summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/15975-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:47:54 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:47:54 -0700
commit552fd217c4c1af3475c42bcca87a80e441e3f3f6 (patch)
tree77fde9a197163a833d310e81babf7e3b5e41c7a7 /15975-8.txt
initial commit of ebook 15975HEADmain
Diffstat (limited to '15975-8.txt')
-rw-r--r--15975-8.txt18880
1 files changed, 18880 insertions, 0 deletions
diff --git a/15975-8.txt b/15975-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..f1af28d
--- /dev/null
+++ b/15975-8.txt
@@ -0,0 +1,18880 @@
+The Project Gutenberg EBook of Camera Obscura, by Hildebrand
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Camera Obscura
+
+Author: Hildebrand
+
+Release Date: November 3, 2008 [EBook #15975]
+Last Updated: February 27, 2018
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CAMERA OBSCURA ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+ CAMERA OBSCURA
+
+ Van
+
+ Hildebrand.
+
+
+ Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum.
+ Horatius.
+
+
+ Negen en twintigste druk.
+
+ Haarlem De Erven F. Bohn.
+
+ 1917.
+
+
+
+
+
+
+
+ De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en Verbeelding
+ vallen in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommige zoo
+ treffend en aardig dat men last gevoelt ze na te teekenen en,
+ met ze wat bij te werken, op te kleuren, en te groepeeren, er
+ kleine schilderijen van te maken, die dan ook al naar de groote
+ Tentoonstellingen kunnen gezonden worden, waar een klein hoekje
+ goed genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten
+ op zoeken; want niet alleen staat er honderdmaal een neus
+ van Herinnering op een gezicht van Verbeelding, maar ook is de
+ uitdrukking des gelaats zoo weinig bepaald, dat een zelfde tronie
+ dikwijls op wel vijftig onderscheiden menschen gelijkt.
+
+ _Anonymus_
+ _in libro non edito._
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT, ZESDE DRUK; 1864.
+
+
+Het is nu juist vijfentwintig jaren geleden dat, in het najaar
+van 1839, de _Camera Obscura_ hare intrede in de wereld deed. De
+pseudonieme Schrijver, toen zelf nog maar even vijfentwintig jaren oud,
+ofschoon in een ander vak van letterkundige voortbrengselen, onder
+zijn eigen naam, niet onvriendelijk door zijne landgenooten opgenomen,
+zag zijne stoutste verwachtingen overtroffen, als de buitengewoon
+hartelijke ontvangst van dit zijn werk binnen 't halfjaar een _tweeden_
+druk noodzakelijk maakte, welke dan ook in 't voorjaar van 1840 het
+licht zag. Toen, elf jaren later, een _derde_ druk noodig werd, had
+hij den moed de nieuwe uitgave met eenige tot hiertoe onuitgegevene
+opstellen zoodanig te vermeerderen dat het boekdeel, hetwelk nu
+(1851) het licht zag, schoon kleiner van formaat, wat den inhoud
+betrof meer dan verdubbeld was. Van dat oogenblik af, kwam er een
+nieuw leven in eene belangstelling, die van den beginne aan boven
+verwachting was geweest en nimmer was afgebroken. De Belgische pers
+vereerde het Hollandsche boek eerlang met een nadruk (1853); maar deze
+verhinderde niet dat reeds in het volgende jaar een _vierde_ wettige
+uitgave in het vaderland noodzakelijk was, onder wier omslag nu ook
+de tot nog toe hier en daar _Verspreide Stukken van_ _Hildebrand_
+aan zijn hoofdwerk werden toegevoegd. Ook deze was echter in 1858
+uitgeput en maakte plaats voor eene _vijfde,_--en zie hier nu de
+_zesde_, in alles aan de vijfde gelijk, behalve dat eenige druk-
+en stijlfouten verbeterd en waarschijnlijk ook weder eenige nieuwe
+gemaakt zijn, en dat de verstandige lieden, die tot deze _zesde_
+uitgave gewacht hebben zich het boekdeel aan te schaffen, zonder
+vermeerdering van kosten, daarbij nog dit voorbericht winnen.
+
+Het is den Schrijver eene streelende gedachte, dat aan zijn werk, in
+deze _zesde_ uitgave, het voorrecht te beurt mag vallen in handen te
+komen van een geslacht van landgenooten, nauwelijks of niet geboren,
+toen hij het voor het eerst aan het licht bracht; het volwassen,
+meerderjarig kroost van dat, waaronder hij zelf is opgegroeid, waarvoor
+hij schreef, en dat hij schetste; maar niet minder treft het hem,
+zich daarbij inderdaad te moeten afvragen of niet dit nieuw geslacht
+ruim zoo zeer behoefte zou hebben aan ophelderende aanteekeningen bij
+zijn werk gevoegd, als aan deze, min of meer historische, voorrede? Of
+maakt niet het vierde eener eeuw; en eener eeuw als de negentiende;
+maakt niet het vierde eener eeuw een tijdperk uit, lang genoeg om
+een boek als het zijne hier en daar zonderling te doen voorkomen en
+op menige plaats onverstaanbaar te doen worden?
+
+De mannen, die met den Schrijver het jaar van den "Volksgeest"
+beleefd hebben, tot welks eer wij nu in de hoofdstad een gedenkteeken
+zien pralen, dat--eenig in zijn soort mag worden genoemd, herinneren
+zich b.v. zonder twijfel de loffelijke poging nog wel, destijds van
+diezelfde hoofdstad uitgegaan, om in Nederland, tot schitterender
+triomf over België, eene nationale kleederdracht te improviseeren. Als
+zij hunne oogen sluiten, zien zij gewis nog weder voor hun geest
+oprijzen die nationale "_tunica's_", waarop de eerste nommers van het
+nationale modeblad de nationale oogen deden verlieven! Maar wat stelt
+het tegenwoordige geslacht zich voor, wanneer het den Schrijver van
+"nationale hoeden" ziet gewagen? Wat denkbeeld vormt het zich, in dit
+jaar 1864, van dameshoeden met luifels, van Rapponische krachten, van
+een mathesisexamen in het Latijn, of van eene Vierde Klasse van het
+Koninklijk Nederlandsch Instituut? Hoe ondenkbaar moet in zijn oogen
+een Nederland _zonder_ spoorwegen; hoe buitensporig een Sint-Nicolaas
+_met_ verguldsel voorkomen; hoe ongepast een karakteristiek der
+periodieke pers, als in "_Gerrit Witse_" beproefd is! Wat weet het van
+baleintjes om lange pijpen door te steken? van achtëntwintigen? van
+veete tegen de Belgen? wat van lantarenvullers? En waar de namen van
+een Smallenburg, een Macquelyn, een Don Carlos genoemd worden, waar
+van de Industriëlles van Bertolotto, _De Avondbode_, de _woestijn_
+van het Koegras, gewaagd wordt, zou daar voor zeer velen een kleine
+aanteekening wel overbodig zijn?
+
+Met dat al heeft de Schrijver nog niet kunnen besluiten, bij
+de tegenwoordige uitgave reeds in deze "dringende behoefte" te
+voorzien. Het blijve voor gehoopte latere drukken bewaard, als
+de behoefte nog dringender, de _notennood_ nog hooger gestegen
+zal zijn. Ook mag de Schrijver zich afvragen, of het niet al te
+onedelmoedig wezen zoude, door het voorshands nutteloos maken van
+hunnen arbeid, aan de oudheidkenners, Navorschers en Commentatoren
+van volgende tijden een bewijs van wantrouwen te geven, hetwelk zij
+in geen opzicht hebben verdiend.
+
+De oudste stukken in dit boekdeel, waarin geene van een latere
+dagteekening dan het jaar 1841 voorkomen, zijn: _Een Beestenspel_,
+dat reeds in den _Studenten-Almanak_ voor 1837 een plaats vond,
+en _Vooruitgang_, opgenomen in het October-nommer van _De Gids_
+van dat zelfde jaar.
+
+Wat _Een Beestenspel_ betreft, ik hoop dat het _Nederlandsch
+Woordenboek_ zich ontfermen zal over den Naam. Sedert de loffelijke
+instelling, welke het groot publiek zich verhardt _Apentuin_ te noemen,
+en die door beschaafde lieden _Artis_, door niemand _Diergaarde_
+geheeten wordt, behoort de Zaak nu reeds tot de antiquiteiten, en
+heeft de wel wat woorden- en tegenstellingrijke strafrede grootendeels
+uitgediend. Het "hybridisch" stukje _Vooruitgang_ dankt aan dit
+zijn gebrek zelf, in verband met de wel wat ruwe, maar niet geheel
+onrechtvaardige tuchtiging, welke daaraan terstond na zijn verschijning
+in het genoemde maandwerk, van eene scherpe pen te beurt viel, zijn
+onsterfelijkheid en voor den Schrijver een groot gewicht. Het heugt
+hem als de dag van gisteren, hoe weinig de kastijding, ten dage dat
+zij uitgedeeld werd, hem smaakte, en met welk eene verontwaardiging
+hij zijne pen opnam en aanpuntte en een antwoord schreef en overschreef
+en--ter zijde legde... "De Heer G. schijnt te hechten aan den steller,
+wiens stukje hij aldus eert. Een wezenlijk talent zoekt zulk een
+regter"--vond hij ergens geschreven door eene andere pen, waaruit
+wel nooit iets, dat niet puntig was, is voortgekomen. [1] Dit was en
+olie, en zout. Beide deden goed. Zonder dat woord, hetwelk hier, na
+vijfentwintig jaren, dankbaar vermeld wordt, ware de _Camera Obscura_
+misschien niet, en stellig niet beter, geschreven.
+
+Dat echter het boek, zooals het is, in meer dan één opzicht de sporen
+draagt van den jeugdigen leeftijd waarop het is tezamengesteld, ziet de
+Schrijver zelf nu beter dan menig ander, en hij weet de zoo ongemeene
+gunst, welke het bij zijne landgenooten steeds gevonden heeft, aan
+niets anders toe te schrijven dan daaraan, dat het zijner onbekommerde
+jeugd, hij weet zelf niet hoe, over het algemeen eenigszins gelukt moet
+wezen, met waarheid te schetsen, zoodat in zijne kleine tafereelen de
+Mensch den Mensch, en de Nederlander zijn Vaderland gevonden heeft;
+terwijl de herkenning niet al te pijnlijk was gemaakt door een jong
+gemoed dat, van boosaardigheid vrij, zijn vaderland en de menschen
+liefhad. En, ook na vijfentwintig jaren, is dat gemoed niet veranderd.
+
+Ook in den Vreemde is zijn arbeid niet onopgemerkt gebleven. Behalve
+vertalingen van enkele episoden (die van _Keesje_ en van de
+_Verguldpartij_) in het Bngelsch in _Fraser's_ en in _Chamber's
+Magazine_ (1854), en in het Fransch in de _Revue des Deux Mondes_
+(1856) blijkbaar van zeer bekwame hand, en van _Gerrit Witse_,
+in het Hoogduitsch in _Die Niederlande_ door _Dr. Alb. Wild_
+(1862), zag eene volledige overzetting van de _Camera Obscura_,
+gedeeltelijk onder den titel van: _Scènes de la Vie Hollandaise_
+(1856), gedeeltelijk onder dien van _Chambre Obscure_ (1860), te
+Parijs het licht. Van deze zegt de Schrijver dit: dat de hem hierdoor
+wedervaren eer hier en daar nog al zeer verbitterd wordt door blijkbaar
+misverstand van zijne bedoeling; en dat niemand het hem al te kwalijk
+kan nemen, indien hij aan hoogmoedige gedachten toegeeft, wanneer
+het blijken mocht, dat het geestigste volk der wereld met zijn werk,
+in _deze_ vertaling, opheeft. Er zijn voorbeelden dat vertalingen van
+tijdgenooten, in latere dagen, tot opheldering van duistere plaatsen
+in het oorspronkelijke werden te baat genomen. Hiertegen echter
+acht de schrijver zich verplicht de nakomelingschap, met opzicht
+tot _deze_ vertaling, eenigszins te waarschuwen. Wat hij b.v. met
+de "leerwijze van Prinsen" mag bedoeld hebben, zal, indien het ooit
+duister kon worden, niet veel licht verkrijgen uit eene overzetting
+met "la doctrine des princes": en indien er ooit een tijd kon komen,
+dat een volzin, als waarmede het hier in de laatste plaats voorkomende
+stukje aanvangt, niet terstond begrepen werd: _nooit_ voorzeker zal
+hij begrepen worden, indien men opheldering zoekt bij de volgende vrije
+vertaling: "Le nom de la garde (_Baker_) est une preuve évidente--qu'il
+ne faut pas avoir d'accès aux étoiles (_ster_) pour faire connaitre
+le titulaire d'un emploi féminin par excellence". Ik ben benieuwd te
+weten wat de Fransche _gardes_ er van gemaakt hebben [2].
+
+
+1 October, 1864.
+
+H.
+
+
+
+
+
+
+
+BIJVOEGSEL, VEERTIENDE DRUK; 1883.
+
+
+Ziedaar het voorbericht der _zesde_ uitgave, in deze _veertiende_
+wederom, waar men getoond heeft prijs op te stellen, in zijn geheel
+afgedrukt. In de _zevende_ (1871), met den _Brief van Hildebrand aan
+Schipper Rietheuvel_, en met het _Laatst_ en weemoedig _Bijvoegsel tot
+de Narede en Opdracht aan_ den in datzelfde jaar ontvallen _Vriend_
+vermeerderd, voegde de Schrijver aan de zeven jaar te voren gedane
+opgave van blijken van belangstelling in den Vreemde eene aanteekening
+toe van den volgenden inhoud: "Deze opgave kon, bij gelegenheid van
+den tegenwoordigen, zevenden druk, nog vrij wat vermeerderd worden,
+daar ik dankbaar erkennen moet dat alle Duitsche landen, Brunswijk,
+Saksen, Pruisen, Oostenrijk, om strijd van hunne belangstelling
+hebben doen blijken. Ik bespaar het echter tot den achtsten. Voor
+mijne eigenliefde is het op dit oogenblik meer dan genoeg hier aan te
+stippen, dat de Duitschers nu laatstelijk begonnen hebben ook hunne
+_reisherinnerinqen_ uit de _Camera Obscura_ te putten. (Zie _Im Neuen
+Reich_ 1871, N°. 18)" [3]. Wat echter, volgens deze aanteekening,
+voor de _achtste_ uitgave werd bespaard, werd, ondanks het aangroeien
+van de stof, ook in die achtste (1872), en voorts in alle volgende,
+teruggehouden, om plaats te maken voor eene verklaring, welke thans
+aldus zou kunnen luiden: "Wat er ook streelends moge zijn in de eer
+zich, met beter of slechter gevolg, in het Fransch, het Engelsch,
+het Hoogduitsch, het Italiaansch, en wellicht ook in 't Deensch en
+Zweedsch vertolkt te zien, en lezers te vinden tot in het verre Japan:
+voor het hart van den Schrijver der Camera Obscura heeft het weinig
+te beteekenen bij de zoete ondervinding der duurzame genegenheid van
+eigen land- en taalgenoot" [4].
+
+Wat betreft de in de voorrede van 1864 uitgedrukte meening omtrent
+het nog niet bereikt zijn van het _noodpeil_ voor ophelderende
+aanteekeningen: zij bleef bij volgende uitgaven nog steeds dezelfde,
+en "zijn gevoel van kieschheid tegenover de geleerden der toekomst
+werd bij den Schrijver nog altijd niet overwonnen." In den laatsten
+tijd echter, wordt hij mondeling en schriftelijk, door geleerden en
+ongeleerden, met zoovele vragen bestormd, dat hij in dit opzicht een
+ander begrip begint te krijgen van zijn plicht, en er ernstig aan
+begint te denken, in de meer en meer "dringende behoefte" eenigszins,
+in den een of anderen vorm, te gaan voorzien.
+
+Intusschen zou het hem niet mogelijk zijn deze, nu _veertiende_
+uitgave van zijn werk in het licht te zenden, zonder dat zij de
+openlijke betuiging bevatte zijner erkentelijkheid aan zijn vriend
+_Johannes Dyserinck_.
+
+Een belangstellender en oplettender lezer dan dezen, beide in
+oostersche en vaderlandsche letteren, zoo zeer ervaren landgenoot,
+heeft onder hare duizenden de _Camera Obscura_ niet gevonden. Hare
+_dertiende_ uitgave (1880) gaf hem aanleiding tot het schrijven dier
+voortreffelijke monographie, welke, eerst in _De Gids_ verschenen,
+later in "vermeerderden herdruk" afzonderlijk uitgegeven is [5]. In
+dit keurig opstel worden het leven en de lotgevallen, zoo in den
+Vreemde als in het Vaderland, van het nu meer dan veertigjarig boek
+beknoptelijk, maar vollediglijk, verhaald, en heeft de vriendelijke
+ingenomenheid van den geachten letterkundige, in verband met vroegere
+en latere oordeelen en beschouwingen van anderen, eene hartelijke en
+door den Schrijver der _Camera Obscura_ hooggewaardeerde uitdrukking
+gevonden.
+
+Maar wat bij dit alles voor dien Schrijver een zeer groot gewicht
+hebben moest, waren de hier geleverde bewijzen der allerbijzonderste
+oplettendheid door den heer _Dyserinck_ aan de onderlinge vergelijking
+der elkander opgevolgde uitgaven gewijd, aan welke nog de zin-storende
+of zin-veranderende drukfouten welke van tijd tot tijd in den tekst
+waren ingeslopen, noch de niet onbelangrijke uitlatingen, welke
+daarin van lieverlede hadden plaats gehad en door de onoplettendheid
+der correctie van de eene uitgave in de andere waren overgegaan,
+waren ontsnapt, noch ook de kleine, maar opzettelijke verbeteringen,
+door den Schrijver gaandeweg in de redactie aangebracht. Dit heeft
+bij dezen de uitwerking gehad, dat hij zich voelde aangespoord in elk
+dezer opzichten dubbel werk te maken van den toen reeds in uitzicht
+zijnden, thans in 't licht verschijnenden, _veertienden_ druk, en zich
+daarbij van de hoog te waardeeren hulp van zijn vriend _Dyserinck_
+te verzekeren. Zij is hem rijkelijk te beurt gevallen en, met een goed
+geweten, als die overtuigd is, in dezen niets bereikbaars verzuimd te
+hebben, meende hij dan ook ditmaal het "_met zorg_ herziene" op den
+titel te mogen stellen. Bij de zuivering der drukproeven, is van elk
+der opstellen nu weder de eerste druk tot grondslag gelegd, al het
+gaandeweg verdwenene, voor zoo veel het niet opzettelijk geschrapt of
+opgeofferd was, aan zijne vroegere plaats hersteld, en zijn tal van
+(niet slechts _druk_-) fouten weggenomen, menige gebrekkige of min
+gelukkige uitdrukking door een juistere en betere, maar vooral een
+goede hoeveelheid onduitsche woorden door vaderlandsche taal vervangen.
+
+Het zal den Schrijver niet dan aangenaam wezen, indien de wijzigingen,
+die de vrucht van deze ernstige herziening zijn, door hen, die alleen
+_deze_ uitgave in handen nemen, bij het lezen onopgemerkt blijven
+en zelfs niet worden vermoed; maar die het der moeite waardig mocht
+achten haar met de vorige te vergelijken, zal ze, zoo hij hoopt,
+niet onbelangrijk vinden en aan het meerendeel zijne goedkeuring
+niet onthouden.
+
+1 November, 1883. H.
+
+
+
+Zoomin als bij de elkander schielijk opgevolgde 15de, 16de, 17de,
+18de en 19de, heeft de Schrijver, bij deze 20_ste_ uitgave, aan
+het bovenstaande iets toe te voegen dan de verzekering, dat hij ook
+voor haar zijne beste zorgen heeft overgehad; en de herinnering,
+dat aan de reeds bij het schrijven der Voorrede voor de 6de
+gevoelde en sedert steeds "dringender" gebleken "behoefte", in het
+najaar van 1887, door zijn "_na vijftig jaar_, _Noodige en overbodige
+Opheldering van de Camera Obscura_", naar vermogen voldaan is. Een
+_tweede, geheel herziene druk_ zag daarvan in het voorjaar van 1888
+het licht. (Haarlem, De Erven F. Bohn.)
+
+1 Juli, 1900.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Jongens. 1
+ Kinderrampen. 5
+ Een Beestenspel. 13
+ Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout. 19
+ Humoristen. 33
+ Familie Stastok. 36
+ De Aankomst. 36
+ De Ontvangst. 38
+ Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te
+ spelen. 42
+ Het Diakenhuismannetje vertelt zijn historie. 49
+ Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje
+ te passeeren. 57
+ Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren
+ gaan. 71
+ Varen en Rijden. 88
+ Genoegens smaken. 98
+ Een Oude Kennis. 103
+ Hoe warm het was, en hoe ver. 108
+ Hoe aardig het was. 110
+ Hoe voortreffelijk zij was. 115
+ Verre vrienden. 120
+ Narede, en Opdracht aan een vriend. 129
+ Eerste uitgave. 129
+ Tweede uitgave. 131
+ De Familie Kegge. 135
+ Een treurige inleiding. 135
+ Kennismaking met menschen en dieren. 139
+ Een juffertje en een mijnheer. 150
+ Vaderangsten en kinderliefde. 156
+ Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn,
+ en voorts iets droevigs. 165
+ De Grootmoeder. 173
+ Een Concert. 177
+ Ochtendbezoek en Avondwandeling. 188
+ Een hoofdstuk, waarmee de auteur ijselijk verlegen is,
+ omdat hij er zelf de mooie rol in speelt, iets dat hij
+ wel weet dat hem in 't geheel niet past, maar dat hij
+ voor ditmaal niet helpen kan. 195
+ Het Hofje. De heer van der Hoogen af. 201
+ Een groote Hans en Adellijke Heer. Besluit. 209
+ 's Winters buiten. 214
+ Gerrit Witse. 227
+ Studentenangst. 227
+ Oudervreugd. 233
+ Meisjeskwelling. 237
+ Vrienden-hartelijkheid. 244
+ Dokters lief en leed. 260
+ Bijvoegsel der Derde Uitgave tot de Narede en Opdracht aan een
+ Vriend. 267
+ Laatste Bijvoegsel. 269
+
+
+_Verspreide stukken van Hildebrand_.
+
+_De Gids_, Jaargang 1837, 1838. _Proza en Poezy, Verspr. Opstellen
+en Verzen._ Haarl. 1840.
+
+ Vooruitgang. 273
+ Het Water. 279
+ Begraven. 284
+ Eene Tentoonstelling van Schilderijen. 292
+ De Wind. 302
+
+_Souvenirs d'un Voyage à Paris_, par _J. Kneppelhout_. Leyde, 1139.
+
+ Antwoord op een brief uit Parijs. 305
+
+_Leeskabinet_, Jaarg. 1811 (_De Patrijzen._)
+
+ Teun de Jager. 308
+
+_De Nederlanden. Karakterschetsen enz._, 's Gravenhage,
+Nederl. Maatsch. van Schoone Kunsten. 1841-1842.
+
+ De Veerschipper. 320
+ De Schippersknecht. 323
+ De Barbier. 326
+ De Huurkoetsier. 329
+ Het Noordbrabantsche Meisje. 332
+ De Limburgsche Voerman. 335
+ De Markensche Visscher. 338
+ De Jager en de Polsdrager. 341
+ De Leidsche Peuëraar. 344
+ De Noordhollandsche Boerin. 347
+ De Noordhollandsche Boer. 350
+
+_Ook het volgende stukje was voor _De Nederlanden_ bestemd en reeds in
+handen der redactie, toen het werk gestaakt werd, en de Maatschappij
+van Schoone Kunsten ophield te bestaan. Het verschijnt dus te dezer
+plaatse_ (1854) _voor het eerst in druk, om het dozijn schetsjes vol
+te maken._
+
+ De Baker. 353
+
+
+_Hollandsche Illustratie 1865/1866._
+
+ Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel. 356
+
+
+
+
+
+
+
+JONGENS.
+
+
+ Hoe zalig, als de jongenskiel
+ Nog om de schouders glijdt!
+ Dan is het hemel in de ziel,
+ En alles even blijd.
+
+ Een hout geweer, een blikken zwaard
+ Verrukken 's knapen borst,
+ Een hoepel en een hobbelpaard,
+ Dat draagt hem als een vorst.
+
+ Voor u de geur van 't rozenbed
+ En Filomele's zang!
+ Hij speelt kastie, dat 's andre pret!
+ Met rozen op de wang.
+
+ Niets, niets ter wereld doet hem aan
+ Of baart hem ongemak,
+ Dan stuiters die te water gaan,
+ Of ballen over 't dak.
+
+ Frisch op maar, jongen! vroeg en spa,
+ Den lieven langen dag!
+ Loop over 't veld kapellen na,
+ Zoo lang het duren mag
+
+ Haast zult ge op school gekortwiekt zijn;
+ Uw vreugd loopt snel naar 't end;
+ Haast krijgt gij Bröder tot uw pijn,
+ En Weytingh tot torment.
+
+
+Het oorspronkelijke is een lief versje van _Hölty_, die er wel
+meer lieve gemaakt heeft, waarvan het alleen jammer is, dat zij
+jeugdige dichters tot zeer onhollandsche vertalingen verleiden; ik
+althans heb er van dit zelfde versje nog een liggen, die beter onder
+een Neurenburger legprent "Knabenspiele" zou passen, dan onder de
+voorstelling van een hoop aardige Hollandsche jongens. En wezenlijk,
+de Hollandsche jongens _zijn_ een aardig slag. Ik zeg dit niet met
+achterstelling, veel min verachting, van de Duitsche, of Fransche,
+of Engelsche knapen, aangezien ik het genoegen niet heb andere dan
+Hollandsche te kennen. Ik zal alles gelooven wat _Potgieter_, in
+zijn tweede deel van "het Noorden", over de Zweedsche, en wat _Wap_
+in het tweede deel van zijne "Reis naar Rome", over de Italiaansche in
+'t midden zal brengen; maar zoolang zij er van zwijgen, houd ik het
+met onze eigene goed-gebouwde, roodwangige, sterkbeenige en, ondanks
+de veete tegen de Belgen, voor 't grootst gedeelte blauwgekielde
+_spes patriae_.
+
+De Hollandsche jongen;--maar vooraf moet ik u zeggen, mevrouw! dat ik
+niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontje, met blauwe kringen onder
+de oogen; want met al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling,
+acht ik hem geen zier. Vooreerst: gij maakt te veel werk van zijn
+haar, dat gij volstrekt wilt laten krullen; en ten andere: gij zijt
+te sentimenteel in het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is
+om voor oom en tante te worden afgenomen, maar volstrekt hinderlijk
+en onverdragelijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van
+krijgertje,--twee lieve spelen, mevrouw, die UEd. te wild vindt. Ten
+derde, heeft UEd., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen,
+om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde, laat gij hem doosjes
+leeren plakken en nuffige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven
+dingen te veel, die hij niet eten mag. En ten zesde, knort UEd. als
+zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon
+komt kijken; maar hoe zal hij dan ooit vorderingen kunnen maken in
+'t ootje-knikkeren? of de betrekkelijke kracht van een _schoffel_
+en een _klap_ leeren berekenen?--ik verzeker u dat hij nagelt,
+mevrouw! een _nagelaar_ is hij, en een _nagelaar_ zal hij blijven:--wat
+kan de maatschappij goeds of edels verwachten van een nagelaar?--Ook
+draagt hij witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet
+UEd. wat UEd. van uw lief _Fransje_ maakt? 1°. een gluiper; 2°. een
+klikspaan; 3°. een geniepigerd; 4°. een bloodaard; 5°... Och lieve
+mevrouw! geef den jongen een andere pet, een broek met diepe zakken,
+en ferme rijglaarzen, en laat hij mij nooit onder de oogen komen
+zonder een buil of een schram,--hij zal een groot man worden.
+
+De Hollandsche jongen is grof: fiksche knieën, fiksche knokkels. Hij
+is blank van vel, en kleurig van bloed. Zijn oogopslag is vrij; bij
+'t brutale af. Liefst draagt hij zijn ooren buiten zijn pet. Zijn haar
+is van zondagmorgen half elf tot zaterdagavond, als hij naar bed gaat,
+in volkomen wanorde. Het overige van de week zit het goed. Krul zit
+er meestal niet heel veel in. Gekrulde haren, gekrulde zinnen! Maar
+sluik is het óók niet; sluik haar is voor gierigaards en benepen
+harten; dat zit niet in jongens; sluik haar krijgt men, geloof
+ik, eerst op zijn veertigste jaar. De Hollandsche jongen draagt
+zijn das liefst als een touwtje, en nog liever in 't geheel niet;
+een blauw of schotschbont kieltje over zijn buis, en een verstelde
+broek--dit laatste kenteeken gaat vast. In dees broek voert hij met
+zich--al wat de tijd opgeeft; dat wisselt af; knikkers, stuiters,
+ballen, een spijker, een aangebeten appel, een stukkend knipmes,
+een touwtje, drie centen, een kluit vischdeeg, een dolle kastanje,
+een stuk elastiek uit de bretel van zijn oudsten broer, een leeren
+zuiger om steenen mee uit den grond te trekken, een voetzoeker, een
+zakje met kokinjes, een grifje, een koperen knoop om heet te maken,
+een hazesprong, een stukje spiegelglas, enz. enz. alles opgestopt en
+in rust gehouden door een bonten zakdoek.
+
+De Hollandsche jongen maakt in 't voorjaar eene verzameling van
+uitgeblazen eieren; in het uithalen van nestjes geeft hij blijken
+van kracht en behendigheid, en misschien van den aanleg tot de
+zeevaart, ons volk eigen; in het inkoopen van vreemde soorten,
+bewijzen van onverstoorbare goede trouw; en in het verkwanselen van
+zijne doubletten, van vroegtijdigen Hollandschen handelsgeest. De
+Hollandsche jongen, het is waar, slaat zijne bokken hardvochtig,
+maar in 't geven van roggebrood aan diezelfde dieren heeft hij zijns
+gelijken niet. De Hollandsche jongen is veel minder ingenomen met de
+leerwijze van _Prinsen_ dan de Hollandsche schoolmeester; maar wat
+de opvoeding van plakkers en paapjes betreft, hierin zou hij een
+examen kunnen doen voor den eersten rang. Hij is dolgraag op een
+paardemarkt, en wandelt op de parade voor de tamboers uit, met den
+rug naar de mooie mannen toe. De Hollandsche jongen encanailleert
+zich lichtelijk, en noemt spoedig over uit een woordenboek, dat aan
+Hollandsche moeders niet bevalt; maar hij heeft ook weinig aanmatiging
+jegens de dienstboden. Hij is gewoonlijk hoogrood als hij binnen moet
+komen om aan oom en tante te vragen hoe zij varen, en spreekt bij
+dergelijke gelegenheid bijna geen woord; maar minder spaarzaam met
+woorden en minder verlegen is hij onder zijns gelijken, en niet bang
+om voor zijn gevoelen uit te komen. Hij haat lafaards en klikkers met
+een volkomen haat; hij zal nog al eens gauw zijn vuisten uitsteken,
+maar spaart in 't vechten zijn partij; hij speelt niet valsch; hij
+heeft een bestendigen inktvlak op zijn overgeslagen halsboord, en
+wel wat neiging om zijn schoenen scheef te loopen;--hij houdt zijnen
+vader staande dat hij over ijs van één nacht loopen kan, en beschikt
+over vriezen en dooien naar lust en welgevallen; hij eet altijd een
+boterham minder en leert eene les meer, dan waar hij trek toe heeft;
+hij gooit een steen tienmaal verder dan gij of ik, en buitelt driemaal
+over zijn hoofd zonder duizelig te worden.
+
+
+
+Gegroet, gegroet, gij vroolijke en gezonde, lustige en stevige knapen;
+gegroet, gegroet, gij speelsche en blozende hoop des vaderlands! Mijn
+hart gaat open als ik u zie, in uwe vreugde, in uw spel, in uw
+uitgelatenheid; in uw eenvoudigheid; in uw vermetelen moed. Mijn
+hart krimpt toe, als het bedenkt wat er, ook van u, worden moet. Of
+zult gij, die daar beurtelings een frisschen beet uit een zelfden
+appel doet, in later jaren nooit gewaar worden dat het noodig is den
+appel in een hoek te nemen en alleen op te eten; ja, de schillen weg
+te stoppen, en de pitten te zaaien voor uwe nakomelingschap? En gij;
+die daar geduldig uw sterker rug leent aan uw vlugger vriend, die zich
+op uwe schouders verheft om in den boom het spreeuwenest te zoeken,
+dat heel hoog ligt: zal de ondervinding u de verdrietige wijsheid
+onthouden, dat het beter is zelf een ladder te krijgen, en zelf het
+nest uit te halen, dan een goeden dienst te doen en af te wachten óf
+en hoe men u zal beloonen?
+
+Dat is de wereld. Maar ook in uzelven zijn de zaden aanwezig van veel
+onheils en veel verdriets. Uwe voortvarende drift, uwe onschuldige
+teederheid, tot opvliegendheid, eerzucht en wellustigheid gerijpt;
+uwe levendigheid en onafhankelijk gevoelen, tot wereldzin en ongeloof
+verhard!... O, als gij in later jaren op uwe kindsheid terugziet,
+dat, dat zal de vreugde wezen, die gij het meest benijdt en nu toch
+het minst geniet, dat gij zooveel minder boos waart, dat gij zooveel
+onschuldiger waart tot zelfs in het kwaaddoen toe. De goede hemel
+zegene u allen, goede jongens, die ik ken, en rondom mij zie, en
+liefheb! Hij doe u lang en vroolijk spelen, en als de ernst des levens
+komt, zoo geve hij u ook een ernstig harte daartoe! Maar hij late u
+tot aan uw laatsten snik nog veel kinderlijke en jeugdigs behouden. Hij
+spare u, in hunne volle frischheid, eenige dier kinderlijke gevoelens,
+die den jongeling helpen in het zuiver houden van zijn pad en den
+man versieren; opdat gij mannen wordende in het verstand, kinderen
+blijft in de boosheid. Dit is een _stille_ wensch, jongenslief! want
+ik wil u nog geen oogenblik van priktol of hoepel aftrekken, zonder
+u voor die vreugde iets anders te kunnen geven dan ... een wensch!--
+
+
+
+
+
+
+
+KINDERRAMPEN.
+
+
+Ik kom nog eens terug op het versje van _Hölty_.
+
+
+ Hoe zalig als de jongenskiel
+ Nog om de schouders glijdt!
+ Dan is het hemel in de ziel,
+ En alles even blijd.
+
+ Niets, niets ter wereld doet hem aan
+ Of baart hem ongemak,
+ Dan stuiters die te water gaan,
+ Of ballen over 't dak.
+
+
+Het ontbreekt zeker niet aan dergelijke lofredenen op het geluk van
+jeugd en kinderjaren. Ik stem er van harte mede in; maar ik neem de
+vrijheid te mogen opmerken, dat ze alleen door menschen van leeftijd,
+of ten minste door jongelingen geschreven zijn, van wier standpunt
+gezien, het kinderlijk geluk bijna geen uitzondering toelaat. En zeker,
+zeker is dat een droevig bewijs voor den treurigen toestand van later
+dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjes geweest zijn van
+zeven, acht, of negen jaar, die hun actueel geluk zoo onvoorwaardelijk
+hebben geprezen. En toch dezulken waren er de naaste toe. Toen ik op
+de Hollandsche school ging, maakten wij in de hoogste klasse, bestaande
+uit heeren van negen tot tien jaar, allen des woensdag-voormiddags een
+opstel, soms over een gegeven, soms over een door onszelven gekozen
+en uitgedacht onderwerp. Maar ik roep al de Jannen, Pieten, Willems
+en Heinen, waarmee ik in de Jacobijnenstraat te H. op de banken zat,
+tot getuigen, of er ooit iemand is geweest, die zijn lei volgeschreven
+heeft met een optelling der genoegelijkheden of een uitweiding over
+'t ongestoord geluk des kinderleeftijds. Neen: wij schreven wel
+diepzinnige vertoogen over de Deugd, of over de Vier Jaargetijden:
+_Sander U._, wiens vader adjudant van een generaal was, heeft zesmalen
+over het Paard geschreven; en _Piet Q._ die nooit op het bord stond,
+en nooit meedoen wilde in de edele oefening van het puisje vangen,
+had het altijd over de Gehoorzaamheid en over de Vlijt, een denkbeeld,
+waar hem de opschriften van zijn extra-kaartjes op brachten. Eigenlijk
+vroolijke onderwerpen heb ik te geenen tijde door de collega's zien
+behandelen. Ik zelf heb het nooit verder kunnen brengen dan tot
+de philosophische beschouwing der Tevredenheid; een geluk, 't welk
+gewoonlijk door den jongeling voorbij-, en door den man vruchteloos
+nagestreefd wordt, en dat den grijsaard uitmuntend te pas zou komen,
+indien zijne lichaamsgebreken hem nog even veroorloven wilden het te
+genieten; een heel mooi ding die tevredenheid, maar in het volop des
+kinderlijken geluks vanzelf ingesloten en niet opmerkenswaardig.
+
+Doch om tot de zaak te komen! Van dat volop des kinderlijken geluks
+dan, schenen wij toentertijde toch niet heel vol, of althans niet
+zóo vol te zijn, dat wij het moesten uitstorten. Ik heb wel eens
+gemeend, dat het een onderscheidend kenmerk des echten, waarachtigen
+geluks zijn zou, dat het de minste behoefte had zich uit te boezemen,
+terwijl het ongeluk klachten en verluchtingen noodig heeft--om van
+de tranen niet te spreken. Want de menschen, die altijd den mond van
+hun geluk vol hebben, heb er ik wel eens op aangezien of zij ook naar
+een autoriteit zochten die, na gehoord verslag, hun zou verklaren
+dat zij gelukkig zijn, iets waarvan zij zelf tot nog toe zoo heel
+overtuigd niet waren. Zij achten zich zóó-zóó, niet ongelukkig, en
+niet razend gelukkig ook; maar zij schikken het goede in hun lot zoo
+bij elkander, en stapelen het in redevoeringen, die zij op wandelingen
+en, zoo gij met hen in ééne kamer slaapt, uit ledekanten, vooral na
+een goed souper, houden, dat zij u in de verzoeking brengen hen te
+benijden. Dat verhoogt dan onmiddellijk hun koud geluk tot een hooger
+temperatuur. Gij slaat een warme hand aan hun thermometer.
+
+Ziedaar een mooie opmerking, die ik gemaakt heb, en die ik met dit
+mooie physische beeld besluit; maar over 't onderwerp meer nadenkende,
+heb ik ook wel eens gedacht, of de school dan toch ook de rechte
+plaats wel was, om het kindergeluk diep te doen gevoelen. Ik weet
+wel, de meester zit er niet meer met slaapmuts en kamerjapon en een
+ontzettende plak in den katheder, en brengt ons niet langer door de
+verschrikkelijkheid zijner oogen en gebaren tot een punt van angst,
+waarin wij (als de jongen van ouds) zouden willen bekennen, dat wij
+zelf de wereld geformeerd hadden, maar 't nooit weer zouden doen,
+liever dan het antwoord schuldig blijven op de eerste vraag van
+het vrageboek. Wij lezen er ook niet meer, tot onze schrikbarende
+verveling, de Haarlemmer Courant, van A-Z. (Zijn wij daarom later
+minder goede politici?) Wij zitten er ook in een goed ruim lokaal,
+zoo hoog en zoo luchtig, dat het er somtijds aan de beenen tocht;
+wij hebben er niet zelden het uitzicht op een bleekveld met een
+appelboom, of op een binnenplaats met een bestekamer. Maar toch,
+de meester is zoo dik, en de ondermeesters zijn zoo lang, en hunne
+brillen en bakkebaarden zien er zoo onverbiddelijk uit, en de
+borden zijn zoo zwart, en de tafels zoo ongezellig, en de kaart van
+Nederland hangt zóó lang op dezelfde plaats, dat wij er de kleine
+scheurtjes en inktvlekjes nog beter op weten aan te wijzen, dan de
+steden der--toen was 't nog 17 provinciën [6]. Dan hebt ge--nog bloedt
+mijn hart--de Tafel van _Werkzaamheden_. Schrikkelijke werkzaamheden,
+wier optelling aan rekenboeken denken doet, en geographieboeken, en
+wat voor boeken er al meer zijn, wier blaren heen en weer schuiven
+in den band, wegens de krampachtige aanraking der wanhopige vingers
+van jeugdige heeren, die maar niet onthouden kunnen hoeveel koeien
+er jaarlijks aan de Hoornsche markt komen, en hoeveel inwoners
+en drukkerijen van Enschedé, en Kostersbeelden, en instituten voor
+schoolonderwijzers Haarlem heeft; of niet begrijpen kunnen, hoe zij de
+9de som uit de "Herhaling der voorgaande Regelen" moeten opzetten. O,
+die rekenboeken! zij waren de zwakke zijde van velen onzer. In mijn
+oog waren er geen hatelijker boeken. Vooreerst waren zij veel te vol
+letters, en ten andere veel te vol cijfers. Ten overvloede zijn er soms
+fouten in de opgave der uitkomsten; maar al zijn die er niet in, die
+opgaven zijn verschrikkelijk. Ga eens na. Gij hebt uw lei vol met een
+berekening van belang: driemaal hebt gij reeds de helft uitgeveegd,
+omdat gij bemerkte dat gij het vraagpunt niet begrepen hadt; maar
+eindelijk, de som is af, en gij krijgt tot uitkomst: 12 lasten,
+7 mudden, 5 schepels, 3 kop, 8 maten rogge. Met een gerust geweten,
+en met het zalig gevoel van als ijverig lid der maatschappij uw plicht
+gedaan te hebben, zoudt gij uw lei aan den ondermeester overgeven om
+te laten nacijferen. Maar neen! het hatelijk rekenboek geeft, onder
+den verwaanden titel "Uitkomst", op: 95 lasten, 2 mudden, 1 schepel
+rogge, en niet ééne kop of maat. Het is blijkbaar dat gij u vergist
+hebt; driemaal doet gij al de vermenigvuldigingen en deelingen over
+en weer over; eindelijk besluit gij alles uit te veegen, en nog hebt
+gij uw mouw op de lei, als de ondermeester komt om te gelooven dat
+gij niets hebt uitgevoerd. Dat had ik tegen die rekenboeken! Maar het
+kwaadwilligst en het onbillijkst van diezelfde uitvinding is, dat zij
+u op alle mogelijke manieren sarren en in uw zwak tasten. Daar zit
+gij sedert klokke halftien op school, bij mooi weer, in de maand Mei,
+als het groen jong is gelijk gijzelf en, wat meer is, als de plassen
+opgedroogd zijn, zoodat het heerlijk weer is om te knikkeren. Daar
+zit gij sedert halftien op de school, waar gij den voet hebt ingezet,
+met benijding terugziende op de armelui's kinderen, die geen opvoeding
+krijgen en "duitjen òp" speelden op straat. Eerst hoeft men u gedwongen
+met al uwe speelsche lotgenooten het lied aan te heffen:
+
+
+ Wat vreugd, het schooluur heeft geslagen,
+ Waarnaar elk kind om 't zeerst verlangt.
+
+
+Daarna hebt gij een uur gelezen van het model van een braven jongen,
+zoo braaf, zoo zoet, zoo gehoorzaam, zoo knap en zoo goedleersch,
+dat gij hem met pleizier een paar blauwe oogen zoudt slaan, als
+gij hem op straat ontmoette; of, indien gij al wat verder zijt, de
+levensschets van een onbegrijpelijk groot man, wien na te volgen u
+pedant en wanhopig toeschijnt, en door welke levensschets kunstiglijk
+een samenspraak is heengevlochten van knapen en meisjes, voor wie gij
+ook al geen de minste sympathie gevoelt, al "staan zij ook waarlijk
+verbaasd over de ontzettende kundigheden van dien man," daar vader
+_Eelhart_ of _Braafmoed_ van verhaalt. Het volgende uur hebt gij
+geschreven; naar een mooi exempel; als bijv., zoo gij groot schrijft,
+het woord _wederwaardigheid_, opmerkelijk door twee moeilijke W's,
+zonder aandikken bijna niet goed te krijgen, zevenmaal; of indien gij
+klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op, en zevenmaal tusschen
+de lijn: _Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid_; bij welke
+gelegenheid gij in twee regels het lidwoord _der_ hebt overgeslagen,
+wat tengevolge van de laatste lettergreep van het woord moe_der_
+zeer licht gebeuren kon, en eenmaal _voorwijzigheid_ in plaats van
+_voorzichtigheid_ hebt gezet, welke omstandigheden, zoo ieder op
+zichzelf als in onderling verband, u eenigszins angstig doen denken
+aan het uur, waarop de critiek des meesters haar uitspraak zal komen
+doen. Om niet te spreken dat gij gekweld zijt geweest met een linksche
+pen, ontelbare haren in den inkt, een klad of drie, met kunstenaars
+achteloosheid over uw schrijfboek verspreid, en de onverbiddelijke wet
+dat gij maar tweemaal uw pen op mocht steken om ze te laten vermaken,
+door een ondermeester, die even zoo ver is in die kunst als gij in
+'t schrijven. Nu komt het rekenboek. Ik heb het lang laten wachten,
+lieve lezer; maar het was uit wraak, omdat het voor mij zoo dikwijls
+te vroeg is gekomen. Nu komt het rekenboek. Merk op, dat gij in den
+loop van den morgen tweemaal op 't bord zijt geschreven: eens, omdat
+gij met uw rechter buurman een verdacht gefluister hebt aangevangen,
+dat evenwel over niets liep dan over goedkoope ballen in de Wijde
+Appelaarsteeg, en eens, omdat gij aan uw linker dito een albasten
+knikker (gezegd alikas) hebt laten zien, zonder een eenig rood
+aartje, van welk delict het corpus u is ontnomen, tegen de pijnlijke
+onzekerheid of gij het ooit terug zult zien. Vat dit alles te zamen,
+en sla dan uw rekenboek op, dat u sart met de 13de som, waarin u,
+om u of 't ware te tantaliseeren, met de grootste koelbloedigheid
+een mooie voorstelling gedaan wordt van vijf jongens, zegge vijf,
+die te zamen zouden knikkeren, en waarvan de eene bij den aanvang van
+'t spel bezat 20, zegge 20, knikkers, de tweede 30, de derde 50,
+de vierde--neen, het is niet uit te houden! de tranen komen er u
+bij in de oogen; maar daar zit gij, voor nog een geheel uur, en dan
+nog wel te cijferen.--Waarlijk ik houd het er voor, dat de meeste
+rekenboekmakers afstammelingen van koning _Herodes_ zijn!
+
+Uit al wat ik tot nog toe in het midden heb gebracht, zal zonneklaar
+blijken, dat de school de plaats niet is om het kinderlijk gemoed te
+doen overstroomen van het besef van geluk en genot. Ik geloof niet
+dat het denkbeeld daarvan ooit onder eenig blond of bruin kinderhaar
+is opgekomen. Neen, neen! de school is zoo goed als zij zijn kan. De
+school wordt, naar de nieuwste verordeningen, zoo aangenaam en
+dragelijk mogelijk gemaakt. Maar hare genoegens zijn ten hoogste
+negatief. De school blijft altijd iets van het gevangenisachtige,
+en de meester, met en benevens al de ondermeesters iets van het
+vogelverschrikkende behouden. Dat gezegde van _Van Alphen_:
+
+
+ Mijn leeren is spelen
+
+
+wil er bij niet één kind in, zelfs niet bij de vlijtigste. Ik verbeeld
+mij nog al onder de vlijtigste behoord te hebben; maar toch, wanneer
+mijn vader of moeder mij de eer aandeed van aan mijn ooms en tantes
+te vertellen dat ik altijd blij was als de vacantie uit was, kwam
+mijn gansche gemoed tegen dat edel denkbeeld (dat mij ondertusschen
+vrij dweepachtig voorkwam) op, en ik heb jaren noodig gehad om
+zekere angstige schuwheid voor mijn respectieve meesters te leeren
+overwinnen. Ook zijn er, in weerwil van de verbeterde leerwijze,
+nog altijd onder, die een kind, al is het niet van de bloohartigste,
+als electriseeren.
+
+Ja, lieve vrienden! laten wij deze bladzijde voor alle vliegeroplaters
+en soldaatjespelers verbergen en verstoppen; maar laten wij het
+bekennen: daar zijn Kinderrampen! Klein en nietig, van onze verwaande
+hoogte beschouwd, maar gewichtig en groot, in de kleine evenredigheden
+van de kinderwereld. Rampen, die benauwen, kwellen en schokken, en
+die niet zelden een grooten en hevigen invloed hebben op de vorming
+van het karakter.
+
+De eerste en grootste hebben wij al gehad. Het is, met verlof
+van _Pestalozzi_ en _Prinsen_, de school. Dat is een kanker; een
+dagelijks weerkeerend verdriet. Een man met schuldeischers geplaagd
+ondervindt iets van het leed van een kind met meesters aangehaald. Nu,
+onze goede _Hölty_ zelf kan niet nalaten aan 't eind van zijn versje
+daarmede te dreigen. Daarom wilde ik u verzoeken: heb deernis met
+het lot uwer telgen. Ontziet als iets heiligs het levensgenot uwer
+kinderen. Zij moeten allen schoolgaan; dat is een natuurwet, zoo zeker
+als die volgens welke zij allen ingeënt, wij allen sterven moeten;
+maar even gelijk wij, naar den gewonen loop der dingen, niet sterven
+moeten op ons achttiende jaar, wilde ik ook niet dat hun de school
+overviel vóór hun achtste. 't Is wel aardig, en wij hebben het aan
+de veranderde uitspraak van de namen der medeklinkers te danken, dat
+zij op hun vijfde jaar met kleinen _Piet_ zeggen kunnen: "Nu kan ik
+al le-zen"; maar ik weet niet of kleine _Piet_ op zijn tiende jaar,
+in massa, zoo veel meer geprofiteerd zal hebben dan een ander, die
+op zijn zevende of achtste begonnen is "met de _spa_" te werken. Ik
+geef dit alleen in bedenking aan alle kinderminnende harten, en waag
+het niet, met zoo weinig ondervinding als _Hildebrand_ (de baardelooze
+_Hildebrand_, zullen de recensenten zeggen) in zoo weinig jaren heeft
+kunnen opdoen, mijne meening te staven.
+
+
+
+Om het onderwerp eene wending te geven, en van een andere ramp
+uit het tranendal der kinderen te spreken, noem ik het wisselen der
+tanden. Waarlijk, lieve dame, die de wereld zoo trouweloos en de mannen
+zoo wuft vindt! _la perte des illusions_ kan op uwe jaren nauwelijks
+zoo zwaar wegen als _la perte des dents_ op de hunne. Herinnert ge
+'t u nog wel? Gij voelde--neen, gij voelde toch niet;--ja, helaas,
+gij voelde maar al te zeker--dat gij een dubbelen tand hadt. En de
+voorste zat zoo vast als een muur. Zes dagen lang verborgt gij uw leed;
+somtijds vergat gij het; maar zesmaal daags, midden onder uw spel,
+bij het genot van de lekkerste krakeling, onder 't bewerken van de
+zoetste ulevel--daar stond weer eensklaps voor uw oog, die akelige,
+allerakeligste dubbelheid!--Uw eenige troost was, dat de voorman
+vanzelf wel wat losser zou worden. Inderdaad, natuur en rede geven deze
+hoop aan de hand. De ondervinding leert het echter meestal anders. Op
+den zevenden dag; het was een zondag; uw kleine theegoedje stond klaar
+op uw kleine tafeltje; en uwe stoeltjes stonden er bij klaar met twee
+poppen: de nieuwste voor u, en de oudste voor uw nichtje _Keetje_,
+die bij u te spelen kwam; en 's avonds zoudt ge een tulbandje bakken
+van gestampte beschuit en melk; en een boterham met aardbeien zou
+alles bekronen. Met een grooten schreeuw gaaft gij uwe vreugde over het
+laatste artikel te ennen. "Laat ik je mond reis effen zien," zei mama;
+"wat? een dubbele tand?" en weg was uw vreugd! Gij droopt af alsof gij
+op een zware misdaad betrapt waart; waarschijnlijk zoudt gij onder
+uwe kwelling nestig en kribbig zijn tegen _Keetje_, het tulbandje
+zou geene bekoorlijkheden voor u hebben, de aardbeien geen smaak;
+en ge zoudt naar bed gaan en droomen van den tandmeester! Vergeefs
+beproefdet gij achtereenvolgens alle huismiddelen: wiggelen met den
+vinger, bijten op een harde korst, die gij evenwel om eventueele
+pijn te vermijden, in een gansch anderen hoek van uw mond inbracht;
+aanleggen van een draad garen, waaraan ge toch niet durfdet trekken. De
+tandmeester moest komen. Hij kwam, niet waar? de ijselijke man! Hij
+had voor u de verschrikkingen eens scherprechters. Hij veinsde
+maar effen naar uw tand te voelen; hij trok er hem verraderlijk
+uit. Ondertusschen was deze slinksche streek voor u een weldaad,
+die voor alle volgende keeren verkeken was.--Spreek mij niet van
+groote-menschen-jammeren! Zij halen niet bij deze. Geen koopman die
+"op springen staat" ziet met meer angst den dag tegemoet waarop hij
+zal worden "omvergegooid", dan een blijde jongen of vroolijk meisje
+den dag, waarop men scheiden zal van den dubbelen tand!
+
+Wij zijn aan de physieke rampen. Welnu, er zijn er meer dan men
+denkt. Het grootworden, hoe schoon en voortreffelijk een uitvinding
+ook, is de oorzaak veler smarten. Want vooreerst, men steekt lange
+bloote armen uit de mouwen, groote en den kous uit de broek. Daarbij
+schaamt men zich dan gewoonlijk dat men nog rijglaarsjes of schoenen
+met gespen draagt, omdat er altijd eenige voorlijke knapen zijn,
+die al halve-laarzen hebben, en vroegtijdige juffertjes, die zich op
+schoenen met lange linten verheffen. Ook rekenen vele moeders er naar
+'t schijnt niet op, dat niet alleen de beenen, maar het geheele lichaam
+groeit, en dat het diensvolgens op goede natuur- en wiskundige gronden
+te bewijzen is, dat, al kunnen de broekspijpen worden uitgelegd, het
+overige gedeelte van dat kleedingstuk hetzelfde blijvende, men eene
+niet zeer aangename bekrompenheid in de circumferentie van het lichaam
+gewaar wordt, die ook al weer de oorzaak is van menig nieuw kruis,
+in een dubbelen zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een
+kwade kant van den edelen groei, dat hij bij de individuen verschilt,
+en zelfs zóó, dat bij sommige tegen het geprezene grootworden,
+het verwijtende kleinblijven o verstaat. Nu is het niet pleizierig,
+ieder keer als men een boodschap van papa of mama komt doen, of bij
+_Lodewijk_ of _Doortje_ spelen komt, altijd door mijnheer of mevrouw,
+of de juffrouw, of de meid somtijds, tegen _Lodewijks_ of _Doortjes_
+rug gezet te worden, om met de ververschte overtuiging dat men een
+hoofd of een half hoofd kleiner en een ware peulschil is, naar huis
+te gaan. Dat noemt men in het maatschappelijk leven, als men't op het
+moreele toepast, taxeeren; en die taxatie van 't physieke is de eenige,
+waarvoor de kinderleeftijd gevoelig, en ook zeer gevoelig is. Neen,
+'t is niet aardig van de groote menschen, dat ze 't den kleinen
+aandoen, evenmin, als dat altoosdurende uitgillen van: "wat ben je
+groot geworden!" op den duur bevallen kan.
+
+
+
+Maar daar is toch ook wel een moreele taxatie die, zoo zij de kinderen
+niet dadelijk grieft, hun althans menig genoegen onthoudt. Zij ontstaat
+uit de omstandigheid, dat een mensch van vijfendertig of veertig, een
+dertig of vijfendertig jaar van zijn vijfde jaar verwijderd is, en in
+dien tijd machtig veel vergeten kan, en zóó veel, dat hij eigenlijk
+in 't geheel niet meer weet, wat hij dacht, gevoelde, besefte en
+smaakte toen hij een kind was, en wat niet. Van daar dat hij zeer
+dikwijls den maatstaf, waarbij hij de kinderen meet, te klein en te
+bekrompen neemt, en menige vreugd, die hij den jeugdigen van harte
+gunt, terughoudt omdat hij in zijne mannelijke wijsheid besluit:
+"dat zij er eigenlijk nog te klein voor zijn", en er "waarlijk nog
+niet aan zouden hebben." En dan, "het nergens aan mogen komen," alsof
+men geheel handeloos en met een instinct om alles nu ook maar stuk
+te gooien en te breken in de wereld was gekomen!--En dan het paaien
+met zoetigheid, als men zich juist gisteren te groot is begonnen te
+voelen voor koekjes tot den prijs van iets anders!--En dan de velerlei
+beschaamdzettingen, die men ondergaat, omdat iedereen gelooft dat
+een kind menig ding niet gevoelt dat hem toch diep gaat!--Waarlijk,
+waarlijk, men heeft in de maatschappij menig menschenschuw, bloohartig,
+en zenuwachtig wezen doen opgroeien, alleen doordat men het als kind
+te jong en te klein voor gevoel van waarde achtte.
+
+
+
+Ik spreek niet van het naloopen met hoeden en petten, en van het
+verschil van gevoelen omtrent het weder, dat tusschen ouders en
+kinderen dikwijls aanmerkelijk kan uiteenloopen. Ik spreek niet van
+sommige barbaarsche instellingen, als daar is: dat de jongere de
+kleederen van de oudere moeten afdragen, waardoor het vierde zoontjen
+een buisje draagt van de kraagjas van mijnheer zijn oudsten broeder;
+van welke kraagjas de beide tusschenbroers respectievelijk een
+jasje met één kraag en een jas zonder kraag gehad hebben;--noch van
+ellendige spreekwoorden, als orakelen door de ouders aangevoerd, en als
+verachtelijke paradoxen en sophisterijen door het kroost verwenscht,
+als b.v. dat de oudste de wijste zijn moeten. Ik spreek van al die
+rampen niet,--want mijn stuk is reeds veel te lang. Mocht het maar
+sommige mijner lezers bewegen, om nog kiescher te worden omtrent de
+jonge harten der kleinen; en nog oplettender om hun kleine verdrieten
+te sparen en groote genoegens onbeknibbeld te laten genieten. De
+jeugd is heilig: zij moet voorzichtig en eerbiedig behandeld worden;
+de jeugd is gelukkig, maar men moet zorgen, dat zij zoo min mogelijk
+deelt in de rampen der samenleving, voor zoo ver zij die in hare jaren
+kan ondervinden. Men moet haar soms kwellen en lastig vallen--tot haar
+nut!--maar passen wij vooral op, dit niet te overdrijven! Een geheel
+volgend leven kan geen gedrukte jeugd vergoeden; want welke zaligheid
+zouden latere jaren te stellen hebben tegenover het verspeelde geluk
+eener schuldelooze jonkheid?
+
+1839.
+
+
+
+
+
+
+
+EEN BEESTENSPEL.
+
+
+ "Les peines infamantes sont:
+
+ 1_o_. Le carcan;
+ 2_o_. Le bannissement;
+ 3_o_. La dégradation civique."
+
+ _Code Pénal_. L. I. Art. 8.
+
+
+Neen, ik wil niet naar 't beestenspel! Ik houd er niet van. Zeg mij
+niet dat het belangrijk is; dat men het gezien moet hebben; dat men
+in geen gezelschap komen kan of men moet ten minste goed of kwaad
+zeggen van de lokken, de bakkebaarden en den moed van den eigenaar,
+van de lama, van de verlichting der tent, en van de twee tijgers in één
+hok;--herhaal mij niet dat men ten minsten één ongeluk heeft moeten
+zien "bijna gebeuren" en ééne bijzonder teekenachtige houding van
+'t een of ander gedrocht bespied hebben, in een oogenblik, "dat er
+niemand anders naar keek";--zeg mij niet dat men moet gaan kijken
+hoe de vrucht van 't zweet en bloed van onvermoeide hengelaars in
+één oogenblik door den gulzigen pelikaan verslonden wordt, en hoe de
+Boa Constrictor een Leidschen bok met hoornen en al, in een oogwenk
+tijds verzwelgt;--roep mij niet toe dat men zijne anecdote behoort te
+hebben op den kasuaris, zijn snakerij op de apen, en zijn woordspeling
+op de beren. Op dit alles antwoord ik u: ik haat het beestenspel;
+en ik zal u de reden van mijn afgrijzen uiteenzetten.
+
+Een beestenspel! Weet gij wat het is?--"Eene verzameling", zegt gij,
+"van voorwerpen van natuurlijke geschiedenis, even belangrijk voor den
+dierkundigen..." Als voor den beestenvrind, wilt gij zeggen? "Neen,
+als voor ieder mensch, die er belang in stelt zijn medeschepselen op
+dit wijde wereldrond te kennen." Gij zegt wèl; maar dan wenschte ik
+mijn medeschepselen te zien, zoo als ik ze op plaat I. van iederen
+prentenbijbel zie, in aardige groepen door elkander geschikt, allen
+in hunne natuurlijke houding: den leeuw, met een opgeheven voorpoot,
+als op brullen staande; de kaketoe, van een boomtak nederkijkende,
+als om te onderzoeken wat voor kleur van haar _Adam_ heeft; en niet,
+och, ik bid u, niet in die afschuwelijke ijzeren schommels (een soort
+van groote lijsterbogen) in eeuwige beweging; de boa in 't verschiet,
+om den boom in schoone verleidelijke bochten gekronkeld, en naar den
+noodlottigen appel opziende; den adelaar, hoog in de lucht zwevende,
+als een nauwelijks merkbare stip: ja, dan nog veel liever geheel
+onzichtbaar, dan zóó als ik hem in een beestenspel zie... Zoo zou het
+mij aangenaam en belangrijk zijn.--Maar hier in deze enge, bekrompene
+hokken, achter die dikke tralies, in die slaafsehe, weerlooze,
+gedrukte, angstige houding,--o! een beestenspel is een gevangenis,
+een oudemannenhuis, een klooster vol uitgeteerde bedelmonniken;
+een hospitaal is het, een bedlam vol stompzinnigen.
+
+Gij hebt nog nooit een leeuw gezien; gij stelt u iets majestueus
+voor; een ideaal van kracht, grootheid, waardigheid en moed; een
+wezen geheel woede, maar bedwongen door zelfbeheersching, voor zoo
+lang het verkiest; den koning der dieren. Welnu; verplaatsen wij ons
+met onze verbeelding in de woestijn van Barbarije!
+
+Het is nacht; het is het kwade seizoen. De lucht is donker; de wolken
+zijn dik en drijven onstuimig en snel heen en weder; de maan scheurt
+ze nu en dan met een waterachtigen straal. De wind huilt door 't
+gebergte; de regen ruischt; van verre gromt de donder. Ziet gij daar
+dat gevaarte, met dichte struiken bewassen, zich afteekenen tegen
+de lucht;--ziet gij daarin die donkere rotskloof, beneden, gapende,
+boven zich verliezende in heesters en distelen? Het bliksemt: ziet gij
+ze? Houd uw oog derwaarts gericht. Het is alles duisternis. Let op! Wat
+is dat? 't Is het glinsteren van twee oogen; gloeiende kolen. Hoor
+toe! Dat was de donder niet; het was een schor gehuil; het diepe
+geluid van een leeuw die ontwaakt. Hij tilt zich uit zijn hol naar
+boven. Hij rekt zich uit. Een oogenblik staat hij met opgeheven hoofd
+brullende stil. Hij schudt de zwarte manen. Eén sprong!... Achter uw
+wachtvuur, onvoorzichtige! Hongerig gaat hij om; met woeste bewegingen,
+met ongeregelde sprongen, met schrikkelijke geluiden.
+
+Wien zal het gelden? Een breedgeschoften buffel misschien, die hem
+met gebukten hoofde en sterke hoornen zal opwachten. Geen nood: hij
+zal hem aanvliegen; hij zal zijn nagelen klemmen in zijne lenden; hij
+zal aan hem hangen blijven; hij zal hem de blanke slagtanden in den
+korten rimpeligen nek slaan; één oogenblik--en hij zal hem afmaken,
+hem in stukken scheuren en zijnen honger bevredigen. Dan zult gij hem
+met rooden muil en bespatte manen rustig zien nederliggen, zijn zege
+genietende, trotsch op zijn koningschap.
+
+Welnu!--die Koning der dieren, die schrik der woestijn, die gedachte,
+die woedende, is hier. Ziedaar de antichambre van zijn paleis; it
+van voren open vertrek, middending tusschen een salon, een kantoor,
+en een tentoonstelling van schilderijen. Deze heraut, met den
+geschilden wilgetak in de hand, noodigt u uit. Zijne majesteit geeft
+audiëntie. Zijne majesteit is voor geld te kijk. Zijner majesteit
+staatsdame licht het behangsel op. Gij zijt in zijner majesteit
+onmiddellijke tegenwoordigheid. Geef u de moeite niet bleek te
+worden; de koning zal u wèl ontvangen. Maar voorzichtig! stoot u
+niet aan dezen--wat is het? een reiskoffer? Vergeef mij, het is een
+ecrin vol slangen! arme _reuze_slangen! Hierheen! Pas op: die lamp
+druipt! Stap over dien emmer, vischvijver van den pelikaan, badkuip
+des ijsbeers! Wij zijn er. Hier, op dit wagenstel, in dit roode hok,
+zes voet hoog en zes voet diep, ligt hij. Ja, hij is het wel. Ik zweer
+u dat hij het is. Zijne pooten steken onder tusschen de traliën uit:
+dat zijn _leeuwe_klauwen. Zijn staart, die geesel! schikt zich naar
+den rechthoek van zijn verblijf. Hij is slaperig; hij ronkt. Zouden
+wij hem kunnen doen opstaan! "Nero, Nero!" _'Il est dêfendu de toucher
+aux animaux, surtout avec des cannes'._ Gevoelt gij al het vernederende
+dezer waarschuwing? Daarin is al zijn weerloosheid. Het zou hem _zeer
+doen_. Hebt gij uw illusiën, heeft de leeuw zijn prestige nog? Zijt
+gij nog bang voor dien bullebak? Gelooft gij nog aan de schets van
+zoo even? Zegt gij niet
+
+
+ Laat hem komen, als hij kan?"
+
+
+Onttroonde koning! Gekrompen reus! Zie, hij is voorzichtig
+in al zijne bewegingen; hij neemt zich in acht, om zijn hoofd
+niet te stooten, zijn muil niet te bezeeren, zijn staart niet
+te schenden. Wat onderscheidt hem van eenig tam beest? Wat van
+dien lagen hyena, die de kerkhoven schoffeert? van dien gevlekten
+tijger, viervoetige slang die van achteren aanvalt? van dien wolf,
+dien een kloek kozak dood geeselt? van dien afschuwelijken mandril,
+hansworst der verzameling? van al die walgelijke apen, daar zooveel
+menschen zich vroolijk mee maken? Altemaal zijn zij opgesloten: de
+vorst als de knecht, de vorst meer dan allen. Waan niet dat gij hem
+in zijne natuurlijke grootte ziet. Dit hok maakt hem kleiner; hij is
+wel een voet gekrompen. Zijn gelaat is verouderd. Zijn oogen zijn dof
+geworden; hij is suf; het is een verloopen leeuw. Zou hij nog klauwen
+hebben? Bedroevend schouwpel. Een haspel in een flesch; men weet niet
+hoe 't mogelijk is dat hij er inkwam! Een ziek soidaat; een grenadier
+met geweer en wapens, berenmuts en knevels (foudre de guerre) in een
+schilderhuis; Simson met afgesneden haar; Napoleon op St. Helena.
+
+
+
+Als gij in 't midden van deze tent staat, tusschen staatsiegordijnen en
+schoorsteenvallen, en ijzeren tralies, en onderstellen van wagens, en
+wilde dieren; als gij uw oog slaat op al die vernederde schepsels--waan
+niet dat gij leeuwen, dat gij tijgers, dat gij gieren, arenden, hyenen,
+beren ziet. De kinderen der woestijn zouden hunne broederen, zoo zij
+ze hier zagen, verachten en verloochenen. Berg dat zilveren potlood,
+steek die portefeuille op, gij teekenaar! Maak hier geene schetsen. Gij
+hebt geene wilde dieren voor; het zijn er slechts de vervallen
+overblijfsels van; zij zijn naar ziel en lichaam gekraakt. Hun aard
+drukt zich niet meer uit. De leeuw stierf in den leeuw; de tijger is
+dood in den tijger. Uwe teekening zou zijn als een portret naar een
+lijk ontworpen. Gij kunt even zoo goed een petit-maître onzer eeuw
+tot model voor een zijner Germaansche vaderen stellen, of een mummie
+afbeelden, en zeggen: zoo is een Egyptenaar! Nauwelijks kunt gij
+hunne vormen, hunne omtrekken, hunne evenredigheden zien of berekenen
+onder de slagschaduwen dezer vierkante kooien. Hoe zoudt gij dan het
+eigenaardige van hunne houding kunnen raden? Ze zijn hier als planten
+in een kelder; zij verkwijnen; zij zijn in een droevigen staat van
+ongevoel, een naren dommel verzonken. Zij sterven sinds maanden. Het
+licht hindert hen. Zij zien er dom, verstompt uit. Dans la nature
+ils sont beaucoup moins _bêtes_.
+
+"Stil", zegt gij, "zie daar den eigenaar. Hoor hoe zij brullen. Zij
+zullen gevoed worden. Het souper der wilde dieren." Smartende
+bespotting! Hun souper! De cipier zal elk dezer staatsgevangenen
+zijne afgepaste portie komen toedeelen. "Ja, maar hij zal ze tergen,
+en een oogenblik zult gij ze in hun kracht zien." Wee onzer, zoo dat
+waar is! Neen, het is eene tooneelvertooning. Zij worden tot acteurs
+vernederd. Hun woede is die van operahelden, van beleedigde vaders
+in de vaudeville. Het is namaaksel. Het is een woede van klokke
+halfacht. Het rammelen der boeien, als de gevangene opstaat om zijn
+brood en water aan te nemen. Ook in het gebrul des leeuws, het gehuil
+der wolven en het lachen der hyena's is een _pectus quod diserfum
+facit_. Waan niet dat zij zich verwaardigen zouden hun verschrikkelijke
+welsprekendheid aan dien knecht te verkwisten, die toch eindigen moet
+met hun het afgewogen stuk vleesch in den bek te steken.
+
+Hun souper! o Zoo zij mochten, zij zouden van dit behulpelijk,
+bekrompen genadebrood een beroep doen op hun avondmaal in de
+woestijn! Weekelingen, die uw brood bakt en die uw vleesch kookt om
+het te kunnen verduwen! zoo gij genoodzaakt werdt dien maaltijd aan
+te zien, daar zij de rookende spieren van de breede knoken aftrekken,
+en er zich met al de felheid, al de heftigheid hunner bewegingen
+opstorten, brullende van genoegen, niet omdat zij eten, maar omdat zij
+slachten,--hoe zouden u de haren te berge rijzen, hoe zou vleeschhouwer
+en uitdeeler, hoe het geheele heir geabonneerden rillen en beven!
+
+
+
+Alleronuitstaanbaarst is mij in een beestenspel de uitlegger. Gij
+lacht om zijn gemeen Fransch en nog ellendiger Hollandsch, om zijn
+eeuwig wederkeerende volzinnen: ik kan niet lachen. Hij ergert mij.
+
+
+ Sire, ce n'est pas bien:
+ Sur le lion mourant vous lâchez votre chien!
+
+
+Foei! hij noemt den tijger monsieur en de leeuwin madame; hij
+vertelt aardigheden op hun rekening; zij zijn de dupes zijner
+van buitengeleerde geestigheid. O! zoo zij konden, hoe zouden zij
+zich op den grappenmaker wreken. Hoe zou monsieur hem vierendeelen,
+madame hem vernielen. Hij zou 't verdienen. Hij behandelt dieren als
+dingen. Hij verdient een dommen glimlach aan den een, een drinkgeld
+aan den ander. Hij ontneemt u het schoone zinnebeeld der moederliefde,
+dat gij in den pelikaan zaagt, en maakt liever een slaapmuts van
+zijn onderkaak. Ellendige potsenmaker, straffeloos lasteraar, die
+zijne beteren bespot. Met een paar knevels en een stok loopt hij om,
+en speelt den held onder de gevangenen.
+
+
+
+Ja, het is ijselijk als gij een verren neef of halfvergeten vriend
+overkrijgt, die u vriendschappelijk dringt hem het Leidsch museum
+te laten zien, en ge moet, terwijl gij liever de bekoorlijken
+op Rapenburg en Breestraat gadesloegt, met hem op een schoonen
+voormiddag de eene zaal na de andere doordrentelen, zonder iets te
+zien dan natuurlijke historie, zonder ergens een knie te buigen; en
+het is er kelderachtig koud! Maar zoo het er op aankomt om vreemde
+dieren te zien: ik zie ze liever daar dan hier. Liever een museum
+dan een menagerie. 't Is waar, het knekelhuis, dat gij eerst door
+moet wandelen, neemt een goed deel van de illusie weg; de anatomie,
+gelijk alle analyse, is schadelijk aan de poëzie; maar de opgezette
+dieren zijn niet vernederd. Hier ronken zij niet, hier slapen zij
+niet, hier sterven zij niet, hier zijn zij dood. Hier geen dofheid,
+geen traagheid, geen luiheid; hier koude en ongevoeligheid. Het is
+hier als in hun onderwereld: gij ziet hunne schimmen, hunne omtrekken,
+hunne eidola! Aan hun stoffelijk omkleedsel, hun houding, hun stand
+moge door opvulling en kunstenarij een weinig zijn te kort gedaan, maar
+de ziel (gij gelooft toch dat de dieren een ziel hebben?) wordt hier
+niet verdoofd of verminkt. Niet de lage baatzucht, maar de deftige
+wetenschap heeft hen bijeenvergaderd. Zij staan hier niet te kijk,
+zij staan hier tot uwe onderwijzing. Hunne namen worden in eerbiedig
+Latijn genoemd. Zwijgend gaat men langs hunne rijen, met al het ontzag,
+dat men voor de dooden heeft.
+
+
+
+Maar een menagerie!
+
+o Gij, heeren der schepping! ik weet niet of gij in de 19de
+eeuw onzer jaartelling, en zoo ver van het paradijs, dien naam
+nog verdient.... maar gij hoort hem zoo gaarne, en zijt er zoo
+hoovaardig op; o gij, heeren der schepping! laat u gelden in het
+dierenrijk, laat u gelden bij al wat slagtanden, klauwen, hoeven
+en horens heeft. Heerscht, dwingt, gebiedt, overweldigt, beschikt;
+zet uw krijgsburcht op den rug der elefanten; legt uw pak op den nek
+der buffelen, zet uw tanden in het oor van onagers, jaagt uw lood
+door het voorhoofd der tijgers, en maakt hun vacht tot schabrak uwer
+paarden; overwint als een Cesar de wereld, en spant als een Cesar
+vier leeuwen voor uw triomfkar. Het is wèl. Maar misbruikt uwe kracht
+niet. Spot niet, kwelt niet, vernedert niet, dooft niet uit. Geen
+gevangenhuis, geen tuchtcel, geen schavot, geen kaak, geen draaikooi,
+geen beesten-_spel_. Ja, een spel is het, een afschuwelijk wreed
+spel. Moet gij een spel hebben: herstelt het molmend coliséum tot een
+worstelperk, en hebt ten minste de grootmoedigheid, uw gelijken met
+hen ten kamp te doen treden. Vermaakt u (zoo gij nog niet genoeg hebt
+van barbaarsche vermaken) met hunne krachten, met hun moed, met hun
+heldeneinde;--niet met hunne slavernij, niet met hunne ontaarding,
+niet met hun heimwee, niet met hun teringdood.
+
+1836.
+
+
+
+
+
+
+
+EEN ONAANGENAAM MENSCH IN DEN HAARLEMMERHOUT.
+
+
+Onbegrijpelijk veel menschen hebben familiebetrekkingen, vrienden of
+kennissen te Amsterdam. Het is een verschijnsel, dat ik eenvoudig
+toeschrijf aan de veelheid der inwoners van die hoofdstad. Ik had
+er voor een paar jaren nog een verren neef. Waar hij nu is, weet ik
+niet. Ik geloof dat hij naar de West gegaan is. Misschien heeft de
+een of ander van mijne lezers hem wel brieven meegegeven. In dat geval
+hebben zij een nauwgezetten, maar onvriendelijken bezorger gehad, als
+uit den inhoud van deze weinige bladzijden waarschijnlijk duidelijk
+worden zal. Inderdaad, ik ken vele menschen, die nog al ophebben met
+hunne Amsterdamsche neven, vooral als ze tot de "Lezers" in Felix
+behooren, of als ze rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd
+gestaan over mijne verregaande koelheid omtrent den persoon van mijn
+neef _Robertus Nurks_; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hij
+mij zaterdagmiddag per diligence een steen zond met een brief er aan,
+inhoudende dat hij (mits het weer goed bleef en er niet, maar dat
+kwam er nooit, het een of ander in den weg kwam) met mij den dag in
+den Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen het
+gemelde bosch heb, maar wel iets tegen ZEd.
+
+En evenwel was hij een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt in
+zijn zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, en zelfs in den grond
+goedhartig. Maar er was iets in hem--ik weet het niet--dat maakte dat
+ik met hem niet op mijn gemak was; iets lastigs, iets impertinents,
+in één woord iets volmaakt onaangenaams.
+
+Ik zou, om iets te noemen, een nieuwen hoed gekocht hebben; geen
+buitensporig fatsoen (geen nationalen bijv.), geen te hoogen of te
+platten bol; geen te breeden of te smallen rand; een hoed, goed om af
+te nemen voor een verstandig man en op het hoofd te houden voor een
+gek, doch stellig een hoed om niets van te zeggen. Toch kon ik bijna
+overtuigd zijn, dat mijn beminnelijke neef _Nurks_, de eerste maal
+dat hij er mij mee zag, met den hatelijksten glimlach van de wereld
+en met een soort van ontevredene verbaasdheid zeggen zou: "Wat een
+weergaschen gekken hoed heb _jij_ op".--Nu is het onbegrijpelijk
+moeielijk; schoon ik gaarne beken, dat de een zich daar handiger
+in gedraagt dan de ander, en ik niet een van de gauwsten ben; nu
+is het onbegrijpelijk moeielijk, onder eene dergelijke critische
+verklaring omtrent uw hoed, een tamelijk figuur te blijven maken. Het
+in ernst voor uw hoed op te nemen, is wat al te gek. Het met een:
+"hé, vindje dat?" af te laten loopen, verraadt volslagen gemis van
+tegenwoordigheid van geest. Te repliceeren met een hatelijkheid
+op des critici eigen hoed, is wat kwajongensachtig. En hoewel een
+aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste zou zijn, en er een
+schat van aardigheden mogelijk is, zoo is het evenwel bijzonder
+opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk een oogenblik bij
+de hand heeft. Zoodat de critische hoedeninspecteur gewoonlijk de
+voldoening heeft eene kleine verlegenheid te weeg te zien gebracht,
+welke hij met demonischen wellust geniet.
+
+Indien gij uit dit kleine voorbeeld van mijn hoed; het is in 't oog
+loopend hoe dikwijls hoeden tot voorbeelden dienen; niet een vrij
+beslissenden kijk op mijn neef _Nurks_' karakter hebt, dan zal het
+heele verhaal, dat ik schrijven ga, nutteloos aan u verkwist zijn,
+lezer, en dan zal ik ook zoo vrij zijn u tot uw straf te houden
+voor een sprekend evenbeeld en wedergade van dienzelfden _Robertus
+Nurks_. Men zou intusschen verkeerd doen, zich dien waardigen
+Amsterdamschen jongen voor te stellen als ongelukkig, ontevreden,
+of zwartgallig. Hij was alleen maar hatelijk, en zulks deels uit
+gewoonte, deels uit een diepe en misschien voor hemzelven verborgen
+jaloezie. Hij was in 't geheel geen kniezer, altijd vroolijk gestemd
+en de vroolijkheid beminnende; maar hij scheen er een genoegen in te
+vinden, zijnen vrienden kleine grieven aan te doen, en niet alleen
+zijnen vrienden, maar in het algemeen de onschuldigste menschen
+van de wereld. Eene opvoeding boven zijn stand had hem, geloof ik,
+die lompe aanmatiging gegeven; en onverstandige ouders hadden hem
+te vroeg er aan gewend om zijn jong oordeel over een iegelijk, die
+hun huis bezocht, met toejuiching te zien ontvangen. Van daar dat
+hij niets had van dien kieschen terughoudenden schroom, die even
+bang is om te beleedigen als om beleedigd te worden; niets van die
+zachte humaniteit, die men, ondanks alle gezag van spreuken als
+"Ingenuas didicisse fideliter artes" etc. nog veel beter van zijn
+moeder kan overnemen, dan uit de classieke literatuur halen. Trouwens
+hij verstond maar zeer weinig Latijn.
+
+Indien _Robertus Nurks_ zeker wist dat gij half verliefd waart, hij
+zou de gelegenheid vinden om het voorwerp uwer stille genegenheid
+in het gesprek te pas te brengen, onder de voor u hartdoorsnijdende
+bijvoeglijke naamwoorden van "leelijk, dom, onbeduidend, mal",
+of dergelijke. Kende hij mijn lievelings-auteur, hij haalde er in
+gezelschap de leelijkste plaatsen uit aan, met bijvoeging van "zoo
+als _Hildebrands_ hooggeloofde die of die zegt". Waagdet gij nog eens
+een oude anecdote, die u veel genoegen verschaft had, waarvoor gij
+dus billijk eenige genegenheid voeddet, en waarvan gij u ook deze
+maal nog al vrij wat beloofdet, omdat allen zich hielden als of zij
+haar niet kenden: hij bedierf er de uitwerking van, door juist als
+'t op de aardigheid aankwam, het verhaal al raffelende voor u af te
+maken, van den Enkhuizer Almanak van 't jaar één te spreken, en te
+zeggen dat alle anecdotes laf zijn, en dit er een was, die hij honderd
+malen van u gehoord had. In 't kort, hij kende al de zwakke plaatsen
+van uw familie, van uw verstand, van uw hart, van uw liefhebberij;
+van uw studie, van uw beroep, van uw lichaam, en van uw kleerkast,
+en had er vermaak in, ze beurtelings pijnlijk aan te raken. En ik
+weet niet welke bezwerende of magnetische kracht hij op u uitoefende,
+om u geheel weerloos te doen zijn.
+
+
+
+Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig omgaan met jaren,
+want ik ben nog zoo jong; dat mijn neef _Nurks_ mij op zaterdag
+den 14_den_ Juli--gij kunt den almanak nazien of het uitkomt--weder
+een steen zond, die mij dan ook als zoodanig op het hart viel. Hij
+zou morgen, na ochtendkerktijd, bij mij komen, en 's avonds met den
+wagen van achten weer vertrekken. De uren daartusschen zouden wij
+aan de vriendschap en het genoegen offeren.--Ondertusschen had ik
+plan gemaakt voor eene andere vriendschap en een ander genoegen. Ik
+had een Leidschen makker bij mij gelogeerd, met wien ik te Zomerzorg
+eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen,
+waar wij den nacht zouden doorbrengen om 's morgens naar de Breezaap
+te gaan en aldaar wat te botaniseeren, waarvan wij beide groote
+liefhebbers zijn. Ik hoop dat niemand van mijne lezers mij daarom
+verachten zal, naar de gewoonte van vele menschen, die aan de waarde
+en het gehalte van genoegens twijfelen, die zij niet in staat zijn
+te beoordeelen. Mijn neef _Nurks_ behoorde tot dezulken.
+
+Het opgemelde plan was met groote opgewondenheid en wederzijdsche
+goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in samensmolten. Ik
+beloofde mijnen medischen student; wiens naam omdat hij bang voor
+recensenten-hatelijkheden is, ik heb moeten beloven te zullen
+verzwijgen, en wien ik daarom voor 't gemak _Boerhave_ zal noemen;
+ik beloofde mijnen medischen student, behalve de schatten van de
+Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis,
+op den weg tusschen Zomerzorg en Velzerend en, daar hij ook eene
+verzameling van conchiliën er op nahield, stond hij in lichterlaaie
+verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blauwe
+Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen kruipen of 't zoo niets
+is.--Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die zaligheden,
+en het gansche plan moest worden uitgesteld onder de voor ons
+verschrikkelijke gedachte, den geheelen dag in Den Hout te zitten;
+want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in Den Hout.
+
+De opoffering viel ons moeielijk, en ik verdacht den hupschen
+_Boerhave_ (die niet zooals ik den band des bloeds gevoelde, en
+daarenboven een onbepaald vertrouwen koesteren moest op de wetenschap,
+die hij beoefende) van den heimelijken wensch, dat mijn liefelijke
+_Nurks_, van wien hij zich half bij instinct, half door mijne
+kwaadsprekendheid, niet veel goeds beloofde, tusschen zaterdagavond
+en zondagochtend eene kleine ongesteldheid mocht ontwaren, die hem
+mocht doen besluiten tot een kort briefjen op de eerste schuit enz.;
+maar _ik_ wenschte hem op een allerliefste buitensociëteit vol
+"vermoakelijkheden", of op een dolprettig diné aan den Berenbijt,
+met drie leden van De Munt en zeven van Doctrina, waar men elkander
+allergeestigst met het wederzijds ophemelen der beide sociëteiten
+plagen kon, tot groote bemoeilijking van den elfden man, die lid
+van beiden was, en den Doctrinisten wel gelijk wilde geven, omdat
+ze de meerderheid hadden, maar den Munters niet afvallen, omdat
+ze de grootste heeren waren. In een dergelijk gezelschap had mijn
+vriend _Nurks_, die in de universaliteit van den elfden deelde, dan
+gelegenheid gehad om zijn hart te luchten over den "lastigen dikken
+weerga" (een oom van een der gasten), die altijd den Haarlemmer
+las als _hij_ hem wou hebben, in de eene, en "den onverdragelijken
+langen zwiep" (een vollen neef van een ander der aanwezigen), in de
+andere, die altijd pot maakte als _hij_ pas begonnen was carambole
+te spelen. Edoch het was bestemd, dat hij den zondag van den 15_den_
+Juli in den Haarlemmerhout zou doorbrengen.
+
+
+
+"Ha, hoe maakje 't, _Rob_!" riep ik uit toen hij binnenstapte. "Mijn
+vriend, de student _Boerhave_, neef".--Was het valschheid dat ik hem
+hartelijk ontving? Ik geloof neen. Toen ik over het plan van Zomerzorg
+en de Breezaap heen en hij werkelijk daar was, nam ik er den besten
+kant van; en ik had hem toch ook in zoo lang niet gezien.
+
+"Best, jongen;--mijnheer, je dienaar! Jongens, wat is me dat end van
+de Amsterdamsche poort weer tegengevallen!"
+
+"Mijnheer moet anders aan lange enden gewoon zijn," merkte _Boerhave_
+aan, ik geloof om zijn aardrijkskundige kennis van de hoofdstad
+te toonen.
+
+"Ja, dat _is_ zoo", zei _Nurks_, met een bijzondere kracht op 't
+woordje _is_, "maar daarom juist, als men zoo'n mal klein stadje als
+Haarlem de eer aan doet, wil men 't liever niet."
+
+_Nurks_ wierp een blik in den spiegel. Zijn eene halsboord had het door
+de warmte; het was zeer warm weder dien dag, vooral in de diligences;
+had het door de warmte te kwaad gekregen, en lag in zwijm over den
+rand van zijn strop.
+
+"Malle dingen! Anders een goed fatsoen. Ik hou niet van die ronde
+boorden."
+
+_Boerhave_ en de nederige inwoner van het malle, kleine stadje waren
+er mooi mee; hij verbeeldde 't niet gezien te hebben.
+
+"Kanje _nog_ al niet rooken, _Hildebrand_?"
+
+Ik vloog naar den portecigares en bood hem dien aan.
+
+"Hebje nog altijd dat _strooien_ soortje?" zei hij, de punt van
+degene, die hij genomen had, met het ongeloovigste gezicht van de
+wereld afbijtende, en toen zijn vroeger onderwerp weer opnemende,
+daar hij nog niet genoeg van had:
+
+"Jongens, ik vind dat het zoo mal staat als iemand niet rooken kan. Hij
+zit altijd met zijne vingers ergens aan. Ik ken _nog_ iemand die
+nooit rookt, maar dat is de miserabelste kerel van de wereld."
+
+Ik begreep dat ik al vrij veel kans had om, bij eventueel overlijden
+van dien heer, denzelven in zijn hoogen rang in de schatting van mijn
+neef op te volgen.
+
+Nu volgde een gesprek, voornamelijk bestaande uit eenige informatiën
+naar wederzijdsche kennissen, waarin geen enkele onaangenaamheid
+voorkwam, dan dat hij, toen ik naar een zeer intiemen vriend vroeg,
+dien hij zeer wel kende, noodig had zijn geheugen op te scherpen met
+de herinnering, "of het die was, wiens broer die smerige affaire met
+de politie gehad had", opdat _Boerhave_, die daartoe al den tijd
+had, zoo mogelijk allerlei vermoedens tegen de familie zou kunnen
+opvatten. Ik weet niet of hij het deed; maar kort daarop verliet hij
+ons een oogenblik om een knijpbriefjen af te vaardigen, welk punt
+des tijds onmiddellijk door _Nurks_ werd waargenomen, om mij met de
+aanmerking op te winden:
+
+"Die vriend van jou lijkt sprekend op dien schoenenjood, die altijd op
+den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht staat;"--en toen ik
+groote oogen opzette,--"och ja, je weet wel, die leelijke kerel! net
+of hij een trap van een paard gehad heeft."
+
+Nu, op dat oogenblik kwam _Boerhave_ weer binnen. Over de
+gelijkenis met den schoenenjood, op den hoek van de Vijzelstraat
+en de Heerengracht, kon ik niet oordeelen, omdat de respectieve
+aangezichten der respectieve schoenenjoden van Amsterdam mij niet
+duidelijk en onderscheiden voor den geest stonden; maar op mijn
+vriends gelaat iets te lezen, dat denken deed dat het ooit in eenige
+on vermakelijke aanraking geweest was met het viervoetig dier door
+den vleienden _Nurks_ genoemd, was mij t' eenenmale onmogelijk.
+
+Wij gebruikten koffie en brood, welke beide artikelen de eer
+hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel
+beweerde hij de nadeeligheid van de eerste zonder melk te drinken,
+waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde hij dat hij
+'t altijd aan iemands teint zien kon "want het teint werd er leelijk
+van;" maar toen de medicus er voor uitkwam dat hij medicus was, en
+in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had, veranderde hij van
+batterij, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen
+van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder brood,
+op dure kamers woonden en allerlei laagheden doen moesten om een bus
+te krijgen, en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer, recht
+geschikt om een medicina candidatum in zijn studiën aan te moedigen;
+terwijl hij ze allen bekroonde met de plechtige verklaring "dat er
+niet één medicus in de wereld was, wien hij, _Robertus Nurks_, wat
+hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde."
+
+Wij gingen Houtwaarts. Het was ruim één ure. Nu, alle welopgevoede
+dingen hebben hun gestelden tijd. De nachtegalen komen in 't
+voorjaar, de vinken en lijsters in 't najaar; de zon schijnt bij
+dag, de kaars bij avond, en de maan bij nacht. Zoo is het ook met
+de menschensoorten. Al wie met de duizend en een _species_ van het
+_genus_ Haarlemmer bekend is, weet dat zij allen des zondags haar
+verschillenden wandeltijd hebben; iets, 't welk zeer natuurlijk
+wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarbij in
+'t oog houdt dat er veel menschen naar de middagkerk gaan, terwijl een
+groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle deze
+_species_ rangschikt, en men tevens achtslaat op de vreemde vogelen,
+die uit andere luchten op een zonnigen zondag komen aanwaaien, dan zal
+men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet ongelijk aan die der
+elkander, naar de schoone vergelijking van _Homerus_, als boombladeren
+wegstootende geslachten in het bestaan des menschdoms, of aan die
+der elkander voortstuwende barbaren van het Europa der vijfde eeuw.
+
+Zoo zal de natuuronderzoeker, die des zondagsmorgens de kerk verzuimt
+of naar de vroegpreek is geweest (wat ik liever onderstellen wil)
+en om tien uren, half elf, in Den Hout komt, op het Plein of bij den
+Koekamp (de naam is niet welluidend), eenige zwermen feestvierende
+vogels van den Haarlemmerdijk inhalen, per schuit van zevenen uit
+Amsterdam vertrokken. De mannetjes zijn blauw of zwart geteekend en
+hebben sliknatte, fijngekrulde bakkebaarden. Ze zijn voorzien van
+lange Goudsche pijpen, waaruit ze òf rooken, òf die ze losjes bij den
+kop tusschen de vingers houden en zoo, met den steel naar beneden,
+onverschillig laten slingeren. Merk de regenschermen. De wijfjes
+zijn wit. Zij houden haar opperkleed op, zoo dikwijls ze over een
+droppel water stappen, en dragen 't geheel _opgesteld_ als er wezenlijk
+plassen liggen van den regen van zaterdag. Zij eten gestadig uit haar
+zak; sommigen in den zwerm hebben daarenboven nog een toegeknoopte
+kinderluur met mondkost bij zich. Men ontmoet ze meestal in koppels
+van negenen: twee mannetjes op zeven wijfjes. Ze dwalen een heel
+end ver, somtijds wel tot Heemstede of de Glip af, maar strijken
+'s namiddags, onder een kruik bier en een bosje scharren, aan de
+Groene Valk of in den Aalbessenboom neder, om met de laatste schuit
+naar Amsterdam te vertrekken, terwijl intusschen de toegeknoopte
+kinderluur van knapzak tot een korfje is omgeschapen, om "blommen"
+in thuis te brengen, die drie weken lang in een aarden melkkan zonder
+oor, in een klein winkeltje, of op den bovensten trap van een kelder,
+hier zonder licht, en daar onder den frisschen adem van een stinkend
+riool, het geluk en den rijkdom zullen uitmaken van iemand die garen
+en band verkoopt en tevens besteedster is, of van iemand die turf en
+hout slijt en tegelijk uit werken gaat.
+
+Wandelt de natuuronderzoeker voort, dan ziet hij in 't voorbijgaan
+eerst nog een dergelijken troep, die zich in den aanblik van
+het Paviljoen verlustigt, en waarvan al de individu's, om zich
+te overtuigen dat het geen droom is, zich met beide handen aan de
+spijlen van het hek vastklemmen, zich bij geen mogelijkheid kunnende
+verklaren wat voor aardigheid of vroolijkheid er wezen mag in de
+groep van Laokoön, maar op dit punt overeenkomende, dat de W in het
+frontispice "_Wullem_" beduidt.
+
+Meergemelde natuuronderzoeker heeft even de Dreef verlaten, om in
+de verrukking van deze vreemdelingen te deelen, maar gaat nu door
+een allerliefst laantje, waarin de ochtendzon allergeestigst door
+'t hoog geboomte speelt, op de "logementen" af. Hij wandelt een gele
+barouchette en een blauwen char-à-bancs voorbij, die hij onder 't
+geboomte uitgespannen ziet, als ware 't om menigeen van huns gelijken
+derwaarts te lokken. Hier is alles nog doodstil. 't Is een liefelijke
+morgen. Een enkel heer met een grijzen paardenharen Saksen-Weimar,
+bruinen rok, grijze zomerbroek, Engelsche spikkelkousen, lage schoenen
+en een tenger, hoogstfatsoenlijk uiterlijk, zit aan een der houten
+marmeren tafeltjes van het "Wapen van Amsterdam" voor de deur,
+zeer op zijn gemak een boek te lezen. Een dikachtig heer met roode
+wangen en een opvliegend voorkomen, met zwarten rok en in 't kort,
+leest er steunende op zijn stok een courant, zonder tafeltje op een
+stoel neergevallen. Een jonge vrouw, eerst onlangs uit het kraambed
+hersteld en nog een weinigje bleek, zit aan een ander tafeltje,
+waarop uitgediend ontbijtgoed staat, met een lief mutsje met lichtblauw
+Zeister op en een lichtblauw japonnetje aan, gemakkelijk in haar stoel
+geleund, te breien, en wijdt van tijd tot tijd haar aandacht aan haar
+kindermeid, die met een Amsterdamsche kornet op 't hoofd, of liever ààn
+'t hoofd, want dat soort van mutsen laat het hoofdhaar tot de kruin toe
+onbedekt, en een rozerood japonnetje met een zwart schort met puntjes
+voor, op everlasting schoenen, met kruislinten net als mevrouw, over
+het schelpenpad aan den overkant rustig voorttrippelt, met aan de eene
+gehandschoende hand een kind van twee jaar, met een baleinen valhoedje
+met rozeroode strikjes en, aan de andere, een van drie, in beugeltjes;
+welke kinderen zij, zoo dikwijls als zij iemand tegenkomt, wien zij
+een goed denkbeeld van hare opvoeding of van haar dienst geven wil,
+met het plechtige "uwé" toespreekt: "Spreekt uwé niet tegen meneer,
+_Sorsetje_?--Foei _Franswatje_, wat maakt uwé uwees handjes vuil
+met die schullepies."--Aan de Hertebaan vertoonen zich hier en daar
+een paar jonge dames, in 't bloote hoofd, en in een costuum, dat
+zij "zoo geheel buiten" noemen, en 't welk voornamelijk gekenmerkt
+wordt door sterk gekleurde zijden schortjes, bezig met "aan de lieve
+beestjes eten te geven".--Dit nu zijn de gelukkigen, die bij _Stoffels_
+logeeren.--In de Sociëteit is nog niemand, maar een tweetal knechts,
+een volwassene en een jongen die nooit volwassen worden zal, staan
+tegen elkander over in het middelste deurraam met de handen op den
+rug het talent van _Zocher_ te bewonderen, dat de heeren van _Trou
+Moet Blijcken_ in de gelegenheid gesteld heeft tot de schepen toe te
+zien, die door 't Sparen gaan.--In 't logement op den hoek zit een
+Zaandamsche familie, gisteren aangekomen, al de mannen zeer lang,
+en in een volmaakt pak blauwe kleederen uitgedost, met zwarte dassen
+en witte onderdassen; de vrouwen met de nationale kap, en zwarte
+tanden. Zij drinken reeds koffie, en laten zich van den kastelein,
+die de vrijheid neemt van in de deur te blijven staan, omtrent vele
+wetenswaardige dingen onderrichten. Opmerkelijk is, tegen een der
+palen en daarenboven op een stok geleund, een gebrekkig man, niet
+zoo zeer een bedelaar, als wel een afwachter van aalmoezen; een dier
+onsterfelijken, die de oudste Haarlemmers altijd even oud en altijd
+even beschadigd, daar gezien hebben. Sommige verdenken hem van een
+stilleverklikker te zijn; ik geloof het niet; maar indien hij het is,
+dan is hij het zeker alleen maar om aan de kindskinderen te verklikken
+op wat wijze hunne grootvaders in Den Hout hun geld verteerden.
+
+In dezen toestand blijft Den Hout tot elf uren of half twaalf. Alsdan
+rukt de voorhoede der Haarlemsche wandelaars er in. Zij bestaat
+voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep of
+nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus des zondags
+de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winkeliers met lange
+roksmouwen; de boekhouders met watten in de ooren; de ambachtsbazen met
+hooge hoeden, lange panden, en lange lenden; allen met hunne vrouwen
+één, en met hunne dochters drie graden boven haar stand gekleed,
+en alleen in dit bijzondere geval met hunne zonen, wanneer deze het
+niet zóó ver in de wereld hebben gebracht om zich hunner te schamen;
+want er vallen secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten
+onder voor; maar indien dit het geval niet is, dan ook kunt gij
+zeker zijn, vader en zoon met gelijke en gelijkvormige rottingen
+te zien voortschrijden. Voor het overige bemerkt men nu reeds een
+enkel jong mensch uit deftiger stand, hetzij dan een notarisklerk of
+een surnumerair bij het gouvernement van Noordholland, die, daar hij
+geen schepsel wist te verzinnen, aan wien hij na kerktijd een bezoek
+schuldig was, nu maar naar _Stoffels_ stapt en, verbaasd van daar
+nog niemand van zijn kennis te ontmoeten, zich met den hond van den
+kastelein behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst
+dat mijnheer habitué is.
+
+Hem volgen, tegen halftwee, twee uren, de deftige bewoners uit de
+stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie,
+de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldsche kinderen van den
+geestelijke, zonder hunne ouders. Ook komen nu de bloemisten van
+den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten. Voorts bemerkt
+men zusters met haar eerste voiles, die met broers met hun eerste
+rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters met voiles en broers
+met rokken tegen te komen; en reeds nu en dan een enkel rijtuig, als
+b.v. de sjees van den dokter, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een
+toertje doet, en het wagentje van den grutter, die geen pleiziergeld
+betaalt, alreede tegenkomt; voorts de demi-fortune van den kleinen
+rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte
+harddravers met witte koorden leidsels van den welgestelden makelaar,
+en het rijpaard van den kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en
+voorbijgereden van Amsterdamsche char-à-bancs voor twaalf personen,
+daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf
+met een hoedendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste
+dezer laatsten in de stad uitspannen.
+
+Het gebeurde alzoo dat, als wij drieën om één uur de Houtpoort
+uittraden, wij noodwendig op hun terugtocht tegenkwamen de kleine
+winkeliers met de lange roksmouwen, de boekhouders met de watten,
+de hooghoedigen, de langpandigen, de langlijvigen enz., en als
+'t ware aankondigden de komst der notarissen, der fabrikanten,
+der boekverkoopers, der doctoren, der apothekers, der bloemisten,
+der zusters en broers enz., die nog achter ons waren.
+
+"Wat zien uw stadgenooten er over 't algemeen peu fashionable uit!" zei
+_Nurks_, met dien bijzonderen lach, die de Engelschen _a sneer_ noemen,
+een zeer druk en aangenaam gesprek afbrekende en oogenblikkelijk weer
+opvattende, om mij het antwoorden te beletten.
+
+Een boom of wat verder pleegde hij mij hetzelfde boevestuk met den
+uitroep:
+
+"Ik dacht dat er zooveel beau-monde in je menniste Haarlem was!" en
+weder vergunde hij mij niet in het midden te brengen, dat de geheele
+deftige middelstand nog achter onzen rug was, die niet voor een uur
+later, eerst door de hoogere ambtenaars, en daarna door de haute
+volée zou worden opgevolgd. Hij wist het ook trouwens even goed als ik.
+
+Wij namen plaats bij _Stoffels_. De onbeleefdheden, die tot nog
+toe alleen aan ons beiden verkwist waren, werden nu ook algemeen
+verkrijgbaar gesteld. Ik zat nog niet, toen _Nurks_ al uitriep,
+zoodat al de belendende gezelschappen het hooren konden:
+
+"Lieve hemel, _Hild_, wat hebje een mooi vest aan; dat had ik nog niet
+van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes ten achteren is."
+
+De leelijkert had duidelijk bemerkt, dat ik het voor 't eerst aanhad
+en er van tijd tot tijd met innig welgevallen naar keek. Ik stak
+onmiddellijk mijn beenen onder de tafel; want het was mij op zijn
+minst vijfenzeventig maal gebeurd, dat hij, met een opgetrokken
+neus naar de punten van mijn schoenen loerende, mij had afgevraagd:
+"Waar laat je _die_ turftrappers maken?"
+
+Van een goedigen krulhond, die met veel liefde door een oud man
+gestreeld werd, heette het "Wat een mormel!" Van een paar schimmeltjes,
+die voor de deur stilhielden en waarmee de eigenaar met groot
+zelfbehagen pronkte: "Leelijke koppen!" Van het kindje in beugels,
+dat al van half elf gewandeld had en er schrikkelijk verhit uitzag:
+"Als ik er zóó eentje had, deed ik het een steen om den hals". Alles
+luid genoeg om verstaan te worden door de respectieve eigenaars van
+het mormel, de leelijke koppen, en den jongen heer. Er zat een statig
+man, wiens geluk half weg was, omdat hij in den morgen bloemen gezien
+hebbende in het "Cieraad van Flora", bij het inkruipen van een enge
+broeikas, eenigszins aan een spijker was blijven haken. Hij had daar
+toen niet veel acht op gegeven, maar nu rustig in Den Hout een sigaar
+zittende te rooken ontdekt hij te midden zijner overpeinzingen een
+kleinen winkelhaak in zijn pantalon, vlak bij de knie. Hij had het
+zoo haast niet gezien of hij wierp er met veel handigheid zijn zijden
+zakdoek over, maar te laat om de aanmerking van _Nurks_ te ontgaan,
+die juist op dit zelfde oogenblik tot ons zei: "Ik mag wel zoo'n
+maneschijntje". De bloemliefhebber kreeg een kleur als een Cactus
+Speciosa, om welke te verbergen hij in verwarring naar zijn zakdoek
+greep om zijn neus te snuiten, zoodat de maan weer plotseling door de
+wolken brak, tot groote vroolijkheid van een gezelschap Amsterdamsche
+juffrouwen en heeren uit een manufactuur-winkel, dien zich op dien
+merkwaardigen dag op zijn minst voor staatjufferen en kamerheeren
+van Z.M. den koning wilden gehouden hebben.
+
+"Is dat een rok van je vader?" vroeg _Nurks_ grappig aan den jongen,
+die hem zijn limonade bracht, en zich zeker niet zeer bekrompen in
+dat kleedingstuk bewoog.
+
+"Ik heb geen vader," zei de arme jongen, en het ging mij door de ziel.
+
+De beau-monde verscheen met al zijn gedistingueerde geuren en kleuren;
+met al de pracht van vederen, sjaals, parasols, mantilles, amazones,
+koetsiers, rijtuigen en rijpaarden. Ik had het ongeluk gehad _Nurks_
+te voorspellen, dat hij een brillante nieuwe equipage zou zien. Hij
+kreeg die zoodra niet in het oog, of hij vroeg mij ongeduldig:
+
+"Wanneer komt nu die mooie equipage, waar je van gesproken hebt?"
+
+En zoo was het telkens, tot groote ergernis van _Boerhave_, die evenwel
+nog al aardig vrijliep, maar wiens horlogesnoer ijselijk door _Nurks_
+gefixeerd werd, zoodat hij alle oogenblikken dacht dat er iets op
+komen zou, en eindelijk dan ook zijn rok maar toeknoopte. Ik herinner
+mij nog slechts twee onaangenaamheden, die _Nurks_ mijn goeden medicus
+deed doorstaan, doch die even als de aangehaalde zich ook alleen bij
+het physionomisch hatelijke bepaalden. De eene was deze. Wij spraken
+over de ongelukken, die men met zwemmen kan krijgen. Op een warmen
+zomerschen dag is 't een wellust om over water te handelen. _Boerhave_
+verhaalde een treffend geval van schitterende zelfopoffering in een
+zwemmer, buitengewoon genoeg om al de eerepenningen der Maatschappij
+tot Nut enz. te verdienen, indien deze 't niet tot regel gesteld had,
+alleen dezulken te beloonen die _niet_ zwemmen kunnen, maar althans
+buitengewoon genoeg om een steenkoud hart te doen ontgloeien. _Nurks_
+evenwel hoorde het met de volmaaktste onverschilligheid aan en nam
+zelfs onder 't verhaal allerlei bijzaken waar. Nu eens, bijvoorbeeld,
+scheen hij zich met de borst toe te leggen op het vormen van kunstige
+kringen van tabaksrook; dan weder blies hij, volmaakt in de houding
+van iemand die volstrekt niets anders te doen heeft, de sigaarasch van
+zijn knie, en zelfs van de tafel; dan weder scheen hij al zijn aandacht
+en belangstelling te wijden aan zijn nog altijd ziekelijken halsboord,
+die nog telkens nieuwe aanvallen van flauwte had; welke veelzijdigheid
+van oefening mijn opgewonden vriend, die van geestverrukking gloeide,
+op den duur weinig streelde. Hij trof het even ongelukkig met het
+verhalen eener splinternieuwe anecdote van drie Leidenaars, waar
+ik met mijn heele familie den vorigen avond tot schreiens toe om
+gelachen had, met groot gevaar van in ons warm brood te stikken, maar
+die totaal schipbreuk leed op de stalen onbuigzaamheid van mijn heer
+en neef, die ditmaal in een ander uiterste viel, en zeer geduldig en
+ingespannen zat te luisteren, ja zelfs zoo geduldig en ingespannen,
+dat het hem scheen te treffen dat het verhaal waarlijk uit was,
+en hij nog altijd op het slot en de aardigheid zat te wachten,
+die, indien men zijn gezicht had willen gelooven, nog immer komen
+moesten. Mij is niettemin van goederhand verzekerd, dat opgemelde neef
+èn de edelmoedige menschenredding èn het geval der drie Leidenaars,
+nog dien zelfden avond, met zichtbare blijken van zelfbehagen heeft
+medegedeeld op de diligence; gelijk hij ze ook beiden des anderen
+daags wist te pas te brengen op Doctrina, aan zijn tafel, en in de
+Munt, en in den loop van de week te pas te _jagen_ op twee concerten
+en in vijf koffiehuizen (zoodat ik met grond onderstel dat hij er nu
+de harten der liplappen en der blauwen in de West mee verkwikt); en al
+wie de eerste niet "verbazend" en de laatste niet "om te schreeuwen"
+vond, wist hij oogenblikkelijk iets stekeligs te zeggen op het gevoelig
+punt van bakkebaarden en stropdassen.
+
+Er kwam muziek. Drie dames met lange reticules en opmerkelijk door
+roode linten op de muts, oranje tissu's om den hals en voorschooten
+met diepe zakken met schuifjes. Eene breede sproeterige Saffo met een
+hooge sproeterige harp in het midden, en twee tanige vrouwen, die met
+handen vol diamanten, die een sterken familietrek van glas hadden, op
+de viool speelden. "Drie poetjes van gratietjes", zei _Nurks_ lachende,
+en luid genoeg om een langen procureursklerk mee te doen lachen,
+die veel verder van hem af was dan de gratietjes in quaestie. Het
+snarenspel begon, _Nurks_ stopte van tijd tot tijd den vinger in de
+ooren, dat toch niet opwekkelijk wezen kon voor drie kunstenaressen,
+die ook wel wisten dat het zoo heel mooi niet was, en ook niets verder
+bejaagden dan een dubbeltje of een stuiver van elk der toehoorders,
+en een weinigje geduld. De violen hielden met een fiksche kras op,
+en de harpspeelster hief, met een eenigszins schorre stem, en juist
+voor de drieëntwintigste maal op dien gedenkwaardigen morgen, het
+toen even zoo min als nu nieuwe, maar altijd slepende
+
+
+ Fleu--ve du--Ta--ge!
+
+
+aan.
+
+"Ba; wat is ze leelijk als ze zingt," klonk het, dwars door de
+aandoenlijke woorden der romance heen, uit den heuschen mond van
+_Robertus_, wien het zeker nooit in 't hoofd was gekomen dat ook een
+arme vrouw ijdelheid zou kunnen hebben.
+
+Het lied liep verder zonder stoornis af; zoodat de reticule geopend
+kon worden, om het bekende roodverlakte flesschebakje met blinkenden
+rand te voorschijn te brengen. Ik had er een gulden op willen leggen,
+indien de zangeres _Nurks_ niets gevraagd had. Maar er was geen houden
+aan; dus gaf ik maar een dubbeltje. Zij kwam tot _Nurks_.
+
+"Hoeveel octaven kan _jij_ wel zingen?" vroeg hij werkelijk
+grijnslachende, maar tegelijk een vijfje op 't blaadje leggende;
+want zoo was hij.
+
+Men moet in den handel ook het vuile geld aannemen.
+
+"Merci, monsieur", zei de harpspeelster, met neergeslagen oogen en
+was reeds bij den man met den gescheurden pantalon.
+
+De lange procureursklerk was middelerwijl van plaats veranderd,
+en zat nu toevallig aan een tafeltje, 't welk de virtuoze alreede
+was voorbijgegaan.
+
+De violen hadden ondertusschen lustig doorgespeeld; ik weet niet of
+men er te milder of te kariger om gegeven had. Nu werd er nog een
+zeer korte, zeer vlugge trio uitgevoerd, waarop al de dames al de
+oogen nedersloegen, al de lippen bewogen, negen, en vertrokken. Thans
+zag een eenloopend klarinettist, zonder hoed, de baan schoon om ook
+zijne talenten te doen hooren.
+
+"Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek," merkte
+_Nurks_ aan.
+
+"Och, ik vind het nog al vroolijk," zei ik bemiddelend.
+
+"Ja maar", zei hij, mij strak in de oogen ziende, en een lange teug
+limonade nemende--"ja maar--ik geloof, om je de waarheid te zeggen,
+niet dat je heel muzikaal bent."
+
+Nu, voor deze laatste onhebbelijkheid behoeft men geen _Robertus
+Nurks_ te wezen. Daartoe acht zich, volgens mijne ondervinding, ieder
+liefhebber gerechtigd, die in zijn huis een eerste en eenige, en in het
+een of ander orkest een tweede viool speelt, en een derde spelen zou,
+indien er een derde viool bestond; ja, ik heb er onder de paukenslagers
+gekend, die in dit opzicht de crimineelste waren. Och, al is men maar
+iemand, die op een concert de hand met zekere majesteit onder de kin
+kan leggen en de oogen toeknijpen met diep gevoel, om ze niet dan bij
+een point d'orgue schielijk en geheel verward, en als kwam men uit
+eene andere wereld (uit de wereld der inbeelding bij voorbeeld) open
+te doen;--of al slaat men er zelfs maar met zekere wijsheid de maat
+met het opgevouwen affiche of met den geglaceerden wijsvinger;--of
+al heeft men maar even den slag om, bij het wederkeeren van het
+thema in een groot muziekstuk, een lachje, liefst een zenuwachtig
+lachje, voort te brengen, dat met telegraphische duidelijkheid zegt:
+"we zijn weer thuis"!--of al heeft men maar alleen de vereischte
+bekwaamheid om van een zangeres, die algemeen bevallen heeft, met
+een diep noodlottig neergelaten wenkbrauw en allerbedenkelijkst
+hoofdschudden te decreteeren, "weinig methode";--of den tact om
+classieke van romantieke muziek te onderscheiden en te zeggen:
+"ik hoorde toch liever _Lafont_ of _Beriot_ dan de _Eichhorns_ of
+_Ernst_";--ik zou zeggen, al heeft men slechts eenmaal een blad muziek
+gecopiëerd; met een van alle deze muzikale verdiensten toegerust,
+heeft men eens vooral de bevoegdheid op de rest van 't heelal met
+verachting neer te zien en alle verdere creaturen, zoodra ze zich
+iets omtrent de goddelijke toonkunst verstouten, in haar aangezicht
+te verklaren dat ze niet muzikaal zijn. Die onbeschaamdheid hebben de
+speelmannen, hoorenblazers, doedelaars, tokkelaars, en trommelslagers
+op de kunstenaars van andere vakken vooruit. Geen schilder, wanneer
+gij in zijn atelier komt en gij zegt iets van zijne of eens anders
+schilderij, hetzij juist of minder juist, zou de onbeleefdheid hebben
+van te zeggen: "Ik geloof niet dat mijnheer veel oog op de kunst
+heeft". Geen auteur, voor wien een fatsoenlijk mensch zijn gedachten
+uitbrengt over een roman, een gedicht, of een vertoog, zal hem durven
+vragen: "of hij eigenlijk wel smaak en gezond oordeel heeft". Maar de
+muzikanten! Zij hebben met betrekking tot hun kunstvak zich dezelfde
+onheuschheid aangewend, die mijnen neve _Nurks_ was aangeboren, en
+ik heb jongelieden ontmoet, uit de beschaafdste kringen, "every inch
+gentlemen", die op dit punt volstrekt onoverdragelijk waren.
+
+Ik geloof dat ik maar niet meer op mijn neef moet terugkomen. Als
+ik het indenk, weet ik nauwelijks van waar mij de vermetelheid is
+aangewaaid om hem u voortestellen. Ik vertel u nu maar niet, hoe
+wij in het "Wapen van Amsterdam" aan de table d'hôte dineerden. Hoe
+hij halfluid fluisterde over de economie van een paar eenvoudigen,
+die tegen 't reglement van den kastelein aan, een halve flesch voor
+hun beiden bestelden, en daarna dreigden zich een indigestie te eten
+aan den bouilli, die na de soep werd rondgediend, in de stellige
+overtuiging dat er geen ander vleesch komen zou; hoe zijne blikken
+later den arm verlamden van een deftig heer met gepoeierd hoofd, die
+een taaie kip met een bot mes, natuurlijk niet heel handig, voorsneed;
+hoe hij een juffertje, dat nog niet veel van de wereld gezien had en
+vlak tegenover hem gezeten was, tusschenbeide zoo ironisch aanzag,
+dat zij eerst in 't denkbeeld geraakte dat zij onbehoorlijk veel at,
+en derhalve begon voor alles te bedanken, en vervolgens tot de stellige
+overtuiging kwam dat zij gemorst moest hebben, en al haar best deed om
+een lonk in den spiegel te krijgen om te weten te komen waar 't zat;
+hoe ik, toen wij na den eten de Hertebaan nog eens omwandelden, in
+duizend angsten leefde dat hij een streek met de parapluie zou krijgen
+van een of ander der met blauwe jassen geadoniseerde ambachtslieden,
+die met beminnelijke, beminnende en beminde dienstmeiden aan den arm
+(uitgedost met zwartzijden hoeden en bruine gepalmde omslagdoeken)
+met groote stappen voortschreden, op welker heeren toilet hij niet
+nalaten kon de namen van "twijfelaar, heel stuk laken, kuitendekker",
+of "sleepjurk" toe te passen.
+
+Na al dergelijke jammeren kregen wij den goeden, besten,
+liefdekweekenden en vriendhoudenden _Robertus Nurks_ aan "de Bel"
+in de diligence. Nog even stak hij het hoofd uit het portier om
+ons toe te roepen: "niet veel zaaks!" 't welk het reisgezelschap,
+op goede gronden, op zich kon toepassen. Daar reed hij heen. Wij
+wandelden tezamen nog even de poort uit; want ik noem het hek met alle
+Haarlemmers, die de poort gekend hebben, nog altijd met dien naam. En
+toen wij, over het Hazepatersveld heenblikkende, de zon zagen, die
+bloedrood onderging en hare schoone tint mededeelde aan de witte
+schuimige wolkjes, die als dunne sluiertjes door de lucht dreven,
+durfde ik _Boerhave_ een mooien Maandag voorspellen, en vergat hij
+in 't vooruitzicht van bloeiende Aristolochia Clematitis en levende
+wijngaardslakken, spoedig geheel en al den beminnelijken bloedverwant,
+waarmee ik hem had in kennis gebracht.
+
+1839.
+
+
+
+
+
+
+
+HUMORISTEN.
+
+
+ Het legher treckt vast in met duizenden, een macht
+ Zoo groot als Waterlant noch oit te velde bracht,
+ En Kennemer, en Vries en Zeeu en Holland t' zaemen.
+
+ _Gysbrecht van Aemstel_.
+ (_Uit een brief van Melchior_.)
+
+
+Beste _Hildebrand_!
+
+Ik verneem met een zeker genoegen, dat er van tijd tot tijd iets van
+u gedrukt wordt; met een zeker genoegen, zeg ik; want wij hebben nog
+samen school gegaan. Ik heb toen altijd wel gedacht dat er wat in u
+zat, maar ik wist niet of er ooit wat uit u komen zou. Mijn vader zegt
+evenwel dat hij dat altijd voorspeld heeft, ofschoon ik er mij niets
+van herinner, maar wel weet ik dat ik driemaal een hekel aan u gehad
+heb, omdat mijn vader u tot een voorbeeld van goed oppassen nam, en ik
+wist toch dat ge ook wel eens kattekwaad deedt, _Hildje_! Denk maar
+eens aan de klapdeur van het Bonte Kalfje, die alle morgens om half
+tien en iederen namiddag om drie uren werd opengetrokken dat de bel
+rammelde, een kwartier lang, als het Fransche gebed al lang op school
+was voorgelezen.--Maar dat daargelaten, vriend; ik hoor dat gij weer
+iets op de pers hebt, en gij zult mij, op grond van heel goede kennis,
+wel vergunnen willen, u eenige raadgevingen mede te deelen. Ik ken
+menschen, die dat veel liever doen bij wijze van recensiën; daar zijn
+er, die de kopij onberispelijk en het gedrukte boek allerdolst vinden;
+maar ik hou van die methode niet, en kom liever met mijn raad voorop.
+
+Eerst echter wilde ik u vragen, ronduit vragen, of gij een humorist
+zijt? Ik denk het half, omdat het tegenwoordig zoo ijselijk aan de orde
+is. Kijk _Hildebrand_, als gij een humorist waart, dat zou me leelijk
+spijten; ik zou haast zeggen, schoon mijn hart er bij breekt:--als
+gij een humorist zijt, _Hildebrand_, leg drie stuivers uit, koop een
+touw, en... Maar gij zijt immers geen humorist, mijn waarde! o Zeg,
+dat gij het niet zijt.
+
+Daar is tegenwoordig zulk eene ontzettende consumtie van humor, mijn
+vriend, dat dit artikel verschrikkelijk duur moet geworden zijn en
+dan ook bij gevolg akelig wordt vervalscht. Ik ben overtuigd dat er
+in iedere kerk, de dominé meegerekend, meer dan honderd humoristen
+bijeenzijn. Men komt in geen koffiehuis, men rijdt in geen diligence,
+ja wat meer is, men zit in geen "bijwagen" zonder een humorist. Het
+heele land is er van vergiftigd: humoristen op rijm; humoristen in
+proza; geleerde humoristen; huiselijke humoristen; hooge humoristen;
+lage humoristen; hybridische humoristen; bloempjes-humoristen;
+tekst-humoristen; sprookjes-humoristen; vrouwenhatende en
+vrouwenfleemende humoristen; sentimenteele humoristen; ongelikte
+humoristen; gedachten denkende humoristen; boek-, recensie-,
+mengelwerk-, brief-, voorrede-, titelblad-humoristen; humoristen,
+die op de groote lui schelden en verklaren dat die geen greintje
+gevoel hebben, omdat ze een knecht hebben met galons aan den rok,
+en een spelende pendule; humoristen, die het met de bedelaars
+houden in de boeken, en ze naar Frederiksoord helpen sturen in de
+Maatschappij van Weldadigheid; reizende humoristen; huiszittende
+humoristen; tuin- en prieeltje-humoristen, wier vrouwen aan iets
+anders bezig zijn, terwijl _zij_ humoriseeren; en dan eindelijk de
+heele simpele plattelands-humoristen, schoon ze allegaar wel een
+deel van simpelheid weg hebben, in deze manier: "je zoudt wel denken
+dat ik heelemaal onnoozel was, maar 't is allemaal lievigheid"! Ik
+spreek niet van de heele grappige, de zeer onfeilbare, en de zeer
+onduidelijke humoristen... Och lieve _Hildebrand_, honderd soorten
+zijn er daar ik niet van spreek, want ze komen uit den grond op, en
+ik weet evenmin als in de kennis der kruiden of men veiliger doet ze
+te rangschikken naar _partes essentiales_ of naar _habitus_, naar een
+_systema naturale_ of naar een _systema artificiale_; wat eigenlijk,
+waar het den stijl geldt, tegenwoordig het vraagstuk naar de mode is,
+waarover gij in 't Latijn en in 't Hollandsen, in 't beleefd en in
+'t scherp, heel veel stichtelijks en afdoends lezen kunt.
+
+Ik kan mij ondertusschen niet verklaren hoe 't bij zoo veel humor
+mogelijk is, dat er nog geen betere definitie van het ding in de
+wereld komt. Lieve hemel! wij drijven in humor, en niemand heeft
+adem om te zeggen wat het eigenlijk voor een vocht is. Ik zou dan
+haast gelooven moeten dat wij er in _verdrinken_. In dat geval,
+kan men er niet gauw genoeg bij zijn, een drenkelinggenootschap
+voor de humoristen op te richten, of een afschaffings-, ten minste
+een matigheids-maatschappij onder de zinspreuk: "Laat staan uw
+humor". _Jean Paul_ pakt het verhevene bij de beenen, keert het
+met Rapponische krachten om en zegt: "Ziedaar het humoristische:
+'t is niet anders dan het verhevene met de voeten in de lucht"
+[7]. Ik heb allen eerbied voor die kunstbewerking, maar _Jean
+Paul_ was somtijds een zeer onduidelijk humorist. _Bilderdijk_
+zegt ergens, en zoo niet in zijne boeken, dan heb ik het uit zijn
+mond, dat het precies het Hooftiaansche _neskheit_ is; maar _Hooft_
+en _neskheit_ zijn, wat de "Tesselschade" er ook tegen doen moge,
+zulke oude humoristen, dat ik vrees dat die aanhaling de zaak voor 't
+algemeen niet veel opheldert. En _après tout_: wat heeft het algemeen
+er mee te maken? De humoristen zijn er, zijn er in grooten getale,
+en vermenigvuldigen met den dag. Eerstdaags zien wij eene koninklijke
+humoristen-stoeterij. Wat weet ik waar 't op uit zal komen? Eerstdaags
+eene humoristische revolutie, eene op end' op humoristische orde van
+zaken, met eene hartroerende oude vrijster op den troon, met een
+kring van sentimenteele daglooners tot ministerie. Daar zullen in
+de vergaderzaal de eenvoudige, de onschuldige kindertjes zitten; het
+leger zal bestaan uit duivenhartige bloodaards onder den hoogdravenden
+naam van medelijdende zielen; het rechterambt zal bekleed worden
+door menschen die tegen àlle straf zijn, niemand dan een grijsaard
+zal er schrijver, dichter of geleerde zijn mogen of tot de hoop des
+vaderlands worden gerekend, uitgenomen de humoristen zelve; ieder
+hunner zal een goelijken oom en een onnoozelen neef hebben, maar,
+met uitzondering van deze lieve kinderen, zullen de jongelingen als
+eene schadelijke uitvinding buiten 's lands gezonden worden. Geen adel
+meer, geen rijkdom, geen livereibedienden, geen _paté de foie gras_,
+geen kooien meer voor vogels, en geen modes meer voor dames; maar een
+aanmerkelijke invoer van huisjassen, sloffen, pijpjes, tuinstokken,
+kinderboekjes, Moeder-de-Ganzen.... Wat ik u bidden mag, _Hildebrand_,
+ga niet onder de humoristen!
+
+Ten tweede, enz. enz.
+
+
+
+
+
+
+
+DE FAMILIE STASTOK.
+
+
+De Aankomst.
+
+In het kleine stadje D---- werd op een donderdag in de maand October,
+des namiddags omtrent één ure, de stijle ijzeren trede neergelaten van
+een gele diligence, rijdende over D---- van C---- tot E---- vice versa,
+en uit dezelve daalde, tot groote bemoddering van dengenen die hem
+onmiddellijk volgde, en die niemand anders was dan zijn eigen cloak, uw
+onderdanige dienaar _Hildebrand_. Hij had gereisd met een bleeke dame,
+die het rooken had verboden, en gedurig de kronkelbochten van haar boa
+had zitten te verschikken, dan eens had gezucht, dan eens ingesluimerd
+was, dan eens eau de cologne genomen, dan weer eens geslapen had,
+en altijddoor leelijk was geweest. Op dezelfde bank met deze had een
+jong juffertje gezeten, in een blauwen geruiten mantel niet gedoken,
+het denkbeeld is te ruim, maar gestoken; een mantel, die, naar een
+langvergeten mode vatbaar was om van achteren te worden ingehaald
+door een klein lapje van dezelfde stof, in den vorm van een souspied,
+op twee paarlemoeren knoopjes uitgespannen; dezelve juffer had een
+stroohoed op met blauw gaas lint met bruine strepen, in groote lissen
+met stevig soutien opgemaakt, en een hardgeel sjaaltje om den hals. Zij
+was zeer bang voor de bleeke dame naast haar, en bleef op een schuwen
+afstand; soms had zij den goeden wil haar in 't verschikken van haar
+boa te hulp te komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig
+roodvingerig handje, met een ring, die bijzonder veel op tin geleek,
+voor ontbloot; maar de bleeke dame had haar aangeblikt, en toen had zij
+haar neus gesnoten, volgens een in den omgang zeer deugdelijk stelsel,
+naar 't welk de neus alle mispassen, voorbarigheden en malle figuren
+misgelden moet. Dit was het personeel van de achterste bank geweest. Op
+de volgende had een jodin gezeten, als een oostersche edelsteen gevat
+tusschen twee christenen; zij verborg onder een groen nopjesgoed
+manteltje een klein kind, dat al haar trots uitmaakte omdat het niet
+schreeuwde, zelfs niet toen zij het omstreeks halfweg een schoone
+luier aandeed. Het kind nu was zeer klein, en had een zeer groote dot
+in den mond. Van de christenen, waartusschen zij gevat was, had de
+een een grooten rondglazigen zilveren bril, een zilveren sigaarkoker,
+een zilver potlood, een zilver horloge, benevens zilveren broek- en
+schoengespen, waaruit ik opmaakte dat hij een zilversmid was; en de
+andere een koperen doekspeld, een koperen tabaksdoos, en een koperen
+guirlande op zijn buik, waaruit ik besloot dat hij niet minder dan
+een banketbakkers meesterknecht zijn moest. De eerste haalde, daar er
+niet gerookt mocht worden, den zilveren sigaarkoker een paar malen uit
+den zak, alleen om 't vermaak te hebben van hem open te doen, er een
+zilveren sigarepijpje uit te halen, en er nog iets in te zoeken dat
+er niet in was, maar dat, zoo 't er in was geweest, zeker beter te
+pas had kunnen komen dan het pijpje, en hem vervolgens weer dicht te
+sluiten, na alvorens meergemeld pijpje, eerst met het voor- en daarna
+met het achtereinde naar beneden, er in gepast te hebben; de laatste
+stak uit de koperen tabaksdoos eene niet onaardige tijdpasseering in
+den mond. De zilveren man had eene groote neiging tot spreken, de
+koperen scheen vast besloten te hebben, geen mond open te doen. De
+jodin had natuurlijk veel meer achting voor den zilveren; maar de
+zilveren was terughoudend voor de jodin. Vóór den zilveren zat een
+knorrig, groot dik man, dien ikzelf niet toe dorst spreken, want hij
+had twee jassen over elkaar aan, een dikken rotting in de hand, een
+kleur als of hij zoo pas van een vechtpartij kwam, en een uitdrukking
+alsof hij zich gereed maakte met den eersten die hem toesprak een
+vechtpartij te beginnen; het was ongetwijfeld een commissaris van
+politie, of een plaatsmajoor in politiek. Aan zijne zijde sluimerde
+een jong mensch met gescheiden haar, zoo glad gekamd alsof het uit
+eén stuk was, hooge jukbeenderen, een blauwe das, een turkooizen
+doekspeld, een roodgebloemd vest, heele korte toegeknoopte mouwen aan
+een langlijvig bruin jasje, handschoenen met bont, en overschoenen.
+'t Was een Duitsch kantoorreiziger. Daar naast--maar wat heb ik er
+aan, mijn talent te toonen in 't beschrijven van een reisgezelschap,
+dat volstrekt niet pikant was, en dat ik aan het begin van dit opstel
+reeds vaarwel had gezegd? Om korter te gaan: ik stapte van de trede,
+viel eerst bijna in de armen van een geknevelden heer, met een stijf
+been en gelen rotting, die de bleeke dame afwachtte en, bang zijnde
+dat iemand anders haar de hand toesteken zou dan ZEd., de zijne
+alvast uitstak, dook onder de reeds tegen het dak van het voertuig,
+waarmee ik gekomen was, opgezette ladder dóór, riep den knecht toe:
+"die zwarte koffer met een H!" gaf den conducteur, die met de maal
+naar binnen ging, mijn vijfje, en keek naar iemand om, die mijn goed
+zou kunnen dragen zonder in de verzoeking te komen het aan zijn eigen
+adres te bezorgen.
+
+"Is uwé meheer _Willebram_, als ik vragen mag?" vroeg een zwak,
+pieperig stemmetje, blijkbaar toebehoorende aan iemand, die nog
+nooit een onbekende van de diligence gehaald had. De vraag was tot
+den commissaris van politie gericht.
+
+"Benje d......mal, kerel", zei de commissaris van politie.
+
+"Moet hij uit dezen wagen komen?" vroeg op hupschen toon de man van
+het maagdelijk metaal.
+
+"Dat zal _ik_ wezen", zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende
+van de zorg, waarmee het (naar alle gedachten gezelschap-)juffertje
+voor haar hoedendoos was aangedaan en die zich uitte in de gedurige
+verzuchting: "Is dat met me goed leven, kondelteur!"
+
+Het mannetje, dat vóór mij stond, had zijn opvoeding waarschijnlijk
+in een weeshuis begonnen en was nu bezig haar in een diaconiehuis te
+voltooien. Hij was hoog in de schouders en stijf van knieën, droeg
+een langen bruinen duffelschen jas, met het teeken zijner orde op de
+mouw, en had onder den arm een versleten portefeuilletje, waarin de
+boeken van een of ander leesgezelschap werden rondgebracht.
+
+"Ik moest een boodschap voor meheer doen", zei het mannetje, dat ik
+voor ongeveer achtenzestig aanzag, "en nu zei meheer, dat ik meteen
+reis na' de dullezan zou gaan, om te kijken of meheer gekommen was. Uwé
+mot niet kwalijk nemen, dat ik uwé niet trekt kon".
+
+Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen, om
+'t iemand kwalijk te nemen dat hij u niet kent, indien hij u nooit
+zijn dagen gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op
+dit punt eene volkomene vergiffenis, liet mijn koffertje, totdat
+het afgehaald worden zou, in de "Rustende Moor", en sukkelde met
+mijn nieuwen kennis naar het huis mijns ooms; onder het faveur van
+onderweg vriendelijk door hem onderricht te worden aangaande het doel
+van een groot gebouw met gotische deuren en vensters, waarop een toren
+stond met ordentelijke omgangen, appel en weerhaan, 't welk hij zeide
+"de kerk" te wezen; als ook omtrent een breede streep groenkleurig
+vocht tusschen twee hooge gemetselde wallen, 't welk hij verklaarde
+"de gracht" te zijn.
+
+"En dit is het huis", zeide hij, zijne oude beenen op een stoep
+zettende en een goeden ruk aan een lange schel gevende, met die
+uitdrukking van gelaat, die bij een oud man te kennen geeft: ik kan
+het toch niet hooren of ze zacht of hard overgaat.
+
+
+
+
+De Ontvangst.
+
+Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het
+voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst
+natuurlijk den aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen,
+daarna den bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof
+zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met
+het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te
+slaan, en den langen weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot bij
+den barometer twintig, en van den barometer tot de mat, zes stappen
+vergde. In dien tusschentijd bekeek ik den voorgevel van de woning.
+
+Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en schoon het huis ouder was,
+was hij toch, zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had
+een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in
+het lood. Het had slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met
+middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op breede
+koperen roeden, in het midden een weinigje opengeschoven om het licht
+vriendelijk uit te noodigen wel te willen beschijnen twee bloempotten
+van mijn tante, onder streng verbod van iets anders in het vertrek òf
+op te luisteren òf te verbleeken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in
+die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in
+'t voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een
+hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante.
+
+De ontvangst was recht hartelijk, en de goede menschen die mij nog
+nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat genoegen
+te smaken, ofschoon gemeld genoegen bij den eersten eenigszins
+scheen verbitterd te worden door de omstandigheid, dat ik juist op
+een donderdag gekomen was, als wanneer de voorkamer "gedaan werd",
+zoodat men nu achter zat; waarop mijne moei aanmerkte, dat neef het
+wel zoo voor lief zou nemen en dat hij zeker in zijn ouders huis ook
+wel eens in een achterkamer gezeten had; waarop neef zei, dat deze een
+heele lieve achterkamer was, en dat hij wel van een achterkamer hield;
+waarop oom zei, dat hij er, al zei hij 't zelf, _niet_ van hield, en
+tante het met neef eens was dat zij er _wel_ van hield, waarop oom
+wat bijkwam met te zeggen, dat hij er 's avonds _nogal_ van hield;
+waarop tante en neef zeiden, dat zij er ook 's avonds het _meest_
+van hielden; zoodat er met eenparigheid van stemmen besloten werd,
+dat een achterkamer met een hoog licht des avonds op haar voordeeligst
+is. Ik ben verplicht hier bij te voegen dat de geheele redewisseling
+op de goelijkste en vriendelijkste wijze gevoerd werd terwijl oom
+zijn ingebrande pijp met een zwavelstok weer op de wijs bracht,
+en tante de kopjes van 't koffiegoed met een minzaam lachjen en een
+bonten theedoek zat af te drogen. Zij schikte juist de stapeltjes in
+orde op het blad, toen zij vroeg: "Wel heeremijntijd, _Hildebrand_,
+hadje nou niet nog koffie willen hebben?"
+
+Nu was er op dit oogenblik inderdaad niets waar ik vuriger naar
+verlangde dan naar een kop koffie; maar daar ik mijn tante verdacht
+dat zij het middel om koffie te vermeerderen zou zoeken in de kunst
+om ze te verdunnen, bedankte ik edelmoediglijk, en zei dat ik straks
+met oom een bittertje zou nemen, waarop oom verklaarde dat hij dat
+altijd gebruikte als de wagen van tweeën voorbijkwam.
+
+Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter bij den haard,
+waarbij mijn oom altijd zat als hij achter zat, ofschoon er nooit in
+gestookt werd vóór den eersten November en er dus ook nu geen vuur
+aanlag, en begon met naar mijn neef _Pieter_ te vragen.
+
+Mijn neef _Pieter_ studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel
+ik bij onderscheidene gelegenheden aan onderscheidene studenten van
+onderscheidene faculteiten gevraagd had of zij mijn neef _Pieter
+Stastok_ ook kenden, had ik daarop te geenen tijde een voldoend
+antwoord ontvangen, zoodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan
+deze onbekendheid wellicht moest worden toegeschreven, eindelijk
+begonnen was met niet meer naar _mijn neef_ _Pieter Stastok_, maar
+naar een zekeren student _Stastok_ navraag te doen.
+
+"Gij moest hem al gezien hebben, neef _Hildebrand_", zei de oudere
+_Stastok_, "want hij is uitgegaan om u op te wachten."
+
+"Om u op te wachten," herhaalde mijn tante, haar breiwerk in haar
+schoot latende vallen en over haar bril heenziende: "hij moet u
+zeker misgeloopen zijn; maar hij zal wel spoedig hier wezen. Hij is
+tegenwoordig zoo druk aan zijn examen! Ik ben eigenlijk bang dat hij
+te veel werkt; hij is zoo vlug, weet u!"
+
+En nog nauwelijks had ik den tijd mijn vurig verlangen te uiten
+om die zeldzame vereeniging van vlugheid en arbeidzaamheid, den
+jongeren _Stastok_, te aanschouwen of de schel ging over, de muilen
+van de keukenmeid sloften, en de stap van den Utrechtschen student
+werd gehoord.
+
+Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef gehad,
+zooras hij de kamer binnenkwam kende ik hem door en door. Zijn geheele
+voorkomen sprak collegehouden uit; zijn geheele lichaam dicteerde
+dictaten. De bleeke kleur, het gebogen hoofd, de stalen bril, de
+theedoekige das, de sluitjas met dubbele borst, de horlogesleutel,
+de niet nauwe en niet wijde pantalon, de verschoende laarzen, de
+floretten handschoenen, de zwarte kapelaansrotting met twee nuffige
+kwastjes--alles deed den student zien, die van het academieleven
+niets kent dan de collegekamers en de thé's der professoren; van
+de studenten, geen andere dan zijn stadgenoot en en de senatoren,
+die hem ontgroend hebben; van de burgers, niemand dan zijn hospita;
+den student, die een kleur krijgt als hij twee, en een straat omloopt
+als hij een partijtje van zes studenten tegenkomt; den student, die
+er over klaagt dat er zoo weinig studenten-broederschap is, en niet
+weet dat er studenten-vreugd bestaat; den student, die een dispuut
+zou willen oprichten, waarvan niemand lid zou willen wezen; die van
+den kok dagelijks vijf borden eten krijgt: één, gesneden vleesch, één,
+ingemaakte postelijn, één, dito andijvie, één, opgekookte aardappels,
+en één, rijst met bessennat, omdat hij den moed niet heeft zich
+aan een tafel te doen voorstellen; den student, die in de sociëteit
+duizend angsten uitstaat dat iemand om de courant zal vragen, waar
+hij zich achter verbergt, en wiens naam de andere studenten voor 't
+eerst hooren, als zij toevallig op 't college zijn daar hij afgeroepen
+wordt om te respondeeren.--Zulk een student was zonder twijfel mijn
+onbekende neef _Pieter Stastok_.
+
+"Hoe komt het, _Piet_! dat je neef _Hildebrand_ misgeloopen
+bent?" vroeg tante verwonderd.
+
+De student _Pieter Stastok_ keerde zich om, ten einde zijn rotting
+in een hoek te zetten, en zei dat de diligence verwonderlijk vroeg
+aangekomen was, eene omstandigheid, die zeer zeker verwonderlijk was,
+aangezien wij op weg een oponthoud gehad hadden van een half uur,
+door 't storten van een der paarden. "Hij was eerst nog effen bij
+den boekverkooper geweest, die zijne Instituten inbinden moest,
+en was toen regelrecht naar de diligence gegaan, maar had tot zijne
+verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat ik met den knecht
+was opgewandeld", enz. enz.
+
+De zaak was dat hij een singeltje had omgeloopen, totdat hij zeker wist
+dat ik reeds lang onder zijn vaders dak goed en wel zou gevestigd zijn,
+uit vrees van den verkeerden persoon voor mij aan te spreken. Nu,
+indien hij den commissaris van politie getroffen had--hij was voor
+zes weken een bedorven man geweest!
+
+"De neven moeten nu maar eens goed kennismaken", zei mijn tante,
+die tot de minzaamste aller schommelige huismoeders behoorde;
+"ze zijn toch allebei student".
+
+"Ja maar", zei _Pieter_, nog lang niet gemeenzaam met het denkbeeld
+van eene kennismaking, "in verschillende vakken".
+
+Dat was waar, en zelfs op verschillende academiën. Maar ik ben nooit
+zoo zeer Leidsch student geweest, dat ik niet altijd gaarne dronk op de
+harmonie tusschen de zusteracademiën, een toost, die immer gedronken
+wordt, waar Utrechtsche en Leidsche studenten bijeen zijn, maar die
+men evenwel niet te druk moet herhalen om geen twist te krijgen. Wat
+ons betreft, er kwam al spoedig gelegenheid voor een toost; want
+na nog een woord of wat met _Pieter Stastok_, ter informatie wáár
+hij te Utrecht woonde, waarop het antwoord was, ten huize van een
+catechiseermeester in de Lijsbethstraat, en na een kort gesprek met
+mijn oom over het nieuws dat er niet was, en een dito met mijn tante
+over het goudleeren behangsel in de kamer, waarvoor zij ook wel had
+hooren zeggen dat de muilenmakers te Waalwijk, vóór dat zij door den
+brand geruïneerd waren, groote sommen zouden hebben willen geven,
+kwam het diaconiemannetje (dat ik bij deze gelegenheid met den naam
+van _Keesje_ hoorde versieren) binnen met de boodschap, dat de wagen
+van tweeën net voorbijging; waarop tante, na alvorens haar bril te
+hebben afgezet, opstond, een kastje opende en daaruit te voorschijn
+bracht en fleschje met _Van der Veen's_ elixer, een fleschje met "Erger
+dan de cholera", en drie glaasjes. Oom wenschte mij frisschen morgen.
+
+De verdere afloop van dien dag was als gewoonlijk bij een eerste
+kennismaking. Wij bevielen elkander onderling, en ik werd dikke vrinden
+met _Pieter_. 's Middags stal ik het hart van mijn tante nog eens door
+van schorseneren te houden, en bewoog mijn oom bijna tot tranen door
+met opgewondenheid van een gestoofden kabeljauwshom te spreken. Om
+_Pieter_ ook een genoegen te doen wist ik eenige kennis van zijn vak
+te verraden, door de begripsbepaling van Justitia en van Ususfructus
+te pas te brengen. Na den middag nam mijn oom een slaapje bij den
+kouden haard, en ging mijn tante eens naar boven. Daarna dronken wij te
+zamen recht gezellig thee, zagen de achterkamer op haar voordeeligst,
+en wat dies meer zij.
+
+Mijn oom was iemand, wiens grootvader en vader een zeer bloeiende,
+en die zelf een vrij bloeiende lintweverij gehad had; om de strikte
+waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij ze nog had, maar er
+werd volstrekt niet meer in gewerkt, en op de zolders lag nog een
+aanzienlijke partij oortjesband, die hij "liever daar zag verrotten
+dan haar onder de markt te verkoopen". Hij behoorde alzoo tot die
+menschen, die hun zaken aan kant gedaan hebben en, het uitzicht op
+verdere winsten opgevende, zich met een vrij aardig inkomen, een
+onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de Haarlemsche courant
+tevredenstellen. In den loop van den avond kwam het uit dat hij een
+bijzondere genegenheid had voor het stopwoord "al zeg ik het zelf",
+alleen overtroffen door de verslingerdheid van zijne echtgenoot aan den
+uitroep "wel heeremijntijd!" welke termen dit echtpaar buitengemeen
+beminde; ofschoon ik zeggen moet dat zij zo somtijds afwisselden met
+de bevallige tusschenvoegsels van, "wat hamer", "goede genadigheid",
+"och grut" en andere dergelijke vloeken meer, die een balk in hun
+wapenschild voeren. De student _Petrus Stastokius_ Jun. had daartegen
+niets in te leggen dan zijn geliefkoosde verzekering "waaratje",
+waarvan ik evenwel, om billijk te zijn, erkennen moet, dat hij in
+'t geheel geen misbruik maakte.
+
+
+
+
+Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen.
+
+Ik werd des anderen daags om zeven uren waker, en toen ik de groene
+saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was,--welke
+was mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op dezelfde kamer)
+_Pieter_ zich reeds geperpendiculariseerd had en bezig was om, met
+den bril op, een paar schoone kousen aan te trekken, waarin zijne
+moeder den vorigen avond plichtmatig hieltjes gemaakt had.
+
+De oudere _Stastok_ was een man van de klok en stond diensvolgens om
+zes uren op, ten einde om halfacht aan het ontbijt te zijn; en daar hij
+volstrekt niets te doen had, vulde hij dien tusschentijd met pijpjes
+rooken aan. Opmerkelijk is het, dat naarmate men minder bezigheid
+heeft, men des te bekrompener over den tijd denkt. Indien men den
+goeden _Pieter Stastok_ Senior het moeilijke vraagstuk omtrent de
+zetelplaats van den wil had voorgelegd, zou hij, indien hij daartoe
+genoegzame tegenwoordigheid van geest had gehad, zijn wijsvinger op
+twee duim afstand van zijn maag hebben moeten leggen, door die beweging
+datgene zijner ingewanden aanwijzende, 't welk hij zijn "goud horloge"
+noemde. En inderdaad, indien ik mij door een goud horloge moest laten
+regeeren, ik zou van zulk een geregeerd willen worden; want een goed,
+groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar
+het iederen morgen, klokke negen, met de torenklok werd gelijkgezet,
+liep het doorgaans volmaakt.
+
+Ik vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet scheen
+te wezen als ik mij wel voorgesteld had) juist daar hij van onder de
+handen van zijn barbier kwam. Hij had zijn slaapmuts nog op het kale
+hoofd, daar hij gewoon was die niet vóór elf uren voor zijn pruik
+te verwisselen.
+
+"Mooi weertje, neef _Hildebrand_", riep hij mij toe: "mooi weertje,
+al zeg ik 't zelf."
+
+Tante, die reeds zat te breien, zette, tengevolge eener zeer
+oneigenaardige gewoonte, haar bril af, om te beter mijne robe de
+chambre te bekijken, en na een "heeremijntijd! zijn _die_ dingen
+weer in de mode?" (het was in 1836) begon zij een optelling van
+al de japonnen met sjerpen, die haar vader en haar man in vroeger
+eeuwen gedragen hadden en die, naar haar voorgeven, nog boven in een
+kast hingen.
+
+Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mensch, en in
+de oogen van _Petrus_ geleek ik in dit ochtendgewaad zoo volmaakt op
+de grootste Jannen der Utrechtsche academie, dat hij mij, geloof ik,
+voor een overgegeven lichtmis begon te houden.
+
+De bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eerwaardige
+gewoonte! Waarom is zij zoo bijna uitsluitend tot de burgerlijke
+huishoudens bepaald, en raakt zij ook zelfs daar meer en meer in
+onbruik? Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op
+sommige plaatsen--maar het was stichtelijk, want hij las den bijbel;
+het was goed, want hij las met eenvoudigheid; het was schoon, want
+het was hem aan te zien dat hij geloofde. Hij las Luc. X, en bijzonder
+trof mij, in dezen kring en uit dien mond, het 21ste vers: "Ik danke u,
+vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen
+en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard".
+
+
+
+Na den ontbijt ging _Pieter_ "aan zijn examen werken", 't welk bestond
+in zeer breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceeren, met
+rooden, blauwen en zwarten inkt geschreven, en ik volgde hem naar
+zijn kamer, waar ik mij tot koffietijd met een paar boeken bezighield.
+
+En nu was het oogenblik daar, dat mijn neef mij aan de stad en de
+stad aan mij vertoonen zou. Wij gingen dus samen uit, en daar hij een
+rotting had, liet ik den mijnen thuis. Wij zagen dan: eerst de gracht,
+daarna de korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin praalgraven en
+kosters die een fooi begeerden, als ook in een dier kerken een orgel,
+dat op het Haarlemsche na, het mooiste der wereld was; eene eer,
+die ik te Gouda, aan het Goudsche, te Leidon, aan het Leidsche, te
+Alkmaar, aan het Alkmaarsche, te Zwol, aan het Zwolsche, en nu weder
+te D. aan het Deesche hoorde toeëigenen; zoodat het de zaak van de
+4de klasse des Koninklijken Nederlandschen Instituuts worden zal,
+daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. Wij beklommen zelfs met
+levensgevaar den toren van een dier kerken, en maakten er de opmerking
+dat het er woei, en dat er rondom de stad veel weiland, veel water,
+en veel molens waren. Daarop begaven wij ons naar het stadhuis, en
+bevonden dat onze voorvaderen nòg beter schilderden en er nòg gezonder
+uitzagen dan wij; ook had ik tegelijk gelegenheid het manlijk voorkomen
+der Deesche dienders te bewonderen. In zijn ijver om mij alles te
+laten zien, bracht _Pieter_ mij zelfs naar de vleeschhal, en over de
+vischmarkt, en eindelijk aan een groote vierkante eendekom, die hij
+"de haven" noemde. Al voortgaande informeerde hij zich zeer sterk,
+hoeveel colleges de juristen te Leiden op één dag hadden en of het
+bij prof. A. fideel was op de thé's; als ook welke colleges gemelde
+hooggeleerde in 't Hollandsch gaf en hoeveel prof. B. dicteerde;
+of iedereen bij prof. C. zoo maar een testimonium krijgen kon; of
+prof. D. liefhebberij-colleges hield; en of ik _Smallenburg_ wel eens
+gezien had; tegen welke berichten hij de zijnen omtrent de Uitertsche
+Juris professores met eene eerlijkheid inwisselde, eene betere zaak
+waardig. Hij verzuimde niet den billijken Utrechtschen trots op
+prof. _Van Heusde_ en op de moeilijkheid van een mathesis-examen in
+'t Latijn te pas te brengen; en toen ik 't gesprek voor de afwisseling
+op lichtvaardiger onderwerpen wendde, kwam het uit, dat hij, _Pieter
+Stastok_, zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koesteren, wel
+eens domino speelde, ja zelfs wel eens biljartte, en daar wij juist
+vóór een koffiehuis stonden, noodigde ik hem uit zich in laatstgenoemde
+kunst met mij te meten.
+
+_Pieter Stastok_ had noch den moed, noch den slag mij iets aan te
+bieden; daarom bestelde ik een bittertje voor mij zelven, en hij
+insgelijks voor zich. Op dat oogenblik sloeg de klok boven't buffet
+twee uren, en zag ik aan den overkant der straat de diligence afrijden,
+die mijn oom in staat zou stellen ons voorbeeld te volgen.
+
+Er waren vrij wat menschen in het koffiehuis, maar daar wij met niemand
+dan met het biljart te maken hadden en geen hunner speelde, hinderden
+zij ons volstrekt niet. _Pieter_ sloeg de mouwen van zijn sluitjas
+op, en vertoonde de groote gesteven boorden van wat zijn moeder,
+hoe algemeen Europeesch die dracht ook geworden was, nog altijd een
+Engelsch hemd noemde; daarop verzocht hij den jongen zeer beleefd om
+eene "_goede_ keu". De jongen gaf hem natuurlijk de beste die in het
+rek was, en wij trokken wie vóór zou spelen. Die eer viel mij te beurt,
+en de partij begon.
+
+Wij hadden evenwel nog nauwelijks eenige punten gemaakt, toen een
+luidruchtig geroep van "pot, jongen!" al onze zaligheden verstoorde.
+
+Het geroep kwam van een winderigen jongen advocaat, die pas voor de
+studentensociëteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing op de
+particuliere sociëteit te D. en van dit interregnum gebruik maakte,
+om alledag in het koffiehuis "de Noordstar" pot te maken.
+
+"Vierentwintig uit, menheeren!" riep de jongen ons toe, en tegelijk het
+korfje schuddende, waarin hij de potballen had, bood hij ze ons aan.
+
+Ik trok er een; en met een gezicht waarover een kleine stuiptrekking
+scheen te gaan, stak _Pieter_, dien ik ondertusschen als geen
+grooten _Mingaud_ had leeren kennen, zijn hand alsmede manmoedig in
+den korf. Daarop kwamen al de habitués van den pot uit hunne hoeken
+en vroegen dopjes voor hunne pijpen; de jongen deelde de eigen keuen
+rond, en de jonge advocaat nam in persoon het krijt om op te schrijven.
+
+"Wie van de heeren heeft het aas?"
+
+"Ik", riep een barsche stem, die aan niemand anders toebehoorde dan
+aan den heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de diligence
+voor een commissaris van politie gehouden had; het bleek mij echter
+dat hij volstrekt geen commissaris van politie was, maar wel pikeur
+der kleine manege, die te D. aanwezig was, en tevens eigenaar van de
+kleine comedie, die aldaar ingelijks bestond.
+
+"Wie van de heeren de twee?"
+
+_Pieter Stastok_ ging zelf naar de lei om den jongen advocaat in te
+fluisteren dat hij het was.
+
+"Zoo! zal jij ook pot spelen?" vroeg de jonge advocaat, die als
+stadgenoot mijn neef wel kende.
+
+_Pieter_ werd bleek.
+
+De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de
+infanterie, met de medaille van twaalfjarigen dienst. De vijf had
+een chirurgijnsleerling, die te veel tijd had. De zes, een kort, dik
+man met stoppelig grijs haar, die een graankooper scheen te zijn. De
+zeven, een jong mensch van drieëntwintig jaar, die student geweest
+was, maar om slecht gedrag thuisgehaald, voor wien _Pieter_ bang
+was, te meer daar hij hem zeer gemeenzaam behandelde. Deze scheen
+de boezemvriend van den bejaarden luitenant der infanterie met de
+medaille van twaalfjarigen dienst te wezen. De advocaat zelf had de
+acht, en de negen was in handen van een jongeling van drieëndertig
+jaren, in een leverkleurigen pantalon, die op zijn moeders zak leefde,
+een hond hield, nooit iets had uitgevoerd, en in groote achting stond
+bij den kastelein van het koffiehuis "de Noordstar."
+
+Toen de jonge advocaat de namen van al deze heeren netjes had
+opgeschreven, nam de biljartjongen het krijt in de eene en den
+kleinen bok in de andere hand, en gilde met al de kracht, die een
+kind van veertien jaren over kan houden, als hij den geheelen dag en
+den halven nacht op één been staat, te midden van de uitwaseming van
+mensehen en pijpen: "Aas acquit, twee speelt!"
+
+_Petrus Stastokius_ Junior moest alzoo op het acquit spelen, en hij
+maakte zich werkelijk tot dien arbeid gereed. Te dien einde lei _Petrus
+Stastokius_ Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel
+een halven voet ver wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie
+vierden; drukte de vier vingers van zijn linkerhand op een handbreed
+afstands van denzelven bal op 't biljart; krulde den duim bevallig om,
+zoodat hij aan 't geheele gezelschap zijn tot op 't leven afgesneden
+nagel vertoonde, en begon met de rechterhand de keu tusschen duim
+en vinger heen en weder te bewegen op eene wijze, die deskundigen
+"zagen" noemen.
+
+Tot zoover ging _Petri Stastokiï_ wetenschap om op het acquit te
+spelen. Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van halfbal
+raken; maar daar het hem aan practijk in het edele potspel haperde,
+was hij bijna zoo wit als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampachtig
+er op los, met dit gevolg dat hij klotste en "à faire" lag voor den
+rechter hoekzak.
+
+Het zou onmenschelijk geweest zijn hem "te maken" en daarom, mijn
+eigen bal stevig "houdende", bracht ik den zijnen naar onderen, een
+goed eind voorbij den milieu. Daarop nam de bejaarde luitenant der
+infanterie zijn pijp tusschen zijn grauwe knevels en speelde met de
+linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met "een beest" gesneden door
+den chirurgijnsleerling; waarop de verloopen student, die onder ons
+gezegd een grappenmaker was, zeide dat die chirurgijns niet leefden
+of zij moesten wat te snijden hebben. De graankooper verzocht daarop
+den jongen om acquit voor hem te zetten en bleef met een wijs gezicht
+en onder het genot van zeker mengsel van geestrijk vocht en suiker,
+'t welk in 't gemeene leven een sneeuwballetje genoemd wordt, in 't
+Handelsblad turen, en de verloopen student, zijn sigaar op den rand
+van 't biljart neergelegd hebbende, stiet met veel nonchalance en
+verschrikkelijk hard op 't acquit, welk voorbeeld van hard spelen door
+den advocaat met gelijke woede werd opgevolgd. Nu was de beurt aan den
+jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon, die,
+van het beginsel uitgaande dat hij zijn bal voordeelig moest trachten
+te verkoopen, nooit op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een
+bal maken kon. Hij maakte: en zoo gebeurde het dat _Petrus Stastokius_
+andermaal op het acquit spelen moest.
+
+Hij was nu zoo ver, dat het zweet hem in groote parels op het
+voorhoofd stond.
+
+"Dat wordt een collé, mijnheer"; riep de barsche stem van den pikeur.
+
+_Pieter_ sprak niet, maar in zijne desperate poging om den geduchten
+spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze inblazingen
+van hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven, dat namelijk
+het goed geluk voor hen zal doen wat hunne kunst niet vermag, raakte
+hij den acquitbal zoo fijn, dat hij hem, tegen alle etiquette aan,
+in den linker hoekzak "sneed".
+
+"Dat doet men niet, mijnheer!" riep de pikeur, hevig met de keu op
+den grond stampende.
+
+"Het was een ongeluk"; stamelde _Pieter_, die nu zoodanig
+transpireerde, dat ik vreesde dat zijn bril op den vloed zou afdrijven.
+
+"Het was een lompigheid", brulde de pikeur.
+
+"Leve het snijen!" riep de chirurgijnsleerling.
+
+"Die mijnheer is gevaarlijk!" schertste de bejaarde luitenant.
+
+"Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!" riep de biljartjongen.
+
+Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn
+neus te snuiten, maar het had er niets van.
+
+Het derde toertje liep goed voor _Petrus_ af, maar het vierde was
+geschikt om hem er gansch onder te werken. De pikeur lag voor den
+middelzak; het was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken.
+
+"Je kunt hem best sauveeren", zei de pikeur, "en goed afkomen ook".
+
+Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van _Pieter_, die,
+uit aanmerking van den snijbal, voor geen geld ter wereld hem
+maken wilde, zelfs al moest hij er _slecht_ op afkomen. Maar daar
+de pikeur een gevreesd potspeler was en, sedert onheuglijke jaren,
+van de drie potjes, die gespeeld werden, er twee in zijn zak stak,
+riepen natuurlijk al de anderen: "stop weg; stop weg!"
+
+_Pieter_ stootte niettemin met het voornemen om hem stellig _niet_
+weg te stoppen; en toch scheelde het zoo weinig of hij had hem
+weggestopt, dat de winderige advocaat, die in 't gewoel was opgestaan,
+uitriep: "hij zit!" waarop de verloopen student, die als gezegd is,
+een grappenmaker was, geestig antwoordde, "als hij een stoel had";
+waarop allen lachten.
+
+"Wacht wat!" riep de chirurgijnsleerling, die voor 't snijen was;
+"hier is nòg een zak!"
+
+En inderdaad! _Petrus Stastokius_ had geheel buiten zijn eigen
+voorkennis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juichten,
+behalve de pikeur, die op een grimmige wijze nog een glas bitter
+bestelde en de Goudsche courant opnam, alleen om haar hard weer neer
+te smijten.
+
+Men speelde voort en, na al de wederwaardigheden die hij had
+doorgestaan, werd mijn vriend _Pieter_ weder vrij kalm, waartoe vooral
+machtig medewerkte dat hij een paar malen acquit moest leggen. Maar op
+eens werd zijne rust akelig verstoord door den uitroep van den jongen:
+"vier driemaal, zes acquit, zeven speelt! mijnheer _Hastok_ (de _St_
+was onduidelijk geschreven) de Vlag!"
+
+Nu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van den
+chirurgijnsleerling, en den verloopen student, en den advocaat, en den
+jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon. De
+een noemde hem een Mingaud, de ander een blauwbaard, de derde een
+boa constrictor, allen te zamen: "den mijnheer van de vlag". De
+bejaarde luitenant, die op drie stond en met den verloopen student
+geassureerd was, wilde zich doodstooten en hem voor een daalder koopen;
+de graankooper, die tegen die manoeuvre was, zei dat _Pieter_ veel te
+sterk speelde om het aan te nemen; de chirurgijnsleerling bestelde
+de bokaal voor mijnheer "_Hastok_", die den pot "op schoon dacht te
+winnen";--het was een leven als een oordeel. En onder dit alles stond,
+met verwilderden blik, het onschuldig voorwerp van al dit rumoer
+altijd maar krijt aan zijn keu te strijken. De beurt kwam weer aan hem.
+
+"Welke bal?" vroeg hij verlegen.
+
+"Die witte!" riep de verloopen student, die een grappenmaker was.
+
+"Die ronde!" zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig.
+
+"De beste", zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou.
+
+"De benedenste", zei de dikke graankooper, die medelijden kreeg.
+
+Nu was het zoo gelegen, dat het vrij onverschillig was met welken
+bal de arme _Pieter_, die geen drogen draad meer aan 't lijf had,
+op dat merkwaardig oogenblik spelen zou, aangezien beide ballen,
+de een boven, de ander beneden, stijf en allerstijfst collé lagen;
+ik herinner mij niet in al den tijd dat ik mee gebiljart heb--nu
+slaapt mijn keu voor immer in haar zelfkanten graf--ooit zulk een
+stijven collé gezien te hebben. De verloopen student bood mijn neef
+den bok aan. _Pieter_ zag hem aan met een blik van machteloozen haat
+en stootte een voet of drie mis.
+
+"Strijk de vlag!" riep de chirurgijnsleerling.
+
+Zij was alreede gestreken. De pikeur had zich bij voorraad gewroken.
+
+Van dat oogenblik aan bood de luitenant _Pieter_ een gulden; maar
+hij was te zeer van zijn stuk om te verkoopen. In den volgenden toer
+maakte ik hem, uit medelijden; den daarop volgenden, verliep hij en
+smaakte de voldoening dat de luitenant hem een beschuitje voor zijn
+bal bood; met een mispunt besloot hij, in den voor hem laatsten toer,
+zijn carrière in het edele ballenspel; en daar hij zeer veel haast
+scheen te hebben om te vertrekken, brak ik, die nog een enkel appèl
+te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om een einde te maken aan de
+dringende aanzoeken van den jongeling met den leverkleurigen pantalon,
+die nu zichzelven voor een achtentwintig aan "_Hastok_" verkoopen
+wilde, in welk aanbod hem al de vroolijke jongelui ondersteunden.
+
+Op straat gekomen scheen de frissche octoberlucht _Pieter_ weer moed
+en verwaandheid toe te waaien.
+
+"Daar zijn goede spelers onder", zei hij, "maar toch waaràtje geen
+een, die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme keu", voegde hij er bij;
+"en hebje wel gezien hoe de hoekzakken trokken?"
+
+Ik had alles gezien, en wist dat de graankooper het potje zou gewonnen
+hebben eer wij thuis waren.
+
+Het eten stond reeds op tafel. _Pieter_ had geen honger.
+
+
+
+
+Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie.
+
+Drie dagen had ik bij de familie _Stastok_ vertoefd, en in dien
+tijd was ik groote vrienden met _Keesje_ geworden. Een paar malen
+had hij mij door de stad vergezeld om mij den weg te wijzen, als
+ik boodschappen te doen had; en daar hij, als vele oude lieden,
+praatziek was, en ik in dat gebrek soms met vele oude lieden deel,
+hadden wij dikwijls te zamen vrij wat afgehandeld. _Keesje_ was een
+eenvoudig, braaf, goedaardig mannetje. Hij had een flauwe herinnering
+van zijn vader, die borstelmaker geweest was en groote "zulveren"
+gespen op zijn schoenen had gedragen. Behalve de gespen, herinnerde
+hij zich niets meer van hem dan zijn dood, en hoe hij met een groote
+huilebalk en lange witte das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er
+toen hij thuis kwam een zwarte doek over den spiegel had "gehongen";
+en hoe hij, bij die gelegenheid, zoo veel geraspte broodjes had mogen
+eten als hij maar wilde; en dat daar een lange moei was bijgeweest,
+die zóóveel witten wijn gedronken had, dat een dikke oom gezegd had:
+"je krijgt niet meer". Zijne moeder had hij nooit gekend. De dikke
+oom had hem naar 't Weeshuis gebracht; hij had er leeren spellen,
+en toen was hij op timmeren gedaan; maar hij was te zwak voor dat
+werk, weshalve men hem bij een apotheker besteld had, om fleschjes
+te spoelen, en te stampen: een baantje dat juist niet rijk is aan
+schitterende vooruitzichten. Vijftien jaar had hij er gediend, maar
+daar hij maar heel weinig lezen kon, en hij dikwijls tegelijk twee
+halfpintsflesschen, drie kinderglazen, een amplet, een likkepot en een
+pakje poeiers weg moest brengen, was 't hem eindelijk eens gebeurd
+dat hij een salebdrank gebracht had bij iemand die obstructies had,
+en daarentegen de poeiers met jalappeharst bij eene dame die aan
+diarrhee leed, waarop hij, als niet genoeg geletterd, ontslagen
+werd. Sedert was hij looper voor een kantoor, en daarna huisknecht
+bij onderscheidene lieden geweest, waarvan sommige dood en andere
+geruïneerd waren; en daar hij, bij de groote opruiming, te oud was
+geweest om naar Frederiksoord te worden gezonden, had eindelijk
+het Weeshuis hem overgedaan aan het Diakoniehuis. En nu werd hij
+op zijn ouden dag nog door mijn oom en een paar lieden van diens
+slag gebruikt tot het smeren van schoenen, uitkloppen van kleeren,
+wegbrengen van de courant en, in één woord, tot het doen van min
+gewichtige boodschappen. Hetgeen, volgens de inlichtingen van mijn oom,
+'s mans carrière het meest had gedwarsboomd, was zijne verregaande
+onnoozelheid en daaraan geëvenredigde menschenvrees.
+
+Behalve de achterkamer met het hooge licht, die om het huis van den
+buurman heensprong en waarachter de keuken lag, was er aan het huis
+van _Petrus Stastok_ Senior nòg een achterkamer, waarin ik u nader
+denk binnen te leiden, naar een kleinen tuin, waarop zij uitzag, niet
+oneigenaardig de tuinkamer geheeten. Als men de plaatsdeur uittrad,
+had men eerst een soort van trottoir van gele klinkers, van omstreeks
+drie passen breed, en als men dan over eene hooge rollaag van blauwe
+klinkers [8] heenstapte, waarvóór aan de overzijde drie voetschrabbers
+waren geplaatst, was men eensklaps in het kleine elyseum van mijn
+tante. Men zag er een grooten appelboom, waaraan soms meer dan een
+dozijn reinetten groen werden, verscheidene rozeperken, waaromheen
+in 't voorjaar een kring gele krokussen bloeien moest, meer dan één
+seringeboom, twee goudenregens, een dubbelen kers en, tegen den muur
+aan den eenen kant een wingerd, en aan den anderen een moerbeiboom. De
+paden waren niet met gewoon gras, maar met roode en witte madelieven
+en z.g. zeegras omzoomd. Omtrent dezen tijd stonden er verscheidene
+potten met asters en twee of drie dahlia's in bloei; en achterin was
+een groen geschilderd priëeltje met vijfblad, kamperfoelie, rupsen en
+spinnen. Daaraan belendde de fabriek, waaraan, tegenover 't priëel,
+eene kleine loods was uitgebouwd met een klein plaatsje, waarop
+_Keesje_ zijn huiswerk verrichtte, en daaromheen een klein hekje.
+
+In dit priëeltje zocht ik, op zaterdag morgen na den ontbijt, met een
+boek onder den arm, het zonnetje. Waarom ik het boek niet opensloeg
+zal terstond blijken.
+
+
+
+Ik had nog nauwelijks met mijn zakdoek het stof van de bank in 't
+priëeltje geslagen, en was bezig, op mijn gemak nedergezeten, met
+de oogen op het loodsje, het plaatsje en het hekje gericht, mij te
+verlustigen in het denkbeeld, hoe goed alles bij mijn oom en tante in
+de verf was, als de plaatsdeur openging en _Keesje_ verscheen. Daar
+hij den geheelen tuin doormoest om ter plaatse zijner bestemming te
+komen, en hij bijna zeventig jaar op de schouders torste, had ik tijd
+genoeg om op te merken, dat er iets aan scheelde. Hij strompelde eerst
+bijna tegen de rollaag aan, waarop hij niet scheen verdacht te wezen,
+schoon hij er sedert jaren alle morgens om halftien uren overheen moest
+stappen; hij liet den zondagschen rok van mijn oom, dien hij over den
+arm had, in het zand slepen en, eer hij den appelboom voorbij was,
+den borstel, dien hij in de hand hield, tweemaal vallen. Als hij nader
+kwam, zag ik dat zijn wangen zeer bleek en flets waren, onder zijn
+niet zeer net onderhouden baard; zijn geheele gelaat was betrokken,
+zijn oogen stonden dof, en toen hij mij voorbijging was het niet als
+anders: "lief weertje, meheer!" maar hij nam zijn hoed stilzwijgend af,
+en strompelde naar het plaatsje. Met een diepen zucht trok hij daarop
+zijn jas uit, zoodat hij mij in zijn eng zwart vest met mouwen, al
+het magere en gebogene van zijne gestalte zien liet. De roode blikken
+tabaksdoos, die half uit den eenen vestzak stak, bleef onaangeroerd,
+en met wederom een diepen zucht hing hij den rok van mijn oom over
+den knaap. Met een nog dieper zucht greep hij den borstel op, stond
+eenige oogenblikken in gedachten tegen de haren op te strijken,
+en begon toen den rok te borstelen, beginnende met de panden.
+
+"Hoe is 't _Keesje_! Gaan de zaken niet goed?" riep ik hem
+toe. _Keesje_ borstelde altijd door. Hij was wat doof.
+
+Wanneer men den volzin herhalen moet, die men op een eenigszins
+meewarigen toon heeft uitgesproken, is 't glad onmogelijk het met
+dezelfde woorden te doen. Ik stond op, kwam een stapje nader, en zei
+wat luider:
+
+"Wat scheelt er aan, _Kees_?"
+
+_Kees_ ontstelde, zag mij aan, en _bleef_ mij een oogenblik met strakke
+oogen aanzien; daarop vatte hij weer een mouw van mijn ooms zondagschen
+rok en begon op nieuw te borstelen. Er liep een traan over zijn wangen.
+
+"Foei, _Kees_!" zei ik, "dat moet niet wezen: ik zie waterlanders,
+dunkt me".
+
+_Keesje_ veegde zijn oogen met de mouw van zijn vest af en zei:
+"'t Is een schrale wind, meheer _Hildebrand_".
+
+"Ei wat _Keesje_;" zei ik, "de wind is niemendal schraal. Maar daar
+schort iets aan, man! Hebje een courant verloren?"
+
+_Keesje_ schudde het hoofd en ging hardnekkiger dan ooit aan het
+schuieren.
+
+"_Kees_!" zei ik: "Je bent te oud om verdriet te hebben. Is er niets
+aan te doen, vrind?"
+
+De oude man zag vreemd op bij het hooren van het woord "vrind". Helaas,
+misschien was 't hem op zijn negenenzestigste jaar nog geheel
+nieuw. Een zenuwachtige glimlach, die iets verschrikkelijks had,
+kwam over zijn mager gezicht; zijne grijze oogen luisterden eerst op,
+werden toen weer dof, en schoten vol tranen. Zijn gansche gelaat zeide:
+ik zal u vertrouwen. Zijn lippen zeiden:
+
+"Hoor reis meheer! Kent uwe Klein _Klaasje_?"
+
+Hoewel ik nu een zeer bijzonderen vriend heb, die _Nicolaas_ gedoopt
+is, en van wien 't niet ondenkbaar was dat _Keesje_ hem wel eens gezien
+had, zoo kon ik echter onmogelijk op gemelden _Nicolaas_ den naam van
+Klein _Klaasje_ toepassen, aangezien hij een zeer "lange blonde jongen"
+is, en nooit zou ik hebben willen gelooven dat gemelde _Nicolaas_,
+hoe onaardig hij ook somtijds wezen kan, de oorzaak zou kunnen zijn
+van ouden _Keesjes_ tranen. Ik antwoordde dus dat ik Klein _Klaasje_
+niet kende.
+
+"Heeft meheer _Pieter_ hem uwe dan niet gewezen? De heele stad kent
+Klein _Klaasje_. Hij krijgt centen genoeg"; ging _Keesje_ voort.
+
+"Maar wat is het dan voor een man?" vroeg ik.
+
+"Het is", zei _Keesje_, "in 't geheel geen man. 't Is een dwerg,
+meheer! een dwerg, zoo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee
+in een spul reizen. Maar 't is een kwaad kreng. _Ik_ ken hem goed".
+
+Ik wenschte hartelijk naar wat meer orde in de berichten van _Keesje_.
+
+"Hij is uit het Huis", hernam hij na een oogenblik zwijgens: "hij
+loopt over straat as 'en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er
+'en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten
+Klein _Klaasje_ dansen. Dan springt ie om een stok net as zoo'n aap,
+en dan maakt ie zijn bochel wel eens zoo groot. Ik _heb_ geen bochel,
+meheer!" liet hij er met een zucht op volgen.
+
+Terecht begreep ik dat _Keesje_ minder jaloersch was van den bochel
+dan van diens geldige vrucht.
+
+"Ik wou", ging hij op een treurigen toon voort, den rok een veel
+harder streek met den schuier gevende, dan voor laken van negen
+gulden dienstig was; "ik wou dat ik een bochel _had_. Ik zou nies
+uitvoeren; ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen.... Maar ik
+zou niet drinken", zei hij eensklaps van toon veranderende. En den
+volzin omkeerende, voegde hij er, zeer bedaard den rok van den knaap
+nemende en hem opvouwende, nog eens bij: "drinken zou ik niet".
+
+"_Keesje_", zei ik, "toen je den tuin doorkwaamt, en toen ik je
+aansprak, was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik
+zie je liever bedroefd!"
+
+De oude oogen schoten weer vol tranen; hij stak zijne dorre handen naar
+mij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid,
+terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje
+varen.
+
+"Och", zei hij--"och meheer weet dat zoo niet;--maar ik ben--ik ben
+veel bedroefder dan boos. Maar Klein _Klaasje_ het me mishandeld. Klein
+_Klaasje_ is slecht. De menschen", ging hij voort, naar het schoensmeer
+bukkende, "de menschen denken soms dat ie gek is; maar hij is slecht".
+
+"Hoor eens, _Keesje_!" zei ik, een klaptafeltje op een ijzeren poot
+opslaande; "ga hier eens wat zitten en vertel me reis geregeld,
+wat heeft Klein _Klaasje_ je gedaan?"
+
+"Het zel niet helpen", zei _Keesje_, "maar ik zel et doen, as u
+'t niemand zegt. Kent meheer et Huis?"
+
+"Welk huis?"
+
+"Van de Diakenie."
+
+"Ik heb het in 't voorbijgaan gezien."
+
+"Goed. Et is een leelijk huis, is et niet? een leelijk huis; met rooie
+deuren en vensters; en van binnen alles rood en alles donker. Nou;
+meheer weet wel dat we daar allemaal arm zijn, allemaal even arm;
+ik kan et niet anders zeggen, net precies, denk ik wel, as op 't
+kerkhof. Ik en een ander verdienen iets, maar et helpt niet. We brengen
+et in bij den Vader; en de Vader geeft ons alle weken zakduiten. Dat
+is goed, meheer; dat is heel goed. Als ik oud wor, verdien ik geen
+kopere' cent meer; maar ik krijg toch de' zakduit. Hier", zeide hij,
+een bonten katoenen zakdoek uithalende, "deuze, en", op zijn tabaksdoos
+kloppende, "en deuze, heb ik van me zakduit gekocht".
+
+Het was aandoenlijk een man van bij de negenenzestig te hooren spreken
+van "als ik oud word"!
+
+"_Klaas_",--ging hij voort--"zoo as meheer wel begrijpt, krijgt ook
+een zakduit. Maar wat doet _Klaas_? _Klaas_ doet niets, dan nou en dan
+de straat voor iemand wieden. _Klaas_ houdt zich gek; _Klaas_ danst
+met zen bochel; en as ie centen krijgt van de lui en van de kinderen,
+dan wandelt _Klaas_ de poort uit. Kent meheer de Vette Vadoek?
+
+"Neen, _Keesje_."
+
+"Et is een herberg in de Hazelaan, daar drinkt _Klaas_ 'en borrel;
+en welreis twee, en welreis drie borrels".
+
+"En als hij dan in 't Huis komt?"
+
+"o Hij heeft allerlei kunsten. Hij neemt een groote pruim tabak. Hij
+haalt 'en oranjeschilletje bij de' drogist. Soms merkt de Vader et. Dan
+krijgt hij 'en blok aan zen been, want hij is te oud om op de bok
+gelegd te worden, en men kan em ook niet op zen bochel slaan; maar
+wat is 't as ie met het blok loopt? Dan zeit ie teugen de kinderen:
+St ... jongens! _Klaas_ is ondeugend geweest; _Klaas_ het 'en graantje
+gepikt; en de Vader het _Klaas_ al zen centen afgenomen. Je begrijpt
+wel, meheer, dat ie dan nog meer opdoet".
+
+Ik begreep het volkomen.
+
+"Maar dat zijn _zijn_ zaken", ging _Keesje_ voort, een schoen van mijn
+oom opnemende, dien hij smeren moest en onmiddellijk weer neerzette;
+"maar wat hoeft ie _mijn_ ongelukkig te maken? Weet u wat et is. Ik zel
+et u vertellen. Ik had geld,--ik had veul geld,--ik had twaalf gulden!"
+
+"En hoe kwam je daaraan, _Keesje_?"
+
+"Met God en met eere. Ik had et gespaard toen ik in de apteek
+was. Somwijlen, als ik 'n drankje buiten de stad brocht, op een
+buitenplaats of in een theetuin, zei de meheer of de mevrouw: geef
+de' looper een dubbeltje; 't is slecht weer. Zoo had ik twaalf gulden
+bij mekaar. Ik mocht die in 't Huis niet hebben. Maar ik bewaarde ze;
+op me hart".
+
+"En waartoe bewaarde je die? Hadje dat geld noodig; of deeje 't alleen
+om 't pleizier van het te hebben?"
+
+"Och, meheer"! zei het diakenhuismannetje, het hoofd schuddende:
+"Als ik et zeggen mag, die rijke lui weten dat zoo niet; de Regenten
+weten 't ook niet; want zij hebben er geen zorg voor. 't Gaat alles
+goed bij zulke menschen; bij leven en sterven. Hoor reis; we hebben
+'t goed in et Huis; de Regenten zijn goed; op vastelavond krijgen we
+bollen met botter; over drie weken, as de slacht is, krijgt et Huis
+'n os, ik weet niet van wat voor groot heer die lang dood is. Dan eten
+we allemaal gehakt; en de heeren hebben 'n partij en eten de tong,
+We hebben 't er heel goed; maar 'n mensch, meneer, denkt altijd om
+zen dood".
+
+"Ik denk nogal dat je 't na je dood ook heel goed zult hebben,
+_Keesje_!" zei ik.
+
+"Ik hoop et, meheer: in den Hemel is alles goed; maar dat meen ik
+niet. Ik wou me lijk verbeteren, weet u?"
+
+"Wat is dat, _Kees_?"
+
+"Hoor reis, as we dood zijn, dan leit men ons op strooi en we krijgen
+'t goed an van 't Huis, net as wanneer we leven, en dan gaan we na
+'t kerkhof, in de put; dat wou ik niet. Ik wou, as ik dood was,
+geen diakenhuisgoed aanhebben...."
+
+Hij zweeg een oogenblik; en weder kwamen de tranen.
+
+"Ik wou in me kist leggen, ik weet niet, ik zel maar zeggen, zoo as
+ik er mijn vader in heb zien leggen, met eigen goed; ik heb nooit
+een eigen hemd gehad; één eigen doodhemd wou ik hebben".
+
+Ik was aangedaan. Spreek mij niet van vooroordeelen. De rijken der
+aarde hebben er duizend. Deze arme man kon alles verdragen: schrale
+spijs, een hard bed en, naar de mate zijner jaren, harden arbeid. Hij
+had geen eigen huis, hij zou geen eigen graf hebben: o had hij dan ten
+minste de zekerheid dat zijn allerlaatste gewaad het zijne wezen zou!
+
+"Meheer begrijpt wel!" ging hij, eenigszins schor, voort, "dat daar
+die twaalf gulden voor was. Het was veuls te veul. Maar ik wou nog
+meer; ik wou fassoendelijk begraven worden. Ik heb geen verstand van
+die dingen; maar ik had gerekend vier gulden voor et linnen, en dan
+twee gulden voor de menschen, die me zouen ofleggen, en tien stuivers
+voor een draagplaats an twaalf dragers. Was dat niet knap geweest? De
+bediende van den apteker had het zoo beschreven; het geld was in et
+pampiertje; en alles in een leeren zakkie: dat heb ik dertig jaar op
+me hart gehad.... en nou is het weg..."
+
+"Heeft _Klaas_ het gestolen?" vroeg ik.
+
+"Neen!"--zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste
+woord hem gestort had, oplevende: "maar hij is er achter gekomme dat
+ik et had. _Zijn_ kreb staat naast _mijn_ kreb. Of ie et gezien het
+as ik me uitkleedde, of as ik me aankleedde, of toen ik ziek was, of
+dat ik er hardop van gedroomd heb, ik weet et niet. Ik zou wel haast
+zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik denk er altijd om.--Verleden
+dinsdag had et den heelen voormiddag geregend, as meheer wel weten
+zel. _Klaas_ had geen cent opgedaan. Het was te slecht weer; de jongens
+hielden zich niet met hem op. Zen zakduiten waren ook weg, en hij had
+een razenden trek om na de Vette Vadoek te gaan. "_Kees_", zeid' ie na
+den eten, "leen me zes centen". "_Klaas_", zeg ik, "dat doei ik niet;
+want je verzuipt ze toch maar". "_Kees_" zeid' ie, "ik mot ze hebben",
+zeid' ie. Ik zeg: "nou je krijgt ze niet, hoor!" "Weetje wat," zeid'
+ie, "_Kees_", zeid' ie, "as je ze me niet geeft, zel ik an de' Vader
+zeggen, wat je onder je hemd hebt, hoor!" Ik besturf as 'en doek,
+en gaf 'em de zes centen. Maar ik zeid' er bij: "_Klaas_, je bent een
+schurk!" Dat zei ik. Of ie daar toen toch kwaad om geworden is, kan
+ik niet zeggen; maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, en toen de
+suppoosten 'em 't blok andoen lieten, het ie as 'en gek geschreeuwd en
+gezongen: "_Kees_ het geld! _Kees_ het geld! Onder zen hemmetje het ie
+geld"! de broers vertelden 't me, toen ik in 't Huis kwam. Ik was as
+'en dooie. We gingen na' de mannezaal en kleedden ons uit. _Klaas_
+lag er al en snurkte as 'en os. Toen ze allemaal sliepen, stak ik
+me hand onder me hemd om et zakkie weg te nemen en, als ik kon, in
+'t strooi van me bulster te verstoppen. Maar eer ik et los had, daar
+ging de deur ope', en de Vader kwam op de zaal met 'en lantaren. Ik
+viel achterover op me kussen met et geld in me hand, en tuurde as 'en
+gek mensch na' de lantaren. Ieder stap, die de vader dee, voelde ik
+op me hart. "_Kees_," zeid' ie, over me heen bukkende: "Je heb geld;
+je weet wel dat je dat hier in 't Huis niet verstoppen mag"; en meteen
+trok ie 't uit me hand.--"'t Is voor een doodhemd",--stotterde ik,
+en viel op me knieën in de krib--maar 't holp niet. "We zellen 't
+voor je bewaren", zei de Vader, en maakte het zakkie ope', en telde
+et geld bedaard. Mijn eigen oogen hadden et niet gezien sunt ik et
+er in genaaid had; dat was dertig jaar geleden; et was mijn, eigen,
+lief, begrafenisgeldje. "Ik zweer je dat ik er niets voor doen zel",
+huilde ik, "dan me eerlek laten begraven."--"Daar zellen we zelf
+wel voor zorgen", zei de vader; en weg ging ie met et geld en met
+de lantaren. "_Klaas_", riep ik hem na, "het et je verteld, omdat
+ie".... maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie 'en lap is! wat
+holp et of ik hem verteld had dat _Klaas_ alle dag na' de Vette Vadoek
+ging? Ik had er me geld niet mee weerom. Den heelen nacht heb ik geen
+oog toegedaan.--Et is wat te zeggen!"
+
+"Zou er bij de Regenten niets aan te doen zijn, _Keesje_?" vroeg
+ik vertroostend.
+
+"Neen! neen!" snikte hij, de hand op zijn borst rondwrijvende, als
+zocht hij er het geld nog: "het geld most weg; dat is 'en wet zoo
+oud as et Huis, en et Huis is zoo oud--zoo oud as de wereld!"
+
+"Dat's wat kras, _Keesje_", zei ik; "en wanneer"....
+
+Hij liet mij niet uitspreken.
+
+"Wat kras? Het is niemendal kras. Zijn er dan niet altijd armelui
+geweest zoo as ik, die an de Diakenie kwammen, en van de Diakenie
+mosten eten en drinken, en bed en leger hebben, en begraven
+worden?--Maar _ik_ wou begraven worden van mijn, eigen, geld,--en ik
+wou zeker _weten_ dat ik van mijn, eigen, geld begraven zou worden;
+en dat was mijn grootste troost; en daarom droeg ik et vlak op me
+hart.--O, as _Klaas_ kon weten dat ie me dood maakte!"
+
+"Hoor eens, _Keesje_", zei ik, "je zult en moet je geld weerom hebben;
+ik beloof het je: ik zal mijn oom er over spreken; hij kent zeker
+de Regenten wel; wij zullen zien of zij de wet, voor een oud, braaf,
+oppassend man, als gij zijt, niet eens zullen willen overtreden. Maak
+er staat op, _Kees_, je zult je geld weerom hebben".
+
+"Zel ik?" zei de arme man, door mijn stelligen toon bemoedigd. "Zel
+ik wezenlijk?"
+
+En zijn oogen afvegende met een blij gelaat, gaf hij mij de hand.
+
+In zijn behoefte om ook mij iets aangenaams te zeggen vroeg hij:
+
+"Smeer ik uw laarzen netjes genoeg?"
+
+"Overheerlijk", was mijn antwoord.
+
+"En is uw jassie goed genoeg geborsteld?" vroeg hij verder; "as er
+iets an mankeert, mot meheer 't maar zeggen".
+
+Dat beloofde ik hem en ging in huis. Maar hij kwam mij achterop,
+met den linkerarm in een laars van _Pieter_ en den schoenborstel in
+de rechterhand. "Vraag escuus, meheer, dat ik zoo vrijpostig ben",
+zei hij, "maar mag ik u nog wel iets verzoeken?"
+
+"Wel ja _Kees_!"
+
+"As meheer na' de Regenten gaat", hernam hij, "mot meheer maar net
+doen as of ie van nies weet."
+
+"Ik beloof het u, _Keesje_!"
+
+Ik ging naar mijn oom en wist dien te bewegen naar de Regenten te
+gaan. De president liet den Vader bij zich komen, en daarna den vader
+rondgaan bij de andere Regenten, om ze tot een extra vergadering te
+convoceeren. Op die vergadering moest eerst _Keesje_ binnenkomen,
+en vervolgens buitenstaan; daarna moest ook de Vader binnenkomen,
+en vervolgens buitenstaan. Daarop werd er een uur gedelibereerd,
+hetwelk hoofdzakelijk daarmee werd doorgebracht dat de president
+gedurig zei dat hij de zaak aan de heeren overliet, en de heeren
+gedurig zeiden dat zij de zaak aan den president overlieten.
+
+Daar het zóó niet blijven kon, bracht eindelijk de president het
+advies uit, "dat het, aan den eenen kant, wel doenlijk was _Keesje_
+zijn geld terug te geven, daar _Keesje_ een man was van voorbeeldig
+gedrag, die het geld zeker tot aan zijn dood toe zoo goed bewaren zou
+als de ijverige thesaurierzelve",--waarop de "ijverige thesaurierzelve"
+boog--"maar dat, aan den anderen kant, de ijverige thesaurier het weder
+even zoo goed bewaren zou als _Keesje_, en dat het dus volstrekt niet
+noodig was _Keesje_ in het vooroordeel te stijven dat zijn geld beter
+bewaard zou worden en zekerder tot deszelfs, d.i. _Keesjes_, doel zou
+worden aangewend, indien hij, _Keesje_, het zelf bewaarde, dan indien
+de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn advies was".
+
+De secretaris meende echter met eenig recht dat dit advies den
+knoop niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor,
+tot een van de beide maatregelen over te gaan;--waarop "de ijverige
+thesaurierzelve" de edelmoedigheid had afstand te doen van het
+"custodiëeren der penningen in quaesti", en men eenparig besloot
+aan _Keesje_ zijn twaalf gulden, weder behoorlijk in een zeemlederen
+zakje vastgenaaid, terug te geven.
+
+_Keesje_ heeft nog twee jaren zijn geld "vlak op zijn hart"
+gedragen. En toen ik in 't verleden jaar het kerhof te D. zag, was
+'t mij zoet te mogen denken, dat aldaar in het algemeene graf der
+armen één man sluimerde, die er eerbiedig was heengedragen door
+twaalf broeders van zijne eigene keuze, nadat hij, ook eenigszins
+door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen dat hij in zijn
+eigen doodskleed zou worden gewikkeld.
+
+Had hij misschien in zijn laatste oogenblikken nog aan _Hildebrand_
+gedacht?
+
+
+
+
+Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje te
+passeeren.
+
+Des zondagsavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik
+zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven.
+
+Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het
+midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen
+door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwetsch
+porselein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen
+staan vijf stoelen geschikt, met hooge ruggen en zittingen van groen
+gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als
+men onder de tafel kijkt, ziet men als twintig vurige oogen, van wege
+vier stoven; de vijfde vonkelt niet; het is een steenen. Daaraan,
+en aan de plaatsing van het theegoed, en aan den verlakten ketel, die
+naast den stoel staat, ken ik de plaats mijner eerzame moei. Midden
+op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een verbazend groote
+bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in wiens voetstuk
+een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid ligt
+er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in den helder
+gepolijsten haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen
+omheen zouden kunnen worden gezet, voor de heeren. De smalle marmeren
+schoorsteenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een
+negerslaaf met witte oogen, roode neusgaten, en gouden voorschoot,
+die op eene ongedwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat;
+en aan de beide kanten, met twee vaasjes met gekleurde bloempjes
+onder stolpjes, zoo poppigjes en zoo kleintjes, dat men ze voor de
+pasgeboren kindertjes houden zou van die groote stolp met opgezette
+vogels, die tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje
+met ééne lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorwerk
+eene aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen,
+in een luchtigen strik bijeengehouden en halfbegraven onder witsellagen
+van onderscheidene formatie.
+
+Maar wat de feestelijke zaal, niet alleen nu, maar altijd den
+meesten luister bijzet, is zonder twijfel, boven een hooge grijze
+lambrizeering, op snee verguld, het prachtig behangsel, beschilderd met
+niet onaardige bergachtige landschappen, met op- en ondergaande zonnen,
+zandwegen met diepe sporen, en waterplassen met riet en zwanen; voorts
+gestoffeerd met vrouwen met manden op den rug, waar bovenuit een bos
+stroo steekt; mannen aan den waterkant, die aan lange hengels visschen
+opslaan; kinderen met bloote hoofden en bloote voeten, die bij een
+geit in 't gras liggen; reizigers op bruine paarden, met den rug naar
+u toe om het valies te laten zien, en op witte paarden, die een dunne
+rijzweep zeer rechtop houden; wandelaars met enorme wandelstokken
+en driekante..... Wat ga ik zeggen? Ja, zij hadden driekante hoeden
+opgehad, maar die tijd was voorbij; de kamer was voor een paar jaar
+"opgeknapt", en de heer _Petrus Stastokius_ Sen., hoe ouderwetsch ook
+in vele opzichten, had in dezen gemeend een proeve te moeten geven,
+dat hij met zijn tijd was vooruitgegaan. Hij had al wat kleedij was
+laten modernizeeren. Een geestig schilder had op zijn gebod al de
+hoeden veranderd, naar het toen nieuwste model, bij den hoedemaker
+gehaald, en al de wandelaars hadden bruine, gele of gestreepte
+pantalons aangekregen met soupieds en naar de nieuwste snede. Al
+de pruiken waren verbannen. De dames, die tot hiertoe de openlijke
+bewijzen hadden gegeven dat onze grootmoeders veel meer gedecolleteerd
+waren op hare wandelingen dan onze zusters op hare bals, hadden hooge
+japonnen met stukken, wijde mouwen, en lange lijven ontvangen, en zelfs
+het haar der halfnaakte kinderen was in naam der beschaving geknipt.
+
+'t Is waar, dat deze vernieuwerwetsching in vele opzichten nog veel
+te wenschen overliet, vooral ten opzichte van de rottingen, regen-
+en zonneschermen, die hunne vorige gestalte hadden behouden; maar de
+waaiers waren allen in bloemruikers veranderd, en dus bestond er van
+dien kant volstrekt geen tijdsverwarring meer.
+
+Toen mijn oom en tante dit alzoo met wijsheid hadden laten in orde
+brengen, meenden zij zich van hun plicht gekweten te hebben, en een
+offer aan den Moloch der negentiende eeuw te hebben gebracht, groot
+genoeg om hun te vergunnen, voor hun persoon, die eeuw op velerlei
+wijze te hoonen en weg te cijferen; want om de waarheid te verklaren:
+de heeren en dames op 't behangsel waren mijnheer en juffrouw _Stastok_
+een goed eind vooruit; en daar zij op dezen heugelijken avond op hun
+mooist gekleed zijn, vooreerst omdat het zondag is, en ten anderen
+omdat zij "menschen wachten", wil ik deze gelegenheid waarnemen om u
+eene tot hiertoe verzuimde beschrijving van hun persoon en voorkomen
+te geven.
+
+Het is nog doodstil in de tuinkamer; "diezelfde tuinkamer" zou een
+redenaar zeggen, "die zoo aanstonds weergalmen zal van het luidruchtig
+gesnap eener vroolijke menigte!" Ik verneem er niets dan het gezellig
+gezang van het theewater, dat door de tuit stoomt, en het spinnen
+van de cyprische poes, die voor den haard zit, verwonderd van hier
+zoo vroeg in 't jaar vuur aan te zien. Ik ruik er niets dan den
+theeketel, die nog lang niet dikwijls genoeg gebruikt is om niet te
+stinken, en ik zie er, behalve de voormelde poes, niemand anders dan
+mijn deftigen oom, die met den rug naar het vuur gekeerd, en met de
+handen op dien rug, beschenen wordt door de vier waskaarsen op de
+vergulde lustres aan zijn schoorsteen, en wiens beeld zich weerkaatst
+in den spiegel tegenover hem. Een heerlijk oogenblik om zijn portret
+te maken! Mijn oom, schoon in de zestig jaren oud, is hetgeen men
+voor dien ouderdom, nog "een kras ventje" noemt. Hij heeft geen grijs
+hoofd, vermits hij een bruine pruik draagt, die over zijn ooren gaat,
+en waar hij bijgevolg door heen moet hooren; hij heeft een rond,
+blozend gezicht, volstrekt geen bakkebaarden, een niet onaardig
+bruin oog, en een onderkin. Hij is niet groot van postuur, en heeft,
+om hem recht te doen, geen ander lichaamsgebrek dan zijn hooge linnen
+halsboorden. Deze zijn heden, wegens het feest van den dag, nog ééns
+zoo hoog, zoodat ze zelfs de uiteinden van zijne ooren in eenige
+ongelegenheid brengen. Voor het overige draagt hij een wit stropje,
+een overhemd met jabot, een wijden zwarten rok, die van achteren
+gezien wel wat van een jas heeft, en nog altijd een korte broek, zoodat
+men in de gelegenheid is de welgevormde kuiten te bewonderen, die in
+fijne floretten kousen steken. Op dit oogenblik treedt mijne tante
+binnen, die het toilet van mijn oom volmaakt, door hem een grooten,
+schoonen linnen zakdoek met breede zoomen aan te bieden. Gij hebt
+lang gemerkt dat zij een neepjes-mutsje draagt. Zij heeft van avond
+het beste op, met een net wit satijn lintje met tandjes;--het heugt
+mij hoe ik mijn grootmoeder zulke lintjes op haar verjaardag gaf!--Zij
+draagt het haar gepoeierd, althans er komt een weinigje van dat wit,
+met een mesje gelijkgestreken, op haar voorhoofd; en dat staat heel
+wel bij haar helder, welgedaan gezicht, en bij de goelijke kuilen,
+die, als zij spreekt, in haar wangen komen. Zij heeft om haar hals een
+aardig snoertje kleine paarlen met een juweelen bootje, en een hoogen
+dikgeplooiden kamerijkschen doek in haar lage japon van weerschijnende
+zijde met ruim lijf.
+
+Wij laten haar, eenigszins vermoeid van al de bereddering, plaats nemen
+om thee te zetten, en slaan terwijl onze oogen op _Pieter_ Jr., die
+juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen,
+beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed;
+een zwarte pantalon met soupieds, een zwart satijn vest, een blauwe
+rok met glimmende knoopen; en toch ziet hij er infaam ouderwetsch
+uit. Want de pantalon is zoo kort, en de soupieds zijn zoo lang, en
+het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het midden; en de
+rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en waarom verstokt
+hij zich nu om zich met een bruine stropdas te willen uitzonderen,
+in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoenlijke menschen?
+
+Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat
+Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in 't voorbijgaan gezegd,
+de eenige reden, waarom _Petrus Stastokius_ Sen. nooit diaken of
+ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn
+geweest, op zijn beurt, ook bij die predikanten te kerk te gaan,
+die niet als hij, lieden van de klok waren.
+
+Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de
+aankomst van den eerstverschijnenden gast aan. Wij zullen hem en al
+de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van
+_Keesje_, die van avond bijzonder verlof heeft om later in 't Huis te
+komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over
+"de zorg"; hen daarna een uurtje laten praten over 't weer, over de
+kou in de kerk, over het verkieslijke van een open haard boven een
+"toe kachel", over den stand der fondsen, over het werk van de dames,
+en over de laatste verkooping van huizen en het laatste plan van
+den stedelijken raad om een brug te leggen over een water, waarover
+reeds voor tien jaren een brug is noodig geweest; om u daarna op
+eens midden in 't gezelschap binnen te leiden en u al zijne leden
+in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertusschen zelf
+een versche pijp stoppen.
+
+De man, dien gij bij den haard ziet, met mijn oom in druk gesprek
+gewikkeld over de meerdere voortreffelijkheid van de inrichting der
+gilden, zooals die vroeger bestond, boven die van de patenten, onder
+het ministerie _Gogel_ ingevoerd, is een oude kennis, en niemand
+anders dan de zilveren man uit de diligence. Hij is evenwel zoo min
+een zilversmid, als de pikeur een commissaris van politie was. Ik
+ben ongelukkig in mijne waanwijze gissingen geweest. Hij is alleen
+maar oudste commies ter secretarie van de stad D. Hij behoort tot
+die menschen, die jaar en dag in _Wagenaar_ en in de vervolgen op
+_Wagenaar_, alsmede in de boeken van _Le Francq van Berkhey_, en
+in _Tuinmans_ "Nederduytsche Spreekwoorden" studeeren, terwijl hun
+verdere lectuur bestaat in onbeschrijfelijk veel Preken, en Reizen
+rondom de wereld. Hij kan met wijsheid op zijn snuifdoos kloppen,
+en verklaren hoe een snuiter heette in den tijd, toen de kaarsen nog
+niet gesnoten werden, en voor hoeveel geld men een huis kon huren,
+in een jaar, waarvan hij in de stoffige papieren der secretarie
+een rekening gezien heeft. Hij heeft groot gezag in het beoordeelen
+der talenten aller predikanten; en in 't geheel, als er iets is in
+de familie dat duister voorkomt, richt men zich tot den heer _Van
+Naslaan_, "die onbegrijpelijk veel gelezen" heeft. Het is echter waar,
+dat in de laatste jaren de hooge wijsheid van den jongen _Pieter_
+'s mans gezag veel kwaad heeft gedaan, vooral omdat gemelde _Pieter_
+het alle voorrechten verzekerend Latijn verstaat.
+
+_Pieter_ en ik worden beziggehouden door een langwerpig man van
+een groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een langen
+sluitjas, die den naam _draagt_ van den heer _Dorbeen_, en den naam
+_heeft_ van droogkomiek te zijn. Behalve dit, oefent hij het ambt
+van makelaar uit. Hij vraagt ons naar studentegrappen, die sedert de
+oprichting der academiën, aan alle academiën eenmaal 's jaars gebeurd
+moeten zijn, die _hij_ gehoord heeft in zijn jeugd, die aan _mij_
+en aan _Pieter_ verteld zijn als onder onze laatste voorgangers aan
+de hoogeschool vertoond, en die waarschijnlijk nooit hebben plaats
+gehad, en nooit _zullen_ plaats hebben; en als hij er een heeft
+opgehaald die heel aardig is, dan vraagt hij terstond een baleintje
+en steekt zijn pijp door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig,
+dat hij duidelijk toont hoe droogkomiek hij is. _Pieter_ is onder
+zijn verhalen verstrooid, rookt wanhopig door, grinnikt als er een
+vertelsel, en stopt een nieuwe als er een pijp uit is. Ik sta op
+heete kolen om eens nader kennis met de dames te maken.
+
+"De heeren zullen zeker liever bij den wijnstok blijven?" zegt mijn
+welgedane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen witten ketel
+opbeurende; "_Pieter_ wil misschien wel een kopje slemp?"
+
+"Dat wil ik óók wel tantelief!" zei ik, en trad naar haar toe, om
+haar den grooten ketel vooreerst wat lichter te maken, daar zij hem
+onmogelijk tillen kon. Weet gij voor wie ik inschonk?
+
+Voor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien, maar
+toch meer naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den
+commies, echter veel jaren jonger dan hij; voor een jeugdige zuster
+van dezen haren man, van een veertig jaar, met kalfsoogen, die bij
+haar inwoonde met het voorrecht van de wasch voor haar te doen,
+haar kousen te mazen, haar hoeden te vermaken, en haar japonnen af
+te dragen; als ook voor haar dochtertje _Koosje_, een meisje van
+ik denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden bruin haar en
+rozerood japonnetje allerliefst uitzag; en behalve voor mijn tante en
+mijzelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de eenige
+"mevrouw" van de partij was, een enorme muts met vuurrood lint droeg,
+en een niet minder enorme gouden gesp aan haar ceintuur.
+
+Mejuffrouw _Van Naslaan_ was een zeer wijze dame, die zeer verstandige
+bevindingen had. Zoo vond zij bijv. een kouden tocht altijd erger dan
+een koude lucht; zoo vond zij altijd, dat het op een heeten dag nog al
+eens wat helpt als er wat wind is; zoo merkte zij op, dat als men veel
+verloor, het altijd nog een troost was als men iets behield; zoo had
+zij ontdekt dat, als men ergens aan gewende, zoo iets gemakkelijker
+viel dan als men er volstrekt _niet_ aan gewoon was; zoo was zij er
+zelfs, door vlijtige en innige nasporingen op het gebied der zielkunde,
+toe gekomen, een wezenlijk onderscheid tusschen menschen en menschen
+waar te nemen en met grond te kunnen verklaren, dat de eene mensen
+de andere niet was; en dergelijke verstandige dingen meer, die haar
+een grooten roep van knapheid en ervarenheid gaven onder de vrouwen
+van haar kennis; en daar zij van alle eenvoudige zaken zei, dat er
+meer achter zat, en alle dingen geestiglijk bij muisjes vergeleek die
+staartjes hebben zouden, zoo hield men het er met reden voor, dat zij
+meer zag dan een ander. Mevrouw _Dorbeen_ daarentegen was een rammel,
+trotsch op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot. Ik had
+van haar hooren spreken als van iemand die heel mooi een vers opzei,
+dat ik wel geloofde, daar zij sterk brouwde, en zeer rollende bruine
+oogen bezat.
+
+De manszuster van mejuffrouw _Van Naslaan_ heette _Mietje_, en was
+volstrekt niets dan een goed mensch.
+
+Met uitzondering van deze die niets, en van de lieve zeventienjarige,
+die zeer weinig sprak, praatten de aanwezige dames doorgaans alle
+tegelijk, en de heeren bij het vuur zongen er de tweede partij
+toe. Bijvoorbeeld:
+
+"Hoor eens, me lieve juffrouw _Stastok_", zei mejuffrouw _Van Naslaan_,
+haar breiwerk neerleggende en haar wijsvinger op de hand van mijn
+tante drukkende: "Hoor eens; me lieve juffrouw _Stastok_, je hoeft
+er me niets van te zeggen; ik weet" (hier kneep zij hare oogen op
+een interessante wijze dicht), "ik weet dat allemaal wel; ik ken die
+menschen door en door; en zoodra als ik hoorde dat _Keetje_ _dat_ in
+'t hoofd had, wist ik wel hoe de vork in den steel stak".
+
+Hierop nam zij haar breiwerk weer op, en telde de steken van het
+toertje, daar zij aan bezig was, na.
+
+"Ja maar, _Koosje_!" rammelde mevrouw _Dorbeen_, voorbij _Mietje van
+Naslaan_ heen sprekende, en die met haar roode mutslinten, zoodanig
+voor de oogen schitterende, dat de goede ziel den anderen dag betuigde,
+er wee van te zijn geworden: "je kunt je niet begrijpen hoe druk
+_Dorbeen_ het heeft; dat is van den ochtend tot den avond; daar had
+je nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_"; (deze was, moet men
+weten, de grootste heer uit de stad, wiens zaken _Dorbeen_ waarnam);
+"daar hadje nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_, al vóór den
+ontbijt: hij ging op de jacht en wou _Dorbeen_ nog eerst spreken;
+nu is hij gelukkig heel eigen bij ons, zoodat het er niet op aankwam
+dat _Dorbeen_ nog niet gekleed was; maar zoo gaat het dag op dag; nu
+heb ik het óók wel druk met de kinderen, maar ik zei tegen _Dorbeen_:
+weetje wat? ik ga er zelf maar reis op af. Nu is _Dorbeen_ daar altijd
+heel wèl van, en vindt het altijd goed zoo als _ik_ het maak..."
+
+
+
+"Juffrouw _Mietje_, nog niet een roomsoesje?" vroeg mijn tante--"Jij
+ook niet, _Koosje_? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis hier
+gezien. Het heugt me nog dat je met _Pieter_ speelde. Ja, kleine
+kinderen worden groot, _Koos_!"
+
+"Dat zeg ik zoo dikwijls", zei mejuffrouw _Van Naslaan_. "Waar blijft
+de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer de tijd
+vliegt; maar je jonge jaren, kind! zeg ik alle dag tegen _Koosje_,
+leer dat van mij, die komen nooit weerom".
+
+
+
+"En dat zijn van die dingen", klonk het van den schoorsteen, uit
+den mond van den heer _Van Naslaan_, met plechtige langzaamheid en
+afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: "dat zijn van die
+dingen, mijn goede vriend!--(p'hoe), die u--(p'hoe) en mij--en een
+ander--(p'hoe, p'hoe) ongelukkig maken. En onze voorvaderen",--hier
+nam hij de pijp uit den mond, om er den derden knoop van mijn ooms
+rok onder 't spreken onderscheidene kleine tikjes mee te geven--"onze
+vaderen ... ik vraag je of ze der zoo veel slechter aan waren dan
+wij?--onze vaderen, mijnheer! hielden zich met die dingen niet op".
+
+"Neen!" verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een versche pijp
+stoppende, "dat waren andere menschen! die wisten--_Piet_, geef me 't
+komfoortje reis aan--die wisten handen uit de mouw te steken, al zeg
+ik 't zelf;--en wat ik altijd zeg--ze pasten op er tijd. _Mijn_ vader
+was altijd 's morgens kwartier voor zessen gekleed en geschoren--kom
+daar nú reis om!"
+
+En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke
+kracht in om haar ineens aan te trekken, en ze daarop omkeerende,
+en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij, door de
+inspanning half uit zijn adem: "Kom daar nú reis om!"
+
+
+
+"Ja, lieve vriend!" zei _Dorbeen_ tot _Pieter_, bijna een der vergulde
+knoopen van diens nieuwerwetschen ouderwetschen rok aftrekkende, daar
+hij met hem in gesprek was geraakt over een der rijkste jongelui,
+die te Utrecht studeerden: "Zijn vader heet _Goedelaken_, maar hij
+mocht wel _Goudlaken_ heeten".
+
+Dit was een trant van geestigheid, waarin de heer _Dorbeen_ sterk was;
+en daar _Pieter_ grinnikte, en mijn oom, die 't ook hoorde, zijn hoofd
+lachend schudde, en de grap voor den heer _Van Naslaan_ herhaalde,
+merkte mevrouw _Dorbeen_ dat er iets grappigs aan de hand was en,
+haar gevuurvlamd hoofd opheffende, zeide zij allerinnemendst:
+
+"Lieve _Dorbeen_! laten de dames ook reis wat van je hooren". Allen
+zagen hem aan en zwegen.
+
+"Beste schat!" zei _Dorbeen_, toen het heel stil was, met een lief
+lachje--"ze hebben immers al heel veel van mij gehoord".
+
+"Hoe zoo?" vroeg mevrouw _Dorbeen_.
+
+"Wel, ze hooren immers _u_, mijn beste! en zijt gij niet van
+mij?" antwoordde hij, heel "droogkomiek".
+
+Allen lachten; maar het lieve zeventienjarige _Koosje_ had moeite, en
+daarom vond mevrouw _Dorbeen_ het gepast haar lachende toe te voegen:
+"Och _Koosje_! zoo is hij altijd; trouw nooit, kind; want de mannen
+laten er hun vrouwen altijd inloopen".
+
+_Pieter_ was intusschen achter den stoel van _Koosje_ gaan staan
+rooken en werd op deze woorden bleek. Hij gevoelde dat hij er nooit
+iemand, laat staan een vrouw, laat staan de zijne, in, zou, kunnen,
+doen, loopen.
+
+Daar nu dan toch de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten,
+welke men in burgerkringen "een kopje thee, en verder het avondje te
+passeeren" of ook wel een "presenteertje", of een "aangekleede pijp",
+of een "aangekleede boterham" noemt; daar nu dan toch, zeg ik, de muur
+gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten de mannen van de vrouwen
+scheidt, en er als 't ware eene verbroedering der beide seksen had
+plaats gehad, en daar mevrouw _Dorbeen_ op eene ongezochte wijze het
+voorwerp der algemeene opmerkzaamheid geworden was, vond mijn oom
+goed met een verzoek voor den dag te komen, dat hij reeds lang op
+'t hart had gehad.
+
+"Nu, mevrouw! maar je zult toch ons en de vrienden wel een plezier
+willen doen?"
+
+"Wel zeker, mijnheer _Stastok_!" En zich, met een bescheidenheid
+grooten genieën eigen, spoedig tot mejuffrouw _Van Naslaan_ wendende,
+"wat heb je daar een lief patroontje van een kraagje om!"
+
+"Ja, mevrouw!" was het antwoord, ik "zeg altijd: duurkoop
+goedkoop. Want ik vind dat het beste goed het 'et beste uithoudt. Ik
+had het in den winkel bij _Van Drommelen_ gezien, en ik zeg tegen
+mijn kinderen, als ik nú reis weer jarig ben...."
+
+"Hoor eens," zei _Stastok_ tegen _Dorbeen_: "je moet maken dat je
+vrouw reis reciteert, hoor".
+
+"Heeremijntijd ja, je moet strak stellig reis reciteeren, lieve
+mevrouw!" zei mijn tante met eenige ongerustheid, en op het woord
+_strak_ zooveel kracht leggende als zij in bescheidenheid doen kon.
+
+"Och toe, mevrouw!" zei _Koosje_ met een allerliefste uitdrukking
+van gelaat.
+
+"Hè ja!" zei _Mietje_ met de kalfsoogen.
+
+"We moeten mevrouw niet overhaasten", zei mijn tante.
+
+"Neen!" zei mevrouw _Dorbeen_, eenigszins bleek wordende, "als het dan
+moet, moet het ineens maar. Wat wil je hebben? Kom, het Rijntje dan
+nog maar reis". En haar schaar opnemende, om die, onder 't opzeggen,
+bij iederen nieuwen regel open te doen en bij 't invallen der caesuur
+toe te knijpen, begon zij met een door verlegenheid wat heesche stem,
+die gedurig scheller werd:
+
+
+ "Zoo rust dan _eind_lijk, 't ruwe _noor_den
+ Van hagel_jacht_ en storm_geloei_,
+ En rolt de _Rijn_ weer langs zijn _boor_den,
+ Ontslagen _van_ de winter_boei_."
+
+
+Toen zij zoover gekomen was, hield mevrouw _Dorbeen_ haar zakdoek voor
+den mond en had een hevigen aanval van hoesten. Zij begon op nieuw en
+geheel in denzelfden toon, maar andermaal bracht zij 't niet verder
+dan tot "de winterboei". Zoodat mejuffrouw _Van Naslaan_ dadelijk
+begreep dat zij wel ingezien had dat er achter die hoestbui meer zat.
+
+Mevrouw _Dorbeen_ werd zoo rood als de linten van haar muts, staarde
+in de lamp, en zei nogmaals, als om weer op gang te raken,
+
+
+ Ontslagen _van_ de winter_boei_.
+
+
+Nieuwe stilte.
+
+"Die winterboei boeit je tong, lieve!" merkte mijnheer _Dorbeen_
+droogkomiek aan.
+
+"Foei! daar had ik het nou net, en nou breng jij er me weer af. Wacht!
+
+
+ "Zijn waatren _drenken_ de oude _zoo_men,
+ En 't landvolk"
+
+
+hier werd de stem zeer hoog:
+
+
+ "spelende aan zijn vloed,
+ Brengt vader _Rijn_ den lente_groet_...."
+
+
+Aldus ging mevrouw _Dorbeen_ voort op een hartroerende wijze het
+hartroerende meesterstuk des grooten _Borgers_ te bederven. Bij
+het derde couplet begonnen hare oogen te rollen, en bij het vierde
+rolden zij zoo zeer, dat ik vreesde dat zij van hare wangen afrollen
+zouden. Zij was nu al rollende en brouwende en zingende en gillende
+gekomen tot:
+
+
+ "Noem hij deze _aarde_ een hof van _Eden_,
+ Die altijd _mocht_ op rozen gaan,..."
+
+ Ach, du lieber Augustin, Augustin, Augustin!
+
+
+klonk het over de tafel.
+
+Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van
+lepeltjes uit het lepeldoosje, dat vóór den olifant stond, te zoeken,
+opgewonden. Ik begreep na waarom zij er zoo op gesteld was geweest,
+dat mevrouw _Dorbeen_ haar reciet mocht hebben uitgesteld.
+
+Mevrouw _Dorbeens_ oogen, die net gereed stonden om met
+
+
+ "Ik wensch geen _stap_ terug te _treden_",
+
+
+hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein.
+
+"Wat is dat?" riep ze.
+
+"Dat is een walsje," zei haar man.
+
+"Neem mij niet kwalijk, mevrouw," smeekte mijn tante, "ik had het
+opgewonden. 't Is het speelwerk in de lamp. 't Is anders de aardigheid,
+dat het zoo onverwachts begint, een poosje nadat het opgewonden is. 't
+Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou
+hebben gereciteerd; nu komt het er ook zoo mal in."
+
+Mijn tante zou gaarne, in dat oogenblik van verlegenheid, den geheelen
+bronzen olifant den kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te
+doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn
+
+
+ Ach, du lieber Augustin!
+
+
+Het was een tartend geluid voor mevrouw _Dorbeen_, en zij beefde
+inwendig van toorn. Zij hield zich evenwel goed, en met langzame
+teugen een kopje slemp uitgedronken hebbende, zei ze:
+
+"Och! het vers was zoo goed als uit; de vrienden verliezen er niet
+veel bij. Nu zal _Koosje_ wel eens wat willen doen."
+
+_Koosje_ bloosde, en zei met de oogen op haar moeder geslagen:
+
+"Ik kan niets; wel moeder?"
+
+"Stil!" zei _Dorbeen_: "het verandert weer:
+
+
+ Où peut-on être mieux?"
+
+
+En waarlijk, daar de olifant drie deuntjes machtig scheen te zijn, was
+er voor niemand anders gehoor dan voor het grootste der viervoetige
+dieren; totdat het al zijn kunsten getoond had, en met een forschen
+tjingel besloot.
+
+Mama _Van Naslaan_ bleek van eene meening te wezen tegenovergesteld
+aan die, welke haar lief kind met het zoetste lipje der wereld had
+beleden; zij geloofde veeleer dat haar _Koosje_ niet alleen iets,
+maar zelfs zeer veel vermocht, en knikte haar daarom toe, ook iets
+in het midden te brengen, waarop mevrouw _Dorbeen_ zei:
+
+"Wel ja, laat je ook reis hooren, _Koosje_! _ik_ heb nu mijn plicht
+gedaan!"
+
+En tante riep: "Och ja, asjeblieft?" en mijnheer _Dorbeen_, zeer
+droogkomiek, rijmde:
+
+
+ "Kom Koosje,
+ Lief roosje,
+ Reciteer reis een poosje!"
+
+
+En _Mietje_, die niets was, zei alweer: "Hè ja!" en de oude _Stastok_
+zei: "Komaan!" en stopte een pijp; en de jongere _Stastok_ verstoutte
+zich om met een hooge kleur te zeggen: "Toe, als 't u belieft!"
+
+Maar het lieve kind bloosde zoo sterk, en was zoo angstig, en
+verontschuldigde zich zoo smeekend, dat tante er medelijden mee kreeg
+en zei:
+
+"_Koosje_ is misschien bang voor den vreemden heer; ik geloof dat
+we haar meer pleizier doen zullen als we 't voor dezen keer te goed
+houden!"
+
+Waarop mevrouw _Dorbeen_, haar oogen zeer sterk op den snuit van den
+olifant gevestigd houdende, op een aardig toontje zei:
+
+"Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wilde
+stellen! Mijnheer _Hildebrand_ kan immers ook wel een kleinigheid!"
+
+"Dat was goed," zeiden allen, en mijn oom keerde zich om, ten einde
+even op zijn horloge te kijken; want "hij wou om den dood niet graag
+dat er nachtwerk van wierd."
+
+Men stopte versche pijpen; de heeren gingen zitten; de heer _Van
+Naslaan_ met een zucht; de heer _Dorbeen_ met het oog van een kenner;
+_Pieter_ met dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand die
+pas op zijn horloge heeft gekeken en halftien heeft ontwaard. Ik
+stoorde mij volstrekt niet aan de heeren, en plaatste mij zoo, dat ik
+het lieve gezichtje van _Koosje_ vlak voor oogen had; men moet _wat_
+hebben voor de moeite.
+
+"Ik zal," zeide ik, toen alles doodstil was, "het gezelschap lastig
+vallen met een klein stukje. 't Is een vertaling door een mijner
+vrienden, en uit het Fransch."
+
+"Uit het Fransch!" herhaalde de heer _Van Naslaan_, met een bedenkelijk
+gezicht mijn oom aanziende.
+
+"Kom aan, dat 's goed!" zei mevrouw _Dorbeen_.
+
+Alles was doodstil om den vreemden stoethaspel te hooren, maar
+geen der dames zag hem aan, vermits hare loffelijke bescheidenheid
+dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt, met
+uitzondering van mevrouw _Dorbeen_, die scheen te willen weten "of hij
+goed met zijn oogen rollen zou". _Koosje_ zat hevig te festonneeren,
+en ik zag niets dan haar gescheiden haar.
+
+Ik begon:
+
+
+ "Als 't kindje binnenkomt--"
+
+
+Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam--geenszins
+een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit pak; belast
+en beladen met de aangekleede boterham in persoon, in de gedaante van
+een schat van broodjes met kaas en rookvleesch, en een macht van ster-,
+ruit-, cirkel-, klaverblad-, en vischvormige gebakjes, die ondanks
+hun verschillende gedaante, wegens de evenredigheden van hun inhoud,
+in het dagelijksch leven den wiskundigen naam van evenveeltjes dragen.
+
+Mevrouw _Dorbeen_ kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening
+niet onderdrukken.
+
+Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis met
+een evenveel; en toen die op was, hervatte ik vol moed, ofschoon de
+uitwerking van den eersten regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat
+de droogkomieke heer _Dorbeen_, toen ik de eerste woorden herhaalde,
+nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht:
+
+
+ "Als 't kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin;
+ Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in;
+ Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede;
+ En 't rimpligst voorhoofd (ook 't bezoedeldste wellicht!)
+ Klaart voor den aanblik op van 't vroolijk aangezicht,
+ Met iedereen in vrede.
+
+ 't Zij we onder 't lindeloof des zomers zijn vereend,
+ 't Zij 't snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent
+ En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken;
+ Als 't kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd;
+ Men lacht, men troetelt, kust en tergt zijn dartle jeugd;
+ En moeders harte smaakt zijn zaligste oogenblikken."
+
+
+Mevrouw _Dorbeen_ lachte goedkeurend.
+
+
+ "Soms spreken we om den haard, met ernst en met verstand,
+ Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland,"
+
+
+De heer _Van Naslaan_ knikte zeer verstandig.
+
+
+ "Van staat, van godsdienst, van geschriften en gezangen;
+ Het kind komt in: vaarwel kunst, godsdienst, plicht en staat!
+ 't Wordt: kusjes voor den mond, en kneepjes in de wangen,
+ En hobblen op de knie, en jok en kinderpraat."
+
+
+"Dat is heel lief!" zei mijn goedhartige tante, halfluid.
+
+
+ "Als, na een duistren nacht van stormwind en van regen,
+ Een nacht, wen menigeen, vergeefs ter rust gezegen,
+ Naar 't woelig gieren hoort, daar 't kind doorheen slaapt; als,
+ Na zulk een nacht, het rood des uchtends, dat de kimmen
+ Van liefelijken waas en zachten gloed doet glimmen,
+ En blijde zangen wekt bij 't vooglenkoor des dals;"
+
+
+De heer _Dorbeen_ kuchte. De heer _Van Naslaan_ trok oogen en
+wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: "waar moet dat
+naar toe?"--Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat
+onbepaalde bewondering blijken.
+
+
+ "Zoo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten
+ En duisternis en nacht en zwarte regenluchten;
+ Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht;
+ Door d'adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven,
+ Als zuivre koeltjes, die langs 't knoppig bloembed zweven,
+ En 't blosje sterken op der rozen aangezicht.
+
+ "Want duizend lieflijkheên uit uw schoone oogjes schijnen;
+ Uw kleine handjes, die ik berg in een der mijnen,"
+
+
+"Och heer!" zei mijn tante halfluid, en haar oogen werden
+allervriendelijkst klein.
+
+
+ "Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt.
+ Wat lacht gij vriendlijk, als wij ze u met speelgoed vullen!
+ Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen,
+ Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!"
+
+
+_Koosje_, die van tijd tot tijd al eens had opgekeken, hief hier haar
+schoon gezichtje geheel op en staarde mij aan. De allerlaatste regel
+scheen mij volmaakt ook op haar toepasselijk.
+
+
+ "Lief duifjen in onze ark! Uw mondje bracht den vrede,
+ De vreugde en 't zoetst geluk in onze woning mede,
+ Zoo vurig afgesmeekt, met zooveel angst verbeid!
+ Gij kijkt de wereld, daar gij niets van vat, in 't ronde!
+ Blank lijfje zonder smet, blank zieltje zonder zonde,
+ Ik eer uw dubble maagdlijkheid!
+
+ "Hoe heerlijk is het kind met lachjes op de wangen,
+ Met traantjes soms, maar ras door lachjes weer vervangen,
+ De goede trouw in 't oog, en 't uitzicht zoo gerust!
+ 't Slaat een verwonderd oog op 's werelds bont getoover,
+ En geeft zijn jonge ziel zoo blij aan 't leven over,
+ Als 't ons zijn lipjes biedt als 't wordt goenacht gekust."
+
+
+Tante knipte een traan weg; mejuffrouw _Van Naslaan_ knikte twee-,
+driemaal met het hoofd. _Koosje_ hield haar adem in en zag mij angstig
+aan, als ik vervolgde:
+
+
+ "Bewaar mij, Heer! mij, en mijn broedren, en mijn vrinden,
+ En hen zelfs, die een lust in mijne tranen vinden,
+ Indien er zulken zijn misschien!
+ Dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren,
+ Of bijenlooze korve, of schaapskooi zonder lammeren,
+ Of kinderlooze woning zien!"
+
+
+"Heeremijntijd! neef _Hildebrand_!" riep mijn tante, "neef
+_Hildebrand_, dat is mooi."
+
+En ik wed dat zij aan _Pieter_ dacht, toen hij klein was; maar ook
+... och, zeker ook aan het kleine _Truitje_, dat gestorven was vóór
+haar vijfde jaar, en daar zij niets van overhad dan een klein vlokje
+haar aan haar middelsten vinger.
+
+"Hé ja;" zei _Mietje_ met de kalfsoogen, die ditmaal velen vooruit was.
+
+"Ik vind altijd," zei mejuffrouw _Van Naslaan_, "dat men moeder zijn
+moet om van zulke dingen het rechte te hebben."
+
+"Niet waar, juffrouw _Van Naslaan_?" zei mevrouw _Dorbeen_! "O, maar
+het is allerliefst; het vèrs" (zij drukte op het woord) "het vers is
+allerliefst!" Blijkbaar wilde zij zeggen: wat het opzeggen betreft,
+dat kon beter.
+
+_Koosje_ was geen moeder, en kon er dus "het rechte niet van hebben",
+maar haar glinsterende oogjes en bleeke wangen zeiden genoeg dat zij
+de poëzie verstaan en gevoeld had.
+
+"Van wien is het gedicht?" vroeg de heer _Van Naslaan_.
+
+"Van _Victor Hugo_, mijnheer."
+
+"_Victor Hugo_?" zeide hij, den klemtoon op de eerste lettergreep
+leggende en met een uitspraak alsof er, in plaats van ééne Fransche,
+vijfentwintig goede Hollandsche G's in den naam geweest waren. "Ik
+dacht dat die man niets dan ijselijkheden schreef. Ik heb in de
+Letteroefeningen, dunkt mij ... Hé, dat ontschiet me ... Ik dacht
+dat het zoo'n bloederig man was."
+
+"Ik weet niet, mijnheer!" antwoordde ik.
+
+"Verwar je hem ook met _Jacques Julin_?" vroeg de makelaar.
+
+"Is dat die, die dat boek over _Barneveld_ geschreven heeft, dat we
+laatst in het leesgezelschap gehad hebben?" vroeg oom terzijde aan
+_Pieter_. [9]
+
+"Ja," zei mijnheer de makelaar. "Dat is een rare kerel, naar ik
+hoor. Hij schrijft voor geld, mijnheer; hij schrijft voor geld;
+pro en contra schrijft hij voor geld."
+
+"Ja," zei oom, zijn pijp uitkloppende, "die Franschen! 't Is een raar
+volk; al zeg ik 't zelf."
+
+"Weetje wat ik ook altijd al een heel mooi verzenboek vind?" zei
+mejuffrouw _Van Naslaan_, het gezelschap rondziende: "Het Nut der
+Tegenspoeden."
+
+"Wat?" vroeg de heer _Dorbeen_, droger en komieker dan ooit; "het
+nut der regenhoeden?"
+
+Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid; hetwelk mejuffrouw
+_Van Naslaan_ min of meer verlegen maakte; zij besloot dus haar
+lofrede op het bekende geschrift van _Lucretia Wilhelmina_, die voor
+een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek den
+geest te laten geven.
+
+"Inderdaad," fluisterde zij mijn tante in: "het is een heerlijk boek,
+en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen dat je 't met
+geen droge oogen lezen kunt."
+
+Het gesprek werd spoedig weder algemeen en levendig. Ik maakte veel
+werk van de zeventienjarige, en _Pieter_ week niet van haar stoel. Ik
+poogde hem telkens te bewegen ook reis iets op te zeggen, of te zingen
+of zoo; maar hij zei altijd, met een knorrig gezicht: "Och kom!" en
+"Ik kan waaratje niets!" En hard wilde ik er niet op aandringen,
+omdat ik oom nog eens weer op zijn horloge had zien kijken. Er kwam
+dus niets van, en ook moet ik bekennen dat de familie _Stastok_, door
+middel van den muzikalen olifant, tot het genoegen van dien avond te
+veel had bijgedragen, om nog iets van een harer leden te vergen.
+
+Het avondje liep verder vroolijk en gezellig af; en nadat al de dames
+en de beide heeren mijnheer en juffrouw _Stastok_ bedankt hadden "voor
+de vrindelijke receptie", en _Pieter_ "voor zijn aangenaam gezelschap";
+en nadat mijnheer en mejuffrouw _Stastok_ plechtig hadden beloofd
+"hun scha eens te zullen komen inhalen"; en nadat de beide heeren
+elkanders hoeden hadden opgehad, en tante met eigen hand al de dames,
+behalve _Koosje_, wie ik niet kon nalaten zelf hierin bij te staan,
+aan haar mantel had geholpen en, naar verkiezing, er de kraagjes boven
+overheen gehaald, of "alles er asjeblieft maar onder" gelaten had,
+ging men omstreeks half twaalf, recht van elkander tevreden, uiteen; en
+schoot er voor niemand eenig genoegen meer over dan voor de meid, die
+op eene achtelooze wijze zich de kwartjes liet welgevallen, die zij bij
+'t weggaan der gasten schijnbaar toevallig in haar hand voelde glijden.
+
+Oom had slaap, al zei hij 't zelf. Heeremijntijd! wat had mijn tante
+'t nog druk. Waaratje was knorrig. Onder zulke omstandigheden ging
+ik naar bed.
+
+
+
+
+Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan.
+
+De knorrigheid, waarmee _Pieter_ was te bed gegaan, was mij in 't
+geheel geen raadsel geweest. Men heeft opgemerkt dat hij den geheelen
+avond niet bij uitstek veel gesproken heeft, terwijl hij anders
+onder zijn vaders vrienden praats en waanwijsheid genoeg had. Maar
+twee kleine omstandigheden hadden hem gehinderd en belemmerd, te
+weten: liefde en haat. Het was mij namelijk volstrekt niet ontgaan
+dat hij gedurig stille blikken had geworpen in het witte halsje van
+_Koosje_, en zeker openlijke blikken op haar gelaat had willen werpen,
+zoo hij het had durven wagen een geregeld gesprek met haar aan te
+knoopen. Verder was het mij niet moeielijk gevallen te ontdekken hoe
+de goedkeuring hem gehinderd had, die de schoone verzen van _Victor_
+(hoe middelmatig en ongeregeld ook vertolkt, en slechtweg voorgedragen)
+bij haar hadden ontmoet; en hoe hij mij èn de vrijmoedigheid, waarmee
+ik mij daarna met haar in gesprek had begeven, èn de vriendelijke
+lachjes, die mij bij die gelegenheid waren te beurt gevallen, had
+benijd. Hij had zich van dezen avond voor zijn verliefd hart, geloof
+ik, heel veel voorgesteld; maar _Koosje_ was vertrokken zoo als zij
+gekomen was, zonder dat hij haar één zoet woordje had toegevoegd,
+tenzij dan "houje nog al van evenveeltjes?" Hij had er op den duur
+"ingezeten": hij had tegenover zijn eigen voornemens en tegenover
+wat hij voor zijn hartstocht hield een mal figuur gemaakt; wat wonder
+zoo hij uit zijn humeur geraakt was?
+
+Ik wilde meer van dit alles hebben.
+
+"Goeden morgen, _Pieter_;" riep ik, toen de keukenmeid den anderen
+morgen om zes uren als gewoonlijk hare knokkels op de kamerdeur had
+laten spelen, zonder dat ik evenwel mijn bedgordijnen openschoof;
+ik kon genoeg van hem zien.
+
+"Goeden morgen, neef!" zei hij, op den rand van zijn bed in gedachten
+zittende, en nog zonder bril.
+
+"Ik heb waarlijk van _Koosje van Naslaan_ gedroomd!"
+
+_Pieter_ bloosde, en bukte om een kous aan te trekken, met zooveel
+inspanning dat het lijken moest of hij alleen daarvan een kleur kreeg.
+
+"Zoo," zei _Pieter_.
+
+"Ja," zei ik, "'t is een heel mooi meisje."
+
+"Vindje dat?" vroeg _Pieter_, zijn tweede kous aantrekkende en naar
+de waschtafel gaande. "Ja, 't is een lief gezichtje; maar zoo heel
+mooi kan ik ze maar niet vinden."
+
+"Niet?" riep ik verwonderd uit en ging overeind zitten.
+
+"Waaratje niet!" zeide hij.
+
+Verliefdheid, die haar voorwerp verloochent, verraadt zich
+ontegenzeggelijk.
+
+"Ik wou dat meisje wel wat nader leeren kennen, _Piet_! Zou er geen
+kans op zijn, haar tusschen nu en overmorgen nog eens te ontmoeten?"
+
+"Ik weet niet," antwoordde _Pieter_, de lampetkom óverschenkende;
+"ga haar een bezoek brengen."
+
+"Dat gaat niet, jongen!" zei ik; "maar weet je er niets anders op?"
+
+"Wel neen!" sprak _Pieter_.
+
+"Ik dan wel!" zei ik uit het bed springende. "Zeg reis, _Piet_," ging
+ik hem sterk aanziende voort; "hoe komt het dat je je bril vergeten
+hebt?--Kijk, 't is alledag heerlijk weer: we willen een roeischuitje
+huren, en we gaan _Koosje_ en nog een andere dame van je kennis,
+liefst van je familie, vragen om ons de eer aan te doen eens met ons
+te gaan varen."
+
+"Varen?" vroeg _Piet_ op den toon der alleruiterste verbazing.
+
+"Wel ja; vàren; dat 's om te praten en te minnekoozen veel beter dan
+rijden. Of wou je niet minnekoozen? Heidaar! jongen! waarom trek je
+je pantalon verkeerd aan?"
+
+"Och!" zei _Petrus_, de knorrigheid van gisteren weer opvattende,
+"schei er uit met die gekheid. Ik bedank om door jou geplaagd te
+worden."
+
+"Jongen!" zei ik, "dat verstaje verkeerd. Ik plaag je niet; ik vraag
+maar of je niet wilt minnekoozen?"
+
+"Minnekoozen," hernam hij, met een schuinschen blik vol gramschap,
+van onder zijn bril uit, en lippen dik van toorn--"minnekoos jij zelf!"
+
+"Met pleizier, beste vrind! maar de meisjes willen mij niet hebben. Ik
+ben te leelijk."
+
+"Je kunt mooi genoeg praten--mijnheer!" zei _Pieter_, met de tanden
+op elkaar en bevende van haat.
+
+"Ja!" antwoordde ik lachende, "maar ik geloof toch wel dat jij beter
+kunt minnekoozen!"
+
+Er kwam geen antwoord. _Pieter_ haastte zich schrikkelijk met kleeden
+en liep de trappen af. Toen ik beneden kwam, zat hij veilig onder
+de vleugelen van zijne ouders een pijp te rooken, als een Fransch
+romanticus zeggen zou: "enveloppé de sa colère".
+
+Na den ontbijt ging hij in den tuin, ik volgde hem op de hielen.
+
+"Laat me gaan," riep hij met een gezicht als een oorworm.
+
+"Neen," zei ik, mijn hand uitstekende; "je moet niet boos zijn,
+_Piet_! Wat drommel; is nu 't woord minnekoozen een woord om boos
+om te worden? Als ik u was, ik zou veel boozer zijn over het woord
+Instituten."
+
+_Pieter_ glimlachte pijnlijk.
+
+"Maar weetje wat! Ik zal van de heele zaak niet spreken; maar we gaan
+roeien, man; we gaan roeien met de dames. Kanje roeien?"
+
+"Wel, ik denk ja!" zei _Pieter_ verwaand.
+
+"Wilje roeien?"
+
+"Ja wel."
+
+"Wílje dames vragen?"
+
+"_Zij_ zullen niet willen."
+
+"Dat vraag ik niet. Wil _jij_? Hoor reis, _Piet_! Ik beloof je dat
+ik discreet zal zijn."
+
+"Nu ja," zei hij, "ik wil wel."
+
+
+
+Het plan werd aan vader en moeder medegedeeld, en er werd besloten
+dat wij, behalve _Koosje_, nicht _Christientje_ zouden vragen, eene
+jonge juffrouw van drieëntwintig jaar, die zeker gaarne mee zou gaan,
+daar zij niets te doen had dan bij een knorrige tante te zitten,
+die twee meiden hield en nooit uitging.
+
+Wij gingen er dus op uit om een schuitje te huren; en nadat wij eerst
+bij een schuitenmaker aan de Oostpoort geweest waren, die het zijne
+had verkocht "om dat er geen profijt bij was", en die ons naar de
+Westpoort zond, waar hij zeker wist dat wij er een konden krijgen;
+en nadat wij bevonden hadden, dat er aan de Westpoort niets meer van
+boven water stak dan eventjes een klein neusje van den steven, vonden
+wij er eindelijk een zeer goed, in het midden van de stad, dat wij voor
+een gulden voor een geheelen achtermiddag huren konden. Wij huurden
+het dus voor den geheelen achtermiddag van den volgenden dag en kweten
+ons vervolgens van onze uitnoodigingen, die op eene innemende wijze
+werden aangenomen. Mama _Van Naslaan_ was er voor hare dochter zeer
+vereerd mee; schoon zij, geloof ik, wel dacht dat er meer achter zat,
+en dat ook dit muisje een staartje hebben zou, en de oude tante hoopte
+tienmaal in een half uur dat het niet te koud op het water wezen zou,
+wat wij trouwens ook hoopten, schoon Wij het tegendeel vreesden.
+
+Wij bepaalden onderling dat _Koosje_ meer bijzonder onder de zorgen
+van _Pieter_ staan zou, en ik mij meer dadelijk tot den ridder van
+_Christientje_ zou opwerpen. Ik kon niet edelmoediger zijn.
+
+_Pieter_ was dan ook volmaakt in zijn humeur, en tantelief pakte ons
+nog dienzelfden dag een mandje met rijnwijn en sinaasappels, [10]
+eene verfrissching, frisch genoeg in de maand October. Wij hadden de
+dames verzocht mantels mee te nemen.
+
+
+
+De andere dag was een allerheerlijkste najaarsdag en alles beloofde
+genoegen. Maar toen _Pieter_ des voormiddags van eenige boodschappen,
+die hij voor zijn toilet te doen had, thuis kwam, stond zijn aangezicht
+akelig bedroefd; hij smeet met de deur, smeet zijn rotting, smeet
+zijn hoed, smeet zijn handschoenen.
+
+"Wat scheelt er aan, amice?" vroeg ik verschrikt.
+
+"Och, die ellendige _Dolf_!" zei hij, zich tot zijn moeder wendende.
+
+Nu was er zeker geen menschennaam in de vijf werelddeelen, die in
+staat was aan mejuffrouw _Debora Stastok_, en in 't algemeen aan alle
+teederhartige moeders in geheel D., een grooter schrik aan te jagen,
+dan diezelfde naam _Dolf_, die den niets kwaads vermoedenden lezer
+onmogelijk aan iets anders kan doen denken dan aan de volkomener
+vormen: _Adolf_, _Rudolf_, of des noods _Ludolf_; maar welke naam aan
+mejuffrouw _Debora Stastok_ en, zoo als ik zeg, aan alle teederhartige
+moeders in geheel D. niet anders voorkwam dan als een kort begrip
+der eeretitels: katäas, straatschender, verkwister, lichtmis, lap,
+deugniet en leeglooper; immers hij behoorde aan den persoon, met
+wien ik reeds in het koffiehuis de "Noordstar" de eer had gehad
+kennis te maken, in één woord aan den heer _Rudolf van Brammen_,
+die na in zijn jeugd bekend te hebben gestaan voor een ondeugenden
+kwâjongen, die het zijn ouders en zijn meesters te kwaad maakte, alle
+avonden puisje vong en alle meisjes om zoenen plaagde, een paar jaren
+te Leiden, op naam van Jur. Stud., in dien toestand had verkeerd,
+die men aldaar _sjouwen_ noemt, zonder dat zijn vader destijds recht
+begreep wat hij er eigenlijk deed dan veel geld verteren, terwijl hem
+echter naderhand bleek dat hij behalve die bezigheid ook nog aan de
+liefhebberij van schulden maken had toegegeven. Na dien tijd had hij,
+nu reeds een jaar of drie, op zijn vaders kosten, die gelukkig een
+welgesteld man was, een ander beroep uitgeoefend, hetwelk men (almede
+te Leiden) den vereerenden naam van _dweilen_ geven zou, tot groote
+ergenis der Deënaars, die veel nieuwsgieriger waren wat er nog eens
+van hem worden zou dan de heer _Rudolf van Brammen_ zelf. Hij deed
+evenwel geen openlijk kwaad, dronk een redelijken borrel, woonde alle
+publieke vermakelijkheden bij, tot het optrekken van de wacht en het
+boomrooien op de stadssingels toe; bootste alle publieke personen na,
+wandelde veel, biljartte veel, werd veel dik, verkocht vele grappen,
+en was zeer populair.
+
+Het was dus niet te verwonderen, dat mijn tante op het hooren van
+den enkelen naam van dezen onmensch een koude rilling over haar rug
+gevoelde. Inderdaad, ik geloof dat de haren haar onder de kornet te
+berge rezen.
+
+"Wat is er nu weer met hem gebeurd?"
+
+"Gebeurd!" riep _Pieter_ mistroostig uit, en zijn oogen vonkelden,
+onder zijn bril: "niets gebeurd. Maar hij wil mee uit roeien."
+
+En hij zag mij stijf in 't gezicht, om mij al de ijslijkheid van deze
+Jobstijding te doen beseffen.
+
+"Als hij maar een dame meebrengt," zei ik--"dan is 't mij wel."
+
+"Ja, daar komt het door aan. 't Is zijn zuster; die malle
+meid! _Christientje_ heeft haar verteld dat ze met _Koosje_, en mij,
+en een Leidsch student uit varen ging, en toen wou ze met alle geweld
+ook mee. Als _ik_ ook reis wat doen wil!..."
+
+"_Koosje_, en mij en een Leidsch student!" _Pieter_ zou in ieder
+ander geval gezegd hebben: _Koosje_, een Leidsch student, en mij;
+maar hij was verliefd, en het lustte hem in deze omstandigheid de
+plaatsen aldus te schikken.
+
+"Hoor reis," zei tante, gerustgesteld door het meegaan van de zuster,
+die bij de bevolking van D. eene verontschuldiging was voor de
+tegenwoordigheid van den broer: "_Meeltje_ is een heel ordentelijk
+meisje, en ze heeft altijd goed opgepast, op school en overal. Daar
+moet je niets van zeggen. Ze moeten dan nu maar mee."
+
+"Och, mijn plezier is er nu alweer af," bromde _Pieter_, en verliet
+de kamer, om in zijn vertwijfeling nog wat aan zijn tabellen te
+gaan knutselen.
+
+Ik had ondertusschen de ontmoeting van de contrasteerende heeren _Dolf_
+en _Pieter_ wel eens willen zien. Ik verbeeld mij dat de ex-student
+van zijn zuster _Amelie_ in last had, niet om op een dadelijke wijze
+haar en zijn eigen persoon aan ons te komen opdringen, maar "als hij
+_Pieter_ zoo reis tegenkwam", zoo eens zijdelings te hooren of het
+niet wel goed zou zijn dat zij meegingen; iets 't welk zij zonder
+twijfel reeds aan _Christientje_ beloofd had _in allen gevalle_ te
+zullen doen. Men begrijpt lichtelijk dat _Dolf_ evenzeer overtuigd
+was _Pieter_ _in allen gevalle_ tegen te zullen komen, indien namelijk
+_Pieter_ zich maar een oogenblik op straat waagde, daar hij gewoon was
+ettelijke uren van den dag aan eene stadswandeling te wijden, bij welke
+gelegenheid hij in 't geniep aan vele knappe dienstmeisjes oogjes gaf
+en bijzonder acht sloeg op alle mooie honden. Nu was het gebeurd dat
+hij _Pieter_ net ontmoet had, toen deze, in den meergemelden winkel
+van _Van Drommelen_, een paar prachtige puimsteenkleurige glacé
+handschoenen had gekocht, met welk paar gezegde _Van Drommelen_
+reeds lang verlegen was geweest, daar niemand het koopen wilde, en
+'t welk hij _Pieter_, als naar den laatsten smaak, opdrong. Ik stel
+mij voor dat zijn gesprek met een "Je gaat zoo uit varen?" begonnen,
+en dat daarop heel gauw gevolgd is: "Jongens, je hadt mij en me zuster
+ook wel eens mee kunnen vragen"; waarop _Pieter_, zonder aan eenige
+mogelijke verontschuldiging te denken, ongetwijfeld onmiddellijk had
+gezegd: "dat 's goed!"
+
+"Hoe laat _ga_ jelui?"
+
+"Half vier."
+
+"Dat is wel wat vroeg; maar 'k zal er wezen. _Amelie_ brengt haar
+gitaar mee. Tot van middag!"
+
+
+
+Er gebeurde dien dag iets in 't huishouden van mijn oom, dat nog
+nooit gebeurd was: het etensuur werd verzet; ook al ten gevalle van
+neef _Hildebrand_, die ondanks zijn kamerjapon nogal een witten voet
+bij oom kreeg; en toen wij verzadigd waren, ging _Pieter_, onder
+vele vermaningen van toch vooral voorzichtig te zijn, _Koosje_,
+en ik _Christientje_ afhalen.
+
+Van alle jonge meisjes nu, die bij oude knorrige tantes zouden
+kunnen of willen wonen, was _Christientje_, of laat ik liever zeggen
+_Christien_, want zoo werd zij altijd genoemd door die haar kenden,
+wel de ongeschiktste. Zij was in haar hart een Jan-Pret, en scheen niet
+tegen een kleintje op te zien. Zij greep mijn arm met een zoo fikschen
+greep aan, en lachte zoo glunder over 't mooie weer en 't prettige plan
+en 't frissche van 't water, dat ik mij heel veel van haar voorstelde,
+en alleen maar vreesde dat _zij_ zich te veel voorstelde van de pret.
+
+Wij hadden het schuitje in den singel laten brengen en derwaarts had
+_Keesje_ den rijnschen wijn getorst. Ik kwam juist met _Christien_
+ter bepaalder plaatse, als _Pieter_ er ook verscheen; _Koosje_ ging
+nevens hem; hij had haar geen arm durven aanbieden, en zij had werk
+zijn groote stappen bij te houden.
+
+De knorrigheid van _Pieter_ scheen wel wat gezakt te zijn, maar ik
+zag ze met nieuwe neteligheid opleven, toen hij den jeugdigen _Van
+Brammen_ met zijne zuster en eene meid, die in de eene hand een grooten
+huissleutel en in de andere een gemarmerd bordpapieren gitaardoos
+droeg, uit de poort en over de brug zag gaan. _Dolf_ had voor deze
+gelegenheid een gelen stroohoed opgezocht, die hem vrij gemeen stond,
+droeg een bruingeruiten pantalon en een groenen dichtgeknoopten rok
+met glimmende knoopen; aan zijne laarzen blonken een paar moeren
+van sporen, die hij evenwel, als bij deze gelegenheid minder te pas
+komende, had thuis gelaten, en hij had een gelen degenstok in de
+hand, die hij om dezelfde reden thuis had _kunnen_ laten. _Amelie_
+wier peettante eigenlijk _Meeltje_ geheeten had, was zeer bijzonder
+gekleed. Zij had een spencer aan van paarse zijde, waar een groene
+rok onder uitkwam, en een hoedje van dezelfde kleur en stoffe als
+haar spencer, waarop zij een witten sluier droeg met een breeden rand
+van dezelfde kleur als de rok. Haar kleine voeten staken in nanking
+slobkousjes, die haar fijnen enkel zeer wel deden uitkomen. Deze kleine
+voet en fijne enkel maakten, benevens hare handjes, de voornaamste
+schoonheden van de magere _Amelie_ uit, die een lang bleek gezicht
+had, met groote groenachtige zwemmerige oogen, welke zij evenwel, of
+omdat zij bijziende was, of omdat zij het schijnen wilde, zoo dicht
+toekneep dat men wedden zou dat zij niets zag. Zoo als zij nu naast
+haar buikigen broeder voortschreed, maakte zij in mij de gedachte
+aan den eersten droom van koning _Farao_ zeer levendig.
+
+De ontmoeting van de drie dames was uiterst hartelijk en lieftallig;
+die van _Van Brammen_ zeer vroolijk.
+
+"Bonjour, heeren!" heette het.--"Ik heb ongemakkelijk veel gegeten
+hoor! Jongens, dat is een knap schuitje; waar haalje dat van daan,
+_Piet_? _Hildebrand_, ik heb je nog gezien toen je groen was; je
+hadt een kaneelkleur jasje aan, allemachtig leelijk. Kijk hier; een
+haakje ook!" En het haakje opnemende velde hij het als een speer,
+en maakte de handgrepen van _Pieter_ te willen doorsteken.
+
+"Heiwat!" zei _Pieter_, die alweer zoo kwaad was als een spin.
+
+"Hoor reis!" zei _Dolf_, in het schuitje springende: "Ik ben de
+dikste, en ik heb van middag zoo veel gegeten; ik zal naderhand
+ook wel reis roeien, dat spreekt; maar jijlui moet beginnen; vindje
+'t goed, _Hildebrand_?"
+
+"Best," zei ik.
+
+Ik nam de taak van ceremoniemeester op mij, en plaatste mij op de
+achterste roeibank. _Pieter_ zou vóór mij gaan zitten, en dan op de
+zijbankjes, bij zijn rechter knie, het mooie lieve _Koosje_, zijn
+eerste liefde, en bij zijn linker de "magere ende zeer leelijke van
+gedaante, rank van vleesche, en wier gelijke in leelijkheid niet
+gezien was in den ganschen Egyptenlande", met de gitaar onder de
+bank. Daarnaast, of naast _Koosje_, naar verkiezing, de vroolijke
+_Christien_, die met alles tevreden was; _Dolf_ aan 't roer.
+
+"Maak 'em nou maar los, vrind!" riep _Dolf_ tegen _Keesje_: "braaf
+man! dat mag je reis weer doen"; en het haakje opnemende stiet hij
+van wal en stuurde met veel handigheid naar het midden.
+
+_Pieter_ en ik vielen aan 't roeien; maar het bleek duidelijk dat de
+eerstgenoemde het of nooit meer, of in lang niet gedaan had.
+
+"Je hoeft den singel niet uit te diepen," riep _Dolf_ hem al heel
+gauw toe, daar hij de riemen met een hoek van bijna negentig graden in
+'t water plantte. "Je moet over 't water scheren als een meeuw, man."
+
+"Ik weet het heel wel," zei _Pieter_, en hief den rechtschen riem hoog
+op, om te _toonen_ dat hij 't heel wel wist, maar vergat den linker,
+dien hij zoo mogelijk nog rechtstandiger indoopte, met dat gevolg,
+dat de rechterriem bijna geen water raakte, maar wel met hevigheid
+tegen mijn dito aansloeg, en hij zoo groot een kracht deed met den
+linker, dat de schuit ronddraaide.
+
+"Ho wat, _Pietje_!" riep de gehate stuurman nu weder, terwijl _Koosje_
+lachte, _Christien_ proestte, _Amelie_ een klein gilletje gaf. "Ho wat,
+_Pietje_! je moet er den gek niet mee gaan steken, man; we zouen zoo
+wel reis naar den grond kunnen tollen."
+
+_Pieter_ wenschte van harte, dat _Dolf_ onmiddellijk in 't water
+gevallen en naar den grond getold ware.
+
+Het roeien is zulk een heksewerk niet; het kwaad was spoedig
+hersteld en, met hem een weinig te gemoet te komen, kon ik maken dat
+_Pieter_ binnenkort al vrij wel slag met mij hield. Wij roeiden den
+singel uit en de kleine rivier op, die de trots en de glorie van
+D. uitmaakt, en waren spoedig in het ruime. Daar viel het roeien
+nog veel makkelijker. De dames vonden het dolprettig op het water,
+_Koosje_ was allerliefst, _Christien_ alleruitgelatenst, _Amelie_
+allersentimenteelst. _Pieter_ zelf kwam bij. Maar wat hem zeer hinderen
+moest, was dat de beide eersten als aan den mond van _Dolf_ hingen,
+die allerlei grappen vertelde, en voor dezen, die toch een _mauvais
+sujet_ was, veel meer aandacht overhadden dan voor hem zelven, die
+eerstdaags een candidaatsexamen dacht te doen, _summâ cum laude_; een
+leed, door menig eerzaam jong mensch onder dergelijke omstandigheden
+diep gevoeld. De dames zullen beter weten dan ik, hoe het komt dat
+zij er reden toe geven. Maar zelfs het zedige _Koosje_ luisterde met
+alle blijken van welgevallen en genoegen, wanneer _Dolf_ nu eens een
+liedje zong, dan eens den voorzanger uit de Groote Kerk nabootste,
+dan weder zijn stroohoed op een koddige wijs in de hoogte gooide, dan
+weder een anecdote vertelde, en nog al dikwijls met veel vrijmoedigheid
+en oprechtheid haar een complimentje maakte; en ik zelf vond hem
+werkelijk van tijd tot tijd nog al heel aardig.
+
+Daar nu evenwel de (ik mag wegens hare magerheid haast niet zeggen
+vleeschelijke, maar toch eigene) zuster van _Dolf_ met vele van 's
+mans grappen bekend was, en ook wegens de nadere bloedsbetrekking
+niet zoo zeer van ZEd. gecharmeerd wezen kon als de beide andere
+dames, zoo gebeurde het dat zij _Pieter_ in een zeer druk en zeer
+poëtisch gesprek wikkelde over de lieve omstreken van Utrecht,
+en het lieve Zeist, en het lieve Zusterhuis. Zij verklaarde veel
+sympathie met al die soort van inrichtingen te hebben, en zelfs niet
+afkeerig te zijn van het denkbeeld van in een nonnenklooster te gaan,
+of op zijn minst een Zuster van Barmhartigheid te worden, een soort
+van dreigement van meisjes van de jaren en de bloedsmenging van de
+magere _Amelie_; en zij overstroomde den goeden _Pieter_, die zich
+inmiddels van jaloezie verbeet, met een regen van edele, teedere,
+heilige, en smelterige gevoelens; bij welke gelegenheid zij hare
+oogen op eene bijzondere wijze wist op te slaan, net precies alsof
+zij een goede kennis had in de maan, die alreede als een wit vlekje
+aan den hemel stond; dan zuchtte zij ook weer eens, als personen
+die een verborgen verdriet hebben; en dan zag zij, bij een of ander
+zeer boekachtig gezegde, over _Pieters_ schouder naar mij, die van
+het nadeel van op een achterste roeibank te zitten dit voordeel had,
+van zoo dikwijls ik wilde het gesprek niet te hooren.
+
+"Maar wil ik je nou niet reis aflossen, men lieve galeiboeven?" vroeg
+_Dolf_ ons met hartelijkheid nadat we een goed half uur geroeid
+hadden. "Ik zit hier maar sigaartjes te rooken aan 't roer."
+
+"Hoor," riep ik hem toe, "ik zal je zeggen wat het plan is. _Pieter_
+heeft me gesproken van een boerderij, waar we aan kunnen leggen om
+iets te gebruiken. Daar moeten we welhaast wezen."
+
+"Ja wel, bij _Teeuwis_," viel _Dolf_ in, met al de snelheid van iemand
+die alle dergelijke inrichtingen van buiten kende.
+
+"En zoo lang moeten _wij_ nog maar aan de riemen blijven. Dan zullen we
+wat uitrusten, en dan roeien we langzaam naar de kom terug, die we daar
+zoo pas zijn voorbijgegaan. Daar zullen we dan wat in gaan drijven."
+
+"O ja," riep _Amelie_, "dat is lief; ik ken niets aangenamers dan
+drijven."
+
+"Ja!" zei ik, "en dan zullen we alle weelden vereenigen; wij zullen
+zien wat er in ons mandje overbleef, en wat er in uw gitaardoos is."
+
+"Dat is heerlijk!" riepen de dames. "Ja, _Amelie_, je moet zingen
+en spelen."
+
+"Ja maar, weet je wat," zei _Dolf_, "ik zal ook zingen, hoorje! Ik
+ken heerlijke liedjes.--_Amelie_! je moet het niet te veel op de maan
+gooien, hoor!"
+
+_Amelie_ zuchtte over haar broeders ongevoelig hart.
+
+Nog een slag of vijftig en wij waren aan de boerderij.
+
+Wij stapten aan wal, tot niet weinig genoegen van _Pieter_, die van
+de riemen en van _Amelie_ verlost was. Het eerste deed hem evenwel
+bijna nog meer genoegen dan het laatste. Hij had het onverstand gehad,
+met zijn puimsteenkleurige glacéhandschoenen te willen roeien, die
+nu als vellen om zijn vingers hingen en, daar hij de riemen veel
+te stijf had vastgehouden, had hij vrij aanzienlijke blaren in de
+handen. _Dolf_ hielp de dames uit de boot, bij welke gelegenheid
+hij iets heel streelends van _Christiens_ voetje zei, en een aardig
+drukje in _Koosjes_ handje gaf, dat zij beiden wel heel ondeugend,
+maar toch niet heel onaangenaam vonden. Hij liet de zorg voor zijne
+zuster aan den ongelukkigen _Pieter_ over.
+
+De schuit werd vastgelegd, en een heldere boerin kwam buitenloopen om
+ons welkom te heeten en te zeggen dat we binnen moesten komen. Maar
+wij verkozen een tafeltje op de werf te hebben, om immers zoo veel
+mogelijk van de frissche octoberlucht te genieten! Dit geschiedde;
+en hoewel er 's winters, als er schaatsen gereden werd, van alles te
+krijgen was, zoo was er nu niets te bekomen dan melk, die dan ook in
+groote glazen overdadig vloeide. Want de wijn werd, op de schikking der
+dames, epicuristisch geheel voor de drijvende zaligheid bewaard. _Dolf_
+vroeg onder veel grappen om een beetje jenever met suiker; en _Pieter_
+maakte zijn zakdoek in een kopje melk nat, en hield het verzachtend
+vocht tegen de blaren in zijn hand.
+
+Er was een schommel aan den anderen kant van het huis, en _Dolf_
+noodigde de dames tot zijne genoegens. _Christien_ had er een
+dollen zin in, en _Koosje_ ging ook mede, en _Pieter_ volgde
+natuurlijk. _Amelie_ hield er volstrekt niet van, en kreeg er "zoo'n
+ijselijken steek in de zij" van. Ik bleef dus om haar gezelschap te
+houden met haar aan ons tafeltje zitten, dat mij wonder wel beviel,
+daar ik moe van 't roeien was, en nog veel roeiens vooruitzag.
+
+Voor een sentimenteel meisje was er op die werf niet veel te zien. Wij
+zaten aan een vrij verveloos tafeltje, waarvan maar drie pooten den
+grond raakten, op eenen door kippen en hanen omgewoelden grond, van
+een aarden dijkje aan drie kanten omgeven, en hadden het uitzicht op
+een vrij groote kroosgroene eendekom, een loods, en een zeker ander
+klein gebouwtje. Het duurde een heele poos, eer een kleine leelijke
+bastaard van een mop en een fikshond geheel ophield uitvallen van
+vijandigheid te plegen; maar wat het tooneel eenige schilderachtigheid
+bijzette, waren drie kinderen, waarvan het oudste, een meisje van
+een jaar of zes, het kleinste, een wicht van even zoo veel maanden,
+op schoot had, terwijl de derde, een jongen van omstreeks vijf jaren
+met spierwit haar, op zijn rug op den grond lag. Deze groep bevond
+zich aan den rand van de eendenkom, en keek dan eens schichtig naar
+ons en dan weer vertrouwelijk naar de eenden
+
+Het waren deze lieve kinderen, die _Amelie_ in staat stelden al de
+liefderijkheid van haar zachtgestemd gemoed te toonen; zij trok dus
+den kleinen linkerhandschoen van de kleine linkerhand, en besloot ze
+op de innemendste en wegslependste wijze toe te spreken.
+
+"Wel liefjes! kijk jelui zoo naar de eendjes?"
+
+De kinderen keken haar strak aan, maar gaven geen antwoord.
+
+"Hoeveel van die lieve diertjes zijn er wel?"
+
+Geen antwoord; maar eenige verwondering in 't oog van 't zesjarig
+meisje; want op 't boerenland noemt men een eend geen diertje.
+
+"Hou je veel van de eendjes?"
+
+Zelfde stilte.
+
+"Is dat je jongste zusje?"
+
+Stilte als des grafs.
+
+_Amelie_ zag dat zij met deze Arkadische kleinen niet vorderde,
+haalde de schouders op, en zweeg.
+
+"Onze zeug het ebigd," zei het meisje opeens, uit zichzelve.
+
+"Wat _zegt_ het schepseltje?" vroeg _Amelie_, voor wie deze inlichting
+volkomen onverstaanbaar was.
+
+"Zij zegt iets dat haar zeker hoog op 't hart ligt, juffrouw _Van
+Brammen_," zei ik, "ze vertelt dat het wijfjesvarken.....in de kraam
+is gekomen."
+
+_Amelie_ kreeg een kleur, voor zoover haar vel daartoe in staat was.
+
+"Ze zijn in de boet [11]", zei de kleine jongen, zich oprichtende en
+een paardebloem plukkende, waarmee hij herhaalde malen op den grond
+tikte. "Veertien."
+
+Ik stelde _Amelie_ voor, de kraamvrouw te gaan zien; want ik vond
+het pikant een sentimenteel meisje in een boerenloods bij een zeug
+met veertien biggen te brengen.
+
+Maar zij had er geen zin in, en scheen eenigszins gebelgd over het
+voorstel.
+
+De schommelaars kwamen weerom, met kleuren als boeien.
+
+"Hè!" zei _Christien_, haar voorhoofd afvegende, "dat 's prettig
+geweest; maar _Dolf_ had ons bijna laten vallen. Het ging dol hoog."
+
+_Pieter_ had niet mee geschommeld, zijne beblaarde handen hadden hem
+niet toegelaten de touwen vast te houden; _Dolf_ en _Koosje_ hadden
+neus aan neus op het plankje gestaan, en hij had het genoegen gehad
+ze op te geven.
+
+Toen de dames een weinigje waren uitgerust, stelde ik voor weer aan
+boord te gaan, om zoo spoedig mogelijk naar de kom te roeien, waar
+wij zouden drijven, drinken, en dwepen. _Dolf_ moest op de achterste
+roeibank, ik op de voorste, en _Pieter_, met zijn beblaarde handen,
+aan 't roer.
+
+_Christien_, die door 't schommelen door 't dolle heen geraakt was,
+had een razenden lust om te gaan wiegelen; maar de gebeden van
+_Koosje_ en de zenuwachtige gillen van _Amelie_ weerhielden haar;
+en daar _Dolf_ een goed roeier was en ferm slag hield, waren wij
+al heel spoedig nabij de kom der genoeglijkheden. Reeds haalde ik
+de riemen in, en liet _Dolf_ alleen nog maar met de zijne spelen;
+reeds gaf ik mijne aanwijzingen aan _Pieter_, hoe hij het roer
+moest wenden om de kom in te draaien, toen de liefderijke _Amelie_
+eensklaps aan den rechter-oever een plantje of zes nog laat bloeiende
+vergeetmijnieten in 't oog kreeg en uitriep:
+
+"Och, mijn lieve mijnheer _Stastok_, wilje me een groot plezier
+doen, stuur dan reis even naar die vergeetmijnietjes; ik ben dol
+op vergeetmijnietjes!"
+
+Haar wensch geschiedde, en wij waren in een oogenblik bij de
+hemelsblauwe bloemekens, waarvan de vraag was. _Amelie_ plukte ze allen
+op een na af, en deelde ze aan al de leden van het gezelschap uit,
+zoodat wij in een oogenblik ieder met zulk een levend albumblaadje
+in ceintuur of knoopsgat pronkten.
+
+Toen wij nu zoo mooi waren, wilden wij weer heen; maar de schuit
+scheen nog veel grooter liefhebster van vergeetmijnietjes dan _Amelie_
+zelve; want haar gehechtheid strekte zich letterlijk uit tot de struik
+waarvan zij waren geplukt, tot het stuk grond waarop zij gebloeid
+hadden. Met andere woorden: wij zaten op land.
+
+Te vergeefs, zoo wij poogden los te raken: de schuit zat vast en
+bleef vastzitten; er scheen geen verwikken aan; het speet _Amelie_
+"verschrikkelijk" dat zij de oorzaak van dit oponthoud was; _Christien_
+vond het daarentegen "ijselijk aardig"; wij manspersonen werkten ons
+half dood, en zaten dan weer een oogenblikje neder om krachten te
+herkrijgen. In een van die tusschenpoozen begon _Dolf_ ons bij den
+Zwitserschen Robinson te vergelijken.
+
+"Hoor eens," zei hij, "_Koosje_! als we hier voor eeuwig blijven,
+moeten, dan trouw ik met jou, hoor!" En hij maakte een beweging;
+om haar de hand te kussen.
+
+Op dit gewichtig oogenblik was het dat de merkwaardige _Petrus
+Stastokius_ Junior een Simsonsverzuchting slaakte, den haak in edele
+verontwaardiging opnam, tegen den wal zette, en er met zooveel geweld
+en zoo groote inspanning van krachten op neerviel, dat de schuit
+plotseling losraakte en achteruitstoof, terwijl de edele bewerker van
+dit voorval zelf voorover in het water stortte. Daar lag hij; alleen
+zijne laarzen waren nog aan boord; de panden van zijn jasje zweefden
+boven de golven, en de merkwaardige _Petrus Stastokius_ Junior, zich op
+zijne handen op den bodem des waters ophoudende, hield het beslikte,
+maar nog altijd gebrilde gelaat niet dan met moeite boven. Zijn hoed
+dobberde op de ongewisse baren. Het was verschrikkelijk.
+
+Een ieder, die ooit in de zaligheden van een roeischuitje met
+de schoone sekse heeft gedeeld, gevoelt welk een uitwerksel de
+plotselinge indompeling van _Petrus_ op onze dames maken moest. Hij
+hoort ze allen gillen, hij ziet ze allen opstaan, elkander, en ook
+zelfs ons, in de armen knijpen, en zeggen: "O G..!" Zijne verbeelding
+slaat alle pogingen gade, die zij gezamenlijk aanwenden om zoo mogelijk
+een nog grooter ongeluk te krijgen... Welnu, hij heeft een denkbeeld
+van onzen toestand.
+
+"Zitten!" riepen _Dolf_ en ik tegelijk; "in 's hemels naam,
+blijft zitten!" en in een oogenblik staken wij de riemen aan
+bakboordzij in den grond, om het verder afdrijven van het schuitje
+te beletten. "_Pieter_, jongen! je bent nou toch nat; we zullen je
+met het schuitje volgen, zoodat je de beenen niet hoeft na te halen;
+kruip maar op je handen naar wal."
+
+Hij deed als hem gezegd was, en in een oogenblik was hij op het
+terrein der gezegende vergeetmijnietjes.
+
+_Pieter_ was kopje-onder geweest en tot het midden doornat. Hij
+zag er hartverscheurend uit; zijn druipend haar, zijn bleek en
+verwilderd gezicht, zijn zwarte, beslijkte handen!--Er was een algemeen
+medelijden; zelfs _Dolf_ deelde er in. De drenkeling werd in de schuit
+opgenomen, en er werd besloten naar de boerderij terug te varen om hem
+te drogen. Het zou dan wel te laat worden om in de kom te drijven,
+maar wij zouden nu in de boerderij onze ververschingen gebruiken en
+daarna, stevig door, naar huis roeien. Eerst nog werd de hoed van
+_Pieter_ achterhaald, en weldra zag de glundere boerin ons terug.
+
+"Ze had wel docht," zei ze, "dat dat heerschop een ongeluk krijgen
+zou; want hij had er al-an dat ie bij de schoppel staan hadde zoo
+kniezerig en zoo triesterig uitzien, dat ze al in haar aigen zeid
+hadde: nou! dat komt nooit goed of met dat heerschop! Maar ze zou maar
+flussies wat raizen opgooien, en dan zoudie wel gauw weer hielkendal
+op-eknapt zain; as meheer een hemd van haar man an wou hebben; meheer
+had maar te spreken," enz. enz.
+
+Wij lieten _Pieter_ aan hare zorgen over en begaven ons naar de werf.
+
+Het was ondertusschen halfzes geworden en, schoon 't nog zeer licht
+was, de zon was al ondergegaan en wij konden ons nog alleen in den
+kouden naglans verheugen. Het bleek nu welk een dolle streek het
+eigenlijk was, in de maand October na den middag een watertochtje te
+beginnen; er stak een zéér koel windje op, en wij vonden 't beter
+binnen te gaan. Wij werden alzoo in het beste vertrek van 't huis
+gelaten, waar het pronkbed was, een friesche klok en een dambord
+hingen, en vier schilderijen aan den wand ons de geschiedenis van
+Willem Tell herinnerden, om niet te spreken van een dier tabelletjes,
+welke men verkorte uitgaven van Trommius zou kunnen noemen, en waarop
+men lezen kan hoeveel kapittels, hoeveel verzen, hoeveel ende's in
+den bijbel staan, en dergelijke wetenswaardige dingen meer. Zulk
+een hing er in een verguld lijstje. Hier zetten wij ons op de matten
+stoelen neder en begonnen, nadat _Amelie_, die het op haar zenuwen
+zeide te hebben, een weinig bedaard was, rijnschen wijn te drinken
+en sinaasappelen te eten alsof het een lauwe avondstond in Juli
+geweest ware.
+
+Daarop kwam de gitaar binnen, die in onze omstandigheden waarlijk een
+heele vervulling was; want indien het waar is dat muziek en zingen
+menige recht prettige bijeenkomst storen en bederven, zoo moet men
+ook zeggen dat er niets beters is om een niet prettige bijeenkomst
+of mislukte partij aan den gang te houden, dan juist diezelfde muziek
+en zang.
+
+_Amelie_ zong verscheidene Duitsche romances, en zong ze waarlijk vrij
+goed; maar zij bracht er, tot haar aanmerkelijk nadeel, al die kleine
+behaagzieke naïveteiten bij te pas, die een mooi meisje goed staan,
+maar die een leelijk meisje als _Amelie_ nog leelijker en metterdaad
+belachelijk maken. Zeker had onder dit boerendak nog nimmer zoo
+teergevoelig een liedje geklonken, als de bleeke _Amelie_, met de
+vergeetmijnietjes aan haar boezem en den gitaar met het lichtblauwe
+lint op de knie, er menigeen voortbracht; en ik was juist in deze
+bespiegeling verdiept, toen zij met lange uithalen een zeer teedere
+liefdeklacht met de dubbele herhaling van den laatsten regel besloot,
+die gedurig lager en doffer werd:
+
+
+ Zum kühlen Grab,
+ Zum kühlen Grab,
+ Zum kühlen Grab,
+
+
+totdat haar stem op eens weer zeer hoog uitschoot, met dezelfde
+woorden:
+
+
+ Zum kühlen Grab,
+
+
+toen het lied werd afgewisseld door een goede, ronde, vroolijke
+boerinnestem, die van buiten kwam met het liedje:
+
+
+ Klompertjen en zijn wijfje,
+ Die zouwen vroeg opstaan,
+ Om eiertjes te verkoopen
+ En na de markt te gaan.
+
+ Ze waren halverwege,
+ Halverwege den dijk,
+ Daar braken al der eiertjes,
+ En 't bottertje viel in 't slijk.
+
+ Het speet er niet om de eiertjes,
+ Maar om er mooien doek,
+ Die ze gisteren nog gemaakt had
+ Van Klompertjes beste broek.
+
+
+"Dat's een weergaasch aardig liedje," zei _Dolf_, het venster
+openstootende en de dikke boeremeid aansprekende, die hare "purperen
+armen", als _Rotgans_ het uitdrukt, in de rookende waschtobbe stak,
+en het liedje van Klompertje waarschijnlijk gezongen had; "dat's een
+weergaasch mooi liedje, _Trijntje_!"
+
+"Ik hiet geen _Trijntje_!" zei de meid, schalk omkijkende.
+
+"Hoe hietje dan?" riep _Dolf_, wien 't maar te doen was om een naam.
+
+"Dat weet me moeder wel, hoor!" zei de meid, lachende en eene rij
+van de witste tanden zien latende, die ooit een boerinnemond versierd
+hebben.
+
+"Kenje meer zulke liedjes, zoete?" vroeg _Dolf_.
+
+"Loop," zei de boeremeid, wier naam haar moeder wel wist--"ik heb
+niet zongen; wat verbeel jij je wel?"
+
+"Dat raam tocht vreeselijk," merkte _Amelie_ aan, die deze samenspraak
+om duizend redenen weinig beviel. Maar nauwelijks was het raam toe,
+en had _Dolf_ nog eens ingeschonken, of er klonk een nog vroolijker
+liedje uit den mond der frissche deerne; en wij luisterden allen:
+
+
+ Dans, nonneke dans!
+ Dan zei ik je geven een muts.
+ Neen, zei dat aardig nonneke,
+ Ik heb er een van me zus.
+ 'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen,
+ Dansen is men order niet;
+ Nonnen, paters, paters, nonnen,
+ Nonnen, paters dansen niet.
+
+ Dans, nonneke, dans!
+ Dan zel ik je geven een huis.
+ Neen, zei dat aardig nonneke,
+ Daar ben ik niet van thuis.
+ 'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen,
+ Dansen is men order niet;
+ Nonnen, paters, paters, nonnen,
+ Nonnen, paters dansen niet.
+
+ Dans, nonneke, dans!
+ Dan zel ik je geven een zoen.
+ Neen, zei dat aardig nonneke,
+ Daar wil ik 'et niet voor doen.
+ 'k Wil niet dansen, 'k zel niet dansen,
+ Dansen is men order niet;
+ Nonnen, paters, paters, nonnen,
+ Nonnen, paters dansen niet.
+
+ Dans, nonneke, dans!
+ Dan zel ik je geven een man.
+ Toen zei dat aardig nonneke,
+ 'k Zel dansen al wat ik kan.
+ 'k Wil wel dansen, 'k zel wel dansen,
+ Dansen is men order wel;
+ Nonnen, paters, paters, nonnen,
+ Nonnen, paters dansen wel.
+
+
+En nauwelijks was het liedje uit, of _Rudolf van Brammen_ gaf een
+fikschen klap op zijn stroohoed, zoodat hij in plaats van boven op
+zijn hoofd te staan, op zijn linker wang kwam te hangen en, zijn
+weemoedige zuster om haar paarsen spencer grijpende, tilde hij haar
+van haar stoel op, en walste ondanks haarzelve een toertje met haar
+door de kamer, onder het herhalen van het refrein:
+
+
+ Nonnen, paters, paters, nonnen,
+ Nonnen, paters dansen wel.
+
+
+De levenslustige _Christien_ stiet _Koosje_ aan, en de beide meisjes
+lachten achter haar zakdoek.
+
+_Amelie_ zeeg "doodaf", en waarschijnlijk met een halfhonderd steken in
+haar zij, op een stoel neder, maar op dit oogenblik ging de deur open,
+en de vroolijke _Dolf van Brammen_ schoot met dezelfde uitgelatenheid
+op den persoon van _Pieter_ af, die met een wijd duffelsch buis aan,
+een roode bouffante van _Teeuwis_ om den hals, en een pakje nat goed,
+in zijn zakdoek samengebonden, onder den arm, binnentrad; en denzelven
+_Pieter_ oogenblikkelijk bij de linkerhand grijpende en zijn eigen
+rechter om _Pieters_ midden slaande, die vruchteloos zich poogde los
+te worstelen, galoppeerde hij met hem door de kamer, onder het juichen
+van die zelfde regels, die hem zoo bijzonder schenen te bevallen.
+
+"Laat me los, _Van Brammen_!" riep _Pieter_, voor de eerste maal sedert
+ik hem kende zijne manlijkheid toonende; en met een fikschen zwaai
+wierp hij, vonkelende van woede, den op zulk een krachtsbetooning niet
+verdachten _Dolf_ van zich af en bijna tegen den muur. Deze evenwel,
+zonder zijne bedaardheid te verliezen, greep zijn degenstok op,
+stak den van zichzelven verbaasden _Stastok_ den knop toe:
+
+"Wil je vechten, kereltje? Ook goed. Trek reis aan dien stok! Zie zoo;
+jij den degen, en ik de schee: kom aan, _en garde, droit au fond_,
+asjeblieft!" En, zich in de positie stellende van iemand die schermen
+gaat, begon hij eenige parades te maken.
+
+De dames waren zeer onthutst; maar _Christien_ kon haar lachen toch
+niet laten, en _Amelie_ was half in haar schik dat zij een zoo romanesk
+geval bijwoonde.
+
+Ondertusschen leverde _Pieter_, met zijn fijnen stalen bril, zijne
+bouffante, zijn duffelsch wambuis, en het opgedrongen rapier vrij
+onhandig in de hand, een zeer zonderling schouwspel op, de teekenpen
+van een _Cruikshank_ overwaardig. Maar de pose duurde niet lang;
+hij wierp het staal verachtelijk weg.
+
+"Ik wil geen ruzie maken," zei de edelmoedige _Pieter_.
+
+"Daar hebje wèl gelijk in," antwoordde _Dolf_.
+
+Op dat belangrijk oogenblik hoorde men een geluid alsof er een
+flesch werd opengetrokken, en daarna een ander alsof er een glas
+werd ingeschonken. Nog ééne seconde, en _Hildebrand_ bood den
+beiden kampioenen twee ongelijke bekers aan en de eervolle vrede
+werd gedronken.
+
+
+
+Het was ondertusschen hoog tijd om te vertrekken. Aan vóór boomsluiten
+thuis te zijn was geen denken; maar het was in geen geval noodig,
+daar wij verlof hadden het schuitje buiten den boom te laten, en er
+een knecht komen zou om de riemen af te halen. Maar toch moesten wij
+ons wegens den vallenden avond haasten. _Christien_ wilde dolgraag
+ook zelf eens roeien, en _Amelie_ gaf voor, gaarne eens aan 't roer
+te willen zitten. _Dolf_ ging op de achterste bank. Op de voorste
+kwam de vroolijke _Christien_ mij helpen en nam een der riemen zeer
+handig op. Zij kon tot dit werk haar mantel niet gebruiken, en stond
+er (ik geloof meer uit ondeugendheid dan uit medelijden) op, dat de
+gemelde drenkeling dien nog over zijn duffel zou aandoen. Het was
+een schotschbonte. _Pieter_ liet zich bewegen; en in dat gewaad zette
+hij zich aan _Koosjes_ zijde in het schuitje.
+
+_Amelie_ keek naar de lieve maan en de lieve sterren. _Dolf_ roeide
+en rookte om 't zeerst. _Christien_ had allerlei vroolijke invallen
+en plagerijen met mij. _Pieter_ was dus met het voorwerp zijner
+genegenheid zoo goed als alleen. _Koosje_ scheen zeer lief voor
+hem. Verscheidene malen hielp zij hem zich te beter in de plooien
+van den mantel wikkelen, en meer dan eens zag ik dat zij hem met
+een innig medelijden aankeek. Hij schoof dan ook inderdaad gedurig
+dichter en vertrouwelijker naar haar toe. Zijn gelaat luisterde op,
+en hij scheen werkelijk een teeder en aandoenlijk gesprek met haar
+te hebben aangevangen, als ik opmaakte uit de zinrijke woorden,
+die ik tusschenbeiden op kon vangen, als daar zijn: "weetje nog wel
+van"--"blijde dagen"--"nooit zoo gelukkig meer worden"--"veel aan
+denken", en wat dies meer zij.
+
+Dit duurde zoo voort totdat het ongeluk wilde, dat de heer _Rudolf
+Van Brammen_ zijn laatste sigaar had uitgerookt, en dus een ander
+tijdverdrijf behoefde.
+
+"Kijk reis aan!" riep hij, het overschot in 't water gooiende,
+"kijk reis aan! _Pieter_ zit waarlijk te vrijen."
+
+_Pieter_ bloosde en wierp een grimmigen blik ter zijde uit op den
+spreker, volmaakt als een schichtig paard, dat op den straatweg een
+hondewagen tegenkomt.--_Koosje_ bloosde, keerde zich om, en vroeg
+onmiddellijk aan _Christien_: "of ze niet moe werd van het roeien?"
+
+Het was gedaan met _Petri Stastokii_ Junioris zaligheid; en daar ik
+naderhand nooit van eenige verstandhouding tusschen hem en _Koosje
+van Naslaan_ heb gehoord, maar veeleer vernomen heb dat _Koosje van
+Naslaan_, in den laatst verleden herfst op haar vaders zilveren
+bruiloft plechtig is verloofd geworden aan een jongen wijnkooper
+uit een naburige stad, zoo houd ik het er voor, dat hier de droevige
+geschiedenis der eerste en teedere liefde van _Petrus Stastok_ Junior,
+student in de rechten aan de hoogeschool te Utrecht, en tegelijk die
+van 's mans eerste minnekoozerij, een einde neemt.
+
+
+
+Wij waren spoedig thuis, en toen ik den anderen dag te elf uren op
+de gele diligence zat, die van E. over D. naar C. rijdt, had ik voor
+lang afscheid genomen van mijn oom en tante _Stastok_, en van al de
+kennissen die ik te D. gemaakt had; het laatst evenwel van _Keesje_,
+die mijn koffertje gekrooien, en van _Pieter_, die mij naar "de
+Rustende Moor" vergezeld had; terwijl ik, buiten de poort komende,
+nog gelegenheid had om uit het portier een groet toe te werpen aan
+den heer _Rudolf van Brammen_, die reeds dáár was om naar de oefening
+van een paar pelotons recruten te zien, die met bevende handen eene
+gezwinde lading ondernamen, waar zij ruim zooveel tijd aan besteedden,
+als hunne nijdige sergeanten tot die in vier tempo's noodig hadden,
+en waarover de bejaarde tweede luitenant een waakzaam oog hield.
+
+
+
+
+
+
+
+VAREN EN RIJDEN.
+
+
+Men is bezig in mijn vaderland spoorwegen aan te leggen. Het heeft
+lang geduurd eer men er toe komen kon. De plannen varen bij ons te
+lande altijd nog met de trekschuit; de lijn breekt wel zesmaal eer
+zij hunne bestemming bereiken: eindelijk komen zij er toch; maar
+hemel! wat duurt het lang eer de bagage aan wal en te huis is; eer
+de koperen stoof en de schanslooper en de parapluie aan den kruier
+zijn terhandgesteld. Wat mij betreft, ik ben een Hollander van
+ouder tot ouder, maar ik heb, bij andere onvaderlandsche ondeugden
+een recht onhollandsch ongeduld; schoon ik mijzelven het recht moet
+doen te verklaren dat er niemand zijn kan, die met meer kalmte dan
+ik een lieve vrouw een streng breikatoen of zijde helpt uit de war
+maken. Trouwens, dat is ook geheel iets anders. Voor al wat doen is
+heb ik het meestmogelijke geduld; voor langzaamdoen heb ik eerbied;
+maar nietdoen verveelt mij verschrikkelijk; ik kan niet wachten;
+geen lijdelijkheid! Het leven is er te kort en mijn bloed te gauw
+voor. "Festina lente!" Recte, sed festina!--Wat in 't bijzonder
+de spoorwegen aangaat: ik zit er sedert jaren pal op te wachten;
+niet omdat ik er een commercieel of financiëel belang bij heb; niet,
+omdat ik er een weddenschap over heb aangegaan; maar alleen omdat er
+tot nog toe geen middel van vervoer bestaat, dat mij bevalt, zoo met
+eigen rijtuig en postpaarden, waar ik, om voor mij zeer gewichtige
+redenen, slechts zelden gebruik van kan maken.
+
+Voor zoover de trekschuit aanbelangt, heb ik mijn gevoelen reeds,
+half verraden. 't Is waar, men kan er in lezen, domino spelen,
+dammen en, zoo de schipper inkt aan boord heeft en gij eene pen
+hebt medegebracht (want de zijne is tot boven toe zwart), zelfs
+schrijven; ofschoon op te merken valt dat het tafeltje in de roef
+daartoe wat te ver van de zitplaats verwijderd is. Maar met dat
+al: zoo gij beweert dat gij er op uw gemak zijt, houd ik u (met
+uw verlof) voor een mismaakt schepsel, voor een kleinen krates,
+niet hooger dan mijn knie; althans zeker niet voor een kerel van
+vijf voet zeven duim, als uw onderdanigen dienaar. Dan is er iets
+weeheidaanbrengends in de beweging der schuit, dat uw belangrijkst
+boek vervelend maakt, en uw esprit de jeu verflauwen doet,--maar
+vooral is er in de trekschuiten een praatgenius van een ellendig
+soort. De schuitpraatjes bestaan geregeld uit dezelfde ingrediënten en
+vallen eenstemmig in denzelfden toon. Schuitanecdoten zijn volkomen
+onverdragelijk; en dan dat afgrijselijk dikwijls herhaald gevraag:
+"hoe ver zijn we al, schippertje?" en het eeuwige: "dat betalen
+moest je afschaffen", als de man om zijn geld komt!--Veroordeel de
+passagiers niet te lichtvaardig, zoo zij tot zulk eene laagte van
+geest afdalen. Neem zelf een "plaats in 't roefje", en gij zult zien
+dat gij onwillekeurig even diep kunt zinken. Zoodra men de trekschuit
+binnenstapt en het deurtje doorgekropen is, en zijn muts opgezet,
+en zijn hoekje gekozen heeft, is het alsof er vanzelf een geest van
+bekrompenheid, van kleinheid op ons valt. Zoodra dat graf zich over
+ons sluit, schaamt men zich geene enkele flauwheid meer. Men gevoelt
+lust om met belangstelling te spreken over het schelen der klokken,
+den prijs der levensmiddelen, of al weder het gewichtig vraagpunt
+te behandelen, of het na het middagmaal beter is te gaan wandelen of
+wel een dutje te doen. Men heeft behoefte om te zeuren en te talmen
+over nietigheden. Ja, zoozeer beheerscht u de demon der plaats, dat
+hij u maar al te dikwijls verleidt, de afgezaagde voordeelen van een
+trekschuit op te sommen! Ook zult gij uwe reisgenooten altijd belang
+hooren stellen in het getal schuiten en diligences, die op een zelfden
+dag dien weg maken.--De treurige benauwde indruk, waaraan gij lijdt,
+wordt nog verergerd door de lectuur van het tarief, door het zien
+van het koperen blakertje, het driekante blikken kwispedoortje en
+alle verder klein huisraadje, en van de gewichtige voorzichtigheid
+waarmee de schipper eerst een sleutel uit zijn zak haalt; ten tweede
+het laatje van de tafel opensluit; en eindelijk ten derde, er een
+lange pijp uitkrijgt. Ik geloof niet dat iemand ooit ééne geestige
+gedachte gehad heeft in een trekschuit. Integendeel: de roef is de ware
+atmosfeer voor alle mogelijke vooroordeelen, de geschikte bewaarplaats
+van alle verouderde begrippen, de kweekschool van allerlei leelijke,
+lage gebreken. Daar zijn voorbeelden van menschen, die door te veel
+in trekschuiten te varen, lafhartig, kruipend, gierig, koppig, en
+kwelgeesten zijn geworden.
+
+Over het algemeen is de roef alleen geschikt voor de lieden, die er
+voornamelijk het personeel van uitmaken, als daar zijn "fatsoendelijke"
+handwerkslieden die een teutig bedrijf hebben, zooals ivoordraaiers en
+horlogemakers; goede luidjes die een erfenis gaan halen, de vrouw met
+een broodje in den breizak, de man met een snuifdoos met speelwerk;
+jeugdige koekebakkers, die niet weten willen dat zij 't zijn, met
+een soort van constellatie op de borst, bestaande uit drie gewerkte
+koperen overhemdsknoopen en een schitterende doekspeld met een gelen
+steen à facettes geslepen, veel te groot om echt te wezen; kleine
+renteniertjes van vijftig tot zestig jaar, die zilveren pijpedoppen in
+palmhouten akertjes bij zich hebben; eerlijke boekhouders, die vijf
+en twintig jaar op een zelfde kantoor hebben gediend, en ten bewijze
+van dien, een zilveren tabaksdoos toonen met inscriptie; moeders met
+slapende kinderen, en die er "eentje t'huis gelaten hebben, dat nog
+maar acht jaar oud is, en al Fransch kan"; breiende huishoudsters,
+die "uwé" en "ik heeft" zeggen; kameniers, die voor hare mevrouwen
+door willen gaan en van _ons_ Buiten spreken, waaraan zij bij een of
+andere brug moeten worden afgezet, en waar, tot haar groote beschaming,
+een tuinmansknecht ze met een zoen ontvangt; halve zieken, die een
+"_profester_" gaan raadplegen; juffrouwen, die de vracht met een
+dertiend'half en een pietje passen; grappenmakers, die de geestigheid
+hebben over de verschrikkelijke gevaren te spreken, die de reis in
+trekschuiten inheeft; en ongelukkigen, die niet onder dak kunnen komen,
+tenzij ze aan een volgend veer "de schuit van achten nog halen kunnen";
+om niet te spreken van de "groenen", een soort van schuwe insecten,
+die in de maand September alle de vaarten, die op akademiesteden
+uitloopen, vergiftigt.
+
+
+
+Het personeel der diligence heeft een geheel ander karakter; over
+'t algemeen staat het meer op de hoogte van zijn eeuw. Il a plus
+d'actualité. Maar tevens is er meer verscheidenheid. Op de diligence
+reist gij met officieren in politiek; met studenten; met heeren die
+naar een audiëntie gaan; met schoolopzieners en leden van provinciale
+commissiën; met mannen van de beurs; met paardekoopers en aannemers in
+wijde blauwlakensche cloaks; met handelreizigers, schitterende door
+een breeden ring aan den voorsten vinger (meestal met een amethist);
+zij rijden achteruit, zijn zeer familiaar met de conducteurs, kennen de
+paarden bij naam en vergelijken voor u de betrekkelijke verdiensten der
+verschillende postwagenondernemingen; met dichters, die _een lezing_
+gaan doen; met fiere dames, die 't half beneden haar stand rekenen in
+diligences te reizen en zich door stuurschheid van dien hoon wreken;
+met jonge meisjes, die verlegen worden en 't half kwalijk nemen als een
+vreemd heer beleefd jegens haar is; met weldadige tantes, die aan de
+plaats harer bestemming door een half dozijn kinderen, die zij sinds
+jaren bederven, worden opgewacht; met koopvaardij-kapiteins met lange
+Curaçaosche sigaren; met jagers, die meer bezorgdheid voor hun geweer
+dan voor uwe teenen koesteren; met woelwaters, die eeuwig tusschen
+de wielen zitten en u opsommen hoeveel land zij in ééne week gezien
+hebben; met een nauwgezetten heer, die uit gehoorzaamheid aan zijn
+lootje op nummer 1 _Moet_ zitten; met een dikken, aanborstigen heer,
+die alles open wil hebben, en met een dunnen, spichtigen heer, die
+den kraag van zijn jas opslaat, diep in een bouffante kruipt, van 't
+"méchante weer" spreekt, en u wil laten stikken; met individu's, die
+zichzelven voor bemind vleesch houden en overal kennissen aantreffen;
+met ontevredenen, die over alles knorren; dikwijls met een kind,
+dat een halve plaats beslaat, of een hond waarvoor gij bang zijt,
+te veel, en dikwijls, o! zeer dikwijls! met een beleefd mensch te
+weinig.--Ziedaar den gewonen inhoud eener diligence!
+
+Onder deze lieden zijn er zeker vele, die tot de ongerieven van deze
+manier van reizen moeten gerekend worden, en ik stel voor, hen in
+drie klassen te verdeelen, en alzoo te brengen tot:
+
+
+ Slapers,
+ Rookers,
+ en Praters.
+
+
+De Slapers staan bij mij op den laagsten, den minst schuldigen trap van
+overlast. Hunne onaangenaamheid is voor drie vierden negatief. Maar,
+ziet ge, zij snorken somtijds;--en hatelijk zijn zij, als men ze
+voorbij moet met in- en uitgaan op de pleisterplaatsen,--en eindelijk,
+ze worden hoe langer hoe breeder! Hunne posteriores, hunne ellebogen,
+hunne knieën, alles zet zich uit;--en ik heb gereisd met slapende
+passagiers, die zich op een tocht van nog geen vier uren tot het
+dubbel van hun omtrek hadden uitgebreid. Voor het overige moet ik
+hen wel dragelijk vinden, aangezien ik den meesten tijd de eer heb
+tot hunne klasse te behooren.--Volgen de Rookers! Daar was een tijd,
+mijne vrienden! maar toen waren de Goudsche pijpen nog fatsoenlijk,
+en de blikken sigaarkokers en zilveren pijpjes nog in de mode; dat
+geen welopgevoed man, geen commis-voyageur, geen kwajongen zelfs
+(dat wel het onbeschaamdste slag van wezens is!) een blad tabak zou
+hebben aangestoken, zonder eerbiedig te vragen: "zal het niemand"
+of althans: "zal het de dames niet hinderen?" Hoe ook binnen 's
+kamers aan de pijp (die nu eenmaal den toenaam van "vaderlandsche"
+verkregen had) verslaafd, buiten 's huis rookte men niet dan bij
+gedoogen en goedkeuring met algemeene stemmen en, mocht men die
+wegdragen, men maakte er met kieschheid gebruik van; men rookte met
+zekere bedachtzaamheid, kleine wolkjes! Dit alles heeft tegenwoordig
+geen plaats meer. Ik zie de beschaafdste, de galantste, de humaanste
+onzer jonkers, de schuwste en beschroomdste onzer burgerheeren, de
+gemaniëreerdste onzer kantoorklerken met vest en sousvest, sans façon,
+met lichterlaaie pijp en brandende sigaar de trede van het rijtuig
+ophuppelen en, nadat ze vijf of tien minuten hebben zitten dampen,
+ter nauwernood vragen, niet: "zal 't niemand", maar: "'t zal immers
+niemand hinderen?" en zonder antwoord af te wachten, of zich te storen
+aan het hoesten van het liefste meisje der wereld, zoo 't het ongeluk
+heeft van niet mooi te zijn, met hun stankfabriek voortgaan. Onze dames
+("zachtmoedig als ze zijn!") durven ook nooit meer neen zeggen.--Ik--o
+vloek dien ik op mijn hals haalde, en weer op mijn hals haal door
+het hier te vertellen; (bij de heeren, maar vooral bij de heele
+jonge heeren: ik ken er eentje dat verschrikkelijk is!) ik.... heb
+ééns neen gezegd. 't Was tusschen Haarlem en Leiden. Waarlijk, al de
+raampjes waren gesloten, en toch moesten er twaalf menschen ademen
+en zes sigaren in 't leven blijven; maar hoe werd ik mishandeld door
+den man die naast mij zat, en die dan iets op mijn hoed, en dan iets
+op mijn regenscherm, en dan iets op mijn voeten, en dan weder iets
+op mijn mantel, en dan weder iets op volstrekt niets te zeggen had;
+waarlijk, ik was mijn leven niet zeker.--Ook is de geheele wereld
+tegenwoordig op den voet van tabakrooken gebracht; die kunst behoort
+volstrekt tot het openbare leven, en al haar toestel is zoo portatief
+mogelijk gemaakt; ieder rijtuig is aan tabaksvervoer dienstbaar;
+alle sierlijke uitvoerigheden der rookkunst zijn ingekort;--geen
+klassieke, langwerpige, sineesverlakte tabaksdoos meer met de
+handteekening van den eigenaar in het deksel, maar tabakszakken
+van een vieze varkensblaas gemaakt, met een rood riempje aan het
+knoopsgat opgehangen. Om de waarheid te zeggen, zijn alle rokszakken
+tabakszakken, en wanneer gij een gezelschap fatsoenlijke heeren
+van onderscheiden kaliber en verdienste bijeen ziet, kunt gij er
+altijd op aan, dat zij door elkander gerekend stellig zes of acht
+stuivers waard zijn, alleen aan sigaren die aan hun lijf zullen
+worden gevonden. Geen kiesch sigaarpijpje meer, hetzij recht of
+gebogen, waardoor de rook als 't ware werd overgehaald,--neen,
+het afzichtelijk rolletje wordt, zoo als het uit de besp..kselde
+vingers van den tabaksverkoopersjongen komt, uit een papieren zakje
+te voorschijn gebracht en in den mond gestoken, opdat men er een
+tweevoudig genot van zou hebben, om van tijd tot tijd bezabberd en
+beknabbeld over te gaan in de handen van een ieder, die er een onzuiver
+vuur aan wil ontleenen. Geen reine, blanke Goudsche pijpen meer met een
+voorzichtig dopje gewapend; maar een leelijk, slangachtig, stinkend,
+pruttelend, door en door van vuiligheid doortrokken moffentuig. En
+dan die nieuwmodische zwavelstokjes, daar een mensch van opspringt
+als ze afgaan, en die een stankgas ontwikkelen, waarvan iemand het
+hart in het lijf omdraait! O, wanneer al deze schrikbeelden mij voor
+den geest komen; als mijn gedachte zich hier, in de zuivere atmosfeer
+van mijn studeervertrek, waar, sedert mijn haard goed is uitgebrand,
+niets is dat de verhouding van eenentwintig deelen levenslucht tot
+negenenzestig deelen stiklucht (nieuwste berekening) stoort; als, zeg
+ik, mijne gedachte zich hier in al die gruwelen verdiept, en wanneer
+ik bedenk dat ik nog dikwijls, zeer dikwijls in mijn leven mij die
+indompeling in het dampbad van kruiden van allerlei hoedanigheden zal
+moeten getroosten: dan waarlijk sluit mij het hart en beklaag ik mij
+over de wreedheid van mijn natuurgenooten--en--half en half over de
+zwakheid van mijn maag en de kieschheid van mijn gehemelte, die mij
+niet vergunnen (als onze vaderen zeiden) "toeback te suygen". Want
+gelijk men dieven met dieven vangen moet en leugenaars met leugens
+tot zwijgen brengen, zoo moet men, wordt er gezegd, ook rooken om
+rookers te kunnen uitstaan.
+
+Ik kom tot de Praters, de babbelaars bij uitnemendheid. Zij zijn
+daarom erger dan de Rookers, omdat zij uw beter deel, uw hoofd en hart
+grieven, wat de laatste niet doen, tenzij ze u knorrig maken,--maar! ik
+hoop nogal dat gij een wijsgeer zijt. De Rookers maken u ziek, de
+Praters ongelukkig. 't Is waar, gij behoeft hen niet aan te hooren;
+maar wie heeft lust om een volslagen lomperd te zijn? Gij kunt u
+houden alsof gij slaapt; dikwijls ook richten zij het woord niet eens
+tot u: maar dan spreken zij zooveel te luider tot uw buur- of tot uw
+overman; ja, er zijn er, die hun schelle stem er op geoefend hebben,
+de stootendste wielen, de rammelendste portieren te overschreeuwen!
+
+Stooten en rammelen! o Dat men in een land als het onze, waar de
+straatwegen zoo uitmuntend zijn, zulke slechte diligences maakt en
+gedoogt! Doch hier breng ik u de eer, die u toekomt, edele _Van Gend
+en Loos_, _Veldhoest en Van Koppen_, warme menschenvrienden! In uwe
+wagens zit men op breede banken; de plaatsen zijn ruim; de kussens en
+ruggestukken welgevuld; de bakken diep; de veeren buigzaam; de wielen
+breed; de portieren niet tochtig; de raampjes bescheidenlijk zwijgende;
+uwe vier paarden altijd in geregelden draf. Maar velen uwer collegae
+zetten ons in een schokkende, nauwe, dreunende, vuile, tochtige,
+harde, tuitelige doos, een soort van groote rammelende builkist op
+vier wielen; in de eene, hebben wij geen plaats voor onze dijen,
+in de andere, geen ruimte voor onze knieën; uit deze komen wij met
+bevroren teenen, uit gene met een stijven nek; wij rijden ons ziek,
+wij rijden ons hoofdpijn, wij rijden ons dóór; wij meenen gek te
+worden van het gesnor aan onze ooren en 't gedender aan onze voeten;
+en dikwijls denken wij er, onder het dooreenwerpen onzer ingewanden,
+met bekommering aan, wat gelukkiger zijn zou, dood of levend er uit
+te komen!
+
+Dood of levend! Ja, daar is gevaar! In een land, waar de politie de
+tuigen der paarden en de lenzen in de wielen niet nagaat, en waar in
+de meeste plaatsen de vracht, die men oplaadt, niet gewogen of berekend
+wordt--hoe komt het, dat er nog zoo weinig ongelukken gebeuren?--
+
+
+
+De stoomboot, zeide ik tot mij-zelven, en ik nam een plaats van
+Rotterdam tot Nijmegen, zal alles verbeteren en overtreffen; zij
+zal mij met de middelen van vervoer en met het reizen en trekken
+verzoenen; de snelle, de ruime, de gemakkelijke, de sierlijke, de
+gezellige, de rijke stoomboot! Is zij niet een vlottend eiland van
+genoeglijkheden, een betooverd stroompaleis, een hemel te water? Nu ja:
+het is een drijvend koffiehuis, zegt men wel. Voor kleine afstanden
+niets gelukkiger dan een stoomboot. Maar het is voor de groote, dat men
+haar noodig heeft. Zeg niet: men is er zoo goed als tehuis. 't Is waar,
+men zit er op breede banken met zachte kussens, aan gladde tafels, men
+kan er alles krijgen wat men verlangt, al doen wat men begeert. Maar
+dien korten schok, als van een paard dat hoog draaft, dien gemengden
+stank van olie en steenkolen, de duurte der verkwikkingsmiddelen, de
+aanmatigingen van den hofmeester, het slechte eten en de verveling,
+dit alles heeft men tehuis niet. Ik zei verveling--want waar ter
+wereld ontmoet men meer menschen, _die voor hun plezier reizen,_
+dan op een stoomboot? en wat is vervelender dan hun gezelschap?
+
+Reizen voor pleizier! o Droombeeld! o Hersenschim! Weten dan zoo
+weinig menschen dat reizen zoo moeielijk pleizierig zijn _kan!_ Neen;
+de mensch is geen trekvogel; hij is een huisdier; en de natuurlijke
+kring zijner genoeglijke gewaarwordingen strekt zich niet verder uit
+dan zijne voeten hem brengen kunnen. In beweging en onrust, in zich
+verwijderen van den grond daar hij aangehecht, de betrekkingen daar
+hij aan gewoon of verknocht is, kan geen geluk zijn. De natuur wreekt
+zich van dien moedwil. Zie die reizigers voor pleizier! Bij elk genot,
+dat ze smaken, verbeelden zij zich dat _dit_ het pleizierige nog _niet_
+is, waarvoor zij zijn uitgegaan; daarom verheugen zij zich telkens
+als zij op de respectieve plaatsen hunner bestemming zijn aangekomen,
+schoon zij toch eigenlijk reizen om op weg te zijn; en in die gedurige
+jacht op een ingebeeld genoegen, dat nog komen moet, gaat hun tijd
+om in rusteloosheid en teleurstelling en tegenzin. Alles gaat hun
+voorbij; zij smaken niets. Maar te huis gekomen, bemerken zij dat zij
+een groote som gelds verteerd hebben en, omdat ze er zich over schamen,
+dringen zij zichzelven en anderen op dat zij een "allerliefsten", een
+"dolprettigen", een "allerinteressantsten" toer gemaakt hebben--ja,
+indien het denkbeeld en de zaak op die wijze niet in stand gehouden
+werden, zouden er jaarlijks eenige duizenden paspoorten minder worden
+afgegeven aan ongelukkige slachtoffers van een droombeeld, wie de
+reisduivel drijft en die niet weten wat zij willen. Ach, in de lieve
+zomermaanden, in de groote vacantie der hoogeschoolen, den rustiger
+tijd van den handel, als men zijn innerlijk leven recht en kalm zou
+kunnen genieten, zijn alle de wegen des vaderlands vol van jongelieden,
+die hun lief vertrek, hun gemakkelijk ouderlijk huis, hun welgelegen
+buitengoed, hun gezelligen kring, hun dierbaarste betrekkingen, hun
+nuttigst verkeer, in een opgewonden koorts verlaten, om voor pleizier
+een reisje te gaan maken! Zij komen terug, met een verbrand gezicht,
+een paar knevels, een gehavende plunje, een lastigen hoop vuil linnen,
+en een ledige beurs; de herinnering van doorgeloopen voeten, slechte
+bedden, weegluizen, stof, Engelschen, en afzetters. Zij hebben
+ook veel mooie natuur gezien. Maar de heerlijke, de dichterlijke,
+de opwekkende indrukken, daar zij op gehoopt, de onbegrijpelijke,
+zieldoordringende genoegens van het reizen, daar zij van gedroomd
+hadden, met en benevens de Duitsche schoonen, die op hen verliefd
+zouden zijn geworden, of de pikante baronesse, waarmee zij een avontuur
+zouden hebben gehad; de belangrijke, wereldberoemde geleerde, die
+hen _en amitiê_ zou nemen; de schatrijke lord, dien zij 't leven
+zouden redden; dit alles woelde in hun bont verschiet, in hunne
+droomen en mijmerijen dooreen--waar waren zij?--de echo antwoordt:
+"waar waren zij?"--Zie hen daar tehuisgekomen: moe van lichaam en
+moe van ziel; nog veertien dagen ongeschikt voor een geordend leven;
+zonder reisanecdoten, zonder dichterlijker of grooter hart dan waarmede
+zij zijn uitgegaan; zonder eenigszins belangwekkend te wezen; alleen
+opmerkelijk door een vreemd soort van pet, zooals in deze of gene
+buitenlandsche stad gedragen wordt; niets meebrengende dan eenige
+vreemde koperen munten, aardig om, tot een souvenir! te bewaren,
+een steentje van Rolandseck, een gedroogd bloempje van Nonnenwerth,
+en een vijftigtal: "o Zoo mooi's" en "Onbeschrijfbaar's!" en "je moet
+er zelf geweest zijn"; en "hier een berg, en daar een dal!" en "o die
+boomen!" en "o, die rotsen!" om u een rad voor de oogen te draaien,
+zichzelven te rechtvaardigen en, uit een soort van wraakneming,
+ook u te verleiden, om u als hen te laten teleurstellen.
+
+Men vergeve mij deze uitweiding, alleen uit menschlievendheid
+gemaakt! om een aantal jonge juffrouwen en heeren in ons vaderland, die
+met een benijdend oog andere jonge juffrouwen en heeren, in de schoone
+zomermaanden zien op reis gaan, schoon zij 't overal slechter zullen
+hebben dan te huis; om een aantal fatsoenlijke menschen, wier drukke
+bezigheden hen verbieden zich anders dan met hunne zaken te vermoeien,
+te troosten; en een aantal anderen, en vooral jonggetrouwden, of
+die in 't volgend jaar trouwen zullen, die reeds een reisplan voor
+'t eerstkomende seizoen in hun hoofd hebben--("o! zoo'n allerliefst
+reisplan! overal eens kijken! van alles mee kunnen praten, in vier
+weken uit en thuis; het reizen gaat tegenwoordig zoo gauw!") in goeden
+ernst te waarschuwen voor de ellende, waarin zij zich gaan storten.
+
+Dan, keeren wij tot onze stoomboot terug! Eerst gaat het goed. Men
+komt vroolijk en luchtig, lustig, frisch en vatbaar voor allerlei
+soort van genoegens aan boord. Men blijft op het dek totdat de stad
+waar men afvoer uit het gezicht verdwijnt. Men vindt het genoeglijk
+naar den linker of rechter oever uit te kijken. Dan gaat men tevreden
+naar beneden en vindt de kajuit heel mooi, heel gemakkelijk, de sofa
+alleruitmuntendst; het is een heele aardigheid zich op een vouwstoeltje
+te zetten. Men schikt zich in gezellige groepen; men bestelt ontbijt;
+men praat, men lacht, men heeft anecdoten, stads- en staatsnieuws;
+men speelt met belangstelling een partij schaak; men is op zijn
+gemak. Zoo is het begin. Maar een uur later, en gij ziet van tijd
+tot tijd dan dezen, dan dien het hoofd uit het luik steken en op dek
+komen, dit is de verveling nog niet; 't is de ongedurigheid die haar
+voorafgaat. Men wil eens weten waar men in de wereld is; men wil in
+de lucht zijn, men wil de mooie gezichtspunten niet verbeuren;--men
+blijft een poosje boven, links en rechts en voor en achter kijkende;
+het twijfelziek gemoed vraagt: "Amuseer ik mij?" De beurs antwoordt:
+"Ik wil het hopen". "Pour varier ses plaisirs", gaat men eens weer
+naar beneden. Men neemt een courant of een boek. Maar men is toch
+eigenlijk niet op reis gegaan om couranten of boeken te lezen. Men
+moet iets anders hebben dan thuis. Nu begint de leelijke verveling al,
+en de eene passagier verlangt dat de andere hem den tijd korte. De
+sofa's zijn niet gemakkelijk genoeg; op een vouwstoeltje, is een veel
+te ongewoon zitten; allengskens ziet gij, den een voor, den anderen
+na, weder op het dek komen, "'t Is beneden schrikkelijk benauwd." "Ja,
+dat is 't geval wel van een stoomboot". "Die kajuiten zijn laag." "Dat
+flikkeren van de zon op 't water, gij kunt niet gelooven wat een
+onaangenaam effect het door de glasruiten doet". "Jammer dat het zoo
+zonnig is en zoo waait." "Ik tref het nooit dat de tent opgezet kan
+worden." En nu zit men op de lantaren, en dan aan de verschansing,
+en dan bij het stuurrad; en dan loopt men weder heen en weer; en dan
+wordt de overjas aan-, en dan weer uitgetrokken. Nu is het een op- en
+nederklimmen zonder end, en de verveling in volle kracht. Uit wanhoop
+wijkt men van zijn leefregel af en maakt zich ziek met chocolade en
+bouillon en bittertjes en likeurtjes; het is als kreeg men een gevoel
+van vuilheid en onfrischheid over zich. Beneden strekken de reizigers
+zich uit op de zitbanken; boven loopen zij heen en weer; en gij kunt
+zeker zijn dat elk op zijn beurt eens bij de raderkast gaat staan, om
+een blik in de machine te werpen, waarvan hij niets begrijpt, met de
+woorden; "'t is toch een mooie uitvinding". De uren worden hoe langer
+hoe slepender. De horloges komen elk oogenblik te voorschijn; en de
+berekening; "hoe _veel_ uren nog" wordt gedurig gemaakt. Zoo slijt
+men een langen dag, waarin het etensuur alleen eenige tijdkorting
+geeft. Maar de gerechten zijn meestal slecht. Om kort te gaan, en
+opdat gij u niet evenzeer zoudt vervelen als onze reizigers: een goed
+half uur voordat de boot aankomt, als de plaats harer bestemming maar
+even in 't gezicht is, kunt gij zeker zijn alle menschen met jassen en
+mantels en pakkage klaar te zien staan, om toch vooral bijtijds gereed
+te zijn tot het verlaten van het hooggeloofd vaartuig. En dat _te
+vroeg_ is de laatste, niet de minste marteling voor den ongeduldigen
+geest. Zoodat een stoomboot ook al meer belooft dan zij geeft.
+
+
+
+Maar nu houdt gij mij (ik zie het wel) na de lezing van dit alles,
+voor een ontevreden, knorrig, ongemakkelijk mensch, voor een ellendig
+pessimist, daar geen spit mee te winnen is, voor een akeligen
+Smelfungus, die niet reist dan met het land en de geelzucht,
+waardoor elk voorwerp dat hij ontmoet, miskleurd en verwrongen
+wordt!--Ik moet zoo billijk jegens mijzelven zijn van te verklaren,
+dat ik een geheel ander karakter heb. Integendeel, ik behoor tot de
+opgeruimde, vroolijke, zich vermakende naturen; ik schik mij in alles,
+mits ik aan alles een belachelijken kant mag zoeken, en daarover
+uitvaren en schertsen. Ik ga verder. Ik kan u betuigen dat ik een
+paar malen alleraangenaamst in een trekschuit heb gesmousjast; dat er
+omstandigheden zijn waaronder, en gedachten en vooruitzichten waarmede
+ik zeer gaarne in de diligence (ook in de allerslechtste, dat meestal
+mijn geval is) zitten wil; dat ik mij meermalen alleruitmuntendst
+op een stoomboot heb vermaakt, onder anderen ook, door al mijn
+reisgenooten uit te teekenen; dat ik dikwijls met veel, zeer veel
+genoegen gereisd heb; ja, dat ik, zooals ik hier zit, in mijn ruimen
+lederen leunstoel, in mijn wijde kamerjapon, bij mijn lustigen haard,
+in vrede en eensgezindheid met de geheele wereld, mij sterk gevoel om
+alle schippers, alle conducteurs en de geheele stoomboot-maatschappij
+recht hartelijk de hand te drukken;--dat eindelijk het gegronde
+vooruitzicht op de spoorwegen mij zoodanig verheugt en streelt
+en opwindt, dat ik, bij voorbaat reeds gelukkig, alle vaar- en
+rij-jammeren geduldig dragen wil en zonder morren uitstaan.
+
+Spoorwegen! heerlijke spoorwegen! op u zal niet gerookt worden;
+want daar is geen adem!
+
+Op u zal niet geslapen worden; want daar is geen rust!
+
+Op u zal niet worden gebabbeld; want daar is geen tijd!
+
+Zoo daar op u ook onaangenaamheden en jammeren zijn, zij zullen den
+tijd niet hebben ons te bereiken, wij, geen gelegenheid om ze gewaar
+te worden!
+
+Maar komt! komt, heerlijke spoorwegen! Daalt als een tralie-net neder
+op onze provinciën!
+
+Vernietigers aller groote afstanden! versmaadt de kleine afstanden
+van ons koninkrijkje niet!
+
+Ja; laten de zangen onzer dichters het weldra in verrukte tonen
+uitgalmen:
+
+
+ "De spoorweg kwam, de spoorweg kwam!"
+
+
+Laten de zakdoeken onzer schoonen u toegewuifd worden, de eere-
+en gedenkpenningen onzer Munt u tegenrollen!
+
+Dan eerst als de Nederlandsche natie, langs uwe gladde banen, dagelijks
+door elkander zal geschoten worden als een partij weversspoelen,
+zal er welvaart en bloei en leven en spoed in ons dierbaar vaderland
+heerschen!
+
+November 1837.
+
+
+
+
+
+
+
+GENOEGENS SMAKEN.
+
+Uit de correspondentie met Augustijn.
+
+
+"Of ik de Rotterdamsche kermis ben gaan bijwonen? De hemel behoede
+mij, hoe komt gij aan dat bericht? Wie is de booze lasteraar die
+mij zulk een smet aanwrijft? Wie heeft er behagen in mijne blanke,
+kermishatende ziel zoo zwart te maken in de oogen der menschen? Weet
+gij 't dan niet hoe ik reeds in den jare 1833, op den dag, waarop
+men in mijn geboortestad goedvond de kermis in te luiden, het akelige
+klokgebengel begeleidde met een improvisatie:
+
+
+ Voor mij geen kermisfeestgerel,
+ Geen weidsch betiteld kinderspel,
+ Geen dwaasheid op haar zegewagen,
+ Bij raadsbesluit en klokgeklep
+ Gerechtigd voor een tiental dagen,
+ Wat eerlijk mensch er tegen hebb'?
+
+ o Laat mij, laat mijn ziel met rust!
+ Wien 't aansta, mij ontbreekt de lust
+ Om zooveel menschgetitelde apen,
+ Zoo'n aapgelijkend menschenras
+ Op straat en marktveld aan te gapen,
+ Als of die klucht iets zeldzaams was!
+
+
+"Weet gij wat een kermis is, _Hildebrand_? Het is een allerakeligste
+mislukking van publieke vermakelijkheid; de parodie en de charge der
+feestvreugde; het ideaal eener opwinding over niets; het tegendeel
+van al wat welluidt, welstaat en welvoegt. Weet gij wat een kermis
+is, _Hildebrand_? Het is de bacchantendienst der nieuwere tijden, de
+vergoding der uitzinnigheid. Het is één enkel groot marionettenspel,
+waarin wij ons vervelen en onze kleeren vuil maken. Geloof mij: de
+apen uit indië, de kemelen van den ernstigen Arabier, die men er op
+rondleidt, staan verbaasd van onze Hollandsche razernij, waarbij zich
+gierigheid en armoede beide vergeten, het verstand ijlt, de zedigheid
+haar leven waagt, de koelbloedigheid kookt, en de dwaaste lach zich
+met de vernuftigste tronie verdraagt. Wij voor ons hebben altijd,
+voor zooveel ons mogelijk was, den besmetten dampkring der kermissen
+gemeden en geschuwd; wij hebben ons geld en ons gezond verstand altijd
+te lief en altijd te weinig van beiden te verteren gehad, dan dat wij
+het te grabbelen zouden gooien in dien poel van triviale genoegens. Wij
+hebben ons altijd verbeeld dat de zakkerollers, weinig anders bij ons
+vindende, onze waardigheid stelen zouden, en de horoscooptrekkers ons
+'quant-à-moi' ontsluieren; dat de goochelaars ons een deel 'goûts
+populaires' in den zak zouden moffelen; terwijl wij misschien den
+mantel van onzen ernst in den vauxhall hangen lieten, en ons vernuft
+voor een koordedanserspel werd geronseld."
+
+Wat dat laatste betreft, mijn edele _Augustijn_! loopt gij
+groot gevaar; althans indien gij voortgaat in dezen stijl te
+schrijven. Waarschijnlijk, daar is iets zeer acrobatisch in! Het
+wipperige van het koord en het opgeschikte van den danser spreken
+er uit. En dan al die sprongen op eene breedte niet dikker dan mijn
+rotting! Waarlijk gij zijt geschikter voor de kermis dan gij denkt,
+en ik zou lust hebben er u rond te leiden en aan alle vroolijke
+feestvierders te laten kijken als "mijn dierbaren vriend _Augustijn_,
+lang één el, zeven palm, oud 26 jaren, een volmaakten kwast, maar van
+het schuwe soort. Dit zonderling dier verbeeldt zich nergens pleizier
+in te scheppen, waar een ander zich mede vermaakt; verstaat latijn en
+grieksch; leest alle mogelijke boeken; vindt ze geen van allen mooi;
+eet verschrikkelijk veel, maar wil 't niet weten; is goedig van aard,
+maar ontzettend kwaadaardig wanneer men het wil amuseeren; is reeds
+zevenmaal van aard veranderd; zal nog zevenmaal veranderen".
+
+Inderdaad, mijn waarde! gij moet het leven eenvoudig nemen; 't zou u
+beter staan en het leven zou u beter bevallen. Daar hebt gij nu de
+Rotterdamsche kermis--zij is mogelijk wat al te dol, ik geloof het
+gaarne.--"Hoe?"--durft gij mij schrijven, "zal ik zonder noodzaak
+plaats nemen in den mallemolen en mij beneden eekhorens en witte
+muizen, die wel draaien _moeten_, verlagen? Zal ik mij als een
+razende dweper den beulen toewerpen en uitroepen: 'Ik ben ook een
+martelaar?'" Hoor eens hier, mijn verheven briefschrijver; zie mij
+eens goed in de oogen! Best! En laat ik u nu zeggen, dat gij er niets
+van meent. Wat hebt gij uitgevoerd, kwast! in die acht dagen, dat de
+Rotterdamsche kermis geduurd heeft? Immers niets dat de moeite waard
+is. Boeken gelezen, brieven geschreven, en om de kermis gelachen. Gij
+moest eens weten hoe de kermis om u zou gelachen hebben, indien zij 't
+geweten had.--Gij hebt twee mooie, lieve nichtjes; vroolijke, prettige
+meisjes, rechte spring-in-'t-velden. De Rotterdamsche meisjes _zijn_
+vroolijk. Met deze hadt gij langs de kramen moeten wandelen; voor deze
+allerlei lieve kleinigheden moeten koopen. Snuisterijen uit lava zijn
+tegenwoordig het meest aan de orde. Die hadt gij niet leelijk moeten
+vinden, omdat zij, ik, en een ander ze mooi vinden. Misschien vinden
+wij ze toekomende jaar geen aanzien waard. Daar zijn we niet minder om,
+vriend! Dan is er weer wat anders, dat ons bevalt; de zaak vereischt
+zooveel ernst niet, en 't behoort tot de genoegens van ons leven,
+dáár dan weer blij mee te zijn.
+
+Op het fatsoenlijk uur, als de fraaie wereld bijeenkomt, hadt
+gij uw nichtjes rond moeten leiden, en er u volstrekt niet aan
+moeten ergeren als ze wat veel menschen aanspraken en gij wat al te
+dikwijls hoordet welke kraam de mooiste was, En dan had er leven en
+belangstelling in uw gezicht moeten zijn. Gij zijt er niet te groot
+voor, _Augustijn_! Niemand is te groot om zich met kleinigheden en
+kleinen te vermaken. Kijkspellen wil ik niet zoo zeer aanraden,
+of het moeten zulke zijn, waar men u op een grove wijze bij den
+neus heeft; zoowat boerenbedrog, weet ge, is wel aardig voor iemand
+die veel boeken gelezen heeft. Over de beestenspellen kent gij mijn
+gevoelen. Maar in 't geen ik daar wel eens tegen gezegd heb is ook
+vrij wat overdrevenheid, mijn vriend! en als men het letterlijk op
+wilde nemen of... Maar letterknechten zijn wij niet, zoo min als
+letterhelden!--daar hoort nog meer grieksch bij, _Augustijn_, dan
+gij verstaat. Wij mogen ook wel eens doorslaan, dunkt mij, als het
+thema goed gemeend en diep gevoeld is, en als dan de eene gedachte
+de andere uitlokt en wij worden er warm bij, of vroolijk!--Op die
+rekening wil ik dan ook een goed deel uwer philippica tegen de
+kermisvreugde schrijven. Men moet edelmoedig zijn en scherts als
+scherts verstaan. Niets is zoo kinderachtig, zoo onaardig en zoo
+inhumaan als geestig te willen zijn door de ontleding van eens anders
+grappen. Dat behoort wel wat te veel tot de onaangename genoegens van
+onze dagen; maar ik wil er mij niet aan bezondigen, en daarom heb ik
+niets tegen uw "bacchantendienst", en uwe "vergoding van uitzinnigheid"
+en uwen "besmetten dampkring", maar alleen heb ik dit tegen u, dat
+gij laag op de kermis neerziet.
+
+Vreugde is een aardig ding, mijn goede vriend! niet alleen om te
+smaken, maar ook om te zien. Jongens, gij moest eens een _boere_kermis
+bijwonen! Des namiddags, het heele dorp en de nabijgelegen gehuchten
+op de been. Honderd boerewagens, honderd roodwangige boeren met
+zilveren haken in de broek en gouden knoopen aan de das, die een
+dikke kuit tegen den disselboom uitstrekken; en de boerinnetjes netjes
+uitgestreken in lichtgroen en donkerrood, met wapperende linten aan
+de stroohoeden, met al het goud dat zij hebben aan 't hoofd, en de
+onderom van het jak vooral niet lager dan de schouderbladen. Dan
+wordt er uitgespannen en men zit neder aan de lange smalle tafels
+op schragen van de kleine herberg "Het Dorstige Hart" of "de Laatste
+Stuiver"; of men drentelt langs de kleine kraampjes; of men schaart
+zich rondom de kleine loterijen van beschilderde karaffen en kelken,
+houten naaldekokers en stalen vorken. En dan moet ge de dikke proppen
+van kleine jongens zien, met wit haar en witte tanden, bezig met
+"koek te smakken", en hun winst in broekzak, buiszak, en tot in de pet
+wegstoppende; of de kleine boeremeisjes, gegroept om een kruiwagen
+met gouden ringen van een cent het stuk, allen met een kraakamandel
+tusschen de tanden en kruidnoten in de hand. Dat 's nog maar een begin.
+
+Maar 's avonds als de frissche dochters; neen! de glundere moeders
+óók nog wel; voor de "fiedel" staan, met boeren en knechten, en voor
+vier duiten een deuntje dansen.
+
+
+ "Kan je dan geen schotsche drie?"
+ "Kan je dan niet dansen?"
+
+
+en zoenen moeten, als de lustige speelman in den hoek, achter de
+kam strijkt!....
+
+Daar moet ge eens heen, _Augustijn_! dat is veel aardiger dan blasé
+of philosoof te zijn, en daar zult gij zien, hoe men zich te meer
+vermaakt, naarmate men eenvoudiger van hart en zin is. Maar gij
+moet er niet komen met een gezicht als een commissaris van politie,
+die kijken komt of alles goed en ordelijk toegaat; ook niet met dat
+medelijdend lachje, waarmee sommige menschen zich portretteeren laten
+en waar gij eigenlijk in den grond te goed voor zijt; ook al niet
+met een gelaat van berekende lievigheid, alsof het den aanwezigen
+een groote eer moet zijn dat _gij_ eens komt kijken. Geloof mij, ook
+de boer bemerkt en gevoelt als bij ingeving wat daar beleedigends in
+is, en het maakt u nooit tot wat hij een gemeen (gemeenzaam) mensch
+noemt. Neen, gij moet er komen met een fermen, bollen lach om den mond,
+alsof gij zoozoo mee zoudt willen doen. Ik voorspel u dat gij er meer
+neiging toe gevoelen zult dan gij zoudt willen weten. Blijdschap is
+aanstekelijk, maar men moet er vatbaarheid voor hebben, en men moet
+bijv. niet op een Hollandsche boerekermis komen met een Sehnsucht
+"naar Italië's dreven", waar de hemel altijd blauw enz. is, en
+ook al niet met waanwijze opmerkingen, als bijv. "wat een heel
+andere figuur is een Hollandsche boer toch dan een van Normandye,
+Bretagne, of uit het Piémonteesche!" waarbij gij immers niet aan
+Normandye of Bretagne of Piémont denkt, maar alleen aan de Colins
+en Lubins van den Vaudeville, met hunne sneeuwwitte overhemden,
+roode bretels, schuinsche hoedjes met kostbaar lint, fijne handen,
+geblankette gezichten, en teedere sentimenten. De poëzie, _Augustijn_,
+is overal; maar die welke men opmerkt in de werkelijkheid, is beter
+dan de aangeworvene of aangewaaide. Vele menschen toetsen hetgeen
+zij vinden aan hetgeen zij lazen, in plaats van hetgeen zij lazen aan
+hetgeen zij vinden. Ongevoelig en van lieverlede zijn zij volgeraakt
+van indrukken uit boeken en vertooningen, waarvan zich hun ziel een
+geheel gevormd heeft, dat zij zweren zouden dat hun ondervinding
+was. In 't geheel niet; het maakt juist dat zij nooit ondervinding
+krijgen, nooit zullen zoeken, en dus ook nooit zullen vinden; dat
+zij nooit zichzelven, nooit hun tijd, nooit de menschen doorschouwen
+zullen, en van alles slechts een negatief begrip hebben: "het is
+dit niet, het is dat niet," even als zoo menig resencent, die den
+titel van een boek leest en zegt: "het zal, het kan, het moet dit
+of dat wezen",--liever dan te vragen: "wat is het?" "Het is _mijn_
+mooi niet", zegt iemand, en draait zich af van mooi _Guurtje_. Maar
+lief _Lijsje_ dan? "Ook niet." Maar blonde _Bartje_, maar _Geertje_,
+maar _Duitje_? maar het geheele alphabet?--"Geen van allen." Mag
+ik weten wat mijnheers mooi is? Mijnheers mooi is een onbepaald,
+een zwervend, een schemerend ideaal, saamgesteld uit twintig diverse
+Engelsche staalgravures en vijftig steendrukken van _Grevedon_, met
+en benevens vijftig beschrijvingen van mooie actrices en maîtresses,
+uit feuilletons en mémoires. Nu was het toch beter en genoeglijker, het
+Hollandsche mooi in het Hollandsche gelaat te zien, en het Hollandsche
+genoegen in den Hollandschen lach, en den Hollandschen aard in het
+Hollandsche hart, en de Hollandsche poëzie in de Hollandsche vormen,
+daden, en toestanden,--beter dan al die knorrigheden en verdrietigheden
+en gemaaktheden, waarmee men heel wat figuur schijnt te maken, maar
+groot gebrek aan waren wijsgeerigen of dichterlijken zin betoont.
+
+
+
+Zoo is het vooral met het smaken der genoegens. 't Zou toch wel raar
+wezen, _Augustijn_! dat dingen, die voor jaar en dag voor genoegens in
+de wieg gelegd zijn en sinds jaar en dag voor genoegens aangenomen,
+geheel en al hun bestemming zouden misloopen, en de volkomen
+ongeschiktheid hebben om menschen met goede gewetens vroolijk en
+gelukkig te maken. "Anderen wel"--zegt ge--, "maar mij niet!" En
+waarom niet? Omdat de schuld aan u ligt, zou ik denken.--Dat is
+het geluk der kinderen, dat ze niet onderzoeken of beproeven, of
+er ook een verdrietige kant is aan hetgeen hun voor genoegen wordt
+aangerekend, of het de moeite waard is in hun schik te zijn. Een
+vlieger oplaten--plezier hebben; een zak vol knikkers--plezier hebben;
+uit rijden gaan, een dag vacantie, een avond opblijven--plezier
+hebben! ziedaar hun logica. Als men ouder wordt is het: kan, moet,
+zal, wil, durf, denk ik, door dit of veeleer door dat, geheel of
+gedeeltelijk, of te kort of te lang, of waarachtig of schijnbaar,
+genoegen, ware vreugde, genot, of slechts tijdpasseering te hebben;
+òf is alles maar zelfbedrog? Dat moet niet wezen. Dat is goed als
+men oud en af is. Maar wie geeft u en uws gelijken het recht alles
+dooreen te warren en over jongelingsgenoegens met een mannenhoofd te
+redeneeren, alsof niet ieder wijs man den jongeling zijne genoegens
+benijdde! Daar wordt dan de arme twintigjarige--ik weet het best,
+lieve vriend!--plotseling "te groot voor de aarde", die hij niet kent,
+te verfijnd van gevoel voor genoegens, welker grofheid hij slechts
+onderstelt; dan giet hij den frisschen beker ledig, die hem zou
+verkwikt hebben; dan leeft hij een aangetrokken dichterlijk leven;
+maakt misschien slechte, zinledige woordenschermutselingen op rijm,
+waarin komt van: "'t stof te verachten, op adelaarspennen, der zon in
+'t aangezicht", en van allerlei visioenen, die een goed dichter nooit
+gezien heeft; en intusschen slaapt de waarachtige poëzie, die binnen
+in hem is, den gedwongen doodslaap in.--_Augustijn_, waak er tegen!--en
+neem dit briefje als een klein kermisgeschenk aan. Uw u liefhebbende
+
+1838.
+
+_Hildebrand_.
+
+
+
+
+
+
+
+EEN OUDE KENNIS.
+
+
+Hoe warm het was, en hoe ver.
+
+Het was een brandendheete vrijdagachtermiddag in zekere Hollandsche
+stad; zoo heet en zoo brandend, dat de mosschen op het dak gaapten,
+'t welk, op gezag der Hollandsche manier van spreken, de grootste
+hitte is, die men zich voor kan stellen. De zon scheen vinnig in de
+straten en glinsterde op de van droogte poeierig geworden keien. In die
+straten, die tegen het zuiden liepen en dus geen schaduwkant hadden,
+bracht zij de voorbijgangers letterlijk tot wanhoop. De kerels, die
+met kroosjes en wijnperen rondwandelden, veegden alle oogenblikken
+hunne voorhoofden met hunne linnen voorschoten af; de sjouwermannen,
+die anders gewoon zijn in hydrostatische verstrooidheid hunne leden
+over de leuningen der bruggen te doen hangen, een houding waaraan zij
+hier en daar den vereerenden naam van baliekluivers te danken hebben,
+lagen aan den oeverkant voorover op hunne ellebogen uitgestrekt, met
+een pot karnemelk in plaats van jenever; de metselaren op karwei,
+aan den voet van een steiger op een balk neergezeten, met hunne
+ellebogen op de knieën en hunne twee handen om een spoelkom geklemd,
+bliezen wel eens zoolang over hunne thee als gewoonlijk, en dus zeer
+opmerkelijk en verwonderlijk lang; de dienstmeiden, die boodschappen
+deden, konden de kinderen, die meegegaan waren op hope van een pruim
+of een vijg bij den kruidenier toe te krijgen, nauwelijks over de
+straat voortsleepen, en uitten in 't voorbijgaan een diep en innig
+medelijden jegens de werkmeiden die de "straat deden" met geblakerde
+gezichten en onder de kin losgemaakte mutsen. Niemand was bedaard,
+dan hier en daar een enkel grijsaard, die met blauwe slaapmuts op en
+zwarte muilen aan, met de beenen op zijn stoepbankjen uitgestrekt,
+een pijp zat te rooken, in gezelschap van een violier en een balsamine,
+zich verheugende in den "ouërwetschen dag weer"
+
+Bij eene dergelijke weersgesteldheid heeft men waarlijk te weinig
+medelijden met dikke menschen. Wáár is het, dat zij u dikwijls
+warm en benauwd maken, als ge u door bedaardheid en kalmte nogal
+schikken kunt in de hitte, door bij u te komen blazen en puffen en
+eene onweerstaanbare aanvechting te doen blijken om hun das los te
+maken, terwijl zij u met uitpuilende oogen aankijken; maar ook--de
+schepsels _hebben_ het kwaad. Dikke mannen en dikke vrouwen van dit
+wereldrond! hetzij gij in de laatste jaren uwe knieën en voeten nog
+hebt kunnen zien, of dat gelukkig punt van zelfbeschouwing reeds lang
+hebt moeten opgeven! wie ter wereld met uw embonpoint, uw presentie,
+uw corpulentie spotten moge--in _Hildebrands_ boezem klopt voor u
+een medelijdend hart.
+
+Onder de gezette personen der nieuwere tijden verdiende, schoon niet
+een eerste, maar toch ook eene plaats, de heer Mr. _Hendrik Johannes
+Bruis_; een dier bevoorrechten, wien het nooit gebeuren mag een heel
+oude kennis te ontmoeten, zonder dat het eerste woord tot hen is:
+"Wat ben je dik geworden!" terwijl een iegelijk, die in veertien
+dagen het geluk niet gehad heeft hun aangezicht te aanschouwen, hun
+verklaart dat zij _"alweer_ dikker geworden zijn"; een dier gelukkigen,
+die in duizend wenken van hunne bloedverwanten, vrienden, en vooral
+van hunnen arts, duidelijk bemerken, dat zij onder de sterke verdenking
+leven van aan een beroerte te zullen sterven, en die, met dat al, door
+hun gestel genoopt worden al datgene te doen, te eten, en te drinken,
+wat volstrekt schadelijk is, dikker maakt, opstijging veroorzaakt, en
+het bloed op alle mogelijke wijzen aanzet; een dier gelukkigen die,
+zoo zij het des zomers warm hebben door zwaarlijvigheid, het winter
+en zomer warm hebben door drift, opvliegendheid en agitatie.
+
+De heer Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ bewoog zich op bovenbeschreven
+brandendheeten vrijdagachtermiddag, omstreeks klokke vijf uren, langs
+een der straten van de stad, die ik niet genoemd heb, en zulks, de
+hitte des dags en zijn postuur in aanmerking genomen, veel te snel.
+Hij hield in de eene hand zijn hoed, en in de andere zijn gelen zijden
+zakdoek en zijn bamboes met ronden ivoren knop, met welken knop hij
+zich verscheiden malen in schutterige beweging tegen 't hoofd stiet,
+als hij den zakdoek gebruiken wilde. Achter hem aan huppelde een kleine
+straatjongen, die's mans overjas over den arm en zijn valies in de
+hand droeg, zonder hoed of pet op 't hoofd, met een blauw buis met
+een zwarten lap in den eenen, en een grijzen in den anderen elleboog,
+en waarvan de eerste knoop (een zwartbeenen) werd vastgehouden door
+het vierde koopsgat, terwijl de tweede (een geelkoperen), die op de
+plaats van de vierde stond, door het zesde werd bedwongen. Hij was zoo
+gelukkig in dezen warmen zomertijd geen kousen te dragen; als aan den
+ingang zijner klompen, en nog daarenboven hier en daar, merkbaar was.
+
+"Nu, waar is het nu, jongen? waar is het nu?" vroeg de heer
+Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ ongeduldig.
+
+"Dat eerste huis met dat platte stoepie," antwoordde de jongen;
+"de tweede deur voorbij den spekslager; naast het huis daar die
+spiegeltjes uitsteken."
+
+"Goed, goed, goed," zei de heer Mr. _H. J. Bruis_.
+
+
+
+De spekslager en de spiegeltjes waren achter den rug, en de dikke
+man stond op de stoep van Dr. _Deluw_, zijn academievriend, dien hij
+sedert zijn huwelijk niet gezien had; want de heer _Bruis_ woonde in
+een Overijselsch stadje, waar hij meester in de rechten, maar geen
+advocaat, echtgenoot, maar geen vader, lid van den raad en koopman
+was. Hij moest in Rotterdam wezen, en had een omweg gemaakt om op
+dezen heeten achtermiddag zijn vriend Dr. _Deluw_, diens vrouw,
+en diens kinderen te zien. Hij trok daarom haastig aan de schel,
+greep zijn valies, en nam zijn jas over den eigen arm.
+
+"Daar mannetje! maak nou maar dat je wegkomt."
+
+De jongen kwam weg, en wel op een draf; juist niet omdat het zoo warm,
+maar omdat hij een jongen was en een aardiger fooitje had gekregen
+dan hij verwacht had, waar daarenboven zijn vader niet van wist. In
+een oogenblik was hij de lange straat al uit, en stond, denk ik, hier
+of daar zich te vergasten aan een komkommer in 't zuur, een maatje
+"klapbessen", of eenige andere straatjongenslekkernij, waarvoor men
+fatsoenlijke kinderen nooit vroegtijdig genoeg afkeer kan inboezemen.
+
+Intusschen ging Dr. _Deluws_ deur nog in lang niet open, en zag zich
+de heer _Bruis_ genoodzaakt nogmaals aan de schel te trekken. De
+schel ging deugdelijk over: en gaf blijken van een zeer helklinkende
+specie te zijn; maar de heer _Bruis_ merkte geen enkel geluid binnen
+de woning van zijn vriend, dat zijn gelui beantwoordde. Na nog eenige
+malen zijn voorhoofd afgeveegd en met den stok op de stoep getipperd
+te hebben, schelde hij ten derdemale, en begon tevens door de smalle,
+van achteren getraliede raampjes, die ter wederzijde in den post van
+de deur waren, in het voorhuis te turen; maar hij zag niets dan den
+slinger van een groote groene pendule, een guéridon met een leitjen
+er op, en een blauwe katoenen parapluie; daarop keek hij ook over de
+gordijntjes van de zijkamers, dat evenwel moeilijker was, daar hij
+door de franje van de trekgordijnen heen moest zien. Hij zag in de
+eene kamer duidelijk een inktkoker met twee lange schrijfpennen op
+tafel staan, en in de andere een mansportret; maar noch de pendule,
+noch de guéridon, noch de inktkoker, noch zelfs het mansportret konden
+den heer Mr. _Hendrik Johannes Bruis_ de deur ontsluiten.
+
+De heer _Bruis_ was ondertusschen nog warmer dan warm geworden, waar
+zijn ongeduld en de jas over den arm niet weinig aan toebrachten. Hij
+schelde dus voor den vierden keer, en nu zoo luide, dat de juffrouw
+naast de deur, die in haar spiegeltje keek en hem al lang gezien had,
+"er akelig van werd", haar naaiwerk van haar knie losspeldde (zij
+moedigde de uitvinding van schroeven, plombs en spanriemen niet
+aan), een bovendeur opendeed en aan den heer _Bruis_ verklaarde:
+"dat er niemand _in_ was."
+
+"De dokter ook niet?"
+
+"Neen, menheer."
+
+"Mevrouw ook niet?"
+
+"Neen, menheer; ik zeg je ommers dat ze der allemaal op uit zijn...."
+
+"Waar zijn ze dan naar toe?"
+
+"Dat weet _ik_ niet, menheer! Ze zijn allemaal uit, en de meid is
+alleen thuis."
+
+"Waarom doet dan de meid niet open?"
+
+"Wel, omdat ze der niet _in_ is, menheer."
+
+"En je zegt, ze is thuis?"
+
+"Ja, maar daarom kan ze der wel niet _in_ zijn," zei de juffrouw,
+sloot haar bovendeur, en zulks met te meer haast omdat haar witte poes
+zich juist gereed maakte over de onderdito te springen, en liet den
+heer _Bruis_ alleen, om, indien hij wilde, in stilte te gissen naar het
+verschil der termen "thuis", en "der in". Hij zou, indien hij er geduld
+toe had gehad, begrepen hebben dat "thuis te zijn" een plicht was,
+der meid door de familie _Deluw_ opgelegd, waarvan "der in" te zijn,
+naar haar eigene uitlegging, slechts een klein gedeelte uitmaakte.
+
+Om dit op te helderen kwam er een stem uit een schoenlapperspothuis
+aan den overkant.
+
+"Ze bennen in de toin," riep de stem, "en de maid is om een
+bo-skap. Daar komt ze al an."
+
+Het woordeken _al_ had in dezen volzin, naar het oordeel van den
+heer _Bruis_, gevoeglijk kunnen gemist worden; maar werkelijk zag
+hij een niet onaardige meid aankomen, met een grooten sleutel in de
+hand en zoo gauw als zij, zonder in den draf te vervallen, gaan kon;
+zij kwam de stoep op, schoot ZEd. voorbij, sloot met voorbeeldelooze
+gezwindheid de deur open, en stond vóór hem op de vloermat.
+
+"Wou u meheer gesproken hebben?" vroeg de meid.
+
+"Ja. Mijnheer schijnt niet tehuis te zijn."
+
+"Neen, meheer; meheer, en mevrouw, en de juffrouw, en de jongeheer
+en al de kinderen zijn Buiten, en ik ben maar alleen thuis om op de
+boodschappen te passen."
+
+Nu, de heer _Bruis_ had gelegenheid gehad om zich gedurende een groot
+kwartier te verlustigen in de nauwgezetheid, waarmee deze doktersmeid,
+die intusschen een langdurig gesprek gevoerd had met de dochter van
+een fruitvrouw, die uit naaien ging en voor een opgeschoven raam zat,
+zich van dezen haren plicht kweet. Hij had evenwel te veel haast om
+verwijten te doen.
+
+"Waar is Buiten?" vroeg hij: "is het ver? waar is het?"
+
+"In de Meester-Jorislaan," antwoordde de meid.
+
+"In de Meester-Morislaan,"--zei _Bruis_ met de alleruiterste
+verachting. "Wat weet _ik_ van de Meester-Morislaan?"
+
+Daar was, naar het gevoelen der meid, meer aanmatiging in de houding
+en den toon van den heer _Bruis_ dan aan haar knap gezicht behoorde
+te beurt te vallen. Zij was dus billijk geraakt.
+
+"Ik kan 't niet helpen dat u 't niet weet!" zei de meid droogweg,
+en maakte eene beweging met het slot, alsof de heer _Bruis_ nu wel
+heen had kunnen gaan.
+
+De heer _Bruis_ veranderde van toon.
+
+"Hoor reis, meisje! ik kom hier per diligence expres om den dokter en
+de familie te zien. Als 't nu niet te ver is, wil ik wel naar Buiten
+wandelen. Kanje 't me niet beduiden?"
+
+Hij keek smachtend de straat door, of er ook nog een jongen was,
+die hem derwaarts brengen kon; maar niemand deed zich op.
+
+De meid verwaardigde zich intusschen de vereischte inlichting te geven,
+en de heer Mr. _H. J. Bruis_ trok naar het Buiten van Dr. _Deluw_.
+
+Toen hij een huis of wat verder was, bemerkte hij pas, dat hij zijn
+jas nog over den arm en zijn valies nog in de hand droeg.
+
+Hij kwam dus terug, schelde nog eens aan, om een en ander aan de
+meid te bewaren te geven; maar _Grietje_ was waarschijnlijk alweer
+bij haar vriendin, en de heer _Bruis_ zag zich genoodzaakt, op dien
+brandendheeten vrijdagachtermiddag, zijn overjas en valies zelf te
+torsen, met het stellig voornemen om, zoo hij ooit zoo ver komen
+mocht van Dr. _Deluw_ te zien, zich bij hem over zijn meid te beklagen.
+
+Tot 's mans geluk was de stad, die ik nog altijd niet genoemd heb,
+niet groot, en de heer _Bruis_ merkte spoedig genoeg de poort, die
+hij uitmoest, ofschoon het bestijgen en niet minder het afdalen van
+twee aanmerkelijk hooge bruggen hem vrij wat geknauwd had. Aan de poort
+gekomen had hij den gelukkigen inval zijn jas en valies aan de zorg van
+een commies toe te vertrouwen; hij trad daartoe het commiezenhuisje
+binnen, maar er was niemand in; daar hij evenwel een persoon met
+een grijze jas bemerkte, die aan den overkant van den singel stond
+te hengelen en er vrij commiesachtig uitzag, legde hij zijn goed
+maar neer, en zich daarop tot den visscher wendende, die inderdaad
+een commies was, liet hij zich meteen van dezen nog eens omtrent de
+ligging van de "Meester-Morislaan" onderrichten. Ik zou hem onrecht
+doen, indien ik zeide dat de heer _Bruis_ de onderrichtingen van
+_Grietje_ vergeten had, vermits hij er in zijn drift weinig naar had
+geluisterd. Hij moest "eerst een eindweg den singel op, dan een laan
+in, dan rechtsomslaan, totdat hij aan zoo'n wit paaltje kwam: dan weer
+links-, en dan weer rechtsom, en dan was hij in de Meester-Jorislaan".
+
+"En het Buiten van Dr. _Deluw_?"
+
+"Daar heb ik nooit van gehoord," zei de commies, "maar er zijn veel
+tuinen in. Hoe hiet het?"
+
+"Veldzicht."
+
+"Veldzicht," zei de commies, die verlangde van den heer _Bruis_ af te
+komen, daar hij aan zijn dobber meende te merken dat hij beet kreeg;
+"neen, menheer; dat is mij onbekend."
+
+De heer _Bruis_ wandelde op. De singel bracht hem een weinig tot
+zichzelven, want er stonden aan weerszijden hooge boomen; maar die
+zaligheid was spoedig uit, vermits de stad, in een oogenblik van
+geldverlegenheid, voor een illuminatie op 's konings verjaardag
+een groote partij boomen had doen vallen, in wier plaats zich nu,
+op naam van jong plantsoen, eenige dunne twijgjes vertoonden, om
+het andere verschroeid. Hij was dus weder doodaf, toen hij, tusschen
+twee zwarte schuttingen in, eene smalle laan zag, die hij meende te
+moeten ingaan. Het was eenzaam in die laan. Niets dan schuttingen,
+waar boomen boven uitstaken; niets dan tuindeuren met opschriften en
+nommers! Een enkele mosch sprong er rond. De heer _Bruis_ wandelde
+voort met zijn hoed in de eene, en met zijn stok en zakdoek in de
+andere hand, gelijk in de straten der stad, maar nu altijd een weinigje
+schuinsrechts in zijn houding, vanwege zijn vurige begeerte om, naar de
+aanwijzing van den commies, rechtsom te slaan. De gelegenheid deed zich
+echter niet op, en de heer _Bruis_ stond eindelijk vlak voor een vrij
+breed water en vlak naast een vuilnishoop met vele bloemkoolstruiken,
+saladebladeren, potscherven, verlepte ruikers, en doornappels, die,
+midden in de verrotting bloeiende, hun bedwelmenden geur in de lucht
+verspreidden.
+
+Het was blijkbaar dat de heer _Bruis_ de verkeerde laan had ingeslagen,
+en hoewel de vuilnishoop onaangenaam was, deed toch de nabijheid van
+het water hem zooveel genoegen, dat hij besloot daar een oogenblik uit
+te rusten alvorens hij terugkeerde. Hij zette zich tot dat einde zoo
+dicht mogelijk aan den waterkant neder, en met zijn zakdoek waaierende,
+en met zijne rede zijn ongeduld afkoelende, slaagde hij er vrijwel
+in zich een weinigje tot kalmte te brengen. Rechts en links langs den
+oever kijkende, bemerkte hij aan zijn linkerhand op eenigen afstand een
+vierkanten zeegroenen koepel, waarin zich eenige menschen bewogen, en,
+hoewel hij ze niet kon onderscheiden, was het als of 't hem ingegeven
+werd, dat dit het Veldzicht van zijn vriend den dokter wezen moest; en
+dat het dien naam dragen kon, bewees het vergezicht aan den overkant
+van de vaart; want het was weiland links en rechts, ver en wijd, tot
+aan den blauwen horizont; niets dan groen en geel en zonnig weiland!
+
+De heer _Bruis_ nam den wandelstaf weder op, ging de laan terug, en
+was weder op den singel. Weldra deed zich een andere laan aan hem voor,
+die hij echter goedvond eer hij ze intrad, eens af te gluren. Hij zag
+dan ook dat er spoedig gelegenheid zou zijn rechtsom te slaan, en dit
+gedaan hebbende was hij ook al heel gauw bij het witte paaltje. Toen
+ging hij links en toen weer rechts, en hij was naar alle gedachten
+in de "Meester-Morislaan".
+
+Voor een tuindeur, die aanstond, zat een klein kind met een zwart
+jurkjen aan, een zwart mutsje met een zwart kantjen er om op, en een
+zwart gezichtje voor, zich vermakende met een pompoen en verscheidene
+aardappelschillen.
+
+"Is dit de Meester-Morislaan, lief kind!" vroeg de heer _Bruis_.
+
+Het kind knikte van ja.
+
+"Waar is hier ergens Veldzicht?"
+
+Het kind zei niets.
+
+De heer _Bruis_ werd moeilijk, niet zoo zeer op het kind, maar op de
+verborgenheid van Veldzicht.
+
+"Weetje 't niet?" vroeg hij, een toon of drie te hard.
+
+Het kind liet den pompoen en de aardappelschillen vallen, stond op,
+begon te huilen, en liep den tuin in.
+
+De heer _Bruis_ zuchtte. De "Meester-Morislaan" scheen zeer lang te
+zijn, en de tuindeuren waren menigvuldig. Hij las allerlei namen. Namen
+van ophef en grootspraak, als: Schoonoord, Welgelegen, Bloemhof,
+Vreugderijk; namen van tevredenheid en berusting, als: Mijn genoegen,
+Weltevreden, Buitenrust; naïeve namen, als: Nooit Gedacht, Klein maar
+Rein, Hierna beter; maar ook een aantal geographische, als: Nabij,
+Bijstad, Zuiderhof; en optische als: Vaartzicht, Weizicht, Landzicht,
+Veezicht, Veelzicht,--dit laatste leek in de verte al heel veel op
+Veldzicht, maar het was toch Veldzicht niet.
+
+Eindelijk waren er twee deuren, daar niets op te lezen stond dan Q 4
+N_o_ 33 en Q 4 N_o_ 34. Een van die beide deuren kon Veldzicht zijn! De
+heer _Bruis_, hoe driftig ook en ongeduldig, was bescheiden. Hij ging
+dus N_o_ 33 voorbij, om niet het eerste het beste voor Veldzicht aan
+te zien, en klopte aan N_o_ 34.
+
+Na een poosje wachtens, werd hem opengedaan door een zeer lange,
+statige, prentachtige dame, met een rouwjapon aan, een wit kemelshaar
+loshangend doekje op haar schouder, een zwarten hoed, dien zij voor
+de zon zeer voorover op haar neus had gezet, een groenen bril, een
+klein bewijs van baard op haar bovenlip, en een boek in de hand.
+
+"Is hier Veldzicht, mevrouw?" vroeg de heer _Bruis_.
+
+Waarom zag hij niet dat het geen mevrouw was?
+
+"Neen menheer!" antwoordde de juffrouw verschrikt voor een "vreemden
+man", misschien wel meenende dat het iemand was, die haar bestelen
+wilde: "Dat's hier àldernaast", en toe vloog de deur.
+
+De heer _Bruis_ klopte aan Q 4 N_o_ 33.
+
+
+
+
+Hoe aardig het was.
+
+"_Jansje_! daar wordt geklopt;" riep een vrouwelijke stem.
+
+"Ik hoor het wel, juffrouw!" riep _Jansje_.
+
+Het was evenwel meer dan waarschijnlijk dat _Jansje_ er niets van
+gehoord had; nademaal zij allerijselijkst veel pleizier had met den
+tuinknecht, die haar met water gooide.
+
+Mijnheer _Bruis_ had juist lang genoeg bij den vuilnishoop uitgerust
+om een lief plan van verrassing te vormen. Zoodra _Jansje_ hem dus
+opendeed en hem onderricht had dat dit dégelijk Veldzicht was, en
+dégelijk Dr. _Deluws_ tuin (want daarin scheen de stem uit het pothuis
+toch maar gelijk gehad te hebben, dat het een Tuin was en geen Buiten)
+zeide hij:
+
+"Goed, meidlief! wijs me dan den weg maar naar den koepel; ik ben
+een oud vriend van mijnheer; ik wou mijnheer maar verrassen."
+
+"Wil ik dan niet eerst gaan zeggen dat meheer er is?" vroeg _Jansje_.
+
+"Vooral niet, kind; ga maar vooruit, wilje?"
+
+De tuin was een lange smalle strook langs de vaart, aan welker oever
+de heer _Bruis_ eenige oogenblikken te voren een weinig adem geschept
+had, zag allerschrikkelijkst groen, en had niet dan zeer smalle
+wandelpaadjes, aan weerskanten met aardbeiplanten omzoomd. Die er
+inkwam stond billijk verbaasd, dat het mogelijk geweest was zoo veel
+appel- en pereboomen, zoo veel aalbes- en kruisbesstruiken in zoo'n
+klein bestek bijeen te dringen, en was gedurig genoodzaakt te bukken
+voor de eersten en uit den weg te gaan voor de laatsten. In één woord,
+het was wat de steelui met verrukking een "vruchtbaar lapje" noemen, en
+waar zij onbegrijpelijk veel wil van zouden hebben, indien de buitenlui
+er niet dichterbij woonden, vroeger opstonden, en eer wisten dan zij,
+wanneer ieder bijzonder ooft geschikt zou wezen om geplukt te worden.
+
+"Warm weertje vandaag, meheer!" zeide _Jansje_, toen men een eindje
+voortgewandeld was, en zij meelijden begon te krijgen met het hijgen
+en blazen van den gezetten heer achter haar.
+
+"Ja kind, schrikkelijk, schrikkelijk!" zei _Bruis_; "is er niemand
+in den tuin?"
+
+"De familie is op den koepel," was het antwoord, "behalve juffrouw
+_Mientje_, die daar zit te lezen."
+
+_Jansje_ en de heer _Bruis_, het slingerende paadje volgende, kwamen
+op dit oogenblik aan den waterkant, en werkelijk zat daar, onder een
+klein treurcypresje, op een smal gazonnetje, de oudste dochter van zijn
+vriend _Deluw_, op een groene tuinbank, met handschoentjes aan, een
+boek in de hand en een hondje aan hare voeten "Buitentje te spelen",
+zich ergerende dat er in het laatste uur niemand aan den overkant
+voorbij was gegaan, en dat er geen mensch in de trekschuit gezeten had.
+
+Zij liet het hoofd zeer plechtig op de borst vallen, toen de heer
+_Bruis_ haar groette; maar het hondje vloog op en blafte radeloos tegen
+den amechtigen, die het dolgraag een slag met zijn bamboes gegeven
+had; dan, hij durfde niet, omdat het een juffershondje was, en hij
+zijn vriend juist niet verrassen wilde door met een moord te beginnen.
+
+De zeegroene koepel deed zich nu weldra op. Hij scheen vrij ruim te
+zijn, en had nog een klein bijkamertje, met een schoorsteentje en een
+vuurplaat om water op te koken, een tang, en een kastje daar niets
+in was. Alle deze wonderen begreep _Bruis_ reeds op een afstand. De
+koepel zelf ging met een trapjen op.
+
+"Dankje, meisje!" zei hij tot _Jansje_, toen hij op tien passen van
+den koepel was, en langzaam sloop hij er naar toe. Gelukkig waren
+de blinden voor de ramen aan den tuinkant dicht gelaten en was de
+deur niet van glas, als anders aan die kijkkasten het geval wel
+wezen wil. De heer _Bruis_ kon dus zijn plan van verrassing zeer
+wel uitvoeren. Welk een aandoenlijk genoegen stelde hij er zich van
+voor! Geheel zijn hartelijk en vriendschappelijk gemoed schoot vol. In
+geen zestien jaren had hij zijn goeden "zwarten Daan", zooals _Deluw_
+aan de academie genoemd werd, gezien; en hoe zou hij hem vinden? Aan
+de zijde eener beminnelijke gade, omringd van bloeiende kinderen! Ja,
+met grijzend haar in plaats van zwart, maar met hetzelfde hart in
+den boezem, open voor vriendschap, vreugde en gezelligheid!
+
+In de vreugd, die hem deze gedachte verwekte, bemerkte hij de luide
+kreten niet, die in den koepel opgingen.
+
+Hij sloop de trappen op en opende de deur met den allervriendelijksten
+lach, die ooit op het geblakerde gelaat van een afgemat dik man
+gerust heeft.
+
+Welk een tafereel!
+
+
+
+Het was een kwade jongen van een jaar of zes, die geweldig schreeuwde
+en stampvoette; het was een vader, rood van gramschap, die was
+opgestaan, zich aan de tafel vasthield met de eene hand, en met
+de andere geweldig dreigde; het was een moeder, wit van angst, die
+den jongen tot bedaren zocht te brengen; het was een groote knaap
+van dertien jaar met een bleek gezicht en blauwe kringen onder de
+oogen, die met de ellebogen op de tafel en een boek vóór zich, om
+het tafereel zat te lachen; het was een klein meisje van vijf jaar,
+dat zich aan mama's japon schreiende vastklemde. Het was Dr. _Deluw_,
+zijne beminnelijke gade, en zijn bloeiend kroost.
+
+"Ik wil niet," gilde de jongen, den stoel omschoppende, die het
+dichtst bij stond.
+
+"Oogenblikkelijk!" schreeuwde de vader, schor van woede, "of ik bega
+een ongeluk!"
+
+"Bedaar, _Deluw_!" smeekte de moeder: "hij zal wel gaan."
+
+"Neem me niet kwalijk, mijnheer!" zei de dokter, moeite doende om zich
+redelijk in te houden; "die jongen maakt het me lastig. Ik zal u zoo
+terstond te woord staan;" en hij pakte den nietwiller bij den kraag.
+
+"Och gut; scheur zijn goed niet, _Deluw_!" vleide de moeder; "hij
+gaat immers al."
+
+"Laat _mij_ maar begaan," zei de dokter, en hij sleepte den snooden
+zoon, die, ondanks het gunstig gevoelen door zijne moeder omtrent
+zijn gehoorzaamheid geuit, geen voet verzette, den koepel uit, in
+het bijvertrekje, waar hij hem in het turfhok opsloot.
+
+"Neem me niet kwalijk, mijnheer," zei mevrouw _Deluw_ middelerwijl
+op hare beurt tot den binnengekomene, "ik ben zoo van me streek; ik
+ben mezelve niet." En om het te bewijzen viel zij op een stoel neder.
+
+"Ik geloof dat het goed zal wezen dat ik eens in de lucht ga," ging
+zij voort.
+
+"Gêneer u niet, mevrouw!" zei de uit de koets gevallen academievriend
+van haar echtgenoot. En zij ging naar buiten; met het snikkende kind
+nog altijd hangende aan haar japon.
+
+De jonge heer _Deluw_, met de bleeke wangen en de blauwe kringen, bleef
+alleen met den heer _Bruis_, en keek hem met onbeschaamde blikken aan.
+
+"Ik zal die burenplagers wel krijgen," zei Dr. _Deluw_ weer
+binnenkomende, daar hij het noodig achtte voor den vreemdeling
+de misdaad te noemen van zijn zoon, opdat deze hem niet voor een
+onrechtvaardig en hardvochtig vader houden zou. "Mag ik vragen?"...
+
+"Buikje!" riep de goedhartige dikkerd, met een gullen lach op zijn
+purperen wangen.
+
+Nu, het woord buikje, diminutief van buik, is een zeer bekend woord;
+althans voor een geneesheer. Echter kwam het dezen geneesheer, uit den
+mond van een vreemdeling, in dit oogenblik vrij ongepast voor. Daarom
+zette de heer Dr. _Deluw_ groote oogen op.
+
+"Buikje!" herhaalde de heer Mr. _Bruis_.
+
+De heer Dr. _Deluw_ dacht dat hij een krankzinnige voor zich zag,
+en daar hij pas zeer boos was geweest, stond hij op het punt om het
+andermaal te worden, vermits het toch in ééne moeite door kon gaan,
+en hij het waarlijk anders zeer zeldzaam en niet dan met _veel_
+moeite werd.
+
+"Wat belieft u, mijnheer?"
+
+"Wel, hebje dan niet met Buikje gegeten?"
+
+De heer Dr. _Deluw_ herinnerde zich geen ander eten dan met zijn
+mond. Hij trok de schouders op.
+
+"Hij is zeker in dien tijd nog vrij wat gezetter geworden, Zwarte
+Daan!" zei de dikke man opstaande van den stoel, waarop hij gezeten
+was.
+
+"_Bruis_!" riep eensklaps Dr. _Daniel Deluw_ uit. "Dat's waar ook, ik
+heette Zwarte Daan, en jij heette Buikje; ik zou je niet gekend hebben,
+man! Wat benje veranderd! Samen gegeten. Welzeker, welzeker. In de
+Plezierige Sauskom." Maar den toon van vroegere gemeenzaamheid even
+spoedig latende varen: "Wat mag ik u aanbieden, heer _Bruis_?"
+
+De uitdrukking "heer _Bruis_" was ongetwijfeld een middending tusschen
+kortweg "_Bruis_" als vroeger, en "mijnheer" als nooit.
+
+"Waar is me vrouw, weet u dat ook?" vroeg de dokter.
+
+"Ze is een weinig van haar streek," zei _Bruis_, "en daarom is ze
+eens in de lucht gegaan."
+
+"_Willem_, ga mama opzoeken!" zei Dr. _Deluw_.
+
+_Willem_ stond vadsig op, rekte zich uit, ging aan de deur van den
+koepel staan, en schreeuwde zoo luid hij kon: "Mama!"
+
+Daarop ging _Willem_ weer zitten, en keek over zijn boek heen.
+
+"Ik wil er uit," gilde de jongen in het turfhok, en trapte tegen
+de deur.
+
+"Wat zal ik je zeggen," zei Dr. _Deluw_, "die knapen tergen je geduld
+wat!--U heeft geen kinderen, meen ik."
+
+"Geen een," zei de dikke man, die intusschen van dorst versmachtte;
+"tot mijn spijt," voegde hij er met een zucht bij, ofschoon het
+tafereel, dat hij voor oogen had gehad, die spijt juist niet had
+verzwaard.
+
+Mama kwam binnen.
+
+"Dit is mijnheer _Bruis_, liefste!" zei de dokter, "van wien ik u
+zoo dikwijls gesproken heb."
+
+Maar mevrouws gelaat drukte uit, dat zij er zich niets van
+herinnerde. Mevrouw _Deluw_ nu was eene zeer preutsche dame.
+
+"Zal ik mijnheer een kop thee presenteeren?" sprak zij; en naar
+een kastje gaande, dat van droogte nooit sloot, haalde zij er een
+gebloemden kop en schotel uit te voorschijn.
+
+De heer _Bruis_ had alles willen geven voor een glas bier of een glas
+wijn en water. Maar het was hem opgelegd, zoo moe en verhit als hij
+was, in een brandendheeten koepel thee te drinken.--Ook brengt het
+vrouwelijk stelsel van een zalig behelpen niet mee dat men in een
+"tuin" van alles krijgen kan; en ook is het eigenaardig dat er in
+een theetuin niets anders _is_ dan thee.
+
+De heer _Bruis_ zette alzoo zijn heete lippen aan een heeter kop thee.
+
+"Mag ik u om nog een weinig melk verzoeken?"
+
+Dr. _Deluw_ merkte wel dat zijn academievriend liever iets kouds had
+gehad, en maakte duizend ontschuldigingen over de slechte ontvangst
+in een koepel, waar men alleen maar van tijd tot tijd heenging om de
+kinderen genoegen te doen. "Jammer dat hier geen kelder is," voegde
+hij er bij.
+
+"Der is een turfhok!" schreeuwde de stoute jongen uit al zijn macht,
+uit de plaatszelve die hij noemde.
+
+"Die ondeugd," zei de moeder met een klein lachje.
+
+"Heeft mijnheer nog meer relatiën te--?" vroeg mevrouw _Deluw_ aan
+den heer _Bruis_, de stad noemende, die ik nog niet genoemd heb.
+
+"Verschoon mij, mevrouw," zei de heer _Bruis_, "ik ken er niemand,
+dan mijnheer uw man;--schoon onze kennis al wat verjaard is," voegde
+hij er zuchtend bij.
+
+"Dat gaat zoo," zei mevrouw _Deluw_; "nog een kopje thee?"
+
+"Dank u, dank u!"
+
+Mevrouw _Deluw_ stond op, neeg, en verklaarde, "dat mijnheer haar
+wel een oogenblik zou willen excuseeren"; waarop zij vertrok. Het
+vijfjarig kind huilde niet meer, maar hing toch nog steeds aan haar
+japon en toog mede.
+
+Toen zijn vrouw vertrokken was, kwam het vriendenhart van dokter
+_Deluw_ weer boven. Gaarne zou hij zich met zijn ouden makker nog
+eens hebben verdiept in oude dingen, in de genoegens van Leiden, in
+herinneringen van de Pleizierige Sauskom, in wat niet al? Hij vond het
+evenwel beter, daartoe zijn gluiperigen dertienjarige te verwijderen.
+
+"Ik kan niet begrijpen, _Willem_! waarom je niet reis wat gaat
+hengelen."
+
+"Hengelen!" zei de gluiperd, zijn tong uitstekende, "'t is ook wat
+lekkers!"
+
+"Of wat schommelen met je zuster."
+
+"Ajakkes, schommelen!"
+
+"De jonge heer schijnt van lezen te houden," zei de heer _Bruis_.
+
+"Ja somtijds, als 't reis niemendal te pas komt," antwoordde
+Dr. _Deluw_.
+
+Gluiperige _Willem_ werd boos, loerde naar den heer _Bruis_, sloeg
+zijn boek met alle macht dicht, stiet het over de tafel dat het
+een heel eind voortschoof, tot groot levensgevaar van het leege
+theekopje van den bezoeker, schopte zijn stoel om, welke handelwijze
+een specialiteit der jongere _Deluws_ scheen te zijn, pruttelde iets
+tusschen zijn leelijke tanden, achter zijn dikke lippen, en vertrok,
+hevig met de deur smijtende.
+
+"Och, die humeuren!" zei de gelukkige echtgenoot en vader.
+
+Ondertusschen was nu de baan schoon voor het hernieuwen der
+vriendschap. De heeren staken ieder een sigaar op en begonnen over
+Leiden te spreken; en het zou juist genoegelijk geworden zijn, toen
+_Jansje_, die altijddoor met den tuinknecht had gestoeid, rood als
+een koraal binnenkwam, om te zeggen dat "daar een knecht was van
+mevrouw _Van Alpijn_, of dokter asjeblieft reis _oogenblikkelijk_
+dáár wou komen, want dat mevrouw zoo naar was."
+
+"Zeg dat ik aanstonds kom," zei Dr. _Deluw_ tot de dienstmeid en
+daarop tot zijn vriend: "Ik denk niet dat het veel te beduiden
+zal hebben. 't Is miserabel in ons vak, dat de menschen je om alle
+wissewasjes laten halen."
+
+Deze phrase nu, is een doktersphrase, die ik meermalen gehoord heb,
+zonder te begrijpen, waarom een geneesheer rede heeft om het den
+menschen kwalijk te nemen dat zij hem niet uitsluitend in doodelijke
+gevallen ontbieden. Moest het niet veeleer de patiënt zijn, die
+zich beklaagde dat zijn arts hem voor alle wissewasjes een visite
+aanschreef?
+
+Hoe het zij, Dr. _Deluw_ maakte zich gereed om naar dit wissewasje
+van mevrouw _Van Alpijn_ te gaan zien.
+
+"Het zal wel anderhalf uur aanloopen eer ik terug kan zijn," zei hij,
+op zijn horloge kijkende; "vind ik u dan nog hier?"
+
+"Ik weet het niet," zei _Bruis_, die stellig plan gehad had dien nacht
+in de ongenoemde stad bij zijn vriend te logeeren; "ik wou zien dat
+ik van avond nog verderop kwam."
+
+"Kom, kom," zei de dokter, "ik kom u hier afhalen, en gij soupeert
+met ons in de stad?"
+
+"Ik weet niet," antwoordde _Bruis_, die gaarne gezien had dat mevrouw
+bij deze uitnoodiging tegenwoordig geweest ware.
+
+"Enfin!" zei de dokter: "wij zullen zien; ik zal u nu bij mijn vrouw
+brengen."
+
+
+
+
+Hoe voortreffelijk zij was.
+
+Mevrouw _Deluw_ was niet ver af, bezig met _Jansje_ te beknorren
+over het leven dat zij maakte; "zij wist ook niet", zei ze met een
+oog op den tuinknecht, "waarom er altijd wat aan dien tuin gedaan
+moest worden, als de familie er in was."
+
+_Deluw_ droeg zijn vriend aan zijne vrouw op, en wilde vertrekken.
+
+"Nog een woordje!" zei mevrouw _Deluw_.
+
+"Wat, liefste?" zei de dokter.
+
+"Zou daar niets aan te doen zijn?"
+
+"Waaraan?"
+
+"Aan die jongens."
+
+"Welke jongens? _Willem_ en...."
+
+"Och neen! aan die jongens daar in 't veld."
+
+"Wat wou je dan hebben dat er aan gedaan werd?"
+
+"Dat het ze verboden werd," zei mevrouw de doctorin.
+
+"Maar lieve, daar hebben we immers 't recht niet toe;" zei de dokter.
+
+"Nu, ik vind het dan al heel indécent, en vooral voor _Mientje_,
+die daar altijd onder den cypres zit; zou je niet...."
+
+De dokter hoorde niet, maar was al weg.
+
+Dit staaltje van echtelijke samenspraak betrof een vijftal knapen van
+acht of negen jaar, die zich op een kwartier afstands van Veldzicht in
+het weiland bevonden, en het op dien brandendheeten achtermiddag veel
+frisscher vonden in het water van den tocht dan in hunne kleederen.
+
+"Uw oudste dochter," zei _Bruis_, toen hij met mevrouw _Deluw_ alleen
+was, "schijnt veel van de eenzaamheid te houden."
+
+"O ja, mijnheer! ik beleef heel veel pleizier aan dat meisje. Ze is
+altijd met een of ander boek in de weer; ik verzeker u dat zij haar
+Fransch nog beter verstaat dan ik; zij leest Engelsch, en Hoogduitsch
+ook."
+
+"Kom aan," zei de heer _Bruis_; "dat 's pleizierig. Ja, hier in
+Holland zijn zulke heerlijke gelegenheden voor dat alles."
+
+Mevrouw _Deluw_ meende dat deze opmerking de verdiensten van haar
+welp verkleinde.
+
+"Het scheelt veel, mijnheer!" antwoordde zij, "hoe men van die
+gelegenheden profiteert; en mijn dochter studeert veel, studeert
+eigenlijk altijd. Haar grootste genoegen is studeeren; en ze houdt
+zich ook niet op met al die dingen, waar een meisje van haar jaren
+anders gewoonlijk pleizier in heeft."
+
+De heer _Bruis_ hield niet van zulk soort van meisjes.
+
+"Hoe oud is uw dochter?" vroeg hij.
+
+"Zestien jaren," zei mevrouw _Deluw_, haar hoofd oprichtende met
+moederlijke majesteit.
+
+"Flos ipse;" prevelde de heer _Bruis_.
+
+"En zoo als ik zeg," ging mevrouw _Deluw_ voort; "Engelsch, Fransch
+en Duitsch. Ik geloof dat ze nu weer met een Engelsch boek is
+uitgegaan. Heeft u haar niet gezien?"
+
+"Ik heb een dame gezien die onder een boom zat te lezen," zei de
+heer _Bruis_, die anders niet gewoon was een meisje van zestien jaar
+eene dame te noemen; maar hij dacht: Engelsch, Fransch en Duitsch,
+en altijd lezen!
+
+"Och, dat is haar lievelingsplekje," zei mevrouw _Deluw_; "wij zullen
+haar eens gaan opzoeken. Het is er koel, en wij kunnen er uitrusten."
+
+Zij naderden het lievelingsplekje; de dochter stond op, en neeg
+nogmaals voor den heer _Bruis_.
+
+Mevrouw _Deluw_ ging naast haar dochter op de tuinbank zitten, de
+heer _Bruis_ vond er een stoel.
+
+"Wij komen hier wat bij je zitten, _Mina_. "Wat lees je daar weer,
+kind? vast weer Engelsch?"
+
+"Och neen, mama! 't is maar zoo'n boek; ik wist zoo gauw niet wat ik
+mee zou nemen; ik zag dit liggen. Is _Jantje_ weer zoet?"
+
+Er was iets zeer schichtigs en onrustigs in het gelaat van
+_Mientje_. Het was, om de waarheid te zeggen, geen heel mooi meisje;
+ook al bleek, en met iets heel leelijks in de oogen, die altijd ter
+zijde uitkeken; daarbij had zij als waren 't zenuwachtige trekken in
+haar gezicht, die den heer _Bruis_ niet aanstonden.
+
+Mevrouw _Deluw_ drong er niet op aan om het boek te zien. Voor zoover
+de heer _Bruis_ merken kon, had het eene sterke gelijkenis op zeker
+werkje, getiteld "Amours et Amourettes de Napoléon", waaruit zonder
+twijfel veel stichtelijks is te leeren voor een meisje van zestien
+jaar.
+
+Eenige oogenblikken zat het drietal daar neder, terwijl mevrouw _Deluw_
+enkel het woord voerde tegen haar dochter, om gezegden uit te lokken,
+die hare groote voortreffelijkheden aan den dag konden brengen; en
+dan schudde zij weder eens het hoofd over de badende kleine jongens,
+een kwartier uurs verre in het land.
+
+"O!" zei _Mina_, en haar vingers trilden zenuwachtig over haar boek,
+dat zij eigenlijk aan stuk zat te maken: "O! het is naar, dat het
+hier zoo onvrij is."
+
+Op dat oogenblik werd haar naam met eene half ingehouden stem
+uitgeroepen.
+
+"Je wordt geroepen, kind!" zei mevrouw _Deluw_.
+
+"Neen, mama," zei _Mina_, en scheurde den omslag bijna van het boek af.
+
+De heer _Bruis_ sloeg met zijn stok boterbloemen en kransjes van
+'t gras.
+
+"_Mina_!" riep de stem op denzelfden toon; "waarom kom je nou niet? Den
+ouwe is naar de stad; en _Jansje_ zegt dat mamalief op den koepel
+zit met een vreemden snoes."
+
+Mamalief zag dochterlief aan. De vreemde snoes deed alsof hij het niet
+merkte en, dicht aan de vaart getreden, scheen hij al zijn aandacht
+te wijden aan een voorbijvarende trekschuit, welke hij dolgraag
+"volk mee" had toegeroepen, had hij zijn valies en jas maar gehad.
+
+Mevrouw _Deluws_ oogen schoten vonken uit; zij kneep _Mina_ in den
+arm. "Wat beteekent dat?" fluisterde zij; maar zij wilde ten overstaan
+van den vreemde geen "scène maken".
+
+"Hoor reis," vervolgde de stem, "geen kuren! Ik weet heel wel dat je
+daar zit, maar ik durf daar niet komen; hier staat je stoeltje nog van
+laatst, en hier kan niemand me zien." Hij zweeg een oogenblik. "Maar
+wat kan 't mij ook schelen, als den ouwe maar uit is!"
+
+Pof; daar sprong iemand van de schutting van N_o_ 32; de boomen
+ritselden; en op het lievelingsplekje der voortreffelijke verscheen
+een opgeschoten knaap van de jaren om op de conrectorschool te gaan,
+met een blauwe pet en een rond buis, en met een zeer dom, ondeugend
+en brutaal gezicht.
+
+"Dat's iets anders!" zei de opgeschoten knaap, zooras hij mama _Deluw_
+en den heer _Bruis_ bemerkte.
+
+"Jongeheer!" begon mevrouw _Deluw_, bevende van woede.
+
+"Is _Willem_ hier niet?" vroeg de opgeschoten knaap, imperturbabel.
+
+"Neen, jongeheer!" antwoordde mevrouw _Deluw_, "en al was hij hier,
+_Willem_ mag niet omgaan met een jong mensch, die me dochter toe
+durft spreken, op een manier, die ... die ... die is, zoo als u
+gedaan heeft...."
+
+"Dat's iets anders," zei de opgeschoten knaap, "maar ik kan 't
+niet helpen dat uw dochter mij naloopt. Haar stoeltje staat bij de
+schutting; niet waar, _Mien_?"
+
+"Je bent een gemeene jongen" zei _Mien_, op haar lippen bijtende;
+"ik heb je nooit gekend, ik wil je niet kennen."
+
+"Dat's iets anders!" antwoordde hij alweer, want dat gezegde
+was waarschijnlijk in die dagen op de conrectorschool onder de
+beschaafde vertalers van _Livius_ en _Virgilius_ aan de orde,--en
+zich omdraaiende: "Compliment aan den dokter."
+
+Hij maakte zich gereed fluitende het tooneel te verlaten.
+
+Op dit oogenblik kwam _Willem_, "die met zulk soort van knapen niet
+mocht omgaan", op.
+
+"Ha!" zei de opgeschoten knaap; "daar heb je dat lieve
+jongetje, dat driemaal in de week den bink steekt. Dat's iets
+anders. _Willempje_? hoe smaken de versche eiertjes uit het kippehok
+van den melkboer?"
+
+En "_Willempje_" bij de hand trekkende, lachte de opgeschoten knaap
+recht smakelijk.
+
+"Het zal mijn tijd worden, mevrouw!" zei de heer _Bruis_, zich houdende
+alsof hij niets gehoord had en uit een diep gepeins ontwaakte.
+
+"Groet uw man nog wel hartelijk, maar het wordt wat laat. Dank uwe
+vriendelijke receptie! Je dienaar, juffrouw _Deluw_; dag, jonge
+heeren!"
+
+En eer mevrouw _Deluw_, die natuurlijk "allerijselijkst confuus"
+was, iets zeggen kon, had de heer _Bruis_ het lievelingsplekje reeds
+verlaten.
+
+Hij haastte zich door de smalle kronkelpaden zijn weg te zoeken.
+
+"Buikje!" klonk het met een sarrigen lach uit een der omhoepelde
+appelboomen.
+
+De heer _Bruis_ voelde al zijn bloed naar 't hoofd stijgen; want het
+was de stem van den zesjarigen knaap, die zooras zijn vader de hielen
+gelicht had, natuurlijk was losgebroken.
+
+De heer _Bruis_ draaide zich naar alle kanten om, ten einde den
+kwajongen te vinden, maar hij zag hem niet. Echter kon hij niet
+nalaten eene beweging met zijn bamboes te maken, alsof hij hem een
+duchtigen slag toediende.
+
+Hij kwam aan de deur; maar, onbekend met de geheimen van het slot,
+duurde het vrij wat, eer hij er in slaagde die open te krijgen,
+waarin hem natuurlijk zijn haast en schutterigheid tegenwerkten;
+terwijl de jongen in den appelboom, met allerlei verandering van stem,
+zijn academischen alias bleef herhalen.
+
+"Goddank!" zei de heer _Bruis_ uit den grond van zijn hart, toen hij
+de Meester-Jorislaan uit was, met het vaste voornemen om zich naar
+het eerste logement het beste in de stad, die ik nooit noemen zal,
+te spoeden. Hij was juist nog niet veel _koeler_ geworden.
+
+
+
+"En nu uw vriend, Dr. _Deluw_!" vroeg mevrouw _Bruis_, toen haar
+goedhartige echtgenoot, acht dagen daarna, aan hare zijde van de
+vermoeienissen der reis zat uit te rusten, zich verkwikkende aan een
+groot glas rijnschen wijn met bruisend fachingerwater en suiker.
+
+"Ben je daar prettig ontvangen? Was hij niet opgetogen u te zien? Heeft
+hij een lieve vrouw en mooie kinderen?"
+
+"Mijn vriend Dr. _Deluw_, wijflief! heeft een heelen mooien theetuin,
+een vrouw, twee zonen en twee dochters, waar hij veel pleizier aan
+beleeft, vooral aan de oudste dochter."
+
+Toen roerde hij nog eens in zijn groot glas wijn, fachingerwater en
+suiker, en dronk het in ééne teug uit.
+
+
+
+
+
+
+
+VERRE VRIENDEN.
+
+
+Het is eene onbeschrijfelijke gewaarwording en een geheel eigensoortig
+genoegen, een vriend uit verre landen, na langdurige scheiding,
+weder te zien. Ik heb het eens in vollen nadruk gesmaakt. Geheel
+onverwacht trad er mij een onder de oogen, dien ik voor toen ruim
+vijf jaar met vele tranen had vaarwel gezegd, en van wien ik sedert
+maar weinig had vernomen. Het was _Antoine_--van Constantinopel. Een
+eerwaardige afstand, van hier tot den Bosporus, lezer! en die ik hoop
+dat u met eerbied voor ons beiden vervullen zal; me dunkt althans dat
+het mij zeer belangrijk maakt, zoo ver van huis een vriend te hebben;
+en toch, ik zag liever al mijne vrienden binnen de grenzen van dit
+goede Holland.
+
+Om de waarheid te zeggen, het behoort onder de domme streken mijner
+jeugd, dat ik zoo dikwijls met vreemdelingen in vriendschap ben
+vervallen; gelijk ik het dan ook, door ondervinding wijs, iedereen die
+een gevoelig hart in de borst heeft, stellig afraad; want! vroeger
+of later, slaat hun uur, en zij vertrekken, de één voor, de ander
+na, naar de vier hoeken des winds, zonder iets achter te laten dan
+een treurend herdenken, en een albumblaadje. Ik heb vrienden in
+Engeland, vrienden aan de Kaap, vrienden in Turkije, te Batavia,
+in Demerary, in Suriname! Met enkele, de dierbaarste, houd ik een
+geregelde briefwisseling; maar wat zijn brieven op zulk een verren
+afstand? Zij kunnen ons de betrekkingen en toestanden, waarin onze
+vrienden verkeeren, niet duidelijk maken! Van anderen heb ik, na het
+eerste bericht van behouden thuiskomst, niets meer vernomen. De meeste
+zal ik nooit wederzien; zij zijn, ongestorven, dood voor mij. Vele
+weten niet eens dat ik somtijds en met innige liefde aan hen denk, en
+ik zou wenschen, dat _Hildebrand_ wereldberoemd ware, en dit zijn boek
+overal verspreid en gelezen, opdat, zij dit ten minste weten mochten!
+
+Neen! ik had het nooit moeten doen. Welke goede jongens zij ook
+waren, hoe verlokkend hun omgang, hoe belangrijk hun verkeer, hoe
+innemend hun manieren, hoe met mijn smaak overeenkomstig hun smaak
+ook zijn mochten, ik had hen op een afstand moeten houden; ik had
+mijn hart beter moeten bewaken; ik had, zoodra, ik een enkel zaadje
+van vriendschap voelde kiemen, het moeten onderdrukken en tegen mijn
+gevoel te velde trekken, zoo als een verstandige molenaarsdochter
+doen zou, wanneer zij bemerkte dat zij bij ongeluk op een prins of
+een bisschop verliefd geraakte. Ik zou dan ettelijke keeren minder
+met den mond vol tanden hebben gestaan, waar ik zoo gaarne duizend
+lieve en hartelijke woorden had gesproken; want afscheidnemen is een
+moeielijk ding! Ik zou dan zoo dikwijls niet mal hebben staan kijken
+als er een stoomboot afvoer, of een wagen wegreed; ik zou niet zooveel
+nachten hebben wakker gelegen met angst luisterende naar den storm,
+en gedenkende aan de vrienden die op zee waren;
+
+
+ "Die met zoo weinig houts op zooveel waters drijven,
+ Voor wie de stormen, die hun razen over 't hoofd,
+ In 't schuimend golfgewoel geduchte teeknen schrijven,
+ Wier zin gevaar en dood belooft.
+
+ Het graf gaapt onder hen en dreigt hen allerwegen,
+ Hun doodskleed ligt geplooid en ruischt hun in 't gemoet;
+ Hun lijkzang klinkt hun oor in iedre windvlaag tegen--
+ O Heere, zij vergaan! tenzij gij hen behoedt!"
+
+
+Ik zou niet zoo dikwijls op eenzame wandelingen hebben stil gestaan
+bij plekjes, waar ik gewoon was iemand bij mij te zien, die nu verre,
+verre weg is en daar nooit meer zal komen. Die gedachte werpt een
+nevel over hunne schoonheid.
+
+Ondertusschen kan ik mijn geheugen niet genoeg prijzen voor
+de diensten, die het mij ten opzichte van mijne verre vrienden
+bewijst. Niet alleen roept het hunne namen en beeltenissen beurtelings
+met eene getrouwe nauwgezetheid voor mijn geest terug, maar ook brengt
+het duizend zeer uitvoerige tooneeltjes op het doek der camera obscura
+des terugdenkens. Vooral het uur des afscheids staat van ieder hunner
+in alle bijzonderheden mij voor den geest; de traan, de uitgestrekte
+hand, de bevende lip, de gedwongen lach, de laatste woorden, de
+wuivende zakdoek in de verte, het omgaan van den laatsten hoek,
+en het geheel verdwijnen! Dat alles voel ik nog; en dan zie ik weer
+rondom mij al de onverschillige gezichten, die niets met dat afscheid
+te maken hadden, schoon zij het bijwoonden; en dan voel ik weder de
+gewaarwording van eenen dierbaren vaarwel gezegd te hebben en na te
+staren, en terug te keeren tot de bedrijvige wereld, de drukte op
+straat, de drukte in huis en het "wat kan 't me schelen?" gezicht
+van eene maatschappij, waarin iedereen zijn eigen vrienden heeft,
+en zijn eigen weg gaat. Waarde B--! die nu aan Afrika's zuidelijken
+hoek den pols van drieërlei rassen voelt en die, naar ik hoor, reeds
+de bruiloft gevierd hebt van de dochter uwer vrouw--(want gij hadt
+een zeer jonge weduwe getrouwd met drie lieve kinderen, en bij u te
+land trouwen de meisjes op haar veertiende jaar)--nog staat mij het
+geheele tooneel voor oogen van uw afscheid uit Leiden, toen gij voor
+vier jaren in de maand Juni met den Colombo uit zoudt zeilen.
+
+Het was zes uur in den morgen, toen het groote rijtuig voor moest
+komen, dat u naar Rotterdam zou brengen.
+
+Nog zie ik uwe bovenkamers in die zonderlinge verwarring,
+onafscheidelijk van het vertrek van iemand die met zijn geheele
+huishouden en al zijn meubelen optrekt; den vloer overdekt met
+koffers, sluitmanden, valiezen. Hier de minne, het kleine, lieve,
+en pas ontwaakte _Wimpje_ aankleedende, die, verwonderd zoo vroeg
+gestoord te zijn, met de bruine oogjes, nog strak van den slaap, zat
+rond te turen; daar uwe vrouw voor den spiegel haar mooi haar in orde
+brengende; en ginds uzelv', op de knieën voor een klein zaktoilet,
+dat op een koffer stond, uw baard scherende; den kleinen _Jan_
+(wat zal hij al groot geworden zijn!) geheel gekleed en veel te
+vroeg klaar, met een blikken sabel en papieren patroontasch om, en
+een houten geweertje in den arm (een kind doet alles spelende) tot de
+groote reis gereed. _Mimi_ en _Jansje_, (het is immers _Jansje_, die
+getrouwd is?) uw kleinen _Louis_ zoet houdende; onzen vriend F. (hij
+is reeds ter ziele, de goede jongen!) nog altijd slovende, zwoegende
+en sjouwende om het laatst gebruikte goed te helpen inpakken; en uw
+trouwsten vriend _Bram_, half door zijne gewone vroolijkheid verlaten,
+gereed om u tot Rotterdam te geleiden. Nog zie ik al die kasten open;
+en op de planken hier en daar eenige voorwerpen van te weinig waarde om
+meegenomen te worden: een koffiekan, een gekramden kop en schotel, een
+oude pop, een half versleten schaapjen op drie pooten; ginds een paar
+pantoffels; wat verder een gesp; op een andere plaats een gescheurde
+trommel van _Jan_; aan een kapstok, een ouden pantalon van u; en in
+een hoekjen een masker, dat gij te Berlijn op de maskerade gedragen
+hadt, en dat _Bram_ meenam in 't rijtuig om de kinderen vroolijk te
+houden. Al het gedraag met mantels, hoeden en jassen.--Het verwarde,
+bezige en drukke van dit vertrek verstrooide onze aandoening; maar toen
+gij allen op het rijtuig zat, en achter den voerman, die niet eens
+begreep dat gij naar de Kaap gingt, en wegreedt met die lieve vrouw
+en die lieve kinderen--toen schoot het gemoed mij vol. Ik stond nog
+lang in gedachten, nadat de wagen reeds uit het gezicht verdwenen was,
+en toen ik de oogen weer rondom mij sloeg, nam ik het zeer kwalijk dat
+de metselaars met een korte pijp in 't hoofd naar hun werk gingen,
+en de melkboeren met groote koelbloedigheid overal aanschelden, en
+de karren begonnen te rijden! maar vooral, vooral! dat het kermis
+was en dat er kramen stonden.--Waarom komt ook gij niet eens terug,
+zooals _Antoine_ deed?
+
+
+
+De vader van _Antoine_ is een Italiaan van geboorte, maar
+genaturaliseerd Hollander, en bekleedt een hoogen rang onder ons
+gezantschap bij de Porte. Als zoodanig resideert hij sinds een aantal
+jaren te Pera. _Antoine_ was als kind te Marseille gekomen en had
+daar zijn eerste onderwijs ontvangen. Als knaap werd hij op een der
+kostscholen in mijn vaderstad gedaan, en wij leerden elkaar in het
+gelukkige tjjdperk van veertien tot zeventien kennen, en droegen
+elkander wederkeerig een warme en trouwe jongensvriendschap toe. De
+jongensleeftijd is waarlijk zoo kwaad niet voor de vriendschap, daar
+het toch welbekend is dat deze het geluk bemint. Ja, ik zou bijna den
+jongenstijd den àllergeschiktsten voor eene wederzijdsche genegenheid
+achten. De latere jongelingschap moge nog even belangloos zijn en
+evenmin afhankelijk van maatschappelijke scheidsmuren van rang,
+stand, en wat dies meer zij, maar zij is te rijp; men kent alsdan
+elkander te veel, te veel van nabij; men heeft reeds te veel kijk
+op den inwendigen mensch! Een jongen is _geheel_ buitenkant! Men
+heeft later geleerd zich rede van zijn genegenheid te geven;
+te onderzoeken, na te gaan, te verdenken; ook heeft men zoo vele
+zedelijke behoeften, en eischt zoo velerlei in een vriend! Men heeft
+voorzichtiger lief, verveelt elkander spoediger, verkoelt lichter,
+beleedigt schielijker. Jongens weten van dat alles niets. De titel
+"een goede jongen" geeft recht genoeg op dien van "goeden vriend",
+en er wordt geene andere sympathie gevraagd, dan dat men b.v. allebei
+graag wandelt, graag vuurwerk afsteekt, graag baadt, graag wat ouder
+zou zijn, graag de jongejuffrouwen van een kostschool tegenkomt, en
+niet graag latijnsche themata maakt. Het geheele doel der onderlinge
+genegenheid wordt bereikt, als men zich onder 't ongestoord genot
+eener goede verstandhouding te zamen vermaakt. En wordt die goede
+verstandhouding al eens verbroken, door eene kleine jaloezie, of een
+kleine ontrouw, nu! dan zijn er immers aan weerskanten twee vuisten om
+te slaan, en twee voeten om beentje te lichten; en dan is het alles
+over, en men haalt elkaar weer af om te zamen schuitje te varen en
+in stilte een sigaar te rooken, en toont de vuisten aan iedereen en
+licht het beentje van elk, die niet gelooft dat men weer goemaats
+is. Ziedaar de vriendschap van dien leeftijd.
+
+_Antoine_ en ik althans verstonden elkander best, en vooral dan,
+wanneer wij bijvoorbeeld beiden op dezelfde jongejuffrouw verliefd
+waren, een toestand waarin wij zeer dikwijls te zamen hebben
+verkeerd. Met de meest mogelijke bonhommie wonden wij dan elkander
+op met de blijken van genegenheid onzer schoone, en vonden niets
+genoeglijker dan tegelijk elkanders mededingers en vertrouwelingen
+te wezen. Gij hadt ons moeten zien, lezer! als wij bezig waren op
+onze wandelingen beiden denzelfden naam in een boom te snijden of
+het stoute plan overlegden om beiden haar een teeder briefje te
+schrijven. Ik herinner mij ook zeer goed de bijzonderheid dat wij
+op een kermiswandeling onzen horoscoop trokken, en beiden voor onze
+toekomstige gade letterlijk hetzelfde portret zagen, ofschoon wij
+onder verschillende planeten geboren waren, en het schelletje hem
+veertien, en mij slechts elf kinderen voorspelde. In het tafereel,
+dat van mijn toekomstig lot werd opgehangen, kwam voor "dat een
+wagen mij een ongeluk zou dreigen, waarvoor ik echter door de hulp
+van een goed vriend zou worden behoed", en ik had op dat oogenblik
+willen zweren dat die goede vriend niemand anders zou kunnen zijn
+dan mijn zwartlokkige _Antoine_. En ondertusschen! hoe ver zijn wij
+vaneengescheurd!--en hoe weinig mogelijkheid bestaat er dat, indien ik
+ooit in ongelegenheid met rijtuigen kom, het zijn getrouwe arm zijn
+zal die mij redt.--O, als wij dat eens nagaan, hoe dikwijls wij het
+personeel moeten veranderen, dat in onze droomen en vergezichten en
+luchtkasteelen optreedt; hoe vaak wij er van afzien moeten, het tooneel
+van onze toekomst te bevolken met degenen die er, in onze mijmeringen,
+zoo menigmaal en in zulke nauwe betrekkingen, op hebben gefigureerd,
+en zonder welke wij ons bijna geen toekomst denken konden; en hoe,
+in het tooneelspel van ons leven, achtereenvolgens de eene rol voor,
+en de andere na, aan geheel andere personen wordt opgedragen, dan
+aan wie wij die hadden toegedacht: dan zien wij eerst recht, hoe
+wonderlijk de lotbus geschud wordt, en hoe vreemd en wisselvallig de
+raderen der maatschappij omloopen, en dat wij, aan onze mijmeringen
+en vooruitzichten toegevende, beuzelden, en met even weinig zekerheid
+beuzelden, als toen wij onzen horoscoop lieten lezen, en het schelletje
+klinken, en in den kijker naar onze lieve aanstaanden tuurden.
+
+
+
+Om tot _Antoine_ terug te keeren. Hij was voor den handel bestemd,
+en zooras zijne voorbereidende opvoeding voltooid was, vertrok hij
+naar Antwerpen om dien te leeren. Dit was onze eerste scheiding, maar
+verzoet door het vooruitzicht dat ik hem somtijds zien, en dat hij
+eenmaal Amsterdam tot zijn vast verblijf kiezen zou. De gebeurtenissen
+van 1830 dreven hem uit de Scheldestad, en ik zag hem op een goeden
+avond aan mijns vaders huis aankomen, na een overhaaste vlucht uit de
+bedreigde muren. Hij kwam mij toen zeer belangwekkend voor; vooral
+daar hij al zijn goed had achtergelaten en een nachthemd van mij te
+leen vroeg, hetwelk ik zeer avontuurlijk en romanesk vond. Het viel
+mij echter tegen dat hij nergens een dooden kogel of eerlijke wonde
+had gekregen. Niet lang duurde het, of hij werd door zijn vader naar
+Constantinopel opontboden. Met veel tegenzin ging hij derwaarts. Hij
+was aan Holland gehecht. Zijn geboorteland kende hij niet. Zijn
+vader herinnerde hij zich niet. Zijn moeder was overleden, en in de
+plaats van deze zou hij een stiefmoeder vinden, niet veel ouder dan
+hijzelf. In 1831 vertrok hij, en wij namen een droevig afscheid. Ik
+gaf hem een plattegrond mijner geboortestad mede, waarop ik met roode
+stippen alle plaatsen, op welke hij eenige betrekking gevoelde, had
+aangeteekend. Hij heeft dit gedenkstuk trouw bewaard. Ik zond hem een
+brief te Marseille; en weldra kreeg ik er een van hem uit Stamboul,
+die tot mijn overgroote vreugde, met vele gaten doorprikt en door den
+azijn gehaald was. Hij was in zevenentwintig dagen van Marseille tot
+Constantinopel overgekomen. De pest en de cholera waren een weinig
+vóór hem gearriveerd; Pera was juist afgebrand, en het huis van zijn
+vader in de asch gelegd. Hij had zich daarop naar diens buitenplaats
+gespoed. Niemand had hem herkend. Hij had zich bij zijn eigen vader
+voor een vriend van diens jongsten zoon uitgegeven, die hij zelf was,
+en bracht berichten omtrent hem mee. Hij wist natuurlijk alles zeer
+nauwkeurig. Aan tafel zat hij op de plaats der eere, naast zijne
+stiefmoeder. Zijne zusters waren schoon, en zijn vader vond zijn toon
+met haar kennelijk wat te vrij voor een vreemdeling. Bij het nagerecht
+had hij zich met een toost en vele tranen bekend gemaakt. Van het
+land hing hij mij geen aanlokkelijk tafereel op; het was veel te
+mooi voor de Turken; de Franken waren er trotsch; de meisjes lui,
+niet mooier dan ergens anders, onbeschaafd en van niets sprekende
+dan van de keuken; van tijd tot tijd aan de liefde offerende en hare
+kinderen op straat verlatende. Hij verzuchtte naar Holland en zijne
+vrienden. Ik vertroostte hem met een brief, dien hij nooit ontvangen
+heeft, en onze correspondentie ging te niet. Daar stond hij eensklaps
+vóór mij, na eene afwezigheid van vijf groote jaren, een geheel ander
+en toch dezelfde. Hij had Rusland, Duitschland, Frankrijk, België en
+Engeland, zoowel als de Levant, doorreisd en doorkropen, maar hij
+was toch _Antoine_ gebleven; zijn gelaat en zijn gemoed waren niet
+veranderd. Van geslacht een Italiaan, van vaderland een Turk, van
+moedertaal een Franschman, van opvoeding een Hollander, van geloof
+een Catholiek, en van hart een goede jongen. Doch hoe verrijkt aan
+inzicht, kennis, wereldburgerschap en ondervindingen! Hij sprak behalve
+Fransch en Hollandsch, als vroeger, nu ook de talen van al die landen
+die hij had bezocht. Wij voerden 't gesprek meest in 't Engelsch,
+of in 't Fransch; want zijn Hollandsch had hij wel goed onthouden,
+maar hij had zooveel te zeggen waaraan hij nooit in 't Hollandsch had
+gedacht. Zijn Hollandsch was niet rijker dan 't woordenboek van iemand
+van zeventien jaar. Nu telde hij tweeëntwintig. Hij had aangezeten met
+Turksche bassa's en het hof gemaakt aan Russische prinsessen: hij had
+rozenolie, juweelen, opium en pastilles aan Poolsche joden verkocht,
+met Duitsche gravinnen gedanst, met Fransche incroyables gespeeld, en
+met dikke lords toosten ingesteld; hij had zeeën doorkruist, ijzerbanen
+overgevlogen, kou en hitte getart, quarantaines gehouden, de liefde
+gekend, de pest ontvlucht, en den dood onder de oogen gezien; maar
+daar zat hij in onze nederige tuinkamer, geheel dezelfde in oogen,
+hartelijkheid, goedwilligheid, heuschheid, en vriendschap, als toen
+ik voor vijf jaren in zijn album schreef:
+
+
+ Geen grootspraak op dit blad, geen duurgezworen eeden,
+ Die overbodig zijn, of ongemeend meestal!
+ Maar laat mijn naam alleen een plaats er op bekleeden,
+ Die al mijn vriendschap u gewis herin'ren zal.
+
+
+Hij was nauwelijks in Holland aangekomen of hij was naar mijne woonstad
+geijld, die hij "het paradijs zijner jeugd" noemde, en nauwelijks in
+mijne woonstad, of hij bezocht allereerst zijn vriend _Hildebrand_. Ik
+verheugde mij twee dagen in zijn bezit.
+
+
+
+Ik weet niet of gij den toestand kent, waarin een dergelijke ontmoeting
+u brengt. In 't eerst is men in een dwaze houding; men maakt bijna
+een mal figuur. Men vliegt elkander met naïeve vreugd in de armen,
+maar men is schrikkelijk bang om te theatraal te zijn, en men voldoet
+zichzelven niet in hartelijkheid. Vrouwen zijn in zulke oogenblikken
+natuurlijker en geven zich meer aan haar gevoel over. Zij schreien
+aan elkanders hart; het is veel zoo het bij ons tot een traan komt,
+die zich nog achter een lach wil verbergen. Ach! wie wij ook zijn
+mogen en hoeveel melk er ook in ons bloed moge wezen, wij zijn allen
+eenigermate onder den invloed van hen die hardvochtiger zijn dan wij,
+en veel minder bang om ongevoelig dan om belachelijk te schijnen. Zoo
+trekken wij niet zelden onze warme gevoelens het koude harnas der
+krachtbetooning aan, waarin zij beven en bibberen, en verbergen
+de lieve trekken onzer zachtaardigheid achter eene harde grijns,
+opdat wij toch vooral leelijker zijn zouden. Bloodaards! niet te
+ver met deze huichelarij! Ook van haar zal God rekenschap vergen;
+ook van het gevoel dat wij verloochend hebben, van de tranen die wij
+onderdrukten uit lafhartigheid.
+
+Wat ons betreft, wij waren alleen; ik ken er die ons kinderachtig
+zouden hebben genoemd en toch, toch beviel ik mijzelven niet. En
+toen nu de eerste handschuddingen en begroetingen voorbij waren,
+daar stonden wij met den neus voor een berg blijdschap, voor een berg
+verwondering, elk met een berg mededeelingen achter zich, en met heele
+bergreeksen vragen ter rechter- en ter linkerhand; en door dit alles
+zoo belemmerd en ingesloten, dat wij geen vin verroeren konden! 't Zou
+voor een koel aanschouwer en toehoorder bijna lachwekkend geweest zijn,
+op te merken hoe onhandig wij van weerskanten in dien bonten warhoop
+van 't verleden rondtastten, opdat wij elkander den doorleefden tijd
+goed voor de oogen stellen mochten; hoe ongepast wij over en weder
+de boeken in den wilde opsloegen, om een denkbeeld van den inhoud te
+geven; hoe wij dikwijls de behoefte gevoelden om iets te verhalen
+of te vragen, zonder te weten: "wat dan toch eigenlijk?" en welke
+nietigheden wij elkander naar 't hoofd wierpen! Zoo veel is zeker, dat
+ik duidelijk eene groote ontevredenheid gevoelde over het weinige dat
+ik in dat eerste uur toch eigenlijk de moeite waard achtte om verteld
+te _worden_; een klaar bewijs van de onbeduidendheid der voorvallen
+van 't menschelijk leven, die, als zij voorbij zijn, dikwijls niet
+veel meer belangrijkheid voor ons hebben dan de kolommen van een
+oude courant.
+
+Maar langzamerhand kwam er licht in dien baaierd, en hij ordende zich
+van lieverlede. De behoefte om vertellingen te doen, ervaringen op
+te biechten, ondervindingen op te vijzelen, en elkander om strijd te
+verbazen, hield op. Nu volbrachten hart en geheugen hun verrichtingen
+geregeld, want de onnatuurlijke toestand van beiden ontspande zich. En
+zelden smaakte ik zoeter uren dan die waarin wij elkander in onzen
+wederzijdschen levensloop met oprechtheid inleidden, en de heerlijke
+ontdekking deden, dat er na een groot tijdsverloop en uiteenloopende
+ondervinding, veel gelijkheid van beginselen en gevoelens in onze
+ziel was blijven bestaan.
+
+En inderdaad, hij moet zich mijner dikwijls herinnerd hebben, want
+hem was niets vergeten. Hij wist allerlei kleinigheden, allerlei
+bijkomstigheden op te halen, die hij niet zou hebben onthouden indien
+hij mij minder had liefgehad. De geheugenis toch van kleine te zamen
+gesmaakte genoegens (ja van de groote en meer innige zelfs) vergaat,
+verteert, vervliegt in den luchtstroom onzer verstrooiingen, onzer
+bezigheden, onzer studiën. Het vuur onzer driften verbrandt ze in ons
+hart, of het ijs onzer bezadigdheid bevriest ze; de wereld lost ze op
+in den rusteloozen vloed van aandoeningen en ondervindingen die er
+overheenstroomt, of onze dartelheid, onze trots, en datgene in ons,
+dat wij "er uitgroeien" noemen, vernielt en verdoet ze moedwillig,
+tenzij wij ze balsemen met de geurige zalve onzer liefde!
+
+
+
+De volgende dag was voornamelijk aan de vreugde der herinnering
+gewijd. Wij gingen wandelen. Onze meeste genoegens hadden wij buiten
+gesmaakt. De jongensvriendschap is eene veldnimf; ons had zij aan
+heldere beekjes, in dichte bosschen, en vooral op de blanke duinen
+omgeleid. En deze tooneelen hadden het minst verandering ondergaan. Wel
+kwamen wij hier en daar waar het niet was als vroeger, waar wij een
+aanleg niet herkenden, die verlegd was, of een brug niet meer vonden,
+waarop wij hadden zitten hengelen, of een bosch zagen omgehakt,
+met de namen onzer schoonen en al, in de stammen,--en het was eene
+onaangename teleurstelling; ja ik schaamde mij haast voor mijne
+landgenooten, die de verandering hadden teweeggebracht. En toch wil
+ik wedden dat mijn vriend evenmin voldaan zou geweest zijn, indien
+hij _alles_ volkomen in dien staat gevonden had, waarin hij het had
+gelaten. Want ook dan zou hij het werkelijk anders gevonden hebben
+dan hij zich had voorgesteld. Wij menschen denken ons in afwezigheid
+het achtergelatene zoo stereotiep niet, en vooral niet als wijzelf
+zeer bewegelijk zijn en in onze nabijheid, alles zien veranderen,
+vervallen en vernieuwen. Ook heeft het iets stuitends voor ons gevoel,
+dat alle oorden, plaatsen en dingen, als _wij_ er niet meer zijn,
+volkomen blijven kunnen zooals zij waren, toen wij ons in hun midden
+bevonden; en het wekt een soort van wel onbillijke, maar toch van
+verontwaardiging op, dat zij zich volstrekt niet aan ons aanzijn of
+afzijn storen, en veel standvastiger en veel beter gegrond zijn dan
+wijzelf! eene verontwaardiging niet ongelijk aan die, welke een min
+of meer bestoven vriendenkring gevoelt voor een doodnuchteren gast.
+
+Zoo er onder mijne verre vrienden zijn mochten, die dit lezen en
+niet gelooven, weet ik er niet beter op dan dat zij er zich van
+komen overtuigen.
+
+Hoe het in _hunne_ harten is weet ik niet; maar _ik_ dwaal dikwijls
+in verbeelding en in werkelijkheid rond en bezoek de plaatsen die
+wij te zamen zagen, en herinner mij menig genoegelijk uur, en menig
+vertrouwelijk gesprek, en menige vurige betuiging en openhartige
+belijdenis. Ik spreek van hen met dezulken die hen gekend hebben, en
+wek bij allen die mij dierbaar zijn den lust op _om_ hen te kennen;
+ik doorblader hun geliefkoosde boeken en herlees de bladzijden, die
+wij te zamen lazen; ik zoek hunne namen in mijn dagboek, dat menig
+opgeteekende bijzonderheid behelst, die er duizend niet opgeteekende
+voor mijn geest terugroept; ik houd de kleine souvenirs, die zij
+mij nalieten, in hooge waarde. Mijn gedachte houdt hen allen bijeen,
+als in een stevig snoer. Broeders! wij zijn ver uiteengespat op de
+wereld; bergen en zeeën scheiden ons en blijven ons scheiden, en
+het is slechts een enkele uwer, dien ik eenmaal en met innige vreugd
+mijner ziel weder mocht zien; voor de meeste heb ik die zoete hoop
+opgegeven. Ieder onzer heeft zijn eigen loopbaan vóór zich, en zijn
+eigen dierbaren rondom zich, en menigen nieuwen vriend, die menigen
+ouden heeft vervangen, en boven ons allen, in het oosten en westen,
+in het zuiden en noorden, welft zich dezelfde blauwe hemel, en waakt
+dezelfde Voorzienigheid! Zij zegene een iegelijk uwer. Gedenkt mijner.
+
+1838.
+
+
+
+
+
+
+
+NAREDE, EN OPDRACHT AAN EEN VRIEND.
+
+(Eerste Uitgave.)
+
+
+_Beste Vriend!_
+
+Toen ik de voorgaande bladen gedrukt zag, begreep ik dat er nog iets
+aan ontbrak, alvorens ik ze de wereld in kon zenden. Eerst had ik
+gedacht er eene scherpe Voorrede vóór te schrijven, zeer hatelijk tegen
+dezen of genen collega-auteur, die mij nooit kwaad had gedaan, maar
+daar ik een hekel aan had of jaloersch van was. Doch daar ik niemand
+kon bedenken, die in deze termen viel, moest ik wel van dit fraaie
+plan afstappen. Toen meende ik eene geheele slagorde van onderkraste
+en tweemaal onderkraste duchtigheden tegen de heeren recensenten
+te richten, die _ik_ niet ken, en die mij... ik had kunnen zeggen:
+"zullen verguizen"; het is een plechtig woord en bij teleurgestelde
+schrijvers zeer gebruikelijk. Maar het was duizend tegen een, dat men
+mij verweet die uitvallen te hebben nageschreven. Daarop heb ik van
+alle hatelijkheden afgezien, hetwelk te beter was, daar ik ze in mijn
+boek ook niet had toegelaten. En dewijl ik plan had dat boek aan u op
+te dragen, besloot ik eindelijk al wat ik er nog over te zeggen had
+met die toewijding aan u samen te smelten, en daartoe schrijf ik deze
+Narede. Iets onaangenaams te zeggen zou mij nu geheel onmogelijk zijn;
+want hoe zou het gaan kunnen in de nabijheid van uwen naam?
+
+Gij weet hoe en wanneer ik deze opstellen heb bijeengekregen. Zij
+zijn bedacht in verloren uren, tusschen de wielen en op het water,
+op wandelingen en in vervelende gezelschappen. Zij zijn geschreven in
+oogenblikken, waarin een ander zijn piano opensluit, of een pijp rookt,
+of over _Don Carlos_ praat. Zij werden in gezellige uurtjes voorgelezen
+onder vrienden, alleen onder vrienden. Nu ze dan bijeenvergaderd zijn
+en aan het publiek worden overgegeven, hoop ik dat het publiek ze
+als zoodanig zal beschouwen. Al wie nu niet van _Hildebrand_ houdt,
+moet ze maar niet lezen. Gij en de andere academievrienden zullen
+er hem in hooren praten en vertellen, en er veel in wedervinden dat
+hij dikwijls mondeling met hen heeft behandeld. Zij zijn herwaarts
+en derwaarts gegaan met hunne respectieve doctorale graden, en dit
+boek zend ik hun na als eene gedachtenis aan ons genoegelijk verkeer,
+en mijn hartelijken vriendengroet voeg ik er in gedachte bij.
+
+Wie _Hildebrand_ is weet iedereen wel; er is somtijds met veel
+scherpzinnigheid naar geraden. Ook maak ik er geen geheim van, noch
+poog mij te laten doorgaan voor een veertig jaar ouder of een veertig
+maal beter dan ik ben. Het goede publiek hebbe vrede met den naam;
+ook is het om 't even of men _Jaap_ heet of _Hildebrand_.
+
+Maar de naam van het boekzelf heeft mij veel moeite gekost. Het was
+zoo heel moeielijk de verschillende stukken onder één etiquette te
+brengen, en de uitgever wilde iets hebben dat niet al te versleten
+was. De camera obscura is tegenwoordig zeer op de spraak, en de
+aanhaling van _Anonymus_ op de eerste bladzijde toont aan met welk
+recht ik dit werktuig hier heb durven tepasbrengen.
+
+Soms verbeeld ik mij dat deze bundel papiers eenige verdienste zou
+kunnen hebben ten opzichte van onze goede moedertaal. Tot nog toe had
+zij voor den gemeenzamen stijl niet veel aanlokkelijks. Ik ben evenwel
+de eerste niet, die het waagt haar het zondagspak uit te trekken en wat
+natuurlijker te doen loopen. Ik hoop dat ik mij niet te véél vrijheden
+zal hebben veroorloofd, en vraag vergiffenis voor de drukfouten. [12]
+
+Ach, ach, ach! die drukfouten zijn een kruis! Op bladzij 12 staat
+19 in plaats van 17; op bladzij 13 (onderaan) staat (hoe is het
+mogelijk?) _onverschilligst_ in plaats van _onbillijkst_. Ik wed
+dat er nog honderden in zijn die ik over het hoofd heb gezien! Maar
+ééne: die ik niet heb over 't hoofd gezien, en die mij meer dan alle
+grieft, staat op bladzij 160. Ik weet zoo goed als gij, dat van een
+"schalksche boerin" te spreken, even dwaas is als te zeggen: "een
+geksche boerin", en dat "zij lachte schalks" er evenmin doorkan,
+als "zij lachte mals"; en daarom had ik de maagd op bladzij 160 ook
+"schalk" laten omkijken. Toen kwam de letterzetter, en schudde daar
+het hoofd over, en zette "schalks". Toen kwam ik, en werd boos op den
+letterzetter, haalde de S door en schreef er het gewone _deleatur_
+bij. Ik kreeg eene revisie, zag mij gehoorzaamd, en gaf het verlof
+tot afdrukken. Toen sloop ik weet niet welke hand nogmaals in de
+proef en verkorf het weer. Ik val die hand niet hard. Zij volgde
+het voorbeeld van vele en van bekwame handen. Maar ik bedroef mij,
+lief_sche_ vriend, dat men thans zoo onkundig_sch_ onze schoon_sche_
+moedertaal is geworden, en zoo gewoon_sch_ aan dien verkeerd_schen_
+uitgang, dien men bij de oud_schere_ schrijvers te vergeefs zoeken zou.
+
+Ziedaar eene lange historie van ééne enkele drukfout. Op bladzij 101
+staat _bragt_ in plaats van _bracht_. "Dat komt van die aanmatiging
+om met _Bilderdijk_ te spellen!" Niet voorbarig, mijn waarde! wat ik
+u bidden mag. Ik heb eerbied voor iedereen die uit overtuiging andere
+spelregelen volgt, gelijk ik eerbied heb voor iedereens bekwaamheden
+en verdiensten, maar het zij hiermede:
+
+
+ --_hanc veniam petimusque damusque vicissim_.
+ (Dees vrijheid vordren wij, gelijk wij ze andren schenken.) [13]
+
+
+Maar welke drukfouten en andere fouten het boek ook mogen aankleven,
+en hoe klaarlijk het ook de onbedrevenheid of onbevoegdheid van
+_Hildebrand_ om iets te doen drukken, of te spellen moge aantoonen;
+ik weet dat u de toeëigening van dit bundeltje aangenaam zal zijn. Dat
+is althans _iets_, mijn vriend, en zoo het boek u bevalt, dan durf ik
+wel hopen dat het anderen bevallen zal. Indien het maar een weinigjen
+op u geleek! Het zou dan vol zijn van geestige, maar vroolijke en
+goedaardige opmerking, waarbij men niet aarzelt zichzelven in te
+sluiten; van dien welwillenden lach, die niets heeft van een grijns;
+het zou dan een toon van aangename gezelligheid hebben, waarbij men
+zich op zijn gemak gevoelt, en die den lezer zou boeien en bezighouden,
+en naar willekeur stemmen tot heldere genoegelijkheid en ongemaakten
+ernst! Het is maar een wensch, vriendlief!
+
+Ik heb de Opdracht tot het laatst bewaard. Het is wel tegen de orde;
+maar het zij zoo. Daar zijn zoovele lezers die een boek met de laatste
+bladzij beginnen, dat het bijna op 't zelfde neerkomt.
+
+October 1839.
+
+
+
+
+(Tweede Uitgave.)
+
+Zoo schreef ik voor zes maanden. Thans nog een enkel woord.
+
+Men heeft mij verweten dat het niet aardig was, den man, aan wien ik
+mijn boek had opgedragen, tot een souffre-douleur van de drukfouten
+te maken, maar ik weet wel dat gijzelf daar geen oogenblik over
+hebt gedacht. Zoo heeft men zich ook hier en daar zeer beijverd de
+origineelen aan te wijzen van de personen, die ik heb opgevoerd,
+en heb ik tot mijne groote voldoening bevonden, dat men in iedere
+stad, waar ik al of niet verkeerd heb, zes of zeven menschen wist
+op te noemen, van welke allen men mij om 't zeerst opdrong dat
+_zij_ het waren die voor dit of dat portret gezeten hadden. Ik
+dacht waarlijk niet dat er zóó vele _Nurksen_ en _Stastokken_
+op dit benedenrond hunne beminnelijkheden ten toon spreidden, en
+sta verbaasd over den gedienstigen ijver, waarmee de vingers naar
+hen worden uitgestoken. Echter kan ik het goede publiek deze kleine
+genoegens niet betwisten of kwalijk nemen; maar ik neem de vrijheid
+het motto van _Anonymus_ in het nog altijd "onuitgegeven boek" in
+herinnering te brengen, en in gemoede te verklaren dat mijn chambre
+obscure argeloos geplaatst wordt, dat ik er niet aan wend of keer,
+en nooit eenige beweging maken _wil_, om haar op een onbescheidene
+wijze te _pointeeren_. Dat ik ze nog niet op den Godesberg of te
+Milanen heb kunnen plaatsen doet mij, om den wille van hen die het
+hooge en het uitneemsche begeeren, bijzonder leed; maar het is mij
+gebleken dat de meerderheid ruim zoo tevreden was met mijn kleine,
+mijn Hollandsche tafereelen. Men moet begrijpen, dat wij de vreemden,
+dank zij levenden en "afgestorvenen", al zoo op end' uit kennen,
+dat het een heele aardigheid geworden is, voor de afwisseling, eens
+op onszelven te letten.
+
+Ik neem deze gelegenheid waar, om mij bij een negenjarig vriend te
+verontschuldigen wegens de betichting omtrent "den bonten zakdoek"
+op bl. 3. Hij heeft verklaard er nooit in 't geheel een bij zich te
+hebben, en ik ontlast mijn geweten door dit zijn verzet hier aan te
+teekenen. Streelend was mij de toejuiching der Hollandsche moeders
+ten aanzien van de schets harer kinderen, en van Prof. _Vrolik_ ten
+opzichte van "Een Beestenspel" (ofschoon laatstgenoemd stuk toch maar
+het beste niet schijnt te wezen!); streelend vooral uwe goedkeuring,
+waarvan het gunstig voorteeken niet is gelogenstraft.
+
+En als gij nu vraagt of ik geen plan heb in dit slag van schrijven
+nog eens iets meer te leveren? Ik antwoord dat het, bij zooveel
+aanmoediging als ik ondervinden mocht, een vreemd verschijnsel, en
+ook waarlijk ondankbaar wezen zou, indien ik het naliet. Verwacht
+dus mettertijd "Nieuwe Vertooningen van de Camera Obscura", en neem
+ten tweeden male de opdracht van dit boekdeel aan.
+
+April, 1840.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Aan
+
+ Dr. _Abraham Scholl van Egmond_
+
+ Zijn oudsten academievriend
+
+ Worden de voorgaande bladeren
+
+ In liefde toegewijd
+
+ Door
+
+ _Hildebrand_.
+
+
+
+
+
+
+
+DE FAMILIE KEGGE. [14]
+
+
+Eene treurige inleiding.
+
+Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijksch
+leven met den gevreesden naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is
+te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien
+bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke
+worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag
+betwisten, totdat de lijder--meestal, helaas!--onder dien kampstrijd
+bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan hare
+verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken oogen,
+die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in
+altoosdurende beweging. Zij staan mij voor den geest, zoo als zij nu
+eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte
+bezig met hunne visioenen, en dan met een kracht, die niemand hun
+meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna
+weder ineen te krimpen als in dierlijken angst. Zij staan mij voor
+den geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere
+tusschenpoozen, die den dood voorbeduiden. Nog zie ik al dien droevigen
+toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte omslagen om terug te
+drijven; dien gewichtigen overgang van afwasschende tot prikkelende
+middelen. Nog ruik ik de kamfer en de muscus, die de omstanders zoo
+zeer plegen te verschrikken. Nog voel ik het zielpijnigend dobberen
+tusschen hoop en vrees, het angstig ingaan van iederen nacht,
+het smachten naar het morgenlicht, en naar den arts. Nog hoor ik
+de betrekkingen duizendmaal de vraag herhalen "of dit nu niet de
+crisis zou zijn geweest?" en hun deerniswaardig zelfbedrog, als zij
+zich met in hun oog goede teekenen vleien, den dokter een zwaarhoofd
+achten, zijne uitspraken naar de inspraak van hunne hoop verplooien,
+zoo lang, zoo lang ... tot (eindelijk nog onverwachts!) de harde
+waarheid bevestigd wordt, dat de ziekte hopeloos was, dat de dood
+zich onvermurwbaar had aangekondigd.
+
+Maar ook, Gode zij dank! er doemen zoete herinneringen van herstelling
+bij mij op; bij mij, die zelf de gevreesde kwaal heb doorgeworsteld
+met de veerkracht der jeugdige sterkte, en die anderen, als uit hare
+kaken gered, zag opleven tot gezuiverden bloei. Die herstelling der
+gelaatstrekken, dat langzamerhand gezond insluimeren, en dat eerste
+ontwaken met gevoel van beterschap en rust; dat lang gewenschte kalm
+opslaan der oogen; die honger; dat eerste opzitten; en die kinderlijke
+dankbaarheid voor het eerste glas wijn, dat werd toegestaan! O! gezond
+te zijn is een onschatbaar bezit, maar uit een ziekte te herstellen
+is een zalig genot!
+
+
+
+In het begin van het derde jaar van mijn verblijf te Leiden, was er een
+jong mensch, uit Demerary geboortig, in mijne buurt komen wonen. Het
+is de gewoonte onder de studenten, in zulk geval elkander een bezoek
+te brengen. De jongeling beviel mij. Hij was van een openhartig,
+aantrekkelijk karakter, en van een zacht gevoel. Vooral dacht hij
+zeer teeder en aanhankelijk over de betrekkingen, die hij in zijn
+geboorteland reeds als knaap verlaten had, en die hij niet weder zou
+zien dan na zijn bevordering, waarom hij zich ook zoo veel mogelijk
+met zijn studiën haasten wilde. Om dien trek en dien ijver was hij
+mij lief; en hoewel ik, daar onze studiën en onze tijd van aankomen
+te veel verschilden, mij niet met hem in een geregeld verkeer begaf,
+zoo bezocht ik hem toch een enkele maal, en scheen hem dat dubbel
+aangenaam te zijn, omdat hij met mij vrijuit spreken durfde over dat,
+wat hem zoo na aan 't harte lag en aan de meeste zijner jonge vrienden
+kinderachtig toescheen, of te ernstig om tot een onderwerp van gesprek
+te worden gemaakt.
+
+Bij een dier bezoeken klaagde hij mij sterk over een zekere
+vermoeidheid en loomheid in de beenen, die hem sedert eenige dagen
+kwelde, en zeer kort daarop vernam ik, dat _William Kegge_, zoo
+heette hij, werkelijk ongesteld was. Een ongesteld student ontbreekt
+het nimmer aan gezelschap; en er sterft er misschien menigeen aan
+te veel oppassing. Ik koos, om hem te gaan zien, een uurtjen uit,
+waarin ik hoopte hem niet al te zeer omringd te vinden, en vond hem
+te bed. Ofschoon het nu uitgemaakt is, dat een studeerend jongeling,
+als hij toch eenmaal thuis moet blijven, veel vroeger zijn troost
+in de veeren zoekt dan een nijvere huismoeder, zoo was dit dan
+toch erger dan ik mij had voorgesteld. _William_ was echter zeer
+monter en opgewekt. Ik bemerkte dadelijk, dat hij koorts had. Twee
+zijner intiemsten zaten voor zijn ledikant om hem wat op te beuren,
+en raadpleegden hem als scheidsman over een al of niet op te spelen
+kaart in een partij hombre, die dien namiddag in "de Pauw" gespeeld
+was, waardoor zij hem noodzaakten zich in verbeelding zevenentwintig
+kaarten in allerlei samenvoeging voor te stellen; gewisselijk een
+aangename tijdpasseering voor een zieke, maar uit haren aard toch
+wel wat vermoeiend. Ik gaf den beiden zieketroosters een wenk om dit
+gesprek liever te staken, en had ze gaarne te zamen zien vertrekken. Ik
+ried daarop den patiënt zich stil te houden, draaide de pit van de
+lamp wat neer, en liet het opgenomen bedgordijn vallen.
+
+Ik verzocht hem een dokter te nemen; maar hij wilde er niet van
+hooren; een der vrienden zou bij hem blijven totdat hij sliep, en
+men zou den anderen dag afwachten.
+
+Den anderen dag had ik reeds vroeg de hospita van mijn buurman
+bij mij.
+
+"Het was niemendal goed met meheer! Hij was in 't midden van den nacht
+wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was, wat zij volstrekt
+niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarbij had
+hij haar zoo verwilderd aangekeken, dat ze "der tranemontane haast was
+kwijt geraakt en de schrik haar nog in de beenen zat". Zij geloofde,
+"dat het niet goed was geweest, dat meheer zoo veul met een open raam
+zat, want daar waren die menschen uit vreemde landen toch maar niet aan
+gewend", en zoo vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien.
+
+Hij had nog koorts, en nu veel heviger, was zeer ontevreden over
+zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles;
+hij wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had
+daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij was,
+en liet oogenblikkelijk een dokter halen.
+
+De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De
+studeerkamer werd tot een ziekekamer ingericht, de patiënt met zijn
+bed derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een
+paar dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken had bijgewoond
+en wien de handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand
+en dof van gevoel. Hij liet mij het bestier in alles over. De hospita
+was gelukkig eene zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en
+tegelijk hartelijke vrouw. Zij deed haar best; de dokter deed zijn
+best; een paar jongelingen, die ik, uit de menigte van die volstrekt
+waken wilden, gekozen had, deden met mij al het mogelijke; maar het
+hielp niet. De ziekte nam een noodlottigen loop; en na drie weken van
+angst en tobben, droegen wij den armen _William Kegge_ naar het graf.
+
+Een studentebegrafenis heeft iets plechtigs. Een lange sleep van
+menschen in den bloei des levens, die in rouwgewaad een lijk ten grave
+brengen, ten teeken dat die bloei des levens niet onschendbaar is voor
+den dood! Zij weten het wel, maar zij moeten het zien, om er zich van
+te doordringen. Het zou echter nog veel plechtiger zijn, indien allen
+doordrongen waren of konden wezen van dit gevoel; indien allen even
+zeer belang stelden in den overledene, even zeer deel namen in zijn
+dood; ja, indien maar allen, ook de achtersten, het _Memento Mori_
+zien konden dat vooruitgedragen wordt. Ook moesten de nooders van
+de liefhebberij afzien om met den langen trein te pronken en hen,
+die hem uitmaken, te vervelen met eenen nutteloozen omgang door de
+stad. Gewoonlijk wordt de baar door de stadgenooten van den doode
+gedragen of, indien die niet genoegzaam in getale zijn, door hen
+die met den doode uit dezelfde provincie of uit dezelfde kolonie
+afkomstig zijn. Voor _William_ had men geen twaalf landgenooten kunnen
+vinden. Zijne beste vrienden droegen hem. Hij had nog zoo kort aan de
+hoogeschool verkeerd...! Er was misschien onder dezen zelfs niet een
+enkele, voor wien hij zijn hart ten volle geopend had. Wellicht was
+ik, die hem toch zoo weinig had gezien, nog wel zijn vertrouwdste
+geweest. Althans hij had in den laatsten nacht van zijn leven, in
+een oogenblik waarop hij volkomen bij zijne kennis was, een ring
+van zijn vinger getrokken, met een kleinen diamant, en van binnen de
+letters E.M.
+
+"Bewaar dat"--had hij met flauwe, maar nadrukkelijke stem gezegd--"het
+was mij heel dierbaar."
+
+Meer had hij er niet bijgevoegd.
+
+De student voorzitter der rechtsgeleerde faculteit, tot welke _William_
+behoord had, hield eene korte toespraak bij het open graf. Toen
+wierpen wij, die hem gedragen hadden, er ieder een schop aarde in,
+en de voogd bedankte alle aanwezigen voor de eer den overledene
+aangedaan. De trein ging terug naar de gehoorzaal der academie
+en scheidde daar. De zwarte rokken werden uitgetrokken, de witte
+handschoenen hadden afgedaan. Elk keerde weder tot zijne oefeningen,
+zijne uitspanningen, zijne levende vrienden. Nog zes weken droeg deze
+en gene den smallen rouwstrik om de muts. Maar toen, tegen kersttijd,
+de studentenalmanak verscheen, en het verslag gelezen werd, waarin ook
+eenige regels aan de nagedachtenis van _William Kegge_ waren gewijd,
+was er reeds menig academiebroeder, die al zijn herinneringsmiddelen
+moest bijeenroepen om zich voor te stellen hoe "die _William Keg_"
+er bij zijn leven had uitgezien.
+
+Als de voogd er aan dacht of van sprak om naar de West te schrijven,
+was hij zoo verlegen met de zaak, dat ik eindelijk op mij nam
+den voorbereidenden brief te stellen, waarop dan de zijne met het
+doodsbericht en zijne verantwoording omtrent de zaken van den jongen
+overledene zoo ras mogelijk volgen zouden. Ik vervulde dien moeilijken
+plicht; en eenigen tijd na de afzending der beide tijdingen ontving
+ik van den vader van _Kegge_ een brief vol van wel wat overdreven
+dankbetuigingen en vriendschapsaanbiedingen in antwoord.
+
+
+
+Twee jaren later kwam de familie _Kegge_ zelve in Nederland, en zette
+zich (zooals ik later vernam, schatrijk) in de stad R. neder. Ik
+kreeg hier het eerst kennis van, door een kistje havannah-sigaren,
+per diligence ontvangen, met een biljet van dezen, vrij zonderlingen
+inhoud:
+
+"Een klein reukoffer van dankbaarheid bij onze komst in het
+moederland. Kom te R. en vraag er naar de familie die uit de West is
+gekomen, en gij zult hartelijk welkom worden geheeten door
+
+_Jan Adam Kegge_."
+
+
+
+
+Kennismaking met menschen en dieren.
+
+Eenigen tijd na de ontvangst van dit "reukoffer", hetwelk mijne
+vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te
+doen opgaan, zat ik op een regenachtigen Octobermorgen, waarop ik
+juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt,
+toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel hooren deed.
+
+"Nog al hooger?" vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende,
+"drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, 't is hier
+suffisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!"
+
+Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de
+kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen
+gestrande portefeuilles, of de "professeurs" van onbekende lycaea,
+die "tijdstroomen" aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die
+uit hunne verbrande pakhuizen niets anders hebben gered dan een
+mooie partij Zeeuwsche chocolade van duizend A's, of de goedkoope
+portretteurs en silhouettemakers, die de eer hebben gehad uwen
+besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars, die voor een
+spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen
+zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken,
+waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op
+den hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige
+luidruchtigheid, dat opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene
+listige wijze bij de studeerende jeugd indringt, om op haar medelijden,
+onervarenheid, of blooheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te
+bieden; want indien zij geen Fransch of Duitsch of Luikerwaalsch
+spreken om uw hospita te overbluffen, dan nemen zij de beleefdste,
+beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan;
+en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede
+bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in eene
+stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik mij
+bij voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien.
+
+"De deur ging open, en er trad een welgedaan heer binnen, die een
+goede veertig jaar oud mocht zijn. 's Mans gelaat was juist niet
+hoog fatsoenlijk, maar de uitdrukking er van bijzonder vroolijk en
+joviaal. Zijn verbrande kleur verried de warmer luchtstreek. Hij had
+levendige grijsblauwe oogen en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn haar,
+waarin op de kruin een aanzienlijk hiaat begon te komen, was reeds
+hier en daar, naar de uitdrukking van _Ovidius_, met een weinig grijs
+doorsprenkeld. Hij droeg een groenen overrok, dien hij oogenblikkelijk
+losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart pak kleederen met een
+satijn vest, waarover een zware gouden halsketting tot beteugeling van
+zijn horloge. In de hand hield hij een fraai bamboes met barnsteenen
+knop.
+
+"_Kegge_!" riep hij mij toe, als ik verbaasd opstond om hem te groeten,
+"_Kegge_! De vader van _William_! Ik ben gekomen om u, het Museum,
+en den Burg te zien; en als je dan mee naar mijn huis wilt gaan,
+zulje me drommels veel pleizier doen."
+
+Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den naam
+ontroerd. Ik beken, dat ik zelden meer aan den goeden _William_ dacht,
+maar eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den mond van den
+beroofden vader, deed mij aan.
+
+Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden vriend vóór
+mij te zien.
+
+"Ja," zei de heer _Kegge_, zijn horloge uithalende: "het was jammer
+van den jongen, hè! 't Moet een goeie kerel geworden zijn. 't Spijt
+me in mijn ziel." En het gordijntje openschuivende voegde hij er bij:
+"Je woont hier duivels hoog, maar 't is een mooie stand; dat heet
+hier de Breestraat, doet het niet?"
+
+"Hier schuins over woonde _William_: dáár; waar nu de steiger staat."
+
+"Ei zoo, dan was je na buren! Ja, 't is jammer, jammer,
+jammer.--Sakkerloot, is dat het portret van _Walter Scott_? Lees je
+Engelsch? Mooie taal, niet waar? Zou ik hier een complete editie van
+_Walter Scott_ kunnen krijgen? Maar zij moet wat mooi, wat kostbaar
+zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn kinderen hebben er al één half
+verscheurd."--En al weder op zijn horloge ziende: "Hoe laat gaat dat
+museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooiebeesten-spel toe. Kan
+ik de Academie óók zien? Wat hebje al zoo meer?"
+
+
+
+Op dien regenachtigen Octoberdag zag men _Hildebrand_ met een
+vreemdeling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten
+in het Museum van natuurlijke, en daarna de Farao's in het Museum van
+onbekende historie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik te werpen
+op de kindertjes, die nooit geleefd hebben, der Anatomie, en daarna
+op de portretten der doode professoren, die eeuwig leven zullen,
+op de Senaatskamer, van _Scaliger_ "met den purperen mantel" af, tot
+op _Borger_ met den houten mantel toe, waarvan er echter ettelijke
+den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een weinig verscheidenheid
+teweeg te brengen, bezochten wij daarop den Burg, die zelf een lijk
+is, vroeger bewoond door de Romeinen, _Ada_, en die Rederijkerskamer
+waarvan "zoo vele genieën" lid waren. Ten slotte zagen wij ook nog
+den Sineeschen en Japanneeschen inboedel bij den heer _Siebold_, en
+rustten eindelijk uit in de sociëteit Minerva, toen nog geschraagd door
+"de dubbele zuil" van dien broederlijken zin, die sedert roekeloos
+verbroken is. Wij aten vervolgens aan de open tafel in "de Zon",
+en het was aldaar, dat de heer _Kegge_ de algemeene verbazing en
+zelfs de volkomen verontwaardiging van een zeer lang heer tot zich
+trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayennepeper, die hij uit een
+opzettelijk daartoe op zak gedragen ivoren kokertje op zijn spijzen
+schudde, alsmede door zijne volstrekte verachting van bloemkool en
+bordeaux-wijnen, waardoor ik genoodzaakt werd een flesch port met
+hem te deelen.
+
+Na het diné vertrok ZEd. per diligence; evenwel niet dan na mij de
+belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden
+zijnde candidaatsexamen, zonder fout, een paar weken bij hem zou
+komen doorbrengen; als wanneer hij mij eens zou toonen hoe _hij_
+gewoon was menschen te ontvangen, en hoe goed _zijn_ kelder was.
+
+"Als je studeeren wilt," zei hij; "ik heb een mooie portie boeken;
+en is er wat nieuws uitgekomen van _Bulwer_ of zoo iemand, breng het
+voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!"
+
+Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan deze
+mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot West-Indische
+confituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep, uit vele
+schijven rhabarber en groote stukken hengelriet, in quint-essence
+van suiker ingelegd. De heer _Kegge_ meldde mij, dat "zijne vrouw
+en dochter, welke laatste, tusschen twee haakjes gezegd, een mooie
+brunette was, van verlangen brandden om mij te zien."
+
+Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover
+de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee
+spaansche hazewindjes, ten huize van den heer _Jan Adam Kegge_.
+
+
+
+De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de
+weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed
+van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk
+aanzien hadden van splinternieuw te zien. Een breede, veeloctavige
+piano-forte stond opengeslagen en lag bevracht met een aantal boeken,
+een hoop dooreengeworpen muziek, en een gitaar. Een gladhouten
+muziekkastje stond open, en een der spaansche hazewindjes vermaakte
+zich een weinig met dat gedeelte van den inhoud hetwelk niet op
+de piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltje stond beladen
+met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukflesschen,
+handvuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare
+plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde
+metaal rustten op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op
+een trumeau, onder een reusachtigen spiegel daartegenover, zag men een
+groep van de schitterendste opgezette vogels met spitse bekken en lange
+staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen
+kleinodiënschrijntje stond er halfgeopend naast. In de vier hoeken der
+kamer prijkten vier zwaar vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt
+was uit gloeiend rood en even gloeiend groen geweven. De neteldoeken
+gordijnen waren met oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk
+bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huiskamer aan den wand de
+levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw;
+mijnheer in een almaviva met een sierlijken zwaai gedrapeerd, en een
+oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag gekleed,
+met een dik parelsnoer om den hals, een kanten plooisel om de japon,
+en schitterende armbanden. Een derde schilderij stelde een groep van
+vier kinderen voor, waarbij aan de schoone brunette vooral niet was te
+kort gedaan. De beeltenis van _William_, die de oudste geweest was,
+miste ik met smart; maar het was natuurlijk, want het stuk was eerst
+sedert de overkomst der familie in het moederland geschilderd. Voor
+de sofa, waarop de schoone dochter van den huize was gezeten, lag
+een tijgervel met rood omzoomd; en de armstoel van mevrouw was zoo
+ruim en zoo gemakkelijk, dat zij er als in verzonk.
+
+Toen ik binnentrad zat mama met het windhondje Azor, dat met minder
+muzikale neigingen begaafd scheen dan het windhondje Mimi, op haar
+schoot, en liefkoosde het, terwijl de dochter haar borduurwerk had
+neergelegd, om zich met een grooten witten kaketoe met gele kuif
+te onderhouden.
+
+Mevrouw _Kegge_ was eer klein dan groot van gestalte, aanmerkelijk
+jonger dan haar echtgenoot, aanmerkelijk bruiner dan haar dochter
+en, wat zij ook mocht geweest zijn, op dit oogenblik aanmerkelijk
+verre van eene schoonheid in de oogen van een Europeaan. Haar toilet
+was, ik moet het bekennen, eenvoudig genoeg, en ik zou haast zeggen
+eenigszins slordig; maar waar is het, dat er veel werd goedgemaakt
+door een zonnige ferronière op mevrouw _Kegges_ voorhoofd en een
+zware gouden ketting op mevrouw _Kegges_ voormaligen boezem; hoezeer
+ook deze versierselen zich het air gaven van bij mevrouw _Kegges_
+tegenwoordige kleedij volstrekt niet te willen passen. Zij scheen
+verlegen met mijn bezoek, en had wel het voorkomen een weinigje
+verlegen met alles te zijn; ook met de pracht die haar omringde,
+en het karakter, dat zij had op te houden.
+
+Haar dochter kwam haar te hulp. Een goede uitvinding van sommige
+moeders: dochters te hebben. Zij hief zich, om mij te groeten,
+eenigszins plechtig van de sofa op, terwijl de zwarte knecht mij een
+stoel gaf, veel dichter bij haar dan bij haar mama, en betuigde haar
+genoegen mijnheer _Hildebrand_ te zien. "Papa had er zich zóó veel
+van voorgesteld mijnheer _Hildebrand_ eens te bezitten. Niet lang
+zeker zou hij zich laten wachten; maar eene dringende commissie had
+hem uit geroepen."
+
+Inderdaad, het was een schoon meisje, die dochter van den heer
+_Kegge_. Zij had den fijnen neus en den mond van _William_, maar veel
+schooner oogen dan deze had gehad. Heerlijke, donkere, tintelende
+oogen waren het, die tot in de ziel doordrongen. Als zij ze opsloeg,
+blonken zij vurig en onversaagd, en toch, als zij ze neersloeg,
+hadden zij iets bijzonder zachts en kwijnends. Heur haar hing in
+menigte van lange glinsterende krullen, naar engelsche wijze, langs
+haar eenigszins bleeke, maar mollige wangen. Ik wist dat zij drie
+jaar jonger was dan _William_, die nu ongeveer twintig jaren zou
+geteld hebben; maar, naar den aard der tropische menschengeslachten
+was zij ten vollen ontwikkeld. Een weelderig négligé van wit batist
+en kronkelige tule kleedde hare rijzige gestalte, en zij had geen
+anderen opschik dan een bloedigen robijn aan haar vinger, die de
+oogen trok tot haar kleine zachte handekens.
+
+De schoone brunette hield het gesprek vrij wel gaande, en vulde de
+gapingen aan door allervriendelijkst met den kaketoe te converseeren
+en hem kleine stukjes beschuit uit hare hand te laten oppikken,
+bij welke gelegenheid ik doodsangsten uitstond voor hare schoone
+vingeren. Men gevoelt, dat ik het begunstigde dier uitermate prees.
+
+"O, hij praatte zoo aardig. Zij was nu begonnen hem haar naam te
+leeren uitspreken; Coco, hoe heet de vrouw?"
+
+En zij aaide Coco zoo zacht over den kop, dat ik wenschte Coco te zijn.
+
+De lieve naam kwam echter zoomin van 's mans hoornachtige lippen,
+als ikzelf in staat zou geweest zijn dien voort te brengen. Na lang
+vleiens kwam er: "Kopje krauwen."
+
+Dit was klaarblijkelijk eene vergissing, en Coco boette die duur
+genoeg. De schoone oogen begonnen te vonkelen, en de lieve hand
+gaf den onwilligen met een gouden naaldekoker een gevoeligen slag
+op den kop; ten gevolge waarvan de heer Coco, met een schuinslinks
+gebogen kruin en kleine pasjes, naar het verwijderdste gedeelte van
+zijn kruk retireerde, en daar in die houding zitten bleef met een ter
+bescherming opgeheven poot, ongeveer als een schooljongen op wien de
+meester onheildreigend uitschiet.
+
+"Papa leert hem soms zulke woorden uit een aardigheid," zei de
+vertoornde schoone; "maar _ik_ vind het zeer onaangenaam."
+
+Mama zag met een zekeren angst naar haar dochter op.
+
+Ik zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek, en was juist van plan
+de portretten te hulp te roepen, als mijnheer _Kegge_ te huis kwam.
+
+"Onsterfelijke vriend!" riep hij mij toe; als waren wij ons geheele
+leven door de teederste banden van vriendschap, waarvan ooit in
+een album gesproken is, "verknocht, verstrengeld" en, als het
+rijm medebrengt, "verengeld" geweest: "Onsterfelijke vriend! daar
+doe je wel aan. Kom aan, dat's goed. Nog niets gebruikt? Wat
+wil je hebben? Madera, teneriffe, malaga, constantia? witte
+port? vruchtenwijn? Lieve kind, laat onmiddellijk de likeuren
+komen. Hoe zit _jij_ daar zoo te druilen, Lorre?"
+
+"Hij heeft knorren gehad, papa," antwoordde de dochter, "omdat hij
+andere woorden spreekt dan die ik hem geleerd heb."
+
+"Allemaal gekheid! Hoe meer woorden hoe beter! Poes, poes! kopje
+krauwen! gekskap!..."
+
+"Papa, ik had het waarlijk liever niet."
+
+"Nu, nu, _Harriot_ _my dear_! Ik zal 't niet weer doen.--Maar wat
+zegje van onzen gast, mijnheer _Hildebrand_? En wat zegt mijnheer
+_Hildebrand_ van mijn dochter?..."
+
+Wij waren beiden verlegen, en hadden niets van elkaar te zeggen.
+
+"Allemaal gekheid!" riep de heer _Kegge_; "je zult wel familiaar
+worden. Voortaan geen mijnheeren of dames, maar _Henriette_ en
+_Hildebrand_, alstjeblieft."
+
+Juffrouw _Henriette Kegge_ stond op, om met zeer veel ijver op de
+piano een boek te zoeken.
+
+De knecht had intusschen bevel gekregen de aangebodene verkwikkingen
+te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk groote vierkante
+sandelhouten kist op tafel, met het woord _Liqueurs_ in sierlijke
+trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffres-forts der
+gastvrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te toonen hoeveel
+prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer
+_Kegge_ evenwel te oordeelen, geloof ik dat ik hem wezenlijk zou hebben
+verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen, die er,
+met haar bijbehoorend gezelschap van glazen, in eens werden uitgelicht,
+na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette hij mij welkom.
+
+"Hoor reis, onsterfelijke!" ging de heer _Kegge_ voort, "dit is nu
+mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zul je
+al de kinderen zien; niet waar _Hanna_? Dan ken je hier de taal en de
+spraak zoo wat. Je moet maar denken: wij in de West zijn familiaar. In
+Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adellijke heeren en groote
+hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben niet van adel;
+ik ben geen groote hans; ik ben een parvenu, zoo je wilt."
+
+_Henriette_ verliet de kamer.
+
+"Maar ik heb, Goddank! niemand naar de oogen te zien; dat's één
+geluk! Leve de vrijheid, en vooral hier in huis! Je doet en laat
+hier alles wat je goed vindt, slaapt zoo lang als je wilt, eet goed,
+drinkt goed--dat zijn de wetten van het huis. Waar is _Henriet_?"
+
+"Naar haar kamer," antwoordde mevrouw _Kegge_. "Zij kleedt zich voor
+het diné."
+
+"Dan moeten de kinderen nog effen komen!"
+
+Er werd gescheld. De zwarte knecht kreeg zijne bevelen, en de kinderen
+verschenen.
+
+Er traden twee mooie jongens binnen, de een van negen, en de andere van
+tien jaren. De ondeugd zag hun uit de brutale zwarte kijkers, en zij
+waren er, helaas! niet leelijker om. Zij droegen blauwlakensche pakjes
+met tallooze vergulde knoopen over de schouders, breed omgeslagen en
+breed geplooide batisten halskragen, geen das, en lage schoenen met
+witte kousjes. Daarna kwam een meisje van zeven jaar met lange zwarte
+haarvlechten en bloedroode strikken op den rug; een jongen van vijf,
+in een schotschbont blousetje; weder een meisje, van een jaar of drie,
+met bloote voetjes in gekleurde laarsjes; en eindelijk, op den arm
+eener min, een kind, dat niets meer aanhad dan het witte jurkje dat
+men zag, en het witte hemdje dat men niet zag,--verontrust u niet,
+lieve Hollandsche moeders! het schaap zag er volmaakt gezond uit--met
+een gouden rammelaar in de eene hand en een korst brood in de andere.
+
+"Nu hebje ze allemaal gezien," riep papa, de kleinste van den arm der
+minne nemende en op zijn schouder zettende; waarop het kind allerliefst
+schaterde van lachen en met de bloote beentjes spartelde en trappelde,
+dat het een lust was om aan te zien. "Ik heb er elf gehad; _William_,
+dien je gekend hebt; _Henriet_, die je gezien hebt; nu is er een heele
+gaping; eerst kreeg mijn vrouw een miskraam, en daarop een dood kind;
+de vierde is tien jaar oud geworden en toen aan de koorts bezweken;
+nu komen de jongens; hier hebje _Rob_, en daar hebje _Adam_, mijn
+petekind; die zijn allebei nog ondeugender dan hun vader, toen hij
+zoo klein was; tusschen hem en dit meisje is er weer eentje dood; dat
+werd door een beest van een negerin vergeven op zijn anderhalf jaar;
+dit meisje heet _Hanna_, naar mijn vrouw; dat 's een mooi klein ding,
+is het niet? en die kleine jongen heet _Jan_; niet waar, boer? Hier
+hebben we _Sofietje_; en het kleintje heet _Kitty_."
+
+Na deze optelling van zijn kinderen, schonk hij ze allen een glas
+malaga in, en liet zelfs de kleine _Kitty_ daarvan proeven, die een
+leelijk gezicht zette, een uitwerksel dat den oorsprong van haar
+leven zeer vroolijk maakte. Mama speelde met den krullebol van _Rob_,
+en _Rob_ met den staart van Azor; _Adam_ prikte zijn zuster _Hanna_
+zachtkens met een speld in den nek, en buitelde daarop naar den
+kaketoe, die zichtbaar bang voor hem was; _Jan_ en _Sofie_ begonnen
+een twistgeding ter zake van het hazewindje Mimi. De heer _Kegge_
+gaf zijn jongste spruit weer aan de min over.
+
+"Zie zoo, minne!" zeide hij: "nu maar weer naar de kinderkamer! Vort,
+jongens! Veel pleizier!"
+
+En de geheele stoet verdrong zich lachende en juichende in de deur,
+en stoof henen.
+
+"Als je nu eens weten wilt waar je slaapt, onsterfelijke!" hervatte
+de heer _Kegge_, die dezen naam voor mij gekozen scheen te hebben,
+"ga dan mee als je wilt; dan kanje meteen de bibliotheek zien."
+
+Hij bracht mij naar een achterbovenkamer, die op den tuin uitzag. Nog
+nooit zou ik te midden van zooveel weelde hebben geslapen. Een lit
+d'ange, een canapé, een chaise longue daarenboven, een pendule,
+een psyché, een waschtafel van satijnhout, met tot de geringste
+benoodigdheden voor het toilet meer dan voorzien.
+
+"Je bent niet bang voor dat wapentuig daar in den hoek?" zei de heer
+_Kegge_, naar een paar indiaansche bogen en een dozijn wie weet hoe
+vergiftige pijlen wijzende. "Hier is de schel; als je wat noodig hebt,
+dan rammel je maar dat het huis dreunt."
+
+Wij gingen daarop naar de bibliotheek, waar een lustig vuur brandde
+en een schat van Voyages pittoresques en hedendaagsche literatuur,
+op de keurigste wijze gebonden, bijeen was.
+
+"Hier ga je nu maar heen, als je je verveelt! Die sofa is nog al
+makkelijk. In deze laden zijn platen; al wat je hier ziet is meestal
+in Engeland gekocht, en nu completeert _Henriet_ het zoo wat. Ik
+kan me met die snorrepijperij niet altijd ophouden. _Henriet_
+heeft twee jaar te Arnhem school gelegen. Maar toen zijn we in 't
+land gekomen, en hebben haar thuisgehaald; ze was te groot, en ze
+moet nu zelf maar verder haspelen. Engelsch kon ze al; en als je
+in twee jaren geen Fransch kunt leeren, dan leer je 't nooit. Dat
+lange schoolgaan--allemaal gekheid. Ik laat geen van me kinderen
+meer schoolgaan; ze krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs
+en gouvernantes wil ik niet onder mijn oogen zien. En wat de meisjes
+betreft: mijn vrouw verstaat geen woord Fransch, en toch heeft ze
+elf kinderen gehad, weetje.... Zie je dien opgezetten tijger? Dien
+heb ik zelf op mijn suikerplantage geschoten!... De deugniet had al
+driemaal een kalf komen weghalen."
+
+Wij gingen verder, en in den tijd van een half uur had de heer
+_Kegge_ mij al de kamers van het geheele huis, den tuin, den stal
+en het koetshuis laten zien, alles onder even drukke en schutterige
+gesprekken, waaruit het mij meer en meer bleek, dat de heer _Jan
+Adam Kegge_ zeer ingenomen was met zijn rijkdom, zijn kinderen, en
+zichzelven. Hij scheen er volkomen van overtuigd te zijn, dat hij een
+onuitputtelijk fortuin had en dat hij "een perfecte goeie kerel" was;
+tienmaal beter dan alle mogelijke "groote hanzen en adellijke heeren",
+en volkomen gerechtigd om alle wereldsche zorgen en welvoeglijkheden
+met zijn lievelingsuitroep af te doen: "allemaal gekheid!"
+
+Toen wij alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal.
+
+_Henriette_ verscheen er in eene japon van blauwe zijde, die haar niet
+volkomen zoo goed stond als haar wit négligé. Ik had de eer tusschen
+haar en mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer zat over
+mij, en de kinderen schaarden zich naar goedvinden. Bij het couvert
+van den oudsten, die trouwens ook al tien jaren telde, stond een karaf
+wijn zoo goed als bij het mijne. Aan het eind der tafel stond nog een
+stoel ledig; en toen wij allen gezeten waren, kwam er een kleine,
+magere vrouw binnen, nog veel bruiner dan mevrouw _Kegge_. Zij kon
+omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te voorschijn komende
+grijze haren deden vermoeden; valsch haar droeg zij niet. Zij was in
+het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden neusdoek van hoogroode
+oostindische zijde. Achter haar ging een schoone lange-hond, die
+zoodra zij plaats genomen had zich bij haar stoel nederzette en zijn
+kop in haar schoot lei, waar zij hare bruine hand op rusten deed. Er
+was iets indrukmakends in deze verschijning, schoon niemand acht op
+de binnenkomende sloeg. Men noemde haar grootmama; doch ik twijfelde
+soms of dit niet maar een naam was, haar in scherts gegeven. Zij
+zelve sprak weinig en eenigszins gebroken, maar eenmaal zag ik haar
+veelbeduidend het hoofd schudden, toen de heer _Kegge_ vertelde "dat
+hij den koop van dat nieuwe rijtuig maar gesloten had, en dat zij nu
+voortaan nog makkelijker naar de kerk zou rijden."
+
+"Kom, kom!" riep hij toen, "geen hoofdschuddingen! dat's allemaal
+gekheid. 't Zal het mooiste rijtuig van de stad zijn, en de groote
+hanzen en adellijke heeren kunnen er een punt aan zuigen. Ik heb
+zin om er een wapen op te laten schilderen met een gouden keg [15]
+op een zilveren veld, en een groote planterskroon er bovenop van
+suikerriet en koffieboonen."
+
+"Ik zou er maar J.A.K. op laten zetten," zei de oude dame droogjes: "je
+kunt immers de letters met net zooveel krullen maken als je maar wilt."
+
+Ik beschrijf u het diné niet, met al zijn opscherpende tomaat- en
+andere sausen, cayenne, soya, kruiderazijn, atjarbamboe, engelsche
+pickles en wat dies meer zij; noch zal het wagen u een denkbeeld
+te geven van den portwijn van den heer _Kegge_, die hij door een
+extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zóó was, dat de heer
+_Kegge_ verklaarde een zeeuwsche rijksdaalder te willen zijn als men
+hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij den koning van
+Engeland, zóó drinken zou. Mevrouw at veel, en _Henriette_ weinig;
+maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook regelde
+zij de tafel, en droeg zorg, dat men de gerechten in behoorlijke
+orde nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen
+bezondigde, en dan met een "allemaal gekheid" de fout verschoonde. De
+hazewindjes van mevrouw waren allerbescheidenlijkst stil, omdat zij
+ontzag hadden voor den langen-hond der oude dame; maar de kinderen,
+die "vrij werden opgevoed", maakten een vreeselijke drukte.
+
+Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een schotsche
+likeur proeven, die als vuur in de keel was.
+
+
+
+De oude dame was na den afloop van het diné terstond opgestaan en
+vertrokken, gevolgd van haar getrouwen hond. De kinderen waren in de
+eetzaal gebleven, waar de kleine _Hanna_ de compôte met morellen tot
+zich trok en daaruit, terwijl het gezelschap scheidde, zichzelve en
+hare broertjes nog eens bediende, op mama's vriendelijk verzoek zich
+aan deze verkwikking niet verder te buiten te gaan, niets antwoordende
+dan dat het zoo lekker was.
+
+"Je zult niet kwalijk nemen dat ik eens naar de bibliotheek ga,"
+zei de heer _Kegge_; "dit is _mijn_ studie-uurtje!" En met een weinig
+bedwongen geeuw verliet hij de kamer.
+
+Mevrouw zette zich in eene gemakkelijke houding op de sofa neder,
+wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd en bereidde zich
+insgelijks tot de siësta.
+
+De schoone brunette en ik bleven dus zoo goed als alleen in de
+schemering, slechts verhelderd door de grillige vlammen van het lustig
+brandend kolenvuur. Zij zette zich in een vensterbank neder en betuigde
+er zich in te verheugen, dat zij na den eten aangenaam gezelschap had.
+
+Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een eenzaam schemeruurtje
+ook zijn waarde heeft.
+
+Zij hield er niet van. Zij hield van veel licht, veel discours,
+veel menschen; "en helaas", voegde zij er bij, "er is hier volstrekt
+geen conversatie."
+
+Ik verwonderde mij over het verschijnsel van een stad met zoo veel
+duizend inwoners, zonder eenige conversatie.
+
+"Ach," antwoordde _Henriette_: "men moet denken, de menschen zijn
+hier verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coterieën, waar men
+niemand in opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne
+met ons zouden omgaan, maar ... die conveniëeren _ons_ weer minder."
+
+Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad
+huisgezinnen, die volstrekt niet georiënteerd zijn in hunne
+eigenlijke plaats en stand; familiën zonder familie, die den neus
+optrekken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en
+grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren, maar verbaasd
+staan, dat de eerste kringen hen niet met open armen ontvangen. Lieve
+menschen! van waar komt u deze laatdunkendheid? Moeten dan, mevrouw,
+omdat uw echtgenoot een ambt bekleedt dat hem tot het waterpas van
+zes, zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes, zeven vrouwen
+dier groote heeren terstond vergeten, dat uw geboorte burgerlijk,
+uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt het u,
+rijke koopmansgade! dat de hoogste kringen niet tot u zijn toegenaderd,
+naarmate uw echtvriend langzamerhand een grooter huis is gaan bewonen,
+zijne bedienden in liverei heeft gestoken, meer paarden en misschien
+wel een heerlijkheid heeft gekocht? Moet dan, mejuffrouw! omdat
+uw vader met ettelijke tonnen gouds uit Oost of West terugkwam,
+en den achtbaarsten patriciër, den besten edelman naar de oogen
+steekt door uiterlijke praalvertooning, die achtbare patriciër, die
+doorluchtige edelman al de uwen terstond de hand reiken, en u tot gade
+voor zijnen zoon begeeren? Weet gij dan niet, dat indien de kringen,
+welke gij zoo verlangend zijt binnen te treden, zich voor u openden,
+gij in gestadigen angst zoudt verkeeren voor eene toespeling op uws
+vaders afkomst, eene hatelijkheid op uw aangewaaiden rang? Zou het
+niet veel beter zijn, indien gij u rustig aansloot aan den stand
+waartoe gij behoort, die even goed is als een hoogere, en waarin
+gij zoudt worden geëerd en ontzien? Moest gij niet veel liever de
+eerste onder de burgers dan de laatste, de bij gedoogen toegelatene,
+onder de grooten zijn? Waarlijk, ik begrijp hunne terughoudendheid
+beter dan uwe eerzucht. Zij zijn volkomen tevreden met het verkeer
+onder huns gelijken; zij schromen avances te doen, die hun naderhand
+zouden kunnen berouwen; de mevrouwen vreezen, dat zij nu en dan voor
+elkander over hare nieuwe kennissen zouden hebben te blozen, indien
+zij u _en amitié_ namen, en gij verriedt eens uw nieuwelingschap of
+volkomen misplaatst zijn in de kaste, waarin gij waart toegelaten
+zonder in hare geheimenissen te zijn ingeleid!... Of, korter
+nog; zij zien niet in, waarom zij juist u in haren omgang zouden
+opnemen.--Maar gijzelve, die gedurig op uw teenen staat om in haar
+vensters te kijken en het af te zien hoe zij haar huis stoffeeren,
+haar disch arrangeeren en hare bedienden dresseeren; gij, die haar
+plaagt, en tart door uw toilet kostbaarder te maken dan het hare, die
+er beurtelings de nabootsing, de parodie, en de charge van uitstalt;
+die terwijl gij over den onchristelijken hoogmoed der groote dames
+klaagt, die de deur sluiten voor eene familie, die niet tot haren
+stand behoort, uw eigen deur op het nachtslot gooit voor familiën,
+die wèl tot uwen stand behooren: ik weet niet hoe het komt, dat gij
+deze dwaze eerzucht niet lang hebt afgeschud. Een ordinaris kip is
+zoo goed als, en misschien beter dan een fazantehen, maar ze behoort
+daarom niet in het hok der goudlakenschen. Zoo zij dan den kippenloop
+veracht, mag zij alleen gaan zitten onder dezen of genen sparreboom,
+en pikken zich in de veeren, en aan de voorbij zwemmende eenden
+wijsmaken, dat haar nicht in den tienden graad ook een fazantehen
+is. Maar de kippen in den loop hebben samen ruim zoo veel genoegen
+als zij in haar eenigheid, achten elkander, bewonderen elkanders
+eieren, en kakelen en klokken dat het een lust is. Doch voor u heb ik
+eene andere vergelijking. Gij zijt vledermuizen, bij de vogelen niet
+gezien, en de muizen verachtende, die geen ander genoegen hebben dan
+in het schemeruur wat vertooning te maken met een soort van vleugelen,
+die haar waarlijk staan of ze haar niet toekomen.
+
+Het bleek mij in _dit_ schemeruur, dat de schoone _Henriette_ zich
+met deze ongelukkige eerzucht pijnigde. Mevrouw kende ik nog niet;
+maar mijnheer, schoon alles bruskeerende, wat groot en hoog was, sprak
+mij veel te veel van adellijke heeren en groote hanzen, dan dat ik
+hem niet van eene heimelijke jaloezie verdacht zou hebben. In zijn
+trotsch belijden "zoo je wilt, een parvenu te zijn" was misschien
+even veel spijt als oprechtheid.
+
+In den loop van ons gesprek verhaalde _Henriette_ mij wonderen van het
+huis en de paarden en de slaven, die de familie in de West had; een
+slaaf voor den zakdoek, een slaaf voor den waaier, een slaaf voor het
+kerkboek, een slaaf voor den flacon! Zij kwam ook op haar kostschool,
+en klaagde over de nare madame, die door al de meisjes gehaat was,
+en verhief hemelhoog de allerliefste _Clementine_ zus en zoo, haar
+beste vriendin, waarmee zij "in alles sympatiseerde".
+
+Zij had eene "onbegrijpelijken zin" om in Den Haag te wonen, of een
+reis door Zwitserland te doen; bij welke gelegenheid zij liefhebberij
+toonde om al die bergen te bestijgen, welke gewoonlijk niet door
+dames bestegen worden. Zij vond het onuitstaanbaar dat de menschen
+_hier_ over het gordijntje gluurden als zij een dame te paard zagen,
+en dat men zich nooit in _deze_ stad met een heer in 't publiek kon
+vertoonen of er werd gezegd dat men verloofd was; een grieve, welke
+ik door alle mogelijke dames tegen alle mogelijke steden heb hooren
+inbrengen, maar waarvan ik het ijselijke zoo ijselijk niet inzie.
+
+
+
+
+Een juffertje en een mijnheer.
+
+Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of
+drie van de kinderen werd eene vrouwelijke gestalte meer binnengegooid
+dan ingeleid, onder het gejuich van "_Saartje_ met een mof! _Saartje_
+met een mof!"
+
+Een diepe zucht rees op uit den schoonen boezem van _Henriette_.
+
+De gestalte, uit het licht in den donker komende, kon waarschijnlijk
+geen hand voor oogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen
+trokken weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen:
+"_Saartje_ met een mof! _Saartje_ met een mof!"
+
+"Kind!" zei _Henriette_ tot de binnengekomene: "Wat kom je ontzaglijk
+vroeg; mama slaapt nog."
+
+"Wat zegje, _Harriot_?" riep mevrouw met een schorre stem, wakker
+wordende: "Wat wilje kind? is er iets? hebje nog geen licht op?"
+
+"Nicht _Saartje_ is daar al," was het antwoord. "De kinderen zeggen;"
+voegde zij er lachend bij; "de kinderen zeggen, met een mof!"
+
+De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een heele
+lieve stem naar de gezondheid van nicht _Kegge_ en nicht _Henriette_.
+
+"Och!" zei de laatste, "je bent er toch niet ver af; schel reis om
+het licht, wilje?"
+
+Nichtje gehoorzaamde, en ik verlangde naar de lamp. Het licht kwam
+binnen, en ik ontwaarde bij zijn schijnsel een jong meisje, misschien
+van de jaren, maar nog niet van de ontwikkeling van _Henriette_. Een
+allerliefste taille, in een zeer simpel winterjaponnetje gekleed,
+maakte zich los uit de plooien van een bruinen lakenschen mantel; een
+gegaufreerd kraagje sloot stemmigjes om een allerblanksten hals; en
+toen zij haar eenvoudig kastoor hoedje afzette, vertoonde zich, onder
+een schat van los neerhangende blonde krullen, een allerinnemendst
+zacht en liefelijk gelaat. Zij bloosde op het onverwacht gezicht van
+een persoon meer dan zij vermoed had. Ik haastte mij haar van hoed
+en mantel te ontlasten, en ook van de mof, in wier gezelschap zij
+was aangekondigd. Zij bloosde nog sterker over deze gedienstigheid
+en wilde zich die volstrekt niet laten welgevallen.
+
+_Henriette_ nam de mof in de hand. Het was geen alledaagsch,
+nieuwmodisch handmofje van marter of chinchilla, met lichtblauwe of
+kersroode zijde gevoerd en nauwelijks groot genoeg voor twee kleine
+handjes, een zakdoek, een reukflesch, en een visiteboekje; maar een
+degelijke, ruige, ouderwetsche, dikke vette mof, van een fiksche
+langharige vossenhuid, waarbij een dito halsbekleedsel behoorde,
+waarmee onze grootmoeders over haar doek naar de kerk gingen en
+waarin wij daar ter plaatse nu nog een enkele oude keukenmeid zien
+verschijnen, en dat den naam van sabel draagt.
+
+
+
+"Wat een allerliefst mofje!" zei _Henriet_, met het harde haar
+over hare zachte wangen strijkende; "wat doe _jij_ nu met een mof,
+_Saartje_?"
+
+"'t Is een oud ding," zei _Saartje_ met een lief lachje: "de kinderen
+hebben er ook al zoo'n pleizier over gehad. 't Is nog van mijn
+grootmoeder, en ik draag het alleen 's avonds, nicht _Henriette_! Hoe
+vaart neef?"
+
+"Papa is heel wel," antwoordde de schoone. En als om het te bewijzen
+trad de heer _Kegge_ zelf binnen, vatte _Saartje_ met een fikschen
+greep om het middel, en gaf haar een zoen dat het klapte.
+
+"Wel _Saar_! daar doe je wèl aan!" riep hij uit. "Kom je nog reis
+thee voor ons schenken? Wat zeg je van dien mijnheer, dien we hebben
+opgedaan? Pas maar op hoor, het is een meisjesgek."
+
+Dit zijn van die malle gezegden, waarop de patiënt niet veel anders
+doen kan dan pijnlijk glimlachen.
+
+"En wat hoor ik van je mof? _Rob_ zegt dat je een mof hebt. Laat reis
+kijken. Die is nog van je moeder, _Saar_! Lieve schepsel! ik ben een
+citroen als dat niet precies het haar is van een wild varken. Hoor
+reis, je zult voor je Sinter Klaas een betere mof van _mij_ hebben."
+
+"Och neen, neef _Kegge_!" zei het lieve meisje verlegen; "ik zou haar
+toch niet anders dan 's avonds dragen."
+
+"En waarom niet, als _ik_ ze je geef?"
+
+"Omdat het me ... niet past, neef _Kegge_."
+
+"Niet passen? allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?"
+
+"Toch niet, neef _Kegge_! heusch, ik had het liever niet,--ik mag
+geen bont dragen,--en ik ben er ook nog veel te jong voor."
+
+"Allemaal gekheid! wat doen de jaren tot een stuk beestenhaar? 't
+Is immers voor de kou, krullebol! Nu, let maar op, met Sinter Klaas;
+en hou nu je moeders vel maar uit de tanden van Azor en Mimi."
+
+Deze laatste aardigheid deed den heer _Kegge_ machtig genoeglijk
+aan, en wij zetten ons tot de thee. Dat het servies van zilver
+en de kopjes van blauw porselein waren, behoeft niet te worden
+opgemerkt. De lezer weet nu te wel hoe het huishouden van de rijke
+familie _Kegge_ gemonteerd was, om van eenige pracht ter wereld meer
+verwonderd te staan, en het verveelt mij er hem langer opmerkzaam op
+te maken. Die er behagen in schept moois van dien aard met bewondering
+en ingenomenheid beschreven te zien, leze de novellen van Q. en Z. Men
+zou zeggen dat die heeren zelf belust werden op de schoone mirakelen,
+die zij beschrijven.
+
+
+
+Toen de thee was afgeloopen en de pendule bijna op acht uren stond,
+liet de heer _Kegge_ zich een met zwart zeehond gevoerden overjas
+van poolsch maaksel geven. Het was nog niet koud genoeg voor de pels,
+zeide hij. Hij stak daarna op, hetgeen hij met een kieschen term een
+stinkstok noemde, en ging uit, om alweer een noodige commissie te doen.
+
+Niet lang daarna kwam er in zijne plaats een heer binnen van een zeven-
+of achtentwintig jaren, naar ik berekende. Het was een welgemaakt,
+rijzig man, met een gelaat, waarvan de snede heel goed, maar dat voor
+het overige zeer vervallen was. Hij droeg het haar eenigszins lang,
+zeer scheef gescheiden, en aan den breedsten kant gefriseerd. Grijze
+oogen schoten hunne doffe stralen uit diepe spelonken, want de
+jukbeenderen waren zeer sterk geteekend, en om zijne lippen speelde
+een glimlach, die kennelijk geen andere bestemming had, dan om een
+zeer blank en regelmatig gebit te doen te voorschijn komen. Deze
+persoon was gedost in een zeer nauwen groenen rok met zeer kleine
+vergulde knoopjes en zeer nauwe en korte mouwtjes, een zeer wijden
+zwarten pantalon, met zeer spits toeloopende pijpen, en een gebrocheerd
+zijden vest. Een zwartsatijnen strop, in welks slippen een zeer lange,
+zeer dunne gouden doekspeld stak, met een klein goud snoertje daaraan
+vast, stroo-gele handschoenen en zeer puntige laarzen voltooiden zijn
+kleedij. Nog slingerde er een gouden halsketting, saamgesteld uit
+lange magere schakels, over zijn vest, en wees der verbeelding den
+weg naar een zeer dun goud horloge à cylindre, terwijl aan een bijna
+onzichtbaar elastiek koordje een klein vierkant lorgnet bengelde,
+dat geschikt was om zonder hand of vinger aan te raken, in den winkel
+van het oog te blijven staan.
+
+Toen deze heer binnenkwam, ging hij eerst de kamer door, volstrekt in
+dezelfde houding alsof hij moederziel alleen ware geweest en zonder ter
+linker of ter rechter zijde iets te willen opmerken; men zou gezegd
+hebben in eene blinde opgewondenheid. Toen hij tot mevrouw _Kegge_
+genaderd was, stond hij stokstil en liet zijn hoofd op de borst vallen
+als eene geknakte bieze; vervolgens ging hij op _Henriette_ af, en
+herhaalde dezelfde beweging met al de bevalligheid van een automaat;
+eindelijk bracht hij ze ten derdemale ten uitvoer voor de vereenigde
+personages van _Saartjen_ en mij.
+
+_Henriette_ stelde ons aan elkander voor, als mijnheer _Van der Hoogen_
+en mijnheer _Hildebrand_.
+
+Mijnheer _Van der Hoogen_ plaatste zich vervolgens op den hem
+aangeboden stoel, bracht den duim van zijne rechterband ter hoogte van
+zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde
+vestje, zoodat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop
+begon hij met een krakende stem tot mevrouw:
+
+"En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondjes. Gisteren dineerde
+ik bij den heer _Van Nagel_; nu, u weet wel dat freule _Constance_
+ook een aardig hondje heeft...."
+
+"Ik weet het heel goed; het is een King Richard," zei _Henriette_,
+"een allerliefst dier."
+
+"Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt niet
+bij Azor en Mimi."
+
+"Zou je dat waarlijk denken?" vroeg mevrouw, met zichtbaar welgevallen.
+
+"o Mevrouw!" antwoordde de heer _Van der Hoogen_, geheel
+opgewondenheid: "het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten
+het te zeggen. Freule _Constance_! zei ik, uw hondje is charmant;
+maar de hondjes van mevrouw _Kegge_ zijn charmanter."
+
+Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw _Kegge_
+niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en Mimi,
+die bij haar op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker toe,
+en streelde hen dat hunne koppen blonken als spiegels.
+
+De heer _Van der Hoogen_ richtte zich daarop tot _Henriette_.
+
+"Ik kan u zeggen, juffrouw _Henriette_, dat de freule _Constance_
+jaloersch is van uw maraboe's; zij heeft u er laatst mee in de
+kerk gezien. Gisteren zei ze: _Van der Hoogen_, je kent immers de
+familie _Kegge_? Ik antwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te
+zijn. Nu, zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de maraboe's
+van de freule. Het zijn allercharmantste maraboe's; daarop volgde
+een heel gesprek over u."
+
+"Waarlijk?" vroeg _Henriette_: hare oogen ongeloovig tot hem
+opslaande. "Foei, _Van der Hoogen_! je houdt me een beetje voor
+den gek."
+
+"Dat is ondeugend van je," antwoordde _Van der Hoogen_, als zij
+glimlachende. "Hoor je 't, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte
+soupçons!" Daarop trok hij zijn gezicht in een ernstige plooi en
+vervolgde: "Waarlijk, juffrouw _Henriette_, het is jammer, heel jammer,
+dat je die menschen niet ziet. Het is een charmant huis. De freule
+_Constance_ is waarlijk allercharmantst."
+
+"Ik weet niet, _Van der Hoogen_! maar ik geloof stellig dat er iets
+bestaat tusschen u en die freule _Constance_!" merkte _Henriette_
+aan. En zij lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met alle
+mogelijke coquetterie in de oogen.
+
+De heer _Van der Hoogen_ had er, wed ik, zijn mooie handschoenen
+voor willen verbeuren, indien hij had kunnen blozen. Maar zijn blos
+was--wie weet waar?
+
+"Al weer foei!" hernam hij, "dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw
+_Henriette_!" En hij lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd
+vest; "ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar
+misschien van fluistert--onwaar is."
+
+Hij liet een korte geheimzinnige pauze volgen; daarna ging hij
+voort:
+
+"Ik mag de freule _Constance_ heel gaarne; zij is waarlijk
+allercharmantst; maar ... ik heb geen plans, in 't geheel geen
+plans. En wilje weten waarom zij mij juist gisteren zoo beviel?"
+
+"Welnu?"
+
+"Omdat zij zich zoo aan _u_ intéresseerde." En hij sloeg de oogen
+liefelijk neder.
+
+"Inderdaad, ondeugd?" plaagde _Henriette_; "je zoudt me waarlijk
+nieuwsgierig maken, indien ik het worden kon!"
+
+"Zij vond uw voorkomen zoo bijzonder lief en intéressant," zei _Van
+der Hoogen_, "en ze had zóó veel van uw spelen gehoord." En zich tot
+mevrouw _Kegge_ keerende: "Lieve mevrouw! vereenig u toch met al wat
+in de stad smaak heeft, om uw dochter te bewegen haar woord te houden."
+
+"Dat behoeft niet meer!" zei _Henriette_ glimlachende: "alles is
+bepaald: ik speel vrijdag."
+
+"Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule _Constance_
+verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk,
+hoop ik...."
+
+"Ik ben nog niet gedécideerd," antwoordde _Henriette_: "wil de heer
+_Van der Hoogen_ mij eens helpen kiezen? Zullen wij de piano eens
+openmaken?"
+
+"Gaarne, dolgaarne."
+
+"Maar gij moet reflecties maken."
+
+"Onmogelijk! onmogelijk!" riep _Van der Hoogen_. Daarop sprong hij
+van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hij
+hem zoo voorzichtig nederlegde, alsof hij een uitgeblazen eierschaal
+geweest was, ontblootte zijn sneeuwwitte handjes en nagels coupés à
+l'anglaise, en hielp _Henriette_ de muziek uitzoeken.
+
+Onderdies fluisterde hij half hoorbaar: "Dat juffertje _De Groot_
+heeft toch een allercharmantst gezichtje!"
+
+"Wat onbeduidend," antwoordde _Henriette_.
+
+"Niet waar? dat is de eenige fout," sprak _Van der Hoogen_.
+
+"_Saartje_," hernam _Henriette_, "het is goed dat ik er om
+denk. Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetje
+gezelschap zoudt willen houden."
+
+"Graag, nicht _Henriette_!" antwoordde _Saartje_; "ik ga terstond."
+
+Ongaarne zag ik de lieve blauwe oogen vertrekken.
+
+_Henriette_ begon te spelen, en de heer _Van der Hoogen_ sloeg de
+bladen om; maar ik merkte op dat hij er somtijds zoo lang mee talmde,
+dat _Henriette_, bevreesd dat hij het niet bij tijds doen zoude, zelve
+hare hand uitstak, waarop hij zich dan haastte die hand te ontmoeten
+en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen. Over 't
+geheel was de houding der jongelieden voor de piano zeer vertrouwelijk.
+
+Intusschen zaten aan een klein tafeltje de jonge heeren _Rob_ en
+_Adam_ écarté te spelen om een kwartje, en verminkte kleine _Hanna_
+(want deze drie kinderen schenen op te blijven) de platen van een
+kostbaar boek tot mislukte knipsels.
+
+Ik had nu geen andere conversatie dan mevrouw, die mij vooreerst
+ophelderde dat de gebeurtenis, die "al wat in de stad smaak had
+verrukken zou," geen andere was, dan dat _Henriette_ aanstaanden
+vrijdag op het damesconcert een obligaat op de piano zou uitvoeren. De
+heer _Van der Hoogen_ had haar zoo lang gebeden, en de directie van
+het concert had er mijnheer _Kegge_ zoo zeer om lastig gevallen,
+en _Henriette_ speelde ook zoo uitmuntend, dat men niet langer had
+kunnen weigeren! Na deze mededeeling begon ons gesprek te kwijnen,
+en wist ik niets beters te doen, dan haar af te vragen hoe 't haar in
+Holland beviel. Zij klaagde daarop steen en been. Het scheen hier te
+lande koud en nat te zijn; de menschen waren hier stijf en gierig,
+en altijd bij hun kinderen; de kinderen hadden zooveel kleeren aan
+'t lijf; en de huizen waren zoo tochtig! Maar zij zelve was gelukkig
+altijd gezond, en de kinderen en _Kegge_ ook, en ook de hondjes.
+
+De heer _Kegge_ kwam thuis en vertelde zooveel nieuws, dat het
+blijkbaar was dat hij naar de sociëteit was geweest. Er kwam wijn
+binnen voor de dames, en er werd grog gemaakt voor de heeren. De
+heer _Kegge_ voegde zich bij de piano. _Saartje_ kwam weder beneden
+en vertelde dat de oude mevrouw lust had om naar bed te gaan. Ik
+hield mij daarop met haar bezig door te zamen de platen te bezien
+eener prachtuitgaaf van _Lafontaine_. Zij wist zoo goed welke fabel
+door iedere plaat werd voorgesteld, en sprak het Fransch zoo wel
+uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertje,
+dat geen bont mocht dragen, eene zeer goede opvoeding had gehad,
+en misschien ruim zoo goed geprofiteerd had, als ik van de schoone
+brunette en haar tweejarig pensionaat verwachten durfde.
+
+Er werd nog een heele poos muziek gemaakt, en mevrouw _Kegge_ sluimerde
+met haar hondjes in. Zij werd niet wakker voordat de charmante heer
+_Van der Hoogen_ weder op haar was toegeloopen, zijn hoofd op de
+borst had laten vallen, en betuigd dat hij, heer _Van der Hoogen_,
+de eer had haar dienaar te wezen.
+
+Hij maakte dezelfde plichtpleging voor de jonge dames, en begon nu
+aan den heer _Kegge_.
+
+"A propos"--zeide hij--"goed dat ik er om denk. Er presenteert
+zich eerstdaags eene charmante gelegenheid om iets naar de West te
+verzenden. Een jong mensch aan een der bureaux zal zich waarschijnlijk
+décideeren er heen te gaan. Hier geen vooruitzichten voor iemand
+zonder familie; misschien daar nog een plaatsje als blankofficier;
+honorable betrekking!"
+
+"Vooral tegenwoordig!" merkte de heer _Kegge_ aan, "schoon't bij
+ons beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in
+verachting. Maar 't is dwaas; want zoo in Suriname als in Demerary
+zijn de meeste directeurs het zelf geweest."
+
+_Henriette_ werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrekkingen
+kon de charmante heer _Van der Hoogen_ niet uit zulk een bekentenis
+opmaken! Maar de charmante heer _Van der Hoogen_ dacht misschien aan
+zijn eigen vader die, zoo als ik naderhand vernam, een logementhouder
+te Amsterdam was, en met wien hij dien ten gevolge niets meer had
+uit te staan dan dat hij nu en dan een wissel op hem trok.
+
+
+
+
+Vaderangsten en kinderliefde.
+
+Wie _Hildebrand_ te logeeren vraagt, krijgt, durf ik zeggen, geen al
+te lastigen gast in hem; maar op één ding is hij zeer gesteld. Hij
+moet niet alleen een afgeschoten hoekje hebben waar hij slaapt, maar
+ook een afgeschoten hoekje waar hij alleen kan zitten; een plaatsje
+van ontwijk, al is dat dan ook nog zoo klein, waar hij zichzelven kan
+toebehooren en, ongestoord en onbespied, gedurende een zeker gedeelte
+van den dag doen wat hij wil; en als het winter is, valt dat bij
+sommige menschen moeielijk; want dan kan op de eene kamer niet gestookt
+worden om de valwinden, en op de andere geen vuur aangemaakt omdat
+het er zoo rookt en, schoon hij zich vrij wat koude getroosten kan,
+"in de kou mag hij volstrekt niet gaan zitten." Ondertusschen is het
+een schrikkelijk ding tusschen het ontbijt en het koffieuur, te zitten
+hangen in de huiskamer, eerst in gezelschap van de dames in négligé;
+daarna in gezelschap van een dienstbode, die u verzoekt uw boek op
+te lichten om "eventjes de tafel te wrijven," vervolgens met in 't
+geheel geen gezelschap, en eindelijk weer in gezelschap van iemand,
+die een brief gaat zitten schrijven, en dan, af en aan, eene flauwe,
+slaperige en rekkerige conversatie. Neen! de conversable dag begint
+niet voor één ure. Aan het ontbijt voegt de bijbel en de stilte, en
+na den ontbijt, eenzaamheid en bezigheid; met de koffie krijgt eerst
+de gezelligheid hare rechten, en ik heb geen eerbied voor den man,
+die eene anecdote vertelt of een geestigheid zegt vóór dat de klok
+van éénen koud is.
+
+Ik was tot één ure op de bibliotheek gebleven, waar ik mij recht
+op mijn gemak genesteld had, en mij onledig gehouden, niet met mij
+op eene fatsoenlijke wijze te vervelen door, zonder bepaald iets te
+willen doen, nu het eene dan het andere boek uit de kast te halen,
+in te zien, en weer op zijn plaats te stellen, maar door een klein
+werkjen op te zetten, waartoe ik de materialen had meegebracht, een
+werkje daar ik alle oogenblikken van scheiden kon, maar daar ik ook
+genoeg aan had om met belangstelling in bezig te zijn.
+
+Ik kwam beneden en werd door mijn gastheer als "den geleerde" begroet,
+"die den heelen ochtend met den neus in de boeken had gezeten;
+allemaal gekheid. Hij was een dromedaris als hij er niet bij in slaap
+zou zijn gevallen."
+
+_Henriette_ kwam binnen. Zij zag er buitengewoon vroolijk en opgewekt
+uit, en hield in de eene hand een violetkleurig biljet, dat zij pas
+scheen te hebben ontvangen.
+
+"Kind!" riep de heer _Kegge_ haar toe, "vanavond ga je uit, hoor!"
+
+"En waarheen, papa?" vroeg _Henriette_.
+
+"Naar neef _De Groot_, hart! Op vergulden."
+
+"Op wat?" vroeg _Henriette_, wier aangezicht betrok.
+
+"Op koekplakken!" zei haar vader, "Sakkerloot, ik heb het in mijn jeugd
+ook gedaan. Vrijers, vrijsters, varkens, ledikanten, _Adam_ en _Eva_,
+schepen, al den boel! "Weetje niet dat het haast Sinter Klaas is?"
+
+"Ik koekplakken, papa, bij de _De Grooten_!--Ik kan het niet; ik
+bedank er voor. Neen, _daar_ bedank ik nu voor," zei _Henriette_
+op een welberaden toon, "ik doe het _niet_."
+
+"Ja maar, lieve meid," zei de heer _Kegge_, "ik heb het voor je
+aangenomen; hoor; je kunt er niet af; 't is een heele damespartij."
+
+"En wat voor dames zouden er bij de _De Grooten_ komen?" vroeg de
+schoone smalend.
+
+"Weet _ik_ het, juffrouw _Henriette_?" zei de vader, op een kluchtige
+wijze het mutsje afnemende, dat hij droeg uit aanmerking van het hiaat
+in zijne lokken, ofschoon met zichtbare verlegenheid. "Ik ben een
+kievit als ik het weet. Je neef heeft er me verscheiden opgenoemd;
+juffrouw _Riet_, juffrouw _Dekker_, juffer dit en dat; hij zegt dat
+het heele ordentelijke juffrouwen zijn."
+
+"En waarom heeft _Saartje_ mij dan gisteren niet verzocht?"
+
+"Omdat zij het vergeten heeft, zegt ze."
+
+"Omdat ze niet gedurfd heeft," verbeterde _Henriette_, rood van
+verontwaardiging.
+
+"_Henriette_-hef!" vleide papa, "ik had graag dat je wèl waart met de
+_De Grooten_. Toen we hier vreemd aankwamen, hebben ze ons duizend
+diensten bewezen. Neef heeft dit huis voor ons gehuurd en alles;
+hij is een eerlijk man; kan hij 't helpen dat hij geen adellijk heer
+of groote hans is, dat hij geen glacé handschoentjes draagt als onze
+vriend _Van der Hoogen_? Ik heb het aangenomen; je zult er immers
+heengaan? Ik wil dat je er heengaat."
+
+"Het is wèl; ik _zal_ er heengaan," antwoordde _Henriette_, bleek
+van drift; "maar als ik vrijdag slecht speel, is het _uw_ schuld."
+
+"Voor mijn rekening, kind! Maar, van vrijdag gesproken! Misschien
+bevalt je dat óók niet; ik heb neef _De Groot_ een introductiekaartje
+beloofd."
+
+"'t Is goed," zei _Henriette_, haar spijt verbijtende.
+
+"Van wien is dat paarse briefje?"
+
+"Ik heb het met muziek gekregen."
+
+"Nu, kind! van avond vergulden, hoor! _Hildebrand_ mag je komen
+halen als hij pleizier heeft; en dan moet hij wat vroeg gaan, dan kan
+hij nog reis mee trekken om 't langste brok. 't Zijn waarlijk goeie
+menschen, _Hildebrand_! heel ordentelijk. Je hebt gisteren _Saartje_
+gezien. _Henriet_"--vervolgde hij, met de oogen pinkende--"_Henriet_
+mocht willen dat zij er zoo uitzag!"
+
+_Henriet_ beefde.
+
+"Maar zij heeft óók wel mooie zwarte oogen," zei haar papa, en gaf
+haar een kus. "_Harriot_, _my dear_, je moet niet boos zijn."
+
+_Harriot_, _his dear_, draaide het hoofd af.
+
+De vader was verlegen.
+
+"Het is goed weer," hernam hij: "best weer! ik heb de schimmels voor
+de barouchette laten zetten; ik wil een toertje maken met mijn logé. Ga
+je mee, _Harriot_?"
+
+"Ik heb te schrijven en muziek te copiëeren," antwoordde zij,
+een slotportefeuille openslaande, en er een blaadje bathpapier
+uitkrijgende, dat zij oogenblikkelijk met veel ijver ging zitten
+vullen.
+
+"Nu, dan gaan wij alleen; voor mama is het te koud."
+
+Er volgde een poosje stilte.
+
+"Is uw toilet voor vrijdag al in orde, _Harriot_?" vroeg de heer
+_Kegge_.
+
+"Ik weet niet," zei _Harriot_.
+
+"Moet er niets nieuws zijn, een ferronière, of zoo wat?"
+
+"Neen, papa."
+
+De schimmels waren vóór; _Henriette_ bleef pruilen. Wij namen afscheid
+en stegen in de barouchette.
+
+"_Henriette_ was boos," zei de vader, toen wij gezeten waren. "Ja,
+die dametjes! je moet ze ontzien, vrind! En _Henriet_ heeft _veel
+karakter_."
+
+Wij toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten de
+vensters der respectieve bewoners dreunen. Mijnheer _Kegge_ beweerde
+dat men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag onder de
+voetgangers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord "ongepermitteerd"
+duidelijk lezen op het gelaat van verscheidene Joden, die de stad met
+kruiwagens doorkruisten, en van oude vrouwen die van de vischmarkt
+kwamen en op dezen of genen hoek niet gauw genoeg uit den weg konden
+komen. Ook zag ik deftige heeren met rottingen onder den arm die,
+niettegenstaande de straat breed genoeg was, het veiliger achtten
+hunne wandeling te staken, totdat het rijtuig zou zijn voorbijgegaan,
+en kindermeiden die, twintig huizen vóór ons uit, "verschoten" en de
+aan haar zorg toevertrouwde lievelingen bij de armen naar zich toe
+sjorden, om der wereld te toonen hoe goed zij voor hen zorgden. In
+een koffiehuis kwamen, drie of vier heeren, met horizontaal opgeheven
+pijpen in den mond, over het horretje kijken, en alles toonde ontzag
+voor de twee schimmels, het mooie rijtuig, den deftigen koetsier,
+en den zwarten lakei achterop, die met onbewegelijke plechtigheid zat
+rond te kijken en iedereen eerbied inboezemde, behalve den boven alle
+vooroordeelen verheven straatjongen, die hem nariep: "Mooie jongen,
+pas op, hoor! dat de zon je niet verbrandt!"
+
+Alle deze bewijzen van opmerkzaamheid en belangstelling in zijn persoon
+en bezitting schenen ditmaal noch de hoovaardij van den heer _Kegge_
+te prikkelen, noch zijne vroolijkheid gaande te maken.
+
+Wij reden de poort uit en den straatweg op, en deden een mooien keer
+door de boschrijke streek. Het was een heerlijke najaarsdag. Het
+had in dien herfst weinig geregend en nog in het geheel niet
+gestormd. De boomen pronkten dus nog met een goed gedeelte van hun
+bladerkroon. Heerlijk blonken de goudgele en bloedroode tinten van
+iepen en beuken in het rosse zonlicht. Hier en daar breidde een eik
+daartusschen zijn gelende takken uit, nog steeds groen aan den top;
+en het donkergroen van een partij dennen beschaamde van tijd tot
+tijd, met somberen ernst, de overige zonen van het woud, die nu nog
+zoo trotsch schenen op verdorde pracht, en weldra naakt en arm den
+winter zouden tegemoet gaan.
+
+Maar noch de schoone natuur, noch de heldere zon, noch de frissche
+najaarslucht vermochten de wolk van het voorhoofd van den heer _Kegge_
+te verdrijven. Ik trachtte het gesprek levendig te houden en zijne
+gedachten over allerlei onderwerpen te verdeelen, maar telkens bleek
+het mij duidelijk dat zij over de verstoordheid van zijne beminde
+dochter liepen.
+
+De schimmels waren ongemeen vurig en liepen uitmuntend, en de koetsier
+maakte den heer _Kegge_ herhaalde malen opmerkzaam dat de bijdehandsche
+nu toch alle kuren had afgelegd. Het scheen alsof de heer _Kegge_
+er geen gevoel voor had; hij dacht aan de kuren van _Henriet_.
+
+De koetsier slaagde er in, na een lange worsteling, een "grooten hans
+en adellijken heer" voorbij te rijden; maar de heer _Kegge_ wreef
+zich de handen niet met dat genoegen, waarmee ik mij overtuigd hield
+dat hij het gisteren zou gedaan hebben. Zijn geest was gedrukt. Wel
+poogde hij den last nu en dan van zich af te werpen, of zich dien te
+ontveinzen, door van tijd tot tijd koddig of ruw uit te vallen, maar
+daarna geraakte hij op nieuw in de stilte. Hij was de man van gisteren
+niet. Die barre mijnheer _Kegge_, zoo onafhankelijk, zoo luidruchtig,
+zoo opbruisend, en voor geen kleintje vervaard, was kleinmoedig en
+benepen van ziele, om den wille van de gril van een zeventienjarig
+meisje, dat hij liefhad, en vreesde. Mejuffrouw _Toussaint_, in wie
+ik niet weet wat het meest te bewonderen, òf de juistheid waarmede
+zij de verborgenheden van het innerlijk leven opvat, òf de keurigheid
+en kracht waarmee zij die in hare geschriften schildert, heeft dezen
+vorm der ouderlijke liefde uitstekend geschetst.
+
+Op den terugkeer gebood de heer _Kegge_ stil te houden voor de deur
+van een bloemist.
+
+De zwarte palfrenier steeg af en schelde aan. "Is je heer thuis,
+meisje?"
+
+"Meheer is na Amsterdam."
+
+"Maar mogelijk is _Barend_ te werk," riep _Kegge_ uit het rijtuig.
+
+"Ja, meheer! _Barend_ is er. As meheer er maar uit wil komen?"
+
+Wij stegen af, en men bracht ons naar het zoogenaamde bollenhuis,
+waar _Barend_ zich weldra te midden der bolrekken, houten zaadbakjes
+en sterke geuren aan ons oog vertoonde.
+
+_Barend_ was de oudste, de meester-knecht van den bloemist, bij wien
+wij waren afgestapt; een man van een, in zijn stand, allereerwaardigst
+voorkomen. Hij was niet groot van gestalte, en droeg een blauw wambuis
+van een antiek snit, een korte broek, grijze kousen en groote vierkante
+zilveren kuit- en schoengespen; zijn wit voorschoot was in de schuinte
+opgenomen. Niettegenstaande zijn hooge jaren, droeg hij het hoofd
+nog vrij rechtop. Dunne witte haren hingen hem langs de slapen; maar
+zijn gerimpeld gelaat had nog dat gezonde rood, dat denzulken, die
+hun leven in de open lucht hebben doorgebracht, tot in hun grijsheid
+bijblijft. Zijne blauwe oogen hadden een vriendelijken glans, en
+zijn mond was juist genoeg ingevallen om een allerinnemendste plooi
+te hebben aangenomen.
+
+"_Barend_!" zei de heer _Kegge_, "ik moet een mooien ruiker bloemen
+hebben."
+
+"Dat zal slecht gaan, meheer _Kegge_," antwoordde _Barend_.
+
+"Voor geld en goede woorden, _Barend_!" hernam _Kegge_; "'t kan me
+niet schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintje zie."
+
+"Allemaal goed," zei _Barend_; "maar je kent de natuur niet
+dwingen. Dat 's een anjer; verstaje! 't Is nou de allerschraalste
+tijd. Weetje wel dat we al mooi naar korsemis opschieten? Kom zoo vroeg
+in 't voorjaar as je wil, meheer _Kegge_, en ik zel je een handvol
+gebroeid goed geven, dat je hart er van verdaagt; maar nou is alles
+gedaan. Der mag nog een enkele kresantemum wezen,--maar 't is over,
+meheer _Kegge_; je kent, zeg ik nog reis, de natuur van een ding niet
+dwingen. Je _kent_ het wel dwingen; maar dwingen en dwingen is twee;
+en as je een ding dwingt, dat nou eigenlijk niet gedwongen kan worden,
+wat heb je dan? Dan plaag je je zelve."
+
+De heer _Kegge_ brak dezen niet zeer duidelijken woordenstroom van
+den ouden _Barend_ af, met te zeggen: "Nu nu, _Barendje_, als je al
+de kassen reis doorloopt!"
+
+"Hoor reis!" zei _Barend_, "je mot maar denken dat ik je net zoo
+graag de heele pot geef, as dat ik er de hartsteng uit mot snijen,
+want daar zit al de kracht in, weetje. 'En blom, meheer _Kegge_; dat
+zeg ik altijd; 'en blom is net as 'en mensch. As ik jou je hart uit je
+gemoed snij, dan kan je ommers ook niet in 't leven blijven? Daar zit
+'et 'em as 't ware maar in.... Wat zeg _jij_, meheer?" voegde hij er
+bij, zich tot mij richtende.
+
+De heer _Kegge_ wachtte volstrekt niet af wat _ik_ in dezen zeggen
+zoude. "Maar voor een goud vijfje zal ik toch nog wel wat kunnen
+hebben?" zei hij ongeduldig.
+
+"Hoor," zei _Barend_, zijn snoeimes uit den zak halende en openslaande,
+"as ze der binnen, dan hoefje geen goud vijfje te besteeën; dan zelje
+voor een spiergulden [16] al heel wat doen. Maar 't is maar dat het
+zoo bitter uit den tijd is. Is het voor mevrouw?"
+
+"Neen, _Barend_! voor me dochter."
+
+"Kom an!" hernam hij, "da's etzelfde; de dames zijn onze beste klanten
+voor de blommen; maar as we 't van de blommen hebben mosten!"
+
+"Maar waar drommel moet je 't anders van hebben?"
+
+"Wel, van de bollen," zei _Barend_; "de blommen beteekenen nies. Dat
+is armoed. Kijk!" ging hij voort, daar hij een potje aanwees dat niet
+bloeide, maar met een rijkdom van fijne samengestelde bladeren pronkte;
+"motje zoo'n dingsigheidje niet hebben? Of hebje dat al?"
+
+"Wat is het, _Barend_?"
+
+"Dat," zei _Barend_, "is nou eigenlijk de effetieve mimosa nolus
+mi tangere!"
+
+"Hou op met je potjes-latijn!" riep _Kegge_ uit; "allemaal gekheid! Hoe
+heet het in je moers taal, man?"
+
+"Kruidje roer me niet," antwoordde _Barend_.
+
+"Dankje hartelijk!" hernam _Kegge_, zich waarschijnlijk herinnerende
+dat hij "zoo'n dingsigheidje" al had.
+
+Wij gingen eerst den tuin door, waar nog een enkele maandroos bloeide,
+die er heel goed uitzag, ofschoon _Barend_ beweerde, dat zij het door
+de nattigheid toch in het hart weg moest hebben, en zagen vervolgens
+de kassen, waar hij hier en daar een pelargonium, chrysanthemum,
+en primula sinensis afsneed, zoodat wij op 't laatst nog een vrij
+aanzienlijken ruiker bijeen hadden, terwijl _Barend_ bij iedere bloem
+zijn kennis en praatziekte had aan den dag gelegd. Toen hij de laatste
+deur achter zich sloot, liet de heer _Kegge_ zich onvoorzichtig de
+vraag ontvallen:
+
+"Wel _Barend_! hoe lang ben jij hier nu al geweest?"
+
+"Vijf en vijftig jaar, meheer! met God en met eere," was zijn antwoord;
+"ik word met vrouwendag achtenzestig; en ik ben hier op me dertiende
+jaar as tuinmansjongen gekommen."
+
+"Wel man! en je ziet er nog zoo fiksch uit!" merkte ik aan.
+
+"O!" antwoordde _Barend_; "maar dan most meheer me wijf zien. Die
+is nou toch ook in der zestigste, maar da's nog wat anders. Ik heb
+dertien kinderen bij 'er gehad, en de jongste scheelde met de oudste
+krek eenentwintig jaar. Nou beurt dat zoo niet meer, maar voor een
+jaar of tien is 'et _mennigmaal_ gebeurd dat de lui an der vroegen,
+of 'er vader thuis was."
+
+"Dat 's knap!" zei _Kegge_, "weergaasch knap, hoor _Barend_. In de
+Westinjes is dat anders. Daar kan 't wel beuren dat moeder en dochter
+maar vijftien jaar schelen; maar de vrouwen zijn er vroeg oud, man."
+
+Met deze woorden haalde de heer _Kegge_ zijn beurs uit den zak en
+nam de houding aan van iemand die vertrekken wilde. Maar _Barend_
+dacht er anders over, en leunde tegen den muur van de kas met al de
+gemakkelijkheid van iemand die een lange historie beginnen gaat.
+
+"De heeren hadden men vader motten kennen," zei _Barend_, "dat was
+een vast man. Toen ie stierf was ie omme en bij de negenenzestig
+jaar, maar hij had zijn volle gebit nog. We woonden toen ter tijd te
+Uitgeest en hij kwam geloopen van Uitgeest na Alkmaar om de koffie,
+want we hadden een eigen moei te Alkmaar; en hij ging weer na huis,
+en hij wist er niks niemendal van.--En was 't niet om 'en boer--hij
+_was_ er nog wel."
+
+"Zóó," merkte ik aan; "dan zou hij toch nog al aardig oud zijn! vrind!"
+
+"Doet niet!" zei _Barend_, "doet niet! Dan was ie pas honderd en
+vijf, en dat had _hij_ makkelijk kennen worden ook. Maar dat mot
+ik de heeren toch reis vertellen. Hij was bij een boer, _Stoetema_
+hiette de boer, an 't werk; want me vader was een timmerman van zijn
+ambacht. Wat wil 't geval. Hij krijgt zoo klakkeloos de koors op 't
+lijf. Nou was me vader van _zoo'n_ natuur, dat as ie, met permissie,
+maar an 't zweeten kommen kon, dan was ie weer klaar. Jongens, zeit
+ie tegen zijn kameraads, ik heb een harde koors. Weetje wat, zeiën ze,
+dan motje wat op de koes gaan leggen. Dat is, zooals de heeren mogelijk
+wel weten, in den koestal, achter de koeien, de plek waar de knechts,
+deur den bank, slapen. Maar _Stoetema_ zei: dat kan niet, want we
+hebben 't bed pas opgemaakt voor de jongens; dan most me vader maar in
+den hooiberg gaan. Nou toen moest me vader zoo'n hooge ladder op van
+'en veertig sporten. Jongens! dat kostte hem wat 'n moeite voor dat
+ie boven kwam! Toen maakte hij daar zoo'n kuiltje voor 'm en haalde
+het hooi over 'm heen, en bleef stil leggen. Maar toen ie een uurtje
+gelegen had, kwam daar 't houtschuitje; daar gingen de knechts mee
+na huis; want het sloeg twaalf uren. Deur _die_ weg riepen ze an me
+vader: _Jan_, kom der nou of, daar is 't schuitje! maar me vader zei:
+neen, want ik zweet zoo, laat me nou leggen. Maar ze zeiën: jongen,
+as 't reis erger wier; je most maar mee gaan. Toen kwam me vader van
+den hooiberg af; maar kijk, hij zweette dan erg. Toen vroegen ze an
+_Stoetema_ om koedekken. Maar hij wou ze niet geven; me koedekken
+motten droog blijven, zeid' ie. Toen trok de een zen wammes uit, en
+de ander trok zen wammes uit, en lei dat over me vader; maar het holp
+niet, want het was te kort. Zoo kwammen ze te Uitgeest, maar het was
+nog wel 'en anderhalfuur varens. Maar die menschen motten zekerlijk der
+tijd noodig gehad hebben, want geen een ging er met me vader mee. Maar
+toen waren zen beenen zoo stijf geworden, dat ie niet gaan kon, maar
+van hoeken tot kanten viel. Toen motten de lui, die 'm gezien hebben,
+zekerlijk bij der eigen hebben gedocht, die man is dronken. Maar
+ziet! met dat ie zóó an de deur kwam, wou ie de knop grijpen...."
+
+Hier raakte de oude _Barend_ zijn stem, die al zwakker en afgebrokener
+geworden was, geheel kwijt, en stikte in zijn tranen. Met de linkerhand
+greep hij zich bij 't achterhoofd en trok zich bij de dunne haren.
+
+"Kijk!" zei de oude man, met den voet stampende, en met even veel
+smart en verontwaardiging als of zijn vader gisteren gestorven was,
+"kijk! as ik an dien boer denk!..."
+
+"Hij wou de knop grijpen," ging hij bedaarder voort, "maar het ging
+niet. Drie dagen daarna was ie 'n lijk. Maar was 't niet om dien
+boer," zei hij, andermaal stampvoetende, "hij zou der makkelijk _nog_
+kennen wezen."
+
+De heer _Kegge_ had de tranen in de oogen. Hij tastte in zijn beurs.
+
+"Daar _Barend_," zeide hij; "wat er meer is dan een spiergulden is
+voor jou. Geef me nu den ruiker maar in een groote spanen doos."
+
+_Barend_ ging de doos halen.
+
+"Die oude heer _Barend_ is in allen gevalle toch niet in de wieg
+gesmoord," merkte de heer _Kegge_ aan, met gemaakte vroolijkheid. En
+zijn oogen afvegende, voegde hij er bij: "een lamentabele
+historie! Zoo'n ouwe kerel zou je nog akelig maken óók."
+
+Wij waren al spoedig klaar en weer te huis. _Henriette_, die ook al
+berouw over hare verstoordheid had, keek weer vriendelijk; en toen
+haar vader haar de bloemen gaf, stonden er tranen in haar mooie
+oogen. Zij was beschaamd.
+
+"Je bent toch een lieve papa," zei ze, hem kussende, en met haar
+fraaie hand zijn haren schikkende. "Ik had het niet verdiend," voegde
+zij er bij; en zij boog haar hoofd aan zijn hart.
+
+"Geen coupjes!" zei de vader. "Allemaal gekheid! Een mensch moet
+altijd vroolijk zijn!"
+
+Ik begon tienmaal meer van _Henriette_ te houden. De kaketoe riep:
+
+"Zoete vrouw."
+
+
+
+Wij zaten nog aan het dessert, toen de heer _Van der Hoogen_, dien
+ik in mijne gedachten nooit anders dan "den charmanten" noemde,
+aangediend werd en binnenkwam.
+
+_Henriette_ kleurde vreeselijk.
+
+"Dérangeer je niet, lieve mevrouw; dankje mijnheer _Van Kegge_. Een
+zeer ongelegen uur, inderdaad! Mijn boodschap was aan juffrouw _Van
+Kegge_; het is alleraffreust; ik ben desperaat!"
+
+Ik zag den heer _Van der Hoogen_ opmerkzaam aan, maar ik merkte
+niets van die verwilderde haren of strakke blikken, die de dichters
+mij als het onvermijdelijk vereischte der wanhoop hebben leeren
+beschouwen. Integendeel; 's mans lokken zaten, dank zij het uitmuntend
+plakmiddel, bij de haarbouwkunstenaars als cosmétique bekend, even
+glad en net als gisteren; de blik zijner oogen was volmaakt kalm;
+en ook beefde de hand des desperaten heeren _Van der Hoogen_ niet,
+toen hij die naar een glas port uitstak, dat mijn gastheer voor
+ZEd. had ingeschonken.
+
+"Ik zal u zeggen;" dus vervolgde hij tot _Henriette_; "ik kan
+onmogelijk donderdagavond bij uwe repetitie zijn. Zoo even ontving ik
+de uitnoodiging tot een groot souper bij den heer _Van Lemmer_, waar
+ik niet van tusschen kan, en 's middags moet ik bij mevrouw _D'autré_
+dineeren! Morgen is er, zoo als je weet, soirée bij den generaal. Als
+je van avond niet kunt, dan ben ik waarlijk radeloos. Maar ik _vrees_
+dat je niet zult kunnen...."
+
+De dochtervreezende vader nam deze gelegenheid waar, om alles wat hij
+dezen morgen verkorven had geheel weder goed te maken; want indien
+_Henriettes_ toorn hem bevreesd had gemaakt, hare tranen hadden hem
+volkomen overtuigd dat hij haar ongelijk had aangedaan. Misschien
+was hij wel een weinigje bang voor eene nieuwe vredebreuk.
+
+"Nu _Henriette_," zei de heer _Kegge_, het woord schielijk opvattende:
+"dan zit er niets anders op dan dat je thuisblijft. Je _kunt_ er wel
+af,--zóó is het niet."
+
+"Hadje een invitatie? Dat vreesde ik al," merkte _Van der Hoogen_ aan;
+"juffrouw _Van Kegge_ is overal zoo gechérisseerd. Neen, neen! als
+je er iets voor sacrifiëeren moet, doe het dan niet; ik zal...."
+
+"Neen!" zei de heer _Kegge_, "ik ben op die repetitie gesteld. Wij
+wachten u van avond stellig.... Om een uur of zeven, niet waar?"
+
+"Charmant, charmant!" riep de heer _Van der Hoogen_ uit, en wipte
+van zijn stoel op: "dérangeer u niet; à ce soir!" Hij danste heen.
+
+Ik begreep de beschaamdheid en de tranen van _Henriette_ nog beter dan
+vóór den eten. Het was alles een opgedicht stukje, en de heer _Van
+der Hoogen_ vertrok met de zalige overtuiging, der schoone brunette
+een belangrijken dienst te hebben bewezen. Zij zelve had er berouw
+van. Ik stond op om hem uit te laten.
+
+"Mijnheer studeert te Leiden, niet waar?" vroeg hij mij in de
+gang. "Charmante jongelui. Ik heb ook een halfjaar te Leiden
+geresideerd. Maar 't is voor 't overige een miserabele stad. Geen
+amusementen; de menschen zien elkander niet. Eens in 't jaar een
+bal, om hun fatsoen te houden. Criant vervelend. Dérangeer u niet. A
+ce soir!"
+
+"Het spijt mij dat het zoo treft," zei _Henriette_ toen ik weder
+binnenkwam, "maar gij ziet, ik kan nu volstrekt niet gaan."
+
+"Je moet een briefje schrijven!" zei haar papa.
+
+"Foei neen!" zei _Henriette_; "geen briefjes aan de _De Grooten_;
+dat zijn die menschen niet gewend."
+
+"Wil _ik_ het voor u af gaan zeggen?" vroeg ik half schertsend.
+
+"Heb ik u niet gezegd, mama! dat mijnheer zin in _Saartje_
+heeft?" sprak _Henriette_ lachende; maar daarop nam zij de zaak
+ernstig; "ik zou haar inderdaad zéér verplichten!"
+
+"Goed," zei ik, "en als 't mij bevalt, blijf ik er, in plaats van
+juffrouw _Henriette_, hoe slecht de ruil ook wezen moge. Ik heb niets
+tegen vergulden."
+
+"Vergulden!" riep de vader uit, geheel verrukking dat de zaak zoo
+geheel ten genoegen van de dochter geschikt was, "wel, ik kan je
+zeggen dat _ik_ het nog met pleizier doen zou. Ik wed dat grootmama
+er nog schik in zou hebben...."
+
+"Ik hou niet veel van verguld!" sprak de oude dame.
+
+
+
+
+Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn; en voorts
+iets droevigs.
+
+De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen, en tegen dat
+uur begaf ik mij op weg naar de woning van den koekebakker _De Groot_
+of, zooals _Henriette_ altijd zeide, van "de _De Grooten_". Zij was
+vrij verre van het huis van den heer _Kegge_ gelegen, en ik ging op
+de, voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een
+vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van den heer _Kegge_ af.
+
+Plotseling bevond ik mij in eene donkere steeg, aan welker einde een
+hel licht als uit den grond opkwam, voor welk licht zich eene duistere
+massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging,
+hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen te zijn,
+uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op alle
+manieren op en over elkander liggenden stapel jongens, die door een
+kelderraam, waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen
+van een meester koekebakker en zijne gezellen, die in hunne witte
+linnen pakjes alzulke schoone wonderen kneedden, duimden, schikten
+en bakten, als welke _Henriette_ versmaad had verder te volmaken. Ik
+stond een oogenblik stil en verlustigde mij in de belangstelling dier
+straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens
+van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zij de lekkernijen zagen
+toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zooals
+maltentige menschen beweren, ziek zouden maken.
+
+"Nou, wat weerga, jongen, laat main ook reis kaiken," zei de een,
+en ondersteunde zijn begeerte met eene heftige beweging der ellebogen.
+
+"Doppie, _Jan_! dat is een mooie!" riep een ander, "da's zeker 'en
+Jan Klaasen!"
+
+"Ben je mal, jongen?" riep een derde; "'t is 'en waif!"
+
+"Nou as dat 'en waif is," merkte een vierde aan, "dan mag ik laien
+dat _Piet_ in de' kelder valt."
+
+"Hou je ellebogen vóór je, _Gerritje_; ik waarskou je, hoor!"
+
+"Pas op, _Pietje_! of je holsblok gaat de bakkerij in."
+
+"Kaik; ie doet den oven open; is 't men een vuurtje?"
+
+"Wat doet die dikke nou weer? Hij doet meel an zen knuisten!"
+
+"Wel nou, mot 'et deeg dan an zen vingers blaiven hangen? Jij bent
+ook een mooie...."
+
+"Wacht 'en beetje! da's een kokkerd,--die kost wel 'en daalder, hoor!"
+
+"Hoor je _hem_? Je zoudt er wel kommen met 'en daalder."
+
+"'En daalder op je oogen."
+
+Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbeschouwers voor
+het raam van dit atelier.
+
+Op den hoek van 't huis hing een groot uithangbord, waarop de bekende
+geschiedenis van den Zoeten Inval stond afgebeeld, en daar onder
+"H. P. _De Groot_. _Alle zoorten van koek en kleyngoed_." Ik trad den
+winkel binnen, en er was zulk een verward geluid van vrouwestemmen
+in een belendende kamer, die door een glazen deur met een groen
+horretje daarop uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat de partij aan
+den gang was, en ik mij nogmaals luidkeels moest aanmelden eer er
+iemand opdaagde.
+
+De glazen deur ging open, en het mooie _Saartje_ verscheen, met een
+hooge kleur, als iemand die uit een zeer druk gesprek of uit eene
+zeer warme kamer komt.
+
+"U alleen, mijnheer _Hildebrand_?"
+
+"In plaats van uw nichtje _Kegge_, lieve juffrouw! ik kom haar bij
+u verontschuldigen."
+
+"Maar u zal toch binnenkomen?"
+
+"Een oogenblikje."
+
+_Saartje_ opende de deur op nieuw, om mij in te laten, en ik overzag
+de schare.
+
+Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting,
+bloedkoralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld, en zelfs van een ring,
+met een zeer grooten ronden bloedkoraal aan den vinger, juffrouw
+_Mietje Dekker_, de dochter van een deftigen kleedermaker, en aan
+hare zijde, met een groote doodvlek op haar wang en een koperen
+gesp als een vierkante zon op haar buik, _Keetje de Riet_ uit den
+kruidenierswinkel. En daarnaast _Pietje Hupstra_, wier vader het
+gewichtig ambt van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde
+dat niets losser en bevalliger stond dan een rozerood tissuutje
+door een ringetje gehaald. Dan had men er _Truitje_ en _Toosje_,
+de twee telgen van den heer _Opper_, voornaam metselaar, waarvan de
+eene in 't openbaar een hoed met steenen bloemen en de andere een
+dito met houten pluim droeg, maar die in dezen huiselijken kring
+zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel, de eene van een blauwe,
+de andere van een roode céphalide, in de stellige overtuiging dat er
+op dit ondermaansche geen bevalliger of modieuzer damescoiffure kon
+bestaan. Voorts het magere _Grietje van Buren_, die de oudste van
+de gevraagde partij was en een- of tweeëndertig jaren tellen mocht;
+zij leefde "in otio cum dignitate" van een kleine lijfrente, haar door
+eene oude vrijster gemaakt, bij wie zij iets meer dan kamenier en iets
+minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest. Zij droeg een mutsje met
+een smal kantje, en een toertje aan twee kleine trosjes rozijnen
+niet ongelijk. Ook zag ik _Bartje Blom_, wier vader een deftige
+spekslagerij had, en die zelve een groote, zwarte duimelot aan haar
+middelsten vinger droeg, omdat zij zich ongelukkig aan gemelden vinger
+had verwond, bij welke kwetsuur "de kou" gekomen was. Ter afwisseling,
+_Suzette Noiret_, dochter eener weduwe, die op een hofje woonde, en
+van de Fransche gemeente was. Deze had een allerliefst, beschaafd en
+net besneden uiterlijk, en wedijverde, in het bruin, met het blonde
+_Saartje_, waarnaast zij gezeten was. En eindelijk, aan het hooger
+einde van de tafel, moeder _De Groot_ zelve, een dame van een veertig
+jaar, in eene zwarte zijden japon gekleed en dragende een muts met
+eene belangrijke hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed
+genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van
+het hoofdtooisel dat zij op den vijfden december dragen zou.
+
+De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie bij juffrouw _De
+Groot_, die gehoopt had met _nicht_ _Henriette_ te pronken; het speet
+de vergaderde juffers ook recht, zooals zij zeiden, schoon ik mij
+overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een _dame_ voor menig
+harer een pak van 't hart was. Een algemeen gefluister, dat door de
+dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de
+solo van _Grietje van Buren_ ontwikkelde, met de betuiging, "dat het
+jammer voor juffrouw _Kegge_ was; zoo reis vergulden, dat was altijd
+nog reis aardig".
+
+"Ik hoop," zei juffrouw _De Groot_, "in de aanstaande week, de kleine
+neefjes en nichtjes der ook nog reis op te nooden. Dan vraag ik zoo
+wat klein grut."
+
+"Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken," merkte
+juffrouw _Van Buren_ aan, haar penseel indoopende en een lange streep
+goud op den wimpel van een oorlogschip klevende.
+
+"'t Ziet er wel prettig uit," zei ik zelf; "ik watertand om het ook
+reis te doen. Mag ik eens effen van de partij zijn?"
+
+Dit voorstel bracht een schaterend gelach en groote vroolijkheid te
+weeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk
+meende.
+
+Tot de edele kunst van vergulden, ook wel, met eenen bij alle
+koekebakkers voor beleedigend gehouden naam "plakken" genoemd,
+zijn vier dingen noodig, als: de koek die verguld moet worden, het
+verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen-
+of konijnenvacht, hetwelk jagers de pluim, en gewone menschen den
+staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde
+goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk
+te doen gaan, zat aan het eene einde van de tafel het lieve _Saartje_,
+die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking
+moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers,
+ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste grootte; terwijl aan
+het tegenovergestelde einde moeder _De Groot_, die ook de thee schonk,
+boekjes bladgoud in breeder en smaller reepen knipte, om daarvan ieder
+behoorlijk te voorzien, de tafel met kopjes met water bezaaid was,
+en elk der genoodigden met een penseel en een konijnepluimpje was
+uitgerust. Men voorzag ook mij hiervan, en bij ieder materiaal of
+instrument, dat ik in handen nam, proestte men 't uit van 't lachen
+en ging een kreet van verbazing op.
+
+"'t Is zonde!" betuigde _Mietje Dekker_.
+
+"Heb ik van mijn leven?" informeerde _Keetje De Riet_.
+
+"Die stedenten hebben alevel altijd wat raars," fluisterde die van
+de roode céphalide.
+
+"Menheer doet het heusch!" verklaarde die van de blauwe.
+
+"'k Ben benieuwd hoe dat af zal komen," zei _Grietje Van Buren_.
+
+"Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar, juffrouw _De
+Groot_?" vroeg _Bartje Blom_, die het goed met mij scheen te meenen.
+
+Maar _Suzette Noiret_ en _Saartje_ wezen mij terecht en deden 't
+mij voor.
+
+Nu moeten mijne lezers, die misschen laag op de schoone kunst van
+koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zoo heel
+eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een ieder
+beplakken; een streepje voor den grond, en een ruitje op zijn lijf,
+dat kan een kind! Maar deftige vrijers en vrijsters van vierëntwintig
+stuivers netjes te vergulden, tot de plooitjes van den kraag en de
+ruitjes van den breizak toe; een Eva bij den boom op te sieren, geen
+enkel appeltje (want het is een appelboom geweest) te vergeten, en de
+bochten van de slang niet hoekig te maken; een geheel oorlogschip met
+gouden reepen op te tuigen en de schietgaten netjes af te zetten,
+zooals juffrouw _Van Buren_ deed, en een koets met paarden, als
+juffrouw _De Riet_, die het zweepkoord zoo natuurlijk wist te doen
+kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets anders. Het
+is gemakkelijk gezegd: 't is maar koekvergulden! maar ik verzeker u
+dat koekvergulden en koekvergulden twee is, en dat er bijvoorbeeld
+een hemelsbreed onderscheid was tusschen den vrijer, dien _Toosje_,
+en den vrijer, dien _Truitje_ had uitgemonsterd, zoodat _Toosje_
+zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe _Truitje_ die parapluie zoo
+natuurlijk kreeg; waarop de vrijer van _Truitje_ dan ook rondging, en
+het geheele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was als
+of die parapluie leefde.--Ik voor mij kan u als eerlijk man betuigen
+dat mij; nadat ik eerst mijne krachten aan den zadel van den ruiter,
+dien juffrouw _Noiret_ onder handen had, beproefd, en mij van haar
+omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten; dat mij,
+zeg ik, een koude rilling door de leden ging, toen er een groote,
+majestueuze dagbroer voor mijne eigene onbijgestane verantwoording
+werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalaten hier ten algemeenen nutte
+op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht
+de juiste hoeveelheid water, die men op de plaats penseelt, waar men
+het goud op wil doen kleven; want neemt men die te gering, zoo wil
+het niet kleven, en doet men het te nat, zoo wordt het verguldsel
+dof. En wat is er nu aan een doffen dagbroer?
+
+Spoedig was men het er over eens, dat ik het al heel mooi begon te
+doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan
+de zachtmoedigheid der critiek toeschrijf; en weldra lette men er
+niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. _Mietje Dekker_
+met de bloedkoralen, _Keetje de Riet_, en _Pietje Hupstra_ hadden het
+heel druk met juffrouw _De Groot_ over "fripante sterfgevallen in de
+Haarlemmer krant; drie onder mekaar in den bloei van 't leven, en twee
+door een ongelukkig toeval". Voorts spraken zij van "pinnetrante kou,
+fattegante reizen, en katterale koorsen". Zij roerden ook het teeder
+onderwerp van "vomatieven, en opperaties", en kwamen van lieverlede
+nog eens op den vinger van _Bartje Blom_. "Zij moest er toch niet te
+luchtig over denken." De een zei, zij moest er den meester bij halen,
+maar de ander beweerde dat zij er den meester _niet_ bij moest halen;
+en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest, die
+den duim van den neef van haars zusters man "verknoeid" had. De een
+wilde haar vinger pappen, omdat de kou er bij was; een ander ried
+zoete melk aan om er den brand uit te trekken; een derde, kennelijk
+onder den invloed van den genius der plaats, achtte niets zoo heilzaam
+als koekebakkersdeeg. En _Bartje Blom_ dacht er over hoe zij deze
+verschillende raden het best zou vereenigen. Daarop maakte _Grietje
+van Buren_ zich van den boventoon meester en vertelde het gezelschap
+wonderen van de gierigheid van de freule _Troes_, van wie zij hare
+lijfrente had. "Ik kan je zeggen, mensch, als er zoete appelen zouen
+gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid
+de pan binnenbrengen als ze ze geschild had, en dan telde ze na of
+der--hoeveel is 't ook weer? viermaal vierentwintig?--als 't viermaal
+vijfentwintig was, dan was 't net honderd; dat 's vier minder; dat's
+zesennegentig;--of der zesennegentig vierdepartjes waren, en als ze
+dan op tafel kwamen, nog eens." Waarop die van de blauwe en roode
+céphalides hare uiterste verbazing te kennen gaven. _Bartje Blom_
+vroeg of het waar was, dat de freule enkel zoo rijk was geworden,
+door in haar jeugd al de spelden en naalden, die zij bij den weg
+vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar
+om verscheidene anekdoten van befaamde Engelsche gierigaards te
+verhalen, die bij al mijne kennissen hadden uitgediend, maar die hier
+nog eens gaaf opgingen, zoodat men mij zeer aardig begon te vinden,
+maar tusschenbeiden ook aanmerkte, "dat ik er maar wat van maakte".
+
+Juffrouw _Noiret_ was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar
+doorgaande stilheid in verband met een weemoedigen trek om den mond,
+die mij deed onderstellen dat zij niet gelukkig was.
+
+_Saartje_ was allerliefst en, schoon het geheele gezelschap in
+beschaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel
+eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het noodige te
+voorzien; maar _Grietje van Buren_ begon haar veelbeteekenende oogen
+toe te werpen en op eene mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de
+zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de
+anderen. Evenwel kreeg _Bartje Blom_ ook haar beurt, daar men haar
+laatst, bij het uitgaan van de kerk, zoo vriendelijk had zien groeten
+tegen een zekeren _Kees_; maar zij wendde de scherts af, door haar op
+die van de roode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis
+met denzelfden _Kees_ in 't paardespel geweest was; en die van de
+blauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tusschen haar
+zuster en _Kees_, "ja, ja! wel zoo wat koek en ei was, als men zegt";
+waarop die van de roode zeide, dat die van de blauwe wel zwijgen mocht;
+waarop _Grietje van Buren_ aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg;
+waarop _Bartje Blom_ uitriep: "Nu, nu _Grietje_; ik vertrouw jou
+ook niet! je gaat tegenwoordig zoo dikwijls naar Amsterdam; ik denk
+dat daar ook wat zit!" waarop _Grietje_ verklaarde, dat _Bartje_
+een ondeugd was.--Ik merkte op dat _Suzette Noiret_ door niemand
+werd geplaagd.
+
+Om een uur of half acht kwam er een groote ketel anijsmelk binnen,
+die door al de dames "déli" gevonden werd. Daarna kwam de schepper
+en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wij zaten op
+te luisteren, even uit de bakkerij opdagen, en keek eens of men wat
+vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige, vroolijke man, die er
+heel veel pleizier in had, toen _Bartje Blom_ hem knipoogend vertelde,
+dat _Toosje_ en _Truitje Opper_ vast wel voor zeven gulden gebroken
+en opgegeten hadden, waarop _Toosje_ aanmerkte dat zij, _Bartje_, wel
+zwijgen mocht, daar zij zelve een heel oorlogschip in haar zak had
+gesmokkeld; waarop de koekebakker dreigde, dat geen van de dames de
+deur uit zoude komen, voor hij zelf haar zak had geïnspecteerd. Toen
+verhief zich de vroolijkheid tot uitgelatenheid. _De Groot_ stopte
+een klein houten pijpje, dat hij in de hand had, en daalde weder
+ter bakkerije.
+
+Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen,
+goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot over de
+ooren. De een was een broer van _Pietje Hupstra_ en schreef op 't
+stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen _Opper_ en voor
+'t kastemaken bestemd; en de derde, een broer van _Keetje de Riet_,
+ondermeester op een Hollandsche school; het doel van hunne verschijning
+was geen ander dan hunne zusters en al wie zich verder aan hunne
+bescherming zoude willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen.
+
+Nu zei juffrouw _De Groot_ dat men maar uit zou scheiden, want dat
+het toch altijd gekheid werd "als de heeren er bijkwamen," en er
+werd besloten dat men nog gauw een pandspelletje doen zou. Men
+koos daartoe, nadat het geheele verguld-atelier als zoodanig
+was opgeredderd, "alle vogels vliegen," en ik heb nooit zooveel
+onschuldige vreugde bij malkaar gezien als toen de oude juffrouw _De
+Groot_ een dromedaris wilde laten vliegen. _Bartje Blom_ werd met "den
+vogel struis" verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis,
+van welke de ondermeester _De Riet_ beweerde "dat hij niet vloog, maar
+fladderde". Hoe dit zij, hij verbeurde pand, en al de heeren verbeurden
+pand, en _Saartje_ verbeurde pand, en wij verbeurden allemaal pand.
+
+Toen werd _Grietje van Buren_ verkoren om al de panden te doen lossen,
+en werden de bloedkoralen armbanden en de bloedkoralen speld van
+_Mietje Dekker_, met en benevens het tissuutje van _Keetje de Riet_,
+en een "lodereindoosje" van haarzelve, en een vingerling van de oude
+juffrouw _De Groot_, en een pennemes van den ondermeester _De Riet_,
+en een ménagère van _Bartje Blom_, en een horlogesleutel van den
+kastemaker _Opper_, en een huissleutel van den klerk _Hupstra_, en
+een beurs van mijzelven, en al wat verder ter tafel was gebracht, in
+HEd. maagdelijken schoot geworpen; daarover werd een zakdoek gespreid,
+en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, van wien ik dit
+pand in de hand heb?
+
+Ik spreek niet van de moeielijke en wonderspreukige dingen, die wij
+tot het terugbekomen onzer kleinoodiën moesten ten uitvoer brengen;
+als met vier pooten tegen den muur oploopen, een spiegel stuk trappen,
+den zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentiën, als
+daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok,
+het bijenkorfje, en andere, waarbij machtig veel gekust en evenveel
+gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid des geheelen gezelschaps
+niet, toen _Toosje Opper_ iets heel moeielijks had opgegeven, in de
+stellige overtuiging dat _Bartje Bloms_ pand voor den dag zou komen,
+en het waarlijk haar eigen naaldekoker bleek te zijn; of toen de heer
+_Hupstra_, in het spaansch speksnijden, dat hij nooit te voren gedaan
+had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw _Noiret_ had gekozen,
+en per slot niets te kussen kreeg dan den harden muur, terwijl den
+jongen _Opper_ het lot te beurt viel haar den zoen te geven!--in
+één woord, het was aller-aller-prettigst, de vreugd was op ieders
+aangezicht te lezen, en ik vermaakte mij duizendmaal meer onder
+deze goede blijhartige menschen, dan ik gedaan zou hebben, indien
+ik ware thuisgebleven onder de sublieme piano van juffrouw _Kegge_
+en de charmante viool van den charmanten _Van der Hoogen_.
+
+De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de
+heeren verdeeld, en ik nam op mij juffrouw _Noiret_, die mij groot
+belang inboezemde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en
+van ons een hartelijk afscheid; de drie bollebuizen drukten mij allen
+zeer voelbaar de hand; en ik was zeer tevreden met de vriendschap
+die ik zoo onverwachts had aangeknoopt.
+
+
+
+Juffrouw _Noiret_ was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar
+thuis te brengen. "Het was zoo ver!"
+
+Ik antwoordde zooals betaamde, dat hoe langer ik haar bijzijn genoot,
+het mij des te aangenamer zijn zou.
+
+"Ach!" zeide zij, "mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel
+aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vroolijke menschen. Zat ik
+er niet treurig bij?"
+
+"Gij waart zeker niet zoo luidruchtig als de overige. Maar toch..."
+
+"Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vroolijk was!" viel zij mij in
+de rede. "Het zou mij spijten. Ik hield mij zoo goed als mogelijk;
+maar mijn hart was ergens anders... Mijn hart was bij mijn moeder,"
+voegde zij er haastig bij.
+
+"Is uw moeder ziek, of..."
+
+"Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u zou
+mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vriendelijke
+menschen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee
+verontschuldigen, dat zij eene oude moeder heeft? Ook had zij van
+avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zij volstrekt dat
+ik gaan zou."
+
+_Suzette_ zuchtte.
+
+"Is uw moeder zoo heel oud?" vroeg ik. "Gij zijt, dunkt mij, nog zoo
+heel jong."
+
+"Ik ben drieëntwintig, mijnheer!" antwoordde zij met openhartigheid
+"en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel ongelukken
+gehad. Mijn vader stierf voordat ik geboren werd. Zij had toen negen
+kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar eenigste, en nu kan zij niet
+wel zonder mij... en ik niet wel zonder haar."
+
+"En uw vader..."
+
+"Mijn vader was de zoon van een Zwitsersch predikant, mijnheer! Maar
+zijn vader had hem niet kunnen laten studeeren. Hij had maar
+een kleinen post bij het accijnskantoor, en moest mijne moeder in
+behoeftige omstandigheden achterlaten. Maar wij werken beide. Nu heeft
+zij sedert drie jaren het hofje, en dat is een groot geluk. En toch..."
+
+"Ik geloof," zeide ik, "dat wij voor de poort van het hofje
+staan. Klopt men hier aan, of moet men aan dien langen schel trekken!"
+
+"Helaas, geen van beiden," zei _Suzette_, op een allerdroevigsten toon
+van stem, die een klank had als of haar een traan in de oogen schoot:
+"geen van beiden. Mijne moeder woont wel op het hofje, maar ik niet."
+
+"Waarom niet?" vroeg ik.
+
+"Op het hofje woont niemand onder de zestig jaar," ging _Suzette_
+voort: "ik kom er 's morgens heel vroeg, zoodra de poort opengezet
+wordt, en blijf er den heelen dag bij mijn moeder; maar slapen mag
+ik er niet. Vóór tienen moet ik er vandaan, en's avonds na zevenen
+mag ik er zelfs niet meer op. O, wat zou ik geven als ik mijn moeder
+nu nog maar eens even mocht goenacht zeggen!..."
+
+En zij zag naar de geslotene poorte om.
+
+"Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisje,"
+ging zij voort; "haar naaste buurvrouw is onbeschreeuwbaar doof;
+en als haar eens iets overkwam--! Dat, dat is mijn grootste zorg;
+dat pijnigt en vervolgt mij altijd en overal!..."
+
+"Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt ge toch wel..."
+
+"Als zij ernstig ziek wordt, dan schrijft de dokter van't hofje een
+verklaring dat zij niet alleen kan blijven, en _dan_ mag ik in haar
+huisje slapen. Maar ach, het ligt mij op de leden dat mijn lieve
+moeder er eens onverwachts uit zal zijn, en als dat eens bij nacht
+was! O, ik bid God alle dagen dat het bij dag moge zijn... Ik zou
+het niet overleven!"
+
+Wij gingen zwijgend verder.
+
+"Hier woon ik, mijnheer!" zei juffrouw _Noiret_, hare schoone oogen
+afvegende, als wij voor een kleinen koomenijswinkel stonden; "ik dank
+u voor uw vriendelijkheid."
+
+"Ik hoop," zeide ik, "dat gij uwe moeder nog lang zult hebben, en
+zonder angsten."
+
+Zij reikte mij stilzwijgend de hand, en als het licht uit den kleinen
+winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd zij
+was. Wij scheidden.
+
+Ik vond de familie _Kegge_ reeds bijna aan het souper. _Van der Hoogen_
+deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan _Henriette_,
+die al de aantrekkings- en afstootingskunsten eener handige coquette
+(het is een aangeboren gave) in werking bracht. Men vermeed in 't
+bijzijn van ZHWG. van "de _De Grooten_" te spreken, en eerst toen
+hij vertrokken was, vroeg men hoe ik mij geamuseerd had. Ik gaf
+een gunstig antwoord, maar trad in geene bijzonderheden, omdat ik
+voor geen geld ter wereld de onschuldige vreugde der _De Grooten_,
+_De Rieten_, _Dekkers_, _Hupstra's_ en zoo voorts, door eene juffrouw
+_Henriette Kegge_ wilde hooren bespotten.
+
+
+
+
+De Grootmoeder.
+
+Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek binnentrad,
+zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met roodlederen
+zitting en rug, die waarschijnlijk tot de stoffeering van haar
+eigen kamer behoorde, bij het vuur. Eene kleine tafel was daarbij
+aangeschoven, en daarop lag een Engelsche octavo Bijbel, waarin zij
+ijverig las. Zij hield daarenboven een breiwerk in de hand.
+
+De schoone lange-hond zat weder naast haar stoel en keek oplettend
+tot haar op. Werkelijk volgde hij met zijne goedige oogen iedere
+beweging van haar hoofd en hand, als zij van den Bijbel naar haar
+breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg.
+
+Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze het
+minst, daar zij nooit dan bij het middagmaal verscheen en na afloop
+daarvan onmiddellijk weer vertrok. Was het alleen dáárdoor dat zij
+mijne belangstelling prikkelde, of was het ook door haar deftig,
+stil, en ingetrokken voorkomen, de weinige, korte, verstandige, maar
+dikwijls wel wat harde woorden, die zij sprak, en de verknochtheid
+van haren schoonen langen-hond? Hoe het zij, ik hoopte hartelijk,
+dat zij een gesprek met mij zou aanknoopen.
+
+Zij scheen mijn binnenkomen niet bemerkt te hebben, en terwijl ik mij
+nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half overluid
+de schoone plaats van _Paulus_ oplezen: "For we are saved by hope:
+but hope that is seen is not hope: for what a man seeth, why doth
+he yet hope for? But if we hope for that we see not, then do we with
+patience wait for it" (Rom. VIII. 24, 25).
+
+Zij schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug in
+haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjes herhaalde zij de
+woorden "then do we with patience wait for it".
+
+Plotseling bemerkte zij dat ik mij in het vertrek bevond.
+
+"Gij zult mij vandaag moeten dulden, mijnheer!" dus begon zij;
+"mijn kamer wordt schoongemaakt, en dan ben ik gewoonlijk hier."
+
+"Gij leeft een zeer eenzaam leven, mevrouw!" antwoordde ik; "drukte
+zal u misschien hinderen."
+
+"O neen!" hernam zij, met een luide stem; "ik ben sterk genoeg. Mijn
+hoofd is zéér sterk; _ons_ menschengeslacht is zoo zwak niet. Maar ik
+ben niet meer geschikt voor gezelschap; ik ben te somber, te ernstig
+geworden. Ik zou hinderen; ik zou vervelend zijn. Dit boek," zeide zij,
+op haren Bijbel wijzende, "dit boek is mijn gezelschap."
+
+Zij zweeg eenige oogenblikken, en streelde den kop van haar hond met
+de bruine hand. Daarop hief zij zich weder een weinig in haar stoel op.
+
+"Gij zijt hier nu reeds een paar dagen, mijnheer _Hildebrand_,"
+hernam zij; "en de aanleiding tot uwe kennismaking met de familie is
+van dien aard dat... Zeg mij eens, heeft men al eens met u over den
+lieven _William_ gesproken?"
+
+"Het spijt mij, mevrouw! dat ik u ontkennend moet antwoorden. Neen! men
+heeft met mij nog geen woord over _William_ gewisseld."
+
+"Heb ik het niet gedacht!" riep zij uit, hare handen in elkander
+slaande en een diepen zucht loozende, die in een droevigen glimlach
+overging: "ik wist het wel; ach, ik wist het wel!"
+
+Zij zag treurig haar hond aan, die, als verstond hij hare klachten,
+zijn voorpooten op haar schoot legde en zijn kop tot haar aangezicht
+ophief, om haar te streelen.
+
+"En toch is hij nog geen drie jaar dood, Diaan!" zeide zij, den poot
+van den hond aanvattende: "de lieve _Bill_ is nog geen drie jaar
+dood. Ik wil wedden," voegde zij er met nadruk bij, "dat de hond hem
+nog niet vergeten heeft."
+
+Eenige oogenblikken zat zij in een gepeins, waar ik haar niet in
+durfde storen.
+
+"Hij was mijn oogappel!" barstte zij uit, "mijn lieveling, mijn
+uitverkorene, mijn schat!"--En toen bedaarder: "hij was een lieve
+jongen; niet waar, mijnheer _Hildebrand_?"
+
+"Dat was hij," zeide Ik.
+
+"En toen hij wegging," ging de grootmoeder voort, "was het alsof
+het mij werd ingefluisterd dat ik hem niet weer zou zien; en Diaan
+hield hem bij zijn mantel terug. Niet waar, Diaan? _Bill_ had niet
+moeten weggaan. Hij had moeten blijven, moeten oud worden in plaats
+van de vrouw.--En als hij dan volstrekt had moeten sterven, dan had
+ten minste zijn grootmoeder hem de oogen moeten toedrukken. Wie heeft
+het nu gedaan?..."
+
+Wat deed het mij goed aan het hart, haar te kunnen zeggen, dat ik
+het zelf was geweest!
+
+"Inderdaad?" vroeg zij met een zachten lach. "Ik benijd u." En zij
+zag mij aan met een langen en strakken blik.
+
+"Dezen zakdoek," ging zij na eenige oogenblikken zwijgens voort,
+op den foulard wijzende, dien zij om den hals droeg, "liet hij bij
+het afscheid liggen. Hij ging de deur uit, maar kwam nog weer terug
+om hem te halen. De arme jongen had hem wel noodig, want ik kon hem
+in zijn tranen wasschen. Ik wischte zijn oogen af en wilde den doek
+behouden. Die doek en deze brieven zijn mijn eenige troost!"
+
+Zij sloeg haar Bijbel op verschillende plaatsen op, en toonde mij
+de brieven, die zij van _William_ ontvangen had en in dat boek
+bewaarde. Zij nam er eenen op en tuurde een poosje op het adres.
+
+"Hij schreef een mooie hand; deed hij niet?" zeide zij, en reikte
+mij den brief toe.
+
+Ik las het adres. Het luidde: "Aan Mevrouw E. _Marrison_."--"E.M."
+Dat waren de voorletters die op den ring gegraveerd stonden, dien
+hij mij op zijn sterfbed gegeven had. E.M.! Ik had aan dien ring
+een ganschen roman geknoopt; in die letters den naam van een lief,
+jeugdig meisje gelezen, dat haar jong hart reeds vroeg voor _William_
+geopend had! Maar hoeveel aandoenlijker was dit pand eener eenvoudige
+genegenheid tusschen grootmoeder en kleinkind! Schoon ik anders den
+ring niet droeg, had ik hem toch dezer dagen aangetrokken. Ik nam
+hem van mijn vinger.
+
+"Deze gedachtenis," zeide ik, "gaf hij mij op zijn sterfbed. Hij
+beval ze mij aan als iets dat hem heel dierbaar was."
+
+Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst schoten
+er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden.
+
+"Mijn eigen ring!" riep zij uit. "Ja! ik gaf hem dien voor den
+neusdoek; heeft hij hem altijd gedragen?"
+
+"Tot weinige uren voor zijn dood!"
+
+"En zeide hij, dat hij hem heel dierbaar was? De lieveling! Heeft
+hij zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen? En waren
+zijne laatste gedachten ook bij zijn grootmoeder?--Zie je wel,
+Diaan!" zeide zij tot den hond; "het is het ringetje van de vrouw,
+dat de lieve _Bill_ gedragen heeft. Hij heeft ons niet vergeten,
+Diaan! en wij _hem_ niet--ofschoon dan ook.... Ach mijnheer!" ging
+zij voort, "mijne dochter was in 't eerst zoo hevig bedroefd; maar zij
+gevoelt niet _diep_; zij was de laatste, de eenige overgeblevene, maar
+niet de gevoeligste van mijn kinderen. Ook had zij zoo veel kinderen
+over. Maar ik, ik had mijn hart op _William_ gezet. Hij droeg den naam
+van zijn grootvader, mijn eigen braven _William_! Hij was altijd zoo
+eenvoudig, zoo lief, zoo teer, zoo aanhalig voor mij. Het was een
+_lieve_ jongen! Wat doen wij hier zonder hem, Diaan?"
+
+Weder volgde een korte pauze.
+
+"_Kegge_ is een goed mensch!" ging zij voort. "Hij is goed, hij is
+hartelijk, hij is week. Maar hij is vol valsche schaamte; hij wil
+nooit met een traan gezien worden. Hij verdrijft zijn beter gevoel
+door luidruchtigheid. Toen hij _Hanna_ trouwde, was zij een speelsch
+kind, die met zes jonge honden door de plantage liep. Hij heeft haar
+niet ontwikkeld, niet geleid; zij ziet hem naar de oogen, zij richt
+in alles zich naar hem; onder zijn invloed durft zij niet anders zijn
+dan _hij_ zich voordoet. Somtijds ben ik hard tegen _Kegge_, en daarom
+leef ik liever alleen. Hij verstaat mij niet. En dan! dat er nooit,
+nooit een woord over den lieven _William_ gesproken wordt!--Maar _wij_
+spreken van hem, niet waar Diaan?" en zij streelde hem zachtkens
+over den kop: "wij spreken van hem. Hij was zoo goed voor den hond,
+en de hond had al zoo vroeg met hem gespeeld. Als ik lang naar den
+hond kijk, is het als zag ik den kleinen _Bill_ nòg met hem spelen..."
+
+Zij nam den ring weder op.
+
+"Ik zal hem u weergeven, als gij weggaat," zeide zij; "maar laat mij
+hem nog een paar dagen houden."
+
+"Houd hem uw geheele leven, mevrouw!" riep ik haar toe. "Gij hebt er
+de grootste en teederder rechten op dan ik."
+
+En ik reikte haar de hand.
+
+"Mijn geheele leven!" antwoordde zij: "ik wenschte wel dat dat niet
+lang ware. Ik ben niet geschikt voor dit land. Mijn vader was een
+Engelschman, maar mijne moeder een Westindische van ouder tot ouder,
+eene inboorlinge. De lucht is mij hier te laf, de zon te flauw. Zoo
+gij wist wat het mij gekost had de West te verlaten! Maar mijn eenig
+kind, en het graf van mijn kleinkind trokken mij hierheen. Ook wilde
+men mij niet alleen achterlaten. Ik mocht niet blijven in het huis,
+waar ik _William_ vóór mij had gezien; ik moest afscheid nemen van de
+plekjes, waar ik hem had zien spelen, waar hij op zijn klein paardje
+voor mijne oogen had rondgereden. Ik zou zijn graf wel eens willen
+zien. Ik verlang om naast hem te slapen in den vreemden grond..."
+
+Diaan, die zijn kop weder weemoedig in haar schoot gelegd had,
+hief dien langzaam op, en zag haar droevig aan. Er lag een vraag in
+zijne oogen:
+
+"En wat zal er dan van Diaan worden?"
+
+
+
+
+Een Concert.
+
+De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had) al wat in
+de stad smaak had, en ik voeg er bij, lid was van het concert Melodia,
+stond verrukt te worden door het spel van mejuffrouw _Henriette Kegge_,
+de mooie dochter van den rijken West-Indiër, was gekomen.
+
+De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te
+acclimateeren, en de heer _Van der Hoogen_ was er zelf heengegaan
+om haar te ontvangen; ja, hij was zelfs eenigszins martelaar van
+die gedienstigheid geworden, daar de kastemakersgezellen, die het
+stuk hadden overgebracht, bij het strijken, een der pooten op 's
+mans likdoren hadden doen neerkomen, dat hem "alleraffreust!" zeer
+had gedaan.
+
+Papa had aan het diné zich een paar malen onderwonden op te merken
+dat zijn dochter toch wel wat bleek werd, als er van het concert werd
+gesproken, iets hetwelk trouwens maar zeer weinig het geval _niet_
+was; maar zij wilde 't volstrekt niet bekennen en zou er eindelijk
+zelfs boos om geworden zijn.
+
+Na den eten begon men dadelijk toilet te maken, en tegen half zeven
+kwam de schoone _Henriette_ beneden. Zij droeg een zeer lage japon
+van gros-de-naples, van een zeer licht bruinachtig geel, en had een
+snoer volkomen gelijke kleine paarlen door haar lokken gevlochten;
+verder droeg zij geene versierselen hoegenaamd.
+
+Mama _Kegge_ was veel schitterender. Haar klein hoofd zwoegde onder
+eene groote toque met een paradijsvogel. Een gouden halsketting, die
+het dubbel kon wegen van dengenen dien zij altijd droeg en waarmede
+zij, geloof ik, ook sliep, hing over hare schouders, en haar japon
+was vooral niet minder dan vuurrood.
+
+De kleine _Hanna_ was gelukkig in 't wit, maar lag ook al aan een
+gouden ketting. De beide jongens zagen er uit als gewoonlijk; maar dat
+zij ieder een cylinderuurwerk op zak hadden, dat zij geen van beiden
+konden opwinden, en waar slechts een van beiden zoo wat half en half
+op kijken kon hoe laat het was, scheen mij toe niet overnoodzakelijk
+te wezen. Trouwens, indien zij er maar gelukkig mee geweest waren,
+ik had hun die uurwerken, als speelgoed, gaarne gegund. Maar zij
+waren reeds volkomen blasé op het punt van dat moois.
+
+"Ben je er niet héél blij mee!" vroeg ik aan den oudste.
+
+"Wel neen we!" antwoordde de jongste.
+
+Mijnheer _Kegge_ wilde volstrekt met slaan van zevenen vertrekken, maar
+_Henriette_ stond er op dat men niet gaan zou voor kwart óver zevenen.
+
+De charmante kwam nog eens aangedraafd en was charmanter dan ooit. De
+mouwtjes van den bruinen rok, dien hij droeg, waren nog korter dan
+van zijn groenen; de overgeslagen manchetten nog polieter en nog meer
+gesteven; zijne handschoenen nog geler; zijn vest vertoonde in rood
+en zwart een schitterend dessin op een reusachtige schaal; hij zette
+zijn lorgnet in den hoek van het oog, om een overzicht van _Henriette_
+te nemen.
+
+"Om voor te knielen!" riep hij uit. "Allercharmantst! Mevrouw _Van
+Kegge_, je hebt eer van je dochter!"
+
+En daarop huppelde hij weder heen om de familie in de zaal op te
+wachten en te zorgen dat de plaatsen niet in bezit genomen werden
+"want het zou criant vol zijn"!
+
+_Henriette_ liep heen en weer door de kamer en sprak nu en dan met
+den kakatoe om hare gerustheid te toonen, welke gerustheid niettemin
+eenigszins werd tegengesproken door een herhaald en ten laatste wel
+wat overtollig kijken op de pendule, die eindelijk op kwartier over
+zevenen stond. Het rijtuig wachtte, en wij reden ter muziekzaal.
+
+De charmante stond in den gang ons op te wachten en bood zijn arm aan
+mevrouw _Kegge_ aan; ik volgde met _Henriette_, en het luid gezwatel
+van stemmen, dat den stormwind der muziek voorafgaat, liet zich
+hooren. De komst van de familie _Kegge_ maakte eenige opschudding
+onder de jonge heeren, die achter in de zaal stonden en die door den
+heer _Kegge_, naarmate hij hen passeerde, zeer luidkeels begroet
+werden. Over 't algemeen sprak ZEd. een toon of wat te hoog en te
+bar voor een publieke plaats.
+
+"_Van der Hoogen_! waar moeten de dames zitten? Ik hoop wat
+vooraan. _Henriette_ moet zoo'n lange wandeling niet maken, als ze
+spelen zal. Hier, dunkt me. Op deze drie stoelen. _Henriette_ op den
+hoek; mama in 't midden; en de kleine kleuters dáár."
+
+Toen keek hij triomfantelijk rond om te zien welk een uitwerking
+deze onafhankelijke taal op de groote hanzen en adellijke heeren,
+die rondom stonden, maken zouden.
+
+Men zat. Een aantal lorgnetten geraakte in beweging om de mooie
+juffrouw _Kegge_; een aantal hoofdjes van dames, die in een zeer druk
+gesprek gewikkeld waren, draaiden zich van tijd tot tijd naar haar om,
+zonder evenwel den schijn te willen hebben er werk van te maken haar
+gade te slaan. Sommige keken verbaasd van de toque van mevrouw; andere
+lachten in haar geborduurden zakdoek om de drukte van mijnheer; een
+paar stieten elkander aan wegens de charmantheid van den charmanten.
+
+"Is freule _Nagel_ hier óók?" vroeg hem _Henriette_, haar donkere boa
+een weinigje latende zakken. In de laatste dagen had zij veel aan de
+hooggeborene gedacht.
+
+"Nog niet," antwoordde hij, het lorgnet uit zijn oog latende vallen
+alsof het een groote traan geweest ware; "nog niet, maar zij komt
+ongetwijfeld. Gisteren nog maakte ik een visite bij den baron. _Van
+der Hoogen_, zei ze, ik languisseer naar morgenavond! Ei zie, daar
+komt ze juist. Zij zal hier in de buurt komen; charmant! charmant!"
+
+De dame, die hij hierop als de freule _Constance_ uitduidde, werd
+binnengeleid door een oudachtig edelman, met een bijna kaal hoofd,
+maar dat aan de slapen nog versierd werd door eenige dunne spierwitte
+krullen, die aan zijn kleurig gelaat een zeer belangwekkend voorkomen
+bijzetten. Zij zelve was eene schoone jonge vrouw van omstreeks zes-
+of zevenentwintig jaren. Nooit zag ik edeler voorkomen. Heur haar was
+van een donker kastanjebruin en op de allereenvoudigste wijze gekruld
+en gevlochten. Haar hoog voorhoofd ging over in een eenigszins gebogen
+neus en maakte daarmee de schoonst mogelijke lijn. Groote lichtkleurige
+oogen werden door lange zwarte pinkers, die er iets buitengewoon
+zachts en ernstigs aan gaven, omzoomd en de zuiverheid harer donkere
+wenkbrauwen was benijdenswaardig. Haar mond zou iets stroefs gehad
+hebben, indien niet de vrindelijkheid van haar doordringend oog dit had
+weggenomen. Zij was middelmatig groot en hield zich volkomen recht,
+behalve dat zij niet den hals, maar het hoofd misschien een weinig
+gebukt hield. Haar kleed was van een lichtgrijze kleur, en een kleine
+mantille van zware witte zijde met zwanedonzen rand rustte met veel
+kieschheid op hare lage en netgevormde schouders. Waarlijk, dit was
+het gelaat, het oog, de houding, noch het gewaad van eene jonkvrouw,
+die gezegd werd ziek te zijn naar de maraboes van juffrouw _Kegge_
+en te smachten naar een concertavond.
+
+Zij koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze
+dames, en hoewel de heer _Van der Hoogen_ deze omstandigheid in 't
+vooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zij hem toch min
+of meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hij die ook zou hebben
+willen ten toon spreiden, toen hij de freule _Van Nagel_ (en hij
+moest wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van
+die gemeenzaamheid waar hij zoo hoog van had opgegeven. De freule
+beantwoordde zijn diepe buiging met een stijven groet, die hem op
+een allerakeligsten afstand hielden, voor zoo ver ik bemerken konde,
+kwam er in de weinige woorden die zij hem ten antwoord gaf, veel van
+mijnheer, maar niets van _Van der Hoogen_, noch van languisseeren of
+iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmante haar eerbiedelijk
+op _Henriette_ opmerkzaam maakte, maar zij was te beleefd om bepaald
+om te kijken, en eerst veel later, toen de heer _Van der Hoogen_
+was heengegaan om zijn viool te stemmen, want hij was werkend lid,
+wendde zij haar schoon hoofd even om en wierp een blik op _Henriette_,
+die mij juist influisterde dat die freule _Nagel_ zeker wel een jaar of
+dertig tellen moest. De kleine _Hanna_ had ook reeds hare aanmerkingen
+op de aanwezigen, en was bijzonder geestig op het punt eener bejaarde
+dame, die zij vond "dat er dol uitzag; met die bayadère van gitten."
+
+Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna trad,
+pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zij met die opkomst
+eenigszins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en dilettanten
+op, hetwelk gewoonlijk op een dames-concert zijne krachten samenspant
+om aller harten te betooveren, plaatste zich achter de respectieve
+lessenaren, en begon die vervaarlijke, snerpende, krassende kattemuziek
+uit te voeren, welke aan ieder muzikaal genot noodzakelijk schijnt
+vooraf te moeten gaan. Het gedruisch in de zaal hield op; ieder schikte
+zich op zijn gemak. De heeren, en daaronder ik, deinsden meestal, op
+een enkel jong mensch na, die zich op 't poseeren en fixeeren toelei
+(daar waren onweerstaanbare oogen en alles veroverende tailles!),
+naar den achtergrond der zaal terug, en alles was doodstil. Daarop
+verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten stafje, en de symphonie
+begon. Natuurlijk de zooveelste van _Beethoven_.
+
+Wel mocht _Goethe_ [17] zeggen, dat de gedaante van den muzikant
+het muzikaal genot altijd verstoort, en dat ware muziek alleen voor
+'t oor moest wezen; en ik deel in zijn denkbeeld dat al wat strijkt,
+blaast, of zingt, ambtshalve, onzichtbaar zijn moest. Niets is zeker
+leelijker dan een gansche menigte manspersonen met dassen, rokken,
+en somtijds épauletten; manspersonen met zwart haar, blond haar,
+grijs haar, rood haar, en in 't geheel geen haar, en met allerlei
+soort van oogvertrekking en aanmonding, zich te gelijk te zien
+vermoeien en afwerken achter een overeenkomstig getal houten en
+koperen instrumenten, totdat ze bont en blauw in 't aangezicht worden,
+alleen om een effect teweeg te brengen, zoo weinig evenredig aan,
+zou mogelijk iemand zeggen, maar gewis zoo weinig gelijksoortig met
+de middelen. Eene geestige vrouw zeide mij eens dat zij honger kreeg
+van de lange streken van een strijkstok; maar wat krijgt men niet
+van het op- en nedergezweef van een vijfentwintigtal strijkstokken
+en van al de bewegingen van wangen, armen en handen, die een vol
+orkest maakt? Waarlijk, er moest een scherm voor hangen. De stroom
+van geluiden moest als uit eene duistere stilte tot ons komen, of wij
+moesten allen geblinddoekt toeluisteren. Maar wat werd er dan van de
+toilettes en van onze mooie oogen?
+
+Ondertusschen zou ik _Goethe_ tegen moeten spreken, indien hij
+beweerde dat de zin des gezichts volstrekt niets met de muziek te
+maken heeft; want ik moet mijnen lezeren de gewichtige bekentenis
+doen dat ik de muziek, in het afgetrokkene, waarlijk _zie_; en ik
+twijfel niet of zijzelve zullen met eenige opmerkzaamheid op hunne
+gewaarwordingen en inspanning van ziel hetzelfde ontdekken. Er zijn
+tonen en samenkoppelingen van tonen, die zich aan mijn oog voordoen
+als spattende vonken, dikke en dunne strepen, kromme spelden, slangen
+en kurketrekkers; als bliksemschichten, liefdestrikken, krakelingen,
+varkensstaarten, waterstralen en ziegezagen, en ik zie de mogelijkheid
+om een geheel muziekstuk, voor mijn gevoel bevredigend, in figuren op
+te schrijven. Die dit niet begrijpt, verzoek ik te beseffen dat hij
+in eene eeuw leeft waarin hij al zulke dingen behoort te begrijpen;
+en indien hij kerkhistorie heeft gestudeerd, gedenke hij aan de
+Hesuchasten, die zoo lang op hun maag staarden, tot zij haar van een
+geheimzinnig licht omschenen zagen.
+
+Drie der gewone onderdeelen van de symphonie waren afgespeeld, toen ik
+mij zachtkens op den schouder voelde tikken. Ik zag om en bemerkte
+den arm en het gelaat van den goeden koekebakker, die van zijn
+introductiekaartje gebruik had gemaakt, maar te verstandig was bij
+deze gelegenheid zijn neefschap te laten gelden, en dus geen notitie
+van de familie nam. Rijke familiën met arme bloedverwanten! och of
+alle neven zoo bescheiden waren! Maar de meesten gillen, hun neefschap
+luidkeels uit, en laten zich door niets afkoopen.
+
+"Moet nu nicht _Kegge_ er niet aan?" fluisterde hij mij met een
+vergenoegd gezicht in 't oor.
+
+"Wel neen!" antwoordde ik, "nog in lang niet."
+
+"Ik verzeker u van wel!" hernam hij: "of dat rooie papiertje moet
+jokken. Kijk, ze staat de vierde, en we hebben al drie stukken gehad."
+
+De goede _De Groot_ had een der onderdeelen van de symphonie voor
+een obligaat op den hoorn genomen.
+
+Ik onderrichtte hem omtrent die dwaling, en hij betuigde dan ook al
+gedacht te hebben: "Wat merk ik dien hoorn weinig!"
+
+De man met den hoorn verscheen op zijn beurt, geheel in 't zwart en
+met lange haarlokken, blinkende van pommade. Hij maakte een stroeve
+buiging en zette een gezicht als of hij ons allen verachtte. Dit stond
+hem evenwel leelijk, want hij verdiende dien avond een goede handvol
+geld, en schoon ik weet dat de kunst onbetaalbaar is, zoo ben ik toch
+van oordeel dat men voor geld en een goede ontvangst ten minste een
+beleefd gezicht zou kunnen overhebben. Nu staken de kenners het hoofd
+op, en legden de hand aan de oorschelp, en riepen Ssss... Sst, als de
+jonge dames fluisterden, die daarop haar zakdoek aan den mond brachten,
+waarop de oude dames boos omkeken. Vooral de heer _Kegge_ was in dit
+Sst-roepen zeer overvloedig en men kon het op zijn aangezicht lezen
+dat hij zich in dezen volmaakt onafhankelijk gevoelde, ook van alle
+mogelijke "groote hanzinnen en adellijke dames."
+
+De hoornist blies zijn wangen op, zijn oogen uit, en zijn hoorn vol,
+tot algemeene verrukking der aanwezigen die van een hoorn hielden,
+ofschoon er verscheidene waren die met een wijs en veelbeduidend
+aangezicht beweerden dat het _Potdevin_ niet was, eene blijkbaarheid
+die ook door het programma voldingend werd uitgewezen. Het schoonste
+van 's mans spel scheen daarin te bestaan, dat het geluid van zijn
+hoorn op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit andere instrumenten
+komen. Nu eens knorde hij als een jichtige fagot, dan weder had hij
+al het rochelende van een vetten waldhoren, dan weder het door den
+neus pratende van een intriganten hautbois, of het uitgelatene van
+een opgewonden trompet, ja zelfs nu en dan iets van het gillende
+eener hysterische dwarsfluit; zelden maar geleek hij op hetgeen
+hij waarlijk was, een klephoorn; en eenmaal was het geluid zoo
+zacht en zoo verfijnd, dat ik, zoo ik niet de rijkgeringde vingers
+van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk zoo gezworen hebben,
+dat er niets gebeurde. In zoo verre was het maar weer goed, dat de
+muzikant zichtbaar was. Ik vermaakte mij gedurende het spel machtig
+met het gadeslaan van een dik heer achter op het orkest, die den
+duizendkunstenaar had geëngageerd en allerliefste knipoogjes aan alle
+de leden rondzond, die tegelijkertijd moesten beduiden hoe heerlijk
+hij het vond, en vragen of zij het ook niet heerlijk vonden; en van
+een lang jong mensch dicht bij mij, met zwarte haren en bleeke wangen,
+die zijne oogen aandachtig toedeed onder het spel en de maat met zijn
+teenen sloeg, en dan weer een "hoe-is-het-mogelijk!"-gezicht zette en
+een schrikkelijken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar
+hij dien duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar
+biljartte, en hoe 'n aangenaam mensch en van welk een goede familie
+die duizendkunstenaar was, en hoe die duizendkunstenaar enkel speelde
+omdat hij 't niet laten kon, en welk een duizendwondertje van een mooi
+snuifdoosje die duizendkunstenaar van een prinses had gekregen, en hoe
+hij zelf in eigen persoon op de repetitie van dien duizendkunstenaar
+geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem verhaald had, dat die
+eigen hoorn, daar hij op speelde, hem duizend gulden had gekost.
+
+Nu had er een machtige beweging op het orkest plaats. Ik weet niet
+hoeveel lessenaars werden achteruitgeschoven. De kastelein van de
+concertzaal bracht met een gewichtig gelaat twee waskaarsen op de
+piano, en de heer _Van der Hoogen_ maakte haar open, plaatste de
+muziek er op, en schoof de tabouret er onder van daan. Al de heeren
+verlieten het orkest--uitgenomen de contrabassist, een oud man, die
+zijn bril op zijn voorhoofd schoof, en de paukenslager, die zijn handen
+in de zij plaatste--en kwamen achter ons in de zaal dringen. Daarop
+daalde de heer _Van der Hoogen_ af, om door _Henriette_ af te halen
+voorloopig aan zijne bestemming te voldoen. Zij zag zeer bleek, en
+ik verdacht haar van aan het obligaat op den hoorn juist niet veel
+gehad te hebben. De heer _Van der Hoogen_ nam haar bij den pink en
+leidde haar op. Zij maakte een compliment, zeer gracieus voor een
+liefhebster, zonder evenwel tot het diepe nijgen en het verleidelijk
+gezicht van een tooneelspeelster te komen, en nam daarop, onder
+een luid handgeklap en onstuimig voorwaarts dringen van de heeren,
+plaats aan het instrument; trok hare handschoenen uit, en de lieve
+handen zweefden over de toetsen.
+
+De eerste maten hadden den indruk van de onrustige beweging van haar
+pols, maar langzamerhand herstelde zij zich; haar natuurlijke kleur
+kwam weder, en zij speelde alsof zij thuis was, met de haar eigene
+verwonderlijke vlugheid.
+
+"Inderdaad, het was wonderlijk dat menschevingers dat doen
+konden!" fluisterde _De Groot_ mij in, nadat hij een weinigje van den
+schrik bekomen was, die het optreden van _Henriette_ den goeden man
+gekost had. "'t Is alsof zij aan draadjes zitten. Alles leeft wat er
+aan is. Kijk hier, ze gooit haar armen over mekaar, of 't zoo niets
+was. En ze slaat er goed op, ook!--Dat's verraderlijk," zeide hij,
+als zij, na lang met beide handen in de lage tonen te hebben gewerkt,
+zonder om te zien, plotseling de toetsen van den hoogsten octaaf een
+fikschen tik gaf. "Drommels nou! dat gaat per post; 't is als of je
+een goot hoort loopen."
+
+De heer _Van der Hoogen_ stond, met een hoek van ten hoogsten honderd
+en dertig graden, naar de piano gebogen en maakte zich verdienstelijk
+met het omslaan der bladen; maar toen hij aan de laatste bladzijde was,
+nam hij voor goed eene hartvervoerende houding aan, met de eene hand
+op de piano leunende en de andere in de zijde zettende, terwijl hij
+zijne leelijke oogen verlokkend door de zaal liet weiden, of ze ook
+nog in 't voorbijgaan een hart of tien veroveren mochten!
+
+Het stuk was uit. _Henriette_ stond op, en dankte met een stuursch
+gezicht voor het daverend handgeklap. De charmante bracht haar weer
+tot hare plaats en deelde in haar triomf. De oude _Kegge_ had tranen in
+de oogen, en de charmante drukte hem de hand. "Het was onbegrijpelijk
+charmant geweest!" _Henriette_ liet zich door mevrouw _Kegge_ de boa
+weder om den hals werpen, en speelde met het einde daarvan; daarop
+begon zij een gesprek met de kleine _Hanna_, zoodat de geheele wereld
+verbaasd stond over eene jonge dame, "die zoo voortreffelijk speelde,
+en zoo lief was met haar zusje".
+
+De drukke finale der symphonie, waarin machtig veel gepaukt en machtig
+veel gebazuind werd, besloot de eerste afdeeling van het zooveelste
+damesconcert van het gezelschap Melodia, en de pauze begon.
+
+Dat is niet het minst belangrijk gedeelte van een concert, als het
+dissoneerend vocaal het harmonisch instrumentaal voor een half uur
+afwisselt. De dames hebben dan ook altijd liever een nommer minder op
+het programma dan een _korte_ pauze, en zulks is niet te verwonderen,
+wanneer men bedenkt hoe veel praatziekte, hoe veel verliefdheden, hoe
+veel kunstgedienstigheid, hoe veel eerzucht, praalzucht en behaagzucht
+hier bijeenzijn.
+
+Indien men eene wage had, op welker eene schaal men alle deze
+vergaderde ziekten en zuchten kon stapelen, en men lei daartegenover
+op de andere het muzikaal gevoel--ja, leg er het muzikaal gehoor maar
+bij!--deze laatste zou ongetwijfeld omhoog gaan.
+
+En gewichtig voorzeker was dat oogenblik, waarop deze koopbeurs van
+beleefdheden en praatjes aanging en het hoffelijk gedrang begon; als
+de blonde en bruine hoofden, de veders en de bloemen zich ophieven,
+de sterren op de voorhoofden haren loop begonnen; en de eerst zoo
+regelmatige rijen van schoonen en moeders van schoonen, van "matribus
+pulcris filiae pulcriores" en omgekeerd, zich tot bevallige groepen
+schikten, waaruit vonkelende oogen straalden en vroolijke lachjes
+opgingen; als de dwarling van jonge heeren een aanvang nam, waarvan
+ieder zijn prima donna, zijne reine du bal zocht, de een met een
+glimlach, de ander met een sentimenteel gezicht, de derde met een
+kloppend hart, en de vierde met een opgestreken kuif; waarvan de een
+boos, de ander onnoozel en de derde kippig keek uit verlegenheid;
+waarvan de een, om te beginnen, zijn netten spreidde over al wat
+mooi was, en de ander in het wilde scheen rond te fladderen, maar om
+toch wat meer eklektisch te werk te gaan; terwijl de toovermacht van
+dezen moest berusten in een nauw vest, en gene een philtrum meende te
+bezitten in de gedaante van pommade à l'oeillet; daar de talisman van
+een derde in zijne handschoenen berustte; terwijl een enkele begreep,
+dat hij het meest zoude interesseeren door met een knorrig gezicht en
+een medelijdenden glimlach op al het gedraai en geworm neder te zien.
+
+Ik deed mijn best om _Henriette_ te genaken, die in een kring van
+heeren stond, welke zij ten deele kende, ten deele nimmer geluid had
+hooren geven, maar die allen van deze gelegenheid gebruik maakten
+om haar iets aangenaams te zeggen. Iedereen was even verrukt,
+en de charmante week niet van hare zijde. Ik maakte haar mede mijn
+compliment, en liet mij daarop van hoeken tot kanten dringen, waarbij
+ik het voordeel had veel te zien en te hooren, dat mij voor dien
+avond belangrijk voorkwam.
+
+"Ze zullen die juffrouw _Kegge_, hiet ze zoo niet? het hoofd wel op
+hol maken!" merkte een mevrouw van een zekeren leeftijd, met eene
+zwarte gazen toque, aan. "'t Is niet goed voor zoo'n jong ding."
+
+En zij sloot haren mond zoo dicht, zoo dicht, alsof zij er van afzag
+den geheelen verderen avond iets meer in het midden te brengen.
+
+"O, ik vind dat ze er allerinteressantst uit kan zien," sprak een
+jonge dame, in antwoord op het zeggen van een heer van middelbare
+jaren, dat juffrouw _Kegge_ heel mooi was; "maar van avond, dunkt mij,
+heeft zij haar beau jour niet."
+
+"Kent u die familie _Kegge_?" vroeg een andere aan een jongen heer,
+en zij legde duizend pond nadruk op den naam.
+
+"Vraag excuus!" was het antwoord, "ik weet niet anders dan dat
+de menschen rijk zijn.... Maar," ging hij zachter voort, "ze zijn
+volstrekt niets. Haar grootvader was hier ter stede een kruidenier
+of zoo wat, en haar vader...., die heeft fortuin gemaakt in de West."
+
+"Ik vind ook wèl, dat men haar _dat_ aan kan zien," sprak een derde,
+die dit gesprek had gehoord, schoon zij er met den rug naar toe had
+gestaan, zelve een gelaat vertoonende, dat alles behalve ongemeen was.
+
+"Ik hou niet van dat soort van oogen," hoorde ik aan eenen anderen
+kant, uit de mond van een jong meisje van dertig, die zeer flets uit
+haar eigene keek.
+
+De freule _Van Nagel_ scheen zeer tevreden over het spel, maar liet
+zich over de speelster volstrekt niet uit.
+
+Ik bewonderde onder de menigte van schoone vrouwen van middelbaren
+leeftijd eene die, met een allerbevalligst voorkomen en zeer innemende
+manieren, het voorwerp der algemeene belangstelling scheen te zijn. Al
+de heeren kwamen voor haar buigen, en al hunne vrouwen lieten zich,
+de eene voor, de andere na, bij haar brengen. De jonge dames deden hun
+best om haar te naderen, of wenkten haar met het daarbij behoorend
+lachend gezicht toe, dat het onmogelijk was. Zij gaf een soort van
+pleeggehoor. Meermalen poogde zij te gaan zitten, maar juist op het
+oogenblik dat zij er toe besloot, verscheen er weder altijd iemand
+om haar zijne beleefdheid te bewijzen; en ik bewonderde in stilte de
+goede gratie, waarmede zij zich terstond weder tot den nieuwaangekomene
+wendde en de onbeduidende gezegden, die vrij wel met de door al zijne
+voorgangers gehoudene gesprekken overeenkwamen, met verschen moed
+beantwoordde. Hare dochter, een meisje dat nog geen zestien jaren
+mocht hebben bereikt, was aan hare zijde, en scheen deze minzame
+bevalligheid reeds in hare mate te hebben overgenomen. Wat beider
+beleefdheid het aangenaamst maakte, was het eenvoudige en ongedwongene,
+het volkomen vrindelijke en opgewekte, dat haar eigen was en niet
+anders voortkomen kon dan uit eene lieve harmonische stemming des
+gemoeds en eene heldere tevredenheid des harten. Voor mij was het
+een waar genoegen haar gade te slaan, en ik kon niet nalaten met
+minachting te denken aan de valsche redeneering van een aantal zich
+noemende menschenkenners, die hoffelijkheid altijd voor willen doen
+komen als laagheid, en welwillendheid als huichelarij. Waarlijk, die
+echte humaniteit, die goede toon, die beleefde innemendheid, welke de
+blijken dragen van in overeenstemming te zijn met den geheelen persoon,
+die ze aan den dag legt, is te gelijk eene gave en eene verdienste,
+en ik wenschte wel, dat men algemeen gevoelde, hoe men de wetten
+der welwillendheid met de wetten der fijnste zedelijkheid en het
+meest kiesche gevoel in verband kan brengen. Al het misbruik, dat
+van haar gemaakt is door intriganten en hypocrieten, neemt niet weg,
+dat zij een der schoonste sieraden van het menschdom is, en een der
+verhevenste onderscheidingen boven het dierengeslacht doet uitkomen.
+
+Ik vernam later dat deze bevallige vrouw eene dame was, wier huis
+bekend stond voor eene plaats, waar men zich nimmer verveelde, die
+niet slechts veel menschen zag, maar haar gezelschap altijd geheel
+bezielde en doordrong van de liefelijkheid haar aangeboren.
+
+Den stroom volgende, werd ik nog voorbij vele paartjes gesleept,
+die werk van elkander maakten; ook langs schuchtere jongelingen,
+die zich verstoutten hun geheel onbekende dames noodelooze diensten
+te bewijzen, als daar zijn: boa's op te rapen, die nog niet gevallen
+waren, en sjaals over haar stoel te hangen, die ze nog niet noodig
+hadden; alsmede langs vele ophoopingen van jonge meisjes, die iedereen
+uitlachten. Hier en daar zat of stond eene oude dame stokstijf voor
+haar stoel, te midden van een jong geslachte, "inmobilis in mobili";
+en herinnerde zich de dagen, dat ook zij mobieler was, of verbeeldde
+zich dat zij ook nu nog mobieler zijn konde, indien zij maar wilde;
+of verheugde zich, dat nu haar kinderen waren zoo als zij geweest was;
+of verklaarde dat de pauze nu eenmaal lang genoeg geduurd had.
+
+Zoo kwam ik tot aan de deur, en nu bezocht ik ook de koffiekamer. Hier
+waren de standen meer dooreengemengd, en vooral onder de werkende leden
+vond men van alles. De muziek, het ijsvermaak, en het tabakrooken
+nemen allen aanzien des persoons weg. Hier werd hevig gerookt door
+allerlei soort van rookers. Er waren er die pijpen, er waren er die
+sigaren, er waren er die baai rookten; sommigen hadden al lang naar
+hun rooktoestel gesmacht, andere deden het alleen, omdat de rook der
+overige hun dan minder hinderde. Er waren er die het niet laten konden,
+en er waren er die het doen en laten konden allebei, en het daarom
+zoo veel mogelijk deden; verslaafden, en vrijwillige dienstknechten;
+en de kleine _Keggetjes_ drongen door de menigte heen, en hadden
+waarlijk ook ieder een sigaartje in den mond, ter zake waarvan hun
+vader lachte dat hij schaterde.
+
+"Die juffrouw _Kegge_ speelt admirabel, niet waar?" zei een beschaafd
+heer, zijn viool weer uit de vioolkas nemende, om zich voor de tweede
+afdeeling gereed te maken, en omziende naar een groot liefhebber,
+een dik persoon, met een lomp uiterlijk, dien ik in 't orkest met
+een waldhoren gezien had.
+
+"Ze speelt verdraaid vlug!" antwoordde die van den waldhoren.
+
+"Veel smaak, veel smaak!" riep een wijs burgerheer, die een dwarsfluit
+blies.
+
+"Smaak?" riep een klein heertje, dat zich juist aan een heet glas punch
+brandde, met een pieperig stemmetje, "smaak? geen zier smaak! al den
+duivel vlugheid, kunstjes, _brille_."
+
+"Een mooie piano, niet waar?" hoorde ik in een anderen hoek, uit den
+mond van een werkend lid.
+
+"Ja, en een weergasche mooie meid ook," antwoordde een honorair lid.
+
+"Foei, oude snoeper, waar kijk je na?" zei de eerste spreker.
+
+Zoo gaat het, wanneer gij op concerten speelt. Waarom laat gij het
+niet liever?
+
+
+
+De tweede afdeeling bood niets bijzonder opmerkenswaardigs aan. Een
+welgemaakt officier der zware ruiterij trad in burgerkleeding met
+een wit vest op en zong een paar coquette romances, die beurtelings
+zeer laag en zeer hoog liepen en met een afwisselend kwaadaardig
+en snoeperig lachend gezicht gezongen werden, maar waarvan de toon
+en de inhoud zoomin overeenkwamen met zijn zware knevels als met
+de op-en-neder-gesten, die hij met het tusschen zijn beide handen
+uitgespannen blad papiers maakte. Voorts hadden wij nog een obligaat
+op de violoncel van een Duitscher met een plat hoofd en een gouden
+bril; en het concert eindigde, zooals een deugdzaam concert behoort
+te eindigen, met eene ouverture.
+
+De zaaldeur werd opengezet, en de geparfumeerde dampkring door
+een gevoeligen tocht gezuiverd. De boa's en pelerines werden
+opgehaald. De cephaliden werden om die kopjes, die er lief mee
+uitzagen, vastgestrikt, of anders in de hand gereed gehouden, en de
+jonge heeren, die het er op gezet hadden de eene of andere schoone
+naar het rijtuig te geleiden met het stellige voornemen om dien
+nacht van dat geluk te droomen, zochten zich van stonden aan van
+een gunstig standpunt te verzekeren. De heeren, die vrouwen hadden,
+waren boos dat hunne rijtuigen zoo laat kwamen, en de heeren, die
+paarden hadden, maakten zich ongerust dat het hunne misschien lang
+zou moeten wachten; den jongen meisjes speet het, dat het hare zoo
+vroeg kwam; en enkele opgewonden jonge heeren spraken er van, dat
+het aardig zou wezen de concertzaal in een balzaal te veranderen,
+en hingen eene verleidelijke schilderij van deze gelukzaligheid op.
+
+_Van der Hoogen_ was weder in ons midden en stond zoo dicht mogelijk
+tegen den linkerarm van _Henriette_ aangedrongen. Zij was allerliefst
+jegens hem, en schertste en lachte; maar toen de knecht met groot
+misbaar "de koets van mijnheer _Kegge_!" aankondigde, draaide zij zich
+eensklaps om en greep in een aanval van behaagzieke speelschheid mijn
+arm. Van dien oogenblik aan haatte mij de charmante. Zegevierend zag
+_Henriette_ om. Mijnheer _Kegge_, die haast maakte, volgde met mevrouw;
+_Van der Hoogen_ moest zich dus met de kleine _Hanna_ behelpen, naar
+welke hij zich heelemaal scheef moest overbuigen, tot groot genoegen
+van de dubbele rij van heeren en dames, tusschen welke wij bij het
+verlaten der zaal doortogen. Een charmante spitsroede.
+
+Wij kwamen thuis. Er werd een buitengewoon souper aangericht. Tegen het
+dessert dook de heer _Kegge_ zelf in zijn wijnkelder en bracht zulk
+een menigte van allerlei merken boven, dat het hart mij van angst
+in de keel begon te kloppen. De charmante, die van de partij was,
+stelde een toost op de schoone pianiste in, en las daarbij een fransch
+extemporeetje van zijn eigen maaksel voor, waarin hij op eene charmante
+wijze over alle regelen der taal had gezegevierd. Hoofdzakelijk zeide
+hij, dat _Henriette_ een mooi meisje met bruine oogen, een engel,
+en eene godin der muziek was, en daarbij kwamen eenige opmerkingen
+omtrent uitgetrokken harten en op tonen drijvende zielen. Wij waren
+allen geheel bewondering, en mevrouw _Kegge_ niet het minst, hetgeen
+ongetwijfeld veel voor de zaakrijkheid van het gedicht pleitte,
+daar HEd. van de zes woorden er maar drie verstaan had. Mijnheer
+_Kegge_ dronk den dichter, en de dichter dronk den heer _Kegge_;
+en de heer _Kegge_ liet de kurken van champagneflesschen tegen den
+zolder springen; en de heer _Van der Hoogen_ sloeg met de platte
+hand op champagneglazen dat de wijn op nieuw begon te schuimen;
+en dit alles was ter eere van juffrouw _Henriette Kegge_.
+
+
+
+
+Ochtendbezoek en Avondwandeling.
+
+Des anderen daags vóór den middag werd de goede _De Groot_ aangediend
+en trad de kamer binnen verzelschapt van zijn lieve dochter, die een
+groote gunstelinge van den heer _Kegge_ was en in zijn huishouden
+goede diensten bewees. Dien middag zou zij met ons dineeren, en haar
+vader bracht haar zelf, omdat hij meteen zijne dankbaarheid wilde
+komen betuigen voor het introductiekaartje. Hij sprak met de grootste
+opgewondenheid over den avond van gisteren.
+
+"Nooit in zijn leven had hij zoo iets moois gezien of gehoord. Dat
+was een rijkdom! Dat waren stukken muziek! Hij wist niet hoe het
+mogelijk was, dat een mensch zoo vlug op 't klavier wezen kon als
+nicht _Henriette_; en toen hij haar zoo had zien zitten, misschien
+was het zonde geweest, maar hij had gedacht, dat zij zoo mooi was
+als een engel uit den hemel."
+
+_Henriette_ glimlachte en vergat, om het streelende der vergelijking,
+dat zij die voor ditmaal uit den mond vernam van een koekebakker. Zij
+begon daarop zeer vriendelijk naar juffrouw _De Groot_ te vragen en
+haar spijt te betuigen dat zij niet op de verguldpartij had kunnen
+komen; zij zou juffrouw _De Groot_ nog eens in persoon haar excuses
+komen maken.
+
+"Neen maar, juffrouw... ik wil zeggen, nicht _Henriette_!" zei de
+goede man, "dat behoeft in't geheel niet. Uw bezoek zal haar welkom
+zijn, maar excuses! och, dat behoeft niet; dat weet neef _Kegge_
+wel. Mijn vrouw heeft het ook volstrekt niet kwalijk genomen; dat
+moet u toch vooral niet denken!"
+
+"Nu, neef _De Groot_"... zei _Henriette_ vriendelijk... en wie weet hoe
+lief zij zou geweest zijn? maar het woord bestierf haar op de lippen,
+want de charmante trad binnen en maakte wat ik zijn "compliments de
+coutume" noemde.
+
+"Wel, juffrouw _Henriette_! Is de nachtrust goed geweest, na de
+fatigue van gisteren? Ik heb geen oog toe kunnen doen; ik was nog zoo
+geënthusiasmeerd van de muziek. Het was een charmante avond; de geheele
+wereld had zich dan ook perfect geamuseerd. De stad is van u vervuld!"
+
+"Vleier!" zei _Henriette_, "maar ik weet," liet zij er op goedigen
+toon op volgen, "ik weet dat gij het goed meent."
+
+En zij reikte hem de hand.
+
+Hij nam die met vervoering aan en trok haar naar de vensterbank.
+
+"Wie is die man?" vroeg hij, den goeden _De Groot_ van het hoofd tot
+de voeten opnemende.
+
+"De vader van _Saartje_," antwoordde _Henriette_ bedeesd.
+
+"o Ho!" zei de heer _Van der Hoogen_, die dat ook zeer wel wist hem
+den rug toedraaiende. En zijn lorgnet in het oog klevende bezag hij
+den ruiker bloemen, die in een sierlijke porseleinen vaas op een
+guéridon voor het raam stond.
+
+"Wat een mooi bouquet, zoo laat in 't jaar!" merkte hij aan.
+
+"Papa is zoo lief geweest het mij mee te brengen. Het heeft zijn
+beste dagen al gehad."
+
+"Reiken de stelen allemaal wel goed aan 't water?" vroeg de charmante.
+
+Hij stak, om zich daarvan te overtuigen, zijn hand diep in den ruiker,
+en toen hij die weder terugtrok, was het als of er iets violetkleurigs
+in achterbleef, dat naar de punten van een klein biljet zweemde.
+
+De heer _Kegge_ was ondertusschen druk bezig met neef _De Groot_,
+die echter niet op zijn gemak was, aangezien Azor en Mimi het hem
+verbazend lastig maakten; en hoewel mevrouw _Kegge_ hem gedurig
+verzekerde dat het de liefste diertjes van de wereld waren, die nooit
+iemand leed deden, bevielen hem de steeds luider uitvallen en het
+gestadig pronken met hunne witte tanden zeer weinig. Zijn bezoek was
+slechts kort; hij groette mijnheer en mevrouw _Kegge_ allerhartelijkst,
+"juffrouw, ik wil zeggen nicht _Henriette_" zeer eerbiedig, en maakte
+ook een buiging Voor _Van der Hoogen_, die hem met een hooghartig
+"goeden dag" betaalde.
+
+_Van der Hoogen_ ging daarop mijnheer en mevrouw _Kegge_ bezighouden,
+en _Henriette_ trad op den bloemruiker toe, haalde er het biljet uit
+en borg het in haar ceinture, evenwel zoo handig niet of ik bemerkte
+het volkomen; zij vermoedde dit, en kreeg een kleur. De kaketoe werd
+daarop haar toeverlaat. Zij hield hem een stukje beschuit voor.
+
+"Wat zegt Coco dan tegen de vrouw?"
+
+"Pas op, pas op!" riep de kaketoe, die blijkbaar in de war was. _Van
+der Hoogen_ vertrok spoedig daarop, en de dag had vooreerst weinig
+merkwaardigs meer. Grootmama liet naar Saartje vragen; zij bleef een
+uurtje boven, en kwam daarna met roode oogen beneden.
+
+"Gij hebt de lieve oude vrouw wat gelukkig gemaakt!" fluisterde zij
+mij in.
+
+Ik had gelegenheid in den loop van den namiddag de lieve blonde
+eens zoo goed als alleen te spreken, en spoedig maakte ik daarvan
+gebruik om het gesprek op haar vriendin _Noiret_ te brengen.
+
+Zij verhaalde mij van _Suzettes_ onvergelijkelijke gehechtheid aan
+haar moeder, van hare voorbeeldelooze werkzaamheid, waardoor zij
+zooveel mogelijk in de behoeften van deze voorzag, van haar eigen
+schamel kamertje, en van alles wat haar om den wil harer moeder zoo
+zeer bekommerde. Ook deelde zij mij mede, dat er een knappe jongen
+in de stad was, een schrijver op een der stadsbureaux, die een dollen
+zin in _Suzette_ had, en dat zij geloofde, dat hij _Suzette_ ook niet
+ten eenenmale onverschillig liet; maar dat zij het voor zichzelve
+niet wilde bekennen, omdat zij meende dat de inwilliging van een
+dergelijk gevoel eene misdaad was tegen hare moeder; dat zij daarom
+dien jongeling altijd op een afstand hield en hem soms wel wat erg
+behandeld had, wat zeker tegen haar eigen hart was; en dat zij zich
+dat dezer dagen bijzonder verweet, nu zij vernomen had, dat hij,
+er aan wanhopende ooit hare genegenheid te zullen verwerven en toch
+ook vooreerst geen mogelijkheid ziende om haar een onafhankelijk
+bestaan te verzekeren, het plan had opgevat om zijn geluk in de West
+te gaan beproeven.
+
+"O, dat maakt haar tegenwoordig zoo ongelukkig," voegde _Saartje_
+er bij, met een traan in de mooie oogen, "en dan verwijt zij zich
+weer dat hare gedachten een oogenblik aan iemand anders behooren dan
+aan hare moeder."
+
+
+
+_Henriette_ was dien geheelen dag bijzonder aangenaam en lieftallig
+jegens mij; zij had allerlei zoete oplettendheden aan tafel, prees
+mij verscheidene malen in het aangezicht, en gaf mij zelfs bij het
+doorbladeren van hare teekenportefeuille, uit een open reden, een
+allerliefste teekening op rijstpapier ten geschenke.
+
+
+
+In het schemeruur bracht ik _Saartje_ thuis; en het lustte mij,
+daarna een kleine stadswandeling te maken, in dat bij uitstek drukke
+uur, waarin de werklieden en schoolkinderen naar huis gaan en de
+dienstmaagden hare boodschappen beginnen, hare minnaren toevallig
+tegenkomen, of elkander gewichtige mededeelingen doen omtrent de
+verschillende karakters van haar heer, haar mevrouw, den oudsten
+jongeheer, en de oudste juffrouw, bij welke gelegenheid de heer
+er altijd beter afkomt dan de mevrouw, en de mevrouw beter dan de
+oudste juffrouw, terwijl de jongeheer een van tweeën, òf een "akelig
+stuursch minsch", òf "een heertje" is. Ik heb dit uit mijn vroege jeugd
+overgehouden, dat ik gaarne de lichten in de winkels zie opsteken,
+en ook ditmaal stond ik nu eens stil bij een in het donker vooral
+zoo plechtig smidsvuur, waaruit de gloeiende bouten schitterend
+te voorschijn kwamen, om onder de slagen van den voorhamer eene
+horizontale fontein van vuur uit te spreiden, waarbij het zwarte
+gelaat van den smid fantastisch verlicht werd; dan weder boeide
+mij het wreedaardig schouwspel eener slachterij, waar de knechts,
+in hunne bloederige wollen kousen tot over de knieën reikende en met
+een ouden hoed over hunne blauwe slaapmutsen, zichzelven bijlichtten
+met een brandend smeerkaarsjen op gemelden hoed vastgekleefd, dat een
+tooverachtig licht in de opengehouwen koebeesten wierp, wier inwendige
+belangen zij verzorgden. De straatlantaarns waren nog niet opgestoken
+en zouden eerst twee uren later aanlichten, omdat het onmogelijk is
+dat een vreemdeling op een stikdonkere gracht in het water loopt,
+als het nog niet langer dan anderhalf uur stikdonker geweest is.
+
+Het gebeurde dat ik, op zulk een donkere gracht, voortschrijdende
+zonder precies te weten waar ik mij bevond, op eenigen afstand
+twee personen ontwaarde, waarvan de een evenveel neiging toonde
+om den anderen te ontloopen, als de andere gezind scheen de eerste
+terug te houden. Naderbij komende zag ik dat gemelde personen tot
+verschillende kunnen behoorden, en daarop hoorde ik eene zachte
+vrouwestem, maar schor van zenuwachtigheid, duidelijk zeggen: "laat
+me los, mijnheer! of ik schreeuw".
+
+Het leek mij toe, dat de mijnheer, tot wien deze bedreiging gericht
+was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand van
+schreeuwen was. Althans hij liet de persoon die gesproken had
+oogenblikkelijk los en verdween in een zijstraat. Ik had de stem
+herkend.
+
+"Zijt gij het juffrouw _Noiret_? "Wie durft u aanraken? Laat ik u
+thuis brengen," sprak ik haar toe.
+
+Het arme meisje kon niet antwoorden; zij beefde van het hoofd tot de
+voeten, en ik had moeite haar op de been te houden.
+
+"Het is verschrikkelijk," snikte zij: "o indien gij zoo goed wilt
+wezen; het is ijselijk...."
+
+Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar den kleinen
+koomenijswinkel, waar zij haar kamertje had. In het voorhuis zonk zij
+op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe nering kon
+geen licht overschieten. De vrouw uit den koomenijswinkel kwam naar
+voren loopen, met een baklamp in de hand.
+
+"Och lieve help! wat scheelt de juffrouw? wat ziet ze bleek. Is de
+juffrouw verschoten? Ga gauw in 't kantoortje, juffrouw! Ik ga de
+kaars opsteken."
+
+Zij ging heen om den blaker van juffrouw _Noiret_ te halen, en ik
+bracht die in een klein, van 't voorhuis afgeschoten kamertje dat
+zij mij als 't kantoortje had aangewezen en dat dien naam met recht
+verdiende, daar er niets te vinden was dan eene kleine hangoortafel,
+vier matten tabouretten, en een leelijk gezicht in een lijstjen aan
+den wand, voorstellende den held _Van Speyk_!
+
+"Maar me lieve gunst, wat scheelt er dan toch an!" riep de
+koomenijsvrouw uit, toen zij den blaker van _Suzette_ aangestoken en
+haar eigen lamp, daar er geen twee lichten noodig waren, onmiddellijk
+daarop uitgeblazen had.
+
+Ik liet haar een glas water halen. _Suzette_ dronk er een teugje
+van, en het glas klapperde tusschen hare tanden. Nog kon zij niet
+spreken. Het klamme zweet stond haar op het aangezicht.
+
+"Maar me lieve gunst," begon de bezorgde, maar nog meer nieuwsgierige,
+hospita alweer, "dat's nou toch wel een raar geval. De juffrouw het
+'et disperaat op 'er zenuwgestel. Wil ik naar de apteek loopen en
+een rooie schrikpoeier halen?"
+
+"De juffrouw is aangerand," zei ik, "er loopt kwaad volk. Ik was er
+bijtijds bij; men wilde haar afzetten."
+
+"Angerand!" riep de hospita uit; "ofzetten! Ja, 't is een ijselijkheid
+dat er geen werk is. En mijn _Kobus_ is ook nog bij de weg, die kennen
+ze dan ook nog wel anranden en ofzetten, ofschoon ie juist niet meer
+bij'em het dan zen zuiver orlozie, en _daar_ is een stevige kopere
+kast om; da's één geluk. Ja, ik heb al lang gedocht dat het niet
+pruisisch was hier in de stad. Der is _nog_ reis een winter geweest
+dat 'et zoo erg was. Et was in de tijd dat ik op alle dag liep van
+me derde. Maar toen braken ze in bij de lui en kwammen voor de lui
+der bed staan, met een armpie van een ongeboren kind. Daar zel meheer
+wel van gehoord hebben. En dan stakken ze zoo'n armpie in brand, en
+ze draaiden 't driemaal over de lui der hoofd om, en dan zeien ze,
+ja wat zeien ze ook? dan zeien ze: _die waakt, die waakt, die slaapt,
+die slaapt!_ en in die omstandigheid, wil ik maar zeggen, daar je
+dan in verkeerde, daar _bleef_ je ook in. Anranden! 't is wat moois
+in een kristenland! Gelukkig nog, juffrouw, dat ze je die japon niet
+of-hebben angerand; dat zou een leelijkerd wezen!"
+
+En zij nam _Suzette_ een toegespeld pak af, dat deze nog altijd
+stijf onder den arm hield, en lei het voorzichtig op een der matten
+tabouretten.
+
+"Breng het boven, moedertje," zei ik, "en laat ons even alleen,
+want ik hoop dat de juffrouw mij den persoon zal kunnen beschrijven;
+dan zal ik hem bij de politie aangeven."
+
+"Beskrijven! Ja, dat gaat zoover as 't voeten het," antwoordde de
+klapper; "en weet je wat _Kobus_ zeit? ze krijgen er de verkeerde deur
+te pakken. Laatstleden varkemart hebben ze nog 'en jong gezel, een die
+hier, zel ik maar zeggen vreemd was, opgepakt. Der komt ommers altijd,
+op de varkemart hier zoo'n poffertjeskraam? Nou, hij mocht zoo bij die
+poffertjeskraam staan te kijken na die groote kopere schuttels en zoo;
+daar komt er een diender na 'em toe; die leest op 'en pampiertje, en
+toen kijkt ie 'em an. Nou; de jonge wist van de prins geen kwaad. Maar
+de diender zeit teugen 'em: jonge, zeit ie, ga jij reis effen mee. Ik
+dankje vrindelijk, man, zeit den ander. Maar het holp niet, want de
+diender zei: maatje, zeidie, kijk reis effen wat ik hier onder me jas
+heb. Nou, dat waren nies anders as van die duimskroefies, as meheer
+wel reis zel gezien hebben, daar ze een minsch mee vastskroeven,
+zel ik maar zeggen, dat ie geen vin verroeren kan. Nou, die mocht
+die man niet, dat ie mijn slacht. Zoo gezeid, zoo gedaan; daar holp
+geen lievemoederen an; hij _most_ en hij _zou_ mee. Maar toen ie vijf
+dagen had zitten brommen--hij was toch maar al die tijd uit zen werk,
+zie je--daar komt die zelfde diender, in zen hok, zel ik maar zeggen,
+of waar dat ie dan zat, en zeit dat ie maar stilletjes vort zou
+gaan. Maar hij zei, neen, zeidie, dat gaat _zoo_ niet. Want hij wou
+der verhaal op hebben, zie je meheer! Maar dat weten we wel; dat gaat
+zoo ver as 't voeten het. Zoodat ik maar zeggen wil, dat beskrijven
+niet veul ofdoet. Maar daarom zei _Kobus_ altijd, in die winter toen
+'t _nog_ reis zoo erg was: as _ik_ er eentje te pakken kreeg, ik zou
+'em teekenen, dat ik 'em voor goed zou kennen..."
+
+Ik herhaalde mijn wensch om met juffrouw _Noiret_ alleen te
+blijven. Zoodra de babbelachtige vrouw gegaan was, borst zij in
+tranen uit.
+
+"Dit heeft hij mij in de hand gestopt!" riep zij uit; "verbrand het
+in de kaars."
+
+En zij wierp een violetkleurig briefjen op de tafel, dat zij in hare
+zenuwachtige spanning geheel verfronseld had. Daarop zeide zij met
+eenen innigen afschuw:
+
+"Foei, mijnheer _Van der Hoogen_!"
+
+Ik nam het briefjen op.
+
+"Mag _ik_ het bewaren?" vroeg ik haar. "Het kan mij te pas komen." Ik
+herstelde het in zijne vroegere gedaante, en stak in mijn portefeuille.
+
+Toen _Suzette_ wat bedaard was, deelde zij mij mede, hoe zij sedert
+eenigen tijd overal door _Van der Hoogen_ vervolgd werd. Hij was
+immer op haar weg. Bij het gaan van haar kamer naar het hofje,
+en bij het uitgaan der kerk; ja, in de laatste week had hij een
+paar malen het hofje zelf tot zijn namiddagwandeling gekozen,
+onbeschaamd bij haar moeder ingekeken, en tegen haar, _Suzette_,
+geglimlacht. Zoo erg als van avond had hij het evenwel nog nooit
+gemaakt. Zij was uitgegaan om freule _Nagel_ een japon te passen,
+zonder hem nochtans te ontmoeten. De freule had haar bij het heengaan,
+met hare gewone vriendelijkheid, als _Suzette_ zei, de bescherming
+van haar lakei aangeboden; maar zij had het afgeslagen, daar zij
+niet had gedacht dat het buiten al zoo donker was. Ondertusschen
+was de avond op eens gevallen, en zij was nog geen twintig schreden
+van het huis van den heer _Van Nagel_, of zij hoorde reeds den stap
+van _Van der Hoogen_ achter haar, terwijl hij haar door zonderlinge
+geluiden op zijne nabijheid opmerkzaam maakte. Zonder op of om te
+zien had zij hare schreden versneld; in haren angst had zij gemeend
+hem te zullen ontvlieden door een zijstraat in te slaan; hij was haar
+ook daar gevolgd. Toen zij op de donkere gracht was gekomen, had hij
+haar om de middel gegrepen en haar eenige woorden toegesproken, die
+zij evenwel door den schrik niet verstaan had. Hij had haar daarop
+het briefjen in de hand gedrukt, dat zij zich, zeker werktuigelijk,
+had laten welgevallen. Daarop had hij haar willen kussen, en had zij
+de woorden uitgesproken die ik gehoord had.
+
+Na deze mededeeling, en nadat zij geheel van den schrik zeide bekomen
+te zijn, ofschoon zij nog altoos bleekzag, verzocht zij mij dat ik
+haar verlaten zoude. Zij wilde zich door een der kinderen van haar
+hospita naar haar moeder laten brengen, die van niets weten moest.
+
+Ik vertrok.
+
+Op straat verdiepte ik mij in ernstige overleggingen hoe mij na
+dit alles te gedragen. _Van der Hoogen_ had mij sedert onze eerste
+ontmoeting niet willen bevallen, en ik had, op gelaat en manieren
+af, weinig gunstige vermoedens van hem opgevat. Dat hij het hof
+aan _Henriette_ maakte had ik terstond gemerkt en met leede oogen
+aangezien. Ik vreesde dat, indien niet louter haar geld, dan misschien
+haar geld, vermeerderd met haar schoon, den fat aanlokten, dien ik
+daarenboven voor een slecht sujet hield, dat haar ongelukkig zoude
+maken. Ondanks alle hare kuren, was _Henriette_ hiertoe te goed, en in
+gedachten had ik haar een man toegezegd, die haar door meerderheid in
+verstand verbeteren en eenmaal tot eene lieve vrouw maken zoude, tot
+welker vereischten zij toch waarlijk vele bestanddeelen bezat. _Van
+der Hoogen_ had mij, zooals de lezer zich herinneren zal, met een
+woord gezegd dat hij ook te Leiden had "geresideerd", en daar ik het
+geluk had in de Sleutelstad menschen van allerlei stand te kennen,
+had ik al spoedig omtrent ZEd. eenige berichten ingewonnen. Deze waren
+niet gunstig voor den charmanten uitgevallen en pleitten evenmin voor
+zijn gedrag als mensch, als voor zijne beginselen als ambtenaar.
+
+Ondertusschen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te
+bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en
+onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel van het
+romaneske, waartoe zij eenige neiging toonde. Daarenboven kon men aan
+_Van der Hoogen_ eenige uiterlijke voorrechten niet ontzeggen. Het was
+nu tusschen hen beiden een _stille_ liefdeshistorie geworden, dat wil
+zeggen, zoo gevaarlijk als eene liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in
+den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven. Ondertusschen
+had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw _Noiret_ aan
+mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke
+lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en
+weerloozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn
+ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was juffrouw _Noiret_ tegen
+alle verdere lagen te beschermen, en _Henriette_, om een versleten
+leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden, op welks
+rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde.
+
+Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leeren.
+
+
+
+
+Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij
+er zelf de mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem in
+'t geheel niet past, maar dat hij toch voor ditmaal niet helpen kan.
+
+_Hildebrand_, die door een samenloop van omstandigheden bestemd
+was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond
+den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op en
+liep met een gewichtig gelaat en groote stappen de kamer op en neer,
+eene beweging, die hij altijd aanneemt als hij over iets belangrijks
+of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte hij veelbeduidend
+op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder overzag hij zijne
+heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hij een groot
+gedeelte zijner aandacht aan de musschen, die in den tuin af en aan
+vlogen en elkander niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent
+zekere kruimels en kleine korstjes brood, die reeds in dit vroege
+morgenuur hare hartstochten in beweging brachten.
+
+Hij kwam daarop geheel gekleed aan het ontbijt, eene omstandigheid
+die niemand bevreemdde, daar het zondag was, ofschoon er op dien
+bijzonderen zondagmorgen juist niemand naar de kerk ging dan de oude
+mevrouw. Mijnheer verklaarde "veel van den godsdienst te houden,
+want wat zou er zonder godsdienst van de maatschappij worden!" maar
+hij kon "het geteem van de dominé's in _deze_ stad niet aanhooren";
+voor mevrouw "tochtte het in de kerk al te verschrikkelijk"; en wat
+_Henriette_ betrof, zij ging wel, maar "zag er geen noodzaak in er
+sleurwerk van te maken".
+
+_Hildebrand_ nam den schijn aan van naar de kerk te zullen gaan, en
+had evenwel voorgenomen het niet te doen. Hij herinnerde zich, niet
+zonder ingenomenheid met de hooge roeping die hij in zich gevoelde,
+het zeggen van _Fenelon_, in het treurspel van dien naam:
+
+
+ "Dit is mijn eerste plicht. Men dien' de menschlijkheid,
+ En zing, daarná, den lof der Hemelmajesteit!"
+
+
+Hij had zich den vorigen avond laten onderrichten waar de kamers van
+den heer _Van der Hoogen_ te vinden waren en moest ze in een der
+middelbare straten van de stad, boven een beddewinkel, zoeken. De
+heer _Hildebrand_ stapte er heen in de vaste overtuiging den heer
+_Van der Hoogen_ thuis te zullen vinden.
+
+Daar hij zich evenwel tebinnenbracht dat de heer _Van der Hoogen_,
+die een post aan het bureau der registratie had, dagelijks reeds
+om tien uren in den morgen aan dat bureau verschijnen moest en
+dan nog wel tot twee uren na den middag druk werk had, kwam het
+hem niet onwaarschijnlijk voor, dat gemelde heer _Van der Hoogen_
+des zondags een weinigje zou moeten uitslapen en dus hoogstdenkelijk
+nog op zijn bed zou liggen. Daarbij voegde zich misschien heimelijk
+een weinig innerlijke neiging om de onaangename boodschap, die het
+"dienen der menschlijkheid" in dezen medebracht, nog een oogenblikje
+uit te stellen.
+
+Nu gebeurde het dat _Hildebrand_, op zijn weg naar den beddewinkel in
+de middelbare straat, een plein over moest, waarop een kerk stond,
+waaruit het gezang der geloovigen krachtig opsteeg; en hij gevoelde
+lust om ten minste nog een gedeelte van de godsdienstoefening bij
+te wonen.
+
+_Hildebrand_ is geen voorstander van het laat verschijnen in het
+huis des Heeren. Hij begrijpt dat Gods Woord er geenszins voor niet
+wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het
+gedrang om plaatsen en het geschuifel met stoven; maar wel moet hij
+bekennen dat het iets bijzonder plechtigs en indrukmakends heeft,
+zich op eenmaal van de stille straat in een hoofdkerk te verplaatsen,
+waar een groote schare reeds met ongedekten hoofde ter nederzit en,
+onder het statig intoneeren van het orgel, zijn lofzang als uit
+ééner harte opheft. De aanblik eener gemeente, vereenigd, ten minste
+uiterlijk vereenigd, in den dienst van God, heeft reeds op zich
+zelf eene ontroerende stichtelijkheid; en wij zijn er, geloof ik,
+zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht, dat het,
+al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den apostel
+te betrachten: "Laat ons onze onderlinge bijeenkomste niet nalaten".
+
+
+ 't Hijgend hert,
+
+
+zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den
+Tweeënveertigsten Psalm:
+
+
+ 't Hijgend hert, der jacht ontkomen
+ Schreeuwt niet sterker naar 't genot
+ Van de frissche waterstroomen,
+ Dan mijn ziel verlangt naar God.
+
+
+o Gij, die meent dat tehuis een "goede" preek te lezen--gij _leest_
+gewis altijd _goede_ preeken, en krijgt niet dan _slechte_ te
+_hooren_?--o Gij, die meent dat tehuis een goede preek te lezen,
+en des noods een psalm er bij, even stichtelijk is als de openbare
+samenkomst; die het gebod des Zaligmakers om in de binnenkamer
+te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gij
+dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zoovele
+menschenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied
+aanheffen, hetzelfde woord van vertroosting aanhooren, en denzelfden
+Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser, aanroepen,
+teweegbrengen kan?
+
+Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot God
+in een laf naspel liet verloren gaan.
+
+Een eenvoudig man van hooge jaren stond op den predikstoel en sprak de
+gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwekkelijk toe. Hij
+deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht _biddend_ gebed. "Een
+krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel", zegt _Jacobus_. Toen
+noodigde hij de gemeente andermaal tot een gezang; en nu werd er uit
+den Eersten Psalm aangeheven:
+
+
+ De Heer toch slaat der menschen wegen ga,
+ En wendt alom het oog van zijn gena
+ Op zulken, die, oprecht en rein van zeden,
+ Met vasten gang het pad der deugd betreden;
+ God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan;
+ Maar 't heilloos spoor der boozen zal vergaan.
+
+
+Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar: "De
+Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen
+zal vergaan." En met dit woord in het hart spoedde _Hildebrand_
+zich naar _Van der Hoogen_.
+
+"Op de voorkamer!" riep de vrouw uit den beddewinkel, haar hoofd
+uit een achterkamer stekende; "de trap op; de eerste deur aan uw
+linkerhand!"
+
+_Hildebrand_ volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer
+stond halfopen, en hij bevond zich op het grondgebied van den
+charmanten. Deze echter was er niet.
+
+De kamer was niet bijzonder charmant; zij was slecht gestoffeerd
+en alles behalve net. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste
+meubel. Aan den muur hingen een paar prenten met _Robert Macaire_, en
+eenige vrouwenbeelden van de hand van kunstenaars, die zich bijzonder
+op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den schoorsteen een
+schermmasker, schermhandschoenen en floretten, en de staart van een
+fazantehaan, dien _Van der Hoogen_ moest verbeelden eenmaal geschoten
+of gegeten te hebben. In den rand van den spiegel staken eene menigte
+invitatiekaarten, waaronder sommige van reeds zeer ouden datum. Op
+tafel stond een groote flacon met reukwater en lag een deeltje van
+_Paul de Kock_ opgeslagen. Er brandde een vuur in den haard, dat
+echter in het laatste halfuur slecht scheen onderhouden te zijn. Een
+onaangeroerd ontbijt stond op, en van de kook geraakt theewater onder
+de tafel. Dit beteekende dat de heer _Van der Hoogen_ waarschijnlijk
+nog in zijn slaapvertrek was. _Hildebrand_ hoopte dat de hospita hem
+zou aandienen.
+
+Weldra kwam er ook waarlijk iemand de trap oploopen, maar het kon de
+hospita niet wezen, want _Hildebrand_ hoorde degelijke manslaarzen
+kraken. De boven komende persoon scheen een kleinen overloop over te
+gaan, en hij hoorde hem een andere deur opendoen. Daarop vernam hij
+eene stem, die uit de dekens scheen te komen en "wie daar?" riep.
+
+"_Bout_," was het antwoord van den binnengekomene. "Lui beest, legje
+nog al op je bed?"
+
+"Hei, hei wat," antwoordde _Van der Hoogen_, "'t is pas dag. Je moet
+bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en dauw op moet. Dat
+verhaal ik op den rustdag, man! D...rs, ik heb koppijn, hoor! Die
+wijn op de sociëteit is slecht."
+
+Er volgde een gesprek daar ik niet alles van verstond, maar wel
+merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zij, "het
+zwartje" noemden; en spoedig daarop werd het _Hildebrand_ duidelijk,
+dat _Van der Hoogen_ zijn wedervaren met juffrouw _Noiret_ vertelde,
+waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen,
+dat hij in een geweldig lachen uitborst.
+
+"Alles goed en wel!" zei daarop de persoon, dien _Hildebrand_ met
+den naam van _Bout_ had hooren benoemen, en die een zeer rauw en
+onaangenaam geluid sloeg, "alles goed en wel! maar je bent toch een
+handjegauw. Waarom nu niet nog een beetje gewacht, totdat de jongen
+goed en wel in de West is?"
+
+"_Boutje_!" antwoordde _Van der Hoogen_, die in dit gezelschap zijn
+lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te moeten
+verwisselen, "het zwartje is zoo verd .... mooi."
+
+"Kinderachtig!" hernam de ander; "een reden te meer om geduld te
+hebben. Ik heb uit louter vriendschap voor jou een halfjaar geijverd
+om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu het eindelijk
+lukken zal, ga je niet je eigen drieguldens je glazen ingooien. Als
+de meid het immers vertelt, hebje gedaan."
+
+"Geen nood!" antwoordde _Van der Hoogen_; "jongens kerel! ik heb haar
+zoo'n char..." (daar had hij zich haast versproken!) "verd... mooi
+briefje geschreven; er komt van wanhoop in, en van eene eeuwige
+teederheid. Je moest het lezen, kerel. En zóó was ze niet, of ze
+heeft _dat_ wel stilletjes aangenomen. En was die verd... kerel niet
+gekomen.... Maar zeg reis, gaat hij stellig naar de West?"
+
+"Hij is er zoo verliefd op, als hij eerst wanhopig was, 'k ben
+d....rs," zei _Bout_; "hij leeft in de stellige overtuiging dat hij,
+binnen zes jaar, op zijn minst half zoo rijk weerom komt als mijnheer
+_Kegge_. Hoe maakt de dochter van dien blaaskaak het? _Henriet_;
+hiet ze zoo niet?"
+
+"Patent, kerel, patent! Mooier dan ooit, en verliefd tot over de
+ooren. Weetje wat? zet terwijl reis thee voor me; ik kom zoo dadelijk
+bij je."
+
+De heer _Bout_ kwam daarop naar voren, en _Hildebrand_ zag een
+gelaat, dat de uitdrukking van de grootste onbeschaamdheid aan
+die der hatelijkste geveinsdheid paarde. Zijne oogen hadden dien
+doordringenden, zinnelijken blik, die eerzame harten zoo bijzonder
+pleegt te stuiten. Hij was een buikig man van vier-, vijfendertig jaar,
+dragende een dichtgeknoopte blauwe jas, een glimmend geborstelden hoed,
+en gewapend met een dikken bamboesrotting. Hij stond verbaasd iemand
+in de voorkamer te ontmoeten. _Hildebrand_ maakte zich bekend, en
+verklaarde dat hij gekomen was om den heer _Van der Hoogen_ te spreken.
+
+"En hebje al lang gewacht, mijnheer?" vroeg _Bout_ met gemaakte
+vriendelijkheid.
+
+"Ik kom zoo op het oogenblik," antwoordde _Hildebrand_.
+
+De waardige vriend schelde en bestelde ander theewater. De juffrouw
+gromde "dat het geen manier van doen was", en ging de trappen af met
+den theeketel. Eer zij nog terug was, verscheen _Van der Hoogen_.
+
+Hij zag er alles behalve aantrekkelijk uit, met zijne lange haren
+ongekruld en woest over zijn bleek gezicht hangende, in een verschoten
+kamerjapon, op wollen kousen en versleten pantoffels.
+
+"Gij hier, mijnheer _Hildebrand_?" zeide hij bij het inkomen.
+
+"Ik had een boodschap aan u," antwoordde de toegesprokene.
+
+"Charmant, charmant!"
+
+"Mijnheer zal u misschien alleen willen spreken", merkte de waardige
+_Bout_ aan; "dan ga ik nog een kerkje knappen; de kerk zal toch wel
+al aan zijn?"
+
+_Van der Hoogen_ lachte schreeuwend om deze geestigheid.
+
+Maar kan er ook iets grappigers bedacht worden dan met de kerk
+te spotten?
+
+_Bout_ vertrok.
+
+"Je moet me eerst wat laten besterven," zei _Van der Hoogen_
+geeuwende en een ei slurpende; "het is gisteren wat laat geworden op
+de sociëteit, en mijn keel is wat rauw van den chambertin."
+
+"Ik heb niet veel te zeggen, mijnheer _Van der Hoogen_!" zeide
+_Hildebrand_, vast besloten om maar in vredes naam met de deur in
+huis te vallen, en vooral niet rouwig wegens het vertrek van den
+achtenswaardigen _Bout_.
+
+"Het moet u niet verwonderen, mijnheer! als het huis van de familie
+_Kegge_ u eerstdaags wordt ontzegd ..."
+
+De charmante werd, van bleek, vaal en zag _Hildebrand_ verbaasd
+aan. Hij wist volstrekt niet hoe hij het met hem had.
+
+_Hildebrand_ maakte van deze gelegenheid gebruik om in éénen adem
+voort te gaan: "De heer _Kegge_ zal eerstdaags weten, wie gij zijt,
+mijnheer! Uw dubbelzinnig gedrag zal hem bekend worden. Hij zal kennis
+dragen van de lagen, die gij aan de onschuld legt, terwijl gij zijn
+dochter het hof maakt."
+
+De heer _Van der Hoogen_ wist zijne verlegenheid niet beter te
+verbergen, dan door in lachen uit te barsten. Hij begon daarop aan
+zijn. derde eitje, en antwoordde op een onverschilligen toon:
+
+"Wie zegt dat ik aan zijn dochter het hof maak?"
+
+"Ik!" antwoordde _Hildebrand_ zonder te aarzelen; "ik, mijnheer! ik,
+die u deze gansche week bespied heb; ik, die weet dat gij violette
+briefjes in haar bloemruikers stopt; ik, die ook weet dat gij
+bij donkeren avond met violette briefjes over straat loopt, om ze
+argeloozen meisjes in de hand te wringen; ik, mijnheer! die ook weet
+welke slachtoffers de heer _Van der Hoogen_ elders heeft gemaakt,
+en die zorgen zal, zooveel in mij is, een dergelijk lot af te keeren
+van menschen daar ik belang in stel."
+
+De heer _Van der Hoogen_ deed zijn best om nog luider te lachen,
+wipte met zijn stoel achterover, en riep uit:
+
+"Een charmante klucht! En mijnheer _Hildebrand_ is alzoo dénonciateur
+van dit alles?"
+
+"Hij kan het worden," ging _Hildebrand_ voort, die nu eenmaal op gang
+was; "als ik de stad verlaat zal ik den heer _Kegge_ waarschuwen. Maar
+eerst wilde ik uzelf dit komen aanzeggen. Ik wilde met open kaart
+spelen, opdat gij weten zoudt uit welken hoek het u aankwam, als
+men u bij den heer _Kegge_ met stugheid ontving, of misschien wel de
+deur wees!"
+
+"De heer _Kegge_ zal laster van waarheid kunnen onderscheiden,"
+zeide de heer _Van der Hoogen_ met een geveinsde bedaardheid.
+
+"Daarvoor heb ik dit bewijsstuk," antwoordde _Hildebrand_, het briefje
+aan juffrouw _Noiret_ toonende; "men kent uw hand; een biljet vol
+van de schandelijkste propositiën aan een eerbaar meisje, dat als
+zij ze gelezen had, reeds meenen zou onteerd te zijn. Het zou mij
+niet moeilijk vallen uit uwe vroegere 'residentie' meer dergelijke
+briefjes op te dagen. Maar dit eene is genoeg."
+
+_Hildebrand_ stak het paarse papiertje weder met bedaardheid in
+den rokzak.
+
+De heer _Van der Hoogen_ stond op. "En wie zijt gij, mijnheer?" voer
+hij uit, maar lang niet op den toon, die bij zulk eene vraag gepast
+had: "En wie zijt gij, mijnheer! om mij op mijne eigene kamer de les
+te komen lezen? Ik houd u voor een...."
+
+"Geene beleedigingen!" zei _Hildebrand_, insgelijks oprijzende, en hij
+voegde er bij: "Uw opstaan verschrikt mij evenmin als deze floretten."
+
+De heer _Van der Hoogen_ ging weer zitten.
+
+"Gij spreekt van de les lezen!" ging _Hildebrand_ voort. "Uw naam en
+faam, uw positie in de stad, het is alles in mijne hand. Ik ken uw
+afkomst, mijnheer _Van der Hoogen_, weinig strookende met de airs,
+die gij u geeft; ik ken uw vroeger gedrag, uw gedrag in deze plaats;
+ook uw gedrag als ambtenaar, en uwe nieuwste machinatiën om personen
+te verwijderen, die u in den weg staan. Neem u in acht!"
+
+"Gij wilt mij ongelukkig maken," gromde de heer _Van der Hoogen_
+tusschen de tanden.
+
+"Ik wil uwe beteren voor ongelukken behoeden," hernam de ander. "Hoor
+hier: ik verklaar mij in de eerste plaats voor den beschermer van
+juffrouw _Noiret_. Naar haar zult gij geen vinger meer uitsteken. Haar
+zult gij nooit, niet één enkel woord, meer toespreken, zelfs niet
+groeten. Indien ik ooit verneem dat gij haar tot eenigen den minsten
+overlast zijt, zal de geheele stad weten wie gij zijt, van den baron
+_Van Nagel_ af tot uwe hospita toe. Voorts zult gij uwe bezoeken
+bij den heer _Kegge_ verminderen en er van afzien eenigen invloed op
+zijne dochter te willen oefenen. Zoo ras ik iets verneem dat daarmede
+strijdt, komt dit biljet onder de oogen van mijnheer _Kegge_. Nu zal
+ik alles laten zoo als het is. Deze twee dingen, mijnheer _Van der
+Hoogen_! Denk er om!"
+
+"Het is wèl!" zeide hij binnensmonds; en, alsof deze 't helpen konden,
+stiet hij de ledige eierdoppen op zijn bord aan duizend gruizelementen.
+
+_Hildebrand_ vertrok, en was duizend pond lichter dan toen hij de
+trap opkwam.
+
+
+
+
+Het hofje. De heer van der Hoogen af.
+
+Het was heerlijk weer, en ik had niet veel lust mij terstond naar
+huis te begeven; ik verkoos liever nog eerst een stadssingel langs
+te wandelen. Wanneer men te Leiden studeert, heeft men eene zekere
+voorliefde voor stadssingels. Verfrischt door de heldere lucht en
+den koelen wind, kwam ik de poort weder binnen, en begaf mij naar huis.
+
+Het ongeluk scheen _Suzette Noiret_ te vervolgen.
+
+Niet ver van den Zoeten Inval kwam ik _Saartje_ tegen. Zij liep zeer
+haastig en met gebukten hoofde; en naderkomende, zag ik dat zij er
+uiterst verschrikt en ontdaan uitzag en bitter weende.
+
+"Wat scheelt er aan, _Saartje_?"
+
+"Ach!" riep zij uit, "laat mij schielijk voortgaan. Juffrouw _Noiret_
+ligt op sterven!"
+
+"Wat?" zeide ik, hevig ontzet met haar voortstappende en aan _Suzette_
+denkende, "en ik heb haar gisteren nog gesproken!"
+
+"Dat kan ook wel zijn," antwoordde zij; "gisteren was zij nog heel
+wel. Maar vandaag heeft ze plotseling een overval gekregen. Ik was
+in de kerk, en moeder was thuis bij de kleintjes. _Suzette_ heeft
+oogenblikkelijk om moeder gezonden; en nu kom ik, gelukkig en wel,
+uit de kerk, en daar hoor ik dat de goede juffrouw _Noiret_ misschien
+nu al dood is; zij is gelaten, zegt vader, en er is geen bloed gekomen,
+en de dokter heeft haar opgegeven. Wat zal de arme _Suzette_ beginnen?"
+
+Zij snikte luid.
+
+Ik ging met haar naar het hofje.
+
+De zoogenaamde Moeder van die inrichting, een deftige gewezen
+keukenmeid, met een zeer laag jak en grooten witten halsdoek,
+stond in de poort met eene oude vrouw te praten, die een zwarten
+schoudermantel droeg, en duidelijk hoorde ik de woorden: "Zoodat ik
+je nou maar raai er dadelijk werk van te maken, want anders is een
+ander je alweer vóór; je gaat nou maar in-mediaat naar de heeren,
+en zegt: compliment, en dat nommer negen fikant is..."
+
+"En dan?" vroeg de vrouw met den zwarten schoudermantel.
+
+"Dan mot je je beurt afwachten," zei de moeder.
+
+Die van den zwarten schoudermantel strompelde heen.
+
+"Hoe is 't met juffrouw _Noiret_?" vroeg ik aan de moeder, alsof ik
+van dit gesprek niets begrepen had.
+
+"Afgeloopen!" zei de moeder, haar hoofd schuddende. "Och ja,
+ze heeft het daar zoo passies afgelegd; 't zel nou net een klein
+ketiertje geleden zijn. 't Is een heele omstandigheid: zóó gezond,
+en zóó dood. Gisteren ging ik haar deur nog voorbij, en ze knikte nog
+teugen me, ik loof zelf dat ik nog an haar raam getikt heb, en nog
+gevraagd hoe ze voer. Ja wel! want ze zei nog teugen me: Heel wel,
+moeder! Neen, tòch niet, dat was bij _Trijntje_. Och ja, dat zeg ik,
+een mensen kan der gauw uit wezen!"
+
+Wij gingen voort. Een der bestjes die op het hofje woonden, stond
+met een zwart duifjeskiepje bij de pomp; zij zag naar ons om, toen
+wij haar voorbijgingen, haalde de schouders op, en schudde het hoofd.
+
+"Ze is uit den tijd!" zei de oude best, schudde nogmaals het hoofd,
+en ging voort met water op haar aardappeltjes te pompen.
+
+Wij traden het huisje van juffrouw _Noiret_ binnen. Door een klein
+portaaltje, met platte roode steenen geplaveid, kwamen wij in het
+eenige vertrek, dat hare woning, en die van eene lange reeks van oude
+vrouwtjes vóór haar, had uitgemaakt. Het was een klein kamertje, met
+matten belegd, en waarin een schoorsteen was, waaronder zij tegelijk
+haar potje kookte en zich verwarmde. De meubelen bestonden in eene
+voor het vertrek zeer groote hangoortafel, een matten stoel of vier,
+en een groot bureau, waarop in het midden een geel theeservies met
+roode landschapjes stond geschikt, geflankeerd door een rond en
+een vierkant verlakt presenteertrommeltje, op hun kant gelegd. In
+een hoek van dit vertrekje stond de ladder, waarmee men naar het
+zoldertje opklom, waarop de bedeeling turf en hout gestapeld was,
+die des winters aan de hofjesvrouwtjes werd uitgereikt en, benevens
+eene wekelijksche uitdeeling van aardappelen en een potje boter,
+dit hofje tot het voordeeligste maakte van de vele hofjes waarop de
+stad zich beroemde. Aan den witten muur hingen een paar silhouetten,
+waarvan het eene dat van een predikant scheen te zijn, en verder eenig
+huisraad, dat geene andere plaats hebben kon. Op tafel lag een kwarto
+bijbel, en een fransch gezangboek; in welk laatste de goede vrouw
+nog dien eigen ochtend had zitten lezen; haar bril lag tusschen de
+bladen tot een blijk waar zij gebleven was. Voorts was die tafel nu
+overdekt met allerlei glazen, lepels, kopjes en zoo voorts, die men
+in het oogenblik van ontsteltenis gebruikt had. Een sterke geur van
+Hofmansdruppels kwam ons tegen. Op den stoel, waarop juffrouw _Noiret_
+het laatst had gezeten, lag nu haar witte poes, in een gemakkelijke
+kringvormige houding, op het groene saaien kussen te sluimeren.
+
+Aan het hoofdeneinde der bedstede, waar de gordijnen van waren
+toegeschoven, zat _Suzette_, doodsbleek, en met het hoofd in de
+hand. De goede juffrouw _De Groot_ stond vóór haar, met een vol glas
+water, en poogde haar te bewegen nog eens te drinken.
+
+_Suzette_ hief het hoofd treurig op, greep het glas aan, en nam
+werktuigelijk eene kleine teuge. Toen zag zij ons strak aan. Zij
+reikte mij de hand:
+
+"Ik heb mijn wensch," zeide zij: "het _was_ bij dag."
+
+_Saartje_ hield zich schuw op een afstand en was geheel van haar
+stuk. Zij snikte hevig en viel op een stoel bij de tafel neer. Juffrouw
+_De Groot_ poogde vruchteloos haar iets te doen gebruiken.
+
+Toen zij eindelijk wat bedaarde, wilde zij de doode zien. _Suzette_
+schoof het gordijn half open, en ik zag een mooie oude vrouw in hare
+kalme ruste. Het heldere zonlicht dat door het venster binnendrong,
+wierp een schuinschen straal op een aangezicht, dat meer en meer
+van den doodsnik begon te bekomen. De oogen waren gesloten en
+ingezonken; eenige weinige grijze haren kwamen onder het mutsjen uit,
+en glinsterden als zilver in den zonneschijn. Hare dorre handen lagen
+plechtig saamgevouwen op haar borst. _Saartje_ knielde bij haar bed;
+blozende jeugd bij het beeld des doods. Zij legde haar lief handjen
+op de hand der overledene, maar schrikte van de koude. Ze had nog
+nooit een lijk gezien. Toch vermande zij zich weer, en streek met
+hare zachte vingers langs het gerimpeld voorhoofd. Daarop barstte
+zij in een hevig jammeren los!
+
+"O! Dat ik ook naar de kerk moest wezen! Had ik u nog maar één
+oogenblikje levend gezien, lieve juffrouw _Noiret_, een enkel woordje
+van u gehoord!"
+
+"Dat hebben wij geen van allen, lief kind!" zei haar moeder, hare
+oogen met haar voorschoot afvegende.
+
+"Neen," zei _Suzette_ met een hartdoordringende stem; "geen van allen."
+
+_Saartje_ schoof het gordijn weer toe.
+
+"Arme _Suzette_!" riep zij uit, haar om den hals vallende, "wat zult
+_gij_ beginnen!" En zij snikte zoo luide, dat haar moeder haar tot
+zich nam en zeide dat zij zich een weinig matigen moest, want dat
+zij _Suzette_ "nog naarder maken zou".
+
+"Ik wenschte dat _ik_ zoo schreien kon, juffrouw _De Groot_!" zei
+de ongelukkige bedaard; en weder nam zij hare vorige houding aan,
+met het hoofd in de hand.
+
+De doove buurvrouw kwam binnen. Het was een lange, schrale vrouw,
+die het bovenlijf met een grooten hoek voorover droeg. Zij had mede
+een zwart kiepjen op, droeg een zeer lang sitsen jak, een groot
+wit schort, en een kalminken rok. Zij zette een klein schoteltje,
+met een hord toegedekt, op de tafel.
+
+"Is buurvrouw ziek?" vroeg zij op dien kennelijken doffen toon aan
+dooven eigen.
+
+"Ja!" zei juffrouw _De Groot_, luid sprekende, "buurvrouw is heel erg."
+
+Juffrouw _De Groot_ had echter niet luid _genoeg_ gesproken.
+
+"Dan mot ze maar wat eten," hernam de oude, en het schoteltje
+opnemende, ging zij naar het bed. "Je mot wat gebruiken, buur; kijk,
+hier heb ik wat gestoofde peertjes voor je." En zij wilde het gordijn
+openschuiven.
+
+Juffrouw _De Groot_ hield haar bij den kalminken rok terug.
+
+"Neen!" schreeuwde zij zoo hard zij kon, "buurvrouw zal niet meer
+eten. Buurvrouw is overleden."
+
+"Zoo!" zei de doove, het hoofd op en neder bewegende, alsof zij het
+volmaakt verstaan had, "slaapt buurvrouw? Zoo, zoo; dat is goed! dat
+wist ik niet.--Ik zag den dokter binnengaan," vervolgde zij tot mij,
+"en ik docht, daar is zeker wat an de hand. Wat schort buurvrouw
+eindelijk?"
+
+Ik slaagde er in haar aan 't verstand te brengen, dat buurvrouw _niets_
+meer schortte.
+
+"Dat is de derde buurvrouw," zei juffrouw _Samei_, want zoo heette
+de doove, "die ik verlies, en altijd aan dezelfde kant, in _dut_
+huisje. De eerste was _Engeltje Bovenis_; die was drieënzeuventig,
+en potdoof; ik ben ook wel wat hardhoorend, weet u. De andere was
+juffrouw _De Ruiter_, die de koffiekan over der been liet vallen,
+zoodat ze der nooit van opëkomen is; en dut is nou de derde; 't was
+een goeie vrouw, een beste vrouw; maar wel een beetje eenzelverig. Och
+heer! is ze dood; ik docht nog zoo: kom an, een gestoofd peertje,
+daar placht ze anders nog wel van te houën."
+
+De klink van de deur werd weder opgelicht, en binnen kwam een
+vrouwelijk wezen, wier oogen, gelaat, en geheele houding de innigste,
+de hartelijkste deelneming vertoonden; het was freule _Constance_.
+
+Er zijn schepselen in de wereld, die de bestemming om ongelukkigen
+te troosten daarin hebben medegebracht, en opdat men ze kennen zou,
+heeft de natuur het vermogen tot troosten in onmiskenbare trekken op
+hun gelaat uitgedrukt. Tot deze wezens behoorde de freule _Constance_.
+
+Met eene niet in het minst hardvochtige, maar beminnelijke kalmte,
+trad zij binnen en groette ons. Zij ontdeed zich daarop terstond van
+haar hoed en bont, en het gaf iets veel vertrouwelijkers haar in deze
+sobere woning zonder dien tooi te zien. Toen trad zij op _Suzette_
+toe, die altijd even stroef het hoofd op de rechterhand deed rusten. De
+jonkvrouw greep haar bij de linker.
+
+"Ik heb van uw ongeluk gehoord, lieve juffrouw _Noiret_!" begon zij,
+met een zachte en hartdoordringende stem: "Ik kom eens met u schreien;
+gij weet dat ik ook geen moeder meer heb."
+
+Het valt lichter van eene weldadige ontroering, dan van eene groote
+en verpletterende smart te weenen. _Suzette_ barstte in tranen uit,
+en kuste de handen der freule. Ook aan de lange zwarte pinkers
+van deze hingen heldere droppels. _Saartje_ drong zich tegen de
+beide vrouwen aan, en in haar oogen blonken, door de tranen heen,
+de innigste toeneiging, en de diepste eerbied voor de troosteres.
+
+Dat was eene lieve, eene hartontroerende groep. Lijden, medelijden,
+en lijdenstroost, in een zachte en liefdevolle omhelzing vereenigd. Ik
+noodig onze schilders uit, daar hunne krachten eens aan te beproeven,
+als zij een oogenblikje willen uitrusten van mannen die pijpen rooken,
+en vrouwen die groente hebben gekocht.
+
+"Een engel van een mensch!" fluisterde juffrouw _De Groot_, en een
+traan viel op de tang, waarmede zij, op den in de verwarring half
+uitgedoofden haard het vuur poogde te herstellen.
+
+"Wie is die dame?" vroeg de doove op haar gewonen luiden toon.
+
+Ik poogde het haar te beduiden; maar het was mij niet mogelijk.
+
+"Ik kan je niet verstaan!" zei ze; "maar dat weet ik wel, dat het lang
+duren zal, eer de rijkdom bij _Pleuntje Samei's_ laatste leger komt om
+te huilen;--maar ik heb ook wel hooren zeggen, dat juffrouw _Noiret_
+van geen lage kom-of was."
+
+Dit gezegd hebbende stond de oude op, en begaf zich naar haar
+eigen cel.
+
+De dokter kwam om naar _Suzette_ te zien en voor haar te zorgen, nu
+de eerste schok voorbij was. Zijn gelaat luisterde op als hij freule
+_Constance_ zag.
+
+"De freule reeds hier?" zeide hij; "het kon niet beter. Gij moet
+onmiddellijk gegaan zijn, freule _Nagel_!--Ik beveel u _deze_ patiënte
+aan," voegde hij er bij; "voor bedroefden zijt _gij_ de beste dokter
+die ik ken."
+
+Hij schreef een ontspannenden drank voor, en verliet ons, om wie weet
+welke andere ellende te gaan aanschouwen!
+
+Het is opmerkelijk hoe gretig de mindere klasse is om met een lijk
+te sollen. Het is een stuk van liefhebberij. Al is iemand zijnen
+betrekkingen ook _nog_ zoo lief: nauwelijks heeft hij den adem
+uitgeblazen, ja, somtijds zijn er niet dan zeer bedriegelijke proeven
+genomen omtrent het werkelijk doodzijn van den dierbare, of het lijk
+moet van top tot teen ontkleed en in het doodsgewaad gehuld worden,
+en het "heerlijke" bed weggehaald, om daarvoor den harden stroozak
+in plaats te geven. En ik heb bij lijken gestaan, die aldus waren
+afgelegd, van personen die men nog geen uur te voren dood op hun
+stoel had gevonden.
+
+De Moeder van het hofje kwam dan ook met een allergewichtigst
+gezicht binnen en, moeder _De Groot_ op zijde nemende, hield zij haar
+voor, dat men niets heiligers te doen had dan juffrouw _Noiret_ te
+"ontweiden." "Juffrouw _De Groot_ kon daartoe over _haar_ beschikken:
+_zij_ was er niets akelig van. Ook wist zij heel goed waar het doodgoed
+van juffrouw _Noiret_ lag."
+
+Juffrouw _De Groot_ beweerde evenwel dat het geen haast had; maar
+de Moeder van 't hofje stond er toch op, dat het vóór den nacht
+geschiedde. "Want het was maar om het bed, weetje! En dan, juffrouw
+_Noiret_ had zoo'n kostelijke sprei, altijd bij winterdag, en die had
+ze zeker nu ook weer op 't bed?" En zij ging kijken of het zoo was...
+
+"Het _is_ de sprei," zei ze bedenkelijk tegen juffrouw _De Groot_;
+"als je der nog toe reseleveert, mot je me maar laten roepen."
+
+"'t Is wèl," zei juffrouw _De Groot_, en de Moeder vertrok, om door
+het gesloten venster heen, met de doove buurvrouw een luid gesprek
+aan te knoopen over de noodzakelijkheid om juffrouw _Noiret_ af te
+leggen, en over haar kostelijke sprei.
+
+"Wat _had_ de Moeder?" vroeg _Suzette_, weemoedig opziende, toen zij
+vertrokken was.
+
+"Niets, lieve!" zei juffrouw _De Groot_: "ik zal voor alles
+zorgen. Bekommer u over niemendal."
+
+"Men moet moeder met rust laten," hernam _Suzette_; "niets aan haar
+veranderen... voor dat ze..." Meer vermocht ze niet.
+
+Weder liet zij het hoofd aan het hart der freule zinken, die haar
+liefderijk ondersteunde, en haar daardoor het meest versterkte,
+dat zij haar toeliet te weenen.
+
+_Saartje_ kon niet langer blijven; het huishouden vereischte haar
+terugkomst. Ik vertrok met haar. _Suzette_ reikte ons beurtelings de
+hand. _Saartje_ kon geen woord uitbrengen; en _Hildebrand_ was zoo
+sprakeloos als _Saartje_.
+
+
+
+Wij kwamen in den Zoeten Inval. De oude _De Groot_ was in de ziel
+bewogen. Ik bleef nog langen tijd bij die goede menschen over het
+ongeluk van juffrouw _Noiret_ in gesprek. _Saartje_ vertelde mij
+heel veel van de doode, en hoe lief zij hare dochter had gehad, en
+hoe die dochter haar aankleefde, en gaf duizend kleine trekken van
+de teederheid en aanhankelijkheid op, waarmede deze moeder en deze
+dochter elkander het leven hadden veraangenaamd.
+
+Zie; moeder _Noiret_ was zoo goed als op haar stoel doodgebleven,
+als zij haar gezangboek had dichtgeslagen; de beroerte, die hare
+zwakke levenskrachten in een half uur tijds vernielde, had reeds
+in het eerste oogenblik hare spraak verlamd; maar zij had die niet
+noodig gehad om _Suzette_ iets te vergeven vóór zij henenging; en
+haar zegen--zij gaf haar dien gedurende haar leven dagelijks!
+
+
+
+Wij spraken ook over den jongeling, dien de vertwijfeling aan eene
+vereeniging met _Suzette_ naar de West-Indiën dreef. Ik verlangde
+zijn naam te weten. _Saartje_ deelde mij mee dat zij hem den vorigen
+avond nog gesproken had, en dat zijn plan nu onwrikbaar vaststond,
+zoodat hij het ook nu aan haar ouders had geopenbaard; en nog eenige
+omstandigheden daaromtrent, die in een volgend hoofdstuk aan den
+dag zullen komen. Ik zweeg opzettelijk van het gesprek, dat ik op de
+kamer van _Van der Hoogen_ mijns ondanks beluisterd had.
+
+
+
+
+Ik kwam tehuis.
+
+"Zóó lang heeft die kerk toch niet geduurd, onsterfelijke!" riep de
+heer _Kegge_ mij toe, toen ik de kamer binnentrad. "Wij zitten pal op u
+te wachten. Een zondag is een vervelende historie, maatje! Lag er maar
+sneeuw, dan konden we tenminste narren. Jongens! mijn pantervel! Hoe
+zouden de adellijke heeren en groote hanzen er naar likkebaarden. Maar
+zeg, onsterfelijke! ik sta beschaamd als ik weet waar je zoo lang
+geweest bent."
+
+Ik deed verslag van mijn bezoek op 't hofje.
+
+_Kegge_ kreeg alweer een traan in de oogen. Maar hij zei:
+
+"Drommels! dat was een naar akkevietje voor je. Het zal daar een
+algemeen gegrijn gegeven hebben. _Hanna_, _my dear!_ daar moet wat
+aan gedaan worden, hoor! 't is duivels jammer voor dat meisje. Stuur
+haar het een of ander."
+
+"Wil ik haar een gebraden kuiken zenden?" vroeg mevrouw _Kegge_
+goedhartig.
+
+"Allemaal gekheid!" riep de heer _Kegge_ uit. "Ze heeft immers geen
+honger. Stuur haar een paar bankjes, dat zal beter welkom zijn;
+een dooie is een duur ding voor zulke menschen."
+
+_Henriette_ had zich afgewend en stond kwansuis naar haar kaketoe te
+kijken. Ook zij had vochtige oogen.
+
+Neen! dacht ik, zonderling mengsel van hardvochtige grilligheid en
+gevoel! gij waart toch veel te goed voor een _Van der Hoogen_! En
+indien gij freule _Constance_ tot moeder of tot zuster hadt, gij
+zoudt een heele lieve _Henriette_ kunnen worden.
+
+
+
+In het schemeruur poogde _Henriette_, langs allerlei zijdelingsche
+wegen, te weten te komen, hoe ik over haar en _Van der Hoogen_
+dacht. Ik ontdook hare listen, daar ik voorgenomen had mij
+dezen dag nog volstrekt niet uit te laten. Des avonds wachtte
+men _Van der Hoogen_, die meest alle zondagavonden bij de familie
+doorbracht. Mijnheer, die de hoop gekoesterd had nu eens een partijtje
+te zullen kunnen omberen, was knorrig dat de derde man uitbleef,
+_Henriette_, die ongetwijfeld het meest verwonderd was dat hij niet
+verscheen, hield zich groot, en merkte aan, dat hij misschien eene
+andere uitnoodiging had, en dat zij "'t ook heel goed vond dat hij
+er geen gewoonte van maakte om nu ook _alle_ zondagen te komen".
+
+Wij brachten den avond door met platen en teekeningen te bezien,
+waarvan de heer _Kegge_ een mooie verzameling had, die echter zonder
+smaak of oordeel gerangschikt was, en zeker veel te duur betaald.
+
+Tegen tien uren verscheen er een voiletkleurig briefje. _Henriette_
+werd rood, en hield zich overtuigd dat hier misverstand heerschte,
+toen de knecht het aan haar vader overhandigde; en als deze het
+openbrak zag zij hem strak in de oogen.
+
+Toen de heer _Kegge_ het gelezen had, nam hij er zeer beleefd zijn
+mutsje voor af:
+
+"Ik ben een lijk," verklaarde hij, "als ik er iets van vat!" Daarop
+vervolgde hij met zekere plechtigheid: "Mevrouw _Kegge_, geboren
+_Marrison_, mejuffrouw _Kegge_, en mijnheer _Hildebrand_, hoort,
+bid ik u, eens aan wat dit geschrift behelst:
+
+
+ _WelEdelgeboren Heer!_
+
+ Dat is primo een leugen!
+
+ _Sedert gij in uw huis personen admitteert, die mijn goeden naam
+ pogen te be..._
+
+ _te be_-wat? Sakkerloot, dat's een drommels woord--_te bezwalken
+ en te belasteren, zie ik mij genoodzaakt van het genoegen af te
+ zien om hetzelve verder te frequenteeren._
+
+ _Ik heb de eer te zijn,_
+
+ _WelEdelgeboren Heer,_
+ _UWEdelgeborens Dienstw. Dienaar,_
+
+ _P. G. van der Hoogen_.
+
+ _Van huis, zondagavond._ _Surnumerair etc._
+
+
+"Dat ziet op mij," zeide ik, het woord opnemende. "De heer _Van der
+Hoogen_ anticipeert op zijn vonnis; ik ben nu wel genoodzaakt te
+zeggen wat ik denk. De heer _Van der Hoogen_ heeft zich aan mij als
+een slecht voorwerp, een verachtelijk mensch doen kijken."
+
+Ik deelde daarop zooveel omtrent de zaak mede als volstrekt noodig was,
+en verklaarde wat ik hem bij mijn bezoek van heden had opgelegd. "Gij
+ziet," zeide ik ten slotte, "dat hij zijn toevlucht tot onbeschaamdheid
+neemt."
+
+"Daarom niet getreurd, onsterfelijke!" riep _Kegge_ uit. "Je hebt,
+dunkt me, royaal gehandeld. En nu, voort met den weledelgeboren heer
+_Van der Hoogen_! Ik ben een drilboor als zijn gele handschoentjes
+me ooit hebben aangestaan. En dan, dat hij altijd zijn mond vol had
+van groote hanzen!--Het zal _Henriette_ nogal spijten."
+
+_Henriette_ antwoordde niet veel; maar mevrouw _Kegge_ sprak, met
+volmaakte miskenning van 't punt in geschil, de gewone toevlucht van
+onverstandige vrouwen:
+
+"_Ik_ heb hem altoos een heel beleefd mensch gevonden. Hij heeft _mij_
+nooit iets misdaan. _Ik_ kom er rond vooruit, dat het _mij_ spijt,
+dat hij niet meer komen zal."
+
+"Allemaal gekheid!" hernam de heer _Kegge_. "Het eenigste is, dat er
+niemand is voor de muziek met _Henriette_. En _gij_ spreekt ook van
+heengaan, onsterfelijke!" voegde hij er bij, zich tot mij wendende;
+"dan zijn we weer geheel alleen. Ik heb graag een manskerel over den
+vloer, om mee te praten."
+
+De heer _Kegge_ schoof zijn stoel voor den haard, institueerde eene
+langdurige poking, en bleef daarop in gedachten zitten. Op eens wendde
+hij zich tot zijn vrouw.
+
+"Hoe oud zou _William_ nu al geweest zijn?" vroeg hij op wat zachter
+toon, dan waarop hij anders gewoon was zich te doen hooren.
+
+"Eenëntwintig," antwoordde mevrouw _Kegge_.
+
+Het oogenblik van treurig nadenken duurde niet lang voor den
+bewegelijken vader; maar wie zal zeggen, hoeveel smart dit enkele
+oogenblik in zich bevatte.
+
+
+
+
+Een Groote Hans en Adellijke Heer. Besluit.
+
+Maandag één ure, na den middag; indien men namelijk burgerlijk genoeg
+is het om twaalf uren middag te noemen; op dien dag en dat uur,
+stond ik op het bordes van het huis des heeren _Willem Adolf_ baron
+_Van Nagel_, lid van de ridderschap, en burgemeester van de stad,
+waarin al het bovengemelde moet zijn voorgevallen.
+
+Het was een deftig huis, met een hardsteenen voorpui, waar de vader en
+de grootvader van den edelman insgelijks hun leven hadden gesleten,
+den roem nalatende, die meer was dan hun adelbrief, den roem van
+beminlijke menschen.
+
+Een bedaagd bediende, in een stil en deftig livrei, opende de deur,
+liet mij in eene ruime zijkamer en vertrok niet eer om mij te gaan
+aandienen, dan nadat hij mij, geheel op de manier van een welopgevoed
+man, een stoel gereikt, en daarop naar het vuur gezien had.
+
+De kamer had een eenigszins ouderwetsch, plechtig, maar toch
+comfortable voorkomen. Men zag aan alles, dat men bij iemand van goeden
+smaak was. Het behangsel was van rood trijpt, en desgelijks de canapé's
+en de stoelen. Op den grijsmarmeren schoorsteenmantel, waaronder,
+op een gepolijsten haard, een net gebouwd turfvuur brandde, stonden
+twee antieke vazen; en aan den wand hing, als eenige schilderij,
+het portret van een man, met den witten kraag en den met ruig bont
+omzoomden tabbaard der zestiende eeuw. Het gelaat was blozende,
+ofschoon het haar spierwit was, en in neus en mond was een sterke
+gelijkenis met den nog levenden erfgenaam van den eerlijken naam der
+_Nagels_ niet te miskennen. Er heerschte eene rustige waardigheid
+in de stoffeering van dit vertrek, die oogen en gemoed honderdmaal
+aangenamer aandeed dan de kleurige pracht bij de _Kegges_.
+
+De heer _Van Nagel_ liet wel wat lang wachten, maar toen hij binnentrad
+was hij ook geheel gekleed. Hij heette mij terstond te gaan zitten,
+en vroeg met het welwillendst gelaat van de wereld, wie ik was en
+wat ik hem had mee te deelen. Ik maakte mij bekend.
+
+"En betreft uw boodschap eene zaak, die volstrekt onder vier oogen
+moet behandeld worden?"
+
+"Ik zou zeggen van neen," antwoordde ik.
+
+"Wees dan zoo goed mij te volgen;" zeide de heer _Van Nagel_, die
+mijn naam misschien van de freule gehoord had, en vermoedde dat ik
+in het belang van de moederlooze _Suzette_ kwam.
+
+Hij ging mij voor naar eene groote tuinkamer, wier ruimte evenwel in
+dit seizoen door een groot sineeschverlakt kamerschut was beperkt. Die
+kamer leverde alles op wat de ziel tot genoegelijke genieting van
+zichzelve stemmen kon. Er was eene aangename eenstemmigheid tusschen
+het lichte behangsel en de zware slepende damasten gordijnen, die
+allen tocht afweerden; tusschen de kleur van het breede vuurscherm bij
+den haard, en de kleur van het kleed over de tafel; tusschen alle deze
+dingen, en de beminnelijke uitdrukking van gelaat op het vrouweportret,
+dat boven de piano (zeldzaam voorrecht, op het rechte licht!) hong,
+en tusschen dat gelaat, en de edele en teffens zoo zachtaardige
+trekken van den baron en van de jonkvrouw _Van Nagel_.
+
+Toen ik gezeten was, begon ik den eerbiedwaardigen edelman mijne
+zaak voor te stellen. Ik zeide hem dat ik mij tot hem wendde in het
+belang van een jong mensch, die eene ondergeschikte betrekking bij
+de stedelijke administratie had. Ik verhaalde hem hoe die jonge
+mensch door een samenloop van omstandigheden (bedelaarsstijl),
+gebrek aan gunstige vooruitzichten, en hoofdzakelijk ten gevolge
+van de listige bemoeiingen van een zijner superieuren, het voor hem
+noodlottig voornemen had opgevat om naar de West te gaan, en dat ik
+dat voornemen door tusschenkomst van zijn Ed. hoopte te verijdelen.
+
+"Ziedaar het argument van uw boodschap," zeide hij glimlachende;
+"nu de expositie met naam en toenaam, als 't u belieft!"
+
+Ik verhaalde hem, dat ik van zekeren _Reindert de Maete_ sprak.
+
+"Een oppassende jongen!" merkte de heer _Van Nagel_ aan, zonder mij
+evenwel in de rede te vallen.
+
+"Van zekeren _Reindert de Maete_," zeide ik, "wien men, en wel
+voornamelijk een zekere mijnheer _Bout_, die aan het hoofd schijnt te
+staan van het bureau, waarbij hij klerk is..." (de heer _Van Nagel_
+zag zijne dochter veelbeteekenend aan) "de West-Indiën zoo schoon
+en voordeelig heeft weten af te schilderen, dat hij, vol ambitie, en
+gekweld door eenige teleurstellingen, het voornemen heeft opgevat er
+naar toe te gaan; ja, dat hier werkelijk al een begin van uitvoering
+had plaats gehad, daar de heer _Bout_ reeds voor hem, en met zijne
+toestemming, een engagement met zijnen (_Bouts_) broeder, die in
+Suriname eene plantage scheen te hebben, had aangegaan, die hem als
+eerlijk man verplichtte met de eerste gelegenheid te vertrekken...."
+
+"En nu is uw verlangen," zei de heer _Van Nagel_ met voorkomende
+goedwilligheid, "dat ik den jongen _De Maete_ zijn ontslag weiger?"
+
+"Hetzelfde!" antwoordde ik.
+
+"Welnu!" zeide hij, "hij zal het niet hebben, mijnheer
+_Hildebrand_! Hij zal het niet hebben, _Constance_! "Wij laten onze
+kinderen niet weggaan op een aanbeveling van den heer _Bout_. Hebt
+gij ooit van een broer van den heer _Bout_ gehoord, die in de West
+zou zijn?"
+
+"Nooit, papa!" antwoordde de freule.
+
+"Welnu, mijnheer," hernam de baron, "wij kennen mijnheer _Bout_, en wij
+kennen den jongen _De Maete_. Wij zullen alles in orde brengen. Kent
+_gij_ de beide heeren?"
+
+"Den heer _Bout_ zag ik een oogenblik. _De Maete_ heb ik nooit gezien."
+
+"Zoo, zoo," antwoordde de heer _Van Nagel_; "nu, wees gerust. Ik zal de
+zaak onderzoeken. _De Maete_ zal niet naar de West-Indiën gaan. Eéne
+vraag, zoo het niet onbescheiden is: waarom beijvert gij u zoo zeer
+voor iemand, dien gij in 't geheel niet schijnt te kennen?"
+
+Die vraag maakte mij verlegen, hoe vriendelijk de oogopslag ook mocht
+wezen, waarmede de baron op mijn antwoord wachtte.
+
+"Mijnheer!" zeide ik, en ik geloof dat ik bloosde, "er is een dame in
+het spel; een jong meisje, dat belang stelt in den jongen _De Maete_,
+maar dat evenmin van den stap onderricht is, dien ik heden doe,
+als de jonge _De Maete_ zelf."
+
+"Ik dacht het haast," zei de heer _Van Nagel_, glimlachende. "Nu,
+de zaak is er niet erger om, geloof ik."
+
+Ik maakte eene beweging om heen te gaan.
+
+"Wacht nog een oogenblik," zeide hij, en zou voortgegaan zijn,
+maar de knecht kwam binnen en diende den heer _Van der Hoogen_
+aan. Onwillekeurig kwam de uitdrukking eener onaangename gewaarwording
+op het gelaat van vader en dochter beide, doch werd even spoedig
+onderdrukt.
+
+"Zeg dat ik mijnheer nu niet zien kan; dat ik _en besogne_ ben."
+
+"Mijn dochter," voer hij daarop tot mij voort, "heeft u gisteren,
+geloof ik, ergens ontmoet?"
+
+"De freule was met mij in het huis eener treurende."
+
+"Gij kent die juffrouw _Noiret_?"
+
+"Ik heb haar een paar malen ontmoet, en ken haar uit de berichten
+van lieden uit den kring tot welken zij nu behoort."
+
+"Zij maakt soms kleeren voor mijn dochter," ging de heer _Van Nagel_
+voort, "en die is zeer over haar tevreden. Het is een bescheiden
+meisje, en zij heeft ondersteuning noodig. Weet gij iets meer van
+hare familie dan wij?"
+
+Ik deelde hem alles mede wat ik wist, én voegde er bij, hoe _Suzette_
+om haar allerliefst karakter algemeen bemind was bij degenen die het
+voorrecht hadden met haar omtegaan.
+
+"Dat zei de dokter ook, niet waar, _Constance_?" antwoordde de
+beminnelijke man. "Ik dank u, mijnheer, voor de inlichtingen. Gij
+studeert te Leiden?" liet hij schielijk volgen, toen hij zag dat
+ik weder mine maakte van te vertrekken. "Blijf nog een oogenblik;
+ik heb u uitgehoord; nu moet ge niet ineens weggaan. Ik heb ook te
+Leiden mijn graad gekregen." En daarop begon hij eenige herinneringen
+uit zijn studententijd op te halen.
+
+"Het is de aangenaamste tijd van 't leven, zegt men wel," zeide hij ten
+slotte, "maar zoo ondankbaar ben ik niet jegens mijn overleden vrouw
+en lieve dochter, dat ik dat toestem. En daarenboven, het doet nog
+meer goed zich in de wereld een Man te gevoelen, dan een Student. Ik
+hoop dat gij het ondervinden zult."
+
+Na nog eenige algemeene gesprekken, waar ook de jonkvrouw deel aan
+nam, verliet ik deze woning, die mij als een verblijfplaats van
+zielsrust, verstand, en deugd was voorgekomen, vol dankbaarheid aan
+mijn gesternte, dat mij, in zoo weinige dagen onder zoo verscheidene
+daken, en met zoovele lieve en goede menschen in aanraking gebracht
+had, om mij in de overtuiging te versterken, dat beminlijkheid en
+voortreffelijke deugden niet het bijzonder eigendom van bepaalde
+standen der maatschappij zijn, maar aan alle gelijkelijk kunnen
+toebehooren; terwijl ongetwijfeld die mensch het gelukkigst is,
+die terdege weet wat en wie hij is, wat hij vermag, en wat hij wil,
+zonder zijn heil te zoeken in hetgeen buiten zijn bereik ligt, zich
+verzekerd houdende, dat hij in het geruste midden van zijn kring ruim
+zoo veilig is als aan den zoo kwetsbaren omtrek.
+
+
+
+Mijn kleine rol was afgespeeld, mijn werk riep mij, en ik kondigde
+mijn vertrek aan. Drie dagen later werd ik weder wakker op mijne
+kamer in de Sleutelstad, en tuurde ik in mijn hoekspiegeltje om te
+zien of de Breestraat nog breed was.
+
+
+
+Maar nu zullen diegene mijner lezers, die het geduld gehad hebben
+deze tafereelen te volgen, niet willen dat ik de pen nederleg, voor
+ik nog ten minsten iets vermeld heb omtrent het verdere levenslot
+der opgevoerde personen. Ik durf zeggen dat ik niet behoor tot
+de schrijvers, die er genoegen in scheppen, hunne lezers met
+teleurstellingen te plagen. Dit is onbehoorlijk, en schijnt mij
+toe met de beleefdheid te strijden, die den auteur in dubbele mate
+betaamt. Daarom zal ik pogen aan dezen natuurlijken wensch zooveel
+mogelijk te voldoen.
+
+_Henriette Kegge_ is in het verleden jaar gehuwd met een kapitein der
+rijdende artillerie, dien zij, vrees ik, een weinigje op het uiterlijk
+genomen heeft, maar die gelukkig blijkt een zeer verstandig man te
+zijn, die haar karakter uitmuntend weet te vatten en te leiden, aan
+haar verstand en gaven eene goede richting te geven, en zelfs een zeer
+gunstigen invloed geoefend heeft op de houding der geheele familie,
+mijnheer niet uitgezonderd, die er tegenwoordig veel minder op uit
+is de groote hanzen en adellijke heeren naar de kroon te steken, ze
+in het geheel niet meer benijdt, en daardoor meer en meer hij hen in
+aanzien komt.
+
+Mevrouw is, naar ik hoor, nog altijd dezelfde weinig sprekende en
+weinig bewegelijke dame; alleen heeft het sterven van een harer twee
+lievelingen haar eenige bange dagen gekost. Ik ben zoo gelukkig niet,
+mijne lezers te kunnen mededeelen of het Azor geweest is of Mimi.
+
+De heer _Van der Hoogen_ heeft zich in het beheer van zekere aan
+zijne verantwoording toebetrouwde gelden zoo weinig charmant gedragen,
+dat hij het raadzaam heeft geacht op een goeden morgen zijn hotel in
+den beddewinkel voor goed te verlaten, tot niemands spijt dan van den
+beddemaker en zijne eegade, die een halfjaar kamerhuur en een aardig
+sommetje aan verschotten aan ZEd. te kort kwamen.
+
+De Zoete Inval is nog altijd een degelijke koekwinkel,
+en tegen St. Nikolaas-avond zijn er nog immer prettige
+verguldpartijen. _Saartje_ is de verloofde van een hupsch jong
+mensch, die eene niet onbelangrijke zaak in manufacturen drijft. Ik
+recommandeer haar toekomstigen winkel aan het schoone geslacht. Het
+zal een lust zijn bij haar te koopen.
+
+_Suzette Noiret_ werd, onder den titel van kamenier, een zeer
+bevoorrecht persoon bij de freule _Constance_. _De Maete_, door den
+baron in bijzondere bescherming genomen, is zeer spoedig ter secretarie
+opgeklommen en bekleedt nu den post van den heer _Bout_, die aan de
+gevolgen van zijne ongeregelde levenswijze is overleden. Hij is de
+gelukkige echtgenoot van de mooie _Suzette_, en ik heb een brief van
+de jonge lieden, waarin zij zich veel inbeelden van "verplichtingen
+aan den heer _Hildebrand_".
+
+De baron leeft nog steeds met zijn dochter in dezelfde kalme en
+liefelijke stemming. Zij beide stichten zoo veel nut en doen zoo veel
+goed als zij kunnen; en de freule gaat met een hart vol liefde den
+tijd te gemoet, waarin de heer _Van Nagel_, die al zachtjes aan vrij
+oud begint te worden, haar hulp nog meer zal behoeven.
+
+En de grootmoeder?... is niet meer onder de levenden. Volgens haar
+uitersten wil is zij op het kerkhof bij de Marepoort te Leiden, in
+het graf, waarin ook haar lieveling rust, bijgezet. Haar hond heeft
+haar niet lang overleefd.
+
+En ik ontving uit haren naam een pakje, waarin het ringetje met den
+zakdoek, en in het Engelsch deze woorden:
+
+
+"Gedenk aan den lieven _William_ en aan zijne Grootmoeder,
+
+1840. _E. Marrison_".
+
+
+
+
+
+
+
+'S WINTERS BUITEN.
+
+
+Bij de dingen, die men, zonder veel nadenken, gewoon is bij
+zichzelven vast te stellen, behoort onder anderen de meening, dat
+het des winters buiten even onaangenaam is als des zomers louter
+gelukzaligheid. Menschen, die niet zonder opera's, concerten,
+en soirees leven kunnen, mannen, die behoefte hebben dagelijks de
+sociëteit te bezoeken, en vrouwen, die niet gelukkig zijn of zij
+moeten ten minsten eenmaal des weeks _groot toilet_ maken, mogen zich
+in dit denkbeeld vastzetten; maar voor stille huiselijke gemoederen,
+die van het bij uitstek wereldsche genoeg hebben en den cirkel hunner
+genoegens, hetzij die les hun zachter of gevoeliger is voorgehouden,
+zachtjes aan hebben leeren inkrimpen: voor hen is het er in den
+kouder tijd vooral niet minder genoeglijk dan in het warme seizoen;
+ja, geloof mij, indien ik u zeg, dat op het stille land de winter
+oneindig veel korter valt dan in de stad met al hare--_ressources!_
+Daar toch maakt hij, met zijne voorhoede en nasleep van donkere dagen,
+een groot en langdurig jaargetijde uit, dat men door allerhande in
+'t oog loopende kunstmiddelen zoekt op te korten en door te komen;
+buiten daarentegen, is hij slechts de spoedige overgang van een
+gerekten herfst tot een vroege lente. Want hoe kort een tijd verloopt
+er tusschen het afvallen van het laatste eikenblad tot op het uitloopen
+van den voorlijksten kastanjeboom!
+
+Als het twee dagen van de zeven hard waait, en twee andere dagen
+regent en hagelt dat het een weinig klettert, dan blijven de steelui
+binnen hunne muren, _ook zelfs_ gedurende de drie dagen van de week,
+die overblijven, waarop de zon bij tijden door de wolken breekt en
+allerliefst schijnt over de kwijnende natuur; want zij hebben van 's
+morgens af dat zij hun bed verlieten, tot twaalf uren toe, een nevel
+gezien, en weten niet welk mooi weer daar in het najaar gewoonlijk op
+volgt; en al weten zij dat ook, "zij gaan niet meer uit; zij kunnen
+niet meer op het weer aan"; zij durven niet zonder, zij willen niet
+mèt een regenscherm wandelen; hun, toch noodzakelijke, overjas valt
+hun te zwaar; en honderdmaal op een dag herhalen zij voor elkander de
+afgesleten opmerking, "dat zulk weer erger is dan een fiksche kou",
+en dat zij naar een vuurtje zouden verlangen om de nattigheid, en
+ook stellig stoken _zouden_, indien het maar November ware. Het is
+dan half October, en hun winter is formeel begonnen.
+
+Met November komt het vuurtje, komen de tochtlatten met schapevacht,
+de lange avonden, de morsige straten, en de onstichtelijke koude in
+de groote kerken, met en benevens alle soorten van overkleederen. Dan
+volgt December, met de boa's en de moffen, en de almanakken (morgenrood
+en avondschemering, in onderlingen wedstrijd) en de St. Nicolaas,
+als het altijd te slecht weer is om uit te gaan, met een onverwachte
+sneeuwbui, die op éénen dag twintig nieuwe dameshoeden bederft,
+en de kleine nachtvorsten die doen rillen, niet van koude, maar
+van schrik. Het heilig kerstfeest, op het land zoo liefelijk, zoo
+eerbiedig gevierd, en zich zoo harmonisch aansluitende aan de vredige
+stilte, die het voorgaat en opvolgt, geeft in de stad het teeken voor
+drukte en gewoel en feestgejuich van allerlei aard; en na den ijslijken
+nieuwjaarsdag, waarop honderden verkouden worden, wordt een eerlijk
+huisvader overstroomd van concertprogramma's, die hem met een benepen
+hart de hoofden zijner op uitgaan beluste dochters tellen doen; en er
+is een onafgebroken spreken en handelen in de stad over danspartijen
+en comedies en soirees littéraires, en soirées musicales, en andere
+soirées, die noch het een noch het ander zijn, maar uiterst stijf
+en vervelend en akelig; en men verzadigt zich zoo over en te over
+aan de wintervermaken, dat men er in vier weken genoeg van heeft. En
+onderwijl regeeren de koude en de armoede, het ijs in de grachten,
+en de bedelarij op de sluizen. En nog twee volle maanden kijkt men
+mismoedig elken morgen op den thermometer, en telt men morrende het
+aantal "wintertjes" op. En eer men den neus buiten de poort steekt,
+moet er groen aan de boomen wezen; en eer men tevreden is over zijn
+kleine wandeling, moet het tenminste Mei zijn. Dat is dus een winter
+van half October tot de Meimaand toe. En dan heeft de steeman die
+buiten komt een gevoel alsof er eene plotselinge, eene eensklapsche
+verandering van decoratie gekomen is; want hij heeft niets van al die
+opwekkelijke toebereidselen gezien, die de natuur maakt, noch haar op
+den onderhoudende weg harer stille vorderingen mogen gadeslaan. Hij
+heeft al de vreugde gemist, die de buitenman gesmaakt heeft, toen zijn
+eerste kip begon te leggen en zijn eerste sneeuwklokje bloeide op den
+naakten en harden grond. Hij heeft de ganzen niet zien vertrekken,
+en de spreeuwen en de kieviten niet zien aankomen, noch ook, drie
+dagen voordat de wind zuiëlijkte, van zijn weerwijzen tuinbaas of
+grijzen pachter gehoord dat de wind zuiëlijken _zou_.
+
+Die een Buiten heeft, en genoodzaakt of verstandig genoeg is er 's
+winters te blijven, staat des morgens met de zon op. Dat valt dan,
+wat den tijd betreft, nog al gemakkelijk, want ook de zon zelve is
+in dat jaargetijde niet zeer matineus. Maar laten wij elkander niets
+wijsmaken! Hierin staan steeman en buitenman gelijk, dat dit oogenblik
+het moeielijkste is van den geheelen dag. Want het bed is warm,
+de kamer koud, en de mensch lui; daarenboven kan het water in het
+lampet bevroren zijn, en de neiging om "zich nog eens om te keeren"
+is ons geslacht aangeboren. Maar heeft men eenmaal gezegevierd,
+dan heeft men buiten tenminste de zelfvoldoening de zon werkelijk te
+zien; terwijl gij, heeren en dames in de stad! alweder het reusachtig
+"_Manufacturen_" bij uw overbuurman lezen moogt, of het beknopter,
+maar niet minder tergend "_Schrijf- en Kantoor-behoeften_"; op zijn
+hoogst, indien uw overbuurman een logementhouder is, hebt gij het
+voorrecht uwe nuchtere blikken op te slaan tot het vergulde beeld
+van het lieve hemellicht zelf, met stralen van een duim dik en schele
+oogen. Benijdbaar, zoo gij op een gracht woont, en niets ziet dan het
+zwarte ijs, met hoopen asch en vuilnis, daar tot uw verkwikking op
+geworpen in het oogenblik dat gij uwe legerstede verliet; benijdbaar,
+zoo gij in een achterkamer huist, en over een smallen tuin tegen
+de donkere gestalten van hooge pakhuizen met gesloten blinden op
+moogt zien! Maar kom nu eens voor dit venster, dat op het oosten
+ziet, en zie, over het weiland heen, grijs van vederachtigen rijp,
+de koperkleurige kimme met die bloedroode schijf, half nog bedekt en
+half opgerezen, die als wij kerstmis gehad hebben een rooden wedergloed
+op de sneeuw zal werpen, duizendmaal mooier dan de beste bengaalsche
+vlam over de zangerige helden van het vijfde bedrijf eener opera, of
+over de heuvelen van doek in een ballet; of kijk, door het andere raam,
+naar het westen uit, en zie de groene sparren met een dun en tintelend
+weefsel behangen, en de statige menigte van eerwaardige dorre beuken
+(een kaal hoofd _is_ eerwaardig) daar achter, met de toppen in den
+nevel, die als zachte droppels langs de stammen leekt; die krijgen ook
+na kerstmis hun schitterend sneeuwkleed aan, willen wij hopen.--Dat
+is alles mooi, zegt gij, mijn waarde lezer! maar men kan toch den
+geheelen dag niet naar de zon en naar de boomen kijken; wat voert de
+buitenman uit? hoe houdt hij zich bezig? waarmede vermaakt hij zich?
+
+Het is December; zijn hout moet gehakt, en hij gaat rond met zijn
+opzichter, om te zeggen welke opgaande boomen aan de beurt liggen
+en welk hakhout het kapjaar heeft bereikt. Ook is de jacht nog niet
+gesloten, en hij laadt "groote zes" op zijn geweer in plaats van
+"kleine", want het haas heeft, zoowel als gij, zijn winterpels aan,
+en als hij tot den donker toe de weitasch over den rechter- en den
+hagelzak over den linkerschouder gedragen heeft, en het overgehaald
+geweer in de hand, en een paar hazen en een paar houtsnippen voor
+zijn vrienden in de stad bovendien, dan eet hij als een wolf, en wèl
+zoo goed als gij, mijnheer, al gloeide uw kantoorkachel ook nog zoo,
+en al hebt gij u ook nog zoo geanimeerd op de beurs. Des avonds is
+hij veel te moe om zich te vervelen; hij maakt zich gemakkelijk met
+kamerjapon en pantoffels, en heeft het zeer druk over het haas, dat
+hij in "den looper" schoot en dat schreeuwde als een kind; het haas,
+dat hij vlak in de "kamer" schoot, en morsdood lag; en het haas,
+daar hij "de wol" heeft zien afstuiven, dat ook werkelijk over den
+"bol" buitelde, maar toen de beenen weer opnam, om hier of daar in
+een verborgen hoek te gaan liggen sterven; of wel, met het wagen
+van gissingen, waar dat haas mag zijn gaan "drukken", dat hij in
+de wijdte opgaan zag, en waar de snippen mogen zijn neergevallen,
+daar zijn geweer op geketst heeft. En zijn gezin en buren, om den
+haard vergaderd, hooren met belangstelling en welgevallen nog eens
+naar de oude jachtfeiten, van de drie hoenders met de twee loopen,
+en van de twee eenden in één schot!--Komen ook de boeren niet betalen
+en daarbij hunne huiselijke zaken openleggen? En komt de dominé niet
+om een partij te schaken? En schrijft gij zelf, daar binnen de muren,
+geen boeken genoeg voor hem? En krijgt hij niet tweemaal in de week
+een heel pak couranten, waarin hij tot zijn groote stichting leest van
+de bezoeken van koningen en prinsessen in de hoofdstad; van tabliers
+van diamanten en toiletten van goud; van acteurs die uitmunten
+in hun nieuwe rol; van groote, grootere, grootste, allergrootste,
+en extra allergrootste virtuozen; van stikvolle zalen, schitterende
+kapsels, en onvermengd kunstgenot; van plombeering van holle tanden,
+die hij niet noodig heeft, en "Source de vie, Levensbron" à f1,25
+de doos, die hij nog beterkoop heeft op het land; met en benevens
+de harrewarrerijen over boeken-schrijven, waar hij zich niet aan
+bezondigt, vioolspelen, dat hij alleen tot zijn eigen genoegen doet,
+en de betuigingen van de redacteurs, dat het hunne gewoonte niet is
+datgene te doen, dat hij opmerkt dat zij juist in den geheelen stapel,
+dien hij vóór zich heeft, onophoudelijk gedaan hebben.
+
+Hij heeft ook zijn feestdagen. Het zal bij voorbeeld Koppermaandag
+zijn; Koppermaandag, een dag, waarop de boekdrukkersgezellen bij
+u in de stad de deuren afloopen met eene fatsoenlijke bedelarij;
+laatste beroep op eene mildheid die reeds achtereenvolgens in de
+begeerigheid van diender, koster, stovenzetter, lantarenopsteker,
+brandblusscher, brandbezorger, torenwachter, knecht van 't Nut, en van
+wie niet al? heeft moeten voorzien. Wij kennen hier niemand in dat vak
+dan den boschwachter, die ons zijn groen almanakje komt aanbieden,
+en wien wij bij die gelegenheid de houtbrekers nog eens aanbevelen;
+want, om de waarheid te zeggen, deze, en de menigvuldige kraaien,
+zijn onze eenige winterrampen.--Maar ik wilde van Koppermaandag
+spreken. Dan hebben wij bij voorbeeld hier de groote houtveiling,
+een publieke feestelijkheid, oneindig vermakelijker dan eene groote
+parade, indien gij mij gelooven wilt.
+
+Tegen tien uren, half elf, kom dan eens kijken! Dan komen al de
+boeren bij troepen door het bosch slungelen; een Kennemer boer heeft
+nooit eenige haast, tenzij op de Alkmaarsche kaasmarkt, als het er
+op aankomt eene goede plaats te "bedekken". Langzamerhand naderen
+zij allen, de een met de handen op den rug, en de ander met de handen
+in de zakken van 't wambuis, ter plaatse waar de parken nederliggen,
+en waar de opgaande boomen staan die, met een blutsje van de bijl en
+een nommer, ten doode zijn opgeschreven, en zoo onder de eersten als
+bij de laatsten wordt naar gading gezocht. Elk hunner verbergt zijn
+plan en drift om to koopen en zijne belangstelling om te zien onder
+het volmaaktste laconisme.
+
+"Zoo _Jeepie_!" zeit de een; "mot jij ook een parrekie hebben?"
+
+"Nou jæ, jongen! ik kom mær rais kaiken!"
+
+"Nou"--de boeren beginnen bijna alle volzinnen met dit woord:--"Nou,
+der binnen zware parken genog bai; mær der is ook 'en partij die sluw
+[18] binnen, hoor."
+
+"Jæ," zeit een derde, die plan heeft er verscheidene te koopen,
+"en eer je ze thuis hebbe!"
+
+"Zoo, _Jan Spitter_, een paar nieuwe hutten [19] der op
+anëtrokken!" zegt een vierde tot den bezitter van dien naam, die zin
+in het eigen park eiken heeft, waar deze nota van neemt. "Nou, dat geet
+er op los hoorje! _Jan Spitter_, zel 't ons allemæl te kwæd maken."
+
+"Erg mooi weertje," merkt een vijfde aan, die verrast wordt in het
+opkijken naar een boekoboom, daar hij het ophout van berekent. "Erg
+mooi weertje! mær der hangt nog veul wind an de lucht; ik mocht liever
+laien dat 'et wat droogde."
+
+"Dat mocht ik net, broer," antwoordt een oud boertje, zijn pijp in
+de tondeldoos stekende en in een oogenblik de lucht met sterkriekende
+wolken benevelende.
+
+"Daar bennen der nog zatter uit de stad ook, zie ik wel," merkt een
+armoedige boer aan, vreezende dat de steelui hem zullen overbluffen.
+
+"Kaik hai met zen gepoeste laarsies," zegt een jong kerel met een
+bloedroode wollen das om, die het met gemelde steelui luchtiger
+opneemt. "Zoo bakkertje, je mot zeker weer een vaifie plokken?" [20]
+
+De bakker zet een verlegen gezicht en neemt voor, zich te houden als of
+hij het niet gehoord heeft; maar bedenkt zich, haalt zijn tabaksdoos
+uit, steekt met een echte bakkersgulzigheid zijn aandeel er uit in
+de bleeke kaken, en antwoordt geestiglijk: "Motje _mijn_ hebben?"
+
+Intusschen zit de eigenaar met de zonen van den huize bij den boschbaas
+om den haard, waar een boekeblok van de grootte van een osserib, van
+'t hout van verleden jaar, aanligt, afkomstig van een boom, die den
+boschbaas toevallig zoozeer is meegevallen, dat hij aan het ophout
+zijn geld waard was en hij den stam nog vrij had. Daar zitten dan ook
+de dorpssecretaris met zijn doornen stokje, groene wanten en grijzen
+kop, en de beambte uit de stad, ten wiens overstaan "de aanzienlijke
+partij hout zal verkocht worden". Een praatje, een kop koffie--daar
+gaat de bengel, en alles verzamelt zich bij nommer Een.
+
+Nu worden de veilconditiën voorgelezen, met verschrikkelijke
+bedreigingen tegen degenen die niet contant, dat is binnen zes weken,
+betalen, de gaten niet behoorlijk dichten of bij het rooien honden in
+het bosch meebrengen; bedreigingen die, bij gebrek aan dwangmiddelen,
+de kracht hebben van vriendelijke verzoeken. Daarop vangt het gedrang
+en de drukte aan. Sommigen koopen in 't begin, omdat het "wel rais
+gaandeweg praiziger worden wil": anderen stellen het uit, in de hoop
+"dat het meeste volk zachies an of zel trekken" en de beste koopjes
+op 't laatst te doen zullen zijn. De secretaris doet zijn best om
+ten duurste te veilen, en de koopers om voor 't minste geld klaar
+te komen. Allerlei aardigheden worden over en weer gewisseld, en te
+meer naarmate de houthakkers lustiger met het vaatje rondgaan en de
+kleine stalletjes, die overal tusschen het gehakte hout zijn opgezet,
+meer te doen krijgen.
+
+"Hadje nou je geld bewærd!" zegt de secretaris, met een ongeveinsde
+bewondering voor het perceel dat hij met het uiterste van zijn stokjen
+aanraakt, "jonges, jonges! wat 'en boomen! Dær kenje wel twee jær
+van stoken! Hoe veul voor dat parkie? Wie zet dat nou rais in voor
+twalef gulden? Al wou je maar zes geven? Niet allemaal te gelaik,
+kindertjes! Drie gulden; met je drieën wel," enz.
+
+"Schai je der nou al uit?" heet het een oogenblik later uit den
+mond van denzelfden magistraat, tegen een boer die aan bod is en,
+zoodra hij hem aanspreekt, wegsluipt, uit vrees voor zijne bekende
+satire. "Schai je der nou al uit, _Jantje_? En dat voor een kerel,
+die _Jan Houtkooper_ hiet; 't is, jandoppie, skande."
+
+"Nou, wie dut park koopt, die het et waif met de koekkraam en de
+flesch er op toe!" schertst hij alweder, als hij een perceel nadert,
+waarbij een vroolijke zoetelaarster, met een dikken schoudermantel
+om, hare handen zit te warmen aan de test, waar de boeren aan komen
+opsteken. "Deer geef ik zelvers zeuven gulden voor; zeuven en 'en
+kwart; en 'en half; en drie kwart; vol; eenmaal, andermaal: niemand
+meer as acht gulden? Voor dat knappe vrouwmensch? En 'en half;--zoo
+_Teunesie_, hebje niet genoeg an _ien_ vrouw, man?--Acht en 'en
+half; negen; eenmaal, andermaal; kan de brandewijn je niet verlaiën,
+maat? Nog 'en kwart; 'en half; negen en 'en half; eenmaal, andermaal,
+derdemaal--geluk er mee! Da's een koopie, maat. Hoe hiet jij?"
+
+"_Jan van Schoten_."
+
+"Zoo; hiet jij _Jan van Schoten_? Heb je dan te Schoten geen hout,
+maat?" En zich tot den boschbaas wendende: "'t Is hier 'edaan,
+baas! Weer motten we nou heen? Na dat stuk teugen 't land van _Sijmen_,
+niet waar? Kom an, kindertjes! Jonges, jonges, wat zou _Sijmen_
+zeggen as we deer reis met zoo'n hiele bende op de pannekoeken
+kwammen? Dan mocht het waif den hielen dag wel deurbakken. Kom an:
+maar weer van veuren of an! Nommer honderdëndertig; wie geeft deer
+nou rais honderdëndertig gulden veur? Honderdëndertig centen, dat
+zal der veur 't begin beter na rooien," enz.
+
+"Twee an bod? Wie het ierst esproken?"
+
+"_Ik_ heb ierst esproken!"
+
+"Hoe hiet jij?"
+
+"Ik hiet _Piet de Wit_."
+
+"Best hoor; ik zel zwart skraiven."
+
+Ziedaar aardigheden, voorzeker niet van de allerfijnste soort, en die
+zeer verre onderdoen voor alle mogelijke rondgaande stads-bonmots en
+calembourgs, maar die uit een gulle, vroolijke stemming voortkomen
+en, in die stemming, op het boereland zeer goed opgaan, en opgaan
+zullen zoo lang, om den nekrologischen stijl te gebruiken, "zoolang
+boerenaardigheden in Nederland op hare rechte waarde zullen worden
+geschat".
+
+Onder dit alles roepen de mannen en vrouwen en kinderen, die met drank,
+moppen, en smakborden den trein, het geheele bosch door, volgen en
+overal hunne draagbare tenten nederslaan, uit alle macht en alsof op
+ieder der aanwezigen de zedelijke verplichting rustte iets bij hen
+te verteren: "Wie 't zen beurt is!" "Je hebt al lang naar een slokje
+verlangd, buur!" "_Arie, Arie_, wat is je keel droog!" "Aventuur je
+'t niet rais? Zes der boven en twee der onder!" "Hier is _Keesje_,
+hier is _Keesje_! Je het _niet_ te betalen; hij betaalt de koekebakker
+ook niet!" En allen wenschen voor de zesenzeventigste maal "handgift"
+te ontvangen. En de kleine boerejongens dringen, met de kinderen van
+den dominé en van den chirurgijn en van het "groote huis", door de
+menigte in alle richtingen heen, om let te spelen of schuilevinkje
+achter de parken; of springen als jeugdige acrobaten van de eene
+stomp op de andere; of laten zich van den eigenaar van 't bosch op
+een schellingskoek tracteeren, daar hij hen, voor zijn rekening,
+zoolang naar heeft laten gooien, tot hij hem op niet meer dan een
+gulden te staan komt.
+
+Bij den laatsten koop begint er al wat reuring te komen, en bij
+het laatste nommer--laat het een mager boompje wezen, dood in den
+top--wordt een vijfje opgestoken; en een manneken uit de stad, dat
+te opgewonden is om te cijferen, blijft er tot algemeene vreugd aan
+hangen. En de pret is uit, behalve voor den boschbaas en voor de
+magistraten, die bij de veiling hebben geassisteerd en op een stuk
+gebraden rundvleesch met grauwe erwten onthaald worden.
+
+
+
+Maar het is in 't laatst van Januari, en uw barbier hangt u
+telken morgen verschrikkelijker tafereelen op van de duimen dik,
+die het in de stadsgrachten gevroren heeft. Nu komt ook gij met
+een volksfeest voor den dag, en verheft de borst trotsch op uw
+ijsvermaak. "Uw ijsvermaak!" ik neem er mijn hoed voor af, schoon
+ik niet van ijs houde en er liever buiten blijf, omdat ik zoo dol op
+het levende water ben. Uw Amstelkermis, o Amstelaren! Uw Maaskermis,
+o Rotterdammeren! "bieden een treffend schouwspel aan"; uwe courantiers
+kunnen er niet genoeg van zeggen; als gij wandelt, rijdt, harddraaft,
+kolft, biljart, bittert, en zelfs stookt op het ijs, waar zich alle
+standen aan hetzelfde vermaak overgeven, de hooggeborene in zijn
+polonaise en de watervoerder in zijn schippersbuis; als een akkoord van
+'t vereenigd gekras van duizend hollandsche en engelsche en friesche
+schaatsijzers de lucht vervult, terwijl de narretuigen rinkelen,
+en de zoetelaars met brandewijn van "negentig graden!" die pogen te
+overschreeuwen; als al de pracht van met bont gevoerde en gezoomde
+douillettes, pelzen en sjaals door de heldere winterzon beschenen
+wordt, en eene weelderige maatschappij haar grootsten rijkdom tegen
+de soberste karigheid der natuur schijnt te willen over zetten. Maar
+denkt niet dat wij buiten ook geen ijsvermaak hebben! Pret hebben wij,
+degelijke pret; en ik wenschte wel dat gij die ook hadt.
+
+Ik onderstel dat gij zelf bezitter zijt van een of ander landhuis nabij
+een klein dorp; daar zult gij ook een ijsvreugd zien en, indien gij van
+kinderen houdt, zal zij u verrukken. De volwassenen versmaden dezen
+geringen plas; maar hier hebben wij den kleinen dikken _Wulbert_ met
+de mooie oogen, die zijn schaatsjes loopt halen, zoodra hij hoort "dat
+de jonge heeren er op mogen", en zijn nog kleiner broertje meebrengt,
+dat voor het allereerst begint te scharrelen. Alras verzamelt zich
+uit alle woningen een aardig troepje van boertjes en boerinnetjes,
+die elkander alle bij den naam noemen en zeer familiaar zijn met
+de jonge heertjes en jonge juffrouwtjes van de Buitens, die hunne
+schaatsen binnenskamers hebben aangebonden met groot rumoer, en die
+met roode bouffantes en even roode wangen zich in den stoet komen
+mengen. Daar stijgt de vroolijkheid ten top en het kleine grut glijdt,
+scharrelt, en zwiert, en draait door elkander, en valt op een hoop,
+en poeiert elkaar met sneeuw; en de jongens zitten de meisjes op hunne
+schaatsen na, en kapen ze de losse hoedjes van 't hoofd, zonder dat
+ze daarom nog verkouden worden, en rijden er in triomf mee rond op de
+punt van hun ijshaakjes; en de slee gaat heen en weder met een heele
+vracht kleine meisjes er in, en met een heele bende kleine jongens
+er achter, en zwiert bij het omdraaien "zoo verschrikkelijk!" dat
+zij het allemaal uitgillen. En dan zult gij, de landheer zelf, lust
+hebben om den zoetelaar te spelen, en de vroolijke jeugd te verkwikken
+met koek en een schijntje van brandewijn met suiker; en dan gaat er
+een vreugdekreet op; en de boerekinderen hebben nog nooit zoo iets
+lekkers geproefd, en de arbeider, die de baan geveegd heeft, wordt ook
+niet vergeten, en glist af en aan, met zijn bezem over den schouder,
+en maakt gekheid met de kleine deugnieten, en krijgt onverziens een
+sneeuwbal aan zijn ooren dat ze tintelen; en dan raakt de deugniet,
+die den sneeuwbal gegooid heeft, van de been, en schuift een heel end
+ver over 't ijs voort, en daardoor heeft een andere deugniet, die al
+tweemaal op zijn neus gelegen heeft, onuitsprekelijk veel genoegen. En
+dan komt er een scheur in 't ijs, "van de sterkte!" zoodat het kleine
+ventje, dat voor 't eerst op een paar verroeste ijzertjes staat en,
+met zijne dikke armen in een nauw buisjen in de lucht roeiende,
+zich de illusie maakt vooruit te komen, stilletjes afbindt; maar de
+mannen van een twee- of driejarige ondervinding spreken van balken
+die er onder komen; en het is alles drukte en gejoegjag en geluk;
+en al de jongens en meisjes weten niets prettiger dan dat het hard
+vriest en er morgen weer een duim dik ijs ligt in het gat dat heden
+gehakt is, waarvan zij u des morgens de bewijzen komen vertoonen op
+uw bed. De donkerheid alleen maakt een einde aan de vreugd, waarin
+het middagmaal slechts een kleine pauze teweegbrengt. Maar laat het
+maar lichte maan zijn, dan komt er nog menigeentje weerom, en wel
+eens een grooter slag van rijders ook, waar de andere wateren des
+avonds te ver-af of te vol gevaars voor zijn; en zoo ge geen lust
+hebt om mee te doen, gij kunt het zien, daar gij voor den haard zit,
+die de gezichten uwer lieve gade en schoone dochters verlicht met de
+vlammen van steenkolen, die vooral dan helder zijn, als gij er een
+splijt met de punt van de pook; terwijl het vertrouwelijk schemeruur
+een macht van zoete herinneringen medebrengt, een overvloed van
+gezellige praatjes uitlokt. En wellicht brengen u de gesprekken uwer
+huisgenooten op het een of ander schoon gedicht of belangrijk boek,
+dat uwe kleine boekerij versiert; en des avonds, als alles stil is
+in en om het huis, leest gij er uwen kleinen kring uit voor, onder
+het genot van een glas warme punch of streelende kandeel, en denkt er
+niet aan, hoe in dat zelfde oogenblik, in een der gehoorzalen van de
+hoofdstad, een jeugdig slachtoffer van zijne eigenliefde en van den
+secretaris eener geleerde maatschappij, in een zwart pak kleeren en
+met een bleek gezicht, wordt _opgebracht_ door een statigen stoet van
+achtbare mannen, om tusschen zes waskaarsen en voor een aanzienlijke
+schaar van heeren met en zonder ridderorden en mooi gekleede dames
+(ik meen "geachte vrouwenschaar"), eene verhandeling te lezen die
+verveelt, of een dichtstuk dat al te akelig is, van een man die bij
+vergissing met zijn zuster trouwt, of van een juffer die zich dood
+treurt op een toren.
+
+Wilt gij nog een andere tegenstelling? Ja, vergun er mij nog ééne;
+gij houdt misschien niet van tegenstellingen; maar laat ik u nog op
+deze ééne onthalen; zij zal treffend zijn. Maar nu verbeeld ik mij
+u weder als steeman, en gij woont in Amsterdam of te 's Gravenhage.
+
+Het is in het laatst van Februari. In uwen kring, in uw cercle, in uw
+sociëteit, hoe wilt gij? misschien wel in uw huis, heeft zich, onder
+al de _over_sluieringen der étiquette en _ont_sluieringen der caquets,
+een droevig drama ontwikkeld. De schoone _Emmeline C._ was op alle
+de feesten van dezen winter "reine du bal". Zij werd gefêteerd; zij
+werd geadoreerd. Hare moeder was trotsch op haar; zij was trotsch op
+zichzehe. Op de soirée van mevrouw v. W. ontmoette haar de jonge _Van
+Staten_ en maakte "onbegrijpelijk veel werk van haar". Op het concert
+van--noem eenen onovertrefbaren uit de tienduizenden onzer dagen!--was
+het in het oog loopend hoe hij om haar heen fladderde. Op het bal ten
+uwen huize (waar men zich zoo allercharmantst geamuseerd heeft, lieve
+mevrouw!) en op al de casino's, week hij nauwelijks van hare zijde,
+was onbegrijpelijk "aux petits soins", en men heeft zijn oogen zien
+vonkelen als tijgeroogen als zij met een ander walste. Deze jonge
+_Van Staten_ had een zeer innemend uiterlijk, zeer goede uitzichten
+vóór zich, en een zeer respectabele familie achter zich; wat wonder
+zoo zij ten laatste, door een weinigje te boudeeren, weten wilde
+wat hij voorhad! Wat doet het monster op de laatste soirée, die
+hij met haar bijwoont? Hij ziet haar nauwelijks aan; met een stijve
+buiging vraagt hij haar ter nauwernood hoe zij vaart; als zij, op
+aller aandrang behalve de zijne, zich aan de piano zet en zingt,
+ziet zij hem, in den spiegel, die daarboven hangt, geabsorbeerd
+in een gesprek--met een andere schoone? Neen; met heeren, met een
+geleerde, met een diplomaat. En, een oogenblik later, neemt hij de
+kaart op voor eene bejaarde dame, die, daar een andere bejaarde dame
+en twee bejaarde heeren het haar in 't omberen te lastig maken, hem
+verzocht heeft haar eens af te lossen. Den geheelen avond geen woord,
+geen blik van hem voor de schoone _Emmeline_; en den anderen dag het
+gerucht door de stad, dat zijn engagement met de freule E. te X., dat
+reeds sedert dezen zomer gehangen moet hebben, er dóór is.--Het hart
+der arme _Emmeline_ is gebroken ... neen! vergiftigd. Van dezen
+oogenblik af is de gansche wereld haar geveinsdheid en mommerij,
+en het geheele mannengeslacht louter valschheid. Echter wil ook zij
+een mom dragen en evenzeer veinzen. Maar kan zij het weren dat al
+hare vriendinnen haar in hare bijeenkomsten beklagen, en dat zij,
+weken lang, onder den titel van "het meisje dat infaam behandeld is",
+de toevlucht wezen moet der kwijnende conversaties op fluweelen sofa's
+en der levendige tête-a-têtes bij marmeren schoorsteenmantels en in
+vertrouwelijke vensterbanken?
+
+Maar nu zie ik mijn buitenman een bezoek brengen bij een zijner
+boeren, en met hem nederzitten bij diens namiddag-koffie-en-boterham,
+in gezelschap van een koopman die, met een hoog, langwerpig pak op
+den rug, op den boer reist, en in diepe stilte tegen zijn koffie
+blaast, terwijl de vrouw en de meiden zich bedenken of er ook wat
+noodig is. Maar de oudste dochter is naar de stad, en mijn buitenman,
+die gaarne over de jonge deernen praat, acht de gelegenheid geschikt
+om te vragen:
+
+"Wel _Jantje_! heb ik het al, of heb ik het mis, dat je dochter
+trouwen in het hoofd heeft?"
+
+"Nou, heerschop!" is zijn woordenrijk antwoord, "de lui willen zoo
+_veul_ zeggen; 't zou er kwed uitzien as we 't alles leuven wouwen;
+ik zel niet zeggen dat ze niet rais deur een borst is ansniejen;
+maar trouwen, zel ik mær zeggen: nien! dat laikt er niet nee."
+
+"Heije je nou al bedocht, _Trijntje_?" vraagt de koopman.
+
+"Nou jæ," zeit _Trijntje_: "geef me een kloentje zwart garen."
+
+"En main, 'en stuk of vier heinsknoopies," zeit de vrouw.
+
+"Ik had verleden najaar al gehoord dat ze met een vrijer te kermis
+geweest was," zegt mijn buitenman, die niets van dien aard gehoord
+heeft.
+
+Maar de boer en de vrouw nemen bedenkelijke gezichten aan, die te
+kennen willen geven dat er te veel dak op 't huis is, en de landheer
+vindt het gepast zijn gesprek te veranderen.
+
+"Hebje daar een potlammetje?" zegt hij, op een klein zwart dier
+wijzende, dat op de vuurplaat geknield ligt, naast een dikke kat,
+rood en zwart geplekt.
+
+"Och jæ," zeit de vrouw; "we hebben twee lammetjes van dat ooi, ien
+witje en ien zwartje, dat dan dut is. Maar 't iene het ie zóó dat 'et
+'eboren was likt en opgnapt, maar het zwartje het ie leggen leten;
+en ie wou 't niet leten zuigen ook, of we mosten hem vasthouen; en
+nou leten we 't dan mær zoo drinken uit 'n trekpotje. 't Is mær het
+akelekst dat het overal veuligheid doet."
+
+"Jæ," herneemt de boer, "en mot meneer de kalven niet rais kaiken?" En
+mijnheer staat op en volgt hem naar het hok daar zij zich bevinden.
+
+"Kaik hier; der zijn der drie; twee kuitjes en ien bulletje; dat iene
+kuitje is van daag 'ekomme. Leelijk haar, niet waar meheer!"
+
+"Hij is al heel zwart."
+
+"Hielkendal, meheer! Maar weetje wat _ik_ zeg? Je mot gien beest om
+zen haar verachten; ik denk dat 'et niet past, en dat je der gien
+zegen op hebbe kenne, zel ik mær zeggen. Je heb mense, die zijn er zoo
+keurig op, kaik! maar ik zeg dat 'et niet past; en ik zel dat zwarte
+kuitje anleggen, zoo goed as dat bonte. En weetje wat _ik_ denk? 't
+is nog beter as 'en hiele witte, want die worden dan skrikkelek van
+de vliege plaagd, en ze zam ook erg kouwelek; gunder steet er iene,
+die het een rond jær met 'et dek 'eloopen."
+
+"Maar as 't nou eens een _rood_ kuitje was?"
+
+"Jæ, _dan_ most 'et weg; die brandrooie mag ik niet," zegt de
+philozoische boer, die geen beest om zijn haar wil verachten, maar
+wien dit vooroordeel te machtig is. En plotseling het vroeger gesprek
+weder opnemende, gaat hij ten overstaan van de twee kuitjes en het
+eene bulletje, die hij beurtelings op zijn hand laat zabberen, voort:
+
+"Nou kaik, je bent best onderricht ook, hoor! En ze had 'er zinnen wel
+op 'em steld ook, zei ik maar zeggen; maar ik en 't waif hadden gien
+erge zinnighaid in de borst, en deerom is er dan ook niet van komme;
+want _Hil_ is 'en erg best maidje, kaik, dat lijkt erniet nee; 't is
+me stiefdochter, mær of was 't men aigen, 't kon niet beter zain;
+en de miester zait dat hai er nooit zoo ientje zien hadde, en zoo
+erg gnap, zei ik nou mær zeggen, in 't gien deer hai der inleerd het;
+en et waif zait dat _Hil Zoo_ erg best is voor skrobben en skuren en
+keezen, en zoo hielkendal gnap in 't werk, dat 'n best waif zoudie
+er an had hebbe. Maar jæ, 'k miende den nou, zel ik mær zegge, dat
+ze zoo'n best maidje is, om reden dat ze 't zoo in iene hielkendal
+uit 'er hoofd 'zet hadde. 'k Zaide: _Hil_! zaid' ik, das nou iens
+veur de fiedel met _Hain_, mær je weete, dat 'et veur 't lest is
+ook. Nou, ik zag ze wel, dat ze erg zuinig keek; mær ik dæn of ik
+'t niet bespeurde; en 't ierst dat ie weer weter veur der dreege,
+zag ik dat zem gnap op zai douwde, en 't leek wel dat ze zaide: Vær
+wil hielkendal niet van je ofweete. Mær zoo as dat geet, meheer;
+'t laikt wel, zei ik mær zeggen, of je niet van mekær of kenne,
+as je't iens op mekær begrepen hebbe; 't was met main en _Geesie_,
+dat nou de vrouw van _Tak_ is, krek al ien, in me jonge taid, meer ik
+was er vær veul te skræl van skaiven, en nou heb ik an _Marijtje_ 'en
+erg best waif. Nou, mær ik zagge den wel, dat 'et met _Hil_ en _Hain_
+niet goed of zou komme, en ik zaide teugen 't waif: Waif, zaide ik,
+je kent 'et nog wel rais anzien, mær as 't nee _main_ zin geet, dan mot
+de borst weg. Mær de vrouw miende dat ie zoo erg best in 't werk was,
+en dat we hem niet allienig wegzende mogge omdat ie rooms kattelijks
+is, want dominé hadde zaid dat we drægzæm met de roomse wezen motte,
+en 'et waif het bij de miester weund, en die weet 'et den erg best,
+en die zaide ook zoo. Mær ik zeg: nou _Marijtje_, de borst _mot_ weg,
+zeg ik; of je nou hoog of leeg danse, de borst mot _nag_ weg; want
+ik bin allan baas bleven in 'et huis, en dat weet 'et waif ook wel;
+en deerom, toen ik allan zaide: de borst _mot_ weg, zaide 't waif:
+wel nou, leet ie geen, as jai denke dat 't veur _Hil_ der best is;
+en zoo is ie 'geen ook."
+
+"En wat zei _Hil_ er wel van?" vraagde de landheer, die als hij uw
+laatste romans gelezen heeft, o heeren uit de stad! denken moet dat
+het meisje ten minste eenige teringen gezet heeft.
+
+"Wèl nou, deer wil ik den ook wel leuven dat je _Hil_ voor wezen
+mot om zoo te doen as zai dæn. Ik speurde in de beginne wel dat
+'et er niet an en stond, mær ik zaide: _Hil_, zaide ik teugen der,
+nou, leg niet te knaizen ook, maidje, want de borst _is_ ienmæl weg,
+en hai _blaift_ weg. En kaik, ze is weer an 't keezen 'geen, en op
+melkerstaid onder de koeien, krek of niks beurd wazze!"
+
+En de houten klink wordt opgelicht, en de heldin der historie
+verschijnt, het helder voorhoofd met het schoone mopje beplooid,
+het gele jakjen aan, een hengelmand onder den arm, en vroolijkheid
+en schalkheid in de blauwe oogen; en de landheer geeft haar een
+vriendelijk kneepjen in de wang, en zegt:
+
+"Zoo _Hil_, ik zei daar net tegen je vader, dat je zoo'n knappe meid
+wordt en dat het me verwondert dat je nog niet aan 't vrijen bent."
+
+"Vrijen meheer?" zeit _Hil_, "ik weet niet wat ik liever dee"! En
+ze huppelt haastig voorbij, en doet haar moeder bescheid op de
+boodschappen, en helpt den reizenden koopman in het opladen van zijn
+pak, en vraagt hem lachend of hij wel weer zou kunnen opstaan, als
+hij er mee voorover viel.
+
+"Zou je me helpen, _Hil_," vraagt de koopman met een smeekend oog,
+"as je me zag leggen?"
+
+"Deer zou ik rais over denken!" zegt de vroolijke Hil. "Dag
+_Doris_! Wel thuis, meet! Val mær niet, hoor! En _as_ je valt,
+_Doris_! al is 't ook nog zoo leet in den evend ...."
+
+"Nou; wat dan?" vraagt de koopman met een sentimenteelen lach.
+
+"Kom den hier, hoor; den zei 'k je ophelpen. Dag DORISbuur!"
+
+
+
+De maand Maart is in 't land, met hare gehate afwisseling van sneeuw,
+storm, en regen. De geheele stad hoest en proest en vraagt met
+verontwaardiging hoe zij aan den onverdienden naam van lentemaand
+komt. De buitenman vraagt het niet, want voor hem is zij rijk aan
+bemoedigende verschijnselen, aan bewijzen van nieuw leven en nieuwe
+kracht der natuur. Als hij in de heldere dagen of op de heldere uren
+van den dag, zijn esschen stok opneemt en rondwandelt, ziet hij alom
+de braakakkers vervuld met deftige schapen en vroolijke lammeren,
+die op de stoppels grazen; ziet hij den ploeg drijven door de stoppels
+van andere, die dit jaar hun vrucht zullen moeten opbrengen. In zijn
+vijvers zijn de eenden gekomen, die een nest zullen bouwen onder de
+lage takken van den sparreboom aan den oever; de hazelaars bloeien;
+zijn moestuin wordt sedert vrouwendag in orde gebracht, en weldra
+zullen zijn doperwten worden gelegd; nog een veertien dagen, en de
+stier begint rond te gaan, en de merels zingen luide en heerlijk
+in zijn nog dor hout. Eer de maand ten einde loopt, zijn hem de
+eerste kievits-eieren gebracht en is zijn bloemkool reeds gepoot;
+en nauwelijks is de wispelturige April daar, of de ooievaar laat
+zijn lange pooten op zijn dak nederkomen; zijne perziken beginnen
+te bloeien; zijn violenbed is blauw; zijne kuikens komen uit; een
+lichtgroen waas spreidt zich over zijne boomen, en de donkergroene
+garst schiet op zijne akkers op; de bloesem der wilde kastanje meldt
+zich reeds in den knop; en den 18_den_ of uiterlijk den 19_den_,
+verkondigt de blijde nachtegaal met een helder georgel en een
+schellen slag dat hij daar is om het lied der lente te zingen. Iederen
+morgen hoort hij aan zijn ontbijt nieuwe berichten van boomen, die
+reeds geheel groen zijn, en op iedere wandeling ontmoet hij nieuwe
+bloemen. In den tuin vertoont zich reeds de groene hoop des zomers
+boven de aarde; de wilde tortels en blauwe duiven vliegen af en aan
+door het geboomte, met dwarse takjes in de roode bekken; de zwaluw
+scheert over het water en vliegt een stal binnen, om zijn nest op te
+hangen boven de ruif; het jonge vee loeit reeds in de weide, en de
+melkkoeien zullen met den eersten Mei kunnen worden uitgezet.... En
+des zondags zijn de wegen vervuld met wandelaars uit de stad, die
+al die schoone wonderen komen bezien, en waaronder zich een enkele
+vertoont, die reeds een witte zomerbroek heeft aangetrokken, in de
+zalige overtuiging dat hij een rechte primula veris is.
+
+
+
+
+
+
+
+GERRIT WITSE.
+
+
+Studentenangst.
+
+De goede stad Leiden heeft binnen den omtrek van hare deels nog
+staande, deels tot wandelingen geslechte wallen, twee territoriale
+schoonheden, die men niet genoeg roemen kan, te weten de Breestraat,
+welke naar uitwijzen van oude oorkonden en van de adressen van brieven
+van alle tijden, vroeger Breedestraat moet geheeten hebben, en het
+Rapenburg, door de ramp van 't jaar Zeven zoo befaamd, "leggende",
+volgens _Orlers_, "langs eene breede straete, een schoon breed water,
+met hooge ende groote schoone lindeboomen ter wederzijden beplant ende
+besettet, onder denwelcken het in den zomer seer vermaeckelijcken te
+wandelen is". Dit Rapenburg is aan beide zijden zeer net betimmerd,
+en men vindt er schoone huizen, die het vermogen en den kolossalen
+smaak onzer vaderen eer aandoen. Deze omstandigheid neemt echter
+niet weg dat er eenige zeer leelijke en zeer mismaakte gebouwen
+worden opgemerkt; onder welke vooral uitmunten 's rijks Museum voor
+natuurlijke historie, de academische Bibliotheek en de Hoogeschool
+zelve; want het lands- en stadsbestuur schijnen edelmoediglijk
+te hebben besloten, de verfraaiing en opsiering der stad voortaan
+aan den smaak der respectieve inwoners over te laten, evenals het
+gouvernement de belooning der menschenredders aan de Maatschappij tot
+Nut van 't Algemeen. Het laatstgenoemde gebouw, staande en gelegen
+op den hoek der Nonnensteeg, levert de niet onaardige vertooning op
+van een oud klooster met moderne vensters, door een nieuwmodische
+barrière afgesloten, en op welks dak zich eene mede niet onaardige
+verzameling van duivenhokken en peperbossen vertoont, die den
+hoogdravenden naam van toren en observatorium dragen. Inderdaad
+wekt het bovenste gedeelte van het gebouw eene fiere gedachte aan
+den voortgang van kunsten en wetenschappen en aan de oneindige
+vorderingen van den menschelijken geest op, terwijl de dikke muren
+en gewelven daaronder de kuische nagedachtenis der Witte Nonnen
+in zegening houden. Welk een in 't oogvallende omkeering bracht de
+loop der tijden hier te weeg! Te zelfder plaatse waar de schuchtere
+nieuwelingen, bedeesd en op twee gedachten hinkende, voor het altaar
+traden, voor hetwelk zij eenmaal met een blijmoedig en kalm hart
+de wereld en hare begeerlijkheden moesten vaarwel zeggen, zouden
+in latere tijden de rampzalige _groenen_, in vertwijfeling aan alle
+aardsche grootheid, nederzitten; waar de eerbare rij der gesluierden,
+van hare stiftsmevrouw voorgegaan, den plechtigen koorzang aanhief,
+zou later eene zwartgetabberde rij de zitplaatsen bezetten en een
+gedegend doctorandus, _ex auctoritate rectoris magnifici_, tegen
+de gansche wereld de stoute stelling volhouden dat artikel honderd
+en zooveel van het wetboek volstrekt niet in strijd is met artikel
+honderd en zooveel, of wel, dat men onbillijk is indien men alle
+kinderkwalen zonder onderscheid aan de gevaarlijke liefhebberij van
+tandenkrijgen toeschrijft, of anders, dat een ooggetuige beter de
+historie schrijven kan dan iemand die bij "hooren zeggen" leeft, en
+somtijds ook wel, dat men Hebreeuwsch moet kennen om de hebraïsmen in
+het Nieuwe Testament te kunnen opsporen en beoordeelen. Lang zoude ik
+deze tegenoverstelling van het Eertijds en Thans nog kunnen volhouden,
+indien ik niet te vreezen had voor onnauwkeurigheden, die Leidens
+vele oudheidkundigen mij nimmer vergeven zouden. In het kort: al wat
+men vroeger hier gezien en gehoord heeft is veranderd en vernieuwd,
+behalve het Latijn, dat veeleer verouderd is en, tot den echten toon
+van _Cicero_ teruggebracht, zijne classiekste vormen met wonderbare
+smijdigheid leenen blijft, en zal blijven leenen tot in het laatste
+der dagen, aan iedere wetenschap der wereld, hetzij de Romeinen daar
+eenig begrip van hebben gehad ofte niet.
+
+Als men het ijzeren hek dóór en het plein óver gaat, dat naast het
+eerwaardig gebouw een uitgebreidheid van tien passen beslaat, treedt
+men, door een hooge poort, welker posten met vele convocatiebriefjes
+beplakt zijn, een breede gang binnen, waar men op het stille uur
+(het tweede na den middag) waarop deze geschiedenis aanvangt, niemand
+tegenkomt; stijgt men dan aan het einde een ruime steenen wenteltrap
+op, en gaat men, boven gekomen, linksom en rechtuit, zoo komt men aan
+eene verhevenheid van twee trappen, en ook deze beklommen hebbende en
+de deur openende, die men vlak voor zich ziet, zoo bevindt men zich
+in een klein vertrek met witte muren en een houten vloer, waarin men
+een tafel, een paar stoelen, met en benevens een verroeste kachel en
+toebehooren gewaarwordt.
+
+Dit weinig gezellig vertrek draagt den ondichterlijken naam van het
+_zweetkamertje_; en zeker niet ten onrechte. Hier toch is een soort
+van vagevuur, waarin elk, die de zaligheid van een examen of promotie
+wenscht te smaken, een poostijd verblijven moet, alvorens hij tot het
+genot dier hemelvreugd wordt toegelaten. Belangrijke plek gronds! In
+dit kleine kamertje, o mijne lezers! hebben alle groote mannen, die
+aan de Leidsche academie zich ooit door stalen vlijt en onafgebroken
+arbeidzaamheid den doctorshoed verworven hebben, om naderhand de
+wereld met hunne _doctrinae praestantia_ te verbazen en te verrukken;
+in dit kamertje hebben zij allen, _incredibile dictu_, zich eenige
+oogenblikken _klein_ gevoeld. Ja, daar heeft de kloeke verdediger
+uwer rechten, die nu, zonder blikken of blozen uw partij met volzin
+op volzin van louter kracht ter aarde werpt, een oogenblik het hart
+in de keel voelen kloppen, op het denkbeeld dat professor die of die
+het hem niet vergeven had dat hij zoo slecht college had gehouden,
+en zich wreken zou door strikvragen. Daar heeft die arts, die nu zoo
+stoutmoedig doortast in uwe maag en ingewanden, menig droppel zweets
+gelaten, als hij bedacht dat zijne professoren zoo veel meer wisten
+dan hijzelf. Daar heeft die dikke rector, aan wien uw oudste zoon
+niet dan sidderend zijn thema vol heele en halve fouten overgeeft,
+eenmaal zelf gebeefd, uit vrees dat men een anderen dialoog van _Plato_
+op zou slaan dan dien waar hij het best in thuis was. En daar heeft
+ook _Hildebrand_, uw onderdanige dienaar, een koude rilling over zijn
+rug voelen loopen, als zijne verbeelding speelde op al wat gevraagd
+zou _kunnen_ worden!
+
+Het eigenaardige van dit vertrek is dat de patiënt het binnentreedt
+met een witte das, een wit gezicht, en een zwart pak kleederen, en
+gevolgd wordt van eenige vrienden in négligé, met cloaks, rottingen,
+petten en honden. De patiënt gaat op de tafel zitten, en de vrienden
+loopen heen en weer. De patiënt fluistert, en de vrienden spreken
+luid. De patiënt beweert dat hij er in zit, en de vrienden beweren
+dat hij gek is. De patiënt verlangt naar het oogenblik om binnen
+te komen, maar hij geeft voor, dat hij hoopt nog lang buiten te
+blijven. De vrienden wedden dat hij den eersten graad zal krijgen,
+en hij wedt dat de tweede zijn deel zal zijn. De patiënt heeft op
+dat oogenblik een onbepaald respect voor iedereen die den titel van
+hooggeleerde voert en beschouwt de faculteit als een "raad van louter
+goden"; de vrienden beweren dat het gewone menschen zijn. De patiënt
+houdt het er wel degelijk voor, dat zij van het crimineele beginsel
+uitgaan om de academische graden aan geen onwaardigen te verkwisten;
+en de vrienden beweren, dat zij alleen in de wereld gekomen zijn
+om een jong mensch er door te sleepen. De patiënt herinnert zich
+heimelijk allerlei spookgeschiedenissen van ongelukkigen, die door
+hunne verlegenheid of door rancune van examinatoren zijn gedropen;
+en de vrienden halen alle mogelijke anekdoten op van sluwe vossen,
+die hunne examinatoren een rad voor de oogen gedraaid hebben of een
+aardigheid gezegd bij het krijgen van simpliciter. In 't kort: de
+patiënt doet hier alle mogelijke kennis op, die hem, als hij morgen
+of overmorgen of over een maand een ander patiënt in de bange ure
+bij moet staan, zal te pas komen; en de vrienden debiteeren alles
+wat zij totaal vergeten zullen hebben, telken reize als ook zij op
+hunne beurt in 't geval komen van in het zweetkamertje de ootmoedigste
+oogenblikken huns levens te slijten.
+
+De persoon nochtans, dien ik mijnen lezers wilde voorstellen, voldeed
+in zoo verre niet aan de formaliteiten, die in deze rampzaligste
+aller folterplaatsen gevorderd worden, dat hij die, verzeld van
+slechts een enkelen vertrouweling, binnentrad. Hij had de zeldzame
+kracht bezeten niemand buiten dien vertrouweling deelgenoot van zijn
+examen-geheim te maken, den pedel verzocht het verraderlijke briefje
+_ad valvas academicas_ niet aan te plakken, en degenen die er achter
+gekomen waren dat hij gisteren zijne demonstratie (hij was medicus)
+had gedaan, omtrent het uur van het examen misleid.
+
+Het was een jongeling van een niet ongunstig uiterlijk, ofschoon
+men volstrekt niet zeggen konde dat hij schoon was, en de witte das
+en gedrukte stemming, waarin de omstandigheid waar hij in verkeerde
+hem bracht, konden niet gezegd worden hem te flatteeren. Hij was van
+eene gewone grootte, maar de vriend, dien hij medebracht, kon geacht
+worden klein te zijn; een nadeel, hetwelk hem niet belette er op dit
+ogenblik vrij wat aannemelijker uit te zien dan de examinandus. Zijne
+bruine oogen hadden een schalken blik, en zijn vroolijk gezicht en
+de vlugheid zijner bewegingen staken wonderlijk af bij den bedrukten
+ernst van hem, die in dit droevig kamertje gekomen was om zich op de
+zenuwschokkende examenschel voor te bereiden.
+
+De examinandus zette zich naar het oud en wettig gebruik op de tafel
+neder, en keek op zijn horloge. De deur stond wijd open, en hij genoot
+een onbelemmerd uitzicht op de kamer der facultas medica.
+
+"Vier minuten over tweeën. Toch nog te vroeg," zeide hij mistroostig.
+
+"Wis en zeker te vroeg," zei de kleine, "maar je hebt mijn raad ook
+niet gevolgd."
+
+"En wat was je raad dan?" vroeg de ander verstrooid, en naar de trap
+ziende; want hij hoorde daar eenige beweging op, en was nieuwsgierig
+of het prof. _Sandifort_ dan wel prof. _Macquelin_ zou zijn, die het
+eerst verscheen.
+
+"Mijn raad? Lieve hemel! dat je op je bed hadt moeten blijven tot
+één ure, en geen enkel boek meer inzien."
+
+"Neen, dat's ook maar gekheid," zei de ander, die op dit punt
+gedecideerd scheen te zijn; zeker ten gevolge van de ondervinding
+van dezen huidigen dag, daar hij met radeloozen angst nu dit, dan dat
+dictaat had opgeslagen, van het eene boek de inleiding nog eens had
+doorgelezen, en van het andere het register nog eens had bestudeerd.
+
+"Vervolgens hadje moeten ontbijten; op je gemak, weetje?" ging de
+kleine voort.
+
+"En een glas madera drinken?" vroeg de grootere.
+
+"Neen, jongen, dat weet ik niet; je mocht reis aan het doorslaan
+raken," antwoordde de kleine.
+
+"Doorslaan is goed," zei die van de pijnbank.
+
+"Ja, dat kan er naar wezen," zei die van den vloer. "Je moet altijd
+denken dat het Latijn is."
+
+"Dat 's één geluk!" sprak die van de witte das; "ik wou niet dat
+het Hollandsch wezen moest; een stommigheid in 't Hollandsch is zoo
+dubbel stom."
+
+"Dat is waar," hernam die van den zwarten strop, "maar je dient
+primo Latijn te kennen; en ik voor mij, heb me meer op me moedertaal
+toegeleid, weetje. Maar jij hebt nog al een aardig Cicero'tje in je
+mond zitten, dat's zeker! Maar wat ik zeggen wou: je hadt je niet
+moeten aankleeden vóór tweeën."
+
+"Maar hebje _Macquelin_ al," zei de lijder.
+
+"Je wou wel dat _Broers_ een operatie te doen had," zei de
+ziekentrooster.
+
+"Mijnheer _Broers_ is al lang binnen," zei de pedel, en die brave
+kwam met een kwitantie van de college-gelden.
+
+"_Gerritje, Gerritje_, wat zit je der in," ging de getuige voort.
+
+"Wel een beetje!" antwoordde de gedaagde.
+
+"Neen, niet een beetje!" vervolgde de kwelgeest, "maar machtig veel,
+man! Maar als je _mij_ vraagt of je ooit bang genoeg wezen kunt, dan
+moet ik zeggen: neen, kerel! Want, weetje, je hebt toch maar slecht
+college gehouden; en dan, dat je reis gezeid hebt dat de osteologie
+zoo'n droog ding is! Denkje niet dat dat overgebracht is?"
+
+Het slachtoffer deed een poging om te glimlachen, maar hij had geen
+genoegen.
+
+"En daarenboven," ging Jean qui rit voort, "wat het ergste is: het
+is bekend genoeg dat je een stommeling bent."
+
+"Je steekt er den gek mee," zei Jean qui pleure, "maar waarlijk, ik
+weet er minder van dan je denkt. Maar wacht reis; daar gaat de schel!"
+
+Nog één oogenblik, en het slachtoffer sprong van de tafel, volgde
+den pedel, die hem de deur der medische faculteitskamer ontsloot,
+en trad met een bescheiden tred en lichte buiging voor zijne beulen;
+maar de tuchtknaap dribbelde met een luchtigen pas achter hem aan en
+zette zich op de harde bank der toehoorders, vrij wat meer op zijn
+gemak dan het slachtoffer op den gladden stoel der examinandi.
+
+Drie kwartier daarna werd er weder gescheld, en de jongeling moest
+buitenstaan. Bedaard trad hij met zijn satelliet de kamer uit; maar
+zoo ras de pedel de deur achter hem sloot, sprong hij een voet hoog
+en drukte de hand zijns vriends in toomelooze opgewondenheid. Hij was
+een ander man; er was licht in zijn oogen en vroolijkheid om zijn mond.
+
+"Hoe is 't geweest?" vroeg hij aan zijn vertrouweling.
+
+"Minnetjes," zei de ander.
+
+"Leelijkerd!" riep de geëxamineerde uit, hem in den arm knijpende.
+
+"Ik verlies mijn fijne flesch!" hernam de toehoorder; "'t zal mooi
+wezen als je den tweeden graad haalt."
+
+"'k Wou ik hem al had," zei de zwartrok, en opnieuw betrok zijn
+aangezicht.
+
+Weer ging de schel. De pedel trad de kamer deftig binnen, en kwam de
+kamer deftig weer uit. De gedaagde ging zijn vonnis hooren.
+
+"Maak je geen illusie!" fluisterde de vleier hem in.
+
+Met een schijnbaar hoogst kalm gelaat wachtte de geëxamineerde de
+uitspraak af. De decanus sprak verscheidene Latijnsche volzinnen uit,
+maar hij hoorde ze zonder ze te verstaan; hij wachtte slechts op één
+woord; en dat woord kwam: _summâ cum laude_.
+
+"Heb ik het niet gezegd?" zei de vriend, die gezegd had dat hij zich
+geen illusies maken moest, als zij samen de trap afstormden, met vrij
+wat meer geweld dan zij die waren opgestegen.
+
+"Ik had er een heimelijke hoop op," zei de man, die een fijne flesch
+verwed had dat hij "den tweeden" zou hebben.
+
+"Ik kan wel zien dat het goed afgeloopen is," zei de hospita, toen
+de candidaat thuis kwam en de trappen opvloog om zich te verkleeden
+en een brief aan zijn vader te schrijven. "Ik kan wel zien dat het
+goed afgeloopen is," zei ze tot den vriend, die beneden wachten bleef
+om vervolgens hem in triomf naar de sociëteit te voeren; "ik heb de
+heele week al gedocht, meheer mot zeker een examen doen!--En meheer
+heit toch vast simma cum laudis?"
+
+"Ja, juffrouw!" zei de ander, "daar kon je wel zeker van zijn,
+ofschoon mijnheer er nooit heel gerust op was.
+
+"Nou, niet waar?" zei de juffrouw, "'t Is een best heer, en knap ook;
+maar weetje wat 'et is? hij het geen forducie op zen zelvers; en as
+het dan teugen een examen loopt, dan kan die zoo melankerliek zijn;
+net als meneer _Possel_, die u zeker nog wel gekend het, dat kleintje,
+dat was óók zoo. Als dat een examen doen most: ik en me man, we hebben
+menigmaal teugen mekaar gezeid, hij kan wel in een oortjes doosie; hij
+_wist_ zijn dingen wel, daar niet van; maar de schrimpeljeuzigheid,
+weet u. Ik ben altijd maar blij als U bij meheer komt, want hij is
+anders zoo'n vroolijk mensch, net as meheer ook; maar in _die_ dagen
+is het dan onnoozel!"
+
+De candidaat kwam beneden en werd door de hospita "wel
+gefiliciteerd". Daarop toog het tweetal naar de sociëteit, en
+ook daar regende het gelukwenschen, want de candidaat was algemeen
+bemind. Slechts werd zijn vreugde verbitterd door een paar jongelui,
+die ook van een candidaats zwanger gingen, en hem vermoeiden met
+informatien: hoe _die_ en hoe _die_ vroeg, en of _dat_ weten wilden,
+en _daar_ diep intraden: op alle welke vragen de candidaat niets
+anders antwoordde dan dat het hun mee zou vallen.
+
+De candidaat tracteerde daarop zijn tafel op wijn; en na den eten
+kwam er een droski voor, en reed de candidaat met den vriend en nog
+een vriend naar den Deyl (het was in Februari) en dronk daar thee;
+en 's avonds had de candidaat den vriend van het zweetkamertje, en
+den vriend van den Deyl, en nog twee andere vrienden, en een kwart
+ankertje cantemerle op zijn kamer, en zat men voor de opgeschoven
+vensterramen (het was nog altijd in Februari) vele sigaren te rooken
+en vele verhalen op te snijden; en des nachts om één ure sprongen er
+kurken van champagneflesschen; en zaten twee der vrienden hoogdeftig
+te redetwisten over den besten regeeringsvorm, en traden twee anderen
+in een vergelijking van de Kantsche en Hegeliaansche philosophie,
+waarvan geen van beiden iets afwist, en stelde een vijfde een toost
+in op de harmonie tusschen de faculteiten. En 's nachts om twee uren
+waren de vrienden weggegaan, op den vriend uit het zweetkamertje
+na, die met kleine oogjes zat te luisteren naar een verhaal dat de
+candidaat hem met veel geheimzinnigheid en in diep vertrouwen deed:
+hoe hij hartstochtelijk verliefd was op een meisje, dat hij verleden
+jaar, op een voetreisje door Gelderland, op het terras van een klein
+Buitentje had zien zitten met een witte duif op haar hoofd; en hoe hij
+bij juffrouw _Schreuder_ toevallig een vrouweportretje had gezien dat
+op haar leek als twee droppelen waters, en hoe hij dat onmiddellijk
+gekocht had, en hoe of zijn vriend dat vond? Waarop de vriend van
+het zweetkamertje hem zwoer dat hij het aan niemand vertellen zou,
+uit vreeze van anders alle Geldersche meisjes, die kleine Buitentjes
+bewoonden en witte duiven hielden, op de spraak te zullen brengen. Maar
+daarop nam hij het ernstig, en stelde een toost op de lieve dame in,
+en de candidaat dronk dien met een traan in de oogen, en de vriend
+vertelde daarop dat ook hij dol verliefd was, maar dat hij ongelukkig
+in de liefde was, en dat dit al zijn derde verliefdheid was; waarop
+het uitkwam dat zijn eerste verliefdheid geweest was op een meisje
+in een kostschool, dat hij alle zondagen in de Fransche kerk zag, en
+zijn tweede op een meisje dat al in stilte geëngageerd was geweest,
+en dat deze derde verliefdheid zich de dochter van een gepensioneerd
+kolonel had tot voorwerp gekozen, die "gloeiend _tegen_ hem was"
+en hem niet luchten of zien mocht. En over drie uren trok de vriend
+de deur van het hôtel des candidaats achter zich toe; en des anderen
+daags 's morgens om acht uren werd de candidaat wakker met het zalige
+gevoel dien dag geen examen te zullen ondergaan.
+
+
+
+
+Oudervreugde.
+
+Met een geopenden brief in de hand en een glans van genoegen op het
+gelaat, begroette de heer _Witse_ zijne gade aan het ontbijt.
+
+"Morgen komt onze candidaat thuis," zei de heer _Witse_.
+
+"Onze wie?" vroeg mevrouw zijne echtgenoote.
+
+"Onze student," antwoordde de heer _Witse_, "maar hij is nu
+candidaat. Hij schrijft mij dat hij zijn examen gisteren gedaan
+heeft. Het zal wel goed geweest zijn; daar ben ik niet bang voor."
+
+"Wij beleven genoegen aan dat kind," zei mevrouw _Witse_, water op
+de thee schenkende. "Is het niet buitengewoon gauw, dat hij examen
+gedaan heeft?"
+
+"Zeker, liefste, zeer zeker. Hij is pas vijfjaren te Leiden, en je
+moet denken, hij heeft drie jaar gebruikt voor zijn eerste examen...."
+
+"Zijn pro-pae-deutisch, niet waar?" viel mevrouw _Wttse_ met
+deftigheid in, trotsch dat zij het moeielijke woord zoo goed had
+leeren uitspreken.
+
+"Juist, mijn kind! Dat is een ding daar de meesten luchtig over heen
+loopen. Maar _hij_ heeft er zijn werk bijzonder van gemaakt. Hoor
+eens, hij kost ons daarginder een handvol geld, maar de medicijnen,
+heb ik altijd hooren zeggen, is een dure studie; en hij moet _niets_
+verzuimen."
+
+"Maar hoe lang zou hij er nu nog wezen moeten, nu hij candidaat is?"
+
+"Wel, ik weet het niet. Hij wilde er graag de chirurgie en de obstetrie
+bij leeren, en dat zal nog wel wat tijd kosten. Maar wie weet waar
+hij dan ook geschikt voor is!"
+
+"Zoo, zou je _dat_ denken?" vroeg mevrouw _Witse_, het mes, waar zij
+zich een boterham mee maakte, halfweg in het brood latende steken,
+en haar man strak aanziende.
+
+"Alles is mogelijk, liefste!" antwoordde haar echtvriend, den brief
+nog eens inziende. En een blijde glimlach vertoonde zich op zijne
+wezenstrekken.
+
+"Maar staan daar niet zekere jaren voor?" vroeg mevrouw weder,
+terwijl zij hare oogen zediglijk neersloeg, en met eene bijzondere
+oplettendheid haar boterham in reepjes sneed.
+
+"Wat meenje?" vroeg de heer _Witse_, die hetzelfde meende als zijn
+eegade.
+
+"Wel!" antwoordde de goede vrouw, de punt van haar mes met groote
+nauwkeurigheid beschouwende, "om zoo 't een of ander te worden."
+
+"Wat een of ander, moedertje?" vroeg de echtgenoot lachende, en van
+verlangen brandende het groote woord, dat hijzelf niet uit dorst
+spreken, van de lippen van zijn wederhelft te hooren.
+
+"Wel," antwoordde mevrouw _Witse_; "hoe oud was de jonge
+hoe-hiet-ie-ook-weer zoowat, toen hij professor wierd?"
+
+"Tut, tut, tut!" antwoordde de heer _Witse_, terwijl zijne oogen van
+genoegen schitterden en zijn aangezicht zich zenuwachtig bewoog;
+"je moet zoo hoog niet vliegen, moedertje. Als hij maar een knap
+dokter wordt, dat is heel wel."
+
+"Dat is ook zoo," hernam zijne vrouw, wie het speet dat zij zich
+zoo onvoorzichtig had uitgelaten; "het hoeft ook niet; ik zal heel
+tevreden zijn als hij maar gelukkig is in de praktijk. Wij mogen ook
+niet alles vergen."
+
+"Wel neen!" zei de heer _Witse_.
+
+"En daarenboven"--ging mevrouw voort--"wie weet of het goed voor
+hem zijn zou. Een professor moet immers zoo allerverschrikkelijkst
+studeeren?"
+
+"Dat moet hij zeker, vrouwlief!" was het antwoord; "maar dat was voor
+onzen _Gerrit_ het minste."
+
+"Ja, dat wil ik ook wel gelooven!" hernam de moeder van _Gerrit_;
+"maar toch, ik zei dat daar nu zoo, maar ik kan je eerlijk zeggen
+dat ik er nooit over denk."
+
+"Je moet het nu weer zoo heelemaal niet weggooien!" antwoordde
+_Gerrits_ vader.
+
+"Neen!" zei _Gerrits_ moeder; "dat nu juist niet."
+
+"Het is meer gebeurd," zei _Witse_, zonder eigenlijk te weten wat
+dit beduidde.
+
+"O ja; waarom zou het ook niet plaats kunnen hebben?" zei mevrouw.
+
+"Men kan zich niet _meer_ appliceeren dan _Gerrit_," hernam _Witse_.
+
+"En hij zou, geloof ik, wel veel geschiktheid hebben om te
+onderwijzen!" ging _zij_ voort.
+
+"Dat geloof ik ook; en ik denk ook wel dat ze zulke jongelui in
+'t oog houden," voegde _hij_ er bij.
+
+"Het zou een groot geluk wezen!" merkte _zij_ aan.
+
+"Dat zou het zeker," verklaarde _hij_; "maar je kunt er niet
+op aan. Verdiensten worden niet altijd erkend. Net als met die
+prijsvraag."
+
+"Maar hij had toch het accessit," zei de moeder.
+
+"Hij had de medaille moeten hebben," zei de vader.
+
+"De gekken krijgen de kaart," zei de moeder, die op eenmaal alles
+aan het geluk begon toe te schrijven.
+
+"Het zou goed klinken!" zei de vader; "professor _Witse_!"
+
+"Och kom, _Witse_!" zei de moeder, wier beurt het nu weer was om
+nederig te zijn; "vlei er je toch niet mee!"
+
+"Dat _doe_ ik niet!" verzekerde haar echtvriend; "ik zeg maar dat
+het mooi klinken zou."
+
+Er volgde een stilte; mijnheer tuurde in 't Handelsblad en mevrouw
+zette een boordje van een kous op; maar hun beider gedachten waren bij
+het professoraat van _Gerrit_, waarvan zij, elk voor zichzelf, zich
+overtuigd hielden, indien maar in dit ondermaansche ware verdiensten
+op haar rechten prijs werden geschat.
+
+Een geruimen tijd bleef het gelukkige echtpaar in deze zoete
+overdenking verdiept. Daarop brak de heer _Witse_ het stilzwijgen.
+
+"We moesten toch iets ter eere van den candidaat doen, dunkt
+me?" zeide hij.
+
+"Dat heb ik ook al gedacht," antwoordde zijn eenstemmige dierbare.
+
+"Een dineetje zou wel aardig zijn."
+
+"Ja; wie al zoo? de _Vernooyen_, dunkt je niet?"
+
+"Best; ik zal ze zelf gaan vragen; en dan de _Van Hoels_
+vooràl. Vrijdag is nogal een goede dag."
+
+"Maar we moeten volstrekt mevrouw _Stork_ hebben."
+
+"Die kent _Gerrit_ in het geheel niet," merkte _Witse_ aan.
+
+"Goed!" antwoordde zijn gemalin. "Voor _mijn_ rekening; zij zal hem
+wel bevallen; 't is een allerinteressantste vrouw. Weetje wel dat er
+bij _Vernooy_ een nichtje gelogeerd is? Dat is ook een vreempje. Nu;
+hoe meer hoe liever. Maar dan dienen er nog een paar heeren ook
+bij. De jonge _Hateling_?"
+
+"Ik weet niet of _Gerrit_ wel heel _Hateling_-achtig is," merkte
+mijnheer _Witse_ aan.
+
+"Hé, waarom zou _Gerrit_ niet _Hateling_-achtig zijn?" vroeg mevrouw;
+"'t is een heel aangenaam jongmensch, en ik vind het zoo'n knap
+uiterlijk; jongens, 't is zoo'n knap uiterlijk. Je moet denken:
+_Hateling_-achtig? Van wien van onze jonge menschen houdt _Gerrit_
+nu eigenlijk? Sedert hij op de academie is, gaat hij met niemand van
+de Rotterdamsche jongelui meer om."
+
+"Mij is 't wel," zei de heer _Witse_. "En zouden we _Wagestert_
+ook niet vragen?"
+
+"Wel zeker! _Wagestert_;" antwoordde zijn eegade: "dan zijn we sekuur
+dat het een vroolijk diner wezen zal."
+
+Het diner-project was gereed; en hoewel het ter eere van _Gerrit_
+was opgemaakt, was er echter bij de keuze der gasten weinig op zijn
+genoegen gelet. Tot verschooning zij gezegd, dat het oogmerk van dit
+ouderpaar veeleer was om met den knappen zoon te pronken, dan om den
+oppassenden zoon een genoeglijken dag te bezorgen.
+
+De heer _Witse_ ging dien dag reeds vroeg uit om verscheidene bezoeken
+af te leggen. Hij deed het met den brief van _Gerrit_ in den zak,
+en gaf aan alle huizen, daar hij kwam, breed op van de ongehoorde
+kundigheden van zijn zoon _Gerrit_. Er zijn verscheidene wegen om een
+zoon of dochter ongelukkig te maken, en de heer _Witse_ had sedert
+lang dezen ingeslagen.
+
+Om de waarheid te zeggen, het was 's mans zwakke zijde. De heer _Witse_
+was een zeer welgesteld man uit den deftigen burgerstand en notaris
+van beroep. Hij had een heel goed en helder verstand en ook veel
+verworvene kennis; maar zijne denkbeelden omtrent de meerderheid van
+een gestudeerd persoon waren alleroverdrevenst. Men kon niet zeggen
+dat hij zijn zoon als kind bedorven of over het paard getild had, want
+hiertoe was hij te beredeneerd geweest; hij had den jongen _Gerrit_
+eene zeer goede opvoeding gegeven en hem wèl onder den duim gehouden;
+maar zooras hij als student was ingeschreven, had hij de onbepaaldste
+hoogachting voor hem opgevat, in welke hoogachting de moeder zeer
+genegen was te deelen, daar de jongeling haar eenige spruit was. Haar
+kundige man, die algemeen om zijn helder hoofd geacht werd, geloofde
+_niets_ te zijn in vergelijking met een zoon, die ja, zich altijd
+zeer op zijne studiën bevlijtigd had, maar toch wellicht nog in vele
+opzichten beneden hem stond, vooral in punten waar het op een klaar
+inzicht en juiste onderscheiding aankwam. De beste zijde van 's mans
+overtuiging in dezen was, dat zij hem zeer liberaal denken deed over
+alles wat de studiën en bekwaamheden van _Gerrit_ kon uitbreiden en in
+de hand werken; _Gerrits_ bibliotheek was een van de beste die ooit
+een medisch student bezeten had, en dat hij, na zijn graad verworven
+te hebben, Berlijn en Parijs zien zou leed geen twijfel.
+
+
+
+
+Meisjeskwelling.
+
+_Klaartje Donze_ zat in de zijkamer van mijnheer en mevrouw _Vernooy_
+in de vensterbank en maakte een schelkoord voor den aanstaanden
+verjaardag van haar vader, en hief tusschenbeide haar lief gezicht
+op, om eens op de Hoogstraat te kijken, maar keerde het meestal
+teleurgesteld weder af en tot haar werk.
+
+_Klaartje Donze_ was een frissche, vroolijke, prettige Geldersche
+deerne, van nog geen achttien jaar. Zij had bruin haar, in vele lange
+krullen langs haar wangen nedervallende en voor het overige in een
+zware vlecht op haar hoofd saamgestrengeld, een sneeuwwit voorhoofd,
+groote, blauwe oogen met een heldere tinteling en vrijmoedigen opslag,
+blozende wangen, en een mondje zoo pleizierig geplooid, dat men niet
+wist wat men er liever van krijgen zou, een kus of een zoet woordje.
+
+_Klaartje Donze_ was buiten opgevoed, had als kind alle jaren het
+eerste groen gezien, kippen, eenden en goudvisschen gevoerd, den
+kuifbal geslagen en, zoolang zij een pantalon droeg, schrijdelings op
+een hit gereden. Zij kende alle soorten van boomen onderscheidelijk,
+en wist daarenboven wat ze waard waren. Zij kreeg alle jaren te Paschen
+een pot-lammetje en hield op den zolder meer dan twintig duiven die uit
+haar hand aten. Zij groette de knapen van het dorp niet als "mannen"
+of "vrinden", maar als _Jannen, Henken, Koerten_, of hoe zij heeten
+mochten. Zij zag niet op tegen een beetje sneeuw of een beetje vorst,
+en had honderdmaal in haar jong leven in een regenbui zitten hengelen.
+
+_Klaartje Donze_ was sinds eenige dagen bij oom en tante _Vernooy_
+te Rotterdam gelogeerd. Zij was nog nooit in Holland geweest en had
+zich machtig veel van het logeeren in eene stad als Hollands tweede
+koopstad voorgesteld. De donkere Hoogstraat was haar zeker vrijwat
+tegengevallen, en ook wist zij niet dat keien en klinkers zóó vuil
+konden wezen, als die van Rotterdam bij slecht weer doorgaans zijn,
+wanneer het is (ik gebruik de uitdrukking van eene lieve Rotterdamsche
+zelve) alsof het waterchocolade geregend heeft. Een paar malen was zij
+uitgeweest. De breede Blaak met hare menigte van winkels, de Boompjes,
+en de vroolijke Wijnhaven, met hare schijnbaar door elkander gewarde
+schepen met kleurige wimpels en nommervlaggen, de deftige Leuvehaven,
+met hare statige huizen, bevielen haar nogal; maar het Nieuwe Werk
+vond zij de moeite niet waard een wandeling genoemd te worden, en
+de Plantage telde zij onder de omstreken van Gorkum. Meest behaagde
+haar het ruime riviergezicht op het Hoofd; maar oom _Vernooy_,
+die het haar deed genieten, vond het er te winderig en moest er den
+rug aan toekeeren, terwijl zij met een lachend gezicht den wind liet
+begaan, die de strikken van haar hoed deed plapperen tegen de luifel,
+en de tip van haar sjaal achter haar opdreef. Voor het overige liep
+zij met meer gerustheid achter de paarden in haar vaders stal, of
+onder de koeien op haar vaders weide, dan in het gedrang van eene
+Rotterdamsche straat, waar hooren en zien haar verging van de menigte
+van "óverrijwagens", die zij altijd meende dat het opzettelijk op
+hare teenen gemunt hadden. Meer dan akelig vond zij het, wanneer
+(als in de Kleine Draaisteeg geschiedde) de grond zich plotseling voor
+haar voeten opende, of smerige pakhuisknechts met rollende vaten haar
+gedurig noopten de toevlucht te nemen tot een of andere stoep, en als
+er van oogenblik tot oogenblik iets uit de lucht werd nedergelaten,
+dat _van onderen_ scheen genoemd te worden.
+
+Haar oom en tante meenden het zeer wel met _Klaartjen_ en waren
+allerbeste, hartelijke menschen, die haar met veel nadruk te logeeren
+gevraagd hadden, bij gelegenheid dat zij hare ouders in den verleden
+zomer op een klein toertje naar Kleef een bezoek hadden gegeven; maar
+zij namen juist niet veel deel aan de vermaken der stad. _Klaartje_
+had gehoord dat er te Rotterdam een schouwburg was, waar de Hollandsche
+en de Fransche acteurs uit Den Haag beurtelings het tooneel betraden,
+en niet minder dan drie concertzalen. Dien ten gevolge had zij zich
+voorgesteld dat deze établissementen machtig veel tot haar genoegen
+zouden bijdragen en haar op een gansch nieuwe wijze vermaken. Mijnheer
+_Vernooy_ was de goedhartigste koopman, die ooit op twee beenen liep,
+en zijne even goedhartige vrouw hoorde nooit een boos of onaangenaam
+woord uit zijn mond; hij was altijd even joviaal en opgeruimd, maar des
+avonds als hij zijn kantoor sloot, toog hij naar de sociëteit Amicitia
+en maakte daar zijn vast partijtje; daarop kwam hij met slaan van
+tienen thuis, en was dan weer even goedhartig en joviaal als toen hij
+uitging; maar van schouwburg of concert was intusschen niets ingekomen.
+
+Deze teleurstellingen maakten evenwel de lieve _Clara_ niet
+neerslachtig. Zij bleef de haar eigene blijgeestigheid behouden,
+ofschoon zij nu en dan wel eens naar huis verlangde, al was het maar
+alleen om te weten of de duiven haar nog zouden kennen.
+
+Nu zat zij in de vensterbank aan de donkere Hoogstraat, en dacht aan
+buiten, en keek dan weer eens naar de straat, en verwonderde zich
+over het aantal malen dat een lantarenvuller door de volksmenigte
+in het uitoefenen van zijn beroep werd gestoord. Het was omstreeks
+twaalf uren, en het koffiegoed stond op tafel.
+
+Mevrouw _Vernooy_ kwam binnen. Zij was een dikke dame van een veertig
+jaar met een rozerood gezicht en eene belangrijke onderkin en die,
+als zij sprak, eene rij zeer groote witte tanden ontblootte. Zij
+droeg eene heele blonde toer onder hare muts, en was gekleed in eene
+schotschmerinossen japon met aanmerkelijke ruiten. Stilzwijgend zette
+zij haar sleutelmandje op tafel neer, en begon koffie te zetten.
+
+"Nu, _Klaartje_," zeide zij, terwijl zij water opgoot, "er is goed
+nieuws. We hebben een prettig vooruitzicht tegen overmorgen."
+
+"Tegen overmorgen, tante?" zei _Klaartje_, het schelkoord op de
+vensterbank neerwerpende en een vroolijk gezicht toonende.
+
+"Ja," antwoordde mevrouw _Vernooy_; "raad eens wat?"
+
+"We gaan naar de comedie."
+
+"Neen kind! er _is_ vrijdag geen comedie."
+
+"Naar het concert?"
+
+"Mis, mis!" zei tante, en bang dat er nog meer vermakelijkheden van
+die soort in de weelderige verbeelding van haar nichtjen op zouden
+komen, voegde zij er bij: "we gaan uit dineeren."
+
+"Uit dineeren," hernam _Klaartje_, een weinig ternedergeslagen;
+"en bij wie?"
+
+"Ja, dat is het punt! bij wie?"
+
+"Dat kan ik onmogelijk raden."
+
+"Nu, ik zal 't je dan maar zeggen: bij de familie _Witse_. _Gerrit_
+is overgekomen... Nu, _Klaartje_, bloos maar zoo niet."
+
+"Lieve tante, ik bloos in het geheel niet," zei _Klaartje_, opstaande
+en in den spiegel kijkende, "ik heb immers den man nooit in mijn
+leven gezien!"
+
+"Dat's goed; maar je hebt genoeg van hem gehoord," hernam tante met
+een lachje; "en hij interesseert je _wel_."
+
+_Klaartje_ liet tante praten, en nam haar schelkoord weer op.
+
+Inderdaad, het was alles behalve eene onwaarheid dat de lieve meid
+genoeg van den jongen _Witse_ vernomen had. Mevrouw _Vernooy_
+was eene goede vrouw, ik geloof dit reeds te hebben opgemerkt;
+maar die juist niet gebukt ging onder overmaat van verstand. Zij had
+volstrekt geen kinderen, schoon haar welvarend voorkomen de spotternij
+had uitgelokt dat zij er wel gehad, maar ze even als _Saturnus_,
+heidenscher gedachtenisse, opgegeten had; en daar ze twee meiden hield,
+die nog daarenboven door een naaister, een werkster, en een oppasser
+ondersteund werden, was haar leven vrij gemakkelijk, liever nog: zij
+had niets te doen. Van lectuur hield zij juist niet bijzonder veel,
+behalve als zij ziek was, iets dat haar zelden gebeurde, en daar zij
+zich toch gaarne ergens mee vermaakte, had zij er hare zinnen op gezet
+te bestudeeren, welke menschen te Rotterdam en elders alzoo geschikt
+waren om tezamen in het huwelijk te treden. Veelal leidden deze
+berekeningen tot geen degelijk resultaat; maar nu een mooi nichtje
+te logeeren hebbende, kon ze niet nalaten haren in dit opzicht zoo
+speculatieven geest met deze bezig te houden, met het vaste voornemen
+de slotsom harer overdenkingen, indien mogelijk, te verwezenlijken. Na
+lang rondzoeken, reeds voordat _Klaartje_ gekomen was, en na haar in
+gedachten meer dan tienmaal telkens met een anderen bruidegom voor het
+altaar te hebben gebracht, was zij eindelijk stil blijven staan bij
+het denkbeeld dat de jonge student _Witse_ een geschikte partij voor
+haar nichtje zou zijn. Deze was een jaar of vijf ouder dan zij; zijne
+ouders bezaten een redelijk vermogen, en behoorden daarenboven tot
+hare beste vrienden, waartoe hoofdzakelijk medewerkte dat er niemand
+in de gansche Erasmiaansche stad gevonden werd, die geduldiger en
+liefderijker de lofredenen op den knappen zoon aanhoorde dan de heer
+en mevrouw _Vernooy_. Toen zij dit huwelijk alzoo bij haarzelve had
+vastgesteld, kon zij zich onmogelijk in de toekomst eenig geluk voor
+_Klaartje_ denken tenzij het werkelijk, eerst voor den burgerlijken
+stand voltrokken, en vervolgens door haar lievelingsprediker ingezegend
+was, en begon het ook langzamerhand tot de artikelen van HEd. geloof
+te behooren dat het in den hemel aldus was besloten. Zij twijfelde er
+dan ook geen oogenblik aan of _Gerrit_ zou tijdens het verblijf van
+_Klaartje_ wel eens overkomen en pijnigde zich met te willen uitspeuren
+hoe deze overkomst desnoods door te drijven zoude zijn. Ongedachtig
+aan de woorden van haar grooten tijdgenoot _Napoleon Buonaparte_
+(van wien zij, in 't voorbijgaan gezegd, nog niet volkomen geloofde
+dat hij volkomen dood was), dat niets de harten zoo zeer bekoelt als
+de vurige geestdrift van anderen, was zij begonnen om dagelijks op
+zeer ongepaste oogenblikken, uit een open reden, den roem van den
+jongeling uit te meten, en gebruikte daartoe alle de lofredenen, die
+zij uit den mond van mijnheer en mevrouw _Witse_ had opgevangen; en
+daar deze met verwonderlijke eenstemmigheid op het punt van _Gerrits_
+knapheid nederkwamen en inhielden hoe werkzaam _Gerrit_ was, en
+hoe verstandig _Gerrit_ zich te Leiden onder de jongelui gedroeg,
+en hoe gezien _Gerrit_ bij zijn professoren was, en hoe _Gerrit_ in
+alle wetenschappen thuis was, kreeg de blijhartige _Clara_ natuurlijk
+geen ander denkbeeld van den bewierookten jongeling dan dat van een
+ondragelijken pedant, een soort van wezen, 't welk in hare oogen
+wel het alleronuitstaanbaarste aller creaturen mocht geacht worden;
+weshalve zij zich wel gewacht had naar het uiterlijk van dezen onmensch
+te vragen, bij zichzelve vaststellende dat het niet anders kon of
+hij moest sprekend op den bleeken ondermeester van het dorp in haars
+vaders nabuurschap gelijken. Mevrouw _Witse_ had de dwaasheid gehad,
+zonder _Gerrits_ weten, daar hij zelfs niet vermoedde dat zijn goede
+mama dergelijke prullen bewaard had, afschriften te verspreiden van
+een paar versjes, die _Gerrit_ op zijn twaalfde jaar gemaakt had en die
+natuurlijk middelmatig waren, maar zooals verzen van kinderen meestal,
+in zulk een hoog ernstigen toon geschreven en zoo vol van dood en
+eeuwigheid, dat _Klaartje_, aan wie zij getoond waren, er in haar hart
+vreeselijk om gelachen had. Het vooruitzicht derhalve van met dezen
+wonderman aan ééne tafel te zullen zitten, wond haar volstrekt niet
+tot dien graad van opgetogenheid op, waar hare tante op gerekend had.
+
+"Het zal zeker een heel feest zijn," ging deze waardige dame voort, om
+_Klaartje_ tot grooter verrukking te nopen; "_Gerrit_ is gepromoveerd."
+
+"Hola, hola, vrouwlief!" viel de heer _Vernooy_ in, die juist
+binnentrad: "zoo ver is 't nog niet."
+
+"Ja wel!" zei mevrouw _Vernooy_, die voor iedere afdinging bang
+was. "Ja wel, schatlief; hij is gepromoveerd."
+
+"Waarlijk niet," antwoordde haar man, zich in zijn armstoel vlijende,
+"maar hij heeft een examen gedaan. Een heel groot examen. _Witse_
+heeft me verteld dat het twee dagen geduurd heeft;--maar hoe het examen
+heette, dat ben ik vergeten. Zooveel is zeker: den eenen dag heeft hij
+een heel lijk ontleed, en den anderen dag heeft hij ... enfin! heeft
+hij weer wat anders gedaan, maar alles even knap."
+
+"Ba," zei _Klaartje_; "een lijk."
+
+"Hij heeft zeker de hoogste?" vroeg mevrouw _Vernooy_.
+
+"De hoogste wat?" vroeg haar man.
+
+"De hoogste ... och, hoe hiet het ook weer? Ik meen het hoogste,
+weetje, het allerhoogste; zoo veel als, zal ik maar zeggen, zooveel
+als primus op 't Latijnsche school. Hij was alle jaren primus. Weetje
+wat primus is, _Klaar_?"
+
+"Neen, tante!" zei _Klaartje_, die het zeer wel wist, maar met een
+allereenvoudigst gezicht.
+
+"Primus is," antwoordde tante op goelijken, onderwijzenden toon,
+"als men de hoogste is van zijn klasse, maar dan op 't Latijnsche
+school, weetje. Dan is er prijsuitdeeling in de Fransche kerk, en
+dan doen al de primussen gratiassen. Weetje wat een gratias is?"
+
+"Neen, tantelief."
+
+"Heden, weetje niet wat een gratias is?" vroegen mevrouw _Vernooy_
+en haar echtgenoot tegelijk.
+
+"Waarlijk niet."
+
+"Gunst, weetje dàt niet?" ging de tante voort; "het is een bedankje
+voor den prijs. Ik ging altijd met mevrouw _Witse_ mee, als het
+prijsuitdeeling was; maar het heette dan eigenlijk promotie. Jongens,
+_Gerrit_ deed het zoo mooi; maar me hart kon kloppen als hij op moest
+komen. Ik heb lang geweten wat de rector dan zei: hoe was 't ook weer?"
+
+"Ja," zei _Vernooy_, "hoe was 't ook weer? _Acide_ _Witse_..."
+
+"_Et excipe pryzia_," viel de gedienstige echtgenoote in. "Ja _Klaar_,
+ik ken ook me Latijn. Weetje nog wel van op één na den laatsten keer,
+_Vernooy_?"
+
+"Wel zeker!" antwoordde deze met rustigheid, ofschoon al
+de verschillende keeren voor zijne herinnering vrij verward
+dooreenschemerden.
+
+"Hij was de langste van al de jongens!" ging zijne gade voort. "O,
+het stond zoo grappig; één zoo'n lange jongen onder al die kleine. Maar
+hij was ook de eenigste die een rok aanhad. En de nieuwe handschoenen;
+weetje wel, _Vernooy_?"
+
+"Ja," zei _Vernooy_ met een lief lachje, dat hij niet wist thuis te
+brengen, "met de nieuwe handschoenen."
+
+"Ze droegen toen," vervolgde zijn wederhelft, "van die heele gele
+handschoenen; dat herinnerje je nog wel, _Klaar_! _patte de canard_,
+weetje? Nu, die had _hij_ ook aan; wat stond het hem lief; als zoo'n
+eerst fatje! Maar je kondt goed zien dat ze nieuw waren; met zulke
+platte toppen, je weet wel!"
+
+"Ja, zulke lange platte toppen," lachte _Vernooy_. "Ja, wat gebeurde
+er ook weer met die handschoenen?"
+
+Dit was gewaagd. De heer _Vernooy_ bouwde op de enkele, hoezeer
+wel eenigszins opgevijzelde, vermelding van een paar eendepootgele
+handschoenen de vermetele onderstelling dat zij waarlijk een
+historische rol hadden gespeeld, terwijl zij niets dan een lijdelijk
+sieraad waren geweest, volstrekt niets dan een lijdelijk sieraad,
+voor den jongenheer _Witse_.
+
+"Hoe meenje dat, _Vernooy_?" vroeg zijne gade met bevreemding. "Er
+gebeurde niets mee, voor zooveel ik weet."
+
+"Ja wel!" antwoordde de gemaal, bloedrood wordende en zijn kopje
+uitdrinkende om zijne verlegenheid te verbergen: "jawel, er gebeurde
+iets met die handschoenen. Liet hij ze niet zoo gek vallen of zoo? Ja,
+daar staat me iets van voor."
+
+Tante had gedurende deze flauwe herinnering altijd door ongeloovig
+het hoofd geschud. "Nu, dat weet ik dan niet," zei ze daarop; "dat
+weet ik dan niet; ik weet wèl dat het mooi was om hem te zien; ik
+kon er niets van verstaan, dat voelje, _Klaar_, want het was alles
+Latijn... of was het ook Grieksch, _Vernooy_?"
+
+"Ja," zei _Vernooy_, zijne wenkbrauwen veel beduidend samentrekkende:
+"als ik mij wel bezin, geloof ik dat het Grieksch was."
+
+"Nu, dat doet er niet toe. Ik mocht het graag zien. Dan wees hij met
+zijn handen op de tafel, waaraan de ... hoe hiet het ook weer? zaten."
+
+"Curatoren," vulde _Vernooy_ aan.
+
+"En dan lei hij zijn hand op zijn hart, en dan stak hij ze rechtop;
+want er kwam van den hemel in; en alles zóó netjes, zóó knap, en
+zóó gracieus..."
+
+"En alles met handschoenen _patte de canard_?" vroeg het schalke
+_Klaartje_.
+
+"Alles met handschoenen _patte de canard_," ging tante voort, in haar
+goelijken ijver om haar nichtje door alle mogelijke woorden, wenken,
+en tafereelen voor den jongen _Witse_ te interesseeren; "het was een
+lust om te zien. Verscheiden menschen zeiden dat _hij_ 't het mooist
+van allen deed. Het ging ook zonder een woord te haperen."
+
+"Maar wat was het ook weer met die handschoenen?" prevelde _Vernooy_;
+"me dunkt toch..."
+
+"Och kom!" zei mevrouw, bevende dat die gedroomde handschoenenhistorie
+nog eene schaduw werpen zou op de bevallige schilderij, die zij van
+_Gerrit_ als knaap had opgehangen; "je verwart het met wat anders. Er
+was heusch niets van. Ik weet _wel_ dat we gelachen hebben om dien
+kleinen jongen, die zoodra hij het boek in zijn hand had, zich
+omdraaide en naar zijn plaats ging, en de heele gratias vergat."
+
+"_Dat_ zal het geweest zijn," zei de goedhartige echtgenoot, die blijde
+was iets te kunnen aangrijpen dat zijne onvoorzichtige herinnering
+overschaduwde. "Ja, ja, die kleine jongen; ik zie hem nog duidelijk
+vóór me."
+
+"Maar zeg, tante," vroeg de Geldersche zoo naief als zij kon,
+"mijnheer _Witse_ heeft _nu_ toch geen prijs gekregen, wel?"
+
+"Wel neen, kind! aan de academie--wel foei! Of het zou een medaille
+moeten geweest zijn," liet zij schielijk volgen, om ook van deze
+wending partij te kunnen trekken; "heb je _daar_ ook van gehoord,
+_Vernooy_?"
+
+"Neen," zei _Vernooy_, "neen, dat's 't geval niet--men krijgt bij
+zoo'n gelegenheid een graad."
+
+"Nu, juist, een graad; daar wilde ik je hebben. Naar dat woord heb ik
+daareven gezocht. _Gerrit_ is zeker van den hoogsten graad, niet waar?"
+
+"Zeker, zeker," zei de heer _Vernooy_; "ja, wel zeker. Ja, dat heeft
+hij ook geschreven."
+
+De lezer weet beter; maar _Vernooy_, die gaarne iedereen en vooral zijn
+vrouw zooveel mogelijk gelijk gaf, verzekerde dit uit den overvloed van
+zijn goedig hart, ex merâ conjecturâ. Dat evenwel deze bijzonderheid,
+in de schatting der eenvoudige _Clara_, den genadeslag gaf aan den
+persoon van _Gerrit Witse_, dien zij zich nu onmogelijk anders voor
+kon stellen dan als den verwaanden wijsneus met de gele handschoenen
+van de promotie, spreekt vanzelf en wordt door een ieder gevoeld die
+aan neuswijze knapen en gele handschoenen een hekel heeft. Lang had
+zij zich goed gehouden; maar nu moest zij eens met blijkbare ironie
+spreken.
+
+"Nu," zei _Klaartje_, "ik verlang ijselijk om dat wonder van
+geleerdheid toch eens te zien."
+
+"Zieje wel, dat je toch wel verlangt," antwoordde haar tante,
+die het alweer ten besten opnam. "Daar bloosje alweer. Nu zulje me
+toch niet weer opstrijden dat je niet bloost, meisje. Wat zeg jij,
+_Vernooy_? bloost ze niet _razend_?"
+
+"Allerverschrikkelijkst," antwoordde _Vernooy_. En zeker, het
+moest allerverschrikkelijkst wezen, indien de goede man, die
+een slecht gezicht had, het konde opmerken; vooral wanneer men
+bedenkt dat _Klaartje_, in de schaduw van een overgordijn, met
+den rug naar het venster zat, en dat wel naar een venster in de
+Rotterdamsche Hoogstraat, straat waarin, naar het getuigenis der
+oudste Hoogstratenaars, de zon nog nooit geschenen heeft.
+
+"_Klaartje_," zei oom, die wel van plagen hield, "je moet oppassen,
+meid! dat hij niet met je hartje strijken gaat, hoor!"
+
+"Dat heeft geen nood, oom."
+
+"Nu, ik ben benieuwd wat daar nog van komen zal," zei tante; "bewaar
+het goed, kind!" En zij hoopte dat deze vermaning voor het jonge
+meisje zooveel zeggen zou als: Werp het den jongeling hals over kop
+voor de voeten.
+
+In dat geval stond de kans zeer slecht, want _Klaartjes_ tegenzin
+had zich hoe langer hoe vaster geworteld.
+
+"Zoo'n wijs heer zal op mij niet letten!" zei _Klaartje_ overluid,
+"en ik ben ook tegen zooveel geleerdheid niet opgewassen." In stilte
+dacht zij: "Al was hij zoo wijs als _Salomo_, hij zal er bij mij niet
+aan hebben; ik zal den verwaanden gek mijn rug toedraaien."
+
+Zoo onschadelijk was de koppelliefhebberij van tante _Vernooy_.
+
+
+
+
+Vrienden-hartelijkheid.
+
+De dag van het groote feestmaal ter eere van _Gerrit Witse_,
+Med. Cand., die, als den lezer uit onze schets gebleken is, ten
+opzichte zijner verdiensten zoo geheel anders dan zijne ouders was
+gestemd, was aangebroken.
+
+Het was omstreeks drie uren na den middag, dat de jongeling bezig
+was zijn toilet te maken. Was het dat hij tegen de pleizierigheid van
+dezen dag als tegen een berg opzag, te welker gelegenheid zijne ouders
+waarschijnlijk tot walgens toe met hem zouden wenschen te pronken? Was
+het dat hij zich het geeuwende schrikbeeld der verveling voorstelde,
+waarmede hij zou hebben te worstelen in een kring van menschen, waarvan
+de meeste hem onverschillig lieten en de overige hem ergerden? Was
+het een dezer gewaarwordingen afzonderlijk, of was het wellicht een
+aangenaam mengsel van beide, dat hem in het werk des kleedens zoo
+langzaam deed voortgaan, en hem nu en dan een aanmerkelijke poos
+deed verwijlen met een kleedingstuk in de hand, of doelloos uit het
+raam staren of, zonder vermoeid te zijn, op een stoel nedervallen,
+met al de verschijnselen van het levensverdriet?
+
+Eene sierlijke inleiding, opzettelijk geschreven om u van de ware
+oorzaak af te Leiden. Deze was geene andere dan dat zijne gedachten
+met een voorwerp vervuld waren, verre verheven boven het geurig stuk
+zeep of het schoone overhemd, of de satijnen das, die hij beurtelings
+in de hand nam. Hij had dien morgen het Leesmuseum bezocht. Wanneer hij
+zich voor een dag of wat in zijn vaderstad bevond, was het Leesmuseum,
+waar de oude heer _Witse_ ook lid van was, steeds zijne toevlucht. Daar
+stelde hij zich altijd weer voor, dat hij zijn tijd op een aangename
+wijze zou kunnen doorbrengen, ofschoon de uitkomst hem meestal
+teleurstelde. Met gespannen verwachting trad hij er op de leestafel
+toe, maar bemerkte meestal tot zijn smart dat die tafel, behalve
+de Lloyds-list en de Oost-Indische Courant en het Heerenboekje, niet
+anders vertoonde dan hetgeen hij te Leiden gewoonlijk dan reeds gelezen
+had; hetzelfde nommer van de Letteroefeningen, met hetzelfde aantal
+steken op "de jonge dichters" (ik meen "dichtschool"), en dezelfde
+zeer huiselijke beeldspraak van "ongare kost, keurige schotels,
+goed gekruid, sterk aangezet" en wat dies meer zij; denzelfden Gids,
+met dezelfde beweringen omtrent het ongepaste dat Holland graven
+en ridders gehad heeft, omtrent den bloeitijd van _Jan_ (een alias,
+dien hij ons voor de Hollandsche natie opdringt) en het leelijke van
+de rhetoriek, met en benevens dezelfde citaten uit het vorig nommer;
+hetzelfde Leeskabinet, met denzelfden groenen omslag, en dezelfde
+Boekzaal der Geleerde Wereld, met een versjen op de begrafenis van
+Ds. die en die, en op het vijftigjarig bestaan van Ds. zoo en zoo. Dan
+keerde hij zich tot de nieuw uitgekomen boeken. Ook van deze had hij
+er reeds, dank zij den gedienstigen zorgen van één _Van der Hoek_
+en een half dozijn _Hazenbergen_, vele gezien, en de andere schenen
+hem te lijvig toe, om in zoo weinige dagen klein te krijgen. Meestal
+kwam het daarop neer, dat hij dan toch maar de voorreden van een paar
+Fransche nieuwtjes ging zitten lezen, waarin de schrijver beweerde
+dat hij met zijn geweten was te rade gegaan, om een zeer zedeloos,
+met zijn kunstgevoel, om een zeer smakeloos boek te schrijven. En zoo
+was hij dezen morgen verdiept geweest in het lezen van de voorrede
+van _Victor Hugo's_ Ruy Blas.
+
+Deze voorrede, hoe sluitend en klevend, bondig, krachtig en boeiend
+de redeneering ook zijn mocht, was niet zóó, of zij liet hem wel
+éénige oogenblikken los, om zijne oogen te laten weiden, nu eens over
+de Beursbrug, dan eens over de Blaak die, door een aardig zonnetje
+beschenen, er nog al heel opwekkelijk en pleizierig uitzag. En op
+eenmaal (ik zal het maar kort maken), daar ziet hij duidelijk de
+schoone, die hij in "het paradijs van Nederland", als de blinde _Moens_
+zingt, met de witte duif op het hoofd had gezien; de schoone, die
+hij slechts eenmaal had aangeblikt, en die hij volstrekt niet kende,
+'t geen een reden te meer was geweest om gestadig over haar te denken,
+ja! te mijmeren, ach! te dwepen.
+
+Ik zal niet zoo vermetel zijn te beweren dat het boek hem uit de
+handen viel, want daar behoort nog ongelijk meer toe; neen! maar
+hij wierp het neder; hij wierp het neder, hij nam zijn hoed, hij
+trok zijn handschoenen aan, vloog de trappen van het Leesmuseum af,
+stormde de deur uit. De schoone, van de Beursbrug komende, was de Blaak
+opgegaan en had zich dus rechts gekeerd. Zal hij haar nawandelen? Neen;
+hij kent al het onaangename van de luifels der hoeden. IJlings slaat
+hij den hoek om, ijlt de Gapersteeg door, draaft langs de Wijnstraat,
+galoppeert door de Posthoornsteeg en komt, bedaard en met een gezicht
+alsof er niets gebeurd was, de Blaak weder opwandelen. Zij is het
+waarlijk. Ja, dat vroolijke gezicht, die vriendelijke mond, die
+speelsche uitdrukking van oogen! Hij groet haar. Hemel en aarde! zij
+heeft hem teruggegroet. Een paar huizen verder staat hij stil, en tuurt
+haar lieve houding na, en bewondert met een verliefd oog haar vluggen
+gang. Zij steekt de Houtbrug over; hij staart haar na totdat zij in de
+Keizerstraat verdwijnt. Nu stuift hij weder voort en naar het Museum
+terug, de trappen op; daar ligt Ruy Blas nog; werktuigelijk neemt hij
+zijn vorige houding aan en het boek op. Dat was verbijstering. Hij
+had haar moeten nagaan, moeten weten waar zij bleef. Hij keert op
+zijne schreden terug, de Houtbrug over, de Keizerstraat door. Hij
+ziet haar niet meer; haar spoor is uitgewischt. Verliefder dan ooit
+en op zichzelven ontevreden, loopt hij de geheele stad door en tuurt
+in alle ellewinkels, of hij het groenzijden wintergewaad ook weer
+te ontdekken krijgt, dat hem zoo hevig heeft aangedaan, of een hoed
+van bruin satijn, met een enkele struisveder, die de plaats bekleedt
+waar hij weleer de witte duif heeft zien nederzitten, die hij zoozeer
+heeft benijd. Te vergeefs! Nergens, nergens, voor geen venster is
+zij te zien, de schoone... ja! hoe heet zij? Hij weet er niets van,
+en lacht over zijn dwaasheid. Zoo keert hij huiswaarts.
+
+In deze stemming vinden wij hem op zijn kamer. Maar neen! Er is
+een straal van hoop in zijne ziele opgegaan. De berekeningen van een
+mensch in _Witses_ toestand zijn stout. Er was bij den heer en mevrouw
+_Vernooy_ een jong meisje gelogeerd, een nichtje, welker naam hij
+niet kende; den naam der schoone Geldersche kende hij evenmin!... Dat
+was een punt van overeenkomst. Zij kon het zelve wezen; en _indien_
+zij het ware, het was hem meer waard dan de eerste graad bij alle
+mogelijke examina.
+
+Onder zulke gedachten geraakte hij eindelijk gereed, nadat hij reeds
+eenmaal zijn das uitvoerig had omgestrikt, eer hij zijn overhemd nog
+aanhad, en later zijn rok had aangetrokken, voor hij nog eerst het
+noodige laagje gelegd had met zijn satijnen vest.
+
+Hij kwam beneden. Er waren reeds gasten aanwezig. Hij hoorde hunne
+stemmen in de zijkamer. Met een kloppend hart opende hij de deur.
+
+"Daar hebben we onzen candidaat!" riepen papa en mama tegelijk. De
+candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw _Van Hoel_.
+
+Mijnheer en mevrouw _Van Hoel_ waren menschen van omstreeks vijftig
+jaren, waarvan ze er vijfentwintig in den huwelijken staat hadden
+doorgebracht. Zij behoorden tot den deftigen koopmansstand en ZEd. was
+wat men een man van gewicht noemt. Hij keek op de sociëteit zeer
+ernstig en als zeer veel macht hebbende rond, en was er op straat zeer
+op gesteld dat men hem groette; eene eer die hem, het fortuin dat
+hij gemaakt had in aanmerking genomen, ook ten volle van de geheele
+wereld toekwam. Mevrouws toon en deftigheid hadden met den aangroei
+van haar eegaas vermogen gelijken tred gehouden en zij was eerst een
+pretentieuse, daarna wat men eene _heele_ vrouw noemt, en nu bijna
+ongenaakbaar geworden. Het waren zeer oude kennissen van mijnheer en
+mevrouw _Witse_; en toen beide echtparen nog jong waren, zagen zij
+elkander bijna dagelijks, hielpen de dames elkander hare japonnen
+knippen en gingen de heeren te zamen uit visschen. Deze overdreven
+hartelijkheden hadden echter gaandeweg opgehouden, naarmate, om een
+platte uitdrukking te gebruiken, de _Van Hoels_ de _Witses_ waren
+over het hoofd gegroeid; maar toch kon er nog nimmer een belangrijk
+feest gevierd worden bij een van de beide familiën, of zij noodigden
+elkander over en weer; zij waren voor elkaar een noodzakelijk kwaad. De
+oorzaak der verkoeling moet echter niet alleen in de uitbreiding van
+des heeren _Van Hoels_ vermogen gezocht worden; nog eene andere kleine
+omstandigheid had daar schuld aan; want, gelijk de heer _Witse_ zoo had
+ook de heer _Van Hoel_ een eenigen zoon, en het is wel bekend dat er
+niets doodelijker is voor vriendschappelijke betrekkingen dan kinderen,
+vooral als zij volwassen beginnen te worden. _Witse_ had een knappen,
+oppassenden jongen, den roem van alle scholen, en daarna een sieraad
+der academie; terwijl de zoon van mijnheer en mevrouw _Van Hoel_
+een eigenzinnige domkop was, waar niets van was te maken, en die
+zich, tot jaren van onderscheid gekomen, al spoedig als een losbol
+onderscheidde en naar de Oost was gezonden, omdat men niet wist wat
+er hier mee uit te richten. Zoo kwam het bij, dat mijnheer en mevrouw
+_Van Hoel Gerrits_ natuurlijke vijanden waren geworden. Zoo kwam het
+bij, dat de heer _Van Hoel_ nooit een brief van zijn zoon ontving,
+waarin deze, als bewijs hoe goed het geld, dat zijn vader hem moest
+overmaken, geplaatst werd, breed opgaf van het telkens verbeteren
+zijner vooruitzichten en van de bewonderenswaardige stappen, die hij
+tot zijne fortuin maakte, of hij haastte zich dit op de sociëteit
+Amicitia luidkeels mede te deelen, en zulks liefst aan het tafeltje
+naast dat, waaraan de heer _Witse_ zich in 't Handelsblad verdiepte,
+met bijvoeging, "dat men niets beters doen kon dan zijne kinderen
+naar de Oost te zenden, en niets dwazers dan ze te laten studeeren,
+waardoor ze niet dan eene zeer late carrière maakten; daar hadje bij
+voorbeeld de jonge doctoren!" Zoo kwam het bij, eindelijk, dat er nooit
+of nimmer een wilde studentenpartij, een klein straatgeruchtje of iets
+dergelijks had plaats gehad, niet noemenswaardig in vergelijking van
+het groote landgerucht dat het daarna maken moest, of mevrouw _Van
+Hoel_ kon het niet langer uitstellen mevrouw _Witse_ eens een bezoek
+te brengen, bij welke gelegenheid zij haar dat nieuws mededeelde,
+met vele verzuchtingen haar beklagende dat zij nog in de onzekerheid
+was of haar zoon er al of niet was bijgeweest, en "maar hopende,
+hartelijk hopende, dat dit het geval niet mocht geweest zijn; hij
+was _hier_ wel voor een knappen, heel knappen, braven jongen bekend;
+maar men kon het toch nooit weten! En te Leiden!... Och, de jongelui
+werden er zoo spoedig bedorven."
+
+De candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw _Van Hoel_.
+
+Na de gewone begroeting, waar nu ook nog een compliment met
+het volbrachte examen bijkwam, waarbij de heer _Van Hoel_ den
+hartelijken wensch voegde dat dit een stap nader mocht zijn tot eene
+spoedige promotie en eene briljante praktijk, en waarbij mevrouw de
+vriendelijkheid had het deelnemend beklag te voegen, dat de meeste
+menschen "een _ouden_ dokter verkiezen", zeide de heer _Van Hoel_,
+die, met de armen op den rug, de panden van zijn rok splijtende voor
+het vuur stond en den binnenkant zijner handen door de vlammen liet
+koesteren: "ik heb, geloof ik, mijnheer _Witse_ van morgen ontmoet?"
+
+"Mij, mijnheer?" vroeg _Gerrit_ verbaasd; "ik weet met dat ik de eer
+gehad heb ..."
+
+"Neen, dat merkte ik," hernam de heer _Van Hoel_ met een schamper
+lachje, en schuins uit naar _Gerrits_ moeder ziende, "'t was op de
+Blaak;--maar ik merkte wel dat je _mij_ niet scheent te bespeuren."
+
+"Inderdaad, ik heb u niet gezien," antwoordde _Gerrit_ kleurende.
+
+"Och, die jonge _geleerden_," merkte mevrouw _Van Hoel_ aan, hare
+handen vouwende en hare nieuwe cabretten handschoenen tusschen de
+vingers aandrukkende, "Och, die jonge geleerden zweven zoo in een
+hooger sfeer, dat ze geen mensch meer gewaar worden."
+
+"Dat kan wel eens een enkelen keer gebeuren, nietwaar, _Gerrit_?" viel
+zijn mama daarop in, die een hoogere sfeer voor haar zoon nog al een
+geschikt departement vond.
+
+"Liever niet," zei _Gerrit_; "het komt op de Blaak zoo weinig te pas."
+
+"Ja!" antwoordde de heer _Van Hoel_, de schouders met gemaakten ernst
+ophalende; "het is hier maar een _koopstad_; daar moeten we ons nu
+maar mee behelpen."
+
+"Zoo meen ik het toch niet," hernam _Gerrit_ al weder, nu eerst
+bemerkende dat de heer _Van Hoel_ aan 't gifzuigen was.
+
+De deur ging open. _Gerrit_ zag verlangend om. Er trad geen schoon
+meisje binnen, maar een jongeling die, naar _Gerrits_ smaak,
+alleen een schoonheid had kunnen genoemd worden, indien hij een
+meisje geweest ware. Hij was een van die "mooie mannen", op wie de
+jongelingen misschien veel meer jaloersch zijn dan de jonge dochters
+verliefd. Zacht, zwart, krullend haar, een spierwit voorhoofd,
+een fijn wit en rood, blinkende oogen, en behaagzieke bakkebaarden
+waren zijn deel. Kracht en majesteit was er in 's mans gelaat met,
+zelfs geen hartstocht, en evenmin in zijn gestalte, die tot de zwak
+apollinische behoorde. Het was de heer _Hateling_, een jong mensch
+van goeden huize, die op kamers woonde en aan een der voornaamste
+kantoren van Rotterdam den handel bestudeerde. Deze jongman was iemand,
+die volmaakt berekend was voor zijne plaats achter een lessenaar en
+voor zijne plaats op een diner; dat is: hij kon goed cijferen, en
+goed praten. Overmaat van verstand of smaak bezat hij niet, maar hij
+"las toch nooit Hollandsch", eene omstandigheid, die altijd een hoogen
+dunk van beide geeft. Hij was een spotter met al wat studie heette of,
+zoo als hij het noemde, "zoo hoog vloog". Voor het overige, daar zijn
+toestand als eenloopend gezel medebracht dat hij gaarne uit eten ging,
+had hij den goeden weg ingeslagen om veel uit eten te worden gevraagd;
+en daar hij veel uit eten gevraagd _werd,_ was hij ook een volleerd
+dinerganger, en wist hij uitmuntend hoe hij het aan moest leggen om
+bij zulke gelegenheid te voldoen.
+
+Terwijl deze Narcissus nog bezig was zijn compliment te maken, kwam
+er, met veel schutterigheid en eene zeer verhitte kleur, eene dame
+binnentreden van een jaar of zesentwintig, die een zwarte japon droeg
+om te toonen dat zij bedroefd was, en een zeer blooten hals om te
+toonen dat zij alle behaagzucht niet had afgelegd. Zij was noch mooi,
+noch leelijk, zeer blond en zeer druk. 't Was mevrouw _Stork_, de jonge
+weduwe van een man, dien zij aan de tering verloren had. De heer en
+mevrouw _Witse_ waren eerst onlangs met haar in kennis geraakt; zij
+maakte derhalve allerhartelijkst, allerbevalligst, en allerinnemendst
+haar compliment voor mijnheer en de "lieve mevrouw". Daarop werd ze aan
+de _Van Hoels_ voorgesteld, waarop zij terstond met een allerliefst
+lachjen en mooien mond met tanden vroeg: of zij van de familie van
+mevrouw _Van Hoel_ te Utrecht waren, die zij het pleizier had 't
+kennen, en dat een aller-allerliefste vrouw was. Toen wendde zij
+zich weder tot de heeren _Witse_, en plaagde den ouderen, en zei
+allerlei aangenaamheden aan den jongeren, met al de vrijmoedigheid
+eener getrouwde dame en met al de behaagzucht eener ongetrouwde. Nog
+had deze nauwelijks al de aanwezigen gegroet, of wederom ging de deur
+open. Mevrouw _Vernooy_ trad binnen; gevolgd van _Klaartje Donze_.
+
+Eene siddering ging over _Gerrits_ hart; eerst werd hij bleek, en toen
+hoog rood; want zij was het, de schoone Geldersche, de jonkvrouw van
+zijne gedachten!
+
+Met een goelijken knik aan den ingang van de deur en een nog
+goelijker lach drukte de heer _Vernooy_, die nu ook volgde, _Gerrits_
+hand. "Hartelijk, hartelijk, man!" riep hij uit. "Je bent nu candidaat,
+heet het zoo niet?"
+
+"En zeker met al de graden?" vroeg mevrouw _Vernooy_, minzaam
+glimlachende.
+
+"Ja," zei mevrouw _Witse_, het hoofd blijmoedig opheffende: "daarvoor
+was geen zorg, maar hij wilde 't niet schrijven. Nu, 't is nogal een
+knappe jongen, vindje niet? We beleven pleizier aan ons _Gerritje_."
+
+"_Gerritje_," die door deze lofrede al weer een tamelijk kinderachtig
+figuur maakte, rees niet in de achting van _Clara_, wie hij echter,
+wat voorkomen en uiterlijk betrof, niet was tegengevallen, ja, zoo
+zeer meeviel, dat zij er inwendig boos om werd. Neen! dacht zij; geen
+voet achteruit! Dat hij er redelijk uitziet, bewijst niets tegen zijn
+pedanterie. Pedant moet hij wezen.
+
+_Gerrit_ had haar zeer beleefd gegroet, en de dames hadden het zeer
+druk met de vreemde. Zijne moeder scheen terstond zeer nieuwsgierig
+te zijn om te weten hoe het haar in Rotterdam beviel en, hoe hare
+familie in Gelderland voer, ofschoon er dan hier tot nog toe geen
+sterveling was, die wist of zij een vader en moeder, broer of zuster
+bezat, al dan niet. _Klaartje_ antwoordde op alles met een onbedeesd
+en vroolijk gezicht.
+
+_Gerrit_ kon zijne oogen niet van haar afhouden. Hoe schoon was zij
+van nabij gezien! Hoe weelderig waren hare vormen; hoe doorschijnend
+haar blanke hals; hoe zuiver de omtrekken van haar gelaat en de
+lijnen van haar gestalte! Hoe liefelijk en helder klonk hare stem;
+hoe vriendelijk was hare spraak; hoe levendig waren hare bewegingen;
+hoe bevallig was de schoone _Clara_, in alles!
+
+Juist maakte hij zich gereed haar, zooras zijne hartklopping eenigszins
+bedaard zou zijn, eens nader toe te spreken, toen de laatste der gasten
+verscheen en de opmerkzaamheid der geheele vergadering tot zich trok.
+
+Het was een man, wiens leeftijd tusschen de vijftig en zestig in
+zweefde, wat hij evenwel gedeeltelijk ontveinsde door een valschen
+toupet boven een paar zeer blozende wangen rond te dragen. Het
+overige van zijn gelaat bestond geheel uit een wijde witte das met
+wuivende slippen, en groote slappe hemdsboorden. Hij droeg een ruimen
+zwarten rok, een blauwlakensche pantalon, een zeer ouderwetsch fluweel
+vest met nederdalende strepen. Het was de heer _Wagestert_, bij zijn
+vrienden voor een origineel bekend. Deze man had het, door kracht van
+originaliteit tot de in deze huichelende en huichelarij onderstellende,
+aanmoedigende en uitlokkende wereld, zeer benijdbare hoogte gebracht,
+dat men hem het recht toekende alles te zeggen wat hem voor den mond
+kwam, een recht waarvan hij dan ook rijkelijk gebruik maakte. Daarbij
+had hij iets zeer eigenaardigs in de wijze van zich uit te drukken; ja,
+zijn woordenboek verschilde geheel van dat van andere menschen, en hij
+placht te zeggen, dat het jammer was dat men, bij nieuwe uitvindingen,
+hem niet raadpleegde hoe de dingen heeten moesten. Zoo benoemde hij,
+om een voorbeeld te geven, het schoone geslacht geregeld met den naam
+van _appelbijtsters_, daarbij op overgrootmoeder _Eva_ zinspelende,
+en gaf hij den artsen nooit een anderen eeretitel dan die in het woord
+_tongkijkers_ lag opgesloten. Medicijnen en vrouwen waren zijn grootste
+antipathieën, en hij was gewoon te beweren dat hij zonder de laatste
+wel leven, en zonder de eerste wel sterven kon. Deze merkwaardige man
+leefde op kamers op de Nieuwe Haven, van een onafhankelijk inkomen
+en, niets omhanden hebbende, had hij--niet zoo zeer de luiheid
+als wel--de geestigheid dagelijks tot elf, twaalf uren op zijn bed
+te liggen en in deze gemakkelijke houding te lezen, te schrijven,
+en alles uit te voeren wat hem in den geest kwam. Hij was gewoon in
+persoon versche zalm te gaan koopen en eigenhandig in een netje naar
+huis te dragen. Hij had de leelijkste teef uit heel Rotterdam, en
+onderhield twee grijze katten, die door dezelve teef gezoogd waren. Op
+de sociëteit dronk hij nooit iets anders dan fachingerwater, aan zijn
+tafel nooit iets anders dan portwijn. Hij had een stok waarvan de
+knop, in de schaduw gezien, het portret van _Lodewijk_ den XVI_den_
+vertoonde, en een horloge, onder welks glas een vlieg geteekend was,
+waarvan men zweren zou dat zij over de plaat liep; een universeel
+zakmes met honderd geriefelijkneden was zijn trouwe metgezel, en hij
+wist het soms zeer geestig te pas te brengen. In 't kort, niets was
+duidelijker of meer bekend, dan dat de heer _Wagestert_ een origineel
+was, en hij deed dan ook zelden den mond open, zonder de voldoening
+te smaken van den een of ander uit het gezelschap, waarin hij zich
+bevond, te hooren mompelen: "Die _Wagestert_ heeft"--of, zoo als de
+Rotterdammers van alle klassen zeggen, _heit_--"toch altijd wat raars".
+
+De binnenkomst van dit humoristisch genie en de plichtplegingen,
+die hij jegens de gastvrouw en de gasten in het werk stelde, waren
+een soort van koddige parodie op de wijze waar dit gewoonlijk op
+geschiedt; en schoon de heer _Wagestert_ deze aardigheid bij alle
+gelegenheden herhaalde, zoo vond zij echter ook ditmaal genade in de
+oogen zijner bewonderaars.
+
+Men was nog bezig er om te glimlachen, toen de knecht binnenkwam met
+de tijding dat de soep op tafel was. De heeren boden de dames hunne
+armen aan, met dien schoorvoetenden ijver, waarmee men altijd te werk
+gaat indien men niet recht weet aan wien het toekomt om de eerste te
+wezen, en de heer _Wagestert_, die, alhoewel alle "appelbijtsters"
+verachtende, echter zeer goed wist welke "appelbijtsters" er het
+liefst uitzagen, bood zijn geleide, op eene alweder kluchtige wijze
+aan _Klaartjen_ aan. _Klaartje_ had nooit tevoren een origineel gezien.
+
+
+
+Men ging aan tafel, en het eerste, dat _Gerrit_ bemerkte, was dat de
+schikking der gasten hem allerweinigst aanstond.
+
+Dan, hier is het de plaats een meewarig woord van beklag voor u te
+uiten, edelaardige menschenvrienden, die goed genoeg zijt nu en dan
+aan uwe vrienden diners te geven! Het is nog niet genoeg, dat gij
+bij alle poeliers rondzendt om een soort van gevogelte of een soort
+van wild, dat nergens te krijgen is; niet genoeg, dat gij u afslooft
+om de fijne schotels van het laatste diner dat gij bijwoondet, op
+zijde te streven en zoo mogelijk te overtreffen; niet genoeg, dat
+gij met eigen mevrouwelijke hand het blanc-manger bereidt of u de
+harde noodzakelijkheid oplegt, op een ongelegen uur uw rumgelei te
+proeven! Gij moet ook nog eene partij, op dat punt allerlastigste,
+allerkitteloorigste en alleronverdraagzaamste wezens, gij moet uwe
+gasten schikken! En wel zoo, dat zij alle naar hun zin en naar hun
+smaak gezeten zijn; en wel zoo, dat alle antipathieën gescheiden
+en alle sympathieën gespaard worden; en wel zoo, dat gij daarbij
+eene evenredige hulde aan ieders achtbaarheid en jaren brengt; en
+wel zoo, dat de jonge meisjes niet te hoog, en de oude vrijsters
+niet te laag zitten; en wel zoo, dat gij een "geanimeerd discours"
+verwachten kunt; en wel zoo, dat de rij bont, immers zoo bont mogelijk,
+zij! En als gij aan alle deze zoo zeer vervlochtene en verwikkelde
+(het woord dagteekent van 1830) verplichtingen poogt te voldoen en
+met de grootste nauwgezetheid altijd het lichtere aan het zwaardere
+hebt opgeofferd, dan komt de een of andere gast, indien niet uw eigen
+zoon of echtgenoot, die uwe schikking allerdolst vindt en zich over
+zijne plaats beklaagt. De roekelooze weet niet wat hij zegt! Dat
+hij eene andere schikking voorstelle, en hij zal zien hoe alles in
+de war loopt! Maar hij zegt het niettemin; dat is, hij overlegt het
+in zijn harte, en mokt en mort in stilte. Beklaagde hij zich nog
+maar altijd overluid: uwe verantwoording zou hem doen verstommen;
+maar neen, hij houdt zich overtuigd van uwe verkeerde bedoelingen,
+van uwe hatelijkheid, van uw lust om hem te krenken, te grieven, naar
+het hart te steken, en neemt die overtuiging met zich in het graf. De
+ondankbare! Hij wist niet voor welke jammeren gij hem bewaard hadt!
+
+Voor _Gerrits_ moeder was de schikking bijzonder moeilijk geweest,
+door de omstandigheid dat het getal harer gasten oneven, en er een
+overscharige heer was. Noodwendig moesten er dus ergens twee heeren
+naast elkander zitten; de een moest natuurlijk haar zoon zijn,
+en de ander?... "De heer _Wagestert_", zult gij mogelijk zeggen,
+"die toch een vrouwenhater is". Dit zou ondertusschen een heel domme
+raad van u zijn, mijn lezer! Want het was juist daarom, dat de heer
+_Wagestert_ in alle gezelschappen tusschen twee dames geplaatst werd
+en alle mevrouwen elkaar het genoegen betwistten zijne zijde te mogen
+bekleeden; want wat is voor mevrouwen pikanter dan het gezelschap
+van een vrouwenhater? De heer _Wagestert_ zat alzoo tusschen mevrouw
+_Witse_ zelve en mevrouw _Van Hoel_. Maar het was niet dit, wat
+_Gerrit_ zoo verschrikkelijk ergerde. Evenmin dat mevrouw _Vernooy_
+in het midden van den vriendenkring zat, tusschen den heer _Van Hoel_
+en zijn vader, en zulks als "een pareltje in 't goud", als zij nederig
+aanmerkte. Maar dat hij aan 't lager eind van de tafel, vlak tegen
+hem over, zien moest de personage van _Hateling_, geplaatst... naast
+zijne moeder, zoover goed! maar ter andere zijde naast _Klaartje_,
+die aan zijn vaders andere hand gezeten was, dat was een ding, hetwelk
+hij mama niet vergeven kon, al had zij hem de drukke mevrouw _Stork_
+toebedeeld aan zijn rechter-, en den hartelijken mijnheer _Vernooy_
+aan zijn linkerhand; want omdat de laatste de goedigste was, was hem
+het lot te beurt gevallen, geen andere dame te hebben dan mevrouw
+_Van Hoel_, die ook, om de waarheid te zeggen, wel voor twee dames
+door kon gaan.
+
+Het diner begon met dat geheimzinnige _Conticuere omnes_, waarmede alle
+diners aanvangen; de soep werd met stomme aandacht gegeten, alleen
+verpoosd door de opmerking omtrent de verandering van atmosfeer, te
+gelijkertijd aan de vier hoeken van den disch gemaakt, en eene kleine
+vroolijkheid door _Wagestert_ te weeg gebracht, die de schildpadsoep
+_pepersop_ noemde, hetwelk iets geheel nieuws was.
+
+Het "verre de vin après la soupe" bracht eenige opschudding teweeg,
+daar meest al de dames hare gehandschoende handpalmen op hare glazen
+hielden, om te beletten dat de heeren de snoodheid hadden haar te
+schenken.
+
+Eenige oogenblikken later had mevrouw _Stork_ de vrijpostigheid
+een glas water te vragen, hetgeen aan alle vrouwelijke leden der
+vergadering den moed gaf onmiddellijk hetzelfde verzoek te uiten.
+
+Na afloop dezer ceremoniën werd het verkeer langzamerhand levendiger,
+luider en drukker.
+
+Mevrouw _Stork_ bestormde _Gerrit_ met een zeer geënthusiasmeerd
+gesprek over allerlei boeken; over den Corsair van Lord _Byron_,
+de Notre Dame van _Victor_, de Gedenkschriften van _Walter Scott_,
+den Jocelyn van _Lamartine_, den Maltravers van _Bulwer_, en een
+aantal min of meer bekende romannetjes en novellen, die _Gerrit_
+nooit had hooren noemen. Het eene was "haar charme", het andere was
+"de favori van wijlen mijnheer _Stork_!" Dit had zij 's nachts gelezen;
+dat, toen zij met _Stork_ haar toertje maakte; een ander had zij op
+de wandeling meegenomen; dit had zij aan eene vriendin uitgeleend,
+en dat wilde zij absoluut aan _Gerrit_ zelf uitleenen; over het
+een vroeg zij zijn oordeel; over het ander "wilde zij zijn oordeel
+volstrekt maar liever niet weten, omdat zij er in het geheel geen
+kwaad van hooren kon!" Met dit had zij "zooveel innige sympathie",
+en in dat; zij zei het met neergeslagen oogen en een treurigen zucht;
+"was zooveel dat op hare eigene omstandigheden sloeg" ...
+
+Aan 's jongelings anderen kant zat de hartelijke _Vernooy_ zich
+te vermaken over _Gerrits_ kunde en belezenheid, blijkbaar in het
+beantwoorden van den waterval van woorden, die het molenrad van
+mevrouw _Storks_ tongetje om deed loopen, en fluisterde telkenmale
+mevrouw _Van Hoel_ zijne bewondering van "den knappen jongen", toe;
+al weder tot zijn niet gering nadeel in de schatting van die dame,
+die met onbegrijpelijk veel statigheid hare oogen over een gezelschap
+weiden liet, waaraan _zij_ naar haar inzicht den grootsten luister
+bijzette. En wanneer _Gerrit_ zijne oogen maar opsloeg, dan zag
+hij den mooien _Hateling_, die met den zoetsten glimlach tusschen
+zijne gladde bakkebaarden, een allerlevendigst gesprek voerde met de
+schoone _Clara_, en al zijne hoffelijkheid en oplettendheden over
+haar zat uit te gieten. Mevrouw _Witse_ zag met een welgevallig
+oog op _Hateling_ neder, die een groot gunsteling van haar was,
+en keek dan weer eens tot _Gerrit_ op, dien zij toeknikte "of hij
+niet extra goed _zat?_" waarop zij, daar hare stem hem niet bereiken
+kon om het hem rechtstreeks te vragen, aan _Hateling_ en _Klaartje_
+begon te vertellen, dat zij _Gerrit_ niet beter had kunnen onthalen,
+dan door hem naast mevrouw _Stork_ te plaatsen, die een savante was,
+"dat 's te zeggen, geen eigenlijke savante, want zij was heel lief,
+maar een stille savante, die alle talen verstond, veel gezien had,
+en onbegrijpelijk interessant was". Dan schertste zij weder eens met
+_Wagestert_ over de slechtheid van de mannen en riep mevrouw _Van Hoel_
+tot getuige, die ze ook "al heel slecht" vond. En intusschen vertelde
+mevrouw _Vernooy_ zoo veel liefs en goeds van _Klaartje Donze_, als zij
+ooit liefs en goeds van _Gerrit_ uit papa _Witses_ mond gehoord had;
+en de laatste was niet ongevoelig voor haar lief gezichtje. De heer
+_Van Hoel_ zat met een sceptisch en ironisch gezicht mevrouw _Stork_
+gade te slaan, in zijn koopmanstrots zeer laag nederziende op al dat
+onzinnig gesnap, en sprak tusschenbeiden een wijs woord met _Witse_ en
+_Vernooy_, bij welke gelegenheid hij machtig veel, zoo aan het staats-
+als aan het stadsbestuur te berispen vond, en de wereld beklaagde,
+dat zij geene oogen had om er "die knappe menschen in te kiezen, die
+zich gaarne de moeite zouden getroosten alles op pooten te stellen".
+
+Het dessert kwam, en mevrouw _Witse_ liet met zekeren nadruk de
+flesschen veranderen.
+
+De heer _Vernooy_, in de goelijkheid van zijn hart, begreep
+dadelijk dat er een toost op den jongen candidaat wezen moest,
+maar hij was de man niet om toosten in te stellen. Wel is waar,
+hij was hier waarschijnlijk de oudste; maar hem docht, de eer kwam
+den hoogaanzienlijken _Van Hoel_ toe, die 't er, dacht hij verder,
+ook veel beter af zou brengen dan hij. Nu was het zeer zeker dat de
+hoogaanzienlijke heer _Van Hoel_ van dezelfde meening was, maar hij
+gevoelde geen zier lust of roeping tot de zaak; en schoon de gedachte
+aan den noodzakelijken toost ook in _Wagesterts_ hoofd opkwam, hij
+smoorde ze met de bewustheid dat hij "nooit toosten instelde en het
+weergasche gekheid vond", waarbij ook nog kwam dat hij de kunst _niet_
+machtig was. Het was in dezen als met zijn geheele zonderlingheid,
+die in vele opzichten niets anders was dan het goed heenkomen zijner
+mislukte pogingen om met eenige gratie en goeden uitslag te handelen
+als andere menschen. Blooheid en onhandigheid hadden in een schoon,
+eendrachtig en zusterlijk verbond hem tot een vertreder van alle
+vormen en bespotter van alle beleefdheden gemaakt.
+
+Een geschrikt paard slaat aan 't hollen, breekt den toom, en trapt
+den wagen stuk.
+
+Het nagerecht werd gediend, en niemand sprak den toost uit. _Vernooy_
+werd hoe langer hoe benauwder. Hij vond het onbeleefd en onbehoorlijk
+het te _laten_, maar als hij er aan dacht het te _doen_, brak het koude
+zweet hem uit. Twee of drie malen sloeg hij de hand aan zijn glas
+om het plechtig op te nemen, maar telkens liet hij het weer staan;
+ja, tweemaal hief hij het werkelijk op in de hand, maar bedacht
+zich, en verborg zijn voornemen onder het voorwendsel van mevrouw
+_Van Hoel_ een nietsbeduidende opmerking te maken omtrent de kleur
+van den wijn en het aangename van een puntig glas. Ondertusschen
+werden de omstandigheden al nijpender en nijpender. Mama _Witse_
+begon met eene hooge kleur hare oogen ongerust te laten rondgaan,
+en maakte telkens kleine pauzen in haar gesprek. Verscheidene glazen
+waren reeds weder ledig, en alle flesschen aangebroken. Het _moest_
+eindelijk. _Vernooy_ vermande zich, en met een bleek gezicht, een
+domig voorhoofd, en trillende lippen, zeide hij: "Vrienden, wij moesten
+eens een vol glaasje inschenken". Hoewel nu het gesprek in de laatste
+oogenblikken groote gapingen had gehad, waarin men de dessertmessen
+duidelijk hun werk had hooren verrichten, zoo was het oogenblik,
+waarop de goede _Vernooy_ deze inleiding maakte, allerongelukkigst
+gekozen, want _Wagestert_ had juist een appel uit een dessertmandje
+genomen en begon er de "appelbijtsters" als van ouds mede te plagen.
+
+De goede man ontveinsde daarop zichzelven gesproken te hebben en wijdde
+veel aandacht aan het patroon van het tafellaken. Een oogenblik daarna
+vermande hij zich weer: "Vrienden!" zeide hij.
+
+"Ik geloof dat mijnheer _Vernooy_ iets zeggen wilde," zei mevrouw
+_Witse_, over de tafel heenbuigende tot dat zij hem in 't gezicht
+kreeg; "niet waar, _Vernooy_?"
+
+"Ja, _Keetje_," zei de hartelijke man, "ik wilde een glaasje brengen
+aan _Gerrit_, om hem nogmaals te feliciteeren met zijne bevordering
+tot candidaat. Ik heb geen kinderen, maar ik verheug mij zeer in
+'t geluk van mijne vrienden, die ze wèl hebben en er genoegen aan
+beleven. Met _Gerrit_ meen ik het goed, en ik durf zeggen, dat we
+dit allemaal doen. Dus _Gerrit_! van harte, man."
+
+"_Gerrit_!"--"_Gerrit_!"--"_Gerrit_!"--"mijnheer _Witse_!" klonk het
+met allerhande stembuiging over de tafel; de glazen werden neushoogte
+opgelicht, en daarna gedronken.
+
+"Mijnheer _Witse_!" zei ook _Klaartje_; maar 't was als of er iets
+spottigs in haar gezicht was, en haar compliment werd ook maar in 't
+voorbijgaan uitgebracht; want _Hateling_ had beweerd, dat hij aan de
+amandelen vanbuiten zien kon of het philippines waren of niet, en ten
+bewijze bood hij haar op een lepel een dubbelen aan. Zij nam een der
+tweelingen, en het verbond werd aangegaan tegen de eerste maal dat zij
+elkander weer zouden ontmoeten, "maar niet onder den blooten hemel".
+
+"Welke toost met algemeene opgewondenheid gedronken werd!" zei
+_Wagestert_ koddig-deftig. "Niet waar, moeder _Witse_! Leve de
+volharding! _Gerrit_ studeert voor professor, doet hij niet?"
+
+"Foei, mijnheer!" zei mevrouw _Witse_.
+
+_Klaartje_ en _Hateling_ glimlachten.
+
+Het pijnlijk oogenblik was voor _Gerrit_ spoedig voorbij en hij genoot
+een soort van vrede, toen mevrouw _Stork_ op den inval kwam dat hij
+"zeker wel heel mooi reciteeren kon, en of hij het niet eens doen
+wilde; 't was nu zoo'n goede gelegenheid".
+
+Dit is meer beweerd. Als het geheele gezelschap verzadigd is van
+allerlei spijzen en wijnen, de sinaasappelen rondgaan en de amandelen
+gekraakt worden; als degeen die reciteeren zal een hoofd heeft als
+twee andere van benauwdheid en warmte, natuurlijke gevolgen van epulae
+lautae in groot gezelschap, en de toehoorders, gemerkt het gebruik van
+de gaven des wijnstoks en der vijf werelddeelen, zeer vatbaar zijn
+om op de golven der versmaat de haven van Morpheus in te drijven,
+dan heet men dat "een goede gelegenheid om eens te reciteeren". Ik
+weet niet hoe _Gerrit_ hier over dacht: maar dit wist hij, dat het
+te geener ure zijn zaak was, en hij verontschuldigde zich alzoo. Maar
+mevrouw _Stork_ sloeg hare blikken diagonaal over de tafel om mevrouw
+_Witse_ te hulp te roepen.
+
+"Is _dat_ waar, mevrouw?" vroeg zij op den toon van het hardnekkigst
+ongeloof, "dat uw zoon nooit reciteert?"
+
+Mevrouw _Witse_ verklaarde dat zij integendeel vond, dat hij het heel
+lief deed.
+
+"Eigen verzen?" vroeg _Klaartje_.
+
+En de belegering werd voortgezet met verdubbelden moed, en allen die
+het meenden of niet meenden vormden een koor, waarvan de inhoud was
+dat _Gerrit_ zou reciteeren. Deze bleef echter onverbiddelijk.
+
+Mevrouw _Van Hoel_ was daarop de eerste om hem dit kwalijk te nemen
+en merkte met een lief lachjen aan: "dat dit zeker te min was voor een
+geleerde als _Gerrit_". Zijne moeder vroeg hem: "of zij de versjes niet
+eens halen mocht, die hij op zijn twaalfde jaar voor haar verjaardag
+gemaakt had". _Klaartje_ lachte, _Gerrit_ volhardde.
+
+"Het mooiste vers," zei _Wagestert_, om er een wending aan te geven,
+daar de zaak ernstig werd, "dat ik ooit in mijn leven gehoord heb,
+is een vers van vier regels op _Beronicius_, die een groot dichter en,
+met permissie, een groote lap was."
+
+"Och! en hoe was dat, mijnheer _Wagestert_?" vroeg mevrouw _Stork_,
+"hoe was dat?"
+
+"Mevrouw," hernam _Wagestert_ zeer plechtig, "het was een grafschrift;
+een grafschrift op den grooten _Beronicius_, die in een moddersloot
+een plotselingen dood gevonden had. Het luidde aldus:
+
+
+ "Hier leit een wonderlijke geest;
+ Hij leefde en stierf gelijk een beest;
+ Het was een misselijke sater;
+ Hij leefde in wijn en stierf in water."
+
+
+Hoe geestig ook voorgedragen, dit meesterstuk van _Buizero_ had
+niet dat uitwerksel van vervroolijking, hetwelk de heer _Wagestert_
+daarvan gaarne gezien had. Er moest dus nog een punt aan gemaakt
+worden, en _Gerrit_ was er het slachtoffer van.
+
+"En weetje nu wel, mijnheer de candidaat in de beide medicijnen! wat
+het mooie van dit vers is?"
+
+"Volstrekt niet!" zei _Gerrit_ met veel nadruk.
+
+"Weetje dan niet welk een groote lofspraak het voor den overledene
+inhoudt?"
+
+"Neen!" zei _Gerrit_, bijna overbluft door den zonderlingen man,
+voor wien hij wel wist dat men somtijds niet genoeg op zijne hoede
+wezen kon. Het geheele gezelschap verbeidde met gespannen verwachting.
+
+"Niet?" zei _Wagestert_ eindelijk, nadat hij _Gerrit_ lang en strak
+had aangezien. "Niet? Dan zal ik het je uitleggen. Hierom, mijnheer
+de candidaat, omdat het bewijst, mijnheer de candidaat, dat de groote
+dichter _Beronicius_ bij leven noch sterven medicijnen gebruikt heeft."
+
+Daarop nam hij zeer laconiek een handvol ulevelletjes, stak ze in
+zijn zak en fluisterde mama _Witse_ in: "voor me kindertjes".
+
+Het geheele gezelschap lachte, vooral mevrouw _Van Hoel_, en het:
+"die _Wagestert_!" enz. was in volle kracht. _Gerrit_ had een
+driegulden willen geven voor een weerwoord, maar hij vond er geen,
+voor en aleer hij dien avond op zijn bed lag, zooals dat in dergelijke
+gevallen den snedigsten overkomen kan; en mevrouw _Stork_ leidde
+hem af, door hem te raadplegen over de hiëroglyphen van verscheiden
+Fransche ulevelpapiertjes, met kalveren, die _vos_, en heggen, die
+_est_ beteekenden, en in welker ontcijfering de mooie _Hateling_
+oneindig veel knapper was dan hij.
+
+Het laatste "tafellestje" (het woord is van _Hooft_), de gember,
+ging rond. Gember is eigenlijk een hatelijk eten; een ernstige wenk
+om heen te gaan. De dames stonden op, en de heeren volgden spoedig.
+
+In de andere kamer ontstond onder de eersten een ijselijk krakeel,
+daar zij allen mevrouw _Witse_ wilden helpen in het schenken van de
+koffie; het werd echter bijgelegd, en de schoone _Hateling_ deelde
+de kopjes uit. Nu begaven zich de heeren, met het kopje in de eene
+en het schoteltje in de andere hand, in een zeer druk gesprek. Zij
+hadden den geheelen dag nog _zoo_ wijs niet gekeken.
+
+"Nu of nooit!" dachten onze dagbladen, vlugschriften, verzen, en al
+dat moois in den jare 1831. Het werd echter _toen_ niet gedaan, en het
+is acht jaar later, zoo ver als 't voeten had, terechtgekomen. "Nu of
+nooit," dacht ook _Gerrit_ in den jare 1838, op dien gedenkwaardigen
+na-den-eten, daar _Klaartje_ bij den schoorsteen stond en een
+geborduurd haardscherm bekeek. Hij naderde haar met zoo veel
+vrijmoedigheid als hij verzamelen kon.
+
+"Uw Buiten, juffrouw _Donze_, ligt, meen ik, aan den straatweg
+tusschen ..."
+
+Daar keerde _Wagestert_, die aardigheden aan _Hateling_ stond te
+verknopen, zich kort om, stiet _Gerrit_ aan den elleboog, en de kop
+koffie, die hij in de hand had, vloog over het kleedje van grijs
+gros-de-naples, dat _Clara's_ lieve leden omgaf.
+
+_Gerrits_ verlegenheid was verschrikkelijk. De dames vlogen toe,
+behalve mevrouw _Van Hoel_; er werden geen zakdoeken gespaard om het
+vocht op te nemen. Mevrouw _Storks_ mond stond niet stil van te beweren
+dat eau de cologne een panacé was tegen alle vlakken; mevrouw _Vernooy_
+verhaalde een troostrijke legende van een belangwekkende vlak, die
+vanzelf verdwenen was; en verscheidene dames tegelijk vonden het
+gelukkig, dat het "nog al in de plooien" kwam. Mevrouw _Van Hoel_
+voerde aan, dat champagne in 't geheel geen vlakken naliet, eene
+vertroosting, die hier minder te pas kwam; mevrouw _Witse_ maakte
+duizend verontschuldigingen voor haar zoon en voor haar koffie; een
+practisch vernuft ried _Klaartje_ de voorbaan achter te laten zetten;
+_Wagestert_ merkte aan dat zij "een lief souvenir" van mijnheer had;
+_Hateling_ zweeg met een triomfanten glimlach; mijnheer _Van Hoel_
+sprak nog eens weer van distracties en van de Blaak; _Gerrit_ deed
+zijn best om een redelijk figuur te blijven maken. En de schoone
+_Clara_ zelve deed niets dan lachen over al de drukte en ontroering,
+en herhaalde honderdmaal "dat het niets was", met een gezicht,
+dat gelukkig geheel met deze lichtvaardige beschouwing van de zaak
+overeenstemde.
+
+Evenwel, nadat alles tot rust kwam, had _Gerrit_ den moed niet zijn
+gedoodverfd gesprek over het Buiten aan den straatweg op te werken,
+en liet het veld aan _Hateling_ over.
+
+
+
+De speeltafeltjes werden gezet en er vormden zich drie
+partijtjes. Mevrouw _Stork_ verklaarde zich een hartstochtelijk
+liefhebster van omberen, "een charmant mooi spel"; mijnheer _Van
+Hoel_ zei met al de bedaardheid van iemand, die het dagelijks doet,
+dat hij er ook wel van hield; en _Gerrit_ moest de derde man zijn.
+
+De rest van 't gezelschap verdeelde zich aan twee bostontafeltjes. Aan
+het eene vertoonden zich _Gerrits_ ouders, met mevrouw _Van Hoel_
+en mijnheer _Vernooy_; aan het andere zaten mevrouw _Vernooy_,
+_Klaartje Donze_, _Wagestert_ en _Hateling_.
+
+Mevrouw _Storks_ hartstocht voor het omberspel scheen min of meer hare
+bekwaamheid te overtreffen; althans er was eene zekere onevenredigheid
+tusschen deze twee vereischten, die den heer _Van Hoel_ kennelijk
+hinderde. HEd. redeneerde machtig veel onder het spelen, en niet
+zelden gebeurde het dat zij al pratende een of andere kleinigheid
+over het hoofd zag. Zij had eene geheimzinnige wijze van de kaarten
+door hare hand heen en weer te schuifelen telken reize als zij moest
+opspelen, en het kwam wel voor dat, als de heeren heel lang op de
+beslissing hadden zitten wachten, zij plotseling de gewichtige vraag
+opperde, wie van hun beiden ombre was; ook scheen er ten gevolge van
+haar weduwtranen iets in hare oogen te zijn dat haar het kenmerkende
+tusschen een heer en eene vrouw soms niet duidelijk deed onderscheiden;
+soms had zij ook de aardigheid haren maat de slagen zonder naspeurlijke
+reden af te nemen, of den ombre de geestige verrassing te bereiden van
+aan het einde van het spel een kaart op te spelen van eene kleur daar
+zij vroeger in gerenonceerd had; en dat alles onder het mededeelen
+van gewichtige anecdotes omtrent voles die zij gemaakt en lichte
+sans-prendres die zij gewonnen had, en het uiten van smaadredenen op
+alle andere spelen, die, bij omberen vergeleken, zoo simpel waren. _Van
+Hoels_ welwillendheid was in een gestadigen strijd met zijn achting
+voor het plechtig omberspel. Hij was zeer ernstig en stroef, en
+als hij zich onmogelijk weerhouden kon eene aanmerking te maken,
+dan richtte hij zich tot _Gerrit_ als wrijfpaal. "Mijnheer _Witse_,
+je moet nooit troef uitspelen, of je moet er in dóórgaan," "mijnheer
+_Witse_! je moet altijd..." Maar _wij_ kunnen geene lessen uitdeelen,
+lezer, en _gij_ zijt even onschuldig als _Gerrit_.
+
+Aan het bostontafeltje met mevrouw _Van Hoel_ heerschte een ander
+gebrek. Mijnheer en mevrouw _Witse_, schoon voor het overige altijd
+in de beste harmonie levende, konden namelijk op het gevaarlijk
+stuk van des duivels prenteboek niet best te zamen overweg, en namen
+het elkander geregeld eenigszins kwalijk als zij een spel verloren,
+waarin zij malkaars whist geweest waren; bij welke gelegenheid de goede
+_Vernooy_ altijd als scheidsman door mevrouw _Witse_ werd in den arm
+genomen en altijd beweerde dat zij onmogelijk anders had kunnen spelen,
+en dat _Witse_ ook onmogelijk anders had kunnen spelen, en dat hij
+het zelf was, "die ongelukkig zoo vinnig tegenzat". Deze waardige man
+was eigenlijk een van de weinige schepselen, die voor het kaartspel
+geschikt zijn, en wien het in 't geheel niet schaadt het te plegen. Het
+wond hem niet op, het verveelde hem niet, het verbitterde hem niet,
+hij kon tegen zijn winst, hij kon tegen zijn verlies, hij bleef er
+vroolijk en, wat alles zegt, "geheel dezelfde" bij.
+
+Wat het derde partijtje betreft, daaraan werd de hoogste toon gevoerd
+door _Wagestert_, die niet, zooals _Vernooy_, naar den ouden stijl, de
+klaveren uit aardigheid _klavooren_, de harten, uit dito, beurtelings
+_harsens_ of _hartzeer_ noemde, en bij ieder hachelijk spel beweerde
+"dat het zoowel vriezen als dooien kon",--neen, de heer _Wagestert_
+was veel origineeler en obstineerde zich de poppen nooit anders dan bij
+hare bijbelsche namen te noemen: _Sara_, _David_, _Esther_ enz. Maar
+_Hateling_ schermde er zacht fluisterend tegen _Klaartje_ met zijn
+"malheureux au jeu, heureux en mariage" tusschen, en speelde haar
+de slagen toe, en was haar winst met een teeder gevoel in de oogen,
+en hielp haar op het bostonkaartje kijken, en kwam zoo dicht bij
+haar aangezicht, dat haar mooie krullen zijn wang en bakkebaarden
+aanraakten, en prees mevrouw _Vernooys_ verstandig spelen, en mevrouw
+_Vernooy_ was verrukt van den lieven, hupschen, gezelligen _Hateling_,
+die zoo recht geschikt was om uit eten te gaan!
+
+Het laatste toertje werd bepaald; de mooie zijden beurzen kwamen voor
+den dag. Mevrouw _Stork_, die het niet wist, maar aanmerkelijk verloren
+had, had de edelmoedigheid al de fiches door elkander te gooien;
+aan de andere tafeltjes oordeelde men dat niemand iets gewonnen had.
+
+Men stond op.
+
+Nog eenmaal waagde _Gerrit_ zich aan _Klaartje_, en vroeg haar naar de
+ligging van haar Buiten; hij vertelde haar, hoe hij er voorbijgekomen
+was, en haar had gezien. "Hij deed toen een voetreis."
+
+"O!" zei _Klaartje_, "een voetreis; een geleerde reis zeker, mijnheer
+_Witse_?"
+
+Hij kon niet antwoorden; tranen van spijt sprongen hem uit de oogen.
+
+"Is dat _uw_ boa, juffrouw _Donze_?" vroeg _Hateling_, haar met
+dat kleedingstuk naderende, en hij wierp het haar over de gladde
+schouderen.
+
+De gasten vertrokken.
+
+Nog ééne folteering wachtte _Gerrit_.
+
+"Waarom wou je nu niet reciteeren?" vroeg zijn mama, toen alles tot
+rust was.
+
+"Omdat ik het niet kan, mama!" was zijn antwoord.
+
+"Och," zei de oude _Witse_, "wij zullen er maar niet over spreken;
+maar het is een miserabel ding. De menschen zeggen allemaal dat
+je knap bent; en wanneer er iemand is, dan ben je altijd stil en
+ingetrokken. _Wij_ merken er het minste van. Ik kon duidelijk aan
+mijnheer _Van Hoel_ zien, dat hij dacht: is dat nu die knappe _Witse_?"
+
+"Ja, _Gerrit_! het is _niet_ pleizierig," voegde mama er bij. "Daar
+hadje nu mevrouw _Stork_. Het mensch heeft waarlijk geen moeite
+gespaard; ze heeft je op alle manieren aangepakt! Het is een knappe
+vrouw, eene heele bijzondere, knappe, vrouw"--zij drukte afzonderlijk
+op elk dezer woorden--"en je waart zoo strak als een pop."
+
+"Mevrouw _Stork_ liet me niet aan 't woord komen, lieve moeder!" zei
+_Gerrit_ met een flauw lachje.
+
+"Nu vriend! dat is ééns, maar nooit weer," zei papa; "ik bedank er
+voor; wat hebje aan je geleerdheid, als je ze niet toont?"
+
+_Gerrit_ ging dien avond naar zijn kamer, en weende over zijne
+geleerdheid. "Ik wenschte wel," zei _Gerrit_, de deur op het nachtslot
+gooiende, "ik wenschte wel dat ik een stommeling was."
+
+
+
+
+Dokters lief en leed.
+
+Twee jaren later zat de jongeling dien wij als Med. Cand. verlaten
+hebben, als Med. Doctor in eene Geldersche stad aan het ontbijt. De
+kamer, die hij hier gekozen had, was nog zoo veel mogelijk op den voet
+van een studentekamer ingericht; het eerwaardig gelaat van den grooten
+_Hufeland_, dat te Leiden met een paar spelden aan 't behangsel was
+vastgemaakt geweest, had intusschen een zwaarmoedige lijst gekregen,
+maar het gevilde menschebeeld, den doctoren zoo aangenaam, hing
+ook hier, als wedergade van die zekere tabel, waarop men in zachte
+overgangen den Apollo van Belvédère in een kikvorsch veranderen ziet.
+
+Maar waar was het vrouwebeeldje, dat zoo sprekend op _Klaartje Donze_
+geleek? Lang had hij het te Leiden nog voor zijne oogen gehad; maar
+daar de vriend van het zweetkamertje, die in het geheim was, het
+hem over de schoone met de duif op 't hoofd lastig maakte en zekere
+Rotterdamsche herinneringen hem daarbij een kleur in 't aangezicht
+joegen, was het zachtjes aan naar het achtervertrek verhuisd, zonder
+op te houden hem ook daar somwijlen een blos op de wangen te brengen.
+
+Twee jaren verliepen; _Gerrit_ werd ouder en, zooals hij meende,
+wijzer. Hij zag vele andere meisjes, en het ontbrak niet aan kleine
+verliefdheden voor een dag, of een week, of een maand.
+
+De schoone _Clara_ geraakte op den achtergrond. Te Rotterdam kwam
+zij niet meer. Mijnheer en mevrouw _Vernooy_ werden schaarsch door
+hem bezocht. Haar naam werd zelden genoemd. Het portretje geraakte,
+bij andere kunstvoorbrengselen, in een portefeuille.
+
+Heden echter, daar wij den dokter aan zijn ontbijt vinden, zien wij de
+herinnering aan het bevallig meisje weder bij hem opgewekt. Vóór hem
+ligt een brief van den vriend uit het zweetkamertje, die hem meldt,
+dat hij het hart van den kolonel vermurwd heeft, en zijne schoone
+dochter, in spijt van zijn knevelbaard, getrouwd. Hij kan niet nalaten
+er bij te berichten, dat de vooroordeelen bij den krijgsman tegen
+zijn persoon, bij nader inzien, toch zoo sterk niet geweest waren,
+als hij zich in het eerst wel verbeeld had.
+
+"Hij ook al getrouwd!" mompelde _Gerrit_, "een zoekend advocaat. Wat
+heeft hij een vrouw noodig? Maar ik, die zoekend dokter ben--ik
+behoorde lang gehuwd te wezen. Welk dokter krijgt een degelijke
+praktijk, zoolang hij niet een degelijke vrouw heeft?"
+
+Een degelijke praktijk. Hij had nog zoo goed als in het geheel geen
+praktijk. Maar zooveel temeer collega's. (Nog gisteren was er een
+kers-versch van de Utrechtsche hoogeschool gearriveerd.) Hij had geen
+praktijk, maar zooveel temeer tijd, dien hij _toch_ niet in zijne
+geliefde boeken mocht doorbrengen. Of moest hij niet op straat gezien
+worden, alsof hij iets te doen had? Moest hij niet beleefd zijn en
+bezoeken afleggen, alsof niets hem beter smaakte? Zoowel als zijn
+patent betalen, alsof hij zijn patent verdienen kon?
+
+Eén geluk was er voor _Gerrit_ als hij aan huwen dacht. Vele jonge
+doctoren verkeeren in het volgend troosteloos dilemma: zij hebben
+eene vrouw noodig om praktijk, en zij hebben praktijk noodig om
+een vrouw te krijgen. Maar _Gerrit Witse_ was bemiddeld. De heer
+notaris had akten genoeg gemaakt in zijn leven, om zijn zoon het
+doen opmaken der gewenschte huwelijksakte mogelijk te maken, al was
+het ook dat zijne keuze viel op een meisje, dat behalve haar deugd
+en haar schoonheid niets ten huwelijk bracht Had _Klaartje Donze_
+iets meer? Was _Klaartje Donze_ reeds gehuwd? Hij wist het niet. Maar
+waarom dacht hij nu weer aan _Klaartje Donze_?
+
+Het sloeg negen uren. _Gerrit_ kleedde zich, en begaf zich naar het
+militaire hospitaal, waar hij, bij gebrek aan eigen praktijk, het
+een voorrecht achtte het ziekenbezoek van den chirurgijn majoor te
+mogen bijwonen, en van daar naar de weinige zieken in achterbuurten en
+stegen, die hem door een ouden collega welwillend waren opgedragen. Hij
+hoorde met het uiterste geduld hunne vreemdsoortige klachten aan,
+loopende over "geruusch, zuzelingen en drilligheden in den kop,
+knoeperingen in den hals, stiktens in de long, draaiingen van het hart,
+water over hetzelve hart loopende, watergal, koekeren van winden",
+en wat dies meer zij, met en benevens "loopende wurmen, vliegende
+jichten, en stijgende moeren".
+
+Toen weder naar huis. "Zijn er ook boodschappen?" Antwoord als
+gisteren: "Neen".
+
+Daarna moest de oude collega bezocht en verslag afgelegd worden
+van de opgedragen patiënten. De oude collega was een man van een
+zeventig jaar, die op zieken en gezonden gromde, en daardoor veel
+ontzag onder beiden had. Zijn taal scheen orakeltaal, zijne recepten
+werden als sibyllijnsche bladen op prijs gesteld, en zulks vooral door
+de artsenijmengers, die den ouden dokter afgodeerden. In gevallen,
+die eenigszins ernstig waren, schreef hij er gewoonlijk vijf in de
+vierentwintig uren. De jonge dokter kon het hem moeielijk naar den zin
+maken. Reeds verkorf hij het grootendeels door de militaire praktijk
+in het hospitaal bij te wonen. De bloedzuigers hadden des geleerden
+grijsaards sympathie in geenen deele.
+
+Voor ditmaal echter bleef het schrollen op de _"non missurae cutem",_
+dat zich anders dagelijks herhaalde, achterwege.
+
+"Ik heb hoofdpijn," zei de oude collega, "en het lijden hindert mij
+vandaag. Wees zoo goed in den achtermiddag een buitenpatiënt voor mij
+te bezoeken; de dochters van vrouw _Sijmens_, te Sprankendel. Een mooie
+wandeling. Gij kunt met de koelte terugkomen. De meid is zwaar ziek."
+
+De opgedragen taak was _Witse_ niet onaangenaam. Sprankendel was een
+schilderachtig gehucht, te midden van lachende heuvelen, terzijde
+van den grooten weg gelegen. De wandeling derwaarts mocht een groot
+uur kosten. Na zijn maaltijd genuttigd te hebben, aanvaardde hij ze
+welgemoed. Hij zou het buitenverblijf voorbijgaan, waar hij eenmaal
+de schoone _Clara_ had zien zitten, met de duif op 't hoofd.
+
+Het geschiedde. Maar nooit scheen een buitenverblijf zoo uitgestorven
+als dat waar hij thans zoo gaarne leven gezien had. Het was een
+warme dag; niemand waagde zich op het terras, door een brandende
+zon beschenen. Aan den ganschen voorgevel waren alle zonneschermen
+zorgvuldig gesloten. Eenige witte duiven zaten onbewegelijk op het
+dak en schitterden in het felle licht. "Ziedaar de duiven," zeide
+_Witse_, "maar waar is de schoone? Misschien logeert zij weer bij de
+eene of andere tante, waar de een of andere _Hateling_ haar het hof
+maakt; misschien, wie weet het? staat zij op het punt zoo'n wezen
+te trouwen. Arme vrouwen, die het ongeluk hebt een mooi gezicht
+te hebben! Welke strikken spant men uw geluk! Gij meent dat men u
+liefheeft met al de oprechtheid, al de kracht, al den eenvoud eener
+eerste liefde, en ondertusschen..."
+
+Ondertusschen zat het onschuldig voorwerp dezer misanthropische
+bespiegelingen hoogst waarschijnlijk aan een goeden maaltijd.
+
+_Witse_ moest weldra den straatweg verlaten om het schoone Sprankendel
+op te zoeken. De kleine beek, daar het gehucht zijn naam naar droeg,
+wees hem het naaste pad tusschen de vruchtbare heuvelen. Nu eens
+verschool zij zich als een nietsbeduidende sprank bijna geheel onder
+overhangende struiken en onkruid; maar dan kwam zij weder dartel en
+helder te voorschijn, met niet weinig drukte van een hooger grond
+afdalende. Eindelijk bereikte _Witse_ den oorsprong, waar het water
+zachtkens uit het zand opwelde, en een kleine kom vormde, waaruit
+zich verscheidene spranken in onderscheiden richting over gladde
+keisteenen een weg baanden.
+
+Een jeugdig echtpaar scheen dit plekje, schaduwachtig en koel, tot
+eene rustplaats te hebben uitgekozen. De bevallige jonge vrouw, op
+het gras nedergezeten, hield een vroolijken krullebol op den schoot,
+die tegen de waterbellen en schuimkrinkels lachte; de jeugdige man,
+met een glimlach op de lippen, zag beurtelings naar moeder en zoon.
+
+"Ziedaar het geluk dat ik verlang," zuchtte _Witse_.
+
+Een zijpad bracht hem bij de weduwe, wier dochter zijne zorgen
+behoefde. Het was haar eenig kind niet. Zij had nog eene dochter,
+die met de nu zieke haar bijstond in het wasch- en bleekwerk, dat
+voor een gedeelte in haar onderhoud voorzag, en daarenboven een
+zoon die voerman was en het drietal koeien verzorgde, dat zij op de
+omgelegene heuvelen weidde. Het was een dier gelukkige huisgezinnen,
+die geen vreemde hulp behoeven, waar nimmer gebrek is, maar ook nimmer
+overvloed, en zuinigheid en werkzaamheid onontbeerlijk zijn.
+
+Voor de deur vond onze arts de oudste dochter, een beeld van
+gezondheid, bezig een dier groote koperen melkkannen te schuren,
+die in heuvelachtige streken op het hoofd gedragen worden.
+
+"Hoe gaat het met _Barte_?" vroeg hij haar.
+
+"Oolik, dokter; oolik," zei de deerne, haar voorhoofd met het buitenste
+van de hand afvegende. "Heeroom is er bij."
+
+En zij vervolgde haar taak. In zulke huishoudens moet zoolang mogelijk
+alles zijn gang gaan. Slechts den hoogeren standen is het vergund
+zich aan hunne zieken te _wijden_.
+
+_Gerrit_ trad binnen. Op bevel van den ouden dokter was het volslagen
+donker in de ziekekamer. Op _Witses_ verzoek om "een beetje licht
+te maken," rees een kleine gestalte, die voor een stoel op de knieën
+gelegen had, op en stiet een luik open. _Witse_ trad inmiddels voor
+de hooge en benauwde bedstede, waarin de zieke lag.
+
+Het was onmogelijk in haar eene jonge dochter van nauwelijks achttien
+jaar te herkennen. Nog voor weinige dagen was zij het evenbeeld harer
+gezonde zuster, en zoo vroolijk als zij mooi was. Maar nu lag zij
+machteloos uitgestrekt, met een bleek gelaat, dat akelig afstak bij
+de gitzwarte haren, die ordeloos uit haar mutsje te voorschijn kwamen;
+hare wangen waren gansch geslonken, haar ingevallen oog half gesloten,
+hare lippen zwart als inkt.
+
+"_Barte_," sprak _Witse_ met een nadrukkelijke stem. De zieke opende
+de oogen, en staarde den vreemden dokter met verbazing aan.
+
+Hij nam haar bij de hand. Die hand was droog als leder.
+
+De pastoor en de broeder stonden verslagen bij de bedstede, wachtende
+op hetgeen de dokter zeggen zou. De moeder lag weder op de knieën
+voor een stoel, den rozekrans in de handen, dien zij sedert drie
+dagen niet had terzijde gelegd.
+
+De pastoor schudde het hoofd.
+
+"Zou ze sterven?" vroeg de broer, die een kerel als een boom was,
+en barstte in tranen uit, als hij het woord van sterven uitte.
+
+De moeder zag op, en staarde strak en angstig naar den dokter.
+
+"Wij hopen van neen," zei _Witse_, "maar ga van het bed. Gij benauwt
+de zieke."
+
+Nogmaals schudde de pastoor het hoofd.
+
+"Zou ze sterven, heer pastoor?" vroeg de broer andermaal.
+
+"Bij God zijn alle dingen mogelijk," troostte de geestelijke. Maar
+ook ditmaal schudde hij het hoofd. De goede oude hield van _Barte_.
+
+_"Frustra cum morte pugnabis,"_ zei hij tot _Witse_.
+
+_"Exspecto crisin,"_ antwoordde deze. "De ziekte is nog niet op haar
+hoogst. Doch, doe gij uw plicht," voegde hij er zachtjes bij.
+
+De moeder vloog op. Het doodvonnis van haar dochter was getekend! Zij
+gaf een gil en ijlde de deur uit. _Gerrit_ ijlde haar na.
+
+Hij vond haar aan de voeten van eene jonge dame, die juist uit een
+hittewagen gestapt was en de leidsels nog in de hand hield.
+
+"Mijn kind, mijn kind!" riep de ongelukkige vrouw, de knieën der
+jonge dame omarmende. "Mijn kind is dood!"
+
+Hare stem verzwakte, hare handen gleden naar beneden, haar hoofd
+zakte doodsbleek op den grond.
+
+"Help deze vrouw, dokter!" zei _Klaartje Donze_. "Zij ligt van
+haarzelve. Is haar dochter gestorven?"
+
+"Neen, juffrouw _Donze_," stamelde _Gerrit_ ontroerd. "Haar dochter
+is niet dood. En zoo _Mieke_ mij helpen wil hare moeder op te tillen,
+en _Gillis_ uw paard mag bezorgen..."
+
+Dit laatste was niet noodig. "Laat maar los, _Mieke_!" sprak _Klaartje
+Donze_, die een traan in de oogen had, maar geen oogenblik hare
+bedaardheid had verloren. En zij bracht zelf haar klein paard bij
+het hek, waaraan zij het vastbond.
+
+Intusschen droeg _Witse_ met behulp van _Mieke_ de verstijfde moeder
+naar een ander vertrek, waar zij haar op een bed nederlegden. _Clara_
+volgde hen op den voet.
+
+"Wat moet er gedaan worden, mijnheer _Witse_?" vroeg zij.
+
+"Drink een glas water, juffrouw _Donze_!" sprak _Gerrit_, gelukkig dat
+zij hem herkend had; "en laat dit meisje het ook doen. Wees zoo goed
+de kleeren van de oude vrouw los te maken. Laat haar azijn ruiken,
+zoo die er is, er wrijf haar de polsen en de slapen van het hoofd. Zie
+dat gij haar een teug water ingeeft." En hij begaf zich op nieuw aan
+het leger van _Barte_.
+
+Na eenige oogenblikken kwam hij terug. _Clara_ lag op hare beurt
+geknield, en hield de hand der oude vrouw zachtjes in de hare. Deze
+was een beetje bijgekomen, en zag het schoone meisje met een naamlooze
+uitdrukking van dankbaarheid en liefde aan.
+
+"Ik weet immers, vrouw _Sijmens_," zei _Klaartje_, "dat gij den moed
+niet verliezen zult. _Barte_ is nog niet opgegeven--en de goede God
+is almachtig."
+
+"Wij moeten allen voor één God verschijnen," zei de oude vrouw,
+er aan denkende dat _Klaartje_ niet roomsch was.
+
+"En tot een zelfden God bidden," antwoordde _Clara_, "en door een
+zelfden troost getroost worden. Wat zoekt gij, vrouw _Sijmens_?"
+
+"Mijn paternoster," zei de oude vrouw. "Ik had het zoo even nog."
+
+"Als gij bidt," sprak _Klaartje_, "laat het zijn in een vast vertrouwen
+op de macht en de liefde van God. Zulk bidden zal u versterken,
+vrouw _Sijmens_, en God zal het verhooren. Gij weet hoe gevaarlijk
+_mijn_ moeder geweest is, en zij is nu weer zoo frisch en gezond als
+ikzelf. En _Barte_ is zooveel jonger."
+
+"Het was een bloem op aarde," zei de oude vrouw, en een glans van
+vergenoegen kwam op haar gelaat. Daarop betrok het weer. "Te denken,"
+zeide zij, "dat ik haar bij haar vader onder de groene boompjes
+brengen moest ..."
+
+"De dokter zegt dat er nog hoop is, vrouw _Sijmens_! Als gij den
+moed verliest, doet gij zonde," zei _Klaartje_, een paar groote
+tranen afwisschende.
+
+De dokter bevestigde het.
+
+"Kom aan, _Mieke_," zei de oude vrouw, zich vermannende, "doe mijn
+jakje dicht; ik ga bij _Barte_."
+
+"Maar gij zult u goed houden, niet waar, vrouw _Sijmens_?" vleide
+_Klaartje_.
+
+"Komde _gij_ nog eens weer?" vroeg de moeder.
+
+_Klaaktje_ beloofde het. Het was nu haar tijd om te vertrekken. _Gerit_
+hielp haar het paard losmaken. Met een wip was zij in het
+rijtuig. _Gerrit_ reikte haar de leidsels. Daar reed zij heen.
+
+Maar nog even hield zij haar paardjen in, dat zulks kwalijk genoeg
+scheen te nemen en met zijn kop trok en schudde, als van zoo kribbig
+een hitje te wachten was.
+
+"Dokter," zei _Klaartje_, "hoe laat komt gij morgen bij de zieke?"
+
+"Reeds in de vroegte, juffrouw _Donze_," was het antwoord.
+
+"Zoudt gij, terugkomende, even op Wildhoef willen aankomen, om te
+zeggen hoe het gaat?" vroeg zij blozende.
+
+"Zonder twijfel," betuigde _Gerrit_, volstrekt niet voor haar
+onderdoende.
+
+En zij liet het hitje weder opschieten, dat een sprong deed, waarvan
+_Gerrit_ schrikte.
+
+"Geen nood!" zeide zij, "wij kennen malkaar." En het hek van de werf
+uitdraaiende, op eene wijze, die geen Amsterdamsch koetsier haar zou
+verbeterd hebben, liet zij het vurig paardje zijn hart ophalen aan
+den zandweg en draafde heen.
+
+"Zal de dokter blieven na de stad te riden?" vroeg _Gillis_.
+
+"Dank u," zei _Witse_, "ik wandel liever?" En nog eens de beschikkingen
+herhalende, die hij gegeven had, nam hij de thuisreis aan.
+
+Zijn eerste werk was een hoogen heuvel te beklimmen, of hij _Klaartjen_
+ook nog kon gewaar worden. Dit gelukte. Rustig zat zij achter haar
+lustig paardje, dat zij meesterlijk regeerde en eerlang vergunde in
+den stap te komen. Met een onuitsprekelijk welgevallen sloeg _Gerrit_
+haar gade. "Welk eene ontwikkeling in dat meisje!" riep hij uit;
+"welk een kloekheid! Zulk een vrouw zou me lijken, verlegen en linksch
+als ik altijd ben. Zooals ik haar daar nu zie..."
+
+Maar het hitje sloeg een bijdehandschen zijweg in; echter niet dan
+na grooten lust geopenbaard te hebben om een tegenovergesteld pad
+van nabij in oogenschouw te nemen. _Klaartje Donze_ was voor heden
+niet meer te zien. Maar morgen...
+
+_Cetera desunt._
+
+1840.
+
+
+
+
+
+
+
+BIJVOEGSEL DER DERDE UITGAVE TOT DE NAREDE EN OPDRACHT AAN EEN VRIEND.
+
+
+Bijna twaalf jaren zijn verloopen en de toegezegde "Nieuwe
+Vertooningen" [21] verschenen niet. Wel lagen, reeds op het oogenblik
+der toezegging, eenige schetsen gereed, maar het _spelen_ met de
+Camera Obscura, waardoor ze tot een boekdeel zouden zijn aangegroeid,
+moest ophouden. De tijd van het _incidere ludum,_ waarvan mijn
+motto gesproken had [22], was met nadruk daar. Ik kon voortaan mijn
+instrument beter gebruiken.
+
+Sommige mijner vrienden beweren dat ik er sedert niet of weinig aan
+gehad heb; andere meenen dat het mij nog altijd goede diensten gedaan
+heeft. Zoo dit laatste het geval mocht zijn, blijft het met te meer
+nadruk: _nec lusisse pudet._
+
+Intusschen heeft eene te groote belangstelling de uitgevers tot een
+derden druk van _Hildebrands_ boekske verleid, en zij wenschten; het
+woord blijft natuurlijk geheel voor hunne rekening; zij wenschten
+dien te verrijken met hetgeen zij maar al te wel wisten dat nog in
+de sedert lang geslotene portefeuille voorhanden was. Had hij moeten
+weigeren? Dan zou het toch waarlijk geweest zijn: _lusisse pudet._
+
+Ik weet niet of de te dezer gelegenheid voor 't eerst aan 't licht
+gebrachte opstellen beter of slechter dan de andere zijn. Maar het
+zou mij verwonderen, daar alle te zamen de voortbrengselen zijn
+van een zelfden geest en tijd. Veel is er in het geheele boekdeel,
+dat ik u thans voor de derde maal aanbied, dat ik nu anders zou
+gevoelen, beschouwen en voorstellen; veel dat _le mérite de l'
+à-propos_ verloren heeft. Maar ik geef het zooals het is en voor
+hetgeen het is. _Il faut juger des écrits d'après leur date_ blijft
+een treffelijke spreuk. Indien ik op dit oogenblik gelegenheid of
+genegenheid had om denzelfden vorm van schrijven te gebruiken, ik
+zou meenen tot iets belangrijkers, iets geestigers verplicht te zijn;
+en vooral tot iets dat van een dieper menschenkennis en vruchtbarer
+levensbeschouwing getuigde.
+
+Indien ik daartoe onvermogend ware, ik zou moeten zeggen: ik heb een
+dozijn jaren te vergeefs geleefd.
+
+Waarde vriend, er heeft, sinds ik u voor de eerste en tweede
+maal het meerendeel dezer minbeduidende opstellen opdroeg, al
+vrij wat plaats gehad in en rondom ons. Het leven is ons sedert
+eerst duidelijk, ja, wij mogen wel zeggen eerst _bekend_ geworden,
+en op onderscheidene wijzen werden wij bij den ernst des levens en
+bij onszelven bepaald. Het is wel eens bang geweest daarbinnen en
+donker daarboven. Er hebben tranen gevloeid, van wier bitterheid onze
+vroolijke jeugd, ondanks al haar verbeeldingskracht, geen denkbeeld
+had. Gelukkig indien wij vreugden en ook vertroostingen hebben leeren
+kennen, waarvan de kracht en de zaligheid in onze jonge harten niet
+was opgeklommen. Zij zijn er; en Diezelfde die ons onze vroolijke
+jeugd schonk, heeft ze te zijner beschikking, en geeft ze aan die ze
+behoeft. Danken wij Hem, die ons een hart gaf om _alles_ te gevoelen,
+een hart waaraan niets menschelijks vreemd bleef, en dat ook voor
+het goddelijke niet onaandoenlijk is. Ook in dien speeltijd van onzen
+geest, dien dit boekdeel ons herinnert, stonden wij nu en dan stil, als
+op een aanraking met het hoogere, met het hoogste. De tijd is gekomen
+om daaraan geheel ons hart over te geven en, bij het waarachtige
+licht, alles en allen, maar allereerst onszelven te zien. Neen, het
+is de vraag niet meer van _spelen,_ maar wel van wederom _kinderen
+te worden._ En daar is een _kind zijn_, waarin alleen de kracht,
+de wijsheid, en de vreugde van den man gelegen is.
+
+1 October 1851.
+
+
+
+
+
+
+
+LAATSTE BIJVOEGSEL.
+
+(Zevende Uitgave.)
+
+
+En nu--het is gedaan! Deze Zevende druk zal onder uwe oogen niet
+komen; gij zult dien niet opnemen met dien genoegelijken glimlach,
+die u zoo eigen was, en waarmede door u elke nieuwe uitgave van dit
+boekdeel werd ontvangen en begroet.
+
+Die oogen zijn voor goed gesloten. Geen mensen zal dat beminlijk
+gelaat meer zien. Onze boeken, onze personen, onze "vertooningen",
+onze werkelijkheden--het is alles voor u voorbijgegaan. Vriend
+mijner vroegste jaren en, het gansche leven door, steeds meer mijn
+vriend! Vriend en Broeder! Gij zijt mij van het hart gescheurd. Het
+graf is tusschen ons.
+
+Ach, welk een dag, als ik u op dat ziekbed vond, dat binnen tweemaal
+vierentwintig uren uw sterfbed wezen zou! Nog had ik eenige hoop. Uw
+hoofd was zoo goed. Gij waart nog zoo dezelfde in spreken en
+vragen. Vier dagen later stond ik bij de voor u geopende groeve.
+
+Nooit zal ik die begrafenis vergeten. Neen, ik had mij niet vergist,
+beste kerel: toen ik, onder al de vrienden mijner jeugd, u de eerste
+plaats in mijn hart gaf. Ik had niet te veel gewaagd, toen ik,
+voor nu reeds meer dan dertig jaren, in deze bladen, bij het geheele
+Vaderland een zoo gunstig denkbeeld van u poogde in te boezemen, als
+mij, zonder al te zeer in uwen lof uit te weiden, maar eenigszins
+mogelijk was. Het zegel is er op gezet. Allen hebben, voor en na,
+u den man bevonden, dien ik in u gezien en aangeduid had, en gij
+zijt zoo hartelijk bemind en oprecht beweend ten grave gedaald als
+weinigen stervelingen mag gebeuren.
+
+Het was een der eerste dagen van April; een vroege zondagmorgen. Wij
+brachten u buiten de stad op het kerkhof van het bekoorlijk
+Ubbergen. Hoe heugde het mij, dat ik het met u bezocht had, voor
+achtentwintig jaar, toen dat graf voor 't eerst was opengegaan, om dat
+dierbaar kind, dien lieven jongen, te ontvangen, over wiens verlies
+uw hart nooit geheel heeft opgehouden te bloeden!--Nu was het nog zoo
+stil op straat, de meeste menschen nog in de rust. Maar de geringe
+luidjes langs den Voerweg waren op, en kwamen, als wij voorbijreden,
+aan het open venster en in de deur, en keken zoo bedrukt, en schudden
+zoo weemoedig het hoofd; want daar _ging_ die goede beste dokter,
+die er in die vijfendertig jaren zoo velen geholpen, en zoo velen,
+die hij niet helpen kon, met zijn hartetaal en deelnemend gezicht
+vertroost had, en die ook "voor _ons_ menschen" zoo goed was geweest!
+
+Buiten de poort sloot zich, ongenoodigd, een lange, lange reeks van
+rijtuigen met deelnemende vrienden aan. Rondom het graf verdrong zich
+een dichte schaar; menschen van allerlei leeftijd, stand, denkwijze,
+betrekking op u. Zoo vele aanwezigen, zoo vele bedroefden. Van uwe
+medebroeders in het menschlievend gild der artsen ontbrak er niet
+een. Maar _wie_ van uwe vrienden, die erbij kon wezen, wilde er
+ontbreken?--Ook gij drongt door de menigte heen, om te zien waar hij
+gelegd werd, en liet de paarden de paarden, trouwe voerman, die hem
+zoo menig-menigmaal naar zijn buiten-patiënten gereden hadt en ook
+thans in functie waart! En dikke tranen rolden in uw bakkebaarden.
+
+Vele hartelijke woorden werden gesproken. Woorden van smart, van
+liefde, van hoogachting, van dank, van troost, van gebed. Drie
+diepbewogene stemmen heb ik gehoord. Ook ik sprak een woord. Wat ik
+zeide weet ik niet meer, maar wel wat ik gevoelde. Nog gevoel ik het.
+
+Toen ik, vier weken later, dat plekje nog eens bezocht, was het
+Mei geworden en alles groen. Men had mij gezegd dat langs den weg
+naar Ubbergen de nachtegaal reeds overvloedig te hooren was; maar ik
+bevond het op dien morgen niet alzoo. Basterdnachtegalen, Bram! waar
+wij het mee deden en zoo gaarne de echten in hooren wilden, als er
+geen echte waren; basterdnachtegalen, anders niet'! Maar als ik bij uw
+graf stond en mijn eenzaam hart vol werd--daar hoorde ik op eenmaal den
+echten! Daar hief hij aan, luid en klaar, met die lange uithalen--, met
+dat krachtig georgel, dat niemand hem nadoet. Het scheen mij een lied
+te uwer eere, vriend van gezang, vriend van schoone natuur en van al
+wat schoon was en welluidend! Vriend in alles van het _echte_!
+
+Rust zacht, dierbare Broeder! Gij hebt in uwen Heiland geloofd. Bij
+Hem hoop ik u weer te zien. Uw beeld rust in mijn hart. En zoet is
+mij de gedachte dat, zoolang dit boek in Nederland gelezen worden zal,
+ook uw naam in Nederland niet zal worden vergeten.
+
+1 Juni 1871.
+
+
+ In Memoriam
+ Abrahami Scholl van Egmond. M D.
+ _Nat_. IV Oct. MDCCCX _Denat_. XXXI Mart. _MDCCCLXXI_
+
+ ·
+
+ Multis ille bonis flebilis occidit,
+ Nulli flebilior quam mihi.
+
+ _Hildebrand_.
+
+
+
+
+
+
+
+VERSPREIDE STUKKEN VAN HILDEBRAND.
+
+
+Vooruitgang [23].
+
+ Klein, klein kleuterken.
+ Wat doe jij in me hof!
+ Je plukt men al de bloemkens of
+ En maakt het veel te grof.
+
+ _Oud Deuntje_.
+
+
+Spoken! O, ik heb allen eerbied voor ons beter licht; maar het spijt
+me razend, dat er geen spoken zijn. Ik wenschte er aan te gelooven,
+aan spoken en aan toovergodinnen! O, moeder de Gans, lieve Moeder
+de Gans! laarzen van zeven mijlen! onuitwischbare bloedvlek op dien
+noodlottigen sleutel! en gij, stroom van rozen en paarlen uit den
+mond der jongste dochter! hoe verkwiktet gij mij in mijne jeugd! Mijn
+grootmoeder kon de historie van Roodkapjen al zeer goed vertellen. 's
+Zaterdags-avonds, als zij haren bijstand kwam verleenen bij het
+vouwen van de wasch; alvorens zij dat gewichtige werk aanvaardde,
+in het schemeruur; en de kleinste zat op haar schoot en speelde
+met haar zilveren kurketrekker in de gedaante van een hamer. Hoe
+blonken hare oude oogen, als zij den wolf nabootste, op het oogenblik
+dat hij toebeet! Zekerlijk, "Vader _Jacob_ en zijne kindertjes"
+is een heel mooi boekje; "de Brave _Hendrik_" is allerbraafst;
+maar ik had toen een afkeer van al die geschriften, op wier titel
+prijkt "voor kinderen", "voor de jeugd"; en wat betreft titels als:
+"Raadgevingen en Onderrigtingen", zij waren mij een gruwel. Als kind
+begreep ik de nuttigheid van het nuttige niet zoozeer. Maar ik had
+een mooie uitgaaf van Moeder de Gans: half Fransch, half Hollandsch;
+zonder omslag, zonder titel, en al de bladzijden boven en beneden als
+een jachthond behangen. Van de poëtische zedeleer aan het eind van
+ieder verhaal, cursief gedrukt, begreep ik niets. Maar ik begreep
+het verschrikkelijke van het "Zuster _Anna_, zuster _Anna_! ziet
+ge nog niets komen?" en dan het wrekend zwaard van den opgedaagden
+broeder! o, Die Blauwbaard, die verschrikkelijke, die gruwelijke,
+die heerlijke Blauwbaard! Was mij zijne geschiedenis de schoonste der
+geheele verzameling: toch was ik er eenigszins bang voor. Als ik bet
+boek in handen nam, draaide ik er omheen, met een zekere begeerige
+schuwheid, als eene mug om de kaars. Eerst las ik al het andere;
+eindelijk viel ik op den vrouwenbeul aan, beet toe, en verslond
+zijne historie. Mijn ademlooze belangstelling, mijne bleeke wangen,
+mijn kippevel, mijn omzien naar de deur, mijn hevig schrikken als
+er in die oogenblikken iets van de tafel viel of iemand binnenkwam,
+dat alles staat mij levendig voor den geest, en ik wenschte, o ik
+wenschte, dat ik dat alles nog zoo voelen en genieten konde! Gelooft
+gij dat die tijd verloren was? dat zulk een uur niet tot mijne vorming
+medewerkte? dat het mijne verbeeldingskracht niet uitzette, sterkte,
+en haar voedsel gaf?
+
+En nu--waar mijn Moeder de Gans van die dagen gebleven is, weet ik niet
+[24]. Mijn jongere broers en zusters hebben er nooit zooveel werk van
+gemaakt. Ik heb ze nooit in hunne handen gezien. De kinderen onzer
+dagen lezen allerhande nuttigheid, geleerdheid, vervelendheid. Zij
+lezen van volwassenen, die zij niet begrijpen, en van kinderen, die
+zij niet zouden durven navolgen. Eerst van engeltjes in jurkjes en
+broekjes, die hun spaargeld aan een arm mensch geven, op het oogenblik
+dat zij er speelgoed voor dachten te koopen; later van groote mannen,
+naar hun begrip versneden en pasklaar gemaakt [25]. En dan worden zij
+altijd _leerzame jeugd_ en _here kinderen_ genoemd. Men weet niet dat,
+ofschoon menig volwassene wenscht kind te zijn, er geen kind ter wereld
+is, dat zich gaarne dien titel hoort geven. Het verstandige woord van
+_Van Der Palm_ tot de jeugd: "Ik wil u niet vernederen, maar opheffen"
+[26], is voor de meeste kinder-auteurs een onbegrepen wenk. En wie
+wil altijd leerzaam en lief heeten? Kinderen zijn er te bescheiden toe.
+
+Doch dit alles verandert. Onze kleine morsbroekjes zijn anticipaties
+op volwassen menschen. Voor hen bestaat, van moeders schoot af, geen
+enkel vroom bedrog, geen enkele wonderbaarlijke jokken meer. Moeder
+de Gans is veracht; zij weten, dat al wat zij vertelt onmogelijk is,
+dat er nooit katten geweest zijn, die spreken konden, dat er geene
+moei ter wereld uit een pompoen eene koets kan maken: zij weten, dat
+St. Nicolaas niet door den schoorsteen komt; dat "wie aan den zwarten
+man gelooft, van zijn verstand beroofd is!" dat alles natuurlijk toe
+moet gaan, met handen gemaakt, of voor geld opkocht worden.--Het is
+mooi, het is verstandig. Het is beter.
+
+En toch geloof ik, dat het geheel afsluiten dier bovennatuurlijke
+wereld, het volstrekt beperken der kinderlijke begrippen tot het
+gebied van het physiek-mogelijke, zijne kwade zijde heeft, en in menige
+jeugdige ziel den grond legt tot een later scepticisme, rationalisme,
+of ten minste tot een zekere koelheid voor eene menigte van zaken, die
+anders op het gemoed plegen te werken. Waarlijk, men maakt der jeugd te
+veel indrukken onmogelijk. Onze kleine mannetjes zijn al te verstandig,
+al te wijs. Zij leeren te veel op zinnen en zintuigen vertrouwen, en
+dat wederspannige van te willen zien en tasten, alvorens aan te nemen,
+blijft. Gij leert uwe kinderen vroeg van een "Lieven Heer" spreken, die
+alles ziet en hoort: ijver dan ook niet te zeer tegen die verhalen der
+kinderkamer, met welker indruk een dergelijk geloof veel beter strookt,
+dan met dien van uwe volksnatuurkunde, vroegtijdig ingeprent. Maar
+gij vreest, dat uwe kinderen bang, vreesachtig, lafhartig, zullen
+worden. Eilieve! indien dat in hun bloed of in hunne zenuwen is, zullen
+zij het toch worden; zoo niet voor spoken, dan voor beesten, voor
+dieven, voor struikroovers. Eene kinderziel _wil_ hare verschrikkingen
+hebben. Het wonderbaarlijke--hoe verlokkelijk is het! Of is het uzelven
+niet een genoegen, spook- en wondergeschiedenissen te lezen! Ik voor
+mij lees Swedenborg liever dan _Balthazar Bekker_. Gij doorbladert de
+_Mille et une nuits_ met genoegen; een onzer eerste mannen leest ze
+sedert onheugelijke jaren dagelijks. Gij gaat tooverballetten zien;
+gij zijt de vrijwillige dupe van eenen _Faust_, eenen _Samiël_,
+en een _Cheval de Bronze_. Het bovenzinnelijke, het onbegrijpelijke
+streelt u. Welnu, die trek is bij uwe kinderen nog grooter. Laat der
+jeugd dan hare wonderen! Aan haar al het schitterende der schatrijke
+verziering, aan haar Brisemontagne, aan haar de Schoone Slaapster,
+aan haar de Rijstebrij-berg en Luilekkerland; voor u de flauwe, dorre,
+ware werkelijkheid; voor u onze kleine groote mannen, onze wakende
+leelijken, en onze arme wereld, waar men niets omniet beeft! Dat is
+eerlijk gedeeld; of zoudt gij willen, dat kinderen zoo wijs zouden
+zijn als gij kinderachtig zijt?
+
+Dichters, schrijvers, schilders onder ons! Gelooft gij niet, dat gij
+veel, oneindig veel, aan uwe minne, uwe kindermeid, uwe grootmoeder
+verschuldigd zijt? Hebt gij u zelven wel niet eens betrapt op een
+indruk in de kinderkamer ontvangen? Kunt gij u niet voorstellen,
+dat de schoone wereld uwer idealen dáár is aangelegd, dáár allereerst
+bevolkt--en zoudt gij tegen het opkomend geslacht wreed kunnen zijn?
+
+Zooveel voor de kinderen. Maar inderdaad, ons aller lof is droeviger
+geworden, sedert men zoo vlijtig aan het opdekken der waarheid is
+gegaan. De verziering is meestal mooier; het bedrog minder vervelend,
+_l'Heureux temps que celui de ces fables!_ riep _Voltaire_, en het
+ware te wenschen, dat hij het wat beter gevoeld had, de leelijke
+spotter! hij zou er zoovele niet uitgekleed hebben. Hij zou niet
+medegeholpen hebben aan het afbreken onzer schoone luchtpaleizen,
+aan het verwoesten onzer heerlijke dorado's. Arme tijden. In plaats
+van wonderdieren en wonderkrachten--natuurlijke historie en physica;
+in plaats van tooverij--goochelboeken. Wat heeft de poëzie al niet
+verloren! Geen vogel feniks meer, zich in zijn ambergraf van geurig
+hout verbrandende en uit zijn asch herlevende; geen salamander meer,
+in het vuur ademende; geen palmboom meer, te weliger groeiende,
+naarmate hij meer gedrukt wordt. In spijt van het Engelsche wapen,
+geen eenhoorn meer. Geen vliegende draak, geen basiliscus. Monsieur le
+Baron _De Buffon_ en andere liefhebbers van zijn stempel hebben al deze
+geslachten uitgeroeid; dreiging en moord blazende tegen alle illusiën,
+is het alsof zij eenen grooten maaltijd van al deze gedierten hebben
+aangericht. Het zou een schoon onderwerp voor een belangrijken roman
+kunnen zijn: _Nera, of de laatste der Zeemeerminnen._ De familiehaat
+tusschen het geslacht der Natuuronderzoekers en dat der geheimzinnige
+Zeebewoonsters kon er treffend in geschetst worden. En wat zijn wij
+op een aantal punten beter dan onze vaderen onderricht! De padden
+zijn niet vergiftig, en hebben geen diamant in het voorhoofd (het was
+anders eene schoone allegorie, eene moreele waarheid); de walvisch is
+geen visch, en _Jona_ heeft in een haai gezeten; de ooievaars dragen
+hunne zwakke ouders niet, als _Aeneas_, op den rug; de olifanten
+gelijken meer op menschen dan de apen; men moet niet gelooven dat
+de jakhalzen de prooi voor den leeuw opsporen;--dit alles hebben
+die heeren ons geleerd, en voor al de schoone wonderdieren, die zij
+ons hebben weggenomen, gooien zij ons eenige ellendige verdroogde
+Mammouthen en Ichthyosauri en Mastodonten naar het hoofd, waarvan
+wij àlles gelooven moeten wat zij ons verkiezen te vertellen. Ik
+betwist het nut dier wetenschappen niet. Maar maken ze ons het hart
+niet koud? De schoone natuur blijft nauwelijks schoone natuur, als
+men haar zoo koelbloedig geclassificeerd en geanatomiseerd heeft. Sla
+ze op, die boeken der natuurlijke historie, met hunne klassen, orden,
+familiën, geslachten, soorten, met hunne natuurlijke en kunstmatige
+stelsels, hoe dikwijls zult gij er tevergeefs naar een vroom en
+hartelijk woord van bewondering en verrukking zoeken. Waarlijk, men
+heeft de wonderdoende natuur te veel ontcijferd, te veel met passers,
+ontleedmessen, tabellen en vergrootglazen nageloopen.
+
+_Göthe_ (of een ander, maar ik meen, dat het _Göthe_ was) sprak
+uit mijn hart, toen hij mikroscopen en vergrootglazen met zijn
+banvloek trof. Ons oog, dacht _Göthe_, of die andere, ons oog en
+ons schoonheids-gevoel zijn slechts ingericht en geschikt om de
+schoonheid dier wereld te begrijpen, die onder het bereik onzer
+zinnen valt. Daarom moeten wij onszelven het onrecht niet doen,
+ons in eene wereld te begeven, waar wij geen zin, geen medegevoel
+voor hebben, die ons, aan andere afmetingen gewend en voor andere
+vormen ingericht, leelijk moet voorkomen. En inderdaad, daar is voor
+mijn gemoed iets ondankbaars, iets onbescheidens in, in het bezit der
+groote aarde, nog datgene te vervolgen, wat buiten onze heerschappij
+ligt; eene nieuwsgierigheid, die wij dan ook gewoonlijk met walging,
+afschuw of ontzetting boeten. Of gevoeldet gij niet een akelig
+mengsel dezer drie gewaarwordingen, toen de oxygeen-mikroscoop u de
+verschrikkingen van een droppel water vertoonde en sidderen deed voor
+de afgrijselijke gedrochten, die er zich in bewogen? Voor mij, het
+geluk van des morgens met een blij gelaat mijn lampet aan te grijpen
+en het heldere frissche water op mijne handen te gieten, heeft veel
+van zijne bekoorlijkheid verloren, sedert ik het klare vocht als het
+voermiddel dier afschuwelijkheden heb leeren aanschouwen; sedert ik
+niet kan nalaten aan die monsters te denken met schorpioen-staarten
+en meer dan griffioen-klauwen gewapend, die er elkander in bestrijden
+[27]. Lieve medemenschen! welke is uwe gewaarwording, als gij bedenkt,
+dat gij bij iederen tred duizend moorden begaat, bij iederen zucht
+duizend heirlegers verplaatst, met iedere ademhaling gansche benden
+inademt; dat de kus der min er duizenden verplettert; ja wat meer
+is, dat gij in iedere porie uwer huid eene gastvrijheid uitoefent,
+waarbij die van _Hatem_, wiens tent honderd poorten had, niets
+is? Ik voor mij wenschte niet te weten, dat ik zoo overgoedertieren
+ben. Waarlijk, vrienden! dat alleven is niet uit te houden. Bedenkt
+het toch! Misschien heeft er op dit oogenblik een tornooi plaats in de
+hoeken van uw mond of een veldslag op den zoom van uw oor. Misschien
+mejuffrouw! viert het uitschot der oneindig kleinen een bacchanaal
+op uw smetteloozen hals; misschien hooggeleerde! gaat er een rei van
+dartele ijdeltuitjes ten dans in de plooien van uw kin!--Ba! het
+is afschuwelijk! Hoe dit gebroed afgeschud? Hoe dit krioelend
+heelal ontloopen? Helaas! aantrekkingskracht en middelpunt-schuwende
+kracht--de onverbiddelijke wetenschap zegt het--beletten het u. Zalige
+tijd, toen gij het niet wist! Toen kondt gij in uwe gedachten schoon,
+zuiver, _alleen_ zijn. Maar gij hebt van den Boom der Kennis gegeten,
+en zijt uzelven een afschuw geworden. Ik voor mij geloof dan maar
+liever aan de "Edammer Seemaremin!"
+
+Ziedaar voor de natuur. Hoe ging het met de geschiedenis? Ook dáár
+moest, tot in kleinigheden toe, de waarheid, de koude waarheid,
+hardnekkig vervolgd worden. Ik keur goed, dat nieuwe onderzoekingen
+aan een _Sardanapalus_ recht laten wedervaren en veranderingen maken,
+niet minder gewichtig dan die van den _Médecin malgré lui_, als hij
+het hart van de linker- naar de rechterborst verplaatste--maar, bij
+voorbeeld! De ton van _Diogenes_ is een klein hutje geworden: alsof
+de grootste ton niet ruim zoo aardig was als het kleinste hutje ter
+wereld. Van de wolvin, die _Romulus_ en _Remus_ zoogde, is een gemeen
+vrouwspersoon gemaakt. _David_ was zoo klein niet, en _Goliat_ niet
+zoo heel groot. Men bedoelt het Hebreeuwsche, als men van _Erasmus_
+zegt, dat hij twaalf jaren oud was, eer hij het A. B. C. machtig was;
+de pannekoeken die czaar _Peter_ te Zaandam at, waren zoo'n gemeen
+gebak niet, en zijn scheepstimmeren was juist niet veel. En dan
+al die steden, gesticht door mannen, die nooit op die plek zullen
+geweest zijn, en al die mooie gezegden, die zoo mooi niet waren en
+waar iets anders mede bedoeld was; en dan die heerlijke gezangen,
+welke geen dichter gehad hebben; en dan die bekrompenheid om getallen
+te rectificeeren! _Leonidas_ verdedigde Thermopylae wel met slechts
+driehonderd Spartanen, maar daar waren nog andere honderden bij,
+dat geen Spartanen waren; in plaats dat _St. Ursula_ met elf duizend
+maagden den marteldood onderging, onderging zij dien met geene elf
+duizend maagden; wat en hoeveel waren het dan?--En dan dat uitlachen
+als wij medelijden hebben, b.v. met _Tasso_ en _Petrarca_, door te
+zeggen, de een had het zoo hard niet te Ferrara, en de andere _was_
+niet zoo heel verliefd!--Zie, indien een geestig schrijver gezegd
+heeft, dat de historie niets anders is dan eene fabel, waaromtrent
+men overeenkomt, waarom zijn er dan zoo vele spelbrekers, die ons
+met een hatelijken glimlach overal iets ontnemen, iets veranderen,
+iets verbroddelen?--Ik geloof dat dit alles nuttig is,--maar ik zou
+er bij kunnen schreien--Eilieve! geef mij dat kleine boekjen eens
+aan! dáár, van den rand dier canapé. Ik dank u. "Daer was eens een
+Koning en eene Koningin ..."
+
+Nog iets. "Weet ge wat mij verbaast? Dit: dat, terwijl onze tijd er
+zoo op uit is, om alle vorige geschiedschrijvers en overleveraars
+beschaamd te zetten voor het minste krulletje dat zij te veel of
+te scheef gemaakt hebben, diezelfde eeuw alles in het werk stelt
+om hetgeen onder hare oogen gebeurt zooveel mogelijk opgesierd en
+mooigemaakt tot de nakomelingschap te brengen, Wij, die op al wat nu
+geschiedt medailles slaan, op alles oden maken, al het tegenwoordige
+ten breedsten uitmeten en zoo pittoresk mogelijk voorstellen; wij,
+die in de bewondering van ons-zelven schrijven en zingen en alles
+als in het vuurwerk onzer opgewondenheid zetten; wij, die aan alles
+wat het onze is eene romaneske, eene ridderlijke tint geven;--wij
+nemen de goede voorgeslachten zoo ernstig te biecht en vallen hun zoo
+hard, omdat zij hier en daar de Helden en de Wijzen wat in het _Held-
+en Wijze- zijn_ geholpen hebben, omdat zij hier en daar een lichtje,
+een bloempje, een pareltje, een gordijntje hebben aangebracht! ... Het
+is onbillijk.
+
+"Daer was eens een Koning en eene Koningin, die so bedroeft waren,"
+enz.
+
+
+
+
+Het Water
+
+Neen, ik kom van mijn denkbeeld terug dat er, in spijt van _Newton_
+en _Herschel_, eene verandering in ons wereldstelsel zou hebben
+plaats gehad. Mijn barbier had er mij bijna toe overgehaald. "Die
+komeet van _Halley_", had hij wel tienmaal gezegd, "is niet pluis
+geweest!"--en toen nu de winters wegbleven, en het in Italië kouder
+was dan bij ons; toen de Meimaanden Novemberweer meebrachten, toen
+ik zaterdags vóór Paschen (en het was een late Paschen, van 't jaar)
+over den straatweg narde, en op oudejaarsmorgen laatstleden drie
+bloeiende viooltjes plukte--toen begon ik in den man met den langen
+blauwen jas en de zilveren oorringetjes, die altijd iets te scheren
+en altijd iets te praten weet, geloof te stellen, en ik zei met hem:
+"die komeet van _Halley_ zal het hem gedaan hebben".
+
+Maar nu schijnen alle dingen weer op den ouden voet te zijn en,
+indien het al waarschijnlijk is dat wij een uitstap hebben gemaakt,
+het is zeker dat wij weer zijn teruggebracht, dat wij weer tehuis
+zijn. Het is weer winter in Januari. Mijn grootmoeder was trotsch op
+den winter van Vijfennegentig, "toen er nog zoo geen kachels waren",
+en ik verhef mij op de koude van Drieëntwintig, toen er van de veertig
+jongens maar zeven school kwamen, van welke ik er één was, wien de
+lofspraak, die het mij van den meester bezorgde, op een bevroren neus
+te staan kwam; om niet te spreken van een "kaartje van vlijt", dat
+mij ontging, omdat mijne handen veel te rood en veel te koud waren
+om een mooi middelmaat schrift te schrijven, op en tusschen de lijn,
+met zuivere ophalen, en zonder aandikken. Helaas! ik heb het in het
+schrijven nooit heel ver gebracht; daarom laat ik nu ook maar drukken.
+
+Ik mag wel een wintergezichtje. Alle landschapschilders beginnen
+met wintergezichtjes, waaruit ik opmaak dat een wintergezichtje
+gemakkelijk en eenvoudig is. Er ligt in die soberheid der natuur
+in de koude maanden iets aantrekkelijks, iets plechtigs, iets kalm
+verhevens. Indien deze bevroren ruiten het maar wat beter wilden
+gedoogen, hoe zou ik het vergezicht genieten! Waarlijk, het is
+schoon! Een heldere, blauwe lucht, geheel klaarheid, als wilde de
+zon met licht vergoeden wat zij aan warmte onthoudt. Een heerlijke
+noordsche dag;
+
+
+ "Een telg der zon in sneeuwkleedij."
+
+
+Maar de sneeuw is nog weinig. Hoe liefelijk rust dat weinige op de
+immergroene dennetoppen! Al de andere boomen hebben het afgeschud;
+maar ook de lange, lange beukenlaan met hare onafzienbare reeks
+grauwe takken heeft iets indrukmakends. En het verre verschiet:
+hoe duidelijk is het; hoe scherp teekent zich dat rieten dak tegen
+den azuren hemel! ... Maar daar is iets, dat voor mijn gemoed al
+de schoonheid van dit wintertooneel bederft; het is ... Moet ik het
+zeggen? Het is--het ijs!
+
+Een heldere, frissche, noordsche dag doet een mannelijk bewustzijn
+van kracht, een besef van gezondheid ontstaan. De koude geeft een
+edelen moed; zij sterkt de ziel gelijk de spieren. Men weet ook wel,
+wat mannen en wat beginselen het Noorden heeft voortgebracht; welke
+gezonde, reine, zuivere en heldere denkbeelden er van het frissche
+Noorden zijn uitgegaan; welke edele krachten het forsche Noorden heeft
+ontwikkeld; welke reuzen, gewoon de sneeuwvlok in den baard te voelen
+en den hagelsteen te hooren kletteren op het harnas, met
+
+
+ "daden in de vuisten",
+
+
+uit het geharde Noorden zijn opgetreden. En daarom: ik acht, ik
+eer de koude, den zuiveren, gezonden wind, de blanke, smettelooze
+sneeuw;--maar het ijs--o, vergun mij het ijs te haten!
+
+De koude maakt de beweging noodzakelijk, de luiheid onmogelijk, of
+het moest de luiheid van het bed wezen. Alle inspanning, alle vlijt,
+iedere vermoeienis wordt met het zaligste beloond, dat men in den
+winter genieten kan: warm te worden. En dan de haard! die dierbare
+haard! O gij, middelpunt aller wintergenoeglijkheden! Vurig voorwerp
+der vurige liefde van huismenschen en huisdieren! Onderpand en outer
+der huiselijkheid zelve! hoeveel verliest gij van uwe bekoorlijkheden,
+van uwe waarde en van uw gezag, in die laffe, wakke, flauwhartige,
+waterzuchtige winters! Men verachteloost, men vergeet, men spreekt
+kwaad van u. Tweemaal in de week wil de schoorsteen niet trekken;
+zesmaal in de veertien dagen is het hout te vochtig om te branden;
+dagelijks zijt gij als een twistappel in de huisgezinnen, als de een
+u te warm, de ander niet warm genoeg aangestookt acht. Maar _nu,_
+gij wordt, van een noodzakelijk kwaad, een onbeschrijfbaar geluk, van
+eene gedoogde dienstbode, een gevierde prinses! Men moedigt u aan, men
+prijst, men verheft, men bewondert u: gij wordt aangebeden! Uren kan
+men u zitten aanstaren! Gij zijt het ideaal van winterheil! Gewis, voor
+de lustige vlammen gezeten, met het boek van een lievelingsschrijver
+in de hand en het vooruitzicht van een krachtigen wintermaaltijd
+des middags, of van opwekkelijke punch des avonds, nu en dan een
+blik te slaan op het bevrozen tooneel, dat buiten is, de helderheid
+van hemel, aarde en haard te genieten, het flikkeren van de witte
+sneeuw met dat der gele en oranje vlammen te vergelijken ... het is
+zalig--Maar het ijs, het ijs! ... Waarom ijs?--Ja, het ijs is voor
+mij een voorwerp van afschuw. Het moest winter kunnen zijn zonder
+ijs. Ik bemin den winter,--ik gevoel, dat ik den winter noodig heb;
+ik zie veel minder tegen het korten der dagen dan tegen onze natte
+schrale voorjaren op--maar noch het glas water, dat ik elken avond
+op mijne nachttafel gereed zet, moest stollen, noch de lieve breede
+vijver, waar ik hier het uitzicht op heb--mijn mikrokosmos, noch mijn
+makrokosmos--moest bevriezen! En waarom niet? Ach gij zoudt de vraag
+niet doen, zoo gij wist, hoe dierbaar mij het water is, het heldere,
+levende water! welke aandoeningen het in mij opwekt, welke gedachten
+het mij toespiegelt,--hoe teeder ik het bemin.
+
+_Cooper_ verhaalt van een zeeman, die niet inzag, waartoe er éénig
+land op de wereld noodig was, dan effentjes een klein eiland, en dan
+ook nog maar, om den wil van het zoete water. Zoo verre gaat mijn
+hartstocht niet. Het is het vaste land, dat mij het water te meer doet
+waardeeren; maar ik bemin het dan ook met een gloed, die aller zeeën
+en stroomen tezamengedreven vocht niet in staat zou wezen te blusschen.
+
+Zie, daar stort zich de schuimende waterval met daverend geweld uit de
+hoogte neder in de diepte. Het is een prachtig gezicht, een majestueus
+gedruisch. De zeven kleuren des lichts worden gescheiden; de lucht
+dreunt; en de wind voert het witte, vlokkige schuim wijd en zijd
+mede. De harde rots siddert, en geheele brokken worden afgescheurd;
+de pasgeboren stroom voert ze mede als lichte vederen, en ploft ze
+neder in de diepte, waar alleen hij ze kan oplichten. Water! gij zijt
+de sterkste, de krachtigste, de edelste der vier hoofdstoffen! De
+Aarde is stom, dood en roerloos; maar uwe stem is als de donder,
+uwe spraak heeft allerlei geluid; gij leeft, gij zijt als bezield;
+gij beweegt u naar alle kanten als eene kronkelende slang: als eene
+bevallige schoone, als een ontstuimig ros, dat struikelblok acht noch
+slagboom ontziet! Onzichtbaar is de Lucht; maar gij blinkt als een
+edel metaal, met maagdelijk smettelooze reinheid! Uwe veerkrachtige
+oppervlakte werpt de vermogende stralen der zon terug, en doet het
+trillend geluid huppelen naar uwe maat! Het Vuur is afhankelijk van
+voedsel en lucht; maar gij zijt vrij en u-zelf genoegzaam, ja, gij
+vernietigt zelfs het vuur, waar het (te vroeg!) naar de oppermacht
+staat over al de elementen! Schiet heen, koninklijke bergstroom! schiet
+heen en heersch, vervul de dalen, splijt de heuvelen, spot met den
+trots en het zelfvertrouwen der vaste stof! Richt uwen weg werwaarts
+gij wilt! Zwel schuimende, verbreed u bruisende! Word gevreesd en
+geëerd! En leg u dan ter ruste in den schoot des breeden oceaans;
+hij alleen is uwer, gij zijt zijner waardig! Gij beiden zult leven tot
+"de hemelen met een gedruisch zijn voorbijgegaan en alle hoofdstoffen
+branden zullen en vergaan".
+
+Gegroet, gegroet, gij frissche stroomen en heldere rivieren! Gij
+dooradert de aarde, gelijk het bloed de leden doorvloeit van de
+kinderen der menschen! Wee, wee het oord, dat gij veracht! Dáár is
+woestijn, verschrikking en hongersnood! Gezegend de landen, door u
+gezuiverd, gevoed, verrijkt, gesierd en gelukkig gemaakt! Wel moogt
+gij den hemel weerkaatsen, en de wonderen des hemels weerspiegelen, gij
+weldadigen! Wel mogen de zaden der liefelijkste bloemen nedervallen aan
+uw oevers, de weelderigste takken der schoonste boomen hun lommer over
+u uitbreiden, de geurigste kruiden van wederszijden u toewalmen! Geen
+olmekruin toch spiegelt zich in uw o helderheid en geene lelie buigt
+zich met Liefde, naar uwe frissche rimpeling, of zij groeien en bloeien
+door u! De wijnbergen aan uwe zoomen voeden uit u de verkwikkende
+trossen, en de goud-gele oogst bootst het gedruisch uwer golven
+niet na, dan als een hulde, U toegebracht! Gij doorwandelt de aarde
+goeddoende en waar gij de oorden in liefde omhelst, daar baren zij
+welvaart en vruchtbaarheid, schoone dochteren, op hare beurt moeders
+van vrede en geluk!
+
+Aan dezen oever lust het mij te toeven en het heerlijk tooneel te
+genieten. Met hoe sierlijk een bocht beweegt zich de blauwe rivier
+over hare zachte bedding en besproeit de groene zoomen, frisch en
+vroolijk door hare bevochtiging. De zon giet er haar licht over uit;
+maar het is of zij hare stralen slechts even indoopt, en dan schuchter
+terugtrekt, met een tinteling als van vuurvonken en diamant. De lage
+wilg met zijn hollen knokigen stam; de slanke popel, wuivende van
+het zachte koeltje; het hooge en dichte riet, de scherpe blaren en de
+zwarte pluimen schuddende; het kleine boerenhuis, waaruit het blauwe
+rookwolkje geestig en langzaam opstijgt, en in de lucht vervloeit;
+de roodbonte koe, tot de knieën in het water, een koel bad nemende op
+gindsche zandplaat,--het wordt alles getrouw verdubbeld door het klare
+vocht, en zijn dun vernis doet ieder voorwerp schooner glanzen. Kunt
+gij den lust weerstaan met mij in dit bootje te stappen?--Reik mij
+de hand, en ik zal u midden in dit bekoorlijk tooneel brengen. Een
+oogenblik zal het geplas der riemen de liefelijke stilte afbreken,
+een oogenblik de effenheid gestoord worden, en dan zullen wij ons
+op den stroom laten drijven. O wellust! te drijven, te vlotten, zich
+te laten gaan! losser van het stof der aarde, als een golf onder de
+golven, zich over te geven aan den vriendelijken Geest der wateren,
+wiens onzichtbare hand u voortstuwt over zijn gebied. Zie, nu is het
+hemel boven en onder en rondom u, en gij gevoelt u zelven het gelukkig
+middelpunt eener sfeer van schoonheid en weelde. Dat gij uwe luite bij
+u haddet. De zachte melodie is het liefelijkst op het water. De malsche
+noten vallen er op neder als dons; en zacht, als de boezem eener vrouw,
+heft het water ze op; en verzoet, maar versterkt, als verkwikte hem die
+aanraking! zweeft de toon van rimpel tot rimpel, van golf tot golf,
+en vervult beide de oevers met den wellust des geluids. Waarlijk,
+het water is bezintuigd, is gevoelig; het bemint al het schoone:
+het welluidend toongeruisch, de zachte kleurschakeering, den zoeten
+geur. Ik zou den riem niet met woestheid kunnen bewegen, noch onnoodig
+rumoer maken in een element, zoo aandoenlijk, zoo teeder. Ja, het edele
+water, het doet de aarde leven; het verheugt ieder landschap, het is
+het schoonste sieraad aan het weelderig kleed der aardsche schepping!
+
+Maar des avonds, als zich de breede schaduwen nedervlijen aan uwen
+boezem; als de maan haar troostend licht doet trillen op uwe effenheid
+en al de sterren in u haren glans verdubbelen, dan, heerlijke vloed! is
+er eene stem, die opstijgt uit uwe bedding, en roerend en verlokkend
+spreekt tot mijne ziel! Dan is het geluk, op den alleruitersten rand
+des oevers te staan, mij overgevende aan zoet en weemoedig gepeins. En
+telkens als het windje zich verheft en in den stroom een stroomender
+plekje vormt, is het alsof de lokstem inniger en verleidender wordt. En
+het oog volgt uwe oppervlakte, tot waar zij met de geheimzinnige
+schemering ineensmelt, en duizende gedachten, duizende herinneringen
+golven af en aan met uwe rimpeling. Het is een wellust.
+
+Zoo stond ik menigen schoonen zomeravond aan uwen rand, liefste aller
+vijvers! gij weet, of ik u liefheb. Thans!--(helaas! ik schrijf dit
+alles bij een groot kolenvuur!)--thans zie ik treurig naar u uit!--Gij
+zijt een ijsklomp; gij zijt verstijfd, roerloos, dood. Voor weinige
+dagen zag ik de bleeke winterzon nog schijnen op uwe golving, en de
+groene dennen ter linker-, de lommerlooze groepen van acacia's en
+beuken ter rechterzijde in uwen spiegel weerkaatst; en met welgevallen
+rustte mijn oog op het zonnige plekje, dat hoenders en duiven plachten
+uit te kiezen om zich te verkwikken aan uw vocht. Helaas! wat is er
+van u geworden? Wat anders zijt ge nu dan
+
+
+ "'t Misvormde lijk van 't uitgebloeide Schoon"?
+
+
+Wat is het harde, gevoellooze ijs? Stof, koude, ziellooze stof,
+als de logge aarde. _Shakespeare_ noemde het water _valsch_, maar
+hij lasterde; het water is zoo oprecht als doorschijnend; het vleit
+niemand met de onmogelijkheid van gevaar, die het waagt zijn heiligdom
+in te gaan; het is het ijs, dat valsch en verraderlijk is.--Het ijs! O,
+het is dubbelhartig, het is een bastaard, het is; om het met een woord
+te noemen, dat ik aan een onzer beroemdste hoogleeraren verschuldigd
+ben, en dat een verschrikkelijk vonnis van veroordeeling uitspreekt;
+het ijs is _hybridisch_!--Ik wenschte dit zelfde wintertooneel te
+zien, maar zonder dat ellendige deksel op hetgeen de natuur schoonst
+en vriendelijkst en bezieldst heeft. Doch werwaarts ik mijne oogen
+wende, nergens ontdekken zij het voorwerp mijner liefde; het ligt
+onder deze dikke, nijdige, blauwe zerk begraven, en ijdele slaven
+van het vermaak dartelen over dat graf!
+
+Neen, gevoellooze, onvermurwbare korst, beeld van onverschilligheid
+en koude wreedheid! neen, ellendig namaaksel van glas! mijn voet zal
+u niet betreden! Ik zal niet, als een lichtzinnige dwaas, mijne zolen
+met ijzer schoeien om u te vereeren, en de rustplaats te ontwijden
+van mijn dierbare! Lig dáár, en mest u met het kostbare bloed der
+aarde! Maar wee u, huichelaar! die uit valsche schaamte uwe afkomst
+verloochent en voor uw minderen door wilt gaan! Roem vrij op uwe
+sterkte, op uw geweld! De boeien zullen verbroken worden. Ik zeg
+u, het zal dooien! In den lieven lentewind zal het triomflied der
+vrijheid weerklinken; en de schoone dochter der natuur zal haren
+kerker uitbreken, en opnieuw schitteren voor het aangezicht der zonne!
+
+En laat ons nu nog eens stoken.
+
+
+_Buiten_, 9 Jan. 1838.
+
+
+
+
+Begraven.
+
+Mijne vrienden! men zal ons allen begraven.
+
+Ziet er uw lichaam op aan: gezond, sterk, vlug, gehoorzaam aan uwen
+wil, gevoed, gevierd, gekleed, opgeschikt! Er zal een tijd komen dat
+het daar nederligt--nederligt op een bed, hoop ik!--, zielloos, koud,
+stijf, in een enkele doodswa gehuld, onder een lang wit laken--als een
+steen. Het is nu nog het uwe: het zal dan het uwe niet meer zijn. Gij
+zijt dan niet meer een persoon, maar een ding. Men staat er bij,
+liefde en genegenheid staan er bij, en zoo zij niet dan weenende
+het kunnen gadeslaan, niet dan weenende er van kunnen scheiden, zij
+schamen zich bijna zoo veel gevoeligheid, zooveel eer te bewijzen aan
+een onding, dat reden en godsdienst haar leeren geringschatten. Maar
+neen! zij schamen zich niet--de menschelijkheid zou er tegen opkomen:
+de liefde ziet hem, dien zij heeft liefgehad, nog in zijn lijk;
+beminnelijke liefde!--Men strekt u eerbaar en voorzichtig uit. Zoo
+men u aanraakt, om te voelen of gij reeds koud, en hoe koud! gij
+zijt, men doet het met eene zachtheid alsof gij sliept, alsof men
+schroomde u wakker te maken! Men spreekt niet dan fluisterende in
+de sterfkamer. O! voor wie u teeder beminde, is het eene behoefte
+het doove lijk nog eens bij _uwen_ naam te noemen. Zachtkens en met
+eerbied vlijt men u in uw laatste verblijf neder. Statig voert men
+u ten grave. Met ongedekten hoofde ziet men de kist nederdalen. Met
+plechtigen ernst wordt de schop aarde er op geworpen. Dan eerst heeft
+men met dat doode lichaam gedaan.--Maar neen! wellicht schrijven
+achting of liefde een kort woord op uwe zerk, of planten zij eene
+vriendelijke bloem op uwe zode, en komen van tijd tot tijd weder,
+om te zien waar men u gelegd heeft en uwer te gedenken op de plaats,
+waar gij niet zijt, doch waar datgene rust wat men het langst van u
+behield; waar de menschelijkheid van u afscheid nam.
+
+Ik weet wel, dat het tot de _verstandigheden_ onzer dagen behoort,
+dit alles bekrompen, belachelijk en onnoodig te vinden. Men heeft zoo
+veel boeken gelezen! Ik weet wel, dat het eenen sterken geest bewijst,
+wanneer men den heldenmoed heeft van te zeggen: "het is mij om het
+even wat er na mijn dood mei mijn lichaam gebeurt, ik zal er niets
+van voelen: om het even waar het liggen zal, ik zal er niettemin
+dood om zijn; het kan alleen voor de mijnen van belang wezen, dat
+mij eene eerlijke begrafenis ten deele valt; maar, wat raakt dat
+mij?"--Ik weet, dat men den Engelschman bewondert, die wilde dat er,
+ten algemeenen nutte, knoopen van zijn gebeente en snaren van zijne
+ingewanden zouden gedraaid worden--maar ik gruw er van. Ik weet, dat
+het vrijzinnig beginsel in dezen zoo sterk is dat het reeds op onze
+publieke inrichtingen gewerkt heeft, en de zaak der dooden "minder
+omslachtig" is gemaakt;--ik begrijp, dat hiermee het vrij algemeen
+nalaten van den rouw in verband staat, en dat men zijn manlijkheid
+toont door te zeggen: "ik wil niet dat het zich iemand aantrekke als
+ik sterf";--maar ik beklaag de menschen die zoo heel wijs zijn en
+zichzelven zoo menig zoete gedachte onmogelijk maken; wier gansche
+leven, door eigen schuld, een gedurige worstelstrijd is tusschen
+hoofd en hart; en ik spreek mijn "wee!" uit tegen die groote mannen,
+die de wereld zoo hebben gemaakt. Maar de eerste schuld ligt toch bij
+hen, door wie al die wijsheid is uitgelokt; bij hen, die de zaak des
+gevoels zóó ver trokken, dat het verstand boos werd. Toen wij lang
+op eens anders kerkhof, waarmee wij niets hadden te maken, geweend
+hadden, en naar sterren en wormen en welkende bloempjes gekeken, toen
+kwamen de tegenvoeters en de afbrekers, de spotters en de prozaïsten,
+en dreven de andere mode door; de worm werd doodgetrapt, de seraf naar
+huis gestuurd; de zerken werden voor afbraak verkocht; de lange witte
+zakdoeken werden gemeen; men zag nauwelijks om naar zijn eigen dooden;
+en daar hadden wij A + B = C. De thermometer daalde van Bloedwarmte
+tot Vorst. Het sneeuwde groote ideeën. Het was een frissche, maar op
+den duur onaangename koude.
+
+Wat nu die groote ideeën aangaat, ik laat nog gelden, dat groote
+mannen ze uitspreken. _Byron_ mocht, onafhankelijke genie die hij was,
+en na al wat hij ondervonden had, nog eens zeggen:
+
+
+ "Ik wil niet dat mijn stervensmaar
+ Een enkel uur van vreugd bederf,
+ Noch eisch dat vriendschap, als ik sterf
+ Zal siddren bij mijn baar;"
+
+
+schoon ik liever zijn zachtzinnige coupletten, beginnende "O,
+weggerukte in schoonheids bloei", leze.--Maar dat ieder schoolmeester
+en schooljongen zich tot eene dergelijke grootheid van ziel wil
+opheffen--zie, dat is wat forsch, dat vind ik belachelijk en
+ongelukkig tegelijk! En als men de leer der onsterfelijkheid, als
+men de goddelijke Openbaring durft misbruiken, om mij te bewijzen dat
+mijn menschelijk gevoel dwaas of schuldig is, dan beklaag ik hen diep,
+die de vriendelijke leer van 't Evangelie zoo weinig verstaan.
+
+Neen, het is onnatuurlijk onverschillig te zijn, of ons stoffelijk
+bekleedsel met eerbied, met belangstelling, met liefde zal behandeld
+worden, of niet; of het in bekenden en den levende dierbaren grond
+zal rusten, dan in verre landen of diepe zeeën zal vernietigd
+worden. Gij zult het niet gevoelen, zegt gij, met een kalmen
+glimlach.--Zoo? Gaat u bij uw leven _niets_ aan van hetgeen na uwen
+dood geschieden zal? Is het denkbeeld te leven in de gedachtenis der
+uwen u reeds nu geheel onverschillig? Laat de hoop op den lof der
+nakomelingschap, waarvan gij niets hooren. niets ondervinden zult,
+u geheel koud? Of is zij veeleer een sterke prikkel voor uwen ijver,
+een troost (de éénige) bij de onaangenaamheden die de weg des roems
+u opwerkt, bij de ondankbaarheid des tijdgenoots? Of, zoo gij u dáár
+over heen gezet hebt--eilieve! zeg mij eens oprecht: verheugt het u
+wel eens te denken, dat uwe beeltenis in handen zal komen van dien
+uwer vrienden, dien gij het liefst hadt; dat, na uw dood, de ring,
+dien gij daar aan uwen vinger draagt, zal overgaan aan die welbeminde
+hand die hem dragen zal tot dat zij verstijft? dat uw zoon in uw huis
+zal wonen, in uwen armstoel zitten? dat uwe familie u zal zegenen om
+de liefderijke, de edelmoedige wijze, waarmee gij over het uwe hebt
+beschikt?--Verhard uw gemoed eerst tegen al deze aandoeningen, en
+zeg dan, dat bij den dood alle gemeenschap tusschen u en uwe naasten
+ophoudt, en dat het u om het even is, hoe zij bij uwe sponde staan,
+wáár zij uw lijk begraven zullen!
+
+Mij is het eene aangename gedachte--en mij dunkt, zij zal mijn
+sterfbed zachter spreiden--te mogen hopen, dat een vriendelijke,
+een lieve hand mij de oogen zal sluiten en mijn hoofd goed leggen;
+dat menige treurende gedaante in de eerste dagen dat sterfbed,
+zal naderen, "om hem nog eens te zien"; dat menig sidderende hand
+mijne koude vingeren zal opvatten, om ze mistroostig weer te laten
+vallen; dat menig weenend oog met moeite afscheid zal nemen, ook
+van dit nietsbeteekenend overschot: en dat men mij met ernst en
+plechtigheid uitgeleide zal doen naar eene rustplaats, mij dierbaar,
+als de rustplaats van dierbaren.--Ja ook dat! ik gevoel het, ook dat
+zal mij een troost zijn, te weten dat, uit _wier_ armen mij de dood ook
+seheure, ik tot dezulken ga, die ik zal hebben beweend,--dat één zelfde
+graf hen en mij, en eenmaal hen die mij treurende overleven moesten,
+zal besluiten; dat wij daar allen te zamen zullen rusten... O, het
+is niets, het is niets! ik weet dat het niets is; maar het is eene
+zoete gedachte,--en ik bid de verstandigen der aarde, mij niet uit
+te lachen, maar mij te benijden.
+
+
+
+Men weet op wat wijze de gewoonte van in het heiligdom te begraven
+in de wereld is gekomen. Eerst bouwde men de kerken op de graven,
+daarna bracht men de graven in de kerken. Waar de asch der
+martelaren rustte, wier bloed het cement der kerk is daar richtte
+de eerbiedige dankbaarheid der eerste christenen het bedehuis op,
+de beste eerzuil! Later bracht men vaak hun dierbaar gebeente uit
+het onaanzienlijk graf, waarin het vernachtte, naar de kerk over, en
+begroef het onder het outer. In hunne nabijheid te rusten, was sinds
+lang de vrome wensch van menig stervende, en de eerste christenkeizer
+was de eerste die binnen den gewijden omtrek der door hem gebouwde
+kerk een graf begeerde. Het was een stoute wensch; maar hij vond
+alras navolging en voldoening. Opvolgers van den grooten bekeerde
+verboden het begraven in het heiligdom; doch de christenheid vond het
+denkbeeld te stichtelijk, de rust in Gods huis te benijdbaar, om ze
+op te geven! Het begraven in de kerken werd algemeen. Ieder belijder
+van den naam des Heilands sterkte zich onder de vermoeienissen en de
+lasten des levens met het denkbeeld, dat de Heer hem rust zou geven
+in Zijn Huis; en het scheen hem bemoedigend Zijne wederkomst aldaar
+af te wachten. Elke zerk van het plaveisel werd een grafsteen, en de
+gemeente vond het opbouwend, het woord des levens te hooren, gezeten op
+de verblijven der sterfelijkheid; en over levenden en dooden welfden
+zich de gewijde bogen, waaronder de leer verkondigd werd van hem
+"die de dooden levend maakt en roept de dingen die niet zijn alsof
+zij waren". Onze grootouders vonden dit alles nog troostrijk. Met
+uitzondering van weinige, was een graf in de kerk hun een dierbare,
+een onschatbare bezitting. Geen bewijzen der schadelijkheid van de
+dooden voor de levenden konden hen van hun stuk brengen. En toch dat
+moest niet zijn! Onze eeuw was rijp om het offer te brengen. Onze
+onverschilligheid maakte het misschien gemakkelijk. Maar zoo gij
+hier of dáár nog een ouderwetsch christen ontmoet, wien het grieft
+dat hij niet rusten zal in het graf zijner vaderen, in de schaduw
+van het heiligdom, waar hij en zij aanbaden--bespot hem niet, bid ik
+u! Broeders, het is een eerbiedwaardige zwakheid.
+
+
+
+Maar wilt gij weten, wat _ik_ bespottelijk, wat _ik_ ergerlijk
+vind? Het zijn uwe wapenborden, uwe grafnaalden, uwe eerzuilen in
+de kerk; uwe lofverzen op stof en assche, onder het oog van God en
+in Zijn heilig huis op aarde, geschreven. Het zijn de tropeeën van
+dwazen trots, wereldsche ijdelheid, nietigen rijkdom, verwaande
+wetenschap, bloedigen oorlog, dáár te pronk gesteld, waar ootmoed
+en eerbiedigheid zich met gebukten hoofde voor het oog des Heeren
+stellen. Het is de hulde, vaak overdrevene, altijd dáár misplaatste
+hulde, in het huis ter eere Gods gesticht, toegebracht aan alle
+soort van verdiensten. Waarlijk, het is een vreemd, een (laat ik
+het zeggen!) belachelijk schouwspel, die bonte rij van allerlei
+deugden en gaven, in het heiligdom geloofd, geprezen, en vergood. Het
+zijn de deugden en gaven van den krijg, der geleerdheid, van het
+kabinet, der kunst, der nijverheid, gehuldigd in de overblijfsels
+van menschen van allerlei neiging, allerlei gedrag, allerlei geloof
+en ongeloof. O! het belgt mij niet, dat de gemeente, aan wie het
+oordeel niet toekomt, hun allen gelijkelijk een plaats ingeruimd
+heeft in hare kerk; maar dat zij er liggen als zondaren!--niet
+als groote mannen, niet met den titel van _naturae se superantis
+opera_, niet onder de uitgebreide vleugelen der faam, niet onder de
+brallende uitspraken van tijdgenooten en vereerders, maar in stille
+afwachting van het oordeel Desgenen, "die weet wat er in den mensch
+is!"--Wilt gij de namen uwer grooter mannen beitelen en vergulden,
+omlauweren en omstralen; wilt gij hun standbeelden oprichten, zuilen
+stichten; wilt gij hunne deugden voor de nakomelingschap vereeuwigen,
+de jeugd door hun doorluchtig voorbeeld en de eer die hun weervaart,
+prikkelen: naar de openbare plaatsen, naar de academiepleinen, naar de
+raadhuizen, naar de trappen der paleizen, naar de schouwburgen, naar
+de markten, met uwe vereering! Hier--is het heilige grond. Ontbindt
+uwe schoenzolen! Hier geene namen, geene lofspraken geuit, dan die den
+Hemel welgevallig zijn! Hier wordt alleen God en zijn Zoon geprezen,
+en in Hun naam geroemd. Wilt gij hier zuilen oprichten, doet het zoo
+vaak de Heer u uit groote benauwdheden redt, in groote gevaren behoedt:
+"Eben Haëzer; tot hiertoe heeft ons de Heer geholpen". Maar--hier
+geene menschvergoding! hier God alléén en het geloof!
+
+Ik weet dat onze protestantsche leer het kerkgebouw niet als heilig
+doet beschouwen, maar ik weet ook, dat onze christelijke ootmoed ons,
+in zijn omtrek vooral, de praalzucht behoort te verbieden. Ik weet,
+dat onze strenge toepassing van het "God te aanbidden in geest en in
+waarheid!" uit voorzichtigheid, in aanmerking nemende de menschelijke
+zwakheid, niet duldt dat wij voorstellingen van _Christus_ en zijn
+daden op aarde in onze bedehuizen ophangen; maar veel minder voegen
+er die beelden, welke er de aandacht van Hem afleiden en bij eigen
+grootheid stil doen staan. Neen, niets, niets moest de éénheid van
+doel in het heiligdom breken; alles moest op God wijzen--alleen op
+God! [28]
+
+
+
+Maar ofschoon dit aloude misbruik (zoo als het in mijne oogen _is_)
+niet geheel met het begraven in de kerken heeft opgehouden, het is er
+toch aanmerkelijk door gefnuikt. Wij allen zullen onder den blooten
+hemel rusten, en wat men op ons graf moge schrijven of oprichten,
+het zal geen gemoedelijk kerkganger ergeren. Welnu, dat denkbeeld
+heeft ook veel schoons, veel zoets, veel zaligs: te rusten in een
+liefelijke streek, te midden der natuur, die wij bemind hebben, in een
+zacht graf, waar rondom het alles bloeit en groent, waarover de zwoele
+winden waaien, waarover de heerlijke sterren van den nacht schijnen!
+
+Ik kan evenwel niet zeggen dat de hoog romaneske begraafplaatsen
+onzer dagen mij altijd evenzeer aanstaan.
+
+Vele zijn veel te zwierig, veel te bloeiend, veel te gekunsteld,
+veel te rijk, te overladen met dichterlijke zinnebeelden. De dood is
+arm, en heeft zijne eigene poëzie. Waar de natuur de begraafplaats
+schilderachtig maakt, is het wèl; waar de kunst het doet, verraadt het
+de menschelijke zucht om alles op te schikken te zeer. Het verschilt
+als een wilde bloem en een gevlochten krans. Niet bij iedere zerk moet
+een roos geplant zijn; niet over ieder graf een treurwilg weenen. Doch
+dáár staan zij geheel gereed, om op de dooden te wachten. Het zijn hier
+niet droefheid en liefde, die ze bij de rustplaats van het voorwerp
+harer vereering planten: het is het overleg van den aanlegger, die
+weet hoe het behoort, die ze elken doode als voor bestemt, en op
+liefde en achting vooruitloopt.
+
+Mij bevallen onze oude dorpskerkhoven nog altijd het best, en
+misschien te beter omdat zij zoo weinig van hoven hebben.--Onze oude
+dorpskerkhoven; zonder een verwaande spreuk of een heiligen tekst, die
+in ieders hart vanzelf opkomt, op het hek; zonder kunstmatigen opschik,
+zonder weelde, zonder van buiten aangebrachte dichterlijkheid, waar de
+doodenschaar een breeden kring om het huis Gods slaat, in welks omvang
+het "gij zijt stof!" gepredikt wordt en welks toren ten hemel wijst,
+verkondigen zij dood en opstanding met meer waarheid, meer ernst,
+meer nadruk, meer onversierde welsprekendheid! Zij zijn _natuur_;
+geen _smaak_! Het hooge gras, de zonder opzet opschietende bloem, de
+eenvoudige gedenkteekenen; het armelijke van het geheel komt overeen
+met de gedachten, die mij daar vervullen. Geene begrafenisplechtigheid
+werkt ook zóó zeer op mijn gemoed, als die, zooals ze bij ons op het
+platte land plaats heeft. Dan luidt de oude dorpsklok uit den toren,
+en de kleine optocht komt langzaam nader. Geene beambten, geen noodiger
+met een gewichtig gezicht; alleen de bloedverwanten, de vrienden, de
+buren. Geen ander rijtuig dan de wagen, die den overledene gediend
+heeft om voor zich en de zijnen het eerlijk onderhoud te winnen,
+voert hem nu ten grave, en deze wordt getrokken door zijn geliefd
+paard, den deelgenoot van zijn arbeid. Met het gezicht in de groote
+zwarte huik verborgen, zitten de vrouwen op de kist zelve. Bij
+het graf spreekt de leeraar, aller vriend, een kort woord; de kist
+wordt neergelaten; de naaste betrekking werpt er de eerste aarde op;
+en den eerstvolgenden zondag gaat hij over dat graf ter kerke, waar
+hij woorden van troost hooren zal. Want in den kleinen kring eener
+landgemeente heeft men bevrediging voor elks behoefte.
+
+Uit dit alles ziet men wel, dat ik juist niet veel gevoel voor
+ceremoniëele begrafenissen, lange rouwslepen, _magna funera_! Het
+is dikwijls akelig zulk een mommespel te zien, met aangetrokken
+rouwkleedij en aangetrokken treurige gezichten. Maar het begraven
+van stadswege, zooals dat reeds hier en daar plaats heeft, is toch
+een koud denkbeeld. Neen, de buren, de buren moeten begraven; geen
+daartoe aangestelden die, als op hoog bevel, uwen dierbare, als
+ware hij publiek eigendom geworden, komen opeischen en weghalen,
+terwijl de gewoonte hun verbiedt eenige deelneming ook maar voor
+te doen. Maar zóó ver gaat de koelbloedigheid in sommige plaatsen,
+dat indien gij arm zijt en niet hebt om uwen vader, of uwe moeder,
+of uwe dierbare vrouw, of uw lief kind eene eerlijke begrafenis te
+geven, men u niet van de kosten ontheft, zonder op het rouwlaken met
+groote letteren het verwijt te schrijven: "_Van de Armen_". Dat is
+toch wat heel hard, en neemt de gansche weldaad terug!
+
+
+
+Ik sprak met een woord van het rouwdragen; ik wilde te dezer
+gelegenheid mijne denkbeelden daaromtrent blootleggen. Ik weet wel
+dat men somtijds, uit aanmerking van de bekrompen omstandigheden
+waaronder men een groot gezin nalaat, de bepaling maakt dat niemand
+het zwarte kleed zal aantrekken. Maar waar deze, of eene andere nog
+geldiger reden niet bestaat, o mijne vrienden! maakt, bid ik u, die
+bepaling niet. Laat het nooit eene gril wezen, die gij denkt dat u
+fraai staat, nooit een gekozen partij worden, waar gij niet van wilt
+terugkomen. Gij weet niet, hoe gaarne men over dierbare betrekkingen
+rouwt; hoe zoet het is eenen geliefden doode voor het oog der wereld
+deze geringe hulde te brengen! Honderd vertoogen over de nietigheid
+der uitwendigheden, honderd bewijzen dat het rouwkleed _niets_
+bewijst, honderd voorbeelden van huichelaren die het ontwijdden,
+van lichtzinnigen wie het verveelde, nemen niets weg van het zacht
+weemoedig gevoel waarmee de hartelijk bedroefde het aantrekt! En o,
+ik weet, op den bodem uws gemoeds _is_ die wensch, dat men uw dood niet
+onopgemerkt voorbijga, dat men het niet te veel zal achten iets voor uw
+nagedachtenis te doen. Maar uw verstand weerspreekt dien? Weest dan zoo
+hardvochtig verstandig niet,--weest natuurlijk, eenvoudig, menschelijk,
+en ten minste niet wreed jegens anderen. Ziet! ik wenschte, dat
+al die philosofen-, al die studenten-ideeën maar één hoofd hadden,
+om ze met een enkelen slag van de wereld te doen verdwijnen!
+
+
+
+Het dorpje O. is zoo weinig uitgestrekt, dat het zelfs geene Kerk
+heeft, maar welk vlek is zoo klein, dat het geene begraafplaats
+behoeft? Dáár is zij een lieve zandige heuvel, vanwaar men op bosschen
+en hoven nederziet, en in de nabijheid blinken de witte duinen. Enkele
+bewoners van de naburige stad hebben er graven. Daar bracht ik mijn
+eerste offer aan den dood. Daar legde men een mijner vroegste en beste
+vrienden weg. Ik was toen achttien jaar oud. Het was een heldere dag,
+en de zon scheen liefelijk op het vredig landschap en het kleine
+kerkhof. Het geheele tooneel staat in al zijne bijzonderheden mij nog
+levendig en helder voor den geest. Met eenige der naaste betrekkingen
+en nog een vriend van den overledene, wachtte ik er het lijk op. Nog
+zie ik den voorsten drager de kist tegen den heuvel optorsen. Toen
+werd zij op de planken gezet, en daarna voorzichtig nedergelaten op
+die eener zuster--almede eene jeugdige doode, die eene zelfde kwaal
+ten grave had gesleept! Het was geen kuil; het was een grafkelder. Van
+dat oogenblik af heb ik iets tegen grafkelders. Mij dunkt, ze zijn zoo
+kil! De moederlijke aarde klemt zich niet om den doode, opdat hij zijn
+stof met het hare vermenge, maar hij blijft aan zichzelven overgelaten;
+dit geeft onaangename voorstellingen. Ook begraaft men den doode
+niet; veeleer bergt men hem weg. De zon wierp hare heldere stralen
+in den geheelen kelder, en de witte kist met hare koperen ringen
+glinsterde in haar licht. Maar weldra schoof men den zwaren steen op
+de opening, en het licht werd langzamerhand uit dat somber verblijf
+uitgesloten. Ik weet wel, dat het dit was dat mij bijzonder aandeed,
+en dat ik met belangstellende aandacht de zwarte schaduw verder en
+verder over het deksel sluipen zag, totdat zij de laatste lichtstreep
+had verzwolgen. Maar het moest zoo zijn. Toen ik het graf verliet, had
+ik een vreemd gevoel. Het was mij duidelijk dat ik aan eene droevige
+plechtigheid had deelgenomen, maar dat ik _hem_ had zien begraven,
+dien ik zoo zeer geacht en bemind had, bij wiens ziekbed ik zoovele
+nachten had gewaakt, dien ik na zijn dood zoo dikwijls beschouwd had,
+zooals hij daar lag, rustig uitgestrekt, met blij moedigen glimlach en
+effen voorhoofd; dat hij nu in dien donkeren kelder lag, voor altijd
+weg uit mijne oogen... het was mij wonderlijk.
+
+Nooit bezoek ik dat kleine dorp, of ik bezoek dat graf. Nooit geleid
+ik iemand in den omtrek van dien stillen heuvel met blauwe zerken en
+groene zoden, of ik wijs hem dien aan en zeg--"dáár rust een mijner
+vrienden; hij was een goed mensch".
+
+
+
+Ik eindig zoo als ik begon: "Mijne vrienden, men zal ons allen
+begraven!" O dat wij allen, als deze, dezulken bij ons graf vergaderen
+die ons betreuren; dat ons aller nagedachtenis in zegening blijven
+moge! Zoo slape ons stof in den schoot der aarde, totdat de groote
+en ontzaglijke dag des Heeren komt!
+
+1837.
+
+
+
+
+Eene Tentoonstelling van Schilderijen.
+
+Mijn vriend _Baculus_ heeft een klein boekje geschreven, waarin hij
+over het verval der kunst klaagt en een weinigje knort! Als oorzaak van
+dit haar verval geeft hij voornamelijk op, dat zij buiten haar doel
+is geplaatst, dat zij niet op haren rechten prijs geschat wordt. De
+kunst is een meisje, dat leelijk wordt bij gebrek aan aanbidders. Hij
+bewijst u dat de kunst in het geheel niet meer wordt aangebeden,
+maar wel te kijk en te koop gezet, als iets bijzonders en aardigs,
+als eene curiositeit. Hierin nu is dunkt mij veel waarheid, en het
+staat in zijn boekjen in sierlijk Fransch te lezen. Inderdaad, het
+komt mij meer en meer voor alsof de groote kunst zoo ingekrompen was,
+dat men met haar als met een dwerg op de kermissen rondreisde. Gij
+begrijpt dat dit leventje haar zekere kwade gewoonten doet aannemen
+en haar in hare eigene oogen vernedert. Ook is zij sedert lang niet
+vrij te pleiten van allerlei laaggeboren ondeugden en neigingen. Zij
+is van tijd tot tijd vrijpostig en onbeschaamd, ophakkerig en
+driest. Zij houdt van bonten opschik, schreeuwt drie tonen te hoog,
+en is nu en dan wel eens wat heel los in den mond; daarbij heeft zij
+iets wreedaardigs en koelbloedigs gekregen.--En wat denkt gij nu van
+de tentoonstellingen van schilderijen? _Baculus_ ijvert er geweldig
+tegen en, als men de dingen een weinigjen uit de hoogte beziet, is
+men het zeker met hem eens; maar dan loopt men gevaar van fantastisch
+te worden, zooals de lieden van het onderzoek zeggen; daarom laat
+ons uit de laagte opkijken [29], en dan zullen wij toestemmen
+dat de jaarlijksche expositiën groote en veelzijdige _nuttigheid_
+hebben. Maar het is vervelend altijd over nuttigheden te praten;
+duizend "lezers" doen dit maandelijks in duizend lezingen; en voor
+een liefhebber der schilderkunst is één uurtjen in eene zijkamer met
+een portret van _Kruseman_ of eene zee van _Schotel_ alleen gelaten,
+ruim zoo aangenaam als de aanblik van die gansche zaal vol goud en
+glans, waar de kunstgewrochten in lagen opgestapeld zijn, en waarin de
+kleuren van den regenboog dooréénschemeren als die der zijden draden
+in de weerschijnen sakken onzer grootmoeders.
+
+Of welke speldeprikken (neen, dolksteken!) denkt gij, dat eene voor
+kunstschoon vatbare ziel zich voelt geven, als zij een kaarslicht
+van _Schendel_, voorstellende een ouden bedelaar (levensgrootte)
+met een kandelaar in de hand, hangen ziet tusschen twee grasgroene
+landschappen van ik weet niet wien, met duizend boomen, die elk zoo
+groot zijn als de kaars van den grijsaard, en daarboven misschien een
+ruiker van _Bloemers_, geflankeerd door het portret van een gouden
+huzaren-officier en de mislukte afbeelding van een opengesneden
+kabeljauw met bijhebbend gezelschap van roggen en mosselschelpen?
+
+En echter verzuim ik niet de tentoonstelling te bezoeken, en kan ik
+er met innig genoegen uren doorbrengen. Eerst maak ik den toer van
+de schilderijen en doe er zooveel wetenschap op als noodig is om in
+de gezelschappen te redetwisten over "het mooiste van allen", vast
+besloten het met de vrouw des huizes of de liefste dochter eens te
+zijn; om vervolgens de Haagsche en de Amsterdamsche tentoonstellingen
+onderling te vergelijken, waarbij de plaats waar ik mij bevind mij
+altijd het oordeel helpt vellen; om daarna de portretten van mijnheer
+en mevrouw A, B, C, en het geheele alphabet te roemen; echter sterk
+volhoudende dat zij volstrekt niet geflatteerd zijn, en eindelijk des
+noods met de jonge dames te lachen over het slechte toilet van deze of
+gene, die, verbeeld u! verkozen had in het groen te worden voorgesteld,
+terwijl zij toch "zoo _heel_ blond" is, en den heeren in te fluisteren,
+dat zij voor die groene japon te weinig goed heeft gebruikt; aan al
+hetwelk ik ten laatste de kroon opzet door de volkomene ontleding van
+een zeer slecht stuk en de uitvoerige beschouwing van dat kleine stukje
+"daar ik wel een uur bij had kunnen stilstaan, zoo klein als het was!"
+
+Maar dan keer ik mij, vermoeid van kleuren en tinten, verguldsel en
+vernis, dooreengewarde nommers en nagekomen stukken, tot de beschouwing
+dergenen, die met mij opgekomen zijn om te zien wat er al zoo in een
+jaar tijds is op het doek gebracht. Van de gladde, zachte, gepolijste
+gezichten in lijsten, tot de menschelijke troniën in hoeden; van de
+_tableaux de genre_ aan den wand, tot de _tableaux de genre_ op den
+vloer; en uren lang zou ik kunnen besteden in de natuurbeschouwing van
+dien af- en aanvloeienden stroom van kunstbeschouwers. Het verwondert
+mij dat er geen schilders nederzitten om studiën te maken. Ik heb er
+eene geheele verzameling van schilderijen opgedaan. Zie hier eenige
+nommers van mijn catalogus.
+
+N_o_. 1. _Een Teekenmeester, zijn eigen werk beschouwende._
+
+Het is een kort, tenger mannetje, min of meer grauw van tint, met
+kleine, grijze oogen en een scherpe kin. Bij het binnentreden overziet
+hij de zaal in de vier richtingen met een kennersoog, en geen stap
+gaat hij verder alvorens hij zijn bril heeft opgezet. Hij is gekleed
+in een vettigen, versleten zwarten rok en dito pantalon. Een lederen
+stropje van eigen maaksel knelt om zijn hals, en hij draagt een
+katoenen overhemd, op de borst fijntjes geplooid. Hij vergoedt het
+volslagen gemis van handschoenen door de buitensporige lengte van de
+opslagen zijner roksmouwen, die hem tot het tweede lid der vingeren
+komen. In het voorhuis reeds heeft hij den catalogus opengeslagen en
+naar binnen omgevouwen. Hij heel _Aegidus Punter_. De P. blinkt op de
+bovendrijvende bladzijde. Hij is nu bezig, met een zekere handbeweging,
+alleen den teekenmeesters eigen, een volslagen potlood met een lange,
+scherpe punt uit zijn kamizoolzak op te delven. Wilt gij meer van
+hem weten? O! het is niet moeielijk in hem een dier ongelukkige
+martelaars der kunst te onderscheiden, "die miskend worden", en wier
+schitterende gaven alleen waardeering vinden bij de jonge dames die
+hunne voorbeelden copiëeren. Het ontbreekt hem aan aanmoediging en
+tijd, anders werd hij een van de grootste schilders van het land. Dan
+had hij een ridderorde, dan ging hij naar Italië, dan kwam hij in
+de nieuwe uitgaaf van het groot Schilderboek!... Maar niemand let
+op hem. Hij gelooft somtijds dat hij een te stipt christen, een te
+nauwgezet burger is, om een schildersnaam te maken. Voor het overige,
+wanneer hij over de kunst spreekt, gebruikt hij de woorden: toon,
+kracht, geest, warmte, vergelijkende tint en wat dies meer zij,
+zoo dikwijls als de doorluchtigste van het gild. Zijne voornaamste
+verdienste bestaat in de edele onverschrokkenheid waarmede hij zich
+aan alle genres waagt. Hij teekent kerken, hij teekent historie,
+hij teekent landschap naar de natuur; hij vervaardigt, zoo gij het
+verkiest, uw portret in waterwerf of crayon; hij doet al wat gij
+wilt. Maar hij maakt jaarlijks één schilderijtje, dat hij naar de
+tentoonstelling zendt. Het maakt de bewondering uit van zijn vrouw,
+van zijn meid, van al zijn kweekelingen, en van al de leden van het
+kunstlievend gezelschap daar hij lid van is.
+
+Maar altijd wordt het slecht geplaatst, allerslechtst geplaatst! Hij
+ziet in de commissie een schandelijk komplot, tegen zijn opgang en
+belangen saamgespannen. Hij leest den Konst- en Letterbode, hij leest
+het Handelsblad: nooit is er melding van zijn stuk gemaakt. O! welke
+zoete droomen droomt hij den eersten nacht nadat hij het heeft ingepakt
+en met een uitvoerig adres verzonden! Het zal de verbazing van alle
+beschouwers uitmaken! _Teylers_ museum zal het willen aankoopen;
+de Prinses van Oranje zal het moeten bezitten; een liefhebber zal
+aanbieden het met goud te beleggen! Groote schilders zullen hem zijn
+penseel benijden; vreemdelingen zullen naar de plaats zijner woning
+komen reizen "om den grooten _Punter_ te zien"; en wanneer hij hun
+dan, zoo eenvoudig en nederig als hij is, in zijn simpel zwart rokjen
+en op zijn hooge schoenen, de deur zal openen, en zij vragen: "is de
+groote _Punter_ te huis?" welk een triumf zal het zijn, te zeggen:
+"dat ben ik zelf, mijnheer! om u te dienen!"--Helaas, zijn stukje
+komt weerom--het is niet in aanmerking gekomen.--Eens, eens--de
+waarheid eischt van den geschiedschrijver dat hij het vermelde--ééns
+scheen het in aanmerking gekomen te zijn. Eene dame van rang en
+liefhebberij had er een kunstkooper last op gegeven. De kunstkooper
+schreef aan _Punter_, en _Punter_ schreef aan den kunstkooper. Hoeveel
+woordenstrijd had deze briefwisseling tusschen juffrouw _Punter_ en
+haar waardigen eega gekost, als het haar voorkwam dat hij te zedig was
+in het bepalen van den prijs, en zij hem toescheen voor een eersten
+keer wel wat inhalig te wezen! Eenige dagen duurde het eer hij een
+tweeden brief ontving. Reeds wisten al zijne jonge juffrouwen en
+de geheele stads-teekenschool dat het stukje van meester _Punter_
+was "aangekocht voor een kabinet"; reeds had men er hem in zijn
+kunstlievend gezelschap mee gelukgewenscht; reeds had hij vol ijver
+en hoop een nieuw stukje begonnen. Het zou ditmaal in den smaak
+van _Ostade_ zijn. Twee passediezende boeren met de echt Ostadische
+korte pijpjes, en den eeuwigen wingerdtak belet vragende door het
+venster. De eene geheel spel; de andere half bierkan!--Hij zou er
+het dubbel voor vragen van hetgeen zijn eersteling had opgebracht;
+en zijne vrouw zou een kerkboek krijgen, met een gouden slot. Zoo
+zou hij langzaam opklimmen tot de hoogste hoogte; zoo was het _Frans
+Hals_, zoo _Van Dijck_, zoo _Rembrandt_ gegaan.--Maar, o slag des
+noodlots! Daar brengt hem de koelbloedige post een brief.--Men had
+zich in het nommer vergist. De kunsthandelaar is beleefd genoeg
+vergeving voor deze onachtzaamheid te vragen. Vergeving voor deze
+onachtzaamheid! Wat onachtzaamheid? Neen, hij vrage veeleer vergeving
+voor een der verschrikkelijkste grieven, die men een eenvoudig
+burgerman kan aandoen! vergeving voor een dolksteek, die een van
+blijdschap zwellend hart doorboort; voor een mokerslag, die honderd
+der schoonste luchtkasteelen doet ineenstorten! vergeving voor een
+zedelijken en schilderlijken moord!--Ziedaar een enkele bladzijde
+uit de geschiedenis van dit klein, tenger mannetje. Verbaast het u
+thans, dat zijn rok zoo kaal, zijn gelaat zoo geel, zijn mond zoo
+droevig geplooid is, dat hij de opgewektheid verliest zijne sluike
+haren éénmaal in de maand te doen knippen? Zie hem daar nu weder
+op de tentoonstelling. Zijn stukje--het is ditmaal eene keukenmeid,
+die een koperen emmer schuurt--zal wel weer slecht geplaatst zijn;
+zeker te hoog of te laag voor menschelijke beschouwing. De vorige
+maal was het alsof het zijne bewonderaars onder de engelen zocht: nu
+zal het misschien in de diepte zijn nedergestort. _Flectere si nequeo
+Superos, Acheronta movebo!_ zucht hij niet, want hij verstaat geen
+Latijn. Zijn vader was een rijtuigschilder, beroemd om zijn blinkend
+en nooit barstend vernis; maar de zoon had te veel _"zenie"_ om bij dat
+vak te blijven. Hij vorscht met schijnbare onverschilligheid de plaats
+uit, aan zijn meesterstuk beschoren. Het schikt nogal, wat de hoogte
+betreft; maar in dit hoekjen is immers weer niets geen licht op den
+koperen emmer! Ach! de geheele wereld gaat er ook voorbij. Nutteloos
+staat deze Apelles op de wacht; zoomin de tripjes als de voet van
+zijn keukenmeid worden beoordeeld! Niemand zegt iets van den koperen
+emmer, waarvan zijn vrouw immers had betuigd, dat zij meende er haar
+muts in te kunnen opzetten! Als de bewegelijke rij der toeschouwers,
+"die toch waarlijk bij erger prullen stilstaat", tot _zijn_ werk is
+genaderd, schijnen zij plotseling gezicht en spraak verloren te hebben.
+
+
+ Stillswijgen is een Vloeck die meer bijtt als quaed-spreken.
+
+
+Zijn eigen onafgebroken aandacht wekt zelfs niemands opmerkzaamheid
+op.--"En daar moesten zij dan die lijst nog om beschadigen!" zucht
+hij--"die lijst van twaalf gulden tien!" Want het verguldsel had een
+knauw gekregen, doordien het nog nat was geweest toen hij zijn tafereel
+inpakte en, een maand te vroeg, verzond. Troosteloos verwijdert hij
+zich, om in stilte zijn gemoed te koelen aan het portret van dien
+poedelhond, wiens rechteroor misteekend is. Maar, daar is het alsof
+hij iets hoort in den hoek van _zijne_ schilderij. Inderdaad! Eene
+jonge welgekleede dame en een dito jonge heer staan er in eene gebukte
+houding op te turen. Zoo schijnt dan nog iemand dit der moeite waardig
+te achten! Zie, hoe lang vertoeven zij! het zijn zeker liefhebbers,
+ontegenzeggelijk kenners!--Maar welk een onderdrukt gelach, nu zij
+er afstappen? Gerechte hemel! zij trekken een gezicht alsof zij het
+vroolijkste _Jan-Steentje_ gezien hadden in plaats van zijn eerbare
+keukenmeid, en nog even vangt hij de woorden op: "het heeft meer
+van een hond".--Dat verwijt geldt, arme kunstenaar! het katjen op uw
+voorgrond, niet veel grooter (ik beken het) dan een schaap van het
+kleinste ras! Het katje, waarvoor uw eigen poes tot model verstrekte;
+het katje, dat gij uitteekendet des avonds, terwijl uwe teedere gade
+uw slaapmuts warmde op haar stoof! En (tot overmaat) daar hoort hij
+diezelfde jonge lieden hunne bewondering uitgillen over dienzelfden
+poedel, wiens rechteroor misteekend is!--"Het is," zeggen zij, nota
+bene!--"het is alsof hij leeft."
+
+"De naam is alles," zucht hij, en kijkt op zijn zilveren zakuurwerk,
+het zilveren zakuurwerk van zijn eerzamen vader, den rijtuigschilder,
+beroemd door zijn blinkend en nooit barstend vernis. Het uur is
+geslagen, hij moet les geven. Ga heen, ongelukkig martelaar! ga heen
+naar de jongejuffrouw C. en vertel haar voor de honderdste maal "dat
+zij toch hulplijnen moet zetten"; zij heeft het weder vergeten, en nu
+staat de geheele anjer scheef; ga heen, en bedenk u onderweg nog eens
+of gij u wel wagen zult aan die voorstelling van de heldendaad van
+_Van Speyk_, waar ook al voorstellingen genoeg van zijn. Vervolg uwe
+lessen van uur tot uur en van dag tot dag! Met een weinig meer talent
+zoudt gij misschien, met een weinig minder, zeer zeker gelukkig zijn.
+
+N°. 2. _Een familietafereel._
+
+Het is een mijnheer en eene mevrouw van middelbare jaren, en een
+jongeheer en eene jongejuffrouw in den bloei der jeugd, en een kleine
+jongen van zeven jaar daarbij. Ik beschrijf u hunne kleederdracht
+niet: er is weinig opmerkenswaardigs aan. Het zijn menschen uit den
+deftigen middelstand, goede lieden, niet Haagsch, maar kleinsteedsch
+gekleed. Ik sla een blik op de wezenstrekken. Mijnheer ziet, dunkt mij,
+een beetje knorrig. Vraagt gij de reden? Deze menschen komen eigenlijk
+zoo pas uit een naburige stad met een calèche aangereden, waarin zij
+met hun vijven hebben gepakt gezeten. Mijnheer heeft drukke zaken,
+waarbij zijn tegenwoordigheid slecht gemist kan worden; hij ziet tegen
+alle uitstapjes op, als tegen zoovele bergen, en hij houdt daarenboven
+niet van rijden. Maar mevrouw wilde zoo "dolgraag" de tentoonstelling
+zien; al de mevrouwen zagen die. In een zwak oogenblik, hij moet het
+bekennen, had hij het haar beloofd. Ik meen wel, aan den avond van
+een dag, dat hij geen lust gehad had menschen te zien. Ook waren de
+kinderen nooit in den Haag geweest, en het Haagsche Bosch--"het was zoo
+heerlijk!" Vroeg in den morgen kwam het rijtuig voor. Het was tamelijk
+mooi, ja! het was mooi weer! Maar zoodra de paarden het Haagsche Bosch,
+"dat zoo heerlijk was", hadden bereikt--of het spel sprak--scheen het
+dat donkere wolken den hemel betrokken! en nòg was het Paleis van Prins
+_Frederik_ niet in het gezicht of de stortregen kwam neder!--In het
+plan stond, dat men op het Tornooiveld, in den Doelen, af zou stappen
+en zich eerst behoorlijk en op zijn gemak verkwikken. Mijnheer is
+gesteld op zijn leefregel. Maar men heeft geen regenscherm! En dan--de
+straten!--Men vindt dus beter dadelijk op de tentoonstelling aan te
+rijden. Van dat de eerste zwarte wolk was komen aandrijven en de eerste
+rimpel op papa's voorhoofd bespeurd is, heeft mama alles in het werk
+gesteld om het gesprek levendig te houden. Zij was onuitputtelijk
+in het verhalen van de genoegens, die zij in hare jeugd in dit
+"eigenste Haagsche Bosch" gesmaakt had. Maar bijna geen woord is er
+gesproken sedert de eerste vochtdruppel viel en het "daar hebben wij
+het al!" van de lippen van het achtbaar hoofd des huisgezins geklonken
+heeft. Mevrouw, die de reis heeft dóórgedrongen, het jonge meisje, dat
+haren vader met haar "vooruitgebabbel" over dat feest heeft verveeld,
+en de jongeheer, die gezworen heeft dat het mooi weer zou blijven,
+voelden zich als het ware verantwoordelijk voor iederen regendrop,
+die viel, vallen zou, of zou kunnen vallen, en ongerust zagen zij
+elkander aan. "Kom aan dan maar!--de tentoonstelling!" had papa
+gezegd, toen het rijtuig stilhield en de familie werd uitgepakt. Maar
+in de stemming, waarin ZEd. verkeerde, viel het hem nogal tegen dat
+hij voor ieder persoon van zijn gezin een catalogus te koopen had,
+alleen de kleinste uitgezonderd. Maar mevrouw!--Haar triomfante blik
+roept mij toe: "wij zijn er!" en het beminnelijkst lachje vervangt,
+zoodra zij zich in het lokaal gevoelt, den angstigen trek die in de
+volle calèche om haren mond speelde. Ondertusschen is deze lieve
+familie nu véél te vroeg gekomen. Daar is nog bijna niemand. Dit
+valt de nog wel eenigszins wereldsche dame tegen; niemand om gezien
+te worden! niemand om hare lieve dochter te zien! Het is waarlijk
+een mooi gezichtje en, mij dunkt, het gelukkigste van alle; een
+ongemaakte vreugde verschijnt op haar gelaat, nu zij de bonte rijen
+van tafereelen overziet. Maar zij had zich toch alles veel grooter
+en veel mooier en veel treffender voorgesteld. Tien zulke zalen,
+duizend meesterstukken! Zij telt pas zestien jaren.--Mijnheer haar
+broeder is een jaar ouder, en dus in dien lieven leeftijd, waarin
+men meent voor iets goeds te zullen gehouden worden, wanneer men
+den schijn aanneemt van iets kwaads dat men niet is. Hij heeft al
+de kenteekenen, al de bewegingen van een recht lastigen wijsneus,
+en schijnt nog in twijfel te hangen wat hij liever wezen zal, een
+fat of een lomperd. Hij verbeeldt zich kunstkennis te hebben en is,
+om daarvan proeven te geven, gestadig in de contramine. Al de stukken
+die zijne goede moeder opgetogen doen staan van verrukking, acht hij
+"infaam geschilderd, slecht van kleur, dwaas van gedachte, plat, zonder
+diepte", kortom rechte bokken van ongerechtigheid, die hij met al de
+fouten van alle slechte schilderijen belaadt. Zijn zuster dwingt hij
+tot de bewondering van grove, wilde, breedgepenseelde studiekoppen van
+bandieten en ijzervreters "daar genie in zit", en die haar volstrekt
+beter moeten bevallen dan het liefste heiligbeeld der wereld. Hij is
+altijd een schilderij of wat vooruit, zoekt ter sluiks de nommers op
+in den catalogus, en toont dan zijne meerderheid over zijn vader door
+hem in strikken te lokken en tot dwaze weddenschappen te verleiden
+over den waarschijnlijken schilder van dit of dat tafereel, van
+wien de gedrukte letter hem den naam heeft doen kennen; en na hem
+bewezen te hebben dat hij dien aan zijne lichtvalling, of aan zijn
+behandeling, of aan zijn stoffeering, of aan zijne ordonnantie kent,
+laat hij den goeden man, die toch al niet wel gemutst is, van tijd tot
+tijd een ongelukkige figuur maken. Mevrouw heeft een treurig gebrek
+aan ordelijkheid in hare beschouwing. Nu is zij in dit gedeelte der
+zaal, maar plotseling verplaatst zich hare nieuwsgierigheid naar het
+tegenovergestelde; nu eens wordt zij door deze of gene uitblinkende
+verf aangetrokken, dan weder verlokt door haar aangeboren zucht om
+gelijkenissen op te merken. "Zie toch eens, lieverd! vinje niet, dat
+dat jongetje veel van ons _Pietje_ heeft?" Het tafereel, waarvan ze
+spreekt, is de voorstelling van een lief kind, met het hoofd voorover
+gebogen op den ruigen kop van een patrijshond, en door een onzer
+eerste meesters geschilderd; een recht serafijnen gezichtje waarmee
+ik, in het voorbijgaan, de moeder gelukwensch. _Pietje_--het is een
+zevenjarig jongetje, dat ik u nog niet beschreef--_Pietje_ is een
+ongelukkig wicht, door de engelsche ziekte mishandeld, met een groot
+driekant hoofd, en bleek, zeer bleek! In zijne fletse oogjes schemert
+maar eene flauwe levensvonk. Ik weet niet recht of hij een zakdoek
+bij zich heeft. Maar aan zijn kleedij is smaak, noch kosten, noch
+tijd gespaard. De kinderen van onze dagen worden allerdichterlijkst,
+allertheatraalst uitgedost. Eene vierkante uhlanemuts met een gouden
+kwast siert zijn jeugdig hoofd, en een schotschbont kieltje, waarvan
+de breede plooien door een nog breeder verlaktlederen riem met een
+onmatigen gesp worden in toom gehouden, en waar de ruiten zoo groot van
+zijn, dat de rug van het schaap volmaakt een gevierendeeld wapenbord
+vertoont, begraaft zijne tengere ledematen. Een fijngeplooid kraagje,
+dat hem in de ooren prikt, wordt naar hetzelfde stelsel van inperking
+te keer gegaan in iedere buitensporige golving die het zou kunnen
+aannemen, door een dasje van turkschgele zijde, zeer uitvoerig
+gestrikt. Een wit engelschlederen broekje, tot groote zielesmart
+van mama aan de treden der calèche bij het uitstappen vuil gemaakt,
+omkleedt zijne kromme beentjes, eindigende in witte kousjes en
+lage schoentjes. "Vinje niet, lieverd! dat dit jongetje veel van
+ons _Pietje_ heeft?" vraagt de moederlijke moeder. Maar hoe groot
+is hare ontzetting, nu zij, opziende naar een antwoord, niet haren
+echtvriend gewaarwordt, maar wie weet welk een groot Haagsch heer, met
+een ridderorde en een knevelbaard! "Excuseer, mijnheer!" en met een
+kleur als vuur ijlt zij weg, en sleept nu haren wettigen gemaal voor
+de beeltenis van den lieven jongen, "die zooveel van _Pietje_ heeft".
+
+Zoo heeft men een geheel uur gesleten. Mijnheer meent dat het lang
+genoeg is; de wijsneus beweert dat er niets "eigenlijk moois" is; de
+jonge juffrouw heeft een dollen zin opgedaan om met een blooten hals
+en een gouden ketting geportretteerd te worden; en mevrouw vindt dat
+men niet weg moet gaan "eer men de Haagsche menschen nog eens gezien
+heeft." Het rijtuig, dat intusschen weer voorgekomen is, zal daarom
+nog wat wachten. Maar de Haagsche menschen komen nog niet; de _beau
+monde_ zou nog niet _kunnen_ komen. Men slentert nog een half uurtje,
+en ziet, de zon breekt door! Men moet van het goede weer gebruik
+maken om naar het Haagsche Bosch te gaan, "dat zoo heerlijk is". De
+familie vereenigt zich bij den uitgang. "Heden mijn tijd!" zegt
+mevrouw, "daar hebben we het stukje van _Ko_ nog niet gezien! Dat
+moesten we toch nog eventjes opnemen."--"Och laat dat stukje van
+_Ko_ nu maar rusten!" zucht mijnheer. "Het zal wat wezen!" merkt de
+wijsneus aan. Maar mevrouw durft de moeder van _Ko_ niet onder de
+oogen komen, tenzij ze het stukje van _Ko_ gezien heeft. _Ko_ nu,
+is een neefje van de familie, een bedorven kind dat niet onaardig
+teekent, weshalve zijn moeder besloot dat hij moest schilderen;
+en toen hij iets dragelijks voortbrengen kon, besloot zij al verder,
+dat hij iets naar de tentoonstelling zenden moest. "O zijn koetjes! me
+dunkt dat ze zóózoo zullen gaan bulken!" En nu de zaal weer binnen! En
+nu zoekt mijnheer in den catalogus, en mevrouw in den wilde, en de
+dochter in schijn, en de wijsneus in het geheel niet naar het stukje
+van _Ko_. Het stukje van _Ko_ is nergens te vinden. "Hoe groot zou
+het zoo wat zijn? Zeker niet zoo heel groot." Eindelijk vindt men
+een stukje met koeien, van _Ravenzwaay_ of een ander,--"ja dat zal
+het wezen; dat is wel zoo wat in zijn manier"--en liever zonder den
+catalogus op te slaan, uit vrees van uit den droom geholpen te worden,
+sleept mijnheer de familie nu mede, volmaakt tevreden over het stukje
+van _Ko_. Daar gaan zij heen. Het is ondertusschen weer begonnen te
+regenen. Het geheele luchtruim schijnt uit grauw papier gesneden. Daar
+gaan zij heen--om het Haagsche Bosch te zien, "dat zoo heerlijk",
+en in het Scheveningsche Badhuis te eten, "dat zoo voornaam is",
+om daarna huiswaarts te rijden: mijnheer, met de zekerheid, dat hij
+morgen dubbel zal moeten werken; mevrouw maar half tevreden, omdat zij
+zoo weinig menschen gezien heeft; de zestienjarige, met den hopeloozen
+wensch in het hart om met een blooten hals en een gouden ketting te
+worden geportretteerd; en de wijsneus, veroordeeld om den geheelen
+weg over met den kleinen Schotschen engel op zijn knie te zitten.
+
+N_o_... Maar neen, ik stap van de nommers af; ik weet niets
+vervelenders en ontrustenders dan getallen; ik geloof, dat zij u
+in sommige omstandigheden de koorts op het lijf jagen. Ik sluit
+dus mijn catalogus en noodig u liever, u met mij te verplaatsen te
+midden van dien bonten hoop van bezoekers, nu het uur _du bon ton_
+geslagen heeft, en het vol wordt in de zaal. Welk een gefluister! welk
+eene drukte! welk een gedrang! Maar een zacht, een beleefd gedrang,
+een gedrang van zijde en fluweel! Zie deze oude barones, geleund
+op den arm van haar zoon, den kamerheer. Zij is blij dat ze boos
+kan zijn omdat er nog altijd eenige burgerlieden in de zaal zijn
+gebleven.--Zie deze brillante modemaakster, met haar valsch goud
+en geplekt zijden kleed, zich de airs gevende van eene freule, en
+nu eens met een radde Haagsche tong, dan eens in slecht Fransch,
+de schilderijen ruim zoo luidkeels beoordeelende als de hoogste
+hooggeborene.--Aanschouw dat lieve burgermeisje, slachtoffer van
+de eerzucht haars broeders, die schrijver is bij een ministerie en
+alzoo een bril en veel fijner laken draagt dan zijn vader uit den
+lintwinkel. Hij wilde volstrekt niet vóór het _fashionable_ uur naar
+"de expositie", en nu leeft zijn lief zustertje, dat zich wel naar
+hem schikken moest, in gestadige angsten, en durft zich niet in het
+gedrang wagen, en heeft de vermetelheid nauwelijks om zich voor het
+beeld van die "oude vrouw, den Bijbel lezende" te plaatsen, waarvan
+zij zoo veel heeft hooren spreken; zij bereikt het eindelijk, maar
+beschouwt het niet dan met een schuchteren blik en gereed om de vlucht
+te nemen voor de eerste groote dame die er haar lorgnet op schijnt te
+zullen richten. Ach! zij gevoelt zoo diep en zoo dikwijls dat zij maar
+"een juffertje" is. Tot haar groot geluk redt haar de komst van haar
+broeders chef uit al de pijnlijkheden dier folterzaal.
+
+Geef u de moeite den blik van stomme bewondering dezes eenvoudigen,
+van onverschilligheid dezes onbeduidenden, onderling, en met het
+oog van verachting dezes veertigjarigen jongelings, "die zóó veel
+gezien heeft in zijn leven en op zijne reizen", te vergelijken. Let
+op dezen rampzaligen Narcissus, gelukkig door zijn bont vest en zijn
+stroogele handschoenen, die, op den knop van zijn rotting zuigende,
+zichzelven voor eene zeldzame vereeniging aller mannelijke schoonheden
+houdt, die de dames meer belangstelling vergt dan al de portretten
+van geleerden en cavalerie-officieren en zeemannen in de zaal,
+en waardig is in al de bochten, waarin hij zich wringt, te worden
+afgebeeld om de bewondering aller tentoonstellingen uit te maken. De
+onbetaalbare levende ledeman! Sla uw oog op dezen geaffaireerden
+bezoeker, neen doorvlieger van de zaal, wiens gewichtig gelaat
+het telkens luider uitgilt "dat hij wel wat anders te doen heeft
+dan schilderijtjes na te loopen;"--op deze jonge dame, die zelve
+schildert en, met een tuyau in de hand, niet rusten kan vóór zij de
+stukken van haren lievelingsschilder "genoten" heeft, "dan is haar de
+rest onverschillig;"--op dien student, die sterven zal, zoo er niet
+spoedig iemand komt, aan wien hij vertellen kan dat hij de laatste
+_Ausstellung_ te Dusseldorf heeft bezocht.--"Maar wie is die jonge
+mensch," vraagt gij, "met dien lagen, breedgeranden hoed, die wilde
+haren, dien dikken stok, dat heele korte jasje, dien wijden, geruiten
+pantalon?"--Gij meent een schilder, een jong schilder. Gij vergist
+u; het is de vriend van iemand, met nog lager, nog breeder geranden
+hoed, met lange, maar schoone, gekrulde haren, met een nog dikker,
+maar ook mooier stok, met een nog korter, maar fluweelen jasje, en
+nog bonter pantalon. En _die_ iemand is een schilder. _Deze_ is zijn
+_alter ego_, zijn onafscheidelijke, zijn jakhals, zijn bewonderaar,
+zijn namaaksel, zijn overdruk, zijne schaduw. Hij wandelt met den
+schilder, hij ontbijt met den schilder, hij doet keertjes te paard
+met den schilder, hij gaat met den schilder naar den schouwburg,
+hij rookt, hij zwetst, hij biljart met den schilder; alleen, hij
+schildert met den schilder niet. Dagelijks kunt gij hem in deze zaal
+vinden; want hij is een hartstochtelijk bewonderaar der schilderkunst
+en der schilders. Indien gij op dezen afstand het woord _artiste_ op
+zijn voorhoofd meent te lezen, zult gij hem tot den gelukkigsten der
+stervelingen maken. "Ook is _zijn_ schilder hem menig idee verplicht,
+en zoo hij wilde... ja zoo hij wilde!"
+
+
+
+Zult gij nu nog vertoeven, totdat de laatste laatsten _du beau monde_
+verschijnen, die de zaal door huns gelijken bijna ontruimd vinden en,
+tot hun groote wanhoop weder volgeloopen met "gepeupel", dat reeds
+gegeten heeft--? Of willen ook wij nu maar heengaan, uit vreeze,
+dat deze of gene onderzoeker òns uitteekent, als caricaturen van
+onverdragelijke leegloopers, die zich het voorkomen van opmerkers
+geven?--
+
+1838.
+
+
+
+
+De Wind.
+
+Het stormt buiten. Hoort gij het, mijne vrienden? het stormt. De wind
+is verschrikkelijk: vlaag om vlaag; hij loeit om uw dak, hij fluit
+door iedere opening, door elken doortocht. Hij schudt uwe deuren
+en vensterramen. Het is noodweer. Zegt niet: "laat ons opstoken en
+bijeenschikken, en eten en drinken, en zóó luid spreken dat wij den
+wind niet hooren." Het is epicurische lafhartigheid. Gelijk gij bij
+zacht en liefelijk weer den blik wel duizendmaal uit het venster werpt
+en, de vriendelijke natuur in al haar rustig schoon aanschouwende,
+telkens uitroept: "het is heerlijk!" zoo ook past het u op een dag
+als heden, althans een enkele maal naar den orkaan te luisteren, zijn
+woeden aan te zien, te denken aan de algemeene beroering, en te zeggen:
+"het is ontzaglijk!" Dit, dunkt mij, betaamt een man. Zij, die het
+niet willen--ik vreeze dat zij de stormen des levens met dezelfde
+kleinmoedigheid zullen zoeken te ontduiken. Neen, zij zeker zijn het
+niet, die in rampen en verschrikkingen, in onheil en nood, zich van
+hun toestand overtuigen durven, of in den storm des tegenspoeds het
+hoofd opsteken en zeggen: "hier ben ik!" Zij sluiten hunne oogen voor
+het gevaar; zij schuwen het in te denken; zij sterken zich het hart,
+noch oefenen hunne zielskracht; zij hebben geen nut van hun leed;
+het zijn bloodaards. Laten wij naar den storm luisteren.
+
+Die wind, die ontzettende wind! Van waar komt hij? Werwaarts gaat
+hij henen? Vergeefsche vragen, door zijn krachtigen adem medegevoerd
+en verstrooid! De onzichtbare, de geweldige, de alomtegenwoordige,
+de reus der geheimenis! Hoog, hoog boven de aarde, om de lenden der
+bergen worstelt, woelt, en geeselt hij; door rotsspleten en spelonken
+waart hij rond met snerpend geloei; in den diepen afgrond gromt hij;
+in de eenzame woestijn, waarin geen geluid gehoord wordt dan het
+zijne, drijft hij het zand te hoop; door de wildernis wandelt hij om,
+met luidruchtig geweld;--en de onmetelijke zee,--is hij niet grooter
+dan zij? haar broeder, haar ontzaglijke speelgenoot, haar woedende
+bestrijder!
+
+De onafhankelijke: hij waait werwaarts hij wil. Als gij hem uit
+het oosten wacht, verheft hij zich in het noorden. Gij gelooft, dat
+hij sluimert in het zuiden--ziet, hij staat op in het westen! Hoe
+spoedig is hij ontwaakt, hoe ijzingwekkend is zijn kreet,
+hoe onweerstaanbaar zijn aanval! De sterke: soms is hij speelsch
+en dartel; maar wee! wee! als het hem ernst is; want eer hij den
+kampstrijd aangaat, is zijn triumf verzekerd. Het woud gaat hij door,
+als door _Sanheribs_ leger de slaande Engel des Heeren. De wateren
+woelen, zieden en branden. Hij ontbloot de beddingen, hij smakt de
+steenrots van haar voetstuk. De gelederen der golven breekt hij door,
+en speelt met haar schuim als waren het witte vederen, haren gehelmden
+kruinen afgerukt. Te vergeefs zoo de zee zich opheft als een bezetene,
+dol van woede, bruisende van toorn. Hij grijpt haar aan, en schudt
+haar tot zij machteloos en stuiptrekkende nederstort--en wie zich
+aan haar borst vertrouwden, wie zich waagden op hare gevaarlijke
+diepten... Heere! behoed hen! zij vergaan.
+
+Krachtige stem der natuur! Hoe schokt gij de harten der menschen! Alle
+geluid van het onbezielde is door u, levende stem der lucht! Gij
+spreekt; de echo der bergen, de schoot der wateren, het dichte loover
+antwoordt u. Maar gij, gij overschreeuwt die allen. Wel moogt gij
+de stem des Heeren heeten. Voorzeker neen: geen ontgrendeld rotshol,
+geen gonzende knots, geen losgelaten vleugelpaard, geen adelaar met
+klappende wieken bracht u voort: gij zijt de stem des Almachtigen. Zijn
+Geest is een adem, een aanblazing, een krachtig ruischen. Woest was
+de baaierd, woest en ledig; geen orde, geen onderscheiding, geen
+licht, geen geluid. De duisternis zweefde over den afgrond. Alles
+stil en levenloos. Maar een krachtig, een zwoel, een vruchtbaarmakend
+windgeruisch ging over de diepte. Het was de adem Gods broedende [30]
+over de wateren. Zij sidderden op die aanraking; die siddering was
+leven. De stilte was gebroken. Sinds dat oogenblik gingen van God uit
+scheppende kracht, orde en leven!--In het suizen van den avondwind
+behaagde het Jehova den eersten zoon des stofs te verschijnen; en uit
+den wervelwind sprekende tot _Job_, leerde hij hem sidderen voor de
+mogendheid zijner almacht. Hoort gij dit plechtig geloei? Welnu! zulk
+een gedruisch vervulde het gebouw, waar de discipelen bijeenzaten
+op den Pinksterdag; het was Gods Geest, op aarde nederdalende in het
+ruischen "als van eenen geweldigen gedrevenen wind".
+
+Maar dit symbool der kracht Gods, zoo onzichtbaar, zoo geducht, is het
+ook niet een schaduw zijner weldadigheid? Ziet, nu is hij geweldig en
+verpletterend; maar hij is toch geen woestaard, alleen uitgaande tot
+verdelgen! Als alles doodsche stilte is; de zon brandend; de korst
+der aarde gespleten; het geboomte verschroeid; het pas opgeschoten
+veldgewas schraal en met stof bedekt; als de kanker der vertering in
+stilte voortvreet, en de stinkende damp des verderfs hevelt uit het
+lauw moeras--dan verheugt zich de dood in een rijken oogst. Maar,
+in de verte ziet gij een wolkje, niet grooter dan uw vuist, en het
+is als hoordet gij den slagregen reeds ruischen; want de bode des
+Heeren is opgestaan, de breedgewiekte wind, die het in een oogwenk
+tot u zal brengen. Hij komt, de afgebedene, de gezegende. Voor
+zich henen drijft hij den pestwalm, die om uwe hoofden zweefde, en
+onder zijne wieken voert hij mede de trezoren der vruchtbaarheid en
+des bloeis, der gezondheid en der kracht. Hij vernieuwt het gelaat
+des aardrijks. Hij vaagt het stof af van den oogst; de sluimerende
+groeikracht wekt hij op uit hare bezwijming. Verkwikkend gaat hij om,
+en deelt frissche teugen uit van welvaart en van leven.
+
+Herinnert gij u den weelderigen zomeravond, dien gij zoo zeer
+genoot? De dag was drukkend geweest en benauwd. De zon, krachtig
+tot het laatst toe, was ondergegaan te midden van purper en
+rozen. Nog zongen de vogelen niet. Er lag eene zwaarte op de geheele
+natuur. Alles was stil. Maar daar ontwaakte een zacht gerucht,
+het suizen van een liefelijk koeltje. Hoe vingt gij het op met
+dorstige lippen, met hoeveel wellust ademdet gij het in, en liet het
+spelen door uwe bedauwde lokken! Het kwam vriendelijk aangezweefd,
+beladen met den geurigen wasem van blad en bloem, en koelde loover
+en grasscheuten. Fladderend streek het over het lauwe water, en
+helderder en frisscher rimpelde dat, en ruischte als verheugd; de
+toppen der boomen vingen aan welluidend te zwatelen:--het was een
+liefelijk ineensmelten van zachte en vredige geluiden. Het was u,
+als hoordet gij een stem van enkel liefde. Welnu! het was de stem der
+liefde Gods. Zoo ruischte zij den profeet in de ooren, op den top
+van Horeb, waar hij stond en den Heer verbeidde. "En ziet, de Heer
+ging voorbij, en een groote en sterke wind [als deze!] scheurende
+de bergen en brekende de steenrotsen voor den Heere henen. Doch de
+Heer was in den wind niet. En na den wind, eene aardbeving; de Heer
+was ook in de aardbeving niet. En na de aardbeving, een vuur; de
+Heer was ook in het vuur niet. En na het vuur, de stemme eener zachte
+koelte. Toen sprak de Heer tot _Elia_".--Dit, mijne vrienden, staat in
+den Bijbel, opdat gij het lezen zoudt, in dezen stormachtigen tijd! O,
+'s nachts, 's nachts, als gij slapeloos nederligt, en de ontboeide
+wind gierende omgaat om uw huis als een brullende leeuw die schijnt
+te zullen binnendringen--dan gaat eene huivering u door de ziel! Zegt
+mij, hebt gij gebeden? God, de Heer! voor wien stormen en orkanen
+zijn als dienaren die, als hij ze roept, tot hem komen en zeggen:
+"Hier zijn wij!" God, die ze uitzendt en terugroept als boden en
+slaven--die Almachtige is zachtmoedig en liefderijk als eene zachte
+koelte. Slaapt dan in! Al waart gij ook teedere moeders, wier zonen
+verre zijn; misschien wel op den breeden vloed! Nog eenmaal gebeden,
+en dit bedacht! en het zal u wezen, als zweeg de wind! en als omringde
+u alleen de zachte, de kalmte aanbrengende liefde Gods. Slaapt in;
+die liefde sluimert nooit. Vreest niet--gelooft alleenlijk.
+
+October 1838.
+
+
+
+
+
+
+
+ANTWOORD OP EEN BRIEF UIT PARIJS [31].
+
+
+Eindelijk heb ik hem gezien, mijn vriend, gezien en bewonderd! Het
+monster van Bleekloo, de aangebedene, de gevierde, de hoop van allen,
+die nog niet wanhopen aan den goeden smaak en den echten geest
+der Hollandsche schilderschool; van allen, die nog gelooven in het
+dunne coloriet van _Van Dijck_ en het krachtig penseel van _Frans
+Hals_. Hoe zal ik u een denkbeeld geven van zijn manier, van zijn
+talent, ik die het Vaticaan niet gezien heb, en dat nog wel aan u,
+die geen der naaischolen van Bleekloo te vinden weet: of zeg mij,
+kunt gij vergelijkingen maken tusschen de vermoedelijke bekwaamheden
+der verschillende echtgenooten van de verschillende naaivrouwen _Blok,
+Over den Kant, Preveilie_ en andere? Neen voorzeker, gij weet niet, dat
+noch de man van juffrouw _Over den Kant_, noch die van juffrouw _Blok_,
+noch die van juffrouw _Preveilie_, noch zelfs die van _Naatje de Zoom_
+ooit of ooit het penseel behandeld hebben, overmits deze geen van allen
+den maagdelijken voor den huwelijken staat hebben verwisseld. En toch,
+hoog over het hoofd van juffrouw _De Zoom_ zetelt het genie, zetelt
+de hoop des vaderlands; het is haar vader. Het is niet de kunstenaar,
+dien gij in hem groet; het is de kunst zelve. Nauwelijks heeft hij den
+ouderdom van achtenzestig jaren bereikt; welk een heerlijke dageraad
+gaat voor de Hollandsche schilderschool op!--Helaas! ik weet niet
+hoe ik het u duidelijk zal maken wat wij in hem te wachten hebben,
+wat zijn talent kenteekent, wat hem op de onbereikbare hoogte, die
+hij besteeg, geheel alleen doet staan, _geheel_ op zichzelf! En toch,
+ik wil het beproeven; want ik wil den Avondbode een vlieg afvangen
+en het Handelsblad vooruitzijn. Ik wil u, in het hartje van Parijs,
+het vaderlandsche bloed van edelen trots doen gloeien; ja gloeien, ja
+tintelen, ja bruisen moet het! Gij zult weten wie onze Bleekloosche _De
+Zoom_ is, al zou ik ook aan de æsthetische beschouwing van zijn talent
+iedere uitboezeming van vriendschap en hartelijkheid ten offer brengen,
+al moest ook dit mijn geschrijf veel meer van een feuilleton in een
+der genoemde dagbladen of van een artikel in den Letterbode hebben dan
+van een vertrouwelijken brief--al moest, van bladzijde 1 tot bladzijde
+4 toe, _De Zoom, De Zoom, De Zoom_! uw lezende aandacht absorbeeren.
+
+Zoo ik begin met u te zeggen dat _De Zoom_ een monster is, zeg ik niet
+te veel. Hij heeft, als ik reeds zeide, pas achtenzestig jaren bereikt;
+nooit heeft hij een meester gehad; de natuur deed hem geboren worden
+met dat eigenaardig gevoel voor 't schoone en verhevene, dat hij met
+zooveel waarheid en kracht op het doek weet uit te drukken. Als een
+klein kind op school, teekende hij reeds zijn meester uit op de lei,
+met een pijp in den mond, en maakte hij patroontjes voor zijn zuster
+die uit borduren ging. Ook beschilderde hij niet zelden de deuren der
+pakhuizen en der nachtwachtsverblijven met wit en rood krijt. Een
+voorbijganger vond hem met dit werk bezig en bewonderde de kracht
+van zijn schetsen. Die voorbijganger was zelf kunstenaar. Hij was
+huisschilder en glazenmaker. Weldra vertrouwde hij hem de kunst toe
+en wijdde hem in de geheimen van het tempermes in. Niet lang duurde
+het of _De Zoom_ begon zich op de uithangborden toe te leggen. Het
+eerst leerde hij koffiekannen en trekpotten schilderen, daarna
+werd hem zelfs de uitvoering van een glas bier toevertrouwd. Het
+opmerkelijkste was het schuim. Nooit had men zulk schuim gezien. Het
+was meer dan bierschuim; het was champagneschuim. Verbeeld u, mijn
+waarde! welk een verbeeldingskracht in een huisschildersjongen,
+wiens vader mandemaker was, en die dus, naar alle waarschijnlijkheid,
+nooit champagne had zien schuimen. Langzamerhand liet zijn meester
+hem toe ook wapens te malen; en hierin was het vooral dat zijn goede
+smaak uitschitterde. Met voorbeeldelooze stoutmoedigheid bracht hij
+alles tot het natuurlijke terug; alle leeuwen geel met zwarte manen,
+gelijk de echte barbarijsche. Hij wist van geen roode, geen blauwe,
+geen zwarte. Die hem van _keel_ en _sabel_ sprak, deed hij het aanbod
+van een pak slagen, en hij zou eens bijna gestorven zijn van woede,
+toen men hem zeide dat sommige wapenschilders roode arenden hadden
+voorgesteld met blauwe neb en blauwe klauwen. "Want", zeide hij,
+"een arend is toch bruin". En hij had gelijk. Ondertusschen was hij
+nu op de hoogte om tot het eigenlijk dierschilderen, voor zoover dit
+zijn meester te pas kwam, over te gaan, en reeds had hij werkelijk de
+schets gemaakt van een _dorstig hart_, toen de ongelukkige _troubles_
+van die dagen--tusschen 85 en 90--ook den jeugdigen _De Zoom_ in
+hunnen maalstroom meevoerden. Hij verdween nu voor een poos van het
+tooneel en men hoorde niet van hem. Men spreekt van een spotprent,
+die hij op den Prins zou hebben gemaakt, waarvan de hoofdgedachte
+was: _een groote goudsbloem die door een keeshond van zijn steel werd
+gebeten_; en van nog eene andere op de Engelsche natie, waarvan de
+voorstelling vergeten is geraakt. Hoe het zij, men zou ook _De Zoom_
+bijna vergeten hebben, ware hij niet verleden jaar plotseling weder
+te voorschijn gekomen met zijn meesterstuk: _'t Is een toer om der op
+te komen_. Het denkbeeld is niet nieuw. Een groot paard staat geheel
+opgetuigd en gezadeld, en een zeer klein man maakt zich gereed het
+te bestijgen, 't welk hem, aangezien de kleinheid van zijn postuur,
+zeer moeielijk valt. Alles is in deze schilderij leven en beweging. De
+pogingen van den dwergachtigen ruiter _die der niet op kan komen_
+spreken, door het groene jachtbuis dat hij aanheeft heen,--men ziet
+hem vlak op den rug--in alle spieren. Met veel geestigheid heeft de
+schilder de laarzen en de sporen zóó zwaar en kolossaal voorgesteld,
+dat men gevoelen moet dat ook deze eene belemmering zijn om het paard
+te beklimmen. Het uitstekendste van alles is echter het paard zelf,
+in hetwelk voor te stellen men zeggen mag dat het genie van _De
+Zoom_ het zenith van zijn vlucht heeft bereikt. Met voorbeeldelooze
+stoutmoedigheid heeft hij over de zwarigheden van zijn bestek, ja
+zelfs over de natuur gezegevierd, en de evenredigheden dermate weten
+te beheerschen en in te richten, dat vooral de hoogte van het ros,
+en dus de moeielijke bestijgbaarheid, sterk in 't oog springt. Dit
+heeft ten gevolge gehad, dat de hals zeer inëengedrongen heeft moeten
+worden, en zelfs de kop niet dan klein kon wezen. Zooals het hier is
+voorgesteld, gelijkt het teffens op een paard, een olifant, en een
+hazewindhond; maar de karakters dezer drie schepselen spelen derwijze
+dooreen in de schilderij, dat men zeggen kan dat het scheppend genie
+des schilders hier een nieuw wezen heeft voortgebracht. Ik spreek niet
+van de uitvoerigheid, waarmee het hoofdstel van het ros, waarmede
+de gestreepte rijbroek van den ruiter zijn afgemaald, noch van het
+landschap, waarover een donderwolk hangt, die door een toovergloed die
+uit den grond schijnt op te komen, wordt verlicht. Mijn bestek verbiedt
+mij hier verder over uit te weiden. Ook vergt gij het niet. Hetgeen
+ik van _De Zoom_ gezegd heb, zal u genoegzaam hebben doen blijken dat
+dit jeugdig talent gemakkelijk alle andere talenten in ons vaderland
+achteruitzet en overtreft.
+
+_De Zoom_ is niet groot van gestalte; zijn gelaat is meer vervallen dan
+mooi. Gewoonlijk draagt hij een blauwe slaapmuts met witten omslag;
+hij rookt en snuift beide. Hij draagt sedert vijf jaren een bruinen
+jas, halfsleets op een boelhuis gekocht. Zoo zag ik hem vóór mij;
+bezig zijnde met het portret van een zijner vrienden. Hij leide de
+laatste hand aan het haar, om vervolgens tot het voorhoofd over te
+gaan; want hij behoort niet tot die losbollen van schilders, die voor
+zij nog eens geteld hebben hoeveel rimpels gij in uwe tronie hebt,
+maar aanstonds zes, zeven groote strepen neerzetten, kris, kras,
+heb ik jou daar! en u langzamerhand als uit een mist in het leven
+roepen. "Men moet met orde werken," zegt hij: "menig schilder heeft
+een portret bedorven door aan den bakkebaard te beginnen, eer hij de
+wenkbrauwen haar eisch gegeven had." "Dit haar," zeide hij mij, "komt
+u wat stijf voor; maar de man draagt een pruik," voegde hij er bij,
+"en ik zeg altijd, een pruik moet een pruik blijven."
+
+Van waar--o mijn vriend, verklaar mij dit raadsel!--vanwaar heeft
+een mandemakerszoon deze stoutmoedige denkbeelden? O! het genie! Het
+genie!... Ik moet afbreken.
+
+Bewaar dezen wel. Ik wil hem naderhand laten drukken.
+
+
+17 Januari 1839. Uw vriend,
+_Hildebrand_.
+
+
+P.S. "Wisch de tranen over den dood van _Schotel_ uit uwe oogen.
+
+
+
+
+
+
+
+TEUN DE JAGER.
+
+
+Het laatste eenigszins teekenachtige dorp aan Hollands westelijken
+kustkant is zonder twijfel het armelijk Schoorl. Het ligt aan den
+voet der duinen, ter plaatse waar die het allerbreedst zijn, om bij
+Camp plotseling geheel af te breken en, tot Petten toe, het land hare
+bescherming te onttrekken en dat groote open te veroorzaken, hetwelk
+de beroemde Hondsbossche zeewering, tot welker instandhouding zooveel
+paalwerk en zooveel maaltijden onvermijdelijk zijn, noodzakelijk
+maakt. Evenals in het aangrenzend Bergen treft hier den wandelaar
+het aangenaam schouwspel eener hooge, met dicht kreupelhout en koele
+bosschages bewassen duinhelling; en van die Heerlijkheid af, welke
+_Borselens, Brederodes_, en _Nassaus_ onder hare vroegere bezitters
+telt, tot aan ons klein Schoorl toe, gaat men, langs een bevallig
+slingerenden zandweg, ter wederzijde altijd in de schaduw van eiken,
+iepen, berken en allerlei geboomte, langs welks stammen zich hier
+en daar het klare duinwater in kronkelende beekjes voortdringt,
+en waartusschen zich aan weerskanten, van afstand tot afstand, de
+kleine stulpjes der bewoners vertoonen, aan de westzijde niet zelden
+half in het duin begraven en van boven grauw van bloeiende mossen en
+knoestige zwam.
+
+Aan het einde van dit aangenaam pad steekt het groene torentje van
+Schoorl spits in de hoogte, om op het eigenlijk dorp en zijne vele
+graanakkers neder te zien, waar de gort geoogst wordt die tot de
+vermaardheden der Alkmaarsche markt behoort. Die deze liefelijke
+bosschages doorwandeld heeft en, na zich eerst in de koele lommer
+en daarna in de eenige herberg van het dorp te hebben verkwikt,
+nog hooger noordwaarts op wil, moet eerst zijn rekening met het
+geboomte sluiten; want hem toeft niet anders dan het Hondsbosch, dat
+in het geheel geen bosch is, daarna de Zijpe, Westfrieslands grootste
+drooggemaakte vlakte, en dan de woestijn van het Koegras, totdat hij
+bij den Helder in het Marsdiep staat te staren en aan den oostkant
+het eiland Tessel ziet opdoemen, waar reizigers van verzekeren dat
+er een lief boschje bestaat, tusschen den Burg en het Schild, nietig
+overschot van vroegere woudpracht.
+
+Het was in de laatste dagen van September 183*, op een zeer vroegen
+morgen, voordat de zon nog op was, dat de kleine deur van een der
+boven beschreven stulpjes aan den duinkant nabij Schoorl openging,
+en zich een jonge man op den drempel vertoonde, die met oplettendheid
+lucht en windstreek in beschouwing nam. Een schoone bruingevlekte
+patrijshond was reeds, zoodra de bovendeur was opengegaan, over de
+onderdeur gesprongen, en rolde zich nu met kennelijk genoegen voor
+zijne voeten in het zand of sprong tegen zijne knieën op, en legde
+zich dan weder voor een oogenblik, met de voorpooten uitgestrekt en
+den kop daartusschen, neder, om straks weer op te springen, zachtkens
+jankende en alle de geluiden en figuren ten uitvoer brengende van
+een jachthond, die genoegen smaakt. Over 't geheel is er geen dier,
+dat lichter te vermaken valt en minder spoedig blasé is. Zijn meester
+behoeft slechts naar het geweer te grijpen, en deze beweging roept
+onmiddellijk de schitterendste vooruitzichten van genot en zaligheid
+voor de ontvlamde verbeelding van den hond, waarvan ik mij overtuigd
+houd dat de opgenoemde vreugdeteekenen niet dan flauwe bewijzen zijn,
+vergeleken bij het gevoel dat zijn ruige borst doortintelt; en zulks
+niettegenstaande hij zeer wel weet dat voor hem al de genoegens van
+den dag zullen bestaan in loopen, staan, drijven, en aanbrengen,
+zonder ooit of immer eenige hoop te mogen voeden op het geringste
+aandeel in den buit.
+
+De jonge jager--want het was er een--zag er in zijn versleten groen
+buis, met de oude weitasch en ouden hagelzak kruiselings over de beide
+schouders, de broek in de laarzen, de groene lakensche muts schuins
+opgezet, en het kort dubbel jachtgeweer, met het groen, afhangend
+cordon onder den arm, recht teekenachtig uit. Hij was groot en forsch,
+een blonde zoon der Celten, en zijn bruinverbrand gelaat deed het
+heldere blauw zijner oogen te meer uitkomen; maar op dit oogenblik,
+als hij eerst naar de lucht en daarna om zich heen keek, hadden zij
+eene neerslachtige uitdrukking.
+
+"Koesta, Veldin!" riep hij, en het was alsof de blijde sprongen van
+het dier hem verveelden, dat niet gehoorzaamde aan dit bevel, maar
+zijne knieën nog steeds met dezelfde vroolijkheid bleef lastig vallen,
+daar hij de deur sloot. Hij gaf Veldin een schop.
+
+Het dier droop met den staart tusschen de beenen af, en jankte.
+
+"Kom maar hier, Veldin!" hernam de jager, berouw toonende. En hem
+den kop streelende, voegde hij er bij: "Kan jij 't helpen, dat de
+baas slecht geslapen het?"
+
+Hij nam den weg aan naar het dorp.
+
+Indien de Schoorlsche jeugd haar _Teun_ den Jager, want zoo heette hij
+algemeen, op dezen vroegen morgen had zien gaan, zij zou haar oogen
+nauwelijks geloofd hebben. Want nooit zag zij zijn oog zoo droevig,
+nooit zoo ter aarde geslagen; nooit was zijn stap zoo slenterend
+en onverschillig. Hij was bij haar voor den opgeruimdsten borst van
+het dorp bekend; en het zij hij de kinderen en nieuwsgierige knapen
+wonderlijke jachtleugens diets maakte, hetzij hij de jonge meisjes
+koude hagelkorrels onder den halsdoek vallen liet, of de oude besten
+met zijne vroolijke invallen opleukerde bij het spinnewiel, altijd
+scheen het uit zijn hart te komen, uit zijn zorgeloos en blijmoedig
+en luchtig hart. En toch behoorde _Teun_ de Jager tot die gestellen,
+bij wie de vroolijkheid minder eene eigenschap dan een vermogen der
+ziel schijnt te zijn, en was er onder deze levendige beek zijner
+opgeruimdheid, waar zich niets dan licht en bloemen in schenen te
+spiegelen, een bodem van ernst en droefgeestigheid. Aan deze gaf hij
+zich niet zelden in de eenzaamheid over, en eene kleinigheid was in
+staat hem in die stemming te brengen. Dan was hij zwaarmoedig, ja
+moedeloos. Dan dacht hij, zonder merkbaren overgang, aan zijne moeder
+en zijn vader die hij had zien sterven, en "aan de groene boompjes"
+van het kerkhof; dan zag hij voor zichzelven geen ander verschiet
+dan van armoede en gebrek; totdat de tegenwoordigheid van menschen
+hem uit die mijmering opwekte, en hij weer de vroolijke, grappige
+_Teun_ de Jager was van altijd. De jacht was zijn lust en zijn leven,
+en van half September tot 1 Januari genoot hij eerst recht. Met het
+blijmoedigst gezicht van de wereld ging hij telken morgen vóór de
+zon in 't veld, maar wonderlijke dingen kon hij denken op die lange,
+eenzame wandelingen, met het geweer in de hand en niemand òm hem dan
+zijn getrouwe Veldin. Heden scheen er veel naargeestigs op til te
+zijn voor hoofd en gemoed, want traag en druilend was reeds het begin.
+
+Zijn gelaat helderde evenwel niet weinig op, als hij bij een klein
+huisje stilstond, dat zich aan zijn rechterhand half tusschen het
+geboomte verstak. Hij luisterde aan het gesloten venster. Een oogenblik
+scheen hij te aarzelen; toen vermande hij zich en tikte met de bruine
+knokkels twee-driemaal tegen het oude luik. Een geluid van binnen,
+alsof er eene stoel verzet werd, beantwoordde dit sein.
+
+Hij glimlachte.
+
+"Ze zullen er wezen!" riep hij luide.
+
+"Wêl goed!" antwoordde een welluidende vrouwestem, die uit de diepte
+scheen te komen.
+
+Nog een oogenblik vertoefde hij; en langzaam vloeide de glimlach weg
+op zijne lippen en hernam zijn gelaat de sombere uitdrukking van zoo
+even. Hij hief zijn hoofd op en miste den hond.
+
+Hij floot zachtkens. Veldin was dichter bij dan hij gedacht had
+en sprong uit het hooge toeterloof, waaronder zich, vlak naast het
+stulpje, eene kleine duinsprank verschool, te voorschijn.
+
+"Duivelsche hond! motje nou al zuipen?" gromde hij baloorig. Maar
+terstond veranderende, zei hij zacht tot zichzelven: "Als _Sijtje_ wist
+dat ik knorrig op den hond was! Ik verdien vandaag ongelukkig te zijn."
+
+Een ongelukkige overtuiging voor iemand die ter jacht gaat.
+
+Nu verhaastte _Teun_ de Jager zijne schreden en bereikte het dorp.
+
+De hond scheen het akkerland voor zijne bestemming te houden en
+verwijderde zich rechtsaf. Hij riep hem terug.
+
+"Hierheen, Veldin!" zei hij vriendelijk: "je mot klimmen, man Ze hebben
+de stoppels nog niet noodig; in 't duin is nog genoeg te grazen." En
+hij wendde zich links.
+
+"Mot je boven wezen, _Teun_?" vroeg een man, die ook al op bleek
+te zijn en plotseling te voorschijn kwam, met een grijs buis met
+jachtknoopen, een stok in de hand, en een hoed, met een groenen band
+er om, op.
+
+"Ja, _Jantje_!" antwoordde de jager; "ze zijn nog te druk bezig op
+de geest."
+
+"Je spreekt een waar woord," zei de oppasser van het Berger Bosch,
+want die was het. "Wil je niet reis opsteken?" voegde hij er bij,
+hem minzaam zijn pijp voorhoudende.
+
+"Dankje, _Jantje_!" hernam _Teun_; "'k heb van daag me tabak nog niet
+verdiend. Je bent er al vroeg bij. Heb je een strooper op 't spoor,
+of hoe zit het?"
+
+"Neen, maat!" antwoordde de oppasser. "Ik ga op Schoorldam af; ik
+mot te Alkmaar wezen, en ik rij met _Jaapie_ mee. Een gelukkige jacht!"
+
+"Dankje, hoor!" zei de ander. En, van den hond gevolgd, naderde hij
+het duin en maakte zich een weg door het kreupelhout, nat van den
+mist, waaruit duizend nietswaardige mosschen verschrikt opvlogen,
+en klom naar boven.
+
+Toen hij den top des heuvels onder zich had, zag hij op het dorpje
+terug. De zon begon de kim te bereiken en wierp reeds hare eerste
+stralen uit. De najaarsmist begon te blinken van al die kleurige
+tinten, die het doen schijnen alsof de regenboog op aarde is afgedaald;
+het kruis op de torenspits begon te glimmen, en de droppels, die
+aan de punten der dichte bladeren beefden, namen hunne dichterlijke
+gelijkenis op schitterende juweelen aan. Zijn oog zocht het plekje,
+waar _Sijtjes_ stulpje zich onder het geboomte verschool. Niets bewoog
+zich daar, en ook in geheel het dorp was alles nog in stilte begraven;
+een enkele haan kraaide; een enkele hond kroop langzaam uit zijn hok te
+voorschijn; maar geen menschelijk wezen bewoog zich. Alleen zag hij,
+op het rechte pad naar Schoorldam, den jachtoppasser, die zijnen weg
+met haastige schreden vervolgde.
+
+"Alles slaapt nog," zei _Teun_ de Jager tot zichzelven,
+"en _Sijtje_ is zeker ook weer ingesluimerd. Zouën ze allegaar
+droomen?"--"Gekheid!" vervolgde hij; en haalde zijn veldflesch te
+voorschijn; en, zich houdende alsof hij den hond toedronk: "Komaan,
+Veldin! den eerste zen dood!"
+
+Daarop spande hij de beide hanen van zijn dubbelloop, en begon het
+jachtveld af te treden.
+
+In geheel Schoorl en Bergen was geen beter jager dan _Teun_. Hij
+behoorde tot die weinige gelukkigen die zoo goed als zeker van hun
+schot zijn. "Weet je wel, waar 't an houdt," had de oude _Krelis_
+eens gezegd, daar hij voor _De Roode Leeuw_ met eenige boeren op de
+bierbank zat en _Teun_ voorbijkwam, beladen met een zwaren jachtbuit;
+"weet je wel, waar 't an houdt, dat _Teun_ de Jager, als er twee
+hoenders opgaan, de een vóór hem en de ander achter zijn rug, ze
+toch allebei neerleit?"--"Omdat ie een dubbeld geweer het," had men
+geantwoord.--"Mis, maat!" had _Krelis_ gezeid: "omdat ie een dubbelde
+kerel is." Vandaar, dat _Teun_ de Jager ook nimmer klaagde over al die
+tegenwerkende omstandigheden in de vier elementen, waaraan een aantal
+jagers het alleen toeschrijven, als zij platzak thuiskomen, en zelden
+breed opgaf van hazen of patrijzen, die hij wel niet thuisbracht,
+maar waarvan hij zich toch overtuigd hield dat zij in een of andere
+onnaspeurlijke krocht aan hunne wonden zouden moeten overleden zijn.
+
+De teug, het voor een jager zoo welluidend getik der hanen van zijn
+geweer, de blijde zonneschijn, schenen _Teun_ de Jagers somberheid te
+verdrijven en hem moed in te boezemen; de omstandigheid dat hij het
+jachtveld werkelijk bereikt had wekte zijnen geest op. Veldin sprong
+wakker voor hem uit en begon al spoedig zeer gewichtig met den neus
+langs den grond te snuffelen.
+
+"De hond begint nou al te werken," zei _Teun_; "dat zel goed gaan."
+
+Ook duurde het niet lang, of een schuchter haas sprong op. De twee
+schoten vielen, het een na het andere. De hond sloeg aan; het haas
+was vrij.
+
+"Wat duivel nou!" nep _Teun_ de Jager, en smeet het geweer
+neder. Verbaasd zag hij den langoor na, die nergens gekwetst was en,
+van den hond vervolgd, de vlakte dóórrende, tot hij aan de andere
+zijde van een duin verdween, waar Veldin hem woedend en met een
+onafgebroken kort keffen nazat, maar telkens grond verloor.
+
+Hij floot den hond terug en laadde op nieuw.
+
+"Ik dacht wel, dat ik ongelukkig wezen zou," riep hij uit. "Nou,
+'t was maar een haas! Zacht, Veldin!" En hij vervolgde zijn weg.
+
+"'t Was maar een haas," zei _Teun_ de Jager; maar wat wilde hij
+dan? Laat ik u iets van _Sijtje_ vertellen, en gij zult het begrijpen.
+
+Ik zal niet beginnen met te zeggen dat _Sijtje_ het mooiste was van
+al de Schoorlsche meisjes; want zulk een uitdrukking zegt soms niets,
+soms te veel, en is in alle gevallen afgezaagd. In duizend verhalen is
+het meisjen altijd het mooiste van den omtrek. Maar zeker was dit een
+allerliefst kind; teerder en fijner dan de meeste boerinnetjes, en dat
+het zilveren oorijzer van 's zondags, in de week zeer goed missen kon
+om er allerbevalligst uit te zien. Zij was een weeskind en de steun
+en troost van een oude grootmoeder en een doofstom broertje van een
+jaar of tien. Dit drietal maakte te zamen het kleine huishouden van
+'t stulpje onder 't geboomte uit. En behalve hare grootmoeder en het
+ongelukkige kind, had _Sijtje_ niemand liever dan _Teun_ den Jager,
+en indien zij 't hart had gehad om ooit of ooit aan haar grootmoeders
+dood te denken, zou zij er misschien al heel na aan toe geweest zijn
+om zich voor te stellen _Teun_ de Jagers vrouw te worden. Zooals de
+zaken nu stonden, plaagde zij _Teun_, en _Teun_ haar, uit alle macht,
+en verder kwam het niet. Maar de oude grootmoeder mocht _Teun_
+graag hooren schertsen, en het doofstomme kind was overgelukkig
+als het hem naderen zag, en als hij het leerde knippen van steenen
+te maken om mosschen te vangen, en _Sijtje_ zag _Teun_ met groote,
+heldere, donkerblauwe oogen al heel vriendelijk aan, als hij den jongen
+voorthielp of liet hobbelen op zijn knie, tot hij van vreugd het eenig
+geluid maakte dat hij te voorschijn kon brengen. En 's avonds als
+_Teun_ naar huis ging, gebeurde het wel, dat zijne lippen haar blank
+aangezichtjen (en ook niet meer) aanraakten; en het "wel te rusten,
+_Teun_!" was er niet minder vriendelijk om.
+
+Maar gisterenavond had _Sijtje_ hem erg geplaagd, want het was reeds de
+zesde dag van de jacht, en schoon _Teun_ menig haas had thuisgebracht,
+hij had nog geen enkel patrijs geschoten.
+
+"Neen, _Teun_-broer!" had _Sijtje_ gezegd: "haar, dat gaat nog;
+maar veeren kanje niet schieten; die zijn je te gauw of, maat!"
+
+"Hoeveel hoenders wilje, dat ik je morgen thuisbreng?" vroeg _Teun_.
+
+"Ik zal 't je maar niet te zwaar opleggen, jongen!" antwoordde
+_Sijtje_. "Schiet er twee, en ik zel leuven dat je 't nog kenne."
+
+"'t Zel beuren, _Sij_!" riep de jager, en sloeg zijn arm om haar
+middel, "'t Zel beuren na je woorden, of mijn naam zal geen _Teun_
+de Jager meer zijn!" En hij trok haar naar zich toe.
+
+"Bedaard, _Teun-tje_!" riep het meisje; "geen gekheid hoor! Zoenen,
+ben je raar? Als er maar eerst hoenders zijn, dan zullen we reis
+kijken. Foei, jongen, geen gekheid!" En zij lachte dat ze schaterde,
+om aan hare ernstige waarschuwing klem bij te zetten.
+
+"Erg best," antwoordde de minnaar; "maar weet je wat, _Sij_? geef me
+een zoen op hand; en als ik je morgen geen hoenders breng, dan nooit
+geen zoen meer; maar breng ik ze mee: wee je gebeente!"
+
+"Gedaan!" riep _Sijtje_ vroolijk, en zij trad naar hem toe, en gaf
+hem een fikschen handslag, en liet zich een kus op de wang drukken,
+waarbij zich haar mondje iet of wat minder afdraaide dan anders; en de
+doofstomme jongen, die het aanzag, lei zijn hoofd in den nek, sprong in
+het rond van genoegen en klapte in de handen op het heugelijk gezicht.
+
+Verbaast het u, dat _Teun_ de Jager heden met eenige minachting op
+"maar een haas" nederziet?
+
+En toch! Had hij het haas maar gehad! want het scheen er meer en meer
+naar te staan alsof hij niets thuis zou brengen. Te vergeefs had
+hij reeds een paar uur door het breede Schoorler duin omgedwaald;
+door valleien, waar hij tot over de enkels in het dichte, bruine
+mos stapte; over witte blinkerds, waar het droge, rollende zand zijn
+voetstappen uitwischte; langs vlakten, waarin brakke poelen den grond
+doorweekten; nergens, om een Noordhollandsche jachtterm te gebruiken,
+nergens "bedekte [32] hij leven". Wel speurde hij hier den "voet"
+van een haas, en verder het "gewei" [33] van hoenders; maar noch
+het eerste noch de laatste deden zich voor. Hij schoot met zekere
+kwaadaardigheid een witten uil, die zich op zijne lichte spokige wieken
+uit een heesterwilg ophief, raapte hem op, en smeet hem verachtelijk
+van zich. Veldin berokkende hem ook nog eene laffe teleurstelling,
+daar hij voor iets stond dat, toen het eindelijk uit het dikke mos
+opvloog, bleek niets meer dan een slechte leeuwerik te wezen. En
+zoo verliepen de trage uren, en _Teun_ de Jagers neerslachtigheid
+kwam terug, nog vermeerderd door de vermoeienis en de hitte van den
+stijgenden dag. Opeens was het alsof er een luchtig windjen opstak,
+dat verkwikkend door zijn bezweete haren blies, en toen hij daarop
+nog éénen hoogen witten zandheuvel besteeg, zag hij de groote zee
+voor zich.
+
+De zee is altijd een ontzaglijk gezicht, maar als men haar ziet op
+een volstrekt eenzame plek, met niets dan het dorre duin links en
+rechts en achter zich, zonder hut aan het strand of zeil op hare
+vlakte, dan grijpt de aanblik dier uitgestrekte ledigheid u dubbel
+aan. U overvalt een gevoel alsof gij nu werkelijk aan de uiterste
+grens der wereld stondt, alsof gij nu inderdaad de eenige, de laatst
+overgeblevene bewoner der aarde waart. Huiverend zette _Teun_ de
+Jager zich op den top des heuvels neder, zette het geweer in de rust,
+en staarde op de zonnige golven. De hond rustte hijgend naast hem uit;
+zijn roode tong hing lang en droog uit zijn bek. Hier aan de volle zee,
+en toch geen lafenis!
+
+_Teun_ de Jager haalde een stuk brood en een paar zure appelen uit
+zijn weitasch te voorschijn en deelde met zijn vriend. Ook nam hij
+de veldflesch om een teug te nemen, maar zette haar weer van den mond.
+
+"Neen!" zeide hij met een zucht. "Och, die droom! Ik wou dat ik dien
+droom kwijt was!"
+
+Hij wilde den bangen droom van dien nacht, waarover wij hem reeds
+hebben hooren klagen en die de oorzaak zijner neerslachtigheid was,
+van zich afschudden; maar het gezicht van de zee bracht er hem
+bijzonderheden van te binnen, die hij reeds had vergeten. Alras
+verdiepte hij er zich slechts te levendiger in.
+
+Hij was weer, even als in zijn slaap, ter jacht met de zonen van
+de ambachtsvrouw van Schoorl; evenwel niet in het Schoorler Veld,
+maar in het Berger Bosch. Hij droeg een nieuw jachtbuis met zonnige
+gouden knoopen, en _Sijtje_ had hem de veer van een fazanten haan op
+de muts gestoken. Plotseling vlogen er drie hoenders voor hem uit,
+maar hij kon ze niet onder schot krijgen; telkens vielen zij neder,
+als om hem te sarren; maar zoodra hij naderde, kraaiden zij, klapten
+met de vleugels, en vlogen verder. Eindelijk wilde hij een poging doen
+om ze van zeer verre te schieten; maar zijn geweer ketste en viel hem
+uit de handen. Toen kraaiden de patrijzen alle drie driemaal, en een
+er van vloog op den hoed van den jonker, waar het zitten bleef. "Mag
+ik schieten, jonker?" riep hij. De jonker wuifde vriendelijk met de
+hand van ja. Hij lei aan--het hoen viel. Maar toen hij ging om het
+op te rapen, was noch het hoen, noch de jonker van Schoorl te vinden;
+maar daar lag het bloedige hoofd van _Sijtje_, en zag hem met gebroken
+oogen aan; en toen hij daar lang op staarde, daar kwam eensklaps
+de zee, en het hoofd begon op de golven te bewegen, en achteruit
+te gaan, en verdween, en kwam weer boven, en verdween weer, totdat
+hij ontwaakte. Zijn haan kraaide; het licht scheen door de reten en
+vensters. Hij kleedde zich tot de jacht.
+
+En nu, daar hij lang op de zee staart, herhaalt zich het visioen,
+en het hoofd van _Sijtje_ verschijnt tusschen de zonnige, schuimige
+rimpels van de Noordzee, en gaat op en neder met de golven.
+
+Hij wendde zijn gezicht af van den plas, en strekte zich voorover in
+het hangen van den heuvel uit, met de armen onder het hoofd. Weldra
+geraakte hij in slaap, en het akelig schouwspel speelde hem op nieuw
+voor den geest; maar de gansche zee werd rood als bloed, en vlammetjes
+en vonken dansten er op rond, en zwierden er overheen in kringen. Op
+eens, daar dreunden twee schoten. Hij ontwaakte. Veldin was door het
+geluid opgevlogen en draafde reeds den heuvel af.
+
+Statig trok een blauwe rookwolk van achter een naburig duin omhoog,
+en een groote klucht patrijzen vloog haar verschrikt vooruit. _Teun_
+riep den hond terug en volgde de hoenders met de oogen. Zij zakten
+aan den anderen kant van den heuvel zachtkens lager, en trokken mèt
+den wind zuidwaarts heen. Het volgende oogenblik verscheen er een man
+op den top van dat duin en zag rond waar zij bleven; maar zij waren
+reeds weer gevallen. Daarop laadde hij bedaard zijn geweer en _Teun_
+de Jager zag hem een koppel mooie hoenders in de tasch bergen, nadat
+hij die eerst een oogenblikje met welgevallen bekeken had.
+
+Het was _Derk Joosten_, de eenige mensch in geheel Schoorl, die
+hem niet lijden mocht, en dien hij niet kon uitstaan. Want _Derk
+Joosten_ was een gemeene knaap, en die er niet vies van was het vak
+van strooper aan dat van jager te verbinden, en hij had hem eenmaal
+betrapt, daar hij in den laten avond bezig was strikken te zetten,
+eene liefhebberij, waaromtrent de Schorelaars in een kwaden naam
+zijn. Voor het overige was hij een slecht jager en, met stroopen
+en al, bracht hij in een jachtseizoen niet half zooveel thuis als
+"de dubbelde" _Teun_; wat hem in dezen zeer verdroot.
+
+Zoo ras _Derk Teun_ den Jager bemerkte, riep hij hem half gebiedend
+toe:
+
+"Waar zijn ze heen 'etrokken, _Teunis_?"
+
+"Dat mot _jij_ weten!" antwoordde deze.
+
+"Kan ik dan door den berg heen kijken?" grauwde _Derk Joosten_. "Heb
+_jij_ al wat?"
+
+"Geen haar of veer!" riep _Teun_ de Jager openhartig.
+
+"Ik al!" riep _Derk_ grijnslachend; en hij haalde een haas en drie
+patrijzen uit de tasch, en hield die triomfant in de hoogte.
+
+"Ieder zijn beurt, _Derk_!" riep de andere hem toe.
+
+"Ja!" schreeuwde _Derk_; "en of jij van daag ereis geen beurt hadde,
+d..derskind!"
+
+Toen daalde hij het duin af, en ging zijns weegs, zich naar het
+noorden wendende.
+
+"Nou naar het Achterveld, Veldin!" zei _Teun_ de Jager tot zijn hond,
+en een straal van moed blonk weder in zijne oogen; een blijde lach
+kwam op zijn bruin gezicht. Hij nam een korte teug uit de veldflesch,
+en wandelde zuidwaarts op.
+
+Hij had de plek waar hij de patrijzen had zien vallen goed in
+zijn ziel geprent. Naar alle berekening was het eene hem zeer wel
+bekende vlakte, die er uitziet als eene mislukte ontginning en hier
+en daar bezet is met kleine boschjes van bremstruiken, kruipwilg,
+en dwergachtige berkeboompjes. Hij hield echter nog meer zuidwaarts
+aan, als ging hij de plek voorbij, om de hoenders tegen den wind te
+schieten. Toen naderde hij de vlakte; maar de patrijzen waren wild
+geworden. En lang voor hij ze onder schot kon hebben, vlogen ze op en
+trokken een goed end wegs zuidoostelijk af, waar ze weder neervielen.
+
+"Geduld," dacht _Teun_; en nadat hij vruchteloos de vlakte had
+afgezocht of er ook een enkel was achtergebleven, ging ook hij in
+die richting, om de klucht te vervolgen.
+
+Zoo ging het hem nog drie of vier malen, evenals in zijn droom; de
+patrijzen bleven hem telkens vooruit. Hij verloor echter den moed
+niet; het gezicht der hoenders in 't verschiet, hoe sarrend ook,
+hield dien gaande. Maar zóó was zijn ziel van patrijzen vervuld,
+dat ik bijna geloof dat er dwars over zijn weg een haas had kunnen
+heengaan zonder dat hij het, hoe goed jager hij ook was, anders dan te
+laat zou bemerkt hebben. Na een paar uren jagens rustte hij nogmaals
+uit bij een plek, waar de hond welwater vond. Het dier, niet tevreden
+zich te laven, legde zich geheel op zijn buik in den plas, maar zag
+er na die verkwikking ook weer zoo levendig en wakker uit, als in den
+vroegen morgen. _Teun_ nam er een voorbeeld aan en vervolgde de jacht.
+
+Reeds had hij het Berger Bosch op zijde. Op eens ziet hij de klucht
+weer opvliegen, en kort daarop nedervallen. Hij haastte zich in
+die richting aan te treden. Reeds naderde hij tot de plek waar zij
+wezen moesten! De hond hield den neus met de meeste oplettendheid
+langs den grond. _Teuns_ hoop was nog zoo levendig niet geweest
+dien ganschen dag. Maar op eens! daar valt hem de jachtpaal van den
+Ambachtsheer van Bergen in 't oog, wiens ban zich nog eenige roeden
+verder dan het bosch uitstrekt. Reeds was de hond dien snuffelend
+voorbij gegaan. De verzoeking was groot. Hij had nog niets opgedaan,
+na eene vermoeiende jacht van zoovele uren! Nog meer! hij had zich
+beroemd dat hij patrijzen mee zou brengen. Hoe zou _Sijtje_ hem
+den beloofden kus weigeren; erger! hoe zou zij hem uitlachen! Zijn
+naam zou geen _Teun_ de Jager meer zijn. De oppasser van het Berger
+Bosch was naar Alkmaar. _Derk Joosten_--ha, hoe tergend had hij de
+hoenders opgeheven!--was noordwaartsuit gegaan. En dáár, een veertig
+schreden verder misschien, lagen de voorwerpen van zijn verlangen,
+neen, van zijn behoefte, de mooie hoenders, vermoeid van den langen
+tocht, wie weet hoe vast, uit te rusten in het hooge mos.
+
+Hij gevoelde dat hij beefde; het hart sloeg hem in de keel. De
+hond ging al snuffelend verder. Hij hief zijn oogen op en zuchtte
+diep. Een ondeelbaar oogenblik--en hij riep den hond terug, die
+onwillig gehoorzaamde. "_Teun_ de Wilddief wil ik dan toch voor
+mezelven niet hieten", verzuchtte hij.
+
+Hij keerde den jachtpaal en het jachtveld des Heeren van Bergen den rug
+toe, en op eens--als om hem te beloonen--een luid gesnor! Met de korte
+vleugels ruischende, vloog, vlak vóór hem, een koppel hoenders op;
+achterblijvers, die den trein niet hadden kunnen volgen. Op hetzelfde
+oogenblik was zijn vinger aan de trekkers; de twee schoten knalden. Het
+eene patrijs viel onmiddellijk loodrecht neder; het andere trok nog
+een oogenblik verder, draaide in de lucht, en viel evenzeer. Terwijl
+Veldin het eerste greep, ging hij om het ander zelf op te rapen. Het
+leefde nog, en poogde zich in het mos te verbergen, maar hij pakte
+het. Droevig en klagelijk zag het dier hem aan met zijn klein rond
+oog, waarin het licht reeds half was uitgebluscht. Hij liet het weder
+vallen. Met zulk een oog had _Sijtje_ hem aangezien in dien akeligen
+droom. Het geheele visioen stond hem voor den geest. Toen hij het
+patrijs opnieuw opraapte, was het grijze vlies geloken.
+
+De noodlottige herinnering is voorbij, en _Teun_ de Jager vervolgt
+vroolijk het overige gedeelte van zijn weg. Hij heeft wat hij
+wenschte. De tot instandhouding zijns naams vereischte twee patrijzen
+hangen op zijn heup. Hij heeft _Sijtjes_ kussen niet verbeurd. Het
+weder geladen geweer valt hem licht. Zoo stapt hij door hoog heidekruid
+en bremstruiken verder. Een kwartier uurs later, en een haas springt
+op, en valt bijna op hetzelfde oogenblik, "door het snellere lood
+in zijn vaardige sprongen gestuit", als de dichterlijkste jager van
+geheel Holland gezongen heeft.
+
+"Hoe later op de markt hoe schooner volk!" zegt _Teun_ de Jager. En
+weltevreden met zijn jacht, stapt hij rustig op Schoorl aan.
+
+Het was reeds laat na het middaguur, en nog een vermoeiende klim en
+verre wandeling, ofschoon de afstand hemelsbreedte zoo groot niet
+was. Maar wat beteekende vermoeienis? Triomfant zou hij _Sijtje_
+met zijn jacht voor de oogen treden.
+
+"Mag _ik_ het haas dragen, _Teun_?" vroeg een kleine jongen met
+stroogeel haar en koffiebruine wangen, die op het laatste duin van
+Schoorl uit het kreupelhout te voorschijn kwam waarin hij zich een
+stok gesneden had, als hij de ruige pooten door het net van de weitasch
+steken zag.
+
+"Jawel, _Krelis_-broer!" zei _Teun_ de Jager vroolijk: "ik zel 't
+je geven; maar je mot er niet van snoepen, hoor!" Hij zette zich op
+den grond en, de tasch openende, wierp hij er eerst de hoenders uit,
+die hij bovenop geschikt had. De jongen greep er een op, en bekeek het.
+
+"Hè, wat een vette!" zei de jongen. "En watte mooie oochies!" voegde
+hij er bij, in kinderlijke speelschheid een der oogen van het hoen
+opentrekkende en het _Teun_ voorhoudende.
+
+"Laat de oogen dicht, kwajongen!" zei _Teun_ de Jager met drift;
+en weder kwam er een wolk over zijn voorhoofd.
+
+Toen hing hij het haas, met de achterloopers door elkaar gestoken op
+den stok van den knaap; en deze, trotsch op zijn vracht en zich groot
+gevoelende boven al de boereknapen der gecombineerde Heerlijkheid
+Schoorl, Groet en Camp, daalde gezwind met den langoor naar beneden.
+
+Maar _Teun_ de Jager verborg de beide hoenders in den binnensten zak
+van zijn weitasch, dat er geen veertjen uitstak. "Ik zal me oolijk
+houen," zei hij tot zichzelven, "en reis kijken wat ze doet."
+
+Zoo wandelde hij het dorp door en den zandweg op, in stilte berekenende
+of het waarschijnlijk was dat _Sijtje_ op dit uur van den dag thuis
+zou wezen of niet. Hij was nog een vijftig schreden van haar stulpjen
+af. Daar ritselde het hout aan zijn linkerhand, en _Sijtje_ sprong
+met een luiden kreet, om hem te verschrikken, te voorschijn. Het
+doofstomme kind volgde haar langzaam.
+
+_Teun_ de Jager verschrikte werkelijk meer dan _Sijtje_ had kunnen
+verdachten. Een koude rilling ging hem door de leden. Maar hij
+herstelde zich.
+
+"Platzak!" riep hij met een lach.
+
+"Da's niet waar!" zei het vroolijke meisje, "want ik heb den jongen al
+'ezien met 'et haas. Maar waar zijn de hoenders, _Teun_?"
+
+"Ik heb er geen te pakken kennen krijgen!" zei _Teun_ de Jager; maar
+hij gevoelde dat zijn gezicht hem verried. "Toch niet, _Sij_!" voegde
+hij er bij, toen deze hem ongeloovig aanzag.
+
+"Al waar, maat?" zeide zij, en greep naar de tasch om zich te
+overtuigen.
+
+Maar hij trok haar de tasch uit de lieve hand en schoof ze met een
+woesten ruk op zijn rechter zijde. Het meisje lachte en sprong voor
+hem heen, om er toch in te zien. Het schot dreunde; de hond sloeg aan;
+en _Sijtje_ lag bloedende aan zijn voeten.
+
+In de plotselinge beweging om de weitasch op zijn andere zijde te
+schuiven, had een der kleine mazen van het net den haan van zijn linker
+loop gevat, het geweer in de hoogte geheven, en het schot doen afgaan.
+
+_Teun_ de Jager en de beide knapen stonden versteend; maar het
+doofstomme kind kwam het eerst tot bewustzijn; woedend vloog het
+op _Teun_ aan en beet hem in den arm. Het geweer was op den grond
+gevallen. Op eens bukt de ongelukkige jager zich en vat het bij de
+greep; maar een forsche hand grijpt de tromp, en ontrukt het hem. Het
+was een boer, die toegeschoten was, en nu den anderen loop in de
+lucht afschoot. Het halve dorp snelt toe en dringt zich om het lijk
+van _Sijtje_ en om den rampzalige, die zijn geweer terug begeert en
+in stomme razernij met de omstanders worstelt.
+
+
+
+Aan _Sijtje_ was niets meer te doen. Ieder weet, dat een schot hagel
+_à bout portant_ duizendmaal erger wonden maakt dan een kogel; want
+iedere korrel maakt eene afzonderlijke, en de hoeveelheid lood is
+ongelijk zwaarder. Maar ook, het schot had het lieve kind vlak onder
+het hart getroffen. Van geheel Schoorl beweend, ging zij ter ruste
+onder "de groene boompjes" van het kerkhof. De oude grootmoeder en
+het doofstomme kind waren alles kwijt.
+
+De ongelukkige _Teun_ de Jager verviel in zware koortsen, waarin hij
+onophoudelijk ijlde en raasde. In den nacht nadat _Sijtje_ begraven
+was, ontsloop hij zijn in slaap gevallen waker en klom het venster
+uit. De oppasser van het Berger Bosch, die laat tehuiskwam, zag hem
+in den maneschijn boven op het duin in zijn hemd arbeiden. Hij ging
+op hem af. _Teun_ herkende hem niet.
+
+"Wat doe je daar, _Teun_?" riep hij met een forsche stem, en greep
+hem bij den arm.
+
+"Jonker!" zei de ongelukkige verschrikt en zachtjes: "Ik begraaf
+haar. Aanstonds komt de zee."
+
+En hij dekte zand over een der patrijzen, waar hij een kuil voor
+gegraven had met zijne vingeren.
+
+Den volgenden avond had hij den geest gegeven.
+
+
+1840.
+
+
+
+
+
+
+
+DE VEERSCHIPPER.
+
+
+Ik heb zoo menigmaal in trekschuiten gevaren, dat ik in staat ben er
+het grootste paskwil en de grootste lofrede op te schrijven. Eens heb
+ik er mij hevig tegen uitgelaten [34]: maar 't spijt me half. Ik geloof
+dat ik het deed om de zaak der spoorwegen te bevorderen; uit louter
+ongeduld. Maar nu ik zie, dat er reeds één trekveer metterdaad vervalt,
+en in de lucht zwevende pijpemanden (echt Hollandsch signaal) ook aan
+verscheidene andere veeren het _memento mori_ toeroepen, krijgt de zaak
+voor mij zulk een droefgeestig voorkomen, dat ik in staat zou zijn de
+roef van Amsterdam naar Rotterdam af te huren, om in eenzaamheid een
+klaaglied te schrijven over de veranderde tijden. Niet zoo zeer om
+de _Schuiten_ spijt het mij; zij hebben te vele gebreken, en er zijn
+betere dingen om mee vooruit te komen; maar om de _Schippers_! Want aan
+hen, mijne vrienden! zullen wij verliezen. Het is een goed, eerlijk,
+trouw en ouderwetsch slag van volk, en jammer zal het zijn, als het van
+de aarde of, laat ik zeggen, van de wateren verdwijnt. Eerbied voor
+hen! Heb een vasten schipper, en geef hem een mondelinge boodschap,
+een onverzegelden brief, een groote som gelds, een kostbaar stuk
+meubel mede; geen woord zal aan de boodschap, geen stuiver aan het
+geld te kort komen, geen letter in den brief gelezen, geen krasjen
+op het kostbare stuk worden gemaakt. Laat hij slechts _weten_ wat
+gij aan zijne zorgen toevertrouwt, en wees zoo gerust als of gij uw
+eigen zoon zondt. Hier staat uw beeld mij voor oogen, trouwe _Van der
+Velden_! Gij behoort tot het vriendelijk personeel mijner academische
+herinneringen. Wiens voetstap hoorde _Hildebrand_ liever dan den uwen
+op de ongelijke trap van zijn nederig studenteverblijf, als gij de
+krakende sluitmand of het welbekend koffertje, dat geen adres meer
+noodig had, daar tegenop sleeptet en met uw vriendelijk "compliment,
+en als dat de familie heel wel was," zijn ongeduld voorkwaamt, dat
+naar den dubbelganger van den sleutel zocht, waarmee zijne lieve
+moeder het hangslot gesloten had? Gingt gij ooit bij hem voorbij,
+zonder te hooren "of mijnheer ook iets te zeggen had?" Of kondt gij
+te eenigertijd in zijn vaderstad het ouderlijk huis passeeren, zonder
+eventjes te gaan vertellen "dat gij mijnheer gisteren nog hadt gezien"
+en de hartelijkste groeten van zijnentwege te improviseeren?--Hadt
+gij hem niet meer dan eens in uw schuit verborgen, toen hij "groen"
+was, totdat de studententafel op de Mare was afgeloopen? En toen hij
+was gepromoveerd, en gij hem geluk wenschtet--wat scheelde er toch
+aan uwe oogen, dat die bonte zakdoek niet in den zak kon blijven,
+als gij aanmerktet, dat gij nu "zijn meeste koffertjes wel zoudt
+hebben gehaald"?--Drommels, _Van der Velden_! het veer moest niet
+worden afgeschaft.
+
+Maar behalve dezen had ik menig vriend aan het veer, die mijn koffer
+en reiszak een kwartier uurs ver kon onderscheiden, en straks voor
+mij het lekkerste kussen uit de roef haalde, opschudde en in den
+stuurstoel legde, bereid om, als de bodem nat was, mij het gebruik
+van zijn sabotten af te staan. Als het eenigszins kon, zat ik in den
+stuurstoel, en van dezen heb ik nooit iets kwaads gezegd. Ik kende
+de geschiedenis van al de schippers en al de knechts; van hunne
+vroegere betrekkingen en van hunne latere wederwaardigheden aan het
+veer. Elk hunner had zijne eigene verdienste in de conversatie. De
+een wist overal eenden en hazen aan te wijzen op de landerijen, die
+wij voorbijvoeren; de ander kon zoo gezellig op zijn pijpje smakken
+en oude verhalen van zijn schooltijd opdisschen; de derde sprak van
+"_Boneparte_," en hoe bang die voor de "Kezakken" moet geweest zijn,
+met al de nauwkeurigheid van een tijdgenoot en gemeenzaam vriend. Ik
+herinner mij den ouden _Mulder_, met den geverfden hoed en de korte
+broek; hij voer altijd de volste schuiten; den langen _Rietheuvel_;
+hij was befaamd in het redden van drenkelingen; en zijn broeder,
+die "de Mottige" genoemd werd, die wel niet al het statige van
+den schippersstand had, maar een aardige, praatzame grappenmaker
+was, die een anecdote uit kon rekken, zoo vele bruggen ver als
+gij verkoost. Indien _hij_ het begin van dit stuk las, het zou hem
+ergeren; want ik weet dat niets hem meer verveelt, dan dat men hem
+en den geheelen trekschuitwinkel in de toekomst beklaagt.
+
+"Je zelt haast gedaan hebben, schippertje!" zei een juffrouw in de
+roef, onder haar bril uitkijkende, tot onzen _Rietheuvel_, nadat zij
+vruchtelooze pogingen had in 't werk gesteld om een heer, die in 't
+hoekje zat, aan den praat te krijgen. "Je zelt haast gedaan hebben,
+schippertje!"--"Hoe zoo, juffrouw?" vroeg de kapitein.--"Wel, met die
+Spoorwegen!"--"Spoorwegen! juffrouw da's geen duit waard. As 't anders
+niet was; _die_ hebben haast gedaan. Maar dat nieuwe."--De juffrouw
+wist ter wereld niets nieuwer dan spoorwegen, en "men zou er _haar_
+ook niet opkrijgen".--"Ja maar," merkte _Rietheuvel_ aan, "in dat
+nieuwe ga je wèl. Je hebt ommers wel gelezen van dien Onderaardschen
+Schietblaasbalk?"--"Van die wat?" vroeg de juffrouw, haar bril van
+den neus nemende, "van die wat?"--"Wel, van dien Onderaardschen
+Schietblaasbalk?" riep de schipper, zoo hard als zijn verweerde
+stem gedoogde. "Heerlijk hoor! Je hebt pijpen, buizen, kanalen;
+onderaardsche, weetje? 'k zel zeggen van Amsterdam na Rotterdam, en
+vicie versie; dat zijn de twee grootste. Nou heb je dan ook korte, voor
+Halfweg, Haarlem, Leiën,.... dat begrijpje, na venant."--De juffrouw
+spitste de ooren en opende den mond.--"Best; je komt in 't ketoor; je
+ziet een partij luiken in de' vloer, met groote letters, beschilderd;
+al de plaatsen, weetje, die staan der op. Halfweg, Haarlem, Leiën,
+allemaal. Je ziet een groote schaal hangen en een knecht in leverei,
+netjes as 't hoort, der bij. Waar mot de juffrouw nou b.v. wezen? Zeg
+maar wat!" Hier wachtte de verhaler op een antwoord, maar de juffrouw
+wist niet wat ze zeggen zou, en vreesde dat het geheele verhaal een
+strik was om hare onnoozelheid te vangen.--"Nou goed; as je 't dan
+maar weet. Ik zel maar zeggen: je mot te Rotterdam zijn. Je krijgt een
+kaartje. Best. Belieft u maar op de schaal te stappen."--Hier kon de
+juffrouw zich niet bedwingen: "Op de schaal, schipper?" riep zij uit,
+en hare oogappels werden van verbazing zoo groot als tafelborden,
+"wat mot ik op de schaal doen?"--"Dat zel je hooren. UE. wordt
+gewogen. Je bent nog al dikkig. Goed. Zooveel pond, zooveel kracht op
+de' blaasbalk. Belieft u maar op dat luikie te gaan staan. Pof! je
+zakt in de' grond, Ruut! daar ga je, hoor! Je ziet niks niemendal
+as egyptische duisternis. 't Hoeft ook niet. Tien menuten! knip,
+knap, gaan de veeren. Daar sta je _weer_ in een ketoor; je denkt in
+'t zelfde? Mis! Je bent te Rotterdam. Is 't waar of niet, _Piet_?"
+
+Op dit beroep antwoordt de aangesprokene, die als knecht met den
+Mottige vaart, niet anders dan door het hoofd te schudden en een
+pruimpje te nemen.--"Piet wordt er Weger bij," vervolgt de schipper:
+"je kunt er de teekening van zien; 't zou al lang ingevoerd wezen, me
+lieve juffrouw! maar 't het motten wachten totdat die wije mouwen uit
+de mode waren.--_Pietje_, 't wordt koud, man! je hebt je jaren. Wees
+niet nuffig omdat er een juffer in de schuit is; trek je schanslooper
+an, maat; en geef mijn me zuidwester, want 'et begint te regenen."
+
+"Ja menschen!" merkt de juffrouw aan, "je mag wel voor je gezondheid
+zorgen. Ik weet niet hoe je 't uithoudt!"
+
+"Uithouën?" zegt de schipper: "de juffrouw mot weten dat er geen
+menschen ouèr worden as schippers en schoolmeesters. De schoolmeesters,
+van de onschuldige asempies van de kinderen, en de schippers, van
+weer en wind."
+
+
+
+
+
+
+
+DE SCHIPPERSKNECHT.
+
+
+"Indien wij eens een meid minder hielden," zei Burgemeester
+_Dikkerdak_ tegen mevrouw _Dikkerdak_, op een mooien morgen, en hij
+plukte aan de franje van zijn japongordel, op eene wijze alsof hij
+er een zwaar hoofd in had dat dit voorstel fortuin zou maken.--"Een
+meid minder!" riep zij uit, en hare oogen begonnen gevaarlijk te
+vonkelen: "dat's onmogelijk, mijnheer! Als er te veel verteerd is,
+het is door de meiden niet geschied. De meiden moeten blijven. _Ik_"
+(en zij drukte verbazend op dat voornaamwoord) "_ik_ kan geen enkele
+domestique missen!"--Burgemeester kreeg een hevige hoestbui, want
+hij was vol op de borst; hij vouwde het exemplaar van de Haarlemsche
+Courant van Dinsdag--October 18--(het is lang geleden) bedaard in
+"deszelfs" officiëele plooien, lei een blokje bij op het vuur,
+wandelde naar de vensterruiten, keek eens naar de boomen van zijn
+buitenverblijf, en daarna, over zijn buik heen, naar de punten van
+zijn gevlamde pantoffels; kreeg nog een hoestbui: verliet de kamer met
+statigheid; ging zich laten poeieren, en sloot zich, deze plechtigheid
+volbracht zijnde, in zijn eigen kamer op. Toen strekte hij zijne hand
+uit en schelde.
+
+"Laat _Kees_ boven komen!" sprak hij tot de binnengetreden dienstmaagd.
+
+_Kees_ kwam; gepoeierd als zijn heer; een man van ongeveer vijftig
+jaar, van middelbare gestalte. "Wat belieft meheer?"
+
+"_Kees_," begon Burgemeester; maar een nieuwe aanval van de volle
+borst belette hem verder te gaan.--_Kees_ hoorde in de eerbiedigste
+houding de bui uit.--"_Kees_," hervatte de Burgemeester: "je hebt
+me tweeëntwintig jaar trouw gediend; eerlijk gediend; ijverig
+gediend..." _Kees_ schepte moed; hij had gedacht dat er iets
+onaangenaams aan de hand was, en de Burgemeester was een gestreng
+heer. Maar als de Burgemeester zag dat het gezicht van _Kees_
+opklaarde, vatte hij ook moed; zoodat er op dat oogenblik twee menschen
+bijeenwaren, die beide den besten moed van de wereld hadden.--"Trouw
+gediend!" herhaalde de Burgemeester.
+
+"Na mijn beste weten," zei _Kees_ bedaard, en bekeek de roode opslagen
+van zijn grijsgelen rok.
+
+De Burgemeester nam een snuifjen en zeide: "Ik heb maar naar de
+gelegenheid gewacht om er u voor te beloonen."
+
+"Wat dat betreft, meheer!" hernam _Kees_, en een groote traan kwam
+om het hoekje van zijn neus kijken, want hij was een gevoelig man,
+ondanks zijn bakkebaarden: "Menheer is altijd een goed heer voor me
+geweest. Ik verlang..."
+
+"Hoor, _Kees_," zei de Burgemeester, "kort en goed: er is een
+stadspostje vacant, en ik had gunstig over je gedacht. Het is een
+makkelijk postje, een goed postje..."
+
+"Maar," zei _Kees_, "as ik de vrijïgheid nemen mag menheer in de rede
+te vallen; ik wenschte volstrekt niet te veranderen..."
+
+De Burgemeester kreeg wederom een geweldige hoestbui.
+
+"En as ik de vrijïgheid mag nemen," ging _Kees_ voort, "te vragen:
+welk possie?..."
+
+Burgemeester _Dikkerdak_ streek zich met deftigheid langs de
+kin. "Het beneficie van knecht aan het ...sche veer", zei Burgemeester
+_Dikkerdak_ met majesteit. "Het wordt binnenkort vergeven. Bedenk er
+u op, _Kees_! Ik raad het u aan. En ga nu heen--(kuche! kuche!) en
+vraag (ùche, ùche) of mevrouw (ùche, ùche) mijn stroopje wil boven
+sturen met _Betje_; ik heb (ùche, ùche) het weer schrikkelijk weg."
+
+_Kees_ wenschte nog iets in het midden te brengen. Maar de Burgemeester
+hoestte zoo ontzettend, en werd zoo rood in 't gezicht, en wenkte zoo
+duidelijk met de hand dat hij het stroopje volstrekt terstond hebben
+moest, dat _Kees_ het raadzaam oordeelde te vertrekken.
+
+"Schippersduvelstoejager!" riep _Kees_, een uur daarna zijn huis
+binnentredende, en zijn gegalonneerden hoed op de steenen smijtende,
+zoo ver die vliegen wou. "Schippersduvelstoejager!"
+
+Zijn goede _Leentje_ dacht dat hij gek geworden was, raapte den hoed
+op, en vroeg wat hem scheelde?
+
+"Ik mot schippersknecht worden," riep hij, en zijne oogen rolden
+vreeselijk in zijn hoofd: "Schippersknecht, omdat ik menheer
+tweeëntwintig jaar trouw gediend heb! Met den zwabber hé...? Een
+mooi baantje! Hoo--o--o--! roepen met twintig o's bij een brug;
+en hu--u--u--u--! met vijftig u's bij een schoeiing... Heerlijk hé!"
+
+De goede eegade begreep juist niet al te veel van deze uitboezemingen,
+maar welke was hare ontzetting en afschuw, toen zij de oorzaak
+vernam! "Wat?" riep zij uit... "Jij met pakkies langs de deuren loopen;
+een karrepoesmus op je gepoeierde hoofd! Jij een soldatekapot om je
+lieve lijf in plaats van je rok met passement! En je hebt ommers pas
+een nieuwe?..."
+
+"Het helpt niet, vrouw!" zei _Kees_; "ik heb 't al gemerkt; der is
+zwarigheid bij menheer; maar 't is maar ongelukkig voor die 'et treft."
+
+"'t Zel _niet_ gebeuren!" riep _Leentjen_ uit. "Laat menheer je
+afschaften; laat ie je op straat sturen; maar geen schippersknecht,
+as je tweeëntwintig jaar knecht bij een heerschap bent geweest."
+
+En met eenparigheid van stemmen werd besloten dat het _niet_ gebeuren
+zou. _Wat_ er gebeurde, mag _Kees_ op zijn eigen manier vertellen,
+zoo als hij het meer dan eens gedaan heeft, met de hand aan de roerpen.
+
+"Dat bleef zoo hangen: maar 'en veertien dagen; 't was op een
+dingesdag, en menheer ging alle dingesdaggen na burgemeesterskamer;
+zoo reeën we na stad. Stilgehouën voor 't stadhuis; ik klim der of
+en help menheer der uit. Wacht hier een oogenblikkie, _Kees_! zeit
+ie.--Met 'et rijtuig? vraag ik.--Neen, _Kees_, zeit ie; jij alleen;
+ga maar bij de bodes, daar heb je nog kennis bij.--Nou, ik _had_
+er een vollen neef bij. Wat kom _jij_ hier doen? zeit me neef. Ik
+zeg, ik weet 'et niet, zeg ik; en menheer stapt zoo binnen. Nou, ik
+docht: menheer zal alevel zoo gek niet wezen dat ie daar binnen van
+dat possie spreekt; want ik docht, dat ding is ofgedaan; hij het wel
+gezien dat ik der geen zin in heb. Maar al zen leven! Ik wacht wel
+een hallefuur; daar wordt gescheld. Me neef na binnen, met 'n bos op
+zen borst, wat ben je me! In een ommezien was ie weerom; daar hadje 't
+lieve leven gaande. Ik most boven kommen. Daar hadje menheer zitten,
+die nog al tamelijk dik is, en dan hadje die dikke _Van Zuchter_, en
+dan menheer _Daats_, die zen zoon nou ook al burgemeester is, loof ik,
+en dan de overleden heer _Watser_ met z'n staartpruik, en dan menheer
+_Kierewier_; maar die had dan eigenlijk niets te zeggen; die was zoo
+veul als sikretaris, en die zat midden in de pampieren. Nou had die
+dikste, die _Van Zuchter_, zoo'n hamertje in zen hand; en die begon
+me daar een preek te doen, en een gelukwensching en, in één woord,
+te zeggen dat, deur mooi praten zus en zoo van menheer _Dikkerdak_
+(_mijn_ menheer dan), de heeren zoo over me gedocht hadden, om me
+dan te maken, na me begeerte, note bene! knecht bij 'et veer; en dat
+ze hoopten dat ik die post trouw en eerlijk, en al die viezevazen,
+waar zou nemen. Kijk! ik werd zoo kwaad menheer! dat ik docht een
+beroerte te krijgen; en ik docht: wacht, dikke! hou jij maar reis
+'en oogenblikkie op, dan zel _ik_ reis-meepraten--want weetje wat? ik
+meende ze vierkant te zeggen dat ik 't _niet en dee_. Maar ja wel! zou
+gou as ie amen gezeid had, zel ik maar zeggen, daar begonnen ze
+allemaal me te filiciteeren en te doen, dat het een aard had; en
+die _Kierewier_ was ook al klaar met een pampier, dat ie me in men
+hand duwde; en _mijn_ menheer dee maar niets as hoesten; nou _was_
+ie vol op de borst; en eer ik wat zeggen kon, daar tastte menheer
+_Van Zuchter_ na zoo'n groote tafelschel; ik weet niet dat ik me
+leven zoo'n tafelschel meer gezien heb; het leek wel zoo'n klok;
+en toen--luien wat ben je me! En toen kwam neef weer binnen, en
+ik had maar te vertrekken.--Maar wat die vrouw anging, toen ik daar
+thuiskwam als schippersknecht....! Maar ik _was_ nog haast niet thuis,
+of daar had je mevrouw _Dikkerdak_ al, en de jongejuffrouw! allemaal
+maar filiciteeren, en dat ik gou schipper zou worden! Een mooi ding;
+al de schippers zijn jonger van jaren as ik; en ik ben nou op drie
+na de jongste knecht; van dienst dan.--En wat me vrouw huilde,
+toen ik op 'en kouën ochtend na de schuit most, met me schanslooper
+over men arm! Lieve kinderen menschen!--Och ja, zoo sukkelen we nou
+maar vort. Menheer is dood, en mevrouw is dood, en de jonge juffrouw
+het onderlaatst nog met me gevaren; maar ze zei temet geen gendag of
+genavend; en ik ben nou in me tweeënzeuventigste...! Hoo--o--o--o--h,
+jagertje! De lijn kan wel stuk met die horten! Hij mot nog langer
+mee as ik: as 't God blieft!"
+
+
+
+
+
+
+
+DE BARBIER.
+
+
+ Omme
+ den Heer J. D. _van den Aanzett_,
+ Chirurgus te Monnickendam.
+
+Mijn waarde Collega!
+
+
+De lange winteravonden en het betrekkelijk klein getal patiënten
+permitteeren mij u toch vóór nieuwejaar nog eens een confraterlijken
+brief te schrijven, waartoe ik lang lust, laat ik zeggen, waar aan
+ik al lange behoefte ben geweest hebbende; zoodat ik nu den stumilus
+niet langer kan wederstaan. Gij zoudt niet gelooven hoe in deze
+hoofdstad het getal dagelijks vermindert der confraters, met wie
+men eens redelijk over de wetenschap van denkbeelden wisselen kan;
+het zijn bijna alle tegenwoordig menschen zonder eenige de minste
+studie, die ja, de operatie verstaan, dat wil zeggen er het manuaal,
+de dexteriteit van bezitten, maar zonder eenige theorie of systema te
+werk gaan en geen rekenschap van hunne zaak kunnen geven; die zelfs
+niet capabel zijn, indien zij door eene toevallige omstandigheid eene
+ulceratie veroorzaken, dezelve secundum legum artum te genezen, of
+een emplastri te smeren; waarom zij dan ook gewoonlijk, bij gemaakte
+blessure, niet beter weten aan te raden dan koud water of een watje.
+
+Och, mijne goede _Van den Aanzett_, toen wij te zamen bij uw
+waardigen oom in de Amstelstraat het vak in onze jeugd beoefenden,
+was het een ander vak en een andere tijd. Wie zou het gewaagd hebben
+dien doorkundigen geleerde den onteerenden naam van barbier of
+scheermeester te geven, welke in de uitvoerigste woordenboeken van
+die dagen zelfs niet gevonden werd? Tegenwoordig worden wij aldus
+door groot en klein genoemd. Men heeft ons vak uit den kring der
+medische wetenschappen weggerukt en op zichzelven geplaatst, zoodat
+het verdort en verdroogt als een afgescheurde tak, van den boom
+geamputeerd. Weinige zijn zoo gelukkig als wij, dat het hun vergund
+is gebleven het hooger chirurgische nog te blijven uitoefenen; maar
+welke is de consideratie die wij genieten? welk is het cas, dat men
+van ons bij de Provinciale Geneeskundige Commissiën maakt? En moeten
+wij niet bekennen, ons scheermes in dezen stikdonkeren tijd al de
+fiducie van ons lancet wegneemt?
+
+Vonden wij nog maar in de tractatie van hetzelve scheermes een
+overvloedig middel van bestaan, zooals eene kunst behoorde te kunnen
+opbrengen, welke in zulk een nauw verband staat met de beschaving,
+en van welke zoo onbegrijpelijk veel afhangt in de maatschappij, wij
+zouden ons alsdan ten minste kunnen getroosten het algemeen profijt
+niet geheel zonder profijt voor onszelven te behartigen. Maar indien
+het u als mij gaat, dan verliest gij ook dagelijks kalanten en worden
+er geen nieuwe geprocreëerd. Gisteren; en deze omstandigheid moveert
+mij juist u heden te schrijven; gisteren verloor ik mijn laatste
+patiënt, die gewoon was zich tot in den nek toe te laten razeeren,
+met een breed instrument en een weinigjen in het harde systema, zooals
+onze overledene patroon gewoon was de burgemeesters te behandelen, toen
+men er nog op gesteld was, de deelen der onderkin en des halzes een
+blozend voorkomen hadden. Nu is het aan de orde zooveel mogelijk haar
+te laten staan, tot groot affront voor de uitvinding _Tubal-kains_ en
+van het chirurgische vak, en ik durf zeggen, tot groot detriment van de
+goede zeden daarenboven. Want ik praesummeer op goede gronden, dat alle
+koningsmoorders, zelfmoordenaars, oproermakers en comedieschrijvers,
+in Frankrijk en elders, hunne verwildering grootendeels hieraan
+te danken hebben, zij van de jaren der pubertas af, hun baard den
+vrijen teugel en op die revolutionnaire wijze groeien laten, welke men
+"een jonge Frankrijk" noemt.
+
+Ik zie ze dagelijks in de printewinkels.
+
+Maar om tot den ontslapene terug te keeren. Ik kan wel zeggen met
+ZEd. mijn geheele ambitie voor het vak is ten grave gedaald. Want wat
+wil men tegenwoordig? Met achterstelling van al het gracieuse, al het
+waarlijk schoone der operatie, wil men alleen gauw geholpen wezen,
+en zoo zacht en ongevoelig, alsof men den baard weg _waschte_. Wie
+kan op zulk een wijze het vak eer aandoen? wie zich een waarachtig
+discipel betoonen van onzen onvergetelijken _Blaaskrop_, als alles in
+vijf minuten moet afgeloopen wezen? Maar weet gij, mijn waarde _Van
+den Aanzett_, wie het zijn, die u en mij en het geheel chirurgicale
+vak bederven? Niemand anders dan die infame Engelsche natie, die de
+bron is van al onze ongelukken.
+
+Sla de eerste courant de beste op, die gij in handen krijgt, en gij
+zult er u van overtuigen. Overal zult gij de emblemata van ons vak
+in slechte houtsnee op een misselijke wijze zien afgebeeld, om er
+tot uwe interne indignatie bij te lezen dat er weder een nieuwe soort
+van "patent razoors, patent stroppen, patent zeepen" is uitgevonden,
+alleenlijk met het doel om de paarlen, ik mag zeggen, voor de zwijnen
+te werpen, ons moeielijk kunstvak tot een allemans goed te maken,
+en ons en onze kinderen te bestelen. Ik vraag maar, mijn waarde
+collega! Ik vraag maar, wat beteekent die gansche fraaie instelling
+der patenten, indien het iedereen, niet alleen ongegradueerden,
+maar zelfs ongepatenteerden, veroorloofd is zichzelven den baard af
+te nemen? Ziedaar eene vraag, welke het wel der moeite waard ware
+der Tweede Kamer eens te presenteeren, en ik ben nieuwsgierig hoe
+de Heeren er zich zouden uitredden. Maar wat zou het baten, _Van den
+Aanzett_? wat zou het baten? Geloof mij, indien gij het te Monnickendam
+gelooven kunt; maar hier in de hoofdstad heb ik abondantelijk occasie
+om er mij van te overtuigen; dat een derde der Edelmogenden (o schimmen
+der voorvaderen!) zich de hulp der faculteit ontzegt.
+
+Maar laten wij dit voor ons beiden chagrinant capittel laten varen;
+mijn brief is reeds lange, en ik heb dezen avond bepaald tot exercitie
+mijner beide zonen, die elkander voor het eerst wederkeerig bij
+kaarslicht de operatie doen zullen. Nog slechts een woord van de
+gezondheidstoestanden in deze hoofdstad. Er zijn hier nog altijd vele
+koortsen, en ik blijf ze met onzen onvergelijkelijken patroon aan de
+principiums noncentiums van het water toeschrijven, in combinatie met
+de humeuren van de athmosfeer. Maar geloof mij, dat het kinazout er op
+den duur veel kwaad aan doet. Ik heb onlangs de eer gehad een patiënt
+te cureeren, dien men met die miserabele sulphatis quinini totaliter
+in den grond hielp, enkel en alleen door ZEd. aan te raden gewone
+trosrazijnen te eten op een nuchtere maag, vóór ik den baard afnam;
+met dien effecte, de intermittentis hem verlaten hebben. En nu ga ik
+ook u verlaten. Vaarwel, Amicissimi Collega! Mijne hartelijke groete
+aan Mejuffrouw de Chirurgijnsche, ook uit naam van de mijne.
+
+
+Amsterdam, 12 Dec. 18--.
+
+Uw geeffectionneerde Collega,
+_Joris Krastem_.
+
+
+P.S. Ik geloof dat gij wèl zult doen den opgezetten krokodil, die in
+uwen winkel misschien nog, als van ouds, aan den zolder hangt, weg te
+nemen. Men begint in dezen profanen tijd met al zulke wetenschappelijke
+zaken te spotten. O Tempores! o Mora!
+
+
+
+
+
+
+
+DE HUURKOETSIER.
+
+
+De eerste schemering van den morgen ligt over de academiestad. Hier
+en daar verspreidt het gloeiende pitje van nog een enkele réverbère
+een noodeloos licht. Alles slaapt nog op de Breestraat. Alleen de
+kraaien zijn op en wandelen in grooten getale over de steenen, en
+vliegen op den Ossekop bij _Rivé_, en op de koppen van de leeuwen,
+die de Leidsche sleutels op de trappen van 't stadhuis bewaken, zich
+verbazende dat de schildwacht zoo slaperig kijkt, en waarom hij geen
+blinkende stevels meer draagt als tevoren. Uit eerbied voor de rust der
+geleerde hoofden in dit Nederlandsch Atheen, onthouden zij zich echter
+van nutteloos geschreeuw. Op eens jaagt het klappen van een zweep ze
+op, en doet een aanrollende calèche "met de vier" ze de vlucht nemen
+naar torens en schoorsteenen. De calèche houdt stil voor een smal,
+nog gesloten winkelhuis. 't Is een goed rijtuig, veel malen gebruikt en
+beproefd bevonden; en op den bok zit, in al de glorie van zijn postuur,
+met een hoed in blinkend foedraal op 't hoofd, een paar bakkebaarden
+op zij, ringen in de ooren, een geestig oog en een vroolijken mond,
+en voorts bedolven in een jas van grijs laken met langen mantel,
+_Gerrit van Stienen_; wegens zijn deels wezenlijke, deels geveinsde
+vermetelheid met de edele rossen, als Dolle _Gerrit_ bekend.
+
+"Hiep, hie!" roept Dolle _Gerrit_. Alles blijft doodstil. Hij zet
+zich overeind voor den bok, en klapt driemaal met de lange zweep,
+dat de kraaien opvliegen alsof het haar geldt, en carousel beginnen
+te rijden rondom de peer van 't stadhuis. Nog eenmaal heft hij zijn
+vervaarlijk "hiep, hie!" aan.
+
+Het bovenraam opent zich; een jong mensch met een zijden doek om
+'t hoofd (studenten haten slaapmutsen), en een jeune france om de
+kin, kijkt er uit, in een japon met schotsche ruiten. "Zoo, Dolle'
+dat's opgepast, vent."--"Goeie morgen, menheer!" antwoordt de Dolle,
+met een schuin en toegenepen oog: "heb je zóó allang zitten wachten?"
+
+De heer met de jeune france slaat een oog op het span. "Moeten _zij_
+het doen, _Gerritje_?"--"Ja menheer! ze verlangen as harten."--"Ze
+zien der niet florissant uit, _Gerrit_!"--"Mot ook niet, menheer! maar
+het bennen bazen van binnen."--"Me dunkt, ze staan zoo droomerig
+tegen mekaar aan te leunen."--"Ze bennen pas uit bed, mot menheer
+denken; en beste staanders zijn 't ook al niet: maar _loopers!!!_
+heb ik jou daar."
+
+Drie jonge menschen dagen op uit verschillende hoeken van de stad,
+en vereenigen zich luidruchtig genoeg op de kamer van den student
+met de jeune france. Een oogenblik daarna wordt er ingestegen.
+
+"Fiks doorjakkeren, _Gerrit_!" zegt menheer _Deze_, de tree
+opvliegende. "Dat zegt _hij_ ook," antwoordt _Gerrit_, de zweep
+toonende. "In twee uren naar Haarlem," beveelt de heer _Die_, zijn
+mackintosh dichtknoopende. "As ze 't niet in zeven kwartier kennen,"
+zegt _Gerrit_, knipoogende, "is er geen aardigheid an." "Nooit
+stappen; zelfs in 't zand niet, _Gerritje_!" roept mijnheer _Zus_,
+plaats nemende. "Ze zouen zich hebben dood te schamen," herneemt
+_Gerrit_. "Klappen dat het davert!" juicht de heer _Zoo_, het
+portier dicht trekkende; en het antwoord is klets, klats, klets met
+de zweep; en de kraaien vliegen met een luid geschreeuw weder op;
+en het rijtuig rolt heen, en doet al de ruiten, van de Breestraat af
+tot de Rijnsburger poort toe, sidderen in de sponningen.
+
+Men pleistert bij den Geleerden Man. "Je hebt nog niet hard
+gereden, _Gerrit_!"--"Kniebandjes losmaken, heeren," zegt de man,
+zijn jas uittrekkende, daar de zonneschijn hem begint te hinderen,
+en zich vertoonende in zijn blauw buis met korte panden, geel vest,
+en fulpen broek, waarvan de pijpen op zij met een menigte beenen
+knoopen prijken. De studenten, _Gerrit_, en de paarden nemen hun
+prandium. Alles is reeds weder in gereedheid. "Wacht!" roept _Zus_, "we
+moeten een grap hebben. _Duin_! Steek de lantarens op."--"Lantarens bij
+klaarlichten dag?" vraagt _Duin_, bleek wordende. "Wis en zeker!" roept
+_Gerrit_ van den bok, knipoogende en met de grootste deftigheid,
+"je kan 't niet weten: een ongeluk zit in een klein hoekje. Hiep,
+hie! haastje wat, _Duintje_."
+
+Zoo komt men te Haarlem met lichtende lantaarns. De rit heeft _over_ de
+twee uren geduurd. "De klokken schelen!" zegt _Gerrit_. Men overtuigt
+hem van het tegendeel met een horloge. "Dat heeft te hard geloopen
+om de paarden bij te houen!" Nieuw geknipoog; en de lange zweep gaat
+weer links en rechts, en de lucht davert van den slag, en de paarden
+draven door de goede stad, dat de kruideniers er schande van spreken
+achter hunne toonbanken.
+
+De Nieuwpoort uit; den straatweg op; Zandpoort om; Bloemendaal;
+het zand; stappen!
+
+"Stap je nu toch, _Gerritje_?" gilt het viertal. "De voorste
+bijdehandsche zen ijzer is los, en de achterste het in de spijkers
+van den voorsten getrapt." Maar ondanks deze ongevallen, zoodra hij
+het hek van Zomerzorg genaakt: klets, klats, klets, gaat de zweep;
+in vollen draf gaat het, het huis voorbij, bij de brug langs, omgewend
+met een korten draai, en _pal_ voor de deur. "Mooi, Dolle!" roepen de
+heeren uit éénen mond, en men spreekt af dat niemand zoo goed rijden
+kan als "de Dolle". Deze oogst zijne zegepralen in, met herhaald
+geknipoog tegen de wachtende staljongens.
+
+Een groot kwartier daarna: de paarden zijn aan de ruif, en _Gerrit_
+krijgt, met opgeslagen mouwen en op de midden aangevatte tang, een
+kooltjen uit den keukenhaard om zijn kort pijpjen op te steken. "Nou,
+_Kaatje_, me kind!" heet het uit zijn mond tot een zwaarlijvige, niet
+heel mooie keukenmeid: "Ik kon niet langer van je van daan blijven. Ik
+zeg teugen de heeren: me zellen de vier der reis voorzetten; me motten
+reis na Zomerzorg; ik wil weten of _Kaatje_ nog geen vrijer het".--"Dat
+kan jou ook wat schelen, _Gerrit_," antwoordt de beminnelijke, "je
+hebt een vrouw thuis."--"Een vrouw," is 't antwoord, en _Gerrit_
+neemt bij die herinnering zijn blinkende hoed eerbiedig af, "een
+vrouw as twee, _Ka_! en je mot het complement van der hebben. Vraag
+'t an de heeren! Ik zeg: heeren! help me onthouen dat ik _Kaatje_
+de complementen van me wijf breng".
+
+De heeren zitten aan tafel. De eerste tijdperken zijn
+doorgeloopen. Conticuere; Rumor in casâ; etc. Het wordt een
+gejoechjach, een geschater, een instellen van toosten zonder end! De
+heer _Deze_ komt met glimmende oogjes, de helft kleiner dan anders,
+achter loopen: "_Gerrit_, heb je wel wijn?"--"Wijn, menheer?" vraagt
+_Gerrit_ met het onnoozelste gezicht van de wereld, zich een glas
+bier inschenkende. "Bij de goden!" roept de heer _Deze_: "_Gerrit_
+heeft geen wijn!" en, naar voren geloopen, komt hij met een gebefte
+flesch terug. Als ZEd. de keuken verlaten heeft, knipoogt _Gerrit_
+buitengemeen zeer; overdubbel tevreden.
+
+De heeren rijden af. Ze zijn ontstuimig. De een wil rijden. De ander
+wil achterop staan. De derde wil de zweep hebben. De vierde gilt dat
+hij _Gerrit_ een tientje wil geven, als hij maakt dat ze omvallen.--"Ik
+heb geld genoeg, menheer! al sterf ik morgen," zegt _Gerrit_, en zit
+vast op den bok, en klapt met de zweep, en knipoogt en antwoordt met
+aardigheden, en rijdt geen stap harder dan hij verkiest.
+
+Het is laat in den nacht als _Gerrit_ thuiskomt. De stalknecht sluit de
+deur open, en licht hem met zijn lantaarn in 't gezicht. "Ze zijn een
+beetje warm, hé! Ik kreeg slaap op 't laatst; en ik had ze van morgen
+gespaard."--"Een goeie fooi, _Gerrit_?" vraagt de stalknecht, in zijn
+linnen jas schurkende van koude, slaap, en begeerigheid.--"Van de man
+een pop, _Driesje_!"--"'t Is 'en schande, _Gerrit_! zulke fooien as jij
+altijd sleept."--"Daar hei je der één van," zegt _Gerrit_, "maar laat
+me na kooi kruipen, zonder dat ik me met iets meer heb te bemoeien."
+
+
+
+
+
+
+
+HET NOORDBRABANTSCHE MEISJE.
+
+
+Op een mooien Augustusvoormiddag des jaars 1839, betraden twee jonge
+menschen den vermoeienden, maar schoonen zandweg tusschen Terheide
+en Oosterhout. Zij waren ter eerstgenoemde plaats uit de diligence
+gestapt en zouden ter laatstgenoemde het middagmaal houden. De zon
+scheen wel heerlijk op de welige akkers van rogge en boekweit ter
+wederzijde van den weg, maar tevens niet minder stovend op hunne
+stroohoeden en ransels; en daar het jong eikenhout, dat zij langs,
+en de kleine denneboschjes die zij nu en dan door-gingen, te laag
+en te iel waren om veel schaduw te geven, begon men toch gewaar te
+worden dat ook zelfs een voetreis hare onaangenaamheden hebben kan.
+
+"Die drommelsche toren;" begon de jongste, stilstaande en den knop
+van zijn stok in de zijde zettende om een oogenblik uit te blazen:
+"die drommelsche toren is nu rechts en dan links, en we vorderen niet."
+
+"Het is toch de goede weg," sprak de oudere, die het eerteeken van
+den tiendaagschen veldtocht droeg, "ik ken hem wel. Zie, daar ginder,
+rechts van den toren, is de molen daar we een post bij hadden."
+
+"Is het een mooi plaatsje?" vroeg de eerste, weder voorttredende.
+
+"Allerliefst; gij zult het zien. Koning _Lodewijk_ noemde het een stad;
+maar daar is 't niet beter om. Er is een marktplein; een ruime kerk
+met gebeeldhouwd outerstuk, een Berg Calvarië; voorts een mooie ruïne;
+en veel knappe nieuwe huizen. Maar het mooiste is _Keetje_. Wij gaan
+naar _Keetje_. Gij zult zien hoe hartelijk zij ons ontvangt."
+
+"Ik hoop," zei de ander twijfelachtig, "dat zij de moeite van dezen
+afmattenden weg waard mag zijn; want ik heb niet veel op met uwe
+herbergdeernen. Ze zijn nog al aardig in liedjes en reisverhalen. Maar
+ik voor mij heb ze nooit anders bevonden dan grof, preutsch en
+knorrig. Men kan ze niet vriendelijk aanzien of zij denken dat gij
+ze bederven zult. En zegt gij haar een galanterietje, zoo gapen zij
+u aan zonder het te begrijpen, of lachen zoo dom tegen "me heir",
+dat hij eens voor al genoeg heeft."
+
+"Je kent _Keetje_ niet!" viel de ander met gemaakte hoogdravendheid
+zijn vriend in de rede: "bij alle goden, je kent _Keetje_ niet! Gij
+zijt niet waardig haar aangezicht te aanschouwen. _Keetje_, het fijnst,
+het netst besneden bekje van alle Noordbrabantsche meisjes, die ik
+onder eenigen stand gezien heb. _Keetje_, met het rankste figuur, de
+liefste voetjes, de kleinste handjes, met kuiltjes op iederen vinger;
+dat blanke gezichtje, die groote blauwe oogen, met dien doordringenden
+opslag! Het geestige, hupsche, vroolijke _Keetje_, die zoo lief praat,
+en zoo lief lacht..."
+
+"En zoo zoet zoent?..." vroeg de jongste; "want als zij zóó is, als
+gij ze beschrijft, dan is zij licht, vrindlief, en dan zeg ik als in
+het oude stuk,
+
+
+ "Een mooie meid zou, in een herberg, eerlijk zijn!"
+
+
+"_Kareltje_!" hernam de andere op den theatraalst mogelijken toon:
+"dwing mij niet te midden dezer welige natuur een moord te begaan. Nog
+één woord ten nadeele van _Keetje_, en ik maai uw eerloos hoofd weg,
+als gindsche maaier de rijpe aren."--En daarop in den natuurlijken
+toon vallende, ging hij voort: "Ik zou niet graag willen biechten,
+vriend! hoe menigmaal ik, in den tijd dat wij hier te Oosterhout lagen,
+haar om een zoen geplaagd, gesmeekt heb. Zoo het mij driemaal gelukt
+is er een te krijgen, is het veel; en dan is er één bij van toen we
+wegtrokken. De geheele compagnie was op haar verliefd. Het was _Keetje_
+voor, en _Keetje_ na; allen vrijden naar haar; allen droomden van haar;
+iedereen wou met haar wandelen; met haar naar Raamsdonk rijden--ja
+er waren er, geloof ik, die haar wilden trouwen...."
+
+"En zij," merkte _Karel_ aan, "zij was à tout le monde, en verhoorde
+ieders klachten."
+
+"In 't geheel niet; ze was er te verstandig toe, en dat niet alleen,
+maar ook te braaf. Gij moest haar naar de kerk hebben zien gaan, met
+de breede zwarte falie, eerst hangende over de schouders, met vrij
+wat meer gratie dan waarmee b. v. mijn nicht haar mantille draagt,
+en dan, bij 't ingaan van de deur, over 't hoofd, dat haar lief,
+devoot gezichtjen er effentjes uitstak. Maar dat daargelaten! Er was
+niemand, die zich op eenige gunst van haar te beroemen had; er was
+niemand, dien zij lomp behandelde of boos maakte; zij bleef zoo lief
+en vriendelijk tegen allen, dat allen dachten met haar op goeden voet
+te zijn. Het was zot, van zes of zeven menschen dezelfde confidenties
+te krijgen, die op dezelfde nietigheden berustten...."
+
+"Zij speelde de coquette," zei _Karel_, "net als dat heele duivelsche
+dorp, of stadje, als het zoo wezen moet, dat telkens weer achter de
+boomen kruipt; zij speelde de coquette, man! en had haar vingers vol
+ringen, en haar kast vol presenten van allerlei aard...."
+
+"Geen een! ik verzeker u, dat zij niets aannam. O, zoo je wist hoe
+zij over die dingen dacht! Ik was haar vertrouwde zoowat. Zij sprak
+nog al eens veel met mij."
+
+"En gij vielt in de termen van die gelukkigen, daar je zoo even van
+spraakt, die meenden dat voor hen alleen was, waarin zij met zes,
+zeven andere deelden?"
+
+"Je zult niet overtuigd zijn, voor je haar hebt gezien en hooren
+spreken, ellendige!" sprak de ander. "Maar je hadt haar moeten vinden
+zooals ik, de mooie oogen vol tranen, na een onkieschen voorslag
+van _Van der Krop_, die te veel gedronken had. Hoe bitter had ze
+'t op haar zenuwen!"
+
+"En was die _Van der Krop_ een knap manskerel?" vroeg de
+onverbiddelijke reisgenoot.
+
+"Dat had juist niet over. Ik voor mij noemde hem een monster, en
+_Keetje_ desgelijks. Er waren er wel die meer indruk op haar lief
+hartje maakten ...."
+
+"Gij, bij voorbeeld, niet waar?--"
+
+"Nu ja; maar in een anderen zin; ik was haar een vriend; maar onze
+vriend _Everards_, die stond hoog bij haar aangeschreven. Het zou
+mij niet verwonderen, zoo zij om diens wil wel eens andere tranen
+had geschreid."
+
+"Och heden, kom!" zei _Karel_, "het wordt al te aandoenlijk. En nu
+geen woord meer van _Keetje_, totdat we haar zien."
+
+De twee vrienden kwamen te Oosterhout, en zagen _Keetje_. Zij
+traden de herberg binnen en vonden haar bij het venster bezig met
+eenig naaiwerk. De groote geplooide slippen van de Brabantsche muts,
+waar twee donkere platgestreken haarlokken eventjes uitkeken, vielen
+over een donkerrood doekje met groene ruiten, dat haar schouders
+en boezem tot hoog in den hals bedekte en wonderwel afstak bij haar
+blank kinnetje. Zij zag op, en haar groot blauw oog maakte zulk een
+indruk op den jongste der beide reizigers, dat hij oogenblikkelijk
+het getal harer aanbidders vergrootte.
+
+"Zulje dan eeuwig even mooi blijven, _Kee_!" riep de oudste in
+bewondering uit, haar de hand toestekende: "het is negen jaar geleden
+sedert we goede vrinden waren, en je bent geheel dezelfde."
+
+"Ik _zij_ toch negen jaar ouer geworden, mijnheer!" zei _Keetje_,
+vriendelijk lachende, en een rij van de gelijkste tanden ontblootende,
+die ooit tusschen rozeroode lippen hebben uitgeschenen.
+
+_"Mijnheer!"_ hernam de ander, "kenje me niet meer? Denk aan de
+Leidsche Jagers."
+
+_Keetje_ rimpelde haar lief voorhoofd om zich te bedenken. "Ik
+geloof...." zeide zij aarzelende, "ik geloof mijnheer .... _Van
+.... der Krop_? ...."
+
+
+
+
+
+
+
+DE LIMBURGSCHE VOERMAN.
+
+
+"Goeden mergen, heern!" zei _Christoffel Hermans_, daar hij bezig
+was zijn groot paard voor de huifkar te zetten, die ons eenige uren
+verder voeren moest. "Goeden mergen, heern!"
+
+In dit woord was voor ons eene teleurstelling. Hoe armoedig wij er
+ook uitzagen; hoe vuil onze Brabantsche kielen, na eene reize van
+ettelijke weken ook mochten geworden zijn; hoe slap de randen van
+onze hoeden neerhingen; hoe nederig wij den vorigen avond, na het
+nederwerpen onzer ransels, onze voeten op de plaat van den gemeenen
+haard gezet hadden, en met hoeveel eenvoudigheid en gemeenelui's
+handigheid wij het oude grootjen ook hadden bijgestaan in het snijden
+van snijboonen tot haar wintervoorraad, het was ons niet gelukt voor
+reizende kooplui of gelukzoekers door te gaan; wij waren _heeren_,
+en moesten, niettegenstaande den droevigen staat onzer finantieën,
+er op voorbereid wezen, benevens onze melksoep van gisteravond, ons
+logies van vannacht, en ons ontbijt van vanmorgen, nog den titel van
+heeren te betalen.
+
+_Christoffel Hermans_, zeg ik, was bezig zijn groot paard voor de
+huifkar te zetten; en verrichtte dezen arbeid op een kleine voorplaats,
+waar hem zijne kippen en kalkoenen over de voeten liepen, gedurig
+met het paard redeneerende.
+
+"Stappertje! opgepast van daog, zulle! ge kraogt het nuwe vliegennet
+over den baste, en de nuwe bellen. 'En biesjen achteruut, maot;
+ziede ga niet dat ga de poes op de poot trappen zult. Zie zoo; kaaik,
+we zallen eenen goeden oop ooi in den zak doen. Dan modde ga ook goed
+stappen, zulle!" enz.
+
+Onder deze hartsterkende taal werd het kolossale dier op een
+schitterende wijze uitgedost met een groot geknoopt vliegennet van
+het vurigste klaproosrood, waarvan het voorste gedeelte onder den
+voorriem van het hoofdstel werd doorgetrokken, en het achterste om den
+staart gestrikt; rondom behangen met eene lange, luchtige franje van
+'t zelfde, en twee groote roode kwasten over de haken der boomen.
+
+Het is opmerkelijk hoeveel bijhangsels er tot de optuiging van een
+Limburgsen paard behooren waarvan men geene mogelijke nuttigheid kan
+uitdenken, en die ook alle, volgens getuigenis van den voerman, "allien
+maor voor den sieraod" zijn. Daaronder tellen een groot getal korte
+riemen en touwen, die van het hoofdstel tot het haam gaan, terwijl toch
+het beest enkel door stem en zweep (met hot en her) geregeerd wordt;
+daaronder, een paar koperen instrumenten, in de gedaante van breede
+groote haarkammen, op hetzelve haam, die niet zouden mogen ontbreken,
+hoe volstrekt doelloos zij ook zijn. Voeg hierbij een zwaren ijzeren
+ketting langs den boom der kar, en een krans van bellen om den nek van
+'t paard, waarvan de eerste een openlijke bespotting is van de groote
+makheid van het dier, en de andere een dadelijk paskwil op de breede
+wegen, waarop men elkander een uur ver ziet aankomen.
+
+Toen al deze fraaiïgheden naar behooren waren in orde gebracht en
+een groote hoop versch hooi in het tusschen de wielen bengelend net
+was geworpen, werd, dwars in de kar, een dikke bos stroo geklemd,
+waar _Vlerk_ en _Hildebrand_ plaats op namen; de deuren van den
+hoenderhof werden opengezet, en _Christoffel Hermans_, een kerel
+van zes voet, met een schoone blauwe kiel aan, trad vooruit, met
+de zweep van gevlochten teen losjes in den elboog gesteund, en wees
+zijn stapper den weg. Het roode vliegennet kwam in beweging als een
+langzaam golvende bloedstroom, de bellen klonken, de keten rammelde,
+de twee zware wielen van de kar dreunden. Wij joegen den haan,
+die op de huif gevlogen was, weg, en onze tocht ving aan, terwijl
+_Christoffel Hermans_ in 't blauw, en het groote paard in 't rood,
+wedijverden wie de grootste stappen konde nemen.
+
+"Hoeveel tijd rekenje, dat er noodig is van hier naar Quaadmechelen,
+voerman?"
+
+"Laot zien," zei hij; "'t mag drie uren gaons wezen; dats begens
+vierdehalf uur met de ker."
+
+Men merkt op dat de huifkar een uitmuntend middel van vervoer is
+voor personen die niet gaarne willen dat al wat zij voorbijrijden
+hun geel en groen voor de oogen wordt. Inderdaad, ik kan het aan alle
+voetreizigers aanbevelen, daar het in de gelegenheid om het land te
+zien (mits men de huif oprolle) geen de minste belemmering brengt. Het
+is ook waarlijk alleraangenaamst voor dezulken die wel eens stijf van
+'t zitten worden, aangezien niets gemakkelijker is dan zich van tijd
+tot tijd, tot verpoozing, achter van de kar te laten afglijden terwijl
+het paard voort blijft stappen, en een weinigje langs de wielen te
+wandelen, zonder dat zulks eenig oponthoud in de reis veroorzaakt. Hier
+komt bij, dat men naar alle menschelijke berekeningen geen nood heeft
+een ongeluk te krijgen; daar er noch riemen zijn die knappen, noch
+veeren die doorzetten kunnen. Wat betreft het afloopen van een wiel,
+ik ben overtuigd dat dit geen de minste stremming zou te weeg brengen,
+daar de velgen zoo breed zijn, dat ik zeker ben dat het geheele
+gevaarte evengoed op één als op twee wielen kan overeindstaan. Voeg
+hierbij, dat deze manier van vooruitkomen niet duur is, en dat gij
+behalve "een glaoske bier" aan den voerman, die daar op den duur nog
+al behoefte aan heeft, met geene verdere onkosten te maken hebt, daar
+het paard zijn ruif onder den wagen met zich voert, en ook lang zoo
+maltentig en verlekkerd niet is als onze goede Hollandsche paarden,
+die geen anderhalf uur kunnen loopen zonder te moeten blazen, brood
+te krijgen, en te worden gedrenkt.
+
+Zoo gij daarenboven een voerman aantreft als onzen _Christoffel
+Hermans_, een goeden hartelijken kerel, vol mededeelingen en verhalen
+uit den "veldtocht", wordt de lange wijle u nog al aardig verkort. Gij
+hadt hem moeten hooren vertellen van de opschudding, die de Leidsche
+studenten te Quaadmechelen gemaakt hadden, en hoe een juffrouw,
+die in de verwarring vóór in de borst geschoten was dat de "koegel"
+achter uitkwam, er desalniettemin dik en vet tegenin geworden was;
+hoe "vrundelijk de mogendheden van den Ollander" zijn, daar èn de
+Prins van Oranje èn "den anderen Prins" hem teruggegroet hadden,
+toen hij zijn hoed had afgenomen; en hoe hij op deze zelfde kar het
+doode lichaam vervoerd had van een soldaat, door "de mogendheid van
+Saksen Weimar" met eigen hand in tweeën geslagen, omdat hij begon
+"te plunderen en te ontrampeneeren" en tot een Limburger had gezegd:
+"trek de broek uit, want de mijne is stuk". En hetzij uw voerman een
+Ollandsch, hetzij bij een Belgisch Limburger wezen moge, gij zult
+met vreugd de opmerking maken dat hij, in ieder geval, door taal,
+karakter en levenswijze zoo goed bij Holland behoort als gij en ik.
+
+
+
+
+
+
+
+DE MARKENSCHE VISSCHER.
+
+
+ Ultima Thule
+
+
+Telken jare, in den beginnne van het jaar, wordt het Haarlemsch
+straatpubliek onthaald op het voortreffelijk gezicht van een vijf- of
+zestal jonge reuzen, welke, met een ouden reus aan 't hoofd, langs de
+straten worden gezien, vooral op de hoogte van het Gouvernementshuis en
+den Doelen, waar zij door straatjongens met even veel belangstelling
+worden aangegaapt en nageloopen als een bedelende Poolsche Jood met
+langen baard en spitse muts of, omstreeks den kermistijd, een Parijsche
+Armeniër met geparfumeerde kleederen en gebloemden tulband. Het
+personeel der jonge reuzen verandert jaarlijks, daar er bij dezen
+optocht geen andere geduld worden dan die hun achttienden verjaardag
+gevierd hebben en hun negentienden nog niet hebben beleefd. Maar de
+oude reus, die aan 't hoofd stapt, is en blijft dezelfde en wordt
+slechts met ieder jaar een jaartjen ouder. Deze reuzen zijn alle
+volmaakt op dezelfde wijze gekleed. Zij dragen (om te beginnen met
+hetgeen het meest in 't oog loopt) ontzettend wijde korte broeken,
+met diepe zakken waarin zij hun handen bestendig verborgen houden, en
+nauw om 't lijf sluitende wambuizen, waaronder zich een dichtgeknoopte
+damasten of blauwkatoenen borstrok, naar gelang van den geldelijken
+toestand des eigenaars, vertoont. Buis en broek zijn van een grove
+bruine stof, geen laken. Op het kleine hoofd voeren zij een lagen,
+breedgeranden ronden hoed om, en hunne dikke kuiten zijn omkleed
+met grijze kousen. Hooge schoenen bedekken hunne groote voeten. Als
+versierselen van weelde dragen sommige, en althans de oude, kleine
+ronde gouden of zilveren knoopjes in de roodgeruite das, aan de
+hemdsmouwen, en vóór in de broek. Het uitzicht dezer reuzen is
+niet kwaadaardig. Zij hebben knokige, vooruitstekende voorhoofden
+en jukbeenderen, waartusschen hunne vriendelijke lichtgrijze oogen
+verborgen liggen; breede monden; kleine witte tanden, en dunne haren
+van de echt Celtische kleur, die bij den ouden reus reeds eenigszins
+beginnen te verbleeken. Zooals zij zich daar op Haarlems straten
+vertoonen, maken zij uit het contingent van het eiland Marken voor
+de nationale militie, met den Edelachtbaren Heer Burgemeester van
+datzelve eiland aan 't hoofd.
+
+Kent gij het eiland Marken? Het levert het doorslaandst bewijs
+dat soberheid en ontbering de kloekste menschengeslachten kweeken
+en in stand houden. Marken is, zou men zeggen, een hoop slijk in de
+Zuiderzee; meer niet; hier en daar een weinig gras voor een enkel mager
+paard, en voorts geen plantenleven dan een steel of wat lepelblad,
+tegen de scheurbuik. Op Marken geene schaduw van een enkelen boom. Op
+Marken geen schijn of zweem van eenigen oogst. Op Marken zelfs geen
+bakker. Het brood dat het reuzengeslacht, hetwelk op dien moddergrond
+tiert, eet, wordt in Monnikendam bereid; en als de veerschuit, die
+het dagelijks aanbrengt, de slechte haven niet binnen kan loopen,
+hongeren de reuzen. En toen heeft zich aldaar het waarachtig type
+onzer oudste voorouders bewaard, in die mannen van meer dan zes voet,
+met schouders als Atlassen en goudgele lokken; en de nieuwsgierige,
+die den voet onder dit eenvoudig visschersvolk zet, vindt er de huizen,
+de gewoonten, de zeden, de begrippen van voor twee eeuwen; ofschoon
+het niet te ontkennen is, dat de lichtingen voor den krijgsdienst,
+en het verval der groote en kleine visscherijen, dat den Markenaar nu
+ook tot een ansjoviszouter maakt, hem eenigszins uit zijn afgesloten
+kring hebben gerukt. Ik voer er heen met een zeventigjarig grijsaard
+aan 't roer, die zoo vast aan spoken en toovernaars geloofde als
+aan de Heilige Drieëenheid. Ik hoorde er een godgeleerd gesprek,
+waarin van Voetianen en Coccejanen werd gesproken op eene wijze, alsof
+die twisten nog aan de orde van den dag, alsof de heeren Voetius en
+Coccejus, in blakenden ijver, nog alle dag te spreken waren. Ik zat
+er in de burgemeesterswoning mijn kleeren te drogen bij een vuur,
+waarvan de rook geen anderen uittocht had dan door het dak. En toch
+werd mij ook aldaar de keus gegeven tusschen een glas Parfait Amour,
+of een glas Rose sans épines, naar welgevallen, en de man verhaalde
+mij, dat hij er "den Gouverneur spuutwien" (zoo noemde hij champagne)
+had "voorgezet", toen ZEx. hem, op zijn toer langs de eilanden,
+bezocht had. Ik moet hem evenwel het recht doen van te verklaren,
+dat hijzelf zoo min het een als het ander met de aanraking zijner
+burgemeesterlijke lippen verwaardigde.
+
+Verwonderenswaardig is de hoogte der bedsteden, waarin dit reuzenvolk
+den zegen des slaaps geniet. Het zijn een soort van torens, welke zij
+met verscheidene trappen beklimmen. Indien gij echter hunne woning
+beschouwt, en van een dezer groote zwaluwnesten, tegen den zolder
+opgehangen, de gordijnen ziet opengeschoven, en uw oog stuit op een
+hoogen stapel kussens, waarvan de sloopen op een zeer eigenaardige en
+alleen Markensche wijs zijn bewerkt en waarover een keurige sprei ligt,
+op dezelfde wijs bestikt, zoo waan niet dat daar de plaats is, waar
+de Titan zijne Titane in de armen zinkt. Het is het pronkbed. Want
+ook hier wordt gepronkt. Dat getuigen bovendien alle de wanden der
+armelijke hut, niet minder blinkende van gedreven koperen schotels,
+dan de poffertjeskraam der beroemde firma _Spandonk_.
+
+Maar gij verbaast u, als gij dit eiland in zijne lengte en breedte
+doorwandelt, ja zelfs de huizen binnentreedt, geene vrouwen te
+zien. Geen wonder; zij zijn volkomen menschenschuw en vluchten op den
+aanblik van een vreemdeling. Zoo gij er echter eene enkele te zien
+krijgt, zult gij bemerken dat zij een paar hoofden kleiner zijn dan
+de mans en zelden uitmuntende in schoonheid. Zij dragen witte kappen,
+waaruit het vóórhaar in twee lompe, onbevallige, niet krullende vlokken
+langs haar aangezicht valt. Haar jak en rok zijn van grove stof,
+en op de borst spelden zij een witten doek, al wederom op Markensche
+wijze bestikt. Het jak is meestal veelkleurig, en wel zoo, dat het
+van achteren anders is dan van voren; doorgaans toonen de Markensche
+vrouwen een rooden boezem en groenen rug, of omgekeerd. De kinderen
+hebben geen ander speelgoed dan een tamgemaakte zeemeeuw, die zij
+een ijzeren ring om den hals doen dragen. Wat hun voorkomen betreft:
+gij moet ze niet beoordeelen naar het proefje, dat daarvan op de
+laatste kermissen is te zien geweest, toen gij u, tot uw uiterste
+verbazing, eenige honderden ponden gevormd menschenvleesch, op naam
+van een zuigeling van drie maanden, zaagt voorstellen. Het toonde
+u echter wat de natuur op Marken vermag, en welk een voedzaamheid
+de Markensche moedermelk bezit; weshalve ik alle Monnikendamsche
+huisvrouwen, die wel Markensche dienstmaagden gebruiken, aanraden
+zoude zich van Markensche minnen te onthouden.
+
+De koddigste figuur maken te midden van dit ouderwetsch, dit
+zeventiende-eeuwsch geslacht, de predikant, de schoolmeester en de
+chirurgijn; pygmeeën, bij ongeluk onder deze enakskinderen verdwaald,
+en wier meer hedendaagsche kleeding zonderling afsteekt bij die
+der landskinderen, die allen orthodox, allen hardleersch, en allen
+welvarende zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+DE JAGER EN DE POLSDRAGER.
+
+
+"Morgen!" zegt de jager en hij steekt zijn groen gemutst hoofd om 't
+hoekje van de deur der woning, waarin de boer en de boerin met acht
+à negen kinderen, twee knechts en een meid hun ochtendstuk zitten
+te gebruiken.
+
+"Morgen, _Arie_!" roept de boer, terwijl de roggebroodskruimels, die
+hem bij deze begroeting uit den vollen mond vallen, door den jachthond
+worden opgesnuffeld. "Rais opsteken?"--"Twaalf blaadjes!" zegt de
+jager, zich op de stalling nederzettende en een pijpjen uit zijn pet
+krijgende, terwijl hij het geweer tusschen de beenen houdt, waarvan
+de boerin de oogen niet af kan houden.
+
+"'t Staat in de rust, moeder!"--"Nou ja, _Arie_; da's goed; maar een
+mensch is er toch altijd skrimpeljeuzig van!"
+
+"Heb je der al gevangen, _Arie_?" vraagt de boer. De boeren noemen
+het _vangen_.
+
+"Twee _Krelis_-oom, twee; ik heb ze zoolang bij _Sijmen_ neergeleid."
+
+"Nou," merkt de vrouw aan, "ik denk dat _Arie_ der al menig ientje
+'hikt het."
+
+"Ik wou ze wel rais bij mekaar zien," zegt de jager. Jagers hebben
+altijd het heimwee naar een dal _Josaphats_ van het door hen geschoten
+wild.
+
+"Zie je der hier nogal?" vraagt hij verder.
+
+"_Ik_ bespeur ze zoo niet," zegt _Krelis_, "maar hier me _Piet_,
+die ziet ze nogal dik."
+
+"Gisteren avend," zegt _Piet_, een opschietende knaap, de oudste van
+_Krelis_-oom, die met een wensch in de oogen beurtelings den jager
+en de weitasch en het geweer heeft aangekeken; "gisteren avend ging
+er temet ien tusschen me bienen deur. Een dikke, hoor."
+
+"Mag de jongen rais meeloopen?" vraagt _Arie_ aan _Krelis_-oom.
+
+"Nou ja", antwoordt deze: "'t zel wel lukken."
+
+_Piet_ verslikt zich haast aan de laatste korst van zijn roggebrood
+met kaas. Een taaie sliet wordt uit den dorsch te voorschijn gehaald,
+en pols en polsdrager zijn geïmproviseerd.
+
+Zoodanig is de wording van den polsdrager; maar nooit was een schepsel
+ter wereld dankbaarder voor zijn bestaan; geen begunstigde slaaf kleeft
+zijn meester getrouwer aan dan de polsdrager den jager. Hij verlaat
+zijn zijde niet. Hij springt den jager vóór over alle slooten en klimt
+hem over honderd dijkjes na; hij wandelt met hem het jachtveld met
+vermoeiende ziegezagen af; hij staat, als de hond staat, en apporteert
+als de hond apporteert. Spreekt de jager: hij hangt aan zijne lippen,
+bezield met het onbepaaldst geloof. En niet licht zijn de proeven,
+waarop hij in dezen gesteld wordt. Geen grooter leugenaars dan
+schaatserijders en jagers, zegt men wel. Maar wat wondergeschiedenissen
+deze laatsten ook mogen opdisschen; van zes hazen geschoten op één
+stuk, van twee watersnippen in één schot in den donker; van hazen,
+die op één looper nog een gezicht ver wegliepen; van andere, die
+met uitgeschoten oogen tegen den hond insprongen; van hoenders die
+ronddraaiden, neervielen, weer opvlogen, weer ronddraaiden, en nog reis
+neervielen; van arenden die op den hond gingen zitten, en roerdompen
+die met den laadstok wegvlogen: de polsdrager trekt geen enkele dezer
+groote gebeurtenissen in twijfel; de jager in het algemeen is zijn
+orakel, zijn afgod; het valt hem niet in dat er mogelijkheid bestaan
+zou van eenige opsiering, eenige vergrooting bij 's mans verhalen; en
+in 't bijzonder houdt hij _dien_ jager, met wien hij op dat oogenblik
+jaagt, voor den grootsten van alle jagers, den Nimrod Nimrodorum. Ja,
+zelfs, indien er iets vergroot moet worden, hij is de eerste om den
+jager die moeite te besparen, wanneer hij hem al de verhalen, die hij
+zich van hem herinnert, nogmaals te binnen brengt, en zich nogmaals
+doet mededeelen. Schiet de jager raak: de polsdrager, schoon hij niets
+gezien heeft dan wat vuur en rook, heeft het haas driemaal over den
+bol zien buitelen; is het haas vrij: de polsdrager beweert dat hij
+er de wol bij vlokken heeft zien afstuiven. Gebeurt het een enkele
+maal; het gebeurt _nooit,_ zweren jagers en polsdragers; maar het zou
+toch kunnen zijn; na een ongelukkige jacht; met sneeuw aan de lucht;
+tegen het sluiten;... dat er een haas ... _meegenomen_ moet worden,
+die--op de grensscheiding van een privatieve jacht ligt,--kortom! om het
+hatelijk woord dan maar te zeggen,--in 't leger moet worden geschoten,
+ofschoon er dan ook strikt genomen een pols en een polsdrager is om
+hem te doen rijzen ... Poef! de lepels hebben zich niet boven het
+gras opgeheven--hij ligt al te trekken--
+
+"Net toen hij oprees," zegt de jager.
+
+"Je was der gouw bij", zegt de polsdrager, "hij was je haast te
+gouw of."
+
+"Een ander zou 'em in het leger geschoten hebben!" zegt de jager.
+
+"Dat loof ik er ook wel van," zegt de polsdrager; "hij zou aars net
+het dijkie overëwipt hebben toen ie 't beet kreeg."
+
+De polsdrager spreekt aldus, niet uit beleefdheid of uit laagheid,
+maar uit volle overtuiging.
+
+"Een mooi haas," zeit de jager, daar hij den armen drommel met een
+klap in den nek afmaakt. "Een mooie rammelaar".
+
+"Een mooie rammelaar," echoot de polsdrager.
+
+"Ik zei 't je ommers wel, dat er op dit stuk ien raizen zou?" herinnert
+de jager.
+
+"'t Is waar ook," antwoordt de polsdrager, schoon de jager de woorden
+niet van zijn lippen heeft laten komen. "Je zag het vast an den hond?"
+
+"Neen!" zeit de jager, die (let wel!) nimmer des polsdragers
+venatorische gissingen goedkeurt, "dat niet."
+
+"Had je 'm dan 'speurd in 't slik an den dam?"
+
+"Ook niet!" herneemt de jager met groote wijsheid; "maar daar was
+daareven ommers een voedster opëgaan."
+
+"Was dat een voedster, _Arie_, die je misschoot?"
+
+"Misschoot?" vraagt de jager met verontwaardiging. "Hij had hagel
+genoeg. Je zelt 'em morgen wel vinden...."
+
+En de polsdrager is den anderen dag op dat stuk, om den aan de
+gevolgen zijner wonden overledene te zoeken; en indien hij hem
+niet vindt--stroopers moeten er vóór hem geweest zijn om hem weg
+te halen, een wild dier hem hebben verslonden, of wel, medelijdende
+natuurgenooten zullen hem, daar zij hem vonden, wentelende in zijn
+"zweet" (d.w.z. bloed), op hun rug hebben, weggedragen, tot dicht bij
+de naaste eendekooi, waar hij, onder bescherming van het kooirecht,
+den adem rustig heeft kunnen uitblazen, aan het ruige kantje van een
+kille sloot, wel overtuigd dat het hem niet aan hagel ontbroken heeft.
+
+
+
+
+
+
+
+DE LEIDSCHE PEUËRAAR.
+
+
+ Een Leidenaar sprak eenmaal Charon aan:
+ "Ik bid u, bootsman! hoor mijn beden!
+ Zoo 'k eenmaal in uw schuit moet treden,
+ Och, laat het zijn bij donkre maan!
+ Indien 'k mag peuren uit uw bootje,
+ Krijgt gij de helft van 't waterzootje,
+ En 'k wijs u bovendien den grond,
+ Daar ik mijn vetste wurmen vond."
+
+ _Studenten-Almanak_ 1836.
+
+
+Het wapen der stad Leiden vertoont de _sleutels_ van _St. Pieter_. Een
+onvergefelijke misslag! Het had zijn _vischnet_ moeten wezen. Het
+is de stad der visscherij; óók de academiestad; óók de stad der
+egyptische Farao's, óók de stad van bul en bolussen; maar boven en
+behalve dat alles, de stad der visschers.--Nader haar van den kant der
+Hoogewoerds-, der Koe-, der Witte-, der Rijnsburger-, der Marepoort,
+of van welke poort gij wilt: overal wappert u van de leuning der
+poortbrug een opgeheschen totebel tegen.--Wandel de Leidsche singels
+rond: geen drie boomen zult gij zien, of gij ziet bij den derden een
+hengelaar, in das, jas, en gras gedoken, een neuswarmer in den mond,
+aan zijn rechterhand een kluit vuil geworden vischdeeg, aan zijn linker
+drie of vier zieltogende bliekjes. Bezoek Leiden bij hoog water: gij
+zult de lieden van den Apothekersdijk en de Oude Vest op heeterdaad
+verrassen, daar zij bezig zijn in hunne voorhuizen de binnengespoelde
+stekelbaarsjes te verschalken. Volg Leiden in de vergaderzaal der
+Edelmogenden: gij zult het zich met hand en tand zien weren tegen de
+droogmaking van het Haarlemmermeer, op grond van het overoud recht
+der Stad op een gedeelte van het vischwater.
+
+Als ik echter zeide dat de stad Leiden een vischnet voeren moest,
+noemde ik het gepaste, maar het meest gepaste nog niet. Ik sprak
+van het net, om bij _St. Pieter_ te blijven; maar zoo gij mij vraagt
+wat het eigenlijk wezen moest? Een paar gekruiste hengelrieten, een
+paar vischhoeken overkruis. Het is zelden om den visch, dat men te
+Leiden vischt; het is om te visschen; en de langzaamste genieting
+van dit genot gaat voor de beste. Niet om met een enkelen trek
+van de zegen, een tweemaal daags ophalen van een schakel, of met
+zethengels, die hun dienst doen terwijl gij slaapt, een macht van
+"schubbig watervolk" bijeen te brengen, is het den echten Laienaar
+te doen. De zaligheid van het _nop_ hebben, van het zien trillen,
+indoopen, onderduiken van den dobber, en daarin, van het zuigen van
+een langwijlig aaltje, het leuteren van een zeurig postje aan den
+onmerkbaren hoek, is hem genoeg. Katvisch is hem even welkom als
+doop- en waterbaars. Katvisch is den Laienaar dierbaar! Al wat aan
+den angel bijt en, met bloedende kieuwen en half uitgeboorde oogen,
+van den angel kan worden afgescheurd--ziedaar wat hem gelijkelijk
+gelukkig maakt.--"Een hengelaar kan geen goed mensch zijn," heeft
+Lord _Byron_ gezegd; maar de Laienaar heeft één troost: "'en slecht
+minsch die 't zait!" Mij dunkt; ik hoor het hem antwoorden.
+
+Van Engelschen gesproken! zij hengelen met geschilderde vliegen,
+om niet bij iedere vangst een _dubbele_ wreedheid te begaan. Wat
+zouden zij wel zeggen van de gruwzaamheid, waartoe zich de Laienaar
+in staat gevoelt, als hij den peurstok gereed maakt?--_Please, Sir!_
+volg mij in deze achterbuurt. Het heet hier De Kamp. Kijk eens, zoo
+gij kunt, door dit groene vensterglas naar binnen. Wat ziet gij?--"Ik
+zie een vrouw met de haren door de muts, die kleine ronde koekjes
+bakt."--Best; van water en meel en een beetje olie. Het is voor de
+lui, voor wie een oortjesbroodje te duur is opeens. Het is de vrouw
+van den Leidschen Peuëraar. Ziet gij haar man niet?--"_Yes_, die
+_fellow_ met een slaapmuts op, in een duffelsche jas?" Dezelfde. Het
+is de Leidsche Peuëraar in eigen persoon. Een karakter, dat alleen in
+deze stad gevonden wordt. De linkervleugelman van de opgaande linie
+van Leidsche visschers. De verwerpelijkste vorm, waaronder zich de
+algemeene hengelliefhebberij voordoet. Wat doet hij?--"Hij rijgt
+iets aan een touw, dat hij uit een rooden pot haalt; iets langs,
+iets smerigs."--Recht zoo! het zijn pieren _Sir_! niets dan pieren,
+pieren van het echte soort, met gele kransjes om de koppen. In dien pot
+zijn meer dan honderd pieren; en zij worden door zijne nijvere handen
+aan een vrij dik snoer geregen, bij den kop in, en bij den staart uit.
+
+Straks zult gij hem van dezen pierenguirlande een soort van kwast
+zien maken, niet ongelijk aan het uiteinde van een bloedkoralen
+bayadère. Met deze wormenfranje wordt gevischt; dat heet peuren;
+en deze zonderlinge passementmaker heet de Peuëraar! _"Horrible,
+horrible, most horrible!"_--"Net niet!" zou de Peuëraar antwoorden,
+indien hij u verstond, "net niet, jou vreemde stoethaspel, want door
+_die_ weg krijgen de (n)alen geen hoek in der gezicht. Zieje wel; je
+kent alle dingen tweileidig opvatten."--Het plat Leidsch is leelijk,
+en het Leidsch van den Peuënaar is het platste.
+
+Als de maan donker is, gaat de Peuënaar tegen het vallen van den
+nacht uit, met een lantaarn onder den arm, en zijn korten peurstok,
+waarvan de bovenbeschrevene wormentroetel af moet hangen, in de hand,
+de blauwe slaapmuts op 't hoofd, de duffelsche jas aan, klompen aan
+de voeten, een "paip in zen hoofd". In zijn zak berust een groote
+flesch jenever, en in zijn tabaksdoos bewaart hij een briefje, waarin
+de commissaris der Politie van Leiden getuigt dat de daarin genoemde
+Peuëraar geen schelm is, en misschien wel geen hout kapen zal, al komt
+hij met zijn schuitje wat dicht onder een zaagmolen. Zoo wandelt hij
+naar het een of ander kroegje, waar hij volgens afspraak een anderen
+Peuëraar vindt en, na nog gauw "voor drie cintjes" genomen te hebben,
+begeven zich de collega's naar hun gemeenschappelijk schuitje, een
+klein platboomd vaartuigje, dat zij met riemen en een gerafeld stuk
+doek, onder den geüsurpeerden titel van zeil aan een stok opgestoken,
+in beweging brengen. Zooras men een goede ligplaats gevonden heeft,
+wordt het zeil gestreken, het anker geworpen, een rietmat tegen den
+wind opgezet, en het peuren neemt een aanvang. Het is een aesthetisch
+ding. Alles komt hier aan op het gevoel. De kunst van peuren bestaat
+in het zachtjes op en neder bewegen van den peurstok, waardoor de
+verlokkelijke wormenfranje in een gestadige onrust is. En telkens als
+des Peuëraars fijngevoelige vingertop--neen! als zijn _hart_ hem zegt
+dat hij beet heeft--slaat hij op, en het verschalkte aaltje spartelt
+in de schuit. En zoo ras het vischwater daar ter plaatse is uitgeput,
+wordt het zeil geheschen en een andere ligplaats opgezocht. Zoo dwalen
+de Peuëraars over Rijn, Zijl, Leidsche vaart, Haarlemmermeer, ja,
+komen dikwijls tot zeer nabij de hoofdstad; en nacht op nacht wordt
+gesleten in onvermoeid gepeur.
+
+"Hoe zuur wordt dat eerlijk stuk brood gewonnen!" Dank voor uw
+medelijden, mevrouw! het doet uw hart eer aan. Maar geloof nooit dat
+het dezen lieden om brood te doen is. Uwe edele ziel waant dat hier
+voor vrouw en kroost wordt gezorgd, met opoffering van nachtrust en
+gemak. In het minst niet. Er is een test met vuur, er is zout, er is
+een koekepan aan boord. De aal wordt op de plaats gevild, gesneden,
+gebraden, en door het vriendenpaar, onder rijkelijke bevochtiging
+met Schiedamsch vocht, gegeten, terwijl de vrouw haar cents-koekjes
+bakt, en zelve met hare kinderen honger lijdt. Daarom ook, als deze
+Ulyssessen, na hun langen zwerftocht, eindelijk hunne huisgoden
+weder komen opzoeken, worden zij gewoonlijk door hunne getrouwe
+Penélopé's met den vereerenden titel van _Luibak_ begroet; een
+liefdenaampje, hetwelk deze teederen voor hare dierbare wederhelften
+hebben uitgedacht.
+
+"Loibak!" heet het van hare bespraakte rozelippen, "Loibak! kom je
+weer oit je smulschoit?"
+
+Want dezen naam draagt het peurvaartuig in den huiselijken kring
+
+
+
+
+
+
+
+DE NOORDHOLLANDSCHE BOERIN.
+
+
+Een flink wijf is _Gees Riek_, rijzig, kloek en welgemaakt. Haar
+aangezicht blinkt van dat frissche rood en dat glanzige wit, hetwelk
+aan de Westfriesche vrouwen eigen is, waarbij als zij "op 'er Zundags"
+zijn, het snoer van bloedkoralen, groot als knikkers, zoo helder
+"ofspeurt" (afsteekt). Ik verzeker u dat zij die niet bleekdragen,
+en _Gees_ allerminst. Ieder vindt dat de kap haar goed staat op dat
+glad, wit voorhoofd, bij dat kleine rechte neusje, die kleurige wang,
+die groote blauwe oogen, die zachte ronde kin, dien blanken hals! Het
+eenig gebrek van haar schoonheid, een gebrek dat zij met de meeste
+Noordhollandschen gemeen heeft, is haar gebit, bedorven door zoetekoek
+en oneindig veel slappe koffie. Gij vraagt wat voor kleur van haar
+zij heeft. Niemand weet dat. Het is tot den wortel afgeschoren; daar
+komt geen lokje voor den dag. Haar wordt een onwaardig versiersel
+gerekend, waar men een gouden naald over 't voorhoofd, een goud ijzer
+(vergeef de tegenstrijdigheid der benaming) over de ooren, een paar
+gouden boeken aan de slapen, en een paar gouden spelden daarnevens
+draagt, en men er bij wagen zoude, dat de kap, de mooie, heldere,
+spierwitte, zorgvuldig gestrekene kap, niet glad zou zitten.--Maar wat
+is dan dat zwarte dotje, dat bij de gouden boeken uitkomt? Het is een
+kleinigheid valsch haar, onbescheiden vrager! aldaar aangebracht als
+eene verontschuldiging voor het afscheren van eigen; of nog liever,
+als een wetenschappelijk bewijs dat de Noordhollandsche boerin, zoowel
+als al wat papillotten legt, friseert en brandt, zeer wel weet, dat
+er tot dat opzichtig gedeelte van 't menschelijk lichaam, hetwelk
+het hoofd heet, haar behoort. Alle boerinnen dragen dit toertje;
+het is een ingehaald krulletje, dat de staart in den bek steekt,
+van zwart haar. Blond is bij allen verafschuwd.
+
+Als gij al de bijzonderheden van haar uitwendige persoon behoorlijk
+hebt opgenomen, begeef u dan tot de beschouwing van haar innerlijke
+waarde.
+
+Daar staat zij nu die, na zijn beesten, het hoogst staat aangeschreven
+in de schatting van _Dries Riek_, haar welbeminden echtgenoot. Ik zeg,
+na zijn beesten. Want als zijn beesten sterven, kost de inkoop van
+andere geld; een vrouw is omniet terug te vinden, en brengt mogelijk
+nog wel een stuivertje mee. Misschien wel zoo'n beste _keezer_
+niet--maar een mensch moet wat wagen,--in de koeien zit hij _ook_
+niet! 't Kan goed en kwalijk uitvallen; da's aventuur."
+
+De bestemming der Noordhollandsche boerin, als zoodanig, is _keezen,
+keezen_, altijd _keezen_, is bestendig te zorgen dat de melk, die 's
+ochtends en 's avonds na "melkerstaid" wordt binnengebracht, de deur
+niet uitga dan in de gedaante van goede, gezonde en niet barstende
+kaas. En dat geeft haar dagelijks zoo veel werk, dat men niet weet
+hoe zij den tijd vindt om kinderen te krijgen. Nochtans krijgt zij
+ze in groote menigte. Maar ook, als het "puppie" (de pasgeborene)
+een dag of drie door de buren is "gekeken", en in deszelfs bewonderde
+tegenwoordigheid het betamelijk aantal suikerstukken (beschuiten met
+suiker) gegeten werd, verlaat zij de kraamkamer alweer, en begeeft
+zich oogenblikkelijk aan de kaastobbe.
+
+Indien gij zindelijkheid zien wilt die het hart goed doet,
+kom dan haar boerderij binnen. Het is hier niet de Zaansche en
+Broek-in-Waterlandsche kleingeestigheid, die op muilen rondsluipt en
+alle meubelen en huisraad spaart, wrijvende, poetsende, en gladmakende
+wat zij niet zou durven gebruiken; maar een heldere reinheid, die
+altijd wascht en schoonhoudt en blinken en glanzen doet, temidden
+van het veelvuldigst, het onophoudelijkst gebruik. Zie deze lange
+rij van ter halfmanshoogte afgeschotene appartementjes, over bijna de
+geheele lengte der boerderij; de beschotten en posten alle spierwit, en
+blinkend koperwerk daartegen opgehangen; den vloer met zand bestrooid
+en in figuren aangeveegd. Gij zoudt er met uw besten rok in gaan
+zitten. Echter zijn dit dezelfde plaatsen waar des winters de beesten
+staan. Uit de groep (goot), die er langs heen loopt, zoudt ge immers
+melk lusten! Maar zie nu de karn, de kaastobbe, de pers, de kuipen,
+de doeken, de koppen waarin de kaas haar zout en haar vorm krijgt:
+het is alles even zuiver en lekker om aan te zien. Het hout is ruw en
+het koper glad van 't schuren. En _Gees_ zelve! laat zij vrijelijk
+voor uw oogen met haar blooten dikken arm in de melktobbe roeren,
+waarin zij het stremsel gegoten heeft,--de kaas zal er u niet minder
+om aanstaan.--(Het is heel wat anders, een Noordhollandsche boerin,
+of een keukenmeid op een stoomboot!)--De kleine kinderen, ziedaar het
+eenige dat vuil is. Maar ze rollen ook den geheelen dag met de kleine
+honden op de werf in 't zand. Binnenshuis is hun grondgebied geenszins,
+dan om te slapen en te eten. Allerminst in dat gedeelte der woning,
+waar de kaas gemaakt wordt. Daar is de boerin alleen. Maar als de
+melk thuis komt, ontwaken in onderscheidene hoeken der boerderij:
+een cyprische kater, een witte poes, een zwarte en een roodbonte kat
+uit hun dutje en komen, nog rekkerig en geeuwerig, op de emmers aan,
+waartegen zij zich op hunne achterpooten verheffen, gelijk geleerde
+kermishonden om een trom, en zulks, zindelijk als deze dieren zijn,
+om met hun zindelijke tongen het hun toekomend gedeelte van de melk
+af te roomen, en daarna hun zoete droomen wederom op te vatten, op
+de plaat, op een warme stoof, en in 't kozijn van een venster daar
+de zon op staat.
+
+_Gees_ is goedhartiger, spraakzamer, en een weinig minder eigenzinnig
+en bevooroordeeld dan haar man, met wien zij nooit kijft dan in 't
+geval dat hij den hoogsten prijs niet voor de kaas gemaakt heeft,
+die haar teedere handen bereid hebben. In haar jonge jaren was zij
+vrij luidruchtig als ze eenmaal losraakte, maar op den duur zou men
+het haar niet hebben aangezegd. Zij had vele aanbidders, waarmede
+zij, naar 's lands wijs, beurtelings kermis hield, zonder hare keuze
+te willen bepalen en zonder dat het eenigszins tot gevolgtrekking
+leiden mocht. Haar echtvriend heeft haar een beetje bij verrassing
+genomen. Zij betuigt een goed man aan hem te hebben en zou hem niet
+graag missen. En aan die waarheid moet gij niet twijfelen, al verneemt
+gij dat zij, bij eventueel overlijden van haar _Dries_, binnen 't jaar
+met haar knecht trouwt, een "jong borst", dien zij er nooit op heeft
+aangekeken, bijna zoo oud als haar oudste zoon,--niet omdat _zij_
+volstrekt een man, maar omdat de boerderij een boer moet hebben.
+
+De wijze nu, waarop _Dries Riek_ zijn _Geesje_ vrijde en trouwde was
+een recht staal van Noordhollandsche zeden en, uit zijn eigen mond
+opgeschreven, aldus:
+
+"Dinsdag anësniejen, vrijdag anëteekend. Je zelt zeggen: hoe dat zoo
+haastig? Maar we waren met zijn drieën jonge borsten vrijgezel, en we
+hadden mekaar der de hand op 'geven; die 't lest trouwt, die zel 't
+gelag betalen. Nou, den iene van ons die was al weg, met de Franschen,
+weetje; daar hebben we nooit meer van 'hoord. Doodgeschoten, wil ik
+denken, deur de kezakken. Maar zaterdag hoor ik, dat me broer--die
+was dan eindelijk de derde man, verstaje!--trouwen gong. Ik denk,
+jonges! 't gelag betalen, en gien waif; dat geet niet an. Nou,
+'s zundags gong ik er op uit, hoor; maar ik wier gesteurd. Deer ik
+_toe_ kwam, was gezelskap; dat kon 'k al hooren, weetje, buiten de
+deur. 'k Docht, nien! deer pas ik niet. Maar dinsdag; toe vond ik er
+iene. En toe kreeg ik 't klaar. Ze kon me wel; maar toch alevel, dàt
+had ze niet 'docht. En ik trouwde net met me broer op dezelve dag;
+gnap hoor--Och heer! de witkoppen"--daarmede het schoone geslacht
+bedoelende--"de witkoppen te bedotten, _da's_ geen duit weerd. Altijd
+'en best waif der an 'ehad. En keezen! ze ben der geen beter."
+
+
+
+
+
+
+
+DE NOORDHOLLANDSCHE BOER.
+
+
+Kom op een vrijdag voormiddag in het kaasseizoen te Alkmaar! De meer
+dan zeventig dorpen, die rondom de Noordhollandsche metropolis liggen,
+hebben hun contingent geleverd. Beemster, Purmer, Schermer, Waard
+hebben zich leeg geschud in het kleine, nette stadje. Al de straten
+die in een poort eindigen, en vooral de zoogenaamde Dijk, een breed
+plein binnen de stad, staan vol van hun geel en groen afgezette wagens,
+op het krat beschilderd met bloempotten, krulletters, gedichten. Al de
+stallen rooken van den damp hunner paarden; al de bierhuizen en kroegen
+dampen van den rook hunner pijpen. Al de scheerstoelen prijken met
+hunne ingezeepte aangezichten. Waar gij komt: bij den tabaksverkooper,
+in de koomenij, in den pottewinkel, bij den schoenmaker, die alle
+dubbel hebben uitgestald, bij den notaris, den advocaat, den dokter,
+en ten huize van de duizend en een dijkgraven en penningmeesters van
+polders, overal ontmoet gij een boer. De een zoekt er den burgervader
+van zijn dorp die, van Alkmaar uit, de belangen zijner kinderen het
+best behartigen kan; de ander haalt bij den smidsbaas een recept voor
+een ziek paard, dat deze nooit anders dan gezond gezien heeft. Dat
+Alkmaar, al de overige dagen van de week zoo stil en levenloos, dat
+het een stedeken schijnt opzettelijk vervaardigd voor begrafenissen;
+een gissing, waarin de bijzondere kosten aan de begraafplaats
+besteed een iegelijk versterken moet die ze zich verstout; is nu
+aan een van gewemel en gegons vervulde bijenkorf gelijk. Inderdaad
+zijn hier de bijen bijeen, die uit de Kenmersche en Westfriesche
+boterbloemen haar honig en was zuigen.--De Langestraat--een straat,
+die haar naam van de familie _De Lange_ schijnt te ontleenen welke,
+beurtelings met elk der letters van 't A B C gequalificeerd, op drie
+vierden der deurposten prijkt--is van boeren en boerinnen vervuld;
+de laatste in lange "reeken" bijeen, de stoepen der goudsmeden op-
+en af drentelende, of de koekwinkels in- en uitstroomende, in luid
+gesprek, lachende met groote monden, en zich op de knie kloppende
+bij iedere nieuwe uitbarsting van boerinnegeestigheid.
+
+Maar de grootste drukte is op het Waagplein, waar de kleine gele
+kazen bij duizende ponden op uitgespreide en met het naamcijfer
+der eigenaars gemerkte zeilen nederliggen.--Al wat gij hier ziet,
+moet vóór klokslag van tweeën verkocht zijn. Na dat uur mag geen
+koop meer worden gesloten, en geen boer wil of kan zijn kaas weer
+meenemen. Hij _moet_ ze verkoopen, even zeker als de kooplieden uit
+de eerste hand haar _moeten_ inslaan. Den hoogsten prijs te maken is
+een kunstje, dat menig boer, die er vrij dom uitziet en 't op alle
+andere punten in geen geringe mate _is_, uitnemend verstaat. Aardig
+is de gemaakte toorn, waarin geloofd en geboden en waarmede de koop
+eindelijk gesloten wordt, alsof de beide partijen elkander met grimmige
+gezichten wijs willen maken dat het bloed er uit moet.--Maar nu komen
+de kaasloopers in hun witte pakken en met hun gele, groene, en roode
+hoeden, op hun onveranderlijk sukkeldrafje, en brengen den verkochten
+stapel op burries waar hij heen moet, in een schip, of in een pakhuis.
+
+Zie hier nu de levenskracht van Noordholland. Het is niets anders
+dan deze kaas, die het verdedigt tegen de woede der zee, die het een
+groen land doet zijn en blijven die al Noordhollands schoorsteenen
+rooken doet.--Wilt gij weten of het den boer welgaat? Zoo verneem
+naar den prijs van de kaas.--Vraagt gij of het armenzakje het des
+zondags gewaar wordt dat de vrijdag voordeelig is geweest? of de
+landheer het merkt, dat de kaas het geheele jaar door "praizig"
+was?--Antwoord: Neen.--Goudsmeden en koekebakkers merken het al zoo
+goed; boerekermissen, de Alkmaarsche kermis, floreeren er van. Want
+de vrouw houdt van opschik en zoetigheid, en de man weet grof geld te
+verteren als hij uit is voor zijn pleizier. In dit regenjaar 1841,
+is het hooi bitter slecht uitgevallen, maar toen de kermisklok te
+Alkmaar geluid had, kwamen er niet minder sjeezen en wagens om binnen,
+langs alle wegen en door alle poorten, beladen met boeren en boerinnen,
+die er zich den witten wijn en den rooden met suiker en al wat verder
+tot opscherping der levensgeesten ter tafel kon worden gebracht,
+en de pontekoek daarbij, niet minder om lieten smaken dan in eenig
+vorig jaar; en het paardespel daverde niet minder afgrijselijk van
+hunne onbepaalde bewondering voor de edele kunst der halsbrekerij
+en de onovertreftelijke grappen van den clown die omvalt als een
+stok.--De klachten--werden "tegen korstijd" voor den landheer gespaard,
+om ZEd. in rekening te valideeren.
+
+Het echt oud Noordhollandsch boerentype verdwijnt langzamerhand,
+of wijzigt zich, zooals alle typen. Op deze Alkmaarsche kaasmarkt,
+vindt gij het in allerlei schakeeringen. Dit oude kereltje, wiens
+vroolijke oogen, ruim zoo goedlachs als zijn mond, uitkijken onder den
+breeden rand van een rondbolligen hoed, dien hij met een pijpesteeltje
+op zijn hoofd vastschroeft tegen den wind, is het oudste type. Een
+smal gevouwen rood katoenen dasje is met gouden knoopjes om zijn
+hals vastgemaakt. Een lang bruin wambuis met één rij groote knoopen
+op nonactiviteit (haken en oogen doen den dienst) hangt hem tot over
+de heupen. Zijn korte broek acht het gebied over schenen en kuiten
+harer onwaardig, en laat het geheel over aan de grijze kousen die in
+dikke schoenen met zware zilveren gespen eindigen.--Zoo wandelen er
+hier nog enkele rond, met lange geschilde stokken in de hand, die hen
+tot de kin reiken.--Mijn bestek verbiedt mij al de tusschentypen te
+beschrijven;--maar wilt gij het jongste zien? Hier is het. Een blauw
+buisje met een fulpen kraag, dat hem tot even onder de schouderbladen
+reikt,--de rest geheel pantalon, pantalon van groen fluweel; een wollen
+das, rood, groen en geel gevlamd, om den hals, en naar verschil van
+gelegenheden, een grooten, hoogen, breed opgaanden, veel omvattenden
+hoed op 't hoofd, of een bontharige pet, met de klep, naarmate van
+regen of zonneschijn, in de oogen of in den nek gedraaid.--Tien tegen
+een, dat het oudste type een vroolijke praatvaar, en het jongste een
+stugge, stijve, achterdochtige houten hark van een vent is.
+
+Te markt gaan is de voornaamste bezigheid van den Noordhollandschen
+boer. Hij is eigenlijk een koopman en beheerder van zijn
+bezittingen. Dat is al. Zijne zedelijke eigenschappen zijn meer
+negatief dan positief. Vraagt gij of hij een ijverige kerel is? Ik
+antwoord: "Hij past op zijn spul". Vraagt gij of hij geregeld
+leeft? Antwoord: "Hij drinkt alleen op marktdagen en kermissen". Is
+hij een ophakker en een smijter? "Nooit als hij nuchteren is". Is hij
+eerlijk? "Hij melkt geen andermans koeien uit". Is hij barmhartig? "Hij
+is goed voor zijn beesten". Heeft hij zijn vrouw lief? "Der is geen
+beter keezer". Bemint hij zijn kinderen? "Ze krijgen dikke stukken"
+(boterhammen), "en de miester mot ze niet an 't hoofd sleen". Is hij
+godsdienstig? "Hij gaat getrouw ter kerk".
+
+Zijn ideaal is te wonen op een eigen boereplaats, in een gedeelte
+van den polder, waar hij de wijde vlakte rondom zich heeft, zonder
+iets dat zijn vergezicht afbreekt, en geen andere meiden of knechts
+na te houden dan zijn eigen kinderen. De afgoden van zijn hart zijn
+een mooi zwartbont beest met volle uiers, en een jong paard voor een
+blinkende boeresjees met vergulde wielen. Als hij, op dat luchtigste
+en sierlijkste van alle ouderwetsche en nieuwerwetsche rijtuigen,
+met zijn opgeschikt wijf naar een boerekermis rijden mag, en het
+gelukt hem, door middel van zijn paard (de zweep gebruikt hij zelden)
+afgrijselijk in den bek te trekken, zijn evenmensch voorbij te rijden,
+dan smaakt hij een genoegen, waaraan de Abstwouder boer niet gedacht
+heeft, toen hij zich zoo opwond over:
+
+
+ "Appels enten, peereplukken,
+ Maeien, hooien, schuur en tas
+ Stapelen vol veltgewas;
+ Schaepescheeren, uiers drukken",
+
+
+en wat dies meer zij.
+
+1841.
+
+
+
+
+
+
+
+DE BAKER.
+
+
+De naam van _Baker_ is een zonneklaar bewijs dat er (schoon 't volk
+baakster zegt) juist geen uitgang op _ster_ vereischt wordt, om de
+titularis van een bij uitnemendheid vrouwelijk ambt te kennen te
+geven. Vrouwelijker dan het hare is er wel geen. De onbescheidenheid
+van het geslacht der mannen heeft hen reeds, in spijt der natuur, in
+verscheidene vakken van maatschappelijke bedrijvigheid ingedrongen,
+die oorspronkelijk en naar recht tot het grondgebied der vrouw
+behooren. Er worden mannen gevonden, die voor ons de naald hanteeren;
+er zijn er, die ons den pot koken, ja zelfs zijn wij mannen, voor
+het grootste gedeelte, met verachting der welvoegelijkheid, door
+mannen ter wereld geholpen. Maar nog nimmer heb ik de eer gehad
+iemand van mijne kunne te ontmoeten, te kennen, of te hooren noemen,
+die het beroep van baker, anders dan in cas van de hoogste urgentie
+en slechts voor een enkel oogenblik, had uitgeoefend. Heeft een man u
+gebakerd, mijnheer? Zou een man u hebben _kunnen_ bakeren? Dat zij
+verre. De uitvoerige zorg die dat vereischte, die gij behoefdet,
+trotsche heer der schepping! die daar heenstapt als een pauw en op
+laarzen met sporen!--die gij behoefdet, heer vrouwenhater! die daar
+geen andere verplichtingen aan de teedere kunne erkent of begeert,
+dan dat zij u ter wereld gebracht heeft--die gij behoefdet in dat
+aandoenlijk oogenblik, toen gij schreiend en naakt dit tooneel uwer
+heldhaftigheid werdt opgedragen, opdat licht en lucht u niet terstond
+beschadigen, uwe eigene onbesuisdheid u niet voor goed ongelukkig
+maken zoude, en gij er niet al uw leven zoudt uitzien als een Turk;
+die uitvoerige zorg kon onmogelijk iemand anders dan een _baker_
+(zelfst. n. w. vrouwelijk) u bewijzen. Het is ijselijk jammer dat
+gij uzelven toen niet aanschouwd hebt, met uwe knietjes opgetrokken
+tot uw kinnetje, en liggende voor de mande in haar warmen schoot;
+dat gij de vriendelijke oogen niet over u hebt zien lichten, met een
+uitdrukking van zoo teeder, zoo ontfermend een liefde, dat zij u al
+uw leven zou zijn bijgebleven. Maar wat was het? Gij hadt toen nog
+geene oogen die zien konden. Veel minder droegt gij een bril.
+
+De naam _baker_ komt van _baken;_ dat is _warmen, koesteren._ Een
+baker gehad te hebben is: in de eerste dagen zijns levens gebroeid
+en gekoesterd te zijn. Het is niet anders. Spijt het u, heer Jeune
+France? Meent gij dat het beter zou geweest zijn u, op zijn Laplandsch,
+in heet water te baden en daarna in de sneeuw te rollen, in plaats
+van u met de voetjes voor de mand te houden en u in doek op doek in
+te wikkelen, zoodat slechts deze uwe handen en dit uw aangezicht--het
+zag, op mijn woord, toen zoo geel als goud--zichtbaar bleven, om de
+bewondering van huisgenooten en buren gaande te maken over _zulk_
+een kind? Meent gij dat, bij eene andere behandeling, uw baard nog
+voorspoediger zou zijn opgegroeid, uw hand zich nog gespierder onder
+uw glacé handschoentje zou hebben vertoond, en gij u te paard en te
+voet nog krachtiger en leniger bewogen zoudt hebben dan nu? Het is
+mogelijk. Maar hier is het portret van mijnheer uw overgrootvader. Ook
+gebakerd, mijnheer! Ook gebakerd in zijn tijd; en ik geloof vrij wat
+broeiender, vrij wat stijver dan gij; de gebakerde kindertjes geleken
+toen ongelijk veel meer dan nu op de poppen van den zijdeworm; maar
+wat dunkt u? Hij ziet op u neder, alsof gij _nog_ in de luren laagt.
+
+Houd uwe baker in eere. In het vooruitzicht der bange ure, bij
+haar naderen, als zij dáár was, was de stille, altijd bedaarde,
+ondervindingrijke, medegevoelende, handige, _zacht_handige,
+kloekzinnige vrouw voor uwe moeder als een engel Gods. En ook
+daarna! Haar trouwe zorg voor _u_ was het eenige niet. De jonge moeder
+had nog steeds veel zorgen noodig; zij, die zoo zorgeloos was, toen
+alles goed ging en haar eersteling aan haar boezem lag, en die allerlei
+gedaan en allerlei gewaagd zou hebben dat haar jong leven had kunnen
+in gevaar stellen en u van een moeder berooven, eer gij nog wist dat
+gij een moeder hadt. Wat u betreft: nooit heeft, in uw volgend leven,
+een vreemde zooveel geduld gehad met al uw kuren bij dag en bij nacht:
+nooit een vriend (zelfs geen kunstvriend) u zoo overvloedig in het
+aangezicht geprezen; nooit een weldoener zoo veel "stank voor dank"
+van u ingeoogst. Van harte hoop ik, mijnheer! dat gij hare ontschatbare
+diensten nog eenmaal zult weten te waardeeren, bij het kraambed van
+de echtgenoote van uw hart, bij de vuurmand van uw eerstgeboren zoon.
+
+Dan zij het oogenblik daar, waarin gij zeggen zult: "O, mijn Baakster,
+gezegd Baker! Gij trokt een goed loon; gij hadt veel noten op uw
+zang; de meiden haatten u deswege met al het vuur van een gloeienden
+partijhaat; gij ontvingt een schat aan fooien; gij deedt mijn moeders
+amandelstrikken en moscovisch gebak verdwijnen als een morgennevel;
+maar gij waart onbetaalbaar! Gij hadt, als ik het zeggen mag,
+uwe vooroordeelen, uwe bijgeloovigheden, uwe eigenzinnigheden; gij
+waart wellicht niet geheel en al vrij van kwaadsprekendheid. Maar
+uwe teedere, nauwgezette, waakzame zorg geven u aanspraak op een
+kroon. Mij is in mijn kindsche dagen, op alle scholen, in alle
+geschriften voor de jeugd, steeds voorgehouden de plichten van
+dankbaarheid te betrachten jegens mijne ouders en onderwijzers; maar
+mijnen kinderen zal ik erkentelijkheid inprenten jegens hunne ouders,
+en onderwijzers, en Bakers...
+
+"En zulks te meer, nu het getal onderwijzers met een leeraar in de
+gymnastiek vermeerderd is."
+
+
+
+Dit opstel schijnt alleen van de _goede_ bakers te spreken.
+
+
+
+_Hildebrand_ heeft geene slechte gekend. Zijn eigen baker was een
+uitstekende. Hij zal zich zijn leven lang verbazen dat er, met zulk
+een baker, niets voortreffelijkers van hem geworden is.
+
+1841.
+
+
+
+
+
+
+
+BRIEF VAN HILDEBRAND AAN SCHIPPER RIETHEUVEL [35]
+
+
+Aan den eerzamen Dirk Rietheuvel, bijgenaamd den Mottige,
+Emeritus-Schipper bij het Haarlemsche Veer; op het _Levendaal_,
+te Leiden.
+
+Geachte Vriend!
+
+Hoe menig, menig jaar is reeds voorbijgesneld sedert dien gelukkigen
+tijd, waarin het mij zoo menigmaal gebeuren mocht een genoeglijk uurtje
+(laat mij zeggen: een _viertal_ uurtjes achtereen) met u te slijten in
+den _stuurstoel_ of, wanneer de weersgesteldheid dit minder wenschelijk
+maakte, in de _roef_ uwer schuit; gij, in dat geval, op den drempel
+van het deurtje gezeten, den schanslooper aan, den zuidwester op,
+terwijl de knecht aan 't roer stond en niet kon nalaten van tijd tot
+tijd eens mede te grinneken, wanneer uw onuitputtelijke geest aan
+'t werken was. Drommels, Rietheuvel! ik heb vele mensenen ontmoet
+die aardig waren, en nog oneindig meer die het volstrektelijk wilden
+wezen, maar uws gelijken in aardigheid heb ik zelden gevonden. Hoe gaat
+het tegenwoordig, bestevaar? En wat zeggen er de kleinkinderen van,
+daar gij bij uw Guurtje, uw jongste, naar ik mij meen te herinneren,
+het restje uwer dagen slijt? Hangen zij u niet aan de lippen, als de
+oude vertelsels weer opkomen, in het schemeruurtje, als er geen licht
+in 't vertrek is dan het wisselvallig licht van het vlammetje dat door
+de kieren van de kacheldeur schijnt? Van de _kachel_deur; want, gelijk
+den bloei van het veer, hebt gij ook den bloei van het _haardvuur (sit
+venia verbo_--als prof. S. zeide, dien gij zoo menigmaal hebt gevaren
+dat gij 't van hem overgenomen hebt) reeds vele jaren overleefd.
+
+Deze opmerking wekt misschien eene reeks van weemoedige gedachten bij
+u op, die ik echter zeker ben dat gij weder eensklaps met een luimige
+wending weet af te breken. Doch dit laatste, mijn beste Mottige! zal
+niet noodig zijn, wanneer gij mijn brief slechts niet uit de handen
+legt, eer gij hem ten einde toe hebt gelezen: een brief met geen
+ander oogmerk geschreven dan om uwen laten levensavond niet weinig
+op te leukeren door eene mededeeling, welke u alleszins stof tot
+zelfvoldoening en een billijk gevoel van waarde opleveren zal.
+
+Heugt het u niet, mijn waarde vriend! hoe, nu dertig jaren geleden,
+alle mogelijke roefreizigers schenen saamgezworen te hebben om u,
+dag uit, dag in, te vervelen met hun schijnheilig beklag, omdat
+het te voorzien was dat de spoorwegen (rare dingen, waarvan geen
+hunner nog eenig denkbeeld had!) niet altijd in Nederland onbekend
+blijven en gewisselijk uw eerzaam beroep ten eenemale in den grond
+boren zouden? Hoe gij, in die moeielijke dagen, al de krachten
+van uwen vaardigen geest hadt in te spannen om uw goede luim te
+redden en het eentonig gejammer keer op keer af te snijden? En
+zou het u daarbij vergeten zijn, hoe gij, te midden van deze
+worstelingen, op eenmaal op het treffend denkbeeld kwaamt van een
+nieuw vervoermiddel, door een nieuwe beweegkracht gedreven, waarvan
+uw ver vooruitziende geest voorspelde dat het, eenmaal in practijk
+gebracht, tot stoom en spoorwegen staan zoude, gelijk deze thans tot
+de trekschuiten? Gij gaaft aan deze uwe vinding den schilderachtigen
+naam van _Onderaardschen Schietblaasbalg_ en wist de werking van dit
+mechanisme, door niets anders gedreven dan de _persing der lucht_, zoo
+duidelijk en, ik mag zeggen, zoo smakelijk voor te stellen, ja ook met
+teekeningen van eigene of bevriende hand zoo gelukkig op te helderen,
+dat menig trekschuitreiziger uw roef niet zonder een diepen indruk van
+'t gehoorde verliet, gelijk ikzelf dien dan ook altijd bewaard heb,
+en zelfs zoo vrij ben geweest dien weder te geven in een opstel, onder
+den nederigen titel van "De Veerschipper", buiten uw weten gedrukt,
+en dat misschien nimmer onder uwe oogen gekomen is, maar waarin,
+zoo aan uwe begaafdheden in het algemeen, als aan deze uwe vinding in
+'t bijzonder, eene welverdiende hulde is toegebracht.
+
+Welnu, geniaalste aller geniale veerschippers, hetzij die al of niet
+van de kinderpokken geschonden zijn, en het meerder vernuft al of
+niet als eene gelukkige tegemoetkoming aan mindere lichaamsschoonheid
+bij hen te beschouwen zij!--wat zult gij zeggen, indien ik u naar
+waarheid verhaal, dat de uitvoerbaarheid van uw denkbeeld gebleken,
+dat uw stoute gedachte verwezenlijkt, dat de _Onderaardsche
+Schietblaasbalg_, in het oogenblik waarin ik u schrijf, in vollen
+gang is--vooralsnog niet "tusschen Amsterdam en Rotterdam", waar de
+waterachtigheid van den bodem wellicht nog lang duchtige bezwaren
+tegen een dergelijke onderneming zal opleveren--maar in Engelands
+groote hoofdstad Londen, waarvan het u wel bekend zal wezen dat
+zij alleen eene oppervlakte beslaat van een uur of zes, zeven in
+'t rond, nergens van eenig kanaal of trekvaart doorsneden! ... Geen
+nood! Zij heeft hare talrijke _omnibus_-lijnen, die haar in alle
+richtingen doorkruisen; zij heeft hare _spoorweg_-lijnen, over hare
+hemelhooge huizen heen en tusschen hare ontelbare schoorsteenen
+door, zoowel als hare spoorweglijnen onder den grond; doch thans
+ook; wie is het geweest, Rietheuvel! die uw denkbeeld gestolen,
+die uw echt Hollandsche vinding, onder den grond, onder den bodem
+der zee door, naar Brittanje overgevoerd heeft, ener tot zijn eigen
+profijt hoogstwaarschijnlijk bij het Engelsche parlement een patent op
+gevraagd, dat u van alle voordeelen uitsluit?--thans heeft zij ook haar
+_Onderaardschen Schietblaasbalg_--"pijpen, buizen, kanalen, weetje",
+(van het eene einde van de stad naar het andere) en "vicie versie",
+waarin, met de hoogst mogelijke snelheid, brieven en pakketten, en
+ook menschen, vervoerd worden door geen ander middel dan de _persing
+der lucht;_ met den besten uitslag; geheel naar uw gronddenkbeeld;
+ofschoon onder een anderen naam, lang niet zoo duidelijk als dien,
+welken uw vaardig brein tegelijk met de zaak had opgeworpen, en
+meer naar de lamp riekende dan naar eenig ander licht, den naam van
+_Pneumatische Expeditiebuis_ [36]. Slechts, opdat ik u dit terstond
+zegge, slechts dames zijn door dit middel nog niet vervoerd kunnen
+worden. Want hoewel de stijve wijde mouwen, waarvan gij voor dertig
+jaren gewaagdet, nu geen bezwaar meer opleveren, zoo is sedert, in de
+zoogenaamde _crinolines,_ een ander ontstaan, hetwelk onoverkomelijk
+is, zal er, nevens de kanalen van den Schietblaasbalg in questie, in
+het Onder-aardsche Londen nog eenige ruimte overblijven voor hetgeen
+billijkerwijze voor gas-, water-, en andere leidingen gevorderd wordt.
+
+Het moet een treffend oogenblik geweest zijn, waarde vriend! toen,
+voor weinige weken, na eenige voorloopige proefnemingen met
+levenlooze pakjes en ongevoelige zakken, de eerste personentrein van
+het zoogenaamde Holborn afging om, men mag zeggen "in een zucht",
+en niet alleen _"in_ een zucht", maar nu ook "door middel van een
+zucht", een afstand af te leggen van meer dan een half uur gaans, en
+dat heen en terug. De plechtigheid had plaats onder opzicht van den
+Hertog van Buckingham, _Chairman of the Pneumatic Despatch Company,_
+hetwelk ik voor u niet beter weet te vertalen dan door _Commissaris
+van het Onderaardsche Schietblaasbalg-Veer_, en in tegenwoordigheid
+van een aantal mannen van wetenschap. Laatstgenoemden waren metterdaad
+de eerste passagiers, en het moet een aandoenlijk schouwspel geweest
+zijn, toen de een voor, de ander na--niet op de weegschaal die,
+bij uwe eerste vinding onontbeerlijk, bij deze na-vinding gemist
+schijnt te kunnen worden, maar--in de laden stapte, die allen voor
+eenige oogenblikken aan het daglicht onttrekken zouden. De houding,
+welke de geleerde heeren hierbij hadden aan te nemen, was om de
+waarheid te zeggen, noch opwekkelijk, noch gemakkelijk. Zij waren
+genoodzaakt zich plat op den rug neder te leggen, niet zonder de
+behoefte aan een hoofdkussen te gevoelen, hetwelk hier ontbrak,
+maar door u zeker niet vergeten zou zijn geworden, en lagen daar,
+twee aan twee, niet ongelijk aan dooden in hunne kisten. Het geheel
+deed metterdaad eenigszins den indruk van een levendbegrafenis-,
+een Albrecht-Beyling-tooneel. Maar nauwelijks had men den tijd
+zich dit te zeggen, of ziet! daar waren onze mannen reeds weder
+terug en hadden, behalve van eenige oogenblikken "niks niemendal
+as egyptische duisternis", van niets te vertellen dan van eene min
+of meer onaangename gewaarwording bij het afgaan en aankomen; (het
+"geknipknap der veeren" waarschijnlijk), en voorts van, _op de ooren_,
+een zeker gevoel van drukking, hetwelk ongeveer het vierde deel van
+een minuut aanhield en "best te vergelijken scheen met hetgeen men" (ik
+weet niet of gij het u herinnert?) "in een _duikerklok_ ondervindt, een
+zuiging, alsof men onder een golf werd doorgetrokken"; op de _oogen_,
+een zeer opmerkelijke koude, niet ongelijk aan die van vallend water,
+waarschijnlijk min of meer alsóf men onder den drop van een dakgoot
+uitgestrekt lag; en voor den _neus_, geen de minste gewaarwording als
+zoude de atmosfeer in de buis vuil of bedorven zijn, maar wel hier
+en daar een roestluchtje, dat verdwijnen zal als de machine wat meer
+gebruikt zal worden en alzoo zichzelve glad maken en houden. Wat de
+beweging betreft, men had ze niet onaangenamer bevonden dan die van
+een oude waggon op een niet al te besten spoorweglijn, en gij zult
+mij toestemmen dat men, sedert de roekelooze verwaarloozing der
+trekschuiten, wel nergens ter wereld op iets dat veel beter zoude
+kunnen zijn, rekenen kan. De eerste passagiers van de _Pneumatische
+Expeditiebuis_ waren dan ook ten eenemale voldaan; de Hertog van
+Buckingham gaf zijne hooge tevredenheid onbewimpeld te kennen;
+de aandeelhouders in de onderneming betoonden zich ondubbelzinnig
+in hun schik; en het gevolg van den proefrit is geweest, dat men
+besloten heeft het onderaardsche Londen zoo spoedig mogelijk van
+een Schietblaasbalg-net te voorzien, zoo volkomen, dat daardoor alle
+bovenaardsche spoorwegstations en markten en postkantoren onderling
+vereenigd zullen zijn. Met 35 Engelsche mijlen aan buizen en een
+kapitaal van vijftien millioen Hollandsche guldens is dit te doen. [37]
+
+Bij mijn eerstvolgend bezoek aan Engeland, hoop ik mij met eigen oogen
+te gaan overtuigen hoe ver men gevorderd is. Maar hoe zeer zoude ik
+wenschen u daarbij aan mijne zijde te hebben, waardige man! tot nog
+toe niet erkende, maar daarom niet minder hoogst verdienstelijke
+Uitvinder van hetgeen bestemd is zoo krachtig bij te dragen tot de
+oneindige eer onzer zoo bewonderenswaardige eeuw! Denk er eens over,
+Rietheuveltje! Gij zijt wel hoog bejaard, maar zoo ik verneem nog
+krachtig genoeg. Voor zeeziekte behoeft gij, bevaren Schipper! wel
+niet bang te wezen, en de zaak heeft voor u een belangrijkheid, als
+voor niemand anders. Maar als gij het doet, gij kunt er stellig op
+rekenen dat er alle werk van gemaakt zal worden om u aan den Hertog
+van Buckingham en, door dezen, aan de Koningin te doen voorstellen,
+en als gij besluiten kondt u te laten angliseeren, ik zie niet waarom
+er met zoo wel een _Sir_ Derrick Reedhill zou kunnen gemaakt worden,
+als er een _Sir_ Joseph Paxton gemaakt is.
+
+Hoe het indertijd met die der Trekschuiten is gegaan, weet ik niet;
+maar alle groote uitvindingen hebben dit bijzondere gemeen, dat
+zij meer dan eens, en niet zelden in verschillende landen, òf te
+gelijkertijd, òf op onderscheidene tijden, hebben plaats gehad.
+
+Dit is met het Kompas, met het Buskruit, met de Drukkunst, de
+Gasverlichting, en ook met het gebruik van den Stoom als beweegkracht
+geschied. Menigmalen gaat het zooals het hier gegaan is. Een genie
+als het uwe vindt iets uit, voor de menschheid van het hoogste
+gewicht. Maar die menschheid is op dat oogenblik de uitvinding nog
+niet waardig; zij is voor de weldaad, welke deze in staat is aan te
+brengen, nog niet rijp. Zij beschouwt die uitvinding als een aardig
+denkbeeld, een zonderbaren inval, een grap, indien maar niet, zooals
+met den eersten uitvinder van het stoomgebruik het geval geweest is,
+als een gewrocht van onzinnige hersenen! Eeuwen of, in ons geval (wij
+leven in deze onze 19de eeuw zoo snel) tientallen van jaren moeten
+verloopen, eer een tweede genie opstaat, gelukkiger dan het eerste, om
+de uitvinding te herhalen of weder aan den dag te brengen, en nu alles
+gereed te vinden om haar op te nemen en haar een heilrijk succes te
+doen te beurt vallen. En terwijl de wereld vervuld is van het gedruisch
+dat zij bij deze hare tweede verschijning maakt, en schatten en
+eereteekenen hun toevloeien die het geluk mogen smaken haar metterdaad
+in werking te brengen, ligt de eerste vader (de grootvader!) van het
+vruchtbare denkbeeld reeds sedert lang te vermolmen in een vergeten
+graf, of brengt, als gij, mijn beste Rietheuvel! onder den titel van
+emeritus-veerschipper, het overschot zijner dagen, met een allerkarigst
+pensioentje, in een buurt als het Levendaal door, en heeft niemand die
+hem op de rijke denkbeelden van zijnen eertijds zoo machtigen geest
+en hunne gelukkige verwezenlijking door anderen, opmerkzaam maakt,
+dan zijnen hem altijd in liefde gedenkenden vriend
+
+Dec. 1865. _Hildebrand_.
+
+
+P.S. Vóór het sluiten dezes verneem ik nog, dat ook reeds de Pruisische
+hoofdstad Berlijn van een _Schietblaasbalg_ voorzien is.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Aan het slot eener beoordeeling van _Geel's_ _Onderzoek en
+Phantasie_, geplaatst in _De algemeene Konst- en Letterbode_, 1838,
+N_o_. 1. Het stuk was onderteekend met een T. Men meende destijds
+zoo zeker te weten wie de steller was, als nu b.v. wie in Nederland
+de eerste stuurman is op het schip van staat. [Niemand minder dan
+Thorbecke.]
+
+[2] [Zie over deze vertaling de artikelen van Jean Kleyntjes in
+_L'Enseignement des Langues modernes_. I_e_ Ann. Livr. 5 & 6. III_e_
+Ann. Livr. 2 Brux. 1887, 1889.] _Bijv._ 1888.
+
+[3] Zie tot nadere toelichting van dit merkwaardig verschijnsel:
+Jon_s_. _Dyserinck_, Hildebrands _Camera Obscura_. Middelburg, 1882,
+bl. 40.
+
+[4] [Van een hem ten jare 1885 beleefdelijk te kennen gegeven voornemen
+eener gedeeltelijke vertaling in het Volapük schijnt niet gekomen te
+zijn. Ook heeft de S. haar, voor zooveel in hem was, verbeden.] _Bijv._
+1888. [Toch verscheen dit jaar eene vertolking van "Een oude Kennis"
+in die z.g. wereldtaal. (Arnhem, de Muinck & Co.)] _Bijt._ 1891.
+
+[5] _Hildebrands_ _Camera Obscura_ door
+Joh_s_. _Dyserinck_. Vermeerderde herdruk uit "de Gids" van
+Dec. 1881. Middelburg, J. C. en W. Altorffer. 1882.
+
+[6] Welk een vereenvoudiging brengen de "24 Artikelen" in 't lager
+onderwijs! Het heele jonge Holland wint in gemak bij de omwenteling
+van Dertig.
+
+[7] "Humor ist das Romantisch-Komische, das umgekehrte Erhabene,
+worin das Endliche auf das Unendliche, der Verstand auf die Idee
+angewand wird".
+
+[8] In de eerste en tweede uitgaven vermeldde ik _roode,_ doch ben
+onderricht geworden dat zoodanige klinkers niet bestaan. Ik moet mij
+dus verzien hebben.
+
+[9] Ik waag de gissing dat _"Barnave_, par _Jules Janin_" mijn goeden
+oom en zijn vriend door 't hoofd gespeeld heeft.
+
+[10] Sinaasappelen zijn schaarsch in October. Zij zijn er echter nog
+bij menschen als mijn tante, die van sparen en bewaren weten.
+
+[11] Een kleine schuur, ook tot berging van gereedschappen
+enz. bestemd.
+
+[12] Ik twijfel niet of er zullen menschen gevonden worden, die zich
+beklagen dat er geene circumflexen en veel te weinig comma's in mijn
+boek te lezen staan. Ik had er over gedacht hier ten slotte eene
+geheele bladzijde met die teekens bij te voegen om naar willekeur
+over de bladzijden uit te strooien, maar ik vreesde dat het al te
+aardig staan zou.
+
+[13] Dat in de sedert gevolgde uitgaven deze drukfouten niet meer
+voorgekomen zijn, laat zich denken, en dat ook in deze, gelijk
+reeds sedert de zevende uitgave, de spelling van het Woordenboek der
+Ned. Taal naar vermogen gevolgd is, heeft de lezer wel opgemerkt.
+
+[14] Hier volgen de sedert de 3de uitgave (1851) bijgevoegde,
+maar sedert de 2de (1840) reeds gereed liggende "Nieuwe
+Vertooningen." (Zie bl. 132.)
+
+[15] De keggen zijn misschien aan mijne lezers niet zoo bekend als bij
+de timmerlieden. Het is een soort van wiggen, waarvan de eene kant
+schuin afloopt, de andere horizontaal is; zij dienen om, met kracht
+hier of daar tusschen geslagen wordende, zware lichamen eenigszins
+op te lichten, waterpas te stellen, of twee lichamen sterk tegen
+elkander aan te drijven.
+
+[16] Vier gulden.
+
+[17] _Wilhelm Meisters Lehrjahre_.
+
+[18] D.i. dun, schraal.
+
+[19] D.i. Holsblokken.
+
+[20] D.i. een vijfje trek- of strijkgeld halen.
+
+[21] Zie Tweede uitgave, bl. 132. Narede.
+
+[22] _Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum,_ _Hor_. Ep. 1. 14;
+Men schaamt zich 't spelen niet, maar 't altijd door te spelen.
+
+[23] "Dit stukje was door den auteur losweg geschreven, in de stemming
+die het motto, waarmee het ditmaal pronkt, aangeeft. Hij meende er
+schertsende mede te velde te trekken tegen het al te mathematische
+in wetenschap en opvoeding. Onloochenbaar is het, dat hem hier
+en daar een ernstiger wenkje is ontvallen, en wat daar waars en
+behartigingswaardigs in zou kunnen zijn, neemt hij ook nu niet terug;
+maar hij wilde niet gaarne, dat men zijn opstel voor een opzettelijke
+smaadrede op wetenschappelijk onderzoek aanzag, en het er voor hield,
+alsof hij eene kinderachtige lofrede op kinderachtig bijgeloof had
+willen schrijven". Aant. bij den 2den druk van deze--_boutade_,
+in 1840. (_Proza en Poëzy; Verspr. Opst. en Verzen;_ bl. 1-13).
+
+[24] Ik moet hier recht doen aan de edelmoedigheid van mijn vriend
+_Baculus_, die mij voor eenige maanden alleraangenaamst met een
+exemplaar van dit mijn lievelingswerk veraste. De goede man deed wat
+hij kon; maar het was _mijne_ Moeder de Gans niet.
+
+[25] Of men laat hen bladeren in boeken, als b.v. _De fabelen van_
+_Gellert_ (die _niet_ voor de jeugd geschreven zijn), opdat zij toch
+vroeg zouden leeren hunne naasten te mistrouwen en met de vrouwen
+te spotten.
+
+[26] _Bijbel voor de Jeugd,_ D. I. bl. 3.
+
+[27] Sedert men begonnen heeft de insecten-wereld te beschaven,
+waarvan de heer _Bertolotto_ met zijn "Industrielles" een verheven
+voorbeeld gegeven heeft, is er ten minsten een lichtstraal van troost
+gekomen. En wanneer de Maatschappij tot Zedelijke Verbetering en het
+Matigheids-genootschap der Infusoria zullen zijn opgericht, is het
+te verwachten, dat de oxygeen-mikroscoop ons vreedzamer tooneelen
+zal kunnen aanbieden.
+
+[28] Zoo moesten, dunkt mij, de kerken ook volstrekt niet vernederd
+worden tot verzamelingen van curiositeiten. Ik ken eene stad, anders
+uitmuntende door den prijs dien zij op het statige harer bedehuizen
+stelt, waar onder anderen, op een der muren van de hoofdkerk, de maat
+is aangewezen van een befaamden reus en van een niet minder vermaarden
+dwerg, die in of nabij die stad geleefd hebben. Evenmin moest men
+dulden dat men de heiligdommen tot eene soort van groote pakhuizen
+gebruikte, waar brandemmers en ladders aan de muren hingen. Over het
+geheel kon er meer orde en eenvoud en zindelijkheid en betamelijkheid
+heerschen. Een apostel heeft gezegd: "Laat alle dingen eerlijk en
+met orde geschieden".
+
+[29] Osmer, an ei tis en mesoi toi puthmeni tou pelagous oikun, oioito
+te epi tis thalattis oikein, kai dia tou udatos oron ton ilion kai ta
+alla astra, tin thalattan igoito ouranon einai, k. t. l., Plato
+(Phaedon. C. 58.)
+
+[30] Gen. I vs. 2. Vgl. Deut. XXXII. vs. 11. Hebr.
+
+[31] Het volgende stukje, hier om den wille der volledigheid opgenomen,
+is niet meer dan een grap. Het is de _parodie_ van een brief aan
+Hildebrand door zijn vriend Baculus geschreven; brief, waarvan de
+inhoud enkel bestond uit eene (voor het overige welverdiende en
+welsprekende) lofrede op het genie der beroemde treurspelspeelster
+_Rachel_.
+
+[32] ontdekte.
+
+[33] drek.
+
+[34] Zie hiervoor: _Varen en Rijden_. (1837).
+
+[35] Zie hiervoor (bl. 320 en vlg.) "De Veerschipper"; een opstel
+van 1840.
+
+[36] _Pneumatic Despatch Tube._
+
+[37] £ 1.250.000. Zie alle hiergenoemde bijzonderheden in _The
+Illustrated London News_ van 18 Nov. 1865, _Suppl._ p. 496; waarbij
+een plaat p. 493.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Camera Obscura, by Hildebrand
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CAMERA OBSCURA ***
+
+***** This file should be named 15975-8.txt or 15975-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/5/9/7/15975/
+
+Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+