrijdt. Nooit doet hij hierbij een sprong;
+het schijnt, dat hij zich nooit haast, en toch weet hij zich bijna even
+snel voort te bewegen, als een mensch op den grond beneden hem loopen
+kan.”—Op een andere plaats van Wallace’s werk vindt men de verzekering,
+dat een Orang-Oetan in den tijd van een uur gemakkelijk 8 à 10 KM. kan
+afleggen.—„De lange, krachtige armen zijn voor het dier van ’t grootste
+nut, daar zij het in staat stellen, de hoogste boomen met gemak te
+beklimmen, vruchten en jonge bladen af te plukken van jonge twijgen,
+die zijn gewicht niet zouden kunnen dragen, en takken en gebladerte te
+verzamelen voor de vervaardiging van zijn nest.” Een door Wallace
+gewonde Orang-Oetan toonde aan zijn vervolger, op welke wijze het nest
+gebouwd wordt. „Toen ik geschoten had,” verhaalt Wallace, „klom de
+Majas hooger den boom op, en had weldra den hoogsten top bereikt. Hier
+begon hij dadelijk rondom zich de takken af te breken en ze in allerlei
+richtingen over elkander te leggen, ten einde zich een nest te bouwen.
+De plaats was hiervoor uitnemend geschikt. Merkwaardig snel strekte hij
+zijn eenigen, nog niet gewonden arm in alle richtingen uit, brak met
+het grootste gemak dikke takken af, en legde ze achter zich kruiselings
+over elkander, zoodat hij in weinige minuten een dichte massa van
+bladen en takken had bijeengebracht, die hem geheel aan mijne blikken
+onttrok. Een dergelijk nest gebruikt de Majas bijna iederen nacht om er
+in te slapen; dit wordt echter meestal lager op een kleinen boom
+gebouwd, in den regel niet hooger dan 8 à 15 M. boven den grond,
+waarschijnlijk omdat hij hier minder aan de werking van den wind is
+blootgesteld, dan boven in een hoogen boom. Men zegt, dat elke Majas
+iederen nacht een nieuw nest voor zich vervaardigt; dit komt mij echter
+zeer onwaarschijnlijk voor, daar dan de overblijfselen van die nesten
+veelvuldiger te vinden zouden zijn, dan werkelijk het geval is. De
+Dajaks beweren, dat de Aap zich, als het zeer nat weer is, met
+pandanus-bladen of zeer groote varens bedekt. Misschien heeft dit
+verhaal aanleiding gegeven tot het sprookje, dat hij in de boomen een
+hut bouwt.
+
+„De Orang-Oetan verlaat zijn leger eerst, als de zon vrij hoog aan den
+hemel staat en den dauw op de bladen geheel heeft opgedroogd. Hij
+besteedt het geheele middeldeel van den dag aan zijn maaltijd, maar
+bezoekt zelden twee dagen achtereen denzelfden boom. Voor zoover mijn
+ervaring reikt, voedt hij zich bijna uitsluitend met vruchten, soms
+echter eet hij ook knoppen, bladen en jonge loten. Uiterst zelden daalt
+hij naar den grond af, waarschijnlijk alleen dan, als hij, door den
+honger gedreven, sappige loten zoekt bij den oever der rivier, of, bij
+zeer droog weder, water opspoort om zijn dorst te lesschen, dat hij in
+gewone omstandigheden, in voldoende hoeveelheid in de holten der bladen
+vindt. Slechts éénmaal zag ik twee halfvolwassen Orangs op den bodem,
+in een drogen kuil. Zij speelden met elkander, stonden rechtop en
+vatten elkander bij de armen aan. Nooit gaat deze Aap rechtop, tenzij
+wanneer hij zijne voorhanden gebruikt om zich aan hooger geplaatste
+takken vast te houden, of wanneer hij aangevallen wordt. Voorstellingen
+van Orangs, die steunend op een stok wandelen, zijn geheel denkbeeldig.
+
+„Voor den mensch schijnen de Majas niet zeer bevreesd te zijn. Die,
+welke ik te zien kreeg, keken mij dikwijls eenige minuten lang aan, en
+schreden dan langzaam voort naar een naburigen boom. Menigmaal gebeurde
+het, dat ik, na er een gezien te hebben, duizend schreden of nog wel
+verder te loopen had om mijn geweer te halen; toch vond ik bijna altijd
+bij mijn terugkomst het dier op denzelfden boom of hoogstens honderd
+meter er van af. Ik zag nooit twee volwassen Orangs bij elkander, maar
+zoowel mannetjes als wijfjes worden soms vergezeld door half-volwassen
+jongen.
+
+„De Dajaks zeggen, dat de Majas nooit door eenig dier in het woud wordt
+aangevallen. Zij maken echter melding van twee zelden voorkomende
+uitzonderingen op dezen regel. Een Dajaksch hoofd, die zijn geheele
+leven had doorgebracht in streken waar de Majas veelvuldig voorkomt,
+zeide mij: „Geen dier is sterk genoeg om den Majas kwaad te doen, het
+eenige, waarmede hij ooit in strijd geraakt, is de Krokodil. Als er
+geen vruchten zijn in het bosch, gaat hij voedsel zoeken op den oever
+der rivier, waar hij een menigte jonge loten vindt, waarvan hij houdt,
+en vruchten die aan den waterkant groeien. Dan beproeft soms een
+Krokodil hem beet te pakken, maar de Majas weet op zijn rug te komen,
+beukt hem met handen en voeten, scheurt hem vaneen en doodt hem.” Een
+ander opperhoofd vertelde mij: „De Majas heeft geen vijanden; geen dier
+durft hem aanvallen, behalve de Krokodil en de Python. De Krokodil
+bezwijkt altijd in dezen strijd. Als een Python een Majas aanvalt,
+grijpt deze hem met zijne handen, bijt hem en maakt hem spoedig van
+kant.”
+
+„Bij uitzondering gebeurt het wel eens, dat een Orang-Oetan met
+menschen strijdt. Eens kwamen eenige Dajaks mij vertellen, dat een
+Majas den vorigen dag een van hunne kameraads bijna gedood had. Eenige
+mijlen stroomafwaarts staat aan den oever het huis van een Dajak; de
+bewoners zagen een grooten Orang-Oetan, die zich aan de jonge spruiten
+van een palm aan den waterkant te goed deed. Toen hij opgeschrikt werd,
+keerde hij naar het lage houtgewas terug; een aantal met speren en
+bijlen gewapende mannen beijverden zich hem den terugweg af te snijden.
+De voorste van hen beproefde het dier met zijn speer te doorboren, maar
+werd door de handen van den Majas gegrepen, die in ’t zelfde oogenblik
+den arm van dezen man in den bek nam en de tanden in de spieren boven
+den elleboog sloeg, deze op vreeselijke wijze verwondend en
+verscheurend. Indien de andere mannen hem niet te hulp gekomen waren,
+zou hij nog veel ernstiger gekwetst en misschien wel gedood zijn. Het
+moedige dier werd echter weldra met speren en bijlen afgemaakt. De
+gewonde bleef nog lang ziek en kon zijn arm nooit meer goed
+gebruiken.”—Van de waarheid van dit verhaal kon Wallace zich
+persoonlijk overtuigen, daar hij den volgenden dag de plaats waar het
+gevecht voorviel, bezocht, en den gedooden Orang-Oetan den kop afsneed,
+om dezen aan zijn verzameling toe te voegen.
+
+Aan de bovenstaande beschrijving van het leven van den Orang-Oetan in
+vrijen toestand zullen wij nog eenige berichten toevoegen over het
+leven van dit dier in gevangenschap: De eerste nauwkeurige waarnemingen
+hierover zijn gedaan door Arnout Vosmaer, die (van 1766 tot 1786) eene
+uitvoerige beschrijving heeft gegeven van de dieren voorkomende in de
+diergaarde van het aan den stadhouder toebehoorende Kleine Loo bij den
+Haag. Deze aan Vosmaer’s zorg toevertrouwde verzameling werd in Juli
+1776 verrijkt met een van Banjermassing op Borneo afkomstigen, 78 cM.
+langen, jongen Orang-Oetan, misschien wel de eerste, die levend naar
+Europa werd gebracht. Dit dier, een wijfje, was zeer goedaardig. Men
+kon haar zonder schroom de hand in den bek steken. Haar uiterlijk had
+iets droevigs, dat zich echter in hare handelingen niet openbaarde; zij
+hield van het gezelschap van menschen zonder onderscheid van geslacht,
+gaf echter de voorkeur aan hen, die haar dagelijks verzorgden en goed
+behandelden. Wanneer deze haar verlieten, en zij alleen achterbleef,
+geraakte zij soms in vertwijfeling, ging op den grond liggen,
+schreeuwde erbarmelijk, en verscheurde al hare doeken. Om haar oppasser
+te bewegen, bij haar op den grond te gaan zitten, wat hij soms deed,
+nam zij een deel van het hooi, waarop zij zat, spreidde dit naast zich
+uit, en gaf door gebaren te kennen, met welk doel zij dit deed. Zij
+woonde op een zolder onder een zeer hoog dak, en lag aan een vrij
+langen ijzeren ketting, vastgehecht aan een met een hangslot gesloten
+lederen halsband. Eens had zij zich dezen over den kop geschoven, en
+was bij het schuinsche dak opgeklauterd. Zij bewoog zich zoo vlug, dat
+vier mannen meer dan een uur werk hadden om haar te vangen. Haar
+spierkracht was zoo groot, dat drie mannen haar ternauwernood in
+bedwang konden houden, terwijl de vierde haar den halsband omdeed. Van
+haar vrijheid had zij gebruik gemaakt om een ten deele met Malagawijn
+gevulde flesch te ontkurken en leeg te drinken. Haar gewone voedsel
+bestond uit brood, wortels, allerlei vruchten, liefst aardbeien; zeer
+verlekkerd was zij op aromatische planten, zooals peterselie. Met smaak
+at zij gekookt of gebraden vleesch en visch. Van rauw vleesch hield zij
+niet. Men zag haar geen jacht maken op insecten, waarnaar andere
+soorten van Apen zoo begeerig zijn. Eens kreeg zij van Vosmaer een
+dikke Spin en een groote Vlieg; beiden werden doodgebeten, als ’t ware
+geproefd, maar dadelijk weer uitgespuwd. Men gaf haar een Musch met een
+touwtje aan den poot. Zij nam het touwtje in de hand, maar werd
+verschrikt, toen de Vogel begon te vliegen; haar schrik vermeerderde,
+toen de Musch, die zij ruw had aangepakt, haar in den arm pikte.
+Eindelijk kneep zij den vogel dood, plukte hem eenige vederen uit, maar
+wierp het lichaam weg, na het vleesch geproefd te hebben door er in te
+bijten. Als zij een rauw ei kreeg, maakte zij met de tanden een gat in
+de schaal en zoog den inhoud gretig op.
+
+Men had haar geleerd bij het eten een lepel en een vork te gebruiken.
+Aardig was het te zien, hoe zij met de vork de aardbeien een voor een
+opprikte en naar den mond bracht, terwijl zij met de andere hand het
+bordje met vruchten vasthield. Haar gewone drank was water; zij dronk
+echter graag allerlei soorten van wijn, liefst Malaga. Als zij een
+flesch wijn kreeg, ontkurkte zij deze met de hand, en dronk er uit
+zonder veel te morsen, evenzoo uit een bierglas. Na het drinken veegde
+zij zich met de hand of met een doekje de lippen af. Als men haar na
+den maaltijd een tandenstoker gaf, gebruikte zij dien naar behooren.
+Zeer handig haalde zij den bezoeker brood en andere zaken uit den zak.
+
+Zij sliep niet graag in het hiervoor bestemde hok, misschien vreesde
+zij, er in opgesloten te worden. Voordat zij slapen ging, schudde zij
+het hooi op, waar zij gewoonlijk op zat, en taste dit daar, waar het
+hoofd moest liggen, hooger op. Soms maakte zij zich een hoofdkussen van
+een doek, dien zij met hooi vulde, en waarvan zij vervolgens de vier
+slippen bijeenvoegde. Meestal lag zij op de zijde te slapen; steeds
+dekte zij zich met een kleed goed toe, daar zij zeer kouwelijk was. Nu
+en dan sliep zij overdag, maar nooit lang achtereen. Terwijl zij op den
+grond zat, omhing zij zich gewoonlijk (uit kouwelijkheid, hoewel het
+zeer warm weder was) met een dekkleed, dat soms over het hoofd werd
+geworpen, soms alleen om den hals of om het lijf werd geslagen, hetwelk
+een aardig schouwspel opleverde.
+
+Eens stak zij, na gezien te hebben, hoe men met een sleutel het
+hangslot van haar halsband opende en weer sloot, in het sleutelgat een
+houtje, en onderzocht, na dit in alle richtingen rondgedraaid te
+hebben, of het slot open ging.—Toen men eens een van de ringen van
+haren ketting met een kram aan den vloer had vastgemaakt, om haar het
+hoog klimmen te beletten, trachtte zij den kram los te wrikken, door
+als hefboom een dikken, 12 cM. langen spijker te gebruiken, dien zij,
+men weet niet hoe, uit een zijplank van haar hok had getrokken.—Met de
+vingers of tanden maakte zij netjes allerlei knoopen uit een touw.—Vaak
+vermaakte zij zich met het schoonmaken van de laarzen of het losgespen
+van de schoenen harer bezoekers; zij deed dit zeer behendig.—Als zij
+door haar ketting verhinderd werd een op den grond liggend voorwerp met
+de voorhanden te grijpen, ging zij lang uit op den rug liggen, en
+bereikte haar doel niet zelden met de achterhanden (of voeten). Ook
+maakte zij soms voor dit doel gebruik van een langen doek, waarmede zij
+het begeerde voorwerp sloeg, totdat het binnen haar bereik lag.
+
+Nooit hoorde men haar schreeuwen, behalve als zij alleen gelaten werd;
+zij begon dan met een geluid te maken, dat op het getjenk van een
+jongen Hond geleek, maar dat, als zij niet bevredigd werd, grof en
+schor werd, en nu het best te vergelijken was met het geknars van een
+groote houtzaag.
+
+Dit merkwaardige dier, dat veel belangstelling wekte, werd ziek in
+November 1766 en bezweek den 22en Januari 1777 aan een uitterende
+ziekte.—
+
+Dat de Orang-Oetan, wanneer hij zich iets in ’t hoofd gezet heeft,
+bewijzen geeft van groot overleg bij de keuze van de middelen om zijn
+doel te bereiken, blijkt uit eenige van de zoo even vermelde
+waarnemingen en ook uit tal van andere, waarvan wij alleen nog maar de
+volgende vermelden: F. Cuvier verhaalt, dat de Orang-Oetan van den
+Jardin des Plantes een knoop wist los te maken, waardoor een touw,
+waaraan hij slingerde, was ingekort, ten einde hem hierdoor het
+bereiken van den grendel eener deur te beletten. Hij had zulks eerst
+beproefd, door onder den knoop aan het touw te trekken; maar toen hij
+merkte, dat zijne lichaamszwaarte daartegen een beletsel was, klom hij
+boven den knoop om hem aldus los te maken. Vrolik teekent hierbij aan:
+„Iets dergelijks heb ik ook opgemerkt bij een der Orang-Oetans van den
+Zoölogischen tuin te Amsterdam. Men had een openstaande deur
+vastgebonden met een touw dubbel toegeknoopt. Hetzij nu, dat de
+luchtstroom, door deze deur heengaande, hem hinderde, hetzij dat hij
+zich verveelde, hij wilde de deur sluiten; toen hij in zijne pogingen
+daartoe bemerkte, van welken aard de hinderpaal was, begon hij met één
+knoop los te maken, en voorts met de deur zoodanig te slingeren, dat
+ook de tweede knoop van zelf losliet.”
+
+De nu volgende mededeelingen zijn te danken aan een scheepskapitein,
+Smit, die drie maanden lang een Orang-Oetan op zijn schip heeft gehad.
+Zoolang het schip zich in de Aziatische zeeën bevond, huisde de Aap op
+het dek, dat hij in ’t geheel niet verliet; alleen ’s nachts had hij
+behoefte aan een beschutte plaats om te slapen. Overdag was de
+Orang-Oetan buitengewoon vroolijk; hij speelde met andere, kleinere
+Apen, die zich aan boord bevonden, of maakte luchtreizen in het
+touwwerk. Hij scheen een bijzonder vermaak te vinden in het klimmen en
+gymnastiseeren; meermalen per dag hield hij zich er mede bezig, nu eens
+aan het eene, dan weer aan het andere touw. De behendigheid en
+spierkracht, welke hij bij deze bewegingen toonde, waren
+verbazingwekkend. De kapitein had eenige honderden kokosnoten
+medegenomen; de Aap kreeg er dagelijksch twee van. De buitengemeen
+taaie, ongeveer 5 cM. dikke bolster van de vrucht, die zelfs met een
+bijl moeilijk stuk gemaakt kan worden, wist onze Aap met zijn krachtig
+gebit behendig te verwijderen. Hij greep de noot bij het dunste einde,
+daar waar zich kleine verhevenheden bevinden, pakte het andere einde
+met de rechter achterhand en scheurde nu zonder fout den vezeligen
+bolster vaneen. Daarna boorde hij den vinger door een van de drie
+dunnere gedeelten, die op de binnenste laag van den bolster zichtbaar
+zijn, en door het daaronder liggend deel van de kern, dronk de melk
+uit, sloeg den noot vervolgens tegen een hard voorwerp stuk, en at de
+kern op.
+
+Ook was hij een liefhebber van zout, vleesch, meel, sago enz.; allerlei
+listen wendde hij aan, om gedurende den maaltijd een zekere hoeveelheid
+vleesch meester te worden. Wat hij eenmaal gegrepen had, gaf hij nooit
+weer terug, zelfs niet, als men hem sloeg. 3 à 4 pond vleesch at hij
+met gemak bij een maaltijd op. Het meel haalde hij zich iederen dag uit
+de keuken; altijd wist hij gebruik te maken van een tijdelijke
+afwezigheid van den kok om de meelton te openen, een flinke handvol
+meel er uit te nemen, en dit in den mond te stoppen, waarna hij de hand
+aan zijn kop afveegde, zoodat hij steeds gepoederd van zijn rooftocht
+terugkeerde. Des Dinsdags en Vrijdags bracht hij, zoodra de etensbel
+geluid werd, geregeld een bezoek aan de matrozen, omdat deze dan voor
+hun middagmaal sago met suiker en kaneel kregen. Even geregeld begaf
+hij zich om 2 uur naar de kajuit om aan den maaltijd deel te nemen.
+Gedurende het eten hield hij zich zeer bedaard, en was, wat van de
+andere Apen niet gezegd kan worden, netjes. Nooit heeft hij echter een
+lepel goed leeren gebruiken. Hij zette het bord eenvoudig aan den mond,
+en dronk de soep uit, zonder een droppel te morsen. Hij hield veel van
+alcoholische dranken, en kreeg daarom geregeld des middags een glas
+wijn. Hij ledigde dit op een zeer eigenaardige wijze. Van zijne
+onderlip kon hij, door haar vooruit te steken, een meer dan 7 cM.
+langen en bijna even breeden lepel vormen, ruim genoeg om een geheel
+glas water te bevatten. In dezen lepel goot hij den wijn, na er vooraf
+zorgvuldig aan geroken te hebben; nooit dronk hij, zonder den onderlip
+op de genoemde wijze vooruit te steken. Den wijn liet hij vervolgens
+zeer voorzichtig en langzaam tusschen de tanden door naar binnen
+vloeien, alsof hij het genot er van zoo lang mogelijk wilde doen duren.
+Daarna hield hij zijn glas opnieuw bij, om zich nogmaals te laten
+inschenken. Nooit brak hij iets, altijd zette hij breekbare voorwerpen
+voorzichtig neder, juist het tegendeel van hetgeen men in den regel bij
+de Apen opmerkt.
+
+Men hoorde slechts tweeërlei stemgeluiden van hem: een zwak, fluitend
+keelgeluid, dat opgewondenheid te kennen gaf, en een verschrikkelijk
+gebrul, dat eenigszins geleek op het loeien van een in ’t nauw
+gebrachte koe, en vrees uitdrukte. Eens werd dit gebrul te voorschijn
+geroepen door eenige Potvisschen, die dicht bij het schip langs
+zwommen, een andere maal door het zien van de Waterslangen, die zijn
+meester van Java medegenomen had. De uitdrukking van zijn gelaat bleef
+steeds hetzelfde. Een ongelukkig toeval maakte een einde aan het leven
+van dit dier, voordat het Duitschland bereikte. Het wist een flesch rum
+machtig te worden, dronk deze bijna schoon leeg, werd hierdoor ziek en
+stierf veertien dagen later. [1]
+
+
+
+Bij geen enkel apengeslacht zijn de voorste ledematen zoo sterk
+ontwikkeld als bij de Gibbons of Langarm-apen (Hylobates). Zij dragen
+hun naam met het volste recht, want de boven alle gewone afmetingen
+verlengde armen bereiken, wanneer het dier rechtop staat, den bodem.
+Dit eene kenmerk zou voldoende zijn om de Langarm-apen van alle overige
+leden der orde te onderscheiden.
+
+De Gibbons vormen het soortenrijkste geslacht van de Mensch-apen; men
+kent er niet minder dan zeven soorten van. Allen zijn bewoners van
+Azië, en behooren uitsluitend thuis in Voor- en Achter-Indië en op de
+Groote Soenda-eilanden: Sumatra, Java en Borneo. Deze Apen bereiken een
+vrij aanzienlijke grootte, ofschoon geen enkele van hen meer dan 1 M.
+hoog wordt. Hun lichaam heeft, ondanks de sterke, gewelfde borst, een
+zeer slank voorkomen, omdat het in de lendenstreek, evenals bij de
+Windhonden, verschraald is. De achterste ledematen zijn aanmerkelijk
+korter dan de voorste; de lange achterhanden onderscheiden zich bij één
+soort (de Siamang) bovendien, door het onderling vergroeid zijn van de
+onderste helften der op een na binnenste en middelste teenen. De kop is
+klein en eivormig, het aangezicht menschachtig. De eeltplekken op het
+zitvlak zijn klein; de staart is uitwendig niet zichtbaar. Een dichte,
+dikwijls zijdeachtig zachte vacht bedekt hun lichaam; zijne
+hoofdkleuren zijn zwart, bruin, bruinachtig grijs en stroogeel. Alle
+Gibbons hebben een buitengewoon luide stem; vooral in de morgenuren
+schreeuwen zij veel.
+
+
+
+Van de tot dusver bekende soorten van Langarm-apen zijn vooral
+merkwaardig: De Siamang (Hylobates syndactylus), de Hulock (H. hulock),
+de Lar of Withandige Gibbon (H. lar), de Oengko (H. rafflesii) en de
+Wouwou of Oa (H. variegatus). De grootste van deze is de Siamang, die
+een donkerzwart, zacht haarkleed heeft, en een keelzak, die bij het
+schreeuwen opzwelt en het geluid versterkt. Sumatra is zijn vaderland.
+De iets kleinere Hulock is, met uitzondering van een witte streep over
+het voorhoofd, meestal zwart; van deze soort komen echter lichter
+gekleurde verscheidenheden voor. Hij heeft geen keelzak en bewoont
+Voor- en Achter-Indië. Nog veranderlijker van kleur is de zeldzamere,
+op Sumatra inheemsche Oengko, die tot op 1000 M. hoogte in de bosschen
+van het gebergte (nevens den Siamang) voorkomt. De Wouwou eindelijk
+heeft een blauwachtig zwart gelaat, de kop, de buik en de binnenzijde
+van de armen en beenen zijn donkerbruin, de overige lichaamsdeelen
+lichter van kleur; hij leeft evenals de Lar op het Maleische
+schiereiland, en wordt ook op Sumatra gevonden. De geheele lichaamsbouw
+van de Langarm-apen maakt hen voor ’t klimmen geschikt. Zij hebben
+iedere eigenschap, die voor snelle, langdurige klim- en
+sprongbewegingen vereischt wordt. De breede en diepe borst bevat de
+noodige ruimte voor de groote longen, die niet vermoeid worden, den
+arbeid niet staken, als de snelle voortbeweging den kringloop van het
+bloed bespoedigt; de krachtige achterste ledematen ontwikkelen de
+veerkracht, welke voor verre sprongen vereischt wordt; de lange armen
+verschaffen de zekerheid, dat de afgelegen tak, die zoo aanstonds de
+taak van het tegenwoordige steunpunt zal overnemen, bereikt zal worden;
+kortere armen zouden het doel licht missen. Hoe lang deze armen in
+verhouding tot het overige lichaam zijn, blijkt vooral, wanneer men ze
+met die van den mensch vergelijkt. Bij ons komt, zooals bekend is, de
+afstand tusschen de middelvingertoppen der zoover mogelijk zijwaarts
+gestrekte armen met de lichaamslengte overeen; bij den Gibbon is zij
+het dubbele daarvan. Een rechtopstaand mensch bereikt met zijne slap
+afhangende armen niet eens de knieën, de Gibbon reikt er mede voorbij
+de enkels. Dat zulke voorste ledematen nagenoeg ongeschikt zijn om er
+op te loopen, is even licht in te zien, als hunne uitstekende
+geschiktheid voor ’t klimmen. De gang van den Gibbon is dan ook een
+hoogst gebrekkig waggelen op de achterpooten, een onbeholpen
+voortschuiven van het lichaam, dat slechts door de uitgestrekte armen
+in evenwicht kan worden gehouden. Hun klimmen en huppelen in de boomen
+echter is een prachtige, vervroolijkende beweging; ’t is alsof haar
+geen grenzen gesteld zijn, alsof de zwaartekracht haar geen
+belemmeringen in den weg legt. De Gibbons op den grond zijn langzaam,
+onbeholpen, onbehagelijk—kortom stumperachtig; tusschen de takken zijn
+zij juist het tegendeel van dit alles; men zou ze vogels in
+apengedaante kunnen noemen. De kunstverrichtingen van de Langarm-apen
+in de boomen worden door allen, die er getuige van geweest zijn,
+eenstemmig bewonderd.
+
+Met ongeloofelijke snelheid en behendigheid beklimt de Wouwou, volgens
+Duvaucel, een bamboesstengel, een boomtop of een tak, slingert hiermede
+eenige malen op en neer of heen en weer, en overspringt nu, geholpen
+door de veerkracht van den terug zwaaienden tak, tusschenruimten van 12
+of 13 meter, drie, vier malen achtereen, met zooveel gemak dat men
+geneigd zou zijn deze beweging te vergelijken met die van een pijl, of
+van een in schuinsche richting naar beneden schietenden vogel. ’t Is,
+alsof men het hem kan aanzien, dat het bewustzijn van zijne
+onnavolgbare vlugheid, hem een groot genoegen verschaft. Zonder
+noodzakelijkheid springt hij over tusschenruimten, die hij door een
+kleinen omweg gemakkelijk zou kunnen vermijden, verandert van richting
+gedurende den sprong, en blijft, zoodra hij dit wenscht, aan den
+eersten den besten tak hangen, schommelt en wiegelt er aan, beklimt hem
+schielijk, laat hem op en neer veeren, en stort er zich weer van af in
+de lucht, met nooit missende gewisheid naar een nieuw doel strevend.
+Het is, alsof dit dier tooverkrachten bezit, en zonder vleugels te
+hebben, toch vliegen kan; hij leeft meer in de lucht dan op de takken.
+Waartoe zou een met zulke begaafdheden uitgerust wezen de aarde noodig
+hebben? De aarde blijft dezen luchtbewoner vreemd, hoogstens biedt zij
+hem een lavenden dronk, voor ’t overige stoot zij hem terug in het rijk
+der lucht. Hier vindt hij zijn woning, hier geniet hij rust, vrede en
+veiligheid; hier is het hem mogelijk, iederen vijand te trotseeren en
+te ontvluchten; hier kan hij leven, zich opwindend door snelle
+beweging.
+
+Aan het nagaan van de levenswijze dezer dieren in de vrije natuur zijn
+groote bezwaren verbonden, omdat bijna alle soorten den mensch schuwen
+en slechts zelden de open plaatsen in het bosch naderen. Alleen een
+goede verrekijker—een onmisbaar hulpmiddel bij het waarnemen van het
+leven in vrijen toestand van alle schuwe dieren—kan den voorzichtigen
+onderzoeker de gelegenheid verschaffen, eenige van hunne handelingen te
+bespieden. Zoo zag men, dat de moeders hare jongen naar den rivieroever
+droegen, om ze in weerwil van hun schreeuwen te wasschen, dat zij ze
+daarna afwischten en droogden, kortom zooveel werk van hun reiniging
+maakten, als slechts in gunstige gevallen aan menschenkinderen wordt
+besteed.
+
+Bij zonsop- en zonsondergang vereenigen zij gewoonlijk hunne
+luidklinkende stemmen tot zulk een vreeselijk geschreeuw, dat men er
+door verdoofd zou worden, als men zich in hun nabijheid bevond, en dat
+iemand, die aan deze zonderlinge muziek niet gewoon is, er waarlijk van
+schrikt. Zij zijn de Brulapen van de Oude Wereld, de morgenwekkers van
+de Maleische bergbewoners en tevens een bron van ergernis voor de
+stedelingen, wie zij het verblijf in hunne villa’s verbitteren. Het
+heet, dat men hun geschreeuw op een afstand van een Engelsche mijl
+hooren kan. Ook van gevangene Langarm-apen heeft men het dikwijls
+gehoord: van hen die keelzakken hebben, even goed als van die, welke
+deze trommels tot versterking van de stem missen. Een goede opmerker,
+Bennett, bezat een levenden Siamang, en zag, dat deze, als hij door de
+een of andere oorzaak opgewonden was, telkens de lippen bij wijze van
+een trechter vooruitstak, daarna lucht in de keelzakken blies, en nu er
+op loskraaide, ongeveer als een Kalkoen. Hij schreeuwde zoowel als hij
+in vroolijke, als wanneer hij in toornige stemming verkeerde. Ook het
+Oengko-wijfje te Londen maakte een druk gebruik van hare stemorganen;
+zij deed dit echter op een hoogst eigenaardige, muzikale wijze. Men zou
+haar geschreeuw zeer goed op noten kunnen zetten. Het begon met den
+grondtoon E, en steeg daarna bij halve tonen een volle octaaf hooger,
+langs de chromatische toonladder. De grondtoon bleef steeds hoorbaar en
+diende als voorslag voor elke volgende noot. Bij het opklimmen van de
+toonladder, volgden de afzonderlijke tonen al langzamer en langzamer op
+elkander, bij het afdalen echter sneller en ten slotte buitengewoon
+snel. Steeds was het slot een gillend geluid, dat met groote kracht
+uitgestooten werd. De regelmatigheid, snelheid en toonvastheid,
+waarmede het dier de toonladder uitschreeuwde, wekte algemeene
+bewondering.
+
+Over de geestvermogens van de Langarmige apen zijn de meeningen der
+onderzoekers verdeeld. Duvaucel noemt den Siamang langzaam, dom,
+onbeholpen, lui, onhandig, vreesachtig en vervelend, onverschillig
+tegenover zijne verzorgers en onvatbaar voor welwillende, zoowel als
+voor wraakzuchtige gevoelens. Forbes daarentegen roemt zijne
+tembaarheid en aanhankelijkheid. „De aardige, liefkoozende wijze,
+waarop hij zijne lange armen om mijn hals, en zijn kop aan mijn borst
+legde, terwijl hij een tevreden gebrom liet hooren, zou iedereen
+bekoord hebben.” Ook Bennett oordeelt gunstiger. De Siamang, dien hij
+naar Europa trachtte over te brengen, verwierf zich in korten tijd de
+genegenheid van al zijne menschelijke reisgezellen. Tot droefheid van
+de bemanning stierf dit dier nog voor zijn aankomst in Engeland. Zelden
+ziet men de Gibbons in gevangen staat, zelfs in hun vaderland. Zij
+kunnen het verlies van hun vrijheid niet verdragen, verlangen steeds
+naar hunne bosschen en spelen terug, en worden voortdurend stiller en
+treuriger, totdat zij eindelijk bezwijken.
+
+De tweede onderfamilie van de Smalneuzen wordt gevormd door de
+Honds-apen (Cynopithecini). Zij is gekenmerkt door het sterker
+vooruitsteken van den snuit, hetgeen vooral bij de lager ontwikkelde
+geslachten bemerkbaar is, de geringere lengte der armen, het veelvuldig
+aanwezig zijn van een staart en van wangzakken en het geregeld bezit
+van eeltplekken aan het zitvlak. Voor het overige is hun lichaamsbouw
+zeer ongelijk, want alle overgangen van de slanke gestalte der
+Slankapen tot den loggen lichaamsvorm der Hondskop-apen of Bavianen
+komen voor. Zij zijn verbreid over de tropische gewesten van de Oude
+Wereld, vooral over Indië van den Himalaja af, Achter-Indië,
+Cochin-China, den Maleischen Archipel, het zuiden van Arabië en geheel
+Afrika met uitzondering van de oostelijke gedeelten van de Sahara. Zij
+behooren tot de levendigste en bewegelijkste vertegenwoordigers der
+Apenorde, zijn schrander, doch voor ’t meerendeel ook boosaardig en
+onwelvoeglijk. Bijna overal waar zij voorkomen, worden zij in meerdere
+of mindere mate schadelijk, daar zij plantages en tuinen op de
+onbeschaamdste wijze plunderen. Hier en daar worden zij ook wegens
+hunne boosaardige hartstochten gevreesd. Bij eenige volken hebben zij
+zich de grootste verachting op den hals gehaald; bij andere staan
+sommige dezer dieren in een reuk van heiligheid.
+
+
+
+Het eerste geslacht, dat wij behandelen zullen, omvat de Slankapen
+(Semnopithecus). Deze zijn, zooals hun naam aangeeft, slanke en rank
+gebouwde Apen met lange, fijne ledematen en zeer langen staart,
+kleinen, hoogen kop, onbehaard gelaat en korten snuit met kleine
+wangzakken. Hunne eeltplekken zijn zeer klein. Aan den achtersten waren
+kies hebben zij vijf knobbels; hun geraamte herinnert door zijne slanke
+vormen aan dat van de Gibbons. Aan de handen komen lange vingers voor,
+maar de duim van de voorhanden is klein, bij sommige zelfs rudimentair,
+voor ’t grijpen ongeschikt, geworden. Hun beharing is
+bewonderenswaardig fijn, hun kleur steeds bevallig, bij één soort
+hoogst eigenaardig; dikwijls zijn de kopharen buitengewoon lang.
+
+Het vastland van Zuid-Azië, Ceylon en de eilanden van den Indischen
+archipel vormen het vaderland van de Slankapen. Hier leven zij, tot
+meer of minder talrijke troepen vereenigd in de bosschen, liefst in de
+nabijheid van rivieroevers, niet minder gaarne echter in de nabijheid
+van dorpen en plantages. Zij leiden, daar zij bijna overal ontzien
+worden, een zeer genoeglijk leven.
+
+Van de Slankapen verdient in de eerste plaats vermeld te worden de
+Hoelman, Hamman of Hanoeman, zooals de Hindoes hem noemen, de Heilige
+Aap der Indiërs (Semnopithecus entellus). Hij is de veelvuldigst
+voorkomende Aap van Voor-Indië en over de meeste districten van den
+Himalaja tot Kaap Comorin verbreid. Zijn verbreidingsgebied wordt
+voortdurend grooter, daar men hem niet slechts beschermt en verwent,
+maar ook in sommige gewesten invoert. Hij bereikt een lengte van 1.57 à
+1.72 M., waarvan 97 cM. op den in een haarkwast eindigenden staart
+komen. Hij is geelachtig wit behaard, de naakte lichaamsdeelen zijn
+donker violet. Het gelaat, de handen en voeten, voor zoover zij behaard
+zijn en de stijve kam van vooruitstekende haren, die boven de oogen
+aanwezig is, zijn zwart; de korte baard is geelachtig van kleur.
+
+De Hoelman neemt niet de laagste plaats in onder de tallooze godheden
+van de Hindoes, en verheugt zich reeds sedert ondenkbare tijden in deze
+eer. De reus Ravan roofde, volgens de oud-Indische sage, Sita, de
+gemalin van Schri-Rama, en bracht haar naar zijn woning op het eiland
+Ceylon; de Koning der Apen echter bevrijdde de dame uit haar
+gevangenschap en voerde ze naar haar gemaal terug. Ook hielp hij Rama
+bij de verovering van Ceylon. Sedert dien tijd wordt hij als held
+vereerd. Veel wordt er verteld van zijne geestkracht en vlugheid. Een
+der meest geschatte vruchten, de mango, heeft men aan hem te danken;
+hij stal haar uit den tuin van den reus. Tot straf voor dezen diefstal
+werd hij tot den vuurdood veroordeeld—door wie, meldt de historie
+niet—; hij echter bluschte het vuur, maar verbrandde zich daarbij het
+gelaat en de handen, die sedert dien tijd zwart zijn gebleven. Om al
+deze redenen hebben de Brahminen hem vergood.
+
+Reeds sedert vele jaren heeft men de levenswijze van dezen Aap in zijn
+vaderland nagegaan. Maar, hoe vreemd dit ook schijne, juist daarom zijn
+wij het laatst met hem bekend geworden. Men meende, dat zulk een
+algemeen voorkomend dier wel dikwijls naar Europa gebracht zou zijn, en
+verzuimde daarom, onzen Hoelman op te stoppen en het opgezette dier
+naar Europa te zenden. Hier komt nog bij, dat er bezwaren of liever
+gevaren aan verbonden zijn, het heilige dier te dooden; want alleen de
+Maratten bewijzen hem geen achting, terwijl bijna alle overige Indiërs
+hem verzorgen en een schuilplaats verleenen, beschermen en verdedigen,
+zooveel zij maar kunnen. Een Europeaan, die het waagt, het onschendbare
+dier aan te grijpen, stelt zijn leven op het spel, wanneer hij de
+eenige blanke onder de licht opgewonden menigte is. De Aap wordt immers
+heilig geacht. Een regeerend vorstenhuis beweert van hem af te stammen,
+en de leden er van dragen den titel „Rama met den staart”, omdat hun
+stamvader, naar zij beweren, gezegend was met het voor ons onnoodige
+aanhangsel. Een Portugeesch onderkoning van Indië, Constantino de
+Braganza, maakte een Apentand buit uit den schat van een Ceylonsch
+vorst en ontving kort daarna een gezantschap van den koning van Pegu,
+die hem 300.000 cruzaden liet aanbieden in ruil voor de kostbare
+reliquie. Waarschijnlijk is er nog nooit zoo’n hooge som voor een tand
+geboden; des te meer verwondering zal het wekken, dat het bedoelde bod
+door de Europeanen afgeslagen werd. De onderkoning raadpleegde zijne
+raadslieden; deze waren natuurlijk voor ’t meerendeel van oordeel, dat
+het geld aangenomen moest worden; een hunner, een priester kwam hier
+tegen op, omdat, naar hij beweerde, de heidensche begrippen over
+tooverij en ander bijgeloof door zulk een handel veld zouden winnen;
+het gelukte den ijveraar zijn meening ingang te doen vinden. Dat de
+vorst van Pegu zijn wensch niet vervuld zag, laat ons koud; te
+bejammeren is het echter dat het niet toestaan van zijn verzoek gevolgd
+werd door het te loor gaan van een gedenkstuk, dat voor de geschiedenis
+van de Indische godenleer, en ook voor de natuurlijke geschiedenis,
+belangrijk geweest zou zijn. Naar dezen enkelen tand zou men zeer goed
+hebben kunnen bepalen, van welken Aap dit kostbaar kleinood een
+lichaamsdeel was.
+
+In onzen tijd wordt aan het heilige dier dezelfde achting bewezen als
+vroeger. De Indiërs laten den onbeschaamden gast rustig hunne tuinen
+plunderen en hunne huizen leeg stelen, zonder er iets tegen te doen;
+zij kijken ieder, die het waagt, den Aap kwaad te doen, met scheele
+oogen aan. Toen een jonge Hollander, die eerst kort te voren uit Europa
+was gekomen, van uit zijn venster een van deze Apen had doodgeschoten,
+ontstond hierover, gelijk Tavenier verhaalt, zulk een groote
+opschudding onder de inboorlingen, dat het bijna niet mogelijk was, er
+een einde aan te maken. Allen zeiden onmiddellijk den Hollander den
+dienst op in de vaste overtuiging dat de gepleegde heiligschennis voor
+den vreemdeling, en misschien ook voor hen, vreeselijke gevolgen zou
+hebben.—Duvaucel bericht, dat het hem in den eersten tijd onmogelijk
+was, een van deze Apen te dooden, omdat de inboorlingen dit steeds
+verhinderden.—Forbes verzekert, dat er in Duboy evenveel Apen als
+menschen wonen. De Apen bewonen er de bovenste verdieping van de
+huizen. De vreemdelingen hebben veel last van deze dieren. Als een
+bewoner van genoemde stad zich wil wreken op zijn buurman, strooit hij
+rijst of ander graan op diens dak, liefst kort voor den aanvang van het
+regenseizoen, wanneer alle eigenaars van huizen zorgen moeten, dat het
+dak in goeden toestand verkeert. Zoodra de Apen het voor hen bestemde
+zien, maken zij zich meester van al wat zij er van machtig kunnen
+worden; hunne begeerigheid gaat zoo ver, dat zij de dakbedekking
+vernielen, om de korrels te kunnen vergaren, die in de spleten gevallen
+zijn. Daar in den genoemden tijd alle werklieden het zeer volhandig
+hebben, en er dus geen hulp te krijgen is voor het herstellen van het
+dak, zal de bewoner veel last hebben van lekkage, en daardoor groote
+schade lijden. Niet alleen voor de gezonde, ook voor de zieke Apen
+wordt goed gezorgd. Tavernier vond in Ahmadabad een ziekenhuis, waarin
+Apen, Runderen enz. verpleegd werden. Op alle platte daken worden van
+tijd tot tijd rijst, gierst, dadels en andere vruchten en suikerriet
+voor de Apen neergelegd. De Apen zijn zoo brutaal, dat zij niet slechts
+de tuinen plunderen, maar ook omstreeks het etensuur het huis
+binnendringen, en de spijzen onder de handen der menschen wegrooven. De
+zendeling John verzekert, dat het hem groote moeite heeft gekost, zijne
+kleederen en andere zaken voor deze dieren te beveiligen.—Zeer
+waarschijnlijk hangt de eerbied, die aan de Apen betoond wordt, met het
+geloof aan de zielsverhuizing samen. De Hindoes gelooven n.l., dat
+hunne zielen zich na den dood het lichaam van deze Apen tot woonplaats
+kiezen.
+
+Hun onbeschaamdheid daargelaten, is er alle reden om deze dieren
+aantrekkelijk en bevallig te noemen. John zegt uitdrukkelijk, dat hij
+nooit mooier Apen heeft gezien dan de Hoelmans. Iedereen wordt
+getroffen door de vriendschappelijkheid, welke zij elkander betoonen,
+en verbaast zich over hunne reusachtige sprongen.
+
+
+
+Het geslacht der Slankapen bevat nog andere merkwaardige leden. Een
+zeer sierlijke Aap is de Boedeng der Javanen (Semnopithecus maurus). In
+volwassen staat is hij zwart; het aangezicht en de handen hebben den
+glans van fluweel, de rug is zijdeachtig. Het kophaar vormt een
+eigenaardige muts, die over het voorhoofd afhangt en aan weerszijden
+van den kop langs de wangen vooruitsteekt. Pasgeboren jongen zijn
+goudgeel van kleur, alleen aan het onderste gedeelte van den rug, aan
+de bovenzijde van den staart en aan den staartkwast zijn de bovenste
+gedeelten der haren donkerder. Weldra echter breidt de zwarte kleur
+zich verder en verder uit, binnen eenige weinige maanden zijn de
+handen, de bovenzijde van den kop en de staartkwast zwart geworden, en
+van nu af wordt de vacht allengs gelijk aan die van het oude dier. De
+lengte van dezen fraaien Aap bedraagt nagenoeg 1.5 M., waarvan meer dan
+de helft op den staart komt.
+
+„De Boedeng”, zegt Horsfield, „komt in de uitgestrekte bosschen van
+Java zeer veelvuldig voor. In talrijke gezelschappen vindt men hem op
+de toppen der boomen, niet zelden meer dan 50 exemplaren bijeen. Men
+doet wel, zulke troepen op eenigen afstand te beschouwen. Bij de
+nadering van menschen beginnen zij luid te schreeuwen, en springen
+onder een oorverdoovend geraas zoo woedend in de boomkroon rond, dat er
+dikwijls dikke stukken dood hout afbreken en op hunne vervolgers
+vallen.”
+
+De gevangene Boedeng heeft een stil, zachtaardig en lijdend voorkomen.
+In Antwerpen was er een in gezelschap van kleine Meerkatten en Makaken,
+die hem onophoudelijk plaagden en kwelden, zonder dat het in hem
+opkwam, zich te verweren. Het maakte een comischen indruk, dezen
+grooten Aap naar de pijpen te zien dansen van een nauwelijks één jaar
+ouden Meerkat, die hem door stompen en oorvegen, door knijpen en aan ’t
+haar trekken op de jammerlijkste wijze tyranniseerde. Het bleek
+duidelijk, dat goedaardigheid den grondtrek van het karakter van den
+Boedeng uitmaakt; hij mist geheel en al de laaghartigheid, die andere
+leden der orde zoo zeer kenmerkt.—Ook de Boedeng heeft, naar het
+schijnt, veel te lijden van ons klimaat. Het is hem aan te zien,
+hoeveel goed het hem doet, als hij zich in het zonnetje mag koesteren,
+hoe gelukkig hij is, wanneer een blik van de levenwekkende dagvorstin,
+welker gloed aan zijn rijk gezegend vaderland alle pracht en
+heerlijkheid der keerkringslanden verschaft, op hem valt.
+
+
+
+Van de eigenlijke Slankapen wordt tegenwoordig een soort afgescheiden,
+die duidelijk kenbaar is aan zijn vreemdsoortigen neus; het is de op
+Borneo levende Neusaap of Kahau (Nasalis larvatus). Over het geheel
+heeft dit zonderlinge dier denzelfden lichaamsbouw als de Slankapen: de
+vooruitstekende, misvormde menschenneus echter, die als een slurf
+bewogen, uitgestoken en teruggetrokken kan worden, verleent hem een
+hoogst eigenaardig voorkomen. Het lichaam is slank, de staart zeer
+lang; de voorste en achterste ledematen zijn ongeveer van gelijke
+lengte; wangzakken ontbreken. De neus hangt haakvormig over de bovenlip
+heen, is in het midden tamelijk breed, aan den top toegespitst en langs
+den rug met een ondiepe groeve voorzien; de neusgaten zijn zeer groot,
+en kunnen nog zeer sterk uitgezet worden. Bij jonge dieren is het later
+zoo merkwaardig ontwikkelde zintuig nog klein en stomp. Volgens C. Bock
+bereikt het alleen bij de mannetjes op lateren leeftijd de
+eigenaardige, aanzienlijke grootte, niet echter bij de wijfjes. De
+beharing is dicht en zacht; aan de kruin zijn de haren kort en talrijk,
+aan de zijden van het gelaat en aan het achterhoofd langer; aan den
+hals vormen zij een soort van kraag. De kleur van dezen Aap is tamelijk
+bont; de volwassen mannetjes zijn ongeveer 1.5 M. lang; de staart is
+een weinig langer dan de kop met den romp te zamen genomen. De wijfjes
+zijn kleiner.
+
+De levenswijze van deze op boomen gezellig levende dieren is nog
+slechts zeer onvolledig bekend. Volgens Wurmb verzamelen zij zich des
+morgens en des avonds tot talrijke scharen, die een gehuil aanheffen,
+waarvan hun naam een nabootsing is.
+
+
+
+Ook de Afrikaansche verwanten van de Aziatische Slankapen, de
+Kortduim-apen (Colobi), zijn zeer in ’t oog loopende dieren, die zich
+door een eigenaardige kleur, zonderlinge, maar fraaie manen en andere
+haarwoekeringen onderscheiden. Evenals Indië meer leven en rijkdom
+vertoont dan het droge Afrika, zoo zijn ook de Slankapen helderder en
+vroolijker van kleur dan de Kortduimapen, hoewel men niet zeggen kan,
+dat deze minder schoon zijn, een minder aangenamen indruk maken op ons
+oog dan gene. Over ’t geheel zijn de kenteekenen, waardoor deze beide
+groepen van elkander verschillen van zeer geringe beteekenis. De
+Kortduimapen onderscheiden zich van de Slankapen vooral hierdoor, dat
+zij aan de voorhanden nevens de vier vingers slechts een kort stompje
+hebben, ter plaatse waar de duim verwacht kon worden. De romp van de
+Kortduimapen is nog steeds slank en sierlijk gebouwd, de snuit kort, de
+staart zeer lang; de schrale ledematen evenaren elkander in lengte; de
+wangzakken ontbreken.
+
+
+
+De eereplaats in deze diergroep komt toe aan den Guereza (Colobus
+guereza); ontegenzeggelijk is hij de schoonste van alle Apen. Zijn
+kleur maakt een hoogst aangenamen indruk; zijn haarkleed is zoo
+eigenaardig en tevens zoo sierlijk, dat misschien geen ander dier hem
+in dit opzicht overtreft. De Duitsche reiziger Rüppell vond dit
+wonderschoone wezen gedurende zijn reis in Abessinië in de provincie
+Godscham; aan den naam dien het dier daar draagt, heeft hij den naam
+ontleend, waarmede het in de wetenschappelijke werken wordt aangeduid.
+Eigenlijk was deze aap al vroeger bekend; Hiob Ludolf vermeldt hem in
+een zeer belangrijk werk over Ethiopië; Rüppell echter was de eerste
+natuuronderzoeker, die den Guereza levend leerde kennen en op eigen
+ervaringen gegronde mededeelingen over hem kon geven. Later waren ook
+andere reizigers hiertoe in staat. Terwijl ik mij in de nabijheid van
+den benedenloop van den Witten Nijl bevond, zag ik een als tabakszak
+dienend vel van dit dier in de handen van een Hassanie, die mij
+vertelde, dat het in verder zuidwaarts gelegen gewesten niet zeldzaam
+is. Ook Heuglin heeft dezen Aap in Abessinië en bij den Witten Nijl
+dikwijls ontmoet, en uit betrouwbare bron vernomen, dat hij ook in
+andere Afrikaansche landen inheemsch is. Dat zijn verbreidingsgebied
+veel uitgestrekter is, dan vroeger aangenomen werd, bleek, toen Thomson
+hem in Massai-land vond, en Johnston en Hans Meijer berichtten, dat hij
+niet alleen op den Kilima-Ndscharo op ongeveer 1000 M. hoogte, maar
+ook, en zelfs vrij veelvuldig, verder zuidwaarts in het landschap Kahe
+aangetroffen wordt. Van de bekoorlijkheid van den Guereza kunnen
+afbeeldingen en beschrijvingen natuurlijk slechts een onvolkomen
+denkbeeld geven: Op het fluweelachtig zwarte lichaam maken de wit
+behaarde gedeelten van de huid (een dwarsstrook boven de oogen, de
+slapen, de zijden van den hals, de kin, de keel, een strook langs de
+zijden en om de naakte eeltplekken, het uiteinde van den staart) een
+prachtig effect. Ieder wit haar is echter met een groot aantal bruine
+ringetjes geteekend, waardoor het geheel den indruk maakt van
+zilvergrijs te zijn. De manen (zoo zal ik de lange haren van de zijden
+des lichaams maar noemen) hangen als een kostbare Bedoeïnen-mantel naar
+beneden, en vormen een zeldzaam schoon sieraad van de vacht.
+
+De jacht op den Guereza biedt groote bezwaren aan. Op de hooge kruinen
+zijner lievelingsboomen is hij voor de listen der menschen tamelijk
+veilig. Met een met hagel geladen geweer kan men het sterke, taaie dier
+wel wonden, maar dan heeft men het nog niet in handen; met meer succes
+gebruikt een geoefend jager de buks. Gelukkig kunnen de inboorlingen
+met dit wapen niet goed omgaan; anders zouden de Abessiniërs het
+schoone dier misschien uitgeroeid hebben. In vroegere tijden werd het
+ijverig vervolgd. Het gold voor een bijzondere onderscheiding een
+schild te bezitten, dat met een vel van dezen Aap versierd was. De
+schilden der Abessiniërs en van andere volksstammen in Oost-Afrika zijn
+langwerpig rond en van Antilopen-, soms ook wel van Nijlpaardenleer
+vervaardigd; zij worden op zulk een wijze met het vel van den rug en
+van de zijden van den Guereza bekleed, dat de manen er een gordel
+omheen vormen.
+
+In Gondar, de hoofdstad van Abessinië, werd vroeger voor zulk een vel
+een speciedaalder betaald, een som waarvoor men 5 of 6 vette Schapen
+kon bekomen. Tegenwoordig is de prijs van dit sieraad belangrijk lager;
+de hierboven beschreven schilden worden gelukkig niet meer
+gebruikt;—gelukkig, zeg ik, omdat hierdoor, naar ik hoop, de zoo
+bekoorlijke Guereza, voorloopig althans, het lot ontgaan zal, waarmede
+de vernielingswoede van den mensch overal „zijne eerst-geboren
+broeders” bedreigt.
+
+Slechts tweemaal zijn, voor zoover mij bekend is, Guereza’s levend naar
+Europa gebracht.
+
+
+
+Andere leden van hetzelfde geslacht zijn de Beerachtige Kortduimaap
+(Colobus ursinus) en de Duivelsaap (Colobus satanas). De eerstgenoemde
+verschilt van den Guereza door het gemis van de witte manen, door de
+langere beharing van het lichaam en door den bijna pluimloozen staart.
+Hij bewoont Opper-Guinea en Fernando-Po. De Duivelsaap is eenkleurig
+zwart, en wordt hoofdzakelijk op Fernando-Po gevonden.
+
+
+
+Afrika is het vaderland zoowel van de grootste, de schranderste en de
+leelijkste Apen van de Oude Wereld, als ook van de schoonste, de
+sierlijkste en de gezelligste leden van deze diergroep. Tot dezen
+behooren ongetwijfeld de Apen, die bij ons onder den naam „Meerkatten”
+bekend zijn, en die het geslacht Cercopithecus vormen. Sommige leden
+van dit geslacht komen ons in iederen dierentuin of in ieder
+beestenspel vaak genoeg onder de oogen; ook treft men ze niet zelden
+aan als vroolijke huisgenooten van dierenvrienden. De benaming
+„Meerkat”, die reeds in de 16e eeuw voorkomt, is door zoogenoemde
+volks-etymologie uit het Indische woord markata ontstaan, dat ook thans
+nog gebezigd wordt tot aanduiding van den Bonder. Natuurlijk staat onze
+Aap zoo min tot het „meer” als tot de „kat” in eenige betrekking. Hij
+bewoont de tropische gewesten van Afrika, wordt echter alleen op het
+vastland, niet op de eilanden aangetroffen. Waar ongerepte wouden zijn,
+komen ook de Meerkatten in grooten getale voor. Verscheidene soorten
+krijgen wij zoowel uit het oostelijke, als uit het westelijke en uit
+het centrale gedeelte van het donkere werelddeel; de meesten echter
+komen uit West-Afrika; tamelijk vele ook uit Abessinië en uit de
+landen, die tot het stroomgebied van den Boven-Nijl behooren.
+
+Zij onderscheiden zich door een vlugge en sierlijke gestalte, slanke
+ledematen, fijne, korte handen met langen duim, bovendien door een
+langen staart zonder kwast aan de spits; zij hebben wijde wangzakken en
+groote eeltplekken aan het zitvlak. Hunne kleuren zijn meestal tamelijk
+levendig, bij enkele soorten zelfs bont en dikwijls recht aangenaam.
+Men kent er ongeveer 20 soorten van. In de Nijllanden vindt men ze
+eerst op lagere breedtegraden dan 16° N.-B.; in het westen en oosten
+verbreiden zij zich tot aan de zeekust. Vochtige of althans door
+rivieren besproeide bosschen worden door hen steeds verkozen boven
+droge bergstreken; in de nabijheid van bebouwde velden vestigen zij
+bijzonder graag hun woonplaats. Men kan er stellig op rekenen daar,
+waar men in Afrika Papegaaien vindt, ook Meerkatten te zullen
+ontmoeten; omgekeerd treft men waarschijnlijk Papegaaien aan daar, waar
+Meerkatten inheemsch zijn.
+
+De Meerkatten behooren tot de gezelligste, vlugste, vroolijkste Apen.
+Bijna altijd vindt men ze in vrij groote troepen bijeen; afzonderlijk
+levende familiën komen bijna niet voor. Vermakelijk is het, een bende
+van deze dieren in ’t bosch waar te nemen. Er komt geen einde aan ’t
+leven maken, schreeuwen en vechten, aan ’t boos worden en zich weder
+verzoenen, aan ’t klimmen en loopen, aan ’t rooven en plunderen, aan de
+grimassenmakerij en aan de lichaamsverdraaiingen. Zij vormen een staat
+op zichzelf, en erkennen geen anderen heer boven zich dan de sterkste
+hunner soortgenooten; zij weten van geen recht, dan dat, hetwelk door
+de scherpe tanden en de krachtige handen van den ouden Apenpatriarch
+geoefend wordt; zij achten geen gevaar mogelijk, waaraan zij niet
+zouden kunnen ontkomen; zij schikken zich in alle omstandigheden,
+vreezen geen gebrek of nood, en slijten zoo hun leven in voortdurende
+opgewondenheid en vroolijkheid. Zij zijn gekenmerkt door een
+grenzelooze lichtzinnigheid, gepaard aan een potsierlijken ernst; met
+beiden beginnen en voleindigen zij al hunne ondernemingen. Voor hen is
+geen doel te veraf, geen top te hoog, geen schat veilig genoeg, geen
+eigendomsrecht heilig. Het behoeft ons derhalve niet te verwonderen,
+dat de inboorlingen met grenzelooze verachting en met toorn over hen
+spreken; evenmin kan het ons bevreemden, dat de toeschouwer, die geen
+schade lijdt, ze als hoogst vermakelijke wezens aanmerkt.
+
+Het is onmogelijk, een bende Meerkatten in ’t bosch voorbij te gaan,
+zonder ze op te merken. Gesteld zelfs, dat uw aandacht niet getrokken
+wordt door de zoo wisselende roepstem van den Apenhoofdman, dan zal
+toch vermoedelijk het gedruisch, veroorzaakt door het loopen en
+springen van het gezelschap in de boomen uw opmerkzaamheid gaande
+maken. Indien ook dit niet gehoord wordt, ziet men de dieren loopen,
+spelen, rustig zitten, zich in de zon koesteren, en elkander
+liefdediensten bewijzen, die wegens de aanwezigheid van sommige
+parasieten noodig zijn; nooit denken zij er aan, zich voor iemand, wie
+het ook zij, te verbergen. Op den bodem ontmoet men ze alleen daar,
+waar iets te bikken valt; overigens leven zij in de toppen der boomen,
+en gaan van den eenen tak op den anderen over. En daarbij is het hun
+volkomen onverschillig, of hun weg over doornen leidt of niet.
+
+Een zeer merkwaardig schouwspel levert een op roof uitgaande bende
+Meerkatten op. De brutaliteit, die zij daarbij toonen, heeft mij altijd
+evenzeer vermaakt, als zij den inboorlingen verdroot. Onder de leiding
+van den ouden patriarch, wiens rijpe ervaring hem reeds aan menig
+gevaar heeft doen ontkomen, begeven de roovers zich naar het korenveld;
+de apinnen, die kinderen hebben, dragen deze, onder den buik hangend,
+mede; ten overvloede houden de kleintjes mama’s staart met hun staartje
+haakvormig omvat. In ’t eerst nadert de bende met groote
+voorzichtigheid; het liefst neemt zij haar weg over de toppen der
+boomen. De oude heer gaat steeds vooruit, de overigen gaan hem stap
+voor stap na; zij betreden niet alleen dezelfde boomen, maar zelfs
+dezelfde takken als hij. Nu en dan klautert de voorzichtige leidsman
+tot in den top van een boom, en kijkt van daar zorgvuldig rond; als de
+uitkomst van zijn onderzoek gunstig is, geeft hij dit door
+geruststellende keelklanken aan zijne onderdanen te kennen, zoo niet,
+dan verneemt men zijn waarschuwende stem. Van een boom, die dicht bij
+het korenveld gelegen is, daalt de bende op den bodem af, en nadert nu
+met flinke sprongen het beoogde paradijs. Hier ontwikkelt zij een
+waarlijk voorbeeldelooze bedrijvigheid. In de eerste plaats zorgen de
+Apen er voor, dat zij niet platzak den terugtocht moeten aanvaarden,
+ingeval zij spoedig verdreven worden. Schielijk rukken zij eenige
+maïs-kolven of doerrha-aren af, maken de korrels los en stoppen
+hiermede de wangzakken zoo vol, als mogelijk is; eerst nadat deze
+voorraadschuren gevuld zijn, vatten de roovers hun taak wat
+gemakkelijker op, maar worden tevens voortdurend keuriger en moeilijker
+te bevredigen bij ’t uitzoeken van ’t voedsel. De afgebroken aren en
+kolven worden zorgvuldig beroken, en onmiddellijk weggeworpen, als zij,
+wat zeer dikwijls geschiedt, aan de gestelde eischen niet voldoen; de
+spilzucht, die aan alle Apen eigen is, openbaart zich nu in de hoogste
+mate. Men kan er op rekenen, dat zij van de tien afgeplukte kolven er
+slechts één werkelijk opeten; in den regel nemen de fijnproevers
+slechts een paar korrels uit iedere aar, en werpen het overige weg.
+Juist hierop grondt zich de grenzelooze haat, dien de inboorlingen hun
+toedragen.
+
+Als de Apenbende zich in ’t korenveld volkomen veilig acht, veroorloven
+de moeders hare kinderen haar te verlaten en met de andere Apenjongen
+te spelen. Het strenge toezicht, waaronder alle kleinen door hunne
+verpleegsters gehouden worden, blijft daarom niet achterwege; elke apin
+houdt een waakzaam oog op haar lieveling gevestigd; niemand hunner
+bekommert zich echter om de veiligheid van het geheele gezelschap, maar
+verlaat zich, evenals ieder ander lid van de bende, geheel op de
+zorgvuldigheid van den aanvoerder. Deze gaat, zelfs gedurende het
+nuttigen van ’t smakelijkste maal, af en toe op de achterpooten staan,
+en kijkt, als een mensch, in opgerichte houding om zich heen. Na ieder
+onderzoek hoort men een geruststellend gegorgel, voor zoover hij
+namelijk niets verdachts heeft opgemerkt: in ’t tegenovergestelde geval
+waarschuwt hij zijne onderhoorigen door een onnavolgbaar, trillend of
+blatend geschreeuw. Oogenblikkelijk maakt de geheele schaar zich tot
+den aftocht gereed, iedere moeder roept haar kind tot zich, en in een
+oogwenk zijn allen bereid om te vluchten, hoewel zij in der haast nog
+zooveel voedsel oprapen, als zij meenen te kunnen meedragen. Meermalen
+heb ik gezien, dat een Aap vijf groote maïskolven meevoerde. Daarvan
+omvatte hij er twee met den rechter voorpoot, de overige hield hij in
+de handen en de voeten, zoodat hij bij ’t gaan met de kolven den grond
+aanraakte. Bij dreigend gevaar worden alle geroofde schatten, die de
+vlucht vertragen, achtereenvolgens met onwillige gebaren weggeworpen,
+de laatste kolf echter eerst dan, als de vervolgers den dief zeer na op
+de hielen zijn, en hij werkelijk handen en voeten voor ’t klimmen
+noodig heeft. Altijd nemen de Meerkatten de wijk naar den eersten den
+besten boom. Ik heb opgemerkt, dat zij ook in een geheel afgezonderd
+staanden boom klauterden, waaruit zij, om verder te kunnen vluchten,
+als ik ze van daar verjoeg, weer afdalen moesten: zoodra zij echter het
+bosch bereikt hebben, en werkelijk vluchten willen, zijn zij geborgen;
+want hun bekwaamheid in ’t klimmen is bijna even groot, als die der
+Langarmige Apen. ’t Is alsof er geen hindernissen voor hen bestaan: de
+vreeselijkste doornen, de dichtste heggen, ver uiteenstaande
+boomen—niets stuit hun vaart. Elke sprong geschiedt met een
+zelfvertrouwen, dat ons verbazen moet, omdat geen enkel klimmend dier,
+dat bij ons thuis behoort in de verste verte in dit opzicht met den Aap
+wedijveren kan. Ook nu gaat de Apenleidsman steeds vooraan, en spoort
+de kudde door een veel beteekenend gegorgel nu eens tot snellere, dan
+weer tot langzamere beweging aan. Angst of moedeloosheid zijn bij
+vluchtende Apen niet waar te nemen; bewonderenswaardig is hun
+tegenwoordigheid van geest, die zij nooit verliezen. Zonder
+overdrijving mag men zeggen, dat er voor hen, als zij willen, geen
+gevaar bestaat. Alleen de listige mensch met zijne verreikende wapens
+kan ze overmeesteren.
+
+In Oostelijk Soedan maakt men geen eigenlijke jacht op de Meerkatten;
+wel vangt men ze, en dan gewoonlijk in netten, waaronder lekkernijen
+voor hen zijn neergelegd. De Apen, die het lokaas wegnemen willen,
+komen onder ’t net, en geraken er zoozeer in verward, dat zij niet in
+staat zijn, zich te bevrijden, hoe woedend zij ook te keer gaan. Wij
+Europeanen schoten deze dieren zonder eenige moeite, omdat zij eerst
+dan de vlucht nemen, wanneer eenigen hunner den dood gevonden hebben.
+Voor menschen gevoelen zij weinig of geen vrees. Dikwijls heb ik
+waargenomen, dat zij voetgangers of ruiters, muildieren en Kameelen
+onder zich door laten trekken, zonder te kikken; terwijl zij
+daarentegen bij ’t zien van een Hond, onmiddellijk hun angstgeschreeuw
+laten hooren.
+
+Bij de Apenjacht is het mij gegaan, als tal van andere jagers vóór mij:
+ik kreeg er op eens een onweerstaanbaren afkeer van. Ik vuurde op een
+Meerkat, die mij juist het gelaat toewendde; zij werd getroffen en viel
+van den boom naar beneden, bleef rustig zitten, en wischte zich, zonder
+een klaagtoon te laten hooren, met de eene hand op zulk een
+menschachtige wijze, zoo verheven bedaard, het bloed af, dat uit vele
+wonden van ’t aangezicht vloeide, dat ik ten hoogste ontroerd
+toesnelde, en, daar beide loopen van mijn geweer afgeschoten waren,
+mijn jachtmes herhaaldelijk door de borst van het dier stiet, om een
+einde te maken aan zijn lijden. Ik heb sinds dien dag nooit weer op
+kleine Apen gevuurd, en ik raad dit iedereen af, die niet in het belang
+van zijne wetenschappelijke onderzoekingen op de Apenjacht moet gaan.
+Het was mij te moede, alsof ik een mensch vermoord had, en het beeld
+van den stervenden Aap heeft mij in den letterlijken zin van ’t woord
+nog lang daarna vervolgd.
+
+Van roofdieren hebben de in vrijheid levende Apen niet veel te lijden.
+Voor de viervoetige Roofdieren zijn zij te vlug; hoogstens zal de
+Luipaard nu en dan een onvoorzichtig aapje door list buit maken. Den
+Roofvogel weerstaan zij met vereende krachten. Zeer bang zijn zij voor
+Kruipende Dieren en Amphibiën, vooral voor Slangen, hetwelk vooral
+blijkt, wanneer zij vogelnestjes uithalen. Zij doen dit dikwijls, omdat
+zij niet alleen eieren, maar ook jonge Vogels als een buitengewone
+lekkernij beschouwen. Als zij nu een vogelnest willen plunderen, dat in
+een holte van een boom gebouwd is, nemen zij uit vrees voor de Slangen,
+die graag in zulke nesten kruipen, allerlei voorzorgen in acht. Meer
+dan eens heb ik gezien, hoe zorgvuldig zij een pas door hen gevonden
+gat in een boom onderzochten, om te weten te komen, of daarin ook een
+Slang verborgen lag. Eerst keek de Aap er zoo diep mogelijk in,
+vervolgens hield hij het oor bij den ingang, en als ook dit zintuig hem
+niets verdachts openbaarde, stak hij aarzelend een arm in de holte.
+Nooit bepaalde hij zich tot een moedigen greep, steeds ging hij
+schoksgewijs al dieper en dieper, en gluurde bovendien van tijd tot
+tijd in de donkere opening, of luisterde er aan, om zeker te zijn, dat
+het gevreesde kruipend gedierte zich daarin niet bevond.
+
+De voortplanting van de in vrijheid levende Meerkatten schijnt aan geen
+bepaald jaargetijde gebonden te zijn. Bij iedere kudde ziet men
+zuigelingen, kinderen en halfwassen dieren, die de zorg van de moeder
+niet meer noodig hebben. In de dierentuinen en menagerieën van Europa
+planten de meeste soorten zich bij goede verzorging eveneens voort,
+ofschoon dit zeldzamer wordt waargenomen bij hen, dan bij de Makaken en
+Bavianen.
+
+Gedurende mijn veeljarig verblijf in Afrika heb ik steeds vele Apen (en
+hierbij waren geregeld ook Meerkatten) in gevangenschap gehouden. Ik
+kan verzekeren, dat elk van deze merkwaardige dieren eigenaardigheden
+had, die bij de andere niet, of niet in die mate, voorkwamen, en mij
+voortdurend de gelegenheid gaf tot even aantrekkelijke, als
+onderhoudende waarnemingen. De eene Aap was twistziek en bijtlustig, de
+andere vreedzaam en mak, een derde brommig, een vierde altijd vroolijk,
+deze rustig en eenvoudig, gene geslepen, sluw en aanhoudend bezig met
+het beramen van booze plannen en streken; alle kwamen echter in dit
+opzicht met elkander overeen, dat zij grootere dieren graag een poets
+wilden spelen, kleinere echter beschermden, koesterden en verzorgden.
+Zij wisten zich in iederen toestand te schikken en zich het leven
+dragelijk te maken. Dagelijks leverden zij bewijzen van een helder
+verstand, van wezenlijk berekenende sluwheid en echt schrander overleg;
+bovendien zag men hen voortdurend aan andere dieren de grootste
+hartelijkheid en offerwilligheid betoonen; wegens al deze eigenschappen
+hield ik bijzonder veel van eenige dezer dieren.
+
+
+
+Sommige soorten van Meerkatten hebben een zeer bevallig uiterlijk. Een
+daarvan, en wel een der meest bekende, die van Abessinië tot aan de
+westelijke bijrivieren van den Nijl veelvuldig voorkomt, is de Groene
+Meerkat of Groene Aap, de Aboelandsj van de Arabieren (Cercopithecus
+sabaeus), die een lengte van 1 M. bereikt, zonder den staart mede te
+rekenen, die ongeveer half zoo lang is als het lichaam. Zijn haarkleed
+is aan den rug grijsachtig groen, aan de buitenzijde van armen en
+beenen en aan den staart aschkleurig; de kortharige wangbaard is
+witachtig, zoo ook de onder- en binnenzijde der beenen; de neus, de bek
+en de wenkbrauwen zijn zwart; het gelaat is overigens lichtbruin.
+
+Een der schoonste en sierlijkste Meerkatten is de Diana-aap (C. diana);
+bij de grootendeels leikleurige, aan den rug en het kruis in
+purperbruin overgaande vacht steken de witte buikzijde en de eveneens
+witte baard aan wangen en kin prachtig af. Deze soort bewoont
+West-Afrika, evenals de Mooraap of Mangebe (C. fuliginosus).
+
+Men vindt daar ook de Blauwkoppige Meerkat, de Moeïdo van de negers aan
+de Loangokust (C. cephus), die in grootte met den Aboelandsj
+overeenkomt; doch vroolijker en fraaier kleuren vertoont dan deze. De
+rug, de bovenzijde van den hals en van den kop, alsmede de buitenzijden
+van de ledematen zijn vuil olijfgroen, met een zeer aangenamen
+goudachtigen weerschijn; de onderzijde van den romp en de binnenzijden
+van de ledematen zijn blauwachtig grijs. Het fraai kobaltblauwe
+aangezicht met een witte plek op de bovenlip is omlijst door een
+schel-gelen bakkebaard, die door een zwarte streep gescheiden is van
+het olijfkleurige kophaar; de staart is van de spits tot dicht bij den
+wortel roest-rood. Volkomen gezonde en krachtige Apen van deze soort,
+onverschillig of het mannetjes dan wel wijfjes zijn, vertoonen deze in
+’t oog loopende samenvoeging van kleuren zoo duidelijk en volledig,
+alsof zij beschilderd waren.
+
+In Beneden-Guinea zijn zij gemeen; vooral in de landstreek tusschen den
+Yumba en den Kongo zijn zij veel talrijker vertegenwoordigd dan andere
+soorten. Bij voorkeur houden zij zich op in de prachtige bosschen, die
+zich langs de rivieroevers tot aan zee uitstrekken, en meer
+binnenslands in de wouden van het gebergte, die aan den regen het
+noodige water ontleenen. Pechuel-Loesche, die de levenswijze van deze
+en andere soorten van Apen, zoowel in de vrije natuur als in
+gevangenschap heeft nagegaan, zegt, dat er waarschijnlijk geen
+Meerkatten bestaan, die de gevangenschap beter verdragen en geschikter
+zijn om getemd te worden, dan deze: „Een daarvan, een wijfje, dat naar
+den inheemschen naam Moeïdo luisterde, en dat ik, toen het nog zeer
+jong was, van den Kongo ontving, en met zorg groot bracht, heb ik bijna
+vijf jaar lang als huisdier gehad. Hierdoor is het mij duidelijk
+gebleken, dat een in de prilste jeugd beginnende, goed doordachte,
+zorgvuldige behandeling een uitstekenden invloed op het gemoed van den
+Aap heeft, en dat het daarentegen bedorven wordt door plagerijen, ruwe
+grappen en uit onbedachtzaamheid gepleegd onrecht. Men zou werkelijk
+veel minder te klagen hebben over de boosaardigheid, prikkelbaarheid en
+valschheid van tamme Apen, indien deze dieren van hun kindsheid af
+behandeld waren geworden volgens den regel, die bij iedere opvoeding op
+den voorgrond staat, d.w.z., indien zij voor alle slechte invloeden
+bewaard waren gebleven. Dat men in den regel niet veel pleizier beleeft
+van Apen, die men op meer gevorderden leeftijd als huisgenooten
+aanneemt, komt doordat zij reeds te veel hebben moeten verduren. Naar
+alle waarschijnlijkheid is het een dwaling, dat de Apen een van nature
+slecht karakter hebben, en moet men liever zeggen, dat de
+onophoudelijke grappen en plagerijen, die deze dieren, meer dan alle
+andere, van de menschen te verduren hebben, hun karakter bederven,
+verkeerde neigingen doen ontstaan, en de goede te verstikken. Men moet
+de Apen niet beoordeelen naar exemplaren, die reeds veel doorleefd,
+reeds vele meesters gehad hebben, maar naar zulke, welke direct, nadat
+zij uit de wildernis kwamen, verstandig behandeld werden; iedere andere
+Aap althans zal blijken ongeschikt te zijn voor pogingen om hem tot een
+huisdier op te voeden.
+
+„Onze Aap, die van zijn kindsheid af zorgvuldig behoed was geworden
+voor verkeerde invloeden, genoot in Europa een onbeperkte vrijheid,
+bewoog zich ongehinderd door alle kamers, over tafels en stoelen; hij
+deed dit echter zoo behendig en voorzichtig, dat hij bij ons nooit iets
+gebroken heeft. Hij klauterde door het openstaande raam naar buiten,
+gymnastiseerde op het balkon, liep langs de kroonlijst om het huis
+heen, gleed bij de gootpijpen naar beneden en stoeide in hof en tuin.
+Als een gehoorzaam hondje maakte hij met ons uren lange wandelingen
+door bosch en veld, ving Spinnen, Vlinders, Sprinkhanen (zijn liefste
+voedsel) en sprong naar hartelust rond. Hierdoor nam blijkbaar zijne
+gezondheid zeer toe en werd zijn gestel zoo gehard, dat hij later zelfs
+meermalen in de pas gevallen sneeuw kon rondbuitelen, zonder er eenig
+nadeel van te ondervinden. Bij zulke gelegenheden bemoeide hij zich met
+alle menschen, die wij tegen kwamen, hoewel met sommige liever dan met
+andere; hij hield er van bedaarde landlieden verschrikt te maken, door
+plotseling uit een schuilhoek te voorschijn te komen, vaak ook, door
+bij hen op te springen; nooit deed hij echter iemand eenig leed. Graag
+speelde hij met kleine Honden, groote ging hij uit den weg; als zij hem
+echter bedreigden, ging hij hen zonder vrees te lijf, sprong hen op den
+rug, sloeg ze om den kop, trok hen aan de ooren, beet en krabde met
+zooveel behendigheid dat de aangevallene eindelijk, ten einde raad,
+zich zoo schielijk mogelijk uit de voeten maakte. Voor Kikvorschen en
+Hagedissen toonde hij geen vrees; hij mishandelde ze echter ook niet.
+Als hij zijne handen vuil gemaakt had, trachtte hij ze vlug op de een
+of andere wijze te reinigen; als hij hierin niet naar zijn zin slaagde,
+wendde hij zich smeekend tot ons.
+
+„In huis viel hij ons slechts door één onhebbelijkheid lastig, die hem
+niet afgeleerd kon worden: hij bevuilde de vloer. In alle andere
+opzichten deed hij, wat hem gezegd was, ging in zijn slaapkorf, in zijn
+kooi, waarvan hij zelf het deurtje sloot; als hij kattekwaad uitvoerde,
+was het voldoende „St!” te roepen, om hem te doen ophouden. Hij speelde
+graag met zachte poppen, groote en kleine gomelastieke ballen, kurken,
+houtjes enz.; één daarvan genoot gedurende eenigen tijd steeds de
+voorkeur, en werd medegenomen in den slaapkorf; de overige werden
+zorgvuldig geborgen en verstopt achter of onder kasten, gordijnplooien
+enz.; altijd echter werden deze voorwerpen zoozeer als eigendom
+beschouwd, dat het aanraken of wegnemen er van steeds als een
+onrechtmatige inbreuk op verkregen rechten werd beschouwd. Hij was
+gewoon in zijne ruime wangzakken alle mogelijke voorwerpen, die hij
+hier en daar vond, op te bergen; deze waren hoogstens van de grootte
+van een walnoot, in den regel echter kleiner. Mijn vrouw begon weldra
+hem iederen avond de wangzakken te ledigen. In den beginne stribbelde
+hij tegen, later kraamde hij uit eigen beweging zijne schatten uit, als
+men hem op den schoot nam. Het ledigen van de wangzakken maakte hij
+gemakkelijker, door met den rug van de hand er van buiten over te
+strijken. Dan kwamen er steentjes, erwten, muntstukjes, boonen,
+spijkers, kurken, vingerhoeden, glazen stoppen en vele andere zaken te
+voorschijn; hij mocht behouden wat voor een ander doel niet meer
+bruikbaar was; nooit verloor hij iets. Bijzonder graag bekeek hij
+afbeeldingen, vooral gekleurde, in boeken, en lette zorgvuldig op het
+omslaan der bladen. In den beginne greep hij bliksemsnel naar
+afbeeldingen van Sprinkhanen en Spinnen, onverschillig of zij gekleurd
+waren of ongekleurd; weldra echter had hij ontdekt, dat zij niet
+eetbaar waren. Bij ’t zien van afbeeldingen van Slangen en Hagedissen
+liet hij geen vrees blijken; hij begreep echter, wat zij voorstelden,
+zooals uit de veranderde uitdrukking van zijn gelaat en uit zijn stem
+viel af te leiden.
+
+„Hij at van alle spijzen, die op tafel gebracht werden; alleen brood
+met boter en melk lustte hij in ’t geheel niet. Hij hield dol veel van
+uien en van stukken brood, die dik besmeerd waren met mosterd; wel trok
+hij dan onder ’t eten afschuwelijke gezichten en deed wanhopige
+sprongen, maar toch ging hij er mede voort. Ook lustte hij inkt: hij
+haalde de gouden pen van den inktpot, likte hem af, legde hem
+zorgvuldig neer, en likte nu zoo vaak den telkens weer in den inktpot
+gedoopten vinger af tot hij genoeg had. Aan tabaksrook had hij een
+hekel. Rooden wijn en bier dronk hij zeer gaarne, ging zich er echter
+niet aan te buiten; het liefst slurpte hij het schuim van ’t bier af.
+Vruchten van allerlei soort waren eveneens van zijn gading, het meest
+echter aalbessen, aardbeien en kruisbessen. Van eieren hield hij niet,
+hij haalde nooit een nest uit, leefde zelfs op zeer vertrouwelijken
+voet met een paar Vliegenvangertjes, die ieder op ons balkon hun nestje
+bouwden, zoo ook met andere Vogels, vooral met Meezen en een Bonten
+Specht, die wij gewoon waren aan het venster te voederen, en die,
+sommige althans, onbezorgd de kamer binnenvlogen. Zijn dagwerk begon
+aan de ontbijttafel. Zoodra hij uit de met warme dekkleeden voorziene
+slaapmand opgerezen was, ijlde hij naar de tafel, om het zien aansteken
+van het spirituslampje onder den koffieketel niet te verzuimen, en
+tevens den hiervoor gebruikten lucifer, die hem nog brandend werd
+overgegeven, door schudden en rollen in de handen uit te blusschen.
+Daarna ging hij met opgeheven handen voor den koffieketel staan, warmde
+zich, en keek oplettend naar de geheimzinnige spiritusvlam, die hij met
+evenveel belangstelling hoorde knetteren en zag opflikkeren als het
+sissen en borrelen van het water hem interesseerde. Vervolgens werd hij
+door de vrouw des huizes van den kop tot aan het puntje van den staart
+flink afgeborsteld; hij vond dit zoo prettig, dat hij ongevraagd alle
+voor deze reiniging gewenschte houdingen aannam; het dagelijks wasschen
+van het aangezicht beviel hem veel minder, en aan het baden en met zeep
+afwasschen, dat geregeld eens in de week plaats vond, had hij een
+innigen hekel.
+
+„Voor bezoekers vatte hij dadelijk genegenheid of afkeer op; nooit
+veranderde hij in ’t vervolg zijn gedrag tegenover hen; hij herkende ze
+allen dadelijk weder. Die, welke hij wel mocht lijden, werden, doordat
+hij ze aan de kleederen trok, terwijl hij allerlei bewegingen en
+geluiden maakte, uitgenoodigd om met hem te spelen; hij sprong hen op
+den schoot, liet zich krauwen en streelen, en was zoo aanhalig en
+grappig, dat hij zich vele vrienden maakte. Op lieden, die hij niet
+lijden mocht, sloeg hij in ’t geheel geen acht; als zij zich toch met
+hem bemoeien wilden, ontweek hij hen, of ging op zijne achterpooten
+staan, en gaf door voortdurend wenken te kennen, dat zij ophouden
+moesten; volhardden zij ook dan nog in hunne pogingen om een
+toenadering te bewerken, of lachten zij luid, dan „speelde hij voor
+basilisk”, d.w.z. hij ging met alle vier ledematen uitgestrekt op den
+grond liggen, deed den bek wijd open, bewoog de tong heen en weer,
+knorde en maakte dreigende bewegingen. Dan was het voor ons tijd om
+tusschenbeide te komen anders ging hij zonder nadere uitdaging tot den
+aanval over. Het bleek ons, dat zijn oordeel over personen op sommige
+uitwendige eigenaardigheden gegrond was: een vriendelijk gezicht, een
+welluidende stem, voorname bedaardheid in de bewegingen stemde hem
+dadelijk gunstig; haastige bewegingen, hard of koel blikkende oogen,
+een schelle, luide stem boezemden hem afkeer in. Met alle kinderen
+zonder eenige uitzondering speelde hij graag; hij werd niet boos,
+wanneer zij hem al te wild behandelden, maar stoeide en vocht met hen,
+of liep eindelijk weg, als zij het hem te bont maakten. Nooit heeft hij
+een kind bedreigd, gekrabd of gebeten; alle kinderen beschouwde hij als
+goede vrienden.
+
+„Roerend was zijn gehechtheid aan mijn vrouw. Hij beschouwde zich als
+haar rechtmatigen beschermer, en wie haar aanraken, of zelfs maar de
+hand geven wilde, vond dadelijk het diertje tot den sprong bereid aan
+hare zijde, op haren schouder, op haren schoot. Toen zijn meesteres
+door een zware ziekte werd aangetast, werd de Aap droefgeestig en
+lusteloos; uren lang zat hij voor de deur van de ziekenkamer en bedelde
+om binnengelaten te worden. Toen dit hem eindelijk na eenige weken werd
+toegestaan, sprong hij dadelijk op de herstellende toe, vleide zich
+zacht klagend tegen haar aan, legde de armen om haar hals, en was niet
+weer weg te krijgen.
+
+„Deze Aap beschikte over een zeer buigzame stem. Wij konden er dertien
+afzonderlijke klanken of klankverbindingen in onderscheiden. Het geluid
+dat wij aan het eene eind dezer reeks plaatsten, was zacht en tamelijk
+welluidend; het bestond uit een op vele wijzen gevarieerd gepiep,
+gesjirp of gespin, dat welgevallen, een verzoek of vergenoegdheid te
+kennen gaf. Aan het andere einde van de lijst stond het gillend gekraai
+en gekrijsch, dat woede beduidde. Andere tegenstellingen waren het
+nauwhoorbare „toek, toek,” dat men vernam, als hij, wat dikwijls
+geschiedde, zich niet op zijn gemak gevoelde in het niet verlicht
+vertrek naast het onze, en het schelle, zeer luide „tek” bij plotseling
+opkomenden schrik, benevens het hoog gestemde gekef en gebrul, dat,
+evenals het uit lage tonen bestaande grommen, gorgelen en knorren,
+verschillende graden van opgewondenheid verraadde. Hoogst merkwaardig
+waren zijne geluiden en gebaren, als hij „de zon begroette”, zooals wij
+het noemden. ’s Morgens als de zonnestralen in de kamer vielen, zocht
+hij in het venster, op de tafel of op den grond een sterk verlichte
+plek op, ging overeind staan, keerde zich naar de zon, hief de armen
+zacht wiegelend omhoog, stak de lippen vooruit, en liet nu 5 à 6 maal
+achtereen een reeks van geluiden hooren, die van een zeer diepen
+borsttoon tot een bizonder hoogen toon opklommen, en ongeveer de helft
+van een chromatische toonladder omvatten. Het geheel werd besloten door
+een diep, langgerekt „Eu”-geroep. Deze hoogst zonderlinge geluiden heb
+ik nooit van andere Apen gehoord.”
+
+
+
+Met den naam Makak of Makako (Macacus) duidt men in Afrika een groep
+van zeer verschillende Apen aan, die tot een geslacht behooren, dat
+niet veel soorten omvat—volgens de beteekenis, die door de wetenschap
+aan dit woord wordt gehecht. De uiterste grens van het
+verbreidingsgebied dezer Apen is het Zuid-Oosten van Azië. Zij
+onderscheiden zich allen te zamen door de volgende kenmerken: Hun
+lichaamsbouw is ineengedrongen, de ledematen zijn sterk en tamelijk
+lang; de snuit steekt ongeveer even vooruit, als bij de Meerkatten; de
+korte duim van de voorhand en de aanmerkelijk langere duim van de
+achterhand dragen platte, de overige vingers en teenen bolle nagels. De
+staart is verschillend: bij enkele heeft hij een lengte, welke die van
+het lichaam nabijkomt, bij andere is hij bijna geheel verdwenen. De
+wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak zijn groot. Bovendien moet
+nog als een eigenaardigheid van deze dieren opgemerkt worden, dat het
+kophaar bij eenige in ’t midden een scheiding vertoont, bij andere als
+een pruik bij den overigens kalen schedel naar beneden hangt, en dat de
+bij enkele ontbrekende wangbaard bij andere een waarlijk
+voorbeeldelooze ontwikkeling vertoont.
+
+In een vroegere periode van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer planeet
+waren de Makaken over een groot deel van Europa verbreid; ook thans nog
+begeven zij zich verder noordwaarts dan alle andere Apen. Die, welke
+een kort staartstompje hebben, bewonen Noord-Afrika, China en Japan; de
+langstaartige het vastland en de eilanden van Oost-Indië. Zij vervangen
+hier als ’t ware de Meerkatten, maar gelijken in vele opzichten op de
+Bavianen; zij leven soms, evenals gene, in de bosschen, dan weer,
+gelijk deze, meer op rotsen. Zij zijn, naar het schijnt, even
+onbeschaamd als beide groepen van Apen te zamen genomen: gedurende
+hunne jeugd zijn zij grappig en vroolijk als de Meerkatten, op
+gevorderden leeftijd boosaardig en gemeen als de Bavianen.
+
+
+
+Tot de bekendste soorten van het geslacht behoort de Makako of
+Javaanaap, de Monjet van de bewoners van Java (Macacus cynomolgus). Hij
+bereikt een hoogte van 1.15 M., waarvan 50 à 58 c.M. op den staart
+komen. Het kophaar van het mannetje is plat neergedrukt, dat van het
+wijfje staat bij wijze van een kam overeind. De kleur is van boven
+bruinachtig groen, van onderen witachtig grijs, aan de handen, de
+voeten en den staart zwartachtig. Dit dier bewoont Oost-Azië, vooral de
+Soenda-eilanden (van Java tot Timor), waar hij zeer menigvuldig is;
+bijna ieder uit Indië komend schip heeft een aantal van deze Apen aan
+boord, die voor lagen prijs van de inboorlingen gekocht kunnen worden.
+Zij maken daarom een belangrijk deel van de bevolking van onze
+dierentuinen en beestenspellen uit; door gedrag en gestalte gelijken
+zij op de Meerkatten. In de gevangenschap kunnen zij gemakkelijk in ’t
+leven gehouden worden, en planten zij zich geregeld voort. Wegens zijn
+opgewektheid en leerzaamheid wordt de Javaan-aap dikwijls in
+apentheaters gebruikt; gewoonlijk heeft hij er de rol van bediende te
+vervullen.
+
+
+
+Verwant aan deze soort is de Kroonaap (Macacus sinicus), de Malbroek
+der inboorlingen van Voor-Indië, die hem voor heilig houden, evenals
+den Bonder (Macacus rhesus), de Markat der Indiërs. „Een geloofwaardig
+man,” zegt kapitein Johnson, „verhaalde mij, dat de eerbied van de
+inboorlingen voor den Markat bijna even groot is, als die voor den
+Hanoeman (p. 20). De inboorlingen van Baka laten op den akker tienden
+van den oogst achter voor deze Apen, die dan ook spoedig van de bergen
+afdalen, om de hun aangeboden belasting te halen.”
+
+Bereidwillig betaalt iedere Hindoe deze bijdrage, en geeft hierdoor een
+bewijs van milddadigheid en barmhartigheid, dat ons bijna belachelijk
+voorkomt, maar hem toch tot eer verstrekt, en ons in vele opzichten ten
+voorbeeld zou kunnen zijn. Ook de bescherming, die zij aan de door hen
+verzorgde dieren verleenen, vind ik in ’t geheel niet belachelijk of
+ongepast; integendeel het komt mij hoogst prijzenswaardig voor, dat de
+menschen daarginds de dieren tegen iedere mishandeling in bescherming
+nemen. Ik stem echter toe, dat zij hierin te ver gaan. Voor een
+vreemdeling is het moeilijk, met dezen Aap samen te leven, zonder met
+hem in vijandschap te geraken. Iedere tuin of aanplanting wordt door
+deze gauwdieven, die onder de bescherming staan, spoedig vernield of
+althans op de jammerlijkste wijze geplunderd. Door schildwachten te
+plaatsen om ze te verjagen bereikt men zijn doel niet, want de brutale
+gasten, die aan de eene zijde uit den tuin verdreven worden, komen er
+aan de andere zijde weer in. Om brandende vuren, Apenverschrikkers en
+dergelijke verweermiddelen bekommeren zij zich in ’t geheel niet, en
+door tegenover hen geweld te gebruiken brengt men zijn eigen leven in
+gevaar.
+
+Dat het welslagen van een feest in Indië nog van geheel andere
+omstandigheden afhankelijk is dan in Europa, blijkt duidelijk uit de
+geschiedenis van Lady Barker’s eerste groote diner te Simla. Lady
+Barker had in haar huis alles in orde laten maken voor het ontvangen
+van een groot gezelschap; eigenhandig had zij de tafel met bloemen
+versierd en met de uitgezochtste Europeesche en Indische lekkernijen
+voorzien. Toen het uur, waarop de gasten zouden verschijnen, naderde,
+ging zij heen, om zich aan te kleeden. De bedienden, in plaats van de
+wacht te houden in de eetzaal, vermaakten zich elders. Toen de
+gastvrouw terugkeerde, om hare gasten te ontvangen, en nog een laatsten
+onderzoekenden blik op haar kunstwerk wilde werpen, vond zij haar
+feestzaal vol met gasten, maar niet die, welke zij verwachtte. Een
+groote troep Apen uit de naastbijgelegene boomen was over het balkon in
+het vertrek doorgedrongen, en banketteerde nu aan en op de kostelijk
+aangerechte tafel. Men stelle zich de gewaarwordingen van de gastvrouw
+voor, toen zij hare juist binnentredende gasten niets anders kon
+aanbieden dan het schouwspel van bevuilde en vernielde
+heerlijkheden.—Misschien waren het wel dezelfde Apen, die aan Lady
+Barker een andere leelijke poets speelden. Haar schoothondje „Fury”
+leefde in voortdurenden oorlog met de Apen, en verzuimde geen enkele
+gelegenheid om ze weg te jagen. Op een goeden dag echter pakte een der
+ongenoode gasten den onverzoenlijken vijand van zijn geslacht bij de
+lurven, en nam hem met zich mede naar den top van een boom. Daar ging
+het jammerlijk huilende hondje van hand tot hand, en werd onder veel
+geschreeuw heen en weer geschud en geplaagd door zijne ontvoerders, die
+hem eindelijk lieten vallen, zoodat hij van een overhangenden tak in
+een afgrond stortte. Zoo vond de arme „Fury” door de wraak der Apen een
+vroegtijdigen dood.
+
+De Markat bereikt een lengte van 50 à 60 cM., en heeft een staart van
+ongeveer 25 cM. Zijne gestalte is krachtig en gedrongen. Zijn vacht is
+van boven groenachtig of vaal grijs, met een geelachtigen weerschijn
+aan de dijen en het zitvlak; de buikzijde is wit, de staart van boven
+groenachtig van onderen grijsachtig. Het aangezicht, de ooren en de
+handen zijn licht koperkleurig, de eeltplekken helder rood van kleur.
+Het wijfje laat den staart gewoonlijk hangen, het mannetje draagt hem
+boogvormig naar beneden en naar binnen gekromd.
+
+Nauw verwant aan den Markat, maar met een nog korteren staart voorzien,
+is de Bangoer (Macacus erythraeus) die op de Oost-Indische eilanden
+leeft. Een nog korteren staart heeft de eveneens daar voorkomende
+Laponder-aap (Macacus nemestrinus), die door de Maleiers wel voor het
+plukken van kokosnooten wordt afgericht.
+
+
+
+In zekeren zin is de Magot of Staartlooze Aap (Inuus ecaudatus), ook
+wel Turksche, Barbarijnsche en Gewone Aap genoemd, de belangrijkste van
+alle Makaken. Hij is de eenige Aap, die in Europa in ’t wild levend
+aangetroffen wordt. Op grond van ’t ontbreken van den staart heeft men
+hem als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd.
+Bovendien is hij gekenmerkt door een schralen lichaamsbouw en de
+slankheid van zijne lange ledematen, als ook door een vrij overvloedige
+beharing, die aan de onderzijde van het lichaam minder dicht is, en
+door een dichten wangbaard. Het gerimpelde gelaat is vleeschkleurig,
+evenals de ooren, handen en voeten; de eeltplekken zijn lichtrood; de
+vacht is roodachtig olijfkleurig. De ledematen hebben aan de onder- en
+binnenzijde een lichtere, meer grijs-geelachtige of witachtige kleur.
+Bij een lichaamslengte van omstreeks 75 cM. is de schouderhoogte 45 à
+60 cM.
+
+Zonder eenigen twijfel hebben reeds de oude Grieken dezen Aap gekend en
+hem Pithecus genoemd; hij was de eerste Aap, die in Europa vertoond
+werd. Plinius zegt van hem, dat hij alles nabootst, het bordspel leert,
+een met was geschilderd beeld onderscheiden kan, graag heeft, dat men
+zich met hem bemoeit, zich in de gevangenschap voortplant enz.
+
+Het vaderland van den Magot is het noordwesten van Afrika, Marokko,
+Algerië en Tunis. Voorzoover wij weten, leeft hij daar in groote
+gezelschappen, die onder de leiding van een oud ervaren mannetje staan.
+Hij is zeer verstandig, listig en schrander, vlug, behendig en
+krachtig; in geval van nood weet hij zich met zijn voortreffelijk gebit
+uitmuntend te verdedigen. Bij elke hartstochtelijke aandoening vertrekt
+hij het gelaat erger dan eenige andere Aap, beweegt intusschen de
+lippen in alle richtingen en klappert ook wel met de tanden. Slechts
+wanneer hij bevreesd is, laat hij een luid, kort geschreeuw hooren.
+Verlangen, vreugde, afschuw, ontevredenheid en toorn geeft hij door
+grimassen en tandengeklapper te kennen. Als hij toornig is, beweegt hij
+zijn met diepe rimpels doorploegde voorhoofdshuid schielijk op en neer,
+steekt den snuit vooruit en trekt de lippen samen, zoodat de mond een
+kleine, cirkelronde opening vormt. In vrijen toestand leeft hij in
+bergachtige streken, op rotsen; hij weet zich echter ook op boomen te
+redden. Naar men zegt, eet hij, evenals de Bavianen, vele Insecten en
+Wormen; daarom wentelt hij gedurig steenen om, en laat ze wel eens van
+de hellingen afrollen. Op steile rotswanden wordt hij hierdoor niet
+zelden gevaarlijk. Men beweert, dat Scorpioenen zijn lievelingsvoedsel
+vormen; hij weet hun den vergiftigen angel behendig uit te rukken, en
+eet ze met grooten smaak op. Hij is echter ook tevreden met kleine
+Insecten en Wormen; hoe kleiner zijn buit is, des te ijveriger moet hij
+jagen, en des te gulziger verslindt hij de gevangene dieren. Het door
+hem opgespoord Insect wordt zorgvuldig aangevat, voor de oogen
+gehouden, met een gezichtsverdraaiing die tevredenheid verraadt,
+verwelkomd en dadelijk opgevreten.
+
+De Magot is de eenige Aap, die tegenwoordig nog wild in Europa gevonden
+wordt. Ongelukkig kon ik gedurende mijn verblijf in het zuiden van
+Spanje (in 1856) over de Apenbende, die de rotsen van Gibraltar
+bewoont, geen nauwkeurige en uitvoerige berichten verkrijgen: Men
+verhaalde mij, dat dit gezelschap nog altijd vrij talrijk is, maar niet
+zeer vaak gezien wordt. Van de vesting keek men dikwijls met
+verrekijkers naar de dieren; men zag ze, om voedsel te zoeken, steenen
+omwentelen, zoodat deze van den berg afrolden. In de tuinen kwamen zij,
+naar mij gezegd werd, zelden. Ook de Spanjaarden konden mij niet
+mededeelen, of deze dieren werkelijk als Europeanen beschouwd moeten
+worden, of uit Afrika overgebracht waren. Volgens A. G. Smith, die op
+de plaats zelf gegevens verzamelde, werd het aanwezig zijn van deze
+dieren in Europa dikwijls in twijfel getrokken, door sommigen zelfs als
+een dwaas sprookje beschouwd, o.a. door een scheepskapitein, die
+dikwijls te Gibraltar kwam. Smith verzekert dan ook, dat hij bijna alle
+geloof er aan verloren had. Hij kwam echter tot andere denkbeelden,
+toen hij den vlaggestok op den top van den berg bezocht, om zich te
+verlustigen in het heerlijke uitzicht, dat men vandaar in alle
+richtingen heeft. Toevallig vernam hij van den vlaggewachter, dat „de
+Apen bezig waren rond te trekken”. Nu begon onze zegsman met zorg
+berichten te verzamelen, en een verslag op te maken, waaraan het
+volgende ontleend is:
+
+„Op deze rots hebben de Apen sedert onheuglijke tijden post gevat;
+wanneer, en hoe zij over de zee gekomen zijn, is echter niet
+gemakkelijk uit te maken; de Moorsche sage, dat zij ook nu nog door een
+onderaardschen gang, onder de zeeëngte door, heen en weergaan tusschen
+Gibraltar en Marokko, luidt toch wel wat al te onwaarschijnlijk. Met
+zekerheid kan men alleen dit zeggen, dat zij er zijn, hoewel hun aantal
+aanmerkelijk verminderd is, zoodat gedurende eenige jaren het geheele
+gezelschap uit vier exemplaren bestond. Men ziet ze zelden; zoodra
+echter de wind omdraait, veranderen ook zij gewoonlijk van
+verblijfplaats. Weekelijk en gevoelig als zij zijn, schuwen zij elke
+plotselinge weersverandering, vooral het omslaan van den wind van het
+westen naar het oosten, of omgekeerd; zij trachten zich daartegen te
+beveiligen, door achter de rotsen weg te kruipen. Zij zijn zeer
+bewegelijk, en kiezen tot woningen het liefst steile afgronden, waar
+zij in ’t ongestoorde bezit zijn van vele holen en gaten in de losse
+steenmassa. Het kost hun, naar ’t schijnt, niet veel moeite, voedsel te
+vinden; want zij zien er zeer welgedaan uit. Men houdt ze gewoonlijk
+voor buitengewoon schuw, en zegt, dat zij bij het geringste gedruisch
+vluchten; mijn berichtgever ontkent dit echter, en toonde mij tot
+bewijs voor zijn bewering eenige rotsen, van waar zij hem op
+dienzelfden morgen hadden aangestaard, zonder vrees te toonen voor zijn
+kleurigen Engelschen uniform of voor zijn onderofficiersblik. Vrij
+langen tijd bleven zij staan op een afstand van 30 à 40 M. van de
+borstwering, waartegen hij leunde, en trokken zich ten slotte dood op
+hun gemak terug. Dat men ze zoo zelden ziet, bijna alleen gedurende hun
+„omtocht” naar de tegenovergestelde zijde van de rots, schijnt te
+wijzen op een zeer schuwen, ongezelligen aard: want niemand vervolgt
+ze; veeleer behoedt men ze angstvallig voor alles wat hun lastig kan
+zijn.”
+
+Een jaar later meldt Posselt van dezelfde Apen: „Gedurende de overvaart
+van Cadiz naar Gibraltar, had een te Gibraltar wonende Engelschman mij
+op mijne vragen naar de Apen geantwoord, dat er geen meer waren. In de
+stad verzekerde men mij het tegendeel; hun aantal werd echter
+verschillend aangegeven (3 à 15); de reden van deze onzekerheid is
+waarschijnlijk te zoeken in de levenswijze dezer dieren; zij houden
+zich in de steilste en ontoegankelijkste gedeelten van de rotsen op, en
+zijn zeer schuw. Zonder gids begaf ik mij op weg, ging langzaam langs
+het gemakkelijkste pad omhoog, doch week op ongeveer twee derde van de
+hoogte naar links af van den hoofdweg, die naar het signaalstation
+leidt, en begaf mij naar den hoogsten, noordelijken top van de rots.
+Het heerlijke panorama, dat zich onder mij uitbreidde, boeide mij
+zoozeer, dat ik de Apen reeds geheel vergeten had, toen plotseling bij
+de laatste bocht van den weg mijn aandacht getrokken werd door een
+eigenaardig schel geluid, dat ik in ’t eerst voor ’t blaffen van een
+Hond in de verte hield. Op ongeveer 200 schreden afstand voor mij, lag
+de eerste batterij met hare dreigend naar Spanje gerichte, ijzeren
+kanonnen. Op de gemetselde borstwering van deze batterij liep een dier
+van de grootte van een Schotschen Dashond, dat zich langzaam van mij
+verwijderde, en van dit dier kwam het gehoorde geluid. Ik bleef staan,
+en zag nu, dat het een van de Apen was, waarschijnlijk die, welke de
+wacht moest houden. Aan het einde van den muur, nader bij de
+Middellandsche zee, lagen twee andere Apen behaaglijk in den
+zonneschijn uitgestrekt. Langzaam, voetje voor voetje, naderde ik het
+merkwaardig gezelschap, welks leden nu dicht bij elkander waren gaan
+staan, en mij opmerkzaam aanzagen. Op een afstand van ongeveer 100
+schreden stond ik stil, en keek naar de dieren, die allengs hun
+schroomvalligheid hadden laten varen. Op allerlei wijzen toonden zij
+hun welgevallen in den warmen zonneschijn; nu eens omarmden zij
+elkander, dan weder wentelden zij zich behaaglijk op den muur om.
+Dikwijls sprong een van hen al spelend op een van de kanonnen, en kwam,
+door de geschutpoorten sluipend, aan de andere zijde weer bij zijne hem
+hier afwachtende kameraads terug; kortom, zij leefden op deze plaats
+zeer huiselijk, en waren naar het scheen, voornemens, zoo lang mogelijk
+te genieten van den prachtigen zonneschijn.
+
+„Hun aantal, dat in vroegere jaren groot was, is thans tot op slechts
+drie verminderd; het neemt niet meer toe, waarschijnlijk omdat zij van
+één sekse, òf allen mannetjes, òf allen wijfjes zijn, zoodat de kleine
+familie weldra geheel uitsterven zal. De eigenaars, van tuinen plachten
+vroeger vallen te plaatsen, om hun kweekerij te beveiligen tegen de
+strooptochten van deze gasten, die door hun vraatzucht groote
+verwoestingen aanrichten. De bescherming van het machtige Engeland was
+dus niet voldoende geweest om de vroegste bewoners van zijn sterkste
+vesting voor den ondergang te behoeden; na weinige jaren zal de fauna
+van Europa een dierengeslacht minder bevatten.”
+
+Tot geruststelling van alle dierenvrienden kan ik mededeelen, dat
+Posselt’s vrees niet bewaarheid is geworden, en dat daaraan integendeel
+alle grond ontnomen is. Door tusschenkomst van mijn broeder, die zich
+tot den bevelhebber van de vesting had gewend met een verzoek om
+inlichtingen, ontving ik n.l. het volgende bericht:
+
+„Het getal van de Apen, die tegenwoordig onze rotsen bewonen, bedraagt
+elf. Daar het gebleken is, dat zij op de rotsen zonder moeite voldoende
+voedsel vinden, worden zij niet gevoederd, maar geheel aan zich zelf
+overgelaten. De signaalwachter en de politiebeambten waken over hun
+veiligheid, en verhinderen, dat zij gejaagd, of op een andere wijze
+verontrust worden. De eerstgenoemde houdt boek over hen, en is, daar
+zij steeds bijeenblijven, altijd goed op de hoogte van de verandering
+of vermeerdering van hun aantal.
+
+„Wanneer en hoe zij op de rotsen gekomen zijn, weet niemand te zeggen;
+men hoort hierover de meest verschillende meeningen. Voor ongeveer 6 of
+7 jaren was hun aantal tot op drie stuks verminderd. Sir William
+Codrington heeft, vreezend dat zij geheel zouden uitsterven, drie of
+vier dieren van dezelfde soort van Tanger ingevoerd, en sedert dien
+tijd hebben zij zich vermenigvuldigd tot het bovengenoemde getal.”
+
+Uit een bericht van den allerlaatsten tijd blijkt, dat dit getal thans
+meer dan verdubbeld is. Een op goed geluk aan een officier van de
+Engelsche bezetting van Gibraltar gerichte brief werd door Kapitein C.
+S. Shephard op de meest welwillende wijze beantwoord. „Het is
+moeielijk”, schrijft Shephard den 12en Maart 1889, „het aantal
+aanwezige Apen nauwkeurig te bepalen. Eergisteren nog zag ik er twaalf;
+in den vorigen zomer heb ik er echter wel 25 bijeengezien, en ik denk,
+dat men veilig aannemen kan, dat er in ’t geheel omstreeks 30 zijn. In
+den tegenwoordigen tijd van het jaar ziet men ze niet zoo dikwijls,
+omdat er op de hoogere gedeelten van de rots voedsel en water in
+overvloed te vinden zijn. Maar gedurende den heeten zomertijd worden
+zij door gebrek aan voedsel gedwongen, zich naar lager gelegen plaatsen
+te begeven; dan richten zij een niet onbelangrijke schade in de tuinen
+aan. Ongeveer in Juni of Juli van het vorige jaar hadden de Apen
+minstens zes jongen. Het volwassene mannetje is van aanzienlijke
+grootte, volle 3 voet hoog; de grootste, wijfjes zijn ook zeer goed
+ontwikkeld, maar slanker en niet zoo krachtig en gedrongen van
+gestalte. Het sterkste mannetje houdt zich gewoonlijk alleen, op
+eenigen afstand van de bende op.”
+
+Volgens deze nieuwste waarnemingen is het dus volstrekt niet te
+vreezen, dat Europa’s laatste, in ’t wild levende Apen uitsterven
+zullen.
+
+
+
+„De Talapoin-Aap (Myiopithecus)”, zegt Wallace, „verschilt van de
+overige Afrikaansche Apen door den bouw van de laatste kies, door de
+groote ooren, het kort aangezicht en het breede neusmiddelschot. In dit
+opzicht en ook door zijn lief uiterlijk en de gratie zijner bewegingen
+gelijkt hij eenigszins op de Amerikaansche Apen.”—Dr. J. E. Rombouts
+zegt in „Artis, Kijkjes in den Dierentuin” het volgende: „Deze lieve
+diertjes zijn veel schuwer dan de andere in de apenkooi aanwezige Apen.
+Bij het minste vreemde geluid zoeken ze bij elkaar hun troost, dan
+zitten ze op een boomstam lijf aan lijf ineengehurkt, als om elkander
+te beschermen, en hunne geestige kopjes zijn alleen naar den
+toeschouwer gericht. De lange staarten hangen bij zulk een gelegenheid
+lijnrecht naar beneden, wat een eigenaardig effect teweegbrengt. Deze
+aapjes zijn afkomstig uit westelijk Afrika, waar ze gezellig leven; hun
+kleur is geelachtig groen; de haren van den kop staan als een kuif
+overeind, en, wat hun vooral een aardig voorkomen geeft, is de lange
+knevelbaard, die bij den neus begint en over de wangen voortloopt tot
+onder de ooren. De kleur van dezen baard is geelachtig, behalve op zij
+van den neus, waar hij eenigszins zwart is en een soort van knevel
+vormt. De neus is zwart en de lippen zijn vleeschkleurig.”
+
+
+
+Het geslacht der Bavianen (Cynocephalus), hoewel een der merkwaardigste
+van de geheele orde, is echter volstrekt niet het aantrekkelijkste en
+aangenaamste. Het omvat de leelijkste, goorste vlegelachtigste en
+daarom afkeerwekkendste van alle Apen; deze zien wij hier op den
+laagsten trap, waarop zij staan kunnen. Van edele vormen is hier niets
+meer te bespeuren; alle meer verhevene begaafdheden van den geest zijn
+in de bandeloosheid der hartstochten te gronde gegaan.
+
+In navolging van Aristoteles, worden de Bavianen ook wel Hondskop-apen
+genoemd, omdat de bouw van hun kop in eenige opzichten meer gelijkt op
+dien van een groven, ruwen Hond dan op het hoofd van den mensch,
+waaraan de overige Apen in de verte herinneren. Toch is de
+overeenstemming, waaraan de bedoelde naam haar oorsprong ontleent,
+slechts zeer oppervlakkig. De vergelijking waarop zij berust, bevredigt
+ons niet, omdat de kop van den Baviaan evenzeer een misvorming is van
+dien van den Hond, als de kop van den Gorilla dit is van het hoofd van
+den mensch. Het Bavianengezicht verschilt echter door zijn
+vooruitstekenden snoet zoozeer van dat van andere Apen, dat de door
+Aristoteles gegeven naam behouden kan blijven.
+
+Naast de Anthropomorphen zijn de Hondskop-apen de grootste
+vertegenwoordigers van de orde der Apen. Hun lichaamsbouw is gedrongen,
+hun spierkracht verbazend groot. De zware kop verlengt zich tot een
+sterken en langen, van voren afgeknotten, dikwijls gezwollen of
+gegroefden snuit met vooruitstekenden neus; het gebit ziet er
+roofdierachtig uit door de sterke ontwikkeling der hoektanden, die aan
+de achterzijde met een scherpen kant voorzien zijn. De lippen zijn zeer
+beweeglijk, de ooren klein. De uitdrukking van de oogen, die door
+vooruitstekende wenkbrauwbogen overschaduwd zijn, is een getrouwe
+weerspiegeling van het gemoed van hun eigenaar—listig en valsch in de
+hoogste mate. Alle ledematen zijn kort en sterk, de handen hebben vijf
+teenen; de soms korte, soms lange staart is gelijkmatig behaard of aan
+’t einde kwastvormig; de wangzakken zijn groot; de eeltplekken aan ’t
+zitvlak bereiken een waarlijk afkeerwekkende grootte, en vertoonen
+gewoonlijk merkwaardig sprekende kleuren. Bij eenige soorten verlengt
+de lange en losse beharing zich aan kop, hals en schouders tot goed
+gevulde manen; het haar heeft een moeielijk te omschrijven kleur, niet
+zelden overeenkomende met die van den bodem of van de rotsen, waarop
+zij leven, zooals grijs, grijs-groenachtig geel, bruinachtig groen.
+
+Het verbreidingsgebied van de Bavianen strekt zich uit over Afrika,
+Arabië en Indië. In eenige streken treft men soorten aan, die alleen
+daar gevonden worden; de overige zijn verder verbreid en daarom aan
+verscheidene landen gemeen.
+
+Hoewel de Bavianen bij voorkeur rotsen bewonen, houden sommige soorten
+zich toch ongetwijfeld ook in de bosschen op, en zijn bekwamer in ’t
+beklimmen van de boomen, dan men op grond van waarnemingen aan verwante
+dieren in boomlooze oorden wel eens beweerd heeft. In ’t gebergte komen
+zij tot op een hoogte van 3000 à 4000 M. boven de oppervlakte der zee,
+ja zelfs tot aan de sneeuwgrens; toch geven zij, naar het schijnt, de
+voorkeur aan de landstreken van 1000 à 2000 M. hoogte boven het hoogere
+bergland. Dat bergachtige gewesten hun eigenlijk vaderland zijn, wordt
+reeds door de oudste reizigers vermeld.
+
+Het voedsel van de Bavianen bestaat hoofdzakelijk uit bollen, knollen,
+grassen, kruiden, vruchten van laaggroeiende planten, eieren en kleine
+dieren van allerlei soorten. Waarschijnlijk echter zijn deze goed
+gewapende en vlugge wezens niet altijd tevreden met een kleine prooi,
+hun verlangen naar dierlijk voedsel zal hen ook wel nopen, om als echte
+roovers grootere dieren te overvallen. Volgens de mededeelingen van
+Fischer maken de Oost-Afrikaansche Bavianen niet slechts op Hoenderen
+jacht, maar trachten zij ook Dwerg-Antilopen en zelfs de vrij groote
+Bosch-Bokken te overmeesteren. In de aanplantingen, vooral in de
+wijngaarden, richten de Bavianen buitengewoon groote verwoestingen aan;
+men beweert zelfs, dat zij hunne rooftochten op een geregelde wijze
+naar een vooraf beraamd plan ondernemen.
+
+Meer dan de overige Apen toonen de Bavianen door hun houding, dat zij
+eigenlijk op den grond thuis behooren. Hun geheele lichaamsbouw bindt
+hen aan den bodem. Hun gang gelijkt op dien van een plompen Hond; ook
+wanneer zij zich oprichten, steunen zij het lichaam liefst met een van
+de handen. Zoolang zij zich kalm gedragen en den tijd hebben, zijn
+hunne schreden langzaam en log: zoodra zij zien, dat zij vervolgd
+worden, gaat deze gang in een merkwaardigen galop over, die met de
+allerzonderlingste bewegingen gepaard gaat. Hun gang onderscheidt zich
+door een zekere lichtzinnige onbeschaamdheid, die men gezien moet
+hebben om er een voorstelling van te verkrijgen.
+
+De eigenschappen van hun geest zijn volstrekt niet in strijd met hun
+uitwendig voorkomen. Om ze te beschrijven beginnen wij met een
+aanhaling van Scheitlin’s woorden:
+
+„Alle Bavianen zijn in meerdere of mindere mate slecht van aard, altijd
+wild, toornig, onbeschaamd, haatdragend; hun snuit is gevormd naar het
+grofste hondenmodel, hun gelaat misvormd. Sluw is hun blik, boosaardig
+hun gemoed. Daarentegen zijn zij leerzamer dan de kleine Apen, en
+toonen nog meer verstand, dat zich echter altijd in den vorm van list
+openbaart. Vooral bij hen treedt een der merkwaardigste eigenschappen
+van de Apen, de zucht tot nabootsing, duidelijk te voorschijn, waardoor
+het schijnt, dat zij geheel menschachtig kunnen worden, hoewel zij
+altijd aapachtig blijven. Valstrikken en gevaren merken zij gemakkelijk
+op, en tegen vijanden verdedigen zij zich moedig en hardnekkig. Hoe
+boos van aard zij ook zijn, toch kan men ze in hun jeugd veranderen,
+temmen, gehoorzaam maken; op lateren leeftijd, als hun aanleg verzwakt,
+hun gevoel verstompt is, komt de oude Adam, hun ware, booze aard weer
+boven. Zij houden op gehoorzaam te zijn, grijnzen, krabben en bijten
+weder. De opvoeding was niet diep genoeg doorgedrongen. Men zegt, dat
+zij in vrijen toestand schranderder en verstandelijk hooger ontwikkeld
+zijn, in de gevangenschap daarentegen zachtaardiger en geleerder
+worden. Hun familienaam is immers „Hondskop”. Hadden zij, behalve den
+kop, ook maar de ziel van den Hond!”
+
+Op Scheitlin’s woorden valt niets af te dingen: het door hem geteekende
+beeld is juist. De geest van de Bavianen is als ’t ware de apengeest op
+zijn hoogsten trap van volkomenheid; evenwel is hij dit meer in den
+slechten dan in den goeden zin. Eenige voortreffelijke eigenschappen
+kan men hun niet ontzeggen. Zij hebben een merkwaardige genegenheid
+voor elkander en voor hunne kinderen; zij houden ook van den mensch,
+die hen verzorgd en opgevoed heeft, en worden hem zelfs op allerlei
+wijzen nuttig. Maar al deze goede zijden wegen in de verste verte niet
+op tegen hunne onhebbelijkheden en booze hartstochten. List en
+valschheid zijn algemeen voorkomende eigenschappen bij de
+Hondskop-apen; vooral onderscheiden zij zich door een vreeselijke
+woede. Hun toorn is als een opvlammend stroovuur, zoo schielijk bereikt
+hij een grooten omvang; hij blijft echter aanhouden en is niet zoo
+gemakkelijk weder te bedaren. Een enkel woord, een spottend gelach, een
+schuinsche blik kunnen een Baviaan razend maken, en in zijn woede
+vergeet hij alles, zelfs zijne genegenheid voor den persoon, dien hij
+zooeven liefkoosde. Daarom blijven deze dieren in alle omstandigheden
+gevaarlijk; hun ruwe inborst treedt af en toe naar buiten, al
+openbaarden zij haar gedurende geruimen tijd in ’t geheel niet. Hunne
+vijanden behandelen zij op een waarlijk afschuwelijke wijze.
+
+Hoewel de Bavianen voor den mensch vluchten, aanvaarden zij toch in
+geval van nood den strijd met hem en ook met Roofdieren, en deze strijd
+wordt dikwijls recht gevaarlijk. De Luipaard is, naar het schijnt, hun
+voornaamste vijand; hij belaagt echter de jonge dieren meer dan de
+oude, omdat hij alle reden heeft om vooraf eens te overwegen, of zijne
+hoektanden en klauwen wel opgewassen zijn tegen het gebit en de handen
+van de Bavianen, ’t Is volstrekt geen zeldzaamheid, dat Honden in een
+strijd met den Baviaan het onderspit delven, en toch kennen deze edele
+dieren geen grooter vermaak dan de jacht op zulke Apen. Behalve de
+Hond, de Luipaard en de Leeuw hebben de Bavianen nagenoeg geen
+vijanden, die voor hen bijzonder gevaarlijk zijn. Men mag echter wel
+aannemen, dat de Apen leelijke ervaringen hebben opgedaan van den
+vreeselijken giftand der Slangen. Geen Baviaan licht een steen op, of
+doorzoekt een struik, zonder zich vooraf te vergewissen, dat hieronder
+of hierin geen Slang verborgen is. Voor Scorpioenen zijn deze looze
+dieren niet bang; integendeel zij weten ze met groote behendigheid te
+vangen en van hun gifklauw te berooven, zonder zich er aan te wonden.
+Daarna verslinden zij den Scorpioen met hetzelfde genoegen als andere
+Spinnen of als Insecten.
+
+Het nut van de Bavianen is gering. Wegens hunne leerzaamheid worden zij
+tot allerlei kunststukjes afgericht. In Zuid-Afrika dienen zij, naar
+men zegt, nog tot het opzoeken van water in de woestijn. Getemde
+Bavianen worden voor dit doel meegenomen naar de waterarme gewesten,
+waar zelfs de Bosjesmannen het onontbeerlijke vocht slechts in uiterst
+kleine hoeveelheid kunnen vinden. Als de watervoorraad ten einde loopt,
+krijgt de Baviaan iets hartigs te eten. Na eenige uren neemt men hem
+dan aan een lijn en laat hem loopen. Het door dorst gekwelde dier wendt
+zich nu eens naar rechts, dan weer naar links, loopt vooruit en
+achteruit, snuffelt in de lucht, rukt planten uit, om ze te proeven, en
+wijst eindelijk door in den grond te graven, het verborgene, of door in
+één richting vooruit te ijlen, het aan de oppervlakte aanwezige water
+aan.
+
+
+
+De Aap, dien wij nu beschouwen zullen, wordt door vele dierkundigen tot
+de Bavianen, door andere echter tot de Makaken gerekend. In vele
+opzichten komt hij met de Echte Hondskop-Apen overeen, door zijne
+gestalte echter verschilt hij er van, en dit heeft aanleiding gegeven
+tot het genoemde verschil in meening der natuuronderzoekers. Men moet
+hem beschouwen als een overgangsvorm, die de kenmerken van twee
+diergroepen vereenigd vertoont, en tusschen deze beide het midden
+schijnt te houden. Wie hem tot de Makaken wil rekenen, kan gelijk
+hebben; wie hem bij de Hondskop-apen voegt, eveneens.
+
+De Zwarte, Moor- of Kuifbaviaan (Cynopithecus niger) onderscheidt zich
+van de overige Hondskop-apen door zijn korten staart en door den vorm
+van den snuit, die breed, plat en kort is: een eigenaardig kenmerk van
+dit dier is vooral te vinden in den neus, die niet, zooals bij de
+Bavianen, over de bovenlip uitsteekt, maar vrij ver achter den
+bovenlipsrand eindigt. Onze Aap wordt daarom beschouwd als de
+vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, dat der Honds-apen in
+engeren zin (Cynopithecus). Het aangezicht en het zitvlak zijn naakt,
+alle overige lichaamsdeelen echter bedekt met een lange en wollige
+vacht, die op de ledematen korter is, maar zich op den kop tot een vrij
+lange kuif verheft. Het haarkleed is, evenals de naakte, fluweelachtige
+huid van het aangezicht, effen donker zwart. Het zitvlak is rood. De
+Kuif-Baviaan is kleiner dan al zijne verwanten. Het lichaam is 65 cM.,
+het staartstompje ternauwernood 3 cM. lang.
+
+De Zwarte Hondsaap bewoont Celebes; hij komt er vrij talrijk voor. Over
+zijne levenswijze in vrijen toestand zijn de berichten schaarsch.
+
+In den laatsten tijd werd hij dikwijls naar Europa overgebracht, en
+heeft er geruimen tijd in gevangenschap geleefd. Het exemplaar, dat ik
+in den Amsterdamschen dierentuin zag, scheen zich zeer wel te bevinden.
+Overdag werd hij geregeld bij de Meerkatten gebracht, die in het groote
+Apenhuis de toeschouwers vermaakten. De overmoedige en heerschzuchtige
+Zwarte Baviaan zou alle schroomvalligere Apen geplaagd hebben, indien
+de vlugge Meerkatten hem niet te rechtertijd ontvloden waren. Met de
+Makaken scheen hij op vrij goeden voet te staan, met een vrouwelijke
+Baboeïn was hij zelfs zeer intiem; aan deze teedere dame bewees hij
+allerlei attenties, en liet zich tot loon door haar gaarne zijn vacht
+doorzoeken. Onze afbeelding (p. 34) is sprekend gelijkend. In de
+nadenkende houding, die hij hier heeft, zit hij dikwijls uren
+achtereen; waarschijnlijk beramen zijne hersenen dan het plan tot
+nieuwe dolle of lichtzinnige streken.
+
+Volgens Broekman is geen enkele Aap zoo goed als deze voor het
+Apentheater geschikt. Hij leert gemakkelijk al spelend, onthoudt het
+geleerde en „werkt” met ware liefhebberij. Wegens zijn zeldzaamheid en
+den hoogen prijs, die voor hem betaald moet worden, ziet men hem niet
+geregeld op de planken; bovendien houdt hij het er ongelukkig niet lang
+uit.
+
+Van de eigenlijke Bavianen, en meer bepaaldelijk van die, welke geen
+haarmantel dragen, heb ik den Gewonen Baviaan of Baboeïn (Cynocephalus
+babuin) het best leeren kennen, hoewel ik alleen de levenswijze van dit
+dier in gevangenschap heb kunnen nagaan. Met den zooeven beschreven
+stamgenoot of met de Mantel-Bavianen kan hij niet licht verward worden,
+wel echter met andere Hondskop-apen, vooral met den in Zuid-Afrika
+levende Tsjakma of Kaapschen Baviaan (C. porcarius) of met de
+West-Afrikaansche Sphinx (C. sphinx, ook wel Bruine Baviaan genoemd),
+die veel op hem gelijken. De gladharige, gelijkmatige vacht is aan de
+rugzijde olijfgroenachtig geel: op ieder haar wisselen gele en
+zwartachtige ringen met elkander af; de onderdeelen zijn lichter, de
+wangen witachtig geel behaard. Het aangezicht en de ooren zijn
+zwartachtig loodkleurig, de bovenste oogleden witachtig, de handen
+bruinachtig grijs, de oogen lichtbruin. Volwassen mannetjes bereiken
+bij 65 à 70 cM. hoogte in de schoften een totale lengte van 1.50 M.,
+waarvan echter ongeveer een derde gedeelte op den betrekkelijk dunnen
+staart valt. De Tsjakma is aanmerkelijk grooter, plomper gebouwd en
+donkerder van kleur, de Sphinx eer kleiner, maar kennelijk krachtiger
+ontwikkeld, haar snuit is korter, en onderscheidt zich zeer door een
+vreemdsoortige verdikking der wangbeenderen; haar vacht, welker haren
+zwartachtig grijze en roodachtige bruine ringen vertoonen, is niet
+geelachtig bruin, maar roodachtig bruin met een oliegroene tint.
+
+Daar de levenswijze en de gewoonten van deze drie Bavianen nagenoeg
+geen verschil aanbieden, zal ik mij van nu af vooral tot den Gewonen
+Baviaan bepalen.
+
+Deze Aap bewoont nagenoeg dezelfde gewesten als de Hamadryas, maar
+dringt verder in Centraal-Afrika door dan deze. In Abessinië, Kordofan
+en andere Middel-Afrikaansche landen is hij inheemsch, en waar hij
+voorkomt, vindt men hem in grooten getale. Volgens Böhm en Reichard is
+hij ook in Duitsch Oost-Afrika algemeen, en strekt zijn
+verbreidingsgebied zich nog ver ten zuidwesten van het Tanganjika-meer,
+tot aan den bovenloop van den Loealaba, uit—tenzij men hier met een
+verwisseling van twee soorten te doen heeft.
+
+In zijne bewegingen en houding gelijkt de Baboeïn volkomen op de andere
+Bavianen; door zijne geestesgaven onderscheidt hij zich echter in zijn
+voordeel van hen. Het is een zeer schrander dier, dat zich, als het
+jong gevangen is, zeer gemakkelijk aan den mensch gewent, zich zonder
+moeite tot allerlei kunstverrichtingen laat dresseeren, en, ondanks
+slechte behandeling, met groote trouw aan zijn meester hangt. Het
+wijfje is zachtaardiger en lieftalliger dan het mannetje, dat dikwijls
+kuren en onhebbelijkheden toont zelfs tegenover zijn meester, terwijl
+het wijfje met dezen op een zeer vertrouwelijken voet verkeert.
+
+De eerste Baboeïn, dien ik bezat, werd Perro genoemd. Het was een
+aardige, vroolijke Aap, die reeds na 3 dagen geheel aan mij gewoon was
+geraakt. Ik stelde hem als deurwachter aan, door hem vast te leggen aan
+een plek boven onze tuindeur. Hier had hij zich spoedig een geschikt
+plaatsje uitgekozen, van waar hij de deur op de zorgvuldigste wijze
+bewaakte. Alleen wij en onze kennissen mochten binnengaan; aan
+onbekenden werd standvastig de toegang ontzegd; daarbij stelde hij zich
+zoo woest aan, dat hij altijd vastgehouden moest worden, tot de
+bedoelde persoon binnengetreden was, dien hij anders als een dollen
+Hond aangevlogen zou hebben. Bij elke opwinding toonde hij zich een
+Baviaan van top tot teen, met alle gebruiken en gewoonten,
+eigenschappen en onhebbelijkheden van de leden van dit geslacht, welker
+gebaren over ’t geheel een zeer groote overeenstemming vertoonen. Als
+hij toornig was, stak hij den staart omhoog, en, op de beide achterste
+ledematen en één hand rustend, sloeg hij met de andere hand heftig op
+den grond, zooals een woedend mensch op de tafel slaat, zonder evenwel
+den vuist te ballen, gelijk deze doet. Zijne oogen fonkelden en
+schitterden; hij liet een gillend geschreeuw hooren en schoot woedend
+op zijn tegenstander toe. Niet zelden huichelde hij met onovertroffen
+arglistigheid geheel andere gevoelens, nam een zeer vriendschappelijke
+houding aan, smakte verscheidene malen snel achtereen, wat bij hem
+altijd voor een vriendschapsbetuiging gold, en strekte vol verlangen de
+handen uit naar den persoon, dien hij beetnemen wilde. Als deze hem ook
+de hand toestak, greep hij die schielijk en trok zijn vijand naar zich
+toe, om hem te krabben en te bijten. Hij leefde in vrede en vriendschap
+met alle dieren, behalve met de Struisvogels, die wij hadden. Deze
+droegen echter de schuld van de gespannen verhouding, die er tusschen
+hen en onzen Aap bestond. Perro zat, als zijne portiersdiensten
+onnoodig waren, gewoonlijk rustig op zijn muur, en hield zich een
+stroomat als een parasol boven ’t hoofd, om zich tegen de verzengende
+zonnestralen te beschutten. Intusschen lette hij niet bijzonder op zijn
+langen staart, en liet dezen bij den muur naar beneden hangen. Nu moet
+men weten, dat de Struisvogels de onhebbelijkheid hebben, om naar alles
+wat niet spijkervast is, te happen. En zoo gebeurde het dan zeer
+dikwijls, dat de een of andere van deze Vogels waggelend naderbij kwam,
+zijn dommen kameelkop naar den apenstaart toeboog, en hierin den niets
+kwaads vermoedenden Perro onverwachts een flinken beet toebracht. Den
+stroomat wegwerpen, luid schreeuwen, den Struis met beide handen bij
+den kop pakken en hem duchtig door elkander schudden, was het werk van
+een oogenblik. Dikwijls duurde het wel een kwartier, voordat de Aap na
+zulk een onverhoedschen aanval van zijn gemoedsaandoening bekomen was.
+Het was dus niet te verwonderen, dat Perro den Struis, telkens als hij
+hem raken kon, een slag of een stomp gaf.
+
+Al onze Bavianen waren, evenals de inboorlingen, hartstochtelijke
+liefhebbers van merisa, een soort van bier, dat de Soedanezen uit hun
+doerrha- of dochankoorn weten te bereiden. Dikwijls gingen zij zich aan
+dezen drank te buiten, en bewezen mij daardoor, dat de Soedanezen mij
+de waarheid hadden verteld, toen zij mij mededeelden, op welke wijze
+zij gewoon zijn Bavianen te vangen. In geheel Afrika geldt het voor een
+bekende zaak, dat de Bavianen dol veel houden van alcoholische dranken
+en zich zeer gaarne een roes drinken. Men zet daarom potten met zulke
+dranken voor hen neer, en als de Apen dronken geworden zijn, maakt men
+zich van hen meester.—De Bavianen hielden ook wel van rooden wijn, maar
+lieten den brandewijn steeds staan. Eens goten wij hun met geweld een
+glaasje brandewijn in de keel. De gevolgen waren weldra zichtbaar, daar
+de dieren vooraf reeds volop merisa hadden gedronken. Zij werden
+volslagen dronken, trokken allerafschuwelijkste gezichten, werden
+overmoedig, hartstochtelijk, dierlijk, kortom zij leverden een
+afschrikwekkende carricatuur van dronken menschen. Den volgenden morgen
+vertoonden zich bij hen alle verschijnselen van katterigheid.
+
+Met de andere levende dieren, die ik destijds bezat, verdroegen zij
+zich zeer goed. Een tamme Leeuwin boezemde wel aan de Meerkatten groote
+vrees in, niet echter aan de moedige Hondskop-apen. Zij vluchtten ook
+wel, als het gevreesde dier naderde, hielden echter dapper stand,
+zoodra de Leeuwin werkelijk een poging deed om een Baviaan aan te
+vallen. Hetzelfde heb ik later telkens weer opgemerkt. Mijne tamme
+Bavianen gingen b.v. aan den loop, als ik Jachthonden op hen aanhitste,
+dreven ze echter oogenblikkelijk op de vlucht, als een van de Honden
+het in ernst waagde, hen aan te pakken. De vluchtende Aap sprong dan
+onder vreeselijk gebrul bliksemsnel achteruit, greep den Hond met
+ongelooflijke behendigheid vast, sloeg hem op den kop, beet en krabde
+hem zoo erg, dat zijn tegenstander totaal verbluft en gewoonlijk
+droevig huilend, zich uit de voeten maakte. Des te grappiger was hun
+alle perken te buiten gaande vrees voor Kruipende Dieren en Amphibiën
+van allerlei soort. Een onschuldige Hagedis, een onnoozele Kikvorsch
+brachten hen in den vollen zin van ’t woord tot wanhoop! Zij werden
+letterlijk razend, trachtten een hoog gelegen plaats te bereiken, en
+klemden zich krampachtig vast aan balken en muren, zoover hun touw dit
+toeliet. Toch waren zij zoo nieuwsgierig, dat zij het nooit laten
+konden, de voor hen zoo verschrikkelijke dieren van nabij te bekijken.
+Ik bracht onder anderen meermalen vergiftige Slangen in blikken doozen
+mede. Zij wisten uit ervaring, welke gevaarlijke wezens er in deze
+doozen waren, konden echter geen weerstand bieden aan de begeerte om de
+geslotene gevangenissen der Slangen open te maken, en verlustigden zich
+dan als ’t ware in hun eigen ontsteltenis.
+
+Een van deze dieren nam ik mede naar mijn woonplaats in Duitschland.
+Het onderscheidde zich door merkwaardige verstandelijke ontwikkeling,
+maar voerde ook vele looze en dolle streken uit. Onze Huishond had
+jaren lang als dwingeland den hof beheerscht, en was op zijn ouden dag
+zoo brommig geworden, dat hij eigenlijk met geen enkel schepsel in
+vrede leefde, en, als hij boos was, of gestraft zou worden, zelfs naar
+zijn eigen meester beet. In Atila, zoo heette onze Baviaan, vond hij
+echter een tegenstander, die tegen hem opgewassen was niet alleen, maar
+zelfs baas over hem wist te worden. Atila schiep er behagen in, den
+Hond op allerlei wijzen te kwellen. Als deze buiten in den hof zijn
+middagslaapje hield, en zich zoo gemakkelijk mogelijk op het groene
+gras had uitgestrekt, sloop de plaagzieke Apin zachtjes naar hem toe,
+zag met welgevallen, dat hij vast sliep, vatte hem voorzichtig bij den
+staart en wekte hem uit zijne droomen door een plotselingen ruk aan dit
+eerwaardig aanhangsel. Woedend sprong de Hond overeind, en schoot
+blaffend en knorrend op de Apin toe. Deze nam de meest uitdagende
+houding aan, klopte met de eene hand herhaaldelijk op den grond, en
+wachtte onbezorgd haar verbitterden vijand af. Deze kon tot zijn
+grenzenlooze ergernis nooit bij haar komen. Zoodra hij namelijk naar
+haar hapte, wipte zij met één sprong over den Hond heen, en had hem in
+’t volgende oogenblik weer bij den staart beet. Het is te begrijpen,
+dat de Hond door zulke beleedigingen ten slotte letterlijk razend werd,
+en werkelijk schuimbekte van woede. Het baatte hem echter niets; hij
+moest eindelijk steeds met den staart tusschen de pooten het veld
+ruimen.
+
+Buitengewoon groot was haar scherpzinnigheid. Meesterlijk verstond zij
+de kunst van stelen; zij maakte deuren open en dicht, en was bijzonder
+knap in ’t losmaken van knoopen, wanneer zij meende hierdoor iets, wat
+dan ook, meester te kunnen worden. Doozen en kisten opende zij
+eveneens, en plunderde ze daarna altijd schoon leeg. Wij plachten haar
+dikwijls verschrikt te maken door een hoopje kruit vóór haar op den
+grond te strooien, en dit dan met zwam aan te steken. Gewoonlijk begon
+zij hard te schreeuwen, zoodra het kruit in brand vloog, en deed een
+zijsprong, zoover als haar touw dit toeliet. Toch liet zij zich een
+dergelijke bangmakerij slechts eenige malen welgevallen. Later was zij
+loos genoeg om het glimmende zwam met de handen uit te knijpen, en zoo
+het ontbranden van het kruit te voorkomen! Dan vrat zij in den regel
+het kruit op, waarschijnlijk, omdat de salpetersmaak haar aanstond.
+
+Haar genegenheid voor mij ging alle grenzen te buiten. Wat ik ook deed,
+haar gehechtheid aan mij verloochende zich niet. Naar het scheen, hield
+zij mij altijd voor volkomen onschuldig aan al het leed, dat haar
+wedervoer. Als ik haar kastijden moest, werd zij nooit woedend op mij,
+maar altijd op hen, die toevallig aanwezig waren, waarschijnlijk, omdat
+zij meende, dat deze schuld hadden aan de afstraffing, die zij
+ondergaan had. Mij gaf zij in alle omstandigheden de voorkeur boven al
+hare kennissen: als ik naderde, werd zij oogenblikkelijk een vijand van
+ieder, dien zij zooeven nog geliefkoosd had.
+
+Door vriendelijke woorden gevoelde zij zich zeer gevleid; gelach bracht
+haar uit haar humeur, vooral als zij bemerkte, dat het haar gold.
+Telkens als wij haar riepen, antwoordde zij; ook kwam zij bij mij,
+zoodra ik dit wenschte. Ik kon verre wandelingen met haar maken, zonder
+haar aan een touw te houden. Zij volgde mij als een Hond, hoewel zij
+naar eigen verkiezing links en rechts van den weg afweek.
+
+
+
+De reeds meermalen genoemde Baviaan, die zoowel wegens zijn gestalte
+als wegens zijn uitmuntend verstand, en misschien ook op grond van
+minder beminnelijke eigenschappen, bij de oude Egyptenaren een groote
+rol speelde, is de Hamadryas of Mantel-Baviaan (Cynocephalus
+hamadryas). Hoe het komt, dat hem de eer te beurt gevallen is, naar een
+oud-grieksche boom-nymf genoemd te worden, weet ik niet; in zijne
+gestalte en in zijn wezen ligt waarlijk niets van „das ewig Weibliche,
+das uns hinanzieht”. Van de volken der oudheid heeft hij dezen naam
+niet gekregen. Herodotus, Plutarchus en Plinius noemen hem
+Cynocephalus, bij Strabo heet hij Cebus, bij Juvenalis Cercopithecus,
+bij Agatharchides Sphinx. Bij de hedendaagsche Abessiniërs is Hebe, bij
+de Arabieren Robah en in Egypte eindelijk Khird de naam, waaronder hij
+bekend is. Bij al die namen is er geen, die aan de een of andere nymf
+herinnert, tenzij men „sphinx” als zulk een naam aanmerken wil.
+
+Van de vereering, die den Hamadryas van wege de oude Egyptenaars ten
+deel viel, heeft Duméril ons op de hoogte gebracht. Op de Egyptische
+oudheden wordt onze Baviaan als ’t ware als opperhoofd van zijn
+geslacht aangeduid. Het heilige hiëroglyphen-schrift bevat dikwijls
+afbeeldingen van Apen; alleen de Hamadryas, en dan nog wel steeds het
+oude mannetje komt er in voor, gezeten op het altaar, de eerbewijzen
+der menschen ontvangend. Herhaaldelijk ziet men hem ook afgebeeld als
+rechter, die over de goede werken en misdrijven der menschen oordeelt;
+hij heeft een weegschaal voor zich, en beschouwt met ernstigen blik den
+stand der schalen. Een hooge achting voor de godheid, welker zinnebeeld
+hij was, spreekt uit alle oud-Egyptische afbeeldingen. Waarschijnlijk
+had de vereering van den Hamadryas en die van den Krokodil denzelfden
+grondslag: zij vloeide voort uit vrees; want toen reeds waren er
+menschen, die hun God vreesden, in plaats van hem lief te hebben.
+
+Merkwaardig is het, dat niet alleen de Egyptenaars aan dezen Aap
+achting betoonden, maar dat ook bij andere volken een dergelijk gevoel
+wordt waargenomen. Alle bewoners van de steppen van Centraal-Afrika en
+ook een groot deel van de Abessiniërs dragen hun haar precies op
+dezelfde wijze gekamd en gescheiden als de Hamadryas; hij heeft
+klaarblijkelijk deze menschen als model gediend, al hebben zij ook meer
+het afgebeelde dan het levende dier voor oogen gehad. In den
+tegenwoordigen tijd wordt den Hamadryas in deze landen geen eer meer
+bewezen. De schade die hij aanricht, is te groot, dan dat hij zich de
+vriendschap van den mensch zou hebben verworven.
+
+In onzen tijd vindt men dit dier in Egypte nergens meer in ’t wild.
+Prosper Alpinus, die in ’t jaar 1580 in Egypte was, zegt uitdrukkelijk,
+dat daar geen Apen gevonden worden, maar dat deze uit Arabië worden
+ingevoerd. „Zij zijn zoo talentvol,” zegt hij verder, „dat men hun het
+verstand niet ontzeggen kan. De dierentemmers leeren hun zeer
+gemakkelijk wat zij willen, soms hoogst vernuftige spelen, waarmede zij
+de toeschouwers vermaken. Zulke afgerichte Apen ziet men dikwijls in
+Kaïro, Alexandrië en op andere plaatsen.”—Ik ontmoette den
+Mantel-Baviaan gedurende mijn eerste reis in Afrika nergens in wilden
+staat, des te vaker overkwam mij dit echter gedurende mijn, ongelukkig
+maar zeer kort, uitstapje naar Abessinië in de lente van 1862; ik kan
+dus op grond van eigen ervaring over hem spreken.
+
+De Hamadryaden bewonen in vrij groot aantal het geheele kustgebied van
+Abessinië en Zuid-Nubië, noordwaarts zoover er regen valt. Hoe rijker
+aan planten de bergstreken zijn, des te beter bevallen zij hun. De
+nabijheid van water is een noodzakelijke voorwaarde voor het welzijn
+van een apenbende. Soms begeven de gezelschappen van Apen zich van de
+hoogere bergen naar de lagere heuvelrijen van de Samchara (de
+woestijnstrook langs de zeekust); de meeste echter blijven altijd in
+het hooge gebergte. Hier bewoont elke bende een gebied van misschien 1½
+à 2 mijlen middellijn. Kleine gezelschappen ontmoet men veel zeldzamer
+dan groote. Een enkele maal zag ik een troep van 15 à 20 stuks,
+overigens echter altijd benden, die volgens de laagste schatting uit
+150 exemplaren bestonden. Daarbij zijn dan ongeveer 10 à 15 geheel
+volwassen mannetjes (echte monsters van aanzienlijke grootte en met een
+gebit, dat door de sterkte en lengte der tanden veel meer indruk maakt
+dan dat van den Luipaard) en omstreeks dubbel zooveel volwassene
+wijfjes. De andere zijn jongen en halfvolwassen. De oude mannetjes
+onderscheiden zich door hun geweldige grootte en den langen haarmantel;
+bij een door mij geschoten mannetje van middelbaren leeftijd waren de
+mantelharen 27 cM. lang; de wijfjes zijn korter behaard en donkerder,
+n.l. olijfbruin, van kleur; de jongen gelijken op de moeder. Onze
+afbeelding ontslaat mij van de moeite een beschrijving te geven van de
+haren op den kop van den Hamadryas, welker zonderlinge stand bij de
+Afrikanen zoo grooten bijval vond; van de kleur moet ik echter
+opmerken, dat ieder afzonderlijk haar afwisselend groenachtig bruin en
+geelachtig geringd is; hierdoor wordt het zeer moeilijk den totalen
+indruk van de kleur van het haarkleed te beschrijven: het meest gelijkt
+het op verdord gras. De zijden van den kop en de achterpooten zijn
+altijd lichter van kleur, meestal aschgrauw. Het zitvlak is vuurrood,
+het onbehaarde gelaat vuil vleeschkleurig. Hoe ouder de mannetjes
+worden, des te lichter wordt de kleur van hun mantel. Het komt mij
+echter waarschijnlijk voor, dat er minstens twee verschillende soorten
+van deze Bavianen zijn: een kleinere, met aschgrauwen mantel, die Azië
+bewoont, en een aanmerkelijk grootere, Afrikaansche soort, bij welke de
+kleur van den mantel tot in den hoogsten ouderdom nog altijd
+groenachtig blauwgrijs is. Onze afbeelding stelt de eerstbedoelde soort
+voor. De lengte van het volwassen mannetje bedraagt 0.9 à 1 M., waarvan
+20 à 25 cM. op den in een kwast eindigenden staart komen; de hoogte van
+de schoften bedraagt 50 cM.
+
+In den vroegen morgen en als het weder regenachtig is, vindt men de
+geheele bende op hare slaapplaats, n.l. in groote en kleine holen van
+onbeklimbare rotswanden en op rotsterrassen, die door overhangende
+steenmassa’s gedekt zijn. De Apen zitten hier zoo dicht mogelijk
+bijeengehurkt; de jongere en zwakkere leden van het gezelschap vleien
+zich tegen het lichaam van hun moeder en ook wel van hun vader aan. Bij
+goed weder verlaten de Apen hunne slaapplaatsen in den loop van den
+voormiddag, om langzaam en op hun gemak een wandeling over de rotsen te
+doen; hier en daar trekken zij een plant uit, waarvan de wortel, naar
+het schijnt, hun voornaamste voedsel uitmaakt; iedere niet al te groote
+steen wordt omgewenteld, omdat de hieronder verborgen Insecten, Slakken
+en Wormen als buitengewone lekkernijen worden beschouwd. Na het
+nuttigen van dit ontbijt klauteren allen naar de hooge kammen van het
+gebergte. De mannetjes gaan hier ernstig en vol waardigheid met den rug
+naar den wind gekeerd op de steenen zitten; de wijfjes houden toezicht
+op de onverpoosd stoeiende en spelende jongen, en bewegen zich te
+midden van deze. In de late namiddaguren begeeft de troep zich naar het
+naastbij gelegen water om daar te drinken; vervolgens gaan de Apen
+nogmaals voedsel zoeken, waarna zij een geschikte slaapplaats
+uitkiezen. Als deze bijzonder gunstig gelegen is, ziet men de Bavianen
+iederen dag tegen den avond er heentrekken, natuurlijk slechts zoolang
+zij zich hier veilig achten, en niet, als zij er herhaaldelijk
+vervolgingen hebben te verduren. Gunstig gelegen achten zij hun
+woonplaats ook, wanneer er in de nabijheid doerra-akkers voorkomen. De
+eigenaars van deze akkers mogen ze wel zorgvuldig bewaken, om er nog
+van te kunnen oogsten; daar zij iederen dag een bezoek hebben te
+duchten van de brutale roovers die op de rotsen verblijf houden; deze
+vernielen nog meer dan zij opeten, zoodat dikwijls de geheele oogst
+verloren gaat.
+
+Als de Mantel-Bavianen stil zitten, laten zij hun stem niet hooren,
+tenzij er iets gebeurt, wat hun aandacht trekt; zoodra zich echter het
+een of ander voorwerp in de verte vertoont, b.v. menschen of een kudde
+vee, laat een van de Apen zeer zonderlinge geluiden hooren, die nog het
+meest gelijken op het geblaf van sommige Honden, en waarschijnlijk
+niets anders ten doel hebben, dan den geheelen troep tot opmerkzaamheid
+aan te sporen. Wanneer er echter gevaar te duchten is door de nadering
+van een mensch of van een Roofdier, worden van allerlei leden van het
+gezelschap de meest verschillende geluiden vernomen. Het best kan men
+het mengelmoes van stemmen van een opgewondene Hamadryas-bende met het
+knorren en krijschen van een talrijke kudde Zwijnen vergelijken.
+Daartusschen verneemt men klanken, die soms herinneren aan het doffe
+gebrul van den Luipaard, soms aan het zware gebrom van een stier, die
+voor de veiligheid van zijn gezin bezorgd is. Het geheele gezelschap
+brult, bromt, blaft, schreeuwt, knort en krijscht ordeloos dooreen.
+Alle voor den strijd geschikte mannetjes begeven zich naar den rand van
+de rots, en kijken oplettend naar beneden in het dal om het gevaar
+nauwkeuriger te leeren kennen; de jongen zoeken bescherming bij de
+ouderen; de kleinen gaan aan de borst van de moeder hangen, of klimmen
+ook wel op haar rug; de geheele troep stelt zich in beweging, en snelt,
+op alle vier loopend en springend, heen.
+
+Voor de inboorlingen gevoelt de Hamadryas zoo goed als geen vrees. Hij
+trekt, zonder zich te bekommeren om de bruine menschen, hen op korten
+afstand voorbij, en drinkt met hen uit dezelfde beek. Een blanke
+boezemt hem meer wantrouwen in; ofschoon het overdreven zou zijn te
+beweren, dat de Apen hem schuw ontvluchten. Meer nog dan andere leden
+hunner familie toonen onze Bavianen de bedachtzame bedaardheid van
+iemand, die nooit naar een uitweg behoeft te zoeken, hoe nabij het
+gevaar ook moge zijn. Hun gelatenheid wordt echter op een harde proef
+gesteld, als zij Honden of, wat nog erger is, Luipaarden opmerken. Dan
+beginnen de oude mannetjes vreeselijk te brullen en te brommen, laten
+de tanden zien, en kijken met fonkelende oogen op de rustverstoorders
+neer, blijkbaar bereid om hen gemeenschappelijk aan te vallen.
+
+De eerste bende, die ik ontmoette, was bezig uit te rusten van de
+morgenwandeling. Zij zat op den kant van een naar beide zijden tamelijk
+steil afhellenden rotskam. Van verre reeds had ik de hooge gestalten
+der mannetjes waargenomen; ik hield ze toen echter voor op den kam
+liggende steenklompen, want hiermede hebben onze Apen, zoolang zij stil
+zitten, een groote overeenkomst. Ik bemerkte mijn vergissing eerst,
+toen ik een geblaf hoorde, dat ongeveer geleek op den schel
+uitgeschreeuwden en eenige malen herhaalden klank „koek”. Alle
+mannelijke Apen keken naar ons; de jongen echter speelden nog
+onbezorgd; eenige wijfjes gaven hun lievelingsbedrijf nog niet op, maar
+zochten nog ijverig in de vacht van een ouden heer naar ongedierte.
+Waarschijnlijk zou het geheele gezelschap in deze onderzoekende houding
+gebleven zijn, als wij niet twee flinke, op avonturen beluste Honden
+bij ons hadden gehad: mooie, slanke Windhonden, gewoon om Hyaena’s uit
+hun leger te verdrijven, en zelfs beproefd in den strijd tegen den hier
+inheemschen Wolf. Toen zij het geschreeuw der Apen met geblaf
+beantwoordden, kwam dadelijk de geheele bende in opstand.
+Waarschijnlijk met de bedoeling om een nog veiliger verblijfplaats op
+te zoeken, trokken de Apen langs den kam af, en verdwenen voor onze
+blikken. Toch zagen wij tot onze verrassing bij de volgende ombuiging
+van het dal dat geheele bende voor ons, ditmaal tegen een schijnbaar
+loodrecht opstijgenden, zeer hoogen rotswand; op een mij thans nog
+onverklaarbare wijze kleefden zij als ’t ware aan de rotsen en vormden
+een lange reeks. Deze reeks kwam ons te aanlokkelijk voor, om haar
+rustig te laten zitten. De jachtlust werd ons te machtig. Van het
+medelijden, dat iederen jager bevangt, als hij kleine Apen jaagt of
+jagen wil, gevoelden wij in dit geval geen zweem; wij zagen in de
+Hamadryaden geen wezens, die op menschen gelijken, maar woedende,
+grimmige roofdieren, die niet verdienden gespaard te worden en voor het
+jachtvermaak in alle opzichten geschikt waren. Ongelukkig was de
+rotswand zoo hoog, dat wij niet zeker konden zijn een van de dieren te
+zullen treffen. Het ging echter niet aan, verder te trekken zonder de
+rust van het gezelschap te verstoren. De knal van het eerste schot had
+een onbeschrijfelijke uitwerking. Het werd door een razend gebrul,
+gehuil, gebrom, geblaf en gekrijsch beantwoord, waarna de geheele stoet
+in beweging geraakte, en over den rotswand verder golfde; dit
+geschiedde met zulk een zekerheid van beweging, alsof het gezelschap
+zich op den vlakken bodem bevond, hoewel wij niet konden begrijpen, hoe
+het mogelijk kon zijn, daar vasten voet te krijgen. Een smalle lijst
+werd, naar het schijnt, door de Apen als een hoogst gemakkelijken weg
+beschouwd. Slechts op twee plaatsen bewoog de stoet zich langzamer en
+voorzichtiger; op een van deze moest hij omstreeks 3 M. ver afdalen en
+bijna evenveel weer omhoog klauteren. Wij losten ongeveer zes schoten;
+het was ons echter onmogelijk goed te mikken, onder andere ook omdat
+het schouwspel zoo verrassend was, dat wij de noodige kalmte niet
+konden behouden. Toch waren onze kogels nog goed genoeg gericht om den
+schrik der Apen tot ontsteltenis te doen toenemen. In de hoogste mate
+comisch was het te zien, hoe de geheele bende na ieder schot zich
+oogenblikkelijk aan de rots vastklemde, alsof het te vreezen was, dat
+zij door den schok reeds in de diepte zou worden gestort. Naar het
+scheen, werd geen hunner door onze kogels gekwetst. De schrik had hen
+echter blijkbaar overmeesterd; het kwam ons voor, dat zij de
+bedachtzaamheid, die hen gewoonlijk onderscheidt, geheel uit het oog
+verloren. Toen wij de volgende kromming van het dal bereikten, zagen
+wij den troep opnieuw, nu echter niet meer in de hoogte, maar op den
+vlakken bodem; de Apen waren juist voornemens het dal over te steken om
+op de hoogten aan den anderen kant een schuilplaats te zoeken. Een goed
+deel van de bende was reeds aan de andere zijde aangekomen; de
+hoofdmacht was echter nog achtergebleven. Toen onze Honden het golvende
+gewemel zagen, waren zij een oogenblik als verbijsterd, maar snelden
+onmiddellijk daarna onder luid geblaf op de bende toe. Dit gaf
+aanleiding tot een tooneel, zooals ons nog nooit onder de oogen was
+gekomen. Toen de Honden kwamen aanrennen, sprongen de oude mannetjes op
+eens van de rotsen af in het dal, de vijanden tegemoet; in een oogwenk
+waren de aanvallers omgeven door een kring van Apen: deze brulden
+vreeselijk, sperden den met dreigende tanden gewapenden bek wijd open,
+sloegen grimmig met de handen op den grond, en vestigden op hunne
+tegenstanders zulke boosaardige, van woede fonkelende blikken, dat de
+gewoonlijk zoo moedige en strijdlustige dieren geheel ontsteld
+afdeinsden en vol angst bij ons bescherming wilden zoeken. Zooals van
+zelf spreekt, hitsten wij ze opnieuw tot den strijd aan; het gelukte
+ons, hun ijver weer aan te wakkeren. Er was echter in den tusschentijd
+een verandering van tooneel gekomen; de Apen, die de overwinning
+meenden behaald te hebben, waren de andere gevolgd.
+
+Toen de Honden opnieuw op de Apen afkwamen, waren er nog maar weinige
+op den bodem van het dal; daarbij bevond zich een jong van een half
+jaar oud. Het schreeuwde luid, toen het de Honden zag naderen, vluchtte
+ten spoedigste op een rotsblok, en werd hier door onze uitmuntende
+bondgenooten volgens de regels van de kunst staande gehouden. Wij
+vleiden ons reeds met de hoop, dezen Aap te zullen buit maken; het kwam
+echter anders uit. Trotsch en vol waardigheid, zonder zich ook maar
+eenigszins te haasten en zonder acht op ons te slaan, kwam van den
+anderen kant een van de sterkste mannetjes naar omlaag; onbevreesd ging
+het de Honden tegemoet, wierp hun als bliksemschichten zijne stekende
+blikken toe, waardoor zij volkomen in bedwang werden gehouden, beklom
+toen langzaam het rotsblok, waarop het jong zich bevond, liefkoosde
+dit, en aanvaardde met de hulpbehoevende kleine den terugtocht, dicht
+bij de Honden langs; deze waren zoo verbluft, dat zij den redder en
+zijn beschermeling ongehinderd lieten trekken. De moedige daad van den
+stamvader der bende boezemde ook ons eerbied in; geen van ons dacht er
+aan, zijn ontvluchting te verhinderen, hoewel hij zich zoo dicht bij
+ons bevond, dat wij hem zeker hadden kunnen treffen.
+
+Op latere jachttochten leerde ik de Hamadryaden nog beter kennen, en
+was toen in de gelegenheid de taaiheid van ’t leven dezer dieren te
+bewonderen. Als de kogel hen niet onmiddellijk in het hart of in den
+kop had geraakt, waren wij onzen jachtbuit geregeld kwijt. Zij snelden,
+zelfs na een zware verwonding, nog zoo wakker voort, dat zij ons altijd
+ontsnapten. Een lading hagel werkte in ’t geheel niets uit bij zulk een
+Aap. Hij betastte even de gewonde plaats, wreef er met de hand
+overheen, en vervolgde zijn weg, alsof er niets gebeurd was.
+
+Sedert ik zelf deze dieren in vrijheid gezien heb, acht ik het in ’t
+geheel niet onwaarschijnlijk meer, dat zij een mensch, die niet met een
+geweer gewapend is, in ’t oogenblik van ’t grootste gevaar moedig te
+gemoet gaan, en hem gezamenlijk aanvallen; in dit opzicht worden de
+verhalen van de Arabieren en Abessyniërs trouwens bevestigd door de
+onderling overeenstemmende mededeelingen van goede waarnemers zooals
+Rüppell en Schimper. Persoonlijk heb ik dit wel is waar niet ervaren,
+maar wel heb ik gezien, dat de Hamadryaden zelfs voor een gewapend
+mensch slechts hoogst langzaam de wijk nemen, en dat zij daarbij op een
+zeer veel beteekenende wijze de tanden laten zien. Schimper verzekerde
+mij, dat de Hamadryas zonder schroom den mensch aanvalt niet alleen,
+maar ook hem overwint en om ’t leven brengt. Naar men zegt, hebben oude
+mannetjes herhaaldelijk zonder eenige aanleiding meisjes, die naar ’t
+bosch gegaan waren om hout te sprokkelen, aangevallen en gedood. Ook
+Rüppell bericht, dat deze afschuwelijke Aap onder de gevaarlijkste
+tegenstanders van den mensch gerekend moet worden.
+
+
+
+In de onmiddellijke nabijheid van den Hamadryas woont een tweede
+Mantel-Baviaan, de Dsjelada van de Abessyniërs (Cynocephalus gelada).
+Deze is de grootste van de geheele familie; hij is zelfs aanmerkelijk
+grooter dan de Hamadryas, hoewel dit door den Duitschen reiziger
+Rüppell, aan wien de eerste berichten over den Dsjelada te danken zijn,
+ontkend wordt. Schimper, die meer dan 30 jaren in Abessynië doorbracht,
+en Heuglin zeggen beiden, dat het bedoelde dier soms de grootte van een
+mensch bereikt. Van den Hamadryas onderscheidt hij zich op den eersten
+aanblik. De zeer dicht behaarde vacht, die zich op het achterste
+gedeelte van den hals, in den nek en op den rug tot een mantel
+verlengt, is zwartachtig bruin, vooral aan ’t aangezicht, aan de kin en
+aan de keel; de mantel en de lange staartkwast zijn geelachtig bruin;
+het haar op de keel, het voorste deel van den hals, de borst, het
+midden van den buik en de voorarmen is bruinachtig zwart; het gelaat is
+zwart. De beide kale plekken op het voorste deel van den hals en de
+borst zijn driehoekig, en hebben gezamenlijk, daar zij met de toppen
+naar elkander toegekeerd zijn, ongeveer den vorm van een zandlooper;
+zij zijn omgeven door grijs en wit gespikkelde haren. Geheel anders dan
+de Hamadryas, heeft de Dsjelada slechts zeer kleine eeltplekken, die
+volkomen van elkander gescheiden en zwartachtig grijs van kleur zijn.
+
+
+
+Niet zonder reden heeft men de beide afschuwelijkste Bavianen, die tot
+dusver bekend geworden zijn, van de overigen leden van dit geslacht
+afgescheiden, want in belangrijke opzichten verschillen zij van deze,
+hoewel zij er door den bouw van den romp mede overeenstemmen. Bij de
+twee soorten, die nu aan de beurt komen, is de kop, en meer
+bepaaldelijk de schedel, onevenredig groot; de zeer kleine oogen staan
+dicht bijeen; de rand van den oogkas verheft zich tot een soort van
+lijst. Aan weerszijden van den neus bevindt zich een overlangsche
+verhevenheid, die sterk opzwellen kan. De ledematen zijn zeer krachtig,
+de staart is een kort, rechtopstaand stompje, de eeltplekken breiden
+zich over het geheele achterste uit. Ook het haarkleed is eigenaardig:
+aan het achterste gedeelte van den kop en in den nek is het eenigszins
+verlengd; bovendien komt, althans bij de eene soort, een zeer levendig
+gekleurde, spits toeloopende kinbaard voor. De beide bedoelde
+Bavianen-soorten bewonen het westen van Afrika en komen reeds sedert
+300 jaar niet zelden levend tot ons.
+
+Wij noemden den Guereza de schoonste van alle Apen, met hetzelfde recht
+kunnen wij den Mandril (Cynocephalus mormon) als den leelijksten
+aanwijzen. Als hij oud geworden is, verdient hij in alle opzichten,
+zoowel om zijne lichamelijke eigenschappen als wegens zijn gemoed, een
+afschuwelijk beest genoemd te worden. Zijn lichaam is zeer krachtig,
+men zou haast zeggen eenigszins plomp gebouwd; de kop is afzichtelijk
+leelijk, het gebit werkelijk vreeswekkend, de beharing eigenaardig ruig
+en borstelig; de kleur van de onbehaarde lichaamsdeelen is in den
+hoogsten graad schel en afstootend. Ieder haar is zwart en olijfgroen
+geringd, waardoor de beharing van de rugzijde een donkerbruine,
+olijfgroen getinte kleur verkrijgt; de haren aan de borst zijn
+geelachtig, die aan den buik witachtig, die van de zijden licht
+bruinachtig; de kinbaard is hel citroengeel; achter het oor bevindt
+zich een grijsachtig witte vlek. De handen en de ooren zijn zwart, de
+neus en hare omgeving zijn vermiljoenrood, de opzwellingen langs de
+wangen korenbloemen-blauw, de hierin voorkomende groeven zwart; de
+eeltplekken en andere achterdeelen zijn rood en blauw. De oude
+mannetjes bereiken een lengte van 1 M. en meer, bij ongeveer 60 cM.
+hoogte in de schoften, het staartstompje daarentegen is weinig langer
+dan 3 cM.
+
+De Dril (Cynocephalus leucophaeus) is een weinig kleiner dan zijn
+stamgenoot; de vacht is aan de bovendeelen olijfbruin, van onderen en
+aan de binnenzijde witachtig, de wangbaard is vaal witachtig, het
+aangezicht zwart; de handen en voeten zijn koperkleurig bruinachtig.
+
+Het is opvallend genoeg, dat van het leven in vrijen toestand van deze
+beide Apen, die reeds sedert zoovele jaren in gevangenschap zijn
+waargenomen, niets zekers bekend is. Beide soorten zijn van de kust van
+Guinea afkomstig, en worden hoofdzakelijk van de Goudkust naar Europa
+vervoerd. Naar gezegd wordt, leven beide soorten tot troepen vereenigd
+in bergachtige bosschen, deels op rotsen, deels op boomen; zij verlaten
+echter niet zelden hunne gewone verblijfplaatsen om de nabijliggende
+volksplantingen te bezoeken en hier naar hartelust te plunderen. Men
+zegt ook, dat benden van deze dieren de dorpen overvallen en, bij
+afwezigheid van de mannen, de vrouwen en kinderen mishandelen. Men
+verhaalt, dat de inboorlingen den Mandril meer vreezen dan den Leeuw,
+nooit een strijd met hem wagen, ja zelfs niet eens de bosschen durven
+bezoeken, waarin deze Aap zich ophoudt, behalve wanneer de mannen in
+grooten getale en met goede wapens voorzien, een echten kruistocht
+tegen hunne vijanden ondernemen.
+
+Een jonge Mandril is een allerliefst dier, dat op uitstekende wijze de
+rol van komiek vervult te midden van een uitgelezen gezelschap van
+stamgenooten in het apenhuis; hij is een liefhebber van potsen en dolle
+streken van allerlei soort, met een onverstoorbaar goed humeur begaafd,
+en in weerwil van zijn onverbeterlijke onbeschaamdheid geenszins
+afkeerwekkend. Maar al te spoedig komt hierin verandering, veel vroeger
+dan bij andere Bavianen; reeds na verloop van weinige jaren vertoont de
+Mandril zich in al zijn afschuwelijkheid. De toorn van andere Apen is,
+volgens de woorden van een Engelschen schrijver, „het zachte suizen van
+den wind in vergelijking met de woede van den Mandril, die op een van
+de ontzettende, alles vernielende orkanen, der keerkringslanden
+gelijkt”. Zijn hartstochtelijkheid is grenzeloos. Als hij toornig
+wordt, geraakt hij in een vreeselijken toestand van opgewondenheid,
+vergeet alles om zich heen, en werpt zich als zinneloos op zijn vijand.
+Een waarlijk duivelsche glans straalt dan uit de oogen van het wilde
+beest, dat met demonische kracht en boosaardigheid begaafd schijnt te
+zijn. Slechts één gedachte bezielt hem nu: hij wil zijn tegenstander
+verscheuren, en alles wat hem verhindert dit te doen, uit den weg
+ruimen. Hij bekommert zich niet in het minst om de zweep, zelfs niet om
+het blanke wapen. Zijn aanval is geen bewijs van stoutmoedigheid meer,
+maar van ware dolzinnigheid. De opzichters in een dierentuin hebben
+geen dier meer te vreezen dan een woedenden Mandril. De Leeuw en de
+Tijger zijn lammetjes bij hem vergeleken; zij schikken zich althans op
+een verstandige wijze in de omstandigheden; de Hamadryaden en andere
+Bavianen zijn nevens hem slechts kindertjes of stumpers.
+
+Over de aard der Mandrillen, die Pechuel-Loesche jaren lang te
+Tschintschotso op de Loango-kust heeft nagegaan, schrijft deze
+onderzoeker het volgende: „Wij hielden drie Mandrillen op ons erf; zij
+waren met touwen vastgemaakt aan staken, waarop hun woning stond; zij
+ontvluchtten niet, wanneer zij zich nu en dan in volle vrijheid mochten
+bewegen. Het waren echte Bavianen, vol list en sluwheid, ongemanierd,
+uitgelaten, altijd zinnend op kattekwaad, en wel bewust, dat zij ons
+met hunne handelingen vermaakten. Toch was bij alle drie een verschil
+in karakter op te merken. Pavy, een mannetje, was zeer lieftallig,
+vleiend en buitengewoon aan ons gehecht. Jack, een zwak wijfje, was een
+volleerde humorist, maakte gekheid met alle menschen (met uitzondering
+van vrouwen, daar zij aan dezen een hekel had), was echter niemand
+bijzonder genegen. Isabella, een zeer sterk wijfje, dat reeds geheel
+volwassen was, toen het ons geschonken werd, daar het wegens haar
+boosaardigheid niet meer geduld kon worden in de factorij, waar het
+vroeger gehuisvest was, viel woedend op alle menschen aan, die in haar
+nabijheid kwamen, zonder op sekse, leeftijd of huidkleur te letten. Het
+duurde lang, voordat zij—door een doelmatige, vriendelijke behandeling
+tot kalmte gebracht—ons, Europeanen, althans niet meer als vijanden
+beschouwde. Haar karakter was bedorven: zij liet zich al het goede
+welgevallen, maar toonde geen erkentelijkheid er voor.”
+
+„Pavy en Jack waren bijna zoo waakzaam als Honden. Op hunne hooge
+huisjes gezeten, keken zij oplettend rond; ongewone verschijnselen in
+de omgeving en het naderen van bezoekers kondigden zij altijd aan. Daar
+wij voor hen, evenals voor de andere huisdieren, van onze uitstapjes
+gaarne eenige zeer door hen gewaardeerde snoeperijen—lekkere vruchten,
+zoete grashalmen, bladen, Kevers, Sprinkhanen, enz.—medebrachten,
+hadden zij de gewoonte aangenomen, om onze terugkomst in spanning af te
+wachten, en ons reeds op een afstand van eenige honderden schreden met
+vroolijk kakelen en kraaien te begroeten, waarbij zij den kop op een
+grappige wijze naar boven staken, of de meest gewaagde kunstsprongen
+vertoonden. Zij deden dit nog veel meer, als wij hen aanriepen. Daar
+ook de Zwarte Baviaan zijn eigenaardige redevoering begon te houden, en
+de overige dieren (de Cimpanzees met hun oorverdoovend geschreeuw niet
+uitgezonderd) eveneens drukte begonnen te maken, zoodra zij onze
+stemmen vernamen, was het dikwijls, alsof ons geheele erf in opstand
+kwam.
+
+„Het was voor mij een geheel nieuw verschijnsel, dat de Bavianen zich
+het een of ander levenloos voorwerp tot speelgoed uitkozen, en dit (op
+gelijke wijze als de kinderen hunne poppen naar bed medenemen) in hunne
+slaaphokken medevoerden en het hier ook overdag bewaarden. Zoo hield
+Isabella gedurende langen tijd zeer veel van een klein, blank, blikken
+doosje, Pavy van een krom stukje hout, dat hij onder de vroolijkste
+kapriolen van den bodem in de lucht liet springen, door er met de hand
+op te slaan. Eens vloog het te ver, zoodat Jack zich er meester van
+maakte. Hierover ontbrandde tusschen de beide Apen een grimmige
+vijandschap. Daar echter de lange lijnen waaraan de beide kampioenen
+vast lagen, zoo ingericht waren, dat zij niet bij elkander konden
+komen, schoot hun niets ander over, dan zoo dicht mogelijk bij elkander
+te gaan staan, de woedendste grimassen te maken en onderling te kijven.
+De plotseling uitgebarsten vijandschap bleef onverminderd voortduren,
+nadat ik Pavy zijn houtje teruggegeven had. Later vermaakte hij zich
+ook zeer lief met een geweerkogel. Jack daarentegen had een hartstocht
+opgevat voor mijn insolatie-thermometer: als hij vrijgelaten werd, en
+wist, dat men niet naar hem keek, sprong hij op dit voorwerp toe en nam
+het weg. Hij had blijkbaar schik in het glinsteren van het glas, ging
+er echter zoo zorgvuldig mede om, dat het instrument geen schade leed,
+zelfs als hij het medegenomen had boven in een boom of op een dak, en
+het hem afgevleid moest worden.”
+
+
+
+Een der meest afwijkende soorten van het geheele geslacht en tevens een
+der fraaiste Apen, is de Nilbandar, Schiabander, Wanderoe enz. van de
+Indiërs, onze Zwarte Baard-Aap (Cynocephalus silenus). Hij is
+gekenmerkt door den gedrongen lichaamsbouw, door een zwaren ringbaard,
+die het geheele aangezicht omsluit, en door een middelmatig langen, in
+een kwast eindigenden staart. De zeer dichte, langharige vacht is
+glanzig zwart, aan de onderzijde licht bruinachtig grijs; de bij wijze
+van manen verlengde ringbaard daarentegen is wit, gedurende de jeugd
+grijsachtig; de handen en voeten zijn dof van kleur; de goedaardige
+oogen hebben een bruin regenboogvlies. In volwassen toestand is deze
+Aap iets minder dan 1 M. lang.
+
+Over het vaderland van den Baard-Aap heeft men tot in den laatsten tijd
+in dwaling verkeerd, daar men meestal Ceylon hiervoor gehouden heeft.
+Volgens latere berichten is het dier niet op het genoemde eiland, maar
+in Malabar inheemsch; hij bewoont hier uitsluitend de dichte bosschen
+van hooggelegen gewesten en leeft in troepen van 12 à 20 stuks. Zijn
+verbreidingsgebied strekt zich van ongeveer 14° N.B. tot aan Kaap
+Comorin uit.
+
+
+
+Wegens het in ’t oogloopend verschil tusschen de tropische gewesten van
+het oostelijke en die van het westelijke halfrond, zou hij, die lust
+tot reizen heeft, en wien het geluk ten deel valt, zijn reislust te
+kunnen bevredigen, bij een bezoek aan Zuid-Amerika zich in een
+tooverwereld verplaatst wanen, waar de bekoring van het nieuwe hem
+geheel bevangt. De overweldigende rijkdom der natuur zou hem zelfs
+allicht voor eenigen tijd de talrijke voorrechten van het oude
+wereldhalfrond uit het oog doen verliezen. Met weinig dragen de
+Zuid-Amerikaansche diervormen tot dezen indruk bij; ook die, welke nu
+behandeld moeten worden—de Apen van de Nieuwe Wereld—, kunnen dit
+gevoel wekken of versterken, daar zij in belangrijke opzichten afwijken
+van de Smalneuzen, die in het oostelijk halfrond de orde der Apen
+vertegenwoordigen.
+
+Hoewel de Breedneuzen of Apen met breed neusmiddelschot (Platyrrhini)
+zeer merkwaardige wezens zijn, kunnen zij echter niet, of althans
+slechts bij uitzondering schoon genoemd worden; bijna alle zijn
+onbeholpener, trager, droefgeestiger en geesteloozer dan de Apen van de
+Oude Wereld; terecht noemt men ze veel onschuldiger, goedaardiger en
+onschadelijker dan deze; maar juist daarom zijn het geen echte Apen.
+Want deze zouden ons niet voldoen zonder hunne kenmerkende
+eigenschappen, zonder hun vroolijkheid, dartelheid, overmoedigheid,
+onbeschaamdheid, ja zelfs, zou ik er bij willen voegen, zonder hun
+nutteloosheid. Wij zijn er nu eenmaal aan gewoon, in deze merkwaardige
+wezens caricaturen van ons zelf te aanschouwen, en gevoelen ons
+onbevredigd, als zij dit alleen naar het uitwendige en niet tevens naar
+het inwendige zijn.
+
+Alle Breedneuzen verschillen door den bouw van den stam en van de
+ledematen, alsook door het tandenstelsel, van hunne verwanten in het
+oostelijk halfrond. Hun lichaam is gewoonlijk rank; de ledematen zijn
+slank; de staart ontbreekt nooit en wordt ook nooit geheel rudimentair;
+daarentegen doet hij dikwijls dienst als een vijfde hand, daar hij aan
+den top door krachtige spieren opgerold en derhalve als grijporgaan
+gebruikt kan worden. De duim van de voorhanden kan niet zoo goed aan de
+overige vingers tegenovergesteld worden als die van de achterhanden.
+Het gebit bestaat niet uit 32 tanden, zooals bij de Menschen en bij de
+Apen van de Oude Wereld, maar uit 36. Deze vermeerdering komt vanwege
+het aantal valsche of kleine kiezen, waarvan er in elke kaakhelft (in
+plaats van 2) 3 zijn. Wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak komen
+bij hen nooit voor. Het neusmiddelschot is breed. Geen enkel lid van
+deze familie bereikt een voor de Apen aanzienlijke grootte, geen van
+hen heeft een vooruitstekenden snuit. Hun kleur, hoewel bij
+verschillende soorten zeer uiteenloopend, is nooit zoo bont als die van
+vele Aziatische en Afrikaansche Apen.
+
+Het verbreidingsgebied van de Breedneuzen is beperkt tot Zuid-Amerika.
+De 29e graad N.B. vormt ongeveer de noordelijke grens van dit gebied.
+In westelijke richting is het begrensd door den Andes-keten, naar het
+oosten door den Atlantischen Oceaan en ten zuiden door den 25en graad
+Z.B.
+
+Alle Breedneuzen zijn uitsluitend boomdieren en behooren dus vooral in
+de oerwouden tehuis. Van waterrijke of moerassige gewesten houden zij
+meer, dan van droge. Op den bodem dalen zij slechts in gevallen van
+uitersten nood af; ook gaan zij niet, evenals de andere dieren dezer
+orde, naar het water om te drinken; maar laten zich bij slingerplanten,
+overhangende takken en dergelijke hulpmiddelen tot op den waterspiegel
+zakken, zoodat zij drinken zonder de takken te verlaten. Het is wel
+mogelijk, dat enkele dezer dieren honderden van mijlen afleggen, zonder
+op hun weg ooit met den bodem in aanraking te komen. De boomen bieden
+hun alles aan, wat zij noodig hebben; want hun voedsel bestaat
+uitsluitend uit allerlei plantdeelen, Insecten, Spinnen, vogeleieren of
+jonge nestvogels, en honig; slechts weinige begeven zich nu en dan naar
+een plantage om haar te plunderen.
+
+De meeste leden dezer familie zijn overdag bezig, eenige weinige
+soorten zijn schemering dieren of echte nachtdieren. Zoowel deze als
+gene zijn in wakende toestand vlug en behendig; toch zijn er onder hen
+uiterst trage soorten, als ’t ware de Orang-Oetans van de Nieuwe
+Wereld. Alle kunnen voortreffelijk klimmen, vele maken hierbij, zooals
+reeds gezegd werd een uitmuntend gebruik van hun voor dit doel
+uitstekend geschikten staart. Deze is in den letterlijken zin van ’t
+woord onmisbaar voor vele van deze overigens zeer onhandige dieren; zij
+zouden zich zonder dit orgaan niet kunnen redden. Hun onhandigheid
+maakt een voortdurende beveiliging van het lichaam tegen het vallen
+noodig, en deze wordt hun in alle omstandigheden door den grijpstaart
+(p. 43) of den rolstaart (p. 47) verschaft. Bijna in iedere houding,
+ook gedurende de diepste rust, slingeren de bedoelden Apen hun staart
+om het een of ander voorwerp, zij het dan ook slechts om een van hun
+eigen lichaamsdeelen. Van dit merkwaardig geschenk der natuur, welks
+spierkracht die van de andere lichaamsdeelen ver overtreft, en welks
+spits zich door fijngevoeligheid onderscheidt, maken zij gedurende hun
+kalm leven een zeer uitgebreid gebruik; het verschaft hun eenige
+vergoeding voor het gemis van de vlugheid naar lichaam en geest, die
+hunne overzeesche verwanten kenmerkt. Maar toch nemen de echte boomapen
+van de Oude Wereld, hoewel zij dit hulpmiddel missen, onder de Apen
+zonder eenigen twijfel den eersten rang in, wat de geschiktheid tot
+springen en klimmen betreft. Wanneer de Apen van de Nieuwe Wereld zich
+op den grond bewegen, gaan zij bijna altijd op alle vier ledematen en
+doen dit steeds waggelend en op een onbeholpen wijze.
+
+Hunne geestvermogens zijn veel geringer dan die van hunne smalneuzige
+verwanten. Over ’t geheel genomen zijn zij zachtaardig, goedmoedig en
+gezellig, maar tevens dom, onhandig, onleerzaam en log. Sommige toonen
+nieuwsgierigheid, dartelheid en plaagzucht, andere echter brommigheid,
+eigenzinnigheid, boosaardigheid, arglist en lust tot bijten. Ook zij
+zijn geil, snoeplustig, diefachtig en hebzuchtig; aan slechte
+eigenschappen ontbreekt het hun dus niet;—de goede hoedanigheden van de
+Apen der Oude Wereld missen zij echter. Wie te kiezen heeft tusschen de
+Apen der Oude Wereld en die van de Nieuwe, en beslissen moet, welke hem
+het best bevallen, zal wel nooit lang in twijfel verkeeren. In vrijen
+toestand zijn de Breedneuzen in den regel schuw en vreesachtig, en niet
+in staat een wezenlijk gevaar van een denkbeeldig te onderscheiden.
+Daarom nemen zij voor elk ongewoon verschijnsel de vlucht, en trachten
+zich ten spoedigste te verbergen te midden van het dichte doolhof van
+takken en twijgen. Die, welke aangeschoten zijn, bijten verwoed naar
+den jager, die hen grijpen wil. Waarschijnlijk bieden zij alleen aan
+kleine Roofdieren weerstand. Het zijn krachtelooze, lafhartige wezens.
+
+Als zij gevangen zijn, gedragen zij zich weldra lief en vertrouwelijk;
+soms, doch niet altijd, worden zij op meer gevorderden leeftijd
+boosaardig en bijtlustig. Hun traagheid naar lichaam en geest, hun
+zwaarmoedig voorkomen, de jammerende geluiden, die zij dikwijls met
+merkwaardige volharding voortbrengen, hun onzindelijkheid,
+weekelijkheid en gering weerstandsvermogen tegen veranderde
+levensomstandigheden: al deze eigenaardigheden en gewoonten maken, dat
+zij geen aanbeveling verdienen als huisgenooten van den mensch, hem
+geen aangenaam tijdverdrijf kunnen verschaffen. Op dezen regel vormen
+eenige weinige soorten echter een gunstige uitzondering; deze komen
+daarom dikwijls in getemden toestand voor, en loonen de zorg, die men
+hun wijdt. Vele zijn zeer gevoelig voor indrukken van buiten; zij geven
+hunne gewaarwordingen door vriendelijk kijken of door klagen te kennen,
+en hebben daardoor de vriendschap van sommige menschen, vooral van
+teerhartige dames, weten te verwerven.
+
+Hun moederliefde is even treffend als die van de Apen der Oude Wereld.
+Zij brengen bij elken worp 1 of 2 jongen ter wereld, die zij
+liefhebben, koesteren, verzorgen en beschermen met een nauwgezetheid en
+hartelijkheid, welke door iederen ooggetuige terecht bewonderd wordt.
+
+Voor den mensch worden de Apen der Nieuwe Wereld niet of slechts in
+enkele gevallen schadelijk. Het uitgestrekte, rijke woud is hun
+vaderland; het voedt en verzorgt hen; zij hebben den beheerscher der
+aarde en de voortbrengselen van zijn arbeid niet noodig. Slechts
+weinige soorten doen nu en dan een strooptocht op de akkers, die dicht
+bij het woud gelegen zijn; de belasting die zij heffen, is evenwel van
+geen beteekenis in vergelijking met de afpersingen, waaraan de Apen van
+de Oude Wereld zich schuldig maken. De mensch jaagt ze ter wille van
+hun vleesch en hun pels. Menig reiziger in Amerika is gedwongen geweest
+de Apen gedurende langen tijd als zeer begeerlijk wild te beschouwen,
+en ze in den vorm van soep of gebraad te gebruiken. Menige schoone dame
+bergt en verwarmt hare zachte handen in een hulsel, dat eertijds het
+lichaam van een Aap bekleedde.
+
+Voor de inboorlingen van Amerika is de Aap een uiterst belangrijk dier,
+want hun voedsel bestaat grootendeels uit zijn vleesch. Zij maken
+ijverig jacht op hem. Gewoonlijk maken zij hierbij gebruik van een
+boog, niet zelden echter ook van een blaaspijp, waarmede zij kleine
+pijlen schieten, die vooraf met de spits in een der vreeselijkste
+vergiften gedoopt zijn. Hoewel alle Apen den pijl zoo spoedig mogelijk
+uit de wonde trachten te verwijderen, baat hun dit niet; daar de
+listige jager het werptuig half doorgesneden heeft, zoodat in verreweg
+de meeste gevallen de vergiftigde spits afbreekt en steken blijft in de
+wonde, die hierdoor gevaarlijk genoeg wordt, om zelfs aan veel sterkere
+dieren het leven te benemen.
+
+Met ditzelfde wapen maken de Indianen zich ook meester van de Apen, die
+zij levend wenschen te bezitten. „Als de Arekoenas,” zegt Schomburgk,
+„een ouden, koppigen Aap willen temmen, bestrijken zij het pijltje, dat
+hem treffen zal, met verzwakt woerari-gif. Als hij naar beneden valt,
+wordt de wonde dadelijk uitgezogen; daarna begraven zij hem tot aan den
+hals in den grond, en gieten hem een sterke oplossing van
+salpeterhoudende aarde of sap van suikerriet in. Als de patiënt een
+weinig bijgekomen is, wordt hij uit den grond genomen en als een
+bakerkind ingewikkeld. Terwijl hij in dit dwangbuis zit, krijgt hij
+eenige dagen achtereen tot drank niets anders dan suikeroplossing en
+tot voedsel spijzen, die in een salpeteroplossing gekookt en sterk met
+spaansche peper gekruid zijn. Als na deze paardenkuur de gewenschte
+gevolgen uitblijven, wordt het moeilijk te temmen dier een tijdlang in
+den rook opgehangen. Weldra kalmeert zich nu zijn woede, het boosaardig
+oog verkrijgt een zachtere uitdrukking en smeekt om erbarming. Dan
+worden de banden losgemaakt, en zelfs de bijtlustigste Aap schijnt nu
+volkomen vergeten te hebben, dat hij eertijds vrij in ’t woud geleefd
+heeft.”
+
+Er komen betrekkelijk niet vele soorten van deze apenfamilie in de
+Europeesche diergaarden voor, en ook deze ziet men er niet algemeen.
+Het meest ziet men Rolapen op onze wilde-dierenmarkt, veel zeldzamer
+een Slinger-, hoogst zelden een Eekhoornaap, een Saki of een Nachtaap.
+Voor zoover mij bekend is, zijn slechts weinige exemplaren van
+Brul-apen in levenden toestand in Europa aangekomen.
+
+De Breedneuzen worden verdeeld in twee onderfamiliën, waarvan wij aan
+die der Grijpstaartapen (Cebidae) den voorrang geven. Door hun
+grijpstaart onderscheiden zij zich van de leden der andere groep, die
+der Slapstaartapen (Pithecidae).
+
+
+
+Van de Grijpstaartapen willen wij het geslacht der Brulapen (Mycetes)
+het eerst behandelen. Hun romp is ineengedrongen, hun kop hoog,
+piramidevormig, de snuit vooruitstekend; de duim van de voorhand is
+dun. Het dichte haarkleed is aan de kin bij wijze van een baard
+verlengd. Als een eigenaardig kenmerk van de Brulapen, moeten wij in de
+eerste plaats het blaasvormig gezwollen tongbeen vermelden. Alexander
+von Humboldt was de eerste natuuronderzoeker, die dit orgaan ontleedde.
+„Terwijl de kleine Amerikaansche Apen,” zegt hij, „die als Musschen
+tjilpen, een eenvoudig, dun tongbeen hebben, ligt de tong bij de groote
+Apen op een groote, beenige trommel. Het strottenhoofd heeft zes
+zakken, waarin de stem blijft hangen en waarvan twee, die den vorm van
+een duivennest hebben, veel gelijken op het onderste strottenhoofd der
+Vogels. De jammerende toon, die aan den Brulaap eigen is, ontstaat, als
+de lucht met geweld de beenige trommel binnenstroomt. Als men bedenkt,
+hoe groot deze beenige doos is, verwondert men zich niet meer over de
+sterkte en den omvang van de stem dezer dieren, die hun naam met het
+volste recht dragen.” De staart van de Brulapen is zeer lang, met een
+aan de onderzijde onbehaard uiteinde voorzien, rijk aan zenuwen en
+bloedvaten en zeer gespierd; dit orgaan is dus zeer geschikt tot
+grijpwerktuig.
+
+De Brulapen zijn zeer verbreid; zij worden in bijna alle landen en
+gewesten van Zuid-Amerika aangetroffen. Bij voorkeur bewonen zij
+dichte, hoogstammige en vochtige wouden; in de steppen komen zij alleen
+daar voor, waar de afzonderlijke boomgroepen zich vergroot hebben tot
+kleine bosschen, in welker nabijheid water te vinden is. In droge
+streken vestigen zij zich in ’t geheel niet, van koelere gewesten zijn
+zij minder afkeerig.
+
+
+
+De Aloeate of Roode Brulaap (Mycetes seniculus) heeft een roodachtig
+bruine, op het midden van den rug goudgele vacht; de haren zijn kort,
+min of meer stijf en aan hun onderste gedeelte effen van kleur; het
+wolhaar ontbreekt. De lengte bedraagt 1.35 M., waarvan trouwens 70 cM.
+op den staart komen. Het wijfje is kleiner en donkerder van kleur.
+
+Bij den Caraya of Zwarten Brulaap (Mycetes niger) is het haar
+aanmerkelijk langer en eenkleurig zwart, slechts aan de zijden een
+weinig roodachtig, bij het wijfje ook aan de onderzijde geelachtig.
+Zijn lengte bedraagt ongeveer 1.3 M., waarvan de helft op den staart
+komt. Dit dier komt alleen in Paraguay voor, de Aloeate echter in het
+geheele oosten van Zuid-Amerika.
+
+De Brulaap behoort tot die Amerikaansche dieren, waarmede de reizigers
+reeds sedert den aanvang van het geschiedkundig tijdperk in dit
+werelddeel bekend geworden zijn. De eerste berichten waren natuurlijk
+zeer onvolledig en met vele fabels vermengd. Eenige van deze fabels
+zijn ook nu nog in omloop onder de Indianen en de blanken, die de
+genoemde Apen alleen van hooren zeggen kennen. Wij laten deze verhalen
+achterwege en bepalen ons tot de mededeelingen van ervaren
+onderzoekers.
+
+„Na mijn aankomst”, zegt de door zijne uitmuntende beschrijvingen
+bekende Schomburgk, „had ik bij het op- en ondergaan van de zon het
+verschrikkelijk gehuil van de talrijke Brulapen uit het oerwoud tot mij
+hooren komen, zonder dat het mij op mijne zwerftochten gelukt was, de
+dieren zelf te vinden. Toen ik mij eens op een morgen met een
+jachtgeweer gewapend naar het oerwoud begaf, klonk mij van daar opnieuw
+een uit de verte komend woest gehuil tegemoet, dat mijn jachtlust sterk
+aanwakkerde. Ik snelde daarom door dik en dun op het gebrul af, en
+bereikte na veel inspanning en lang zoeken, zonder opgemerkt te worden,
+het geraas makende gezelschap. Vóór mij op een hoogen boom zaten zij,
+en voerden een allerverschrikkelijkst concert uit; het was alsof alle
+wilde dieren van het woud daar bijeengekomen waren, om met elkander een
+strijd op leven en dood te voeren. Om billijk te zijn, mag ik echter
+niet verzwijgen, dat er tusschen de zangers een soort van
+overeenstemming bestond. Soms zwegen alle leden van het over den
+geheelen boom verspreide gezelschap, alle tegelijkertijd, en bleven in
+rust, totdat even onverwacht een van de zangers zijn onwelluidende stem
+opnieuw weerklinken liet, en het gehuil van voren af begon. Het op en
+neer bewegen van de beenige trommel aan het tongbeen, die door zijn
+resonance aan de stem zijn merkwaardige kracht verschaft, kan men
+gedurende het schreeuwen duidelijk zien. In ’t eene oogenblik geleek
+het geluid op het knorren van een varken, in ’t volgende kwam het
+overeen met het brullen van den Jaguar, die zijn prooi bespringt, om
+kort daarna over te gaan in het zware en verschrikkelijke gebrom, dat
+hetzelfde Roofdier laat hooren als het, aan alle zijden omsingeld, het
+hem dreigende gevaar inziet. Hoe onbehagelijk deze muziek ook was, toch
+had het gezelschap, dat zich op deze wijze vermaakte, iets grappigs
+over zich. Zelfs het gelaat van den sombersten menschenhater zou op
+sommige oogenblikken sporen van een glimlach vertoond hebben, als hij
+gezien had, hoe stijf en ernstig deze zwaar gebaarde concertgevers
+elkander aankeken. Men had mij gezegd, dat iedere bende haar eigen
+voorzanger heeft, wiens fijne, piepende stem een scherpe tegenstelling
+vormt met het zware basgeluid der overige zangers, en die zich
+bovendien door een veel slankere en fijnere gestalte onderscheidt. Ik
+vond de eerste mededeeling bij deze bende volkomen bevestigd; maar de
+fijnere en schralere gestalte zocht ik tevergeefs; in plaats van deze
+bespeurde ik op een der naastbijstaande boomen twee zwijgende Apen, die
+ik voor uitgezette schildwachten hield;—zoo zij dit waren, vervulden
+zij hun plicht slecht genoeg; want onopgemerkt stond ik in hun
+nabijheid.”
+
+Deze levendige beschrijving bewijst ons voldoende, dat de Brulapen
+hoogst eigenaardige wezens zijn. Zonder eenige overdrijving kan men
+beweren, dat hun geheele handel en wandel een samenvoeging van allerlei
+zonderlingheden is, en daardoor aan den waarnemer een ruim
+onderzoekingsveld aanbiedt; terwijl men aan den anderen kant erkennen
+moet, dat de Indianen te verontschuldigen zijn, als zij de Brulapen
+wegens hun droefgeestig voorkomen en vervelend gezang minachten en
+haten. Zelfs de lasteringen, waaraan zij zich schuldig maakten, zijn
+verklaarbaar, als men bedenkt, dat de bedoelde dieren zoomin in vrijen
+als in gevangen toestand iets aangenaams voor den toeschouwer
+opleveren, en dat ook hun levenswijze geen tafereelen aanbiedt, waarin
+hij behagen kan scheppen.
+
+Over dag houden de Brulapen zich bij voorkeur op in de hoogste boomen
+van het woud; bij ’t begin van de schemering trekken zij zich in het
+dichte, met slingerplanten doorvlochten loover van de lage boomen terug
+en gaan hier slapen. Langzaam, bijna kruipend klauteren zij van tak tot
+tak, zoeken bladen en knoppen uit, die zij langzaam met de hand
+afplukken en even langzaam naar den mond brengen. Als zij verzadigd
+zijn, hurken zij neder op een tak en blijven hier bewegingloos zitten;
+zij gelijken dan op stokoude, slapende aardmannetjes. Ook gaan zij wel
+languit op den tak liggen, laten de vier ledematen naar beide zijden
+stijf afhangen, en houden zich alleen met den grijpstaart vast. Wat de
+eene Aap doet, wordt door den anderen langzaam en gedachteloos
+nagedaan.
+
+Weinige dieren zijn zoo geheel aan de boomen gebonden als de Brulapen.
+Zij komen hoogst zelden op den grond, waarschijnlijk dan, als het hun
+onmogelijk is te drinken op de gewone wijze, n.l. door te gaan hangen
+aan de takken en slingerplanten, die het dichtst bij den oever groeien.
+Humboldt zegt, dat zij niet in staat zijn om reizen of zelfs
+wandelingen over den vlakken bodem te doen. De Indianen beweren, dat de
+Brulapen menigmaal breede stroomen overtrekken. Rengger houdt dit
+bericht voor een sprookje, dat den vreemdeling op de mouw wordt
+gespeld. „Zij zijn,” zegt hij, „zoo bang voor het water, dat zij eerder
+verhongeren zullen, dan pogingen aan te wenden om zwemmend een anderen
+boom te bereiken, wanneer zij na een snelle rijzing van den waterstand
+in den stroom door het hun antipathische element op een boom zijn
+ingesloten. Zoo ontmoette ik eens zulk een bende Apen in een boom, die
+aan alle zijden door ’t water omringd was; deze dieren waren uiterst
+vermagerd en konden zich uit zwakte nauwelijks meer bewegen. Zij hadden
+niet slechts alle bladen en jonge takken, maar zelfs een deel van den
+schors van den boom verslonden. Om het naastbijgelegen woud te
+bereiken, zouden zij slechts 18 à 20 M. ver hebben moeten zwemmen.”
+Dezelfde natuuronderzoeker verzekert, dat hij nog nooit een Brulaap op
+het vrije veld gezien, of zijn spoor ergens op den bodem aangetroffen
+heeft.
+
+Kappler zegt van den Rooden Brulaap in Guyana: „Hij leeft in kleine
+troepen, die zelden uit meer dan tien individuën bestaan, waarbij zich
+echter altijd een volwassen mannetje bevindt, dat op de boomen een
+hoogere zitplaats inneemt dan de anderen; dit dier fungeert als
+kapelmeester bij het afschuwelijk concert dat de Apen geven. Telkens
+als ik in de gelegenheid was om de schreeuwers van zeer nabij na te
+gaan, zat er een oud mannetje boven in den boom, dat zich met de
+voorpooten vast hield en den langen grijpstaart om een tak geslingerd
+had, terwijl de andere mannetjes met de wijfjes en de jongen in
+verschillende houdingen iets lager zaten. Plotseling begon de oude met
+een afgrijselijk rochelende stem „Rochoe, rochoe” te schreeuwen, en
+liet, nadat hij dit vijf- of zesmaal achtereen gedaan had, hierop een
+gebrul volgen, waarmede alle overigen zoo krachtig instemden, dat men
+vreezen moest er doof van te zullen worden. Dit geluid is zoo sterk,
+dat men het in stille nachten wel 2 uren ver (?) hooren kan. Toen
+Pichegru en zijne gezellen van Cayenne naar Suriname vluchtten, joeg
+het gebrul van de Tijgers hun veel schrik aan; blijkbaar is dit gebrul
+niets anders geweest dan het geschreeuw van den Brulaap; stellig zal
+iedereen, die dit geluid voor de eerste maal hoort, en niet weet, dat
+het van onschadelijke Apen afkomstig is, er door met vrees vervuld
+worden. Waarom deze dieren zoo schreeuwen, weet men niet. In de kolonie
+gelooft men, dat zij het alleen doen, als de vloed komt opzetten; dit
+is echter een dwaling, want men hoort het schreeuwen op elken tijd van
+den dag. De Brulaap is traag en droefgeestig; hij springt alleen, als
+hij vervolgd wordt; in alle andere gevallen klautert hij behoedzaam op
+de boomen rond, terwijl hij zich met den staart vasthoudt. Jong
+gevangen dieren worden zeer tam en gezellig; zij spelen wel met Katten
+en Honden, maar zijn meestal treurig. Als de persoon, waaraan de
+Brulaap zich gehecht heeft, voor eenigen tijd afwezig is, dan hoort men
+den Aap aanhoudend rochelen en schreeuwen, hetwelk hoogst onaangenaam
+is. Bovendien verbreidt hij een eigenaardigen walgelijken reuk, die zoo
+sterk is, dat men de nabijheid van Brulapen in het woud gemakkelijk
+door den reuk kan gewaar worden. Zij brengen slechts één jong ter
+wereld. Hun voornaamste vijand is de „Kuif-Arend.”
+
+Als men op Brulapen schiet, loopen zij zoo schielijk mogelijk weg;
+zelfs ongewonde dieren laten soms gedurende hun vlucht uitwerpselen
+vallen; dit is geregeld het geval bij zwaar gewonde dieren, die zich
+niet meer redden kunnen, vooral als zij van den eenen boom op den
+anderen willen overgaan, en in den hoogsten angst geraken. Een hoogst
+vermakelijken indruk maakt het, te zien hoe een van de bijna half
+volwassene jongen in den eersten schrik een van de oude mannetjes op
+den rug springt, om spoediger voort te kunnen komen; maar door een
+krachtige oorvijg van den vertoornden man onderricht wordt, dat het
+bewijzen van dezen ongevraagden liefdedienst niet tot de plichten van
+den familievader behoort.
+
+Onze beste geweren kunnen trouwens niet concurreeren met de blaaspijp,
+het vreeselijk en toch zoo eenvoudig wapen der Indianen. Daarom valt
+het den Roodhuiden veel gemakkelijker dan ons, om Brulapen te dooden.
+In weerwil van de onovertroffen behendigheid, waarmede zij hun wapen
+weten te gebruiken, beklimmen zij, om zeker te zijn van hun schot, toch
+gaarne een naburigen boom en zenden uit diens top het doodelijk
+werptuig naar de argelooze bende.
+
+In een groot deel van Paraguay wordt op de Brulapen ijverig jacht
+gemaakt. Hun vel is als pelswerk gezocht en het vleesch wordt door de
+Indianen gaarne gegeten.
+
+Slechts zelden geeft men zich de moeite een Brulaap te temmen;
+bovendien biedt de opvoeding van deze dieren eigenaardige moeilijkheden
+aan. Rengger zag er slechts twee tam, die beide meer dan een jaar oud
+waren. Zij werden met allerlei boombladen gevoederd, en gaven hieraan
+de voorkeur boven ieder ander voedsel. Van verstand was bij hen weinig
+te bespeuren: zij gaven niet veel meer om hun oppasser dan om
+vreemdelingen en lieten zich niet tot iets africhten.—Van andere
+getemde Brulapen verhaalt Von Wied, dat zij voor hun heer een
+buitengewone genegenheid gevoelden, en dat zij jammerlijk begonnen te
+schreeuwen, als deze zich slechts voor een oogenblik verwijderde. Hun
+traagheid, droefgeestigheid en knorrigheid, benevens de knersende,
+rochelende stem, die de jongen dikwijls laten hooren, maakt ze echter
+voor iedereen, zelfs voor hun meester, onaangenaam en afkeerwekkend.
+
+
+
+Een uiterst slank lichaam met lange, zeer schrale ledematen, kenmerkt
+de Slingerapen (Ateles). De natuuronderzoeker, die ze het eerst
+„Spin-Aap” noemde, heeft ze den naam gegeven, die het meest overeenkomt
+met den indruk, dien zij wekken;—zelfs de leek komt onwillekeurig tot
+zulk een vergelijking. Om de dieren duidelijk te omschrijven, willen
+wij er alleen nog maar aan toevoegen, dat de kop zeer klein, het
+aangezicht baardeloos, en de duim van de voorhand zeer kort en
+gebrekkig ontwikkeld, bij sommige soorten zelfs in ’t geheel niet
+zichtbaar is. A. Vosmaer (1768) zegt van den Slingeraap (Ateles
+paniscus), die door hem Boschduivel wordt genoemd: „Eenige jaren
+geleden zag ik dezen Aap voor de eerste maal te Amsterdam in de
+diergaarde van den heer Bergmeier. Het was met een ketting en ring
+vastgemaakt aan een lang gespannen koord, en wist zijn staart om dat
+koord zoo vast te slaan, dat hij, zonder zich verder vast te houden,
+daaraan hing, allerlei grimassen maakte en verwonderlijk slingerde.
+Wanneer men hem den staart om de hand liet slaan, kneep hij daar zoo
+vast mede, dat het zeer deed.”
+
+Zuid-Amerika tot den 25en Z.-B.-graad is het vaderland van de
+Slingerapen, de kroon van de hoogste boomen hun plaats van verblijf.
+
+Hun leven is, naar het schijnt, buitengewoon eenvormig en ook voor de
+verschillende soorten in hoofdzaak gelijk. „Zij leven”, zegt Tschudi in
+overeenstemming met andere onderzoekers, „in troepen van 10 à 12 stuks;
+somtijds treft men ze ook paarsgewijs, niet zelden zelfs alleen aan.
+Gedurende verscheidene maanden zagen wij een alleen levenden Aap van
+dit geslacht voortdurend in hetzelfde gebied, dit was een mannetje van
+nog niet hoogen leeftijd; zooals bleek, toen hij gedood werd. De
+aanwezigheid van een troep Slingerapen verraadt zich door het
+voortdurend ritselen der boomtakken, die zij zeer behendig ombuigen,
+om, zonder gedruisch te maken, verder te klimmen. Het aangeschoten dier
+laat een luid gillend geschreeuw hooren en tracht te ontvluchten. De
+zeer jonge dieren verlaten hun moeder niet, zelfs wanneer deze gedood
+is; zij houden haar vast omklemd, en liefkozen haar nog als zij reeds
+geheel verstijfd aan een boomtak hangt; het is daarom zeer gemakkelijk
+de jongen te vangen. Het kost geen moeite ze te temmen; zij zijn
+goedmoedig, gemeenzaam en aanhankelijk, maar blijven in de
+gevangenschap niet lang in leven. Zij lijden vaak aan uitslag en
+buikloop, en maken dan zeer jammerlijke gebaren.”
+
+
+
+Tusschen de soorten van Slingerapen, bestaat slechts een gering
+verschil. Van die, welke in Guyana voorkomen, zijn vooral zeer
+veelvuldig: de Koata of Coaita (Ateles paniscus) en de Marimanda of
+Aroe (Ateles beëlzebuth). De eerstgenoemde is een der grootste van zijn
+geslacht. Zijn lichaamslengte bedraagt ongeveer 1.35 M., waarvan meer
+dan de helft op den staart komt; de hoogte in de schoften is ongeveer
+40 cM. Het haar is grof, aan de schouders verlengd, op den rug over ’t
+geheel dichter dan aan de onderdeelen; op het voorhoofd staat het bij
+wijze van een kam overeind; het is donkerzwart van kleur, alleen op het
+aangezicht roodachtig; de huidkleur is donker, op de handpalm geheel
+zwart. Het goedaardige gelaat verkrijgt door een paar levendige, bruine
+oogen een innemende uitdrukking.
+
+In Ecuador (Quito), op de landengte van Panama en in Peru zijn de
+genoemde soorten vervangen door den Tsjamek (Ateles pentadactylus). Hij
+bereikt een lengte van ongeveer 1.3 M., waarvan de staart echter meer
+dan de helft in beslag neemt, heeft een langharige, donker-zwarte vacht
+en een kort stompje op de plaats van den duim.
+
+De Miriki (Ateles hypoxanthus), dien wij voornamelijk door Prins Max
+von Wied hebben leeren kennen, bewoont het binnenland van Brazilië. Hij
+is ongeveer 1.4 M. lang, dik van lijf, met een kleinen kop en een
+korten hals; de ledematen zijn lang; de beharing is dicht, bijna
+wollig. Gewoonlijk is de vacht vaalgeel, soms echter witachtig
+grauwgeel; de binnenzijde van de ledematen is gewoonlijk lichter van
+kleur. Het onbehaarde gelaat is in de jeugd zwartbruin, op lateren
+leeftijd donkergrijs, in het midden echter vleeschrood. De duim van de
+voorhand is een kort stompje zonder nagel.
+
+De schoonste van alle Slingerapen is waarschijnlijk die, welke eerst
+onlangs door den jongen Bartlett in het oosten van Peru gevonden is, en
+ter eere van zijn ontdekker Bartlett’s Slingeraap (Ateles Bartletti)
+wordt genoemd. De goedgevulde, lange, zachtharige vacht heeft aan de
+geheele boven- en buitenzijde een donkerzwarte kleur; een streep over
+het voorhoofd is goudgeel, de wangbaard is wit; de onderzijde van romp
+en staart, de binnenzijde van de ledematen en de buitenzijde van het
+onderbeen zijn bruinachtig geel, een weinig lichter van kleur dan de
+streep over het voorhoofd, hier en daar gespikkeld door de aanwezigheid
+van enkele zwarte haren. Alle onbehaarde gedeelten van het aangezicht
+en van de handen zien er bruinachtig zwart uit. De grootte van dezen
+prachtigen Aap schijnt overeen te stemmen met die van de hem verwante
+soorten.
+
+Humboldt, Prins Max von Wied en Schomburgk hebben ons het leven der
+Slingerapen in vrijen toestand leeren kennen. In Guyana vindt men ze
+slechts in de donkerste wouden, niet hooger dan 500 M. boven den
+zeespiegel: zij vermijden het kale woud der hooger gelegen streken
+geheel. In den regel vindt men ze tot benden van ongeveer zes stuks
+vereenigd, zeldzamer alleen of bij paren en nog minder dikwijls in
+grootere gezelschappen. Elk van deze benden gaat gedurende het zoeken
+van ’t voedsel kalm en rustig haar gang zonder zich om andere
+ongevaarlijke wezens te bekommeren. Hun beweging verdient den naam van
+vlug, wanneer men haar met die der Brulapen vergelijkt. De geschiktheid
+tot klimmen en loopen op de boomen wordt bevorderd door de aanzienlijke
+lengte van de ledematen. Daar zij met de lange armen verafgelegen
+steunpunten kunnen bereiken, snellen zij, zelfs zonder groote
+inspanning, zoo vlug voort, dat de jager volstrekt geen tijd te
+verliezen heeft, als hij hen volgen wil. In hunne boomtoppen bewegen
+zij zich behendig: zij klauteren zeer goed en doen soms kleine
+sprongen. Bij alle bewegingen werpen of slingeren zij hunne ledematen
+op een zonderlinge wijze heen en weer. De staart wordt gewoonlijk
+vooruitgezonden om een steunpunt te zoeken, voordat de Aap er toe komt
+om den tak waarop hij zit, te verlaten. Somtijds vindt men een aantal
+Slingerapen, die aan den staart hangen, tot een zeer in ’t oog vallende
+groep vereenigd. Met zelden zit of ligt de familie in trage rust, op
+takken en twijgen, zich behaaglijk in de zon te koesteren; de kop is
+dan dikwijls achterover gebogen, de armen zijn op den rug over elkander
+gelegd, de oogen omhoog gericht. Op den vlakken bodem hompelen zij met
+moeite voort; men zou medelijden met hen kunnen krijgen, als men ze
+ziet gaan. Hun gang is in de hoogste mate wankelend en onzeker, en de
+lange staart, die, om het evenwicht te bewaren, wanhopig heen en weer
+bewogen wordt, doet den indruk van onbeholpenheid, welke door deze
+bewegingswijze gewekt wordt, nog toenemen. Geen der Europeesche
+natuuronderzoekers heeft trouwens ooit Slingerapen op den bodem gezien.
+Prins Max von Wied beweert, dat zij, zoolang zij gezond zijn, slechts
+dan op den grond afdalen, als het hun onmogelijk is geworden van uit de
+laagst groeiende takken het water te bereiken, om op hun eigenaardige
+wijze te drinken. Men maakt ijverig jacht op hen. De Portugeezen
+gebruiken hun vel, de wilden eten hun vleesch, vele Indiaansche stammen
+verkiezen dit wild boven al het overige.
+
+Men ziet deze dieren niet zeer dikwijls in den gevangen staat. Hier te
+lande behooren zij altijd nog tot de zeldzaamheden. Toch zijn zij wel
+in staat om de genegenheid van den mensch te wekken. Moedwil en
+boosaardigheid zijn hun vreemd, en hun toorn, die zij door grimassen te
+kennen geven, gaat even schielijk voorbij, als hij gekomen is. Door
+hunne zonderlinge houdingen en lichaamsverdraaiingen weten zij iemand
+bezig te houden. Een goede behandeling is aan hen welbesteed; zij
+trachten haar te beloonen door liefkoozingen.
+
+
+
+De Rolstaartapen of Rolapen (Cebus) verschillen van de Grijpstaartapen,
+doordat hun staart tot aan den top geheel behaard is, wèl om een tak
+gewikkeld kan worden, maar als eigenlijk grijporgaan niet deugt.
+Terwijl de reeds besprokene geslachten van Breed-neuzige Apen in onze
+dierentuinen tot dusver tot de zeldzaamheden behooren, ziet men deze of
+gene vertegenwoordiger van de Rolstaartapen bijna in ieder beestenspel.
+Deze Apen onderscheiden zich van de vroeger behandelde door hun
+lichaamsbouw. De schedel is rondachtig; de armen zijn slechts
+middelmatig van lengte, de handen hebben vijf vingers. Een meer of
+minder ontwikkelde baard versiert het aangezicht, voor ’t overige is de
+beharing dicht en kort.
+
+Men zou de Rolstaartapen de Meerkatten van Amerika kunnen noemen. Zij
+gelijken veel op deze vroolijke klanten, hoewel meer door hunne
+handelingen dan door hun gestalte. Zij zijn echte Apen, d.w.z.
+beweeglijke, leerzame, moedwillige, nieuwsgierige en wispelturige
+dieren. Juist daarom worden zij door den mensch veel vaker getemd dan
+alle overige Apen van de Nieuwe Wereld, en worden zij veelvuldiger naar
+Europa overgebracht. Aan hun schreierige, zachte stem hebben zij den
+naam „Huilende” Apen te danken. Men hoort deze stem echter alleen,
+zoolang zij goed gehumeurd zijn. Bij de geringste opwinding schreeuwen
+en krijschen zij op een afschuwelijke wijze. Zij leven uitsluitend op
+boomen en zijn hier even goed thuis, als hunne overzeesche verwanten op
+de mimosa’s en tamarinden. Reeds in den voortijd waren zij in Brazilië
+inheemsch, ook thans is dit het geval en bevolken zij in grooten getale
+de uitgestrekte wouden van de zuidelijke staten. Men vindt ze hier tot
+vrij talrijke gezelschappen vereenigd en dikwijls gemengd met andere,
+hun verwante soorten.
+
+In de gevangenschap toonen de Rolstaartapen bijna alle eigenaardigheden
+van de Meerkatten en menige andere bovendien. Ondanks hun (zelfs onder
+de Apen buitengewone) onzindelijkheid zijn zij de lievelingen van de
+Indianen, bij welke men ze in getemden staat ontmoet. Evenals de
+Bavianen houden zij van bedwelmende en dronkenmakende middelen. „Als
+men,” zegt Schomburgk, „een tammen Rolstaartaap tabaksrook toeblaast,
+of hem een snuifje voorhoudt, wrijft hij zich het geheele lichaam met
+een echt wellustige opgewondenheid en sluit de oogen. Dezelfde
+verrukking geeft hij te kennen na het ontvangen van een aangestoken
+sigaar. Thee, koffie, brandewijn en andere opwekkende dranken brengen
+een soortgelijke uitwerking teweeg.”—A. Vosmaer (1770) zegt van een
+dezer dieren, dat in Suriname Meekoê of Mico genoemd wordt: „De
+bijzondere eigenschap waarom wij hem den naam van Fluiter gegeven
+hebben, is aanmerkelijk. Verscheidene Apen maken een min of meer
+fluitend geluid, doch deze bezit die kunst meesterlijk, zoodat men
+wezenlijk dacht, dat er iemand floot. Het geluid was eentonig, zeer
+hard, doch verflauwend, en dit herhaalde hij dikwijls uit zich zelf,
+tot vermaak; want, als hij boos was, schreeuwde hij.—Gelijk bijna alle
+andere dieren van zijn geslacht, at en dronk hij bijna alles, maar
+inzonderheid was hij een groot liefhebber van eieren en van Spinnen,
+die hij overal opzocht. Zeer graag dronk hij jenever, op welk een en
+ander de stalknechts in des vorsten rijschool, daar hij hier
+verscheidene jaren geleefd heeft, hem nu en dan al eens onthaalden.”
+
+
+
+Van alle Rolstaartapen is de Gay of Sai, de Kapucijner-aap (Cebus
+capucinus) waarschijnlijk de meest bekende. In de taal der Guaranen
+beteekent „Gay” „bewoner van het woud”; dit woord is echter door de
+Europeanen dikwijls verkeerd gebruikt en thans minder algemeen bekend
+geworden dan de genoemde, Nederlandsche, met het oog op het haarkleed
+werkelijk zeer toepasselijke naam. De Kapucijner-aap behoort, naar men
+zegt, tot de grootste soorten van de groep; zijn staart kan 35, het
+overige lichaam 45 cM. lang worden; in den regel zijn de exemplaren,
+die naar Europa komen, kleiner. Hun duidelijkste kenmerk is het reeds
+in de vroegste jeugd naakte, gerimpelde of geplooide, licht
+vleeschkleurige voorhoofd. Grootendeels is de huidkleur meer of minder
+donkerbruin; de dun behaarde slapen, de bakkebaard, de keel, de borst
+en de buik alsmede de bovenarm zijn lichtbruin.
+
+Het verbreidingsgebied van den Kapucijner-aap strekt zich tot beneden
+den Zuider-Keerkring en tot over de Andes uit. Van Bahia tot Columbia
+is hij overal gemeen. Hij geeft de voorkeur aan bosschen, waarvan de
+bodem niet met struikgewas begroeid is. Het grootste deel van zijn
+leven brengt hij door in de boomen; want deze verlaat hij in den regel
+alleen, wanneer hij drinken of een maïs-veld bezoeken wil. Hij heeft
+geen vaste woonplaats. Over dag zweeft hij van boom tot boom om voedsel
+te zoeken, des nachts rust hij uit tusschen de dooreengekronkelde
+boomtakken. Gewoonlijk ontmoet men deze dieren vereenigd tot kleine
+familiën van 5 à 10 individuën, die voor ’t meerendeel wijfjes zijn.
+Soms, doch zelden vindt men oude mannetjes, die alleen leven. Men kan
+de levenswijze van het in vrijen toestand verkeerende dier moeielijk
+nagaan, omdat het zeer schuw en vreesachtig is: Rengger zegt, dat hij
+slechts door een toeval in de gelegenheid kwam hierover waarnemingen te
+doen. Eens werd zijn aandacht getrokken door welluidende, fluitende
+tonen; opziende, zag hij een oud mannetje op de naastbijgelegen
+boomkruin nader komen; hem volgden 12 of 13 Apen van beiderlei
+geslacht; de wijfjes droegen ieder een jong gedeeltelijk op den rug,
+gedeeltelijk onder den eenen arm. Plotseling merkte een der Apen een
+nabijstaanden sinaasappelboom met rijpe vruchten op; hij liet eenige
+geluiden hooren en sprong op den boom toe. Weinige oogenblikken later
+was het geheele gezelschap daar verzameld, en hield zich bezig met het
+plukken en eten van de zoete vruchten. Toen de boom half geledigd was,
+trachtten de sterkste Apen de zwakkere hun eigendom te ontrooven; zij
+trokken de vreemdsoortigste gezichten, lieten de tanden zien, pakten
+elkander bij ’t haar en waren duchtig aan ’t kibbelen. Andere
+doorzochten een dood gedeelte van den boom, lichtten de droge schors
+behoedzaam op en verslonden de hieronder huizende larven van Insecten.
+Toen zij zich verzadigd hadden, gingen zij in de houding, die reeds bij
+de Brulapen (p. 44) is aangegeven, lang uit liggen op een horizontalen
+tak om uit te rusten. De jonge dieren begonnen met elkander te spelen
+en gaven daarbij bewijzen van groote behendigheid. Zij schommelden zich
+aan hun staart, of klommen hierbij als langs een touw omhoog.
+
+In Januari werpt het wijfje één jong; gedurende de eerste weken draagt
+zij het aan de borst, later evenwel op den rug. Nooit verlaat de moeder
+haar kind, zelfs niet wanneer zij gewond is. Wel merkte Rengger op, dat
+een wijfje, welker onderbeen verbrijzeld was door een kogel van zijn
+jachtgezel, haar zuigeling van de borst nam en op een tak zette;
+waarschijnlijk evenwel geschiedde dit meer met het doel om de zuigeling
+buiten gevaar te brengen, dan om zichzelf verlichting te verschaffen.
+
+De Kapucijner-aap wordt dikwijls gevangen en getemd. Oude dieren raken
+niet licht aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen te treuren, willen
+niet eten, laten zich nooit temmen en sterven gewoonlijk na weinige
+weken; de jonge Aap daarentegen vergeet licht zijn vrijheid, sluit zich
+bij de menschen aan, en gebruikt, evenals vele andere dieren zijner
+orde, na korten tijd dezelfde spijzen en dranken als de mensch. Hij
+heeft, evenals alle leden van zijn geslacht, een zachtaardig voorkomen,
+dat niet in overeenstemming schijnt met zijne groote behendigheid en
+slimheid.
+
+Onder de zintuigelijke vermogens van het dier staat het tastgevoel
+bovenaan; de overige zintuigen zijn zwak. Hij is bijziende en kan des
+nachts in ’t geheel niet zien; hij hoort slecht, want men kan hem
+gemakkelijk besluipen. Nog zwakker schijnt de reuk te zijn: hij houdt
+ieder voorwerp, dat hij besnuffelen zal, dicht bij den neus en wordt
+toch vaak genoeg door den reuk bedrogen: verleid om voorwerpen te
+proeven, die, zooals het smaakzintuig hem later leert, oneetbaar zijn.
+
+De geluiden, die men van den Kapucijner-aap hoort, verschillen naar
+gelang van zijn gemoedstoestand. Het meest hoort men van hem een zacht
+gefluit, dat, naar het schijnt, als een bewijs van verveling moet
+worden beschouwd. Hij steent, als hij iets hebben wil. Verwondering of
+verlegenheid geeft hij te kennen door een eenigszins scheller gefluit;
+als hij toornig is, schreeuwt hij met zware en grove stem herhaaldelijk
+„hoe, hoe!” Bij vrees of smart wordt krijschen, bij vroolijke
+gebeurtenissen daarentegen grinniken vernomen. Door dezelfde geluiden
+deelt de apenhoofdman in vrijen toestand aan zijne onderhoorigen zijne
+gewaarwordingen mede. Deze worden trouwens niet alleen, door geluiden
+en bewegingen geopenbaard, maar ook door een gebaar, dat op lachen of
+weenen gelijkt. In het eerste geval worden de mondhoeken
+teruggetrokken, doch geen geluiden gemaakt. Bij het weenen vullen zich
+de oogen met tranen, die echter nooit over de wangen vloeien.
+
+Niet zelden komt het voor, dat de Kapucijner-aap in de gevangenschap
+jongen werpt. De genegenheid voor de jongen schijnt in deze
+omstandigheden nog grooter te zijn dan bij het leven in de vrije
+natuur. De moeder bemoeit zich gedurende den geheelen dag met haar
+kind, duldt niet, dat een mensch het aanraakt, toont het alleen aan
+lieden, waarvan zij veel houdt en verdedigt het moedig tegen ieder
+ander.
+
+Onze Aap is zeer gevoelig voor koude en vochtigheid. Uit eigen beweging
+gaat hij nimmer te water. Ook heeft men nimmer waargenomen, dat hij
+zich door zwemmen tracht te redden. Wel weet men, dat hij spoedig naar
+de diepte zinkt, als hij in ’t water wordt geworpen. In de
+gevangenschap is hij onderhevig aan vele ziekten, vooral aan
+verkoudheid en hoesten; evenals zijne verwanten uit de Oude Wereld
+lijdt hij maar al te vaak aan tering. Volgens de schatting van Rengger
+zou de ouderdom, die dit dier bereiken kan, omstreeks 15 jaar bedragen.
+
+De geestes-eigenaardigheden van den Kapucijner-aap zijn ten volle onze
+aandacht waard. Reeds in de eerste dagen van zijn gevangen leven leert
+hij zijn meester en verzorger kennen, zoekt bij hem voedsel, warmte,
+bescherming en hulp, vertrouwt hem volkomen, verheugt zich, als hij met
+hem mag spelen, laat zich al zijne plagerijen welgevallen, toont na een
+scheiding bij het wederzien een uitgelatene vreugde en geeft zich ten
+slotte zoozeer aan zijn heer over, dat hij zijn vrijheid geheel vergeet
+en half een huisdier wordt. Hij sluit trouwens niet alleen met den
+mensch vriendschap, maar ook met de kinderen, waarmede hij opgevoed
+wordt. In Paraguay wordt hij niet zelden opgevoed met een jongen Hond,
+die hem als rijpaard moet dienen. Als hij van dezen gescheiden wordt,
+begint hij luid te schreeuwen; bij het wederzien overlaadt hij hem met
+liefkoozingen. Zijn genegenheid gaat ook met zelfopoffering gepaard;
+bij vechtpartijen met andere Honden verdedigt hij zijn vriend met
+grooten moed.
+
+Geheel anders wordt het karakter van dezen Aap, wanneer hij
+mishandelingen heeft te verduren. Als hij zich sterk genoeg acht,
+tracht hij geweld met geweld te keeren, en bijt den mensch, die hem
+kwaad doet. Als echter zijn tegenstander hem vrees inboezemt, neemt hij
+zijn toevlucht tot huichelarij en zoekt zich te wreken, door zijn
+vijand te overvallen.
+
+Ook de Kapucijner-aap is zeer snoeplustig; wanneer zijne dieverijen
+ontdekt worden, leert hij spoedig in ’t geheim te stelen en daarbij
+allerlei listen en knepen in toepassing te brengen. Op heeter daad
+betrapt, zal hij uit vrees voor straf dadelijk luid schreeuwen; wanneer
+daarentegen zijn misdrijf verborgen blijft, gedraagt hij zich zoo
+argeloos en onbekommerd, alsof er niets gebeurd is. Kleine voorwerpen
+worden ingeval van nood in den mond verborgen en eerst later opgegeten.
+Zijn hebzucht is zeer groot. Wat hij bezit, laat hij zich zoo licht
+niet weer ontnemen, hoogstens kan zijn meester dit doen, ingeval deze
+zich zeer bemind heeft weten te maken. Behalve deze eigenschappen merkt
+men zoowel nieuwsgierigheid als vernielzucht in hooge mate bij hem op.
+
+Slechts noode onderwerpt hij zich aan den wil van den mensch.
+Daarentegen beijvert hij zich, andere wezens, zelfs menschen, nu eens
+door liefkoozingen, dan weer voor dreigementen naar zijn hand te
+zetten. Op zijn leerlust heeft dit een zeer verkeerden invloed: hij
+leert alleen datgene, wat hem voordeel oplevert, b.v. doozen openen, de
+zakken van zijn meester doorzoeken enz.
+
+
+
+De Apella of Bruine Rolstaartaap (Cebus apella) leeft in Guyana. Zijn
+kleur is niet gemakkelijk te beschrijven, daar deze zeer verschillend
+is. Zijn lichaamsbouw is tamelijk gedrongen; de betrekkelijk goed
+gevulde vacht bestaat uit glanzige haren, die boven het voorhoofd en
+aan de beide zijden van den kop zich tot een hooge kuif verheffen, en
+in ’t aangezicht een baard vormen; hun over ’t algemeen bruinzwarte
+kleur gaat op den rug, den staart en de dijen in zwart over; het
+aangezicht en de keel zijn gewoonlijk lichter en op de kruin komt
+geregeld een donkere streep voor. Dikwijls zijn ook de zijden van den
+romp en de pooten helder kastanjebruin van kleur. In grootte komt deze
+Aap met den Kapucijner-aap overeen.
+
+Van het leven van den Apella in de vrije natuur geeft Schomburgk de
+volgende uitvoerige beschrijving: „Dicht tegen een boom aangedrukt,
+wachtten wij de apenbende af. De voorhoede verscheen voor ons; het
+hoofdleger volgde spoedig; ongeveer een kwartier later kwam de laatste
+troep, dien ik trouwens door een uitbundig gelach, dat ik niet meer
+inhouden kon, spoedig in wilden haast de vlucht deed nemen. Wie zou
+hier dan ook het lachen hebben kunnen laten, bij het zien van de
+overdreven haast en bewegelijkheid waarmede de vlugge dieren zich op de
+takken voortbewogen, bij het hooren van het klagen, fluiten en zingen
+van de zwakkere leden van het gezelschap, bij het opmerken van de
+boosaardige blikken, die zij op hunne sterkere gezellen wierpen, omdat
+zij, deze in den weg komend, door hen gebeten en geslagen werden. Men
+kon zich niet bedwingen bij het zien van de oude mannetjesachtige
+gelaatstrekken van de op moeders rug als ’t ware vastgelijmde jongen,
+en bij het waarnemen van den ernst, waarmede gedurende de reis op ieder
+blad, in iedere spleet naar Insecten gezocht werd terwijl nu en dan een
+vliegende Vlinder of een vluchtende Kever met de grootste behendigheid
+gevangen werd. Met zulke grimassen waren misschien ongeveer 400 of 500
+Apellas over ons weggeijld (want een andere beweging schijnen zij in ’t
+geheel niet te kennen), toen ik aan den drang tot lachen niet langer
+weerstand kon bieden. Als door den donder getroffen bleven de vlak
+boven ons aanwezige Apen een oogenblik bewegingloos staan, lieten toen
+een eigenaardig geschreeuw hooren, dat vóór, achter en naast ons zijn
+echo vond; alle keken angstig in alle richtingen, totdat zij ons
+bemerkten; toen keken zij ons een oogenblik aan, herhaalden hun
+geschreeuw nog schriller dan de eerste maal, en vlogen nu met dubbel
+zoo groote sprongen in den letterlijken zin van ’t woord over ons heen,
+zonder dat eenige andere toon dan het vermeerderde gedruisch in de
+takken gehoord werd.”
+
+De Apella wordt zeer veelvuldig naar ons werelddeel overgebracht, en is
+daarom in dierentuinen en beestenspellen vaak genoeg te vinden. De
+Savoyaarden, die het geheele zuiden van Europa doorwandelen, gebruiken
+hem, evenals sommige Meerkatten, om het hart van gegoede lieden met
+beter gevolg te verteederen, dan met hunne draaiorgels kan geschieden.
+De muziek van deze dikwijls erbarmelijk ontstemde werktuigen is in de
+straten van Frankrijk, Spanje en Italië zoo gewoon, dat geen mensch
+meer let op den armen smeekeling, die de vroolijke muze te hulp roept,
+en met klanken en liederen de harten wil roeren. Ach! juist deze tonen
+sluiten de harten voor hem; zij wekken wrevel op, en de beurs blijft
+gesloten. Nu gaat op bevel en in ’t belang van den toonkunstenaar de
+tamme Meerkat, Apella, of Apollo-aap aankloppen aan de gesloten harten
+der menschen. Het dier is gebonden aan een lang, dun touw, dat
+grootendeels om de hand van zijn meester gewikkeld is; deze laat het
+touw vieren, en op de klanken van de Marseillaise of van ’t een of
+ander straatdeuntje klimt de kleine bedelaar bij regenwaterpijpen
+omhoog, loopt langs dakgoten en kroonlijsten, gaat van de eene
+verdieping naar de andere, tot hij de dakkamers bereikt heeft. Hij
+verschijnt aan ’t venster, een kind merkt hem op, een luide juichkreet
+wordt gehoord, het regent suikergoed en ander gebak in zijn
+nabijheid—ach, had hij maar wangzakken;—maar er valt ook menige sou,
+menige cuarto, menige soldo voor zijn beneden wachtenden meester: de
+Aap heeft het hart van ’t kind geopend en het kindermondje den
+geldbuidel van de ouders losgeknoopt. Het dier werpt ieder geldstuk,
+dat het ontvangt, zijn meester toe; deze zamelt beneden vroolijk in,
+zoolang hem van omhoog nog iets wordt toegeworpen, en trekt dan verder
+met zijn helper in ’t bedelen, om eenige weinige huizen verderop het
+spel te hervatten.
+
+
+
+De Faun-aap (Cebus fatuelles) onderscheidt zich voor een in twee
+bundels verdeelde kuif. De oostkust dan Brazilië is zijn vaderland.
+
+
+
+In de tweede onderfamilie van de Breedneuzen vereenigen wij de
+Slapstaarten (Pithecidae), voor ’t meerendeel kleine of middelmatig
+groote Apen, welke van die der vorige onder-familie verschillen door
+hun slappen, geheel en al behaarden, voor ’t grijpen ongeschikten
+staart, welks wervels van voren naar achteren gestadig in dikte
+afnemen.
+
+
+
+De Pluimstaartapen (Pithecia) hebben ineengedrongen lichaamsbouw, die
+door de lange en losse beharing nog plomper schijnt, dan hij werkelijk
+is, betrekkelijk krachtige ledematen en een dikken, ruigen staart, die
+naar den spits toe meestal met langere haren bezet is. Het haar van ’t
+bovenste deel van den kop is mutsvormig gescheiden, dat van de wangen
+en van de kin vormt een meer of minder langen, dichten volbaard.
+
+Het verbreidingsgebied van de weinig talrijke soorten van dit geslacht
+is tot de noordelijke gedeelten van Zuid-Amerika beperkt. Hier bewonen
+zij hooge, droge wouden zonder kreupelhout en vermijden de nabuurschap
+van andere Apen. Volgens Tschudi zijn zij schemeringdieren, welker
+werkzaamheid eerst na zonsondergang begint, en tot het opgaan van de
+zon voortduurt; overdag slapen zij, en zijn dan moeilijk op te jagen,
+omdat zij hun tegenwoordigheid door geen gedruisch verraden, en zich
+alleen, als zij vervolgd worden, vlugger bewegen. Hoewel gemakkelijk te
+temmen, blijven zij toch in de gevangenschap dikwijls knorrig en
+verdrietig, en als zij overdag waken, toonen zij zich traag of treurig.
+„Overal, waar de boomkronen aan den oever dicht bebladerd zijn,”
+schrijft Schomburgk, „vond ik troepen van Apen in de takken, en wel het
+meest de werkelijk lieve Pluimstaartapen. Het fraai gescheiden, lange
+hoofdhaar, de weelderig ontwikkelde baard aan kin en wang, de lang
+behaarde staart, welke aan dien van een Vos herinnert, verschaffen aan
+deze dieren, die zoo helder en verstandig kijken, een ongemeen
+lieftallig, maar tevens een zeer grappig voorkomen.”
+
+
+
+In de groote bosschen langs den bovenloop van den Maranon en den
+Orinoko wordt de meest algemeen verbreide soort van dit geslacht zeer
+veelvuldig aangetroffen. Deze is de Satan-aap, de Kuxio van de Indianen
+(Pithecia satanas), een dier van 55 cM. lichaamslengte met een bijna
+even langen staart. De nagenoeg volkomen ronde kop is gekenmerkt door
+een soort van muts, die uit niet zeer lange, dicht aanliggende haren
+bestaat, welk van een gemeenschappelijke kruin aan het hoogste gedeelte
+van het achterhoofd uitstralen en op het voorste gedeelte van den kop
+een scheiding vertoonen. De wangen en de kin zijn omgeven door een
+dikken, zwarten baard. Geen dandy zou baard en haar beter in orde
+kunnen houden dan dit schoone dier, zegt Kappler. De beharing van het
+bovenlijf is dicht, maar niet lang, die van de onderzijde daarentegen
+dun; de staart is zeer ruig. De volwassen mannetjes en wijfjes hebben
+een zwarte, aan den rug roetkleurig-vaalgele, de jongen een
+bruinachtig-grijze kleur. Velerlei afwijkingen komen veelvuldig voor.
+Volgens Kappler wordt dit dier in Guyana Xiu (Schiu) genoemd; het dier
+is hier niet veelvuldig, leeft in kleine familiën van 4 à 6 individuën
+en verdraagt de gevangenschap zelden goed.
+
+Een tweede soort van dit geslacht, de Witkop-aap (Pithecia
+leucocephala), vertoont vele van ouderdom en sekse afhangende
+afwijkingen, en draagt daarom verschillende namen. Hij bewoont Guyana
+en de landen langs den Amazonenrivier, leeft meer in het struikgewas
+dan op hooge boomen, is vereenigd tot gezelschappen, die in den regel
+uit minstens 6 en hoogstens 10 individuën bestaan, en schijnt een vrij
+traag dier te zijn. Zijn voedsel bestaat, naar men zegt, uit bessen en
+andere vruchten benevens honigraten. De wijfjes brengen één jong ter
+wereld en dragen dit langen tijd op den rug. Kappler bevestigt deze
+berichten, en voegt er bij, dat deze Aap gemakkelijk getemd kan worden,
+maar altijd vreesachtig en droefgeestig blijft.
+
+Ook van het leven van den zwartkoppigen Pluimstaartaap (Pithecia
+melanocephala) is nog niet veel bekend, hoewel hij zich vaak aan de
+inboorlingen vertoont, naar men uit het groot aantal namen die hij
+draagt, kan afleiden. De inboorlingen noemen hem Cacajao, Chucuto,
+Chucuzo en Caruiri. Mono-feo of „leelijke Aap” en Mono-Rabon of
+„Kortstaart.” De laatstgenoemde naam heeft sedert eenigen tijd de
+voorkeur verworven; want men heeft den Cacajao (met eenige andere op
+hem gelijkende soorten, die zich door hun korten, behaarden staart
+aanmerkelijk van alle overige Apen van de Nieuwe Wereld onderscheiden)
+tot een afzonderlijke groep vereenigd en deze Kortstaarten (Brachyurus)
+genoemd.
+
+De Cacajao is ongeveer 45 (met den staart echter 60) cM. lang. Zijn
+dichte, gladde vacht heeft aan de schouder en de zijden langere haren,
+maar is aan ’t onderlijf zeer dun. In den nek komt een haarkruin voor;
+van waar de haren naar den kop gericht zijn. De baardgroei is aan de
+wangen niet weelderig. De dunne, korte staart draagt een dikken, aan ’t
+einde afgeknotten haarkwast. De vingers zijn zeer lang en sterk. Het
+dier is op den rug grijsgeel, van achteren roestkleurig rood, aan ’t
+onderbeen en de voeten zwart. De haren van den kop en van de voorarmen
+zijn glanzig zwart, evenals de onbehaarde huid van het aangezicht. De
+in gevangenschap levende dieren zijn vraatzuchtig en stompzinnig,
+evenwel niet boosaardig, maar vreesachtig en onderworpen. Het zien van
+een Krokodil of van een Slang veroorzaakt hun zulk een vrees, dat zij
+over al hunne leden sidderen.
+
+Het vaderland van dezen Aap is het noordwesten van Brazilië ten noorden
+van den Amazonen-stroom, doch vooral de bosschen langs de oevers van de
+rivieren van Nieuw-Granada en Ecuador; naar men zegt, komt hij echter
+nergens veelvuldig voor. Hij is slechts éénmaal levend naar Europa
+gebracht.
+
+
+
+Een slank lichaam met slanke ledematen en een zeer langen, dunnen en
+slappen staart, een ronde kop met baardeloos gelaat en korten snuit,
+heldere oogen en groote ooren, vijfteenige handen en voeten kenmerken
+een kleine groep van Amerikaansche Apen, die, wegens hunne vlugge
+bewegingen, Springapen (Callithrix) genoemd worden.
+
+De Springapen leven, tot kleine gezelschappen vereenigd, in de stille
+wouden van Zuid-Amerika en trekken hier door hun luide stem zeer de
+aandacht. Deze stem, welke na die van de Brulapen, de krachtigste en
+verst hoorbare is, welke bij de daar inheemsche Apen voorkomt, verraadt
+hun aanwezigheid reeds van verre aan den jager, die ze wegens hun
+malsch en lekker vleesch ijverig vervolgt. Zij zijn buitengewoon
+zachtaardig van natuur, en worden in de hoogste mate tam en
+aanhankelijk.
+
+Een van de fraaiste leden van dit geslacht is de Weduwen-aap
+(Callithrix lugens). Zijne lengte bedraagt 90 cM., waarvan 50 cM. voor
+den staart gerekend moeten worden. „Dit kleine dier,” zegt Alexander
+von Humboldt, „heeft fijn, glanzig, fraai zwart haar; op zijn
+aangezicht bevindt zich een witachtige, in ’t blauwe spelende,
+onbehaarde plek, waarin oogen, neus en mond staan; zijn klein, goed
+gevormd, bijna onbehaard oor heeft een omgebogen rand. Voor aan den
+hals ziet men een witte streep, die ongeveer 2½ cM. breed is, en een
+halsband vormt; de voeten zijn zwart, evenals het overige lichaam, de
+handen echter van buiten wit en van binnen glanzig zwart. Deze witte
+lichaamsdeelen worden door de zendelingen vergeleken met den sluier,
+den halsdoek en de handschoenen van een weduwe in rouwgewaad.”
+
+Deze in ’t zuiden van Venezuela inheemsche Aap gaat alleen als hij eet,
+op de achterste ledematen staan. Zijn gemoedsaard is anders dan zijn
+uiterlijk zou doen vermoeden. Schijnbaar is hij schuchter en
+zachtaardig. Wanneer hij echter vrij is in zijne bewegingen, zal hij
+bij ’t zien van een Vogel zeer opgewonden worden, met verbazende
+behendigheid klimmend en loopend dit dier besluipen, het als een Kat
+bespringen, en elke prooi dooden die hij grijpen kan.
+
+
+
+Als overgangsvormen tusschen de Breedneuzen met slingerstaart en die
+met slappen staart kan men de Saimiri’s (Chrysothrix) beschouwen. Deze
+Apen zijn slank gebouwd; zij hebben lange ledematen en een zeer
+grooten, sterk verlengden, vooral van achteren ontwikkelden kop met
+hoog voorhoofd, kort aangezicht, groote, dicht bij elkander geplaatste
+oogen en eenvoudige, groote oorschelpen. De vacht bestaat uit haren,
+die met verschillend gekleurde ringen geteekend zijn en is niet zeer
+gevuld.
+
+De meest bekende soort is het Doodshoofd-aapje, ook wel Titi genaamd
+(Chrysothrix sciurea); het onderscheidt zich door zijn bevallige
+gedaante en fraaie, aangename kleur en evenzeer door de sierlijkheid
+zijner bewegingen en door zijn vroolijkheid. Het is een der schoonste
+Apen van de Nieuwe Wereld. Zijn eenigszins afschrikwekkende volksnaam
+zou een zeer verkeerd denkbeeld kunnen geven van de uitdrukking van
+zijn gelaat; het dier dankt dien alleen aan een hoogst oppervlakkige en
+bij nauwkeuriger beschouwing dadelijk verdwijnende overeenkomst. Het
+zeer slank gebouwde Doodshoofd-aapje heeft een zeer langen staart; zijn
+fijne vacht is aan de bovenzijde roodachtig zwart (bij zeer oude
+exemplaren echter helder oranjegeel), aan de ledematen grijs
+gesprenkeld en aan de onderzijde wit. Bij sommige exemplaren heeft de
+grijze kleur de overhand; bij andere is de kop koolzwart, het lichaam
+kanariegeel met zwart doorsprenkeld, de ledematen goudgeel. De totale
+lengte bedraagt ongeveer 80 cM., de staart is 50 cM. lang.
+
+Dit lieve diertje heeft hoofdzakelijk Guyana tot vaderland; het bewoont
+vooral de rivieroevers van dit rijk gezegende gebied. Het leeft daar
+tot groote gezelschappen vereenigd. Volgens Schomburgk is het in dit
+land een der meest verbreide Aap-soorten. Evenals de daar voorkomende
+Kapucijner-apen bevolkt hij in talrijke groepen, uit honderd en meer
+stuks bestaande, niet het hoogstammige woud, maar het struikgewas van
+den woudzoom, zoowel aan de kust als in heuvelachtige gewesten tot op
+600 M. hoogte boven den zeespiegel. Niet zelden komen zij te midden van
+Kapucijner-apen voor. Overdag vindt men ze voortdurend in beweging. Den
+nacht brengen zij in de kronen der palmen door, die hun de veiligste
+schuilplaats bieden. Dit dier is zeer schuw en vreesachtig: des nachts
+durft het zich niet te bewegen; overdag neemt het onmiddellijk de
+vlucht, zoodra het eenig gevaar, hoe gering ook, opmerkt. Dan ziet men
+de bende in lange reeksen over de boomkronen wegtrekken. De leidsman,
+die de geheele optocht regelt, brengt zijne onderhoorigen, dank zij
+hunne vlugge bewegingen, zeer spoedig in veiligheid.
+
+Kappler heeft in Guyana gedurende 26 jaren altijd drie van deze Aapjes
+gehouden, en als er een van stierf, steeds het getal weder aangevuld.
+Volgens hem worden zij Akalimas en Kaboeanamas genoemd. „Zij zijn zeer
+wakker en altijd in beweging, hoewel zij ook over dag een slaapje doen;
+zij zijn echter zeer gevoelig voor koude. Ik kreeg ze altijd zeer jong,
+en kon ze spoedig aan melk, brood en rijpe bananen gewennen. In den
+eersten tijd liet ik ze vrij in de kamer rondloopen, waar zij dan uren
+achtereen als kleine kinderen op hun duim zogen. Wegens hun aardig, wit
+gezichtje, met het scherp begrensde kophaar, den zwarten mond, de
+groote, heldere oogen, en wegens hun opgewekten, vertrouwelijken aard
+waren zij ieders lievelingen. De valschheid, die aan vele Apen eigen
+is, komt bij hen niet voor; wel wordt hun toorn licht opgewekt, maar
+even spoedig herkrijgen zij hun goed humeur. Zonder aanleiding trachten
+zij nooit te bijten; bij goede behandeling zijn zij de onschuldigste,
+vroolijkste diertjes, die men zich denken kan. Dikwijls, als zij vrij
+rondliepen, gingen zij op de Zwijnen zitten, en lieten zich door de
+savannahs ronddragen. Iederen avond om 5 uur, nadat de luiken der
+besten vertrekken gesloten waren, werden zij los gelaten. Dan begon een
+dol jagen en stoeien op den broodvruchtenboom en de kokospalmen achter
+het huis; dit duurde, totdat het donker was, dan kwamen zij uit zich
+zelf terug, om in hun huisje opgesloten te worden. Ofschoon zij
+Insecten eten, kunnen zij, naar het schijnt, de vergiftige niet van de
+andere onderscheiden; drie van mijne dieren stierven, omdat zij de
+Vlinders van de Kokosrups opgegeten hadden. Leerzaam zijn zij niet; hun
+verstand is veel geringer dan dat van den Kapucijner-aap. Als zij zich
+prettig gevoelen, spinnen zij als jonge Katten; bij schrik laten zij
+een kort afgebroken gehemeltegeluid hooren, bij toorn schreeuwen zij
+als Eksters. De meeste werden mij van ’t zeestrand gebracht, waar zij
+vlug op de awarra-palmen rondspringen, ofschoon deze over en over met 8
+cM. lange, naaldscherpe stekels bezet zijn. De Indianen schieten de
+moeders, als zij hunne jongen nog op den rug hebben, of schudden de
+jongen van de boomen af, wanneer zij daar door de moeders neergezet
+zijn, Zelden krijgt men een mannetje in handen; bijna alle exemplaren,
+die mij gebracht werden, waren wijfjes.”
+
+
+
+De Nachtapen zijn vertegenwoordigers van een geslacht (Nyctipithecus).
+Aan Azara danken wij de eerste berichten over dit geslacht, een der
+merkwaardigste van de geheele Apen-orde. Kort na hem werd het door
+Humboldt, later door Rengger en Schomburgk, eindelijk ook door Bates
+beschreven. Deze dieren vormen in zekeren zin den overgang van de
+Eigenlijke Apen tot de Half-Apen, die evenals zij een nachtelijke
+levenswijze hebben en ook in andere opzichten op hen gelijken. Aan den
+kop en de uitdrukking van het gelaat zijn zij dadelijk te onderscheiden
+van alle tot dusver genoemde Apen; deze eigenaardigheden
+karakteriseeren hen zeer goed. De kleine rondachtige kop heeft groote
+oogen, welke aan die van Uilen herinneren; de snuit steekt weinig
+vooruit en is breed en groot; de neusgaten zijn benedenwaarts gericht,
+de ooren klein. Hun romp is langgerekt, zacht en los behaard; de
+eenigszins ruige staart is langer dan het lichaam. De nagels zijn
+samengedrukt en gebogen.
+
+Het schrale lichaam van den Mirikina (Nyctipithecus trivirgatus) is 35
+cM., de staart 50 cM. lang. De kleur van de vacht is aan de bovendeelen
+grijs-bruin, meer of min roestkleurig; de staart heeft een zwarte
+spits. Op de kruin komen drie even breede, zwarte, onderling
+evenwijdige streepen voor; van den nek tot aan het begin van den staart
+strekt zich een breede, helder geelachtig bruine streep uit.
+
+Het verbreidingsgebied van den Mirikina omvat het oosten van tropisch
+Zuid-Amerika, waar hij echter slechts in enkele gewesten voorkomt.
+Rengger beweert, dat dit dier in Paraguay alleen aan den rechteroever
+van den stroom (en daar niet verder zuidwaarts dan 25° Z.B.) gevonden
+wordt, zich aan den linker oever echter niet ophoudt. Van zijn leven in
+vrijen toestand is slechts weinig bekend. Hij brengt zijn leven op en
+in de boomen door, gaat gedurende den nacht voedsel zoeken, en
+verschuilt zich des morgens in een gat van een boom om hier overdag te
+slapen. Bij het brandhout inzamelen vonden de lieden van onzen
+natuuronderzoeker eens een paartje van de Apen, die in een hollen boom
+sliepen. De uit hun slaap opgeschrikte dieren trachtten dadelijk te
+ontvluchten, waren echter door het zonlicht zoozeer verblind, dat zij
+geen juisten sprong maken en ook niet goed klimmen konden. Zij werden
+daarom zonder moeite gevangen, ofschoon zij zich met hunne scherpe
+tanden zochten te verdedigen. Het leger bestond uit bladen, belegd met
+een soort van mos, dat op de boomen groeit; hieruit schijnt te blijken,
+dat deze dieren op een bepaalde plaats leven en geregeld in hetzelfde
+leger gaan rusten. Rengger beweert, dat men altijd slechts één paar van
+deze dieren vindt, dat zij nooit grootere gezelschappen vormen; Bates
+bericht echter, dat dit wel gebeurt.
+
+De jonge Mirikina laat zich licht temmen, de oude daarentegen blijft
+altijd wild en bijtlustig. Met zorg behandeld, verdraagt hij de
+gevangenschap goed; bij onzindelijke verzorging leeft hij echter niet
+lang. Men houdt hem in een ruim hok of in de kamer; men laat hem vrij
+rondloopen, daar hij licht in het touw verward raakt, wanneer men hem
+vastlegt. Gedurende den geheelen dag blijft hij in den donkersten hoek
+van zijn verblijfplaats zitten slapen. Hij zit met opgetrokken pooten
+en sterk voorover gebogen rug en verbergt het gelaat tusschen de over
+elkander gekruiste armen. Als men hem wekt, en niet door aaien of
+dergelijke liefkoozingen wakker houdt, slaapt hij onmiddellijk weer in.
+Op heldere dagen kan hij geen voorwerp onderscheiden; zijn pupil is dan
+nauwelijks zichtbaar. Als men hem uit de duisternis plotseling in ’t
+licht brengt, toonen zijne gebaren en klagende geluiden, dat het licht
+bij hem een pijnlijke gewaarwording teweeg brengt. Zoodra echter de
+avond valt, wordt hij wakker; zijn pupil vergroot zich al meer en meer,
+naarmate de duisternis toeneemt, en wordt ten slotte zoo groot, dat men
+het regenboogvlies nauwelijks meer waarneemt. Zijn oog licht in ’t
+donker, evenals dat van de Katten en Nachtuilen. Als de schemering
+aanvangt, begint hij zijn hok rond te gaan en naar voedsel uit te zien.
+Hij beweegt zich gemakkelijk, hoewel hij op den vlakken bodem niet zeer
+behendig is, omdat zijne achterste ledematen langer zijn dan de
+voorste. In ’t klimmen is hij zeer bekwaam; het springen van den eenen
+boom op den anderen verstaat hij meesterlijk. Rengger liet zijn
+gevangen Mirikina soms bij helder sterren- of maanlicht in een met
+sinaasappelboomen bezetten, maar aan alle zijden ingesloten hof vrij
+rondloopen. Dan ging hij vroolijk van den eenen boom op den anderen en
+het was onmogelijk het dier ’s nachts weder op te vangen. Eerst des
+morgens kon men hem grijpen, als hij, door ’t zonlicht verblindt,
+rustig in de dichtste gedeelten van de boomkroon zat. Gedurende zijne
+nachtelijke zwerftochten maakte hij bijna elken keer een op de boomen
+slapenden Vogel buit. Andere Nachtapen, die door Rengger nagegaan zijn,
+toonden een buitengewone geschiktheid tot het vangen van Insecten. Des
+nachts hoorde men dikwijls een sterk dof geluid van den Mirikina; hij
+herhaalde dit altijd verscheidene malen achtereen. Door sommige
+reizigers werd dit geluid vergeleken met het gebrul van den Jaguar in
+de verte. Zijn toorn geeft hij te kennen door herhaaldelijk „Grr, grr,”
+te roepen.
+
+Van alle zintuigen is waarschijnlijk dat van ’t gehoor het volkomenst
+ontwikkeld. Het geringste gedruisch trekt onmiddelijk zijn aandacht.
+Des nachts, bij ’t licht der sterren is zijn gezichtsvermogen het
+scherpst. Zijne geestvermogens schijnen gering te zijn. Nooit leert dit
+dier zijn meester kennen, het volgt diens roep niet en is onverschillig
+voor zijne liefkoozingen.
+
+Dat er een groote genegenheid tusschen mannetjes en wijfjes bestaat,
+werd door Rengger opgemerkt. Als van een gevangen paar er een sterft,
+kniest de andere zich dood. De vrijheid gaat bij deze dieren boven
+alles; van iedere zich aanbiedende gelegenheid om te ontsnappen maken
+zij gebruik, zelfs wanneer zij jong gevangen zijn en reeds jaren in
+gevangenschap geleefd hebben.
+
+
+
+Enkele natuuronderzoekers brengen de dieren, die wij hier tot een
+afzonderlijke familie vereenigen, nog tot de vorige afdeeling; de
+punten van verschil tusschen hen en de vroeger behandelde Apen zijn
+echter belangrijk genoeg, om een scheiding, zooals die, welke wij
+voorstaan, te rechtvaardigen.
+
+De Klauwapen of Eekhoornapen (Arctopitheci) onderscheiden zich van alle
+tot dusver genoemde leden der Apen-orde hoofdzakelijk hierdoor, dat zij
+aan alle vingers en teenen, met uitzondering van den duim of binnenteen
+van den voet, smalle klauwen, aan den bedoelden duim echter een
+dakpanvormigen, platten nagel hebben. Andere kenmerken van deze dieren
+zijn: de rondachtige kop, met kort, plat aangezicht, kleine oogen en
+groote, dikwijls in een haarkwast eindigende ooren, de slanke romp, de
+korte ledematen; de staart is lang en ruig, de beharing zijdeachtig
+zacht. De handen gelijken op de voorvoeten van andere Zoogdieren, daar
+de duim niet van de overige vingers verwijderd staat en ook niet aan
+deze tegenovergesteld kan worden, terwijl dit met den duim van de
+achterhand wel kan geschieden. De handen zijn dus bij hen voorvoeten
+geworden; alleen de eigenlijke voeten hebben nog een soortgelijk
+maaksel als die der overige Apen.
+
+Het verbreidingsgebied van de Klauwapen omvat alle noordelijke landen
+vau Zuid-Amerika, en strekt zich noordwaarts tot Mexico uit, terwijl
+het in zuidelijke richting ternauwernood voorbij Brazilië reikt. Het
+laatstgenoemde rijk, benevens Guyana en Peru bevatten de meeste
+soorten; in Mexico komen er, voor zoover men thans weet, slechts twee
+voor. Hoe ver zij zich in ’t gebergte omhoog begeven, is tot nu toe
+niet met zekerheid uitgemaakt; Schomburgk ontmoette ze nog op een
+hoogte van 500 M. boven de oppervlakte der zee; in de Andes komen zij
+echter ongetwijfeld op nog grootere hoogte voor.
+
+Alle Klauwapen zijn boomdieren in den eigenlijken zin van ’t woord. In
+de uitgestrekte bosschen van de landen waar zij inheemsch zijn, komen
+zij in grooten overvloed voor; niet alleen in de hoogstammige, vochtige
+bosschen langs de kust of van de vlakten, maar ook in de lagere, minder
+welige wouden van het binnenland. Wat aard en gewoonten betreft,
+gelijken zij minstens evenveel op Eekhoorntjes als op de eigenlijke
+Apen. Een opgerichte houding zooals bij deze komt bij hen niet voor:
+zij rusten op handen en voeten, of liggen zelfs plat op den buik, in
+welk geval de lange, dicht behaarde staart recht naar beneden hangt;
+ook houden zij er niet van om zich, evenals hunne verwanten—de
+bekwaamste klimmers die ons bekend zijn—te midden van de dunne twijgen
+te bewegen, maar blijven liever op de dikken takken; zij gedragen zich
+hier geheel op de wijze van de Eekhoorntjes en gebruiken hunne lange
+klauwen als deze Knaagdieren. Altijd laten zij de geheele zool op den
+grond rusten. Nooit ziet men ze op twee voeten gaan; evenwel richten
+zij, als zij iets naar den mond willen brengen, bij uitzondering het
+voorste deel van ’t lichaam omhoog: de houding, die zij dan aannemen,
+komt trouwens ook bij de Eekhoorntjes voor.
+
+Ook in andere opzichten gelijken zij veel op Eekhoorntjes; zij zijn
+even ongedurig en rusteloos, even schuw en vreesachtig als deze. Zij
+houden hun kopje geen oogenblik stil; de donkere oogen richten zich nu
+eens naar het eene dan weer naar een ander voorwerp, altijd echter met
+een zekere haast; naar het mij voorkomt, heeft de werkzaamheid van hun
+geest niet veel te beteekenen, terwijl zij hunne blikken van de eene
+plaats naar de andere laten zwerven, hoewel het den schijn heeft, dat
+zij intusschen nu eens aan de eene, dan weer aan de andere zaak denken.
+Ik geloof niet, dat men aan de Klauwapen een diep nadenken mag
+toeschrijven; integendeel, volgens mijn overtuiging staan zij wat hunne
+geestvermogens betreft, beneden alle overige Apen; het zijn zeer
+bekrompen wezens, welker verstand waarschijnlijk niet grooter is dan
+dat van de Knaagdieren van gelijke grootte. Vreesachtig, wantrouwend,
+terughoudend, kleingeestig en vergeetachtig van aard, handelt de
+Klauwaap als ’t ware zonder zelfbewustzijn, laat zich, zonder dat zijn
+wil invloed schijnt te oefenen op zijne daden, door de indrukken van
+het oogenblik beheerschen, let niet meer op hetgeen hij zooeven heeft
+nagejaagd, zoodra een andere prikkel, van welken aard dan ook, op hem
+werkt. Hij bezit alle eigenschappen van een lafaard: de klagende stem,
+de duidelijk merkbare ongeschiktheid of onwil om te berusten in iets,
+wat hij niet keeren kan, de neiging om alle gebeurtenissen van de
+ongunstigste zijde te beschouwen, de ziekelijke zucht om iedere
+handeling van een ander aan te merken als tegen hem gericht, het vurig
+verlangen om te schitteren, gepaard met de neiging om zich op den
+achtergrond te houden, de veranderlijkheid van de uitdrukking van ’t
+gelaat zoowel als van de houding van ’t lichaam, de onstandvastigheid
+in ’t willen zoowel als in ’t volbrengen.
+
+Allerlei vruchten, zaden, jonge bladen, bloemen vormen de
+hoofdbestanddeelen van het voedsel onzer aapjes; bovendien echter maken
+zij met den grootsten ijver jacht op allerlei kleine dieren; aan
+Insecten, Spinnen enz. geven zij stellig de voorkeur boven kleine
+Gewervelde Dieren, die zij echter ook niet versmaden. In allen gevalle
+zijn zij meer dan alle overige Apen roofdieren, d.w.z. zij eten meer
+dan de overige leden hunner orde dierlijk voedsel naast het
+plantaardige.
+
+
+
+In de familie der Klauwapen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden,
+die alle tot één geslacht (Hapale) behooren: de Leeuwaapjes, die nevens
+het naakte gelaat ook onbehaarde ooren hebben, daarentegen manen op den
+kop, die zich soms ook over den hals en de schouders uitstrekken, een
+in een haarkwast eindigenden staart, die zoo lang is als het overige
+lichaam: de Tamarins—in onze afbeelding op p. 55 vertegenwoordigd door
+het Zilveraapje (Hapale argentata)—, die zich van de eerstgenoemde
+alleen onderscheiden door den langeren staart en het meestal ontbreken
+van de manen, en de Zijdeaapjes met een haarkwastje aan de ooren.
+
+Van de laatstgenoemde groep komt, naar het schijnt, het Sahoei-aapje,
+de Sagoeïen, Oeïstiti of Marmoset (Hapale jacchus) het veelvuldigst
+voor; dit is een middelmatig groot, sierlijk gebouwd Klauwaapje van 22
+à 27 cM. lichaams- en 30 à 35 cM. staartlengte. De kleur van de lange
+en zachte vacht is over ’t algemeen een mengeling van zwart, wit en
+roestgeel. Zij wordt veroorzaakt door de eigenaardige afwisseling van
+kleuren op ieder haar afzonderlijk beschouwd: aan den voet is het
+zwartachtig, verderop roestkleurig, nog hooger zwart en aan den top
+witachtig. Op het voorste deel van den rug zweemt de kleur naar
+roestgeel, verder achterwaarts wisselen smalle, zwarte en witte,
+golvende dwarsstrepen met elkander af. Aan het onderlijf en aan de
+ledematen zijn alle haarspitsen witachtig grijs en heeft deze kleur dus
+de overhand. De staart is zwart met ongeveer 20 smalle, witachtige
+ringen en een witten top. Een witachtige, driehoekige voorhoofdsvlek en
+een schitterend wit oorkwastje steken vroolijk af bij de donkerbruine
+kleur van den kop. Het aangezicht is donker vleeschkleurig en spaarzaam
+begroeid met witachtige haartjes.
+
+Oeïstitis komen vaker levend naar Europa dan eenige andere soort van de
+familie der Klauwapen. Men kent ze reeds sedert de ontdekking van
+Amerika, en is al spoedig begonnen ze te temmen. Men kan ze met
+vruchten, groenten, Insecten, Slakken en vleesch zeer goed voederen;
+ook hechten zij zich in den regel zeer spoedig aan de menschen, doch
+slechts aan die, welke hen bestendig verzorgen. Tegenover vreemden
+toonen zij zich wantrouwig en prikkelbaar; over ’t algemeen zijn zij
+zeer eigenzinnig en gedragen zich als stoute kinderen. Hun misnoegen
+geven zij door fluitende toonen te kennen. Alles wat hun vreemd
+voorkomt, brengt bij hen ontroering teweeg: zij zijn zoo vreesachtig,
+dat het zien van een voorbijvliegende Wesp hun grooten angst inboezemt.
+Die, welke al oud waren, toen zij gevangen werden, zijn in den beginne
+nog al wild en schreeuwen reeds bij de geringste toenadering; het duurt
+vrij lang, voordat zij dulden, dat men ze aanraakt. Als zij eenmaal
+getemd zijn, sluiten zij niet alleen met de menschen vriendschap, maar
+ook met de huisdieren, vooral met de Katten, waarmede zij spelen en in
+welker nabijheid zij zich gaarne te slapen leggen, waarschijnlijk ter
+wille van de warmte. Voortdurend trachten zij zich zorgvuldig tegen de
+koude te beschutten; zij dragen het katoen, de lompen, de vlokjes wol
+enz., die men hun geeft naar een hoek van hun hok, maken zich daarvan
+een leger, en hullen zich in, zoo goed zij kunnen. Het is een aardig
+schouwspel, het diertje zijn sierlijk kopje uit zijn bedje te zien
+steken, zoodra bekenden hem met lekkernijen naderen.
+
+De Oeïstiti heeft in Europa reeds meermalen jongen geworpen, eenmaal in
+Petersburg, en hier zelfs in zeer ongunstige omstandigheden. Men hield
+daar deze dieren zelfs gedurende vrij ruwe herfst- en lentedagen in een
+vertrek, waar niet gestookt werd, en gaf hun volstrekt geen vrijheid;
+toch brachten zij er in twee jaren drie maal jongen ter wereld. In
+weerwil van de geringe zorg, die aan deze dieren besteed werd, groeiden
+de jongen voorspoedig op. Deze mededeeling danken wij aan den
+natuuronderzoeker Pallas, die tevens van de levenswijze van de bedoelde
+dieren een zeer uitvoerige beschrijving geeft, waaraan het volgende
+ontleend is: „Even als alle langstaartige, kleine, op Meerkatten
+gelijkende Apen Van de Nieuwe Wereld is ook de Oeïstiti bij wijze van
+spreken veel minder „Aap” dan de grootere soorten van deze diergroep.
+Wel springt en klimt hij zeer behendig, wanneer hij dit wil; hij is
+echter niet, evenals de andere Apen, voortdurend in beweging, maar
+toont, vooral wanneer hij verzadigd is en zich in de zon wil koesteren,
+een groote traagheid; uren lang blijft hij dan stil in gezelschap van
+zijne stamverwanten aan de draden van zijn kooi hangen. Hij klimt op
+allerlei wijzen, dikwijls met den kop naar beneden; altijd zijn zijne
+bewegingen vrij phlegmatisch: soms laat hij zich met den kop naar
+beneden hangen, terwijl hij zich alleen met de achterpooten vasthoudt,
+of rekt zich als een lui mensch uit, terwijl hij aan de voorpooten
+hangt. Bij warm, zonnig weder reinigen deze dieren elkander op de wijze
+der Apen met de voorpooten en de tanden; soms doen zij dit, terwijl zij
+nevens elkander aan het traliewerk hangen, soms terwijl zij op den
+bodem rusten, waarbij dan de eene lang uitgestrekt op den rug ligt.
+Daarbij laten zij een zacht getjilp en een kirrend geluid hooren.
+Gewoonlijk kruipen zij met hetzelfde gekir des avonds bijna altijd op
+klokslag van zessen in een van hunne alleen met stroo gevoerde
+slaapplaatsen, die aan de zijde van het hok aangebracht zijn; zij
+vertoonen zich vóór ’s morgens 6 of 7 uur niet weder: in den
+tusschentijd hoort men geen geluid van hen. Zelden kwam het voor, dat
+een van hen gedurende den voor ’t slapen bestemden tijd zijn leger
+verliet, om aan een natuurlijke behoefte te voldoen; toch bevuilen zij
+nooit hun nest. Gedurende de overige 11 of 12 uren waren zij steeds
+wakker, en buiten de nesten bezig; soms maakten zij veel, soms minder
+beweging, in den regel kon men ze duidelijk hooren. Behalve hun gewoon
+gekir, vernam men van hen, vooral als hun aandacht op het voedsel
+gevestigd werd, een sterker geluid, dat door hun naam „oeïstitie” vrij
+goed nagebootst wordt; dit riepen zij dikwijls meermalen achtereen. Als
+zij verzadigd waren en uitrustten, of zich in de zon koesterden, lieten
+de oudste dieren soms met wijd opengesperden bek een langdurig,
+eentonig gefluit hooren. Door ze op te jagen of toe te roepen, kon men
+dit geluid, dat buitengewoon doordringend was, zoodat de ooren er zeer
+van deden, niet doen ophouden. Als zij iets ongewoons zagen, b.v.
+Honden, Kraaien enz., vernam men van hen een gesnater, dat bijna als
+dat van den Ekster klonk; daarbij bewogen zij het bovendeel van het
+lichaam met den teruggetrokken kop telkens heen en weer, evenals een
+mensch die loerend naar iets kijkt en het juiste gezichtspunt zoekt.
+Een soms knarsend, soms knorrend gekijf hoorde men van de oude
+mannetjes, als zij geplaagd werden, b.v. door hun van verre iets aan te
+bieden en het dan niet te geven. Daarbij rekten zij hun gelaat uit,
+zooals de andere Apen doen, als zij toornig worden, stotterden op
+ongewone wijze en zochten den plaaggeest met de voorpooten te grijpen
+en te krabben; zij werden echter zeer angstig, als de poot intusschen
+door iemand buiten het hok gegrepen en vastgehouden werd.
+
+„Omdat zij in Zuid-Amerika thuis behooren, had men mogen verwachten,
+dat de Oeïstitis veel kouwelijker zouden zijn, dan werkelijk het geval
+is. Gedurende de koude herfstdagen, waarop ik ze bij mij had,
+verdroegen zij in het niet verwarmde vertrek, voor welks venster zij
+zich ophielden, een temperatuur, die steeds dicht bij het vriespunt
+gelegen was. Wel zochten zij er den zonneschijn op, of kropen zoo dicht
+mogelijk bij den vuurpot, die naast het hok geplaatst was; uren lang
+warmden zij zich hieraan, terwijl zij aan het traliewerk van hun hok
+hingen. Zeer vreemd is het, dat zij de groote hitte van den zomer hier
+in Petersburg niet aangenaam vonden. Hun meester verzekerde, dat hij ze
+op heete zomerdagen dikwijls met krampachtige stuiptrekkingen had zien
+neervallen, hetgeen in andere tijden zelden gebeurde. Roerend was het
+te zien, hoe ijverig de gezonde dieren zich oogenblikkelijk met hun op
+deze wijze ziek geworden kameraad bezig hielden, en hoe zij trachten
+hem hulp te bieden”.
+
+
+
+Het Penseelaapje of Witbandaapje (Hapale penicillata, vergelijk de
+afbeelding 3 op p. 55), komt bijna even veelvuldig voor als de
+Oeïstiti, en is ongeveer even groot als deze; ook de kleur verschilt
+niet veel.
+
+De tot de Tamarins behoorende Pinche (Hapale oedipus) wordt zeer zelden
+naar Europa gebracht, en verdraagt de gevangenschap nog minder lang dan
+zijne geslachtsgenooten. Deze kleine, fraai geteekende diertjes zijn
+vooral merkwaardig door hun stem, welke bedriegelijk gelijkt op die van
+een Vogel en nu eens uit zuivere, langgerekte, fluitende toonen, dan
+weer uit trillers bestaat.
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] Zeer interessante mededeelingen over het leven van den jongen
+Orang-Oetan in gevangenschap komen voor in een opstel van H. A. A.
+Niclou, getiteld „Jacob, mijn Orang-Oetan. (Dier of meer?)”, geplaatst
+in het „Album der Natuur”, 1882, pp. 195–211, en in een pas verschenen
+werk van Dr. Emil Selenka („Sonnige Welten. Ost-Indische
+Reiseskizzin”), waarvan een uittreksel onder den titel: „Een jonge
+Orang-Oetan, door Dr. T. C. Winkler” voorkomt in het „Album der
+Natuur”, 1896, p. 71.
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.