summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/15497-h
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '15497-h')
-rw-r--r--15497-h/15497-h.htm17272
-rw-r--r--15497-h/images/koorden.pngbin0 -> 966 bytes
-rw-r--r--15497-h/images/spinoza1.jpegbin0 -> 88728 bytes
-rw-r--r--15497-h/images/spinoza2.jpegbin0 -> 101313 bytes
-rw-r--r--15497-h/images/titelpagina.jpegbin0 -> 161435 bytes
-rw-r--r--15497-h/images/voorkant.jpegbin0 -> 96441 bytes
6 files changed, 17272 insertions, 0 deletions
diff --git a/15497-h/15497-h.htm b/15497-h/15497-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..9ede63b
--- /dev/null
+++ b/15497-h/15497-h.htm
@@ -0,0 +1,17272 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl">
+<head>
+<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii" />
+<title>Ethica</title>
+<style type="text/css">
+/*<![CDATA[*/
+<!--
+ body
+ {
+ font-family: Georgia, serif;
+ margin-right: 10%;
+ margin-left: 10%;
+ }
+ p
+ {
+ text-align: justify;
+ }
+ h1
+ {
+ text-align: center;
+ }
+ h2, h3, h4, h5, h6
+ {
+ margin-top: 2em;
+ text-align: center;
+ }
+ h3.lined
+ {
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;
+ }
+ pre
+ {
+ font-family: Courier, monospace;
+ font-size: 0.8em;
+ }
+ sup
+ {
+ font-size: 0.7em;
+ }
+ hr
+ {
+ width: 50%;
+ }
+ hr.full
+ {
+ width: 100%;
+ }
+ hr.short
+ {
+ width: 25%;
+ }
+ .clearoff
+ {
+ clear: both;
+ }
+ .toctitle
+ {
+ padding-top: 2em;
+ font-size: 110%;
+ font-weight: bold;
+ }
+ .tocunder
+ {
+ padding-top: 2em;
+ font-size: 110%;
+ font-weight: bold;
+ text-decoration: underline;
+ }
+ .returntoc
+ {
+ text-align: right;
+ font-size: 0.7em;
+ }
+ .floatl
+ {
+ float: left;
+ }
+ .floatr
+ {
+ float: right;
+ }
+ .figleft
+ {
+ padding: 1em;
+ margin-left: -10%;
+ float: left;
+ text-align: left;
+ font-size: 0.8em;
+ }
+ .figcenter
+ {
+ padding: 1em;
+ margin: 0;
+ text-align: center;
+ font-size: 0.8em;
+ }
+ .figcenter img
+ {
+ border: medium none;
+ }
+ .figcenter p
+ {
+ margin-top: 1em;
+ margin-right: 10%;
+ margin-bottom: -1em;
+ margin-left: 10%;
+ text-align: center;
+ }
+ .figcenter
+ {
+ margin: auto;
+ }
+ .stelling
+ {
+ margin-top: 2em;
+ }
+ .bewijs
+ {
+ }
+ .hoofd
+ {
+ margin-top: 2em;
+ }
+ .define
+ {
+ margin-top: 2em;
+ }
+ .axioma
+ {
+ }
+ .lemma
+ {
+ margin-top: 2em;
+ }
+ .postulaat
+ {
+ margin-top: 2em;
+ }
+ .anders
+ {
+ }
+ .opmerk
+ {
+ text-align: justify;
+ text-indent: 0;
+ margin-right: 10%;
+ margin-left: 10%;
+ }
+ .toelicht
+ {
+ text-align: justify;
+ text-indent: 0;
+ margin-right: 10%;
+ margin-left: 10%;
+ }
+ .gewijs
+ {
+ text-align: justify;
+ text-indent: 0;
+ margin-right: 10%;
+ margin-left: 10%;
+ }
+ .gevolg
+ {
+ text-align: justify;
+ text-indent: 0;
+ margin-right: 10%;
+ margin-left: 10%;
+ }
+ .quote
+ {
+ text-align: justify;
+ text-indent: 0;
+ margin-right: 10%;
+ margin-left: 10%;
+ }
+ div.nootbloc
+ {
+ margin-top: -1.5em;
+ }
+ .voetitem
+ {
+ margin-right: 10%;
+ margin-left: 10%;
+ font-size: 0.9em;
+ }
+ .nootitem
+ {
+ margin-right: 10%;
+ margin-left: 10%;
+ }
+ div.sidenote
+ {
+ position: relative;
+ top: -0.5em;
+ right: 12%;
+ left: 92%;
+ font-size: 0.6em;
+ text-align: left;
+ text-indent: 0;
+ }
+ div.centered
+ {
+ text-align: center;
+ }
+ div.centered table
+ {
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ text-align: center;
+ }
+ a:link
+ {
+ color: blue;
+ text-decoration: none;
+ }
+ a:visited
+ {
+ color: blue;
+ text-decoration: none;
+ }
+ a:hover
+ {
+ color: red;
+ }
+-->
+/*]]>*/
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Ethica, by Benedictus de Spinoza
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Ethica
+ In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht
+ door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen
+
+
+Author: Benedictus de Spinoza
+
+Release Date: March 29, 2005 [EBook #15497]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ETHICA ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning, Tony Browne and the Online
+Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+
+
+<hr class="full" />
+<div class="centered"><table cellpadding="2" cellspacing="0" summary="Tafel van Inhouden">
+<tr><th align="center">*** INHOUD ***</th></tr>
+<tr><td align="center"><a href="#begin">Begin</a></td></tr>
+<tr><td align="center"><a href="#voorwoord">Voorwoord</a></td></tr>
+<tr><td align="center"><a href="#handel">Verbetering&nbsp;des&nbsp;Verstands</a></td></tr>
+<tr><td align="center"><a href="#index">Ethica&nbsp;+&nbsp;Index</a></td></tr>
+<tr><td align="center"><a href="#aanteek">Aanteekening</a></td></tr>
+</table></div>
+<hr class="short" />
+
+
+
+
+<div class="centered"><table cellpadding="2" cellspacing="0" summary="Lijst van Portretten">
+<tr><th align="center">*** PORTRETTEN ***</th></tr>
+<tr><td align="center"><a href="#spinoza1">Spinoza op 33- of 34-jarigen leeftijd</a></td></tr>
+<tr><td align="center"><a href="#spinoza2">Spinoza op 39-jarigen leeftijd</a></td></tr>
+</table></div>
+<hr class="full" id="begin" />
+
+
+
+
+<h2>BENEDICTUS DE SPINOZA</h2>
+
+<h1>ETHICA</h1>
+
+<h4>VERTAALD, INGELEID EN TOEGELICHT DOOR</h4>
+
+<h3>JHR. DR. NICO VAN SUCHTELEN</h3>
+
+<h4>MET 2 PORTRETTEN</h4>
+
+
+
+<div class="figcenter">
+<img src="images/voorkant.jpeg" alt="VoorKant"
+title="VoorKant" />
+</div>
+<hr class="full" />
+
+
+
+
+<h1>ETHICA</h1>
+<hr />
+
+
+
+<h3>WERELDBIBLIOTHEEK</h3>
+
+<h4>ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.</h4>
+
+<h5>UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR.
+<br />AMSTERDAM</h5>
+
+
+
+
+<div class="figcenter">
+<img src="images/titelpagina.jpeg" alt="TitelPagina"
+title="TitelPagina" />
+</div>
+
+
+
+
+<h2>BENEDICTUS DE SPINOZA</h2>
+
+<h1>ETHICA</h1>
+
+<h4>IN MEETKUNDIGEN TRANT UITEENGEZET</h4>
+
+<h3>VERTAALD, INGELEID EN TOEGELICHT DOOR Jhr. Dr. NICO VAN SUCHTELEN</h3>
+
+<h4>MET 2 PORTRETTEN</h4>
+<hr />
+
+
+
+
+<h3>GEDRUKT TER DRUKKERIJ "DE DEGEL," AMSTERDAM</h3>
+<hr class="full" />
+
+
+
+<div class="figcenter" id="spinoza1">
+<img src="images/spinoza1.jpeg" alt="SPINOZA op 33- of 34-jarigen leeftijd"
+title="SPINOZA op 33- of 34-jarigen leeftijd" />
+<p>
+SPINOZA op 33- of 34-jarigen leeftijd
+<br />
+(Schilder onbekend)
+</p>
+</div>
+
+
+
+<hr id="voorwoord" />
+
+<h3 class="lined">VOORWOORD</h3>
+
+<hr />
+
+
+<p>Baruch, later genaamd Benedictus de Spinoza (de Espinoza) werd
+den 24sten November 1632 te Amsterdam geboren. Zijn ouders
+behoorden beiden tot een naar Holland uitgeweken geslacht van
+Portugeesche Joden. Van zijn zevende jaar af werd hij opgevoed op
+de Talmoed-Thora-school, waar hij onderwezen werd in de
+Hebreeuwsche taal, schriftgeleerdheid en filosofie, alsook in het
+Spaansch; de laatste jaren onder leiding van den bekenden rabbijn
+Morteira. Zijn buitengewone scherpzinnigheid trok reeds vroeg de
+aandacht zijner leermeesters en deed hen groote verwachtingen
+omtrent hem koesteren, maar al spoedig bracht zij hem in botsing
+met het dogmatisch wetsgeloof. Het conflict werd steeds scherper,
+en ofschoon men den jongen geleerde herhaaldelijk, zoowel door
+bedreiging als door beloften (een jaargeld van duizend gulden dat
+hem werd aangeboden op voorwaarde dat hij zich althans uiterlijk
+aan de kerk zou onderwerpen, werd door hem van de hand gewezen)
+voor het Jodendom trachtte te behouden, verwekten zijn kritiek en
+verzet tenslotte zulk een ergernis dat hij den 27sten Juli 1656
+plechtiglijk door den banvloek uit de Joodsche gemeenschap werd
+gestooten. Een tijd lang was de uitgebannen Jood nu huisgenoot en
+leerling van den katholieken medicus Dr. Franciscus van den
+Enden, een hoogst bekwaam man doch berucht vrijgeest, die een
+gunstig bekende en druk bezochte Latijnsche school bestuurde.
+Spinoza, die tot dusver slechts de Joodsche wetenschappen
+beoefend had, werd door hem in het Latijn onderwezen en tevens
+grondig ingewijd in de filosofie van Descartes en de
+verschillende natuurwetenschappen. Bij van den Enden, en ook
+onder de Collegianten (Doopsgezinden) wier vergaderingen hij
+herhaaldelijk bezocht, ontmoette hij zijn eerste vrienden en
+aanhangers; voor welken kleinen kring hij tusschen 1658 en 1660
+de "Korte Verhandeling van God, de Mensch en deszelfs welstand"
+schreef, een werk dat als het eerste ontwerp der Ethica is te
+beschouwen. Het werd door de vrienden als handschrift voorgelezen
+en besproken (evenals later de brieven van den wijsgeer onder hen
+circuleerden) en verscheen eerst na zijn dood in druk. In den
+laatsten tijd van zijn verblijf bij van den Enden, toen hij zijn
+leermeester bij diens onderwijs behulpzaam was, schreef hij
+waarschijnlijk ook het onvoltooid gebleven "Tractatus de
+Intellectus Emendatione" (<a href="#handel">Verhandeling over de verbetering des
+Verstands</a>) waarin de schoone inleiding over de redenen die hem
+noopten zijn leven aan de wijsbegeerte te gaan wijden<a href="#voetnoot1"><sup>1</sup></a>. Het
+schijnt dat het gestook der teleurgestelde en verbitterde
+rabbijnen Spinoza aanleiding gaf Amsterdam te verlaten; misschien
+ook dreef hem behoefte aan minder drukke omgeving: in 1661
+althans vestigde hij zich in Rijnsburg. Hier schreef en
+publiceerde hij (1663) een ten behoeve van een leerling
+geschreven verhandeling over de beginselen der filosofie van
+Descartes (Principia philosophiae cartesianae) met een aanhangsel
+"Cogitata metaphysica" (Metaphysische overdenkingen). In 1663
+verhuisde hij naar Voorburg, vandaar trok hij in 1669 naar Den
+Haag, waar hij tot zijn dood, den 21sten Februari 1677 bleef.</p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot1">[Voetnoot 1: De vertaling dier inleidende beschouwing doe ik aan
+de Ethica voorafgaan.]</p>
+
+<p>Ofschoon Spinoza's leven niet z&oacute;&oacute; eenzaam en teruggetrokken was
+als men vroeger meende--hij onderhield omgang, soms zeer drukken
+omgang, met tal van personen, waaronder verscheidene geleerde en
+aanzienlijke lieden, die het gezelschap van den diepzinnigen,
+maar bescheiden en beminnelijken denker gaarne zochten--bleef hij
+toch zeldzaam onafhankelijk van menschen en omstandigheden. Al
+was zijn leer volstrekt niet asketisch, in de praktijk stelde hij
+zich met uiterst weinig tevreden. Zijn karig levensonderhoud
+verdiende hij met het slijpen van brilleglazen en lenzen, in welk
+ambacht hij, naar het oordeel van mannen als Christiaan Huygens,
+een groote bedrevenheid bezat. Een jaargeld, hem door een
+bewonderaar aangeboden, weigerde hij en eerst toen het hem als
+legaat werd vermaakt, aanvaardde hij er een klein gedeelte van.
+Ook een Fransch jaargeld wilde hij niet aannemen. Het
+professoraat te Heidelberg, hem in 1673 door den keurvorst Karl
+Ludwig van de Palts aangeboden, sloeg hij af. Alle hebzucht,
+ijdelheid en eerzucht waren hem vreemd. Maar ook alle valsche
+bescheidenheid. Als hij zijn vrienden verzocht toch vooral zijn
+leer niet aan de groote klok te hangen en er in 1675, na een
+verwoede agitatie der geestelijkheid en der Cartesianen, van
+afzag de Ethica nog tijdens zijn leven te publiceeren, zoo was
+het geen bescheidenheid en nog minder vrees die hem daartoe
+bewogen. Door de publicatie in 1670 van zijn "Tractatus
+theologico-politicus" (Godgeleerd-staatkundig vertoog), een werk
+waarvan ieder wist, hoewel het anoniem verscheen, dat h&igrave;j de
+schrijver was en welks onvervaarde bijbelkritiek heel de
+godgeleerde wereld deed ontstellen en tegen hem in het harnas
+joeg, had hij getoond waar het noodig was de benepen
+laatdunkendheid der theologanten van dien tijd te durven tarten
+en met fijnste ironie te kunnen hoonen. Maar liever dan strijd
+wilde hij rust. Hij was een dier zeer schaarschen onder de groote
+geesten, die in kalme zelfbewustheid, in het stil-trotsche besef
+van te arbeiden voor de eeuwigheid, terwille van zijn werkkracht
+afstand kon doen van elk door nuttelooze ijdelheid ingeblazen
+getwist. Zijn hoog-voorname gezindheid schuwde al het heftige,
+opzichtige en buitensporige. En zoo ging zijn leven, na dien
+eersten stormachtigen tijd zijner uitbanning (die intusschen zijn
+eigen gemoedsrust minder verstoorde dan die zijner vijanden)
+effen en kalm voorbij in rustigen arbeid. En even rustig,
+onverward en onvervaard wachtte hij den dood, waarmede de tering
+hem jarenlang bedreigde.</p>
+
+<p>Dadelijk na zijn dood had zijn huisheer, volgens Spinoza's eigen
+opdracht, den lessenaar die het handschrift der Ethica en der
+overige onuitgegeven werken bevatte, aan de vrienden in Amsterdam
+gezonden en reeds in het einde van hetzelfde jaar verschenen zij
+in het licht.<a href="#voetnoot2"><sup>2</sup></a></p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot2">[Voetnoot 2: De uitvoerigste levensbeschrijving van Spinoza is te
+vinden in het voortreffelijke werk van K.O. Meinsma: Spinoza en
+zijn Kring.]</p>
+
+<p>De kern van Spinoza's leer is in het kort aldus te formuleeren:
+Er is &eacute;&eacute;n "iets" dat op-zichzelf, uit eigen kracht, als
+"zijns-zelfs-oorzaak" bestaat. Dit is de Substantie, het
+zelfstandige, God. Deze substantie is eeuwig, en oneindig vele
+zijn haar attributen (kenmerken), ofschoon wij menschen daarvan
+slechts twee, het Denken en de Uitgebreidheid (Geest en Materie)
+kennen. Alle bijzondere dingen, heel de verschijningswereld
+waarin wij leven, zijn "wijzigingen" (modi), dat wil zeggen
+eindige, tijdelijke en vergankelijke openbaringen van de eeuwige,
+oneindige godheid, waarin alles bestaat, op- en ondergaat. Zoo is
+onze geest een straal van Gods geest, ons lichaam een deel van
+Gods lichaam, en uit het redelijk bewustzijn, het klare en
+duidelijke begrip dezer eenheid, ontbloeit de geestelijke liefde
+tot God, die niets anders is dan de bewustwording van Godzelf in
+onzen eigen geest; en hierin ligt onze verlossing en
+gelukzaligheid.</p>
+
+<p>Dit is de leer van den klaren denker en vromen mysticus die als
+godslasteraar uit de Joodsche kerkgemeenschap gebannen en door
+christelijke dominees als "grouwelijck atheist" werd aangeblaft.</p>
+
+<p>Of Spinoza deze eenheid van God en Wereld werkelijk "overtuigend
+bewezen" heeft en of zijn zedeleer van zachtzinnige kracht en
+kalme berusting, van "w&egrave;l doen en blij zijn", werkelijk all&eacute;&eacute;n
+uit z&igrave;jn systeem kan voortvloeien? Spinoza zelf leefde in het
+ongeschokt vertrouwen dat h&igrave;j in het bezit was der "ware
+wijsbegeerte"<a href="#voetnoot3"><sup>3</sup></a>;
+maar al konden w&igrave;j in zijn werk misschien niet
+anders zien dan een eerlijke, of zelfs de eerlijkste poging om de
+waarheid te benaderen, dit behoeft toch onze bewondering en
+liefde niet te verkleinen. Bij ons nog z&oacute;&oacute; ontoereikend denken is
+voorloopig nog niet w&agrave;t, maar h&ograve;e men denkt hoofdzaak. Men moet
+het werk van een wijsgeer beschouwen en genieten als het werk van
+een groot schilder; de "leer" bij den een is evenmin
+onverschillig als de "voorstelling" bij den ander; maar zij is
+evenmin hoofdzaak. De ontroering, het wezenlijke waardoor wij ons
+&eacute;&eacute;n voelen met den wil, de innerlijke bedoeling van den schepper,
+ontspruit uit het h&ograve;e, uit het meevoelen, het meeleven met die
+bewogenheid die in de scheppingsdaad zelf zich openbaart. De ware
+wijsheid die een wijsgeer ons meedeelt is niet de positieve
+formule, het vaste systeem dat wij als een lesje kunnen napraten,
+maar geheel zijn wijze van denken en zijn, waarin zijn bijzondere
+virtuositeit van uiting ons dwingt onszelf te verplaatsen. Het
+kan zijn dat men deze wijze van denken en zijn volkomen
+"begrijpt", in zich opneemt, en toch tot gedeeltelijk of geheel
+andere formeele gevolgtrekkingen komt als de wijsgeer zelf. Het
+verstandelijk, kritisch oordeel over de "waarde" eener leer raakt
+daarom tot op zekere hoogte volstrekt niet aan de beteekenis van
+de in haar tot uiting gekomen "wijsheid".</p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot3">[Voetnoot 3: Brief aan Albert Burgh (LXXVI): "Ik onderstel niet
+dat ik de beste filosofie heb uitgevonden, maar ik weet dat ik de
+ware begrijp."]</p>
+
+<p>Ook bij Spinoza is dit het geval. Ik wil in geenen deele de
+groote beteekenis van zijn leer als logisch systeem, van haar
+scherp formuleerbare bewijzen of zelfs beweringen, ontkennen.
+Maar het zijn niet deze dingen op zichzelf, het is niet de
+verloochening van het dualisme, de onttroning van God als
+schepper en willekeurig bestuurder eener buiten hem staande
+wereld; niet de bevrijding uit de antropocentrische<a href="#voetnoot4"><sup>4</sup></a>
+wereldbeschouwing en het anthropomorphe<a href="#voetnoot5"><sup>5</sup></a>
+godsbegrip; niet zijn
+nog voor de hedendaagsche denkbeelden voorbeeldige theorie
+omtrent het parallelisme van geest en materie; niet die scherpe
+en objectieve behandeling der gemoedsaandoeningen, welke door de
+moderne psychologie misschien wat is uitgebreid, maar in den
+grond der zaak niet werd verbeterd; het is niet deze positieve en
+radikale voortzetting en ontwikkeling van de denkbeelden van
+Descartes, de Occasionalisten of wie ook; al dit duidelijk
+formuleerbare en historisch waardeerbare is het niet wat ons het
+meest in Spinoza's werk ontroert. Het is zeker geen gering
+intellektueel genot telkens in Spinoza's geschriften bronnen te
+ontdekken van zoovele ons thans vertrouwde denkbeelden en
+theorie&euml;n, maar het is tenslotte niet d&aacute;&aacute;rom dat wie &eacute;&eacute;ns zijn
+troost bij hem vond, ook later, en steeds met denzelfden eerbied
+en dezelfde liefde naar hem blijft luisteren. Neen, het is het
+diep besef dat de moed, de eerlijkheid en de kracht van zijn
+denken nog steeds onge&euml;venaarde voorbeelden zijn en nog lang
+zullen blijven voor alle wijsgeerige gelukzoekers, die niet tot
+het volle bewustzijn hunner eigen goddelijkheid konden stijgen;
+het is de veilige zekerheid dat hij, een mensch, de rust en de
+kracht en de liefde kende en dat dus ook wij kunnen veroveren wat
+nu, meer dan twee eeuwen na zijn dood, zelfs voor een
+"verlichter" menschdom een nog te verheven leuze en daardoor
+veelal een ijdele frase is: harmonie met het eeuwige en oneindige
+leven.</p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot4">[Voetnoot 4: Waarbij de mensch (anthropos) als middelpunt, als
+hoofdzaak, beschouwd wordt.]</p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot5">[Voetnoot 5: Menschvormig.]</p>
+
+<p>Omstreeks twintig jaar geleden, toen ik studeerde voor het
+staatsexamen, besloot ik ter oefening en afwisseling ook eens
+iets anders te lezen dan alleen klassieken. Mijn keus viel toen
+voor het Grieksch op het Nieuwe Testament, voor het Latijn op
+Spinoza's Ethica, twee werken, mij voordien nagenoeg onbekend.
+Van beiden heb ik m&eacute;&eacute;r geleerd dan een beetje Grieksch en Latijn;
+ik heb ze bewonderd als twee van de meest grootsche geestelijke
+scheppingen die de menschheid bezit. Maar ontroerde mij het
+eerste alleen als een schoon, maar onmiskenbaar verzonnen verhaal
+met een onre&euml;ele tendens: de navolging van het onbereikbare; het
+tweede stond v&oacute;&oacute;r mij als een geweldige wereld van werkelijkheden
+die voor alle zoekend verlangen overal stevig houvast scheen te
+bieden. En in Spinoza zag ik den mensch die werkelijk
+voorbeeldig, wijl werkelijk navolgbaar, was. En terwijl ik
+thans,--nu niet in een tijd van &egrave;igen Sturm und Drang, maar te
+midden van het onbeschaafde strijdrumoer van heel een verdwaasde
+en verwilderde wereld,--mij voor deze vertaling opnieuw in het
+rustig voorname werk moest verdiepen, kwam telkens de herinnering
+aan die eerste verrassing en blijden vrede weer in mij op. Met
+schroom was ik begonnen; zou ik ook van d&eacute;ze wijsheid vervreemd
+blijken? Zoovele "re&euml;ele" stand- en steunpunten en stevige
+houvasten waren niets dan verraderlijke klippen gebleken, waarop
+het argeloos denken strandde. Maar ofschoon ik al die eens
+zorgvuldig nageplozen stellingen wel met gansch andere oogen
+herzag, nog leeft onverzwakt diezelfde dankbare bewondering voor
+den geest, die iederen zin van zijn werk vervult, dien trotschen,
+vrijen, onverbiddelijk eerlijken wil tot begrijpen der dingen,
+die het wezenlijke van Spinoza's denken is en die zijn filosofie
+gemaakt heeft tot den hoeksteen der geheele moderne wijsbegeerte
+en zielkunde.</p>
+
+<p>Ik deel deze persoonlijke ervaring mede omdat zij de herinnering
+is van tallooze jonge geesten die zich eens ontworstelden aan de
+knechtschap van oude vooroordeelen, omdat zij welhaast de
+herinnering zijn zal van heel de denkende menschheid. Zij is
+dezelfde ervaring die Goethe opdeed, toen hij eens na langen
+tusschentijd Spinoza's werken weder ter hand nam: "Dezelfde
+atmosfeer van vrede woei mij weer aan. Ik gaf mij geheel aan de
+lectuur over en dacht, terwijl ik in mijn eigen binnenste keek,
+nooit z&oacute;&oacute; duidelijk de wereld te hebben
+gezien."<a href="#voetnoot6"><sup>6</sup></a></p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot6">[Voetnoot 6: Wahrheit und Dichtung aus meinem Leben, Buch XVI.]</p>
+
+<p>"Hen kai pan, (&eacute;&eacute;n en al) iets anders ken ik niet meer" zeide
+Lessing in een gesprek met Jacobi (1780) "Er is geen andere
+filosofie dan die van Spinoza."</p>
+
+<p>En Hegel: "Het is deze morgenlandsche opvatting, die door Spinoza
+het eerst in het avondland werd uitgesproken. Het denken moet
+zich op het standpunt van het Spinozisme geplaatst hebben, dit is
+het wezenlijke begin van alle filosofeeren. Als men begint te
+filosofeeren, moet men allereerst Spinozist zijn. De ziel moet
+zich baden in dezen aether der &eacute;&eacute;ne substantie, waarin al wat men
+eens voor waar hield is ten onder gegaan. Het is deze negatie van
+alle bijzonderheid, waartoe elk wijsgeer eens moet zijn gekomen;
+het is de <i>bevrijding</i> van den geest en zijn absolute
+grondslag."<a href="#voetnoot7"><sup>7</sup></a></p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot7">[Voetnoot 7: Geschichte der Philosophie. Werke Band XV. Ed.
+1836.]</p>
+
+<p>En Schelling: "Niemand mag hopen tot waarheid en volmaaktheid in
+de filosofie te zullen voortschrijden, zoo hij niet althans &eacute;&eacute;ns
+in zijn leven zich in den afgrond van het Spinozisme heeft laten
+verzinken."<a href="#voetnoot8"><sup>8</sup></a></p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot8">[Voetnoot 8: Werke. Erste Abt. Band X.]</p>
+
+<p>Ja, de voorganger van alle groote denkers en dichters van den
+nieuwen tijd, de verlosser voor tallooze geestelijk benauwden en
+gekerkerden was hij: "Spinoza, de blijde boodschapper der mondige
+menschheid."<a href="#voetnoot9"><sup>9</sup></a></p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot9">[Voetnoot 9: Van Vloten.]</p>
+
+
+<p>Men heeft het "betreurd" dat Spinoza zijn leer uiteen zette
+volgens "meetkundige methode", dat hij zijn levenswerk dien
+"overbodigen", sommigen zeggen "ongenietbaren" vorm gaf. Het
+lijkt alles zeer scherpzinnig en het zal wel zeer verheven zijn,
+zeggen deze lieden; maar het klinkt zoo nuchter, zoo koel, zoo
+erg klaar bewust.</p>
+
+<p>"Zijn systeem" zegt Windelband, "is misschien wel het meest
+indrukwekkende begrips-po&euml;em (Begriffs<i>dichtung</i>) dat ooit een
+menschelijk brein ontsprong; het strikt logische van zijn denken
+en de klare zuiverheid van zijn overtuiging verzekeren hem de
+bewondering van het nageslacht. Maar steeds zal ook de
+onoplosbare tegenstrijdigheid tusschen den gloed zijner
+godsliefde en de snijdende kilheid zijner wereldbeschouwing de
+rust afbreuk doen waarin men den geweldigen samenhang zijner
+gedachten zou wenschen te genieten."<a href="#voetnoot10"><sup>10</sup></a></p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot10">[Voetnoot 10: Geschichte der neueren Philosophie, 1.]</p>
+
+<div class="figcenter" id="spinoza2">
+<img src="images/spinoza2.jpeg" alt="Spinoza op 39-jarigen leeftijd"
+title="Spinoza op 39-jarigen leeftijd" />
+<p>
+Spinoza op 39-jarigen leeftijd
+<br />
+Naar een schilderij van Hendrik van der Spyck
+</p>
+</div>
+
+<p>Zelfs Heinrich Heine noemt de mathematische bewijsvoering een
+"groot gebrek". "De wiskundige vorm geeft Spinoza een stug
+uiterlijk". Maar Heine, de dichter, die toch naar de meening der
+hierboven bedoelde spijtige bewonderaars een sterker afkeer
+behoorde te hebben van alle zoogenaamd koud en dor
+intellektualisme dan de geleerde filosofie-historicus, Heine
+vervolgde: "Maar dit is als de ruwe schil der amandel, de kern is
+des te verblijdender. Bij de lectuur van Spinoza grijpt ons een
+gevoel aan als bij den aanblik der natuur in haar diepst-levende
+rust. Een woud van hemelhooge gedachten, wier bloeiende toppen in
+wuivende beweging zijn terwijl de onwrikbare stammen wortelen in
+de eeuwige aarde. Er is in de geschriften van Spinoza een zekere
+atmosfeer die onverklaarbaar is. Het is alsof de luwten der
+toekomst ons er uit tegenwaaien."<a href="#voetnoot11"><sup>11</sup></a></p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot11">[Voetnoot 11: Geschichte der Religion und Philosophie in
+Deutschland.]</p>
+
+<p>Inderdaad, Spinoza's gedachten z&igrave;jn nuchter, koel en klaar. Wat
+mogen wij anders verwachten van den man voor wien "klaar en
+duidelijk begrijpen" het hoogste was? Maar zij zijn nuchter, koel
+en klaar als een ijle dageraad in vroege lente, wanneer heel de
+natuur is als een stille glimlach van rustig-zekere verwachting,
+zij zijn van een schoonheid even verheven, een blijheid even
+zuiver en een innigheid even wonderbaar teer. Eer dan zich te
+bedroeven over zijn strengen betoogtrant, moest men zich er over
+verheugen dat nochtans zulk een warme gloed van liefde heel zijn
+werk overstraalt.</p>
+
+<p>Spinoza's "koel verstand" heeft nooit zijn "warm gemoed" verlamd
+of onderdrukt, maar het integendeel geleid uit de onzekere
+verwarring van zijn jeugdige hartstochten naar de veilige
+hoogheid eener dankbaar ge&euml;erbiedigde redelijkheid. Zijn
+intellectualisme berust niet op gemis, maar op loutering van
+gevoel; nooit heeft zich een dwaas verlangend hart, na zwaren
+strijd, rustiger, blijder en dankbaarder "onderworpen" aan de
+Rede dan het zijne. Die onderwerping was in waarheid bevrijding.</p>
+
+<p>En is men wel zoo zeker dat diezelfde gemoedswarmte ons koesteren
+zou als Spinoza een &agrave;nderen vorm gekozen had? Is het niet
+eigenlijk een pedanterie te beweren dat Spinoza zijn gedachten op
+andere wijze beter had kunnen uiten? Maar Spinoza k&oacute;&oacute;s immers
+dien vorm en hij was er de man niet naar om iets onbezonnen te
+doen, zonder zich rekenschap te geven van zijn bedoeling er mede,
+allerminst zooiets als het schrijven van zijn levenswerk. En wie
+Spinoza's leven en denkwijze, en leven en denkwijze zijner
+omgeving eenigszins kent, voelt ook al spoedig dat die
+veelgesmade wiskundige bewijstrant voor h&egrave;m, den opvolger van
+Descartes, den vriend van Jan de Wit, Christiaan Huygens en van
+zooveel andere vermaarde wiskunstenaars, de eenige doelmatige
+moest schijnen om in dien gistenden, troebelen tijd zijn klare
+waarheden te betoogen. Men moge achteraf beweren, en mijns
+inziens volkomen terecht, dat de wiskundige bewijsvoering voor
+wijsgeerige stellingen, welke toch ten slotte steeds slechts min
+of meer aannemelijke <i>beweringen</i> zijn, alle <i>bewijs</i> kracht
+mist; de eigenlijke beteekenis der methode is ook een geheel
+andere. Zij is een grootsche propagandistische betooging tegen de
+kinderachtige en nuttelooze dweperij van allerlei warhoofden, die
+liever over God, Wereld en Mensch grondeloos fantaseeren naar het
+hen wordt ingegeven door hun zoogenaamde gevoel (waaronder zij
+dan al hun verwarde, verdoezelde voorstellingen verstaan) dan met
+hun verstand, het hoogste vermogen dat God hen gaf, er werkelijk
+over te d&egrave;nken. Weest in uw denken over de hoogste
+levensvraagstukken zoo nuchter, dat wil zeggen zoo
+onbevooroordeeld, zoo koel, dat wil zeggen zoo onbevreesd voor
+den uitslag, zoo absoluut eerlijk, als de wiskundige is bij het
+denken over cirkels en driehoeken. Eerst wanneer ge u tot die
+geestelijke hoogheid hebt opgewerkt, wil Spinoza zeggen, is u de
+weg geopend tot klaar en duidelijk begrip, tot liefde en tot
+zaligheid.</p>
+
+<p><span class="floatl"><i>October 1915.</i></span> <span class="floatr">N. v. SUCHTELEN.</span></p>
+<div class="clearoff"></div>
+<hr class="full" id="handel" />
+
+
+
+
+<h2>BENEDICTUS DE SPINOZA</h2>
+
+<h4>VERHANDELING OVER DE VERBETERING DES VERSTANDS</h4>
+
+<h4>(Inleidende beschouwing)</h4>
+
+
+
+
+<hr />
+
+<h3 class="lined">VERHANDELING OVER DE VERBETERING DES VERSTANDS</h3>
+
+<hr />
+
+<h4>(INLEIDENDE BESCHOUWING)</h4>
+
+
+<p>Nadat de ervaring mij geleerd had, dat al wat zoo in het gewone
+leven voorkomt ijdel en nietig is, en ik inzag dat alles waarvoor
+en wat ik vreesde niets goeds noch kwaads bevatte, tenzij alleen
+voor zoover mijn gemoed er door bewogen werd, besloot ik
+eindelijk te onderzoeken of er ook iets bestond dat een
+waarachtig goed was, dat men deelachtig zou kunnen worden en
+waardoor alleen, met verwerping van al het overige, de ziel kon
+worden vervuld; kortom, of er iets bestond waardoor ik, wanneer
+ik het gevonden en bereikt had, een gestadige en hoogste blijheid
+eeuwiglijk zou genieten. Ik zeg dat ik hiertoe "eindelijk
+besloot"; op het eerste gezicht immers scheen het ongeraden
+terwille van een vooralsnog onzekere zaak iets zekers te laten
+varen: zag ik toch de gemakken welke door eer en rijkdom
+verkregen worden en dat ik genoodzaakt zou zijn van het streven
+daarnaar af te zien, indien ik ernstig werk wilde maken van iets
+nieuws. Zoo misschien het hoogste geluk in h&egrave;n lag, dan zou ik
+dit--ik zag dat duidelijk in--moeten missen. Lag het evenwel n&igrave;et
+in hen, zoo zou ik, indien ik toch naar deze zaken streefde, ook
+d&agrave;n het hoogste geluk moeten ontberen. Ik overwoog daarom in mijn
+gemoed of het wellicht mogelijk zou zijn tot een nieuwe
+levensinrichting, of althans tot de zekerheid daaromtrent te
+geraken, zonder den gewonen gang en inrichting van mijn leven te
+wijzigen; wat ik dikwijls te vergeefs beproefd heb. Want de
+dingen die zich het meest doen gelden in het leven, en door de
+menschen, gelijk men uit hun daden kan opmaken, voor het hoogste
+goed worden gehouden, kunnen tot drie worden terug gebracht, te
+weten: rijkdom, eer en zingenot. Door deze drie wordt de geest
+dermate in beslag genomen, dat hij nagenoeg niet meer aan eenig
+ander goed kan denken. Wat het zingenot betreft, hierin blijft de
+ziel evenzeer bevangen als hadde zij in iets goeds bevrediging
+gevonden; waardoor zij grootelijks belemmerd wordt aan iets
+anders te denken. Na het genot volgt echter de diepste droefenis,
+welke, ook al houdt zij den geest niet langer gevangen, hem toch
+verwart en verlamt. Door eer en rijkdom na te jagen wordt de
+geest niet minder afgeleid, vooral waar deze slechts om hun zelfs
+wil gezocht worden, wijl dan voorondersteld wordt dat zijzelf
+hoogste goed zijn. Wel het meest echter wordt de geest uit zijn
+koers gebracht door de eerzucht; immers eer wordt steeds als op
+zichzelf goed beschouwd, als een einddoel, waarnaar alles zich
+richten moet. Voorts bestaat er voor deze beiden niet, gelijk
+voor het zingenot, een naberouw, doch hoe meer men van beiden
+bezit, hoe meer de vreugde over hen toeneemt; en bijgevolg worden
+wij ook telkens meer er toe geprikkeld beide nog te vermeerderen.
+Wordt echter onze verwachting in een of ander geval bedrogen, zoo
+ontspringt hieruit alweer de diepste verslagenheid. Ten slotte is
+de eerzucht ook d&aacute;&aacute;rdoor een groote belemmering, wijl wij, om in
+eere te komen, noodzakelijk ons leven naar de begrippen der
+menschen moeten inrichten, namelijk door te mijden of na te
+streven wat de menschen gemeenlijk mijden of nastreven.</p>
+
+<p>Toen ik dus zag hoe dit alles mij in den weg stond wanneer ik
+werk wilde maken van een nieuwe levenswijze; ja, dat het er
+zoozeer mede in strijd was dat ik &ograve;f van het een &ograve;f van het ander
+noodzakelijk afstand zou moeten doen, voelde ik mij genoopt te
+onderzoeken wat voor mij het nuttigst zou zijn; immers, zooals ik
+reeds zeide, het scheen of ik een z&eacute;ker goed voor een &ograve;nzeker
+wilde loslaten. Nadat ik evenwel een poos hierover had gepeinsd,
+meende ik allereerst dat ik, wanneer ik dit alles los liet en mij
+tot het nieuwe doel aangordde, een goed dat van nature onzeker is
+(gelijk uit het hierboven gezegde duidelijk blijkt) zou laten
+varen voor een weliswaar &oacute;&oacute;k onzeker, doch niet van nature
+(immers ik zocht juist een best&egrave;ndig goed), maar slechts wat zijn
+bereikbaarheid betrof. Bij voortgezette overweging echter kwam ik
+tot het inzicht dat ik, indien ik slechts tot op den grond der
+zaak zou kunnen doordenken, een zeker kw&aacute;&aacute;d voor een zeker goed
+vaarwel zei. Ik begreep namelijk dat ik in het hoogste gevaar
+verkeerde en dwong mijzelf met alle macht het geneesmiddel, hoe
+onzeker ook, te zoeken; evenals een kranke, aan een doodelijke
+ziekte lijdend, den dood voorziende wanneer hij geen middel
+aanwendt, wel genoodzaakt is dit, hoewel het onzeker is, met
+uiterste krachten aan te grijpen, wijl immers heel zijn hoop er
+in gelegen is. Al die zaken echter, welke de groote menigte
+najaagt, zijn niet alleen geenerlei hulpmiddel tot handhaving van
+ons bestaan, maar integendeel beletselen daartoe en herhaaldelijk
+zijn zij zelfs oorzaak van den ondergang diergenen die ze
+bezitten, en steeds van den ondergang diergenen die door hen
+bezeten worden. Talrijk toch zijn de voorbeelden van hen die
+vervolging tot den dood toe moesten ondervinden terwille van hun
+rijkdommen, en eveneens van hen die, om schatten te verwerven,
+zich aan zoovele gevaren blootstelden dat zij tenslotte hun
+dwaasheid met het leven boetten. Niet minder talrijk zijn de
+voorbeelden van hen die de diepste ellende moesten verduren om
+hun roem te verkrijgen of te handhaven. Talloos ten slotte zijn
+de voorbeelden diergenen die door al te groote genotzucht hun
+eigen dood hebben verhaast.</p>
+
+<p>Het kwam mij vervolgens voor dat deze euvelen hun oorsprong
+vonden in het feit dat heel ons geluk of ongeluk ligt uitsluitend
+in de geaardheid van het voorwerp dat wij in liefde aanhangen.
+Want om wat wij niet liefhebben zal nooit twist ontstaan; het
+veroorzaakt geen droefheid zoo het te gronde gaat, geen nijd zoo
+een ander het bezit, geen vrees, geen haat, in &eacute;&eacute;n woord,
+geenerlei gemoedsbeweging. Al deze aandoeningen komen slechts van
+pas bij de liefde tot dingen welke vergankelijk zijn, zooals
+alles waarover wij zooeven spraken. De liefde tot iets eeuwigs en
+oneindigs echter weidt de ziel in loutere blijheid en alle
+droefheid is haar vreemd, wat ten zeerste begeerenswaard is en
+met alle kracht behoort te worden nagestreefd. Niet zonder reden
+evenwel bezigde ik de woorden: "indien ik slechts ernstig zou
+kunnen doordenken"<a href="#voetnoot12"><sup>12</sup></a> want ofschoon ik dit in mijn geest zoo
+duidelijk had ingezien, kon ik daarom toch nog niet alle
+hebzucht, genotzucht en eerzucht afleggen.</p>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot12">[Voetnoot 12: In het Latijn
+staat op de plaats zelf: <i>penitus</i>,
+grondig, door en door, ten einde toe; wat met de bedoeling:
+denken, tot het einddoel bereikt is, strookt. In de aanhaling
+staat <i>serio</i>, ernstig.]</p>
+
+<p>Dit eene bemerkte ik, dat mijn geest, zoolang hij zich met deze
+overpeinzingen bezig hield, zich van die verwerpelijke zaken
+afwendde en ernstig over zijn nieuwe levensdoel nadacht; wat mij
+tot grooten troost strekte. Immers ik zag daaruit dat al dit
+kwade niet van dien aard was dat het voor geen geneesmiddelen
+wilde wijken. En ofschoon in het begin deze oogenblikken zeldzaam
+waren en slechts uiterst kort duurden, werden zij toch, naarmate
+ik al meer en meer het ware goed leerde kennen, talrijker en
+langduriger; vooral nadat ik had ingezien dat de verwerving van
+geld, of genot en roem, slechts hinderlijk zijn zoolang zij om
+hunszelfs wil en niet als middel tot iets anders worden
+nagestreefd. Wanneer zij slechts als middel gezocht worden, zal
+men ook maat in hen houden en zullen zij allerminst in den weg
+staan, maar integendeel in hooge mate het doel, terwille waarvan
+men ze zoekt, bevorderen, gelijk wij te zijner plaatse zullen
+aantoonen.</p>
+
+<p>Hier wil ik slechts nog in het kort zeggen wat ik onder een
+waarachtig goed versta en tevens wat het hoogste goed is. Om dit
+juist te kunnen begrijpen moet men in het oog houden dat de
+begrippen goed en kwaad niet anders dan in betrekkelijken zin
+kunnen worden gebezigd, zoodat &eacute;&eacute;n en dezelfde zaak uit
+verschillende gezichtspunten beschouwd goed of kwaad kan zijn;
+hetzelfde geldt voor de begrippen volmaakt of onvolmaakt. Immers
+niets kan op zichzelf, in zijn eigen aard beschouwd, volmaakt of
+onvolmaakt genoemd worden; vooral sinds wij weten dat al wat
+geschiedt, plaats grijpt volgens een eeuwige orde en vaste
+natuurwetten. Waar echter menschelijk vermogen die orde niet in
+gedachten omvatten kan en de mensch zich nochtans een
+voorstelling kan vormen van een menschelijken aard veel machtiger
+dan de eigene, terwijl hij geenerlei beletsel ziet voor het
+verkrijgen van een dusdanigen aard, wordt hij er toe gedreven
+naar middelen te zoeken welke hem tot zulk een volmaaktheid
+zouden kunnen leiden.</p>
+
+<p>Alles nu wat middel zijn kan tot bereiking van dit doel heet een
+waarachtig goed. Het hoogste goed echter is, zoover te komen dat
+men, zoo mogelijk, met andere enkelingen samen zulk een aard
+verkrijgt. Hoedanig evenwel deze aard is, zullen wij te zijner
+plaatse uiteen zetten, waar dan blijken zal dat hij bestaat in
+<i>het bewustzijn der eenheid van Geest en Natuur</i>.</p>
+
+<p>Dit is dus het doel waarnaar ik streef, namelijk zulk een aard te
+verkrijgen en tevens te maken dat nog velen met mij hem
+verkrijgen. Met andere woorden: tot mijn eigen geluk behoort het
+mij moeite te geven dat zooveel mogelijk anderen tot hetzelfde
+inzicht komen als ikzelf, dat hun verstand en begeerte geheel en
+al met m&igrave;jn verstand en begeerte overeenstemmen. Hiertoe is het
+noodig zooveel van de Natuur te begrijpen als volstaat om zulk
+een aard te verkrijgen en vervolgens om een zoodanige gemeenschap
+te vormen als wenschelijk is opdat zoovelen mogelijk zoo
+gemakkelijk en zoo zeker mogelijk hetzelfde bereiken. Voorts
+legge men zich toe op de Zedeleer, alsmede de Opvoedkunde. En,
+wijl gezondheid geen gering hulpmiddel is om het genoemde doel te
+bereiken, bestudeere men grondig de Geneeskunde, terwijl ook de
+Mechanica in geenen deele verwaarloosd mag worden, daar door
+kunstvaardigheid veel moeilijks licht gemaakt wordt en wij door
+haar veel tijd en moeite in het leven kunnen uitsparen. Maar v&oacute;&oacute;r
+alles is het noodig een middel te bedenken om het verstand te
+verbeteren en het, voorzoover dit aanvankelijk gaat, te zuiveren,
+opdat het de dingen zonder dwaling en zoo goed mogelijk begrijpe.</p>
+
+<p>Een ieder kan hieruit reeds zien dat ik alle wetenschappen op &eacute;&eacute;n
+doeleinde wil richten, te weten om, zooals ik reeds zeide, de
+hoogste menschelijke volmaaktheid te bereiken. En zoo zal in de
+wetenschappen al wat ons niets naders brengt tot dit doel als
+nutteloos verworpen moeten worden; of, om het in &eacute;&eacute;n woord te
+zeggen; al onze daden en gedachten behooren op dit doel gericht
+te zijn.</p>
+
+<p>Daar wij evenwel, terwijl wij dit doel nastreven en trachten het
+verstand in het rechte spoor te brengen, toch noodzakelijk moeten
+leven, zijn wij genoodzaakt v&oacute;&oacute;r alles enkele levensregelen,
+welke wij voorloopig voor goed houden, aan te nemen, en wel deze:</p>
+
+<p>I. Spreek naar het bevattingsvermogen der menigte en doe verder
+al wat de bereiking van ons doel niet blijkbaar in den weg staat.
+Want het levert een niet gering voordeel op wanneer wij ons
+zooveel mogelijk bij haar bevattingsvermogen aanpassen. Waarbij
+nog komt dat men zich daardoor een welwillend gehoor voor de
+waarheid verschaft.</p>
+
+<p>II. Maak van genietingen slechts gebruik voorzoover zij voor het
+behoud der gezondheid volstaan.</p>
+
+<p>III. Tracht eindelijk slechts zooveel geld of andere zaken te
+verwerven als volstaan om het leven en de gezondheid te
+onderhouden en 's lands zeden, voorzoover zij niet in strijd zijn
+met ons doel, te gehoorzamen.</p>
+<hr id="index" />
+
+
+
+<h2>ETHICA</h2>
+
+<h3>IN MEETKUNDIGEN TRANT UITEENGEZET EN VERDEELD IN VIJF DEELEN
+WAARIN WORDT GEHANDELD:</h3>
+
+
+<div class="centered"><table cellpadding="2" cellspacing="0" summary="Tafel van Inhouden">
+<tr><td align="right">I.</td><td align="left"><a href="#deel1">Over God.</a></td></tr>
+
+<tr><td align="right">II.</td><td align="left"><a href="#deel2">Over aard en oorsprong van den geest.</a></td></tr>
+
+<tr><td align="right">III.</td><td align="left"><a href="#deel3">Over oorsprong en aard der aandoeningen.</a></td></tr>
+
+<tr><td align="right">IV.</td><td align="left"><a href="#deel4">Over de menschelijke knechtschap of de macht der
+aandoeningen.</a></td></tr>
+
+<tr><td align="right">V.</td><td align="left"><a href="#deel5">Over de macht van het verstand of de menschelijke
+vrijheid.</a></td></tr>
+</table>
+</div>
+
+
+<hr />
+
+<p>Tusschen ( ) geplaatste woorden of zinnen zijn van Spinoza,
+verduidelijkingen tusschen [ ] van den vertaler.</p>
+
+<p>De cijfers tusschen den tekst,<a id="aanteken0" href="#aanteken0">[A0]</a>
+etc. verwijzen naar de
+aanteekeningen achterin in het werk.</p>
+
+<hr />
+
+
+
+
+<hr id="deel1" />
+
+<h3 class="lined">I. OVER GOD</h3>
+
+<hr />
+
+
+<h4>DEFINITIES</h4>
+
+
+<div class="define" id="d1d1">
+<p>I. Onder "<i>zijns zelfs oorzaak</i>" versta ik datgene, welks
+wezen<a id="aantag1" href="#aanteken1">[A1]</a>
+het bestaan insluit, ofwel datgene, welks aard niet
+anders gedacht kan worden dan als bestaande.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d1d2">
+<p>II. Datgene noem ik "<i>eindig in zijn soort</i>", wat door iets
+anders van denzelfden aard kan worden beperkt. Zoo noemen wij
+bijvoorbeeld een lichaam eindig, omdat wij ons steeds een grooter
+kunnen denken. Zoo wordt een gedachte door een andere beperkt.
+Doch een lichaam wordt niet beperkt door een gedachte, noch een
+gedachte door een lichaam.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d1d3">
+<p>III. Onder "<i>substantie"</i><a id="aantag2" href="#aanteken2">[A2]</a>
+versta ik datgene, wat op-zich-zelf
+bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen; dat wil zeggen
+datgene, welks begrip niet het begrip van iets anders, waaruit
+het zou moeten worden afgeleid, vooronderstelt.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d1d4">
+<p>IV. Onder "<i>attribuut"</i><a id="aantag3" href="#aanteken3">[A3]</a>
+versta ik datgene, wat het verstand
+opvat als uitmakende het wezen eener substantie.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d1d5">
+<p>V. Onder "<i>bestaanswijzen"</i><a id="aantag4" href="#aanteken4">[A4]</a>
+versta ik de openbaringen<a id="aantag5" href="#aanteken5">[A5]</a>
+eener substantie, ofwel datgene wat in iets anders bestaat, door
+bemiddeling waarvan het ook wordt begrepen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d1d6">
+<p>VI. Onder "<i>God"</i> versta ik het volstrekt oneindige wezen, dat
+wil zeggen een substantie<a id="aantag6" href="#aanteken6">[A6]</a>,
+uit een oneindig aantal<a id="aantag7" href="#aanteken7">[A7]</a>
+attributen bestaande, van welke ieder voor zich een eeuwig en
+oneindig wezen uitdrukt.</p>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg
+ "volstrekt"<a href="#aanteken22">[a22]</a> oneindig, niet
+ echter "in zijn soort"; immers aan datgene wat slechts
+ oneindig is in zijn soort kunnen wij nog oneindig veel
+ attributen ontzeggen; tot het wezen evenwel van wat
+ volstrekt oneindig is behoort al wat wezen uitdrukt en
+ dit sluit iedere ontkenning buiten.</p>
+ </div>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d1d7">
+<p>VII. Datgene zal "<i>vrij</i>" heeten, wat alleen krachtens de
+noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat en alleenlijk uit
+zichzelf tot werken wordt genoopt; "<i>noodwendig</i>" echter, of
+veeleer "<i>afhankelijk</i>", zal heeten wat door iets anders tot
+bestaan en tot een vaste en bepaalde wijze van werken wordt
+genoodzaakt.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d1d8">
+<p>VIII. Onder "<i>eeuwigheid</i>" versta ik het bestaan zelf, voorzoover
+het wordt begrepen als noodwendiglijk volgende uit de definitie
+alleen reeds van iets eeuwigs.</p>
+
+ <div class="toelicht" id="d1d8t">
+ <p><i>Toelichting:</i> Immers een zoodanig bestaan wordt, als
+ zijnde een eeuwige waarheid, opgevat als tot het wezen
+ der zaak behoorend; en derhalve kan het niet door duur of
+ tijd worden verklaard, ook al werd die duur verstaan als
+ hebbende begin noch einde.</p>
+ </div>
+</div>
+
+
+
+<h4>GRONDWAARHEDEN (AXIOMA'S)</h4>
+
+
+<div class="axioma" id="d1a1">
+<p>I. Al wat is, is in zichzelf of in iets anders.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma">
+<p>II. Datgene, wat niet door bemiddeling van iets anders kan worden
+begrepen, moet uit zichzelf begrijpbaar zijn.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma" id="d1a3">
+<p>III. Uit een gegeven oorzaak volgt noodzakelijk een bepaalde
+uitwerking, en omgekeerd: wanneer geen bepaalde oorzaak gegeven
+is, is het onmogelijk dat een uitwerking optreedt.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma" id="d1a4">
+<p>IV. De kennis eener uitwerking hangt af van de kennis der oorzaak
+en sluit deze in zich.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma" id="d1a5">
+<p>V. Dingen, welke niets met elkaar gemeen hebben, kunnen ook niet
+uit elkaar worden verklaard, ofwel: het begrip van het eene sluit
+het begrip van het andere niet in zich.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma" id="d1a6">
+<p>VI. Een ware voorstelling moet met het door haar voorgestelde
+overeenkomen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma" id="d1a7">
+<p>VII. Van al wat als niet-bestaande gedacht kan worden, sluit het
+wezen ook geen bestaan in zich.</p>
+</div>
+
+
+
+<h4>STELLINGEN</h4>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s1">
+<p><i>Stelling I.</i></p>
+
+<p>Een substantie gaat van nature v&oacute;&oacute;r hare
+openbaringen.<a id="aantag8" href="#aanteken8">[A8]</a></p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt uit de Definities III en V.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s2">
+<p><i>Stelling II.</i></p>
+
+<p>Twee substanties, met verschillende attributen, hebben niets met
+elkaar gemeen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt eveneens uit Definitie III. Elk van beide immers moet
+op-zichzelf bestaan en uit zichzelf worden begrepen, ofwel: het
+begrip van de eene sluit het begrip van de andere niet in zich.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s3">
+<p><i>Stelling III.</i></p>
+
+<p>Van dingen die niets met elkaar gemeen hebben, kan het eene niet
+de oorzaak zijn van het andere.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wanneer zij niets met elkaar gemeen hebben, kunnen zij (<i>volgens
+<a href="#d1a5">Ax. V</a></i>) evenmin uit elkaar verklaard worden en kan dus (<i>volgens
+<a href="#d1a4">Ax. IV</a></i>) het eene niet de oorzaak zijn van het andere. Hetgeen
+te bewijzen was.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s4">
+<p><i>Stelling IV.</i></p>
+
+<p>Twee of meer verschillende dingen zijn van elkaar onderscheiden
+&ograve;f door een verschil in attributen van substanties &ograve;f door een
+verschil in openbaringen dier substanties.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Al wat is, is in zichzelf of in iets anders (<i><a href="#d1a1">Ax. I</a></i>); dat wil
+zeggen (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. III</a> en
+<a href="#d1d5">V</a></i>): buiten ons verstand is er niets
+gegeven behalve substanties en hunne openbaringen. Derhalve is er
+ook buiten het verstand niets gegeven waardoor verschillende
+dingen onderling kunnen verschillen, behalve substanties, of, wat
+hetzelfde is (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. IV</a></i>), behalve hunne attributen en hunne
+bestaanswijzen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s5">
+<p><i>Stelling V.</i></p>
+
+<p>In de wereld der dingen<a id="aantag9" href="#aanteken9">[A9]</a>
+kunnen niet twee of meer substanties
+van denzelfden aard of met eenzelfde attribuut bestaan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Indien er meerdere, verschillende bestonden, zouden zij van
+elkaar onderscheiden moeten zijn &ograve;f door een verschil in
+attributen &ograve;f door een verschil van bestaanswijzen (<i>vlg. <a href="#d1s4">de
+voorgaande Stelling</a></i>). Indien zij zich slechts onderscheidden
+door een verschil in attributen, ware hiermede reeds toegegeven
+dat er slechts &eacute;&eacute;n substantie met &eacute;&eacute;nzelfde attribuut bestaan
+kan. Maar indien zij zich onderscheidden door een verschil in
+bestaanswijzen, zou g&eacute;&eacute;n substantie--aangezien toch (<i>vlg. <a href="#d1s1">St.
+I</a></i>) een substantie van nature gaat v&oacute;&oacute;r hare
+bestaanswijzen,--afgezien van hare bestaanswijzen en op zich zelf
+beschouwd, dat wil zeggen (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. III</a>
+en <a href="#d1a4">Ax. VI</a></i>) naar
+waarheid beschouwd, gedacht kunnen worden als onderscheiden van
+een andere, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s4">de voorgaande St.</a></i>): er zouden niet
+meerdere kunnen bestaan doch slechts &eacute;&eacute;n enkele. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s6">
+<p><i>Stelling VI.</i></p>
+
+<p>Een substantie kan niet door een andere substantie worden
+voortgebracht.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>In de wereld der dingen kunnen (<i>vlg. <a href="#d1s5">de voorgaande St.</a></i>) geen
+twee substanties bestaan met eenzelfde attribuut, d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d1s2">St. II</a></i>) welke iets met elkaar gemeen hebben. En derhalve kan
+(<i>vlg. <a href="#d1s3">St. III</a></i>) de eene niet de oorzaak zijn van de andere,
+ofwel kan de eene niet door de andere worden voortgebracht.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s6g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat een substantie niet door iets
+ anders kan worden voortgebracht. Want in de wereld der
+ dingen is niets gegeven als substanties en hunne
+ bestaanswijzen, gelijk blijkt uit Ax. I en Def. III en V.
+ Door een substantie echter kan zij (<i>vlg. <a href="#d1s5">de voorgaande
+ St.</a></i>) ook niet worden voortgebracht. Derhalve kan een
+ substantie ook met geen mogelijkheid door iets anders
+ worden voortgebracht. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+<div class="anders">
+<p><i>Anders.</i></p>
+
+<p>Gemakkelijker nog valt dit te bewijzen uit de ongerijmdheid van
+het tegendeel. Want indien een substantie w&egrave;l door iets anders
+kon worden voortgebracht, zou haar begrip (<i>vlg. <a href="#d1a4">Ax. IV</a></i>) van het
+begrip harer oorzaak afhangen en zou zij derhalve (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def.
+III</a></i>) ook geen substantie zijn.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s7">
+<p><i>Stelling VII.</i></p>
+
+<p>Tot het wezen eener substantie behoort het bestaan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een substantie kan niet door iets anders worden voortgebracht
+(<i><a href="#d1s6">Gevolg van de voorgaande St.</a></i>) zij moet dus haarszelfs-oorzaak
+zijn, dat wil zeggen (<i>volgens <a href="#d1d1">Def. I</a></i>): haar wezen sluit met
+noodwendigheid het bestaan in zich, ofwel het bestaan behoort tot
+haar wezen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s8">
+<p><i>Stelling VIII.</i></p>
+
+<p>Elke substantie is noodwendig oneindig.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een substantie met een bepaald attribuut is &eacute;&eacute;nig
+(<i>vlg. <a href="#d1s5">St. V</a></i>)
+en het bestaan behoort tot haar wezen (<i>vlg. <a href="#d1s7">St. VII</a></i>). Het moet
+dus tot haar wezen behooren &ograve;f eindig &ograve;f oneindig te bestaan.
+Echter niet eindig. Want zij zou dan (<i>vlg. <a href="#d1d2">Def. II</a></i>) beperkt
+worden door iets van denzelfden aard, dat eveneens (<i>vlg. <a href="#d1s7">St.
+VII</a></i>) met noodwendigheid zou moeten bestaan en derhalve zouden er
+tw&eacute;&eacute; substanties met &eacute;&eacute;nzelfde attribuut zijn, hetgeen ongerijmd
+is (<i>vlg. <a href="#d1s5">St. V</a></i>). Zij bestaat dus oneindig. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking I:</i> Aangezien "eindig zijn" in zekeren zin
+ eigenlijk een ontkenning is en "oneindig zijn" een
+ volstrekte bevestiging van het bestaan van eenig wezen,
+ volgt ook alleen reeds uit Stelling VII dat elke
+ substantie oneindig moet zijn.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d1s8o2">
+ <p><i>Opmerking II:</i> Ik twijfel er niet aan of allen die
+ verward, over de dingen oordeelen, noch gewend zijn tot
+ hunne eerste oorzaken door te dringen, zal het moeilijk
+ vallen het bewijs van Stelling VII te begrijpen; en wel
+ omdat zij niet onderscheiden tusschen de bestaanswijzen
+ van substanties en substanties zelf en al evenmin weten
+ hoe de dingen worden voortgebracht. Vandaar dat zij ook
+ aan substanties een begin toedichten, gelijk zij dit bij
+ de natuurlijke dingen zien. Immers wie de ware oorzaken
+ der dingen niet kennen, verwarren alles en stellen zich
+ zonder eenig verzet des verstands v&oacute;&oacute;r, dat boomen
+ evenals menschen spreken of dat menschen evengoed uit
+ steenen als uit zaad ontspruiten en verbeelden zich dat
+ alle mogelijke vormen in alle mogelijke andere kunnen
+ veranderen. Evenzoo kennen diegenen, die de goddelijke
+ natuur met de menschelijke verwarren, lichtelijk aan God
+ menschelijke gemoedsaandoeningen toe, vooral zoolang zij
+ nog niet weten hoe de aandoeningen in het gemoed
+ ontstaan. Indien de menschen evenwel op het wezen der
+ substantie wilden letten, zouden zij allerminst aan de
+ waarheid der zevende Stelling twijfelen; integendeel,
+ deze stelling zou voor allen een grondwaarheid zijn en
+ tot de algemeen bekende zaken gerekend worden. Want onder
+ substantie zouden zij dan verstaan datgene wat op
+ zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen moet worden,
+ dat wil zeggen datgene, welks begrip de kennis van iets
+ anders niet van noode heeft. Onder wijzigingen evenwel
+ datgene, wat in iets anders is en welks begrip gevormd
+ wordt uit het begrip van datgene waarin het is: zoodat
+ wij ware voorstellingen kunnen hebben van niet-bestaande
+ wijzigingen, aangezien, ofschoon zij niet feitelijk
+ buiten het verstand bestaan, toch hun wezen aldus in iets
+ anders is vervat, dat zij daaruit begrepen kunnen worden.
+ De waarheid van substanties echter bestaat buiten het
+ verstand niet anders dan in henzelf, daar zij slechts uit
+ zichzelf begrepen worden. Indien derhalve iemand zeide
+ dat hij een heldere en duidelijke, dat wil zeggen ware
+ voorstelling eener substantie had, maar nochtans
+ twijfelde of een zoodanige substantie wel bestond, zou
+ dit voorzeker hetzelfde zijn alsof hij beweerde een ware
+ voorstelling te hebben, maar nochtans te twijfelen of zij
+ niet valsch zou zijn (hetgeen den genoegzaam oplettenden
+ lezer duidelijk zal zijn). Evenzoo zou iemand die
+ verkondigde dat een substantie geschapen was, daarmee
+ tevens beweren dat een valsche voorstelling waar geworden
+ was, dwazer dan hetwelk men zich niets kan denken; <span id="d1s8o2_1">zoodat
+ men noodzakelijk moet erkennen dat het bestaan eener
+ substantie, evengoed als haar wezen, een eeuwige waarheid
+ is</span>. En hieruit kunnen wij op nog een andere wijze de
+ gevolgtrekking maken dat er slechts &eacute;&eacute;ne enkele
+ substantie van denzelfden aard bestaat, hetgeen ik der
+ moeite waard acht hier nader aan te toonen.</p>
+
+ <p>Opdat ik dit evenwel naar behooren zal kunnen doen, moet
+ ik ten eerste opmerken dat de juiste definitie van een of
+ andere zaak niets anders insluit of uitdrukt dan den aard
+ dier te bepalen zaak. <a id="d1s8o2o2">Waaruit volgt dit tweede</a>: te weten
+ dat geen enkele definitie een bepaald aantal enkeldingen
+ insluit of uitdrukt, aangezien zij niets anders uitdrukt
+ dan den &aacute;&aacute;rd der bepaalde zaak. Zoo drukt bijvoorbeeld de
+ definitie van een driehoek niets anders uit dan eenvoudig
+ den aard van den driehoek, maar geenszins een zeker
+ aantal driehoeken. <a id="d1s8o2o3">Ten derde</a> moet worden opgemerkt dat er
+ noodzakelijk voor ieder bestaand ding een bepaalde
+ oorzaak moet zijn waard&oacute;&oacute;r het bestaat. <a id="d1s8o2o4">Eindelijk bedenke
+ men ten vierde</a> dat deze oorzaak waardoor iets bestaat &ograve;f
+ gelegen moet zijn in den aard en de definitie zelf der
+ bestaande zaak (voorzoover althans het bestaan tot dien
+ aard behoort) &ograve;f buiten haar gegeven moet zijn. Dit
+ vastgesteld hebbende, maken wij de gevolgtrekking dat,
+ wanneer er in de natuur een bepaald aantal enkeldingen
+ bestaat, er ook noodwendig een oorzaak moet zijn waarom
+ juist d&igrave;e enkeldingen bestaan en waarom niet meer of
+ minder. Wanneer er bijvoorbeeld in de natuur twintig
+ menschen bestaan (waarbij ik duidelijkheidshalve aanneem
+ dat zij gelijktijdig bestaan en dat er v&oacute;&oacute;r hen geen
+ andere in de natuur bestonden), zal het niet voldoende
+ zijn (als wij namelijk willen verklaren waarom er twintig
+ menschen bestaan) de oorzaak van de menschelijke natuur
+ in het algemeen aan te wijzen, maar zal het bovendien
+ noodzakelijk zijn een oorzaak aan te wijzen waarom er
+ niet meer, noch minder, dan twintig bestaan; aangezien er
+ (<i>vlg. <a href="#d1s8o2o3">de derde opmerking</a></i>) voor elk afzonderlijk
+ noodzakelijk een oorzaak moet zijn waardoor hij bestaat.
+ Maar deze oorzaak kan (<i>volgens <a href="#d1s8o2o2">de tweede</a>
+ en <a href="#d1s8o2o3">derde
+ opmerking</a></i>) niet gelegen zijn in den menschelijken aard
+ zelf, aangezien de juiste definitie van den mensch het
+ getal twintig niet insluit; en dus moet (<i>vlg. <a href="#d1s8o2o4">de vierde
+ opmerking</a></i>) de oorzaak waarom deze twintig menschen
+ bestaan en bijgevolg waarom elk van hen bestaat,
+ noodzakelijk buiten elk van hen gelegen zijn. Men moet
+ derhalve met volkomen zekerheid tot het besluit komen dat
+ datgene, van welks soort meerdere enkeldingen bestaan
+ kunnen, ook noodzakelijk een uitwendige oorzaak moet
+ hebben voor dit bestaan.</p>
+
+ <p>Waar nu reeds tot het wezen eener substantie (gelijk in
+ <a href="#d1s8o2_1">deze Opmerking</a> werd aangetoond) het bestaan behoort, moet
+ ook hare definitie het noodwendig bestaan in zich sluiten
+ en moet men dus bijgevolg uit hare definitie alleen reeds
+ tot haar bestaan besluiten. Uit hare definitie kan
+ evenwel niet (gelijk wij in de tweede en derde opmerking
+ aantoonden) het bestaan van meerdere substanties volgen;
+ volgt derhalve noodzakelijk dat er slechts &eacute;&eacute;n substantie
+ van denzelfden aard bestaat, hetgeen wij ons voorstelden
+ te bewijzen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling IX.</i></p>
+
+<p>Hoe meer werkelijkheid of zijn een of ander ding heeft, des te
+meer attributen komen er aan toe.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt uit Def. IV.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s10">
+<p><i>Stelling X.</i></p>
+
+<p>Elk attribuut eener zelfde substantie moet uit zichzelf begrepen
+kunnen worden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een attribuut immers is datgene, wat het verstand beschouwt als
+uitmakende het wezen eener substantie (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. IV</a></i>);
+dientengevolge moet het (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. III</a></i>) uit zichzelf
+begrijpbaar zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hieruit blijkt dat, ofschoon twee attributen
+ inderdaad als verschillend worden begrepen, dat wil
+ zeggen zonder elkaars hulp, wij toch niet de
+ gevolgtrekking mogen maken dat zijzelf twee Zijnden of
+ twee verschillende substanties zouden zijn; immers het
+ behoort tot den aard eener substantie dat elk harer
+ attributen uit zichzelf begrepen worde; aangezien alle
+ attributen welke zij bezit gelijktijdig en eeuwig in haar
+ aanwezig waren en niet door elkaar kunnen zijn
+ voortgebracht, maar elk van hen de werkelijkheid of het
+ zijn dier substantie uitdrukt. Het is er dus verre van
+ vandaan dat het ongerijmd ware aan &eacute;&eacute;ne substantie
+ meerdere attributen toe te kennen; ja, niets ter wereld
+ is duidelijker dan dat elk Zijnde
+ onder<a id="aantag10" href="#aanteken10">[A10]</a> een of ander
+ attribuut moeten worden begrepen en dat, hoe meer
+ werkelijkheid of zijn het heeft, des te meer attributen,
+ welke zoowel noodwendigheid of eeuwigheid als
+ oneindigheid uitdrukken, het ook moet bezitten; en
+ bijgevolg is ook niets duidelijker, dan dat het volstrekt
+ oneindige Wezen noodzakelijk moet worden omschreven
+ (<i>gelijk wij reeds deden in <a href="#d1d6">Def. VI</a></i>) als een Zijnde dat
+ bestaat uit een oneindig aantal attributen, van welke
+ ieder een bepaald en oneindig wezen uitdrukt. Indien nu
+ echter iemand mocht vragen, aan welke kenteekenen wij dan
+ wel het verschil van substanties kunnen onderscheiden,
+ zoo leze hij de volgende stellingen, welke aantoonen dat
+ er in het Heelal slechts &eacute;&eacute;ne enkele substantie bestaat,
+ welke substantie volstrekt oneindig is, zoodat men naar
+ zulk een kenteeken te vergeefs zou zoeken.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s11">
+<p><i>Stelling XI.</i></p>
+
+<p>God, of de substantie, bestaande uit een oneindig aantal
+attributen, van welke elk een eeuwig en oneindig wezen uitdrukt,
+bestaat noodwendig.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wie dit ontkent, stelle zich voor, zoo hij kan, dat God niet
+bestond. In dit geval zou (<i>vlg. <a href="#d1a7">Ax. VII</a></i>) zijn wezen het bestaan
+niet in zich sluiten. Doch dit is (<i>vlg. <a href="#d1s7">St. VII</a></i>) ongerijmd.
+Derhalve bestaat God noodwendig. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+<div class="anders">
+<p><i>Anders.</i></p>
+
+<p>Van elk ding, wat ook, moet een oorzaak of reden kunnen worden
+aangewezen zoowel waarom het bestaat als waarom het niet bestaat.
+Bij voorbeeld, indien er een driehoek bestaat, moet er een reden
+of oorzaak zijn, waarom hij bestaat; indien hij echter niet
+bestaat, moet er eveneens een reden of oorzaak zijn, welke belet
+dat hij bestaat ofwel welke zijn bestaan opheft. Deze reden of
+oorzaak nu moet &ograve;f in den aard van het ding gelegen zijn, &ograve;f
+daarbuiten. De reden bijvoorbeeld waarom er geen vierkante cirkel
+bestaat, wordt door den aard zelf van den cirkel aangewezen: te
+weten omdat dit een tegenstrijdigheid in zich sluit. Waarom
+daarentegen de substantie wel bestaat, volgt eveneens uit haren
+aard alleen reeds, welke namelijk het bestaan in zich sluit (<i>zie
+<a href="#d1s7">St. VII</a></i>). Doch de reden waarom een cirkel of driehoek bestaat of
+niet bestaat, volgt niet uit hunnen aard, maar uit de orde der
+geheele lichamelijke Natuur; uit deze immers moet het
+voortvloeien of een bepaalde driehoek noodwendig moet bestaan,
+danwel of zijn bestaan op dit oogenblik onmogelijk is. Dit alles
+is uit zichzelf duidelijk. Hieruit volgt dat datgene noodzakelijk
+moet bestaan, waarvan geen reden of oorzaak gegeven is, welke dit
+bestaan zou beletten. Indien er dus geen enkele reden of oorzaak
+zijn kan welke belet dat God bestaat of welke zijn bestaan zou
+opheffen, moet men onvermijdelijk tot het besluit komen dat hij
+met noodwendigheid bestaat. Want indien er wel zulk een reden of
+oorzaak was, moest deze &ograve;f in Gods aard zelf gelegen zijn &ograve;f
+buiten dezen, dat wil zeggen in een andere substantie van anderen
+aard. Want als zij van denzelfden aard was, ware hierdoor reeds
+toegegeven dat God bestond. Maar een substantie die van anderen
+aard ware, zou (<i>vlg. <a href="#d1s2">St. II</a></i>) niets met God gemeen kunnen hebben
+en derhalve diens bestaan noch veroorzaken noch opheffen kunnen.
+Daar dus een reden of oorzaak, welke het goddelijk bestaan kon
+opheffen, niet b&ugrave;iten den goddelijken aard gelegen kan zijn, zou
+zij noodzakelijk (ook indien God niet bestond) in zijnen aard
+gegeven moeten zijn, welke derhalve een tegenstrijdigheid in zich
+zou sluiten. Maar dit te beweren van het volstrekt oneindige en
+hoogst volmaakte wezen, is ongerijmd; derhalve is er noch &igrave;n God
+noch buiten God eenige oorzaak of reden, welke zijn bestaan zou
+kunnen opheffen, zoodat God noodwendig bestaat. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+<div class="anders">
+<p><i>Anders.</i></p>
+
+<p>Niet kunnen bestaan is een teeken van onmacht, wel kunnen bestaan
+daarentegen is een teeken van macht (gelijk vanzelf spreekt).
+Waar nu de dingen welke thans reeds met noodwendigheid bestaan,
+niets anders dan eindige wezens zijn, zouden dus eindige wezens
+machtiger zijn dan het volstrekt oneindige wezen: en dit is
+(<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) ongerijmd; derhalve: &ograve;f er bestaat
+niets, &ograve;f er bestaat ook met noodwendigheid een volstrekt
+oneindig wezen. Maar wijzelf althans bestaan, hetzij in onszelf,
+hetzij in iets anders dat noodwendig bestaat
+(<i>zie <a href="#d1a1">Ax. I</a> en <a href="#d1s7">St.
+VII</a></i>). Derhalve bestaat het volstrekt oneindige wezen, d.w.z. God
+(<i>vlg. <a href="#d1s6">Def. VI</a></i>) ook noodwendig. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> In deze laatste bewijsvoering heb ik Gods
+ bestaan a posteriori<a id="aantag11" href="#aanteken11">[A11]</a>
+ willen aantoonen, opdat het
+ bewijs gemakkelijker kon worden begrepen; niet echter
+ daarom wijl Gods bestaan niet ook a
+ priori<a id="aantag12" href="#aanteken12">[A12]</a> uit
+ hetzelfde beginsel ware af te leiden. Want, aangezien
+ bestaan kunnen een teeken van macht is, volgt hieruit dat
+ hoemeer werkelijkheid aan een of andere zaak toekomt, des
+ te meer vermogen zij in zichzelf heeft om te kunnen
+ bestaan. Derhalve moet ook het volstrekt oneindige wezen,
+ ofwel God, in zichzelf een volstrekt oneindig vermogen
+ hebben om te bestaan en moet hij dus ook onvermijdelijk
+ bestaan. Misschien echter zullen velen niet licht de
+ klaarblijkelijkheid van dit bewijs kunnen inzien, omdat
+ zij gewoon zijn slechts die dingen te beschouwen welke
+ uit uiterlijke oorzaken voortvloeien; van deze dingen nu
+ zien zij diegene welke snel gevormd worden, dat wil
+ zeggen welke gemakkelijk ontstaan, ook weer gemakkelijk
+ te niet gaan; terwijl zij daarentegen die dingen, van
+ welke zij zien dat er meer bij te pas komt, moeilijker te
+ maken oordeelen, dat wil zeggen niet zoo gemakkelijk tot
+ bestaan te brengen. Maar werkelijk, om hen van deze
+ vooroordeelen te bevrijden, behoef ik hier niet aan te
+ toonen in hoeverre het spreekwoord: "wat ras ontstaat,
+ ras vergaat" waar is en evenmin of niet soms, indien men
+ de geheele Natuur beschouwt, alles even gemakkelijk of
+ moeilijk ontstaat. Het is voldoende alleen dit op te
+ merken, dat ik hier niet spreek over dingen welke uit
+ uitwendige oorzaken voortvloeien, doch uitsluitend over
+ substanties, welke (<i>vlg. <a href="#d1s6">St. VI</a></i>) door geen enkele
+ uitwendige oorzaak kunnen worden voortgebracht. Dingen
+ immers, welke uit uitwendige oorzaken voortkomen, hebben,
+ onverschillig of zij uit vele, danwel uit weinige deelen
+ bestaan, al wat zij aan volmaaktheid of werkelijkheid
+ bezitten, te danken aan de werking dier uitwendige
+ oorzaak, zoodat hun bestaan alleen uit de volmaaktheid
+ dier uitwendige oorzaak, niet echter uit hunne eigene
+ ontspringt. Daarentegen is de substantie, wat zij van
+ volmaaktheid bezit, aan geen enkele uitwendige oorzaak
+ verschuldigd, zoodat ook haar bestaan uit eigen aard
+ alleen moet volgen en dus niets anders is als haar wezen
+ zelf. Volmaaktheid heft dus het bestaan van een ding niet
+ op, maar integendeel, zij vooronderstelt het;
+ onvolmaaktheid daarentegen kan het opheffen; en derhalve
+ kunnen wij van het bestaan van g&eacute;&eacute;n ding zekerder zijn
+ dan van het bestaan van het volstrekt oneindige of
+ volmaakte wezen, dat is God. Want aangezien diens wezen
+ alle onvolmaaktheid uitsluit, maar de volstrekte
+ volmaaktheid insluit, heft het daardoor alle aanleiding
+ tot twijfel omtrent zijn bestaan op en geeft het
+ hieromtrent de grootst mogelijke zekerheid; hetgeen naar
+ ik geloof, voor elk die maar even oplet, duidelijk zal
+ zijn.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s12">
+<p><i>Stelling XII.</i></p>
+
+<p>Geen attribuut eener substantie kan naar waarheid zoodanig worden
+beschouwd, dat de deelbaarheid dier substantie hieruit zou kunnen
+worden afgeleid.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers de deelen in welke een aldus gedachte substantie verdeeld
+zou kunnen worden, zullen &ograve;f den aard dier substantie behouden &ograve;f
+niet. In het eerste geval zou (<i>vlg. <a href="#d1s8">St. VIII</a></i>) elk dier deelen
+oneindig moeten zijn en (<i>vlg. <a href="#d1s6">St. VI</a></i>) zijns zelfs oorzaak,
+terwijl zij (<i>vlg. <a href="#d1s6">St. V</a></i>) elk uit een ander attribuut zouden
+moeten bestaan; derhalve zouden er uit &eacute;&eacute;n substantie meerdere
+gevormd kunnen worden, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s6">St. VI</a></i>) ongerijmd is. Voeg
+hierbij dat deze deelen (<i>vlg. <a href="#d1s2">St. II</a></i>) niets gemeen zouden
+hebben met hun geheel en het geheel (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. IV</a>
+en <a href="#d1s10">St. X</a></i>)
+zonder zijn deelen zoowel zou kunnen bestaan als begrepen worden,
+dan zal niemand kunnen twijfelen aan de ongerijmdheid hiervan.
+<a id="d1s12b_2">Stellen wij echter het tweede geval</a>, namelijk dat de deelen den
+aard dier substantie n&igrave;et behielden, zoo zou de substantie,
+wanneer zij in gelijke deelen verdeeld werd, haren aard verliezen
+en ophouden te bestaan, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s7">St. VII</a></i>) ongerijmd is.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s13">
+<p><i>Stelling XIII.</i></p>
+
+<p>De volstrekt oneindige substantie is ondeelbaar.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers indien zij deelbaar ware, zouden de deelen waarin zij
+verdeeld kon worden &ograve;f den aard der volstrekt oneindige
+substantie behouden &ograve;f niet. In het eerste geval zouden er dus
+meerdere substanties van denzelfden aard bestaan, hetgeen (<i>vlg.
+<a href="#d1s5">St. V</a></i>) ongerijmd is. Indien het tweede ondersteld werd, zou het
+mogelijk worden (<i>zie <a href="#d1s12b_2">hierboven</a></i>) dat de volstrekt oneindige
+substantie ophield te bestaan, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) eveneens
+ongerijmd is.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s13g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat geen enkele substantie en
+ bijgevolg geen enkele lichamelijke substantie, deelbaar
+ is voorzoover zij een substantie is.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Dat een substantie ondeelbaar is, kan op nog
+ eenvoudiger wijze worden ingezien alleen reeds hieruit,
+ dat de aard eener substantie niet anders dan als oneindig
+ gedacht kan worden en dat men zich een deel eener
+ substantie niet anders kan denken dan als een eindige
+ substantie, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s8">St. VIII</a></i>) een
+ klaarblijkelijke tegenstrijdigheid in zich sluit.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s14">
+<p><i>Stelling XIV.</i></p>
+
+<p>Buiten God kan geen andere substantie bestaan noch gedacht
+worden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p id="d1s14b_0">Daar God (<i>vlg.
+<a href="#d1d6">Def. VI</a></i>) het volstrekt oneindige wezen is, aan
+wien geen enkel attribuut dat het wezen eener substantie uitdrukt
+kan worden ontzegd, en daar hij (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) noodwendig
+bestaat, zou, indien er eenige andere substantie buiten God
+bestond, deze uit een of ander attribuut Gods verklaard moeten
+worden, zoodat er twee substanties met hetzelfde attribuut zouden
+bestaan, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s5">St. V</a></i>) ongerijmd is; derhalve kan er
+geen enkele substantie buiten God bestaan, bijgevolg evenmin
+gedacht worden. Want als zij denkbaar was, moest zij noodzakelijk
+gedacht worden als bestaande en dit is (<i>volgens <a href="#d1s14b_0">het eerste
+gedeelte van dit bewijs</a></i>) ongerijmd. Dus kan er buiten God geen
+andere substantie bestaan noch gedacht worden. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s14g1">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt eerstens ten duidelijkste dat
+ God eenig is, dat wil zeggen (<i>vlg. <a href="#d1d6">Def. VI</a></i>) dat er in
+ de wereld der dingen niet anders dan &eacute;&eacute;n substantie
+ bestaan kan en dat deze volstrekt oneindig is, gelijk wij
+ in de Opmerking bij Stelling X reeds aanduidden.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Ten tweede volgt er uit dat het Uitgebreide
+ en het Denkende &ograve;f attributen van God zijn, &ograve;f (<i>vlg. <a href="#d1a1">Ax.
+ I</a></i>) openbaringen van Gods attributen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s15">
+<p><i>Stelling XV.</i></p>
+
+<p>Al wat is, is in God en niets is zonder God bestaanbaar noch
+denkbaar.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Buiten God kan (<i>vlg. <a href="#d1s14">St. XIV</a></i>) geen substantie bestaan noch
+gedacht worden; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. III</a></i>) geen ding dat op
+zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen kan worden.
+Bestaanswijzen evenwel kunnen (<i>vlg. <a href="#d1d5">Def. V</a></i>) zonder een
+substantie noch bestaan noch gedacht worden, zoodat deze
+uitsluitend hieruit begrepen kunnen worden. Maar buiten
+substantie en bestaanswijzen is er niets (<i>vlg. <a href="#d1a1">Ax. I</a></i>). Derhalve
+is niets zonder God bestaanbaar noch denkbaar. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d1s15o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Er zijn lieden, die zich verbeelden dat God,
+ evenals een mensch, uit een lichaam en een ziel bestaat
+ en onderhevig is aan
+ hartstochten<a id="aantag13" href="#aanteken13">[A13]</a>; hoeverre deze
+ evenwel van de ware kennisse Gods afdwalen blijkt
+ voldoende uit het reeds betoogde. Doch hen ga ik voorbij:
+ immers allen die op eenigerlei wijze over het wezen der
+ godheid hebben nagedacht, ontkennen dat God lichamelijk
+ is. Hetwelk zij zelfs zeer goed bewijzen hieruit, dat wij
+ onder een lichaam verstaan een of andere grootheid, met
+ lengte, breedte en diepte en door een bepaalden vorm
+ begrensd; ongerijmder dan hetwelk niets van God, te weten
+ het volstrekt oneindige wezen, gezegd zou kunnen worden.
+ Maar niettemin laten zij anderzijds uit andere gronden,
+ waarop zij hetzelfde trachten te bewijzen, ten
+ duidelijkste blijken dat zij een lichamelijke of
+ uitgebreide substantie geheel vreemd aan Gods wezen
+ achten, maar deze als door hem geschapen beschouwen.
+ Waar&ugrave;it evenwel het goddelijk vermogen haar zou hebben
+ kunnen scheppen, weten zij wederom niet te zeggen;
+ waaruit duidelijk blijkt dat zij datgene, wat zijzelf
+ beweren niet begrijpen. Ik heb tenminste, naar mij dunkt,
+ duidelijk genoeg bewezen (<i>zie <a href="#d1s6g">Gevolg St. VI</a>
+ en <a href="#d1s8o2">Opmerking
+ II bij St. VIII</a></i>) dat g&eacute;&eacute;n substantie door iets anders
+ kan worden voortgebracht of geschapen. Wijders hebben wij
+ in Stelling XIV aangetoond dat er buiten God geen
+ substantie bestaanbaar noch denkbaar is en daaruit
+ maakten wij de gevolgtrekking dat de Uitgebreidheid &eacute;&eacute;n
+ der oneindig vele attributen Gods is. Nochtans zal ik,
+ tot vollediger verduidelijking, de gronden mijner
+ tegenstanders weerleggen. Zij komen alle hierop neer:</p>
+
+ <p><i>Ten eerste:</i> dat de lichamelijke substantie, voor zoover
+ zij substantie is, naar hunne meening uit deelen bestaat,
+ en daarom ontkennen zij dat deze oneindig zijn en
+ dientengevolge tot Gods wezen behooren kan. En dit
+ lichten zij toe met vele voorbeelden, van welke ik er
+ enkele zal aanhalen. Indien de lichamelijke substantie,
+ zoo zeggen zij, oneindig is, stelle men zich haar eens
+ voor verdeeld in twee deelen; elk dier deelen zal dan &ograve;f
+ eindig &ograve;f oneindig zijn. In het eene geval zou dus het
+ oneindige uit twee deelen bestaan, hetgeen ongerijmd is.
+ In het andere zou er iets oneindigs bestaan, twee maal
+ zoo groot als iets anders dat &oacute;&oacute;k oneindig was; hetgeen
+ eveneens ongerijmd is.</p>
+
+ <p><i>Vervolgens:</i> indien men een oneindige
+ grootheid<a id="aantag14" href="#aanteken14">[A14]</a>
+ uitmeet in deelen van een voet, zal zij uit een oneindig
+ aantal van dergelijke deelen moeten bestaan; hetzelfde
+ zal echter ook het geval zijn indien men haar verdeelt in
+ stukken van een duim; derhalve zou het eene oneindige
+ aantal twaalf maal zoo groot zijn als het andere
+ oneindige aantal.</p>
+
+ <p><i>Tenslotte:</i> Indien men zich voorstelt dat uit een punt A
+ van een of andere oneindige grootheid twee lijnen, AB en
+ AC, waarbij B en C aanvankelijk op meetbaren afstand van
+ elkaar liggen, tot in het oneindige verlengd worden, zoo
+ is het zeker dat de afstand tusschen B en C steeds zal
+ toenemen en eindelijk van bepaald onmeetbaar zal worden.
+ Daar nu, naar zij meenen, deze ongerijmdheden het gevolg
+ zijn van de onderstelling eener oneindige grootheid,
+ maken zij hieruit de gevolgtrekking dat de lichamelijke
+ substantie eindig moet zijn en dientengevolge niet tot
+ Gods wezen kan behooren.</p>
+
+ <p>Een tweede bewijsvoering gaat eveneens uit van Gods
+ opperste volmaaktheid. Immers God, zoo zeggen zij, het
+ meest volmaakte wezen, kan niet lijden: evenwel kan de
+ lichamelijke substantie, daar zij deelbaar is, w&egrave;l
+ lijden; waaruit dus volgt dat zij niet tot Gods wezen
+ behoort.</p>
+
+ <p>Deze zijn de bewijsvoeringen welke ik bij verschillende
+ schrijvers vind en door welke zij trachten aan te toonen
+ dat de lichamelijke substantie het goddelijk wezen
+ onwaardig is en daartoe niet kan behooren. Maar
+ inderdaad, wie goed heeft opgelet, zal inzien dat ik
+ hierop eigenlijk reeds heb geantwoord; aangezien deze
+ bewijzen slechts hierop berusten d&agrave;t zij vooronderstellen
+ dat de lichamelijke substantie uit deelen bestaat,
+ waarvan ik de ongerijmdheid reeds heb aangetoond. (<i>Zie
+ <a href="#d1s12">St. XII</a> en
+ <a href="#d1s13g">Gevolg St. XIII</a></i>). Wie vervolgens de zaak
+ behoorlijk overweegt, zal bevinden dat al die
+ ongerijmdheden (indien zij overigens alle ongerijmd zijn,
+ waarover ik hier niet wil twisten), waaruit zij bewijzen
+ willen dat de uitgebreide substantie eindig is,
+ allerminst d&aacute;&aacute;ruit volgen dat men een oneindige grootheid
+ onderstelt: maar dat zij een <i>meetbare</i> en uit eindige
+ deelen bestaande oneindige grootheid onderstellen. Daarom
+ ook mogen zij uit de ongerijmdheden die hieruit volgen,
+ niets anders besluiten dan dat een oneindige grootheid
+ <i>niet</i> meetbaar is en dat zij niet uit eindige deelen kan
+ bestaan. Maar dit is hetzelfde als wat wij hierboven
+ reeds hebben uiteen gezet (<i>zie <a href="#d1s13">St. XIII</a> enz.</i>). Zoodat
+ zij met het wapen dat zij op ons richten, zichzelf
+ treffen. Indien zij dus uit deze hunne ongerijmdheid
+ nochtans willen afleiden dat de uitgebreide substantie
+ eindig moet zijn, gedragen zij zich waarlijk niet anders
+ dan iemand die, omdat hij zich verbeeldt dat een cirkel
+ de eigenschappen van een vierkant heeft, de
+ gevolgtrekking maakt dat een cirkel geen middelpunt
+ bezit, vanwaar uit alle lijnen naar den omtrek getrokken
+ even lang zijn. Want de lichamelijke substantie, welke
+ niet dan oneindig, niet dan eenig en niet dan ondeelbaar
+ gedacht kan worden (<i>Zie <a href="#d1s7">St. VIII</a>,
+ <a href="#d1s5">V</a> en <a href="#d1s12">XII</a></i>), stellen
+ zij zich, terwille van hun gevolgtrekkingen, voor als
+ eindig, uit eindige deelen bestaande, veelvoudig en
+ deelbaar. Zoo zijn er anderen die, nadat zij zich eenmaal
+ hebben verbeeld dat een lijn is samengesteld uit punten,
+ tal van bewijzen weten aan te voeren om aan te toonen dat
+ een lijn niet tot in het oneindige kan worden verdeeld.
+ Maar inderdaad is het niet ongerijmder te
+ vooronderstellen dat de lichamelijke substantie uit
+ lichamen of deelen is samengesteld, dan dat een lichaam
+ uit vlakken, een vlak uit lijnen en tenslotte een lijn
+ uit punten is opgebouwd. Dit zullen allen die weten dat
+ een heldere redeneering onbedriegelijk is, moeten
+ toegeven en allereerst zij die erkennen dat er geen ledig
+ bestaat. Want indien de lichamelijke substantie aldus
+ verdeeld kon worden en hare deelen in werkelijkheid van
+ elkaar gescheiden waren, waarom zou dan niet &eacute;&eacute;n deel
+ vernietigd kunnen worden en de overige toch, evenals
+ daarvoor, met elkaar verbonden blijven? En waarom zouden
+ zij zich alle zoodanig aan elkaar voegen dat er geen
+ ledig ontstond? Het is duidelijk dat van dingen, die
+ werkelijk van elkaar afgescheiden zijn, het eene zonder
+ het andere kan bestaan en in zijn bestaan volharden. Waar
+ nu evenwel in de Natuur geen ledig bestaan kan (waarover
+ elders), waar alle deelen zoodanig moeten samenwerken dat
+ er geen ledig gevormd worde, volgt hieruit ook dat deze
+ deelen niet werkelijk kunnen worden gescheiden, dat wil
+ zeggen dat de lichamelijke substantie, voorzoover zij
+ substantie is, niet verdeeld kan worden. Indien nu toch
+ iemand vroeg, waarom wij dan van nature zoo geneigd zijn
+ een grootheid te verdeelen, zoo zou ik hem antwoorden dat
+ een grootheid door ons op twee wijzen wordt opgevat, te
+ weten abstract<a id="aantag15" href="#aanteken15">[A15]</a>
+ en oppervlakkig, zooals wij ons haar
+ nl. voorstellen<a id="aantag16" href="#aanteken16">[A16]</a>,
+ &ograve;f als een substantie, hetgeen
+ uitsluitend door de Rede geschiedt. Indien wij dus letten
+ op een grootheid zooals zij zich voordoet in onze
+ voorstelling, hetgeen dikwijls en het gemakkelijkst door
+ ons gedaan wordt, zal zij eindig, deelbaar en uit deelen
+ samengesteld bevonden worden; indien wij haar echter
+ beschouwen zooals zij in ons verstand is en haar opvatten
+ als een substantie, wat zeer moeilijk is, dan zal
+ zij--gelijk wij reeds voldoende aantoonden--oneindig,
+ eenig en ondeelbaar bevonden worden. Hetgeen allen die
+ weten te onderscheiden tusschen voorstelling en verstand,
+ duidelijk genoeg zal zijn, vooral indien men er ook op
+ let dat de stof overal dezelfde is en dat er geen deelen
+ in haar te onderscheiden vallen, tenzij voorzoover wij
+ ons de stof op verschillende wijzen gewijzigd denken, en
+ welk geval wij die deelen slechts als bestaansvormen
+ onderscheiden maar niet wezenlijk. Zoo beschouwen wij
+ bijvoorbeeld water, voor zoover het water is, als
+ deelbaar en zijn deelen als van elkaar afzonderbaar; niet
+ echter voorzoover het lichamelijke substantie is, als
+ zoodanig immers kan het noch gescheiden, noch verdeeld
+ worden. Voorts kan water, voorzoover het water is
+ ontstaan en vergaan, terwijl het als substantie noch
+ ontstaat noch vergaat. En hiermede geloof ik ook op het
+ tweede bewijs geantwoord te hebben; aangezien ook dit
+ gegrond was op de onderstelling dat de stof, als
+ substantie, deelbaar en uit deelen samengesteld zou zijn.</p>
+
+ <p>Doch al ware dit alles ook niet zooals ik zeg, dan
+ begrijp ik nog niet waarom de lichamelijke substantie het
+ goddelijk wezen onwaardig zou zijn: aangezien er toch
+ (<i>vlg. <a href="#d1s14">St. XIV</a></i>) buiten God geen substantie bestaan kan
+ aan welke hij onderworpen zou kunnen zijn. Alles, zeg ik,
+ is in God en al wat geschiedt, geschiedt uitsluitend
+ krachtens de wetten van Gods oneindige wezen en vloeit
+ uit de noodwendigheid daarvan voort (hetgeen ik straks
+ zal aantoonen); zoodat er geen enkele reden bestaat om te
+ zeggen dat God aan iets anders onderworpen zou zijn of
+ dat de uitgebreide substantie den goddelijken aard
+ onwaardig ware, zelfs al werd zij verondersteld deelbaar
+ te zijn, zoolang men haar slechts als eeuwig en oneindig
+ beschouwt. Doch hierover voor het oogenblik genoeg.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s16">
+<p><i>Stelling XVI.</i></p>
+
+<p>Uit de noodwendigheid van den goddelijken aard moeten oneindig
+veel dingen op oneindig vele wijzen voortvloeien, dat is al wat
+een oneindig verstand kan omvatten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze stelling moet een ieder duidelijk zijn zoo hij er slechts op
+let dat het verstand uit de gegeven definitie van eene of andere
+zaak verschillende eigenschappen afleidt welke ook in
+werkelijkheid uit haar (dat wil zeggen uit het wezen zelf dier
+zaak) met noodwendigheid voortvloeien en wel des te meer naarmate
+de definitie dier zaak meer werkelijkheid uitdrukt, dat wil
+zeggen hoemeer werkelijkheid het wezen der omschreven zaak
+insluit. Daar nu de goddelijke aard een volstrekt oneindig aantal
+attributen heeft (<i>vlg. <a href="#d1d6">Def. VI</a></i>), van welke elk een in zijn
+soort oneindig wezen uitdrukt, moeten ook uit Gods noodwendigheid
+oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen (dat is al wat een
+oneindig verstand kan omvatten) noodzakelijk voortvloeien.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s16g1">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt dat God van alle dingen welke
+ een oneindig verstand kan omvatten, de bewerkende
+ oorzaak<a id="aantag17" href="#aanteken17">[A17]</a> is.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Er volgt ten tweede uit dat God oorzaak is
+ uit-zich-zelf en niet slechts toevallig<a id="aantag18" href="#aanteken18">[A18]</a>.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg III:</i> Er volgt ten derde uit dat God de volstrekt
+ eerste oorzaak is.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XVII.</i></p>
+
+<p>God handelt uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen aard
+en door niets genoodzaakt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dat uit de noodwendigheid van den goddelijken aard alleen, of
+(wat hetzelfde is) uitsluitend uit de wetten van dien aard,
+onvermijdelijk een oneindig aantal dingen volgt, hebben wij
+zooeven in Stelling XVI aangetoond, terwijl wij in Stelling XV
+bewezen dat niets zonder God bestaan noch gedacht worden kan,
+maar dat alles in God is; zoodat er niets buiten hem zijn kan
+waardoor hij tot handelen genoopt of gedwongen kon worden; en zoo
+handelt dus God uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen
+aard en door niets genoodzaakt. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s17g1">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt ten eerste dat er geen enkele
+ oorzaak, behalve de volmaaktheid van zijn eigen aard,
+ zijn kan, welke God van buiten af of van binnen uit tot
+ handelen zou aandrijven.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s17g2">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Er volgt ten tweede uit dat alleen God een
+ vrije oorzaak is. God immers is het eenige dat krachtens
+ de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat (<i>vlg. <a href="#d1s11">St.
+ XI</a> en <a href="#d1s14g1">Gevolg I van St. XIV</a></i>) en dat uitsluitend krachtens
+ de noodwendigheid van zijnen aard handelt (<i>vlg.
+ <a href="#d1s16">voorgaande St.</a></i>) en derhalve
+ (<i>vlg. <a href="#d1d7">Def. VII</a></i>) is alleen
+ hij een vrije oorzaak. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d1s17o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Sommigen meenen dat God een vrije oorzaak
+ is, omdat hij, naar zij gelooven, zou kunnen bewerken dat
+ datgene, hetwelk naar wij zeiden uit zijn aard volgt,
+ d.w.z. datgene wat in zijn vermogen ligt, <i>niet</i>
+ geschiedde, ofwel <i>niet</i> door hem werd voortgebracht.
+ Doch dit is hetzelfde alsof zij zeiden dat God kan
+ bewerken dat uit den aard eens driehoeks niet zou volgen
+ dat de som zijner driehoeken gelijk is aan twee rechten
+ of dat uit een gegeven oorzaak geen uitwerking zou
+ voortvloeien; hetgeen ongerijmd is. Verderop zal ik
+ zonder behulp van deze stelling aanloonen, dat noch
+ verstand, noch wil tot Gods aard behooren. Ik weet wel
+ dat er velen zijn die gelooven te kunnen bewijzen, dat
+ tot Gods aard het hoogste verstand en een vrije wil
+ behooren: immers zij kennen niets volmaakters, zoo zeggen
+ zij bij zichzelf, dat zij aan God zouden kunnen
+ toeschrijven, dan datgene wat in onszelf het meest
+ volmaakte is. Maar niettegenstaande zij God opvatten als
+ werkelijk het hoogste verstand, gelooven zij toch niet
+ dat hij al wat hij denkt, inderdaad tot bestaan kan
+ brengen, want zij meenen op deze wijze Gods macht te
+ verkleinen. Indien hij alles, zoo zeggen zij, wat zijn
+ verstand bevat, ook werkelijk had geschapen, zou er niets
+ meer te scheppen zijn, hetgeen zij in strijd achten met
+ Gods almacht; en daarom nemen zij liever aan dat God ten
+ opzichte van alle dingen onverschillig is en niets anders
+ schept dan datgene wat hij in beperkte wil[lekeur]
+ besluit te scheppen. Ik meen evenwel duidelijk genoeg te
+ hebben aangetoond (<i>Zie <a href="#d1s16">St. XVI</a></i>) dat uit Gods alvermogen
+ of uit zijn oneindigen aard, oneindig veel dingen op
+ oneindig veel wijzen, dat wil zeggen alles, met
+ noodwendigheid voortvloeien of steeds met dezelfde
+ noodwendigheid volgen; op dezelfde wijze als uit den aard
+ van den driehoek van eeuwigheid tot eeuwigheid volgt dat
+ de som zijner drie hoeken gelijk is aan twee rechten.
+ Daarom is Gods almacht ook werkzaam geweest van alle
+ eeuwigheid af en zal zij tot in eeuwigheid even werkzaam
+ blijven. En op deze wijze wordt, ten minste mijns
+ inziens, Gods almacht veel volmaakter voorgesteld.
+ Jazelfs schijnen mijn tegenstanders Gods almacht (om het
+ maar eerlijk te zeggen) te loochenen. Immers zij zijn
+ gedwongen te erkennen dat God een oneindig aantal
+ mogelijke schepselen denkt, welke hij nochtans nooit zal
+ kunnen scheppen. Want anders, namelijk wanneer hij al wat
+ hij dacht ook schiep, zou hij, volgens henzelf, zijn
+ eigen macht uitputten en zichzelf onvolmaakt maken. Om
+ dus te bewijzen dat God volmaakt is, komen zij er toe
+ tegelijkertijd te betoogen dat hij niet alles kan
+ uitvoeren waarover zijn vermogen zich uitstrekt;
+ ongerijmder, of meer in strijd met Gods almacht, dan
+ hetwelk mij niets te verzinnen lijkt.</p>
+
+ <p>Om hier voorts nog iets te zeggen over het verstand en
+ den wil, welke wij gewoonlijk aan God toekennen: indien
+ verstand en wil tot Gods eeuwige wezen behooren, moet
+ onder beide eigenschappen zeker heel iets anders worden
+ verstaan dan de menschen gewoonlijk doen. Want een
+ verstand en een wil welke Gods wezen uitmaakten zouden
+ hemelsbreed van &ograve;ns verstand en &ograve;nzen wil moeten
+ verschillen; ja, zij zouden in geen enkel opzicht,
+ behalve in den naam, er mede kunnen overeenkomen, niet
+ anders bijvoorbeeld dan het sterrebeeld de Hond
+ overeenkomt met het blaffende dier van dien naam. Wat ik
+ aldus zal bewijzen: Indien het verstand tot den
+ goddelijken aard behoort, zal het niet van nature, zooals
+ &ograve;ns verstand, later dan (gelijk de meesten meenen) of
+ gelijktijdig met de erdoor voorgestelde zaken bestaan,
+ aangezien God krachtens zijne oorzakelijkheid aan alle
+ dingen voorafgaat (<i>vlg. <a href="#d1s16g1">Gevolg I van St. XVI</a></i>). Maar
+ integendeel zijn de waarheid en het werkelijke
+ wezen<a id="aantag19" href="#aanteken19">[A19]</a>
+ der dingen zoo als zij zijn, omdat zij z&oacute;&oacute; in Gods
+ verstand objectief<a id="aantag20" href="#aanteken20">[A20]</a>
+ bestonden. Daarom is ook
+ integendeel Gods verstand, voorzoover het wordt opgevat
+ als behoorende tot Gods wezen, de oorzaak der dingen,
+ zoowel van hun wezen als van hun bestaan; hetgeen ook
+ schijnt te zijn opgemerkt door hen die verzekerden dat
+ Gods verstand, wil en macht &eacute;&eacute;n en hetzelfde zijn.</p>
+
+ <p>Indien nu Gods verstand de eenige oorzaak der dingen is
+ en wel (gelijk wij aantoonden) zoowel van hun wezen als
+ van hun bestaan, moet het zelf noodzakelijk van deze
+ dingen verschillen, zoowel ten opzichte van zijn wezen
+ als ten opzichte van zijn bestaan. Want het veroorzaakte
+ verschilt van zijn oorzaak juist in datgene wat het van
+ zijn oorzaak ontvangen heeft. Zoo is bijvoorbeeld een
+ mensch de oorzaak van het bestaan, niet echter van het
+ wezen van een anderen mensch; dit immers is een eeuwige
+ waarheid: en derhalve kunnen zij in hun wezen geheel
+ overeenkomen, terwijl zij in hun bestaan moeten
+ verschillen; vandaar dat wanneer het bestaan van den een
+ te niet gaat, niet tevens dat van den ander te niet zal
+ gaan; terwijl wanneer het wezen van den een vernietigd
+ kon worden en valsch kon blijken, ook tevens het wezen
+ van den ander vernietigd zou zijn. Daarom moet een ding
+ dat oorzaak is zoowel van het wezen als van het bestaan
+ van een of andere uitwerking, van een zoodanige
+ uitwerking verschillen zoowel ten opzichte van zijn wezen
+ als ten opzichte van zijn bestaan. Maar Gods verstand is
+ de oorzaak zoowel van het wezen als van het bestaan van
+ &ograve;ns verstand: en dus verschilt Gods verstand, voor zoover
+ het wordt opgevat als behoorende tot het goddelijk wezen,
+ van &ograve;ns verstand zoowel ten opzichte van zijn wezen als
+ ten opzichte van zijn bestaan en kan het in geen enkel
+ opzicht, behalve in naam er mede overeenkomen; gelijk wij
+ wilden aantoonen. Wat den wil aangaat kan men denzelfden
+ bewijstrant volgen, zooals een ieder gemakkelijk zal
+ inzien.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XVIII.</i></p>
+
+<p>God is de inwonende, niet echter een buitenstaande oorzaak aller
+dingen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Al wat is, is in God en moet uit God begrepen worden (<i>vlg. <a href="#d1s15">St.
+XV</a></i>). Derhalve is God
+(<i>vlg. <a href="#d1s16g1">Gevolg I St. XVI</a></i>) de oorzaak van de
+dingen die in hem zijn. Dit wat het eerste aangaat. Verder kan er
+buiten God geen enkele substantie bestaan (<i>vlg. <a href="#d1s14">St. XIV</a></i>),
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d3">Def. III</a></i>) iets dat buiten God op zichzelf zou
+bestaan. Dit wat het tweede betreft. God is dus de inwonende,
+niet echter een buitenstaande oorzaak aller dingen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s19">
+<p><i>Stelling XIX.</i></p>
+
+<p>God, of al Gods attributen, zijn eeuwig.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>God immers is (<i>vlg. <a href="#d1d6">Def. VI</a></i>)
+een substantie, welke (<i>vlg. <a href="#d1s11">St.
+XI</a></i>) noodwendig bestaat, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s7">St. VII</a></i>) tot wier aard
+het behoort te bestaan, of (wat hetzelfde is) uit wier definitie
+haar bestaan zelf volgt, en derhalve is God (<i>vlg. <a href="#d1d8">Def. VIII</a></i>)
+eeuwig. Vervolgens moet onder Gods attributen verstaan worden
+datgene wat (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. IV</a></i>) het wezen der goddelijke substantie
+uitdrukt, d.w.z. datgene wat tot de substantie behoort; dit
+alles, zeg ik, behooren deze attributen in te sluiten. Maar tot
+den aard der substantie behoort (<i>gelijk ik reeds in <a href="#d1s7">St. VII</a> heb
+aangetoond</i>) de eeuwigheid; derhalve moet elk dier attributen
+eeuwigheid insluiten en dus zijn zij allen eeuwig. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze stelling is ook zeer duidelijk af te
+ leiden volgens de wijze waarop ik (<i><a href="#d1s11">St. XI</a></i>) Gods bestaan
+ bewezen heb; uit dit bewijs, zeg ik, is gebleken dat Gods
+ bestaan, evenals zijn wezen een eeuwige waarheid is.
+ Voorts heb ik (<i>St. XIX Deel I der Beginselen van
+ Cartesius</i>)<a id="aantag21" href="#aanteken21">[A21]</a>
+ nog op andere wijze Gods eeuwigheid
+ bewezen, welk bewijs ik hier niet behoef te herhalen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XX.</i></p>
+
+<p>Gods bestaan en Gods wezen zijn &eacute;&eacute;n en hetzelfde.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>God en al zijn attributen zijn eeuwig (<i>vlg. <a href="#d1s19">de voorgaande St.</a></i>)
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d8">Def. VIII</a></i>) elk zijner attributen drukt bestaan
+uit. Dezelfde attributen Gods dus, welke (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def. IV</a></i>) Gods
+eeuwig wezen openbaren, ontvouwen tevens zijn eeuwig bestaan,
+d.w.z.: datgene zelf dat het wezen Gods uitmaakt, maakt tevens
+zijn bestaan uit, zoodat dus dit en zijn wezen &eacute;&eacute;n en hetzelfde
+zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt ten eerste dat Gods bestaan,
+ evenals zijn wezen, een eeuwige waarheid is.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s20g2">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Ten tweede volgt er uit dat God of al Gods
+ attributen onveranderlijk zijn. Want als zij wat betreft
+ hun bestaan verandering konden ondergaan, zouden zij
+ tevens (<i>vlg. <a href="#d1s19">de voorgaande St.</a></i>) ten opzichte van hun
+ wezen veranderd worden, d.w.z. (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>)
+ van waar valsch worden, hetgeen ongerijmd is.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s21">
+<p><i>Stelling XXI.</i></p>
+
+<p>Al wat uit den aard op zichzelf<a id="aantag22" href="#aanteken22">[A22]</a>
+van een of ander attribuut
+Gods voortvloeit, moet altijd en oneindig hebben bestaan, met
+andere woorden: krachtens dit attribuut zelf is het eeuwig en
+oneindig.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Neem eens aan, indien ge dit kunt (als ge dit namelijk ontkent)
+dat er iets in een of ander attribuut Gods uit den aard
+opzichzelf van ditzelfde attribuut kon voortvloeien dat eindig
+ware en een beperkt bestaan of duur had, bijvoorbeeld de
+voorstelling van God in het
+Denken<a id="aantag23" href="#aanteken23">[A23]</a>. Het Denken nu bestaat,
+aangezien het voorondersteld wordt een attribuut Gods te zijn,
+noodwendig (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) krachtens zijn oneindigen aard.
+Evenwel wordt het hier, voor zoover het de voorstelling Gods
+omvat, als eindig gesteld. Maar als eindig kan het (<i>vlg. <a href="#d1d2">Def.
+II</a></i>) niet worden begrepen tenzij het door het Denken zelf beperkt
+worde. Niet echter door het Denken zelf voorzoover dit de
+voorstelling Gods vormt, als zoodanig immers wordt het juist
+voorondersteld eindig te zijn; derhalve door het Denken
+voorzoover het <i>niet</i> de voorstelling Gods vormt, welk Denken
+evenwel toch (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) met noodwendigheid moet bestaan; er
+zou dus een Denken bestaan dat de voorstelling Gods niet insloot
+en derhalve zou uit zijnen aard, voor zoover dit niets dan Denken
+is, niet noodzakelijk de voorstelling Gods voortvloeien. (Immers
+er werd &eacute;&eacute;n Denken aangenomen dat de voorstelling Gods w&egrave;l en een
+ander dat haar n&igrave;et omvatte). Dit strijdt tegen het onderstelde.
+Zoodat, wanneer de voorstelling Gods in het Denken, of (want
+tenslotte is het hetzelfde wat men neemt, aangezien de
+bewijsvoering algemeen geldig is) iets anders in eenig ander
+attribuut Gods, uit de noodwendigheid van den aard op-zich-zelf
+van dit attribuut voortvloeit, dit [gevolg] ook noodzakelijk
+oneindig moet zijn. Dit wat het eerste punt betreft.</p>
+
+<p>Voorts kan datgene wat uit de noodwendigheid van den aard eens
+attribuuts aldus voortvloeit, geen beperkten duur hebben. Indien
+ge dit ontkent, stel dan een ding dat uit de noodwendigheid van
+eenig attribuut voortvloeit en bestaat in een of ander attribuut
+Gods, bijvoorbeeld de voorstelling Gods in het Denken en
+onderstel dat het &eacute;&eacute;ns n&igrave;et heeft bestaan of niet bestaan zal.
+Daar nu ondersteld wordt dat het Denken een attribuut Gods is,
+moet het zoowel noodwendig als onveranderlijk bestaan (<i>vlg. <a href="#d1s11">St.
+XI</a> en <a href="#d1s20g2">Gevolg II St. XX</a></i>). Dus zal er buiten de grenzen van den
+duur der voorstelling Gods (immers er werd aangenomen dat deze
+eens niet bestond of niet zal bestaan) een Denken zonder
+voorstelling Gods moeten bestaan. Dit echter is tegen het
+onderstelde; immers er werd ondersteld dat uit het gegeven Denken
+noodwendig de voorstelling Gods voortvloeide. Derhalve kan de
+voorstelling Gods in het Denken, of iets anders dat met
+noodwendigheid uit den aard op-zichzelf van een of ander
+attribuut Gods voortvloeit, geen beperkten duur hebben, maar moet
+het, krachtens dit attribuut zelf, eeuwig zijn. Dit wat het
+tweede punt betreft.</p>
+
+<p>Men merke op dat ditzelfde geldt voor elk ander ding dat in een
+of ander attribuut Gods uit den aard Gods op-zichzelf met
+noodwendigheid voortvloeit.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s22">
+<p><i>Stelling XXII.</i></p>
+
+<p>Al wat voortvloeit uit eenig attribuut Gods, voorzoover het zich
+openbaart in een zoodanige bestaanswijze [wijziging], welke
+krachtens dit attribuut noodwendig en oneindig bestaat, moet zelf
+eveneens noodwendig en oneindig bestaan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het bewijs dezer stelling wordt op dezelfde wijze geleverd als
+dat der voorgaande.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s23">
+<p><i>Stelling XXIII.</i></p>
+
+<p>Elke bestaanswijze, welke noodwendig en oneindig bestaat, moet
+noodzakelijk voortvloeien &ograve;f uit den aard op zichzelf van eenig
+attribuut Gods &ograve;f uit eenig attribuut, zich openbarend in een
+vorm welke noodwendig en oneindig
+bestaat<a id="aantag24" href="#aanteken24">[A24]</a>.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een bestaanswijze immers bestaat in iets anders, waaruit het
+begrepen kan worden (<i>vlg. <a href="#d1d5">Def. V</a></i>),
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV</a></i>) zij
+bestaat uitsluitend in God en kan uit God alleen begrepen worden.
+Indien men dus een bestaanswijze aanneemt welke noodwendig
+bestaat en oneindig is, moet elk van deze beide eigenschappen
+noodzakelijk worden opgemaakt of
+begrepen<a id="aantag25" href="#aanteken25">[A25]</a> uit een of ander
+attribuut Gods voor zoover dit wordt opgevat als uitdrukkende de
+oneindigheid en noodwendigheid van zijn bestaan, of wel (<i>wat
+vlg. <a href="#d1d3">Def. VIII</a> hetzelfde is</i>)
+de eeuwigheid; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d6">Def.
+VI</a> en <a href="#d1s19">St. XIX</a></i>) voor zoover het als uitsluitend op zichzelf
+beschouwd wordt. Een bestaanswijze dus welke noodwendig en
+oneindig bestaat, moet uit den aard op-zichzelf van eenig
+attribuut Gods voortvloeien; en dat wel &ograve;f onmiddellijk
+(<i>waarover in <a href="#d1s21">St. XXI</a></i>) &ograve;f door bemiddeling van een of anderen
+verschijningsvorm [wijziging] welke uit deszelfs aard op-zichzelf
+voortvloeit, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s22">de voorgaande St.</a></i>) welke eveneens
+noodwendig en oneindig bestaat. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXIV.</i></p>
+
+<p>Het wezen van de door God voortgebrachte dingen, sluit geen
+bestaan in zich.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt uit <i>Def. I.</i> Datgene immers, welks aard (namelijk op
+zichzelf beschouwd) het bestaan in zich sluit, is zijns zelfs
+oorzaak en bestaat alleen krachtens de noodwendigheid van zijnen
+aard zelf.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s24g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat God niet slechts de oorzaak
+ ervan is, dat de dingen beginnen te bestaan; maar ook dat
+ zij in hun bestaan volharden, ofwel (om een scholastieke
+ uitdrukking te gebruiken) dat God de oorzaak is van het
+ "Zijn" [Aanzijn] der dingen. Want, of de dingen bestaan
+ danwel niet bestaan: zoo dikwijls wij op hun wezen
+ letten, zien wij dat dit noch bestaan noch duur in zich
+ sluit; derhalve kan hun wezen ook noch van hun bestaan,
+ noch van hun duur de oorzaak zijn; doch uitsluitend God,
+ daar slechts tot d&igrave;ens aard het bestaan behoort. (<i>Vlg.
+ <a href="#d1s14g1">Gevolg I St. XIV</a></i>).</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s25">
+<p><i>Stelling XXV.</i></p>
+
+<p>God is niet alleen de bewerkende oorzaak van het bestaan der
+dingen, maar ook van hun wezen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Indien ge dit ontkent zou God dus niet de oorzaak zijn van het
+wezen der dingen; derhalve zou (<i>vlg. <a href="#d1a4">Ax. IV</a></i>) het wezen der
+dingen zonder God begrepen kunnen worden; hetgeen evenwel (<i>vlg.
+<a href="#d1s15">St. XV</a></i>) ongerijmd is.
+Dus is God &oacute;&oacute;k de oorzaak van het wezen
+der dingen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> De waarheid dezer stelling volgt nog
+ duidelijker uit Stelling XVI. Uit deze immers volgt dat
+ uit den gegeven goddelijken aard zoowel het wezen als het
+ bestaan der dingen noodzakelijk moet worden afgeleid; en,
+ om het in &eacute;&eacute;n woord te zeggen: in dienzelfden zin waarin
+ men zegt dat God zijns zelfs oorzaak is, moet hij ook de
+ oorzaak van alle dingen genoemd worden, hetgeen nog
+ duidelijker zal blijken uit het onderstaande gevolg.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s25g">
+ <p><i>Gevolg:</i> De bijzondere dingen zijn niets anders dan
+ openbaringen van Gods attributen, of wel bestaanswijzen
+ in welke Gods attributen op een vaste en bepaalde wijze
+ worden uitgedrukt. Het bewijs blijkt uit <i><a href="#d1s15">Stelling XV</a></i> en
+ <i><a href="#d1d5">Definitie V</a></i>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s26">
+<p><i>Stelling XXVI.</i></p>
+
+<p>Een ding dat tot een of andere werking genoopt is, wordt hiertoe
+noodzakelijk door God gedreven; evenzoo: wat niet door God
+genoodzaakt wordt, kan uit zichzelf niet werken.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Datgene, waarvan men kan zeggen dat het de dingen tot werken
+noopt, moet noodzakelijk iets positiefs zijn (gelijk vanzelf
+spreekt); derhalve moet God zoowel van het wezen als van het
+bestaan hiervan de bewerkende oorzaak zijn
+(<i>vlg. <a href="#d1s25">St. XXV</a> en <a href="#d1s16">St.
+XVI</a></i>). Dit wat het eerste betreft. Waaruit eveneens ten
+duidelijkste volgt, wat in de tweede plaats gesteld werd. Want
+indien een ding, dat niet door God gedreven werd, zichzelf kon
+richten, zou het eerste deel dezer stelling valsch zijn, hetgeen,
+gelijk wij aantoonden ongerijmd is.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s27">
+<p><i>Stelling XXVII.</i></p>
+
+<p>Een ding dat door God tot eenigerlei werking genoodzaakt is, kan
+zichzelf niet aan die noodzaak onttrekken.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De waarheid dezer stelling blijkt uit <a href="#d1a3">het derde Axioma</a>.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s28">
+<p><i>Stelling XXVIII.</i></p>
+
+<p>Elk bijzonder ding, of elk ding dat eindig is en een beperkt
+[afhankelijk] bestaan heeft, kan niet bestaan, noch tot werking
+genoodzaakt worden, tenzij het tot bestaan en werking genoodzaakt
+worde door een ander ding, hetwelk eveneens eindig is en een
+afhankelijk bestaan heeft: en deze oorzaak op haar beurt kan niet
+bestaan, noch tot werking genoodzaakt worden tenzij zij wederom
+door een ander ding, hetwelk eveneens eindig is en een
+afhankelijk bestaan heeft, tot bestaan en werking worde
+genoodzaakt, en zoo tot in het oneindige.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Al wat tot bestaan en werking genoodzaakt is, werd daartoe
+genoodzaakt door God (<i>vlg. <a href="#d1s26">St. XXVI</a>
+en <a href="#d1s24g">Gevolg St. XXIV</a></i>). Maar
+datgene wat eindig is en een afhankelijk bestaan heeft, kon niet
+uit den aard op-zichzelf van eenig attribuut Gods voortvloeien;
+immers al wat uit den absoluten aard van eenig attribuut Gods
+voortvloeit, is oneindig en eeuwig (<i>vlg. <a href="#d1s21">St. XXI</a></i>). Dus zal het
+moeten voortvloeien uit God, of wel uit een zijner attributen,
+voorzoover dit beschouwd wordt als zich openbarende in een of
+andere bestaanswijze; immers buiten de substantie en hare
+bestaanswijzen is er niets (<i>vlg. <a href="#d1a1">Ax. I</a> en
+<a href="#d1d3">Def. III</a> en <a href="#d1d5">V</a></i>); en de
+bestaanswijzen zijn (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV</a></i>) niets anders dan
+openbaringen van Gods attributen. Maar uit God, of uit een of
+ander zijner attributen, voorzoover het zich openbaart in een
+vorm welke eeuwig en oneindig is, kan het ook niet voortvloeien
+(<i>vlg. <a href="#d1s22">St. XXII</a></i>). Het zal dus moeten voortvloeien, of tot
+bestaan en werking genoodzaakt worden, door God of een zijner
+attributen, voorzoover dit zich openbaart in een vorm welke
+eindig is en een afhankelijk bestaan heeft. Dit wat eerste
+betreft.</p>
+
+<p>Voorts moet deze oorzaak of deze bestaanswijze op haar beurt (<i>om
+dezelfde reden als ik in <a href="#d1s28">het eerste gedeelte dezer stelling</a> reeds
+uiteen zette</i>) eveneens bepaald worden door een andere, welke
+eveneens eindig is en een afhankelijk bestaan heeft, en deze
+laatste wederom (<i>om dezelfde reden</i>) door een andere en zoo (<i>om
+dezelfde reden</i>) voort tot in het oneindige. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Daar sommige dingen door God onmiddellijk
+ moeten zijn voortgebracht, en wel die dingen welke
+ noodwendig uit zijn absoluten aard voortvloeien; en door
+ tusschenkomst van deze eerste dingen de andere, welke
+ nochtans zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn;
+ volgt hieruit ten eerste: dat God de absoluut naaste
+ oorzaak is der dingen welke onmiddellijk door hem zijn
+ voortgebracht, hoewel niet, zooals men zegt, der dingen
+ in hun soort. Want de werkingen Gods kunnen niet zonder
+ hun oorzaak bestaan noch gedacht worden. (<i>Vlg. <a href="#d1s15">St. XV</a> en
+ <a href="#d1s24g">Gevolg St. XXIV</a></i>).</p>
+
+ <p>Er volgt ten tweede uit dat God niet in eigenlijken zin
+ de verwijderde oorzaak der bijzondere dingen genoemd kan
+ worden, tenzij wellicht om deze te onderscheiden van
+ diegene welke hij onmiddellijk voortbracht, of liever
+ welke uit zijn absoluten aard voortvloeien. Want onder
+ een verwijderde oorzaak verstaan wij een zoodanige, welke
+ met hare uitwerking op geenerlei wijze verbonden is. Maar
+ al wat is, is in God en hangt op zoodanige wijze van hem
+ af dat het zonder hem noch bestaanbaar noch denkbaar is.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s29">
+<p><i>Stelling XXIX.</i></p>
+
+<p>In de wereld der dingen bestaat niets toevalligs, maar alles
+wordt krachtens de noodwendigheid van den goddelijken aard
+genoodzaakt op bepaalde wijze te bestaan en te werken.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Al wat is, is in God (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV</a></i>): God echter kan niet iets
+toevalligs genoemd worden. Want hij bestaat (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>)
+noodwendig, niet echter toevallig. De bestaanswijzen van den
+goddelijken aard zijn dus uit dezen eveneens noodwendig en niet
+slechts toevallig voortgekomen (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI</a></i>) en dat wel
+voorzoover de goddelijke aard &ograve;f op-zichzelf
+(<i>vlg. <a href="#d1s21">St. XXI</a></i>) &ograve;f
+als op een bepaalde wijze tot werken genoopt beschouwd wordt
+(<i>vlg. <a href="#d1s27">St. XXVII</a></i>). Voorts is God niet slechts de oorzaak dezer
+bestaanswijzen voorzoover zij gewoon maar bestaan (<i>vlg. <a href="#d1s24g">Gevolg
+St. XXIV</a></i>), maar ook (<i>vlg. <a href="#d1s26">St. XXVI</a></i>) voorzoover zij beschouwd
+worden als genoodzaakt iets te doen. Want indien zij (<i>vlg.
+<a href="#d1s26">dezelfde St.</a></i>) niet door God daartoe genoodzaakt werden, is het
+onmogelijk, en geenszins gebeurlijk, dat zij zichzelf daartoe
+noodzaakten; en omgekeerd
+(<i>vlg. <a href="#d1s27">St. XXVII</a></i>): indien zij w&egrave;l door
+God daartoe genoodzaakt werden, is het onmogelijk, en geenszins
+gebeurlijk, dat zij zich aan die noodzaak onttrokken. Zoodat
+alles krachtens de noodwendigheid van den goddelijken aard
+genoodzaakt is niet slechts om te bestaan, maar ook om op
+bepaalde wijze te bestaan en te werken en er dus niets toevalligs
+bestaat. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d1s29o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Alvorens ik verder ga, wil ik hier uiteen
+ zetten of liever in herinnering brengen wat wij moeten
+ verstaan onder de "Naturende Natuur" en de "Genatuurde
+ Natuur"<a id="aantag26" href="#aanteken26">[A26]</a>.
+ Want uit het voorgaande is het dunkt mij
+ toch zeker wel duidelijk geworden dat wij onder
+ "Naturende Natuur" moeten verstaan datgene wat op
+ zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen kan worden,
+ ofwel zoodanige attributen der substantie, welke een
+ eeuwig en oneindig wezen uitdrukken, dat wil zeggen
+ (<i>vlg. <a href="#d1s14g1">Gevolg I St. XIV</a> en
+ <a href="#d1s17g2">Gevolg II v. St. XVII</a></i>) God,
+ voorzoover hij als vrije oorzaak beschouwd wordt. Onder
+ "Genatuurde Natuur" daarentegen versta ik al datgene wat
+ uit de noodwendigheid van Gods aard of van eenig
+ attribuut Gods voortvloeit, dat wil zeggen alle
+ bestaanswijzen der attributen Gods voorzoover zij
+ beschouwd worden als dingen die in God bestaan en zonder
+ God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s30">
+<p><i>Stelling XXX.</i></p>
+
+<p>Het verstand, hetzij eindig of oneindig in zijn werking, kan
+slechts de attributen Gods en de bestaanswijzen Gods bevatten en
+niets anders.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een ware voorstelling moet overeenkomen met het door haar
+voorgestelde (<i>vlg. <a href="#d1a6">Ax. VI</a></i>) d.w.z. (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>)
+datgene wat objectief<a href="#aanteken20">[a20]</a>
+in het verstand aanwezig is moet ook
+noodzakelijk in de natuur bestaan. In de natuur evenwel bestaat
+(<i>vlg. <a href="#d1s14g1">Gevolg I St. XIV</a></i>)
+niets dan &eacute;&eacute;n enkele substantie,
+namelijk God, noch (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV</a></i>) eenigerlei andere
+bestaanswijzen dan die welke in God zijn en welke (<i>vlg. <a href="#d1s15">dezelfde
+St.</a></i>) zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn; derhalve
+kan het verstand, hetzij eindig of oneindig in zijn werking,
+slechts de attributen Gods en de bestaanswijzen Gods bevatten en
+niets anders. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXXI.</i></p>
+
+<p>Een werkend verstand, hetzij eindig of oneindig, moet evenals
+wil, begeerte, liefde enz. behooren tot de genatuurde natuur en
+niet tot de naturende.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Onder verstand immers verstaan wij (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>)
+niet het absolute Denken, maar slechts een bepaalden vorm van
+denken, welke vorm verschilt van andere denkvormen als begeerte,
+liefde enz. en dus (<i>vlg. <a href="#d1d5">Def. V</a></i>) uit het absolute Denken
+begrepen moet worden; immers het moet (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV</a>
+en <a href="#d1d6">Def. VI</a></i>)
+uit een attribuut Gods dat het eeuwige en oneindige wezen des
+Denkens uitdrukt, aldus worden begrepen dat het zonder dit noch
+bestaanbaar noch denkbaar is; en derhalve moet het (<i>vlg.
+<a href="#d1s29o">Opmerking St. XXIX</a></i>) behooren tot de genatuurde natuur, niet
+echter tot de naturende, en evenzoo de overige vormen van denken.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> De reden waarom ik hier sprak van een
+ <i>werkend</i> verstand, is niet dat ik toegeef dat er eenig
+ verstand-als-vermogen<a id="aantag27" href="#aanteken27">[A27]</a>
+ zou bestaan; maar, wijl ik
+ alle verwarring wensch te vermijden, heb ik slechts
+ willen spreken over een zaak welke ons zoo duidelijk
+ mogelijk is, nl. over het begrijpen zelf, klaarder dan
+ hetwelk wij niets kennen. Immers al wat wij leeren kennen
+ leidt wederom tot nog volmaakter kennis van het
+ begrijpen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXXII.</i></p>
+
+<p>Men kan den wil geen vrije oorzaak heeten, doch alleen een
+noodzakelijke.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De wil is een bepaalde vorm van denken, evenals het verstand; en
+derhalve (<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII</a></i>) kan een of andere
+willing<a href="#aanteken42">[a42]</a> niet
+bestaan, noch tot werking genoodzaakt worden, tenzij door een
+andere oorzaak, en deze op haar beurt weer door een andere, en
+zoo voort tot in het oneindige. Want al werd ondersteld dat de
+wil oneindig was, dan moest hij toch ook door God tot bestaan en
+werken genoodzaakt worden, niet voorzoover God de absoluut
+oneindige substantie is, maar voorzoover hij een attribuut heeft
+dat het oneindige en eeuwige wezen des Denkens uitdrukt (<i>vlg.
+<a href="#d1s23">St. XXIII</a></i>). Op welke wijze hij dus ook wordt opgevat, hetzij
+eindig of oneindig, steeds eischt hij eene oorzaak waardoor hij
+tot bestaan en werken genoodzaakt wordt en derhalve kan hij
+(<i>vlg. <a href="#d1d7">Def. VII</a></i>) geen vrije oorzaak genoemd worden, maar alleen
+een noodzakelijke of afhankelijke.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s32g1">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt ten eerste, dat God niet werkt
+ krachtens vrijheid van wil.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d1s32g2">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Er volgt ten tweede uit, dat wil en verstand
+ in dezelfde verhouding staan tot Gods aard als beweging
+ en rust en volkomen als alle andere natuurlijke dingen,
+ welke (<i>vlg. <a href="#d1s29">St. XXIX</a></i>) door God op bepaalde wijze tot
+ bestaan en werken genoodzaakt moeten worden. Want de wil
+ heeft, evengoed als alle andere dingen, een oorzaak
+ noodig door welke hij op bepaalde wijze tot bestaan en
+ werken wordt genoodzaakt. En ofschoon uit wil en
+ verstand, eenmaal gegeven, oneindig veel voortvloeit, kan
+ men daarom toch evenmin zeggen dat God handelt uit
+ vrijheid van wil, als dat men wegens al wat uit beweging
+ en rust voortkomt (en dat is immers eveneens oneindig
+ veel) zou kunnen zeggen dat hij handelt uit vrijheid van
+ beweging of rust. Derhalve behoort de wil niet &eacute;&eacute;r tot
+ den aard Gods dan de overige natuurlijke dingen, maar
+ staat hij tot dezen in dezelfde verhouding als beweging
+ en rust en al het overige waarvan wij aantoonden dat het
+ uit de noodwendigheid van den goddelijken aard
+ voortvloeit en door dezen op bepaalde wijze tot bestaan
+ en werken wordt genoodzaakt.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXXIII.</i></p>
+
+<p>De dingen hadden door God op geen andere wijze, noch in andere
+orde, voortgebracht kunnen worden, dan zij inderdaad
+voortgebracht zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Alle dingen immers zijn (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI</a></i>) met noodwendigheid uit
+den gegeven aard Gods voortgevloeid en worden door de
+noodwendigheid van Gods aard tot een bepaalde wijze van bestaan
+en werken genoodzaakt (<i>vlg. <a href="#d1s29">St. XXIX</a></i>). Indien dus de dingen van
+anderen aard konden zijn, of op andere wijze tot werking
+genoodzaakt konden worden, zoodat de orde der natuur een andere
+ware, dan zou ook Gods aard een andere kunnen zijn dan hij is;
+maar deze andere aard zou dan (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>) eveneens moeten
+bestaan en bijgevolg zouden er twee of meer godheden kunnen
+bestaan, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d1s14g1">Gevolg I St. XIV</a></i>) ongerijmd is.
+Derhalve hadden de dingen door God op geen andere wijze, noch in
+andere orde, enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d1s33o1">
+ <p><i>Opmerking I:</i> Ofschoon ik hiermede meer dan zonneklaar
+ heb aangetoond dat er volstrekt niets in de dingen is,
+ weswegen zij toevallig genoemd konden worden, wil ik toch
+ nog met enkele woorden verklaren wat wij onder het
+ <i>Toeval</i> hebben te verstaan; eerst echter wat onder het
+ <i>Noodwendige</i> en <i>Onmogelijke</i>. Een ding wordt noodwendig
+ genoemd &ograve;f ten opzichte van zijn wezen, &ograve;f ten opzichte
+ van zijn oorzaak. Immers het bestaan van een of ander
+ ding vloeit noodzakelijk voort &ograve;f uit zijn wezen en
+ definitie, &ograve;f uit een gegeven bewerkende oorzaak. Voorts
+ kan een ding om deze zelfde redenen ook onmogelijk
+ genoemd worden, te weten &ograve;f omdat zijn wezen of definitie
+ een tegenstrijdigheid insluit, &ograve;f omdat er geen enkele
+ uitwendige oorzaak bestaat welke genoodzaakt is zulk een
+ ding voort te brengen. Een of ander ding nu wordt op geen
+ anderen grond toevallig genoemd, dan met het oog op de
+ gebrekkigheid onzer kennis. Een ding immers waarvan wij
+ niet weten of zijn wezen een tegenstrijdigheid insluit,
+ of waarvan wij zeker weten dat het g&eacute;&eacute;n tegenstrijdigheid
+ insluit, maar omtrent welks bestaan wij niettemin niets
+ stelligs kunnen zeggen, omdat de reeks zijner oorzaken
+ ons verborgen is; zulk een ding kan door ons nooit als
+ noodwendig, noch als onmogelijk worden beschouwd, zoodat
+ wij het &ograve;f toevallig, [gebeurlijk] &ograve;f mogelijk noemen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d1s33o2">
+ <p><i>Opmerking II:</i> Uit het voorgaande volgt duidelijk dat de
+ dingen door God in hoogste volmaaktheid zijn
+ voortgebracht, aangezien zij met noodwendigheid uit een
+ gegeven allervolmaaktsten aard zijn voortgevloeid, en
+ hierdoor wordt God allerminst van eenigerlei
+ onvolmaaktheid beticht; immers zijn volmaaktheid zelf
+ dwingt ons juist dit te erkennen. Ja, uit het tegendeel
+ hiervan zou juist volgen (<i>gelijk ik zooeven heb
+ <a href="#d1s33o2">aangetoond</a></i>) dat God n&igrave;et allervolmaaktst was, daar
+ immers, indien de dingen op andere wijze waren
+ voortgebracht, aan God een andere aard moest worden
+ toegekend, verschillend van dien, welken wij op grond der
+ beschouwing van het allervolmaaktste wezen gedwongen zijn
+ hem toe te schrijven. Ik twijfel er wel niet aan of velen
+ zullen deze uitspraak als ongerijmd verwerpen en haar
+ niet in overweging willen nemen, en dat om geen andere
+ reden dan wijl zij gewoon zijn aan God een andere soort
+ van vrijheid toe te kennen, grootelijks verschillend van
+ die welke door ons (<i>in <a href="#d1d7">Def. VII</a></i>) werd omschreven,
+ namelijk een volslagen willekeur. Maar ik twijfel er
+ evenmin aan of zij zullen, indien zij de zaak slechts
+ willen overdenken en de reeks van onze bewijsvoeringen
+ behoorlijk overwegen, nochtans deze vrijheid welke zij
+ God toedichten, niet slechts als kinderachtig, maar zelfs
+ als een groote belemmering voor de wetenschap gansch en
+ al verwerpen. Het is niet noodig dat ik datgene, wat ik
+ in <a href="#d1s17o">de Opmerking bij Stelling XVII</a> gezegd heb, hier
+ herhaal. Maar ik wil niettemin ten hunnen gevalle nog
+ bewijzen dat, al werd toegegeven dat "wil" tot Gods wezen
+ behoorde, uit zijn volmaaktheid nochtans zou voortvloeien
+ dat de dingen op geen enkele andere wijze, noch in andere
+ orde, door God geschapen hadden kunnen worden, hetgeen
+ gemakkelijk zal zijn aan te toonen indien wij in de
+ eerste plaats overwegen wat deze lieden zelf toegeven,
+ namelijk dat het alleen van Gods besluit en wil afhangt
+ dat eenig ding is wat het is. Immers anders zou God n&igrave;et
+ de oorzaak van alle dingen zijn. Voorts dat al Gods
+ besluiten van eeuwigheid af door God zelf zijn
+ bekrachtigd. Immers anders kon hij van onvolmaaktheid en
+ onstandvastigheid beticht worden. Maar aangezien er in de
+ eeuwigheid geen wanneer, geen vroeger of later bestaat,
+ volgt hieruit, d.w.z. uit Gods volmaaktheid zelf, dat God
+ nooit iets anders kan besluiten, noch zulks ooit gekund
+ heeft, ofwel dat God niet bestond v&oacute;&oacute;r zijn besluiten,
+ noch zonder hen kan bestaan.</p>
+
+ <p>Maar, zoo zeggen zij, al werd ondersteld dat God de
+ wereld der dingen anders gemaakt had of dat hij van
+ eeuwigheid af anders omtrent de Natuur en hare orde
+ besloten had, dan nog zoude hieruit geenerlei
+ onvolmaaktheid van God volgen. Indien zij dit evenwel
+ zeggen, geven zij tevens toe dat God zijn besluiten kan
+ veranderen. Want indien God omtrent de Natuur en hare
+ orde anders besloten had dan hij besloot; dat wil zeggen,
+ indien hij omtrent de Natuur iets anders gewild en
+ gedacht had, zou hij noodzakelijk een ander verstand en
+ een anderen wil gehad hebben dan hij heeft. En indien men
+ aan God een ander verstand en een anderen wil mag
+ toeschrijven zonder eenige wijziging van zijn wezen en
+ volmaaktheid, wat reden zou er dan zijn, waarom hij niet
+ zijn besluiten omtrent de geschapen dingen zou kunnen
+ wijzigen en nochtans even volmaakt blijven? Immers ten
+ opzichte van Gods wezen en volmaaktheid is het hetzelfde
+ op welke wijze ook men zijn verstand en wil in hun
+ verband met de geschapen dingen en hunne orde opvat.</p>
+
+ <p>Wijders geven alle wijsgeeren die ik ken toe, dat er in
+ God geen verstand-als-vermogen bestaat, doch alleen een
+ werkend; daar evenwel zijn verstand en wil niet van zijn
+ wezen te onderscheiden zijn, gelijk zij allen eveneens
+ toegeven, volgt hieruit ook dat, indien God een ander
+ werkend verstand en een anderen wil hadde gehad, ook zijn
+ wezen noodzakelijk een ander had moeten zijn; en derhalve
+ zou (<i>gelijk mijn gevolgtrekking van aanvang af luidde</i>)
+ indien de dingen anders dan zij zijn door God waren
+ voortgebracht, Gods verstand en wil, d.w.z. (<i>gelijk
+ wordt toegegeven</i>) zijn wezen, een ander geweest moeten
+ zijn, hetgeen ongerijmd is.</p>
+
+ <p>Waar nu de dingen op geen andere wijze, noch in andere
+ orde door God konden worden voortgebracht--en dat zulks
+ waar is volgt uit Gods hoogste volmaaktheid--is er
+ waarlijk geene enkele reden welke ons kan doen gelooven
+ dat God niet ook al wat in zijn verstand is met diezelfde
+ volmaaktheid, waarmede hij het denkt, heeft willen
+ scheppen.</p>
+
+ <p>Nu kan men zeggen dat er in de dingen noch volmaaktheid
+ noch onvolmaaktheid te vinden is, doch dat datgene, wat
+ in hen is en waardoor zij volmaakt of onvolmaakt zijn en
+ goed of slecht genoemd worden, slechts van Gods wil
+ afhangt; en dat dus God, indien hij gewild had, had
+ kunnen bewerken dat datgene wat nu volmaaktheid heet, in
+ de hoogste mate onvolmaakt werd en omgekeerd. Maar wat
+ anders zou dit zijn dan openlijk te beweren dat God, die
+ datgene wat hij wil, noodzakelijk begrijpt, door zijnen
+ wil kon bewerken dat hij de dingen op andere wijze
+ begreep dan hij ze begrijpt; hetgeen, (<i>gelijk ik zooeven
+ aangetoond heb</i>) hoogst ongerijmd is. Daarom kan ik hunne
+ bewijsvoering tegen henzelve keeren en wel aldus: Alles
+ hangt van Gods macht af. Opdat dus de dingen anders
+ zullen zijn, moet noodzakelijk ook Gods wil anders zijn.
+ Gods wil evenwel kan niet anders zijn (<i>gelijk wij zoo
+ even ten duidelijkste op grond van Gods volmaaktheid
+ hebben aangetoond</i>). Derhalve kunnen de dingen evenmin
+ anders zijn. Ik erken dat deze meening, welke alles
+ onderwerpt aan een onverschilligen wil Gods en beweert
+ dat alles van zijn welbehagen afhangt, minder van de
+ waarheid afwijkt dan de meening diergenen, die beweren
+ dat God alles doet uit het gezichtspunt van het Goede.
+ Want deze laatsten schijnen iets buiten God te
+ onderstellen, wat niet afhankelijk van God is, waarop God
+ bij zijn werken, als op een voorbeeld, acht geeft of
+ waarnaar hij, als naar een bepaald doel, streeft. Hetgeen
+ voorwaar niets anders is dan God aan het noodlot
+ onderwerpen, ongerijmder dan hetwelk wel niets van God
+ beweerd kan worden, van wien wij toch aantoonden dat hij
+ zoowel van het wezen aller dingen als van hun bestaan de
+ eerste en eenige vrije oorzaak is. Daarom is het ook niet
+ noodig dat ik nog meer tijd verspil met het weerleggen
+ van deze ongerijmdheid.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s34">
+<p><i>Stelling XXXIV.</i></p>
+
+<p>Gods macht is zijn wezen zelf.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Uit de noodwendigheid van Gods wezen alleen reeds volgt dat God
+zijns zelfs-oorzaak is (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a></i>)
+en tevens (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI</a>
+en <a href="#d1s16g1">Gevolg</a></i>) de oorzaak van alle dingen. Derhalve is Gods macht,
+krachtens welke hij in alles bestaat en werkt, zijn wezen zelf.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s35">
+<p><i>Stelling XXXV.</i></p>
+
+<p>Al wat wij als in Gods macht liggend beschouwen, moet
+noodzakelijk bestaan.</p>
+</div>
+
+<p>Immers al wat in Gods macht ligt, moet zoodanig in zijn wezen
+vervat zijn (<i>vlg. <a href="#d1s34">voorgaande St.</a></i>) dat het er met noodwendigheid
+uit voortvloeit en derhalve moet het noodzakelijk bestaan.
+H.t.b.w.</p>
+
+
+<div class="stelling" id="d1s36">
+<p><i>Stelling XXXVI.</i></p>
+
+<p>Er bestaat niets uit welks aard niet een of andere werking
+voortvloeit.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Al wat bestaat drukt Gods aard of wezen op een vaste en bepaalde
+wijze uit (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV</a></i>);
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s34">St. XXXIV</a></i>): al
+wat bestaat openbaart Gods macht, welke de oorzaak is van alle
+dingen, op vaste en bepaalde wijze, en derhalve (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI</a></i>)
+moet er ook een of andere werking uit voortvloeien. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+
+<h4 id="d1n">AANHANGSEL</h4>
+
+
+<p>Hiermede heb ik Gods aard en eigenschappen ontvouwd, namelijk dat
+hij noodwendig bestaat; dat hij eenig is; dat hij uitsluitend
+krachtens de noodwendigheid van zijnen aard bestaat en handelt;
+dat hij aller dingen vrije oorzaak is en op welke wijze; dat
+alles in God is en zoodanig van hem afhangt, dat het zonder hem
+noch bestaanbaar noch denkbaar is; en ten slotte dat alles door
+God is voorbeschikt, weliswaar niet uit vrijen wil of onbeperkte
+willekeur, maar krachtens zijn volstrekten aard ofwel zijn
+oneindige macht. Wijders heb ik overal waar de gelegenheid zich
+daartoe aanbood, mij beijverd alle vooroordeelen, welke het
+juiste begrip mijner bewijsvoeringen zouden kunnen belemmeren,
+uit den weg te ruimen; maar wijl er nochtans niet weinig
+vooroordeelen overblijven, welke eveneens, en zelfs in de hoogste
+mate, kon den en kunnen verhinderen dat men het verband der
+dingen aanvaardt z&oacute;&oacute; als ik het heb uiteengezet, heb ik het der
+moeite waard geacht ook deze vooroordeelen hier voor de rede ter
+verantwoording te roepen.</p>
+
+<p>En aangezien alle vooroordeelen, welke ik mij voorstel hier aan
+te wijzen, afhangen van dit &eacute;&eacute;ne: dat men namelijk gemeenlijk
+onderstelt dat alle dingen in de Natuur, evenals de menschen
+zelf, met een bedoeling handelen; jazelfs met beslistheid beweert
+dat God zelf alles bestiert met het oog op &eacute;&eacute;n bepaald doel (men
+zegt immers dat God alles terwille van den mensch geschapen
+heeft, den mensch zelf echter opdat deze hem vereere), zal ik d&igrave;t
+vooroordeel het eerst beschouwen en daartoe in de eerste plaats
+naar de oorzaak zoeken waarom zoovelen er zich bij neerleggen en
+allen van nature zoozeer geneigd zijn het te aanvaarden.
+Vervolgens zal ik de onwaarheid ervan aantoonen en eindelijk op
+welke wijze hieruit zijn ontsproten de vooroordeelen omtrent
+<i>goed</i> en <i>kwaad</i>, <i>verdienste</i> en <i>zonde</i>, <i>lof</i> en <i>blaam</i>,
+<i>orde</i> en <i>verwarring</i>, <i>schoonheid</i> en <i>leelijkheid</i>
+[wanstaltigheid] en andere soortgelijke zaken. Wel is het hier de
+plaats niet dit alles af te leiden uit den aard van den
+menschelijken geest. Het zal hier voldoende zijn wanneer ik tot
+grondslag neem wat door iedereen erkend zal worden, namelijk dat
+alle menschen onwetend omtrent de oorzaak der dingen worden
+geboren en dat allen neiging hebben hun eigen voordeel te zoeken
+en zich daarvan bewust zijn. Immers hieruit volgt ten eerste: dat
+de menschen wanen vrij te zijn omdat zij zich wel bewust zijn van
+hun willingen en begeerten, maar zelfs niet in den droom denken
+aan de oorzaken, door welke zij tot begeeren en willen genoopt
+worden, wijl zij deze oorzaken niet kennen. Ten tweede volgt er
+uit: dat de menschen alles doen met een bedoeling, namelijk
+terwille van het voordeel waarnaar zij streven; met dit gevolg
+dat zij steeds slechts de <i>doel</i>-oorzaken der gebeurtenissen
+wenschen te kennen en gerustgesteld zijn wanneer zij deze
+vernomen hebben; en wel omdat zij alsdan geen reden meer hebben
+om zich verder bezorgd te maken. Indien zij evenwel deze
+doel-oorzaken niet van een ander kunnen vernemen, blijft hen niet
+anders over dan tot zichzelf in te keeren en na te denken over de
+doeleinden door welke zijzelf tot dergelijke dingen gedreven
+worden, en zoodoende beoordeelen zij noodzakelijk eens anders
+karakter naar hun eigen karakter. Daar zij voorts in en buiten
+zichzelf tal van hulpmiddelen aantreffen welke niet weinig er toe
+bijdragen dat zij datgene, wat nuttig voor hen is, ook
+bereiken,--zooals bijvoorbeeld oogen om te zien, tanden om te
+kauwen, planten en dieren om zich mede te voeden, een zon om
+licht te geven, een zee om visschen voor hen te kweeken enz.--;
+is het gevolg hiervan dat zij alle dingen in de Natuur beschouwen
+als middel om te bereiken wat nuttig voor hen is. En omdat zij
+wel weten dat deze hulpmiddelen door hen slechts gevonden, niet
+echter gemaakt zijn, hebben zij hierin reden gezien om te
+gelooven dat er iemand anders is die ze voor hun gebruik heeft
+ingericht. Want daar zij de dingen eenmaal als hulpmiddelen
+hadden opgevat, konden zij niet gelooven dat deze zichzelf
+geschapen hadden, maar moesten zij wel uit het feit dat ook
+zijzelf gewoon zijn sommige hulpmiddelen te bereiden, de
+gevolgtrekking maken dat er een of meerdere bestierders der
+Natuur zijn, die, begiftigd met menschelijke [wils] vrijheid in
+alles voor hen zorgen en alles te hunnen bate hebben ingericht.
+Aangezien zij echter nooit iets van het karakter dier wezens
+hoorden, moesten zij dit wel naar het hunne beoordeelen en kwamen
+zij er zoodoende toe te beweren dat goden alles ten bate van den
+mensch hadden ingericht om de menschen aan zich te verbinden en
+zoo hoog mogelijk door hen te worden vereerd; met het gevolg dat
+elk, naar zijn eigen karakter, een verschillende wijze heeft
+verzonnen om God te dienen, opdat God h&egrave;m boven de anderen zou
+beminnen en de geheele Natuur moge inrichten ten gerieve van zijn
+begeerten en onverzadelijke hebzucht. En aldus is dit vooroordeel
+tot bijgeloof geworden en heeft het diep wortel geschoten in de
+geesten; zoodat het oorzaak ervan werd dat een ieder zich ten
+zeerste beijvert om de doeloorzaken van alle dingen te weten te
+komen en te verklaren. Maar terwijl zij trachten aan te toonen
+dat de Natuur niets te vergeefs doet (d.w.z. niets dat den mensch
+niet van nut is) hebben zij, naar het mij wil toeschijnen, niets
+anders aangetoond dan dat de Natuur, de goden en de menschen
+gelijkelijk van zinnen zijn. Gaat eens na, zoo vraag ik u, waarop
+dit ten laatste is uitgeloopen! Naast vele gemakken die de Natuur
+aanbiedt, moesten zij ook niet weinige ongemakken ontdekken, te
+weten stormen, aardbevingen, ziekten enz. en zij beweerden nu dat
+deze zaken plaats grepen omdat de goden vertoornd waren wegens
+beleedigingen, hen door de menschen aangedaan, of wegens
+verzuimen bij hunnen eeredienst begaan; en ofschoon de ervaring
+dit dagelijks logenstrafte en hen in ontelbare voorbeelden voor
+oogen hield, dat zoowel gemakken als ongemakken den goeden en den
+slechten zonder onderscheid gelijkelijk ten deel vallen, hebben
+zij toch hun ingeroest vooroordeel geenszins laten varen; immers
+het viel hun veel gemakkelijker deze ervaring te plaatsen bij de
+andere onbekende zaken, waarvan zij het nut niet begrepen en
+zoodoende in hun bestaanden en ingeboren staat van onwetendheid
+te volharden, dan heel hun geknutsel omver te werpen en iets
+nieuws te bedenken. Daarom stelden zij voor vast en zeker dat de
+beschikkingen der goden het menschelijk begrip verre te boven
+gaan; hetgeen inderdaad een voldoende reden ervoor geweest zou
+zijn dat de waarheid het menschelijk geslacht voor eeuwig
+verborgen moest blijven, indien niet de wiskunde, welke niet over
+doeleinden, maar slechts over wezen en eigenschappen van figuren
+handelt, den menschen een anderen richtsnoer van waarheid had
+getoond. En behalve de wiskunde zijn er ook nog andere oorzaken
+aan te wijzen (welke het overbodig is hier op te sommen), welke
+aanleiding gegeven hebben dat men deze zeer verbreide
+vooroordeelen eens terdege overwoog en tot het ware inzicht in de
+dingen kwam.</p>
+
+<p>Hiermede heb ik voldoende toegelicht wat ik in de eerste plaats
+beloofde. Het zal mij nu niet moeilijk vallen verder nog aan te
+toonen dat de Natuur geen enkel vooropgezet doel heeft en dat
+alle doel-oorzaken niets anders zijn dan menschelijke
+verzinselen. Ik geloof toch dat het reeds voldoende gebleken is,
+zoowel uit de gronden en oorzaken uit welke, naar ik heb
+aangetoond, dit vooroordeel ontsproten is, als uit <a href="#d1s16">Stelling XVI</a>
+en <a href="#d1s32g1">de Gevolgen van Stelling XXXII</a>, en bovendien uit al die
+stellingen, waarin ik heb bewezen dat alles in de Natuur
+voortkomt uit een eeuwige noodwendigheid en in de hoogste
+volmaaktheid. Dit echter wil ik hieraan nog toevoegen: namelijk
+dat deze leer der doeloorzaken de Natuur geheel en al
+onderstboven keert. Want datgene wat inderdaad oorzaak is,
+beschouwt men als uitwerking en omgekeerd. Wat voorts van nature
+voorafgaat, plaatst zij achteraan. En tenslotte maakt zij
+datgene, wat het allerhoogste en allervolmaaktste is, tot het
+meest onvolmaakte. Want (de beide eerste beweringen laat ik
+terzijde, omdat zij uit zichzelf duidelijk zijn), zooals uit <a href="#d1s21">de
+stellingen XXI</a>, <a href="#d1s22">XXII</a> en
+<a href="#d1s23">XXIII</a> bleek, is die uitwerking het
+volmaaktst welke onmiddellijk door God wordt teweeggebracht, en
+hoe meer bemiddelende oorzaken iets behoeft om te worden
+voortgebracht, des te onvolmaakter is het. Maar indien de dingen,
+welke onmiddellijk door God zijn geschapen, gemaakt waren opdat
+God daardoor zijn doel zou kunnen bereiken, dan zouden
+noodzakelijk de laatste, terwille waarvan de eerste geschapen
+werden, van allen de voortreffelijkste zijn.</p>
+
+<p>Maar bovendien heft deze leer Gods volmaaktheid op. Want indien
+God terwille van een doel handelt, moet hij noodzakelijk iets
+begeeren dat hem ontbreekt. En hoewel godgeleerden en wijsgeeren
+onderscheiden tusschen doelstelling uit behoefte en de bedoeling
+zich met iets te vereenigen, erkennen zij toch dat God alles
+terwille van zichzelf en niet terwille van de dingen welke hij
+scheppen wilde gedaan heeft; aangezien zij v&oacute;&oacute;r de schepping
+niets buiten God weten aan te geven, terwille waarvan God
+gehandeld zou kunnen hebben. Derhalve zijn zij noodzakelijk
+gedwongen te erkennen dat God al datgene, terwille waarvan hij
+hulpmiddelen schiep, ontbeerde en verlangde, gelijk vanzelf
+spreekt.</p>
+
+<p>Er mag hier ook niet onopgemerkt blijven dat de aanhangers dezer
+leer, die hun vernuft willen ten toon spreiden in het aanwijzen
+van de doeleinden der dingen, een nieuwen vorm van bewijsvoering
+hebben toegepast om hun leer te bevestigen, namelijk door een
+beroep te doen, niet op het onmogelijke, maar op de onwetendheid;
+waaruit wel blijkt dat er voor deze leer geen enkel ander
+bewijsmiddel te vinden was. Indien bijvoorbeeld van een of andere
+hoogte een steen op iemands hoofd gevallen is en hem gedood
+heeft, zullen zij op de volgende manier bewijzen dat die steen
+gevallen is om dien man te dooden. Ware hij niet gevallen (zoo
+zeggen zij) volgens Gods wil en met die bedoeling, hoe zouden dan
+wel zoovele omstandigheden (dikwijls toch komen er vele tegelijk
+samen) toevallig kunnen samenwerken? Ge zult misschien
+antwoorden, dat dit ongeluk geschied is doordat het sterk woei en
+de weg van dien man langs die bepaalde plaats leidde. Zij zullen
+evenwel blijven aandringen w&aacute;&aacute;rom de wind juist op dat oogenblik
+woei en waarom de weg van dien man juist op dat oogenblik
+daarlangs leidde? En wanneer ge dan wederom antwoordt, dat de
+wind opstak omdat de zee den vorigen dag, toen het weder nog kalm
+was, begon te woelen; en dat die man door een vriend was
+uitgenoodigd; zoo zullen zij opnieuw aandringen,--aangezien er
+aan vragen geen eind komt--waarom dan de zee zoo woelig werd en
+waarom die man op dien tijd werd uitgenoodigd? En zoo zullen zij
+niet ophouden steeds maar naar de oorzaken dier oorzaken te
+vragen, totdat ge eindelijk maar hulp zoekt bij den wil Gods, dat
+wil zeggen de toevlucht der onwetendheid.</p>
+
+<p>Zoo verbazen zij zich ook geweldig bij de beschouwing van het
+kunstig samenstel des menschelijken lichaams en uit het feit dat
+zij de oorzaken van zoodanig een kunstwerk niet kennen, maken zij
+de gevolgtrekking dat het niet volgens de wetten der
+werktuigkunde, maar door een goddelijke of bovennatuurlijke
+kunstvaardigheid gemaakt is en zoodanig ingericht dat het eene
+deel het andere niet hindert. En hierdoor komt het dat degene,
+die de ware oorzaken der wonderen naspeurt en de
+natuurverschijnselen als een denkend wezen wil begrijpen inplaats
+van ze als een dwaas aan te gapen, overal voor een ketter en een
+goddelooze wordt gehouden en uitgemaakt door hen die het grauw
+vereert als de tolken der Natuur en der goden. Want zij weten wel
+dat, wanneer de onwetendheid eenmaal is opgeheven, ook de
+verbazing, hun eenig middel om te overtuigen en hun eigen gezag
+te handhaven, ophoudt. Doch ik stap hiervan af en ga over tot wat
+ik mij voorstelde in de derde plaats hier te behandelen.</p>
+
+<p>Nadat de menschen zich eenmaal hadden wijs gemaakt, dat al wat
+geschiedt om hunnentwil geschiedt, moesten zij wel in alle dingen
+datgene het belangrijkst vinden wat voor hen het nuttigst was en
+al datgene voor het voortreffelijkste houden, waardoor zij het
+aangenaamst werden aangedaan. Vandaar dat zij ter verklaring van
+den aard der dingen al die begrippen moesten vormen, als daar
+zijn het <i>goede</i>, het <i>kwade</i>, <i>orde</i>, <i>verwarring</i>, <i>warmte</i>,
+<i>koude</i>, <i>schoonheid</i>, <i>wanstaltigheid</i>. En wijl zij zichzelf
+voor vrij hielden, ontsprongen hieruit wederom de begrippen
+<i>lof</i>, <i>blaam</i>, <i>zonde</i> en <i>verdienste</i>. Deze laatste evenwel zal
+ik later, wanneer ik over den menschelijken aard spreek,
+behandelen, terwijl ik gene reeds hier kortelijks wil toelichten.
+Al datgene dan, wat tot welzijn en godsdienst leidt, hebben zij
+<i>goed</i> genoemd, wat evenwel daaraan tegengesteld is <i>slecht</i>. En
+aangezien zij, die den aard der dingen niet begrijpen, niets
+omtrent die dingen zelf zeggen, doch zich ze slechts inbeelden en
+die inbeelding voor begrip houden, gelooven zij, onwetend omtrent
+de dingen en hun eigen aard, vast en zeker dat er <i>orde</i> heerscht
+in de Natuur. Want wanneer de dingen zoo zijn ingericht dat wij
+ze ons, zoodra de zintuigen ze aan ons voorstellen, gemakkelijk
+kunnen verbeelden<a href="#aanteken16">[a16]</a>
+en dat wij ze ons bijgevolg gemakkelijk
+kunnen herinneren, dan noemen wij ze goed geordend; in het
+tegenovergestelde geval echter slecht geordend of verward. En
+aangezien datgene wat wij ons gemakkelijk voorstellen kunnen ons
+aangenamer is dan iets anders, verkiezen de menschen orde boven
+verwarring (alsof er eenige orde in de Natuur bestond behalve dan
+met betrekking tot onze voorstelling) en zeggen zij dat God alles
+in een bepaalde orde geschapen heeft, waarmede zij, zonder het
+zelf te weten, aan God verbeelding toeschrijven; tenware zij
+wellicht liever willen dat God, uit voorzorg voor de menschelijke
+verbeelding, alles zoodanig heeft ingericht dat zij het zich het
+gemakkelijkst zouden kunnen voorstellen; want het zal voor hen
+wel geen bezwaar zijn dat er tallooze zaken zijn, welke onze
+verbeelding verre te boven gaan, en zeer vele welke haar wegens
+hare gebrekkigheid, verbijsteren. Doch hierover genoeg.</p>
+
+<p>De overige begrippen eindelijk zijn eveneens niet anders dan een
+soort van voorstelling waardoor de verbeelding op verschillende
+wijze wordt aangedaan, en toch worden zij door de onwetenden als
+de voornaamste eigenschappen der dingen beschouwd, omdat zij
+zooals wij reeds zeiden, gelooven dat alle dingen om hunnentwil
+gemaakt zijn, en zoo noemen zij den aard van een of ander ding
+goed of slecht, gezond of rot en bedorven, al naarmate zij er
+door worden aangedaan. Wanneer bijvoorbeeld de beweging, welke de
+zenuwen ontvangen van de voorwerpen, door onze oogen afgebeeld,
+hun aangenaam aandoet, noemen zij de voorwerpen door welke dit
+wordt teweeggebracht <i>schoon</i>, diegene echter welke de
+tegenovergestelde beweging opwekken <i>leelijk</i> [wanstaltig]. Wat
+door middel van de neus het gevoel aandoet noemen zij welriekend
+of stinkend, wat door middel van de tong, zoet of bitter,
+smakelijk of onsmakelijk enz. Wat wederom door den tastzin op hen
+inwerkt, noemen zij hard of zacht, ruw of glad enz. Van wat
+tenslotte de ooren aandoet zeggen zij dat het gedruisch, klank of
+een welluidenden toon geeft, welke laatste meening de menschen
+zoo zinneloos gemaakt heeft te gelooven dat ook God zelf zich
+over welluidendheid verheugt. Zelfs ontbreekt het niet aan
+wijsgeeren die zich in het hoofd gezet hebben dat de beweging der
+hemelen een harmonisch geluid voortbrengt. Hetgeen alles
+voldoende aantoont dat ieder naar gelang van de gesteldheid
+zijner hersenen over de dingen oordeelt of liever de aandoeningen
+zijner verbeelding voor de dingen zelf aanziet. Zoodat het niet
+te verwonderen valt (om ook dit nog in het voorbijgaan op te
+merken) dat er onder de menschen zooveel verschil van meening
+ontstaan is als wij waarnemen en hieruit tenslotte het
+scepticisme. Want ofschoon de menschelijke lichamen in vele
+opzichten overeenkomen, verschillen zij toch ook in zeer vele
+andere en zoo schijnt den een goed wat den ander slecht lijkt; is
+wat den een geordend voorkomt, voor den ander verward; is den een
+aangenaam wat den ander onaangenaam is; en zoo in alle overige
+dingen, welke ik hier voorbij ga, zoowel omdat het hier de plaats
+niet is om daarover meer uitvoerig te spreken, alswel omdat een
+ieder op dit punt voldoende ervaring heeft. Immers allen liggen
+de spreekwoorden in den mond: "Zooveel hoofden zooveel zinnen",
+"Elk heeft genoeg aan zijn eigen meening", "Er is niet minder
+verschil van meening dan van smaak"; al welke spreekwoorden
+genoegzaam aantoonen dat de menschen naar gelang van de
+gesteldheid hunner hersenen over de dingen oordeelen en zich de
+dingen liever verbeelden dan ze te begrijpen. Want indien zij de
+dingen begrepen, zouden zij allen hen, getuige de wiskunde, zooal
+niet aanlokken, dan toch tenminste
+overtuigen<a id="aantag28" href="#aanteken28">[A28]</a>.</p>
+
+<p>Wij zien dus dat alle voorstellingen waarmede de ongeleerde massa
+de Natuur pleegt te verklaren, slechts vormen van verbeelding
+zijn, welke niet den aard van eenig ding, doch slechts den
+toestand der verbeelding doen kennen; en aangezien deze vormen
+namen hebben als waren zij buiten de verbeelding bestaande
+wezens, noem ik ze schepselen der verbeelding en niet der rede,
+zoodat alle bewijzen, welke op grond van dergelijke begrippen
+tegen ons worden aangevoerd, gemakkelijk te ontwapenen zijn.
+Velen toch plegen te redeneeren als volgt: Indien alles uit de
+noodwendigheid van den allerhoogsten aard Gods is voortgevloeid,
+vanwaar dan zoovele onvolmaaktheden in de Natuur? Vanwaar dit
+bederf, tot rotting toe, die wanstaltigheid welke afkeer wekt;
+vanwaar verwarring, kwaad, zonde enz.? Maar zooals ik zooeven
+reeds gezegd heb is dit gemakkelijk te weerleggen. Want de
+volmaaktheid der dingen moet uitsluitend naar hun eigen aard en
+vermogen beoordeeld worden en dus zijn de dingen niet meer of
+minder volmaakt omdat zij 's menschen zinnen streelen of
+beleedigen, omdat zij bij den menschelijken aard passen of er
+mede in strijd zijn. Hun echter, die vragen waarom God alle
+menschen niet zoo geschapen heeft dat zij uitsluitend beheerscht
+worden door het beleid der Rede, antwoord ik niets anders dan:
+wijl het hem niet aan stof ontbrak om alles van den hoogsten tot
+den laagsten graad van volmaaktheid te scheppen; of, om nog
+duidelijker te spreken: wijl de wetten van zijn eigen aard zoo
+ruim zijn, dat zij bij machte zijn om alles wat door een oneindig
+verstand omvat kan worden, voort te brengen, gelijk ik in
+<a href="#d1s16">Stelling XVI</a> heb bewezen.</p>
+
+<p>Dit zijn de vooroordeelen welke ik hier wilde behandelen. Indien
+er nog meer van dit slag mochten overschieten, zullen deze
+gemakkelijk door een ieder bij eenig nadenken kunnen worden
+rechtgezet.</p>
+
+
+<h4><i>Einde van het eerste deel.</i></h4>
+
+
+
+
+<hr id="deel2" />
+
+<h3 class="lined">II. OVER AARD EN OORSPRONG VAN DEN GEEST</h3>
+
+<hr />
+
+
+<p>Ik ga er thans toe over uiteen te zetten wat uit het wezen van
+God of van het eeuwig en oneindig Zijnde, noodzakelijk moet
+voortvloeien. Weliswaar niet alles;--immers in <a href="#d1s16"><i>Stelling XVI</i> van
+het Eerste Deel</a> hebben wij aangetoond dat er oneindig veel dingen
+op oneindig vele wijzen uit moeten voortvloeien--, maar slechts
+datgene wat ons als een handleiding kan zijn tot de kennis van
+den menschelijken Geest en diens hoogste gelukzaligheid.</p>
+
+
+
+<h4>DEFINITIES</h4>
+
+
+<div class="define" id="d2d1">
+<p>I. Onder <i>lichaam</i> [voorwerp]<a id="aantag29" href="#aanteken29">[A29]</a>
+versta ik een bestaanswijze,
+welke Gods wezen, voor zoover hij als Uitgebreidheid beschouwd
+wordt, op zekere bepaalde wijze uitdrukt, (<i>zie <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV
+Deel I</a></i>).</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d2d2">
+<p>II. Tot het <i>wezen</i> van een of andere zaak behoort datgene,
+waarmede deze zaak staat of valt; ofwel datgene, zonder hetwelk
+die zaak, en omgekeerd, wat zonder die zaak, noch bestaanbaar
+noch denkbaar is.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d2d3">
+<p>III. Onder <i>voorstelling</i> versta ik een waarneming [conceptie]
+van den Geest, welke de Geest vormt doordat hij een denkend iets
+is.</p>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg liever <i>waarneming</i> [conceptie] dan
+ <i>gewaarwording</i> [perceptie]<a id="aantag30" href="#aanteken30">[A30]</a>,
+ omdat het woord
+ "gewaarwording" schijnt aan te duiden dat de Geest iets
+ door een voorwerp ondergaat, terwijl het woord
+ "waarneming" een eigen handeling van den Geest schijnt
+ uit te drukken.</p>
+ </div>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d2d4">
+<p>IV. Onder <i>adaequate<a id="aantag31" href="#aanteken31">[A31]</a>
+voorstelling</i> versta ik een
+voorstelling, welke, voorzoover zij op zichzelf, zonder
+betrekking tot haar voorwerp beschouwd wordt, alle eigenschappen
+of innerlijke kenmerken eener ware voorstelling heeft.</p>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg "innerlijke" om datgene uit te
+ sluiten dat uiterlijk is, namelijk de overeenstemming der
+ voorstelling met het door haar voorgestelde.</p>
+ </div>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>V. <i>Duur</i> is onbegrensde voortzetting van bestaan.</p>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg "onbegrensde", omdat die
+ voortzetting geenszins door den aard van het bestaande
+ ding zelf begrensd kan worden, en evenmin door zijn
+ bewerkende oorzaak, welke immers zijn bestaan wel
+ noodzakelijk stelt, doch niet opheft.</p>
+ </div>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d2d6">
+<p>VI. Onder <i>werkelijkheid</i> en
+<i>volmaaktheid</i><a id="aantag32" href="#aanteken32">[A32]</a> versta ik het
+zelfde.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>VII. Onder <i>bijzondere dingen</i> versta ik dingen welke eindig zijn
+en een beperkt bestaan hebben. Wanneer meerdere enkeldingen
+zoodanig samenwerken dat zij allen tezamen oorzaak zijn van een
+uitwerking, zal ik ze allen in zooverre als &eacute;&eacute;n afzonderlijk ding
+beschouwen.</p>
+</div>
+
+
+
+<h4>GRONDWAARHEDEN (AXIOMA'S)</h4>
+
+
+<div class="axioma" id="d2a1">
+<p>I. Het wezen van den mensch sluit geen noodwendig bestaan in
+zich; dat wil zeggen: krachtens de orde der Natuur kan het even
+goed gebeuren dat deze of gene mensch bestaat, als dat hij niet
+bestaat.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma" id="d2a2">
+<p>II. De mensch denkt.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma" id="d2a3">
+<p>III. Vormen [wijzen, soorten] van denken, zooals liefde,
+begeerte, of met welken anderen naam de zielsaandoeningen ook
+worden aangeduid, kunnen niet bestaan tenzij in denzelfden
+enkeling een voorstelling bestaat van de zaak welke wordt bemind,
+begeerd enz. Een voorstelling evenwel kan bestaan zonder dat zulk
+een andere vorm van denken gegeven is.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma" id="d2a4">
+<p>IV. Wij worden gewaar dat een voorwerp op velerlei wijzen
+inwerking kan ondergaan<a id="aantag33" href="#aanteken33">[A33]</a>.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma" id="d2a5">
+<p>V. Wij kunnen geenerlei bijzondere dingen waarnemen noch
+gewaarworden, dan lichamen [voorwerpen] en vormen van denken.</p>
+</div>
+
+
+<h5>(<i>Zie <a href="#d2v">de noodzakelijke vereischten</a> [postulaten] waarvan hier
+wordt uitgegaan, achter Stelling XIII</i>).</h5>
+
+
+
+<h4>STELLINGEN</h4>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s1">
+<p><i>Stelling I.</i></p>
+
+<p>Het Denken is een attribuut Gods, ofwel God is iets denkends.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Bijzondere gedachten, dat wil zeggen deze of gene gedachte, zijn
+bestaanswijzen, welke Gods wezen op zekere bepaalde wijze
+uitdrukken (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV Deel I</a></i>). God moet dus wel
+(<i>vlg. <a href="#d1d5">Def. V. Deel I</a></i>) een attribuut bezitten, welks begrip in
+alle afzonderlijke gedachten ligt opgesloten en door bemiddeling
+waarvan zijzelf kunnen worden begrepen. Derhalve is het Denken
+een van de oneindig vele attributen Gods en openbaart het Gods
+eeuwige en oneindige wezen (<i>zie <a href="#d1d6">Def. VI Deel I</a></i>) ofwel God is
+iets denkends. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> De waarheid dezer stelling blijkt ook
+ hieruit, dat wij ons inderdaad een denkend oneindig wezen
+ kunnen voorstellen. Want hoemeer een denkend iets denken
+ kan, hoe meer werkelijkheid of volmaaktheid het naar ons
+ begrip moet bezitten. Derhalve moet een wezen, dat
+ oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen kan denken,
+ noodzakelijk ook in denkvermogen oneindig zijn. Waar wij
+ dus, ons uitsluitend bepalende tot het Denken, tot de
+ opvatting van een oneindig wezen komen, moet (<i>vlg. <a href="#d1d4">Def.
+ IV</a> en <a href="#d1d6">VI Deel I</a></i>) het Denken een van de oneindig vele
+ attributen Gods zijn, hetgeen wij wilden bewijzen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling II.</i></p>
+
+<p>De Uitgebreidheid is een attribuut Gods, ofwel God is iets
+uitgebreids.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit bewijs wordt op dezelfde wijze geleverd als het bewijs der
+voorgaande Stelling.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s3">
+<p><i>Stelling III.</i></p>
+
+<p>Er bestaat in God noodzakelijk een voorstelling, zoowel van zijn
+eigen wezen, als van alles wat met noodwendigheid uit dit wezen
+voortvloeit.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>God immers kan (<i>vlg. <a href="#d2s1">St. I van dit Deel</a></i>) oneindig vele dingen
+op oneindig vele wijzen denken, ofwel (<i>wat vlg. <a href="#d1s16">St. XVI Deel I</a>
+hetzelfde is</i>) hij kan een voorstelling vormen van zijn eigen
+wezen en van alles wat met noodwendigheid daaruit voortvloeit.
+Maar al datgene, wat in Gods vermogen ligt, moet (<i>vlg. <a href="#d1s35">St. XXXV
+Deel I</a></i>) ook noodwendig bestaan, en derhalve bestaat ook
+noodzakelijk de bedoelde voorstelling en dat wel (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV
+Deel I</a></i>) uitsluitend in God. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> De groote massa verstaat onder Gods macht
+ Gods vrijen wil en beschikking ten opzichte van al wat
+ bestaat, zoodat daarom ook gemeenlijk alles als toevallig
+ beschouwd wordt. Immers God heeft, zoo meent men, de
+ macht om alles te verwoesten en tot niets te doen
+ verkeeren. Daarom ook wordt Gods macht maar al te
+ dikwijls bij de macht der koningen vergeleken. In <a href="#d1s32g1">Gevolg
+ I</a> en <a href="#d1s32g2">II van Stelling XXXII Deel I</a> evenwel, hebben wij
+ deze meening afgewezen en in <a href="#d1s16">Stelling XVI Deel I</a> hebben
+ wij aangetoond dat God handelt met diezelfde
+ noodwendigheid, waarmede hij zichzelf begrijpt. Dat wil
+ zeggen: evenals uit de noodwendigheid van Gods wezen
+ volgt (gelijk allen volmondig erkennen) dat God zichzelf
+ begrijpt, volgt uit diezelfde noodwendigheid dat God
+ oneindig vele dingen op oneindig vele wijze doet. Voorts
+ hebben wij in <a href="#d1s34">Stelling XXXIV Deel I</a> aangetoond, dat Gods
+ macht niets anders is dan Gods werkdadig wezen, en daarom
+ is het ons even onmogelijk te denken dat God niet zou
+ handelen als dat God niet zou bestaan. Indien ik hierop
+ dieper wilde ingaan, zou ik hier nader kunnen aantoonen
+ dat die macht, welke de groote massa aan God toedicht,
+ niet alleen een menschelijk karakter heeft (hetgeen doet
+ zien dat zij zich God voorstelt als een mensch of naar
+ gelijkenis van den mensch) maar zelfs onmacht medebrengt.
+ Doch ik wil niet zooveel woorden aan eenzelfde zaak
+ verliezen. Ik wil den lezer slechts nog eens bij
+ herhaling verzoeken om wat hierover in het Eerste Deel,
+ van <a href="#d1s16">Stelling XVI</a> af tot aan het einde, gezegd is, nog
+ eens en nog eens te overwegen. Want niemand kan datgene,
+ wat ik zeggen wil, juist begrijpen indien hij zich niet
+ met de grootste zorg er voor hoedt Gods macht met
+ menschelijke macht of met het menschelijk gezag der
+ koningen te verwarren.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling IV.</i></p>
+
+<p>Gods voorstelling, uit welke oneindig veel op oneindig vele
+wijzen voortvloeit, kan slechts eenig zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het oneindig verstand omvat (<i>vlg. <a href="#d1s30">St. XXX Deel I</a></i>) niets anders
+dan Gods attributen en bestaanswijzen. Maar God is (<i>vlg. <a href="#d1s14g1">Gevolg
+I St. XIV Deel I</a></i>) eenig. Derhalve kan ook Gods voorstelling,
+waaruit oneindig veel op oneindig vele wijzen voortvloeit, niet
+anders dan eenig zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s5">
+<p><i>Stelling V.</i></p>
+
+<p>Het werkelijke zijn<a href="#aanteken19">[a19]</a>
+der voorstellingen heeft God tot oorzaak
+alleen voorzoover hij als denkend iets beschouwd wordt, en niet
+voorzoover hij zich in eenig ander attribuut openbaart. Dat wil
+dus zeggen: de voorstellingen van Gods attributen, zoowel als die
+van de bijzondere dingen, hebben niet het voorgestelde of de
+waargenomen dingen tot werkende oorzaak, maar God zelf voorzoover
+hij een denkend iets is.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers dit blijkt uit Stelling III van dit Deel. Daar toch kwamen
+wij tot de slotsom dat God een voorstelling van zijn eigen wezen
+en van alles wat daaruit met noodwendigheid voortvloeit kan
+vormen, uitsluitend doordat hij een denkend iets is en niet omdat
+hijzelf het voorwerp zijner voorstelling is. Zoodat het
+werkelijke zijn der voorstellingen God tot oorzaak heeft
+voorzoover hij een denkend iets is. Doch ook op andere wijze kan
+dit worden aangetoond. Het werkelijke zijn der voorstellingen is
+een bestaanswijze van het Denken (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>)
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV Deel I</a></i>) een bestaanswijze, welke
+Gods wezen, voor zoover hij een denkend iets is, openbaart.
+Derhalve vooronderstelt het (<i>vlg. <a href="#d1s10">St. X Deel I</a></i>) ook niet het
+begrip van eenig ander attribuut Gods en bijgevolg is het ook
+(<i>vlg. <a href="#d1a4">Ax. IV Deel I</a></i>) geen uitvloeisel van eenig ander attribuut
+dan uitsluitend van het Denken. Derhalve heeft het werkelijke
+zijn der voorstellingen God tot oorzaak uitsluitend voor zoover
+hij als denkend iets beschouwd wordt enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s6">
+<p><i>Stelling VI.</i></p>
+
+<p>De bestaanswijzen van elk attribuut hebben God tot oorzaak alleen
+voorzoover hij beschouwd wordt als zich openbarende in d&agrave;t
+attribuut welks bestaanswijzen zij zijn en niet voorzoover hij
+als zich openbarende in eenig ander attribuut beschouwd kan
+worden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers elk attribuut wordt (<i>vlg. <a href="#d1s10">St. X Deel I</a></i>) op zichzelf en
+zonder behulp van een ander begrepen. Zoodat de bestaanswijzen
+van elk attribuut het begrip van hun eigen attribuut
+vooronderstellen, niet echter dat van een ander. Derhalve hebben
+zij (<i>vlg. <a href="#d1a4">Ax. 4 Deel I</a></i>) God tot oorzaak alleen voorzoover hij
+beschouwd wordt onder d&agrave;t attribuut welks bestaanswijze zij zijn
+en niet voorzoover hij onder eenig ander attribuut beschouwd kan
+worden.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s6g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat het werkelijk bestaan van die
+ dingen welke g&eacute;&eacute;n bestaanswijzen van het Denken zijn,
+ niet voortvloeit uit den goddelijken aard omdat deze ze
+ zich eerst zou hebben voorgesteld, maar dat voorstelbare
+ dingen volgen en worden afgeleid uit hun eigen attribuut
+ op dezelfde wijze en met dezelfde noodwendigheid als naar
+ wij aantoonden de voorstellingen volgden uit het
+ attribuut van het Denken.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s7">
+<p><i>Stelling VII.</i></p>
+
+<p>De orde en het verband der voorstellingen zijn dezelfde als de
+orde en het verband der dingen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt uit <i>Ax. IV Deel I</i>. Want de voorstelling van elk
+veroorzaakt ding hangt af van de kennis der oorzaak waarvan het
+een uitvloeisel is.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s7g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat Gods vermogen tot Denken
+ gelijk is aan zijn vermogen om feitelijk te handelen. Dat
+ wil zeggen: al wat formeel [in werkelijkheid] uit den
+ oneindigen aard Gods voortvloeit, dit alles volgt in God
+ ook objectief<a href="#aanteken20">[a20]</a>
+ uit Gods voorstelling in dezelfde orde
+ en in hetzelfde verband.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s7o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Alvorens verder te gaan moeten wij ons hier
+ in herinnering roepen wat wij hierboven aantoonden, nl.
+ dat al wat door een oneindig verstand kan worden begrepen
+ als uitmakende het wezen eener substantie, slechts
+ behoort tot &eacute;&eacute;n enkele substantie en dat bijgevolg de
+ denkende substantie en de uitgebreide substantie &eacute;&eacute;n en
+ dezelfde substantie zijn, welke nu eens als zich
+ openbarende in dit, dan weder als zich openbarende in het
+ andere attribuut beschouwd wordt. Zoo zijn ook een
+ bestaanswijze der Uitgebreidheid en de voorstelling dier
+ bestaanswijze &eacute;&eacute;n en hetzelfde, slechts op twee manieren
+ uitgedrukt; hetgeen reeds sommigen Hebrae&euml;n als in een
+ nevel schijnt te hebben voorgezweefd, waar zij namelijk
+ beweren dat God, Gods verstand en de door hem begrepen
+ dingen &eacute;&eacute;n en hetzelfde zijn. Een in werkelijkheid
+ bestaande cirkel bijvoorbeeld en de voorstelling van dien
+ bestaanden cirkel, welke eveneens in God is, zijn &eacute;&eacute;n en
+ dezelfde zaak, welke zich in twee verschillende
+ attributen openbaart. Derhalve, of wij de Natuur onder
+ het attribuut der Uitgebreidheid, onder dat van het
+ Denken, dan wel onder eenig ander attribuut beschouwen,
+ steeds zullen wij &eacute;&eacute;n en dezelfde orde, &eacute;&eacute;n en hetzelfde
+ oorzakelijk verband vinden d.w.z. dezelfde zaken op
+ elkaar zien volgen. Om geen andere reden ook heb ik
+ gezegd dat God de oorzaak is der voorstelling van
+ bijvoorbeeld een cirkel, alleen voorzoover hij een
+ denkend iets is, van den cirkel zelf echter voorzoover
+ hij een uitgebreid iets is, dan wijl het werkelijke zijn
+ der voorstelling van den cirkel slechts met behulp van
+ een andere denkwijziging als naaste oorzaak, en deze
+ wederom door behulp van een andere en zoo tot in het
+ oneindige, kan worden begrepen. Zoodat, zoolang wij de
+ dingen als denkwijzigingen beschouwen, wij ook de orde
+ der geheele Natuur, ofwel de aaneenschakeling der
+ oorzaken, alleen door het attribuut van het Denken moeten
+ verklaren; terwijl voorzoover zij als bestaanswijzen der
+ Uitgebreidheid beschouwd worden, ook de orde der geheele
+ Natuur uitsluitend met behulp van het attribuut der
+ Uitgebreidheid verklaard moet worden. Hetzelfde geldt van
+ de overige attributen. Daarom is God van de dingen,
+ zooals zij op zichzelf zijn, eigenlijk alleen de oorzaak
+ voorzoover hij uit oneindig vele attributen bestaat. Voor
+ het oogenblik kan ik dit echter niet duidelijker uiteen
+ zetten.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s8">
+<p><i>Stelling VIII.</i></p>
+
+<p>De voorstellingen van afzonderlijke dingen of (anders gezegd)
+bestaanswijzen, welke niet feitelijk bestaan, moeten in de
+oneindige voorstelling Gods evenzoo begrepen zijn als het
+werkelijke wezen dier afzonderlijke dingen of bestaanswijzen
+besloten ligt in Gods attributen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De waarheid dezer stelling blijkt uit de voorgaande, maar zal nog
+beter begrepen kunnen worden uit de voorgaande Opmerking.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s8g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat zoolang de afzonderlijke
+ dingen niet bestaan dan voorzoover zij in Gods attributen
+ liggen besloten, ook hun "objectief" bestaan, of wel hun
+ voorstelling<a href="#aanteken20">[a20]</a>, niet bestaat dan voorzoover de
+ oneindige voorstelling Gods bestaat; terwijl waar
+ afzonderlijke dingen bestaande genoemd worden niet alleen
+ voorzoover zij in Gods attributen liggen besloten, maar
+ ook voorzoover zij een duur hebben, tevens hunne
+ voorstellingen een bestaan, krachtens hetwelk zij een
+ duur hebben, insluiten.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s8go">
+ <p><i>Opmerking:</i> Indien men nu een voorbeeld verlangde ter
+ nadere verduidelijking hiervan, zou ik er helaas geen
+ weten te geven dat de kwestie waarover hier gesproken
+ wordt, en die geheel eenig in haar soort is, op volkomen
+ juiste wijze toelicht. Toch wil ik trachten haar, zoo
+ goed het gaat, te verduidelijken.</p>
+
+ <p>
+ <img src="images/koorden.png" class="figleft" alt="Cirkel met Koorden"
+ title="Cirkel met Koorden" />
+ Het ligt in den aard van den cirkel dat de rechthoeken,
+ gevormd door de stukken van alle elkaar [in hetzelfde
+ punt] snijdende koorden aan elkaar gelijk zijn, zoodat
+ een cirkel een oneindig aantal onderling gelijke
+ rechthoeken bevat. Toch kan men van geen van hen zeggen
+ dat hij bestaat, tenzij alleen voorzoover die cirkel
+ bestaat. Evenmin kan men zeggen dat de voorstelling van
+ een dier rechthoeken bestaat, tenzij voorzoover zij in de
+ voorstelling van dien cirkel ligt opgesloten. Laten wij
+ nu eens aannemen dat van dit oneindig aantal rechthoeken
+ er twee, AB &times; BC en DB &times; BE werkelijk bestaan. Dan zouden
+ dus hun voorstellingen niet slechts bestaan voorzoover
+ zij in de voorstelling van den cirkel liggen besloten,
+ maar ook voorzoover zij het bestaan dier rechthoeken
+ insluiten: zoodat zij zich daardoor van de voorstellingen
+ der overige [niet feitelijk bestaande] rechthoeken
+ onderscheidden.</p>
+ <div class="clearoff"></div>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s9">
+<p><i>Stelling IX.</i></p>
+
+<p>De voorstelling van een bijzonder, feitelijk bestaand ding, heeft
+God tot oorzaak n&igrave;et voorzoover hij oneindig is, maar voorzoover
+hij beschouwd wordt als hebbende een voorstelling van een ander
+feitelijk bestaand ding, van hetwelk God eveneens oorzaak is
+voorzoover hij een voorstelling heeft van een derde ding, en zoo
+tot in het oneindige.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De voorstelling van een bijzonder, feitelijk bestaand ding is
+(<i>vlg. <a href="#d2s8g">Gevolg</a> en
+<a href="#d2s8g">Opmerking St. VIII van dit Deel</a></i>) een
+bijzondere, van de overige onderscheiden bestaanswijze van het
+Denken en heeft derhalve (<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI v.d. Deel</a></i>) God tot
+oorzaak alleen voorzoover hij een denkend iets is. Niet echter
+(<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII Deel I</a></i>) voorzoover hij het absolute Denken is,
+maar voorzoover hij beschouwd wordt als zich openbarende in een
+bepaalde denkwijziging; en van deze is God eveneens de oorzaak
+voorzoover hij zich in wederom een andere denkwijziging openbaart
+en zoo tot in het oneindige. Maar orde en verband der
+voorstellingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d. Deel</a></i>) dezelfde als de
+orde en het verband der oorzaken; derhalve is de oorzaak van elke
+bijzondere voorstelling een andere voorstelling, ofwel God
+voorzoover hij zich in een andere voorstelling openbaart, en van
+deze wederom voorzoover hij zich in weer een andere openbaart en
+zoo tot in het oneindige. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s9g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Van al wat in het bijzondere voorwerp van een
+ of andere voorstelling geschiedt, draagt God kennis
+ all&eacute;&eacute;n voorzoover hij de voorstelling van juist dit
+ voorwerp heeft.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Van al wat in het bijzondere voorwerp van een of andere
+ voorstelling geschiedt, bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s3">St. III v.d.
+ Deel</a></i>) eene voorstelling in God, niet voorzoover hij
+ oneindig is, maar (<i>vlg. <a href="#d2s8">voorgaande St.</a></i>) voorzoover hij
+ beschouwd wordt zich te openbaren in de voorstelling van
+ een ander bijzonder ding. Maar (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d.
+ Deel</a></i>): orde en verband der voorstellingen zijn dezelfde
+ als de orde en het verband der dingen; er moet dus in God
+ een kennis zijn van datgene wat in een of ander bijzonder
+ voorwerp geschiedt, all&eacute;&eacute;n voorzoover hij de voorstelling
+ van juist dit voorwerp heeft. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling X.</i></p>
+
+<p>Het zijn eener substantie behoort niet tot het wezen van den
+Mensch, ofwel de substantie maakt niet den aard van den Mensch
+uit.<a id="aantag34" href="#aanteken34">[A34]</a></p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het zijn eener substantie immers sluit een noodwendig bestaan in
+zich. (<i>Vlg. <a href="#d1s7">St. VII Deel I</a></i>). Indien dus het zijn eener
+substantie tot het menschelijk wezen behoorde, zou, gegeven de
+substantie, ook noodzakelijk de Mensch moeten bestaan (<i>vlg. <a href="#d2d2">Def.
+II van dit Deel</a></i>) en zou derhalve de Mensch noodwendig bestaan,
+hetgeen (<i>vlg. <a href="#d2a1">Ax. I van dit Deel</a></i>) ongerijmd is. Derhalve enz.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze stelling kan ook worden afgeleid uit
+ <i><a href="#d1s5">Stelling V. Deel I</a></i>, waar bewezen wordt dat er geen
+ substanties van denzelfden aard kunnen bestaan. Immers
+ aangezien er vele menschen bestaan kunnen, kan datgene
+ wat het wezen van den mensch uitmaakt, ook niet het zijn
+ eener substantie zijn. De juistheid dezer stelling blijkt
+ bovendien nog uit de overige eigenschappen der
+ substantie, te weten dat zij van nature oneindig,
+ onveranderlijk ondeelbaar enz. is, gelijk een ieder
+ gemakkelijk zal inzien.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s10g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat het wezen van den Mensch
+ gevormd wordt door bepaalde wijzigingen van Gods
+ attributen. Want het zijn der substantie behoort n&igrave;et tot
+ het wezen van den Mensch (<i>vlg. <a href="#d2s9">voorgaande St.</a></i>). Hij is
+ dus (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV Deel I</a></i>) iets dat in God is en dat
+ zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar is, ofwel
+ (<i>vlg. <a href="#d1s25">Gevolg St. XXV Deel I</a></i>) een openbaring of
+ bestaanswijze welke den aard Gods op zekere bepaalde
+ wijze uitdrukt.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Ieder zal toch zeker moeten toegeven dat
+ zonder God n&igrave;ets bestaanbaar noch denkbaar is. Immers
+ ieder erkent dat God de eenige oorzaak aller dingen is,
+ zoowel wat hun wezen als wat hun bestaan betreft, d.w.z.
+ dat God niet alleen de oorzaak der dingen is voorzoover
+ hun "wording" (gelijk men zegt), maar ook voorzoover hun
+ werkelijk zijn<a id="aantag35" href="#aanteken35">[A35]</a>
+ aangaat. Nochtans beweren de meesten
+ dat tot het wezen van iets datgene behoort zonder hetwelk
+ het noch bestaanbaar noch denkbaar is: ofwel, wat
+ waarschijnlijk is: zij zijn het niet met zichzelf eens.
+ De reden hiervan is, naar ik geloof, dat zij zich bij het
+ filosofeeren niet houden aan de juiste volgorde. Immers
+ zij hebben gemeend dat de goddelijke aard, welken zij
+ v&oacute;&oacute;r alles hadden moeten beschouwen, omdat hij zoowel
+ naar begrip als van nature v&oacute;&oacute;rgaat, in de volgorde
+ hunner gedachten het laatst, de dingen daarentegen welke
+ men zintuigelijk waarneembaar noemt, het eerst van al
+ kwamen. Zoodat zij, wanneer zij de natuurverschijnselen
+ beschouwden, over niets minder dachten dan over den
+ goddelijken aard en, wanneer zij daarna hun geest er toe
+ gingen zetten om over den goddelijken aard te peinzen,
+ over niets minder konden denken dan over de eerste
+ onderstellingen waarop zij hun kennis der Natuur hadden
+ opgebouwd, aangezien deze hen van geen nut konden zijn
+ bij het begrijpen van den goddelijken aard. Het behoeft
+ dus niet te verwonderen wanneer zij zichzelf telkens
+ tegenspreken. Doch genoeg hierover. Het was hier toch
+ slechts mijn bedoeling de reden aan te duiden waarom ik
+ niet heb gezegd dat tot het wezen van iets datgene zou
+ behooren zonder hetwelk het noch bestaanbaar noch
+ denkbaar is, te weten: wijl de afzonderlijke dingen
+ zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn, terwijl
+ nochtans God niet tot hun wezen behoort. Wel echter heb
+ ik gezegd dat tot het wezen van een zaak noodzakelijk
+ datgene behoort, waarmede zij staat <i>of valt</i>, ofwel
+ datgene zonder hetwelk de zaak, en <i>omgekeerd, hetwelk
+ zonder die zaak noch bestaanbaar noch denkbaar is</i>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s11">
+<p><i>Stelling XI.</i></p>
+
+<p>De eerste openbaring van het werkelijk bestaan van den
+menschelijken Geest is niets anders dan de voorstelling van een
+werkelijk bestaand bijzonder iets.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het wezen van den mensch bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s10g">Gevolg der voorg. St.</a></i>)
+uit bepaalde openbaringen van Gods attributen, nl. (<i>vlg. <a href="#d2a2">Ax. II
+van dit Deel</a></i>) uit bestaanswijzen van het
+Denken<a id="aantag36" href="#aanteken36">[A36]</a>, van welke
+(<i>vlg. <a href="#d2a3">Ax. III v.d. D.</a></i>) de voorstelling van nature de eerste is;
+terwijl, wanneer de voorstelling eenmaal gegeven is, ook de
+overige denkvormen (die namelijk waaraan de voorstelling van
+nature voorafgaat) in hetzelfde individu aanwezig moeten zijn
+(<i>vlg. <a href="#d2a3">hetzelfde Ax.</a></i>) Vandaar dat de voorstelling de eerste
+openbaring is van den menschelijken Geest. Niet echter de
+voorstelling van iets dat n&igrave;et bestaat. Immers dan zou (<i>vlg.
+<a href="#d2s8g">Gevolg St. VIII v.d. D.</a></i>) die voorstelling zelf niet een
+"bestaande" genoemd kunnen worden. Zij zal derhalve de
+voorstelling moeten zijn van een werkelijk bestaand iets. Doch
+alweer niet van iets oneindigs. Immers iets oneindigs moet (<i>vlg.
+<a href="#d1s21">St. XXI</a> en <a href="#d1s22">XXII v. D. I</a></i>)
+steeds met noodwendigheid bestaan. Dit
+echter is [bij den menschelijken geest] (<i>vlg. <a href="#d2a1">Ax. I v.d. D.</a></i>)
+ongerijmd. Derhalve is de eerste openbaring van het werkelijk
+bestaan van den menschelijken Geest de voorstelling van een
+werkelijk bestaand, bijzonder iets. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s11g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de menschelijke Geest een
+ deel is van het oneindige Verstand Gods, en daarom zeggen
+ wij, wanneer wij beweren dat de menschelijke Geest dit of
+ dat begrijpt, eigenlijk niets anders dan dat God, niet
+ voorzoover hij oneindig is, maar voor zoover hij zich in
+ den aard van den menschelijken Geest openbaart, ofwel
+ voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest
+ uitmaakt, deze of gene voorstelling heeft. Wanneer wij
+ echter zeggen dat God deze of gene voorstelling heeft,
+ niet alleen voorzoover hij den aard van den menschelijken
+ Geest uitmaakt, maar ook voorzoover hij tegelijk met den
+ menschelijken Geest de voorstelling van iets anders
+ heeft, dan zeggen wij dat de menschelijke Geest die zaak
+ tendeele of inadaequaat begrijpt.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hier zal de lezer zonder twijfel ophouden en
+ zich velerlei te binnen brengen wat hem bedenkelijk
+ voorkomt. Ik verzoek hem daarom om langzaam aan met mij
+ voort te schrijden en geen oordeel hieromtrent uit te
+ spreken alvorens hij alles ten einde toe gelezen heeft.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s12">
+<p><i>Stelling XII.</i></p>
+
+<p>Al wat in het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken
+Geest uitmaakt geschiedt, moet door den menschelijken Geest
+worden waargenomen, ofwel van dit alles bestaat in den Geest
+noodzakelijk een voorstelling. Met andere woorden: wanneer het
+voorwerp der voorstelling welke den menschelijken Geest uitmaakt,
+het Lichaam is, zal er niets in dit Lichaam kunnen gebeuren, wat
+niet door den Geest wordt waargenomen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs" id="d2s12b">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers van al wat er in het voorwerp van een of andere
+voorstelling geschiedt, bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s9g">Gevolg v. St. IX v.d. D.</a></i>)
+kennis in God, voorzoover hij beschouwd wordt zich te openbaren
+als voorstelling van juist dit voorwerp, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI
+v.d. D.</a></i>) voorzoover hij den Geest van dit voorwerp uitmaakt. Van
+al wat in het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken
+Geest uitmaakt geschiedt, bestaat dus ook kennis in God,
+voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest vormt;
+m.a.w. (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg v. St. XI v.d. D.</a></i>) deze kennis zal
+noodzakelijk in den Geest aanwezig zijn, ofwel de Geest zal dit
+alles waarnemen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> De waarheid <a href="#d2s12">dezer Stelling</a> blijkt ook en
+ wordt nog duidelijker begrepen uit <a href="#d2s7o">de Opmerking bij <i>St.
+ VII v.d. D.</i></a>, waarheen ik verwijs.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s13">
+<p><i>Stelling XIII.</i></p>
+
+<p>Het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken Geest
+uitmaakt is het Lichaam, ofwel een zekere werkelijk bestaande
+vorm der Uitgebreidheid, en niets anders.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers indien het Lichaam niet het voorwerp van den menschelijken
+Geest was, zouden de voorstellingen der inwerkingen op het
+Lichaam (<i>vlg. <a href="#d2s9g">Gevolg St. IX v.d. D.</a></i>) niet in God bestaan
+voorzoover hij &ograve;nzen Geest, maar voorzoover hij den geest van
+iets anders uitmaakte, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI v.d. D.</a></i>) wil
+zeggen dat de voorstellingen der inwerkingen op het lichaam n&igrave;et
+in onzen Geest zouden voorkomen. Wij hebben echter (<i>vlg. <a href="#d2a4">Axioma
+IV v.d. D.</a></i>) wel degelijk voorstellingen van de inwerkingen op
+ons Lichaam. Derhalve is ook het voorwerp der voorstelling welke
+den menschelijken Geest uitmaakt het Lichaam, en dat wel (<i>vlg.
+<a href="#d2s11">St. XI v.d. D.</a></i>) het werkelijk bestaande. Voorts zou er, indien
+er behalve het Lichaam nog een ander voorwerp van den Geest
+bestond--aangezien er (<i>vlg. <a href="#d1s36">St. XXXVI D. I</a></i>) niets bestaat dat
+niet de een of andere uitwerking heeft--(<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI v.d. D.</a></i>)
+noodzakelijk een voorstelling van zulk een uitwerking in onzen
+Geest aanwezig moeten zijn. Maar (<i>vlg. <a href="#d2a5">Ax. V v.d. D.</a></i>) zulk een
+voorstelling bestaat er n&igrave;et. Derhalve is ook het voorwerp van
+onzen Geest het bestaande Lichaam en niets anders. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s13g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de mensch uit Geest en
+ Lichaam bestaat en dat het menschelijk Lichaam bestaat
+ z&oacute;&oacute; als wij het waarnemen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s13o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Het is ons hierdoor niet alleen duidelijk
+ geworden dat de menschelijke Geest verbonden is met het
+ Lichaam, maar ook wat wij onder dit verband van Geest en
+ Lichaam hebben te verstaan. Geheel adaequaat ofwel
+ duidelijk echter zal niemand dit kunnen begrijpen wanneer
+ hij niet eerst den aard van ons Lichaam adaequaat heeft
+ leeren kennen. Want wat wij tot dusver hebben uiteengezet
+ was van zeer algemeenen aard en betrof den mensch niet
+ m&eacute;&eacute;r dan de overige enkeldingen, die immers allen, hoewel
+ in verschillenden graad, bezield zijn. Van ieder ding
+ toch bestaat noodzakelijk bij God een voorstelling, van
+ welke God de oorzaak is op dezelfde wijze als hij oorzaak
+ is van de voorstelling des menschelijken Lichaams, zoodat
+ al wat wij gezegd hebben over de voorstelling van het
+ menschelijk Lichaam, noodzakelijk eveneens moet gelden
+ voor de voorstelling van elk ander ding. Wij kunnen
+ echter geenszins ontkennen dat de voorstellingen, evenals
+ de voorwerpen zelf, van elkaar verschillen en dat de eene
+ voortreffelijker is en meer werkelijkheid heeft dan de
+ andere, naar gelang het voorwerp van de eene
+ voortreffelijker is en meer werkelijkheid heeft dan het
+ voorwerp der andere. Daarom is het, ten einde vast te
+ stellen in welk opzicht de menschelijke Geest van andere
+ voorstellingen verschilt en in welk opzicht hij ze
+ overtreft, noodig om, zooals wij zeiden, den aard van
+ zijn voorwerp, d.w.z. van het menschelijk Lichaam, te
+ leeren kennen. Dezen aard kan ik hier evenwel niet
+ beschrijven en dit is ook niet noodig voor hetgeen ik
+ wensch te bewijzen. Wel merk ik in het algemeen nog op
+ dat, naarmate eenig Lichaam geschikter dan andere is om
+ velerlei tegelijk te doen of te ondergaan, ook zijn Geest
+ geschikter dan andere zijn zal om velerlei tegelijk in
+ zich op te nemen; en dat hoemeer de verrichtingen van
+ eenig lichaam van dit lichaam alleen afhangen en hoe
+ minder andere lichamen tot zijn verrichtingen medewerken,
+ hoe beter ook zijn geest in staat zal zijn helder te
+ begrijpen. Hieraan kunnen wij de voortreffelijkheid van
+ den eenen geest boven den andere onderkennen, terwijl wij
+ hierin tevens de reden mogen zien waarom wij van ons
+ eigen Lichaam slechts een uiterst verwarde kennis
+ bezitten. En nog meer dingen zal ik in de volgende
+ stellingen hieruit afleiden. Ik heb het daarom der moeite
+ waard geacht een en ander nog ietwat nauwkeuriger na te
+ gaan en te bewijzen; waartoe het noodig is enkele
+ beschouwingen over den aard der
+ lichamen<a href="#aanteken29">[a29]</a> te laten
+ voorafgaan.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="axioma">
+<p><i>Grondwaarheid (Axioma) I.</i></p>
+
+<p>Alle lichamen bewegen zich of zijn in rust.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma">
+<p><i>Grondwaarheid (Axioma) II.</i></p>
+
+<p>Een lichaam beweegt zich nu eens langzamer dan weer sneller.</p>
+</div>
+
+
+<div class="lemma" id="d2h1">
+<p><i>Hulpstelling (Lemma) I.</i></p>
+
+<p>De lichamen verschillen van elkaar ten opzichte van rust en
+beweging, snelheid en traagheid; niet echter in substantie.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het eerste deel dezer stelling acht ik vanzelf duidelijk. En dat
+lichamen niet in substantie van elkaar verschillen, blijkt zoowel
+uit <i><a href="#d1s5">St. V</a></i> als uit
+<i><a href="#d1s8">St. VIII v. D. I</a></i>. Nog duidelijker evenwel
+uit hetgeen in <a href="#d1s15o">de Opmerking bij <i>St. XV. D. I</i></a> betoogd werd.</p>
+</div>
+
+
+<div class="lemma" id="d2h2">
+<p><i>Hulpstelling (Lemma) II.</i></p>
+
+<p>Alle lichamen komen in sommige opzichten overeen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers hierin komen alle lichamen overeen, dat zij het begrip van
+&eacute;&eacute;n en hetzelfde attribuut in zich sluiten (<i>vlg. <a href="#d2d1">Definitie I
+v.d. D.</a></i>). Vervolgens daarin dat zij nu eens langzamer, dan weer
+sneller bewegen en in het algemeen dat zij in beweging of rust
+kunnen zijn.</p>
+</div>
+
+
+<div class="lemma">
+<p><i>Hulpstelling (Lemma) III.</i></p>
+
+<p>Een lichaam dat in beweging of rust is, moet in beweging of tot
+rust gebracht zijn door een ander lichaam, dat eveneens tot
+beweging of rust genoodzaakt werd door een ander, en dit wederom
+door een ander, en zoo tot in het oneindige.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De lichamen zijn (<i>vlg. <a href="#d2d1">Definitie I v.d. D.</a></i>) bijzondere dingen,
+welke (<i>vlg. <a href="#d2h1">Hulpstelling I</a></i>) zich ten opzichte van hun beweging
+of rust van elkaar onderscheiden. Derhalve moet (<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII
+D. I</a></i>) elk van hen noodzakelijk in beweging of tot rust gebracht
+worden door een ander bijzonder ding, en wel (<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI v.d.
+D.</a></i>) door een ander lichaam, dat (<i>vlg. <a href="#d2a1">Axioma I</a></i>) eveneens
+hetzij beweegt hetzij in rust is. Maar dit lichaam kan (<i>om
+dezelfde reden</i>) niet bewegen of in rust zijn, wanneer het niet
+door een ander tot bewegen of rusten werd genoodzaakt, en dit
+wederom (<i>om dezelfde reden</i>) door een ander, en zoo tot in het
+oneindige. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat een in beweging verkeerend
+ lichaam zoolang bewegen blijft, tot het door een ander
+ lichaam tot rust wordt gebracht en dat een zich in rust
+ bevindend lichaam zoolang in rust blijft tot het door een
+ ander in beweging wordt gebracht. Hetgeen ook vanzelf
+ spreekt. Immers indien ik onderstel dat bijvoorbeeld een
+ lichaam A in rust is en ik houd daarbij geen rekening met
+ andere, in beweging verkeerende
+ lichamen<a id="aantag37" href="#aanteken37">[A37]</a>, dan zal ik
+ van dit lichaam A niets anders kunnen zeggen dan dat het
+ rust. Wanneer ik nu daarna zie dat dit lichaam A beweegt,
+ kan dit toch zeker niet het gevolg d&aacute;&aacute;rvan zijn dat het
+ in rust was; daaruit toch zou nooit iets anders kunnen
+ volgen dan dat A in rust bleef. Wordt daarentegen
+ ondersteld dat A in beweging is, dan zullen wij, indien
+ wij alleen het oog houden op A, niets anders kunnen
+ beweren dan dat A in beweging is. En wanneer dan later
+ het geval zich voordoet dat A in rust is, dan zal dit
+ alweer evenmin het gevolg kunnen zijn van de beweging die
+ het eerst had; uit die beweging toch zou niets anders
+ kunnen volgen dan dat A in beweging bleef. Het moet dus
+ bewerkt zijn door iets dat niet in A was, door een
+ uitwendige oorzaak dus, waardoor A gedwongen werd tot
+ rust te komen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="axioma" id="d2h3a1">
+<p><i>Grondwaarheid (Axioma) I.</i></p>
+
+<p>Alle bestaanswijzen [toestanden], waarin eenig lichaam door een
+ander lichaam wordt gebracht, zijn het gevolg zoowel van den aard
+van het gewijzigde als van het wijzigende lichaam, zoodat &eacute;&eacute;n en
+hetzelfde lichaam op verschillende wijze kan worden bewogen al
+naar gelang van den verschillenden aard der er op in werkende
+lichamen, en omgekeerd verschillende lichamen door &eacute;&eacute;n en
+hetzelfde lichaam op verschillende wijze in beweging worden
+gebracht.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma" id="d2h3a2">
+<p><i>Grondwaarheid (Axioma) II.</i></p>
+
+<p>Wanneer een bewegend lichaam botst tegen een ander, hetwelk in
+rust is en hetwelk het niet kan verplaatsen, wordt het
+teruggekaatst en zet het zijn beweging voort, waarbij de hoek,
+welke de richting der teruggekaatste beweging maakt met het
+oppervlak van het rustend lichaam waartegen het stuit, gelijk is
+aan den hoek welke de richting der invallende beweging maakt met
+ditzelfde vlak.</p>
+</div>
+
+<p>Zooveel over de meest eenvoudige lichamen, nl. die, welke zich
+uitsluitend ten opzichte van beweging en rust, snelheid en
+traagheid van elkaar onderscheiden. Wij willen thans tot de
+samengestelde overgaan.</p>
+
+
+<h4 id="d2d0"><i>Definitie.</i></h4>
+
+
+<div class="define">
+<p>Wanneer een aantal lichamen van dezelfde of van verschillende
+grootte, door andere zoodanig worden tezamen gehouden dat zij
+dicht aaneensluiten, of wanneer zij met dezelfde of met
+verschillende snelheden zoodanig bewegen, dat zij hunne
+bewegingen volgens een of andere bepaalde wijze aan elkaar
+meedeelen, dan zullen wij deze lichamen onderling "vereenigd"
+noemen en zeggen dat zij allen tezamen &eacute;&eacute;n lichaam ofwel
+enkelding [individu] vormen, dat door dit verband van andere
+lichamen onderscheiden is.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma">
+<p><i>Grondwaarheid (Axioma) III.</i></p>
+
+<p>Hoe grooter of hoe kleiner de oppervlakten zijn, waarmede de
+deelen van een individu of samengesteld lichaam elkaar raken, hoe
+moeilijker of hoe gemakkelijker kunnen zij er toe gedwongen
+worden van plaats te veranderen en hoe moeilijker of hoe
+gemakkelijker zal het bijgevolg vallen dit individu een andere
+gedaante te doen aannemen. Vandaar dat ik lichamen, wier deelen
+elkaar over groote oppervlakten raken "hard", zulke, wier deelen
+elkaar over kleine oppervlakten raken, "week" en zulke tenslotte,
+wier deelen onderling bewegelijk zijn, "vloeibaar" noem.</p>
+</div>
+
+
+<div class="lemma" id="d2h4">
+<p><i>Hulpstelling (Lemma) IV.</i></p>
+
+<p>Indien van een individu of lichaam dat uit meerdere lichamen is
+samengesteld, zich sommige dier samenstellende lichamen
+afscheiden en tegelijkertijd even zooveel andere van denzelfden
+aard hun plaats innemen, zal dit individu zijn aard als te voren
+behouden en geenerlei verandering van
+karakter<a id="aantag38" href="#aanteken38">[A38]</a> ondergaan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs" id="d2h4b">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De lichamen toch verschillen (<i>vlg. <a href="#d2h1">Hulpst. I</a></i>) niet in
+substantie. Datgene echter wat het eigenaardige van een individu
+uitmaakt, wordt (<i>vlg. <a href="#d2d0">de voorgaande Definitie</a></i>) bepaald door het
+<i>verband</i> der samenstellende lichamen. Dit verband echter blijft
+(<i>vlg. het onderstelde</i>) behouden en derhalve behoudt ook het
+individu, zoowel in substantie als in zijn wijze van bestaan,
+zijn aard als tevoren. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="lemma" id="d2h5">
+<p><i>Hulpstelling (Lemma) V.</i></p>
+
+<p>Indien de deelen welke een individu samenstellen, grooter of
+kleiner worden, op zulk een wijze evenwel dat allen ten opzichte
+van elkaar in dezelfde verhouding van rust en beweging blijven
+als te voren, zal dit individu ook zijnen aard als tevoren
+behouden en geenerlei verandering van karakter ondergaan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het bewijs hiervan wordt op dezelfde wijze geleverd als dat der
+voorgaande Hulpstelling.</p>
+</div>
+
+
+<div class="lemma" id="d2h6">
+<p><i>Hulpstelling (Lemma) VI.</i></p>
+
+<p>Indien zekere lichamen, welke een individu vormen gedwongen
+worden om de bepaalde richting hunner beweging te veranderen,
+evenwel zoodanig dat zij hun bewegingen kunnen voortzetten en
+onderling op dezelfde wijze als te voren aan elkaar kunnen
+meedeelen, zal dit individu zijn aard behouden en geenerlei
+verandering van karakter ondergaan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt vanzelf. Immers er wordt ondersteld dat het alles
+behoudt waardoor volgens de Definitie zijn karakter bepaald
+wordt.</p>
+</div>
+
+
+<div class="lemma" id="d2h7">
+<p><i>Hulpstelling (Lemma) VII.</i></p>
+
+<p>Een aldus samengesteld individu behoudt bovendien zijn aard
+hetzij het in zijn geheel beweegt of in rust is, hetzij het zich
+in deze of gene richting beweegt, zoolang slechts ieder deel zijn
+beweging behoudt en haar, zooals tevoren, aan de andere deelen
+mededeelt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt uit <a href="#d2d0">de definitie van "Individu"</a>, welke men vinden kan
+v&oacute;&oacute;r Hulpstelling IV.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hieruit zien wij dus hoe een samengesteld
+ enkelding op velerlei wijzen inwerkingen kan ondergaan
+ terwijl niettemin zijn aard behouden blijft. Tot dusver
+ nu hebben wij ons slechts een enkelding voorgesteld uit
+ niets anders bestaande dan uit lichamen welke uitsluitend
+ ten opzichte van beweging of rust, snelheid of traagheid
+ verschillen, dat wil dus zeggen uit de meest eenvoudige
+ lichamen. Stellen wij ons nu echter een lichaam voor,
+ samengesteld uit meerdere individuen van verschillenden
+ aard, dan zullen wij bevinden dat dit op nog veel meer
+ wijzen inwerkingen ondergaan kan, terwijl niettemin zijn
+ aard behouden blijft. Aangezien toch elk zijner deelen
+ uit verscheidene lichamen is samengesteld, zal (<i>vlg. <a href="#d2h6">de
+ voorgaande Hulpst.</a></i>) elk der deelen, zonder eenige
+ wijziging van zijn aard, nu eens trager, dan weer sneller
+ bewegen en bijgevolg zijn bewegingen trager of sneller
+ aan de andere meedeelen. Stellen wij ons bovendien nog
+ een derde soort van enkeldingen voor, uit enkeldingen van
+ deze tweede soort samengesteld, dan zullen wij bevinden
+ dat deze op nog meer andere wijzen inwerkingen ondergaan
+ kunnen, zonder dat daarbij hun karakter verandert. En
+ wanneer wij aldus voortgaan tot in het oneindige, zullen
+ wij gemakkelijk inzien dat de geheele Natuur &eacute;&eacute;n enkel
+ individu is, welks deelen, d.w.z. alle lichamen, op
+ oneindig vele wijzen wisselen, zonder dat evenwel dit
+ individu in zijn geheel ook maar in het minst verandert.</p>
+
+ <p>Ik zou dit, indien het mijn bedoeling was de lichamen
+ grondig te behandelen, uitvoeriger behooren uiteen te
+ zetten en te bewijzen. Doch ik heb reeds gezegd dat ik
+ iets anders beoog en dat ik dit slechts daarom te berde
+ breng, wijl ik datgene, wat ik mij voornam te bewijzen,
+ er gemakkelijk uit kan afleiden.</p>
+ </div>
+
+
+
+<h4 id="d2v">VEREISCHTEN (Postulaten)</h4>
+
+
+<div class="postulaat" id="d2p1">
+<p>I. Het menschelijk lichaam bestaat uit tal van enkeldingen (van
+verschillenden aard), elk waarvan op zijn beurt uiterst
+samengesteld is.</p>
+</div>
+
+
+<div class="postulaat">
+<p>II. Van de enkeldingen, uit welke het menschelijk Lichaam is
+samengesteld, zijn sommige vloeibaar, andere week en weer andere
+tenslotte hard.</p>
+</div>
+
+
+<div class="postulaat" id="d2p3">
+<p>III. De enkeldingen die het menschelijk Lichaam samenstellen en
+bijgevolg het menschelijk Lichaam zelf, ondervinden op tal van
+wijzen inwerking van voorwerpen er buiten.</p>
+</div>
+
+
+<div class="postulaat" id="d2p4">
+<p>IV. Het menschelijk Lichaam heeft, om te blijven bestaan, tal van
+andere voorwerpen noodig, waardoor het als het ware voortdurend
+herboren wordt.</p>
+</div>
+
+
+<div class="postulaat" id="d2p5">
+<p>V. Wanneer een vloeibaar deel van het menschelijk Lichaam door
+een uitwendig voorwerp genoodzaakt wordt, herhaaldelijk met een
+ander, week gedeelte in aanraking te komen, wijzigt het het
+oppervlak van dit laatste en drukt het er als het ware zekere
+sporen van het uitwendige, er tegen aanbotsende voorwerp in af.</p>
+</div>
+
+
+<div class="postulaat" id="d2p6">
+<p>VI. Het menschelijk Lichaam kan uitwendige voorwerpen op tal van
+wijzen in beweging brengen en op tal van wijzen op hen inwerken.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s14">
+<p><i>Stelling XIV.</i></p>
+
+<p>De menschelijke Geest is in staat om zeer veel in zich op te
+nemen, en hij is daartoe des te geschikter, naarmate zijn Lichaam
+op meer wijzen inwerkingen ondergaan kan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het menschelijk Lichaam toch ondergaat (<i>vlg. <a href="#d2p3">Postulaat III</a> en
+<a href="#d2p6">VI</a></i>) op tal van wijzen inwerkingen van uitwendige voorwerpen en
+is zelf genoodzaakt op tal van wijzen op uitwendige voorwerpen in
+te werken.</p>
+
+<p>Maar de menschelijke Geest moet (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII v.d. D.</a></i>) al wat
+in het menschelijk Lichaam plaats grijpt gewaarworden. Derhalve
+is de menschelijke Geest in staat om zeer veel in zich op te
+nemen en is hij daartoe des te geschikter enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s15">
+<p><i>Stelling XV.</i></p>
+
+<p>De voorstelling welke het werkelijke zijn van den menschelijken
+Geest uitmaakt, is niet eenvoudig, maar uit tal van
+voorstellingen samengesteld.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De voorstelling welke het werkelijke zijn van den menschelijken
+Geest uitmaakt is (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) de voorstelling van
+het Lichaam, dat (<i>vlg. <a href="#d2p1">Postulaat I</a></i>) uit zeer vele uiterst
+samengestelde individuen gevormd wordt. Van elk dier individuen
+echter, welke het Lichaam samenstellen bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s8g">Gevolg St.
+VIII v.d. D.</a></i>) noodzakelijk een voorstelling in God. Derhalve is
+(<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d. D.</a></i>) ook de voorstelling van het menschelijk
+Lichaam uit deze zeer vele voorstellingen der samenstellende
+deelen samengesteld. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s16">
+<p><i>Stelling XVI.</i></p>
+
+<p>De voorstelling van iedere wijze waarop het menschelijk Lichaam
+inwerking van uitwendige voorwerpen ondergaat, moet den aard van
+het menschelijk Lichaam zelf en tevens den aard van het
+uitwendige voorwerp in zich sluiten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Alle wijzen immers waarop een of ander lichaam inwerkingen kan
+ondergaan, vloeien voort uit den aard van dit lichaam zelf en
+tevens uit den aard van het inwerkende voorwerp (<i>vlg. <a href="#d2h3a1">Axioma I
+na Hulpst. III</a></i>). Vandaar dat (<i>vlg. <a href="#d1a4">Axioma IV D. I</a></i>) hun
+voorstelling ook noodzakelijk den aard van beide lichamen moet
+insluiten. Derhalve moet de voorstelling van iedere wijze, waarop
+het menschelijk Lichaam inwerking van uitwendige voorwerpen
+ondergaat, zoowel den aard van het menschelijk Lichaam zelf als
+dien van het er op inwerkende uitwendige voorwerp in zich
+sluiten. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s16g1">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt ten eerste dat de menschelijke
+ Geest tegelijk met den aard van zijn eigen Lichaam, ook
+ dien van zeer vele andere voorwerpen waarneemt.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s16g2">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Ten tweede volgt er uit dat de
+ voorstellingen welke wij van uitwendige voorwerpen
+ hebben, meer den toestand van ons eigen Lichaam dan den
+ aard dien uitwendige voorwerpen weergeven, hetgeen ik in
+ <a href="#d1n">het Aanhangsel van Deel I</a> reeds met vele voorbeelden heb
+ toegelicht.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s17">
+<p><i>Stelling XVII.</i></p>
+
+<p>Indien het menschelijk Lichaam inwerking ondervindt op een wijze
+welke den aard van eenig uitwendig voorwerp in zich sluit,
+beschouwt de menschelijke Geest d&igrave;tzelfde uitwendige voorwerp als
+werkelijk bestaande, ofwel als aanwezig, totdat het Lichaam een
+indruk ontvangt welke het bestaan of de aanwezigheid van het
+bedoelde voorwerp uitsluit.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit spreekt vanzelf. Immers zoolang het menschelijk Lichaam een
+dergelijke inwerking ondergaat, zal (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII v.d. D.</a></i>) de
+menschelijke Geest dezen lichaamsindruk waarnemen, d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d2s16">de voorgaande St.</a></i>): zoolang zal hij een voorstelling hebben van
+een werkelijk bestaande inwerking welke den aard van het
+uitwendige voorwerp in zich sluit, dat is dus een voorstelling,
+welke het bestaan of de aanwezigheid van den aard van het
+uitwendige voorwerp niet uitsluit maar juist onderstelt. Derhalve
+zal de Geest (<i>vlg. <a href="#d2s16g1">Gevolg I der voorgaande St.</a></i>) dit uitwendige
+voorwerp als werkelijk bestaande of als aanwezig beschouwen,
+totdat hij enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s17g">
+ <p><i>Gevolg:</i> De Geest kan uitwendige voorwerpen, waarvan het
+ menschelijk Lichaam eens de inwerking onderging, ofschoon
+ zij niet langer aanwezig zijn noch bestaan, toch als
+ aanwezig beschouwen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Wanneer uitwendige voorwerpen de vloeibare deelen van het
+ menschelijk Lichaam noodzaken herhaaldelijk met andere,
+ weeke, in aanraking te komen, veranderen zij (<i>vlg.
+ <a href="#d2p5">Postulaat V</a></i>) het oppervlak daarvan. Het gevolg hiervan
+ is (<i>zie <a href="#d2h3a2">Axioma II na Gevolg v. Hulpst. III</a></i>) dat zij
+ vandaar op een andere wijze worden teruggekaatst dan zij
+ vroeger plachten en dat zij ook later, wanneer zij uit
+ eigen beweging tegen die nieuwe oppervlakken stooten, op
+ dezelfde wijze worden teruggekaatst als toen zij door die
+ uitwendige voorwerpen tegen die oppervlakken werden
+ aangedreven, en dat zij bijgevolg op het menschelijk
+ Lichaam, doordat zij aldus teruggekaatst hun beweging
+ voortzetten, op dezelfde wijze inwerken. Hierover zal nu
+ de geest (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII v.d. D.</a></i>) wederom nadenken,
+ d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII v.d. D.</a></i>): de Geest zal wederom
+ het uitwendige voorwerp als aanwezig beschouwen en dat
+ wel even dikwijls als de vloeibare deelen van het
+ menschelijk Lichaam uit eigen beweging tegen die
+ oppervlakken aandringen. Vandaar dat de Geest,
+ niettegenstaande de uitwendige voorwerpen, waarvan het
+ menschelijk Lichaam eens de inwerking onderging, niet
+ langer bestaan, ze toch even dikwijls als aanwezig
+ beschouwt als deze werking des Lichaams zich herhaalt.
+ H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s17o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij zien hieruit hoe het mogelijk is dat wij
+ dingen die niet bestaan toch als aanwezig kunnen
+ beschouwen, gelijk dikwijls geschiedt. Het kan nu wel
+ zijn dat dit ook nog andere oorzaken heeft, maar het is
+ mij genoeg er &eacute;&eacute;ne te hebben aangetoond, waardoor ik deze
+ zaak even goed kon verklaren als wanneer ik haar
+ volledige<a id="aantag39" href="#aanteken39">[A39]</a>
+ oorzaak had blootgelegd.</p>
+
+ <p>Overigens geloof ik dat ik niet ver van de waarheid af
+ ben, aangezien alle postulaten die ik aannam haast niets
+ bevatten wat niet krachtens ervaring vaststaat, aan welke
+ ervaring wij niet meer kunnen twijfelen sinds wij bewezen
+ hebben dat het menschelijk Lichaam z&oacute;&oacute; als wij er ons van
+ bewust zijn, werkelijk bestaat (<i>zie <a href="#d2s13g">Gevolg v. St. XIII
+ v.d. D.</a></i>). Bovendien begrijpen wij thans duidelijk (<i>vlg.
+ <a href="#d2s17g">Gevolg d. voorg. St.</a> en
+ <a href="#d2s16g2">Gevolg II v. St. XVI v.d. D.</a></i>)
+ wat het verschil is tusschen de voorstelling van
+ bijvoorbeeld Petrus, welke het wezen van Petrus' eigen
+ geest uitmaakt en tusschen de voorstelling van
+ dienzelfden Petrus welke bij een ander mensch, zeg
+ Paulus, bestaat. De eerste toch openbaart onmiddellijk
+ het wezen van het lichaam van Petrus zelf en sluit
+ slechts zoolang als Petrus zelf bestaat, het bestaan in
+ zich; terwijl de laatste meer den toestand van Paulus'
+ lichaam danwel Petrus' aard doet kennen, zoodat dan ook
+ Paulus' geest, zoolang die toestand van zijn lichaam
+ voortduurt, Petrus als aanwezig kan beschouwen, ook al
+ bestaat deze niet meer.</p>
+
+ <p id="d2s17o_3">Wij zullen voortaan, om ons aan het spraakgebruik te
+ houden, die indrukken van het menschelijk Lichaam, welker
+ voorstellingen ons uitwendige voorwerpen als aanwezig
+ doen zien, "<i>beelden</i>"<a href="#aanteken16">[a16]</a>
+ der dingen noemen, hoewel zij
+ eigenlijk n&igrave;et de gedaante der dingen zelf weergeven. En
+ wanneer de Geest de voorwerpen op deze wijze beschouwt
+ zullen wij zeggen dat hij ze zich verbeeldt. Ik zou nu
+ hier, om alvast aan te duiden wat dwaling is, willen doen
+ opmerken dat de verbeeldingen van den Geest op zichzelf
+ beschouwd geenerlei dwaling bevatten, ofwel dat de Geest
+ n&igrave;et dwaalt omdat hij zich iets verbeeldt, doch alleen
+ voorzoover hem daarbij de voorstelling ontbreekt welke
+ het bestaan der dingen, welke hij zich als aanwezig
+ denkt, uitsluit. Immers indien de geest, terwijl hij zich
+ nietbestaande dingen als aanwezig verbeeldt,
+ tegelijkertijd wist dat deze dingen niet werkelijk
+ bestonden, zoo zou hij zulk een verbeeldingskracht
+ terecht als een deugd en niet als een gebrek beschouwen,
+ vooral indien deze verbeeldingskracht alleen van zijn
+ eigen aard afhing, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d7">Definitie VII D. I</a></i>)
+ indien deze verbeeldingskracht van den Geest een vrij
+ vermogen was.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s18">
+<p><i>Stelling XVIII.</i></p>
+
+<p>Indien het menschelijk Lichaam eenmaal van twee of meer
+voorwerpen tegelijk inwerking onderging, zal de Geest, wanneer
+hij zich later een dier voorwerpen verbeeldt, zich ook terstond
+de andere herinneren.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs" id="d2s18b">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De Geest verbeeldt zich (<i>vlg. <a href="#d2s17g">Gevolg d. voorg. St.</a></i>) een of
+ander voorwerp doordat het menschelijk Lichaam van de sporen van
+een uitwendig voorwerp dezelfde inwerking ondervindt als toen
+enkele zijner deelen met dit uitwendig voorwerp zelf in aanraking
+kwamen. Maar de toestand van het Lichaam was toen (<i>vlg. het
+onderstelde</i>) zoodanig dat de Geest zich toen twee voorwerpen
+tegelijk verbeeldde [voorstelde]<a href="#aanteken16">[a16]</a>
+en daarom zal hij zich ook
+nu twee voorwerpen tegelijk verbeelden en zal de Geest zich, waar
+hij zich &eacute;&eacute;n van beide verbeeldt, terstond ook het andere
+herinneren. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s18o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij begrijpen nu duidelijk wat <i>Herinnering</i>
+ is. Zij is namelijk niets anders dan een zekere
+ aaneenschakeling van voorstellingen welke den aard van
+ dingen die buiten het menschelijk Lichaam bestaan in zich
+ sluiten, welke aaneenschakeling in den Geest beantwoordt
+ aan de orde en aaneenschakeling der inwerkingen op het
+ menschelijk Lichaam. Ik zeg <i>ten eerste</i>, dat zij slechts
+ een aaneenschakeling is van voorstellingen welke den aard
+ van dingen die buiten het menschelijk Lichaam bestaan in
+ zich sluiten; niet echter van voorstellingen welke den
+ aard dier dingen verklarend doen kennen. Immers zij zijn
+ in werkelijkheid (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI v.d. D.</a></i>) slechts
+ voorstellingen van inwerkingen op het menschelijk
+ Lichaam, welke zoowel den aard van dit als dien der
+ uitwendige voorwerpen in zich sluiten. Ik zeg <i>ten
+ tweede</i> dat deze aaneenschakeling beantwoordt aan de orde
+ en aaneenschakeling der inwerkingen op het menschelijk
+ Lichaam, om haar te onderscheiden van die
+ aaneenschakeling van voorstellingen welke beantwoordt aan
+ de orde des verstands [de regelen van het denken]
+ waardoor de Geest de dingen in hun eerste oorzaken
+ begrijpt en welke bij alle menschen dezelfde is. Voorts
+ kunnen wij nu duidelijk begrijpen waardoor de Geest van
+ de gedachte aan een of andere zaak onmiddellijk op die
+ eener andere zaak, welke geenerlei gelijkenis met de
+ eerste heeft, kan overgaan. Zoo komt bijvoorbeeld een
+ Romein door de gedachte aan den klank "pomus" [appel]
+ dadelijk op die van een vrucht, welke geenerlei
+ gelijkenis heeft met dien geartikuleerden klank en er
+ niets anders mede gemeen heeft dan dat het lichaam van
+ dien man herhaaldelijk van beide inwerking onderging.
+ D.w.z. dat die man dikwijls het woord appel hoorde
+ terwijl hij de vrucht zelf voor zich zag. En zoo komt elk
+ van de eene gedachte op de andere, al naar gelang eens
+ ieders gewoonte de beelden der dingen in zijn lichaam
+ heeft gerangschikt.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s19">
+<p><i>Stelling XIX.</i></p>
+
+<p>De menschelijke Geest kent het eigen menschelijk Lichaam niet en
+weet niet anders van zijn bestaan, dan alleen door de
+voorstellingen der inwerking welke het Lichaam ondergaat.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De menschelijke Geest immers is (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) zelf
+een voorstelling of kennis van het menschelijk Lichaam, welke
+(<i>vlg. <a href="#d2s9">St. IX v.d. D.</a></i>) in God bestaat, schoon alleen voorzoover
+hij [God] beschouwd wordt als tevens vervuld van de voorstelling
+van andere bijzondere dingen. Ofwel, aangezien (<i>vlg. <a href="#d2p4">Postulaat
+IV</a></i>) het menschelijk Lichaam tal van andere voorwerpen behoeft
+waaruit het voortdurend als het ware wordt herboren; en aangezien
+de orde en aaneenschakeling der voorstellingen (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII
+v.d. D.</a></i>) dezelfde is als de orde en aaneenschakeling der
+oorzaken, zal deze voorstelling in God bestaan voorzoover hij
+beschouwd wordt als vervuld van de voorstellingen van tal van
+bijzondere dingen. God heeft dus een voorstelling van het
+menschelijk Lichaam, voorzoover hij vervuld is van tal van andere
+voorstellingen en niet voorzoover hij het wezen van den
+menschelijken Geest uitmaakt. D.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg v. St. XI v.d.
+D.</a></i>) de menschelijke Geest kent het eigen menschelijk Lichaam
+niet. Maar de voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk
+Lichaam bestaan wel in God voorzoover hij het wezen van den
+menschelijken Geest uitmaakt, ofwel de Geest neemt deze
+inwerkingen waar (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII v.d. D.</a></i>)
+en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d2s16">St.
+XVI v.d. D.</a></i>) neemt hij het menschelijk Lichaam waar, en dat wel
+(<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII v.d. D.</a></i>)
+z&oacute;&oacute; als het werkelijk bestaat en
+slechts in zoover dus neemt de menschelijke Geest het eigen
+menschelijke Lichaam waar. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s20">
+<p><i>Stelling XX.</i></p>
+
+<p>Ook van den menschelijken Geest bestaat in God een voorstelling
+of wel kennis, welke op dezelfde wijze uit God voortvloeit en met
+hem in verband staat als de voorstelling of kennis van het
+menschelijke Lichaam.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het Denken is (<i>vlg. <a href="#d2s1">St. I v.d. D.</a></i>) een attribuut Gods en
+derhalve moet er (<i>vlg. <a href="#d2s3">St. III v.d. D.</a></i>) zoowel van dit
+attribuut als van al zijn openbaringen, en bijgevolg ook (<i>vlg.
+<a href="#d2s11">St. XI v.d. D.</a></i>) van den menschelijken Geest, noodzakelijk in God
+een voorstelling bestaan. Voorts volgt hieruit n&igrave;et dat deze
+voorstelling of kennis van den Geest in God bestaat voorzoover
+hij oneindig is, maar slechts voorzoover hij vervuld is van
+andere voorstellingen van bijzondere dingen (<i>vlg. <a href="#d2s9">St. IX v.d.
+D.</a></i>). Maar de orde en aaneenschakeling der voorstellingen zijn
+(<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d. D.</a></i>) dezelfde als de orde en aaneenschakeling
+der oorzaken. Derhalve vloeit deze voorstelling of kennis van den
+menschelijken Geest in God op dezelfde wijze uit hem voort en
+staat zij op dezelfde wijze met hem in verband als de
+voorstelling of kennis van het menschelijk Lichaam. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s21">
+<p><i>Stelling XXI.</i></p>
+
+<p>Deze voorstelling omtrent den Geest [in God] is op dezelfde wijze
+met den Geest vereenigd als de Geest zelf vereenigd is met het
+Lichaam.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dat de Geest met het Lichaam vereenigd is hebben wij bewezen uit
+het feit dat het Lichaam het voorwerp is van den Geest (<i>zie <a href="#d2s12">St.
+XII</a> en <a href="#d2s18">XIII v.d. D.</a></i>). Om dezelfde reden moet derhalve de
+voorstelling omtrent den Geest [in God] met h&aacute;&aacute;r voorwerp, d.w.z.
+met den Geest zelf, vereenigd zijn en wel op dezelfde wijze als
+de Geest zelf vereenigd is met het Lichaam. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s21o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze stelling zal men nog veel duidelijker
+ begrijpen uit hetgeen in de Opmerking bij Stelling VII
+ van dit Deel gezegd werd. Daar immers hebben wij
+ aangetoond dat de voorstelling van het Lichaam en het
+ Lichaam zelf, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) de Geest
+ en het Lichaam, &eacute;&eacute;n en hetzelfde enkelding zijn, dat nu
+ eens wordt beschouwd als openbaring van het attribuut des
+ Denkens, dan weer als openbaring van dat der
+ Uitgebreidheid. Daarom is ook de voorstelling omtrent den
+ Geest [in God] en de Geest zelf &eacute;&eacute;n en dezelfde zaak, nu
+ beschouwd onder hetzelfde attribuut, namelijk het Denken.
+ De voorstelling omtrent den Geest en de Geest zelf,
+ moeten dus, beweer ik, beide met dezelfde noodwendigheid
+ en krachtens hetzelfde vermogen tot denken, in God
+ bestaan. Inderdaad toch is de voorstelling omtrent den
+ Geest, d.w.z. de voorstelling eener voorstelling, niets
+ anders dan een vorm van voorstelling, voorzoover zij als
+ openbaring van Denken zonder eenige betrekking tot een
+ voorwerp wordt opgevat. Zoodra iemand iets weet, weet hij
+ door dit feit zelf d&agrave;t hij het weet en weet hij tevens
+ dat hij weet dat hij het weet, en zoo tot in het
+ oneindige. Doch hierover later.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s22">
+<p><i>Stelling XXII.</i></p>
+
+<p>De menschelijke Geest neemt niet alleen de inwerkingen op het
+Lichaam, maar ook de voorstellingen dier inwerkingen waar.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De voorstellingen omtrent de voorstellingen der inwerkingen [op
+het Lichaam] volgen in God op dezelfde wijze en staan tot hem in
+dezelfde betrekking als de voorstellingen zelf dier inwerkingen;
+hetgeen op dezelfde wijze bewezen wordt als Stelling XX van dit
+Deel. Maar de voorstellingen der inwerkingen op het Lichaam
+bestaan in den menschelijken Geest (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII v.d. D.</a></i>)
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI v.d. D.</a></i>) zij bestaan in God
+voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt.
+Derhalve zullen de voorstellingen omtrent deze voorstelling in
+God bestaan voorzoover hij een voorstelling of kennis van den
+menschelijken Geest heeft, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s21">St. XXI v.d. D.</a></i>) in den
+menschelijken Geest zelf, welke dus niet alleen de inwerkingen op
+het Lichaam, maar ook de voorstellingen daarvan waarneemt.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s23">
+<p><i>Stelling XXIII.</i></p>
+
+<p>De Geest kent zichzelf niet dan voorzoover hij de voorstellingen
+der inwerkingen op het Lichaam waarneemt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De voorstelling of kennis omtrent den Geest volgt in God (<i>vlg.
+<a href="#d2s20">St. XX v.d. D.</a></i>) op dezelfde wijze en staat tot hem in dezelfde
+betrekking als de voorstelling of kennis omtrent het Lichaam.
+Maar aangezien (<i>vlg. <a href="#d2s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) de menschelijke Geest het
+eigen menschelijk Lichaam niet kent; d.w.z. aangezien (<i>vlg. <a href="#d2s11">St.
+XI v.d. D.</a></i>) de kennis van het menschelijk Lichaam God niet eigen
+is voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt,
+is ook de kennis omtrent den Geest God niet eigen voorzoover hij
+het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt en kent derhalve
+(<i>vlg. <a href="#d2s11g">hetzelfde Gevolg v. St. XI v.d. D.</a></i>) de menschelijke Geest
+ook in zoover zichzelf niet. Voorts sluiten (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI v.d.
+D.</a></i>) de voorstellingen der inwerkingen welke het menschelijk
+Lichaam ondergaat den aard van dit menschelijk Lichaam zelf in
+zich; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) zij komen overeen met den
+aard van den Geest; weshalve de kennis dier voorstellingen
+noodzakelijk de kennis omtrent den Geest in zich sluit. Doch
+(<i>vlg. <a href="#d2s22">de voorg. St.</a></i>) de kennis omtrent deze voorstellingen
+bestaat in den Geest zelf; derhalve kent ook de menschelijke
+Geest zichzelf slechts in zoover. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s24">
+<p><i>Stelling XXIV.</i></p>
+
+<p>De menschelijke Geest bezit geen adaequate kennis van de deelen
+welke het menschelijk Lichaam samenstellen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De deelen welke het menschelijk Lichaam samenstellen behooren
+niet tot het wezen van het Lichaam zelf, dan alleen voorzoover
+zij hun bewegingen op een of ander bepaalde wijze aan elkaar
+meedeelen (<i>zie <a href="#d2d0">de Definitie na Gevolg v. Hulpst. III</a></i>) en niet
+voorzoover zij beschouwd kunnen worden als enkeldingen zonder
+verband met het menschelijk Lichaam. Immers de deelen van het
+menschelijk Lichaam zijn (<i>vlg. <a href="#d2p1">Postulaat I</a></i>) zelf uiterst
+samengestelde enkeldingen, wier eigen onderdeelen (<i>vlg. <a href="#d2h4">Hulpst.
+IV</a></i>) van het menschelijk Lichaam kunnen worden afgescheiden, met
+volkomen behoud van deszelfs aard en
+karakter<a href="#aanteken38">[a38]</a>, en welke hun
+bewegingen (<i>zie <a href="#d2h3a1">Axioma I na Hulpst. III</a></i>) aan andere voorwerpen
+op weer andere wijze kunnen meedeelen. Derhalve zal er in God
+(<i>vlg. <a href="#d2s3">St. III v.d. D.</a></i>) van elk dier deelen een voorstelling of
+kennis bestaan, en dat wel (<i>vlg. <a href="#d2s9">St. IX v.d. D.</a></i>) voor zoover
+hij beschouwd wordt als hebbende een voorstelling van weer een
+ander bijzonder ding dat in de orde der Natuur aan dit deel zelf
+voorafgaat (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d. D.</a></i>). Hetzelfde kan bovendien
+gezegd worden van elk onderdeel van dit enkelding dat deel
+uitmaakt van het menschelijk Lichaam; zoodat er van elk deel van
+het menschelijk Lichaam kennis in God bestaat voorzoover hij tal
+van voorstellingen van dingen heeft en niet voorzoover hij
+slechts de voorstelling van het menschelijk Lichaam [als
+zoodanig] heeft, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) die
+voorstelling, welke het wezen van den menschelijken Geest
+uitmaakt. Derhalve bezit de menschelijke Geest geen adaequate
+kennis van de deelen welke het menschelijk Lichaam samenstellen.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s25">
+<p><i>Stelling XXV.</i></p>
+
+<p>De voorstelling van welke inwerking op het menschelijk Lichaam
+ook, sluit geen adaequate kennis van het inwerkende voorwerp in
+zich.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs" id="d2s25b">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wij hebben aangetoond (<i>zie <a href="#d2s16">St. XVI v.d. D.</a></i>) dat de voorstelling
+eener inwerking op het menschelijk Lichaam in zoover het wezen
+van het inwerkende voorwerp in zich sluit, als dit uitwendig
+voorwerp op een bepaalde wijze op het menschelijk Lichaam zelf
+inwerkt. Maar voorzoover dit uitwendig voorwerp een enkelding is
+dat overigens met het menschelijk Lichaam in geenerlei verband
+staat, bestaat de voorstelling of kennis daaromtrent in God
+(<i>vlg. <a href="#d2s9">St. IX v.d. D.</a></i>) voorzoover God beschouwd wordt als
+hebbende een voorstelling van een ander ding, dat (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII
+v.d. D.</a></i>) van nature aan dat uitwendige voorwerp voorafgaat.
+Zoodat er in God geen adaequate kennis bestaat van een uitwendig
+voorwerp voorzoover hij de voorstelling eener inwerking op het
+menschelijk Lichaam heeft. Ofwel de voorstelling van een
+inwerking op het menschelijk Lichaam sluit geen adaequate kennis
+van het inwerkende voorwerp in zich. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s26">
+<p><i>Stelling XXVI.</i></p>
+
+<p>De menschelijke Geest neemt geen uitwendig voorwerp als werkelijk
+bestaande waar, dan alleen door bemiddeling van de voorstellingen
+der inwerkingen op het eigen Lichaam.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wanneer het menschelijk Lichaam op geenerlei wijze inwerking van
+eenig uitwendig voorwerp ondergaat, zal ook (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII v.d.
+D.</a></i>) de voorstelling van het menschelijk Lichaam, d.w. dus z.
+(<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) de menschelijke Geest, op geenerlei
+wijze door de voorstelling van het bestaan van dit uitwendig
+voorwerp worden aangedaan; ofwel de menschelijke Geest zal het
+bestaan van dit uitwendige voorwerp op geenerlei wijze waarnemen.
+Voor zoover echter het menschelijk Lichaam w&egrave;l op eenigerlei
+wijze inwerking van een uitwendig voorwerp ondergaat, zal de
+Geest (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI</a> en
+<a href="#d2s16g2">Gevolg II v.d. D.</a></i>) dit uitwendig
+voorwerp waarnemen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Voorzoover de menschelijke Geest zich een
+ uitwendig voorwerp verbeeldt [voorstelt] heeft hij
+ daarvan geen adaequate kennis.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs" id="d2s26gb">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Wanneer de menschelijke Geest uitwendige voorwerpen
+ beschouwt door bemiddeling van de voorstellingen der
+ inwerkingen op zijn Lichaam, zeggen wij dat hij zich die
+ voorwerpen verbeeldt [voorstelt] (<i>zie <a href="#d2s17o">Opmerking bij St.
+ XVII v.d. D.</a></i>). Maar de Geest kan zich (<i>vlg. <a href="#d2s26">de voorg.
+ St.</a></i>) op geen andere wijze dingen als werkelijk bestaande
+ voorstellen. Derhalve heeft (<i>vlg. <a href="#d2s25">St. XXV v.d. D.</a></i>) de
+ Geest, voorzoover hij zich uitwendige voorwerpen
+ voorstelt, daarvan geen adaequate kennis. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s27">
+<p><i>Stelling XXVII.</i></p>
+
+<p>De voorstelling van welke inwerking op het menschelijk Lichaam
+ook, sluit geen adaequate kennis van het menschelijk Lichaam zelf
+in zich.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Elke voorstelling van een of andere inwerking op het menschelijk
+Lichaam sluit in zoover het wezen van het menschelijk Lichaam in
+zich als dit menschelijk Lichaam zelf beschouwd wordt die
+bepaalde inwerking te ondergaan (<i>zie <a href="#d2s16">St. XVI v.d. D.</a></i>). Maar
+voorzoover het menschelijk Lichaam een enkelding is dat op vele
+andere wijzen inwerkingen ondergaan kan, bestaat zijn
+voorstelling of kennis enz. (<i>zie <a href="#d2s25b">Bewijs v. St. XXV v.d. D.</a></i>).</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s28">
+<p><i>Stelling XXVIII.</i></p>
+
+<p>De voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk Lichaam
+zijn, voorzoover zij slechts bestaan in den menschelijken Geest,
+niet helder en duidelijk, maar verward.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers de voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk
+Lichaam sluiten (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI v.d. D.</a></i>) zoowel den aard der
+uitwendige voorwerpen als dien van het menschelijk Lichaam zelf
+in zich. Bovendien moeten zij niet alleen den aard van het
+menschelijk Lichaam, maar ook dien van al zijn onderdeelen in
+zich sluiten, want die inwerkingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2p3">Postulaat III</a></i>)
+wijzigingen, waarvan de deelen van het menschelijk Lichaam en
+bijgevolg het geheele Lichaam, invloed ondervinden. Maar (<i>vlg.
+<a href="#d2s24">XXIV</a> en <a href="#d2s25">XXV v.d. D.</a></i>)
+een adaequate kennis der uitwendige
+voorwerpen, en evenmin der deelen welke het menschelijk Lichaam
+samenstellen, bestaat in God niet, voorzoover hij beschouwd wordt
+zich als menschelijke Geest, doch voorzoover hij beschouwd wordt
+zich als die andere voorstellingen te openbaren. Derhalve zijn de
+voorstellingen dezer inwerkingen, voorzoover zij slechts in den
+menschelijken Geest bestaan, te vergelijken bij gevolgtrekkingen
+zonder voorwaarden [praemissen], d.w.z. (<i>gelijk van zelf
+spreekt</i>): zij zijn verward. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s28o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Op dezelfde wijze kan worden bewezen dat de
+ voorstelling welke het wezen van den menschelijken Geest
+ uitmaakt, op zichzelf beschouwd, evenmin helder en
+ duidelijk is, evenmin als de voorstelling omtrent den
+ menschelijken Geest en de voorstelling der voorstellingen
+ der inwerkingen op het menschelijk Lichaam, voorzoover
+ deze in den Geest alleen bestaan. Hetgeen een ieder
+ gemakkelijk zal inzien.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s29">
+<p><i>Stelling XXIX.</i></p>
+
+<p>De voorstelling eener voorstelling van welke inwerking op het
+menschelijk Lichaam ook, sluit geen adaequate kennis van den
+menschelijken Geest in zich.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers de voorstelling eener inwerking op het menschelijk Lichaam
+sluit (<i>vlg. <a href="#d2s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) geen adaequate kennis van dit
+Lichaam zelf in zich, ofwel drukt zijn wezen niet op adaequate
+wijze uit. D.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) zij stemt niet
+adaequaat met den aard des Geestes overeen. Derhalve drukt ook
+(<i>vlg. <a href="#d1a6">Axioma VI D. I</a></i>) de voorstelling dier voorstelling niet
+het wezen van den menschelijken Geest uit, ofwel sluit zij diens
+adaequate kennis niet in zich. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s29g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de menschelijke Geest, zoo
+ dikwijls hij de dingen waarneemt, gelijk zij zich in de
+ algemeene orde der Natuur voordoen, noch van zichzelf,
+ noch van zijn Lichaam, noch van de uitwendige voorwerpen,
+ een adaequate kennis bezit, doch slechts een verwarde en
+ gebrekkige. De Geest toch kent zichzelf niet dan
+ voorzoover hij voorstellingen omtrent de inwerkingen op
+ het menschelijk Lichaam waarneemt (<i>vlg. <a href="#d2s23">St. XXIII v.d.
+ D.</a></i>). Zijn eigen Lichaam echter kan hij (<i>vlg. <a href="#d2s19">St. XIX
+ v.d. D.</a></i>) niet anders waarnemen dan door middel van
+ diezelfde voorstellingen van inwerkingen, waardoor hij
+ ook (en uitsluitend) uitwendige voorwerpen waarneemt
+ (<i>vlg. <a href="#d2s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>). Derhalve bezit hij, voorzoover
+ hij deze voorstellingen heeft, noch van zichzelf (<i>vlg.
+ <a href="#d2s29">St. XXIX v.d. D.</a></i>),
+ noch van zijn Lichaam (<i>vlg. <a href="#d2s27">St.
+ XXVII v.d. D.</a></i>), noch van de uitwendige voorwerpen (<i>vlg.
+ <a href="#d2s25">St. XXV v.d. D.</a></i>) een adaequate kennis, doch slechts
+ (<i>vlg. <a href="#d2s28">St. XXVIII</a> en
+ <a href="#d2s28o">Opmerking v.d. D.</a></i>) een gebrekkige
+ en verwarde. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Ik zeg opzettelijk dat de Geest noch van
+ zichzelf, noch van zijn Lichaam, noch van de uitwendige
+ voorwerpen een adaequate voorstelling heeft, doch slechts
+ een verwarde, zoo dikwijls hij de dingen waarneemt gelijk
+ ze zich in de algemeene orde der Natuur voordoen, d.w.z.
+ zoo dikwijls hij van buiten af, krachtens den toevalligen
+ samenloop der omstandigheden genoodzaakt wordt het een of
+ ander waar te nemen; en niet zoo dikwijls hij van binnen
+ uit, d.w.z. door het feit dat hij meerdere dingen
+ tegelijk beschouwt, genoopt wordt hun overeenkomst,
+ verschillen en tegenstrijdigheden te begrijpen. Want zoo
+ dikwijls hij op deze of eenige andere wijze innerlijk
+ ertoe gedreven wordt, beschouwt hij de dingen helder en
+ duidelijk, gelijk ik hieronder zal aantoonen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXX.</i></p>
+
+<p>Wij kunnen omtrent den duur van ons Lichaam geen andere dan
+slechts uiterst inadaequate kennis bezitten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De duur van ons Lichaam hangt (<i>vlg. <a href="#d2a1">Axioma I v.d. D.</a></i>) niet af
+van zijn wezen en evenmin (<i>vlg. <a href="#d1s21">St. XXI v. D. I</a></i>) van den
+absoluten aard Gods. Maar het wordt (<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII D. I</a></i>) tot
+bestaan en werken genoodzaakt door oorzaken welke zelf ook door
+andere oorzaken tot een bepaalde wijze van bestaan en werken
+genoodzaakt worden en deze wederom door andere en zoo tot in het
+oneindige. De duur van ons Lichaam hangt dus af van de algemeene
+orde der Natuur en den toestand der dingen. Omtrent dien toestand
+der dingen evenwel bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s9g">Gevolg v. St. IX v.d. D.</a></i>)
+kennis in God voorzoover hij een voorstelling heeft van hen allen
+en niet voorzoover hij slechts de voorstelling heeft van het
+menschelijk Lichaam alleen. Derhalve is de kennis van den duur
+van het menschelijk Lichaam in God uiterst inadaequaat,
+voorzoover hij slechts beschouwd wordt als uitmakende het wezen
+van den menschelijken Geest, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg v. St. XI v.d.
+D.</a></i>): deze kennis is in onzen Geest uiterst inadaequaat. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s31">
+<p><i>Stelling XXXI.</i></p>
+
+<p>Wij kunnen omtrent den duur der bijzondere dingen welke buiten
+ons bestaan, geen andere dan slechts uiterst inadaequate kennis
+bezitten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers elk bijzonder ding moet, evenals het menschelijk Lichaam
+(<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII D. I</a></i>) door een ander bijzonder ding
+genoodzaakt worden tot een bepaalde wijze van bestaan en werken,
+en dit wederom door een ander ding en zoo tot in het oneindige.
+Aangezien wij echter uit deze algemeene eigenschap der bijzondere
+dingen in de voorgaande stelling hebben bewezen, dat wij omtrent
+den duur van ons eigen Lichaam slechts een zeer inadaequate
+kennis bezitten, moeten wij dus wel tot dezelfde gevolgtrekking
+komen wat den duur der bijzondere dingen betreft, nl. dat wij
+hieromtrent geen andere dan slechts uiterst inadaequate kennis
+bezitten kunnen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s31g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt, dat alle bijzondere zaken
+ toevallig [gebeurlijk] en vergankelijk zijn. Immers wij
+ kunnen (<i>vlg. <a href="#d2s31">de voorg. St.</a></i>) geenerlei adaequate kennis
+ omtrent hun duur bezitten en dat juist is het wat wij
+ onder toevalligheid [gebeurlijkheid] en vergankelijkheid
+ [mogelijkheid van verval] der dingen hebben te verstaan
+ (<i>zie <a href="#d1s33o1">Opmerking I bij St. XXXIII D. I</a></i>). Want behalve in
+ dezen zin bestaat er nergens iets toevalligs.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s32">
+<p><i>Stelling XXXII.</i></p>
+
+<p>Alle voorstellingen zijn waar voorzoover zij tot God worden
+teruggebracht.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers alle voorstellingen welke in God bestaan, komen (<i>vlg.
+<a href="#d2s6g">Gevolg v. St. VII v.d. D.</a></i>) geheel en al overeen met het door hen
+voorgestelde en derhalve zijn zij (<i>vlg. <a href="#d1a6">Axioma VI v. D. I</a></i>) ook
+allen waar. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s33">
+<p><i>Stelling XXXIII.</i></p>
+
+<p>Er is in voorstellingen niets positiefs, waarom zij valsch
+genoemd konden worden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wie dit ontkent, stelle zich eens, zoo dit mogelijk is, een
+positieven denkvorm voor, welke het wezen van dwaling of
+valschheid uitmaakt. Deze denkvorm kan (<i>vlg. <a href="#d2s32">de voorg. St.</a></i>)
+niet bestaan in God; buiten God evenwel is hij (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D.
+I</a></i>) evenmin bestaanbaar noch denkbaar. Derhalve kan er in
+voorstellingen niets positiefs voorkomen, waarom zij valsch
+genoemd konden worden. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s34">
+<p><i>Stelling XXXIV.</i></p>
+
+<p>Elke voorstelling welke in ons
+absoluut<a href="#aanteken22">[a22]</a>, ofwel adaequaat en
+volmaakt is, is waar.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wanneer wij zeggen dat er in ons een adaequate en volmaakte
+voorstelling bestaat, zeggen wij (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg v. St. XI v.d.
+D.</a></i>) niets anders dan dat er in God, voorzoover hij het wezen van
+onzen Geest uitmaakt, een adaequate en volmaakte voorstelling
+bestaat. Bijgevolg zeggen wij dan (<i>vlg. <a href="#d2s32">St. XXXII v.d. D.</a></i>)
+niets anders dan dat zulk een voorstelling waar is. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s35">
+<p><i>Stelling XXXV.</i></p>
+
+<p>Valschheid bestaat in een gemis aan kennis dat inadaequate, ofwel
+gebrekkige en verwarde voorstellingen kenmerkt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Er is (<i>vlg. <a href="#d2s33">St. XXXIII v.d. D.</a></i>) in voorstellingen niets
+positiefs dat het wezen der valschheid in zich sluit. Maar toch
+kan valschheid niet bestaan in een volstrekte ontstentenis.
+(Immers, zooals men zegt: de Geest, niet het Lichaam dwaalt en
+bedriegt zich). Evenmin in een volstrekte onwetendheid: immers
+niet-weten en dwalen zijn verschillende zaken. Derhalve bestaat
+zij in dit gemis aan kennis dat een inadaequate kennis der
+dingen, ofwel inadaequate en verwarde voorstellingen kenmerkt.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s35o">
+ <p><i>Opmerking:</i> In de Opmerking bij Stelling XVII van dit
+ Deel heb ik uiteengezet, hoe dwaling in gemis aan kennis
+ bestaat; tot meerdere verduidelijking hiervan zal ik
+ evenwel thans een voorbeeld geven. De menschen dan
+ bedriegen zich indien zij wanen vrij te zijn. Deze
+ meening berust alleen hierop dat zij zich wel bewust zijn
+ van hun handelingen, doch onwetend omtrent de oorzaken
+ door welke deze bepaald worden. Hun voorstelling van
+ vrijheid is dus deze: dat zij geen oorzaak voor hun
+ handelingen kennen. Immers wanneer zij zeggen dat de
+ menschelijke handelingen van den wil afhangen, spreken
+ zij woorden waarbij zij geenerlei voorstelling hebben.
+ Niemand toch weet wat die wil is en op welke wijze hij
+ het Lichaam in beweging zou brengen, terwijl wie anders
+ denken en zetels en woonplaatsen voor de ziel verzinnen,
+ slechts spot of afschuw plegen te verwekken. Zoo
+ verbeelden wij ons, wanneer wij naar de zon kijken, dat
+ zij omstreeks 200 voet van ons verwijderd is. Deze
+ dwaling nu bestaat niet uitsluitend in deze verbeelding,
+ maar in het feit dat, terwijl wij ons dit verbeelden,
+ haar ware afstand en de oorzaak dier verbeelding ons
+ onbekend zijn. Want al erkennen wij later dat zij meer
+ dan 600 aardmiddellijnen van ons verwijderd is, wij
+ blijven ons niettemin steeds
+ verbeelden<a href="#aanteken16">[a16]</a> dat zij
+ dichtbij is. Immers wij stellen ons de zon niet zoo
+ dichtbij voor omdat wij haar waren afstand niet kennen,
+ maar omdat haar inwerking op ons Lichaam het wezen der
+ zon slechts in zich sluit voorzoover dit Lichaam zelf die
+ inwerking ondergaat.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXVI.</i></p>
+
+<p>Inadaequate en verwarde voorstellingen volgen elkaar met dezelfde
+noodzakelijkheid als adaequate, ofwel heldere en duidelijke
+voorstellingen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Alle voorstellingen zijn (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a></i>) in God, en
+voorzoover zij als goddelijk worden beschouwd zijn zij ook (<i>vlg.
+<a href="#d2s32">St. XXXII v.d. D.</a></i>) waar en
+(<i>vlg. <a href="#d2s7g">Gevolg v. St. VII v.d. D.</a></i>)
+adaequaat. Er bestaan daarom ook geen inadaequate of verwarde
+voorstellingen dan alleen voorzoover zij op den bijzonderen geest
+van dezen of genen betrekking hebben (<i>zie hierover <a href="#d2s24">St. XXIV</a> en
+<a href="#d2s28">XXVIII v.d. D.</a></i>). Derhalve volgen ook alle, zoowel adaequate als
+inadaequate voorstellingen (<i>vlg. <a href="#d2s6g">Gevolg v. St. VI v.d. D.</a></i>) op
+elkaar met dezelfde noodzakelijkheid. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s37">
+<p><i>Stelling XXXVII.</i></p>
+
+<p>Datgene wat aan alles gemeen is (<i>zie hierover boven, <a href="#d2h2">Hulpst.
+II</a></i>) en wat evenzeer in een deel als in het geheel voorkomt,
+maakt van geen enkel bijzonder ding het wezen uit.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wie dit ontkent stelle zich, zoo dit mogelijk is, voor, dat
+zooiets w&egrave;l het wezen van eenig bijzonder ding kon uitmaken,
+bijvoorbeeld het wezen van B. Dan zou het dus (<i>vlg. <a href="#d2d2">Definitie II
+v.d. D.</a></i>) zonder B noch bestaanbaar noch denkbaar zijn. Maar dit
+is in strijd met het onderstelde. Derhalve kan het niet tot het
+wezen van B behooren, noch tot het wezen van eenig ander
+bijzonder ding. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s38">
+<p><i>Stelling XXXVIII.</i></p>
+
+<p>Datgene wat aan alles gemeen is en wat evenzeer in een deel als
+in het geheel voorkomt, kan niet anders dan adaequaat worden
+gekend.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Laat A iets zijn dat aan alle voorwerpen gemeen is en evenzeer in
+een deel van een of ander voorwerp voorkomt als in het geheel. Ik
+beweer dan dat A niet anders dan adaequaat kan worden gekend. De
+voorstelling ervan toch zal (<i>vlg. <a href="#d2s7g">Gevolg St. VII v.d. D.</a></i>) in
+God noodzakelijk adaequaat zijn, zoowel voorzoover hij een
+voorstelling van het menschelijk Lichaam, alsook voorzoover hij
+voorstellingen van de inwerkingen daarop heeft, welke inwerkingen
+(<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI</a>, <a href="#d2s25">XXV</a>
+en <a href="#d2s27">XXVII v.d. D.</a></i>) gedeeltelijk zoowel van
+den aard van het menschelijk Lichaam als van dien der uitwendige
+voorwerpen afhangen. D.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII</a>
+en <a href="#d2s13">XIII v.d. D.</a></i>) deze
+voorstelling zal in God noodzakelijk adaequaat zijn, voorzoover
+hij den menschelijken Geest uitmaakt, ofwel voorzoover hij
+voorstellingen heeft welke in den menschelijken Geest voorkomen.
+De Geest neemt dus (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI v.d. D.</a></i>) A noodzakelijk
+adaequaat waar en datwel zoowel voorzoover hij zichzelf, als
+voorzoover hij zijn eigen Lichaam, of welk ander uitwendig
+voorwerp ook, waarneemt, en op geen andere wijze kan A gedacht
+worden. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s38g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat er enkele voorstellingen of
+ begrippen bestaan, welke aan alle menschen gemeen zijn.
+ Immers alle voorwerpen komen (<i>vlg. <a href="#d2h2">Hulpst. II</a></i>) in
+ sommige punten overeen, welke dan door iedereen
+ adaequaat, ofwel helder en duidelijk, kunnen worden
+ gekend.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s39">
+<p><i>Stelling XXXIX.</i></p>
+
+<p>Ook van datgene wat eigen en gemeen is aan het menschelijk
+Lichaam en aan zekere uitwendige voorwerpen, die op het
+menschelijk Lichaam plegen in te werken, en wat evenzeer in hun
+deelen als in het geheel voorkomt, zal de voorstelling in den
+Geest adaequaat zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Laat A datgene zijn wat aan het menschelijk Lichaam en aan zekere
+uitwendige voorwerpen eigen en gemeen is; wat evenzeer in het
+menschelijk Lichaam als in die uitwendige voorwerpen en
+vervolgens evenzeer in elk deel dier uitwendige voorwerpen als in
+het geheel voorkomt. Er zal dan van A (<i>vlg. <a href="#d2s7g">Gevolg v. St. VII
+v.d. D.</a></i>) in God een adaequate voorstelling bestaan, zoowel
+voorzoover hij de voorstelling van het menschelijk Lichaam, als
+voorzoover hij voorstellingen heeft van die onderstelde
+uitwendige voorwerpen. Gesteld nu dat zulk een uitwendig voorwerp
+op het menschelijk Lichaam inwerkt met datgene wat het er mede
+gemeen heeft, dat is dus met A, dan zal de voorstelling dier
+inwerking (<i>vlg. <a href="#d2s16">St. XVI v.d. D.</a></i>) de eigenschap A in zich
+sluiten. De voorstelling dier inwerking zal dus (<i>vlg. <a href="#d2s7g">hetzelfde
+Gevolg St. VII v.d. D.</a></i>) voorzoover zij de eigenschap A in zich
+sluit, in God adaequaat zijn, voorzoover God beschouwd wordt als
+hebbende de voorstelling van het menschelijk Lichaam, d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) voorzoover hij het wezen van den
+menschelijken Geest uitmaakt. Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg v. St. XI
+v.d. D.</a></i>) deze voorstelling in den menschelijken Geest ook
+adaequaat. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de Geest des te beter in
+ staat is om vele dingen adaequaat waar te nemen, naarmate
+ zijn Lichaam meer met andere voorwerpen gemeen heeft.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s40">
+<p><i>Stelling XL.</i></p>
+
+<p>Alle voorstellingen welke in den Geest volgen uit voorstellingen
+welke in dien Geest adaequaat zijn, zijn eveneens adaequaat.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit is duidelijk. Immers wanneer wij zeggen dat in den
+menschelijken Geest een voorstelling volgt uit voorstellingen
+welke in dien geest adaequaat zijn, zeggen wij (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St.
+XI v.d. D.</a></i>) niets anders dan dat er in het goddelijk verstand
+zelf een voorstelling bestaat van welke God oorzaak is, niet
+voorzoover hij oneindig is, noch voorzoover hij voorstellingen
+heeft van meerdere bijzondere dingen, maar uitsluitend voorzoover
+hij het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s40o1">
+ <p><i>Opmerking I:</i> Hiermede heb ik den oorsprong dier
+ begrippen welke men algemeen erkende begrippen noemt en
+ welke de grondslagen vormen van ons redeneeren,
+ verklaard. Nochtans zijn er voor sommigen dier
+ grondwaarheden of begrippen nog wel andere oorzaken en
+ misschien ware het van pas deze hier volgens onze methode
+ uiteen te zetten. Daarbij toch zou het blijken welke
+ begrippen nuttiger zijn dan andere en welke daarentegen
+ nauwelijks eenige waarde hebben; vervolgens welke
+ begrippen algemeen erkend worden, welke helder en
+ duidelijk zijn slechts voor hen die niet aan
+ vooroordeelen lijden, en tenslotte welke op verkeerden
+ grondslag berusten. Bovendien zou het blijken hoe die
+ begrippen, welke men begrippen van den tweeden rang
+ noemt, en bijgevolg ook de grondwaarheden welke op hen
+ berusten, ontstaan zijn, en nog meer wat ik hieromtrent
+ wel eens heb overwogen. Maar aangezien ik deze zaken voor
+ een andere verhandeling bestemd heb en ik ook vrees door
+ al te groote uitvoerigheid vervelend te zullen worden,
+ wil ik ze thans liever overslaan. Om echter niets ervan
+ weg te laten wat men noodzakelijk moet weten, zal ik nog
+ in het kort de oorzaken er aan toevoegen waaruit de
+ zoogenaamde <i>transcendentale</i><a id="aantag40" href="#aanteken40">[A40]</a>
+ begrippen, zooals
+ <i>Zijn, Ding, Iets</i>, ontstaan zijn. Deze uitdrukkingen
+ zijn namelijk het gevolg daarvan dat het menschelijk
+ Lichaam, omdat het begrensd is, slechts in staat is om
+ een bepaald aantal denkbeelden (wat een denkbeeld is heb
+ ik uiteen gezet in de <i><a href="#d2s17o">Opmerking bij St. XVII v.d. D.</a></i>)
+ gelijktijdig in zich te vormen; wordt dit aantal
+ overschreden dan beginnen de denkbeelden verward te
+ worden. En wordt het aantal denkbeelden dat het Lichaam
+ in staat is gelijktijdig te vormen, en z&oacute;&oacute; dat het ze
+ duidelijk onderscheidt, verre overschreden, dan verwarren
+ zij zich onderling geheel en al. Waar dit zoo is, blijkt
+ uit <a href="#d2s17g">het Gevolg van St. XVII</a>
+ en uit <a href="#d2s18">St. XVIII van dit
+ Deel</a>, dat de menschelijke Geest zich zooveel voorwerpen
+ gelijktijdig duidelijk kan voorstellen als er in zijn
+ Lichaam gelijktijdig beelden kunnen worden gevormd.
+ Wanneer echter de beelden in het menschelijk Lichaam
+ geheel en al verward raken, zal ook de Geest zich die
+ voorwerpen verward en zonder duidelijk onderscheid
+ voorstellen en ze als het ware onder &eacute;&eacute;n kenmerk [begrip]
+ samenvatten, zooals bijv. onder het "Zijn", "Ding" enz.
+ Men kan dit ook afleiden uit het feit dat beelden
+ [voorstellingen] niet steeds even krachtig zijn en uit
+ meer soortgelijke oorzaken, welke ik hier echter niet
+ behoef uiteen te zetten omdat wij voor het doel dat wij
+ beoogen er slechts &eacute;&eacute;ne behoeven te overwegen. Alle toch
+ komen hierop neer dat deze uitdrukkingen voorstellingen
+ aanduiden welke in de hoogste mate verward zijn.</p>
+
+ <p>Een dergelijken oorsprong hebben die begrippen, welke men
+ <i>algemeene</i> [universeele] begrippen noemt, zooals Mensch,
+ Paard, Hond enz. In het menschelijk Lichaam worden
+ namelijk zooveel beelden van bijvoorbeeld menschen
+ gelijktijdig gevormd, dat zij het voorstellingsvermogen
+ wel niet geheel en al, maar toch in zooverre te boven
+ gaan, dat de Geest zich hun kleine verschillen (zooals
+ bijvoorbeeld elks kleur, grootte enz.) en hun bepaald
+ aantal niet kan verbeelden, maar zich slechts datgene
+ duidelijk voorstelt, waarin allen, voorzoover zij op het
+ Lichaam inwerken, overeenkomen. Want van dit
+ overeenkomende [gemeenschappelijke] kreeg de Geest door
+ elk beeld afzonderlijk reeds den sterksten indruk. Dit
+ gemeenschappelijke nu drukt men uit door het begrip
+ "Mensch", en deze benaming geeft men aan het oneindig
+ aantal individuen, omdat men zich, zooals wij reeds
+ zeiden, hun bepaald aantal niet kan voorstellen. Hierbij
+ moet evenwel worden opgemerkt dat deze begrippen niet
+ door allen op dezelfde wijze worden gevormd, maar dat zij
+ voor elk verschillen naar gelang van datgene wat het
+ meest op zijn Lichaam heeft ingewerkt en wat de Geest
+ zich daarom het gemakkelijkst voorstelt of herinnert. Zoo
+ zullen bijvoorbeeld lieden, die herhaaldelijk met
+ bewondering de menschelijke gestalte hebben gade
+ geslagen, onder het begrip "mensch" verstaan: een dier
+ van opgerichte houding. Zij daarentegen, die gewoon waren
+ op iets anders te letten, zullen weer een ander algemeen
+ beeld van den mensch vormen en bijvoorbeeld zeggen: de
+ mensch is een dier dat kan lachen, of een tweevoetig dier
+ zonder veeren, of een redelijk dier. En zoo zal elkeen
+ zich omtrent alle overige dingen algemeene beelden vormen
+ naar gelang van den toestand van zijn eigen Lichaam. Het
+ is daarom ook niet te verwonderen dat er onder de
+ wijsgeeren die de natuurlijke dingen uitsluitend door hun
+ beelden [hun zintuigelijke voorstellingen] wilden
+ verklaren, zooveel verschillen van meening gerezen zijn.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s40o2">
+ <p><i>Opmerking II:</i> Uit al het hierboven gezegde blijkt
+ duidelijk, dat wij velerlei waarnemen en dat wij algemeen
+ begrippen vormen:</p>
+
+ <p>1&deg;. uit bijzondere dingen welke door de zintuigen
+ gebrekkig, verward en ongeordend aan het verstand worden
+ voorgesteld. (<i>Zie <a href="#d2s29g">Gevolg v. St. XXIX v.d. D.</a></i>). Ik ben
+ daarom gewoon dergelijke waarnemingen te noemen: kennis,
+ berustend op vage ervaring.</p>
+
+ <p>2&deg;. uit teekens; bijvoorbeeld doordat wij ons bij het
+ hooren of lezen van sommige woorden de dingen herinneren
+ en ons voorstellingen van hen vormen, gelijkende op die
+ waarin de dingen zelf verbeeld werden, (<i>zie <a href="#d2s18o">de Opmerking
+ bij St. XVIII v.d. D.</a></i>). In het vervolg zal ik deze beide
+ wijzen om de dingen te beschouwen noemen: <i>kennis van de
+ eerste soort</i>, meening ofwel verbeelding.</p>
+
+ <p id="d2s40o2_3">3&deg;. ten slotte uit het feit dat wij algemeen erkende
+ begrippen en juiste voorstellingen van de eigenschappen
+ der dingen bezitten (<i>zie <a href="#d2s38g">Gevolg St. XXXVIII</a>,
+ <a href="#d2s39">Gevolg St.
+ XXXIX</a> en <a href="#d2s40">St. XL v.d. D.</a></i>).
+ Hier zal ik spreken van <i>Rede</i>
+ en <i>Kennis van de tweede soort</i>.</p>
+
+ <p id="d2s40o2_4">Behalve deze twee soorten van kennis bestaat er, gelijk
+ ik in het volgende zal aantoonen, nog een derde, welke ik
+ het "<i>intu&iuml;tieve weten</i>"<a id="aantag41" href="#aanteken41">[A41]</a>
+ zal noemen. Deze soort van
+ kennis leidt uit de adaequate voorstelling van het
+ werkelijk wezen van een of ander attribuut Gods de
+ adaequate kennis van het wezen der dingen af.</p>
+
+ <p>Ik zal dit alles door een voorbeeld verduidelijken.</p>
+
+ <p>Laten er bijvoorbeeld drie getallen gegeven zijn, waarbij
+ een vierde gezocht moet worden, dat zich verhoudt tot het
+ derde als het tweede tot het eerste. Kooplieden zullen
+ niet aarzelen het tweede met het derde te
+ vermenigvuldigen en het product door het eerste te
+ deelen, hetzij omdat zij datgene wat zij van hun meester
+ zonder eenig bewijs geleerd hebben nog niet vergaten,
+ hetzij omdat zij het zelf bij de eenvoudigste getallen
+ hebben ondervonden, hetzij op grond van het bewijs aan
+ Stelling XIX Boek VII van Euclides, d.w.z. op grond van
+ de algemeene eigenschap der evenredigen. Bij de meest
+ eenvoudige getallen evenwel is niets van dit alles
+ noodig. Wanneer bijvoorbeeld de getallen 1, 2 en 3
+ gegeven zijn, is er niemand die niet ziet dat de vierde
+ evenredige het getal 6 is. En dat wel veel helderder,
+ aangezien wij uit de verhouding zelf waarin, naar wij op
+ den eersten blik zien--het eerste tot het tweede staat,
+ onmiddellijk het vierde afleiden.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s41">
+<p><i>Stelling XLI.</i></p>
+
+<p>De kennis van de eerste soort is de eenige oorzaak van
+valschheid, die van de tweede en derde soort is echter
+noodzakelijk waar.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>In de voorgaande Opmerking zeiden wij dat al die voorstellingen
+welke inadaequaat en verward zijn, tot de kennis van de eerste
+soort behooren. Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d2s35">St. XXXV v.d. D.</a></i>) deze kennis
+de eenige oorzaak van valschheid. Voorts zeiden wij dat adaequate
+voorstellingen tot de kennis van de tweede en derde soort
+behooren, en derhalve is deze (<i>vlg. <a href="#d2s34">St. XXXIV v.d. D.</a></i>) ook
+noodzakelijk waar. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLII.</i></p>
+
+<p>Niet de kennis van de eerste, maar die van de tweede en derde
+soort leeren ons waarheid van valschheid onderscheiden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze Stelling is vanzelf duidelijk. Immers wie tusschen waarheid
+en valschheid weet te onderscheiden, moet een adaequate
+voorstelling hebben omtrent wat waar of valsch is, d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL v.d. D.</a></i>) hij moet waarheid en valschheid
+kennen met de kennis van de tweede of derde soort.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s43">
+<p><i>Stelling XLIII.</i></p>
+
+<p>Wie een ware voorstelling heeft, w&eacute;&eacute;t tevens dat hij een ware
+voorstelling heeft en kan aan de waarheid ervan niet meer
+twijfelen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een ware voorstelling in ons is (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI v.d. D.</a></i>)
+een zoodanige, welke in God adaequaat is voorzoover hij zich
+openbaart in den aard van den menschelijken Geest. Nemen wij nu
+eens aan dat er in God, voorzoover hij zich openbaart in den
+menschelijken Geest, een adaequate voorstelling A bestaat. Van
+deze voorstelling moet er in God noodzakelijk weer een
+voorstelling bestaan welke tot God in dezelfde betrekking staat
+als voorstelling A (<i>vlg. <a href="#d2s20">St. XX v.d. D.</a> welker bewijs algemeen
+is</i>). Maar voorstelling A heeft, volgens het onderstelde,
+betrekking op God voorzoover hij zich openbaart in den
+menschelijken Geest; derhalve moet ook de voorstelling van
+voorstelling A tot God in dezelfde betrekking staan; d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d2s11g">hetzelfde Gevolg St. XI v.d. D.</a></i>): deze adaequate
+voorstelling van voorstelling A zal aanwezig zijn in dienzelfden
+Geest die de adaequate voorstelling A heeft. Derhalve zal degeen
+die een adaequate voorstelling heeft, of die (<i>vlg. <a href="#d2s34">St. XXXIV
+v.d. D.</a></i>) een zaak naar waarheid erkent, tevens een adaequate
+voorstelling hebben zijner kennis, ofwel een ware kennis; d.w.z.
+(<i>gelijk vanzelf spreekt</i>): hij moet tevens zeker ervan zijn.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s43o">
+ <p><i>Opmerking:</i> In de Opmerking bij Stelling XXI van dit
+ Deel heb ik uiteen gezet wat onder de voorstelling eener
+ voorstelling moet worden verstaan. Ik merk echter op dat
+ de voorgaande Stelling ook uit zichzelf duidelijk is.
+ Immers iedereen die een ware voorstelling heeft, weet dat
+ een ware voorstelling de grootst mogelijke zekerheid in
+ zich sluit, aangezien een ware voorstelling hebben niets
+ anders beteekent dan een zaak volmaakt of zoo goed
+ mogelijk kennen. Hieraan zal toch zeker niemand kunnen
+ twijfelen, tenzij hij meent dat een voorstelling een stom
+ ding is<a href="#aanteken16">[a16]</a>, zooals bijvoorbeeld een schilderij op een
+ paneel en niet een vorm van denken, namelijk het
+ begrijpen zelf. Ik vraag u: wie kan weten dat hij een of
+ andere zaak begrijpt, als hij niet eerst die zaak
+ begrepen heeft? D.w.z.: wie kan w&eacute;ten dat hij zeker is
+ omtrent een of andere zaak als hij niet eerst omtrent die
+ zaak zeker is? En dan: welk helderder en zekerder
+ kenteeken der waarheid zou er kunnen zijn dan een ware
+ voorstelling? Voorwaar, evenals het licht zichzelf en de
+ duisternis openbaart, zoo ook is de waarheid de toets van
+ zichzelf en van het valsche.</p>
+
+ <p>En hiermede meen ik tevens de volgende vragen te hebben
+ beantwoord. In de eerste plaats deze: Als een ware
+ voorstelling van een valsche wordt onderscheiden
+ uitsluitend voorzoover de ware in overeenstemming met het
+ door haar voorgestelde genoemd mag worden, zou dus de
+ ware voorstelling geenerlei werkelijkheid of volmaaktheid
+ op de valsche v&oacute;&oacute;r hebben (aangezien zij alleen in naam
+ van elkaar verschillen) en bijgevolg zou een mensch die
+ ware voorstellingen heeft ook niets v&oacute;&oacute;r hebben bij hem
+ die slechts valsche heeft. Voorts: hoe komt het dat
+ menschen valsche voorstellingen hebben? En ten slotte:
+ hoe kan iemand met zekerheid weten dat hij voorstellingen
+ heeft welke met het door hen voorgestelde overeenkomen?</p>
+
+ <p>Ik herhaal dat ik meen reeds het antwoord op deze vragen
+ gegeven te hebben. Wat toch het onderscheid tusschen een
+ ware en een valsche voorstelling betreft: uit <a href="#d2s35">Stelling
+ XXXV van dit Deel</a> blijkt dat de eerste zich verhoudt tot
+ de tweede als iets bestaands tot iets niet-bestaands. De
+ oorzaken der valschheid echter heb ik van <a href="#d2s19">Stelling XIX</a> af
+ tot <a href="#d2s35">Stelling XXXV</a> met de Opmerking daarbij ten
+ duidelijkste blootgelegd. Waaruit tevens blijkt welk
+ onderscheid er is tusschen een mensch die ware en een die
+ uitsluitend valsche voorstellingen heeft. Wat eindelijk
+ het laatste punt betreft: namelijk hoe iemand kan weten
+ dat hij een voorstelling heeft welke aan het door haar
+ voorgestelde beantwoordt: ik heb zooeven meer dan
+ voldoende aangetoond dat dit alleen een gevolg hiervan is
+ d&agrave;t hij een voorstelling heeft welke met het door haar
+ voorgestelde overeenkomt, ofwel doordat de waarheid toets
+ is van zichzelf. Voeg hierbij nog dat onze Geest,
+ voorzoover hij de dingen naar waarheid waarneemt een deel
+ is van het oneindige verstand Gods (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI
+ v.d. D.</a></i>) dan zal men moeten inzien dat de heldere en
+ duidelijke voorstellingen van den Geest noodzakelijk even
+ waar zijn als de voorstellingen Gods.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s44">
+<p><i>Stelling XLIV.</i></p>
+
+<p>Het ligt niet in den aard der Rede de dingen als toevallig, wel
+echter ze als noodzakelijk te beschouwen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het behoort tot den aard der Rede de dingen naar waarheid waar te
+nemen (<i>vlg. <a href="#d2s41">St. XLI v.d. D.</a></i>), namelijk
+(<i>vlg. <a href="#d1a6">Axioma VI D. I</a></i>)
+zooals zij op zichzelf zijn, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s29">St. XXIX D. I</a></i>) niet
+als toevallig, maar als noodwendig. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Hieruit volgt dat het uitsluitend van de
+ verbeelding [voorstelling] afhangt dat wij dingen, zoowel
+ ten opzichte van het verleden als van de toekomst, als
+ toevallig beschouwen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s44o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Op welke wijze nu dit geschiedt, zal ik met
+ enkele woorden verklaren. Wij hebben hierboven (<i><a href="#d2s17">St. XVII</a>
+ met <a href="#d2s17g">Gevolg v.d. D.</a></i>) aangetoond dat de Geest zich de
+ dingen, ook al bestaan zij niet, toch steeds als aanwezig
+ voorstelt, zoolang er zich geen oorzaken voordoen welke
+ hunne aanwezigheid buiten sluiten. Voorts hebben wij
+ (<i><a href="#d2s18">St. XVIII v.d. D.</a></i>) aangetoond, dat indien het
+ menschelijk Lichaam &eacute;&eacute;ns gelijktijdig van twee uitwendige
+ voorwerpen inwerking onderging, de Geest, wanneer hij
+ zich later &eacute;&eacute;n dier voorwerpen voorstelt, zich terzelfder
+ tijd ook het andere herinnert, d.w.z. dat hij beide
+ voorwerpen als aanwezig beschouwt, tenzij er zich
+ oorzaken voordoen welke hunne aanwezigheid buiten
+ sluiten. Bovendien twijfelt niemand er aan dat wij ons
+ ook den tijd voorstellen kunnen, en wel doordat wij ons
+ voorstellen dat sommige voorwerpen langzamer of sneller
+ of even snel bewegen als andere. Onderstellen wij nu eens
+ een knaap, die gisteren des morgens Petrus, des middags
+ Paulus en des avonds Simeon, ieder voor het eerst, gezien
+ heeft en die nu hedenmorgen wederom Petrus zag. Uit
+ <a href="#d2s18">Stelling XVIII van dit Deel</a> is het duidelijk dat hij,
+ zoodra hij het morgenlicht waarneemt, zich zal
+ voorstellen dat de zon hetzelfde gedeelte van den hemel
+ zal doorloopen als den vorigen dag, m.a.w. dat hij zich
+ den geheelen dag zal voorstellen en tevens met den morgen
+ Petrus, met den middag Paulus en met den avond Simeon.
+ D.w.z. dat hij zich het bestaan van Paulus en Simeon zal
+ verbeelden in betrekking tot den toekomstigen tijd.
+ Omgekeerd zal hij, wanneer hij des avonds Simeon ziet,
+ zich Paulus en Petrus voorstellen in het verleden,
+ doordat hij zich hen voorstelt gelijktijdig met een reeds
+ vervlogen tijd. En dit des te regelmatiger naarmate hij
+ hen vaker in deze zelfde volgorde heeft gezien. Gebeurt
+ het nu echter eens dat hij op een avond Jacobus ziet
+ inplaats van Simeon, dan zal hij zich den volgenden
+ morgen, bij het denken aan den avond, nu eens Simeon, dan
+ weer Jacobus voorstellen, niet echter beiden tegelijk.
+ Immers er werd ondersteld dat hij des avonds slechts een
+ van beiden, niet echter beiden tegelijk gezien had. Zijn
+ verbeelding zal dus weifelen en zich met den komenden
+ avond nu dezen dan weer genen voorstellen; d.w.z. hij zal
+ de komst van geen van beiden als z&eacute;ker, doch van elk van
+ hen als "toevallig" [mogelijk] beschouwen. En deze
+ onzekerheid der verbeelding zal dezelfde zijn als het de
+ voorstelling van dingen betreft welke wij op dezelfde
+ wijze in betrekking tot het verleden of het heden
+ beschouwen. Bijgevolg zullen wij ons de dingen, zoowel
+ tenopzichte van het heden, als tenopzichte van het
+ verleden of van de toekomst, als toevallig kunnen
+ voorstellen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d2s44g2">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Het ligt in den aard der Rede, de dingen in
+ een of ander opzicht te beschouwen uit het gezichtspunt
+ der eeuwigheid.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Immers het ligt (<i>vlg. <a href="#d2s44">voorgaande St.</a></i>) in den aard der
+ Rede, de dingen als noodwendig en niet als toevallig te
+ beschouwen. Deze noodwendigheid der dingen echter vat zij
+ (<i>vlg. <a href="#d2s41">St. XLI v.d. D.</a></i>) naar waarheid op, d.w.z. (<i>vlg.
+ <a href="#d1a6">Axioma VI v. D. I</a></i>) zooals zij werkelijk is. Maar deze
+ noodwendigheid der dingen is (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI D. I.</a></i>) de
+ noodwendigheid zelve van Gods eeuwigen aard. Derhalve
+ ligt het in den aard der Rede de dingen in dit opzicht te
+ beschouwen uit het gezichtspunt der eeuwigheid. Daarbij
+ komt dat de grondslagen der Rede (<i>vlg. <a href="#d2s38">St. XXXVIII v.d.
+ D.</a></i>) begrippen zijn, welke uitdrukken wat aan alle dingen
+ gemeen is, en welke (<i>vlg. <a href="#d2s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>) niet het
+ wezen van eenig bijzonder ding verklaren; zoodat ook deze
+ begrippen zonder eenig verband met den tijd, dus uit het
+ gezichtspunt der eeuwigheid moeten worden opgevat.
+ H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s45">
+<p><i>Stelling XLV.</i></p>
+
+<p>Elke voorstelling van elk voorwerp of bijzonder, werkelijk
+bestaand ding, sluit Gods eeuwige en oneindige wezen noodzakelijk
+in zich.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De voorstelling van een bijzonder, werkelijk bestaand ding, sluit
+(<i>vlg. <a href="#d2s8g">Gevolg St. VIII v.d. D.</a></i>) zoowel het wezen als het bestaan
+van dit ding noodzakelijk in zich. Maar de bijzondere dingen zijn
+(<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a></i>) zonder God niet denkbaar; en aangezien zij
+(<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI v.d. D.</a></i>) God tot oorzaak hebben voorzoover hij
+gedacht wordt zich te openbaren in d&agrave;t attribuut waarvan die
+dingen zelf bestaanswijzen zijn, moeten (<i>vlg. <a href="#d1a4">Axioma IV D. I</a></i>)
+hun voorstellingen ook noodzakelijk het begrip van hun attribuut,
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1d6">Definitie VI D. I</a></i>) Gods eeuwige en oneindige wezen
+in zich sluiten. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Ik versta hier onder "bestaan" niet den
+ "duur", d.w.z. niet het bestaan in afgetrokken zin, als
+ een soort van hoegrootheid opgevat. Maar ik spreek van
+ den eigenlijken aard des bestaans, welke aan de
+ bijzondere dingen d&aacute;&aacute;rom wordt toegekend wijl uit de
+ eeuwige noodwendigheid van Gods aard oneindig veel dingen
+ op oneindig veel wijzen voortvloeien (<i>zie <a href="#d1s16">St. XVI D.
+ I</a></i>). Ik spreek, zeg ik, van het bestaan der bijzondere
+ dingen voorzoover zij in God zijn. Want ofschoon elk van
+ hen door een ander bijzonder ding tot een bepaalde wijze
+ van bestaan genoodzaakt wordt, vloeit toch de kracht
+ waardoor elk in zijn bestaan volhardt, uit de eeuwige
+ noodwendigheid van Gods aard voort. Men zie hierover het
+ <i><a href="#d1s24g">Gevolg van Stelling XXIV Deel I</a></i>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s46">
+<p><i>Stelling XLVI.</i></p>
+
+<p>De kennis van het eeuwige en oneindige wezen Gods, welke in
+iedere voorstelling ligt opgesloten, is adaequaat en volmaakt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het bewijs der voorgaande stelling is algemeen. Of een ding als
+deel dan wel als geheel beschouwd wordt, zijn voorstelling,
+hetzij van dit deel of van dit geheel, sluit (<i>vlg. <a href="#d2s45">voorgaande
+St.</a></i>) Gods eeuwige en oneindige wezen in zich. Vandaar dat al wat
+ons kennis van het eeuwige en oneindige wezen Gods verschaft, aan
+alle dingen gemeen en gelijkelijk in een deel als in het geheel
+aanwezig is. Derhalve moet (<i>vlg. <a href="#d2s38">St. XXXVIII v.d. D.</a></i>) deze
+kennis adaequaat zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s47">
+<p><i>Stelling XLVII.</i></p>
+
+<p>De menschelijke Geest bezit adaequate kennis omtrent het eeuwige
+en oneindige wezen Gods.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De menschelijke Geest heeft (<i>vlg. <a href="#d2s22">St. XXII v.d. D.</a></i>)
+voorstellingen, waardoor hij (<i>vlg. <a href="#d2s23">St. XXIII v.d. D.</a></i>) zoowel
+zichzelf, als (<i>vlg. <a href="#d2s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) zijn eigen Lichaam, en
+(<i>vlg. <a href="#d2s16g1">Gevolg I St. XVI</a> en
+<a href="#d2s17">St. XVII v.d. D.</a></i>) de uitwendige
+voorwerpen als werkelijk bestaande waarneemt. Derhalve heeft hij
+(<i>vlg. <a href="#d2s45">St. XLV</a> en
+<a href="#d2s46">XLVI v.d. D.</a></i>) adaequate kennis van het eeuwige
+en oneindige wezen Gods. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s47o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij zien hieruit dat Gods oneindige wezen en
+ zijn eeuwigheid aan ieder bekend zijn. Daar nu alles in
+ God is en uit God moet worden begrepen, volgt daaruit dat
+ wij uit deze kennis velerlei kunnen afleiden dat wij
+ adaequaat kennen, en dat wij zoodoende die derde soort
+ van kennis kunnen vormen waarover ik in <a href="#d2s40o2"><i>Opmerking II</i>
+ van <i>Stelling XL van dit Deel</i></a> heb gesproken, en over
+ welker voortreffelijkheid en nut ik in <a href="#deel5">het Vijfde Deel</a>
+ gelegenheid zal vinden te handelen. Dat de menschen
+ evenwel niet een even heldere kennis hebben van God als
+ van algemeen erkende begrippen, is een gevolg daarvan dat
+ men zich God niet als beeld kan voorstellen gelijk
+ voorwerpen, maar dat men toch het woord "God" verbindt
+ aan verbeeldingen omtrent dingen welke men gewoon is te
+ zien; hetgeen voor menschen, wijl zij voortdurend
+ inwerkingen van uitwendige voorwerpen ondergaan, wel
+ nauwelijks te vermijden is.</p>
+
+ <p>Inderdaad, de meeste dwalingen komen slechts daarop neer
+ dat wij de dingen niet bij den juisten naam noemen.
+ Immers wanneer iemand zegt dat de lijnen, uit het
+ middelpunt van een cirkel naar den omtrek getrokken,
+ ongelijk van lengte zijn, dan verstaat hij, althans op
+ dit oogenblik, stellig iets anders onder een cirkel dan
+ de wiskundigen. Zoo hebben zij, die zich bij het rekenen
+ vergissen, andere getallen in den geest dan op het
+ papier. Voor zoover men dus hun geest beschouwt, dwalen
+ zij inderdaad niet; nochtans schijnen zij te dwalen,
+ omdat wij meenen dat zij in hun geest dezelfde getallen
+ hebben als op het papier. Ware dit niet zoo dan zouden
+ wij ook volstrekt niet meenen dat zij zich vergissen;
+ evenmin als ik meende dat de man dwaalde, dien ik onlangs
+ hoorde uitroepen dat zijn erf op zijns buurmans kip
+ gevlogen was, aangezien ik duidelijk genoeg begreep wat
+ hij bedoelde. Hieruit ontspringen ook de meeste
+ meeningsverschillen, namelijk doordat de menschen &ograve;f hun
+ eigen gedachten niet juist uitdrukken &ograve;f de bedoelingen
+ van anderen verkeerd uitleggen. Want terwijl zij elkaar
+ grootelijks tegenspreken, denken zij in werkelijkheid &ograve;f
+ beiden hetzelfde &ograve;f elk over iets anders, zoodat de
+ dwalingen en ongerijmdheden welke zij bij elkaar
+ veronderstellen, in het geheel niet bestaan.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s48">
+<p><i>Stelling XLVIII.</i></p>
+
+<p>Er bestaat in den Geest geen
+onvoorwaardelijke<a href="#aanteken22">[a22]</a> of vrije wil;
+doch de Geest wordt genoopt dit of dat te willen door een oorzaak
+welke eveneens door een andere oorzaak bepaald is, en deze
+wederom door een andere, en zoo tot in het oneindige.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De Geest is (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI v.d. D.</a></i>) een zekere bepaalde
+bestaanswijze van het Denken en kan dus (<i>vlg. <a href="#d1s17g1">Gevolg II St. XVII
+D. I</a></i>) niet de vrije oorzaak zijner handelingen zijn ofwel een
+absoluut vermogen tot willen of niet-willen bezitten. Om dit of
+dat te willen moet hij dus (<i>vlg. <a href="#d1s28">XXVIII D. I</a></i>) genoopt worden
+door een oorzaak, welke zelf eveneens door een andere oorzaak
+bepaald wordt, deze wederom door een andere en zoo tot in het
+oneindige. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s48o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Op dezelfde wijze wordt bewezen dat er in
+ den Geest geen absoluut vermogen bestaat om te begrijpen,
+ te begeeren, lief te hebben enz. waaruit volgt dat deze
+ en soortgelijke vermogens &ograve;f geheel en al inbeeldingen
+ zijn &ograve;f wel metaphysische of algemeene wezens [begrippen]
+ welke wij uit bijzondere verschijnselen plegen te vormen.
+ Verstand en wil verhouden zich dus tot deze of gene
+ willing<a id="aantag42" href="#aanteken42">[A42]</a>
+ op dezelfde wijze als de "steenheid" tot
+ dezen of genen steen, of als "de mensch" tot Petrus en
+ Paulus. De reden overigens, waarom de menschen wanen dat
+ zij vrij zijn, hebben wij reeds in <a href="#d1n">het Aanhangsel van
+ Deel I</a> uiteen gezet.</p>
+
+ <p>Voor ik evenwel verder ga is het hier de plaats op te
+ merken, dat ik onder "Wil" versta het vermogen om te
+ bevestigen of te ontkennen, niet echter de begeerte. Het
+ vermogen, zeg ik, waardoor de Geest bevestigt of ontkent
+ wat waar of valsch is, doch niet de begeerte, waardoor de
+ Geest naar de dingen streeft of zich ervan afwendt. Maar
+ nu wij hebben aangetoond dat deze vermogens algemeene
+ begrippen zijn, welke zich niet onderscheiden van de
+ bijzondere [voorstellingen] waaruit wij ze vormen, hebben
+ wij thans te onderzoeken of die willingen zelf wel iets
+ anders zijn dan voorstellingen der dingen zelf. Er zal
+ dus, zeg ik, moeten worden onderzocht of er in den Geest
+ nog een andere bevestiging of ontkenning bestaat dan die
+ welke een voorstelling, voorzoover zij alleen
+ voorstelling is, reeds in zich sluit. Men zie hierover <a href="#d2s49">de
+ volgende Stelling</a>, evenals <a href="#d2d3">Definitie III van dit Deel</a>,
+ opdat men hier niet denke aan afbeeldingen. Immers onder
+ voorstellingen versta ik niet beelden zooals zij op den
+ achtergrond van het oog, of zoo men wil, midden in de
+ hersenen gevormd worden, maar begrippen van het Denken.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d2s49">
+<p><i>Stelling XLIX.</i></p>
+
+<p>Er bestaat in den Geest geenerlei willing, of bevestiging en
+ontkenning, buiten die welke in de voorstelling, voorzoover zij
+voorstelling is, ligt opgesloten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Er bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s48">voorgaande St.</a></i>) in den Geest geen op zichzelf
+staand vermogen tot willen of niet-willen, maar slechts
+bijzondere willingen, namelijk deze of gene bevestiging of deze
+of gene ontkenning. Nemen wij nu eens een bijzondere willing,
+bijvoorbeeld die wijze van Denken waarbij de Geest bevestigt dat
+de drie hoeken van een driehoek gelijk zijn aan twee rechten.
+Deze bevestiging sluit het begrip of de voorstelling van den
+driehoek in zich, d.w.z. zonder de voorstelling van den driehoek
+is zij niet denkbaar. Bovendien is deze bevestiging (<i>vlg. <a href="#d2a3">Axioma
+III v.d. D.</a></i>) zonder de voorstelling van den driehoek ook niet
+bestaanbaar. Genoemde bevestiging is dus zonder de voorstelling
+van den driehoek noch bestaanbaar noch denkbaar. Voorts moet de
+voorstelling van den driehoek deze zelfde bevestiging in zich
+sluiten, namelijk dat zijn drie hoeken gelijk zijn aan twee
+rechten. Zoodat ook omgekeerd de voorstelling van den driehoek
+zonder deze bevestiging noch bestaanbaar noch denkbaar is.
+Derhalve behoort deze bevestiging (<i>vlg. <a href="#d2d2">Definitie II v.d. D.</a></i>)
+tot het wezen der voorstelling van den driehoek, ja, is zij niets
+anders dan deze voorstelling zelf. En wat wij van d&eacute;ze willing
+gezegd hebben geldt (<i>aangezien wij haar willekeurig kozen</i>) ook
+voor iedere andere willing, namelijk dat zij niets anders is dan
+de voorstelling zelf. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Wil en Verstand zijn &eacute;&eacute;n en hetzelfde.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Wil en Verstand zijn
+ (<i>vlg. <a href="#d2s48">St. XLVIII</a> en <a href="#d2s48o">Opmerking v.d.
+ D.</a></i>) niets anders dan bijzondere willingen en
+ voorstellingen. Maar bijzondere willingen en
+ voorstellingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2s49">de voorgaande St.</a></i>)
+ &eacute;&eacute;n en
+ hetzelfde. Derhalve zijn ook Wil en Verstand &eacute;&eacute;n en
+ hetzelfde. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d2s49o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hiermede hebben wij opgeheven wat gemeenlijk
+ voor oorzaak der dwaling wordt gehouden. Vroeger toch
+ hebben wij aangetoond dat valschheid uitsluitend bestaat
+ in een gemis dat gebrekkige en verwarde voorstellingen
+ kenmerkt. Waarom dan ook een valsche voorstelling,
+ voorzoover zij valsch is, geen zekerheid in zich sluit.
+ Wanneer wij daarom zeggen dat iemand zich bij een
+ onwaarheid neerlegt en niet aan de waarheid ervan
+ twijfelt, zoo zeggen wij daarmede niet dat hij z&eacute;ker is,
+ maar alleen dat hij niet twijfelt of dat hij zich bij
+ onwaarheid neerlegt, omdat er geen oorzaken gegeven zijn
+ welke zijn voorstellingsvermogen aan het wankelen konden
+ brengen. (<i>Zie hierover <a href="#d2s44o">de Opmerking bij St. XLIV v.d.
+ D.</a></i>). Hoezeer wij dan ook aan valsche voorstellingen
+ mogen vasthouden, toch zullen wij nooit kunnen zeggen dat
+ wij er zeker van zijn, want onder zekerheid verstaan wij
+ iets positiefs (<i>zie <a href="#d2s43">St. XLIII</a>
+ en <a href="#d2s43o">Opmerking v.d. D.</a></i>),
+ niet echter afwezigheid van twijfel. Onder gemis van
+ zekerheid echter verstaan wij valschheid.</p>
+
+ <p>Tot nadere verklaring der voorgaande stelling evenwel
+ rest ons nog een en ander in herinnering te brengen.
+ Voorts zal ik moeten antwoorden op de tegenwerpingen
+ welke men tegen deze onze leer zou kunnen inbrengen en
+ tenslotte acht ik het, om alle bezwaren uit den weg te
+ ruimen, der moeite waard sommige voordeelen dezer leer in
+ het licht te stellen. Sommige, zeg ik, want de
+ belangrijkste zullen beter worden begrepen uit hetgeen
+ wij in <a href="#deel5">het Vijfde Deel</a> zullen behandelen.</p>
+
+ <p>Ik begin dus met het eerste en verzoek den lezer
+ nauwlettend te onderscheiden tusschen "voorstelling" of
+ begrip van den Geest en "beelden" der dingen welke wij
+ ons verbeelden<a href="#aanteken16">[a16]</a>.
+ Voorts is het noodig dat men
+ onderscheide tusschen voorstellingen en de woorden,
+ waardoor wij de dingen aanduiden. Want aangezien deze
+ drie, namelijk verbeeldingen, woorden en voorstellingen
+ door velen &ograve;f geheel en al met elkaar verward &ograve;f niet
+ nauwlettend genoeg, &ograve;f eindelijk niet voorzichtig genoeg
+ worden onderscheiden, zijn zij volkomen onkundig omtrent
+ deze leer van den Wil, welke nochtans zoo hoog noodig is,
+ zoowel voor bespiegeling als voor een wijze inrichting
+ des levens. Immers diegenen die meenen dat de
+ voorstellingen "beelden" zijn, welke door de aanraking
+ met voorwerpen in ons gevormd worden, maken zich wijs dat
+ zoodanige voorstellingen van dingen, waarvan zij zich
+ geen gelijkend beeld kunnen vormen, geen werkelijke
+ voorstellingen zijn, maar slechts verzinsels, welke wij
+ krachtens het vrije oordeel van den wil verzinnen. Zij
+ beschouwen dus de voorstellingen als stomme schilderijen
+ op een paneel en, geheel vervuld met dit vooroordeel,
+ zien zij niet in dat een voorstelling, voorzoover zij
+ voorstelling is, een bevestiging of ontkenning in zich
+ sluit. Diegenen verder, die woorden met een voorstelling
+ verwarren of met de bevestiging zelf welke in die
+ voorstelling besloten ligt, meenen dat zij iets kunnen
+ willen tegen wat zij gevoelen [waarnemen] in; wanneer zij
+ namelijk iets met woorden bevestigen of ontkennen tegen
+ hun gevoelen [waarneming] in. Wie echter op den aard van
+ het denken let, welke het begrip der Uitgebreidheid in
+ het minst niet in zich sluit, zal deze vooroordeelen
+ gemakkelijk kunnen uitroeien en duidelijk inzien dat een
+ voorstelling (welke immers een openbaring van het Denken
+ is) noch in een beeld van een of ander ding, noch in een
+ woord kan bestaan. Het wezen toch van beelden of woorden
+ bestaat alleen uit lichamelijke bewegingen, welke het
+ begrip van het Denken in het geheel niet in zich sluiten.</p>
+
+ <p>Deze enkele opmerkingen mogen hieromtrent volstaan,
+ zoodat ik tot de bovenbedoelde tegenwerpingen overga. De
+ eerste hiervan is dat men als vaststaand aanneemt dat de
+ Wil zich verder uitstrekt dan het Verstand en dus daarvan
+ onderscheiden is. De reden echter waarom men meent dat de
+ Wil zich verder uitstrekt dan het Verstand is deze dat de
+ ervaring den menschen, naar zij zeggen, heeft geleerd dat
+ zij niet een grooter vermogen tot bevestigen of ontkennen
+ dan zij reeds bezitten noodig hebben, om te kunnen
+ oordeelen over het oneindig aantal dingen welke wij niet
+ waarnemen, maar w&egrave;l een grooter vermogen tot begrijpen.
+ De Wil onderscheidt zich dus van het Verstand daarin dat
+ het laatste eindig, de eerste oneindig is.</p>
+
+ <p>Ten tweede kan ons worden tegengeworpen dat de ervaring
+ niets duidelijker schijnt te leeren dan dat wij ons
+ oordeel kunnen opschorten, d.w.z. dat wij de dingen welke
+ wij waarnemen niet <i>behoeven</i> te beamen. Hetgeen
+ bevestigd wordt door het feit dat men van niemand zegt
+ dat hij dwaalt voorzoover hij iets waarneemt, doch alleen
+ voorzoover hij bevestigt of ontkent. Zoo beweert iemand,
+ die zich een gevleugeld paard verbeeldt, daardoor nog
+ niet dat er een gevleugeld paard bestaat; d.w.z. hij
+ dwaalt niet, tenzij hij tevens aanneemt dat er
+ gevleugelde paarden zijn. Niets schijnt dus de ervaring
+ duidelijker te leeren, dan dat de Wil, of het vermogen om
+ te beamen, vrij is en verschilt van het vermogen om te
+ begrijpen.</p>
+
+ <p>Ten derde kan men tegen ons inbrengen dat de eene
+ bevestiging niet m&eacute;&eacute;r werkelijkheid schijnt te bevatten
+ dan de andere, d.w.z. dat wij geen grooter vermogen
+ [oordeelskracht] schijnen noodig te hebben om te beamen
+ dat waar is wat waar is, dan om te beamen dat waar is wat
+ valsch is. Maar wij nemen waar dat de eene voorstelling
+ meer werkelijkheid of volmaaktheid heeft dan de andere;
+ immers zooveel voortreffelijker een voorwerp is boven
+ andere, zooveel volmaakter zal ook z&igrave;jn voorstelling zijn
+ dan die van die andere en ook daardoor schijnt het dat er
+ werkelijk verschil tusschen Wil en Verstand bestaat.</p>
+
+ <p>Ten vierde kan men tegenwerpen: indien de mensch niet
+ krachtens zijn wilsvrijheid handelt, wat zal er dan
+ gebeuren wanneer iemand in evenwicht verkeerd, gelijk de
+ ezel van Buridan?<a id="aantag43" href="#aanteken43">[A43]</a>
+ Zal hij van honger en dorst
+ omkomen? Als ik dit beaam, zal het schijnen of ik eer een
+ ezel of een standbeeld, dan een mensch op het oog heb.
+ Ontken ik het echter, dan geef ik tevens toe dat hij dus
+ zichzelf bepaalt en bijgevolg het vermogen bezit om te
+ gaan waarheen en te doen wat hij maar wil.</p>
+
+ <p>Wellicht kan behalve dit alles nog meer worden
+ aangevoerd, maar aangezien ik niet gehouden ben dingen op
+ te nemen die ieder wel kan
+ droomen<a id="aantag44" href="#aanteken44">[A44]</a>, zal ik mij
+ alleen de moeite geven op de bovenstaande bezwaren te
+ antwoorden, en dat wel zoo kort mogelijk.</p>
+
+ <p>Wat nu het eerste betreft; zoo moet ik toegeven dat de
+ Wil zich inderdaad verder uitstrekt dan het Verstand,
+ indien men onder Verstand niets anders verstaat dan
+ heldere en duidelijke voorstellingen; maar ik ontken dat
+ de Wil zich verder zou uitstrekken dan de waarneming
+ [perceptie]<a href="#aanteken24">[a24]</a>,
+ of het vermogen om de dingen op te
+ vatten [concipeeren] en evenmin zie ik in waarom het
+ vermogen om te willen eerder onbegrensd zou zijn dan het
+ vermogen om waar te nemen. Immers evenals wij met
+ hetzelfde wilsvermogen oneindig veel dingen kunnen beamen
+ (hoewel slechts na elkaar, want oneindig veel dingen
+ tegelijk beamen kunnen wij niet), evenzoo kunnen wij
+ oneindig vele voorwerpen (mits na elkaar) met hetzelfde
+ waarnemingsvermogen waarnemen of in ons opnemen. Zegt men
+ nu dat er oneindig veel dingen zijn welke wij niet kunnen
+ waarnemen, dan antwoord ik dat men die dingen dan ook
+ door geen enkele soort van Denken en bijgevolg ook niet
+ met het wilsvermogen kan benaderen. Nu zegt men wel dat
+ God, indien hij wilde bewerken dat wij ook d&igrave;e dingen
+ waarnamen, ons slechts een grooter waarnemingsvermogen
+ zou behoeven te schenken, doch niet een grooter
+ wilsvermogen dan hij ons reeds gaf. Maar dit is hetzelfde
+ alsof men zeide dat God, indien hij wilde bewerken dat
+ wij oneindig vele andere wezens begrepen, ons, om die
+ oneindig vele wezens te kunnen omvatten, slechts een
+ grooter Verstand behoefde te geven, doch niet een wijder
+ voorstelling van het Zijnde dan hij reeds gaf. Wij hebben
+ immers aangetoond dat de Wil een algemeen begrip is,
+ ofwel een voorstelling welke alle afzonderlijke
+ willingen, d.w.z. datgene wat aan hen allen gemeen is,
+ omvat. En aangezien men nu meent dat dit aan alle
+ willingen gemeenschappelijke, of wel deze algemeene
+ voorstelling, een "vermogen" is, valt het allerminst te
+ verwonderen wanneer men beweert dat dit vermogen zich tot
+ in het oneindige buiten de grenzen van het Verstand
+ uitstrekt. Het algemeene toch is zoowel op &eacute;&eacute;n ding, als
+ op meerdere en zelfs oneindig veel enkeldingen
+ toepasselijk.</p>
+
+ <p>Op de tweede tegenwerping antwoord ik door te ontkennen
+ dat wij het vrije vermogen hebben om ons oordeel op te
+ schorten. Immers wanneer wij beweren dat iemand zijn
+ oordeel opschort, zeggen wij niets anders dan dat hij
+ inziet dat hij de zaak nog niet adaequaat heeft
+ waargenomen [begrepen]. De opschorting van zijn oordeel
+ was dus in werkelijkheid een waarneming en geen vrij
+ wilsbesluit. Laten wij ons, om dit duidelijk te doen
+ begrijpen, eens een knaap voorstellen, die zich een paard
+ verbeeldt en daarbij niets anders waarneemt. Aangezien
+ deze verbeelding van een paard (<i>vlg. <a href="#d2s17g">Gevolg St. XVII
+ v.d. D.</a></i>) het bestaan in zich sluit en die knaap niets
+ waarneemt dat het bestaan van dit paard opheft, zal hij
+ noodzakelijk dit paard als aanwezig beschouwen en aan het
+ bestaan ervan niet kunnen twijfelen, ofschoon hij er ook
+ niet zeker van is. Wij ervaren dit dagelijks in den
+ droom; ik geloof niet dat er &eacute;&eacute;n mensch is die meent dat
+ hij, terwijl hij droomt, het willekeurig in zijn macht
+ heeft om zijn oordeel omtrent de dingen welke hij droomt,
+ op te schorten en te bewerken dat hij datgene wat hij
+ droomt te zien n&igrave;et droomt. Nochtans komt het voor dat
+ wij ook in den droom ons oordeel opschorten, wanneer wij
+ namelijk droomen d&agrave;t wij
+ droomen<a id="aantag45" href="#aanteken45">[A45]</a>. Voorts geef ik toe
+ dat niemand zich vergist voorzoover hij [iets] waarneemt,
+ d.w.z. ik geef toe dat de verbeeldingen van den Geest op
+ zichzelf beschouwd geenerlei dwaling in zich sluiten
+ (<i>zie <a href="#d2s17o">de Opmerking bij St. XVII v.d. D.</a></i>); maar ik ontken
+ dat de mensch, voorzoover hij waarneemt, niets zou
+ beamen. Wat toch is het waarnemen van een gevleugeld
+ paard anders dan beamen dat dit paard vleugels heeft?
+ Immers indien de Geest behalve het gevleugelde paard
+ niets anders waarnam, zou hij het als aanwezig beschouwen
+ en geen enkele reden hebben om aan zijn bestaan te
+ twijfelen, nog zelfs in staat zijn om iets anders te
+ denken, voordat die verbeelding van het gevleugelde paard
+ verbonden werd aan een voorstelling welke het bestaan van
+ dit paard ophief, of voordat hij waarnam dat de
+ voorstelling welke hij van het gevleugelde paard had,
+ inadaequaat was. Eerst dan zal hij &ograve;f het bestaan van dit
+ paard noodzakelijk ontkennen, &ograve;f er noodzakelijk aan
+ twijfelen.</p>
+
+ <p>Ik meen hiermede tevens op de derde tegenwerping te
+ hebben geantwoord: door nl. te erkennen dat de Wil iets
+ algemeens is, dat aan alle voorstellingen toekomt, dat
+ slechts aanduidt wat aan alle voorstellingen gemeen is,
+ nl. de bevestiging; welker adaequate wezen derhalve,
+ aldus afgetrokken beschouwd, in elke voorstelling
+ aanwezig moet zijn en alleen in dit opzicht in allen
+ hetzelfde is; niet echter voorzoover zij wordt opgevat
+ als uitmakende het wezen van de voorstelling zelf, want
+ in dit opzicht verschillen de afzonderlijke bevestigingen
+ evenveel van elkaar als de voorstellingen. Zoo verschilt
+ bijv. de bevestiging welke in de voorstelling van een
+ cirkel ligt besloten evenzeer van die welke in de
+ voorstelling van een driehoek besloten ligt als de
+ voorstelling des cirkels van de voorstelling des
+ driehoeks. Voorts ontken ik ten eenenmale dat wij
+ eenzelfde denkkracht zouden behoeven om te beamen dat wat
+ waar is waar is, als om te beamen dat waar is wat valsch
+ is. Want deze twee bevestigingen staan, voorzoover den
+ Geest betreft, tot elkaar als een bestaand iets tot een
+ niet-bestaand. Immers in de voorstellingen is niets
+ positiefs dat het wezen der valschheid uitmaakt (<i>zie <a href="#d2s35">St.
+ XXXV</a> en <a href="#d2s35o">Opmerking v.d. D.</a> en
+ <a href="#d2s47o">Opmerking v. St. XLVII v.d.
+ D.</a></i>). Waarom hier dan ook in de eerste plaats valt op te
+ merken hoe licht wij bedrogen uitkomen wanneer wij
+ algemeene begrippen met bijzondere, of abstracte, slechts
+ gedachte dingen met werkelijke verwarren.</p>
+
+ <p>Wat eindelijk de vierde tegenwerping aangaat: ik geef
+ volkomen toe dat een mensch die in een dergelijk
+ evenwicht geplaatst is (die namelijk niets anders gevoelt
+ dan dorst en honger en niets anders waarneemt dan een
+ bepaalde spijs en drank welke evenver van hem verwijderd
+ zijn), van honger en dorst moet omkomen. En vraagt men
+ mij of zulk een mensch niet veeleer voor een ezel dan
+ voor een mensch gehouden moet worden, dan antwoord ik dat
+ ik dit niet weet, zooals ik &oacute;&oacute;k niet weet hoe hoog ik
+ iemand moet stellen die zich ophangt of hoe hoog ik
+ kinderen, idioten, krankzinnigen enz. moet aanslaan.</p>
+
+ <p>Er rest thans nog aan te duiden, hoezeer de kennis van
+ deze leer van nut is voor het [praktisch] leven, hetgeen
+ gemakkelijk uit het volgende blijkt:</p>
+
+ <p>Ten eerste leert zij ons namelijk dat wij alleen
+ krachtens Gods besluit handelen en deel hebben aan den
+ goddelijken aard en dat wel des te meer, hoe volmaakter
+ daden wij verrichten en hoe meer en meer wij God
+ begrijpen. Deze leer heeft dus, behalve dat zij onze ziel
+ volkomen rustig maakt, nog dit voordeel dat zij ons leert
+ waarin ons hoogste geluk of onze zaligheid bestaat,
+ namelijk uitsluitend in de kennis van God, welke ons
+ alleen tot die handelingen drijft welke liefde en
+ vroomheid<a id="aantag46" href="#aanteken46">[A46]</a>
+ van ons verlangen. Hieruit zien wij
+ duidelijk hoezeer diegenen van de waarachtige waardeering
+ der deugd afdwalen, die verwachten voor hun deugdzaamheid
+ en goede daden, als voor de diepste onderdanigheid, door
+ God met de hoogste belooningen te zullen worden
+ onderscheiden, alsof de deugdzaamheid en het dienen van
+ God niet reeds zelf het geluk en de hoogste vrijheid
+ waren.</p>
+
+ <p>Ten tweede leert zij ons op welke wijze wij ons hebben te
+ gedragen ten opzichte van de dingen der fortuin, ofwel
+ van de dingen welke niet in onze macht staan, d.w.z.
+ welke niet uit onzen eigen aard voortvloeien. Te weten,
+ dat wij in gelijkmoedigheid beide kansen van het lot
+ moeten afwachten en dragen, en wel omdat alles uit Gods
+ eeuwig raadsbesluit voortvloeit met dezelfde
+ noodwendigheid als uit het wezen van den driehoek volgt
+ dat zijn drie hoeken gelijk zijn aan twee rechten.</p>
+
+ <p>Ten derde is deze leer van belang voor het
+ maatschappelijk leven, voorzoover zij leert niemand te
+ haten, te verachten, te bespotten, te toornen of te
+ benijden. Voorts voorzoover zij leert dat elk met het
+ zijne tevreden zij en zijnen naaste tot steun; niet uit
+ vrouwelijke weekhartigheid, partijdigheid of bijgeloof,
+ maar uitsluitend op gezag der Rede, naar gelang namelijk
+ tijd en omstandigheden eischen, gelijk ik in het
+ Vierde<a id="aantag47" href="#aanteken47">[A47]</a>
+ Deel zal aantoonen.</p>
+
+ <p>Ten vierde eindelijk is deze leer van niet geringe
+ beteekenis voor de gemeenschap, voorzoover zij namelijk
+ leert op welke wijze de burgers geleid en geregeerd
+ moeten worden, te weten niet als slaven, maar z&oacute;&oacute; dat zij
+ vrijwillig doen wat het beste voor hen is.</p>
+
+ <p>En hiermede heb ik dan afgedaan wat ik mij voorstelde in
+ deze Opmerking te behandelen en maak ik tevens een einde
+ aan dit Tweede Deel, waarin ik vermeen den aard en de
+ eigenschappen van den menschelijken Geest breedvoerig
+ genoeg, en voorzoover de moeilijkheid van het onderwerp
+ gedoogde, ook duidelijk genoeg te hebben uiteengezet en
+ dingen te hebben gezegd waaruit vele treffelijke, hoogst
+ nuttige en voor onze kennis noodzakelijke
+ gevolgtrekkingen zijn af te leiden, gelijk voor een deel
+ uit het volgende nog zal blijken.</p>
+ </div>
+
+
+<h4><i>Einde van het Tweede Deel.</i></h4>
+
+
+
+
+<hr id="deel3" />
+
+<h3 class="lined">III. OVER OORSPRONG EN AARD DER AANDOENINGEN</h3>
+
+<hr />
+
+
+<p>De meesten die over de aandoeningen en de levenswijze der
+menschen geschreven hebben, schijnen niet over natuurlijke
+dingen, welke de gewone wetten der Natuur volgen, doch over
+dingen, welke buiten de Natuur staan te handelen. Ja, zij
+schijnen den mensch in de Natuur te beschouwen als een
+zelfstandigen staat binnen een anderen staat. Immers zij nemen
+aan dat de mensch de orde der Natuur eer verstoort dan volgt, dat
+hij volstrekte macht heeft over zijn handelingen en dat hij door
+niets anders dan door zichzelf wordt bepaald. Voorts schrijven
+zij de oorzaak der menschelijke moedeloosheid en
+onstandvastigheid niet toe aan de gewone macht der Natuur, maar
+aan ik weet niet welk gebrek in den menschelijken aard, dat zij
+daarom bejammeren, bespotten, minachten, of, wat het meest
+voorkomt, verdoemen. Wie het welsprekendst en het scherpst de
+machteloosheid van den menschelijken Geest weet te hekelen, wordt
+voor een soort van godheid gehouden. Nu heeft het wel niet
+ontbroken aan zeer voortreffelijke mannen (aan wier arbeid en
+ijver wij erkennen veel verschuldigd te zijn), die vele
+uitmuntende dingen geschreven hebben over de juiste manier van
+leven en die den stervelingen vele wijze raadgevingen hebben
+voorgehouden, maar niemand heeft nog, voorzoover ik weet, den
+aard en de macht der aandoeningen en wat de Geest vermag tot hun
+tempering, onderzocht en vastgesteld. Ik weet wel dat de zoo
+beroemde Cartesius [Descartes], al meende hij dan ook dat de
+Geest een volstrekte macht over zijn handelingen bezit, toch
+getracht heeft de menschelijke aandoeningen uit hun eerste
+oorzaken te verklaren en tevens den weg aan te wijzen waarop de
+Geest een volstrekte heerschappij over die aandoeningen zou
+kunnen verkrijgen; maar volgens m&igrave;jn gevoelen althans, heeft hij
+hiermede niets anders bewezen dan de scherpte van zijn eigen
+groot vernuft, gelijk ik te zijner plaatse zal aantoonen. Voor
+het oogenblik toch wil ik terugkeeren tot hen die de aandoeningen
+en handelingen der menschen liever verfoeien en bespotten dan
+begrijpen. Het zal dezen lieden zonder twijfel verwonderlijk
+toeschijnen dat ik het onderneem de gebreken en dwaasheden der
+menschen volgens meetkundige methode te behandelen en dat ik in
+strenge redeneering dingen wil bewijzen, welke, naar zij luide
+beweren, met de Rede in strijd, ongerijmd en afschuwelijk zijn.
+Doch de reden, welke ik hiervoor heb is deze: Niets geschiedt er
+in de Natuur dat aan een gebrek van haarzelf zou kunnen worden
+toegeschreven. De Natuur toch is steeds dezelfde en overal ook
+zijn haar kracht en macht dezelfde, d.w.z. de wetten en regelen
+der Natuur, volgens welke alles geschiedt en van den eenen vorm
+in den andere overgaat, zijn altijd en overal dezelfde. Derhalve
+moet ook de aard van alle dingen, welke ook, uit &eacute;&eacute;nzelfde
+beginsel worden verklaard, namelijk uit de algemeen geldige
+wetten en regelen der Natuur. Aandoeningen als haat, toorn, nijd
+enz. moeten dus, op zichzelf beschouwd, uit dezelfde
+noodwendigheid en dezelfde macht der Natuur voortvloeien, als de
+overige bijzondere dingen; zij moeten dus bepaalde oorzaken
+hebben waaruit zij verklaard kunnen worden en bepaalde
+eigenschappen, welke evenzeer onze kennisneming waard zijn als de
+eigenschappen van welk ander ding ook, welks beschouwing ons op
+zichzelf reeds genot schenkt. Ik zal dus over den aard en de
+werking der aandoeningen en de heerschappij van den Geest over
+hen volgens dezelfde methode spreken als ik dit in de
+voorafgaande Deelen deed over God en den Geest, en de
+menschelijke handelingen en begeerten op dezelfde wijze
+beschouwen alsof er sprake was van lijnen, vlakken of lichamen.</p>
+
+
+
+<h4>DEFINITIES</h4>
+
+
+<div class="define" id="d3d1">
+<p>I. Ik noem een oorzaak <i>adaequaat</i><a href="#aanteken31">[a31]</a>,
+wanneer hare uitwerking
+helder en duidelijk uit haarzelf kan worden verklaard;
+<i>inadaequaat</i> of gedeeltelijk daarentegen noem ik een oorzaak,
+welker uitwerking niet uitsluitend uit haarzelf verklaard kan
+worden.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d3d2">
+<p>II. Ik zeg dat wij <i>handelen</i>, wanneer er iets in of buiten ons
+gebeurt, waarvan wijzelf de adaequate oorzaak zijn, d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d3d1">de voorgaande Definitie</a></i>) wanneer er iets in of buiten ons uit
+onzen aard voortvloeit, dat uitsluitend uit dien aard helder en
+duidelijk kan worden verklaard. Daarentegen zeg ik dat wij
+<i>lijden</i>, wanneer er iets in ons gebeurt of wanneer er iets uit
+onzen aard voortvloeit, waarvan wijzelf slechts voor een deel
+oorzaak zijn.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d3d3">
+<p>III. Onder <i>Aandoeningen</i><a href="#aanteken33">[a33]</a>
+versta ik de inwerkingen op het
+Lichaam, waardoor zijn vermogen tot handelen wordt vermeerderd of
+verminderd, bevorderd of belemmerd. Tevens versta ik daaronder de
+voorstellingen dier inwerkingen.</p>
+
+<p>Wanneer wij dus zelf van een of andere aandoening de adaequate
+oorzaak kunnen zijn, noem ik die aandoening een <i>handeling</i>, in
+het andere geval een <i>lijding</i>.</p>
+</div>
+
+
+
+<h4>VEREISCHTEN (Postulaten)</h4>
+
+
+<div class="postulaat" id="d3p1">
+<p>I. Het menschelijk Lichaam kan op tal van wijzen inwerkingen
+ondergaan, waardoor zijn vermogen tot handelen wordt vermeerderd
+of verminderd, en evenzeer op tal van wijzen welke zijn vermogen
+tot handelen noch grooter noch kleiner maken. (<i>Dit postulaat of
+axioma steunt op <a href="#d2p1">postulaat I</a> en
+<a href="#d2h5">de Hulpstellingen V</a> en <a href="#d2h7">VII</a>; zie
+achter St. XIII D. II</i>).</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s1">
+<p><i>Stelling I.</i></p>
+
+<p>Bij sommige dingen handelt onze Geest, andere echter ondergaat
+hij: voorzoover hij namelijk adaequate voorstellingen heeft,
+handelt hij noodzakelijk, voorzoover hij daarentegen inadaequate
+voorstellingen heeft, lijdt hij noodzakelijk.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De voorstellingen van iederen menschelijken Geest zijn (<i>vlg.
+<a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL D. II</a></i>) voor een deel adaequaat, voor een
+deel gebrekkig en verward. Voorstellingen echter welke adaequaat
+zijn in een of anderen geest, zijn &oacute;&oacute;k adaequaat in God,
+voorzoover hij het wezen van dien geest uitmaakt (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg
+St. XI D. II</a></i>). Voorstellingen verder, welke inadaequaat zijn in
+den Geest, zijn (<i>vlg. <a href="#d2s11g">datzelfde Gevolg</a></i>)
+t&ograve;ch adaequaat in God,
+niet voorzoover hij slechts het wezen van juist dien bepaalden
+geest uitmaakt, maar voorzoover hij tevens de geesten van andere
+dingen omvat. Voorts moet (<i>vlg. <a href="#d1s36">St. XXXVI D. I</a></i>), uit een of
+andere gegeven voorstelling noodzakelijk een uitwerking
+voortvloeien, van welke uitwerking God de adaequate oorzaak is
+(<i>zie <a href="#d3d1">Definitie I v.d. D.</a></i>) niet voorzoover hij oneindig is, maar
+voorzoover hij wordt beschouwd als zich openbarende in die
+gegeven voorstelling. (<i>Zie <a href="#d2s9">St. IX D. II</a></i>). Van deze uitwerking
+evenwel, welker oorzaak God is, voorzoover hij zich openbaart in
+een voorstelling welke adaequaat is in een of anderen Geest, is
+diezelfde geest ook de adaequate oorzaak (<i>vlg. <a href="#d2s11g">Gevolg St. XI D.
+II</a></i>). Derhalve (<i>vlg.
+<a href="#d3d2">Definitie II v.d. D.</a></i>) <i>handelt</i> onze Geest
+noodzakelijk voorzoover hij adaequate voorstellingen heeft. Dit
+wat het eerste betreft. Voorts is van al wat noodzakelijk
+voortvloeit uit een voorstelling welke adaequaat is in God--niet
+voorzoover hij slechts den Geest van een enkel mensch uitmaakt,
+maar voorzoover hij tegelijk met dien eenen geest ook de geesten
+van anderen omvat--, de Geest van dien &eacute;&eacute;nen mensch (<i>vlg.
+<a href="#d2s11g">hetzelfde Gevolg St. XI D. II</a></i>) niet de adaequate, maar de
+gedeeltelijke oorzaak. Derhalve <i>lijdt</i> (<i>vlg. <a href="#d3d2">Definitie II v.d.
+D.</a></i>) de Geest noodzakelijk in eenig opzicht voorzoover hij
+inadaequate voorstellingen heeft. Dit wat het tweede aangaat.
+Derhalve: Bij sommige dingen handelt onze Geest, enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de Geest aan des te meer
+ lijdingen onderworpen is, naarmate hij meer inadaequate
+ voorstellingen heeft, en omgekeerd dat hij des te meer
+ handelt, naarmate hij meer adaequate voorstellingen
+ heeft.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s2">
+<p><i>Stelling II.</i></p>
+
+<p>Het Lichaam kan den Geest niet tot denken noodzaken, noch de
+Geest het Lichaam tot bewegen of tot rust of tot iets anders
+(indien er nog iets anders is).</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Alle bestaanswijzen van het Denken hebben (<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI D. II</a></i>)
+God tot oorzaak voorzoover hij een denkend iets is en niet
+voorzoover hij zich in eenig ander attribuut openbaart. Datgene
+dus wat den Geest tot denken dringt is een bestaanswijze van het
+Denken en niet van de Uitgebreidheid, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2d1">Definitie I
+D. II</a></i>) niet het Lichaam. Dit wat het eerste betreft. Verder
+moeten beweging en rust van een lichaam hun oorsprong vinden in
+een ander lichaam dat eveneens door weer een ander tot beweging
+of rust genoodzaakt werd, en zonder uitzondering heeft (<i>vlg.
+<a href="#d2s6">dezelfde St. VI D. II</a></i>) al wat in een lichaam geschiedt,
+noodzakelijk zijn oorsprong moeten vinden in God, voorzoover hij
+beschouwd wordt als zich openbarende in een of anderen vorm der
+Uitgebreidheid en niet van het Denken. Dat wil dus zeggen dat het
+niet uit den Geest, die (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI D. II</a></i>) een bestaansvorm
+van het Denken is, kan voortkomen. Dit wat het tweede aangaat.
+Derhalve kan het Lichaam den Geest enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Dit is nog duidelijker te begrijpen uit wat
+ in <a href="#d2s7o">de Opmerking bij Stelling VII van Deel II</a> gezegd werd,
+ dat namelijk Geest en Lichaam &eacute;&eacute;n en dezelfde zaak zijn
+ welke nu eens als openbaring van het attribuut des
+ Denkens, dan weer als openbaring van dat der
+ Uitgebreidheid beschouwd wordt. Vandaar dat de orde of
+ aaneenschakeling der dingen dezelfde is, onverschillig of
+ de Natuur onder het eene dan wel of zij onder het andere
+ attribuut beschouwd wordt en vandaar dat bijgevolg de
+ reeks van handelingen of lijdingen van ons Lichaam van
+ nature gelijktijdig verloopt met de reeks van handelingen
+ of lijdingen van den Geest. Hetgeen ook reeds blijkt uit
+ <a href="#d2s12b">de bewijsvoering van Stelling XII Deel II</a>. Toch geloof
+ ik, niettegenstaande dat dit zoo is en er geen enkele
+ reden overblijft om er aan te twijfelen, de menschen
+ bezwaarlijk er toe te zullen kunnen brengen dit met een
+ rustig gemoed te overwegen, wanneer ik het niet ook uit
+ de ervaring bewijs; z&oacute;&oacute; vast toch zijn zij er van
+ overtuigd dat het menschelijk Lichaam alleen op bevel van
+ den Geest nu eens beweegt, dan weer rust en tal van
+ dingen doet welke uitsluitend van den wil en het vooraf
+ bedenken van den Geest afhangen. Niemand immers heeft tot
+ dusver uitgemaakt wat het Lichaam wel vermag, d.w.z. tot
+ dusver heeft de ervaring nog niemand geleerd, wat het
+ Lichaam uitsluitend krachtens de wetten der Natuur,
+ voorzoover deze alleen als lichamelijk beschouwd wordt,
+ zou kunnen verrichten en wat het n&igrave;et zou kunnen doen
+ indien het niet door den Geest er toe genoodzaakt werd.
+ Niemand immers heeft tot dusver de inrichting van ons
+ Lichaam z&oacute;&oacute; nauwkeurig leeren kennen dat hij alle
+ verrichtingen ervan zou kunnen verklaren; om nog ervan te
+ zwijgen dat bij redelooze dieren tal van dingen zijn waar
+ te nemen, welke de menschelijke scherpzinnigheid verre
+ overtreffen en dat slaapwandelaars in hun slaap tal van
+ dingen doen, welke zij wakend niet zouden durven; waaruit
+ voldoende blijkt dat het menschelijk Lichaam krachtens de
+ wetten van zijn aard alleen reeds veel vermag waarover de
+ Geest zelf zich verbaast. Voorts weet niemand te zeggen
+ op welke wijze en door welke middelen de Geest het
+ Lichaam in beweging zou brengen, noch welke soorten van
+ beweging hij aan het Lichaam zou kunnen meedeelen of met
+ welke snelheid hij het zou kunnen voortbewegen. Waaruit
+ volgt dat diegenen, die beweren dat deze of gene
+ handeling des Lichaams voortspruit uit den Geest, die
+ heerschappij over het Lichaam zou hebben, niet weten wat
+ zij zeggen en niets anders doen dan met schoonschijnende
+ woorden toegeven dat zij de ware oorzaak dier handeling
+ niet kennen, zonder zich daarover te verwonderen. Maar,
+ zullen zij zeggen, hetzij wij weten of niet-weten door
+ welke middelen de Geest het Lichaam in beweging brengt;
+ wij ervaren in elk geval dat het Lichaam werkeloos zou
+ zijn wanneer de menschelijke Geest niet tot denken in
+ staat was. Voorts dat de ervaring leert dat de Geest het
+ in zijn macht heeft zoowel te spreken als te zwijgen, en
+ zoo nog veel meer, dat daarom, naar men waant, van de
+ willekeur des Geestes afhangt. Wat echter het eerste
+ betreft, zoo zou ik hen willen vragen of dan de ervaring
+ niet eveneens leert dat omgekeerd, wanneer het Lichaam
+ werkeloos is, de Geest ongeschikt is om te denken? Immers
+ wanneer het Lichaam rust in den slaap, is met het Lichaam
+ tevens ook de Geest bedwelmd en bezit hij niet meer de
+ macht om, zooals wanneer hij waakt, te denken. Ik geloof
+ verder dat zeker wel ieder de ervaring heeft opgedaan dat
+ de Geest niet altijd even geschikt is om te denken over
+ hetzelfde onderwerp, maar dat naar mate het Lichaam
+ geschikter is om door het beeld van 't een of ander
+ voorwerp te worden geprikkeld, ook de Geest beter in
+ staat is om dit voorwerp te beschouwen. Nu zegt men wel
+ dat het toch niet mogelijk is het ontstaan van gebouwen,
+ schilderijen en dergelijke dingen, welke slechts door
+ menschelijke kunstvaardigheid worden gemaakt, alleen uit
+ de wetten der Natuur, voorzoover zij als slechts
+ lichamelijk beschouwd wordt, af te leiden; daar toch
+ immers het menschelijk Lichaam niet in staat zou zijn een
+ tempel te bouwen, wanneer het daarbij niet door den Geest
+ werd gedreven en geleid. Maar ik heb toch reeds
+ aangetoond dat wie aldus spreken niet weten wat het
+ Lichaam vermag en wat uitsluitend uit de beschouwing van
+ zijn aard kan worden afgeleid, en dat zij zelf hebben
+ ondervonden dat tal van dingen uitsluitend volgens de
+ wetten der Natuur gebeuren, terwijl zij toch waanden dat
+ die nooit gebeuren konden tenzij krachtens de leiding van
+ den Geest, zooals bijvoorbeeld de handelingen van
+ slaapwandelaars in hun slaap, waarover zijzelf bij hun
+ ontwaken zich verbazen<a id="aantag48" href="#aanteken48">[A48]</a>.
+ Ik wijs hier bovendien nog
+ op de inrichting van het menschelijk Lichaam zelf, welke
+ in kunstvaardigheid verre alles overtreft wat door
+ menschelijke kunst gemaakt werd; om nog ervan te zwijgen
+ dat, gelijk ik hierboven reeds aantoonde, uit de Natuur,
+ onder welk attribuut ook beschouwd, oneindig veel moet
+ voortvloeien.</p>
+
+ <p>Wat voorts het tweede punt betreft: zeer zeker zou de
+ menschheid veel gelukkiger zijn als zwijgen of spreken in
+ 's menschen macht lagen. Maar de ervaring leert duidelijk
+ genoeg dat de mensch niets minder in zijn macht heeft dan
+ zijn tong en niets hem moeilijker valt dan zijn lusten te
+ matigen. Daarom gelooven dan ook de meesten dat wij
+ slechts datgene wat wij <i>lichtelijk</i> begeeren uit vrijen
+ wil doen, omdat de begeerte tot die zaken gemakkelijk
+ door de herinnering aan iets anders, dat wij ons vaak te
+ binnen brengen, kan worden bedwongen; dat wij daarentegen
+ allerminst vrij handelen wanneer wij iets met grooten
+ hartstocht begeeren, welke niet door de herinnering aan
+ iets anders kan worden verdreven. Waarlijk, als zij niet
+ ervaren hadden, dat wij tal van dingen doen welke ons
+ later berouwen en dat wij dikwijls--wanneer wij namelijk
+ door tegenstrijdige aandoeningen worden aangegrepen--"het
+ betere zien, maar het slechtere
+ volgen"<a id="aantag49" href="#aanteken49">[A49]</a> zou niets
+ hen verhinderen om aan te nemen dat wij <i>alles</i> uit
+ vrijen wil doen. Zoo gelooft een kind dat het uit vrijen
+ wil naar melk verlangt, een vertoornde knaap dat hij uit
+ vrijen wil zoekt wraak te nemen en een bloodaard dat hij
+ uit vrijen wil vlucht. Zoo waant de dronkaard dat hij
+ krachtens vrij besluit van zijn Geest al die dingen
+ gezegd heeft welke hij later, ontnuchterd, liever zou
+ hebben verzwegen, en evenzoo gelooven krankzinnigen,
+ babbelaarsters, kinderen en meer lieden van dit slag, dat
+ zij krachtens vrij besluit van den geest spreken,
+ ofschoon zij alleen maar den aandrang tot spreken dien
+ zij gevoelen, niet kunnen onderdrukken. De ervaring zelf
+ leert dus niet minder duidelijk dan de Rede dat de
+ menschen slechts daarom alleen zich vrij wanen, wijl zij
+ zich bewust zijn van hun handelingen, doch de oorzaken
+ waardoor die bepaald worden niet kennen; en voorts ook
+ dat de besluiten van den Geest niets anders zijn dan de
+ begeerten zelf, welke derhalve verschillen al naar gelang
+ de ontvankelijkheid van het Lichaam verschilt. Want ieder
+ zoekt alles naar eigen zin in te richten en wie bovendien
+ nog door tegenstrijdige aandoeningen bestormd worden,
+ weten in het geheel niet wat zij willen, terwijl zij die
+ [op een gegeven oogenblik] aan geen enkele aandoening
+ onderworpen zijn, door een zachten drang her- of
+ derwaarts gedreven worden. Al welke dingen, dunkt mij,
+ klaar bewijzen, dat zoowel een besluit van den Geest, als
+ de begeerte en de ontvankelijkheid van het Lichaam, van
+ nature gelijktijdig zijn, of liever dat zij &eacute;&eacute;n en
+ dezelfde zaak zijn welke wij, wanneer zij onder het
+ attribuut des Denkens beschouwd en daaruit verklaard
+ wordt, "besluit" noemen, maar welke wij, wanneer zij
+ wordt beschouwd onder het attribuut der Uitgebreidheid en
+ wordt afgeleid uit de wetten van beweging en rust
+ "noodwendige bepaaldheid" [gedetermineerdheid] heeten;
+ hetgeen nog duidelijker zal blijken uit wat straks volgen
+ zal. Want er is nog iets anders dat ik hier het
+ allereerst wilde doen opmerken; namelijk dat wij niets
+ krachtens besluit van onzen Geest kunnen doen, zonder het
+ ons eerst te herinneren. Zoo kunnen wij bijvoorbeeld geen
+ woord spreken als wij het ons niet eerst herinneren.
+ Voorts ligt het niet in de vrije macht van den Geest zich
+ eenig ding te herinneren ofwel het te vergeten. Zoodat
+ men aanneemt dat het slechts in de macht van den Geest
+ ligt naar willekeur te zwijgen of te spreken over iets
+ dat hij zich herinnert. Maar als wij droomen dat wij
+ spreken, gelooven wij krachtens vrij besluit van den
+ Geest te spreken, terwijl wij in werkelijkheid n&igrave;et
+ spreken, of, &agrave;ls wij spreken, dit slechts door
+ onwillekeurige bewegingen van het Lichaam geschiedt.
+ Verder droomen wij dat wij iets voor de menschen
+ verbergen, en wel krachtens hetzelfde besluit van den
+ Geest waardoor wij in wakenden toestand, datgene wat wij
+ weten te verzwijgen. Tenslotte droomen wij dat wij,
+ krachtens besluit van onzen Geest, dingen doen welke wij
+ wakend niet zouden durven. Ik zou daarom wel gaarne
+ willen weten of er soms in den Geest twee soorten van
+ besluiten bestaan: gefantaseerde en vrije? Wil men echter
+ de dwaasheid niet zoover drijven dan zal men noodzakelijk
+ moeten toegeven dat dit besluit van den Geest dat men
+ voor vrij houdt, zich niet onderscheidt van de
+ verbeelding of herinnering en niets anders is dan die
+ beaming welke in elke voorstelling als zoodanig ligt
+ opgesloten. (<i>Zie <a href="#d2s49">St. XLIX D. II</a></i>). Derhalve ontspringen
+ deze besluiten van den Geest even noodzakelijk in den
+ Geest als de voorstellingen van de werkelijk bestaande
+ dingen. Zij dus, die wanen dat zij krachtens vrij besluit
+ van den Geest spreken, zwijgen of wat dan ook doen,
+ droomen met open oogen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s3">
+<p><i>Stelling III.</i></p>
+
+<p>De handelingen van den Geest ontspringen uitsluitend uit
+adaequate voorstellingen; de lijdingen daarentegen hangen
+uitsluitend van inadaequate voorstellingen af.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wat in de eerste plaats het wezen van den Geest uitmaakt, is
+(<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI</a> en
+<a href="#d2s13">XIII D. II</a></i>) niets anders dan de voorstelling
+van het werkelijk bestaande Lichaam, welke voorstelling (<i>vlg.
+<a href="#d2s15">St. XV D. II</a></i>) uit vele andere is samengesteld, waarvan sommige
+(<i>vlg. <a href="#d2s38g">Gevolg St. XXXVIII D. II</a></i>) adaequaat, andere daarentegen
+(<i>vlg. <a href="#d2s29g">Gevolg St. XXIX D. II</a></i>) inadaequaat zijn. Al wat dus uit
+den aard van den Geest voortvloeit en waarvan de Geest de naaste
+oorzaak is, waaruit het ook moet worden verklaard, moet dus
+noodzakelijk voortvloeien uit een adaequate of uit een
+inadaequate voorstelling. Maar voorzoover de Geest inadaequate
+voorstellingen heeft, lijdt hij noodzakelijk (<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I v.d.
+D.</a></i>). Derhalve moeten de handelingen van den Geest uitsluitend
+uit adaequate voorstellingen voortvloeien en lijdt de Geest
+slechts daarom, wijl hij inadaequate voorstellingen heeft.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s3o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij zien dus dat lijdingen slechts in
+ betrekking staan tot den Geest voorzoover er iets in hem
+ is waarin ontkenning ligt opgesloten, ofwel voorzoover
+ hij beschouwd wordt als een deel der Natuur dat op
+ zichzelf en zonder behulp van iets anders niet klaar en
+ duidelijk kan worden begrepen. Evenzoo zou ik kunnen
+ aantoonen dat lijdingen op dezelfde wijze als tot den
+ Geest in betrekking staan tot de andere bijzondere dingen
+ en niet anders kunnen worden opgevat. Doch het was alleen
+ mijn voornemen over den menschelijken Geest te spreken.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s4">
+<p><i>Stelling IV.</i></p>
+
+<p>Geen ding kan vernietigd worden, tenzij door een uitwendige
+oorzaak.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze stelling is vanzelf duidelijk. Immers de definitie van elk
+ding be-aamt het wezen ervan, doch ontkent het niet. Ofwel zij
+<i>stelt</i> het wezen van het ding, doch heft het niet op. Zoolang
+wij dus letten uitsluitend op een ding zelf en niet op uitwendige
+oorzaken, zullen wij er niets in kunnen vinden, dat het zou
+kunnen vernietigen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s5">
+<p><i>Stelling V.</i></p>
+
+<p>Voorzoover dingen elkaar kunnen vernietigen, zijn zij
+tegenstrijdig van aard, d.w.z. kunnen zij niet in &eacute;&eacute;nzelfde zaak
+bestaan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers indien zij elkaar dulden of tegelijk in dezelfde zaak
+bestaan konden, zou er in deze zaak iets zijn dat haar kon
+vernietigen, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s4">de voorgaande St.</a></i>) ongerijmd is.
+Derhalve enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s6">
+<p><i>Stelling VI.</i></p>
+
+<p>Elk ding tracht, voorzoover het op zichzelf bestaat, in zijn
+bestaan te volharden.</p>
+</div>
+
+<p>De bijzondere dingen immers zijn (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV D. I</a></i>)
+bestaanswijzen, welke Gods attributen op een zekere bepaalde
+wijze openbaren, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s34">St. XXXIV D. I</a></i>) dingen welke Gods
+macht, krachtens welke God bestaat en handelt, op zekere bepaalde
+wijze uitdrukken. Voorts heeft (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV v.d. D.</a></i>) geen enkel
+ding iets in zich waardoor het vernietigd zou kunnen worden of
+dat zijn bestaan zou kunnen opheffen, maar verzet het zich (<i>vlg.
+<a href="#d3s5">de voorgaande St.</a></i>) juist tegen al wat dit zou kunnen doen.
+Derhalve tracht het zooveel het vermag en voorzoover het op
+zichzelf bestaat, in zijn bestaan te volharden. H.t.b.w.</p>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s7">
+<p><i>Stelling VII.</i></p>
+
+<p>Het streven waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te volharden
+is niets anders dan het werkelijke wezen van dit ding zelf.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Uit het gegeven wezen van elk ding volgen
+(<i>vlg. <a href="#d1s36">St. XXXVI D. I</a></i>)
+noodzakelijk meer dingen; ook vermogen de dingen (<i>vlg. <a href="#d1s29">St. XXIX
+D. I</a></i>) niet anders dan wat noodzakelijk uit hun vastbepaalden
+aard voortvloeit. Zoodat het vermogen of het streven van ieder
+ding, waardoor het, hetzij alleen of met andere dingen, iets doet
+of poogt te doen, d.w.z. het vermogen of het streven waarmede het
+in zijn bestaan tracht te volharden, niets anders is dan het
+gegeven of werkelijke wezen van dit ding zelf. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s8">
+<p><i>Stelling VIII.</i></p>
+
+<p>Het streven waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te
+volharden, sluit geen bepaalden, doch een onbepaalden tijd in
+zich.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers indien het een beperkten tijd in zich sloot, welke den
+duur van het ding bepaalde, zou alleen reeds uit dezelfde macht
+waardoor het ding bestaat, volgen dat het na dien beperkten tijd
+niet langer bestaan kon, maar te niet moest gaan. Dit echter is
+(<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV v.d. D.</a></i>) ongerijmd. Derhalve sluit het streven
+waardoor een ding bestaat, geen bepaalden tijd in zich, maar
+integendeel: aangezien (<i>vlg. <a href="#d3s4">dezelfde St. IV v.d. D.</a></i>) een ding
+krachtens dezelfde macht, waardoor het bestaat, steeds voortgaat
+te bestaan, indien het niet door een uitwendige oorzaak
+vernietigd wordt, sluit dit streven ook een onbepaalden tijd in
+zich. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s9">
+<p><i>Stelling IX.</i></p>
+
+<p>De Geest tracht zoowel voorzoover hij heldere en duidelijke, als
+voorzoover hij verwarde voorstellingen heeft, voor onbepaalden
+duur in zijn bestaan te volharden en is zich van dit zijn streven
+bewust.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het wezen van den Geest bestaat (<i>gelijk wij in <a href="#d3s3">St. III v.d. D.</a>
+bewezen hebben</i>) uit adaequate en inadaequate voorstellingen, en
+dus tracht hij (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII v.d. D.</a></i>) zoowel voorzoover hij
+deze als voorzoover hij gene heeft, in zijn bestaan te volharden,
+en dat wel (<i>vlg. <a href="#d3s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) voor onbepaalden duur. Daar
+evenwel de Geest (<i>vlg. <a href="#d2s23">St. XXIII D. II</a></i>) door de voorstellingen
+van de inwerkingen op het Lichaam zich noodzakelijk van zichzelf
+bewust is, is hij zich (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII v.d. D.</a></i>) ook bewust van
+dit zijn streven. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s9o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wanneer dit streven uitsluitend op den Geest
+ betrekking heeft, wordt het "<i>Wil</i>" genoemd; <span id="d3s9o_2">heeft het
+ echter betrekking op Geest en Lichaam beide, zoo noemt
+ men het <i>Drang</i><a id="aantag50" href="#aanteken50">[A50]</a>
+ welke dus niets anders is dan het
+ wezen zelf van den mensch, uit welks aard al wat tot zijn
+ eigen behoud strekt, noodzakelijk voortvloeit, zoodat dus
+ de mensch genoodzaakt is dit alles ook te doen.</span> Verder
+ bestaat er tusschen drang en begeerte geen ander verschil
+ dan dat men meestal van begeerte spreekt voorzoover de
+ menschen zich van hun drang bewust zijn, zoodat daarom
+ Begeerte kan worden omschreven als Drang verbonden met
+ het bewustzijn daarvan. Uit dit alles blijkt dus wel
+ duidelijk dat wij niets nastreven, willen, verlangen noch
+ begeeren wijl wij oordeelen dat het goed is, maar
+ integendeel, dat wij iets goed noemen wijl wij er naar
+ streven, het willen, verlangen en begeeren.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s10">
+<p><i>Stelling X.</i></p>
+
+<p>Een voorstelling welke het bestaan van ons Lichaam uitsluit, kan
+niet in onzen Geest bestaan, doch is daarmede in strijd.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Al wat ons Lichaam in staat is te vernietigen, kan er (<i>vlg. <a href="#d3s5">St.
+V v.d. D.</a></i>) niet in bestaan en dus kan ook de voorstelling ervan
+(<i>vlg. <a href="#d2s9g">Gevolg St. IX D. II</a></i>) niet in God bestaan voorzoover hij
+de voorstelling van ons Lichaam heeft; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI</a> en
+<a href="#d2s13">XIII D. II</a></i>): de voorstelling ervan kan niet bestaan in onzen
+Geest. Integendeel, aangezien (<i>vlg.
+<a href="#d2s11">St. XI</a> en <a href="#d2s13">XIII D. II</a></i>)
+datgene wat in de eerste plaats het wezen van den Geest uitmaakt
+de voorstelling is van het werkelijk bestaande Lichaam, is ook
+het eerste en voornaamste streven van onzen Geest (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII
+v.d. D.</a></i>) het bestaan van ons Lichaam te bevestigen. Derhalve is
+een voorstelling, welke het bestaan van ons Lichaam ontkent, in
+strijd met onzen Geest enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s11">
+<p><i>Stelling XI.</i></p>
+
+<p>De voorstelling van al wat het vermogen tot
+handelen<a id="aantag51" href="#aanteken51">[A51]</a> van ons
+Lichaam vermeerdert of vermindert, bevordert of belemmert, moet
+ook het vermogen tot denken van onzen Geest vermeerderen of
+verminderen, bevorderen of belemmeren.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze stelling wordt duidelijk uit <a href="#d2s7">Stelling VII Deel II</a> en
+eveneens uit <a href="#d2s14">Stelling XIV Deel II</a>.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s11o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij hebben dus gezien dat de Geest vele
+ veranderingen kan ondergaan en daarbij nu eens in een
+ toestand van grootere, dan weer in een van geringere
+ volmaaktheid overgaat, al wel welke lijdingen ons de
+ aandoeningen van Blijheid en Droefheid verklaren. <span id="d3s11o_1">Onder
+ <i>Blijheid</i> zal ik daarom in het vervolg verstaan <i>een
+ lijding, waardoor de Geest tot grootere volmaaktheid
+ overgaat</i>;</span> <span id="d3s11o_2">onder <i>Droefheid</i> daarentegen <i>een lijding,
+ waardoor hij tot geringere volmaaktheid overgaat</i>.</span> <span id="d3s11o_3">Voorts
+ noem ik de aandoening van blijheid als zij tegelijkertijd
+ op Geest en Lichaam betrekking heeft "<i>prikkeling</i>"
+ [kitteling] of "<i>opgewektheid</i>",</span> die van droefheid
+ daartegen "<i>pijn</i>" of "<i>gedruktheid</i>"
+ [loomheid]<a id="aantag52" href="#aanteken52">[A52]</a>.
+ Hierbij moet evenwel worden opgemerkt dat men bij den
+ mensch spreekt van prikkeling of pijn wanneer &eacute;&eacute;n zijner
+ deelen m&eacute;&eacute;r dan de overige wordt aangedaan, van
+ opgewektheid of gedruktheid daarentegen wanneer alle
+ deelen gelijkelijk aangedaan zijn. Wat voorts <i>Begeerte</i>
+ is heb ik reeds in <a href="#d3s9o">de Opmerking bij Stelling IX van dit
+ Deel</a> uiteen gezet en behalve deze drie erken ik geen
+ enkele andere oorspronkelijke (primaire) aandoeningen;
+ dat de overige uit deze drie voortkomen zal ik in het
+ volgende aantoonen. Doch eer ik verder ga wil ik hier
+ eerst Stelling X van dit Deel nog iets breeder
+ toelichten, opdat men duidelijker begrijpe hoe een
+ voorstelling met een andere voorstelling in strijd kan
+ zijn.</p>
+
+ <p>In <a href="#d2s17o">de Opmerking bij Stelling XVII Deel II</a> hebben wij
+ aangetoond dat de voorstelling welke het wezen van den
+ Geest uitmaakt, het bestaan van het Lichaam zoolang in
+ zich sluit als het Lichaam zelf bestaat. Verder volgt uit
+ datgene wat wij in <a href="#d2s8g">het Gevolg van Stelling VIII Deel II</a>
+ en in <a href="#d2s8go">de Opmerking daarbij</a> aantoonden, dat het
+ tegenwoordig bestaan van den Geest alleen daarvan afhangt
+ dat de Geest het werkelijk bestaan des Lichaams in zich
+ sluit. Waaruit volgt dat het tegenwoordig bestaan van den
+ Geest en zijn vermogen tot verbeelden [voorstellen] wordt
+ opgeheven zoodra de Geest ophoudt het tegenwoordig
+ bestaan des Lichaams te bevestigen. De oorzaak echter,
+ waardoor de Geest zou ophouden dit tegenwoordig bestaan
+ des Lichaams te bevestigen kan (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV v.d. D.</a></i>)
+ niet in den Geest zelf gelegen zijn en evenmin in het
+ feit dat het Lichaam ophoudt te bestaan. Immers de
+ oorzaak waardoor de Geest het bestaan van het Lichaam
+ bevestigt is (<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI D. II</a></i>) niet het feit dat het
+ Lichaam begon te bestaan, zoodat hij om dezelfde reden
+ ook niet ophoudt het bestaan des Lichaams te bevestigen
+ doordat het Lichaam ophoudt te bestaan. Maar het is
+ (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII</a> of
+ <a href="#d2s8">St. VIII D. II</a></i>) een gevolg van een
+ andere voorstelling, welke het tegenwoordig bestaan van
+ ons Lichaam en bijgevolg van den Geest, uitsluit en welke
+ dus in strijd is met de voorstelling welke het wezen van
+ den Geest uitmaakt.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s12">
+<p><i>Stelling XII.</i></p>
+
+<p>De Geest tracht zich zooveel mogelijk voor te stellen wat het
+vermogen tot handelen des Lichaams vermeerdert of bevordert.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Zoolang het menschelijk Lichaam een inwerking ondergaat welke den
+aard van eenig uitwendig voorwerp in zich sluit, zoolang zal
+(<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>) de menschelijke Geest ditzelfde voorwerp
+als aanwezig beschouwen, en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII D. II</a></i>):
+zoolang de menschelijke Geest eenig uitwendig voorwerp als
+aanwezig beschouwt, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s7">dezelfde St. XVII</a> en
+<a href="#d2s7o">Opmerking</a></i>) zoolang hij het zich voorstelt, zoolang ook ondergaat
+het menschelijk Lichaam een inwerking welke den aard van juist
+dit uitwendige voorwerp in zich sluit. Derhalve: zoolang de Geest
+zich datgene voorstelt wat het vermogen tot handelen van ons
+Lichaam vermeerdert of bevordert, zoolang ondergaat het Lichaam
+inwerkingen welke zijn vermogen tot handelen vermeerderen of
+bevorderen (<i>zie <a href="#d3p1">Postulaat I v.d. D.</a></i>) en bijgevolg zal dan ook
+z&oacute;&oacute;lang (<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI v.d. D.</a></i>)
+het vermogen tot denken van den
+Geest worden vermeerderd of bevorderd. Daarom tracht de Geest
+zich (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI</a> of
+<a href="#d3s9">IX v.d. D.</a></i>) zooveel mogelijk dergelijke
+dingen voor te stellen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s13">
+<p><i>Stelling XIII.</i></p>
+
+<p>Wanneer de Geest zich dingen voorstelt, welke het vermogen tot
+handelen des Lichaams verminderen of belemmeren, tracht hij
+zooveel mogelijk zich andere dingen te herinneren welke het
+bestaan van deze eerste uitsluiten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Zoolang de Geest zich iets dergelijks voorstelt worden de
+vermogens, zoowel van den Geest als van het Lichaam verminderd of
+belemmerd (<i>gelijk wij in <a href="#d3s12">de voorgaande stelling</a> hebben
+aangetoond</i>). Niettemin zal hij zich (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>)
+zooiets zoolang voorstellen tot hij zich iets anders voorstelt
+dat het tegenwoordig bestaan van het eerste uitsluit, d.w.z.
+(<i>gelijk wij daareven aantoonden</i>): de vermogens van Geest en
+Lichaam worden z&oacute;&oacute;lang verminderd of belemmerd totdat de Geest
+zich iets anders voorstelt dat het bestaan ervan [dier
+belemmering] uitsluit, zoodat (<i>vlg. <a href="#d3s9">St. IX v.d. D.</a></i>) de Geest
+zooveel mogelijk zal trachten zich dit andere voor te stellen of
+te herinneren. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d3s13g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de Geest afkeerig is zich
+ dingen voor te stellen welke zijn eigen vermogen [kracht]
+ of dat van het Lichaam verminderen of belemmeren.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s13o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij kunnen thans helder inzien wat <i>Liefde</i>
+ is en wat <i>Haat</i>. <span id="d3s13o_1"><i>Liefde</i> namelijk is niets anders dan
+ <i>Blijheid, vergezeld door de voorstelling eener
+ uitwendige oorzaak</i></span>, terwijl <i>Haat</i> niets anders is dan
+ <i>Droefheid vergezeld door de voorstelling eener
+ uitwendige oorzaak</i>. Verder begrijpen wij dat wie
+ liefheeft noodzakelijk er naar streeft datgene wat hij
+ liefheeft te bezitten en te behouden, terwijl daarentegen
+ wie haat datgene wat hij haat tracht te verwijderen en te
+ vernietigen. Doch over dit alles later breedvoeriger.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s14">
+<p><i>Stelling XIV.</i></p>
+
+<p>Indien de Geest &eacute;&eacute;ns twee aandoeningen tegelijk heeft
+ondervonden, zal hij later, wanneer hij opnieuw &eacute;&eacute;ne daarvan
+ondergaat, tevens de tweede gevoelen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Indien het menschelijk Lichaam &eacute;&eacute;ns tegelijkertijd inwerking van
+twee voorwerpen ondervond, zal de Geest, wanneer hij zich later
+&eacute;&eacute;n dier beiden voorstelt,
+zich (<i>vlg. <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>)
+terzelfdertijd het andere herinneren. De verbeeldingen van den
+Geest echter geven (<i>vlg. <a href="#d2s16g2">Gevolg II St. XVI D. II</a></i>) meer de
+inwerkingen op ons Lichaam dan den aard der uitwendige voorwerpen
+weer. Derhalve: indien het Lichaam, en bijgevolg ook de Geest
+(<i>zie <a href="#d3d3">Definitie III v.d. D.</a></i>)
+&eacute;&eacute;ns twee inwerkingen tegelijk
+onderging, zal de Geest later, wanneer hij opnieuw een dier
+aandoeningen ondergaat, ook de tweede weer gevoelen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s15">
+<p><i>Stelling XV.</i></p>
+
+<p>Elk willekeurig ding kan bij gelegenheid oorzaak van Blijheid,
+Droefheid of Begeerte zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Stel dat de Geest twee inwerkingen tegelijkertijd ondergaat,
+waarvan de eene zijn vermogen tot handelen noch vermeerdert noch
+vermindert en de tweede dit w&egrave;l vermeerdert of vermindert (<i>zie
+<a href="#d3p1">Postulaat I v.d. D.</a></i>). Uit de vorige Stelling blijkt, dat wanneer
+de Geest later wederom die eerste inwerking door haar eigen
+oorzaak (welke volgens het onderstelde op zichzelf zijn vermogen
+tot denken noch vermeerdert noch vermindert) ondergaat, dadelijk
+ook de tweede, welke zijn vermogen tot denken w&egrave;l vermeerdert of
+vermindert, zal ondergaan, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d.
+D.</a></i>) Blijheid of Droefheid zal gevoelen. Derhalve zal deze eerste
+inwerking niet uit zichzelf, maar door toevallige omstandigheden
+oorzaak van Blijheid of Droefheid zijn. En op dezelfde wijze kan
+gemakkelijk worden aangetoond dat zij ook bij gelegenheid oorzaak
+kan zijn van Begeerte. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d3s15g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Alleen reeds op grond daarvan dat wij een of
+ andere zaak beschouwd hebben met een aandoening van
+ Blijheid of Droefheid, ofschoon zij zelf niet de
+ bewerkende oorzaak daarvan was, kunnen wij die zaak
+ liefhebben of haten.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Want alleen daardoor komt het dat (<i>vlg. <a href="#d3s14">St. XIV v.d.
+ D.</a></i>) de Geest, zich die zaak later voorstellende, wederom
+ een aandoening van Blijheid of Droefheid ondergaat,
+ d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) dat de
+ levenskracht van Geest en Lichaam wordt vermeerderd of
+ verminderd enz. En bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) dat
+ hij verlangt zich die zaak voor te stellen ofwel (<i>vlg.
+ <a href="#d3s13g">Gevolg St. XIII v.d. D.</a></i>) daarvan afkeerig is, d.w.z.
+ (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) dat hij die zaak
+ liefheeft of haat. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s15o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hierdoor kunnen wij begrijpen hoe het komt
+ dat wij sommige zaken liefhebben of haten zonder eenige
+ ons bekende reden, maar alleen uit (zooals men dat noemt)
+ sympathie of antipathie. En dit geldt ook voor die
+ voorwerpen welke Blijheid of Droefheid in ons teweeg
+ brengen, alleen omdat zij eenigerlei gelijkenis vertoonen
+ met voorwerpen welke die aandoeningen in ons plegen op te
+ wekken, gelijk ik in de volgende stelling zal aantoonen.
+ Weliswaar weet ik dat de schrijvers die de woorden
+ sympathie en antipathie het eerst hebben ingevoerd,
+ daarmede zekere verborgen eigenschappen der dingen hebben
+ willen aanduiden, maar ik meen niettemin dat het ons
+ vrijstaat er ook bekende en voor de hand liggende
+ eigenschappen onder te verstaan.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s16">
+<p><i>Stelling XVI.</i></p>
+
+<p>Alleen om het feit dat wij ons voorstellen dat een of ander ding
+in eenig opzicht gelijkt op een voorwerp dat in den Geest
+Blijheid of Droefheid pleegt teweeg te brengen, zullen wij dit
+ding liefhebben of haten, hoewel datgene, waarin het op dit
+voorwerp gelijkt, niet de bewerkende [directe] oorzaak dier
+aandoeningen is.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Datgene, wat op het voorwerp gelijkt, werd (<i>volgens het
+onderstelde</i>) in dit voorwerp zelf door ons met een aandoening
+van Blijheid of Droefheid beschouwd. Daarom zal ook (<i>vlg. <a href="#d3s14">St.
+XIV v.d. D.</a></i>) telkens wanneer het beeld daarvan op den Geest
+inwerkt, deze dadelijk de eerste of de tweede aandoening
+ondergaan, en bijgevolg zal (<i>vlg. <a href="#d3s15">St. XV v.d. D.</a></i>) het ding
+waarin wij hetzelfde waarnemen, door deze toevallige
+omstandigheid oorzaak van Blijheid of Droefheid zijn. Derhalve
+zullen wij (<i>vlg. <a href="#d3s15g">voorgaande Gevolg</a></i>) dit ding liefhebben of
+haten, hoewel datgene waarin het op het voorwerp gelijkt, niet de
+bewerkende [directe] oorzaak dier aandoeningen is. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XVII.</i></p>
+
+<p>Wanneer wij ons voorstellen dat een zaak, welke Droefheid in ons
+pleegt teweeg te brengen, in eenig opzicht gelijkt op iets anders
+dat ons evengroote Blijheid pleegt te schenken, zullen wij deze
+zaak tegelijkertijd haten en liefhebben.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers deze zaak is (<i>vlg. het onderstelde</i>) op zichzelf oorzaak
+van Droefheid en dus zullen wij haar (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII
+v.d. D.</a></i>) haten, voorzoover wij ons haar voorstellen onder
+invloed van deze aandoening. Maar voorzoover wij ons voorstellen
+dat zij bovendien nog in eenig opzicht gelijkt op iets anders dat
+ons evengroote Blijheid pleegt te schenken, zullen wij haar
+(<i>vlg. <a href="#d3s16">voorgaande St.</a></i>) met een evengroot verlangen naar Blijheid
+liefhebben; zoodat wij die zaak tegelijkertijd zullen haten en
+liefhebben. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s17o">
+ <p><i>Opmerking:</i> <i>Deze geestesgesteldheid, welke dus uit twee
+ tegenovergestelde aandoeningen ontspringt</i>, noemt men
+ <i>weifelmoedigheid</i>, [tweestrijd], welke dus onder de
+ zielsaandoeningen hetzelfde is als twijfel bij het
+ voorstellen (<i>zie <a href="#d2s44o">Opmerking St. XLIV D. II</a></i>). Weifeling
+ en twijfel verschillen dan ook alleen maar naar den
+ graad. Ik doe echter opmerken dat ik in de vorige
+ Stelling deze weifeling des gemoeds heb afgeleid uit
+ oorzaken, waarvan de eene op zichzelf oorzaak is van de
+ eerste aandoening, de andere door toevallige
+ omstandigheden van de tweede. Ik deed dit wijl ik ze
+ aldus gemakkelijker uit het voorgaande kon afleiden, doch
+ niet wijl ik zou willen loochenen dat zulk een
+ zielestrijd meestal ontspringt uit &eacute;&eacute;n voorwerp dat van
+ b&egrave;ide aandoeningen de bewerkende oorzaak is. Het Lichaam
+ toch is (<i>vlg. <a href="#d2p1">Postulaat I D. II</a></i>) uit tal van
+ enkeldingen van verschillenden aard samengesteld en kan
+ dus (<i>vlg. <a href="#d2h3a1">Axioma I achter Hulpst. III</a>, zie achter St.
+ XIII D. II</i>) van &eacute;&eacute;n en hetzelfde voorwerp op de meest
+ verschillende wijzen inwerking ondervinden. Omgekeerd,
+ wijl &eacute;&eacute;n en hetzelfde ding op tal van verschillende
+ wijzen inwerking ondergaan kan, zal het ook op tal van
+ verschillende wijzen op &eacute;&eacute;nzelfde deel van het Lichaam
+ kunnen inwerken. Waaruit wij gemakkelijk kunnen begrijpen
+ dat &eacute;&eacute;n en hetzelfde voorwerp oorzaak van vele en
+ tegenstrijdige aandoeningen kan zijn.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s18">
+<p><i>Stelling XVIII.</i></p>
+
+<p>De mensch ondergaat bij het beeld [voorstelling] van een verleden
+of toekomstige zaak dezelfde aandoening van Blijheid of Droefheid
+als bij het beeld [voorstelling] eener aanwezige.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Zoolang het beeld van eenig ding op den mensch inwerkt, zal hij
+(<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII</a> en
+<a href="#d2s17g">Gevolg D. II</a></i>) dit ding als aanwezig
+beschouwen, ook al bestaat het niet en het zich noch als verleden
+noch als toekomstig denken, tenzij zijn beeld verbonden is met de
+voorstelling van den verleden of toekomstigen tijd (<i>zie
+<a href="#d2s44o">Opmerking St. XLIV D. II</a></i>). Vandaar dat het beeld van een ding,
+op zichzelf beschouwd, hetzelfde is, onverschillig of het met de
+toekomst, het verleden, danwel met het heden in verband gebracht
+wordt. D.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s16g1">Gevolg II St. XVI D. II</a></i>): de toestand of
+aandoening van ons Lichaam, is dezelfde, onverschillig of het
+beeld er een is van een verleden, van een toekomstig, danwel van
+een tegenwoordig ding. En derhalve is ook de aandoening van
+Blijheid of Droefheid dezelfde, onverschillig of het beeld er een
+is van een verleden, van een toekomstig, danwel van een
+tegenwoordig ding. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s18o1">
+ <p><i>Opmerking I:</i> Ik noem een ding in zoover verleden of
+ toekomstig als het op ons heeft ingewerkt of zal
+ inwerken, bijvoorbeeld voorzoover wij het gezien hebben
+ of zullen zien, voorzoover het ons verkwikt heeft of zal
+ verkwikken, geschaad heeft of zal schaden enz. Immers in
+ zoover als wij het ons aldus voorstellen, beamen wij zijn
+ bestaan; d.w.z. ons Lichaam ondervindt geenerlei
+ inwerking welke het bestaan van het ding uitsluit en zal
+ derhalve (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>) van het beeld ervan
+ dezelfde inwerking ondergaan alsof het ding zelf aanwezig
+ ware. Wijl echter inderdaad lieden met veel ervaring
+ meestal weifelen, zoolang zij iets als toekomstig of
+ verleden beschouwen en omtrent den afloop ervan meestal
+ twijfelen. (<i>Zie <a href="#d2s44o">Opmerking St. XLIV D. II</a></i>) is het gevolg
+ daarvan dat aandoeningen welke uit dergelijke
+ voorstellingen der dingen ontstaan, niet zeer standvastig
+ zijn, maar dat zij meestal door beelden van andere dingen
+ worden verward, totdat men omtrent dien afloop zekerder
+ is.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s18o2">
+ <p><i>Opmerking II:</i> Na het zooeven gezegde kunnen wij
+ begrijpen wat <i>Hoop, Vrees, Gerustheid, Wanhoop,
+ Verheuging</i> en <i>Spijt</i>
+ [Hartzeer]<a id="aantag53" href="#aanteken53">[A53]</a> is. <span id="d3s18o2_1"><i>Hoop</i>
+ namelijk is niets anders dan <i>onbestendige Blijheid,
+ opgewekt door het beeld van een toekomstige of verleden
+ zaak, omtrent welker verloop wij twijfelen</i>.</span> <span id="d3s18o2_2"><i>Vrees</i>
+ daarentegen is een <i>onbestendige Droefheid, eveneens door
+ het beeld eener twijfelachtige zaak opgewekt</i>.</span> Indien
+ verder de twijfel in deze aandoeningen wordt opgeheven,
+ worden Hoop tot <i>Gerustheid</i>, Vrees tot <i>Wanhoop</i>; tot
+ een <i>Blijheid of Droefheid</i> namelijk, <i>te weeg gebracht
+ door het beeld der zaak welke wij vreesden of hoopten</i>.
+ <i>Verheuging</i> vervolgens is <i>Blijheid, opgewekt door het
+ beeld eener verleden zaak, omtrent welker afloop wij
+ twijfelden</i>. <i>Spijt</i> eindelijk is een <i>Droefheid,
+ tegenovergesteld aan Verheuging</i>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s19">
+<p><i>Stelling XIX.</i></p>
+
+<p>Wie zich voorstelt dat iets wat hij liefheeft, te niet gaat, zal
+zich bedroeven; daarentegen zal hij zich verheugen bij de
+gedachte dat het behouden blijft.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De Geest tracht zich (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) zooveel mogelijk
+datgene voor te stellen wat het vermogen tot handelen des
+Lichaams vermeerdert of bevordert, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St.
+XIII v.d. D.</a></i>) dingen welke hij liefheeft. De verbeeldingskracht
+evenwel wordt (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>) geholpen door wat het
+bestaan van iets [onder]stelt, belemmerd daarentegen door wat het
+bestaan van iets uitsluit. Derhalve helpen beelden van dingen,
+welke het bestaan der geliefde zaak [onder]stellen, den Geest bij
+zijn streven om zich die geliefde zaak voor te stellen; d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) zij brengen Blijheid in den
+Geest te weeg. En omgekeerd: beelden van dingen welke het bestaan
+der geliefde zaak uitsluiten belemmeren den Geest bij dit
+streven; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">dezelfde Opmerking</a></i>) zij brengen Droefheid
+in hem te weeg. Wie zich dus voorstelt dat iets wat hij lief
+heeft, te niet gaat, zal zich bedroeven enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s20">
+<p><i>Stelling XX.</i></p>
+
+<p>Wie zich voorstelt dat iets wat hij haat te niet gaat, zal zich
+verblijden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De Geest tracht zich (<i>vlg. <a href="#d3s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) datgene voor te
+stellen wat het bestaan van zaken, waardoor het vermogen tot
+handelen des Lichaams verminderd of belemmerd wordt, uitsluit;
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking bij dezelfde St.</a></i>) hij tracht zich
+datgene voor te stellen wat het bestaan van zaken welke hij haat
+uitsluit. Derhalve steunt het beeld eener zaak, welke het bestaan
+van wat de Geest haat uitsluit, dit streven van den Geest; d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) het verwekt Blijheid in hem.
+Wie zich dus voorstelt dat iets wat hij haat te niet gaat, zal
+zich verblijden. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s21">
+<p><i>Stelling XXI.</i></p>
+
+<p>Wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft Blijheid of Droefheid
+ondervindt, zal zelf Blijheid of Droefheid gevoelen en elk dezer
+aandoeningen zal sterker of zwakker zijn in den liefhebbende
+naarmate zij sterker of zwakker is in het geliefde ding [wezen]
+<a id="aantag54" href="#aanteken54">[A54]</a>.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De beelden van dingen, welke het bestaan eener geliefde zaak
+onderstellen, steunen (<i>gelijk wij in <a href="#d3s19">St. XIX v.d. D.</a> hebben
+bewezen</i>) het streven van den Geest om zich die geliefde zaak
+voor te stellen. Maar Blijheid onderstelt het bestaan van iets
+dat blijde is en dat wel te meer naarmate de aandoening van
+Blijheid sterker is. Immers zij is (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d.
+D.</a></i>) een overgang tot grooter volmaaktheid. Derhalve steunt de
+gedachte aan de Blijheid van het geliefde wezen het streven van
+den Geest des liefhebbenden zelf; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI
+v.d. D.</a></i>) zij wekt in den liefhebbende Blijheid op en wel des te
+meer hoe sterker deze aandoening in het geliefde wezen was. Dit
+wat het eerste betreft. Voorzoover voorts eenig wezen Droefheid
+gevoelt, gaat het te niet [wordt er iets van zijn bestaanskracht
+vernietigd] en wel des te meer (<i>vlg. <a href="#d3s11o">dezelfde Opmerking bij St.
+XI v.d. D.</a></i>) hoe heviger die Droefheid is. Derhalve zal (<i>vlg.
+<a href="#d3s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft
+Droefheid ondervindt, zelf ook Droefheid gevoelen en dat wel des
+te meer, hoe sterker deze aandoening was in het geliefde wezen.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s22">
+<p><i>Stelling XXII.</i></p>
+
+<p>Indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij
+liefhebben Blijheid te weeg brengt, zal hij ook ons Blijheid
+schenken. Stellen wij ons daarentegen voor dat hij dit wezen
+Droefheid brengt, zoo zullen ook wij Haat jegens hem gevoelen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wie in een wezen dat wij liefhebben Blijheid of Droefheid te weeg
+brengt, schenkt ook onszelf Blijheid of Droefheid, wanneer wij
+ons wel te verstaan (<i>vlg. <a href="#d3s21">voorgaande St.</a></i>) het geliefde wezen
+als door Blijheid of Droefheid aangedaan voorstellen. Er wordt
+evenwel ondersteld dat deze Blijheid of Droefheid vergezeld gaat
+van de voorstelling eener uitwendige oorzaak. Derhalve zullen wij
+(<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) indien wij ons voorstellen
+dat iemand in een wezen dat wij liefhebben Blijheid of Droefheid
+te weeg brengt, Liefde of Haat jegens hem gevoelen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s22o">
+ <p><i>Opmerking:</i> <a href="#d3s21">Stelling XXI</a> verklaart ons wat <i>Medelijden</i>
+ is; wij kunnen het omschrijven als <i>Droefheid om eens
+ anders leed</i>. Welken naam ik nu evenwel moet geven aan
+ die Blijheid, welke uit eens anders welzijn voortkomt,
+ weet ik niet. Voorts zullen wij <i>Liefde jegens hem die
+ een ander w&egrave;l-deed</i>, <i>Ingenomenheid</i> en daarentegen <i>Haat
+ jegens hem die een ander kwaad deed</i> <i>Verontwaardiging</i>
+ noemen. Tenslotte doe ik opmerken dat wij niet slechts
+ medelijden hebben met wezens die wij hebben liefgehad
+ (<i>gelijk wij in St. XXI aantoonden</i>) maar ook met wezens,
+ voor welke wij voordien niets [bepaalds] gevoelden, mits
+ wij slechts oordeelen (<i>gelijk ik hierna zal aantoonen</i>)
+ dat zij op ons gelijken. Derhalve zullen wij ingenomen
+ zijn met wie onzen gelijke weldeed, daarentegen ons
+ verontwaardigen over wie onzen gelijke schade berokkende.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s23">
+<p><i>Stelling XXIII.</i></p>
+
+<p>Wie zich voorstelt dat een wezen dat hij haat, door Droefheid
+wordt aangedaan, zal zich verheugen; bedroeven zal hij zich
+echter indien hij zich voorstelt dat het door Blijheid wordt
+aangedaan; en elk dezer aandoeningen zal sterker of zwakker zijn
+naarmate de haar tegengestelde sterker of zwakker is in het wezen
+dat hij haat.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Voorzoover het gehate wezen door Droefheid wordt aangedaan,
+voorz&oacute;&oacute;ver gaat het te niet [wordt zijn levenskracht verminderd]
+en wel des te meer (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) hoe heviger
+die Droefheid is. Wie zich dus voorstelt dat een wezen dat hij
+haat Droefheid ondervindt, zal zich (<i>vlg. <a href="#d3s20">St. XX v.d. D.</a></i>)
+verheugen, en wel des te meer, hoe heviger hij zich die Droefheid
+van het gehate wezen voorstelt. Dit wat het eerste betreft.
+Voorts onderstelt Blijheid (<i>vlg. dezelfde <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d.
+D.</a></i>) het bestaan van een wezen dat blijde is en dit wel te meer
+hoe sterker die Blijheid gedacht wordt. Indien dus iemand zich
+een ander, dien hij haat, voorstelt als door Blijheid aangedaan,
+zal deze voorstelling (<i>vlg. <a href="#d3s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) zijn streven
+belemmeren; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>): hij die
+haat zal Droefheid gevoelen indien enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze Blijheid kan bezwaarlijk duurzaam zijn
+ of zonder tweestrijd in ons gemoed bestaan. Want (<i>gelijk
+ ik straks in <a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a> zal aantoonen</i>) voorzoover
+ men zich zijns gelijke voorstelt als door Droefheid
+ aangedaan, voorz&oacute;&oacute;ver moet men zich ook zelf bedroeven,
+ en omgekeerd, indien men zich voorstelt dat hij door
+ Blijheid wordt aangedaan. Hier echter hebben wij alleen
+ het oog op den haat.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s24">
+<p><i>Stelling XXIV.</i></p>
+
+<p>Indien wij ons voorstellen dat iemand in een wezen dat wij haten
+Blijheid te weeg brengt, zullen wij ook jegens hem Haat gevoelen.
+Stellen wij ons daarentegen voor dat hij in datzelfde wezen
+Droefheid te weeg brengt, zoo zullen wij Liefde jegens hem
+gevoelen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze stelling wordt op dezelfde wijze bewezen als Stelling XXII
+van dit Deel; zie dus deze.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s24o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze en soortgelijke aandoeningen van Haat
+ behooren onder het begrip "<i>Nijd</i>", welke dus niets
+ anders is dan <i>Haat zelf, voorzoover hij den mensch
+ brengt in zoodanigen toestand dat hij zich verheugt over
+ het ongeluk van een ander</i> [Leedvermaak] <i>en omgekeerd
+ zich bedroeft over zijn geluk</i>. [Afgunst].</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s25">
+<p><i>Stelling XXV.</i></p>
+
+<p>Al wat naar onze voorstelling onszelf of een geliefd wezen
+Blijheid brengt, trachten wij van onszelf of van het geliefde
+wezen te bevestigen, en omgekeerd trachten wij al wat naar onze
+voorstelling onszelf of het geliefde wezen bedroeft, te
+ontkennen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Datgene, waarvan wij ons voorstellen dat het in het geliefde
+wezen Blijheid of Droefheid te weeg brengt, schenkt (<i>vlg. <a href="#d3s21">St.
+XXI v.d. D.</a></i>) ook onszelf Blijheid of Droefheid. Maar de Geest
+tracht (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) zich zooveel mogelijk datgene wat
+ons Blijheid schenkt voor te stellen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s17o">St. XVII</a> en
+<a href="#d2s17g">Gevolg D. II</a></i>) als aanwezig te beschouwen. En omgekeerd tracht
+hij (<i>vlg. <a href="#d3s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) het bestaan van wat ons droef maakt
+uit te sluiten. Derhalve trachten wij al wat naar onze
+voorstelling onszelf of een geliefd wezen blij maakt, van onszelf
+of van het geliefde wezen te bevestigen, en omgekeerd. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s26">
+<p><i>Stelling XXVI.</i></p>
+
+<p>Van een wezen dat wij haten trachten wij alles te bevestigen wat
+het naar onze voorstelling bedroeft en omgekeerd trachten wij er
+van te ontkennen al wat het naar onze voorstelling verblijdt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze stelling volgt uit Stelling XXIII, gelijk de voorgaande uit
+Stelling XXI van dit Deel.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s26o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij zien hieruit, dat het licht kan gebeuren
+ dat de mensch over zichzelf of een geliefd wezen beter
+ dan gerechtvaardigd, en omgekeerd dat hij over een gehaat
+ wezen slechter dan billijk is oordeelt, welke
+ verbeelding, indien zij dien mensch zelf betreft die
+ beter over zichzelf oordeelt dan gerechtvaardigd is,
+ <i>Hoogmoed</i> [verwaandheid] genoemd wordt en een vorm is
+ van waanzin, aangezien zulk een persoon met open oogen
+ droomt dat hij allerlei dingen kan welke hij alleen in
+ zijn verbeelding bereikt; welke hij dus als
+ werkelijkheden beschouwt en waarop hij zich verheft,
+ zoolang hij niet bij machte is zich iets voor te stellen
+ dat hun bestaan uitsluit en zijn eigen vermogen tot
+ handelen beperkt.</p>
+
+ <p><i>Hoogmoed</i> [verwaandheid] is dus <i>een aandoening van
+ Blijheid, ontstaan doordat iemand beter van zichzelf
+ denkt dan gerechtvaardigd is</i>. Verder wordt de <i>Blijheid,
+ ontstaan doordat iemand beter van een ander denkt dan
+ gerechtvaardigd is</i>, <i>Overschatting</i> genoemd, en
+ <i>Geringschatting</i> tenslotte die, welke <i>ontstaat doordat
+ men van een ander slechter denkt dan billijk is</i>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s27">
+<p><i>Stelling XXVII.</i></p>
+
+<p>Door het feit dat wij ons voorstellen dat een wezen, hetwelk ons
+gelijkt en waarvoor wij niets [bepaalds] gevoelen, een of andere
+aandoening ondergaat, wordt ook in onszelf een dergelijke
+aandoening opgewekt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De beelden der dingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2s17o">Opmerking St. XVII D. II</a></i>)
+inwerkingen op het menschelijk Lichaam, welker voorstellingen ons
+de uitwendige voorwerpen als aanwezig voorstellen; d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d2s16">St. XVI D. II</a></i>) welker voorstellingen den aard van ons Lichaam en
+tegelijk den aanwezigen aard van het uitwendig voorwerp in zich
+sluiten. Indien dus de aard van een uitwendig voorwerp gelijkt op
+den aard van ons Lichaam, zal de voorstelling van dit uitwendig
+voorwerp dat wij ons verbeelden, een inwerking op ons Lichaam in
+zich sluiten, welke gelijkt op den toestand van het uitwendig
+voorwerp. Bijgevolg zal, indien wij ons voorstellen dat een wezen
+dat ons gelijkt een of andere aandoening ondergaat, deze
+voorstelling een toestand van ons Lichaam weergeven welke op deze
+aandoening gelijkt [aan deze aandoening beantwoordt]. Derhalve:
+door het feit dat wij ons voorstellen dat een wezen hetwelk ons
+gelijkt een of andere aandoening ondergaat, wordt ook in onszelf
+een dergelijke aandoening opgewekt. Wanneer wij echter een wezen
+dat ons gelijkt haten, zullen wij een tegenovergestelde
+aandoening dan dit wezen ondergaan en niet een dergelijke.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s27o1">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze nabootsing van aandoeningen heet,
+ voorzoover zij onder Droefheid thuis behooren,
+ <i>Medelijden</i> (<i>waarover men zie <a href="#d3s22o">Opmerking St. XXII v.d.
+ D.</a></i>); behooren zij evenwel tot de Begeerte, zoo noemt men
+ haar <i>wedijver</i>, welke dus niets anders is dan een
+ <i>Begeerte tot een of ander ding, welke in ons ontstaat
+ door ons voor te stellen dat anderen, die ons gelijken,
+ dezelfde begeerte hebben</i>.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d3s27g1">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Wanneer wij ons voorstellen dat iemand, die
+ geenerlei aandoening in ons te weeg brengen, een ons
+ gelijkend wezen verblijdt, zullen wij Liefde jegens hem
+ gevoelen. Stellen wij ons daarentegen voor dat hij dit
+ wezen bedroeft, zoo zullen wij hem haten.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Dit wordt op dezelfde wijze uit <a href="#d3s27">de voorgaande stelling</a>
+ bewezen als <a href="#d3s22">Stelling XXII van dit Deel</a>
+ uit <a href="#d3s21">Stelling XXI</a>.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen,
+ kunnen wij niet haten op grond daarvan dat zijn ongeluk
+ ons bedroeft.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Immers indien wij het om die reden konden haten, zouden
+ wij ons (<i>vlg. <a href="#d3s23">St. XXIII v.d. D.</a></i>) over zijn droefheid
+ verblijden, hetgeen in strijd is met het onderstelde.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d3s27g3">
+ <p><i>Gevolg III:</i> Een wezen waarvoor wij medelijden gevoelen,
+ trachten wij zooveel mogelijk van zijn ongeluk te
+ bevrijden.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Datgene wat het wezen waarvoor wij medelijden gevoelen
+ bedroeft, brengt ook in ons (<i>vlg. <a href="#d3s27">de voorgaande St.</a></i>)
+ een dergelijke Droefheid teweeg en wij zullen dus (<i>vlg.
+ <a href="#d3s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) alles trachten te verzinnen wat het
+ bestaan dier aanleiding tot Droefheid opheft ofwel wat
+ haar vernietigt; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX v.d. D.</a></i>)
+ wij zullen verlangen of er toe gedreven worden haar te
+ vernietigen. Derhalve zullen wij een wezen waarvoor wij
+ medelijden gevoelen van zijn ongeluk trachten te
+ bevrijden. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s27o2">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze wil of dit verlangen om w&egrave;l te doen,
+ welke daaruit voortspruit dat wij voor het wezen waaraan
+ wij een weldaad willen bewijzen, medelijden gevoelen,
+ wordt <i>Welwillendheid</i> genoemd, welke dus niets anders is
+ dan <i>Begeerte, ontstaan uit medelijden</i>. Zie overigens
+ over Liefde en Haat jegens dengene die een wezen dat wij
+ als ons gelijkend beschouwen goed of kwaad deed, <a href="#d3s22o">de
+ Opmerking bij Stelling XXII van dit Deel</a>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s28">
+<p><i>Stelling XXVIII.</i></p>
+
+<p>Al wat naar onze voorstelling tot Blijheid leidt trachten wij tot
+stand te brengen; wat daarentegen naar onze voorstelling daarmede
+in strijd is, ofwel wat tot Droefheid leidt, trachten wij uit den
+weg te ruimen of te vernietigen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs" id="d3s28b">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wat naar onze voorstelling tot Blijheid leidt, trachten wij ons
+(<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) zooveel mogelijk voor te stellen; d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>) wij zullen trachten het zooveel mogelijk
+als aanwezig ofwel werkelijk bestaande te beschouwen. Maar het
+streven of denkvermogen van den Geest is van nature gelijk aan en
+gelijktijdig met het streven of het vermogen tot handelen van het
+Lichaam (<i>gelijk duidelijk volgt uit <a href="#d2s7g">Gevolg St. VII</a>
+en <a href="#d2s11g">Gevolg St.
+XI D. II</a></i>). Derhalve streven wij onvoorwaardelijk naar zijn
+bestaan, of (<i>wat vlg. <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX v.d. D.</a> hetzelfde is</i>)
+wij verlangen er naar en stellen het ons ten doel. Dit wat het
+eerste betreft. Voorts zullen wij ons (<i>vlg. <a href="#d3s20">St. XX v.d. D.</a></i>)
+verblijden wanneer wij ons voorstellen dat iets, dat naar onze
+meening oorzaak van Droefheid is, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St.
+XIII v.d. D.</a></i>) iets dat wij hatende niet gaat. Derhalve zullen
+wij (<i>vlg. <a href="#d3s28b">het eerste gedeelte van dit bewijs</a></i>) dit trachten te
+vernietigen of (<i>vlg. <a href="#d3s13">St. XIII v.d. D.</a></i>) van ons te verwijderen,
+opdat wij het niet langer als aanwezig beschouwen. Dit wat het
+tweede betreft. Derhalve zullen wij al wat naar onze voorstelling
+tot Blijheid leidt enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s29">
+<p><i>Stelling XXIX.</i></p>
+
+<p>Evenzoo zullen wij trachten alles te doen wat naar onze
+voorstelling de menschen<a href="#voetnoot13"><sup>13</sup></a> met vreugde zien en omgekeerd
+zullen wij afkeerig zijn datgene te doen waarvan naar onze
+voorstelling de menschen afkeerig zijn.</p>
+</div>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot13">[Voetnoot 13: Hier en in het vervolg bedoel ik menschen die
+overigens geenerlei aandoening in ons opwekken.]</p>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Op grond daarvan dat wij ons voorstellen dat menschen iets
+liefhebben of haten zullen (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) ook wij het
+liefhebben of haten; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>)
+door dit feit zelf zullen wij ons over de aanwezigheid ervan
+verblijden of bedroeven. Derhalve zullen wij (<i>vlg. <a href="#d3s28">voorgaande
+St.</a></i>) trachten alles te doen wat naar onze voorstelling de
+menschen met vreugde zien enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s29o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Dit streven om iets te doen, of ook wel iets
+ te laten alleen om den menschen te behagen, wordt
+ <i>Eerzucht</i> genoemd, vooral wanneer wij zoo hevig de
+ menigte zoeken te behagen dat wij iets doen of laten tot
+ ons eigen of anderer nadeel, anders pleegt men het
+ <i>Menschenmin</i> [Vriendelijkheid] te noemen. Voorts noem ik
+ de Blijheid over een handeling waardoor een ander ons
+ heeft willen verheugen <i>Goedkeuring</i>, de Droefheid
+ daarentegen waarmede wij ons van eens anders handelingen
+ afwenden, <i>Afkeuring</i>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s30">
+<p><i>Stelling XXX.</i></p>
+
+<p>Wanneer iemand iets gedaan heeft dat naar zijn voorstelling
+anderen verblijdt, zal hij Blijheid, vergezeld van de gedachte
+aan zichzelf als oorzaak daarvan gevoelen; ofwel hij zal zichzelf
+met Blijheid beschouwen. Wanneer hij daarentegen iets gedaan
+heeft dat naar zijn voorstelling anderen bedroeft, zal hij
+zichzelf met Droefheid beschouwen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wie zich voorstelt dat hij anderen verblijdt of bedroeft, zal
+(<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>)
+reeds d&aacute;&aacute;rdoor zelf Blijheid of
+Droefheid gevoelen. Aangezien evenwel de mensch (<i>vlg. <a href="#d2s19">St. XIX</a> en
+<a href="#d2s23">XXIII D. II</a></i>) zich [van zichzelf] bewust is door de aandoeningen
+waardoor hij tot handelen wordt genoopt, zal iemand die iets
+gedaan heeft wat naar zijn meening anderen verblijdt, zelf
+Blijheid gevoelen, met het bewustzijn dat hijzelf daarvan de
+oorzaak is, ofwel hij zal zichzelf met Blijheid beschouwen, en
+omgekeerd. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s30o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Aangezien (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d.
+ D.</a></i>) Liefde is: Blijheid, vergezeld door de voorstelling
+ eener uitwendige oorzaak, en Haat Droefheid, eveneens
+ vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak,
+ zijn dus deze Blijheid en Droefheid eigenlijk soorten van
+ Liefde en Haat. Maar wijl Liefde en Haat betrekking
+ hebben op uitwendige voorwerpen, zullen wij de thans
+ bedoelde aandoeningen met andere namen aanduiden, en wel
+ zullen wij d&eacute;ze Blijheid, vergezeld door de voorstelling
+ eener uitwendige<a id="aantag55" href="#aanteken55">[A55]</a>
+ oorzaak <i>Zelfverheerlijking</i> en de
+ aan haar tegenovergestelde Droefheid <i>Schaamte</i> noemen.
+ Wel te verstaan: wanneer namelijk die Blijheid of
+ Droefheid daaruit voortkomt dat iemand in de meening
+ verkeert geprezen of berispt te worden; anders zal ik die
+ Blijheid, vergezeld door de gedachte aan een uitwendige
+ oorzaak <i>Tevredenheid met zichzelf</i> en de
+ tegenovergestelde Droefheid <i>Berouw</i> noemen. Wijl het
+ vervolgens (<i>vlg. <a href="#d2s17g">Gevolg St. XVII D. II</a></i>) kan voorkomen
+ dat de Blijheid welke iemand meent anderen te schenken,
+ slechts denkbeeldig is en (<i>vlg. <a href="#d3s25">St. XXV v.d. D.</a></i>) ieder
+ van zichzelf tracht te denken wat hem naar zijn meening
+ zal verblijden, is het dus licht mogelijk dat een
+ roemzuchtige trotsch [verwaand] wordt en zich inbeeldt
+ iedereen welgevallig te zijn, terwijl hij in
+ werkelijkheid iedereen tot last is.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s31">
+<p><i>Stelling XXXI.</i></p>
+
+<p>Indien wij ons voorstellen dat iemand liefheeft of begeert, of
+haat wat wijzelf liefhebben, begeeren of haten, zullen wij
+d&aacute;&aacute;rdoor reeds deze zaak des te standvastiger liefhebben enz.
+Indien wij ons echter voorstellen dat hij afkeerig is van wat wij
+liefhebben, of omgekeerd [liefheeft wat wij haten] zal ons gemoed
+in tweestrijd geraken.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Alleen reeds door het feit dat wij ons voorstellen dat iemand
+iets liefheeft, zullen wijzelf (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) deze
+zaak ook liefhebben. Wij onderstellen evenwel dat wij die zaak
+reeds zonder dat liefhebben. Bij deze Liefde komt dus een nieuwe
+reden, waardoor zij wordt aangewakkerd en derhalve zullen wij wat
+wij reeds liefhebben, om deze reden des te standvastiger
+liefhebben. Voorts wenden wij ons (<i>vlg. <a href="#d3s27">dezelfde St.</a></i>) af van
+datgene waarvan wij ons voorstellen, dat iemand anders afkeerig
+is. Veronderstellen wij echter dat wij deze zelfde zaak
+terzelfder tijd liefhebben, dan zullen wij haar dus terzelfder
+tijd liefhebben en er een afkeer van hebben, ofwel (<i>zie
+<a href="#d3s17o">Opmerking St. XVII v.d. D.</a></i>) ons gemoed zal in tweestrijd
+geraken. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d3s31g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit, alsmede uit Stelling XXVIII van dit
+ Deel, volgt dat ieder zooveel mogelijk er naar streeft
+ dat ieder ander zal liefhebben wat hijzelf liefheeft en
+ zal haten wat hijzelf haat. Vandaar het woord des
+ dichters:</p>
+
+ <p class="quote"><i>Allen gevoelen we eenzelfde hoop en vrees zoo wij minnen;</i>
+ <br /><i>Hij heeft een hart van staal, die mint wat een ander haat.</i>
+ <br /><span class="floatr">(Ovidius, Amor. II. 19)</span></p>
+ </div>
+ <div class="clearoff"><br /></div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s31o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Dit streven om te bewerken dat ieder
+ instemme, wanneer men zelf lief heeft of haat, is
+ welbeschouwd <i>eerzucht</i> (<i>zie <a href="#d3s29o">Opmerking St. XXIX v.d.
+ D.</a></i>) Wij zien dus dat ieder van nature er naar streeft,
+ dat anderen naar zijn zin leven, met het gevolg dat, waar
+ allen dit gelijkelijk beoogen, zij elkaar gelijkelijk tot
+ last zijn en waar allen door iedereen geprezen en bemind
+ willen worden, allen elkaar haten.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s32">
+<p><i>Stelling XXXII.</i></p>
+
+<p>Indien wij ons voorstellen dat iemand zich verheugt over een
+zaak, welke slechts &eacute;&eacute;n mensch bezitten kan, zullen wij trachten
+te bewerken dat hij deze zaak niet in zijn bezit krijgt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Om het feit alleen dat wij ons voorstellen dat iemand zich over
+iets verheugt, zullen wij (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII</a>
+en <a href="#d3s27g1">Gevolg I v.d. D.</a></i>)
+die zaak liefhebben en begeeren en ons er over verheugen. Maar
+wij stellen ons (<i>vlg. het onderstelde</i>) juist voor dat het feit,
+dat deze persoon zich in het bezit dier zaak zou verheugen, deze
+Blijheid in den weg staat. Derhalve zullen wij (<i>vlg. <a href="#d3s28">St. XXVIII
+v.d. D.</a></i>) er naar streven dat hij haar niet bemachtigt. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s32o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij zien dus hoe het met den menschelijken
+ aard meestal zoo gesteld is, dat men medelijden heeft met
+ hen wien het slecht gaat en benijdt wien het goed gaat,
+ en wel dit laatste (<i>vlg. <a href="#d3s31">voorgaande St.</a></i>) met een des te
+ grooteren haat, naarmate men de zaak, welke men zich in
+ het bezit van een ander voorstelt, meer liefheeft. Wij
+ zien voorts hoe uit dezelfde eigenschap van den
+ menschelijken aard, waaruit volgt dat de menschen
+ medelijdend zijn, ook volgt dat zij afgunstig en
+ eerzuchtig zijn. En indien wij tenslotte de ervaring
+ zelve willen raadplegen, zullen wij bevinden dat ook zij
+ dit alles leert; in het bijzonder wanneer wij letten op
+ de eerste jaren van ons leven. Wij zien toch immers dat
+ kinderen, omdat hun lichaam als het ware in voortdurend
+ [wankelbaar] evenwicht is, plegen te lachen of te
+ schreien all&eacute;&eacute;n reeds, doordat zij anderen zien lachen of
+ schreien; dat zij bovendien alles wat zij anderen zien
+ doen, dadelijk begeeren na te bootsen; dat zij tenslotte
+ alles voor zichzelf begeeren waarover anderen zich naar
+ hun voorstelling verheugen. Geen wonder, daar toch de
+ beelden der dingen, zooals wij reeds zeiden, inwerkingen
+ zijn op het menschelijk Lichaam zelf, ofwel wijzen waarop
+ het menschelijk Lichaam inwerking ondergaat van
+ uitwendige voorwerpen en genoodzaakt wordt zus of zoo te
+ handelen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s33">
+<p><i>Stelling XXXIII.</i></p>
+
+<p>Wanneer wij een ons gelijkend wezen liefhebben, trachten wij
+zooveel mogelijk te bewerken dat het ons wederkeerig liefheeft.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een ding dat wij liefhebben, trachten wij ons (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d.
+D.</a></i>) zooveel mogelijk boven andere dingen voor te stellen. Als
+dus dit ding een ons gelijkend wezen is, zullen wij (<i>vlg. <a href="#d3s29">St.
+XXIX v.d. D.</a></i>) het boven alle andere trachten te verblijden,
+ofwel wij zullen zooveel mogelijk trachten te bewerken, dat dit
+geliefde wezen bewogen worde door een Blijheid, vergezeld door de
+gedachte aan onszelf; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>)
+dat het ons wederkeerig liefheeft. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s34">
+<p><i>Stelling XXXIV.</i></p>
+
+<p>Hoe grooter wij ons de genegenheid voorstellen welke een geliefd
+wezen voor ons gevoelt, hoe meer wij ons daarop zullen verheffen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wij trachten (<i>vlg. <a href="#d3s33">voorgaande St.</a></i>) zooveel mogelijk te bewerken
+dat een geliefde wezen ons wedermint, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St.
+XIII v.d. D.</a></i>) dat het geliefde wezen een Blijheid ondervinde,
+vergezeld door de gedachte aan ons zelf. Hoe grooter dus de
+Blijheid is, welke naar onze voorstelling het geliefde wezen door
+ons toedoen ondervindt, hoe meer dit streven wordt bevorderd;
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI</a> en
+<a href="#d3s11o">Opmerking v.d. D.</a></i>) hoe grooter Blijheid
+ook wij gevoelen. Wanneer wij ons evenwel verblijden, omdat wij
+een ander, ons gelijkend wezen, Blijheid schonken, dan zullen wij
+(<i>vlg. <a href="#d3s30">St. XXX v.d. D.</a></i>) ook onszelf met Blijheid beschouwen.
+Derhalve: hoe grooter wij ons de genegenheid voorstellen, welke
+een geliefd wezen voor ons gevoelt, met hoe grooter Blijheid wij
+onszelf zullen beschouwen, ofwel (<i>vlg. <a href="#d3s30o">Opmerking St. XXX v.d.
+D.</a></i>) hoemeer wij ons daarop zullen verheffen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXXV.</i></p>
+
+<p>Wie zich voorstelt dat een geliefd wezen met een nauwen of nog
+nauweren band van vriendschap zich aan een ander bindt, dan
+waarmede het aan ons-zelf verbonden was, zal jegens dit geliefde
+wezen haat gevoelen en dien ander benijden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Hoe grooter iemand zich de liefde voorstelt, welke een geliefd
+wezen voor hem gevoelt, hoe meer hij (<i>vlg. <a href="#d3s34">voorg. St.</a></i>) zich
+daarop zal verheffen; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s30o">Opm. St. XXX v.d. D.</a></i>) hoe
+meer hij zich zal verblijden en dus (<i>vlg. <a href="#d3s38">St. XXVIII v.d. D.</a></i>)
+zooveel mogelijk zal trachten zich voor te stellen dat het
+geliefde wezen ten nauwste met hem verbonden is; welk streven of
+welke begeerte (<i>vlg. <a href="#d3s31">St. XXXI v.d. D.</a></i>) nog wordt aangewakkerd
+door de voorstelling, dat ook een ander ditzelfde voor zich
+begeert. Er wordt hier echter verondersteld dat dit streven of
+deze begeerte belemmerd wordt door het beeld van het geliefde
+wezen zelf, vergezeld door het beeld van dien ander, aan wien het
+zich verbonden heeft. Derhalve zal hij (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI
+v.d. D.</a></i>) dan ook een Droefheid gevoelen, vergezeld door de
+voorstelling van het geliefde wezen als oorzaak daarvan en tevens
+door het beeld van dien ander; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII
+v.d. D.</a></i>) hij zal haat gevoelen jegens het geliefde wezen en
+tegelijkertijd (<i>vlg. <a href="#d3s15g">Gevolg St. XV v.d. D.</a></i>) jegens dien ander,
+dien hij (<i>vlg. <a href="#d3s23">St. XXIII v.d. D.</a></i>)
+d&aacute;&aacute;rom, wijl hij zich in het
+bezit van het geliefde wezen verblijdt, zal benijden. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze Haat, jegens het geliefde wezen,
+ verbonden met Nijd, wordt <i>IJverzucht</i> [jaloerschheid]
+ geheeten, welke dus niets anders is dan een tweestrijd
+ des gemoeds, uit gelijktijdige Liefde en Haat
+ ontsprongen, vergezeld door de gedachte aan een ander,
+ dien men benijdt. Bovendien zal deze haat jegens het
+ geliefde wezen sterker zijn naarmate van de Blijheid,
+ welke de jaloersche door de wederliefde van het geliefde
+ wezen placht te ondervinden en eveneens naarmate van de
+ gevoelens, welke hij koesterde jegens hem, aan wien zich
+ naar zijn voorstelling het geliefde wezen verbonden
+ heeft. Immers als hij hem haatte, zal hij (<i>vlg. <a href="#d3s24">St. XXIV
+ v.d. D.</a></i>) ook hierdoor reeds het geliefde wezen haten,
+ aangezien hij zich dan moet voorstellen dat het Blijheid
+ schenkt aan wien hijzelf haat, en ook (<i>vlg. <a href="#d3s15g">Gevolg St.
+ XV v.d. D.</a></i>) wijl hij gedwongen is het beeld van het
+ geliefde wezen te verbinden met dat van hem, dien hij
+ haat. Welk geval zich het meest voordoet bij de Liefde
+ voor een vrouw. Want wie zich voorstelt, dat de vrouw,
+ die hij liefheeft, zich aan een ander overgeeft, wordt
+ niet alleen bedroefd door het feit dat zijn eigen lust
+ belemmerd wordt, maar heeft ook een afkeer van haar,
+ omdat hij gedwongen is het beeld van het geliefde wezen
+ in verband te brengen met de schaamdeelen en
+ zaadafscheidingen van een ander. Waarbij eindelijk nog
+ komt, dat de jaloersche door de geliefde niet langer met
+ hetzelfde gelaat dat zij hem vroeger te vertoonen placht,
+ wordt ontvangen, hetgeen voor den minnaar een nieuwe
+ reden tot droefheid is, gelijk ik straks zal aantoonen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s36">
+<p><i>Stelling XXXVI.</i></p>
+
+<p>Wie zich iets herinnert, waarin hij zich eens verlustigd heeft,
+begeert het weder te bezitten onder dezelfde omstandigheden als
+toen hij zich voor het eerst er in verheugde.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Al wat iemand gelijktijdig met een zaak, welke hem verlustigde,
+gezien heeft, zal (<i>vlg. <a href="#d3s15">St. XV v.d. D.</a></i>) door deze toevallige
+omstandigheid oorzaak van Blijheid zijn. Derhalve zal hij (<i>vlg.
+<a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) tegelijk met de zaak welke hem verheugde, ook
+dit alles begeeren te bezitten, ofwel hij zal deze zaak begeeren
+te bezitten onder al dezelfde omstandigheden als toen hij zich
+voor het eerst er in verheugde. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Wanneer dus &eacute;&eacute;n dier omstandigheden blijkt te
+ ontbreken, zal de minnaar zich bedroeven.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Immers, voorzoover hij tot de ontdekking komt dat &eacute;&eacute;n
+ dier omstandigheden ontbreekt, stelt hij zich iets voor
+ dat het bestaan dier zaak uitsluit. Daar hij evenwel
+ (<i>vlg. <a href="#d3s36">voorgaande St.</a></i>) die zaak of die omstandigheid uit
+ Liefde begeert, zal hij derhalve (<i>vlg. <a href="#d3s19">St. XIX v.d. D.</a></i>)
+ voorzoover hij zich voorstelt dat die laatste ontbreekt,
+ zich bedroeven. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze Droefheid, voorzoover zij de
+ afwezigheid van wat wij liefhebben betreft, wordt
+ <i>Verlangen</i> genoemd.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s37">
+<p><i>Stelling XXXVII.</i></p>
+
+<p>De Begeerte, welke uit Droefheid of Blijheid, Haat of Liefde
+ontspringt, is des te grooter, naarmate die aandoeningen heviger
+zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Droefheid vermindert (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) of
+belemmert 's menschen vermogen tot handelen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St.
+VII v.d. D.</a></i>) zijn streven om in zijn bestaan te volharden wordt
+er door verzwakt of belemmerd. Zij is derhalve (<i>vlg. <a href="#d3s5">St. V v.d.
+D.</a></i>) met dit streven in strijd en een bedroefd mensch doet wat
+hij maar kan om zijn droefheid van zich af te zetten. Maar hoe
+grooter die Droefheid is, met hoe grooter gedeelte van 's
+menschen vermogen tot handelen zij noodzakelijk (<i>vlg. <a href="#d3s11o_2">de
+Definitie van Droefheid</a></i>) in strijd moet zijn. Derhalve: hoe
+grooter de Droefheid is, met hoe grooter kracht zal de mensch
+pogen haar van zich af te zetten, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX
+v.d. D.</a></i>) met hoe heviger begeerte of drang zal hij trachten haar
+van zich af te zetten. Waar voorts Blijheid (<i>vlg. <a href="#d3s11o">zelfde
+Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) 's menschen vermogen tot handelen
+vermeerdert of bevordert, kan gemakkelijk langs denzelfden weg
+bewezen worden, dat de mensch, die een aandoening van Blijheid
+ondervindt, niets liever wenscht dan deze te behouden, en dat wel
+met des te sterker Begeerte, naarmate die Blijheid grooter is. En
+waar tenslotte Haat en Liefde zelf aandoeningen van Droefheid en
+Blijheid zijn, volgt hieruit op dezelfde wijze dat het streven of
+de drang, ofwel de Begeerte, welke uit Haat of Liefde ontspringt,
+grooter zal zijn naar gelang van dien Haat of van die Liefde.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s38">
+<p><i>Stelling XXXVIII.</i></p>
+
+<p>Wanneer iemand een geliefd wezen is gaan haten, z&oacute;&oacute; dat zijn
+Liefde geheel verdwenen is, zal hij het, bij overigens gelijke
+oorzaak, een grooter Haat toedragen, dan wanneer hij het nooit
+had liefgehad en een des te grooteren, naarmate zijn Liefde
+vroeger grooter was.</p>
+</div>
+
+
+<div class="bewijs" id="d3s38b">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers, wanneer iemand een wezen dat hij liefheeft, gaat haten,
+zullen er meer begeerten in hem onderdrukt worden dan wanneer hij
+het niet had lief gehad. Liefde toch is (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII
+v.d. D.</a></i>) een Blijheid, welke de mensch (<i>vlg. <a href="#d3s28">St. XXVIII v.d.
+D.</a></i>) zooveel mogelijk tracht te behouden en dat wel (<i>vlg.
+<a href="#d3s13o">dezelfde Opmerking</a></i>) door het geliefde wezen als aanwezig te
+beschouwen en het (<i>vlg. <a href="#d3s21">St. XXI v.d. D.</a></i>) zooveel mogelijk
+Blijheid te bereiden; welk streven (<i>vlg. <a href="#d3s37">voorgaande St.</a></i>) des te
+heviger is, naarmate die Liefde grooter is; evenals het streven
+om te bewerken dat het geliefde wezen wederliefde bewijze (<i>zie
+<a href="#d3s33">St. XXXIII v.d. D.</a></i>). Dit streven nu wordt
+(<i>vlg. <a href="#d3s13">Gevolg St. XIII</a>
+en vlg. <a href="#d3s23">St. XXIII v.d. D.</a></i>) door Haat jegens het geliefde wezen
+belemmerd; derhalve zal de minnaar (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d.
+D.</a></i>) ook om deze reden bedroefd worden, en dat wel des te meer,
+naarmate zijn Liefde grooter was; d.w.z. behalve de Droefheid
+welke oorzaak was van den Haat, ontspringt er nog een nieuwe uit
+het feit, dat hij dit wezen heeft lief gehad en bijgevolg zal hij
+het geliefde wezen dan ook met nog grootere Droefheid beschouwen,
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) hij zal het een
+grooter Haat toedragen dan wanneer hij het nooit had lief gehad
+en wel een des te grooteren, naarmate zijn Liefde grooter was.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s39">
+<p><i>Stelling XXXIX.</i></p>
+
+<p>Wie iemand haat zal hem trachten kwaad te doen, tenzij hij vreest
+dat daaruit voor hemzelf een grooter kwaad kan ontspruiten.
+Omgekeerd: wie iemand lief heeft zal hem, volgens dezelfde wet,
+trachten wel te doen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Iemand haten is (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) iemand
+beschouwen als oorzaak van Droefheid. Derhalve zal (<i>vlg. <a href="#d3s28">St.
+XXVIII v.d. D.</a></i>) hij die iemand haat, trachten hem te verwijderen
+of te vernietigen. Maar indien hij vreest dat hieruit voor
+hemzelf iets droevigere, of (wat hetzelfde is) een grooter euvel,
+kan voortkomen (dat hij gelooft te kunnen vermijden door hem,
+dien hij haat, het kwaad dat hij van zins was, n&igrave;et toe te
+brengen) zal hij (<i>vlg. <a href="#d3s28">dezelfde St. XXVIII</a></i>) wenschen zich van
+dit kwaad te onthouden, en dat wel (<i>vlg. <a href="#d3s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>)
+met een sterker aandrang dan welke hem tot kwaad doen dreef,
+zoodat de eerste overhand zal hebben, gelijk wij wilden
+aantoonen. Het bewijs van het tweede gedeelte wordt op dezelfde
+wijze geleverd. Derhalve: wie iemand haat enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s39o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Onder "goed" versta ik hier iedere soort van
+ Blijheid en voorts al wat daartoe leidt, in het bijzonder
+ al wat een verlangen, welk dan ook, bevredigt. Onder
+ "kwaad" versta ik daarentegen elke soort van Droefheid en
+ in het bijzonder al wat een verlangen verijdelt.
+ Hierboven immers (<i>in <a href="#d3s9o">de Opmerking bij St. IX v.d. D.</a></i>)
+ hebben wij aangetoond dat wij niets begeeren, wijl wij
+ oordeelen dat het goed is, maar dat wij integendeel
+ datgene goed noemen wat wij begeeren en bijgevolg alles
+ waarvan wij afkeerig zijn, kwaad heeten; zoodat een ieder
+ naar gelang van zijn eigen aandoeningen oordeelt of schat
+ wat goed, wat kwaad, wat beter, wat slechter, en
+ tenslotte wat het best of het slechtst is. Zoo houdt de
+ vrek een overvloed van geld voor het beste, gebrek er aan
+ daarentegen voor het slechtste. De eergierige wederom
+ begeert niets zoozeer als roem en siddert voor niets
+ zoozeer als voor schande. Den nijdigaard is niets
+ aangenamer dan eens anders ongeluk en niets onaangenamer
+ dan een vreemd geluk. En zoo noemt een ieder op grond van
+ eigen aandoening, de dingen goed of kwaad, nuttig of
+ onnut. Overigens wordt die aandoening, welke in den
+ mensch bewerkt dat hij niet wil wat hij wil, of wil wat
+ hij niet wil, <i>Angst</i> genoemd; welke dus niets anders is
+ dan <i>Vrees</i>, <i>voorzoover de mensch daardoor gedreven
+ wordt een kwaad dat hij ziet aankomen, door een geringer
+ kwaad te vermijden</i>. (<i>Zie <a href="#d3s28">St. XXVIII v.d. D.</a></i>). Indien
+ nu het kwaad dat men vreest beschaming is, wordt deze
+ angst <i>Schroom</i> genoemd. Tenslotte: indien de Begeerte om
+ een toekomstig kwaad te vermijden belemmerd wordt door de
+ Angst voor een ander kwaad, zoodat men niet weet wat men
+ liever wil, dan wordt die vrees <i>Verbijstering</i> genoemd,
+ vooral wanneer beide euvelen, welke men vreest, zeer
+ groot zijn.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s40">
+<p><i>Stelling XL.</i></p>
+
+<p>Wie zich voorstelt dat hij door een ander gehaat wordt, terwijl
+hij meent dat hij hem geenerlei reden tot Haat gegeven heeft, zal
+dien ander wederkeerig haten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wie zich voorstelt dat een ander Haat koestert, zal (<i>vlg. <a href="#d3s27">St.
+XXVII v.d. D.</a></i>) reeds door dit feit alleen zelf Haat gevoelen,
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) Droefheid, vergezeld
+door de voorstelling eener uitwendige oorzaak. Maar hij stelt
+zich (<i>vlg. het onderstelde</i>) geen andere oorzaak dier Droefheid
+voor als dengene, die hem haat. Derhalve zal hij, doordat hij
+zich voorstelt door een ander gehaat te worden, een Droefheid
+gevoelen, vergezeld door de voorstelling van dengeen die hem
+haat, ofwel (<i>vlg. <a href="#d3s13o">dezelfde Opmerking</a></i>) hij zal dien ander haten.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s40o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Stelt hij zich daarentegen voor dat hij een
+ billijke reden tot Haat gegeven heeft, dan zal hij (<i>vlg.
+ <a href="#d3s30">St. XXX</a> en
+ <a href="#d3s30o">Opmerking v.d. D.</a></i>) zich schamen. Doch dit
+ komt zelden voor (<i>vlg. <a href="#d3s25">St. XXV v.d. D.</a></i>). Bovendien kan
+ deze wederkeerige Haat ook ontstaan door het feit dat
+ (<i>vlg. <a href="#d3s39">St. XXXIX v.d. D.</a></i>) Haat gevolgd wordt door de
+ Begeerte om het gehate wezen kwaad te doen. Wie zich dus
+ voorstelt dat hij door een ander gehaat wordt, zal zich
+ dien ander voorstellen als oorzaak van een of ander
+ kwaad, of wel van Droefheid, en derhalve ook zelf
+ Droefheid gevoelen, ofwel Vrees, vergezeld door de
+ voorstelling van dengene, die hem haat, als oorzaak
+ d.w.z.: hij zal hem wederkeerig, gelijk in bovenstaand
+ geval, haten.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Wie zich voorstelt dat iemand, dien hij
+ liefheeft, hem haat, zal door Haat en Liefde gelijktijdig
+ aangegrepen worden. Want voorzoover hij zich voorstelt
+ dat die ander hem haat, zal hij (<i>vlg. <a href="#d3s40">voorgaande St.</a></i>)
+ gedreven worden hem wederkeerig te haten. Maar niettemin
+ heeft hij hem lief (<i>vlg. het onderstelde</i>). Derhalve zal
+ hij door Haat en Liefde gelijktijdig worden aangegrepen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d3s40g2">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Indien iemand zich voorstelt, dat hem door
+ een ander, voor wien hij voordien niets [bepaalds]
+ gevoelde, uit Haat eenig kwaad is toegevoegd, zal hij
+ dadelijk trachten hem hetzelfde kwaad terug te doen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Wie zich voorstelt dat een ander Haat jegens hem
+ koestert, zal (<i>vlg. <a href="#d3s40">voorgaande St.</a></i>) dien ander
+ wederkeerig haten, alles trachten te verzinnen wat hem
+ zou kunnen bedroeven (<i>vlg. <a href="#d3s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>) en (<i>vlg.
+ <a href="#d3s39">St. XXXIX v.d. D.</a></i>) zijn best doen hem dit alles toe te
+ voegen. Maar het eerste van dien aard dat hij zich kan
+ voorstellen is (<i>vlg. het onderstelde</i>) het kwaad dat
+ hemzelf is aangedaan en derhalve zal hij dadelijk
+ trachten hetzelfde terug te doen. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s40g2o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Het streven om hem, dien wij haten, kwaad te
+ doen, wordt <i>Toorn</i> genoemd; het streven echter om kwaad
+ dat ons is aangedaan terug te doen, heet <i>Wraakzucht</i>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s41">
+<p><i>Stelling XLI.</i></p>
+
+<p>Wanneer iemand zich voorstelt dat een ander hem liefheeft,
+terwijl hij meent daartoe geenerlei aanleiding te hebben gegeven
+(<i>hetgeen vlg. <a href="#d3s15g">Gevolg St. XV</a>
+en vlg. <a href="#d3s16">St. XVI v.d. D.</a> kan
+voorkomen</i>) zal hij dien ander wederkeerig liefhebben.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze stelling wordt langs denzelfden weg bewezen als de vorige.
+Men zie ook de Opmerking daarbij.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s41o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Gelooft men echter w&egrave;l een gegronde
+ aanleiding tot Liefde gegeven te hebben, zoo zal men
+ (<i>vlg. <a href="#d3s30">St. XXX</a> en
+ <a href="#d3s30o">Opm. v.d. D.</a></i>) zich daarop verheffen,
+ hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s25">St. XXV v.d. D.</a></i>) dan ook herhaaldelijk
+ voorkomt, terwijl het tegenovergestelde, gelijk wij reeds
+ zeiden, plaats grijpt wanneer iemand zich voorstelt dat
+ hij door een ander wordt gehaat (<i>zie <a href="#d3s40o">Opmerking
+ voorgaande St.</a></i>). Deze wederkeerige Liefde nu, en
+ bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3s39">St. XXXIX v.d. D.</a></i>) het streven om
+ dengene die ons liefheeft en (<i>vlg. <a href="#d3s39">zelfde St. XXXIX</a></i>)
+ ons tracht wel te doen, op onze beurt weldaden te
+ bewijzen, wordt "<i>Dank</i>" of "<i>Dankbaarheid</i>" genoemd. En
+ zoo blijkt het dat de menschen veeleer bereid zijn om
+ wraak te nemen, dan om een weldaad te vergelden.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Wie zich voorstelt dat hij bemind wordt door
+ iemand dien hij haat, zal door Haat en Liefde
+ gelijktijdig bewogen worden. Hetgeen langs denzelfden weg
+ als Gevolg I der voorgaande Stelling wordt bewezen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Indien de Haat overweegt, zal men dengene
+ door wien men bemind wordt, trachten kwaad te doen, welke
+ aandoening dan <i>Wreedheid</i><a id="aantag56" href="#aanteken56">[A56]</a>
+ genoemd wordt, vooral
+ wanneer het blijkt dat hij, die liefheeft, geenerlei
+ geldige aanleiding tot Haat gegeven heeft.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s42">
+<p><i>Stelling XLII.</i></p>
+
+<p>Wie een ander, hetzij uit Liefde, hetzij door hoop op
+Zelfverheerlijking bewogen, een weldaad heeft bewezen, zal zich
+bedroeven wanneer hij ziet dat deze weldaad met ondankbaar gemoed
+wordt aanvaard.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wie een hem gelijkend wezen liefheeft, tracht (<i>vlg. <a href="#d3s33">St. XXXIII
+v.d. D.</a></i>) zooveel mogelijk te bewerken dat hij wederkeerig er
+door bemind wordt. Wie dus uit Liefde een ander een weldaad
+bewijst, doet dit uit zucht om wederbemind te worden; d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d3s34">St. XXXIV v.d. D.</a></i>) uit hoop op Zelfverheerlijking ofwel
+(<i>vlg. <a href="#d3s30o">Opmerking St. XXX v.d. D.</a></i>) Blijheid, en hij zal zich
+derhalve (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) deze aanleiding tot
+Zelfverheerlijking zooveel mogelijk trachten voor te stellen
+ofwel als werkelijk bestaande te beschouwen. Hij stelt zich
+echter (<i>vlg. het onderstelde</i>) iets anders voor, dat het bestaan
+van die aanleiding tot Blijheid juist uitsluit. Derhalve zal hij
+(<i>vlg. <a href="#d3s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) zich daarover bedroeven. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s43">
+<p><i>Stelling XLIII.</i></p>
+
+<p>Haat wordt door wederkeerigen Haat versterkt, kan daarentegen
+door Liefde worden vernietigd.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wanneer iemand zich voorstelt dat hij dien hij haat, wederkeerig
+haat jegens hemzelf koestert, ontspringt hieruit (<i>vlg. <a href="#d3s40">St. XL
+v.d. D.</a></i>) een nieuwe Haat, terwijl (<i>vlg. het onderstelde</i>) de
+oude blijft bestaan. Stelt hij zich daarentegen voor dat die
+ander Liefde voor hem gevoelt, zoo zal hij (<i>vlg. <a href="#d3s30">St. XXX v.d.
+D.</a></i>) in zooverre zichzelf met Blijheid beschouwen en (<i>vlg. <a href="#d3s29">St.
+XXIX v.d. D.</a></i>) in zooverre dien ander trachten te behagen; d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d3s41">St. XLI v.d. D.</a></i>) trachten hem n&igrave;et te haten en op
+geenerlei wijze te bedroeven, welk streven (<i>vlg. <a href="#d3s37">St. XXXVII v.d.
+D.</a></i>) krachtiger of zwakker zal zijn naar gelang van de
+aandoening, waaruit het ontsprong. Derhalve: wanneer deze
+aandoening krachtiger is dan die, welke uit den Haat voortkwam en
+krachtens welke hij (<i>vlg. <a href="#d3s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>) het wezen dat hij
+haat tracht te bedroeven, zal zij overwegen en zal zij den Haat
+uit het gemoed verdrijven. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s44">
+<p><i>Stelling XLIV.</i></p>
+
+<p>Haat, welke door Liefde geheel wordt overwonnen, gaat in Liefde
+over en deze Liefde zal grooter zijn dan wanneer geen Haat haar
+ware vooraf gegaan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het bewijs wordt op dezelfde wijze gevoerd als dat van <a href="#d3s38b">Stelling
+XXXVIII van dit Deel</a>. Immers wie een wezen, dat hij haat of dat
+hij met Droefheid placht te beschouwen, lief krijgt, verblijdt
+zich reeds door het feit zelf dat hij liefheeft, en bij deze
+Blijheid, welke in die Liefde ligt opgesloten (<i>zie <a href="#d3s13o_1">de Definitie
+in Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) voegt zich nog die andere, welke
+geboren wordt uit het feit dat het streven om de Droefheid, welke
+in den Haat ligt opgesloten (<i>gelijk wij in <a href="#d3s37">St. XXXVII v.d. D.</a>
+hebben aangetoond</i>) te verwijderen, daardoor op zijn beurt
+gesteund wordt; waarbij hij zich tevens dengene dien hij haat als
+oorzaak [dier Blijheid] voorstelt.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Ofschoon dit werkelijk aldus is, zal toch
+ niemand trachten eenig wezen te haten of te bedroeven
+ alleen om [later] deze grootere Blijheid te genieten.
+ D.w.z. niemand zal uit hoop op schadevergoeding wenschen
+ zich schade te zien toegebracht, noch verlangen ziek te
+ worden uit hoop te genezen. Immers een ieder zal steeds
+ er naar streven zijn bestaan te handhaven en Droefheid
+ zooveel mogelijk uit den weg te ruimen. Indien het
+ daarentegen denkbaar ware dat een mensch kon begeeren een
+ ander te haten om hem later des te meer te kunnen
+ liefhebben, dan zou hij steeds moeten blijven verlangen
+ hem te haten. Want hoe grooter die Haat was, hoe grooter
+ de [er op volgende] Liefde zou zijn en dus zou hij steeds
+ moeten verlangen dat zijn Haat grooter en grooter werd.
+ Om dezelfde reden zou de mensch er dan naar moeten
+ streven steeds zieker te worden om later des te grooter
+ Blijheid wegens het herstel zijner gezondheid te
+ genieten; hij zou dus bij voortduring moeten trachten
+ ziek te zijn, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI v.d. D.</a></i>) ongerijmd
+ is.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLV.</i></p>
+
+<p>Indien iemand zich voorstelt dat een ander, hem gelijkend wezen,
+een eveneens hem gelijkend wezen, haat, terwijl hijzelf het lief
+heeft, zal hij dien ander haten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers het geliefde wezen zal (<i>vlg. <a href="#d3s40">St. XL v.d. D.</a></i>) dengene
+dien het haat, wederkeerig haten en derhalve zal de minnende, die
+zich voorstelt dat een ander het geliefde wezen haat, door dit
+feit zelf zich tevens voorstellen dat het geliefde wezen Haat
+gevoelt, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) Droefheid.
+Bijgevolg zal hij zich (<i>vlg. <a href="#d3s21">St. XXI v.d. D.</a></i>) bedroeven en zich
+daarbij dengene die het geliefde wezen haat, als oorzaak dier
+Droefheid voorstellen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>)
+hij zal hem haten. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLVI.</i></p>
+
+<p>Indien iemand door een ander, behoorende tot een van de zijne
+verschillende klasse of natie, verblijd of bedroefd werd, terwijl
+hij zich dien ander in hoedanigheid van lid dier klasse of natie
+als oorzaak zijner aandoening voorstelde, zoo zal hij niet
+slechts hem, maar alle leden dier klasse of natie liefhebben of
+haten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het bewijs hiervan blijkt uit <a href="#d3s16">Stelling XVI van dit Deel</a>.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLVII.</i></p>
+
+<p>De Blijheid welke voortspruit uit de voorstelling, dat iets dat
+wij haten vernietigd of door eenig kwaad getroffen wordt, is niet
+zonder eenige Droefheid.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt uit <a href="#d3s27">Stelling XXVII van dit Deel</a>. Immers voorzoover wij
+ons voorstellen dat een wezen, hetwelk ons gelijkt, wordt
+bedroefd, in zoover worden ook wij bedroefd.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s47o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze stelling kan ook worden bewezen uit <a href="#d2s17g">het
+ Gevolg van Stelling XVII Deel II</a>. Zoo dikwijls wij ons
+ namelijk een zaak herinneren, ook al bestaat zij niet in
+ werkelijkheid, beschouwen wij haar toch als aanwezig en
+ ondergaat ons Lichaam daarbij dezelfde inwerking als
+ vroeger; zoodat, voorzoover de herinnering aan deze zaak
+ van kracht is, de mensch genoopt wordt haar met Droefheid
+ te beschouwen; welke neiging weliswaar, zoolang het beeld
+ dier zaak ons bijblijft, door de herinnering aan dingen
+ welke haar bestaan uitsluiten wordt getemperd, doch niet
+ opgeheven. Daarom verblijdt men zich slechts in zoover
+ als deze neiging wordt getemperd en vandaar ook dat de
+ Blijheid, welke uit het ongeluk van een wezen dat wij
+ haten voortspruit, zich herhaalt zoo dikwijls wij ons die
+ zaak herinneren. Immers, zooals wij reeds zeiden, telkens
+ wanneer het beeld dier zaak wordt opgewekt, wordt men,
+ aangezien dit beeld het bestaan dier zaak in zich sluit,
+ genoopt die zaak met dezelfde Droefheid te beschouwen,
+ waarmede men haar placht te beschouwen toen zij zelf
+ bestond. Omdat men evenwel aan het beeld dier zaak andere
+ voorstellingen heeft verbonden welke haar bestaan
+ uitsluiten, wordt deze neiging tot Droefheid onmiddellijk
+ getemperd en verblijdt men zich opnieuw en dit zoo
+ dikwijls als deze herhaling plaats grijpt. Dit nu is
+ eveneens de reden waarom men zich verblijdt zoo dikwijls
+ men zich een kwaad uit het verleden herinnert en waarom
+ men er genoegen in schept gevaren, waaraan men ontkomen
+ is, te verhalen. Want als men zich een of ander gevaar
+ voorstelt, beschouwt men het als toekomstig en wordt men
+ genoopt het te vreezen, welke neiging echter getemperd
+ wordt door de voorstelling der verlossing, welke men aan
+ de voorstelling van het gevaar verbond, toen men ervan
+ bevrijd werd en weder veilig was, zoodat men zich opnieuw
+ verheugt.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s48">
+<p><i>Stelling XLVIII.</i></p>
+
+<p>Liefde of Haat, jegens Petrus bijvoorbeeld, gaan te niet als de
+Droefheid welke, deze en de Blijheid welke gene in zich sluiten,
+worden verbonden met de voorstelling van een andere oorzaak en
+beide verminderen juist in zooverre als wij ons voorstellen dat
+Petrus niet all&eacute;&eacute;n hun oorzaak was.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt alleen reeds uit de Definities van Liefde en Haat,
+welke men vindt in <a href="#d3s13o">de Opmerking bij Stelling XIII van dit Deel</a>.
+Immers alleen daarom worden die Blijheid Liefde en die Droefheid
+Haat jegens Petrus genoemd, wijl Petrus wordt beschouwd als
+oorzaak van deze of van gene aandoening. Wanneer dit dus in het
+geheel niet meer of slechts ten deele geschiedt, zullen ook die
+gevoelens jegens Petrus geheel of ten deele verdwijnen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s49">
+<p><i>Stelling XLIX.</i></p>
+
+<p>De Liefde of de Haat jegens een wezen dat wij ons als vrij
+voorstellen moeten beide, bij overigens gelijke aanleiding,
+sterker zijn dan jegens een afhankelijk.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Iets dat wij ons als vrij voorstellen moet (<i>vlg. <a href="#d1d7">Definitie VII
+D. I</a></i>) op zichzelf en afgescheiden van andere dingen beschouwd
+worden. Indien wij het ons dus voorstellen als oorzaak van
+Blijheid of Droefheid, zullen wij het (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII
+v.d. D.</a></i>) daardoor alleen reeds liefhebben of haten en dat wel
+(<i>vlg. <a href="#d3s48">voorgaande St.</a></i>) met den hoogsten graad van Liefde of Haat
+welke uit de gegeven aandoening kan voortspruiten. Indien wij ons
+evenwel de zaak welke oorzaak van een dier aandoeningen is, als
+"afhankelijk" voorstellen, zullen wij ons (<i>vlg. <a href="#d1d7">dezelfde
+Definitie VII D. I</a></i>) haar niet all&eacute;&eacute;n, maar in verband met andere
+dingen als oorzaak dier aandoening denken, zoodat (<i>vlg.
+<a href="#d3s48">voorgaande St.</a></i>) de Liefde en de Haat jegens haar geringer zullen
+zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hieruit volgt dat de menschen, omdat zij
+ zich voor vrij houden, grooter Liefde of Haat gevoelen
+ jegens elkaar dan jegens andere dingen. Daarbij komt nog
+ het nabootsen der aandoeningen (<i>zie <a href="#d3s27">St. XXVII</a>,
+ <a href="#d3s36">XXXIV</a>, <a href="#d3s40">XL</a>
+ en <a href="#d3s43">XLIII v.d. D.</a></i>).</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling L.</i></p>
+
+<p>Ieder ding, wat ook, kan bij gelegenheid oorzaak van Hoop of
+Vrees zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze stelling wordt langs denzelfden weg bewezen als <a href="#d3s15">Stelling XV
+van dit Deel</a>. Men zie tegelijk met deze <a href="#d3s18o2">de Opmerking bij Stelling
+XVIII van dit Deel</a>.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Dingen welke door toevallige omstandigheden
+ oorzaak van Hoop of Vrees zijn, noemt men goede of kwade
+ voorteekenen. Voorzoover nu deze voorteekenen oorzaak
+ zijn van Hoop of Vrees, zijn zij (<i>vlg. <a href="#d3s18o2_1">Definitie v. Hoop</a>
+ en <a href="#d3s18o2_2">Vrees</a>, zie Opmerking II St. XVIII v.d. D.</i>) oorzaak
+ van Blijheid of Droefheid en zullen wij ze bijgevolg
+ (<i>vlg. <a href="#d3s15g">Gevolg St. XV v.d. D.</a></i>) in zooverre ook liefhebben
+ of haten en (<i>vlg. <a href="#d3s28">St. XXVIII v.d. D.</a></i>) trachten ze,
+ hetzij als middelen ter bereiking van wat wij hopen aan
+ te wenden, hetzij ze als beletselen daartoe of als
+ oorzaken van Vrees, uit den weg te ruimen. Bovendien
+ volgt uit <a href="#d3s25">Stelling XXV van dit Deel</a> dat het van nature
+ z&oacute;&oacute; met ons gesteld is dat wij datgene wat wij hopen
+ gemakkelijk, wat wij vreezen daarentegen liever niet
+ gelooven en aan het eerste meer, aan het tweede minder
+ beteekenis hechten dan gerechtvaardigd is. Hieruit is al
+ het bijgeloof ontsproten, waardoor de menschen allerwegen
+ worden verontrust. Overigens acht ik het niet der moeite
+ waard hier alle schakeeringen van weifelmoedigheid te
+ beschrijven welke uit Hoop of Vrees ontspringen;
+ aangezien uit de Definitie dier aandoeningen alleen reeds
+ volgt dat er geen Hoop bestaat zonder Vrees, noch Vrees
+ zonder Hoop (gelijk wij te zijnerplaatse nog
+ breedvoeriger zullen uiteenzetten), en aangezien wij
+ bovendien een zaak, voorzoover wij haar hopen of vreezen,
+ ook liefhebben of haten. Daarom zal een ieder gemakkelijk
+ al wat wij over Liefde en Haat gezegd hebben op Hoop en
+ Vrees kunnen toepassen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s51">
+<p><i>Stelling LI.</i></p>
+
+<p>Verschillende menschen kunnen van &eacute;&eacute;n en hetzelfde voorwerp op
+verschillende wijze inwerking ondergaan en &eacute;&eacute;n en dezelfde mensch
+kan van &eacute;&eacute;n en hetzelfde voorwerp op verschillende tijdstippen
+verschillenden invloed ondervinden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het menschelijk Lichaam ondergaat (<i>vlg. <a href="#d2p3">Postulaat III D. II</a></i>) op
+tal van wijzen inwerking van uitwendige voorwerpen. Op hetzelfde
+tijdstip kunnen dus twee menschen op verschillende wijze
+inwerking ondergaan en kunnen zij dus ook (<i>vlg. <a href="#d2h3a1">Axioma I achter
+Hulpstelling III</a>, zie achter St. XIII D. II</i>) verschillende
+inwerking ondergaan van &eacute;&eacute;n en hetzelfde voorwerp. Voorts kan
+(<i>vlg. <a href="#d2p3">hetzelfde Postulaat</a></i>) het menschelijk Lichaam nu eens op
+deze, dan weer op gene wijze inwerking ondergaan en bijgevolg kan
+het (<i>vlg. <a href="#d2h3a1">hetzelfde Axioma</a></i>)
+van &eacute;&eacute;n en hetzelfde voorwerp op
+verschillende tijdstippen verschillende inwerking ondergaan.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s51o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij zien dus hoe het kan gebeuren dat de een
+ lief heeft wat de ander haat, de een vreest wat de ander
+ niet vreest en hoe &eacute;&eacute;nzelfde mensch lief heeft wat hij
+ vroeger haatte, durft waarvoor hij vroeger bang was enz.
+ Wijl voorts een ieder naar gelang van zijn eigen
+ aandoeningen oordeelt wat goed of kwaad en wat beter of
+ slechter is (<i>zie <a href="#d3s39o">Opmerking St. XXXIX v.d. D.</a></i>) volgt
+ hieruit dat de menschen zoowel in hun oordeel als in hun
+ aandoeningen kunnen verschillen<a href="#voetnoot14"><sup>14</sup></a> en vandaar dat
+ menschen wanneer we ze met elkaar vergelijken, alleen
+ naar het verschil hunner aandoeningen door ons worden
+ onderscheiden en dat wij den een onverschrokken, den
+ ander vreesachtig, een derde weer anders noemen. Zoo zal
+ ik bijvoorbeeld iemand die een kwaad dat ik pleeg te
+ vreezen geringschat, onverschrokken noemen, en wanneer ik
+ bovendien zie dat zijn begeerte om dingen welke hij haat
+ kwaad te doen en dingen, welke hij lief heeft w&egrave;l te
+ doen, niet wordt getemperd door vrees voor een kwaad
+ waardoor &igrave;k mij pleeg te laten weerhouden, zal ik dien
+ man <i>vermetel</i> noemen. Voorts zal, wie een kwaad vreest,
+ dat ikzelf pleeg te minachten, mij <i>vreesachtig</i>
+ schijnen, en als ik bovendien zie, dat zijn begeerte
+ wordt bedwongen door de vrees voor een kwaad dat mijzelf
+ niet kan weerhouden, zal ik zeggen dat hij <i>lafhartig</i>
+ is; en op dergelijke wijze zal iedereen oordeelen. Bij 's
+ menschen dusdanigen aard en onstandvastigheid van
+ oordeel, en gegeven het feit dat de mensch dikwijls
+ uitsluitend op grond van zijn aandoeningen over de dingen
+ oordeelt en dat de dingen welke, naar hij gelooft, tot
+ zijn Blijheid of Droefheid bijdragen en welke hij daarom
+ (<i>vlg. <a href="#d3s29">St. XXVIII v.d. D.</a></i>) tracht te bevorderen of te
+ verwijderen, dikwijls alleen maar denkbeeldig zijn (om
+ nog te zwijgen van het overige wat wij in Deel II omtrent
+ de onzekerheid der dingen gezegd hebben) kunnen wij
+ gemakkelijk inzien dat de mensch dikwijls zelf
+ mede-oorzaak is dat hij zich bedroeft of verblijdt, ofwel
+ dat hij zoowel Droefheid als Blijheid kan gevoelen,
+ vergezeld door de gedachte aan zichzelf als oorzaak
+ daarvan. En zoo kunnen wij ook gemakkelijk begrijpen wat
+ <i>Berouw</i> en wat <i>Tevredenheid met zichzelf</i>
+ (<i>Zelfvoldaanheid</i>) is. <i>Berouw namelijk is Droefheid,
+ Zelfvoldaanheid is Blijheid, vergezeld door de gedachte
+ aan zichzelf als oorzaak</i>, en deze aandoeningen zijn
+ allerhevigst, wijl de menschen wanen dat zij vrij zijn.
+ (<i>Zie <a href="#d3s49">St. XLIX v.d. D.</a></i>)</p>
+
+ <p class="voetitem" id="voetnoot14">[Voetnoot 14: N.B. Dat dit mogelijk is,
+ niettegenstaande de menschelijke Geest een deel is van het goddelijk
+ Verstand, hebben wij aangetoond in <a href="#d2s13o">de opmerking bij Stelling XIII Deel
+ II</a> [zie ook <a href="#d2s11g">Gevolg Stelling XI D. II</a>].]</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s52">
+<p><i>Stelling LII.</i></p>
+
+<p>Een voorwerp dat wij reeds vroeger gelijktijdig met andere gezien
+hebben of dat naar onze voorstelling uitsluitend eigenschappen
+bezit welke het gemeen heeft met vele andere voorwerpen, zullen
+wij niet zoolang onze aandacht schenken als een waarvan wij ons
+voorstellen dat het iets bijzonders heeft.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Zoodra wij ons dit voorwerp, dat wij met andere tezamen gezien
+hebben, voorstellen, herinneren wij ons (<i>vlg. <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a>,
+zie ook <a href="#d2s18o">de Opmerking daarbij</a></i>) ook de andere voorwerpen en zoo
+worden wij van de beschouwing van het eene onmiddellijk tot
+beschouwing van een ander gebracht. Hetzelfde is het geval bij
+een voorwerp, dat naar onze voorstelling uitsluitend
+eigenschappen bezit welke aan vele andere gemeen zijn. Immers
+juist daardoor nemen wij aan dat wij er niets in beschouwen dat
+wij niet vroeger samen met andere dingen zagen. Wanneer wij
+evenwel aannemen dat wij ons voorstellen dat een of ander ding
+iets bijzonders heeft, dat wij vroeger nooit hebben gezien, dan
+zeggen wij niets anders dan dat de Geest, terwijl hij dit
+voorwerp beschouwt, niets anders bevat tot welks beschouwing hij
+door de beschouwing van dit voorwerp gebracht kon worden, zoodat
+hij wel genoodzaakt is uitsluitend dit voorwerp zelf te
+beschouwen. Derhalve: Een voorwerp dat enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s52o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze aandoening van den Geest, dat wil
+ zeggen deze voorstelling van een bijzonder ding,
+ voorzoover het den Geest uitsluitend in beslag neemt,
+ noemt men <i>Verbazing</i><a id="aantag57" href="#aanteken57">[A57]</a>
+ welke, als zij wordt te weeg
+ gebracht door een voorwerp dat wij vreezen, <i>Ontzetting</i>
+ wordt geheeten, aangezien de verbazing over eenig kwaad
+ den mensch zoozeer in de beschouwing ervan bevangen
+ houdt, dat hij niet bij machte is over iets anders te
+ denken, waardoor hij dit kwaad zou kunnen vermijden. Maar
+ als datgene waarover wij ons verbazen eens anders
+ verstand, vlijt of iets van dien aard is, omdat wij
+ overwegen dat hij daarin verre boven ons uitsteekt, zoo
+ heet deze verbazing <i>Vereering</i> [Bewondering];
+ daarentegen <i>Afschuw</i> wanneer wij ons verbazen over
+ iemands toorn, nijd enz. Als wij ons verder verbazen over
+ het verstand, den vlijt enz. van iemand dien wij lief
+ hebben, zal (<i>vlg. <a href="#d3s12">St. XII v.d. D.</a></i>) daardoor die Liefde
+ te grooter zijn en deze Liefde, gepaard aan Bewondering
+ of Vereering, noemen wij <i>Toewijding</i>. En op deze wijze
+ kunnen wij ons ook Haat, Hoop, Gerustheid en andere
+ aandoeningen voorstellen als verbonden met Verbazing,
+ waardoor wij dan veel meer aandoeningen zullen kunnen
+ afleiden dan gemeenlijk met de geijkte woorden worden
+ aangeduid. Waaruit blijkt dat de namen der aandoeningen
+ meer hun bestaan danken aan het algemeen [spraak] gebruik
+ dan aan een nauwkeurige kennis [dier aandoeningen zelf].
+ Tegenover Bewondering staat <i>Verachting</i>, welker oorzaak
+ echter meestal is dat wij, wanneer wij zien dat iemand
+ een zekere zaak bewondert, lief heeft, vreest enz., of
+ dat wij, wanneer (<i>vlg. <a href="#d3s15">St. XV</a> en
+ <a href="#d3s15g">Gevolg</a> en vlg. <a href="#d3s27">St.
+ XXVII v.d. D.</a></i>) iets op het eerste gezicht schijnt te
+ lijken op dingen welke wij bewonderen, liefhebben,
+ vreezen enz., zelf gedreven worden die zaak eveneens te
+ bewonderen, lief te hebben, te vreezen enz. Maar wanneer
+ wij, tengevolge van de aanwezigheid dier zaak of van een
+ nauwlettender beschouwing, gedwongen zijn haar alles te
+ ontzeggen wat oorzaak van Bewondering, Liefde, Vrees enz.
+ zou kunnen zijn, blijft de Geest, juist door de
+ aanwezigheid dier zaak, meer geneigd om te denken aan
+ datgene wat dit voorwerp n&igrave;et, dan aan datgene wat het
+ w&egrave;l eigen is, terwijl hij toch anders bij aanwezigheid
+ van een voorwerp voornamelijk pleegt te denken aan wat er
+ w&egrave;l toe behoort. Evenals nu voorts Toewijding uit
+ Bewondering voor een zaak die wij liefhebben voortspruit,
+ ontstaat <i>Bespotting</i> uit Verachting van een zaak, welke
+ wij haten of vreezen en Ergernis uit Verachting van
+ dwaasheid, evenals Vereering uit Bewondering voor
+ verstand. Tenslotte kunnen wij ons Liefde, Hoop,
+ Zelfverheerlijking en andere aandoeningen verbonden
+ denken met Verachting en op deze wijze nog weer andere
+ aandoeningen afleiden, welke wij nochtans niet door
+ afzonderlijke woorden van elkaar plegen te onderscheiden.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s53">
+<p><i>Stelling LIII.</i></p>
+
+<p>Wanneer de Geest zichzelf en zijn macht tot handelen beschouwt,
+verblijdt hij zich en dat des te meer, naarmate hij zich die
+macht tot handelen duidelijker voorstelt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De mensch kent zichzelf niet, dan alleen
+(<i>vlg. <a href="#d3s29">St. XIX</a> en <a href="#d3s23">XXIII
+D. II</a></i>) door de inwerkingen op zijn Lichaam en de voorstellingen
+daarvan. Wanneer het geval dus wil dat de Geest zichzelf [en zijn
+macht tot handelen] kan beschouwen, wordt hiermede tevens
+ondersteld dat hij tot grootere volmaaktheid overgaat, d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) dat hij verblijd wordt en wel
+des te meer naarmate hij zich zichzelf en zijn macht tot handelen
+duidelijker kan voorstellen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d3s53g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Deze Blijheid wordt steeds meer aangewakkerd,
+ hoe meer men zich voorstelt door anderen geprezen te
+ worden. Immers hoe meer men zich voorstelt door anderen
+ geprezen te worden, hoe grooter Blijheid men zich
+ voorstelt zelf dien anderen te bereiden en dat wel (<i>vlg.
+ <a href="#d3s29o">Opmerking St. XXIX v.d. D.</a></i>) vergezeld door de gedachte
+ aan zichzelf. Derhalve zal men (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>)
+ ook zelf grooter Blijheid, vergezeld door de gedachte aan
+ zichzelf, gevoelen. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s54">
+<p><i>Stelling LIV.</i></p>
+
+<p>De Geest tracht zich slechts zulke dingen voor te stellen, die
+zijn macht tot handelen onderstellen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het streven of vermogen van den Geest is (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII v.d. D.</a></i>)
+het wezen van den Geest zelf. Het wezen van den Geest echter
+bevestigt (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) alleen datgene wat de Geest
+is en vermag, doch niet datgene wat hij niet is en niet vermag.
+Derhalve streeft hij er naar zich slechts datgene voor te stellen
+wat zijn macht tot handelen bevestigt of onderstelt. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s55">
+<p><i>Stelling LV.</i></p>
+
+<p>Wanneer de Geest zich zijn eigen machteloosheid voorstelt, wordt
+hij daardoor bedroefd.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het wezen van den Geest bevestigt slechts datgene wat de Geest is
+en vermag, ofwel het ligt in den aard van den Geest (<i>vlg.
+<a href="#d3s54">voorgaande St.</a></i>) zich slechts zulke dingen voor te stellen, welke
+zijn macht tot handelen onderstellen. Wanneer wij dus zeggen dat
+de Geest, terwijl hij zichzelf beschouwt, zich zijn eigen
+machteloosheid voorstelt, zeggen wij niets anders dan dat,
+terwijl de Geest poogt zich iets voor te stellen wat zijn macht
+tot handelen onderstelt, juist diezelfde poging wordt belemmerd;
+m.a.w. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) dat hij zich bedroeft.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d3s55g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Deze Droefheid wordt steeds heviger, indien men
+ zich voorstelt dat men door anderen wordt gelaakt;
+ hetgeen langs denzelfden weg bewezen wordt als <a href="#d3s53g">het Gevolg
+ van Stelling LIII van dit Deel</a>.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s55o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze Droefheid, vergezeld door de
+ voorstelling onzer machteloosheid, wordt
+ <i>Neerslachtigheid</i> geheeten; de Blijheid daarentegen,
+ welke uit de beschouwing van onszelf ontspruit heet
+ <i>Eigenliefde</i> of <i>Tevredenheid met zich zelf</i>
+ [Zelfvoldaanheid]. En aangezien deze laatste zich even
+ dikwijls herhaalt als men zijn deugden of zijn vermogen
+ tot handelen beschouwt, is het gevolg hiervan dat elkeen
+ brandt van begeerte om van zijn eigen daden te verhalen
+ en zoowel zijn Lichaamskracht als zijn geestelijk kunnen
+ ten toon te spreiden, en dat de menschen elkaar om deze
+ reden dan ook tot last zijn. Waaruit wederom volgt dat de
+ menschen elkaar van nature benijden (<i>zie <a href="#d3s24o">Opmerking St.
+ XXIV</a> en <a href="#d3s32o">Opmerking St. XXXII v.d. D.</a></i>), ofwel dat zij zich
+ verheugen over de machteloosheid en daarentegen bedroeven
+ over de flinkheid van huns gelijken. Immers zoo dikwijls
+ zich iemand zijn eigen handelingen voorstelt, zoo
+ dikwijls zal hij zich (<i>vlg. <a href="#d3s53">St. LIII v.d. D.</a></i>)
+ verblijden, en dat wel te meer naarmate hij zich die
+ handelingen duidelijker en als uitdrukking van hooger
+ volmaaktheid voorstelt; d.w.z. (<i>vlg. wat in <a href="#d2s40o1">Opmerking I
+ St. XL D. II</a> betoogd werd</i>) hoe meer hij ze kan
+ beschouwen als bijzondere daden, van andere w&egrave;l
+ onderscheiden. Vandaar dat ieder zich bij de beschouwing
+ van zichzelf d&agrave;n het meest zal verblijden wanneer hij
+ iets in zichzelf ziet wat hij aan anderen ontzegt. Doch
+ wanneer hij datgene wat hij van zichzelf bevestigt, tot
+ de algemeene voorstelling mensch of dier kan terug
+ brengen, zal hij zich niet in zulk een mate verblijden;
+ en bedroeven zal hij zich daarentegen, als hij zich
+ voorstelt dat zijn daden bij die van anderen vergeleken,
+ onbelangrijker zijn; welke Droefheid hij dan (<i>vlg. <a href="#d3s28">St.
+ XXVIII v.d. D.</a></i>) zal trachten van zich af te zetten, en
+ dat wel door de daden van zijnsgelijken verkeerd uit te
+ leggen en zijn eigene zooveel mogelijk op te sieren. Het
+ blijkt dus wel dat de menschen van nature tot Haat en
+ Nijd overhellen, waartoe hun opvoeding nog het hare
+ bijdraagt. De ouders immers plegen hun kinderen
+ uitsluitend met den prikkel van eerzucht en naijver tot
+ deugd aan te sporen. Doch misschien zal men hier
+ tegenwerpen dat wij toch niet zelden de deugden van
+ menschen bewonderen en henzelf vereeren. Om deze
+ bedenking uit den weg te ruimen zal ik het onderstaande
+ Gevolg hier aan toe voegen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Niemand benijdt een ander om diens
+ voortreffelijkheid, dan alleen zijns gelijke.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Nijd is Haat (<i>zie <a href="#d3s24o">Opmerking St. XXIV v.d. D.</a></i>), of
+ (<i>vlg. <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>) Droefheid, d.w.z.
+ (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) een aandoening waardoor
+ 's menschen vermogen of streven om te handelen wordt
+ belemmerd. Maar de mensch streeft (<i>vlg. <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX
+ v.d. D.</a></i>) noch begeert iets anders te doen dan wat uit
+ zijn gegeven aard kan voortvloeien en daarom zal hij niet
+ begeeren dat hem eenig vermogen tot handelen of (wat
+ hetzelfde is) eenige deugd, worde toegeschreven, welke
+ tot eens anders aard behoort, doch hemzelf vreemd is.
+ Derhalve kan ook zijn eigen begeerte niet belemmerd
+ worden door, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a></i>) kan
+ hij zich niet bedroeven over het feit dat hij een of
+ andere deugd bij een ander, die niet zijns gelijke is,
+ waarneemt, en bijgevolg zal hij dien ander ook niet
+ kunnen benijden. Wel echter zijns gelijke, van wien
+ ondersteld wordt dat hij denzelfden aard heeft. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wanneer wij dus hierboven in <a href="#d3s52o">de Opmerking
+ bij Stelling LII van dit Deel</a> zeiden, dat wij iemand
+ vereeren omdat wij zijn verstand, moed enz. bewonderen,
+ dan komt dit (<i>gelijk uit de stelling zelf blijkt</i>)
+ doordat wij ons deze deugden als h&egrave;m in het bijzonder
+ eigen en niet als aan onzen aard gemeen voorstellen;
+ zoodat wij ze hem evenmin benijden als een boom zijn
+ hoogte, een leeuw zijn kracht enz.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s56">
+<p><i>Stelling LVI.</i></p>
+
+<p>Er zijn evenveel schakeeringen van Blijheid, Droefheid en
+Begeerte, en bijgevolg van alle aandoeningen, welke uit deze zijn
+samengesteld, zooals Weifelmoedigheid, of welke uit hen worden
+afgeleid, zooals Liefde, Haat, Hoop, Vrees enz. als er soorten
+van voorwerpen bestaan welke op ons inwerken.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Blijheid en Droefheid, en bijgevolg de aandoeningen welke daaruit
+zijn samengesteld of afgeleid, zijn (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d.
+D.</a></i>) <i>Lijdingen</i>; wij lijden echter (<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I v.d. D.</a></i>)
+noodzakelijk voorzoover wij inadaequate voorstellingen hebben; en
+wel (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III v.d. D.</a></i>) <i>uitsluitend</i> voorzoover wij die
+hebben lijden wij; d.w.z. (<i>zie <a href="#d2s40o1">Opmerking I St. XL D. II</a></i>)
+uitsluitend in zooverre lijden wij noodzakelijk, als wij ons iets
+verbeelden [voorstellen], ofwel
+(<i>zie <a href="#d2s17">St. XVII</a> en <a href="#d2s17o">Opmerking D.
+II</a></i>) voorzoover wij een inwerking ondergaan welke den aard van
+ons eigen Lichaam en dien van een uitwendig voorwerp in zich
+sluit. De aard van iedere lijding moet dus noodzakelijk aldus
+worden verklaard dat ook de aard van het voorwerp dat op ons
+inwerkt, er in wordt uitgedrukt. Zoo zal de Blijheid welke uit
+bijvoorbeeld een voorwerp A ontspruit, den aard van ditzelfde
+voorwerp A en de Blijheid welke door een voorwerp B wordt te weeg
+gebracht, den aard van ditzelfde voorwerp B in zich sluiten en
+dien ten gevolge zijn deze beide aandoeningen van Blijheid
+verschillend van aard, aangezien zij uit oorzaken van
+verschillenden aard voortspruiten. Evenzoo is de aandoening van
+Droefheid door het eene voorwerp opgewekt, van anderen aard dan
+de Droefheid door een andere oorzaak te weeg gebracht; hetgeen
+eveneens geldt voor Liefde, Haat, Hoop, Vrees, Weifelmoedigheid
+enz. En vandaar dat er noodzakelijk evenveel schakeeringen van
+Blijheid, Droefheid, Liefde, Haat enz. bestaan, als soorten van
+voorwerpen welke op ons inwerken. Nu is echter de Begeerte het
+wezen of de aard zelf van ieder mensch, voorzoover men hem
+beschouwd als krachtens een of andere gegeven gesteldheid er toe
+gedreven om iets te doen (<i>zie <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX v.d. D.</a></i>)
+Derhalve: al naar gelang in iemand door uitwendige oorzaken deze
+of gene soort van Blijheid of Droefheid, Liefde, Haat, enz. wordt
+opgewekt, d.w.z. al naar gelang iemands aard in dezen of genen
+toestand wordt gebracht, zal ook zijn begeerte zus of zoo zijn;
+waarbij de aard der eene Begeerte evenzeer van dien der andere
+moet verschillen als de aandoeningen, waaruit elk van hen
+ontsproot, van elkaar verschillen. Er bestaan dus evenzoovele
+soorten van Begeerte als er soorten van Blijheid, Droefheid,
+Liefde enz. zijn en bijgevolg (<i>vlg. hetgeen reeds werd bewezen</i>)
+als er soorten van voorwerpen zijn welke op ons inwerken.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s56o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Onder de soorten van aandoeningen, welke
+ (<i>vlg. <a href="#d3s56">voorgaande St.</a></i>) zeer talrijk moeten zijn, zijn de
+ voornaamsten: <i>Gulzigheid</i>, <i>Drankzucht</i>,
+ <i>Wellustigheid</i>, <i>Hebzucht</i> en <i>Eerzucht</i>; al welke
+ [hartstochten] niets anders zijn dan schakeeringen van
+ Liefde of Begeerte, welke den aard dezer aandoeningen
+ openbaren naar gelang der voorwerpen waarop zij
+ betrekking hebben. Immers onder Gulzigheid, Drankzucht,
+ Wellustigheid, Hebzucht en Eerzucht verstaan wij niets
+ anders dan een onmatige liefde of begeerte tot zwelgen,
+ drinken, bijslaap, rijkdommen en roem. Overigens hebben
+ deze aandoeningen voorzoover we ze alleen ten opzichte
+ van het voorwerp waarop zij betrekking hebben, van andere
+ onderscheiden, geen tegengestelden. Want de <i>Matigheid</i>,
+ welke wij aan Gulzigheid, de <i>Nuchterheid</i> welke wij aan
+ Drankzucht en tenslotte de <i>Kuischheid</i> welke wij aan
+ Wellustigheid tegenover te stellen plegen, zijn geen
+ gemoedsaandoeningen of lijdingen, maar duiden de
+ zielskracht aan, welke deze aandoeningen matigt. De
+ overige soorten van gemoedsaandoeningen kan ik hier
+ verder niet behandelen (aangezien er evenzoovele bestaan
+ als soorten van voorwerpen) en het zou bovendien, al kon
+ ik het, ook niet noodig zijn. Voor datgene toch wat wij
+ ons ten doel stellen: namelijk de kracht der aandoeningen
+ en de macht, welke de Geest over hen heeft te bepalen, is
+ het voor ons voldoende om een <i>algemeene</i> definitie, op
+ iedere aandoening toepasselijk, te bezitten. Het is voor
+ ons voldoende, zeg ik, de algemeene eigenschappen der
+ aandoeningen en van den Geest te begrijpen en te kunnen
+ vaststellen hoedanig en hoe groot de macht van den Geest
+ in het temperen en bedwingen der aandoeningen is.
+ Ofschoon dus het verschil tusschen deze of gene
+ aandoening van Liefde, Haat of Begeerte groot is, gelijk
+ bijvoorbeeld tusschen iemands liefde jegens zijn kinderen
+ en zijn liefde jegens zijn echtgenoote, hebben wij
+ nochtans niet van noode deze verschillen te kennen en
+ aard en oorsprong der aandoeningen nog dieper na te
+ speuren.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LVII.</i></p>
+
+<p>Elke aandoening van elken enkeling verschilt evenveel van de
+[soortgelijke] aandoening van een ander, als het wezen van den
+een verschilt van het wezen van den ander.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze stelling blijkt uit <a href="#d2h3a1">Axioma I</a> (<i>zie achter Hulpst. III,
+Opmerking St. XIII D. II</i>). Wij zullen haar echter niettemin nog
+bewijzen uit de definities der drie oorspronkelijke aandoeningen.</p>
+
+<p>Alle aandoeningen zijn terug te brengen tot Begeerte, Blijheid of
+Droefheid, gelijk blijkt uit de definities, welke wij van deze
+gegeven hebben. Maar Begeerte is ieders aard of wezen zelf (<i>zie
+haar definitie in <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX v.d. D.</a></i>). Derhalve verschilt
+de Begeerte van elken enkeling evenveel van de Begeerte van een
+ander als de aard of het wezen van den een verschilt van het
+wezen van den ander. Voorts zijn Blijheid en Droefheid lijdingen,
+waardoor ieders vermogen of streven om in zijn bestaan te
+volharden wordt vermeerderd of verminderd, bevorderd of belemmerd
+(<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI</a> en
+<a href="#d3s11o">Opmerking v.d. D.</a></i>). Onder dit streven om in
+zijn bestaan te volharden, voorzoover het op Geest en Lichaam
+beide betrekking heeft, verstaan wij echter Drang en Begeerte
+(<i>zie <a href="#d3s9o">Opmerking St. IX v.d. D.</a></i>). Derhalve zijn Blijheid en
+Droefheid, Drang of Begeerte zelf, voorzoover deze door
+uitwendige oorzaken worden vermeerderd of verminderd, bevorderd
+of belemmerd; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s9o">dezelfde Opmerking</a></i>) zij zijn de aard
+zelf van ieder wezen, en daarom verschilt ook een ieders Blijheid
+of Droefheid evenveel van de Blijheid of Droefheid van een ander,
+als de aard of het wezen van den een verschilt van het wezen van
+een ander, en bijgevolg verschilt elke aandoening van elken
+enkeling evenveel van de soortgelijke aandoening van een ander
+als enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s57o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hieruit volgt dat de aandoeningen der
+ dieren, welke redeloos genoemd worden (want dat de dieren
+ gevoel hebben kunnen wij, nu wij den oorsprong van den
+ Geest kennen, onmogelijk langer betwijfelen), evenveel
+ van de aandoeningen der menschen verschillen als hun aard
+ van den menschelijken aard verschilt. Weliswaar worden
+ paard en mensch beide door teeldrift gedreven, gene
+ echter krachtens den lust welke het paard, deze krachtens
+ die welke den mensch eigen is. Evenzoo moeten ook de
+ wellust en begeerten van insekten, visschen en vogels
+ voor elk van hen weer anders zijn. Hoewel dus elk
+ individu, tevreden met den aard dien het bezit, leeft en
+ zich daarin verheugt, zijn toch dit leven, waarmede elk
+ tevreden is en die vreugde niets anders, dan de
+ voorstelling of de ziel van ditzelfde individu, en
+ derhalve moet de vreugde van het eene natuurlijkerwijs
+ evenzooveel van de vreugde van het andere verschillen als
+ het wezen van het eene verschilt van het wezen van het
+ andere. Tenslotte volgt uit de voorgaande stelling dat er
+ eveneens geen gering verschil bestaat tusschen de vreugde
+ waardoor bv. de dronkaard geleid wordt en die welke den
+ wijsgeer bezielt, wat ik hier in het voorbijgaan wilde
+ opmerken.</p>
+
+ <p>Dit over de aandoeningen, welke betrekking hebben op den
+ mensch voorzoover hij lijdt. Er rest mij nu nog enkele
+ woorden toe te voegen over die, welke betrekking op hem
+ hebben voorzoover hij handelt.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s58">
+<p><i>Stelling LVIII.</i></p>
+
+<p>Behalve de Blijheid en Begeerte, welke lijdingen zijn, bestaan er
+nog andere aandoeningen van Blijheid en Begeerte welke betrekking
+op ons hebben voorzoover wij handelen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wanneer de Geest zich van zichzelf en zijn macht tot handelen
+bewust is, verblijdt hij zich (<i>vlg. <a href="#d3s53">St. LIII v.d. D.</a></i>). De Geest
+beschouwt (<i>vlg. <a href="#d2s43">St. XLIII D. II</a></i>) echter zichzelf noodzakelijk
+wanneer hij een ware of adaequate voorstelling heeft. Maar de
+Geest heeft (<i>vlg. <a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL D. II</a></i>) inderdaad enkele
+adaequate voorstellingen. Derhalve zal hij zich ook in zooverre
+verblijden als hij [zulke] adaequate voorstellingen heeft; d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I v.d. D.</a></i>) voorzoover hij handelt. Verder streeft de
+Geest (<i>vlg. <a href="#d3s9">St. IX v.d. D.</a></i>), zoowel voorzoover hij verwarde als
+voorzoover hij heldere en duidelijke voorstellingen heeft, er
+naar in zijn bestaan te volharden. Onder dit streven echter
+verstaan wij (<i>vlg. <a href="#d3s9o">de Opmerking daarbij</a></i>) De Begeerte. Derhalve
+heeft dus de Begeerte ook betrekking op ons voorzoover wij
+begrijpen, of (<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I v.d. D.</a></i>) voorzoover wij handelen.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d3s59">
+<p><i>Stelling LIX.</i></p>
+
+<p>Onder de aandoeningen, welke betrekking hebben op den Geest
+voorzoover hij handelt, behooren slechts zulke, welke tot
+Blijheid of Begeerte teruggebracht kunnen worden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Alle aandoeningen kunnen teruggebracht worden tot Begeerte,
+Blijheid of Droefheid, gelijk uit de definities welke wij daarvan
+gaven blijkt. Onder Droefheid evenwel verstaan wij (<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI</a>
+en <a href="#d3s11o">Opmerking v.d. D.</a></i>) dat het vermogen van den Geest tot denken
+wordt verminderd of belemmerd. Derhalve bedroeft zich de Geest in
+zoover als zijn vermogen tot begrijpen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I v.d.
+D.</a></i>) tot handelen, wordt verminderd of belemmerd. Wij kunnen
+daarom geen enkele aandoening van Droefheid met den Geest in
+verband brengen voorzoover hij handelt, doch uitsluitend
+aandoeningen van Blijheid en Begeerte, welke (<i>vlg. <a href="#d3s58">voorgaande
+St.</a></i>) ook in dit opzicht op den Geest betrekking hebben. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d3s59o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Alle handelingen welke voortvloeien uit
+ aandoeningen welke betrekking hebben op den Geest
+ voorzoover hij begrijpt, rangschik ik onder het begrip
+ "<i>Flinkheid</i>" [kloekheid], waarin ik dan onderscheid
+ "<i>Geestkracht</i>" en "<i>Edelmoedigheid</i>". Onder
+ <i>Geestkracht</i> versta ik namelijk <i>die Begeerte, krachtens
+ welke ieder, alleen op voorschrift der Rede, er naar
+ streeft in zijn bestaan te volharden</i>. <span id="d3s59o_2">Onder
+ <i>Edelmoedigheid</i> echter versta ik <i>die Begeerte krachtens
+ welke ieder, alleen op voorschrift der Rede, er naar
+ streeft anderen te helpen en door vriendschap aan zich te
+ verbinden</i>.</span> Die handelingen dus, welke alleen het nut van
+ den handelende beoogen, rangschik ik onder Geestkracht en
+ die welke tevens anderen tot nut strekken, onder
+ Edelmoedigheid, Matigheid, Nuchterheid, Tegenwoordigheid
+ van Geest in gevaren, enz., zijn soorten van Geestkracht.
+ Gematigdheid [Minzaamheid], Goedertierenheid enz.
+ daarentegen zijn soorten van Edelmoedigheid.</p>
+
+ <p>En hiermede meen ik de voornaamste aandoeningen en
+ gemoedsbewegingen welke uit de verbinding der drie
+ oorspronkelijke aandoeningen, namelijk Begeerte, Blijheid
+ en Droefheid, ontspruiten, toegelicht en in hun eerste
+ oorzaken blootgelegd te hebben. Er blijkt uit dit alles,
+ dat wij op tal van wijzen door uitwendige oorzaken worden
+ bewogen en dat wij als de golven der zee, door
+ tegengestelde winden voortgezweept, ronddobberen,
+ onwetend omtrent den afloop en van ons noodlot. Toch
+ zeide ik dat ik alleen nog maar de voornaamste
+ aandoeningen beschreven heb en geenszins alle welke
+ bestaanbaar zijn. Immers voortgaande op denzelfden weg
+ als hierboven, kunnen wij gemakkelijk aantoonen, dat
+ Liefde ook verbonden kan zijn met Berouw,
+ Verontwaardiging, Schaamte enz. Ik meen dan ook dat het,
+ na hetgeen tot nu werd gezegd, voor ieder wel duidelijk
+ zal vaststaan, dat de aandoeningen op z&oacute;&oacute;vele wijzen met
+ elkaar kunnen worden verbonden en dat er dientengevolge
+ een z&oacute;&oacute; groote verscheidenheid ontstaat, dat hun aantal
+ niet te bepalen is. Voor mijn bedoeling evenwel volstaat
+ het dat ik slechts de voornaamsten heb opgenoemd, want de
+ behandeling der overigen, welke ik wegliet, zou meer tot
+ bevrediging van weetgierigheid strekken dan werkelijk van
+ nut zijn<a id="aantag58" href="#aanteken58">[A58]</a>.
+ Nochtans wil ik omtrent de Liefde nog doen
+ opmerken, dat het zeer dikwijls voorkomt dat ons Lichaam,
+ terwijl wij een zaak welke wij begeerden genieten, door
+ dit genot in een nieuwen toestand geraakt, waardoor het
+ voor iets anders ontvankelijk wordt en de beelden van
+ andere dingen er in worden opgewekt, terwijl
+ terzelfdertijd de Geest zich die andere dingen gaat
+ voorstellen en begeeren. Zoo begeeren wij bijvoorbeeld,
+ wanneer wij ons iets voorstellen, dat ons door zijn smaak
+ pleegt te verheugen, dit voorwerp ook te genieten, d.w.z.
+ op te eten. Maar terwijl wij nu daarvan genieten, wordt
+ de maag verzadigd en verkrijgt het Lichaam een andere
+ gesteldheid. Indien nu, terwijl het Lichaam reeds in
+ anderen toestand is, de voorstelling dier bepaalde spijs,
+ doordat zijzelf aanwezig is, wordt verlevendigd en
+ bijgevolg ook het streven of de begeerte om haar op te
+ eten, zal die nieuwe gesteldheid des Lichaams zich tegen
+ die begeerte of dit streven verzetten en bijgevolg zal de
+ aanwezigheid van de spijs, welke wij eerst begeerden, ons
+ thans onaangenaam zijn. Dit is het wat wij "<i>Tegenzin</i>"
+ en "<i>Walging</i>" noemen.</p>
+
+ <p>Verder heb ik die uitwendige werkingen des Lichaams,
+ welke bij de aandoeningen worden opgemerkt, zooals beven,
+ verbleeken, snikken, lachen enz. verwaarloosd, omdat zij
+ uitsluitend op het Lichaam betrekking hebben, zonder in
+ eenig verband te staan met den Geest. Tenslotte wil ik
+ nog een en ander doen opmerken naar aanleiding van de
+ definities der aandoeningen, zoodat ik ze hier naar
+ volgorde herhalen en wat bij elk van hen valt op te
+ merken, er tusschen voegen zal.</p>
+ </div>
+
+
+
+<h4>DEFINITIES DER AANDOENINGEN</h4>
+
+
+<div class="define" id="d3n1">
+<p>I. <i>Begeerte</i> is 's menschen wezen zelf, opgevat als krachtens
+een of andere zijner aandoeningen genoopt om iets te doen.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Wij hebben hierboven, in <a href="#d3s9o">de Opmerking bij
+ Stelling IX van dit Deel</a>, gezegd dat Begeerte "Drang" is,
+ gepaard met het bewustzijn daarvan, dat evenwel die Drang
+ 's menschen wezen zelf is, voorzoover hij daardoor wordt
+ gedreven om datgene te doen, wat tot zijn eigen behoud
+ strekt. Doch in diezelfde Opmerking heb ik tevens er op
+ gewezen dat ik tusschen dien menschelijken Drang en de
+ Begeerte eigenlijk geen onderscheid erken. Immers of de
+ mensch zich van zijn Drang bewust is of niet, de Drang
+ blijft nochtans dezelfde en ik heb daarom, om mij niet
+ schijnbaar aan tautologie schuldig te maken, de Begeerte
+ liever niet uit den Drang willen afleiden, maar veeleer
+ mijn best gedaan haar aldus te omschrijven dat al die
+ strevingen van den menschelijken aard, welke wij met de
+ woorden drang, wil, begeerte of
+ aandrift<a id="aantag59" href="#aanteken59">[A59]</a> aanduiden,
+ er onder begrepen zijn. Ik had dus ook kunnen zeggen:
+ Begeerte is 's menschen wezen zelf, opgevat als genoopt
+ om iets te doen; doch uit deze definitie zou (<i>vlg. <a href="#d2s23">St.
+ XXIII D. II</a></i>) niet volgen dat de Geest zich van zijn
+ Begeerte of Drang bewust kan zijn. Om dus ook een oorzaak
+ voor deze bewustwording in te sluiten, was het (<i>vlg.
+ <a href="#d2s23">dezelfde St.</a></i>) noodig er aan toe te voegen: "opgevat als
+ krachtens een of andere zijner aandoeningen genoopt" enz.
+ Want onder een aandoening van 's menschen wezen verstaan
+ wij iedere gesteldheid van dit wezen, welke ook, hetzij
+ zij aangeboren is [dan wel
+ verworven]<a id="aantag60" href="#aanteken60">[A60]</a>, en hetzij men
+ haar beschouwe als openbaring van alleen het Denken, dan
+ wel van alleen de Uitgebreidheid, of wel eindelijk van
+ beide tegelijk. Ik versta hier dus onder het woord
+ Begeerte elk streven, elke aandrift, elken drang en elke
+ willing van den mensch, welke naar gelang van 's menschen
+ eigen wisselende gesteldheid, telkens verschillen en niet
+ zelden zoozeer met elkaar in strijd zijn, dat de mensch
+ op alle manieren her en derwaarts wordt geslingerd en
+ niet weet waarheen hij zich zal wenden.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n2">
+<p>II. Blijheid is 's menschen overgang van geringer tot grooter
+volmaaktheid.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d3n3">
+<p>III. Droefheid is 's menschen overgang van grooter tot geringer
+volmaaktheid.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg "overgang". Want Blijheid is niet
+ volmaaktheid zelf. Immers indien de mensch met die
+ volmaaktheid, waartoe hij kan overgaan, geboren werd, zou
+ hij haar bezitten zonder eenige aandoening van Blijheid,
+ hetgeen nog duidelijker blijkt bij de Droefheid, welke
+ het tegenovergestelde van deze aandoening is. Want dat
+ Droefheid bestaat in overgang tot geringer volmaaktheid,
+ doch niet in die geringe volmaaktheid zelf, kan niemand
+ ontkennen, aangezien geen mensch zich bedroeven kan,
+ voorzoover hij ook maar eenige volmaaktheid deelachtig
+ is. Evenmin kunnen wij zeggen dat Droefheid bestaat in
+ gemis van grooter volmaaktheid; want een gemis is niets,
+ terwijl een aandoening van Droefheid een zielsproces is
+ en dus niets anders zijn kan dan het proces van overgang
+ tot geringer volmaaktheid, d.w.z. (<i>zie <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI
+ v.d. D.</a></i>) een proces waardoor 's menschen vermogen tot
+ handelen wordt verminderd of belemmerd. Voor het overige
+ laat ik de definities van Opgewektheid, Prikkeling,
+ Gedruktheid en Pijn hier weg, wijl zij voornamelijk
+ betrekking hebben op het Lichaam en niets anders zijn dan
+ schakeeringen van Blijheid of Droefheid.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>IV. Verbazing is een zoodanig zich voorstellen eener zaak, dat de
+Geest er door geboeid blijft, wijl deze bijzondere voorstelling
+geen verband houdt met andere [gelijktijdige] voorstellingen.
+(<i>Zie <a href="#d3s52">St. LII</a> en <a href="#d3s52o">Opmerking v.d. D.</a></i>)</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht" id="d3n4t">
+ <p><i>Toelichting:</i> In <a href="#d2s18o">de Opmerking bij Stelling XVIII Deel II</a>
+ hebben wij aangetoond welke de oorzaak ervan is, dat de
+ Geest van de beschouwing van het eene ding dadelijk op de
+ gedachte aan een ander komt; te weten wijl de beelden
+ dier dingen aaneengeschakeld en aldus gerangschikt zijn,
+ dat zij op elkaar volgen. Wat ondenkbaar is, wanneer de
+ voorstelling eener zaak geheel nieuw is en de Geest dus
+ bij de beschouwing ervan wordt vastgehouden, totdat hij
+ door andere oorzaken wordt gedwongen aan iets anders te
+ denken. Op zichzelf beschouwd is dus de voorstelling van
+ een nieuw ding van denzelfden aard als andere en om deze
+ reden reken ik dan ook de Verbazing niet tot de
+ oorspronkelijke aandoeningen en zie ik ook geen reden
+ waarom ik dit doen zou, aangezien deze in beslagneming
+ van den Geest uit geen enkele positieve oorzaak, welke
+ den Geest van andere dingen zou aftrekken, voortspruit,
+ doch alleen uit het feit dat een oorzaak, waardoor de
+ Geest van de beschouwing van het eene ding tot het denken
+ aan iets anders gedwongen kon worden, ontbreekt. Ik erken
+ dus slechts (<i>gelijk in <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI v.d. D.</a> reeds
+ werd gezegd</i>) drie oorspronkelijke of primaire
+ aandoeningen, namelijk Blijheid, Droefheid en Begeerte en
+ ik heb ook om geen andere reden over de Verbazing
+ gesproken, dan wijl het gewoonte is geworden sommige
+ aandoeningen, welke uit die drie oorspronkelijke zijn
+ afgeleid, met een anderen naam aan te duiden wanneer zij
+ betrekking hebben op voorwerpen waarover wij ons
+ verbazen. Welke reden mij uit dezelfde overweging er toe
+ leidt hier ook nog de definitie van Verachting aan toe te
+ voegen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>V. <i>Verachting</i> is de voorstelling eener zaak, welke den Geest
+zoo weinig raakt, dat de Geest door haar aanwezigheid er m&eacute;&eacute;r toe
+gedreven wordt zich voor te stellen wat die zaak n&igrave;et, dan wat
+zij w&egrave;l bezit. (<i>Zie <a href="#d3s52o">Opmerking St. LII v.d. D.</a></i>)</p>
+</div>
+
+<p>De definities van Vereering en Ergernis laat ik hier achterwege,
+wijl, voorzoover ik weet, geen andere aandoeningen aan hen hun
+naam ontleenen.</p>
+
+
+<div class="define" id="d3n6">
+<p>VI. <i>Liefde</i> is Blijheid, vergezeld door de voorstelling eener
+uitwendige oorzaak.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Deze definitie drukt met voldoende
+ duidelijkheid het wezen der Liefde uit. Die van andere
+ schrijvers daarentegen, die zeggen dat <i>Liefde</i> is: <i>de
+ wil van dengene die liefheeft om zich met het geliefde
+ wezen te vereenigen</i>, drukt niet het wezen, maar een
+ eigenschap der Liefde uit. Wijl nu het wezen der Liefde
+ door deze schrijvers niet voldoende werd doorzien, konden
+ zij ook van die eigenschap geen helder begrip hebben en
+ vandaar dat dan ook ieder hun definitie uiterst duister
+ vindt. Men moet nu w&egrave;l in het oog houden, dat wanneer ik
+ zeg dat het een eigenschap is van dengene die liefheeft,
+ dat hij den wil heeft om zich met het geliefde wezen te
+ vereenigen, ik hier onder "wil" niet versta toestemming
+ of overweging of vrij besluit (want in <a href="#d2s48">St. XLVIII D. II</a>
+ hebben wij aangetoond dat deze zaken slechts inbeeldingen
+ zijn) en evenmin de begeerte om zich met het geliefde
+ wezen te vereenigen, wanneer dit niet aanwezig is, of om
+ in zijn tegenwoordigheid te kunnen blijven wanneer het
+ wel aanwezig is. Liefde toch is ook zonder een dezer
+ begeerten denkbaar. Maar onder dien wil versta ik de
+ Bevrediging [Rust] die dengene, die liefheeft, vervult
+ tengevolge van de aanwezigheid van het geliefde wezen,
+ waardoor de Blijheid van den eerste wordt versterkt of
+ althans aangewakkerd.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n7">
+<p>VII. Haat is Droefheid, vergezeld door de voorstelling eener
+uitwendige oorzaak.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Wat hierover zou zijn op te merken is
+ gemakkelijk af te leiden uit hetgeen in de Toelichting
+ der voorgaande Definitie is gezegd. (<i>Zie bovendien
+ <a href="#d3s13o">Opmerking St. XIII v.d. D.</a></i>)</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>VIII. <i>Neiging</i> is Blijheid, vergezeld door de voorstelling van
+iets dat door toevallige omstandigheden oorzaak van Blijheid is.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>IX. <i>Afkeer</i> is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van
+iets dat door toevallige omstandigheden oorzaak van Droefheid is.
+(<i>Zie hierover <a href="#d3s15o">Opmerking St. XV v.d. D.</a></i>)</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>X. <i>Toewijding</i> is Liefde jegens dengene, dien wij bewonderen.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Dat bewondering haar oorsprong vindt in de
+ nieuwheid eener zaak hebben wij in <a href="#d3s52">Stelling LII van dit
+ Deel</a> aangetoond. Wanneer het dus voorkomt dat wij ons
+ iets dat wij bewonderen herhaaldelijk voorstellen, houden
+ wij op het te bewonderen; en wij zien daardoor dan ook
+ dat de aandoening van Toewijding gemakkelijk tot gewone
+ Liefde ontaardt.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XI. <i>Bespotting</i> is Blijheid, voortgesproten uit het feit dat wij
+ons voorstellen dat iets, hetwelk wij verachten, aanwezig is in
+een zaak, welke wij haten.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Voorzoover wij een zaak, welke wij haten,
+ ook verachten, ontkennen wij haar bestaan [ontzeggen wij
+ er iets aan] (<i>zie <a href="#d3s52o">Opmerking St. LII v.d. D.</a></i>) en
+ inzoover zullen wij ons dus (<i>vlg. <a href="#d3s20">St. XX v.d. D.</a></i>)
+ verblijden. Maar aangezien wij onderstellen, dat iemand
+ datgene wat hij bespot, toch ook haat, volgt hieruit, dat
+ deze Blijheid niet duurzaam is. (<i>Zie <a href="#d3s47o">Opmerking St. XLVII
+ v.d. D.</a></i>)</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XII. <i>Hoop</i> is een onstandvastige Blijheid, ontsproten uit de
+voorstelling van iets toekomstigs of verledens, omtrent welks
+verloop wij in eenig opzicht twijfelen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d3n13">
+<p>XIII. <i>Vrees</i> is een onstandvastige Droefheid, ontsproten uit de
+voorstelling van iets toekomstigs of verledens, omtrent welks
+verloop wij in eenig opzicht twijfelen. (<i>Zie hierover <a href="#d3s18o2">Opmerking
+II St. XVIII v.d. D.</a></i>)</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht" id="d3n13t">
+ <p><i>Toelichting:</i> Uit deze definitie volgt dat er geen Hoop
+ bestaat zonder Vrees, noch Vrees zonder Hoop. Immers, wie
+ in Hoop zweeft en twijfelt omtrent den afloop eener zaak,
+ wordt verondersteld zich iets voor te stellen dat het
+ bestaan dier toekomstige zaak uitsluit en dus zich in
+ zoover ook te bedroeven (<i>vlg. <a href="#d3s19">St. XIX v.d. D.</a></i>), en
+ bijgevolg, zoolang hij hoopt, tevens te vreezen dat de
+ zaak misloopt. Wie daarentegen in Vrees verkeert, d.w.z.
+ wie twijfelt omtrent den afloop van iets dat hij haat,
+ stelt zich eveneens iets voor dat het bestaan ervan
+ uitsluit; hij verblijdt zich dus (<i>vlg. <a href="#d3s20">St. XX v.d. D.</a></i>)
+ en heeft bijgevolg inzoover Hoop dat het niet zal
+ gebeuren.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XIV. <i>Gerustheid</i> is Blijheid, ontsproten uit de voorstelling van
+iets toekomstigs of verledens, waaromtrent alle reden tot twijfel
+is opgeheven.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XV. <i>Wanhoop</i> is Droefheid, ontsproten uit de voorstelling van
+iets toekomstigs of verledens, waaromtrent alle reden tot twijfel
+is opgeheven.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Uit Hoop ontspringt dus Gerustheid, uit
+ Vrees Wanhoop, wanneer de reden om over den afloop van
+ iets te twijfelen wordt opgeheven. Wat het gevolg daarvan
+ is, dat men zich &ograve;f een verleden of toekomstig iets als
+ aanwezig voorstelt en dus als tegenwoordig beschouwt, &ograve;f
+ zich iets anders voorstelt dat het bestaan uitsluit van
+ al datgene wat ons in twijfel deed verkeeren. Want al
+ kunnen wij (<i>vlg. <a href="#d2s31g">Gevolg St. XXXI D. II</a></i>) nooit z&eacute;ker
+ zijn omtrent den afloop van bijzondere zaken, zoo kan het
+ toch niettemin voorkomen dat wij omtrent hun afloop niet
+ twijfelen. Wij hebben immers aangetoond (<i>zie <a href="#d2s49o">Opmerking
+ St. XLIX D. II</a></i>) dat het nog iets anders is aan iets niet
+ te twijfelen, of zekerheid omtrent iets te bezitten. En
+ zoo kan het dus gebeuren dat wij tengevolge van de
+ voorstelling eener verleden of toekomstige zaak dezelfde
+ aandoening van Blijheid of Droefheid ondervinden als door
+ de voorstelling van iets dat werkelijk aanwezig is,
+ gelijk wij in <a href="#d3s18">Stelling XVIII van dit Deel</a> hebben bewezen.
+ (<i>Men zie <a href="#d3s18">deze Stelling</a> met
+ <a href="#d3s18o2">de Opmerking daarbij</a></i>).</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XVI. <i>Verheuging</i> is Blijheid, vergezeld door de voorstelling van
+iets verledens dat buiten verwachting [goed] afliep [uitviel].</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XVII. <i>Spijt</i> [Hartzeer] is Droefheid, vergezeld door de
+voorstelling van iets verledens dat buiten verwachting [slecht]
+afliep [uitviel].</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d3n18">
+<p>XVIII. <i>Medelijden</i> is Droefheid, vergezeld door de voorstelling
+van een kwaad dat aan een ander, dien wij als onzen gelijke
+beschouwen, is overkomen (<i>zie <a href="#d3s22o">Opmerking St. XXII</a>
+en <a href="#d3s27o1">Opmerking
+St. XXVII v.d. D.</a></i>)</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Tusschen Medelijden en Barmhartigheid
+ schijnt geen verschil te bestaan, tenzij misschien dit,
+ dat Medelijden slaat op een bijzondere aandoening,
+ barmhartigheid daarentegen op haar
+ gewoonte<a id="aantag61" href="#aanteken61">[A61]</a>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n19">
+<p>XIX. <i>Ingenomenheid</i> is Liefde jegens iemand die een ander heeft
+welgedaan.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d3n20">
+<p>XX. <i>Verontwaardiging</i> is Haat jegens iemand die een ander heeft
+kwaad gedaan.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht" id="d3n20t">
+ <p><i>Toelichting:</i> Ik weet dat deze woorden in het
+ dagelijksch gebruik iets anders beteekenen. Maar het is
+ niet mijn voornemen de beteekenis van woorden, doch den
+ aard der dingen te verklaren en deze dingen dan aan te
+ duiden met woorden, waarvan de beteekenis welke zij
+ gewoonlijk hebben, met de beteekenis welke ik hen wensch
+ te geven, niet geheel en al onvereenigbaar is. Het moge
+ volstaan dit hier eens en vooral te hebben doen opmerken.
+ Zie overigens over den oorsprong dier aandoeningen
+ <i><a href="#d3s27g1">Gevolg I Stelling XXVII</a>
+ en de <a href="#d3s22o">Opmerking bij Stelling
+ XXII van dit Deel</a></i>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n21">
+<p>XXI. <i>Overschatting</i> is uit Liefde beter van iemand denken dan
+gerechtvaardigd is.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d3n22">
+<p>XXII. <i>Geringschatting</i> is uit Haat slechter van iemand denken
+dan billijk is.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Overschatting is dus een gevolg of
+ eigenschap van Liefde, evenals Geringschatting van Haat.
+ Men kan daarom Overschatting ook omschrijven als: Liefde,
+ voorzoover zij den mensch er toe brengt beter van het
+ geliefde wezen te denken dan gerechtvaardigd is en
+ daarentegen Geringschatting als Haat, voorzoover hij den
+ mensch er toe brengt slechter over het gehate wezen te
+ oordeelen dan billijk is (<i>zie hierover <a href="#d3s26o">Opmerking St.
+ XXVI v.d. D.</a></i>).</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n23">
+<p>XXIII. <i>Nijd</i> [Afgunst, Leedvermaak] is Haat voorzoover hij den
+mensch er toe brengt zich over eens anders geluk te bedroeven en
+omgekeerd zich over diens ongeluk te verblijden.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Gewoonlijk wordt tegenover Nijd
+ Barmhartigheid gesteld, welke dus, tegen de gewone
+ beteekenis van het woord, als volgt kan worden
+ omschreven:</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XXIV. <i>Barmhartigheid</i> is Liefde, voorzoover zij den mensch er
+toe brengt, zich over eens anders geluk te verblijden en
+omgekeerd zich over diens ongeluk te bedroeven.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Zie overigens omtrent den Nijd de
+ <i><a href="#d3s24o">Opmerking bij Stelling XXIV</a> en
+ de <a href="#d3s32o">Opmerking bij Stelling
+ XXXII van dit Deel</a></i>. Deze nu zijn de aandoeningen van
+ Blijheid of Droefheid welke vergezeld gaan van
+ voorstellingen eener uitwendige oorzaak, hetzij
+ onmiddellijk of door toevallige omstandigheden. Ik zal nu
+ tot de andere aandoeningen overgaan, welke vergezeld gaan
+ van de voorstelling eener inwendige oorzaak.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n25">
+<p>XXV. <i>Zelfvoldaanheid</i> [Tevredenheid met zichzelf] is Blijheid,
+ontstaan door de beschouwing van zichzelf en de eigen macht tot
+handelen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d3n26">
+<p>XXVI. <i>Neerslachtigheid</i> is Droefheid, ontstaan door de
+beschouwing van eigen machteloosheid of zwakheid.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Zelfvoldaanheid staat tegenover
+ Neerslachtigheid, voorzoover wij er onder verstaan de
+ Blijheid, ontstaan door de beschouwing van onze eigen
+ macht tot handelen; voorzoover wij er evenwel ook onder
+ verstaan Blijheid, vergezeld door de voorstelling van een
+ of andere daad, welke wij krachtens vrij besluit des
+ Geestes meenen verricht te hebben, staat zij tegenover
+ Berouw, dat door ons als volgt wordt omschreven:</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n27">
+<p>XXVII. <i>Berouw</i> is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van
+een of andere daad, welke wij krachtens vrij besluit des Geestes
+meenen verricht te hebben.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> De oorzaken dezer aandoeningen hebben wij
+ aangewezen in <a href="#d3s51o">de Opmerking bij Stelling LI van dit Deel</a>
+ en <a href="#d3s53">de Stellingen LIII</a>, <a href="#d3s54">LIV</a>
+ en <a href="#d3s55">LV</a> met <a href="#d3s55o">de daarbij
+ behoorende Opmerking</a>. Over het vrije besluit des Geestes
+ zie evenwel <a href="#d2s35o">de Opmerking bij Stelling XXXV van Deel II</a>.
+ Doch hier valt bovendien nog op te merken dat het niet te
+ verwonderen is wanneer algemeen op alle handelingen,
+ welke men volgens gewoonte "verkeerd" noemt, Droefheid
+ volgt en op alle die "behoorlijk" heeten Blijheid. Immers
+ na het hier boven gezegde kunnen wij gemakkelijk inzien
+ dat dit voornamelijk afhangt van de opvoeding. De ouders
+ hebben toch, door gene daden af te keuren en hun kinderen
+ er herhaaldelijk over te berispen, deze daarentegen aan
+ te raden en te prijzen, gemaakt dat met gene aandoeningen
+ van Droefheid, met deze echter van Blijheid verbonden
+ worden. Hetgeen ook door de ervaring zelf wordt
+ bevestigd. Immers gewoonte en godsdienst zijn niet voor
+ iedereen dezelfde. Integendeel, wat den een heilig is, is
+ voor den ander profaan; wat de een eerbaar vindt, is bij
+ den ander schandelijk. Naar de wijze dus waarop ieder is
+ opgevoed zal hij een daad berouwen of zich er op
+ beroemen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n28">
+<p>XXVIII. <i>Hoogmoed</i> [Verwaandheid] is uit Liefde beter van
+zichzelf denken dan gerechtvaardigd is.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Hoogmoed verschilt dus van overschatting
+ daarin, dat deze op een uitwendig voorwerp betrekking
+ heeft, gene echter op den mensch zelf die beter van
+ zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is. Overigens, evenals
+ overschatting een gevolg of eigenschap der Liefde is, is
+ Hoogmoed een gevolg of eigenschap van Eigenliefde, zoodat
+ zij dus ook omschreven kan worden als Liefde tot zichzelf
+ of Zelfvoldaanheid, voorzoover zij den mensch er toe
+ brengt dat hij beter over zichzelf denkt dan
+ gerechtvaardigd is. (<i>Zie <a href="#d3s26o">Opmerking St. XXVI v.d. D.</a></i>).
+ Van deze aandoening bestaat geen tegengestelde. Immers
+ niemand denkt uit Haat jegens zichzelf slechter van zich
+ dan billijk is. Jazelfs denkt niemand slechter van
+ zichzelf dan billijk is, wanneer hij zich voorstelt dat
+ hij dit of dat niet kan. Want als iemand zich voorstelt
+ dat hij iets niet kan, stelt hij zich daarbij
+ noodzakelijk die zaak voor en wordt hij door die
+ voorstelling in een zoodanigen toestand gebracht dat hij
+ ook inderdaad niet kan wat hij zich voorstelde niet te
+ kunnen. Zoolang hij zich immers voorstelt dat hij dit of
+ dat niet kan, zoolang ook wordt hij niet tot handelen
+ gedreven en bijgevolg is het hem ook zoolang onmogelijk
+ iets te doen. Indien wij evenwel letten op datgene wat
+ uitsluitend van "meenen" [inbeelding] afhangt, kunnen wij
+ t&ograve;ch zeer goed begrijpen hoe het mogelijk is dat iemand
+ slechter van zichzelf denkt dan billijk is. Zoo kan het
+ immers voorkomen dat iemand, terwijl hij in Droefheid
+ zijn eigen zwakheid beschouwt, zich inbeeldt dat hij door
+ iedereen veracht wordt, terwijl integendeel anderen aan
+ niets minder denken dan hem te verachten. Bovendien kan
+ iemand slechter van zichzelf denken dan billijk is,
+ wanneer hij op een gegeven oogenblik iets van zichzelf
+ ontkent in verband met de toekomst, waaromtrent hij in
+ het onzekere is; zooals bijvoorbeeld wanneer hij
+ verklaart, dat hij niets zeker zal kunnen begrijpen, of
+ dat hij niets dan verkeerde of schandelijke dingen kan
+ begeeren of doen, enz. Verder kunnen wij nog zeggen dat
+ iemand slechter van zichzelf denkt dan billijk is,
+ wanneer wij zien dat hij uit al te groote vrees voor
+ schande niet durft, wat zijns gelijken wel durven. Deze
+ aandoening kunnen wij dus tegenover den Hoogmoed stellen.
+ Ik zal haar <i>Zelfverachting</i> [Kleinmoedigheid] noemen,
+ want evenals uit Zelfvoldaanheid de Hoogmoed, zoo
+ ontspruit uit Ootmoed de Zelfverachting, welke daarom als
+ volgt door ons kan worden omschreven:</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n29">
+<p>XXIX. <i>Zelfverachting</i> [Kleinmoedigheid] is uit Droefheid
+slechter van zichzelf denken dan billijk is.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Toch plegen wij dikwijls Deemoed tegenover
+ Hoogmoed te stellen. Wij letten daarbij dan echter meer
+ op beider uitwerking dan op beider karakter. Wij zijn
+ namelijk gewoon iemand hoogmoedig te noemen die al te
+ zeer pocht (<i>zie <a href="#d3s30o">Opmerking St. XXX v.d. D.</a></i>), die van
+ zichzelf niets dan deugden en van anderen niets dan
+ fouten weet te vertellen; die boven allen den voorrang
+ wil hebben en die tenslotte optreedt met een waardigheid
+ en praalvertoon, welke slechts toekomen aan wie verre
+ boven hem geplaatst zijn. Daarentegen noemen wij
+ deemoedig, wie dikwijls bloost, zijn feilen erkent en van
+ anderer deugden verhaalt, elkeen uit den weg gaat, met
+ gebogen hoofd voortschrijdt en het versmaadt zich op te
+ sieren. Overigens zijn deze aandoeningen, ik bedoel
+ Deemoed en Zelfverachting allerzeldzaamst. Want de
+ menschelijke aard op zichzelf beschouwd, verzet zich
+ zooveel mogelijk tegen haar (<i>zie <a href="#d3s13">St. XIII</a>
+ en <a href="#d3s54">St. LIV
+ v.d. D.</a></i>). Vandaar dat zij, die zichzelf voor uiterst
+ deemoedig en nederig houden, in werkelijkheid meestal in
+ de hoogste mate eerzuchtig en afgunstig zijn.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n30">
+<p>XXX. <i>Zelfverheerlijking</i> is Blijheid, vergezeld door de
+voorstelling van een of andere door onszelf verrichte daad,
+waarvan wij meenen dat zij door anderen geprezen wordt.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XXXI. <i>Schaamte</i> is Droefheid, vergezeld door de voorstelling van
+een of andere door onszelf verrichte daad, waarvan wij meenen dat
+zij door anderen gelaakt wordt.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Zie hieromtrent <a href="#d3s30o">de Opmerking bij Stelling
+ XXX van dit Deel</a>. Er moet hier evenwel gewezen worden op
+ het onderscheid dat er bestaat tusschen Schaamte en
+ Schroom. Schaamte toch is Droefheid, welke volgt op het
+ feit waarover men zich schaamt. Schroom evenwel is Vrees
+ of Angst voor Schaamte, waardoor iemand ervan wordt terug
+ gehouden iets schandelijks te begaan. Men pleegt
+ tegenover Schroom Onbeschaamdheid te stellen, maar deze
+ is in werkelijkheid geen aandoening, gelijk ik te zijner
+ plaatse zal aantoonen. Doch de namen der aandoeningen
+ berusten (gelijk ik reeds heb opgemerkt) meer op het
+ [spraak] gebruik dan op hun aard.</p>
+
+ <p>En hiermede heb ik de aandoeningen van Blijheid en
+ Droefheid, welke ik mij had voorgenomen toe te lichten,
+ afgehandeld. Ik ga dus over tot die, welke ik terugbreng
+ tot Begeerte.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XXXII. <i>Verlangen</i> is Begeerte of Drang om iets te bemachtigen
+[te bereiken], welke Begeerte door de herinnering aan de zaak
+wordt aangewakkerd en terzelfdertijd door de herinnering aan
+andere dingen, welke het bestaan der begeerde zaak uitsluiten,
+wordt belemmerd.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Wanneer wij ons een zeker iets herinneren,
+ zijn wij, gelijk wij reeds herhaaldelijk opmerkten, door
+ dit feit zelf genoopt om die zaak met dezelfde aandoening
+ te beschouwen alsof zij werkelijk aanwezig ware. Deze
+ geneigdheid of dit streven echter wordt, als wij in
+ wakenden toestand verkeeren, meestal belemmerd door
+ voorstellingen van dingen, welke het bestaan van datgene
+ wat wij ons herinneren uitsluiten. Wanneer wij ons dus
+ iets herinneren, dat een of andere soort van Blijheid in
+ ons opwekte, zullen wij vanzelf er naar streven om deze
+ zaak met dezelfde aandoening van Blijheid, als aanwezig
+ te beschouwen; welk streven dan weer onmiddellijk
+ belemmerd wordt door de herinnering aan dingen, welke
+ haar bestaan uitsluiten. Vandaar dat Verlangen inderdaad
+ Droefheid is, tegenovergesteld aan die Blijheid welke het
+ gevolg is van de afwezigheid van iets dat wij haten. Men
+ zie hierover <a href="#d3s47o">de Opmerking bij Stelling XLVII van dit
+ Deel</a>. Omdat evenwel het woord Verlangen in betrekking
+ schijnt te staan met Begeerte, reken ik deze aandoening
+ tot de aandoeningen van Begeerte.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XXXIII. <i>Wedijver</i> is een Begeerte tot iets, welke in ons
+ontstaat doordat wij ons voorstellen dat anderen dezelfde
+Begeerte hebben.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Van iemand die vlucht omdat hij anderen
+ ziet vluchten, of die vreest omdat hij anderen ziet
+ vreezen; ja, ook van iemand die, omdat hij ziet dat een
+ ander zijn hand brandde, zijn eigen hand terugtrekt, en
+ een gebaar maakt alsof hijzelf zich gebrand had, zeggen
+ wij dat hij eens anders aandoening nabootst, doch niet
+ dat hij met dien ander wedijvert. Niet wijl wij voor
+ wedijver en nabootsing verschillende oorzaken zouden
+ weten aan te geven, maar wijl het nu eenmaal gebruik
+ geworden is, dat wij slechts van wedijver spreken bij hem
+ die iets nabootst wat wij eervol, nuttig of aangenaam
+ achten. Zie overigens over den oorsprong van den wedijver
+ <a href="#d3s27">Stelling XXVII van dit Deel</a>
+ met <a href="#d3s27o1">de Opmerking daarbij</a>.
+ Omtrent de reden waarom deze aandoening meestal verbonden
+ is met afgunst, zie <a href="#d3s32">Stelling XXXII van dit Deel</a>
+ en <a href="#d3s32o">de
+ Opmerking daarbij</a>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define" id="d3n34">
+<p>XXXIV. <i>Dank</i> of <i>Dankbaarheid</i> is Begeerte, of een streven der
+Liefde om w&egrave;l te doen wie ons uit gelijke Liefde een weldaad
+heeft bewezen. (<i>Zie <a href="#d3s39">St. XXXIX</a>
+en <a href="#d3s41o">Opmerking St. XLI v.d. D.</a></i>)</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XXXV. <i>Welwillendheid</i> is Begeerte om iemand met wien wij
+medelijden hebben w&egrave;l te doen
+(<i>zie <a href="#d3s27o2">Opmerking St. XXVII v.d. D.</a></i>)</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XXXVI. <i>Toorn</i> is Begeerte, waardoor wij uit Haat er toe worden
+gedreven hem, dien wij haten, kwaad te berokkenen (<i>zie <a href="#d3s39">St. XXXIX
+v.d. D.</a></i>)</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XXXVII. <i>Wraakzucht</i> is Begeerte, waardoor wij uit wederkeerigen
+Haat ertoe worden gedreven, hem, die ons op grond van dezelfde
+aandoening benadeelde, kwaad te doen. (<i>Zie <a href="#d3s40g2">Gevolg II St. XL v.d.
+D.</a> en <a href="#d3s40g2o">Opmerking</a></i>).</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XXXVIII. <i>Wreedheid</i> of <i>Gruwzaamheid</i> is Begeerte, waardoor wij
+worden gedreven iemand, dien wij liefhebben of met wien wij
+medelijden gevoelen kwaad te doen.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Tegenover Wreedheid staat
+ <i>Zachtmoedigheid</i> [Goedertierenheid], welke geen lijding
+ is, maar de zielskracht door welke de mensch toorn en
+ wraakzucht tempert.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XXXIX. <i>Angst</i> is de Begeerte om een grooter kwaad dat wij
+vreezen, door een kleiner kwaad te vermijden. (<i>Zie <a href="#d3s39o">Opmerking St.
+XXXIX v.d. D.</a></i>)</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d3n40">
+<p>XL. <i>Vermetelheid</i> is de Begeerte, waardoor iemand wordt gedreven
+iets te doen met een gevaar voor zichzelf, dat zijns gelijken te
+loopen vreezen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d3n41">
+<p>XLI. <i>Lafhartigheid</i> wordt toegeschreven aan hem, wiens Begeerte
+wordt in bedwang gehouden door angst voor een gevaar dat zijns
+gelijken aandurven.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Lafhartigheid is dus niets anders dan
+ vrees voor een kwaad dat de meeste menschen niet plegen
+ te vreezen, zoodat ik haar niet tot de Begeerten reken.
+ Toch heb ik haar hier moeten toelichten, wijl zij,
+ voorzoover de Begeerte betreft, inderdaad tegenover de
+ aandoening der Vermetelheid geplaatst wordt.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XLII. <i>Verbijstering</i> wordt toegeschreven aan hem, wiens begeerte
+om een kwaad te ontwijken, belemmerd wordt door Verbazing over
+het kwaad dat hij vreest.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Verbijstering is dus een soort van
+ lafhartigheid. Wijl echter verbijstering uit een dubbele
+ vrees ontspringt, kan zij gemakkelijker worden
+ gedefinieerd als zijnde die vrees, welke den mensch z&oacute;&oacute;
+ verstomd doet staan of in weifeling houdt, dat hij een of
+ ander kwaad niet kan afwenden. Ik zeg "verstomd doet
+ staan", voorzoover wij aannemen dat zijn begeerte om het
+ kwaad af te wenden, wordt belemmerd door verbazing. Maar
+ "in weifeling houdt" zeg ik voorzoover wij aannemen dat
+ de begeerte wordt belemmerd door vrees voor een ander
+ kwaad, dat hem evenzeer kwelt, zoodat hij niet weet welk
+ van de twee hij zal afwenden. (<i>Zie hierover <a href="#d3s39o">Opmerking
+ St. XXXIX</a> en <a href="#d3s52o">Opmerking St. LII v.d. D.</a> en overigens over
+ Lafhartigheid en Vermetelheid <a href="#d3s51o">Opmerking St. LI v.d. D.</a></i>)</p>
+ </div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XLIII. <i>Menschenmin</i> [Vriendelijkheid] of <i>Gematigdheid</i>
+[Minzaamheid]<a id="aantag62" href="#aanteken62">[A62]</a>
+is de Begeerte om te doen wat den menschen
+behaagt en te laten wat hen mishaagt.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XLIV. <i>Eerzucht</i> is onmatige Begeerte naar roem.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Eerzucht is een Begeerte, door welke
+ (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII</a> en
+ <a href="#d3s31">XXXI v.d. D.</a></i>) alle aandoeningen
+ worden aangewakkerd en versterkt en daarom is deze
+ aandoening bijna niet te overwinnen. Want zoolang als de
+ mensch door welke begeerte ook bevangen is, is hij
+ noodzakelijk tevens bevangen door deze. "De allerbesten"
+ zeide Cicero<a href="#voetnoot15"><sup>15</sup></a>, "worden in hooge mate door Eerzucht
+ geleid. Zelfs wijsgeeren, die schrijven over de
+ verachtelijkheid van den roem, zetten hun naam op hun
+ boeken, enz."</p>
+ </div>
+
+<p class="voetitem" id="voetnoot15">[Voetnoot 15: Pro archia XI.]</p>
+
+
+<div class="define">
+<p>XLV. <i>Gulzigheid</i> is onmatige Begeerte of ook wel Liefde tot
+gastmalen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XLVI. <i>Drankzucht</i> is onmatige Begeerte en Liefde tot drinken.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XLVII. <i>Hebzucht</i> is onmatige Begeerte en Liefde tot rijkdommen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>XLVIII. <i>Wellustigheid</i> eindelijk is Begeerte en Liefde tot
+lichamelijke vermenging.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Deze begeerte tot vermenging pleegt men
+ steeds wellustigheid te noemen, onverschillig of zij
+ gematigd is of niet.</p>
+
+ <p>Voorts merk ik op dat deze vijf aandoeningen (<i>gelijk ik
+ reeds in <a href="#d3s56o">Opmerking St. LVI v.d. D.</a> in herinnering
+ bracht</i>) geen tegengestelden hebben. Want Gematigdheid is
+ een soort van eerzucht (<i>zie <a href="#d3s29o">Opmerking St. XXIX v.d. D.</a></i>)
+ en dat Matigheid, Nuchterheid en Kuischheid zielskrachten
+ aanduiden, maar geen lijdingen, heb ik ook reeds
+ opgemerkt. En ofschoon het zeer goed kan voorkomen dat
+ een hebzuchtig, eerzuchtig of vreesachtig man zich
+ onthoudt van overmatig gebruik van spijs en drank en
+ overmatig geslachtsverkeer, zoo zijn toch Hebzucht,
+ Eerzucht en Vreesachtigheid geenszins tegenstellingen van
+ Gulzigheid, Drankzucht of Wellustigheid. Immers een
+ gierigaard is er meestal op belust zich met spijs en
+ drank van anderen vol te stoppen. En de eerzuchtige zal,
+ zoo hij slechts mag verwachten dat het geheim blijft,
+ nergens maat in houden en indien hij onder dronkaards en
+ wellustelingen verkeert, juist wijl hij eerzuchtig is,
+ nog meer tot die ondeugden geneigd zijn. De vreesachtige
+ tenslotte doet dingen, welke hij niet doen wil. Want al
+ werpt hij, om den dood te ontkomen, zijn rijkdommen in
+ zee, hij blijft niettemin een vrek, en wanneer een
+ wellusteling zich bedroeft omdat hij zijn lust niet kan
+ bevredigen, houdt hij daarom nog niet op een wellusteling
+ te zijn. In het algemeen hebben deze aandoeningen niet
+ zoozeer betrekking op de handelingen van eten, drinken
+ enz., als wel op den lust en de neiging daartoe zelf.
+ Niets kan dus tegenover deze aandoeningen worden gesteld,
+ behalve Edelmoedigheid en Zielskracht; waarover in het
+ volgende.</p>
+
+ <p>De definitie der Jaloerschheid en der overige
+ Gemoedsweifelingen ga ik stilzwijgend voorbij, zoowel
+ omdat zij ontstaan door samenstelling der reeds
+ omschreven aandoeningen, alsook omdat de meesten geen
+ naam dragen, hetgeen wel bewijst dat het voor het
+ dagelijksch leven voldoende is ze slechts als soort te
+ kennen. Overigens blijkt uit de definities der
+ aandoeningen, welke wij hebben toegelicht, dat zij allen
+ ontstaan uit Begeerte, Blijheid en Droefheid, of liever,
+ dat zij niets anders zijn dan deze drie, welke ieder
+ verschillende namen plegen te dragen naar gelang van de
+ verschillende uitwendige zaken, waarop zij betrekking
+ hebben en de benamingen daarvan. Bepalen wij nu eens onze
+ aandacht tot deze drie oorspronkelijke aandoeningen en
+ tot wat wij hierboven gezegd hebben over den aard van den
+ Geest, zoo zullen wij de aandoeningen, voorzoover zij
+ alleen betrekking hebben op den Geest, aldus kunnen
+ omschrijven.</p>
+ </div>
+
+
+
+<h4 id="d3n_">ALGEMEENE DEFINITIE DER AANDOENINGEN</h4>
+
+
+<div class="define">
+<p>Die aandoening, welke men
+Gemoeds-aandoening<a id="aantag63" href="#aanteken63">[A63]</a> [lijding]
+noemt, is een verwarde voorstelling, waarin de Geest tot
+erkenning komt van een grootere of geringere bestaanskracht van
+zijn Lichaam of van een van deszelfs deelen, dan dit te voren
+bezat en door welke de Geest genoopt wordt aan een bepaald iets
+eerder te denken dan aan iets anders.</p>
+</div>
+
+ <div class="toelicht">
+ <p><i>Toelichting:</i> Ik zeg ten eerste dat een aandoening of
+ lijding des gemoeds een verwarde voorstelling is. Immers
+ wij hebben (<i>zie <a href="#d3s3">St. III v.d. D.</a></i>) aangetoond dat de
+ Geest slechts in zoover lijdt als hij inadaequate of
+ verwarde voorstellingen heeft. Ik zeg vervolgens "waarin
+ de Geest tot erkenning komt van een grootere of geringere
+ bestaanskracht van zijn Lichaam of van een van deszelfs
+ deelen, dan dit te voren bezat". Immers alle
+ voorstellingen welke wij van voorwerpen hebben, geven
+ (<i>vlg. <a href="#d2s16g2">Gevolg II St. XVI D. II</a></i>) meer den werkelijken
+ toestand van ons Lichaam dan den aard van het uitwendige
+ voorwerp weer. En die voorstelling, welke het wezen van
+ een aandoening uitmaakt moet <i>dien</i> toestand van het
+ Lichaam of van een van deszelfs deelen weergeven of
+ uitdrukken, waarin dit Lichaam zelf of waarin een van
+ deszelfs deelen verkeert, doordat zijn vermogen om te
+ handelen of te bestaan wordt vermeerderd of verminderd,
+ bevorderd of belemmerd. Doch men merke op dat ik, wanneer
+ ik zeg: "een grootere of geringere bestaanskracht, dan
+ het te voren bezat", hiermede niet bedoel dat de Geest
+ den tegenwoordigen toestand des Lichaams met een verleden
+ toestand vergelijkt, doch dat de voorstelling, welke het
+ wezen der aandoening uitmaakt, iets omtrent het Lichaam
+ erkent [bevestigt] dat meer of minder werkelijkheid in
+ zich sluit dan een vroegere [voorstelling]. En aangezien
+ (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI</a> en
+ <a href="#d2s13">XIII D. II</a></i>) het wezen van den Geest
+ d&aacute;&aacute;rin bestaat, dat hij het werkelijk bestaan van het
+ eigen Lichaam bevestigt en wij onder volmaaktheid het
+ wezen zelf van iets verstaan, volgt hieruit dus dat de
+ Geest tot grootere of geringere volmaaktheid overgaat,
+ wanneer hij iets omtrent zijn Lichaam of een van deszelfs
+ deelen bevestigt, dat meer of minder werkelijkheid in
+ zich sluit dan tevoren. Toen ik dus hierboven zeide, dat
+ de denkkracht van den Geest vermeerderde of verminderde,
+ heb ik niets anders te kennen willen geven, dan dat de
+ Geest een voorstelling van zijn Lichaam of van een van
+ deszelfs deelen vormde, welke meer of minder
+ werkelijkheid uitdrukte, dan wat hij tevoren omtrent zijn
+ Lichaam had bevestigd. Immers de voortreffelijkheid onzer
+ voorstellingen en onze werkelijke denkkracht worden
+ beoordeeld naar de voortreffelijkheid van hun voorwerp.
+ Ik heb tenslotte nog toegevoegd: "door welker
+ aanwezigheid de Geest genoopt wordt aan een bepaald iets
+ eerder te denken dan aan iets anders" om, behalve den
+ aard van Blijheid en Droefheid, welke in het eerste
+ gedeelte der definitie liggen besloten, ook nog den aard
+ der Begeerte uit te drukken.</p>
+ </div>
+
+
+<h4><i>Einde van het Derde Deel.</i></h4>
+
+
+
+
+<hr id="deel4" />
+
+<h3 class="lined">IV. OVER DE MENSCHELIJKE KNECHTSCHAP OF DE MACHT DER AANDOENINGEN</h3>
+
+<hr />
+
+
+<h4 id="d4v">VOORREDE</h4>
+
+
+<p>De menschelijke machteloosheid in het matigen en bedwingen der
+aandoeningen, noem ik knechtschap; immers de mensch die aan zijn
+aandoeningen onderworpen is, leeft niet naar eigen wil, doch naar
+dien der fortuin, in wier macht hij zoozeer is, dat hij dikwijls
+gedwongen wordt om, schoon hij het betere ziet, het slechtere te
+volgen<a href="#aanteken49">[a49]</a>.
+De oorzaak hiervan, en wat er goeds of kwaads in de
+aandoeningen ligt, stel ik mij voor in dit Deel uiteen te zetten.
+Maar alvorens hiermede te beginnen wensch ik nog een en ander
+over volmaaktheid en onvolmaaktheid, goed en kwaad, te doen
+voorafgaan.</p>
+
+<p>Wie zich had voorgenomen iets te doen en dit ook werkelijk gedaan
+heeft, zal zeggen dat zijn taak volbracht [voltooid, vol<i>maakt</i>]
+is. En niet alleen hijzelf, maar ook ieder die den Geest van den
+maker van dit werk, en tevens het gestelde doel, goed kende of
+meende te kennen. Zoo zal men bijvoorbeeld, wanneer men een of
+ander werk (waarvan ik aanneem dat het nog niet voltooid is)
+ziet, en weet dat het de bedoeling van den maker ervan was een
+huis te bouwen, dit huis "onvoltooid" noemen; "voltooid"
+daarentegen zoodra men ziet dat het werk is doorgezet tot aan het
+doel dat zijn maker zich bij zijn arbeid had gesteld. Indien men
+evenwel een of ander werk aanschouwt, welks gelijke men nog nooit
+gezien heeft en daarbij evenmin den geest van den vervaardiger
+kent, zal men natuurlijk niet kunnen weten of dit werk voltooid
+[volmaakt] of onvoltooid [onvolmaakt] is.</p>
+
+<p>Dit schijnt de oorspronkelijke beteekenis dier woorden te zijn
+geweest. Doch sinds de mensch begon met algemeen begrippen te
+vormen en voorbeelden te bedenken van huizen, gebouwen, torens
+enz., en aan het eene voorbeeld de voorkeur te geven boven het
+andere, moest ieder wel d&agrave;tgene "volmaakt" gaan noemen, wat
+overeen kwam met de algemeene voorstelling, welke h&igrave;j zich
+omtrent die zaak gevormd had, en omgekeerd "onvolmaakt", wat
+minder aan het door hemzelf aangenomen voorbeeld beantwoordde,
+ook al was het volgens de bedoeling van den vervaardiger geheel
+en al voltooid. Geen andere reden ook schijnt er te zijn, waarom
+men natuurlijke voortbrengselen--ik bedoel dingen, welke niet
+door menschenhand vervaardigd zijn, volmaakt of onvolmaakt noemt.
+Men pleegt immers evengoed van natuurlijke als van kunstmatige
+dingen algemeene voorstellingen te vormen, welke men als het ware
+als voorbeelden dier dingen beschouwt en waarvan men zich
+inbeeldt dat ook de Natuur (welke naar men meent niets zonder een
+of andere bedoeling doet) ze als zoodanig beschouwt en aan
+zichzelf voorhoudt. Wanneer men dus iets in de Natuur waarneemt
+dat met de aangenomen voorstelling, welke men omtrent zaken van
+dien aard heeft, minder goed overeenstemt, meent men dat de
+Natuur zelf gefaald en gezondigd heeft en die bedoelde zaak
+onvolmaakt heeft gelaten. Wij zien dus dat men zich meer op grond
+van vooroordeel, dan op grond van waarachtige kennis heeft
+aangewend, natuurvoortbrengselen volmaakt of onvolmaakt te
+noemen. Immers in <a href="#d1n">het Aanhangsel van het Eerste Deel</a> hebben wij
+aangetoond dat de Natuur geenszins met bedoeling handelt; dit
+eeuwige en oneindige Wezen toch, dat wij God of Natuur noemen,
+handelt slechts met diezelfde noodwendigheid, krachtens welke het
+bestaat. Want wij hebben aangetoond dat het handelt krachtens
+diezelfde wezens-noodwendigheid waardoor het ook <i>beslaat</i> (<i>Zie
+<a href="#d1s16">St. XVI D. I</a></i>). De reden of oorzaak dus waardoor God, ofwel de
+Natuur, handelt en waardoor hij bestaat, zijn &eacute;&eacute;n en dezelfde.
+Evenmin als Hij dus terwille van eenig doel bestaat, evenmin
+handelt hij terwille van eenig doel; doch evenmin als zijn
+bestaan, heeft zijn handelen begin of einde. Wat men evenwel een
+doeloorzaak noemt, is niets anders dan menschelijke Begeerte,
+voorzoover deze beschouwd wordt als begin of eerste oorzaak van
+eenig ding. Wanneer wij bijvoorbeeld zeggen dat "bewoning" de
+doeloorzaak is van een of ander huis, verstaan wij hieronder toch
+zeker niets anders dan dat iemand, wijl hij zich de gemakken van
+het huiselijk leven voorstelde, het verlangen gevoelde om een
+huis te bouwen. Zoodat "bewoning", opgevat als doeloorzaak, niets
+anders is als deze bijzondere Begeerte zelf, welke inderdaad de
+bewerkende oorzaak is, maar alleen als &eacute;&eacute;rste oorzaak wordt
+beschouwd, wijl de menschen gemeenlijk de oorzaken hunner
+begeerten niet kennen. Immers de menschen zijn, gelijk ik reeds
+herhaaldelijk betoogd heb, zich wel bewust van hun daden en
+begeerten, maar niet van de oorzaken, waardoor zij gedreven
+worden iets te begeeren. De gewone bewering overigens, dat de
+Natuur kan falen of zondigen en onvolmaakte dingen voortbrengt,
+reken ik tot die verzinsels welke ik in <a href="#d1n">het Aanhangsel van het
+Eerste Deel</a> heb behandeld.</p>
+
+<p>Volmaaktheid en Onvolmaaktheid zijn dus in werkelijkheid slechts
+vormen van Denken, Begrippen namelijk welke wij plegen te
+verzinnen, doordat wij enkeldingen van dezelfde soort of
+hetzelfde geslacht onderling vergelijken; en het is daarom dat ik
+hierboven (<i><a href="#d2d6">Definitie VI D. II</a></i>) gezegd heb dat ik onder
+werkelijkheid en volmaaktheid hetzelfde versta. Immers, wij zijn
+gewoon alle enkeldingen in de Natuur onder &eacute;&eacute;n soort [kategorie],
+welke wij als de meest algemeene beschouwen, samen te vatten,
+namelijk onder het begrip "zijn", dat toepasselijk is op alle
+enkeldingen in de Natuur zonder uitzondering. Voorzoover wij dus
+de enkeldingen in de Natuur onder dit &eacute;&eacute;ne begrip samenvatten en
+met elkaar vergelijken en daarbij bevinden dat het eene m&eacute;&eacute;r zijn
+of werkelijkheid heeft dan het andere, zeggen wij ook dat het
+eene volmaakter is dan het andere. Voorzoover wij daarentegen
+dingen aan hen toeschrijven, welke een ontkenning in zich
+sluiten, zooals "begrensdheid", "eindigheid", "onvermogen" enz.,
+noemen wij ze onvolmaakt, wijl zij onzen Geest niet op dezelfde
+wijze aandoen als die, welke wij volmaakt noemen, doch geenszins
+wijl hun iets, dat hun toekomt, zou ontbreken, of wijl de Natuur
+zou hebben gezondigd. Niets toch komt van nature aan iets toe dan
+datgene wat uit den noodwendigen aard der bewerkende oorzaak
+voortvloeit en datgene, wat uit dien noodwendigen aard der
+bewerkende oorzaak voortvloeit, geschiedt ook met noodwendigheid.</p>
+
+<p id="d4v_5">Wat goed en kwaad betreft, ook deze woorden duiden niets positief
+aan in de dingen op zichzelf beschouwd, ook zij zijn niets anders
+dan vormen van Denken, of begrippen, welke wij vormen, doordat
+wij dingen onderling vergelijken. Want &eacute;&eacute;n en dezelfde zaak kan
+op hetzelfde tijdstip goed en kwaad, of ook wel onverschillig
+zijn. Zoo is bijvoorbeeld muziek goed voor den weemoedige, slecht
+voor den treurende, doch voor den doove goed noch kwaad. Evenwel
+moeten wij, niettegenstaande dit zoo is, deze woorden toch
+blijven gebruiken. Want aangezien wij ons toch een voorstelling
+wenschen te vormen van den mensch, welke wij als een voorbeeld
+[ideaal] van den geheelen menschelijken aard kunnen beschouwen,
+zal het voor ons van nut zijn om die woorden in den door mij
+omschreven zin te behouden. Onder "goed" zal ik dus in het
+vervolg verstaan datgene, waarvan wij zeker weten dat het een
+middel is om meer en meer dit ideaal van den menschelijken aard,
+dat wij ons voor oogen stellen, te benaderen. <span id="d4v_2">Onder "kwaad"
+daarentegen dat, waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert
+aan dit ideaal te beantwoorden.</span> Voorts zullen wij de menschen
+volmaakter of onvolmaakter noemen naar gelang zij meer of minder
+tot dit ideaal naderen. <span id="d4v_3">Want ik moet in de eerste plaats doen
+opmerken dat ik, wanneer ik zeg dat iemand van geringer tot
+grooter volmaaktheid overgaat en omgekeerd, hiermede <i>niet</i>
+bedoel dat hij van wezen of bestaansvorm zou veranderen (een
+paard bijvoorbeeld zou als zoodanig te gronde gaan, wanneer het
+in een mensch of insekt veranderd werd), maar dat zijn vermogen
+tot handelen, voorzoover dit uit zijn eigen aard kan worden
+verklaard, naar onze voorstelling toeneemt of afneemt.</span> Onder
+volmaaktheid in het algemeen tenslotte versta ik, gelijk ik reeds
+zeide, de werkelijkheid, d.w.z. het wezen van ieder ding,
+voorzoover het op bepaalde wijze bestaat en werkt, ongeacht zijn
+duur. Want geen enkel bijzonder ding kan volmaakter genoemd
+worden, alleen wijl het iets langer in zijn bestaan heeft
+volhard. De duur der dingen toch kan niet uit hun wezen worden
+afgeleid, aangezien het wezen der dingen geen bepaalden en
+vastgestelden tijd van bestaan in zich sluit, maar elk ding,
+onverschillig of het meer of minder volmaakt is, door dezelfde
+kracht waardoor het begon te bestaan, in dit bestaan zal blijven
+volharden; zoodat alle dingen in dit opzicht gelijk zijn.</p>
+
+
+
+<h4>DEFINITIES</h4>
+
+
+<div class="define" id="d4d1">
+<p>I. Onder "<i>goed</i>" versta ik datgene, waarvan wij zeker weten dat
+het nuttig voor ons is.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d4d2">
+<p>II. Onder "<i>kwaad</i>" [slecht, verkeerd] daarentegen datgene,
+waarvan wij zeker weten dat het ons belemmert iets goeds te
+bereiken [verkrijgen].</p>
+
+<p>(<i>Zie hierover <a href="#d4v_2">de voorgaande Voorrede</a>, aan het slot.</i>)</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d4d3">
+<p>III. Bijzondere dingen noem ik "<i>toevallig</i>" [gebeurlijk]
+voorzoover wij, uitsluitend lettende op hun wezen, niets vinden
+dat hun bestaan noodzakelijk stelt, noch het noodzakelijk
+uitsluit.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d4d4">
+<p>IV. Diezelfde bijzondere dingen noem ik "<i>mogelijk</i>", voorzoover
+wij, lettende op de oorzaken, welke hen te weeg moeten brengen,
+niet weten of deze inderdaad gedwongen zijn ze voort te brengen.</p>
+
+<p>(In <a href="#d1s33o1">Opmerking I Stelling XXXIII Deel I</a> heb ik tusschen "mogelijk"
+en "toevallig" geenerlei onderscheid gemaakt, wijl het daar niet
+noodig was deze begrippen nauwkeurig te
+onderscheiden.)<a id="aantag64" href="#aanteken64">[A64]</a></p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>V. Onder "<i>tegenstrijdige aandoeningen</i>" zal ik in het vervolg
+zulke verstaan, welke den mensch naar verschillende kanten
+heentrekken, ook al zijn ze van dezelfde soort, zooals
+weeldezucht en gierigheid, welke beide soorten van Liefde zijn.
+Zij zijn niet van nature, maar door toevallige omstandigheden
+tegenstrijdig.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>VI. Wat ik onder een aandoening in verband met een toekomstige,
+tegenwoordige of verleden zaak versta, heb ik uiteen gezet in <a href="#d3s18o1">de
+Opmerkingen I</a> en <a href="#d3s18o2">II bij Stelling XVIII Deel III</a>. Zie aldaar.</p>
+
+<p>(Het is hier de plaats om te doen opmerken, dat wij ons ook
+afstanden, zoowel van ruimte als van tijd, slechts tot aan een
+bepaalde grens duidelijk kunnen voorstellen. Dat wil zeggen:
+evenals wij ons alle voorwerpen, welke meer dan tweehonderd voet
+van ons verwijderd zijn, of wier afstand van de plaats waar wij
+ons bevinden, den afstand, waarop wij duidelijk kunnen waarnemen,
+overschrijdt, als even ver van ons af en volkomen in hetzelfde
+vlak gelegen plegen voor te stellen; evenzoo stellen wij ons
+voor, dat zaken wier tijdstippen van bestaan ons door een langer
+tijdsverloop van het heden gescheiden lijken dan wij gewoonlijk
+duidelijk onderscheiden, allen evenlang geleden zijn en brengen
+wij ze allen als het ware tot &eacute;&eacute;n tijdstip terug.)</p>
+</div>
+
+
+<div class="define">
+<p>VII. Onder het "<i>doel</i>", terwille waarvan [de bedoeling waarmee]
+wij iets doen, versta ik den drang.</p>
+</div>
+
+
+<div class="define" id="d4d8">
+<p>VIII. Onder "<i>deugd</i>" [kracht] en "<i>vermogen</i>" [macht] versta ik
+hetzelfde. D.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s8">St. VIII D. III</a></i>) Deugd [kracht] is,
+voorzoover zij betrekking heeft op den mensch, 's menschen wezen
+of aard zelf, voorzoover dit het vermogen [de macht] bezit dingen
+tot stand te brengen, welke uit de wetten van dien aard alleen
+reeds verklaarbaar zijn.</p>
+</div>
+
+
+
+<h4>GRONDWAARHEID (Axioma)</h4>
+
+
+<div class="axioma" id="d4a">
+<p>In de wereld der dingen bestaat er geen enkel bijzonder ding, dat
+niet door een ander, dat machtiger en sterker is, kan worden
+overtroffen.</p>
+
+<p>Wat er ook bestaat, altijd is er iets machtigers [denkbaar],
+waardoor het kan worden vernietigd.</p>
+</div>
+
+
+
+<h4>STELLINGEN</h4>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s1">
+<p><i>Stelling I.</i></p>
+
+<p>Niets van wat er positiefs in een valsche voorstelling ligt,
+wordt opgeheven door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Valschheid bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s35">St. XXXV D. II</a></i>) alleen in het
+ontbreken van kennis, dat inadaequaten voorstellingen aankleeft;
+er is in deze voorstellingen (<i>vlg. <a href="#d2s33">St. XXXIII D. II</a></i>) ook niets
+positiefs, waarom zij valsch genoemd kunnen worden. Integendeel,
+voorzoover ze tot God worden teruggebracht, zijn zij waar (<i>vlg.
+<a href="#d2s32">St. XXXII D. II</a></i>). Indien dus datgene wat er positiefs ligt in
+een valsche voorstelling werd opgeheven door de aanwezigheid der
+waarheid als zoodanig, zou een ware voorstelling door zichzelf
+worden opgeheven, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV D. III</a></i>) ongerijmd is.
+Derhalve: niets van wat, enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze stelling is nog helderder te begrijpen
+ uit <a href="#d2s16g2">Gevolg II van Stelling XVI Deel II</a>. Een
+ "inbeelding"<a id="aantag65" href="#aanteken65">[A65]</a>
+ toch is een voorstelling welke meer den
+ oogenblikkelijken toestand van het menschelijk Lichaam,
+ dat den aard van een uitwendig voorwerp weergeeft en dat
+ nog wel niet duidelijk, doch verward. Vandaar dat men
+ zegt dat de Geest dwaalt. Wanneer wij bijvoorbeeld naar
+ de zon kijken, beelden wij ons in dat zij omstreeks
+ tweehonderd voet van ons af staat en wij blijven net zoo
+ lang in deze dwaling, als wij onwetend zijn omtrent haar
+ waren afstand. Kennen wij echter dien afstand, dan wordt
+ daardoor weliswaar de dwaling opgeheven, doch niet die
+ inbeelding, d.w.z. die voorstelling van de zon, welke
+ haren aard slechts in zoover uitdrukt als het Lichaam er
+ de inwerking van ondervindt; en wij zullen derhalve, ook
+ al kennen wij haar waren afstand, haar niettemin als
+ dichtbij zien. Want gelijk wij reeds in <a href="#d2s35o">de Opmerking bij
+ Stelling XXXV Deel II</a> zeiden: niet d&aacute;&aacute;rom stellen wij ons
+ de zon zoo dichtbij voor, wijl wij haar waren afstand
+ niet kennen, doch wijl de Geest de grootte van de zon
+ waarneemt op grond van de inwerking, welke het Lichaam
+ door haar ondergaat. Zoo stellen wij ons voor dat de zon
+ in het water is, wanneer haar stralen, invallend op een
+ watervlak, naar onze oogen worden teruggekaatst, ofschoon
+ wij haar juiste plaats kennen. En zoo is het met alle
+ andere inbeeldingen, welke den Geest misleiden, hetzij
+ dat zij een natuurlijken toestand des Lichaams weergeven,
+ hetzij dat zij vermeerdering of vermindering van zijn
+ vermogen tot handelen aanduiden; tegenstrijdig aan de
+ waarheid zijn zij niet en evenmin verdwijnen zij bij haar
+ aanwezigheid. Wel komt het voor dat, wanneer wij ten
+ onrechte eenig kwaad vreezen, onze vrees verdwijnt bij
+ het hooren van de ware tijding, maar omgekeerd komt het
+ evenzeer voor, dat wanneer wij een kwaad vreezen dat
+ z&eacute;ker komen moet, deze vrees verdwijnt bij het hooren van
+ een valsche tijding. Derhalve verdwijnen inbeeldingen
+ niet door de aanwezigheid der waarheid als zoodanig, doch
+ wijl er zich andere voorstellingen voordoen, welke
+ sterker zijn en het oogenblikkelijke bestaan dier dingen,
+ welke wij ons hadden ingebeeld, uitsluiten, gelijk wij in
+ <a href="#d2s17">Stelling XVII Deel II</a> aantoonden.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling II.</i></p>
+
+<p>Wij lijden voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op
+zichzelf en zonder verband met andere dingen, niet denkbaar is.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wij zeggen d&agrave;n dat wij lijden, wanneer er iets met ons geschiedt,
+waarvan wij slechts tendeele zelf oorzaak zijn (<i>vlg. <a href="#d3d2">Definitie
+II D. III</a></i>), d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3d1">Definitie I D. III</a></i>) iets dat niet uit
+de wetten van onzen aard alleen kan worden afgeleid. Derhalve
+lijden wij voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op
+zichzelf en zonder verband met andere dingen, niet denkbaar is.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s3">
+<p><i>Stelling III.</i></p>
+
+<p>De kracht, waarmede de mensch in zijn bestaan volhardt, is
+beperkt en wordt door de macht van uitwendige oorzaken oneindig
+overtroffen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt uit <a href="#d4a">het Axioma van dit Deel</a>. Immers gegeven een
+mensch, zoo is er iets anders, zeg A, dat machtiger is; en
+gegeven A, zoo is er weer iets anders, zeg B, machtiger dan A, en
+zoo tot in het oneindige. Dus is de macht van den mensch door de
+macht van iets anders beperkt en wordt zij door die van
+uitwendige oorzaken oneindig overtroffen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s4">
+<p><i>Stelling IV.</i></p>
+
+<p>Het is onmogelijk dat de mensch niet een deel der Natuur zou zijn
+en dat hij niet ook andere wijzigingen zou ondergaan dan
+zoodanige, welke uit zijn eigen aard alleen te verklaren zijn en
+waarvan hij de adaequate oorzaak is.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p><span id="d4s4b_1">De macht waardoor de bijzondere dingen, en bijgevolg ook de
+menschen, hun bestaan handhaven is (<i>vlg. <a href="#d1s24g">Gevolg St. XXIV D. I</a></i>)
+de macht van God of van de Natuur zelf, niet voorzoover deze
+oneindige is, maar (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) voorzoover zij zich in
+het werkelijk [feitelijk bestaand] wezen van den mensch
+openbaart.</span> De menschelijke macht, voorzoover zij zich in zijn
+eigen werkelijk wezen openbaart, is dus een deel van de oneindige
+macht van God of van de Natuur, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s34">St. XXXIV D. I</a></i>)
+van hun wezen. Dit wat het eerste betreft. <span id="d4s4b_2">Indien het voorts w&egrave;l
+mogelijk ware, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan dan
+uitsluitend zoodanige welke uit zijn eigen aard alleen te
+verklaren waren, zou hieruit (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV</a> en <a href="#d3s6">VI D. III</a></i>) volgen,
+dat hij niet kon te gronde gaan, maar noodzakelijk voortdurend
+moest blijven bestaan; en wel zou dit een gevolg moeten zijn van
+een oorzaak, wier macht &ograve;f eindig &ograve;f oneindig was, namelijk &ograve;f
+van de menschelijke macht zelf, welke dan in staat zou moeten
+zijn alle veranderingen van zich af te houden, welke uit
+uitwendige oorzaken zouden kunnen voortvloeien, &ograve;f van de
+oneindige macht der Natuur, waardoor dan alle bijzondere dingen
+z&oacute;&oacute; zouden moeten zijn ingericht, dat de mensch geen
+veranderingen kon ondergaan dan slechts zoodanige, welke tot zijn
+behoud strekken.</span> Maar het eerste is ongerijmd (<i>vlg. <a href="#d4s3">de
+voorgaande Stelling</a>, welker bewijs algemeen geldig is en voor
+alle bijzondere dingen kan worden aangewend</i>). Derhalve: indien
+het mogelijk ware, dat de mensch geen veranderingen kon ondergaan
+dan alleen zoodanige, welke uit den aard van den mensch zelf te
+verklaren zijn en dat hij bijgevolg (<i>gelijk <a href="#d4s4b_2">wij reeds
+aantoonden</a></i>) noodzakelijk voortdurend zou blijven bestaan, dan
+zou dit een gevolg moeten zijn van Gods oneindige macht en
+bijgevolg zou (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI D. I</a></i>) uit de noodwendigheid van den
+goddelijken aard, beschouwd als zich openbarende in de
+voorstelling van een of anderen mensch, de geheele orde der
+Natuur, zooals die zich openbaart in de attributen van Denken en
+Uitgebreidheid, moeten worden afgeleid; waaruit dus volgen zou
+(<i>vlg. <a href="#d1s21">St. XXI D. I</a></i>) dat de mensch oneindig was, hetgeen (<i>vlg.
+<a href="#d4s4b_1">het eerste deel van dit bewijs</a></i>) ongerijmd is. Derhalve is het
+onmogelijk dat de mensch niet ook andere wijzigingen zou kunnen
+ondergaan dan alleen zoodanige, waarvan hijzelf de adaequate
+oorzaak is. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d4s4g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de mensch noodzakelijk aan
+ lijdingen onderworpen is; de algemeene orde der Natuur
+ volgt en gehoorzaamt en, voorzoover de aard der dingen
+ dit eischt, zich daarbij aanpast.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s5">
+<p><i>Stelling V.</i></p>
+
+<p>De kracht en toeneming van een of andere lijding en haar vermogen
+om zich te handhaven, worden niet bepaald door de macht, waardoor
+wijzelf in ons bestaan trachten te volharden, doch door de macht
+van een uitwendige oorzaak in verhouding tot onze
+eigene.<a id="aantag66" href="#aanteken66">[A66]</a></p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het wezen eener lijding kan (<i>vlg.
+<a href="#d3d1">Definitie I</a> en <a href="#d3d2">II D. III</a></i>)
+niet uit ons wezen all&eacute;&eacute;n verklaard worden,
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII
+D. III</a></i>) de kracht eener lijding kan niet bepaald worden door het
+vermogen, waardoor wij in ons bestaan trachten te volharden, maar
+moet (<i>gelijk in <a href="#d2s16">St. XVI D. II</a> werd aangetoond</i>) noodzakelijk
+bepaald worden door de macht eener uitwendige oorzaak in
+verhouding tot onze eigene. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s6">
+<p><i>Stelling VI.</i></p>
+
+<p>De kracht van een of andere lijding of aandoening kan alle andere
+handelingen [levensuitingen] en vermogens des menschen zoozeer
+overtreffen, dat deze aandoening hem voortdurend beheerscht.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De kracht en toeneming van iedere lijding en haar vermogen om
+zich te handhaven, worden (<i>vlg. <a href="#d4s5">voorgaande St.</a></i>) bepaald door de
+macht eener uitwendige oorzaak in verhouding tot onze eigene. Zij
+kan dus (<i>vlg. <a href="#d4s3">St. III v.d. D.</a></i>) de macht des menschen
+overtreffen enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s7">
+<p><i>Stelling VII.</i></p>
+
+<p>Een aandoening kan alleen worden bedwongen of opgeheven door een
+andere, tegengesteld aan en sterker dan die welke bedwongen moet
+worden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een aandoening, voorzoover zij den Geest betreft, is (<i>vlg. <a href="#d3n_">de
+Algemeene Definitie der Aandoeningen</a>, te vinden aan het einde van
+het Derde Deel</i>) een voorstelling, waarin de Geest tot bewustzijn
+van een grootere of geringere bestaanskracht zijns Lichaams komt.
+Wanneer dus de Geest door een of andere aandoening wordt bewogen,
+ondergaat tevens het Lichaam een inwerking, waardoor zijn
+vermogen tot handelen toeneemt of afneemt. Deze
+lichaamsaandoening nu ontvangt (<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V v.d. D.</a></i>) haar
+vermogen, om in haar bestaan te volharden, van haar oorzaak, welk
+vermogen dus (<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI D. II</a></i>) alleen kan worden bedwongen of
+opgeheven door een lichamelijke oorzaak, welke (<i>vlg. <a href="#d3s5">St. V D.
+III</a></i>) op een tegenovergestelde wijze op het Lichaam inwerkt en
+(<i>vlg. <a href="#d4a">Axioma v.d. D.</a></i>) sterker is,
+zoodat (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII D. II</a></i>)
+de Geest de voorstelling krijgt eener aandoening, sterker dan en
+tegengesteld aan de eerste; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Def. der Aand.</a></i>)
+zoodat de Geest een aandoening ondergaat, sterker dan en
+tegengesteld aan de eerste, welke dan het bestaan dezer eerste
+uitsluit of opheft. Derhalve kan een aandoening alleen worden
+opgeheven of bedwongen door een tegengestelde en sterkere.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Een aandoening, voorzoover zij den Geest
+ betreft, kan alleen worden bedwongen of opgeheven door de
+ voorstelling van een inwerking op het Lichaam,
+ tegengesteld aan en sterker dan de aandoening welke wij
+ ondergaan. Immers de aandoening welke wij ondergaan kan
+ (<i>vlg. <a href="#d4s6">voorgaande St.</a></i>) alleen worden bedwongen of
+ opgeheven door een andere, tegengesteld en sterker,
+ d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Def. der Aand.</a></i>) alleen door de
+ voorstelling eener lichaamsaandoening, welke sterker is
+ dan en tegengesteld aan de aandoening welke wij
+ ondergaan.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s8">
+<p><i>Stelling VIII.</i></p>
+
+<p>De kennis van goed en kwaad is niets anders dan een aandoening
+van Blijheid of Droefheid voorzoover wij ons daarvan bewust zijn.</p>
+</div>
+
+<p>Wij noemen (<i>vlg. <a href="#d4d1">Definities I</a>
+en <a href="#d4d2">II v.d. D.</a></i>) datgene goed of
+kwaad, wat ons bij het handhaven van ons bestaan van nut is of in
+den weg staat, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) wat ons vermogen
+tot handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of belemmert.
+Voorzoover wij dus (<i>vlg. <a href="#d3s11o_1">de Definities van Blijheid</a> en
+<a href="#d3s11o_2">Droefheid</a>, zie Opmerking St. XI D. III</i>) waarnemen dat een of
+andere zaak ons Blijheid of Droefheid schenkt, noemen wij haar
+goed of kwaad, zoodat de kennis van goed of kwaad dus niets
+anders is dan die voorstelling van Blijheid of Droefheid, welke
+(<i>vlg. <a href="#d2s22">St. XXII D. II</a></i>) noodzakelijk op de aandoening van
+Blijheid of Droefheid volgt. Doch deze voorstelling is (<i>vlg. <a href="#d2s21">St.
+XXI D. II</a></i>) op dezelfde wijze vereenigd met die aandoening als de
+Geest met het Lichaam, d.w.z. (<i>gelijk in <a href="#d2s21o">de Opmerking bij
+diezelfde stelling</a> werd aangetoond</i>), deze voorstelling is van
+die aandoening zelf, of (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Def. der Aand.</a></i>) van de
+voorstelling dier inwerking op het Lichaam, inderdaad niet anders
+onderscheiden dan alleen in onze opvatting. Derhalve is deze
+kennis van goed en kwaad niets anders dan de aandoening zelf,
+voorzoover wij er ons van bewust zijn. H.t.b.w.</p>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s9">
+<p><i>Stelling IX.</i></p>
+
+<p>Een aandoening, waarvan wij ons verbeelden dat haar oorzaak op
+het oogenblik aanwezig is, is sterker, dan wanneer wij ons deze
+oorzaak niet aanwezig denken.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een verbeelding is een voorstelling waarin de Geest iets als
+aanwezig beschouwt (<i>zie <a href="#d2s17o_3">haar Definitie in de Opmerking bij St.
+XVII D. II</a></i>) welke echter (<i>vlg. <a href="#d2s16g2">Gevolg II St. XVI D. II</a></i>) meer
+de gesteldheid van het menschelijk Lichaam dan den aard van eenig
+uitwendig voorwerp aanduidt. Een aandoening is dus (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg.
+Def. der Aand.</a></i>) een Verbeelding voorzoover zij een toestand des
+Lichaams aanduidt. Maar een Verbeelding is te sterker (<i>vlg. <a href="#d2s17">St.
+XVII D. II</a></i>) zoolang wij ons niets voorstellen dat het aanwezige
+bestaan der uitwendige oorzaak uitsluit. Derhalve is ook een
+aandoening waarvan wij ons verbeelden dat daar oorzaak op het
+oogenblik aanwezig is, heviger of sterker dan wanneer wij ons
+deze oorzaak niet aanwezig denken. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Toen ik hierboven, in <a href="#d3s18">Stelling XVIII Deel
+ III</a>, zeide dat wij door de voorstelling van een
+ toekomstige of verleden zaak dezelfde aandoening
+ ondergingen als wanneer die zaak, welke wij ons
+ verbeelden, aanwezig ware, heb ik daarbij uitdrukkelijk
+ opgemerkt, dat dit slechts waar was voorzoover wij alleen
+ op de voorstelling van juist deze zaak letten. Immers
+ deze blijft denzelfden aard behouden, onverschillig of
+ wij ons haar [als aanwezig] verbeeld hebben of niet. Ik
+ heb echter niet ontkend, dat zij zwakker wordt, wanneer
+ wij ook andere zaken als aanwezig beschouwen, welke het
+ oogenblikkelijk bestaan dier toekomstige [of verleden]
+ zaak uitsluiten. Ik heb toen nagelaten dit op te merken,
+ omdat ik mij had voorgenomen eerst in dit Deel over de
+ kracht der aandoeningen te spreken.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d4s9g">
+ <p><i>Gevolg:</i> De voorstelling van een toekomstige of verleden
+ zaak, welke wij, met uitsluiting van den tegenwoordigen
+ tijd, alleen in betrekking tot den toekomstigen of
+ verleden tijd beschouwen, is, onder overigens gelijke
+ omstandigheden, zwakker dan de voorstelling eener
+ aanwezige zaak, en bijgevolg zijn ook onze gevoelens
+ jegens<a id="aantag67" href="#aanteken67">[A67]</a>
+ een toekomstige of verleden zaak, onder
+ overigens gelijke omstandigheden, zwakker dan die jegens
+ een tegenwoordige.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s10">
+<p><i>Stelling X.</i></p>
+
+<p>Door iets toekomstigs, dat wij spoedig verwachten, worden wij
+sterker aangedaan, dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een
+verder van het heden gelegen tijd zal bestaan [of plaats
+grijpen], en evenzoo doet de herinnering aan iets kort geledens
+ons sterker aan, dan wanneer wij ons voorstellen dat het lang
+geleden bestond [of gebeurde].</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers als wij ons voorstellen dat iets spoedig zal geschieden,
+of kort geleden geschied is, stellen wij ons daarmede vanzelf
+iets voor, dat het oogenblikkelijk gebeuren ervan in mindere mate
+uitsluit, dan wanneer wij ons voorstellen dat het in een verder
+van het heden gelegen tijd zal plaats grijpen, of dat het lang
+geleden plaats greep (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>). Derhalve zullen
+wij (<i>vlg. <a href="#d4s9">voorgaande St.</a></i>) er ook sterker door worden aangedaan.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Uit hetgeen wij bij <a href="#d4d4">Definitie VI van dit
+ Deel</a> hebben opgemerkt, volgt dat wij door voorwerpen of
+ gebeurtenissen, welke een langer tijdsverloop van het
+ heden verwijderd zijn dan wij met ons
+ voorstellingsvermogen kunnen omvatten, even zwak worden
+ aangedaan, ook al weten wij dat zij onderling door een
+ grooten tusschenstrijd zijn gescheiden.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s11">
+<p><i>Stelling XI.</i></p>
+
+<p>De aandoening, teweeg gebracht door iets dat wij als noodwendig
+voorstellen, is, onder overigens gelijke omstandigheden,
+krachtiger dan die, veroorzaakt door iets mogelijks, toevalligs
+of niet-noodwendigs.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Voorzoover wij ons iets als noodwendig voorstellen, bevestigen
+wij het bestaan ervan; daarentegen ontkennen wij dat bestaan,
+voorzoover wij het ons als niet-noodwendig denken (<i>vlg.
+<a href="#d1s33o1">Opmerking I St. XXXIII D. I</a></i>).
+Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d4s9">St. IX v.d.
+D.</a></i>) de aandoening, opgewekt door iets noodwendigs, onder
+overigens gelijke omstandigheden, sterker dan die, teweeg
+gebracht door iets niet-noodwendigs. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s12">
+<p><i>Stelling XII.</i></p>
+
+<p>De aandoening, opgewekt door iets, waarvan wij weten dat het op
+het oogenblik niet bestaat, maar dat wij voor mogelijk, houden,
+is, onder overigens gelijke omstandigheden sterker dan die,
+teweeg gebracht door iets wat wij ons als toevallig [gebeurlijk]
+denken.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Voorzoover wij ons iets als toevallig [gebeurlijk] voorstellen
+worden wij (<i>vlg. <a href="#d4d3">Definitie III</a></i>) door geenerlei voorstelling van
+iets anders aangedaan, welke het bestaan ervan zou onderstellen
+[eischen]. Integendeel, wij stellen ons dan (<i>vlg. het
+onderstelde</i>) juist dingen voor, welke het oogenblikkelijk
+bestaan ervan uitsluiten. Voorzoover wij ons echter iets als in
+de toekomst mogelijk denken, stellen wij ons dingen voor, welke
+het bestaan ervan onderstellen (<i>vlg. <a href="#d4d4">Definities IV v.d. D.</a></i>),
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s18">St. XVIII D. III</a></i>) dingen, welke Hoop of Vrees
+aanwakkeren. Derhalve is de aandoening door iets mogelijks te
+weeg gebracht, heviger. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d4s12g">
+ <p><i>Gevolg:</i> De aandoening, opgewekt door iets, waarvan wij
+ weten dat het op het oogenblik niet bestaat en dat wij
+ ons als gebeurlijk voorstellen, is veel zwakker dan
+ wanneer wij ons deze zaak aanwezig denken.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>De aandoening, opgewekt door iets dat wij ons als op het
+ oogenblik bestaande voorstellen, is sterker dan wanneer
+ wij het ons als toekomstig denken (<i>vlg. <a href="#d4s9g">Gevolg St. IX
+ v.d. D.</a></i>) en nog veel heviger is zij, als wij ons dien
+ toekomstigen tijd zeer ver van het heden verwijderd
+ denken, (<i>vlg. <a href="#d4s10">St. X v.d. D.</a></i>). Derhalve is de
+ aandoening, opgewekt door iets dat wij ons ver van het
+ heden verwijderd denken, veel zwakker, dan wanneer wij
+ ons het in het heden voorstellen, doch (<i>vlg. <a href="#d4s11">voorgaande
+ St.</a></i>) niettemin toch sterker, dan wanneer wij het ons als
+ toevallig denken. Derhalve zal de aandoening, opgewekt
+ door iets dat wij voor gebeurlijk houden zwakker zijn dan
+ die, teweeg gebracht door iets dat wij ons als in het
+ heden aanwezig voorstellen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s13">
+<p><i>Stelling XIII.</i></p>
+
+<p>De aandoening, opgewekt door iets gebeurlijks, waarvan wij weten
+dat het op het oogenblik niet bestaat, is, onder overigens
+gelijke omstandigheden, zwakker dan die, teweeg gebracht door
+iets verledens.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Voorzoover wij ons iets als gebeurlijk voorstellen, wordt er
+geenerlei voorstelling van iets anders in ons opgewekt, welke het
+bestaan dier zaak onderstelt (<i>vlg. <a href="#d4d3">Definitie III v.d. D.</a></i>).
+Integendeel, wij stellen ons dan (<i>vlg. het onderstelde</i>) juist
+dingen voor, welke haar oogenblikkelijk bestaan uitsluiten.
+Voorzoover wij ons haar echter in verband met den verleden tijd
+voorstellen, worden wij verondersteld aan iets te denken, dat
+haar in het geheugen terug roept, ofwel dat het beeld dier zaak
+opwekt (<i>zie <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) en dat daardoor bewerkt, dat wij
+haar beschouwen als ware zij tegenwoordig (<i>vlg. <a href="#d2s17g">Gevolg St. XVII
+D. II</a></i>). Derhalve zal (<i>vlg. <a href="#d4s9">St. IX v.d. D.</a></i>) de aandoening,
+opgewekt door iets gebeurlijks, waarvan wij weten dat het op het
+oogenblik niet bestaat, onder gelijke omstandigheden, zwakker
+zijn dan die, teweeg gebracht door iets verledens. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XIV.</i></p>
+
+<p>De ware kennis van goed en kwaad kan, beschouwd als waarheid,
+geen enkele aandoening temperen, doch zij kan dit alleen,
+voorzoover zijzelf als aandoening beschouwd wordt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een aandoening is een voorstelling, waarin de Geest een grootere
+of geringere bestaanskracht zijns Lichaams, dan dit, tevoren
+bezat, bevestigt (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Def. der Aand.</a></i>) en heeft dus (<i>vlg.
+<a href="#d4s1">St. I v.d. D.</a></i>) niets positiefs in zich, dat door de
+tegenwoordigheid van iets waars zou kunnen worden opgeheven.
+Bijgevolg kan de ware kennis van goed en kwaad, beschouwd als
+waarheid, geen enkele aandoening temperen. Alleen voorzoover deze
+kennis zelf aandoening is (<i>zie <a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) kan zij,
+indien zij sterker is dan deze (<i>vlg. <a href="#d4s7">St. VII v.d. D.</a></i>) een
+aandoening temperen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s15">
+<p><i>Stelling XV.</i></p>
+
+<p>De Begeerte, welke uit ware kennis van goed en kwaad voortspruit,
+kan door vele andere begeerten, welke ontspruiten uit
+aandoeningen, waardoor wij worden aangegrepen, gedoofd of
+getemperd worden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs" id="d4s15b">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Uit de ware kennis van goed en kwaad, voorzoover deze (<i>vlg. <a href="#d4s8">St.
+VIII v.d. D.</a></i>) aandoening is, ontspringt noodzakelijk Begeerte
+(<i>vlg. <a href="#d3n1">Def. I der Aand.</a></i>), welke te sterker is naarmate de
+aandoening, uit welke zij voortkomt, sterker is (<i>vlg. <a href="#d3s37">St. XXXVII
+D. III</a></i>). Maar aangezien deze Begeerte (<i>vlg. het onderstelde</i>)
+ontspringt uit het feit, dat wij iets waars begrijpen, komt zij
+dus uit <i>onszelf</i> voort voorzoover wij <i>handelen</i>
+(<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I</a> of
+<a href="#d3s3">III D. III</a></i>); moet zij derhalve alleen uit ons eigen wezen worden
+verklaard (<i>vlg. <a href="#d3d2">Def. II D. III</a></i>)
+en zullen bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3s7">St.
+VII D. III</a></i>) ook haar kracht en toeneming alleen door menschelijk
+vermogen bepaald worden. Voorts zijn de Begeerten, welke
+ontspringen uit de [overige] aandoeningen, waardoor wij
+aangegrepen worden, eveneens sterker naarmate deze aandoeningen
+heviger zijn, zoodat hun kracht en toeneming (<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V v.d.
+D.</a></i>) bepaald worden door de macht van uitwendige oorzaken, welke
+macht, wanneer zij bij de onze wordt vergeleken, deze (<i>vlg. <a href="#d4s3">St.
+III v.d. D.</a></i>) onbepaald overtreft. Zoodoende kunnen begeerten,
+uit dergelijke aandoeningen ontsproten, heviger zijn dan die,
+welke uit de ware kennis van goed en kwaad ontspringt en daardoor
+in staat zijn (<i>vlg. <a href="#d4s7">St. VII v.d. D.</a></i>) deze te temperen of te
+verdooven. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s16">
+<p><i>Stelling XVI.</i></p>
+
+<p>Een begeerte, welke ontspruit uit kennis van goed en kwaad,
+voorzoover deze kennis de toekomst betreft, kan nog gemakkelijker
+[dan de begeerte, bedoeld in <a href="#d4s15">St. XV</a>] getemperd of gedoofd worden
+door de Begeerte naar dingen, welke aangenaam zijn voor het
+oogenblik.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De aandoening, teweeg gebracht door iets dat wij ons als
+toekomstig denken, is flauwer dan die, veroorzaakt door iets
+aanwezigs (<i>vlg. <a href="#d4s9g">Gevolg St. IX v.d. D.</a></i>). De Begeerte evenwel,
+welke uit ware kennis van goed en kwaad ontspruit, kan,
+niettegenstaande deze kennis zaken betreft, welke voor het
+oogenblik goed zijn, toch gedoofd of getemperd worden door een of
+andere toevallig opkomende<a id="aantag68" href="#aanteken68">[A68]</a>
+Begeerte (<i>vlg. <a href="#d4s15">voorgaande St.</a>
+<a href="#d4s15b">welker bewijs</a> algemeen geldig is</i>). Derhalve zal de Begeerte,
+welke ontspringt uit diezelfde kennis, voorzoover zij de toekomst
+betreft, nog gemakkelijker getemperd of gedoofd kunnen worden.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XVII.</i></p>
+
+<p>De Begeerte, welke ontspruit uit ware kennis van goed en kwaad,
+voorzoover deze betrekking heeft op gebeurlijke zaken, kan nog
+veel gemakkelijker getemperd worden door begeerte naar dingen die
+aanwezig zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze Stelling wordt op dezelfde wijze als de voorgaande Stelling
+bewezen uit <a href="#d4s12g">het Gevolg van Stelling XII van dit Deel</a>.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s17o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Ik meen hiermede de oorzaak te hebben
+ aangewezen, waarom de menschen meer door meeningen dan
+ door de waarachtige Rede worden gedreven, alsmede, waarom
+ de ware kennis van goed en kwaad gemoedsbewegingen opwekt
+ en dikwijls voor allerlei lusten moet wijken, vanwaar dan
+ ook het woord des dichters: <i>Wel zie ik het betere en
+ prijs het; toch jaag ik het slechtere
+ na.</i><a href="#aanteken49">[a49]</a> Hetgeen
+ eveneens den Prediker voor den Geest gestaan schijnt te
+ hebben toen hij zeide: <i>En die wetenschap vermeerdert,
+ vermeerdert smart</i> [I vers 18]. Ik zeg dit echter
+ geenszins met de bedoeling hieruit de gevolgtrekking te
+ maken, dat het beter is onwetend te blijven dan te weten,
+ of dat er geen verschil is tusschen een dwaas en een
+ verstandig man, bij het temperen hunner aandoeningen,
+ maar wijl het noodig is, dat wij zoowel de macht als de
+ machteloosheid van onzen aard leeren kennen, opdat wij
+ zullen kunnen vaststellen, wat de Rede ten aanzien van
+ het temperen der aandoeningen vermag en wat zij niet
+ vermag. In dit Deel nu heb ik gezegd alleen over de
+ menschelijke machteloosheid te zullen handelen; over de
+ macht der Rede ten aanzien van de gemoedsaandoeningen heb
+ ik mij voorgenomen afzonderlijk te spreken.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s18">
+<p><i>Stelling XVIII.</i></p>
+
+<p>De Begeerte, welke uit Blijheid voortspruit is, onder overigens
+gelijke omstandigheden, sterker dan de Begeerte welke uit
+Droefheid voortspruit.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Begeerte is 's menschen wezen zelf (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>)
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) het streven, waardoor de mensch in
+zijn bestaan tracht te volharden. Vandaar dat Begeerte, welke uit
+Blijheid ontspruit (<i>vlg. <a href="#d3s11o_1">de Definitie van Blijheid</a>, zie
+Opmerking St. XI D. III</i>), door die aandoening van Blijheid zelf
+wordt aangewakkerd of versterkt, terwijl daarentegen die, welke
+uit Droefheid voortkomt (<i>vlg. <a href="#d3s11o">dezelfde Opmerking</a></i>) door die
+aandoening van Droefheid zelf wordt verzwakt of belemmerd.
+Derhalve moet de kracht der Begeerte, welke uit Blijheid
+ontspruit, zoowel door de menschelijke kracht als door die van
+een uitwendige oorzaak; de kracht der begeerte daarentegen, welke
+uit Droefheid voortkomt, door de menschelijke kracht all&eacute;&eacute;n
+bepaald worden; zoodat deze ook sterker zal zijn dan gene.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s18o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hiermede heb ik in het kort de oorzaken der
+ menschelijke machteloosheid en onstandvastigheid en
+ waarom de menschen niet de voorschriften der Rede dienen,
+ uiteen gezet. Er rest mij thans nog te doen zien, w&agrave;t de
+ Rede ons dan voorschrijft, welke aandoeningen met de
+ menschelijke Rede overeenstemmen en welke daarentegen
+ daarmede in strijd zijn. Doch alvorens te beginnen dit
+ alles uitvoerig volgens onze meetkundige methode uiteen
+ te zetten, wil ik eerst deze voorschriften der Rede reeds
+ n&uacute; aanduiden, opdat men datgene wat ik bedoel
+ gemakkelijker zal kunnen begrijpen. Daar de Rede niets
+ eischt dat tegen de Natuur is, verlangt zij dus zelf, dat
+ een ieder zichzelf liefheeft en zijn eigen belang, d.w.z.
+ datgene wat inderdaad nuttig voor hem is, zoekt; alles
+ wat den mensch werkelijk tot grooter volmaaktheid leidt
+ nastreeft, en in het algemeen, dat een ieder zijn
+ bestaan, zooveel hij kan, tracht in stand te houden. Wat,
+ dunkt mij, even noodzakelijk waar is, alsdat een geheel
+ grooter is dan zijn deelen (<i>zie <a href="#d3s4">St. IV D. III</a></i>).
+ Aangezien voorts Deugd (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. D.</a></i>)
+ niets anders is dan handelen krachtens de wetten van zijn
+ eigen aard, en iemand niet anders dan krachtens de wetten
+ van zijn eigen aard zijn bestaan kan handhaven (<i>vlg. <a href="#d3s7">St.
+ VII D. III</a></i>), volgt hieruit <i>ten eerste</i>, dat de
+ grondslag der Deugd dit streven om zijn bestaan te
+ handhaven zelf is en dat het geluk daarin bestaat, dat de
+ mensch zijn bestaan vermag te handhaven. Ten <i>tweede</i>
+ volgt er uit, dat Deugd om haar zelfswil moet worden
+ nagestreefd en dat er niets voortreffelijkers, of voor
+ ons nuttigers bestaat, terwille waarvan zij zou kunnen
+ nagestreefd worden. Eindelijk volgt er ten <i>derde</i> uit,
+ dat zij, die zichzelf van het leven berooven,
+ zwakzinnigen zijn, die zich geheel en al laten
+ overmeesteren door uitwendige omstandigheden, welke met
+ hunnen aard in strijd zijn. Verder volgt uit <a href="#d2p4">Postulaat IV
+ Deel II</a>, dat wij nooit kunnen bereiken, dat wij niets
+ buiten ons zelf zouden behoeven om ons wezen in stand te
+ houden en dat wij zoo zouden kunnen leven, dat wij
+ geenerlei omgang [aanraking] met de dingen buiten ons
+ hadden; terwijl wat onzen Geest betreft, ons verstand
+ zeer zeker onvolmaakter zou zijn, indien de Geest alleen
+ ware en niets anders buiten zichzelf kon begrijpen. Er
+ bestaan dus tal van dingen buiten ons, welke nuttig voor
+ ons zijn en welke daarom moeten worden nagestreefd. En
+ onder deze dingen kan men zich niets voortreffelijkers
+ denken dan zulke, welke met onzen eigen aard volkomen
+ overeenstemmen. Immers, wanneer bijvoorbeeld twee
+ enkeldingen van geheel denzelfden aard zich met elkaar
+ verbinden, vormen zij tezamen &eacute;&eacute;n enkelding, dat tweemaal
+ machtiger is dan elk alleen was. Voor den mensch is er
+ daarom niets nuttigers dan de mensch. Niets, zeg ik,
+ kunnen de menschen, om hun wezen in stand te houden, m&eacute;&eacute;r
+ wenschen, dan dat zij allen zoozeer overeenstemmen, dat
+ hun aller Geesten en Lichamen als het ware &eacute;&eacute;n enkelen
+ Geest en &eacute;&eacute;n enkel Lichaam vormen; dat allen zooveel
+ mogelijk gezamenlijk hun wezen trachten in stand te
+ houden en dat allen gezamenlijk streven naar wat voor
+ allen nuttig is. Waaruit volgt dat menschen, die door de
+ Rede beheerscht worden, d.w.z. menschen die onder leiding
+ der Rede hun belang nastreven, niets voor zichzelf
+ begeeren wat zij niet ook voor de overige menschen
+ verlangen, en dus dat zij rechtvaardig, trouw en eerlijk
+ zijn.</p>
+
+ <p>Deze zijn dan die voorschriften der Rede welke ik hier
+ kortelijks wenschte aan te duiden, alvorens ze op
+ breedvoeriger wijze te gaan uiteen zetten. Ik deed dit
+ om, zoo mogelijk, mij te verzekeren van de aandacht
+ diergenen, die meenen dat dit beginsel: dat namelijk een
+ ieder zijn eigen belang behoort na te streven, de
+ grondslag is der goddeloosheid en geenszins van Deugd en
+ Vroomheid. Nadat ik dus in het kort er op heb gewezen,
+ dat de zaak juist omgekeerd is, ga ik voort haar op
+ denzelfden weg, dien wij tot dusver volgden, te bewijzen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s19">
+<p><i>Stelling XIX.</i></p>
+
+<p>Ieder begeert of verfoeit krachtens de wetten van zijn aard
+noodzakelijk datgene, wat hij voor goed of kwaad houdt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De kennis van goed en kwaad is (<i>vlg. <a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) een
+aandoening van Blijheid of Droefheid, voorzoover wij ons daarvan
+bewust zijn; vandaar dat ieder noodzakelijk begeert wat hij voor
+goed en daarentegen verfoeit wat hij voor kwaad houdt. Doch deze
+begeerte is niets anders dan 's menschen wezen of aard zelf
+(<i>vlg. <a href="#d3s9o">Definitie der Begeerte</a>, zie Opmerking St. IX D. III en
+<a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>). Derhalve begeert of verfoeit een ieder
+alleen reeds krachtens de wetten van zijn aard noodzakelijk enz.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s20">
+<p><i>Stelling XX.</i></p>
+
+<p>Hoe meer iemand zijn belang nastreeft, d.w.z. zijn wezen poogt en
+vermag in stand te houden, hoe deugdzamer hij is, en omgekeerd,
+naarmate iemand zijn belang, d.w.z. de instandhouding van zijn
+wezen, verwaarloost, is hij machteloozer.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deugd is de menschelijke macht zelf, waardoor alleen 's menschen
+wezen wordt bepaald (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. D.</a></i>) d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) welke alleen door dit streven, waarmede de
+mensch in zijn bestaan tracht te volharden, bepaald wordt. Hoe
+meer dus iemand poogt en vermag zijn wezen in stand te houden,
+hoe deugdzamer hij is en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV</a>
+en <a href="#d3s6">VI D. III</a></i>):
+naarmate iemand de instandhouding van zijn wezen verwaarloost is
+hij machteloozer. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Niemand zal dus, tenzij door uitwendige en
+ met zijn aard strijdige oorzaken gedwongen, verwaarloozen
+ zijn belang na te streven of zijn wezen in stand te
+ houden. Niemand, zeg ik, zal krachtens de noodwendigheid
+ van zijn eigen aard voedsel versmaden of zichzelf dooden;
+ wat hij echter door uitwendige oorzaken gedwongen, op
+ velerlei wijzen doen kan. Zoo kan iemand zichzelf dooden,
+ gedwongen door een ander, die zijn rechterhand, waarmede
+ hij toevallig een zwaard gegrepen had, omdraait en hem
+ zoodoende noodzaakt het op zijn eigen hart te richten; of
+ doordat hij, gelijk Seneca, op bevel van een tyran
+ gedwongen wordt zichzelf de slagaderen te openen en
+ daarmede wenscht een grooter kwaad door een kleiner te
+ vermijden; of tenslotte, doordat verborgen uitwendige
+ oorzaken zoodanig op zijn verbeelding en lichaam
+ inwerken, dat dit laatste een anderen aard, tegengesteld
+ aan zijn vroegeren, verkrijgt, welks voorstelling in den
+ Geest niet kan bestaan (<i>vlg. <a href="#d3s10">St. X D. III</a></i>). Dat echter
+ de mensch krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard
+ er naar zou streven n&igrave;et te bestaan of een anderen
+ [bestaans] vorm aan te nemen, is even onmogelijk als dat
+ uit niets iets ontstaat, gelijk een ieder bij eenig
+ nadenken zal inzien.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s21">
+<p><i>Stelling XXI.</i></p>
+
+<p>Niemand kan begeeren gelukkig te zijn, goed te handelen en goed
+te leven, zonder tevens te begeeren te zijn, te handelen en te
+leven, d.w.z. te bestaan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het bewijs dezer stelling, of liever de zaak zelf, is
+vanzelfsprekend en blijkt ook uit de Definitie der Begeerte.
+Immers de Begeerte om gelukkig of goed te leven, te handelen
+enz., is (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>) 's menschen wezen zelf,
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) het streven, krachtens hetwelk
+ieder zijn bestaan tracht te handhaven. Derhalve kan niemand
+begeeren enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s22">
+<p><i>Stelling XXII.</i></p>
+
+<p>Er is geen Deugd denkbaar, welke hierbij (namelijk aan het
+streven om zichzelf te handhaven) zou
+v&oacute;&oacute;rgaan<a id="aantag69" href="#aanteken69">[A69]</a>.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het streven om zichzelf te handhaven is het wezen zelf van ieder
+ding (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>). Indien er dus een of andere Deugd
+denkbaar ware, welke v&oacute;&oacute;rging bij deze, d.w.z. bij dit streven
+[zoodat dit uit die andere deugd zou moeten worden afgeleid],
+ware derhalve (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. D.</a></i>) het wezen van iets
+als voorafgaande aan zichzelf gedacht, wat (<i>gelijk vanzelf
+spreekt</i>) ongerijmd is. Derhalve is er geen Deugd enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d4s22g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Het streven om zichzelf te handhaven is de
+ eerste en eenigste grondslag der Deugd. Immers er is
+ (<i>vlg. <a href="#d4s22">voorgaande St.</a></i>) niets denkbaar, dat aan dit
+ beginsel kan vooraf gaan en zonder ditzelfde beginsel is
+ (<i>vlg. <a href="#d4s21">St. XXI v.d. D.</a></i>) evenmin eenige andere Deugd
+ denkbaar.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s23">
+<p><i>Stelling XXIII.</i></p>
+
+<p>Voorzoover de mensch tot eenige daad gedreven wordt, doordat hij
+inadaequate voorstellingen heeft, lijdt hij (<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I D. III</a></i>)
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3d1">Definities I</a> en
+<a href="#d3d2">II D. III</a></i>), doet hij iets dat niet
+uit zijn wezen alleen kan worden afgeleid, d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. D.</a></i>), iets dat niet uitsluitend uit zijn
+eigen Deugd [kracht, wezen] voortvloeit. Voorzoover hij echter
+tot eenige daad gedreven wordt, doordat hij iets werkelijk
+begrijpt, <i>handelt</i> hij (<i>vlg. <a href="#d3s1">dezelfde St. I D. III</a></i>), d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d3d2">Def. II D. III</a></i>), doet hij iets dat w&egrave;l uit zijn eigen
+wezen kan worden verklaard, of dat (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d.
+D.</a></i>) adaequaat uit zijn eigen Deugd voortvloeit. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s24">
+<p><i>Stelling XXIV.</i></p>
+
+<p>Geheel krachtens eigen Deugd handelen, is voor ons niets anders
+dan onder leiding der Rede handelen, leven, ons bestaan handhaven
+(deze drie uitdrukkingen beteekenen hetzelfde), met de bedoeling
+ons eigen belang te bevorderen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Geheel krachtens eigen Deugd handelen is (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII
+v.d. D.</a></i>) niets anders dan handelen krachtens de wetten van onzen
+eigen aard. Wij handelen echter alleen voorzoover wij iets
+begrijpen (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>). Derhalve is krachtens eigen
+Deugd handelen, voor ons niets anders dan onder leiding der Rede
+handelen, leven, ons bestaan handhaven, en dat wel (<i>vlg. <a href="#d4s22g">Gevolg
+St. XXII v.d. D.</a></i>) met de bedoeling ons eigen belang te
+bevorderen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s25">
+<p><i>Stelling XXV.</i></p>
+
+<p>Niemand tracht zijn wezen in stand te houden terwille van iets
+anders.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het streven, waarmede elk ding in zijn bestaan tracht te
+volharden, wordt alleen door het wezen der zaak zelf bepaald
+(<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) en wanneer dit slechts gegeven is, volgt
+(<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI D. III</a></i>) reeds noodzakelijk hieruit, en geenszins
+uit het wezen van iets anders, dat elkeen tracht zijn bestaan te
+handhaven. Bovendien blijkt deze stelling uit <a href="#d4s22g">het Gevolg van
+Stelling XXII van dit Deel</a>. Immers, indien de mensch, terwille
+van iets anders, zijn bestaan trachtte te handhaven, zou deze
+andere zaak het eerste [fundamenteele] beginsel der Deugd zijn
+(<i>gelijk vanzelf spreekt</i>), hetgeen (<i>vlg. <a href="#d4s22g">voornoemd Gevolg</a></i>)
+ongerijmd is. Derhalve tracht niemand zijn wezen enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s26">
+<p><i>Stelling XXVI.</i></p>
+
+<p>Datgene, waarnaar wij krachtens de Rede streven, is niets anders
+dan begrip; voorzoover de Geest zich van de Rede bedient, houdt
+hij alleen dat voor nuttig, wat tot begrip leidt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p><span id="d4s26b_1">Het streven om zichzelf te handhaven is (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>)
+niets anders dan het wezen van elk ding, aan hetwelk men,
+voorzoover het als zoodanig bestaat, ook de kracht moet toekennen
+om in zijn bestaan te volharden (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI D. III</a></i>) en datgene
+te doen wat uit zijn gegeven aard noodzakelijk voortvloeit (<i>zie
+<a href="#d3s9o_2">Definitie van den Drang</a> in Opmerking St. IX D. III</i>).</span> Doch het
+wezen der Rede is niets anders dan onze Geest zelf, voorzoover
+hij helder en duidelijk begrijpt (<i>zie <a href="#d2s40o2_3">haar Definitie in
+Opmerking II St. XL D. II</a></i>). Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d2s40">St. XL D. II</a></i>)
+datgene, naar hetwelk wij krachtens de Rede streven, niets anders
+dan begrip. Waar voorts dit streven van den Geest, waardoor hij,
+voorzoover hij redeneert [redelijk denkt], tracht zijn wezen te
+handhaven, niets anders is dan begrijpen (<i>vlg. <a href="#d4s26b_1">het eerste
+gedeelte van dit bewijs</a></i>), is ook dit streven naar begrip (<i>vlg.
+<a href="#d4s22g">Gevolg St. XXII v.d. D.</a></i>) de eerste en eenige grondslag der
+Deugd. Wij zullen dan ook (<i>vlg. <a href="#d4s25">St. XXV v.d. D.</a></i>) niet terwille
+van een of ander doel er naar streven de dingen te begrijpen.
+Integendeel, voorzoover hij redelijk denkt, kan de Geest niets
+voor goed houden dan alleen wat tot begrip leidt (<i>vlg. <a href="#d4d1">Definitie
+I v.d. D.</a></i>). H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s27">
+<p><i>Stelling XXVII.</i></p>
+
+<p>Van niets weten wij met zekerheid dat het goed of kwaad is, dan
+van datgene wat inderdaad tot begrip leidt, of wat ons begrip kan
+belemmeren.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Voorzoover hij redelijk denkt, verlangt de Geest niets anders dan
+begrijpen en houdt hij niets anders voor nuttig dan datgene, wat
+tot begrip leidt (<i>vlg. <a href="#d4s26">voorgaande St.</a></i>). Maar de Geest heeft
+(<i>vlg. <a href="#d2s41">St. XLI</a> en <a href="#d2s43">XLIII D. II</a>;
+zie ook <a href="#d2s43o">de Opmerking daarbij</a></i>)
+geenerlei zekerheid omtrent de dingen, dan voorzoover hij
+adaequate voorstellingen heeft, ofwel (<i>wat vlg. <a href="#d2s40o2_3">Opmerking St. XL
+D. II</a> hetzelfde is</i>) voorzoover hij redelijk denkt. Derhalve
+weten wij van niets met zekerheid dat het goed is, dan van
+datgene, wat inderdaad tot begrip leidt, en omgekeerd dat het
+kwaad is, dan van datgene wat ons begrip kan belemmeren. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s28">
+<p><i>Stelling XXVIII.</i></p>
+
+<p>Het hoogste goed voor den Geest is de kennis van God en de
+hoogste Deugd des Geestes is God kennen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het hoogste wat de Geest begrijpen kan is God, d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d1d6">Definitie VI D. I</a></i>) het volstrekt oneindige wezen, zonder hetwelk
+(<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a></i>) niets bestaanbaar, noch denkbaar is.
+Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI</a> en
+<a href="#d4s27">XXVII v.d. D.</a></i>) het hoogste
+belang, ofwel (<i>vlg. <a href="#d4d1">Definitie I v.d. D</a>.</i>) het hoogste goed voor
+den Geest, de kennis van God. Verder handelt de Geest alleen
+(<i>vlg. <a href="#d3s1">St. I</a> en
+<a href="#d3s3">III D. III</a></i>) voorzoover hij begrijpt en alleen
+inzoover ook kan men (<i>vlg. <a href="#d4s23">St. XXIII v.d. D.</a></i>) onvoorwaardelijk
+van hem zeggen, dat hij krachtens eigen Deugd handelt. Begrijpen
+is dus de uitsluitende Deugd des Geestes. Het hoogste evenwel wat
+de Geest begrijpen kan is God (<i>gelijk wij reeds hebben
+aangetoond</i>). Derhalve is het de hoogste Deugd des Geestes Gods
+te begrijpen of te kennen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s29">
+<p><i>Stelling XXIX.</i></p>
+
+<p>Een of ander bijzonder ding, welks aard geheel verschillend is
+van de onze, kan ons vermogen tot handelen noch bevorderen noch
+belemmeren. Trouwens in het algemeen kan niets goed of kwaad voor
+ons zijn als het niet iets met ons gemeen heeft.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Van elk bijzonder ding en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d2s10g">Gevolg St. X D. II</a></i>)
+ook van den mensch, wordt het vermogen, waardoor het bestaat en
+werkt uitsluitend bepaald door een ander bijzonder ding (<i>vlg.
+<a href="#d1s28">St. XXVIII D. I</a></i>) welks aard
+(<i>vlg. <a href="#d2s6">St. VI D. II</a></i>) uit hetzelfde
+attribuut moet kunnen worden afgeleid als de menschelijke aard.
+Ons eigen vermogen tot handelen, hoe ook opgevat, kan dus alleen
+bepaald, en bijgevolg bevorderd of belemmerd worden, door de
+macht van eenig ander bijzonder ding, dat iets met ons gemeen
+heeft, doch niet door de macht van iets, welks aard geheel van de
+onze verschilt. Aangezien wij nu (<i>vlg. <a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>)
+datgene goed of kwaad noemen, wat oorzaak is van Blijheid of
+Droefheid, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI D. III</a></i>) wat ons
+vermogen tot handelen vermeerdert of vermindert, bevordert of
+belemmert, kan dus een ding, welks aard geheel en al van de onze
+verschilt, voor ons ook niet goed of kwaad zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s30">
+<p><i>Stelling XXX.</i></p>
+
+<p>Geen ding kan, door wat het met onzen aard gemeen heeft, slecht
+voor ons zijn. Voorzoover iets slecht voor ons is, is het met
+onzen aard in strijd.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Slecht noemen wij datgene, wat oorzaak is van Droefheid (<i>vlg.
+<a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>),
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11o_2">de Definitie daarvan</a>, welke men
+vindt in Opmerking St. XI D. III</i>), wat ons vermogen tot handelen
+vermindert of belemmert. Indien dus eenig ding, door wat het met
+ons gemeen heeft, slecht voor ons was, zou het dus juist datgene,
+wat het met ons gemeen had, kunnen verminderen of belemmeren,
+hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s4">St. IV D. III</a></i>) ongerijmd is. Geen ding kan dus
+door datgene, wat het met ons gemeen heeft, slecht voor ons zijn;
+maar omgekeerd, voorzoover iets slecht is, d.w.z. (<i>gelijk reeds
+werd aangetoond</i>) voorzoover het ons vermogen tot handelen kan
+verminderen of belemmeren, is het (<i>vlg. <a href="#d3s5">St. V D. III</a></i>) met onzen
+aard in strijd. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s31">
+<p><i>Stelling XXXI.</i></p>
+
+<p>Voorzoover eenig ding met onzen aard overeenkomt, is het
+noodzakelijk goed.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers voorzoover eenig ding met onzen aard overeenkomt kan het
+(<i>vlg. <a href="#d4s30">voorgaande St.</a></i>) niet slecht zijn. Het zal dus
+noodzakelijk &ograve;f goed &ograve;f onverschillig zijn. Gesteld dit laatste
+ware het geval, namelijk dat het noch goed noch kwaad was, dan
+zou er dus (<i>vlg. <a href="#d4d1">Definitie I v.d. D.</a></i>) niets uit zijn aard
+voortvloeien, dat tot instandhouding van &ograve;nzen aard strekte. Dit
+echter is (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI D. III</a></i>) ongerijmd; het moet dus,
+voorzoover het met onzen aard overeenkomt, noodzakelijk goed
+zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d4s31g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat hoe meer eenig ding met onzen
+ aard overeenkomt, hoe nuttiger of hoe beter het voor ons
+ is, en omgekeerd, hoe nuttiger iets voor ons is, hoe meer
+ het met onzen aard overeenkomt. Immers voorzoover het
+ niet met onzen aard overeenkomt zal het noodzakelijk
+ ervan verschillen of er mede in strijd zijn. Indien het
+ ervan verschilt, zal het (<i>vlg. <a href="#d4s29">St. XXIX v.d. D.</a></i>) noch
+ goed noch kwaad kunnen zijn; is het er echter mede in
+ strijd, dan zal het dus ook in strijd zijn met datgene
+ wat met onzen aard overeenkomt, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s31">voorgaande
+ St.</a></i>) in strijd met wat goed is, en dus zelf slecht.
+ Niets kan dus goed zijn, dan alleen voorzoover het met
+ onzen aard overeenkomt, en derhalve, hoe meer eenig ding
+ met onzen aard overeenkomt, hoe nuttiger het is, en
+ omgekeerd. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXXII.</i></p>
+
+<p>Voorzoover de menschen aan lijdingen onderworpen zijn kan men
+niet van hen zeggen dat zij van nature overeenkomen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wat men van nature overeenkomend noemt, beschouwt men als
+overeenkomend in vermogen (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>), niet echter in
+onvermogen of iets negatiefs, en bijgevolg (<i>zie <a href="#d3s3o">Opmerking St.
+III D. III</a></i>) ook niet in lijding; zoodat men van de menschen,
+voorzoover zij aan lijdingen onderworpen zijn, ook niet zeggen
+kan, dat zij van nature overeenkomen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Dit is ook vanzelf duidelijk. Immers wie
+ zegt, dat wit en zwart alleen d&aacute;&aacute;rin overeenkomen, dat
+ geen van beide rood zijn, bevestigt hiermede volkomen dat
+ wit en zwart in geen enkel opzicht overeenkomen. En
+ evenzoo, wie beweert, dat een steen en een mensch alleen
+ d&aacute;&aacute;rin overeenkomen, dat zij beide begrensd en machteloos
+ zijn, of dat zij niet krachtens de noodwendigheid van hun
+ eigen aard bestaan, of eindelijk dat hun vermogen door
+ dat van uitwendige oorzaken verre wordt overtroffen, die
+ erkent hiermede volkomen, dat een steen en een mensch in
+ geen enkel opzicht overeenkomen. Immers zaken, welke
+ alleen in iets negatiefs of in datgene wat hen n&igrave;et eigen
+ is, overeenkomen, komen in werkelijkheid in geen enkel
+ opzicht overeen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s33">
+<p><i>Stelling XXXIII.</i></p>
+
+<p>De menschen kunnen van nature verschillen voorzoover zij door
+aandoeningen, welke lijdingen zijn, getroffen worden; in zoover
+is zelfs &eacute;&eacute;n en dezelfde mensch veranderlijk en onstandvastig.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De aard of het wezen der aandoeningen kan niet uit ons wezen of
+onzen aard alleen worden verklaard (<i>vlg. <a href="#d3d1">Definities I</a> en <a href="#d3d2">II D.
+III</a></i>) doch moet worden bepaald door de macht, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St.
+VII D. III</a></i>) door den aard der uitwendige dingen, in verhouding
+tot de onze. Vandaar dat er van elke aandoening evenveel soorten
+zijn als er soorten van voorwerpen, welke op ons inwerken,
+bestaan (<i>zie <a href="#d3s56">St. LVI D. III</a></i>)
+en dat de menschen van &eacute;&eacute;n en
+hetzelfde voorwerp verschillende inwerkingen ondergaan (<i>zie <a href="#d3s51">St.
+LI D. III</a></i>) en inzoover van nature verschillen, terwijl tenslotte
+(<i>vlg. <a href="#d3s51">dezelfde St. LI D. III</a></i>)
+&eacute;&eacute;n en dezelfde mensch door
+hetzelfde voorwerp op verschillende wijze wordt aangedaan en dus
+in zoover veranderlijk is enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s34">
+<p><i>Stelling XXXIV.</i></p>
+
+<p>Voorzoover de menschen door aandoeningen, welke lijdingen zijn,
+getroffen worden, kunnen zij tegenover elkaar staan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een zeker mensch, bijvoorbeeld Petrus, kan oorzaak zijn dat
+Paulus zich bedroeft, doordat hij iets heeft, dat gelijkt op iets
+wat Petrus haat (<i>vlg. <a href="#d3s16">St. XVI D. III</a></i>) of omdat Petrus alleen in
+het bezit is van iets, dat ook Paulus liefheeft (<i>zie <a href="#d3s32">St. XXXII</a>
+en <a href="#d3s32o">Opmerking D. III</a></i>), of om andere redenen (<i>waarvan men de
+voornaamste kan vinden in <a href="#d3s55o">de Opmerking bij St. LV D. III</a></i>). Het
+kan dus voorkomen (<i>vlg. <a href="#d3n7">Definitie VII der Aand.</a></i>) dat Paulus om
+&eacute;&eacute;n dezer redenen haat koestert jegens Petrus en bijgevolg kan
+het ook licht gebeuren (<i>vlg. <a href="#d3s40">St. XL</a>
+en <a href="#d3s40o">Opmerking D. III</a></i>), dat
+omgekeerd Petrus haat gevoelt jegens Paulus, en dat zij daarom
+(<i>vlg. <a href="#d3s39">St. XXXIX D. III</a></i>) zullen trachten elkaar kwaad te
+berokkenen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s30">St. XXX v.d. D.</a></i>) dat zij tegenover
+elkaar staan. Nu is echter een aandoening van Droefheid steeds
+een lijding (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>); derhalve kunnen menschen,
+voorzoover zij getroffen worden door aandoeningen welke lijdingen
+zijn, tegenover elkaar staan.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Ik heb gezegd, dat Paulus haat koestert
+ jegens Petrus, omdat hij zich voorstelde, dat deze iets
+ bezit wat Paulus zelf eveneens liefheeft. Op het eerste
+ gezicht schijnt hieruit te volgen, dat deze beiden, omdat
+ zij hetzelfde lief hebben en bijgevolg, omdat zij van
+ nature overeenkomen, elkaar kwaad berokkenen en dat
+ dientengevolge als dit waar is,
+ <a href="#d4s30">de Stellingen XXX</a> en <a href="#d4s31">XXXI
+ van dit Deel</a> valsch zouden zijn. Maar wanneer wij deze
+ zaak nauwkeuriger overwegen, zullen wij bevinden dat dit
+ alles in volkomen overeenstemming is. Want deze beiden
+ zijn elkaar niet tot last voorzoover zij van nature
+ overeenkomen, d.w.z. voorzoover zij beiden hetzelfde
+ liefhebben, maar juist voorzoover zij van elkaar
+ verschillen. Immers voorzoover beiden hetzelfde
+ liefhebben, wordt hierdoor beider liefde aangewakkerd
+ (<i>vlg. <a href="#d3s31">St. XXXI D. III</a></i>)
+ d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n6">Definitie VI der
+ Aand.</a></i>) beider Blijheid versterkt, zoodat het er verre
+ vandaan is, dat zij elkaar tot last zouden zijn
+ voorzoover zij hetzelfde liefhebben en van nature
+ overeenkomen. De reden hiervan is integendeel, gelijk ik
+ reeds zeide, geen andere dan dat zij, naar werd
+ ondersteld, juist van nature verschillen. Wij nemen toch
+ immers aan, dat Petrus een voorstelling heeft van een
+ geliefd voorwerp, dat reeds in zijn bezit is, Paulus
+ daarentegen van een dat hij mist. Vandaar dat d&eacute;ze
+ Droefheid, gene daarentegen Blijheid gevoelt en dat zij
+ in zoover tegenover elkaar staan. Op deze wijze nu kunnen
+ wij gemakkelijk aantoonen, dat ook de overige
+ aanleidingen tot haat alleen daarvan afhangen, dat
+ menschen van nature verschillen en niet van datgene
+ waarin zij overeenkomen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s35">
+<p><i>Stelling XXXV.</i></p>
+
+<p>Alleen voorzoover de menschen leven volgens leiding der Rede,
+komen zij steeds en noodzakelijk van nature overeen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Voorzoover de menschen door aandoeningen welke lijdingen zijn
+getroffen worden, kunnen zij van nature verschillen (<i>vlg. <a href="#d4s33">St.
+XXXIII v.d. D.</a></i>) en tegenover elkaar staan (<i>vlg. <a href="#d4s34">voorgaande
+St.</a></i>). Maar men kan alleen zeggen, dat de menschen <i>handelen</i>
+voorzoover zij leven volgens leiding der Rede (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D.
+III</a></i>); en daarom moet al wat voortvloeit uit den menschelijken
+aard, voorzoover deze door de Rede bepaald wordt, (<i>vlg.
+<a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>) uitsluitend uit dien menschelijken aard als
+naaste oorzaak worden verklaard. Aangezien evenwel ieder
+krachtens de wetten van zijn eigen aard tracht te verkrijgen, wat
+hij voor goed en te verwijderen wat hij voor kwaad houdt (<i>vlg.
+<a href="#d4s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) en bovendien dat, wat wij op gezag der Rede
+voor goed of kwaad houden, ook noodzakelijk goed of kwaad &igrave;s
+(<i>vlg. <a href="#d2s41">St. XLI D. II</a></i>) doen dus de menschen, voorzoover zij onder
+leiding der Rede leven, noodzakelijk alleen zulke dingen, welke
+voor den menschelijken aard, en bijgevolg voor ieder mensch,
+noodzakelijk goed zijn, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s31g">Gevolg St. XXXI v.d. D.</a></i>)
+welke met den aard van ieder mensch overeenkomen; zoodat de
+menschen, voorzoover zij volgens leiding der Rede leven, steeds
+noodzakelijk met elkaar in overeenstemming zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d4s35g1">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Er bestaat in de wereld der dingen geen enkel
+ bijzonder ding, dat voor den mensch nuttiger is dan een
+ mensch, die volgens leiding der Rede leeft. Want datgene
+ is (<i>vlg. <a href="#d4s31g">Gevolg St. XXXI v.d. D.</a></i>) het allernuttigste
+ voor den mensch, wat het meest met zijn aard overeenkomt,
+ d.w.z. (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) de mensch. Maar de
+ mensch handelt geheel en al krachtens de wetten van zijn
+ aard, wanneer hij volgens leiding der Rede leeft (<i>vlg.
+ <a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>), en slechts inzoover is hij steeds
+ en noodzakelijk met den aard van andere menschen in
+ overeenstemming (<i>vlg. <a href="#d4s35">voorgaande St.</a></i>). Derhalve bestaat
+ er voor den mensch onder alle bijzondere dingen niets
+ nuttigers dan de mensch enz. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Wanneer ieder mensch het meest zijn eigen
+ belang zoekt, zijn de menschen het nuttigst voor elkaar.
+ Want hoemeer ieder zijn eigen belang zoekt en zichzelf
+ tracht te handhaven, hoe deugdzamer is hij (<i>vlg. <a href="#d4s20">St. XX
+ v.d. D.</a></i>), of wat hetzelfde is (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d.
+ D.</a></i>), hoe grooter is zijn vermogen om krachtens de wetten
+ van zijn aard te handelen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>)
+ om te leven volgens leiding der Rede. Maar de menschen
+ stemmen d&agrave;n het meest van nature overeen, wanneer zij
+ volgens leiding der Rede leven (<i>vlg. <a href="#d4s35">voorgaande St.</a></i>).
+ Derhalve zullen (<i>vlg. <a href="#d4s35g1">voorgaand Gevolg</a></i>) de menschen d&agrave;n
+ het nuttigst voor elkaar zijn, wanneer elk het allermeest
+ zijn eigen belang zoekt. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s35o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wat wij hier aantoonden bevestigt ook de
+ ervaring zelf dagelijks met zoovele en zoo glasheldere
+ voorbeelden, dat het haast elkeen in den mond ligt dat:
+ de mensch des menschen god is. Nochtans komt het zelden
+ voor dat de menschen volgens leiding der Rede leven, maar
+ meestal is het z&oacute;&oacute; met hen gesteld, dat zij elkaar
+ benijden en onderling hinderen. Niettemin kunnen zij een
+ eenzaam leven niet goed verdragen, zoodat den meesten de
+ definitie, volgens welke de mensch een sociaal dier is,
+ ten zeerste toelacht; en inderdaad is het een feit, dat
+ uit het gemeenschapsleven der menschen veel meer
+ v&oacute;&oacute;rdeelen dan nadeelen voortvloeien. Mogen dus de
+ hekelaars, zooveel het hen behaagt, het menschelijk doen
+ en laten bespotten, mogen de godgeleerden het verfoeien
+ en mogen de zwartgalligen, zooveel zij kunnen,
+ onbeschaafdheid en het boersche leven loven, de menschen
+ verachten en de beesten bewonderen; zij zullen nochtans
+ de ervaring opdoen, dat de menschen door onderlinge hulp
+ zich het gemakkelijkst al wat zij noodig hebben kunnen
+ verschaffen en niet dan met vereende krachten de gevaren,
+ welke overal dreigen, kunnen ontwijken; om nog ervan te
+ zwijgen dat het veel voortreffelijker en onzen weetlust
+ veel waardiger is, onze aandacht te wijden aan het leven
+ der menschen dan aan dat der dieren. Doch hierover elders
+ uitvoeriger.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s36">
+<p><i>Stelling XXXVI.</i></p>
+
+<p>Het hoogste Goed voor hen die de Deugd volgen, is allen gemeen en
+allen kunnen er zich gelijkelijk in verheugen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Uit Deugd handelen is volgens leiding der Rede handelen (<i>vlg.
+<a href="#d4s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>) en het eenige, waarnaar wij op bevel der Rede
+streven, is begrijpen (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>). Derhalve is
+(<i>vlg. <a href="#d4s28">St. XXVIII v.d. D.</a></i>) het hoogste Goed voor hen die de
+Deugd volgen: God te kennen, d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d2s47">St. XLVII</a> en <a href="#d2s47o">Opmerking
+D. II</a></i>) een goed dat allen menschen gemeen is en dat alle
+menschen, voorzoover zij van denzelfden aard z&igrave;jn, gelijkelijk
+kunnen bezitten.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Indien nu echter de een of ander vraagt, of
+ misschien het hoogste Goed voor hen, die de Deugd volgen,
+ ook n&igrave;et aan allen gemeen zou kunnen zijn, en of dan niet
+ daaruit, evenals hierboven (<i>zie <a href="#d4s34">St. XXXIV v.d. D.</a></i>) zou
+ volgen dat menschen, die volgens leiding der Rede leven,
+ d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s35">St. XXXV v.d. D.</a></i>) menschen voorzoover zij
+ van nature overeenkomen, toch tegenover elkaar konden
+ staan, dan zou ik diegenen ten antwoord geven, dat het
+ niet toevallig is, maar uit den aard der Rede zelf
+ voortvloeit, dat het hoogste Goed des menschen allen
+ gemeen is; wijl het toch immers uit het menschelijke
+ wezen zelf, voorzoover dit door de Rede bepaald is, wordt
+ afgeleid en wijl de mensch noch bestaanbaar noch denkbaar
+ zou zijn als hij niet het vermogen bezat zich in dat
+ hoogste Goed te verheugen. Immers het behoort (<i>vlg. <a href="#d2s47">St.
+ XLVII D. II</a></i>) tot het wezen van den menschelijken Geest
+ een adaequate kennis te hebben van het eeuwige en
+ oneindige wezen Gods.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s37">
+<p><i>Stelling XXXVII.</i></p>
+
+<p>Het Goed, dat elk die de Deugd volgt, voor zichzelf begeert, zal
+hij ook den overigen menschen toewenschen en dat temeer, naarmate
+hij grooter kennis van God heeft.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Voorzoover zij volgens leiding der Rede leven, zijn menschen den
+mensch het nuttigst (<i>vlg. <a href="#d4s35g1">Gevolg I St. XXXV v.d. D.</a></i>) en wij
+zullen derhalve (<i>vlg. <a href="#d4s19">St. XIX v.d. D.</a></i>) krachtens dit leiding
+der Rede noodzakelijk trachten te bewerken dat ook andere
+menschen volgens leiding der Rede leven. Het Goed evenwel, dat
+elk, die volgens de voorschriften der Rede leeft, d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d4s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>) die de Deugd volgt, voor zichzelf begeert, is
+"begrijpen" (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>). Derhalve wenscht ieder die
+de Deugd volgt, het Goed dat hij voor zichzelf begeert, ook
+anderen toe. Voorts is de Begeerte, voorzoover zij op den Geest
+betrekking heeft, het wezen van den Geest zelf (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I
+der Aand.</a></i>). Het wezen van den Geest echter bestaat in kennis
+(<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI D. II</a></i>), welke de kennis van God in zich sluit
+(<i>vlg. <a href="#d2s47">St. XLVII D. II</a></i>) en
+zonder welke hij (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a></i>)
+noch bestaanbaar noch denkbaar is. Derhalve: hoe grooter kennis
+van God het wezen des Geestes in zich sluit, hoe sterker ook de
+Begeerte zal zijn, waarmede hij, die de Deugd volgt, het Goed dat
+hij voor zichzelf verlangt, anderen toewenscht. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+<div class="anders" id="d4s37b2">
+<p><i>Anders.</i></p>
+
+<p>Het Goed, dat een mensch voor zichzelf begeert en liefheeft, zal
+hij te standvastiger liefhebben, wanneer hij ziet dat anderen het
+eveneens liefhebben (<i>vlg. <a href="#d3s31">St. XXXI D. III</a></i>). Hij zal er dus
+(<i>vlg. <a href="#d3s31g">Gevolg zelfde St.</a></i>) naar streven, dat anderen het ook
+liefhebben, en wijl dit Goed (<i>vlg. <a href="#d4s36">voorgaande St.</a></i>) allen gemeen
+is en allen er zich in kunnen verheugen, zal hij dus (<i>om
+dezelfde reden</i>) er naar streven, dat allen er zich inderdaad in
+verheugen, en dat wel te meer (<i>vlg. <a href="#d3s37">St. XXXVII D. III</a></i>),
+naarmate hijzelf meer van dit Goed geniet. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s37o1">
+ <p><i>Opmerking I:</i> Wie alleen op grond van een
+ gemoedsaandoening [bv. eigenzinnigheid, ijdelheid] er
+ naar streeft dat anderen liefhebben wat hijzelf liefheeft
+ en dat anderen naar z&igrave;jn zin leven, handelt alleen uit
+ aandrift en maakt zich daardoor gehaat, vooral bij hen
+ die behagen scheppen in andere dingen en die zich
+ dientengevolge beijveren en met denzelfden hartstocht er
+ naar streven, dat anderen juist naar h&ugrave;n zin leven
+ zullen. Aangezien voorts het hoogste goed waarnaar de
+ menschen uit gemoedsaandrang streven, dikwijls van dien
+ aard is dat slechts &eacute;&eacute;n mensch het bezitten kan, is
+ hiervan het gevolg dat lieden, die op deze wijze iets
+ liefhebben, het niet met zichzelf eens zijn en, terwijl
+ zij blijde den lof zingen van hetgeen zij liefhebben,
+ nochtans vreezen dat men hen zal gelooven. Wie er evenwel
+ naar streeft anderen door de Rede te leiden, handelt niet
+ uit hartstocht, doch humaan en welwillend en is het
+ volkomen met zichzelf eens. Al wat wij wenschen en doen
+ en waarvan wij zelf oorzaak zijn voorzoover wij een
+ voorstelling van God hebben, of voorzoover wij God
+ kennen, reken ik tot den godsdienst. De Begeerte om wel
+ te doen daarentegen, welke ontspringt uit het feit dat
+ wij volgens de Rede leven, noem ik <i>Rechtschapenheid</i>
+ [vroomheid]. De Begeerte welke den mensch, die volgens
+ leiding der Rede leeft, er toe drijft zich anderen tot
+ vriend te maken, noem ik vervolgens <i>Eerbaarheid</i> en
+ <i>eerbaar</i> datgene wat lieden die volgens leiding der Rede
+ leven prijzen, <span id="d4s37o1_"><i>schandelijk</i> daarentegen, wat van het
+ opvatten van vriendschap afschrikt.</span> Wat, behalve deze
+ zaken, de grondslagen van den staat zijn, heb ik reeds
+ aangetoond. Wat verder het verschil is tusschen
+ waarachtige Deugd en machteloosheid, is gemakkelijk uit
+ het hierboven gezegde op te maken. De ware Deugd is
+ namelijk niets anders dan leven alleen volgens leiding
+ der Rede, en machteloosheid bestaat dus alleen hierin dat
+ de mensch zich door dingen buiten hem laat leiden en door
+ hen genoopt wordt tot handelingen, welke door de
+ algemeene uitwendige omstandigheden, niet echter door
+ zijn eigen aard op zichzelf beschouwd, ge&euml;ischt worden.</p>
+
+ <p>Dit nu is het wat ik in <a href="#d4s18o">de Opmerking bij Stelling XVIII
+ van dit Deel</a> beloofde te behandelen. Er blijkt [ook] uit
+ dat [bijvoorbeeld] het verbod om dieren te slachten meer
+ op ijdel bijgeloof en vrouwelijke weekhartigheid, dan op
+ gezond verstand berust. Het beginsel, dat wij ons eigen
+ belang moeten zoeken, leert ons weliswaar in vriendschap
+ te leven met menschen, niet echter met dieren of dingen
+ welker aard van den menschelijken aard verschilt.
+ Integendeel, hetzelfde recht dat zij tegenover ons
+ hebben, bezitten wij tegenover hen. Jazelfs, waar elks
+ recht door elks Deugd of Macht bepaald wordt, hebben de
+ menschen veel meer recht tegenover de dieren, dan deze
+ tegenover de menschen. Ik ontken hiermede volstrekt niet
+ dat de dieren gevoel hebben, maar wel ontken ik, dat het
+ ons daarom niet zou vrij staan met ons belang te rade te
+ gaan en hen naar willekeur te gebruiken en te behandelen
+ zooals het ons het best past, aangezien zij toch van
+ nature niet met ons overeenkomen, doch hun aandoeningen
+ van nature verschillen van de menschelijke (<i>zie
+ <a href="#d3s57o">Opmerking St. LVII D. III</a></i>).</p>
+
+ <p>Er rest mij thans nog uiteen te zetten wat recht, wat
+ onrecht, wat zonde en tenslotte wat verdienste is. Zie
+ hierover echter de volgende Opmerking.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s37o2">
+ <p><i>Opmerking II:</i> In <a href="#d1n">het Aanhangsel van het Eerste Deel</a>
+ beloofde ik uiteen te zullen zetten wat lof en blaam,
+ verdienste en zonde, recht en onrecht zijn. Wat nu lof en
+ blaam betreft: deze heb ik reeds in <a href="#d3s29o">de Opmerking bij
+ Stelling XXIX Deel III</a> behandeld; voor de overige
+ begrippen is het hier de plaats om ze te bespreken.
+ Vooraf echter moet ik enkele opmerkingen maken omtrent
+ den natuurlijken en den maatschappelijken staat des
+ menschen.</p>
+
+ <p>Ieder mensch bestaat krachtens hoogste, natuurlijk recht
+ en bij gevolg doet elkeen krachtens dit hoogste
+ natuurlijke recht datgene, wat noodwendig uit zijn aard
+ voortvloeit, zoodat ook elkeen krachtens hoogste
+ natuurlijk recht uitmaakt wat [voor hem] goed of kwaad
+ is, volgens eigen inzicht zijn eigen belang behartigt
+ (<i>zie <a href="#d4s19">St. XIX</a> en
+ <a href="#d4s20">XX v.d. D.</a></i>), zichzelf wreekt (<i>zie
+ <a href="#d3s40g2">Gevolg II St. XL D. III</a></i>), dat wat hij liefheeft tracht
+ in stand te houden en wat hij haat tracht te vernietigen,
+ (<i>zie <a href="#d3s28">St. XXVIII D. III</a></i>). Indien nu slechts de menschen
+ volgens leiding der Rede leefden, zou elkeen (<i>vlg.
+ <a href="#d4s35g1">Gevolg I St. XXXV v.d. D.</a></i>) dit zijn hoogste recht
+ uitoefenen zonder eenig nadeel voor een ander. Maar
+ aangezien de menschen aan aandoeningen onderworpen zijn
+ (<i>vlg. <a href="#d4s4g">Gevolg St. IV v.d. D.</a></i>)
+ welke (<i>vlg. <a href="#d4s6">St. VI v.d.
+ D.</a></i>), de menschelijke kracht of Deugd verre te boven
+ gaan, worden zij naar verschillende kanten getrokken
+ (<i>vlg. <a href="#d4s33">St. XXXIII v.d. D.</a></i>) en komen zij met elkaar in
+ strijd (<i>vlg. <a href="#d4s34">St. XXXIV v.d. D.</a></i>), terwijl zij toch
+ elkaars wederzijdsche hulp behoeven (<i>vlg. <a href="#d4s35o">Opmerking St.
+ XXXV v.d. D.</a></i>). Opdat dus de menschen eendrachtig kunnen
+ leven en elkander tot steun zijn, is het noodzakelijk dat
+ zij van hun natuurlijk recht afstand doen en elkaar
+ wederkeerig de zekerheid verschaffen, dat zij niets
+ zullen doen wat tot eens anders nadeel kan strekken. Hoe
+ dit nu mogelijk is, namelijk dat menschen die (<i>vlg.
+ <a href="#d4s4g">Gevolg St. IV v.d. D.</a></i>) noodzakelijk aan aandoeningen
+ onderhevig, en (<i>vlg. <a href="#d4s33">St. XXXIII v.d. D.</a></i>) onstandvastig
+ en veranderlijk zijn, elkaar toch die zekerheid kunnen
+ geven en op elkaar kunnen vertrouwen, blijkt uit <a href="#d4s7">Stelling
+ VII van dit Deel</a> en <a href="#d3s34">Stelling XXXIX van Deel III</a>. Hier
+ toch werd betoogd dat geen enkele aandoening kan worden
+ bedwongen dan alleen door een sterkere en
+ tegenovergestelde en dat ieder van kwaad doen afziet uit
+ vrees voor een grooter kwaad. Op deze wet nu kan een
+ gemeenschap worden gegrondvest, indien zij slechts het
+ recht om zichzelf te wreken en over goed en kwaad te
+ oordeelen, dat ieder individu afzonderlijk bezat,
+ zichzelf voorbehoudt en dus het recht heeft een
+ gemeenschappelijke levenswijze voor te schrijven en
+ wetten uit te vaardigen, welke zij niet door de Rede,
+ welke de hartstochten niet kan bedwingen (<i>vlg. <a href="#d4s17o">Opmerking
+ St. XVII v.d. D.</a></i>), doch door bedreigingen handhaaft.
+ Zulk een gemeenschap nu, op wet en de macht om zich te
+ handhaven gegrond, noemt men een <i>Staat</i>, en hen die door
+ haar recht worden beschermd "staatsburgers", waaruit wij
+ gemakkelijk kunnen inzien dat er in den natuurtoestand
+ niets is dat naar aller oordeel goed of kwaad is,
+ aangezien een ieder die in den natuurtoestand verkeert,
+ alleen met zijn eigen belang te rade gaat en naar eigen
+ inzicht en voorzoover het ten opzichte van zijn eigen
+ belang zin heeft, uitmaakt wat goed of kwaad is en door
+ geen enkele wet gehouden is iemand anders dan zichzelf
+ alleen te gehoorzamen. In den natuurtoestand is dus ook
+ geen zonde denkbaar, wel echter in den burgerlijken
+ staat, waar door gemeenschappelijk besluit wordt
+ vastgesteld wat goed en kwaad is en ieder gehouden is den
+ staat te gehoorzamen. <i>Zonde</i> is dus niets anders dan
+ ongehoorzaamheid, welke alleen door het recht van den
+ staat wordt gestraft; gehoorzaamheid daarentegen strekt
+ den burger tot <i>verdienste</i>, wijl hij daardoor waardig
+ wordt geacht de voordeelen van den staat te genieten.
+ Voorts is in den natuurtoestand niemand met algemeene
+ toestemming "Heer" van iets, evenmin als er in de Natuur
+ iets bestaat, waarvan men zou kunnen zeggen, dat het
+ dezen en niet genen mensch toebehoort; maar alles is er
+ van allen, zoodat er in den natuurtoestand ook geen
+ verlangen denkbaar is om ieder het zijne te geven of om
+ een ander te ontrooven wat hem toebehoort. Hetgeen zeggen
+ wil dat er in den natuurtoestand niets gebeurt, dat recht
+ of onrecht genoemd kan worden, wel echter in den
+ burgerlijken staat, waar met algemeene toestemming wordt
+ uitgemaakt wat van deze en wat van gene is. Waaruit
+ blijkt, dat recht en onrecht, zonde en verdienste,
+ begrippen van buiten af zijn, doch geen eigenschappen
+ welke het wezen van den Geest uitdrukken. Doch hierover
+ genoeg.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s38">
+<p><i>Stelling XXXVIII.</i></p>
+
+<p>Datgene, wat het menschelijk Lichaam geschikt maakt om zooveel
+mogelijk indrukken te ontvangen, of wat het geschikt maakt om op
+uitwendige voorwerpen op velerlei wijzen in te werken, is nuttig
+voor den mensch, en wel des te nuttiger, naarmate het Lichaam er
+geschikter door wordt om velerlei indrukken te ontvangen en op
+andere voorwerpen in te werken. Daarentegen is schadelijk al wat
+het Lichaam hiertoe minder geschikt maakt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Hoe geschikter het Lichaam daartoe gemaakt wordt, hoe beter de
+Geest in staat is [de dingen] in zich op te nemen (<i>vlg. <a href="#d2s14">St. XIV
+D. II</a></i>). Derhalve is datgene wat het Lichaam in dit opzicht
+ontvankelijk en geschikt maakt noodzakelijk goed of nuttig (<i>vlg.
+<a href="#d4s26">St. XXVI</a> en <a href="#d4s27">XXVII v.d. D.</a></i>)
+en des te nuttiger, naarmate het het
+Lichaam daartoe geschikter kan maken. Omgekeerd is (<i>vlg. het
+omgekeerde van <a href="#d2s14">dezelfde St. XIV D. II</a> en
+vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI</a> en <a href="#d4s27">XXVII
+v.d. D.</a></i>) schadelijk wat het Lichaam daartoe minder geschikt
+maakt. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s39">
+<p><i>Stelling XXXIX.</i></p>
+
+<p>Al wat maakt dat de verhoudingen van beweging en rust, waarin de
+deelen van het menschelijk Lichaam ten opzichte van elkaar
+verkeeren, bewaard blijven, is goed; slecht daarentegen is al wat
+maakt dat de deelen van het menschelijk Lichaam onderling in een
+andere verhouding van beweging en rust komen te staan.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het menschelijk Lichaam heeft (<i>vlg. <a href="#d2p4">Postulaat IV D. II</a></i>) om zich
+in stand te houden tal van andere voorwerpen noodig. Datgene
+evenwel wat het karakter<a href="#aanteken38">[a38]</a>
+van het menschelijk Lichaam
+uitmaakt, bestaat hierin dat zijn deelen hun beweging op een
+zekere bepaalde wijze aan elkaar meedeelen (<i>vlg. <a href="#d2d0">Definitie v&oacute;&oacute;r
+Hulpst. IV</a>, te vinden achter St. XIII D. II</i>). Al wat dus bewerkt
+dat de verhoudingen van beweging en rust, waarin de deelen van
+het menschelijk Lichaam zich ten opzichte van elkaar bevinden,
+bewaard blijven, houdt tevens het karakter van het menschelijk
+Lichaam in stand, bewerkt bijgevolg
+(<i>vlg. <a href="#d2p3">Postulaten III</a> en <a href="#d2p6">VI
+D. II</a></i>) dat het velerlei indrukken ondergaat en zelf op
+uitwendige voorwerpen op velerlei wijze kan inwerken, en is dus
+goed (<i>vlg. <a href="#d4s38">voorgaande St.</a></i>). Al wat verder bewerkt, dat de
+deelen van het menschelijk Lichaam in een andere verhouding van
+rust en beweging komen, maakt (<i>vlg. <a href="#d2d0">dezelfde Definitie in D.
+II</a></i>), dat het menschelijk Lichaam een ander karakter aanneemt,
+d.w.z. (<i>gelijk van zelf spreekt en ook aan <a href="#d4v_3">het eind der Voorrede
+van dit Deel</a> in herinnering werd gebracht</i>), dat het menschelijk
+Lichaam te niet gaat en bijgevolg geheel en al ongeschikt wordt
+gemaakt om velerlei indrukken te ontvangen. Dit alles zal dus
+slecht zijn (<i>vlg. <a href="#d4s38">voorgaande St.</a></i>)</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s39o">
+ <p><i>Opmerking:</i> In hoever dit den Geest tot nadeel of tot
+ voordeel strekken kan, zal in <a href="#deel5">het Vijfde Deel</a> worden
+ uiteengezet. Hier wil ik slechts doen opmerken, dat ik
+ onder sterven van het Lichaam versta: dat zijn deelen
+ aldus worden gewijzigd, dat zij onderling een andere
+ verhouding van beweging en rust verkrijgen. Ik waag
+ nochtans niet te ontkennen, dat het menschelijk Lichaam,
+ zelfs bij behoud van den bloedsomloop en andere
+ eigenaardigheden, waarom men het Lichaam als levend
+ beschouwt, toch niettemin een anderen aard, geheel en al
+ verschillend van zijn vroegeren kan aannemen. Geen enkele
+ reden noopt mij te beweren, dat het Lichaam alleen d&agrave;n
+ sterft wanneer het in een lijk verandert; ja, de ervaring
+ zelf schijnt anders te leeren. Somwijlen toch komt het
+ voor, dat iemand zoodanige veranderingen ondergaat, dat
+ ik niet gaarne zou willen volhouden, dat hij dezelfde
+ mensch was als voorheen. Zoo hoorde ik vertellen van een
+ Spaanschen dichter, die door een ziekte was aangetast en
+ die, ofschoon hij daarvan herstelde, toch zoozeer de
+ herinnering aan zijn vroeger leven had verloren, dat hij
+ niet wilde gelooven, dat zijn eigen verhalen en
+ treurspelen door hemzelf geschreven waren, en dien men
+ inderdaad voor een volwassen kind had kunnen houden, als
+ hij slechts ook nog zijn moedertaal vergeten had. En zoo
+ men dit al ongelooflijk mocht vinden, wat moeten wij dan
+ wel zeggen van kinderen, wier aard een mensch van
+ gevorderden leeftijd zoozeer van de zijne verschillend
+ waant, dat men hem nooit aan het verstand zou kunnen
+ brengen dat hij er zelf een geweest is, als hij niet door
+ het voorbeeld van anderen wel op dit vermoeden moest
+ komen. Om evenwel aan bijgeloovige lieden geen stof te
+ geven tot nieuwe vragen, wil ik hier liever afbreken.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XL.</i></p>
+
+<p>Wat het gemeenschapsleven der menschen bevordert, of bewerkt dat
+de menschen eendrachtig samenleven, is nuttig; slecht daarentegen
+is wat tweedracht in den staat teweeg brengt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers datgene, wat bewerkt dat de menschen eendrachtig
+samenleven, bewerkt tevens dat zij volgens leiding der Rede leven
+(<i>vlg. <a href="#d4s35">St. XXXV v.d. D.</a></i>) en is dus goed (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI</a> en <a href="#d4s27">XXVII
+v.d. D.</a></i>), terwijl daarentegen (<i>om dezelfde reden</i>) slecht is
+wat tweedracht verwekt. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s41">
+<p><i>Stelling XLI.</i></p>
+
+<p>Blijheid op zichzelf is niet slecht, doch goed; Droefheid
+daarentegen is reeds op zichzelf slecht.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Blijheid is (<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI</a> en
+<a href="#d3s11o">Opmerking D. III</a></i>) een aandoening,
+door welke het vermogen tot handelen van het Lichaam wordt
+vermeerderd of bevorderd; Droefheid daarentegen is een
+aandoening, door welke het vermogen tot handelen van het Lichaam
+wordt verminderd of belemmerd. Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d4s38">St. XXXVIII
+v.d. D.</a></i>) Blijheid reeds op zichzelf goed enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLII.</i></p>
+
+<p>Opgewektheid kan nooit bovenmatig zijn, maar is steeds goed.
+Neerslachtigheid daarentegen is steeds slecht.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Opgewektheid (<i>zie <a href="#d3s11o_3">haar Definitie</a> in de Opmerking bij St. XI D.
+III</i>) is Blijheid, welke, voorzoover zij het Lichaam betreft,
+daarin bestaat dat alle deelen des Lichaams gelijkelijk zijn
+aangedaan; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s11">St. XI D. III</a></i>) dat het vermogen tot
+handelen des Lichaams wordt vermeerderd of bevorderd op zulk een
+wijze, dat al zijn deelen in dezelfde onderlinge verhoudingen van
+beweging en rust blijven. Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d4s39">St. XXXIX v.d. D.</a></i>)
+Opgewektheid steeds goed en kan zij nooit bovenmatig zijn.
+Neerslachtigheid echter (<i>zie ook
+<a href="#d3n26">h&aacute;&aacute;r Definitie</a> in dezelfde Opm.
+bij St. XI D. III</i>) is Droefheid, welke, voorzoover zij het
+Lichaam betreft, daarin bestaat, dat het vermogen tot handelen
+des Lichaams onvoorwaardelijk afneemt of belemmerd wordt; zij is
+dus (<i>vlg. <a href="#d4s38">St. XXXVIII v.d. D.</a></i>) steeds slecht.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s43">
+<p><i>Stelling XLIII.</i></p>
+
+<p>Prikkeling kan bovenmatig en daardoor slecht zijn. Pijn evenwel
+kan in zoover goed zijn als de blijheidsaandoening van prikkeling
+slecht is.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p><span id="d4s43b_1">Prikkeling is Blijheid, welke, voorzoover zij op het Lichaam
+betrekking heeft, hierin bestaat dat &eacute;&eacute;n of enkele zijner deelen
+meer dan de andere wordt aangedaan (<i>zie <a href="#d3s11o_3">haar Definitie</a> in
+Opmerking St. XI D. III</i>).</span> De kracht dezer aandoening kan nu z&oacute;&oacute;
+groot zijn dat zij de overige handelingen van het Lichaam
+overheerscht (<i>vlg. <a href="#d4s6">St. VI v.d. D.</a></i>) het hardnekkig vasthoudt en
+het daardoor belet velerlei andere indrukken te ontvangen. Zij
+kan dus (<i>vlg. <a href="#d4s38">St. XXXVIII v.d. D.</a></i>) slecht zijn. Pijn echter,
+welke daarentegen Droefheid is, kan op zichzelf beschouwd nooit
+goed zijn (<i>vlg. <a href="#d4s41">St. XLI v.d. D.</a></i>). Omdat evenwel haar hevigheid
+en toeneming bepaald worden door de macht van een uitwendige
+oorzaak in verhouding tot onze eigen macht (<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V v.d.
+D.</a></i>), kunnen wij ons deze aandoening in oneindig vele graden en
+soorten van hevigheid denken (<i>vlg. <a href="#d4s3">St. III v.d. D.</a></i>). Wij kunnen
+ons dus ook een pijn denken, welke in staat is de prikkeling te
+temperen en te verhinderen dat zij bovenmatig [&oacute;verprikkeling]
+wordt, welke dus (<i>vlg. <a href="#d4s43b_1">het eerste gedeelte van dit bewijs</a></i>)
+helpt beletten dat het Lichaam minder geschikt wordt [voor het
+ontvangen van indrukken] en welke derhalve ook in zoover goed zal
+zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLIV.</i></p>
+
+<p>Liefde en Begeerte kunnen bovenmatig zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Liefde is (<i>vlg. <a href="#d3n6">Definitie VI der Aand.</a></i>) Blijheid, vergezeld
+door de voorstelling eener uitwendige oorzaak. Prikkeling,
+vergezeld door de voorstelling eener uitwendige oorzaak, is dus
+Liefde (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI D. III</a></i>),
+zoodat (<i>vlg. <a href="#d4s43">voorgaande
+St.</a></i>) ook Liefde bovenmatig kan zijn. Verder is Begeerte des te
+sterker, naarmate de aandoening waaruit zij voortspruit heviger
+is (<i>vlg. <a href="#d3s37">St. XXXVII D. III</a></i>). Zoodat, evenals een aandoening
+(<i>vlg. <a href="#d4s6">St. VI v.d. D.</a></i>) de overige levensuitingen des menschen
+overheerschen kan, evenzoo de Begeerte, welke uit zulk een
+aandoening ontspringt, alle overige begeerten kan overheerschen
+en dus even bovenmatig kan zijn als overprikkeling (<i>gelijk wij
+in <a href="#d4s43">de voorgaande Stelling</a> aantoonen</i>). H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s44o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Die opgewektheid welke ik goed genoemd heb,
+ valt gemakkelijker te begrijpen dan in werkelijkheid waar
+ te nemen. De aandoeningen toch, door welke wij dagelijks
+ getroffen worden, betreffen meestal een of ander deel des
+ Lichaams, dat m&eacute;&eacute;r inwerking ondervindt dan de overige
+ deelen. Vandaar dat aandoeningen zeer dikwijls bovenmatig
+ zijn en den Geest zoozeer in de beschouwing van een
+ enkele zaak bevangen houden, dat hij over niets anders
+ denken kan. Ofschoon nu de menschen aan tal van
+ aandoeningen onderhevig zijn en men zelden lieden
+ aantreft die voortdurend door &eacute;&eacute;nzelfden hartstocht
+ gekweld worden, ontbreekt het toch geenszins aan zulken
+ dien &eacute;&eacute;nzelfde hartstocht hardnekkig aankleeft. Somwijlen
+ immers zien wij, dat menschen zoozeer van &eacute;&eacute;n enkel ding
+ vervuld zijn, dat zij, ook al is het afwezig, steeds
+ wanen het bij zich te hebben. Wanneer dit het geval is
+ bij iemand die niet slaapt, dan zeggen wij dat hij
+ malende of krankzinnig is. Als even gek beschouwt men
+ diegenen, die van liefde branden en nacht en dag alleen
+ van hun geliefde of hun boel droomen en daardoor onzen
+ lachlust plegen op te wekken. Den vrek daarentegen, die
+ aan niets anders dan aan winst en geld, en den
+ eerzuchtige, die aan niets anders dan roem denkt,
+ beschouwt men niet als krankzinnig, omdat zij meestal
+ hinderlijk zijn en daardoor onzen haat opwekken. In
+ werkelijkheid echter zijn Gierigheid, Eerzucht,
+ Wellustigheid enz. wel degelijk vormen van waanzin
+ ofschoon zij niet tot de ziekten gerekend worden.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s45">
+<p><i>Stelling XLV.</i></p>
+
+<p>Haat kan nooit goed zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een mensch dien wij haten trachten wij te vernietigen (<i>volgens
+<a href="#d3s39">Stelling XXXIX Deel III</a></i>) d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>) wij
+streven dan naar iets dat slecht is. Derhalve enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Ik doe opmerken dat ik hier en in het
+ vervolg onder Haat alleen versta haat jegens menschen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d4s45g1">
+ <p><i>Gevolg I:</i> Nijd, Spotzucht, Minachting, Toorn,
+ Wraakzucht en de overige aandoeningen, welke als soorten
+ van Haat te beschouwen zijn of uit Haat ontspringen, zijn
+ slecht; hetgeen eveneens blijkt uit <a href="#d3s39">Stelling XXXIX van
+ Deel III</a> en uit <a href="#d4s37">Stelling XXXVII van dit Deel</a>.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg II:</i> Al wat wij begeeren omdat wij Haat
+ koesteren, is schandelijk en geldt in den Staat voor
+ onrechtmatig. Hetgeen eveneens blijkt uit <a href="#d3s39">Stelling XXXIX
+ van Deel III</a> en uit <a href="#d4s37o1_">de Definities van wat schandelijk en
+ onrechtmatig</a> is (<i>zie Opmerking St. XXXVII v.d. D.</i>).</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s45g2o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Tusschen Spotzucht (welke ik in <a href="#d4s45g1">Gevolg I</a>
+ slecht genoemd heb) en Lachlust maak ik groot
+ onderscheid. Immers lachen, evenals schertsen, is zuiver
+ Blijheid en is dus (<i>vlg. <a href="#d4s41">St. XLI v.d. D.</a></i>), indien het
+ slechts niet overdreven wordt, uiteraard goed. Waarlijk,
+ alleen een norsch en triestig bijgeloof verzet zich tegen
+ Blijheid. Waarom toch zou het gepaster zijn honger en
+ dorst te stillen dan neerslachtigheid te verdrijven? Dit
+ is m&igrave;jn opvatting hieromtrent en dienovereenkomstig heb
+ ik mij ook voorgenomen te
+ leven<a id="aantag70" href="#aanteken70">[A70]</a>. Geen godheid, of
+ wat ander wezen ook, kan zoo grimmig zijn zich in mijn
+ machteloosheid en ongemak te verheugen, of ons tranen,
+ snikken, angst en dergelijke teekenen van zielszwakheid
+ als een deugd aan te rekenen. Integendeel, hoe dieper
+ Blijheid wij gevoelen, tot hoe grooter volmaaktheid gaan
+ wij over, d.w.z. hoemeer zullen wij deel krijgen aan den
+ goddelijken aard. Het voegt dus een wijs man de dingen te
+ gebruiken en er zooveel mogelijk van te genieten, (niet
+ tot overzadiging toe, want dat is geen genieten meer).
+ Het voegt, zeg ik, een wijs man, zich matiglijk met
+ aangename spijs en drank te verkwikken en te laven,
+ evenals met geuren en lieflijkheid van groenend kruid,
+ met fraaie kleedij, muziek, kampspelen,
+ tooneelvoorstellingen en dergelijke zaken, waarvan een
+ ieder gebruik kan maken zonder een ander te schaden. Het
+ menschelijk Lichaam toch is uit tal van deelen van
+ verschillenden aard samengesteld, welke voortdurend nieuw
+ en verschillend voedsel behoeven, zoo het Lichaam in zijn
+ geheel tot al wat uit zijn aard kan voortvloeien even
+ geschikt wil blijven, en bijgevolg zoo de Geest even
+ geschikt wil blijven om vele zaken tegelijk te begrijpen.
+ Deze levensregel komt zoowel met onze eigen beginselen
+ als met de algemeene gewoonte uitnemend overeen. Zoo
+ &eacute;&eacute;ne, dan is dus deze levenswijze de beste en boven alle
+ andere aan te bevelen. Het is echter niet noodig dit nog
+ duidelijker en breedvoeriger te behandelen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s46">
+<p><i>Stelling XLVI.</i></p>
+
+<p>Wie leeft volgens leiding der Rede, streeft er zooveel mogelijk
+naar Haat, Toorn, Minachting enz. welke anderen jegens hem
+koesteren, met Liefde, ofwel met Edelmoedigheid te vergelden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Alle aandoeningen van Haat zijn slecht (<i>vlg. <a href="#d4s45g1">Gevolg I der
+voorgaande St.</a></i>) en dus zal elk, die volgens leiding der Rede
+leeft (<i>vlg. <a href="#d4s19">St. XIX v.d. D.</a></i>), zooveel mogelijk trachten te
+bewerken, dat hij niet door aandoeningen van Haat wordt overmand,
+en bijgevolg (<i>vlg. S<a href="#d4s37">t. XXXVII v.d. D.</a></i>) ook pogen te voorkomen,
+dat anderen dergelijke aandoeningen ondervinden. Haat wordt
+echter door wederkeerigen Haat versterkt, terwijl (<i>vlg. <a href="#d3s43">St.
+XLIII D. III</a></i>) hij door Liefde gedoofd kan worden, zoo zelfs dat
+Haat in Liefde kan overgaan (<i>vlg. <a href="#d3s44">St. XLIV D. III</a></i>). Derhalve
+zal, wie volgens leiding der Rede leeft, er naar streven den Haat
+enz. van anderen door Liefde weder goed te maken, d.w.z. door
+Edelmoedigheid (<i>zie <a href="#d3s59o_2">de Definitie hiervan</a> in Opmerking St. LIX D.
+III</i>). H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s46o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wie onrecht met wederkeerigen Haat wil
+ vergelden, leeft inderdaad ellendig. Wie daarentegen zich
+ beijvert Haat door Liefde te overwinnen, waarlijk, die
+ strijdt blijde en vol vertrouwen, weerstaat even
+ gemakkelijk &eacute;&eacute;n mensch als velen en heeft de hulp der
+ fortuin allerminst van noode. Diegenen die hij overwint,
+ verblijden zich over hun nederlaag, en wel geenszins uit
+ zwakheid, maar in verhoogde kracht. Hetgeen alles uit de
+ Definities van Liefde en Verstand alleen reeds z&oacute;&oacute; helder
+ volgt, dat het niet noodig is het nog eens in
+ afzonderlijke voorbeelden aan te toonen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLVII.</i></p>
+
+<p>Aandoeningen van Hoop en Vrees kunnen op zichzelf beschouwd niet
+goed zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Aandoeningen van Hoop en Vrees bestaan niet zonder Droefheid.
+Immers Vrees is (<i>vlg. <a href="#d3n13">Definitie XIII der Aand.</a></i>) Droefheid, en
+Hoop (<i>zie <a href="#d3n13t">Toelichting bij de Definities XII en XIII der
+Aandoeningen</a></i>) is niet bestaanbaar zonder Vrees. Vandaar dat
+(<i>vlg. <a href="#d3s41">St. XLI v.d. D.</a></i>) deze aandoeningen op zichzelf beschouwd
+niet goed kunnen zijn, doch alleen voorzoover zij een bovenmatige
+Blijheid kunnen temperen. (<i>Vlg. <a href="#d4s43">St. XLIII v.d. D.</a></i>). H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hierbij komt dat deze aandoeningen gebrek
+ aan kennis en een geestelijke machteloosheid aanduiden,
+ en om deze reden zijn ook Gerustheid, Wanhoop, Verheuging
+ en Spijt [Hartzeer] teekenen van zielszwakheid. Want
+ ofschoon Gerustheid en
+ Verheuging<a id="aantag71" href="#aanteken71">[A71]</a> aandoeningen van
+ Blijheid zijn, onderstellen zij toch steeds voorafgegane
+ Droefheid, nl. Hoop en Vrees. Hoemeer wij er daarom naar
+ streven, volgens leiding der Rede te leven, hoe minder
+ wij op verwachtingen zullen bouwen en hoe meer wij ook
+ zullen trachten ons van Vrees te bevrijden, het geluk
+ zooveel mogelijk te beheerschen en onze handelingen te
+ richten naar den veiligen raad der Rede.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLVIII.</i></p>
+
+<p>De aandoeningen van Overschatting en Geringschatting zijn steeds
+slecht.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze aandoeningen toch zijn (<i>vlg. <a href="#d3n21">Definities XXI</a>
+en <a href="#d3n22">XXII der
+Aand.</a></i>) in strijd met de Rede. Zij zijn daarom (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI</a> en
+<a href="#d4s27">XXVII v.d. D.</a></i>) slecht. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLIX.</i></p>
+
+<p>Overschatting maakt den mensch, die overschat wordt, licht
+trotsch.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Indien wij zien dat iemand uit Liefde beter van ons denkt dan
+gerechtvaardigd is, zullen wij ons licht daarop verheffen (<i>vlg.
+<a href="#d3s41o">Opmerking St. XLI D. III</a></i>) ofwel
+(<i>vlg. <a href="#d3n30">Definitie XXX der Aand.</a></i>)
+Blijheid daarover gevoelen. Ook gelooven wijzelf licht al het
+goede dat wij van ons hooren vertellen (<i>vlg. <a href="#d3s25">St. XXV D. III</a></i>).
+Wij zullen dus uit eigenliefde beter van onszelf denken dan
+gerechtvaardigd is, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n28">Definitie XXVIII der Aand.</a></i>)
+licht trotsch worden. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling L.</i></p>
+
+<p>Medelijden is in den mensch, die volgens leiding der Rede leeft,
+op zichzelf beschouwd slecht en nutteloos.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers Medelijden is Droefheid (<i>vlg. <a href="#d3n18">Definitie XVIII der Aand.</a></i>)
+en dus (<i>vlg. <a href="#d4s41">St. XLI v.d. D.</a></i>) op zichzelf slecht. Het goede
+evenwel dat er uit voortvloeit, namelijk dat wij den persoon, met
+wien wij medelijden hebben, uit zijn ellende trachten te
+verlossen (<i>vlg. <a href="#d3s27g3">Gevolg III St. XXVII D. III</a></i>), begeeren wij ook
+reeds op gezag der Rede te volbrengen (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d.
+D.</a></i>), gelijk wij niets, waarvan wij met zekerheid weten dat het
+goed is, kunnen doen dan alleen op voorschrift der Rede (<i>vlg.
+<a href="#d4s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>). Derhalve is Medelijden in den mensch, die
+volgens leiding der Rede leeft, op zichzelf beschouwd slecht en
+nutteloos. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt, dat wie volgens voorschrift der
+ Rede leeft, zooveel mogelijk er naar zal streven niet
+ door Medelijden te worden aangegrepen.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wie terdeeg beseft, dat alles uit de
+ noodwendigheid van den goddelijken aard voortvloeit en
+ plaats grijpt volgens de eeuwige wetten en regelen der
+ Natuur, zal zeker niets vinden wat Haat, Spijt of
+ Minachting verdient, noch met wien dan ook Medelijden
+ hebben, maar, zoover zijn menschelijke kracht reikt,
+ trachten, zooals men zegt: <i>wel te doen en blij te
+ zijn</i><a id="aantag72" href="#aanteken72">[A72]</a>.
+ Daarbij komt, dat wie licht door Medelijden
+ aangegrepen en door eens anders ellende tot tranen
+ bewogen wordt, dikwijls iets zal doen wat hem later zelf
+ berouwt; zoowel wijl wij onder invloed eener aandoening
+ niets kunnen doen met de zekerheid dat het goed is, als
+ ook wijl wij gemakkelijk door valsche tranen bedrogen
+ worden. Ik spreek hier evenwel uitdrukkelijk van
+ menschen, die volgens leiding der Rede leven. Want wie
+ noch door de Rede, noch door Medelijden er toe bewogen
+ wordt om anderen te helpen, wordt terecht onmenschelijk
+ genoemd, aangezien hij (<i>vlg. <a href="#d3s27">St. XXVII D. III</a></i>) niet op
+ een mensch blijkt te gelijken.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LI.</i></p>
+
+<p>Ingenomenheid is niet in strijd met de Rede; kan daarmede zelfs
+in overeenstemming zijn en er uit voortkomen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Ingenomenheid toch is Liefde jegens iemand die een ander een
+weldaad bewees (<i>vlg. <a href="#d3n19">Definitie XIX der Aand.</a></i>) en kan dus
+betrekking hebben op den Geest, voorzoover deze beschouwd wordt
+als <i>handelend</i> (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>) d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D.
+III</a></i>) voorzoover hij begrijpt. Derhalve is zij in overeenstemming
+met de Rede enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+<div class="anders">
+<p><i>Anders.</i></p>
+
+<p>Wie volgens leiding der Rede leeft, wenscht het goede, waarnaar
+hij streeft, ook anderen toe (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>), zoodat
+zijn eigen verlangen om wel te doen, versterkt wordt doordat hij
+een ander ziet weldoen. Hij zal zich dus (<i>vlg. <a href="#d3s11o">Opmerking St. XI
+D. III</a></i>) verblijden, en dat wel (<i>vlg. het onderstelde</i>) daarbij
+denkend aan dengene, die dien ander weldeed; derhalve zal hij
+(<i>vlg. <a href="#d3n19">Definitie XIX der Aand.</a></i>) met hem zijn ingenomen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Verontwaardiging, gelijk wij haar omschreven
+ hebben (<i>zie <a href="#d3n20">Definitie XX der Aand.</a></i>) is noodzakelijk
+ slecht (<i>vlg. <a href="#d4s45">St. XLV v.d. D.</a></i>). Hierbij zij echter
+ opgemerkt, dat wanneer de hoogste overheid een burger,
+ die een ander onrecht aandeed, straft met de bedoeling om
+ de orde te handhaven, zij volgens mij geenszins over dien
+ burger verontwaardigd is, aangezien zij niet, door Haat
+ gedreven, dien burger straft om hem in het verderf te
+ storten, maar uit plichtsbesef.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s52">
+<p><i>Stelling LII.</i></p>
+
+<p>Tevredenheid met zichzelf [zelfvoldoening] kan haar oorsprong
+vinden in de Rede en de hoogst bestaanbare zelfvoldoening is
+alleen zulk eene, welke uit de Rede voortvloeit.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Zelfvoldoening is Blijheid, ontstaan doordat men zichzelf en zijn
+eigen macht tot handelen beschouwt (<i>vlg. <a href="#d3n25">Definitie XXV der
+Aand.</a></i>) 's Menschen vermogen tot handelen ofwel deugd echter is
+de Rede zelf (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>), waarvan hij zich helder en
+duidelijk bewust is (<i>vlg. <a href="#d2s40">St. XL</a>
+en <a href="#d2s43">XLIII D. II</a></i>). Derhalve
+vindt zelfvoldoening haar oorsprong in de Rede. Verder begrijpt
+de mensch, wanneer hij zichzelf beschouwt, alleen datgene helder
+en duidelijk, ofwel adaequaat, wat uit zijn macht tot handelen
+voortspruit (<i>vlg. <a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>)
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D.
+III</a></i>) wat uit zijn vermogen om te begrijpen volgt. Derhalve
+ontspringt de hoogst bestaanbare zelfvoldoening alleen uit deze
+beschouwing. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s52o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Inderdaad is zelfvoldoening het hoogste
+ waarop wij kunnen hopen. Immers, (<i>gelijk wij in <a href="#d4s25">St. XXV
+ v.d. D.</a> aantoonden</i>) niemand tracht zijn wezen te
+ handhaven terwille van eenig ander [buiten hemzelf
+ liggend] doel. Aangezien nu deze zelfvoldoening door lof
+ steeds meer bevorderd en versterkt wordt (<i>vlg. <a href="#d3s53g">Gevolg
+ St. LIII D. III</a></i>) en daarentegen door blaam steeds meer
+ verzwakt (<i>vlg. <a href="#d3s55g">Gevolg St. LV D. III</a></i>) oefent roem zulk
+ een aantrekking op ons uit, terwijl wij een leven in
+ schande haast niet kunnen verdragen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LIII.</i></p>
+
+<p>Neerslachtigheid [Kleinmoedigheid, Nederigheid] is geen deugd,
+ofwel, zij ontspringt niet uit de Rede.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Neerslachtigheid is Droefheid, welke daaruit voortkomt dat men
+zijn eigen machteloosheid beschouwt (<i>vlg. <a href="#d3n26">Definitie XXVI der
+Aand.</a></i>). Voorzoover men echter zichzelf in waarachtige
+redelijkheid kent, begrijpt men, naar verondersteld wordt, zijn
+eigen wezen, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) zijn eigen macht.
+Zoodat indien iemand, wanneer hij zichzelf beschouwt, zich in een
+of ander opzicht machteloos gevoelt, dit niet een gevolg daarvan
+is, dat hij zichzelf begrijpt, maar (<i>gelijk wij in <a href="#d3s55">St. LV D. III</a>
+aantoonden</i>) daarvan, dat zijn vermogen tot handelen belemmerd
+wordt. Nemen wij daarentegen aan dat iemand tot het inzicht
+zijner machteloosheid komt doordat hij zich iets machtigers
+voorstelt en dat hij door middel van deze kennis de grenzen van
+zijn eigen vermogen tot handelen bepaalt, dan onderstellen wij
+hiermede niets anders, dan dat die persoon zichzelf duidelijk
+begrijpt (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI v.d. D.</a></i>) hetgeen zijn vermogen tot
+handelen juist zal bevorderen. Zoodat Neerslachtigheid, ofwel die
+Droefheid welke daaruit voortkomt dat iemand zijn eigen
+machteloosheid beschouwt, geen uitvloeisel is van waarachtig
+nadenken of van de Rede en dus geen deugd, maar een lijding.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LIV.</i></p>
+
+<p>Berouw is geen deugd, ofwel het komt niet voort uit de Rede.
+Integendeel, wie een daad berouwt is dubbel ongelukkig of
+machteloos.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het eerste gedeelte dezer stelling wordt evenals de voorgaande
+stelling bewezen. Het tweede gedeelte echter blijkt alleen reeds
+uit de Definitie dezer aandoening (<i>zie <a href="#d3n27">Definitie XXVII der
+Aand.</a></i>). Eerst immers laat men zich door zijn lage begeerte, en
+daarna bovendien nog door Droefheid overmeesteren.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Aangezien de menschen zelden naar de
+ voorschriften der Rede leven, stichten evenwel deze beide
+ aandoeningen, Nederigheid en Berouw, en daarnaast ook
+ Hoop en Vrees, meer nut dan schade; zoodat het, wanneer
+ er dan toch gezondigd moet worden, maar het best is in
+ d&igrave;t opzicht te zondigen. Immers indien de menschen, reeds
+ zwak van ziel, ook nog allen even trotsch waren, zich
+ nergens voor schaamden en niets vreesden, hoe zou men hen
+ dan nog in den band kunnen houden en
+ beteugelen?<a id="aantag73" href="#aanteken73">[A73]</a> De
+ menigte is vreeselijk wanneer zij niet zelf vreest,
+ zoodat het niet valt te verwonderen dat de Profeten, die
+ niet het heil van enkelen, maar van het algemeen
+ beoogden, zoo sterk Nederigheid, Berouw en Onderdanigheid
+ hebben aangeprezen. Inderdaad, wie aan deze aandoeningen
+ onderworpen zijn, kunnen er tenslotte veel gemakkelijker
+ dan anderen toe gebracht worden volgens leiding der Rede
+ te leven, d.w.z. vrij te zijn en een gelukkig leven te
+ genieten.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s55">
+<p><i>Stelling LV.</i></p>
+
+<p>Zeer groote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op groot
+gemis aan zelfkennis.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt uit <a href="#d3n28">de Definities XXVIII</a>
+en <a href="#d3n29">XXIX der Aandoeningen</a>.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LVI.</i></p>
+
+<p>Zeer groote hoogmoed of diepe zelfverachting duiden op zeer
+groote zwakheid van ziel.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het eerste beginsel der deugd is het eigen wezen in stand te
+houden (<i>vlg. <a href="#d4s22g">Gevolg St. XXII v.d. D.</a></i>) en datwel onder leiding
+der Rede (<i>vlg. <a href="#d4s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>). <span id="d4s56b_">Wie dus zichzelf niet kent,
+kent den grondslag aller deugden en bijgevolg die deugden zelf
+evenmin. Verder is handelen uit deugd niets anders dan handelen
+volgens leiding der Rede (<i>vlg. <a href="#d3s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>). Wie echter
+volgens leiding der Rede handelt, moet (<i>vlg. <a href="#d2s43">St. XLIII D. II</a></i>)
+noodzakelijk weten d&agrave;t hij volgens leiding der Rede handelt.</span> Wie
+dus zichzelf, en bijgevolg (<i>gelijk wij <a href="#d4s56b_">reeds aantoonden</a></i>) alle
+deugden, grootendeels niet kent, handelt allerminst uit deugd,
+d.w.z. (<i>gelijk uit <a href="#d4d8">Definitie VIII v.d. D.</a> blijkt</i>) is uiterst
+zwak van ziel. Derhalve duiden (<i>vlg. <a href="#d4s55">voorgaande St.</a></i>) zeer
+groote hoogmoed of zelfverachting op zeer groote zwakheid van
+ziel. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt ten duidelijkste, dat zoowel
+ hoogmoedige als kleinmoedige menschen het meest aan hun
+ aandoeningen onderworpen zijn.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Nochtans is zelfverachting gemakkelijker te
+ verbeteren<a id="aantag74" href="#aanteken74">[A74]</a>
+ dan hoogmoed, aangezien deze een
+ aandoening van Blijheid, gene echter van Droefheid is en
+ deze dus (<i>vlg. <a href="#d4s18">St. XVIII v.d. D.</a></i>) sterker is.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LVII.</i></p>
+
+<p>De hoogmoedige houdt van het gezelschap van parasieten en
+vleiers, dat van edele menschen daarentegen haat hij.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Hoogmoed is Blijheid, welke ontstaat doordat men beter van
+zichzelf denkt dan gerechtvaardigd is (<i>vlg. <a href="#d3n28">Definities XXVIII</a> en
+<a href="#d3n6">VI der Aand.</a></i>), welken dunk de hoogmoedige zooveel mogelijk zal
+trachten te versterken, (<i>zie Opmerking St. XIII D. III</i>).
+Derhalve zal hij dan ook houden van het gezelschap van parasieten
+en vleiers (<i>wier definities ik heb weg gelaten, wijl zij maar al
+te bekend zijn</i>) en dat van edele lieden, die van hem denken naar
+hij verdient, ontvluchten. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s57o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Het zou mij te ver voeren hier alle kwade
+ gevolgen van den Hoogmoed op te sommen, aangezien
+ hoogmoedigen aan alle aandoeningen onderhevig zijn,
+ schoon aan geene minder dan die van Liefde en
+ Barmhartigheid. Nochtans mag hier niet verzwegen worden,
+ dat men ook diengene hoogmoedig noemt, die van anderen
+ slechter denkt dan billijk is, zoodat in dezen zin
+ Hoogmoed kan worden omschreven als Blijheid, ontsproten
+ uit den waan dat men boven andere menschen verheven is.
+ Zelfverachting is dan, als tegenstelling van dezen
+ Hoogmoed, te omschrijven als Droefheid, ontsproten uit
+ den waan dat men lager staat dan anderen. Bij deze
+ opvatting is het gemakkelijk in te zien dat de
+ hoogmoedige noodzakelijkheid afgunstig moet zijn (<i>zie
+ <a href="#d3s55o">Opmerking St. LV D. III</a></i>), hen die het meest om hun
+ deugden geprezen worden het meest moet haten, terwijl die
+ Haat niet licht door hun Liefde of weldaden kan worden
+ overwonnen (<i>zie <a href="#d3s41o">Opmerking St. XLI D. III</a></i>); dat hij zich
+ daarentegen alleen verheugt in het gezelschap van hen,
+ die zijn machtelooze ziel in het gevlei komen en die hem
+ van dwaas waanzinnig maken.</p>
+
+ <p>Ofschoon zelfverachting het tegendeel is van Hoogmoed, is
+ niettemin wie zichzelf veracht ten nauwste verwant aan
+ den Hoogmoedige. Immers, aangezien zijn Droefheid daaruit
+ voortkomt, dat hij zijn eigen machteloosheid erkent door
+ vergelijking met de macht of de deugd van anderen, zal
+ zijn Droefheid verlicht worden, d.w.z. zal hij zich
+ verblijden, wanneer zijn verbeelding zich bezig houdt met
+ de beschouwing van anderer fouten. Vandaar het gezegde:
+ het is een troost voor ongelukkigen dat zij lotgenooten
+ hebben gehad. Daarentegen zal hij zich te meer bedroeven,
+ naarmate hij meent dieper onder anderen te staan; en
+ vandaar dat niemand m&eacute;&eacute;r tot afgunst neigt, dan wie
+ zichzelf veracht; dat hij scherp op de daden van anderen
+ let, meer om ze te bevitten dan om ze te verbeteren, en
+ dat hij bovenal de nederigheid prijst en zich op haar
+ verheft, [dit laatste] op zulk een wijze evenwel, dat hij
+ toch naar den schijn nederig blijft. Dit alles volgt uit
+ deze aandoening even noodzakelijk als uit den aard eens
+ driehoeks volgt, dat de som zijner drie hoeken gelijk is
+ aan twee rechten; en ik heb dan ook vroeger reeds gezegd
+ dat ik deze en dergelijke aandoeningen alleen maar slecht
+ noem voorzoover ik op 's menschen belang let. De wetten
+ der Natuur echter gelden voor de geheele orde der Natuur,
+ waarvan de mensch een deel is, hetgeen ik in het
+ voorbijgaan nog even wilde opmerken, opdat niemand meene
+ dat ik hier slechts de menschelijke gebreken en
+ dwaasheden heb willen behandelen, inplaats van aard en
+ eigenschappen der <i>dingen</i> uiteen te zetten. Want, gelijk
+ ik in de Voorrede van het Derde Deel gezegd heb: ik
+ beschouw de menschelijke aandoeningen en hun
+ eigenschappen geheel en al als de overige dingen in de
+ Natuur. En inderdaad wijzen de menschelijke aandoeningen
+ niet minder dan tal van andere dingen, welke wij
+ bewonderen en in welker beschouwing wij ons verheugen, op
+ de macht en kunstvaardigheid, zoo niet van den mensch
+ zelf, dan toch van de Natuur. Ik ga thans echter voort
+ met op te teekenen wat er in de aandoeningen voor den
+ mensch nuttig is, of wat hem schade kan berokkenen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LVIII.</i></p>
+
+<p>Zelfverheerlijking [glorie] is niet in strijd met de Rede, maar
+kan uit haar ontspruiten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt uit <a href="#d3n30">Definitie XXX der Aandoeningen</a> en uit de Definitie
+van Eerbaarheid, zie <a href="#d4s37o1">Opmerking I bij Stelling XXXVII van dit
+Deel.</a></p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wat men "ijdelen roem" noemt is [een soort
+ van] zelfvoldoening, welke alleen gevoed wordt door de
+ meening der groote massa. Houdt deze geen stand, zoo
+ ontvalt ons deze zelfvoldoening, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s52o">Opmerking
+ St. LII v.d. D.</a></i>), datgene wat ieder als het hoogste goed
+ liefheeft; en vandaar, dat wie zich verheft op de
+ publieke meening, dagelijks in angst en zorg worstelt en
+ zoekt en in de weer is om zijn roem op te houden. Immers
+ het publiek is veranderlijk en onstandvastig, zoodat
+ roem, welke niet wordt levendig gehouden, spoedig
+ vergeten raakt. Ja, waar allen evenzeer den bijval der
+ menigte zoeken te verwerven, verduistert de een licht den
+ roem van den ander, zoodat, aangezien men strijdt om wat
+ men voor het hoogste goed houdt, er een geweldige
+ begeerte ontstaat om elkaar wederzijds op alle manieren
+ te kleineeren, en degeen, die tenslotte als overwinnaar
+ te voorschijn komt, zich er meer op verheft, dat hij een
+ ander geschaad, dan dat hij zichzelf gebaat heeft. Deze
+ zelfverheerlijking of bevrediging in zichzelf is dus wel
+ inderdaad ijdel, wijl zij feitelijk g&eacute;&eacute;n bevrediging is.</p>
+
+ <p>Wat omtrent de Schaamte te zeggen valt, is gemakkelijk op
+ te maken uit hetgeen wij over Medelijden en Berouw hebben
+ opgemerkt. Ik voeg er hier slechts aan toe, dat evenals
+ Medelijden, zoo ook Schaamte, al is zij geen deugd, toch
+ goed kan zijn, voorzoover zij er op wijst, dat in dengeen
+ die zich schaamt, de begeerte aanwezig is om eerbaar te
+ leven, gelijk ook pijn in zoover goed genoemd werd als
+ zij een teeken is, dat het gekwetste lichaamsdeel nog
+ niet verrot is. Daarom is iemand, die zich over een of
+ andere daad schaamt, niettegenstaande hij werkelijk
+ bedroefd is, toch volmaakter dan de onbeschaamde, die
+ niet het verlangen koestert om eerzaam te leven.</p>
+
+ <p>Dit nu is wat ik mij had voorgenomen over de aandoeningen
+ van Blijheid en Droefheid te zeggen. Wat de Begeerten
+ betreft, deze zijn natuurlijk goed of slecht voorzoover
+ zij uit goede of slechte aandoeningen ontspringen. Maar
+ zeker zijn zij allen blind, voorzoover zij in ons
+ ontstaan uit aandoeningen, welke lijdingen zijn (<i>gelijk
+ gemakkelijk valt op te maken uit wat wij in <a href="#d4s44o">de Opmerking
+ bij Stelling XLIV van dit Deel</a> gezegd hebben</i>) en zij
+ zouden nergens toe dienen indien de menschen er slechts
+ wat gemakkelijker toe gebracht konden worden naar de
+ voorschriften der Rede te leven, zooals ik thans in het
+ kort zal aantoonen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s59">
+<p><i>Stelling LIX.</i></p>
+
+<p>Tot alle daden, waartoe wij door een aandoening, welke lijding
+is, gedreven worden, kunnen wij ook zonder deze door de Rede
+genoopt worden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Krachtens de Rede handelen is niets anders (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III</a> en
+<a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>), dan doen wat uit de noodwendigheid van
+onzen aard, op zichzelf alleen beschouwd, voortvloeit. Droefheid
+nu is in zoover slecht, als zij dit vermogen tot handelen
+vermindert of belemmert (<i>vlg. <a href="#d4s41">St. XLI v.d. D.</a></i>) en wij kunnen
+daarom door deze aandoening tot geen enkele handeling gedreven
+worden, welke wij niet ook zouden kunnen volbrengen als wij door
+de Rede geleid werden. Bovendien is Blijheid slechts in zoover
+slecht, als zij ons minder geschikt maakt om te handelen (<i>vlg.
+<a href="#d4s41">St. XLI</a> en <a href="#d4s43">XLIII v.d. D.</a></i>),
+zoodat wij inzoover ook door haar tot
+geen enkele handeling gedreven kunnen worden, welke wij niet ook
+zouden kunnen volbrengen als wij door de Rede geleid werden. En
+tenslotte: voorzoover Blijheid goed is, is zij met de Rede in
+overeenstemming (zij bestaat immers juist daarin, dat 's menschen
+vermogen tot handelen wordt vermeerderd of bevorderd) en is zij
+ook geen lijding, dan alleen voorzoover 's menschen vermogen tot
+handelen niet z&oacute;&oacute;zeer toeneemt, dat hij zichzelf en zijn
+handelingen adaequaat kan begrijpen (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III</a>
+en <a href="#d3s3o">Opmerking
+D. III</a></i>). Zoodat de mensch, wanneer hij door Blijheid tot zulk
+een volmaaktheid gevoerd werd, dat hij zichzelf en zijn
+handelingen adaequaat begreep, zeker geschikt zou zijn, ja nog
+geschikter, tot diezelfde handelingen waartoe hij ook reeds door
+aandoeningen, welke lijdingen zijn, wordt gedreven. Maar alle
+aandoeningen zijn terug te brengen tot Blijheid, Droefheid en
+Begeerte (<i>zie <a href="#d3n4t">de Toelichting bij Definitie IV der Aand.</a></i>) en
+Begeerte is (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>) niets anders dan
+streven naar handelen zelf. Derhalve kunnen wij tot alle
+handelingen waartoe wij door een aandoening, welke lijding is,
+gedreven worden, ook zonder deze all&eacute;&eacute;n door de Rede genoopt
+worden. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+<div class="anders">
+<p><i>Anders.</i></p>
+
+<p>Een handeling wordt in zoover slecht genoemd, als zij d&aacute;&aacute;ruit
+voortkomt dat wij Haat koesteren, of eenige andere slechte
+aandoening ondergaan (<i>zie <a href="#d4s45g1">Gevolg I St. XLV v.d. D.</a></i>). Doch op
+zichzelf beschouwd is geen enkele handeling goed of slecht
+(<i>gelijk wij in <a href="#d4v_5">de Voorrede tot dit Deel</a> hebben aangetoond</i>),
+maar &eacute;&eacute;nzelfde handeling is n&uacute; eens goed, d&agrave;n weer slecht.
+Derhalve kunnen wij tot een handeling, welke op het oogenblik
+slecht is, ofwel, welke uit een of andere slechte aandoening
+voortkomt, &oacute;&oacute;k door de Rede genoopt worden.
+(<i>Vlg. <a href="#d4s19">St. XIX v.d.
+D.</a></i>). H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Duidelijker nog zal dit blijken uit een
+ voorbeeld. De handeling van "slaan" is, physiek beschouwd
+ en wanneer wij alleen d&aacute;&aacute;rop letten dat iemand zijn arm
+ opheft, de vuist balt en den geheelen arm met kracht
+ omlaag doet komen, een deugd [uiting van kracht] welke
+ uit de inrichting van het menschelijk Lichaam verklaard
+ kan worden. Indien dus iemand, door Toorn of Haat
+ bewogen, gedrongen wordt de vuist te ballen en den arm te
+ bewegen, dan geschiedt dit, (<i>gelijk wij in <a href="#deel2">het Tweede
+ Deel</a> aantoonden</i>), wijl &eacute;&eacute;n en dezelfde handeling
+ verbonden kan worden met verschillende voorstellingen,
+ zoodat wij zoowel door voorstellingen van dingen, welke
+ wij verward, als door voorstellingen van dingen welke wij
+ helder en duidelijk begrijpen, tot &eacute;&eacute;nzelfde handeling
+ gedreven kunnen worden. Het blijkt dus dat elke Begeerte,
+ ontspringend uit een aandoening; welke lijding is, van
+ geenerlei nut zou zijn als de menschen door de Rede
+ geleid werden.</p>
+
+ <p>Laat ons thans onderzoeken waarom de Begeerte,
+ voortkomend uit een aandoening, welke lijding is, door
+ ons "blind" genoemd wordt.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LX.</i></p>
+
+<p>De Begeerte, ontspringend uit Blijheid of Droefheid, welke
+betrekking hebben op een of ander deel en niet op alle deelen des
+Lichaams, houdt geen rekening met het belang van den mensch in
+zijn geheel.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Gesteld bijvoorbeeld, dat een deel A des Lichaams door toedoen
+van een of andere uitwendige oorzaak dermate versterkt wordt, dat
+het krachtiger is dan de andere deelen (<i>vlg. <a href="#d4s6">St. VI v.d. D.</a></i>).
+Dit deel zal dan allerminst er naar streven zijn eigen kracht te
+verliezen om de overige deelen des Lichaams hun funktie beter te
+laten verrichten; immers daartoe zou het de kracht of het
+vermogen moeten bezitten om zijn eigen kracht te verliezen,
+hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI D. III</a></i>) ongerijmd is. Dit deel en (<i>vlg.
+<a href="#d3s7">St. VII</a> en <a href="#d3s12">XII D. III</a></i>)
+bijgevolg ook de Geest, zal er dus naar
+streven dien toestand te handhaven, en derhalve zal de Begeerte,
+welke uit een zoodanige aandoening van Blijheid ontspruit, geen
+rekening houden met het geheel. Wordt daarentegen aangenomen dat
+dit deel A belemmerd wordt, zoodat de andere deelen krachtiger
+zijn, dan kan op dezelfde wijze worden bewezen dat de Begeerte,
+welke uit deze Droefheid voortkomt, evenmin rekening houdt met
+het geheel. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s60o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Waar nu Blijheid meestal (<i>vlg. <a href="#d4s44o">Opmerking
+ St. XLIV v.d. D.</a></i>) slechts betrekking heeft op &eacute;&eacute;n deel
+ des Lichaams, begeeren wij dus meestal ons wezen in stand
+ te houden zonder daarbij rekening te houden met onze
+ gezondheid in het algemeen. Waar nog bijkomt dat de
+ Begeerten, welke ons het meest vervullen (<i>vlg. <a href="#d4s9g">Gevolg
+ St. IX v.d. D.</a></i>) slechts rekening houden met het
+ oogenblik, doch niet met de toekomst.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s61">
+<p><i>Stelling LXI.</i></p>
+
+<p>Begeerte, welke uit de Rede voortvloeit, kan niet bovenmatig
+zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Begeerte is (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>), op zichzelf
+beschouwd, 's menschen wezen zelf, voorzoover dit wordt opgevat
+als op eenigerlei wijze genoodzaakt om iets te doen. Derhalve is
+een Begeerte, welke uit de Rede voortkomt, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III
+D. III</a></i>) welke in ons ontstaat voorzoover wij handelen, 's
+menschen wezen of aard zelf, opgevat als zijnde genoodzaakt
+datgene te doen, wat uit 's menschen wezen all&eacute;&eacute;n reeds adaequaat
+kan worden verklaard (<i>vlg. <a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>). Indien dus
+deze Begeerte bovenmatig kon zijn, zou dus de menschelijke aard,
+op zichzelf beschouwd, zichzelf te buiten kunnen gaan, ofwel m&eacute;&eacute;r
+vermogen dan hij inderdaad vermag, hetgeen klaarblijkelijk met
+elkaar in tegenspraak is. Derhalve kan zulk een Begeerte ook niet
+bovenmatig zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s62">
+<p><i>Stelling LXII.</i></p>
+
+<p>Voorzoover de Geest de dingen opvat volgens het voorschrift der
+Rede, wordt hij gelijkelijk er door aangedaan, onverschillig of
+zijn voorstelling een toekomstige, een verleden of een
+tegenwoordige zaak betreft.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wat ook de Geest onder leiding der Rede beschouwt, beschouwt hij
+onder &eacute;&eacute;nzelfde gezichtspunt van eeuwigheid of noodwendigheid
+(<i>vlg. <a href="#d2s44g2">Gevolg II St. XLIV D. II</a></i>), terwijl hij daarbij dezelfde
+zekerheid gevoelt (<i>vlg. <a href="#d2s43">St. XLIII</a>
+en <a href="#d2s43o">Opmerking D. II</a></i>). Zoodat
+de Geest, onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige,
+verleden of tegenwoordige zaak betreft, haar toch met dezelfde
+noodwendigheid begrijpt en daarbij dezelfde zekerheid gevoelt. En
+deze voorstelling zal, onverschillig of zij een toekomstige,
+verleden of tegenwoordige zaak betreft, niettemin altijd even
+waar zijn (<i>vlg. <a href="#d2s41">St. XLI D. II</a></i>),
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2d4">Definitie IV D.
+II</a></i>) altijd dezelfde kenmerken van een adaequate voorstelling
+hebben. Derhalve zal de Geest, voorzoover hij de dingen opvat
+volgens voorschrift der Rede, gelijkelijk er door worden
+aangedaan, onverschillig of zijn voorstelling een toekomstige,
+een verleden, of een tegenwoordige zaak betreft. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Indien wij van den duur der dingen een
+ adaequate kennis konden hebben en door de Rede den tijd
+ van hun bestaan konden bepalen, zouden wij toekomst en
+ heden met dezelfde aandoening beschouwen en zou de Geest
+ het goede, dat hij als toekomstig opvat, evenals iets
+ tegenwoordigs begeeren. Bijgevolg zou hij ook
+ noodzakelijk een geringer tegenwoordig goed terwille van
+ een grooter toekomstig opofferen en iets wat op het
+ oogenblik goed is, doch oorzaak van een of ander
+ toekomstig kwaad allerminst begeeren; gelijk wij dadelijk
+ zullen aantoonen. Wij kunnen evenwel omtrent den duur der
+ dingen (<i>vlg. <a href="#d2s31">St. XXXI D. II</a></i>) slechts een uitermate
+ inadaequate kennis hebben en bepalen (<i>vlg. <a href="#d2s44o">Opmerking St.
+ XLIV D. II</a></i>) den tijd van hun bestaan uitsluitend door de
+ verbeelding, welke geenszins gelijkelijk door de
+ voorstelling van een tegenwoordige en van een toekomstige
+ zaak wordt aangedaan. Vandaar dat de ware kennis van goed
+ en kwaad, welke wij hebben, slechts afgetrokken, of
+ algemeen is en dat het oordeel, dat wij ons vormen,
+ omtrent orde en oorzakelijk verband der dingen, ten einde
+ te kunnen uitmaken wat op een gegeven oogenblik goed of
+ kwaad voor ons is, meer op verbeelding dan op
+ werkelijkheid berust. Het is daarom dan ook geen wonder
+ dat de Begeerte, welke uit de kennis van goed en kwaad
+ voortspruit voorzoover deze op de toekomst slaat, zeer
+ licht door de Begeerte naar dingen, welke op het
+ oogenblik aangenaam zijn, kan worden overwonnen. (<i>Men
+ zie hierover <a href="#d4s16">St. XVI v.d. D.</a></i>)</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s63">
+<p><i>Stelling LXIII.</i></p>
+
+<p>Wie door Vrees geleid wordt en het goede doet om kwaad te
+vermijden, wordt n&igrave;et geleid door de Rede.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Alle aandoeningen, welke betrekking hebben op den Geest
+voorzoover hij handelt, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>) op de
+Rede, zijn nooit anders dan aandoeningen van Blijheid of Begeerte
+(<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>) en
+dus kan (<i>vlg. <a href="#d3n13">Definitie XIII der
+Aand.</a></i>) wie door Vrees geleid wordt en het goede doet uit angst
+voor het kwade, niet door de Rede geleid worden. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> De bijgeloovigen, die beter de kunst
+ verstaan ondeugden te laken dan tot deugd op te wekken en
+ die zich beijveren, niet den mensch door de Rede te
+ leiden, maar hem door vrees zoozeer in bedwang te houden,
+ dat zij liever het kwaad ontvluchten, inplaats van de
+ deugd lief te hebben, beoogen niets anders dan anderen
+ even rampzalig te maken als zijzelf zijn. Geen wonder
+ daarom dat zij den menschen meestal tot last zijn en door
+ hen gehaat worden.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gevolg" id="d4s63g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Krachtens de Begeerte, welke uit de Rede
+ voortkomt, volgen wij het goede rechtstreeks, terwijl wij
+ het kwade daardoor vanzelf [indirekt] vermijden.</p>
+ </div>
+
+ <div class="gewijs">
+ <p><i>Bewijs.</i></p>
+
+ <p>Immers de Begeerte, welke uit de Rede voortspruit, kan het
+ gevolg zijn van een zuivere aandoening van Blijheid, welke
+ geen lijding is (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>), d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s61">St.
+ LXI v.d. D.</a></i>) van die Blijheid, welke nooit bovenmatig zijn
+ kan; niet echter van Droefheid. Vandaar dat deze Begeerte
+ (<i>vlg. <a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) uit de kennis van het goede, niet
+ echter uit die van het kwade ontspringt. Derhalve streven wij,
+ wanneer wij geleid worden door de Rede, rechtstreeks naar
+ het goede en ontvluchten wij slechts inzoover het kwade.
+ H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Dit Gevolg kan door het voorbeeld van den
+ zieken en den gezonden mensch worden verduidelijkt. De
+ zieke toch eet, uit vrees voor den dood, dingen waarvan
+ hij een afschuw heeft; de gezonde daarentegen verheugt
+ zich over zijn spijzen en geniet zoodoende meer van het
+ leven, dan wanneer hij den dood vreesde en dien
+ rechtstreeks zocht te ontkomen. Zoo wordt ook de rechter,
+ die niet uit Haat, Toorn enz., doch alleen uit Liefde
+ voor het algemeen welzijn een schuldige ter dood
+ veroordeelt, uitsluitend door de Rede geleid.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LXIV.</i></p>
+
+<p>De kennis van het kwade is inadaequate kennis.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Kennis van het kwade is (<i>vlg. <a href="#d4s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) Droefheid zelf,
+voorzoover wij ons daarvan bewust zijn. Droefheid echter is
+overgang tot geringere volmaaktheid (<i>vlg. <a href="#d3n3">Definitie III der
+Aand.</a></i>), welke derhalve niet uit het eigenlijke wezen des
+menschen kan worden verklaard (<i>vlg. <a href="#d3s6">St. VI</a>
+en <a href="#d3s7">VII D. III</a></i>). Zij
+is dus een lijding(<i>vlg. <a href="#d3d2">Definitie II D. III</a></i>),
+welke (<i>vlg. <a href="#d3s3">St.
+III D. III</a></i>) afhankelijk is van inadaequate voorstellingen, en
+bijgevolg is ook (<i>vlg. <a href="#d2s29">St. XXIX D. II</a></i>) de kennis daarvan,
+namelijk van dit kwade, inadaequaat. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d4s64g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat de Geest, wanneer hij slechts
+ adaequate voorstellingen had, geen begrip zou hebben van
+ het kwade.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d4s65">
+<p><i>Stelling LXV.</i></p>
+
+<p>Wanneer wij geleid worden door de Rede, zullen wij van twee goede
+zaken de beste en van twee slechte de minst slechte kiezen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het goed, dat ons belet van een grooter goed te genieten, is
+eigenlijk een kwaad; goed en kwaad immers noemen wij de dingen
+(<i>gelijk wij in <a href="#d4v_5">de Voorrede van dit Deel</a> hebben betoogd</i>),
+voorzoover wij ze met elkaar vergelijken. Een geringer kwaad
+daarentegen is (<i>om dezelfde reden</i>) eigenlijk goed, zoodat wij
+(<i>vlg. <a href="#d4s64g">Gevolg voorgaande St.</a></i>), wanneer wij geleid worden door de
+Rede, alleen een grooter goed en een kleiner kwaad zullen
+begeeren of kiezen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d4s65g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Wanneer wij geleid worden door de Rede zullen
+ wij terwille van een grooter goed een geringer kwaad
+ verkiezen en een geringer goed, dat oorzaak is van een
+ grooter kwaad, verwaarloozen. Immers het kwaad dat hier
+ "geringer" genoemd wordt, is eigenlijk een goed, het goed
+ daarentegen een kwaad. Zoodat (<i>vlg. <a href="#d4s63g">Gevolg St. LXIII
+ v.d. D.</a></i>) wij het eerste zullen begeeren en het tweede
+ opofferen. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LXVI.</i></p>
+
+<p>Wanneer wij geleid worden door de Rede, zullen wij een, grooter
+toekomstig goed boven een kleiner tegenwoordig, en een kleiner
+tegenwoordig kwaad boven een grooter toekomstig verkiezen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Indien de Geest een adaequate kennis van het toekomstige kon
+hebben, zou hij (<i>vlg. <a href="#d4s62">St. LXII v.d. D.</a></i>) naar aanleiding van
+iets toekomstigs dezelfde aandoening ondervinden als naar
+aanleiding van iets tegenwoordigs. Zoodat, wanneer wij slechts op
+de Rede letten, gelijk wij in deze stelling, naar werd
+aangenomen, doen, de zaak hetzelfde blijft of wij een grooter
+goed of kwaad als toekomstig, danwel als tegenwoordig
+onderstellen. Derhalve zullen wij (<i>vlg. <a href="#d4s65">St. LXV v.d. D.</a></i>) een
+grooter toekomstig goed boven een kleiner tegenwoordig verkiezen
+enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Een kleiner tegenwoordig kwaad, hetwelk oorzaak
+ is van een grooter toekomstig goed, zullen wij, wanneer
+ wij geleid worden door de Rede, aanvaarden, en een
+ kleiner tegenwoordig goed, hetwelk oorzaak is van een
+ grooter toekomstig kwaad, opofferen. Dit gevolg staat met
+ de voorgaande stelling in hetzelfde verband als <a href="#d4s65g">Gevolg
+ St. LXV</a> met <a href="#d4s65">genoemde stelling zelf</a>.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s66o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Indien wij dit alles nu vergelijken met wat
+ wij in <a href="#deel4">dit Deel</a> tot aan
+ <a href="#d4s18">Stelling XVIII</a> betoogd hebben
+ aangaande de macht der aandoeningen, zullen wij
+ gemakkelijk inzien welk onderscheid er is tusschen den
+ mensch, die alleen door zijn aandoeningen of meeningen,
+ en hem die door de Rede geleid wordt. Gene immers doet
+ willens of onwillens dingen, waarvan hij ten eenen male
+ niets begrijpt, deze daarentegen gehoorzaamt niemand dan
+ zichzelf en doet slechts datgene waarvan hij weet dat het
+ in het leven van het grootste belang is en wat hij daarom
+ ook het meest begeert. Daarom noem ik gene een slaaf,
+ deze evenwel een vrij mensch, over wiens karakter en
+ levenswijze ik thans nog kortelijks een en ander wil
+ opmerken.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LXVII.</i></p>
+
+<p>De vrije mensch denkt aan niets minder dan aan den dood; zijn
+wijsheid bestaat niet in bepeinzing van den dood, maar van het
+leven.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De vrije mensch, d.w.z. de mensch, die leeft alleen volgens
+voorschrift der Rede, wordt niet geleid door Vrees voor den dood
+(<i>vlg. <a href="#d4s63">St. LXIII v.d. D.</a></i>) doch begeert het goede rechtstreeks
+(<i>vlg. <a href="#d4s63g">Gevolg derzelfde St.</a></i>)
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>)
+hij begeert te handelen, te leven, zijn wezen te handhaven, met
+de bedoeling zijn eigen belang te dienen. Derhalve denkt hij aan
+niets minder dan aan den dood, maar bestaat zijn wijsheid in
+bepeinzing des levens. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LXVIII.</i></p>
+
+<p>Indien de menschen vrij geboren werden, zouden zij zich geenerlei
+voorstellingen van goed of kwaad maken zoolang ze vrij bleven.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Hem heb ik vrij genoemd, die alleen door de Rede geleid wordt.
+Wie dus vrij geboren wordt en vrij blijft, heeft niets dan
+adaequate voorstellingen, heeft dus ook geenerlei begrip van het
+kwade (<i>vlg. <a href="#d4s64g">Gevolg St. LXIV v.d. D.</a></i>) en bijgevolg (want goed en
+kwaad zijn bij elkaar behoorende begrippen) ook niet van het
+goede. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Dat het onderstelde dezer stelling valsch is
+ en alleen denkbaar voorzoover wij alleen op den
+ menschelijken aard letten, of liever op God, niet
+ voorzoover hij oneindig, maar slechts voorzoover hij
+ oorzaak van het bestaan des menschen is, blijkt uit
+ <a href="#d4s4">Stelling IV van dit Deel</a>. Dit, en nog andere zaken, welke
+ wij betoogd hebben, schijnt ook door Moses te zijn
+ aangeduid in het bekende verhaal van den eersten mensch.
+ Hierin toch is van geen andere macht Gods sprake, dan van
+ die, welke den mensch schiep, d.w.z. van een macht, welke
+ alleen met het belang van den mensch rekening houdt.
+ Daarom wordt dan ook verhaald, dat God den vrijen mensch
+ verbood van den boom der kennisse van goed en kwaad te
+ eten en dat de mensch, zoodra hij er toch van gegeten
+ had, m&eacute;&eacute;r den dood vreesde dan begeerde te leven. Voordat
+ de man, nadat hij de vrouw gevonden had, die geheel en al
+ met zijn aard overeen kwam, begreep dat er niets in de
+ Natuur bestond, dat hem van grooter nut kon zijn dan
+ deze, maar dat hij, wanende dat hij gelijksoortig was met
+ de dieren, aanstonds hun aandoeningen begon na te bootsen
+ (<i>zie <a href="#d3s27">St. XXVII D. III</a></i>) en daarmede zijn vrijheid
+ verloor, welke de Aartsvaders later herwonnen, geleid
+ door den Geest van Christus, d.w.z. door de voorstelling
+ Gods, waarvan alleen het afhangt dat de mensch vrij zij
+ en dat hij het goede, hetwelk hij voor zichzelf begeert,
+ ook aan de overige menschen toewenscht, gelijk wij
+ hierboven (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>) hebben aangetoond.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LXIX.</i></p>
+
+<p>De deugd van den vrijen mensch blijkt evenzeer uit het vermijden
+als in het overwinnen van gevaren.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een aandoening kan alleen worden getemperd of opgeheven door een
+tegengestelde aandoening, welke sterker is (<i>vlg. <a href="#d4s7">St. VII v.d.
+D.</a></i>). Blinde Doldriestheid en Vrees echter zijn aandoeningen
+welke men zich even sterk kan denken
+(<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V</a> en <a href="#d4s3">III v.d.
+D.</a></i>). Derhalve zal er een even groote zielskracht of kloekheid
+(<i>welker Definitie men nasla in <a href="#d3s59o">Opmerking St. LIX D. III</a></i>)
+vereischt worden om Vermetelheid als om Vrees te temperen, d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d3n40">Definities XL</a> en
+<a href="#d3n41">XLI der Aand.</a></i>) de vrije mensch zal
+krachtens dezelfde zielskracht gevaren ontwijken als waarmede hij
+ze tracht te overwinnen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Vluchten te juister tijd moet den vrijen mensch
+ als een even groot bewijs van moed worden aangerekend als
+ strijden, ofwel de vrije mensch kiest met even grooten
+ moed of tegenwoordigheid van geest den strijd als de
+ vlucht.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wat moed is, of wat ik daaronder versta, heb
+ ik in <a href="#d3s59o">de Opmerking bij Stelling LIX van Deel III</a> uiteen
+ gezet. Onder gevaar echter versta ik al wat oorzaak van
+ eenig kwaad kan zijn, zooals Droefheid, Haat, Tweedracht
+ enz.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LXX.</i></p>
+
+<p>De vrije mensch, die temidden van
+onwetenden<a id="aantag75" href="#aanteken75">[A75]</a> leeft, zal
+zooveel mogelijk hun weldaden trachten af te wijzen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Ieder beoordeelt krachtens zijn eigen aard wat goed is (<i>zie
+<a href="#d3s39o">Opmerking St. XXXIX D. III</a></i>). De onwetende dus, die een ander een
+weldaad bewezen heeft, zal deze naar zijn eigen inzicht
+beoordeelen en zich bedroeven als hij ziet dat degeen, wien hij
+die weldaad bewees, haar minder waardeert (<i>vlg. <a href="#d3s42">St. XLII D.
+III</a></i>). De vrije mensch evenwel tracht de andere menschen door
+vriendschap aan zich te verbinden (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>);
+hij wenscht geenszins door even groote weldaden den menschen hun
+genegenheid te vergelden, maar zich en anderen door het vrije
+oordeel der Rede te laten leiden, en begeert slechts dat te doen
+wat hijzelf als het belangrijkste erkent. Derhalve zal de vrije
+mensch, opdat hij zich niet bij de onwetenden gehaat make en niet
+h&ugrave;n begeerte, doch uitsluitend de Rede gehoorzame, hun weldaden
+zooveel mogelijk trachten af te wijzen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s70o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Ik zeg "zooveel mogelijk". Want al zijn de
+ menschen onwetend, zij zijn nochtans menschen, die in
+ gevallen van nood menschelijke hulp, waar geen andere
+ bovengaat, kunnen bieden. En zoodoende komt het dikwijls
+ voor, dat het noodzakelijk is weldaden van hen aan te
+ nemen, en bijgevolg dat wij hen daartegenover de
+ dankbaarheid, welke bij hun gezindheid past, hebben te
+ betoonen. Daarbij komt nog dat men ook bij het afwijzen
+ van weldaden voorzichtig moet zijn, opdat men niet den
+ schijn op zich lade zijn weldoeners te minachten, of uit
+ gierigheid bang te zijn om een vergoeding te moeten geven
+ en hen zoodoende beleedigt, terwijl men juist hun Haat
+ wil voorkomen. Daarom moet men bij het afwijzen van
+ weldaden te rade gaan met wat nuttig en eerzaam is.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LXXI.</i></p>
+
+<p>Alleen vrije menschen kunnen elkaar waarachtig dankbaar zijn.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Alleen vrije menschen zijn voor elkander van waarachtig nut; zijn
+door de nauwste vriendschap met elkaar verbonden (<i>vlg. <a href="#d4s35">St. XXXV</a>
+en <a href="#d4s35g1">Gevolg I v.d. D.</a></i>) en trachten, door gelijke Liefde gedreven,
+elkaar wel te doen (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>). Derhalve kunnen
+(<i>vlg. <a href="#d3n34">Definitie XXXIV der Aand.</a></i>) ook alleen vrije menschen
+elkaar waarachtig dankbaar zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s71o">
+ <p><i>Opmerking:</i> De dankbaarheid welke lieden, die door
+ blinde Begeerte geleid worden, voor elkaar gevoelen, is
+ meestal eer een soort van handel of lokaas, dan
+ eigenlijke dankbaarheid. Voorts is ondankbaarheid geen
+ aandoening. Niettemin is ondankbaarheid iets
+ schandelijks, wijl zij meestal een aanwijzing is dat
+ iemand met een groote mate van Haat, Toorn, Trots of
+ Gierigheid behept is. Want wie te dom is om te weten hoe
+ hij geschenken moet beantwoorden, is niet ondankbaar. Nog
+ minder wie door de geschenken eener boeleerster niet er
+ toe gebracht wordt om haar lusten te dienen, of door die
+ van een dief om zijn diefstal geheim te houden en
+ dergelijke. Immers hij, die zich door geenerlei
+ geschenken laat verleiden zichzelf of het algemeen in het
+ verderf te storten, toont daardoor juist een standvastige
+ ziel te bezitten.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LXXII.</i></p>
+
+<p>De vrije mensch handelt nooit te kwader, doch steeds te goeder
+trouw.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Indien de vrije mensch, voorzoover hij vrij is, iets te kwader
+trouw deed, zou hij dit doen op voorschrift der Rede (immers
+alleen inzoover noemen wij hem vrij). Derhalve zou te kwader
+trouw handelen een deugd zijn (<i>vlg. <a href="#d4s24">St. XXIV v.d. D.</a></i>) en zou
+het bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d4s24">dezelfde St.</a></i>) een ieder, teneinde zijn
+wezen te handhaven, zeer geraden zijn te kwader trouw te
+handelen, d.w.z. (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>), het zou den menschen
+geraden zijn slechts in woorden het met elkaar eens te zijn, in
+daden echter tegenover elkaar te staan; hetgeen (<i>vlg. <a href="#d4s31g">Gevolg St.
+XXXI v.d. D.</a></i>) ongerijmd is. Derhalve handelt de vrije mensch
+enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Indien men mij nu vraagt of niet, wanneer
+ iemand zich door trouweloosheid uit een dreigend
+ doodsgevaar kon redden, het beginsel van het streven naar
+ zelfbehoud van hem zou eischen inderdaad trouweloos te
+ zijn, zoo antwoord ik op dezelfde wijze [als hierboven]
+ dat indien de Rede dit eischte zij het dus van alle
+ menschen zou eischen; dat dus de Rede van alle menschen
+ zou eischen alleen te kwader trouw af te spreken om samen
+ te werken en algemeen geldige rechten te erkennen, d.w.z.
+ in werkelijkheid g&eacute;&eacute;n algemeen geldige rechten te
+ erkennen; hetgeen ongerijmd is.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling LXXIII.</i></p>
+
+<p>De mensch, die door de Rede geleid wordt, is in den Staat, waar
+hij volgens algemeen besluit leeft, vrijer dan in de eenzaamheid,
+waar hij alleen zichzelf gehoorzaamt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De mensch die door de Rede geleid wordt, wordt niet door Vrees
+tot gehoorzaamheid gedwongen (<i>vlg. <a href="#d4s63">St. LXIII v.d. D.</a></i>); doch hij
+verlangt (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII v.d. D.</a></i>) rekening te houden met het
+algemeene leven en belang en bijgevolg (<i>gelijk wij in <a href="#d4s37o2">Opmerking
+II St. XXXVII v.d. D.</a> aantoonden</i>) volgens besluit van den
+gemeenschappelijken Staat te leven, alleen voorzoover hij volgens
+voorschrift der Rede zijn wezen tracht te handhaven, d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d4s66o">Opmerking St. LXVI v.d. D.</a></i>) voorzoover hij vrij wenscht
+te leven. Derhalve begeert de mensch die door de Rede geleid
+wordt, juist om vrijer te leven, zich te houden aan het
+gemeenschappelijke recht van den Staat. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d4s73o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Deze en dergelijke dingen, welke wij over 's
+ menschen waarachtige vrijheid hebben betoogd, hebben
+ betrekking op de Kloekheid, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s59o">Opmerking St.
+ LIX D. III</a></i>) op Geestkracht en Edelmoedigheid. Ik acht
+ het evenwel niet der moeite waard alle kenmerken der
+ Kloekheid afzonderlijk te behandelen en nog minder er op
+ te wijzen dat een kloek mensch niemand haat, niemand
+ toornt, benijdt of geringschat, zich over niemand
+ verontwaardigt en allerminst zichzelf verheft. Immers
+ dit, en al wat het waarachtig leven en den godsdienst
+ betreft, kan gemakkelijk uit <a href="#d4s37">de Stellingen XXXVII</a> en <a href="#d4s46">XLVI
+ van dit Deel</a> worden afgeleid, waar immers betoogd werd
+ dat Haat door Tegenliefde moet worden overwonnen en dat
+ ieder, die door de Rede geleid wordt, een goed dat hij
+ voor zichzelf begeert ook anderen toewenscht. Hierbij
+ komt nog wat wij in de Opmerking bij Stelling L van dit
+ Deel en op andere plaatsen hebben opgemerkt: dat namelijk
+ een kloek mensch in de allereerste plaats bedenkt dat
+ alles voortvloeit uit de noodwendigheid van den
+ goddelijken aard en dat dus al wat hij voor hinderlijk en
+ slecht houdt en wat hem goddeloos, afschuwelijk,
+ onrechtvaardig en schandelijk dunkt, dit alles slechts is
+ wijl hijzelf de dingen wanordelijk, gebrekkig en verward
+ waarneemt. Om deze reden zal hij dan ook in de eerste
+ plaats er naar streven de dingen waar te nemen zooals zij
+ op zichzelf zijn en alle belemmeringen tot een
+ waarachtige kennis, zooals Haat, Toorn, Nijd, Spot,
+ Hoogmoed en al dergelijke aandoeningen, welke wij in het
+ voorgaande hebben opgenoemd, uit den weg te ruimen. Hij
+ zal er daarom zooveel mogelijk naar streven om, gelijk
+ wij zeiden: wel te doen en blij te zijn. Tot hoever nu de
+ gemeenschappelijke kracht bij dit streven reikt en wat
+ zij vermag, zal ik in het volgend Deel aantoonen.</p>
+ </div>
+
+
+
+<h4>AANHANGSEL</h4>
+
+
+<p>Wat ik in dit Deel over de juiste levenswijze heb gezegd, is niet
+z&oacute;&oacute; gerangschikt dat men het met &eacute;&eacute;n blik kan overzien, doch werd
+door mij op verschillende plaatsen betoogd al naar gelang ik een
+en ander het gemakkelijkst uit iets anders kon afleiden. Ik stel
+mij daarom voor dit alles thans samen te vatten en het
+belangrijkste in korte Hoofdstukken te herhalen.</p>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk I.</i></p>
+
+<p>Heel ons streven of al onze Begeerten volgen uit de
+noodwendigheid van onzen aard en wel z&oacute;&oacute;, dat zij &ograve;f uit dezen
+aard zelf als naaste oorzaak verklaard kunnen worden, &ograve;f
+voorzoover wij een deel der Natuur zijn, dat op zichzelf en
+zonder behulp van andere enkeldingen niet adaequaat begrepen kan
+worden.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk II.</i></p>
+
+<p>De Begeerten, welke zoodanig uit onzen aard voortvloeien, dat zij
+alleen reeds uit dezen zelf verklaard kunnen worden, zijn die,
+welke betrekking hebben op den Geest voorzoover deze wordt
+opgevat als bestaande uit adaequate voorstellingen. De overige
+Begeerten daarentegen hebben slechts betrekking op den Geest
+voorzoover deze de dingen inadaequaat begrijpt, en hun kracht en
+groei worden niet bepaald door de menschelijke macht [alleen],
+maar [ook] door de macht van dingen buiten ons. Daarom worden de
+eersten terecht <i>handelingen</i>, de laatsten <i>lijdingen</i> genoemd;
+gene toch wijzen op onze eigen kracht, deze daarentegen op onze
+machteloosheid en gebrekkige kennis.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk III.</i></p>
+
+<p>Onze handelingen, d.w.z. die Begeerten, welke door 's menschen
+macht of Rede bepaald worden, zijn altijd goed; de overige
+Begeerten kunnen zoowel goed als kwaad zijn.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk IV.</i></p>
+
+<p>In het leven is het dus in de eerste plaats van belang het
+verstand of de Rede zooveel mogelijk te volmaken en in dit &eacute;&eacute;ne
+bestaat 's menschen hoogste geluk of zaligheid. Immers zaligheid
+is niets anders dan die zielsrust zelve, welke uit de intu&iuml;tieve
+kennis van God voortspruit, terwijl het verstand volmaken niets
+anders zeggen wil dan God, Gods attributen en de handelingen
+welke met noodwendigheid uit zijn wezen volgen, begrijpen. Zoodat
+het einddoel van den mensch, die door de Rede geleid wordt,
+d.w.z. zijn hoogste Begeerte, naar welke hij alle overige tracht
+te richten, d&igrave;t is: zichzelf en alle dingen, welke onder zijn
+bevattingsvermogen kunnen vallen, adaequaat te begrijpen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk V.</i></p>
+
+<p>Geen leven dus is redelijk zonder begrip, en de dingen zijn
+alleen goed voorzoover zij den mensch helpen een geestesleven te
+leiden, dat op begrijpen berust. Daarentegen noemen wij al
+datgene kwaad wat den mensch belet zijn Rede te volmaken en een
+redelijk leven te kunnen leiden.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk VI.</i></p>
+
+<p>Wijl evenwel alles, waarvan de mensch [op zichzelf] bewerkende
+oorzaak is, noodzakelijk goed is, kan den mensch alleen door
+uitwendige oorzaken iets kwaads overkomen, d.w.z. voorzoover hij
+een deel is der geheele Natuur, wier wetten de menschelijke aard
+gedwongen is te gehoorzamen en bij welke hij zich op bijkans
+oneindig vele wijze moet aanpassen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd" id="d4h7">
+<p><i>Hoofdstuk VII.</i></p>
+
+<p>Het is niet denkbaar dat de mensch g&eacute;&eacute;n deel der Natuur zou zijn
+en haar algemeene orde n&igrave;et zou volgen. Indien hij evenwel
+verkeert onder individuen, die met zijn eigen menschelijken aard
+overeenstemmen, zal zijn vermogen tot handelen daardoor vanzelf
+worden gesteund en versterkt. Bevindt hij zich daarentegen onder
+wezens, die met zijn eigen aard zeer weinig overeenstemmen, dan
+zal hij zich, niet zonder zelf groote veranderingen te ondergaan,
+bij hen kunnen aanpassen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk VIII.</i></p>
+
+<p>Het staat ons vrij alles wat wij in de wereld der dingen voor
+slecht houden of waarvan wij meenen dat het ons zou kunnen
+belemmeren in ons bestaan en een redelijk leven te leiden, uit
+den weg te ruimen langs den weg die ons het veiligst lijkt; alles
+daarentegen wat wij goed of nuttig achten voor ons zelfbehoud en
+het leiden van een redelijk leven, mogen wij voor onszelf en op
+alle mogelijke wijzen gebruiken, en onvoorwaardelijk mag ieder
+krachtens volste natuurlijk recht alles doen wat hij in zijn
+eigen belang acht.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk IX.</i></p>
+
+<p>Niets kan beter met den aard van eenig ding overeenkomen dan de
+overige enkeldingen derzelfde soort en derhalve bestaat er (<i>vlg.
+<a href="#d4h7">Hoofdstuk VII</a></i>) voor den mensch niets dienstigers voor zijn
+zelfbehoud en het leiden van een redelijk leven, dan de mensch
+die door de Rede geleid wordt. Wijl wij voorts onder de
+bijzondere dingen niets voortreffelijkers kennen dan een mensch,
+die door de Rede geleid wordt kan niemand door &igrave;ets beter toonen
+waartoe zijn kunde en vernuft in staat zijn, dan door de menschen
+z&oacute;&oacute; op te voeden, dat zij tenslotte leven volgens gezag van hun
+eigen Rede.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk X.</i></p>
+
+<p>Voorzoover de menschen Afgunst of eenige andere aandoening van
+Haat jegens elkaar koesteren, zijn zij elkaars tegenstanders en
+als zoodanig des te meer te vreezen wijl hun macht grooter is dan
+die van andere enkeldingen in de Natuur.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XI.</i></p>
+
+<p>Toch worden harten niet door wapenen, maar door Liefde en
+Edelmoedigheid verwonnen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XII.</i></p>
+
+<p>Het is voor de menschen van het hoogste belang met elkaar om te
+gaan, zich zoodanig bij elkaar aan te sluiten, dat zij meer en
+meer tezamen &eacute;&eacute;n eenheid vormen en in het algemeen alles te doen
+wat strekt tot versterking van vriendschap.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XIII.</i></p>
+
+<p>Hiertoe zijn evenwel kunde en waakzaamheid noodig. De menschen
+immers zijn, hoewel zeer verschillend (zeldzaam toch zijn
+diegenen, die volgens de voorschriften der Rede leven), toch
+meestal naijverig en meer tot wraak dan tot barmhartigheid
+geneigd. Het vereischt daarom een bijzondere zielskracht om ieder
+te nemen zooals hij is en zichzelf ervan te onthouden anderer
+aandoeningen na te bootsen. Daarentegen zijn zij, die beter
+verstaan de menschen te hekelen, liever hun ondeugden te laken
+dan hen deugden te leeren, en de gemoederen te verslappen
+inplaats van ze te versterken, zichzelf en anderen tot last.
+Vandaar dat velen uit al te groote onverdraagzaamheid en uit
+valsche godsdienstijver liever verkozen te leven onder dieren dan
+onder menschen, evenals knapen of jongelingen, die de berispingen
+hunner ouders niet met gelijkmoedigheid verdragen kunnen, hun
+toevlucht zoeken in den krijgsdienst en de ongemakken van den
+oorlog en een tyranniek gezag verkiezen boven huiselijke gemakken
+en vaderlijke vermaningen en zich alle mogelijke lasten opleggen,
+alleen om zich op hun ouders te wreken.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XIV.</i></p>
+
+<p>Ofschoon dus de menschen meestal alles naar hun eigen zin
+trachten in te richten, spruiten niettemin uit hun
+gemeenschappelijk verband veel meer voordeelen dan nadeelen
+voort. Daarom is het 't best hun ongerechtigheden met
+gelijkmoedigheid te verduren en zich met ijver toe te leggen op
+al wat eendracht en het sluiten van vriendschap bevordert.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XV.</i></p>
+
+<p>Eendracht is een uitvloeisel van al wat recht, billijk en eerzaam
+is. Want behalve onrecht en onbillijkheid, kunnen de menschen ook
+niet goed velen wat voor schandelijk gehouden wordt, zooals
+bijvoorbeeld het minachten van de eenmaal aangenomen zeden van
+den staat. Om tot Liefde te stemmen evenwel wordt in de eerste
+plaats vereischt al wat tot godsdienst en vroomheid behoort.
+(<i>Men zie hierover <a href="#d4s37o1">de Opmerkingen I</a>
+en <a href="#d4s37o2">II bij Stelling XXXVII</a> en
+<a href="#d4s46o">de Opmerkingen bij de Stellingen XLVI</a>
+en <a href="#d4s73o">LXXIII van dit Deel</a></i>).</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XVI.</i></p>
+
+<p>Bovendien pleegt eendracht ook dikwijls uit Vrees voort te komen;
+dan echter is zij onbetrouwbaar. Men bedenke daarbij dat Vrees
+uit Kleinmoedigheid ontspringt en daarom met het gebruik der Rede
+niets te maken heeft, evenmin als Medelijden, ofschoon dit den
+schijn heeft van Vroomheid.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XVII.</i></p>
+
+<p>Bovendien kan men de menschen ook door Mildheid voor zich winnen,
+vooral hen, die niets bezitten waarmede zij zich datgene, wat
+voor hun levensonderhoud benoodigd is, zouden kunnen verschaffen.
+Het gaat evenwel de draagkracht en het belang van een partikulier
+verre te boven om iederen behoeftige te helpen, de rijkdom van
+een partikulier is daartoe op verre na niet toereikend. Ook is de
+geestesaanleg van &eacute;&eacute;n enkel mensch te beperkt, dan dat hij met
+iedereen vriendschap zou kunnen sluiten. Vandaar dat de armenzorg
+rust op de geheele maatschappij en uitsluitend een zaak is van
+algemeen belang.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XVIII.</i></p>
+
+<p>Bij het aanvaarden van weldaden en het betoonen van onze
+dankbaarheid moet onze zorg een geheel andere zijn. (<i>Men zie
+hieromtrent <a href="#d4s70o">de Opmerkingen bij de Stellingen LXX</a>
+en <a href="#d4s71o">LXXI van dit
+Deel</a></i>).</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XIX.</i></p>
+
+<p>De zinnelijke Liefde verder, d.w.z. de teeldrift, welke op
+lichamelijke schoonheid berust en in het algemeen elke Liefde,
+welke een andere oorzaak heeft dan vrijheid van ziel, slaat licht
+om in haat; tenzij ze, wat nog erger is, een soort van waanzin
+is, in welk geval zij eer tweedracht dan eendracht te weeg
+brengt<a id="aantag76" href="#aanteken76">[A76]</a>.
+(<i>Zie <a href="#d3s31g">Gevolg St. XXXI D. III</a></i>).</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XX.</i></p>
+
+<p>Wat het huwelijk betreft: dit is zonder twijfel in
+overeenstemming met de Rede, wanneer de Begeerte tot lichamelijke
+vermenging niet slechts door schoone vormen, maar ook door het
+liefdevol verlangen om kinderen voort te brengen en verstandig op
+te voeden, wordt opgewekt, en wanneer bovendien beider Liefde,
+van man en vrouw, niet alleen lichamelijke schoonheid, maar
+bovenal vrijheid van ziel tot oorzaak heeft.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXI.</i></p>
+
+<p>Ook Vleierij schept eendracht; doch slechts door verfoeielijke
+dienstbaarheid of trouweloosheid. Niemand toch wordt eerder door
+vleierij ingenomen dan de hoogmoedige, die de eerste wil zijn,
+maar het nochtans niet is.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXII.</i></p>
+
+<p>In Zelfverachting steekt een soort van valsche vroomheid en
+godsdienstigheid. En niettegenstaande Zelfverachting het
+tegendeel is van Hoogmoed, is wie zichzelf veracht toch zeer nauw
+verwant aan den hoogmoedige. (<i>Zie <a href="#d4s57o">Opmerking St. LVII v.d. D.</a></i>).</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXIII.</i></p>
+
+<p>Schaamte bevordert eendracht slechts in zulke gevallen welke niet
+verborgen kunnen worden. Wijl voorts Schaamte een soort van
+Droefheid is, heeft zij met de Rede niets te maken.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXIV.</i></p>
+
+<p>De overige aandoeningen van Droefheid, welke wij jegens menschen
+gevoelen, zijn rechtstreeks in strijd met Rechtvaardigheid,
+Billijkheid, Eerzaamheid, Vroomheid en Godsdienstigheid, en
+ofschoon Verontwaardiging het masker van Billijkheid schijnt te
+dragen, zou men toch zonder wet leven waar het een ieder vrij
+stond over de daden van anderen te oordeelen en zijn eigen of
+eens anders recht te handhaven.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXV.</i></p>
+
+<p>Gematigdheid [Minzaamheid], d.w.z. die Begeerte om den menschen
+te behagen, welke op de Rede berust, behoort tot de
+Rechtschapenheid [Vroomheid] (<i>gelijk wij in <a href="#d4s37o1">Opmerking I St.
+XXXVII v.d. D.</a> hebben gezegd</i>). Ontspringt zij echter uit een
+aandoening dan is zij Eerzucht, ofwel die Begeerte waardoor onder
+het mom van Vroomheid meestal tweedracht en opstand verwekt
+worden. Immers wie anderen met raad en daad wil helpen, opdat zij
+met hem het hoogste goed deelachtig worden, zal zich in de eerste
+plaats beijveren hun Liefde te winnen, niet echter hen in
+bewondering te brengen, opdat zijn leer naar hem genoemd worde,
+en evenmin zal hij ook maar de minste aanleiding tot afgunst
+geven. Voorts zal hij in het dagelijksch gesprek zich er voor
+hoeden op de fouten der menschen te wijzen en over de
+menschelijke machteloosheid zal hij niet dan spaarzaam spreken.
+Daarentegen zal hij breedvoerig uitweiden over de menschelijke
+deugd of macht en hoe deze tot volmaking gebracht kan worden,
+opdat de menschen er zoodoende naar gaan streven naar het
+voorschrift der Rede te leven, niet uit Vrees of Afkeer [voor
+straf of van het kwaad] maar alleen door Blijheid bewogen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXVI.</i></p>
+
+<p>Buiten den mensch kennen wij geen enkel wezen in de Natuur, in
+welks Geest wij ons kunnen verheugen, waarmede wij banden van
+vriendschap kunnen sluiten of anderen omgang aanknoopen. Derhalve
+eischt ons belang ook niet om w&agrave;t ook in de wereld der dingen,
+behalve den mensch, te ontzien; integendeel leert dit belang ons
+om de dingen, al naar hun verschillend nut, te bewaren, te
+vernietigen, of op welke wijze dan ook voor ons gebruik geschikt
+te maken.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXVII.</i></p>
+
+<p>Het nut dat wij trekken van de dingen buiten ons, ligt--behalve
+dat wij door ze waar te nemen en van vorm te doen veranderen
+ervaring en kennis opdoen--voornamelijk in de instandhouding van
+ons Lichaam. Uit dit oogpunt zijn in de eerste plaats die dingen
+nuttig, welke het Lichaam zoodanig voeden en onderhouden kunnen
+dat al zijn deelen hun taak naar behooren kunnen vervullen.
+Immers hoe geschikter het Lichaam is om velerlei indrukken te
+ontvangen en op velerlei wijzen op uitwendige voorwerpen in te
+werpen, hoe geschikter ook de Geest is tot denken (<i>zie <a href="#d4s38">St.
+XXXVIII</a> en <a href="#d4s39">XXXIX v.d. D.</a></i>). Van dergelijke zaken schijnen echter
+slechts zeer weinige in de Natuur voor te komen, zoodat het, om
+ons Lichaam naar behooren te voeden noodig is tal van
+voedingsmiddelen van verschillenden aard te gebruiken. Immers het
+menschelijk Lichaam is samengesteld uit zeer veel deelen van
+verschillenden aard, welke voortdurend voedsel behoeven, en dat
+wel verschillend, opdat het geheele Lichaam even geschikt blijve
+tot al wat uit zijn aard kan voortvloeien en bijgevolg ook de
+Geest even vatbaar om veel in zich op te nemen.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXVIII.</i></p>
+
+<p>Om zich dit alles te verschaffen zouden de krachten van elk op
+zichzelf bezwaarlijk toereikend zijn, indien de menschen zich
+niet tot gezamenlijken arbeid verbonden. Nu is het geld het
+ruilmiddel<a id="aantag77" href="#aanteken77">[A77]</a>
+voor alle dingen geworden, hetgeen tengevolge had
+dat de voorstelling ervan den Geest der menigte in hooge mate
+pleegt bezig te houden; immers men kan zich nauwelijks een of
+andere soort van genot voorstellen, zonder daarbij te denken aan
+het geld als zijn oorzaak.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXIX.</i></p>
+
+<p>Dit is evenwel slechts een ondeugd bij diegenen, die niet uit
+behoefte of voor hun noodzakelijk levensonderhoud geld trachten
+te verdienen, doch die zich op de kunst van winstmaken toeleggen
+en zich daarop nog hoogelijk laten voorstaan. Weliswaar zorgen
+zij uit gewoonte voor hun Lichaam, doch kariglijk, omdat zij
+evenveel van hun bezit wanen te verliezen als zij aan de
+instandhouding des Lichaams besteden. Wie daarentegen het juiste
+gebruik van het geld kennen en de mate van hun bezit alleen
+regelen naar hun behoefte, leven tevreden met weinig.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXX.</i></p>
+
+<p>Daar nu alle zaken goed zijn welke de deelen van het Lichaam
+helpen bij het vervullen van hun taak en de Blijheid hierin
+bestaat dat 's menschen macht, zoowel naar den Geest als naar het
+Lichaam, wordt bevorderd of vermeerderd, is dus alles wat
+Blijheid schenkt goed. Aangezien echter aan den anderen kant de
+dingen niet op ons inwerken met de bedoeling om ons blijde te
+maken en hun werking zich niet richt naar ons belang, en
+aangezien tenslotte Blijheid meestal slechts op &eacute;&eacute;n deel van het
+Lichaam in het bijzonder betrekking heeft, kunnen aandoeningen
+van Blijheid (als Rede en Waakzaamheid althans niet bij de hand
+zijn) en bijgevolg ook de Begeerten, welke uit hen voortspruiten,
+bovenmatig worden. Waarbij nog komt dat wij onder invloed eener
+aandoening datgene voor het belangrijkst houden, wat voor het
+oogenblik aangenaam is, en toekomstige zaken niet met dezelfde
+aandoening kunnen waardeeren. (<i>Zie <a href="#d4s44o">de Opmerkingen bij St. XLIV</a>
+en <a href="#d4s60o">LX v.d. D.</a></i>)</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXXI.</i></p>
+
+<p>Het bijgeloof schijnt daarentegen te leeren dat goed is wat
+droevig en slecht wat blijde maakt. Doch, zooals wij reeds zeiden
+(<i>zie <a href="#d4s45g2o">Opmerking St. XLV v.d. D.</a></i>): niemand, tenzij een afgunstig
+wezen, zal zich in mijn machteloosheid en ongemak verheugen. Want
+hoe grooter Blijheid wij gevoelen, tot hoe grooter volmaking gaan
+wij over en bijgevolg hoe meer wij aan den goddelijken aard
+deelnemen, en nooit kan Blijheid slecht zijn wanneer zij rekening
+houdt met ons waarachtig belang. Wie daarentegen door Vrees
+geleid wordt en het goede doet om kwaad te vermijden, wordt
+geenszins door de Rede geleid.</p>
+</div>
+
+
+<div class="hoofd">
+<p><i>Hoofdstuk XXXII.</i></p>
+
+<p>Doch de menschelijke macht is uitermate beperkt en wordt door de
+macht der uitwendige dingen oneindig overtroffen. Derhalve
+bezitten wij ook niet een volstrekte macht om de dingen buiten
+ons voor ons gebruik geschikt te maken. Niettemin zullen wij
+alles wat ons, in strijd met wat ons belang eischt, te beurt
+valt, met gelijkmoedigheid dragen indien wij ons slechts ervan
+bewust zijn dat wij onzen plicht gedaan hebben; dat de macht
+welke wij bezitten zich niet zoover uitstrekte dat wij dien
+tegenslag hadden kunnen vermijden, en dat wij een deel zijn der
+geheele Natuur, wier orde wij moeten volgen. Indien wij dit
+helder en duidelijk inzien, zal dit deel van onszelf dat ons
+Verstand genoemd wordt, d.w.z. ons beste deel, volkomen hierin
+berusten en in deze berusting trachten te verblijven. Want
+voorzoover wij begrijpen, kunnen wij niets begeeren dan wat
+noodwendig is en in volstrekt niets anders berusten dan in wat
+waar is. Derhalve is, voorzoover wij dit goed begrijpen, ons
+beste deel in overeenstemming met de orde der geheele Natuur.</p>
+</div>
+
+
+<h4><i>Einde van het Vierde Deel.</i></h4>
+
+
+
+
+<hr id="deel5" />
+
+<h3 class="lined">V. OVER DE MACHT VAN HET VERSTAND OF DE MENSCHELIJKE VRIJHEID</h3>
+
+<hr />
+
+
+<h4>VOORREDE</h4>
+
+
+<p>Ik ga dan eindelijk over tot een ander gedeelte der zedeleer, en
+wel dat handelt over de wijze of den weg welke tot vrijheid
+leidt. In dit Deel zal ik dus spreken over de macht der Rede,
+aantoonen wat de Rede tegenover de aandoeningen vermag en verder
+waarin de Vrijheid of Gelukzaligheid des Geestes bestaat; waaruit
+wij dan zullen zien hoeveel machtiger de wijze is dan de
+onwetende. Op welke wijze echter of langs welken weg het verstand
+behoort te worden volmaakt en ook welke zorg aan het Lichaam moet
+worden besteed opdat het zijn taak naar behooren kan vervullen,
+is hier niet op zijn plaats, het laatste immers behoort tot de
+geneeskunde, het eerste tot de logica. Hier zal ik dus, zooals ik
+gezegd heb, alleen over de macht van den Geest of van de Rede
+handelen en v&oacute;&oacute;r alles doen zien hoe groote en hoedanige
+heerschappij deze heeft over de aandoeningen wat betreft hun
+bedwinging of matiging. Want dat wij geen volstrekte heerschappij
+over hen hebben, werd reeds hierboven door ons aangetoond.
+Weliswaar hebben de Sto&iuml;cijnen gemeend dat zij geheel en al van
+onzen eigen wil afhingen en dat wij er volstrekte heerschappij
+over konden voeren. Maar toch zijn zij, wel niet op grond hunner
+beginselen, maar door een onafwijsbare ervaring, gedwongen
+geworden toe te geven, dat er geen geringe oefening en inspanning
+voor vereischt wordt om ze te bedwingen of te matigen. Hetgeen
+men, als ik mij wel herinner, heeft trachten te verduidelijken
+door een proef met twee honden, een huishond en een jachthond,
+welke men z&oacute;&oacute; wist af te richten, dat tenslotte de huishond kon
+jagen, terwijl de jachthond had afgeleerd hazen te vervolgen. Ook
+Cartesius [Descartes] huldigt deze opvatting in niet geringe
+mate. Hij toch beweerde dat de Ziel of de Geest voornamelijk
+zetelt in een zeker gedeelte der hersenen, de zoogenaamde
+<i>glandula pinealis</i> [pijnappelklier], door welker toedoen de
+Geest alle bewegingen welke in het Lichaam worden opgewekt,
+alsmede de uitwendige voorwerpen, waarneemt; terwijl de Geest
+haar alleen reeds door te willen, op verschillende wijzen in
+beweging kan brengen. Hij beweert dat deze klier zoodanig midden
+in de hersenen is opgehangen dat zij door de minste beweging der
+dierlijke geesten<a id="aantag78" href="#aanteken78">[A78]</a>
+zelf in beweging komt. Verder zegt hij dat
+deze klier op even zooveel verschillende wijzen in de hersenen
+slingert als de dierlijke geesten tegen haar aan kunnen botsen en
+dat zij bovendien evenveel verschillende indrukken ontvangt als
+er uitwendige voorwerpen zijn welke die dierlijke geesten tegen
+haar aan drijven. Vandaar dat, wanneer later de klier door den
+wil der ziel die haar her en der beweegt, op de een of andere
+wijze in slingering wordt gebracht op dezelfde wijze als eens
+vroeger door de geesten, toen deze op een of andere wijze werden
+voortgedreven, de klier dan zelf de levensgeesten weer op
+dezelfde wijze zal voortdrijven en richten als zij vroeger bij
+diezelfde slingering der klier werden afgestooten. Voorts beweert
+hij nog dat elke willing van den Geest van nature gebonden is aan
+een bepaalde beweging der klier. Wanneer bijvoorbeeld iemand een
+verwijderd voorwerp bekijken wil, brengt deze willing teweeg dat
+zijn pupil zich verwijdt. Wanneer hij echter alleen maar zou
+denken aan het verwijden van zijn pupil zou het hem niets baten
+den wil daartoe te hebben, aangezien de Natuur de beweging der
+klier, welke dient om de geesten naar de gezichtszenuw te drijven
+op een wijze, welke het verwijden of vernauwen der pupil bewerkt,
+niet heeft verbonden met den wil om deze te verwijden of te
+vernauwen, maar uitsluitend met den wil om naar een verwijderd of
+dichtbij zijnd voorwerp te kijken. Tenslotte zegt hij dat,
+ofschoon elke beweging dier klier door de Natuur van het begin
+van ons leven af verbonden schijnt te zijn met &eacute;&eacute;n bepaalde
+gedachte, wij toch ook nog door het gebruik andere gedachten er
+aan kunnen vastknoopen, hetgeen hij tracht te bewijzen in Art. L
+Deel I De Pass. Animae [Over de Gemoedsaandoeningen]. Hieruit
+maakt hij dan de gevolgtrekking dat er g&eacute;&eacute;n ziel zoo zwak is of
+zij kan, mits goed geleid, een volstrekte macht over de
+hartstochten verkrijgen. Deze toch zijn volgens zijn definitie:
+gewaarwordingen, gevoelens of aandoeningen der ziel, welke
+bijzonderlijk tot haarzelf behooren en welke (let wel!) ontstaan,
+in stand blijven en versterkt worden door een of andere beweging
+der geesten (<i>zie art. XXVII D. I Pass. An.</i>) Aangezien wij nu
+aan ieder willing een of andere beweging der klier en bijgevolg
+van de geesten kunnen verbinden en de bepaling van onzen wil
+alleen van onze eigen macht afhangt, zouden wij dus een
+volstrekte heerschappij over onze hartstochten kunnen verkrijgen,
+indien wij slechts onzen wil lieten bepalen door die bepaalde en
+vaste beginselen naar welke wij onze levensdaden wenschten te
+richten en daardoor bewegingen van aandoeningen, welke wij hebben
+wilden, met deze beginselen verbonden.</p>
+
+<p>Dit is de meening van dezen zeer beroemden man (voorzoover ik die
+uit zijn eigen woorden kan opmaken), en ik zou nauwelijks kunnen
+gelooven dat een dergelijk man haar heeft uitgesproken, ware zij
+minder scherpzinnig geweest. Waarlijk, niet genoeg kan ik mij er
+over verbazen dat een wijsgeer, die zich zoo vastelijk had
+voorgenomen alleen uit vanzelf sprekende beginselen iets af te
+leiden en alleen te bevestigen wat hij helder en duidelijk had
+begrepen; die nog wel den scholastieken zoo herhaaldelijk verweet
+dat zij duistere zaken uit geheimzinnige eigenschappen wilden
+verklaren, zelf een onderstelling aanneemt, duisterder dan de
+meest geheimzinnige eigenschap. Wat, zoo vraag ik, verstaat hij
+onder de eenheid van Geest en Lichaam? Welke heldere en
+duidelijke voorstelling heeft hij, zoo vraag ik, van een
+gedachte, welke ten nauwste verbonden zou zijn met een klein
+deeltje van een of andere kwantitatieve massa [stof]. Wel gaarne
+zou ik willen dat hij ons die eenheid eens uit haar naaste
+oorzaak verklaarde. Maar integendeel zijn de voorstellingen,
+welke hij zich vormde van Geest en Lichaam zoozeer van elkaar
+verschillend, dat hij noch van die eenheid, noch van den Geest
+zelf ook maar &eacute;&eacute;n enkele oorzaak heeft kunnen aanwijzen, maar het
+noodig vond zijn toevlucht te nemen tot de oorzaak van het
+gansche heelal, d.w.z. tot God. Voorts zou ik gaarne willen weten
+hoeveel graden van beweging de Geest aan die pijnappelklier kan
+meedeelen en met hoe groote kracht hij haar slingerende houdt.
+Want ik weet niet of die klier langzamer of sneller door den
+Geest wordt rondgedreven dan door de levensgeesten, en of de
+bewegingen der aandoeningen welke wij zoodoende vast aan bepaalde
+beginselen verbonden, niet [misschien] door lichamelijke oorzaken
+weer van hen kunnen losraken; waaruit dan bijvoorbeeld zou volgen
+dat, ofschoon de Geest zich vastelijk had voorgenomen een zeker
+gevaar tegemoet te gaan en met dit besluit de bewegingen der
+stoutmoedigheid had verbonden, de klier, op het gezicht van het
+gevaar niettemin aldus kon gaan slingeren, dat de Geest aan niets
+anders dan aan de vlucht kon denken. Werkelijk, er bestaat geen
+[oorzakelijk] verband tusschen wil en beweging, daarom is er ook
+geen vergelijking mogelijk tusschen de macht of de kracht van
+Geest en Lichaam, en bijgevolg kan de kracht van het laatste ook
+niet door de kracht van den eerste in bepaalde richting geleid
+worden. Daarbij komt dat men deze klier geenszins z&oacute;&oacute; midden in
+de hersenen gelegen vindt, dat zij zoo gemakkelijk op zoovele
+wijzen rondgedreven zou kunnen worden en dat ook niet alle
+zenuwen zich tot in de hersenholte uitstrekken.</p>
+
+<p>Eindelijk ga ik alles wat hij over den wil en diens vrijheid
+beweert voorbij, aangezien ik al herhaaldelijk genoeg heb
+aangetoond dat dit alles onjuist is.</p>
+
+<p>Wijl dus de macht des Geestes, gelijk ik hierboven heb
+aangetoond, alleen door het verstand bepaald wordt, zullen wij
+ook de geneesmiddelen tegen onze aandoeningen--van welke ik
+geloof dat alle menschen ze weliswaar bij ervaring kennen, doch
+alleen maar niet scherp waarnemen en duidelijk
+onderscheiden--uitsluitend uit de kennis van den Geest moeten
+afleiden, en uit deze kennis ook tevens al wat strekt tot zijn
+gelukzaligheid.</p>
+
+
+
+<h4>GRONDWAARHEDEN (Axioma's)</h4>
+
+
+<div class="axioma" id="d5a1">
+<p>I. Wanneer in &eacute;&eacute;nzelfde voorwerp twee tegenstrijdige bewegingen
+worden opgewekt, moet noodzakelijk &ograve;f in beide, &ograve;f in een daarvan
+een verandering plaats grijpen, totdat zij ophouden tegenstrijdig
+te zijn.</p>
+</div>
+
+
+<div class="axioma">
+<p>II. De kracht eener uitwerking wordt bepaald door de kracht harer
+oorzaak, voorzoover haar wezen door het wezen dier oorzaak
+verklaard of bepaald wordt. (<i>Dit Axioma blijkt uit <a href="#d3s7">Stelling VII
+Deel III</a></i>).</p>
+</div>
+
+
+
+<h4>STELLINGEN</h4>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s1">
+<p><i>Stelling I.</i></p>
+
+<p>Op dezelfde wijze als in den Geest de gedachten en voorstellingen
+der dingen gerangschikt en aaneengeschakeld zijn, volgen op
+elkaar en schakelen zich aaneen de gewaarwordingen des Lichaams,
+of de beelden [indrukken] der dingen op het Lichaam.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De orde en het verband der voorstellingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2s7">St. VII D.
+II</a></i>) dezelfde als orde en verband der dingen en omgekeerd zijn de
+orde en het verband der dingen (<i>vlg. <a href="#d2s6g">Gevolg St. VI</a>
+en <a href="#d2s7">St. VII D.
+II</a></i>) dezelfde als orde en verband der voorstellingen. Derhalve:
+evenals orde en verband der voorstellingen in den Geest (<i>vlg.
+<a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) de orde en het verband der dingen volgen,
+evenzoo is er ook omgekeerd (<i>vlg. <a href="#d3s2">St. II D. III</a></i>) een orde en
+verband van lichaamsindrukken, geheel beantwoordende aan de wijze
+waarop de gedachten en voorstellingen der dingen gerangschikt en
+aaneengeschakeld zijn in den Geest. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s2">
+<p><i>Stelling II.</i></p>
+
+<p>Indien wij een gemoedsbeweging of aandoening scheiden van de
+gedachte aan een uitwendige oorzaak en met andere gedachten
+verbinden, gaan Liefde of Haat jegens die uitwendige oorzaak,
+evenals alle zielsberoeringen, welke uit deze aandoeningen
+ontsprongen, te niet.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Datgene immers wat het wezen van Liefde of Haat uitmaakte, is
+Blijheid of Droefheid, vergezeld door de voorstelling eener
+uitwendige oorzaak, (<i>vlg. <a href="#d3n6">Definities VI</a>
+en <a href="#d3n7">VII der Aand.</a></i>).
+Wanneer dus deze is opgeheven, is tevens het wezen van de Liefde
+of van den Haat opgeheven. Derhalve gaan deze aandoeningen en die
+welke er uit voortvloeien, te niet. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s3">
+<p><i>Stelling III.</i></p>
+
+<p>Een aandoening, welke lijding is, houdt op een lijding te zijn,
+zoodra wij er ons een heldere en duidelijke voorstelling van
+vormen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een aandoening welke lijding is, is een verwarde voorstelling
+(<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Definitie der Aand.</a></i>). Indien wij dus van dezelfde
+aandoening een heldere en duidelijke voorstelling vormen, zal
+deze voorstelling zich niet anders dan in redelijk
+opzicht<a id="aantag79" href="#aanteken79">[A79]</a>
+van die aandoening zelf, voorzoover zij alleen betrekking heeft
+op den Geest, onderscheiden (<i>vlg. <a href="#d2s21">St. XXI</a>
+en <a href="#d2s21o">Opmerking D. II</a></i>).
+Derhalve zal (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>) deze aandoening ophouden een
+lijding te zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d5s3g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Wij hebben een aandoening dus des te meer in
+ onze macht, en de Geest heeft des te minder door haar te
+ lijden, naar mate wij haar beter kennen.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s4">
+<p><i>Stelling IV.</i></p>
+
+<p>Het Lichaam ontvangt geen indruk van welke wij ons niet een of
+andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen maken.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wat aan allen gemeen is, kan niet anders dan adaequaat worden
+begrepen (<i>vlg. <a href="#d2s38">St. XXXVIII D. II</a></i>).
+Derhalve (<i>vlg. <a href="#d2s12">St. XII</a> en
+<a href="#d2h2">Hulpstelling II</a>, te vinden achter Opmerking St. XIII D. II</i>)
+ontvangt het Lichaam geen indruk van welke wij ons niet een of
+andere heldere en duidelijke voorstelling kunnen maken. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat er ook geen aandoening
+ bestaat, van welke wij ons niet een of andere heldere en
+ duidelijke voorstelling kunnen vormen. Immers een
+ aandoening is de voorstelling van een lichaamsindruk
+ (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Definitie der Aand.</a></i>), welke voorstelling dus
+ (<i>vlg. voorgaande St.</i>) een of ander helder en duidelijk
+ begrip moet insluiten.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d5s4o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Aangezien er (<i>vlg. <a href="#d1s36">St. XXXVI D. I</a></i>) niets
+ bestaat waaruit niet een of andere uitwerking voortvloeit
+ en wij al wat volgt uit een voorstelling, welke voor ons
+ adaequaat is, helder en duidelijk begrijpen (<i>vlg. <a href="#d2s40">St. XL
+ D. II</a></i>), volgt hieruit, dat ieder de macht heeft zichzelf
+ en zijn aandoeningen, zoo niet geheel en al, dan toch ten
+ deele, helder en duidelijk te begrijpen, en bijgevolg er
+ voor te zorgen dat hij er minder van te lijden heeft. Wij
+ behooren ons dus vooral d&aacute;&aacute;rop toe te leggen, om elke
+ aandoening zooveel mogelijk helder en duidelijk te leeren
+ kennen, ten einde zoodoende den Geest, van die aandoening
+ zelf uitgaande, te doen denken aan dingen, welke hij
+ helder en duidelijk begrijpt en waarin hij volkomen
+ berust; daardoor de aandoening te scheiden van haar
+ uitwendige oorzaak en met ware gedachten te verbinden.
+ Het gevolg zal dan zijn dat niet alleen Liefde en Haat te
+ niet gaan (<i>vlg. <a href="#d5s2">St. II v.d. D.</a></i>) maar ook dat de Drang
+ of de Begeerten, welke uit zulk een aandoening plachten
+ voort te komen, niet bovenmatig kunnen worden. (<i>Vlg. <a href="#d4s61">St.
+ LXI D. IV</a></i>). Men vergete namelijk vooral niet dat het
+ &eacute;&eacute;nzelfde Drang is waardoor de mensch nu eens handelt,
+ dan weer lijdt. Zoo hebben wij bijvoorbeeld doen zien dat
+ het met den menschelijken aard aldus gesteld is, dat
+ ieder verlangt dat de overige menschen naar z&igrave;jn zin
+ zullen leven (<i>zie <a href="#d3s31o">Opmerking St. XXXI D. III</a></i>). Deze
+ Drang nu is bij den mensch, die niet door de Rede geleid
+ wordt, een lijding, welke Eerzucht genoemd wordt en welke
+ niet veel van Hoogmoed verschilt. Daarentegen is hij bij
+ den mensch, die naar de voorschriften der Rede leeft, een
+ handeling of deugd, welke Rechtschapenheid [Vroomheid]
+ heet (<i>zie <a href="#d4s37o1">Opmerking I St. XXXVII D. IV</a>
+ en <a href="#d4s37b2">het tweede
+ bewijs dierzelfde St.</a></i>). Evenzoo zijn alle andere
+ verlangens of Begeerten slechts in zooverre lijdingen als
+ zij door inadaequate voorstellingen worden opgewekt of
+ daaruit voortkomen. Alle Begeerten toch, waardoor wij tot
+ een of andere handeling gedreven worden, kunnen zoowel
+ uit adaequate als uit inadaequate voorstellingen
+ ontspringen. (<i>Zie <a href="#d4s59">St. LIX D. IV</a></i>).</p>
+
+ <p>Er is dus (om tot mijn uitgangspunt terug te keeren) geen
+ voortreffelijker heelmiddel, en dat tevens in onze macht
+ staat, tegen de aandoeningen te bedenken dan hun juiste
+ kennis; aangezien de Geest geen enkel ander vermogen
+ bezit dan om te denken en adaequate voorstellingen te
+ vormen, gelijk wij hierboven hebben aangetoond (<i>vlg. <a href="#d3s3">St.
+ III D. III</a></i>).</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s5">
+<p><i>Stelling V.</i></p>
+
+<p>Een aandoening, opgewekt door iets dat wij ons zonder
+meer<a id="aantag80" href="#aanteken80">[A80]</a>,
+en noch als noodwendig, noch als mogelijk, noch als toevallig
+voorstellen, is onder overigens gelijke omstandigheden, sterker
+dan alle andere.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De aandoening, opgewekt door iets dat wij voor vrij houden is
+sterker dan die, teweeg gebracht door iets noodwendigs (<i>vlg. <a href="#d3s59">St.
+LIX D. III</a></i>) en bijgevolg veel sterker dan die, veroorzaakt door
+iets dat wij als mogelijk of als toevallig beschouwen (<i>vlg. <a href="#d4s11">St.
+XI D. IV</a></i>). Maar zich iets als vrij voorstellen kan niets anders
+beteekenen dan dat wij het ons "zonder meer" voorstellen, zonder
+al de oorzaken, waardoor het tot zijn werking gedreven wordt, te
+kennen (<i>vlg. hetgeen wij in <a href="#d2s35o">Opmerking St. XXXV D. II</a> hebben
+aangetoond</i>). Derhalve zal de aandoening, opgewekt door iets dat
+wij ons zonder meer voorstellen, onder overigens gelijke
+omstandigheden, sterker zijn dan die, teweeggebracht door iets
+noodwendigs, mogelijks of toevalligs, en bijgevolg sterker dan
+alle andere. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s6">
+<p><i>Stelling VI.</i></p>
+
+<p>Naarmate de Geest alle dingen als noodwendig begrijpt, heeft hij
+meer macht over zijn aandoeningen, ofwel heeft hij minder van hen
+te lijden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De Geest begrijpt [kan inzien] dat alle dingen noodwendig zijn
+(<i>vlg. <a href="#d1s29">St. XXIX D. I</a></i>) en dat zij door een oneindig verband van
+oorzaken tot bestaan en werking genoopt worden (<i>vlg. <a href="#d1s28">St. XXVIII
+D. I</a></i>). Derhalve bewerkt hij (<i>vlg. <a href="#d5s5">voorgaande St.</a></i>) voorzoover
+hij dit begrijpt, dat hij van de aandoeningen, welke uit die
+dingen voortspruiten, minder te lijden heeft en dat hij (<i>vlg.
+<a href="#d3s48">St. XLVIII D. III</a></i>) in geringere mate door hen wordt aangedaan.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hoe meer deze kennis, namelijk dat de dingen
+ noodwendig zijn, die bijzondere dingen betreft, welke wij
+ ons het duidelijkst en levendigst voorstellen, hoe
+ grooter ook de macht van den Geest over de aandoeningen
+ zal zijn, hetgeen ook de ervaring zelve bewijst. Wij zien
+ immers hoe Droefheid over een goed dat verloren ging,
+ verzacht wordt, zoodra degeen die het verloor, bedenkt
+ dat hij het op geen enkele wijze had kunnen behouden. Zoo
+ zien wij ook dat niemand kinderen beklaagt omdat zij niet
+ kunnen spreken, loopen of [logisch] redeneeren, of ook
+ omdat zij zooveel jaren als onbewust van zichzelf leven.
+ Indien echter de meeste menschen volwassen ter wereld
+ kwamen en slechts een enkele als kind, dan zou ieder zulk
+ een kind beklagen, wijl men dan het kind-zijn niet als
+ een natuurlijk, noodwendig iets zou beschouwen, maar als
+ een fout of zonde van de Natuur. En zoo zouden wij nog
+ tal van dergelijke voorbeelden kunnen geven.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s7">
+<p><i>Stelling VII.</i></p>
+
+<p>Aandoeningen, welke uit de Rede ontspruiten of door haar worden
+opgewekt, zijn, indien men ook rekening houdt met den tijd [op
+den duur] machtiger dan aandoeningen welke op bijzondere dingen
+betrekking hebben welke wij als afwezig beschouwen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wij beschouwen iets niet als afwezig op grond van de aandoening
+waarmede wij het ons voorstellen, maar doordat ons Lichaam een
+anderen indruk ondergaat, welke het oogenblikkelijk bestaan ervan
+uitsluit (<i>vlg. <a href="#d2s17">St. XVII D. II</a></i>). Daarom is een aandoening, welke
+betrekking heeft op een zaak welke wij als afwezig beschouwen,
+ook niet van dien aard dat zij 's menschen overige handelingen en
+vermogens zou kunnen beheerschen (<i>zie hierover <a href="#d4s6">St. VI D. IV</a></i>),
+doch integendeel van zulk een aard dat zij door andere
+aandoeningen, welke het bestaan van die uitwendige oorzaak
+buitensluiten, op een of andere wijze kan worden belemmerd (<i>vlg.
+<a href="#d4s9">St. IX D. IV</a></i>). Een aandoening evenwel welke uit de Rede
+voortspruit, heeft noodzakelijk betrekking op algemeene
+eigenschappen van dingen (<i>zie. <a href="#d2s40o2_3">de Definitie der Rede in
+Opmerking II St. XL D. II</a></i>), welke eigenschappen wij steeds als
+aanwezig beschouwen (wijl er immers niets zijn kan dat hun
+oogenblikkelijk bestaan uitsluit) en welke wij ons steeds op
+dezelfde wijze voorstellen (<i><a href="#d2s38">St. XXXVIII D. II</a></i>). Vandaar dat
+zulk een aandoening ook steeds dezelfde blijft, en bijgevolg
+zullen (<i>vlg. <a href="#d5a1">Axioma I v.d. D.</a></i>) alle aandoeningen, welke met
+haar in strijd zijn en door hun uitwendige oorzaken niet worden
+ondersteund, zich meer en meer bij haar moeten aanpassen, totdat
+zij tenslotte niet meer met haar in strijd zijn. In zoover is dus
+de aandoening, welke uit de Rede voortspruit machtiger. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s8">
+<p><i>Stelling VIII.</i></p>
+
+<p>Een aandoening is des te sterker naarmate zij door m&eacute;&eacute;r
+gelijktijdig samenwerkende oorzaken wordt opgewekt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Vele oorzaken tegelijk vermogen meer dan indien het er minder
+waren (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>).
+Derhalve zal (<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V D. IV</a></i>)
+een aandoening des te sterker zijn, naarmate zij door m&eacute;&eacute;r
+gelijktijdige oorzaken wordt opgewekt. H.t.b.w. Deze stelling
+blijkt ook uit Axioma II van dit Deel.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s9">
+<p><i>Stelling IX.</i></p>
+
+<p>Een aandoening welke door vele en verschillende oorzaken wordt
+teweeg gebracht, die de Geest tegelijk met die aandoening
+beschouwt, is minder schadelijk en doet ons minder lijden (en elk
+dier oorzaken maakt minder indruk op ons), dan een andere even
+sterke aandoening, welke slechts &eacute;&eacute;n of weinige oorzaken heeft.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een aandoening is alleen in zoover slecht of gevaarlijk als de
+Geest er door belemmerd wordt te denken
+(<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI</a> en <a href="#d4s27">XXVII
+D. IV</a></i>). Derhalve is een aandoening, waardoor de Geest genoopt
+wordt aan vele dingen te gelijk te denken, minder schadelijk dan
+een even sterke andere, welke den Geest zoozeer in de beschouwing
+van &eacute;&eacute;n of enkele voorwerpen gevangen houdt, dat hij aan andere
+niet meer denken kan. Dit wat het eerste betreft. Wijl voorts het
+wezen van den Geest, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) zijn
+vermogen, uitsluitend in denken bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI D. II</a></i>),
+lijdt de Geest minder door een aandoening, welke hem noopt aan
+vele dingen te denken, dan door een even groote, welke zijn
+aandacht voor &eacute;&eacute;n of enkele voorwerpen in beslag neemt. Dit wat
+het tweede punt aangaat. Tenslotte is zulk een aandoening (<i>vlg.
+<a href="#d3s48">St. XLVIII D. III</a></i>) voorzoover zij door vele uitwendige oorzaken
+wordt teweeg gebracht, ten opzichte van elk dier oorzaken ook
+zwakker. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s10">
+<p><i>Stelling X.</i></p>
+
+<p>Zoolang wij niet door aandoeningen, welke strijdig zijn met onzen
+aard, worden aangegrepen, hebben wij de macht om de indrukken van
+ons Lichaam te rangschikken en aaneen te schakelen volgens orde
+des begrips<a id="aantag81" href="#aanteken81">[A81]</a>.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Aandoeningen welke in strijd zijn met onzen aard, d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d4s30">St. XXX D. IV</a></i>), welke slecht zijn,
+zijn slecht inz&oacute;&oacute;ver als zij
+den Geest belemmeren in het begrijpen (<i>vlg. <a href="#d4s27">St. XXVII D. IV</a></i>).
+Zoolang wij dus niet worden aangegrepen door aandoeningen welke
+met onzen aard in strijd zijn, wordt het vermogen van den Geest,
+waarmede hij de dingen tracht te begrijpen (<i>vlg. <a href="#d4s26">St. XXVI D.
+IV</a></i>) niet belemmerd en bezit de Geest dus de macht om heldere en
+duidelijke voorstellingen te vormen en zaken uit elkaar af te
+leiden, (<i>zie <a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL</a>
+en <a href="#d2s17o">Opmerking St. XLVII D. II</a></i>).
+Bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d5s1">St. I v.d. D.</a></i>) hebben wij ook zoolang de macht
+om de indrukken des Lichaams te rangschikken en aaneen te
+schakelen volgens orde des begrips. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk" id="d5s10o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Door dit vermogen om de indrukken des
+ Lichaams juist te rangschikken en aaneen te schakelen,
+ kunnen wij er voor zorgen dat wij niet licht door slechte
+ aandoeningen worden aangegrepen. Immers (<i>vlg. <a href="#d5s7">St. VII
+ v.d. D.</a></i>) er is meer kracht toe noodig om aandoeningen,
+ welke volgens orde des begrips gerangschikt en verbonden
+ zijn, dan om onzekere en vage te bedwingen. Het beste dus
+ wat wij kunnen doen, zoolang wij nog geen volmaakte
+ kennis onzer aandoeningen bezitten, is een juiste
+ levenswijze of vaste levensbeginselen aan te nemen, deze
+ ons in het geheugen te prenten en voortdurend toe te
+ passen in al die bijzondere gevallen welke in het leven
+ veelvuldig voorkomen, opdat zoodoende ons
+ voorstellingsvermogen diep van hen doordrongen worde en
+ zij ons voortdurend ten dienste staan. Zoo hebben wij
+ bijvoorbeeld als levensregel aangenomen (<i>zie <a href="#d4s46">St. XLVI</a> en
+ <a href="#d4s46o">Opmerking D. IV</a></i>) dat Haat door Liefde of Edelmoedigheid
+ moet worden overwonnen, niet echter met wederkeerigen
+ Haat vergolden. Om evenwel dit voorschrift der Rede
+ steeds voor toepassing gereed te hebben, moet men de
+ dagelijks voorkomende kwade bejegeningen kennen en
+ dikwijls overpeinzen, ook hoe men ze het best door
+ Edelmoedigheid afweert. Zoo immers brengen wij de
+ voorstelling van zulk een kwade bejegening met die van
+ dien levensregel in verband en zal deze laatste (<i>vlg.
+ <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) steeds bij de hand zijn wanneer die
+ bejegening ons [eens werkelijk] te beurt valt. Indien wij
+ nu tevens doordrongen zijn van ons waarachtig belang en
+ van het goede dat uit wederzijdsche vriendschap en
+ maatschappelijken omgang voortspruit, en bovendien
+ overwegen dat van een juiste levenswijze de hoogste
+ zielsrust het gevolg is (<i>vlg. <a href="#d4s52">St. LII D. IV</a></i>) en dat de
+ menschen, evenals alle dingen, krachtens de
+ noodwendigheid van hunnen aard handelen; dan zullen die
+ Boosheid en die Haat, welke door kwade bejegening plegen
+ te worden opgewekt, slechts een gering gedeelte onzer
+ aandacht in beslag nemen en gemakkelijk overwonnen
+ worden. En indien al de Toorn, welke het gevolg is van
+ zeer groot onrecht, niet zoo licht overwonnen wordt, zoo
+ zal men hem toch, hoewel niet zonder tweestrijd, in veel
+ korter tijd te boven komen, dan wanneer men dit alles
+ niet van te voren aldus overwogen had, gelijk blijkt uit
+ <a href="#d5s6">de stellingen VI</a>, <a href="#d5s7">VII</a>
+ en <a href="#d5s8">VIII</a> van dit Deel.</p>
+
+ <p>Evenzoo behoort men na te denken over de geestkracht
+ welke noodig is om Vrees van zich af te zetten. Men
+ stelle zich namelijk de gewone gevaren, waaraan men in
+ het leven bloot staat, beurtelings en herhaaldelijk voor
+ oogen en overwege hoe men ze door tegenwoordigheid van
+ geest en kloekmoedigheid het beste kan vermijden of te
+ boven komen. Men bedenke ook dat wij bij het ordenen van
+ onze gedachten en voorstellingen steeds moeten letten
+ (<i>vlg. <a href="#d4s63g">Gevolg St. LXIII D. IV</a>
+ en <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>) op wat
+ er goeds in ieder ding steekt, opdat wij steeds door een
+ aandoening van Blijheid tot handelen worden gedreven. Zoo
+ moet iemand, die bemerkt dat hij &agrave;l te zeer streeft naar
+ roem, over het juiste gebruik daarvan nadenken: met welke
+ bedoeling hij er naar streeft en met welke middelen hij
+ hem bereiken zal; niet echter over het misbruik ervan en
+ over de ijdelheid en onstandvastigheid des menschen en
+ dergelijke zaken, waarmede alleen lieden die zielsziek
+ zijn zich bezighouden. Immers juist eerzuchtigen kwellen
+ zich het meest met dergelijke gedachten, wanneer zij er
+ aan wanhopen den roem dien zij begeeren, te bereiken;
+ terwijl zij, ofschoon zij gal spuwen, nochtans voor
+ wijzen willen doorgaan. Het is dan ook wel zeker dat zij
+ die het hardst schreeuwen over het misbruik van den roem
+ en over de ijdelheid der wereld, juist het meest begeerig
+ ernaar zijn. En dit is niet slechts een kenmerk van
+ eerzuchtigen, maar van allen wien de fortuin niet gunstig
+ is en die zwak van ziel zijn. Want ook een arme vrek laat
+ niet af te smalen over het misbruik van geld en rijkdom,
+ terwijl hij daarmede alleen maar bereikt dat hij zichzelf
+ kwelt en aan anderen laat merken, dat niet alleen zijn
+ eigen armoede, maar ook anderer rijkdom hem met ergernis
+ vervult. Evenzoo denken lieden, die door hun geliefde
+ werden afgewezen, over niets anders dan over de
+ onstandvastigheid en trouweloosheid der vrouwen en al hun
+ overige afgezaagde gebreken, terwijl zij dit alles
+ dadelijk vergeten zijn zoodra hun lief hen weer goed
+ ontvangt. Wie zich dus alleen uit Liefde tot Vrijheid
+ beijvert zijn aandoeningen en lusten te matigen, zal dus
+ zooveel mogelijk er naar streven de deugden en hun
+ oorzaken te leeren kennen en zijn ziel te vervullen met
+ die vreugde, welke uit hun waarachtige kennis
+ voortspruit. Allerminst echter zal hij zich bezig houden
+ met de gebreken der menschen, hen beschimpen en zichzelf
+ paaien met een valschen schijn van vrijheid. Wie dit
+ alles naarstig in het oog houdt (en dit is immers zoo
+ moeilijk niet) en toepast, zal zonder twijfel binnen
+ korten tijd in staat zijn in de meeste gevallen zijn
+ daden naar de bevelen der Rede te richten.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s11">
+<p><i>Stelling XI.</i></p>
+
+<p>Naarmate een beeld [indruk] op meer zaken betrekking heeft, zal
+het herhaaldelijker v&oacute;&oacute;rkomen of zich doen gelden en neemt het
+den Geest meer in beslag.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers naarmate een beeld of aandoening op meer zaken betrekking
+heeft, zijn er ook meer oorzaken waardoor het kan worden opgewekt
+of aangewakkerd, al welke oorzaken de Geest (<i>vlg. het
+onderstelde</i>) juist tengevolge van die aandoening, tegelijk
+beschouwt. Derhalve zal die aandoening even dikwijls [als elk
+dier oorzaken] voorkomen of zich doen gelden en den Geest (<i>vlg.
+<a href="#d5s8">St. VIII v.d. D.</a></i>) meer in beslag nemen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s12">
+<p><i>Stelling XII.</i></p>
+
+<p>De beelden der dingen worden lichter verbonden met beelden,
+betrekking hebbend op dingen, welke wij helder en duidelijk
+begrijpen, dan met andere.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dingen, welke wij helder en duidelijk begrijpen, zijn &ograve;f
+algemeene eigenschappen, &ograve;f wat daaruit kan worden afgeleid (<i>zie
+<a href="#d2s40o2_3">de Definitie der Rede in Opmerking II St. XL D. II</a></i>), en hun
+voorstelling zal dus dikwijls in ons worden opgewekt (<i>vlg.
+<a href="#d5s11">voorgaande St.</a></i>). Het kan derhalve lichter voorkomen dat wij
+andere zaken gelijktijdig met hen dan met weer andere beschouwen,
+en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) zullen wij ze ook lichter
+met hen in verband brengen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s13">
+<p><i>Stelling XIII.</i></p>
+
+<p>Naarmate een beeld met meer andere verbonden is, zal het meer in
+ons opkomen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers naarmate een beeld met meer andere verbonden is, zullen er
+(<i>vlg. <a href="#d2s18">St. XVIII D. II</a></i>) ook meer oorzaken zijn waardoor het kan
+worden opgewekt. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s14">
+<p><i>Stelling XIV.</i></p>
+
+<p>De Geest heeft het in zijn macht alle lichaamsindrukken of alle
+beelden der dingen, tot de voorstelling Gods terug te brengen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Er is geen lichaamsindruk waarvan de Geest niet een of andere
+heldere en duidelijke voorstelling kan vormen (<i>vlg. <a href="#d5s4">St. IV v.d.
+D.</a></i>). Derhalve heeft hij het in zijn macht
+(<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a></i>)
+om ze allen tot de voorstelling Gods terug te brengen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s15">
+<p><i>Stelling XV.</i></p>
+
+<p>Wie zichzelf en zijn aandoeningen helder en duidelijk begrijpt,
+heeft God lief en wel des te meer naarmate hij zichzelf en zijn
+aandoeningen beter begrijpt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wie zichzelf en zijn aandoeningen helder en duidelijk begrijpt,
+verheugt zich (<i>vlg. <a href="#d3s53">St. LIII D. III</a></i>) en dat wel met de
+begeleidende gedachte aan God (<i>vlg. <a href="#d5s14">voorgaande St.</a></i>). Derhalve
+heeft hij (<i>vlg. <a href="#d3n6">Definitie VI der Aand.</a></i>) God lief en dat wel
+(<i>om dezelfde reden</i>) des te meer, naarmate hij zichzelf en zijn
+aandoeningen beter begrijpt. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s16">
+<p><i>Stelling XVI.</i></p>
+
+<p>Deze Liefde jegens God behoort den Geest het allermeest te
+vervullen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers deze Liefde staat in verband met alle lichaamsindrukken
+(<i>vlg. <a href="#d5s14">St. XIV v.d. D.</a></i>) door al welke zij wordt bevorderd (<i>vlg.
+<a href="#d5s15">St. XV v.d. D.</a></i>).
+Derhalve moet zij (<i>vlg. <a href="#d5s11">St. XI v.d. D.</a></i>) den
+Geest het allermeest vervullen. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s17">
+<p><i>Stelling XVII.</i></p>
+
+<p>God kent geen lijdingen en ondergaat ook geenerlei aandoening van
+Blijheid en Droefheid.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Alle voorstellingen zijn (<i>vlg. <a href="#d2s32">St. XXXII D. II</a></i>) waar,
+voorzoover zij tot God worden teruggebracht, d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d2d4">Definitie IV D. II</a></i>) adaequaat.
+Derhalve (<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Definitie
+der Aand.</a></i>) kent God geen lijding. Voorts kan God (<i>vlg. <a href="#d1s20g2">Gevolg
+II St. XX D. I</a></i>) noch tot grooter, noch tot geringer volmaaktheid
+overgaan en kan hij dus (<i>vlg. <a href="#d3n2">Definities II</a>
+en <a href="#d3n3">III der Aand.</a></i>)
+geenerlei aandoening van Blijheid of Droefheid ondergaan.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> In eigenlijken zin kan God niemand liefhebben
+ of haten. Immers God ondergaat (<i>vlg. <a href="#d5s17">voorgaande St.</a></i>)
+ geenerlei aandoening van Blijheid of Droefheid en
+ bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3n6">Definities VI</a>
+ en <a href="#d3n7">VII der Aand.</a></i>) heeft
+ hij ook niemand lief of haat hij niemand.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s18">
+<p><i>Stelling XVIII.</i></p>
+
+<p>Niemand kan God haten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De voorstelling van God, welke in ons is, is adaequaat en
+volkomen (<i>vlg. <a href="#d2s46">St. XLVI</a> en
+<a href="#d2s47">XLVII D. II</a></i>). Voorzoover wij dus God
+beschouwen, <i>handelen</i> wij (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>). Bijgevolg
+(<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>) kan er geen Droefheid bestaan, die
+vergezeld gaat van de voorstelling Gods, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n7">Definitie
+VII der Aand.</a></i>) niemand kan God haten. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> De Liefde jegens God kan niet in Haat
+ verkeeren.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Men zou kunnen tegenwerpen, dat wij,
+ aangezien wij God als aller dingen oorzaak erkennen, hem
+ daardoor tevens als oorzaak der Droefheid beschouwen.
+ Hierop antwoord ik evenwel dat Droefheid, voorzoover wij
+ haar oorzaken begrijpen (<i>vlg. <a href="#d5s3">St. III v.d. D.</a></i>) ophoudt
+ lijding te zijn, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX D. III</a></i>) ophoudt
+ Droefheid te zijn, en dat wij ons derhalve verheugen
+ voorzoover wij inzien dat God oorzaak van Droefheid is.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XIX.</i></p>
+
+<p>Wie God liefheeft kan er niet naar streven dat God hem wedermint.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Indien iemand hiernaar streefde zou hij dus wenschen (<i>vlg. <a href="#d5s17">St.
+XVII v.d. D.</a></i>) dat God, dien hij liefheeft, niet God ware.
+Bijgevolg zou hij (<i>vlg. <a href="#d3s19">St. XIX D. III</a></i>) verlangen zich te
+bedroeven, hetgeen (<i>vlg. <a href="#d3s28">St. XXVIII D. III</a></i>) ongerijmd is.
+Derhalve: wie God liefheeft enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XX.</i></p>
+
+<p>Deze liefde jegens God kan noch door Nijd, noch door IJverzucht
+worden ontwijd, maar zij wordt juist des te sterker, hoe m&eacute;&eacute;r
+menschen wij ons door &eacute;&eacute;nzelfden band van Liefde met God
+verbonden denken.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze Liefde tot God is het hoogste goed, hetwelk wij, levend naar
+de voorschriften der Rede, kunnen erlangen (<i>vlg. <a href="#d4s28">St. XXVIII D.
+IV</a></i>). Het is (<i>vlg. <a href="#d4s46">St. XXXVI D. IV</a></i>)
+aan alle menschen gemeen en
+wij wenschen (<i>vlg. <a href="#d4s37">St. XXXVII D. IV</a></i>) dat elkeen er zich in
+verheuge. Derhalve kan zij (<i>vlg. <a href="#d3n23">Definitie XXIII der Aand.</a></i>)
+niet door Nijd worden bezoedeld, noch door IJverzucht (<i>vlg. <a href="#d5s18">St.
+XVIII v.d. D.</a> en <a href="#d2s35o">de Definitie der IJverzucht</a>, zie Opmerking St.
+XXXV D. III</i>), maar zal zij integendeel (<i>vlg. <a href="#d3s31">St. XXXI D. III</a></i>)
+des te meer moeten toenemen, naarmate wij ons voorstellen dat
+m&eacute;&eacute;r menschen zich in haar verblijden. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Op deze zelfde wijze kunnen wij aantoonen
+ dat er geen aandoening bestaat, welke in directen strijd
+ is met deze Liefde en door welke die Liefde kon worden
+ teniet gedaan. Wij kunnen dus de gevolgtrekking maken dat
+ deze Liefde tot God de meest standvastige van alle
+ aandoeningen is en voorzoover zij betrekking heeft tot
+ het Lichaam, niet anders dan met dit Lichaam zelf teniet
+ kan gaan. Hoedanig zij is voorzoover zij betrekking heeft
+ op den Geest, zullen wij later zien.</p>
+
+ <p>Hiermede heb ik alle middelen ter verdediging tegen de
+ aandoeningen of al wat de Geest op zichzelf beschouwd
+ [voorzoover van hemzelf afhangt] tegen de aandoeningen
+ vermag, samengevat. Het blijkt hieruit dat de macht van
+ den Geest over de aandoeningen bestaat:</p>
+
+ <p>I. in de kennis zelf der aandoeningen (<i>zie <a href="#d5s4o">Opmerking St.
+ IV v.d. D.</a></i>);</p>
+
+ <p>II. daarin dat hij de aandoening scheidt van de gedachte
+ aan een uitwendige oorzaak, welke wij ons slechts verward
+ voorstellen (<i>zie <a href="#d5s2">St. II</a> en <a href="#d5s4o">dezelfde Opmerking St. IV
+ v.d. D.</a></i>);</p>
+
+ <p>III. in den tijdsduur, tengevolge waarvan aandoeningen,
+ betrekking hebbende op zaken welke wij begrijpen, andere,
+ welke betrekking hebben op zaken waarvan wij slechts
+ verwarde en verminkte voorstellingen hebben, overwinnen.
+ (<i>vlg. St. VII v.d. D.</i>);</p>
+
+ <p>IV. in het groote aantal van oorzaken, waardoor
+ aandoeningen, welke betrekking hebben op algemeene
+ eigenschappen of op God, sterker worden dan andere (<i>zie
+ <a href="#d5s9">St. IX</a> en <a href="#d5s11">XI v.d. D.</a></i>);</p>
+
+ <p>V. tenslotte in de orde waarin de Geest zijn aandoeningen
+ kan schikken en onderling in verband brengen (<i>zie
+ <a href="#d5s10o">Opmerking St. X</a> en bovendien <a href="#d5s12">St. XII</a>,
+ <a href="#d5s13">XIII</a> en <a href="#d5s14">XIV v.d.
+ D.</a></i>).</p>
+
+ <p>Om nu evenwel deze macht van den Geest over de
+ Aandoeningen te beter te doen begrijpen, moet in de
+ eerste plaats worden opgemerkt, dat aandoeningen door ons
+ sterk genoemd worden, wanneer wij een aandoening bij den
+ eenen mensch vergelijken met die bij andere en daarbij
+ zien dat de een daardoor heviger wordt aangegrepen, of
+ wanneer wij de aandoeningen bij &eacute;&eacute;n en denzelfden mensch
+ met elkaar vergelijken en daarbij bevinden dat hij door
+ de eene meer dan door andere getroffen of bewogen wordt.
+ Immers (<i>vlg. <a href="#d4s5">St. V D. IV</a></i>) de kracht van elke aandoening
+ wordt bepaald door de macht eener uitwendige oorzaak in
+ verhouding met de onze. De macht des Geestes nu hangt
+ alleen af van kennis, terwijl zijn machteloosheid of
+ lijding alleen beoordeeld wordt naar zijn gebrek aan
+ kennis, d.w.z. naar datgene, waarom voorstellingen
+ inadaequaat genoemd worden. Waaruit volgt dat d&igrave;e Geest
+ in de hoogste mate lijdt, die grootendeels vervuld is van
+ inadaequate voorstellingen, zoodat hij zich meer laat
+ kennen aan wat hij lijdt dan aan hoe hij handelt; terwijl
+ daarentegen die Geest het sterkst handelt, die
+ grootendeels adaequate voorstellingen heeft, zoodat men
+ hem, ofschoon hij misschien evenveel inadaequate
+ voorstellingen bevat als de eerste, toch beter kent aan
+ zulke, welke tot de menschelijke deugden bijdragen, dan
+ aan zulke, welke een aanklacht zijn tegen de menschelijke
+ machteloosheid. Voorts valt op te merken dat zielsziekten
+ en ongelukkigheid voornamelijk voortspruiten uit te
+ groote Liefde jegens een zaak welke aan vele wisselingen
+ onderhevig is en welke wij nooit geheel in onze macht
+ kunnen krijgen. Want niemand maakt zich bezorgd of
+ angstig over eenige zaak die hij niet liefheeft, en
+ evenmin ontstaan onrecht, achterdocht, vijandschap enz.
+ uit iets anders dan uit Liefde tot dingen, welke men niet
+ volkomen in zijn macht kan krijgen. Na dit alles kunnen
+ wij dus gemakkelijk inzien wat heldere en duidelijke
+ kennis, en vooral die derde soort van kennis (<i>zie
+ <a href="#d2s47o">Opmerking St. XLVII D. II</a></i>), welker grondslag de kennis
+ van God zelve is, tegen de aandoeningen vermag: indien
+ zij ze al niet, voorzoover zij lijding zijn, geheel en al
+ opheft (<i>zie <a href="#d5s3">St. III</a> en
+ <a href="#d5s4o">Opmerking St. IV v.d. D.</a></i>), zoo
+ bewerkt zij toch dat zij een zoo klein mogelijk deel van
+ den Geest innemen (<i>zie <a href="#d5s14">St. XIV v.d. D.</a></i>). Verder baart
+ zij Liefde jegens het onveranderlijke en eeuwige (<i>zie
+ <a href="#d5s15">St. XV v.d. D.</a></i>), dat wij inderdaad deelachtig kunnen
+ worden (<i>zie <a href="#d2s45">St. XLV D. II</a></i>), welke Liefde dus ook nooit
+ door de gebreken, welke der gewone Liefde eigen zijn,
+ bezoedeld kan worden, doch steeds sterker en sterker
+ worden kan (<i>vlg. <a href="#d5s15">St. XV v.d. D.</a></i>), het voornaamste deel
+ van den Geest kan vervullen (<i>vlg. <a href="#d5s16">St. XVI v.d. D.</a></i>) en
+ alzijdig op hem kan inwerken.</p>
+
+ <p>En hiermede heb ik alles wat op dit tegenwoordig leven
+ betrekking heeft afgedaan. Immers dat ik, zooals ik in
+ het begin dezer Opmerking beloofde, in deze weinige
+ woorden alle verweermiddelen tegen de aandoeningen heb
+ samengevat, zal ieder, die gelet heeft op wat ik zeide en
+ tevens op de Definities welke ik gaf van den Geest en
+ zijn Aandoeningen, als mede ten slotte op <a href="#d3s1">de Stellingen I</a>
+ en <a href="#d3s3">III van Deel III</a>, gemakkelijk kunnen inzien. Het is
+ dus thans tijd om over te gaan tot datgene wat betrekking
+ heeft op den duur des Geestes zonder verband met het
+ Lichaam.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s21">
+<p><i>Stelling XXI.</i></p>
+
+<p>De Geest kan zich niets voorstellen, noch zich verleden zaken
+herinneren, dan alleen zoolang het Lichaam bestaat.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De Geest is alleen de uitdrukking van het werkelijk bestaan zijns
+Lichaams en vat de indrukken van het Lichaam alleen als werkelijk
+op zoolang het Lichaam bestaat (<i>vlg. <a href="#d2s8g">Gevolg St. VIII D. II</a></i>).
+Bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d2s26">St. XXVI D. II</a></i>) vat hij geen enkel voorwerp als
+werkelijk bestaande op, dan alleen zoolang als zijn eigen Lichaam
+bestaat. Derhalve kan hij zich ook niets verbeelden [voorstellen]
+(<i>zie <a href="#d2s17o_3">de Definitie van Verbeelding</a> in Opmerking St. XVII D. II</i>)
+noch zich verleden zaken herinneren, dan alleen zoolang als zijn
+Lichaam bestaat (<i>zie <a href="#d2s18o">de Definitie der Herinnering</a> in Opmerking
+St. XVIII D. II</i>). H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s22">
+<p><i>Stelling XXII.</i></p>
+
+<p>Niettemin bestaat er in God noodzakelijk een voorstelling, welke
+het wezen der verschillende menschelijke Lichamen onder het
+gezichtspunt der eeuwigheid uitdrukt.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>God is niet alleen de oorzaak van het bestaan der verschillende
+menschelijke lichamen, doch ook van hun wezen (<i>vlg. <a href="#d1s25">St. XXV D.
+I</a></i>), hetwelk daarom noodzakelijk uit Gods wezen verklaard moet
+kunnen worden (<i>vlg. <a href="#d1a4">Axioma IV D. I</a></i>) en dat wel met een zekere
+eeuwige noodwendigheid (<i>vlg. <a href="#d1s16">St. XVI D. I</a></i>), zoodat dit begrip
+noodzakelijk in God bestaan moet (<i>vlg. <a href="#d2s3">St. III D. II</a></i>). H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s23">
+<p><i>Stelling XXIII.</i></p>
+
+<p>De menschelijke Geest kan niet tegelijk met het Lichaam geheel en
+al teniet gaan, doch er blijft iets over dat eeuwig is.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs" id="d5s23b">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>In God bestaat noodzakelijk een begrip of voorstelling welke het
+wezen van het menschelijk Lichaam uitdrukt (<i>vlg. <a href="#d5s22">voorgaande
+St.</a></i>) en welke daarom noodzakelijk iets is dat ook tot het wezen
+van den Geest behoort (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII D. II</a></i>). Wij hebben echter
+den menschelijken Geest geenerlei duur, welke door tijd bepaald
+zou kunnen worden, toegekend dan alleen voorzoover hij het
+werkelijk bestaan des Lichaams, dat door duur verklaard en door
+tijd bepaald kan worden, uitdrukt; d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d2s8g">Gevolg St. VIII
+D. II</a></i>) wij kennen hemzelf geen duur toe, dan alleen zoolang het
+Lichaam bestaat. Daar evenwel datgene, wat met die zekere eeuwige
+noodzakelijkheid uit Gods wezen zelf verklaard wordt (<i>vlg.
+<a href="#d5s22">voorgaande St.</a></i>) desalniettemin toch &igrave;ets zijn moet, zal ook
+noodzakelijk dit iets, dat tot 's menschen Geest behoort, eeuwig
+zijn. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Zooals wij zeiden, is deze voorstelling,
+ welke het wezen des Lichaams uitdrukt onder het
+ gezichtspunt der eeuwigheid, een zekere denkwijziging,
+ welke tot het wezen des Geestes behoort en noodzakelijk
+ eeuwig is. Toch is het niet mogelijk dat wij ons
+ herinneren v&oacute;&oacute;r het Lichaam te hebben bestaan, aangezien
+ er hiervan [van dit vorig bestaan] geenerlei sporen
+ kunnen bestaan en eeuwigheid noch door tijd kan worden
+ bepaald, noch eenig verband met den tijd hebben kan.
+ Niettemin beseffen en ervaren wij dat wij eeuwig zijn.
+ Immers de dingen welke de Geest verstandelijk begrijpt,
+ zijn even goed ervaring als die welke hij zich herinnert
+ [in beelden kan voorstellen]. Bewijzen [de redeneeringen]
+ toch zijn de oogen des Geestes, waarmede hij zulke dingen
+ ziet en waarneemt. Ofschoon wij ons dus niet herinneren
+ dat wij v&oacute;&oacute;r ons Lichaam bestonden, beseffen wij toch dat
+ onze Geest, voorzoover hij het wezen des Lichaams als
+ iets eeuwigs in zich sluit, ook zelf eeuwig is en dat d&igrave;t
+ bestaan niet door tijd bepaald of door duur verklaard kan
+ worden. Men kan dus slechts in zoover zeggen dat onze
+ Geest een duur heeft en dat zijn bestaan tot een
+ bepaalden tijd beperkt is, als hij het werkelijk bestaan
+ des Lichaams in zich sluit. En ook in zoover slechts
+ heeft hij het vermogen om het bestaan der dingen door
+ tijd te bepalen en onder het gezichtspunt van duur op te
+ vatten<a id="aantag82" href="#aanteken82">[A82]</a>.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s24">
+<p><i>Stelling XXIV.</i></p>
+
+<p>Hoe beter wij de bijzondere dingen begrijpen, hoe beter begrijpen
+wij God.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit blijkt uit het Gevolg van Stelling XXV Deel I.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s25">
+<p><i>Stelling XXV.</i></p>
+
+<p>Het hoogste streven en de hoogste deugd des Geestes is de dingen
+te begrijpen met de derde soort van kennis.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De derde soort van kennis gaat uit van de adaequate voorstelling
+van eenig attribuut Gods en komt zoo tot een adaequate kennis van
+het wezen der dingen (<i>zie <a href="#d2s40o2_4">haar Definitie in Opmerking II St. XL
+D. II</a></i>). Hoe meer wij de dingen op deze wijze begrijpen, hoe meer
+wij (<i>vlg. <a href="#d5s24">voorgaande St.</a></i>) God begrijpen. Derhalve is het (<i>vlg.
+<a href="#d4s28">St. XXVIII D. IV</a></i>) de hoogste deugd des Geestes, d.w.z. (<i>vlg.
+<a href="#d4d8">Definitie VIII D. IV</a></i>) zijn hoogste vermogen of aard, ofwel
+(<i>vlg. <a href="#d3s7">St. VII D. III</a></i>) zijn hoogste streven, de dingen te
+begrijpen met deze derde soort van kennis. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXVI.</i></p>
+
+<p>Hoe geschikter de Geest is om de dingen met de derde soort van
+kennis te begrijpen, hoe meer hij begeert dit ook te doen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Dit is duidelijk. Immers als wij ons voorstellen dat de Geest
+geschikt is om dingen met deze derde soort van kennis te
+begrijpen, denken wij hem ons ook van nature genoodzaakt om dit
+te doen, en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>): hoe meer de
+Geest daartoe geschikt is, hoemeer hij dit ook zal begeeren.
+H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s27">
+<p><i>Stelling XXVII.</i></p>
+
+<p>Uit deze derde soort van kennis ontspruit de hoogst mogelijke
+zielsrust.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De hoogste deugd des Geestes is God te kennen (<i>vlg. <a href="#d4s28">St. XXVIII
+D. IV</a></i>), ofwel de dingen met de derde soort van kennis te
+begrijpen (<i>vlg. <a href="#d5s25">St. XXV v.d. D.</a></i>), welke deugd grooter is,
+naarmate de Geest m&eacute;&eacute;r dingen op deze wijze begrijpt (<i>vlg. <a href="#d5s24">St.
+XXIV v.d. D.</a></i>). Derhalve bereikt hij, die de dingen met deze
+soort van kennis kent, de hoogste menschelijke volmaaktheid.
+Bijgevolg zal hij (<i>vlg. <a href="#d3n2">Definitie II der Aand.</a></i>) de hoogste
+Blijheid gevoelen en dat wel (<i>vlg. <a href="#d2s43">St. XLIII D. II</a></i>) vergezeld
+door de gedachte aan zichzelf en aan zijn deugd. Derhalve
+ontspruit uit deze derde soort van kennis (<i>vlg. <a href="#d3n25">Definitie XXV
+der Aand.</a></i>) ook de grootst mogelijke zielsrust.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXVIII.</i></p>
+
+<p>Het streven of de begeerte om de dingen met de derde soort van
+kennis te kennen, kan niet uit de eerste, maar wel uit de tweede
+soort van kennis voortkomen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze stelling spreekt vanzelf. Immers wat wij helder en duidelijk
+begrijpen, dat begrijpen wij &ograve;f uit zichzelf, &ograve;f door iets anders
+dat uit zichzelf begrijpelijk is. D.w.z.: voorstellingen welke in
+ons helder en duidelijk zijn, of welke tot de derde soort van
+kennis behooren (<i>zie <a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL D. II</a></i>), kunnen niet
+voortvloeien uit gebrekkige en verwarde voorstellingen, welke
+(<i>vlg. <a href="#d2s40o2">dezelfde Opmerking</a></i>) tot de eerste soort van kennis
+behooren, doch alleen uit adaequate, of (<i>vlg. <a href="#d2s40o2">dezelfde
+Opmerking</a></i>) uit de tweede of derde soort van kennis. Derhalve kan
+(<i>vlg. <a href="#d3n1">Definitie I der Aand.</a></i>) de Begeerte om de dingen met de
+derde soort van kennis te kennen, niet voortkomen uit de eerste,
+doch wel uit de tweede. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s29">
+<p><i>Stelling XXIX.</i></p>
+
+<p>Al wat de Geest begrijpt onder het gezichtspunt der eeuwigheid,
+begrijpt hij niet wijl hij een voorstelling heeft van het
+tegenwoordige, werkelijke bestaan des Lichaams, maar wijl hij het
+wezen des Lichaams opvat onder het gezichtspunt der eeuwigheid.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Voorzoover de Geest zich bewust is van het tegenwoordige bestaan
+zijns Lichaams, heeft hij begrip van een duur, welke door tijd
+bepaald kan worden, en slechts in zoover ook heeft hij het
+vermogen om zich de dingen in tijdsverband voor te stellen (<i>vlg.
+<a href="#d5s21">St. XXI v.d. D.</a> en
+<a href="#d2s24">St. XXVI D. II</a></i>). Eeuwigheid evenwel kan niet
+door duur worden verklaard (<i>vlg. <a href="#d1d8">Definitie VIII D. I</a> en <a href="#d1d8t">de
+Toelichting daarvan</a></i>). Derhalve heeft de Geest niet d&aacute;&aacute;rom het
+vermogen dingen onder het gezichtspunt van eeuwigheid te
+beschouwen, doch wijl het tot den aard der Rede behoort de dingen
+aldus op te vatten (<i>vlg. <a href="#d2s44g2">Gevolg II St. XLIV D. II</a></i>) en wijl het
+tot den aard des Geestes eveneens behoort het wezen des Lichaams
+onder het gezichtspunt der eeuwigheid te beschouwen (<i>vlg. <a href="#d5s23">St.
+XXIII v.d. D.</a></i>), en wijl buiten deze beide zaken niets anders tot
+het wezen des geestes behoort (<i>vlg. <a href="#d2s13">St. XIII D. II</a></i>). Derhalve
+komt het vermogen om de dingen onder het gezichtspunt der
+eeuwigheid te beschouwen den Geest slechts toe voorzoover hij het
+wezen des Lichaams onder het gezichtspunt der eeuwigheid
+beschouwt. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Op twee&euml;rlei wijzen worden de dingen door
+ ons als werkelijk bestaande opgevat: &ograve;f voorzoover wij ze
+ ons denken als bestaande in verband met een bepaalden
+ tijd en plaats, &ograve;f voorzoover wij ze denken als in God
+ begrepen en voortvloeiende uit de noodwendigheid van den
+ goddelijken aard. Wat wij ons nu op deze tweede wijze als
+ waar of werkelijk denken, beschouwen wij onder het
+ gezichtspunt der eeuwigheid, en de voorstellingen van
+ d&eacute;ze dingen sluiten het eeuwige en oneindige wezen Gods
+ in zich, gelijk wij in <a href="#d2s45">Stelling XLV van Deel II</a> hebben
+ aangetoond. Men zie ook de Opmerking daarbij.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s30">
+<p><i>Stelling XXX.</i></p>
+
+<p>Voorzoover onze Geest zichzelf en zijn Lichaam onder het
+gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt, heeft hij noodzakelijk
+kennis van God en weet hij dat hij in God is en uit God verklaard
+kan worden.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Eeuwigheid is het wezen Gods zelf, voorzoover dit een
+noodzakelijk bestaan insluit (<i>vlg. <a href="#d1d8">Definitie VIII D. I</a></i>). De
+dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwen wil dus
+zeggen ze opvatten als werkelijke wezenheden, zooals ze uit Gods
+wezen zijn te verklaren of voorzoover ze krachtens Gods wezen
+bestaan. Derhalve heeft onze Geest, voorzoover hij zichzelf en
+zijn Lichaam onder het gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt,
+noodzakelijk kennis van God en weet hij enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s31">
+<p><i>Stelling XXXI.</i></p>
+
+<p>De derde soort van kennis hangt af van den Geest als haar
+werkelijke oorzaak, voorzoover de Geest zelf eeuwig is.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De Geest beschouwt niets onder het gezichtspunt der eeuwigheid
+dan voorzoover hij het wezen van zijn eigen Lichaam onder het
+gezichtspunt der eeuwigheid beschouwt (<i>vlg. <a href="#d5s29">St. XXIX v.d. D.</a></i>),
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d5s21">St. XXI</a> en
+<a href="#d5s23">XXIII v.d. D.</a></i>) voorzoover hij zelf
+eeuwig is. Derhalve heeft hij (<i>vlg. <a href="#d5s30">voorgaande St.</a></i>) voorzoover
+hij eeuwig is, kennis van God, welke kennis (<i>vlg. <a href="#d2s45">St. XLVI D.
+II</a></i>) noodzakelijk adaequaat is. Dus is de Geest voorzoover hij
+eeuwig is, in staat alles te kennen wat uit deze gegeven kennis
+van God kan voortvloeien (<i>vlg. <a href="#d2s40">St. XL D. II</a></i>), d.w.z. om de
+dingen te kennen met de derde soort van kennis (<i>zie <a href="#d2s40o2_4">de Definitie
+hiervan</a> en <a href="#d2s40o2">Opmerking II St. XL D. II</a></i>), van welke kennis daarom
+de Geest (<i>vlg. <a href="#d3d1">Definitie I D. III</a></i>) voorzoover hij eeuwig is, de
+adaequate of formeele oorzaak is. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hoe meer men dus in deze soort van kennis
+ uitblinkt, hoe beter men zich van zichzelf en van God
+ bewust zal zijn, d.w.z. hoe volmaakter en gelukkiger men
+ zijn zal; wat nog helderder uit het volgende blijken
+ moge. Hier moet ik echter doen opmerken dat, ofschoon wij
+ er thans van overtuigd zijn dat de Geest eeuwig is
+ voorzoover hij de dingen onder het gezichtspunt der
+ eeuwigheid beschouwt, wij toch (evenals wij tot dusver
+ deden)--teneinde wat wij willen aantoonen gemakkelijker
+ uiteen te zetten en beter te doen begrijpen--zullen doen
+ alsof hij eerst thans [in zijn tegenwoordig leven]
+ begonnen was te bestaan en eerst thans begonnen was de
+ dingen onder het gezichtspunt der eeuwigheid te
+ beschouwen. Wat wij zonder eenig gevaar voor vergissing
+ kunnen doen, indien wij er slechts voor zorgen alleen
+ gevolgtrekkingen te maken uit volkomen duidelijke
+ gegevens.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s32">
+<p><i>Stelling XXXII.</i></p>
+
+<p>Over al wat wij met de derde soort van kennis begrijpen,
+verheugen wij ons en wel met de vergezellende gedachte aan God
+als oorzaak.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Uit deze soort van kennis ontspruit de grootst mogelijke
+zielsrust ofwel (<i>vlg. <a href="#d3n25">Definitie XXV der Aand.</a></i>) Blijheid, en dat
+wel vergezeld door de gedachte aan zichzelf (<i>vlg. <a href="#d5s27">St. XXVII v.d.
+D.</a></i>), en bijgevolg (<i>vlg. St. XXX v.d. D.</i>) ook vergezeld door de
+gedachte aan God als oorzaak. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg" id="d5s32g">
+ <p><i>Gevolg:</i> Uit de derde soort van kennis ontspringt
+ noodzakelijk een geestelijke Liefde tot God. Immers uit
+ deze soort van kennis ontspruit (<i>vlg. <a href="#d5s32">voorgaande St.</a></i>)
+ Blijheid, vergezeld door de gedachte aan God als oorzaak,
+ d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d3n6">Def. VI der Aand.</a></i>) Liefde tot God, niet
+ voorzoover wij ons Hem als aanwezig voorstellen (<i>vlg.
+ <a href="#d5s29">St. XXIX v.d. D.</a></i>), maar voorzoover wij begrijpen dat hij
+ eeuwig is en dat is het ook wat ik geestelijke Liefde tot
+ God noem.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s33">
+<p><i>Stelling XXXIII.</i></p>
+
+<p>De geestelijke Liefde tot God, welke uit de derde soort van
+kennis voortspruit is eeuwig.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Immers de derde soort van kennis is (<i>vlg. <a href="#d5s31">St. XXXI v.d. D.</a> en
+<a href="#d1a3">Axioma III D. I</a></i>) eeuwig en
+derhalve is (<i>vlg. <a href="#d1a3">zelfde Axioma D.
+I</a></i>) de Liefde welke uit haar ontspruit, noodzakelijk eveneens
+eeuwig. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Ofschoon deze Liefde tot God geen begin
+ gehad heeft (<i>vlg. <a href="#d5s33">voorgaande St.</a></i>) vertoont zij
+ niettemin alle volmaaktheden der Liefde, evengoed als
+ wanneer zij w&egrave;l een begin genomen had, zooals wij in het
+ Gevolg der voorgaande Stelling reeds aannamen. Er is geen
+ verschil dan slechts dit dat de Geest die volmaaktheden,
+ welke wij daareven als verworven voorstelden, reeds van
+ eeuwigheid af bezat en dat wel vergezeld van de gedachte
+ aan God als hun eeuwige oorzaak. Wanneer nu Blijheid
+ bestaat in den overgang tot grooter volmaaktheid, dan
+ moet toch zeker de Gelukzaligheid wel daarin bestaan dat
+ de Geest de volmaaktheid zelve deelachtig is.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXXIV.</i></p>
+
+<p>De Geest is slechts tijdens het bestaan des Lichaams onderhevig
+aan aandoeningen welke tot de lijdingen behooren.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Een verbeelding is een voorstelling, krachtens welke de Geest
+iets als aanwezig beschouwt (<i>zie <a href="#d2s17o_3">haar Definitie</a> in Opmerking St.
+XVII D. II</i>), welke echter meer den oogenblikkelijken toestand
+van het menschelijk Lichaam, als den aard eener uitwendige zaak
+weergeeft (<i>vlg. <a href="#d2s16g2">Gevolg II St. XVI D. II</a></i>). Een aandoening is dus
+(<i>vlg. <a href="#d3n_">Alg. Definitie der Aand.</a></i>) een verbeelding voorzoover zij
+ons den oogenblikkelijken toestand des Lichaams doet kennen.
+Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d5s21">St. XXI v.d. D</a></i>), de Geest slechts tijdens het
+bestaan des Lichaams onderhevig aan aandoeningen welke tot de
+lijdingen behooren. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat geen Liefde eeuwig is dan
+ alleen de geestelijke.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Letten wij op wat de algemeene opvatting
+ hieromtrent is, dan zullen wij bevinden dat de menschen
+ zich weliswaar van de eeuwigheid des Geestes bewust zijn,
+ maar dat zij deze niettemin met een "duur" verwarren,
+ terwijl zij haar tevens toekennen aan de verbeelding of
+ het geheugen, waarvan zij gelooven dat het na den dood
+ blijft bestaan.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s35">
+<p><i>Stelling XXXV.</i></p>
+
+<p>God heeft zichzelf lief met een oneindige geestelijke Liefde.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>God is volstrekt oneindig (<i>vlg. <a href="#d1d6">Definitie VI D. I</a></i>) d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d2d6">Definitie VI D. II</a></i>), Gods aard verheugt zich in oneindige
+volmaaktheid, en dat wel (<i>vlg. <a href="#d2s3">St. III D. II</a></i>) met de gedachte
+aan zichzelf, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s11">St. XI</a>
+en <a href="#d1d1">Definitie I D. I</a></i>) met de
+gedachte aan zijn eigen oorzaak. En dit is het wat wij in <a href="#d5s32g">het
+Gevolg van Stelling XXXII van dit Deel</a> "geestelijke Liefde"
+genoemd hebben.</p>
+</div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s36">
+<p><i>Stelling XXXVI.</i></p>
+
+<p>De geestelijke Liefde van den Geest tot God is de Liefde Gods
+zelve, waarmede God zichzelf liefheeft, niet voorzoover hij
+oneindig is, maar voorzoover hij zich in het wezen van den
+menschelijken Geest, beschouwd onder het gezichtspunt der
+eeuwigheid, openbaart. D.w.z. de geestelijke Liefde van den Geest
+tot God is een deel dier oneindige Liefde waarmede God zichzelf
+liefheeft.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze Liefde des Geestes moet gerangschikt worden onder zijn
+<i>handelingen</i> (<i>vlg. <a href="#d5s32g">Gevolg St. XXXII v.d. D.</a>
+en <a href="#d3s3">St. III D.
+III</a></i>); zij is dan een handeling waarbij de Geest zichzelf
+beschouwt met de gedachte aan God als zijn oorzaak (<i>vlg. <a href="#d5s32">St.
+XXXII</a> en <a href="#d5s32g">Gevolg v.d. D.</a></i>)
+d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d1s25g">Gevolg St. XXV D. I</a> en
+<a href="#d2s11g">Gevolg St. XI D. II</a></i>) een handeling waarbij God, voorzoover hij
+zich in den menschelijken Geest openbaart, zichzelf beschouwt met
+de gedachte aan zichzelf. Derhalve is (<i>vlg. <a href="#d5s35">voorgaande St.</a></i>)
+deze Liefde des Geestes een deel dier oneindige Liefde waarmede
+God zichzelf liefheeft. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt dat God, voorzoover hij zichzelf
+ liefheeft, ook de menschen liefheeft en bijgevolg, dat de
+ Liefde van God tot de menschen en de geestelijke Liefde
+ van den Geest tot God &eacute;&eacute;n en hetzelfde zijn.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk" id="d5s36o">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij kunnen nu helder inzien, waarin ons
+ heil, onze gelukzaligheid ofwel onze vrijheid bestaat; te
+ weten in de standvastige en eeuwige Liefde tot God, of in
+ de Liefde van God jegens de menschen. Deze Liefde of
+ Gelukzaligheid wordt in de Heilige Schrift "Roem"
+ genoemd, en niet ten onrechte. Want onverschillig of deze
+ Liefde aan God dan wel aan den Geest wordt toegeschreven,
+ kan zij met recht Zielsrust, welke toch inderdaad niet
+ van Roem [Zelfverheerlijking] onderscheiden is (<i>vlg.
+ <a href="#d3n25">Definities XXV</a> en
+ <a href="#d3n30">XXX der Aand.</a></i>) genoemd worden. Immers
+ voorzoover zij tot God behoort is zij (<i>vlg. St. XXV v.d.
+ D.</i>) Blijheid--indien ik dit woord hier nog gebruiken
+ mag--met de gedachte aan zichzelf; wat evenzeer het geval
+ is wanneer men haar toeschrijft aan den Geest (<i>vlg. <a href="#d5s27">St.
+ XXVII v.d. D.</a></i>). Waar voorts het wezen van onzen Geest
+ alleen in kennis bestaat, welker begin en grondslag God
+ is (<i>vlg. <a href="#d1s15">St. XV D. I</a> en
+ <a href="#d2s47o">Opmerking St. XLVII D. II</a></i>), zal
+ het ons thans duidelijk zijn op welke wijze en in welk
+ opzicht onze Geest naar wezen en bestaan uit den
+ goddelijken aard voortvloeit en voortdurend van God
+ afhangt. Ik heb het der moeite waard geacht dit hier op
+ te merken, om door dit voorbeeld te kunnen doen zien van
+ hoeveel belang die kennis der bijzondere dingen is, welke
+ ik de intu&iuml;tieve of kennis van de derde soort genoemd heb
+ (<i>zie <a href="#d2s40o2_4">Opmerking II St. XL D. II</a></i>), en hoeveel machtiger
+ zij is dan de algemeene kennis welke ik die van de tweede
+ soort noemde. Want ofschoon ik in <a href="#deel1">het Eerste Deel</a> in het
+ algemeen aantoonde dat alles (<i>en bijgevolg ook de
+ menschelijke Geest</i>) in wezen en bestaan van God afhangt,
+ maakt toch dit bewijs, hoe geldig en boven allen twijfel
+ verheven het ook moge zijn, niet zulk een indruk op onzen
+ Geest, dan wanneer wij hetzelfde bewijzen uit het wezen
+ van elk bijzonder ding dat wij van God afhankelijk
+ noemden.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s37">
+<p><i>Stelling XXXVII.</i></p>
+
+<p>Er bestaat niets in de Natuur, wat met deze geestelijke Liefde in
+strijd is of haar zou kunnen opheffen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Deze geestelijke Liefde volgt noodzakelijk uit den aard van den
+Geest voorzoover hijzelf, als eeuwige waarheid, beschouwd wordt
+als [deel van] den aard Gods (<i>vlg. <a href="#d5s33">St. XXXIII</a> en <a href="#d5s29">XXIX v.d. D.</a></i>)
+Indien er dus iets bestond dat met deze Liefde in strijd was, zou
+het in strijd zijn met de waarheid en bijgevolg zou datgene, wat
+die Liefde kon opheffen, bewerken dat wat waar is valsch werd,
+hetgeen (<i>gelijk vanzelf spreekt</i>) ongerijmd is. Derhalve bestaat
+er niets in de Natuur enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> De Grondwaarheid van het vierde Deel heeft
+ betrekking op de bijzondere dingen, voorzoover zij
+ beschouwd worden in verband met een bepaalden tijd en
+ plaats; waaromtrent wel niemand in twijfel zal verkeeren.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s38">
+<p><i>Stelling XXXVIII.</i></p>
+
+<p>Hoemeer dingen de Geest met de tweede of derde soort van kennis
+begrijpt, hoe minder hij zelf van slechte aandoeningen te lijden
+heeft en hoe minder hij den dood vreest.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Het wezen des Geestes bestaat in kennis (<i>vlg. <a href="#d2s11">St. XI D. II</a></i>).
+Hoemeer dingen de Geest dus kent met de tweede en derde soort van
+kennis, hoe grooter deel er van hem overblijft (<i>vlg. <a href="#d5s29">St. XXIX</a> en
+<a href="#d5s23">XXIII v.d. D.</a></i>) en
+bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d5s37">voorgaande St.</a></i>) hoe grooter
+deel van hem niet wordt getroffen door aandoeningen, welke met
+onzen aard in strijd, d.w.z. (<i>vlg. <a href="#d4s30">St. XXX D. IV</a></i>) welke slecht
+zijn. Hoemeer dingen dus de Geest begrijpt met de tweede en derde
+soort van kennis, hoe grooter deel van hem ongedeerd blijft en
+bijgevolg hoe minder hij van zijn aandoeningen heeft te lijden
+enz. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wij kunnen thans begrijpen wat ik in
+ <a href="#d4s39o">Opmerking St. XXXIX D. IV</a> reeds aanstipte en wat ik
+ beloofde in dit Deel nader te zullen uiteen zetten: dat
+ namelijk de dood te minder schadelijk is, hoe helderder
+ en duidelijker de kennis is welke de Geest bezit, en
+ bijgevolg hoemeer de Geest God liefheeft. Wijl verder
+ (<i>vlg. <a href="#d5s27">St. XXVII v.d. D.</a></i>) uit de derde soort van kennis
+ de hoogst mogelijke zielsrust voortspruit, volgt hieruit
+ dat de menschelijke Geest zoodanig kan worden, dat wat
+ van hem, gelijk wij aantoonden (<i>zie <a href="#d5s21">St. XXI v.d. D.</a></i>)
+ tegelijk met het Lichaam verdwijnt, van niet de minste
+ beteekenis is vergeleken bij wat er van hem overblijft.
+ Doch hierover straks meer.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XXXIX.</i></p>
+
+<p>Wie een Lichaam heeft dat tot velerlei in staat is, heeft een
+Geest welks grootste deel eeuwig is.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Wie een Lichaam heeft dat in staat is velerlei dingen te doen,
+zal het minst gekweld worden door slechte aandoeningen (<i>vlg. <a href="#d4s38">St.
+XXXVIII D. IV</a></i>) d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d4s30">St. XXX D. IV</a></i>), door aandoeningen
+welke met onzen aard in strijd zijn. Hij zal dus de macht hebben
+(<i>vlg. <a href="#d5s10">St. X v.d. D.</a></i>) om zijn lichaamsindrukken te rangschikken
+en te verbinden naar orde des begrips en bijgevolg om te bewerken
+(<i>vlg. <a href="#d5s14">St. XIV v.d. D.</a></i>) dat al zijn lichaamsindrukken in verband
+komen met de gedachte aan God. Dientengevolge zal hij (<i>vlg. <a href="#d5s15">St.
+XV v.d. D.</a></i>) jegens God een Liefde gevoelen, welke (<i>vlg. <a href="#d5s16">St. XVI
+v.d. D.</a></i>) het grootste deel van zijn Geest moet innemen of
+uitmaken, zoodat hij dus (<i>vlg. <a href="#d5s33">St. XXXIII v.d. D.</a></i>) een Geest
+zal hebben, welks grootste deel eeuwig is. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Wijl de menschelijke lichamen tot velerlei
+ in staat zijn, lijdt het geen twijfel of het ligt in hun
+ aard, dat zij behooren kunnen bij Geesten die groote
+ kennis van zichzelf en van God hebben en wier grootste en
+ belangrijkste deel eeuwig is, zoodat zij den dood
+ nauwelijks vreezen. Opdat dit evenwel nog duidelijker
+ worde, zij er hier op gewezen dat wij leven in een
+ voortdurende wisseling en nu eens in beter, dan weer in
+ slechter toestand geraken en dientengevolge gelukkig of
+ ongelukkig genoemd worden. Immers wie van kind of knaap
+ in een lijk verandert, wordt ongelukkig genoemd;
+ daarentegen beschouwt men het als een geluk wanneer men
+ den geheelen levensstrijd met een gezonden Geest en een
+ gezond Lichaam kan doorloopen. En inderdaad, wie, zooals
+ een kind of knaap, een lichaam heeft dat tot zeer weinig
+ in staat is en in de hoogste mate afhankelijk van
+ uitwendige invloeden, heeft ook een geest die op zichzelf
+ beschouwd, zich haast niet bewust is van zichzelf, van
+ God of van de dingen. Omgekeerd, wie een lichaam bezit,
+ tot veel bekwaam, heeft ook een Geest, die op zichzelf
+ beschouwd zich sterk bewust is van zichzelf, van God en
+ van de dingen. Wij streven er dus in dit leven in de
+ eerste plaats naar om het kinderlijk lichaam, voorzoover
+ zijn aard dit gedoogt en voorzoover het nuttig voor hem
+ is, te veranderen in een dat tot velerlei bekwaam is en
+ bij een Geest behoort die zich zoo sterk mogelijk bewust
+ is van zichzelf, van God en van de dingen. En dat wel
+ zoozeer dat [ten laatste] al wat betrekking heeft op zijn
+ geheugen of verbeelding, in vergelijking met zijn
+ verstand van nauwelijks eenige beteekenis wordt, gelijk
+ ik in de Opmerking der voorgaande Stelling reeds heb
+ gezegd.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling" id="d5s40">
+<p><i>Stelling XL.</i></p>
+
+<p>Hoe volmaakter eenig wezen is, hoe meer handelt het en hoe minder
+lijdt het. En omgekeerd: hoe meer het handelt, hoe volmaakter is
+het.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>Hoe volmaakter een wezen is, hoe meer werkelijkheid bezit het
+(<i>vlg. <a href="#d2d6">Definitie VI D. II</a></i>)
+en bijgevolg (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III</a> en
+<a href="#d3s3o">Opmerking D. III</a></i>) hoe meer handelt het en hoe minder lijdt het.
+Welk bewijs in omgekeerde volgorde op dezelfde wijze geleverd kan
+worden, waaruit volgt dat ook omgekeerd een wezen des te
+volmaakter is hoe meer het handelt. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="gevolg">
+ <p><i>Gevolg:</i> Hieruit volgt, dat het deel van den Geest dat
+ overblijft, van welken omvang het ook zij, volmaakter is
+ dan het overige. Immers het eeuwig deel van den Geest is
+ (<i>vlg. <a href="#d5s23">St. XXIII</a> en
+ <a href="#d5s29">XXIX v.d. D.</a></i>) het verstand, het
+ eenige waardoor wij handelen (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D. III</a></i>). Dat
+ deel echter dat, naar wij aantoonden, te gronde gaat, is
+ de verbeelding [voorstelling] zelf (<i>vlg. <a href="#d5s21">St. XXI v.d.
+ D.</a></i>), het eenige waardoor wij lijden (<i>vlg. <a href="#d3s3">St. III D.
+ III</a> en <a href="#d3n_">de Alg. Definitie der Aand.</a></i>). Derhalve is het
+ eerste (<i>vlg. <a href="#d5s40">voorgaande St.</a></i>), van welken omvang het ook
+ zij, volmaakter dan het tweede. H.t.b.w.</p>
+ </div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Dit is wat ik mij had voorgenomen aan te
+ toonen omtrent den Geest, beschouwd buiten verband met
+ het lichamelijk bestaan. Waaruit blijkt, evenals uit
+ <a href="#d1s21">Stelling XXI Deel I</a> en andere stellingen, dat onze Geest,
+ voorzoover hij begrijpt, een eeuwige openbaring des
+ Denkens is, welke door een andere eeuwige denkwijze
+ bepaald wordt, en deze wederom door een andere en zoo tot
+ in het oneindige, zoodanig dat al deze openbaringen
+ tezamen Gods eeuwig en oneindig verstand uitmaken.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLI.</i></p>
+
+<p>Zelfs al wisten wij niet dat onze Geest eeuwig is, zoo zouden wij
+toch vroomheid [rechtschapenheid] godsdienstzin en in het
+algemeen alles wat wij in het vierde Deel als behoorende tot
+Kloekheid en Edelmoedigheid hebben aangeduid, van het grootste
+belang achten.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De eerste en eenige grondslag der Deugd of der juiste levenswijze
+is (<i>vlg. <a href="#d4s22g">Gevolg St. XXII</a> en
+<a href="#d4s24">St. XXIV D. IV</a></i>) het behartigen van
+het eigen belang. Om echter uit te maken wat de Rede als nuttig
+beschouwt, hebben wij in het geheel geen rekening gehouden met de
+eeuwigheid van den Geest welke wij eerst in <a href="#deel5">dit Vijfde Deel</a>
+hebben leeren kennen. Ofschoon wij dus toentertijd nog niet
+wisten dat de Geest eeuwig is, hebben wij niettemin al wat, naar
+wij aantoonden, met Zielegrootheid en Edelmoedigheid in verband
+staat, als van het hoogste belang beschouwd. Derhalve: al wisten
+wij dit nu nog niet, zoo zouden wij nochtans die voorschriften
+der Rede van het hoogste belang achten. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Het gewone volk schijnt hieromtrent een
+ andere meening te hebben. De meesten toch schijnen te
+ gelooven dat zij vrij zijn voorzoover zij hun lusten
+ kunnen botvieren en dat zij afstand doen van hun recht,
+ wanneer zij gehouden zijn volgens het voorschrift der
+ goddelijke wet te leven. Vroomheid en Godsdienstzin, en
+ in het algemeen alles wat met zielskracht verband houdt,
+ vinden zij een last, welken zij na den dood hopen af te
+ werpen, om het loon voor hun slaafschheid--die Vroomheid
+ en Godsdienstigheid namelijk--te ontvangen. En niet
+ alleen door deze Hoop, doch ook, en veel meer nog, door
+ de Vrees dat zij na den dood zwaar zullen worden
+ gestraft, worden zij er toe gedreven om volgens de
+ voorschriften der goddelijke wet te leven, voorzoover
+ tenminste hun zwakheid en machteloosheid van ziel dit
+ vermag. Indien deze Hoop en Vrees de menschen niet
+ vervulden en zij integendeel geloofden dat de Geest met
+ het Lichaam te gronde ging en dat zij, rampzaligen, nadat
+ de last der rechtschapenheid hen had uitgeput, niet
+ langer [hiernamaals] behoefden te leven, zouden zij
+ terugvallen in hun oorspronkelijken aard, alles naar hun
+ eigen lusten willen inrichten en liever aan het lot dan
+ aan zichzelf gehoorzamen. Wat mij niet minder ongerijmd
+ voorkomt dan dat iemand, wijl hij niet gelooft dat hij
+ zijn Lichaam in alle eeuwigheid met kostelijke spijzen
+ zal kunnen voeden, zich liever maar verzadigt met
+ vergiften en doodbrengende zaken; of dat hij, inziende
+ dat de Geest niet eeuwig of onsterfelijk is, liever
+ krankzinnig zou willen zijn en zonder Rede leven. Hetgeen
+ zoo ongerijmd is dat het nauwelijks verdient ter sprake
+ te worden gebracht.</p>
+ </div>
+
+
+<div class="stelling">
+<p><i>Stelling XLII.</i></p>
+
+<p>De Gelukzaligheid is niet het loon der Deugd, maar de Deugd
+[Zielskracht] zelf en wij verheugen ons niet in haar omdat wij
+onze lusten bedwingen, maar omgekeerd, wijl wij ons in haar
+verheugen, zijn wij bij machte onze lusten te beheerschen.</p>
+</div>
+
+<div class="bewijs">
+<p><i>Bewijs.</i></p>
+
+<p>De Gelukzaligheid bestaat in de Liefde tot God (<i>vlg. <a href="#d5s36">St. XXXVI</a>
+en <a href="#d5s36o">Opmerking v.d. D.</a></i>), welke Liefde uit de derde soort van
+kennis voortspruit (<i>vlg. <a href="#d5s32g">Gevolg XXXII v.d. D.</a></i>). Derhalve moet
+deze Liefde (<i>vlg. <a href="#d3s59">St. LIX</a> en
+<a href="#d3s3">III D. III</a></i>) den Geest eigen zijn
+voorzoover hij handelt en is zij dus (<i>vlg. <a href="#d4d8">Definitie VIII D.
+IV</a></i>) de Deugd zelf. Dit wat het eerste betreft. Hoe meer voorts
+de Geest zich in deze goddelijke Liefde of Gelukzaligheid
+verheugt, hoe meer begrijpt hij (<i>vlg. <a href="#d5s32">St. XXXII v.d. D.</a></i>) d.w.z.
+(<i>vlg. <a href="#d5s3g">Gevolg St. III v.d. D.</a></i>) hoe grooter macht heeft hij
+tegenover de aandoeningen en (<i>vlg. <a href="#d5s38">St. XXXVIII v.d. D.</a></i>) hoe
+minder heeft hij te lijden onder aandoeningen welke slecht zijn.
+Derhalve: doordat de Geest zich in die goddelijke Liefde of
+Gelukzaligheid verheugt, heeft hij de macht om zijn lusten te
+bedwingen. En wijl de menschelijke macht tot bedwingen der
+aandoeningen alleen bestaat in begrijpen, verheugt zich dus
+niemand in Gelukzaligheid &ograve;mdat hij zijn lusten bedwingt, maar
+komt integendeel de macht om zijn lusten te bedwingen voort uit
+de Gelukzaligheid zelf. H.t.b.w.</p>
+</div>
+
+ <div class="opmerk">
+ <p><i>Opmerking:</i> Hiermede heb ik alles afgehandeld wat ik
+ over de macht van den Geest tegenover de aandoeningen en
+ over de Vrijheid van den Geest heb willen betoogen. Er
+ blijkt hieruit, hoeveel de wijze vermag en hoeveel
+ sterker hij is dan de onwetende die alleen door lust
+ geleid wordt. Immers behalve dat de onwetende door tal
+ van uitwendige oorzaken her en der gedreven wordt en
+ nooit waarachtige zielsrust erlangt, leeft hij bovendien
+ als onbewust van zichzelf, van God en van de dingen, en
+ zoodra hij ophoudt te lijden houdt hij tevens op te
+ bestaan. De wijze daarentegen, voorzoover men hem als
+ zoodanig beschouwt, wordt nauwelijks van gemoed bewogen
+ en houdt--met eeuwige noodwendigheid zich bewust van
+ zichzelf, van God en van de dingen--nooit op te bestaan,
+ en is steeds de waarachtige zielsrust deelachtig. Indien
+ al de weg, welke, naar ik aantoonde, daarheen leidt, zeer
+ bezwaarlijk lijkt te zijn, hij kan nochtans worden
+ gevonden. En voorzeker, w&egrave;l moet het moeilijk zijn, wat
+ men z&oacute;&oacute; zelden aantreft. Want indien de redding voor het
+ grijpen lag en zonder groote inspanning te bereiken was,
+ hoe ware het dan wel mogelijk dat zij door bijkans
+ iedereen wordt voorbij gezien? Doch &agrave;l voortreffelijks is
+ even moeizaam als zeldzaam.</p>
+ </div>
+
+
+<h4>EINDE.</h4>
+<hr class="full" />
+
+
+
+
+<h3 id="aanteek">AANTEEKENINGEN</h3>
+
+
+
+<hr />
+
+<h3 class="lined">AANTEEKENINGEN</h3>
+
+<hr />
+
+
+<p>Deze aanteekeningen geven geen volledig commentaar, nog minder
+kritiek. Zij bedoelen slechts de aandacht te vestigen op woorden
+die voor sommige lezers verklaring behoeven, of op plaatsen die
+aanleiding tot misverstand zouden kunnen geven. Waar ik
+vertalingen van anderen aanhaal (dr. H. Gorter, Dr. W. Meyer en
+de Duitsche van J. Stern) geschiedt dit allerminst met kritisch
+opzet, doch alleen om den lezer te doordringen van het besef dat
+Spinoza's terminologie somtijds voor verschillende uitlegging of
+omschrijving vatbaar is en dat men bij hem, zoo ergens, meer op
+den geest dan op de woorden moet letten.</p>
+
+
+<div class="nootbloc">
+<br />
+<br />
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<p class="nootitem" id="aanteken1">[Aanteekening 1:
+<i>Essentia.</i> Wezen. De eeuwige,
+onveranderlijke aard of natuur van iets. In de "Korte
+verhandeling van God, de Mensch en deszelfs welstand" zegt
+Spinoza: "De wezentheden van de zaaken zijn van alle Ewigheid
+en zullen in alle ewigheid onveranderlijk blijven". Zie ook
+<a href="#d2d2">Definitie II Deel II</a>. Over "zijnszelfs oorzaak" zie
+aanteekening 8<a href="#aanteken8">[a8]</a>.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag1">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken2">[Aanteekening 2:
+<i>Substantie.</i> Ik gebruik niet het door
+Spinoza zelf gebezigde woord "Zelfstandigheid", daar het in
+den tegenwoordigen tijd een te beperkten, stoffelijken zin
+heeft. Ook niet "zelfstandig-bestaan, het zelfstandige of
+zelfbestaan" (Meyer), hoewel deze termen minder tot
+verwarring aanleiding geven. Het lijkt mij een overdreven
+taalzuivering, woorden als substantie en attribuut, die met
+Spinoza's leer gemeengoed der geheele wereld zijn geworden,
+door Nederlandsche te vervangen. De vreemde termen dwingen
+tot nadenken, eerst na tal van herhalingen en omschrijvingen
+worden zij volkomen verstaanbaar, maar zijn dan tenslotte ook
+duidelijker dan Nederlandsche uitdrukkingen, waaraan men
+gemakkelijker nog een andere beteekenis hecht.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag2">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken3">[Aanteekening 3:
+<i>Attributen.</i> Meyer vertaalt
+"wezens<i>kenmerk</i>". Bedoeld is echter niet zoozeer dat waaraan
+men het wezen van iets herkent, maar dat waarin zich het
+wezen <i>aan ons</i> openbaart, de <i>vorm</i> waarin het verstand het
+wezen opvat. Wezens<i>vorm</i> ware dus juister. Spinoza zelf
+spreekt in de Korte Verhandeling over "Eygenschappen" en
+"Eygene Eygenschappen", geeft echter toe dat dit onduidelijk
+en dubbelzinnig is, daar men met dit woord meestal aanduidt
+kenmerkende eigenaardigheden van dingen (Latijn: <i>propria</i>)
+die "wel aan een zaak behooren, edog nooit en verklaren wat
+de zaak is." Men voelt het verschil wanneer men overweegt dat
+Gods (voor ons menschen kenbare) attributen zijn: "Denken en
+Uitgebreidheid" (moderner: Geest en Materie). Deze
+<i>werkelijkheden</i>, die Godzelf <i>zijn</i>, voorzoover hij zich aan
+ons menschelijk verstand openbaart, kan men wel Gods
+wezens<i>vormen</i> noemen, maar niet zijn kenmerken, nog minder
+zijn eigenschappen. Wel zou men deze laatste woorden kunnen
+bezigen voor Gods onveranderlijkheid, eeuwigheid, almacht,
+alwijsheid enz. Zij worden, zooals Spinoza het uitdrukt:
+"toegepast" aan de "<i>eigene</i> eigenschappen" (attributen),
+zooals bijv. "verstaning" (begrip) aan het Denken, "beweging"
+aan de Uitgebreidheid.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag3">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken4">[Aanteekening 4:
+<i>Bestaanswijzen.</i> (<i>modus</i>, <i>modificatio</i>,
+<i>affectio</i>). Spinoza spreekt in de Korte Verhandeling van
+"bezondere wijzing" of "toeval". Bedoeld zijn de dingen als
+(geestelijke of stoffelijke) verschijningen.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag4">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken5">[Aanteekening 5:
+<i>Openbaringen</i> (<i>affectiones</i>). Meyer:
+wijzigingen; Gorter: aandoeningen; Stern: Erregungen. Al deze
+woorden kunnen tot misverstand aanleiding geven, zij drukken,
+zooals trouwens ook het Latijnsche woord "<i>affectio</i>", een
+lijden, een ondergaan uit, wat geheel en al in strijd is met
+Spinoza's Godsbegrip. Alleen waar het de menschelijke
+gemoedsbewegingen betreft heb ik <i>affectio</i> en <i>affectus</i> met
+<i>aandoening</i> vertaald; zie aanteekening 33<a href="#aanteken33">[a33]</a>.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag5">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken6">[Aanteekening 6:
+<i>Eene substantie.</i> Sommigen vertalen "<i>de</i>
+substantie". Spinoza bewijst echter eerst later dat er
+slechts &eacute;&eacute;ne substantie bestaan kan.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag6">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken7">[Aanteekening 7:
+Letterlijk: "uit oneindige attributen". De
+bedoeling is echter blijkens de toelichting: "uit een
+oneindig aantal".]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag7">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken8">[Aanteekening 8:
+"De zelfstandigheid staat wegens zijn natuur
+voor alle zijne Toevallen" (<i>modificationes</i>). (Korte
+verhandeling, Aanhangsel. Ax. I).
+<br />
+Dit v&oacute;&oacute;rgaan is niet in tijdelijken, maar in logischen zin
+bedoeld. Spinoza's causaliteitsbegrip is niet de gewone
+"oorzaak en gevolg"-voorstelling, maar die van <i>wiskundige</i>
+afhankelijkheid, van <i>logisch</i> in iets anders begrepen zijn.
+Vandaar ook dat hij oorzaak (<i>causa</i>) en reden (<i>ratio</i>) als
+synoniemen gebruikt. <i>Causa sui</i>, zijns-zelfs oorzaak, wordt
+daarom ook <i>niet</i> gedefinieerd als iets dat zichzelf zou
+hebben <i>geschapen</i>, maar als datgene wat krachtens (om
+<i>reden</i> van) zijn eigen wezen <i>bestaat</i>.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag8">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken9">[Aanteekening 9:
+<i>Rerum natura</i>. Eigenlijk "in de natuur der
+dingen". Het woord <i>natura</i> wordt echter afwisselend gebruikt
+in de beteekenis van "aard, wezen, karakter" en van "Natuur,
+Heelal". Ik vertaalde slechts met "natuur" waar dit woord
+geheel ondubbelzinnig is.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag9">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken10">[Aanteekening 10:
+<i>Onder</i>, als openbaring van.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag10">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken11">[Aanteekening 11:
+<i>a posteriori</i>, van achteren beschouwd,
+afgeleid uit de ervaring omtrent voorgaande dingen.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag11">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken12">[Aanteekening 12:
+<i>a priori</i>, van voren aan, voor of zonder
+de ervaring, alleen door redeneering afgeleid.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag12">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken13">[Aanteekening 13:
+<i>Passio</i>, heeft hier meer de beteekenis van
+"hartstocht". Overigens gebruikt Spinoza het woord meestal in
+den letterlijken zin van "lijden", het ondergaan van een
+gemoedsbeweging (door hemzelf in de Korte Verhandeling, en
+ook voortaan in deze vertaling, weergegeven door "lijding")
+in tegenstelling met het begrip "actio", (vrije) handeling.
+Zie <a href="#d3d2">de definities van Lijding en Handeling (Def. II Deel III)</a>.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag13">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken14">[Aanteekening 14:
+<i>Quantitas</i>, hoeveelheid, hoegrootheid.
+Bedoeld is hier echter een lichamelijke, stoffelijke
+"uitgebreide" massa (de continue stof) en niet de oneindige
+"ruimte".]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag14">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken15">[Aanteekening 15:
+<i>Abstract</i>, heeft hier niet de beteekenis
+van zelfgewilde, redelijke, logische afzondering, maar van de
+onwillekeurige afzondering der dingen die door onze
+zintuigelijke waarneming op zichzelf reeds plaats grijpt.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag15">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken16">[Aanteekening 16:
+Het begrip "<i>imaginari</i>" (zich verbeelden)
+wordt door Spinoza niet steeds in denzelfden zin, of liever
+steeds in een zeer ruimen zin, gebruikt. In <a href="#d2s17o">Opmerking St.
+XVII D. II</a> definieert hij het als: "zich iets als <i>aanwezig</i>
+voorstellen" en de bedoeling schijnt daar blijkens het
+zinsverband te zijn: "Iets, <i>dat er in werkelijkheid niet
+is</i>". Dit is ons gewone "zich verbeelden" of "zich
+inbeelden". Spinoza gebruikt echter meestal het woord in den
+ruimen zin van: "zich een beeld vormen", dus "zich iets
+voorstellen", onverschillig of het voorwerp dier voorstelling
+feitelijk aanwezig is of niet. Zoo bv. in <a href="#d2s18b">Bewijs St. XVIII D.
+II</a>, waar de voorstelling van een voorwerp, dat uitdrukkelijk
+als in <i>aanraking</i> zijnde met het menschelijk lichaam genoemd
+wordt, een "verbeelding" heet. In <a href="#d2s17o">de Opmerking bij St. XVII
+D. II</a> heet het dat wij ons de zon dichtbij <i>verbeelden</i>
+(zien, waarnemen) ook al weten wij dat zij zeer ver af staat.
+Ook in <a href="#d2s26gb">het Bewijs van Gevolg St. XXVI D. II</a> wordt (met een
+beroep zelfs op <a href="#d2s17o">de Opmerking bij St. XVII</a>) <i>iedere</i>
+zintuigelijke <i>waarneming</i> "verbeelding" genoemd, waarbij dan
+tevens betoogd wordt dat deze zintuigelijke waarneming ons de
+dingen niet adaequaat doet kennen. In <a href="#d2s49o">de Opmerking bij St.
+XLIX D. II</a> wordt gewaarschuwd om "verbeeldingen, woorden en
+voorstellingen" met elkaar te verwarren en onze
+voorstellingen te beschouwen als "stomme schilderijen op een
+paneel". Hier bedoelt Spinoza dan echter met "voorstelling"
+meer uitsluitend een zuiver redelijk begrip, zooals hij dit
+in <a href="#d2s48o">de Opmerking bij St. XLVIII</a> definieert: "geen beeld zooals
+het op den achtergrond van ons oog gevormd wordt, maar
+begrippen van het Denken."
+<br />
+Meestal vertaalde ik <i>imaginatio</i> met "verbeelding" om den
+lezer met Spinoza's terminologie vertrouwder te maken. Waar
+verwarring te vreezen was gebruikte ik het woord
+"voorstelling."]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag16">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken17">[Aanteekening 17:
+<i>Causa efficiens</i>, bewerkende oorzaak;
+naast <i>causa finalis</i>, oorzaak voorzoover daarbij tevens aan
+het resultaat gedacht wordt, doel-oorzaak, doel-einde,
+beweegreden.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag17">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken18">[Aanteekening 18:
+<i>Per se</i>, door zichzelf, krachtens eigen
+noodwendigheid, en <i>per accidens</i>, door een andere,
+bijkomstige, toevallige zaak of omstandigheid veroorzaakt.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag18">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken19">[Aanteekening 19:
+<i>Formalis rerum essentia</i>, <i>Ens (of Esse)
+formale</i> of <i>reale</i>, door Spinoza zelf vertaald met
+"formelijk, dadelijk wezen". Vorm-hebbend,
+<i>werkelijk-bestaand</i>, <i>feitelijk</i>, in tegenstelling met <i>ens
+rationis</i> (wezen van Reden, Sp.), wezen voor zoover het
+slechts in de voorstelling bestaat.
+<br />
+<i>Forma</i>, aard, wezen, natuur, bestaansvorm.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag19">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken20">[Aanteekening 20:
+<i>Objective</i>, als iets voorwerpelijks,
+(d.w.z. als een beeld) bestaande in de voorstelling. Zie ook
+in <a href="#d2s8g">Gevolg St. VIII Deel II</a>: "het objectief bestaan der dingen
+ofwel hun voorstelling."]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag20">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken21">[Aanteekening 21:
+<i>Principia philosophiae Cartesianae</i>. Deel
+I Stelling XIX. <i><a href="#d1s19">Stelling XIX</a></i> God is eeuwig.
+<br />
+<i>Bewijs.</i> God is het meest volmaakte wezen, waaruit volgt dat
+hij noodzakelijk moet bestaan. Indien wij hem echter een
+beperkt bestaan toekenden, zouden de grenzen van zijn bestaan
+noodzakelijk zoo niet door ons, dan toch door God zelf
+begrepen moeten worden, aangezien hij het hoogste verstand
+is. Zoodat God zich bewust zou zijn dat hijzelf, te weten het
+hoogst volmaakte wezen, buiten die zekere grenzen niet
+bestond; hetgeen ongerijmd is. Derhalve heeft God niet een
+beperkt, doch een oneindig bestaan, hetwelk wij eeuwigheid
+noemen. God is dus eeuwig.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag21">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken22">[Aanteekening 22:
+<i>Absoluut</i>, vrij, onafhankelijk, op
+zichzelf staand, onvoorwaardelijk, volstrekt.
+<br />
+<i>Ex absoluta natura</i>, uit niets dan het wezen, uit het wezen
+geheel op zichzelf, afgescheiden van zijn verschijningsvormen
+beschouwd.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag22">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken23">[Aanteekening 23:
+<i>Cogitatio</i>, in de Korte Verhandeling
+vertaald met "Denking". Waar ons begrip "Denken" alle
+geestelijke verschijnselen omvat, achtte ik het niet noodig
+het ongewone woord "Denking" te aanvaarden.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag23">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken24">[Aanteekening 24:
+Het gebruik van het woord <i>modus</i>,
+<i>modificatio</i> (bestaanswijze, wijziging) voor iets
+noodwendigs en oneindigs, lijkt in strijd met Spinoza's eigen
+opvatting en omschrijving der verschijningswereld als een
+samenstel van tijdelijke, begrensde en dus eindige dingen.
+Wat Spinoza in <a href="#d1s21">deze stellingen XXI</a>, <a href="#d1s22">XXII</a>
+en <a href="#d1s23">XXIII</a> bedoelt met
+deze <i>oneindige</i> bestaanswijzen, zijn niet "dingen, in de
+attributen voortgebracht", maar de onmiddellijke
+openbaringswijzen der attributen zelf, datgene wat, zooals
+Spinoza elders zegt, moet worden "toegepast aan de eigene
+Eigenschappen" (zie aanteekening 3<a href="#aanteken3">[a3]</a>). Dit blijkt ook uit de
+opheldering die Spinoza zelf geeft in een brief (LXIV) aan
+C.H. Schuller, die hem verzocht had voorbeelden te noemen van
+zaken die onmiddellijk door God, en van zaken welke eerst
+door bemiddeling van een "oneindige wijziging" zijn
+voortgebracht. Spinoza antwoordde hierop: "De voorbeelden
+tenslotte, welke gij verlangt van de eerste soort, zijn in
+het Denken het absoluut oneindig verstand [nl. Gods verstand
+of wil, zie <a href="#d1s32g2">St. XXXII Gevolg II</a>], in de Uitgebreidheid de
+Beweging en de Rust; voorbeeld van de tweede soort echter is
+het aanzien van het gansche Heelal dat, hoewel het op
+oneindig vele wijzen wisselt, toch steeds hetzelfde blijft."]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag24">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken25">[Aanteekening 25:
+<i>Concludi sive percipi</i>. Ook het gebruik
+dat Spinoza maakt van de woorden <i>percipere</i>, <i>concipere</i>,
+<i>sentire</i>, staat niet vast. Hier is <i>percipere</i> gelijkgesteld
+met begrijpen, elders met in zich opnemen, opvatten,
+waarnemen, gewaarworden, voorstellen, of wordt het als
+synoniem beschouwd met <i>sentire</i>, dat weer meestal voelen,
+gewaarworden, zich bewustzijn beteekent (Zie <a href="#d2s49o">Opmerking St.
+XLIX Deel II</a>: <i>sentire sive percipere</i>, waarnemen of in ons
+opnemen). Daarentegen vindt men in <a href="#d2a5">Axioma V Deel II</a> weer:
+<i>sentimus nec percipimus</i> (waarnemen noch gewaarworden)
+waardoor dus weer een onderscheid tusschen de beide begrippen
+gesteld wordt. In <a href="#d2d3">Def. III Deel II</a> tracht Spinoza te
+onderscheiden tusschen <i>conceptio</i> en <i>perceptio</i> (waarneming
+en gewaarwording, zie ook aanteekening 30<a href="#aanteken30">[a30]</a>) zonder evenwel
+verder die onderscheiding streng vol te houden. In <a href="#d2s5">St. V Deel
+II</a> bijvoorbeeld spreekt hij alweer van: <i>ideata sive res
+perceptas</i> (het voorgestelde <i>of</i> de waargenomen dingen).
+<br />
+Ik heb deze begrippen overal vertaald met die schakeering
+welke mij voor iedere bepaalde plaats het duidelijkst leek.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag25">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken26">[Aanteekening 26:
+<i>Natura naturans</i>, God als absolute, uit
+zichzelf werkende, eerste oorzaak, als actief scheppend beginsel.
+<br />
+<i>Natura naturata</i>, God als schepping, geschapenheid, als zijn
+eigen openbaring, als verschijning van zichzelf, als wereld
+der dingen, als Natuur in den gewonen zin.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag26">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken27">[Aanteekening 27:
+<i>Actu</i>, actief, werkend, en <i>in potentia</i>:
+potentieel, gedacht als een vermogen om te denken,
+verstand-in-aanleg.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag27">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken28">[Aanteekening 28:
+Bedoeld is: zouden zij allen, ook al
+brachten zij in ieder mensch, naar elks gevoel verschillende
+aandoeningen teweeg, toch, evenals wiskundige waarheden, door
+alle menschen op dezelfde wijze worden begrepen.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag28">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken29">[Aanteekening 29:
+<i>Corpus</i>. Om alle verwarring te vermijden
+heb ik overal waar <i>corpus</i> niet in wiskundigen zin gebruikt
+wordt, of waar niet in het bijzonder het <i>menschelijk</i>
+lichaam bedoeld is, het woord "voorwerp" gebezigd.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag29">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken30">[Aanteekening 30:
+Andere vertalers (Gorter, Meyer, Stern)
+hebben: liever <i>begrip</i> dan <i>waarneming</i>. M.i. is deze
+vertaling verwarrend. Immers begrip heeft voor ons juist een
+<i>engere</i> beteekenis dan voorstelling zonder <i>meer</i>. Bovendien
+ligt in het woord waar<i>neming</i> niets passiefs, zooals in
+gewaar<i>wording</i>. (Zie ook aanteekening 25<a href="#aanteken25">[a25]</a>)]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag30">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken31">[Aanteekening 31:
+<i>Adaequaat</i>. Letterlijk: evenarend, gelijkend op,
+gelijkkomend aan. De vertaling van dit begrip,
+zooals het door Spinoza wordt gebruikt, door &eacute;&eacute;n woord is
+onmogelijk. Dikwijls zou "juist" of "waar" voldoende zijn,
+dan weder ware "volledig" of "helder en duidelijk", of
+"overeenstemmend met, beantwoordend aan het voorwerp der
+voorstelling" beter.
+<br />
+<i>Inadaequaat</i>, <i>gedeeltelijk</i> (in <a href="#d3d1">Def. I Deel III</a>) of, als
+tegenstelling met "helder en duidelijk": gebrekkig en
+verward.
+<br />
+Overigens blijkt de beteekenis dezer woorden zoo duidelijk op
+tal van plaatsen, dat ik het Latijnsche woord, dat trouwens
+evenals substantie en attribuut overal burgerrecht verkreeg,
+onvertaald laat.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag31">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken32">[Aanteekening 32:
+<i>Perfectio</i>. Hier is het woord "volmaakt"
+in zuiver letterlijken zin op te vatten als "geheel-af
+gemaakt", zoodat aan alle denkbare voorwaarden van het
+bestaan ervan inderdaad voldaan is.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag32">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken33">[Aanteekening 33:
+<i>Affici</i>. Spinoza gebruikt <i>afficere</i>,
+"aandoen", voor iedere inwerking, zoowel geestelijk als
+lichamelijk (<a href="#d3d3">Def. III Deel III</a>). Omdat het moderne
+spraakgebruik echter bij het woord aandoening (&oacute;&oacute;k zelfs bij
+"lichaams-aandoening") in de eerste plaats aan
+<i>gemoeds</i>beweging, (den weerslag der inwerking op onzen
+geest) doet denken, heb ik in mijn vertaling overal waar deze
+laatste niet bedoeld is, gesproken van "inwerking".]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag33">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken34">[Aanteekening 34:
+D.w.z. de mensch heeft niet den aard
+(<i>forma</i>, zie aanteekening 19<a href="#aanteken19">[a19]</a>) van een zelfstandig
+bestaand wezen.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag34">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken35">[Aanteekening 35:
+Feitelijk bestaan, aanzijn, Duitsch:
+Dasein.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag35">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken36">[Aanteekening 36:
+Bedoeld is: en in dit geval, voorzoover wij
+namelijk den mensch, met voorbijzien der andere attributen,
+slechts als Geest beschouwen, bestaat zijn wezen uit
+bestaanswijzen van het Denken.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag36">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken37">[Aanteekening 37:
+Waarop zich bijvoorbeeld A bevindt, zooals
+een of ander voorwerp op de aarde.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag37">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken38">[Aanteekening 38:
+<i>Forma</i>. De eigenlijke vorm, <i>gedaante</i>, is
+in <a href="#d2a3">Ax. III</a> reeds <i>figura</i> genoemd, het schijnt dus dat hier
+iets anders bedoeld is. Dit blijkt ook uit <a href="#d2h5">Hulpstelling V</a>
+waar, door vergrooting of verkleining der deelen, de gedaante
+van het geheel wel degelijk zou veranderen. Het best lijkt
+mij de beteekenis weer te geven met: eigenaardigheid,
+<i>karakter</i>, wat ook blijkt uit <a href="#d2h4b">het "Bewijs"</a>: de "<i>forma</i>"
+hangt af van het verband; het verband blijft bestaan, dus
+behoudt het individu zijn "<i>natura</i>".
+<br />
+Eigenlijk beteekenen dus wendingen als, "zal het individu
+zijn aard (<i>natura</i>) behouden" en "geenerlei verandering van
+karakter (<i>forma</i>) ondergaan" hetzelfde en lijkt hun
+koppeling overbodig; tenzij men wezen en karakter niet geheel
+als identiek beschouwt, maar karakter opvat als "wijze waarop
+zich het wezen in de werkelijkheid vertoont" (zie ook de
+beteekenis van <i>formalis</i> als "werkelijk bestaand" in
+aanteekening 19<a href="#aanteken19">[a19]</a>)]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag38">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken39">[Aanteekening 39:
+<i>Vera</i>, ware. Spinoza bedoelt "volledige".
+<br />
+Deze botsings- en terugkaatsingstheorie lijkt vrij na&iuml;ef,
+maar verschilt in wezen niets van iedere andere mechanische
+of physische verklaring der indrukken van het menschelijk
+lichaam. Overigens verlieze men nooit uit het oog dat Spinoza
+nooit de geestelijke verschijnselen modern-materialistisch op
+mechanische wijze "verklaart", d.w.z. niet leert dat
+stoffelijk-mechanische verschijnselen de geestelijke
+verschijnselen <i>veroorzaken</i>, maar dat zij die verschijnselen
+zelf <i>zijn</i> onder een ander gezichtspunt (als openbaring van
+een ander attribuut) beschouwd.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag39">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken40">[Aanteekening 40:
+<i>Transcendentale begrippen</i>. Oorspronkelijk
+wordt hiermede bedoeld: wat (de zintuigelijke waarneming) te
+boven gaat; bovenzinnelijk; niet op ervaring berustend. Hier
+heeft het echter de beteekenis van "afgetrokken", waarbij van
+alle bijzonderheid is afgezien.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag40">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken41">[Aanteekening 41:
+<i>Intu&iuml;tief</i>: door onmiddellijke
+aanschouwing (doorzien) van het wezenlijke in iets.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag41">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken42">[Aanteekening 42:
+<i>Volitio</i>. Ik gebruik het woord "willing"
+naar analogie met "lijding" om een bijzondere bestaanswijze
+van den "wil" aan te duiden. Het gewone "wilsuiting" toch
+slaat eigenlijk meer op het resultaat van dien bijzonderen
+wil, of althans op de manier waarop hij zich openbaart.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag42">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken43">[Aanteekening 43:
+<i>In evenwicht</i>, d.w.z. wanneer hij geen
+keus weet te doen, wijl v&oacute;&oacute;r en tegen elkaar opwegen.
+<br />
+<i>Jean Buridan</i>, 1297-1358, rationalistisch wijsgeer. De
+vergelijking van den ezel, die tusschen twee evenver
+verwijderde bossen hooi staande, van honger omkomt, is in
+zijn werken niet te vinden, maar waarschijnlijk verzonnen
+door zijn bestrijders om zijn determinisme belachelijk te
+maken.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag43">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken44">[Aanteekening 44:
+<i>Inculcare non teneor, quid unusquisque
+somniare potest.</i> Volgens anderen: maar omdat ik niet
+gehouden ben in te gaan op al wat men belieft te droomen.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag44">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken45">[Aanteekening 45:
+Ook in het zeldzamer geval dat wij w&eacute;ten
+dat wij droomen, bekijken wij weliswaar kritisch en
+oordeel-opschortend onzen eigen droom, maar oefenen toch niet
+een willekeurigen invloed uit op zijn beloop.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag45">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken46">[Aanteekening 46:
+<i>Pietas</i>. Vroomheid in de ruimste
+beteekenis: rechtschapenheid, flinkheid, plichtsbetrachting.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag46">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken47">[Aanteekening 47:
+Bij Spinoza staat "derde". Het wordt echter
+feitelijk in het vierde Deel betoogd. In den oorspronkelijken
+opzet had de Ethica evenwel een andere indeeling, vandaar
+Spinoza's vergissing.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag47">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken48">[Aanteekening 48:
+De onderstelling van Spinoza dat
+handelingen van "redelooze" dieren of van slaapwandelaars
+buiten den geest om zouden plaats kunnen grijpen is
+natuurlijk geheel willekeurig en in strijd met de
+hedendaagsche opvattingen omtrent de onderbewuste werkingen
+van den geest.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag48">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken49">[Aanteekening 49:
+Toespeling op het later ook aangehaalde
+"<i>Video meliora proboque, deteriora sequor</i>". (Wel zie ik het
+betere en prijs het; toch jaag ik het slechtere na) Ovidius,
+Metam: VII. 20.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag49">(terug)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken50">[Aanteekening 50:
+<i>Appetitus</i>. Drang. Bij anderen: lust,
+verlangen. Het komt mij echter voor dat hier het woord een
+nog algemeener beteekenis heeft.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag50">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken51">[Aanteekening 51:
+<i>Potentia agendi</i>. Dit "vermogen tot
+handelen" moet niet als geheel gelijkluidend met werkkracht
+of energie worden opgevat. Immers lichaam of geest kunnen
+zeer werkzaam zijn en daarbij toch "lijden" in
+Spinozistischen zin. Wel geeft "levenskracht", opgevat als
+kracht om in zijn bestaan te volharden, de beteekenis weer.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag51">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken52">[Aanteekening 52:
+De vertaling van Spinoza's terminologie der
+gemoedsaandoeningen is bijzonder lastig, daar hij zich--naar
+hijzelf erkent (<a href="#d3n20t">Toelichting Def. XX der Aandoeningen D.
+III</a>)--geenszins houdt aan de gewone gangbare beteekenis der
+woorden. Daardoor geeft hij soms definities die aan een
+eenmaal bestaanden term een beperkter of wijder strekking
+geven. Onze taal is rijker aan uitdrukkingen voor allerlei
+gevoelsschakeeringen dan het Latijn, zoodat men er Spinoza's
+bedoeling dikwijls in kan benaderen.
+<br />
+In d&eacute;ze zinsnede is m.i. het vertalen van <i>hilaritas</i> door
+opgeruimdheid of vroolijkheid en van <i>melancholia</i> door
+zwaarmoedigheid minder juist. Immers deze woorden duiden bij
+ons zuiver geestelijke toestanden aan, terwijl Spinoza hier
+uitdrukkelijk doelt op aandoeningen die met een
+lichaamsgevoel gepaard gaan.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag52">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken53">[Aanteekening 53:
+<i>conscientiae morsus</i>. Eigenlijk
+gewetens-knaging, wroeging. Blijkens de definitie bedoelt
+Spinoza echter niets anders dan Spijt. Hartzeer (inderdaad
+een "knagende" pijn). Voor ons is gewetenswroeging echter
+gelijkluidend met "Berouw", d.i. Spijt met het bewustzijn van
+eigen schuld.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag53">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken54">[Aanteekening 54:
+Spinoza blijft steeds van <i>res</i>, ding,
+spreken; ik heb echter in 't vervolg meestal "wezen"
+gebruikt.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag54">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken55">[Aanteekening 55:
+<i>Causae externae</i>. Volgens andere uitgaven
+<i>internae</i>, inwendige. Wat schijnbaar beter aan de bedoeling
+beantwoordt. Men kan echter ook zeer goed voor den geest,
+voorzoover hij zichzelf beschouwt, het eigen Zelf als iets
+uitwendigs, als een voorwerp, opvatten.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag55">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken56">[Aanteekening 56:
+Deze definitie geeft aan het begrip
+"Wreedheid" een veel beperkter beteekenis dan het woord in
+het spraakgebruik (ook het Latijnsche) heeft. Er bestaat
+echter voor deze zucht om een wezen dat ons liefheeft te
+kwellen, geen afzonderlijk woord.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag56">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken57">[Aanteekening 57:
+<i>Admiratio</i>, letterlijk: aanstaren als een
+wonder. Het woord bewonderen, door sommige vertalers
+gebruikt, heeft bij ons een te eenzijdige beteekenis; ik
+vertaalde daarom waar de zin algemeener was: verbazing.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag57">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken58">[Aanteekening 58:
+<i>Plus curiositatis quam utilitatis
+haberent</i>. Meyer: zouden meer strekken tot aanvulling dan tot
+nut. Gorter: zouden meer zeldzaamheid dan nuttigheid hebben.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag58">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken59">[Aanteekening 59:
+<i>Impetus</i>, onstuimige, plotseling opkomende
+drang.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag59">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken60">[Aanteekening 60:
+<i>Sive ea sit innata, sive quod ipsa per
+solum Cogitationis, sive per solum Extensionis attributum
+concipiatur.</i>
+<br />
+Het komt mij voor dat achter "<i>innata</i>" een tegenstelling is
+weggevallen, bv., "dan wel verworven". Spinoza bedoelt
+<i>iedere</i> gesteldheid, hoe ook in ons teweeg gebracht en onder
+welk attribuut ook beschouwd.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag60">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken61">[Aanteekening 61:
+Op haar gewoonte: op een daaraan
+beantwoordende duurzame gemoedsgesteldheid.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag61">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken62">[Aanteekening 62:
+<i>Modestia.</i> In verband met andere plaatsen
+leek mij "gematigdheid, minzaamheid" meer in overeenstemming
+met Spinoza's bedoeling dan het gebruikelijke
+"bescheidenheid", waarin veelal een ongerechtvaardigde
+geringschatting van zichzelf ligt opgesloten.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag62">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken63">[Aanteekening 63:
+<i>Animi pathema</i>: <i>gemoeds</i>-lijding, hier
+uitdrukkelijk zoo genoemd om haar te onderscheiden van de
+aandoening van (inwerking op) het <i>lichaam</i>, welke door
+Spinoza eveneens <i>affectus</i> genoemd wordt.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag63">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken64">[Aanteekening 64:
+Deze onderscheiding tusschen de begrippen
+"toevallig" en "mogelijk" is misschien het best weer te geven
+door "theoretisch (logisch) mogelijk" en "praktisch
+(feitelijk) mogelijk".]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag64">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken65">[Aanteekening 65:
+Hier is met <i>imaginatio</i> (zie aanteekening
+16<a href="#aanteken16">[a16]</a>) niet bedoeld &igrave;edere zintuigelijke voorstelling
+(verbeelding), maar in het bijzonder de z&oacute;&oacute; onvolledige en
+verwarde, dat wij haar dwaling noemen.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag65">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken66">[Aanteekening 66:
+<i>Cum nostra comparata</i>. Niet <i>vergeleken</i>
+bij de onze, want het betreft hier de feitelijke verhouding
+van den invloed, en niet ons oordeel daaromtrent.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag66">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken67">[Aanteekening 67:
+<i>Affectus erga</i>: de aandoening jegens,
+d.w.z. de aandoening door iets in ons te weeg gebracht.
+Meyer: "stemming tegenover" en op andere plaatsen:
+"belangstelling in" (<a href="#d4s11">St. XI</a>, <a href="#d4s12">XII</a>
+en <a href="#d4s13">XIII</a>). M.i. heeft echter
+<i>affectus</i> hier steeds de beteekenis van aandoening in het
+algemeen; immers de stellingen gelden evenzeer voor tal van
+gevallen waarbij heel andere aandoeningen in het spel zijn
+dan vage "stemming" of zelfs "belangstelling", bv. angst voor
+een onafwendbare ramp etc.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag67">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken68">[Aanteekening 68:
+<i>Temeraria</i>. Ook "onbezonnen" ware
+misschien juist, als tegenstelling tot de "ware" (bezonnen)
+kennis van goed en kwaad.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag68">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken69">[Aanteekening 69:
+<i>Potest prior hac concipi</i>. M.i. moet ook
+deze prioriteit niet worden opgevat als een <i>tijdelijke</i>,
+maar als een <i>logische</i>. Het streven om zichzelf te handhaven
+is de eerste, fundamenteele deugd, waaruit de andere deugden
+moeten worden afgeleid; slechts als zoodanig kan men zeggen
+dat het aan alle deugden voorafgaat.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag69">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken70">[Aanteekening 70:
+<i>Mea haec est ratio, et sic animum induxi
+meum</i>. Anderen beschouwen "<i>et sic</i> enz." als een herhaling
+van het voorgaande. Meyer: "wat mij betreft, ik denk hierover
+aldus". Stern: "Ich meinerseits denke so und habe folgende
+Ansicht gewonnen." M.i. echter is de vertaling van <i>animum
+inducere</i> met "zich voornemen" hier niet alleen toelaatbaar,
+maar zelfs de eenige die het anders slappe en overbodige
+zinsdeel krachtig en zinrijk maakt.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag70">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken71">[Aanteekening 71:
+Meyer: overmoed en uitgelatenheid. Het is
+m.i. echter niet noodig hier gerustheid en verheuging in hun
+overdrijving te beschouwen. Ook de niet overdreven gerustheid
+en verheuging zijn reacties op vrees en als zoodanig voor
+Spinoza bewijzen van geestelijke machteloosheid; evenals
+medelijden, overdreven of niet.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag71">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken72">[Aanteekening 72:
+<i>Bene agere en laetari</i>. W&egrave;l doen moet hier
+niet worden opgevat als "weldaden bewijzen" in de gewone
+beteekenis, maar als "goed, flink, krachtig, redelijk
+<i>handelen</i>" in den Spinozistischen zin van het woord.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag72">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken73">[Aanteekening 73:
+<i>Nullius rei ipsos puderet, nec ipsi
+quicquam metuerent, quo vinculis conjungi constringique
+possent?</i> Andere lezing, zonder vraagteeken: "zouden zij zich
+nergens voor schamen en niets vreezen, waardoor zij thans nog
+in den band worden gehouden en beteugeld". Deze laatste
+lezing sluit m.i. minder logisch aan bij den volgenden zin.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag73">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken74">[Aanteekening 74:
+Met "verbeteren" is hier bedoeld: temperen,
+overwinnen door een andere aandoening.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag74">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken75">[Aanteekening 75:
+<i>Ignaros</i>, onwetend, onontwikkeld, nog niet
+tot inzicht gekomen. Andere lezing: <i>ignavos</i>: krachteloos,
+zwak. Deze laatste opvatting zou hier, in tegenstelling tot
+den "vrijen", krachtigen mensch, wel toelaatbaar zijn. Maar
+ook verderop wordt telkens het eerste woord gebruikt.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag75">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken76">[Aanteekening 76:
+<i>Atque tum magis discordia quam concordia
+fovetur.</i> Andere lezing: <i>discordi&acirc; quam concordi&acirc;</i>
+(ablativus), waardoor de zin zou worden: "in welk geval zij
+(nl. de abnormale, tot waanzin gestegen zinnelijkheid) door
+tweedracht m&eacute;&eacute;r nog dan door eendracht geprikkeld wordt." Dit
+is echter moeilijker in verband te brengen met <a href="#d3s31g">Gevolg St.
+XXXI D. III</a> waarnaar juist verwezen wordt.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag76">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken77">[Aanteekening 77:
+<i>Compendium</i>. Samenvatting. Meyer: kort
+begrip. Stern: Inbegriff. Gorter leest <i>compensatio</i>,
+vergoeding. Als "Ruilmiddel" <i>weegt</i> het geld <i>tegen</i> alle
+dingen <i>op</i> en <i>vertegenwoordigt</i> het ze tevens.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag77">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken78">[Aanteekening 78:
+<i>Spiritus animales</i>, dierlijke geesten.
+Bedoeld zijn de verschillende krachten die door Descartes
+e.a. als oorzaken der verschillende levensverschijnselen
+ondersteld worden.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag78">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken79">[Aanteekening 79:
+<i>Non nisi ratione distinguetur</i>. Meyer:
+"Geen ander dan een <i>denkbeeldig</i> onderscheid". Stern: "Nur
+nach dem <i>Verh&auml;ltnis</i> verschieden sein." M.i. is de bedoeling
+deze: de nieuwe voorstelling is een (adaequate) voorstelling
+omtrent een (oorspronkelijk inadaequate) voorstelling, dus
+niet <i>feitelijk</i> maar alleen <i>in redelijk opzicht</i> (voor ons
+begrip) er van onderscheiden. In werkelijkheid zijn beide
+voorstellingen &eacute;&eacute;n (zooals lichaam en geest) en dus kunnen
+uit de nieuwe voorstelling, omdat zij adaequaat is, slechts
+handelingen voortvloeien, m.a.w. de oorspronkelijke
+aandoening houdt op lijding te zijn.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag79">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken80">[Aanteekening 80:
+<i>Simpliciter</i>; eenvoudig, zoomaar.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag80">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken81">[Aanteekening 81:
+<i>Secundum ordinem ad intellectum</i>. Volgens
+een orde, welke door het verstand vereischt wordt, of welke
+hen geschikt maakt om begrepen te kunnen worden.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag81">(TERUG)</a></div>
+<p class="nootitem" id="aanteken82">[Aanteekening 82:
+Men verwarre Spinoza's "eeuwigheid van den
+Geest" niet met een "persoonlijk voortbestaan". Onze
+persoonlijkheid immers is naar Spinoza's opvatting slechts
+een tijdelijke, vergankelijke bestaanswijze (<i>modus</i>) die
+afhankelijk is van onze lichaamsindrukken, zich met deze
+wijzigt en met het lichaam te gronde gaat. Zie <a href="#d4s39o">de Opmerking
+bij St. XXXIX Deel IV</a>, waar Spinoza zegt dat een individu
+zich onder bepaalde omstandigheden zoozeer kan wijzigen, dat
+hij "niet gaarne zou willen volhouden dat hij dezelfde mensch
+was als voorheen." Zelfs den volwassene kent Spinoza daar
+blijkbaar een andere individualiteit toe als het kind.
+<br />
+Dat de stellingen die over de eeuwigheid des Geestes handelen
+voor velen zoo duister zijn ligt m.i. in de eerste plaats
+hieraan dat men, ofschoon Spinoza zelf er telkens voor
+waarschuwt, zijn onsterfelijkheid of eeuwigheid verwart met
+een "voortbestaan in den tijd". Maar een tweede aanleiding
+tot verwarring is dat Spinoza niet uitdrukkelijk genoeg doet
+uitkomen dat eigenlijk het <i>Lichaam even eeuwig en
+onsterfelijk is als de Geest</i>. Immers ook het individueele
+lichaam gaat met den dood als zoodanig te gronde, ofschoon
+het als "stof" (Uitgebreidheid) onvernietigbaar, eeuwig is.
+Het l&igrave;jkt wel alsof Spinoza in de eenigszins slordige
+<a href="#d5s23">Stelling XXIII</a> "De menschelijke Geest kan niet <i>met</i> het
+Lichaam <i>geheel en al</i> te niet gaan", leert, dat dus het
+Lichaam w&egrave;l absoluut vernietigd wordt; maar het is duidelijk
+dat dit volkomen in strijd zou zijn niet alleen met de
+ervaring, maar met Spinoza's eigen leer. Het wordt bovendien
+in <a href="#d5s23b">het Bewijs dier Stelling</a> zelf indirekt ontkent, waar
+gesproken wordt over het "<i>tegenwoordig</i> bestaan des
+Lichaams", in tegenstelling dus met zijn eeuwig bestaan.
+<br />
+Een dualistische opvatting van Geest en Lichaam, als van
+<i>twee</i> dingen, die <i>gescheiden</i> zouden kunnen worden, is in
+Spinoza's systeem <i>ondenkbaar</i>. Geest en stof, Denken en
+Uitgebreidheid, zijn bij Spinoza immers niet in eigenlijken
+zin <i>verbonden</i>, maar identiek, <i>&eacute;&eacute;n en hetzelfde</i>. Wat wij
+dus van den mensch bij zijn dood zien teniet gaan, of liever
+zich oplossen, is zijn <i>tijdelijke</i> verschijning
+(bestaanswijze) als Geest-Lichaam, dus zijn lichamelijke &egrave;n
+geestelijke individualiteit. Voorzoover hij echter
+stof-op-zichzelf is, d.w.z. God, gedacht als Uitgebreidheid,
+is zijn Lichaam eeuwig en in dienzelfden zin is zijn Geest
+eeuwig, als keerzijde van dit eeuwige lichaam, als
+voorstelling ervan, als God, voorzoover hij Denken is. Ons
+lichaam wordt "stof", d.i. Uitgebreidheid zonder bepaalden
+vorm, en zoo wordt onze geest "Denken, Verstand", <i>zonder</i>
+"verbeelding en herinnering", welke juist aan dien bepaalden
+lichaamsvorm gebonden waren.
+<br />
+Hoe meer de mensch nu "&eacute;&eacute;n is met God", dat wil in den
+Spinozistischen gedachtengang zeggen: hoe beter hij God
+begrijpt en hoe meer hij hem lief heeft d.w.z. hoe redelijker
+hij denkt en leeft; hoe meer hij ook doordrongen zal zijn van
+het besef van noodwendigheid en eeuwigheid en hoe minder de
+illusie van zijn tijdelijk bestaan en de vrees voor zijn dood
+hem zullen hinderen. Spinoza drukt dit, in een m.i.
+verwarrende beeldspraak, uit in de woorden: hoe grooter
+<i>deel</i> van zijn Geest zal overblijven. Nog iets duidelijker
+wordt Spinoza's opvatting van eeuwigheid wanneer men haar in
+verband brengt met zijn (mathematisch) causaliteitsbegrip
+(zie ook aanteekening 8<a href="#aanteken8">[a8]</a>). <i>Begrijpen</i> is de dingen zien in
+hun <i>logische afhankelijkheid</i> in plaats van in hun
+<i>tijdelijke opeenvolging</i>, zulk begrip is even tijdloos, even
+eeuwig als een of andere mathematische waarheid, die "in God"
+bestaat. Voorzoover wij dus begrijpen <i>zijn</i> wij eeuwig,
+hebben wij deel aan het oneindige Verstands Gods.]</p>
+</div>
+<div class="nootbloc">
+<div class="sidenote"><a href="#aantag82">(TERUG)</a></div>
+<br />
+</div>
+
+
+
+
+<hr class="full" />
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Ethica, by Benedictus de Spinoza
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ETHICA ***
+
+***** This file should be named 15497-h.htm or 15497-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/5/4/9/15497/
+
+Produced by Miranda van de Heijning, Tony Browne and the Online
+Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/15497-h/images/koorden.png b/15497-h/images/koorden.png
new file mode 100644
index 0000000..9ff70da
--- /dev/null
+++ b/15497-h/images/koorden.png
Binary files differ
diff --git a/15497-h/images/spinoza1.jpeg b/15497-h/images/spinoza1.jpeg
new file mode 100644
index 0000000..8b55c55
--- /dev/null
+++ b/15497-h/images/spinoza1.jpeg
Binary files differ
diff --git a/15497-h/images/spinoza2.jpeg b/15497-h/images/spinoza2.jpeg
new file mode 100644
index 0000000..0b508a1
--- /dev/null
+++ b/15497-h/images/spinoza2.jpeg
Binary files differ
diff --git a/15497-h/images/titelpagina.jpeg b/15497-h/images/titelpagina.jpeg
new file mode 100644
index 0000000..735de37
--- /dev/null
+++ b/15497-h/images/titelpagina.jpeg
Binary files differ
diff --git a/15497-h/images/voorkant.jpeg b/15497-h/images/voorkant.jpeg
new file mode 100644
index 0000000..d15b76c
--- /dev/null
+++ b/15497-h/images/voorkant.jpeg
Binary files differ