diff options
Diffstat (limited to '15975-8.txt')
| -rw-r--r-- | 15975-8.txt | 18880 |
1 files changed, 18880 insertions, 0 deletions
diff --git a/15975-8.txt b/15975-8.txt new file mode 100644 index 0000000..f1af28d --- /dev/null +++ b/15975-8.txt @@ -0,0 +1,18880 @@ +The Project Gutenberg EBook of Camera Obscura, by Hildebrand + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Camera Obscura + +Author: Hildebrand + +Release Date: November 3, 2008 [EBook #15975] +Last Updated: February 27, 2018 + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CAMERA OBSCURA *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + + CAMERA OBSCURA + + Van + + Hildebrand. + + + Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum. + Horatius. + + + Negen en twintigste druk. + + Haarlem De Erven F. Bohn. + + 1917. + + + + + + + + De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en Verbeelding + vallen in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommige zoo + treffend en aardig dat men last gevoelt ze na te teekenen en, + met ze wat bij te werken, op te kleuren, en te groepeeren, er + kleine schilderijen van te maken, die dan ook al naar de groote + Tentoonstellingen kunnen gezonden worden, waar een klein hoekje + goed genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten + op zoeken; want niet alleen staat er honderdmaal een neus + van Herinnering op een gezicht van Verbeelding, maar ook is de + uitdrukking des gelaats zoo weinig bepaald, dat een zelfde tronie + dikwijls op wel vijftig onderscheiden menschen gelijkt. + + _Anonymus_ + _in libro non edito._ + + + + + + + +VOORBERICHT, ZESDE DRUK; 1864. + + +Het is nu juist vijfentwintig jaren geleden dat, in het najaar +van 1839, de _Camera Obscura_ hare intrede in de wereld deed. De +pseudonieme Schrijver, toen zelf nog maar even vijfentwintig jaren oud, +ofschoon in een ander vak van letterkundige voortbrengselen, onder +zijn eigen naam, niet onvriendelijk door zijne landgenooten opgenomen, +zag zijne stoutste verwachtingen overtroffen, als de buitengewoon +hartelijke ontvangst van dit zijn werk binnen 't halfjaar een _tweeden_ +druk noodzakelijk maakte, welke dan ook in 't voorjaar van 1840 het +licht zag. Toen, elf jaren later, een _derde_ druk noodig werd, had +hij den moed de nieuwe uitgave met eenige tot hiertoe onuitgegevene +opstellen zoodanig te vermeerderen dat het boekdeel, hetwelk nu +(1851) het licht zag, schoon kleiner van formaat, wat den inhoud +betrof meer dan verdubbeld was. Van dat oogenblik af, kwam er een +nieuw leven in eene belangstelling, die van den beginne aan boven +verwachting was geweest en nimmer was afgebroken. De Belgische pers +vereerde het Hollandsche boek eerlang met een nadruk (1853); maar deze +verhinderde niet dat reeds in het volgende jaar een _vierde_ wettige +uitgave in het vaderland noodzakelijk was, onder wier omslag nu ook +de tot nog toe hier en daar _Verspreide Stukken van_ _Hildebrand_ +aan zijn hoofdwerk werden toegevoegd. Ook deze was echter in 1858 +uitgeput en maakte plaats voor eene _vijfde,_--en zie hier nu de +_zesde_, in alles aan de vijfde gelijk, behalve dat eenige druk- +en stijlfouten verbeterd en waarschijnlijk ook weder eenige nieuwe +gemaakt zijn, en dat de verstandige lieden, die tot deze _zesde_ +uitgave gewacht hebben zich het boekdeel aan te schaffen, zonder +vermeerdering van kosten, daarbij nog dit voorbericht winnen. + +Het is den Schrijver eene streelende gedachte, dat aan zijn werk, in +deze _zesde_ uitgave, het voorrecht te beurt mag vallen in handen te +komen van een geslacht van landgenooten, nauwelijks of niet geboren, +toen hij het voor het eerst aan het licht bracht; het volwassen, +meerderjarig kroost van dat, waaronder hij zelf is opgegroeid, waarvoor +hij schreef, en dat hij schetste; maar niet minder treft het hem, +zich daarbij inderdaad te moeten afvragen of niet dit nieuw geslacht +ruim zoo zeer behoefte zou hebben aan ophelderende aanteekeningen bij +zijn werk gevoegd, als aan deze, min of meer historische, voorrede? Of +maakt niet het vierde eener eeuw; en eener eeuw als de negentiende; +maakt niet het vierde eener eeuw een tijdperk uit, lang genoeg om +een boek als het zijne hier en daar zonderling te doen voorkomen en +op menige plaats onverstaanbaar te doen worden? + +De mannen, die met den Schrijver het jaar van den "Volksgeest" +beleefd hebben, tot welks eer wij nu in de hoofdstad een gedenkteeken +zien pralen, dat--eenig in zijn soort mag worden genoemd, herinneren +zich b.v. zonder twijfel de loffelijke poging nog wel, destijds van +diezelfde hoofdstad uitgegaan, om in Nederland, tot schitterender +triomf over België, eene nationale kleederdracht te improviseeren. Als +zij hunne oogen sluiten, zien zij gewis nog weder voor hun geest +oprijzen die nationale "_tunica's_", waarop de eerste nommers van het +nationale modeblad de nationale oogen deden verlieven! Maar wat stelt +het tegenwoordige geslacht zich voor, wanneer het den Schrijver van +"nationale hoeden" ziet gewagen? Wat denkbeeld vormt het zich, in dit +jaar 1864, van dameshoeden met luifels, van Rapponische krachten, van +een mathesisexamen in het Latijn, of van eene Vierde Klasse van het +Koninklijk Nederlandsch Instituut? Hoe ondenkbaar moet in zijn oogen +een Nederland _zonder_ spoorwegen; hoe buitensporig een Sint-Nicolaas +_met_ verguldsel voorkomen; hoe ongepast een karakteristiek der +periodieke pers, als in "_Gerrit Witse_" beproefd is! Wat weet het van +baleintjes om lange pijpen door te steken? van achtëntwintigen? van +veete tegen de Belgen? wat van lantarenvullers? En waar de namen van +een Smallenburg, een Macquelyn, een Don Carlos genoemd worden, waar +van de Industriëlles van Bertolotto, _De Avondbode_, de _woestijn_ +van het Koegras, gewaagd wordt, zou daar voor zeer velen een kleine +aanteekening wel overbodig zijn? + +Met dat al heeft de Schrijver nog niet kunnen besluiten, bij +de tegenwoordige uitgave reeds in deze "dringende behoefte" te +voorzien. Het blijve voor gehoopte latere drukken bewaard, als +de behoefte nog dringender, de _notennood_ nog hooger gestegen +zal zijn. Ook mag de Schrijver zich afvragen, of het niet al te +onedelmoedig wezen zoude, door het voorshands nutteloos maken van +hunnen arbeid, aan de oudheidkenners, Navorschers en Commentatoren +van volgende tijden een bewijs van wantrouwen te geven, hetwelk zij +in geen opzicht hebben verdiend. + +De oudste stukken in dit boekdeel, waarin geene van een latere +dagteekening dan het jaar 1841 voorkomen, zijn: _Een Beestenspel_, +dat reeds in den _Studenten-Almanak_ voor 1837 een plaats vond, +en _Vooruitgang_, opgenomen in het October-nommer van _De Gids_ +van dat zelfde jaar. + +Wat _Een Beestenspel_ betreft, ik hoop dat het _Nederlandsch +Woordenboek_ zich ontfermen zal over den Naam. Sedert de loffelijke +instelling, welke het groot publiek zich verhardt _Apentuin_ te noemen, +en die door beschaafde lieden _Artis_, door niemand _Diergaarde_ +geheeten wordt, behoort de Zaak nu reeds tot de antiquiteiten, en +heeft de wel wat woorden- en tegenstellingrijke strafrede grootendeels +uitgediend. Het "hybridisch" stukje _Vooruitgang_ dankt aan dit +zijn gebrek zelf, in verband met de wel wat ruwe, maar niet geheel +onrechtvaardige tuchtiging, welke daaraan terstond na zijn verschijning +in het genoemde maandwerk, van eene scherpe pen te beurt viel, zijn +onsterfelijkheid en voor den Schrijver een groot gewicht. Het heugt +hem als de dag van gisteren, hoe weinig de kastijding, ten dage dat +zij uitgedeeld werd, hem smaakte, en met welk eene verontwaardiging +hij zijne pen opnam en aanpuntte en een antwoord schreef en overschreef +en--ter zijde legde... "De Heer G. schijnt te hechten aan den steller, +wiens stukje hij aldus eert. Een wezenlijk talent zoekt zulk een +regter"--vond hij ergens geschreven door eene andere pen, waaruit +wel nooit iets, dat niet puntig was, is voortgekomen. [1] Dit was en +olie, en zout. Beide deden goed. Zonder dat woord, hetwelk hier, na +vijfentwintig jaren, dankbaar vermeld wordt, ware de _Camera Obscura_ +misschien niet, en stellig niet beter, geschreven. + +Dat echter het boek, zooals het is, in meer dan één opzicht de sporen +draagt van den jeugdigen leeftijd waarop het is tezamengesteld, ziet de +Schrijver zelf nu beter dan menig ander, en hij weet de zoo ongemeene +gunst, welke het bij zijne landgenooten steeds gevonden heeft, aan +niets anders toe te schrijven dan daaraan, dat het zijner onbekommerde +jeugd, hij weet zelf niet hoe, over het algemeen eenigszins gelukt moet +wezen, met waarheid te schetsen, zoodat in zijne kleine tafereelen de +Mensch den Mensch, en de Nederlander zijn Vaderland gevonden heeft; +terwijl de herkenning niet al te pijnlijk was gemaakt door een jong +gemoed dat, van boosaardigheid vrij, zijn vaderland en de menschen +liefhad. En, ook na vijfentwintig jaren, is dat gemoed niet veranderd. + +Ook in den Vreemde is zijn arbeid niet onopgemerkt gebleven. Behalve +vertalingen van enkele episoden (die van _Keesje_ en van de +_Verguldpartij_) in het Bngelsch in _Fraser's_ en in _Chamber's +Magazine_ (1854), en in het Fransch in de _Revue des Deux Mondes_ +(1856) blijkbaar van zeer bekwame hand, en van _Gerrit Witse_, +in het Hoogduitsch in _Die Niederlande_ door _Dr. Alb. Wild_ +(1862), zag eene volledige overzetting van de _Camera Obscura_, +gedeeltelijk onder den titel van: _Scènes de la Vie Hollandaise_ +(1856), gedeeltelijk onder dien van _Chambre Obscure_ (1860), te +Parijs het licht. Van deze zegt de Schrijver dit: dat de hem hierdoor +wedervaren eer hier en daar nog al zeer verbitterd wordt door blijkbaar +misverstand van zijne bedoeling; en dat niemand het hem al te kwalijk +kan nemen, indien hij aan hoogmoedige gedachten toegeeft, wanneer +het blijken mocht, dat het geestigste volk der wereld met zijn werk, +in _deze_ vertaling, opheeft. Er zijn voorbeelden dat vertalingen van +tijdgenooten, in latere dagen, tot opheldering van duistere plaatsen +in het oorspronkelijke werden te baat genomen. Hiertegen echter +acht de schrijver zich verplicht de nakomelingschap, met opzicht +tot _deze_ vertaling, eenigszins te waarschuwen. Wat hij b.v. met +de "leerwijze van Prinsen" mag bedoeld hebben, zal, indien het ooit +duister kon worden, niet veel licht verkrijgen uit eene overzetting +met "la doctrine des princes": en indien er ooit een tijd kon komen, +dat een volzin, als waarmede het hier in de laatste plaats voorkomende +stukje aanvangt, niet terstond begrepen werd: _nooit_ voorzeker zal +hij begrepen worden, indien men opheldering zoekt bij de volgende vrije +vertaling: "Le nom de la garde (_Baker_) est une preuve évidente--qu'il +ne faut pas avoir d'accès aux étoiles (_ster_) pour faire connaitre +le titulaire d'un emploi féminin par excellence". Ik ben benieuwd te +weten wat de Fransche _gardes_ er van gemaakt hebben [2]. + + +1 October, 1864. + +H. + + + + + + + +BIJVOEGSEL, VEERTIENDE DRUK; 1883. + + +Ziedaar het voorbericht der _zesde_ uitgave, in deze _veertiende_ +wederom, waar men getoond heeft prijs op te stellen, in zijn geheel +afgedrukt. In de _zevende_ (1871), met den _Brief van Hildebrand aan +Schipper Rietheuvel_, en met het _Laatst_ en weemoedig _Bijvoegsel tot +de Narede en Opdracht aan_ den in datzelfde jaar ontvallen _Vriend_ +vermeerderd, voegde de Schrijver aan de zeven jaar te voren gedane +opgave van blijken van belangstelling in den Vreemde eene aanteekening +toe van den volgenden inhoud: "Deze opgave kon, bij gelegenheid van +den tegenwoordigen, zevenden druk, nog vrij wat vermeerderd worden, +daar ik dankbaar erkennen moet dat alle Duitsche landen, Brunswijk, +Saksen, Pruisen, Oostenrijk, om strijd van hunne belangstelling +hebben doen blijken. Ik bespaar het echter tot den achtsten. Voor +mijne eigenliefde is het op dit oogenblik meer dan genoeg hier aan te +stippen, dat de Duitschers nu laatstelijk begonnen hebben ook hunne +_reisherinnerinqen_ uit de _Camera Obscura_ te putten. (Zie _Im Neuen +Reich_ 1871, N°. 18)" [3]. Wat echter, volgens deze aanteekening, +voor de _achtste_ uitgave werd bespaard, werd, ondanks het aangroeien +van de stof, ook in die achtste (1872), en voorts in alle volgende, +teruggehouden, om plaats te maken voor eene verklaring, welke thans +aldus zou kunnen luiden: "Wat er ook streelends moge zijn in de eer +zich, met beter of slechter gevolg, in het Fransch, het Engelsch, +het Hoogduitsch, het Italiaansch, en wellicht ook in 't Deensch en +Zweedsch vertolkt te zien, en lezers te vinden tot in het verre Japan: +voor het hart van den Schrijver der Camera Obscura heeft het weinig +te beteekenen bij de zoete ondervinding der duurzame genegenheid van +eigen land- en taalgenoot" [4]. + +Wat betreft de in de voorrede van 1864 uitgedrukte meening omtrent +het nog niet bereikt zijn van het _noodpeil_ voor ophelderende +aanteekeningen: zij bleef bij volgende uitgaven nog steeds dezelfde, +en "zijn gevoel van kieschheid tegenover de geleerden der toekomst +werd bij den Schrijver nog altijd niet overwonnen." In den laatsten +tijd echter, wordt hij mondeling en schriftelijk, door geleerden en +ongeleerden, met zoovele vragen bestormd, dat hij in dit opzicht een +ander begrip begint te krijgen van zijn plicht, en er ernstig aan +begint te denken, in de meer en meer "dringende behoefte" eenigszins, +in den een of anderen vorm, te gaan voorzien. + +Intusschen zou het hem niet mogelijk zijn deze, nu _veertiende_ +uitgave van zijn werk in het licht te zenden, zonder dat zij de +openlijke betuiging bevatte zijner erkentelijkheid aan zijn vriend +_Johannes Dyserinck_. + +Een belangstellender en oplettender lezer dan dezen, beide in +oostersche en vaderlandsche letteren, zoo zeer ervaren landgenoot, +heeft onder hare duizenden de _Camera Obscura_ niet gevonden. Hare +_dertiende_ uitgave (1880) gaf hem aanleiding tot het schrijven dier +voortreffelijke monographie, welke, eerst in _De Gids_ verschenen, +later in "vermeerderden herdruk" afzonderlijk uitgegeven is [5]. In +dit keurig opstel worden het leven en de lotgevallen, zoo in den +Vreemde als in het Vaderland, van het nu meer dan veertigjarig boek +beknoptelijk, maar vollediglijk, verhaald, en heeft de vriendelijke +ingenomenheid van den geachten letterkundige, in verband met vroegere +en latere oordeelen en beschouwingen van anderen, eene hartelijke en +door den Schrijver der _Camera Obscura_ hooggewaardeerde uitdrukking +gevonden. + +Maar wat bij dit alles voor dien Schrijver een zeer groot gewicht +hebben moest, waren de hier geleverde bewijzen der allerbijzonderste +oplettendheid door den heer _Dyserinck_ aan de onderlinge vergelijking +der elkander opgevolgde uitgaven gewijd, aan welke nog de zin-storende +of zin-veranderende drukfouten welke van tijd tot tijd in den tekst +waren ingeslopen, noch de niet onbelangrijke uitlatingen, welke +daarin van lieverlede hadden plaats gehad en door de onoplettendheid +der correctie van de eene uitgave in de andere waren overgegaan, +waren ontsnapt, noch ook de kleine, maar opzettelijke verbeteringen, +door den Schrijver gaandeweg in de redactie aangebracht. Dit heeft +bij dezen de uitwerking gehad, dat hij zich voelde aangespoord in elk +dezer opzichten dubbel werk te maken van den toen reeds in uitzicht +zijnden, thans in 't licht verschijnenden, _veertienden_ druk, en zich +daarbij van de hoog te waardeeren hulp van zijn vriend _Dyserinck_ +te verzekeren. Zij is hem rijkelijk te beurt gevallen en, met een goed +geweten, als die overtuigd is, in dezen niets bereikbaars verzuimd te +hebben, meende hij dan ook ditmaal het "_met zorg_ herziene" op den +titel te mogen stellen. Bij de zuivering der drukproeven, is van elk +der opstellen nu weder de eerste druk tot grondslag gelegd, al het +gaandeweg verdwenene, voor zoo veel het niet opzettelijk geschrapt of +opgeofferd was, aan zijne vroegere plaats hersteld, en zijn tal van +(niet slechts _druk_-) fouten weggenomen, menige gebrekkige of min +gelukkige uitdrukking door een juistere en betere, maar vooral een +goede hoeveelheid onduitsche woorden door vaderlandsche taal vervangen. + +Het zal den Schrijver niet dan aangenaam wezen, indien de wijzigingen, +die de vrucht van deze ernstige herziening zijn, door hen, die alleen +_deze_ uitgave in handen nemen, bij het lezen onopgemerkt blijven +en zelfs niet worden vermoed; maar die het der moeite waardig mocht +achten haar met de vorige te vergelijken, zal ze, zoo hij hoopt, +niet onbelangrijk vinden en aan het meerendeel zijne goedkeuring +niet onthouden. + +1 November, 1883. H. + + + +Zoomin als bij de elkander schielijk opgevolgde 15de, 16de, 17de, +18de en 19de, heeft de Schrijver, bij deze 20_ste_ uitgave, aan +het bovenstaande iets toe te voegen dan de verzekering, dat hij ook +voor haar zijne beste zorgen heeft overgehad; en de herinnering, +dat aan de reeds bij het schrijven der Voorrede voor de 6de +gevoelde en sedert steeds "dringender" gebleken "behoefte", in het +najaar van 1887, door zijn "_na vijftig jaar_, _Noodige en overbodige +Opheldering van de Camera Obscura_", naar vermogen voldaan is. Een +_tweede, geheel herziene druk_ zag daarvan in het voorjaar van 1888 +het licht. (Haarlem, De Erven F. Bohn.) + +1 Juli, 1900. + + + + + + + +INHOUD. + + + Jongens. 1 + Kinderrampen. 5 + Een Beestenspel. 13 + Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout. 19 + Humoristen. 33 + Familie Stastok. 36 + De Aankomst. 36 + De Ontvangst. 38 + Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te + spelen. 42 + Het Diakenhuismannetje vertelt zijn historie. 49 + Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje + te passeeren. 57 + Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren + gaan. 71 + Varen en Rijden. 88 + Genoegens smaken. 98 + Een Oude Kennis. 103 + Hoe warm het was, en hoe ver. 108 + Hoe aardig het was. 110 + Hoe voortreffelijk zij was. 115 + Verre vrienden. 120 + Narede, en Opdracht aan een vriend. 129 + Eerste uitgave. 129 + Tweede uitgave. 131 + De Familie Kegge. 135 + Een treurige inleiding. 135 + Kennismaking met menschen en dieren. 139 + Een juffertje en een mijnheer. 150 + Vaderangsten en kinderliefde. 156 + Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn, + en voorts iets droevigs. 165 + De Grootmoeder. 173 + Een Concert. 177 + Ochtendbezoek en Avondwandeling. 188 + Een hoofdstuk, waarmee de auteur ijselijk verlegen is, + omdat hij er zelf de mooie rol in speelt, iets dat hij + wel weet dat hem in 't geheel niet past, maar dat hij + voor ditmaal niet helpen kan. 195 + Het Hofje. De heer van der Hoogen af. 201 + Een groote Hans en Adellijke Heer. Besluit. 209 + 's Winters buiten. 214 + Gerrit Witse. 227 + Studentenangst. 227 + Oudervreugd. 233 + Meisjeskwelling. 237 + Vrienden-hartelijkheid. 244 + Dokters lief en leed. 260 + Bijvoegsel der Derde Uitgave tot de Narede en Opdracht aan een + Vriend. 267 + Laatste Bijvoegsel. 269 + + +_Verspreide stukken van Hildebrand_. + +_De Gids_, Jaargang 1837, 1838. _Proza en Poezy, Verspr. Opstellen +en Verzen._ Haarl. 1840. + + Vooruitgang. 273 + Het Water. 279 + Begraven. 284 + Eene Tentoonstelling van Schilderijen. 292 + De Wind. 302 + +_Souvenirs d'un Voyage à Paris_, par _J. Kneppelhout_. Leyde, 1139. + + Antwoord op een brief uit Parijs. 305 + +_Leeskabinet_, Jaarg. 1811 (_De Patrijzen._) + + Teun de Jager. 308 + +_De Nederlanden. Karakterschetsen enz._, 's Gravenhage, +Nederl. Maatsch. van Schoone Kunsten. 1841-1842. + + De Veerschipper. 320 + De Schippersknecht. 323 + De Barbier. 326 + De Huurkoetsier. 329 + Het Noordbrabantsche Meisje. 332 + De Limburgsche Voerman. 335 + De Markensche Visscher. 338 + De Jager en de Polsdrager. 341 + De Leidsche Peuëraar. 344 + De Noordhollandsche Boerin. 347 + De Noordhollandsche Boer. 350 + +_Ook het volgende stukje was voor _De Nederlanden_ bestemd en reeds in +handen der redactie, toen het werk gestaakt werd, en de Maatschappij +van Schoone Kunsten ophield te bestaan. Het verschijnt dus te dezer +plaatse_ (1854) _voor het eerst in druk, om het dozijn schetsjes vol +te maken._ + + De Baker. 353 + + +_Hollandsche Illustratie 1865/1866._ + + Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel. 356 + + + + + + + +JONGENS. + + + Hoe zalig, als de jongenskiel + Nog om de schouders glijdt! + Dan is het hemel in de ziel, + En alles even blijd. + + Een hout geweer, een blikken zwaard + Verrukken 's knapen borst, + Een hoepel en een hobbelpaard, + Dat draagt hem als een vorst. + + Voor u de geur van 't rozenbed + En Filomele's zang! + Hij speelt kastie, dat 's andre pret! + Met rozen op de wang. + + Niets, niets ter wereld doet hem aan + Of baart hem ongemak, + Dan stuiters die te water gaan, + Of ballen over 't dak. + + Frisch op maar, jongen! vroeg en spa, + Den lieven langen dag! + Loop over 't veld kapellen na, + Zoo lang het duren mag + + Haast zult ge op school gekortwiekt zijn; + Uw vreugd loopt snel naar 't end; + Haast krijgt gij Bröder tot uw pijn, + En Weytingh tot torment. + + +Het oorspronkelijke is een lief versje van _Hölty_, die er wel +meer lieve gemaakt heeft, waarvan het alleen jammer is, dat zij +jeugdige dichters tot zeer onhollandsche vertalingen verleiden; ik +althans heb er van dit zelfde versje nog een liggen, die beter onder +een Neurenburger legprent "Knabenspiele" zou passen, dan onder de +voorstelling van een hoop aardige Hollandsche jongens. En wezenlijk, +de Hollandsche jongens _zijn_ een aardig slag. Ik zeg dit niet met +achterstelling, veel min verachting, van de Duitsche, of Fransche, +of Engelsche knapen, aangezien ik het genoegen niet heb andere dan +Hollandsche te kennen. Ik zal alles gelooven wat _Potgieter_, in +zijn tweede deel van "het Noorden", over de Zweedsche, en wat _Wap_ +in het tweede deel van zijne "Reis naar Rome", over de Italiaansche in +'t midden zal brengen; maar zoolang zij er van zwijgen, houd ik het +met onze eigene goed-gebouwde, roodwangige, sterkbeenige en, ondanks +de veete tegen de Belgen, voor 't grootst gedeelte blauwgekielde +_spes patriae_. + +De Hollandsche jongen;--maar vooraf moet ik u zeggen, mevrouw! dat ik +niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontje, met blauwe kringen onder +de oogen; want met al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling, +acht ik hem geen zier. Vooreerst: gij maakt te veel werk van zijn +haar, dat gij volstrekt wilt laten krullen; en ten andere: gij zijt +te sentimenteel in het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is +om voor oom en tante te worden afgenomen, maar volstrekt hinderlijk +en onverdragelijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van +krijgertje,--twee lieve spelen, mevrouw, die UEd. te wild vindt. Ten +derde, heeft UEd., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen, +om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde, laat gij hem doosjes +leeren plakken en nuffige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven +dingen te veel, die hij niet eten mag. En ten zesde, knort UEd. als +zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon +komt kijken; maar hoe zal hij dan ooit vorderingen kunnen maken in +'t ootje-knikkeren? of de betrekkelijke kracht van een _schoffel_ +en een _klap_ leeren berekenen?--ik verzeker u dat hij nagelt, +mevrouw! een _nagelaar_ is hij, en een _nagelaar_ zal hij blijven:--wat +kan de maatschappij goeds of edels verwachten van een nagelaar?--Ook +draagt hij witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet +UEd. wat UEd. van uw lief _Fransje_ maakt? 1°. een gluiper; 2°. een +klikspaan; 3°. een geniepigerd; 4°. een bloodaard; 5°... Och lieve +mevrouw! geef den jongen een andere pet, een broek met diepe zakken, +en ferme rijglaarzen, en laat hij mij nooit onder de oogen komen +zonder een buil of een schram,--hij zal een groot man worden. + +De Hollandsche jongen is grof: fiksche knieën, fiksche knokkels. Hij +is blank van vel, en kleurig van bloed. Zijn oogopslag is vrij; bij +'t brutale af. Liefst draagt hij zijn ooren buiten zijn pet. Zijn haar +is van zondagmorgen half elf tot zaterdagavond, als hij naar bed gaat, +in volkomen wanorde. Het overige van de week zit het goed. Krul zit +er meestal niet heel veel in. Gekrulde haren, gekrulde zinnen! Maar +sluik is het óók niet; sluik haar is voor gierigaards en benepen +harten; dat zit niet in jongens; sluik haar krijgt men, geloof +ik, eerst op zijn veertigste jaar. De Hollandsche jongen draagt +zijn das liefst als een touwtje, en nog liever in 't geheel niet; +een blauw of schotschbont kieltje over zijn buis, en een verstelde +broek--dit laatste kenteeken gaat vast. In dees broek voert hij met +zich--al wat de tijd opgeeft; dat wisselt af; knikkers, stuiters, +ballen, een spijker, een aangebeten appel, een stukkend knipmes, +een touwtje, drie centen, een kluit vischdeeg, een dolle kastanje, +een stuk elastiek uit de bretel van zijn oudsten broer, een leeren +zuiger om steenen mee uit den grond te trekken, een voetzoeker, een +zakje met kokinjes, een grifje, een koperen knoop om heet te maken, +een hazesprong, een stukje spiegelglas, enz. enz. alles opgestopt en +in rust gehouden door een bonten zakdoek. + +De Hollandsche jongen maakt in 't voorjaar eene verzameling van +uitgeblazen eieren; in het uithalen van nestjes geeft hij blijken +van kracht en behendigheid, en misschien van den aanleg tot de +zeevaart, ons volk eigen; in het inkoopen van vreemde soorten, +bewijzen van onverstoorbare goede trouw; en in het verkwanselen van +zijne doubletten, van vroegtijdigen Hollandschen handelsgeest. De +Hollandsche jongen, het is waar, slaat zijne bokken hardvochtig, +maar in 't geven van roggebrood aan diezelfde dieren heeft hij zijns +gelijken niet. De Hollandsche jongen is veel minder ingenomen met de +leerwijze van _Prinsen_ dan de Hollandsche schoolmeester; maar wat +de opvoeding van plakkers en paapjes betreft, hierin zou hij een +examen kunnen doen voor den eersten rang. Hij is dolgraag op een +paardemarkt, en wandelt op de parade voor de tamboers uit, met den +rug naar de mooie mannen toe. De Hollandsche jongen encanailleert +zich lichtelijk, en noemt spoedig over uit een woordenboek, dat aan +Hollandsche moeders niet bevalt; maar hij heeft ook weinig aanmatiging +jegens de dienstboden. Hij is gewoonlijk hoogrood als hij binnen moet +komen om aan oom en tante te vragen hoe zij varen, en spreekt bij +dergelijke gelegenheid bijna geen woord; maar minder spaarzaam met +woorden en minder verlegen is hij onder zijns gelijken, en niet bang +om voor zijn gevoelen uit te komen. Hij haat lafaards en klikkers met +een volkomen haat; hij zal nog al eens gauw zijn vuisten uitsteken, +maar spaart in 't vechten zijn partij; hij speelt niet valsch; hij +heeft een bestendigen inktvlak op zijn overgeslagen halsboord, en +wel wat neiging om zijn schoenen scheef te loopen;--hij houdt zijnen +vader staande dat hij over ijs van één nacht loopen kan, en beschikt +over vriezen en dooien naar lust en welgevallen; hij eet altijd een +boterham minder en leert eene les meer, dan waar hij trek toe heeft; +hij gooit een steen tienmaal verder dan gij of ik, en buitelt driemaal +over zijn hoofd zonder duizelig te worden. + + + +Gegroet, gegroet, gij vroolijke en gezonde, lustige en stevige knapen; +gegroet, gegroet, gij speelsche en blozende hoop des vaderlands! Mijn +hart gaat open als ik u zie, in uwe vreugde, in uw spel, in uw +uitgelatenheid; in uw eenvoudigheid; in uw vermetelen moed. Mijn +hart krimpt toe, als het bedenkt wat er, ook van u, worden moet. Of +zult gij, die daar beurtelings een frisschen beet uit een zelfden +appel doet, in later jaren nooit gewaar worden dat het noodig is den +appel in een hoek te nemen en alleen op te eten; ja, de schillen weg +te stoppen, en de pitten te zaaien voor uwe nakomelingschap? En gij; +die daar geduldig uw sterker rug leent aan uw vlugger vriend, die zich +op uwe schouders verheft om in den boom het spreeuwenest te zoeken, +dat heel hoog ligt: zal de ondervinding u de verdrietige wijsheid +onthouden, dat het beter is zelf een ladder te krijgen, en zelf het +nest uit te halen, dan een goeden dienst te doen en af te wachten óf +en hoe men u zal beloonen? + +Dat is de wereld. Maar ook in uzelven zijn de zaden aanwezig van veel +onheils en veel verdriets. Uwe voortvarende drift, uwe onschuldige +teederheid, tot opvliegendheid, eerzucht en wellustigheid gerijpt; +uwe levendigheid en onafhankelijk gevoelen, tot wereldzin en ongeloof +verhard!... O, als gij in later jaren op uwe kindsheid terugziet, +dat, dat zal de vreugde wezen, die gij het meest benijdt en nu toch +het minst geniet, dat gij zooveel minder boos waart, dat gij zooveel +onschuldiger waart tot zelfs in het kwaaddoen toe. De goede hemel +zegene u allen, goede jongens, die ik ken, en rondom mij zie, en +liefheb! Hij doe u lang en vroolijk spelen, en als de ernst des levens +komt, zoo geve hij u ook een ernstig harte daartoe! Maar hij late u +tot aan uw laatsten snik nog veel kinderlijke en jeugdigs behouden. Hij +spare u, in hunne volle frischheid, eenige dier kinderlijke gevoelens, +die den jongeling helpen in het zuiver houden van zijn pad en den +man versieren; opdat gij mannen wordende in het verstand, kinderen +blijft in de boosheid. Dit is een _stille_ wensch, jongenslief! want +ik wil u nog geen oogenblik van priktol of hoepel aftrekken, zonder +u voor die vreugde iets anders te kunnen geven dan ... een wensch!-- + + + + + + + +KINDERRAMPEN. + + +Ik kom nog eens terug op het versje van _Hölty_. + + + Hoe zalig als de jongenskiel + Nog om de schouders glijdt! + Dan is het hemel in de ziel, + En alles even blijd. + + Niets, niets ter wereld doet hem aan + Of baart hem ongemak, + Dan stuiters die te water gaan, + Of ballen over 't dak. + + +Het ontbreekt zeker niet aan dergelijke lofredenen op het geluk van +jeugd en kinderjaren. Ik stem er van harte mede in; maar ik neem de +vrijheid te mogen opmerken, dat ze alleen door menschen van leeftijd, +of ten minste door jongelingen geschreven zijn, van wier standpunt +gezien, het kinderlijk geluk bijna geen uitzondering toelaat. En zeker, +zeker is dat een droevig bewijs voor den treurigen toestand van later +dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjes geweest zijn van +zeven, acht, of negen jaar, die hun actueel geluk zoo onvoorwaardelijk +hebben geprezen. En toch dezulken waren er de naaste toe. Toen ik op +de Hollandsche school ging, maakten wij in de hoogste klasse, bestaande +uit heeren van negen tot tien jaar, allen des woensdag-voormiddags een +opstel, soms over een gegeven, soms over een door onszelven gekozen +en uitgedacht onderwerp. Maar ik roep al de Jannen, Pieten, Willems +en Heinen, waarmee ik in de Jacobijnenstraat te H. op de banken zat, +tot getuigen, of er ooit iemand is geweest, die zijn lei volgeschreven +heeft met een optelling der genoegelijkheden of een uitweiding over +'t ongestoord geluk des kinderleeftijds. Neen: wij schreven wel +diepzinnige vertoogen over de Deugd, of over de Vier Jaargetijden: +_Sander U._, wiens vader adjudant van een generaal was, heeft zesmalen +over het Paard geschreven; en _Piet Q._ die nooit op het bord stond, +en nooit meedoen wilde in de edele oefening van het puisje vangen, +had het altijd over de Gehoorzaamheid en over de Vlijt, een denkbeeld, +waar hem de opschriften van zijn extra-kaartjes op brachten. Eigenlijk +vroolijke onderwerpen heb ik te geenen tijde door de collega's zien +behandelen. Ik zelf heb het nooit verder kunnen brengen dan tot +de philosophische beschouwing der Tevredenheid; een geluk, 't welk +gewoonlijk door den jongeling voorbij-, en door den man vruchteloos +nagestreefd wordt, en dat den grijsaard uitmuntend te pas zou komen, +indien zijne lichaamsgebreken hem nog even veroorloven wilden het te +genieten; een heel mooi ding die tevredenheid, maar in het volop des +kinderlijken geluks vanzelf ingesloten en niet opmerkenswaardig. + +Doch om tot de zaak te komen! Van dat volop des kinderlijken geluks +dan, schenen wij toentertijde toch niet heel vol, of althans niet +zóo vol te zijn, dat wij het moesten uitstorten. Ik heb wel eens +gemeend, dat het een onderscheidend kenmerk des echten, waarachtigen +geluks zijn zou, dat het de minste behoefte had zich uit te boezemen, +terwijl het ongeluk klachten en verluchtingen noodig heeft--om van +de tranen niet te spreken. Want de menschen, die altijd den mond van +hun geluk vol hebben, heb er ik wel eens op aangezien of zij ook naar +een autoriteit zochten die, na gehoord verslag, hun zou verklaren +dat zij gelukkig zijn, iets waarvan zij zelf tot nog toe zoo heel +overtuigd niet waren. Zij achten zich zóó-zóó, niet ongelukkig, en +niet razend gelukkig ook; maar zij schikken het goede in hun lot zoo +bij elkander, en stapelen het in redevoeringen, die zij op wandelingen +en, zoo gij met hen in ééne kamer slaapt, uit ledekanten, vooral na +een goed souper, houden, dat zij u in de verzoeking brengen hen te +benijden. Dat verhoogt dan onmiddellijk hun koud geluk tot een hooger +temperatuur. Gij slaat een warme hand aan hun thermometer. + +Ziedaar een mooie opmerking, die ik gemaakt heb, en die ik met dit +mooie physische beeld besluit; maar over 't onderwerp meer nadenkende, +heb ik ook wel eens gedacht, of de school dan toch ook de rechte +plaats wel was, om het kindergeluk diep te doen gevoelen. Ik weet +wel, de meester zit er niet meer met slaapmuts en kamerjapon en een +ontzettende plak in den katheder, en brengt ons niet langer door de +verschrikkelijkheid zijner oogen en gebaren tot een punt van angst, +waarin wij (als de jongen van ouds) zouden willen bekennen, dat wij +zelf de wereld geformeerd hadden, maar 't nooit weer zouden doen, +liever dan het antwoord schuldig blijven op de eerste vraag van +het vrageboek. Wij lezen er ook niet meer, tot onze schrikbarende +verveling, de Haarlemmer Courant, van A-Z. (Zijn wij daarom later +minder goede politici?) Wij zitten er ook in een goed ruim lokaal, +zoo hoog en zoo luchtig, dat het er somtijds aan de beenen tocht; +wij hebben er niet zelden het uitzicht op een bleekveld met een +appelboom, of op een binnenplaats met een bestekamer. Maar toch, +de meester is zoo dik, en de ondermeesters zijn zoo lang, en hunne +brillen en bakkebaarden zien er zoo onverbiddelijk uit, en de +borden zijn zoo zwart, en de tafels zoo ongezellig, en de kaart van +Nederland hangt zóó lang op dezelfde plaats, dat wij er de kleine +scheurtjes en inktvlekjes nog beter op weten aan te wijzen, dan de +steden der--toen was 't nog 17 provinciën [6]. Dan hebt ge--nog bloedt +mijn hart--de Tafel van _Werkzaamheden_. Schrikkelijke werkzaamheden, +wier optelling aan rekenboeken denken doet, en geographieboeken, en +wat voor boeken er al meer zijn, wier blaren heen en weer schuiven +in den band, wegens de krampachtige aanraking der wanhopige vingers +van jeugdige heeren, die maar niet onthouden kunnen hoeveel koeien +er jaarlijks aan de Hoornsche markt komen, en hoeveel inwoners +en drukkerijen van Enschedé, en Kostersbeelden, en instituten voor +schoolonderwijzers Haarlem heeft; of niet begrijpen kunnen, hoe zij de +9de som uit de "Herhaling der voorgaande Regelen" moeten opzetten. O, +die rekenboeken! zij waren de zwakke zijde van velen onzer. In mijn +oog waren er geen hatelijker boeken. Vooreerst waren zij veel te vol +letters, en ten andere veel te vol cijfers. Ten overvloede zijn er soms +fouten in de opgave der uitkomsten; maar al zijn die er niet in, die +opgaven zijn verschrikkelijk. Ga eens na. Gij hebt uw lei vol met een +berekening van belang: driemaal hebt gij reeds de helft uitgeveegd, +omdat gij bemerkte dat gij het vraagpunt niet begrepen hadt; maar +eindelijk, de som is af, en gij krijgt tot uitkomst: 12 lasten, +7 mudden, 5 schepels, 3 kop, 8 maten rogge. Met een gerust geweten, +en met het zalig gevoel van als ijverig lid der maatschappij uw plicht +gedaan te hebben, zoudt gij uw lei aan den ondermeester overgeven om +te laten nacijferen. Maar neen! het hatelijk rekenboek geeft, onder +den verwaanden titel "Uitkomst", op: 95 lasten, 2 mudden, 1 schepel +rogge, en niet ééne kop of maat. Het is blijkbaar dat gij u vergist +hebt; driemaal doet gij al de vermenigvuldigingen en deelingen over +en weer over; eindelijk besluit gij alles uit te veegen, en nog hebt +gij uw mouw op de lei, als de ondermeester komt om te gelooven dat +gij niets hebt uitgevoerd. Dat had ik tegen die rekenboeken! Maar het +kwaadwilligst en het onbillijkst van diezelfde uitvinding is, dat zij +u op alle mogelijke manieren sarren en in uw zwak tasten. Daar zit +gij sedert klokke halftien op school, bij mooi weer, in de maand Mei, +als het groen jong is gelijk gijzelf en, wat meer is, als de plassen +opgedroogd zijn, zoodat het heerlijk weer is om te knikkeren. Daar +zit gij sedert halftien op de school, waar gij den voet hebt ingezet, +met benijding terugziende op de armelui's kinderen, die geen opvoeding +krijgen en "duitjen òp" speelden op straat. Eerst hoeft men u gedwongen +met al uwe speelsche lotgenooten het lied aan te heffen: + + + Wat vreugd, het schooluur heeft geslagen, + Waarnaar elk kind om 't zeerst verlangt. + + +Daarna hebt gij een uur gelezen van het model van een braven jongen, +zoo braaf, zoo zoet, zoo gehoorzaam, zoo knap en zoo goedleersch, +dat gij hem met pleizier een paar blauwe oogen zoudt slaan, als +gij hem op straat ontmoette; of, indien gij al wat verder zijt, de +levensschets van een onbegrijpelijk groot man, wien na te volgen u +pedant en wanhopig toeschijnt, en door welke levensschets kunstiglijk +een samenspraak is heengevlochten van knapen en meisjes, voor wie gij +ook al geen de minste sympathie gevoelt, al "staan zij ook waarlijk +verbaasd over de ontzettende kundigheden van dien man," daar vader +_Eelhart_ of _Braafmoed_ van verhaalt. Het volgende uur hebt gij +geschreven; naar een mooi exempel; als bijv., zoo gij groot schrijft, +het woord _wederwaardigheid_, opmerkelijk door twee moeilijke W's, +zonder aandikken bijna niet goed te krijgen, zevenmaal; of indien gij +klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op, en zevenmaal tusschen +de lijn: _Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid_; bij welke +gelegenheid gij in twee regels het lidwoord _der_ hebt overgeslagen, +wat tengevolge van de laatste lettergreep van het woord moe_der_ +zeer licht gebeuren kon, en eenmaal _voorwijzigheid_ in plaats van +_voorzichtigheid_ hebt gezet, welke omstandigheden, zoo ieder op +zichzelf als in onderling verband, u eenigszins angstig doen denken +aan het uur, waarop de critiek des meesters haar uitspraak zal komen +doen. Om niet te spreken dat gij gekweld zijt geweest met een linksche +pen, ontelbare haren in den inkt, een klad of drie, met kunstenaars +achteloosheid over uw schrijfboek verspreid, en de onverbiddelijke wet +dat gij maar tweemaal uw pen op mocht steken om ze te laten vermaken, +door een ondermeester, die even zoo ver is in die kunst als gij in +'t schrijven. Nu komt het rekenboek. Ik heb het lang laten wachten, +lieve lezer; maar het was uit wraak, omdat het voor mij zoo dikwijls +te vroeg is gekomen. Nu komt het rekenboek. Merk op, dat gij in den +loop van den morgen tweemaal op 't bord zijt geschreven: eens, omdat +gij met uw rechter buurman een verdacht gefluister hebt aangevangen, +dat evenwel over niets liep dan over goedkoope ballen in de Wijde +Appelaarsteeg, en eens, omdat gij aan uw linker dito een albasten +knikker (gezegd alikas) hebt laten zien, zonder een eenig rood +aartje, van welk delict het corpus u is ontnomen, tegen de pijnlijke +onzekerheid of gij het ooit terug zult zien. Vat dit alles te zamen, +en sla dan uw rekenboek op, dat u sart met de 13de som, waarin u, +om u of 't ware te tantaliseeren, met de grootste koelbloedigheid +een mooie voorstelling gedaan wordt van vijf jongens, zegge vijf, +die te zamen zouden knikkeren, en waarvan de eene bij den aanvang van +'t spel bezat 20, zegge 20, knikkers, de tweede 30, de derde 50, +de vierde--neen, het is niet uit te houden! de tranen komen er u +bij in de oogen; maar daar zit gij, voor nog een geheel uur, en dan +nog wel te cijferen.--Waarlijk ik houd het er voor, dat de meeste +rekenboekmakers afstammelingen van koning _Herodes_ zijn! + +Uit al wat ik tot nog toe in het midden heb gebracht, zal zonneklaar +blijken, dat de school de plaats niet is om het kinderlijk gemoed te +doen overstroomen van het besef van geluk en genot. Ik geloof niet +dat het denkbeeld daarvan ooit onder eenig blond of bruin kinderhaar +is opgekomen. Neen, neen! de school is zoo goed als zij zijn kan. De +school wordt, naar de nieuwste verordeningen, zoo aangenaam en +dragelijk mogelijk gemaakt. Maar hare genoegens zijn ten hoogste +negatief. De school blijft altijd iets van het gevangenisachtige, +en de meester, met en benevens al de ondermeesters iets van het +vogelverschrikkende behouden. Dat gezegde van _Van Alphen_: + + + Mijn leeren is spelen + + +wil er bij niet één kind in, zelfs niet bij de vlijtigste. Ik verbeeld +mij nog al onder de vlijtigste behoord te hebben; maar toch, wanneer +mijn vader of moeder mij de eer aandeed van aan mijn ooms en tantes +te vertellen dat ik altijd blij was als de vacantie uit was, kwam +mijn gansche gemoed tegen dat edel denkbeeld (dat mij ondertusschen +vrij dweepachtig voorkwam) op, en ik heb jaren noodig gehad om +zekere angstige schuwheid voor mijn respectieve meesters te leeren +overwinnen. Ook zijn er, in weerwil van de verbeterde leerwijze, +nog altijd onder, die een kind, al is het niet van de bloohartigste, +als electriseeren. + +Ja, lieve vrienden! laten wij deze bladzijde voor alle vliegeroplaters +en soldaatjespelers verbergen en verstoppen; maar laten wij het +bekennen: daar zijn Kinderrampen! Klein en nietig, van onze verwaande +hoogte beschouwd, maar gewichtig en groot, in de kleine evenredigheden +van de kinderwereld. Rampen, die benauwen, kwellen en schokken, en +die niet zelden een grooten en hevigen invloed hebben op de vorming +van het karakter. + +De eerste en grootste hebben wij al gehad. Het is, met verlof +van _Pestalozzi_ en _Prinsen_, de school. Dat is een kanker; een +dagelijks weerkeerend verdriet. Een man met schuldeischers geplaagd +ondervindt iets van het leed van een kind met meesters aangehaald. Nu, +onze goede _Hölty_ zelf kan niet nalaten aan 't eind van zijn versje +daarmede te dreigen. Daarom wilde ik u verzoeken: heb deernis met +het lot uwer telgen. Ontziet als iets heiligs het levensgenot uwer +kinderen. Zij moeten allen schoolgaan; dat is een natuurwet, zoo zeker +als die volgens welke zij allen ingeënt, wij allen sterven moeten; +maar even gelijk wij, naar den gewonen loop der dingen, niet sterven +moeten op ons achttiende jaar, wilde ik ook niet dat hun de school +overviel vóór hun achtste. 't Is wel aardig, en wij hebben het aan +de veranderde uitspraak van de namen der medeklinkers te danken, dat +zij op hun vijfde jaar met kleinen _Piet_ zeggen kunnen: "Nu kan ik +al le-zen"; maar ik weet niet of kleine _Piet_ op zijn tiende jaar, +in massa, zoo veel meer geprofiteerd zal hebben dan een ander, die +op zijn zevende of achtste begonnen is "met de _spa_" te werken. Ik +geef dit alleen in bedenking aan alle kinderminnende harten, en waag +het niet, met zoo weinig ondervinding als _Hildebrand_ (de baardelooze +_Hildebrand_, zullen de recensenten zeggen) in zoo weinig jaren heeft +kunnen opdoen, mijne meening te staven. + + + +Om het onderwerp eene wending te geven, en van een andere ramp +uit het tranendal der kinderen te spreken, noem ik het wisselen der +tanden. Waarlijk, lieve dame, die de wereld zoo trouweloos en de mannen +zoo wuft vindt! _la perte des illusions_ kan op uwe jaren nauwelijks +zoo zwaar wegen als _la perte des dents_ op de hunne. Herinnert ge +'t u nog wel? Gij voelde--neen, gij voelde toch niet;--ja, helaas, +gij voelde maar al te zeker--dat gij een dubbelen tand hadt. En de +voorste zat zoo vast als een muur. Zes dagen lang verborgt gij uw leed; +somtijds vergat gij het; maar zesmaal daags, midden onder uw spel, +bij het genot van de lekkerste krakeling, onder 't bewerken van de +zoetste ulevel--daar stond weer eensklaps voor uw oog, die akelige, +allerakeligste dubbelheid!--Uw eenige troost was, dat de voorman +vanzelf wel wat losser zou worden. Inderdaad, natuur en rede geven deze +hoop aan de hand. De ondervinding leert het echter meestal anders. Op +den zevenden dag; het was een zondag; uw kleine theegoedje stond klaar +op uw kleine tafeltje; en uwe stoeltjes stonden er bij klaar met twee +poppen: de nieuwste voor u, en de oudste voor uw nichtje _Keetje_, +die bij u te spelen kwam; en 's avonds zoudt ge een tulbandje bakken +van gestampte beschuit en melk; en een boterham met aardbeien zou +alles bekronen. Met een grooten schreeuw gaaft gij uwe vreugde over het +laatste artikel te ennen. "Laat ik je mond reis effen zien," zei mama; +"wat? een dubbele tand?" en weg was uw vreugd! Gij droopt af alsof gij +op een zware misdaad betrapt waart; waarschijnlijk zoudt gij onder +uwe kwelling nestig en kribbig zijn tegen _Keetje_, het tulbandje +zou geene bekoorlijkheden voor u hebben, de aardbeien geen smaak; +en ge zoudt naar bed gaan en droomen van den tandmeester! Vergeefs +beproefdet gij achtereenvolgens alle huismiddelen: wiggelen met den +vinger, bijten op een harde korst, die gij evenwel om eventueele +pijn te vermijden, in een gansch anderen hoek van uw mond inbracht; +aanleggen van een draad garen, waaraan ge toch niet durfdet trekken. De +tandmeester moest komen. Hij kwam, niet waar? de ijselijke man! Hij +had voor u de verschrikkingen eens scherprechters. Hij veinsde +maar effen naar uw tand te voelen; hij trok er hem verraderlijk +uit. Ondertusschen was deze slinksche streek voor u een weldaad, +die voor alle volgende keeren verkeken was.--Spreek mij niet van +groote-menschen-jammeren! Zij halen niet bij deze. Geen koopman die +"op springen staat" ziet met meer angst den dag tegemoet waarop hij +zal worden "omvergegooid", dan een blijde jongen of vroolijk meisje +den dag, waarop men scheiden zal van den dubbelen tand! + +Wij zijn aan de physieke rampen. Welnu, er zijn er meer dan men +denkt. Het grootworden, hoe schoon en voortreffelijk een uitvinding +ook, is de oorzaak veler smarten. Want vooreerst, men steekt lange +bloote armen uit de mouwen, groote en den kous uit de broek. Daarbij +schaamt men zich dan gewoonlijk dat men nog rijglaarsjes of schoenen +met gespen draagt, omdat er altijd eenige voorlijke knapen zijn, +die al halve-laarzen hebben, en vroegtijdige juffertjes, die zich op +schoenen met lange linten verheffen. Ook rekenen vele moeders er naar +'t schijnt niet op, dat niet alleen de beenen, maar het geheele lichaam +groeit, en dat het diensvolgens op goede natuur- en wiskundige gronden +te bewijzen is, dat, al kunnen de broekspijpen worden uitgelegd, het +overige gedeelte van dat kleedingstuk hetzelfde blijvende, men eene +niet zeer aangename bekrompenheid in de circumferentie van het lichaam +gewaar wordt, die ook al weer de oorzaak is van menig nieuw kruis, +in een dubbelen zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een +kwade kant van den edelen groei, dat hij bij de individuen verschilt, +en zelfs zóó, dat bij sommige tegen het geprezene grootworden, +het verwijtende kleinblijven o verstaat. Nu is het niet pleizierig, +ieder keer als men een boodschap van papa of mama komt doen, of bij +_Lodewijk_ of _Doortje_ spelen komt, altijd door mijnheer of mevrouw, +of de juffrouw, of de meid somtijds, tegen _Lodewijks_ of _Doortjes_ +rug gezet te worden, om met de ververschte overtuiging dat men een +hoofd of een half hoofd kleiner en een ware peulschil is, naar huis +te gaan. Dat noemt men in het maatschappelijk leven, als men't op het +moreele toepast, taxeeren; en die taxatie van 't physieke is de eenige, +waarvoor de kinderleeftijd gevoelig, en ook zeer gevoelig is. Neen, +'t is niet aardig van de groote menschen, dat ze 't den kleinen +aandoen, evenmin, als dat altoosdurende uitgillen van: "wat ben je +groot geworden!" op den duur bevallen kan. + + + +Maar daar is toch ook wel een moreele taxatie die, zoo zij de kinderen +niet dadelijk grieft, hun althans menig genoegen onthoudt. Zij ontstaat +uit de omstandigheid, dat een mensch van vijfendertig of veertig, een +dertig of vijfendertig jaar van zijn vijfde jaar verwijderd is, en in +dien tijd machtig veel vergeten kan, en zóó veel, dat hij eigenlijk +in 't geheel niet meer weet, wat hij dacht, gevoelde, besefte en +smaakte toen hij een kind was, en wat niet. Van daar dat hij zeer +dikwijls den maatstaf, waarbij hij de kinderen meet, te klein en te +bekrompen neemt, en menige vreugd, die hij den jeugdigen van harte +gunt, terughoudt omdat hij in zijne mannelijke wijsheid besluit: +"dat zij er eigenlijk nog te klein voor zijn", en er "waarlijk nog +niet aan zouden hebben." En dan, "het nergens aan mogen komen," alsof +men geheel handeloos en met een instinct om alles nu ook maar stuk +te gooien en te breken in de wereld was gekomen!--En dan het paaien +met zoetigheid, als men zich juist gisteren te groot is begonnen te +voelen voor koekjes tot den prijs van iets anders!--En dan de velerlei +beschaamdzettingen, die men ondergaat, omdat iedereen gelooft dat +een kind menig ding niet gevoelt dat hem toch diep gaat!--Waarlijk, +waarlijk, men heeft in de maatschappij menig menschenschuw, bloohartig, +en zenuwachtig wezen doen opgroeien, alleen doordat men het als kind +te jong en te klein voor gevoel van waarde achtte. + + + +Ik spreek niet van het naloopen met hoeden en petten, en van het +verschil van gevoelen omtrent het weder, dat tusschen ouders en +kinderen dikwijls aanmerkelijk kan uiteenloopen. Ik spreek niet van +sommige barbaarsche instellingen, als daar is: dat de jongere de +kleederen van de oudere moeten afdragen, waardoor het vierde zoontjen +een buisje draagt van de kraagjas van mijnheer zijn oudsten broeder; +van welke kraagjas de beide tusschenbroers respectievelijk een +jasje met één kraag en een jas zonder kraag gehad hebben;--noch van +ellendige spreekwoorden, als orakelen door de ouders aangevoerd, en als +verachtelijke paradoxen en sophisterijen door het kroost verwenscht, +als b.v. dat de oudste de wijste zijn moeten. Ik spreek van al die +rampen niet,--want mijn stuk is reeds veel te lang. Mocht het maar +sommige mijner lezers bewegen, om nog kiescher te worden omtrent de +jonge harten der kleinen; en nog oplettender om hun kleine verdrieten +te sparen en groote genoegens onbeknibbeld te laten genieten. De +jeugd is heilig: zij moet voorzichtig en eerbiedig behandeld worden; +de jeugd is gelukkig, maar men moet zorgen, dat zij zoo min mogelijk +deelt in de rampen der samenleving, voor zoo ver zij die in hare jaren +kan ondervinden. Men moet haar soms kwellen en lastig vallen--tot haar +nut!--maar passen wij vooral op, dit niet te overdrijven! Een geheel +volgend leven kan geen gedrukte jeugd vergoeden; want welke zaligheid +zouden latere jaren te stellen hebben tegenover het verspeelde geluk +eener schuldelooze jonkheid? + +1839. + + + + + + + +EEN BEESTENSPEL. + + + "Les peines infamantes sont: + + 1_o_. Le carcan; + 2_o_. Le bannissement; + 3_o_. La dégradation civique." + + _Code Pénal_. L. I. Art. 8. + + +Neen, ik wil niet naar 't beestenspel! Ik houd er niet van. Zeg mij +niet dat het belangrijk is; dat men het gezien moet hebben; dat men +in geen gezelschap komen kan of men moet ten minste goed of kwaad +zeggen van de lokken, de bakkebaarden en den moed van den eigenaar, +van de lama, van de verlichting der tent, en van de twee tijgers in één +hok;--herhaal mij niet dat men ten minsten één ongeluk heeft moeten +zien "bijna gebeuren" en ééne bijzonder teekenachtige houding van +'t een of ander gedrocht bespied hebben, in een oogenblik, "dat er +niemand anders naar keek";--zeg mij niet dat men moet gaan kijken +hoe de vrucht van 't zweet en bloed van onvermoeide hengelaars in +één oogenblik door den gulzigen pelikaan verslonden wordt, en hoe de +Boa Constrictor een Leidschen bok met hoornen en al, in een oogwenk +tijds verzwelgt;--roep mij niet toe dat men zijne anecdote behoort te +hebben op den kasuaris, zijn snakerij op de apen, en zijn woordspeling +op de beren. Op dit alles antwoord ik u: ik haat het beestenspel; +en ik zal u de reden van mijn afgrijzen uiteenzetten. + +Een beestenspel! Weet gij wat het is?--"Eene verzameling", zegt gij, +"van voorwerpen van natuurlijke geschiedenis, even belangrijk voor den +dierkundigen..." Als voor den beestenvrind, wilt gij zeggen? "Neen, +als voor ieder mensch, die er belang in stelt zijn medeschepselen op +dit wijde wereldrond te kennen." Gij zegt wèl; maar dan wenschte ik +mijn medeschepselen te zien, zoo als ik ze op plaat I. van iederen +prentenbijbel zie, in aardige groepen door elkander geschikt, allen +in hunne natuurlijke houding: den leeuw, met een opgeheven voorpoot, +als op brullen staande; de kaketoe, van een boomtak nederkijkende, +als om te onderzoeken wat voor kleur van haar _Adam_ heeft; en niet, +och, ik bid u, niet in die afschuwelijke ijzeren schommels (een soort +van groote lijsterbogen) in eeuwige beweging; de boa in 't verschiet, +om den boom in schoone verleidelijke bochten gekronkeld, en naar den +noodlottigen appel opziende; den adelaar, hoog in de lucht zwevende, +als een nauwelijks merkbare stip: ja, dan nog veel liever geheel +onzichtbaar, dan zóó als ik hem in een beestenspel zie... Zoo zou het +mij aangenaam en belangrijk zijn.--Maar hier in deze enge, bekrompene +hokken, achter die dikke tralies, in die slaafsehe, weerlooze, +gedrukte, angstige houding,--o! een beestenspel is een gevangenis, +een oudemannenhuis, een klooster vol uitgeteerde bedelmonniken; +een hospitaal is het, een bedlam vol stompzinnigen. + +Gij hebt nog nooit een leeuw gezien; gij stelt u iets majestueus +voor; een ideaal van kracht, grootheid, waardigheid en moed; een +wezen geheel woede, maar bedwongen door zelfbeheersching, voor zoo +lang het verkiest; den koning der dieren. Welnu; verplaatsen wij ons +met onze verbeelding in de woestijn van Barbarije! + +Het is nacht; het is het kwade seizoen. De lucht is donker; de wolken +zijn dik en drijven onstuimig en snel heen en weder; de maan scheurt +ze nu en dan met een waterachtigen straal. De wind huilt door 't +gebergte; de regen ruischt; van verre gromt de donder. Ziet gij daar +dat gevaarte, met dichte struiken bewassen, zich afteekenen tegen +de lucht;--ziet gij daarin die donkere rotskloof, beneden, gapende, +boven zich verliezende in heesters en distelen? Het bliksemt: ziet gij +ze? Houd uw oog derwaarts gericht. Het is alles duisternis. Let op! Wat +is dat? 't Is het glinsteren van twee oogen; gloeiende kolen. Hoor +toe! Dat was de donder niet; het was een schor gehuil; het diepe +geluid van een leeuw die ontwaakt. Hij tilt zich uit zijn hol naar +boven. Hij rekt zich uit. Een oogenblik staat hij met opgeheven hoofd +brullende stil. Hij schudt de zwarte manen. Eén sprong!... Achter uw +wachtvuur, onvoorzichtige! Hongerig gaat hij om; met woeste bewegingen, +met ongeregelde sprongen, met schrikkelijke geluiden. + +Wien zal het gelden? Een breedgeschoften buffel misschien, die hem +met gebukten hoofde en sterke hoornen zal opwachten. Geen nood: hij +zal hem aanvliegen; hij zal zijn nagelen klemmen in zijne lenden; hij +zal aan hem hangen blijven; hij zal hem de blanke slagtanden in den +korten rimpeligen nek slaan; één oogenblik--en hij zal hem afmaken, +hem in stukken scheuren en zijnen honger bevredigen. Dan zult gij hem +met rooden muil en bespatte manen rustig zien nederliggen, zijn zege +genietende, trotsch op zijn koningschap. + +Welnu!--die Koning der dieren, die schrik der woestijn, die gedachte, +die woedende, is hier. Ziedaar de antichambre van zijn paleis; it +van voren open vertrek, middending tusschen een salon, een kantoor, +en een tentoonstelling van schilderijen. Deze heraut, met den +geschilden wilgetak in de hand, noodigt u uit. Zijne majesteit geeft +audiëntie. Zijne majesteit is voor geld te kijk. Zijner majesteit +staatsdame licht het behangsel op. Gij zijt in zijner majesteit +onmiddellijke tegenwoordigheid. Geef u de moeite niet bleek te +worden; de koning zal u wèl ontvangen. Maar voorzichtig! stoot u +niet aan dezen--wat is het? een reiskoffer? Vergeef mij, het is een +ecrin vol slangen! arme _reuze_slangen! Hierheen! Pas op: die lamp +druipt! Stap over dien emmer, vischvijver van den pelikaan, badkuip +des ijsbeers! Wij zijn er. Hier, op dit wagenstel, in dit roode hok, +zes voet hoog en zes voet diep, ligt hij. Ja, hij is het wel. Ik zweer +u dat hij het is. Zijne pooten steken onder tusschen de traliën uit: +dat zijn _leeuwe_klauwen. Zijn staart, die geesel! schikt zich naar +den rechthoek van zijn verblijf. Hij is slaperig; hij ronkt. Zouden +wij hem kunnen doen opstaan! "Nero, Nero!" _'Il est dêfendu de toucher +aux animaux, surtout avec des cannes'._ Gevoelt gij al het vernederende +dezer waarschuwing? Daarin is al zijn weerloosheid. Het zou hem _zeer +doen_. Hebt gij uw illusiën, heeft de leeuw zijn prestige nog? Zijt +gij nog bang voor dien bullebak? Gelooft gij nog aan de schets van +zoo even? Zegt gij niet + + + Laat hem komen, als hij kan?" + + +Onttroonde koning! Gekrompen reus! Zie, hij is voorzichtig +in al zijne bewegingen; hij neemt zich in acht, om zijn hoofd +niet te stooten, zijn muil niet te bezeeren, zijn staart niet +te schenden. Wat onderscheidt hem van eenig tam beest? Wat van +dien lagen hyena, die de kerkhoven schoffeert? van dien gevlekten +tijger, viervoetige slang die van achteren aanvalt? van dien wolf, +dien een kloek kozak dood geeselt? van dien afschuwelijken mandril, +hansworst der verzameling? van al die walgelijke apen, daar zooveel +menschen zich vroolijk mee maken? Altemaal zijn zij opgesloten: de +vorst als de knecht, de vorst meer dan allen. Waan niet dat gij hem +in zijne natuurlijke grootte ziet. Dit hok maakt hem kleiner; hij is +wel een voet gekrompen. Zijn gelaat is verouderd. Zijn oogen zijn dof +geworden; hij is suf; het is een verloopen leeuw. Zou hij nog klauwen +hebben? Bedroevend schouwpel. Een haspel in een flesch; men weet niet +hoe 't mogelijk is dat hij er inkwam! Een ziek soidaat; een grenadier +met geweer en wapens, berenmuts en knevels (foudre de guerre) in een +schilderhuis; Simson met afgesneden haar; Napoleon op St. Helena. + + + +Als gij in 't midden van deze tent staat, tusschen staatsiegordijnen en +schoorsteenvallen, en ijzeren tralies, en onderstellen van wagens, en +wilde dieren; als gij uw oog slaat op al die vernederde schepsels--waan +niet dat gij leeuwen, dat gij tijgers, dat gij gieren, arenden, hyenen, +beren ziet. De kinderen der woestijn zouden hunne broederen, zoo zij +ze hier zagen, verachten en verloochenen. Berg dat zilveren potlood, +steek die portefeuille op, gij teekenaar! Maak hier geene schetsen. Gij +hebt geene wilde dieren voor; het zijn er slechts de vervallen +overblijfsels van; zij zijn naar ziel en lichaam gekraakt. Hun aard +drukt zich niet meer uit. De leeuw stierf in den leeuw; de tijger is +dood in den tijger. Uwe teekening zou zijn als een portret naar een +lijk ontworpen. Gij kunt even zoo goed een petit-maître onzer eeuw +tot model voor een zijner Germaansche vaderen stellen, of een mummie +afbeelden, en zeggen: zoo is een Egyptenaar! Nauwelijks kunt gij +hunne vormen, hunne omtrekken, hunne evenredigheden zien of berekenen +onder de slagschaduwen dezer vierkante kooien. Hoe zoudt gij dan het +eigenaardige van hunne houding kunnen raden? Ze zijn hier als planten +in een kelder; zij verkwijnen; zij zijn in een droevigen staat van +ongevoel, een naren dommel verzonken. Zij sterven sinds maanden. Het +licht hindert hen. Zij zien er dom, verstompt uit. Dans la nature +ils sont beaucoup moins _bêtes_. + +"Stil", zegt gij, "zie daar den eigenaar. Hoor hoe zij brullen. Zij +zullen gevoed worden. Het souper der wilde dieren." Smartende +bespotting! Hun souper! De cipier zal elk dezer staatsgevangenen +zijne afgepaste portie komen toedeelen. "Ja, maar hij zal ze tergen, +en een oogenblik zult gij ze in hun kracht zien." Wee onzer, zoo dat +waar is! Neen, het is eene tooneelvertooning. Zij worden tot acteurs +vernederd. Hun woede is die van operahelden, van beleedigde vaders +in de vaudeville. Het is namaaksel. Het is een woede van klokke +halfacht. Het rammelen der boeien, als de gevangene opstaat om zijn +brood en water aan te nemen. Ook in het gebrul des leeuws, het gehuil +der wolven en het lachen der hyena's is een _pectus quod diserfum +facit_. Waan niet dat zij zich verwaardigen zouden hun verschrikkelijke +welsprekendheid aan dien knecht te verkwisten, die toch eindigen moet +met hun het afgewogen stuk vleesch in den bek te steken. + +Hun souper! o Zoo zij mochten, zij zouden van dit behulpelijk, +bekrompen genadebrood een beroep doen op hun avondmaal in de +woestijn! Weekelingen, die uw brood bakt en die uw vleesch kookt om +het te kunnen verduwen! zoo gij genoodzaakt werdt dien maaltijd aan +te zien, daar zij de rookende spieren van de breede knoken aftrekken, +en er zich met al de felheid, al de heftigheid hunner bewegingen +opstorten, brullende van genoegen, niet omdat zij eten, maar omdat zij +slachten,--hoe zouden u de haren te berge rijzen, hoe zou vleeschhouwer +en uitdeeler, hoe het geheele heir geabonneerden rillen en beven! + + + +Alleronuitstaanbaarst is mij in een beestenspel de uitlegger. Gij +lacht om zijn gemeen Fransch en nog ellendiger Hollandsch, om zijn +eeuwig wederkeerende volzinnen: ik kan niet lachen. Hij ergert mij. + + + Sire, ce n'est pas bien: + Sur le lion mourant vous lâchez votre chien! + + +Foei! hij noemt den tijger monsieur en de leeuwin madame; hij +vertelt aardigheden op hun rekening; zij zijn de dupes zijner +van buitengeleerde geestigheid. O! zoo zij konden, hoe zouden zij +zich op den grappenmaker wreken. Hoe zou monsieur hem vierendeelen, +madame hem vernielen. Hij zou 't verdienen. Hij behandelt dieren als +dingen. Hij verdient een dommen glimlach aan den een, een drinkgeld +aan den ander. Hij ontneemt u het schoone zinnebeeld der moederliefde, +dat gij in den pelikaan zaagt, en maakt liever een slaapmuts van +zijn onderkaak. Ellendige potsenmaker, straffeloos lasteraar, die +zijne beteren bespot. Met een paar knevels en een stok loopt hij om, +en speelt den held onder de gevangenen. + + + +Ja, het is ijselijk als gij een verren neef of halfvergeten vriend +overkrijgt, die u vriendschappelijk dringt hem het Leidsch museum +te laten zien, en ge moet, terwijl gij liever de bekoorlijken +op Rapenburg en Breestraat gadesloegt, met hem op een schoonen +voormiddag de eene zaal na de andere doordrentelen, zonder iets te +zien dan natuurlijke historie, zonder ergens een knie te buigen; en +het is er kelderachtig koud! Maar zoo het er op aankomt om vreemde +dieren te zien: ik zie ze liever daar dan hier. Liever een museum +dan een menagerie. 't Is waar, het knekelhuis, dat gij eerst door +moet wandelen, neemt een goed deel van de illusie weg; de anatomie, +gelijk alle analyse, is schadelijk aan de poëzie; maar de opgezette +dieren zijn niet vernederd. Hier ronken zij niet, hier slapen zij +niet, hier sterven zij niet, hier zijn zij dood. Hier geen dofheid, +geen traagheid, geen luiheid; hier koude en ongevoeligheid. Het is +hier als in hun onderwereld: gij ziet hunne schimmen, hunne omtrekken, +hunne eidola! Aan hun stoffelijk omkleedsel, hun houding, hun stand +moge door opvulling en kunstenarij een weinig zijn te kort gedaan, maar +de ziel (gij gelooft toch dat de dieren een ziel hebben?) wordt hier +niet verdoofd of verminkt. Niet de lage baatzucht, maar de deftige +wetenschap heeft hen bijeenvergaderd. Zij staan hier niet te kijk, +zij staan hier tot uwe onderwijzing. Hunne namen worden in eerbiedig +Latijn genoemd. Zwijgend gaat men langs hunne rijen, met al het ontzag, +dat men voor de dooden heeft. + + + +Maar een menagerie! + +o Gij, heeren der schepping! ik weet niet of gij in de 19de +eeuw onzer jaartelling, en zoo ver van het paradijs, dien naam +nog verdient.... maar gij hoort hem zoo gaarne, en zijt er zoo +hoovaardig op; o gij, heeren der schepping! laat u gelden in het +dierenrijk, laat u gelden bij al wat slagtanden, klauwen, hoeven +en horens heeft. Heerscht, dwingt, gebiedt, overweldigt, beschikt; +zet uw krijgsburcht op den rug der elefanten; legt uw pak op den nek +der buffelen, zet uw tanden in het oor van onagers, jaagt uw lood +door het voorhoofd der tijgers, en maakt hun vacht tot schabrak uwer +paarden; overwint als een Cesar de wereld, en spant als een Cesar +vier leeuwen voor uw triomfkar. Het is wèl. Maar misbruikt uwe kracht +niet. Spot niet, kwelt niet, vernedert niet, dooft niet uit. Geen +gevangenhuis, geen tuchtcel, geen schavot, geen kaak, geen draaikooi, +geen beesten-_spel_. Ja, een spel is het, een afschuwelijk wreed +spel. Moet gij een spel hebben: herstelt het molmend coliséum tot een +worstelperk, en hebt ten minste de grootmoedigheid, uw gelijken met +hen ten kamp te doen treden. Vermaakt u (zoo gij nog niet genoeg hebt +van barbaarsche vermaken) met hunne krachten, met hun moed, met hun +heldeneinde;--niet met hunne slavernij, niet met hunne ontaarding, +niet met hun heimwee, niet met hun teringdood. + +1836. + + + + + + + +EEN ONAANGENAAM MENSCH IN DEN HAARLEMMERHOUT. + + +Onbegrijpelijk veel menschen hebben familiebetrekkingen, vrienden of +kennissen te Amsterdam. Het is een verschijnsel, dat ik eenvoudig +toeschrijf aan de veelheid der inwoners van die hoofdstad. Ik had +er voor een paar jaren nog een verren neef. Waar hij nu is, weet ik +niet. Ik geloof dat hij naar de West gegaan is. Misschien heeft de +een of ander van mijne lezers hem wel brieven meegegeven. In dat geval +hebben zij een nauwgezetten, maar onvriendelijken bezorger gehad, als +uit den inhoud van deze weinige bladzijden waarschijnlijk duidelijk +worden zal. Inderdaad, ik ken vele menschen, die nog al ophebben met +hunne Amsterdamsche neven, vooral als ze tot de "Lezers" in Felix +behooren, of als ze rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd +gestaan over mijne verregaande koelheid omtrent den persoon van mijn +neef _Robertus Nurks_; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hij +mij zaterdagmiddag per diligence een steen zond met een brief er aan, +inhoudende dat hij (mits het weer goed bleef en er niet, maar dat +kwam er nooit, het een of ander in den weg kwam) met mij den dag in +den Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen het +gemelde bosch heb, maar wel iets tegen ZEd. + +En evenwel was hij een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt in +zijn zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, en zelfs in den grond +goedhartig. Maar er was iets in hem--ik weet het niet--dat maakte dat +ik met hem niet op mijn gemak was; iets lastigs, iets impertinents, +in één woord iets volmaakt onaangenaams. + +Ik zou, om iets te noemen, een nieuwen hoed gekocht hebben; geen +buitensporig fatsoen (geen nationalen bijv.), geen te hoogen of te +platten bol; geen te breeden of te smallen rand; een hoed, goed om af +te nemen voor een verstandig man en op het hoofd te houden voor een +gek, doch stellig een hoed om niets van te zeggen. Toch kon ik bijna +overtuigd zijn, dat mijn beminnelijke neef _Nurks_, de eerste maal +dat hij er mij mee zag, met den hatelijksten glimlach van de wereld +en met een soort van ontevredene verbaasdheid zeggen zou: "Wat een +weergaschen gekken hoed heb _jij_ op".--Nu is het onbegrijpelijk +moeielijk; schoon ik gaarne beken, dat de een zich daar handiger +in gedraagt dan de ander, en ik niet een van de gauwsten ben; nu +is het onbegrijpelijk moeielijk, onder eene dergelijke critische +verklaring omtrent uw hoed, een tamelijk figuur te blijven maken. Het +in ernst voor uw hoed op te nemen, is wat al te gek. Het met een: +"hé, vindje dat?" af te laten loopen, verraadt volslagen gemis van +tegenwoordigheid van geest. Te repliceeren met een hatelijkheid +op des critici eigen hoed, is wat kwajongensachtig. En hoewel een +aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste zou zijn, en er een +schat van aardigheden mogelijk is, zoo is het evenwel bijzonder +opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk een oogenblik bij +de hand heeft. Zoodat de critische hoedeninspecteur gewoonlijk de +voldoening heeft eene kleine verlegenheid te weeg te zien gebracht, +welke hij met demonischen wellust geniet. + +Indien gij uit dit kleine voorbeeld van mijn hoed; het is in 't oog +loopend hoe dikwijls hoeden tot voorbeelden dienen; niet een vrij +beslissenden kijk op mijn neef _Nurks_' karakter hebt, dan zal het +heele verhaal, dat ik schrijven ga, nutteloos aan u verkwist zijn, +lezer, en dan zal ik ook zoo vrij zijn u tot uw straf te houden +voor een sprekend evenbeeld en wedergade van dienzelfden _Robertus +Nurks_. Men zou intusschen verkeerd doen, zich dien waardigen +Amsterdamschen jongen voor te stellen als ongelukkig, ontevreden, +of zwartgallig. Hij was alleen maar hatelijk, en zulks deels uit +gewoonte, deels uit een diepe en misschien voor hemzelven verborgen +jaloezie. Hij was in 't geheel geen kniezer, altijd vroolijk gestemd +en de vroolijkheid beminnende; maar hij scheen er een genoegen in te +vinden, zijnen vrienden kleine grieven aan te doen, en niet alleen +zijnen vrienden, maar in het algemeen de onschuldigste menschen +van de wereld. Eene opvoeding boven zijn stand had hem, geloof ik, +die lompe aanmatiging gegeven; en onverstandige ouders hadden hem +te vroeg er aan gewend om zijn jong oordeel over een iegelijk, die +hun huis bezocht, met toejuiching te zien ontvangen. Van daar dat +hij niets had van dien kieschen terughoudenden schroom, die even +bang is om te beleedigen als om beleedigd te worden; niets van die +zachte humaniteit, die men, ondanks alle gezag van spreuken als +"Ingenuas didicisse fideliter artes" etc. nog veel beter van zijn +moeder kan overnemen, dan uit de classieke literatuur halen. Trouwens +hij verstond maar zeer weinig Latijn. + +Indien _Robertus Nurks_ zeker wist dat gij half verliefd waart, hij +zou de gelegenheid vinden om het voorwerp uwer stille genegenheid +in het gesprek te pas te brengen, onder de voor u hartdoorsnijdende +bijvoeglijke naamwoorden van "leelijk, dom, onbeduidend, mal", +of dergelijke. Kende hij mijn lievelings-auteur, hij haalde er in +gezelschap de leelijkste plaatsen uit aan, met bijvoeging van "zoo +als _Hildebrands_ hooggeloofde die of die zegt". Waagdet gij nog eens +een oude anecdote, die u veel genoegen verschaft had, waarvoor gij +dus billijk eenige genegenheid voeddet, en waarvan gij u ook deze +maal nog al vrij wat beloofdet, omdat allen zich hielden als of zij +haar niet kenden: hij bedierf er de uitwerking van, door juist als +'t op de aardigheid aankwam, het verhaal al raffelende voor u af te +maken, van den Enkhuizer Almanak van 't jaar één te spreken, en te +zeggen dat alle anecdotes laf zijn, en dit er een was, die hij honderd +malen van u gehoord had. In 't kort, hij kende al de zwakke plaatsen +van uw familie, van uw verstand, van uw hart, van uw liefhebberij; +van uw studie, van uw beroep, van uw lichaam, en van uw kleerkast, +en had er vermaak in, ze beurtelings pijnlijk aan te raken. En ik +weet niet welke bezwerende of magnetische kracht hij op u uitoefende, +om u geheel weerloos te doen zijn. + + + +Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig omgaan met jaren, +want ik ben nog zoo jong; dat mijn neef _Nurks_ mij op zaterdag +den 14_den_ Juli--gij kunt den almanak nazien of het uitkomt--weder +een steen zond, die mij dan ook als zoodanig op het hart viel. Hij +zou morgen, na ochtendkerktijd, bij mij komen, en 's avonds met den +wagen van achten weer vertrekken. De uren daartusschen zouden wij +aan de vriendschap en het genoegen offeren.--Ondertusschen had ik +plan gemaakt voor eene andere vriendschap en een ander genoegen. Ik +had een Leidschen makker bij mij gelogeerd, met wien ik te Zomerzorg +eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen, +waar wij den nacht zouden doorbrengen om 's morgens naar de Breezaap +te gaan en aldaar wat te botaniseeren, waarvan wij beide groote +liefhebbers zijn. Ik hoop dat niemand van mijne lezers mij daarom +verachten zal, naar de gewoonte van vele menschen, die aan de waarde +en het gehalte van genoegens twijfelen, die zij niet in staat zijn +te beoordeelen. Mijn neef _Nurks_ behoorde tot dezulken. + +Het opgemelde plan was met groote opgewondenheid en wederzijdsche +goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in samensmolten. Ik +beloofde mijnen medischen student; wiens naam omdat hij bang voor +recensenten-hatelijkheden is, ik heb moeten beloven te zullen +verzwijgen, en wien ik daarom voor 't gemak _Boerhave_ zal noemen; +ik beloofde mijnen medischen student, behalve de schatten van de +Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis, +op den weg tusschen Zomerzorg en Velzerend en, daar hij ook eene +verzameling van conchiliën er op nahield, stond hij in lichterlaaie +verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blauwe +Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen kruipen of 't zoo niets +is.--Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die zaligheden, +en het gansche plan moest worden uitgesteld onder de voor ons +verschrikkelijke gedachte, den geheelen dag in Den Hout te zitten; +want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in Den Hout. + +De opoffering viel ons moeielijk, en ik verdacht den hupschen +_Boerhave_ (die niet zooals ik den band des bloeds gevoelde, en +daarenboven een onbepaald vertrouwen koesteren moest op de wetenschap, +die hij beoefende) van den heimelijken wensch, dat mijn liefelijke +_Nurks_, van wien hij zich half bij instinct, half door mijne +kwaadsprekendheid, niet veel goeds beloofde, tusschen zaterdagavond +en zondagochtend eene kleine ongesteldheid mocht ontwaren, die hem +mocht doen besluiten tot een kort briefjen op de eerste schuit enz.; +maar _ik_ wenschte hem op een allerliefste buitensociëteit vol +"vermoakelijkheden", of op een dolprettig diné aan den Berenbijt, +met drie leden van De Munt en zeven van Doctrina, waar men elkander +allergeestigst met het wederzijds ophemelen der beide sociëteiten +plagen kon, tot groote bemoeilijking van den elfden man, die lid +van beiden was, en den Doctrinisten wel gelijk wilde geven, omdat +ze de meerderheid hadden, maar den Munters niet afvallen, omdat +ze de grootste heeren waren. In een dergelijk gezelschap had mijn +vriend _Nurks_, die in de universaliteit van den elfden deelde, dan +gelegenheid gehad om zijn hart te luchten over den "lastigen dikken +weerga" (een oom van een der gasten), die altijd den Haarlemmer +las als _hij_ hem wou hebben, in de eene, en "den onverdragelijken +langen zwiep" (een vollen neef van een ander der aanwezigen), in de +andere, die altijd pot maakte als _hij_ pas begonnen was carambole +te spelen. Edoch het was bestemd, dat hij den zondag van den 15_den_ +Juli in den Haarlemmerhout zou doorbrengen. + + + +"Ha, hoe maakje 't, _Rob_!" riep ik uit toen hij binnenstapte. "Mijn +vriend, de student _Boerhave_, neef".--Was het valschheid dat ik hem +hartelijk ontving? Ik geloof neen. Toen ik over het plan van Zomerzorg +en de Breezaap heen en hij werkelijk daar was, nam ik er den besten +kant van; en ik had hem toch ook in zoo lang niet gezien. + +"Best, jongen;--mijnheer, je dienaar! Jongens, wat is me dat end van +de Amsterdamsche poort weer tegengevallen!" + +"Mijnheer moet anders aan lange enden gewoon zijn," merkte _Boerhave_ +aan, ik geloof om zijn aardrijkskundige kennis van de hoofdstad +te toonen. + +"Ja, dat _is_ zoo", zei _Nurks_, met een bijzondere kracht op 't +woordje _is_, "maar daarom juist, als men zoo'n mal klein stadje als +Haarlem de eer aan doet, wil men 't liever niet." + +_Nurks_ wierp een blik in den spiegel. Zijn eene halsboord had het door +de warmte; het was zeer warm weder dien dag, vooral in de diligences; +had het door de warmte te kwaad gekregen, en lag in zwijm over den +rand van zijn strop. + +"Malle dingen! Anders een goed fatsoen. Ik hou niet van die ronde +boorden." + +_Boerhave_ en de nederige inwoner van het malle, kleine stadje waren +er mooi mee; hij verbeeldde 't niet gezien te hebben. + +"Kanje _nog_ al niet rooken, _Hildebrand_?" + +Ik vloog naar den portecigares en bood hem dien aan. + +"Hebje nog altijd dat _strooien_ soortje?" zei hij, de punt van +degene, die hij genomen had, met het ongeloovigste gezicht van de +wereld afbijtende, en toen zijn vroeger onderwerp weer opnemende, +daar hij nog niet genoeg van had: + +"Jongens, ik vind dat het zoo mal staat als iemand niet rooken kan. Hij +zit altijd met zijne vingers ergens aan. Ik ken _nog_ iemand die +nooit rookt, maar dat is de miserabelste kerel van de wereld." + +Ik begreep dat ik al vrij veel kans had om, bij eventueel overlijden +van dien heer, denzelven in zijn hoogen rang in de schatting van mijn +neef op te volgen. + +Nu volgde een gesprek, voornamelijk bestaande uit eenige informatiën +naar wederzijdsche kennissen, waarin geen enkele onaangenaamheid +voorkwam, dan dat hij, toen ik naar een zeer intiemen vriend vroeg, +dien hij zeer wel kende, noodig had zijn geheugen op te scherpen met +de herinnering, "of het die was, wiens broer die smerige affaire met +de politie gehad had", opdat _Boerhave_, die daartoe al den tijd +had, zoo mogelijk allerlei vermoedens tegen de familie zou kunnen +opvatten. Ik weet niet of hij het deed; maar kort daarop verliet hij +ons een oogenblik om een knijpbriefjen af te vaardigen, welk punt +des tijds onmiddellijk door _Nurks_ werd waargenomen, om mij met de +aanmerking op te winden: + +"Die vriend van jou lijkt sprekend op dien schoenenjood, die altijd op +den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht staat;"--en toen ik +groote oogen opzette,--"och ja, je weet wel, die leelijke kerel! net +of hij een trap van een paard gehad heeft." + +Nu, op dat oogenblik kwam _Boerhave_ weer binnen. Over de +gelijkenis met den schoenenjood, op den hoek van de Vijzelstraat +en de Heerengracht, kon ik niet oordeelen, omdat de respectieve +aangezichten der respectieve schoenenjoden van Amsterdam mij niet +duidelijk en onderscheiden voor den geest stonden; maar op mijn +vriends gelaat iets te lezen, dat denken deed dat het ooit in eenige +on vermakelijke aanraking geweest was met het viervoetig dier door +den vleienden _Nurks_ genoemd, was mij t' eenenmale onmogelijk. + +Wij gebruikten koffie en brood, welke beide artikelen de eer +hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel +beweerde hij de nadeeligheid van de eerste zonder melk te drinken, +waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde hij dat hij +'t altijd aan iemands teint zien kon "want het teint werd er leelijk +van;" maar toen de medicus er voor uitkwam dat hij medicus was, en +in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had, veranderde hij van +batterij, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen +van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder brood, +op dure kamers woonden en allerlei laagheden doen moesten om een bus +te krijgen, en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer, recht +geschikt om een medicina candidatum in zijn studiën aan te moedigen; +terwijl hij ze allen bekroonde met de plechtige verklaring "dat er +niet één medicus in de wereld was, wien hij, _Robertus Nurks_, wat +hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde." + +Wij gingen Houtwaarts. Het was ruim één ure. Nu, alle welopgevoede +dingen hebben hun gestelden tijd. De nachtegalen komen in 't +voorjaar, de vinken en lijsters in 't najaar; de zon schijnt bij +dag, de kaars bij avond, en de maan bij nacht. Zoo is het ook met +de menschensoorten. Al wie met de duizend en een _species_ van het +_genus_ Haarlemmer bekend is, weet dat zij allen des zondags haar +verschillenden wandeltijd hebben; iets, 't welk zeer natuurlijk +wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarbij in +'t oog houdt dat er veel menschen naar de middagkerk gaan, terwijl een +groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle deze +_species_ rangschikt, en men tevens achtslaat op de vreemde vogelen, +die uit andere luchten op een zonnigen zondag komen aanwaaien, dan zal +men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet ongelijk aan die der +elkander, naar de schoone vergelijking van _Homerus_, als boombladeren +wegstootende geslachten in het bestaan des menschdoms, of aan die +der elkander voortstuwende barbaren van het Europa der vijfde eeuw. + +Zoo zal de natuuronderzoeker, die des zondagsmorgens de kerk verzuimt +of naar de vroegpreek is geweest (wat ik liever onderstellen wil) +en om tien uren, half elf, in Den Hout komt, op het Plein of bij den +Koekamp (de naam is niet welluidend), eenige zwermen feestvierende +vogels van den Haarlemmerdijk inhalen, per schuit van zevenen uit +Amsterdam vertrokken. De mannetjes zijn blauw of zwart geteekend en +hebben sliknatte, fijngekrulde bakkebaarden. Ze zijn voorzien van +lange Goudsche pijpen, waaruit ze òf rooken, òf die ze losjes bij den +kop tusschen de vingers houden en zoo, met den steel naar beneden, +onverschillig laten slingeren. Merk de regenschermen. De wijfjes +zijn wit. Zij houden haar opperkleed op, zoo dikwijls ze over een +droppel water stappen, en dragen 't geheel _opgesteld_ als er wezenlijk +plassen liggen van den regen van zaterdag. Zij eten gestadig uit haar +zak; sommigen in den zwerm hebben daarenboven nog een toegeknoopte +kinderluur met mondkost bij zich. Men ontmoet ze meestal in koppels +van negenen: twee mannetjes op zeven wijfjes. Ze dwalen een heel +end ver, somtijds wel tot Heemstede of de Glip af, maar strijken +'s namiddags, onder een kruik bier en een bosje scharren, aan de +Groene Valk of in den Aalbessenboom neder, om met de laatste schuit +naar Amsterdam te vertrekken, terwijl intusschen de toegeknoopte +kinderluur van knapzak tot een korfje is omgeschapen, om "blommen" +in thuis te brengen, die drie weken lang in een aarden melkkan zonder +oor, in een klein winkeltje, of op den bovensten trap van een kelder, +hier zonder licht, en daar onder den frisschen adem van een stinkend +riool, het geluk en den rijkdom zullen uitmaken van iemand die garen +en band verkoopt en tevens besteedster is, of van iemand die turf en +hout slijt en tegelijk uit werken gaat. + +Wandelt de natuuronderzoeker voort, dan ziet hij in 't voorbijgaan +eerst nog een dergelijken troep, die zich in den aanblik van +het Paviljoen verlustigt, en waarvan al de individu's, om zich +te overtuigen dat het geen droom is, zich met beide handen aan de +spijlen van het hek vastklemmen, zich bij geen mogelijkheid kunnende +verklaren wat voor aardigheid of vroolijkheid er wezen mag in de +groep van Laokoön, maar op dit punt overeenkomende, dat de W in het +frontispice "_Wullem_" beduidt. + +Meergemelde natuuronderzoeker heeft even de Dreef verlaten, om in +de verrukking van deze vreemdelingen te deelen, maar gaat nu door +een allerliefst laantje, waarin de ochtendzon allergeestigst door +'t hoog geboomte speelt, op de "logementen" af. Hij wandelt een gele +barouchette en een blauwen char-à-bancs voorbij, die hij onder 't +geboomte uitgespannen ziet, als ware 't om menigeen van huns gelijken +derwaarts te lokken. Hier is alles nog doodstil. 't Is een liefelijke +morgen. Een enkel heer met een grijzen paardenharen Saksen-Weimar, +bruinen rok, grijze zomerbroek, Engelsche spikkelkousen, lage schoenen +en een tenger, hoogstfatsoenlijk uiterlijk, zit aan een der houten +marmeren tafeltjes van het "Wapen van Amsterdam" voor de deur, +zeer op zijn gemak een boek te lezen. Een dikachtig heer met roode +wangen en een opvliegend voorkomen, met zwarten rok en in 't kort, +leest er steunende op zijn stok een courant, zonder tafeltje op een +stoel neergevallen. Een jonge vrouw, eerst onlangs uit het kraambed +hersteld en nog een weinigje bleek, zit aan een ander tafeltje, +waarop uitgediend ontbijtgoed staat, met een lief mutsje met lichtblauw +Zeister op en een lichtblauw japonnetje aan, gemakkelijk in haar stoel +geleund, te breien, en wijdt van tijd tot tijd haar aandacht aan haar +kindermeid, die met een Amsterdamsche kornet op 't hoofd, of liever ààn +'t hoofd, want dat soort van mutsen laat het hoofdhaar tot de kruin toe +onbedekt, en een rozerood japonnetje met een zwart schort met puntjes +voor, op everlasting schoenen, met kruislinten net als mevrouw, over +het schelpenpad aan den overkant rustig voorttrippelt, met aan de eene +gehandschoende hand een kind van twee jaar, met een baleinen valhoedje +met rozeroode strikjes en, aan de andere, een van drie, in beugeltjes; +welke kinderen zij, zoo dikwijls als zij iemand tegenkomt, wien zij +een goed denkbeeld van hare opvoeding of van haar dienst geven wil, +met het plechtige "uwé" toespreekt: "Spreekt uwé niet tegen meneer, +_Sorsetje_?--Foei _Franswatje_, wat maakt uwé uwees handjes vuil +met die schullepies."--Aan de Hertebaan vertoonen zich hier en daar +een paar jonge dames, in 't bloote hoofd, en in een costuum, dat +zij "zoo geheel buiten" noemen, en 't welk voornamelijk gekenmerkt +wordt door sterk gekleurde zijden schortjes, bezig met "aan de lieve +beestjes eten te geven".--Dit nu zijn de gelukkigen, die bij _Stoffels_ +logeeren.--In de Sociëteit is nog niemand, maar een tweetal knechts, +een volwassene en een jongen die nooit volwassen worden zal, staan +tegen elkander over in het middelste deurraam met de handen op den +rug het talent van _Zocher_ te bewonderen, dat de heeren van _Trou +Moet Blijcken_ in de gelegenheid gesteld heeft tot de schepen toe te +zien, die door 't Sparen gaan.--In 't logement op den hoek zit een +Zaandamsche familie, gisteren aangekomen, al de mannen zeer lang, +en in een volmaakt pak blauwe kleederen uitgedost, met zwarte dassen +en witte onderdassen; de vrouwen met de nationale kap, en zwarte +tanden. Zij drinken reeds koffie, en laten zich van den kastelein, +die de vrijheid neemt van in de deur te blijven staan, omtrent vele +wetenswaardige dingen onderrichten. Opmerkelijk is, tegen een der +palen en daarenboven op een stok geleund, een gebrekkig man, niet +zoo zeer een bedelaar, als wel een afwachter van aalmoezen; een dier +onsterfelijken, die de oudste Haarlemmers altijd even oud en altijd +even beschadigd, daar gezien hebben. Sommige verdenken hem van een +stilleverklikker te zijn; ik geloof het niet; maar indien hij het is, +dan is hij het zeker alleen maar om aan de kindskinderen te verklikken +op wat wijze hunne grootvaders in Den Hout hun geld verteerden. + +In dezen toestand blijft Den Hout tot elf uren of half twaalf. Alsdan +rukt de voorhoede der Haarlemsche wandelaars er in. Zij bestaat +voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep of +nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus des zondags +de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winkeliers met lange +roksmouwen; de boekhouders met watten in de ooren; de ambachtsbazen met +hooge hoeden, lange panden, en lange lenden; allen met hunne vrouwen +één, en met hunne dochters drie graden boven haar stand gekleed, +en alleen in dit bijzondere geval met hunne zonen, wanneer deze het +niet zóó ver in de wereld hebben gebracht om zich hunner te schamen; +want er vallen secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten +onder voor; maar indien dit het geval niet is, dan ook kunt gij +zeker zijn, vader en zoon met gelijke en gelijkvormige rottingen +te zien voortschrijden. Voor het overige bemerkt men nu reeds een +enkel jong mensch uit deftiger stand, hetzij dan een notarisklerk of +een surnumerair bij het gouvernement van Noordholland, die, daar hij +geen schepsel wist te verzinnen, aan wien hij na kerktijd een bezoek +schuldig was, nu maar naar _Stoffels_ stapt en, verbaasd van daar +nog niemand van zijn kennis te ontmoeten, zich met den hond van den +kastelein behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst +dat mijnheer habitué is. + +Hem volgen, tegen halftwee, twee uren, de deftige bewoners uit de +stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie, +de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldsche kinderen van den +geestelijke, zonder hunne ouders. Ook komen nu de bloemisten van +den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten. Voorts bemerkt +men zusters met haar eerste voiles, die met broers met hun eerste +rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters met voiles en broers +met rokken tegen te komen; en reeds nu en dan een enkel rijtuig, als +b.v. de sjees van den dokter, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een +toertje doet, en het wagentje van den grutter, die geen pleiziergeld +betaalt, alreede tegenkomt; voorts de demi-fortune van den kleinen +rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte +harddravers met witte koorden leidsels van den welgestelden makelaar, +en het rijpaard van den kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en +voorbijgereden van Amsterdamsche char-à-bancs voor twaalf personen, +daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf +met een hoedendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste +dezer laatsten in de stad uitspannen. + +Het gebeurde alzoo dat, als wij drieën om één uur de Houtpoort +uittraden, wij noodwendig op hun terugtocht tegenkwamen de kleine +winkeliers met de lange roksmouwen, de boekhouders met de watten, +de hooghoedigen, de langpandigen, de langlijvigen enz., en als +'t ware aankondigden de komst der notarissen, der fabrikanten, +der boekverkoopers, der doctoren, der apothekers, der bloemisten, +der zusters en broers enz., die nog achter ons waren. + +"Wat zien uw stadgenooten er over 't algemeen peu fashionable uit!" zei +_Nurks_, met dien bijzonderen lach, die de Engelschen _a sneer_ noemen, +een zeer druk en aangenaam gesprek afbrekende en oogenblikkelijk weer +opvattende, om mij het antwoorden te beletten. + +Een boom of wat verder pleegde hij mij hetzelfde boevestuk met den +uitroep: + +"Ik dacht dat er zooveel beau-monde in je menniste Haarlem was!" en +weder vergunde hij mij niet in het midden te brengen, dat de geheele +deftige middelstand nog achter onzen rug was, die niet voor een uur +later, eerst door de hoogere ambtenaars, en daarna door de haute +volée zou worden opgevolgd. Hij wist het ook trouwens even goed als ik. + +Wij namen plaats bij _Stoffels_. De onbeleefdheden, die tot nog +toe alleen aan ons beiden verkwist waren, werden nu ook algemeen +verkrijgbaar gesteld. Ik zat nog niet, toen _Nurks_ al uitriep, +zoodat al de belendende gezelschappen het hooren konden: + +"Lieve hemel, _Hild_, wat hebje een mooi vest aan; dat had ik nog niet +van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes ten achteren is." + +De leelijkert had duidelijk bemerkt, dat ik het voor 't eerst aanhad +en er van tijd tot tijd met innig welgevallen naar keek. Ik stak +onmiddellijk mijn beenen onder de tafel; want het was mij op zijn +minst vijfenzeventig maal gebeurd, dat hij, met een opgetrokken +neus naar de punten van mijn schoenen loerende, mij had afgevraagd: +"Waar laat je _die_ turftrappers maken?" + +Van een goedigen krulhond, die met veel liefde door een oud man +gestreeld werd, heette het "Wat een mormel!" Van een paar schimmeltjes, +die voor de deur stilhielden en waarmee de eigenaar met groot +zelfbehagen pronkte: "Leelijke koppen!" Van het kindje in beugels, +dat al van half elf gewandeld had en er schrikkelijk verhit uitzag: +"Als ik er zóó eentje had, deed ik het een steen om den hals". Alles +luid genoeg om verstaan te worden door de respectieve eigenaars van +het mormel, de leelijke koppen, en den jongen heer. Er zat een statig +man, wiens geluk half weg was, omdat hij in den morgen bloemen gezien +hebbende in het "Cieraad van Flora", bij het inkruipen van een enge +broeikas, eenigszins aan een spijker was blijven haken. Hij had daar +toen niet veel acht op gegeven, maar nu rustig in Den Hout een sigaar +zittende te rooken ontdekt hij te midden zijner overpeinzingen een +kleinen winkelhaak in zijn pantalon, vlak bij de knie. Hij had het +zoo haast niet gezien of hij wierp er met veel handigheid zijn zijden +zakdoek over, maar te laat om de aanmerking van _Nurks_ te ontgaan, +die juist op dit zelfde oogenblik tot ons zei: "Ik mag wel zoo'n +maneschijntje". De bloemliefhebber kreeg een kleur als een Cactus +Speciosa, om welke te verbergen hij in verwarring naar zijn zakdoek +greep om zijn neus te snuiten, zoodat de maan weer plotseling door de +wolken brak, tot groote vroolijkheid van een gezelschap Amsterdamsche +juffrouwen en heeren uit een manufactuur-winkel, dien zich op dien +merkwaardigen dag op zijn minst voor staatjufferen en kamerheeren +van Z.M. den koning wilden gehouden hebben. + +"Is dat een rok van je vader?" vroeg _Nurks_ grappig aan den jongen, +die hem zijn limonade bracht, en zich zeker niet zeer bekrompen in +dat kleedingstuk bewoog. + +"Ik heb geen vader," zei de arme jongen, en het ging mij door de ziel. + +De beau-monde verscheen met al zijn gedistingueerde geuren en kleuren; +met al de pracht van vederen, sjaals, parasols, mantilles, amazones, +koetsiers, rijtuigen en rijpaarden. Ik had het ongeluk gehad _Nurks_ +te voorspellen, dat hij een brillante nieuwe equipage zou zien. Hij +kreeg die zoodra niet in het oog, of hij vroeg mij ongeduldig: + +"Wanneer komt nu die mooie equipage, waar je van gesproken hebt?" + +En zoo was het telkens, tot groote ergernis van _Boerhave_, die evenwel +nog al aardig vrijliep, maar wiens horlogesnoer ijselijk door _Nurks_ +gefixeerd werd, zoodat hij alle oogenblikken dacht dat er iets op +komen zou, en eindelijk dan ook zijn rok maar toeknoopte. Ik herinner +mij nog slechts twee onaangenaamheden, die _Nurks_ mijn goeden medicus +deed doorstaan, doch die even als de aangehaalde zich ook alleen bij +het physionomisch hatelijke bepaalden. De eene was deze. Wij spraken +over de ongelukken, die men met zwemmen kan krijgen. Op een warmen +zomerschen dag is 't een wellust om over water te handelen. _Boerhave_ +verhaalde een treffend geval van schitterende zelfopoffering in een +zwemmer, buitengewoon genoeg om al de eerepenningen der Maatschappij +tot Nut enz. te verdienen, indien deze 't niet tot regel gesteld had, +alleen dezulken te beloonen die _niet_ zwemmen kunnen, maar althans +buitengewoon genoeg om een steenkoud hart te doen ontgloeien. _Nurks_ +evenwel hoorde het met de volmaaktste onverschilligheid aan en nam +zelfs onder 't verhaal allerlei bijzaken waar. Nu eens, bijvoorbeeld, +scheen hij zich met de borst toe te leggen op het vormen van kunstige +kringen van tabaksrook; dan weder blies hij, volmaakt in de houding +van iemand die volstrekt niets anders te doen heeft, de sigaarasch van +zijn knie, en zelfs van de tafel; dan weder scheen hij al zijn aandacht +en belangstelling te wijden aan zijn nog altijd ziekelijken halsboord, +die nog telkens nieuwe aanvallen van flauwte had; welke veelzijdigheid +van oefening mijn opgewonden vriend, die van geestverrukking gloeide, +op den duur weinig streelde. Hij trof het even ongelukkig met het +verhalen eener splinternieuwe anecdote van drie Leidenaars, waar +ik met mijn heele familie den vorigen avond tot schreiens toe om +gelachen had, met groot gevaar van in ons warm brood te stikken, maar +die totaal schipbreuk leed op de stalen onbuigzaamheid van mijn heer +en neef, die ditmaal in een ander uiterste viel, en zeer geduldig en +ingespannen zat te luisteren, ja zelfs zoo geduldig en ingespannen, +dat het hem scheen te treffen dat het verhaal waarlijk uit was, +en hij nog altijd op het slot en de aardigheid zat te wachten, +die, indien men zijn gezicht had willen gelooven, nog immer komen +moesten. Mij is niettemin van goederhand verzekerd, dat opgemelde neef +èn de edelmoedige menschenredding èn het geval der drie Leidenaars, +nog dien zelfden avond, met zichtbare blijken van zelfbehagen heeft +medegedeeld op de diligence; gelijk hij ze ook beiden des anderen +daags wist te pas te brengen op Doctrina, aan zijn tafel, en in de +Munt, en in den loop van de week te pas te _jagen_ op twee concerten +en in vijf koffiehuizen (zoodat ik met grond onderstel dat hij er nu +de harten der liplappen en der blauwen in de West mee verkwikt); en al +wie de eerste niet "verbazend" en de laatste niet "om te schreeuwen" +vond, wist hij oogenblikkelijk iets stekeligs te zeggen op het gevoelig +punt van bakkebaarden en stropdassen. + +Er kwam muziek. Drie dames met lange reticules en opmerkelijk door +roode linten op de muts, oranje tissu's om den hals en voorschooten +met diepe zakken met schuifjes. Eene breede sproeterige Saffo met een +hooge sproeterige harp in het midden, en twee tanige vrouwen, die met +handen vol diamanten, die een sterken familietrek van glas hadden, op +de viool speelden. "Drie poetjes van gratietjes", zei _Nurks_ lachende, +en luid genoeg om een langen procureursklerk mee te doen lachen, +die veel verder van hem af was dan de gratietjes in quaestie. Het +snarenspel begon, _Nurks_ stopte van tijd tot tijd den vinger in de +ooren, dat toch niet opwekkelijk wezen kon voor drie kunstenaressen, +die ook wel wisten dat het zoo heel mooi niet was, en ook niets verder +bejaagden dan een dubbeltje of een stuiver van elk der toehoorders, +en een weinigje geduld. De violen hielden met een fiksche kras op, +en de harpspeelster hief, met een eenigszins schorre stem, en juist +voor de drieëntwintigste maal op dien gedenkwaardigen morgen, het +toen even zoo min als nu nieuwe, maar altijd slepende + + + Fleu--ve du--Ta--ge! + + +aan. + +"Ba; wat is ze leelijk als ze zingt," klonk het, dwars door de +aandoenlijke woorden der romance heen, uit den heuschen mond van +_Robertus_, wien het zeker nooit in 't hoofd was gekomen dat ook een +arme vrouw ijdelheid zou kunnen hebben. + +Het lied liep verder zonder stoornis af; zoodat de reticule geopend +kon worden, om het bekende roodverlakte flesschebakje met blinkenden +rand te voorschijn te brengen. Ik had er een gulden op willen leggen, +indien de zangeres _Nurks_ niets gevraagd had. Maar er was geen houden +aan; dus gaf ik maar een dubbeltje. Zij kwam tot _Nurks_. + +"Hoeveel octaven kan _jij_ wel zingen?" vroeg hij werkelijk +grijnslachende, maar tegelijk een vijfje op 't blaadje leggende; +want zoo was hij. + +Men moet in den handel ook het vuile geld aannemen. + +"Merci, monsieur", zei de harpspeelster, met neergeslagen oogen en +was reeds bij den man met den gescheurden pantalon. + +De lange procureursklerk was middelerwijl van plaats veranderd, +en zat nu toevallig aan een tafeltje, 't welk de virtuoze alreede +was voorbijgegaan. + +De violen hadden ondertusschen lustig doorgespeeld; ik weet niet of +men er te milder of te kariger om gegeven had. Nu werd er nog een +zeer korte, zeer vlugge trio uitgevoerd, waarop al de dames al de +oogen nedersloegen, al de lippen bewogen, negen, en vertrokken. Thans +zag een eenloopend klarinettist, zonder hoed, de baan schoon om ook +zijne talenten te doen hooren. + +"Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek," merkte +_Nurks_ aan. + +"Och, ik vind het nog al vroolijk," zei ik bemiddelend. + +"Ja maar", zei hij, mij strak in de oogen ziende, en een lange teug +limonade nemende--"ja maar--ik geloof, om je de waarheid te zeggen, +niet dat je heel muzikaal bent." + +Nu, voor deze laatste onhebbelijkheid behoeft men geen _Robertus +Nurks_ te wezen. Daartoe acht zich, volgens mijne ondervinding, ieder +liefhebber gerechtigd, die in zijn huis een eerste en eenige, en in het +een of ander orkest een tweede viool speelt, en een derde spelen zou, +indien er een derde viool bestond; ja, ik heb er onder de paukenslagers +gekend, die in dit opzicht de crimineelste waren. Och, al is men maar +iemand, die op een concert de hand met zekere majesteit onder de kin +kan leggen en de oogen toeknijpen met diep gevoel, om ze niet dan bij +een point d'orgue schielijk en geheel verward, en als kwam men uit +eene andere wereld (uit de wereld der inbeelding bij voorbeeld) open +te doen;--of al slaat men er zelfs maar met zekere wijsheid de maat +met het opgevouwen affiche of met den geglaceerden wijsvinger;--of +al heeft men maar even den slag om, bij het wederkeeren van het +thema in een groot muziekstuk, een lachje, liefst een zenuwachtig +lachje, voort te brengen, dat met telegraphische duidelijkheid zegt: +"we zijn weer thuis"!--of al heeft men maar alleen de vereischte +bekwaamheid om van een zangeres, die algemeen bevallen heeft, met +een diep noodlottig neergelaten wenkbrauw en allerbedenkelijkst +hoofdschudden te decreteeren, "weinig methode";--of den tact om +classieke van romantieke muziek te onderscheiden en te zeggen: +"ik hoorde toch liever _Lafont_ of _Beriot_ dan de _Eichhorns_ of +_Ernst_";--ik zou zeggen, al heeft men slechts eenmaal een blad muziek +gecopiëerd; met een van alle deze muzikale verdiensten toegerust, +heeft men eens vooral de bevoegdheid op de rest van 't heelal met +verachting neer te zien en alle verdere creaturen, zoodra ze zich +iets omtrent de goddelijke toonkunst verstouten, in haar aangezicht +te verklaren dat ze niet muzikaal zijn. Die onbeschaamdheid hebben de +speelmannen, hoorenblazers, doedelaars, tokkelaars, en trommelslagers +op de kunstenaars van andere vakken vooruit. Geen schilder, wanneer +gij in zijn atelier komt en gij zegt iets van zijne of eens anders +schilderij, hetzij juist of minder juist, zou de onbeleefdheid hebben +van te zeggen: "Ik geloof niet dat mijnheer veel oog op de kunst +heeft". Geen auteur, voor wien een fatsoenlijk mensch zijn gedachten +uitbrengt over een roman, een gedicht, of een vertoog, zal hem durven +vragen: "of hij eigenlijk wel smaak en gezond oordeel heeft". Maar de +muzikanten! Zij hebben met betrekking tot hun kunstvak zich dezelfde +onheuschheid aangewend, die mijnen neve _Nurks_ was aangeboren, en +ik heb jongelieden ontmoet, uit de beschaafdste kringen, "every inch +gentlemen", die op dit punt volstrekt onoverdragelijk waren. + +Ik geloof dat ik maar niet meer op mijn neef moet terugkomen. Als +ik het indenk, weet ik nauwelijks van waar mij de vermetelheid is +aangewaaid om hem u voortestellen. Ik vertel u nu maar niet, hoe +wij in het "Wapen van Amsterdam" aan de table d'hôte dineerden. Hoe +hij halfluid fluisterde over de economie van een paar eenvoudigen, +die tegen 't reglement van den kastelein aan, een halve flesch voor +hun beiden bestelden, en daarna dreigden zich een indigestie te eten +aan den bouilli, die na de soep werd rondgediend, in de stellige +overtuiging dat er geen ander vleesch komen zou; hoe zijne blikken +later den arm verlamden van een deftig heer met gepoeierd hoofd, die +een taaie kip met een bot mes, natuurlijk niet heel handig, voorsneed; +hoe hij een juffertje, dat nog niet veel van de wereld gezien had en +vlak tegenover hem gezeten was, tusschenbeide zoo ironisch aanzag, +dat zij eerst in 't denkbeeld geraakte dat zij onbehoorlijk veel at, +en derhalve begon voor alles te bedanken, en vervolgens tot de stellige +overtuiging kwam dat zij gemorst moest hebben, en al haar best deed om +een lonk in den spiegel te krijgen om te weten te komen waar 't zat; +hoe ik, toen wij na den eten de Hertebaan nog eens omwandelden, in +duizend angsten leefde dat hij een streek met de parapluie zou krijgen +van een of ander der met blauwe jassen geadoniseerde ambachtslieden, +die met beminnelijke, beminnende en beminde dienstmeiden aan den arm +(uitgedost met zwartzijden hoeden en bruine gepalmde omslagdoeken) +met groote stappen voortschreden, op welker heeren toilet hij niet +nalaten kon de namen van "twijfelaar, heel stuk laken, kuitendekker", +of "sleepjurk" toe te passen. + +Na al dergelijke jammeren kregen wij den goeden, besten, +liefdekweekenden en vriendhoudenden _Robertus Nurks_ aan "de Bel" +in de diligence. Nog even stak hij het hoofd uit het portier om +ons toe te roepen: "niet veel zaaks!" 't welk het reisgezelschap, +op goede gronden, op zich kon toepassen. Daar reed hij heen. Wij +wandelden tezamen nog even de poort uit; want ik noem het hek met alle +Haarlemmers, die de poort gekend hebben, nog altijd met dien naam. En +toen wij, over het Hazepatersveld heenblikkende, de zon zagen, die +bloedrood onderging en hare schoone tint mededeelde aan de witte +schuimige wolkjes, die als dunne sluiertjes door de lucht dreven, +durfde ik _Boerhave_ een mooien Maandag voorspellen, en vergat hij +in 't vooruitzicht van bloeiende Aristolochia Clematitis en levende +wijngaardslakken, spoedig geheel en al den beminnelijken bloedverwant, +waarmee ik hem had in kennis gebracht. + +1839. + + + + + + + +HUMORISTEN. + + + Het legher treckt vast in met duizenden, een macht + Zoo groot als Waterlant noch oit te velde bracht, + En Kennemer, en Vries en Zeeu en Holland t' zaemen. + + _Gysbrecht van Aemstel_. + (_Uit een brief van Melchior_.) + + +Beste _Hildebrand_! + +Ik verneem met een zeker genoegen, dat er van tijd tot tijd iets van +u gedrukt wordt; met een zeker genoegen, zeg ik; want wij hebben nog +samen school gegaan. Ik heb toen altijd wel gedacht dat er wat in u +zat, maar ik wist niet of er ooit wat uit u komen zou. Mijn vader zegt +evenwel dat hij dat altijd voorspeld heeft, ofschoon ik er mij niets +van herinner, maar wel weet ik dat ik driemaal een hekel aan u gehad +heb, omdat mijn vader u tot een voorbeeld van goed oppassen nam, en ik +wist toch dat ge ook wel eens kattekwaad deedt, _Hildje_! Denk maar +eens aan de klapdeur van het Bonte Kalfje, die alle morgens om half +tien en iederen namiddag om drie uren werd opengetrokken dat de bel +rammelde, een kwartier lang, als het Fransche gebed al lang op school +was voorgelezen.--Maar dat daargelaten, vriend; ik hoor dat gij weer +iets op de pers hebt, en gij zult mij, op grond van heel goede kennis, +wel vergunnen willen, u eenige raadgevingen mede te deelen. Ik ken +menschen, die dat veel liever doen bij wijze van recensiën; daar zijn +er, die de kopij onberispelijk en het gedrukte boek allerdolst vinden; +maar ik hou van die methode niet, en kom liever met mijn raad voorop. + +Eerst echter wilde ik u vragen, ronduit vragen, of gij een humorist +zijt? Ik denk het half, omdat het tegenwoordig zoo ijselijk aan de orde +is. Kijk _Hildebrand_, als gij een humorist waart, dat zou me leelijk +spijten; ik zou haast zeggen, schoon mijn hart er bij breekt:--als +gij een humorist zijt, _Hildebrand_, leg drie stuivers uit, koop een +touw, en... Maar gij zijt immers geen humorist, mijn waarde! o Zeg, +dat gij het niet zijt. + +Daar is tegenwoordig zulk eene ontzettende consumtie van humor, mijn +vriend, dat dit artikel verschrikkelijk duur moet geworden zijn en +dan ook bij gevolg akelig wordt vervalscht. Ik ben overtuigd dat er +in iedere kerk, de dominé meegerekend, meer dan honderd humoristen +bijeenzijn. Men komt in geen koffiehuis, men rijdt in geen diligence, +ja wat meer is, men zit in geen "bijwagen" zonder een humorist. Het +heele land is er van vergiftigd: humoristen op rijm; humoristen in +proza; geleerde humoristen; huiselijke humoristen; hooge humoristen; +lage humoristen; hybridische humoristen; bloempjes-humoristen; +tekst-humoristen; sprookjes-humoristen; vrouwenhatende en +vrouwenfleemende humoristen; sentimenteele humoristen; ongelikte +humoristen; gedachten denkende humoristen; boek-, recensie-, +mengelwerk-, brief-, voorrede-, titelblad-humoristen; humoristen, +die op de groote lui schelden en verklaren dat die geen greintje +gevoel hebben, omdat ze een knecht hebben met galons aan den rok, +en een spelende pendule; humoristen, die het met de bedelaars +houden in de boeken, en ze naar Frederiksoord helpen sturen in de +Maatschappij van Weldadigheid; reizende humoristen; huiszittende +humoristen; tuin- en prieeltje-humoristen, wier vrouwen aan iets +anders bezig zijn, terwijl _zij_ humoriseeren; en dan eindelijk de +heele simpele plattelands-humoristen, schoon ze allegaar wel een +deel van simpelheid weg hebben, in deze manier: "je zoudt wel denken +dat ik heelemaal onnoozel was, maar 't is allemaal lievigheid"! Ik +spreek niet van de heele grappige, de zeer onfeilbare, en de zeer +onduidelijke humoristen... Och lieve _Hildebrand_, honderd soorten +zijn er daar ik niet van spreek, want ze komen uit den grond op, en +ik weet evenmin als in de kennis der kruiden of men veiliger doet ze +te rangschikken naar _partes essentiales_ of naar _habitus_, naar een +_systema naturale_ of naar een _systema artificiale_; wat eigenlijk, +waar het den stijl geldt, tegenwoordig het vraagstuk naar de mode is, +waarover gij in 't Latijn en in 't Hollandsen, in 't beleefd en in +'t scherp, heel veel stichtelijks en afdoends lezen kunt. + +Ik kan mij ondertusschen niet verklaren hoe 't bij zoo veel humor +mogelijk is, dat er nog geen betere definitie van het ding in de +wereld komt. Lieve hemel! wij drijven in humor, en niemand heeft +adem om te zeggen wat het eigenlijk voor een vocht is. Ik zou dan +haast gelooven moeten dat wij er in _verdrinken_. In dat geval, +kan men er niet gauw genoeg bij zijn, een drenkelinggenootschap +voor de humoristen op te richten, of een afschaffings-, ten minste +een matigheids-maatschappij onder de zinspreuk: "Laat staan uw +humor". _Jean Paul_ pakt het verhevene bij de beenen, keert het +met Rapponische krachten om en zegt: "Ziedaar het humoristische: +'t is niet anders dan het verhevene met de voeten in de lucht" +[7]. Ik heb allen eerbied voor die kunstbewerking, maar _Jean +Paul_ was somtijds een zeer onduidelijk humorist. _Bilderdijk_ +zegt ergens, en zoo niet in zijne boeken, dan heb ik het uit zijn +mond, dat het precies het Hooftiaansche _neskheit_ is; maar _Hooft_ +en _neskheit_ zijn, wat de "Tesselschade" er ook tegen doen moge, +zulke oude humoristen, dat ik vrees dat die aanhaling de zaak voor 't +algemeen niet veel opheldert. En _après tout_: wat heeft het algemeen +er mee te maken? De humoristen zijn er, zijn er in grooten getale, +en vermenigvuldigen met den dag. Eerstdaags zien wij eene koninklijke +humoristen-stoeterij. Wat weet ik waar 't op uit zal komen? Eerstdaags +eene humoristische revolutie, eene op end' op humoristische orde van +zaken, met eene hartroerende oude vrijster op den troon, met een +kring van sentimenteele daglooners tot ministerie. Daar zullen in +de vergaderzaal de eenvoudige, de onschuldige kindertjes zitten; het +leger zal bestaan uit duivenhartige bloodaards onder den hoogdravenden +naam van medelijdende zielen; het rechterambt zal bekleed worden +door menschen die tegen àlle straf zijn, niemand dan een grijsaard +zal er schrijver, dichter of geleerde zijn mogen of tot de hoop des +vaderlands worden gerekend, uitgenomen de humoristen zelve; ieder +hunner zal een goelijken oom en een onnoozelen neef hebben, maar, +met uitzondering van deze lieve kinderen, zullen de jongelingen als +eene schadelijke uitvinding buiten 's lands gezonden worden. Geen adel +meer, geen rijkdom, geen livereibedienden, geen _paté de foie gras_, +geen kooien meer voor vogels, en geen modes meer voor dames; maar een +aanmerkelijke invoer van huisjassen, sloffen, pijpjes, tuinstokken, +kinderboekjes, Moeder-de-Ganzen.... Wat ik u bidden mag, _Hildebrand_, +ga niet onder de humoristen! + +Ten tweede, enz. enz. + + + + + + + +DE FAMILIE STASTOK. + + +De Aankomst. + +In het kleine stadje D---- werd op een donderdag in de maand October, +des namiddags omtrent één ure, de stijle ijzeren trede neergelaten van +een gele diligence, rijdende over D---- van C---- tot E---- vice versa, +en uit dezelve daalde, tot groote bemoddering van dengenen die hem +onmiddellijk volgde, en die niemand anders was dan zijn eigen cloak, uw +onderdanige dienaar _Hildebrand_. Hij had gereisd met een bleeke dame, +die het rooken had verboden, en gedurig de kronkelbochten van haar boa +had zitten te verschikken, dan eens had gezucht, dan eens ingesluimerd +was, dan eens eau de cologne genomen, dan weer eens geslapen had, +en altijddoor leelijk was geweest. Op dezelfde bank met deze had een +jong juffertje gezeten, in een blauwen geruiten mantel niet gedoken, +het denkbeeld is te ruim, maar gestoken; een mantel, die, naar een +langvergeten mode vatbaar was om van achteren te worden ingehaald +door een klein lapje van dezelfde stof, in den vorm van een souspied, +op twee paarlemoeren knoopjes uitgespannen; dezelve juffer had een +stroohoed op met blauw gaas lint met bruine strepen, in groote lissen +met stevig soutien opgemaakt, en een hardgeel sjaaltje om den hals. Zij +was zeer bang voor de bleeke dame naast haar, en bleef op een schuwen +afstand; soms had zij den goeden wil haar in 't verschikken van haar +boa te hulp te komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig +roodvingerig handje, met een ring, die bijzonder veel op tin geleek, +voor ontbloot; maar de bleeke dame had haar aangeblikt, en toen had zij +haar neus gesnoten, volgens een in den omgang zeer deugdelijk stelsel, +naar 't welk de neus alle mispassen, voorbarigheden en malle figuren +misgelden moet. Dit was het personeel van de achterste bank geweest. Op +de volgende had een jodin gezeten, als een oostersche edelsteen gevat +tusschen twee christenen; zij verborg onder een groen nopjesgoed +manteltje een klein kind, dat al haar trots uitmaakte omdat het niet +schreeuwde, zelfs niet toen zij het omstreeks halfweg een schoone +luier aandeed. Het kind nu was zeer klein, en had een zeer groote dot +in den mond. Van de christenen, waartusschen zij gevat was, had de +een een grooten rondglazigen zilveren bril, een zilveren sigaarkoker, +een zilver potlood, een zilver horloge, benevens zilveren broek- en +schoengespen, waaruit ik opmaakte dat hij een zilversmid was; en de +andere een koperen doekspeld, een koperen tabaksdoos, en een koperen +guirlande op zijn buik, waaruit ik besloot dat hij niet minder dan +een banketbakkers meesterknecht zijn moest. De eerste haalde, daar er +niet gerookt mocht worden, den zilveren sigaarkoker een paar malen uit +den zak, alleen om 't vermaak te hebben van hem open te doen, er een +zilveren sigarepijpje uit te halen, en er nog iets in te zoeken dat +er niet in was, maar dat, zoo 't er in was geweest, zeker beter te +pas had kunnen komen dan het pijpje, en hem vervolgens weer dicht te +sluiten, na alvorens meergemeld pijpje, eerst met het voor- en daarna +met het achtereinde naar beneden, er in gepast te hebben; de laatste +stak uit de koperen tabaksdoos eene niet onaardige tijdpasseering in +den mond. De zilveren man had eene groote neiging tot spreken, de +koperen scheen vast besloten te hebben, geen mond open te doen. De +jodin had natuurlijk veel meer achting voor den zilveren; maar de +zilveren was terughoudend voor de jodin. Vóór den zilveren zat een +knorrig, groot dik man, dien ikzelf niet toe dorst spreken, want hij +had twee jassen over elkaar aan, een dikken rotting in de hand, een +kleur als of hij zoo pas van een vechtpartij kwam, en een uitdrukking +alsof hij zich gereed maakte met den eersten die hem toesprak een +vechtpartij te beginnen; het was ongetwijfeld een commissaris van +politie, of een plaatsmajoor in politiek. Aan zijne zijde sluimerde +een jong mensch met gescheiden haar, zoo glad gekamd alsof het uit +eén stuk was, hooge jukbeenderen, een blauwe das, een turkooizen +doekspeld, een roodgebloemd vest, heele korte toegeknoopte mouwen aan +een langlijvig bruin jasje, handschoenen met bont, en overschoenen. +'t Was een Duitsch kantoorreiziger. Daar naast--maar wat heb ik er +aan, mijn talent te toonen in 't beschrijven van een reisgezelschap, +dat volstrekt niet pikant was, en dat ik aan het begin van dit opstel +reeds vaarwel had gezegd? Om korter te gaan: ik stapte van de trede, +viel eerst bijna in de armen van een geknevelden heer, met een stijf +been en gelen rotting, die de bleeke dame afwachtte en, bang zijnde +dat iemand anders haar de hand toesteken zou dan ZEd., de zijne +alvast uitstak, dook onder de reeds tegen het dak van het voertuig, +waarmee ik gekomen was, opgezette ladder dóór, riep den knecht toe: +"die zwarte koffer met een H!" gaf den conducteur, die met de maal +naar binnen ging, mijn vijfje, en keek naar iemand om, die mijn goed +zou kunnen dragen zonder in de verzoeking te komen het aan zijn eigen +adres te bezorgen. + +"Is uwé meheer _Willebram_, als ik vragen mag?" vroeg een zwak, +pieperig stemmetje, blijkbaar toebehoorende aan iemand, die nog +nooit een onbekende van de diligence gehaald had. De vraag was tot +den commissaris van politie gericht. + +"Benje d......mal, kerel", zei de commissaris van politie. + +"Moet hij uit dezen wagen komen?" vroeg op hupschen toon de man van +het maagdelijk metaal. + +"Dat zal _ik_ wezen", zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende +van de zorg, waarmee het (naar alle gedachten gezelschap-)juffertje +voor haar hoedendoos was aangedaan en die zich uitte in de gedurige +verzuchting: "Is dat met me goed leven, kondelteur!" + +Het mannetje, dat vóór mij stond, had zijn opvoeding waarschijnlijk +in een weeshuis begonnen en was nu bezig haar in een diaconiehuis te +voltooien. Hij was hoog in de schouders en stijf van knieën, droeg +een langen bruinen duffelschen jas, met het teeken zijner orde op de +mouw, en had onder den arm een versleten portefeuilletje, waarin de +boeken van een of ander leesgezelschap werden rondgebracht. + +"Ik moest een boodschap voor meheer doen", zei het mannetje, dat ik +voor ongeveer achtenzestig aanzag, "en nu zei meheer, dat ik meteen +reis na' de dullezan zou gaan, om te kijken of meheer gekommen was. Uwé +mot niet kwalijk nemen, dat ik uwé niet trekt kon". + +Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen, om +'t iemand kwalijk te nemen dat hij u niet kent, indien hij u nooit +zijn dagen gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op +dit punt eene volkomene vergiffenis, liet mijn koffertje, totdat +het afgehaald worden zou, in de "Rustende Moor", en sukkelde met +mijn nieuwen kennis naar het huis mijns ooms; onder het faveur van +onderweg vriendelijk door hem onderricht te worden aangaande het doel +van een groot gebouw met gotische deuren en vensters, waarop een toren +stond met ordentelijke omgangen, appel en weerhaan, 't welk hij zeide +"de kerk" te wezen; als ook omtrent een breede streep groenkleurig +vocht tusschen twee hooge gemetselde wallen, 't welk hij verklaarde +"de gracht" te zijn. + +"En dit is het huis", zeide hij, zijne oude beenen op een stoep +zettende en een goeden ruk aan een lange schel gevende, met die +uitdrukking van gelaat, die bij een oud man te kennen geeft: ik kan +het toch niet hooren of ze zacht of hard overgaat. + + + + +De Ontvangst. + +Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het +voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst +natuurlijk den aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen, +daarna den bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof +zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met +het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te +slaan, en den langen weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot bij +den barometer twintig, en van den barometer tot de mat, zes stappen +vergde. In dien tusschentijd bekeek ik den voorgevel van de woning. + +Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en schoon het huis ouder was, +was hij toch, zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had +een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in +het lood. Het had slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met +middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op breede +koperen roeden, in het midden een weinigje opengeschoven om het licht +vriendelijk uit te noodigen wel te willen beschijnen twee bloempotten +van mijn tante, onder streng verbod van iets anders in het vertrek òf +op te luisteren òf te verbleeken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in +die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in +'t voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een +hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante. + +De ontvangst was recht hartelijk, en de goede menschen die mij nog +nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat genoegen +te smaken, ofschoon gemeld genoegen bij den eersten eenigszins +scheen verbitterd te worden door de omstandigheid, dat ik juist op +een donderdag gekomen was, als wanneer de voorkamer "gedaan werd", +zoodat men nu achter zat; waarop mijne moei aanmerkte, dat neef het +wel zoo voor lief zou nemen en dat hij zeker in zijn ouders huis ook +wel eens in een achterkamer gezeten had; waarop neef zei, dat deze een +heele lieve achterkamer was, en dat hij wel van een achterkamer hield; +waarop oom zei, dat hij er, al zei hij 't zelf, _niet_ van hield, en +tante het met neef eens was dat zij er _wel_ van hield, waarop oom +wat bijkwam met te zeggen, dat hij er 's avonds _nogal_ van hield; +waarop tante en neef zeiden, dat zij er ook 's avonds het _meest_ +van hielden; zoodat er met eenparigheid van stemmen besloten werd, +dat een achterkamer met een hoog licht des avonds op haar voordeeligst +is. Ik ben verplicht hier bij te voegen dat de geheele redewisseling +op de goelijkste en vriendelijkste wijze gevoerd werd terwijl oom +zijn ingebrande pijp met een zwavelstok weer op de wijs bracht, +en tante de kopjes van 't koffiegoed met een minzaam lachjen en een +bonten theedoek zat af te drogen. Zij schikte juist de stapeltjes in +orde op het blad, toen zij vroeg: "Wel heeremijntijd, _Hildebrand_, +hadje nou niet nog koffie willen hebben?" + +Nu was er op dit oogenblik inderdaad niets waar ik vuriger naar +verlangde dan naar een kop koffie; maar daar ik mijn tante verdacht +dat zij het middel om koffie te vermeerderen zou zoeken in de kunst +om ze te verdunnen, bedankte ik edelmoediglijk, en zei dat ik straks +met oom een bittertje zou nemen, waarop oom verklaarde dat hij dat +altijd gebruikte als de wagen van tweeën voorbijkwam. + +Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter bij den haard, +waarbij mijn oom altijd zat als hij achter zat, ofschoon er nooit in +gestookt werd vóór den eersten November en er dus ook nu geen vuur +aanlag, en begon met naar mijn neef _Pieter_ te vragen. + +Mijn neef _Pieter_ studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel +ik bij onderscheidene gelegenheden aan onderscheidene studenten van +onderscheidene faculteiten gevraagd had of zij mijn neef _Pieter +Stastok_ ook kenden, had ik daarop te geenen tijde een voldoend +antwoord ontvangen, zoodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan +deze onbekendheid wellicht moest worden toegeschreven, eindelijk +begonnen was met niet meer naar _mijn neef_ _Pieter Stastok_, maar +naar een zekeren student _Stastok_ navraag te doen. + +"Gij moest hem al gezien hebben, neef _Hildebrand_", zei de oudere +_Stastok_, "want hij is uitgegaan om u op te wachten." + +"Om u op te wachten," herhaalde mijn tante, haar breiwerk in haar +schoot latende vallen en over haar bril heenziende: "hij moet u +zeker misgeloopen zijn; maar hij zal wel spoedig hier wezen. Hij is +tegenwoordig zoo druk aan zijn examen! Ik ben eigenlijk bang dat hij +te veel werkt; hij is zoo vlug, weet u!" + +En nog nauwelijks had ik den tijd mijn vurig verlangen te uiten +om die zeldzame vereeniging van vlugheid en arbeidzaamheid, den +jongeren _Stastok_, te aanschouwen of de schel ging over, de muilen +van de keukenmeid sloften, en de stap van den Utrechtschen student +werd gehoord. + +Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef gehad, +zooras hij de kamer binnenkwam kende ik hem door en door. Zijn geheele +voorkomen sprak collegehouden uit; zijn geheele lichaam dicteerde +dictaten. De bleeke kleur, het gebogen hoofd, de stalen bril, de +theedoekige das, de sluitjas met dubbele borst, de horlogesleutel, +de niet nauwe en niet wijde pantalon, de verschoende laarzen, de +floretten handschoenen, de zwarte kapelaansrotting met twee nuffige +kwastjes--alles deed den student zien, die van het academieleven +niets kent dan de collegekamers en de thé's der professoren; van +de studenten, geen andere dan zijn stadgenoot en en de senatoren, +die hem ontgroend hebben; van de burgers, niemand dan zijn hospita; +den student, die een kleur krijgt als hij twee, en een straat omloopt +als hij een partijtje van zes studenten tegenkomt; den student, die +er over klaagt dat er zoo weinig studenten-broederschap is, en niet +weet dat er studenten-vreugd bestaat; den student, die een dispuut +zou willen oprichten, waarvan niemand lid zou willen wezen; die van +den kok dagelijks vijf borden eten krijgt: één, gesneden vleesch, één, +ingemaakte postelijn, één, dito andijvie, één, opgekookte aardappels, +en één, rijst met bessennat, omdat hij den moed niet heeft zich +aan een tafel te doen voorstellen; den student, die in de sociëteit +duizend angsten uitstaat dat iemand om de courant zal vragen, waar +hij zich achter verbergt, en wiens naam de andere studenten voor 't +eerst hooren, als zij toevallig op 't college zijn daar hij afgeroepen +wordt om te respondeeren.--Zulk een student was zonder twijfel mijn +onbekende neef _Pieter Stastok_. + +"Hoe komt het, _Piet_! dat je neef _Hildebrand_ misgeloopen +bent?" vroeg tante verwonderd. + +De student _Pieter Stastok_ keerde zich om, ten einde zijn rotting +in een hoek te zetten, en zei dat de diligence verwonderlijk vroeg +aangekomen was, eene omstandigheid, die zeer zeker verwonderlijk was, +aangezien wij op weg een oponthoud gehad hadden van een half uur, +door 't storten van een der paarden. "Hij was eerst nog effen bij +den boekverkooper geweest, die zijne Instituten inbinden moest, +en was toen regelrecht naar de diligence gegaan, maar had tot zijne +verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat ik met den knecht +was opgewandeld", enz. enz. + +De zaak was dat hij een singeltje had omgeloopen, totdat hij zeker wist +dat ik reeds lang onder zijn vaders dak goed en wel zou gevestigd zijn, +uit vrees van den verkeerden persoon voor mij aan te spreken. Nu, +indien hij den commissaris van politie getroffen had--hij was voor +zes weken een bedorven man geweest! + +"De neven moeten nu maar eens goed kennismaken", zei mijn tante, +die tot de minzaamste aller schommelige huismoeders behoorde; +"ze zijn toch allebei student". + +"Ja maar", zei _Pieter_, nog lang niet gemeenzaam met het denkbeeld +van eene kennismaking, "in verschillende vakken". + +Dat was waar, en zelfs op verschillende academiën. Maar ik ben nooit +zoo zeer Leidsch student geweest, dat ik niet altijd gaarne dronk op de +harmonie tusschen de zusteracademiën, een toost, die immer gedronken +wordt, waar Utrechtsche en Leidsche studenten bijeen zijn, maar die +men evenwel niet te druk moet herhalen om geen twist te krijgen. Wat +ons betreft, er kwam al spoedig gelegenheid voor een toost; want +na nog een woord of wat met _Pieter Stastok_, ter informatie wáár +hij te Utrecht woonde, waarop het antwoord was, ten huize van een +catechiseermeester in de Lijsbethstraat, en na een kort gesprek met +mijn oom over het nieuws dat er niet was, en een dito met mijn tante +over het goudleeren behangsel in de kamer, waarvoor zij ook wel had +hooren zeggen dat de muilenmakers te Waalwijk, vóór dat zij door den +brand geruïneerd waren, groote sommen zouden hebben willen geven, +kwam het diaconiemannetje (dat ik bij deze gelegenheid met den naam +van _Keesje_ hoorde versieren) binnen met de boodschap, dat de wagen +van tweeën net voorbijging; waarop tante, na alvorens haar bril te +hebben afgezet, opstond, een kastje opende en daaruit te voorschijn +bracht en fleschje met _Van der Veen's_ elixer, een fleschje met "Erger +dan de cholera", en drie glaasjes. Oom wenschte mij frisschen morgen. + +De verdere afloop van dien dag was als gewoonlijk bij een eerste +kennismaking. Wij bevielen elkander onderling, en ik werd dikke vrinden +met _Pieter_. 's Middags stal ik het hart van mijn tante nog eens door +van schorseneren te houden, en bewoog mijn oom bijna tot tranen door +met opgewondenheid van een gestoofden kabeljauwshom te spreken. Om +_Pieter_ ook een genoegen te doen wist ik eenige kennis van zijn vak +te verraden, door de begripsbepaling van Justitia en van Ususfructus +te pas te brengen. Na den middag nam mijn oom een slaapje bij den +kouden haard, en ging mijn tante eens naar boven. Daarna dronken wij te +zamen recht gezellig thee, zagen de achterkamer op haar voordeeligst, +en wat dies meer zij. + +Mijn oom was iemand, wiens grootvader en vader een zeer bloeiende, +en die zelf een vrij bloeiende lintweverij gehad had; om de strikte +waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij ze nog had, maar er +werd volstrekt niet meer in gewerkt, en op de zolders lag nog een +aanzienlijke partij oortjesband, die hij "liever daar zag verrotten +dan haar onder de markt te verkoopen". Hij behoorde alzoo tot die +menschen, die hun zaken aan kant gedaan hebben en, het uitzicht op +verdere winsten opgevende, zich met een vrij aardig inkomen, een +onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de Haarlemsche courant +tevredenstellen. In den loop van den avond kwam het uit dat hij een +bijzondere genegenheid had voor het stopwoord "al zeg ik het zelf", +alleen overtroffen door de verslingerdheid van zijne echtgenoot aan den +uitroep "wel heeremijntijd!" welke termen dit echtpaar buitengemeen +beminde; ofschoon ik zeggen moet dat zij zo somtijds afwisselden met +de bevallige tusschenvoegsels van, "wat hamer", "goede genadigheid", +"och grut" en andere dergelijke vloeken meer, die een balk in hun +wapenschild voeren. De student _Petrus Stastokius_ Jun. had daartegen +niets in te leggen dan zijn geliefkoosde verzekering "waaratje", +waarvan ik evenwel, om billijk te zijn, erkennen moet, dat hij in +'t geheel geen misbruik maakte. + + + + +Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen. + +Ik werd des anderen daags om zeven uren waker, en toen ik de groene +saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was,--welke +was mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op dezelfde kamer) +_Pieter_ zich reeds geperpendiculariseerd had en bezig was om, met +den bril op, een paar schoone kousen aan te trekken, waarin zijne +moeder den vorigen avond plichtmatig hieltjes gemaakt had. + +De oudere _Stastok_ was een man van de klok en stond diensvolgens om +zes uren op, ten einde om halfacht aan het ontbijt te zijn; en daar hij +volstrekt niets te doen had, vulde hij dien tusschentijd met pijpjes +rooken aan. Opmerkelijk is het, dat naarmate men minder bezigheid +heeft, men des te bekrompener over den tijd denkt. Indien men den +goeden _Pieter Stastok_ Senior het moeilijke vraagstuk omtrent de +zetelplaats van den wil had voorgelegd, zou hij, indien hij daartoe +genoegzame tegenwoordigheid van geest had gehad, zijn wijsvinger op +twee duim afstand van zijn maag hebben moeten leggen, door die beweging +datgene zijner ingewanden aanwijzende, 't welk hij zijn "goud horloge" +noemde. En inderdaad, indien ik mij door een goud horloge moest laten +regeeren, ik zou van zulk een geregeerd willen worden; want een goed, +groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar +het iederen morgen, klokke negen, met de torenklok werd gelijkgezet, +liep het doorgaans volmaakt. + +Ik vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet scheen +te wezen als ik mij wel voorgesteld had) juist daar hij van onder de +handen van zijn barbier kwam. Hij had zijn slaapmuts nog op het kale +hoofd, daar hij gewoon was die niet vóór elf uren voor zijn pruik +te verwisselen. + +"Mooi weertje, neef _Hildebrand_", riep hij mij toe: "mooi weertje, +al zeg ik 't zelf." + +Tante, die reeds zat te breien, zette, tengevolge eener zeer +oneigenaardige gewoonte, haar bril af, om te beter mijne robe de +chambre te bekijken, en na een "heeremijntijd! zijn _die_ dingen +weer in de mode?" (het was in 1836) begon zij een optelling van +al de japonnen met sjerpen, die haar vader en haar man in vroeger +eeuwen gedragen hadden en die, naar haar voorgeven, nog boven in een +kast hingen. + +Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mensch, en in +de oogen van _Petrus_ geleek ik in dit ochtendgewaad zoo volmaakt op +de grootste Jannen der Utrechtsche academie, dat hij mij, geloof ik, +voor een overgegeven lichtmis begon te houden. + +De bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eerwaardige +gewoonte! Waarom is zij zoo bijna uitsluitend tot de burgerlijke +huishoudens bepaald, en raakt zij ook zelfs daar meer en meer in +onbruik? Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op +sommige plaatsen--maar het was stichtelijk, want hij las den bijbel; +het was goed, want hij las met eenvoudigheid; het was schoon, want +het was hem aan te zien dat hij geloofde. Hij las Luc. X, en bijzonder +trof mij, in dezen kring en uit dien mond, het 21ste vers: "Ik danke u, +vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen +en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard". + + + +Na den ontbijt ging _Pieter_ "aan zijn examen werken", 't welk bestond +in zeer breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceeren, met +rooden, blauwen en zwarten inkt geschreven, en ik volgde hem naar +zijn kamer, waar ik mij tot koffietijd met een paar boeken bezighield. + +En nu was het oogenblik daar, dat mijn neef mij aan de stad en de +stad aan mij vertoonen zou. Wij gingen dus samen uit, en daar hij een +rotting had, liet ik den mijnen thuis. Wij zagen dan: eerst de gracht, +daarna de korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin praalgraven en +kosters die een fooi begeerden, als ook in een dier kerken een orgel, +dat op het Haarlemsche na, het mooiste der wereld was; eene eer, +die ik te Gouda, aan het Goudsche, te Leidon, aan het Leidsche, te +Alkmaar, aan het Alkmaarsche, te Zwol, aan het Zwolsche, en nu weder +te D. aan het Deesche hoorde toeëigenen; zoodat het de zaak van de +4de klasse des Koninklijken Nederlandschen Instituuts worden zal, +daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. Wij beklommen zelfs met +levensgevaar den toren van een dier kerken, en maakten er de opmerking +dat het er woei, en dat er rondom de stad veel weiland, veel water, +en veel molens waren. Daarop begaven wij ons naar het stadhuis, en +bevonden dat onze voorvaderen nòg beter schilderden en er nòg gezonder +uitzagen dan wij; ook had ik tegelijk gelegenheid het manlijk voorkomen +der Deesche dienders te bewonderen. In zijn ijver om mij alles te +laten zien, bracht _Pieter_ mij zelfs naar de vleeschhal, en over de +vischmarkt, en eindelijk aan een groote vierkante eendekom, die hij +"de haven" noemde. Al voortgaande informeerde hij zich zeer sterk, +hoeveel colleges de juristen te Leiden op één dag hadden en of het +bij prof. A. fideel was op de thé's; als ook welke colleges gemelde +hooggeleerde in 't Hollandsch gaf en hoeveel prof. B. dicteerde; +of iedereen bij prof. C. zoo maar een testimonium krijgen kon; of +prof. D. liefhebberij-colleges hield; en of ik _Smallenburg_ wel eens +gezien had; tegen welke berichten hij de zijnen omtrent de Uitertsche +Juris professores met eene eerlijkheid inwisselde, eene betere zaak +waardig. Hij verzuimde niet den billijken Utrechtschen trots op +prof. _Van Heusde_ en op de moeilijkheid van een mathesis-examen in +'t Latijn te pas te brengen; en toen ik 't gesprek voor de afwisseling +op lichtvaardiger onderwerpen wendde, kwam het uit, dat hij, _Pieter +Stastok_, zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koesteren, wel +eens domino speelde, ja zelfs wel eens biljartte, en daar wij juist +vóór een koffiehuis stonden, noodigde ik hem uit zich in laatstgenoemde +kunst met mij te meten. + +_Pieter Stastok_ had noch den moed, noch den slag mij iets aan te +bieden; daarom bestelde ik een bittertje voor mij zelven, en hij +insgelijks voor zich. Op dat oogenblik sloeg de klok boven't buffet +twee uren, en zag ik aan den overkant der straat de diligence afrijden, +die mijn oom in staat zou stellen ons voorbeeld te volgen. + +Er waren vrij wat menschen in het koffiehuis, maar daar wij met niemand +dan met het biljart te maken hadden en geen hunner speelde, hinderden +zij ons volstrekt niet. _Pieter_ sloeg de mouwen van zijn sluitjas +op, en vertoonde de groote gesteven boorden van wat zijn moeder, +hoe algemeen Europeesch die dracht ook geworden was, nog altijd een +Engelsch hemd noemde; daarop verzocht hij den jongen zeer beleefd om +eene "_goede_ keu". De jongen gaf hem natuurlijk de beste die in het +rek was, en wij trokken wie vóór zou spelen. Die eer viel mij te beurt, +en de partij begon. + +Wij hadden evenwel nog nauwelijks eenige punten gemaakt, toen een +luidruchtig geroep van "pot, jongen!" al onze zaligheden verstoorde. + +Het geroep kwam van een winderigen jongen advocaat, die pas voor de +studentensociëteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing op de +particuliere sociëteit te D. en van dit interregnum gebruik maakte, +om alledag in het koffiehuis "de Noordstar" pot te maken. + +"Vierentwintig uit, menheeren!" riep de jongen ons toe, en tegelijk het +korfje schuddende, waarin hij de potballen had, bood hij ze ons aan. + +Ik trok er een; en met een gezicht waarover een kleine stuiptrekking +scheen te gaan, stak _Pieter_, dien ik ondertusschen als geen +grooten _Mingaud_ had leeren kennen, zijn hand alsmede manmoedig in +den korf. Daarop kwamen al de habitués van den pot uit hunne hoeken +en vroegen dopjes voor hunne pijpen; de jongen deelde de eigen keuen +rond, en de jonge advocaat nam in persoon het krijt om op te schrijven. + +"Wie van de heeren heeft het aas?" + +"Ik", riep een barsche stem, die aan niemand anders toebehoorde dan +aan den heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de diligence +voor een commissaris van politie gehouden had; het bleek mij echter +dat hij volstrekt geen commissaris van politie was, maar wel pikeur +der kleine manege, die te D. aanwezig was, en tevens eigenaar van de +kleine comedie, die aldaar ingelijks bestond. + +"Wie van de heeren de twee?" + +_Pieter Stastok_ ging zelf naar de lei om den jongen advocaat in te +fluisteren dat hij het was. + +"Zoo! zal jij ook pot spelen?" vroeg de jonge advocaat, die als +stadgenoot mijn neef wel kende. + +_Pieter_ werd bleek. + +De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de +infanterie, met de medaille van twaalfjarigen dienst. De vijf had +een chirurgijnsleerling, die te veel tijd had. De zes, een kort, dik +man met stoppelig grijs haar, die een graankooper scheen te zijn. De +zeven, een jong mensch van drieëntwintig jaar, die student geweest +was, maar om slecht gedrag thuisgehaald, voor wien _Pieter_ bang +was, te meer daar hij hem zeer gemeenzaam behandelde. Deze scheen +de boezemvriend van den bejaarden luitenant der infanterie met de +medaille van twaalfjarigen dienst te wezen. De advocaat zelf had de +acht, en de negen was in handen van een jongeling van drieëndertig +jaren, in een leverkleurigen pantalon, die op zijn moeders zak leefde, +een hond hield, nooit iets had uitgevoerd, en in groote achting stond +bij den kastelein van het koffiehuis "de Noordstar." + +Toen de jonge advocaat de namen van al deze heeren netjes had +opgeschreven, nam de biljartjongen het krijt in de eene en den +kleinen bok in de andere hand, en gilde met al de kracht, die een +kind van veertien jaren over kan houden, als hij den geheelen dag en +den halven nacht op één been staat, te midden van de uitwaseming van +mensehen en pijpen: "Aas acquit, twee speelt!" + +_Petrus Stastokius_ Junior moest alzoo op het acquit spelen, en hij +maakte zich werkelijk tot dien arbeid gereed. Te dien einde lei _Petrus +Stastokius_ Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel +een halven voet ver wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie +vierden; drukte de vier vingers van zijn linkerhand op een handbreed +afstands van denzelven bal op 't biljart; krulde den duim bevallig om, +zoodat hij aan 't geheele gezelschap zijn tot op 't leven afgesneden +nagel vertoonde, en begon met de rechterhand de keu tusschen duim +en vinger heen en weder te bewegen op eene wijze, die deskundigen +"zagen" noemen. + +Tot zoover ging _Petri Stastokiï_ wetenschap om op het acquit te +spelen. Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van halfbal +raken; maar daar het hem aan practijk in het edele potspel haperde, +was hij bijna zoo wit als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampachtig +er op los, met dit gevolg dat hij klotste en "à faire" lag voor den +rechter hoekzak. + +Het zou onmenschelijk geweest zijn hem "te maken" en daarom, mijn +eigen bal stevig "houdende", bracht ik den zijnen naar onderen, een +goed eind voorbij den milieu. Daarop nam de bejaarde luitenant der +infanterie zijn pijp tusschen zijn grauwe knevels en speelde met de +linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met "een beest" gesneden door +den chirurgijnsleerling; waarop de verloopen student, die onder ons +gezegd een grappenmaker was, zeide dat die chirurgijns niet leefden +of zij moesten wat te snijden hebben. De graankooper verzocht daarop +den jongen om acquit voor hem te zetten en bleef met een wijs gezicht +en onder het genot van zeker mengsel van geestrijk vocht en suiker, +'t welk in 't gemeene leven een sneeuwballetje genoemd wordt, in 't +Handelsblad turen, en de verloopen student, zijn sigaar op den rand +van 't biljart neergelegd hebbende, stiet met veel nonchalance en +verschrikkelijk hard op 't acquit, welk voorbeeld van hard spelen door +den advocaat met gelijke woede werd opgevolgd. Nu was de beurt aan den +jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon, die, +van het beginsel uitgaande dat hij zijn bal voordeelig moest trachten +te verkoopen, nooit op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een +bal maken kon. Hij maakte: en zoo gebeurde het dat _Petrus Stastokius_ +andermaal op het acquit spelen moest. + +Hij was nu zoo ver, dat het zweet hem in groote parels op het +voorhoofd stond. + +"Dat wordt een collé, mijnheer"; riep de barsche stem van den pikeur. + +_Pieter_ sprak niet, maar in zijne desperate poging om den geduchten +spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze inblazingen +van hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven, dat namelijk +het goed geluk voor hen zal doen wat hunne kunst niet vermag, raakte +hij den acquitbal zoo fijn, dat hij hem, tegen alle etiquette aan, +in den linker hoekzak "sneed". + +"Dat doet men niet, mijnheer!" riep de pikeur, hevig met de keu op +den grond stampende. + +"Het was een ongeluk"; stamelde _Pieter_, die nu zoodanig +transpireerde, dat ik vreesde dat zijn bril op den vloed zou afdrijven. + +"Het was een lompigheid", brulde de pikeur. + +"Leve het snijen!" riep de chirurgijnsleerling. + +"Die mijnheer is gevaarlijk!" schertste de bejaarde luitenant. + +"Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!" riep de biljartjongen. + +Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn +neus te snuiten, maar het had er niets van. + +Het derde toertje liep goed voor _Petrus_ af, maar het vierde was +geschikt om hem er gansch onder te werken. De pikeur lag voor den +middelzak; het was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken. + +"Je kunt hem best sauveeren", zei de pikeur, "en goed afkomen ook". + +Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van _Pieter_, die, +uit aanmerking van den snijbal, voor geen geld ter wereld hem +maken wilde, zelfs al moest hij er _slecht_ op afkomen. Maar daar +de pikeur een gevreesd potspeler was en, sedert onheuglijke jaren, +van de drie potjes, die gespeeld werden, er twee in zijn zak stak, +riepen natuurlijk al de anderen: "stop weg; stop weg!" + +_Pieter_ stootte niettemin met het voornemen om hem stellig _niet_ +weg te stoppen; en toch scheelde het zoo weinig of hij had hem +weggestopt, dat de winderige advocaat, die in 't gewoel was opgestaan, +uitriep: "hij zit!" waarop de verloopen student, die als gezegd is, +een grappenmaker was, geestig antwoordde, "als hij een stoel had"; +waarop allen lachten. + +"Wacht wat!" riep de chirurgijnsleerling, die voor 't snijen was; +"hier is nòg een zak!" + +En inderdaad! _Petrus Stastokius_ had geheel buiten zijn eigen +voorkennis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juichten, +behalve de pikeur, die op een grimmige wijze nog een glas bitter +bestelde en de Goudsche courant opnam, alleen om haar hard weer neer +te smijten. + +Men speelde voort en, na al de wederwaardigheden die hij had +doorgestaan, werd mijn vriend _Pieter_ weder vrij kalm, waartoe vooral +machtig medewerkte dat hij een paar malen acquit moest leggen. Maar op +eens werd zijne rust akelig verstoord door den uitroep van den jongen: +"vier driemaal, zes acquit, zeven speelt! mijnheer _Hastok_ (de _St_ +was onduidelijk geschreven) de Vlag!" + +Nu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van den +chirurgijnsleerling, en den verloopen student, en den advocaat, en den +jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon. De +een noemde hem een Mingaud, de ander een blauwbaard, de derde een +boa constrictor, allen te zamen: "den mijnheer van de vlag". De +bejaarde luitenant, die op drie stond en met den verloopen student +geassureerd was, wilde zich doodstooten en hem voor een daalder koopen; +de graankooper, die tegen die manoeuvre was, zei dat _Pieter_ veel te +sterk speelde om het aan te nemen; de chirurgijnsleerling bestelde +de bokaal voor mijnheer "_Hastok_", die den pot "op schoon dacht te +winnen";--het was een leven als een oordeel. En onder dit alles stond, +met verwilderden blik, het onschuldig voorwerp van al dit rumoer +altijd maar krijt aan zijn keu te strijken. De beurt kwam weer aan hem. + +"Welke bal?" vroeg hij verlegen. + +"Die witte!" riep de verloopen student, die een grappenmaker was. + +"Die ronde!" zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig. + +"De beste", zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou. + +"De benedenste", zei de dikke graankooper, die medelijden kreeg. + +Nu was het zoo gelegen, dat het vrij onverschillig was met welken +bal de arme _Pieter_, die geen drogen draad meer aan 't lijf had, +op dat merkwaardig oogenblik spelen zou, aangezien beide ballen, +de een boven, de ander beneden, stijf en allerstijfst collé lagen; +ik herinner mij niet in al den tijd dat ik mee gebiljart heb--nu +slaapt mijn keu voor immer in haar zelfkanten graf--ooit zulk een +stijven collé gezien te hebben. De verloopen student bood mijn neef +den bok aan. _Pieter_ zag hem aan met een blik van machteloozen haat +en stootte een voet of drie mis. + +"Strijk de vlag!" riep de chirurgijnsleerling. + +Zij was alreede gestreken. De pikeur had zich bij voorraad gewroken. + +Van dat oogenblik aan bood de luitenant _Pieter_ een gulden; maar +hij was te zeer van zijn stuk om te verkoopen. In den volgenden toer +maakte ik hem, uit medelijden; den daarop volgenden, verliep hij en +smaakte de voldoening dat de luitenant hem een beschuitje voor zijn +bal bood; met een mispunt besloot hij, in den voor hem laatsten toer, +zijn carrière in het edele ballenspel; en daar hij zeer veel haast +scheen te hebben om te vertrekken, brak ik, die nog een enkel appèl +te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om een einde te maken aan de +dringende aanzoeken van den jongeling met den leverkleurigen pantalon, +die nu zichzelven voor een achtentwintig aan "_Hastok_" verkoopen +wilde, in welk aanbod hem al de vroolijke jongelui ondersteunden. + +Op straat gekomen scheen de frissche octoberlucht _Pieter_ weer moed +en verwaandheid toe te waaien. + +"Daar zijn goede spelers onder", zei hij, "maar toch waaràtje geen +een, die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme keu", voegde hij er bij; +"en hebje wel gezien hoe de hoekzakken trokken?" + +Ik had alles gezien, en wist dat de graankooper het potje zou gewonnen +hebben eer wij thuis waren. + +Het eten stond reeds op tafel. _Pieter_ had geen honger. + + + + +Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie. + +Drie dagen had ik bij de familie _Stastok_ vertoefd, en in dien +tijd was ik groote vrienden met _Keesje_ geworden. Een paar malen +had hij mij door de stad vergezeld om mij den weg te wijzen, als +ik boodschappen te doen had; en daar hij, als vele oude lieden, +praatziek was, en ik in dat gebrek soms met vele oude lieden deel, +hadden wij dikwijls te zamen vrij wat afgehandeld. _Keesje_ was een +eenvoudig, braaf, goedaardig mannetje. Hij had een flauwe herinnering +van zijn vader, die borstelmaker geweest was en groote "zulveren" +gespen op zijn schoenen had gedragen. Behalve de gespen, herinnerde +hij zich niets meer van hem dan zijn dood, en hoe hij met een groote +huilebalk en lange witte das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er +toen hij thuis kwam een zwarte doek over den spiegel had "gehongen"; +en hoe hij, bij die gelegenheid, zoo veel geraspte broodjes had mogen +eten als hij maar wilde; en dat daar een lange moei was bijgeweest, +die zóóveel witten wijn gedronken had, dat een dikke oom gezegd had: +"je krijgt niet meer". Zijne moeder had hij nooit gekend. De dikke +oom had hem naar 't Weeshuis gebracht; hij had er leeren spellen, +en toen was hij op timmeren gedaan; maar hij was te zwak voor dat +werk, weshalve men hem bij een apotheker besteld had, om fleschjes +te spoelen, en te stampen: een baantje dat juist niet rijk is aan +schitterende vooruitzichten. Vijftien jaar had hij er gediend, maar +daar hij maar heel weinig lezen kon, en hij dikwijls tegelijk twee +halfpintsflesschen, drie kinderglazen, een amplet, een likkepot en een +pakje poeiers weg moest brengen, was 't hem eindelijk eens gebeurd +dat hij een salebdrank gebracht had bij iemand die obstructies had, +en daarentegen de poeiers met jalappeharst bij eene dame die aan +diarrhee leed, waarop hij, als niet genoeg geletterd, ontslagen +werd. Sedert was hij looper voor een kantoor, en daarna huisknecht +bij onderscheidene lieden geweest, waarvan sommige dood en andere +geruïneerd waren; en daar hij, bij de groote opruiming, te oud was +geweest om naar Frederiksoord te worden gezonden, had eindelijk +het Weeshuis hem overgedaan aan het Diakoniehuis. En nu werd hij +op zijn ouden dag nog door mijn oom en een paar lieden van diens +slag gebruikt tot het smeren van schoenen, uitkloppen van kleeren, +wegbrengen van de courant en, in één woord, tot het doen van min +gewichtige boodschappen. Hetgeen, volgens de inlichtingen van mijn oom, +'s mans carrière het meest had gedwarsboomd, was zijne verregaande +onnoozelheid en daaraan geëvenredigde menschenvrees. + +Behalve de achterkamer met het hooge licht, die om het huis van den +buurman heensprong en waarachter de keuken lag, was er aan het huis +van _Petrus Stastok_ Senior nòg een achterkamer, waarin ik u nader +denk binnen te leiden, naar een kleinen tuin, waarop zij uitzag, niet +oneigenaardig de tuinkamer geheeten. Als men de plaatsdeur uittrad, +had men eerst een soort van trottoir van gele klinkers, van omstreeks +drie passen breed, en als men dan over eene hooge rollaag van blauwe +klinkers [8] heenstapte, waarvóór aan de overzijde drie voetschrabbers +waren geplaatst, was men eensklaps in het kleine elyseum van mijn +tante. Men zag er een grooten appelboom, waaraan soms meer dan een +dozijn reinetten groen werden, verscheidene rozeperken, waaromheen +in 't voorjaar een kring gele krokussen bloeien moest, meer dan één +seringeboom, twee goudenregens, een dubbelen kers en, tegen den muur +aan den eenen kant een wingerd, en aan den anderen een moerbeiboom. De +paden waren niet met gewoon gras, maar met roode en witte madelieven +en z.g. zeegras omzoomd. Omtrent dezen tijd stonden er verscheidene +potten met asters en twee of drie dahlia's in bloei; en achterin was +een groen geschilderd priëeltje met vijfblad, kamperfoelie, rupsen en +spinnen. Daaraan belendde de fabriek, waaraan, tegenover 't priëel, +eene kleine loods was uitgebouwd met een klein plaatsje, waarop +_Keesje_ zijn huiswerk verrichtte, en daaromheen een klein hekje. + +In dit priëeltje zocht ik, op zaterdag morgen na den ontbijt, met een +boek onder den arm, het zonnetje. Waarom ik het boek niet opensloeg +zal terstond blijken. + + + +Ik had nog nauwelijks met mijn zakdoek het stof van de bank in 't +priëeltje geslagen, en was bezig, op mijn gemak nedergezeten, met +de oogen op het loodsje, het plaatsje en het hekje gericht, mij te +verlustigen in het denkbeeld, hoe goed alles bij mijn oom en tante in +de verf was, als de plaatsdeur openging en _Keesje_ verscheen. Daar +hij den geheelen tuin doormoest om ter plaatse zijner bestemming te +komen, en hij bijna zeventig jaar op de schouders torste, had ik tijd +genoeg om op te merken, dat er iets aan scheelde. Hij strompelde eerst +bijna tegen de rollaag aan, waarop hij niet scheen verdacht te wezen, +schoon hij er sedert jaren alle morgens om halftien uren overheen moest +stappen; hij liet den zondagschen rok van mijn oom, dien hij over den +arm had, in het zand slepen en, eer hij den appelboom voorbij was, +den borstel, dien hij in de hand hield, tweemaal vallen. Als hij nader +kwam, zag ik dat zijn wangen zeer bleek en flets waren, onder zijn +niet zeer net onderhouden baard; zijn geheele gelaat was betrokken, +zijn oogen stonden dof, en toen hij mij voorbijging was het niet als +anders: "lief weertje, meheer!" maar hij nam zijn hoed stilzwijgend af, +en strompelde naar het plaatsje. Met een diepen zucht trok hij daarop +zijn jas uit, zoodat hij mij in zijn eng zwart vest met mouwen, al +het magere en gebogene van zijne gestalte zien liet. De roode blikken +tabaksdoos, die half uit den eenen vestzak stak, bleef onaangeroerd, +en met wederom een diepen zucht hing hij den rok van mijn oom over +den knaap. Met een nog dieper zucht greep hij den borstel op, stond +eenige oogenblikken in gedachten tegen de haren op te strijken, +en begon toen den rok te borstelen, beginnende met de panden. + +"Hoe is 't _Keesje_! Gaan de zaken niet goed?" riep ik hem +toe. _Keesje_ borstelde altijd door. Hij was wat doof. + +Wanneer men den volzin herhalen moet, die men op een eenigszins +meewarigen toon heeft uitgesproken, is 't glad onmogelijk het met +dezelfde woorden te doen. Ik stond op, kwam een stapje nader, en zei +wat luider: + +"Wat scheelt er aan, _Kees_?" + +_Kees_ ontstelde, zag mij aan, en _bleef_ mij een oogenblik met strakke +oogen aanzien; daarop vatte hij weer een mouw van mijn ooms zondagschen +rok en begon op nieuw te borstelen. Er liep een traan over zijn wangen. + +"Foei, _Kees_!" zei ik, "dat moet niet wezen: ik zie waterlanders, +dunkt me". + +_Keesje_ veegde zijn oogen met de mouw van zijn vest af en zei: +"'t Is een schrale wind, meheer _Hildebrand_". + +"Ei wat _Keesje_;" zei ik, "de wind is niemendal schraal. Maar daar +schort iets aan, man! Hebje een courant verloren?" + +_Keesje_ schudde het hoofd en ging hardnekkiger dan ooit aan het +schuieren. + +"_Kees_!" zei ik: "Je bent te oud om verdriet te hebben. Is er niets +aan te doen, vrind?" + +De oude man zag vreemd op bij het hooren van het woord "vrind". Helaas, +misschien was 't hem op zijn negenenzestigste jaar nog geheel +nieuw. Een zenuwachtige glimlach, die iets verschrikkelijks had, +kwam over zijn mager gezicht; zijne grijze oogen luisterden eerst op, +werden toen weer dof, en schoten vol tranen. Zijn gansche gelaat zeide: +ik zal u vertrouwen. Zijn lippen zeiden: + +"Hoor reis meheer! Kent uwe Klein _Klaasje_?" + +Hoewel ik nu een zeer bijzonderen vriend heb, die _Nicolaas_ gedoopt +is, en van wien 't niet ondenkbaar was dat _Keesje_ hem wel eens gezien +had, zoo kon ik echter onmogelijk op gemelden _Nicolaas_ den naam van +Klein _Klaasje_ toepassen, aangezien hij een zeer "lange blonde jongen" +is, en nooit zou ik hebben willen gelooven dat gemelde _Nicolaas_, +hoe onaardig hij ook somtijds wezen kan, de oorzaak zou kunnen zijn +van ouden _Keesjes_ tranen. Ik antwoordde dus dat ik Klein _Klaasje_ +niet kende. + +"Heeft meheer _Pieter_ hem uwe dan niet gewezen? De heele stad kent +Klein _Klaasje_. Hij krijgt centen genoeg"; ging _Keesje_ voort. + +"Maar wat is het dan voor een man?" vroeg ik. + +"Het is", zei _Keesje_, "in 't geheel geen man. 't Is een dwerg, +meheer! een dwerg, zoo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee +in een spul reizen. Maar 't is een kwaad kreng. _Ik_ ken hem goed". + +Ik wenschte hartelijk naar wat meer orde in de berichten van _Keesje_. + +"Hij is uit het Huis", hernam hij na een oogenblik zwijgens: "hij +loopt over straat as 'en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er +'en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten +Klein _Klaasje_ dansen. Dan springt ie om een stok net as zoo'n aap, +en dan maakt ie zijn bochel wel eens zoo groot. Ik _heb_ geen bochel, +meheer!" liet hij er met een zucht op volgen. + +Terecht begreep ik dat _Keesje_ minder jaloersch was van den bochel +dan van diens geldige vrucht. + +"Ik wou", ging hij op een treurigen toon voort, den rok een veel +harder streek met den schuier gevende, dan voor laken van negen +gulden dienstig was; "ik wou dat ik een bochel _had_. Ik zou nies +uitvoeren; ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen.... Maar ik +zou niet drinken", zei hij eensklaps van toon veranderende. En den +volzin omkeerende, voegde hij er, zeer bedaard den rok van den knaap +nemende en hem opvouwende, nog eens bij: "drinken zou ik niet". + +"_Keesje_", zei ik, "toen je den tuin doorkwaamt, en toen ik je +aansprak, was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik +zie je liever bedroefd!" + +De oude oogen schoten weer vol tranen; hij stak zijne dorre handen naar +mij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid, +terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje +varen. + +"Och", zei hij--"och meheer weet dat zoo niet;--maar ik ben--ik ben +veel bedroefder dan boos. Maar Klein _Klaasje_ het me mishandeld. Klein +_Klaasje_ is slecht. De menschen", ging hij voort, naar het schoensmeer +bukkende, "de menschen denken soms dat ie gek is; maar hij is slecht". + +"Hoor eens, _Keesje_!" zei ik, een klaptafeltje op een ijzeren poot +opslaande; "ga hier eens wat zitten en vertel me reis geregeld, +wat heeft Klein _Klaasje_ je gedaan?" + +"Het zel niet helpen", zei _Keesje_, "maar ik zel et doen, as u +'t niemand zegt. Kent meheer et Huis?" + +"Welk huis?" + +"Van de Diakenie." + +"Ik heb het in 't voorbijgaan gezien." + +"Goed. Et is een leelijk huis, is et niet? een leelijk huis; met rooie +deuren en vensters; en van binnen alles rood en alles donker. Nou; +meheer weet wel dat we daar allemaal arm zijn, allemaal even arm; +ik kan et niet anders zeggen, net precies, denk ik wel, as op 't +kerkhof. Ik en een ander verdienen iets, maar et helpt niet. We brengen +et in bij den Vader; en de Vader geeft ons alle weken zakduiten. Dat +is goed, meheer; dat is heel goed. Als ik oud wor, verdien ik geen +kopere' cent meer; maar ik krijg toch de' zakduit. Hier", zeide hij, +een bonten katoenen zakdoek uithalende, "deuze, en", op zijn tabaksdoos +kloppende, "en deuze, heb ik van me zakduit gekocht". + +Het was aandoenlijk een man van bij de negenenzestig te hooren spreken +van "als ik oud word"! + +"_Klaas_",--ging hij voort--"zoo as meheer wel begrijpt, krijgt ook +een zakduit. Maar wat doet _Klaas_? _Klaas_ doet niets, dan nou en dan +de straat voor iemand wieden. _Klaas_ houdt zich gek; _Klaas_ danst +met zen bochel; en as ie centen krijgt van de lui en van de kinderen, +dan wandelt _Klaas_ de poort uit. Kent meheer de Vette Vadoek? + +"Neen, _Keesje_." + +"Et is een herberg in de Hazelaan, daar drinkt _Klaas_ 'en borrel; +en welreis twee, en welreis drie borrels". + +"En als hij dan in 't Huis komt?" + +"o Hij heeft allerlei kunsten. Hij neemt een groote pruim tabak. Hij +haalt 'en oranjeschilletje bij de' drogist. Soms merkt de Vader et. Dan +krijgt hij 'en blok aan zen been, want hij is te oud om op de bok +gelegd te worden, en men kan em ook niet op zen bochel slaan; maar +wat is 't as ie met het blok loopt? Dan zeit ie teugen de kinderen: +St ... jongens! _Klaas_ is ondeugend geweest; _Klaas_ het 'en graantje +gepikt; en de Vader het _Klaas_ al zen centen afgenomen. Je begrijpt +wel, meheer, dat ie dan nog meer opdoet". + +Ik begreep het volkomen. + +"Maar dat zijn _zijn_ zaken", ging _Keesje_ voort, een schoen van mijn +oom opnemende, dien hij smeren moest en onmiddellijk weer neerzette; +"maar wat hoeft ie _mijn_ ongelukkig te maken? Weet u wat et is. Ik zel +et u vertellen. Ik had geld,--ik had veul geld,--ik had twaalf gulden!" + +"En hoe kwam je daaraan, _Keesje_?" + +"Met God en met eere. Ik had et gespaard toen ik in de apteek +was. Somwijlen, als ik 'n drankje buiten de stad brocht, op een +buitenplaats of in een theetuin, zei de meheer of de mevrouw: geef +de' looper een dubbeltje; 't is slecht weer. Zoo had ik twaalf gulden +bij mekaar. Ik mocht die in 't Huis niet hebben. Maar ik bewaarde ze; +op me hart". + +"En waartoe bewaarde je die? Hadje dat geld noodig; of deeje 't alleen +om 't pleizier van het te hebben?" + +"Och, meheer"! zei het diakenhuismannetje, het hoofd schuddende: +"Als ik et zeggen mag, die rijke lui weten dat zoo niet; de Regenten +weten 't ook niet; want zij hebben er geen zorg voor. 't Gaat alles +goed bij zulke menschen; bij leven en sterven. Hoor reis; we hebben +'t goed in et Huis; de Regenten zijn goed; op vastelavond krijgen we +bollen met botter; over drie weken, as de slacht is, krijgt et Huis +'n os, ik weet niet van wat voor groot heer die lang dood is. Dan eten +we allemaal gehakt; en de heeren hebben 'n partij en eten de tong, +We hebben 't er heel goed; maar 'n mensch, meneer, denkt altijd om +zen dood". + +"Ik denk nogal dat je 't na je dood ook heel goed zult hebben, +_Keesje_!" zei ik. + +"Ik hoop et, meheer: in den Hemel is alles goed; maar dat meen ik +niet. Ik wou me lijk verbeteren, weet u?" + +"Wat is dat, _Kees_?" + +"Hoor reis, as we dood zijn, dan leit men ons op strooi en we krijgen +'t goed an van 't Huis, net as wanneer we leven, en dan gaan we na +'t kerkhof, in de put; dat wou ik niet. Ik wou, as ik dood was, +geen diakenhuisgoed aanhebben...." + +Hij zweeg een oogenblik; en weder kwamen de tranen. + +"Ik wou in me kist leggen, ik weet niet, ik zel maar zeggen, zoo as +ik er mijn vader in heb zien leggen, met eigen goed; ik heb nooit +een eigen hemd gehad; één eigen doodhemd wou ik hebben". + +Ik was aangedaan. Spreek mij niet van vooroordeelen. De rijken der +aarde hebben er duizend. Deze arme man kon alles verdragen: schrale +spijs, een hard bed en, naar de mate zijner jaren, harden arbeid. Hij +had geen eigen huis, hij zou geen eigen graf hebben: o had hij dan ten +minste de zekerheid dat zijn allerlaatste gewaad het zijne wezen zou! + +"Meheer begrijpt wel!" ging hij, eenigszins schor, voort, "dat daar +die twaalf gulden voor was. Het was veuls te veul. Maar ik wou nog +meer; ik wou fassoendelijk begraven worden. Ik heb geen verstand van +die dingen; maar ik had gerekend vier gulden voor et linnen, en dan +twee gulden voor de menschen, die me zouen ofleggen, en tien stuivers +voor een draagplaats an twaalf dragers. Was dat niet knap geweest? De +bediende van den apteker had het zoo beschreven; het geld was in et +pampiertje; en alles in een leeren zakkie: dat heb ik dertig jaar op +me hart gehad.... en nou is het weg..." + +"Heeft _Klaas_ het gestolen?" vroeg ik. + +"Neen!"--zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste +woord hem gestort had, oplevende: "maar hij is er achter gekomme dat +ik et had. _Zijn_ kreb staat naast _mijn_ kreb. Of ie et gezien het +as ik me uitkleedde, of as ik me aankleedde, of toen ik ziek was, of +dat ik er hardop van gedroomd heb, ik weet et niet. Ik zou wel haast +zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik denk er altijd om.--Verleden +dinsdag had et den heelen voormiddag geregend, as meheer wel weten +zel. _Klaas_ had geen cent opgedaan. Het was te slecht weer; de jongens +hielden zich niet met hem op. Zen zakduiten waren ook weg, en hij had +een razenden trek om na de Vette Vadoek te gaan. "_Kees_", zeid' ie na +den eten, "leen me zes centen". "_Klaas_", zeg ik, "dat doei ik niet; +want je verzuipt ze toch maar". "_Kees_" zeid' ie, "ik mot ze hebben", +zeid' ie. Ik zeg: "nou je krijgt ze niet, hoor!" "Weetje wat," zeid' +ie, "_Kees_", zeid' ie, "as je ze me niet geeft, zel ik an de' Vader +zeggen, wat je onder je hemd hebt, hoor!" Ik besturf as 'en doek, +en gaf 'em de zes centen. Maar ik zeid' er bij: "_Klaas_, je bent een +schurk!" Dat zei ik. Of ie daar toen toch kwaad om geworden is, kan +ik niet zeggen; maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, en toen de +suppoosten 'em 't blok andoen lieten, het ie as 'en gek geschreeuwd en +gezongen: "_Kees_ het geld! _Kees_ het geld! Onder zen hemmetje het ie +geld"! de broers vertelden 't me, toen ik in 't Huis kwam. Ik was as +'en dooie. We gingen na' de mannezaal en kleedden ons uit. _Klaas_ +lag er al en snurkte as 'en os. Toen ze allemaal sliepen, stak ik +me hand onder me hemd om et zakkie weg te nemen en, als ik kon, in +'t strooi van me bulster te verstoppen. Maar eer ik et los had, daar +ging de deur ope', en de Vader kwam op de zaal met 'en lantaren. Ik +viel achterover op me kussen met et geld in me hand, en tuurde as 'en +gek mensch na' de lantaren. Ieder stap, die de vader dee, voelde ik +op me hart. "_Kees_," zeid' ie, over me heen bukkende: "Je heb geld; +je weet wel dat je dat hier in 't Huis niet verstoppen mag"; en meteen +trok ie 't uit me hand.--"'t Is voor een doodhemd",--stotterde ik, +en viel op me knieën in de krib--maar 't holp niet. "We zellen 't +voor je bewaren", zei de Vader, en maakte het zakkie ope', en telde +et geld bedaard. Mijn eigen oogen hadden et niet gezien sunt ik et +er in genaaid had; dat was dertig jaar geleden; et was mijn, eigen, +lief, begrafenisgeldje. "Ik zweer je dat ik er niets voor doen zel", +huilde ik, "dan me eerlek laten begraven."--"Daar zellen we zelf +wel voor zorgen", zei de vader; en weg ging ie met et geld en met +de lantaren. "_Klaas_", riep ik hem na, "het et je verteld, omdat +ie".... maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie 'en lap is! wat +holp et of ik hem verteld had dat _Klaas_ alle dag na' de Vette Vadoek +ging? Ik had er me geld niet mee weerom. Den heelen nacht heb ik geen +oog toegedaan.--Et is wat te zeggen!" + +"Zou er bij de Regenten niets aan te doen zijn, _Keesje_?" vroeg +ik vertroostend. + +"Neen! neen!" snikte hij, de hand op zijn borst rondwrijvende, als +zocht hij er het geld nog: "het geld most weg; dat is 'en wet zoo +oud as et Huis, en et Huis is zoo oud--zoo oud as de wereld!" + +"Dat's wat kras, _Keesje_", zei ik; "en wanneer".... + +Hij liet mij niet uitspreken. + +"Wat kras? Het is niemendal kras. Zijn er dan niet altijd armelui +geweest zoo as ik, die an de Diakenie kwammen, en van de Diakenie +mosten eten en drinken, en bed en leger hebben, en begraven +worden?--Maar _ik_ wou begraven worden van mijn, eigen, geld,--en ik +wou zeker _weten_ dat ik van mijn, eigen, geld begraven zou worden; +en dat was mijn grootste troost; en daarom droeg ik et vlak op me +hart.--O, as _Klaas_ kon weten dat ie me dood maakte!" + +"Hoor eens, _Keesje_", zei ik, "je zult en moet je geld weerom hebben; +ik beloof het je: ik zal mijn oom er over spreken; hij kent zeker +de Regenten wel; wij zullen zien of zij de wet, voor een oud, braaf, +oppassend man, als gij zijt, niet eens zullen willen overtreden. Maak +er staat op, _Kees_, je zult je geld weerom hebben". + +"Zel ik?" zei de arme man, door mijn stelligen toon bemoedigd. "Zel +ik wezenlijk?" + +En zijn oogen afvegende met een blij gelaat, gaf hij mij de hand. + +In zijn behoefte om ook mij iets aangenaams te zeggen vroeg hij: + +"Smeer ik uw laarzen netjes genoeg?" + +"Overheerlijk", was mijn antwoord. + +"En is uw jassie goed genoeg geborsteld?" vroeg hij verder; "as er +iets an mankeert, mot meheer 't maar zeggen". + +Dat beloofde ik hem en ging in huis. Maar hij kwam mij achterop, +met den linkerarm in een laars van _Pieter_ en den schoenborstel in +de rechterhand. "Vraag escuus, meheer, dat ik zoo vrijpostig ben", +zei hij, "maar mag ik u nog wel iets verzoeken?" + +"Wel ja _Kees_!" + +"As meheer na' de Regenten gaat", hernam hij, "mot meheer maar net +doen as of ie van nies weet." + +"Ik beloof het u, _Keesje_!" + +Ik ging naar mijn oom en wist dien te bewegen naar de Regenten te +gaan. De president liet den Vader bij zich komen, en daarna den vader +rondgaan bij de andere Regenten, om ze tot een extra vergadering te +convoceeren. Op die vergadering moest eerst _Keesje_ binnenkomen, +en vervolgens buitenstaan; daarna moest ook de Vader binnenkomen, +en vervolgens buitenstaan. Daarop werd er een uur gedelibereerd, +hetwelk hoofdzakelijk daarmee werd doorgebracht dat de president +gedurig zei dat hij de zaak aan de heeren overliet, en de heeren +gedurig zeiden dat zij de zaak aan den president overlieten. + +Daar het zóó niet blijven kon, bracht eindelijk de president het +advies uit, "dat het, aan den eenen kant, wel doenlijk was _Keesje_ +zijn geld terug te geven, daar _Keesje_ een man was van voorbeeldig +gedrag, die het geld zeker tot aan zijn dood toe zoo goed bewaren zou +als de ijverige thesaurierzelve",--waarop de "ijverige thesaurierzelve" +boog--"maar dat, aan den anderen kant, de ijverige thesaurier het weder +even zoo goed bewaren zou als _Keesje_, en dat het dus volstrekt niet +noodig was _Keesje_ in het vooroordeel te stijven dat zijn geld beter +bewaard zou worden en zekerder tot deszelfs, d.i. _Keesjes_, doel zou +worden aangewend, indien hij, _Keesje_, het zelf bewaarde, dan indien +de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn advies was". + +De secretaris meende echter met eenig recht dat dit advies den +knoop niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor, +tot een van de beide maatregelen over te gaan;--waarop "de ijverige +thesaurierzelve" de edelmoedigheid had afstand te doen van het +"custodiëeren der penningen in quaesti", en men eenparig besloot +aan _Keesje_ zijn twaalf gulden, weder behoorlijk in een zeemlederen +zakje vastgenaaid, terug te geven. + +_Keesje_ heeft nog twee jaren zijn geld "vlak op zijn hart" +gedragen. En toen ik in 't verleden jaar het kerhof te D. zag, was +'t mij zoet te mogen denken, dat aldaar in het algemeene graf der +armen één man sluimerde, die er eerbiedig was heengedragen door +twaalf broeders van zijne eigene keuze, nadat hij, ook eenigszins +door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen dat hij in zijn +eigen doodskleed zou worden gewikkeld. + +Had hij misschien in zijn laatste oogenblikken nog aan _Hildebrand_ +gedacht? + + + + +Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje te +passeeren. + +Des zondagsavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik +zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven. + +Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het +midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen +door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwetsch +porselein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen +staan vijf stoelen geschikt, met hooge ruggen en zittingen van groen +gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als +men onder de tafel kijkt, ziet men als twintig vurige oogen, van wege +vier stoven; de vijfde vonkelt niet; het is een steenen. Daaraan, +en aan de plaatsing van het theegoed, en aan den verlakten ketel, die +naast den stoel staat, ken ik de plaats mijner eerzame moei. Midden +op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een verbazend groote +bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in wiens voetstuk +een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid ligt +er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in den helder +gepolijsten haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen +omheen zouden kunnen worden gezet, voor de heeren. De smalle marmeren +schoorsteenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een +negerslaaf met witte oogen, roode neusgaten, en gouden voorschoot, +die op eene ongedwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat; +en aan de beide kanten, met twee vaasjes met gekleurde bloempjes +onder stolpjes, zoo poppigjes en zoo kleintjes, dat men ze voor de +pasgeboren kindertjes houden zou van die groote stolp met opgezette +vogels, die tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje +met ééne lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorwerk +eene aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen, +in een luchtigen strik bijeengehouden en halfbegraven onder witsellagen +van onderscheidene formatie. + +Maar wat de feestelijke zaal, niet alleen nu, maar altijd den +meesten luister bijzet, is zonder twijfel, boven een hooge grijze +lambrizeering, op snee verguld, het prachtig behangsel, beschilderd met +niet onaardige bergachtige landschappen, met op- en ondergaande zonnen, +zandwegen met diepe sporen, en waterplassen met riet en zwanen; voorts +gestoffeerd met vrouwen met manden op den rug, waar bovenuit een bos +stroo steekt; mannen aan den waterkant, die aan lange hengels visschen +opslaan; kinderen met bloote hoofden en bloote voeten, die bij een +geit in 't gras liggen; reizigers op bruine paarden, met den rug naar +u toe om het valies te laten zien, en op witte paarden, die een dunne +rijzweep zeer rechtop houden; wandelaars met enorme wandelstokken +en driekante..... Wat ga ik zeggen? Ja, zij hadden driekante hoeden +opgehad, maar die tijd was voorbij; de kamer was voor een paar jaar +"opgeknapt", en de heer _Petrus Stastokius_ Sen., hoe ouderwetsch ook +in vele opzichten, had in dezen gemeend een proeve te moeten geven, +dat hij met zijn tijd was vooruitgegaan. Hij had al wat kleedij was +laten modernizeeren. Een geestig schilder had op zijn gebod al de +hoeden veranderd, naar het toen nieuwste model, bij den hoedemaker +gehaald, en al de wandelaars hadden bruine, gele of gestreepte +pantalons aangekregen met soupieds en naar de nieuwste snede. Al +de pruiken waren verbannen. De dames, die tot hiertoe de openlijke +bewijzen hadden gegeven dat onze grootmoeders veel meer gedecolleteerd +waren op hare wandelingen dan onze zusters op hare bals, hadden hooge +japonnen met stukken, wijde mouwen, en lange lijven ontvangen, en zelfs +het haar der halfnaakte kinderen was in naam der beschaving geknipt. + +'t Is waar, dat deze vernieuwerwetsching in vele opzichten nog veel +te wenschen overliet, vooral ten opzichte van de rottingen, regen- +en zonneschermen, die hunne vorige gestalte hadden behouden; maar de +waaiers waren allen in bloemruikers veranderd, en dus bestond er van +dien kant volstrekt geen tijdsverwarring meer. + +Toen mijn oom en tante dit alzoo met wijsheid hadden laten in orde +brengen, meenden zij zich van hun plicht gekweten te hebben, en een +offer aan den Moloch der negentiende eeuw te hebben gebracht, groot +genoeg om hun te vergunnen, voor hun persoon, die eeuw op velerlei +wijze te hoonen en weg te cijferen; want om de waarheid te verklaren: +de heeren en dames op 't behangsel waren mijnheer en juffrouw _Stastok_ +een goed eind vooruit; en daar zij op dezen heugelijken avond op hun +mooist gekleed zijn, vooreerst omdat het zondag is, en ten anderen +omdat zij "menschen wachten", wil ik deze gelegenheid waarnemen om u +eene tot hiertoe verzuimde beschrijving van hun persoon en voorkomen +te geven. + +Het is nog doodstil in de tuinkamer; "diezelfde tuinkamer" zou een +redenaar zeggen, "die zoo aanstonds weergalmen zal van het luidruchtig +gesnap eener vroolijke menigte!" Ik verneem er niets dan het gezellig +gezang van het theewater, dat door de tuit stoomt, en het spinnen +van de cyprische poes, die voor den haard zit, verwonderd van hier +zoo vroeg in 't jaar vuur aan te zien. Ik ruik er niets dan den +theeketel, die nog lang niet dikwijls genoeg gebruikt is om niet te +stinken, en ik zie er, behalve de voormelde poes, niemand anders dan +mijn deftigen oom, die met den rug naar het vuur gekeerd, en met de +handen op dien rug, beschenen wordt door de vier waskaarsen op de +vergulde lustres aan zijn schoorsteen, en wiens beeld zich weerkaatst +in den spiegel tegenover hem. Een heerlijk oogenblik om zijn portret +te maken! Mijn oom, schoon in de zestig jaren oud, is hetgeen men +voor dien ouderdom, nog "een kras ventje" noemt. Hij heeft geen grijs +hoofd, vermits hij een bruine pruik draagt, die over zijn ooren gaat, +en waar hij bijgevolg door heen moet hooren; hij heeft een rond, +blozend gezicht, volstrekt geen bakkebaarden, een niet onaardig +bruin oog, en een onderkin. Hij is niet groot van postuur, en heeft, +om hem recht te doen, geen ander lichaamsgebrek dan zijn hooge linnen +halsboorden. Deze zijn heden, wegens het feest van den dag, nog ééns +zoo hoog, zoodat ze zelfs de uiteinden van zijne ooren in eenige +ongelegenheid brengen. Voor het overige draagt hij een wit stropje, +een overhemd met jabot, een wijden zwarten rok, die van achteren +gezien wel wat van een jas heeft, en nog altijd een korte broek, zoodat +men in de gelegenheid is de welgevormde kuiten te bewonderen, die in +fijne floretten kousen steken. Op dit oogenblik treedt mijne tante +binnen, die het toilet van mijn oom volmaakt, door hem een grooten, +schoonen linnen zakdoek met breede zoomen aan te bieden. Gij hebt +lang gemerkt dat zij een neepjes-mutsje draagt. Zij heeft van avond +het beste op, met een net wit satijn lintje met tandjes;--het heugt +mij hoe ik mijn grootmoeder zulke lintjes op haar verjaardag gaf!--Zij +draagt het haar gepoeierd, althans er komt een weinigje van dat wit, +met een mesje gelijkgestreken, op haar voorhoofd; en dat staat heel +wel bij haar helder, welgedaan gezicht, en bij de goelijke kuilen, +die, als zij spreekt, in haar wangen komen. Zij heeft om haar hals een +aardig snoertje kleine paarlen met een juweelen bootje, en een hoogen +dikgeplooiden kamerijkschen doek in haar lage japon van weerschijnende +zijde met ruim lijf. + +Wij laten haar, eenigszins vermoeid van al de bereddering, plaats nemen +om thee te zetten, en slaan terwijl onze oogen op _Pieter_ Jr., die +juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen, +beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed; +een zwarte pantalon met soupieds, een zwart satijn vest, een blauwe +rok met glimmende knoopen; en toch ziet hij er infaam ouderwetsch +uit. Want de pantalon is zoo kort, en de soupieds zijn zoo lang, en +het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het midden; en de +rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en waarom verstokt +hij zich nu om zich met een bruine stropdas te willen uitzonderen, +in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoenlijke menschen? + +Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat +Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in 't voorbijgaan gezegd, +de eenige reden, waarom _Petrus Stastokius_ Sen. nooit diaken of +ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn +geweest, op zijn beurt, ook bij die predikanten te kerk te gaan, +die niet als hij, lieden van de klok waren. + +Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de +aankomst van den eerstverschijnenden gast aan. Wij zullen hem en al +de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van +_Keesje_, die van avond bijzonder verlof heeft om later in 't Huis te +komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over +"de zorg"; hen daarna een uurtje laten praten over 't weer, over de +kou in de kerk, over het verkieslijke van een open haard boven een +"toe kachel", over den stand der fondsen, over het werk van de dames, +en over de laatste verkooping van huizen en het laatste plan van +den stedelijken raad om een brug te leggen over een water, waarover +reeds voor tien jaren een brug is noodig geweest; om u daarna op +eens midden in 't gezelschap binnen te leiden en u al zijne leden +in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertusschen zelf +een versche pijp stoppen. + +De man, dien gij bij den haard ziet, met mijn oom in druk gesprek +gewikkeld over de meerdere voortreffelijkheid van de inrichting der +gilden, zooals die vroeger bestond, boven die van de patenten, onder +het ministerie _Gogel_ ingevoerd, is een oude kennis, en niemand +anders dan de zilveren man uit de diligence. Hij is evenwel zoo min +een zilversmid, als de pikeur een commissaris van politie was. Ik +ben ongelukkig in mijne waanwijze gissingen geweest. Hij is alleen +maar oudste commies ter secretarie van de stad D. Hij behoort tot +die menschen, die jaar en dag in _Wagenaar_ en in de vervolgen op +_Wagenaar_, alsmede in de boeken van _Le Francq van Berkhey_, en +in _Tuinmans_ "Nederduytsche Spreekwoorden" studeeren, terwijl hun +verdere lectuur bestaat in onbeschrijfelijk veel Preken, en Reizen +rondom de wereld. Hij kan met wijsheid op zijn snuifdoos kloppen, +en verklaren hoe een snuiter heette in den tijd, toen de kaarsen nog +niet gesnoten werden, en voor hoeveel geld men een huis kon huren, +in een jaar, waarvan hij in de stoffige papieren der secretarie +een rekening gezien heeft. Hij heeft groot gezag in het beoordeelen +der talenten aller predikanten; en in 't geheel, als er iets is in +de familie dat duister voorkomt, richt men zich tot den heer _Van +Naslaan_, "die onbegrijpelijk veel gelezen" heeft. Het is echter waar, +dat in de laatste jaren de hooge wijsheid van den jongen _Pieter_ +'s mans gezag veel kwaad heeft gedaan, vooral omdat gemelde _Pieter_ +het alle voorrechten verzekerend Latijn verstaat. + +_Pieter_ en ik worden beziggehouden door een langwerpig man van +een groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een langen +sluitjas, die den naam _draagt_ van den heer _Dorbeen_, en den naam +_heeft_ van droogkomiek te zijn. Behalve dit, oefent hij het ambt +van makelaar uit. Hij vraagt ons naar studentegrappen, die sedert de +oprichting der academiën, aan alle academiën eenmaal 's jaars gebeurd +moeten zijn, die _hij_ gehoord heeft in zijn jeugd, die aan _mij_ +en aan _Pieter_ verteld zijn als onder onze laatste voorgangers aan +de hoogeschool vertoond, en die waarschijnlijk nooit hebben plaats +gehad, en nooit _zullen_ plaats hebben; en als hij er een heeft +opgehaald die heel aardig is, dan vraagt hij terstond een baleintje +en steekt zijn pijp door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig, +dat hij duidelijk toont hoe droogkomiek hij is. _Pieter_ is onder +zijn verhalen verstrooid, rookt wanhopig door, grinnikt als er een +vertelsel, en stopt een nieuwe als er een pijp uit is. Ik sta op +heete kolen om eens nader kennis met de dames te maken. + +"De heeren zullen zeker liever bij den wijnstok blijven?" zegt mijn +welgedane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen witten ketel +opbeurende; "_Pieter_ wil misschien wel een kopje slemp?" + +"Dat wil ik óók wel tantelief!" zei ik, en trad naar haar toe, om +haar den grooten ketel vooreerst wat lichter te maken, daar zij hem +onmogelijk tillen kon. Weet gij voor wie ik inschonk? + +Voor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien, maar +toch meer naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den +commies, echter veel jaren jonger dan hij; voor een jeugdige zuster +van dezen haren man, van een veertig jaar, met kalfsoogen, die bij +haar inwoonde met het voorrecht van de wasch voor haar te doen, +haar kousen te mazen, haar hoeden te vermaken, en haar japonnen af +te dragen; als ook voor haar dochtertje _Koosje_, een meisje van +ik denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden bruin haar en +rozerood japonnetje allerliefst uitzag; en behalve voor mijn tante en +mijzelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de eenige +"mevrouw" van de partij was, een enorme muts met vuurrood lint droeg, +en een niet minder enorme gouden gesp aan haar ceintuur. + +Mejuffrouw _Van Naslaan_ was een zeer wijze dame, die zeer verstandige +bevindingen had. Zoo vond zij bijv. een kouden tocht altijd erger dan +een koude lucht; zoo vond zij altijd, dat het op een heeten dag nog al +eens wat helpt als er wat wind is; zoo merkte zij op, dat als men veel +verloor, het altijd nog een troost was als men iets behield; zoo had +zij ontdekt dat, als men ergens aan gewende, zoo iets gemakkelijker +viel dan als men er volstrekt _niet_ aan gewoon was; zoo was zij er +zelfs, door vlijtige en innige nasporingen op het gebied der zielkunde, +toe gekomen, een wezenlijk onderscheid tusschen menschen en menschen +waar te nemen en met grond te kunnen verklaren, dat de eene mensen +de andere niet was; en dergelijke verstandige dingen meer, die haar +een grooten roep van knapheid en ervarenheid gaven onder de vrouwen +van haar kennis; en daar zij van alle eenvoudige zaken zei, dat er +meer achter zat, en alle dingen geestiglijk bij muisjes vergeleek die +staartjes hebben zouden, zoo hield men het er met reden voor, dat zij +meer zag dan een ander. Mevrouw _Dorbeen_ daarentegen was een rammel, +trotsch op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot. Ik had +van haar hooren spreken als van iemand die heel mooi een vers opzei, +dat ik wel geloofde, daar zij sterk brouwde, en zeer rollende bruine +oogen bezat. + +De manszuster van mejuffrouw _Van Naslaan_ heette _Mietje_, en was +volstrekt niets dan een goed mensch. + +Met uitzondering van deze die niets, en van de lieve zeventienjarige, +die zeer weinig sprak, praatten de aanwezige dames doorgaans alle +tegelijk, en de heeren bij het vuur zongen er de tweede partij +toe. Bijvoorbeeld: + +"Hoor eens, me lieve juffrouw _Stastok_", zei mejuffrouw _Van Naslaan_, +haar breiwerk neerleggende en haar wijsvinger op de hand van mijn +tante drukkende: "Hoor eens; me lieve juffrouw _Stastok_, je hoeft +er me niets van te zeggen; ik weet" (hier kneep zij hare oogen op +een interessante wijze dicht), "ik weet dat allemaal wel; ik ken die +menschen door en door; en zoodra als ik hoorde dat _Keetje_ _dat_ in +'t hoofd had, wist ik wel hoe de vork in den steel stak". + +Hierop nam zij haar breiwerk weer op, en telde de steken van het +toertje, daar zij aan bezig was, na. + +"Ja maar, _Koosje_!" rammelde mevrouw _Dorbeen_, voorbij _Mietje van +Naslaan_ heen sprekende, en die met haar roode mutslinten, zoodanig +voor de oogen schitterende, dat de goede ziel den anderen dag betuigde, +er wee van te zijn geworden: "je kunt je niet begrijpen hoe druk +_Dorbeen_ het heeft; dat is van den ochtend tot den avond; daar had +je nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_"; (deze was, moet men +weten, de grootste heer uit de stad, wiens zaken _Dorbeen_ waarnam); +"daar hadje nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_, al vóór den +ontbijt: hij ging op de jacht en wou _Dorbeen_ nog eerst spreken; +nu is hij gelukkig heel eigen bij ons, zoodat het er niet op aankwam +dat _Dorbeen_ nog niet gekleed was; maar zoo gaat het dag op dag; nu +heb ik het óók wel druk met de kinderen, maar ik zei tegen _Dorbeen_: +weetje wat? ik ga er zelf maar reis op af. Nu is _Dorbeen_ daar altijd +heel wèl van, en vindt het altijd goed zoo als _ik_ het maak..." + + + +"Juffrouw _Mietje_, nog niet een roomsoesje?" vroeg mijn tante--"Jij +ook niet, _Koosje_? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis hier +gezien. Het heugt me nog dat je met _Pieter_ speelde. Ja, kleine +kinderen worden groot, _Koos_!" + +"Dat zeg ik zoo dikwijls", zei mejuffrouw _Van Naslaan_. "Waar blijft +de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer de tijd +vliegt; maar je jonge jaren, kind! zeg ik alle dag tegen _Koosje_, +leer dat van mij, die komen nooit weerom". + + + +"En dat zijn van die dingen", klonk het van den schoorsteen, uit +den mond van den heer _Van Naslaan_, met plechtige langzaamheid en +afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: "dat zijn van die +dingen, mijn goede vriend!--(p'hoe), die u--(p'hoe) en mij--en een +ander--(p'hoe, p'hoe) ongelukkig maken. En onze voorvaderen",--hier +nam hij de pijp uit den mond, om er den derden knoop van mijn ooms +rok onder 't spreken onderscheidene kleine tikjes mee te geven--"onze +vaderen ... ik vraag je of ze der zoo veel slechter aan waren dan +wij?--onze vaderen, mijnheer! hielden zich met die dingen niet op". + +"Neen!" verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een versche pijp +stoppende, "dat waren andere menschen! die wisten--_Piet_, geef me 't +komfoortje reis aan--die wisten handen uit de mouw te steken, al zeg +ik 't zelf;--en wat ik altijd zeg--ze pasten op er tijd. _Mijn_ vader +was altijd 's morgens kwartier voor zessen gekleed en geschoren--kom +daar nú reis om!" + +En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke +kracht in om haar ineens aan te trekken, en ze daarop omkeerende, +en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij, door de +inspanning half uit zijn adem: "Kom daar nú reis om!" + + + +"Ja, lieve vriend!" zei _Dorbeen_ tot _Pieter_, bijna een der vergulde +knoopen van diens nieuwerwetschen ouderwetschen rok aftrekkende, daar +hij met hem in gesprek was geraakt over een der rijkste jongelui, +die te Utrecht studeerden: "Zijn vader heet _Goedelaken_, maar hij +mocht wel _Goudlaken_ heeten". + +Dit was een trant van geestigheid, waarin de heer _Dorbeen_ sterk was; +en daar _Pieter_ grinnikte, en mijn oom, die 't ook hoorde, zijn hoofd +lachend schudde, en de grap voor den heer _Van Naslaan_ herhaalde, +merkte mevrouw _Dorbeen_ dat er iets grappigs aan de hand was en, +haar gevuurvlamd hoofd opheffende, zeide zij allerinnemendst: + +"Lieve _Dorbeen_! laten de dames ook reis wat van je hooren". Allen +zagen hem aan en zwegen. + +"Beste schat!" zei _Dorbeen_, toen het heel stil was, met een lief +lachje--"ze hebben immers al heel veel van mij gehoord". + +"Hoe zoo?" vroeg mevrouw _Dorbeen_. + +"Wel, ze hooren immers _u_, mijn beste! en zijt gij niet van +mij?" antwoordde hij, heel "droogkomiek". + +Allen lachten; maar het lieve zeventienjarige _Koosje_ had moeite, en +daarom vond mevrouw _Dorbeen_ het gepast haar lachende toe te voegen: +"Och _Koosje_! zoo is hij altijd; trouw nooit, kind; want de mannen +laten er hun vrouwen altijd inloopen". + +_Pieter_ was intusschen achter den stoel van _Koosje_ gaan staan +rooken en werd op deze woorden bleek. Hij gevoelde dat hij er nooit +iemand, laat staan een vrouw, laat staan de zijne, in, zou, kunnen, +doen, loopen. + +Daar nu dan toch de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten, +welke men in burgerkringen "een kopje thee, en verder het avondje te +passeeren" of ook wel een "presenteertje", of een "aangekleede pijp", +of een "aangekleede boterham" noemt; daar nu dan toch, zeg ik, de muur +gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten de mannen van de vrouwen +scheidt, en er als 't ware eene verbroedering der beide seksen had +plaats gehad, en daar mevrouw _Dorbeen_ op eene ongezochte wijze het +voorwerp der algemeene opmerkzaamheid geworden was, vond mijn oom +goed met een verzoek voor den dag te komen, dat hij reeds lang op +'t hart had gehad. + +"Nu, mevrouw! maar je zult toch ons en de vrienden wel een plezier +willen doen?" + +"Wel zeker, mijnheer _Stastok_!" En zich, met een bescheidenheid +grooten genieën eigen, spoedig tot mejuffrouw _Van Naslaan_ wendende, +"wat heb je daar een lief patroontje van een kraagje om!" + +"Ja, mevrouw!" was het antwoord, ik "zeg altijd: duurkoop +goedkoop. Want ik vind dat het beste goed het 'et beste uithoudt. Ik +had het in den winkel bij _Van Drommelen_ gezien, en ik zeg tegen +mijn kinderen, als ik nú reis weer jarig ben...." + +"Hoor eens," zei _Stastok_ tegen _Dorbeen_: "je moet maken dat je +vrouw reis reciteert, hoor". + +"Heeremijntijd ja, je moet strak stellig reis reciteeren, lieve +mevrouw!" zei mijn tante met eenige ongerustheid, en op het woord +_strak_ zooveel kracht leggende als zij in bescheidenheid doen kon. + +"Och toe, mevrouw!" zei _Koosje_ met een allerliefste uitdrukking +van gelaat. + +"Hè ja!" zei _Mietje_ met de kalfsoogen. + +"We moeten mevrouw niet overhaasten", zei mijn tante. + +"Neen!" zei mevrouw _Dorbeen_, eenigszins bleek wordende, "als het dan +moet, moet het ineens maar. Wat wil je hebben? Kom, het Rijntje dan +nog maar reis". En haar schaar opnemende, om die, onder 't opzeggen, +bij iederen nieuwen regel open te doen en bij 't invallen der caesuur +toe te knijpen, begon zij met een door verlegenheid wat heesche stem, +die gedurig scheller werd: + + + "Zoo rust dan _eind_lijk, 't ruwe _noor_den + Van hagel_jacht_ en storm_geloei_, + En rolt de _Rijn_ weer langs zijn _boor_den, + Ontslagen _van_ de winter_boei_." + + +Toen zij zoover gekomen was, hield mevrouw _Dorbeen_ haar zakdoek voor +den mond en had een hevigen aanval van hoesten. Zij begon op nieuw en +geheel in denzelfden toon, maar andermaal bracht zij 't niet verder +dan tot "de winterboei". Zoodat mejuffrouw _Van Naslaan_ dadelijk +begreep dat zij wel ingezien had dat er achter die hoestbui meer zat. + +Mevrouw _Dorbeen_ werd zoo rood als de linten van haar muts, staarde +in de lamp, en zei nogmaals, als om weer op gang te raken, + + + Ontslagen _van_ de winter_boei_. + + +Nieuwe stilte. + +"Die winterboei boeit je tong, lieve!" merkte mijnheer _Dorbeen_ +droogkomiek aan. + +"Foei! daar had ik het nou net, en nou breng jij er me weer af. Wacht! + + + "Zijn waatren _drenken_ de oude _zoo_men, + En 't landvolk" + + +hier werd de stem zeer hoog: + + + "spelende aan zijn vloed, + Brengt vader _Rijn_ den lente_groet_...." + + +Aldus ging mevrouw _Dorbeen_ voort op een hartroerende wijze het +hartroerende meesterstuk des grooten _Borgers_ te bederven. Bij +het derde couplet begonnen hare oogen te rollen, en bij het vierde +rolden zij zoo zeer, dat ik vreesde dat zij van hare wangen afrollen +zouden. Zij was nu al rollende en brouwende en zingende en gillende +gekomen tot: + + + "Noem hij deze _aarde_ een hof van _Eden_, + Die altijd _mocht_ op rozen gaan,..." + + Ach, du lieber Augustin, Augustin, Augustin! + + +klonk het over de tafel. + +Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van +lepeltjes uit het lepeldoosje, dat vóór den olifant stond, te zoeken, +opgewonden. Ik begreep na waarom zij er zoo op gesteld was geweest, +dat mevrouw _Dorbeen_ haar reciet mocht hebben uitgesteld. + +Mevrouw _Dorbeens_ oogen, die net gereed stonden om met + + + "Ik wensch geen _stap_ terug te _treden_", + + +hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein. + +"Wat is dat?" riep ze. + +"Dat is een walsje," zei haar man. + +"Neem mij niet kwalijk, mevrouw," smeekte mijn tante, "ik had het +opgewonden. 't Is het speelwerk in de lamp. 't Is anders de aardigheid, +dat het zoo onverwachts begint, een poosje nadat het opgewonden is. 't +Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou +hebben gereciteerd; nu komt het er ook zoo mal in." + +Mijn tante zou gaarne, in dat oogenblik van verlegenheid, den geheelen +bronzen olifant den kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te +doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn + + + Ach, du lieber Augustin! + + +Het was een tartend geluid voor mevrouw _Dorbeen_, en zij beefde +inwendig van toorn. Zij hield zich evenwel goed, en met langzame +teugen een kopje slemp uitgedronken hebbende, zei ze: + +"Och! het vers was zoo goed als uit; de vrienden verliezen er niet +veel bij. Nu zal _Koosje_ wel eens wat willen doen." + +_Koosje_ bloosde, en zei met de oogen op haar moeder geslagen: + +"Ik kan niets; wel moeder?" + +"Stil!" zei _Dorbeen_: "het verandert weer: + + + Où peut-on être mieux?" + + +En waarlijk, daar de olifant drie deuntjes machtig scheen te zijn, was +er voor niemand anders gehoor dan voor het grootste der viervoetige +dieren; totdat het al zijn kunsten getoond had, en met een forschen +tjingel besloot. + +Mama _Van Naslaan_ bleek van eene meening te wezen tegenovergesteld +aan die, welke haar lief kind met het zoetste lipje der wereld had +beleden; zij geloofde veeleer dat haar _Koosje_ niet alleen iets, +maar zelfs zeer veel vermocht, en knikte haar daarom toe, ook iets +in het midden te brengen, waarop mevrouw _Dorbeen_ zei: + +"Wel ja, laat je ook reis hooren, _Koosje_! _ik_ heb nu mijn plicht +gedaan!" + +En tante riep: "Och ja, asjeblieft?" en mijnheer _Dorbeen_, zeer +droogkomiek, rijmde: + + + "Kom Koosje, + Lief roosje, + Reciteer reis een poosje!" + + +En _Mietje_, die niets was, zei alweer: "Hè ja!" en de oude _Stastok_ +zei: "Komaan!" en stopte een pijp; en de jongere _Stastok_ verstoutte +zich om met een hooge kleur te zeggen: "Toe, als 't u belieft!" + +Maar het lieve kind bloosde zoo sterk, en was zoo angstig, en +verontschuldigde zich zoo smeekend, dat tante er medelijden mee kreeg +en zei: + +"_Koosje_ is misschien bang voor den vreemden heer; ik geloof dat +we haar meer pleizier doen zullen als we 't voor dezen keer te goed +houden!" + +Waarop mevrouw _Dorbeen_, haar oogen zeer sterk op den snuit van den +olifant gevestigd houdende, op een aardig toontje zei: + +"Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wilde +stellen! Mijnheer _Hildebrand_ kan immers ook wel een kleinigheid!" + +"Dat was goed," zeiden allen, en mijn oom keerde zich om, ten einde +even op zijn horloge te kijken; want "hij wou om den dood niet graag +dat er nachtwerk van wierd." + +Men stopte versche pijpen; de heeren gingen zitten; de heer _Van +Naslaan_ met een zucht; de heer _Dorbeen_ met het oog van een kenner; +_Pieter_ met dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand die +pas op zijn horloge heeft gekeken en halftien heeft ontwaard. Ik +stoorde mij volstrekt niet aan de heeren, en plaatste mij zoo, dat ik +het lieve gezichtje van _Koosje_ vlak voor oogen had; men moet _wat_ +hebben voor de moeite. + +"Ik zal," zeide ik, toen alles doodstil was, "het gezelschap lastig +vallen met een klein stukje. 't Is een vertaling door een mijner +vrienden, en uit het Fransch." + +"Uit het Fransch!" herhaalde de heer _Van Naslaan_, met een bedenkelijk +gezicht mijn oom aanziende. + +"Kom aan, dat 's goed!" zei mevrouw _Dorbeen_. + +Alles was doodstil om den vreemden stoethaspel te hooren, maar +geen der dames zag hem aan, vermits hare loffelijke bescheidenheid +dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt, met +uitzondering van mevrouw _Dorbeen_, die scheen te willen weten "of hij +goed met zijn oogen rollen zou". _Koosje_ zat hevig te festonneeren, +en ik zag niets dan haar gescheiden haar. + +Ik begon: + + + "Als 't kindje binnenkomt--" + + +Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam--geenszins +een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit pak; belast +en beladen met de aangekleede boterham in persoon, in de gedaante van +een schat van broodjes met kaas en rookvleesch, en een macht van ster-, +ruit-, cirkel-, klaverblad-, en vischvormige gebakjes, die ondanks +hun verschillende gedaante, wegens de evenredigheden van hun inhoud, +in het dagelijksch leven den wiskundigen naam van evenveeltjes dragen. + +Mevrouw _Dorbeen_ kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening +niet onderdrukken. + +Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis met +een evenveel; en toen die op was, hervatte ik vol moed, ofschoon de +uitwerking van den eersten regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat +de droogkomieke heer _Dorbeen_, toen ik de eerste woorden herhaalde, +nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht: + + + "Als 't kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin; + Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in; + Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede; + En 't rimpligst voorhoofd (ook 't bezoedeldste wellicht!) + Klaart voor den aanblik op van 't vroolijk aangezicht, + Met iedereen in vrede. + + 't Zij we onder 't lindeloof des zomers zijn vereend, + 't Zij 't snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent + En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken; + Als 't kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd; + Men lacht, men troetelt, kust en tergt zijn dartle jeugd; + En moeders harte smaakt zijn zaligste oogenblikken." + + +Mevrouw _Dorbeen_ lachte goedkeurend. + + + "Soms spreken we om den haard, met ernst en met verstand, + Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland," + + +De heer _Van Naslaan_ knikte zeer verstandig. + + + "Van staat, van godsdienst, van geschriften en gezangen; + Het kind komt in: vaarwel kunst, godsdienst, plicht en staat! + 't Wordt: kusjes voor den mond, en kneepjes in de wangen, + En hobblen op de knie, en jok en kinderpraat." + + +"Dat is heel lief!" zei mijn goedhartige tante, halfluid. + + + "Als, na een duistren nacht van stormwind en van regen, + Een nacht, wen menigeen, vergeefs ter rust gezegen, + Naar 't woelig gieren hoort, daar 't kind doorheen slaapt; als, + Na zulk een nacht, het rood des uchtends, dat de kimmen + Van liefelijken waas en zachten gloed doet glimmen, + En blijde zangen wekt bij 't vooglenkoor des dals;" + + +De heer _Dorbeen_ kuchte. De heer _Van Naslaan_ trok oogen en +wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: "waar moet dat +naar toe?"--Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat +onbepaalde bewondering blijken. + + + "Zoo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten + En duisternis en nacht en zwarte regenluchten; + Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht; + Door d'adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven, + Als zuivre koeltjes, die langs 't knoppig bloembed zweven, + En 't blosje sterken op der rozen aangezicht. + + "Want duizend lieflijkheên uit uw schoone oogjes schijnen; + Uw kleine handjes, die ik berg in een der mijnen," + + +"Och heer!" zei mijn tante halfluid, en haar oogen werden +allervriendelijkst klein. + + + "Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt. + Wat lacht gij vriendlijk, als wij ze u met speelgoed vullen! + Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen, + Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!" + + +_Koosje_, die van tijd tot tijd al eens had opgekeken, hief hier haar +schoon gezichtje geheel op en staarde mij aan. De allerlaatste regel +scheen mij volmaakt ook op haar toepasselijk. + + + "Lief duifjen in onze ark! Uw mondje bracht den vrede, + De vreugde en 't zoetst geluk in onze woning mede, + Zoo vurig afgesmeekt, met zooveel angst verbeid! + Gij kijkt de wereld, daar gij niets van vat, in 't ronde! + Blank lijfje zonder smet, blank zieltje zonder zonde, + Ik eer uw dubble maagdlijkheid! + + "Hoe heerlijk is het kind met lachjes op de wangen, + Met traantjes soms, maar ras door lachjes weer vervangen, + De goede trouw in 't oog, en 't uitzicht zoo gerust! + 't Slaat een verwonderd oog op 's werelds bont getoover, + En geeft zijn jonge ziel zoo blij aan 't leven over, + Als 't ons zijn lipjes biedt als 't wordt goenacht gekust." + + +Tante knipte een traan weg; mejuffrouw _Van Naslaan_ knikte twee-, +driemaal met het hoofd. _Koosje_ hield haar adem in en zag mij angstig +aan, als ik vervolgde: + + + "Bewaar mij, Heer! mij, en mijn broedren, en mijn vrinden, + En hen zelfs, die een lust in mijne tranen vinden, + Indien er zulken zijn misschien! + Dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren, + Of bijenlooze korve, of schaapskooi zonder lammeren, + Of kinderlooze woning zien!" + + +"Heeremijntijd! neef _Hildebrand_!" riep mijn tante, "neef +_Hildebrand_, dat is mooi." + +En ik wed dat zij aan _Pieter_ dacht, toen hij klein was; maar ook +... och, zeker ook aan het kleine _Truitje_, dat gestorven was vóór +haar vijfde jaar, en daar zij niets van overhad dan een klein vlokje +haar aan haar middelsten vinger. + +"Hé ja;" zei _Mietje_ met de kalfsoogen, die ditmaal velen vooruit was. + +"Ik vind altijd," zei mejuffrouw _Van Naslaan_, "dat men moeder zijn +moet om van zulke dingen het rechte te hebben." + +"Niet waar, juffrouw _Van Naslaan_?" zei mevrouw _Dorbeen_! "O, maar +het is allerliefst; het vèrs" (zij drukte op het woord) "het vers is +allerliefst!" Blijkbaar wilde zij zeggen: wat het opzeggen betreft, +dat kon beter. + +_Koosje_ was geen moeder, en kon er dus "het rechte niet van hebben", +maar haar glinsterende oogjes en bleeke wangen zeiden genoeg dat zij +de poëzie verstaan en gevoeld had. + +"Van wien is het gedicht?" vroeg de heer _Van Naslaan_. + +"Van _Victor Hugo_, mijnheer." + +"_Victor Hugo_?" zeide hij, den klemtoon op de eerste lettergreep +leggende en met een uitspraak alsof er, in plaats van ééne Fransche, +vijfentwintig goede Hollandsche G's in den naam geweest waren. "Ik +dacht dat die man niets dan ijselijkheden schreef. Ik heb in de +Letteroefeningen, dunkt mij ... Hé, dat ontschiet me ... Ik dacht +dat het zoo'n bloederig man was." + +"Ik weet niet, mijnheer!" antwoordde ik. + +"Verwar je hem ook met _Jacques Julin_?" vroeg de makelaar. + +"Is dat die, die dat boek over _Barneveld_ geschreven heeft, dat we +laatst in het leesgezelschap gehad hebben?" vroeg oom terzijde aan +_Pieter_. [9] + +"Ja," zei mijnheer de makelaar. "Dat is een rare kerel, naar ik +hoor. Hij schrijft voor geld, mijnheer; hij schrijft voor geld; +pro en contra schrijft hij voor geld." + +"Ja," zei oom, zijn pijp uitkloppende, "die Franschen! 't Is een raar +volk; al zeg ik 't zelf." + +"Weetje wat ik ook altijd al een heel mooi verzenboek vind?" zei +mejuffrouw _Van Naslaan_, het gezelschap rondziende: "Het Nut der +Tegenspoeden." + +"Wat?" vroeg de heer _Dorbeen_, droger en komieker dan ooit; "het +nut der regenhoeden?" + +Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid; hetwelk mejuffrouw +_Van Naslaan_ min of meer verlegen maakte; zij besloot dus haar +lofrede op het bekende geschrift van _Lucretia Wilhelmina_, die voor +een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek den +geest te laten geven. + +"Inderdaad," fluisterde zij mijn tante in: "het is een heerlijk boek, +en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen dat je 't met +geen droge oogen lezen kunt." + +Het gesprek werd spoedig weder algemeen en levendig. Ik maakte veel +werk van de zeventienjarige, en _Pieter_ week niet van haar stoel. Ik +poogde hem telkens te bewegen ook reis iets op te zeggen, of te zingen +of zoo; maar hij zei altijd, met een knorrig gezicht: "Och kom!" en +"Ik kan waaratje niets!" En hard wilde ik er niet op aandringen, +omdat ik oom nog eens weer op zijn horloge had zien kijken. Er kwam +dus niets van, en ook moet ik bekennen dat de familie _Stastok_, door +middel van den muzikalen olifant, tot het genoegen van dien avond te +veel had bijgedragen, om nog iets van een harer leden te vergen. + +Het avondje liep verder vroolijk en gezellig af; en nadat al de dames +en de beide heeren mijnheer en juffrouw _Stastok_ bedankt hadden "voor +de vrindelijke receptie", en _Pieter_ "voor zijn aangenaam gezelschap"; +en nadat mijnheer en mejuffrouw _Stastok_ plechtig hadden beloofd +"hun scha eens te zullen komen inhalen"; en nadat de beide heeren +elkanders hoeden hadden opgehad, en tante met eigen hand al de dames, +behalve _Koosje_, wie ik niet kon nalaten zelf hierin bij te staan, +aan haar mantel had geholpen en, naar verkiezing, er de kraagjes boven +overheen gehaald, of "alles er asjeblieft maar onder" gelaten had, +ging men omstreeks half twaalf, recht van elkander tevreden, uiteen; en +schoot er voor niemand eenig genoegen meer over dan voor de meid, die +op eene achtelooze wijze zich de kwartjes liet welgevallen, die zij bij +'t weggaan der gasten schijnbaar toevallig in haar hand voelde glijden. + +Oom had slaap, al zei hij 't zelf. Heeremijntijd! wat had mijn tante +'t nog druk. Waaratje was knorrig. Onder zulke omstandigheden ging +ik naar bed. + + + + +Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan. + +De knorrigheid, waarmee _Pieter_ was te bed gegaan, was mij in 't +geheel geen raadsel geweest. Men heeft opgemerkt dat hij den geheelen +avond niet bij uitstek veel gesproken heeft, terwijl hij anders +onder zijn vaders vrienden praats en waanwijsheid genoeg had. Maar +twee kleine omstandigheden hadden hem gehinderd en belemmerd, te +weten: liefde en haat. Het was mij namelijk volstrekt niet ontgaan +dat hij gedurig stille blikken had geworpen in het witte halsje van +_Koosje_, en zeker openlijke blikken op haar gelaat had willen werpen, +zoo hij het had durven wagen een geregeld gesprek met haar aan te +knoopen. Verder was het mij niet moeielijk gevallen te ontdekken hoe +de goedkeuring hem gehinderd had, die de schoone verzen van _Victor_ +(hoe middelmatig en ongeregeld ook vertolkt, en slechtweg voorgedragen) +bij haar hadden ontmoet; en hoe hij mij èn de vrijmoedigheid, waarmee +ik mij daarna met haar in gesprek had begeven, èn de vriendelijke +lachjes, die mij bij die gelegenheid waren te beurt gevallen, had +benijd. Hij had zich van dezen avond voor zijn verliefd hart, geloof +ik, heel veel voorgesteld; maar _Koosje_ was vertrokken zoo als zij +gekomen was, zonder dat hij haar één zoet woordje had toegevoegd, +tenzij dan "houje nog al van evenveeltjes?" Hij had er op den duur +"ingezeten": hij had tegenover zijn eigen voornemens en tegenover +wat hij voor zijn hartstocht hield een mal figuur gemaakt; wat wonder +zoo hij uit zijn humeur geraakt was? + +Ik wilde meer van dit alles hebben. + +"Goeden morgen, _Pieter_;" riep ik, toen de keukenmeid den anderen +morgen om zes uren als gewoonlijk hare knokkels op de kamerdeur had +laten spelen, zonder dat ik evenwel mijn bedgordijnen openschoof; +ik kon genoeg van hem zien. + +"Goeden morgen, neef!" zei hij, op den rand van zijn bed in gedachten +zittende, en nog zonder bril. + +"Ik heb waarlijk van _Koosje van Naslaan_ gedroomd!" + +_Pieter_ bloosde, en bukte om een kous aan te trekken, met zooveel +inspanning dat het lijken moest of hij alleen daarvan een kleur kreeg. + +"Zoo," zei _Pieter_. + +"Ja," zei ik, "'t is een heel mooi meisje." + +"Vindje dat?" vroeg _Pieter_, zijn tweede kous aantrekkende en naar +de waschtafel gaande. "Ja, 't is een lief gezichtje; maar zoo heel +mooi kan ik ze maar niet vinden." + +"Niet?" riep ik verwonderd uit en ging overeind zitten. + +"Waaratje niet!" zeide hij. + +Verliefdheid, die haar voorwerp verloochent, verraadt zich +ontegenzeggelijk. + +"Ik wou dat meisje wel wat nader leeren kennen, _Piet_! Zou er geen +kans op zijn, haar tusschen nu en overmorgen nog eens te ontmoeten?" + +"Ik weet niet," antwoordde _Pieter_, de lampetkom óverschenkende; +"ga haar een bezoek brengen." + +"Dat gaat niet, jongen!" zei ik; "maar weet je er niets anders op?" + +"Wel neen!" sprak _Pieter_. + +"Ik dan wel!" zei ik uit het bed springende. "Zeg reis, _Piet_," ging +ik hem sterk aanziende voort; "hoe komt het dat je je bril vergeten +hebt?--Kijk, 't is alledag heerlijk weer: we willen een roeischuitje +huren, en we gaan _Koosje_ en nog een andere dame van je kennis, +liefst van je familie, vragen om ons de eer aan te doen eens met ons +te gaan varen." + +"Varen?" vroeg _Piet_ op den toon der alleruiterste verbazing. + +"Wel ja; vàren; dat 's om te praten en te minnekoozen veel beter dan +rijden. Of wou je niet minnekoozen? Heidaar! jongen! waarom trek je +je pantalon verkeerd aan?" + +"Och!" zei _Petrus_, de knorrigheid van gisteren weer opvattende, +"schei er uit met die gekheid. Ik bedank om door jou geplaagd te +worden." + +"Jongen!" zei ik, "dat verstaje verkeerd. Ik plaag je niet; ik vraag +maar of je niet wilt minnekoozen?" + +"Minnekoozen," hernam hij, met een schuinschen blik vol gramschap, +van onder zijn bril uit, en lippen dik van toorn--"minnekoos jij zelf!" + +"Met pleizier, beste vrind! maar de meisjes willen mij niet hebben. Ik +ben te leelijk." + +"Je kunt mooi genoeg praten--mijnheer!" zei _Pieter_, met de tanden +op elkaar en bevende van haat. + +"Ja!" antwoordde ik lachende, "maar ik geloof toch wel dat jij beter +kunt minnekoozen!" + +Er kwam geen antwoord. _Pieter_ haastte zich schrikkelijk met kleeden +en liep de trappen af. Toen ik beneden kwam, zat hij veilig onder +de vleugelen van zijne ouders een pijp te rooken, als een Fransch +romanticus zeggen zou: "enveloppé de sa colère". + +Na den ontbijt ging hij in den tuin, ik volgde hem op de hielen. + +"Laat me gaan," riep hij met een gezicht als een oorworm. + +"Neen," zei ik, mijn hand uitstekende; "je moet niet boos zijn, +_Piet_! Wat drommel; is nu 't woord minnekoozen een woord om boos +om te worden? Als ik u was, ik zou veel boozer zijn over het woord +Instituten." + +_Pieter_ glimlachte pijnlijk. + +"Maar weetje wat! Ik zal van de heele zaak niet spreken; maar we gaan +roeien, man; we gaan roeien met de dames. Kanje roeien?" + +"Wel, ik denk ja!" zei _Pieter_ verwaand. + +"Wilje roeien?" + +"Ja wel." + +"Wílje dames vragen?" + +"_Zij_ zullen niet willen." + +"Dat vraag ik niet. Wil _jij_? Hoor reis, _Piet_! Ik beloof je dat +ik discreet zal zijn." + +"Nu ja," zei hij, "ik wil wel." + + + +Het plan werd aan vader en moeder medegedeeld, en er werd besloten +dat wij, behalve _Koosje_, nicht _Christientje_ zouden vragen, eene +jonge juffrouw van drieëntwintig jaar, die zeker gaarne mee zou gaan, +daar zij niets te doen had dan bij een knorrige tante te zitten, +die twee meiden hield en nooit uitging. + +Wij gingen er dus op uit om een schuitje te huren; en nadat wij eerst +bij een schuitenmaker aan de Oostpoort geweest waren, die het zijne +had verkocht "om dat er geen profijt bij was", en die ons naar de +Westpoort zond, waar hij zeker wist dat wij er een konden krijgen; +en nadat wij bevonden hadden, dat er aan de Westpoort niets meer van +boven water stak dan eventjes een klein neusje van den steven, vonden +wij er eindelijk een zeer goed, in het midden van de stad, dat wij voor +een gulden voor een geheelen achtermiddag huren konden. Wij huurden +het dus voor den geheelen achtermiddag van den volgenden dag en kweten +ons vervolgens van onze uitnoodigingen, die op eene innemende wijze +werden aangenomen. Mama _Van Naslaan_ was er voor hare dochter zeer +vereerd mee; schoon zij, geloof ik, wel dacht dat er meer achter zat, +en dat ook dit muisje een staartje hebben zou, en de oude tante hoopte +tienmaal in een half uur dat het niet te koud op het water wezen zou, +wat wij trouwens ook hoopten, schoon Wij het tegendeel vreesden. + +Wij bepaalden onderling dat _Koosje_ meer bijzonder onder de zorgen +van _Pieter_ staan zou, en ik mij meer dadelijk tot den ridder van +_Christientje_ zou opwerpen. Ik kon niet edelmoediger zijn. + +_Pieter_ was dan ook volmaakt in zijn humeur, en tantelief pakte ons +nog dienzelfden dag een mandje met rijnwijn en sinaasappels, [10] +eene verfrissching, frisch genoeg in de maand October. Wij hadden de +dames verzocht mantels mee te nemen. + + + +De andere dag was een allerheerlijkste najaarsdag en alles beloofde +genoegen. Maar toen _Pieter_ des voormiddags van eenige boodschappen, +die hij voor zijn toilet te doen had, thuis kwam, stond zijn aangezicht +akelig bedroefd; hij smeet met de deur, smeet zijn rotting, smeet +zijn hoed, smeet zijn handschoenen. + +"Wat scheelt er aan, amice?" vroeg ik verschrikt. + +"Och, die ellendige _Dolf_!" zei hij, zich tot zijn moeder wendende. + +Nu was er zeker geen menschennaam in de vijf werelddeelen, die in +staat was aan mejuffrouw _Debora Stastok_, en in 't algemeen aan alle +teederhartige moeders in geheel D., een grooter schrik aan te jagen, +dan diezelfde naam _Dolf_, die den niets kwaads vermoedenden lezer +onmogelijk aan iets anders kan doen denken dan aan de volkomener +vormen: _Adolf_, _Rudolf_, of des noods _Ludolf_; maar welke naam aan +mejuffrouw _Debora Stastok_ en, zoo als ik zeg, aan alle teederhartige +moeders in geheel D. niet anders voorkwam dan als een kort begrip +der eeretitels: katäas, straatschender, verkwister, lichtmis, lap, +deugniet en leeglooper; immers hij behoorde aan den persoon, met +wien ik reeds in het koffiehuis de "Noordstar" de eer had gehad +kennis te maken, in één woord aan den heer _Rudolf van Brammen_, +die na in zijn jeugd bekend te hebben gestaan voor een ondeugenden +kwâjongen, die het zijn ouders en zijn meesters te kwaad maakte, alle +avonden puisje vong en alle meisjes om zoenen plaagde, een paar jaren +te Leiden, op naam van Jur. Stud., in dien toestand had verkeerd, +die men aldaar _sjouwen_ noemt, zonder dat zijn vader destijds recht +begreep wat hij er eigenlijk deed dan veel geld verteren, terwijl hem +echter naderhand bleek dat hij behalve die bezigheid ook nog aan de +liefhebberij van schulden maken had toegegeven. Na dien tijd had hij, +nu reeds een jaar of drie, op zijn vaders kosten, die gelukkig een +welgesteld man was, een ander beroep uitgeoefend, hetwelk men (almede +te Leiden) den vereerenden naam van _dweilen_ geven zou, tot groote +ergenis der Deënaars, die veel nieuwsgieriger waren wat er nog eens +van hem worden zou dan de heer _Rudolf van Brammen_ zelf. Hij deed +evenwel geen openlijk kwaad, dronk een redelijken borrel, woonde alle +publieke vermakelijkheden bij, tot het optrekken van de wacht en het +boomrooien op de stadssingels toe; bootste alle publieke personen na, +wandelde veel, biljartte veel, werd veel dik, verkocht vele grappen, +en was zeer populair. + +Het was dus niet te verwonderen, dat mijn tante op het hooren van +den enkelen naam van dezen onmensch een koude rilling over haar rug +gevoelde. Inderdaad, ik geloof dat de haren haar onder de kornet te +berge rezen. + +"Wat is er nu weer met hem gebeurd?" + +"Gebeurd!" riep _Pieter_ mistroostig uit, en zijn oogen vonkelden, +onder zijn bril: "niets gebeurd. Maar hij wil mee uit roeien." + +En hij zag mij stijf in 't gezicht, om mij al de ijslijkheid van deze +Jobstijding te doen beseffen. + +"Als hij maar een dame meebrengt," zei ik--"dan is 't mij wel." + +"Ja, daar komt het door aan. 't Is zijn zuster; die malle +meid! _Christientje_ heeft haar verteld dat ze met _Koosje_, en mij, +en een Leidsch student uit varen ging, en toen wou ze met alle geweld +ook mee. Als _ik_ ook reis wat doen wil!..." + +"_Koosje_, en mij en een Leidsch student!" _Pieter_ zou in ieder +ander geval gezegd hebben: _Koosje_, een Leidsch student, en mij; +maar hij was verliefd, en het lustte hem in deze omstandigheid de +plaatsen aldus te schikken. + +"Hoor reis," zei tante, gerustgesteld door het meegaan van de zuster, +die bij de bevolking van D. eene verontschuldiging was voor de +tegenwoordigheid van den broer: "_Meeltje_ is een heel ordentelijk +meisje, en ze heeft altijd goed opgepast, op school en overal. Daar +moet je niets van zeggen. Ze moeten dan nu maar mee." + +"Och, mijn plezier is er nu alweer af," bromde _Pieter_, en verliet +de kamer, om in zijn vertwijfeling nog wat aan zijn tabellen te +gaan knutselen. + +Ik had ondertusschen de ontmoeting van de contrasteerende heeren _Dolf_ +en _Pieter_ wel eens willen zien. Ik verbeeld mij dat de ex-student +van zijn zuster _Amelie_ in last had, niet om op een dadelijke wijze +haar en zijn eigen persoon aan ons te komen opdringen, maar "als hij +_Pieter_ zoo reis tegenkwam", zoo eens zijdelings te hooren of het +niet wel goed zou zijn dat zij meegingen; iets 't welk zij zonder +twijfel reeds aan _Christientje_ beloofd had _in allen gevalle_ te +zullen doen. Men begrijpt lichtelijk dat _Dolf_ evenzeer overtuigd +was _Pieter_ _in allen gevalle_ tegen te zullen komen, indien namelijk +_Pieter_ zich maar een oogenblik op straat waagde, daar hij gewoon was +ettelijke uren van den dag aan eene stadswandeling te wijden, bij welke +gelegenheid hij in 't geniep aan vele knappe dienstmeisjes oogjes gaf +en bijzonder acht sloeg op alle mooie honden. Nu was het gebeurd dat +hij _Pieter_ net ontmoet had, toen deze, in den meergemelden winkel +van _Van Drommelen_, een paar prachtige puimsteenkleurige glacé +handschoenen had gekocht, met welk paar gezegde _Van Drommelen_ +reeds lang verlegen was geweest, daar niemand het koopen wilde, en +'t welk hij _Pieter_, als naar den laatsten smaak, opdrong. Ik stel +mij voor dat zijn gesprek met een "Je gaat zoo uit varen?" begonnen, +en dat daarop heel gauw gevolgd is: "Jongens, je hadt mij en me zuster +ook wel eens mee kunnen vragen"; waarop _Pieter_, zonder aan eenige +mogelijke verontschuldiging te denken, ongetwijfeld onmiddellijk had +gezegd: "dat 's goed!" + +"Hoe laat _ga_ jelui?" + +"Half vier." + +"Dat is wel wat vroeg; maar 'k zal er wezen. _Amelie_ brengt haar +gitaar mee. Tot van middag!" + + + +Er gebeurde dien dag iets in 't huishouden van mijn oom, dat nog +nooit gebeurd was: het etensuur werd verzet; ook al ten gevalle van +neef _Hildebrand_, die ondanks zijn kamerjapon nogal een witten voet +bij oom kreeg; en toen wij verzadigd waren, ging _Pieter_, onder +vele vermaningen van toch vooral voorzichtig te zijn, _Koosje_, +en ik _Christientje_ afhalen. + +Van alle jonge meisjes nu, die bij oude knorrige tantes zouden +kunnen of willen wonen, was _Christientje_, of laat ik liever zeggen +_Christien_, want zoo werd zij altijd genoemd door die haar kenden, +wel de ongeschiktste. Zij was in haar hart een Jan-Pret, en scheen niet +tegen een kleintje op te zien. Zij greep mijn arm met een zoo fikschen +greep aan, en lachte zoo glunder over 't mooie weer en 't prettige plan +en 't frissche van 't water, dat ik mij heel veel van haar voorstelde, +en alleen maar vreesde dat _zij_ zich te veel voorstelde van de pret. + +Wij hadden het schuitje in den singel laten brengen en derwaarts had +_Keesje_ den rijnschen wijn getorst. Ik kwam juist met _Christien_ +ter bepaalder plaatse, als _Pieter_ er ook verscheen; _Koosje_ ging +nevens hem; hij had haar geen arm durven aanbieden, en zij had werk +zijn groote stappen bij te houden. + +De knorrigheid van _Pieter_ scheen wel wat gezakt te zijn, maar ik +zag ze met nieuwe neteligheid opleven, toen hij den jeugdigen _Van +Brammen_ met zijne zuster en eene meid, die in de eene hand een grooten +huissleutel en in de andere een gemarmerd bordpapieren gitaardoos +droeg, uit de poort en over de brug zag gaan. _Dolf_ had voor deze +gelegenheid een gelen stroohoed opgezocht, die hem vrij gemeen stond, +droeg een bruingeruiten pantalon en een groenen dichtgeknoopten rok +met glimmende knoopen; aan zijne laarzen blonken een paar moeren +van sporen, die hij evenwel, als bij deze gelegenheid minder te pas +komende, had thuis gelaten, en hij had een gelen degenstok in de +hand, die hij om dezelfde reden thuis had _kunnen_ laten. _Amelie_ +wier peettante eigenlijk _Meeltje_ geheeten had, was zeer bijzonder +gekleed. Zij had een spencer aan van paarse zijde, waar een groene +rok onder uitkwam, en een hoedje van dezelfde kleur en stoffe als +haar spencer, waarop zij een witten sluier droeg met een breeden rand +van dezelfde kleur als de rok. Haar kleine voeten staken in nanking +slobkousjes, die haar fijnen enkel zeer wel deden uitkomen. Deze kleine +voet en fijne enkel maakten, benevens hare handjes, de voornaamste +schoonheden van de magere _Amelie_ uit, die een lang bleek gezicht +had, met groote groenachtige zwemmerige oogen, welke zij evenwel, of +omdat zij bijziende was, of omdat zij het schijnen wilde, zoo dicht +toekneep dat men wedden zou dat zij niets zag. Zoo als zij nu naast +haar buikigen broeder voortschreed, maakte zij in mij de gedachte +aan den eersten droom van koning _Farao_ zeer levendig. + +De ontmoeting van de drie dames was uiterst hartelijk en lieftallig; +die van _Van Brammen_ zeer vroolijk. + +"Bonjour, heeren!" heette het.--"Ik heb ongemakkelijk veel gegeten +hoor! Jongens, dat is een knap schuitje; waar haalje dat van daan, +_Piet_? _Hildebrand_, ik heb je nog gezien toen je groen was; je +hadt een kaneelkleur jasje aan, allemachtig leelijk. Kijk hier; een +haakje ook!" En het haakje opnemende velde hij het als een speer, +en maakte de handgrepen van _Pieter_ te willen doorsteken. + +"Heiwat!" zei _Pieter_, die alweer zoo kwaad was als een spin. + +"Hoor reis!" zei _Dolf_, in het schuitje springende: "Ik ben de +dikste, en ik heb van middag zoo veel gegeten; ik zal naderhand +ook wel reis roeien, dat spreekt; maar jijlui moet beginnen; vindje +'t goed, _Hildebrand_?" + +"Best," zei ik. + +Ik nam de taak van ceremoniemeester op mij, en plaatste mij op de +achterste roeibank. _Pieter_ zou vóór mij gaan zitten, en dan op de +zijbankjes, bij zijn rechter knie, het mooie lieve _Koosje_, zijn +eerste liefde, en bij zijn linker de "magere ende zeer leelijke van +gedaante, rank van vleesche, en wier gelijke in leelijkheid niet +gezien was in den ganschen Egyptenlande", met de gitaar onder de +bank. Daarnaast, of naast _Koosje_, naar verkiezing, de vroolijke +_Christien_, die met alles tevreden was; _Dolf_ aan 't roer. + +"Maak 'em nou maar los, vrind!" riep _Dolf_ tegen _Keesje_: "braaf +man! dat mag je reis weer doen"; en het haakje opnemende stiet hij +van wal en stuurde met veel handigheid naar het midden. + +_Pieter_ en ik vielen aan 't roeien; maar het bleek duidelijk dat de +eerstgenoemde het of nooit meer, of in lang niet gedaan had. + +"Je hoeft den singel niet uit te diepen," riep _Dolf_ hem al heel +gauw toe, daar hij de riemen met een hoek van bijna negentig graden in +'t water plantte. "Je moet over 't water scheren als een meeuw, man." + +"Ik weet het heel wel," zei _Pieter_, en hief den rechtschen riem hoog +op, om te _toonen_ dat hij 't heel wel wist, maar vergat den linker, +dien hij zoo mogelijk nog rechtstandiger indoopte, met dat gevolg, +dat de rechterriem bijna geen water raakte, maar wel met hevigheid +tegen mijn dito aansloeg, en hij zoo groot een kracht deed met den +linker, dat de schuit ronddraaide. + +"Ho wat, _Pietje_!" riep de gehate stuurman nu weder, terwijl _Koosje_ +lachte, _Christien_ proestte, _Amelie_ een klein gilletje gaf. "Ho wat, +_Pietje_! je moet er den gek niet mee gaan steken, man; we zouen zoo +wel reis naar den grond kunnen tollen." + +_Pieter_ wenschte van harte, dat _Dolf_ onmiddellijk in 't water +gevallen en naar den grond getold ware. + +Het roeien is zulk een heksewerk niet; het kwaad was spoedig +hersteld en, met hem een weinig te gemoet te komen, kon ik maken dat +_Pieter_ binnenkort al vrij wel slag met mij hield. Wij roeiden den +singel uit en de kleine rivier op, die de trots en de glorie van +D. uitmaakt, en waren spoedig in het ruime. Daar viel het roeien +nog veel makkelijker. De dames vonden het dolprettig op het water, +_Koosje_ was allerliefst, _Christien_ alleruitgelatenst, _Amelie_ +allersentimenteelst. _Pieter_ zelf kwam bij. Maar wat hem zeer hinderen +moest, was dat de beide eersten als aan den mond van _Dolf_ hingen, +die allerlei grappen vertelde, en voor dezen, die toch een _mauvais +sujet_ was, veel meer aandacht overhadden dan voor hem zelven, die +eerstdaags een candidaatsexamen dacht te doen, _summâ cum laude_; een +leed, door menig eerzaam jong mensch onder dergelijke omstandigheden +diep gevoeld. De dames zullen beter weten dan ik, hoe het komt dat +zij er reden toe geven. Maar zelfs het zedige _Koosje_ luisterde met +alle blijken van welgevallen en genoegen, wanneer _Dolf_ nu eens een +liedje zong, dan eens den voorzanger uit de Groote Kerk nabootste, +dan weder zijn stroohoed op een koddige wijs in de hoogte gooide, dan +weder een anecdote vertelde, en nog al dikwijls met veel vrijmoedigheid +en oprechtheid haar een complimentje maakte; en ik zelf vond hem +werkelijk van tijd tot tijd nog al heel aardig. + +Daar nu evenwel de (ik mag wegens hare magerheid haast niet zeggen +vleeschelijke, maar toch eigene) zuster van _Dolf_ met vele van 's +mans grappen bekend was, en ook wegens de nadere bloedsbetrekking +niet zoo zeer van ZEd. gecharmeerd wezen kon als de beide andere +dames, zoo gebeurde het dat zij _Pieter_ in een zeer druk en zeer +poëtisch gesprek wikkelde over de lieve omstreken van Utrecht, +en het lieve Zeist, en het lieve Zusterhuis. Zij verklaarde veel +sympathie met al die soort van inrichtingen te hebben, en zelfs niet +afkeerig te zijn van het denkbeeld van in een nonnenklooster te gaan, +of op zijn minst een Zuster van Barmhartigheid te worden, een soort +van dreigement van meisjes van de jaren en de bloedsmenging van de +magere _Amelie_; en zij overstroomde den goeden _Pieter_, die zich +inmiddels van jaloezie verbeet, met een regen van edele, teedere, +heilige, en smelterige gevoelens; bij welke gelegenheid zij hare +oogen op eene bijzondere wijze wist op te slaan, net precies alsof +zij een goede kennis had in de maan, die alreede als een wit vlekje +aan den hemel stond; dan zuchtte zij ook weer eens, als personen +die een verborgen verdriet hebben; en dan zag zij, bij een of ander +zeer boekachtig gezegde, over _Pieters_ schouder naar mij, die van +het nadeel van op een achterste roeibank te zitten dit voordeel had, +van zoo dikwijls ik wilde het gesprek niet te hooren. + +"Maar wil ik je nou niet reis aflossen, men lieve galeiboeven?" vroeg +_Dolf_ ons met hartelijkheid nadat we een goed half uur geroeid +hadden. "Ik zit hier maar sigaartjes te rooken aan 't roer." + +"Hoor," riep ik hem toe, "ik zal je zeggen wat het plan is. _Pieter_ +heeft me gesproken van een boerderij, waar we aan kunnen leggen om +iets te gebruiken. Daar moeten we welhaast wezen." + +"Ja wel, bij _Teeuwis_," viel _Dolf_ in, met al de snelheid van iemand +die alle dergelijke inrichtingen van buiten kende. + +"En zoo lang moeten _wij_ nog maar aan de riemen blijven. Dan zullen we +wat uitrusten, en dan roeien we langzaam naar de kom terug, die we daar +zoo pas zijn voorbijgegaan. Daar zullen we dan wat in gaan drijven." + +"O ja," riep _Amelie_, "dat is lief; ik ken niets aangenamers dan +drijven." + +"Ja!" zei ik, "en dan zullen we alle weelden vereenigen; wij zullen +zien wat er in ons mandje overbleef, en wat er in uw gitaardoos is." + +"Dat is heerlijk!" riepen de dames. "Ja, _Amelie_, je moet zingen +en spelen." + +"Ja maar, weet je wat," zei _Dolf_, "ik zal ook zingen, hoorje! Ik +ken heerlijke liedjes.--_Amelie_! je moet het niet te veel op de maan +gooien, hoor!" + +_Amelie_ zuchtte over haar broeders ongevoelig hart. + +Nog een slag of vijftig en wij waren aan de boerderij. + +Wij stapten aan wal, tot niet weinig genoegen van _Pieter_, die van +de riemen en van _Amelie_ verlost was. Het eerste deed hem evenwel +bijna nog meer genoegen dan het laatste. Hij had het onverstand gehad, +met zijn puimsteenkleurige glacéhandschoenen te willen roeien, die +nu als vellen om zijn vingers hingen en, daar hij de riemen veel +te stijf had vastgehouden, had hij vrij aanzienlijke blaren in de +handen. _Dolf_ hielp de dames uit de boot, bij welke gelegenheid +hij iets heel streelends van _Christiens_ voetje zei, en een aardig +drukje in _Koosjes_ handje gaf, dat zij beiden wel heel ondeugend, +maar toch niet heel onaangenaam vonden. Hij liet de zorg voor zijne +zuster aan den ongelukkigen _Pieter_ over. + +De schuit werd vastgelegd, en een heldere boerin kwam buitenloopen om +ons welkom te heeten en te zeggen dat we binnen moesten komen. Maar +wij verkozen een tafeltje op de werf te hebben, om immers zoo veel +mogelijk van de frissche octoberlucht te genieten! Dit geschiedde; +en hoewel er 's winters, als er schaatsen gereden werd, van alles te +krijgen was, zoo was er nu niets te bekomen dan melk, die dan ook in +groote glazen overdadig vloeide. Want de wijn werd, op de schikking der +dames, epicuristisch geheel voor de drijvende zaligheid bewaard. _Dolf_ +vroeg onder veel grappen om een beetje jenever met suiker; en _Pieter_ +maakte zijn zakdoek in een kopje melk nat, en hield het verzachtend +vocht tegen de blaren in zijn hand. + +Er was een schommel aan den anderen kant van het huis, en _Dolf_ +noodigde de dames tot zijne genoegens. _Christien_ had er een +dollen zin in, en _Koosje_ ging ook mede, en _Pieter_ volgde +natuurlijk. _Amelie_ hield er volstrekt niet van, en kreeg er "zoo'n +ijselijken steek in de zij" van. Ik bleef dus om haar gezelschap te +houden met haar aan ons tafeltje zitten, dat mij wonder wel beviel, +daar ik moe van 't roeien was, en nog veel roeiens vooruitzag. + +Voor een sentimenteel meisje was er op die werf niet veel te zien. Wij +zaten aan een vrij verveloos tafeltje, waarvan maar drie pooten den +grond raakten, op eenen door kippen en hanen omgewoelden grond, van +een aarden dijkje aan drie kanten omgeven, en hadden het uitzicht op +een vrij groote kroosgroene eendekom, een loods, en een zeker ander +klein gebouwtje. Het duurde een heele poos, eer een kleine leelijke +bastaard van een mop en een fikshond geheel ophield uitvallen van +vijandigheid te plegen; maar wat het tooneel eenige schilderachtigheid +bijzette, waren drie kinderen, waarvan het oudste, een meisje van +een jaar of zes, het kleinste, een wicht van even zoo veel maanden, +op schoot had, terwijl de derde, een jongen van omstreeks vijf jaren +met spierwit haar, op zijn rug op den grond lag. Deze groep bevond +zich aan den rand van de eendenkom, en keek dan eens schichtig naar +ons en dan weer vertrouwelijk naar de eenden + +Het waren deze lieve kinderen, die _Amelie_ in staat stelden al de +liefderijkheid van haar zachtgestemd gemoed te toonen; zij trok dus +den kleinen linkerhandschoen van de kleine linkerhand, en besloot ze +op de innemendste en wegslependste wijze toe te spreken. + +"Wel liefjes! kijk jelui zoo naar de eendjes?" + +De kinderen keken haar strak aan, maar gaven geen antwoord. + +"Hoeveel van die lieve diertjes zijn er wel?" + +Geen antwoord; maar eenige verwondering in 't oog van 't zesjarig +meisje; want op 't boerenland noemt men een eend geen diertje. + +"Hou je veel van de eendjes?" + +Zelfde stilte. + +"Is dat je jongste zusje?" + +Stilte als des grafs. + +_Amelie_ zag dat zij met deze Arkadische kleinen niet vorderde, +haalde de schouders op, en zweeg. + +"Onze zeug het ebigd," zei het meisje opeens, uit zichzelve. + +"Wat _zegt_ het schepseltje?" vroeg _Amelie_, voor wie deze inlichting +volkomen onverstaanbaar was. + +"Zij zegt iets dat haar zeker hoog op 't hart ligt, juffrouw _Van +Brammen_," zei ik, "ze vertelt dat het wijfjesvarken.....in de kraam +is gekomen." + +_Amelie_ kreeg een kleur, voor zoover haar vel daartoe in staat was. + +"Ze zijn in de boet [11]", zei de kleine jongen, zich oprichtende en +een paardebloem plukkende, waarmee hij herhaalde malen op den grond +tikte. "Veertien." + +Ik stelde _Amelie_ voor, de kraamvrouw te gaan zien; want ik vond +het pikant een sentimenteel meisje in een boerenloods bij een zeug +met veertien biggen te brengen. + +Maar zij had er geen zin in, en scheen eenigszins gebelgd over het +voorstel. + +De schommelaars kwamen weerom, met kleuren als boeien. + +"Hè!" zei _Christien_, haar voorhoofd afvegende, "dat 's prettig +geweest; maar _Dolf_ had ons bijna laten vallen. Het ging dol hoog." + +_Pieter_ had niet mee geschommeld, zijne beblaarde handen hadden hem +niet toegelaten de touwen vast te houden; _Dolf_ en _Koosje_ hadden +neus aan neus op het plankje gestaan, en hij had het genoegen gehad +ze op te geven. + +Toen de dames een weinigje waren uitgerust, stelde ik voor weer aan +boord te gaan, om zoo spoedig mogelijk naar de kom te roeien, waar +wij zouden drijven, drinken, en dwepen. _Dolf_ moest op de achterste +roeibank, ik op de voorste, en _Pieter_, met zijn beblaarde handen, +aan 't roer. + +_Christien_, die door 't schommelen door 't dolle heen geraakt was, +had een razenden lust om te gaan wiegelen; maar de gebeden van +_Koosje_ en de zenuwachtige gillen van _Amelie_ weerhielden haar; +en daar _Dolf_ een goed roeier was en ferm slag hield, waren wij +al heel spoedig nabij de kom der genoeglijkheden. Reeds haalde ik +de riemen in, en liet _Dolf_ alleen nog maar met de zijne spelen; +reeds gaf ik mijne aanwijzingen aan _Pieter_, hoe hij het roer +moest wenden om de kom in te draaien, toen de liefderijke _Amelie_ +eensklaps aan den rechter-oever een plantje of zes nog laat bloeiende +vergeetmijnieten in 't oog kreeg en uitriep: + +"Och, mijn lieve mijnheer _Stastok_, wilje me een groot plezier +doen, stuur dan reis even naar die vergeetmijnietjes; ik ben dol +op vergeetmijnietjes!" + +Haar wensch geschiedde, en wij waren in een oogenblik bij de +hemelsblauwe bloemekens, waarvan de vraag was. _Amelie_ plukte ze allen +op een na af, en deelde ze aan al de leden van het gezelschap uit, +zoodat wij in een oogenblik ieder met zulk een levend albumblaadje +in ceintuur of knoopsgat pronkten. + +Toen wij nu zoo mooi waren, wilden wij weer heen; maar de schuit +scheen nog veel grooter liefhebster van vergeetmijnietjes dan _Amelie_ +zelve; want haar gehechtheid strekte zich letterlijk uit tot de struik +waarvan zij waren geplukt, tot het stuk grond waarop zij gebloeid +hadden. Met andere woorden: wij zaten op land. + +Te vergeefs, zoo wij poogden los te raken: de schuit zat vast en +bleef vastzitten; er scheen geen verwikken aan; het speet _Amelie_ +"verschrikkelijk" dat zij de oorzaak van dit oponthoud was; _Christien_ +vond het daarentegen "ijselijk aardig"; wij manspersonen werkten ons +half dood, en zaten dan weer een oogenblikje neder om krachten te +herkrijgen. In een van die tusschenpoozen begon _Dolf_ ons bij den +Zwitserschen Robinson te vergelijken. + +"Hoor eens," zei hij, "_Koosje_! als we hier voor eeuwig blijven, +moeten, dan trouw ik met jou, hoor!" En hij maakte een beweging; +om haar de hand te kussen. + +Op dit gewichtig oogenblik was het dat de merkwaardige _Petrus +Stastokius_ Junior een Simsonsverzuchting slaakte, den haak in edele +verontwaardiging opnam, tegen den wal zette, en er met zooveel geweld +en zoo groote inspanning van krachten op neerviel, dat de schuit +plotseling losraakte en achteruitstoof, terwijl de edele bewerker van +dit voorval zelf voorover in het water stortte. Daar lag hij; alleen +zijne laarzen waren nog aan boord; de panden van zijn jasje zweefden +boven de golven, en de merkwaardige _Petrus Stastokius_ Junior, zich op +zijne handen op den bodem des waters ophoudende, hield het beslikte, +maar nog altijd gebrilde gelaat niet dan met moeite boven. Zijn hoed +dobberde op de ongewisse baren. Het was verschrikkelijk. + +Een ieder, die ooit in de zaligheden van een roeischuitje met +de schoone sekse heeft gedeeld, gevoelt welk een uitwerksel de +plotselinge indompeling van _Petrus_ op onze dames maken moest. Hij +hoort ze allen gillen, hij ziet ze allen opstaan, elkander, en ook +zelfs ons, in de armen knijpen, en zeggen: "O G..!" Zijne verbeelding +slaat alle pogingen gade, die zij gezamenlijk aanwenden om zoo mogelijk +een nog grooter ongeluk te krijgen... Welnu, hij heeft een denkbeeld +van onzen toestand. + +"Zitten!" riepen _Dolf_ en ik tegelijk; "in 's hemels naam, +blijft zitten!" en in een oogenblik staken wij de riemen aan +bakboordzij in den grond, om het verder afdrijven van het schuitje +te beletten. "_Pieter_, jongen! je bent nou toch nat; we zullen je +met het schuitje volgen, zoodat je de beenen niet hoeft na te halen; +kruip maar op je handen naar wal." + +Hij deed als hem gezegd was, en in een oogenblik was hij op het +terrein der gezegende vergeetmijnietjes. + +_Pieter_ was kopje-onder geweest en tot het midden doornat. Hij +zag er hartverscheurend uit; zijn druipend haar, zijn bleek en +verwilderd gezicht, zijn zwarte, beslijkte handen!--Er was een algemeen +medelijden; zelfs _Dolf_ deelde er in. De drenkeling werd in de schuit +opgenomen, en er werd besloten naar de boerderij terug te varen om hem +te drogen. Het zou dan wel te laat worden om in de kom te drijven, +maar wij zouden nu in de boerderij onze ververschingen gebruiken en +daarna, stevig door, naar huis roeien. Eerst nog werd de hoed van +_Pieter_ achterhaald, en weldra zag de glundere boerin ons terug. + +"Ze had wel docht," zei ze, "dat dat heerschop een ongeluk krijgen +zou; want hij had er al-an dat ie bij de schoppel staan hadde zoo +kniezerig en zoo triesterig uitzien, dat ze al in haar aigen zeid +hadde: nou! dat komt nooit goed of met dat heerschop! Maar ze zou maar +flussies wat raizen opgooien, en dan zoudie wel gauw weer hielkendal +op-eknapt zain; as meheer een hemd van haar man an wou hebben; meheer +had maar te spreken," enz. enz. + +Wij lieten _Pieter_ aan hare zorgen over en begaven ons naar de werf. + +Het was ondertusschen halfzes geworden en, schoon 't nog zeer licht +was, de zon was al ondergegaan en wij konden ons nog alleen in den +kouden naglans verheugen. Het bleek nu welk een dolle streek het +eigenlijk was, in de maand October na den middag een watertochtje te +beginnen; er stak een zéér koel windje op, en wij vonden 't beter +binnen te gaan. Wij werden alzoo in het beste vertrek van 't huis +gelaten, waar het pronkbed was, een friesche klok en een dambord +hingen, en vier schilderijen aan den wand ons de geschiedenis van +Willem Tell herinnerden, om niet te spreken van een dier tabelletjes, +welke men verkorte uitgaven van Trommius zou kunnen noemen, en waarop +men lezen kan hoeveel kapittels, hoeveel verzen, hoeveel ende's in +den bijbel staan, en dergelijke wetenswaardige dingen meer. Zulk +een hing er in een verguld lijstje. Hier zetten wij ons op de matten +stoelen neder en begonnen, nadat _Amelie_, die het op haar zenuwen +zeide te hebben, een weinig bedaard was, rijnschen wijn te drinken +en sinaasappelen te eten alsof het een lauwe avondstond in Juli +geweest ware. + +Daarop kwam de gitaar binnen, die in onze omstandigheden waarlijk een +heele vervulling was; want indien het waar is dat muziek en zingen +menige recht prettige bijeenkomst storen en bederven, zoo moet men +ook zeggen dat er niets beters is om een niet prettige bijeenkomst +of mislukte partij aan den gang te houden, dan juist diezelfde muziek +en zang. + +_Amelie_ zong verscheidene Duitsche romances, en zong ze waarlijk vrij +goed; maar zij bracht er, tot haar aanmerkelijk nadeel, al die kleine +behaagzieke naïveteiten bij te pas, die een mooi meisje goed staan, +maar die een leelijk meisje als _Amelie_ nog leelijker en metterdaad +belachelijk maken. Zeker had onder dit boerendak nog nimmer zoo +teergevoelig een liedje geklonken, als de bleeke _Amelie_, met de +vergeetmijnietjes aan haar boezem en den gitaar met het lichtblauwe +lint op de knie, er menigeen voortbracht; en ik was juist in deze +bespiegeling verdiept, toen zij met lange uithalen een zeer teedere +liefdeklacht met de dubbele herhaling van den laatsten regel besloot, +die gedurig lager en doffer werd: + + + Zum kühlen Grab, + Zum kühlen Grab, + Zum kühlen Grab, + + +totdat haar stem op eens weer zeer hoog uitschoot, met dezelfde +woorden: + + + Zum kühlen Grab, + + +toen het lied werd afgewisseld door een goede, ronde, vroolijke +boerinnestem, die van buiten kwam met het liedje: + + + Klompertjen en zijn wijfje, + Die zouwen vroeg opstaan, + Om eiertjes te verkoopen + En na de markt te gaan. + + Ze waren halverwege, + Halverwege den dijk, + Daar braken al der eiertjes, + En 't bottertje viel in 't slijk. + + Het speet er niet om de eiertjes, + Maar om er mooien doek, + Die ze gisteren nog gemaakt had + Van Klompertjes beste broek. + + +"Dat's een weergaasch aardig liedje," zei _Dolf_, het venster +openstootende en de dikke boeremeid aansprekende, die hare "purperen +armen", als _Rotgans_ het uitdrukt, in de rookende waschtobbe stak, +en het liedje van Klompertje waarschijnlijk gezongen had; "dat's een +weergaasch mooi liedje, _Trijntje_!" + +"Ik hiet geen _Trijntje_!" zei de meid, schalk omkijkende. + +"Hoe hietje dan?" riep _Dolf_, wien 't maar te doen was om een naam. + +"Dat weet me moeder wel, hoor!" zei de meid, lachende en eene rij +van de witste tanden zien latende, die ooit een boerinnemond versierd +hebben. + +"Kenje meer zulke liedjes, zoete?" vroeg _Dolf_. + +"Loop," zei de boeremeid, wier naam haar moeder wel wist--"ik heb +niet zongen; wat verbeel jij je wel?" + +"Dat raam tocht vreeselijk," merkte _Amelie_ aan, die deze samenspraak +om duizend redenen weinig beviel. Maar nauwelijks was het raam toe, +en had _Dolf_ nog eens ingeschonken, of er klonk een nog vroolijker +liedje uit den mond der frissche deerne; en wij luisterden allen: + + + Dans, nonneke dans! + Dan zei ik je geven een muts. + Neen, zei dat aardig nonneke, + Ik heb er een van me zus. + 'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen, + Dansen is men order niet; + Nonnen, paters, paters, nonnen, + Nonnen, paters dansen niet. + + Dans, nonneke, dans! + Dan zel ik je geven een huis. + Neen, zei dat aardig nonneke, + Daar ben ik niet van thuis. + 'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen, + Dansen is men order niet; + Nonnen, paters, paters, nonnen, + Nonnen, paters dansen niet. + + Dans, nonneke, dans! + Dan zel ik je geven een zoen. + Neen, zei dat aardig nonneke, + Daar wil ik 'et niet voor doen. + 'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen, + Dansen is men order niet; + Nonnen, paters, paters, nonnen, + Nonnen, paters dansen niet. + + Dans, nonneke, dans! + Dan zel ik je geven een man. + Toen zei dat aardig nonneke, + 'k Zel dansen al wat ik kan. + 'k Wil wel dansen, 'k zel wel dansen, + Dansen is men order wel; + Nonnen, paters, paters, nonnen, + Nonnen, paters dansen wel. + + +En nauwelijks was het liedje uit, of _Rudolf van Brammen_ gaf een +fikschen klap op zijn stroohoed, zoodat hij in plaats van boven op +zijn hoofd te staan, op zijn linker wang kwam te hangen en, zijn +weemoedige zuster om haar paarsen spencer grijpende, tilde hij haar +van haar stoel op, en walste ondanks haarzelve een toertje met haar +door de kamer, onder het herhalen van het refrein: + + + Nonnen, paters, paters, nonnen, + Nonnen, paters dansen wel. + + +De levenslustige _Christien_ stiet _Koosje_ aan, en de beide meisjes +lachten achter haar zakdoek. + +_Amelie_ zeeg "doodaf", en waarschijnlijk met een halfhonderd steken in +haar zij, op een stoel neder, maar op dit oogenblik ging de deur open, +en de vroolijke _Dolf van Brammen_ schoot met dezelfde uitgelatenheid +op den persoon van _Pieter_ af, die met een wijd duffelsch buis aan, +een roode bouffante van _Teeuwis_ om den hals, en een pakje nat goed, +in zijn zakdoek samengebonden, onder den arm, binnentrad; en denzelven +_Pieter_ oogenblikkelijk bij de linkerhand grijpende en zijn eigen +rechter om _Pieters_ midden slaande, die vruchteloos zich poogde los +te worstelen, galoppeerde hij met hem door de kamer, onder het juichen +van die zelfde regels, die hem zoo bijzonder schenen te bevallen. + +"Laat me los, _Van Brammen_!" riep _Pieter_, voor de eerste maal sedert +ik hem kende zijne manlijkheid toonende; en met een fikschen zwaai +wierp hij, vonkelende van woede, den op zulk een krachtsbetooning niet +verdachten _Dolf_ van zich af en bijna tegen den muur. Deze evenwel, +zonder zijne bedaardheid te verliezen, greep zijn degenstok op, +stak den van zichzelven verbaasden _Stastok_ den knop toe: + +"Wil je vechten, kereltje? Ook goed. Trek reis aan dien stok! Zie zoo; +jij den degen, en ik de schee: kom aan, _en garde, droit au fond_, +asjeblieft!" En, zich in de positie stellende van iemand die schermen +gaat, begon hij eenige parades te maken. + +De dames waren zeer onthutst; maar _Christien_ kon haar lachen toch +niet laten, en _Amelie_ was half in haar schik dat zij een zoo romanesk +geval bijwoonde. + +Ondertusschen leverde _Pieter_, met zijn fijnen stalen bril, zijne +bouffante, zijn duffelsch wambuis, en het opgedrongen rapier vrij +onhandig in de hand, een zeer zonderling schouwspel op, de teekenpen +van een _Cruikshank_ overwaardig. Maar de pose duurde niet lang; +hij wierp het staal verachtelijk weg. + +"Ik wil geen ruzie maken," zei de edelmoedige _Pieter_. + +"Daar hebje wèl gelijk in," antwoordde _Dolf_. + +Op dat belangrijk oogenblik hoorde men een geluid alsof er een +flesch werd opengetrokken, en daarna een ander alsof er een glas +werd ingeschonken. Nog ééne seconde, en _Hildebrand_ bood den +beiden kampioenen twee ongelijke bekers aan en de eervolle vrede +werd gedronken. + + + +Het was ondertusschen hoog tijd om te vertrekken. Aan vóór boomsluiten +thuis te zijn was geen denken; maar het was in geen geval noodig, +daar wij verlof hadden het schuitje buiten den boom te laten, en er +een knecht komen zou om de riemen af te halen. Maar toch moesten wij +ons wegens den vallenden avond haasten. _Christien_ wilde dolgraag +ook zelf eens roeien, en _Amelie_ gaf voor, gaarne eens aan 't roer +te willen zitten. _Dolf_ ging op de achterste bank. Op de voorste +kwam de vroolijke _Christien_ mij helpen en nam een der riemen zeer +handig op. Zij kon tot dit werk haar mantel niet gebruiken, en stond +er (ik geloof meer uit ondeugendheid dan uit medelijden) op, dat de +gemelde drenkeling dien nog over zijn duffel zou aandoen. Het was +een schotschbonte. _Pieter_ liet zich bewegen; en in dat gewaad zette +hij zich aan _Koosjes_ zijde in het schuitje. + +_Amelie_ keek naar de lieve maan en de lieve sterren. _Dolf_ roeide +en rookte om 't zeerst. _Christien_ had allerlei vroolijke invallen +en plagerijen met mij. _Pieter_ was dus met het voorwerp zijner +genegenheid zoo goed als alleen. _Koosje_ scheen zeer lief voor +hem. Verscheidene malen hielp zij hem zich te beter in de plooien +van den mantel wikkelen, en meer dan eens zag ik dat zij hem met +een innig medelijden aankeek. Hij schoof dan ook inderdaad gedurig +dichter en vertrouwelijker naar haar toe. Zijn gelaat luisterde op, +en hij scheen werkelijk een teeder en aandoenlijk gesprek met haar +te hebben aangevangen, als ik opmaakte uit de zinrijke woorden, +die ik tusschenbeiden op kon vangen, als daar zijn: "weetje nog wel +van"--"blijde dagen"--"nooit zoo gelukkig meer worden"--"veel aan +denken", en wat dies meer zij. + +Dit duurde zoo voort totdat het ongeluk wilde, dat de heer _Rudolf +Van Brammen_ zijn laatste sigaar had uitgerookt, en dus een ander +tijdverdrijf behoefde. + +"Kijk reis aan!" riep hij, het overschot in 't water gooiende, +"kijk reis aan! _Pieter_ zit waarlijk te vrijen." + +_Pieter_ bloosde en wierp een grimmigen blik ter zijde uit op den +spreker, volmaakt als een schichtig paard, dat op den straatweg een +hondewagen tegenkomt.--_Koosje_ bloosde, keerde zich om, en vroeg +onmiddellijk aan _Christien_: "of ze niet moe werd van het roeien?" + +Het was gedaan met _Petri Stastokii_ Junioris zaligheid; en daar ik +naderhand nooit van eenige verstandhouding tusschen hem en _Koosje +van Naslaan_ heb gehoord, maar veeleer vernomen heb dat _Koosje van +Naslaan_, in den laatst verleden herfst op haar vaders zilveren +bruiloft plechtig is verloofd geworden aan een jongen wijnkooper +uit een naburige stad, zoo houd ik het er voor, dat hier de droevige +geschiedenis der eerste en teedere liefde van _Petrus Stastok_ Junior, +student in de rechten aan de hoogeschool te Utrecht, en tegelijk die +van 's mans eerste minnekoozerij, een einde neemt. + + + +Wij waren spoedig thuis, en toen ik den anderen dag te elf uren op +de gele diligence zat, die van E. over D. naar C. rijdt, had ik voor +lang afscheid genomen van mijn oom en tante _Stastok_, en van al de +kennissen die ik te D. gemaakt had; het laatst evenwel van _Keesje_, +die mijn koffertje gekrooien, en van _Pieter_, die mij naar "de +Rustende Moor" vergezeld had; terwijl ik, buiten de poort komende, +nog gelegenheid had om uit het portier een groet toe te werpen aan +den heer _Rudolf van Brammen_, die reeds dáár was om naar de oefening +van een paar pelotons recruten te zien, die met bevende handen eene +gezwinde lading ondernamen, waar zij ruim zooveel tijd aan besteedden, +als hunne nijdige sergeanten tot die in vier tempo's noodig hadden, +en waarover de bejaarde tweede luitenant een waakzaam oog hield. + + + + + + + +VAREN EN RIJDEN. + + +Men is bezig in mijn vaderland spoorwegen aan te leggen. Het heeft +lang geduurd eer men er toe komen kon. De plannen varen bij ons te +lande altijd nog met de trekschuit; de lijn breekt wel zesmaal eer +zij hunne bestemming bereiken: eindelijk komen zij er toch; maar +hemel! wat duurt het lang eer de bagage aan wal en te huis is; eer +de koperen stoof en de schanslooper en de parapluie aan den kruier +zijn terhandgesteld. Wat mij betreft, ik ben een Hollander van +ouder tot ouder, maar ik heb, bij andere onvaderlandsche ondeugden +een recht onhollandsch ongeduld; schoon ik mijzelven het recht moet +doen te verklaren dat er niemand zijn kan, die met meer kalmte dan +ik een lieve vrouw een streng breikatoen of zijde helpt uit de war +maken. Trouwens, dat is ook geheel iets anders. Voor al wat doen is +heb ik het meestmogelijke geduld; voor langzaamdoen heb ik eerbied; +maar nietdoen verveelt mij verschrikkelijk; ik kan niet wachten; +geen lijdelijkheid! Het leven is er te kort en mijn bloed te gauw +voor. "Festina lente!" Recte, sed festina!--Wat in 't bijzonder +de spoorwegen aangaat: ik zit er sedert jaren pal op te wachten; +niet omdat ik er een commercieel of financiëel belang bij heb; niet, +omdat ik er een weddenschap over heb aangegaan; maar alleen omdat er +tot nog toe geen middel van vervoer bestaat, dat mij bevalt, zoo met +eigen rijtuig en postpaarden, waar ik, om voor mij zeer gewichtige +redenen, slechts zelden gebruik van kan maken. + +Voor zoover de trekschuit aanbelangt, heb ik mijn gevoelen reeds, +half verraden. 't Is waar, men kan er in lezen, domino spelen, +dammen en, zoo de schipper inkt aan boord heeft en gij eene pen +hebt medegebracht (want de zijne is tot boven toe zwart), zelfs +schrijven; ofschoon op te merken valt dat het tafeltje in de roef +daartoe wat te ver van de zitplaats verwijderd is. Maar met dat +al: zoo gij beweert dat gij er op uw gemak zijt, houd ik u (met +uw verlof) voor een mismaakt schepsel, voor een kleinen krates, +niet hooger dan mijn knie; althans zeker niet voor een kerel van +vijf voet zeven duim, als uw onderdanigen dienaar. Dan is er iets +weeheidaanbrengends in de beweging der schuit, dat uw belangrijkst +boek vervelend maakt, en uw esprit de jeu verflauwen doet,--maar +vooral is er in de trekschuiten een praatgenius van een ellendig +soort. De schuitpraatjes bestaan geregeld uit dezelfde ingrediënten en +vallen eenstemmig in denzelfden toon. Schuitanecdoten zijn volkomen +onverdragelijk; en dan dat afgrijselijk dikwijls herhaald gevraag: +"hoe ver zijn we al, schippertje?" en het eeuwige: "dat betalen +moest je afschaffen", als de man om zijn geld komt!--Veroordeel de +passagiers niet te lichtvaardig, zoo zij tot zulk eene laagte van +geest afdalen. Neem zelf een "plaats in 't roefje", en gij zult zien +dat gij onwillekeurig even diep kunt zinken. Zoodra men de trekschuit +binnenstapt en het deurtje doorgekropen is, en zijn muts opgezet, +en zijn hoekje gekozen heeft, is het alsof er vanzelf een geest van +bekrompenheid, van kleinheid op ons valt. Zoodra dat graf zich over +ons sluit, schaamt men zich geene enkele flauwheid meer. Men gevoelt +lust om met belangstelling te spreken over het schelen der klokken, +den prijs der levensmiddelen, of al weder het gewichtig vraagpunt +te behandelen, of het na het middagmaal beter is te gaan wandelen of +wel een dutje te doen. Men heeft behoefte om te zeuren en te talmen +over nietigheden. Ja, zoozeer beheerscht u de demon der plaats, dat +hij u maar al te dikwijls verleidt, de afgezaagde voordeelen van een +trekschuit op te sommen! Ook zult gij uwe reisgenooten altijd belang +hooren stellen in het getal schuiten en diligences, die op een zelfden +dag dien weg maken.--De treurige benauwde indruk, waaraan gij lijdt, +wordt nog verergerd door de lectuur van het tarief, door het zien +van het koperen blakertje, het driekante blikken kwispedoortje en +alle verder klein huisraadje, en van de gewichtige voorzichtigheid +waarmee de schipper eerst een sleutel uit zijn zak haalt; ten tweede +het laatje van de tafel opensluit; en eindelijk ten derde, er een +lange pijp uitkrijgt. Ik geloof niet dat iemand ooit ééne geestige +gedachte gehad heeft in een trekschuit. Integendeel: de roef is de ware +atmosfeer voor alle mogelijke vooroordeelen, de geschikte bewaarplaats +van alle verouderde begrippen, de kweekschool van allerlei leelijke, +lage gebreken. Daar zijn voorbeelden van menschen, die door te veel +in trekschuiten te varen, lafhartig, kruipend, gierig, koppig, en +kwelgeesten zijn geworden. + +Over het algemeen is de roef alleen geschikt voor de lieden, die er +voornamelijk het personeel van uitmaken, als daar zijn "fatsoendelijke" +handwerkslieden die een teutig bedrijf hebben, zooals ivoordraaiers en +horlogemakers; goede luidjes die een erfenis gaan halen, de vrouw met +een broodje in den breizak, de man met een snuifdoos met speelwerk; +jeugdige koekebakkers, die niet weten willen dat zij 't zijn, met +een soort van constellatie op de borst, bestaande uit drie gewerkte +koperen overhemdsknoopen en een schitterende doekspeld met een gelen +steen à facettes geslepen, veel te groot om echt te wezen; kleine +renteniertjes van vijftig tot zestig jaar, die zilveren pijpedoppen in +palmhouten akertjes bij zich hebben; eerlijke boekhouders, die vijf +en twintig jaar op een zelfde kantoor hebben gediend, en ten bewijze +van dien, een zilveren tabaksdoos toonen met inscriptie; moeders met +slapende kinderen, en die er "eentje t'huis gelaten hebben, dat nog +maar acht jaar oud is, en al Fransch kan"; breiende huishoudsters, +die "uwé" en "ik heeft" zeggen; kameniers, die voor hare mevrouwen +door willen gaan en van _ons_ Buiten spreken, waaraan zij bij een of +andere brug moeten worden afgezet, en waar, tot haar groote beschaming, +een tuinmansknecht ze met een zoen ontvangt; halve zieken, die een +"_profester_" gaan raadplegen; juffrouwen, die de vracht met een +dertiend'half en een pietje passen; grappenmakers, die de geestigheid +hebben over de verschrikkelijke gevaren te spreken, die de reis in +trekschuiten inheeft; en ongelukkigen, die niet onder dak kunnen komen, +tenzij ze aan een volgend veer "de schuit van achten nog halen kunnen"; +om niet te spreken van de "groenen", een soort van schuwe insecten, +die in de maand September alle de vaarten, die op akademiesteden +uitloopen, vergiftigt. + + + +Het personeel der diligence heeft een geheel ander karakter; over +'t algemeen staat het meer op de hoogte van zijn eeuw. Il a plus +d'actualité. Maar tevens is er meer verscheidenheid. Op de diligence +reist gij met officieren in politiek; met studenten; met heeren die +naar een audiëntie gaan; met schoolopzieners en leden van provinciale +commissiën; met mannen van de beurs; met paardekoopers en aannemers in +wijde blauwlakensche cloaks; met handelreizigers, schitterende door +een breeden ring aan den voorsten vinger (meestal met een amethist); +zij rijden achteruit, zijn zeer familiaar met de conducteurs, kennen de +paarden bij naam en vergelijken voor u de betrekkelijke verdiensten der +verschillende postwagenondernemingen; met dichters, die _een lezing_ +gaan doen; met fiere dames, die 't half beneden haar stand rekenen in +diligences te reizen en zich door stuurschheid van dien hoon wreken; +met jonge meisjes, die verlegen worden en 't half kwalijk nemen als een +vreemd heer beleefd jegens haar is; met weldadige tantes, die aan de +plaats harer bestemming door een half dozijn kinderen, die zij sinds +jaren bederven, worden opgewacht; met koopvaardij-kapiteins met lange +Curaçaosche sigaren; met jagers, die meer bezorgdheid voor hun geweer +dan voor uwe teenen koesteren; met woelwaters, die eeuwig tusschen +de wielen zitten en u opsommen hoeveel land zij in ééne week gezien +hebben; met een nauwgezetten heer, die uit gehoorzaamheid aan zijn +lootje op nummer 1 _Moet_ zitten; met een dikken, aanborstigen heer, +die alles open wil hebben, en met een dunnen, spichtigen heer, die +den kraag van zijn jas opslaat, diep in een bouffante kruipt, van 't +"méchante weer" spreekt, en u wil laten stikken; met individu's, die +zichzelven voor bemind vleesch houden en overal kennissen aantreffen; +met ontevredenen, die over alles knorren; dikwijls met een kind, +dat een halve plaats beslaat, of een hond waarvoor gij bang zijt, +te veel, en dikwijls, o! zeer dikwijls! met een beleefd mensch te +weinig.--Ziedaar den gewonen inhoud eener diligence! + +Onder deze lieden zijn er zeker vele, die tot de ongerieven van deze +manier van reizen moeten gerekend worden, en ik stel voor, hen in +drie klassen te verdeelen, en alzoo te brengen tot: + + + Slapers, + Rookers, + en Praters. + + +De Slapers staan bij mij op den laagsten, den minst schuldigen trap van +overlast. Hunne onaangenaamheid is voor drie vierden negatief. Maar, +ziet ge, zij snorken somtijds;--en hatelijk zijn zij, als men ze +voorbij moet met in- en uitgaan op de pleisterplaatsen,--en eindelijk, +ze worden hoe langer hoe breeder! Hunne posteriores, hunne ellebogen, +hunne knieën, alles zet zich uit;--en ik heb gereisd met slapende +passagiers, die zich op een tocht van nog geen vier uren tot het +dubbel van hun omtrek hadden uitgebreid. Voor het overige moet ik +hen wel dragelijk vinden, aangezien ik den meesten tijd de eer heb +tot hunne klasse te behooren.--Volgen de Rookers! Daar was een tijd, +mijne vrienden! maar toen waren de Goudsche pijpen nog fatsoenlijk, +en de blikken sigaarkokers en zilveren pijpjes nog in de mode; dat +geen welopgevoed man, geen commis-voyageur, geen kwajongen zelfs +(dat wel het onbeschaamdste slag van wezens is!) een blad tabak zou +hebben aangestoken, zonder eerbiedig te vragen: "zal het niemand" +of althans: "zal het de dames niet hinderen?" Hoe ook binnen 's +kamers aan de pijp (die nu eenmaal den toenaam van "vaderlandsche" +verkregen had) verslaafd, buiten 's huis rookte men niet dan bij +gedoogen en goedkeuring met algemeene stemmen en, mocht men die +wegdragen, men maakte er met kieschheid gebruik van; men rookte met +zekere bedachtzaamheid, kleine wolkjes! Dit alles heeft tegenwoordig +geen plaats meer. Ik zie de beschaafdste, de galantste, de humaanste +onzer jonkers, de schuwste en beschroomdste onzer burgerheeren, de +gemaniëreerdste onzer kantoorklerken met vest en sousvest, sans façon, +met lichterlaaie pijp en brandende sigaar de trede van het rijtuig +ophuppelen en, nadat ze vijf of tien minuten hebben zitten dampen, +ter nauwernood vragen, niet: "zal 't niemand", maar: "'t zal immers +niemand hinderen?" en zonder antwoord af te wachten, of zich te storen +aan het hoesten van het liefste meisje der wereld, zoo 't het ongeluk +heeft van niet mooi te zijn, met hun stankfabriek voortgaan. Onze dames +("zachtmoedig als ze zijn!") durven ook nooit meer neen zeggen.--Ik--o +vloek dien ik op mijn hals haalde, en weer op mijn hals haal door +het hier te vertellen; (bij de heeren, maar vooral bij de heele +jonge heeren: ik ken er eentje dat verschrikkelijk is!) ik.... heb +ééns neen gezegd. 't Was tusschen Haarlem en Leiden. Waarlijk, al de +raampjes waren gesloten, en toch moesten er twaalf menschen ademen +en zes sigaren in 't leven blijven; maar hoe werd ik mishandeld door +den man die naast mij zat, en die dan iets op mijn hoed, en dan iets +op mijn regenscherm, en dan iets op mijn voeten, en dan weder iets +op mijn mantel, en dan weder iets op volstrekt niets te zeggen had; +waarlijk, ik was mijn leven niet zeker.--Ook is de geheele wereld +tegenwoordig op den voet van tabakrooken gebracht; die kunst behoort +volstrekt tot het openbare leven, en al haar toestel is zoo portatief +mogelijk gemaakt; ieder rijtuig is aan tabaksvervoer dienstbaar; +alle sierlijke uitvoerigheden der rookkunst zijn ingekort;--geen +klassieke, langwerpige, sineesverlakte tabaksdoos meer met de +handteekening van den eigenaar in het deksel, maar tabakszakken +van een vieze varkensblaas gemaakt, met een rood riempje aan het +knoopsgat opgehangen. Om de waarheid te zeggen, zijn alle rokszakken +tabakszakken, en wanneer gij een gezelschap fatsoenlijke heeren +van onderscheiden kaliber en verdienste bijeen ziet, kunt gij er +altijd op aan, dat zij door elkander gerekend stellig zes of acht +stuivers waard zijn, alleen aan sigaren die aan hun lijf zullen +worden gevonden. Geen kiesch sigaarpijpje meer, hetzij recht of +gebogen, waardoor de rook als 't ware werd overgehaald,--neen, +het afzichtelijk rolletje wordt, zoo als het uit de besp..kselde +vingers van den tabaksverkoopersjongen komt, uit een papieren zakje +te voorschijn gebracht en in den mond gestoken, opdat men er een +tweevoudig genot van zou hebben, om van tijd tot tijd bezabberd en +beknabbeld over te gaan in de handen van een ieder, die er een onzuiver +vuur aan wil ontleenen. Geen reine, blanke Goudsche pijpen meer met een +voorzichtig dopje gewapend; maar een leelijk, slangachtig, stinkend, +pruttelend, door en door van vuiligheid doortrokken moffentuig. En +dan die nieuwmodische zwavelstokjes, daar een mensch van opspringt +als ze afgaan, en die een stankgas ontwikkelen, waarvan iemand het +hart in het lijf omdraait! O, wanneer al deze schrikbeelden mij voor +den geest komen; als mijn gedachte zich hier, in de zuivere atmosfeer +van mijn studeervertrek, waar, sedert mijn haard goed is uitgebrand, +niets is dat de verhouding van eenentwintig deelen levenslucht tot +negenenzestig deelen stiklucht (nieuwste berekening) stoort; als, zeg +ik, mijne gedachte zich hier in al die gruwelen verdiept, en wanneer +ik bedenk dat ik nog dikwijls, zeer dikwijls in mijn leven mij die +indompeling in het dampbad van kruiden van allerlei hoedanigheden zal +moeten getroosten: dan waarlijk sluit mij het hart en beklaag ik mij +over de wreedheid van mijn natuurgenooten--en--half en half over de +zwakheid van mijn maag en de kieschheid van mijn gehemelte, die mij +niet vergunnen (als onze vaderen zeiden) "toeback te suygen". Want +gelijk men dieven met dieven vangen moet en leugenaars met leugens +tot zwijgen brengen, zoo moet men, wordt er gezegd, ook rooken om +rookers te kunnen uitstaan. + +Ik kom tot de Praters, de babbelaars bij uitnemendheid. Zij zijn +daarom erger dan de Rookers, omdat zij uw beter deel, uw hoofd en hart +grieven, wat de laatste niet doen, tenzij ze u knorrig maken,--maar! ik +hoop nogal dat gij een wijsgeer zijt. De Rookers maken u ziek, de +Praters ongelukkig. 't Is waar, gij behoeft hen niet aan te hooren; +maar wie heeft lust om een volslagen lomperd te zijn? Gij kunt u +houden alsof gij slaapt; dikwijls ook richten zij het woord niet eens +tot u: maar dan spreken zij zooveel te luider tot uw buur- of tot uw +overman; ja, er zijn er, die hun schelle stem er op geoefend hebben, +de stootendste wielen, de rammelendste portieren te overschreeuwen! + +Stooten en rammelen! o Dat men in een land als het onze, waar de +straatwegen zoo uitmuntend zijn, zulke slechte diligences maakt en +gedoogt! Doch hier breng ik u de eer, die u toekomt, edele _Van Gend +en Loos_, _Veldhoest en Van Koppen_, warme menschenvrienden! In uwe +wagens zit men op breede banken; de plaatsen zijn ruim; de kussens en +ruggestukken welgevuld; de bakken diep; de veeren buigzaam; de wielen +breed; de portieren niet tochtig; de raampjes bescheidenlijk zwijgende; +uwe vier paarden altijd in geregelden draf. Maar velen uwer collegae +zetten ons in een schokkende, nauwe, dreunende, vuile, tochtige, +harde, tuitelige doos, een soort van groote rammelende builkist op +vier wielen; in de eene, hebben wij geen plaats voor onze dijen, +in de andere, geen ruimte voor onze knieën; uit deze komen wij met +bevroren teenen, uit gene met een stijven nek; wij rijden ons ziek, +wij rijden ons hoofdpijn, wij rijden ons dóór; wij meenen gek te +worden van het gesnor aan onze ooren en 't gedender aan onze voeten; +en dikwijls denken wij er, onder het dooreenwerpen onzer ingewanden, +met bekommering aan, wat gelukkiger zijn zou, dood of levend er uit +te komen! + +Dood of levend! Ja, daar is gevaar! In een land, waar de politie de +tuigen der paarden en de lenzen in de wielen niet nagaat, en waar in +de meeste plaatsen de vracht, die men oplaadt, niet gewogen of berekend +wordt--hoe komt het, dat er nog zoo weinig ongelukken gebeuren?-- + + + +De stoomboot, zeide ik tot mij-zelven, en ik nam een plaats van +Rotterdam tot Nijmegen, zal alles verbeteren en overtreffen; zij +zal mij met de middelen van vervoer en met het reizen en trekken +verzoenen; de snelle, de ruime, de gemakkelijke, de sierlijke, de +gezellige, de rijke stoomboot! Is zij niet een vlottend eiland van +genoeglijkheden, een betooverd stroompaleis, een hemel te water? Nu ja: +het is een drijvend koffiehuis, zegt men wel. Voor kleine afstanden +niets gelukkiger dan een stoomboot. Maar het is voor de groote, dat men +haar noodig heeft. Zeg niet: men is er zoo goed als tehuis. 't Is waar, +men zit er op breede banken met zachte kussens, aan gladde tafels, men +kan er alles krijgen wat men verlangt, al doen wat men begeert. Maar +dien korten schok, als van een paard dat hoog draaft, dien gemengden +stank van olie en steenkolen, de duurte der verkwikkingsmiddelen, de +aanmatigingen van den hofmeester, het slechte eten en de verveling, +dit alles heeft men tehuis niet. Ik zei verveling--want waar ter +wereld ontmoet men meer menschen, _die voor hun plezier reizen,_ +dan op een stoomboot? en wat is vervelender dan hun gezelschap? + +Reizen voor pleizier! o Droombeeld! o Hersenschim! Weten dan zoo +weinig menschen dat reizen zoo moeielijk pleizierig zijn _kan!_ Neen; +de mensch is geen trekvogel; hij is een huisdier; en de natuurlijke +kring zijner genoeglijke gewaarwordingen strekt zich niet verder uit +dan zijne voeten hem brengen kunnen. In beweging en onrust, in zich +verwijderen van den grond daar hij aangehecht, de betrekkingen daar +hij aan gewoon of verknocht is, kan geen geluk zijn. De natuur wreekt +zich van dien moedwil. Zie die reizigers voor pleizier! Bij elk genot, +dat ze smaken, verbeelden zij zich dat _dit_ het pleizierige nog _niet_ +is, waarvoor zij zijn uitgegaan; daarom verheugen zij zich telkens +als zij op de respectieve plaatsen hunner bestemming zijn aangekomen, +schoon zij toch eigenlijk reizen om op weg te zijn; en in die gedurige +jacht op een ingebeeld genoegen, dat nog komen moet, gaat hun tijd +om in rusteloosheid en teleurstelling en tegenzin. Alles gaat hun +voorbij; zij smaken niets. Maar te huis gekomen, bemerken zij dat zij +een groote som gelds verteerd hebben en, omdat ze er zich over schamen, +dringen zij zichzelven en anderen op dat zij een "allerliefsten", een +"dolprettigen", een "allerinteressantsten" toer gemaakt hebben--ja, +indien het denkbeeld en de zaak op die wijze niet in stand gehouden +werden, zouden er jaarlijks eenige duizenden paspoorten minder worden +afgegeven aan ongelukkige slachtoffers van een droombeeld, wie de +reisduivel drijft en die niet weten wat zij willen. Ach, in de lieve +zomermaanden, in de groote vacantie der hoogeschoolen, den rustiger +tijd van den handel, als men zijn innerlijk leven recht en kalm zou +kunnen genieten, zijn alle de wegen des vaderlands vol van jongelieden, +die hun lief vertrek, hun gemakkelijk ouderlijk huis, hun welgelegen +buitengoed, hun gezelligen kring, hun dierbaarste betrekkingen, hun +nuttigst verkeer, in een opgewonden koorts verlaten, om voor pleizier +een reisje te gaan maken! Zij komen terug, met een verbrand gezicht, +een paar knevels, een gehavende plunje, een lastigen hoop vuil linnen, +en een ledige beurs; de herinnering van doorgeloopen voeten, slechte +bedden, weegluizen, stof, Engelschen, en afzetters. Zij hebben +ook veel mooie natuur gezien. Maar de heerlijke, de dichterlijke, +de opwekkende indrukken, daar zij op gehoopt, de onbegrijpelijke, +zieldoordringende genoegens van het reizen, daar zij van gedroomd +hadden, met en benevens de Duitsche schoonen, die op hen verliefd +zouden zijn geworden, of de pikante baronesse, waarmee zij een avontuur +zouden hebben gehad; de belangrijke, wereldberoemde geleerde, die +hen _en amitiê_ zou nemen; de schatrijke lord, dien zij 't leven +zouden redden; dit alles woelde in hun bont verschiet, in hunne +droomen en mijmerijen dooreen--waar waren zij?--de echo antwoordt: +"waar waren zij?"--Zie hen daar tehuisgekomen: moe van lichaam en +moe van ziel; nog veertien dagen ongeschikt voor een geordend leven; +zonder reisanecdoten, zonder dichterlijker of grooter hart dan waarmede +zij zijn uitgegaan; zonder eenigszins belangwekkend te wezen; alleen +opmerkelijk door een vreemd soort van pet, zooals in deze of gene +buitenlandsche stad gedragen wordt; niets meebrengende dan eenige +vreemde koperen munten, aardig om, tot een souvenir! te bewaren, +een steentje van Rolandseck, een gedroogd bloempje van Nonnenwerth, +en een vijftigtal: "o Zoo mooi's" en "Onbeschrijfbaar's!" en "je moet +er zelf geweest zijn"; en "hier een berg, en daar een dal!" en "o die +boomen!" en "o, die rotsen!" om u een rad voor de oogen te draaien, +zichzelven te rechtvaardigen en, uit een soort van wraakneming, +ook u te verleiden, om u als hen te laten teleurstellen. + +Men vergeve mij deze uitweiding, alleen uit menschlievendheid +gemaakt! om een aantal jonge juffrouwen en heeren in ons vaderland, die +met een benijdend oog andere jonge juffrouwen en heeren, in de schoone +zomermaanden zien op reis gaan, schoon zij 't overal slechter zullen +hebben dan te huis; om een aantal fatsoenlijke menschen, wier drukke +bezigheden hen verbieden zich anders dan met hunne zaken te vermoeien, +te troosten; en een aantal anderen, en vooral jonggetrouwden, of +die in 't volgend jaar trouwen zullen, die reeds een reisplan voor +'t eerstkomende seizoen in hun hoofd hebben--("o! zoo'n allerliefst +reisplan! overal eens kijken! van alles mee kunnen praten, in vier +weken uit en thuis; het reizen gaat tegenwoordig zoo gauw!") in goeden +ernst te waarschuwen voor de ellende, waarin zij zich gaan storten. + +Dan, keeren wij tot onze stoomboot terug! Eerst gaat het goed. Men +komt vroolijk en luchtig, lustig, frisch en vatbaar voor allerlei +soort van genoegens aan boord. Men blijft op het dek totdat de stad +waar men afvoer uit het gezicht verdwijnt. Men vindt het genoeglijk +naar den linker of rechter oever uit te kijken. Dan gaat men tevreden +naar beneden en vindt de kajuit heel mooi, heel gemakkelijk, de sofa +alleruitmuntendst; het is een heele aardigheid zich op een vouwstoeltje +te zetten. Men schikt zich in gezellige groepen; men bestelt ontbijt; +men praat, men lacht, men heeft anecdoten, stads- en staatsnieuws; +men speelt met belangstelling een partij schaak; men is op zijn +gemak. Zoo is het begin. Maar een uur later, en gij ziet van tijd +tot tijd dan dezen, dan dien het hoofd uit het luik steken en op dek +komen, dit is de verveling nog niet; 't is de ongedurigheid die haar +voorafgaat. Men wil eens weten waar men in de wereld is; men wil in +de lucht zijn, men wil de mooie gezichtspunten niet verbeuren;--men +blijft een poosje boven, links en rechts en voor en achter kijkende; +het twijfelziek gemoed vraagt: "Amuseer ik mij?" De beurs antwoordt: +"Ik wil het hopen". "Pour varier ses plaisirs", gaat men eens weer +naar beneden. Men neemt een courant of een boek. Maar men is toch +eigenlijk niet op reis gegaan om couranten of boeken te lezen. Men +moet iets anders hebben dan thuis. Nu begint de leelijke verveling al, +en de eene passagier verlangt dat de andere hem den tijd korte. De +sofa's zijn niet gemakkelijk genoeg; op een vouwstoeltje, is een veel +te ongewoon zitten; allengskens ziet gij, den een voor, den anderen +na, weder op het dek komen, "'t Is beneden schrikkelijk benauwd." "Ja, +dat is 't geval wel van een stoomboot". "Die kajuiten zijn laag." "Dat +flikkeren van de zon op 't water, gij kunt niet gelooven wat een +onaangenaam effect het door de glasruiten doet". "Jammer dat het zoo +zonnig is en zoo waait." "Ik tref het nooit dat de tent opgezet kan +worden." En nu zit men op de lantaren, en dan aan de verschansing, +en dan bij het stuurrad; en dan loopt men weder heen en weer; en dan +wordt de overjas aan-, en dan weer uitgetrokken. Nu is het een op- en +nederklimmen zonder end, en de verveling in volle kracht. Uit wanhoop +wijkt men van zijn leefregel af en maakt zich ziek met chocolade en +bouillon en bittertjes en likeurtjes; het is als kreeg men een gevoel +van vuilheid en onfrischheid over zich. Beneden strekken de reizigers +zich uit op de zitbanken; boven loopen zij heen en weer; en gij kunt +zeker zijn dat elk op zijn beurt eens bij de raderkast gaat staan, om +een blik in de machine te werpen, waarvan hij niets begrijpt, met de +woorden; "'t is toch een mooie uitvinding". De uren worden hoe langer +hoe slepender. De horloges komen elk oogenblik te voorschijn; en de +berekening; "hoe _veel_ uren nog" wordt gedurig gemaakt. Zoo slijt +men een langen dag, waarin het etensuur alleen eenige tijdkorting +geeft. Maar de gerechten zijn meestal slecht. Om kort te gaan, en +opdat gij u niet evenzeer zoudt vervelen als onze reizigers: een goed +half uur voordat de boot aankomt, als de plaats harer bestemming maar +even in 't gezicht is, kunt gij zeker zijn alle menschen met jassen en +mantels en pakkage klaar te zien staan, om toch vooral bijtijds gereed +te zijn tot het verlaten van het hooggeloofd vaartuig. En dat _te +vroeg_ is de laatste, niet de minste marteling voor den ongeduldigen +geest. Zoodat een stoomboot ook al meer belooft dan zij geeft. + + + +Maar nu houdt gij mij (ik zie het wel) na de lezing van dit alles, +voor een ontevreden, knorrig, ongemakkelijk mensch, voor een ellendig +pessimist, daar geen spit mee te winnen is, voor een akeligen +Smelfungus, die niet reist dan met het land en de geelzucht, +waardoor elk voorwerp dat hij ontmoet, miskleurd en verwrongen +wordt!--Ik moet zoo billijk jegens mijzelven zijn van te verklaren, +dat ik een geheel ander karakter heb. Integendeel, ik behoor tot de +opgeruimde, vroolijke, zich vermakende naturen; ik schik mij in alles, +mits ik aan alles een belachelijken kant mag zoeken, en daarover +uitvaren en schertsen. Ik ga verder. Ik kan u betuigen dat ik een +paar malen alleraangenaamst in een trekschuit heb gesmousjast; dat er +omstandigheden zijn waaronder, en gedachten en vooruitzichten waarmede +ik zeer gaarne in de diligence (ook in de allerslechtste, dat meestal +mijn geval is) zitten wil; dat ik mij meermalen alleruitmuntendst +op een stoomboot heb vermaakt, onder anderen ook, door al mijn +reisgenooten uit te teekenen; dat ik dikwijls met veel, zeer veel +genoegen gereisd heb; ja, dat ik, zooals ik hier zit, in mijn ruimen +lederen leunstoel, in mijn wijde kamerjapon, bij mijn lustigen haard, +in vrede en eensgezindheid met de geheele wereld, mij sterk gevoel om +alle schippers, alle conducteurs en de geheele stoomboot-maatschappij +recht hartelijk de hand te drukken;--dat eindelijk het gegronde +vooruitzicht op de spoorwegen mij zoodanig verheugt en streelt +en opwindt, dat ik, bij voorbaat reeds gelukkig, alle vaar- en +rij-jammeren geduldig dragen wil en zonder morren uitstaan. + +Spoorwegen! heerlijke spoorwegen! op u zal niet gerookt worden; +want daar is geen adem! + +Op u zal niet geslapen worden; want daar is geen rust! + +Op u zal niet worden gebabbeld; want daar is geen tijd! + +Zoo daar op u ook onaangenaamheden en jammeren zijn, zij zullen den +tijd niet hebben ons te bereiken, wij, geen gelegenheid om ze gewaar +te worden! + +Maar komt! komt, heerlijke spoorwegen! Daalt als een tralie-net neder +op onze provinciën! + +Vernietigers aller groote afstanden! versmaadt de kleine afstanden +van ons koninkrijkje niet! + +Ja; laten de zangen onzer dichters het weldra in verrukte tonen +uitgalmen: + + + "De spoorweg kwam, de spoorweg kwam!" + + +Laten de zakdoeken onzer schoonen u toegewuifd worden, de eere- +en gedenkpenningen onzer Munt u tegenrollen! + +Dan eerst als de Nederlandsche natie, langs uwe gladde banen, dagelijks +door elkander zal geschoten worden als een partij weversspoelen, +zal er welvaart en bloei en leven en spoed in ons dierbaar vaderland +heerschen! + +November 1837. + + + + + + + +GENOEGENS SMAKEN. + +Uit de correspondentie met Augustijn. + + +"Of ik de Rotterdamsche kermis ben gaan bijwonen? De hemel behoede +mij, hoe komt gij aan dat bericht? Wie is de booze lasteraar die +mij zulk een smet aanwrijft? Wie heeft er behagen in mijne blanke, +kermishatende ziel zoo zwart te maken in de oogen der menschen? Weet +gij 't dan niet hoe ik reeds in den jare 1833, op den dag, waarop +men in mijn geboortestad goedvond de kermis in te luiden, het akelige +klokgebengel begeleidde met een improvisatie: + + + Voor mij geen kermisfeestgerel, + Geen weidsch betiteld kinderspel, + Geen dwaasheid op haar zegewagen, + Bij raadsbesluit en klokgeklep + Gerechtigd voor een tiental dagen, + Wat eerlijk mensch er tegen hebb'? + + o Laat mij, laat mijn ziel met rust! + Wien 't aansta, mij ontbreekt de lust + Om zooveel menschgetitelde apen, + Zoo'n aapgelijkend menschenras + Op straat en marktveld aan te gapen, + Als of die klucht iets zeldzaams was! + + +"Weet gij wat een kermis is, _Hildebrand_? Het is een allerakeligste +mislukking van publieke vermakelijkheid; de parodie en de charge der +feestvreugde; het ideaal eener opwinding over niets; het tegendeel +van al wat welluidt, welstaat en welvoegt. Weet gij wat een kermis +is, _Hildebrand_? Het is de bacchantendienst der nieuwere tijden, de +vergoding der uitzinnigheid. Het is één enkel groot marionettenspel, +waarin wij ons vervelen en onze kleeren vuil maken. Geloof mij: de +apen uit indië, de kemelen van den ernstigen Arabier, die men er op +rondleidt, staan verbaasd van onze Hollandsche razernij, waarbij zich +gierigheid en armoede beide vergeten, het verstand ijlt, de zedigheid +haar leven waagt, de koelbloedigheid kookt, en de dwaaste lach zich +met de vernuftigste tronie verdraagt. Wij voor ons hebben altijd, +voor zooveel ons mogelijk was, den besmetten dampkring der kermissen +gemeden en geschuwd; wij hebben ons geld en ons gezond verstand altijd +te lief en altijd te weinig van beiden te verteren gehad, dan dat wij +het te grabbelen zouden gooien in dien poel van triviale genoegens. Wij +hebben ons altijd verbeeld dat de zakkerollers, weinig anders bij ons +vindende, onze waardigheid stelen zouden, en de horoscooptrekkers ons +'quant-à-moi' ontsluieren; dat de goochelaars ons een deel 'goûts +populaires' in den zak zouden moffelen; terwijl wij misschien den +mantel van onzen ernst in den vauxhall hangen lieten, en ons vernuft +voor een koordedanserspel werd geronseld." + +Wat dat laatste betreft, mijn edele _Augustijn_! loopt gij +groot gevaar; althans indien gij voortgaat in dezen stijl te +schrijven. Waarschijnlijk, daar is iets zeer acrobatisch in! Het +wipperige van het koord en het opgeschikte van den danser spreken +er uit. En dan al die sprongen op eene breedte niet dikker dan mijn +rotting! Waarlijk gij zijt geschikter voor de kermis dan gij denkt, +en ik zou lust hebben er u rond te leiden en aan alle vroolijke +feestvierders te laten kijken als "mijn dierbaren vriend _Augustijn_, +lang één el, zeven palm, oud 26 jaren, een volmaakten kwast, maar van +het schuwe soort. Dit zonderling dier verbeeldt zich nergens pleizier +in te scheppen, waar een ander zich mede vermaakt; verstaat latijn en +grieksch; leest alle mogelijke boeken; vindt ze geen van allen mooi; +eet verschrikkelijk veel, maar wil 't niet weten; is goedig van aard, +maar ontzettend kwaadaardig wanneer men het wil amuseeren; is reeds +zevenmaal van aard veranderd; zal nog zevenmaal veranderen". + +Inderdaad, mijn waarde! gij moet het leven eenvoudig nemen; 't zou u +beter staan en het leven zou u beter bevallen. Daar hebt gij nu de +Rotterdamsche kermis--zij is mogelijk wat al te dol, ik geloof het +gaarne.--"Hoe?"--durft gij mij schrijven, "zal ik zonder noodzaak +plaats nemen in den mallemolen en mij beneden eekhorens en witte +muizen, die wel draaien _moeten_, verlagen? Zal ik mij als een +razende dweper den beulen toewerpen en uitroepen: 'Ik ben ook een +martelaar?'" Hoor eens hier, mijn verheven briefschrijver; zie mij +eens goed in de oogen! Best! En laat ik u nu zeggen, dat gij er niets +van meent. Wat hebt gij uitgevoerd, kwast! in die acht dagen, dat de +Rotterdamsche kermis geduurd heeft? Immers niets dat de moeite waard +is. Boeken gelezen, brieven geschreven, en om de kermis gelachen. Gij +moest eens weten hoe de kermis om u zou gelachen hebben, indien zij 't +geweten had.--Gij hebt twee mooie, lieve nichtjes; vroolijke, prettige +meisjes, rechte spring-in-'t-velden. De Rotterdamsche meisjes _zijn_ +vroolijk. Met deze hadt gij langs de kramen moeten wandelen; voor deze +allerlei lieve kleinigheden moeten koopen. Snuisterijen uit lava zijn +tegenwoordig het meest aan de orde. Die hadt gij niet leelijk moeten +vinden, omdat zij, ik, en een ander ze mooi vinden. Misschien vinden +wij ze toekomende jaar geen aanzien waard. Daar zijn we niet minder om, +vriend! Dan is er weer wat anders, dat ons bevalt; de zaak vereischt +zooveel ernst niet, en 't behoort tot de genoegens van ons leven, +dáár dan weer blij mee te zijn. + +Op het fatsoenlijk uur, als de fraaie wereld bijeenkomt, hadt +gij uw nichtjes rond moeten leiden, en er u volstrekt niet aan +moeten ergeren als ze wat veel menschen aanspraken en gij wat al te +dikwijls hoordet welke kraam de mooiste was, En dan had er leven en +belangstelling in uw gezicht moeten zijn. Gij zijt er niet te groot +voor, _Augustijn_! Niemand is te groot om zich met kleinigheden en +kleinen te vermaken. Kijkspellen wil ik niet zoo zeer aanraden, +of het moeten zulke zijn, waar men u op een grove wijze bij den +neus heeft; zoowat boerenbedrog, weet ge, is wel aardig voor iemand +die veel boeken gelezen heeft. Over de beestenspellen kent gij mijn +gevoelen. Maar in 't geen ik daar wel eens tegen gezegd heb is ook +vrij wat overdrevenheid, mijn vriend! en als men het letterlijk op +wilde nemen of... Maar letterknechten zijn wij niet, zoo min als +letterhelden!--daar hoort nog meer grieksch bij, _Augustijn_, dan +gij verstaat. Wij mogen ook wel eens doorslaan, dunkt mij, als het +thema goed gemeend en diep gevoeld is, en als dan de eene gedachte +de andere uitlokt en wij worden er warm bij, of vroolijk!--Op die +rekening wil ik dan ook een goed deel uwer philippica tegen de +kermisvreugde schrijven. Men moet edelmoedig zijn en scherts als +scherts verstaan. Niets is zoo kinderachtig, zoo onaardig en zoo +inhumaan als geestig te willen zijn door de ontleding van eens anders +grappen. Dat behoort wel wat te veel tot de onaangename genoegens van +onze dagen; maar ik wil er mij niet aan bezondigen, en daarom heb ik +niets tegen uw "bacchantendienst", en uwe "vergoding van uitzinnigheid" +en uwen "besmetten dampkring", maar alleen heb ik dit tegen u, dat +gij laag op de kermis neerziet. + +Vreugde is een aardig ding, mijn goede vriend! niet alleen om te +smaken, maar ook om te zien. Jongens, gij moest eens een _boere_kermis +bijwonen! Des namiddags, het heele dorp en de nabijgelegen gehuchten +op de been. Honderd boerewagens, honderd roodwangige boeren met +zilveren haken in de broek en gouden knoopen aan de das, die een +dikke kuit tegen den disselboom uitstrekken; en de boerinnetjes netjes +uitgestreken in lichtgroen en donkerrood, met wapperende linten aan +de stroohoeden, met al het goud dat zij hebben aan 't hoofd, en de +onderom van het jak vooral niet lager dan de schouderbladen. Dan +wordt er uitgespannen en men zit neder aan de lange smalle tafels +op schragen van de kleine herberg "Het Dorstige Hart" of "de Laatste +Stuiver"; of men drentelt langs de kleine kraampjes; of men schaart +zich rondom de kleine loterijen van beschilderde karaffen en kelken, +houten naaldekokers en stalen vorken. En dan moet ge de dikke proppen +van kleine jongens zien, met wit haar en witte tanden, bezig met +"koek te smakken", en hun winst in broekzak, buiszak, en tot in de pet +wegstoppende; of de kleine boeremeisjes, gegroept om een kruiwagen +met gouden ringen van een cent het stuk, allen met een kraakamandel +tusschen de tanden en kruidnoten in de hand. Dat 's nog maar een begin. + +Maar 's avonds als de frissche dochters; neen! de glundere moeders +óók nog wel; voor de "fiedel" staan, met boeren en knechten, en voor +vier duiten een deuntje dansen. + + + "Kan je dan geen schotsche drie?" + "Kan je dan niet dansen?" + + +en zoenen moeten, als de lustige speelman in den hoek, achter de +kam strijkt!.... + +Daar moet ge eens heen, _Augustijn_! dat is veel aardiger dan blasé +of philosoof te zijn, en daar zult gij zien, hoe men zich te meer +vermaakt, naarmate men eenvoudiger van hart en zin is. Maar gij +moet er niet komen met een gezicht als een commissaris van politie, +die kijken komt of alles goed en ordelijk toegaat; ook niet met dat +medelijdend lachje, waarmee sommige menschen zich portretteeren laten +en waar gij eigenlijk in den grond te goed voor zijt; ook al niet +met een gelaat van berekende lievigheid, alsof het den aanwezigen +een groote eer moet zijn dat _gij_ eens komt kijken. Geloof mij, ook +de boer bemerkt en gevoelt als bij ingeving wat daar beleedigends in +is, en het maakt u nooit tot wat hij een gemeen (gemeenzaam) mensch +noemt. Neen, gij moet er komen met een fermen, bollen lach om den mond, +alsof gij zoozoo mee zoudt willen doen. Ik voorspel u dat gij er meer +neiging toe gevoelen zult dan gij zoudt willen weten. Blijdschap is +aanstekelijk, maar men moet er vatbaarheid voor hebben, en men moet +bijv. niet op een Hollandsche boerekermis komen met een Sehnsucht +"naar Italië's dreven", waar de hemel altijd blauw enz. is, en +ook al niet met waanwijze opmerkingen, als bijv. "wat een heel +andere figuur is een Hollandsche boer toch dan een van Normandye, +Bretagne, of uit het Piémonteesche!" waarbij gij immers niet aan +Normandye of Bretagne of Piémont denkt, maar alleen aan de Colins +en Lubins van den Vaudeville, met hunne sneeuwwitte overhemden, +roode bretels, schuinsche hoedjes met kostbaar lint, fijne handen, +geblankette gezichten, en teedere sentimenten. De poëzie, _Augustijn_, +is overal; maar die welke men opmerkt in de werkelijkheid, is beter +dan de aangeworvene of aangewaaide. Vele menschen toetsen hetgeen +zij vinden aan hetgeen zij lazen, in plaats van hetgeen zij lazen aan +hetgeen zij vinden. Ongevoelig en van lieverlede zijn zij volgeraakt +van indrukken uit boeken en vertooningen, waarvan zich hun ziel een +geheel gevormd heeft, dat zij zweren zouden dat hun ondervinding +was. In 't geheel niet; het maakt juist dat zij nooit ondervinding +krijgen, nooit zullen zoeken, en dus ook nooit zullen vinden; dat +zij nooit zichzelven, nooit hun tijd, nooit de menschen doorschouwen +zullen, en van alles slechts een negatief begrip hebben: "het is +dit niet, het is dat niet," even als zoo menig resencent, die den +titel van een boek leest en zegt: "het zal, het kan, het moet dit +of dat wezen",--liever dan te vragen: "wat is het?" "Het is _mijn_ +mooi niet", zegt iemand, en draait zich af van mooi _Guurtje_. Maar +lief _Lijsje_ dan? "Ook niet." Maar blonde _Bartje_, maar _Geertje_, +maar _Duitje_? maar het geheele alphabet?--"Geen van allen." Mag +ik weten wat mijnheers mooi is? Mijnheers mooi is een onbepaald, +een zwervend, een schemerend ideaal, saamgesteld uit twintig diverse +Engelsche staalgravures en vijftig steendrukken van _Grevedon_, met +en benevens vijftig beschrijvingen van mooie actrices en maîtresses, +uit feuilletons en mémoires. Nu was het toch beter en genoeglijker, het +Hollandsche mooi in het Hollandsche gelaat te zien, en het Hollandsche +genoegen in den Hollandschen lach, en den Hollandschen aard in het +Hollandsche hart, en de Hollandsche poëzie in de Hollandsche vormen, +daden, en toestanden,--beter dan al die knorrigheden en verdrietigheden +en gemaaktheden, waarmee men heel wat figuur schijnt te maken, maar +groot gebrek aan waren wijsgeerigen of dichterlijken zin betoont. + + + +Zoo is het vooral met het smaken der genoegens. 't Zou toch wel raar +wezen, _Augustijn_! dat dingen, die voor jaar en dag voor genoegens in +de wieg gelegd zijn en sinds jaar en dag voor genoegens aangenomen, +geheel en al hun bestemming zouden misloopen, en de volkomen +ongeschiktheid hebben om menschen met goede gewetens vroolijk en +gelukkig te maken. "Anderen wel"--zegt ge--, "maar mij niet!" En +waarom niet? Omdat de schuld aan u ligt, zou ik denken.--Dat is +het geluk der kinderen, dat ze niet onderzoeken of beproeven, of +er ook een verdrietige kant is aan hetgeen hun voor genoegen wordt +aangerekend, of het de moeite waard is in hun schik te zijn. Een +vlieger oplaten--plezier hebben; een zak vol knikkers--plezier hebben; +uit rijden gaan, een dag vacantie, een avond opblijven--plezier +hebben! ziedaar hun logica. Als men ouder wordt is het: kan, moet, +zal, wil, durf, denk ik, door dit of veeleer door dat, geheel of +gedeeltelijk, of te kort of te lang, of waarachtig of schijnbaar, +genoegen, ware vreugde, genot, of slechts tijdpasseering te hebben; +òf is alles maar zelfbedrog? Dat moet niet wezen. Dat is goed als +men oud en af is. Maar wie geeft u en uws gelijken het recht alles +dooreen te warren en over jongelingsgenoegens met een mannenhoofd te +redeneeren, alsof niet ieder wijs man den jongeling zijne genoegens +benijdde! Daar wordt dan de arme twintigjarige--ik weet het best, +lieve vriend!--plotseling "te groot voor de aarde", die hij niet kent, +te verfijnd van gevoel voor genoegens, welker grofheid hij slechts +onderstelt; dan giet hij den frisschen beker ledig, die hem zou +verkwikt hebben; dan leeft hij een aangetrokken dichterlijk leven; +maakt misschien slechte, zinledige woordenschermutselingen op rijm, +waarin komt van: "'t stof te verachten, op adelaarspennen, der zon in +'t aangezicht", en van allerlei visioenen, die een goed dichter nooit +gezien heeft; en intusschen slaapt de waarachtige poëzie, die binnen +in hem is, den gedwongen doodslaap in.--_Augustijn_, waak er tegen!--en +neem dit briefje als een klein kermisgeschenk aan. Uw u liefhebbende + +1838. + +_Hildebrand_. + + + + + + + +EEN OUDE KENNIS. + + +Hoe warm het was, en hoe ver. + +Het was een brandendheete vrijdagachtermiddag in zekere Hollandsche +stad; zoo heet en zoo brandend, dat de mosschen op het dak gaapten, +'t welk, op gezag der Hollandsche manier van spreken, de grootste +hitte is, die men zich voor kan stellen. De zon scheen vinnig in de +straten en glinsterde op de van droogte poeierig geworden keien. In die +straten, die tegen het zuiden liepen en dus geen schaduwkant hadden, +bracht zij de voorbijgangers letterlijk tot wanhoop. De kerels, die +met kroosjes en wijnperen rondwandelden, veegden alle oogenblikken +hunne voorhoofden met hunne linnen voorschoten af; de sjouwermannen, +die anders gewoon zijn in hydrostatische verstrooidheid hunne leden +over de leuningen der bruggen te doen hangen, een houding waaraan zij +hier en daar den vereerenden naam van baliekluivers te danken hebben, +lagen aan den oeverkant voorover op hunne ellebogen uitgestrekt, met +een pot karnemelk in plaats van jenever; de metselaren op karwei, +aan den voet van een steiger op een balk neergezeten, met hunne +ellebogen op de knieën en hunne twee handen om een spoelkom geklemd, +bliezen wel eens zoolang over hunne thee als gewoonlijk, en dus zeer +opmerkelijk en verwonderlijk lang; de dienstmeiden, die boodschappen +deden, konden de kinderen, die meegegaan waren op hope van een pruim +of een vijg bij den kruidenier toe te krijgen, nauwelijks over de +straat voortsleepen, en uitten in 't voorbijgaan een diep en innig +medelijden jegens de werkmeiden die de "straat deden" met geblakerde +gezichten en onder de kin losgemaakte mutsen. Niemand was bedaard, +dan hier en daar een enkel grijsaard, die met blauwe slaapmuts op en +zwarte muilen aan, met de beenen op zijn stoepbankjen uitgestrekt, +een pijp zat te rooken, in gezelschap van een violier en een balsamine, +zich verheugende in den "ouërwetschen dag weer" + +Bij eene dergelijke weersgesteldheid heeft men waarlijk te weinig +medelijden met dikke menschen. Wáár is het, dat zij u dikwijls +warm en benauwd maken, als ge u door bedaardheid en kalmte nogal +schikken kunt in de hitte, door bij u te komen blazen en puffen en +eene onweerstaanbare aanvechting te doen blijken om hun das los te +maken, terwijl zij u met uitpuilende oogen aankijken; maar ook--de +schepsels _hebben_ het kwaad. Dikke mannen en dikke vrouwen van dit +wereldrond! hetzij gij in de laatste jaren uwe knieën en voeten nog +hebt kunnen zien, of dat gelukkig punt van zelfbeschouwing reeds lang +hebt moeten opgeven! wie ter wereld met uw embonpoint, uw presentie, +uw corpulentie spotten moge--in _Hildebrands_ boezem klopt voor u +een medelijdend hart. + +Onder de gezette personen der nieuwere tijden verdiende, schoon niet +een eerste, maar toch ook eene plaats, de heer Mr. _Hendrik Johannes +Bruis_; een dier bevoorrechten, wien het nooit gebeuren mag een heel +oude kennis te ontmoeten, zonder dat het eerste woord tot hen is: +"Wat ben je dik geworden!" terwijl een iegelijk, die in veertien +dagen het geluk niet gehad heeft hun aangezicht te aanschouwen, hun +verklaart dat zij _"alweer_ dikker geworden zijn"; een dier gelukkigen, +die in duizend wenken van hunne bloedverwanten, vrienden, en vooral +van hunnen arts, duidelijk bemerken, dat zij onder de sterke verdenking +leven van aan een beroerte te zullen sterven, en die, met dat al, door +hun gestel genoopt worden al datgene te doen, te eten, en te drinken, +wat volstrekt schadelijk is, dikker maakt, opstijging veroorzaakt, en +het bloed op alle mogelijke wijzen aanzet; een dier gelukkigen die, +zoo zij het des zomers warm hebben door zwaarlijvigheid, het winter +en zomer warm hebben door drift, opvliegendheid en agitatie. + +De heer Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ bewoog zich op bovenbeschreven +brandendheeten vrijdagachtermiddag, omstreeks klokke vijf uren, langs +een der straten van de stad, die ik niet genoemd heb, en zulks, de +hitte des dags en zijn postuur in aanmerking genomen, veel te snel. +Hij hield in de eene hand zijn hoed, en in de andere zijn gelen zijden +zakdoek en zijn bamboes met ronden ivoren knop, met welken knop hij +zich verscheiden malen in schutterige beweging tegen 't hoofd stiet, +als hij den zakdoek gebruiken wilde. Achter hem aan huppelde een kleine +straatjongen, die's mans overjas over den arm en zijn valies in de +hand droeg, zonder hoed of pet op 't hoofd, met een blauw buis met +een zwarten lap in den eenen, en een grijzen in den anderen elleboog, +en waarvan de eerste knoop (een zwartbeenen) werd vastgehouden door +het vierde koopsgat, terwijl de tweede (een geelkoperen), die op de +plaats van de vierde stond, door het zesde werd bedwongen. Hij was zoo +gelukkig in dezen warmen zomertijd geen kousen te dragen; als aan den +ingang zijner klompen, en nog daarenboven hier en daar, merkbaar was. + +"Nu, waar is het nu, jongen? waar is het nu?" vroeg de heer +Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ ongeduldig. + +"Dat eerste huis met dat platte stoepie," antwoordde de jongen; +"de tweede deur voorbij den spekslager; naast het huis daar die +spiegeltjes uitsteken." + +"Goed, goed, goed," zei de heer Mr. _H. J. Bruis_. + + + +De spekslager en de spiegeltjes waren achter den rug, en de dikke +man stond op de stoep van Dr. _Deluw_, zijn academievriend, dien hij +sedert zijn huwelijk niet gezien had; want de heer _Bruis_ woonde in +een Overijselsch stadje, waar hij meester in de rechten, maar geen +advocaat, echtgenoot, maar geen vader, lid van den raad en koopman +was. Hij moest in Rotterdam wezen, en had een omweg gemaakt om op +dezen heeten achtermiddag zijn vriend Dr. _Deluw_, diens vrouw, +en diens kinderen te zien. Hij trok daarom haastig aan de schel, +greep zijn valies, en nam zijn jas over den eigen arm. + +"Daar mannetje! maak nou maar dat je wegkomt." + +De jongen kwam weg, en wel op een draf; juist niet omdat het zoo warm, +maar omdat hij een jongen was en een aardiger fooitje had gekregen +dan hij verwacht had, waar daarenboven zijn vader niet van wist. In +een oogenblik was hij de lange straat al uit, en stond, denk ik, hier +of daar zich te vergasten aan een komkommer in 't zuur, een maatje +"klapbessen", of eenige andere straatjongenslekkernij, waarvoor men +fatsoenlijke kinderen nooit vroegtijdig genoeg afkeer kan inboezemen. + +Intusschen ging Dr. _Deluws_ deur nog in lang niet open, en zag zich +de heer _Bruis_ genoodzaakt nogmaals aan de schel te trekken. De +schel ging deugdelijk over: en gaf blijken van een zeer helklinkende +specie te zijn; maar de heer _Bruis_ merkte geen enkel geluid binnen +de woning van zijn vriend, dat zijn gelui beantwoordde. Na nog eenige +malen zijn voorhoofd afgeveegd en met den stok op de stoep getipperd +te hebben, schelde hij ten derdemale, en begon tevens door de smalle, +van achteren getraliede raampjes, die ter wederzijde in den post van +de deur waren, in het voorhuis te turen; maar hij zag niets dan den +slinger van een groote groene pendule, een guéridon met een leitjen +er op, en een blauwe katoenen parapluie; daarop keek hij ook over de +gordijntjes van de zijkamers, dat evenwel moeilijker was, daar hij +door de franje van de trekgordijnen heen moest zien. Hij zag in de +eene kamer duidelijk een inktkoker met twee lange schrijfpennen op +tafel staan, en in de andere een mansportret; maar noch de pendule, +noch de guéridon, noch de inktkoker, noch zelfs het mansportret konden +den heer Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ de deur ontsluiten. + +De heer _Bruis_ was ondertusschen nog warmer dan warm geworden, waar +zijn ongeduld en de jas over den arm niet weinig aan toebrachten. Hij +schelde dus voor den vierden keer, en nu zoo luide, dat de juffrouw +naast de deur, die in haar spiegeltje keek en hem al lang gezien had, +"er akelig van werd", haar naaiwerk van haar knie losspeldde (zij +moedigde de uitvinding van schroeven, plombs en spanriemen niet +aan), een bovendeur opendeed en aan den heer _Bruis_ verklaarde: +"dat er niemand _in_ was." + +"De dokter ook niet?" + +"Neen, menheer." + +"Mevrouw ook niet?" + +"Neen, menheer; ik zeg je ommers dat ze der allemaal op uit zijn...." + +"Waar zijn ze dan naar toe?" + +"Dat weet _ik_ niet, menheer! Ze zijn allemaal uit, en de meid is +alleen thuis." + +"Waarom doet dan de meid niet open?" + +"Wel, omdat ze der niet _in_ is, menheer." + +"En je zegt, ze is thuis?" + +"Ja, maar daarom kan ze der wel niet _in_ zijn," zei de juffrouw, +sloot haar bovendeur, en zulks met te meer haast omdat haar witte poes +zich juist gereed maakte over de onderdito te springen, en liet den +heer _Bruis_ alleen, om, indien hij wilde, in stilte te gissen naar het +verschil der termen "thuis", en "der in". Hij zou, indien hij er geduld +toe had gehad, begrepen hebben dat "thuis te zijn" een plicht was, +der meid door de familie _Deluw_ opgelegd, waarvan "der in" te zijn, +naar haar eigene uitlegging, slechts een klein gedeelte uitmaakte. + +Om dit op te helderen kwam er een stem uit een schoenlapperspothuis +aan den overkant. + +"Ze bennen in de toin," riep de stem, "en de maid is om een +bo-skap. Daar komt ze al an." + +Het woordeken _al_ had in dezen volzin, naar het oordeel van den +heer _Bruis_, gevoeglijk kunnen gemist worden; maar werkelijk zag +hij een niet onaardige meid aankomen, met een grooten sleutel in de +hand en zoo gauw als zij, zonder in den draf te vervallen, gaan kon; +zij kwam de stoep op, schoot ZEd. voorbij, sloot met voorbeeldelooze +gezwindheid de deur open, en stond vóór hem op de vloermat. + +"Wou u meheer gesproken hebben?" vroeg de meid. + +"Ja. Mijnheer schijnt niet tehuis te zijn." + +"Neen, meheer; meheer, en mevrouw, en de juffrouw, en de jongeheer +en al de kinderen zijn Buiten, en ik ben maar alleen thuis om op de +boodschappen te passen." + +Nu, de heer _Bruis_ had gelegenheid gehad om zich gedurende een groot +kwartier te verlustigen in de nauwgezetheid, waarmee deze doktersmeid, +die intusschen een langdurig gesprek gevoerd had met de dochter van +een fruitvrouw, die uit naaien ging en voor een opgeschoven raam zat, +zich van dezen haren plicht kweet. Hij had evenwel te veel haast om +verwijten te doen. + +"Waar is Buiten?" vroeg hij: "is het ver? waar is het?" + +"In de Meester-Jorislaan," antwoordde de meid. + +"In de Meester-Morislaan,"--zei _Bruis_ met de alleruiterste +verachting. "Wat weet _ik_ van de Meester-Morislaan?" + +Daar was, naar het gevoelen der meid, meer aanmatiging in de houding +en den toon van den heer _Bruis_ dan aan haar knap gezicht behoorde +te beurt te vallen. Zij was dus billijk geraakt. + +"Ik kan 't niet helpen dat u 't niet weet!" zei de meid droogweg, +en maakte eene beweging met het slot, alsof de heer _Bruis_ nu wel +heen had kunnen gaan. + +De heer _Bruis_ veranderde van toon. + +"Hoor reis, meisje! ik kom hier per diligence expres om den dokter en +de familie te zien. Als 't nu niet te ver is, wil ik wel naar Buiten +wandelen. Kanje 't me niet beduiden?" + +Hij keek smachtend de straat door, of er ook nog een jongen was, +die hem derwaarts brengen kon; maar niemand deed zich op. + +De meid verwaardigde zich intusschen de vereischte inlichting te geven, +en de heer Mr. _H. J. Bruis_ trok naar het Buiten van Dr. _Deluw_. + +Toen hij een huis of wat verder was, bemerkte hij pas, dat hij zijn +jas nog over den arm en zijn valies nog in de hand droeg. + +Hij kwam dus terug, schelde nog eens aan, om een en ander aan de +meid te bewaren te geven; maar _Grietje_ was waarschijnlijk alweer +bij haar vriendin, en de heer _Bruis_ zag zich genoodzaakt, op dien +brandendheeten vrijdagachtermiddag, zijn overjas en valies zelf te +torsen, met het stellig voornemen om, zoo hij ooit zoo ver komen +mocht van Dr. _Deluw_ te zien, zich bij hem over zijn meid te beklagen. + +Tot 's mans geluk was de stad, die ik nog altijd niet genoemd heb, +niet groot, en de heer _Bruis_ merkte spoedig genoeg de poort, die +hij uitmoest, ofschoon het bestijgen en niet minder het afdalen van +twee aanmerkelijk hooge bruggen hem vrij wat geknauwd had. Aan de poort +gekomen had hij den gelukkigen inval zijn jas en valies aan de zorg van +een commies toe te vertrouwen; hij trad daartoe het commiezenhuisje +binnen, maar er was niemand in; daar hij evenwel een persoon met +een grijze jas bemerkte, die aan den overkant van den singel stond +te hengelen en er vrij commiesachtig uitzag, legde hij zijn goed +maar neer, en zich daarop tot den visscher wendende, die inderdaad +een commies was, liet hij zich meteen van dezen nog eens omtrent de +ligging van de "Meester-Morislaan" onderrichten. Ik zou hem onrecht +doen, indien ik zeide dat de heer _Bruis_ de onderrichtingen van +_Grietje_ vergeten had, vermits hij er in zijn drift weinig naar had +geluisterd. Hij moest "eerst een eindweg den singel op, dan een laan +in, dan rechtsomslaan, totdat hij aan zoo'n wit paaltje kwam: dan weer +links-, en dan weer rechtsom, en dan was hij in de Meester-Jorislaan". + +"En het Buiten van Dr. _Deluw_?" + +"Daar heb ik nooit van gehoord," zei de commies, "maar er zijn veel +tuinen in. Hoe hiet het?" + +"Veldzicht." + +"Veldzicht," zei de commies, die verlangde van den heer _Bruis_ af te +komen, daar hij aan zijn dobber meende te merken dat hij beet kreeg; +"neen, menheer; dat is mij onbekend." + +De heer _Bruis_ wandelde op. De singel bracht hem een weinig tot +zichzelven, want er stonden aan weerszijden hooge boomen; maar die +zaligheid was spoedig uit, vermits de stad, in een oogenblik van +geldverlegenheid, voor een illuminatie op 's konings verjaardag +een groote partij boomen had doen vallen, in wier plaats zich nu, +op naam van jong plantsoen, eenige dunne twijgjes vertoonden, om +het andere verschroeid. Hij was dus weder doodaf, toen hij, tusschen +twee zwarte schuttingen in, eene smalle laan zag, die hij meende te +moeten ingaan. Het was eenzaam in die laan. Niets dan schuttingen, +waar boomen boven uitstaken; niets dan tuindeuren met opschriften en +nommers! Een enkele mosch sprong er rond. De heer _Bruis_ wandelde +voort met zijn hoed in de eene, en met zijn stok en zakdoek in de +andere hand, gelijk in de straten der stad, maar nu altijd een weinigje +schuinsrechts in zijn houding, vanwege zijn vurige begeerte om, naar de +aanwijzing van den commies, rechtsom te slaan. De gelegenheid deed zich +echter niet op, en de heer _Bruis_ stond eindelijk vlak voor een vrij +breed water en vlak naast een vuilnishoop met vele bloemkoolstruiken, +saladebladeren, potscherven, verlepte ruikers, en doornappels, die, +midden in de verrotting bloeiende, hun bedwelmenden geur in de lucht +verspreidden. + +Het was blijkbaar dat de heer _Bruis_ de verkeerde laan had ingeslagen, +en hoewel de vuilnishoop onaangenaam was, deed toch de nabijheid van +het water hem zooveel genoegen, dat hij besloot daar een oogenblik uit +te rusten alvorens hij terugkeerde. Hij zette zich tot dat einde zoo +dicht mogelijk aan den waterkant neder, en met zijn zakdoek waaierende, +en met zijne rede zijn ongeduld afkoelende, slaagde hij er vrijwel +in zich een weinigje tot kalmte te brengen. Rechts en links langs den +oever kijkende, bemerkte hij aan zijn linkerhand op eenigen afstand een +vierkanten zeegroenen koepel, waarin zich eenige menschen bewogen, en, +hoewel hij ze niet kon onderscheiden, was het als of 't hem ingegeven +werd, dat dit het Veldzicht van zijn vriend den dokter wezen moest; en +dat het dien naam dragen kon, bewees het vergezicht aan den overkant +van de vaart; want het was weiland links en rechts, ver en wijd, tot +aan den blauwen horizont; niets dan groen en geel en zonnig weiland! + +De heer _Bruis_ nam den wandelstaf weder op, ging de laan terug, en +was weder op den singel. Weldra deed zich een andere laan aan hem voor, +die hij echter goedvond eer hij ze intrad, eens af te gluren. Hij zag +dan ook dat er spoedig gelegenheid zou zijn rechtsom te slaan, en dit +gedaan hebbende was hij ook al heel gauw bij het witte paaltje. Toen +ging hij links en toen weer rechts, en hij was naar alle gedachten +in de "Meester-Morislaan". + +Voor een tuindeur, die aanstond, zat een klein kind met een zwart +jurkjen aan, een zwart mutsje met een zwart kantjen er om op, en een +zwart gezichtje voor, zich vermakende met een pompoen en verscheidene +aardappelschillen. + +"Is dit de Meester-Morislaan, lief kind!" vroeg de heer _Bruis_. + +Het kind knikte van ja. + +"Waar is hier ergens Veldzicht?" + +Het kind zei niets. + +De heer _Bruis_ werd moeilijk, niet zoo zeer op het kind, maar op de +verborgenheid van Veldzicht. + +"Weetje 't niet?" vroeg hij, een toon of drie te hard. + +Het kind liet den pompoen en de aardappelschillen vallen, stond op, +begon te huilen, en liep den tuin in. + +De heer _Bruis_ zuchtte. De "Meester-Morislaan" scheen zeer lang te +zijn, en de tuindeuren waren menigvuldig. Hij las allerlei namen. Namen +van ophef en grootspraak, als: Schoonoord, Welgelegen, Bloemhof, +Vreugderijk; namen van tevredenheid en berusting, als: Mijn genoegen, +Weltevreden, Buitenrust; naïeve namen, als: Nooit Gedacht, Klein maar +Rein, Hierna beter; maar ook een aantal geographische, als: Nabij, +Bijstad, Zuiderhof; en optische als: Vaartzicht, Weizicht, Landzicht, +Veezicht, Veelzicht,--dit laatste leek in de verte al heel veel op +Veldzicht, maar het was toch Veldzicht niet. + +Eindelijk waren er twee deuren, daar niets op te lezen stond dan Q 4 +N_o_ 33 en Q 4 N_o_ 34. Een van die beide deuren kon Veldzicht zijn! De +heer _Bruis_, hoe driftig ook en ongeduldig, was bescheiden. Hij ging +dus N_o_ 33 voorbij, om niet het eerste het beste voor Veldzicht aan +te zien, en klopte aan N_o_ 34. + +Na een poosje wachtens, werd hem opengedaan door een zeer lange, +statige, prentachtige dame, met een rouwjapon aan, een wit kemelshaar +loshangend doekje op haar schouder, een zwarten hoed, dien zij voor +de zon zeer voorover op haar neus had gezet, een groenen bril, een +klein bewijs van baard op haar bovenlip, en een boek in de hand. + +"Is hier Veldzicht, mevrouw?" vroeg de heer _Bruis_. + +Waarom zag hij niet dat het geen mevrouw was? + +"Neen menheer!" antwoordde de juffrouw verschrikt voor een "vreemden +man", misschien wel meenende dat het iemand was, die haar bestelen +wilde: "Dat's hier àldernaast", en toe vloog de deur. + +De heer _Bruis_ klopte aan Q 4 N_o_ 33. + + + + +Hoe aardig het was. + +"_Jansje_! daar wordt geklopt;" riep een vrouwelijke stem. + +"Ik hoor het wel, juffrouw!" riep _Jansje_. + +Het was evenwel meer dan waarschijnlijk dat _Jansje_ er niets van +gehoord had; nademaal zij allerijselijkst veel pleizier had met den +tuinknecht, die haar met water gooide. + +Mijnheer _Bruis_ had juist lang genoeg bij den vuilnishoop uitgerust +om een lief plan van verrassing te vormen. Zoodra _Jansje_ hem dus +opendeed en hem onderricht had dat dit dégelijk Veldzicht was, en +dégelijk Dr. _Deluws_ tuin (want daarin scheen de stem uit het pothuis +toch maar gelijk gehad te hebben, dat het een Tuin was en geen Buiten) +zeide hij: + +"Goed, meidlief! wijs me dan den weg maar naar den koepel; ik ben +een oud vriend van mijnheer; ik wou mijnheer maar verrassen." + +"Wil ik dan niet eerst gaan zeggen dat meheer er is?" vroeg _Jansje_. + +"Vooral niet, kind; ga maar vooruit, wilje?" + +De tuin was een lange smalle strook langs de vaart, aan welker oever +de heer _Bruis_ eenige oogenblikken te voren een weinig adem geschept +had, zag allerschrikkelijkst groen, en had niet dan zeer smalle +wandelpaadjes, aan weerskanten met aardbeiplanten omzoomd. Die er +inkwam stond billijk verbaasd, dat het mogelijk geweest was zoo veel +appel- en pereboomen, zoo veel aalbes- en kruisbesstruiken in zoo'n +klein bestek bijeen te dringen, en was gedurig genoodzaakt te bukken +voor de eersten en uit den weg te gaan voor de laatsten. In één woord, +het was wat de steelui met verrukking een "vruchtbaar lapje" noemen, en +waar zij onbegrijpelijk veel wil van zouden hebben, indien de buitenlui +er niet dichterbij woonden, vroeger opstonden, en eer wisten dan zij, +wanneer ieder bijzonder ooft geschikt zou wezen om geplukt te worden. + +"Warm weertje vandaag, meheer!" zeide _Jansje_, toen men een eindje +voortgewandeld was, en zij meelijden begon te krijgen met het hijgen +en blazen van den gezetten heer achter haar. + +"Ja kind, schrikkelijk, schrikkelijk!" zei _Bruis_; "is er niemand +in den tuin?" + +"De familie is op den koepel," was het antwoord, "behalve juffrouw +_Mientje_, die daar zit te lezen." + +_Jansje_ en de heer _Bruis_, het slingerende paadje volgende, kwamen +op dit oogenblik aan den waterkant, en werkelijk zat daar, onder een +klein treurcypresje, op een smal gazonnetje, de oudste dochter van zijn +vriend _Deluw_, op een groene tuinbank, met handschoentjes aan, een +boek in de hand en een hondje aan hare voeten "Buitentje te spelen", +zich ergerende dat er in het laatste uur niemand aan den overkant +voorbij was gegaan, en dat er geen mensch in de trekschuit gezeten had. + +Zij liet het hoofd zeer plechtig op de borst vallen, toen de heer +_Bruis_ haar groette; maar het hondje vloog op en blafte radeloos tegen +den amechtigen, die het dolgraag een slag met zijn bamboes gegeven +had; dan, hij durfde niet, omdat het een juffershondje was, en hij +zijn vriend juist niet verrassen wilde door met een moord te beginnen. + +De zeegroene koepel deed zich nu weldra op. Hij scheen vrij ruim te +zijn, en had nog een klein bijkamertje, met een schoorsteentje en een +vuurplaat om water op te koken, een tang, en een kastje daar niets +in was. Alle deze wonderen begreep _Bruis_ reeds op een afstand. De +koepel zelf ging met een trapjen op. + +"Dankje, meisje!" zei hij tot _Jansje_, toen hij op tien passen van +den koepel was, en langzaam sloop hij er naar toe. Gelukkig waren +de blinden voor de ramen aan den tuinkant dicht gelaten en was de +deur niet van glas, als anders aan die kijkkasten het geval wel +wezen wil. De heer _Bruis_ kon dus zijn plan van verrassing zeer +wel uitvoeren. Welk een aandoenlijk genoegen stelde hij er zich van +voor! Geheel zijn hartelijk en vriendschappelijk gemoed schoot vol. In +geen zestien jaren had hij zijn goeden "zwarten Daan", zooals _Deluw_ +aan de academie genoemd werd, gezien; en hoe zou hij hem vinden? Aan +de zijde eener beminnelijke gade, omringd van bloeiende kinderen! Ja, +met grijzend haar in plaats van zwart, maar met hetzelfde hart in +den boezem, open voor vriendschap, vreugde en gezelligheid! + +In de vreugd, die hem deze gedachte verwekte, bemerkte hij de luide +kreten niet, die in den koepel opgingen. + +Hij sloop de trappen op en opende de deur met den allervriendelijksten +lach, die ooit op het geblakerde gelaat van een afgemat dik man +gerust heeft. + +Welk een tafereel! + + + +Het was een kwade jongen van een jaar of zes, die geweldig schreeuwde +en stampvoette; het was een vader, rood van gramschap, die was +opgestaan, zich aan de tafel vasthield met de eene hand, en met +de andere geweldig dreigde; het was een moeder, wit van angst, die +den jongen tot bedaren zocht te brengen; het was een groote knaap +van dertien jaar met een bleek gezicht en blauwe kringen onder de +oogen, die met de ellebogen op de tafel en een boek vóór zich, om +het tafereel zat te lachen; het was een klein meisje van vijf jaar, +dat zich aan mama's japon schreiende vastklemde. Het was Dr. _Deluw_, +zijne beminnelijke gade, en zijn bloeiend kroost. + +"Ik wil niet," gilde de jongen, den stoel omschoppende, die het +dichtst bij stond. + +"Oogenblikkelijk!" schreeuwde de vader, schor van woede, "of ik bega +een ongeluk!" + +"Bedaar, _Deluw_!" smeekte de moeder: "hij zal wel gaan." + +"Neem me niet kwalijk, mijnheer!" zei de dokter, moeite doende om zich +redelijk in te houden; "die jongen maakt het me lastig. Ik zal u zoo +terstond te woord staan;" en hij pakte den nietwiller bij den kraag. + +"Och gut; scheur zijn goed niet, _Deluw_!" vleide de moeder; "hij +gaat immers al." + +"Laat _mij_ maar begaan," zei de dokter, en hij sleepte den snooden +zoon, die, ondanks het gunstig gevoelen door zijne moeder omtrent +zijn gehoorzaamheid geuit, geen voet verzette, den koepel uit, in +het bijvertrekje, waar hij hem in het turfhok opsloot. + +"Neem me niet kwalijk, mijnheer," zei mevrouw _Deluw_ middelerwijl +op hare beurt tot den binnengekomene, "ik ben zoo van me streek; ik +ben mezelve niet." En om het te bewijzen viel zij op een stoel neder. + +"Ik geloof dat het goed zal wezen dat ik eens in de lucht ga," ging +zij voort. + +"Gêneer u niet, mevrouw!" zei de uit de koets gevallen academievriend +van haar echtgenoot. En zij ging naar buiten; met het snikkende kind +nog altijd hangende aan haar japon. + +De jonge heer _Deluw_, met de bleeke wangen en de blauwe kringen, bleef +alleen met den heer _Bruis_, en keek hem met onbeschaamde blikken aan. + +"Ik zal die burenplagers wel krijgen," zei Dr. _Deluw_ weer +binnenkomende, daar hij het noodig achtte voor den vreemdeling +de misdaad te noemen van zijn zoon, opdat deze hem niet voor een +onrechtvaardig en hardvochtig vader houden zou. "Mag ik vragen?"... + +"Buikje!" riep de goedhartige dikkerd, met een gullen lach op zijn +purperen wangen. + +Nu, het woord buikje, diminutief van buik, is een zeer bekend woord; +althans voor een geneesheer. Echter kwam het dezen geneesheer, uit den +mond van een vreemdeling, in dit oogenblik vrij ongepast voor. Daarom +zette de heer Dr. _Deluw_ groote oogen op. + +"Buikje!" herhaalde de heer Mr. _Bruis_. + +De heer Dr. _Deluw_ dacht dat hij een krankzinnige voor zich zag, +en daar hij pas zeer boos was geweest, stond hij op het punt om het +andermaal te worden, vermits het toch in ééne moeite door kon gaan, +en hij het waarlijk anders zeer zeldzaam en niet dan met _veel_ +moeite werd. + +"Wat belieft u, mijnheer?" + +"Wel, hebje dan niet met Buikje gegeten?" + +De heer Dr. _Deluw_ herinnerde zich geen ander eten dan met zijn +mond. Hij trok de schouders op. + +"Hij is zeker in dien tijd nog vrij wat gezetter geworden, Zwarte +Daan!" zei de dikke man opstaande van den stoel, waarop hij gezeten +was. + +"_Bruis_!" riep eensklaps Dr. _Daniel Deluw_ uit. "Dat's waar ook, ik +heette Zwarte Daan, en jij heette Buikje; ik zou je niet gekend hebben, +man! Wat benje veranderd! Samen gegeten. Welzeker, welzeker. In de +Plezierige Sauskom." Maar den toon van vroegere gemeenzaamheid even +spoedig latende varen: "Wat mag ik u aanbieden, heer _Bruis_?" + +De uitdrukking "heer _Bruis_" was ongetwijfeld een middending tusschen +kortweg "_Bruis_" als vroeger, en "mijnheer" als nooit. + +"Waar is me vrouw, weet u dat ook?" vroeg de dokter. + +"Ze is een weinig van haar streek," zei _Bruis_, "en daarom is ze +eens in de lucht gegaan." + +"_Willem_, ga mama opzoeken!" zei Dr. _Deluw_. + +_Willem_ stond vadsig op, rekte zich uit, ging aan de deur van den +koepel staan, en schreeuwde zoo luid hij kon: "Mama!" + +Daarop ging _Willem_ weer zitten, en keek over zijn boek heen. + +"Ik wil er uit," gilde de jongen in het turfhok, en trapte tegen +de deur. + +"Wat zal ik je zeggen," zei Dr. _Deluw_, "die knapen tergen je geduld +wat!--U heeft geen kinderen, meen ik." + +"Geen een," zei de dikke man, die intusschen van dorst versmachtte; +"tot mijn spijt," voegde hij er met een zucht bij, ofschoon het +tafereel, dat hij voor oogen had gehad, die spijt juist niet had +verzwaard. + +Mama kwam binnen. + +"Dit is mijnheer _Bruis_, liefste!" zei de dokter, "van wien ik u +zoo dikwijls gesproken heb." + +Maar mevrouws gelaat drukte uit, dat zij er zich niets van +herinnerde. Mevrouw _Deluw_ nu was eene zeer preutsche dame. + +"Zal ik mijnheer een kop thee presenteeren?" sprak zij; en naar +een kastje gaande, dat van droogte nooit sloot, haalde zij er een +gebloemden kop en schotel uit te voorschijn. + +De heer _Bruis_ had alles willen geven voor een glas bier of een glas +wijn en water. Maar het was hem opgelegd, zoo moe en verhit als hij +was, in een brandendheeten koepel thee te drinken.--Ook brengt het +vrouwelijk stelsel van een zalig behelpen niet mee dat men in een +"tuin" van alles krijgen kan; en ook is het eigenaardig dat er in +een theetuin niets anders _is_ dan thee. + +De heer _Bruis_ zette alzoo zijn heete lippen aan een heeter kop thee. + +"Mag ik u om nog een weinig melk verzoeken?" + +Dr. _Deluw_ merkte wel dat zijn academievriend liever iets kouds had +gehad, en maakte duizend ontschuldigingen over de slechte ontvangst +in een koepel, waar men alleen maar van tijd tot tijd heenging om de +kinderen genoegen te doen. "Jammer dat hier geen kelder is," voegde +hij er bij. + +"Der is een turfhok!" schreeuwde de stoute jongen uit al zijn macht, +uit de plaatszelve die hij noemde. + +"Die ondeugd," zei de moeder met een klein lachje. + +"Heeft mijnheer nog meer relatiën te--?" vroeg mevrouw _Deluw_ aan +den heer _Bruis_, de stad noemende, die ik nog niet genoemd heb. + +"Verschoon mij, mevrouw," zei de heer _Bruis_, "ik ken er niemand, +dan mijnheer uw man;--schoon onze kennis al wat verjaard is," voegde +hij er zuchtend bij. + +"Dat gaat zoo," zei mevrouw _Deluw_; "nog een kopje thee?" + +"Dank u, dank u!" + +Mevrouw _Deluw_ stond op, neeg, en verklaarde, "dat mijnheer haar +wel een oogenblik zou willen excuseeren"; waarop zij vertrok. Het +vijfjarig kind huilde niet meer, maar hing toch nog steeds aan haar +japon en toog mede. + +Toen zijn vrouw vertrokken was, kwam het vriendenhart van dokter +_Deluw_ weer boven. Gaarne zou hij zich met zijn ouden makker nog +eens hebben verdiept in oude dingen, in de genoegens van Leiden, in +herinneringen van de Pleizierige Sauskom, in wat niet al? Hij vond het +evenwel beter, daartoe zijn gluiperigen dertienjarige te verwijderen. + +"Ik kan niet begrijpen, _Willem_! waarom je niet reis wat gaat +hengelen." + +"Hengelen!" zei de gluiperd, zijn tong uitstekende, "'t is ook wat +lekkers!" + +"Of wat schommelen met je zuster." + +"Ajakkes, schommelen!" + +"De jonge heer schijnt van lezen te houden," zei de heer _Bruis_. + +"Ja somtijds, als 't reis niemendal te pas komt," antwoordde +Dr. _Deluw_. + +Gluiperige _Willem_ werd boos, loerde naar den heer _Bruis_, sloeg +zijn boek met alle macht dicht, stiet het over de tafel dat het +een heel eind voortschoof, tot groot levensgevaar van het leege +theekopje van den bezoeker, schopte zijn stoel om, welke handelwijze +een specialiteit der jongere _Deluws_ scheen te zijn, pruttelde iets +tusschen zijn leelijke tanden, achter zijn dikke lippen, en vertrok, +hevig met de deur smijtende. + +"Och, die humeuren!" zei de gelukkige echtgenoot en vader. + +Ondertusschen was nu de baan schoon voor het hernieuwen der +vriendschap. De heeren staken ieder een sigaar op en begonnen over +Leiden te spreken; en het zou juist genoegelijk geworden zijn, toen +_Jansje_, die altijddoor met den tuinknecht had gestoeid, rood als +een koraal binnenkwam, om te zeggen dat "daar een knecht was van +mevrouw _Van Alpijn_, of dokter asjeblieft reis _oogenblikkelijk_ +dáár wou komen, want dat mevrouw zoo naar was." + +"Zeg dat ik aanstonds kom," zei Dr. _Deluw_ tot de dienstmeid en +daarop tot zijn vriend: "Ik denk niet dat het veel te beduiden +zal hebben. 't Is miserabel in ons vak, dat de menschen je om alle +wissewasjes laten halen." + +Deze phrase nu, is een doktersphrase, die ik meermalen gehoord heb, +zonder te begrijpen, waarom een geneesheer rede heeft om het den +menschen kwalijk te nemen dat zij hem niet uitsluitend in doodelijke +gevallen ontbieden. Moest het niet veeleer de patiënt zijn, die +zich beklaagde dat zijn arts hem voor alle wissewasjes een visite +aanschreef? + +Hoe het zij, Dr. _Deluw_ maakte zich gereed om naar dit wissewasje +van mevrouw _Van Alpijn_ te gaan zien. + +"Het zal wel anderhalf uur aanloopen eer ik terug kan zijn," zei hij, +op zijn horloge kijkende; "vind ik u dan nog hier?" + +"Ik weet het niet," zei _Bruis_, die stellig plan gehad had dien nacht +in de ongenoemde stad bij zijn vriend te logeeren; "ik wou zien dat +ik van avond nog verderop kwam." + +"Kom, kom," zei de dokter, "ik kom u hier afhalen, en gij soupeert +met ons in de stad?" + +"Ik weet niet," antwoordde _Bruis_, die gaarne gezien had dat mevrouw +bij deze uitnoodiging tegenwoordig geweest ware. + +"Enfin!" zei de dokter: "wij zullen zien; ik zal u nu bij mijn vrouw +brengen." + + + + +Hoe voortreffelijk zij was. + +Mevrouw _Deluw_ was niet ver af, bezig met _Jansje_ te beknorren +over het leven dat zij maakte; "zij wist ook niet", zei ze met een +oog op den tuinknecht, "waarom er altijd wat aan dien tuin gedaan +moest worden, als de familie er in was." + +_Deluw_ droeg zijn vriend aan zijne vrouw op, en wilde vertrekken. + +"Nog een woordje!" zei mevrouw _Deluw_. + +"Wat, liefste?" zei de dokter. + +"Zou daar niets aan te doen zijn?" + +"Waaraan?" + +"Aan die jongens." + +"Welke jongens? _Willem_ en...." + +"Och neen! aan die jongens daar in 't veld." + +"Wat wou je dan hebben dat er aan gedaan werd?" + +"Dat het ze verboden werd," zei mevrouw de doctorin. + +"Maar lieve, daar hebben we immers 't recht niet toe;" zei de dokter. + +"Nu, ik vind het dan al heel indécent, en vooral voor _Mientje_, +die daar altijd onder den cypres zit; zou je niet...." + +De dokter hoorde niet, maar was al weg. + +Dit staaltje van echtelijke samenspraak betrof een vijftal knapen van +acht of negen jaar, die zich op een kwartier afstands van Veldzicht in +het weiland bevonden, en het op dien brandendheeten achtermiddag veel +frisscher vonden in het water van den tocht dan in hunne kleederen. + +"Uw oudste dochter," zei _Bruis_, toen hij met mevrouw _Deluw_ alleen +was, "schijnt veel van de eenzaamheid te houden." + +"O ja, mijnheer! ik beleef heel veel pleizier aan dat meisje. Ze is +altijd met een of ander boek in de weer; ik verzeker u dat zij haar +Fransch nog beter verstaat dan ik; zij leest Engelsch, en Hoogduitsch +ook." + +"Kom aan," zei de heer _Bruis_; "dat 's pleizierig. Ja, hier in +Holland zijn zulke heerlijke gelegenheden voor dat alles." + +Mevrouw _Deluw_ meende dat deze opmerking de verdiensten van haar +welp verkleinde. + +"Het scheelt veel, mijnheer!" antwoordde zij, "hoe men van die +gelegenheden profiteert; en mijn dochter studeert veel, studeert +eigenlijk altijd. Haar grootste genoegen is studeeren; en ze houdt +zich ook niet op met al die dingen, waar een meisje van haar jaren +anders gewoonlijk pleizier in heeft." + +De heer _Bruis_ hield niet van zulk soort van meisjes. + +"Hoe oud is uw dochter?" vroeg hij. + +"Zestien jaren," zei mevrouw _Deluw_, haar hoofd oprichtende met +moederlijke majesteit. + +"Flos ipse;" prevelde de heer _Bruis_. + +"En zoo als ik zeg," ging mevrouw _Deluw_ voort; "Engelsch, Fransch +en Duitsch. Ik geloof dat ze nu weer met een Engelsch boek is +uitgegaan. Heeft u haar niet gezien?" + +"Ik heb een dame gezien die onder een boom zat te lezen," zei de +heer _Bruis_, die anders niet gewoon was een meisje van zestien jaar +eene dame te noemen; maar hij dacht: Engelsch, Fransch en Duitsch, +en altijd lezen! + +"Och, dat is haar lievelingsplekje," zei mevrouw _Deluw_; "wij zullen +haar eens gaan opzoeken. Het is er koel, en wij kunnen er uitrusten." + +Zij naderden het lievelingsplekje; de dochter stond op, en neeg +nogmaals voor den heer _Bruis_. + +Mevrouw _Deluw_ ging naast haar dochter op de tuinbank zitten, de +heer _Bruis_ vond er een stoel. + +"Wij komen hier wat bij je zitten, _Mina_. "Wat lees je daar weer, +kind? vast weer Engelsch?" + +"Och neen, mama! 't is maar zoo'n boek; ik wist zoo gauw niet wat ik +mee zou nemen; ik zag dit liggen. Is _Jantje_ weer zoet?" + +Er was iets zeer schichtigs en onrustigs in het gelaat van +_Mientje_. Het was, om de waarheid te zeggen, geen heel mooi meisje; +ook al bleek, en met iets heel leelijks in de oogen, die altijd ter +zijde uitkeken; daarbij had zij als waren 't zenuwachtige trekken in +haar gezicht, die den heer _Bruis_ niet aanstonden. + +Mevrouw _Deluw_ drong er niet op aan om het boek te zien. Voor zoover +de heer _Bruis_ merken kon, had het eene sterke gelijkenis op zeker +werkje, getiteld "Amours et Amourettes de Napoléon", waaruit zonder +twijfel veel stichtelijks is te leeren voor een meisje van zestien +jaar. + +Eenige oogenblikken zat het drietal daar neder, terwijl mevrouw _Deluw_ +enkel het woord voerde tegen haar dochter, om gezegden uit te lokken, +die hare groote voortreffelijkheden aan den dag konden brengen; en +dan schudde zij weder eens het hoofd over de badende kleine jongens, +een kwartier uurs verre in het land. + +"O!" zei _Mina_, en haar vingers trilden zenuwachtig over haar boek, +dat zij eigenlijk aan stuk zat te maken: "O! het is naar, dat het +hier zoo onvrij is." + +Op dat oogenblik werd haar naam met eene half ingehouden stem +uitgeroepen. + +"Je wordt geroepen, kind!" zei mevrouw _Deluw_. + +"Neen, mama," zei _Mina_, en scheurde den omslag bijna van het boek af. + +De heer _Bruis_ sloeg met zijn stok boterbloemen en kransjes van +'t gras. + +"_Mina_!" riep de stem op denzelfden toon; "waarom kom je nou niet? Den +ouwe is naar de stad; en _Jansje_ zegt dat mamalief op den koepel +zit met een vreemden snoes." + +Mamalief zag dochterlief aan. De vreemde snoes deed alsof hij het niet +merkte en, dicht aan de vaart getreden, scheen hij al zijn aandacht +te wijden aan een voorbijvarende trekschuit, welke hij dolgraag +"volk mee" had toegeroepen, had hij zijn valies en jas maar gehad. + +Mevrouw _Deluws_ oogen schoten vonken uit; zij kneep _Mina_ in den +arm. "Wat beteekent dat?" fluisterde zij; maar zij wilde ten overstaan +van den vreemde geen "scène maken". + +"Hoor reis," vervolgde de stem, "geen kuren! Ik weet heel wel dat je +daar zit, maar ik durf daar niet komen; hier staat je stoeltje nog van +laatst, en hier kan niemand me zien." Hij zweeg een oogenblik. "Maar +wat kan 't mij ook schelen, als den ouwe maar uit is!" + +Pof; daar sprong iemand van de schutting van N_o_ 32; de boomen +ritselden; en op het lievelingsplekje der voortreffelijke verscheen +een opgeschoten knaap van de jaren om op de conrectorschool te gaan, +met een blauwe pet en een rond buis, en met een zeer dom, ondeugend +en brutaal gezicht. + +"Dat's iets anders!" zei de opgeschoten knaap, zooras hij mama _Deluw_ +en den heer _Bruis_ bemerkte. + +"Jongeheer!" begon mevrouw _Deluw_, bevende van woede. + +"Is _Willem_ hier niet?" vroeg de opgeschoten knaap, imperturbabel. + +"Neen, jongeheer!" antwoordde mevrouw _Deluw_, "en al was hij hier, +_Willem_ mag niet omgaan met een jong mensch, die me dochter toe +durft spreken, op een manier, die ... die ... die is, zoo als u +gedaan heeft...." + +"Dat's iets anders," zei de opgeschoten knaap, "maar ik kan 't +niet helpen dat uw dochter mij naloopt. Haar stoeltje staat bij de +schutting; niet waar, _Mien_?" + +"Je bent een gemeene jongen" zei _Mien_, op haar lippen bijtende; +"ik heb je nooit gekend, ik wil je niet kennen." + +"Dat's iets anders!" antwoordde hij alweer, want dat gezegde +was waarschijnlijk in die dagen op de conrectorschool onder de +beschaafde vertalers van _Livius_ en _Virgilius_ aan de orde,--en +zich omdraaiende: "Compliment aan den dokter." + +Hij maakte zich gereed fluitende het tooneel te verlaten. + +Op dit oogenblik kwam _Willem_, "die met zulk soort van knapen niet +mocht omgaan", op. + +"Ha!" zei de opgeschoten knaap; "daar heb je dat lieve +jongetje, dat driemaal in de week den bink steekt. Dat's iets +anders. _Willempje_? hoe smaken de versche eiertjes uit het kippehok +van den melkboer?" + +En "_Willempje_" bij de hand trekkende, lachte de opgeschoten knaap +recht smakelijk. + +"Het zal mijn tijd worden, mevrouw!" zei de heer _Bruis_, zich houdende +alsof hij niets gehoord had en uit een diep gepeins ontwaakte. + +"Groet uw man nog wel hartelijk, maar het wordt wat laat. Dank uwe +vriendelijke receptie! Je dienaar, juffrouw _Deluw_; dag, jonge +heeren!" + +En eer mevrouw _Deluw_, die natuurlijk "allerijselijkst confuus" +was, iets zeggen kon, had de heer _Bruis_ het lievelingsplekje reeds +verlaten. + +Hij haastte zich door de smalle kronkelpaden zijn weg te zoeken. + +"Buikje!" klonk het met een sarrigen lach uit een der omhoepelde +appelboomen. + +De heer _Bruis_ voelde al zijn bloed naar 't hoofd stijgen; want het +was de stem van den zesjarigen knaap, die zooras zijn vader de hielen +gelicht had, natuurlijk was losgebroken. + +De heer _Bruis_ draaide zich naar alle kanten om, ten einde den +kwajongen te vinden, maar hij zag hem niet. Echter kon hij niet +nalaten eene beweging met zijn bamboes te maken, alsof hij hem een +duchtigen slag toediende. + +Hij kwam aan de deur; maar, onbekend met de geheimen van het slot, +duurde het vrij wat, eer hij er in slaagde die open te krijgen, +waarin hem natuurlijk zijn haast en schutterigheid tegenwerkten; +terwijl de jongen in den appelboom, met allerlei verandering van stem, +zijn academischen alias bleef herhalen. + +"Goddank!" zei de heer _Bruis_ uit den grond van zijn hart, toen hij +de Meester-Jorislaan uit was, met het vaste voornemen om zich naar +het eerste logement het beste in de stad, die ik nooit noemen zal, +te spoeden. Hij was juist nog niet veel _koeler_ geworden. + + + +"En nu uw vriend, Dr. _Deluw_!" vroeg mevrouw _Bruis_, toen haar +goedhartige echtgenoot, acht dagen daarna, aan hare zijde van de +vermoeienissen der reis zat uit te rusten, zich verkwikkende aan een +groot glas rijnschen wijn met bruisend fachingerwater en suiker. + +"Ben je daar prettig ontvangen? Was hij niet opgetogen u te zien? Heeft +hij een lieve vrouw en mooie kinderen?" + +"Mijn vriend Dr. _Deluw_, wijflief! heeft een heelen mooien theetuin, +een vrouw, twee zonen en twee dochters, waar hij veel pleizier aan +beleeft, vooral aan de oudste dochter." + +Toen roerde hij nog eens in zijn groot glas wijn, fachingerwater en +suiker, en dronk het in ééne teug uit. + + + + + + + +VERRE VRIENDEN. + + +Het is eene onbeschrijfelijke gewaarwording en een geheel eigensoortig +genoegen, een vriend uit verre landen, na langdurige scheiding, +weder te zien. Ik heb het eens in vollen nadruk gesmaakt. Geheel +onverwacht trad er mij een onder de oogen, dien ik voor toen ruim +vijf jaar met vele tranen had vaarwel gezegd, en van wien ik sedert +maar weinig had vernomen. Het was _Antoine_--van Constantinopel. Een +eerwaardige afstand, van hier tot den Bosporus, lezer! en die ik hoop +dat u met eerbied voor ons beiden vervullen zal; me dunkt althans dat +het mij zeer belangrijk maakt, zoo ver van huis een vriend te hebben; +en toch, ik zag liever al mijne vrienden binnen de grenzen van dit +goede Holland. + +Om de waarheid te zeggen, het behoort onder de domme streken mijner +jeugd, dat ik zoo dikwijls met vreemdelingen in vriendschap ben +vervallen; gelijk ik het dan ook, door ondervinding wijs, iedereen die +een gevoelig hart in de borst heeft, stellig afraad; want! vroeger +of later, slaat hun uur, en zij vertrekken, de één voor, de ander +na, naar de vier hoeken des winds, zonder iets achter te laten dan +een treurend herdenken, en een albumblaadje. Ik heb vrienden in +Engeland, vrienden aan de Kaap, vrienden in Turkije, te Batavia, +in Demerary, in Suriname! Met enkele, de dierbaarste, houd ik een +geregelde briefwisseling; maar wat zijn brieven op zulk een verren +afstand? Zij kunnen ons de betrekkingen en toestanden, waarin onze +vrienden verkeeren, niet duidelijk maken! Van anderen heb ik, na het +eerste bericht van behouden thuiskomst, niets meer vernomen. De meeste +zal ik nooit wederzien; zij zijn, ongestorven, dood voor mij. Vele +weten niet eens dat ik somtijds en met innige liefde aan hen denk, en +ik zou wenschen, dat _Hildebrand_ wereldberoemd ware, en dit zijn boek +overal verspreid en gelezen, opdat, zij dit ten minste weten mochten! + +Neen! ik had het nooit moeten doen. Welke goede jongens zij ook +waren, hoe verlokkend hun omgang, hoe belangrijk hun verkeer, hoe +innemend hun manieren, hoe met mijn smaak overeenkomstig hun smaak +ook zijn mochten, ik had hen op een afstand moeten houden; ik had +mijn hart beter moeten bewaken; ik had, zoodra, ik een enkel zaadje +van vriendschap voelde kiemen, het moeten onderdrukken en tegen mijn +gevoel te velde trekken, zoo als een verstandige molenaarsdochter +doen zou, wanneer zij bemerkte dat zij bij ongeluk op een prins of +een bisschop verliefd geraakte. Ik zou dan ettelijke keeren minder +met den mond vol tanden hebben gestaan, waar ik zoo gaarne duizend +lieve en hartelijke woorden had gesproken; want afscheidnemen is een +moeielijk ding! Ik zou dan zoo dikwijls niet mal hebben staan kijken +als er een stoomboot afvoer, of een wagen wegreed; ik zou niet zooveel +nachten hebben wakker gelegen met angst luisterende naar den storm, +en gedenkende aan de vrienden die op zee waren; + + + "Die met zoo weinig houts op zooveel waters drijven, + Voor wie de stormen, die hun razen over 't hoofd, + In 't schuimend golfgewoel geduchte teeknen schrijven, + Wier zin gevaar en dood belooft. + + Het graf gaapt onder hen en dreigt hen allerwegen, + Hun doodskleed ligt geplooid en ruischt hun in 't gemoet; + Hun lijkzang klinkt hun oor in iedre windvlaag tegen-- + O Heere, zij vergaan! tenzij gij hen behoedt!" + + +Ik zou niet zoo dikwijls op eenzame wandelingen hebben stil gestaan +bij plekjes, waar ik gewoon was iemand bij mij te zien, die nu verre, +verre weg is en daar nooit meer zal komen. Die gedachte werpt een +nevel over hunne schoonheid. + +Ondertusschen kan ik mijn geheugen niet genoeg prijzen voor +de diensten, die het mij ten opzichte van mijne verre vrienden +bewijst. Niet alleen roept het hunne namen en beeltenissen beurtelings +met eene getrouwe nauwgezetheid voor mijn geest terug, maar ook brengt +het duizend zeer uitvoerige tooneeltjes op het doek der camera obscura +des terugdenkens. Vooral het uur des afscheids staat van ieder hunner +in alle bijzonderheden mij voor den geest; de traan, de uitgestrekte +hand, de bevende lip, de gedwongen lach, de laatste woorden, de +wuivende zakdoek in de verte, het omgaan van den laatsten hoek, +en het geheel verdwijnen! Dat alles voel ik nog; en dan zie ik weer +rondom mij al de onverschillige gezichten, die niets met dat afscheid +te maken hadden, schoon zij het bijwoonden; en dan voel ik weder de +gewaarwording van eenen dierbaren vaarwel gezegd te hebben en na te +staren, en terug te keeren tot de bedrijvige wereld, de drukte op +straat, de drukte in huis en het "wat kan 't me schelen?" gezicht +van eene maatschappij, waarin iedereen zijn eigen vrienden heeft, +en zijn eigen weg gaat. Waarde B--! die nu aan Afrika's zuidelijken +hoek den pols van drieërlei rassen voelt en die, naar ik hoor, reeds +de bruiloft gevierd hebt van de dochter uwer vrouw--(want gij hadt +een zeer jonge weduwe getrouwd met drie lieve kinderen, en bij u te +land trouwen de meisjes op haar veertiende jaar)--nog staat mij het +geheele tooneel voor oogen van uw afscheid uit Leiden, toen gij voor +vier jaren in de maand Juni met den Colombo uit zoudt zeilen. + +Het was zes uur in den morgen, toen het groote rijtuig voor moest +komen, dat u naar Rotterdam zou brengen. + +Nog zie ik uwe bovenkamers in die zonderlinge verwarring, +onafscheidelijk van het vertrek van iemand die met zijn geheele +huishouden en al zijn meubelen optrekt; den vloer overdekt met +koffers, sluitmanden, valiezen. Hier de minne, het kleine, lieve, +en pas ontwaakte _Wimpje_ aankleedende, die, verwonderd zoo vroeg +gestoord te zijn, met de bruine oogjes, nog strak van den slaap, zat +rond te turen; daar uwe vrouw voor den spiegel haar mooi haar in orde +brengende; en ginds uzelv', op de knieën voor een klein zaktoilet, +dat op een koffer stond, uw baard scherende; den kleinen _Jan_ +(wat zal hij al groot geworden zijn!) geheel gekleed en veel te +vroeg klaar, met een blikken sabel en papieren patroontasch om, en +een houten geweertje in den arm (een kind doet alles spelende) tot de +groote reis gereed. _Mimi_ en _Jansje_, (het is immers _Jansje_, die +getrouwd is?) uw kleinen _Louis_ zoet houdende; onzen vriend F. (hij +is reeds ter ziele, de goede jongen!) nog altijd slovende, zwoegende +en sjouwende om het laatst gebruikte goed te helpen inpakken; en uw +trouwsten vriend _Bram_, half door zijne gewone vroolijkheid verlaten, +gereed om u tot Rotterdam te geleiden. Nog zie ik al die kasten open; +en op de planken hier en daar eenige voorwerpen van te weinig waarde om +meegenomen te worden: een koffiekan, een gekramden kop en schotel, een +oude pop, een half versleten schaapjen op drie pooten; ginds een paar +pantoffels; wat verder een gesp; op een andere plaats een gescheurde +trommel van _Jan_; aan een kapstok, een ouden pantalon van u; en in +een hoekjen een masker, dat gij te Berlijn op de maskerade gedragen +hadt, en dat _Bram_ meenam in 't rijtuig om de kinderen vroolijk te +houden. Al het gedraag met mantels, hoeden en jassen.--Het verwarde, +bezige en drukke van dit vertrek verstrooide onze aandoening; maar toen +gij allen op het rijtuig zat, en achter den voerman, die niet eens +begreep dat gij naar de Kaap gingt, en wegreedt met die lieve vrouw +en die lieve kinderen--toen schoot het gemoed mij vol. Ik stond nog +lang in gedachten, nadat de wagen reeds uit het gezicht verdwenen was, +en toen ik de oogen weer rondom mij sloeg, nam ik het zeer kwalijk dat +de metselaars met een korte pijp in 't hoofd naar hun werk gingen, +en de melkboeren met groote koelbloedigheid overal aanschelden, en +de karren begonnen te rijden! maar vooral, vooral! dat het kermis +was en dat er kramen stonden.--Waarom komt ook gij niet eens terug, +zooals _Antoine_ deed? + + + +De vader van _Antoine_ is een Italiaan van geboorte, maar +genaturaliseerd Hollander, en bekleedt een hoogen rang onder ons +gezantschap bij de Porte. Als zoodanig resideert hij sinds een aantal +jaren te Pera. _Antoine_ was als kind te Marseille gekomen en had +daar zijn eerste onderwijs ontvangen. Als knaap werd hij op een der +kostscholen in mijn vaderstad gedaan, en wij leerden elkaar in het +gelukkige tjjdperk van veertien tot zeventien kennen, en droegen +elkander wederkeerig een warme en trouwe jongensvriendschap toe. De +jongensleeftijd is waarlijk zoo kwaad niet voor de vriendschap, daar +het toch welbekend is dat deze het geluk bemint. Ja, ik zou bijna den +jongenstijd den àllergeschiktsten voor eene wederzijdsche genegenheid +achten. De latere jongelingschap moge nog even belangloos zijn en +evenmin afhankelijk van maatschappelijke scheidsmuren van rang, +stand, en wat dies meer zij, maar zij is te rijp; men kent alsdan +elkander te veel, te veel van nabij; men heeft reeds te veel kijk +op den inwendigen mensch! Een jongen is _geheel_ buitenkant! Men +heeft later geleerd zich rede van zijn genegenheid te geven; +te onderzoeken, na te gaan, te verdenken; ook heeft men zoo vele +zedelijke behoeften, en eischt zoo velerlei in een vriend! Men heeft +voorzichtiger lief, verveelt elkander spoediger, verkoelt lichter, +beleedigt schielijker. Jongens weten van dat alles niets. De titel +"een goede jongen" geeft recht genoeg op dien van "goeden vriend", +en er wordt geene andere sympathie gevraagd, dan dat men b.v. allebei +graag wandelt, graag vuurwerk afsteekt, graag baadt, graag wat ouder +zou zijn, graag de jongejuffrouwen van een kostschool tegenkomt, en +niet graag latijnsche themata maakt. Het geheele doel der onderlinge +genegenheid wordt bereikt, als men zich onder 't ongestoord genot +eener goede verstandhouding te zamen vermaakt. En wordt die goede +verstandhouding al eens verbroken, door eene kleine jaloezie, of een +kleine ontrouw, nu! dan zijn er immers aan weerskanten twee vuisten om +te slaan, en twee voeten om beentje te lichten; en dan is het alles +over, en men haalt elkaar weer af om te zamen schuitje te varen en +in stilte een sigaar te rooken, en toont de vuisten aan iedereen en +licht het beentje van elk, die niet gelooft dat men weer goemaats +is. Ziedaar de vriendschap van dien leeftijd. + +_Antoine_ en ik althans verstonden elkander best, en vooral dan, +wanneer wij bijvoorbeeld beiden op dezelfde jongejuffrouw verliefd +waren, een toestand waarin wij zeer dikwijls te zamen hebben +verkeerd. Met de meest mogelijke bonhommie wonden wij dan elkander +op met de blijken van genegenheid onzer schoone, en vonden niets +genoeglijker dan tegelijk elkanders mededingers en vertrouwelingen +te wezen. Gij hadt ons moeten zien, lezer! als wij bezig waren op +onze wandelingen beiden denzelfden naam in een boom te snijden of +het stoute plan overlegden om beiden haar een teeder briefje te +schrijven. Ik herinner mij ook zeer goed de bijzonderheid dat wij +op een kermiswandeling onzen horoscoop trokken, en beiden voor onze +toekomstige gade letterlijk hetzelfde portret zagen, ofschoon wij +onder verschillende planeten geboren waren, en het schelletje hem +veertien, en mij slechts elf kinderen voorspelde. In het tafereel, +dat van mijn toekomstig lot werd opgehangen, kwam voor "dat een +wagen mij een ongeluk zou dreigen, waarvoor ik echter door de hulp +van een goed vriend zou worden behoed", en ik had op dat oogenblik +willen zweren dat die goede vriend niemand anders zou kunnen zijn +dan mijn zwartlokkige _Antoine_. En ondertusschen! hoe ver zijn wij +vaneengescheurd!--en hoe weinig mogelijkheid bestaat er dat, indien ik +ooit in ongelegenheid met rijtuigen kom, het zijn getrouwe arm zijn +zal die mij redt.--O, als wij dat eens nagaan, hoe dikwijls wij het +personeel moeten veranderen, dat in onze droomen en vergezichten en +luchtkasteelen optreedt; hoe vaak wij er van afzien moeten, het tooneel +van onze toekomst te bevolken met degenen die er, in onze mijmeringen, +zoo menigmaal en in zulke nauwe betrekkingen, op hebben gefigureerd, +en zonder welke wij ons bijna geen toekomst denken konden; en hoe, +in het tooneelspel van ons leven, achtereenvolgens de eene rol voor, +en de andere na, aan geheel andere personen wordt opgedragen, dan +aan wie wij die hadden toegedacht: dan zien wij eerst recht, hoe +wonderlijk de lotbus geschud wordt, en hoe vreemd en wisselvallig de +raderen der maatschappij omloopen, en dat wij, aan onze mijmeringen +en vooruitzichten toegevende, beuzelden, en met even weinig zekerheid +beuzelden, als toen wij onzen horoscoop lieten lezen, en het schelletje +klinken, en in den kijker naar onze lieve aanstaanden tuurden. + + + +Om tot _Antoine_ terug te keeren. Hij was voor den handel bestemd, +en zooras zijne voorbereidende opvoeding voltooid was, vertrok hij +naar Antwerpen om dien te leeren. Dit was onze eerste scheiding, maar +verzoet door het vooruitzicht dat ik hem somtijds zien, en dat hij +eenmaal Amsterdam tot zijn vast verblijf kiezen zou. De gebeurtenissen +van 1830 dreven hem uit de Scheldestad, en ik zag hem op een goeden +avond aan mijns vaders huis aankomen, na een overhaaste vlucht uit de +bedreigde muren. Hij kwam mij toen zeer belangwekkend voor; vooral +daar hij al zijn goed had achtergelaten en een nachthemd van mij te +leen vroeg, hetwelk ik zeer avontuurlijk en romanesk vond. Het viel +mij echter tegen dat hij nergens een dooden kogel of eerlijke wonde +had gekregen. Niet lang duurde het, of hij werd door zijn vader naar +Constantinopel opontboden. Met veel tegenzin ging hij derwaarts. Hij +was aan Holland gehecht. Zijn geboorteland kende hij niet. Zijn +vader herinnerde hij zich niet. Zijn moeder was overleden, en in de +plaats van deze zou hij een stiefmoeder vinden, niet veel ouder dan +hijzelf. In 1831 vertrok hij, en wij namen een droevig afscheid. Ik +gaf hem een plattegrond mijner geboortestad mede, waarop ik met roode +stippen alle plaatsen, op welke hij eenige betrekking gevoelde, had +aangeteekend. Hij heeft dit gedenkstuk trouw bewaard. Ik zond hem een +brief te Marseille; en weldra kreeg ik er een van hem uit Stamboul, +die tot mijn overgroote vreugde, met vele gaten doorprikt en door den +azijn gehaald was. Hij was in zevenentwintig dagen van Marseille tot +Constantinopel overgekomen. De pest en de cholera waren een weinig +vóór hem gearriveerd; Pera was juist afgebrand, en het huis van zijn +vader in de asch gelegd. Hij had zich daarop naar diens buitenplaats +gespoed. Niemand had hem herkend. Hij had zich bij zijn eigen vader +voor een vriend van diens jongsten zoon uitgegeven, die hij zelf was, +en bracht berichten omtrent hem mee. Hij wist natuurlijk alles zeer +nauwkeurig. Aan tafel zat hij op de plaats der eere, naast zijne +stiefmoeder. Zijne zusters waren schoon, en zijn vader vond zijn toon +met haar kennelijk wat te vrij voor een vreemdeling. Bij het nagerecht +had hij zich met een toost en vele tranen bekend gemaakt. Van het +land hing hij mij geen aanlokkelijk tafereel op; het was veel te +mooi voor de Turken; de Franken waren er trotsch; de meisjes lui, +niet mooier dan ergens anders, onbeschaafd en van niets sprekende +dan van de keuken; van tijd tot tijd aan de liefde offerende en hare +kinderen op straat verlatende. Hij verzuchtte naar Holland en zijne +vrienden. Ik vertroostte hem met een brief, dien hij nooit ontvangen +heeft, en onze correspondentie ging te niet. Daar stond hij eensklaps +vóór mij, na eene afwezigheid van vijf groote jaren, een geheel ander +en toch dezelfde. Hij had Rusland, Duitschland, Frankrijk, België en +Engeland, zoowel als de Levant, doorreisd en doorkropen, maar hij +was toch _Antoine_ gebleven; zijn gelaat en zijn gemoed waren niet +veranderd. Van geslacht een Italiaan, van vaderland een Turk, van +moedertaal een Franschman, van opvoeding een Hollander, van geloof +een Catholiek, en van hart een goede jongen. Doch hoe verrijkt aan +inzicht, kennis, wereldburgerschap en ondervindingen! Hij sprak behalve +Fransch en Hollandsch, als vroeger, nu ook de talen van al die landen +die hij had bezocht. Wij voerden 't gesprek meest in 't Engelsch, +of in 't Fransch; want zijn Hollandsch had hij wel goed onthouden, +maar hij had zooveel te zeggen waaraan hij nooit in 't Hollandsch had +gedacht. Zijn Hollandsch was niet rijker dan 't woordenboek van iemand +van zeventien jaar. Nu telde hij tweeëntwintig. Hij had aangezeten met +Turksche bassa's en het hof gemaakt aan Russische prinsessen: hij had +rozenolie, juweelen, opium en pastilles aan Poolsche joden verkocht, +met Duitsche gravinnen gedanst, met Fransche incroyables gespeeld, en +met dikke lords toosten ingesteld; hij had zeeën doorkruist, ijzerbanen +overgevlogen, kou en hitte getart, quarantaines gehouden, de liefde +gekend, de pest ontvlucht, en den dood onder de oogen gezien; maar +daar zat hij in onze nederige tuinkamer, geheel dezelfde in oogen, +hartelijkheid, goedwilligheid, heuschheid, en vriendschap, als toen +ik voor vijf jaren in zijn album schreef: + + + Geen grootspraak op dit blad, geen duurgezworen eeden, + Die overbodig zijn, of ongemeend meestal! + Maar laat mijn naam alleen een plaats er op bekleeden, + Die al mijn vriendschap u gewis herin'ren zal. + + +Hij was nauwelijks in Holland aangekomen of hij was naar mijne woonstad +geijld, die hij "het paradijs zijner jeugd" noemde, en nauwelijks in +mijne woonstad, of hij bezocht allereerst zijn vriend _Hildebrand_. Ik +verheugde mij twee dagen in zijn bezit. + + + +Ik weet niet of gij den toestand kent, waarin een dergelijke ontmoeting +u brengt. In 't eerst is men in een dwaze houding; men maakt bijna +een mal figuur. Men vliegt elkander met naïeve vreugd in de armen, +maar men is schrikkelijk bang om te theatraal te zijn, en men voldoet +zichzelven niet in hartelijkheid. Vrouwen zijn in zulke oogenblikken +natuurlijker en geven zich meer aan haar gevoel over. Zij schreien +aan elkanders hart; het is veel zoo het bij ons tot een traan komt, +die zich nog achter een lach wil verbergen. Ach! wie wij ook zijn +mogen en hoeveel melk er ook in ons bloed moge wezen, wij zijn allen +eenigermate onder den invloed van hen die hardvochtiger zijn dan wij, +en veel minder bang om ongevoelig dan om belachelijk te schijnen. Zoo +trekken wij niet zelden onze warme gevoelens het koude harnas der +krachtbetooning aan, waarin zij beven en bibberen, en verbergen +de lieve trekken onzer zachtaardigheid achter eene harde grijns, +opdat wij toch vooral leelijker zijn zouden. Bloodaards! niet te +ver met deze huichelarij! Ook van haar zal God rekenschap vergen; +ook van het gevoel dat wij verloochend hebben, van de tranen die wij +onderdrukten uit lafhartigheid. + +Wat ons betreft, wij waren alleen; ik ken er die ons kinderachtig +zouden hebben genoemd en toch, toch beviel ik mijzelven niet. En +toen nu de eerste handschuddingen en begroetingen voorbij waren, +daar stonden wij met den neus voor een berg blijdschap, voor een berg +verwondering, elk met een berg mededeelingen achter zich, en met heele +bergreeksen vragen ter rechter- en ter linkerhand; en door dit alles +zoo belemmerd en ingesloten, dat wij geen vin verroeren konden! 't Zou +voor een koel aanschouwer en toehoorder bijna lachwekkend geweest zijn, +op te merken hoe onhandig wij van weerskanten in dien bonten warhoop +van 't verleden rondtastten, opdat wij elkander den doorleefden tijd +goed voor de oogen stellen mochten; hoe ongepast wij over en weder +de boeken in den wilde opsloegen, om een denkbeeld van den inhoud te +geven; hoe wij dikwijls de behoefte gevoelden om iets te verhalen +of te vragen, zonder te weten: "wat dan toch eigenlijk?" en welke +nietigheden wij elkander naar 't hoofd wierpen! Zoo veel is zeker, dat +ik duidelijk eene groote ontevredenheid gevoelde over het weinige dat +ik in dat eerste uur toch eigenlijk de moeite waard achtte om verteld +te _worden_; een klaar bewijs van de onbeduidendheid der voorvallen +van 't menschelijk leven, die, als zij voorbij zijn, dikwijls niet +veel meer belangrijkheid voor ons hebben dan de kolommen van een +oude courant. + +Maar langzamerhand kwam er licht in dien baaierd, en hij ordende zich +van lieverlede. De behoefte om vertellingen te doen, ervaringen op +te biechten, ondervindingen op te vijzelen, en elkander om strijd te +verbazen, hield op. Nu volbrachten hart en geheugen hun verrichtingen +geregeld, want de onnatuurlijke toestand van beiden ontspande zich. En +zelden smaakte ik zoeter uren dan die waarin wij elkander in onzen +wederzijdschen levensloop met oprechtheid inleidden, en de heerlijke +ontdekking deden, dat er na een groot tijdsverloop en uiteenloopende +ondervinding, veel gelijkheid van beginselen en gevoelens in onze +ziel was blijven bestaan. + +En inderdaad, hij moet zich mijner dikwijls herinnerd hebben, want +hem was niets vergeten. Hij wist allerlei kleinigheden, allerlei +bijkomstigheden op te halen, die hij niet zou hebben onthouden indien +hij mij minder had liefgehad. De geheugenis toch van kleine te zamen +gesmaakte genoegens (ja van de groote en meer innige zelfs) vergaat, +verteert, vervliegt in den luchtstroom onzer verstrooiingen, onzer +bezigheden, onzer studiën. Het vuur onzer driften verbrandt ze in ons +hart, of het ijs onzer bezadigdheid bevriest ze; de wereld lost ze op +in den rusteloozen vloed van aandoeningen en ondervindingen die er +overheenstroomt, of onze dartelheid, onze trots, en datgene in ons, +dat wij "er uitgroeien" noemen, vernielt en verdoet ze moedwillig, +tenzij wij ze balsemen met de geurige zalve onzer liefde! + + + +De volgende dag was voornamelijk aan de vreugde der herinnering +gewijd. Wij gingen wandelen. Onze meeste genoegens hadden wij buiten +gesmaakt. De jongensvriendschap is eene veldnimf; ons had zij aan +heldere beekjes, in dichte bosschen, en vooral op de blanke duinen +omgeleid. En deze tooneelen hadden het minst verandering ondergaan. Wel +kwamen wij hier en daar waar het niet was als vroeger, waar wij een +aanleg niet herkenden, die verlegd was, of een brug niet meer vonden, +waarop wij hadden zitten hengelen, of een bosch zagen omgehakt, +met de namen onzer schoonen en al, in de stammen,--en het was eene +onaangename teleurstelling; ja ik schaamde mij haast voor mijne +landgenooten, die de verandering hadden teweeggebracht. En toch wil +ik wedden dat mijn vriend evenmin voldaan zou geweest zijn, indien +hij _alles_ volkomen in dien staat gevonden had, waarin hij het had +gelaten. Want ook dan zou hij het werkelijk anders gevonden hebben +dan hij zich had voorgesteld. Wij menschen denken ons in afwezigheid +het achtergelatene zoo stereotiep niet, en vooral niet als wijzelf +zeer bewegelijk zijn en in onze nabijheid, alles zien veranderen, +vervallen en vernieuwen. Ook heeft het iets stuitends voor ons gevoel, +dat alle oorden, plaatsen en dingen, als _wij_ er niet meer zijn, +volkomen blijven kunnen zooals zij waren, toen wij ons in hun midden +bevonden; en het wekt een soort van wel onbillijke, maar toch van +verontwaardiging op, dat zij zich volstrekt niet aan ons aanzijn of +afzijn storen, en veel standvastiger en veel beter gegrond zijn dan +wijzelf! eene verontwaardiging niet ongelijk aan die, welke een min +of meer bestoven vriendenkring gevoelt voor een doodnuchteren gast. + +Zoo er onder mijne verre vrienden zijn mochten, die dit lezen en +niet gelooven, weet ik er niet beter op dan dat zij er zich van +komen overtuigen. + +Hoe het in _hunne_ harten is weet ik niet; maar _ik_ dwaal dikwijls +in verbeelding en in werkelijkheid rond en bezoek de plaatsen die +wij te zamen zagen, en herinner mij menig genoegelijk uur, en menig +vertrouwelijk gesprek, en menige vurige betuiging en openhartige +belijdenis. Ik spreek van hen met dezulken die hen gekend hebben, en +wek bij allen die mij dierbaar zijn den lust op _om_ hen te kennen; +ik doorblader hun geliefkoosde boeken en herlees de bladzijden, die +wij te zamen lazen; ik zoek hunne namen in mijn dagboek, dat menig +opgeteekende bijzonderheid behelst, die er duizend niet opgeteekende +voor mijn geest terugroept; ik houd de kleine souvenirs, die zij +mij nalieten, in hooge waarde. Mijn gedachte houdt hen allen bijeen, +als in een stevig snoer. Broeders! wij zijn ver uiteengespat op de +wereld; bergen en zeeën scheiden ons en blijven ons scheiden, en +het is slechts een enkele uwer, dien ik eenmaal en met innige vreugd +mijner ziel weder mocht zien; voor de meeste heb ik die zoete hoop +opgegeven. Ieder onzer heeft zijn eigen loopbaan vóór zich, en zijn +eigen dierbaren rondom zich, en menigen nieuwen vriend, die menigen +ouden heeft vervangen, en boven ons allen, in het oosten en westen, +in het zuiden en noorden, welft zich dezelfde blauwe hemel, en waakt +dezelfde Voorzienigheid! Zij zegene een iegelijk uwer. Gedenkt mijner. + +1838. + + + + + + + +NAREDE, EN OPDRACHT AAN EEN VRIEND. + +(Eerste Uitgave.) + + +_Beste Vriend!_ + +Toen ik de voorgaande bladen gedrukt zag, begreep ik dat er nog iets +aan ontbrak, alvorens ik ze de wereld in kon zenden. Eerst had ik +gedacht er eene scherpe Voorrede vóór te schrijven, zeer hatelijk tegen +dezen of genen collega-auteur, die mij nooit kwaad had gedaan, maar +daar ik een hekel aan had of jaloersch van was. Doch daar ik niemand +kon bedenken, die in deze termen viel, moest ik wel van dit fraaie +plan afstappen. Toen meende ik eene geheele slagorde van onderkraste +en tweemaal onderkraste duchtigheden tegen de heeren recensenten +te richten, die _ik_ niet ken, en die mij... ik had kunnen zeggen: +"zullen verguizen"; het is een plechtig woord en bij teleurgestelde +schrijvers zeer gebruikelijk. Maar het was duizend tegen een, dat men +mij verweet die uitvallen te hebben nageschreven. Daarop heb ik van +alle hatelijkheden afgezien, hetwelk te beter was, daar ik ze in mijn +boek ook niet had toegelaten. En dewijl ik plan had dat boek aan u op +te dragen, besloot ik eindelijk al wat ik er nog over te zeggen had +met die toewijding aan u samen te smelten, en daartoe schrijf ik deze +Narede. Iets onaangenaams te zeggen zou mij nu geheel onmogelijk zijn; +want hoe zou het gaan kunnen in de nabijheid van uwen naam? + +Gij weet hoe en wanneer ik deze opstellen heb bijeengekregen. Zij +zijn bedacht in verloren uren, tusschen de wielen en op het water, +op wandelingen en in vervelende gezelschappen. Zij zijn geschreven in +oogenblikken, waarin een ander zijn piano opensluit, of een pijp rookt, +of over _Don Carlos_ praat. Zij werden in gezellige uurtjes voorgelezen +onder vrienden, alleen onder vrienden. Nu ze dan bijeenvergaderd zijn +en aan het publiek worden overgegeven, hoop ik dat het publiek ze +als zoodanig zal beschouwen. Al wie nu niet van _Hildebrand_ houdt, +moet ze maar niet lezen. Gij en de andere academievrienden zullen +er hem in hooren praten en vertellen, en er veel in wedervinden dat +hij dikwijls mondeling met hen heeft behandeld. Zij zijn herwaarts +en derwaarts gegaan met hunne respectieve doctorale graden, en dit +boek zend ik hun na als eene gedachtenis aan ons genoegelijk verkeer, +en mijn hartelijken vriendengroet voeg ik er in gedachte bij. + +Wie _Hildebrand_ is weet iedereen wel; er is somtijds met veel +scherpzinnigheid naar geraden. Ook maak ik er geen geheim van, noch +poog mij te laten doorgaan voor een veertig jaar ouder of een veertig +maal beter dan ik ben. Het goede publiek hebbe vrede met den naam; +ook is het om 't even of men _Jaap_ heet of _Hildebrand_. + +Maar de naam van het boekzelf heeft mij veel moeite gekost. Het was +zoo heel moeielijk de verschillende stukken onder één etiquette te +brengen, en de uitgever wilde iets hebben dat niet al te versleten +was. De camera obscura is tegenwoordig zeer op de spraak, en de +aanhaling van _Anonymus_ op de eerste bladzijde toont aan met welk +recht ik dit werktuig hier heb durven tepasbrengen. + +Soms verbeeld ik mij dat deze bundel papiers eenige verdienste zou +kunnen hebben ten opzichte van onze goede moedertaal. Tot nog toe had +zij voor den gemeenzamen stijl niet veel aanlokkelijks. Ik ben evenwel +de eerste niet, die het waagt haar het zondagspak uit te trekken en wat +natuurlijker te doen loopen. Ik hoop dat ik mij niet te véél vrijheden +zal hebben veroorloofd, en vraag vergiffenis voor de drukfouten. [12] + +Ach, ach, ach! die drukfouten zijn een kruis! Op bladzij 12 staat +19 in plaats van 17; op bladzij 13 (onderaan) staat (hoe is het +mogelijk?) _onverschilligst_ in plaats van _onbillijkst_. Ik wed +dat er nog honderden in zijn die ik over het hoofd heb gezien! Maar +ééne: die ik niet heb over 't hoofd gezien, en die mij meer dan alle +grieft, staat op bladzij 160. Ik weet zoo goed als gij, dat van een +"schalksche boerin" te spreken, even dwaas is als te zeggen: "een +geksche boerin", en dat "zij lachte schalks" er evenmin doorkan, +als "zij lachte mals"; en daarom had ik de maagd op bladzij 160 ook +"schalk" laten omkijken. Toen kwam de letterzetter, en schudde daar +het hoofd over, en zette "schalks". Toen kwam ik, en werd boos op den +letterzetter, haalde de S door en schreef er het gewone _deleatur_ +bij. Ik kreeg eene revisie, zag mij gehoorzaamd, en gaf het verlof +tot afdrukken. Toen sloop ik weet niet welke hand nogmaals in de +proef en verkorf het weer. Ik val die hand niet hard. Zij volgde +het voorbeeld van vele en van bekwame handen. Maar ik bedroef mij, +lief_sche_ vriend, dat men thans zoo onkundig_sch_ onze schoon_sche_ +moedertaal is geworden, en zoo gewoon_sch_ aan dien verkeerd_schen_ +uitgang, dien men bij de oud_schere_ schrijvers te vergeefs zoeken zou. + +Ziedaar eene lange historie van ééne enkele drukfout. Op bladzij 101 +staat _bragt_ in plaats van _bracht_. "Dat komt van die aanmatiging +om met _Bilderdijk_ te spellen!" Niet voorbarig, mijn waarde! wat ik +u bidden mag. Ik heb eerbied voor iedereen die uit overtuiging andere +spelregelen volgt, gelijk ik eerbied heb voor iedereens bekwaamheden +en verdiensten, maar het zij hiermede: + + + --_hanc veniam petimusque damusque vicissim_. + (Dees vrijheid vordren wij, gelijk wij ze andren schenken.) [13] + + +Maar welke drukfouten en andere fouten het boek ook mogen aankleven, +en hoe klaarlijk het ook de onbedrevenheid of onbevoegdheid van +_Hildebrand_ om iets te doen drukken, of te spellen moge aantoonen; +ik weet dat u de toeëigening van dit bundeltje aangenaam zal zijn. Dat +is althans _iets_, mijn vriend, en zoo het boek u bevalt, dan durf ik +wel hopen dat het anderen bevallen zal. Indien het maar een weinigjen +op u geleek! Het zou dan vol zijn van geestige, maar vroolijke en +goedaardige opmerking, waarbij men niet aarzelt zichzelven in te +sluiten; van dien welwillenden lach, die niets heeft van een grijns; +het zou dan een toon van aangename gezelligheid hebben, waarbij men +zich op zijn gemak gevoelt, en die den lezer zou boeien en bezighouden, +en naar willekeur stemmen tot heldere genoegelijkheid en ongemaakten +ernst! Het is maar een wensch, vriendlief! + +Ik heb de Opdracht tot het laatst bewaard. Het is wel tegen de orde; +maar het zij zoo. Daar zijn zoovele lezers die een boek met de laatste +bladzij beginnen, dat het bijna op 't zelfde neerkomt. + +October 1839. + + + + +(Tweede Uitgave.) + +Zoo schreef ik voor zes maanden. Thans nog een enkel woord. + +Men heeft mij verweten dat het niet aardig was, den man, aan wien ik +mijn boek had opgedragen, tot een souffre-douleur van de drukfouten +te maken, maar ik weet wel dat gijzelf daar geen oogenblik over +hebt gedacht. Zoo heeft men zich ook hier en daar zeer beijverd de +origineelen aan te wijzen van de personen, die ik heb opgevoerd, +en heb ik tot mijne groote voldoening bevonden, dat men in iedere +stad, waar ik al of niet verkeerd heb, zes of zeven menschen wist +op te noemen, van welke allen men mij om 't zeerst opdrong dat +_zij_ het waren die voor dit of dat portret gezeten hadden. Ik +dacht waarlijk niet dat er zóó vele _Nurksen_ en _Stastokken_ +op dit benedenrond hunne beminnelijkheden ten toon spreidden, en +sta verbaasd over den gedienstigen ijver, waarmee de vingers naar +hen worden uitgestoken. Echter kan ik het goede publiek deze kleine +genoegens niet betwisten of kwalijk nemen; maar ik neem de vrijheid +het motto van _Anonymus_ in het nog altijd "onuitgegeven boek" in +herinnering te brengen, en in gemoede te verklaren dat mijn chambre +obscure argeloos geplaatst wordt, dat ik er niet aan wend of keer, +en nooit eenige beweging maken _wil_, om haar op een onbescheidene +wijze te _pointeeren_. Dat ik ze nog niet op den Godesberg of te +Milanen heb kunnen plaatsen doet mij, om den wille van hen die het +hooge en het uitneemsche begeeren, bijzonder leed; maar het is mij +gebleken dat de meerderheid ruim zoo tevreden was met mijn kleine, +mijn Hollandsche tafereelen. Men moet begrijpen, dat wij de vreemden, +dank zij levenden en "afgestorvenen", al zoo op end' uit kennen, +dat het een heele aardigheid geworden is, voor de afwisseling, eens +op onszelven te letten. + +Ik neem deze gelegenheid waar, om mij bij een negenjarig vriend te +verontschuldigen wegens de betichting omtrent "den bonten zakdoek" +op bl. 3. Hij heeft verklaard er nooit in 't geheel een bij zich te +hebben, en ik ontlast mijn geweten door dit zijn verzet hier aan te +teekenen. Streelend was mij de toejuiching der Hollandsche moeders +ten aanzien van de schets harer kinderen, en van Prof. _Vrolik_ ten +opzichte van "Een Beestenspel" (ofschoon laatstgenoemd stuk toch maar +het beste niet schijnt te wezen!); streelend vooral uwe goedkeuring, +waarvan het gunstig voorteeken niet is gelogenstraft. + +En als gij nu vraagt of ik geen plan heb in dit slag van schrijven +nog eens iets meer te leveren? Ik antwoord dat het, bij zooveel +aanmoediging als ik ondervinden mocht, een vreemd verschijnsel, en +ook waarlijk ondankbaar wezen zou, indien ik het naliet. Verwacht +dus mettertijd "Nieuwe Vertooningen van de Camera Obscura", en neem +ten tweeden male de opdracht van dit boekdeel aan. + +April, 1840. + + + + + + + + + Aan + + Dr. _Abraham Scholl van Egmond_ + + Zijn oudsten academievriend + + Worden de voorgaande bladeren + + In liefde toegewijd + + Door + + _Hildebrand_. + + + + + + + +DE FAMILIE KEGGE. [14] + + +Eene treurige inleiding. + +Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijksch +leven met den gevreesden naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is +te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien +bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke +worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag +betwisten, totdat de lijder--meestal, helaas!--onder dien kampstrijd +bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan hare +verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken oogen, +die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in +altoosdurende beweging. Zij staan mij voor den geest, zoo als zij nu +eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte +bezig met hunne visioenen, en dan met een kracht, die niemand hun +meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna +weder ineen te krimpen als in dierlijken angst. Zij staan mij voor +den geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere +tusschenpoozen, die den dood voorbeduiden. Nog zie ik al dien droevigen +toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte omslagen om terug te +drijven; dien gewichtigen overgang van afwasschende tot prikkelende +middelen. Nog ruik ik de kamfer en de muscus, die de omstanders zoo +zeer plegen te verschrikken. Nog voel ik het zielpijnigend dobberen +tusschen hoop en vrees, het angstig ingaan van iederen nacht, +het smachten naar het morgenlicht, en naar den arts. Nog hoor ik +de betrekkingen duizendmaal de vraag herhalen "of dit nu niet de +crisis zou zijn geweest?" en hun deerniswaardig zelfbedrog, als zij +zich met in hun oog goede teekenen vleien, den dokter een zwaarhoofd +achten, zijne uitspraken naar de inspraak van hunne hoop verplooien, +zoo lang, zoo lang ... tot (eindelijk nog onverwachts!) de harde +waarheid bevestigd wordt, dat de ziekte hopeloos was, dat de dood +zich onvermurwbaar had aangekondigd. + +Maar ook, Gode zij dank! er doemen zoete herinneringen van herstelling +bij mij op; bij mij, die zelf de gevreesde kwaal heb doorgeworsteld +met de veerkracht der jeugdige sterkte, en die anderen, als uit hare +kaken gered, zag opleven tot gezuiverden bloei. Die herstelling der +gelaatstrekken, dat langzamerhand gezond insluimeren, en dat eerste +ontwaken met gevoel van beterschap en rust; dat lang gewenschte kalm +opslaan der oogen; die honger; dat eerste opzitten; en die kinderlijke +dankbaarheid voor het eerste glas wijn, dat werd toegestaan! O! gezond +te zijn is een onschatbaar bezit, maar uit een ziekte te herstellen +is een zalig genot! + + + +In het begin van het derde jaar van mijn verblijf te Leiden, was er een +jong mensch, uit Demerary geboortig, in mijne buurt komen wonen. Het +is de gewoonte onder de studenten, in zulk geval elkander een bezoek +te brengen. De jongeling beviel mij. Hij was van een openhartig, +aantrekkelijk karakter, en van een zacht gevoel. Vooral dacht hij +zeer teeder en aanhankelijk over de betrekkingen, die hij in zijn +geboorteland reeds als knaap verlaten had, en die hij niet weder zou +zien dan na zijn bevordering, waarom hij zich ook zoo veel mogelijk +met zijn studiën haasten wilde. Om dien trek en dien ijver was hij +mij lief; en hoewel ik, daar onze studiën en onze tijd van aankomen +te veel verschilden, mij niet met hem in een geregeld verkeer begaf, +zoo bezocht ik hem toch een enkele maal, en scheen hem dat dubbel +aangenaam te zijn, omdat hij met mij vrijuit spreken durfde over dat, +wat hem zoo na aan 't harte lag en aan de meeste zijner jonge vrienden +kinderachtig toescheen, of te ernstig om tot een onderwerp van gesprek +te worden gemaakt. + +Bij een dier bezoeken klaagde hij mij sterk over een zekere +vermoeidheid en loomheid in de beenen, die hem sedert eenige dagen +kwelde, en zeer kort daarop vernam ik, dat _William Kegge_, zoo +heette hij, werkelijk ongesteld was. Een ongesteld student ontbreekt +het nimmer aan gezelschap; en er sterft er misschien menigeen aan +te veel oppassing. Ik koos, om hem te gaan zien, een uurtjen uit, +waarin ik hoopte hem niet al te zeer omringd te vinden, en vond hem +te bed. Ofschoon het nu uitgemaakt is, dat een studeerend jongeling, +als hij toch eenmaal thuis moet blijven, veel vroeger zijn troost +in de veeren zoekt dan een nijvere huismoeder, zoo was dit dan +toch erger dan ik mij had voorgesteld. _William_ was echter zeer +monter en opgewekt. Ik bemerkte dadelijk, dat hij koorts had. Twee +zijner intiemsten zaten voor zijn ledikant om hem wat op te beuren, +en raadpleegden hem als scheidsman over een al of niet op te spelen +kaart in een partij hombre, die dien namiddag in "de Pauw" gespeeld +was, waardoor zij hem noodzaakten zich in verbeelding zevenentwintig +kaarten in allerlei samenvoeging voor te stellen; gewisselijk een +aangename tijdpasseering voor een zieke, maar uit haren aard toch +wel wat vermoeiend. Ik gaf den beiden zieketroosters een wenk om dit +gesprek liever te staken, en had ze gaarne te zamen zien vertrekken. Ik +ried daarop den patiënt zich stil te houden, draaide de pit van de +lamp wat neer, en liet het opgenomen bedgordijn vallen. + +Ik verzocht hem een dokter te nemen; maar hij wilde er niet van +hooren; een der vrienden zou bij hem blijven totdat hij sliep, en +men zou den anderen dag afwachten. + +Den anderen dag had ik reeds vroeg de hospita van mijn buurman +bij mij. + +"Het was niemendal goed met meheer! Hij was in 't midden van den nacht +wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was, wat zij volstrekt +niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarbij had +hij haar zoo verwilderd aangekeken, dat ze "der tranemontane haast was +kwijt geraakt en de schrik haar nog in de beenen zat". Zij geloofde, +"dat het niet goed was geweest, dat meheer zoo veul met een open raam +zat, want daar waren die menschen uit vreemde landen toch maar niet aan +gewend", en zoo vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien. + +Hij had nog koorts, en nu veel heviger, was zeer ontevreden over +zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles; +hij wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had +daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij was, +en liet oogenblikkelijk een dokter halen. + +De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De +studeerkamer werd tot een ziekekamer ingericht, de patiënt met zijn +bed derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een +paar dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken had bijgewoond +en wien de handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand +en dof van gevoel. Hij liet mij het bestier in alles over. De hospita +was gelukkig eene zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en +tegelijk hartelijke vrouw. Zij deed haar best; de dokter deed zijn +best; een paar jongelingen, die ik, uit de menigte van die volstrekt +waken wilden, gekozen had, deden met mij al het mogelijke; maar het +hielp niet. De ziekte nam een noodlottigen loop; en na drie weken van +angst en tobben, droegen wij den armen _William Kegge_ naar het graf. + +Een studentebegrafenis heeft iets plechtigs. Een lange sleep van +menschen in den bloei des levens, die in rouwgewaad een lijk ten grave +brengen, ten teeken dat die bloei des levens niet onschendbaar is voor +den dood! Zij weten het wel, maar zij moeten het zien, om er zich van +te doordringen. Het zou echter nog veel plechtiger zijn, indien allen +doordrongen waren of konden wezen van dit gevoel; indien allen even +zeer belang stelden in den overledene, even zeer deel namen in zijn +dood; ja, indien maar allen, ook de achtersten, het _Memento Mori_ +zien konden dat vooruitgedragen wordt. Ook moesten de nooders van +de liefhebberij afzien om met den langen trein te pronken en hen, +die hem uitmaken, te vervelen met eenen nutteloozen omgang door de +stad. Gewoonlijk wordt de baar door de stadgenooten van den doode +gedragen of, indien die niet genoegzaam in getale zijn, door hen +die met den doode uit dezelfde provincie of uit dezelfde kolonie +afkomstig zijn. Voor _William_ had men geen twaalf landgenooten kunnen +vinden. Zijne beste vrienden droegen hem. Hij had nog zoo kort aan de +hoogeschool verkeerd...! Er was misschien onder dezen zelfs niet een +enkele, voor wien hij zijn hart ten volle geopend had. Wellicht was +ik, die hem toch zoo weinig had gezien, nog wel zijn vertrouwdste +geweest. Althans hij had in den laatsten nacht van zijn leven, in +een oogenblik waarop hij volkomen bij zijne kennis was, een ring +van zijn vinger getrokken, met een kleinen diamant, en van binnen de +letters E.M. + +"Bewaar dat"--had hij met flauwe, maar nadrukkelijke stem gezegd--"het +was mij heel dierbaar." + +Meer had hij er niet bijgevoegd. + +De student voorzitter der rechtsgeleerde faculteit, tot welke _William_ +behoord had, hield eene korte toespraak bij het open graf. Toen +wierpen wij, die hem gedragen hadden, er ieder een schop aarde in, +en de voogd bedankte alle aanwezigen voor de eer den overledene +aangedaan. De trein ging terug naar de gehoorzaal der academie +en scheidde daar. De zwarte rokken werden uitgetrokken, de witte +handschoenen hadden afgedaan. Elk keerde weder tot zijne oefeningen, +zijne uitspanningen, zijne levende vrienden. Nog zes weken droeg deze +en gene den smallen rouwstrik om de muts. Maar toen, tegen kersttijd, +de studentenalmanak verscheen, en het verslag gelezen werd, waarin ook +eenige regels aan de nagedachtenis van _William Kegge_ waren gewijd, +was er reeds menig academiebroeder, die al zijn herinneringsmiddelen +moest bijeenroepen om zich voor te stellen hoe "die _William Keg_" +er bij zijn leven had uitgezien. + +Als de voogd er aan dacht of van sprak om naar de West te schrijven, +was hij zoo verlegen met de zaak, dat ik eindelijk op mij nam +den voorbereidenden brief te stellen, waarop dan de zijne met het +doodsbericht en zijne verantwoording omtrent de zaken van den jongen +overledene zoo ras mogelijk volgen zouden. Ik vervulde dien moeilijken +plicht; en eenigen tijd na de afzending der beide tijdingen ontving +ik van den vader van _Kegge_ een brief vol van wel wat overdreven +dankbetuigingen en vriendschapsaanbiedingen in antwoord. + + + +Twee jaren later kwam de familie _Kegge_ zelve in Nederland, en zette +zich (zooals ik later vernam, schatrijk) in de stad R. neder. Ik +kreeg hier het eerst kennis van, door een kistje havannah-sigaren, +per diligence ontvangen, met een biljet van dezen, vrij zonderlingen +inhoud: + +"Een klein reukoffer van dankbaarheid bij onze komst in het +moederland. Kom te R. en vraag er naar de familie die uit de West is +gekomen, en gij zult hartelijk welkom worden geheeten door + +_Jan Adam Kegge_." + + + + +Kennismaking met menschen en dieren. + +Eenigen tijd na de ontvangst van dit "reukoffer", hetwelk mijne +vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te +doen opgaan, zat ik op een regenachtigen Octobermorgen, waarop ik +juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt, +toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel hooren deed. + +"Nog al hooger?" vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende, +"drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, 't is hier +suffisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!" + +Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de +kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen +gestrande portefeuilles, of de "professeurs" van onbekende lycaea, +die "tijdstroomen" aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die +uit hunne verbrande pakhuizen niets anders hebben gered dan een +mooie partij Zeeuwsche chocolade van duizend A's, of de goedkoope +portretteurs en silhouettemakers, die de eer hebben gehad uwen +besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars, die voor een +spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen +zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken, +waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op +den hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige +luidruchtigheid, dat opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene +listige wijze bij de studeerende jeugd indringt, om op haar medelijden, +onervarenheid, of blooheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te +bieden; want indien zij geen Fransch of Duitsch of Luikerwaalsch +spreken om uw hospita te overbluffen, dan nemen zij de beleefdste, +beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan; +en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede +bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in eene +stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik mij +bij voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien. + +"De deur ging open, en er trad een welgedaan heer binnen, die een +goede veertig jaar oud mocht zijn. 's Mans gelaat was juist niet +hoog fatsoenlijk, maar de uitdrukking er van bijzonder vroolijk en +joviaal. Zijn verbrande kleur verried de warmer luchtstreek. Hij had +levendige grijsblauwe oogen en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn haar, +waarin op de kruin een aanzienlijk hiaat begon te komen, was reeds +hier en daar, naar de uitdrukking van _Ovidius_, met een weinig grijs +doorsprenkeld. Hij droeg een groenen overrok, dien hij oogenblikkelijk +losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart pak kleederen met een +satijn vest, waarover een zware gouden halsketting tot beteugeling van +zijn horloge. In de hand hield hij een fraai bamboes met barnsteenen +knop. + +"_Kegge_!" riep hij mij toe, als ik verbaasd opstond om hem te groeten, +"_Kegge_! De vader van _William_! Ik ben gekomen om u, het Museum, +en den Burg te zien; en als je dan mee naar mijn huis wilt gaan, +zulje me drommels veel pleizier doen." + +Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den naam +ontroerd. Ik beken, dat ik zelden meer aan den goeden _William_ dacht, +maar eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den mond van den +beroofden vader, deed mij aan. + +Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden vriend vóór +mij te zien. + +"Ja," zei de heer _Kegge_, zijn horloge uithalende: "het was jammer +van den jongen, hè! 't Moet een goeie kerel geworden zijn. 't Spijt +me in mijn ziel." En het gordijntje openschuivende voegde hij er bij: +"Je woont hier duivels hoog, maar 't is een mooie stand; dat heet +hier de Breestraat, doet het niet?" + +"Hier schuins over woonde _William_: dáár; waar nu de steiger staat." + +"Ei zoo, dan was je na buren! Ja, 't is jammer, jammer, +jammer.--Sakkerloot, is dat het portret van _Walter Scott_? Lees je +Engelsch? Mooie taal, niet waar? Zou ik hier een complete editie van +_Walter Scott_ kunnen krijgen? Maar zij moet wat mooi, wat kostbaar +zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn kinderen hebben er al één half +verscheurd."--En al weder op zijn horloge ziende: "Hoe laat gaat dat +museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooiebeesten-spel toe. Kan +ik de Academie óók zien? Wat hebje al zoo meer?" + + + +Op dien regenachtigen Octoberdag zag men _Hildebrand_ met een +vreemdeling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten +in het Museum van natuurlijke, en daarna de Farao's in het Museum van +onbekende historie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik te werpen +op de kindertjes, die nooit geleefd hebben, der Anatomie, en daarna +op de portretten der doode professoren, die eeuwig leven zullen, +op de Senaatskamer, van _Scaliger_ "met den purperen mantel" af, tot +op _Borger_ met den houten mantel toe, waarvan er echter ettelijke +den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een weinig verscheidenheid +teweeg te brengen, bezochten wij daarop den Burg, die zelf een lijk +is, vroeger bewoond door de Romeinen, _Ada_, en die Rederijkerskamer +waarvan "zoo vele genieën" lid waren. Ten slotte zagen wij ook nog +den Sineeschen en Japanneeschen inboedel bij den heer _Siebold_, en +rustten eindelijk uit in de sociëteit Minerva, toen nog geschraagd door +"de dubbele zuil" van dien broederlijken zin, die sedert roekeloos +verbroken is. Wij aten vervolgens aan de open tafel in "de Zon", +en het was aldaar, dat de heer _Kegge_ de algemeene verbazing en +zelfs de volkomen verontwaardiging van een zeer lang heer tot zich +trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayennepeper, die hij uit een +opzettelijk daartoe op zak gedragen ivoren kokertje op zijn spijzen +schudde, alsmede door zijne volstrekte verachting van bloemkool en +bordeaux-wijnen, waardoor ik genoodzaakt werd een flesch port met +hem te deelen. + +Na het diné vertrok ZEd. per diligence; evenwel niet dan na mij de +belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden +zijnde candidaatsexamen, zonder fout, een paar weken bij hem zou +komen doorbrengen; als wanneer hij mij eens zou toonen hoe _hij_ +gewoon was menschen te ontvangen, en hoe goed _zijn_ kelder was. + +"Als je studeeren wilt," zei hij; "ik heb een mooie portie boeken; +en is er wat nieuws uitgekomen van _Bulwer_ of zoo iemand, breng het +voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!" + +Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan deze +mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot West-Indische +confituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep, uit vele +schijven rhabarber en groote stukken hengelriet, in quint-essence +van suiker ingelegd. De heer _Kegge_ meldde mij, dat "zijne vrouw +en dochter, welke laatste, tusschen twee haakjes gezegd, een mooie +brunette was, van verlangen brandden om mij te zien." + +Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover +de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee +spaansche hazewindjes, ten huize van den heer _Jan Adam Kegge_. + + + +De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de +weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed +van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk +aanzien hadden van splinternieuw te zien. Een breede, veeloctavige +piano-forte stond opengeslagen en lag bevracht met een aantal boeken, +een hoop dooreengeworpen muziek, en een gitaar. Een gladhouten +muziekkastje stond open, en een der spaansche hazewindjes vermaakte +zich een weinig met dat gedeelte van den inhoud hetwelk niet op +de piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltje stond beladen +met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukflesschen, +handvuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare +plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde +metaal rustten op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op +een trumeau, onder een reusachtigen spiegel daartegenover, zag men een +groep van de schitterendste opgezette vogels met spitse bekken en lange +staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen +kleinodiënschrijntje stond er halfgeopend naast. In de vier hoeken der +kamer prijkten vier zwaar vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt +was uit gloeiend rood en even gloeiend groen geweven. De neteldoeken +gordijnen waren met oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk +bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huiskamer aan den wand de +levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw; +mijnheer in een almaviva met een sierlijken zwaai gedrapeerd, en een +oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag gekleed, +met een dik parelsnoer om den hals, een kanten plooisel om de japon, +en schitterende armbanden. Een derde schilderij stelde een groep van +vier kinderen voor, waarbij aan de schoone brunette vooral niet was te +kort gedaan. De beeltenis van _William_, die de oudste geweest was, +miste ik met smart; maar het was natuurlijk, want het stuk was eerst +sedert de overkomst der familie in het moederland geschilderd. Voor +de sofa, waarop de schoone dochter van den huize was gezeten, lag +een tijgervel met rood omzoomd; en de armstoel van mevrouw was zoo +ruim en zoo gemakkelijk, dat zij er als in verzonk. + +Toen ik binnentrad zat mama met het windhondje Azor, dat met minder +muzikale neigingen begaafd scheen dan het windhondje Mimi, op haar +schoot, en liefkoosde het, terwijl de dochter haar borduurwerk had +neergelegd, om zich met een grooten witten kaketoe met gele kuif +te onderhouden. + +Mevrouw _Kegge_ was eer klein dan groot van gestalte, aanmerkelijk +jonger dan haar echtgenoot, aanmerkelijk bruiner dan haar dochter +en, wat zij ook mocht geweest zijn, op dit oogenblik aanmerkelijk +verre van eene schoonheid in de oogen van een Europeaan. Haar toilet +was, ik moet het bekennen, eenvoudig genoeg, en ik zou haast zeggen +eenigszins slordig; maar waar is het, dat er veel werd goedgemaakt +door een zonnige ferronière op mevrouw _Kegges_ voorhoofd en een +zware gouden ketting op mevrouw _Kegges_ voormaligen boezem; hoezeer +ook deze versierselen zich het air gaven van bij mevrouw _Kegges_ +tegenwoordige kleedij volstrekt niet te willen passen. Zij scheen +verlegen met mijn bezoek, en had wel het voorkomen een weinigje +verlegen met alles te zijn; ook met de pracht die haar omringde, +en het karakter, dat zij had op te houden. + +Haar dochter kwam haar te hulp. Een goede uitvinding van sommige +moeders: dochters te hebben. Zij hief zich, om mij te groeten, +eenigszins plechtig van de sofa op, terwijl de zwarte knecht mij een +stoel gaf, veel dichter bij haar dan bij haar mama, en betuigde haar +genoegen mijnheer _Hildebrand_ te zien. "Papa had er zich zóó veel +van voorgesteld mijnheer _Hildebrand_ eens te bezitten. Niet lang +zeker zou hij zich laten wachten; maar eene dringende commissie had +hem uit geroepen." + +Inderdaad, het was een schoon meisje, die dochter van den heer +_Kegge_. Zij had den fijnen neus en den mond van _William_, maar veel +schooner oogen dan deze had gehad. Heerlijke, donkere, tintelende +oogen waren het, die tot in de ziel doordrongen. Als zij ze opsloeg, +blonken zij vurig en onversaagd, en toch, als zij ze neersloeg, +hadden zij iets bijzonder zachts en kwijnends. Heur haar hing in +menigte van lange glinsterende krullen, naar engelsche wijze, langs +haar eenigszins bleeke, maar mollige wangen. Ik wist dat zij drie +jaar jonger was dan _William_, die nu ongeveer twintig jaren zou +geteld hebben; maar, naar den aard der tropische menschengeslachten +was zij ten vollen ontwikkeld. Een weelderig négligé van wit batist +en kronkelige tule kleedde hare rijzige gestalte, en zij had geen +anderen opschik dan een bloedigen robijn aan haar vinger, die de +oogen trok tot haar kleine zachte handekens. + +De schoone brunette hield het gesprek vrij wel gaande, en vulde de +gapingen aan door allervriendelijkst met den kaketoe te converseeren +en hem kleine stukjes beschuit uit hare hand te laten oppikken, +bij welke gelegenheid ik doodsangsten uitstond voor hare schoone +vingeren. Men gevoelt, dat ik het begunstigde dier uitermate prees. + +"O, hij praatte zoo aardig. Zij was nu begonnen hem haar naam te +leeren uitspreken; Coco, hoe heet de vrouw?" + +En zij aaide Coco zoo zacht over den kop, dat ik wenschte Coco te zijn. + +De lieve naam kwam echter zoomin van 's mans hoornachtige lippen, +als ikzelf in staat zou geweest zijn dien voort te brengen. Na lang +vleiens kwam er: "Kopje krauwen." + +Dit was klaarblijkelijk eene vergissing, en Coco boette die duur +genoeg. De schoone oogen begonnen te vonkelen, en de lieve hand +gaf den onwilligen met een gouden naaldekoker een gevoeligen slag +op den kop; ten gevolge waarvan de heer Coco, met een schuinslinks +gebogen kruin en kleine pasjes, naar het verwijderdste gedeelte van +zijn kruk retireerde, en daar in die houding zitten bleef met een ter +bescherming opgeheven poot, ongeveer als een schooljongen op wien de +meester onheildreigend uitschiet. + +"Papa leert hem soms zulke woorden uit een aardigheid," zei de +vertoornde schoone; "maar _ik_ vind het zeer onaangenaam." + +Mama zag met een zekeren angst naar haar dochter op. + +Ik zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek, en was juist van plan +de portretten te hulp te roepen, als mijnheer _Kegge_ te huis kwam. + +"Onsterfelijke vriend!" riep hij mij toe; als waren wij ons geheele +leven door de teederste banden van vriendschap, waarvan ooit in +een album gesproken is, "verknocht, verstrengeld" en, als het +rijm medebrengt, "verengeld" geweest: "Onsterfelijke vriend! daar +doe je wel aan. Kom aan, dat's goed. Nog niets gebruikt? Wat +wil je hebben? Madera, teneriffe, malaga, constantia? witte +port? vruchtenwijn? Lieve kind, laat onmiddellijk de likeuren +komen. Hoe zit _jij_ daar zoo te druilen, Lorre?" + +"Hij heeft knorren gehad, papa," antwoordde de dochter, "omdat hij +andere woorden spreekt dan die ik hem geleerd heb." + +"Allemaal gekheid! Hoe meer woorden hoe beter! Poes, poes! kopje +krauwen! gekskap!..." + +"Papa, ik had het waarlijk liever niet." + +"Nu, nu, _Harriot_ _my dear_! Ik zal 't niet weer doen.--Maar wat +zegje van onzen gast, mijnheer _Hildebrand_? En wat zegt mijnheer +_Hildebrand_ van mijn dochter?..." + +Wij waren beiden verlegen, en hadden niets van elkaar te zeggen. + +"Allemaal gekheid!" riep de heer _Kegge_; "je zult wel familiaar +worden. Voortaan geen mijnheeren of dames, maar _Henriette_ en +_Hildebrand_, alstjeblieft." + +Juffrouw _Henriette Kegge_ stond op, om met zeer veel ijver op de +piano een boek te zoeken. + +De knecht had intusschen bevel gekregen de aangebodene verkwikkingen +te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk groote vierkante +sandelhouten kist op tafel, met het woord _Liqueurs_ in sierlijke +trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffres-forts der +gastvrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te toonen hoeveel +prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer +_Kegge_ evenwel te oordeelen, geloof ik dat ik hem wezenlijk zou hebben +verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen, die er, +met haar bijbehoorend gezelschap van glazen, in eens werden uitgelicht, +na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette hij mij welkom. + +"Hoor reis, onsterfelijke!" ging de heer _Kegge_ voort, "dit is nu +mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zul je +al de kinderen zien; niet waar _Hanna_? Dan ken je hier de taal en de +spraak zoo wat. Je moet maar denken: wij in de West zijn familiaar. In +Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adellijke heeren en groote +hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben niet van adel; +ik ben geen groote hans; ik ben een parvenu, zoo je wilt." + +_Henriette_ verliet de kamer. + +"Maar ik heb, Goddank! niemand naar de oogen te zien; dat's één +geluk! Leve de vrijheid, en vooral hier in huis! Je doet en laat +hier alles wat je goed vindt, slaapt zoo lang als je wilt, eet goed, +drinkt goed--dat zijn de wetten van het huis. Waar is _Henriet_?" + +"Naar haar kamer," antwoordde mevrouw _Kegge_. "Zij kleedt zich voor +het diné." + +"Dan moeten de kinderen nog effen komen!" + +Er werd gescheld. De zwarte knecht kreeg zijne bevelen, en de kinderen +verschenen. + +Er traden twee mooie jongens binnen, de een van negen, en de andere van +tien jaren. De ondeugd zag hun uit de brutale zwarte kijkers, en zij +waren er, helaas! niet leelijker om. Zij droegen blauwlakensche pakjes +met tallooze vergulde knoopen over de schouders, breed omgeslagen en +breed geplooide batisten halskragen, geen das, en lage schoenen met +witte kousjes. Daarna kwam een meisje van zeven jaar met lange zwarte +haarvlechten en bloedroode strikken op den rug; een jongen van vijf, +in een schotschbont blousetje; weder een meisje, van een jaar of drie, +met bloote voetjes in gekleurde laarsjes; en eindelijk, op den arm +eener min, een kind, dat niets meer aanhad dan het witte jurkje dat +men zag, en het witte hemdje dat men niet zag,--verontrust u niet, +lieve Hollandsche moeders! het schaap zag er volmaakt gezond uit--met +een gouden rammelaar in de eene hand en een korst brood in de andere. + +"Nu hebje ze allemaal gezien," riep papa, de kleinste van den arm der +minne nemende en op zijn schouder zettende; waarop het kind allerliefst +schaterde van lachen en met de bloote beentjes spartelde en trappelde, +dat het een lust was om aan te zien. "Ik heb er elf gehad; _William_, +dien je gekend hebt; _Henriet_, die je gezien hebt; nu is er een heele +gaping; eerst kreeg mijn vrouw een miskraam, en daarop een dood kind; +de vierde is tien jaar oud geworden en toen aan de koorts bezweken; +nu komen de jongens; hier hebje _Rob_, en daar hebje _Adam_, mijn +petekind; die zijn allebei nog ondeugender dan hun vader, toen hij +zoo klein was; tusschen hem en dit meisje is er weer eentje dood; dat +werd door een beest van een negerin vergeven op zijn anderhalf jaar; +dit meisje heet _Hanna_, naar mijn vrouw; dat 's een mooi klein ding, +is het niet? en die kleine jongen heet _Jan_; niet waar, boer? Hier +hebben we _Sofietje_; en het kleintje heet _Kitty_." + +Na deze optelling van zijn kinderen, schonk hij ze allen een glas +malaga in, en liet zelfs de kleine _Kitty_ daarvan proeven, die een +leelijk gezicht zette, een uitwerksel dat den oorsprong van haar +leven zeer vroolijk maakte. Mama speelde met den krullebol van _Rob_, +en _Rob_ met den staart van Azor; _Adam_ prikte zijn zuster _Hanna_ +zachtkens met een speld in den nek, en buitelde daarop naar den +kaketoe, die zichtbaar bang voor hem was; _Jan_ en _Sofie_ begonnen +een twistgeding ter zake van het hazewindje Mimi. De heer _Kegge_ +gaf zijn jongste spruit weer aan de min over. + +"Zie zoo, minne!" zeide hij: "nu maar weer naar de kinderkamer! Vort, +jongens! Veel pleizier!" + +En de geheele stoet verdrong zich lachende en juichende in de deur, +en stoof henen. + +"Als je nu eens weten wilt waar je slaapt, onsterfelijke!" hervatte +de heer _Kegge_, die dezen naam voor mij gekozen scheen te hebben, +"ga dan mee als je wilt; dan kanje meteen de bibliotheek zien." + +Hij bracht mij naar een achterbovenkamer, die op den tuin uitzag. Nog +nooit zou ik te midden van zooveel weelde hebben geslapen. Een lit +d'ange, een canapé, een chaise longue daarenboven, een pendule, +een psyché, een waschtafel van satijnhout, met tot de geringste +benoodigdheden voor het toilet meer dan voorzien. + +"Je bent niet bang voor dat wapentuig daar in den hoek?" zei de heer +_Kegge_, naar een paar indiaansche bogen en een dozijn wie weet hoe +vergiftige pijlen wijzende. "Hier is de schel; als je wat noodig hebt, +dan rammel je maar dat het huis dreunt." + +Wij gingen daarop naar de bibliotheek, waar een lustig vuur brandde +en een schat van Voyages pittoresques en hedendaagsche literatuur, +op de keurigste wijze gebonden, bijeen was. + +"Hier ga je nu maar heen, als je je verveelt! Die sofa is nog al +makkelijk. In deze laden zijn platen; al wat je hier ziet is meestal +in Engeland gekocht, en nu completeert _Henriet_ het zoo wat. Ik +kan me met die snorrepijperij niet altijd ophouden. _Henriet_ +heeft twee jaar te Arnhem school gelegen. Maar toen zijn we in 't +land gekomen, en hebben haar thuisgehaald; ze was te groot, en ze +moet nu zelf maar verder haspelen. Engelsch kon ze al; en als je +in twee jaren geen Fransch kunt leeren, dan leer je 't nooit. Dat +lange schoolgaan--allemaal gekheid. Ik laat geen van me kinderen +meer schoolgaan; ze krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs +en gouvernantes wil ik niet onder mijn oogen zien. En wat de meisjes +betreft: mijn vrouw verstaat geen woord Fransch, en toch heeft ze +elf kinderen gehad, weetje.... Zie je dien opgezetten tijger? Dien +heb ik zelf op mijn suikerplantage geschoten!... De deugniet had al +driemaal een kalf komen weghalen." + +Wij gingen verder, en in den tijd van een half uur had de heer +_Kegge_ mij al de kamers van het geheele huis, den tuin, den stal +en het koetshuis laten zien, alles onder even drukke en schutterige +gesprekken, waaruit het mij meer en meer bleek, dat de heer _Jan +Adam Kegge_ zeer ingenomen was met zijn rijkdom, zijn kinderen, en +zichzelven. Hij scheen er volkomen van overtuigd te zijn, dat hij een +onuitputtelijk fortuin had en dat hij "een perfecte goeie kerel" was; +tienmaal beter dan alle mogelijke "groote hanzen en adellijke heeren", +en volkomen gerechtigd om alle wereldsche zorgen en welvoeglijkheden +met zijn lievelingsuitroep af te doen: "allemaal gekheid!" + +Toen wij alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal. + +_Henriette_ verscheen er in eene japon van blauwe zijde, die haar niet +volkomen zoo goed stond als haar wit négligé. Ik had de eer tusschen +haar en mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer zat over +mij, en de kinderen schaarden zich naar goedvinden. Bij het couvert +van den oudsten, die trouwens ook al tien jaren telde, stond een karaf +wijn zoo goed als bij het mijne. Aan het eind der tafel stond nog een +stoel ledig; en toen wij allen gezeten waren, kwam er een kleine, +magere vrouw binnen, nog veel bruiner dan mevrouw _Kegge_. Zij kon +omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te voorschijn komende +grijze haren deden vermoeden; valsch haar droeg zij niet. Zij was in +het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden neusdoek van hoogroode +oostindische zijde. Achter haar ging een schoone lange-hond, die +zoodra zij plaats genomen had zich bij haar stoel nederzette en zijn +kop in haar schoot lei, waar zij hare bruine hand op rusten deed. Er +was iets indrukmakends in deze verschijning, schoon niemand acht op +de binnenkomende sloeg. Men noemde haar grootmama; doch ik twijfelde +soms of dit niet maar een naam was, haar in scherts gegeven. Zij +zelve sprak weinig en eenigszins gebroken, maar eenmaal zag ik haar +veelbeduidend het hoofd schudden, toen de heer _Kegge_ vertelde "dat +hij den koop van dat nieuwe rijtuig maar gesloten had, en dat zij nu +voortaan nog makkelijker naar de kerk zou rijden." + +"Kom, kom!" riep hij toen, "geen hoofdschuddingen! dat's allemaal +gekheid. 't Zal het mooiste rijtuig van de stad zijn, en de groote +hanzen en adellijke heeren kunnen er een punt aan zuigen. Ik heb +zin om er een wapen op te laten schilderen met een gouden keg [15] +op een zilveren veld, en een groote planterskroon er bovenop van +suikerriet en koffieboonen." + +"Ik zou er maar J.A.K. op laten zetten," zei de oude dame droogjes: "je +kunt immers de letters met net zooveel krullen maken als je maar wilt." + +Ik beschrijf u het diné niet, met al zijn opscherpende tomaat- en +andere sausen, cayenne, soya, kruiderazijn, atjarbamboe, engelsche +pickles en wat dies meer zij; noch zal het wagen u een denkbeeld +te geven van den portwijn van den heer _Kegge_, die hij door een +extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zóó was, dat de heer +_Kegge_ verklaarde een zeeuwsche rijksdaalder te willen zijn als men +hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij den koning van +Engeland, zóó drinken zou. Mevrouw at veel, en _Henriette_ weinig; +maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook regelde +zij de tafel, en droeg zorg, dat men de gerechten in behoorlijke +orde nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen +bezondigde, en dan met een "allemaal gekheid" de fout verschoonde. De +hazewindjes van mevrouw waren allerbescheidenlijkst stil, omdat zij +ontzag hadden voor den langen-hond der oude dame; maar de kinderen, +die "vrij werden opgevoed", maakten een vreeselijke drukte. + +Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een schotsche +likeur proeven, die als vuur in de keel was. + + + +De oude dame was na den afloop van het diné terstond opgestaan en +vertrokken, gevolgd van haar getrouwen hond. De kinderen waren in de +eetzaal gebleven, waar de kleine _Hanna_ de compôte met morellen tot +zich trok en daaruit, terwijl het gezelschap scheidde, zichzelve en +hare broertjes nog eens bediende, op mama's vriendelijk verzoek zich +aan deze verkwikking niet verder te buiten te gaan, niets antwoordende +dan dat het zoo lekker was. + +"Je zult niet kwalijk nemen dat ik eens naar de bibliotheek ga," +zei de heer _Kegge_; "dit is _mijn_ studie-uurtje!" En met een weinig +bedwongen geeuw verliet hij de kamer. + +Mevrouw zette zich in eene gemakkelijke houding op de sofa neder, +wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd en bereidde zich +insgelijks tot de siësta. + +De schoone brunette en ik bleven dus zoo goed als alleen in de +schemering, slechts verhelderd door de grillige vlammen van het lustig +brandend kolenvuur. Zij zette zich in een vensterbank neder en betuigde +er zich in te verheugen, dat zij na den eten aangenaam gezelschap had. + +Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een eenzaam schemeruurtje +ook zijn waarde heeft. + +Zij hield er niet van. Zij hield van veel licht, veel discours, +veel menschen; "en helaas", voegde zij er bij, "er is hier volstrekt +geen conversatie." + +Ik verwonderde mij over het verschijnsel van een stad met zoo veel +duizend inwoners, zonder eenige conversatie. + +"Ach," antwoordde _Henriette_: "men moet denken, de menschen zijn +hier verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coterieën, waar men +niemand in opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne +met ons zouden omgaan, maar ... die conveniëeren _ons_ weer minder." + +Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad +huisgezinnen, die volstrekt niet georiënteerd zijn in hunne +eigenlijke plaats en stand; familiën zonder familie, die den neus +optrekken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en +grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren, maar verbaasd +staan, dat de eerste kringen hen niet met open armen ontvangen. Lieve +menschen! van waar komt u deze laatdunkendheid? Moeten dan, mevrouw, +omdat uw echtgenoot een ambt bekleedt dat hem tot het waterpas van +zes, zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes, zeven vrouwen +dier groote heeren terstond vergeten, dat uw geboorte burgerlijk, +uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt het u, +rijke koopmansgade! dat de hoogste kringen niet tot u zijn toegenaderd, +naarmate uw echtvriend langzamerhand een grooter huis is gaan bewonen, +zijne bedienden in liverei heeft gestoken, meer paarden en misschien +wel een heerlijkheid heeft gekocht? Moet dan, mejuffrouw! omdat +uw vader met ettelijke tonnen gouds uit Oost of West terugkwam, +en den achtbaarsten patriciër, den besten edelman naar de oogen +steekt door uiterlijke praalvertooning, die achtbare patriciër, die +doorluchtige edelman al de uwen terstond de hand reiken, en u tot gade +voor zijnen zoon begeeren? Weet gij dan niet, dat indien de kringen, +welke gij zoo verlangend zijt binnen te treden, zich voor u openden, +gij in gestadigen angst zoudt verkeeren voor eene toespeling op uws +vaders afkomst, eene hatelijkheid op uw aangewaaiden rang? Zou het +niet veel beter zijn, indien gij u rustig aansloot aan den stand +waartoe gij behoort, die even goed is als een hoogere, en waarin +gij zoudt worden geëerd en ontzien? Moest gij niet veel liever de +eerste onder de burgers dan de laatste, de bij gedoogen toegelatene, +onder de grooten zijn? Waarlijk, ik begrijp hunne terughoudendheid +beter dan uwe eerzucht. Zij zijn volkomen tevreden met het verkeer +onder huns gelijken; zij schromen avances te doen, die hun naderhand +zouden kunnen berouwen; de mevrouwen vreezen, dat zij nu en dan voor +elkander over hare nieuwe kennissen zouden hebben te blozen, indien +zij u _en amitié_ namen, en gij verriedt eens uw nieuwelingschap of +volkomen misplaatst zijn in de kaste, waarin gij waart toegelaten +zonder in hare geheimenissen te zijn ingeleid!... Of, korter +nog; zij zien niet in, waarom zij juist u in haren omgang zouden +opnemen.--Maar gijzelve, die gedurig op uw teenen staat om in haar +vensters te kijken en het af te zien hoe zij haar huis stoffeeren, +haar disch arrangeeren en hare bedienden dresseeren; gij, die haar +plaagt, en tart door uw toilet kostbaarder te maken dan het hare, die +er beurtelings de nabootsing, de parodie, en de charge van uitstalt; +die terwijl gij over den onchristelijken hoogmoed der groote dames +klaagt, die de deur sluiten voor eene familie, die niet tot haren +stand behoort, uw eigen deur op het nachtslot gooit voor familiën, +die wèl tot uwen stand behooren: ik weet niet hoe het komt, dat gij +deze dwaze eerzucht niet lang hebt afgeschud. Een ordinaris kip is +zoo goed als, en misschien beter dan een fazantehen, maar ze behoort +daarom niet in het hok der goudlakenschen. Zoo zij dan den kippenloop +veracht, mag zij alleen gaan zitten onder dezen of genen sparreboom, +en pikken zich in de veeren, en aan de voorbij zwemmende eenden +wijsmaken, dat haar nicht in den tienden graad ook een fazantehen +is. Maar de kippen in den loop hebben samen ruim zoo veel genoegen +als zij in haar eenigheid, achten elkander, bewonderen elkanders +eieren, en kakelen en klokken dat het een lust is. Doch voor u heb ik +eene andere vergelijking. Gij zijt vledermuizen, bij de vogelen niet +gezien, en de muizen verachtende, die geen ander genoegen hebben dan +in het schemeruur wat vertooning te maken met een soort van vleugelen, +die haar waarlijk staan of ze haar niet toekomen. + +Het bleek mij in _dit_ schemeruur, dat de schoone _Henriette_ zich +met deze ongelukkige eerzucht pijnigde. Mevrouw kende ik nog niet; +maar mijnheer, schoon alles bruskeerende, wat groot en hoog was, sprak +mij veel te veel van adellijke heeren en groote hanzen, dan dat ik +hem niet van eene heimelijke jaloezie verdacht zou hebben. In zijn +trotsch belijden "zoo je wilt, een parvenu te zijn" was misschien +even veel spijt als oprechtheid. + +In den loop van ons gesprek verhaalde _Henriette_ mij wonderen van het +huis en de paarden en de slaven, die de familie in de West had; een +slaaf voor den zakdoek, een slaaf voor den waaier, een slaaf voor het +kerkboek, een slaaf voor den flacon! Zij kwam ook op haar kostschool, +en klaagde over de nare madame, die door al de meisjes gehaat was, +en verhief hemelhoog de allerliefste _Clementine_ zus en zoo, haar +beste vriendin, waarmee zij "in alles sympatiseerde". + +Zij had eene "onbegrijpelijken zin" om in Den Haag te wonen, of een +reis door Zwitserland te doen; bij welke gelegenheid zij liefhebberij +toonde om al die bergen te bestijgen, welke gewoonlijk niet door +dames bestegen worden. Zij vond het onuitstaanbaar dat de menschen +_hier_ over het gordijntje gluurden als zij een dame te paard zagen, +en dat men zich nooit in _deze_ stad met een heer in 't publiek kon +vertoonen of er werd gezegd dat men verloofd was; een grieve, welke +ik door alle mogelijke dames tegen alle mogelijke steden heb hooren +inbrengen, maar waarvan ik het ijselijke zoo ijselijk niet inzie. + + + + +Een juffertje en een mijnheer. + +Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of +drie van de kinderen werd eene vrouwelijke gestalte meer binnengegooid +dan ingeleid, onder het gejuich van "_Saartje_ met een mof! _Saartje_ +met een mof!" + +Een diepe zucht rees op uit den schoonen boezem van _Henriette_. + +De gestalte, uit het licht in den donker komende, kon waarschijnlijk +geen hand voor oogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen +trokken weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen: +"_Saartje_ met een mof! _Saartje_ met een mof!" + +"Kind!" zei _Henriette_ tot de binnengekomene: "Wat kom je ontzaglijk +vroeg; mama slaapt nog." + +"Wat zegje, _Harriot_?" riep mevrouw met een schorre stem, wakker +wordende: "Wat wilje kind? is er iets? hebje nog geen licht op?" + +"Nicht _Saartje_ is daar al," was het antwoord. "De kinderen zeggen;" +voegde zij er lachend bij; "de kinderen zeggen, met een mof!" + +De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een heele +lieve stem naar de gezondheid van nicht _Kegge_ en nicht _Henriette_. + +"Och!" zei de laatste, "je bent er toch niet ver af; schel reis om +het licht, wilje?" + +Nichtje gehoorzaamde, en ik verlangde naar de lamp. Het licht kwam +binnen, en ik ontwaarde bij zijn schijnsel een jong meisje, misschien +van de jaren, maar nog niet van de ontwikkeling van _Henriette_. Een +allerliefste taille, in een zeer simpel winterjaponnetje gekleed, +maakte zich los uit de plooien van een bruinen lakenschen mantel; een +gegaufreerd kraagje sloot stemmigjes om een allerblanksten hals; en +toen zij haar eenvoudig kastoor hoedje afzette, vertoonde zich, onder +een schat van los neerhangende blonde krullen, een allerinnemendst +zacht en liefelijk gelaat. Zij bloosde op het onverwacht gezicht van +een persoon meer dan zij vermoed had. Ik haastte mij haar van hoed +en mantel te ontlasten, en ook van de mof, in wier gezelschap zij +was aangekondigd. Zij bloosde nog sterker over deze gedienstigheid +en wilde zich die volstrekt niet laten welgevallen. + +_Henriette_ nam de mof in de hand. Het was geen alledaagsch, +nieuwmodisch handmofje van marter of chinchilla, met lichtblauwe of +kersroode zijde gevoerd en nauwelijks groot genoeg voor twee kleine +handjes, een zakdoek, een reukflesch, en een visiteboekje; maar een +degelijke, ruige, ouderwetsche, dikke vette mof, van een fiksche +langharige vossenhuid, waarbij een dito halsbekleedsel behoorde, +waarmee onze grootmoeders over haar doek naar de kerk gingen en +waarin wij daar ter plaatse nu nog een enkele oude keukenmeid zien +verschijnen, en dat den naam van sabel draagt. + + + +"Wat een allerliefst mofje!" zei _Henriet_, met het harde haar +over hare zachte wangen strijkende; "wat doe _jij_ nu met een mof, +_Saartje_?" + +"'t Is een oud ding," zei _Saartje_ met een lief lachje: "de kinderen +hebben er ook al zoo'n pleizier over gehad. 't Is nog van mijn +grootmoeder, en ik draag het alleen 's avonds, nicht _Henriette_! Hoe +vaart neef?" + +"Papa is heel wel," antwoordde de schoone. En als om het te bewijzen +trad de heer _Kegge_ zelf binnen, vatte _Saartje_ met een fikschen +greep om het middel, en gaf haar een zoen dat het klapte. + +"Wel _Saar_! daar doe je wèl aan!" riep hij uit. "Kom je nog reis +thee voor ons schenken? Wat zeg je van dien mijnheer, dien we hebben +opgedaan? Pas maar op hoor, het is een meisjesgek." + +Dit zijn van die malle gezegden, waarop de patiënt niet veel anders +doen kan dan pijnlijk glimlachen. + +"En wat hoor ik van je mof? _Rob_ zegt dat je een mof hebt. Laat reis +kijken. Die is nog van je moeder, _Saar_! Lieve schepsel! ik ben een +citroen als dat niet precies het haar is van een wild varken. Hoor +reis, je zult voor je Sinter Klaas een betere mof van _mij_ hebben." + +"Och neen, neef _Kegge_!" zei het lieve meisje verlegen; "ik zou haar +toch niet anders dan 's avonds dragen." + +"En waarom niet, als _ik_ ze je geef?" + +"Omdat het me ... niet past, neef _Kegge_." + +"Niet passen? allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?" + +"Toch niet, neef _Kegge_! heusch, ik had het liever niet,--ik mag +geen bont dragen,--en ik ben er ook nog veel te jong voor." + +"Allemaal gekheid! wat doen de jaren tot een stuk beestenhaar? 't +Is immers voor de kou, krullebol! Nu, let maar op, met Sinter Klaas; +en hou nu je moeders vel maar uit de tanden van Azor en Mimi." + +Deze laatste aardigheid deed den heer _Kegge_ machtig genoeglijk +aan, en wij zetten ons tot de thee. Dat het servies van zilver +en de kopjes van blauw porselein waren, behoeft niet te worden +opgemerkt. De lezer weet nu te wel hoe het huishouden van de rijke +familie _Kegge_ gemonteerd was, om van eenige pracht ter wereld meer +verwonderd te staan, en het verveelt mij er hem langer opmerkzaam op +te maken. Die er behagen in schept moois van dien aard met bewondering +en ingenomenheid beschreven te zien, leze de novellen van Q. en Z. Men +zou zeggen dat die heeren zelf belust werden op de schoone mirakelen, +die zij beschrijven. + + + +Toen de thee was afgeloopen en de pendule bijna op acht uren stond, +liet de heer _Kegge_ zich een met zwart zeehond gevoerden overjas +van poolsch maaksel geven. Het was nog niet koud genoeg voor de pels, +zeide hij. Hij stak daarna op, hetgeen hij met een kieschen term een +stinkstok noemde, en ging uit, om alweer een noodige commissie te doen. + +Niet lang daarna kwam er in zijne plaats een heer binnen van een zeven- +of achtentwintig jaren, naar ik berekende. Het was een welgemaakt, +rijzig man, met een gelaat, waarvan de snede heel goed, maar dat voor +het overige zeer vervallen was. Hij droeg het haar eenigszins lang, +zeer scheef gescheiden, en aan den breedsten kant gefriseerd. Grijze +oogen schoten hunne doffe stralen uit diepe spelonken, want de +jukbeenderen waren zeer sterk geteekend, en om zijne lippen speelde +een glimlach, die kennelijk geen andere bestemming had, dan om een +zeer blank en regelmatig gebit te doen te voorschijn komen. Deze +persoon was gedost in een zeer nauwen groenen rok met zeer kleine +vergulde knoopjes en zeer nauwe en korte mouwtjes, een zeer wijden +zwarten pantalon, met zeer spits toeloopende pijpen, en een gebrocheerd +zijden vest. Een zwartsatijnen strop, in welks slippen een zeer lange, +zeer dunne gouden doekspeld stak, met een klein goud snoertje daaraan +vast, stroo-gele handschoenen en zeer puntige laarzen voltooiden zijn +kleedij. Nog slingerde er een gouden halsketting, saamgesteld uit +lange magere schakels, over zijn vest, en wees der verbeelding den +weg naar een zeer dun goud horloge à cylindre, terwijl aan een bijna +onzichtbaar elastiek koordje een klein vierkant lorgnet bengelde, +dat geschikt was om zonder hand of vinger aan te raken, in den winkel +van het oog te blijven staan. + +Toen deze heer binnenkwam, ging hij eerst de kamer door, volstrekt in +dezelfde houding alsof hij moederziel alleen ware geweest en zonder ter +linker of ter rechter zijde iets te willen opmerken; men zou gezegd +hebben in eene blinde opgewondenheid. Toen hij tot mevrouw _Kegge_ +genaderd was, stond hij stokstil en liet zijn hoofd op de borst vallen +als eene geknakte bieze; vervolgens ging hij op _Henriette_ af, en +herhaalde dezelfde beweging met al de bevalligheid van een automaat; +eindelijk bracht hij ze ten derdemale ten uitvoer voor de vereenigde +personages van _Saartjen_ en mij. + +_Henriette_ stelde ons aan elkander voor, als mijnheer _Van der Hoogen_ +en mijnheer _Hildebrand_. + +Mijnheer _Van der Hoogen_ plaatste zich vervolgens op den hem +aangeboden stoel, bracht den duim van zijne rechterband ter hoogte van +zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde +vestje, zoodat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop +begon hij met een krakende stem tot mevrouw: + +"En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondjes. Gisteren dineerde +ik bij den heer _Van Nagel_; nu, u weet wel dat freule _Constance_ +ook een aardig hondje heeft...." + +"Ik weet het heel goed; het is een King Richard," zei _Henriette_, +"een allerliefst dier." + +"Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt niet +bij Azor en Mimi." + +"Zou je dat waarlijk denken?" vroeg mevrouw, met zichtbaar welgevallen. + +"o Mevrouw!" antwoordde de heer _Van der Hoogen_, geheel +opgewondenheid: "het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten +het te zeggen. Freule _Constance_! zei ik, uw hondje is charmant; +maar de hondjes van mevrouw _Kegge_ zijn charmanter." + +Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw _Kegge_ +niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en Mimi, +die bij haar op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker toe, +en streelde hen dat hunne koppen blonken als spiegels. + +De heer _Van der Hoogen_ richtte zich daarop tot _Henriette_. + +"Ik kan u zeggen, juffrouw _Henriette_, dat de freule _Constance_ +jaloersch is van uw maraboe's; zij heeft u er laatst mee in de +kerk gezien. Gisteren zei ze: _Van der Hoogen_, je kent immers de +familie _Kegge_? Ik antwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te +zijn. Nu, zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de maraboe's +van de freule. Het zijn allercharmantste maraboe's; daarop volgde +een heel gesprek over u." + +"Waarlijk?" vroeg _Henriette_: hare oogen ongeloovig tot hem +opslaande. "Foei, _Van der Hoogen_! je houdt me een beetje voor +den gek." + +"Dat is ondeugend van je," antwoordde _Van der Hoogen_, als zij +glimlachende. "Hoor je 't, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte +soupçons!" Daarop trok hij zijn gezicht in een ernstige plooi en +vervolgde: "Waarlijk, juffrouw _Henriette_, het is jammer, heel jammer, +dat je die menschen niet ziet. Het is een charmant huis. De freule +_Constance_ is waarlijk allercharmantst." + +"Ik weet niet, _Van der Hoogen_! maar ik geloof stellig dat er iets +bestaat tusschen u en die freule _Constance_!" merkte _Henriette_ +aan. En zij lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met alle +mogelijke coquetterie in de oogen. + +De heer _Van der Hoogen_ had er, wed ik, zijn mooie handschoenen +voor willen verbeuren, indien hij had kunnen blozen. Maar zijn blos +was--wie weet waar? + +"Al weer foei!" hernam hij, "dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw +_Henriette_!" En hij lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd +vest; "ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar +misschien van fluistert--onwaar is." + +Hij liet een korte geheimzinnige pauze volgen; daarna ging hij +voort: + +"Ik mag de freule _Constance_ heel gaarne; zij is waarlijk +allercharmantst; maar ... ik heb geen plans, in 't geheel geen +plans. En wilje weten waarom zij mij juist gisteren zoo beviel?" + +"Welnu?" + +"Omdat zij zich zoo aan _u_ intéresseerde." En hij sloeg de oogen +liefelijk neder. + +"Inderdaad, ondeugd?" plaagde _Henriette_; "je zoudt me waarlijk +nieuwsgierig maken, indien ik het worden kon!" + +"Zij vond uw voorkomen zoo bijzonder lief en intéressant," zei _Van +der Hoogen_, "en ze had zóó veel van uw spelen gehoord." En zich tot +mevrouw _Kegge_ keerende: "Lieve mevrouw! vereenig u toch met al wat +in de stad smaak heeft, om uw dochter te bewegen haar woord te houden." + +"Dat behoeft niet meer!" zei _Henriette_ glimlachende: "alles is +bepaald: ik speel vrijdag." + +"Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule _Constance_ +verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk, +hoop ik...." + +"Ik ben nog niet gedécideerd," antwoordde _Henriette_: "wil de heer +_Van der Hoogen_ mij eens helpen kiezen? Zullen wij de piano eens +openmaken?" + +"Gaarne, dolgaarne." + +"Maar gij moet reflecties maken." + +"Onmogelijk! onmogelijk!" riep _Van der Hoogen_. Daarop sprong hij +van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hij +hem zoo voorzichtig nederlegde, alsof hij een uitgeblazen eierschaal +geweest was, ontblootte zijn sneeuwwitte handjes en nagels coupés à +l'anglaise, en hielp _Henriette_ de muziek uitzoeken. + +Onderdies fluisterde hij half hoorbaar: "Dat juffertje _De Groot_ +heeft toch een allercharmantst gezichtje!" + +"Wat onbeduidend," antwoordde _Henriette_. + +"Niet waar? dat is de eenige fout," sprak _Van der Hoogen_. + +"_Saartje_," hernam _Henriette_, "het is goed dat ik er om +denk. Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetje +gezelschap zoudt willen houden." + +"Graag, nicht _Henriette_!" antwoordde _Saartje_; "ik ga terstond." + +Ongaarne zag ik de lieve blauwe oogen vertrekken. + +_Henriette_ begon te spelen, en de heer _Van der Hoogen_ sloeg de +bladen om; maar ik merkte op dat hij er somtijds zoo lang mee talmde, +dat _Henriette_, bevreesd dat hij het niet bij tijds doen zoude, zelve +hare hand uitstak, waarop hij zich dan haastte die hand te ontmoeten +en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen. Over 't +geheel was de houding der jongelieden voor de piano zeer vertrouwelijk. + +Intusschen zaten aan een klein tafeltje de jonge heeren _Rob_ en +_Adam_ écarté te spelen om een kwartje, en verminkte kleine _Hanna_ +(want deze drie kinderen schenen op te blijven) de platen van een +kostbaar boek tot mislukte knipsels. + +Ik had nu geen andere conversatie dan mevrouw, die mij vooreerst +ophelderde dat de gebeurtenis, die "al wat in de stad smaak had +verrukken zou," geen andere was, dan dat _Henriette_ aanstaanden +vrijdag op het damesconcert een obligaat op de piano zou uitvoeren. De +heer _Van der Hoogen_ had haar zoo lang gebeden, en de directie van +het concert had er mijnheer _Kegge_ zoo zeer om lastig gevallen, +en _Henriette_ speelde ook zoo uitmuntend, dat men niet langer had +kunnen weigeren! Na deze mededeeling begon ons gesprek te kwijnen, +en wist ik niets beters te doen, dan haar af te vragen hoe 't haar in +Holland beviel. Zij klaagde daarop steen en been. Het scheen hier te +lande koud en nat te zijn; de menschen waren hier stijf en gierig, +en altijd bij hun kinderen; de kinderen hadden zooveel kleeren aan +'t lijf; en de huizen waren zoo tochtig! Maar zij zelve was gelukkig +altijd gezond, en de kinderen en _Kegge_ ook, en ook de hondjes. + +De heer _Kegge_ kwam thuis en vertelde zooveel nieuws, dat het +blijkbaar was dat hij naar de sociëteit was geweest. Er kwam wijn +binnen voor de dames, en er werd grog gemaakt voor de heeren. De +heer _Kegge_ voegde zich bij de piano. _Saartje_ kwam weder beneden +en vertelde dat de oude mevrouw lust had om naar bed te gaan. Ik +hield mij daarop met haar bezig door te zamen de platen te bezien +eener prachtuitgaaf van _Lafontaine_. Zij wist zoo goed welke fabel +door iedere plaat werd voorgesteld, en sprak het Fransch zoo wel +uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertje, +dat geen bont mocht dragen, eene zeer goede opvoeding had gehad, +en misschien ruim zoo goed geprofiteerd had, als ik van de schoone +brunette en haar tweejarig pensionaat verwachten durfde. + +Er werd nog een heele poos muziek gemaakt, en mevrouw _Kegge_ sluimerde +met haar hondjes in. Zij werd niet wakker voordat de charmante heer +_Van der Hoogen_ weder op haar was toegeloopen, zijn hoofd op de +borst had laten vallen, en betuigd dat hij, heer _Van der Hoogen_, +de eer had haar dienaar te wezen. + +Hij maakte dezelfde plichtpleging voor de jonge dames, en begon nu +aan den heer _Kegge_. + +"A propos"--zeide hij--"goed dat ik er om denk. Er presenteert +zich eerstdaags eene charmante gelegenheid om iets naar de West te +verzenden. Een jong mensch aan een der bureaux zal zich waarschijnlijk +décideeren er heen te gaan. Hier geen vooruitzichten voor iemand +zonder familie; misschien daar nog een plaatsje als blankofficier; +honorable betrekking!" + +"Vooral tegenwoordig!" merkte de heer _Kegge_ aan, "schoon't bij +ons beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in +verachting. Maar 't is dwaas; want zoo in Suriname als in Demerary +zijn de meeste directeurs het zelf geweest." + +_Henriette_ werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrekkingen +kon de charmante heer _Van der Hoogen_ niet uit zulk een bekentenis +opmaken! Maar de charmante heer _Van der Hoogen_ dacht misschien aan +zijn eigen vader die, zoo als ik naderhand vernam, een logementhouder +te Amsterdam was, en met wien hij dien ten gevolge niets meer had +uit te staan dan dat hij nu en dan een wissel op hem trok. + + + + +Vaderangsten en kinderliefde. + +Wie _Hildebrand_ te logeeren vraagt, krijgt, durf ik zeggen, geen al +te lastigen gast in hem; maar op één ding is hij zeer gesteld. Hij +moet niet alleen een afgeschoten hoekje hebben waar hij slaapt, maar +ook een afgeschoten hoekje waar hij alleen kan zitten; een plaatsje +van ontwijk, al is dat dan ook nog zoo klein, waar hij zichzelven kan +toebehooren en, ongestoord en onbespied, gedurende een zeker gedeelte +van den dag doen wat hij wil; en als het winter is, valt dat bij +sommige menschen moeielijk; want dan kan op de eene kamer niet gestookt +worden om de valwinden, en op de andere geen vuur aangemaakt omdat +het er zoo rookt en, schoon hij zich vrij wat koude getroosten kan, +"in de kou mag hij volstrekt niet gaan zitten." Ondertusschen is het +een schrikkelijk ding tusschen het ontbijt en het koffieuur, te zitten +hangen in de huiskamer, eerst in gezelschap van de dames in négligé; +daarna in gezelschap van een dienstbode, die u verzoekt uw boek op +te lichten om "eventjes de tafel te wrijven," vervolgens met in 't +geheel geen gezelschap, en eindelijk weer in gezelschap van iemand, +die een brief gaat zitten schrijven, en dan, af en aan, eene flauwe, +slaperige en rekkerige conversatie. Neen! de conversable dag begint +niet voor één ure. Aan het ontbijt voegt de bijbel en de stilte, en +na den ontbijt, eenzaamheid en bezigheid; met de koffie krijgt eerst +de gezelligheid hare rechten, en ik heb geen eerbied voor den man, +die eene anecdote vertelt of een geestigheid zegt vóór dat de klok +van éénen koud is. + +Ik was tot één ure op de bibliotheek gebleven, waar ik mij recht +op mijn gemak genesteld had, en mij onledig gehouden, niet met mij +op eene fatsoenlijke wijze te vervelen door, zonder bepaald iets te +willen doen, nu het eene dan het andere boek uit de kast te halen, +in te zien, en weer op zijn plaats te stellen, maar door een klein +werkjen op te zetten, waartoe ik de materialen had meegebracht, een +werkje daar ik alle oogenblikken van scheiden kon, maar daar ik ook +genoeg aan had om met belangstelling in bezig te zijn. + +Ik kwam beneden en werd door mijn gastheer als "den geleerde" begroet, +"die den heelen ochtend met den neus in de boeken had gezeten; +allemaal gekheid. Hij was een dromedaris als hij er niet bij in slaap +zou zijn gevallen." + +_Henriette_ kwam binnen. Zij zag er buitengewoon vroolijk en opgewekt +uit, en hield in de eene hand een violetkleurig biljet, dat zij pas +scheen te hebben ontvangen. + +"Kind!" riep de heer _Kegge_ haar toe, "vanavond ga je uit, hoor!" + +"En waarheen, papa?" vroeg _Henriette_. + +"Naar neef _De Groot_, hart! Op vergulden." + +"Op wat?" vroeg _Henriette_, wier aangezicht betrok. + +"Op koekplakken!" zei haar vader, "Sakkerloot, ik heb het in mijn jeugd +ook gedaan. Vrijers, vrijsters, varkens, ledikanten, _Adam_ en _Eva_, +schepen, al den boel! "Weetje niet dat het haast Sinter Klaas is?" + +"Ik koekplakken, papa, bij de _De Grooten_!--Ik kan het niet; ik +bedank er voor. Neen, _daar_ bedank ik nu voor," zei _Henriette_ +op een welberaden toon, "ik doe het _niet_." + +"Ja maar, lieve meid," zei de heer _Kegge_, "ik heb het voor je +aangenomen; hoor; je kunt er niet af; 't is een heele damespartij." + +"En wat voor dames zouden er bij de _De Grooten_ komen?" vroeg de +schoone smalend. + +"Weet _ik_ het, juffrouw _Henriette_?" zei de vader, op een kluchtige +wijze het mutsje afnemende, dat hij droeg uit aanmerking van het hiaat +in zijne lokken, ofschoon met zichtbare verlegenheid. "Ik ben een +kievit als ik het weet. Je neef heeft er me verscheiden opgenoemd; +juffrouw _Riet_, juffrouw _Dekker_, juffer dit en dat; hij zegt dat +het heele ordentelijke juffrouwen zijn." + +"En waarom heeft _Saartje_ mij dan gisteren niet verzocht?" + +"Omdat zij het vergeten heeft, zegt ze." + +"Omdat ze niet gedurfd heeft," verbeterde _Henriette_, rood van +verontwaardiging. + +"_Henriette_-hef!" vleide papa, "ik had graag dat je wèl waart met de +_De Grooten_. Toen we hier vreemd aankwamen, hebben ze ons duizend +diensten bewezen. Neef heeft dit huis voor ons gehuurd en alles; +hij is een eerlijk man; kan hij 't helpen dat hij geen adellijk heer +of groote hans is, dat hij geen glacé handschoentjes draagt als onze +vriend _Van der Hoogen_? Ik heb het aangenomen; je zult er immers +heengaan? Ik wil dat je er heengaat." + +"Het is wèl; ik _zal_ er heengaan," antwoordde _Henriette_, bleek +van drift; "maar als ik vrijdag slecht speel, is het _uw_ schuld." + +"Voor mijn rekening, kind! Maar, van vrijdag gesproken! Misschien +bevalt je dat óók niet; ik heb neef _De Groot_ een introductiekaartje +beloofd." + +"'t Is goed," zei _Henriette_, haar spijt verbijtende. + +"Van wien is dat paarse briefje?" + +"Ik heb het met muziek gekregen." + +"Nu, kind! van avond vergulden, hoor! _Hildebrand_ mag je komen +halen als hij pleizier heeft; en dan moet hij wat vroeg gaan, dan kan +hij nog reis mee trekken om 't langste brok. 't Zijn waarlijk goeie +menschen, _Hildebrand_! heel ordentelijk. Je hebt gisteren _Saartje_ +gezien. _Henriet_"--vervolgde hij, met de oogen pinkende--"_Henriet_ +mocht willen dat zij er zoo uitzag!" + +_Henriet_ beefde. + +"Maar zij heeft óók wel mooie zwarte oogen," zei haar papa, en gaf +haar een kus. "_Harriot_, _my dear_, je moet niet boos zijn." + +_Harriot_, _his dear_, draaide het hoofd af. + +De vader was verlegen. + +"Het is goed weer," hernam hij: "best weer! ik heb de schimmels voor +de barouchette laten zetten; ik wil een toertje maken met mijn logé. Ga +je mee, _Harriot_?" + +"Ik heb te schrijven en muziek te copiëeren," antwoordde zij, +een slotportefeuille openslaande, en er een blaadje bathpapier +uitkrijgende, dat zij oogenblikkelijk met veel ijver ging zitten +vullen. + +"Nu, dan gaan wij alleen; voor mama is het te koud." + +Er volgde een poosje stilte. + +"Is uw toilet voor vrijdag al in orde, _Harriot_?" vroeg de heer +_Kegge_. + +"Ik weet niet," zei _Harriot_. + +"Moet er niets nieuws zijn, een ferronière, of zoo wat?" + +"Neen, papa." + +De schimmels waren vóór; _Henriette_ bleef pruilen. Wij namen afscheid +en stegen in de barouchette. + +"_Henriette_ was boos," zei de vader, toen wij gezeten waren. "Ja, +die dametjes! je moet ze ontzien, vrind! En _Henriet_ heeft _veel +karakter_." + +Wij toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten de +vensters der respectieve bewoners dreunen. Mijnheer _Kegge_ beweerde +dat men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag onder de +voetgangers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord "ongepermitteerd" +duidelijk lezen op het gelaat van verscheidene Joden, die de stad met +kruiwagens doorkruisten, en van oude vrouwen die van de vischmarkt +kwamen en op dezen of genen hoek niet gauw genoeg uit den weg konden +komen. Ook zag ik deftige heeren met rottingen onder den arm die, +niettegenstaande de straat breed genoeg was, het veiliger achtten +hunne wandeling te staken, totdat het rijtuig zou zijn voorbijgegaan, +en kindermeiden die, twintig huizen vóór ons uit, "verschoten" en de +aan haar zorg toevertrouwde lievelingen bij de armen naar zich toe +sjorden, om der wereld te toonen hoe goed zij voor hen zorgden. In +een koffiehuis kwamen, drie of vier heeren, met horizontaal opgeheven +pijpen in den mond, over het horretje kijken, en alles toonde ontzag +voor de twee schimmels, het mooie rijtuig, den deftigen koetsier, +en den zwarten lakei achterop, die met onbewegelijke plechtigheid zat +rond te kijken en iedereen eerbied inboezemde, behalve den boven alle +vooroordeelen verheven straatjongen, die hem nariep: "Mooie jongen, +pas op, hoor! dat de zon je niet verbrandt!" + +Alle deze bewijzen van opmerkzaamheid en belangstelling in zijn persoon +en bezitting schenen ditmaal noch de hoovaardij van den heer _Kegge_ +te prikkelen, noch zijne vroolijkheid gaande te maken. + +Wij reden de poort uit en den straatweg op, en deden een mooien keer +door de boschrijke streek. Het was een heerlijke najaarsdag. Het +had in dien herfst weinig geregend en nog in het geheel niet +gestormd. De boomen pronkten dus nog met een goed gedeelte van hun +bladerkroon. Heerlijk blonken de goudgele en bloedroode tinten van +iepen en beuken in het rosse zonlicht. Hier en daar breidde een eik +daartusschen zijn gelende takken uit, nog steeds groen aan den top; +en het donkergroen van een partij dennen beschaamde van tijd tot +tijd, met somberen ernst, de overige zonen van het woud, die nu nog +zoo trotsch schenen op verdorde pracht, en weldra naakt en arm den +winter zouden tegemoet gaan. + +Maar noch de schoone natuur, noch de heldere zon, noch de frissche +najaarslucht vermochten de wolk van het voorhoofd van den heer _Kegge_ +te verdrijven. Ik trachtte het gesprek levendig te houden en zijne +gedachten over allerlei onderwerpen te verdeelen, maar telkens bleek +het mij duidelijk dat zij over de verstoordheid van zijne beminde +dochter liepen. + +De schimmels waren ongemeen vurig en liepen uitmuntend, en de koetsier +maakte den heer _Kegge_ herhaalde malen opmerkzaam dat de bijdehandsche +nu toch alle kuren had afgelegd. Het scheen alsof de heer _Kegge_ +er geen gevoel voor had; hij dacht aan de kuren van _Henriet_. + +De koetsier slaagde er in, na een lange worsteling, een "grooten hans +en adellijken heer" voorbij te rijden; maar de heer _Kegge_ wreef +zich de handen niet met dat genoegen, waarmee ik mij overtuigd hield +dat hij het gisteren zou gedaan hebben. Zijn geest was gedrukt. Wel +poogde hij den last nu en dan van zich af te werpen, of zich dien te +ontveinzen, door van tijd tot tijd koddig of ruw uit te vallen, maar +daarna geraakte hij op nieuw in de stilte. Hij was de man van gisteren +niet. Die barre mijnheer _Kegge_, zoo onafhankelijk, zoo luidruchtig, +zoo opbruisend, en voor geen kleintje vervaard, was kleinmoedig en +benepen van ziele, om den wille van de gril van een zeventienjarig +meisje, dat hij liefhad, en vreesde. Mejuffrouw _Toussaint_, in wie +ik niet weet wat het meest te bewonderen, òf de juistheid waarmede +zij de verborgenheden van het innerlijk leven opvat, òf de keurigheid +en kracht waarmee zij die in hare geschriften schildert, heeft dezen +vorm der ouderlijke liefde uitstekend geschetst. + +Op den terugkeer gebood de heer _Kegge_ stil te houden voor de deur +van een bloemist. + +De zwarte palfrenier steeg af en schelde aan. "Is je heer thuis, +meisje?" + +"Meheer is na Amsterdam." + +"Maar mogelijk is _Barend_ te werk," riep _Kegge_ uit het rijtuig. + +"Ja, meheer! _Barend_ is er. As meheer er maar uit wil komen?" + +Wij stegen af, en men bracht ons naar het zoogenaamde bollenhuis, +waar _Barend_ zich weldra te midden der bolrekken, houten zaadbakjes +en sterke geuren aan ons oog vertoonde. + +_Barend_ was de oudste, de meester-knecht van den bloemist, bij wien +wij waren afgestapt; een man van een, in zijn stand, allereerwaardigst +voorkomen. Hij was niet groot van gestalte, en droeg een blauw wambuis +van een antiek snit, een korte broek, grijze kousen en groote vierkante +zilveren kuit- en schoengespen; zijn wit voorschoot was in de schuinte +opgenomen. Niettegenstaande zijn hooge jaren, droeg hij het hoofd +nog vrij rechtop. Dunne witte haren hingen hem langs de slapen; maar +zijn gerimpeld gelaat had nog dat gezonde rood, dat denzulken, die +hun leven in de open lucht hebben doorgebracht, tot in hun grijsheid +bijblijft. Zijne blauwe oogen hadden een vriendelijken glans, en +zijn mond was juist genoeg ingevallen om een allerinnemendste plooi +te hebben aangenomen. + +"_Barend_!" zei de heer _Kegge_, "ik moet een mooien ruiker bloemen +hebben." + +"Dat zal slecht gaan, meheer _Kegge_," antwoordde _Barend_. + +"Voor geld en goede woorden, _Barend_!" hernam _Kegge_; "'t kan me +niet schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintje zie." + +"Allemaal goed," zei _Barend_; "maar je kent de natuur niet +dwingen. Dat 's een anjer; verstaje! 't Is nou de allerschraalste +tijd. Weetje wel dat we al mooi naar korsemis opschieten? Kom zoo vroeg +in 't voorjaar as je wil, meheer _Kegge_, en ik zel je een handvol +gebroeid goed geven, dat je hart er van verdaagt; maar nou is alles +gedaan. Der mag nog een enkele kresantemum wezen,--maar 't is over, +meheer _Kegge_; je kent, zeg ik nog reis, de natuur van een ding niet +dwingen. Je _kent_ het wel dwingen; maar dwingen en dwingen is twee; +en as je een ding dwingt, dat nou eigenlijk niet gedwongen kan worden, +wat heb je dan? Dan plaag je je zelve." + +De heer _Kegge_ brak dezen niet zeer duidelijken woordenstroom van +den ouden _Barend_ af, met te zeggen: "Nu nu, _Barendje_, als je al +de kassen reis doorloopt!" + +"Hoor reis!" zei _Barend_, "je mot maar denken dat ik je net zoo +graag de heele pot geef, as dat ik er de hartsteng uit mot snijen, +want daar zit al de kracht in, weetje. 'En blom, meheer _Kegge_; dat +zeg ik altijd; 'en blom is net as 'en mensch. As ik jou je hart uit je +gemoed snij, dan kan je ommers ook niet in 't leven blijven? Daar zit +'et 'em as 't ware maar in.... Wat zeg _jij_, meheer?" voegde hij er +bij, zich tot mij richtende. + +De heer _Kegge_ wachtte volstrekt niet af wat _ik_ in dezen zeggen +zoude. "Maar voor een goud vijfje zal ik toch nog wel wat kunnen +hebben?" zei hij ongeduldig. + +"Hoor," zei _Barend_, zijn snoeimes uit den zak halende en openslaande, +"as ze der binnen, dan hoefje geen goud vijfje te besteeën; dan zelje +voor een spiergulden [16] al heel wat doen. Maar 't is maar dat het +zoo bitter uit den tijd is. Is het voor mevrouw?" + +"Neen, _Barend_! voor me dochter." + +"Kom an!" hernam hij, "da's etzelfde; de dames zijn onze beste klanten +voor de blommen; maar as we 't van de blommen hebben mosten!" + +"Maar waar drommel moet je 't anders van hebben?" + +"Wel, van de bollen," zei _Barend_; "de blommen beteekenen nies. Dat +is armoed. Kijk!" ging hij voort, daar hij een potje aanwees dat niet +bloeide, maar met een rijkdom van fijne samengestelde bladeren pronkte; +"motje zoo'n dingsigheidje niet hebben? Of hebje dat al?" + +"Wat is het, _Barend_?" + +"Dat," zei _Barend_, "is nou eigenlijk de effetieve mimosa nolus +mi tangere!" + +"Hou op met je potjes-latijn!" riep _Kegge_ uit; "allemaal gekheid! Hoe +heet het in je moers taal, man?" + +"Kruidje roer me niet," antwoordde _Barend_. + +"Dankje hartelijk!" hernam _Kegge_, zich waarschijnlijk herinnerende +dat hij "zoo'n dingsigheidje" al had. + +Wij gingen eerst den tuin door, waar nog een enkele maandroos bloeide, +die er heel goed uitzag, ofschoon _Barend_ beweerde, dat zij het door +de nattigheid toch in het hart weg moest hebben, en zagen vervolgens +de kassen, waar hij hier en daar een pelargonium, chrysanthemum, +en primula sinensis afsneed, zoodat wij op 't laatst nog een vrij +aanzienlijken ruiker bijeen hadden, terwijl _Barend_ bij iedere bloem +zijn kennis en praatziekte had aan den dag gelegd. Toen hij de laatste +deur achter zich sloot, liet de heer _Kegge_ zich onvoorzichtig de +vraag ontvallen: + +"Wel _Barend_! hoe lang ben jij hier nu al geweest?" + +"Vijf en vijftig jaar, meheer! met God en met eere," was zijn antwoord; +"ik word met vrouwendag achtenzestig; en ik ben hier op me dertiende +jaar as tuinmansjongen gekommen." + +"Wel man! en je ziet er nog zoo fiksch uit!" merkte ik aan. + +"O!" antwoordde _Barend_; "maar dan most meheer me wijf zien. Die +is nou toch ook in der zestigste, maar da's nog wat anders. Ik heb +dertien kinderen bij 'er gehad, en de jongste scheelde met de oudste +krek eenentwintig jaar. Nou beurt dat zoo niet meer, maar voor een +jaar of tien is 'et _mennigmaal_ gebeurd dat de lui an der vroegen, +of 'er vader thuis was." + +"Dat 's knap!" zei _Kegge_, "weergaasch knap, hoor _Barend_. In de +Westinjes is dat anders. Daar kan 't wel beuren dat moeder en dochter +maar vijftien jaar schelen; maar de vrouwen zijn er vroeg oud, man." + +Met deze woorden haalde de heer _Kegge_ zijn beurs uit den zak en +nam de houding aan van iemand die vertrekken wilde. Maar _Barend_ +dacht er anders over, en leunde tegen den muur van de kas met al de +gemakkelijkheid van iemand die een lange historie beginnen gaat. + +"De heeren hadden men vader motten kennen," zei _Barend_, "dat was +een vast man. Toen ie stierf was ie omme en bij de negenenzestig +jaar, maar hij had zijn volle gebit nog. We woonden toen ter tijd te +Uitgeest en hij kwam geloopen van Uitgeest na Alkmaar om de koffie, +want we hadden een eigen moei te Alkmaar; en hij ging weer na huis, +en hij wist er niks niemendal van.--En was 't niet om 'en boer--hij +_was_ er nog wel." + +"Zóó," merkte ik aan; "dan zou hij toch nog al aardig oud zijn! vrind!" + +"Doet niet!" zei _Barend_, "doet niet! Dan was ie pas honderd en +vijf, en dat had _hij_ makkelijk kennen worden ook. Maar dat mot +ik de heeren toch reis vertellen. Hij was bij een boer, _Stoetema_ +hiette de boer, an 't werk; want me vader was een timmerman van zijn +ambacht. Wat wil 't geval. Hij krijgt zoo klakkeloos de koors op 't +lijf. Nou was me vader van _zoo'n_ natuur, dat as ie, met permissie, +maar an 't zweeten kommen kon, dan was ie weer klaar. Jongens, zeit +ie tegen zijn kameraads, ik heb een harde koors. Weetje wat, zeiën ze, +dan motje wat op de koes gaan leggen. Dat is, zooals de heeren mogelijk +wel weten, in den koestal, achter de koeien, de plek waar de knechts, +deur den bank, slapen. Maar _Stoetema_ zei: dat kan niet, want we +hebben 't bed pas opgemaakt voor de jongens; dan most me vader maar in +den hooiberg gaan. Nou toen moest me vader zoo'n hooge ladder op van +'en veertig sporten. Jongens! dat kostte hem wat 'n moeite voor dat +ie boven kwam! Toen maakte hij daar zoo'n kuiltje voor 'm en haalde +het hooi over 'm heen, en bleef stil leggen. Maar toen ie een uurtje +gelegen had, kwam daar 't houtschuitje; daar gingen de knechts mee +na huis; want het sloeg twaalf uren. Deur _die_ weg riepen ze an me +vader: _Jan_, kom der nou of, daar is 't schuitje! maar me vader zei: +neen, want ik zweet zoo, laat me nou leggen. Maar ze zeiën: jongen, +as 't reis erger wier; je most maar mee gaan. Toen kwam me vader van +den hooiberg af; maar kijk, hij zweette dan erg. Toen vroegen ze an +_Stoetema_ om koedekken. Maar hij wou ze niet geven; me koedekken +motten droog blijven, zeid' ie. Toen trok de een zen wammes uit, en +de ander trok zen wammes uit, en lei dat over me vader; maar het holp +niet, want het was te kort. Zoo kwammen ze te Uitgeest, maar het was +nog wel 'en anderhalfuur varens. Maar die menschen motten zekerlijk der +tijd noodig gehad hebben, want geen een ging er met me vader mee. Maar +toen waren zen beenen zoo stijf geworden, dat ie niet gaan kon, maar +van hoeken tot kanten viel. Toen motten de lui, die 'm gezien hebben, +zekerlijk bij der eigen hebben gedocht, die man is dronken. Maar +ziet! met dat ie zóó an de deur kwam, wou ie de knop grijpen...." + +Hier raakte de oude _Barend_ zijn stem, die al zwakker en afgebrokener +geworden was, geheel kwijt, en stikte in zijn tranen. Met de linkerhand +greep hij zich bij 't achterhoofd en trok zich bij de dunne haren. + +"Kijk!" zei de oude man, met den voet stampende, en met even veel +smart en verontwaardiging als of zijn vader gisteren gestorven was, +"kijk! as ik an dien boer denk!..." + +"Hij wou de knop grijpen," ging hij bedaarder voort, "maar het ging +niet. Drie dagen daarna was ie 'n lijk. Maar was 't niet om dien +boer," zei hij, andermaal stampvoetende, "hij zou der makkelijk _nog_ +kennen wezen." + +De heer _Kegge_ had de tranen in de oogen. Hij tastte in zijn beurs. + +"Daar _Barend_," zeide hij; "wat er meer is dan een spiergulden is +voor jou. Geef me nu den ruiker maar in een groote spanen doos." + +_Barend_ ging de doos halen. + +"Die oude heer _Barend_ is in allen gevalle toch niet in de wieg +gesmoord," merkte de heer _Kegge_ aan, met gemaakte vroolijkheid. En +zijn oogen afvegende, voegde hij er bij: "een lamentabele +historie! Zoo'n ouwe kerel zou je nog akelig maken óók." + +Wij waren al spoedig klaar en weer te huis. _Henriette_, die ook al +berouw over hare verstoordheid had, keek weer vriendelijk; en toen +haar vader haar de bloemen gaf, stonden er tranen in haar mooie +oogen. Zij was beschaamd. + +"Je bent toch een lieve papa," zei ze, hem kussende, en met haar +fraaie hand zijn haren schikkende. "Ik had het niet verdiend," voegde +zij er bij; en zij boog haar hoofd aan zijn hart. + +"Geen coupjes!" zei de vader. "Allemaal gekheid! Een mensch moet +altijd vroolijk zijn!" + +Ik begon tienmaal meer van _Henriette_ te houden. De kaketoe riep: + +"Zoete vrouw." + + + +Wij zaten nog aan het dessert, toen de heer _Van der Hoogen_, dien +ik in mijne gedachten nooit anders dan "den charmanten" noemde, +aangediend werd en binnenkwam. + +_Henriette_ kleurde vreeselijk. + +"Dérangeer je niet, lieve mevrouw; dankje mijnheer _Van Kegge_. Een +zeer ongelegen uur, inderdaad! Mijn boodschap was aan juffrouw _Van +Kegge_; het is alleraffreust; ik ben desperaat!" + +Ik zag den heer _Van der Hoogen_ opmerkzaam aan, maar ik merkte +niets van die verwilderde haren of strakke blikken, die de dichters +mij als het onvermijdelijk vereischte der wanhoop hebben leeren +beschouwen. Integendeel; 's mans lokken zaten, dank zij het uitmuntend +plakmiddel, bij de haarbouwkunstenaars als cosmétique bekend, even +glad en net als gisteren; de blik zijner oogen was volmaakt kalm; +en ook beefde de hand des desperaten heeren _Van der Hoogen_ niet, +toen hij die naar een glas port uitstak, dat mijn gastheer voor +ZEd. had ingeschonken. + +"Ik zal u zeggen;" dus vervolgde hij tot _Henriette_; "ik kan +onmogelijk donderdagavond bij uwe repetitie zijn. Zoo even ontving ik +de uitnoodiging tot een groot souper bij den heer _Van Lemmer_, waar +ik niet van tusschen kan, en 's middags moet ik bij mevrouw _D'autré_ +dineeren! Morgen is er, zoo als je weet, soirée bij den generaal. Als +je van avond niet kunt, dan ben ik waarlijk radeloos. Maar ik _vrees_ +dat je niet zult kunnen...." + +De dochtervreezende vader nam deze gelegenheid waar, om alles wat hij +dezen morgen verkorven had geheel weder goed te maken; want indien +_Henriettes_ toorn hem bevreesd had gemaakt, hare tranen hadden hem +volkomen overtuigd dat hij haar ongelijk had aangedaan. Misschien +was hij wel een weinigje bang voor eene nieuwe vredebreuk. + +"Nu _Henriette_," zei de heer _Kegge_, het woord schielijk opvattende: +"dan zit er niets anders op dan dat je thuisblijft. Je _kunt_ er wel +af,--zóó is het niet." + +"Hadje een invitatie? Dat vreesde ik al," merkte _Van der Hoogen_ aan; +"juffrouw _Van Kegge_ is overal zoo gechérisseerd. Neen, neen! als +je er iets voor sacrifiëeren moet, doe het dan niet; ik zal...." + +"Neen!" zei de heer _Kegge_, "ik ben op die repetitie gesteld. Wij +wachten u van avond stellig.... Om een uur of zeven, niet waar?" + +"Charmant, charmant!" riep de heer _Van der Hoogen_ uit, en wipte +van zijn stoel op: "dérangeer u niet; à ce soir!" Hij danste heen. + +Ik begreep de beschaamdheid en de tranen van _Henriette_ nog beter dan +vóór den eten. Het was alles een opgedicht stukje, en de heer _Van +der Hoogen_ vertrok met de zalige overtuiging, der schoone brunette +een belangrijken dienst te hebben bewezen. Zij zelve had er berouw +van. Ik stond op om hem uit te laten. + +"Mijnheer studeert te Leiden, niet waar?" vroeg hij mij in de +gang. "Charmante jongelui. Ik heb ook een halfjaar te Leiden +geresideerd. Maar 't is voor 't overige een miserabele stad. Geen +amusementen; de menschen zien elkander niet. Eens in 't jaar een +bal, om hun fatsoen te houden. Criant vervelend. Dérangeer u niet. A +ce soir!" + +"Het spijt mij dat het zoo treft," zei _Henriette_ toen ik weder +binnenkwam, "maar gij ziet, ik kan nu volstrekt niet gaan." + +"Je moet een briefje schrijven!" zei haar papa. + +"Foei neen!" zei _Henriette_; "geen briefjes aan de _De Grooten_; +dat zijn die menschen niet gewend." + +"Wil _ik_ het voor u af gaan zeggen?" vroeg ik half schertsend. + +"Heb ik u niet gezegd, mama! dat mijnheer zin in _Saartje_ +heeft?" sprak _Henriette_ lachende; maar daarop nam zij de zaak +ernstig; "ik zou haar inderdaad zéér verplichten!" + +"Goed," zei ik, "en als 't mij bevalt, blijf ik er, in plaats van +juffrouw _Henriette_, hoe slecht de ruil ook wezen moge. Ik heb niets +tegen vergulden." + +"Vergulden!" riep de vader uit, geheel verrukking dat de zaak zoo +geheel ten genoegen van de dochter geschikt was, "wel, ik kan je +zeggen dat _ik_ het nog met pleizier doen zou. Ik wed dat grootmama +er nog schik in zou hebben...." + +"Ik hou niet veel van verguld!" sprak de oude dame. + + + + +Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn; en voorts +iets droevigs. + +De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen, en tegen dat +uur begaf ik mij op weg naar de woning van den koekebakker _De Groot_ +of, zooals _Henriette_ altijd zeide, van "de _De Grooten_". Zij was +vrij verre van het huis van den heer _Kegge_ gelegen, en ik ging op +de, voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een +vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van den heer _Kegge_ af. + +Plotseling bevond ik mij in eene donkere steeg, aan welker einde een +hel licht als uit den grond opkwam, voor welk licht zich eene duistere +massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging, +hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen te zijn, +uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op alle +manieren op en over elkander liggenden stapel jongens, die door een +kelderraam, waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen +van een meester koekebakker en zijne gezellen, die in hunne witte +linnen pakjes alzulke schoone wonderen kneedden, duimden, schikten +en bakten, als welke _Henriette_ versmaad had verder te volmaken. Ik +stond een oogenblik stil en verlustigde mij in de belangstelling dier +straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens +van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zij de lekkernijen zagen +toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zooals +maltentige menschen beweren, ziek zouden maken. + +"Nou, wat weerga, jongen, laat main ook reis kaiken," zei de een, +en ondersteunde zijn begeerte met eene heftige beweging der ellebogen. + +"Doppie, _Jan_! dat is een mooie!" riep een ander, "da's zeker 'en +Jan Klaasen!" + +"Ben je mal, jongen?" riep een derde; "'t is 'en waif!" + +"Nou as dat 'en waif is," merkte een vierde aan, "dan mag ik laien +dat _Piet_ in de' kelder valt." + +"Hou je ellebogen vóór je, _Gerritje_; ik waarskou je, hoor!" + +"Pas op, _Pietje_! of je holsblok gaat de bakkerij in." + +"Kaik; ie doet den oven open; is 't men een vuurtje?" + +"Wat doet die dikke nou weer? Hij doet meel an zen knuisten!" + +"Wel nou, mot 'et deeg dan an zen vingers blaiven hangen? Jij bent +ook een mooie...." + +"Wacht 'en beetje! da's een kokkerd,--die kost wel 'en daalder, hoor!" + +"Hoor je _hem_? Je zoudt er wel kommen met 'en daalder." + +"'En daalder op je oogen." + +Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbeschouwers voor +het raam van dit atelier. + +Op den hoek van 't huis hing een groot uithangbord, waarop de bekende +geschiedenis van den Zoeten Inval stond afgebeeld, en daar onder +"H. P. _De Groot_. _Alle zoorten van koek en kleyngoed_." Ik trad den +winkel binnen, en er was zulk een verward geluid van vrouwestemmen +in een belendende kamer, die door een glazen deur met een groen +horretje daarop uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat de partij aan +den gang was, en ik mij nogmaals luidkeels moest aanmelden eer er +iemand opdaagde. + +De glazen deur ging open, en het mooie _Saartje_ verscheen, met een +hooge kleur, als iemand die uit een zeer druk gesprek of uit eene +zeer warme kamer komt. + +"U alleen, mijnheer _Hildebrand_?" + +"In plaats van uw nichtje _Kegge_, lieve juffrouw! ik kom haar bij +u verontschuldigen." + +"Maar u zal toch binnenkomen?" + +"Een oogenblikje." + +_Saartje_ opende de deur op nieuw, om mij in te laten, en ik overzag +de schare. + +Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting, +bloedkoralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld, en zelfs van een ring, +met een zeer grooten ronden bloedkoraal aan den vinger, juffrouw +_Mietje Dekker_, de dochter van een deftigen kleedermaker, en aan +hare zijde, met een groote doodvlek op haar wang en een koperen +gesp als een vierkante zon op haar buik, _Keetje de Riet_ uit den +kruidenierswinkel. En daarnaast _Pietje Hupstra_, wier vader het +gewichtig ambt van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde +dat niets losser en bevalliger stond dan een rozerood tissuutje +door een ringetje gehaald. Dan had men er _Truitje_ en _Toosje_, +de twee telgen van den heer _Opper_, voornaam metselaar, waarvan de +eene in 't openbaar een hoed met steenen bloemen en de andere een +dito met houten pluim droeg, maar die in dezen huiselijken kring +zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel, de eene van een blauwe, +de andere van een roode céphalide, in de stellige overtuiging dat er +op dit ondermaansche geen bevalliger of modieuzer damescoiffure kon +bestaan. Voorts het magere _Grietje van Buren_, die de oudste van +de gevraagde partij was en een- of tweeëndertig jaren tellen mocht; +zij leefde "in otio cum dignitate" van een kleine lijfrente, haar door +eene oude vrijster gemaakt, bij wie zij iets meer dan kamenier en iets +minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest. Zij droeg een mutsje met +een smal kantje, en een toertje aan twee kleine trosjes rozijnen +niet ongelijk. Ook zag ik _Bartje Blom_, wier vader een deftige +spekslagerij had, en die zelve een groote, zwarte duimelot aan haar +middelsten vinger droeg, omdat zij zich ongelukkig aan gemelden vinger +had verwond, bij welke kwetsuur "de kou" gekomen was. Ter afwisseling, +_Suzette Noiret_, dochter eener weduwe, die op een hofje woonde, en +van de Fransche gemeente was. Deze had een allerliefst, beschaafd en +net besneden uiterlijk, en wedijverde, in het bruin, met het blonde +_Saartje_, waarnaast zij gezeten was. En eindelijk, aan het hooger +einde van de tafel, moeder _De Groot_ zelve, een dame van een veertig +jaar, in eene zwarte zijden japon gekleed en dragende een muts met +eene belangrijke hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed +genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van +het hoofdtooisel dat zij op den vijfden december dragen zou. + +De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie bij juffrouw _De +Groot_, die gehoopt had met _nicht_ _Henriette_ te pronken; het speet +de vergaderde juffers ook recht, zooals zij zeiden, schoon ik mij +overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een _dame_ voor menig +harer een pak van 't hart was. Een algemeen gefluister, dat door de +dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de +solo van _Grietje van Buren_ ontwikkelde, met de betuiging, "dat het +jammer voor juffrouw _Kegge_ was; zoo reis vergulden, dat was altijd +nog reis aardig". + +"Ik hoop," zei juffrouw _De Groot_, "in de aanstaande week, de kleine +neefjes en nichtjes der ook nog reis op te nooden. Dan vraag ik zoo +wat klein grut." + +"Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken," merkte +juffrouw _Van Buren_ aan, haar penseel indoopende en een lange streep +goud op den wimpel van een oorlogschip klevende. + +"'t Ziet er wel prettig uit," zei ik zelf; "ik watertand om het ook +reis te doen. Mag ik eens effen van de partij zijn?" + +Dit voorstel bracht een schaterend gelach en groote vroolijkheid te +weeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk +meende. + +Tot de edele kunst van vergulden, ook wel, met eenen bij alle +koekebakkers voor beleedigend gehouden naam "plakken" genoemd, +zijn vier dingen noodig, als: de koek die verguld moet worden, het +verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen- +of konijnenvacht, hetwelk jagers de pluim, en gewone menschen den +staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde +goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk +te doen gaan, zat aan het eene einde van de tafel het lieve _Saartje_, +die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking +moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers, +ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste grootte; terwijl aan +het tegenovergestelde einde moeder _De Groot_, die ook de thee schonk, +boekjes bladgoud in breeder en smaller reepen knipte, om daarvan ieder +behoorlijk te voorzien, de tafel met kopjes met water bezaaid was, +en elk der genoodigden met een penseel en een konijnepluimpje was +uitgerust. Men voorzag ook mij hiervan, en bij ieder materiaal of +instrument, dat ik in handen nam, proestte men 't uit van 't lachen +en ging een kreet van verbazing op. + +"'t Is zonde!" betuigde _Mietje Dekker_. + +"Heb ik van mijn leven?" informeerde _Keetje De Riet_. + +"Die stedenten hebben alevel altijd wat raars," fluisterde die van +de roode céphalide. + +"Menheer doet het heusch!" verklaarde die van de blauwe. + +"'k Ben benieuwd hoe dat af zal komen," zei _Grietje Van Buren_. + +"Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar, juffrouw _De +Groot_?" vroeg _Bartje Blom_, die het goed met mij scheen te meenen. + +Maar _Suzette Noiret_ en _Saartje_ wezen mij terecht en deden 't +mij voor. + +Nu moeten mijne lezers, die misschen laag op de schoone kunst van +koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zoo heel +eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een ieder +beplakken; een streepje voor den grond, en een ruitje op zijn lijf, +dat kan een kind! Maar deftige vrijers en vrijsters van vierëntwintig +stuivers netjes te vergulden, tot de plooitjes van den kraag en de +ruitjes van den breizak toe; een Eva bij den boom op te sieren, geen +enkel appeltje (want het is een appelboom geweest) te vergeten, en de +bochten van de slang niet hoekig te maken; een geheel oorlogschip met +gouden reepen op te tuigen en de schietgaten netjes af te zetten, +zooals juffrouw _Van Buren_ deed, en een koets met paarden, als +juffrouw _De Riet_, die het zweepkoord zoo natuurlijk wist te doen +kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets anders. Het +is gemakkelijk gezegd: 't is maar koekvergulden! maar ik verzeker u +dat koekvergulden en koekvergulden twee is, en dat er bijvoorbeeld +een hemelsbreed onderscheid was tusschen den vrijer, dien _Toosje_, +en den vrijer, dien _Truitje_ had uitgemonsterd, zoodat _Toosje_ +zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe _Truitje_ die parapluie zoo +natuurlijk kreeg; waarop de vrijer van _Truitje_ dan ook rondging, en +het geheele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was als +of die parapluie leefde.--Ik voor mij kan u als eerlijk man betuigen +dat mij; nadat ik eerst mijne krachten aan den zadel van den ruiter, +dien juffrouw _Noiret_ onder handen had, beproefd, en mij van haar +omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten; dat mij, +zeg ik, een koude rilling door de leden ging, toen er een groote, +majestueuze dagbroer voor mijne eigene onbijgestane verantwoording +werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalaten hier ten algemeenen nutte +op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht +de juiste hoeveelheid water, die men op de plaats penseelt, waar men +het goud op wil doen kleven; want neemt men die te gering, zoo wil +het niet kleven, en doet men het te nat, zoo wordt het verguldsel +dof. En wat is er nu aan een doffen dagbroer? + +Spoedig was men het er over eens, dat ik het al heel mooi begon te +doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan +de zachtmoedigheid der critiek toeschrijf; en weldra lette men er +niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. _Mietje Dekker_ +met de bloedkoralen, _Keetje de Riet_, en _Pietje Hupstra_ hadden het +heel druk met juffrouw _De Groot_ over "fripante sterfgevallen in de +Haarlemmer krant; drie onder mekaar in den bloei van 't leven, en twee +door een ongelukkig toeval". Voorts spraken zij van "pinnetrante kou, +fattegante reizen, en katterale koorsen". Zij roerden ook het teeder +onderwerp van "vomatieven, en opperaties", en kwamen van lieverlede +nog eens op den vinger van _Bartje Blom_. "Zij moest er toch niet te +luchtig over denken." De een zei, zij moest er den meester bij halen, +maar de ander beweerde dat zij er den meester _niet_ bij moest halen; +en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest, die +den duim van den neef van haars zusters man "verknoeid" had. De een +wilde haar vinger pappen, omdat de kou er bij was; een ander ried +zoete melk aan om er den brand uit te trekken; een derde, kennelijk +onder den invloed van den genius der plaats, achtte niets zoo heilzaam +als koekebakkersdeeg. En _Bartje Blom_ dacht er over hoe zij deze +verschillende raden het best zou vereenigen. Daarop maakte _Grietje +van Buren_ zich van den boventoon meester en vertelde het gezelschap +wonderen van de gierigheid van de freule _Troes_, van wie zij hare +lijfrente had. "Ik kan je zeggen, mensch, als er zoete appelen zouen +gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid +de pan binnenbrengen als ze ze geschild had, en dan telde ze na of +der--hoeveel is 't ook weer? viermaal vierentwintig?--als 't viermaal +vijfentwintig was, dan was 't net honderd; dat 's vier minder; dat's +zesennegentig;--of der zesennegentig vierdepartjes waren, en als ze +dan op tafel kwamen, nog eens." Waarop die van de blauwe en roode +céphalides hare uiterste verbazing te kennen gaven. _Bartje Blom_ +vroeg of het waar was, dat de freule enkel zoo rijk was geworden, +door in haar jeugd al de spelden en naalden, die zij bij den weg +vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar +om verscheidene anekdoten van befaamde Engelsche gierigaards te +verhalen, die bij al mijne kennissen hadden uitgediend, maar die hier +nog eens gaaf opgingen, zoodat men mij zeer aardig begon te vinden, +maar tusschenbeiden ook aanmerkte, "dat ik er maar wat van maakte". + +Juffrouw _Noiret_ was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar +doorgaande stilheid in verband met een weemoedigen trek om den mond, +die mij deed onderstellen dat zij niet gelukkig was. + +_Saartje_ was allerliefst en, schoon het geheele gezelschap in +beschaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel +eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het noodige te +voorzien; maar _Grietje van Buren_ begon haar veelbeteekenende oogen +toe te werpen en op eene mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de +zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de +anderen. Evenwel kreeg _Bartje Blom_ ook haar beurt, daar men haar +laatst, bij het uitgaan van de kerk, zoo vriendelijk had zien groeten +tegen een zekeren _Kees_; maar zij wendde de scherts af, door haar op +die van de roode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis +met denzelfden _Kees_ in 't paardespel geweest was; en die van de +blauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tusschen haar +zuster en _Kees_, "ja, ja! wel zoo wat koek en ei was, als men zegt"; +waarop die van de roode zeide, dat die van de blauwe wel zwijgen mocht; +waarop _Grietje van Buren_ aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg; +waarop _Bartje Blom_ uitriep: "Nu, nu _Grietje_; ik vertrouw jou +ook niet! je gaat tegenwoordig zoo dikwijls naar Amsterdam; ik denk +dat daar ook wat zit!" waarop _Grietje_ verklaarde, dat _Bartje_ +een ondeugd was.--Ik merkte op dat _Suzette Noiret_ door niemand +werd geplaagd. + +Om een uur of half acht kwam er een groote ketel anijsmelk binnen, +die door al de dames "déli" gevonden werd. Daarna kwam de schepper +en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wij zaten op +te luisteren, even uit de bakkerij opdagen, en keek eens of men wat +vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige, vroolijke man, die er +heel veel pleizier in had, toen _Bartje Blom_ hem knipoogend vertelde, +dat _Toosje_ en _Truitje Opper_ vast wel voor zeven gulden gebroken +en opgegeten hadden, waarop _Toosje_ aanmerkte dat zij, _Bartje_, wel +zwijgen mocht, daar zij zelve een heel oorlogschip in haar zak had +gesmokkeld; waarop de koekebakker dreigde, dat geen van de dames de +deur uit zoude komen, voor hij zelf haar zak had geïnspecteerd. Toen +verhief zich de vroolijkheid tot uitgelatenheid. _De Groot_ stopte +een klein houten pijpje, dat hij in de hand had, en daalde weder +ter bakkerije. + +Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen, +goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot over de +ooren. De een was een broer van _Pietje Hupstra_ en schreef op 't +stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen _Opper_ en voor +'t kastemaken bestemd; en de derde, een broer van _Keetje de Riet_, +ondermeester op een Hollandsche school; het doel van hunne verschijning +was geen ander dan hunne zusters en al wie zich verder aan hunne +bescherming zoude willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen. + +Nu zei juffrouw _De Groot_ dat men maar uit zou scheiden, want dat +het toch altijd gekheid werd "als de heeren er bijkwamen," en er +werd besloten dat men nog gauw een pandspelletje doen zou. Men +koos daartoe, nadat het geheele verguld-atelier als zoodanig +was opgeredderd, "alle vogels vliegen," en ik heb nooit zooveel +onschuldige vreugde bij malkaar gezien als toen de oude juffrouw _De +Groot_ een dromedaris wilde laten vliegen. _Bartje Blom_ werd met "den +vogel struis" verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis, +van welke de ondermeester _De Riet_ beweerde "dat hij niet vloog, maar +fladderde". Hoe dit zij, hij verbeurde pand, en al de heeren verbeurden +pand, en _Saartje_ verbeurde pand, en wij verbeurden allemaal pand. + +Toen werd _Grietje van Buren_ verkoren om al de panden te doen lossen, +en werden de bloedkoralen armbanden en de bloedkoralen speld van +_Mietje Dekker_, met en benevens het tissuutje van _Keetje de Riet_, +en een "lodereindoosje" van haarzelve, en een vingerling van de oude +juffrouw _De Groot_, en een pennemes van den ondermeester _De Riet_, +en een ménagère van _Bartje Blom_, en een horlogesleutel van den +kastemaker _Opper_, en een huissleutel van den klerk _Hupstra_, en +een beurs van mijzelven, en al wat verder ter tafel was gebracht, in +HEd. maagdelijken schoot geworpen; daarover werd een zakdoek gespreid, +en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, van wien ik dit +pand in de hand heb? + +Ik spreek niet van de moeielijke en wonderspreukige dingen, die wij +tot het terugbekomen onzer kleinoodiën moesten ten uitvoer brengen; +als met vier pooten tegen den muur oploopen, een spiegel stuk trappen, +den zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentiën, als +daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok, +het bijenkorfje, en andere, waarbij machtig veel gekust en evenveel +gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid des geheelen gezelschaps +niet, toen _Toosje Opper_ iets heel moeielijks had opgegeven, in de +stellige overtuiging dat _Bartje Bloms_ pand voor den dag zou komen, +en het waarlijk haar eigen naaldekoker bleek te zijn; of toen de heer +_Hupstra_, in het spaansch speksnijden, dat hij nooit te voren gedaan +had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw _Noiret_ had gekozen, +en per slot niets te kussen kreeg dan den harden muur, terwijl den +jongen _Opper_ het lot te beurt viel haar den zoen te geven!--in +één woord, het was aller-aller-prettigst, de vreugd was op ieders +aangezicht te lezen, en ik vermaakte mij duizendmaal meer onder +deze goede blijhartige menschen, dan ik gedaan zou hebben, indien +ik ware thuisgebleven onder de sublieme piano van juffrouw _Kegge_ +en de charmante viool van den charmanten _Van der Hoogen_. + +De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de +heeren verdeeld, en ik nam op mij juffrouw _Noiret_, die mij groot +belang inboezemde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en +van ons een hartelijk afscheid; de drie bollebuizen drukten mij allen +zeer voelbaar de hand; en ik was zeer tevreden met de vriendschap +die ik zoo onverwachts had aangeknoopt. + + + +Juffrouw _Noiret_ was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar +thuis te brengen. "Het was zoo ver!" + +Ik antwoordde zooals betaamde, dat hoe langer ik haar bijzijn genoot, +het mij des te aangenamer zijn zou. + +"Ach!" zeide zij, "mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel +aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vroolijke menschen. Zat ik +er niet treurig bij?" + +"Gij waart zeker niet zoo luidruchtig als de overige. Maar toch..." + +"Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vroolijk was!" viel zij mij in +de rede. "Het zou mij spijten. Ik hield mij zoo goed als mogelijk; +maar mijn hart was ergens anders... Mijn hart was bij mijn moeder," +voegde zij er haastig bij. + +"Is uw moeder ziek, of..." + +"Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u zou +mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vriendelijke +menschen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee +verontschuldigen, dat zij eene oude moeder heeft? Ook had zij van +avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zij volstrekt dat +ik gaan zou." + +_Suzette_ zuchtte. + +"Is uw moeder zoo heel oud?" vroeg ik. "Gij zijt, dunkt mij, nog zoo +heel jong." + +"Ik ben drieëntwintig, mijnheer!" antwoordde zij met openhartigheid +"en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel ongelukken +gehad. Mijn vader stierf voordat ik geboren werd. Zij had toen negen +kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar eenigste, en nu kan zij niet +wel zonder mij... en ik niet wel zonder haar." + +"En uw vader..." + +"Mijn vader was de zoon van een Zwitsersch predikant, mijnheer! Maar +zijn vader had hem niet kunnen laten studeeren. Hij had maar +een kleinen post bij het accijnskantoor, en moest mijne moeder in +behoeftige omstandigheden achterlaten. Maar wij werken beide. Nu heeft +zij sedert drie jaren het hofje, en dat is een groot geluk. En toch..." + +"Ik geloof," zeide ik, "dat wij voor de poort van het hofje +staan. Klopt men hier aan, of moet men aan dien langen schel trekken!" + +"Helaas, geen van beiden," zei _Suzette_, op een allerdroevigsten toon +van stem, die een klank had als of haar een traan in de oogen schoot: +"geen van beiden. Mijne moeder woont wel op het hofje, maar ik niet." + +"Waarom niet?" vroeg ik. + +"Op het hofje woont niemand onder de zestig jaar," ging _Suzette_ +voort: "ik kom er 's morgens heel vroeg, zoodra de poort opengezet +wordt, en blijf er den heelen dag bij mijn moeder; maar slapen mag +ik er niet. Vóór tienen moet ik er vandaan, en's avonds na zevenen +mag ik er zelfs niet meer op. O, wat zou ik geven als ik mijn moeder +nu nog maar eens even mocht goenacht zeggen!..." + +En zij zag naar de geslotene poorte om. + +"Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisje," +ging zij voort; "haar naaste buurvrouw is onbeschreeuwbaar doof; +en als haar eens iets overkwam--! Dat, dat is mijn grootste zorg; +dat pijnigt en vervolgt mij altijd en overal!..." + +"Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt ge toch wel..." + +"Als zij ernstig ziek wordt, dan schrijft de dokter van't hofje een +verklaring dat zij niet alleen kan blijven, en _dan_ mag ik in haar +huisje slapen. Maar ach, het ligt mij op de leden dat mijn lieve +moeder er eens onverwachts uit zal zijn, en als dat eens bij nacht +was! O, ik bid God alle dagen dat het bij dag moge zijn... Ik zou +het niet overleven!" + +Wij gingen zwijgend verder. + +"Hier woon ik, mijnheer!" zei juffrouw _Noiret_, hare schoone oogen +afvegende, als wij voor een kleinen koomenijswinkel stonden; "ik dank +u voor uw vriendelijkheid." + +"Ik hoop," zeide ik, "dat gij uwe moeder nog lang zult hebben, en +zonder angsten." + +Zij reikte mij stilzwijgend de hand, en als het licht uit den kleinen +winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd zij +was. Wij scheidden. + +Ik vond de familie _Kegge_ reeds bijna aan het souper. _Van der Hoogen_ +deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan _Henriette_, +die al de aantrekkings- en afstootingskunsten eener handige coquette +(het is een aangeboren gave) in werking bracht. Men vermeed in 't +bijzijn van ZHWG. van "de _De Grooten_" te spreken, en eerst toen +hij vertrokken was, vroeg men hoe ik mij geamuseerd had. Ik gaf +een gunstig antwoord, maar trad in geene bijzonderheden, omdat ik +voor geen geld ter wereld de onschuldige vreugde der _De Grooten_, +_De Rieten_, _Dekkers_, _Hupstra's_ en zoo voorts, door eene juffrouw +_Henriette Kegge_ wilde hooren bespotten. + + + + +De Grootmoeder. + +Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek binnentrad, +zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met roodlederen +zitting en rug, die waarschijnlijk tot de stoffeering van haar +eigen kamer behoorde, bij het vuur. Eene kleine tafel was daarbij +aangeschoven, en daarop lag een Engelsche octavo Bijbel, waarin zij +ijverig las. Zij hield daarenboven een breiwerk in de hand. + +De schoone lange-hond zat weder naast haar stoel en keek oplettend +tot haar op. Werkelijk volgde hij met zijne goedige oogen iedere +beweging van haar hoofd en hand, als zij van den Bijbel naar haar +breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg. + +Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze het +minst, daar zij nooit dan bij het middagmaal verscheen en na afloop +daarvan onmiddellijk weer vertrok. Was het alleen dáárdoor dat zij +mijne belangstelling prikkelde, of was het ook door haar deftig, +stil, en ingetrokken voorkomen, de weinige, korte, verstandige, maar +dikwijls wel wat harde woorden, die zij sprak, en de verknochtheid +van haren schoonen langen-hond? Hoe het zij, ik hoopte hartelijk, +dat zij een gesprek met mij zou aanknoopen. + +Zij scheen mijn binnenkomen niet bemerkt te hebben, en terwijl ik mij +nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half overluid +de schoone plaats van _Paulus_ oplezen: "For we are saved by hope: +but hope that is seen is not hope: for what a man seeth, why doth +he yet hope for? But if we hope for that we see not, then do we with +patience wait for it" (Rom. VIII. 24, 25). + +Zij schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug in +haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjes herhaalde zij de +woorden "then do we with patience wait for it". + +Plotseling bemerkte zij dat ik mij in het vertrek bevond. + +"Gij zult mij vandaag moeten dulden, mijnheer!" dus begon zij; +"mijn kamer wordt schoongemaakt, en dan ben ik gewoonlijk hier." + +"Gij leeft een zeer eenzaam leven, mevrouw!" antwoordde ik; "drukte +zal u misschien hinderen." + +"O neen!" hernam zij, met een luide stem; "ik ben sterk genoeg. Mijn +hoofd is zéér sterk; _ons_ menschengeslacht is zoo zwak niet. Maar ik +ben niet meer geschikt voor gezelschap; ik ben te somber, te ernstig +geworden. Ik zou hinderen; ik zou vervelend zijn. Dit boek," zeide zij, +op haren Bijbel wijzende, "dit boek is mijn gezelschap." + +Zij zweeg eenige oogenblikken, en streelde den kop van haar hond met +de bruine hand. Daarop hief zij zich weder een weinig in haar stoel op. + +"Gij zijt hier nu reeds een paar dagen, mijnheer _Hildebrand_," +hernam zij; "en de aanleiding tot uwe kennismaking met de familie is +van dien aard dat... Zeg mij eens, heeft men al eens met u over den +lieven _William_ gesproken?" + +"Het spijt mij, mevrouw! dat ik u ontkennend moet antwoorden. Neen! men +heeft met mij nog geen woord over _William_ gewisseld." + +"Heb ik het niet gedacht!" riep zij uit, hare handen in elkander +slaande en een diepen zucht loozende, die in een droevigen glimlach +overging: "ik wist het wel; ach, ik wist het wel!" + +Zij zag treurig haar hond aan, die, als verstond hij hare klachten, +zijn voorpooten op haar schoot legde en zijn kop tot haar aangezicht +ophief, om haar te streelen. + +"En toch is hij nog geen drie jaar dood, Diaan!" zeide zij, den poot +van den hond aanvattende: "de lieve _Bill_ is nog geen drie jaar +dood. Ik wil wedden," voegde zij er met nadruk bij, "dat de hond hem +nog niet vergeten heeft." + +Eenige oogenblikken zat zij in een gepeins, waar ik haar niet in +durfde storen. + +"Hij was mijn oogappel!" barstte zij uit, "mijn lieveling, mijn +uitverkorene, mijn schat!"--En toen bedaarder: "hij was een lieve +jongen; niet waar, mijnheer _Hildebrand_?" + +"Dat was hij," zeide Ik. + +"En toen hij wegging," ging de grootmoeder voort, "was het alsof +het mij werd ingefluisterd dat ik hem niet weer zou zien; en Diaan +hield hem bij zijn mantel terug. Niet waar, Diaan? _Bill_ had niet +moeten weggaan. Hij had moeten blijven, moeten oud worden in plaats +van de vrouw.--En als hij dan volstrekt had moeten sterven, dan had +ten minste zijn grootmoeder hem de oogen moeten toedrukken. Wie heeft +het nu gedaan?..." + +Wat deed het mij goed aan het hart, haar te kunnen zeggen, dat ik +het zelf was geweest! + +"Inderdaad?" vroeg zij met een zachten lach. "Ik benijd u." En zij +zag mij aan met een langen en strakken blik. + +"Dezen zakdoek," ging zij na eenige oogenblikken zwijgens voort, +op den foulard wijzende, dien zij om den hals droeg, "liet hij bij +het afscheid liggen. Hij ging de deur uit, maar kwam nog weer terug +om hem te halen. De arme jongen had hem wel noodig, want ik kon hem +in zijn tranen wasschen. Ik wischte zijn oogen af en wilde den doek +behouden. Die doek en deze brieven zijn mijn eenige troost!" + +Zij sloeg haar Bijbel op verschillende plaatsen op, en toonde mij +de brieven, die zij van _William_ ontvangen had en in dat boek +bewaarde. Zij nam er eenen op en tuurde een poosje op het adres. + +"Hij schreef een mooie hand; deed hij niet?" zeide zij, en reikte +mij den brief toe. + +Ik las het adres. Het luidde: "Aan Mevrouw E. _Marrison_."--"E.M." +Dat waren de voorletters die op den ring gegraveerd stonden, dien +hij mij op zijn sterfbed gegeven had. E.M.! Ik had aan dien ring +een ganschen roman geknoopt; in die letters den naam van een lief, +jeugdig meisje gelezen, dat haar jong hart reeds vroeg voor _William_ +geopend had! Maar hoeveel aandoenlijker was dit pand eener eenvoudige +genegenheid tusschen grootmoeder en kleinkind! Schoon ik anders den +ring niet droeg, had ik hem toch dezer dagen aangetrokken. Ik nam +hem van mijn vinger. + +"Deze gedachtenis," zeide ik, "gaf hij mij op zijn sterfbed. Hij +beval ze mij aan als iets dat hem heel dierbaar was." + +Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst schoten +er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden. + +"Mijn eigen ring!" riep zij uit. "Ja! ik gaf hem dien voor den +neusdoek; heeft hij hem altijd gedragen?" + +"Tot weinige uren voor zijn dood!" + +"En zeide hij, dat hij hem heel dierbaar was? De lieveling! Heeft +hij zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen? En waren +zijne laatste gedachten ook bij zijn grootmoeder?--Zie je wel, +Diaan!" zeide zij tot den hond; "het is het ringetje van de vrouw, +dat de lieve _Bill_ gedragen heeft. Hij heeft ons niet vergeten, +Diaan! en wij _hem_ niet--ofschoon dan ook.... Ach mijnheer!" ging +zij voort, "mijne dochter was in 't eerst zoo hevig bedroefd; maar zij +gevoelt niet _diep_; zij was de laatste, de eenige overgeblevene, maar +niet de gevoeligste van mijn kinderen. Ook had zij zoo veel kinderen +over. Maar ik, ik had mijn hart op _William_ gezet. Hij droeg den naam +van zijn grootvader, mijn eigen braven _William_! Hij was altijd zoo +eenvoudig, zoo lief, zoo teer, zoo aanhalig voor mij. Het was een +_lieve_ jongen! Wat doen wij hier zonder hem, Diaan?" + +Weder volgde een korte pauze. + +"_Kegge_ is een goed mensch!" ging zij voort. "Hij is goed, hij is +hartelijk, hij is week. Maar hij is vol valsche schaamte; hij wil +nooit met een traan gezien worden. Hij verdrijft zijn beter gevoel +door luidruchtigheid. Toen hij _Hanna_ trouwde, was zij een speelsch +kind, die met zes jonge honden door de plantage liep. Hij heeft haar +niet ontwikkeld, niet geleid; zij ziet hem naar de oogen, zij richt +in alles zich naar hem; onder zijn invloed durft zij niet anders zijn +dan _hij_ zich voordoet. Somtijds ben ik hard tegen _Kegge_, en daarom +leef ik liever alleen. Hij verstaat mij niet. En dan! dat er nooit, +nooit een woord over den lieven _William_ gesproken wordt!--Maar _wij_ +spreken van hem, niet waar Diaan?" en zij streelde hem zachtkens +over den kop: "wij spreken van hem. Hij was zoo goed voor den hond, +en de hond had al zoo vroeg met hem gespeeld. Als ik lang naar den +hond kijk, is het als zag ik den kleinen _Bill_ nòg met hem spelen..." + +Zij nam den ring weder op. + +"Ik zal hem u weergeven, als gij weggaat," zeide zij; "maar laat mij +hem nog een paar dagen houden." + +"Houd hem uw geheele leven, mevrouw!" riep ik haar toe. "Gij hebt er +de grootste en teederder rechten op dan ik." + +En ik reikte haar de hand. + +"Mijn geheele leven!" antwoordde zij: "ik wenschte wel dat dat niet +lang ware. Ik ben niet geschikt voor dit land. Mijn vader was een +Engelschman, maar mijne moeder een Westindische van ouder tot ouder, +eene inboorlinge. De lucht is mij hier te laf, de zon te flauw. Zoo +gij wist wat het mij gekost had de West te verlaten! Maar mijn eenig +kind, en het graf van mijn kleinkind trokken mij hierheen. Ook wilde +men mij niet alleen achterlaten. Ik mocht niet blijven in het huis, +waar ik _William_ vóór mij had gezien; ik moest afscheid nemen van de +plekjes, waar ik hem had zien spelen, waar hij op zijn klein paardje +voor mijne oogen had rondgereden. Ik zou zijn graf wel eens willen +zien. Ik verlang om naast hem te slapen in den vreemden grond..." + +Diaan, die zijn kop weder weemoedig in haar schoot gelegd had, +hief dien langzaam op, en zag haar droevig aan. Er lag een vraag in +zijne oogen: + +"En wat zal er dan van Diaan worden?" + + + + +Een Concert. + +De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had) al wat in +de stad smaak had, en ik voeg er bij, lid was van het concert Melodia, +stond verrukt te worden door het spel van mejuffrouw _Henriette Kegge_, +de mooie dochter van den rijken West-Indiër, was gekomen. + +De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te +acclimateeren, en de heer _Van der Hoogen_ was er zelf heengegaan +om haar te ontvangen; ja, hij was zelfs eenigszins martelaar van +die gedienstigheid geworden, daar de kastemakersgezellen, die het +stuk hadden overgebracht, bij het strijken, een der pooten op 's +mans likdoren hadden doen neerkomen, dat hem "alleraffreust!" zeer +had gedaan. + +Papa had aan het diné zich een paar malen onderwonden op te merken +dat zijn dochter toch wel wat bleek werd, als er van het concert werd +gesproken, iets hetwelk trouwens maar zeer weinig het geval _niet_ +was; maar zij wilde 't volstrekt niet bekennen en zou er eindelijk +zelfs boos om geworden zijn. + +Na den eten begon men dadelijk toilet te maken, en tegen half zeven +kwam de schoone _Henriette_ beneden. Zij droeg een zeer lage japon +van gros-de-naples, van een zeer licht bruinachtig geel, en had een +snoer volkomen gelijke kleine paarlen door haar lokken gevlochten; +verder droeg zij geene versierselen hoegenaamd. + +Mama _Kegge_ was veel schitterender. Haar klein hoofd zwoegde onder +eene groote toque met een paradijsvogel. Een gouden halsketting, die +het dubbel kon wegen van dengenen dien zij altijd droeg en waarmede +zij, geloof ik, ook sliep, hing over hare schouders, en haar japon +was vooral niet minder dan vuurrood. + +De kleine _Hanna_ was gelukkig in 't wit, maar lag ook al aan een +gouden ketting. De beide jongens zagen er uit als gewoonlijk; maar dat +zij ieder een cylinderuurwerk op zak hadden, dat zij geen van beiden +konden opwinden, en waar slechts een van beiden zoo wat half en half +op kijken kon hoe laat het was, scheen mij toe niet overnoodzakelijk +te wezen. Trouwens, indien zij er maar gelukkig mee geweest waren, +ik had hun die uurwerken, als speelgoed, gaarne gegund. Maar zij +waren reeds volkomen blasé op het punt van dat moois. + +"Ben je er niet héél blij mee!" vroeg ik aan den oudste. + +"Wel neen we!" antwoordde de jongste. + +Mijnheer _Kegge_ wilde volstrekt met slaan van zevenen vertrekken, maar +_Henriette_ stond er op dat men niet gaan zou voor kwart óver zevenen. + +De charmante kwam nog eens aangedraafd en was charmanter dan ooit. De +mouwtjes van den bruinen rok, dien hij droeg, waren nog korter dan +van zijn groenen; de overgeslagen manchetten nog polieter en nog meer +gesteven; zijne handschoenen nog geler; zijn vest vertoonde in rood +en zwart een schitterend dessin op een reusachtige schaal; hij zette +zijn lorgnet in den hoek van het oog, om een overzicht van _Henriette_ +te nemen. + +"Om voor te knielen!" riep hij uit. "Allercharmantst! Mevrouw _Van +Kegge_, je hebt eer van je dochter!" + +En daarop huppelde hij weder heen om de familie in de zaal op te +wachten en te zorgen dat de plaatsen niet in bezit genomen werden +"want het zou criant vol zijn"! + +_Henriette_ liep heen en weer door de kamer en sprak nu en dan met +den kakatoe om hare gerustheid te toonen, welke gerustheid niettemin +eenigszins werd tegengesproken door een herhaald en ten laatste wel +wat overtollig kijken op de pendule, die eindelijk op kwartier over +zevenen stond. Het rijtuig wachtte, en wij reden ter muziekzaal. + +De charmante stond in den gang ons op te wachten en bood zijn arm aan +mevrouw _Kegge_ aan; ik volgde met _Henriette_, en het luid gezwatel +van stemmen, dat den stormwind der muziek voorafgaat, liet zich +hooren. De komst van de familie _Kegge_ maakte eenige opschudding +onder de jonge heeren, die achter in de zaal stonden en die door den +heer _Kegge_, naarmate hij hen passeerde, zeer luidkeels begroet +werden. Over 't algemeen sprak ZEd. een toon of wat te hoog en te +bar voor een publieke plaats. + +"_Van der Hoogen_! waar moeten de dames zitten? Ik hoop wat +vooraan. _Henriette_ moet zoo'n lange wandeling niet maken, als ze +spelen zal. Hier, dunkt me. Op deze drie stoelen. _Henriette_ op den +hoek; mama in 't midden; en de kleine kleuters dáár." + +Toen keek hij triomfantelijk rond om te zien welk een uitwerking +deze onafhankelijke taal op de groote hanzen en adellijke heeren, +die rondom stonden, maken zouden. + +Men zat. Een aantal lorgnetten geraakte in beweging om de mooie +juffrouw _Kegge_; een aantal hoofdjes van dames, die in een zeer druk +gesprek gewikkeld waren, draaiden zich van tijd tot tijd naar haar om, +zonder evenwel den schijn te willen hebben er werk van te maken haar +gade te slaan. Sommige keken verbaasd van de toque van mevrouw; andere +lachten in haar geborduurden zakdoek om de drukte van mijnheer; een +paar stieten elkander aan wegens de charmantheid van den charmanten. + +"Is freule _Nagel_ hier óók?" vroeg hem _Henriette_, haar donkere boa +een weinigje latende zakken. In de laatste dagen had zij veel aan de +hooggeborene gedacht. + +"Nog niet," antwoordde hij, het lorgnet uit zijn oog latende vallen +alsof het een groote traan geweest ware; "nog niet, maar zij komt +ongetwijfeld. Gisteren nog maakte ik een visite bij den baron. _Van +der Hoogen_, zei ze, ik languisseer naar morgenavond! Ei zie, daar +komt ze juist. Zij zal hier in de buurt komen; charmant! charmant!" + +De dame, die hij hierop als de freule _Constance_ uitduidde, werd +binnengeleid door een oudachtig edelman, met een bijna kaal hoofd, +maar dat aan de slapen nog versierd werd door eenige dunne spierwitte +krullen, die aan zijn kleurig gelaat een zeer belangwekkend voorkomen +bijzetten. Zij zelve was eene schoone jonge vrouw van omstreeks zes- +of zevenentwintig jaren. Nooit zag ik edeler voorkomen. Heur haar was +van een donker kastanjebruin en op de allereenvoudigste wijze gekruld +en gevlochten. Haar hoog voorhoofd ging over in een eenigszins gebogen +neus en maakte daarmee de schoonst mogelijke lijn. Groote lichtkleurige +oogen werden door lange zwarte pinkers, die er iets buitengewoon +zachts en ernstigs aan gaven, omzoomd en de zuiverheid harer donkere +wenkbrauwen was benijdenswaardig. Haar mond zou iets stroefs gehad +hebben, indien niet de vrindelijkheid van haar doordringend oog dit had +weggenomen. Zij was middelmatig groot en hield zich volkomen recht, +behalve dat zij niet den hals, maar het hoofd misschien een weinig +gebukt hield. Haar kleed was van een lichtgrijze kleur, en een kleine +mantille van zware witte zijde met zwanedonzen rand rustte met veel +kieschheid op hare lage en netgevormde schouders. Waarlijk, dit was +het gelaat, het oog, de houding, noch het gewaad van eene jonkvrouw, +die gezegd werd ziek te zijn naar de maraboes van juffrouw _Kegge_ +en te smachten naar een concertavond. + +Zij koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze +dames, en hoewel de heer _Van der Hoogen_ deze omstandigheid in 't +vooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zij hem toch min +of meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hij die ook zou hebben +willen ten toon spreiden, toen hij de freule _Van Nagel_ (en hij +moest wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van +die gemeenzaamheid waar hij zoo hoog van had opgegeven. De freule +beantwoordde zijn diepe buiging met een stijven groet, die hem op +een allerakeligsten afstand hielden, voor zoo ver ik bemerken konde, +kwam er in de weinige woorden die zij hem ten antwoord gaf, veel van +mijnheer, maar niets van _Van der Hoogen_, noch van languisseeren of +iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmante haar eerbiedelijk +op _Henriette_ opmerkzaam maakte, maar zij was te beleefd om bepaald +om te kijken, en eerst veel later, toen de heer _Van der Hoogen_ +was heengegaan om zijn viool te stemmen, want hij was werkend lid, +wendde zij haar schoon hoofd even om en wierp een blik op _Henriette_, +die mij juist influisterde dat die freule _Nagel_ zeker wel een jaar of +dertig tellen moest. De kleine _Hanna_ had ook reeds hare aanmerkingen +op de aanwezigen, en was bijzonder geestig op het punt eener bejaarde +dame, die zij vond "dat er dol uitzag; met die bayadère van gitten." + +Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna trad, +pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zij met die opkomst +eenigszins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en dilettanten +op, hetwelk gewoonlijk op een dames-concert zijne krachten samenspant +om aller harten te betooveren, plaatste zich achter de respectieve +lessenaren, en begon die vervaarlijke, snerpende, krassende kattemuziek +uit te voeren, welke aan ieder muzikaal genot noodzakelijk schijnt +vooraf te moeten gaan. Het gedruisch in de zaal hield op; ieder schikte +zich op zijn gemak. De heeren, en daaronder ik, deinsden meestal, op +een enkel jong mensch na, die zich op 't poseeren en fixeeren toelei +(daar waren onweerstaanbare oogen en alles veroverende tailles!), +naar den achtergrond der zaal terug, en alles was doodstil. Daarop +verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten stafje, en de symphonie +begon. Natuurlijk de zooveelste van _Beethoven_. + +Wel mocht _Goethe_ [17] zeggen, dat de gedaante van den muzikant +het muzikaal genot altijd verstoort, en dat ware muziek alleen voor +'t oor moest wezen; en ik deel in zijn denkbeeld dat al wat strijkt, +blaast, of zingt, ambtshalve, onzichtbaar zijn moest. Niets is zeker +leelijker dan een gansche menigte manspersonen met dassen, rokken, +en somtijds épauletten; manspersonen met zwart haar, blond haar, +grijs haar, rood haar, en in 't geheel geen haar, en met allerlei +soort van oogvertrekking en aanmonding, zich te gelijk te zien +vermoeien en afwerken achter een overeenkomstig getal houten en +koperen instrumenten, totdat ze bont en blauw in 't aangezicht worden, +alleen om een effect teweeg te brengen, zoo weinig evenredig aan, +zou mogelijk iemand zeggen, maar gewis zoo weinig gelijksoortig met +de middelen. Eene geestige vrouw zeide mij eens dat zij honger kreeg +van de lange streken van een strijkstok; maar wat krijgt men niet +van het op- en nedergezweef van een vijfentwintigtal strijkstokken +en van al de bewegingen van wangen, armen en handen, die een vol +orkest maakt? Waarlijk, er moest een scherm voor hangen. De stroom +van geluiden moest als uit eene duistere stilte tot ons komen, of wij +moesten allen geblinddoekt toeluisteren. Maar wat werd er dan van de +toilettes en van onze mooie oogen? + +Ondertusschen zou ik _Goethe_ tegen moeten spreken, indien hij +beweerde dat de zin des gezichts volstrekt niets met de muziek te +maken heeft; want ik moet mijnen lezeren de gewichtige bekentenis +doen dat ik de muziek, in het afgetrokkene, waarlijk _zie_; en ik +twijfel niet of zijzelve zullen met eenige opmerkzaamheid op hunne +gewaarwordingen en inspanning van ziel hetzelfde ontdekken. Er zijn +tonen en samenkoppelingen van tonen, die zich aan mijn oog voordoen +als spattende vonken, dikke en dunne strepen, kromme spelden, slangen +en kurketrekkers; als bliksemschichten, liefdestrikken, krakelingen, +varkensstaarten, waterstralen en ziegezagen, en ik zie de mogelijkheid +om een geheel muziekstuk, voor mijn gevoel bevredigend, in figuren op +te schrijven. Die dit niet begrijpt, verzoek ik te beseffen dat hij +in eene eeuw leeft waarin hij al zulke dingen behoort te begrijpen; +en indien hij kerkhistorie heeft gestudeerd, gedenke hij aan de +Hesuchasten, die zoo lang op hun maag staarden, tot zij haar van een +geheimzinnig licht omschenen zagen. + +Drie der gewone onderdeelen van de symphonie waren afgespeeld, toen ik +mij zachtkens op den schouder voelde tikken. Ik zag om en bemerkte +den arm en het gelaat van den goeden koekebakker, die van zijn +introductiekaartje gebruik had gemaakt, maar te verstandig was bij +deze gelegenheid zijn neefschap te laten gelden, en dus geen notitie +van de familie nam. Rijke familiën met arme bloedverwanten! och of +alle neven zoo bescheiden waren! Maar de meesten gillen, hun neefschap +luidkeels uit, en laten zich door niets afkoopen. + +"Moet nu nicht _Kegge_ er niet aan?" fluisterde hij mij met een +vergenoegd gezicht in 't oor. + +"Wel neen!" antwoordde ik, "nog in lang niet." + +"Ik verzeker u van wel!" hernam hij: "of dat rooie papiertje moet +jokken. Kijk, ze staat de vierde, en we hebben al drie stukken gehad." + +De goede _De Groot_ had een der onderdeelen van de symphonie voor +een obligaat op den hoorn genomen. + +Ik onderrichtte hem omtrent die dwaling, en hij betuigde dan ook al +gedacht te hebben: "Wat merk ik dien hoorn weinig!" + +De man met den hoorn verscheen op zijn beurt, geheel in 't zwart en +met lange haarlokken, blinkende van pommade. Hij maakte een stroeve +buiging en zette een gezicht als of hij ons allen verachtte. Dit stond +hem evenwel leelijk, want hij verdiende dien avond een goede handvol +geld, en schoon ik weet dat de kunst onbetaalbaar is, zoo ben ik toch +van oordeel dat men voor geld en een goede ontvangst ten minste een +beleefd gezicht zou kunnen overhebben. Nu staken de kenners het hoofd +op, en legden de hand aan de oorschelp, en riepen Ssss... Sst, als de +jonge dames fluisterden, die daarop haar zakdoek aan den mond brachten, +waarop de oude dames boos omkeken. Vooral de heer _Kegge_ was in dit +Sst-roepen zeer overvloedig en men kon het op zijn aangezicht lezen +dat hij zich in dezen volmaakt onafhankelijk gevoelde, ook van alle +mogelijke "groote hanzinnen en adellijke dames." + +De hoornist blies zijn wangen op, zijn oogen uit, en zijn hoorn vol, +tot algemeene verrukking der aanwezigen die van een hoorn hielden, +ofschoon er verscheidene waren die met een wijs en veelbeduidend +aangezicht beweerden dat het _Potdevin_ niet was, eene blijkbaarheid +die ook door het programma voldingend werd uitgewezen. Het schoonste +van 's mans spel scheen daarin te bestaan, dat het geluid van zijn +hoorn op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit andere instrumenten +komen. Nu eens knorde hij als een jichtige fagot, dan weder had hij +al het rochelende van een vetten waldhoren, dan weder het door den +neus pratende van een intriganten hautbois, of het uitgelatene van +een opgewonden trompet, ja zelfs nu en dan iets van het gillende +eener hysterische dwarsfluit; zelden maar geleek hij op hetgeen +hij waarlijk was, een klephoorn; en eenmaal was het geluid zoo +zacht en zoo verfijnd, dat ik, zoo ik niet de rijkgeringde vingers +van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk zoo gezworen hebben, +dat er niets gebeurde. In zoo verre was het maar weer goed, dat de +muzikant zichtbaar was. Ik vermaakte mij gedurende het spel machtig +met het gadeslaan van een dik heer achter op het orkest, die den +duizendkunstenaar had geëngageerd en allerliefste knipoogjes aan alle +de leden rondzond, die tegelijkertijd moesten beduiden hoe heerlijk +hij het vond, en vragen of zij het ook niet heerlijk vonden; en van +een lang jong mensch dicht bij mij, met zwarte haren en bleeke wangen, +die zijne oogen aandachtig toedeed onder het spel en de maat met zijn +teenen sloeg, en dan weer een "hoe-is-het-mogelijk!"-gezicht zette en +een schrikkelijken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar +hij dien duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar +biljartte, en hoe 'n aangenaam mensch en van welk een goede familie +die duizendkunstenaar was, en hoe die duizendkunstenaar enkel speelde +omdat hij 't niet laten kon, en welk een duizendwondertje van een mooi +snuifdoosje die duizendkunstenaar van een prinses had gekregen, en hoe +hij zelf in eigen persoon op de repetitie van dien duizendkunstenaar +geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem verhaald had, dat die +eigen hoorn, daar hij op speelde, hem duizend gulden had gekost. + +Nu had er een machtige beweging op het orkest plaats. Ik weet niet +hoeveel lessenaars werden achteruitgeschoven. De kastelein van de +concertzaal bracht met een gewichtig gelaat twee waskaarsen op de +piano, en de heer _Van der Hoogen_ maakte haar open, plaatste de +muziek er op, en schoof de tabouret er onder van daan. Al de heeren +verlieten het orkest--uitgenomen de contrabassist, een oud man, die +zijn bril op zijn voorhoofd schoof, en de paukenslager, die zijn handen +in de zij plaatste--en kwamen achter ons in de zaal dringen. Daarop +daalde de heer _Van der Hoogen_ af, om door _Henriette_ af te halen +voorloopig aan zijne bestemming te voldoen. Zij zag zeer bleek, en +ik verdacht haar van aan het obligaat op den hoorn juist niet veel +gehad te hebben. De heer _Van der Hoogen_ nam haar bij den pink en +leidde haar op. Zij maakte een compliment, zeer gracieus voor een +liefhebster, zonder evenwel tot het diepe nijgen en het verleidelijk +gezicht van een tooneelspeelster te komen, en nam daarop, onder +een luid handgeklap en onstuimig voorwaarts dringen van de heeren, +plaats aan het instrument; trok hare handschoenen uit, en de lieve +handen zweefden over de toetsen. + +De eerste maten hadden den indruk van de onrustige beweging van haar +pols, maar langzamerhand herstelde zij zich; haar natuurlijke kleur +kwam weder, en zij speelde alsof zij thuis was, met de haar eigene +verwonderlijke vlugheid. + +"Inderdaad, het was wonderlijk dat menschevingers dat doen +konden!" fluisterde _De Groot_ mij in, nadat hij een weinigje van den +schrik bekomen was, die het optreden van _Henriette_ den goeden man +gekost had. "'t Is alsof zij aan draadjes zitten. Alles leeft wat er +aan is. Kijk hier, ze gooit haar armen over mekaar, of 't zoo niets +was. En ze slaat er goed op, ook!--Dat's verraderlijk," zeide hij, +als zij, na lang met beide handen in de lage tonen te hebben gewerkt, +zonder om te zien, plotseling de toetsen van den hoogsten octaaf een +fikschen tik gaf. "Drommels nou! dat gaat per post; 't is als of je +een goot hoort loopen." + +De heer _Van der Hoogen_ stond, met een hoek van ten hoogsten honderd +en dertig graden, naar de piano gebogen en maakte zich verdienstelijk +met het omslaan der bladen; maar toen hij aan de laatste bladzijde was, +nam hij voor goed eene hartvervoerende houding aan, met de eene hand +op de piano leunende en de andere in de zijde zettende, terwijl hij +zijne leelijke oogen verlokkend door de zaal liet weiden, of ze ook +nog in 't voorbijgaan een hart of tien veroveren mochten! + +Het stuk was uit. _Henriette_ stond op, en dankte met een stuursch +gezicht voor het daverend handgeklap. De charmante bracht haar weer +tot hare plaats en deelde in haar triomf. De oude _Kegge_ had tranen in +de oogen, en de charmante drukte hem de hand. "Het was onbegrijpelijk +charmant geweest!" _Henriette_ liet zich door mevrouw _Kegge_ de boa +weder om den hals werpen, en speelde met het einde daarvan; daarop +begon zij een gesprek met de kleine _Hanna_, zoodat de geheele wereld +verbaasd stond over eene jonge dame, "die zoo voortreffelijk speelde, +en zoo lief was met haar zusje". + +De drukke finale der symphonie, waarin machtig veel gepaukt en machtig +veel gebazuind werd, besloot de eerste afdeeling van het zooveelste +damesconcert van het gezelschap Melodia, en de pauze begon. + +Dat is niet het minst belangrijk gedeelte van een concert, als het +dissoneerend vocaal het harmonisch instrumentaal voor een half uur +afwisselt. De dames hebben dan ook altijd liever een nommer minder op +het programma dan een _korte_ pauze, en zulks is niet te verwonderen, +wanneer men bedenkt hoe veel praatziekte, hoe veel verliefdheden, hoe +veel kunstgedienstigheid, hoe veel eerzucht, praalzucht en behaagzucht +hier bijeenzijn. + +Indien men eene wage had, op welker eene schaal men alle deze +vergaderde ziekten en zuchten kon stapelen, en men lei daartegenover +op de andere het muzikaal gevoel--ja, leg er het muzikaal gehoor maar +bij!--deze laatste zou ongetwijfeld omhoog gaan. + +En gewichtig voorzeker was dat oogenblik, waarop deze koopbeurs van +beleefdheden en praatjes aanging en het hoffelijk gedrang begon; als +de blonde en bruine hoofden, de veders en de bloemen zich ophieven, +de sterren op de voorhoofden haren loop begonnen; en de eerst zoo +regelmatige rijen van schoonen en moeders van schoonen, van "matribus +pulcris filiae pulcriores" en omgekeerd, zich tot bevallige groepen +schikten, waaruit vonkelende oogen straalden en vroolijke lachjes +opgingen; als de dwarling van jonge heeren een aanvang nam, waarvan +ieder zijn prima donna, zijne reine du bal zocht, de een met een +glimlach, de ander met een sentimenteel gezicht, de derde met een +kloppend hart, en de vierde met een opgestreken kuif; waarvan de een +boos, de ander onnoozel en de derde kippig keek uit verlegenheid; +waarvan de een, om te beginnen, zijn netten spreidde over al wat +mooi was, en de ander in het wilde scheen rond te fladderen, maar om +toch wat meer eklektisch te werk te gaan; terwijl de toovermacht van +dezen moest berusten in een nauw vest, en gene een philtrum meende te +bezitten in de gedaante van pommade à l'oeillet; daar de talisman van +een derde in zijne handschoenen berustte; terwijl een enkele begreep, +dat hij het meest zoude interesseeren door met een knorrig gezicht en +een medelijdenden glimlach op al het gedraai en geworm neder te zien. + +Ik deed mijn best om _Henriette_ te genaken, die in een kring van +heeren stond, welke zij ten deele kende, ten deele nimmer geluid had +hooren geven, maar die allen van deze gelegenheid gebruik maakten +om haar iets aangenaams te zeggen. Iedereen was even verrukt, +en de charmante week niet van hare zijde. Ik maakte haar mede mijn +compliment, en liet mij daarop van hoeken tot kanten dringen, waarbij +ik het voordeel had veel te zien en te hooren, dat mij voor dien +avond belangrijk voorkwam. + +"Ze zullen die juffrouw _Kegge_, hiet ze zoo niet? het hoofd wel op +hol maken!" merkte een mevrouw van een zekeren leeftijd, met eene +zwarte gazen toque, aan. "'t Is niet goed voor zoo'n jong ding." + +En zij sloot haren mond zoo dicht, zoo dicht, alsof zij er van afzag +den geheelen verderen avond iets meer in het midden te brengen. + +"O, ik vind dat ze er allerinteressantst uit kan zien," sprak een +jonge dame, in antwoord op het zeggen van een heer van middelbare +jaren, dat juffrouw _Kegge_ heel mooi was; "maar van avond, dunkt mij, +heeft zij haar beau jour niet." + +"Kent u die familie _Kegge_?" vroeg een andere aan een jongen heer, +en zij legde duizend pond nadruk op den naam. + +"Vraag excuus!" was het antwoord, "ik weet niet anders dan dat +de menschen rijk zijn.... Maar," ging hij zachter voort, "ze zijn +volstrekt niets. Haar grootvader was hier ter stede een kruidenier +of zoo wat, en haar vader...., die heeft fortuin gemaakt in de West." + +"Ik vind ook wèl, dat men haar _dat_ aan kan zien," sprak een derde, +die dit gesprek had gehoord, schoon zij er met den rug naar toe had +gestaan, zelve een gelaat vertoonende, dat alles behalve ongemeen was. + +"Ik hou niet van dat soort van oogen," hoorde ik aan eenen anderen +kant, uit de mond van een jong meisje van dertig, die zeer flets uit +haar eigene keek. + +De freule _Van Nagel_ scheen zeer tevreden over het spel, maar liet +zich over de speelster volstrekt niet uit. + +Ik bewonderde onder de menigte van schoone vrouwen van middelbaren +leeftijd eene die, met een allerbevalligst voorkomen en zeer innemende +manieren, het voorwerp der algemeene belangstelling scheen te zijn. Al +de heeren kwamen voor haar buigen, en al hunne vrouwen lieten zich, +de eene voor, de andere na, bij haar brengen. De jonge dames deden hun +best om haar te naderen, of wenkten haar met het daarbij behoorend +lachend gezicht toe, dat het onmogelijk was. Zij gaf een soort van +pleeggehoor. Meermalen poogde zij te gaan zitten, maar juist op het +oogenblik dat zij er toe besloot, verscheen er weder altijd iemand +om haar zijne beleefdheid te bewijzen; en ik bewonderde in stilte de +goede gratie, waarmede zij zich terstond weder tot den nieuwaangekomene +wendde en de onbeduidende gezegden, die vrij wel met de door al zijne +voorgangers gehoudene gesprekken overeenkwamen, met verschen moed +beantwoordde. Hare dochter, een meisje dat nog geen zestien jaren +mocht hebben bereikt, was aan hare zijde, en scheen deze minzame +bevalligheid reeds in hare mate te hebben overgenomen. Wat beider +beleefdheid het aangenaamst maakte, was het eenvoudige en ongedwongene, +het volkomen vrindelijke en opgewekte, dat haar eigen was en niet +anders voortkomen kon dan uit eene lieve harmonische stemming des +gemoeds en eene heldere tevredenheid des harten. Voor mij was het +een waar genoegen haar gade te slaan, en ik kon niet nalaten met +minachting te denken aan de valsche redeneering van een aantal zich +noemende menschenkenners, die hoffelijkheid altijd voor willen doen +komen als laagheid, en welwillendheid als huichelarij. Waarlijk, die +echte humaniteit, die goede toon, die beleefde innemendheid, welke de +blijken dragen van in overeenstemming te zijn met den geheelen persoon, +die ze aan den dag legt, is te gelijk eene gave en eene verdienste, +en ik wenschte wel, dat men algemeen gevoelde, hoe men de wetten +der welwillendheid met de wetten der fijnste zedelijkheid en het +meest kiesche gevoel in verband kan brengen. Al het misbruik, dat +van haar gemaakt is door intriganten en hypocrieten, neemt niet weg, +dat zij een der schoonste sieraden van het menschdom is, en een der +verhevenste onderscheidingen boven het dierengeslacht doet uitkomen. + +Ik vernam later dat deze bevallige vrouw eene dame was, wier huis +bekend stond voor eene plaats, waar men zich nimmer verveelde, die +niet slechts veel menschen zag, maar haar gezelschap altijd geheel +bezielde en doordrong van de liefelijkheid haar aangeboren. + +Den stroom volgende, werd ik nog voorbij vele paartjes gesleept, +die werk van elkander maakten; ook langs schuchtere jongelingen, +die zich verstoutten hun geheel onbekende dames noodelooze diensten +te bewijzen, als daar zijn: boa's op te rapen, die nog niet gevallen +waren, en sjaals over haar stoel te hangen, die ze nog niet noodig +hadden; alsmede langs vele ophoopingen van jonge meisjes, die iedereen +uitlachten. Hier en daar zat of stond eene oude dame stokstijf voor +haar stoel, te midden van een jong geslachte, "inmobilis in mobili"; +en herinnerde zich de dagen, dat ook zij mobieler was, of verbeeldde +zich dat zij ook nu nog mobieler zijn konde, indien zij maar wilde; +of verheugde zich, dat nu haar kinderen waren zoo als zij geweest was; +of verklaarde dat de pauze nu eenmaal lang genoeg geduurd had. + +Zoo kwam ik tot aan de deur, en nu bezocht ik ook de koffiekamer. Hier +waren de standen meer dooreengemengd, en vooral onder de werkende leden +vond men van alles. De muziek, het ijsvermaak, en het tabakrooken +nemen allen aanzien des persoons weg. Hier werd hevig gerookt door +allerlei soort van rookers. Er waren er die pijpen, er waren er die +sigaren, er waren er die baai rookten; sommigen hadden al lang naar +hun rooktoestel gesmacht, andere deden het alleen, omdat de rook der +overige hun dan minder hinderde. Er waren er die het niet laten konden, +en er waren er die het doen en laten konden allebei, en het daarom +zoo veel mogelijk deden; verslaafden, en vrijwillige dienstknechten; +en de kleine _Keggetjes_ drongen door de menigte heen, en hadden +waarlijk ook ieder een sigaartje in den mond, ter zake waarvan hun +vader lachte dat hij schaterde. + +"Die juffrouw _Kegge_ speelt admirabel, niet waar?" zei een beschaafd +heer, zijn viool weer uit de vioolkas nemende, om zich voor de tweede +afdeeling gereed te maken, en omziende naar een groot liefhebber, +een dik persoon, met een lomp uiterlijk, dien ik in 't orkest met +een waldhoren gezien had. + +"Ze speelt verdraaid vlug!" antwoordde die van den waldhoren. + +"Veel smaak, veel smaak!" riep een wijs burgerheer, die een dwarsfluit +blies. + +"Smaak?" riep een klein heertje, dat zich juist aan een heet glas punch +brandde, met een pieperig stemmetje, "smaak? geen zier smaak! al den +duivel vlugheid, kunstjes, _brille_." + +"Een mooie piano, niet waar?" hoorde ik in een anderen hoek, uit den +mond van een werkend lid. + +"Ja, en een weergasche mooie meid ook," antwoordde een honorair lid. + +"Foei, oude snoeper, waar kijk je na?" zei de eerste spreker. + +Zoo gaat het, wanneer gij op concerten speelt. Waarom laat gij het +niet liever? + + + +De tweede afdeeling bood niets bijzonder opmerkenswaardigs aan. Een +welgemaakt officier der zware ruiterij trad in burgerkleeding met +een wit vest op en zong een paar coquette romances, die beurtelings +zeer laag en zeer hoog liepen en met een afwisselend kwaadaardig +en snoeperig lachend gezicht gezongen werden, maar waarvan de toon +en de inhoud zoomin overeenkwamen met zijn zware knevels als met +de op-en-neder-gesten, die hij met het tusschen zijn beide handen +uitgespannen blad papiers maakte. Voorts hadden wij nog een obligaat +op de violoncel van een Duitscher met een plat hoofd en een gouden +bril; en het concert eindigde, zooals een deugdzaam concert behoort +te eindigen, met eene ouverture. + +De zaaldeur werd opengezet, en de geparfumeerde dampkring door +een gevoeligen tocht gezuiverd. De boa's en pelerines werden +opgehaald. De cephaliden werden om die kopjes, die er lief mee +uitzagen, vastgestrikt, of anders in de hand gereed gehouden, en de +jonge heeren, die het er op gezet hadden de eene of andere schoone +naar het rijtuig te geleiden met het stellige voornemen om dien +nacht van dat geluk te droomen, zochten zich van stonden aan van +een gunstig standpunt te verzekeren. De heeren, die vrouwen hadden, +waren boos dat hunne rijtuigen zoo laat kwamen, en de heeren, die +paarden hadden, maakten zich ongerust dat het hunne misschien lang +zou moeten wachten; den jongen meisjes speet het, dat het hare zoo +vroeg kwam; en enkele opgewonden jonge heeren spraken er van, dat +het aardig zou wezen de concertzaal in een balzaal te veranderen, +en hingen eene verleidelijke schilderij van deze gelukzaligheid op. + +_Van der Hoogen_ was weder in ons midden en stond zoo dicht mogelijk +tegen den linkerarm van _Henriette_ aangedrongen. Zij was allerliefst +jegens hem, en schertste en lachte; maar toen de knecht met groot +misbaar "de koets van mijnheer _Kegge_!" aankondigde, draaide zij zich +eensklaps om en greep in een aanval van behaagzieke speelschheid mijn +arm. Van dien oogenblik aan haatte mij de charmante. Zegevierend zag +_Henriette_ om. Mijnheer _Kegge_, die haast maakte, volgde met mevrouw; +_Van der Hoogen_ moest zich dus met de kleine _Hanna_ behelpen, naar +welke hij zich heelemaal scheef moest overbuigen, tot groot genoegen +van de dubbele rij van heeren en dames, tusschen welke wij bij het +verlaten der zaal doortogen. Een charmante spitsroede. + +Wij kwamen thuis. Er werd een buitengewoon souper aangericht. Tegen het +dessert dook de heer _Kegge_ zelf in zijn wijnkelder en bracht zulk +een menigte van allerlei merken boven, dat het hart mij van angst +in de keel begon te kloppen. De charmante, die van de partij was, +stelde een toost op de schoone pianiste in, en las daarbij een fransch +extemporeetje van zijn eigen maaksel voor, waarin hij op eene charmante +wijze over alle regelen der taal had gezegevierd. Hoofdzakelijk zeide +hij, dat _Henriette_ een mooi meisje met bruine oogen, een engel, +en eene godin der muziek was, en daarbij kwamen eenige opmerkingen +omtrent uitgetrokken harten en op tonen drijvende zielen. Wij waren +allen geheel bewondering, en mevrouw _Kegge_ niet het minst, hetgeen +ongetwijfeld veel voor de zaakrijkheid van het gedicht pleitte, +daar HEd. van de zes woorden er maar drie verstaan had. Mijnheer +_Kegge_ dronk den dichter, en de dichter dronk den heer _Kegge_; +en de heer _Kegge_ liet de kurken van champagneflesschen tegen den +zolder springen; en de heer _Van der Hoogen_ sloeg met de platte +hand op champagneglazen dat de wijn op nieuw begon te schuimen; +en dit alles was ter eere van juffrouw _Henriette Kegge_. + + + + +Ochtendbezoek en Avondwandeling. + +Des anderen daags vóór den middag werd de goede _De Groot_ aangediend +en trad de kamer binnen verzelschapt van zijn lieve dochter, die een +groote gunstelinge van den heer _Kegge_ was en in zijn huishouden +goede diensten bewees. Dien middag zou zij met ons dineeren, en haar +vader bracht haar zelf, omdat hij meteen zijne dankbaarheid wilde +komen betuigen voor het introductiekaartje. Hij sprak met de grootste +opgewondenheid over den avond van gisteren. + +"Nooit in zijn leven had hij zoo iets moois gezien of gehoord. Dat +was een rijkdom! Dat waren stukken muziek! Hij wist niet hoe het +mogelijk was, dat een mensch zoo vlug op 't klavier wezen kon als +nicht _Henriette_; en toen hij haar zoo had zien zitten, misschien +was het zonde geweest, maar hij had gedacht, dat zij zoo mooi was +als een engel uit den hemel." + +_Henriette_ glimlachte en vergat, om het streelende der vergelijking, +dat zij die voor ditmaal uit den mond vernam van een koekebakker. Zij +begon daarop zeer vriendelijk naar juffrouw _De Groot_ te vragen en +haar spijt te betuigen dat zij niet op de verguldpartij had kunnen +komen; zij zou juffrouw _De Groot_ nog eens in persoon haar excuses +komen maken. + +"Neen maar, juffrouw... ik wil zeggen, nicht _Henriette_!" zei de +goede man, "dat behoeft in't geheel niet. Uw bezoek zal haar welkom +zijn, maar excuses! och, dat behoeft niet; dat weet neef _Kegge_ +wel. Mijn vrouw heeft het ook volstrekt niet kwalijk genomen; dat +moet u toch vooral niet denken!" + +"Nu, neef _De Groot_"... zei _Henriette_ vriendelijk... en wie weet hoe +lief zij zou geweest zijn? maar het woord bestierf haar op de lippen, +want de charmante trad binnen en maakte wat ik zijn "compliments de +coutume" noemde. + +"Wel, juffrouw _Henriette_! Is de nachtrust goed geweest, na de +fatigue van gisteren? Ik heb geen oog toe kunnen doen; ik was nog zoo +geënthusiasmeerd van de muziek. Het was een charmante avond; de geheele +wereld had zich dan ook perfect geamuseerd. De stad is van u vervuld!" + +"Vleier!" zei _Henriette_, "maar ik weet," liet zij er op goedigen +toon op volgen, "ik weet dat gij het goed meent." + +En zij reikte hem de hand. + +Hij nam die met vervoering aan en trok haar naar de vensterbank. + +"Wie is die man?" vroeg hij, den goeden _De Groot_ van het hoofd tot +de voeten opnemende. + +"De vader van _Saartje_," antwoordde _Henriette_ bedeesd. + +"o Ho!" zei de heer _Van der Hoogen_, die dat ook zeer wel wist hem +den rug toedraaiende. En zijn lorgnet in het oog klevende bezag hij +den ruiker bloemen, die in een sierlijke porseleinen vaas op een +guéridon voor het raam stond. + +"Wat een mooi bouquet, zoo laat in 't jaar!" merkte hij aan. + +"Papa is zoo lief geweest het mij mee te brengen. Het heeft zijn +beste dagen al gehad." + +"Reiken de stelen allemaal wel goed aan 't water?" vroeg de charmante. + +Hij stak, om zich daarvan te overtuigen, zijn hand diep in den ruiker, +en toen hij die weder terugtrok, was het als of er iets violetkleurigs +in achterbleef, dat naar de punten van een klein biljet zweemde. + +De heer _Kegge_ was ondertusschen druk bezig met neef _De Groot_, +die echter niet op zijn gemak was, aangezien Azor en Mimi het hem +verbazend lastig maakten; en hoewel mevrouw _Kegge_ hem gedurig +verzekerde dat het de liefste diertjes van de wereld waren, die nooit +iemand leed deden, bevielen hem de steeds luider uitvallen en het +gestadig pronken met hunne witte tanden zeer weinig. Zijn bezoek was +slechts kort; hij groette mijnheer en mevrouw _Kegge_ allerhartelijkst, +"juffrouw, ik wil zeggen nicht _Henriette_" zeer eerbiedig, en maakte +ook een buiging Voor _Van der Hoogen_, die hem met een hooghartig +"goeden dag" betaalde. + +_Van der Hoogen_ ging daarop mijnheer en mevrouw _Kegge_ bezighouden, +en _Henriette_ trad op den bloemruiker toe, haalde er het biljet uit +en borg het in haar ceinture, evenwel zoo handig niet of ik bemerkte +het volkomen; zij vermoedde dit, en kreeg een kleur. De kaketoe werd +daarop haar toeverlaat. Zij hield hem een stukje beschuit voor. + +"Wat zegt Coco dan tegen de vrouw?" + +"Pas op, pas op!" riep de kaketoe, die blijkbaar in de war was. _Van +der Hoogen_ vertrok spoedig daarop, en de dag had vooreerst weinig +merkwaardigs meer. Grootmama liet naar Saartje vragen; zij bleef een +uurtje boven, en kwam daarna met roode oogen beneden. + +"Gij hebt de lieve oude vrouw wat gelukkig gemaakt!" fluisterde zij +mij in. + +Ik had gelegenheid in den loop van den namiddag de lieve blonde +eens zoo goed als alleen te spreken, en spoedig maakte ik daarvan +gebruik om het gesprek op haar vriendin _Noiret_ te brengen. + +Zij verhaalde mij van _Suzettes_ onvergelijkelijke gehechtheid aan +haar moeder, van hare voorbeeldelooze werkzaamheid, waardoor zij +zooveel mogelijk in de behoeften van deze voorzag, van haar eigen +schamel kamertje, en van alles wat haar om den wil harer moeder zoo +zeer bekommerde. Ook deelde zij mij mede, dat er een knappe jongen +in de stad was, een schrijver op een der stadsbureaux, die een dollen +zin in _Suzette_ had, en dat zij geloofde, dat hij _Suzette_ ook niet +ten eenenmale onverschillig liet; maar dat zij het voor zichzelve +niet wilde bekennen, omdat zij meende dat de inwilliging van een +dergelijk gevoel eene misdaad was tegen hare moeder; dat zij daarom +dien jongeling altijd op een afstand hield en hem soms wel wat erg +behandeld had, wat zeker tegen haar eigen hart was; en dat zij zich +dat dezer dagen bijzonder verweet, nu zij vernomen had, dat hij, +er aan wanhopende ooit hare genegenheid te zullen verwerven en toch +ook vooreerst geen mogelijkheid ziende om haar een onafhankelijk +bestaan te verzekeren, het plan had opgevat om zijn geluk in de West +te gaan beproeven. + +"O, dat maakt haar tegenwoordig zoo ongelukkig," voegde _Saartje_ +er bij, met een traan in de mooie oogen, "en dan verwijt zij zich +weer dat hare gedachten een oogenblik aan iemand anders behooren dan +aan hare moeder." + + + +_Henriette_ was dien geheelen dag bijzonder aangenaam en lieftallig +jegens mij; zij had allerlei zoete oplettendheden aan tafel, prees +mij verscheidene malen in het aangezicht, en gaf mij zelfs bij het +doorbladeren van hare teekenportefeuille, uit een open reden, een +allerliefste teekening op rijstpapier ten geschenke. + + + +In het schemeruur bracht ik _Saartje_ thuis; en het lustte mij, +daarna een kleine stadswandeling te maken, in dat bij uitstek drukke +uur, waarin de werklieden en schoolkinderen naar huis gaan en de +dienstmaagden hare boodschappen beginnen, hare minnaren toevallig +tegenkomen, of elkander gewichtige mededeelingen doen omtrent de +verschillende karakters van haar heer, haar mevrouw, den oudsten +jongeheer, en de oudste juffrouw, bij welke gelegenheid de heer +er altijd beter afkomt dan de mevrouw, en de mevrouw beter dan de +oudste juffrouw, terwijl de jongeheer een van tweeën, òf een "akelig +stuursch minsch", òf "een heertje" is. Ik heb dit uit mijn vroege jeugd +overgehouden, dat ik gaarne de lichten in de winkels zie opsteken, +en ook ditmaal stond ik nu eens stil bij een in het donker vooral +zoo plechtig smidsvuur, waaruit de gloeiende bouten schitterend +te voorschijn kwamen, om onder de slagen van den voorhamer eene +horizontale fontein van vuur uit te spreiden, waarbij het zwarte +gelaat van den smid fantastisch verlicht werd; dan weder boeide +mij het wreedaardig schouwspel eener slachterij, waar de knechts, +in hunne bloederige wollen kousen tot over de knieën reikende en met +een ouden hoed over hunne blauwe slaapmutsen, zichzelven bijlichtten +met een brandend smeerkaarsjen op gemelden hoed vastgekleefd, dat een +tooverachtig licht in de opengehouwen koebeesten wierp, wier inwendige +belangen zij verzorgden. De straatlantaarns waren nog niet opgestoken +en zouden eerst twee uren later aanlichten, omdat het onmogelijk is +dat een vreemdeling op een stikdonkere gracht in het water loopt, +als het nog niet langer dan anderhalf uur stikdonker geweest is. + +Het gebeurde dat ik, op zulk een donkere gracht, voortschrijdende +zonder precies te weten waar ik mij bevond, op eenigen afstand +twee personen ontwaarde, waarvan de een evenveel neiging toonde +om den anderen te ontloopen, als de andere gezind scheen de eerste +terug te houden. Naderbij komende zag ik dat gemelde personen tot +verschillende kunnen behoorden, en daarop hoorde ik eene zachte +vrouwestem, maar schor van zenuwachtigheid, duidelijk zeggen: "laat +me los, mijnheer! of ik schreeuw". + +Het leek mij toe, dat de mijnheer, tot wien deze bedreiging gericht +was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand van +schreeuwen was. Althans hij liet de persoon die gesproken had +oogenblikkelijk los en verdween in een zijstraat. Ik had de stem +herkend. + +"Zijt gij het juffrouw _Noiret_? "Wie durft u aanraken? Laat ik u +thuis brengen," sprak ik haar toe. + +Het arme meisje kon niet antwoorden; zij beefde van het hoofd tot de +voeten, en ik had moeite haar op de been te houden. + +"Het is verschrikkelijk," snikte zij: "o indien gij zoo goed wilt +wezen; het is ijselijk...." + +Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar den kleinen +koomenijswinkel, waar zij haar kamertje had. In het voorhuis zonk zij +op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe nering kon +geen licht overschieten. De vrouw uit den koomenijswinkel kwam naar +voren loopen, met een baklamp in de hand. + +"Och lieve help! wat scheelt de juffrouw? wat ziet ze bleek. Is de +juffrouw verschoten? Ga gauw in 't kantoortje, juffrouw! Ik ga de +kaars opsteken." + +Zij ging heen om den blaker van juffrouw _Noiret_ te halen, en ik +bracht die in een klein, van 't voorhuis afgeschoten kamertje dat +zij mij als 't kantoortje had aangewezen en dat dien naam met recht +verdiende, daar er niets te vinden was dan eene kleine hangoortafel, +vier matten tabouretten, en een leelijk gezicht in een lijstjen aan +den wand, voorstellende den held _Van Speyk_! + +"Maar me lieve gunst, wat scheelt er dan toch an!" riep de +koomenijsvrouw uit, toen zij den blaker van _Suzette_ aangestoken en +haar eigen lamp, daar er geen twee lichten noodig waren, onmiddellijk +daarop uitgeblazen had. + +Ik liet haar een glas water halen. _Suzette_ dronk er een teugje +van, en het glas klapperde tusschen hare tanden. Nog kon zij niet +spreken. Het klamme zweet stond haar op het aangezicht. + +"Maar me lieve gunst," begon de bezorgde, maar nog meer nieuwsgierige, +hospita alweer, "dat's nou toch wel een raar geval. De juffrouw het +'et disperaat op 'er zenuwgestel. Wil ik naar de apteek loopen en +een rooie schrikpoeier halen?" + +"De juffrouw is aangerand," zei ik, "er loopt kwaad volk. Ik was er +bijtijds bij; men wilde haar afzetten." + +"Angerand!" riep de hospita uit; "ofzetten! Ja, 't is een ijselijkheid +dat er geen werk is. En mijn _Kobus_ is ook nog bij de weg, die kennen +ze dan ook nog wel anranden en ofzetten, ofschoon ie juist niet meer +bij'em het dan zen zuiver orlozie, en _daar_ is een stevige kopere +kast om; da's één geluk. Ja, ik heb al lang gedocht dat het niet +pruisisch was hier in de stad. Der is _nog_ reis een winter geweest +dat 'et zoo erg was. Et was in de tijd dat ik op alle dag liep van +me derde. Maar toen braken ze in bij de lui en kwammen voor de lui +der bed staan, met een armpie van een ongeboren kind. Daar zel meheer +wel van gehoord hebben. En dan stakken ze zoo'n armpie in brand, en +ze draaiden 't driemaal over de lui der hoofd om, en dan zeien ze, +ja wat zeien ze ook? dan zeien ze: _die waakt, die waakt, die slaapt, +die slaapt!_ en in die omstandigheid, wil ik maar zeggen, daar je +dan in verkeerde, daar _bleef_ je ook in. Anranden! 't is wat moois +in een kristenland! Gelukkig nog, juffrouw, dat ze je die japon niet +of-hebben angerand; dat zou een leelijkerd wezen!" + +En zij nam _Suzette_ een toegespeld pak af, dat deze nog altijd +stijf onder den arm hield, en lei het voorzichtig op een der matten +tabouretten. + +"Breng het boven, moedertje," zei ik, "en laat ons even alleen, +want ik hoop dat de juffrouw mij den persoon zal kunnen beschrijven; +dan zal ik hem bij de politie aangeven." + +"Beskrijven! Ja, dat gaat zoover as 't voeten het," antwoordde de +klapper; "en weet je wat _Kobus_ zeit? ze krijgen er de verkeerde deur +te pakken. Laatstleden varkemart hebben ze nog 'en jong gezel, een die +hier, zel ik maar zeggen vreemd was, opgepakt. Der komt ommers altijd, +op de varkemart hier zoo'n poffertjeskraam? Nou, hij mocht zoo bij die +poffertjeskraam staan te kijken na die groote kopere schuttels en zoo; +daar komt er een diender na 'em toe; die leest op 'en pampiertje, en +toen kijkt ie 'em an. Nou; de jonge wist van de prins geen kwaad. Maar +de diender zeit teugen 'em: jonge, zeit ie, ga jij reis effen mee. Ik +dankje vrindelijk, man, zeit den ander. Maar het holp niet, want de +diender zei: maatje, zeidie, kijk reis effen wat ik hier onder me jas +heb. Nou, dat waren nies anders as van die duimskroefies, as meheer +wel reis zel gezien hebben, daar ze een minsch mee vastskroeven, +zel ik maar zeggen, dat ie geen vin verroeren kan. Nou, die mocht +die man niet, dat ie mijn slacht. Zoo gezeid, zoo gedaan; daar holp +geen lievemoederen an; hij _most_ en hij _zou_ mee. Maar toen ie vijf +dagen had zitten brommen--hij was toch maar al die tijd uit zen werk, +zie je--daar komt die zelfde diender, in zen hok, zel ik maar zeggen, +of waar dat ie dan zat, en zeit dat ie maar stilletjes vort zou +gaan. Maar hij zei, neen, zeidie, dat gaat _zoo_ niet. Want hij wou +der verhaal op hebben, zie je meheer! Maar dat weten we wel; dat gaat +zoo ver as 't voeten het. Zoodat ik maar zeggen wil, dat beskrijven +niet veul ofdoet. Maar daarom zei _Kobus_ altijd, in die winter toen +'t _nog_ reis zoo erg was: as _ik_ er eentje te pakken kreeg, ik zou +'em teekenen, dat ik 'em voor goed zou kennen..." + +Ik herhaalde mijn wensch om met juffrouw _Noiret_ alleen te +blijven. Zoodra de babbelachtige vrouw gegaan was, borst zij in +tranen uit. + +"Dit heeft hij mij in de hand gestopt!" riep zij uit; "verbrand het +in de kaars." + +En zij wierp een violetkleurig briefjen op de tafel, dat zij in hare +zenuwachtige spanning geheel verfronseld had. Daarop zeide zij met +eenen innigen afschuw: + +"Foei, mijnheer _Van der Hoogen_!" + +Ik nam het briefjen op. + +"Mag _ik_ het bewaren?" vroeg ik haar. "Het kan mij te pas komen." Ik +herstelde het in zijne vroegere gedaante, en stak in mijn portefeuille. + +Toen _Suzette_ wat bedaard was, deelde zij mij mede, hoe zij sedert +eenigen tijd overal door _Van der Hoogen_ vervolgd werd. Hij was +immer op haar weg. Bij het gaan van haar kamer naar het hofje, +en bij het uitgaan der kerk; ja, in de laatste week had hij een +paar malen het hofje zelf tot zijn namiddagwandeling gekozen, +onbeschaamd bij haar moeder ingekeken, en tegen haar, _Suzette_, +geglimlacht. Zoo erg als van avond had hij het evenwel nog nooit +gemaakt. Zij was uitgegaan om freule _Nagel_ een japon te passen, +zonder hem nochtans te ontmoeten. De freule had haar bij het heengaan, +met hare gewone vriendelijkheid, als _Suzette_ zei, de bescherming +van haar lakei aangeboden; maar zij had het afgeslagen, daar zij +niet had gedacht dat het buiten al zoo donker was. Ondertusschen +was de avond op eens gevallen, en zij was nog geen twintig schreden +van het huis van den heer _Van Nagel_, of zij hoorde reeds den stap +van _Van der Hoogen_ achter haar, terwijl hij haar door zonderlinge +geluiden op zijne nabijheid opmerkzaam maakte. Zonder op of om te +zien had zij hare schreden versneld; in haren angst had zij gemeend +hem te zullen ontvlieden door een zijstraat in te slaan; hij was haar +ook daar gevolgd. Toen zij op de donkere gracht was gekomen, had hij +haar om de middel gegrepen en haar eenige woorden toegesproken, die +zij evenwel door den schrik niet verstaan had. Hij had haar daarop +het briefjen in de hand gedrukt, dat zij zich, zeker werktuigelijk, +had laten welgevallen. Daarop had hij haar willen kussen, en had zij +de woorden uitgesproken die ik gehoord had. + +Na deze mededeeling, en nadat zij geheel van den schrik zeide bekomen +te zijn, ofschoon zij nog altoos bleekzag, verzocht zij mij dat ik +haar verlaten zoude. Zij wilde zich door een der kinderen van haar +hospita naar haar moeder laten brengen, die van niets weten moest. + +Ik vertrok. + +Op straat verdiepte ik mij in ernstige overleggingen hoe mij na +dit alles te gedragen. _Van der Hoogen_ had mij sedert onze eerste +ontmoeting niet willen bevallen, en ik had, op gelaat en manieren +af, weinig gunstige vermoedens van hem opgevat. Dat hij het hof +aan _Henriette_ maakte had ik terstond gemerkt en met leede oogen +aangezien. Ik vreesde dat, indien niet louter haar geld, dan misschien +haar geld, vermeerderd met haar schoon, den fat aanlokten, dien ik +daarenboven voor een slecht sujet hield, dat haar ongelukkig zoude +maken. Ondanks alle hare kuren, was _Henriette_ hiertoe te goed, en in +gedachten had ik haar een man toegezegd, die haar door meerderheid in +verstand verbeteren en eenmaal tot eene lieve vrouw maken zoude, tot +welker vereischten zij toch waarlijk vele bestanddeelen bezat. _Van +der Hoogen_ had mij, zooals de lezer zich herinneren zal, met een +woord gezegd dat hij ook te Leiden had "geresideerd", en daar ik het +geluk had in de Sleutelstad menschen van allerlei stand te kennen, +had ik al spoedig omtrent ZEd. eenige berichten ingewonnen. Deze waren +niet gunstig voor den charmanten uitgevallen en pleitten evenmin voor +zijn gedrag als mensch, als voor zijne beginselen als ambtenaar. + +Ondertusschen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te +bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en +onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel van het +romaneske, waartoe zij eenige neiging toonde. Daarenboven kon men aan +_Van der Hoogen_ eenige uiterlijke voorrechten niet ontzeggen. Het was +nu tusschen hen beiden een _stille_ liefdeshistorie geworden, dat wil +zeggen, zoo gevaarlijk als eene liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in +den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven. Ondertusschen +had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw _Noiret_ aan +mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke +lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en +weerloozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn +ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was juffrouw _Noiret_ tegen +alle verdere lagen te beschermen, en _Henriette_, om een versleten +leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden, op welks +rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde. + +Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leeren. + + + + +Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij +er zelf de mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem in +'t geheel niet past, maar dat hij toch voor ditmaal niet helpen kan. + +_Hildebrand_, die door een samenloop van omstandigheden bestemd +was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond +den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op en +liep met een gewichtig gelaat en groote stappen de kamer op en neer, +eene beweging, die hij altijd aanneemt als hij over iets belangrijks +of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte hij veelbeduidend +op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder overzag hij zijne +heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hij een groot +gedeelte zijner aandacht aan de musschen, die in den tuin af en aan +vlogen en elkander niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent +zekere kruimels en kleine korstjes brood, die reeds in dit vroege +morgenuur hare hartstochten in beweging brachten. + +Hij kwam daarop geheel gekleed aan het ontbijt, eene omstandigheid +die niemand bevreemdde, daar het zondag was, ofschoon er op dien +bijzonderen zondagmorgen juist niemand naar de kerk ging dan de oude +mevrouw. Mijnheer verklaarde "veel van den godsdienst te houden, +want wat zou er zonder godsdienst van de maatschappij worden!" maar +hij kon "het geteem van de dominé's in _deze_ stad niet aanhooren"; +voor mevrouw "tochtte het in de kerk al te verschrikkelijk"; en wat +_Henriette_ betrof, zij ging wel, maar "zag er geen noodzaak in er +sleurwerk van te maken". + +_Hildebrand_ nam den schijn aan van naar de kerk te zullen gaan, en +had evenwel voorgenomen het niet te doen. Hij herinnerde zich, niet +zonder ingenomenheid met de hooge roeping die hij in zich gevoelde, +het zeggen van _Fenelon_, in het treurspel van dien naam: + + + "Dit is mijn eerste plicht. Men dien' de menschlijkheid, + En zing, daarná, den lof der Hemelmajesteit!" + + +Hij had zich den vorigen avond laten onderrichten waar de kamers van +den heer _Van der Hoogen_ te vinden waren en moest ze in een der +middelbare straten van de stad, boven een beddewinkel, zoeken. De +heer _Hildebrand_ stapte er heen in de vaste overtuiging den heer +_Van der Hoogen_ thuis te zullen vinden. + +Daar hij zich evenwel tebinnenbracht dat de heer _Van der Hoogen_, +die een post aan het bureau der registratie had, dagelijks reeds +om tien uren in den morgen aan dat bureau verschijnen moest en +dan nog wel tot twee uren na den middag druk werk had, kwam het +hem niet onwaarschijnlijk voor, dat gemelde heer _Van der Hoogen_ +des zondags een weinigje zou moeten uitslapen en dus hoogstdenkelijk +nog op zijn bed zou liggen. Daarbij voegde zich misschien heimelijk +een weinig innerlijke neiging om de onaangename boodschap, die het +"dienen der menschlijkheid" in dezen medebracht, nog een oogenblikje +uit te stellen. + +Nu gebeurde het dat _Hildebrand_, op zijn weg naar den beddewinkel in +de middelbare straat, een plein over moest, waarop een kerk stond, +waaruit het gezang der geloovigen krachtig opsteeg; en hij gevoelde +lust om ten minste nog een gedeelte van de godsdienstoefening bij +te wonen. + +_Hildebrand_ is geen voorstander van het laat verschijnen in het +huis des Heeren. Hij begrijpt dat Gods Woord er geenszins voor niet +wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het +gedrang om plaatsen en het geschuifel met stoven; maar wel moet hij +bekennen dat het iets bijzonder plechtigs en indrukmakends heeft, +zich op eenmaal van de stille straat in een hoofdkerk te verplaatsen, +waar een groote schare reeds met ongedekten hoofde ter nederzit en, +onder het statig intoneeren van het orgel, zijn lofzang als uit +ééner harte opheft. De aanblik eener gemeente, vereenigd, ten minste +uiterlijk vereenigd, in den dienst van God, heeft reeds op zich +zelf eene ontroerende stichtelijkheid; en wij zijn er, geloof ik, +zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht, dat het, +al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den apostel +te betrachten: "Laat ons onze onderlinge bijeenkomste niet nalaten". + + + 't Hijgend hert, + + +zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den +Tweeënveertigsten Psalm: + + + 't Hijgend hert, der jacht ontkomen + Schreeuwt niet sterker naar 't genot + Van de frissche waterstroomen, + Dan mijn ziel verlangt naar God. + + +o Gij, die meent dat tehuis een "goede" preek te lezen--gij _leest_ +gewis altijd _goede_ preeken, en krijgt niet dan _slechte_ te +_hooren_?--o Gij, die meent dat tehuis een goede preek te lezen, +en des noods een psalm er bij, even stichtelijk is als de openbare +samenkomst; die het gebod des Zaligmakers om in de binnenkamer +te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gij +dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zoovele +menschenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied +aanheffen, hetzelfde woord van vertroosting aanhooren, en denzelfden +Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser, aanroepen, +teweegbrengen kan? + +Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot God +in een laf naspel liet verloren gaan. + +Een eenvoudig man van hooge jaren stond op den predikstoel en sprak de +gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwekkelijk toe. Hij +deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht _biddend_ gebed. "Een +krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel", zegt _Jacobus_. Toen +noodigde hij de gemeente andermaal tot een gezang; en nu werd er uit +den Eersten Psalm aangeheven: + + + De Heer toch slaat der menschen wegen ga, + En wendt alom het oog van zijn gena + Op zulken, die, oprecht en rein van zeden, + Met vasten gang het pad der deugd betreden; + God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan; + Maar 't heilloos spoor der boozen zal vergaan. + + +Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar: "De +Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen +zal vergaan." En met dit woord in het hart spoedde _Hildebrand_ +zich naar _Van der Hoogen_. + +"Op de voorkamer!" riep de vrouw uit den beddewinkel, haar hoofd +uit een achterkamer stekende; "de trap op; de eerste deur aan uw +linkerhand!" + +_Hildebrand_ volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer +stond halfopen, en hij bevond zich op het grondgebied van den +charmanten. Deze echter was er niet. + +De kamer was niet bijzonder charmant; zij was slecht gestoffeerd +en alles behalve net. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste +meubel. Aan den muur hingen een paar prenten met _Robert Macaire_, en +eenige vrouwenbeelden van de hand van kunstenaars, die zich bijzonder +op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den schoorsteen een +schermmasker, schermhandschoenen en floretten, en de staart van een +fazantehaan, dien _Van der Hoogen_ moest verbeelden eenmaal geschoten +of gegeten te hebben. In den rand van den spiegel staken eene menigte +invitatiekaarten, waaronder sommige van reeds zeer ouden datum. Op +tafel stond een groote flacon met reukwater en lag een deeltje van +_Paul de Kock_ opgeslagen. Er brandde een vuur in den haard, dat +echter in het laatste halfuur slecht scheen onderhouden te zijn. Een +onaangeroerd ontbijt stond op, en van de kook geraakt theewater onder +de tafel. Dit beteekende dat de heer _Van der Hoogen_ waarschijnlijk +nog in zijn slaapvertrek was. _Hildebrand_ hoopte dat de hospita hem +zou aandienen. + +Weldra kwam er ook waarlijk iemand de trap oploopen, maar het kon de +hospita niet wezen, want _Hildebrand_ hoorde degelijke manslaarzen +kraken. De boven komende persoon scheen een kleinen overloop over te +gaan, en hij hoorde hem een andere deur opendoen. Daarop vernam hij +eene stem, die uit de dekens scheen te komen en "wie daar?" riep. + +"_Bout_," was het antwoord van den binnengekomene. "Lui beest, legje +nog al op je bed?" + +"Hei, hei wat," antwoordde _Van der Hoogen_, "'t is pas dag. Je moet +bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en dauw op moet. Dat +verhaal ik op den rustdag, man! D...rs, ik heb koppijn, hoor! Die +wijn op de sociëteit is slecht." + +Er volgde een gesprek daar ik niet alles van verstond, maar wel +merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zij, "het +zwartje" noemden; en spoedig daarop werd het _Hildebrand_ duidelijk, +dat _Van der Hoogen_ zijn wedervaren met juffrouw _Noiret_ vertelde, +waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen, +dat hij in een geweldig lachen uitborst. + +"Alles goed en wel!" zei daarop de persoon, dien _Hildebrand_ met +den naam van _Bout_ had hooren benoemen, en die een zeer rauw en +onaangenaam geluid sloeg, "alles goed en wel! maar je bent toch een +handjegauw. Waarom nu niet nog een beetje gewacht, totdat de jongen +goed en wel in de West is?" + +"_Boutje_!" antwoordde _Van der Hoogen_, die in dit gezelschap zijn +lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te moeten +verwisselen, "het zwartje is zoo verd .... mooi." + +"Kinderachtig!" hernam de ander; "een reden te meer om geduld te +hebben. Ik heb uit louter vriendschap voor jou een halfjaar geijverd +om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu het eindelijk +lukken zal, ga je niet je eigen drieguldens je glazen ingooien. Als +de meid het immers vertelt, hebje gedaan." + +"Geen nood!" antwoordde _Van der Hoogen_; "jongens kerel! ik heb haar +zoo'n char..." (daar had hij zich haast versproken!) "verd... mooi +briefje geschreven; er komt van wanhoop in, en van eene eeuwige +teederheid. Je moest het lezen, kerel. En zóó was ze niet, of ze +heeft _dat_ wel stilletjes aangenomen. En was die verd... kerel niet +gekomen.... Maar zeg reis, gaat hij stellig naar de West?" + +"Hij is er zoo verliefd op, als hij eerst wanhopig was, 'k ben +d....rs," zei _Bout_; "hij leeft in de stellige overtuiging dat hij, +binnen zes jaar, op zijn minst half zoo rijk weerom komt als mijnheer +_Kegge_. Hoe maakt de dochter van dien blaaskaak het? _Henriet_; +hiet ze zoo niet?" + +"Patent, kerel, patent! Mooier dan ooit, en verliefd tot over de +ooren. Weetje wat? zet terwijl reis thee voor me; ik kom zoo dadelijk +bij je." + +De heer _Bout_ kwam daarop naar voren, en _Hildebrand_ zag een +gelaat, dat de uitdrukking van de grootste onbeschaamdheid aan +die der hatelijkste geveinsdheid paarde. Zijne oogen hadden dien +doordringenden, zinnelijken blik, die eerzame harten zoo bijzonder +pleegt te stuiten. Hij was een buikig man van vier-, vijfendertig jaar, +dragende een dichtgeknoopte blauwe jas, een glimmend geborstelden hoed, +en gewapend met een dikken bamboesrotting. Hij stond verbaasd iemand +in de voorkamer te ontmoeten. _Hildebrand_ maakte zich bekend, en +verklaarde dat hij gekomen was om den heer _Van der Hoogen_ te spreken. + +"En hebje al lang gewacht, mijnheer?" vroeg _Bout_ met gemaakte +vriendelijkheid. + +"Ik kom zoo op het oogenblik," antwoordde _Hildebrand_. + +De waardige vriend schelde en bestelde ander theewater. De juffrouw +gromde "dat het geen manier van doen was", en ging de trappen af met +den theeketel. Eer zij nog terug was, verscheen _Van der Hoogen_. + +Hij zag er alles behalve aantrekkelijk uit, met zijne lange haren +ongekruld en woest over zijn bleek gezicht hangende, in een verschoten +kamerjapon, op wollen kousen en versleten pantoffels. + +"Gij hier, mijnheer _Hildebrand_?" zeide hij bij het inkomen. + +"Ik had een boodschap aan u," antwoordde de toegesprokene. + +"Charmant, charmant!" + +"Mijnheer zal u misschien alleen willen spreken", merkte de waardige +_Bout_ aan; "dan ga ik nog een kerkje knappen; de kerk zal toch wel +al aan zijn?" + +_Van der Hoogen_ lachte schreeuwend om deze geestigheid. + +Maar kan er ook iets grappigers bedacht worden dan met de kerk +te spotten? + +_Bout_ vertrok. + +"Je moet me eerst wat laten besterven," zei _Van der Hoogen_ +geeuwende en een ei slurpende; "het is gisteren wat laat geworden op +de sociëteit, en mijn keel is wat rauw van den chambertin." + +"Ik heb niet veel te zeggen, mijnheer _Van der Hoogen_!" zeide +_Hildebrand_, vast besloten om maar in vredes naam met de deur in +huis te vallen, en vooral niet rouwig wegens het vertrek van den +achtenswaardigen _Bout_. + +"Het moet u niet verwonderen, mijnheer! als het huis van de familie +_Kegge_ u eerstdaags wordt ontzegd ..." + +De charmante werd, van bleek, vaal en zag _Hildebrand_ verbaasd +aan. Hij wist volstrekt niet hoe hij het met hem had. + +_Hildebrand_ maakte van deze gelegenheid gebruik om in éénen adem +voort te gaan: "De heer _Kegge_ zal eerstdaags weten, wie gij zijt, +mijnheer! Uw dubbelzinnig gedrag zal hem bekend worden. Hij zal kennis +dragen van de lagen, die gij aan de onschuld legt, terwijl gij zijn +dochter het hof maakt." + +De heer _Van der Hoogen_ wist zijne verlegenheid niet beter te +verbergen, dan door in lachen uit te barsten. Hij begon daarop aan +zijn. derde eitje, en antwoordde op een onverschilligen toon: + +"Wie zegt dat ik aan zijn dochter het hof maak?" + +"Ik!" antwoordde _Hildebrand_ zonder te aarzelen; "ik, mijnheer! ik, +die u deze gansche week bespied heb; ik, die weet dat gij violette +briefjes in haar bloemruikers stopt; ik, die ook weet dat gij +bij donkeren avond met violette briefjes over straat loopt, om ze +argeloozen meisjes in de hand te wringen; ik, mijnheer! die ook weet +welke slachtoffers de heer _Van der Hoogen_ elders heeft gemaakt, +en die zorgen zal, zooveel in mij is, een dergelijk lot af te keeren +van menschen daar ik belang in stel." + +De heer _Van der Hoogen_ deed zijn best om nog luider te lachen, +wipte met zijn stoel achterover, en riep uit: + +"Een charmante klucht! En mijnheer _Hildebrand_ is alzoo dénonciateur +van dit alles?" + +"Hij kan het worden," ging _Hildebrand_ voort, die nu eenmaal op gang +was; "als ik de stad verlaat zal ik den heer _Kegge_ waarschuwen. Maar +eerst wilde ik uzelf dit komen aanzeggen. Ik wilde met open kaart +spelen, opdat gij weten zoudt uit welken hoek het u aankwam, als +men u bij den heer _Kegge_ met stugheid ontving, of misschien wel de +deur wees!" + +"De heer _Kegge_ zal laster van waarheid kunnen onderscheiden," +zeide de heer _Van der Hoogen_ met een geveinsde bedaardheid. + +"Daarvoor heb ik dit bewijsstuk," antwoordde _Hildebrand_, het briefje +aan juffrouw _Noiret_ toonende; "men kent uw hand; een biljet vol +van de schandelijkste propositiën aan een eerbaar meisje, dat als +zij ze gelezen had, reeds meenen zou onteerd te zijn. Het zou mij +niet moeilijk vallen uit uwe vroegere 'residentie' meer dergelijke +briefjes op te dagen. Maar dit eene is genoeg." + +_Hildebrand_ stak het paarse papiertje weder met bedaardheid in +den rokzak. + +De heer _Van der Hoogen_ stond op. "En wie zijt gij, mijnheer?" voer +hij uit, maar lang niet op den toon, die bij zulk eene vraag gepast +had: "En wie zijt gij, mijnheer! om mij op mijne eigene kamer de les +te komen lezen? Ik houd u voor een...." + +"Geene beleedigingen!" zei _Hildebrand_, insgelijks oprijzende, en hij +voegde er bij: "Uw opstaan verschrikt mij evenmin als deze floretten." + +De heer _Van der Hoogen_ ging weer zitten. + +"Gij spreekt van de les lezen!" ging _Hildebrand_ voort. "Uw naam en +faam, uw positie in de stad, het is alles in mijne hand. Ik ken uw +afkomst, mijnheer _Van der Hoogen_, weinig strookende met de airs, +die gij u geeft; ik ken uw vroeger gedrag, uw gedrag in deze plaats; +ook uw gedrag als ambtenaar, en uwe nieuwste machinatiën om personen +te verwijderen, die u in den weg staan. Neem u in acht!" + +"Gij wilt mij ongelukkig maken," gromde de heer _Van der Hoogen_ +tusschen de tanden. + +"Ik wil uwe beteren voor ongelukken behoeden," hernam de ander. "Hoor +hier: ik verklaar mij in de eerste plaats voor den beschermer van +juffrouw _Noiret_. Naar haar zult gij geen vinger meer uitsteken. Haar +zult gij nooit, niet één enkel woord, meer toespreken, zelfs niet +groeten. Indien ik ooit verneem dat gij haar tot eenigen den minsten +overlast zijt, zal de geheele stad weten wie gij zijt, van den baron +_Van Nagel_ af tot uwe hospita toe. Voorts zult gij uwe bezoeken +bij den heer _Kegge_ verminderen en er van afzien eenigen invloed op +zijne dochter te willen oefenen. Zoo ras ik iets verneem dat daarmede +strijdt, komt dit biljet onder de oogen van mijnheer _Kegge_. Nu zal +ik alles laten zoo als het is. Deze twee dingen, mijnheer _Van der +Hoogen_! Denk er om!" + +"Het is wèl!" zeide hij binnensmonds; en, alsof deze 't helpen konden, +stiet hij de ledige eierdoppen op zijn bord aan duizend gruizelementen. + +_Hildebrand_ vertrok, en was duizend pond lichter dan toen hij de +trap opkwam. + + + + +Het hofje. De heer van der Hoogen af. + +Het was heerlijk weer, en ik had niet veel lust mij terstond naar +huis te begeven; ik verkoos liever nog eerst een stadssingel langs +te wandelen. Wanneer men te Leiden studeert, heeft men eene zekere +voorliefde voor stadssingels. Verfrischt door de heldere lucht en +den koelen wind, kwam ik de poort weder binnen, en begaf mij naar huis. + +Het ongeluk scheen _Suzette Noiret_ te vervolgen. + +Niet ver van den Zoeten Inval kwam ik _Saartje_ tegen. Zij liep zeer +haastig en met gebukten hoofde; en naderkomende, zag ik dat zij er +uiterst verschrikt en ontdaan uitzag en bitter weende. + +"Wat scheelt er aan, _Saartje_?" + +"Ach!" riep zij uit, "laat mij schielijk voortgaan. Juffrouw _Noiret_ +ligt op sterven!" + +"Wat?" zeide ik, hevig ontzet met haar voortstappende en aan _Suzette_ +denkende, "en ik heb haar gisteren nog gesproken!" + +"Dat kan ook wel zijn," antwoordde zij; "gisteren was zij nog heel +wel. Maar vandaag heeft ze plotseling een overval gekregen. Ik was +in de kerk, en moeder was thuis bij de kleintjes. _Suzette_ heeft +oogenblikkelijk om moeder gezonden; en nu kom ik, gelukkig en wel, +uit de kerk, en daar hoor ik dat de goede juffrouw _Noiret_ misschien +nu al dood is; zij is gelaten, zegt vader, en er is geen bloed gekomen, +en de dokter heeft haar opgegeven. Wat zal de arme _Suzette_ beginnen?" + +Zij snikte luid. + +Ik ging met haar naar het hofje. + +De zoogenaamde Moeder van die inrichting, een deftige gewezen +keukenmeid, met een zeer laag jak en grooten witten halsdoek, +stond in de poort met eene oude vrouw te praten, die een zwarten +schoudermantel droeg, en duidelijk hoorde ik de woorden: "Zoodat ik +je nou maar raai er dadelijk werk van te maken, want anders is een +ander je alweer vóór; je gaat nou maar in-mediaat naar de heeren, +en zegt: compliment, en dat nommer negen fikant is..." + +"En dan?" vroeg de vrouw met den zwarten schoudermantel. + +"Dan mot je je beurt afwachten," zei de moeder. + +Die van den zwarten schoudermantel strompelde heen. + +"Hoe is 't met juffrouw _Noiret_?" vroeg ik aan de moeder, alsof ik +van dit gesprek niets begrepen had. + +"Afgeloopen!" zei de moeder, haar hoofd schuddende. "Och ja, +ze heeft het daar zoo passies afgelegd; 't zel nou net een klein +ketiertje geleden zijn. 't Is een heele omstandigheid: zóó gezond, +en zóó dood. Gisteren ging ik haar deur nog voorbij, en ze knikte nog +teugen me, ik loof zelf dat ik nog an haar raam getikt heb, en nog +gevraagd hoe ze voer. Ja wel! want ze zei nog teugen me: Heel wel, +moeder! Neen, tòch niet, dat was bij _Trijntje_. Och ja, dat zeg ik, +een mensen kan der gauw uit wezen!" + +Wij gingen voort. Een der bestjes die op het hofje woonden, stond +met een zwart duifjeskiepje bij de pomp; zij zag naar ons om, toen +wij haar voorbijgingen, haalde de schouders op, en schudde het hoofd. + +"Ze is uit den tijd!" zei de oude best, schudde nogmaals het hoofd, +en ging voort met water op haar aardappeltjes te pompen. + +Wij traden het huisje van juffrouw _Noiret_ binnen. Door een klein +portaaltje, met platte roode steenen geplaveid, kwamen wij in het +eenige vertrek, dat hare woning, en die van eene lange reeks van oude +vrouwtjes vóór haar, had uitgemaakt. Het was een klein kamertje, met +matten belegd, en waarin een schoorsteen was, waaronder zij tegelijk +haar potje kookte en zich verwarmde. De meubelen bestonden in eene +voor het vertrek zeer groote hangoortafel, een matten stoel of vier, +en een groot bureau, waarop in het midden een geel theeservies met +roode landschapjes stond geschikt, geflankeerd door een rond en +een vierkant verlakt presenteertrommeltje, op hun kant gelegd. In +een hoek van dit vertrekje stond de ladder, waarmee men naar het +zoldertje opklom, waarop de bedeeling turf en hout gestapeld was, +die des winters aan de hofjesvrouwtjes werd uitgereikt en, benevens +eene wekelijksche uitdeeling van aardappelen en een potje boter, +dit hofje tot het voordeeligste maakte van de vele hofjes waarop de +stad zich beroemde. Aan den witten muur hingen een paar silhouetten, +waarvan het eene dat van een predikant scheen te zijn, en verder eenig +huisraad, dat geene andere plaats hebben kon. Op tafel lag een kwarto +bijbel, en een fransch gezangboek; in welk laatste de goede vrouw +nog dien eigen ochtend had zitten lezen; haar bril lag tusschen de +bladen tot een blijk waar zij gebleven was. Voorts was die tafel nu +overdekt met allerlei glazen, lepels, kopjes en zoo voorts, die men +in het oogenblik van ontsteltenis gebruikt had. Een sterke geur van +Hofmansdruppels kwam ons tegen. Op den stoel, waarop juffrouw _Noiret_ +het laatst had gezeten, lag nu haar witte poes, in een gemakkelijke +kringvormige houding, op het groene saaien kussen te sluimeren. + +Aan het hoofdeneinde der bedstede, waar de gordijnen van waren +toegeschoven, zat _Suzette_, doodsbleek, en met het hoofd in de +hand. De goede juffrouw _De Groot_ stond vóór haar, met een vol glas +water, en poogde haar te bewegen nog eens te drinken. + +_Suzette_ hief het hoofd treurig op, greep het glas aan, en nam +werktuigelijk eene kleine teuge. Toen zag zij ons strak aan. Zij +reikte mij de hand: + +"Ik heb mijn wensch," zeide zij: "het _was_ bij dag." + +_Saartje_ hield zich schuw op een afstand en was geheel van haar +stuk. Zij snikte hevig en viel op een stoel bij de tafel neer. Juffrouw +_De Groot_ poogde vruchteloos haar iets te doen gebruiken. + +Toen zij eindelijk wat bedaarde, wilde zij de doode zien. _Suzette_ +schoof het gordijn half open, en ik zag een mooie oude vrouw in hare +kalme ruste. Het heldere zonlicht dat door het venster binnendrong, +wierp een schuinschen straal op een aangezicht, dat meer en meer +van den doodsnik begon te bekomen. De oogen waren gesloten en +ingezonken; eenige weinige grijze haren kwamen onder het mutsjen uit, +en glinsterden als zilver in den zonneschijn. Hare dorre handen lagen +plechtig saamgevouwen op haar borst. _Saartje_ knielde bij haar bed; +blozende jeugd bij het beeld des doods. Zij legde haar lief handjen +op de hand der overledene, maar schrikte van de koude. Ze had nog +nooit een lijk gezien. Toch vermande zij zich weer, en streek met +hare zachte vingers langs het gerimpeld voorhoofd. Daarop barstte +zij in een hevig jammeren los! + +"O! Dat ik ook naar de kerk moest wezen! Had ik u nog maar één +oogenblikje levend gezien, lieve juffrouw _Noiret_, een enkel woordje +van u gehoord!" + +"Dat hebben wij geen van allen, lief kind!" zei haar moeder, hare +oogen met haar voorschoot afvegende. + +"Neen," zei _Suzette_ met een hartdoordringende stem; "geen van allen." + +_Saartje_ schoof het gordijn weer toe. + +"Arme _Suzette_!" riep zij uit, haar om den hals vallende, "wat zult +_gij_ beginnen!" En zij snikte zoo luide, dat haar moeder haar tot +zich nam en zeide dat zij zich een weinig matigen moest, want dat +zij _Suzette_ "nog naarder maken zou". + +"Ik wenschte dat _ik_ zoo schreien kon, juffrouw _De Groot_!" zei +de ongelukkige bedaard; en weder nam zij hare vorige houding aan, +met het hoofd in de hand. + +De doove buurvrouw kwam binnen. Het was een lange, schrale vrouw, +die het bovenlijf met een grooten hoek voorover droeg. Zij had mede +een zwart kiepjen op, droeg een zeer lang sitsen jak, een groot +wit schort, en een kalminken rok. Zij zette een klein schoteltje, +met een hord toegedekt, op de tafel. + +"Is buurvrouw ziek?" vroeg zij op dien kennelijken doffen toon aan +dooven eigen. + +"Ja!" zei juffrouw _De Groot_, luid sprekende, "buurvrouw is heel erg." + +Juffrouw _De Groot_ had echter niet luid _genoeg_ gesproken. + +"Dan mot ze maar wat eten," hernam de oude, en het schoteltje +opnemende, ging zij naar het bed. "Je mot wat gebruiken, buur; kijk, +hier heb ik wat gestoofde peertjes voor je." En zij wilde het gordijn +openschuiven. + +Juffrouw _De Groot_ hield haar bij den kalminken rok terug. + +"Neen!" schreeuwde zij zoo hard zij kon, "buurvrouw zal niet meer +eten. Buurvrouw is overleden." + +"Zoo!" zei de doove, het hoofd op en neder bewegende, alsof zij het +volmaakt verstaan had, "slaapt buurvrouw? Zoo, zoo; dat is goed! dat +wist ik niet.--Ik zag den dokter binnengaan," vervolgde zij tot mij, +"en ik docht, daar is zeker wat an de hand. Wat schort buurvrouw +eindelijk?" + +Ik slaagde er in haar aan 't verstand te brengen, dat buurvrouw _niets_ +meer schortte. + +"Dat is de derde buurvrouw," zei juffrouw _Samei_, want zoo heette +de doove, "die ik verlies, en altijd aan dezelfde kant, in _dut_ +huisje. De eerste was _Engeltje Bovenis_; die was drieënzeuventig, +en potdoof; ik ben ook wel wat hardhoorend, weet u. De andere was +juffrouw _De Ruiter_, die de koffiekan over der been liet vallen, +zoodat ze der nooit van opëkomen is; en dut is nou de derde; 't was +een goeie vrouw, een beste vrouw; maar wel een beetje eenzelverig. Och +heer! is ze dood; ik docht nog zoo: kom an, een gestoofd peertje, +daar placht ze anders nog wel van te houën." + +De klink van de deur werd weder opgelicht, en binnen kwam een +vrouwelijk wezen, wier oogen, gelaat, en geheele houding de innigste, +de hartelijkste deelneming vertoonden; het was freule _Constance_. + +Er zijn schepselen in de wereld, die de bestemming om ongelukkigen +te troosten daarin hebben medegebracht, en opdat men ze kennen zou, +heeft de natuur het vermogen tot troosten in onmiskenbare trekken op +hun gelaat uitgedrukt. Tot deze wezens behoorde de freule _Constance_. + +Met eene niet in het minst hardvochtige, maar beminnelijke kalmte, +trad zij binnen en groette ons. Zij ontdeed zich daarop terstond van +haar hoed en bont, en het gaf iets veel vertrouwelijkers haar in deze +sobere woning zonder dien tooi te zien. Toen trad zij op _Suzette_ +toe, die altijd even stroef het hoofd op de rechterhand deed rusten. De +jonkvrouw greep haar bij de linker. + +"Ik heb van uw ongeluk gehoord, lieve juffrouw _Noiret_!" begon zij, +met een zachte en hartdoordringende stem: "Ik kom eens met u schreien; +gij weet dat ik ook geen moeder meer heb." + +Het valt lichter van eene weldadige ontroering, dan van eene groote +en verpletterende smart te weenen. _Suzette_ barstte in tranen uit, +en kuste de handen der freule. Ook aan de lange zwarte pinkers +van deze hingen heldere droppels. _Saartje_ drong zich tegen de +beide vrouwen aan, en in haar oogen blonken, door de tranen heen, +de innigste toeneiging, en de diepste eerbied voor de troosteres. + +Dat was eene lieve, eene hartontroerende groep. Lijden, medelijden, +en lijdenstroost, in een zachte en liefdevolle omhelzing vereenigd. Ik +noodig onze schilders uit, daar hunne krachten eens aan te beproeven, +als zij een oogenblikje willen uitrusten van mannen die pijpen rooken, +en vrouwen die groente hebben gekocht. + +"Een engel van een mensch!" fluisterde juffrouw _De Groot_, en een +traan viel op de tang, waarmede zij, op den in de verwarring half +uitgedoofden haard het vuur poogde te herstellen. + +"Wie is die dame?" vroeg de doove op haar gewonen luiden toon. + +Ik poogde het haar te beduiden; maar het was mij niet mogelijk. + +"Ik kan je niet verstaan!" zei ze; "maar dat weet ik wel, dat het lang +duren zal, eer de rijkdom bij _Pleuntje Samei's_ laatste leger komt om +te huilen;--maar ik heb ook wel hooren zeggen, dat juffrouw _Noiret_ +van geen lage kom-of was." + +Dit gezegd hebbende stond de oude op, en begaf zich naar haar +eigen cel. + +De dokter kwam om naar _Suzette_ te zien en voor haar te zorgen, nu +de eerste schok voorbij was. Zijn gelaat luisterde op als hij freule +_Constance_ zag. + +"De freule reeds hier?" zeide hij; "het kon niet beter. Gij moet +onmiddellijk gegaan zijn, freule _Nagel_!--Ik beveel u _deze_ patiënte +aan," voegde hij er bij; "voor bedroefden zijt _gij_ de beste dokter +die ik ken." + +Hij schreef een ontspannenden drank voor, en verliet ons, om wie weet +welke andere ellende te gaan aanschouwen! + +Het is opmerkelijk hoe gretig de mindere klasse is om met een lijk +te sollen. Het is een stuk van liefhebberij. Al is iemand zijnen +betrekkingen ook _nog_ zoo lief: nauwelijks heeft hij den adem +uitgeblazen, ja, somtijds zijn er niet dan zeer bedriegelijke proeven +genomen omtrent het werkelijk doodzijn van den dierbare, of het lijk +moet van top tot teen ontkleed en in het doodsgewaad gehuld worden, +en het "heerlijke" bed weggehaald, om daarvoor den harden stroozak +in plaats te geven. En ik heb bij lijken gestaan, die aldus waren +afgelegd, van personen die men nog geen uur te voren dood op hun +stoel had gevonden. + +De Moeder van het hofje kwam dan ook met een allergewichtigst +gezicht binnen en, moeder _De Groot_ op zijde nemende, hield zij haar +voor, dat men niets heiligers te doen had dan juffrouw _Noiret_ te +"ontweiden." "Juffrouw _De Groot_ kon daartoe over _haar_ beschikken: +_zij_ was er niets akelig van. Ook wist zij heel goed waar het doodgoed +van juffrouw _Noiret_ lag." + +Juffrouw _De Groot_ beweerde evenwel dat het geen haast had; maar +de Moeder van 't hofje stond er toch op, dat het vóór den nacht +geschiedde. "Want het was maar om het bed, weetje! En dan, juffrouw +_Noiret_ had zoo'n kostelijke sprei, altijd bij winterdag, en die had +ze zeker nu ook weer op 't bed?" En zij ging kijken of het zoo was... + +"Het _is_ de sprei," zei ze bedenkelijk tegen juffrouw _De Groot_; +"als je der nog toe reseleveert, mot je me maar laten roepen." + +"'t Is wèl," zei juffrouw _De Groot_, en de Moeder vertrok, om door +het gesloten venster heen, met de doove buurvrouw een luid gesprek +aan te knoopen over de noodzakelijkheid om juffrouw _Noiret_ af te +leggen, en over haar kostelijke sprei. + +"Wat _had_ de Moeder?" vroeg _Suzette_, weemoedig opziende, toen zij +vertrokken was. + +"Niets, lieve!" zei juffrouw _De Groot_: "ik zal voor alles +zorgen. Bekommer u over niemendal." + +"Men moet moeder met rust laten," hernam _Suzette_; "niets aan haar +veranderen... voor dat ze..." Meer vermocht ze niet. + +Weder liet zij het hoofd aan het hart der freule zinken, die haar +liefderijk ondersteunde, en haar daardoor het meest versterkte, +dat zij haar toeliet te weenen. + +_Saartje_ kon niet langer blijven; het huishouden vereischte haar +terugkomst. Ik vertrok met haar. _Suzette_ reikte ons beurtelings de +hand. _Saartje_ kon geen woord uitbrengen; en _Hildebrand_ was zoo +sprakeloos als _Saartje_. + + + +Wij kwamen in den Zoeten Inval. De oude _De Groot_ was in de ziel +bewogen. Ik bleef nog langen tijd bij die goede menschen over het +ongeluk van juffrouw _Noiret_ in gesprek. _Saartje_ vertelde mij +heel veel van de doode, en hoe lief zij hare dochter had gehad, en +hoe die dochter haar aankleefde, en gaf duizend kleine trekken van +de teederheid en aanhankelijkheid op, waarmede deze moeder en deze +dochter elkander het leven hadden veraangenaamd. + +Zie; moeder _Noiret_ was zoo goed als op haar stoel doodgebleven, +als zij haar gezangboek had dichtgeslagen; de beroerte, die hare +zwakke levenskrachten in een half uur tijds vernielde, had reeds +in het eerste oogenblik hare spraak verlamd; maar zij had die niet +noodig gehad om _Suzette_ iets te vergeven vóór zij henenging; en +haar zegen--zij gaf haar dien gedurende haar leven dagelijks! + + + +Wij spraken ook over den jongeling, dien de vertwijfeling aan eene +vereeniging met _Suzette_ naar de West-Indiën dreef. Ik verlangde +zijn naam te weten. _Saartje_ deelde mij mee dat zij hem den vorigen +avond nog gesproken had, en dat zijn plan nu onwrikbaar vaststond, +zoodat hij het ook nu aan haar ouders had geopenbaard; en nog eenige +omstandigheden daaromtrent, die in een volgend hoofdstuk aan den +dag zullen komen. Ik zweeg opzettelijk van het gesprek, dat ik op de +kamer van _Van der Hoogen_ mijns ondanks beluisterd had. + + + + +Ik kwam tehuis. + +"Zóó lang heeft die kerk toch niet geduurd, onsterfelijke!" riep de +heer _Kegge_ mij toe, toen ik de kamer binnentrad. "Wij zitten pal op u +te wachten. Een zondag is een vervelende historie, maatje! Lag er maar +sneeuw, dan konden we tenminste narren. Jongens! mijn pantervel! Hoe +zouden de adellijke heeren en groote hanzen er naar likkebaarden. Maar +zeg, onsterfelijke! ik sta beschaamd als ik weet waar je zoo lang +geweest bent." + +Ik deed verslag van mijn bezoek op 't hofje. + +_Kegge_ kreeg alweer een traan in de oogen. Maar hij zei: + +"Drommels! dat was een naar akkevietje voor je. Het zal daar een +algemeen gegrijn gegeven hebben. _Hanna_, _my dear!_ daar moet wat +aan gedaan worden, hoor! 't is duivels jammer voor dat meisje. Stuur +haar het een of ander." + +"Wil ik haar een gebraden kuiken zenden?" vroeg mevrouw _Kegge_ +goedhartig. + +"Allemaal gekheid!" riep de heer _Kegge_ uit. "Ze heeft immers geen +honger. Stuur haar een paar bankjes, dat zal beter welkom zijn; +een dooie is een duur ding voor zulke menschen." + +_Henriette_ had zich afgewend en stond kwansuis naar haar kaketoe te +kijken. Ook zij had vochtige oogen. + +Neen! dacht ik, zonderling mengsel van hardvochtige grilligheid en +gevoel! gij waart toch veel te goed voor een _Van der Hoogen_! En +indien gij freule _Constance_ tot moeder of tot zuster hadt, gij +zoudt een heele lieve _Henriette_ kunnen worden. + + + +In het schemeruur poogde _Henriette_, langs allerlei zijdelingsche +wegen, te weten te komen, hoe ik over haar en _Van der Hoogen_ +dacht. Ik ontdook hare listen, daar ik voorgenomen had mij +dezen dag nog volstrekt niet uit te laten. Des avonds wachtte +men _Van der Hoogen_, die meest alle zondagavonden bij de familie +doorbracht. Mijnheer, die de hoop gekoesterd had nu eens een partijtje +te zullen kunnen omberen, was knorrig dat de derde man uitbleef, +_Henriette_, die ongetwijfeld het meest verwonderd was dat hij niet +verscheen, hield zich groot, en merkte aan, dat hij misschien eene +andere uitnoodiging had, en dat zij "'t ook heel goed vond dat hij +er geen gewoonte van maakte om nu ook _alle_ zondagen te komen". + +Wij brachten den avond door met platen en teekeningen te bezien, +waarvan de heer _Kegge_ een mooie verzameling had, die echter zonder +smaak of oordeel gerangschikt was, en zeker veel te duur betaald. + +Tegen tien uren verscheen er een voiletkleurig briefje. _Henriette_ +werd rood, en hield zich overtuigd dat hier misverstand heerschte, +toen de knecht het aan haar vader overhandigde; en als deze het +openbrak zag zij hem strak in de oogen. + +Toen de heer _Kegge_ het gelezen had, nam hij er zeer beleefd zijn +mutsje voor af: + +"Ik ben een lijk," verklaarde hij, "als ik er iets van vat!" Daarop +vervolgde hij met zekere plechtigheid: "Mevrouw _Kegge_, geboren +_Marrison_, mejuffrouw _Kegge_, en mijnheer _Hildebrand_, hoort, +bid ik u, eens aan wat dit geschrift behelst: + + + _WelEdelgeboren Heer!_ + + Dat is primo een leugen! + + _Sedert gij in uw huis personen admitteert, die mijn goeden naam + pogen te be..._ + + _te be_-wat? Sakkerloot, dat's een drommels woord--_te bezwalken + en te belasteren, zie ik mij genoodzaakt van het genoegen af te + zien om hetzelve verder te frequenteeren._ + + _Ik heb de eer te zijn,_ + + _WelEdelgeboren Heer,_ + _UWEdelgeborens Dienstw. Dienaar,_ + + _P. G. van der Hoogen_. + + _Van huis, zondagavond._ _Surnumerair etc._ + + +"Dat ziet op mij," zeide ik, het woord opnemende. "De heer _Van der +Hoogen_ anticipeert op zijn vonnis; ik ben nu wel genoodzaakt te +zeggen wat ik denk. De heer _Van der Hoogen_ heeft zich aan mij als +een slecht voorwerp, een verachtelijk mensch doen kijken." + +Ik deelde daarop zooveel omtrent de zaak mede als volstrekt noodig was, +en verklaarde wat ik hem bij mijn bezoek van heden had opgelegd. "Gij +ziet," zeide ik ten slotte, "dat hij zijn toevlucht tot onbeschaamdheid +neemt." + +"Daarom niet getreurd, onsterfelijke!" riep _Kegge_ uit. "Je hebt, +dunkt me, royaal gehandeld. En nu, voort met den weledelgeboren heer +_Van der Hoogen_! Ik ben een drilboor als zijn gele handschoentjes +me ooit hebben aangestaan. En dan, dat hij altijd zijn mond vol had +van groote hanzen!--Het zal _Henriette_ nogal spijten." + +_Henriette_ antwoordde niet veel; maar mevrouw _Kegge_ sprak, met +volmaakte miskenning van 't punt in geschil, de gewone toevlucht van +onverstandige vrouwen: + +"_Ik_ heb hem altoos een heel beleefd mensch gevonden. Hij heeft _mij_ +nooit iets misdaan. _Ik_ kom er rond vooruit, dat het _mij_ spijt, +dat hij niet meer komen zal." + +"Allemaal gekheid!" hernam de heer _Kegge_. "Het eenigste is, dat er +niemand is voor de muziek met _Henriette_. En _gij_ spreekt ook van +heengaan, onsterfelijke!" voegde hij er bij, zich tot mij wendende; +"dan zijn we weer geheel alleen. Ik heb graag een manskerel over den +vloer, om mee te praten." + +De heer _Kegge_ schoof zijn stoel voor den haard, institueerde eene +langdurige poking, en bleef daarop in gedachten zitten. Op eens wendde +hij zich tot zijn vrouw. + +"Hoe oud zou _William_ nu al geweest zijn?" vroeg hij op wat zachter +toon, dan waarop hij anders gewoon was zich te doen hooren. + +"Eenëntwintig," antwoordde mevrouw _Kegge_. + +Het oogenblik van treurig nadenken duurde niet lang voor den +bewegelijken vader; maar wie zal zeggen, hoeveel smart dit enkele +oogenblik in zich bevatte. + + + + +Een Groote Hans en Adellijke Heer. Besluit. + +Maandag één ure, na den middag; indien men namelijk burgerlijk genoeg +is het om twaalf uren middag te noemen; op dien dag en dat uur, +stond ik op het bordes van het huis des heeren _Willem Adolf_ baron +_Van Nagel_, lid van de ridderschap, en burgemeester van de stad, +waarin al het bovengemelde moet zijn voorgevallen. + +Het was een deftig huis, met een hardsteenen voorpui, waar de vader en +de grootvader van den edelman insgelijks hun leven hadden gesleten, +den roem nalatende, die meer was dan hun adelbrief, den roem van +beminlijke menschen. + +Een bedaagd bediende, in een stil en deftig livrei, opende de deur, +liet mij in eene ruime zijkamer en vertrok niet eer om mij te gaan +aandienen, dan nadat hij mij, geheel op de manier van een welopgevoed +man, een stoel gereikt, en daarop naar het vuur gezien had. + +De kamer had een eenigszins ouderwetsch, plechtig, maar toch +comfortable voorkomen. Men zag aan alles, dat men bij iemand van goeden +smaak was. Het behangsel was van rood trijpt, en desgelijks de canapé's +en de stoelen. Op den grijsmarmeren schoorsteenmantel, waaronder, +op een gepolijsten haard, een net gebouwd turfvuur brandde, stonden +twee antieke vazen; en aan den wand hing, als eenige schilderij, +het portret van een man, met den witten kraag en den met ruig bont +omzoomden tabbaard der zestiende eeuw. Het gelaat was blozende, +ofschoon het haar spierwit was, en in neus en mond was een sterke +gelijkenis met den nog levenden erfgenaam van den eerlijken naam der +_Nagels_ niet te miskennen. Er heerschte eene rustige waardigheid +in de stoffeering van dit vertrek, die oogen en gemoed honderdmaal +aangenamer aandeed dan de kleurige pracht bij de _Kegges_. + +De heer _Van Nagel_ liet wel wat lang wachten, maar toen hij binnentrad +was hij ook geheel gekleed. Hij heette mij terstond te gaan zitten, +en vroeg met het welwillendst gelaat van de wereld, wie ik was en +wat ik hem had mee te deelen. Ik maakte mij bekend. + +"En betreft uw boodschap eene zaak, die volstrekt onder vier oogen +moet behandeld worden?" + +"Ik zou zeggen van neen," antwoordde ik. + +"Wees dan zoo goed mij te volgen;" zeide de heer _Van Nagel_, die +mijn naam misschien van de freule gehoord had, en vermoedde dat ik +in het belang van de moederlooze _Suzette_ kwam. + +Hij ging mij voor naar eene groote tuinkamer, wier ruimte evenwel in +dit seizoen door een groot sineeschverlakt kamerschut was beperkt. Die +kamer leverde alles op wat de ziel tot genoegelijke genieting van +zichzelve stemmen kon. Er was eene aangename eenstemmigheid tusschen +het lichte behangsel en de zware slepende damasten gordijnen, die +allen tocht afweerden; tusschen de kleur van het breede vuurscherm bij +den haard, en de kleur van het kleed over de tafel; tusschen alle deze +dingen, en de beminnelijke uitdrukking van gelaat op het vrouweportret, +dat boven de piano (zeldzaam voorrecht, op het rechte licht!) hong, +en tusschen dat gelaat, en de edele en teffens zoo zachtaardige +trekken van den baron en van de jonkvrouw _Van Nagel_. + +Toen ik gezeten was, begon ik den eerbiedwaardigen edelman mijne +zaak voor te stellen. Ik zeide hem dat ik mij tot hem wendde in het +belang van een jong mensch, die eene ondergeschikte betrekking bij +de stedelijke administratie had. Ik verhaalde hem hoe die jonge +mensch door een samenloop van omstandigheden (bedelaarsstijl), +gebrek aan gunstige vooruitzichten, en hoofdzakelijk ten gevolge +van de listige bemoeiingen van een zijner superieuren, het voor hem +noodlottig voornemen had opgevat om naar de West te gaan, en dat ik +dat voornemen door tusschenkomst van zijn Ed. hoopte te verijdelen. + +"Ziedaar het argument van uw boodschap," zeide hij glimlachende; +"nu de expositie met naam en toenaam, als 't u belieft!" + +Ik verhaalde hem, dat ik van zekeren _Reindert de Maete_ sprak. + +"Een oppassende jongen!" merkte de heer _Van Nagel_ aan, zonder mij +evenwel in de rede te vallen. + +"Van zekeren _Reindert de Maete_," zeide ik, "wien men, en wel +voornamelijk een zekere mijnheer _Bout_, die aan het hoofd schijnt te +staan van het bureau, waarbij hij klerk is..." (de heer _Van Nagel_ +zag zijne dochter veelbeteekenend aan) "de West-Indiën zoo schoon +en voordeelig heeft weten af te schilderen, dat hij, vol ambitie, en +gekweld door eenige teleurstellingen, het voornemen heeft opgevat er +naar toe te gaan; ja, dat hier werkelijk al een begin van uitvoering +had plaats gehad, daar de heer _Bout_ reeds voor hem, en met zijne +toestemming, een engagement met zijnen (_Bouts_) broeder, die in +Suriname eene plantage scheen te hebben, had aangegaan, die hem als +eerlijk man verplichtte met de eerste gelegenheid te vertrekken...." + +"En nu is uw verlangen," zei de heer _Van Nagel_ met voorkomende +goedwilligheid, "dat ik den jongen _De Maete_ zijn ontslag weiger?" + +"Hetzelfde!" antwoordde ik. + +"Welnu!" zeide hij, "hij zal het niet hebben, mijnheer +_Hildebrand_! Hij zal het niet hebben, _Constance_! "Wij laten onze +kinderen niet weggaan op een aanbeveling van den heer _Bout_. Hebt +gij ooit van een broer van den heer _Bout_ gehoord, die in de West +zou zijn?" + +"Nooit, papa!" antwoordde de freule. + +"Welnu, mijnheer," hernam de baron, "wij kennen mijnheer _Bout_, en wij +kennen den jongen _De Maete_. Wij zullen alles in orde brengen. Kent +_gij_ de beide heeren?" + +"Den heer _Bout_ zag ik een oogenblik. _De Maete_ heb ik nooit gezien." + +"Zoo, zoo," antwoordde de heer _Van Nagel_; "nu, wees gerust. Ik zal de +zaak onderzoeken. _De Maete_ zal niet naar de West-Indiën gaan. Eéne +vraag, zoo het niet onbescheiden is: waarom beijvert gij u zoo zeer +voor iemand, dien gij in 't geheel niet schijnt te kennen?" + +Die vraag maakte mij verlegen, hoe vriendelijk de oogopslag ook mocht +wezen, waarmede de baron op mijn antwoord wachtte. + +"Mijnheer!" zeide ik, en ik geloof dat ik bloosde, "er is een dame in +het spel; een jong meisje, dat belang stelt in den jongen _De Maete_, +maar dat evenmin van den stap onderricht is, dien ik heden doe, +als de jonge _De Maete_ zelf." + +"Ik dacht het haast," zei de heer _Van Nagel_, glimlachende. "Nu, +de zaak is er niet erger om, geloof ik." + +Ik maakte eene beweging om heen te gaan. + +"Wacht nog een oogenblik," zeide hij, en zou voortgegaan zijn, +maar de knecht kwam binnen en diende den heer _Van der Hoogen_ +aan. Onwillekeurig kwam de uitdrukking eener onaangename gewaarwording +op het gelaat van vader en dochter beide, doch werd even spoedig +onderdrukt. + +"Zeg dat ik mijnheer nu niet zien kan; dat ik _en besogne_ ben." + +"Mijn dochter," voer hij daarop tot mij voort, "heeft u gisteren, +geloof ik, ergens ontmoet?" + +"De freule was met mij in het huis eener treurende." + +"Gij kent die juffrouw _Noiret_?" + +"Ik heb haar een paar malen ontmoet, en ken haar uit de berichten +van lieden uit den kring tot welken zij nu behoort." + +"Zij maakt soms kleeren voor mijn dochter," ging de heer _Van Nagel_ +voort, "en die is zeer over haar tevreden. Het is een bescheiden +meisje, en zij heeft ondersteuning noodig. Weet gij iets meer van +hare familie dan wij?" + +Ik deelde hem alles mede wat ik wist, én voegde er bij, hoe _Suzette_ +om haar allerliefst karakter algemeen bemind was bij degenen die het +voorrecht hadden met haar omtegaan. + +"Dat zei de dokter ook, niet waar, _Constance_?" antwoordde de +beminnelijke man. "Ik dank u, mijnheer, voor de inlichtingen. Gij +studeert te Leiden?" liet hij schielijk volgen, toen hij zag dat +ik weder mine maakte van te vertrekken. "Blijf nog een oogenblik; +ik heb u uitgehoord; nu moet ge niet ineens weggaan. Ik heb ook te +Leiden mijn graad gekregen." En daarop begon hij eenige herinneringen +uit zijn studententijd op te halen. + +"Het is de aangenaamste tijd van 't leven, zegt men wel," zeide hij ten +slotte, "maar zoo ondankbaar ben ik niet jegens mijn overleden vrouw +en lieve dochter, dat ik dat toestem. En daarenboven, het doet nog +meer goed zich in de wereld een Man te gevoelen, dan een Student. Ik +hoop dat gij het ondervinden zult." + +Na nog eenige algemeene gesprekken, waar ook de jonkvrouw deel aan +nam, verliet ik deze woning, die mij als een verblijfplaats van +zielsrust, verstand, en deugd was voorgekomen, vol dankbaarheid aan +mijn gesternte, dat mij, in zoo weinige dagen onder zoo verscheidene +daken, en met zoovele lieve en goede menschen in aanraking gebracht +had, om mij in de overtuiging te versterken, dat beminlijkheid en +voortreffelijke deugden niet het bijzonder eigendom van bepaalde +standen der maatschappij zijn, maar aan alle gelijkelijk kunnen +toebehooren; terwijl ongetwijfeld die mensch het gelukkigst is, +die terdege weet wat en wie hij is, wat hij vermag, en wat hij wil, +zonder zijn heil te zoeken in hetgeen buiten zijn bereik ligt, zich +verzekerd houdende, dat hij in het geruste midden van zijn kring ruim +zoo veilig is als aan den zoo kwetsbaren omtrek. + + + +Mijn kleine rol was afgespeeld, mijn werk riep mij, en ik kondigde +mijn vertrek aan. Drie dagen later werd ik weder wakker op mijne +kamer in de Sleutelstad, en tuurde ik in mijn hoekspiegeltje om te +zien of de Breestraat nog breed was. + + + +Maar nu zullen diegene mijner lezers, die het geduld gehad hebben +deze tafereelen te volgen, niet willen dat ik de pen nederleg, voor +ik nog ten minsten iets vermeld heb omtrent het verdere levenslot +der opgevoerde personen. Ik durf zeggen dat ik niet behoor tot +de schrijvers, die er genoegen in scheppen, hunne lezers met +teleurstellingen te plagen. Dit is onbehoorlijk, en schijnt mij +toe met de beleefdheid te strijden, die den auteur in dubbele mate +betaamt. Daarom zal ik pogen aan dezen natuurlijken wensch zooveel +mogelijk te voldoen. + +_Henriette Kegge_ is in het verleden jaar gehuwd met een kapitein der +rijdende artillerie, dien zij, vrees ik, een weinigje op het uiterlijk +genomen heeft, maar die gelukkig blijkt een zeer verstandig man te +zijn, die haar karakter uitmuntend weet te vatten en te leiden, aan +haar verstand en gaven eene goede richting te geven, en zelfs een zeer +gunstigen invloed geoefend heeft op de houding der geheele familie, +mijnheer niet uitgezonderd, die er tegenwoordig veel minder op uit +is de groote hanzen en adellijke heeren naar de kroon te steken, ze +in het geheel niet meer benijdt, en daardoor meer en meer hij hen in +aanzien komt. + +Mevrouw is, naar ik hoor, nog altijd dezelfde weinig sprekende en +weinig bewegelijke dame; alleen heeft het sterven van een harer twee +lievelingen haar eenige bange dagen gekost. Ik ben zoo gelukkig niet, +mijne lezers te kunnen mededeelen of het Azor geweest is of Mimi. + +De heer _Van der Hoogen_ heeft zich in het beheer van zekere aan +zijne verantwoording toebetrouwde gelden zoo weinig charmant gedragen, +dat hij het raadzaam heeft geacht op een goeden morgen zijn hotel in +den beddewinkel voor goed te verlaten, tot niemands spijt dan van den +beddemaker en zijne eegade, die een halfjaar kamerhuur en een aardig +sommetje aan verschotten aan ZEd. te kort kwamen. + +De Zoete Inval is nog altijd een degelijke koekwinkel, +en tegen St. Nikolaas-avond zijn er nog immer prettige +verguldpartijen. _Saartje_ is de verloofde van een hupsch jong +mensch, die eene niet onbelangrijke zaak in manufacturen drijft. Ik +recommandeer haar toekomstigen winkel aan het schoone geslacht. Het +zal een lust zijn bij haar te koopen. + +_Suzette Noiret_ werd, onder den titel van kamenier, een zeer +bevoorrecht persoon bij de freule _Constance_. _De Maete_, door den +baron in bijzondere bescherming genomen, is zeer spoedig ter secretarie +opgeklommen en bekleedt nu den post van den heer _Bout_, die aan de +gevolgen van zijne ongeregelde levenswijze is overleden. Hij is de +gelukkige echtgenoot van de mooie _Suzette_, en ik heb een brief van +de jonge lieden, waarin zij zich veel inbeelden van "verplichtingen +aan den heer _Hildebrand_". + +De baron leeft nog steeds met zijn dochter in dezelfde kalme en +liefelijke stemming. Zij beide stichten zoo veel nut en doen zoo veel +goed als zij kunnen; en de freule gaat met een hart vol liefde den +tijd te gemoet, waarin de heer _Van Nagel_, die al zachtjes aan vrij +oud begint te worden, haar hulp nog meer zal behoeven. + +En de grootmoeder?... is niet meer onder de levenden. Volgens haar +uitersten wil is zij op het kerkhof bij de Marepoort te Leiden, in +het graf, waarin ook haar lieveling rust, bijgezet. Haar hond heeft +haar niet lang overleefd. + +En ik ontving uit haren naam een pakje, waarin het ringetje met den +zakdoek, en in het Engelsch deze woorden: + + +"Gedenk aan den lieven _William_ en aan zijne Grootmoeder, + +1840. _E. Marrison_". + + + + + + + +'S WINTERS BUITEN. + + +Bij de dingen, die men, zonder veel nadenken, gewoon is bij +zichzelven vast te stellen, behoort onder anderen de meening, dat +het des winters buiten even onaangenaam is als des zomers louter +gelukzaligheid. Menschen, die niet zonder opera's, concerten, +en soirees leven kunnen, mannen, die behoefte hebben dagelijks de +sociëteit te bezoeken, en vrouwen, die niet gelukkig zijn of zij +moeten ten minsten eenmaal des weeks _groot toilet_ maken, mogen zich +in dit denkbeeld vastzetten; maar voor stille huiselijke gemoederen, +die van het bij uitstek wereldsche genoeg hebben en den cirkel hunner +genoegens, hetzij die les hun zachter of gevoeliger is voorgehouden, +zachtjes aan hebben leeren inkrimpen: voor hen is het er in den +kouder tijd vooral niet minder genoeglijk dan in het warme seizoen; +ja, geloof mij, indien ik u zeg, dat op het stille land de winter +oneindig veel korter valt dan in de stad met al hare--_ressources!_ +Daar toch maakt hij, met zijne voorhoede en nasleep van donkere dagen, +een groot en langdurig jaargetijde uit, dat men door allerhande in +'t oog loopende kunstmiddelen zoekt op te korten en door te komen; +buiten daarentegen, is hij slechts de spoedige overgang van een +gerekten herfst tot een vroege lente. Want hoe kort een tijd verloopt +er tusschen het afvallen van het laatste eikenblad tot op het uitloopen +van den voorlijksten kastanjeboom! + +Als het twee dagen van de zeven hard waait, en twee andere dagen +regent en hagelt dat het een weinig klettert, dan blijven de steelui +binnen hunne muren, _ook zelfs_ gedurende de drie dagen van de week, +die overblijven, waarop de zon bij tijden door de wolken breekt en +allerliefst schijnt over de kwijnende natuur; want zij hebben van 's +morgens af dat zij hun bed verlieten, tot twaalf uren toe, een nevel +gezien, en weten niet welk mooi weer daar in het najaar gewoonlijk op +volgt; en al weten zij dat ook, "zij gaan niet meer uit; zij kunnen +niet meer op het weer aan"; zij durven niet zonder, zij willen niet +mèt een regenscherm wandelen; hun, toch noodzakelijke, overjas valt +hun te zwaar; en honderdmaal op een dag herhalen zij voor elkander de +afgesleten opmerking, "dat zulk weer erger is dan een fiksche kou", +en dat zij naar een vuurtje zouden verlangen om de nattigheid, en +ook stellig stoken _zouden_, indien het maar November ware. Het is +dan half October, en hun winter is formeel begonnen. + +Met November komt het vuurtje, komen de tochtlatten met schapevacht, +de lange avonden, de morsige straten, en de onstichtelijke koude in +de groote kerken, met en benevens alle soorten van overkleederen. Dan +volgt December, met de boa's en de moffen, en de almanakken (morgenrood +en avondschemering, in onderlingen wedstrijd) en de St. Nicolaas, +als het altijd te slecht weer is om uit te gaan, met een onverwachte +sneeuwbui, die op éénen dag twintig nieuwe dameshoeden bederft, +en de kleine nachtvorsten die doen rillen, niet van koude, maar +van schrik. Het heilig kerstfeest, op het land zoo liefelijk, zoo +eerbiedig gevierd, en zich zoo harmonisch aansluitende aan de vredige +stilte, die het voorgaat en opvolgt, geeft in de stad het teeken voor +drukte en gewoel en feestgejuich van allerlei aard; en na den ijslijken +nieuwjaarsdag, waarop honderden verkouden worden, wordt een eerlijk +huisvader overstroomd van concertprogramma's, die hem met een benepen +hart de hoofden zijner op uitgaan beluste dochters tellen doen; en er +is een onafgebroken spreken en handelen in de stad over danspartijen +en comedies en soirees littéraires, en soirées musicales, en andere +soirées, die noch het een noch het ander zijn, maar uiterst stijf +en vervelend en akelig; en men verzadigt zich zoo over en te over +aan de wintervermaken, dat men er in vier weken genoeg van heeft. En +onderwijl regeeren de koude en de armoede, het ijs in de grachten, +en de bedelarij op de sluizen. En nog twee volle maanden kijkt men +mismoedig elken morgen op den thermometer, en telt men morrende het +aantal "wintertjes" op. En eer men den neus buiten de poort steekt, +moet er groen aan de boomen wezen; en eer men tevreden is over zijn +kleine wandeling, moet het tenminste Mei zijn. Dat is dus een winter +van half October tot de Meimaand toe. En dan heeft de steeman die +buiten komt een gevoel alsof er eene plotselinge, eene eensklapsche +verandering van decoratie gekomen is; want hij heeft niets van al die +opwekkelijke toebereidselen gezien, die de natuur maakt, noch haar op +den onderhoudende weg harer stille vorderingen mogen gadeslaan. Hij +heeft al de vreugde gemist, die de buitenman gesmaakt heeft, toen zijn +eerste kip begon te leggen en zijn eerste sneeuwklokje bloeide op den +naakten en harden grond. Hij heeft de ganzen niet zien vertrekken, +en de spreeuwen en de kieviten niet zien aankomen, noch ook, drie +dagen voordat de wind zuiëlijkte, van zijn weerwijzen tuinbaas of +grijzen pachter gehoord dat de wind zuiëlijken _zou_. + +Die een Buiten heeft, en genoodzaakt of verstandig genoeg is er 's +winters te blijven, staat des morgens met de zon op. Dat valt dan, +wat den tijd betreft, nog al gemakkelijk, want ook de zon zelve is +in dat jaargetijde niet zeer matineus. Maar laten wij elkander niets +wijsmaken! Hierin staan steeman en buitenman gelijk, dat dit oogenblik +het moeielijkste is van den geheelen dag. Want het bed is warm, +de kamer koud, en de mensch lui; daarenboven kan het water in het +lampet bevroren zijn, en de neiging om "zich nog eens om te keeren" +is ons geslacht aangeboren. Maar heeft men eenmaal gezegevierd, +dan heeft men buiten tenminste de zelfvoldoening de zon werkelijk te +zien; terwijl gij, heeren en dames in de stad! alweder het reusachtig +"_Manufacturen_" bij uw overbuurman lezen moogt, of het beknopter, +maar niet minder tergend "_Schrijf- en Kantoor-behoeften_"; op zijn +hoogst, indien uw overbuurman een logementhouder is, hebt gij het +voorrecht uwe nuchtere blikken op te slaan tot het vergulde beeld +van het lieve hemellicht zelf, met stralen van een duim dik en schele +oogen. Benijdbaar, zoo gij op een gracht woont, en niets ziet dan het +zwarte ijs, met hoopen asch en vuilnis, daar tot uw verkwikking op +geworpen in het oogenblik dat gij uwe legerstede verliet; benijdbaar, +zoo gij in een achterkamer huist, en over een smallen tuin tegen +de donkere gestalten van hooge pakhuizen met gesloten blinden op +moogt zien! Maar kom nu eens voor dit venster, dat op het oosten +ziet, en zie, over het weiland heen, grijs van vederachtigen rijp, +de koperkleurige kimme met die bloedroode schijf, half nog bedekt en +half opgerezen, die als wij kerstmis gehad hebben een rooden wedergloed +op de sneeuw zal werpen, duizendmaal mooier dan de beste bengaalsche +vlam over de zangerige helden van het vijfde bedrijf eener opera, of +over de heuvelen van doek in een ballet; of kijk, door het andere raam, +naar het westen uit, en zie de groene sparren met een dun en tintelend +weefsel behangen, en de statige menigte van eerwaardige dorre beuken +(een kaal hoofd _is_ eerwaardig) daar achter, met de toppen in den +nevel, die als zachte droppels langs de stammen leekt; die krijgen ook +na kerstmis hun schitterend sneeuwkleed aan, willen wij hopen.--Dat +is alles mooi, zegt gij, mijn waarde lezer! maar men kan toch den +geheelen dag niet naar de zon en naar de boomen kijken; wat voert de +buitenman uit? hoe houdt hij zich bezig? waarmede vermaakt hij zich? + +Het is December; zijn hout moet gehakt, en hij gaat rond met zijn +opzichter, om te zeggen welke opgaande boomen aan de beurt liggen +en welk hakhout het kapjaar heeft bereikt. Ook is de jacht nog niet +gesloten, en hij laadt "groote zes" op zijn geweer in plaats van +"kleine", want het haas heeft, zoowel als gij, zijn winterpels aan, +en als hij tot den donker toe de weitasch over den rechter- en den +hagelzak over den linkerschouder gedragen heeft, en het overgehaald +geweer in de hand, en een paar hazen en een paar houtsnippen voor +zijn vrienden in de stad bovendien, dan eet hij als een wolf, en wèl +zoo goed als gij, mijnheer, al gloeide uw kantoorkachel ook nog zoo, +en al hebt gij u ook nog zoo geanimeerd op de beurs. Des avonds is +hij veel te moe om zich te vervelen; hij maakt zich gemakkelijk met +kamerjapon en pantoffels, en heeft het zeer druk over het haas, dat +hij in "den looper" schoot en dat schreeuwde als een kind; het haas, +dat hij vlak in de "kamer" schoot, en morsdood lag; en het haas, +daar hij "de wol" heeft zien afstuiven, dat ook werkelijk over den +"bol" buitelde, maar toen de beenen weer opnam, om hier of daar in +een verborgen hoek te gaan liggen sterven; of wel, met het wagen +van gissingen, waar dat haas mag zijn gaan "drukken", dat hij in +de wijdte opgaan zag, en waar de snippen mogen zijn neergevallen, +daar zijn geweer op geketst heeft. En zijn gezin en buren, om den +haard vergaderd, hooren met belangstelling en welgevallen nog eens +naar de oude jachtfeiten, van de drie hoenders met de twee loopen, +en van de twee eenden in één schot!--Komen ook de boeren niet betalen +en daarbij hunne huiselijke zaken openleggen? En komt de dominé niet +om een partij te schaken? En schrijft gij zelf, daar binnen de muren, +geen boeken genoeg voor hem? En krijgt hij niet tweemaal in de week +een heel pak couranten, waarin hij tot zijn groote stichting leest van +de bezoeken van koningen en prinsessen in de hoofdstad; van tabliers +van diamanten en toiletten van goud; van acteurs die uitmunten +in hun nieuwe rol; van groote, grootere, grootste, allergrootste, +en extra allergrootste virtuozen; van stikvolle zalen, schitterende +kapsels, en onvermengd kunstgenot; van plombeering van holle tanden, +die hij niet noodig heeft, en "Source de vie, Levensbron" à f1,25 +de doos, die hij nog beterkoop heeft op het land; met en benevens +de harrewarrerijen over boeken-schrijven, waar hij zich niet aan +bezondigt, vioolspelen, dat hij alleen tot zijn eigen genoegen doet, +en de betuigingen van de redacteurs, dat het hunne gewoonte niet is +datgene te doen, dat hij opmerkt dat zij juist in den geheelen stapel, +dien hij vóór zich heeft, onophoudelijk gedaan hebben. + +Hij heeft ook zijn feestdagen. Het zal bij voorbeeld Koppermaandag +zijn; Koppermaandag, een dag, waarop de boekdrukkersgezellen bij +u in de stad de deuren afloopen met eene fatsoenlijke bedelarij; +laatste beroep op eene mildheid die reeds achtereenvolgens in de +begeerigheid van diender, koster, stovenzetter, lantarenopsteker, +brandblusscher, brandbezorger, torenwachter, knecht van 't Nut, en van +wie niet al? heeft moeten voorzien. Wij kennen hier niemand in dat vak +dan den boschwachter, die ons zijn groen almanakje komt aanbieden, +en wien wij bij die gelegenheid de houtbrekers nog eens aanbevelen; +want, om de waarheid te zeggen, deze, en de menigvuldige kraaien, +zijn onze eenige winterrampen.--Maar ik wilde van Koppermaandag +spreken. Dan hebben wij bij voorbeeld hier de groote houtveiling, +een publieke feestelijkheid, oneindig vermakelijker dan eene groote +parade, indien gij mij gelooven wilt. + +Tegen tien uren, half elf, kom dan eens kijken! Dan komen al de +boeren bij troepen door het bosch slungelen; een Kennemer boer heeft +nooit eenige haast, tenzij op de Alkmaarsche kaasmarkt, als het er +op aankomt eene goede plaats te "bedekken". Langzamerhand naderen +zij allen, de een met de handen op den rug, en de ander met de handen +in de zakken van 't wambuis, ter plaatse waar de parken nederliggen, +en waar de opgaande boomen staan die, met een blutsje van de bijl en +een nommer, ten doode zijn opgeschreven, en zoo onder de eersten als +bij de laatsten wordt naar gading gezocht. Elk hunner verbergt zijn +plan en drift om to koopen en zijne belangstelling om te zien onder +het volmaaktste laconisme. + +"Zoo _Jeepie_!" zeit de een; "mot jij ook een parrekie hebben?" + +"Nou jæ, jongen! ik kom mær rais kaiken!" + +"Nou"--de boeren beginnen bijna alle volzinnen met dit woord:--"Nou, +der binnen zware parken genog bai; mær der is ook 'en partij die sluw +[18] binnen, hoor." + +"Jæ," zeit een derde, die plan heeft er verscheidene te koopen, +"en eer je ze thuis hebbe!" + +"Zoo, _Jan Spitter_, een paar nieuwe hutten [19] der op +anëtrokken!" zegt een vierde tot den bezitter van dien naam, die zin +in het eigen park eiken heeft, waar deze nota van neemt. "Nou, dat geet +er op los hoorje! _Jan Spitter_, zel 't ons allemæl te kwæd maken." + +"Erg mooi weertje," merkt een vijfde aan, die verrast wordt in het +opkijken naar een boekoboom, daar hij het ophout van berekent. "Erg +mooi weertje! mær der hangt nog veul wind an de lucht; ik mocht liever +laien dat 'et wat droogde." + +"Dat mocht ik net, broer," antwoordt een oud boertje, zijn pijp in +de tondeldoos stekende en in een oogenblik de lucht met sterkriekende +wolken benevelende. + +"Daar bennen der nog zatter uit de stad ook, zie ik wel," merkt een +armoedige boer aan, vreezende dat de steelui hem zullen overbluffen. + +"Kaik hai met zen gepoeste laarsies," zegt een jong kerel met een +bloedroode wollen das om, die het met gemelde steelui luchtiger +opneemt. "Zoo bakkertje, je mot zeker weer een vaifie plokken?" [20] + +De bakker zet een verlegen gezicht en neemt voor, zich te houden als of +hij het niet gehoord heeft; maar bedenkt zich, haalt zijn tabaksdoos +uit, steekt met een echte bakkersgulzigheid zijn aandeel er uit in +de bleeke kaken, en antwoordt geestiglijk: "Motje _mijn_ hebben?" + +Intusschen zit de eigenaar met de zonen van den huize bij den boschbaas +om den haard, waar een boekeblok van de grootte van een osserib, van +'t hout van verleden jaar, aanligt, afkomstig van een boom, die den +boschbaas toevallig zoozeer is meegevallen, dat hij aan het ophout +zijn geld waard was en hij den stam nog vrij had. Daar zitten dan ook +de dorpssecretaris met zijn doornen stokje, groene wanten en grijzen +kop, en de beambte uit de stad, ten wiens overstaan "de aanzienlijke +partij hout zal verkocht worden". Een praatje, een kop koffie--daar +gaat de bengel, en alles verzamelt zich bij nommer Een. + +Nu worden de veilconditiën voorgelezen, met verschrikkelijke +bedreigingen tegen degenen die niet contant, dat is binnen zes weken, +betalen, de gaten niet behoorlijk dichten of bij het rooien honden in +het bosch meebrengen; bedreigingen die, bij gebrek aan dwangmiddelen, +de kracht hebben van vriendelijke verzoeken. Daarop vangt het gedrang +en de drukte aan. Sommigen koopen in 't begin, omdat het "wel rais +gaandeweg praiziger worden wil": anderen stellen het uit, in de hoop +"dat het meeste volk zachies an of zel trekken" en de beste koopjes +op 't laatst te doen zullen zijn. De secretaris doet zijn best om +ten duurste te veilen, en de koopers om voor 't minste geld klaar +te komen. Allerlei aardigheden worden over en weer gewisseld, en te +meer naarmate de houthakkers lustiger met het vaatje rondgaan en de +kleine stalletjes, die overal tusschen het gehakte hout zijn opgezet, +meer te doen krijgen. + +"Hadje nou je geld bewærd!" zegt de secretaris, met een ongeveinsde +bewondering voor het perceel dat hij met het uiterste van zijn stokjen +aanraakt, "jonges, jonges! wat 'en boomen! Dær kenje wel twee jær +van stoken! Hoe veul voor dat parkie? Wie zet dat nou rais in voor +twalef gulden? Al wou je maar zes geven? Niet allemaal te gelaik, +kindertjes! Drie gulden; met je drieën wel," enz. + +"Schai je der nou al uit?" heet het een oogenblik later uit den +mond van denzelfden magistraat, tegen een boer die aan bod is en, +zoodra hij hem aanspreekt, wegsluipt, uit vrees voor zijne bekende +satire. "Schai je der nou al uit, _Jantje_? En dat voor een kerel, +die _Jan Houtkooper_ hiet; 't is, jandoppie, skande." + +"Nou, wie dut park koopt, die het et waif met de koekkraam en de +flesch er op toe!" schertst hij alweder, als hij een perceel nadert, +waarbij een vroolijke zoetelaarster, met een dikken schoudermantel +om, hare handen zit te warmen aan de test, waar de boeren aan komen +opsteken. "Deer geef ik zelvers zeuven gulden voor; zeuven en 'en +kwart; en 'en half; en drie kwart; vol; eenmaal, andermaal: niemand +meer as acht gulden? Voor dat knappe vrouwmensch? En 'en half;--zoo +_Teunesie_, hebje niet genoeg an _ien_ vrouw, man?--Acht en 'en +half; negen; eenmaal, andermaal; kan de brandewijn je niet verlaiën, +maat? Nog 'en kwart; 'en half; negen en 'en half; eenmaal, andermaal, +derdemaal--geluk er mee! Da's een koopie, maat. Hoe hiet jij?" + +"_Jan van Schoten_." + +"Zoo; hiet jij _Jan van Schoten_? Heb je dan te Schoten geen hout, +maat?" En zich tot den boschbaas wendende: "'t Is hier 'edaan, +baas! Weer motten we nou heen? Na dat stuk teugen 't land van _Sijmen_, +niet waar? Kom an, kindertjes! Jonges, jonges, wat zou _Sijmen_ +zeggen as we deer reis met zoo'n hiele bende op de pannekoeken +kwammen? Dan mocht het waif den hielen dag wel deurbakken. Kom an: +maar weer van veuren of an! Nommer honderdëndertig; wie geeft deer +nou rais honderdëndertig gulden veur? Honderdëndertig centen, dat +zal der veur 't begin beter na rooien," enz. + +"Twee an bod? Wie het ierst esproken?" + +"_Ik_ heb ierst esproken!" + +"Hoe hiet jij?" + +"Ik hiet _Piet de Wit_." + +"Best hoor; ik zel zwart skraiven." + +Ziedaar aardigheden, voorzeker niet van de allerfijnste soort, en die +zeer verre onderdoen voor alle mogelijke rondgaande stads-bonmots en +calembourgs, maar die uit een gulle, vroolijke stemming voortkomen +en, in die stemming, op het boereland zeer goed opgaan, en opgaan +zullen zoo lang, om den nekrologischen stijl te gebruiken, "zoolang +boerenaardigheden in Nederland op hare rechte waarde zullen worden +geschat". + +Onder dit alles roepen de mannen en vrouwen en kinderen, die met drank, +moppen, en smakborden den trein, het geheele bosch door, volgen en +overal hunne draagbare tenten nederslaan, uit alle macht en alsof op +ieder der aanwezigen de zedelijke verplichting rustte iets bij hen +te verteren: "Wie 't zen beurt is!" "Je hebt al lang naar een slokje +verlangd, buur!" "_Arie, Arie_, wat is je keel droog!" "Aventuur je +'t niet rais? Zes der boven en twee der onder!" "Hier is _Keesje_, +hier is _Keesje_! Je het _niet_ te betalen; hij betaalt de koekebakker +ook niet!" En allen wenschen voor de zesenzeventigste maal "handgift" +te ontvangen. En de kleine boerejongens dringen, met de kinderen van +den dominé en van den chirurgijn en van het "groote huis", door de +menigte in alle richtingen heen, om let te spelen of schuilevinkje +achter de parken; of springen als jeugdige acrobaten van de eene +stomp op de andere; of laten zich van den eigenaar van 't bosch op +een schellingskoek tracteeren, daar hij hen, voor zijn rekening, +zoolang naar heeft laten gooien, tot hij hem op niet meer dan een +gulden te staan komt. + +Bij den laatsten koop begint er al wat reuring te komen, en bij +het laatste nommer--laat het een mager boompje wezen, dood in den +top--wordt een vijfje opgestoken; en een manneken uit de stad, dat +te opgewonden is om te cijferen, blijft er tot algemeene vreugd aan +hangen. En de pret is uit, behalve voor den boschbaas en voor de +magistraten, die bij de veiling hebben geassisteerd en op een stuk +gebraden rundvleesch met grauwe erwten onthaald worden. + + + +Maar het is in 't laatst van Januari, en uw barbier hangt u +telken morgen verschrikkelijker tafereelen op van de duimen dik, +die het in de stadsgrachten gevroren heeft. Nu komt ook gij met +een volksfeest voor den dag, en verheft de borst trotsch op uw +ijsvermaak. "Uw ijsvermaak!" ik neem er mijn hoed voor af, schoon +ik niet van ijs houde en er liever buiten blijf, omdat ik zoo dol op +het levende water ben. Uw Amstelkermis, o Amstelaren! Uw Maaskermis, +o Rotterdammeren! "bieden een treffend schouwspel aan"; uwe courantiers +kunnen er niet genoeg van zeggen; als gij wandelt, rijdt, harddraaft, +kolft, biljart, bittert, en zelfs stookt op het ijs, waar zich alle +standen aan hetzelfde vermaak overgeven, de hooggeborene in zijn +polonaise en de watervoerder in zijn schippersbuis; als een akkoord van +'t vereenigd gekras van duizend hollandsche en engelsche en friesche +schaatsijzers de lucht vervult, terwijl de narretuigen rinkelen, +en de zoetelaars met brandewijn van "negentig graden!" die pogen te +overschreeuwen; als al de pracht van met bont gevoerde en gezoomde +douillettes, pelzen en sjaals door de heldere winterzon beschenen +wordt, en eene weelderige maatschappij haar grootsten rijkdom tegen +de soberste karigheid der natuur schijnt te willen over zetten. Maar +denkt niet dat wij buiten ook geen ijsvermaak hebben! Pret hebben wij, +degelijke pret; en ik wenschte wel dat gij die ook hadt. + +Ik onderstel dat gij zelf bezitter zijt van een of ander landhuis nabij +een klein dorp; daar zult gij ook een ijsvreugd zien en, indien gij van +kinderen houdt, zal zij u verrukken. De volwassenen versmaden dezen +geringen plas; maar hier hebben wij den kleinen dikken _Wulbert_ met +de mooie oogen, die zijn schaatsjes loopt halen, zoodra hij hoort "dat +de jonge heeren er op mogen", en zijn nog kleiner broertje meebrengt, +dat voor het allereerst begint te scharrelen. Alras verzamelt zich +uit alle woningen een aardig troepje van boertjes en boerinnetjes, +die elkander alle bij den naam noemen en zeer familiaar zijn met +de jonge heertjes en jonge juffrouwtjes van de Buitens, die hunne +schaatsen binnenskamers hebben aangebonden met groot rumoer, en die +met roode bouffantes en even roode wangen zich in den stoet komen +mengen. Daar stijgt de vroolijkheid ten top en het kleine grut glijdt, +scharrelt, en zwiert, en draait door elkander, en valt op een hoop, +en poeiert elkaar met sneeuw; en de jongens zitten de meisjes op hunne +schaatsen na, en kapen ze de losse hoedjes van 't hoofd, zonder dat +ze daarom nog verkouden worden, en rijden er in triomf mee rond op de +punt van hun ijshaakjes; en de slee gaat heen en weder met een heele +vracht kleine meisjes er in, en met een heele bende kleine jongens +er achter, en zwiert bij het omdraaien "zoo verschrikkelijk!" dat +zij het allemaal uitgillen. En dan zult gij, de landheer zelf, lust +hebben om den zoetelaar te spelen, en de vroolijke jeugd te verkwikken +met koek en een schijntje van brandewijn met suiker; en dan gaat er +een vreugdekreet op; en de boerekinderen hebben nog nooit zoo iets +lekkers geproefd, en de arbeider, die de baan geveegd heeft, wordt ook +niet vergeten, en glist af en aan, met zijn bezem over den schouder, +en maakt gekheid met de kleine deugnieten, en krijgt onverziens een +sneeuwbal aan zijn ooren dat ze tintelen; en dan raakt de deugniet, +die den sneeuwbal gegooid heeft, van de been, en schuift een heel end +ver over 't ijs voort, en daardoor heeft een andere deugniet, die al +tweemaal op zijn neus gelegen heeft, onuitsprekelijk veel genoegen. En +dan komt er een scheur in 't ijs, "van de sterkte!" zoodat het kleine +ventje, dat voor 't eerst op een paar verroeste ijzertjes staat en, +met zijne dikke armen in een nauw buisjen in de lucht roeiende, +zich de illusie maakt vooruit te komen, stilletjes afbindt; maar de +mannen van een twee- of driejarige ondervinding spreken van balken +die er onder komen; en het is alles drukte en gejoegjag en geluk; +en al de jongens en meisjes weten niets prettiger dan dat het hard +vriest en er morgen weer een duim dik ijs ligt in het gat dat heden +gehakt is, waarvan zij u des morgens de bewijzen komen vertoonen op +uw bed. De donkerheid alleen maakt een einde aan de vreugd, waarin +het middagmaal slechts een kleine pauze teweegbrengt. Maar laat het +maar lichte maan zijn, dan komt er nog menigeentje weerom, en wel +eens een grooter slag van rijders ook, waar de andere wateren des +avonds te ver-af of te vol gevaars voor zijn; en zoo ge geen lust +hebt om mee te doen, gij kunt het zien, daar gij voor den haard zit, +die de gezichten uwer lieve gade en schoone dochters verlicht met de +vlammen van steenkolen, die vooral dan helder zijn, als gij er een +splijt met de punt van de pook; terwijl het vertrouwelijk schemeruur +een macht van zoete herinneringen medebrengt, een overvloed van +gezellige praatjes uitlokt. En wellicht brengen u de gesprekken uwer +huisgenooten op het een of ander schoon gedicht of belangrijk boek, +dat uwe kleine boekerij versiert; en des avonds, als alles stil is +in en om het huis, leest gij er uwen kleinen kring uit voor, onder +het genot van een glas warme punch of streelende kandeel, en denkt er +niet aan, hoe in dat zelfde oogenblik, in een der gehoorzalen van de +hoofdstad, een jeugdig slachtoffer van zijne eigenliefde en van den +secretaris eener geleerde maatschappij, in een zwart pak kleeren en +met een bleek gezicht, wordt _opgebracht_ door een statigen stoet van +achtbare mannen, om tusschen zes waskaarsen en voor een aanzienlijke +schaar van heeren met en zonder ridderorden en mooi gekleede dames +(ik meen "geachte vrouwenschaar"), eene verhandeling te lezen die +verveelt, of een dichtstuk dat al te akelig is, van een man die bij +vergissing met zijn zuster trouwt, of van een juffer die zich dood +treurt op een toren. + +Wilt gij nog een andere tegenstelling? Ja, vergun er mij nog ééne; +gij houdt misschien niet van tegenstellingen; maar laat ik u nog op +deze ééne onthalen; zij zal treffend zijn. Maar nu verbeeld ik mij +u weder als steeman, en gij woont in Amsterdam of te 's Gravenhage. + +Het is in het laatst van Februari. In uwen kring, in uw cercle, in uw +sociëteit, hoe wilt gij? misschien wel in uw huis, heeft zich, onder +al de _over_sluieringen der étiquette en _ont_sluieringen der caquets, +een droevig drama ontwikkeld. De schoone _Emmeline C._ was op alle +de feesten van dezen winter "reine du bal". Zij werd gefêteerd; zij +werd geadoreerd. Hare moeder was trotsch op haar; zij was trotsch op +zichzehe. Op de soirée van mevrouw v. W. ontmoette haar de jonge _Van +Staten_ en maakte "onbegrijpelijk veel werk van haar". Op het concert +van--noem eenen onovertrefbaren uit de tienduizenden onzer dagen!--was +het in het oog loopend hoe hij om haar heen fladderde. Op het bal ten +uwen huize (waar men zich zoo allercharmantst geamuseerd heeft, lieve +mevrouw!) en op al de casino's, week hij nauwelijks van hare zijde, +was onbegrijpelijk "aux petits soins", en men heeft zijn oogen zien +vonkelen als tijgeroogen als zij met een ander walste. Deze jonge +_Van Staten_ had een zeer innemend uiterlijk, zeer goede uitzichten +vóór zich, en een zeer respectabele familie achter zich; wat wonder +zoo zij ten laatste, door een weinigje te boudeeren, weten wilde +wat hij voorhad! Wat doet het monster op de laatste soirée, die +hij met haar bijwoont? Hij ziet haar nauwelijks aan; met een stijve +buiging vraagt hij haar ter nauwernood hoe zij vaart; als zij, op +aller aandrang behalve de zijne, zich aan de piano zet en zingt, +ziet zij hem, in den spiegel, die daarboven hangt, geabsorbeerd +in een gesprek--met een andere schoone? Neen; met heeren, met een +geleerde, met een diplomaat. En, een oogenblik later, neemt hij de +kaart op voor eene bejaarde dame, die, daar een andere bejaarde dame +en twee bejaarde heeren het haar in 't omberen te lastig maken, hem +verzocht heeft haar eens af te lossen. Den geheelen avond geen woord, +geen blik van hem voor de schoone _Emmeline_; en den anderen dag het +gerucht door de stad, dat zijn engagement met de freule E. te X., dat +reeds sedert dezen zomer gehangen moet hebben, er dóór is.--Het hart +der arme _Emmeline_ is gebroken ... neen! vergiftigd. Van dezen +oogenblik af is de gansche wereld haar geveinsdheid en mommerij, +en het geheele mannengeslacht louter valschheid. Echter wil ook zij +een mom dragen en evenzeer veinzen. Maar kan zij het weren dat al +hare vriendinnen haar in hare bijeenkomsten beklagen, en dat zij, +weken lang, onder den titel van "het meisje dat infaam behandeld is", +de toevlucht wezen moet der kwijnende conversaties op fluweelen sofa's +en der levendige tête-a-têtes bij marmeren schoorsteenmantels en in +vertrouwelijke vensterbanken? + +Maar nu zie ik mijn buitenman een bezoek brengen bij een zijner +boeren, en met hem nederzitten bij diens namiddag-koffie-en-boterham, +in gezelschap van een koopman die, met een hoog, langwerpig pak op +den rug, op den boer reist, en in diepe stilte tegen zijn koffie +blaast, terwijl de vrouw en de meiden zich bedenken of er ook wat +noodig is. Maar de oudste dochter is naar de stad, en mijn buitenman, +die gaarne over de jonge deernen praat, acht de gelegenheid geschikt +om te vragen: + +"Wel _Jantje_! heb ik het al, of heb ik het mis, dat je dochter +trouwen in het hoofd heeft?" + +"Nou, heerschop!" is zijn woordenrijk antwoord, "de lui willen zoo +_veul_ zeggen; 't zou er kwed uitzien as we 't alles leuven wouwen; +ik zel niet zeggen dat ze niet rais deur een borst is ansniejen; +maar trouwen, zel ik mær zeggen: nien! dat laikt er niet nee." + +"Heije je nou al bedocht, _Trijntje_?" vraagt de koopman. + +"Nou jæ," zeit _Trijntje_: "geef me een kloentje zwart garen." + +"En main, 'en stuk of vier heinsknoopies," zeit de vrouw. + +"Ik had verleden najaar al gehoord dat ze met een vrijer te kermis +geweest was," zegt mijn buitenman, die niets van dien aard gehoord +heeft. + +Maar de boer en de vrouw nemen bedenkelijke gezichten aan, die te +kennen willen geven dat er te veel dak op 't huis is, en de landheer +vindt het gepast zijn gesprek te veranderen. + +"Hebje daar een potlammetje?" zegt hij, op een klein zwart dier +wijzende, dat op de vuurplaat geknield ligt, naast een dikke kat, +rood en zwart geplekt. + +"Och jæ," zeit de vrouw; "we hebben twee lammetjes van dat ooi, ien +witje en ien zwartje, dat dan dut is. Maar 't iene het ie zóó dat 'et +'eboren was likt en opgnapt, maar het zwartje het ie leggen leten; +en ie wou 't niet leten zuigen ook, of we mosten hem vasthouen; en +nou leten we 't dan mær zoo drinken uit 'n trekpotje. 't Is mær het +akelekst dat het overal veuligheid doet." + +"Jæ," herneemt de boer, "en mot meneer de kalven niet rais kaiken?" En +mijnheer staat op en volgt hem naar het hok daar zij zich bevinden. + +"Kaik hier; der zijn der drie; twee kuitjes en ien bulletje; dat iene +kuitje is van daag 'ekomme. Leelijk haar, niet waar meheer!" + +"Hij is al heel zwart." + +"Hielkendal, meheer! Maar weetje wat _ik_ zeg? Je mot gien beest om +zen haar verachten; ik denk dat 'et niet past, en dat je der gien +zegen op hebbe kenne, zel ik mær zeggen. Je heb mense, die zijn er zoo +keurig op, kaik! maar ik zeg dat 'et niet past; en ik zel dat zwarte +kuitje anleggen, zoo goed as dat bonte. En weetje wat _ik_ denk? 't +is nog beter as 'en hiele witte, want die worden dan skrikkelek van +de vliege plaagd, en ze zam ook erg kouwelek; gunder steet er iene, +die het een rond jær met 'et dek 'eloopen." + +"Maar as 't nou eens een _rood_ kuitje was?" + +"Jæ, _dan_ most 'et weg; die brandrooie mag ik niet," zegt de +philozoische boer, die geen beest om zijn haar wil verachten, maar +wien dit vooroordeel te machtig is. En plotseling het vroeger gesprek +weder opnemende, gaat hij ten overstaan van de twee kuitjes en het +eene bulletje, die hij beurtelings op zijn hand laat zabberen, voort: + +"Nou kaik, je bent best onderricht ook, hoor! En ze had 'er zinnen wel +op 'em steld ook, zei ik maar zeggen; maar ik en 't waif hadden gien +erge zinnighaid in de borst, en deerom is er dan ook niet van komme; +want _Hil_ is 'en erg best maidje, kaik, dat lijkt erniet nee; 't is +me stiefdochter, mær of was 't men aigen, 't kon niet beter zain; +en de miester zait dat hai er nooit zoo ientje zien hadde, en zoo +erg gnap, zei ik nou mær zeggen, in 't gien deer hai der inleerd het; +en et waif zait dat _Hil Zoo_ erg best is voor skrobben en skuren en +keezen, en zoo hielkendal gnap in 't werk, dat 'n best waif zoudie +er an had hebbe. Maar jæ, 'k miende den nou, zel ik mær zegge, dat +ze zoo'n best maidje is, om reden dat ze 't zoo in iene hielkendal +uit 'er hoofd 'zet hadde. 'k Zaide: _Hil_! zaid' ik, das nou iens +veur de fiedel met _Hain_, mær je weete, dat 'et veur 't lest is +ook. Nou, ik zag ze wel, dat ze erg zuinig keek; mær ik dæn of ik +'t niet bespeurde; en 't ierst dat ie weer weter veur der dreege, +zag ik dat zem gnap op zai douwde, en 't leek wel dat ze zaide: Vær +wil hielkendal niet van je ofweete. Mær zoo as dat geet, meheer; +'t laikt wel, zei ik mær zeggen, of je niet van mekær of kenne, +as je't iens op mekær begrepen hebbe; 't was met main en _Geesie_, +dat nou de vrouw van _Tak_ is, krek al ien, in me jonge taid, meer ik +was er vær veul te skræl van skaiven, en nou heb ik an _Marijtje_ 'en +erg best waif. Nou, mær ik zagge den wel, dat 'et met _Hil_ en _Hain_ +niet goed of zou komme, en ik zaide teugen 't waif: Waif, zaide ik, +je kent 'et nog wel rais anzien, mær as 't nee _main_ zin geet, dan mot +de borst weg. Mær de vrouw miende dat ie zoo erg best in 't werk was, +en dat we hem niet allienig wegzende mogge omdat ie rooms kattelijks +is, want dominé hadde zaid dat we drægzæm met de roomse wezen motte, +en 'et waif het bij de miester weund, en die weet 'et den erg best, +en die zaide ook zoo. Mær ik zeg: nou _Marijtje_, de borst _mot_ weg, +zeg ik; of je nou hoog of leeg danse, de borst mot _nag_ weg; want +ik bin allan baas bleven in 'et huis, en dat weet 'et waif ook wel; +en deerom, toen ik allan zaide: de borst _mot_ weg, zaide 't waif: +wel nou, leet ie geen, as jai denke dat 't veur _Hil_ der best is; +en zoo is ie 'geen ook." + +"En wat zei _Hil_ er wel van?" vraagde de landheer, die als hij uw +laatste romans gelezen heeft, o heeren uit de stad! denken moet dat +het meisje ten minste eenige teringen gezet heeft. + +"Wèl nou, deer wil ik den ook wel leuven dat je _Hil_ voor wezen +mot om zoo te doen as zai dæn. Ik speurde in de beginne wel dat +'et er niet an en stond, mær ik zaide: _Hil_, zaide ik teugen der, +nou, leg niet te knaizen ook, maidje, want de borst _is_ ienmæl weg, +en hai _blaift_ weg. En kaik, ze is weer an 't keezen 'geen, en op +melkerstaid onder de koeien, krek of niks beurd wazze!" + +En de houten klink wordt opgelicht, en de heldin der historie +verschijnt, het helder voorhoofd met het schoone mopje beplooid, +het gele jakjen aan, een hengelmand onder den arm, en vroolijkheid +en schalkheid in de blauwe oogen; en de landheer geeft haar een +vriendelijk kneepjen in de wang, en zegt: + +"Zoo _Hil_, ik zei daar net tegen je vader, dat je zoo'n knappe meid +wordt en dat het me verwondert dat je nog niet aan 't vrijen bent." + +"Vrijen meheer?" zeit _Hil_, "ik weet niet wat ik liever dee"! En +ze huppelt haastig voorbij, en doet haar moeder bescheid op de +boodschappen, en helpt den reizenden koopman in het opladen van zijn +pak, en vraagt hem lachend of hij wel weer zou kunnen opstaan, als +hij er mee voorover viel. + +"Zou je me helpen, _Hil_," vraagt de koopman met een smeekend oog, +"as je me zag leggen?" + +"Deer zou ik rais over denken!" zegt de vroolijke Hil. "Dag +_Doris_! Wel thuis, meet! Val mær niet, hoor! En _as_ je valt, +_Doris_! al is 't ook nog zoo leet in den evend ...." + +"Nou; wat dan?" vraagt de koopman met een sentimenteelen lach. + +"Kom den hier, hoor; den zei 'k je ophelpen. Dag DORISbuur!" + + + +De maand Maart is in 't land, met hare gehate afwisseling van sneeuw, +storm, en regen. De geheele stad hoest en proest en vraagt met +verontwaardiging hoe zij aan den onverdienden naam van lentemaand +komt. De buitenman vraagt het niet, want voor hem is zij rijk aan +bemoedigende verschijnselen, aan bewijzen van nieuw leven en nieuwe +kracht der natuur. Als hij in de heldere dagen of op de heldere uren +van den dag, zijn esschen stok opneemt en rondwandelt, ziet hij alom +de braakakkers vervuld met deftige schapen en vroolijke lammeren, +die op de stoppels grazen; ziet hij den ploeg drijven door de stoppels +van andere, die dit jaar hun vrucht zullen moeten opbrengen. In zijn +vijvers zijn de eenden gekomen, die een nest zullen bouwen onder de +lage takken van den sparreboom aan den oever; de hazelaars bloeien; +zijn moestuin wordt sedert vrouwendag in orde gebracht, en weldra +zullen zijn doperwten worden gelegd; nog een veertien dagen, en de +stier begint rond te gaan, en de merels zingen luide en heerlijk +in zijn nog dor hout. Eer de maand ten einde loopt, zijn hem de +eerste kievits-eieren gebracht en is zijn bloemkool reeds gepoot; +en nauwelijks is de wispelturige April daar, of de ooievaar laat +zijn lange pooten op zijn dak nederkomen; zijne perziken beginnen +te bloeien; zijn violenbed is blauw; zijne kuikens komen uit; een +lichtgroen waas spreidt zich over zijne boomen, en de donkergroene +garst schiet op zijne akkers op; de bloesem der wilde kastanje meldt +zich reeds in den knop; en den 18_den_ of uiterlijk den 19_den_, +verkondigt de blijde nachtegaal met een helder georgel en een +schellen slag dat hij daar is om het lied der lente te zingen. Iederen +morgen hoort hij aan zijn ontbijt nieuwe berichten van boomen, die +reeds geheel groen zijn, en op iedere wandeling ontmoet hij nieuwe +bloemen. In den tuin vertoont zich reeds de groene hoop des zomers +boven de aarde; de wilde tortels en blauwe duiven vliegen af en aan +door het geboomte, met dwarse takjes in de roode bekken; de zwaluw +scheert over het water en vliegt een stal binnen, om zijn nest op te +hangen boven de ruif; het jonge vee loeit reeds in de weide, en de +melkkoeien zullen met den eersten Mei kunnen worden uitgezet.... En +des zondags zijn de wegen vervuld met wandelaars uit de stad, die +al die schoone wonderen komen bezien, en waaronder zich een enkele +vertoont, die reeds een witte zomerbroek heeft aangetrokken, in de +zalige overtuiging dat hij een rechte primula veris is. + + + + + + + +GERRIT WITSE. + + +Studentenangst. + +De goede stad Leiden heeft binnen den omtrek van hare deels nog +staande, deels tot wandelingen geslechte wallen, twee territoriale +schoonheden, die men niet genoeg roemen kan, te weten de Breestraat, +welke naar uitwijzen van oude oorkonden en van de adressen van brieven +van alle tijden, vroeger Breedestraat moet geheeten hebben, en het +Rapenburg, door de ramp van 't jaar Zeven zoo befaamd, "leggende", +volgens _Orlers_, "langs eene breede straete, een schoon breed water, +met hooge ende groote schoone lindeboomen ter wederzijden beplant ende +besettet, onder denwelcken het in den zomer seer vermaeckelijcken te +wandelen is". Dit Rapenburg is aan beide zijden zeer net betimmerd, +en men vindt er schoone huizen, die het vermogen en den kolossalen +smaak onzer vaderen eer aandoen. Deze omstandigheid neemt echter +niet weg dat er eenige zeer leelijke en zeer mismaakte gebouwen +worden opgemerkt; onder welke vooral uitmunten 's rijks Museum voor +natuurlijke historie, de academische Bibliotheek en de Hoogeschool +zelve; want het lands- en stadsbestuur schijnen edelmoediglijk +te hebben besloten, de verfraaiing en opsiering der stad voortaan +aan den smaak der respectieve inwoners over te laten, evenals het +gouvernement de belooning der menschenredders aan de Maatschappij tot +Nut van 't Algemeen. Het laatstgenoemde gebouw, staande en gelegen +op den hoek der Nonnensteeg, levert de niet onaardige vertooning op +van een oud klooster met moderne vensters, door een nieuwmodische +barrière afgesloten, en op welks dak zich eene mede niet onaardige +verzameling van duivenhokken en peperbossen vertoont, die den +hoogdravenden naam van toren en observatorium dragen. Inderdaad +wekt het bovenste gedeelte van het gebouw eene fiere gedachte aan +den voortgang van kunsten en wetenschappen en aan de oneindige +vorderingen van den menschelijken geest op, terwijl de dikke muren +en gewelven daaronder de kuische nagedachtenis der Witte Nonnen +in zegening houden. Welk een in 't oogvallende omkeering bracht de +loop der tijden hier te weeg! Te zelfder plaatse waar de schuchtere +nieuwelingen, bedeesd en op twee gedachten hinkende, voor het altaar +traden, voor hetwelk zij eenmaal met een blijmoedig en kalm hart +de wereld en hare begeerlijkheden moesten vaarwel zeggen, zouden +in latere tijden de rampzalige _groenen_, in vertwijfeling aan alle +aardsche grootheid, nederzitten; waar de eerbare rij der gesluierden, +van hare stiftsmevrouw voorgegaan, den plechtigen koorzang aanhief, +zou later eene zwartgetabberde rij de zitplaatsen bezetten en een +gedegend doctorandus, _ex auctoritate rectoris magnifici_, tegen +de gansche wereld de stoute stelling volhouden dat artikel honderd +en zooveel van het wetboek volstrekt niet in strijd is met artikel +honderd en zooveel, of wel, dat men onbillijk is indien men alle +kinderkwalen zonder onderscheid aan de gevaarlijke liefhebberij van +tandenkrijgen toeschrijft, of anders, dat een ooggetuige beter de +historie schrijven kan dan iemand die bij "hooren zeggen" leeft, en +somtijds ook wel, dat men Hebreeuwsch moet kennen om de hebraïsmen in +het Nieuwe Testament te kunnen opsporen en beoordeelen. Lang zoude ik +deze tegenoverstelling van het Eertijds en Thans nog kunnen volhouden, +indien ik niet te vreezen had voor onnauwkeurigheden, die Leidens +vele oudheidkundigen mij nimmer vergeven zouden. In het kort: al wat +men vroeger hier gezien en gehoord heeft is veranderd en vernieuwd, +behalve het Latijn, dat veeleer verouderd is en, tot den echten toon +van _Cicero_ teruggebracht, zijne classiekste vormen met wonderbare +smijdigheid leenen blijft, en zal blijven leenen tot in het laatste +der dagen, aan iedere wetenschap der wereld, hetzij de Romeinen daar +eenig begrip van hebben gehad ofte niet. + +Als men het ijzeren hek dóór en het plein óver gaat, dat naast het +eerwaardig gebouw een uitgebreidheid van tien passen beslaat, treedt +men, door een hooge poort, welker posten met vele convocatiebriefjes +beplakt zijn, een breede gang binnen, waar men op het stille uur +(het tweede na den middag) waarop deze geschiedenis aanvangt, niemand +tegenkomt; stijgt men dan aan het einde een ruime steenen wenteltrap +op, en gaat men, boven gekomen, linksom en rechtuit, zoo komt men aan +eene verhevenheid van twee trappen, en ook deze beklommen hebbende en +de deur openende, die men vlak voor zich ziet, zoo bevindt men zich +in een klein vertrek met witte muren en een houten vloer, waarin men +een tafel, een paar stoelen, met en benevens een verroeste kachel en +toebehooren gewaarwordt. + +Dit weinig gezellig vertrek draagt den ondichterlijken naam van het +_zweetkamertje_; en zeker niet ten onrechte. Hier toch is een soort +van vagevuur, waarin elk, die de zaligheid van een examen of promotie +wenscht te smaken, een poostijd verblijven moet, alvorens hij tot het +genot dier hemelvreugd wordt toegelaten. Belangrijke plek gronds! In +dit kleine kamertje, o mijne lezers! hebben alle groote mannen, die +aan de Leidsche academie zich ooit door stalen vlijt en onafgebroken +arbeidzaamheid den doctorshoed verworven hebben, om naderhand de +wereld met hunne _doctrinae praestantia_ te verbazen en te verrukken; +in dit kamertje hebben zij allen, _incredibile dictu_, zich eenige +oogenblikken _klein_ gevoeld. Ja, daar heeft de kloeke verdediger +uwer rechten, die nu, zonder blikken of blozen uw partij met volzin +op volzin van louter kracht ter aarde werpt, een oogenblik het hart +in de keel voelen kloppen, op het denkbeeld dat professor die of die +het hem niet vergeven had dat hij zoo slecht college had gehouden, +en zich wreken zou door strikvragen. Daar heeft die arts, die nu zoo +stoutmoedig doortast in uwe maag en ingewanden, menig droppel zweets +gelaten, als hij bedacht dat zijne professoren zoo veel meer wisten +dan hijzelf. Daar heeft die dikke rector, aan wien uw oudste zoon +niet dan sidderend zijn thema vol heele en halve fouten overgeeft, +eenmaal zelf gebeefd, uit vrees dat men een anderen dialoog van _Plato_ +op zou slaan dan dien waar hij het best in thuis was. En daar heeft +ook _Hildebrand_, uw onderdanige dienaar, een koude rilling over zijn +rug voelen loopen, als zijne verbeelding speelde op al wat gevraagd +zou _kunnen_ worden! + +Het eigenaardige van dit vertrek is dat de patiënt het binnentreedt +met een witte das, een wit gezicht, en een zwart pak kleederen, en +gevolgd wordt van eenige vrienden in négligé, met cloaks, rottingen, +petten en honden. De patiënt gaat op de tafel zitten, en de vrienden +loopen heen en weer. De patiënt fluistert, en de vrienden spreken +luid. De patiënt beweert dat hij er in zit, en de vrienden beweren +dat hij gek is. De patiënt verlangt naar het oogenblik om binnen +te komen, maar hij geeft voor, dat hij hoopt nog lang buiten te +blijven. De vrienden wedden dat hij den eersten graad zal krijgen, +en hij wedt dat de tweede zijn deel zal zijn. De patiënt heeft op +dat oogenblik een onbepaald respect voor iedereen die den titel van +hooggeleerde voert en beschouwt de faculteit als een "raad van louter +goden"; de vrienden beweren dat het gewone menschen zijn. De patiënt +houdt het er wel degelijk voor, dat zij van het crimineele beginsel +uitgaan om de academische graden aan geen onwaardigen te verkwisten; +en de vrienden beweren, dat zij alleen in de wereld gekomen zijn +om een jong mensch er door te sleepen. De patiënt herinnert zich +heimelijk allerlei spookgeschiedenissen van ongelukkigen, die door +hunne verlegenheid of door rancune van examinatoren zijn gedropen; +en de vrienden halen alle mogelijke anekdoten op van sluwe vossen, +die hunne examinatoren een rad voor de oogen gedraaid hebben of een +aardigheid gezegd bij het krijgen van simpliciter. In 't kort: de +patiënt doet hier alle mogelijke kennis op, die hem, als hij morgen +of overmorgen of over een maand een ander patiënt in de bange ure +bij moet staan, zal te pas komen; en de vrienden debiteeren alles +wat zij totaal vergeten zullen hebben, telken reize als ook zij op +hunne beurt in 't geval komen van in het zweetkamertje de ootmoedigste +oogenblikken huns levens te slijten. + +De persoon nochtans, dien ik mijnen lezers wilde voorstellen, voldeed +in zoo verre niet aan de formaliteiten, die in deze rampzaligste +aller folterplaatsen gevorderd worden, dat hij die, verzeld van +slechts een enkelen vertrouweling, binnentrad. Hij had de zeldzame +kracht bezeten niemand buiten dien vertrouweling deelgenoot van zijn +examen-geheim te maken, den pedel verzocht het verraderlijke briefje +_ad valvas academicas_ niet aan te plakken, en degenen die er achter +gekomen waren dat hij gisteren zijne demonstratie (hij was medicus) +had gedaan, omtrent het uur van het examen misleid. + +Het was een jongeling van een niet ongunstig uiterlijk, ofschoon +men volstrekt niet zeggen konde dat hij schoon was, en de witte das +en gedrukte stemming, waarin de omstandigheid waar hij in verkeerde +hem bracht, konden niet gezegd worden hem te flatteeren. Hij was van +eene gewone grootte, maar de vriend, dien hij medebracht, kon geacht +worden klein te zijn; een nadeel, hetwelk hem niet belette er op dit +ogenblik vrij wat aannemelijker uit te zien dan de examinandus. Zijne +bruine oogen hadden een schalken blik, en zijn vroolijk gezicht en +de vlugheid zijner bewegingen staken wonderlijk af bij den bedrukten +ernst van hem, die in dit droevig kamertje gekomen was om zich op de +zenuwschokkende examenschel voor te bereiden. + +De examinandus zette zich naar het oud en wettig gebruik op de tafel +neder, en keek op zijn horloge. De deur stond wijd open, en hij genoot +een onbelemmerd uitzicht op de kamer der facultas medica. + +"Vier minuten over tweeën. Toch nog te vroeg," zeide hij mistroostig. + +"Wis en zeker te vroeg," zei de kleine, "maar je hebt mijn raad ook +niet gevolgd." + +"En wat was je raad dan?" vroeg de ander verstrooid, en naar de trap +ziende; want hij hoorde daar eenige beweging op, en was nieuwsgierig +of het prof. _Sandifort_ dan wel prof. _Macquelin_ zou zijn, die het +eerst verscheen. + +"Mijn raad? Lieve hemel! dat je op je bed hadt moeten blijven tot +één ure, en geen enkel boek meer inzien." + +"Neen, dat's ook maar gekheid," zei de ander, die op dit punt +gedecideerd scheen te zijn; zeker ten gevolge van de ondervinding +van dezen huidigen dag, daar hij met radeloozen angst nu dit, dan dat +dictaat had opgeslagen, van het eene boek de inleiding nog eens had +doorgelezen, en van het andere het register nog eens had bestudeerd. + +"Vervolgens hadje moeten ontbijten; op je gemak, weetje?" ging de +kleine voort. + +"En een glas madera drinken?" vroeg de grootere. + +"Neen, jongen, dat weet ik niet; je mocht reis aan het doorslaan +raken," antwoordde de kleine. + +"Doorslaan is goed," zei die van de pijnbank. + +"Ja, dat kan er naar wezen," zei die van den vloer. "Je moet altijd +denken dat het Latijn is." + +"Dat 's één geluk!" sprak die van de witte das; "ik wou niet dat +het Hollandsch wezen moest; een stommigheid in 't Hollandsch is zoo +dubbel stom." + +"Dat is waar," hernam die van den zwarten strop, "maar je dient +primo Latijn te kennen; en ik voor mij, heb me meer op me moedertaal +toegeleid, weetje. Maar jij hebt nog al een aardig Cicero'tje in je +mond zitten, dat's zeker! Maar wat ik zeggen wou: je hadt je niet +moeten aankleeden vóór tweeën." + +"Maar hebje _Macquelin_ al," zei de lijder. + +"Je wou wel dat _Broers_ een operatie te doen had," zei de +ziekentrooster. + +"Mijnheer _Broers_ is al lang binnen," zei de pedel, en die brave +kwam met een kwitantie van de college-gelden. + +"_Gerritje, Gerritje_, wat zit je der in," ging de getuige voort. + +"Wel een beetje!" antwoordde de gedaagde. + +"Neen, niet een beetje!" vervolgde de kwelgeest, "maar machtig veel, +man! Maar als je _mij_ vraagt of je ooit bang genoeg wezen kunt, dan +moet ik zeggen: neen, kerel! Want, weetje, je hebt toch maar slecht +college gehouden; en dan, dat je reis gezeid hebt dat de osteologie +zoo'n droog ding is! Denkje niet dat dat overgebracht is?" + +Het slachtoffer deed een poging om te glimlachen, maar hij had geen +genoegen. + +"En daarenboven," ging Jean qui rit voort, "wat het ergste is: het +is bekend genoeg dat je een stommeling bent." + +"Je steekt er den gek mee," zei Jean qui pleure, "maar waarlijk, ik +weet er minder van dan je denkt. Maar wacht reis; daar gaat de schel!" + +Nog één oogenblik, en het slachtoffer sprong van de tafel, volgde +den pedel, die hem de deur der medische faculteitskamer ontsloot, +en trad met een bescheiden tred en lichte buiging voor zijne beulen; +maar de tuchtknaap dribbelde met een luchtigen pas achter hem aan en +zette zich op de harde bank der toehoorders, vrij wat meer op zijn +gemak dan het slachtoffer op den gladden stoel der examinandi. + +Drie kwartier daarna werd er weder gescheld, en de jongeling moest +buitenstaan. Bedaard trad hij met zijn satelliet de kamer uit; maar +zoo ras de pedel de deur achter hem sloot, sprong hij een voet hoog +en drukte de hand zijns vriends in toomelooze opgewondenheid. Hij was +een ander man; er was licht in zijn oogen en vroolijkheid om zijn mond. + +"Hoe is 't geweest?" vroeg hij aan zijn vertrouweling. + +"Minnetjes," zei de ander. + +"Leelijkerd!" riep de geëxamineerde uit, hem in den arm knijpende. + +"Ik verlies mijn fijne flesch!" hernam de toehoorder; "'t zal mooi +wezen als je den tweeden graad haalt." + +"'k Wou ik hem al had," zei de zwartrok, en opnieuw betrok zijn +aangezicht. + +Weer ging de schel. De pedel trad de kamer deftig binnen, en kwam de +kamer deftig weer uit. De gedaagde ging zijn vonnis hooren. + +"Maak je geen illusie!" fluisterde de vleier hem in. + +Met een schijnbaar hoogst kalm gelaat wachtte de geëxamineerde de +uitspraak af. De decanus sprak verscheidene Latijnsche volzinnen uit, +maar hij hoorde ze zonder ze te verstaan; hij wachtte slechts op één +woord; en dat woord kwam: _summâ cum laude_. + +"Heb ik het niet gezegd?" zei de vriend, die gezegd had dat hij zich +geen illusies maken moest, als zij samen de trap afstormden, met vrij +wat meer geweld dan zij die waren opgestegen. + +"Ik had er een heimelijke hoop op," zei de man, die een fijne flesch +verwed had dat hij "den tweeden" zou hebben. + +"Ik kan wel zien dat het goed afgeloopen is," zei de hospita, toen +de candidaat thuis kwam en de trappen opvloog om zich te verkleeden +en een brief aan zijn vader te schrijven. "Ik kan wel zien dat het +goed afgeloopen is," zei ze tot den vriend, die beneden wachten bleef +om vervolgens hem in triomf naar de sociëteit te voeren; "ik heb de +heele week al gedocht, meheer mot zeker een examen doen!--En meheer +heit toch vast simma cum laudis?" + +"Ja, juffrouw!" zei de ander, "daar kon je wel zeker van zijn, +ofschoon mijnheer er nooit heel gerust op was. + +"Nou, niet waar?" zei de juffrouw, "'t Is een best heer, en knap ook; +maar weetje wat 'et is? hij het geen forducie op zen zelvers; en as +het dan teugen een examen loopt, dan kan die zoo melankerliek zijn; +net als meneer _Possel_, die u zeker nog wel gekend het, dat kleintje, +dat was óók zoo. Als dat een examen doen most: ik en me man, we hebben +menigmaal teugen mekaar gezeid, hij kan wel in een oortjes doosie; hij +_wist_ zijn dingen wel, daar niet van; maar de schrimpeljeuzigheid, +weet u. Ik ben altijd maar blij als U bij meheer komt, want hij is +anders zoo'n vroolijk mensch, net as meheer ook; maar in _die_ dagen +is het dan onnoozel!" + +De candidaat kwam beneden en werd door de hospita "wel +gefiliciteerd". Daarop toog het tweetal naar de sociëteit, en +ook daar regende het gelukwenschen, want de candidaat was algemeen +bemind. Slechts werd zijn vreugde verbitterd door een paar jongelui, +die ook van een candidaats zwanger gingen, en hem vermoeiden met +informatien: hoe _die_ en hoe _die_ vroeg, en of _dat_ weten wilden, +en _daar_ diep intraden: op alle welke vragen de candidaat niets +anders antwoordde dan dat het hun mee zou vallen. + +De candidaat tracteerde daarop zijn tafel op wijn; en na den eten +kwam er een droski voor, en reed de candidaat met den vriend en nog +een vriend naar den Deyl (het was in Februari) en dronk daar thee; +en 's avonds had de candidaat den vriend van het zweetkamertje, en +den vriend van den Deyl, en nog twee andere vrienden, en een kwart +ankertje cantemerle op zijn kamer, en zat men voor de opgeschoven +vensterramen (het was nog altijd in Februari) vele sigaren te rooken +en vele verhalen op te snijden; en des nachts om één ure sprongen er +kurken van champagneflesschen; en zaten twee der vrienden hoogdeftig +te redetwisten over den besten regeeringsvorm, en traden twee anderen +in een vergelijking van de Kantsche en Hegeliaansche philosophie, +waarvan geen van beiden iets afwist, en stelde een vijfde een toost +in op de harmonie tusschen de faculteiten. En 's nachts om twee uren +waren de vrienden weggegaan, op den vriend uit het zweetkamertje +na, die met kleine oogjes zat te luisteren naar een verhaal dat de +candidaat hem met veel geheimzinnigheid en in diep vertrouwen deed: +hoe hij hartstochtelijk verliefd was op een meisje, dat hij verleden +jaar, op een voetreisje door Gelderland, op het terras van een klein +Buitentje had zien zitten met een witte duif op haar hoofd; en hoe hij +bij juffrouw _Schreuder_ toevallig een vrouweportretje had gezien dat +op haar leek als twee droppelen waters, en hoe hij dat onmiddellijk +gekocht had, en hoe of zijn vriend dat vond? Waarop de vriend van +het zweetkamertje hem zwoer dat hij het aan niemand vertellen zou, +uit vreeze van anders alle Geldersche meisjes, die kleine Buitentjes +bewoonden en witte duiven hielden, op de spraak te zullen brengen. Maar +daarop nam hij het ernstig, en stelde een toost op de lieve dame in, +en de candidaat dronk dien met een traan in de oogen, en de vriend +vertelde daarop dat ook hij dol verliefd was, maar dat hij ongelukkig +in de liefde was, en dat dit al zijn derde verliefdheid was; waarop +het uitkwam dat zijn eerste verliefdheid geweest was op een meisje +in een kostschool, dat hij alle zondagen in de Fransche kerk zag, en +zijn tweede op een meisje dat al in stilte geëngageerd was geweest, +en dat deze derde verliefdheid zich de dochter van een gepensioneerd +kolonel had tot voorwerp gekozen, die "gloeiend _tegen_ hem was" +en hem niet luchten of zien mocht. En over drie uren trok de vriend +de deur van het hôtel des candidaats achter zich toe; en des anderen +daags 's morgens om acht uren werd de candidaat wakker met het zalige +gevoel dien dag geen examen te zullen ondergaan. + + + + +Oudervreugde. + +Met een geopenden brief in de hand en een glans van genoegen op het +gelaat, begroette de heer _Witse_ zijne gade aan het ontbijt. + +"Morgen komt onze candidaat thuis," zei de heer _Witse_. + +"Onze wie?" vroeg mevrouw zijne echtgenoote. + +"Onze student," antwoordde de heer _Witse_, "maar hij is nu +candidaat. Hij schrijft mij dat hij zijn examen gisteren gedaan +heeft. Het zal wel goed geweest zijn; daar ben ik niet bang voor." + +"Wij beleven genoegen aan dat kind," zei mevrouw _Witse_, water op +de thee schenkende. "Is het niet buitengewoon gauw, dat hij examen +gedaan heeft?" + +"Zeker, liefste, zeer zeker. Hij is pas vijfjaren te Leiden, en je +moet denken, hij heeft drie jaar gebruikt voor zijn eerste examen...." + +"Zijn pro-pae-deutisch, niet waar?" viel mevrouw _Wttse_ met +deftigheid in, trotsch dat zij het moeielijke woord zoo goed had +leeren uitspreken. + +"Juist, mijn kind! Dat is een ding daar de meesten luchtig over heen +loopen. Maar _hij_ heeft er zijn werk bijzonder van gemaakt. Hoor +eens, hij kost ons daarginder een handvol geld, maar de medicijnen, +heb ik altijd hooren zeggen, is een dure studie; en hij moet _niets_ +verzuimen." + +"Maar hoe lang zou hij er nu nog wezen moeten, nu hij candidaat is?" + +"Wel, ik weet het niet. Hij wilde er graag de chirurgie en de obstetrie +bij leeren, en dat zal nog wel wat tijd kosten. Maar wie weet waar +hij dan ook geschikt voor is!" + +"Zoo, zou je _dat_ denken?" vroeg mevrouw _Witse_, het mes, waar zij +zich een boterham mee maakte, halfweg in het brood latende steken, +en haar man strak aanziende. + +"Alles is mogelijk, liefste!" antwoordde haar echtvriend, den brief +nog eens inziende. En een blijde glimlach vertoonde zich op zijne +wezenstrekken. + +"Maar staan daar niet zekere jaren voor?" vroeg mevrouw weder, +terwijl zij hare oogen zediglijk neersloeg, en met eene bijzondere +oplettendheid haar boterham in reepjes sneed. + +"Wat meenje?" vroeg de heer _Witse_, die hetzelfde meende als zijn +eegade. + +"Wel!" antwoordde de goede vrouw, de punt van haar mes met groote +nauwkeurigheid beschouwende, "om zoo 't een of ander te worden." + +"Wat een of ander, moedertje?" vroeg de echtgenoot lachende, en van +verlangen brandende het groote woord, dat hijzelf niet uit dorst +spreken, van de lippen van zijn wederhelft te hooren. + +"Wel," antwoordde mevrouw _Witse_; "hoe oud was de jonge +hoe-hiet-ie-ook-weer zoowat, toen hij professor wierd?" + +"Tut, tut, tut!" antwoordde de heer _Witse_, terwijl zijne oogen van +genoegen schitterden en zijn aangezicht zich zenuwachtig bewoog; +"je moet zoo hoog niet vliegen, moedertje. Als hij maar een knap +dokter wordt, dat is heel wel." + +"Dat is ook zoo," hernam zijne vrouw, wie het speet dat zij zich +zoo onvoorzichtig had uitgelaten; "het hoeft ook niet; ik zal heel +tevreden zijn als hij maar gelukkig is in de praktijk. Wij mogen ook +niet alles vergen." + +"Wel neen!" zei de heer _Witse_. + +"En daarenboven"--ging mevrouw voort--"wie weet of het goed voor +hem zijn zou. Een professor moet immers zoo allerverschrikkelijkst +studeeren?" + +"Dat moet hij zeker, vrouwlief!" was het antwoord; "maar dat was voor +onzen _Gerrit_ het minste." + +"Ja, dat wil ik ook wel gelooven!" hernam de moeder van _Gerrit_; +"maar toch, ik zei dat daar nu zoo, maar ik kan je eerlijk zeggen +dat ik er nooit over denk." + +"Je moet het nu weer zoo heelemaal niet weggooien!" antwoordde +_Gerrits_ vader. + +"Neen!" zei _Gerrits_ moeder; "dat nu juist niet." + +"Het is meer gebeurd," zei _Witse_, zonder eigenlijk te weten wat +dit beduidde. + +"O ja; waarom zou het ook niet plaats kunnen hebben?" zei mevrouw. + +"Men kan zich niet _meer_ appliceeren dan _Gerrit_," hernam _Witse_. + +"En hij zou, geloof ik, wel veel geschiktheid hebben om te +onderwijzen!" ging _zij_ voort. + +"Dat geloof ik ook; en ik denk ook wel dat ze zulke jongelui in +'t oog houden," voegde _hij_ er bij. + +"Het zou een groot geluk wezen!" merkte _zij_ aan. + +"Dat zou het zeker," verklaarde _hij_; "maar je kunt er niet +op aan. Verdiensten worden niet altijd erkend. Net als met die +prijsvraag." + +"Maar hij had toch het accessit," zei de moeder. + +"Hij had de medaille moeten hebben," zei de vader. + +"De gekken krijgen de kaart," zei de moeder, die op eenmaal alles +aan het geluk begon toe te schrijven. + +"Het zou goed klinken!" zei de vader; "professor _Witse_!" + +"Och kom, _Witse_!" zei de moeder, wier beurt het nu weer was om +nederig te zijn; "vlei er je toch niet mee!" + +"Dat _doe_ ik niet!" verzekerde haar echtvriend; "ik zeg maar dat +het mooi klinken zou." + +Er volgde een stilte; mijnheer tuurde in 't Handelsblad en mevrouw +zette een boordje van een kous op; maar hun beider gedachten waren bij +het professoraat van _Gerrit_, waarvan zij, elk voor zichzelf, zich +overtuigd hielden, indien maar in dit ondermaansche ware verdiensten +op haar rechten prijs werden geschat. + +Een geruimen tijd bleef het gelukkige echtpaar in deze zoete +overdenking verdiept. Daarop brak de heer _Witse_ het stilzwijgen. + +"We moesten toch iets ter eere van den candidaat doen, dunkt +me?" zeide hij. + +"Dat heb ik ook al gedacht," antwoordde zijn eenstemmige dierbare. + +"Een dineetje zou wel aardig zijn." + +"Ja; wie al zoo? de _Vernooyen_, dunkt je niet?" + +"Best; ik zal ze zelf gaan vragen; en dan de _Van Hoels_ +vooràl. Vrijdag is nogal een goede dag." + +"Maar we moeten volstrekt mevrouw _Stork_ hebben." + +"Die kent _Gerrit_ in het geheel niet," merkte _Witse_ aan. + +"Goed!" antwoordde zijn gemalin. "Voor _mijn_ rekening; zij zal hem +wel bevallen; 't is een allerinteressantste vrouw. Weetje wel dat er +bij _Vernooy_ een nichtje gelogeerd is? Dat is ook een vreempje. Nu; +hoe meer hoe liever. Maar dan dienen er nog een paar heeren ook +bij. De jonge _Hateling_?" + +"Ik weet niet of _Gerrit_ wel heel _Hateling_-achtig is," merkte +mijnheer _Witse_ aan. + +"Hé, waarom zou _Gerrit_ niet _Hateling_-achtig zijn?" vroeg mevrouw; +"'t is een heel aangenaam jongmensch, en ik vind het zoo'n knap +uiterlijk; jongens, 't is zoo'n knap uiterlijk. Je moet denken: +_Hateling_-achtig? Van wien van onze jonge menschen houdt _Gerrit_ +nu eigenlijk? Sedert hij op de academie is, gaat hij met niemand van +de Rotterdamsche jongelui meer om." + +"Mij is 't wel," zei de heer _Witse_. "En zouden we _Wagestert_ +ook niet vragen?" + +"Wel zeker! _Wagestert_;" antwoordde zijn eegade: "dan zijn we sekuur +dat het een vroolijk diner wezen zal." + +Het diner-project was gereed; en hoewel het ter eere van _Gerrit_ +was opgemaakt, was er echter bij de keuze der gasten weinig op zijn +genoegen gelet. Tot verschooning zij gezegd, dat het oogmerk van dit +ouderpaar veeleer was om met den knappen zoon te pronken, dan om den +oppassenden zoon een genoeglijken dag te bezorgen. + +De heer _Witse_ ging dien dag reeds vroeg uit om verscheidene bezoeken +af te leggen. Hij deed het met den brief van _Gerrit_ in den zak, +en gaf aan alle huizen, daar hij kwam, breed op van de ongehoorde +kundigheden van zijn zoon _Gerrit_. Er zijn verscheidene wegen om een +zoon of dochter ongelukkig te maken, en de heer _Witse_ had sedert +lang dezen ingeslagen. + +Om de waarheid te zeggen, het was 's mans zwakke zijde. De heer _Witse_ +was een zeer welgesteld man uit den deftigen burgerstand en notaris +van beroep. Hij had een heel goed en helder verstand en ook veel +verworvene kennis; maar zijne denkbeelden omtrent de meerderheid van +een gestudeerd persoon waren alleroverdrevenst. Men kon niet zeggen +dat hij zijn zoon als kind bedorven of over het paard getild had, want +hiertoe was hij te beredeneerd geweest; hij had den jongen _Gerrit_ +eene zeer goede opvoeding gegeven en hem wèl onder den duim gehouden; +maar zooras hij als student was ingeschreven, had hij de onbepaaldste +hoogachting voor hem opgevat, in welke hoogachting de moeder zeer +genegen was te deelen, daar de jongeling haar eenige spruit was. Haar +kundige man, die algemeen om zijn helder hoofd geacht werd, geloofde +_niets_ te zijn in vergelijking met een zoon, die ja, zich altijd +zeer op zijne studiën bevlijtigd had, maar toch wellicht nog in vele +opzichten beneden hem stond, vooral in punten waar het op een klaar +inzicht en juiste onderscheiding aankwam. De beste zijde van 's mans +overtuiging in dezen was, dat zij hem zeer liberaal denken deed over +alles wat de studiën en bekwaamheden van _Gerrit_ kon uitbreiden en in +de hand werken; _Gerrits_ bibliotheek was een van de beste die ooit +een medisch student bezeten had, en dat hij, na zijn graad verworven +te hebben, Berlijn en Parijs zien zou leed geen twijfel. + + + + +Meisjeskwelling. + +_Klaartje Donze_ zat in de zijkamer van mijnheer en mevrouw _Vernooy_ +in de vensterbank en maakte een schelkoord voor den aanstaanden +verjaardag van haar vader, en hief tusschenbeide haar lief gezicht +op, om eens op de Hoogstraat te kijken, maar keerde het meestal +teleurgesteld weder af en tot haar werk. + +_Klaartje Donze_ was een frissche, vroolijke, prettige Geldersche +deerne, van nog geen achttien jaar. Zij had bruin haar, in vele lange +krullen langs haar wangen nedervallende en voor het overige in een +zware vlecht op haar hoofd saamgestrengeld, een sneeuwwit voorhoofd, +groote, blauwe oogen met een heldere tinteling en vrijmoedigen opslag, +blozende wangen, en een mondje zoo pleizierig geplooid, dat men niet +wist wat men er liever van krijgen zou, een kus of een zoet woordje. + +_Klaartje Donze_ was buiten opgevoed, had als kind alle jaren het +eerste groen gezien, kippen, eenden en goudvisschen gevoerd, den +kuifbal geslagen en, zoolang zij een pantalon droeg, schrijdelings op +een hit gereden. Zij kende alle soorten van boomen onderscheidelijk, +en wist daarenboven wat ze waard waren. Zij kreeg alle jaren te Paschen +een pot-lammetje en hield op den zolder meer dan twintig duiven die uit +haar hand aten. Zij groette de knapen van het dorp niet als "mannen" +of "vrinden", maar als _Jannen, Henken, Koerten_, of hoe zij heeten +mochten. Zij zag niet op tegen een beetje sneeuw of een beetje vorst, +en had honderdmaal in haar jong leven in een regenbui zitten hengelen. + +_Klaartje Donze_ was sinds eenige dagen bij oom en tante _Vernooy_ +te Rotterdam gelogeerd. Zij was nog nooit in Holland geweest en had +zich machtig veel van het logeeren in eene stad als Hollands tweede +koopstad voorgesteld. De donkere Hoogstraat was haar zeker vrijwat +tegengevallen, en ook wist zij niet dat keien en klinkers zóó vuil +konden wezen, als die van Rotterdam bij slecht weer doorgaans zijn, +wanneer het is (ik gebruik de uitdrukking van eene lieve Rotterdamsche +zelve) alsof het waterchocolade geregend heeft. Een paar malen was zij +uitgeweest. De breede Blaak met hare menigte van winkels, de Boompjes, +en de vroolijke Wijnhaven, met hare schijnbaar door elkander gewarde +schepen met kleurige wimpels en nommervlaggen, de deftige Leuvehaven, +met hare statige huizen, bevielen haar nogal; maar het Nieuwe Werk +vond zij de moeite niet waard een wandeling genoemd te worden, en +de Plantage telde zij onder de omstreken van Gorkum. Meest behaagde +haar het ruime riviergezicht op het Hoofd; maar oom _Vernooy_, +die het haar deed genieten, vond het er te winderig en moest er den +rug aan toekeeren, terwijl zij met een lachend gezicht den wind liet +begaan, die de strikken van haar hoed deed plapperen tegen de luifel, +en de tip van haar sjaal achter haar opdreef. Voor het overige liep +zij met meer gerustheid achter de paarden in haar vaders stal, of +onder de koeien op haar vaders weide, dan in het gedrang van eene +Rotterdamsche straat, waar hooren en zien haar verging van de menigte +van "óverrijwagens", die zij altijd meende dat het opzettelijk op +hare teenen gemunt hadden. Meer dan akelig vond zij het, wanneer +(als in de Kleine Draaisteeg geschiedde) de grond zich plotseling voor +haar voeten opende, of smerige pakhuisknechts met rollende vaten haar +gedurig noopten de toevlucht te nemen tot een of andere stoep, en als +er van oogenblik tot oogenblik iets uit de lucht werd nedergelaten, +dat _van onderen_ scheen genoemd te worden. + +Haar oom en tante meenden het zeer wel met _Klaartjen_ en waren +allerbeste, hartelijke menschen, die haar met veel nadruk te logeeren +gevraagd hadden, bij gelegenheid dat zij hare ouders in den verleden +zomer op een klein toertje naar Kleef een bezoek hadden gegeven; maar +zij namen juist niet veel deel aan de vermaken der stad. _Klaartje_ +had gehoord dat er te Rotterdam een schouwburg was, waar de Hollandsche +en de Fransche acteurs uit Den Haag beurtelings het tooneel betraden, +en niet minder dan drie concertzalen. Dien ten gevolge had zij zich +voorgesteld dat deze établissementen machtig veel tot haar genoegen +zouden bijdragen en haar op een gansch nieuwe wijze vermaken. Mijnheer +_Vernooy_ was de goedhartigste koopman, die ooit op twee beenen liep, +en zijne even goedhartige vrouw hoorde nooit een boos of onaangenaam +woord uit zijn mond; hij was altijd even joviaal en opgeruimd, maar des +avonds als hij zijn kantoor sloot, toog hij naar de sociëteit Amicitia +en maakte daar zijn vast partijtje; daarop kwam hij met slaan van +tienen thuis, en was dan weer even goedhartig en joviaal als toen hij +uitging; maar van schouwburg of concert was intusschen niets ingekomen. + +Deze teleurstellingen maakten evenwel de lieve _Clara_ niet +neerslachtig. Zij bleef de haar eigene blijgeestigheid behouden, +ofschoon zij nu en dan wel eens naar huis verlangde, al was het maar +alleen om te weten of de duiven haar nog zouden kennen. + +Nu zat zij in de vensterbank aan de donkere Hoogstraat, en dacht aan +buiten, en keek dan weer eens naar de straat, en verwonderde zich +over het aantal malen dat een lantarenvuller door de volksmenigte +in het uitoefenen van zijn beroep werd gestoord. Het was omstreeks +twaalf uren, en het koffiegoed stond op tafel. + +Mevrouw _Vernooy_ kwam binnen. Zij was een dikke dame van een veertig +jaar met een rozerood gezicht en eene belangrijke onderkin en die, +als zij sprak, eene rij zeer groote witte tanden ontblootte. Zij +droeg eene heele blonde toer onder hare muts, en was gekleed in eene +schotschmerinossen japon met aanmerkelijke ruiten. Stilzwijgend zette +zij haar sleutelmandje op tafel neer, en begon koffie te zetten. + +"Nu, _Klaartje_," zeide zij, terwijl zij water opgoot, "er is goed +nieuws. We hebben een prettig vooruitzicht tegen overmorgen." + +"Tegen overmorgen, tante?" zei _Klaartje_, het schelkoord op de +vensterbank neerwerpende en een vroolijk gezicht toonende. + +"Ja," antwoordde mevrouw _Vernooy_; "raad eens wat?" + +"We gaan naar de comedie." + +"Neen kind! er _is_ vrijdag geen comedie." + +"Naar het concert?" + +"Mis, mis!" zei tante, en bang dat er nog meer vermakelijkheden van +die soort in de weelderige verbeelding van haar nichtjen op zouden +komen, voegde zij er bij: "we gaan uit dineeren." + +"Uit dineeren," hernam _Klaartje_, een weinig ternedergeslagen; +"en bij wie?" + +"Ja, dat is het punt! bij wie?" + +"Dat kan ik onmogelijk raden." + +"Nu, ik zal 't je dan maar zeggen: bij de familie _Witse_. _Gerrit_ +is overgekomen... Nu, _Klaartje_, bloos maar zoo niet." + +"Lieve tante, ik bloos in het geheel niet," zei _Klaartje_, opstaande +en in den spiegel kijkende, "ik heb immers den man nooit in mijn +leven gezien!" + +"Dat's goed; maar je hebt genoeg van hem gehoord," hernam tante met +een lachje; "en hij interesseert je _wel_." + +_Klaartje_ liet tante praten, en nam haar schelkoord weer op. + +Inderdaad, het was alles behalve eene onwaarheid dat de lieve meid +genoeg van den jongen _Witse_ vernomen had. Mevrouw _Vernooy_ +was eene goede vrouw, ik geloof dit reeds te hebben opgemerkt; +maar die juist niet gebukt ging onder overmaat van verstand. Zij had +volstrekt geen kinderen, schoon haar welvarend voorkomen de spotternij +had uitgelokt dat zij er wel gehad, maar ze even als _Saturnus_, +heidenscher gedachtenisse, opgegeten had; en daar ze twee meiden hield, +die nog daarenboven door een naaister, een werkster, en een oppasser +ondersteund werden, was haar leven vrij gemakkelijk, liever nog: zij +had niets te doen. Van lectuur hield zij juist niet bijzonder veel, +behalve als zij ziek was, iets dat haar zelden gebeurde, en daar zij +zich toch gaarne ergens mee vermaakte, had zij er hare zinnen op gezet +te bestudeeren, welke menschen te Rotterdam en elders alzoo geschikt +waren om tezamen in het huwelijk te treden. Veelal leidden deze +berekeningen tot geen degelijk resultaat; maar nu een mooi nichtje +te logeeren hebbende, kon ze niet nalaten haren in dit opzicht zoo +speculatieven geest met deze bezig te houden, met het vaste voornemen +de slotsom harer overdenkingen, indien mogelijk, te verwezenlijken. Na +lang rondzoeken, reeds voordat _Klaartje_ gekomen was, en na haar in +gedachten meer dan tienmaal telkens met een anderen bruidegom voor het +altaar te hebben gebracht, was zij eindelijk stil blijven staan bij +het denkbeeld dat de jonge student _Witse_ een geschikte partij voor +haar nichtje zou zijn. Deze was een jaar of vijf ouder dan zij; zijne +ouders bezaten een redelijk vermogen, en behoorden daarenboven tot +hare beste vrienden, waartoe hoofdzakelijk medewerkte dat er niemand +in de gansche Erasmiaansche stad gevonden werd, die geduldiger en +liefderijker de lofredenen op den knappen zoon aanhoorde dan de heer +en mevrouw _Vernooy_. Toen zij dit huwelijk alzoo bij haarzelve had +vastgesteld, kon zij zich onmogelijk in de toekomst eenig geluk voor +_Klaartje_ denken tenzij het werkelijk, eerst voor den burgerlijken +stand voltrokken, en vervolgens door haar lievelingsprediker ingezegend +was, en begon het ook langzamerhand tot de artikelen van HEd. geloof +te behooren dat het in den hemel aldus was besloten. Zij twijfelde er +dan ook geen oogenblik aan of _Gerrit_ zou tijdens het verblijf van +_Klaartje_ wel eens overkomen en pijnigde zich met te willen uitspeuren +hoe deze overkomst desnoods door te drijven zoude zijn. Ongedachtig +aan de woorden van haar grooten tijdgenoot _Napoleon Buonaparte_ +(van wien zij, in 't voorbijgaan gezegd, nog niet volkomen geloofde +dat hij volkomen dood was), dat niets de harten zoo zeer bekoelt als +de vurige geestdrift van anderen, was zij begonnen om dagelijks op +zeer ongepaste oogenblikken, uit een open reden, den roem van den +jongeling uit te meten, en gebruikte daartoe alle de lofredenen, die +zij uit den mond van mijnheer en mevrouw _Witse_ had opgevangen; en +daar deze met verwonderlijke eenstemmigheid op het punt van _Gerrits_ +knapheid nederkwamen en inhielden hoe werkzaam _Gerrit_ was, en +hoe verstandig _Gerrit_ zich te Leiden onder de jongelui gedroeg, +en hoe gezien _Gerrit_ bij zijn professoren was, en hoe _Gerrit_ in +alle wetenschappen thuis was, kreeg de blijhartige _Clara_ natuurlijk +geen ander denkbeeld van den bewierookten jongeling dan dat van een +ondragelijken pedant, een soort van wezen, 't welk in hare oogen +wel het alleronuitstaanbaarste aller creaturen mocht geacht worden; +weshalve zij zich wel gewacht had naar het uiterlijk van dezen onmensch +te vragen, bij zichzelve vaststellende dat het niet anders kon of +hij moest sprekend op den bleeken ondermeester van het dorp in haars +vaders nabuurschap gelijken. Mevrouw _Witse_ had de dwaasheid gehad, +zonder _Gerrits_ weten, daar hij zelfs niet vermoedde dat zijn goede +mama dergelijke prullen bewaard had, afschriften te verspreiden van +een paar versjes, die _Gerrit_ op zijn twaalfde jaar gemaakt had en die +natuurlijk middelmatig waren, maar zooals verzen van kinderen meestal, +in zulk een hoog ernstigen toon geschreven en zoo vol van dood en +eeuwigheid, dat _Klaartje_, aan wie zij getoond waren, er in haar hart +vreeselijk om gelachen had. Het vooruitzicht derhalve van met dezen +wonderman aan ééne tafel te zullen zitten, wond haar volstrekt niet +tot dien graad van opgetogenheid op, waar hare tante op gerekend had. + +"Het zal zeker een heel feest zijn," ging deze waardige dame voort, om +_Klaartje_ tot grooter verrukking te nopen; "_Gerrit_ is gepromoveerd." + +"Hola, hola, vrouwlief!" viel de heer _Vernooy_ in, die juist +binnentrad: "zoo ver is 't nog niet." + +"Ja wel!" zei mevrouw _Vernooy_, die voor iedere afdinging bang +was. "Ja wel, schatlief; hij is gepromoveerd." + +"Waarlijk niet," antwoordde haar man, zich in zijn armstoel vlijende, +"maar hij heeft een examen gedaan. Een heel groot examen. _Witse_ +heeft me verteld dat het twee dagen geduurd heeft;--maar hoe het examen +heette, dat ben ik vergeten. Zooveel is zeker: den eenen dag heeft hij +een heel lijk ontleed, en den anderen dag heeft hij ... enfin! heeft +hij weer wat anders gedaan, maar alles even knap." + +"Ba," zei _Klaartje_; "een lijk." + +"Hij heeft zeker de hoogste?" vroeg mevrouw _Vernooy_. + +"De hoogste wat?" vroeg haar man. + +"De hoogste ... och, hoe hiet het ook weer? Ik meen het hoogste, +weetje, het allerhoogste; zoo veel als, zal ik maar zeggen, zooveel +als primus op 't Latijnsche school. Hij was alle jaren primus. Weetje +wat primus is, _Klaar_?" + +"Neen, tante!" zei _Klaartje_, die het zeer wel wist, maar met een +allereenvoudigst gezicht. + +"Primus is," antwoordde tante op goelijken, onderwijzenden toon, +"als men de hoogste is van zijn klasse, maar dan op 't Latijnsche +school, weetje. Dan is er prijsuitdeeling in de Fransche kerk, en +dan doen al de primussen gratiassen. Weetje wat een gratias is?" + +"Neen, tantelief." + +"Heden, weetje niet wat een gratias is?" vroegen mevrouw _Vernooy_ +en haar echtgenoot tegelijk. + +"Waarlijk niet." + +"Gunst, weetje dàt niet?" ging de tante voort; "het is een bedankje +voor den prijs. Ik ging altijd met mevrouw _Witse_ mee, als het +prijsuitdeeling was; maar het heette dan eigenlijk promotie. Jongens, +_Gerrit_ deed het zoo mooi; maar me hart kon kloppen als hij op moest +komen. Ik heb lang geweten wat de rector dan zei: hoe was 't ook weer?" + +"Ja," zei _Vernooy_, "hoe was 't ook weer? _Acide_ _Witse_..." + +"_Et excipe pryzia_," viel de gedienstige echtgenoote in. "Ja _Klaar_, +ik ken ook me Latijn. Weetje nog wel van op één na den laatsten keer, +_Vernooy_?" + +"Wel zeker!" antwoordde deze met rustigheid, ofschoon al +de verschillende keeren voor zijne herinnering vrij verward +dooreenschemerden. + +"Hij was de langste van al de jongens!" ging zijne gade voort. "O, +het stond zoo grappig; één zoo'n lange jongen onder al die kleine. Maar +hij was ook de eenigste die een rok aanhad. En de nieuwe handschoenen; +weetje wel, _Vernooy_?" + +"Ja," zei _Vernooy_ met een lief lachje, dat hij niet wist thuis te +brengen, "met de nieuwe handschoenen." + +"Ze droegen toen," vervolgde zijn wederhelft, "van die heele gele +handschoenen; dat herinnerje je nog wel, _Klaar_! _patte de canard_, +weetje? Nu, die had _hij_ ook aan; wat stond het hem lief; als zoo'n +eerst fatje! Maar je kondt goed zien dat ze nieuw waren; met zulke +platte toppen, je weet wel!" + +"Ja, zulke lange platte toppen," lachte _Vernooy_. "Ja, wat gebeurde +er ook weer met die handschoenen?" + +Dit was gewaagd. De heer _Vernooy_ bouwde op de enkele, hoezeer +wel eenigszins opgevijzelde, vermelding van een paar eendepootgele +handschoenen de vermetele onderstelling dat zij waarlijk een +historische rol hadden gespeeld, terwijl zij niets dan een lijdelijk +sieraad waren geweest, volstrekt niets dan een lijdelijk sieraad, +voor den jongenheer _Witse_. + +"Hoe meenje dat, _Vernooy_?" vroeg zijne gade met bevreemding. "Er +gebeurde niets mee, voor zooveel ik weet." + +"Ja wel!" antwoordde de gemaal, bloedrood wordende en zijn kopje +uitdrinkende om zijne verlegenheid te verbergen: "jawel, er gebeurde +iets met die handschoenen. Liet hij ze niet zoo gek vallen of zoo? Ja, +daar staat me iets van voor." + +Tante had gedurende deze flauwe herinnering altijd door ongeloovig +het hoofd geschud. "Nu, dat weet ik dan niet," zei ze daarop; "dat +weet ik dan niet; ik weet wèl dat het mooi was om hem te zien; ik +kon er niets van verstaan, dat voelje, _Klaar_, want het was alles +Latijn... of was het ook Grieksch, _Vernooy_?" + +"Ja," zei _Vernooy_, zijne wenkbrauwen veel beduidend samentrekkende: +"als ik mij wel bezin, geloof ik dat het Grieksch was." + +"Nu, dat doet er niet toe. Ik mocht het graag zien. Dan wees hij met +zijn handen op de tafel, waaraan de ... hoe hiet het ook weer? zaten." + +"Curatoren," vulde _Vernooy_ aan. + +"En dan lei hij zijn hand op zijn hart, en dan stak hij ze rechtop; +want er kwam van den hemel in; en alles zóó netjes, zóó knap, en +zóó gracieus..." + +"En alles met handschoenen _patte de canard_?" vroeg het schalke +_Klaartje_. + +"Alles met handschoenen _patte de canard_," ging tante voort, in haar +goelijken ijver om haar nichtje door alle mogelijke woorden, wenken, +en tafereelen voor den jongen _Witse_ te interesseeren; "het was een +lust om te zien. Verscheiden menschen zeiden dat _hij_ 't het mooist +van allen deed. Het ging ook zonder een woord te haperen." + +"Maar wat was het ook weer met die handschoenen?" prevelde _Vernooy_; +"me dunkt toch..." + +"Och kom!" zei mevrouw, bevende dat die gedroomde handschoenenhistorie +nog eene schaduw werpen zou op de bevallige schilderij, die zij van +_Gerrit_ als knaap had opgehangen; "je verwart het met wat anders. Er +was heusch niets van. Ik weet _wel_ dat we gelachen hebben om dien +kleinen jongen, die zoodra hij het boek in zijn hand had, zich +omdraaide en naar zijn plaats ging, en de heele gratias vergat." + +"_Dat_ zal het geweest zijn," zei de goedhartige echtgenoot, die blijde +was iets te kunnen aangrijpen dat zijne onvoorzichtige herinnering +overschaduwde. "Ja, ja, die kleine jongen; ik zie hem nog duidelijk +vóór me." + +"Maar zeg, tante," vroeg de Geldersche zoo naief als zij kon, +"mijnheer _Witse_ heeft _nu_ toch geen prijs gekregen, wel?" + +"Wel neen, kind! aan de academie--wel foei! Of het zou een medaille +moeten geweest zijn," liet zij schielijk volgen, om ook van deze +wending partij te kunnen trekken; "heb je _daar_ ook van gehoord, +_Vernooy_?" + +"Neen," zei _Vernooy_, "neen, dat's 't geval niet--men krijgt bij +zoo'n gelegenheid een graad." + +"Nu, juist, een graad; daar wilde ik je hebben. Naar dat woord heb ik +daareven gezocht. _Gerrit_ is zeker van den hoogsten graad, niet waar?" + +"Zeker, zeker," zei de heer _Vernooy_; "ja, wel zeker. Ja, dat heeft +hij ook geschreven." + +De lezer weet beter; maar _Vernooy_, die gaarne iedereen en vooral zijn +vrouw zooveel mogelijk gelijk gaf, verzekerde dit uit den overvloed van +zijn goedig hart, ex merâ conjecturâ. Dat evenwel deze bijzonderheid, +in de schatting der eenvoudige _Clara_, den genadeslag gaf aan den +persoon van _Gerrit Witse_, dien zij zich nu onmogelijk anders voor +kon stellen dan als den verwaanden wijsneus met de gele handschoenen +van de promotie, spreekt vanzelf en wordt door een ieder gevoeld die +aan neuswijze knapen en gele handschoenen een hekel heeft. Lang had +zij zich goed gehouden; maar nu moest zij eens met blijkbare ironie +spreken. + +"Nu," zei _Klaartje_, "ik verlang ijselijk om dat wonder van +geleerdheid toch eens te zien." + +"Zieje wel, dat je toch wel verlangt," antwoordde haar tante, +die het alweer ten besten opnam. "Daar bloosje alweer. Nu zulje me +toch niet weer opstrijden dat je niet bloost, meisje. Wat zeg jij, +_Vernooy_? bloost ze niet _razend_?" + +"Allerverschrikkelijkst," antwoordde _Vernooy_. En zeker, het +moest allerverschrikkelijkst wezen, indien de goede man, die +een slecht gezicht had, het konde opmerken; vooral wanneer men +bedenkt dat _Klaartje_, in de schaduw van een overgordijn, met +den rug naar het venster zat, en dat wel naar een venster in de +Rotterdamsche Hoogstraat, straat waarin, naar het getuigenis der +oudste Hoogstratenaars, de zon nog nooit geschenen heeft. + +"_Klaartje_," zei oom, die wel van plagen hield, "je moet oppassen, +meid! dat hij niet met je hartje strijken gaat, hoor!" + +"Dat heeft geen nood, oom." + +"Nu, ik ben benieuwd wat daar nog van komen zal," zei tante; "bewaar +het goed, kind!" En zij hoopte dat deze vermaning voor het jonge +meisje zooveel zeggen zou als: Werp het den jongeling hals over kop +voor de voeten. + +In dat geval stond de kans zeer slecht, want _Klaartjes_ tegenzin +had zich hoe langer hoe vaster geworteld. + +"Zoo'n wijs heer zal op mij niet letten!" zei _Klaartje_ overluid, +"en ik ben ook tegen zooveel geleerdheid niet opgewassen." In stilte +dacht zij: "Al was hij zoo wijs als _Salomo_, hij zal er bij mij niet +aan hebben; ik zal den verwaanden gek mijn rug toedraaien." + +Zoo onschadelijk was de koppelliefhebberij van tante _Vernooy_. + + + + +Vrienden-hartelijkheid. + +De dag van het groote feestmaal ter eere van _Gerrit Witse_, +Med. Cand., die, als den lezer uit onze schets gebleken is, ten +opzichte zijner verdiensten zoo geheel anders dan zijne ouders was +gestemd, was aangebroken. + +Het was omstreeks drie uren na den middag, dat de jongeling bezig +was zijn toilet te maken. Was het dat hij tegen de pleizierigheid van +dezen dag als tegen een berg opzag, te welker gelegenheid zijne ouders +waarschijnlijk tot walgens toe met hem zouden wenschen te pronken? Was +het dat hij zich het geeuwende schrikbeeld der verveling voorstelde, +waarmede hij zou hebben te worstelen in een kring van menschen, waarvan +de meeste hem onverschillig lieten en de overige hem ergerden? Was +het een dezer gewaarwordingen afzonderlijk, of was het wellicht een +aangenaam mengsel van beide, dat hem in het werk des kleedens zoo +langzaam deed voortgaan, en hem nu en dan een aanmerkelijke poos +deed verwijlen met een kleedingstuk in de hand, of doelloos uit het +raam staren of, zonder vermoeid te zijn, op een stoel nedervallen, +met al de verschijnselen van het levensverdriet? + +Eene sierlijke inleiding, opzettelijk geschreven om u van de ware +oorzaak af te Leiden. Deze was geene andere dan dat zijne gedachten +met een voorwerp vervuld waren, verre verheven boven het geurig stuk +zeep of het schoone overhemd, of de satijnen das, die hij beurtelings +in de hand nam. Hij had dien morgen het Leesmuseum bezocht. Wanneer hij +zich voor een dag of wat in zijn vaderstad bevond, was het Leesmuseum, +waar de oude heer _Witse_ ook lid van was, steeds zijne toevlucht. Daar +stelde hij zich altijd weer voor, dat hij zijn tijd op een aangename +wijze zou kunnen doorbrengen, ofschoon de uitkomst hem meestal +teleurstelde. Met gespannen verwachting trad hij er op de leestafel +toe, maar bemerkte meestal tot zijn smart dat die tafel, behalve +de Lloyds-list en de Oost-Indische Courant en het Heerenboekje, niet +anders vertoonde dan hetgeen hij te Leiden gewoonlijk dan reeds gelezen +had; hetzelfde nommer van de Letteroefeningen, met hetzelfde aantal +steken op "de jonge dichters" (ik meen "dichtschool"), en dezelfde +zeer huiselijke beeldspraak van "ongare kost, keurige schotels, +goed gekruid, sterk aangezet" en wat dies meer zij; denzelfden Gids, +met dezelfde beweringen omtrent het ongepaste dat Holland graven +en ridders gehad heeft, omtrent den bloeitijd van _Jan_ (een alias, +dien hij ons voor de Hollandsche natie opdringt) en het leelijke van +de rhetoriek, met en benevens dezelfde citaten uit het vorig nommer; +hetzelfde Leeskabinet, met denzelfden groenen omslag, en dezelfde +Boekzaal der Geleerde Wereld, met een versjen op de begrafenis van +Ds. die en die, en op het vijftigjarig bestaan van Ds. zoo en zoo. Dan +keerde hij zich tot de nieuw uitgekomen boeken. Ook van deze had hij +er reeds, dank zij den gedienstigen zorgen van één _Van der Hoek_ +en een half dozijn _Hazenbergen_, vele gezien, en de andere schenen +hem te lijvig toe, om in zoo weinige dagen klein te krijgen. Meestal +kwam het daarop neer, dat hij dan toch maar de voorreden van een paar +Fransche nieuwtjes ging zitten lezen, waarin de schrijver beweerde +dat hij met zijn geweten was te rade gegaan, om een zeer zedeloos, +met zijn kunstgevoel, om een zeer smakeloos boek te schrijven. En zoo +was hij dezen morgen verdiept geweest in het lezen van de voorrede +van _Victor Hugo's_ Ruy Blas. + +Deze voorrede, hoe sluitend en klevend, bondig, krachtig en boeiend +de redeneering ook zijn mocht, was niet zóó, of zij liet hem wel +éénige oogenblikken los, om zijne oogen te laten weiden, nu eens over +de Beursbrug, dan eens over de Blaak die, door een aardig zonnetje +beschenen, er nog al heel opwekkelijk en pleizierig uitzag. En op +eenmaal (ik zal het maar kort maken), daar ziet hij duidelijk de +schoone, die hij in "het paradijs van Nederland", als de blinde _Moens_ +zingt, met de witte duif op het hoofd had gezien; de schoone, die +hij slechts eenmaal had aangeblikt, en die hij volstrekt niet kende, +'t geen een reden te meer was geweest om gestadig over haar te denken, +ja! te mijmeren, ach! te dwepen. + +Ik zal niet zoo vermetel zijn te beweren dat het boek hem uit de +handen viel, want daar behoort nog ongelijk meer toe; neen! maar +hij wierp het neder; hij wierp het neder, hij nam zijn hoed, hij +trok zijn handschoenen aan, vloog de trappen van het Leesmuseum af, +stormde de deur uit. De schoone, van de Beursbrug komende, was de Blaak +opgegaan en had zich dus rechts gekeerd. Zal hij haar nawandelen? Neen; +hij kent al het onaangename van de luifels der hoeden. IJlings slaat +hij den hoek om, ijlt de Gapersteeg door, draaft langs de Wijnstraat, +galoppeert door de Posthoornsteeg en komt, bedaard en met een gezicht +alsof er niets gebeurd was, de Blaak weder opwandelen. Zij is het +waarlijk. Ja, dat vroolijke gezicht, die vriendelijke mond, die +speelsche uitdrukking van oogen! Hij groet haar. Hemel en aarde! zij +heeft hem teruggegroet. Een paar huizen verder staat hij stil, en tuurt +haar lieve houding na, en bewondert met een verliefd oog haar vluggen +gang. Zij steekt de Houtbrug over; hij staart haar na totdat zij in de +Keizerstraat verdwijnt. Nu stuift hij weder voort en naar het Museum +terug, de trappen op; daar ligt Ruy Blas nog; werktuigelijk neemt hij +zijn vorige houding aan en het boek op. Dat was verbijstering. Hij +had haar moeten nagaan, moeten weten waar zij bleef. Hij keert op +zijne schreden terug, de Houtbrug over, de Keizerstraat door. Hij +ziet haar niet meer; haar spoor is uitgewischt. Verliefder dan ooit +en op zichzelven ontevreden, loopt hij de geheele stad door en tuurt +in alle ellewinkels, of hij het groenzijden wintergewaad ook weer +te ontdekken krijgt, dat hem zoo hevig heeft aangedaan, of een hoed +van bruin satijn, met een enkele struisveder, die de plaats bekleedt +waar hij weleer de witte duif heeft zien nederzitten, die hij zoozeer +heeft benijd. Te vergeefs! Nergens, nergens, voor geen venster is +zij te zien, de schoone... ja! hoe heet zij? Hij weet er niets van, +en lacht over zijn dwaasheid. Zoo keert hij huiswaarts. + +In deze stemming vinden wij hem op zijn kamer. Maar neen! Er is +een straal van hoop in zijne ziele opgegaan. De berekeningen van een +mensch in _Witses_ toestand zijn stout. Er was bij den heer en mevrouw +_Vernooy_ een jong meisje gelogeerd, een nichtje, welker naam hij +niet kende; den naam der schoone Geldersche kende hij evenmin!... Dat +was een punt van overeenkomst. Zij kon het zelve wezen; en _indien_ +zij het ware, het was hem meer waard dan de eerste graad bij alle +mogelijke examina. + +Onder zulke gedachten geraakte hij eindelijk gereed, nadat hij reeds +eenmaal zijn das uitvoerig had omgestrikt, eer hij zijn overhemd nog +aanhad, en later zijn rok had aangetrokken, voor hij nog eerst het +noodige laagje gelegd had met zijn satijnen vest. + +Hij kwam beneden. Er waren reeds gasten aanwezig. Hij hoorde hunne +stemmen in de zijkamer. Met een kloppend hart opende hij de deur. + +"Daar hebben we onzen candidaat!" riepen papa en mama tegelijk. De +candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw _Van Hoel_. + +Mijnheer en mevrouw _Van Hoel_ waren menschen van omstreeks vijftig +jaren, waarvan ze er vijfentwintig in den huwelijken staat hadden +doorgebracht. Zij behoorden tot den deftigen koopmansstand en ZEd. was +wat men een man van gewicht noemt. Hij keek op de sociëteit zeer +ernstig en als zeer veel macht hebbende rond, en was er op straat zeer +op gesteld dat men hem groette; eene eer die hem, het fortuin dat +hij gemaakt had in aanmerking genomen, ook ten volle van de geheele +wereld toekwam. Mevrouws toon en deftigheid hadden met den aangroei +van haar eegaas vermogen gelijken tred gehouden en zij was eerst een +pretentieuse, daarna wat men eene _heele_ vrouw noemt, en nu bijna +ongenaakbaar geworden. Het waren zeer oude kennissen van mijnheer en +mevrouw _Witse_; en toen beide echtparen nog jong waren, zagen zij +elkander bijna dagelijks, hielpen de dames elkander hare japonnen +knippen en gingen de heeren te zamen uit visschen. Deze overdreven +hartelijkheden hadden echter gaandeweg opgehouden, naarmate, om een +platte uitdrukking te gebruiken, de _Van Hoels_ de _Witses_ waren +over het hoofd gegroeid; maar toch kon er nog nimmer een belangrijk +feest gevierd worden bij een van de beide familiën, of zij noodigden +elkander over en weer; zij waren voor elkaar een noodzakelijk kwaad. De +oorzaak der verkoeling moet echter niet alleen in de uitbreiding van +des heeren _Van Hoels_ vermogen gezocht worden; nog eene andere kleine +omstandigheid had daar schuld aan; want, gelijk de heer _Witse_ zoo had +ook de heer _Van Hoel_ een eenigen zoon, en het is wel bekend dat er +niets doodelijker is voor vriendschappelijke betrekkingen dan kinderen, +vooral als zij volwassen beginnen te worden. _Witse_ had een knappen, +oppassenden jongen, den roem van alle scholen, en daarna een sieraad +der academie; terwijl de zoon van mijnheer en mevrouw _Van Hoel_ +een eigenzinnige domkop was, waar niets van was te maken, en die +zich, tot jaren van onderscheid gekomen, al spoedig als een losbol +onderscheidde en naar de Oost was gezonden, omdat men niet wist wat +er hier mee uit te richten. Zoo kwam het bij, dat mijnheer en mevrouw +_Van Hoel Gerrits_ natuurlijke vijanden waren geworden. Zoo kwam het +bij, dat de heer _Van Hoel_ nooit een brief van zijn zoon ontving, +waarin deze, als bewijs hoe goed het geld, dat zijn vader hem moest +overmaken, geplaatst werd, breed opgaf van het telkens verbeteren +zijner vooruitzichten en van de bewonderenswaardige stappen, die hij +tot zijne fortuin maakte, of hij haastte zich dit op de sociëteit +Amicitia luidkeels mede te deelen, en zulks liefst aan het tafeltje +naast dat, waaraan de heer _Witse_ zich in 't Handelsblad verdiepte, +met bijvoeging, "dat men niets beters doen kon dan zijne kinderen +naar de Oost te zenden, en niets dwazers dan ze te laten studeeren, +waardoor ze niet dan eene zeer late carrière maakten; daar hadje bij +voorbeeld de jonge doctoren!" Zoo kwam het bij, eindelijk, dat er nooit +of nimmer een wilde studentenpartij, een klein straatgeruchtje of iets +dergelijks had plaats gehad, niet noemenswaardig in vergelijking van +het groote landgerucht dat het daarna maken moest, of mevrouw _Van +Hoel_ kon het niet langer uitstellen mevrouw _Witse_ eens een bezoek +te brengen, bij welke gelegenheid zij haar dat nieuws mededeelde, +met vele verzuchtingen haar beklagende dat zij nog in de onzekerheid +was of haar zoon er al of niet was bijgeweest, en "maar hopende, +hartelijk hopende, dat dit het geval niet mocht geweest zijn; hij +was _hier_ wel voor een knappen, heel knappen, braven jongen bekend; +maar men kon het toch nooit weten! En te Leiden!... Och, de jongelui +werden er zoo spoedig bedorven." + +De candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw _Van Hoel_. + +Na de gewone begroeting, waar nu ook nog een compliment met +het volbrachte examen bijkwam, waarbij de heer _Van Hoel_ den +hartelijken wensch voegde dat dit een stap nader mocht zijn tot eene +spoedige promotie en eene briljante praktijk, en waarbij mevrouw de +vriendelijkheid had het deelnemend beklag te voegen, dat de meeste +menschen "een _ouden_ dokter verkiezen", zeide de heer _Van Hoel_, +die, met de armen op den rug, de panden van zijn rok splijtende voor +het vuur stond en den binnenkant zijner handen door de vlammen liet +koesteren: "ik heb, geloof ik, mijnheer _Witse_ van morgen ontmoet?" + +"Mij, mijnheer?" vroeg _Gerrit_ verbaasd; "ik weet met dat ik de eer +gehad heb ..." + +"Neen, dat merkte ik," hernam de heer _Van Hoel_ met een schamper +lachje, en schuins uit naar _Gerrits_ moeder ziende, "'t was op de +Blaak;--maar ik merkte wel dat je _mij_ niet scheent te bespeuren." + +"Inderdaad, ik heb u niet gezien," antwoordde _Gerrit_ kleurende. + +"Och, die jonge _geleerden_," merkte mevrouw _Van Hoel_ aan, hare +handen vouwende en hare nieuwe cabretten handschoenen tusschen de +vingers aandrukkende, "Och, die jonge geleerden zweven zoo in een +hooger sfeer, dat ze geen mensch meer gewaar worden." + +"Dat kan wel eens een enkelen keer gebeuren, nietwaar, _Gerrit_?" viel +zijn mama daarop in, die een hoogere sfeer voor haar zoon nog al een +geschikt departement vond. + +"Liever niet," zei _Gerrit_; "het komt op de Blaak zoo weinig te pas." + +"Ja!" antwoordde de heer _Van Hoel_, de schouders met gemaakten ernst +ophalende; "het is hier maar een _koopstad_; daar moeten we ons nu +maar mee behelpen." + +"Zoo meen ik het toch niet," hernam _Gerrit_ al weder, nu eerst +bemerkende dat de heer _Van Hoel_ aan 't gifzuigen was. + +De deur ging open. _Gerrit_ zag verlangend om. Er trad geen schoon +meisje binnen, maar een jongeling die, naar _Gerrits_ smaak, +alleen een schoonheid had kunnen genoemd worden, indien hij een +meisje geweest ware. Hij was een van die "mooie mannen", op wie de +jongelingen misschien veel meer jaloersch zijn dan de jonge dochters +verliefd. Zacht, zwart, krullend haar, een spierwit voorhoofd, +een fijn wit en rood, blinkende oogen, en behaagzieke bakkebaarden +waren zijn deel. Kracht en majesteit was er in 's mans gelaat met, +zelfs geen hartstocht, en evenmin in zijn gestalte, die tot de zwak +apollinische behoorde. Het was de heer _Hateling_, een jong mensch +van goeden huize, die op kamers woonde en aan een der voornaamste +kantoren van Rotterdam den handel bestudeerde. Deze jongman was iemand, +die volmaakt berekend was voor zijne plaats achter een lessenaar en +voor zijne plaats op een diner; dat is: hij kon goed cijferen, en +goed praten. Overmaat van verstand of smaak bezat hij niet, maar hij +"las toch nooit Hollandsch", eene omstandigheid, die altijd een hoogen +dunk van beide geeft. Hij was een spotter met al wat studie heette of, +zoo als hij het noemde, "zoo hoog vloog". Voor het overige, daar zijn +toestand als eenloopend gezel medebracht dat hij gaarne uit eten ging, +had hij den goeden weg ingeslagen om veel uit eten te worden gevraagd; +en daar hij veel uit eten gevraagd _werd,_ was hij ook een volleerd +dinerganger, en wist hij uitmuntend hoe hij het aan moest leggen om +bij zulke gelegenheid te voldoen. + +Terwijl deze Narcissus nog bezig was zijn compliment te maken, kwam +er, met veel schutterigheid en eene zeer verhitte kleur, eene dame +binnentreden van een jaar of zesentwintig, die een zwarte japon droeg +om te toonen dat zij bedroefd was, en een zeer blooten hals om te +toonen dat zij alle behaagzucht niet had afgelegd. Zij was noch mooi, +noch leelijk, zeer blond en zeer druk. 't Was mevrouw _Stork_, de jonge +weduwe van een man, dien zij aan de tering verloren had. De heer en +mevrouw _Witse_ waren eerst onlangs met haar in kennis geraakt; zij +maakte derhalve allerhartelijkst, allerbevalligst, en allerinnemendst +haar compliment voor mijnheer en de "lieve mevrouw". Daarop werd ze aan +de _Van Hoels_ voorgesteld, waarop zij terstond met een allerliefst +lachjen en mooien mond met tanden vroeg: of zij van de familie van +mevrouw _Van Hoel_ te Utrecht waren, die zij het pleizier had 't +kennen, en dat een aller-allerliefste vrouw was. Toen wendde zij +zich weder tot de heeren _Witse_, en plaagde den ouderen, en zei +allerlei aangenaamheden aan den jongeren, met al de vrijmoedigheid +eener getrouwde dame en met al de behaagzucht eener ongetrouwde. Nog +had deze nauwelijks al de aanwezigen gegroet, of wederom ging de deur +open. Mevrouw _Vernooy_ trad binnen; gevolgd van _Klaartje Donze_. + +Eene siddering ging over _Gerrits_ hart; eerst werd hij bleek, en toen +hoog rood; want zij was het, de schoone Geldersche, de jonkvrouw van +zijne gedachten! + +Met een goelijken knik aan den ingang van de deur en een nog +goelijker lach drukte de heer _Vernooy_, die nu ook volgde, _Gerrits_ +hand. "Hartelijk, hartelijk, man!" riep hij uit. "Je bent nu candidaat, +heet het zoo niet?" + +"En zeker met al de graden?" vroeg mevrouw _Vernooy_, minzaam +glimlachende. + +"Ja," zei mevrouw _Witse_, het hoofd blijmoedig opheffende: "daarvoor +was geen zorg, maar hij wilde 't niet schrijven. Nu, 't is nogal een +knappe jongen, vindje niet? We beleven pleizier aan ons _Gerritje_." + +"_Gerritje_," die door deze lofrede al weer een tamelijk kinderachtig +figuur maakte, rees niet in de achting van _Clara_, wie hij echter, +wat voorkomen en uiterlijk betrof, niet was tegengevallen, ja, zoo +zeer meeviel, dat zij er inwendig boos om werd. Neen! dacht zij; geen +voet achteruit! Dat hij er redelijk uitziet, bewijst niets tegen zijn +pedanterie. Pedant moet hij wezen. + +_Gerrit_ had haar zeer beleefd gegroet, en de dames hadden het zeer +druk met de vreemde. Zijne moeder scheen terstond zeer nieuwsgierig +te zijn om te weten hoe het haar in Rotterdam beviel en, hoe hare +familie in Gelderland voer, ofschoon er dan hier tot nog toe geen +sterveling was, die wist of zij een vader en moeder, broer of zuster +bezat, al dan niet. _Klaartje_ antwoordde op alles met een onbedeesd +en vroolijk gezicht. + +_Gerrit_ kon zijne oogen niet van haar afhouden. Hoe schoon was zij +van nabij gezien! Hoe weelderig waren hare vormen; hoe doorschijnend +haar blanke hals; hoe zuiver de omtrekken van haar gelaat en de +lijnen van haar gestalte! Hoe liefelijk en helder klonk hare stem; +hoe vriendelijk was hare spraak; hoe levendig waren hare bewegingen; +hoe bevallig was de schoone _Clara_, in alles! + +Juist maakte hij zich gereed haar, zooras zijne hartklopping eenigszins +bedaard zou zijn, eens nader toe te spreken, toen de laatste der gasten +verscheen en de opmerkzaamheid der geheele vergadering tot zich trok. + +Het was een man, wiens leeftijd tusschen de vijftig en zestig in +zweefde, wat hij evenwel gedeeltelijk ontveinsde door een valschen +toupet boven een paar zeer blozende wangen rond te dragen. Het +overige van zijn gelaat bestond geheel uit een wijde witte das met +wuivende slippen, en groote slappe hemdsboorden. Hij droeg een ruimen +zwarten rok, een blauwlakensche pantalon, een zeer ouderwetsch fluweel +vest met nederdalende strepen. Het was de heer _Wagestert_, bij zijn +vrienden voor een origineel bekend. Deze man had het, door kracht van +originaliteit tot de in deze huichelende en huichelarij onderstellende, +aanmoedigende en uitlokkende wereld, zeer benijdbare hoogte gebracht, +dat men hem het recht toekende alles te zeggen wat hem voor den mond +kwam, een recht waarvan hij dan ook rijkelijk gebruik maakte. Daarbij +had hij iets zeer eigenaardigs in de wijze van zich uit te drukken; ja, +zijn woordenboek verschilde geheel van dat van andere menschen, en hij +placht te zeggen, dat het jammer was dat men, bij nieuwe uitvindingen, +hem niet raadpleegde hoe de dingen heeten moesten. Zoo benoemde hij, +om een voorbeeld te geven, het schoone geslacht geregeld met den naam +van _appelbijtsters_, daarbij op overgrootmoeder _Eva_ zinspelende, +en gaf hij den artsen nooit een anderen eeretitel dan die in het woord +_tongkijkers_ lag opgesloten. Medicijnen en vrouwen waren zijn grootste +antipathieën, en hij was gewoon te beweren dat hij zonder de laatste +wel leven, en zonder de eerste wel sterven kon. Deze merkwaardige man +leefde op kamers op de Nieuwe Haven, van een onafhankelijk inkomen +en, niets omhanden hebbende, had hij--niet zoo zeer de luiheid +als wel--de geestigheid dagelijks tot elf, twaalf uren op zijn bed +te liggen en in deze gemakkelijke houding te lezen, te schrijven, +en alles uit te voeren wat hem in den geest kwam. Hij was gewoon in +persoon versche zalm te gaan koopen en eigenhandig in een netje naar +huis te dragen. Hij had de leelijkste teef uit heel Rotterdam, en +onderhield twee grijze katten, die door dezelve teef gezoogd waren. Op +de sociëteit dronk hij nooit iets anders dan fachingerwater, aan zijn +tafel nooit iets anders dan portwijn. Hij had een stok waarvan de +knop, in de schaduw gezien, het portret van _Lodewijk_ den XVI_den_ +vertoonde, en een horloge, onder welks glas een vlieg geteekend was, +waarvan men zweren zou dat zij over de plaat liep; een universeel +zakmes met honderd geriefelijkneden was zijn trouwe metgezel, en hij +wist het soms zeer geestig te pas te brengen. In 't kort, niets was +duidelijker of meer bekend, dan dat de heer _Wagestert_ een origineel +was, en hij deed dan ook zelden den mond open, zonder de voldoening +te smaken van den een of ander uit het gezelschap, waarin hij zich +bevond, te hooren mompelen: "Die _Wagestert_ heeft"--of, zoo als de +Rotterdammers van alle klassen zeggen, _heit_--"toch altijd wat raars". + +De binnenkomst van dit humoristisch genie en de plichtplegingen, +die hij jegens de gastvrouw en de gasten in het werk stelde, waren +een soort van koddige parodie op de wijze waar dit gewoonlijk op +geschiedt; en schoon de heer _Wagestert_ deze aardigheid bij alle +gelegenheden herhaalde, zoo vond zij echter ook ditmaal genade in de +oogen zijner bewonderaars. + +Men was nog bezig er om te glimlachen, toen de knecht binnenkwam met +de tijding dat de soep op tafel was. De heeren boden de dames hunne +armen aan, met dien schoorvoetenden ijver, waarmee men altijd te werk +gaat indien men niet recht weet aan wien het toekomt om de eerste te +wezen, en de heer _Wagestert_, die, alhoewel alle "appelbijtsters" +verachtende, echter zeer goed wist welke "appelbijtsters" er het +liefst uitzagen, bood zijn geleide, op eene alweder kluchtige wijze +aan _Klaartjen_ aan. _Klaartje_ had nooit tevoren een origineel gezien. + + + +Men ging aan tafel, en het eerste, dat _Gerrit_ bemerkte, was dat de +schikking der gasten hem allerweinigst aanstond. + +Dan, hier is het de plaats een meewarig woord van beklag voor u te +uiten, edelaardige menschenvrienden, die goed genoeg zijt nu en dan +aan uwe vrienden diners te geven! Het is nog niet genoeg, dat gij +bij alle poeliers rondzendt om een soort van gevogelte of een soort +van wild, dat nergens te krijgen is; niet genoeg, dat gij u afslooft +om de fijne schotels van het laatste diner dat gij bijwoondet, op +zijde te streven en zoo mogelijk te overtreffen; niet genoeg, dat +gij met eigen mevrouwelijke hand het blanc-manger bereidt of u de +harde noodzakelijkheid oplegt, op een ongelegen uur uw rumgelei te +proeven! Gij moet ook nog eene partij, op dat punt allerlastigste, +allerkitteloorigste en alleronverdraagzaamste wezens, gij moet uwe +gasten schikken! En wel zoo, dat zij alle naar hun zin en naar hun +smaak gezeten zijn; en wel zoo, dat alle antipathieën gescheiden +en alle sympathieën gespaard worden; en wel zoo, dat gij daarbij +eene evenredige hulde aan ieders achtbaarheid en jaren brengt; en +wel zoo, dat de jonge meisjes niet te hoog, en de oude vrijsters +niet te laag zitten; en wel zoo, dat gij een "geanimeerd discours" +verwachten kunt; en wel zoo, dat de rij bont, immers zoo bont mogelijk, +zij! En als gij aan alle deze zoo zeer vervlochtene en verwikkelde +(het woord dagteekent van 1830) verplichtingen poogt te voldoen en +met de grootste nauwgezetheid altijd het lichtere aan het zwaardere +hebt opgeofferd, dan komt de een of andere gast, indien niet uw eigen +zoon of echtgenoot, die uwe schikking allerdolst vindt en zich over +zijne plaats beklaagt. De roekelooze weet niet wat hij zegt! Dat +hij eene andere schikking voorstelle, en hij zal zien hoe alles in +de war loopt! Maar hij zegt het niettemin; dat is, hij overlegt het +in zijn harte, en mokt en mort in stilte. Beklaagde hij zich nog +maar altijd overluid: uwe verantwoording zou hem doen verstommen; +maar neen, hij houdt zich overtuigd van uwe verkeerde bedoelingen, +van uwe hatelijkheid, van uw lust om hem te krenken, te grieven, naar +het hart te steken, en neemt die overtuiging met zich in het graf. De +ondankbare! Hij wist niet voor welke jammeren gij hem bewaard hadt! + +Voor _Gerrits_ moeder was de schikking bijzonder moeilijk geweest, +door de omstandigheid dat het getal harer gasten oneven, en er een +overscharige heer was. Noodwendig moesten er dus ergens twee heeren +naast elkander zitten; de een moest natuurlijk haar zoon zijn, +en de ander?... "De heer _Wagestert_", zult gij mogelijk zeggen, +"die toch een vrouwenhater is". Dit zou ondertusschen een heel domme +raad van u zijn, mijn lezer! Want het was juist daarom, dat de heer +_Wagestert_ in alle gezelschappen tusschen twee dames geplaatst werd +en alle mevrouwen elkaar het genoegen betwistten zijne zijde te mogen +bekleeden; want wat is voor mevrouwen pikanter dan het gezelschap +van een vrouwenhater? De heer _Wagestert_ zat alzoo tusschen mevrouw +_Witse_ zelve en mevrouw _Van Hoel_. Maar het was niet dit, wat +_Gerrit_ zoo verschrikkelijk ergerde. Evenmin dat mevrouw _Vernooy_ +in het midden van den vriendenkring zat, tusschen den heer _Van Hoel_ +en zijn vader, en zulks als "een pareltje in 't goud", als zij nederig +aanmerkte. Maar dat hij aan 't lager eind van de tafel, vlak tegen +hem over, zien moest de personage van _Hateling_, geplaatst... naast +zijne moeder, zoover goed! maar ter andere zijde naast _Klaartje_, +die aan zijn vaders andere hand gezeten was, dat was een ding, hetwelk +hij mama niet vergeven kon, al had zij hem de drukke mevrouw _Stork_ +toebedeeld aan zijn rechter-, en den hartelijken mijnheer _Vernooy_ +aan zijn linkerhand; want omdat de laatste de goedigste was, was hem +het lot te beurt gevallen, geen andere dame te hebben dan mevrouw +_Van Hoel_, die ook, om de waarheid te zeggen, wel voor twee dames +door kon gaan. + +Het diner begon met dat geheimzinnige _Conticuere omnes_, waarmede alle +diners aanvangen; de soep werd met stomme aandacht gegeten, alleen +verpoosd door de opmerking omtrent de verandering van atmosfeer, te +gelijkertijd aan de vier hoeken van den disch gemaakt, en eene kleine +vroolijkheid door _Wagestert_ te weeg gebracht, die de schildpadsoep +_pepersop_ noemde, hetwelk iets geheel nieuws was. + +Het "verre de vin après la soupe" bracht eenige opschudding teweeg, +daar meest al de dames hare gehandschoende handpalmen op hare glazen +hielden, om te beletten dat de heeren de snoodheid hadden haar te +schenken. + +Eenige oogenblikken later had mevrouw _Stork_ de vrijpostigheid +een glas water te vragen, hetgeen aan alle vrouwelijke leden der +vergadering den moed gaf onmiddellijk hetzelfde verzoek te uiten. + +Na afloop dezer ceremoniën werd het verkeer langzamerhand levendiger, +luider en drukker. + +Mevrouw _Stork_ bestormde _Gerrit_ met een zeer geënthusiasmeerd +gesprek over allerlei boeken; over den Corsair van Lord _Byron_, +de Notre Dame van _Victor_, de Gedenkschriften van _Walter Scott_, +den Jocelyn van _Lamartine_, den Maltravers van _Bulwer_, en een +aantal min of meer bekende romannetjes en novellen, die _Gerrit_ +nooit had hooren noemen. Het eene was "haar charme", het andere was +"de favori van wijlen mijnheer _Stork_!" Dit had zij 's nachts gelezen; +dat, toen zij met _Stork_ haar toertje maakte; een ander had zij op +de wandeling meegenomen; dit had zij aan eene vriendin uitgeleend, +en dat wilde zij absoluut aan _Gerrit_ zelf uitleenen; over het +een vroeg zij zijn oordeel; over het ander "wilde zij zijn oordeel +volstrekt maar liever niet weten, omdat zij er in het geheel geen +kwaad van hooren kon!" Met dit had zij "zooveel innige sympathie", +en in dat; zij zei het met neergeslagen oogen en een treurigen zucht; +"was zooveel dat op hare eigene omstandigheden sloeg" ... + +Aan 's jongelings anderen kant zat de hartelijke _Vernooy_ zich +te vermaken over _Gerrits_ kunde en belezenheid, blijkbaar in het +beantwoorden van den waterval van woorden, die het molenrad van +mevrouw _Storks_ tongetje om deed loopen, en fluisterde telkenmale +mevrouw _Van Hoel_ zijne bewondering van "den knappen jongen", toe; +al weder tot zijn niet gering nadeel in de schatting van die dame, +die met onbegrijpelijk veel statigheid hare oogen over een gezelschap +weiden liet, waaraan _zij_ naar haar inzicht den grootsten luister +bijzette. En wanneer _Gerrit_ zijne oogen maar opsloeg, dan zag +hij den mooien _Hateling_, die met den zoetsten glimlach tusschen +zijne gladde bakkebaarden, een allerlevendigst gesprek voerde met de +schoone _Clara_, en al zijne hoffelijkheid en oplettendheden over +haar zat uit te gieten. Mevrouw _Witse_ zag met een welgevallig +oog op _Hateling_ neder, die een groot gunsteling van haar was, +en keek dan weer eens tot _Gerrit_ op, dien zij toeknikte "of hij +niet extra goed _zat?_" waarop zij, daar hare stem hem niet bereiken +kon om het hem rechtstreeks te vragen, aan _Hateling_ en _Klaartje_ +begon te vertellen, dat zij _Gerrit_ niet beter had kunnen onthalen, +dan door hem naast mevrouw _Stork_ te plaatsen, die een savante was, +"dat 's te zeggen, geen eigenlijke savante, want zij was heel lief, +maar een stille savante, die alle talen verstond, veel gezien had, +en onbegrijpelijk interessant was". Dan schertste zij weder eens met +_Wagestert_ over de slechtheid van de mannen en riep mevrouw _Van Hoel_ +tot getuige, die ze ook "al heel slecht" vond. En intusschen vertelde +mevrouw _Vernooy_ zoo veel liefs en goeds van _Klaartje Donze_, als zij +ooit liefs en goeds van _Gerrit_ uit papa _Witses_ mond gehoord had; +en de laatste was niet ongevoelig voor haar lief gezichtje. De heer +_Van Hoel_ zat met een sceptisch en ironisch gezicht mevrouw _Stork_ +gade te slaan, in zijn koopmanstrots zeer laag nederziende op al dat +onzinnig gesnap, en sprak tusschenbeiden een wijs woord met _Witse_ en +_Vernooy_, bij welke gelegenheid hij machtig veel, zoo aan het staats- +als aan het stadsbestuur te berispen vond, en de wereld beklaagde, +dat zij geene oogen had om er "die knappe menschen in te kiezen, die +zich gaarne de moeite zouden getroosten alles op pooten te stellen". + +Het dessert kwam, en mevrouw _Witse_ liet met zekeren nadruk de +flesschen veranderen. + +De heer _Vernooy_, in de goelijkheid van zijn hart, begreep +dadelijk dat er een toost op den jongen candidaat wezen moest, +maar hij was de man niet om toosten in te stellen. Wel is waar, +hij was hier waarschijnlijk de oudste; maar hem docht, de eer kwam +den hoogaanzienlijken _Van Hoel_ toe, die 't er, dacht hij verder, +ook veel beter af zou brengen dan hij. Nu was het zeer zeker dat de +hoogaanzienlijke heer _Van Hoel_ van dezelfde meening was, maar hij +gevoelde geen zier lust of roeping tot de zaak; en schoon de gedachte +aan den noodzakelijken toost ook in _Wagesterts_ hoofd opkwam, hij +smoorde ze met de bewustheid dat hij "nooit toosten instelde en het +weergasche gekheid vond", waarbij ook nog kwam dat hij de kunst _niet_ +machtig was. Het was in dezen als met zijn geheele zonderlingheid, +die in vele opzichten niets anders was dan het goed heenkomen zijner +mislukte pogingen om met eenige gratie en goeden uitslag te handelen +als andere menschen. Blooheid en onhandigheid hadden in een schoon, +eendrachtig en zusterlijk verbond hem tot een vertreder van alle +vormen en bespotter van alle beleefdheden gemaakt. + +Een geschrikt paard slaat aan 't hollen, breekt den toom, en trapt +den wagen stuk. + +Het nagerecht werd gediend, en niemand sprak den toost uit. _Vernooy_ +werd hoe langer hoe benauwder. Hij vond het onbeleefd en onbehoorlijk +het te _laten_, maar als hij er aan dacht het te _doen_, brak het koude +zweet hem uit. Twee of drie malen sloeg hij de hand aan zijn glas +om het plechtig op te nemen, maar telkens liet hij het weer staan; +ja, tweemaal hief hij het werkelijk op in de hand, maar bedacht +zich, en verborg zijn voornemen onder het voorwendsel van mevrouw +_Van Hoel_ een nietsbeduidende opmerking te maken omtrent de kleur +van den wijn en het aangename van een puntig glas. Ondertusschen +werden de omstandigheden al nijpender en nijpender. Mama _Witse_ +begon met eene hooge kleur hare oogen ongerust te laten rondgaan, +en maakte telkens kleine pauzen in haar gesprek. Verscheidene glazen +waren reeds weder ledig, en alle flesschen aangebroken. Het _moest_ +eindelijk. _Vernooy_ vermande zich, en met een bleek gezicht, een +domig voorhoofd, en trillende lippen, zeide hij: "Vrienden, wij moesten +eens een vol glaasje inschenken". Hoewel nu het gesprek in de laatste +oogenblikken groote gapingen had gehad, waarin men de dessertmessen +duidelijk hun werk had hooren verrichten, zoo was het oogenblik, +waarop de goede _Vernooy_ deze inleiding maakte, allerongelukkigst +gekozen, want _Wagestert_ had juist een appel uit een dessertmandje +genomen en begon er de "appelbijtsters" als van ouds mede te plagen. + +De goede man ontveinsde daarop zichzelven gesproken te hebben en wijdde +veel aandacht aan het patroon van het tafellaken. Een oogenblik daarna +vermande hij zich weer: "Vrienden!" zeide hij. + +"Ik geloof dat mijnheer _Vernooy_ iets zeggen wilde," zei mevrouw +_Witse_, over de tafel heenbuigende tot dat zij hem in 't gezicht +kreeg; "niet waar, _Vernooy_?" + +"Ja, _Keetje_," zei de hartelijke man, "ik wilde een glaasje brengen +aan _Gerrit_, om hem nogmaals te feliciteeren met zijne bevordering +tot candidaat. Ik heb geen kinderen, maar ik verheug mij zeer in +'t geluk van mijne vrienden, die ze wèl hebben en er genoegen aan +beleven. Met _Gerrit_ meen ik het goed, en ik durf zeggen, dat we +dit allemaal doen. Dus _Gerrit_! van harte, man." + +"_Gerrit_!"--"_Gerrit_!"--"_Gerrit_!"--"mijnheer _Witse_!" klonk het +met allerhande stembuiging over de tafel; de glazen werden neushoogte +opgelicht, en daarna gedronken. + +"Mijnheer _Witse_!" zei ook _Klaartje_; maar 't was als of er iets +spottigs in haar gezicht was, en haar compliment werd ook maar in 't +voorbijgaan uitgebracht; want _Hateling_ had beweerd, dat hij aan de +amandelen vanbuiten zien kon of het philippines waren of niet, en ten +bewijze bood hij haar op een lepel een dubbelen aan. Zij nam een der +tweelingen, en het verbond werd aangegaan tegen de eerste maal dat zij +elkander weer zouden ontmoeten, "maar niet onder den blooten hemel". + +"Welke toost met algemeene opgewondenheid gedronken werd!" zei +_Wagestert_ koddig-deftig. "Niet waar, moeder _Witse_! Leve de +volharding! _Gerrit_ studeert voor professor, doet hij niet?" + +"Foei, mijnheer!" zei mevrouw _Witse_. + +_Klaartje_ en _Hateling_ glimlachten. + +Het pijnlijk oogenblik was voor _Gerrit_ spoedig voorbij en hij genoot +een soort van vrede, toen mevrouw _Stork_ op den inval kwam dat hij +"zeker wel heel mooi reciteeren kon, en of hij het niet eens doen +wilde; 't was nu zoo'n goede gelegenheid". + +Dit is meer beweerd. Als het geheele gezelschap verzadigd is van +allerlei spijzen en wijnen, de sinaasappelen rondgaan en de amandelen +gekraakt worden; als degeen die reciteeren zal een hoofd heeft als +twee andere van benauwdheid en warmte, natuurlijke gevolgen van epulae +lautae in groot gezelschap, en de toehoorders, gemerkt het gebruik van +de gaven des wijnstoks en der vijf werelddeelen, zeer vatbaar zijn +om op de golven der versmaat de haven van Morpheus in te drijven, +dan heet men dat "een goede gelegenheid om eens te reciteeren". Ik +weet niet hoe _Gerrit_ hier over dacht: maar dit wist hij, dat het +te geener ure zijn zaak was, en hij verontschuldigde zich alzoo. Maar +mevrouw _Stork_ sloeg hare blikken diagonaal over de tafel om mevrouw +_Witse_ te hulp te roepen. + +"Is _dat_ waar, mevrouw?" vroeg zij op den toon van het hardnekkigst +ongeloof, "dat uw zoon nooit reciteert?" + +Mevrouw _Witse_ verklaarde dat zij integendeel vond, dat hij het heel +lief deed. + +"Eigen verzen?" vroeg _Klaartje_. + +En de belegering werd voortgezet met verdubbelden moed, en allen die +het meenden of niet meenden vormden een koor, waarvan de inhoud was +dat _Gerrit_ zou reciteeren. Deze bleef echter onverbiddelijk. + +Mevrouw _Van Hoel_ was daarop de eerste om hem dit kwalijk te nemen +en merkte met een lief lachjen aan: "dat dit zeker te min was voor een +geleerde als _Gerrit_". Zijne moeder vroeg hem: "of zij de versjes niet +eens halen mocht, die hij op zijn twaalfde jaar voor haar verjaardag +gemaakt had". _Klaartje_ lachte, _Gerrit_ volhardde. + +"Het mooiste vers," zei _Wagestert_, om er een wending aan te geven, +daar de zaak ernstig werd, "dat ik ooit in mijn leven gehoord heb, +is een vers van vier regels op _Beronicius_, die een groot dichter en, +met permissie, een groote lap was." + +"Och! en hoe was dat, mijnheer _Wagestert_?" vroeg mevrouw _Stork_, +"hoe was dat?" + +"Mevrouw," hernam _Wagestert_ zeer plechtig, "het was een grafschrift; +een grafschrift op den grooten _Beronicius_, die in een moddersloot +een plotselingen dood gevonden had. Het luidde aldus: + + + "Hier leit een wonderlijke geest; + Hij leefde en stierf gelijk een beest; + Het was een misselijke sater; + Hij leefde in wijn en stierf in water." + + +Hoe geestig ook voorgedragen, dit meesterstuk van _Buizero_ had +niet dat uitwerksel van vervroolijking, hetwelk de heer _Wagestert_ +daarvan gaarne gezien had. Er moest dus nog een punt aan gemaakt +worden, en _Gerrit_ was er het slachtoffer van. + +"En weetje nu wel, mijnheer de candidaat in de beide medicijnen! wat +het mooie van dit vers is?" + +"Volstrekt niet!" zei _Gerrit_ met veel nadruk. + +"Weetje dan niet welk een groote lofspraak het voor den overledene +inhoudt?" + +"Neen!" zei _Gerrit_, bijna overbluft door den zonderlingen man, +voor wien hij wel wist dat men somtijds niet genoeg op zijne hoede +wezen kon. Het geheele gezelschap verbeidde met gespannen verwachting. + +"Niet?" zei _Wagestert_ eindelijk, nadat hij _Gerrit_ lang en strak +had aangezien. "Niet? Dan zal ik het je uitleggen. Hierom, mijnheer +de candidaat, omdat het bewijst, mijnheer de candidaat, dat de groote +dichter _Beronicius_ bij leven noch sterven medicijnen gebruikt heeft." + +Daarop nam hij zeer laconiek een handvol ulevelletjes, stak ze in +zijn zak en fluisterde mama _Witse_ in: "voor me kindertjes". + +Het geheele gezelschap lachte, vooral mevrouw _Van Hoel_, en het: +"die _Wagestert_!" enz. was in volle kracht. _Gerrit_ had een +driegulden willen geven voor een weerwoord, maar hij vond er geen, +voor en aleer hij dien avond op zijn bed lag, zooals dat in dergelijke +gevallen den snedigsten overkomen kan; en mevrouw _Stork_ leidde +hem af, door hem te raadplegen over de hiëroglyphen van verscheiden +Fransche ulevelpapiertjes, met kalveren, die _vos_, en heggen, die +_est_ beteekenden, en in welker ontcijfering de mooie _Hateling_ +oneindig veel knapper was dan hij. + +Het laatste "tafellestje" (het woord is van _Hooft_), de gember, +ging rond. Gember is eigenlijk een hatelijk eten; een ernstige wenk +om heen te gaan. De dames stonden op, en de heeren volgden spoedig. + +In de andere kamer ontstond onder de eersten een ijselijk krakeel, +daar zij allen mevrouw _Witse_ wilden helpen in het schenken van de +koffie; het werd echter bijgelegd, en de schoone _Hateling_ deelde +de kopjes uit. Nu begaven zich de heeren, met het kopje in de eene +en het schoteltje in de andere hand, in een zeer druk gesprek. Zij +hadden den geheelen dag nog _zoo_ wijs niet gekeken. + +"Nu of nooit!" dachten onze dagbladen, vlugschriften, verzen, en al +dat moois in den jare 1831. Het werd echter _toen_ niet gedaan, en het +is acht jaar later, zoo ver als 't voeten had, terechtgekomen. "Nu of +nooit," dacht ook _Gerrit_ in den jare 1838, op dien gedenkwaardigen +na-den-eten, daar _Klaartje_ bij den schoorsteen stond en een +geborduurd haardscherm bekeek. Hij naderde haar met zoo veel +vrijmoedigheid als hij verzamelen kon. + +"Uw Buiten, juffrouw _Donze_, ligt, meen ik, aan den straatweg +tusschen ..." + +Daar keerde _Wagestert_, die aardigheden aan _Hateling_ stond te +verknopen, zich kort om, stiet _Gerrit_ aan den elleboog, en de kop +koffie, die hij in de hand had, vloog over het kleedje van grijs +gros-de-naples, dat _Clara's_ lieve leden omgaf. + +_Gerrits_ verlegenheid was verschrikkelijk. De dames vlogen toe, +behalve mevrouw _Van Hoel_; er werden geen zakdoeken gespaard om het +vocht op te nemen. Mevrouw _Storks_ mond stond niet stil van te beweren +dat eau de cologne een panacé was tegen alle vlakken; mevrouw _Vernooy_ +verhaalde een troostrijke legende van een belangwekkende vlak, die +vanzelf verdwenen was; en verscheidene dames tegelijk vonden het +gelukkig, dat het "nog al in de plooien" kwam. Mevrouw _Van Hoel_ +voerde aan, dat champagne in 't geheel geen vlakken naliet, eene +vertroosting, die hier minder te pas kwam; mevrouw _Witse_ maakte +duizend verontschuldigingen voor haar zoon en voor haar koffie; een +practisch vernuft ried _Klaartje_ de voorbaan achter te laten zetten; +_Wagestert_ merkte aan dat zij "een lief souvenir" van mijnheer had; +_Hateling_ zweeg met een triomfanten glimlach; mijnheer _Van Hoel_ +sprak nog eens weer van distracties en van de Blaak; _Gerrit_ deed +zijn best om een redelijk figuur te blijven maken. En de schoone +_Clara_ zelve deed niets dan lachen over al de drukte en ontroering, +en herhaalde honderdmaal "dat het niets was", met een gezicht, +dat gelukkig geheel met deze lichtvaardige beschouwing van de zaak +overeenstemde. + +Evenwel, nadat alles tot rust kwam, had _Gerrit_ den moed niet zijn +gedoodverfd gesprek over het Buiten aan den straatweg op te werken, +en liet het veld aan _Hateling_ over. + + + +De speeltafeltjes werden gezet en er vormden zich drie +partijtjes. Mevrouw _Stork_ verklaarde zich een hartstochtelijk +liefhebster van omberen, "een charmant mooi spel"; mijnheer _Van +Hoel_ zei met al de bedaardheid van iemand, die het dagelijks doet, +dat hij er ook wel van hield; en _Gerrit_ moest de derde man zijn. + +De rest van 't gezelschap verdeelde zich aan twee bostontafeltjes. Aan +het eene vertoonden zich _Gerrits_ ouders, met mevrouw _Van Hoel_ +en mijnheer _Vernooy_; aan het andere zaten mevrouw _Vernooy_, +_Klaartje Donze_, _Wagestert_ en _Hateling_. + +Mevrouw _Storks_ hartstocht voor het omberspel scheen min of meer hare +bekwaamheid te overtreffen; althans er was eene zekere onevenredigheid +tusschen deze twee vereischten, die den heer _Van Hoel_ kennelijk +hinderde. HEd. redeneerde machtig veel onder het spelen, en niet +zelden gebeurde het dat zij al pratende een of andere kleinigheid +over het hoofd zag. Zij had eene geheimzinnige wijze van de kaarten +door hare hand heen en weer te schuifelen telken reize als zij moest +opspelen, en het kwam wel voor dat, als de heeren heel lang op de +beslissing hadden zitten wachten, zij plotseling de gewichtige vraag +opperde, wie van hun beiden ombre was; ook scheen er ten gevolge van +haar weduwtranen iets in hare oogen te zijn dat haar het kenmerkende +tusschen een heer en eene vrouw soms niet duidelijk deed onderscheiden; +soms had zij ook de aardigheid haren maat de slagen zonder naspeurlijke +reden af te nemen, of den ombre de geestige verrassing te bereiden van +aan het einde van het spel een kaart op te spelen van eene kleur daar +zij vroeger in gerenonceerd had; en dat alles onder het mededeelen +van gewichtige anecdotes omtrent voles die zij gemaakt en lichte +sans-prendres die zij gewonnen had, en het uiten van smaadredenen op +alle andere spelen, die, bij omberen vergeleken, zoo simpel waren. _Van +Hoels_ welwillendheid was in een gestadigen strijd met zijn achting +voor het plechtig omberspel. Hij was zeer ernstig en stroef, en +als hij zich onmogelijk weerhouden kon eene aanmerking te maken, +dan richtte hij zich tot _Gerrit_ als wrijfpaal. "Mijnheer _Witse_, +je moet nooit troef uitspelen, of je moet er in dóórgaan," "mijnheer +_Witse_! je moet altijd..." Maar _wij_ kunnen geene lessen uitdeelen, +lezer, en _gij_ zijt even onschuldig als _Gerrit_. + +Aan het bostontafeltje met mevrouw _Van Hoel_ heerschte een ander +gebrek. Mijnheer en mevrouw _Witse_, schoon voor het overige altijd +in de beste harmonie levende, konden namelijk op het gevaarlijk +stuk van des duivels prenteboek niet best te zamen overweg, en namen +het elkander geregeld eenigszins kwalijk als zij een spel verloren, +waarin zij malkaars whist geweest waren; bij welke gelegenheid de goede +_Vernooy_ altijd als scheidsman door mevrouw _Witse_ werd in den arm +genomen en altijd beweerde dat zij onmogelijk anders had kunnen spelen, +en dat _Witse_ ook onmogelijk anders had kunnen spelen, en dat hij +het zelf was, "die ongelukkig zoo vinnig tegenzat". Deze waardige man +was eigenlijk een van de weinige schepselen, die voor het kaartspel +geschikt zijn, en wien het in 't geheel niet schaadt het te plegen. Het +wond hem niet op, het verveelde hem niet, het verbitterde hem niet, +hij kon tegen zijn winst, hij kon tegen zijn verlies, hij bleef er +vroolijk en, wat alles zegt, "geheel dezelfde" bij. + +Wat het derde partijtje betreft, daaraan werd de hoogste toon gevoerd +door _Wagestert_, die niet, zooals _Vernooy_, naar den ouden stijl, de +klaveren uit aardigheid _klavooren_, de harten, uit dito, beurtelings +_harsens_ of _hartzeer_ noemde, en bij ieder hachelijk spel beweerde +"dat het zoowel vriezen als dooien kon",--neen, de heer _Wagestert_ +was veel origineeler en obstineerde zich de poppen nooit anders dan bij +hare bijbelsche namen te noemen: _Sara_, _David_, _Esther_ enz. Maar +_Hateling_ schermde er zacht fluisterend tegen _Klaartje_ met zijn +"malheureux au jeu, heureux en mariage" tusschen, en speelde haar +de slagen toe, en was haar winst met een teeder gevoel in de oogen, +en hielp haar op het bostonkaartje kijken, en kwam zoo dicht bij +haar aangezicht, dat haar mooie krullen zijn wang en bakkebaarden +aanraakten, en prees mevrouw _Vernooys_ verstandig spelen, en mevrouw +_Vernooy_ was verrukt van den lieven, hupschen, gezelligen _Hateling_, +die zoo recht geschikt was om uit eten te gaan! + +Het laatste toertje werd bepaald; de mooie zijden beurzen kwamen voor +den dag. Mevrouw _Stork_, die het niet wist, maar aanmerkelijk verloren +had, had de edelmoedigheid al de fiches door elkander te gooien; +aan de andere tafeltjes oordeelde men dat niemand iets gewonnen had. + +Men stond op. + +Nog eenmaal waagde _Gerrit_ zich aan _Klaartje_, en vroeg haar naar de +ligging van haar Buiten; hij vertelde haar, hoe hij er voorbijgekomen +was, en haar had gezien. "Hij deed toen een voetreis." + +"O!" zei _Klaartje_, "een voetreis; een geleerde reis zeker, mijnheer +_Witse_?" + +Hij kon niet antwoorden; tranen van spijt sprongen hem uit de oogen. + +"Is dat _uw_ boa, juffrouw _Donze_?" vroeg _Hateling_, haar met +dat kleedingstuk naderende, en hij wierp het haar over de gladde +schouderen. + +De gasten vertrokken. + +Nog ééne folteering wachtte _Gerrit_. + +"Waarom wou je nu niet reciteeren?" vroeg zijn mama, toen alles tot +rust was. + +"Omdat ik het niet kan, mama!" was zijn antwoord. + +"Och," zei de oude _Witse_, "wij zullen er maar niet over spreken; +maar het is een miserabel ding. De menschen zeggen allemaal dat +je knap bent; en wanneer er iemand is, dan ben je altijd stil en +ingetrokken. _Wij_ merken er het minste van. Ik kon duidelijk aan +mijnheer _Van Hoel_ zien, dat hij dacht: is dat nu die knappe _Witse_?" + +"Ja, _Gerrit_! het is _niet_ pleizierig," voegde mama er bij. "Daar +hadje nu mevrouw _Stork_. Het mensch heeft waarlijk geen moeite +gespaard; ze heeft je op alle manieren aangepakt! Het is een knappe +vrouw, eene heele bijzondere, knappe, vrouw"--zij drukte afzonderlijk +op elk dezer woorden--"en je waart zoo strak als een pop." + +"Mevrouw _Stork_ liet me niet aan 't woord komen, lieve moeder!" zei +_Gerrit_ met een flauw lachje. + +"Nu vriend! dat is ééns, maar nooit weer," zei papa; "ik bedank er +voor; wat hebje aan je geleerdheid, als je ze niet toont?" + +_Gerrit_ ging dien avond naar zijn kamer, en weende over zijne +geleerdheid. "Ik wenschte wel," zei _Gerrit_, de deur op het nachtslot +gooiende, "ik wenschte wel dat ik een stommeling was." + + + + +Dokters lief en leed. + +Twee jaren later zat de jongeling dien wij als Med. Cand. verlaten +hebben, als Med. Doctor in eene Geldersche stad aan het ontbijt. De +kamer, die hij hier gekozen had, was nog zoo veel mogelijk op den voet +van een studentekamer ingericht; het eerwaardig gelaat van den grooten +_Hufeland_, dat te Leiden met een paar spelden aan 't behangsel was +vastgemaakt geweest, had intusschen een zwaarmoedige lijst gekregen, +maar het gevilde menschebeeld, den doctoren zoo aangenaam, hing +ook hier, als wedergade van die zekere tabel, waarop men in zachte +overgangen den Apollo van Belvédère in een kikvorsch veranderen ziet. + +Maar waar was het vrouwebeeldje, dat zoo sprekend op _Klaartje Donze_ +geleek? Lang had hij het te Leiden nog voor zijne oogen gehad; maar +daar de vriend van het zweetkamertje, die in het geheim was, het +hem over de schoone met de duif op 't hoofd lastig maakte en zekere +Rotterdamsche herinneringen hem daarbij een kleur in 't aangezicht +joegen, was het zachtjes aan naar het achtervertrek verhuisd, zonder +op te houden hem ook daar somwijlen een blos op de wangen te brengen. + +Twee jaren verliepen; _Gerrit_ werd ouder en, zooals hij meende, +wijzer. Hij zag vele andere meisjes, en het ontbrak niet aan kleine +verliefdheden voor een dag, of een week, of een maand. + +De schoone _Clara_ geraakte op den achtergrond. Te Rotterdam kwam +zij niet meer. Mijnheer en mevrouw _Vernooy_ werden schaarsch door +hem bezocht. Haar naam werd zelden genoemd. Het portretje geraakte, +bij andere kunstvoorbrengselen, in een portefeuille. + +Heden echter, daar wij den dokter aan zijn ontbijt vinden, zien wij de +herinnering aan het bevallig meisje weder bij hem opgewekt. Vóór hem +ligt een brief van den vriend uit het zweetkamertje, die hem meldt, +dat hij het hart van den kolonel vermurwd heeft, en zijne schoone +dochter, in spijt van zijn knevelbaard, getrouwd. Hij kan niet nalaten +er bij te berichten, dat de vooroordeelen bij den krijgsman tegen +zijn persoon, bij nader inzien, toch zoo sterk niet geweest waren, +als hij zich in het eerst wel verbeeld had. + +"Hij ook al getrouwd!" mompelde _Gerrit_, "een zoekend advocaat. Wat +heeft hij een vrouw noodig? Maar ik, die zoekend dokter ben--ik +behoorde lang gehuwd te wezen. Welk dokter krijgt een degelijke +praktijk, zoolang hij niet een degelijke vrouw heeft?" + +Een degelijke praktijk. Hij had nog zoo goed als in het geheel geen +praktijk. Maar zooveel temeer collega's. (Nog gisteren was er een +kers-versch van de Utrechtsche hoogeschool gearriveerd.) Hij had geen +praktijk, maar zooveel temeer tijd, dien hij _toch_ niet in zijne +geliefde boeken mocht doorbrengen. Of moest hij niet op straat gezien +worden, alsof hij iets te doen had? Moest hij niet beleefd zijn en +bezoeken afleggen, alsof niets hem beter smaakte? Zoowel als zijn +patent betalen, alsof hij zijn patent verdienen kon? + +Eén geluk was er voor _Gerrit_ als hij aan huwen dacht. Vele jonge +doctoren verkeeren in het volgend troosteloos dilemma: zij hebben +eene vrouw noodig om praktijk, en zij hebben praktijk noodig om +een vrouw te krijgen. Maar _Gerrit Witse_ was bemiddeld. De heer +notaris had akten genoeg gemaakt in zijn leven, om zijn zoon het +doen opmaken der gewenschte huwelijksakte mogelijk te maken, al was +het ook dat zijne keuze viel op een meisje, dat behalve haar deugd +en haar schoonheid niets ten huwelijk bracht Had _Klaartje Donze_ +iets meer? Was _Klaartje Donze_ reeds gehuwd? Hij wist het niet. Maar +waarom dacht hij nu weer aan _Klaartje Donze_? + +Het sloeg negen uren. _Gerrit_ kleedde zich, en begaf zich naar het +militaire hospitaal, waar hij, bij gebrek aan eigen praktijk, het +een voorrecht achtte het ziekenbezoek van den chirurgijn majoor te +mogen bijwonen, en van daar naar de weinige zieken in achterbuurten en +stegen, die hem door een ouden collega welwillend waren opgedragen. Hij +hoorde met het uiterste geduld hunne vreemdsoortige klachten aan, +loopende over "geruusch, zuzelingen en drilligheden in den kop, +knoeperingen in den hals, stiktens in de long, draaiingen van het hart, +water over hetzelve hart loopende, watergal, koekeren van winden", +en wat dies meer zij, met en benevens "loopende wurmen, vliegende +jichten, en stijgende moeren". + +Toen weder naar huis. "Zijn er ook boodschappen?" Antwoord als +gisteren: "Neen". + +Daarna moest de oude collega bezocht en verslag afgelegd worden +van de opgedragen patiënten. De oude collega was een man van een +zeventig jaar, die op zieken en gezonden gromde, en daardoor veel +ontzag onder beiden had. Zijn taal scheen orakeltaal, zijne recepten +werden als sibyllijnsche bladen op prijs gesteld, en zulks vooral door +de artsenijmengers, die den ouden dokter afgodeerden. In gevallen, +die eenigszins ernstig waren, schreef hij er gewoonlijk vijf in de +vierentwintig uren. De jonge dokter kon het hem moeielijk naar den zin +maken. Reeds verkorf hij het grootendeels door de militaire praktijk +in het hospitaal bij te wonen. De bloedzuigers hadden des geleerden +grijsaards sympathie in geenen deele. + +Voor ditmaal echter bleef het schrollen op de _"non missurae cutem",_ +dat zich anders dagelijks herhaalde, achterwege. + +"Ik heb hoofdpijn," zei de oude collega, "en het lijden hindert mij +vandaag. Wees zoo goed in den achtermiddag een buitenpatiënt voor mij +te bezoeken; de dochters van vrouw _Sijmens_, te Sprankendel. Een mooie +wandeling. Gij kunt met de koelte terugkomen. De meid is zwaar ziek." + +De opgedragen taak was _Witse_ niet onaangenaam. Sprankendel was een +schilderachtig gehucht, te midden van lachende heuvelen, terzijde +van den grooten weg gelegen. De wandeling derwaarts mocht een groot +uur kosten. Na zijn maaltijd genuttigd te hebben, aanvaardde hij ze +welgemoed. Hij zou het buitenverblijf voorbijgaan, waar hij eenmaal +de schoone _Clara_ had zien zitten, met de duif op 't hoofd. + +Het geschiedde. Maar nooit scheen een buitenverblijf zoo uitgestorven +als dat waar hij thans zoo gaarne leven gezien had. Het was een +warme dag; niemand waagde zich op het terras, door een brandende +zon beschenen. Aan den ganschen voorgevel waren alle zonneschermen +zorgvuldig gesloten. Eenige witte duiven zaten onbewegelijk op het +dak en schitterden in het felle licht. "Ziedaar de duiven," zeide +_Witse_, "maar waar is de schoone? Misschien logeert zij weer bij de +eene of andere tante, waar de een of andere _Hateling_ haar het hof +maakt; misschien, wie weet het? staat zij op het punt zoo'n wezen +te trouwen. Arme vrouwen, die het ongeluk hebt een mooi gezicht +te hebben! Welke strikken spant men uw geluk! Gij meent dat men u +liefheeft met al de oprechtheid, al de kracht, al den eenvoud eener +eerste liefde, en ondertusschen..." + +Ondertusschen zat het onschuldig voorwerp dezer misanthropische +bespiegelingen hoogst waarschijnlijk aan een goeden maaltijd. + +_Witse_ moest weldra den straatweg verlaten om het schoone Sprankendel +op te zoeken. De kleine beek, daar het gehucht zijn naam naar droeg, +wees hem het naaste pad tusschen de vruchtbare heuvelen. Nu eens +verschool zij zich als een nietsbeduidende sprank bijna geheel onder +overhangende struiken en onkruid; maar dan kwam zij weder dartel en +helder te voorschijn, met niet weinig drukte van een hooger grond +afdalende. Eindelijk bereikte _Witse_ den oorsprong, waar het water +zachtkens uit het zand opwelde, en een kleine kom vormde, waaruit +zich verscheidene spranken in onderscheiden richting over gladde +keisteenen een weg baanden. + +Een jeugdig echtpaar scheen dit plekje, schaduwachtig en koel, tot +eene rustplaats te hebben uitgekozen. De bevallige jonge vrouw, op +het gras nedergezeten, hield een vroolijken krullebol op den schoot, +die tegen de waterbellen en schuimkrinkels lachte; de jeugdige man, +met een glimlach op de lippen, zag beurtelings naar moeder en zoon. + +"Ziedaar het geluk dat ik verlang," zuchtte _Witse_. + +Een zijpad bracht hem bij de weduwe, wier dochter zijne zorgen +behoefde. Het was haar eenig kind niet. Zij had nog eene dochter, +die met de nu zieke haar bijstond in het wasch- en bleekwerk, dat +voor een gedeelte in haar onderhoud voorzag, en daarenboven een +zoon die voerman was en het drietal koeien verzorgde, dat zij op de +omgelegene heuvelen weidde. Het was een dier gelukkige huisgezinnen, +die geen vreemde hulp behoeven, waar nimmer gebrek is, maar ook nimmer +overvloed, en zuinigheid en werkzaamheid onontbeerlijk zijn. + +Voor de deur vond onze arts de oudste dochter, een beeld van +gezondheid, bezig een dier groote koperen melkkannen te schuren, +die in heuvelachtige streken op het hoofd gedragen worden. + +"Hoe gaat het met _Barte_?" vroeg hij haar. + +"Oolik, dokter; oolik," zei de deerne, haar voorhoofd met het buitenste +van de hand afvegende. "Heeroom is er bij." + +En zij vervolgde haar taak. In zulke huishoudens moet zoolang mogelijk +alles zijn gang gaan. Slechts den hoogeren standen is het vergund +zich aan hunne zieken te _wijden_. + +_Gerrit_ trad binnen. Op bevel van den ouden dokter was het volslagen +donker in de ziekekamer. Op _Witses_ verzoek om "een beetje licht +te maken," rees een kleine gestalte, die voor een stoel op de knieën +gelegen had, op en stiet een luik open. _Witse_ trad inmiddels voor +de hooge en benauwde bedstede, waarin de zieke lag. + +Het was onmogelijk in haar eene jonge dochter van nauwelijks achttien +jaar te herkennen. Nog voor weinige dagen was zij het evenbeeld harer +gezonde zuster, en zoo vroolijk als zij mooi was. Maar nu lag zij +machteloos uitgestrekt, met een bleek gelaat, dat akelig afstak bij +de gitzwarte haren, die ordeloos uit haar mutsje te voorschijn kwamen; +hare wangen waren gansch geslonken, haar ingevallen oog half gesloten, +hare lippen zwart als inkt. + +"_Barte_," sprak _Witse_ met een nadrukkelijke stem. De zieke opende +de oogen, en staarde den vreemden dokter met verbazing aan. + +Hij nam haar bij de hand. Die hand was droog als leder. + +De pastoor en de broeder stonden verslagen bij de bedstede, wachtende +op hetgeen de dokter zeggen zou. De moeder lag weder op de knieën +voor een stoel, den rozekrans in de handen, dien zij sedert drie +dagen niet had terzijde gelegd. + +De pastoor schudde het hoofd. + +"Zou ze sterven?" vroeg de broer, die een kerel als een boom was, +en barstte in tranen uit, als hij het woord van sterven uitte. + +De moeder zag op, en staarde strak en angstig naar den dokter. + +"Wij hopen van neen," zei _Witse_, "maar ga van het bed. Gij benauwt +de zieke." + +Nogmaals schudde de pastoor het hoofd. + +"Zou ze sterven, heer pastoor?" vroeg de broer andermaal. + +"Bij God zijn alle dingen mogelijk," troostte de geestelijke. Maar +ook ditmaal schudde hij het hoofd. De goede oude hield van _Barte_. + +_"Frustra cum morte pugnabis,"_ zei hij tot _Witse_. + +_"Exspecto crisin,"_ antwoordde deze. "De ziekte is nog niet op haar +hoogst. Doch, doe gij uw plicht," voegde hij er zachtjes bij. + +De moeder vloog op. Het doodvonnis van haar dochter was getekend! Zij +gaf een gil en ijlde de deur uit. _Gerrit_ ijlde haar na. + +Hij vond haar aan de voeten van eene jonge dame, die juist uit een +hittewagen gestapt was en de leidsels nog in de hand hield. + +"Mijn kind, mijn kind!" riep de ongelukkige vrouw, de knieën der +jonge dame omarmende. "Mijn kind is dood!" + +Hare stem verzwakte, hare handen gleden naar beneden, haar hoofd +zakte doodsbleek op den grond. + +"Help deze vrouw, dokter!" zei _Klaartje Donze_. "Zij ligt van +haarzelve. Is haar dochter gestorven?" + +"Neen, juffrouw _Donze_," stamelde _Gerrit_ ontroerd. "Haar dochter +is niet dood. En zoo _Mieke_ mij helpen wil hare moeder op te tillen, +en _Gillis_ uw paard mag bezorgen..." + +Dit laatste was niet noodig. "Laat maar los, _Mieke_!" sprak _Klaartje +Donze_, die een traan in de oogen had, maar geen oogenblik hare +bedaardheid had verloren. En zij bracht zelf haar klein paard bij +het hek, waaraan zij het vastbond. + +Intusschen droeg _Witse_ met behulp van _Mieke_ de verstijfde moeder +naar een ander vertrek, waar zij haar op een bed nederlegden. _Clara_ +volgde hen op den voet. + +"Wat moet er gedaan worden, mijnheer _Witse_?" vroeg zij. + +"Drink een glas water, juffrouw _Donze_!" sprak _Gerrit_, gelukkig dat +zij hem herkend had; "en laat dit meisje het ook doen. Wees zoo goed +de kleeren van de oude vrouw los te maken. Laat haar azijn ruiken, +zoo die er is, er wrijf haar de polsen en de slapen van het hoofd. Zie +dat gij haar een teug water ingeeft." En hij begaf zich op nieuw aan +het leger van _Barte_. + +Na eenige oogenblikken kwam hij terug. _Clara_ lag op hare beurt +geknield, en hield de hand der oude vrouw zachtjes in de hare. Deze +was een beetje bijgekomen, en zag het schoone meisje met een naamlooze +uitdrukking van dankbaarheid en liefde aan. + +"Ik weet immers, vrouw _Sijmens_," zei _Klaartje_, "dat gij den moed +niet verliezen zult. _Barte_ is nog niet opgegeven--en de goede God +is almachtig." + +"Wij moeten allen voor één God verschijnen," zei de oude vrouw, +er aan denkende dat _Klaartje_ niet roomsch was. + +"En tot een zelfden God bidden," antwoordde _Clara_, "en door een +zelfden troost getroost worden. Wat zoekt gij, vrouw _Sijmens_?" + +"Mijn paternoster," zei de oude vrouw. "Ik had het zoo even nog." + +"Als gij bidt," sprak _Klaartje_, "laat het zijn in een vast vertrouwen +op de macht en de liefde van God. Zulk bidden zal u versterken, +vrouw _Sijmens_, en God zal het verhooren. Gij weet hoe gevaarlijk +_mijn_ moeder geweest is, en zij is nu weer zoo frisch en gezond als +ikzelf. En _Barte_ is zooveel jonger." + +"Het was een bloem op aarde," zei de oude vrouw, en een glans van +vergenoegen kwam op haar gelaat. Daarop betrok het weer. "Te denken," +zeide zij, "dat ik haar bij haar vader onder de groene boompjes +brengen moest ..." + +"De dokter zegt dat er nog hoop is, vrouw _Sijmens_! Als gij den +moed verliest, doet gij zonde," zei _Klaartje_, een paar groote +tranen afwisschende. + +De dokter bevestigde het. + +"Kom aan, _Mieke_," zei de oude vrouw, zich vermannende, "doe mijn +jakje dicht; ik ga bij _Barte_." + +"Maar gij zult u goed houden, niet waar, vrouw _Sijmens_?" vleide +_Klaartje_. + +"Komde _gij_ nog eens weer?" vroeg de moeder. + +_Klaaktje_ beloofde het. Het was nu haar tijd om te vertrekken. _Gerit_ +hielp haar het paard losmaken. Met een wip was zij in het +rijtuig. _Gerrit_ reikte haar de leidsels. Daar reed zij heen. + +Maar nog even hield zij haar paardjen in, dat zulks kwalijk genoeg +scheen te nemen en met zijn kop trok en schudde, als van zoo kribbig +een hitje te wachten was. + +"Dokter," zei _Klaartje_, "hoe laat komt gij morgen bij de zieke?" + +"Reeds in de vroegte, juffrouw _Donze_," was het antwoord. + +"Zoudt gij, terugkomende, even op Wildhoef willen aankomen, om te +zeggen hoe het gaat?" vroeg zij blozende. + +"Zonder twijfel," betuigde _Gerrit_, volstrekt niet voor haar +onderdoende. + +En zij liet het hitje weder opschieten, dat een sprong deed, waarvan +_Gerrit_ schrikte. + +"Geen nood!" zeide zij, "wij kennen malkaar." En het hek van de werf +uitdraaiende, op eene wijze, die geen Amsterdamsch koetsier haar zou +verbeterd hebben, liet zij het vurig paardje zijn hart ophalen aan +den zandweg en draafde heen. + +"Zal de dokter blieven na de stad te riden?" vroeg _Gillis_. + +"Dank u," zei _Witse_, "ik wandel liever?" En nog eens de beschikkingen +herhalende, die hij gegeven had, nam hij de thuisreis aan. + +Zijn eerste werk was een hoogen heuvel te beklimmen, of hij _Klaartjen_ +ook nog kon gewaar worden. Dit gelukte. Rustig zat zij achter haar +lustig paardje, dat zij meesterlijk regeerde en eerlang vergunde in +den stap te komen. Met een onuitsprekelijk welgevallen sloeg _Gerrit_ +haar gade. "Welk eene ontwikkeling in dat meisje!" riep hij uit; +"welk een kloekheid! Zulk een vrouw zou me lijken, verlegen en linksch +als ik altijd ben. Zooals ik haar daar nu zie..." + +Maar het hitje sloeg een bijdehandschen zijweg in; echter niet dan +na grooten lust geopenbaard te hebben om een tegenovergesteld pad +van nabij in oogenschouw te nemen. _Klaartje Donze_ was voor heden +niet meer te zien. Maar morgen... + +_Cetera desunt._ + +1840. + + + + + + + +BIJVOEGSEL DER DERDE UITGAVE TOT DE NAREDE EN OPDRACHT AAN EEN VRIEND. + + +Bijna twaalf jaren zijn verloopen en de toegezegde "Nieuwe +Vertooningen" [21] verschenen niet. Wel lagen, reeds op het oogenblik +der toezegging, eenige schetsen gereed, maar het _spelen_ met de +Camera Obscura, waardoor ze tot een boekdeel zouden zijn aangegroeid, +moest ophouden. De tijd van het _incidere ludum,_ waarvan mijn +motto gesproken had [22], was met nadruk daar. Ik kon voortaan mijn +instrument beter gebruiken. + +Sommige mijner vrienden beweren dat ik er sedert niet of weinig aan +gehad heb; andere meenen dat het mij nog altijd goede diensten gedaan +heeft. Zoo dit laatste het geval mocht zijn, blijft het met te meer +nadruk: _nec lusisse pudet._ + +Intusschen heeft eene te groote belangstelling de uitgevers tot een +derden druk van _Hildebrands_ boekske verleid, en zij wenschten; het +woord blijft natuurlijk geheel voor hunne rekening; zij wenschten +dien te verrijken met hetgeen zij maar al te wel wisten dat nog in +de sedert lang geslotene portefeuille voorhanden was. Had hij moeten +weigeren? Dan zou het toch waarlijk geweest zijn: _lusisse pudet._ + +Ik weet niet of de te dezer gelegenheid voor 't eerst aan 't licht +gebrachte opstellen beter of slechter dan de andere zijn. Maar het +zou mij verwonderen, daar alle te zamen de voortbrengselen zijn +van een zelfden geest en tijd. Veel is er in het geheele boekdeel, +dat ik u thans voor de derde maal aanbied, dat ik nu anders zou +gevoelen, beschouwen en voorstellen; veel dat _le mérite de l' +à-propos_ verloren heeft. Maar ik geef het zooals het is en voor +hetgeen het is. _Il faut juger des écrits d'après leur date_ blijft +een treffelijke spreuk. Indien ik op dit oogenblik gelegenheid of +genegenheid had om denzelfden vorm van schrijven te gebruiken, ik +zou meenen tot iets belangrijkers, iets geestigers verplicht te zijn; +en vooral tot iets dat van een dieper menschenkennis en vruchtbarer +levensbeschouwing getuigde. + +Indien ik daartoe onvermogend ware, ik zou moeten zeggen: ik heb een +dozijn jaren te vergeefs geleefd. + +Waarde vriend, er heeft, sinds ik u voor de eerste en tweede +maal het meerendeel dezer minbeduidende opstellen opdroeg, al +vrij wat plaats gehad in en rondom ons. Het leven is ons sedert +eerst duidelijk, ja, wij mogen wel zeggen eerst _bekend_ geworden, +en op onderscheidene wijzen werden wij bij den ernst des levens en +bij onszelven bepaald. Het is wel eens bang geweest daarbinnen en +donker daarboven. Er hebben tranen gevloeid, van wier bitterheid onze +vroolijke jeugd, ondanks al haar verbeeldingskracht, geen denkbeeld +had. Gelukkig indien wij vreugden en ook vertroostingen hebben leeren +kennen, waarvan de kracht en de zaligheid in onze jonge harten niet +was opgeklommen. Zij zijn er; en Diezelfde die ons onze vroolijke +jeugd schonk, heeft ze te zijner beschikking, en geeft ze aan die ze +behoeft. Danken wij Hem, die ons een hart gaf om _alles_ te gevoelen, +een hart waaraan niets menschelijks vreemd bleef, en dat ook voor +het goddelijke niet onaandoenlijk is. Ook in dien speeltijd van onzen +geest, dien dit boekdeel ons herinnert, stonden wij nu en dan stil, als +op een aanraking met het hoogere, met het hoogste. De tijd is gekomen +om daaraan geheel ons hart over te geven en, bij het waarachtige +licht, alles en allen, maar allereerst onszelven te zien. Neen, het +is de vraag niet meer van _spelen,_ maar wel van wederom _kinderen +te worden._ En daar is een _kind zijn_, waarin alleen de kracht, +de wijsheid, en de vreugde van den man gelegen is. + +1 October 1851. + + + + + + + +LAATSTE BIJVOEGSEL. + +(Zevende Uitgave.) + + +En nu--het is gedaan! Deze Zevende druk zal onder uwe oogen niet +komen; gij zult dien niet opnemen met dien genoegelijken glimlach, +die u zoo eigen was, en waarmede door u elke nieuwe uitgave van dit +boekdeel werd ontvangen en begroet. + +Die oogen zijn voor goed gesloten. Geen mensen zal dat beminlijk +gelaat meer zien. Onze boeken, onze personen, onze "vertooningen", +onze werkelijkheden--het is alles voor u voorbijgegaan. Vriend +mijner vroegste jaren en, het gansche leven door, steeds meer mijn +vriend! Vriend en Broeder! Gij zijt mij van het hart gescheurd. Het +graf is tusschen ons. + +Ach, welk een dag, als ik u op dat ziekbed vond, dat binnen tweemaal +vierentwintig uren uw sterfbed wezen zou! Nog had ik eenige hoop. Uw +hoofd was zoo goed. Gij waart nog zoo dezelfde in spreken en +vragen. Vier dagen later stond ik bij de voor u geopende groeve. + +Nooit zal ik die begrafenis vergeten. Neen, ik had mij niet vergist, +beste kerel: toen ik, onder al de vrienden mijner jeugd, u de eerste +plaats in mijn hart gaf. Ik had niet te veel gewaagd, toen ik, +voor nu reeds meer dan dertig jaren, in deze bladen, bij het geheele +Vaderland een zoo gunstig denkbeeld van u poogde in te boezemen, als +mij, zonder al te zeer in uwen lof uit te weiden, maar eenigszins +mogelijk was. Het zegel is er op gezet. Allen hebben, voor en na, +u den man bevonden, dien ik in u gezien en aangeduid had, en gij +zijt zoo hartelijk bemind en oprecht beweend ten grave gedaald als +weinigen stervelingen mag gebeuren. + +Het was een der eerste dagen van April; een vroege zondagmorgen. Wij +brachten u buiten de stad op het kerkhof van het bekoorlijk +Ubbergen. Hoe heugde het mij, dat ik het met u bezocht had, voor +achtentwintig jaar, toen dat graf voor 't eerst was opengegaan, om dat +dierbaar kind, dien lieven jongen, te ontvangen, over wiens verlies +uw hart nooit geheel heeft opgehouden te bloeden!--Nu was het nog zoo +stil op straat, de meeste menschen nog in de rust. Maar de geringe +luidjes langs den Voerweg waren op, en kwamen, als wij voorbijreden, +aan het open venster en in de deur, en keken zoo bedrukt, en schudden +zoo weemoedig het hoofd; want daar _ging_ die goede beste dokter, +die er in die vijfendertig jaren zoo velen geholpen, en zoo velen, +die hij niet helpen kon, met zijn hartetaal en deelnemend gezicht +vertroost had, en die ook "voor _ons_ menschen" zoo goed was geweest! + +Buiten de poort sloot zich, ongenoodigd, een lange, lange reeks van +rijtuigen met deelnemende vrienden aan. Rondom het graf verdrong zich +een dichte schaar; menschen van allerlei leeftijd, stand, denkwijze, +betrekking op u. Zoo vele aanwezigen, zoo vele bedroefden. Van uwe +medebroeders in het menschlievend gild der artsen ontbrak er niet +een. Maar _wie_ van uwe vrienden, die erbij kon wezen, wilde er +ontbreken?--Ook gij drongt door de menigte heen, om te zien waar hij +gelegd werd, en liet de paarden de paarden, trouwe voerman, die hem +zoo menig-menigmaal naar zijn buiten-patiënten gereden hadt en ook +thans in functie waart! En dikke tranen rolden in uw bakkebaarden. + +Vele hartelijke woorden werden gesproken. Woorden van smart, van +liefde, van hoogachting, van dank, van troost, van gebed. Drie +diepbewogene stemmen heb ik gehoord. Ook ik sprak een woord. Wat ik +zeide weet ik niet meer, maar wel wat ik gevoelde. Nog gevoel ik het. + +Toen ik, vier weken later, dat plekje nog eens bezocht, was het +Mei geworden en alles groen. Men had mij gezegd dat langs den weg +naar Ubbergen de nachtegaal reeds overvloedig te hooren was; maar ik +bevond het op dien morgen niet alzoo. Basterdnachtegalen, Bram! waar +wij het mee deden en zoo gaarne de echten in hooren wilden, als er +geen echte waren; basterdnachtegalen, anders niet'! Maar als ik bij uw +graf stond en mijn eenzaam hart vol werd--daar hoorde ik op eenmaal den +echten! Daar hief hij aan, luid en klaar, met die lange uithalen--, met +dat krachtig georgel, dat niemand hem nadoet. Het scheen mij een lied +te uwer eere, vriend van gezang, vriend van schoone natuur en van al +wat schoon was en welluidend! Vriend in alles van het _echte_! + +Rust zacht, dierbare Broeder! Gij hebt in uwen Heiland geloofd. Bij +Hem hoop ik u weer te zien. Uw beeld rust in mijn hart. En zoet is +mij de gedachte dat, zoolang dit boek in Nederland gelezen worden zal, +ook uw naam in Nederland niet zal worden vergeten. + +1 Juni 1871. + + + In Memoriam + Abrahami Scholl van Egmond. M D. + _Nat_. IV Oct. MDCCCX _Denat_. XXXI Mart. _MDCCCLXXI_ + + · + + Multis ille bonis flebilis occidit, + Nulli flebilior quam mihi. + + _Hildebrand_. + + + + + + + +VERSPREIDE STUKKEN VAN HILDEBRAND. + + +Vooruitgang [23]. + + Klein, klein kleuterken. + Wat doe jij in me hof! + Je plukt men al de bloemkens of + En maakt het veel te grof. + + _Oud Deuntje_. + + +Spoken! O, ik heb allen eerbied voor ons beter licht; maar het spijt +me razend, dat er geen spoken zijn. Ik wenschte er aan te gelooven, +aan spoken en aan toovergodinnen! O, moeder de Gans, lieve Moeder +de Gans! laarzen van zeven mijlen! onuitwischbare bloedvlek op dien +noodlottigen sleutel! en gij, stroom van rozen en paarlen uit den +mond der jongste dochter! hoe verkwiktet gij mij in mijne jeugd! Mijn +grootmoeder kon de historie van Roodkapjen al zeer goed vertellen. 's +Zaterdags-avonds, als zij haren bijstand kwam verleenen bij het +vouwen van de wasch; alvorens zij dat gewichtige werk aanvaardde, +in het schemeruur; en de kleinste zat op haar schoot en speelde +met haar zilveren kurketrekker in de gedaante van een hamer. Hoe +blonken hare oude oogen, als zij den wolf nabootste, op het oogenblik +dat hij toebeet! Zekerlijk, "Vader _Jacob_ en zijne kindertjes" +is een heel mooi boekje; "de Brave _Hendrik_" is allerbraafst; +maar ik had toen een afkeer van al die geschriften, op wier titel +prijkt "voor kinderen", "voor de jeugd"; en wat betreft titels als: +"Raadgevingen en Onderrigtingen", zij waren mij een gruwel. Als kind +begreep ik de nuttigheid van het nuttige niet zoozeer. Maar ik had +een mooie uitgaaf van Moeder de Gans: half Fransch, half Hollandsch; +zonder omslag, zonder titel, en al de bladzijden boven en beneden als +een jachthond behangen. Van de poëtische zedeleer aan het eind van +ieder verhaal, cursief gedrukt, begreep ik niets. Maar ik begreep +het verschrikkelijke van het "Zuster _Anna_, zuster _Anna_! ziet +ge nog niets komen?" en dan het wrekend zwaard van den opgedaagden +broeder! o, Die Blauwbaard, die verschrikkelijke, die gruwelijke, +die heerlijke Blauwbaard! Was mij zijne geschiedenis de schoonste der +geheele verzameling: toch was ik er eenigszins bang voor. Als ik bet +boek in handen nam, draaide ik er omheen, met een zekere begeerige +schuwheid, als eene mug om de kaars. Eerst las ik al het andere; +eindelijk viel ik op den vrouwenbeul aan, beet toe, en verslond +zijne historie. Mijn ademlooze belangstelling, mijne bleeke wangen, +mijn kippevel, mijn omzien naar de deur, mijn hevig schrikken als +er in die oogenblikken iets van de tafel viel of iemand binnenkwam, +dat alles staat mij levendig voor den geest, en ik wenschte, o ik +wenschte, dat ik dat alles nog zoo voelen en genieten konde! Gelooft +gij dat die tijd verloren was? dat zulk een uur niet tot mijne vorming +medewerkte? dat het mijne verbeeldingskracht niet uitzette, sterkte, +en haar voedsel gaf? + +En nu--waar mijn Moeder de Gans van die dagen gebleven is, weet ik niet +[24]. Mijn jongere broers en zusters hebben er nooit zooveel werk van +gemaakt. Ik heb ze nooit in hunne handen gezien. De kinderen onzer +dagen lezen allerhande nuttigheid, geleerdheid, vervelendheid. Zij +lezen van volwassenen, die zij niet begrijpen, en van kinderen, die +zij niet zouden durven navolgen. Eerst van engeltjes in jurkjes en +broekjes, die hun spaargeld aan een arm mensch geven, op het oogenblik +dat zij er speelgoed voor dachten te koopen; later van groote mannen, +naar hun begrip versneden en pasklaar gemaakt [25]. En dan worden zij +altijd _leerzame jeugd_ en _here kinderen_ genoemd. Men weet niet dat, +ofschoon menig volwassene wenscht kind te zijn, er geen kind ter wereld +is, dat zich gaarne dien titel hoort geven. Het verstandige woord van +_Van Der Palm_ tot de jeugd: "Ik wil u niet vernederen, maar opheffen" +[26], is voor de meeste kinder-auteurs een onbegrepen wenk. En wie +wil altijd leerzaam en lief heeten? Kinderen zijn er te bescheiden toe. + +Doch dit alles verandert. Onze kleine morsbroekjes zijn anticipaties +op volwassen menschen. Voor hen bestaat, van moeders schoot af, geen +enkel vroom bedrog, geen enkele wonderbaarlijke jokken meer. Moeder +de Gans is veracht; zij weten, dat al wat zij vertelt onmogelijk is, +dat er nooit katten geweest zijn, die spreken konden, dat er geene +moei ter wereld uit een pompoen eene koets kan maken: zij weten, dat +St. Nicolaas niet door den schoorsteen komt; dat "wie aan den zwarten +man gelooft, van zijn verstand beroofd is!" dat alles natuurlijk toe +moet gaan, met handen gemaakt, of voor geld opkocht worden.--Het is +mooi, het is verstandig. Het is beter. + +En toch geloof ik, dat het geheel afsluiten dier bovennatuurlijke +wereld, het volstrekt beperken der kinderlijke begrippen tot het +gebied van het physiek-mogelijke, zijne kwade zijde heeft, en in menige +jeugdige ziel den grond legt tot een later scepticisme, rationalisme, +of ten minste tot een zekere koelheid voor eene menigte van zaken, die +anders op het gemoed plegen te werken. Waarlijk, men maakt der jeugd te +veel indrukken onmogelijk. Onze kleine mannetjes zijn al te verstandig, +al te wijs. Zij leeren te veel op zinnen en zintuigen vertrouwen, en +dat wederspannige van te willen zien en tasten, alvorens aan te nemen, +blijft. Gij leert uwe kinderen vroeg van een "Lieven Heer" spreken, die +alles ziet en hoort: ijver dan ook niet te zeer tegen die verhalen der +kinderkamer, met welker indruk een dergelijk geloof veel beter strookt, +dan met dien van uwe volksnatuurkunde, vroegtijdig ingeprent. Maar +gij vreest, dat uwe kinderen bang, vreesachtig, lafhartig, zullen +worden. Eilieve! indien dat in hun bloed of in hunne zenuwen is, zullen +zij het toch worden; zoo niet voor spoken, dan voor beesten, voor +dieven, voor struikroovers. Eene kinderziel _wil_ hare verschrikkingen +hebben. Het wonderbaarlijke--hoe verlokkelijk is het! Of is het uzelven +niet een genoegen, spook- en wondergeschiedenissen te lezen! Ik voor +mij lees Swedenborg liever dan _Balthazar Bekker_. Gij doorbladert de +_Mille et une nuits_ met genoegen; een onzer eerste mannen leest ze +sedert onheugelijke jaren dagelijks. Gij gaat tooverballetten zien; +gij zijt de vrijwillige dupe van eenen _Faust_, eenen _Samiël_, +en een _Cheval de Bronze_. Het bovenzinnelijke, het onbegrijpelijke +streelt u. Welnu, die trek is bij uwe kinderen nog grooter. Laat der +jeugd dan hare wonderen! Aan haar al het schitterende der schatrijke +verziering, aan haar Brisemontagne, aan haar de Schoone Slaapster, +aan haar de Rijstebrij-berg en Luilekkerland; voor u de flauwe, dorre, +ware werkelijkheid; voor u onze kleine groote mannen, onze wakende +leelijken, en onze arme wereld, waar men niets omniet beeft! Dat is +eerlijk gedeeld; of zoudt gij willen, dat kinderen zoo wijs zouden +zijn als gij kinderachtig zijt? + +Dichters, schrijvers, schilders onder ons! Gelooft gij niet, dat gij +veel, oneindig veel, aan uwe minne, uwe kindermeid, uwe grootmoeder +verschuldigd zijt? Hebt gij u zelven wel niet eens betrapt op een +indruk in de kinderkamer ontvangen? Kunt gij u niet voorstellen, +dat de schoone wereld uwer idealen dáár is aangelegd, dáár allereerst +bevolkt--en zoudt gij tegen het opkomend geslacht wreed kunnen zijn? + +Zooveel voor de kinderen. Maar inderdaad, ons aller lof is droeviger +geworden, sedert men zoo vlijtig aan het opdekken der waarheid is +gegaan. De verziering is meestal mooier; het bedrog minder vervelend, +_l'Heureux temps que celui de ces fables!_ riep _Voltaire_, en het +ware te wenschen, dat hij het wat beter gevoeld had, de leelijke +spotter! hij zou er zoovele niet uitgekleed hebben. Hij zou niet +medegeholpen hebben aan het afbreken onzer schoone luchtpaleizen, +aan het verwoesten onzer heerlijke dorado's. Arme tijden. In plaats +van wonderdieren en wonderkrachten--natuurlijke historie en physica; +in plaats van tooverij--goochelboeken. Wat heeft de poëzie al niet +verloren! Geen vogel feniks meer, zich in zijn ambergraf van geurig +hout verbrandende en uit zijn asch herlevende; geen salamander meer, +in het vuur ademende; geen palmboom meer, te weliger groeiende, +naarmate hij meer gedrukt wordt. In spijt van het Engelsche wapen, +geen eenhoorn meer. Geen vliegende draak, geen basiliscus. Monsieur le +Baron _De Buffon_ en andere liefhebbers van zijn stempel hebben al deze +geslachten uitgeroeid; dreiging en moord blazende tegen alle illusiën, +is het alsof zij eenen grooten maaltijd van al deze gedierten hebben +aangericht. Het zou een schoon onderwerp voor een belangrijken roman +kunnen zijn: _Nera, of de laatste der Zeemeerminnen._ De familiehaat +tusschen het geslacht der Natuuronderzoekers en dat der geheimzinnige +Zeebewoonsters kon er treffend in geschetst worden. En wat zijn wij +op een aantal punten beter dan onze vaderen onderricht! De padden +zijn niet vergiftig, en hebben geen diamant in het voorhoofd (het was +anders eene schoone allegorie, eene moreele waarheid); de walvisch is +geen visch, en _Jona_ heeft in een haai gezeten; de ooievaars dragen +hunne zwakke ouders niet, als _Aeneas_, op den rug; de olifanten +gelijken meer op menschen dan de apen; men moet niet gelooven dat +de jakhalzen de prooi voor den leeuw opsporen;--dit alles hebben +die heeren ons geleerd, en voor al de schoone wonderdieren, die zij +ons hebben weggenomen, gooien zij ons eenige ellendige verdroogde +Mammouthen en Ichthyosauri en Mastodonten naar het hoofd, waarvan +wij àlles gelooven moeten wat zij ons verkiezen te vertellen. Ik +betwist het nut dier wetenschappen niet. Maar maken ze ons het hart +niet koud? De schoone natuur blijft nauwelijks schoone natuur, als +men haar zoo koelbloedig geclassificeerd en geanatomiseerd heeft. Sla +ze op, die boeken der natuurlijke historie, met hunne klassen, orden, +familiën, geslachten, soorten, met hunne natuurlijke en kunstmatige +stelsels, hoe dikwijls zult gij er tevergeefs naar een vroom en +hartelijk woord van bewondering en verrukking zoeken. Waarlijk, men +heeft de wonderdoende natuur te veel ontcijferd, te veel met passers, +ontleedmessen, tabellen en vergrootglazen nageloopen. + +_Göthe_ (of een ander, maar ik meen, dat het _Göthe_ was) sprak +uit mijn hart, toen hij mikroscopen en vergrootglazen met zijn +banvloek trof. Ons oog, dacht _Göthe_, of die andere, ons oog en +ons schoonheids-gevoel zijn slechts ingericht en geschikt om de +schoonheid dier wereld te begrijpen, die onder het bereik onzer +zinnen valt. Daarom moeten wij onszelven het onrecht niet doen, +ons in eene wereld te begeven, waar wij geen zin, geen medegevoel +voor hebben, die ons, aan andere afmetingen gewend en voor andere +vormen ingericht, leelijk moet voorkomen. En inderdaad, daar is voor +mijn gemoed iets ondankbaars, iets onbescheidens in, in het bezit der +groote aarde, nog datgene te vervolgen, wat buiten onze heerschappij +ligt; eene nieuwsgierigheid, die wij dan ook gewoonlijk met walging, +afschuw of ontzetting boeten. Of gevoeldet gij niet een akelig +mengsel dezer drie gewaarwordingen, toen de oxygeen-mikroscoop u de +verschrikkingen van een droppel water vertoonde en sidderen deed voor +de afgrijselijke gedrochten, die er zich in bewogen? Voor mij, het +geluk van des morgens met een blij gelaat mijn lampet aan te grijpen +en het heldere frissche water op mijne handen te gieten, heeft veel +van zijne bekoorlijkheid verloren, sedert ik het klare vocht als het +voermiddel dier afschuwelijkheden heb leeren aanschouwen; sedert ik +niet kan nalaten aan die monsters te denken met schorpioen-staarten +en meer dan griffioen-klauwen gewapend, die er elkander in bestrijden +[27]. Lieve medemenschen! welke is uwe gewaarwording, als gij bedenkt, +dat gij bij iederen tred duizend moorden begaat, bij iederen zucht +duizend heirlegers verplaatst, met iedere ademhaling gansche benden +inademt; dat de kus der min er duizenden verplettert; ja wat meer +is, dat gij in iedere porie uwer huid eene gastvrijheid uitoefent, +waarbij die van _Hatem_, wiens tent honderd poorten had, niets +is? Ik voor mij wenschte niet te weten, dat ik zoo overgoedertieren +ben. Waarlijk, vrienden! dat alleven is niet uit te houden. Bedenkt +het toch! Misschien heeft er op dit oogenblik een tornooi plaats in de +hoeken van uw mond of een veldslag op den zoom van uw oor. Misschien +mejuffrouw! viert het uitschot der oneindig kleinen een bacchanaal +op uw smetteloozen hals; misschien hooggeleerde! gaat er een rei van +dartele ijdeltuitjes ten dans in de plooien van uw kin!--Ba! het +is afschuwelijk! Hoe dit gebroed afgeschud? Hoe dit krioelend +heelal ontloopen? Helaas! aantrekkingskracht en middelpunt-schuwende +kracht--de onverbiddelijke wetenschap zegt het--beletten het u. Zalige +tijd, toen gij het niet wist! Toen kondt gij in uwe gedachten schoon, +zuiver, _alleen_ zijn. Maar gij hebt van den Boom der Kennis gegeten, +en zijt uzelven een afschuw geworden. Ik voor mij geloof dan maar +liever aan de "Edammer Seemaremin!" + +Ziedaar voor de natuur. Hoe ging het met de geschiedenis? Ook dáár +moest, tot in kleinigheden toe, de waarheid, de koude waarheid, +hardnekkig vervolgd worden. Ik keur goed, dat nieuwe onderzoekingen +aan een _Sardanapalus_ recht laten wedervaren en veranderingen maken, +niet minder gewichtig dan die van den _Médecin malgré lui_, als hij +het hart van de linker- naar de rechterborst verplaatste--maar, bij +voorbeeld! De ton van _Diogenes_ is een klein hutje geworden: alsof +de grootste ton niet ruim zoo aardig was als het kleinste hutje ter +wereld. Van de wolvin, die _Romulus_ en _Remus_ zoogde, is een gemeen +vrouwspersoon gemaakt. _David_ was zoo klein niet, en _Goliat_ niet +zoo heel groot. Men bedoelt het Hebreeuwsche, als men van _Erasmus_ +zegt, dat hij twaalf jaren oud was, eer hij het A. B. C. machtig was; +de pannekoeken die czaar _Peter_ te Zaandam at, waren zoo'n gemeen +gebak niet, en zijn scheepstimmeren was juist niet veel. En dan +al die steden, gesticht door mannen, die nooit op die plek zullen +geweest zijn, en al die mooie gezegden, die zoo mooi niet waren en +waar iets anders mede bedoeld was; en dan die heerlijke gezangen, +welke geen dichter gehad hebben; en dan die bekrompenheid om getallen +te rectificeeren! _Leonidas_ verdedigde Thermopylae wel met slechts +driehonderd Spartanen, maar daar waren nog andere honderden bij, +dat geen Spartanen waren; in plaats dat _St. Ursula_ met elf duizend +maagden den marteldood onderging, onderging zij dien met geene elf +duizend maagden; wat en hoeveel waren het dan?--En dan dat uitlachen +als wij medelijden hebben, b.v. met _Tasso_ en _Petrarca_, door te +zeggen, de een had het zoo hard niet te Ferrara, en de andere _was_ +niet zoo heel verliefd!--Zie, indien een geestig schrijver gezegd +heeft, dat de historie niets anders is dan eene fabel, waaromtrent +men overeenkomt, waarom zijn er dan zoo vele spelbrekers, die ons +met een hatelijken glimlach overal iets ontnemen, iets veranderen, +iets verbroddelen?--Ik geloof dat dit alles nuttig is,--maar ik zou +er bij kunnen schreien--Eilieve! geef mij dat kleine boekjen eens +aan! dáár, van den rand dier canapé. Ik dank u. "Daer was eens een +Koning en eene Koningin ..." + +Nog iets. "Weet ge wat mij verbaast? Dit: dat, terwijl onze tijd er +zoo op uit is, om alle vorige geschiedschrijvers en overleveraars +beschaamd te zetten voor het minste krulletje dat zij te veel of +te scheef gemaakt hebben, diezelfde eeuw alles in het werk stelt +om hetgeen onder hare oogen gebeurt zooveel mogelijk opgesierd en +mooigemaakt tot de nakomelingschap te brengen, Wij, die op al wat nu +geschiedt medailles slaan, op alles oden maken, al het tegenwoordige +ten breedsten uitmeten en zoo pittoresk mogelijk voorstellen; wij, +die in de bewondering van ons-zelven schrijven en zingen en alles +als in het vuurwerk onzer opgewondenheid zetten; wij, die aan alles +wat het onze is eene romaneske, eene ridderlijke tint geven;--wij +nemen de goede voorgeslachten zoo ernstig te biecht en vallen hun zoo +hard, omdat zij hier en daar de Helden en de Wijzen wat in het _Held- +en Wijze- zijn_ geholpen hebben, omdat zij hier en daar een lichtje, +een bloempje, een pareltje, een gordijntje hebben aangebracht! ... Het +is onbillijk. + +"Daer was eens een Koning en eene Koningin, die so bedroeft waren," +enz. + + + + +Het Water + +Neen, ik kom van mijn denkbeeld terug dat er, in spijt van _Newton_ +en _Herschel_, eene verandering in ons wereldstelsel zou hebben +plaats gehad. Mijn barbier had er mij bijna toe overgehaald. "Die +komeet van _Halley_", had hij wel tienmaal gezegd, "is niet pluis +geweest!"--en toen nu de winters wegbleven, en het in Italië kouder +was dan bij ons; toen de Meimaanden Novemberweer meebrachten, toen +ik zaterdags vóór Paschen (en het was een late Paschen, van 't jaar) +over den straatweg narde, en op oudejaarsmorgen laatstleden drie +bloeiende viooltjes plukte--toen begon ik in den man met den langen +blauwen jas en de zilveren oorringetjes, die altijd iets te scheren +en altijd iets te praten weet, geloof te stellen, en ik zei met hem: +"die komeet van _Halley_ zal het hem gedaan hebben". + +Maar nu schijnen alle dingen weer op den ouden voet te zijn en, +indien het al waarschijnlijk is dat wij een uitstap hebben gemaakt, +het is zeker dat wij weer zijn teruggebracht, dat wij weer tehuis +zijn. Het is weer winter in Januari. Mijn grootmoeder was trotsch op +den winter van Vijfennegentig, "toen er nog zoo geen kachels waren", +en ik verhef mij op de koude van Drieëntwintig, toen er van de veertig +jongens maar zeven school kwamen, van welke ik er één was, wien de +lofspraak, die het mij van den meester bezorgde, op een bevroren neus +te staan kwam; om niet te spreken van een "kaartje van vlijt", dat +mij ontging, omdat mijne handen veel te rood en veel te koud waren +om een mooi middelmaat schrift te schrijven, op en tusschen de lijn, +met zuivere ophalen, en zonder aandikken. Helaas! ik heb het in het +schrijven nooit heel ver gebracht; daarom laat ik nu ook maar drukken. + +Ik mag wel een wintergezichtje. Alle landschapschilders beginnen +met wintergezichtjes, waaruit ik opmaak dat een wintergezichtje +gemakkelijk en eenvoudig is. Er ligt in die soberheid der natuur +in de koude maanden iets aantrekkelijks, iets plechtigs, iets kalm +verhevens. Indien deze bevroren ruiten het maar wat beter wilden +gedoogen, hoe zou ik het vergezicht genieten! Waarlijk, het is +schoon! Een heldere, blauwe lucht, geheel klaarheid, als wilde de +zon met licht vergoeden wat zij aan warmte onthoudt. Een heerlijke +noordsche dag; + + + "Een telg der zon in sneeuwkleedij." + + +Maar de sneeuw is nog weinig. Hoe liefelijk rust dat weinige op de +immergroene dennetoppen! Al de andere boomen hebben het afgeschud; +maar ook de lange, lange beukenlaan met hare onafzienbare reeks +grauwe takken heeft iets indrukmakends. En het verre verschiet: +hoe duidelijk is het; hoe scherp teekent zich dat rieten dak tegen +den azuren hemel! ... Maar daar is iets, dat voor mijn gemoed al +de schoonheid van dit wintertooneel bederft; het is ... Moet ik het +zeggen? Het is--het ijs! + +Een heldere, frissche, noordsche dag doet een mannelijk bewustzijn +van kracht, een besef van gezondheid ontstaan. De koude geeft een +edelen moed; zij sterkt de ziel gelijk de spieren. Men weet ook wel, +wat mannen en wat beginselen het Noorden heeft voortgebracht; welke +gezonde, reine, zuivere en heldere denkbeelden er van het frissche +Noorden zijn uitgegaan; welke edele krachten het forsche Noorden heeft +ontwikkeld; welke reuzen, gewoon de sneeuwvlok in den baard te voelen +en den hagelsteen te hooren kletteren op het harnas, met + + + "daden in de vuisten", + + +uit het geharde Noorden zijn opgetreden. En daarom: ik acht, ik +eer de koude, den zuiveren, gezonden wind, de blanke, smettelooze +sneeuw;--maar het ijs--o, vergun mij het ijs te haten! + +De koude maakt de beweging noodzakelijk, de luiheid onmogelijk, of +het moest de luiheid van het bed wezen. Alle inspanning, alle vlijt, +iedere vermoeienis wordt met het zaligste beloond, dat men in den +winter genieten kan: warm te worden. En dan de haard! die dierbare +haard! O gij, middelpunt aller wintergenoeglijkheden! Vurig voorwerp +der vurige liefde van huismenschen en huisdieren! Onderpand en outer +der huiselijkheid zelve! hoeveel verliest gij van uwe bekoorlijkheden, +van uwe waarde en van uw gezag, in die laffe, wakke, flauwhartige, +waterzuchtige winters! Men verachteloost, men vergeet, men spreekt +kwaad van u. Tweemaal in de week wil de schoorsteen niet trekken; +zesmaal in de veertien dagen is het hout te vochtig om te branden; +dagelijks zijt gij als een twistappel in de huisgezinnen, als de een +u te warm, de ander niet warm genoeg aangestookt acht. Maar _nu,_ +gij wordt, van een noodzakelijk kwaad, een onbeschrijfbaar geluk, van +eene gedoogde dienstbode, een gevierde prinses! Men moedigt u aan, men +prijst, men verheft, men bewondert u: gij wordt aangebeden! Uren kan +men u zitten aanstaren! Gij zijt het ideaal van winterheil! Gewis, voor +de lustige vlammen gezeten, met het boek van een lievelingsschrijver +in de hand en het vooruitzicht van een krachtigen wintermaaltijd +des middags, of van opwekkelijke punch des avonds, nu en dan een +blik te slaan op het bevrozen tooneel, dat buiten is, de helderheid +van hemel, aarde en haard te genieten, het flikkeren van de witte +sneeuw met dat der gele en oranje vlammen te vergelijken ... het is +zalig--Maar het ijs, het ijs! ... Waarom ijs?--Ja, het ijs is voor +mij een voorwerp van afschuw. Het moest winter kunnen zijn zonder +ijs. Ik bemin den winter,--ik gevoel, dat ik den winter noodig heb; +ik zie veel minder tegen het korten der dagen dan tegen onze natte +schrale voorjaren op--maar noch het glas water, dat ik elken avond +op mijne nachttafel gereed zet, moest stollen, noch de lieve breede +vijver, waar ik hier het uitzicht op heb--mijn mikrokosmos, noch mijn +makrokosmos--moest bevriezen! En waarom niet? Ach gij zoudt de vraag +niet doen, zoo gij wist, hoe dierbaar mij het water is, het heldere, +levende water! welke aandoeningen het in mij opwekt, welke gedachten +het mij toespiegelt,--hoe teeder ik het bemin. + +_Cooper_ verhaalt van een zeeman, die niet inzag, waartoe er éénig +land op de wereld noodig was, dan effentjes een klein eiland, en dan +ook nog maar, om den wil van het zoete water. Zoo verre gaat mijn +hartstocht niet. Het is het vaste land, dat mij het water te meer doet +waardeeren; maar ik bemin het dan ook met een gloed, die aller zeeën +en stroomen tezamengedreven vocht niet in staat zou wezen te blusschen. + +Zie, daar stort zich de schuimende waterval met daverend geweld uit de +hoogte neder in de diepte. Het is een prachtig gezicht, een majestueus +gedruisch. De zeven kleuren des lichts worden gescheiden; de lucht +dreunt; en de wind voert het witte, vlokkige schuim wijd en zijd +mede. De harde rots siddert, en geheele brokken worden afgescheurd; +de pasgeboren stroom voert ze mede als lichte vederen, en ploft ze +neder in de diepte, waar alleen hij ze kan oplichten. Water! gij zijt +de sterkste, de krachtigste, de edelste der vier hoofdstoffen! De +Aarde is stom, dood en roerloos; maar uwe stem is als de donder, +uwe spraak heeft allerlei geluid; gij leeft, gij zijt als bezield; +gij beweegt u naar alle kanten als eene kronkelende slang: als eene +bevallige schoone, als een ontstuimig ros, dat struikelblok acht noch +slagboom ontziet! Onzichtbaar is de Lucht; maar gij blinkt als een +edel metaal, met maagdelijk smettelooze reinheid! Uwe veerkrachtige +oppervlakte werpt de vermogende stralen der zon terug, en doet het +trillend geluid huppelen naar uwe maat! Het Vuur is afhankelijk van +voedsel en lucht; maar gij zijt vrij en u-zelf genoegzaam, ja, gij +vernietigt zelfs het vuur, waar het (te vroeg!) naar de oppermacht +staat over al de elementen! Schiet heen, koninklijke bergstroom! schiet +heen en heersch, vervul de dalen, splijt de heuvelen, spot met den +trots en het zelfvertrouwen der vaste stof! Richt uwen weg werwaarts +gij wilt! Zwel schuimende, verbreed u bruisende! Word gevreesd en +geëerd! En leg u dan ter ruste in den schoot des breeden oceaans; +hij alleen is uwer, gij zijt zijner waardig! Gij beiden zult leven tot +"de hemelen met een gedruisch zijn voorbijgegaan en alle hoofdstoffen +branden zullen en vergaan". + +Gegroet, gegroet, gij frissche stroomen en heldere rivieren! Gij +dooradert de aarde, gelijk het bloed de leden doorvloeit van de +kinderen der menschen! Wee, wee het oord, dat gij veracht! Dáár is +woestijn, verschrikking en hongersnood! Gezegend de landen, door u +gezuiverd, gevoed, verrijkt, gesierd en gelukkig gemaakt! Wel moogt +gij den hemel weerkaatsen, en de wonderen des hemels weerspiegelen, gij +weldadigen! Wel mogen de zaden der liefelijkste bloemen nedervallen aan +uw oevers, de weelderigste takken der schoonste boomen hun lommer over +u uitbreiden, de geurigste kruiden van wederszijden u toewalmen! Geen +olmekruin toch spiegelt zich in uw o helderheid en geene lelie buigt +zich met Liefde, naar uwe frissche rimpeling, of zij groeien en bloeien +door u! De wijnbergen aan uwe zoomen voeden uit u de verkwikkende +trossen, en de goud-gele oogst bootst het gedruisch uwer golven +niet na, dan als een hulde, U toegebracht! Gij doorwandelt de aarde +goeddoende en waar gij de oorden in liefde omhelst, daar baren zij +welvaart en vruchtbaarheid, schoone dochteren, op hare beurt moeders +van vrede en geluk! + +Aan dezen oever lust het mij te toeven en het heerlijk tooneel te +genieten. Met hoe sierlijk een bocht beweegt zich de blauwe rivier +over hare zachte bedding en besproeit de groene zoomen, frisch en +vroolijk door hare bevochtiging. De zon giet er haar licht over uit; +maar het is of zij hare stralen slechts even indoopt, en dan schuchter +terugtrekt, met een tinteling als van vuurvonken en diamant. De lage +wilg met zijn hollen knokigen stam; de slanke popel, wuivende van +het zachte koeltje; het hooge en dichte riet, de scherpe blaren en de +zwarte pluimen schuddende; het kleine boerenhuis, waaruit het blauwe +rookwolkje geestig en langzaam opstijgt, en in de lucht vervloeit; +de roodbonte koe, tot de knieën in het water, een koel bad nemende op +gindsche zandplaat,--het wordt alles getrouw verdubbeld door het klare +vocht, en zijn dun vernis doet ieder voorwerp schooner glanzen. Kunt +gij den lust weerstaan met mij in dit bootje te stappen?--Reik mij +de hand, en ik zal u midden in dit bekoorlijk tooneel brengen. Een +oogenblik zal het geplas der riemen de liefelijke stilte afbreken, +een oogenblik de effenheid gestoord worden, en dan zullen wij ons +op den stroom laten drijven. O wellust! te drijven, te vlotten, zich +te laten gaan! losser van het stof der aarde, als een golf onder de +golven, zich over te geven aan den vriendelijken Geest der wateren, +wiens onzichtbare hand u voortstuwt over zijn gebied. Zie, nu is het +hemel boven en onder en rondom u, en gij gevoelt u zelven het gelukkig +middelpunt eener sfeer van schoonheid en weelde. Dat gij uwe luite bij +u haddet. De zachte melodie is het liefelijkst op het water. De malsche +noten vallen er op neder als dons; en zacht, als de boezem eener vrouw, +heft het water ze op; en verzoet, maar versterkt, als verkwikte hem die +aanraking! zweeft de toon van rimpel tot rimpel, van golf tot golf, +en vervult beide de oevers met den wellust des geluids. Waarlijk, +het water is bezintuigd, is gevoelig; het bemint al het schoone: +het welluidend toongeruisch, de zachte kleurschakeering, den zoeten +geur. Ik zou den riem niet met woestheid kunnen bewegen, noch onnoodig +rumoer maken in een element, zoo aandoenlijk, zoo teeder. Ja, het edele +water, het doet de aarde leven; het verheugt ieder landschap, het is +het schoonste sieraad aan het weelderig kleed der aardsche schepping! + +Maar des avonds, als zich de breede schaduwen nedervlijen aan uwen +boezem; als de maan haar troostend licht doet trillen op uwe effenheid +en al de sterren in u haren glans verdubbelen, dan, heerlijke vloed! is +er eene stem, die opstijgt uit uwe bedding, en roerend en verlokkend +spreekt tot mijne ziel! Dan is het geluk, op den alleruitersten rand +des oevers te staan, mij overgevende aan zoet en weemoedig gepeins. En +telkens als het windje zich verheft en in den stroom een stroomender +plekje vormt, is het alsof de lokstem inniger en verleidender wordt. En +het oog volgt uwe oppervlakte, tot waar zij met de geheimzinnige +schemering ineensmelt, en duizende gedachten, duizende herinneringen +golven af en aan met uwe rimpeling. Het is een wellust. + +Zoo stond ik menigen schoonen zomeravond aan uwen rand, liefste aller +vijvers! gij weet, of ik u liefheb. Thans!--(helaas! ik schrijf dit +alles bij een groot kolenvuur!)--thans zie ik treurig naar u uit!--Gij +zijt een ijsklomp; gij zijt verstijfd, roerloos, dood. Voor weinige +dagen zag ik de bleeke winterzon nog schijnen op uwe golving, en de +groene dennen ter linker-, de lommerlooze groepen van acacia's en +beuken ter rechterzijde in uwen spiegel weerkaatst; en met welgevallen +rustte mijn oog op het zonnige plekje, dat hoenders en duiven plachten +uit te kiezen om zich te verkwikken aan uw vocht. Helaas! wat is er +van u geworden? Wat anders zijt ge nu dan + + + "'t Misvormde lijk van 't uitgebloeide Schoon"? + + +Wat is het harde, gevoellooze ijs? Stof, koude, ziellooze stof, +als de logge aarde. _Shakespeare_ noemde het water _valsch_, maar +hij lasterde; het water is zoo oprecht als doorschijnend; het vleit +niemand met de onmogelijkheid van gevaar, die het waagt zijn heiligdom +in te gaan; het is het ijs, dat valsch en verraderlijk is.--Het ijs! O, +het is dubbelhartig, het is een bastaard, het is; om het met een woord +te noemen, dat ik aan een onzer beroemdste hoogleeraren verschuldigd +ben, en dat een verschrikkelijk vonnis van veroordeeling uitspreekt; +het ijs is _hybridisch_!--Ik wenschte dit zelfde wintertooneel te +zien, maar zonder dat ellendige deksel op hetgeen de natuur schoonst +en vriendelijkst en bezieldst heeft. Doch werwaarts ik mijne oogen +wende, nergens ontdekken zij het voorwerp mijner liefde; het ligt +onder deze dikke, nijdige, blauwe zerk begraven, en ijdele slaven +van het vermaak dartelen over dat graf! + +Neen, gevoellooze, onvermurwbare korst, beeld van onverschilligheid +en koude wreedheid! neen, ellendig namaaksel van glas! mijn voet zal +u niet betreden! Ik zal niet, als een lichtzinnige dwaas, mijne zolen +met ijzer schoeien om u te vereeren, en de rustplaats te ontwijden +van mijn dierbare! Lig dáár, en mest u met het kostbare bloed der +aarde! Maar wee u, huichelaar! die uit valsche schaamte uwe afkomst +verloochent en voor uw minderen door wilt gaan! Roem vrij op uwe +sterkte, op uw geweld! De boeien zullen verbroken worden. Ik zeg +u, het zal dooien! In den lieven lentewind zal het triomflied der +vrijheid weerklinken; en de schoone dochter der natuur zal haren +kerker uitbreken, en opnieuw schitteren voor het aangezicht der zonne! + +En laat ons nu nog eens stoken. + + +_Buiten_, 9 Jan. 1838. + + + + +Begraven. + +Mijne vrienden! men zal ons allen begraven. + +Ziet er uw lichaam op aan: gezond, sterk, vlug, gehoorzaam aan uwen +wil, gevoed, gevierd, gekleed, opgeschikt! Er zal een tijd komen dat +het daar nederligt--nederligt op een bed, hoop ik!--, zielloos, koud, +stijf, in een enkele doodswa gehuld, onder een lang wit laken--als een +steen. Het is nu nog het uwe: het zal dan het uwe niet meer zijn. Gij +zijt dan niet meer een persoon, maar een ding. Men staat er bij, +liefde en genegenheid staan er bij, en zoo zij niet dan weenende +het kunnen gadeslaan, niet dan weenende er van kunnen scheiden, zij +schamen zich bijna zoo veel gevoeligheid, zooveel eer te bewijzen aan +een onding, dat reden en godsdienst haar leeren geringschatten. Maar +neen! zij schamen zich niet--de menschelijkheid zou er tegen opkomen: +de liefde ziet hem, dien zij heeft liefgehad, nog in zijn lijk; +beminnelijke liefde!--Men strekt u eerbaar en voorzichtig uit. Zoo +men u aanraakt, om te voelen of gij reeds koud, en hoe koud! gij +zijt, men doet het met eene zachtheid alsof gij sliept, alsof men +schroomde u wakker te maken! Men spreekt niet dan fluisterende in +de sterfkamer. O! voor wie u teeder beminde, is het eene behoefte +het doove lijk nog eens bij _uwen_ naam te noemen. Zachtkens en met +eerbied vlijt men u in uw laatste verblijf neder. Statig voert men +u ten grave. Met ongedekten hoofde ziet men de kist nederdalen. Met +plechtigen ernst wordt de schop aarde er op geworpen. Dan eerst heeft +men met dat doode lichaam gedaan.--Maar neen! wellicht schrijven +achting of liefde een kort woord op uwe zerk, of planten zij eene +vriendelijke bloem op uwe zode, en komen van tijd tot tijd weder, +om te zien waar men u gelegd heeft en uwer te gedenken op de plaats, +waar gij niet zijt, doch waar datgene rust wat men het langst van u +behield; waar de menschelijkheid van u afscheid nam. + +Ik weet wel, dat het tot de _verstandigheden_ onzer dagen behoort, +dit alles bekrompen, belachelijk en onnoodig te vinden. Men heeft zoo +veel boeken gelezen! Ik weet wel, dat het eenen sterken geest bewijst, +wanneer men den heldenmoed heeft van te zeggen: "het is mij om het +even wat er na mijn dood mei mijn lichaam gebeurt, ik zal er niets +van voelen: om het even waar het liggen zal, ik zal er niettemin +dood om zijn; het kan alleen voor de mijnen van belang wezen, dat +mij eene eerlijke begrafenis ten deele valt; maar, wat raakt dat +mij?"--Ik weet, dat men den Engelschman bewondert, die wilde dat er, +ten algemeenen nutte, knoopen van zijn gebeente en snaren van zijne +ingewanden zouden gedraaid worden--maar ik gruw er van. Ik weet, dat +het vrijzinnig beginsel in dezen zoo sterk is dat het reeds op onze +publieke inrichtingen gewerkt heeft, en de zaak der dooden "minder +omslachtig" is gemaakt;--ik begrijp, dat hiermee het vrij algemeen +nalaten van den rouw in verband staat, en dat men zijn manlijkheid +toont door te zeggen: "ik wil niet dat het zich iemand aantrekke als +ik sterf";--maar ik beklaag de menschen die zoo heel wijs zijn en +zichzelven zoo menig zoete gedachte onmogelijk maken; wier gansche +leven, door eigen schuld, een gedurige worstelstrijd is tusschen +hoofd en hart; en ik spreek mijn "wee!" uit tegen die groote mannen, +die de wereld zoo hebben gemaakt. Maar de eerste schuld ligt toch bij +hen, door wie al die wijsheid is uitgelokt; bij hen, die de zaak des +gevoels zóó ver trokken, dat het verstand boos werd. Toen wij lang +op eens anders kerkhof, waarmee wij niets hadden te maken, geweend +hadden, en naar sterren en wormen en welkende bloempjes gekeken, toen +kwamen de tegenvoeters en de afbrekers, de spotters en de prozaïsten, +en dreven de andere mode door; de worm werd doodgetrapt, de seraf naar +huis gestuurd; de zerken werden voor afbraak verkocht; de lange witte +zakdoeken werden gemeen; men zag nauwelijks om naar zijn eigen dooden; +en daar hadden wij A + B = C. De thermometer daalde van Bloedwarmte +tot Vorst. Het sneeuwde groote ideeën. Het was een frissche, maar op +den duur onaangename koude. + +Wat nu die groote ideeën aangaat, ik laat nog gelden, dat groote +mannen ze uitspreken. _Byron_ mocht, onafhankelijke genie die hij was, +en na al wat hij ondervonden had, nog eens zeggen: + + + "Ik wil niet dat mijn stervensmaar + Een enkel uur van vreugd bederf, + Noch eisch dat vriendschap, als ik sterf + Zal siddren bij mijn baar;" + + +schoon ik liever zijn zachtzinnige coupletten, beginnende "O, +weggerukte in schoonheids bloei", leze.--Maar dat ieder schoolmeester +en schooljongen zich tot eene dergelijke grootheid van ziel wil +opheffen--zie, dat is wat forsch, dat vind ik belachelijk en +ongelukkig tegelijk! En als men de leer der onsterfelijkheid, als +men de goddelijke Openbaring durft misbruiken, om mij te bewijzen dat +mijn menschelijk gevoel dwaas of schuldig is, dan beklaag ik hen diep, +die de vriendelijke leer van 't Evangelie zoo weinig verstaan. + +Neen, het is onnatuurlijk onverschillig te zijn, of ons stoffelijk +bekleedsel met eerbied, met belangstelling, met liefde zal behandeld +worden, of niet; of het in bekenden en den levende dierbaren grond +zal rusten, dan in verre landen of diepe zeeën zal vernietigd +worden. Gij zult het niet gevoelen, zegt gij, met een kalmen +glimlach.--Zoo? Gaat u bij uw leven _niets_ aan van hetgeen na uwen +dood geschieden zal? Is het denkbeeld te leven in de gedachtenis der +uwen u reeds nu geheel onverschillig? Laat de hoop op den lof der +nakomelingschap, waarvan gij niets hooren. niets ondervinden zult, +u geheel koud? Of is zij veeleer een sterke prikkel voor uwen ijver, +een troost (de éénige) bij de onaangenaamheden die de weg des roems +u opwerkt, bij de ondankbaarheid des tijdgenoots? Of, zoo gij u dáár +over heen gezet hebt--eilieve! zeg mij eens oprecht: verheugt het u +wel eens te denken, dat uwe beeltenis in handen zal komen van dien +uwer vrienden, dien gij het liefst hadt; dat, na uw dood, de ring, +dien gij daar aan uwen vinger draagt, zal overgaan aan die welbeminde +hand die hem dragen zal tot dat zij verstijft? dat uw zoon in uw huis +zal wonen, in uwen armstoel zitten? dat uwe familie u zal zegenen om +de liefderijke, de edelmoedige wijze, waarmee gij over het uwe hebt +beschikt?--Verhard uw gemoed eerst tegen al deze aandoeningen, en +zeg dan, dat bij den dood alle gemeenschap tusschen u en uwe naasten +ophoudt, en dat het u om het even is, hoe zij bij uwe sponde staan, +wáár zij uw lijk begraven zullen! + +Mij is het eene aangename gedachte--en mij dunkt, zij zal mijn +sterfbed zachter spreiden--te mogen hopen, dat een vriendelijke, +een lieve hand mij de oogen zal sluiten en mijn hoofd goed leggen; +dat menige treurende gedaante in de eerste dagen dat sterfbed, +zal naderen, "om hem nog eens te zien"; dat menig sidderende hand +mijne koude vingeren zal opvatten, om ze mistroostig weer te laten +vallen; dat menig weenend oog met moeite afscheid zal nemen, ook +van dit nietsbeteekenend overschot: en dat men mij met ernst en +plechtigheid uitgeleide zal doen naar eene rustplaats, mij dierbaar, +als de rustplaats van dierbaren.--Ja ook dat! ik gevoel het, ook dat +zal mij een troost zijn, te weten dat, uit _wier_ armen mij de dood ook +seheure, ik tot dezulken ga, die ik zal hebben beweend,--dat één zelfde +graf hen en mij, en eenmaal hen die mij treurende overleven moesten, +zal besluiten; dat wij daar allen te zamen zullen rusten... O, het +is niets, het is niets! ik weet dat het niets is; maar het is eene +zoete gedachte,--en ik bid de verstandigen der aarde, mij niet uit +te lachen, maar mij te benijden. + + + +Men weet op wat wijze de gewoonte van in het heiligdom te begraven +in de wereld is gekomen. Eerst bouwde men de kerken op de graven, +daarna bracht men de graven in de kerken. Waar de asch der +martelaren rustte, wier bloed het cement der kerk is daar richtte +de eerbiedige dankbaarheid der eerste christenen het bedehuis op, +de beste eerzuil! Later bracht men vaak hun dierbaar gebeente uit +het onaanzienlijk graf, waarin het vernachtte, naar de kerk over, en +begroef het onder het outer. In hunne nabijheid te rusten, was sinds +lang de vrome wensch van menig stervende, en de eerste christenkeizer +was de eerste die binnen den gewijden omtrek der door hem gebouwde +kerk een graf begeerde. Het was een stoute wensch; maar hij vond +alras navolging en voldoening. Opvolgers van den grooten bekeerde +verboden het begraven in het heiligdom; doch de christenheid vond het +denkbeeld te stichtelijk, de rust in Gods huis te benijdbaar, om ze +op te geven! Het begraven in de kerken werd algemeen. Ieder belijder +van den naam des Heilands sterkte zich onder de vermoeienissen en de +lasten des levens met het denkbeeld, dat de Heer hem rust zou geven +in Zijn Huis; en het scheen hem bemoedigend Zijne wederkomst aldaar +af te wachten. Elke zerk van het plaveisel werd een grafsteen, en de +gemeente vond het opbouwend, het woord des levens te hooren, gezeten op +de verblijven der sterfelijkheid; en over levenden en dooden welfden +zich de gewijde bogen, waaronder de leer verkondigd werd van hem +"die de dooden levend maakt en roept de dingen die niet zijn alsof +zij waren". Onze grootouders vonden dit alles nog troostrijk. Met +uitzondering van weinige, was een graf in de kerk hun een dierbare, +een onschatbare bezitting. Geen bewijzen der schadelijkheid van de +dooden voor de levenden konden hen van hun stuk brengen. En toch dat +moest niet zijn! Onze eeuw was rijp om het offer te brengen. Onze +onverschilligheid maakte het misschien gemakkelijk. Maar zoo gij +hier of dáár nog een ouderwetsch christen ontmoet, wien het grieft +dat hij niet rusten zal in het graf zijner vaderen, in de schaduw +van het heiligdom, waar hij en zij aanbaden--bespot hem niet, bid ik +u! Broeders, het is een eerbiedwaardige zwakheid. + + + +Maar wilt gij weten, wat _ik_ bespottelijk, wat _ik_ ergerlijk +vind? Het zijn uwe wapenborden, uwe grafnaalden, uwe eerzuilen in +de kerk; uwe lofverzen op stof en assche, onder het oog van God en +in Zijn heilig huis op aarde, geschreven. Het zijn de tropeeën van +dwazen trots, wereldsche ijdelheid, nietigen rijkdom, verwaande +wetenschap, bloedigen oorlog, dáár te pronk gesteld, waar ootmoed +en eerbiedigheid zich met gebukten hoofde voor het oog des Heeren +stellen. Het is de hulde, vaak overdrevene, altijd dáár misplaatste +hulde, in het huis ter eere Gods gesticht, toegebracht aan alle +soort van verdiensten. Waarlijk, het is een vreemd, een (laat ik +het zeggen!) belachelijk schouwspel, die bonte rij van allerlei +deugden en gaven, in het heiligdom geloofd, geprezen, en vergood. Het +zijn de deugden en gaven van den krijg, der geleerdheid, van het +kabinet, der kunst, der nijverheid, gehuldigd in de overblijfsels +van menschen van allerlei neiging, allerlei gedrag, allerlei geloof +en ongeloof. O! het belgt mij niet, dat de gemeente, aan wie het +oordeel niet toekomt, hun allen gelijkelijk een plaats ingeruimd +heeft in hare kerk; maar dat zij er liggen als zondaren!--niet +als groote mannen, niet met den titel van _naturae se superantis +opera_, niet onder de uitgebreide vleugelen der faam, niet onder de +brallende uitspraken van tijdgenooten en vereerders, maar in stille +afwachting van het oordeel Desgenen, "die weet wat er in den mensch +is!"--Wilt gij de namen uwer grooter mannen beitelen en vergulden, +omlauweren en omstralen; wilt gij hun standbeelden oprichten, zuilen +stichten; wilt gij hunne deugden voor de nakomelingschap vereeuwigen, +de jeugd door hun doorluchtig voorbeeld en de eer die hun weervaart, +prikkelen: naar de openbare plaatsen, naar de academiepleinen, naar de +raadhuizen, naar de trappen der paleizen, naar de schouwburgen, naar +de markten, met uwe vereering! Hier--is het heilige grond. Ontbindt +uwe schoenzolen! Hier geene namen, geene lofspraken geuit, dan die den +Hemel welgevallig zijn! Hier wordt alleen God en zijn Zoon geprezen, +en in Hun naam geroemd. Wilt gij hier zuilen oprichten, doet het zoo +vaak de Heer u uit groote benauwdheden redt, in groote gevaren behoedt: +"Eben Haëzer; tot hiertoe heeft ons de Heer geholpen". Maar--hier +geene menschvergoding! hier God alléén en het geloof! + +Ik weet dat onze protestantsche leer het kerkgebouw niet als heilig +doet beschouwen, maar ik weet ook, dat onze christelijke ootmoed ons, +in zijn omtrek vooral, de praalzucht behoort te verbieden. Ik weet, +dat onze strenge toepassing van het "God te aanbidden in geest en in +waarheid!" uit voorzichtigheid, in aanmerking nemende de menschelijke +zwakheid, niet duldt dat wij voorstellingen van _Christus_ en zijn +daden op aarde in onze bedehuizen ophangen; maar veel minder voegen +er die beelden, welke er de aandacht van Hem afleiden en bij eigen +grootheid stil doen staan. Neen, niets, niets moest de éénheid van +doel in het heiligdom breken; alles moest op God wijzen--alleen op +God! [28] + + + +Maar ofschoon dit aloude misbruik (zoo als het in mijne oogen _is_) +niet geheel met het begraven in de kerken heeft opgehouden, het is er +toch aanmerkelijk door gefnuikt. Wij allen zullen onder den blooten +hemel rusten, en wat men op ons graf moge schrijven of oprichten, +het zal geen gemoedelijk kerkganger ergeren. Welnu, dat denkbeeld +heeft ook veel schoons, veel zoets, veel zaligs: te rusten in een +liefelijke streek, te midden der natuur, die wij bemind hebben, in een +zacht graf, waar rondom het alles bloeit en groent, waarover de zwoele +winden waaien, waarover de heerlijke sterren van den nacht schijnen! + +Ik kan evenwel niet zeggen dat de hoog romaneske begraafplaatsen +onzer dagen mij altijd evenzeer aanstaan. + +Vele zijn veel te zwierig, veel te bloeiend, veel te gekunsteld, +veel te rijk, te overladen met dichterlijke zinnebeelden. De dood is +arm, en heeft zijne eigene poëzie. Waar de natuur de begraafplaats +schilderachtig maakt, is het wèl; waar de kunst het doet, verraadt het +de menschelijke zucht om alles op te schikken te zeer. Het verschilt +als een wilde bloem en een gevlochten krans. Niet bij iedere zerk moet +een roos geplant zijn; niet over ieder graf een treurwilg weenen. Doch +dáár staan zij geheel gereed, om op de dooden te wachten. Het zijn hier +niet droefheid en liefde, die ze bij de rustplaats van het voorwerp +harer vereering planten: het is het overleg van den aanlegger, die +weet hoe het behoort, die ze elken doode als voor bestemt, en op +liefde en achting vooruitloopt. + +Mij bevallen onze oude dorpskerkhoven nog altijd het best, en +misschien te beter omdat zij zoo weinig van hoven hebben.--Onze oude +dorpskerkhoven; zonder een verwaande spreuk of een heiligen tekst, die +in ieders hart vanzelf opkomt, op het hek; zonder kunstmatigen opschik, +zonder weelde, zonder van buiten aangebrachte dichterlijkheid, waar de +doodenschaar een breeden kring om het huis Gods slaat, in welks omvang +het "gij zijt stof!" gepredikt wordt en welks toren ten hemel wijst, +verkondigen zij dood en opstanding met meer waarheid, meer ernst, +meer nadruk, meer onversierde welsprekendheid! Zij zijn _natuur_; +geen _smaak_! Het hooge gras, de zonder opzet opschietende bloem, de +eenvoudige gedenkteekenen; het armelijke van het geheel komt overeen +met de gedachten, die mij daar vervullen. Geene begrafenisplechtigheid +werkt ook zóó zeer op mijn gemoed, als die, zooals ze bij ons op het +platte land plaats heeft. Dan luidt de oude dorpsklok uit den toren, +en de kleine optocht komt langzaam nader. Geene beambten, geen noodiger +met een gewichtig gezicht; alleen de bloedverwanten, de vrienden, de +buren. Geen ander rijtuig dan de wagen, die den overledene gediend +heeft om voor zich en de zijnen het eerlijk onderhoud te winnen, +voert hem nu ten grave, en deze wordt getrokken door zijn geliefd +paard, den deelgenoot van zijn arbeid. Met het gezicht in de groote +zwarte huik verborgen, zitten de vrouwen op de kist zelve. Bij +het graf spreekt de leeraar, aller vriend, een kort woord; de kist +wordt neergelaten; de naaste betrekking werpt er de eerste aarde op; +en den eerstvolgenden zondag gaat hij over dat graf ter kerke, waar +hij woorden van troost hooren zal. Want in den kleinen kring eener +landgemeente heeft men bevrediging voor elks behoefte. + +Uit dit alles ziet men wel, dat ik juist niet veel gevoel voor +ceremoniëele begrafenissen, lange rouwslepen, _magna funera_! Het +is dikwijls akelig zulk een mommespel te zien, met aangetrokken +rouwkleedij en aangetrokken treurige gezichten. Maar het begraven +van stadswege, zooals dat reeds hier en daar plaats heeft, is toch +een koud denkbeeld. Neen, de buren, de buren moeten begraven; geen +daartoe aangestelden die, als op hoog bevel, uwen dierbare, als +ware hij publiek eigendom geworden, komen opeischen en weghalen, +terwijl de gewoonte hun verbiedt eenige deelneming ook maar voor +te doen. Maar zóó ver gaat de koelbloedigheid in sommige plaatsen, +dat indien gij arm zijt en niet hebt om uwen vader, of uwe moeder, +of uwe dierbare vrouw, of uw lief kind eene eerlijke begrafenis te +geven, men u niet van de kosten ontheft, zonder op het rouwlaken met +groote letteren het verwijt te schrijven: "_Van de Armen_". Dat is +toch wat heel hard, en neemt de gansche weldaad terug! + + + +Ik sprak met een woord van het rouwdragen; ik wilde te dezer +gelegenheid mijne denkbeelden daaromtrent blootleggen. Ik weet wel +dat men somtijds, uit aanmerking van de bekrompen omstandigheden +waaronder men een groot gezin nalaat, de bepaling maakt dat niemand +het zwarte kleed zal aantrekken. Maar waar deze, of eene andere nog +geldiger reden niet bestaat, o mijne vrienden! maakt, bid ik u, die +bepaling niet. Laat het nooit eene gril wezen, die gij denkt dat u +fraai staat, nooit een gekozen partij worden, waar gij niet van wilt +terugkomen. Gij weet niet, hoe gaarne men over dierbare betrekkingen +rouwt; hoe zoet het is eenen geliefden doode voor het oog der wereld +deze geringe hulde te brengen! Honderd vertoogen over de nietigheid +der uitwendigheden, honderd bewijzen dat het rouwkleed _niets_ +bewijst, honderd voorbeelden van huichelaren die het ontwijdden, +van lichtzinnigen wie het verveelde, nemen niets weg van het zacht +weemoedig gevoel waarmee de hartelijk bedroefde het aantrekt! En o, +ik weet, op den bodem uws gemoeds _is_ die wensch, dat men uw dood niet +onopgemerkt voorbijga, dat men het niet te veel zal achten iets voor uw +nagedachtenis te doen. Maar uw verstand weerspreekt dien? Weest dan zoo +hardvochtig verstandig niet,--weest natuurlijk, eenvoudig, menschelijk, +en ten minste niet wreed jegens anderen. Ziet! ik wenschte, dat +al die philosofen-, al die studenten-ideeën maar één hoofd hadden, +om ze met een enkelen slag van de wereld te doen verdwijnen! + + + +Het dorpje O. is zoo weinig uitgestrekt, dat het zelfs geene Kerk +heeft, maar welk vlek is zoo klein, dat het geene begraafplaats +behoeft? Dáár is zij een lieve zandige heuvel, vanwaar men op bosschen +en hoven nederziet, en in de nabijheid blinken de witte duinen. Enkele +bewoners van de naburige stad hebben er graven. Daar bracht ik mijn +eerste offer aan den dood. Daar legde men een mijner vroegste en beste +vrienden weg. Ik was toen achttien jaar oud. Het was een heldere dag, +en de zon scheen liefelijk op het vredig landschap en het kleine +kerkhof. Het geheele tooneel staat in al zijne bijzonderheden mij nog +levendig en helder voor den geest. Met eenige der naaste betrekkingen +en nog een vriend van den overledene, wachtte ik er het lijk op. Nog +zie ik den voorsten drager de kist tegen den heuvel optorsen. Toen +werd zij op de planken gezet, en daarna voorzichtig nedergelaten op +die eener zuster--almede eene jeugdige doode, die eene zelfde kwaal +ten grave had gesleept! Het was geen kuil; het was een grafkelder. Van +dat oogenblik af heb ik iets tegen grafkelders. Mij dunkt, ze zijn zoo +kil! De moederlijke aarde klemt zich niet om den doode, opdat hij zijn +stof met het hare vermenge, maar hij blijft aan zichzelven overgelaten; +dit geeft onaangename voorstellingen. Ook begraaft men den doode +niet; veeleer bergt men hem weg. De zon wierp hare heldere stralen +in den geheelen kelder, en de witte kist met hare koperen ringen +glinsterde in haar licht. Maar weldra schoof men den zwaren steen op +de opening, en het licht werd langzamerhand uit dat somber verblijf +uitgesloten. Ik weet wel, dat het dit was dat mij bijzonder aandeed, +en dat ik met belangstellende aandacht de zwarte schaduw verder en +verder over het deksel sluipen zag, totdat zij de laatste lichtstreep +had verzwolgen. Maar het moest zoo zijn. Toen ik het graf verliet, had +ik een vreemd gevoel. Het was mij duidelijk dat ik aan eene droevige +plechtigheid had deelgenomen, maar dat ik _hem_ had zien begraven, +dien ik zoo zeer geacht en bemind had, bij wiens ziekbed ik zoovele +nachten had gewaakt, dien ik na zijn dood zoo dikwijls beschouwd had, +zooals hij daar lag, rustig uitgestrekt, met blij moedigen glimlach en +effen voorhoofd; dat hij nu in dien donkeren kelder lag, voor altijd +weg uit mijne oogen... het was mij wonderlijk. + +Nooit bezoek ik dat kleine dorp, of ik bezoek dat graf. Nooit geleid +ik iemand in den omtrek van dien stillen heuvel met blauwe zerken en +groene zoden, of ik wijs hem dien aan en zeg--"dáár rust een mijner +vrienden; hij was een goed mensch". + + + +Ik eindig zoo als ik begon: "Mijne vrienden, men zal ons allen +begraven!" O dat wij allen, als deze, dezulken bij ons graf vergaderen +die ons betreuren; dat ons aller nagedachtenis in zegening blijven +moge! Zoo slape ons stof in den schoot der aarde, totdat de groote +en ontzaglijke dag des Heeren komt! + +1837. + + + + +Eene Tentoonstelling van Schilderijen. + +Mijn vriend _Baculus_ heeft een klein boekje geschreven, waarin hij +over het verval der kunst klaagt en een weinigje knort! Als oorzaak van +dit haar verval geeft hij voornamelijk op, dat zij buiten haar doel +is geplaatst, dat zij niet op haren rechten prijs geschat wordt. De +kunst is een meisje, dat leelijk wordt bij gebrek aan aanbidders. Hij +bewijst u dat de kunst in het geheel niet meer wordt aangebeden, +maar wel te kijk en te koop gezet, als iets bijzonders en aardigs, +als eene curiositeit. Hierin nu is dunkt mij veel waarheid, en het +staat in zijn boekjen in sierlijk Fransch te lezen. Inderdaad, het +komt mij meer en meer voor alsof de groote kunst zoo ingekrompen was, +dat men met haar als met een dwerg op de kermissen rondreisde. Gij +begrijpt dat dit leventje haar zekere kwade gewoonten doet aannemen +en haar in hare eigene oogen vernedert. Ook is zij sedert lang niet +vrij te pleiten van allerlei laaggeboren ondeugden en neigingen. Zij +is van tijd tot tijd vrijpostig en onbeschaamd, ophakkerig en +driest. Zij houdt van bonten opschik, schreeuwt drie tonen te hoog, +en is nu en dan wel eens wat heel los in den mond; daarbij heeft zij +iets wreedaardigs en koelbloedigs gekregen.--En wat denkt gij nu van +de tentoonstellingen van schilderijen? _Baculus_ ijvert er geweldig +tegen en, als men de dingen een weinigjen uit de hoogte beziet, is +men het zeker met hem eens; maar dan loopt men gevaar van fantastisch +te worden, zooals de lieden van het onderzoek zeggen; daarom laat +ons uit de laagte opkijken [29], en dan zullen wij toestemmen +dat de jaarlijksche expositiën groote en veelzijdige _nuttigheid_ +hebben. Maar het is vervelend altijd over nuttigheden te praten; +duizend "lezers" doen dit maandelijks in duizend lezingen; en voor +een liefhebber der schilderkunst is één uurtjen in eene zijkamer met +een portret van _Kruseman_ of eene zee van _Schotel_ alleen gelaten, +ruim zoo aangenaam als de aanblik van die gansche zaal vol goud en +glans, waar de kunstgewrochten in lagen opgestapeld zijn, en waarin de +kleuren van den regenboog dooréénschemeren als die der zijden draden +in de weerschijnen sakken onzer grootmoeders. + +Of welke speldeprikken (neen, dolksteken!) denkt gij, dat eene voor +kunstschoon vatbare ziel zich voelt geven, als zij een kaarslicht +van _Schendel_, voorstellende een ouden bedelaar (levensgrootte) +met een kandelaar in de hand, hangen ziet tusschen twee grasgroene +landschappen van ik weet niet wien, met duizend boomen, die elk zoo +groot zijn als de kaars van den grijsaard, en daarboven misschien een +ruiker van _Bloemers_, geflankeerd door het portret van een gouden +huzaren-officier en de mislukte afbeelding van een opengesneden +kabeljauw met bijhebbend gezelschap van roggen en mosselschelpen? + +En echter verzuim ik niet de tentoonstelling te bezoeken, en kan ik +er met innig genoegen uren doorbrengen. Eerst maak ik den toer van +de schilderijen en doe er zooveel wetenschap op als noodig is om in +de gezelschappen te redetwisten over "het mooiste van allen", vast +besloten het met de vrouw des huizes of de liefste dochter eens te +zijn; om vervolgens de Haagsche en de Amsterdamsche tentoonstellingen +onderling te vergelijken, waarbij de plaats waar ik mij bevind mij +altijd het oordeel helpt vellen; om daarna de portretten van mijnheer +en mevrouw A, B, C, en het geheele alphabet te roemen; echter sterk +volhoudende dat zij volstrekt niet geflatteerd zijn, en eindelijk des +noods met de jonge dames te lachen over het slechte toilet van deze of +gene, die, verbeeld u! verkozen had in het groen te worden voorgesteld, +terwijl zij toch "zoo _heel_ blond" is, en den heeren in te fluisteren, +dat zij voor die groene japon te weinig goed heeft gebruikt; aan al +hetwelk ik ten laatste de kroon opzet door de volkomene ontleding van +een zeer slecht stuk en de uitvoerige beschouwing van dat kleine stukje +"daar ik wel een uur bij had kunnen stilstaan, zoo klein als het was!" + +Maar dan keer ik mij, vermoeid van kleuren en tinten, verguldsel en +vernis, dooreengewarde nommers en nagekomen stukken, tot de beschouwing +dergenen, die met mij opgekomen zijn om te zien wat er al zoo in een +jaar tijds is op het doek gebracht. Van de gladde, zachte, gepolijste +gezichten in lijsten, tot de menschelijke troniën in hoeden; van de +_tableaux de genre_ aan den wand, tot de _tableaux de genre_ op den +vloer; en uren lang zou ik kunnen besteden in de natuurbeschouwing van +dien af- en aanvloeienden stroom van kunstbeschouwers. Het verwondert +mij dat er geen schilders nederzitten om studiën te maken. Ik heb er +eene geheele verzameling van schilderijen opgedaan. Zie hier eenige +nommers van mijn catalogus. + +N_o_. 1. _Een Teekenmeester, zijn eigen werk beschouwende._ + +Het is een kort, tenger mannetje, min of meer grauw van tint, met +kleine, grijze oogen en een scherpe kin. Bij het binnentreden overziet +hij de zaal in de vier richtingen met een kennersoog, en geen stap +gaat hij verder alvorens hij zijn bril heeft opgezet. Hij is gekleed +in een vettigen, versleten zwarten rok en dito pantalon. Een lederen +stropje van eigen maaksel knelt om zijn hals, en hij draagt een +katoenen overhemd, op de borst fijntjes geplooid. Hij vergoedt het +volslagen gemis van handschoenen door de buitensporige lengte van de +opslagen zijner roksmouwen, die hem tot het tweede lid der vingeren +komen. In het voorhuis reeds heeft hij den catalogus opengeslagen en +naar binnen omgevouwen. Hij heel _Aegidus Punter_. De P. blinkt op de +bovendrijvende bladzijde. Hij is nu bezig, met een zekere handbeweging, +alleen den teekenmeesters eigen, een volslagen potlood met een lange, +scherpe punt uit zijn kamizoolzak op te delven. Wilt gij meer van +hem weten? O! het is niet moeielijk in hem een dier ongelukkige +martelaars der kunst te onderscheiden, "die miskend worden", en wier +schitterende gaven alleen waardeering vinden bij de jonge dames die +hunne voorbeelden copiëeren. Het ontbreekt hem aan aanmoediging en +tijd, anders werd hij een van de grootste schilders van het land. Dan +had hij een ridderorde, dan ging hij naar Italië, dan kwam hij in +de nieuwe uitgaaf van het groot Schilderboek!... Maar niemand let +op hem. Hij gelooft somtijds dat hij een te stipt christen, een te +nauwgezet burger is, om een schildersnaam te maken. Voor het overige, +wanneer hij over de kunst spreekt, gebruikt hij de woorden: toon, +kracht, geest, warmte, vergelijkende tint en wat dies meer zij, +zoo dikwijls als de doorluchtigste van het gild. Zijne voornaamste +verdienste bestaat in de edele onverschrokkenheid waarmede hij zich +aan alle genres waagt. Hij teekent kerken, hij teekent historie, +hij teekent landschap naar de natuur; hij vervaardigt, zoo gij het +verkiest, uw portret in waterwerf of crayon; hij doet al wat gij +wilt. Maar hij maakt jaarlijks één schilderijtje, dat hij naar de +tentoonstelling zendt. Het maakt de bewondering uit van zijn vrouw, +van zijn meid, van al zijn kweekelingen, en van al de leden van het +kunstlievend gezelschap daar hij lid van is. + +Maar altijd wordt het slecht geplaatst, allerslechtst geplaatst! Hij +ziet in de commissie een schandelijk komplot, tegen zijn opgang en +belangen saamgespannen. Hij leest den Konst- en Letterbode, hij leest +het Handelsblad: nooit is er melding van zijn stuk gemaakt. O! welke +zoete droomen droomt hij den eersten nacht nadat hij het heeft ingepakt +en met een uitvoerig adres verzonden! Het zal de verbazing van alle +beschouwers uitmaken! _Teylers_ museum zal het willen aankoopen; +de Prinses van Oranje zal het moeten bezitten; een liefhebber zal +aanbieden het met goud te beleggen! Groote schilders zullen hem zijn +penseel benijden; vreemdelingen zullen naar de plaats zijner woning +komen reizen "om den grooten _Punter_ te zien"; en wanneer hij hun +dan, zoo eenvoudig en nederig als hij is, in zijn simpel zwart rokjen +en op zijn hooge schoenen, de deur zal openen, en zij vragen: "is de +groote _Punter_ te huis?" welk een triumf zal het zijn, te zeggen: +"dat ben ik zelf, mijnheer! om u te dienen!"--Helaas, zijn stukje +komt weerom--het is niet in aanmerking gekomen.--Eens, eens--de +waarheid eischt van den geschiedschrijver dat hij het vermelde--ééns +scheen het in aanmerking gekomen te zijn. Eene dame van rang en +liefhebberij had er een kunstkooper last op gegeven. De kunstkooper +schreef aan _Punter_, en _Punter_ schreef aan den kunstkooper. Hoeveel +woordenstrijd had deze briefwisseling tusschen juffrouw _Punter_ en +haar waardigen eega gekost, als het haar voorkwam dat hij te zedig was +in het bepalen van den prijs, en zij hem toescheen voor een eersten +keer wel wat inhalig te wezen! Eenige dagen duurde het eer hij een +tweeden brief ontving. Reeds wisten al zijne jonge juffrouwen en +de geheele stads-teekenschool dat het stukje van meester _Punter_ +was "aangekocht voor een kabinet"; reeds had men er hem in zijn +kunstlievend gezelschap mee gelukgewenscht; reeds had hij vol ijver +en hoop een nieuw stukje begonnen. Het zou ditmaal in den smaak +van _Ostade_ zijn. Twee passediezende boeren met de echt Ostadische +korte pijpjes, en den eeuwigen wingerdtak belet vragende door het +venster. De eene geheel spel; de andere half bierkan!--Hij zou er +het dubbel voor vragen van hetgeen zijn eersteling had opgebracht; +en zijne vrouw zou een kerkboek krijgen, met een gouden slot. Zoo +zou hij langzaam opklimmen tot de hoogste hoogte; zoo was het _Frans +Hals_, zoo _Van Dijck_, zoo _Rembrandt_ gegaan.--Maar, o slag des +noodlots! Daar brengt hem de koelbloedige post een brief.--Men had +zich in het nommer vergist. De kunsthandelaar is beleefd genoeg +vergeving voor deze onachtzaamheid te vragen. Vergeving voor deze +onachtzaamheid! Wat onachtzaamheid? Neen, hij vrage veeleer vergeving +voor een der verschrikkelijkste grieven, die men een eenvoudig +burgerman kan aandoen! vergeving voor een dolksteek, die een van +blijdschap zwellend hart doorboort; voor een mokerslag, die honderd +der schoonste luchtkasteelen doet ineenstorten! vergeving voor een +zedelijken en schilderlijken moord!--Ziedaar een enkele bladzijde +uit de geschiedenis van dit klein, tenger mannetje. Verbaast het u +thans, dat zijn rok zoo kaal, zijn gelaat zoo geel, zijn mond zoo +droevig geplooid is, dat hij de opgewektheid verliest zijne sluike +haren éénmaal in de maand te doen knippen? Zie hem daar nu weder +op de tentoonstelling. Zijn stukje--het is ditmaal eene keukenmeid, +die een koperen emmer schuurt--zal wel weer slecht geplaatst zijn; +zeker te hoog of te laag voor menschelijke beschouwing. De vorige +maal was het alsof het zijne bewonderaars onder de engelen zocht: nu +zal het misschien in de diepte zijn nedergestort. _Flectere si nequeo +Superos, Acheronta movebo!_ zucht hij niet, want hij verstaat geen +Latijn. Zijn vader was een rijtuigschilder, beroemd om zijn blinkend +en nooit barstend vernis; maar de zoon had te veel _"zenie"_ om bij dat +vak te blijven. Hij vorscht met schijnbare onverschilligheid de plaats +uit, aan zijn meesterstuk beschoren. Het schikt nogal, wat de hoogte +betreft; maar in dit hoekjen is immers weer niets geen licht op den +koperen emmer! Ach! de geheele wereld gaat er ook voorbij. Nutteloos +staat deze Apelles op de wacht; zoomin de tripjes als de voet van +zijn keukenmeid worden beoordeeld! Niemand zegt iets van den koperen +emmer, waarvan zijn vrouw immers had betuigd, dat zij meende er haar +muts in te kunnen opzetten! Als de bewegelijke rij der toeschouwers, +"die toch waarlijk bij erger prullen stilstaat", tot _zijn_ werk is +genaderd, schijnen zij plotseling gezicht en spraak verloren te hebben. + + + Stillswijgen is een Vloeck die meer bijtt als quaed-spreken. + + +Zijn eigen onafgebroken aandacht wekt zelfs niemands opmerkzaamheid +op.--"En daar moesten zij dan die lijst nog om beschadigen!" zucht +hij--"die lijst van twaalf gulden tien!" Want het verguldsel had een +knauw gekregen, doordien het nog nat was geweest toen hij zijn tafereel +inpakte en, een maand te vroeg, verzond. Troosteloos verwijdert hij +zich, om in stilte zijn gemoed te koelen aan het portret van dien +poedelhond, wiens rechteroor misteekend is. Maar, daar is het alsof +hij iets hoort in den hoek van _zijne_ schilderij. Inderdaad! Eene +jonge welgekleede dame en een dito jonge heer staan er in eene gebukte +houding op te turen. Zoo schijnt dan nog iemand dit der moeite waardig +te achten! Zie, hoe lang vertoeven zij! het zijn zeker liefhebbers, +ontegenzeggelijk kenners!--Maar welk een onderdrukt gelach, nu zij +er afstappen? Gerechte hemel! zij trekken een gezicht alsof zij het +vroolijkste _Jan-Steentje_ gezien hadden in plaats van zijn eerbare +keukenmeid, en nog even vangt hij de woorden op: "het heeft meer +van een hond".--Dat verwijt geldt, arme kunstenaar! het katjen op uw +voorgrond, niet veel grooter (ik beken het) dan een schaap van het +kleinste ras! Het katje, waarvoor uw eigen poes tot model verstrekte; +het katje, dat gij uitteekendet des avonds, terwijl uwe teedere gade +uw slaapmuts warmde op haar stoof! En (tot overmaat) daar hoort hij +diezelfde jonge lieden hunne bewondering uitgillen over dienzelfden +poedel, wiens rechteroor misteekend is!--"Het is," zeggen zij, nota +bene!--"het is alsof hij leeft." + +"De naam is alles," zucht hij, en kijkt op zijn zilveren zakuurwerk, +het zilveren zakuurwerk van zijn eerzamen vader, den rijtuigschilder, +beroemd door zijn blinkend en nooit barstend vernis. Het uur is +geslagen, hij moet les geven. Ga heen, ongelukkig martelaar! ga heen +naar de jongejuffrouw C. en vertel haar voor de honderdste maal "dat +zij toch hulplijnen moet zetten"; zij heeft het weder vergeten, en nu +staat de geheele anjer scheef; ga heen, en bedenk u onderweg nog eens +of gij u wel wagen zult aan die voorstelling van de heldendaad van +_Van Speyk_, waar ook al voorstellingen genoeg van zijn. Vervolg uwe +lessen van uur tot uur en van dag tot dag! Met een weinig meer talent +zoudt gij misschien, met een weinig minder, zeer zeker gelukkig zijn. + +N°. 2. _Een familietafereel._ + +Het is een mijnheer en eene mevrouw van middelbare jaren, en een +jongeheer en eene jongejuffrouw in den bloei der jeugd, en een kleine +jongen van zeven jaar daarbij. Ik beschrijf u hunne kleederdracht +niet: er is weinig opmerkenswaardigs aan. Het zijn menschen uit den +deftigen middelstand, goede lieden, niet Haagsch, maar kleinsteedsch +gekleed. Ik sla een blik op de wezenstrekken. Mijnheer ziet, dunkt mij, +een beetje knorrig. Vraagt gij de reden? Deze menschen komen eigenlijk +zoo pas uit een naburige stad met een calèche aangereden, waarin zij +met hun vijven hebben gepakt gezeten. Mijnheer heeft drukke zaken, +waarbij zijn tegenwoordigheid slecht gemist kan worden; hij ziet tegen +alle uitstapjes op, als tegen zoovele bergen, en hij houdt daarenboven +niet van rijden. Maar mevrouw wilde zoo "dolgraag" de tentoonstelling +zien; al de mevrouwen zagen die. In een zwak oogenblik, hij moet het +bekennen, had hij het haar beloofd. Ik meen wel, aan den avond van +een dag, dat hij geen lust gehad had menschen te zien. Ook waren de +kinderen nooit in den Haag geweest, en het Haagsche Bosch--"het was zoo +heerlijk!" Vroeg in den morgen kwam het rijtuig voor. Het was tamelijk +mooi, ja! het was mooi weer! Maar zoodra de paarden het Haagsche Bosch, +"dat zoo heerlijk was", hadden bereikt--of het spel sprak--scheen het +dat donkere wolken den hemel betrokken! en nòg was het Paleis van Prins +_Frederik_ niet in het gezicht of de stortregen kwam neder!--In het +plan stond, dat men op het Tornooiveld, in den Doelen, af zou stappen +en zich eerst behoorlijk en op zijn gemak verkwikken. Mijnheer is +gesteld op zijn leefregel. Maar men heeft geen regenscherm! En dan--de +straten!--Men vindt dus beter dadelijk op de tentoonstelling aan te +rijden. Van dat de eerste zwarte wolk was komen aandrijven en de eerste +rimpel op papa's voorhoofd bespeurd is, heeft mama alles in het werk +gesteld om het gesprek levendig te houden. Zij was onuitputtelijk +in het verhalen van de genoegens, die zij in hare jeugd in dit +"eigenste Haagsche Bosch" gesmaakt had. Maar bijna geen woord is er +gesproken sedert de eerste vochtdruppel viel en het "daar hebben wij +het al!" van de lippen van het achtbaar hoofd des huisgezins geklonken +heeft. Mevrouw, die de reis heeft dóórgedrongen, het jonge meisje, dat +haren vader met haar "vooruitgebabbel" over dat feest heeft verveeld, +en de jongeheer, die gezworen heeft dat het mooi weer zou blijven, +voelden zich als het ware verantwoordelijk voor iederen regendrop, +die viel, vallen zou, of zou kunnen vallen, en ongerust zagen zij +elkander aan. "Kom aan dan maar!--de tentoonstelling!" had papa +gezegd, toen het rijtuig stilhield en de familie werd uitgepakt. Maar +in de stemming, waarin ZEd. verkeerde, viel het hem nogal tegen dat +hij voor ieder persoon van zijn gezin een catalogus te koopen had, +alleen de kleinste uitgezonderd. Maar mevrouw!--Haar triomfante blik +roept mij toe: "wij zijn er!" en het beminnelijkst lachje vervangt, +zoodra zij zich in het lokaal gevoelt, den angstigen trek die in de +volle calèche om haren mond speelde. Ondertusschen is deze lieve +familie nu véél te vroeg gekomen. Daar is nog bijna niemand. Dit +valt de nog wel eenigszins wereldsche dame tegen; niemand om gezien +te worden! niemand om hare lieve dochter te zien! Het is waarlijk +een mooi gezichtje en, mij dunkt, het gelukkigste van alle; een +ongemaakte vreugde verschijnt op haar gelaat, nu zij de bonte rijen +van tafereelen overziet. Maar zij had zich toch alles veel grooter +en veel mooier en veel treffender voorgesteld. Tien zulke zalen, +duizend meesterstukken! Zij telt pas zestien jaren.--Mijnheer haar +broeder is een jaar ouder, en dus in dien lieven leeftijd, waarin +men meent voor iets goeds te zullen gehouden worden, wanneer men +den schijn aanneemt van iets kwaads dat men niet is. Hij heeft al +de kenteekenen, al de bewegingen van een recht lastigen wijsneus, +en schijnt nog in twijfel te hangen wat hij liever wezen zal, een +fat of een lomperd. Hij verbeeldt zich kunstkennis te hebben en is, +om daarvan proeven te geven, gestadig in de contramine. Al de stukken +die zijne goede moeder opgetogen doen staan van verrukking, acht hij +"infaam geschilderd, slecht van kleur, dwaas van gedachte, plat, zonder +diepte", kortom rechte bokken van ongerechtigheid, die hij met al de +fouten van alle slechte schilderijen belaadt. Zijn zuster dwingt hij +tot de bewondering van grove, wilde, breedgepenseelde studiekoppen van +bandieten en ijzervreters "daar genie in zit", en die haar volstrekt +beter moeten bevallen dan het liefste heiligbeeld der wereld. Hij is +altijd een schilderij of wat vooruit, zoekt ter sluiks de nommers op +in den catalogus, en toont dan zijne meerderheid over zijn vader door +hem in strikken te lokken en tot dwaze weddenschappen te verleiden +over den waarschijnlijken schilder van dit of dat tafereel, van +wien de gedrukte letter hem den naam heeft doen kennen; en na hem +bewezen te hebben dat hij dien aan zijne lichtvalling, of aan zijn +behandeling, of aan zijn stoffeering, of aan zijne ordonnantie kent, +laat hij den goeden man, die toch al niet wel gemutst is, van tijd tot +tijd een ongelukkige figuur maken. Mevrouw heeft een treurig gebrek +aan ordelijkheid in hare beschouwing. Nu is zij in dit gedeelte der +zaal, maar plotseling verplaatst zich hare nieuwsgierigheid naar het +tegenovergestelde; nu eens wordt zij door deze of gene uitblinkende +verf aangetrokken, dan weder verlokt door haar aangeboren zucht om +gelijkenissen op te merken. "Zie toch eens, lieverd! vinje niet, dat +dat jongetje veel van ons _Pietje_ heeft?" Het tafereel, waarvan ze +spreekt, is de voorstelling van een lief kind, met het hoofd voorover +gebogen op den ruigen kop van een patrijshond, en door een onzer +eerste meesters geschilderd; een recht serafijnen gezichtje waarmee +ik, in het voorbijgaan, de moeder gelukwensch. _Pietje_--het is een +zevenjarig jongetje, dat ik u nog niet beschreef--_Pietje_ is een +ongelukkig wicht, door de engelsche ziekte mishandeld, met een groot +driekant hoofd, en bleek, zeer bleek! In zijne fletse oogjes schemert +maar eene flauwe levensvonk. Ik weet niet recht of hij een zakdoek +bij zich heeft. Maar aan zijn kleedij is smaak, noch kosten, noch +tijd gespaard. De kinderen van onze dagen worden allerdichterlijkst, +allertheatraalst uitgedost. Eene vierkante uhlanemuts met een gouden +kwast siert zijn jeugdig hoofd, en een schotschbont kieltje, waarvan +de breede plooien door een nog breeder verlaktlederen riem met een +onmatigen gesp worden in toom gehouden, en waar de ruiten zoo groot van +zijn, dat de rug van het schaap volmaakt een gevierendeeld wapenbord +vertoont, begraaft zijne tengere ledematen. Een fijngeplooid kraagje, +dat hem in de ooren prikt, wordt naar hetzelfde stelsel van inperking +te keer gegaan in iedere buitensporige golving die het zou kunnen +aannemen, door een dasje van turkschgele zijde, zeer uitvoerig +gestrikt. Een wit engelschlederen broekje, tot groote zielesmart +van mama aan de treden der calèche bij het uitstappen vuil gemaakt, +omkleedt zijne kromme beentjes, eindigende in witte kousjes en +lage schoentjes. "Vinje niet, lieverd! dat dit jongetje veel van +ons _Pietje_ heeft?" vraagt de moederlijke moeder. Maar hoe groot +is hare ontzetting, nu zij, opziende naar een antwoord, niet haren +echtvriend gewaarwordt, maar wie weet welk een groot Haagsch heer, met +een ridderorde en een knevelbaard! "Excuseer, mijnheer!" en met een +kleur als vuur ijlt zij weg, en sleept nu haren wettigen gemaal voor +de beeltenis van den lieven jongen, "die zooveel van _Pietje_ heeft". + +Zoo heeft men een geheel uur gesleten. Mijnheer meent dat het lang +genoeg is; de wijsneus beweert dat er niets "eigenlijk moois" is; de +jonge juffrouw heeft een dollen zin opgedaan om met een blooten hals +en een gouden ketting geportretteerd te worden; en mevrouw vindt dat +men niet weg moet gaan "eer men de Haagsche menschen nog eens gezien +heeft." Het rijtuig, dat intusschen weer voorgekomen is, zal daarom +nog wat wachten. Maar de Haagsche menschen komen nog niet; de _beau +monde_ zou nog niet _kunnen_ komen. Men slentert nog een half uurtje, +en ziet, de zon breekt door! Men moet van het goede weer gebruik +maken om naar het Haagsche Bosch te gaan, "dat zoo heerlijk is". De +familie vereenigt zich bij den uitgang. "Heden mijn tijd!" zegt +mevrouw, "daar hebben we het stukje van _Ko_ nog niet gezien! Dat +moesten we toch nog eventjes opnemen."--"Och laat dat stukje van +_Ko_ nu maar rusten!" zucht mijnheer. "Het zal wat wezen!" merkt de +wijsneus aan. Maar mevrouw durft de moeder van _Ko_ niet onder de +oogen komen, tenzij ze het stukje van _Ko_ gezien heeft. _Ko_ nu, +is een neefje van de familie, een bedorven kind dat niet onaardig +teekent, weshalve zijn moeder besloot dat hij moest schilderen; +en toen hij iets dragelijks voortbrengen kon, besloot zij al verder, +dat hij iets naar de tentoonstelling zenden moest. "O zijn koetjes! me +dunkt dat ze zóózoo zullen gaan bulken!" En nu de zaal weer binnen! En +nu zoekt mijnheer in den catalogus, en mevrouw in den wilde, en de +dochter in schijn, en de wijsneus in het geheel niet naar het stukje +van _Ko_. Het stukje van _Ko_ is nergens te vinden. "Hoe groot zou +het zoo wat zijn? Zeker niet zoo heel groot." Eindelijk vindt men +een stukje met koeien, van _Ravenzwaay_ of een ander,--"ja dat zal +het wezen; dat is wel zoo wat in zijn manier"--en liever zonder den +catalogus op te slaan, uit vrees van uit den droom geholpen te worden, +sleept mijnheer de familie nu mede, volmaakt tevreden over het stukje +van _Ko_. Daar gaan zij heen. Het is ondertusschen weer begonnen te +regenen. Het geheele luchtruim schijnt uit grauw papier gesneden. Daar +gaan zij heen--om het Haagsche Bosch te zien, "dat zoo heerlijk", +en in het Scheveningsche Badhuis te eten, "dat zoo voornaam is", +om daarna huiswaarts te rijden: mijnheer, met de zekerheid, dat hij +morgen dubbel zal moeten werken; mevrouw maar half tevreden, omdat zij +zoo weinig menschen gezien heeft; de zestienjarige, met den hopeloozen +wensch in het hart om met een blooten hals en een gouden ketting te +worden geportretteerd; en de wijsneus, veroordeeld om den geheelen +weg over met den kleinen Schotschen engel op zijn knie te zitten. + +N_o_... Maar neen, ik stap van de nommers af; ik weet niets +vervelenders en ontrustenders dan getallen; ik geloof, dat zij u +in sommige omstandigheden de koorts op het lijf jagen. Ik sluit +dus mijn catalogus en noodig u liever, u met mij te verplaatsen te +midden van dien bonten hoop van bezoekers, nu het uur _du bon ton_ +geslagen heeft, en het vol wordt in de zaal. Welk een gefluister! welk +eene drukte! welk een gedrang! Maar een zacht, een beleefd gedrang, +een gedrang van zijde en fluweel! Zie deze oude barones, geleund +op den arm van haar zoon, den kamerheer. Zij is blij dat ze boos +kan zijn omdat er nog altijd eenige burgerlieden in de zaal zijn +gebleven.--Zie deze brillante modemaakster, met haar valsch goud +en geplekt zijden kleed, zich de airs gevende van eene freule, en +nu eens met een radde Haagsche tong, dan eens in slecht Fransch, +de schilderijen ruim zoo luidkeels beoordeelende als de hoogste +hooggeborene.--Aanschouw dat lieve burgermeisje, slachtoffer van +de eerzucht haars broeders, die schrijver is bij een ministerie en +alzoo een bril en veel fijner laken draagt dan zijn vader uit den +lintwinkel. Hij wilde volstrekt niet vóór het _fashionable_ uur naar +"de expositie", en nu leeft zijn lief zustertje, dat zich wel naar +hem schikken moest, in gestadige angsten, en durft zich niet in het +gedrang wagen, en heeft de vermetelheid nauwelijks om zich voor het +beeld van die "oude vrouw, den Bijbel lezende" te plaatsen, waarvan +zij zoo veel heeft hooren spreken; zij bereikt het eindelijk, maar +beschouwt het niet dan met een schuchteren blik en gereed om de vlucht +te nemen voor de eerste groote dame die er haar lorgnet op schijnt te +zullen richten. Ach! zij gevoelt zoo diep en zoo dikwijls dat zij maar +"een juffertje" is. Tot haar groot geluk redt haar de komst van haar +broeders chef uit al de pijnlijkheden dier folterzaal. + +Geef u de moeite den blik van stomme bewondering dezes eenvoudigen, +van onverschilligheid dezes onbeduidenden, onderling, en met het +oog van verachting dezes veertigjarigen jongelings, "die zóó veel +gezien heeft in zijn leven en op zijne reizen", te vergelijken. Let +op dezen rampzaligen Narcissus, gelukkig door zijn bont vest en zijn +stroogele handschoenen, die, op den knop van zijn rotting zuigende, +zichzelven voor eene zeldzame vereeniging aller mannelijke schoonheden +houdt, die de dames meer belangstelling vergt dan al de portretten +van geleerden en cavalerie-officieren en zeemannen in de zaal, +en waardig is in al de bochten, waarin hij zich wringt, te worden +afgebeeld om de bewondering aller tentoonstellingen uit te maken. De +onbetaalbare levende ledeman! Sla uw oog op dezen geaffaireerden +bezoeker, neen doorvlieger van de zaal, wiens gewichtig gelaat +het telkens luider uitgilt "dat hij wel wat anders te doen heeft +dan schilderijtjes na te loopen;"--op deze jonge dame, die zelve +schildert en, met een tuyau in de hand, niet rusten kan vóór zij de +stukken van haren lievelingsschilder "genoten" heeft, "dan is haar de +rest onverschillig;"--op dien student, die sterven zal, zoo er niet +spoedig iemand komt, aan wien hij vertellen kan dat hij de laatste +_Ausstellung_ te Dusseldorf heeft bezocht.--"Maar wie is die jonge +mensch," vraagt gij, "met dien lagen, breedgeranden hoed, die wilde +haren, dien dikken stok, dat heele korte jasje, dien wijden, geruiten +pantalon?"--Gij meent een schilder, een jong schilder. Gij vergist +u; het is de vriend van iemand, met nog lager, nog breeder geranden +hoed, met lange, maar schoone, gekrulde haren, met een nog dikker, +maar ook mooier stok, met een nog korter, maar fluweelen jasje, en +nog bonter pantalon. En _die_ iemand is een schilder. _Deze_ is zijn +_alter ego_, zijn onafscheidelijke, zijn jakhals, zijn bewonderaar, +zijn namaaksel, zijn overdruk, zijne schaduw. Hij wandelt met den +schilder, hij ontbijt met den schilder, hij doet keertjes te paard +met den schilder, hij gaat met den schilder naar den schouwburg, +hij rookt, hij zwetst, hij biljart met den schilder; alleen, hij +schildert met den schilder niet. Dagelijks kunt gij hem in deze zaal +vinden; want hij is een hartstochtelijk bewonderaar der schilderkunst +en der schilders. Indien gij op dezen afstand het woord _artiste_ op +zijn voorhoofd meent te lezen, zult gij hem tot den gelukkigsten der +stervelingen maken. "Ook is _zijn_ schilder hem menig idee verplicht, +en zoo hij wilde... ja zoo hij wilde!" + + + +Zult gij nu nog vertoeven, totdat de laatste laatsten _du beau monde_ +verschijnen, die de zaal door huns gelijken bijna ontruimd vinden en, +tot hun groote wanhoop weder volgeloopen met "gepeupel", dat reeds +gegeten heeft--? Of willen ook wij nu maar heengaan, uit vreeze, +dat deze of gene onderzoeker òns uitteekent, als caricaturen van +onverdragelijke leegloopers, die zich het voorkomen van opmerkers +geven?-- + +1838. + + + + +De Wind. + +Het stormt buiten. Hoort gij het, mijne vrienden? het stormt. De wind +is verschrikkelijk: vlaag om vlaag; hij loeit om uw dak, hij fluit +door iedere opening, door elken doortocht. Hij schudt uwe deuren +en vensterramen. Het is noodweer. Zegt niet: "laat ons opstoken en +bijeenschikken, en eten en drinken, en zóó luid spreken dat wij den +wind niet hooren." Het is epicurische lafhartigheid. Gelijk gij bij +zacht en liefelijk weer den blik wel duizendmaal uit het venster werpt +en, de vriendelijke natuur in al haar rustig schoon aanschouwende, +telkens uitroept: "het is heerlijk!" zoo ook past het u op een dag +als heden, althans een enkele maal naar den orkaan te luisteren, zijn +woeden aan te zien, te denken aan de algemeene beroering, en te zeggen: +"het is ontzaglijk!" Dit, dunkt mij, betaamt een man. Zij, die het +niet willen--ik vreeze dat zij de stormen des levens met dezelfde +kleinmoedigheid zullen zoeken te ontduiken. Neen, zij zeker zijn het +niet, die in rampen en verschrikkingen, in onheil en nood, zich van +hun toestand overtuigen durven, of in den storm des tegenspoeds het +hoofd opsteken en zeggen: "hier ben ik!" Zij sluiten hunne oogen voor +het gevaar; zij schuwen het in te denken; zij sterken zich het hart, +noch oefenen hunne zielskracht; zij hebben geen nut van hun leed; +het zijn bloodaards. Laten wij naar den storm luisteren. + +Die wind, die ontzettende wind! Van waar komt hij? Werwaarts gaat +hij henen? Vergeefsche vragen, door zijn krachtigen adem medegevoerd +en verstrooid! De onzichtbare, de geweldige, de alomtegenwoordige, +de reus der geheimenis! Hoog, hoog boven de aarde, om de lenden der +bergen worstelt, woelt, en geeselt hij; door rotsspleten en spelonken +waart hij rond met snerpend geloei; in den diepen afgrond gromt hij; +in de eenzame woestijn, waarin geen geluid gehoord wordt dan het +zijne, drijft hij het zand te hoop; door de wildernis wandelt hij om, +met luidruchtig geweld;--en de onmetelijke zee,--is hij niet grooter +dan zij? haar broeder, haar ontzaglijke speelgenoot, haar woedende +bestrijder! + +De onafhankelijke: hij waait werwaarts hij wil. Als gij hem uit +het oosten wacht, verheft hij zich in het noorden. Gij gelooft, dat +hij sluimert in het zuiden--ziet, hij staat op in het westen! Hoe +spoedig is hij ontwaakt, hoe ijzingwekkend is zijn kreet, +hoe onweerstaanbaar zijn aanval! De sterke: soms is hij speelsch +en dartel; maar wee! wee! als het hem ernst is; want eer hij den +kampstrijd aangaat, is zijn triumf verzekerd. Het woud gaat hij door, +als door _Sanheribs_ leger de slaande Engel des Heeren. De wateren +woelen, zieden en branden. Hij ontbloot de beddingen, hij smakt de +steenrots van haar voetstuk. De gelederen der golven breekt hij door, +en speelt met haar schuim als waren het witte vederen, haren gehelmden +kruinen afgerukt. Te vergeefs zoo de zee zich opheft als een bezetene, +dol van woede, bruisende van toorn. Hij grijpt haar aan, en schudt +haar tot zij machteloos en stuiptrekkende nederstort--en wie zich +aan haar borst vertrouwden, wie zich waagden op hare gevaarlijke +diepten... Heere! behoed hen! zij vergaan. + +Krachtige stem der natuur! Hoe schokt gij de harten der menschen! Alle +geluid van het onbezielde is door u, levende stem der lucht! Gij +spreekt; de echo der bergen, de schoot der wateren, het dichte loover +antwoordt u. Maar gij, gij overschreeuwt die allen. Wel moogt gij +de stem des Heeren heeten. Voorzeker neen: geen ontgrendeld rotshol, +geen gonzende knots, geen losgelaten vleugelpaard, geen adelaar met +klappende wieken bracht u voort: gij zijt de stem des Almachtigen. Zijn +Geest is een adem, een aanblazing, een krachtig ruischen. Woest was +de baaierd, woest en ledig; geen orde, geen onderscheiding, geen +licht, geen geluid. De duisternis zweefde over den afgrond. Alles +stil en levenloos. Maar een krachtig, een zwoel, een vruchtbaarmakend +windgeruisch ging over de diepte. Het was de adem Gods broedende [30] +over de wateren. Zij sidderden op die aanraking; die siddering was +leven. De stilte was gebroken. Sinds dat oogenblik gingen van God uit +scheppende kracht, orde en leven!--In het suizen van den avondwind +behaagde het Jehova den eersten zoon des stofs te verschijnen; en uit +den wervelwind sprekende tot _Job_, leerde hij hem sidderen voor de +mogendheid zijner almacht. Hoort gij dit plechtig geloei? Welnu! zulk +een gedruisch vervulde het gebouw, waar de discipelen bijeenzaten +op den Pinksterdag; het was Gods Geest, op aarde nederdalende in het +ruischen "als van eenen geweldigen gedrevenen wind". + +Maar dit symbool der kracht Gods, zoo onzichtbaar, zoo geducht, is het +ook niet een schaduw zijner weldadigheid? Ziet, nu is hij geweldig en +verpletterend; maar hij is toch geen woestaard, alleen uitgaande tot +verdelgen! Als alles doodsche stilte is; de zon brandend; de korst +der aarde gespleten; het geboomte verschroeid; het pas opgeschoten +veldgewas schraal en met stof bedekt; als de kanker der vertering in +stilte voortvreet, en de stinkende damp des verderfs hevelt uit het +lauw moeras--dan verheugt zich de dood in een rijken oogst. Maar, +in de verte ziet gij een wolkje, niet grooter dan uw vuist, en het +is als hoordet gij den slagregen reeds ruischen; want de bode des +Heeren is opgestaan, de breedgewiekte wind, die het in een oogwenk +tot u zal brengen. Hij komt, de afgebedene, de gezegende. Voor +zich henen drijft hij den pestwalm, die om uwe hoofden zweefde, en +onder zijne wieken voert hij mede de trezoren der vruchtbaarheid en +des bloeis, der gezondheid en der kracht. Hij vernieuwt het gelaat +des aardrijks. Hij vaagt het stof af van den oogst; de sluimerende +groeikracht wekt hij op uit hare bezwijming. Verkwikkend gaat hij om, +en deelt frissche teugen uit van welvaart en van leven. + +Herinnert gij u den weelderigen zomeravond, dien gij zoo zeer +genoot? De dag was drukkend geweest en benauwd. De zon, krachtig +tot het laatst toe, was ondergegaan te midden van purper en +rozen. Nog zongen de vogelen niet. Er lag eene zwaarte op de geheele +natuur. Alles was stil. Maar daar ontwaakte een zacht gerucht, +het suizen van een liefelijk koeltje. Hoe vingt gij het op met +dorstige lippen, met hoeveel wellust ademdet gij het in, en liet het +spelen door uwe bedauwde lokken! Het kwam vriendelijk aangezweefd, +beladen met den geurigen wasem van blad en bloem, en koelde loover +en grasscheuten. Fladderend streek het over het lauwe water, en +helderder en frisscher rimpelde dat, en ruischte als verheugd; de +toppen der boomen vingen aan welluidend te zwatelen:--het was een +liefelijk ineensmelten van zachte en vredige geluiden. Het was u, +als hoordet gij een stem van enkel liefde. Welnu! het was de stem der +liefde Gods. Zoo ruischte zij den profeet in de ooren, op den top +van Horeb, waar hij stond en den Heer verbeidde. "En ziet, de Heer +ging voorbij, en een groote en sterke wind [als deze!] scheurende +de bergen en brekende de steenrotsen voor den Heere henen. Doch de +Heer was in den wind niet. En na den wind, eene aardbeving; de Heer +was ook in de aardbeving niet. En na de aardbeving, een vuur; de +Heer was ook in het vuur niet. En na het vuur, de stemme eener zachte +koelte. Toen sprak de Heer tot _Elia_".--Dit, mijne vrienden, staat in +den Bijbel, opdat gij het lezen zoudt, in dezen stormachtigen tijd! O, +'s nachts, 's nachts, als gij slapeloos nederligt, en de ontboeide +wind gierende omgaat om uw huis als een brullende leeuw die schijnt +te zullen binnendringen--dan gaat eene huivering u door de ziel! Zegt +mij, hebt gij gebeden? God, de Heer! voor wien stormen en orkanen +zijn als dienaren die, als hij ze roept, tot hem komen en zeggen: +"Hier zijn wij!" God, die ze uitzendt en terugroept als boden en +slaven--die Almachtige is zachtmoedig en liefderijk als eene zachte +koelte. Slaapt dan in! Al waart gij ook teedere moeders, wier zonen +verre zijn; misschien wel op den breeden vloed! Nog eenmaal gebeden, +en dit bedacht! en het zal u wezen, als zweeg de wind! en als omringde +u alleen de zachte, de kalmte aanbrengende liefde Gods. Slaapt in; +die liefde sluimert nooit. Vreest niet--gelooft alleenlijk. + +October 1838. + + + + + + + +ANTWOORD OP EEN BRIEF UIT PARIJS [31]. + + +Eindelijk heb ik hem gezien, mijn vriend, gezien en bewonderd! Het +monster van Bleekloo, de aangebedene, de gevierde, de hoop van allen, +die nog niet wanhopen aan den goeden smaak en den echten geest +der Hollandsche schilderschool; van allen, die nog gelooven in het +dunne coloriet van _Van Dijck_ en het krachtig penseel van _Frans +Hals_. Hoe zal ik u een denkbeeld geven van zijn manier, van zijn +talent, ik die het Vaticaan niet gezien heb, en dat nog wel aan u, +die geen der naaischolen van Bleekloo te vinden weet: of zeg mij, +kunt gij vergelijkingen maken tusschen de vermoedelijke bekwaamheden +der verschillende echtgenooten van de verschillende naaivrouwen _Blok, +Over den Kant, Preveilie_ en andere? Neen voorzeker, gij weet niet, dat +noch de man van juffrouw _Over den Kant_, noch die van juffrouw _Blok_, +noch die van juffrouw _Preveilie_, noch zelfs die van _Naatje de Zoom_ +ooit of ooit het penseel behandeld hebben, overmits deze geen van allen +den maagdelijken voor den huwelijken staat hebben verwisseld. En toch, +hoog over het hoofd van juffrouw _De Zoom_ zetelt het genie, zetelt +de hoop des vaderlands; het is haar vader. Het is niet de kunstenaar, +dien gij in hem groet; het is de kunst zelve. Nauwelijks heeft hij den +ouderdom van achtenzestig jaren bereikt; welk een heerlijke dageraad +gaat voor de Hollandsche schilderschool op!--Helaas! ik weet niet +hoe ik het u duidelijk zal maken wat wij in hem te wachten hebben, +wat zijn talent kenteekent, wat hem op de onbereikbare hoogte, die +hij besteeg, geheel alleen doet staan, _geheel_ op zichzelf! En toch, +ik wil het beproeven; want ik wil den Avondbode een vlieg afvangen +en het Handelsblad vooruitzijn. Ik wil u, in het hartje van Parijs, +het vaderlandsche bloed van edelen trots doen gloeien; ja gloeien, ja +tintelen, ja bruisen moet het! Gij zult weten wie onze Bleekloosche _De +Zoom_ is, al zou ik ook aan de æsthetische beschouwing van zijn talent +iedere uitboezeming van vriendschap en hartelijkheid ten offer brengen, +al moest ook dit mijn geschrijf veel meer van een feuilleton in een +der genoemde dagbladen of van een artikel in den Letterbode hebben dan +van een vertrouwelijken brief--al moest, van bladzijde 1 tot bladzijde +4 toe, _De Zoom, De Zoom, De Zoom_! uw lezende aandacht absorbeeren. + +Zoo ik begin met u te zeggen dat _De Zoom_ een monster is, zeg ik niet +te veel. Hij heeft, als ik reeds zeide, pas achtenzestig jaren bereikt; +nooit heeft hij een meester gehad; de natuur deed hem geboren worden +met dat eigenaardig gevoel voor 't schoone en verhevene, dat hij met +zooveel waarheid en kracht op het doek weet uit te drukken. Als een +klein kind op school, teekende hij reeds zijn meester uit op de lei, +met een pijp in den mond, en maakte hij patroontjes voor zijn zuster +die uit borduren ging. Ook beschilderde hij niet zelden de deuren der +pakhuizen en der nachtwachtsverblijven met wit en rood krijt. Een +voorbijganger vond hem met dit werk bezig en bewonderde de kracht +van zijn schetsen. Die voorbijganger was zelf kunstenaar. Hij was +huisschilder en glazenmaker. Weldra vertrouwde hij hem de kunst toe +en wijdde hem in de geheimen van het tempermes in. Niet lang duurde +het of _De Zoom_ begon zich op de uithangborden toe te leggen. Het +eerst leerde hij koffiekannen en trekpotten schilderen, daarna +werd hem zelfs de uitvoering van een glas bier toevertrouwd. Het +opmerkelijkste was het schuim. Nooit had men zulk schuim gezien. Het +was meer dan bierschuim; het was champagneschuim. Verbeeld u, mijn +waarde! welk een verbeeldingskracht in een huisschildersjongen, +wiens vader mandemaker was, en die dus, naar alle waarschijnlijkheid, +nooit champagne had zien schuimen. Langzamerhand liet zijn meester +hem toe ook wapens te malen; en hierin was het vooral dat zijn goede +smaak uitschitterde. Met voorbeeldelooze stoutmoedigheid bracht hij +alles tot het natuurlijke terug; alle leeuwen geel met zwarte manen, +gelijk de echte barbarijsche. Hij wist van geen roode, geen blauwe, +geen zwarte. Die hem van _keel_ en _sabel_ sprak, deed hij het aanbod +van een pak slagen, en hij zou eens bijna gestorven zijn van woede, +toen men hem zeide dat sommige wapenschilders roode arenden hadden +voorgesteld met blauwe neb en blauwe klauwen. "Want", zeide hij, +"een arend is toch bruin". En hij had gelijk. Ondertusschen was hij +nu op de hoogte om tot het eigenlijk dierschilderen, voor zoover dit +zijn meester te pas kwam, over te gaan, en reeds had hij werkelijk de +schets gemaakt van een _dorstig hart_, toen de ongelukkige _troubles_ +van die dagen--tusschen 85 en 90--ook den jeugdigen _De Zoom_ in +hunnen maalstroom meevoerden. Hij verdween nu voor een poos van het +tooneel en men hoorde niet van hem. Men spreekt van een spotprent, +die hij op den Prins zou hebben gemaakt, waarvan de hoofdgedachte +was: _een groote goudsbloem die door een keeshond van zijn steel werd +gebeten_; en van nog eene andere op de Engelsche natie, waarvan de +voorstelling vergeten is geraakt. Hoe het zij, men zou ook _De Zoom_ +bijna vergeten hebben, ware hij niet verleden jaar plotseling weder +te voorschijn gekomen met zijn meesterstuk: _'t Is een toer om der op +te komen_. Het denkbeeld is niet nieuw. Een groot paard staat geheel +opgetuigd en gezadeld, en een zeer klein man maakt zich gereed het +te bestijgen, 't welk hem, aangezien de kleinheid van zijn postuur, +zeer moeielijk valt. Alles is in deze schilderij leven en beweging. De +pogingen van den dwergachtigen ruiter _die der niet op kan komen_ +spreken, door het groene jachtbuis dat hij aanheeft heen,--men ziet +hem vlak op den rug--in alle spieren. Met veel geestigheid heeft de +schilder de laarzen en de sporen zóó zwaar en kolossaal voorgesteld, +dat men gevoelen moet dat ook deze eene belemmering zijn om het paard +te beklimmen. Het uitstekendste van alles is echter het paard zelf, +in hetwelk voor te stellen men zeggen mag dat het genie van _De +Zoom_ het zenith van zijn vlucht heeft bereikt. Met voorbeeldelooze +stoutmoedigheid heeft hij over de zwarigheden van zijn bestek, ja +zelfs over de natuur gezegevierd, en de evenredigheden dermate weten +te beheerschen en in te richten, dat vooral de hoogte van het ros, +en dus de moeielijke bestijgbaarheid, sterk in 't oog springt. Dit +heeft ten gevolge gehad, dat de hals zeer inëengedrongen heeft moeten +worden, en zelfs de kop niet dan klein kon wezen. Zooals het hier is +voorgesteld, gelijkt het teffens op een paard, een olifant, en een +hazewindhond; maar de karakters dezer drie schepselen spelen derwijze +dooreen in de schilderij, dat men zeggen kan dat het scheppend genie +des schilders hier een nieuw wezen heeft voortgebracht. Ik spreek niet +van de uitvoerigheid, waarmee het hoofdstel van het ros, waarmede +de gestreepte rijbroek van den ruiter zijn afgemaald, noch van het +landschap, waarover een donderwolk hangt, die door een toovergloed die +uit den grond schijnt op te komen, wordt verlicht. Mijn bestek verbiedt +mij hier verder over uit te weiden. Ook vergt gij het niet. Hetgeen +ik van _De Zoom_ gezegd heb, zal u genoegzaam hebben doen blijken dat +dit jeugdig talent gemakkelijk alle andere talenten in ons vaderland +achteruitzet en overtreft. + +_De Zoom_ is niet groot van gestalte; zijn gelaat is meer vervallen dan +mooi. Gewoonlijk draagt hij een blauwe slaapmuts met witten omslag; +hij rookt en snuift beide. Hij draagt sedert vijf jaren een bruinen +jas, halfsleets op een boelhuis gekocht. Zoo zag ik hem vóór mij; +bezig zijnde met het portret van een zijner vrienden. Hij leide de +laatste hand aan het haar, om vervolgens tot het voorhoofd over te +gaan; want hij behoort niet tot die losbollen van schilders, die voor +zij nog eens geteld hebben hoeveel rimpels gij in uwe tronie hebt, +maar aanstonds zes, zeven groote strepen neerzetten, kris, kras, +heb ik jou daar! en u langzamerhand als uit een mist in het leven +roepen. "Men moet met orde werken," zegt hij: "menig schilder heeft +een portret bedorven door aan den bakkebaard te beginnen, eer hij de +wenkbrauwen haar eisch gegeven had." "Dit haar," zeide hij mij, "komt +u wat stijf voor; maar de man draagt een pruik," voegde hij er bij, +"en ik zeg altijd, een pruik moet een pruik blijven." + +Van waar--o mijn vriend, verklaar mij dit raadsel!--vanwaar heeft +een mandemakerszoon deze stoutmoedige denkbeelden? O! het genie! Het +genie!... Ik moet afbreken. + +Bewaar dezen wel. Ik wil hem naderhand laten drukken. + + +17 Januari 1839. Uw vriend, +_Hildebrand_. + + +P.S. "Wisch de tranen over den dood van _Schotel_ uit uwe oogen. + + + + + + + +TEUN DE JAGER. + + +Het laatste eenigszins teekenachtige dorp aan Hollands westelijken +kustkant is zonder twijfel het armelijk Schoorl. Het ligt aan den +voet der duinen, ter plaatse waar die het allerbreedst zijn, om bij +Camp plotseling geheel af te breken en, tot Petten toe, het land hare +bescherming te onttrekken en dat groote open te veroorzaken, hetwelk +de beroemde Hondsbossche zeewering, tot welker instandhouding zooveel +paalwerk en zooveel maaltijden onvermijdelijk zijn, noodzakelijk +maakt. Evenals in het aangrenzend Bergen treft hier den wandelaar +het aangenaam schouwspel eener hooge, met dicht kreupelhout en koele +bosschages bewassen duinhelling; en van die Heerlijkheid af, welke +_Borselens, Brederodes_, en _Nassaus_ onder hare vroegere bezitters +telt, tot aan ons klein Schoorl toe, gaat men, langs een bevallig +slingerenden zandweg, ter wederzijde altijd in de schaduw van eiken, +iepen, berken en allerlei geboomte, langs welks stammen zich hier +en daar het klare duinwater in kronkelende beekjes voortdringt, +en waartusschen zich aan weerskanten, van afstand tot afstand, de +kleine stulpjes der bewoners vertoonen, aan de westzijde niet zelden +half in het duin begraven en van boven grauw van bloeiende mossen en +knoestige zwam. + +Aan het einde van dit aangenaam pad steekt het groene torentje van +Schoorl spits in de hoogte, om op het eigenlijk dorp en zijne vele +graanakkers neder te zien, waar de gort geoogst wordt die tot de +vermaardheden der Alkmaarsche markt behoort. Die deze liefelijke +bosschages doorwandeld heeft en, na zich eerst in de koele lommer +en daarna in de eenige herberg van het dorp te hebben verkwikt, +nog hooger noordwaarts op wil, moet eerst zijn rekening met het +geboomte sluiten; want hem toeft niet anders dan het Hondsbosch, dat +in het geheel geen bosch is, daarna de Zijpe, Westfrieslands grootste +drooggemaakte vlakte, en dan de woestijn van het Koegras, totdat hij +bij den Helder in het Marsdiep staat te staren en aan den oostkant +het eiland Tessel ziet opdoemen, waar reizigers van verzekeren dat +er een lief boschje bestaat, tusschen den Burg en het Schild, nietig +overschot van vroegere woudpracht. + +Het was in de laatste dagen van September 183*, op een zeer vroegen +morgen, voordat de zon nog op was, dat de kleine deur van een der +boven beschreven stulpjes aan den duinkant nabij Schoorl openging, +en zich een jonge man op den drempel vertoonde, die met oplettendheid +lucht en windstreek in beschouwing nam. Een schoone bruingevlekte +patrijshond was reeds, zoodra de bovendeur was opengegaan, over de +onderdeur gesprongen, en rolde zich nu met kennelijk genoegen voor +zijne voeten in het zand of sprong tegen zijne knieën op, en legde +zich dan weder voor een oogenblik, met de voorpooten uitgestrekt en +den kop daartusschen, neder, om straks weer op te springen, zachtkens +jankende en alle de geluiden en figuren ten uitvoer brengende van +een jachthond, die genoegen smaakt. Over 't geheel is er geen dier, +dat lichter te vermaken valt en minder spoedig blasé is. Zijn meester +behoeft slechts naar het geweer te grijpen, en deze beweging roept +onmiddellijk de schitterendste vooruitzichten van genot en zaligheid +voor de ontvlamde verbeelding van den hond, waarvan ik mij overtuigd +houd dat de opgenoemde vreugdeteekenen niet dan flauwe bewijzen zijn, +vergeleken bij het gevoel dat zijn ruige borst doortintelt; en zulks +niettegenstaande hij zeer wel weet dat voor hem al de genoegens van +den dag zullen bestaan in loopen, staan, drijven, en aanbrengen, +zonder ooit of immer eenige hoop te mogen voeden op het geringste +aandeel in den buit. + +De jonge jager--want het was er een--zag er in zijn versleten groen +buis, met de oude weitasch en ouden hagelzak kruiselings over de beide +schouders, de broek in de laarzen, de groene lakensche muts schuins +opgezet, en het kort dubbel jachtgeweer, met het groen, afhangend +cordon onder den arm, recht teekenachtig uit. Hij was groot en forsch, +een blonde zoon der Celten, en zijn bruinverbrand gelaat deed het +heldere blauw zijner oogen te meer uitkomen; maar op dit oogenblik, +als hij eerst naar de lucht en daarna om zich heen keek, hadden zij +eene neerslachtige uitdrukking. + +"Koesta, Veldin!" riep hij, en het was alsof de blijde sprongen van +het dier hem verveelden, dat niet gehoorzaamde aan dit bevel, maar +zijne knieën nog steeds met dezelfde vroolijkheid bleef lastig vallen, +daar hij de deur sloot. Hij gaf Veldin een schop. + +Het dier droop met den staart tusschen de beenen af, en jankte. + +"Kom maar hier, Veldin!" hernam de jager, berouw toonende. En hem +den kop streelende, voegde hij er bij: "Kan jij 't helpen, dat de +baas slecht geslapen het?" + +Hij nam den weg aan naar het dorp. + +Indien de Schoorlsche jeugd haar _Teun_ den Jager, want zoo heette hij +algemeen, op dezen vroegen morgen had zien gaan, zij zou haar oogen +nauwelijks geloofd hebben. Want nooit zag zij zijn oog zoo droevig, +nooit zoo ter aarde geslagen; nooit was zijn stap zoo slenterend +en onverschillig. Hij was bij haar voor den opgeruimdsten borst van +het dorp bekend; en het zij hij de kinderen en nieuwsgierige knapen +wonderlijke jachtleugens diets maakte, hetzij hij de jonge meisjes +koude hagelkorrels onder den halsdoek vallen liet, of de oude besten +met zijne vroolijke invallen opleukerde bij het spinnewiel, altijd +scheen het uit zijn hart te komen, uit zijn zorgeloos en blijmoedig +en luchtig hart. En toch behoorde _Teun_ de Jager tot die gestellen, +bij wie de vroolijkheid minder eene eigenschap dan een vermogen der +ziel schijnt te zijn, en was er onder deze levendige beek zijner +opgeruimdheid, waar zich niets dan licht en bloemen in schenen te +spiegelen, een bodem van ernst en droefgeestigheid. Aan deze gaf hij +zich niet zelden in de eenzaamheid over, en eene kleinigheid was in +staat hem in die stemming te brengen. Dan was hij zwaarmoedig, ja +moedeloos. Dan dacht hij, zonder merkbaren overgang, aan zijne moeder +en zijn vader die hij had zien sterven, en "aan de groene boompjes" +van het kerkhof; dan zag hij voor zichzelven geen ander verschiet +dan van armoede en gebrek; totdat de tegenwoordigheid van menschen +hem uit die mijmering opwekte, en hij weer de vroolijke, grappige +_Teun_ de Jager was van altijd. De jacht was zijn lust en zijn leven, +en van half September tot 1 Januari genoot hij eerst recht. Met het +blijmoedigst gezicht van de wereld ging hij telken morgen vóór de +zon in 't veld, maar wonderlijke dingen kon hij denken op die lange, +eenzame wandelingen, met het geweer in de hand en niemand òm hem dan +zijn getrouwe Veldin. Heden scheen er veel naargeestigs op til te +zijn voor hoofd en gemoed, want traag en druilend was reeds het begin. + +Zijn gelaat helderde evenwel niet weinig op, als hij bij een klein +huisje stilstond, dat zich aan zijn rechterhand half tusschen het +geboomte verstak. Hij luisterde aan het gesloten venster. Een oogenblik +scheen hij te aarzelen; toen vermande hij zich en tikte met de bruine +knokkels twee-driemaal tegen het oude luik. Een geluid van binnen, +alsof er eene stoel verzet werd, beantwoordde dit sein. + +Hij glimlachte. + +"Ze zullen er wezen!" riep hij luide. + +"Wêl goed!" antwoordde een welluidende vrouwestem, die uit de diepte +scheen te komen. + +Nog een oogenblik vertoefde hij; en langzaam vloeide de glimlach weg +op zijne lippen en hernam zijn gelaat de sombere uitdrukking van zoo +even. Hij hief zijn hoofd op en miste den hond. + +Hij floot zachtkens. Veldin was dichter bij dan hij gedacht had +en sprong uit het hooge toeterloof, waaronder zich, vlak naast het +stulpje, eene kleine duinsprank verschool, te voorschijn. + +"Duivelsche hond! motje nou al zuipen?" gromde hij baloorig. Maar +terstond veranderende, zei hij zacht tot zichzelven: "Als _Sijtje_ wist +dat ik knorrig op den hond was! Ik verdien vandaag ongelukkig te zijn." + +Een ongelukkige overtuiging voor iemand die ter jacht gaat. + +Nu verhaastte _Teun_ de Jager zijne schreden en bereikte het dorp. + +De hond scheen het akkerland voor zijne bestemming te houden en +verwijderde zich rechtsaf. Hij riep hem terug. + +"Hierheen, Veldin!" zei hij vriendelijk: "je mot klimmen, man Ze hebben +de stoppels nog niet noodig; in 't duin is nog genoeg te grazen." En +hij wendde zich links. + +"Mot je boven wezen, _Teun_?" vroeg een man, die ook al op bleek +te zijn en plotseling te voorschijn kwam, met een grijs buis met +jachtknoopen, een stok in de hand, en een hoed, met een groenen band +er om, op. + +"Ja, _Jantje_!" antwoordde de jager; "ze zijn nog te druk bezig op +de geest." + +"Je spreekt een waar woord," zei de oppasser van het Berger Bosch, +want die was het. "Wil je niet reis opsteken?" voegde hij er bij, +hem minzaam zijn pijp voorhoudende. + +"Dankje, _Jantje_!" hernam _Teun_; "'k heb van daag me tabak nog niet +verdiend. Je bent er al vroeg bij. Heb je een strooper op 't spoor, +of hoe zit het?" + +"Neen, maat!" antwoordde de oppasser. "Ik ga op Schoorldam af; ik +mot te Alkmaar wezen, en ik rij met _Jaapie_ mee. Een gelukkige jacht!" + +"Dankje, hoor!" zei de ander. En, van den hond gevolgd, naderde hij +het duin en maakte zich een weg door het kreupelhout, nat van den +mist, waaruit duizend nietswaardige mosschen verschrikt opvlogen, +en klom naar boven. + +Toen hij den top des heuvels onder zich had, zag hij op het dorpje +terug. De zon begon de kim te bereiken en wierp reeds hare eerste +stralen uit. De najaarsmist begon te blinken van al die kleurige +tinten, die het doen schijnen alsof de regenboog op aarde is afgedaald; +het kruis op de torenspits begon te glimmen, en de droppels, die +aan de punten der dichte bladeren beefden, namen hunne dichterlijke +gelijkenis op schitterende juweelen aan. Zijn oog zocht het plekje, +waar _Sijtjes_ stulpje zich onder het geboomte verschool. Niets bewoog +zich daar, en ook in geheel het dorp was alles nog in stilte begraven; +een enkele haan kraaide; een enkele hond kroop langzaam uit zijn hok te +voorschijn; maar geen menschelijk wezen bewoog zich. Alleen zag hij, +op het rechte pad naar Schoorldam, den jachtoppasser, die zijnen weg +met haastige schreden vervolgde. + +"Alles slaapt nog," zei _Teun_ de Jager tot zichzelven, +"en _Sijtje_ is zeker ook weer ingesluimerd. Zouën ze allegaar +droomen?"--"Gekheid!" vervolgde hij; en haalde zijn veldflesch te +voorschijn; en, zich houdende alsof hij den hond toedronk: "Komaan, +Veldin! den eerste zen dood!" + +Daarop spande hij de beide hanen van zijn dubbelloop, en begon het +jachtveld af te treden. + +In geheel Schoorl en Bergen was geen beter jager dan _Teun_. Hij +behoorde tot die weinige gelukkigen die zoo goed als zeker van hun +schot zijn. "Weet je wel, waar 't an houdt," had de oude _Krelis_ +eens gezegd, daar hij voor _De Roode Leeuw_ met eenige boeren op de +bierbank zat en _Teun_ voorbijkwam, beladen met een zwaren jachtbuit; +"weet je wel, waar 't an houdt, dat _Teun_ de Jager, als er twee +hoenders opgaan, de een vóór hem en de ander achter zijn rug, ze +toch allebei neerleit?"--"Omdat ie een dubbeld geweer het," had men +geantwoord.--"Mis, maat!" had _Krelis_ gezeid: "omdat ie een dubbelde +kerel is." Vandaar, dat _Teun_ de Jager ook nimmer klaagde over al die +tegenwerkende omstandigheden in de vier elementen, waaraan een aantal +jagers het alleen toeschrijven, als zij platzak thuiskomen, en zelden +breed opgaf van hazen of patrijzen, die hij wel niet thuisbracht, +maar waarvan hij zich toch overtuigd hield dat zij in een of andere +onnaspeurlijke krocht aan hunne wonden zouden moeten overleden zijn. + +De teug, het voor een jager zoo welluidend getik der hanen van zijn +geweer, de blijde zonneschijn, schenen _Teun_ de Jagers somberheid te +verdrijven en hem moed in te boezemen; de omstandigheid dat hij het +jachtveld werkelijk bereikt had wekte zijnen geest op. Veldin sprong +wakker voor hem uit en begon al spoedig zeer gewichtig met den neus +langs den grond te snuffelen. + +"De hond begint nou al te werken," zei _Teun_; "dat zel goed gaan." + +Ook duurde het niet lang, of een schuchter haas sprong op. De twee +schoten vielen, het een na het andere. De hond sloeg aan; het haas +was vrij. + +"Wat duivel nou!" nep _Teun_ de Jager, en smeet het geweer +neder. Verbaasd zag hij den langoor na, die nergens gekwetst was en, +van den hond vervolgd, de vlakte dóórrende, tot hij aan de andere +zijde van een duin verdween, waar Veldin hem woedend en met een +onafgebroken kort keffen nazat, maar telkens grond verloor. + +Hij floot den hond terug en laadde op nieuw. + +"Ik dacht wel, dat ik ongelukkig wezen zou," riep hij uit. "Nou, +'t was maar een haas! Zacht, Veldin!" En hij vervolgde zijn weg. + +"'t Was maar een haas," zei _Teun_ de Jager; maar wat wilde hij +dan? Laat ik u iets van _Sijtje_ vertellen, en gij zult het begrijpen. + +Ik zal niet beginnen met te zeggen dat _Sijtje_ het mooiste was van +al de Schoorlsche meisjes; want zulk een uitdrukking zegt soms niets, +soms te veel, en is in alle gevallen afgezaagd. In duizend verhalen is +het meisjen altijd het mooiste van den omtrek. Maar zeker was dit een +allerliefst kind; teerder en fijner dan de meeste boerinnetjes, en dat +het zilveren oorijzer van 's zondags, in de week zeer goed missen kon +om er allerbevalligst uit te zien. Zij was een weeskind en de steun +en troost van een oude grootmoeder en een doofstom broertje van een +jaar of tien. Dit drietal maakte te zamen het kleine huishouden van +'t stulpje onder 't geboomte uit. En behalve hare grootmoeder en het +ongelukkige kind, had _Sijtje_ niemand liever dan _Teun_ den Jager, +en indien zij 't hart had gehad om ooit of ooit aan haar grootmoeders +dood te denken, zou zij er misschien al heel na aan toe geweest zijn +om zich voor te stellen _Teun_ de Jagers vrouw te worden. Zooals de +zaken nu stonden, plaagde zij _Teun_, en _Teun_ haar, uit alle macht, +en verder kwam het niet. Maar de oude grootmoeder mocht _Teun_ +graag hooren schertsen, en het doofstomme kind was overgelukkig +als het hem naderen zag, en als hij het leerde knippen van steenen +te maken om mosschen te vangen, en _Sijtje_ zag _Teun_ met groote, +heldere, donkerblauwe oogen al heel vriendelijk aan, als hij den jongen +voorthielp of liet hobbelen op zijn knie, tot hij van vreugd het eenig +geluid maakte dat hij te voorschijn kon brengen. En 's avonds als +_Teun_ naar huis ging, gebeurde het wel, dat zijne lippen haar blank +aangezichtjen (en ook niet meer) aanraakten; en het "wel te rusten, +_Teun_!" was er niet minder vriendelijk om. + +Maar gisterenavond had _Sijtje_ hem erg geplaagd, want het was reeds de +zesde dag van de jacht, en schoon _Teun_ menig haas had thuisgebracht, +hij had nog geen enkel patrijs geschoten. + +"Neen, _Teun_-broer!" had _Sijtje_ gezegd: "haar, dat gaat nog; +maar veeren kanje niet schieten; die zijn je te gauw of, maat!" + +"Hoeveel hoenders wilje, dat ik je morgen thuisbreng?" vroeg _Teun_. + +"Ik zal 't je maar niet te zwaar opleggen, jongen!" antwoordde +_Sijtje_. "Schiet er twee, en ik zel leuven dat je 't nog kenne." + +"'t Zel beuren, _Sij_!" riep de jager, en sloeg zijn arm om haar +middel, "'t Zel beuren na je woorden, of mijn naam zal geen _Teun_ +de Jager meer zijn!" En hij trok haar naar zich toe. + +"Bedaard, _Teun-tje_!" riep het meisje; "geen gekheid hoor! Zoenen, +ben je raar? Als er maar eerst hoenders zijn, dan zullen we reis +kijken. Foei, jongen, geen gekheid!" En zij lachte dat ze schaterde, +om aan hare ernstige waarschuwing klem bij te zetten. + +"Erg best," antwoordde de minnaar; "maar weet je wat, _Sij_? geef me +een zoen op hand; en als ik je morgen geen hoenders breng, dan nooit +geen zoen meer; maar breng ik ze mee: wee je gebeente!" + +"Gedaan!" riep _Sijtje_ vroolijk, en zij trad naar hem toe, en gaf +hem een fikschen handslag, en liet zich een kus op de wang drukken, +waarbij zich haar mondje iet of wat minder afdraaide dan anders; en de +doofstomme jongen, die het aanzag, lei zijn hoofd in den nek, sprong in +het rond van genoegen en klapte in de handen op het heugelijk gezicht. + +Verbaast het u, dat _Teun_ de Jager heden met eenige minachting op +"maar een haas" nederziet? + +En toch! Had hij het haas maar gehad! want het scheen er meer en meer +naar te staan alsof hij niets thuis zou brengen. Te vergeefs had +hij reeds een paar uur door het breede Schoorler duin omgedwaald; +door valleien, waar hij tot over de enkels in het dichte, bruine +mos stapte; over witte blinkerds, waar het droge, rollende zand zijn +voetstappen uitwischte; langs vlakten, waarin brakke poelen den grond +doorweekten; nergens, om een Noordhollandsche jachtterm te gebruiken, +nergens "bedekte [32] hij leven". Wel speurde hij hier den "voet" +van een haas, en verder het "gewei" [33] van hoenders; maar noch +het eerste noch de laatste deden zich voor. Hij schoot met zekere +kwaadaardigheid een witten uil, die zich op zijne lichte spokige wieken +uit een heesterwilg ophief, raapte hem op, en smeet hem verachtelijk +van zich. Veldin berokkende hem ook nog eene laffe teleurstelling, +daar hij voor iets stond dat, toen het eindelijk uit het dikke mos +opvloog, bleek niets meer dan een slechte leeuwerik te wezen. En +zoo verliepen de trage uren, en _Teun_ de Jagers neerslachtigheid +kwam terug, nog vermeerderd door de vermoeienis en de hitte van den +stijgenden dag. Opeens was het alsof er een luchtig windjen opstak, +dat verkwikkend door zijn bezweete haren blies, en toen hij daarop +nog éénen hoogen witten zandheuvel besteeg, zag hij de groote zee +voor zich. + +De zee is altijd een ontzaglijk gezicht, maar als men haar ziet op +een volstrekt eenzame plek, met niets dan het dorre duin links en +rechts en achter zich, zonder hut aan het strand of zeil op hare +vlakte, dan grijpt de aanblik dier uitgestrekte ledigheid u dubbel +aan. U overvalt een gevoel alsof gij nu werkelijk aan de uiterste +grens der wereld stondt, alsof gij nu inderdaad de eenige, de laatst +overgeblevene bewoner der aarde waart. Huiverend zette _Teun_ de +Jager zich op den top des heuvels neder, zette het geweer in de rust, +en staarde op de zonnige golven. De hond rustte hijgend naast hem uit; +zijn roode tong hing lang en droog uit zijn bek. Hier aan de volle zee, +en toch geen lafenis! + +_Teun_ de Jager haalde een stuk brood en een paar zure appelen uit +zijn weitasch te voorschijn en deelde met zijn vriend. Ook nam hij +de veldflesch om een teug te nemen, maar zette haar weer van den mond. + +"Neen!" zeide hij met een zucht. "Och, die droom! Ik wou dat ik dien +droom kwijt was!" + +Hij wilde den bangen droom van dien nacht, waarover wij hem reeds +hebben hooren klagen en die de oorzaak zijner neerslachtigheid was, +van zich afschudden; maar het gezicht van de zee bracht er hem +bijzonderheden van te binnen, die hij reeds had vergeten. Alras +verdiepte hij er zich slechts te levendiger in. + +Hij was weer, even als in zijn slaap, ter jacht met de zonen van +de ambachtsvrouw van Schoorl; evenwel niet in het Schoorler Veld, +maar in het Berger Bosch. Hij droeg een nieuw jachtbuis met zonnige +gouden knoopen, en _Sijtje_ had hem de veer van een fazanten haan op +de muts gestoken. Plotseling vlogen er drie hoenders voor hem uit, +maar hij kon ze niet onder schot krijgen; telkens vielen zij neder, +als om hem te sarren; maar zoodra hij naderde, kraaiden zij, klapten +met de vleugels, en vlogen verder. Eindelijk wilde hij een poging doen +om ze van zeer verre te schieten; maar zijn geweer ketste en viel hem +uit de handen. Toen kraaiden de patrijzen alle drie driemaal, en een +er van vloog op den hoed van den jonker, waar het zitten bleef. "Mag +ik schieten, jonker?" riep hij. De jonker wuifde vriendelijk met de +hand van ja. Hij lei aan--het hoen viel. Maar toen hij ging om het +op te rapen, was noch het hoen, noch de jonker van Schoorl te vinden; +maar daar lag het bloedige hoofd van _Sijtje_, en zag hem met gebroken +oogen aan; en toen hij daar lang op staarde, daar kwam eensklaps +de zee, en het hoofd begon op de golven te bewegen, en achteruit +te gaan, en verdween, en kwam weer boven, en verdween weer, totdat +hij ontwaakte. Zijn haan kraaide; het licht scheen door de reten en +vensters. Hij kleedde zich tot de jacht. + +En nu, daar hij lang op de zee staart, herhaalt zich het visioen, +en het hoofd van _Sijtje_ verschijnt tusschen de zonnige, schuimige +rimpels van de Noordzee, en gaat op en neder met de golven. + +Hij wendde zijn gezicht af van den plas, en strekte zich voorover in +het hangen van den heuvel uit, met de armen onder het hoofd. Weldra +geraakte hij in slaap, en het akelig schouwspel speelde hem op nieuw +voor den geest; maar de gansche zee werd rood als bloed, en vlammetjes +en vonken dansten er op rond, en zwierden er overheen in kringen. Op +eens, daar dreunden twee schoten. Hij ontwaakte. Veldin was door het +geluid opgevlogen en draafde reeds den heuvel af. + +Statig trok een blauwe rookwolk van achter een naburig duin omhoog, +en een groote klucht patrijzen vloog haar verschrikt vooruit. _Teun_ +riep den hond terug en volgde de hoenders met de oogen. Zij zakten +aan den anderen kant van den heuvel zachtkens lager, en trokken mèt +den wind zuidwaarts heen. Het volgende oogenblik verscheen er een man +op den top van dat duin en zag rond waar zij bleven; maar zij waren +reeds weer gevallen. Daarop laadde hij bedaard zijn geweer en _Teun_ +de Jager zag hem een koppel mooie hoenders in de tasch bergen, nadat +hij die eerst een oogenblikje met welgevallen bekeken had. + +Het was _Derk Joosten_, de eenige mensch in geheel Schoorl, die +hem niet lijden mocht, en dien hij niet kon uitstaan. Want _Derk +Joosten_ was een gemeene knaap, en die er niet vies van was het vak +van strooper aan dat van jager te verbinden, en hij had hem eenmaal +betrapt, daar hij in den laten avond bezig was strikken te zetten, +eene liefhebberij, waaromtrent de Schorelaars in een kwaden naam +zijn. Voor het overige was hij een slecht jager en, met stroopen +en al, bracht hij in een jachtseizoen niet half zooveel thuis als +"de dubbelde" _Teun_; wat hem in dezen zeer verdroot. + +Zoo ras _Derk Teun_ den Jager bemerkte, riep hij hem half gebiedend +toe: + +"Waar zijn ze heen 'etrokken, _Teunis_?" + +"Dat mot _jij_ weten!" antwoordde deze. + +"Kan ik dan door den berg heen kijken?" grauwde _Derk Joosten_. "Heb +_jij_ al wat?" + +"Geen haar of veer!" riep _Teun_ de Jager openhartig. + +"Ik al!" riep _Derk_ grijnslachend; en hij haalde een haas en drie +patrijzen uit de tasch, en hield die triomfant in de hoogte. + +"Ieder zijn beurt, _Derk_!" riep de andere hem toe. + +"Ja!" schreeuwde _Derk_; "en of jij van daag ereis geen beurt hadde, +d..derskind!" + +Toen daalde hij het duin af, en ging zijns weegs, zich naar het +noorden wendende. + +"Nou naar het Achterveld, Veldin!" zei _Teun_ de Jager tot zijn hond, +en een straal van moed blonk weder in zijne oogen; een blijde lach +kwam op zijn bruin gezicht. Hij nam een korte teug uit de veldflesch, +en wandelde zuidwaarts op. + +Hij had de plek waar hij de patrijzen had zien vallen goed in +zijn ziel geprent. Naar alle berekening was het eene hem zeer wel +bekende vlakte, die er uitziet als eene mislukte ontginning en hier +en daar bezet is met kleine boschjes van bremstruiken, kruipwilg, +en dwergachtige berkeboompjes. Hij hield echter nog meer zuidwaarts +aan, als ging hij de plek voorbij, om de hoenders tegen den wind te +schieten. Toen naderde hij de vlakte; maar de patrijzen waren wild +geworden. En lang voor hij ze onder schot kon hebben, vlogen ze op en +trokken een goed end wegs zuidoostelijk af, waar ze weder neervielen. + +"Geduld," dacht _Teun_; en nadat hij vruchteloos de vlakte had +afgezocht of er ook een enkel was achtergebleven, ging ook hij in +die richting, om de klucht te vervolgen. + +Zoo ging het hem nog drie of vier malen, evenals in zijn droom; de +patrijzen bleven hem telkens vooruit. Hij verloor echter den moed +niet; het gezicht der hoenders in 't verschiet, hoe sarrend ook, +hield dien gaande. Maar zóó was zijn ziel van patrijzen vervuld, +dat ik bijna geloof dat er dwars over zijn weg een haas had kunnen +heengaan zonder dat hij het, hoe goed jager hij ook was, anders dan te +laat zou bemerkt hebben. Na een paar uren jagens rustte hij nogmaals +uit bij een plek, waar de hond welwater vond. Het dier, niet tevreden +zich te laven, legde zich geheel op zijn buik in den plas, maar zag +er na die verkwikking ook weer zoo levendig en wakker uit, als in den +vroegen morgen. _Teun_ nam er een voorbeeld aan en vervolgde de jacht. + +Reeds had hij het Berger Bosch op zijde. Op eens ziet hij de klucht +weer opvliegen, en kort daarop nedervallen. Hij haastte zich in +die richting aan te treden. Reeds naderde hij tot de plek waar zij +wezen moesten! De hond hield den neus met de meeste oplettendheid +langs den grond. _Teuns_ hoop was nog zoo levendig niet geweest +dien ganschen dag. Maar op eens! daar valt hem de jachtpaal van den +Ambachtsheer van Bergen in 't oog, wiens ban zich nog eenige roeden +verder dan het bosch uitstrekt. Reeds was de hond dien snuffelend +voorbij gegaan. De verzoeking was groot. Hij had nog niets opgedaan, +na eene vermoeiende jacht van zoovele uren! Nog meer! hij had zich +beroemd dat hij patrijzen mee zou brengen. Hoe zou _Sijtje_ hem +den beloofden kus weigeren; erger! hoe zou zij hem uitlachen! Zijn +naam zou geen _Teun_ de Jager meer zijn. De oppasser van het Berger +Bosch was naar Alkmaar. _Derk Joosten_--ha, hoe tergend had hij de +hoenders opgeheven!--was noordwaartsuit gegaan. En dáár, een veertig +schreden verder misschien, lagen de voorwerpen van zijn verlangen, +neen, van zijn behoefte, de mooie hoenders, vermoeid van den langen +tocht, wie weet hoe vast, uit te rusten in het hooge mos. + +Hij gevoelde dat hij beefde; het hart sloeg hem in de keel. De +hond ging al snuffelend verder. Hij hief zijn oogen op en zuchtte +diep. Een ondeelbaar oogenblik--en hij riep den hond terug, die +onwillig gehoorzaamde. "_Teun_ de Wilddief wil ik dan toch voor +mezelven niet hieten", verzuchtte hij. + +Hij keerde den jachtpaal en het jachtveld des Heeren van Bergen den rug +toe, en op eens--als om hem te beloonen--een luid gesnor! Met de korte +vleugels ruischende, vloog, vlak vóór hem, een koppel hoenders op; +achterblijvers, die den trein niet hadden kunnen volgen. Op hetzelfde +oogenblik was zijn vinger aan de trekkers; de twee schoten knalden. Het +eene patrijs viel onmiddellijk loodrecht neder; het andere trok nog +een oogenblik verder, draaide in de lucht, en viel evenzeer. Terwijl +Veldin het eerste greep, ging hij om het ander zelf op te rapen. Het +leefde nog, en poogde zich in het mos te verbergen, maar hij pakte +het. Droevig en klagelijk zag het dier hem aan met zijn klein rond +oog, waarin het licht reeds half was uitgebluscht. Hij liet het weder +vallen. Met zulk een oog had _Sijtje_ hem aangezien in dien akeligen +droom. Het geheele visioen stond hem voor den geest. Toen hij het +patrijs opnieuw opraapte, was het grijze vlies geloken. + +De noodlottige herinnering is voorbij, en _Teun_ de Jager vervolgt +vroolijk het overige gedeelte van zijn weg. Hij heeft wat hij +wenschte. De tot instandhouding zijns naams vereischte twee patrijzen +hangen op zijn heup. Hij heeft _Sijtjes_ kussen niet verbeurd. Het +weder geladen geweer valt hem licht. Zoo stapt hij door hoog heidekruid +en bremstruiken verder. Een kwartier uurs later, en een haas springt +op, en valt bijna op hetzelfde oogenblik, "door het snellere lood +in zijn vaardige sprongen gestuit", als de dichterlijkste jager van +geheel Holland gezongen heeft. + +"Hoe later op de markt hoe schooner volk!" zegt _Teun_ de Jager. En +weltevreden met zijn jacht, stapt hij rustig op Schoorl aan. + +Het was reeds laat na het middaguur, en nog een vermoeiende klim en +verre wandeling, ofschoon de afstand hemelsbreedte zoo groot niet +was. Maar wat beteekende vermoeienis? Triomfant zou hij _Sijtje_ +met zijn jacht voor de oogen treden. + +"Mag _ik_ het haas dragen, _Teun_?" vroeg een kleine jongen met +stroogeel haar en koffiebruine wangen, die op het laatste duin van +Schoorl uit het kreupelhout te voorschijn kwam waarin hij zich een +stok gesneden had, als hij de ruige pooten door het net van de weitasch +steken zag. + +"Jawel, _Krelis_-broer!" zei _Teun_ de Jager vroolijk: "ik zel 't +je geven; maar je mot er niet van snoepen, hoor!" Hij zette zich op +den grond en, de tasch openende, wierp hij er eerst de hoenders uit, +die hij bovenop geschikt had. De jongen greep er een op, en bekeek het. + +"Hè, wat een vette!" zei de jongen. "En watte mooie oochies!" voegde +hij er bij, in kinderlijke speelschheid een der oogen van het hoen +opentrekkende en het _Teun_ voorhoudende. + +"Laat de oogen dicht, kwajongen!" zei _Teun_ de Jager met drift; +en weder kwam er een wolk over zijn voorhoofd. + +Toen hing hij het haas, met de achterloopers door elkaar gestoken op +den stok van den knaap; en deze, trotsch op zijn vracht en zich groot +gevoelende boven al de boereknapen der gecombineerde Heerlijkheid +Schoorl, Groet en Camp, daalde gezwind met den langoor naar beneden. + +Maar _Teun_ de Jager verborg de beide hoenders in den binnensten zak +van zijn weitasch, dat er geen veertjen uitstak. "Ik zal me oolijk +houen," zei hij tot zichzelven, "en reis kijken wat ze doet." + +Zoo wandelde hij het dorp door en den zandweg op, in stilte berekenende +of het waarschijnlijk was dat _Sijtje_ op dit uur van den dag thuis +zou wezen of niet. Hij was nog een vijftig schreden van haar stulpjen +af. Daar ritselde het hout aan zijn linkerhand, en _Sijtje_ sprong +met een luiden kreet, om hem te verschrikken, te voorschijn. Het +doofstomme kind volgde haar langzaam. + +_Teun_ de Jager verschrikte werkelijk meer dan _Sijtje_ had kunnen +verdachten. Een koude rilling ging hem door de leden. Maar hij +herstelde zich. + +"Platzak!" riep hij met een lach. + +"Da's niet waar!" zei het vroolijke meisje, "want ik heb den jongen al +'ezien met 'et haas. Maar waar zijn de hoenders, _Teun_?" + +"Ik heb er geen te pakken kennen krijgen!" zei _Teun_ de Jager; maar +hij gevoelde dat zijn gezicht hem verried. "Toch niet, _Sij_!" voegde +hij er bij, toen deze hem ongeloovig aanzag. + +"Al waar, maat?" zeide zij, en greep naar de tasch om zich te +overtuigen. + +Maar hij trok haar de tasch uit de lieve hand en schoof ze met een +woesten ruk op zijn rechter zijde. Het meisje lachte en sprong voor +hem heen, om er toch in te zien. Het schot dreunde; de hond sloeg aan; +en _Sijtje_ lag bloedende aan zijn voeten. + +In de plotselinge beweging om de weitasch op zijn andere zijde te +schuiven, had een der kleine mazen van het net den haan van zijn linker +loop gevat, het geweer in de hoogte geheven, en het schot doen afgaan. + +_Teun_ de Jager en de beide knapen stonden versteend; maar het +doofstomme kind kwam het eerst tot bewustzijn; woedend vloog het +op _Teun_ aan en beet hem in den arm. Het geweer was op den grond +gevallen. Op eens bukt de ongelukkige jager zich en vat het bij de +greep; maar een forsche hand grijpt de tromp, en ontrukt het hem. Het +was een boer, die toegeschoten was, en nu den anderen loop in de +lucht afschoot. Het halve dorp snelt toe en dringt zich om het lijk +van _Sijtje_ en om den rampzalige, die zijn geweer terug begeert en +in stomme razernij met de omstanders worstelt. + + + +Aan _Sijtje_ was niets meer te doen. Ieder weet, dat een schot hagel +_à bout portant_ duizendmaal erger wonden maakt dan een kogel; want +iedere korrel maakt eene afzonderlijke, en de hoeveelheid lood is +ongelijk zwaarder. Maar ook, het schot had het lieve kind vlak onder +het hart getroffen. Van geheel Schoorl beweend, ging zij ter ruste +onder "de groene boompjes" van het kerkhof. De oude grootmoeder en +het doofstomme kind waren alles kwijt. + +De ongelukkige _Teun_ de Jager verviel in zware koortsen, waarin hij +onophoudelijk ijlde en raasde. In den nacht nadat _Sijtje_ begraven +was, ontsloop hij zijn in slaap gevallen waker en klom het venster +uit. De oppasser van het Berger Bosch, die laat tehuiskwam, zag hem +in den maneschijn boven op het duin in zijn hemd arbeiden. Hij ging +op hem af. _Teun_ herkende hem niet. + +"Wat doe je daar, _Teun_?" riep hij met een forsche stem, en greep +hem bij den arm. + +"Jonker!" zei de ongelukkige verschrikt en zachtjes: "Ik begraaf +haar. Aanstonds komt de zee." + +En hij dekte zand over een der patrijzen, waar hij een kuil voor +gegraven had met zijne vingeren. + +Den volgenden avond had hij den geest gegeven. + + +1840. + + + + + + + +DE VEERSCHIPPER. + + +Ik heb zoo menigmaal in trekschuiten gevaren, dat ik in staat ben er +het grootste paskwil en de grootste lofrede op te schrijven. Eens heb +ik er mij hevig tegen uitgelaten [34]: maar 't spijt me half. Ik geloof +dat ik het deed om de zaak der spoorwegen te bevorderen; uit louter +ongeduld. Maar nu ik zie, dat er reeds één trekveer metterdaad vervalt, +en in de lucht zwevende pijpemanden (echt Hollandsch signaal) ook aan +verscheidene andere veeren het _memento mori_ toeroepen, krijgt de zaak +voor mij zulk een droefgeestig voorkomen, dat ik in staat zou zijn de +roef van Amsterdam naar Rotterdam af te huren, om in eenzaamheid een +klaaglied te schrijven over de veranderde tijden. Niet zoo zeer om +de _Schuiten_ spijt het mij; zij hebben te vele gebreken, en er zijn +betere dingen om mee vooruit te komen; maar om de _Schippers_! Want aan +hen, mijne vrienden! zullen wij verliezen. Het is een goed, eerlijk, +trouw en ouderwetsch slag van volk, en jammer zal het zijn, als het van +de aarde of, laat ik zeggen, van de wateren verdwijnt. Eerbied voor +hen! Heb een vasten schipper, en geef hem een mondelinge boodschap, +een onverzegelden brief, een groote som gelds, een kostbaar stuk +meubel mede; geen woord zal aan de boodschap, geen stuiver aan het +geld te kort komen, geen letter in den brief gelezen, geen krasjen +op het kostbare stuk worden gemaakt. Laat hij slechts _weten_ wat +gij aan zijne zorgen toevertrouwt, en wees zoo gerust als of gij uw +eigen zoon zondt. Hier staat uw beeld mij voor oogen, trouwe _Van der +Velden_! Gij behoort tot het vriendelijk personeel mijner academische +herinneringen. Wiens voetstap hoorde _Hildebrand_ liever dan den uwen +op de ongelijke trap van zijn nederig studenteverblijf, als gij de +krakende sluitmand of het welbekend koffertje, dat geen adres meer +noodig had, daar tegenop sleeptet en met uw vriendelijk "compliment, +en als dat de familie heel wel was," zijn ongeduld voorkwaamt, dat +naar den dubbelganger van den sleutel zocht, waarmee zijne lieve +moeder het hangslot gesloten had? Gingt gij ooit bij hem voorbij, +zonder te hooren "of mijnheer ook iets te zeggen had?" Of kondt gij +te eenigertijd in zijn vaderstad het ouderlijk huis passeeren, zonder +eventjes te gaan vertellen "dat gij mijnheer gisteren nog hadt gezien" +en de hartelijkste groeten van zijnentwege te improviseeren?--Hadt +gij hem niet meer dan eens in uw schuit verborgen, toen hij "groen" +was, totdat de studententafel op de Mare was afgeloopen? En toen hij +was gepromoveerd, en gij hem geluk wenschtet--wat scheelde er toch +aan uwe oogen, dat die bonte zakdoek niet in den zak kon blijven, +als gij aanmerktet, dat gij nu "zijn meeste koffertjes wel zoudt +hebben gehaald"?--Drommels, _Van der Velden_! het veer moest niet +worden afgeschaft. + +Maar behalve dezen had ik menig vriend aan het veer, die mijn koffer +en reiszak een kwartier uurs ver kon onderscheiden, en straks voor +mij het lekkerste kussen uit de roef haalde, opschudde en in den +stuurstoel legde, bereid om, als de bodem nat was, mij het gebruik +van zijn sabotten af te staan. Als het eenigszins kon, zat ik in den +stuurstoel, en van dezen heb ik nooit iets kwaads gezegd. Ik kende +de geschiedenis van al de schippers en al de knechts; van hunne +vroegere betrekkingen en van hunne latere wederwaardigheden aan het +veer. Elk hunner had zijne eigene verdienste in de conversatie. De +een wist overal eenden en hazen aan te wijzen op de landerijen, die +wij voorbijvoeren; de ander kon zoo gezellig op zijn pijpje smakken +en oude verhalen van zijn schooltijd opdisschen; de derde sprak van +"_Boneparte_," en hoe bang die voor de "Kezakken" moet geweest zijn, +met al de nauwkeurigheid van een tijdgenoot en gemeenzaam vriend. Ik +herinner mij den ouden _Mulder_, met den geverfden hoed en de korte +broek; hij voer altijd de volste schuiten; den langen _Rietheuvel_; +hij was befaamd in het redden van drenkelingen; en zijn broeder, +die "de Mottige" genoemd werd, die wel niet al het statige van +den schippersstand had, maar een aardige, praatzame grappenmaker +was, die een anecdote uit kon rekken, zoo vele bruggen ver als +gij verkoost. Indien _hij_ het begin van dit stuk las, het zou hem +ergeren; want ik weet dat niets hem meer verveelt, dan dat men hem +en den geheelen trekschuitwinkel in de toekomst beklaagt. + +"Je zelt haast gedaan hebben, schippertje!" zei een juffrouw in de +roef, onder haar bril uitkijkende, tot onzen _Rietheuvel_, nadat zij +vruchtelooze pogingen had in 't werk gesteld om een heer, die in 't +hoekje zat, aan den praat te krijgen. "Je zelt haast gedaan hebben, +schippertje!"--"Hoe zoo, juffrouw?" vroeg de kapitein.--"Wel, met die +Spoorwegen!"--"Spoorwegen! juffrouw da's geen duit waard. As 't anders +niet was; _die_ hebben haast gedaan. Maar dat nieuwe."--De juffrouw +wist ter wereld niets nieuwer dan spoorwegen, en "men zou er _haar_ +ook niet opkrijgen".--"Ja maar," merkte _Rietheuvel_ aan, "in dat +nieuwe ga je wèl. Je hebt ommers wel gelezen van dien Onderaardschen +Schietblaasbalk?"--"Van die wat?" vroeg de juffrouw, haar bril van +den neus nemende, "van die wat?"--"Wel, van dien Onderaardschen +Schietblaasbalk?" riep de schipper, zoo hard als zijn verweerde +stem gedoogde. "Heerlijk hoor! Je hebt pijpen, buizen, kanalen; +onderaardsche, weetje? 'k zel zeggen van Amsterdam na Rotterdam, en +vicie versie; dat zijn de twee grootste. Nou heb je dan ook korte, voor +Halfweg, Haarlem, Leiën,.... dat begrijpje, na venant."--De juffrouw +spitste de ooren en opende den mond.--"Best; je komt in 't ketoor; je +ziet een partij luiken in de' vloer, met groote letters, beschilderd; +al de plaatsen, weetje, die staan der op. Halfweg, Haarlem, Leiën, +allemaal. Je ziet een groote schaal hangen en een knecht in leverei, +netjes as 't hoort, der bij. Waar mot de juffrouw nou b.v. wezen? Zeg +maar wat!" Hier wachtte de verhaler op een antwoord, maar de juffrouw +wist niet wat ze zeggen zou, en vreesde dat het geheele verhaal een +strik was om hare onnoozelheid te vangen.--"Nou goed; as je 't dan +maar weet. Ik zel maar zeggen: je mot te Rotterdam zijn. Je krijgt een +kaartje. Best. Belieft u maar op de schaal te stappen."--Hier kon de +juffrouw zich niet bedwingen: "Op de schaal, schipper?" riep zij uit, +en hare oogappels werden van verbazing zoo groot als tafelborden, +"wat mot ik op de schaal doen?"--"Dat zel je hooren. UE. wordt +gewogen. Je bent nog al dikkig. Goed. Zooveel pond, zooveel kracht op +de' blaasbalk. Belieft u maar op dat luikie te gaan staan. Pof! je +zakt in de' grond, Ruut! daar ga je, hoor! Je ziet niks niemendal +as egyptische duisternis. 't Hoeft ook niet. Tien menuten! knip, +knap, gaan de veeren. Daar sta je _weer_ in een ketoor; je denkt in +'t zelfde? Mis! Je bent te Rotterdam. Is 't waar of niet, _Piet_?" + +Op dit beroep antwoordt de aangesprokene, die als knecht met den +Mottige vaart, niet anders dan door het hoofd te schudden en een +pruimpje te nemen.--"Piet wordt er Weger bij," vervolgt de schipper: +"je kunt er de teekening van zien; 't zou al lang ingevoerd wezen, me +lieve juffrouw! maar 't het motten wachten totdat die wije mouwen uit +de mode waren.--_Pietje_, 't wordt koud, man! je hebt je jaren. Wees +niet nuffig omdat er een juffer in de schuit is; trek je schanslooper +an, maat; en geef mijn me zuidwester, want 'et begint te regenen." + +"Ja menschen!" merkt de juffrouw aan, "je mag wel voor je gezondheid +zorgen. Ik weet niet hoe je 't uithoudt!" + +"Uithouën?" zegt de schipper: "de juffrouw mot weten dat er geen +menschen ouèr worden as schippers en schoolmeesters. De schoolmeesters, +van de onschuldige asempies van de kinderen, en de schippers, van +weer en wind." + + + + + + + +DE SCHIPPERSKNECHT. + + +"Indien wij eens een meid minder hielden," zei Burgemeester +_Dikkerdak_ tegen mevrouw _Dikkerdak_, op een mooien morgen, en hij +plukte aan de franje van zijn japongordel, op eene wijze alsof hij +er een zwaar hoofd in had dat dit voorstel fortuin zou maken.--"Een +meid minder!" riep zij uit, en hare oogen begonnen gevaarlijk te +vonkelen: "dat's onmogelijk, mijnheer! Als er te veel verteerd is, +het is door de meiden niet geschied. De meiden moeten blijven. _Ik_" +(en zij drukte verbazend op dat voornaamwoord) "_ik_ kan geen enkele +domestique missen!"--Burgemeester kreeg een hevige hoestbui, want +hij was vol op de borst; hij vouwde het exemplaar van de Haarlemsche +Courant van Dinsdag--October 18--(het is lang geleden) bedaard in +"deszelfs" officiëele plooien, lei een blokje bij op het vuur, +wandelde naar de vensterruiten, keek eens naar de boomen van zijn +buitenverblijf, en daarna, over zijn buik heen, naar de punten van +zijn gevlamde pantoffels; kreeg nog een hoestbui: verliet de kamer met +statigheid; ging zich laten poeieren, en sloot zich, deze plechtigheid +volbracht zijnde, in zijn eigen kamer op. Toen strekte hij zijne hand +uit en schelde. + +"Laat _Kees_ boven komen!" sprak hij tot de binnengetreden dienstmaagd. + +_Kees_ kwam; gepoeierd als zijn heer; een man van ongeveer vijftig +jaar, van middelbare gestalte. "Wat belieft meheer?" + +"_Kees_," begon Burgemeester; maar een nieuwe aanval van de volle +borst belette hem verder te gaan.--_Kees_ hoorde in de eerbiedigste +houding de bui uit.--"_Kees_," hervatte de Burgemeester: "je hebt +me tweeëntwintig jaar trouw gediend; eerlijk gediend; ijverig +gediend..." _Kees_ schepte moed; hij had gedacht dat er iets +onaangenaams aan de hand was, en de Burgemeester was een gestreng +heer. Maar als de Burgemeester zag dat het gezicht van _Kees_ +opklaarde, vatte hij ook moed; zoodat er op dat oogenblik twee menschen +bijeenwaren, die beide den besten moed van de wereld hadden.--"Trouw +gediend!" herhaalde de Burgemeester. + +"Na mijn beste weten," zei _Kees_ bedaard, en bekeek de roode opslagen +van zijn grijsgelen rok. + +De Burgemeester nam een snuifjen en zeide: "Ik heb maar naar de +gelegenheid gewacht om er u voor te beloonen." + +"Wat dat betreft, meheer!" hernam _Kees_, en een groote traan kwam +om het hoekje van zijn neus kijken, want hij was een gevoelig man, +ondanks zijn bakkebaarden: "Menheer is altijd een goed heer voor me +geweest. Ik verlang..." + +"Hoor, _Kees_," zei de Burgemeester, "kort en goed: er is een +stadspostje vacant, en ik had gunstig over je gedacht. Het is een +makkelijk postje, een goed postje..." + +"Maar," zei _Kees_, "as ik de vrijïgheid nemen mag menheer in de rede +te vallen; ik wenschte volstrekt niet te veranderen..." + +De Burgemeester kreeg wederom een geweldige hoestbui. + +"En as ik de vrijïgheid mag nemen," ging _Kees_ voort, "te vragen: +welk possie?..." + +Burgemeester _Dikkerdak_ streek zich met deftigheid langs de +kin. "Het beneficie van knecht aan het ...sche veer", zei Burgemeester +_Dikkerdak_ met majesteit. "Het wordt binnenkort vergeven. Bedenk er +u op, _Kees_! Ik raad het u aan. En ga nu heen--(kuche! kuche!) en +vraag (ùche, ùche) of mevrouw (ùche, ùche) mijn stroopje wil boven +sturen met _Betje_; ik heb (ùche, ùche) het weer schrikkelijk weg." + +_Kees_ wenschte nog iets in het midden te brengen. Maar de Burgemeester +hoestte zoo ontzettend, en werd zoo rood in 't gezicht, en wenkte zoo +duidelijk met de hand dat hij het stroopje volstrekt terstond hebben +moest, dat _Kees_ het raadzaam oordeelde te vertrekken. + +"Schippersduvelstoejager!" riep _Kees_, een uur daarna zijn huis +binnentredende, en zijn gegalonneerden hoed op de steenen smijtende, +zoo ver die vliegen wou. "Schippersduvelstoejager!" + +Zijn goede _Leentje_ dacht dat hij gek geworden was, raapte den hoed +op, en vroeg wat hem scheelde? + +"Ik mot schippersknecht worden," riep hij, en zijne oogen rolden +vreeselijk in zijn hoofd: "Schippersknecht, omdat ik menheer +tweeëntwintig jaar trouw gediend heb! Met den zwabber hé...? Een +mooi baantje! Hoo--o--o--! roepen met twintig o's bij een brug; +en hu--u--u--u--! met vijftig u's bij een schoeiing... Heerlijk hé!" + +De goede eegade begreep juist niet al te veel van deze uitboezemingen, +maar welke was hare ontzetting en afschuw, toen zij de oorzaak +vernam! "Wat?" riep zij uit... "Jij met pakkies langs de deuren loopen; +een karrepoesmus op je gepoeierde hoofd! Jij een soldatekapot om je +lieve lijf in plaats van je rok met passement! En je hebt ommers pas +een nieuwe?..." + +"Het helpt niet, vrouw!" zei _Kees_; "ik heb 't al gemerkt; der is +zwarigheid bij menheer; maar 't is maar ongelukkig voor die 'et treft." + +"'t Zel _niet_ gebeuren!" riep _Leentjen_ uit. "Laat menheer je +afschaften; laat ie je op straat sturen; maar geen schippersknecht, +as je tweeëntwintig jaar knecht bij een heerschap bent geweest." + +En met eenparigheid van stemmen werd besloten dat het _niet_ gebeuren +zou. _Wat_ er gebeurde, mag _Kees_ op zijn eigen manier vertellen, +zoo als hij het meer dan eens gedaan heeft, met de hand aan de roerpen. + +"Dat bleef zoo hangen: maar 'en veertien dagen; 't was op een +dingesdag, en menheer ging alle dingesdaggen na burgemeesterskamer; +zoo reeën we na stad. Stilgehouën voor 't stadhuis; ik klim der of +en help menheer der uit. Wacht hier een oogenblikkie, _Kees_! zeit +ie.--Met 'et rijtuig? vraag ik.--Neen, _Kees_, zeit ie; jij alleen; +ga maar bij de bodes, daar heb je nog kennis bij.--Nou, ik _had_ +er een vollen neef bij. Wat kom _jij_ hier doen? zeit me neef. Ik +zeg, ik weet 'et niet, zeg ik; en menheer stapt zoo binnen. Nou, ik +docht: menheer zal alevel zoo gek niet wezen dat ie daar binnen van +dat possie spreekt; want ik docht, dat ding is ofgedaan; hij het wel +gezien dat ik der geen zin in heb. Maar al zen leven! Ik wacht wel +een hallefuur; daar wordt gescheld. Me neef na binnen, met 'n bos op +zen borst, wat ben je me! In een ommezien was ie weerom; daar hadje 't +lieve leven gaande. Ik most boven kommen. Daar hadje menheer zitten, +die nog al tamelijk dik is, en dan hadje die dikke _Van Zuchter_, en +dan menheer _Daats_, die zen zoon nou ook al burgemeester is, loof ik, +en dan de overleden heer _Watser_ met z'n staartpruik, en dan menheer +_Kierewier_; maar die had dan eigenlijk niets te zeggen; die was zoo +veul als sikretaris, en die zat midden in de pampieren. Nou had die +dikste, die _Van Zuchter_, zoo'n hamertje in zen hand; en die begon +me daar een preek te doen, en een gelukwensching en, in één woord, +te zeggen dat, deur mooi praten zus en zoo van menheer _Dikkerdak_ +(_mijn_ menheer dan), de heeren zoo over me gedocht hadden, om me +dan te maken, na me begeerte, note bene! knecht bij 'et veer; en dat +ze hoopten dat ik die post trouw en eerlijk, en al die viezevazen, +waar zou nemen. Kijk! ik werd zoo kwaad menheer! dat ik docht een +beroerte te krijgen; en ik docht: wacht, dikke! hou jij maar reis +'en oogenblikkie op, dan zel _ik_ reis-meepraten--want weetje wat? ik +meende ze vierkant te zeggen dat ik 't _niet en dee_. Maar ja wel! zou +gou as ie amen gezeid had, zel ik maar zeggen, daar begonnen ze +allemaal me te filiciteeren en te doen, dat het een aard had; en +die _Kierewier_ was ook al klaar met een pampier, dat ie me in men +hand duwde; en _mijn_ menheer dee maar niets as hoesten; nou _was_ +ie vol op de borst; en eer ik wat zeggen kon, daar tastte menheer +_Van Zuchter_ na zoo'n groote tafelschel; ik weet niet dat ik me +leven zoo'n tafelschel meer gezien heb; het leek wel zoo'n klok; +en toen--luien wat ben je me! En toen kwam neef weer binnen, en +ik had maar te vertrekken.--Maar wat die vrouw anging, toen ik daar +thuiskwam als schippersknecht....! Maar ik _was_ nog haast niet thuis, +of daar had je mevrouw _Dikkerdak_ al, en de jongejuffrouw! allemaal +maar filiciteeren, en dat ik gou schipper zou worden! Een mooi ding; +al de schippers zijn jonger van jaren as ik; en ik ben nou op drie +na de jongste knecht; van dienst dan.--En wat me vrouw huilde, +toen ik op 'en kouën ochtend na de schuit most, met me schanslooper +over men arm! Lieve kinderen menschen!--Och ja, zoo sukkelen we nou +maar vort. Menheer is dood, en mevrouw is dood, en de jonge juffrouw +het onderlaatst nog met me gevaren; maar ze zei temet geen gendag of +genavend; en ik ben nou in me tweeënzeuventigste...! Hoo--o--o--o--h, +jagertje! De lijn kan wel stuk met die horten! Hij mot nog langer +mee as ik: as 't God blieft!" + + + + + + + +DE BARBIER. + + + Omme + den Heer J. D. _van den Aanzett_, + Chirurgus te Monnickendam. + +Mijn waarde Collega! + + +De lange winteravonden en het betrekkelijk klein getal patiënten +permitteeren mij u toch vóór nieuwejaar nog eens een confraterlijken +brief te schrijven, waartoe ik lang lust, laat ik zeggen, waar aan +ik al lange behoefte ben geweest hebbende; zoodat ik nu den stumilus +niet langer kan wederstaan. Gij zoudt niet gelooven hoe in deze +hoofdstad het getal dagelijks vermindert der confraters, met wie +men eens redelijk over de wetenschap van denkbeelden wisselen kan; +het zijn bijna alle tegenwoordig menschen zonder eenige de minste +studie, die ja, de operatie verstaan, dat wil zeggen er het manuaal, +de dexteriteit van bezitten, maar zonder eenige theorie of systema te +werk gaan en geen rekenschap van hunne zaak kunnen geven; die zelfs +niet capabel zijn, indien zij door eene toevallige omstandigheid eene +ulceratie veroorzaken, dezelve secundum legum artum te genezen, of +een emplastri te smeren; waarom zij dan ook gewoonlijk, bij gemaakte +blessure, niet beter weten aan te raden dan koud water of een watje. + +Och, mijne goede _Van den Aanzett_, toen wij te zamen bij uw +waardigen oom in de Amstelstraat het vak in onze jeugd beoefenden, +was het een ander vak en een andere tijd. Wie zou het gewaagd hebben +dien doorkundigen geleerde den onteerenden naam van barbier of +scheermeester te geven, welke in de uitvoerigste woordenboeken van +die dagen zelfs niet gevonden werd? Tegenwoordig worden wij aldus +door groot en klein genoemd. Men heeft ons vak uit den kring der +medische wetenschappen weggerukt en op zichzelven geplaatst, zoodat +het verdort en verdroogt als een afgescheurde tak, van den boom +geamputeerd. Weinige zijn zoo gelukkig als wij, dat het hun vergund +is gebleven het hooger chirurgische nog te blijven uitoefenen; maar +welke is de consideratie die wij genieten? welk is het cas, dat men +van ons bij de Provinciale Geneeskundige Commissiën maakt? En moeten +wij niet bekennen, ons scheermes in dezen stikdonkeren tijd al de +fiducie van ons lancet wegneemt? + +Vonden wij nog maar in de tractatie van hetzelve scheermes een +overvloedig middel van bestaan, zooals eene kunst behoorde te kunnen +opbrengen, welke in zulk een nauw verband staat met de beschaving, +en van welke zoo onbegrijpelijk veel afhangt in de maatschappij, wij +zouden ons alsdan ten minste kunnen getroosten het algemeen profijt +niet geheel zonder profijt voor onszelven te behartigen. Maar indien +het u als mij gaat, dan verliest gij ook dagelijks kalanten en worden +er geen nieuwe geprocreëerd. Gisteren; en deze omstandigheid moveert +mij juist u heden te schrijven; gisteren verloor ik mijn laatste +patiënt, die gewoon was zich tot in den nek toe te laten razeeren, +met een breed instrument en een weinigjen in het harde systema, zooals +onze overledene patroon gewoon was de burgemeesters te behandelen, toen +men er nog op gesteld was, de deelen der onderkin en des halzes een +blozend voorkomen hadden. Nu is het aan de orde zooveel mogelijk haar +te laten staan, tot groot affront voor de uitvinding _Tubal-kains_ en +van het chirurgische vak, en ik durf zeggen, tot groot detriment van de +goede zeden daarenboven. Want ik praesummeer op goede gronden, dat alle +koningsmoorders, zelfmoordenaars, oproermakers en comedieschrijvers, +in Frankrijk en elders, hunne verwildering grootendeels hieraan +te danken hebben, zij van de jaren der pubertas af, hun baard den +vrijen teugel en op die revolutionnaire wijze groeien laten, welke men +"een jonge Frankrijk" noemt. + +Ik zie ze dagelijks in de printewinkels. + +Maar om tot den ontslapene terug te keeren. Ik kan wel zeggen met +ZEd. mijn geheele ambitie voor het vak is ten grave gedaald. Want wat +wil men tegenwoordig? Met achterstelling van al het gracieuse, al het +waarlijk schoone der operatie, wil men alleen gauw geholpen wezen, +en zoo zacht en ongevoelig, alsof men den baard weg _waschte_. Wie +kan op zulk een wijze het vak eer aandoen? wie zich een waarachtig +discipel betoonen van onzen onvergetelijken _Blaaskrop_, als alles in +vijf minuten moet afgeloopen wezen? Maar weet gij, mijn waarde _Van +den Aanzett_, wie het zijn, die u en mij en het geheel chirurgicale +vak bederven? Niemand anders dan die infame Engelsche natie, die de +bron is van al onze ongelukken. + +Sla de eerste courant de beste op, die gij in handen krijgt, en gij +zult er u van overtuigen. Overal zult gij de emblemata van ons vak +in slechte houtsnee op een misselijke wijze zien afgebeeld, om er +tot uwe interne indignatie bij te lezen dat er weder een nieuwe soort +van "patent razoors, patent stroppen, patent zeepen" is uitgevonden, +alleenlijk met het doel om de paarlen, ik mag zeggen, voor de zwijnen +te werpen, ons moeielijk kunstvak tot een allemans goed te maken, +en ons en onze kinderen te bestelen. Ik vraag maar, mijn waarde +collega! Ik vraag maar, wat beteekent die gansche fraaie instelling +der patenten, indien het iedereen, niet alleen ongegradueerden, +maar zelfs ongepatenteerden, veroorloofd is zichzelven den baard af +te nemen? Ziedaar eene vraag, welke het wel der moeite waard ware +der Tweede Kamer eens te presenteeren, en ik ben nieuwsgierig hoe +de Heeren er zich zouden uitredden. Maar wat zou het baten, _Van den +Aanzett_? wat zou het baten? Geloof mij, indien gij het te Monnickendam +gelooven kunt; maar hier in de hoofdstad heb ik abondantelijk occasie +om er mij van te overtuigen; dat een derde der Edelmogenden (o schimmen +der voorvaderen!) zich de hulp der faculteit ontzegt. + +Maar laten wij dit voor ons beiden chagrinant capittel laten varen; +mijn brief is reeds lange, en ik heb dezen avond bepaald tot exercitie +mijner beide zonen, die elkander voor het eerst wederkeerig bij +kaarslicht de operatie doen zullen. Nog slechts een woord van de +gezondheidstoestanden in deze hoofdstad. Er zijn hier nog altijd vele +koortsen, en ik blijf ze met onzen onvergelijkelijken patroon aan de +principiums noncentiums van het water toeschrijven, in combinatie met +de humeuren van de athmosfeer. Maar geloof mij, dat het kinazout er op +den duur veel kwaad aan doet. Ik heb onlangs de eer gehad een patiënt +te cureeren, dien men met die miserabele sulphatis quinini totaliter +in den grond hielp, enkel en alleen door ZEd. aan te raden gewone +trosrazijnen te eten op een nuchtere maag, vóór ik den baard afnam; +met dien effecte, de intermittentis hem verlaten hebben. En nu ga ik +ook u verlaten. Vaarwel, Amicissimi Collega! Mijne hartelijke groete +aan Mejuffrouw de Chirurgijnsche, ook uit naam van de mijne. + + +Amsterdam, 12 Dec. 18--. + +Uw geeffectionneerde Collega, +_Joris Krastem_. + + +P.S. Ik geloof dat gij wèl zult doen den opgezetten krokodil, die in +uwen winkel misschien nog, als van ouds, aan den zolder hangt, weg te +nemen. Men begint in dezen profanen tijd met al zulke wetenschappelijke +zaken te spotten. O Tempores! o Mora! + + + + + + + +DE HUURKOETSIER. + + +De eerste schemering van den morgen ligt over de academiestad. Hier +en daar verspreidt het gloeiende pitje van nog een enkele réverbère +een noodeloos licht. Alles slaapt nog op de Breestraat. Alleen de +kraaien zijn op en wandelen in grooten getale over de steenen, en +vliegen op den Ossekop bij _Rivé_, en op de koppen van de leeuwen, +die de Leidsche sleutels op de trappen van 't stadhuis bewaken, zich +verbazende dat de schildwacht zoo slaperig kijkt, en waarom hij geen +blinkende stevels meer draagt als tevoren. Uit eerbied voor de rust der +geleerde hoofden in dit Nederlandsch Atheen, onthouden zij zich echter +van nutteloos geschreeuw. Op eens jaagt het klappen van een zweep ze +op, en doet een aanrollende calèche "met de vier" ze de vlucht nemen +naar torens en schoorsteenen. De calèche houdt stil voor een smal, +nog gesloten winkelhuis. 't Is een goed rijtuig, veel malen gebruikt en +beproefd bevonden; en op den bok zit, in al de glorie van zijn postuur, +met een hoed in blinkend foedraal op 't hoofd, een paar bakkebaarden +op zij, ringen in de ooren, een geestig oog en een vroolijken mond, +en voorts bedolven in een jas van grijs laken met langen mantel, +_Gerrit van Stienen_; wegens zijn deels wezenlijke, deels geveinsde +vermetelheid met de edele rossen, als Dolle _Gerrit_ bekend. + +"Hiep, hie!" roept Dolle _Gerrit_. Alles blijft doodstil. Hij zet +zich overeind voor den bok, en klapt driemaal met de lange zweep, +dat de kraaien opvliegen alsof het haar geldt, en carousel beginnen +te rijden rondom de peer van 't stadhuis. Nog eenmaal heft hij zijn +vervaarlijk "hiep, hie!" aan. + +Het bovenraam opent zich; een jong mensch met een zijden doek om +'t hoofd (studenten haten slaapmutsen), en een jeune france om de +kin, kijkt er uit, in een japon met schotsche ruiten. "Zoo, Dolle' +dat's opgepast, vent."--"Goeie morgen, menheer!" antwoordt de Dolle, +met een schuin en toegenepen oog: "heb je zóó allang zitten wachten?" + +De heer met de jeune france slaat een oog op het span. "Moeten _zij_ +het doen, _Gerritje_?"--"Ja menheer! ze verlangen as harten."--"Ze +zien der niet florissant uit, _Gerrit_!"--"Mot ook niet, menheer! maar +het bennen bazen van binnen."--"Me dunkt, ze staan zoo droomerig +tegen mekaar aan te leunen."--"Ze bennen pas uit bed, mot menheer +denken; en beste staanders zijn 't ook al niet: maar _loopers!!!_ +heb ik jou daar." + +Drie jonge menschen dagen op uit verschillende hoeken van de stad, +en vereenigen zich luidruchtig genoeg op de kamer van den student +met de jeune france. Een oogenblik daarna wordt er ingestegen. + +"Fiks doorjakkeren, _Gerrit_!" zegt menheer _Deze_, de tree +opvliegende. "Dat zegt _hij_ ook," antwoordt _Gerrit_, de zweep +toonende. "In twee uren naar Haarlem," beveelt de heer _Die_, zijn +mackintosh dichtknoopende. "As ze 't niet in zeven kwartier kennen," +zegt _Gerrit_, knipoogende, "is er geen aardigheid an." "Nooit +stappen; zelfs in 't zand niet, _Gerritje_!" roept mijnheer _Zus_, +plaats nemende. "Ze zouen zich hebben dood te schamen," herneemt +_Gerrit_. "Klappen dat het davert!" juicht de heer _Zoo_, het +portier dicht trekkende; en het antwoord is klets, klats, klets met +de zweep; en de kraaien vliegen met een luid geschreeuw weder op; +en het rijtuig rolt heen, en doet al de ruiten, van de Breestraat af +tot de Rijnsburger poort toe, sidderen in de sponningen. + +Men pleistert bij den Geleerden Man. "Je hebt nog niet hard +gereden, _Gerrit_!"--"Kniebandjes losmaken, heeren," zegt de man, +zijn jas uittrekkende, daar de zonneschijn hem begint te hinderen, +en zich vertoonende in zijn blauw buis met korte panden, geel vest, +en fulpen broek, waarvan de pijpen op zij met een menigte beenen +knoopen prijken. De studenten, _Gerrit_, en de paarden nemen hun +prandium. Alles is reeds weder in gereedheid. "Wacht!" roept _Zus_, "we +moeten een grap hebben. _Duin_! Steek de lantarens op."--"Lantarens bij +klaarlichten dag?" vraagt _Duin_, bleek wordende. "Wis en zeker!" roept +_Gerrit_ van den bok, knipoogende en met de grootste deftigheid, +"je kan 't niet weten: een ongeluk zit in een klein hoekje. Hiep, +hie! haastje wat, _Duintje_." + +Zoo komt men te Haarlem met lichtende lantaarns. De rit heeft _over_ de +twee uren geduurd. "De klokken schelen!" zegt _Gerrit_. Men overtuigt +hem van het tegendeel met een horloge. "Dat heeft te hard geloopen +om de paarden bij te houen!" Nieuw geknipoog; en de lange zweep gaat +weer links en rechts, en de lucht davert van den slag, en de paarden +draven door de goede stad, dat de kruideniers er schande van spreken +achter hunne toonbanken. + +De Nieuwpoort uit; den straatweg op; Zandpoort om; Bloemendaal; +het zand; stappen! + +"Stap je nu toch, _Gerritje_?" gilt het viertal. "De voorste +bijdehandsche zen ijzer is los, en de achterste het in de spijkers +van den voorsten getrapt." Maar ondanks deze ongevallen, zoodra hij +het hek van Zomerzorg genaakt: klets, klats, klets, gaat de zweep; +in vollen draf gaat het, het huis voorbij, bij de brug langs, omgewend +met een korten draai, en _pal_ voor de deur. "Mooi, Dolle!" roepen de +heeren uit éénen mond, en men spreekt af dat niemand zoo goed rijden +kan als "de Dolle". Deze oogst zijne zegepralen in, met herhaald +geknipoog tegen de wachtende staljongens. + +Een groot kwartier daarna: de paarden zijn aan de ruif, en _Gerrit_ +krijgt, met opgeslagen mouwen en op de midden aangevatte tang, een +kooltjen uit den keukenhaard om zijn kort pijpjen op te steken. "Nou, +_Kaatje_, me kind!" heet het uit zijn mond tot een zwaarlijvige, niet +heel mooie keukenmeid: "Ik kon niet langer van je van daan blijven. Ik +zeg teugen de heeren: me zellen de vier der reis voorzetten; me motten +reis na Zomerzorg; ik wil weten of _Kaatje_ nog geen vrijer het".--"Dat +kan jou ook wat schelen, _Gerrit_," antwoordt de beminnelijke, "je +hebt een vrouw thuis."--"Een vrouw," is 't antwoord, en _Gerrit_ +neemt bij die herinnering zijn blinkende hoed eerbiedig af, "een +vrouw as twee, _Ka_! en je mot het complement van der hebben. Vraag +'t an de heeren! Ik zeg: heeren! help me onthouen dat ik _Kaatje_ +de complementen van me wijf breng". + +De heeren zitten aan tafel. De eerste tijdperken zijn +doorgeloopen. Conticuere; Rumor in casâ; etc. Het wordt een +gejoechjach, een geschater, een instellen van toosten zonder end! De +heer _Deze_ komt met glimmende oogjes, de helft kleiner dan anders, +achter loopen: "_Gerrit_, heb je wel wijn?"--"Wijn, menheer?" vraagt +_Gerrit_ met het onnoozelste gezicht van de wereld, zich een glas +bier inschenkende. "Bij de goden!" roept de heer _Deze_: "_Gerrit_ +heeft geen wijn!" en, naar voren geloopen, komt hij met een gebefte +flesch terug. Als ZEd. de keuken verlaten heeft, knipoogt _Gerrit_ +buitengemeen zeer; overdubbel tevreden. + +De heeren rijden af. Ze zijn ontstuimig. De een wil rijden. De ander +wil achterop staan. De derde wil de zweep hebben. De vierde gilt dat +hij _Gerrit_ een tientje wil geven, als hij maakt dat ze omvallen.--"Ik +heb geld genoeg, menheer! al sterf ik morgen," zegt _Gerrit_, en zit +vast op den bok, en klapt met de zweep, en knipoogt en antwoordt met +aardigheden, en rijdt geen stap harder dan hij verkiest. + +Het is laat in den nacht als _Gerrit_ thuiskomt. De stalknecht sluit de +deur open, en licht hem met zijn lantaarn in 't gezicht. "Ze zijn een +beetje warm, hé! Ik kreeg slaap op 't laatst; en ik had ze van morgen +gespaard."--"Een goeie fooi, _Gerrit_?" vraagt de stalknecht, in zijn +linnen jas schurkende van koude, slaap, en begeerigheid.--"Van de man +een pop, _Driesje_!"--"'t Is 'en schande, _Gerrit_! zulke fooien as jij +altijd sleept."--"Daar hei je der één van," zegt _Gerrit_, "maar laat +me na kooi kruipen, zonder dat ik me met iets meer heb te bemoeien." + + + + + + + +HET NOORDBRABANTSCHE MEISJE. + + +Op een mooien Augustusvoormiddag des jaars 1839, betraden twee jonge +menschen den vermoeienden, maar schoonen zandweg tusschen Terheide +en Oosterhout. Zij waren ter eerstgenoemde plaats uit de diligence +gestapt en zouden ter laatstgenoemde het middagmaal houden. De zon +scheen wel heerlijk op de welige akkers van rogge en boekweit ter +wederzijde van den weg, maar tevens niet minder stovend op hunne +stroohoeden en ransels; en daar het jong eikenhout, dat zij langs, +en de kleine denneboschjes die zij nu en dan door-gingen, te laag +en te iel waren om veel schaduw te geven, begon men toch gewaar te +worden dat ook zelfs een voetreis hare onaangenaamheden hebben kan. + +"Die drommelsche toren;" begon de jongste, stilstaande en den knop +van zijn stok in de zijde zettende om een oogenblik uit te blazen: +"die drommelsche toren is nu rechts en dan links, en we vorderen niet." + +"Het is toch de goede weg," sprak de oudere, die het eerteeken van +den tiendaagschen veldtocht droeg, "ik ken hem wel. Zie, daar ginder, +rechts van den toren, is de molen daar we een post bij hadden." + +"Is het een mooi plaatsje?" vroeg de eerste, weder voorttredende. + +"Allerliefst; gij zult het zien. Koning _Lodewijk_ noemde het een stad; +maar daar is 't niet beter om. Er is een marktplein; een ruime kerk +met gebeeldhouwd outerstuk, een Berg Calvarië; voorts een mooie ruïne; +en veel knappe nieuwe huizen. Maar het mooiste is _Keetje_. Wij gaan +naar _Keetje_. Gij zult zien hoe hartelijk zij ons ontvangt." + +"Ik hoop," zei de ander twijfelachtig, "dat zij de moeite van dezen +afmattenden weg waard mag zijn; want ik heb niet veel op met uwe +herbergdeernen. Ze zijn nog al aardig in liedjes en reisverhalen. Maar +ik voor mij heb ze nooit anders bevonden dan grof, preutsch en +knorrig. Men kan ze niet vriendelijk aanzien of zij denken dat gij +ze bederven zult. En zegt gij haar een galanterietje, zoo gapen zij +u aan zonder het te begrijpen, of lachen zoo dom tegen "me heir", +dat hij eens voor al genoeg heeft." + +"Je kent _Keetje_ niet!" viel de ander met gemaakte hoogdravendheid +zijn vriend in de rede: "bij alle goden, je kent _Keetje_ niet! Gij +zijt niet waardig haar aangezicht te aanschouwen. _Keetje_, het fijnst, +het netst besneden bekje van alle Noordbrabantsche meisjes, die ik +onder eenigen stand gezien heb. _Keetje_, met het rankste figuur, de +liefste voetjes, de kleinste handjes, met kuiltjes op iederen vinger; +dat blanke gezichtje, die groote blauwe oogen, met dien doordringenden +opslag! Het geestige, hupsche, vroolijke _Keetje_, die zoo lief praat, +en zoo lief lacht..." + +"En zoo zoet zoent?..." vroeg de jongste; "want als zij zóó is, als +gij ze beschrijft, dan is zij licht, vrindlief, en dan zeg ik als in +het oude stuk, + + + "Een mooie meid zou, in een herberg, eerlijk zijn!" + + +"_Kareltje_!" hernam de andere op den theatraalst mogelijken toon: +"dwing mij niet te midden dezer welige natuur een moord te begaan. Nog +één woord ten nadeele van _Keetje_, en ik maai uw eerloos hoofd weg, +als gindsche maaier de rijpe aren."--En daarop in den natuurlijken +toon vallende, ging hij voort: "Ik zou niet graag willen biechten, +vriend! hoe menigmaal ik, in den tijd dat wij hier te Oosterhout lagen, +haar om een zoen geplaagd, gesmeekt heb. Zoo het mij driemaal gelukt +is er een te krijgen, is het veel; en dan is er één bij van toen we +wegtrokken. De geheele compagnie was op haar verliefd. Het was _Keetje_ +voor, en _Keetje_ na; allen vrijden naar haar; allen droomden van haar; +iedereen wou met haar wandelen; met haar naar Raamsdonk rijden--ja +er waren er, geloof ik, die haar wilden trouwen...." + +"En zij," merkte _Karel_ aan, "zij was à tout le monde, en verhoorde +ieders klachten." + +"In 't geheel niet; ze was er te verstandig toe, en dat niet alleen, +maar ook te braaf. Gij moest haar naar de kerk hebben zien gaan, met +de breede zwarte falie, eerst hangende over de schouders, met vrij +wat meer gratie dan waarmee b. v. mijn nicht haar mantille draagt, +en dan, bij 't ingaan van de deur, over 't hoofd, dat haar lief, +devoot gezichtjen er effentjes uitstak. Maar dat daargelaten! Er was +niemand, die zich op eenige gunst van haar te beroemen had; er was +niemand, dien zij lomp behandelde of boos maakte; zij bleef zoo lief +en vriendelijk tegen allen, dat allen dachten met haar op goeden voet +te zijn. Het was zot, van zes of zeven menschen dezelfde confidenties +te krijgen, die op dezelfde nietigheden berustten...." + +"Zij speelde de coquette," zei _Karel_, "net als dat heele duivelsche +dorp, of stadje, als het zoo wezen moet, dat telkens weer achter de +boomen kruipt; zij speelde de coquette, man! en had haar vingers vol +ringen, en haar kast vol presenten van allerlei aard...." + +"Geen een! ik verzeker u, dat zij niets aannam. O, zoo je wist hoe +zij over die dingen dacht! Ik was haar vertrouwde zoowat. Zij sprak +nog al eens veel met mij." + +"En gij vielt in de termen van die gelukkigen, daar je zoo even van +spraakt, die meenden dat voor hen alleen was, waarin zij met zes, +zeven andere deelden?" + +"Je zult niet overtuigd zijn, voor je haar hebt gezien en hooren +spreken, ellendige!" sprak de ander. "Maar je hadt haar moeten vinden +zooals ik, de mooie oogen vol tranen, na een onkieschen voorslag +van _Van der Krop_, die te veel gedronken had. Hoe bitter had ze +'t op haar zenuwen!" + +"En was die _Van der Krop_ een knap manskerel?" vroeg de +onverbiddelijke reisgenoot. + +"Dat had juist niet over. Ik voor mij noemde hem een monster, en +_Keetje_ desgelijks. Er waren er wel die meer indruk op haar lief +hartje maakten ...." + +"Gij, bij voorbeeld, niet waar?--" + +"Nu ja; maar in een anderen zin; ik was haar een vriend; maar onze +vriend _Everards_, die stond hoog bij haar aangeschreven. Het zou +mij niet verwonderen, zoo zij om diens wil wel eens andere tranen +had geschreid." + +"Och heden, kom!" zei _Karel_, "het wordt al te aandoenlijk. En nu +geen woord meer van _Keetje_, totdat we haar zien." + +De twee vrienden kwamen te Oosterhout, en zagen _Keetje_. Zij +traden de herberg binnen en vonden haar bij het venster bezig met +eenig naaiwerk. De groote geplooide slippen van de Brabantsche muts, +waar twee donkere platgestreken haarlokken eventjes uitkeken, vielen +over een donkerrood doekje met groene ruiten, dat haar schouders +en boezem tot hoog in den hals bedekte en wonderwel afstak bij haar +blank kinnetje. Zij zag op, en haar groot blauw oog maakte zulk een +indruk op den jongste der beide reizigers, dat hij oogenblikkelijk +het getal harer aanbidders vergrootte. + +"Zulje dan eeuwig even mooi blijven, _Kee_!" riep de oudste in +bewondering uit, haar de hand toestekende: "het is negen jaar geleden +sedert we goede vrinden waren, en je bent geheel dezelfde." + +"Ik _zij_ toch negen jaar ouer geworden, mijnheer!" zei _Keetje_, +vriendelijk lachende, en een rij van de gelijkste tanden ontblootende, +die ooit tusschen rozeroode lippen hebben uitgeschenen. + +_"Mijnheer!"_ hernam de ander, "kenje me niet meer? Denk aan de +Leidsche Jagers." + +_Keetje_ rimpelde haar lief voorhoofd om zich te bedenken. "Ik +geloof...." zeide zij aarzelende, "ik geloof mijnheer .... _Van +.... der Krop_? ...." + + + + + + + +DE LIMBURGSCHE VOERMAN. + + +"Goeden mergen, heern!" zei _Christoffel Hermans_, daar hij bezig +was zijn groot paard voor de huifkar te zetten, die ons eenige uren +verder voeren moest. "Goeden mergen, heern!" + +In dit woord was voor ons eene teleurstelling. Hoe armoedig wij er +ook uitzagen; hoe vuil onze Brabantsche kielen, na eene reize van +ettelijke weken ook mochten geworden zijn; hoe slap de randen van +onze hoeden neerhingen; hoe nederig wij den vorigen avond, na het +nederwerpen onzer ransels, onze voeten op de plaat van den gemeenen +haard gezet hadden, en met hoeveel eenvoudigheid en gemeenelui's +handigheid wij het oude grootjen ook hadden bijgestaan in het snijden +van snijboonen tot haar wintervoorraad, het was ons niet gelukt voor +reizende kooplui of gelukzoekers door te gaan; wij waren _heeren_, +en moesten, niettegenstaande den droevigen staat onzer finantieën, +er op voorbereid wezen, benevens onze melksoep van gisteravond, ons +logies van vannacht, en ons ontbijt van vanmorgen, nog den titel van +heeren te betalen. + +_Christoffel Hermans_, zeg ik, was bezig zijn groot paard voor de +huifkar te zetten; en verrichtte dezen arbeid op een kleine voorplaats, +waar hem zijne kippen en kalkoenen over de voeten liepen, gedurig +met het paard redeneerende. + +"Stappertje! opgepast van daog, zulle! ge kraogt het nuwe vliegennet +over den baste, en de nuwe bellen. 'En biesjen achteruut, maot; +ziede ga niet dat ga de poes op de poot trappen zult. Zie zoo; kaaik, +we zallen eenen goeden oop ooi in den zak doen. Dan modde ga ook goed +stappen, zulle!" enz. + +Onder deze hartsterkende taal werd het kolossale dier op een +schitterende wijze uitgedost met een groot geknoopt vliegennet van +het vurigste klaproosrood, waarvan het voorste gedeelte onder den +voorriem van het hoofdstel werd doorgetrokken, en het achterste om den +staart gestrikt; rondom behangen met eene lange, luchtige franje van +'t zelfde, en twee groote roode kwasten over de haken der boomen. + +Het is opmerkelijk hoeveel bijhangsels er tot de optuiging van een +Limburgsen paard behooren waarvan men geene mogelijke nuttigheid kan +uitdenken, en die ook alle, volgens getuigenis van den voerman, "allien +maor voor den sieraod" zijn. Daaronder tellen een groot getal korte +riemen en touwen, die van het hoofdstel tot het haam gaan, terwijl toch +het beest enkel door stem en zweep (met hot en her) geregeerd wordt; +daaronder, een paar koperen instrumenten, in de gedaante van breede +groote haarkammen, op hetzelve haam, die niet zouden mogen ontbreken, +hoe volstrekt doelloos zij ook zijn. Voeg hierbij een zwaren ijzeren +ketting langs den boom der kar, en een krans van bellen om den nek van +'t paard, waarvan de eerste een openlijke bespotting is van de groote +makheid van het dier, en de andere een dadelijk paskwil op de breede +wegen, waarop men elkander een uur ver ziet aankomen. + +Toen al deze fraaiïgheden naar behooren waren in orde gebracht en +een groote hoop versch hooi in het tusschen de wielen bengelend net +was geworpen, werd, dwars in de kar, een dikke bos stroo geklemd, +waar _Vlerk_ en _Hildebrand_ plaats op namen; de deuren van den +hoenderhof werden opengezet, en _Christoffel Hermans_, een kerel +van zes voet, met een schoone blauwe kiel aan, trad vooruit, met +de zweep van gevlochten teen losjes in den elboog gesteund, en wees +zijn stapper den weg. Het roode vliegennet kwam in beweging als een +langzaam golvende bloedstroom, de bellen klonken, de keten rammelde, +de twee zware wielen van de kar dreunden. Wij joegen den haan, +die op de huif gevlogen was, weg, en onze tocht ving aan, terwijl +_Christoffel Hermans_ in 't blauw, en het groote paard in 't rood, +wedijverden wie de grootste stappen konde nemen. + +"Hoeveel tijd rekenje, dat er noodig is van hier naar Quaadmechelen, +voerman?" + +"Laot zien," zei hij; "'t mag drie uren gaons wezen; dats begens +vierdehalf uur met de ker." + +Men merkt op dat de huifkar een uitmuntend middel van vervoer is +voor personen die niet gaarne willen dat al wat zij voorbijrijden +hun geel en groen voor de oogen wordt. Inderdaad, ik kan het aan alle +voetreizigers aanbevelen, daar het in de gelegenheid om het land te +zien (mits men de huif oprolle) geen de minste belemmering brengt. Het +is ook waarlijk alleraangenaamst voor dezulken die wel eens stijf van +'t zitten worden, aangezien niets gemakkelijker is dan zich van tijd +tot tijd, tot verpoozing, achter van de kar te laten afglijden terwijl +het paard voort blijft stappen, en een weinigje langs de wielen te +wandelen, zonder dat zulks eenig oponthoud in de reis veroorzaakt. Hier +komt bij, dat men naar alle menschelijke berekeningen geen nood heeft +een ongeluk te krijgen; daar er noch riemen zijn die knappen, noch +veeren die doorzetten kunnen. Wat betreft het afloopen van een wiel, +ik ben overtuigd dat dit geen de minste stremming zou te weeg brengen, +daar de velgen zoo breed zijn, dat ik zeker ben dat het geheele +gevaarte evengoed op één als op twee wielen kan overeindstaan. Voeg +hierbij, dat deze manier van vooruitkomen niet duur is, en dat gij +behalve "een glaoske bier" aan den voerman, die daar op den duur nog +al behoefte aan heeft, met geene verdere onkosten te maken hebt, daar +het paard zijn ruif onder den wagen met zich voert, en ook lang zoo +maltentig en verlekkerd niet is als onze goede Hollandsche paarden, +die geen anderhalf uur kunnen loopen zonder te moeten blazen, brood +te krijgen, en te worden gedrenkt. + +Zoo gij daarenboven een voerman aantreft als onzen _Christoffel +Hermans_, een goeden hartelijken kerel, vol mededeelingen en verhalen +uit den "veldtocht", wordt de lange wijle u nog al aardig verkort. Gij +hadt hem moeten hooren vertellen van de opschudding, die de Leidsche +studenten te Quaadmechelen gemaakt hadden, en hoe een juffrouw, +die in de verwarring vóór in de borst geschoten was dat de "koegel" +achter uitkwam, er desalniettemin dik en vet tegenin geworden was; +hoe "vrundelijk de mogendheden van den Ollander" zijn, daar èn de +Prins van Oranje èn "den anderen Prins" hem teruggegroet hadden, +toen hij zijn hoed had afgenomen; en hoe hij op deze zelfde kar het +doode lichaam vervoerd had van een soldaat, door "de mogendheid van +Saksen Weimar" met eigen hand in tweeën geslagen, omdat hij begon +"te plunderen en te ontrampeneeren" en tot een Limburger had gezegd: +"trek de broek uit, want de mijne is stuk". En hetzij uw voerman een +Ollandsch, hetzij bij een Belgisch Limburger wezen moge, gij zult +met vreugd de opmerking maken dat hij, in ieder geval, door taal, +karakter en levenswijze zoo goed bij Holland behoort als gij en ik. + + + + + + + +DE MARKENSCHE VISSCHER. + + + Ultima Thule + + +Telken jare, in den beginnne van het jaar, wordt het Haarlemsch +straatpubliek onthaald op het voortreffelijk gezicht van een vijf- of +zestal jonge reuzen, welke, met een ouden reus aan 't hoofd, langs de +straten worden gezien, vooral op de hoogte van het Gouvernementshuis en +den Doelen, waar zij door straatjongens met even veel belangstelling +worden aangegaapt en nageloopen als een bedelende Poolsche Jood met +langen baard en spitse muts of, omstreeks den kermistijd, een Parijsche +Armeniër met geparfumeerde kleederen en gebloemden tulband. Het +personeel der jonge reuzen verandert jaarlijks, daar er bij dezen +optocht geen andere geduld worden dan die hun achttienden verjaardag +gevierd hebben en hun negentienden nog niet hebben beleefd. Maar de +oude reus, die aan 't hoofd stapt, is en blijft dezelfde en wordt +slechts met ieder jaar een jaartjen ouder. Deze reuzen zijn alle +volmaakt op dezelfde wijze gekleed. Zij dragen (om te beginnen met +hetgeen het meest in 't oog loopt) ontzettend wijde korte broeken, +met diepe zakken waarin zij hun handen bestendig verborgen houden, en +nauw om 't lijf sluitende wambuizen, waaronder zich een dichtgeknoopte +damasten of blauwkatoenen borstrok, naar gelang van den geldelijken +toestand des eigenaars, vertoont. Buis en broek zijn van een grove +bruine stof, geen laken. Op het kleine hoofd voeren zij een lagen, +breedgeranden ronden hoed om, en hunne dikke kuiten zijn omkleed +met grijze kousen. Hooge schoenen bedekken hunne groote voeten. Als +versierselen van weelde dragen sommige, en althans de oude, kleine +ronde gouden of zilveren knoopjes in de roodgeruite das, aan de +hemdsmouwen, en vóór in de broek. Het uitzicht dezer reuzen is +niet kwaadaardig. Zij hebben knokige, vooruitstekende voorhoofden +en jukbeenderen, waartusschen hunne vriendelijke lichtgrijze oogen +verborgen liggen; breede monden; kleine witte tanden, en dunne haren +van de echt Celtische kleur, die bij den ouden reus reeds eenigszins +beginnen te verbleeken. Zooals zij zich daar op Haarlems straten +vertoonen, maken zij uit het contingent van het eiland Marken voor +de nationale militie, met den Edelachtbaren Heer Burgemeester van +datzelve eiland aan 't hoofd. + +Kent gij het eiland Marken? Het levert het doorslaandst bewijs +dat soberheid en ontbering de kloekste menschengeslachten kweeken +en in stand houden. Marken is, zou men zeggen, een hoop slijk in de +Zuiderzee; meer niet; hier en daar een weinig gras voor een enkel mager +paard, en voorts geen plantenleven dan een steel of wat lepelblad, +tegen de scheurbuik. Op Marken geene schaduw van een enkelen boom. Op +Marken geen schijn of zweem van eenigen oogst. Op Marken zelfs geen +bakker. Het brood dat het reuzengeslacht, hetwelk op dien moddergrond +tiert, eet, wordt in Monnikendam bereid; en als de veerschuit, die +het dagelijks aanbrengt, de slechte haven niet binnen kan loopen, +hongeren de reuzen. En toen heeft zich aldaar het waarachtig type +onzer oudste voorouders bewaard, in die mannen van meer dan zes voet, +met schouders als Atlassen en goudgele lokken; en de nieuwsgierige, +die den voet onder dit eenvoudig visschersvolk zet, vindt er de huizen, +de gewoonten, de zeden, de begrippen van voor twee eeuwen; ofschoon +het niet te ontkennen is, dat de lichtingen voor den krijgsdienst, +en het verval der groote en kleine visscherijen, dat den Markenaar nu +ook tot een ansjoviszouter maakt, hem eenigszins uit zijn afgesloten +kring hebben gerukt. Ik voer er heen met een zeventigjarig grijsaard +aan 't roer, die zoo vast aan spoken en toovernaars geloofde als +aan de Heilige Drieëenheid. Ik hoorde er een godgeleerd gesprek, +waarin van Voetianen en Coccejanen werd gesproken op eene wijze, alsof +die twisten nog aan de orde van den dag, alsof de heeren Voetius en +Coccejus, in blakenden ijver, nog alle dag te spreken waren. Ik zat +er in de burgemeesterswoning mijn kleeren te drogen bij een vuur, +waarvan de rook geen anderen uittocht had dan door het dak. En toch +werd mij ook aldaar de keus gegeven tusschen een glas Parfait Amour, +of een glas Rose sans épines, naar welgevallen, en de man verhaalde +mij, dat hij er "den Gouverneur spuutwien" (zoo noemde hij champagne) +had "voorgezet", toen ZEx. hem, op zijn toer langs de eilanden, +bezocht had. Ik moet hem evenwel het recht doen van te verklaren, +dat hijzelf zoo min het een als het ander met de aanraking zijner +burgemeesterlijke lippen verwaardigde. + +Verwonderenswaardig is de hoogte der bedsteden, waarin dit reuzenvolk +den zegen des slaaps geniet. Het zijn een soort van torens, welke zij +met verscheidene trappen beklimmen. Indien gij echter hunne woning +beschouwt, en van een dezer groote zwaluwnesten, tegen den zolder +opgehangen, de gordijnen ziet opengeschoven, en uw oog stuit op een +hoogen stapel kussens, waarvan de sloopen op een zeer eigenaardige en +alleen Markensche wijs zijn bewerkt en waarover een keurige sprei ligt, +op dezelfde wijs bestikt, zoo waan niet dat daar de plaats is, waar +de Titan zijne Titane in de armen zinkt. Het is het pronkbed. Want +ook hier wordt gepronkt. Dat getuigen bovendien alle de wanden der +armelijke hut, niet minder blinkende van gedreven koperen schotels, +dan de poffertjeskraam der beroemde firma _Spandonk_. + +Maar gij verbaast u, als gij dit eiland in zijne lengte en breedte +doorwandelt, ja zelfs de huizen binnentreedt, geene vrouwen te +zien. Geen wonder; zij zijn volkomen menschenschuw en vluchten op den +aanblik van een vreemdeling. Zoo gij er echter eene enkele te zien +krijgt, zult gij bemerken dat zij een paar hoofden kleiner zijn dan +de mans en zelden uitmuntende in schoonheid. Zij dragen witte kappen, +waaruit het vóórhaar in twee lompe, onbevallige, niet krullende vlokken +langs haar aangezicht valt. Haar jak en rok zijn van grove stof, +en op de borst spelden zij een witten doek, al wederom op Markensche +wijze bestikt. Het jak is meestal veelkleurig, en wel zoo, dat het +van achteren anders is dan van voren; doorgaans toonen de Markensche +vrouwen een rooden boezem en groenen rug, of omgekeerd. De kinderen +hebben geen ander speelgoed dan een tamgemaakte zeemeeuw, die zij +een ijzeren ring om den hals doen dragen. Wat hun voorkomen betreft: +gij moet ze niet beoordeelen naar het proefje, dat daarvan op de +laatste kermissen is te zien geweest, toen gij u, tot uw uiterste +verbazing, eenige honderden ponden gevormd menschenvleesch, op naam +van een zuigeling van drie maanden, zaagt voorstellen. Het toonde +u echter wat de natuur op Marken vermag, en welk een voedzaamheid +de Markensche moedermelk bezit; weshalve ik alle Monnikendamsche +huisvrouwen, die wel Markensche dienstmaagden gebruiken, aanraden +zoude zich van Markensche minnen te onthouden. + +De koddigste figuur maken te midden van dit ouderwetsch, dit +zeventiende-eeuwsch geslacht, de predikant, de schoolmeester en de +chirurgijn; pygmeeën, bij ongeluk onder deze enakskinderen verdwaald, +en wier meer hedendaagsche kleeding zonderling afsteekt bij die +der landskinderen, die allen orthodox, allen hardleersch, en allen +welvarende zijn. + + + + + + + +DE JAGER EN DE POLSDRAGER. + + +"Morgen!" zegt de jager en hij steekt zijn groen gemutst hoofd om 't +hoekje van de deur der woning, waarin de boer en de boerin met acht +à negen kinderen, twee knechts en een meid hun ochtendstuk zitten +te gebruiken. + +"Morgen, _Arie_!" roept de boer, terwijl de roggebroodskruimels, die +hem bij deze begroeting uit den vollen mond vallen, door den jachthond +worden opgesnuffeld. "Rais opsteken?"--"Twaalf blaadjes!" zegt de +jager, zich op de stalling nederzettende en een pijpjen uit zijn pet +krijgende, terwijl hij het geweer tusschen de beenen houdt, waarvan +de boerin de oogen niet af kan houden. + +"'t Staat in de rust, moeder!"--"Nou ja, _Arie_; da's goed; maar een +mensch is er toch altijd skrimpeljeuzig van!" + +"Heb je der al gevangen, _Arie_?" vraagt de boer. De boeren noemen +het _vangen_. + +"Twee _Krelis_-oom, twee; ik heb ze zoolang bij _Sijmen_ neergeleid." + +"Nou," merkt de vrouw aan, "ik denk dat _Arie_ der al menig ientje +'hikt het." + +"Ik wou ze wel rais bij mekaar zien," zegt de jager. Jagers hebben +altijd het heimwee naar een dal _Josaphats_ van het door hen geschoten +wild. + +"Zie je der hier nogal?" vraagt hij verder. + +"_Ik_ bespeur ze zoo niet," zegt _Krelis_, "maar hier me _Piet_, +die ziet ze nogal dik." + +"Gisteren avend," zegt _Piet_, een opschietende knaap, de oudste van +_Krelis_-oom, die met een wensch in de oogen beurtelings den jager +en de weitasch en het geweer heeft aangekeken; "gisteren avend ging +er temet ien tusschen me bienen deur. Een dikke, hoor." + +"Mag de jongen rais meeloopen?" vraagt _Arie_ aan _Krelis_-oom. + +"Nou ja", antwoordt deze: "'t zel wel lukken." + +_Piet_ verslikt zich haast aan de laatste korst van zijn roggebrood +met kaas. Een taaie sliet wordt uit den dorsch te voorschijn gehaald, +en pols en polsdrager zijn geïmproviseerd. + +Zoodanig is de wording van den polsdrager; maar nooit was een schepsel +ter wereld dankbaarder voor zijn bestaan; geen begunstigde slaaf kleeft +zijn meester getrouwer aan dan de polsdrager den jager. Hij verlaat +zijn zijde niet. Hij springt den jager vóór over alle slooten en klimt +hem over honderd dijkjes na; hij wandelt met hem het jachtveld met +vermoeiende ziegezagen af; hij staat, als de hond staat, en apporteert +als de hond apporteert. Spreekt de jager: hij hangt aan zijne lippen, +bezield met het onbepaaldst geloof. En niet licht zijn de proeven, +waarop hij in dezen gesteld wordt. Geen grooter leugenaars dan +schaatserijders en jagers, zegt men wel. Maar wat wondergeschiedenissen +deze laatsten ook mogen opdisschen; van zes hazen geschoten op één +stuk, van twee watersnippen in één schot in den donker; van hazen, +die op één looper nog een gezicht ver wegliepen; van andere, die +met uitgeschoten oogen tegen den hond insprongen; van hoenders die +ronddraaiden, neervielen, weer opvlogen, weer ronddraaiden, en nog reis +neervielen; van arenden die op den hond gingen zitten, en roerdompen +die met den laadstok wegvlogen: de polsdrager trekt geen enkele dezer +groote gebeurtenissen in twijfel; de jager in het algemeen is zijn +orakel, zijn afgod; het valt hem niet in dat er mogelijkheid bestaan +zou van eenige opsiering, eenige vergrooting bij 's mans verhalen; en +in 't bijzonder houdt hij _dien_ jager, met wien hij op dat oogenblik +jaagt, voor den grootsten van alle jagers, den Nimrod Nimrodorum. Ja, +zelfs, indien er iets vergroot moet worden, hij is de eerste om den +jager die moeite te besparen, wanneer hij hem al de verhalen, die hij +zich van hem herinnert, nogmaals te binnen brengt, en zich nogmaals +doet mededeelen. Schiet de jager raak: de polsdrager, schoon hij niets +gezien heeft dan wat vuur en rook, heeft het haas driemaal over den +bol zien buitelen; is het haas vrij: de polsdrager beweert dat hij +er de wol bij vlokken heeft zien afstuiven. Gebeurt het een enkele +maal; het gebeurt _nooit,_ zweren jagers en polsdragers; maar het zou +toch kunnen zijn; na een ongelukkige jacht; met sneeuw aan de lucht; +tegen het sluiten;... dat er een haas ... _meegenomen_ moet worden, +die--op de grensscheiding van een privatieve jacht ligt,--kortom! om het +hatelijk woord dan maar te zeggen,--in 't leger moet worden geschoten, +ofschoon er dan ook strikt genomen een pols en een polsdrager is om +hem te doen rijzen ... Poef! de lepels hebben zich niet boven het +gras opgeheven--hij ligt al te trekken-- + +"Net toen hij oprees," zegt de jager. + +"Je was der gouw bij", zegt de polsdrager, "hij was je haast te +gouw of." + +"Een ander zou 'em in het leger geschoten hebben!" zegt de jager. + +"Dat loof ik er ook wel van," zegt de polsdrager; "hij zou aars net +het dijkie overëwipt hebben toen ie 't beet kreeg." + +De polsdrager spreekt aldus, niet uit beleefdheid of uit laagheid, +maar uit volle overtuiging. + +"Een mooi haas," zeit de jager, daar hij den armen drommel met een +klap in den nek afmaakt. "Een mooie rammelaar". + +"Een mooie rammelaar," echoot de polsdrager. + +"Ik zei 't je ommers wel, dat er op dit stuk ien raizen zou?" herinnert +de jager. + +"'t Is waar ook," antwoordt de polsdrager, schoon de jager de woorden +niet van zijn lippen heeft laten komen. "Je zag het vast an den hond?" + +"Neen!" zeit de jager, die (let wel!) nimmer des polsdragers +venatorische gissingen goedkeurt, "dat niet." + +"Had je 'm dan 'speurd in 't slik an den dam?" + +"Ook niet!" herneemt de jager met groote wijsheid; "maar daar was +daareven ommers een voedster opëgaan." + +"Was dat een voedster, _Arie_, die je misschoot?" + +"Misschoot?" vraagt de jager met verontwaardiging. "Hij had hagel +genoeg. Je zelt 'em morgen wel vinden...." + +En de polsdrager is den anderen dag op dat stuk, om den aan de +gevolgen zijner wonden overledene te zoeken; en indien hij hem +niet vindt--stroopers moeten er vóór hem geweest zijn om hem weg +te halen, een wild dier hem hebben verslonden, of wel, medelijdende +natuurgenooten zullen hem, daar zij hem vonden, wentelende in zijn +"zweet" (d.w.z. bloed), op hun rug hebben, weggedragen, tot dicht bij +de naaste eendekooi, waar hij, onder bescherming van het kooirecht, +den adem rustig heeft kunnen uitblazen, aan het ruige kantje van een +kille sloot, wel overtuigd dat het hem niet aan hagel ontbroken heeft. + + + + + + + +DE LEIDSCHE PEUËRAAR. + + + Een Leidenaar sprak eenmaal Charon aan: + "Ik bid u, bootsman! hoor mijn beden! + Zoo 'k eenmaal in uw schuit moet treden, + Och, laat het zijn bij donkre maan! + Indien 'k mag peuren uit uw bootje, + Krijgt gij de helft van 't waterzootje, + En 'k wijs u bovendien den grond, + Daar ik mijn vetste wurmen vond." + + _Studenten-Almanak_ 1836. + + +Het wapen der stad Leiden vertoont de _sleutels_ van _St. Pieter_. Een +onvergefelijke misslag! Het had zijn _vischnet_ moeten wezen. Het +is de stad der visscherij; óók de academiestad; óók de stad der +egyptische Farao's, óók de stad van bul en bolussen; maar boven en +behalve dat alles, de stad der visschers.--Nader haar van den kant der +Hoogewoerds-, der Koe-, der Witte-, der Rijnsburger-, der Marepoort, +of van welke poort gij wilt: overal wappert u van de leuning der +poortbrug een opgeheschen totebel tegen.--Wandel de Leidsche singels +rond: geen drie boomen zult gij zien, of gij ziet bij den derden een +hengelaar, in das, jas, en gras gedoken, een neuswarmer in den mond, +aan zijn rechterhand een kluit vuil geworden vischdeeg, aan zijn linker +drie of vier zieltogende bliekjes. Bezoek Leiden bij hoog water: gij +zult de lieden van den Apothekersdijk en de Oude Vest op heeterdaad +verrassen, daar zij bezig zijn in hunne voorhuizen de binnengespoelde +stekelbaarsjes te verschalken. Volg Leiden in de vergaderzaal der +Edelmogenden: gij zult het zich met hand en tand zien weren tegen de +droogmaking van het Haarlemmermeer, op grond van het overoud recht +der Stad op een gedeelte van het vischwater. + +Als ik echter zeide dat de stad Leiden een vischnet voeren moest, +noemde ik het gepaste, maar het meest gepaste nog niet. Ik sprak +van het net, om bij _St. Pieter_ te blijven; maar zoo gij mij vraagt +wat het eigenlijk wezen moest? Een paar gekruiste hengelrieten, een +paar vischhoeken overkruis. Het is zelden om den visch, dat men te +Leiden vischt; het is om te visschen; en de langzaamste genieting +van dit genot gaat voor de beste. Niet om met een enkelen trek +van de zegen, een tweemaal daags ophalen van een schakel, of met +zethengels, die hun dienst doen terwijl gij slaapt, een macht van +"schubbig watervolk" bijeen te brengen, is het den echten Laienaar +te doen. De zaligheid van het _nop_ hebben, van het zien trillen, +indoopen, onderduiken van den dobber, en daarin, van het zuigen van +een langwijlig aaltje, het leuteren van een zeurig postje aan den +onmerkbaren hoek, is hem genoeg. Katvisch is hem even welkom als +doop- en waterbaars. Katvisch is den Laienaar dierbaar! Al wat aan +den angel bijt en, met bloedende kieuwen en half uitgeboorde oogen, +van den angel kan worden afgescheurd--ziedaar wat hem gelijkelijk +gelukkig maakt.--"Een hengelaar kan geen goed mensch zijn," heeft +Lord _Byron_ gezegd; maar de Laienaar heeft één troost: "'en slecht +minsch die 't zait!" Mij dunkt; ik hoor het hem antwoorden. + +Van Engelschen gesproken! zij hengelen met geschilderde vliegen, +om niet bij iedere vangst een _dubbele_ wreedheid te begaan. Wat +zouden zij wel zeggen van de gruwzaamheid, waartoe zich de Laienaar +in staat gevoelt, als hij den peurstok gereed maakt?--_Please, Sir!_ +volg mij in deze achterbuurt. Het heet hier De Kamp. Kijk eens, zoo +gij kunt, door dit groene vensterglas naar binnen. Wat ziet gij?--"Ik +zie een vrouw met de haren door de muts, die kleine ronde koekjes +bakt."--Best; van water en meel en een beetje olie. Het is voor de +lui, voor wie een oortjesbroodje te duur is opeens. Het is de vrouw +van den Leidschen Peuëraar. Ziet gij haar man niet?--"_Yes_, die +_fellow_ met een slaapmuts op, in een duffelsche jas?" Dezelfde. Het +is de Leidsche Peuëraar in eigen persoon. Een karakter, dat alleen in +deze stad gevonden wordt. De linkervleugelman van de opgaande linie +van Leidsche visschers. De verwerpelijkste vorm, waaronder zich de +algemeene hengelliefhebberij voordoet. Wat doet hij?--"Hij rijgt +iets aan een touw, dat hij uit een rooden pot haalt; iets langs, +iets smerigs."--Recht zoo! het zijn pieren _Sir_! niets dan pieren, +pieren van het echte soort, met gele kransjes om de koppen. In dien pot +zijn meer dan honderd pieren; en zij worden door zijne nijvere handen +aan een vrij dik snoer geregen, bij den kop in, en bij den staart uit. + +Straks zult gij hem van dezen pierenguirlande een soort van kwast +zien maken, niet ongelijk aan het uiteinde van een bloedkoralen +bayadère. Met deze wormenfranje wordt gevischt; dat heet peuren; +en deze zonderlinge passementmaker heet de Peuëraar! _"Horrible, +horrible, most horrible!"_--"Net niet!" zou de Peuëraar antwoorden, +indien hij u verstond, "net niet, jou vreemde stoethaspel, want door +_die_ weg krijgen de (n)alen geen hoek in der gezicht. Zieje wel; je +kent alle dingen tweileidig opvatten."--Het plat Leidsch is leelijk, +en het Leidsch van den Peuënaar is het platste. + +Als de maan donker is, gaat de Peuënaar tegen het vallen van den +nacht uit, met een lantaarn onder den arm, en zijn korten peurstok, +waarvan de bovenbeschrevene wormentroetel af moet hangen, in de hand, +de blauwe slaapmuts op 't hoofd, de duffelsche jas aan, klompen aan +de voeten, een "paip in zen hoofd". In zijn zak berust een groote +flesch jenever, en in zijn tabaksdoos bewaart hij een briefje, waarin +de commissaris der Politie van Leiden getuigt dat de daarin genoemde +Peuëraar geen schelm is, en misschien wel geen hout kapen zal, al komt +hij met zijn schuitje wat dicht onder een zaagmolen. Zoo wandelt hij +naar het een of ander kroegje, waar hij volgens afspraak een anderen +Peuëraar vindt en, na nog gauw "voor drie cintjes" genomen te hebben, +begeven zich de collega's naar hun gemeenschappelijk schuitje, een +klein platboomd vaartuigje, dat zij met riemen en een gerafeld stuk +doek, onder den geüsurpeerden titel van zeil aan een stok opgestoken, +in beweging brengen. Zooras men een goede ligplaats gevonden heeft, +wordt het zeil gestreken, het anker geworpen, een rietmat tegen den +wind opgezet, en het peuren neemt een aanvang. Het is een aesthetisch +ding. Alles komt hier aan op het gevoel. De kunst van peuren bestaat +in het zachtjes op en neder bewegen van den peurstok, waardoor de +verlokkelijke wormenfranje in een gestadige onrust is. En telkens als +des Peuëraars fijngevoelige vingertop--neen! als zijn _hart_ hem zegt +dat hij beet heeft--slaat hij op, en het verschalkte aaltje spartelt +in de schuit. En zoo ras het vischwater daar ter plaatse is uitgeput, +wordt het zeil geheschen en een andere ligplaats opgezocht. Zoo dwalen +de Peuëraars over Rijn, Zijl, Leidsche vaart, Haarlemmermeer, ja, +komen dikwijls tot zeer nabij de hoofdstad; en nacht op nacht wordt +gesleten in onvermoeid gepeur. + +"Hoe zuur wordt dat eerlijk stuk brood gewonnen!" Dank voor uw +medelijden, mevrouw! het doet uw hart eer aan. Maar geloof nooit dat +het dezen lieden om brood te doen is. Uwe edele ziel waant dat hier +voor vrouw en kroost wordt gezorgd, met opoffering van nachtrust en +gemak. In het minst niet. Er is een test met vuur, er is zout, er is +een koekepan aan boord. De aal wordt op de plaats gevild, gesneden, +gebraden, en door het vriendenpaar, onder rijkelijke bevochtiging +met Schiedamsch vocht, gegeten, terwijl de vrouw haar cents-koekjes +bakt, en zelve met hare kinderen honger lijdt. Daarom ook, als deze +Ulyssessen, na hun langen zwerftocht, eindelijk hunne huisgoden +weder komen opzoeken, worden zij gewoonlijk door hunne getrouwe +Penélopé's met den vereerenden titel van _Luibak_ begroet; een +liefdenaampje, hetwelk deze teederen voor hare dierbare wederhelften +hebben uitgedacht. + +"Loibak!" heet het van hare bespraakte rozelippen, "Loibak! kom je +weer oit je smulschoit?" + +Want dezen naam draagt het peurvaartuig in den huiselijken kring + + + + + + + +DE NOORDHOLLANDSCHE BOERIN. + + +Een flink wijf is _Gees Riek_, rijzig, kloek en welgemaakt. Haar +aangezicht blinkt van dat frissche rood en dat glanzige wit, hetwelk +aan de Westfriesche vrouwen eigen is, waarbij als zij "op 'er Zundags" +zijn, het snoer van bloedkoralen, groot als knikkers, zoo helder +"ofspeurt" (afsteekt). Ik verzeker u dat zij die niet bleekdragen, +en _Gees_ allerminst. Ieder vindt dat de kap haar goed staat op dat +glad, wit voorhoofd, bij dat kleine rechte neusje, die kleurige wang, +die groote blauwe oogen, die zachte ronde kin, dien blanken hals! Het +eenig gebrek van haar schoonheid, een gebrek dat zij met de meeste +Noordhollandschen gemeen heeft, is haar gebit, bedorven door zoetekoek +en oneindig veel slappe koffie. Gij vraagt wat voor kleur van haar +zij heeft. Niemand weet dat. Het is tot den wortel afgeschoren; daar +komt geen lokje voor den dag. Haar wordt een onwaardig versiersel +gerekend, waar men een gouden naald over 't voorhoofd, een goud ijzer +(vergeef de tegenstrijdigheid der benaming) over de ooren, een paar +gouden boeken aan de slapen, en een paar gouden spelden daarnevens +draagt, en men er bij wagen zoude, dat de kap, de mooie, heldere, +spierwitte, zorgvuldig gestrekene kap, niet glad zou zitten.--Maar wat +is dan dat zwarte dotje, dat bij de gouden boeken uitkomt? Het is een +kleinigheid valsch haar, onbescheiden vrager! aldaar aangebracht als +eene verontschuldiging voor het afscheren van eigen; of nog liever, +als een wetenschappelijk bewijs dat de Noordhollandsche boerin, zoowel +als al wat papillotten legt, friseert en brandt, zeer wel weet, dat +er tot dat opzichtig gedeelte van 't menschelijk lichaam, hetwelk +het hoofd heet, haar behoort. Alle boerinnen dragen dit toertje; +het is een ingehaald krulletje, dat de staart in den bek steekt, +van zwart haar. Blond is bij allen verafschuwd. + +Als gij al de bijzonderheden van haar uitwendige persoon behoorlijk +hebt opgenomen, begeef u dan tot de beschouwing van haar innerlijke +waarde. + +Daar staat zij nu die, na zijn beesten, het hoogst staat aangeschreven +in de schatting van _Dries Riek_, haar welbeminden echtgenoot. Ik zeg, +na zijn beesten. Want als zijn beesten sterven, kost de inkoop van +andere geld; een vrouw is omniet terug te vinden, en brengt mogelijk +nog wel een stuivertje mee. Misschien wel zoo'n beste _keezer_ +niet--maar een mensch moet wat wagen,--in de koeien zit hij _ook_ +niet! 't Kan goed en kwalijk uitvallen; da's aventuur." + +De bestemming der Noordhollandsche boerin, als zoodanig, is _keezen, +keezen_, altijd _keezen_, is bestendig te zorgen dat de melk, die 's +ochtends en 's avonds na "melkerstaid" wordt binnengebracht, de deur +niet uitga dan in de gedaante van goede, gezonde en niet barstende +kaas. En dat geeft haar dagelijks zoo veel werk, dat men niet weet +hoe zij den tijd vindt om kinderen te krijgen. Nochtans krijgt zij +ze in groote menigte. Maar ook, als het "puppie" (de pasgeborene) +een dag of drie door de buren is "gekeken", en in deszelfs bewonderde +tegenwoordigheid het betamelijk aantal suikerstukken (beschuiten met +suiker) gegeten werd, verlaat zij de kraamkamer alweer, en begeeft +zich oogenblikkelijk aan de kaastobbe. + +Indien gij zindelijkheid zien wilt die het hart goed doet, +kom dan haar boerderij binnen. Het is hier niet de Zaansche en +Broek-in-Waterlandsche kleingeestigheid, die op muilen rondsluipt en +alle meubelen en huisraad spaart, wrijvende, poetsende, en gladmakende +wat zij niet zou durven gebruiken; maar een heldere reinheid, die +altijd wascht en schoonhoudt en blinken en glanzen doet, temidden +van het veelvuldigst, het onophoudelijkst gebruik. Zie deze lange +rij van ter halfmanshoogte afgeschotene appartementjes, over bijna de +geheele lengte der boerderij; de beschotten en posten alle spierwit, en +blinkend koperwerk daartegen opgehangen; den vloer met zand bestrooid +en in figuren aangeveegd. Gij zoudt er met uw besten rok in gaan +zitten. Echter zijn dit dezelfde plaatsen waar des winters de beesten +staan. Uit de groep (goot), die er langs heen loopt, zoudt ge immers +melk lusten! Maar zie nu de karn, de kaastobbe, de pers, de kuipen, +de doeken, de koppen waarin de kaas haar zout en haar vorm krijgt: +het is alles even zuiver en lekker om aan te zien. Het hout is ruw en +het koper glad van 't schuren. En _Gees_ zelve! laat zij vrijelijk +voor uw oogen met haar blooten dikken arm in de melktobbe roeren, +waarin zij het stremsel gegoten heeft,--de kaas zal er u niet minder +om aanstaan.--(Het is heel wat anders, een Noordhollandsche boerin, +of een keukenmeid op een stoomboot!)--De kleine kinderen, ziedaar het +eenige dat vuil is. Maar ze rollen ook den geheelen dag met de kleine +honden op de werf in 't zand. Binnenshuis is hun grondgebied geenszins, +dan om te slapen en te eten. Allerminst in dat gedeelte der woning, +waar de kaas gemaakt wordt. Daar is de boerin alleen. Maar als de +melk thuis komt, ontwaken in onderscheidene hoeken der boerderij: +een cyprische kater, een witte poes, een zwarte en een roodbonte kat +uit hun dutje en komen, nog rekkerig en geeuwerig, op de emmers aan, +waartegen zij zich op hunne achterpooten verheffen, gelijk geleerde +kermishonden om een trom, en zulks, zindelijk als deze dieren zijn, +om met hun zindelijke tongen het hun toekomend gedeelte van de melk +af te roomen, en daarna hun zoete droomen wederom op te vatten, op +de plaat, op een warme stoof, en in 't kozijn van een venster daar +de zon op staat. + +_Gees_ is goedhartiger, spraakzamer, en een weinig minder eigenzinnig +en bevooroordeeld dan haar man, met wien zij nooit kijft dan in 't +geval dat hij den hoogsten prijs niet voor de kaas gemaakt heeft, +die haar teedere handen bereid hebben. In haar jonge jaren was zij +vrij luidruchtig als ze eenmaal losraakte, maar op den duur zou men +het haar niet hebben aangezegd. Zij had vele aanbidders, waarmede +zij, naar 's lands wijs, beurtelings kermis hield, zonder hare keuze +te willen bepalen en zonder dat het eenigszins tot gevolgtrekking +leiden mocht. Haar echtvriend heeft haar een beetje bij verrassing +genomen. Zij betuigt een goed man aan hem te hebben en zou hem niet +graag missen. En aan die waarheid moet gij niet twijfelen, al verneemt +gij dat zij, bij eventueel overlijden van haar _Dries_, binnen 't jaar +met haar knecht trouwt, een "jong borst", dien zij er nooit op heeft +aangekeken, bijna zoo oud als haar oudste zoon,--niet omdat _zij_ +volstrekt een man, maar omdat de boerderij een boer moet hebben. + +De wijze nu, waarop _Dries Riek_ zijn _Geesje_ vrijde en trouwde was +een recht staal van Noordhollandsche zeden en, uit zijn eigen mond +opgeschreven, aldus: + +"Dinsdag anësniejen, vrijdag anëteekend. Je zelt zeggen: hoe dat zoo +haastig? Maar we waren met zijn drieën jonge borsten vrijgezel, en we +hadden mekaar der de hand op 'geven; die 't lest trouwt, die zel 't +gelag betalen. Nou, den iene van ons die was al weg, met de Franschen, +weetje; daar hebben we nooit meer van 'hoord. Doodgeschoten, wil ik +denken, deur de kezakken. Maar zaterdag hoor ik, dat me broer--die +was dan eindelijk de derde man, verstaje!--trouwen gong. Ik denk, +jonges! 't gelag betalen, en gien waif; dat geet niet an. Nou, +'s zundags gong ik er op uit, hoor; maar ik wier gesteurd. Deer ik +_toe_ kwam, was gezelskap; dat kon 'k al hooren, weetje, buiten de +deur. 'k Docht, nien! deer pas ik niet. Maar dinsdag; toe vond ik er +iene. En toe kreeg ik 't klaar. Ze kon me wel; maar toch alevel, dàt +had ze niet 'docht. En ik trouwde net met me broer op dezelve dag; +gnap hoor--Och heer! de witkoppen"--daarmede het schoone geslacht +bedoelende--"de witkoppen te bedotten, _da's_ geen duit weerd. Altijd +'en best waif der an 'ehad. En keezen! ze ben der geen beter." + + + + + + + +DE NOORDHOLLANDSCHE BOER. + + +Kom op een vrijdag voormiddag in het kaasseizoen te Alkmaar! De meer +dan zeventig dorpen, die rondom de Noordhollandsche metropolis liggen, +hebben hun contingent geleverd. Beemster, Purmer, Schermer, Waard +hebben zich leeg geschud in het kleine, nette stadje. Al de straten +die in een poort eindigen, en vooral de zoogenaamde Dijk, een breed +plein binnen de stad, staan vol van hun geel en groen afgezette wagens, +op het krat beschilderd met bloempotten, krulletters, gedichten. Al de +stallen rooken van den damp hunner paarden; al de bierhuizen en kroegen +dampen van den rook hunner pijpen. Al de scheerstoelen prijken met +hunne ingezeepte aangezichten. Waar gij komt: bij den tabaksverkooper, +in de koomenij, in den pottewinkel, bij den schoenmaker, die alle +dubbel hebben uitgestald, bij den notaris, den advocaat, den dokter, +en ten huize van de duizend en een dijkgraven en penningmeesters van +polders, overal ontmoet gij een boer. De een zoekt er den burgervader +van zijn dorp die, van Alkmaar uit, de belangen zijner kinderen het +best behartigen kan; de ander haalt bij den smidsbaas een recept voor +een ziek paard, dat deze nooit anders dan gezond gezien heeft. Dat +Alkmaar, al de overige dagen van de week zoo stil en levenloos, dat +het een stedeken schijnt opzettelijk vervaardigd voor begrafenissen; +een gissing, waarin de bijzondere kosten aan de begraafplaats +besteed een iegelijk versterken moet die ze zich verstout; is nu +aan een van gewemel en gegons vervulde bijenkorf gelijk. Inderdaad +zijn hier de bijen bijeen, die uit de Kenmersche en Westfriesche +boterbloemen haar honig en was zuigen.--De Langestraat--een straat, +die haar naam van de familie _De Lange_ schijnt te ontleenen welke, +beurtelings met elk der letters van 't A B C gequalificeerd, op drie +vierden der deurposten prijkt--is van boeren en boerinnen vervuld; +de laatste in lange "reeken" bijeen, de stoepen der goudsmeden op- +en af drentelende, of de koekwinkels in- en uitstroomende, in luid +gesprek, lachende met groote monden, en zich op de knie kloppende +bij iedere nieuwe uitbarsting van boerinnegeestigheid. + +Maar de grootste drukte is op het Waagplein, waar de kleine gele +kazen bij duizende ponden op uitgespreide en met het naamcijfer +der eigenaars gemerkte zeilen nederliggen.--Al wat gij hier ziet, +moet vóór klokslag van tweeën verkocht zijn. Na dat uur mag geen +koop meer worden gesloten, en geen boer wil of kan zijn kaas weer +meenemen. Hij _moet_ ze verkoopen, even zeker als de kooplieden uit +de eerste hand haar _moeten_ inslaan. Den hoogsten prijs te maken is +een kunstje, dat menig boer, die er vrij dom uitziet en 't op alle +andere punten in geen geringe mate _is_, uitnemend verstaat. Aardig +is de gemaakte toorn, waarin geloofd en geboden en waarmede de koop +eindelijk gesloten wordt, alsof de beide partijen elkander met grimmige +gezichten wijs willen maken dat het bloed er uit moet.--Maar nu komen +de kaasloopers in hun witte pakken en met hun gele, groene, en roode +hoeden, op hun onveranderlijk sukkeldrafje, en brengen den verkochten +stapel op burries waar hij heen moet, in een schip, of in een pakhuis. + +Zie hier nu de levenskracht van Noordholland. Het is niets anders +dan deze kaas, die het verdedigt tegen de woede der zee, die het een +groen land doet zijn en blijven die al Noordhollands schoorsteenen +rooken doet.--Wilt gij weten of het den boer welgaat? Zoo verneem +naar den prijs van de kaas.--Vraagt gij of het armenzakje het des +zondags gewaar wordt dat de vrijdag voordeelig is geweest? of de +landheer het merkt, dat de kaas het geheele jaar door "praizig" +was?--Antwoord: Neen.--Goudsmeden en koekebakkers merken het al zoo +goed; boerekermissen, de Alkmaarsche kermis, floreeren er van. Want +de vrouw houdt van opschik en zoetigheid, en de man weet grof geld te +verteren als hij uit is voor zijn pleizier. In dit regenjaar 1841, +is het hooi bitter slecht uitgevallen, maar toen de kermisklok te +Alkmaar geluid had, kwamen er niet minder sjeezen en wagens om binnen, +langs alle wegen en door alle poorten, beladen met boeren en boerinnen, +die er zich den witten wijn en den rooden met suiker en al wat verder +tot opscherping der levensgeesten ter tafel kon worden gebracht, +en de pontekoek daarbij, niet minder om lieten smaken dan in eenig +vorig jaar; en het paardespel daverde niet minder afgrijselijk van +hunne onbepaalde bewondering voor de edele kunst der halsbrekerij +en de onovertreftelijke grappen van den clown die omvalt als een +stok.--De klachten--werden "tegen korstijd" voor den landheer gespaard, +om ZEd. in rekening te valideeren. + +Het echt oud Noordhollandsch boerentype verdwijnt langzamerhand, +of wijzigt zich, zooals alle typen. Op deze Alkmaarsche kaasmarkt, +vindt gij het in allerlei schakeeringen. Dit oude kereltje, wiens +vroolijke oogen, ruim zoo goedlachs als zijn mond, uitkijken onder den +breeden rand van een rondbolligen hoed, dien hij met een pijpesteeltje +op zijn hoofd vastschroeft tegen den wind, is het oudste type. Een +smal gevouwen rood katoenen dasje is met gouden knoopjes om zijn +hals vastgemaakt. Een lang bruin wambuis met één rij groote knoopen +op nonactiviteit (haken en oogen doen den dienst) hangt hem tot over +de heupen. Zijn korte broek acht het gebied over schenen en kuiten +harer onwaardig, en laat het geheel over aan de grijze kousen die in +dikke schoenen met zware zilveren gespen eindigen.--Zoo wandelen er +hier nog enkele rond, met lange geschilde stokken in de hand, die hen +tot de kin reiken.--Mijn bestek verbiedt mij al de tusschentypen te +beschrijven;--maar wilt gij het jongste zien? Hier is het. Een blauw +buisje met een fulpen kraag, dat hem tot even onder de schouderbladen +reikt,--de rest geheel pantalon, pantalon van groen fluweel; een wollen +das, rood, groen en geel gevlamd, om den hals, en naar verschil van +gelegenheden, een grooten, hoogen, breed opgaanden, veel omvattenden +hoed op 't hoofd, of een bontharige pet, met de klep, naarmate van +regen of zonneschijn, in de oogen of in den nek gedraaid.--Tien tegen +een, dat het oudste type een vroolijke praatvaar, en het jongste een +stugge, stijve, achterdochtige houten hark van een vent is. + +Te markt gaan is de voornaamste bezigheid van den Noordhollandschen +boer. Hij is eigenlijk een koopman en beheerder van zijn +bezittingen. Dat is al. Zijne zedelijke eigenschappen zijn meer +negatief dan positief. Vraagt gij of hij een ijverige kerel is? Ik +antwoord: "Hij past op zijn spul". Vraagt gij of hij geregeld +leeft? Antwoord: "Hij drinkt alleen op marktdagen en kermissen". Is +hij een ophakker en een smijter? "Nooit als hij nuchteren is". Is hij +eerlijk? "Hij melkt geen andermans koeien uit". Is hij barmhartig? "Hij +is goed voor zijn beesten". Heeft hij zijn vrouw lief? "Der is geen +beter keezer". Bemint hij zijn kinderen? "Ze krijgen dikke stukken" +(boterhammen), "en de miester mot ze niet an 't hoofd sleen". Is hij +godsdienstig? "Hij gaat getrouw ter kerk". + +Zijn ideaal is te wonen op een eigen boereplaats, in een gedeelte +van den polder, waar hij de wijde vlakte rondom zich heeft, zonder +iets dat zijn vergezicht afbreekt, en geen andere meiden of knechts +na te houden dan zijn eigen kinderen. De afgoden van zijn hart zijn +een mooi zwartbont beest met volle uiers, en een jong paard voor een +blinkende boeresjees met vergulde wielen. Als hij, op dat luchtigste +en sierlijkste van alle ouderwetsche en nieuwerwetsche rijtuigen, +met zijn opgeschikt wijf naar een boerekermis rijden mag, en het +gelukt hem, door middel van zijn paard (de zweep gebruikt hij zelden) +afgrijselijk in den bek te trekken, zijn evenmensch voorbij te rijden, +dan smaakt hij een genoegen, waaraan de Abstwouder boer niet gedacht +heeft, toen hij zich zoo opwond over: + + + "Appels enten, peereplukken, + Maeien, hooien, schuur en tas + Stapelen vol veltgewas; + Schaepescheeren, uiers drukken", + + +en wat dies meer zij. + +1841. + + + + + + + +DE BAKER. + + +De naam van _Baker_ is een zonneklaar bewijs dat er (schoon 't volk +baakster zegt) juist geen uitgang op _ster_ vereischt wordt, om de +titularis van een bij uitnemendheid vrouwelijk ambt te kennen te +geven. Vrouwelijker dan het hare is er wel geen. De onbescheidenheid +van het geslacht der mannen heeft hen reeds, in spijt der natuur, in +verscheidene vakken van maatschappelijke bedrijvigheid ingedrongen, +die oorspronkelijk en naar recht tot het grondgebied der vrouw +behooren. Er worden mannen gevonden, die voor ons de naald hanteeren; +er zijn er, die ons den pot koken, ja zelfs zijn wij mannen, voor +het grootste gedeelte, met verachting der welvoegelijkheid, door +mannen ter wereld geholpen. Maar nog nimmer heb ik de eer gehad +iemand van mijne kunne te ontmoeten, te kennen, of te hooren noemen, +die het beroep van baker, anders dan in cas van de hoogste urgentie +en slechts voor een enkel oogenblik, had uitgeoefend. Heeft een man u +gebakerd, mijnheer? Zou een man u hebben _kunnen_ bakeren? Dat zij +verre. De uitvoerige zorg die dat vereischte, die gij behoefdet, +trotsche heer der schepping! die daar heenstapt als een pauw en op +laarzen met sporen!--die gij behoefdet, heer vrouwenhater! die daar +geen andere verplichtingen aan de teedere kunne erkent of begeert, +dan dat zij u ter wereld gebracht heeft--die gij behoefdet in dat +aandoenlijk oogenblik, toen gij schreiend en naakt dit tooneel uwer +heldhaftigheid werdt opgedragen, opdat licht en lucht u niet terstond +beschadigen, uwe eigene onbesuisdheid u niet voor goed ongelukkig +maken zoude, en gij er niet al uw leven zoudt uitzien als een Turk; +die uitvoerige zorg kon onmogelijk iemand anders dan een _baker_ +(zelfst. n. w. vrouwelijk) u bewijzen. Het is ijselijk jammer dat +gij uzelven toen niet aanschouwd hebt, met uwe knietjes opgetrokken +tot uw kinnetje, en liggende voor de mande in haar warmen schoot; +dat gij de vriendelijke oogen niet over u hebt zien lichten, met een +uitdrukking van zoo teeder, zoo ontfermend een liefde, dat zij u al +uw leven zou zijn bijgebleven. Maar wat was het? Gij hadt toen nog +geene oogen die zien konden. Veel minder droegt gij een bril. + +De naam _baker_ komt van _baken;_ dat is _warmen, koesteren._ Een +baker gehad te hebben is: in de eerste dagen zijns levens gebroeid +en gekoesterd te zijn. Het is niet anders. Spijt het u, heer Jeune +France? Meent gij dat het beter zou geweest zijn u, op zijn Laplandsch, +in heet water te baden en daarna in de sneeuw te rollen, in plaats +van u met de voetjes voor de mand te houden en u in doek op doek in +te wikkelen, zoodat slechts deze uwe handen en dit uw aangezicht--het +zag, op mijn woord, toen zoo geel als goud--zichtbaar bleven, om de +bewondering van huisgenooten en buren gaande te maken over _zulk_ +een kind? Meent gij dat, bij eene andere behandeling, uw baard nog +voorspoediger zou zijn opgegroeid, uw hand zich nog gespierder onder +uw glacé handschoentje zou hebben vertoond, en gij u te paard en te +voet nog krachtiger en leniger bewogen zoudt hebben dan nu? Het is +mogelijk. Maar hier is het portret van mijnheer uw overgrootvader. Ook +gebakerd, mijnheer! Ook gebakerd in zijn tijd; en ik geloof vrij wat +broeiender, vrij wat stijver dan gij; de gebakerde kindertjes geleken +toen ongelijk veel meer dan nu op de poppen van den zijdeworm; maar +wat dunkt u? Hij ziet op u neder, alsof gij _nog_ in de luren laagt. + +Houd uwe baker in eere. In het vooruitzicht der bange ure, bij +haar naderen, als zij dáár was, was de stille, altijd bedaarde, +ondervindingrijke, medegevoelende, handige, _zacht_handige, +kloekzinnige vrouw voor uwe moeder als een engel Gods. En ook +daarna! Haar trouwe zorg voor _u_ was het eenige niet. De jonge moeder +had nog steeds veel zorgen noodig; zij, die zoo zorgeloos was, toen +alles goed ging en haar eersteling aan haar boezem lag, en die allerlei +gedaan en allerlei gewaagd zou hebben dat haar jong leven had kunnen +in gevaar stellen en u van een moeder berooven, eer gij nog wist dat +gij een moeder hadt. Wat u betreft: nooit heeft, in uw volgend leven, +een vreemde zooveel geduld gehad met al uw kuren bij dag en bij nacht: +nooit een vriend (zelfs geen kunstvriend) u zoo overvloedig in het +aangezicht geprezen; nooit een weldoener zoo veel "stank voor dank" +van u ingeoogst. Van harte hoop ik, mijnheer! dat gij hare ontschatbare +diensten nog eenmaal zult weten te waardeeren, bij het kraambed van +de echtgenoote van uw hart, bij de vuurmand van uw eerstgeboren zoon. + +Dan zij het oogenblik daar, waarin gij zeggen zult: "O, mijn Baakster, +gezegd Baker! Gij trokt een goed loon; gij hadt veel noten op uw +zang; de meiden haatten u deswege met al het vuur van een gloeienden +partijhaat; gij ontvingt een schat aan fooien; gij deedt mijn moeders +amandelstrikken en moscovisch gebak verdwijnen als een morgennevel; +maar gij waart onbetaalbaar! Gij hadt, als ik het zeggen mag, +uwe vooroordeelen, uwe bijgeloovigheden, uwe eigenzinnigheden; gij +waart wellicht niet geheel en al vrij van kwaadsprekendheid. Maar +uwe teedere, nauwgezette, waakzame zorg geven u aanspraak op een +kroon. Mij is in mijn kindsche dagen, op alle scholen, in alle +geschriften voor de jeugd, steeds voorgehouden de plichten van +dankbaarheid te betrachten jegens mijne ouders en onderwijzers; maar +mijnen kinderen zal ik erkentelijkheid inprenten jegens hunne ouders, +en onderwijzers, en Bakers... + +"En zulks te meer, nu het getal onderwijzers met een leeraar in de +gymnastiek vermeerderd is." + + + +Dit opstel schijnt alleen van de _goede_ bakers te spreken. + + + +_Hildebrand_ heeft geene slechte gekend. Zijn eigen baker was een +uitstekende. Hij zal zich zijn leven lang verbazen dat er, met zulk +een baker, niets voortreffelijkers van hem geworden is. + +1841. + + + + + + + +BRIEF VAN HILDEBRAND AAN SCHIPPER RIETHEUVEL [35] + + +Aan den eerzamen Dirk Rietheuvel, bijgenaamd den Mottige, +Emeritus-Schipper bij het Haarlemsche Veer; op het _Levendaal_, +te Leiden. + +Geachte Vriend! + +Hoe menig, menig jaar is reeds voorbijgesneld sedert dien gelukkigen +tijd, waarin het mij zoo menigmaal gebeuren mocht een genoeglijk uurtje +(laat mij zeggen: een _viertal_ uurtjes achtereen) met u te slijten in +den _stuurstoel_ of, wanneer de weersgesteldheid dit minder wenschelijk +maakte, in de _roef_ uwer schuit; gij, in dat geval, op den drempel +van het deurtje gezeten, den schanslooper aan, den zuidwester op, +terwijl de knecht aan 't roer stond en niet kon nalaten van tijd tot +tijd eens mede te grinneken, wanneer uw onuitputtelijke geest aan +'t werken was. Drommels, Rietheuvel! ik heb vele mensenen ontmoet +die aardig waren, en nog oneindig meer die het volstrektelijk wilden +wezen, maar uws gelijken in aardigheid heb ik zelden gevonden. Hoe gaat +het tegenwoordig, bestevaar? En wat zeggen er de kleinkinderen van, +daar gij bij uw Guurtje, uw jongste, naar ik mij meen te herinneren, +het restje uwer dagen slijt? Hangen zij u niet aan de lippen, als de +oude vertelsels weer opkomen, in het schemeruurtje, als er geen licht +in 't vertrek is dan het wisselvallig licht van het vlammetje dat door +de kieren van de kacheldeur schijnt? Van de _kachel_deur; want, gelijk +den bloei van het veer, hebt gij ook den bloei van het _haardvuur (sit +venia verbo_--als prof. S. zeide, dien gij zoo menigmaal hebt gevaren +dat gij 't van hem overgenomen hebt) reeds vele jaren overleefd. + +Deze opmerking wekt misschien eene reeks van weemoedige gedachten bij +u op, die ik echter zeker ben dat gij weder eensklaps met een luimige +wending weet af te breken. Doch dit laatste, mijn beste Mottige! zal +niet noodig zijn, wanneer gij mijn brief slechts niet uit de handen +legt, eer gij hem ten einde toe hebt gelezen: een brief met geen +ander oogmerk geschreven dan om uwen laten levensavond niet weinig +op te leukeren door eene mededeeling, welke u alleszins stof tot +zelfvoldoening en een billijk gevoel van waarde opleveren zal. + +Heugt het u niet, mijn waarde vriend! hoe, nu dertig jaren geleden, +alle mogelijke roefreizigers schenen saamgezworen te hebben om u, +dag uit, dag in, te vervelen met hun schijnheilig beklag, omdat +het te voorzien was dat de spoorwegen (rare dingen, waarvan geen +hunner nog eenig denkbeeld had!) niet altijd in Nederland onbekend +blijven en gewisselijk uw eerzaam beroep ten eenemale in den grond +boren zouden? Hoe gij, in die moeielijke dagen, al de krachten +van uwen vaardigen geest hadt in te spannen om uw goede luim te +redden en het eentonig gejammer keer op keer af te snijden? En +zou het u daarbij vergeten zijn, hoe gij, te midden van deze +worstelingen, op eenmaal op het treffend denkbeeld kwaamt van een +nieuw vervoermiddel, door een nieuwe beweegkracht gedreven, waarvan +uw ver vooruitziende geest voorspelde dat het, eenmaal in practijk +gebracht, tot stoom en spoorwegen staan zoude, gelijk deze thans tot +de trekschuiten? Gij gaaft aan deze uwe vinding den schilderachtigen +naam van _Onderaardschen Schietblaasbalg_ en wist de werking van dit +mechanisme, door niets anders gedreven dan de _persing der lucht_, zoo +duidelijk en, ik mag zeggen, zoo smakelijk voor te stellen, ja ook met +teekeningen van eigene of bevriende hand zoo gelukkig op te helderen, +dat menig trekschuitreiziger uw roef niet zonder een diepen indruk van +'t gehoorde verliet, gelijk ikzelf dien dan ook altijd bewaard heb, +en zelfs zoo vrij ben geweest dien weder te geven in een opstel, onder +den nederigen titel van "De Veerschipper", buiten uw weten gedrukt, +en dat misschien nimmer onder uwe oogen gekomen is, maar waarin, +zoo aan uwe begaafdheden in het algemeen, als aan deze uwe vinding in +'t bijzonder, eene welverdiende hulde is toegebracht. + +Welnu, geniaalste aller geniale veerschippers, hetzij die al of niet +van de kinderpokken geschonden zijn, en het meerder vernuft al of +niet als eene gelukkige tegemoetkoming aan mindere lichaamsschoonheid +bij hen te beschouwen zij!--wat zult gij zeggen, indien ik u naar +waarheid verhaal, dat de uitvoerbaarheid van uw denkbeeld gebleken, +dat uw stoute gedachte verwezenlijkt, dat de _Onderaardsche +Schietblaasbalg_, in het oogenblik waarin ik u schrijf, in vollen +gang is--vooralsnog niet "tusschen Amsterdam en Rotterdam", waar de +waterachtigheid van den bodem wellicht nog lang duchtige bezwaren +tegen een dergelijke onderneming zal opleveren--maar in Engelands +groote hoofdstad Londen, waarvan het u wel bekend zal wezen dat +zij alleen eene oppervlakte beslaat van een uur of zes, zeven in +'t rond, nergens van eenig kanaal of trekvaart doorsneden! ... Geen +nood! Zij heeft hare talrijke _omnibus_-lijnen, die haar in alle +richtingen doorkruisen; zij heeft hare _spoorweg_-lijnen, over hare +hemelhooge huizen heen en tusschen hare ontelbare schoorsteenen +door, zoowel als hare spoorweglijnen onder den grond; doch thans +ook; wie is het geweest, Rietheuvel! die uw denkbeeld gestolen, +die uw echt Hollandsche vinding, onder den grond, onder den bodem +der zee door, naar Brittanje overgevoerd heeft, ener tot zijn eigen +profijt hoogstwaarschijnlijk bij het Engelsche parlement een patent op +gevraagd, dat u van alle voordeelen uitsluit?--thans heeft zij ook haar +_Onderaardschen Schietblaasbalg_--"pijpen, buizen, kanalen, weetje", +(van het eene einde van de stad naar het andere) en "vicie versie", +waarin, met de hoogst mogelijke snelheid, brieven en pakketten, en +ook menschen, vervoerd worden door geen ander middel dan de _persing +der lucht;_ met den besten uitslag; geheel naar uw gronddenkbeeld; +ofschoon onder een anderen naam, lang niet zoo duidelijk als dien, +welken uw vaardig brein tegelijk met de zaak had opgeworpen, en +meer naar de lamp riekende dan naar eenig ander licht, den naam van +_Pneumatische Expeditiebuis_ [36]. Slechts, opdat ik u dit terstond +zegge, slechts dames zijn door dit middel nog niet vervoerd kunnen +worden. Want hoewel de stijve wijde mouwen, waarvan gij voor dertig +jaren gewaagdet, nu geen bezwaar meer opleveren, zoo is sedert, in de +zoogenaamde _crinolines,_ een ander ontstaan, hetwelk onoverkomelijk +is, zal er, nevens de kanalen van den Schietblaasbalg in questie, in +het Onder-aardsche Londen nog eenige ruimte overblijven voor hetgeen +billijkerwijze voor gas-, water-, en andere leidingen gevorderd wordt. + +Het moet een treffend oogenblik geweest zijn, waarde vriend! toen, +voor weinige weken, na eenige voorloopige proefnemingen met +levenlooze pakjes en ongevoelige zakken, de eerste personentrein van +het zoogenaamde Holborn afging om, men mag zeggen "in een zucht", +en niet alleen _"in_ een zucht", maar nu ook "door middel van een +zucht", een afstand af te leggen van meer dan een half uur gaans, en +dat heen en terug. De plechtigheid had plaats onder opzicht van den +Hertog van Buckingham, _Chairman of the Pneumatic Despatch Company,_ +hetwelk ik voor u niet beter weet te vertalen dan door _Commissaris +van het Onderaardsche Schietblaasbalg-Veer_, en in tegenwoordigheid +van een aantal mannen van wetenschap. Laatstgenoemden waren metterdaad +de eerste passagiers, en het moet een aandoenlijk schouwspel geweest +zijn, toen de een voor, de ander na--niet op de weegschaal die, +bij uwe eerste vinding onontbeerlijk, bij deze na-vinding gemist +schijnt te kunnen worden, maar--in de laden stapte, die allen voor +eenige oogenblikken aan het daglicht onttrekken zouden. De houding, +welke de geleerde heeren hierbij hadden aan te nemen, was om de +waarheid te zeggen, noch opwekkelijk, noch gemakkelijk. Zij waren +genoodzaakt zich plat op den rug neder te leggen, niet zonder de +behoefte aan een hoofdkussen te gevoelen, hetwelk hier ontbrak, +maar door u zeker niet vergeten zou zijn geworden, en lagen daar, +twee aan twee, niet ongelijk aan dooden in hunne kisten. Het geheel +deed metterdaad eenigszins den indruk van een levendbegrafenis-, +een Albrecht-Beyling-tooneel. Maar nauwelijks had men den tijd +zich dit te zeggen, of ziet! daar waren onze mannen reeds weder +terug en hadden, behalve van eenige oogenblikken "niks niemendal +as egyptische duisternis", van niets te vertellen dan van eene min +of meer onaangename gewaarwording bij het afgaan en aankomen; (het +"geknipknap der veeren" waarschijnlijk), en voorts van, _op de ooren_, +een zeker gevoel van drukking, hetwelk ongeveer het vierde deel van +een minuut aanhield en "best te vergelijken scheen met hetgeen men" (ik +weet niet of gij het u herinnert?) "in een _duikerklok_ ondervindt, een +zuiging, alsof men onder een golf werd doorgetrokken"; op de _oogen_, +een zeer opmerkelijke koude, niet ongelijk aan die van vallend water, +waarschijnlijk min of meer alsóf men onder den drop van een dakgoot +uitgestrekt lag; en voor den _neus_, geen de minste gewaarwording als +zoude de atmosfeer in de buis vuil of bedorven zijn, maar wel hier +en daar een roestluchtje, dat verdwijnen zal als de machine wat meer +gebruikt zal worden en alzoo zichzelve glad maken en houden. Wat de +beweging betreft, men had ze niet onaangenamer bevonden dan die van +een oude waggon op een niet al te besten spoorweglijn, en gij zult +mij toestemmen dat men, sedert de roekelooze verwaarloozing der +trekschuiten, wel nergens ter wereld op iets dat veel beter zoude +kunnen zijn, rekenen kan. De eerste passagiers van de _Pneumatische +Expeditiebuis_ waren dan ook ten eenemale voldaan; de Hertog van +Buckingham gaf zijne hooge tevredenheid onbewimpeld te kennen; +de aandeelhouders in de onderneming betoonden zich ondubbelzinnig +in hun schik; en het gevolg van den proefrit is geweest, dat men +besloten heeft het onderaardsche Londen zoo spoedig mogelijk van +een Schietblaasbalg-net te voorzien, zoo volkomen, dat daardoor alle +bovenaardsche spoorwegstations en markten en postkantoren onderling +vereenigd zullen zijn. Met 35 Engelsche mijlen aan buizen en een +kapitaal van vijftien millioen Hollandsche guldens is dit te doen. [37] + +Bij mijn eerstvolgend bezoek aan Engeland, hoop ik mij met eigen oogen +te gaan overtuigen hoe ver men gevorderd is. Maar hoe zeer zoude ik +wenschen u daarbij aan mijne zijde te hebben, waardige man! tot nog +toe niet erkende, maar daarom niet minder hoogst verdienstelijke +Uitvinder van hetgeen bestemd is zoo krachtig bij te dragen tot de +oneindige eer onzer zoo bewonderenswaardige eeuw! Denk er eens over, +Rietheuveltje! Gij zijt wel hoog bejaard, maar zoo ik verneem nog +krachtig genoeg. Voor zeeziekte behoeft gij, bevaren Schipper! wel +niet bang te wezen, en de zaak heeft voor u een belangrijkheid, als +voor niemand anders. Maar als gij het doet, gij kunt er stellig op +rekenen dat er alle werk van gemaakt zal worden om u aan den Hertog +van Buckingham en, door dezen, aan de Koningin te doen voorstellen, +en als gij besluiten kondt u te laten angliseeren, ik zie niet waarom +er met zoo wel een _Sir_ Derrick Reedhill zou kunnen gemaakt worden, +als er een _Sir_ Joseph Paxton gemaakt is. + +Hoe het indertijd met die der Trekschuiten is gegaan, weet ik niet; +maar alle groote uitvindingen hebben dit bijzondere gemeen, dat +zij meer dan eens, en niet zelden in verschillende landen, òf te +gelijkertijd, òf op onderscheidene tijden, hebben plaats gehad. + +Dit is met het Kompas, met het Buskruit, met de Drukkunst, de +Gasverlichting, en ook met het gebruik van den Stoom als beweegkracht +geschied. Menigmalen gaat het zooals het hier gegaan is. Een genie +als het uwe vindt iets uit, voor de menschheid van het hoogste +gewicht. Maar die menschheid is op dat oogenblik de uitvinding nog +niet waardig; zij is voor de weldaad, welke deze in staat is aan te +brengen, nog niet rijp. Zij beschouwt die uitvinding als een aardig +denkbeeld, een zonderbaren inval, een grap, indien maar niet, zooals +met den eersten uitvinder van het stoomgebruik het geval geweest is, +als een gewrocht van onzinnige hersenen! Eeuwen of, in ons geval (wij +leven in deze onze 19de eeuw zoo snel) tientallen van jaren moeten +verloopen, eer een tweede genie opstaat, gelukkiger dan het eerste, om +de uitvinding te herhalen of weder aan den dag te brengen, en nu alles +gereed te vinden om haar op te nemen en haar een heilrijk succes te +doen te beurt vallen. En terwijl de wereld vervuld is van het gedruisch +dat zij bij deze hare tweede verschijning maakt, en schatten en +eereteekenen hun toevloeien die het geluk mogen smaken haar metterdaad +in werking te brengen, ligt de eerste vader (de grootvader!) van het +vruchtbare denkbeeld reeds sedert lang te vermolmen in een vergeten +graf, of brengt, als gij, mijn beste Rietheuvel! onder den titel van +emeritus-veerschipper, het overschot zijner dagen, met een allerkarigst +pensioentje, in een buurt als het Levendaal door, en heeft niemand die +hem op de rijke denkbeelden van zijnen eertijds zoo machtigen geest +en hunne gelukkige verwezenlijking door anderen, opmerkzaam maakt, +dan zijnen hem altijd in liefde gedenkenden vriend + +Dec. 1865. _Hildebrand_. + + +P.S. Vóór het sluiten dezes verneem ik nog, dat ook reeds de Pruisische +hoofdstad Berlijn van een _Schietblaasbalg_ voorzien is. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Aan het slot eener beoordeeling van _Geel's_ _Onderzoek en +Phantasie_, geplaatst in _De algemeene Konst- en Letterbode_, 1838, +N_o_. 1. Het stuk was onderteekend met een T. Men meende destijds +zoo zeker te weten wie de steller was, als nu b.v. wie in Nederland +de eerste stuurman is op het schip van staat. [Niemand minder dan +Thorbecke.] + +[2] [Zie over deze vertaling de artikelen van Jean Kleyntjes in +_L'Enseignement des Langues modernes_. I_e_ Ann. Livr. 5 & 6. III_e_ +Ann. Livr. 2 Brux. 1887, 1889.] _Bijv._ 1888. + +[3] Zie tot nadere toelichting van dit merkwaardig verschijnsel: +Jon_s_. _Dyserinck_, Hildebrands _Camera Obscura_. Middelburg, 1882, +bl. 40. + +[4] [Van een hem ten jare 1885 beleefdelijk te kennen gegeven voornemen +eener gedeeltelijke vertaling in het Volapük schijnt niet gekomen te +zijn. Ook heeft de S. haar, voor zooveel in hem was, verbeden.] _Bijv._ +1888. [Toch verscheen dit jaar eene vertolking van "Een oude Kennis" +in die z.g. wereldtaal. (Arnhem, de Muinck & Co.)] _Bijt._ 1891. + +[5] _Hildebrands_ _Camera Obscura_ door +Joh_s_. _Dyserinck_. Vermeerderde herdruk uit "de Gids" van +Dec. 1881. Middelburg, J. C. en W. Altorffer. 1882. + +[6] Welk een vereenvoudiging brengen de "24 Artikelen" in 't lager +onderwijs! Het heele jonge Holland wint in gemak bij de omwenteling +van Dertig. + +[7] "Humor ist das Romantisch-Komische, das umgekehrte Erhabene, +worin das Endliche auf das Unendliche, der Verstand auf die Idee +angewand wird". + +[8] In de eerste en tweede uitgaven vermeldde ik _roode,_ doch ben +onderricht geworden dat zoodanige klinkers niet bestaan. Ik moet mij +dus verzien hebben. + +[9] Ik waag de gissing dat _"Barnave_, par _Jules Janin_" mijn goeden +oom en zijn vriend door 't hoofd gespeeld heeft. + +[10] Sinaasappelen zijn schaarsch in October. Zij zijn er echter nog +bij menschen als mijn tante, die van sparen en bewaren weten. + +[11] Een kleine schuur, ook tot berging van gereedschappen +enz. bestemd. + +[12] Ik twijfel niet of er zullen menschen gevonden worden, die zich +beklagen dat er geene circumflexen en veel te weinig comma's in mijn +boek te lezen staan. Ik had er over gedacht hier ten slotte eene +geheele bladzijde met die teekens bij te voegen om naar willekeur +over de bladzijden uit te strooien, maar ik vreesde dat het al te +aardig staan zou. + +[13] Dat in de sedert gevolgde uitgaven deze drukfouten niet meer +voorgekomen zijn, laat zich denken, en dat ook in deze, gelijk +reeds sedert de zevende uitgave, de spelling van het Woordenboek der +Ned. Taal naar vermogen gevolgd is, heeft de lezer wel opgemerkt. + +[14] Hier volgen de sedert de 3de uitgave (1851) bijgevoegde, +maar sedert de 2de (1840) reeds gereed liggende "Nieuwe +Vertooningen." (Zie bl. 132.) + +[15] De keggen zijn misschien aan mijne lezers niet zoo bekend als bij +de timmerlieden. Het is een soort van wiggen, waarvan de eene kant +schuin afloopt, de andere horizontaal is; zij dienen om, met kracht +hier of daar tusschen geslagen wordende, zware lichamen eenigszins +op te lichten, waterpas te stellen, of twee lichamen sterk tegen +elkander aan te drijven. + +[16] Vier gulden. + +[17] _Wilhelm Meisters Lehrjahre_. + +[18] D.i. dun, schraal. + +[19] D.i. Holsblokken. + +[20] D.i. een vijfje trek- of strijkgeld halen. + +[21] Zie Tweede uitgave, bl. 132. Narede. + +[22] _Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum,_ _Hor_. Ep. 1. 14; +Men schaamt zich 't spelen niet, maar 't altijd door te spelen. + +[23] "Dit stukje was door den auteur losweg geschreven, in de stemming +die het motto, waarmee het ditmaal pronkt, aangeeft. Hij meende er +schertsende mede te velde te trekken tegen het al te mathematische +in wetenschap en opvoeding. Onloochenbaar is het, dat hem hier +en daar een ernstiger wenkje is ontvallen, en wat daar waars en +behartigingswaardigs in zou kunnen zijn, neemt hij ook nu niet terug; +maar hij wilde niet gaarne, dat men zijn opstel voor een opzettelijke +smaadrede op wetenschappelijk onderzoek aanzag, en het er voor hield, +alsof hij eene kinderachtige lofrede op kinderachtig bijgeloof had +willen schrijven". Aant. bij den 2den druk van deze--_boutade_, +in 1840. (_Proza en Poëzy; Verspr. Opst. en Verzen;_ bl. 1-13). + +[24] Ik moet hier recht doen aan de edelmoedigheid van mijn vriend +_Baculus_, die mij voor eenige maanden alleraangenaamst met een +exemplaar van dit mijn lievelingswerk veraste. De goede man deed wat +hij kon; maar het was _mijne_ Moeder de Gans niet. + +[25] Of men laat hen bladeren in boeken, als b.v. _De fabelen van_ +_Gellert_ (die _niet_ voor de jeugd geschreven zijn), opdat zij toch +vroeg zouden leeren hunne naasten te mistrouwen en met de vrouwen +te spotten. + +[26] _Bijbel voor de Jeugd,_ D. I. bl. 3. + +[27] Sedert men begonnen heeft de insecten-wereld te beschaven, +waarvan de heer _Bertolotto_ met zijn "Industrielles" een verheven +voorbeeld gegeven heeft, is er ten minsten een lichtstraal van troost +gekomen. En wanneer de Maatschappij tot Zedelijke Verbetering en het +Matigheids-genootschap der Infusoria zullen zijn opgericht, is het +te verwachten, dat de oxygeen-mikroscoop ons vreedzamer tooneelen +zal kunnen aanbieden. + +[28] Zoo moesten, dunkt mij, de kerken ook volstrekt niet vernederd +worden tot verzamelingen van curiositeiten. Ik ken eene stad, anders +uitmuntende door den prijs dien zij op het statige harer bedehuizen +stelt, waar onder anderen, op een der muren van de hoofdkerk, de maat +is aangewezen van een befaamden reus en van een niet minder vermaarden +dwerg, die in of nabij die stad geleefd hebben. Evenmin moest men +dulden dat men de heiligdommen tot eene soort van groote pakhuizen +gebruikte, waar brandemmers en ladders aan de muren hingen. Over het +geheel kon er meer orde en eenvoud en zindelijkheid en betamelijkheid +heerschen. Een apostel heeft gezegd: "Laat alle dingen eerlijk en +met orde geschieden". + +[29] Osmer, an ei tis en mesoi toi puthmeni tou pelagous oikun, oioito +te epi tis thalattis oikein, kai dia tou udatos oron ton ilion kai ta +alla astra, tin thalattan igoito ouranon einai, k. t. l., Plato +(Phaedon. C. 58.) + +[30] Gen. I vs. 2. Vgl. Deut. XXXII. vs. 11. Hebr. + +[31] Het volgende stukje, hier om den wille der volledigheid opgenomen, +is niet meer dan een grap. Het is de _parodie_ van een brief aan +Hildebrand door zijn vriend Baculus geschreven; brief, waarvan de +inhoud enkel bestond uit eene (voor het overige welverdiende en +welsprekende) lofrede op het genie der beroemde treurspelspeelster +_Rachel_. + +[32] ontdekte. + +[33] drek. + +[34] Zie hiervoor: _Varen en Rijden_. (1837). + +[35] Zie hiervoor (bl. 320 en vlg.) "De Veerschipper"; een opstel +van 1840. + +[36] _Pneumatic Despatch Tube._ + +[37] £ 1.250.000. Zie alle hiergenoemde bijzonderheden in _The +Illustrated London News_ van 18 Nov. 1865, _Suppl._ p. 496; waarbij +een plaat p. 493. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Camera Obscura, by Hildebrand + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CAMERA OBSCURA *** + +***** This file should be named 15975-8.txt or 15975-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/5/9/7/15975/ + +Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + |
